diff options
Diffstat (limited to 'old/62662-0.txt')
| -rw-r--r-- | old/62662-0.txt | 2778 |
1 files changed, 0 insertions, 2778 deletions
diff --git a/old/62662-0.txt b/old/62662-0.txt deleted file mode 100644 index c410b99..0000000 --- a/old/62662-0.txt +++ /dev/null @@ -1,2778 +0,0 @@ -The Project Gutenberg EBook of Het Leven der Dieren: Deel 3.8 De -Stekelhuidigen, Plantdieren en Sponsen, by A. E. Brehm - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most -other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of -the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have -to check the laws of the country where you are located before using this ebook. - -Title: Het Leven der Dieren: Deel 3.8 De Stekelhuidigen, Plantdieren en Sponsen - -Author: A. E. Brehm - -Release Date: July 16, 2020 [EBook #62662] - updated: December 23, 2021 - -Language: Dutch - -Character set encoding: UTF-8 - -*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN: DEEL 3.8 *** - - - - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg - - - - - - - - - - HET LEVEN DER DIEREN - - DE STEKELHUIDIGEN - DE PLANTDIEREN - DE SPONSEN - - DOOR - - A. E. BREHM. - - - - - - - - - -DE STEKELHUIDIGEN (Echinodermata). - - -Binnenslands en in het zoetwater bestaat geen gelegenheid om kennis -te maken met levende Stekelhuidigen. Des te rijker is de zeekust er -van voorzien. Aan de zandige oevers van de Noordzee althans heeft -men slechts den ebstroom te volgen om karakteristieke leden van deze -hoofdafdeeling in grooten getale te ontmoeten. De naam Zeesterren -of Vijfhoeken, die de bewoners van alle kusten aan deze dieren -gegeven hebben, is gegrond op den zeer eigenaardigen bouw van hun -lichaam. Dit is n.l. samengesteld uit afwisselend geplaatste "stralen" -en "tusschenstralen" (radiën en interradiën, in den regel 5), die op -zulk een wijze om één gemeenschappelijke as gerangschikt zijn, dat -telkens het midden van een tusschenstraal juist tegenover het midden -van een straal ligt. Niet slechts bij uitwendig, maar ook bij inwendig -onderzoek blijkt de gelijkvormigheid dezer lichaamsdeelen. Sommige -organen vindt men op overeenkomstige plaatsen in iederen straal -terug; andere komen op gelijke wijze in iederen tusschenstraal -voor; van beide is het aantal dus gelijk aan dat der afdeelingen, -of aan een veelvoud er van. Andere organen (n.l. zulke, waarvan het -dier er slechts één bezit, zooals de mond en de aars) zijn in de as -gelegen. Met het oog op deze feiten spreekt men van straalsgewijzen -bouw, van radiale symmetrie. Men stelt zich voor, dat de Stekelhuidigen -verdeeld kunnen worden in een aantal volgens één as samenkomende -gelijke of althans gelijkvormige stukken (antimeren), ieder gevormd -door één straal en de beide aanliggende halve tusschenstralen.--Er -zijn echter ook organen, welker plaatsing met den genoemden regel -strijdt, die niet in iedere antimeren voorkomen en ook niet in de -as gelegen zijn: hun ligging bepaalt een vlak, waardoor het lichaam -in twee gelijke helften wordt verdeeld en dus overeenstemt met -het symmetrie-vlak, dat bij alle vroeger behandelde dieren meer of -minder duidelijk viel waar te nemen. Evenals deze, zijn de Zeesterren -dus bilateraal-symmetrisch. Onmiddellijk blijkt dit bij vele andere -Stekelhuidigen, o.a. bij Holothuriën, die dikwijls zeer sterk afwijken -van den typischen cilinder-vorm en bij de Spatangen, die, van boven -gezien, een hartvormige figuur opleveren. Het duidelijkst is echter -de bilaterale symmetrie gedurende den larvetoestand; bij de meeste -Stekelhuidigen is dan geen spoor van straalsgewijze rangschikking -der organen zichtbaar. De meeste leven vrij: de Zeeleliën blijven -na den larvetoestand levenslang of gedurende geruimen tijd door -tusschenkomst van een steel aan den bodem bevestigd. Bij alle -ontstaan in de huid verkalkte, netsgewijs gebouwde skeletdeelen: -bij sommige (vooral bij Holothuriën) zeer klein, onsamenhangend en -verschillend van vorm, bij andere daarentegen groot, plaatvormig en -(al of niet beweegbaar) tot een geheel verbonden. Hoewel het door -deze (soms wel 1 cM. lange) platen gevormde pantser dikwijls "schelp" -wordt genoemd, is het volstrekt niet (als bij de Mossels en Slakken) -een uitwendig omhulsel, maar wel degelijk een in de huid aanwezig, -aan stofwisseling onderhevig skelet. Niet zelden heeft dit huidskelet -beweegbare, al of niet stekelvormige aanhangsels; het duidelijkst zijn -deze bij de Zeeëgels, hoewel ook vele Zeesterren en Slangsterren een -zeer oneffene oppervlakte vertoonen. Aan deze aanhangsels is de naam -der hoofdafdeeling ontleend. - -Alle Stekelhuidigen bezitten een goed ontwikkeld darmkanaal, omgeven -door een lichaamsholte, aan welks wand het is vastgehecht. Met -uitzondering van de Slangsterren en sommige Zeesterren, die de -aarsopening missen, heeft het zoowel een mond als een aars. - -De meeste Stekelhuidigen hebben zoogenaamde ambulacraalpootjes, -regelmatig op reeksen geplaatst, die ambulacra heeten. Wanneer men een -levende Zeester in een schotel met zeewater voor zich heeft, blijkt -het spoedig voor welk doel deze organen dienen. Uit de groeve aan de -onderzijde van iederen straal komen honderden aan handschoenvingers -herinnerende, holle buisjes te voorschijn; zij zijn ieder aan den -top voorzien van een hechtschijfje, dat zich aan 't eerste 't beste -voorwerp vastklemt. Zoodra het dier een voldoend aantal van deze -ankers uitgeworpen heeft, verkort het de gestrekte buisjes, waardoor -het lichaam langzaam naar de nieuwe bevestigingsplaatsen wordt -verschoven. Het uitsteken en verlengen van de ambulacrale pootjes -geschiedt door inpersing van water. Met ieder dezer organen staat -binnen in het lichaam een klein, samentrekbaar blaasje (ampulle) in -verband; het wordt gevuld door een kanaaltje van het watervaatstelsel, -dat bij de meeste Stekelhuidigen zijn inhoud door tusschenkomst van -een zeefvormig doorboorde plaat (madreporenplaat) van buiten ontvangt; -bij de Holothuriën en Zeeleliën echter is dit vocht afkomstig uit -de lichaamsholte, die door microscopisch fijne poriën of door dunne -gedeelten van de huid voortdurend met zeewater gevuld wordt gehouden. - -Bij eenige Holothuriën en een enkele Slangster komt hermaphroditisme -voor; overigens hebben alle Stekelhuidigen de mannelijke en de -vrouwelijke organen over verschillende individuën verdeeld. De meeste -ontwikkelen zich uit eieren en ondergaan gewoonlijk in 't oog vallende -gedaantewisselingen, voordat zij volwassen zijn; andere hebben, als -zij ter wereld komen, dezen ontwikkelingsgang reeds voor een groot -deel doorloopen. Sommige Zeesterren en Slangsterren planten zich -niet slechts geslachtelijk, maar ook door deeling voort; dit is in -zekeren zin een gevolg van hun zeer groot herstellingsvermogen; de -armen geraken zeer licht los van de "schijf"; zeer spoedig worden zij -echter door nieuwe vervangen, die aanvankelijk zeer klein zijn. Alle -Stekelhuidigen zijn zeedieren; men vindt ze van de kust tot op diepten -van meer dan 6500 M. en van de Noordpool tot aan de Zuidpool. Zij -worden in 5 klassen onderscheiden: 1) de Zeerollen of Zeebuidels -(Holothuroidea), 2) de Zeeëgels (Echinoidea), 3) de Zeesterren -(Asteroidea), 4) de Slangsterren (Ophiuroidea) en 5) de Zeeleliën of -Haarsterren (Crinoidea). - - - - - - - -EERSTE KLASSE. - -DE ZEEROLLEN (Holothuroidea). - - -Slechts zelden worden enkele vertegenwoordigers van deze klasse in -de nabijheid van onze kust aangetroffen. Eén van die, welke men hier -zou kunnen ontmoeten, is de hierachter (fig. 5) afgebeelde soort, -welke op een diepte van 10 à 70 vademen de Middellandsche Zee en den -Atlantischen Oceaan, langs de kusten van West- en Noord-Europa (ook -de Noordzee) bewoont, Hyndman's Zeebuidel (Cucumaria Hyndmani) kan 5 -cM. lang worden en heeft een grijze of witte, glanzige huid. Zijn -wormvormig, van achteren dun eindigend lichaam is door de 5 -(grootendeels dubbele) reeksen van ambulacraalpootjes, die zich op -onderling gelijken afstand van voren tot achteren uitstrekken, min -of meer vijfkantig. Van de 5 ambulacra behooren 3 tot de buikzijde -(het trivium), 2 tot de rugzijde (het bivium). De mondopening is -omgeven door 10 boomvormig vertakte voelers; de geheele krans kan -door het inpersen van vocht uit het watervaatstelsel uitgestoken -en met het geheele voorste lichaamsdeel door de spieren van het -slokdarmhoofd in de lichaamsholte teruggetrokken worden. Behoudens de -veel geringere lengte en minder sterke vertakking van de voelers, die -vóór het middelste ambulacrum van het trivium gelegen zijn, heeft deze -lichaamsafdeeling hetzelfde voorkomen als het bivium. Hiermede staat -in verband, dat de Zeebuidel niet, zooals vele van zijne verwanten, -gewoonlijk op den bodem verblijf houdt, maar allerlei verhevenheden, -uitstekende rotspunten, groepen van oesterschelpen, bij voorkeur echter -boom- of netvormige stokken van Hoornkoralen, beklimt. Dit geschiedt -met behulp van de lange, dunne, tamelijk stijve ambulacraalpootjes, -die slechts weinig teruggetrokken kunnen worden. Het spijskanaal is -S-vormig gekromd en loopt aan het achtereind van 't lichaam -uit in de kloak, een zak met sterk gespierde wanden. De kloak staat -tevens in gemeenschap met twee wijde, boomvormig vertakte buizen en -dient, bij wijze van pomp, tot het vullen en ledigen van deze onder -den naam van waterlongen bekende ademhalingsorganen. Na verscheidene -snel opeenvolgende inademingen wordt door de wijd geopende kloak -een dikke waterstraal in weinige sekonden naar buiten geperst. De -microscopisch kleine diertjes, die onze Zeebuidel tot voedsel gebruikt, -worden naar den mond gebracht door de voelers, die zich één voor één -verkorten, binnenwaarts krommen en tot aan hun basis in het spijskanaal -begeven. Zij worden, voordat zij op hun vorige plaats terugkeeren, -door de beide kleine voelers tegen de mondranden aangedrukt en als -'t ware afgelikt. Maanden lang kan dit dier in een aquarium in -'t leven blijven. Nagenoeg voortdurend behoudt het de eens gekozen -standplaats, waaraan het zich bij voorkeur met het achtereind van -'t lichaam vasthecht; aan het verticaal omhooggerichte lichaam -verschaffen de uitgespreide voelers een zeer fraaien tooi. De huid -wordt gesteund door een zeer groot aantal rad- of roostervormig -doorboorde, knobbelige, niet samenhangende kalkplaatjes. - -De leden van het geslacht Holothuria kruipen voortdurend op de -buikzijde, die daarom merkbaar platter is dan de rug en dicht bezet -met ambulacrale pootjes, die op den rug door papillen vervangen -zijn. Hoewel zij in dit opzicht van hare duidelijker radiaal gebouwde -verwanten verschillen, stemmen zij er in alle hoofdzaken mede -overeen. Zeer veelvuldig is in de Adriatische en de Middellandsche -Zee de Pijp-holothurie (Holothuria tubulosa), die een lengte van meer -dan 25 cM. kan bereiken. Men vindt haar zoowel op 20 vademen diepte -als op zeer ondiepe plaatsen in de nabijheid van den oever, zelfs -op zulke, die bij eb droog vallen; zij trekt de voelers in, gelijk -al hare verwanten bij de geringste storing doen, en is dan tegen -een uren lang verblijf op het droge bestand. Door de lederachtige, -roodachtige of zwarte huid tegen uitdroging beschut, liggen deze nu -worstvormige dieren als levenloos op het zand en tusschen de steenen, -versmaad door de Vogels, die op het strand voedsel zoeken, zoowel -als door de menschen, die hier verzamelen wat van hun gading is. - -Een door 't water bedekt exemplaar ziet men langzamerhand de -teruggetrokken voorste lichaamsdeelen weer uitstulpen en met de -gesteelde, aan den top schild- of bladvormige voelers, oogenschijnlijk -zonder eenige keuze, slib, steentjes, schelpgruis en dergelijke -bodembestanddeelen naar den mond voeren; de hierin voorkomende -verteerbare stoffen maken zijn voedsel uit. Omvat men zulk een dier -met de hand, dan trekt het zich krampachtig samen en spuwt zijn eigen -ingewanden uit. Ieder die eens zulk een ervaring heeft opgedaan en -zich door den kleverigen inhoud van een groote Holothurie heeft laten -bevuilen, gaat naderhand omzichtiger met deze dieren om. - -De Holothuriën zijn over alle zeeën verbreid. Verscheidene soorten -van de geslachten Holothuria en Stichopus worden door de inboorlingen -van de Molukken en Philippijnen en van Nieuw-Guinea, vooral echter -door de Polynesiërs, ingezameld, gekookt, gedroogd en aan opkoopers -afgeleverd, die ze in de Chineesche havensteden, in Manila, Batavia -en Singapore ter markt brengen. De Chineezen stellen dit artikel, -dat Trepang wordt genoemd, op hoogen prijs en schrijven er bijzondere -werkingen aan toe. Om het tot spijs te bereiden wordt het vooreerst -afgekrabd, om de korst vuil, die er op zit, met de buitenste, -kalkhoudende laag te verwijderen, en daarna 24 of 48 uur lang in -zoetwater geweekt. De hierdoor gezwollen huid heeft een vuilgrauwe -kleur; zij wordt verscheidene malen afgewasschen, zorgvuldig bevrijd -van ingewanden, zand en andere vreemde stoffen, in kleine stukjes -gesneden en bij de bereiding van sterk gekruide soepen of andere -spijzen gebruikt. Evenmin als aan de eetbare vogelnestjes, is aan -Trepang een eigenaardige smaak waar te nemen. - -Alle genoemde vormen behooren tot de orde der Echte Zeekomkommers -(Pedata), die zich kenmerken door het bezit van ambulacrale pootjes -en waterlongen. - - - -Verscheidene wetenschappelijke expedities hebben in de laatste helft -van deze eeuw licht verspreid over de verschijnselen, die de zee op -groote diepten oplevert. Hierdoor heeft men een geheel nieuwe, zeer -merkwaardige, meer dan 50 soorten omvattende orde van Zeerollen, de -Diepzee-holothuriën (Elasipoda), leeren kennen. Hun uitzicht verschilt -aanmerkelijk van dat der typische Zeekomkommers; verscheidene -kenmerken komen bij hen voor, die, naar men meent, aan de voorouders -der thans levende Holothuriën eigen waren. Sommige herinneren aan -rupsen, andere aan naakte Zeeslakken, nog andere gelijken door -hun platte gedaante op Platwormen. Alle zijn duidelijk bilateraal -symmetrisch; de ambulacrale pootjes zijn tot de meestal afgeplatte -buikzijde beperkt; van de drie typische ambulacra zijn in den regel -slechts de beide zijdelingsche aanwezig; aan den rug komen kegelvormige -uitsteeksels voor; de longen en de spieren voor het terugtrekken van de -voorste lichaamsdeelen ontbreken. De meeste soorten leven op diepten -van 1800 à 3600 M., waar zij zich, vermoedelijk vlug, over den bodem -bewegen en intusschen met den bek voortdurend zand en slib opnemen. - - - -De laatste orde is die der Pootlooze Holothuriën (Apoda). Zij zijn -voor 't meerendeel tweeslachtig en worden naar het bezit of gemis -van longen in 2 groepen verdeeld. Het laatstgenoemde geval doet zich -voor bij de Klis-holothuriën (Synaptidae), die hun naam danken aan -de zeer eigenaardige ankervormige kalklichaampjes, die in haar huid -voorkomen. Het anker steekt met de schaft in een plaat met gaatjes, -waarin het door een knop aan 't einde wordt vastgehouden (fign. b, c, -d, e). Deze lichaampjes, welker spitsen boven de oppervlakte uitsteken, -zijn zoo groot, dat een scherpzichtig persoon ze met het bloote oog -kan onderscheiden. Van de drie Europeesche soorten komt de hiervoor -afgebeelde Synapta inhaerens aan de noordwestkust van Frankrijk en -in de Middellandsche Zee voor. De beide andere (Synapta digitata en -de veel zeldzamere S. hispida) werden uitsluitend in de Adriatische -en de Middellandsche Zee gevonden. - -Synapta's, die men in gevangenschap houdt, stooten bij aanraking, -en ook wel zonder eenige merkbare reden, gedurig stukken van het -achterste gedeelte van 't lichaam af, tot er nagenoeg niets van -overblijft dan de voelerkrans met een kort ringvormig deel van het -lichaam, waaronder dan nog het begin van het darmkanaal als een blaas -uitsteekt. De afgescheiden stukken bewegen zich nog eenigen tijd; -het is echter niet waarschijnlijk, dat zij in leven kunnen blijven, -daar zij zich zonder mond niet kunnen voeden en er geen feiten bekend -zijn, waaruit men zou kunnen afleiden, dat zulke stukken opnieuw een -kop zullen vormen. Een stuk van den romp zonder kop is niet meer tot -zelfverminking in staat. Baus heeft opgemerkt, dat het dier na het -doorsnijden van den voorsten zenuwring het vermogen om zich zelf te -verminken mist. - -R. Semon, die de levenswijze van de Synapten der Golf van Napels -heeft nagegaan, betwijfelt de juistheid van de heerschende meening, -dat deze dieren meestijds, in zand en slib verborgen, een onderaardsch -leven zouden leiden. Hoewel het zeker is, dat zij zeer dikwijls in den -bodem vertoeven, bewegen zij zich waarschijnlijk nog vaker kruipend -er over; hierop wijst de overeenkomst van de kleur der lichaamszijde, -die bij het kruipen naar boven gekeerd moet zijn, met die van den -omgevenden bodem, waarvoor alleen als middel tot bescherming van -het dier reden kan bestaan. Onjuist is de bewering, dat de Synapten -wegens de kalklichaampjes in de huid door roofdieren algemeen versmaad -worden. Door allerlei soorten van Zeesterren, waarvan sommige zeer -goed kunnen zien, worden zij gaarne gegeten. Ook de zelfverminking -wordt door Semon als een middel tot beveiliging beschouwd. Wanneer -het dier door een vijand gegrepen is, wordt het in gevaar verkeerend -lichaamsdeel afgeworpen; daar deze operatie zeer schielijk afgeloopen -is, heeft het vrij geworden kopeinde den tijd om zich in het zand -te verbergen. - - - - - - - -TWEEDE KLASSE. - -DE ZEEËGELS (Echinoidea). - - -De Zeeëgels vormen de omvangrijkste klasse van de Stekelhuidigen, niet -zoozeer wegens het aantal bekende levende soorten, hoewel dit door de -ontdekkingen van den laatsten tijd, vooral door het onderzoek van diepe -zeeën, tot ver boven de 300 gestegen is, maar vooral wegens het groot -aantal fossiele vormen, dat minstens 2000 bedraagt. Deze dieren doen -den naam van de klasse en van de hoofdafdeeling eer aan. Vooral geldt -dit van die, welke tot de orde der Regelmatige Zeeëgels of Zeeappels -behooren (Regulares) en zich kenmerken door een appelvormige (zelden -elliptische) gedaante, door den vertikalen stand van de lichaamsas, -die zich van de mondopening, in 't middenpunt van 't benedenvlak, -tot de aarsopening aan den top van 't bovenvlak uitstrekt, door de -band- (niet blad-) vormige gedaante der tusschen beide polen gelegen -ambulacra en door de goed ontwikkelde kaken. Het bij alle Zeeëgels -aanwezige, uit 4-, 5-, of 6-zijdige platen samengestelde huidskelet -vertoont bij de genoemde orde in 't midden van het benedenvlak een -groote opening, die, op den mond na, met een meestal zachte (bij de -Cidariden kalkplaatjes vormende) huid (peristoom) gevuld is. Bij de -andere orden is de bedoelde opening veel kleiner. Bij een Zeeappel, -die van de stekels beroofd is, kan men duidelijk 10 meridiaansgewijs -geplaatste velden onderscheiden; 5 zoogenaamde interambulacraalvelden, -uitsluitend bestaande uit plaatjes, die (al of niet doorboorde) -knobbels dragen, waaraan de stekels vastgehecht zijn geweest, en 5 -hiermede afwisselende ambulacraalvelden, welker plaatjes ten deele -openingen vertoonen voor het uitsteken der pootjes. Elke stekel is -aan de basis omgeven door een scheede, die vele spiervezels bevat, -waardoor de stekel in alle richtingen bewogen kan worden. Bij een -levenden Zeeëgel, die zich in zijn element bevindt, merkt men zeer -spoedig op, dat de stekels volstrekt niet uitsluitend ter verdediging, -maar ook als pooten of stelten tot steun en zelfs als armen tot het -grijpen en verplaatsen van voorwerpen dienen. Met het ongewapende oog -ziet men overal tusschen de stekels kleine, twee- of driewangige tangen -op beweegbare steelen (pedicellariën); zij grijpen de uitwerpselen, -die als kleine kluitjes het lichaam verlaten en van de eene tang op de -andere overgaande, weldra voorbij de bolle zijde van de schelp komen, -waar het dier ze kan laten vallen zonder gevaar te loopen zich te -bevuilen. Bovendien vangen de pedicellariën de diertjes, die zich -in hun nabijheid tusschen de stekels bevinden, en zijn daarom vooral -in de omgeving van den mond zeer talrijk; om beter voor de jacht te -kunnen dienen staan zij dikwijls met kleine gifklieren in gemeenschap. - -Over de beteekenis van eenige andere organen verkeert men nog in -twijfel; men kent o.a. nog niet de verrichting van de 5 roode vlekjes -op de 5 platen, die de rugpool omgeven: afgaande op de plaats, die -zij ten opzichte van de ambulacra en van het zenuwstelsel innemen, -zou men ze moeten vergelijken met de oogen der Zeesterren; hoewel zij -niet, als deze, geschikt zijn om een beeld te vormen. Echte oogen heeft -Diadema setosum: sterk glinsterende, blauwe vlekken van verschillende -grootte, die prachtig afsteken bij de zwarte opperhuid. - -Van alle Zeeëgels zijn de Zeeappels met het krachtigste kauwtoestel -uitgerust. Het bestaat uit 5 driezijdige, bijna piramidevormige -"kaken", van boven verbonden door "beugels" en "spaakjes", van -onderen voorzien van een holte, waarin een gekromde, in een fijne -spits eindigende tand stevig bevestigd is en hier vereenigd met den -rand van de opening in het vliezige peristoma, die zich vergroot, -wanneer de kaken uiteenwijken. - -In weerwil van de lange stekels en van het scherpe gebit zijn de -Zeeappels alles behalve gevaarlijk. - -Deze buitengewoon trage dieren voeden zich, naar het schijnt, -hoofdzakelijk met zeegrassen en wieren en de hierop azende kleinere -wezens. De Steenborende Zeeappel (Strongylocentrotus lividus), die -in de Middellandsche Zee (doch ook aan de west- en noordkust van -Frankrijk en de zuidkust van Engeland) op diepten van 0 à 2 vademen, -veelvuldig voorkomt, heeft een middellijn van 6 cM. en stekels van -2 cM. Hij bewoont holten in den zeebodem, maar is ook in staat om -in het gesteente cirkelronde gaten te boren, die hij gewoonlijk op -zulk een wijze verwijdt, dat het hem niet mogelijk is zijn woning te -verlaten. Waarschijnlijk verschaft hij zich dan voedsel met behulp -van de pedicellariën. De wijfjes verschuilen zich onder schelpen, -steentjes, enz., die met de zuigvoetjes en de stekels behendig -op den rug gebracht en hier vastgehouden worden. Gedurende den -voortplantingstijd, die bijna het geheele jaar door duurt, ziet men -bij het openen van deze dieren 5 fraaigele, trosvormige eierstokken, -die een zeer smakelijke spijs opleveren. Alleen hierdoor zijn deze en -vele andere soorten van Zeeëgels nuttig voor den mensch, vooral voor de -bewoners van de Fransche kust van de Middellandsche Zee. Te Marseille -worden, naar men zegt, ieder jaar 100000 dozijn van deze dieren ter -markt gebracht en voor 20 à 60 centimes per dozijn verkocht. Een -verwante, iets grootere soort (Strongylocentrotus Dröbrachiensis) -wordt langs alle kusten van het noordelijke deel van den Atlantischen -Oceaan en in de IJszee op 0 tot 40 vademen diepte gevonden; zij is -de meest gewone Zeeappel van onze stranden. Ook de Kabeljauwen houden -veel van Zeeëgels. - -Bij verreweg de meeste Zeeëgels zijn de platen van het kalkskelet -onbeweeglijk verbonden; een uitzondering op dezen regel vormen de -Asthenomosa's en de Phormosoma's, die zulk een buigzame huid hebben, -dat haar lichaam boven water zich afplat en in een rondachtig -vijfhoekige schijf verandert. - - - -Een tweede orde is die der Zeeschilden (Clypeastroidea), zoo genoemd -wegens hun vorm: hoewel verscheidene geslachten, o.a. Clypeaster, -een tamelijk hoog lichaam hebben, is bij allen de benedenzijde plat, -in 't midden zelfs min of meer uitgehold. De ambulacra blijven -tot de bovenzijde beperkt en vormen hier om het topveld, dat bijna -geheel door de madreporenplaat ingenomen wordt, meestal een fraaie -rozet. Hiertegenover, een weinig vóór het midden van de benedenzijde, -bevindt zich de mond, die met een krachtig kauwtoestel gewapend en -dikwijls door boogvormige of vertakte groeven in de ambulacraal-velden -omgeven is. De aarsopening ligt niet in 't topveld, maar in het naar -achteren gerichte interambulacraalveld bij of onder den achterrand, die -hier dikwijls een inham vertoont, waardoor het lichaam van boven gezien -hartvormig wordt. Vele zuiver schijfvormige Zeeschilden (Scutellidae) -hebben hier en in 't verlengde van alle of van de achterste ambulacra -(soms daarentegen in de interambulacra) een langwerpige opening, -die bij eenige aan den rand niet gesloten is. - -Nagenoeg alle Zeeschilden bewonen de warme zeeën; de eenige -Europeesche soort, die ook in de Noordzee veelvuldig voorkomt--de -Gewone Dwergzeeappel (Echinocyamus pusillus)--, vormt een overgang -tot de vorige. - - - -Nog duidelijker bilateraal symmetrisch dan de Zeeschilden zijn de -niet met een kauwtoestel uitgeruste Zeeklitten (Spatangoidea). Bij -de Hartegels (Spatangidae) althans, de belangrijkste familie van deze -orde, is de mond niet in 't midden van het benedenvlak gelegen, maar -verder naar voren; de ambulacra aan de bovenzijde vormen een 4-bladig -rozet, daar het voorste ambulacrum in den regel een afwijkenden vorm -vertoont. Aan den onderrand van het afgeknotte achtereinde bevindt zich -de aarsopening. Het huidskelet is dun en broos, met borstelvormige, -buigzame, korte stekels bezet. Hartegels vindt men niet slechts -in alle zeeën van de warme, maar ook in die van de gematigde en -koude luchtstreek. De meeste bewonen diepe zeebodems, waar zij in -slib, liever nog in zand, met de als spade dienende vooruitstekende -onderlip voren graven en het spijskanaal aanhoudend vullen met aarde; -de hierin aanwezige microscopische diertjes en organische afval -verschaffen hun voedsel. De Purperen Zeeklit (Spatangus purpureus), -10 cM. lang, 9 cM. breed, 5 cM. hoog, leeft in de Middellandsche Zee -en den Atlantischen Oceaan (ook in de Noordzee) op diepten van 10 à -400 vademen. Veelvuldiger ontmoet men hier op 10 à 50 vademen diepte -de 4 cM. lange, 3.5 cM. breede Hartvormige Zeeklit (Echinocardium -cordatum). Het door haar bewoonde hol is 15 à 20 cM. beneden den -zeebodem gelegen en staat door 2 voor den aanvoer en den afvoer van -'t water bestemde kanalen, ter dikte van een penneschacht, met de -buitenwereld in gemeenschap. - - - - - - - -DERDE KLASSE. - -DE ZEESTERREN (Asteroidea). - - -De eenige Zeester, die geregeld aan onze kust voorkomt, is de Gewone -Vijfhoek (Astheracanthion rubens). Zij wordt op eene diepte van 0 à 50 -vademen langs alle kusten van 't noordelijke deel van den Atlantischen -Oceaan gevonden. De beschouwing van dit dier is voldoende voor het -leeren kennen van de belangrijkste eigenaardigheden der klasse. Het -heeft de rugzijde roodachtig, soms min of meer paars, hooggeel, -bruin of zelfs zwartachtig; de buikzijde (kenbaar aan den in 't -midden aanwezigen mond) is geelachtig wit. Van 't middelstuk van 't -lichaam, de schijf, gaan straalsgewijs 5 driehoekige armen uit. Deze -nemen met haar basis den geheelen rand der schijf in beslag; de breede -interbrachiale ruimten, die aan den rand van de schijf der Slangsterren -overblijven, zijn bij de Zeesterren tot punten beperkt. Vóór een -van deze hoekpunten ziet men aan de bovenzijde van de schijf de -madreporenplaat: een wit, weinig uitpuilend knopje, dat met fijne, -straalsgewijs gerichte golflijnen versierd is. Dit hoekpunt is het -achtereind, de top van den tegenoverliggenden arm het vooreind van het -dier. Het verticale vlak, dat beide vereenigt, verdeelt het lichaam -in twee symmetrische helften. De oppervlakte is ruw door de nagenoeg -overal voorkomende, korte, verkalkte, kegelvormige stekels. Talrijk -zijn ook de kieuwtepeltjes: weeke, samentrekbare, holle, kegelvormige -knobbeltjes, die met de lichaamsholte in gemeenschap staan en, -evenals deze, vocht bevatten, dat door trilharen in beweging wordt -gehouden. Bij het gedroogde dier zijn deze tepeltjes verdwenen en door -fijne gaatjes vervangen. Aan de buikzijde ziet men 5 diepe en breede -ambulacraal-groeven, die zich van den mond tot aan den top der armen -uitstrekken; haar wand wordt gesteund door een soort van dak, gevormd -door twee overlangsche reeksen van kalkplaatjes, met tusschenruimten -voor het doorlaten van de ambulacraalpootjes, die in iedere groeve op -4 overlangsche reeksen geplaatst zijn. Aan weerszijden van de groeve -komen 2 of 3 reeksen van spitse stekels voor. Op het plaatje dat bij -den top van den arm de groeve afsluit, bevinden zich zintuigelijke -organen: een helderrood oog en een taster. In de omgeving van den mond -en aan de randen der ambulacraal-groeven komen weeke steeltjes voor, -die pedicellariën dragen met al of niet gekruiste wangen. De kalkplaten -van het huidskelet der Zeesterren zijn steeds beweegbaar verbonden -door zachtere deelen van de huid. De mondopening is vijfhoekig, doch -niet met een kauwtoestel gewapend; de slokdarm en een deel van de -maag kunnen naar buiten gestulpt worden en vormen dan een tamelijk -lange slurf. Op de maag, van welke 5 paar blindzakken in de armen -overgaan, volgt een korten, dunnen darm, die, even onder het midden -van de bovenzijde, in een zeer kleine aarsopening eindigt. - -Het aantal bekende soorten van deze klasse bedraagt niet veel meer dan -500; toch behooren de Zeesterren tot de meest bekende kustdieren, omdat -van eenige soorten het aantal individuën verbazend groot is. Bovendien -trekken zij door haar eigenaardige gedaante spoedig de aandacht van -ieder, die slechts zelden de zeekust bezoekt. De visschers geven acht -op deze voor hen volkomen onbruikbare dieren, omdat zij ze hebben -leeren kennen als gevaarlijke vijanden van hun bedrijf, die de netten -plunderen, het aas van de vischlijnen afzuigen, allerlei voor ons -belangrijke Weekdieren verslinden en de oesterbanken met vernietiging -bedreigen. Naar het schijnt, weten zij door het uitwerpen van een -verdoovend vocht de spieren van het Weekdier buiten werking te stellen, -zoodat dit geen weerstand kan bieden aan de omarming van zijn vijand, -die de slurf in de nu geopende woning steekt en deze ledigt. - - - -Een zeer merkwaardige groep van Zeesterren vormen de Brisingiden, -die door de kleinheid van de ronde schijf, welke duidelijk gescheiden -is van de meestal zeer talrijke, rolronde, spits eindigende armen, -op Slangsterren gelijken. Aan de onderzijde van iederen arm bevinden -zich twee reeksen van ambulacraalvoetjes in een groeve, die zich echter -niet tot aan den mond uitstrekt. De ontdekker van deze diergroep is -de Noordsche natuuronderzoeker en dichter Peter Kirsten Asbjörnson, -die van een diepte van 350 M. uit het wegens zijn natuurschoon -beroemde Hardanger-fjord een elfarmige soort (Brisinga endecacnemos) -opvischte. Dit prachtig roode dier heeft zeer buigzame armen van -30 cM., terwijl de middellijn van de schijf 2.8 cM. bedraagt. Men -kent thans een geheele reeks van soorten van deze en eenige verwante -geslachten; alle bewonen groote diepten en onderscheiden zich van de -overige Stekelhuidigen ook hierdoor, dat zij een verwonderlijk fraai -licht verbreiden. - - - - - - - -VIERDE KLASSE. - -DE SLANGSTERREN (Ophiuroidea). - - -Ook bij deze dieren is het lichaam uit een schijf en armen -samengesteld. De buitengewoon slanke en lenige armen vertoonen -zich niet als onmiddellijke voortzettingen van de schijf, maar als -aanhangsels van haar onderzijde, die er als 't ware ingevoegd of -aangezet zijn. De schijf heeft in 't midden van de buikzijde een -stervormige mondopening, welker stralen zich tot aan den oorsprong -der armen, maar niet in den vorm van groeven hierover uitstrekken. De -armen zijn bekleed met reeksen van naar achteren gerichte schubben, -die elkander dakpansgewijs bedekken. De zeer eenvoudig ingerichte -ambulacraalpootjes hebben aan 't einde geen hechtschijfje en worden -aan weerszijden van de onparige reeks van buikschubben, tusschen deze -en de meestal stekeldragende zijschubben uitgestoken. De aarsopening -ontbreekt; de madreporenplaat ligt aan de buikzijde van de schijf -bij de mondopening, in welker omgeving men ook 10 (zelden 20) voor -de ademhaling dienende spleetvormige openingen aantreft. - -Van de klasse der Slangsterren zijn niet minder dan 700 levende, -daarentegen slechts een 50-tal fossiele soorten bekend; zij is -dus rijker aan hedendaagsche vormen dan alle overige klassen van -Stekelhuidigen. Het talrijkst zijn zij op rotsachtige kusten met -weligen plantengroei; het is echter niet gemakkelijk ze hier te -vinden daar zij sluw en vreesachtig zijn en zich zeer behendig door -rotsspleten, tusschen takken van polypenstokken, kokers van Wormen en -wortels, kortom langs de minst gebaande paden weten te bewegen. Hierbij -vervullen de ambulacraalpootjes een ondergeschikte rol; de armen -daarentegen kronkelen zich als slingerstaarten om allerlei dikke en -dunne voorwerpen. Allerlei lagere dieren, vooral Polypen, worden als -voedsel gebruikt; de mondhoeken doen als kaken dienst. - -Verreweg de meeste soorten (650) behooren tot de orde der Echte -Slangsterren (Ophiurae), die zich kenmerkt door enkelvoudige -(onvertakte) armen en in alle zeeën, op alle diepten vertegenwoordigd -is, door een drietal soorten, ook bij de kusten van Nederland. Bij -de meeste Medusasterren (Euryalae) daarentegen vertakken de armen -zich hetzij aan hun einde of reeds dicht bij hun oorsprong en -hebben tevens het vermogen om zich naar de mondzijde op te rollen; -vermoedelijk dienen zij niet slechts als bewegings- en grijporganen, -maar brengen ook den buit naar den mond. Zonder uitzondering bewonen -zij groote diepten. - - - - - - - -VIJFDE KLASSE. - -DE ZEELELIËN (Crinoidea). - - -De Zeeleliën behooren tot de oudste van alle bekende levende -wezens. Duidelijke bewijzen van het bestaan dezer klasse vindt men -reeds in de oudste Silurische gesteenten (in die van de Cambrische -formatie). Hare vertegenwoordigers waren in de primaire en de -secundaire periode zoo talrijk, dat zij belangrijke bijdragen hebben -geleverd tot de destijds gevormde aardlagen. De Crinoideënkalk bestaat -grootendeels uit steel-leden van Zeeleliën. - -Voor 25 jaren waren slechts weinige soorten van levende Crinoideën -bekend; haar aantal is vooral door het onderzoeken van diepe zeebodems, -waarmede verscheidene wetenschappelijke expedities zich in de laatste -jaren hebben bezig gehouden, tot ongeveer 500 geklommen. Toch is -het gering in verhouding tot dat der fossiele vormen, waarvan men -er ongeveer 1800 onderscheiden heeft. De Buidelsterren (Lystidea), -Pantserzeeleliën (Palaeocrinoïdea) en Knopsterren (Blastoïdea) -waren reeds kort na de steenkolenperiode uitgestorven. Alleen van -de orde der Gelede Zeeleliën Neocrinoïdea zijn, nevens fossiele, nog -hedendaagsche vertegenwoordigers bekend. Zij behooren tot 5 familiën, -waarvan men 4 kan samenvatten onder den naam van Echte Zeeleliën, -daar zij levenslang (meestal door tusschenkomst van een langen, -verkalkten, uit talrijke leden samengestelden, buigzamen steel) aan den -zeebodem blijven. De reeds in 1755 door Guetterd onder den naam van -"Palmier marin" beschreven soort, leeft bij de Antillen op diepten -van 80 à 320 vademen. De Zeeleliën hebben een kelkvormig lichaam, -dat betrekkelijk zeer klein is in verhouding tot de 5 meestal zeer -lange en zeer dunne, gelede armen, die van den rand der bovenvlakte -(of schijf) uitstralen. De armen zijn niet zelden eenmaal of meermalen -gaffelsgewijs vertakt en zeer dikwijls, afwisselend rechts en links, -met eveneens vertakte ranken (pinnulae) bezet. De schijf stelt de -buikzijde van het dier voor, daar zij den mond bevat, die er meestal -het middelpunt van inneemt; zij bestaat soms uit een gedeeltelijk -zachte, soms uit een dicht met beweeglijke kalkplaatjes bezette -huid. Van den mond stralen 5 ambulacraalgroeven uit, die zich op de -armen en hunne ranken voortzetten. Aan weerszijden van deze groeven -bevinden zich huidlobjes en kleine tentakels, die door hun bouw -aan de ambulacraalpootjes der overige Stekelhuidigen herinneren. De -trilharen in de groeven zijn bestemd om door haar beweging de tot -voedsel dienende kleine diertjes naar den mond te voeren. Op het -midden van de uit kalkplaatjes samengestelde onderzijde (rugzijde) -van de kelk is de steel bevestigd. De aarsopening bevindt zich op -korten afstand van den mond aan de buikzijde in de ruimte tusschen -2 ambulacraalgroeven. - -Van het geslacht Pentacrinus zijn thans een tiental soorten bekend, -die op vele plaatsen in den Atlantischen en den Stillen Oceaan op -diepten van 80 à 1300 vademen leven en dus niet meer zoo zeldzaam zijn -als in het jaar 1876, toen voor een exemplaar van het Medusahoofd f - 132 betaald werd. - -Van de meeste familiën van Zeeleliën, waarvan nog vertegenwoordigers -leven, is de bloeitijd sinds lang voorbij; slechts één onderscheidt -zich ook thans nog door een grooten rijkdom van vormen, n.l. de familie -der Haarsterren (Comatulidae). Alleen door de Challenger-expeditie -(21 Dec. 1872 tot 24 Mei 1876) werden niet minder dan 111 soorten -van Haarsterren uit nagenoeg alle zeeën verzameld; de meeste leven -op diepten van 30 à 200 vademen, sommigen werden echter van 1000 -à 2900 vademen diepte opgehaald. Deze dieren hebben zich als 't -ware gemoderniseerd. Hun lichaamsbouw stemt nagenoeg geheel met -dien van Pentacrimus overeen; ter plaatse waar bij dezen de steel -is vastgehecht, heeft de Haarster een knop, omgeven door een krans -van fijne ranken, die ieder in een verkalkte klauw eindigen. Bij 't -nagaan van de levenswijze van het dier blijkt, dat de klauwdragende -ranken de rol spelen van pooten en hechtorganen. Slechts zelden maakt -het echter gebruik van zijn geschiktheid tot zwemmen of klimmen, -nadat het eens een gemakkelijke plaats heeft gevonden, waar het met -zijwaarts of bovenwaarts gerichte mondvlakte en flauw gekromde armen -zijn voedsel afwacht. - -Iedere Comatula doorloopt een ontwikkelingsstadium, overeenkomend met -den toestand, waarin Pentacrinus levenslang verkeert; hieruit blijkt, -dat zij afstamt van vormen, die nooit los geraken; voordat zij zich -afscheidt van haar steel om voortaan een vrij leven te leiden, -ontspruiten aan haar rug de met een klauw uitgeruste ranken. De -meest gewone soort is Comatula (Antedon) rosacea, die gemiddeld 15 -cM. middellijn heeft. Men vindt haar in de Middellandsche Zee en aan -de Atlantische kusten van Europa zeer veelvuldig op polypenstokken. - - - - - - - - - -DE PLANTDIEREN (Coelenterata). - - -Slechts weinige uitverkorenen hebben zich kunnen verlustigen aan de -liefelijke pracht van de eilanden der Groote Zuidzee, die door de -levenswerkzaamheid der Koraaldieren in ontzaglijke tijdruimten zijn -opgebouwd of vervormd, en welker stille lagunen een onvergetelijken -indruk wekken door den overvloed en de schitterende kleuren van hare -bewoners. Zulke heerlijke tafereelen verschaffen de Bloemdieren in de -Europeesche zeeën niet, hoewel ons ook hier door sommige van hunne -verwanten een verrukkelijk schouwspel wordt bereid. Op kunstwerken -van lichtpaars, rooskleurig of geelachtig glas gelijken de scherm- -of klokvormige Kwallen, die met guirlandes en lange franje getooid, -bij stil weer om de langzaam voortdrijvende boot zweven, waarbij zij -beurtelings haar schijf uitzetten en samentrekken om in de nabijheid -van den waterspiegel te blijven. Menigeen heeft op een zeebadplaats -van een nadere kennismaking met deze Sirenen een minder aangename -herinnering behouden. Met hare netelorganen, die een brandende -gewaarwording veroorzaken, beantwoorden zij de belangstelling van -ieder, die, door de prachtige kleuren dezer levende juweelen verlokt, -het waagde ze aan te raken. Velen, die niet in de gelegenheid waren om -in de zee het fraaie schouwspel te genieten, dat de Plantdieren kunnen -opleveren, hebben dit natuurtafereel op kleinere schaal nagebootst -gezien in een aquarium. Een der schoonste sieraden voor deze kooien -met zeebewoners, welker verzorging zooveel moeite vereischt, zijn de -Actiniën of Zee-anemonen. Evenals de houwmeesters der koraalriffen -behooren zij tot de Polypen. Deze vormen met de Kwallen de groep -der Neteldieren (Cnidaria), die met de Ribkwallen (Ctenophora) en de -Sponzen (Spongiae) de hoofdafdeeling der Coelenteraten uitmaken. - -Hunne zeer eenvoudige organen, die, evenals bij alle overige Metazoën, -opgebouwd zijn uit talrijke cellen, welker verschillende aard in -verband staat met het door haar verrichte deel van den levensarbeid, -vertoonen een geheel andere wijze van rangschikking. De Coelenteraten -zijn echte Straaldieren en niet, zooals de Stekelhuidigen, aanvankelijk -en ook later bilateraal symmetrisch. Bij deze bedraagt het aantal der -(op lateren leeftijd optredende) stralen in den regel 5, bij gene -daarentegen 2, 4 of 6 of een veelvoud van 4 of 6, en vertoonen zij -zich onmiddellijk nadat de moerbeivormige opeenhooping van cellen, -welke door dooierklieving ontstond, door indeuking aan den top een -bekervormige darmlarve of gastrula geworden is. Alleen de Sponzen -verheffen zich weinig boven den laatstgenoemden oertoestand. Ook -bij vele andere Plantdieren is echter, evenals bij de gastrulen, de -lichaamswand uit slechts twee lagen--een buitenste (het ectoderm) en -een binnenste (het entoderm) samengesteld; het bij alle hoogere dieren -optredende mesoderm (middelste laag) ontbreekt, of staat, zoo het -aanwezig is, tot de beide andere lagen in zeer nauwe betrekking. De -huid, die bij de leden der vorige afdeeling lederachtig verdikt -is en skeletdeelen vormt, wordt hier slechts bij uitzondering aan -leder gelijk. Bij vele Coelenteraten (b.v. bij de Ribkwallen en de -Echte Kwallen) ontwikkelen zich in 't geheel geen harde deelen; deze -vertoonen zich bij de meeste Polypen en Sponzen aan de oppervlakte van -het ectoderm of in het mesoderm als uitscheidingen van het chitine, -koolzure kalk of kiezelzuur. - -Aan hun belangrijkste kenmerk danken de Coelenteraten dezen naam, -die "Darmholte-dieren" beteekent. De lichaamswand omsluit bij -hen slechts één holte, die zoowel voor het verteren van de spijs, -als voor de verspreiding van voedsel en zuurstof door het geheele -lichaam dient; de eindproducten van de stofwisseling (bij de hoogst -ontwikkelde Plantdieren ook de voortbrengselen der geslachtsorganen) -worden door één zoowel voor mond als voor aars bestemde opening -verwijderd. Bloedvaten en uitscheidingsorganen ontbreken. - -Het opperhuid (soms ook het entoderm) van de Neteldieren bevat -netelcellen, cellen van verschillende grootte, doch steeds -microscopisch klein, welker tamelijk stevige wand een doorschijnend -blaasje omsluit, dat een spiraalswijs gewonden, draadvormig buisje -bevat; deze draad is meer dan 20-maal zoo lang als het blaasje, loopt -aan 't vrije einde spits uit en is tot dicht bij deze plaats met een -of 2 spiraalvormige reeksen van fijne weerhaakjes voorzien. Iedere -aanraking of andere wijze van prikkeling van de netelcel veroorzaakt -het plotseling naar buiten schieten en gelijktijdig omstulpen van den -draad en geeft dus aanleiding tot verwonding van den aanraker. Naar -het schijnt, is de draad met een vergiftige stof gevuld, die na het -omstulpen haar oppervlakte bedekt en met de scherpe punt van den draad -in de wonde doordringend, op de huid van den mensch een soortgelijke -werking teweeg brengt als de brandharen der brandnetels. Zeer dikwijls -zijn de netelcellen tot groepen vereenigd, die men netelknoppen -of netelbatterijen noemt. Elke netelcel wordt, nadat zij slechts -éénmaal dienst gedaan heeft, vervangen door een andere, die zich er -onder bevindt. - -De Gewone Roode Zeeanemone (Actinia mesembryanthemum) van de Noordzee, -die men b.v. onder steenen aan den voet van den zeedijk bij laag -water aantreft, heeft in een vangarm van gemiddelde grootte meer dan -4 millioen rijpe netelcellen; in hare gezamenlijke vangarmen minstens -500 millioen. Een vangarm van de prachtige, fluweelglanzig groene -Anthea cereus bevat meer dan 43 millioen netelcellen; een exemplaar -met 150 tentakels heeft dus 6450 millioen wapens in voorraad. - -Tot dusver heeft men slechts bij één soort van Ribkwallen (en bij -deze in geringen getale) netelcellen gevonden; bij de overige leden -dezer klasse zijn zij vervangen door "grijpcellen", halfbolvormige -uitsteekseltjes van de vangdraden, die een veerkrachtige, spiraalswijs -opgerolde draad, doch geen gif bevatten. - - - - - - - -EERSTE KLASSE. - -DE RIBKWALLEN (Ctenophora). - - -Het geleiachtig, min of meer doorzichtig lichaam van de Rib- of -Kamkwallen is verschillend van vorm; het gelijkt op een bol bij -Cydippe, op een Perzische muts bij Beroe, op een lint bij Cestus, -enz. Het is tweestralig en niet bilateraal symmetrisch, daar het op -twee wijze door een vlak, dat de lichaamsas bevat, in twee gelijke -helften kan worden verdeeld. De beide bedoelde vlakken snijden elkander -rechthoekig volgens de as. In dit geval kan dus evenmin van rugzijde en -buikzijde sprake zijn als bij een regelmatige vaas met twee ooren. Aan -de lichaamsas onderscheidt men de mond- en de tegenmondpool (orale -en aborale pool). Deze dieren zwemmen in de open zee, maar worden -niet zelden door wind of stroom naar de kust gedreven: bij de onze -vertoont zich niet zelden de 13 mM. lange Kogelronde Cydippe [Cydippe -(Pleurobrachia) pileus], nu en dan ook de 16 mM. lange Kleine Eivormige -Beroë (Beroë roseola). Gewoonlijk nemen zij in 't water een nagenoeg -vertikalen stand aan met naar beneden gerichte mondopening. Door deze -komt het voedsel in een afgeplat buisvormigen (bij de Beroïden sterk -verwijden) zoogenaamden "maagzak" (door instulping van het ectoderm -gevormd en dus niet voor de spijsvertering bestemd). De meer of -minder wijde (door het entoderm begrensde) gastrovasculaire ruimte, -die den "maagzak" omgeeft en waarmede zijn achterste uiteinde, dat -door spieren gesloten kan worden, in gemeenschap staat, wordt wegens -haar vorm trechter genoemd en strekt zich uit tot in de nabijheid van -de aborale pool. Twee hier aanwezige, kleine openingen stellen het -dier in staat tot het opnemen van water in of tot het verwijderen -van vocht uit den trechter. De inhoud van deze holte bestaat -grootendeels uit water, dat echter gemengd is met bloed en deeltjes -spijsbrij. Door trilharen wordt dit vocht in beweging gehouden in den -trechter en het van hier uitgaande gastrovasculaire kanalenstelsel, -welks hoofdstammen dicht onder de oppervlakte langs loopen, daar -waar zich van buiten de zoogenaamde ribben bevinden. Meestal zijn -(soms 4 korte en 4 lange) ribben aanwezig; zij reiken van de eene -pool tot de andere of nemen een deel van deze meridianen in. Elke -rib wordt gevormd door een reeks van kammen of zwemplaatjes: korte -dwarsreeksen van lange trilharen, die aan den oorsprong met elkander -vergroeid zijn. Gewoonlijk trillen deze zwemplaatjes in geregelde -volgorde heen en weer, waardoor een golvende beweging van de geheele -reeks ontstaat. Het dier kan naar verkiezing sommige ribben of alle -te gelijk laten werken, in 't laatstgenoemde geval verplaatst het zich -langzaam in de richting van de trechterpool. Draaiingen en afwijkingen -van de oorspronkelijk gevolgde richting komen dikwijls voor; zij -geschieden vlug, zonder merkbare inspanning en op sierlijke wijze -onder medewerking van de overige lichaamsaanhangsels: mondlobben, -oortjes (tongvormige lobjes aan de lichaamsoppervlakte) en vangarmen -(gewoonlijk 2, meestal dicht bij de trechterpool aan weerszijden -van het lichaam geplaatst, dikwijls zeer lang, met fijne draden en -talrijke, tot knopjes vereenigde kleefcellen bezet, te voorschijn -komend uit scheeden, waarin zij teruggetrokken kunnen worden). Bij -de afgebeelde soort komen alleen de laatstgenoemde aanhangsels voor. - -De Ribkwallen hebben, evenals vele andere pelagische (in de open zee -levende) dieren, de gewoonte om 's nachts in de bovenste waterlaag -te zwemmen en zich over dag in de diepte te verbergen; zij voeden -zich met allerlei diertjes, vooral met kleine Crustaceën, die zij -met de armen vangen. De Beroïden echter zijn vraatzuchtige roovers -en verzwelgen dikwijls dieren, die hen in grootte evenaren, hiertoe -in staat gesteld door een zeer grooten bek en wijden maagzak; hun -in dwarse richting ovaal lichaam mist de vangarmen en kenmerkt zich -door de fijne zijtakken, die, van de 8 meridiaansgewijs verloopende -hoofdkanalen uitgaande, in het geleiachtige weefsel mazen vormen, -waardoor het (meestal teer rozerood gekleurde) lichaam als 't -ware gemarmerd is. De grootste soort is Beroë Forskalii, die in de -Middellandsche Zee groote scholen vormt en 20 cM. lang wordt. - -De prachtigste Ribkwal is de 1.5 M. lange, 8 cM. hooge Venusgordel -(Cestum Veneris), die de Middellandsche Zee, den Atlantischen -en den Grooten Oceaan bewoont. De schoonheid van zijn sierlijk, -doorzichtig, het zonlicht in alle kleuren weerkaatsend lichaam wordt -nog verhoogd door zijne vlugge, elegante bewegingen, waarbij het -allerlei gracieuse krommingen vertoont. Evenals al zijne verwanten -is de Venusgordel phosphoresceerend; de zetel van dit tot na den -dood voortdurend vermogen is de wand der meridiaansgewijs loopende -kanalen. Het lichten der zee wordt dikwijls voor een groot deel door -leden dezer klasse veroorzaakt. De Ribkwallen zijn tweeslachtig; de -jongen ondergaan een meer of minder samengestelde gedaantewisseling -en verschijnen in den herfst als volwassen dieren aan de oppervlakte. - -In de huishouding der natuur speelt deze ongeveer 50 soorten omvattende -klasse een ondergeschikte rol. Hare leden bekoren het oog van den -mensch, leven van roof en vallen zelf ten buit aan Schermkwallen -en Zee-anemonen. - - - - - - - -TWEEDE KLASSE. - -DE POLYPKWALLEN (Polypomedusae). - - -De vrij levende vormen dezer klasse--de Kwallen (Medusae)--werden -vroeger in een orde vereenigd en dus gescheiden van hunne vastzittende -verwanten, de Polypen; toen men beider ontwikkelingsgeschiedenis -had leeren kennen, kon deze scheiding niet gehandhaafd worden. Vele -Polypen brengen n.l. door knopvorming Kwallen voort en uit de bevruchte -eieren dezer Kwallen ontstaan weer Polypen. Hier heeft men dus te -doen met heterogonie, met een ontwikkelingskring, samengesteld uit een -geslachtlooze generatie (van Polypen) en een daarop volgende sexueele -(van Kwallen). In de 3 onderklassen (Echte Kwallen, Pijpkwallen en -Hydrozoën), waarin men tegenwoordig de Polypkwallen verdeelt, maakt -nu eens de vastzittende, dan weer de vrij levende generatie het beste -figuur. Groot en hoog georganiseerd zijn de geslachtsdieren bij de -Echte Kwallen (Acalephae), zeer klein daarentegen de zoogenaamde -Scyptzistoma-polypen, waaruit zij langs ongeslachtelijken weg zijn -ontsproten. De omgekeerde verhouding merkt men op bij de Pijpkwallen -(Syphonophora), welker vastzittende individuën ("polypoïden") vereenigd -zijn tot drijvende koloniën. Sommige van deze polypoïden (meer -bepaaldelijk "medusoïden" genoemd) spelen de rol van geslachtsdieren -en nemen min of meer den vorm van Kwallen aan. Deze geraken bij eenige -soorten los en zwemmen vrij rond; bij andere blijven zij deelen van -de kolonie uitmaken. Vele leden van de onderklasse der Hydrozoën -(Hydromedusae) vertoonen een enkelvoudige ontwikkelingskring. Dit -is o.a. het geval met die, welke men in de orde der Trachymedusen -samenvat; bij hen ontwikkelen de bevruchte eicellen zich niet tot -Polypen, maar direct (na gedaantewisseling) tot Kwallen. Gelijk hier de -polyptoestand, zoo ontbreekt de kwaltoestand geheel (en worden zelfs -geen medusoïden gevormd) in de orde der Zoetwaterpolypen (Hydridae), -welke direct geslachtscellen in het ectoderm voortbrengen. Tusschen -deze beide uitersten staan de orden der Campanulariën, Tubulariën -en Hydrocoralliën: bij sommige van deze wordt de Polypengeneratie -gevolgd door een generatie van Kwallen, die eerst na een lang leven -in vrijen toestand rijpe geslachtscellen bezitten; andere soorten -komen uitsluitend in den polyptoestand voor, vormen een stok, die -uit individuën van verschillende gedaante en verrichting bestaat; -sommigen van deze brengen spermatozoïden of eieren voort, hebben min -of meer den vorm van Kwallen en heeten daarom medusoïden. - - - - - - -EERSTE ONDERKLASSE. - -DE PIJPKWALLEN (Syphonophora). - - -Een voorbeeld van deze aan onze kust niet vertegenwoordigde diergroep, -levert de Tweezijdige Blaaskwal (Physophora disticha), die de -Middellandsche Zee en den Atlantischen Oceaan bewoont. De centrale -as, die de "polypoïden" draagt, is buisvormig en loopt naar boven -uit in een met lucht gevulde fleschvormige blaas, die de geheele -kolonie drijvende houdt en haar een verticalen of hellenden stand -verschaft. Het geheele bovenste deel van de as wordt ingenomen door de -"zwemzuil", die uit 2 reeksen van "zwemklokken" bestaat. Deze voor de -beweging dienende polypoïden vertoonen een onmiskenbare overeenkomst -met Schijfkwallen: haar holte vult zich met water, dat vervolgens door -een plotselinge samentrekking uitgeworpen wordt. Onder de zwemzuil zet -de as zich uit tot een zak, waaraan bij den rand zeer beweeglijke, als -"tasters" aangeduide polypoïden gehecht zijn, die twee kransen vormen -en bij haar oorsprong ieder een lange "vangdraad" dragen. Verder naar -'t midden vindt men de eveneens holle, maar bovendien aan 't vrije -uiteinde opene "voedings-" of "maagpolypoïden", die ieder zelfstandig -werken, het voedsel inslikken en verteren. De buit, die grootendeels -uit kleine Schaaldieren bestaat, wordt gegrepen en naar de "monden" -gevoerd, door de lange vangdraden, welker talrijke zijtakken met -knopvormige batterijen van netelcellen gewapend zijn. Het kleurlooze -voedingsvocht (bloed), dat door de maagpolypoïden bereid wordt, -komt aan alle leden van de kolonie ten goede; het wordt verspreid -door de buisvormige, centrale as. De "voortplantingspolypoïden" of -"medusoïden" zijn in de afbeelding niet voorgesteld; tot trossen -vereenigd, bevinden zij zich tusschen de tasters en de magen. De hier -als voorbeeld dienende soort heeft "éénhuizige" koloniën, die ieder -zoowel mannelijke als vrouwelijke medusoïden dragen: gene brengen -spermatozoïden, deze ieder één ei voort. De medusoïden, die zich bij -de Blaaskwal niet veel boven den rang van geslachtsorganen verheffen, -ontwikkelen zich bij andere soorten tot vrij zwemmende Kwallen. Het -duidelijkst geschiedt dit bij de Zeilkwallen (Velellidae), waar zij -lang voor de rijpheid der geslachtscellen zich afscheiden, als Kwallen -(Chrysomitra) rondzwemmen en zelfstandig voedsel opnemen. - -Het valt niet te ontkennen, dat de Blaaskwal veel gelijkt op een -enkelvoudig dier. Tegen deze meening pleit echter de aanwezigheid van -verscheidene magen, die ieder een afzonderlijke mondopening hebben -en zelfstandig arbeiden. Neemt men voorts in aanmerking, dat bij -sommige soorten de medusoïden losgeraken en als zelfstandige wezens -voor de sexueele voortplanting zorgen, dan begrijpt men, waarom de -Syphonophoren door B. Leuckart polymorphe koloniën worden genoemd. De -deelen, waaruit zij samengesteld zijn, komen met deelen van een -organisme overeen, in zoo verre als zij ieder een afzonderlijken -arbeid verrichten, die voor het in stand houden van het geheel -noodzakelijk is. Met het oog hierop vormen zij in physiologischen -zin één geheel, behooren bij één leven. Toch zijn enkele van deze -organen zoo zelfstandig werkzaam, en die, welke later den vorm van -Kwallen aannemen, zoo hoog ontwikkeld, dat zij bijna op den rang -van enkelvoudige wezens, van individuën, aanspraak mogen maken. Dit -noopt ons de Pijpkwal te beschouwen als een "stok", samengesteld uit -onvolledige individuën, met verschil van vorm en van verrichting; deze -beteekenis moet men hechten aan de uitdrukking "polymorphe kolonie". - -Tot de Siphonophoren behoort een van de fraaiste en merkwaardigste, -maar tevens een van de gevaarlijkste geslachten van Coelenteraten, -sedert lang aan de zeevarenden bekend onder de namen van Bezaantje, -Bij-den-wind-zeiler en Portugeesch oorlogschip (Physalia). Verscheidene -soorten van dit geslacht bewonen de warme zeeën, o.a. de Middellandsche -Zee en den Atlantischen Oceaan. Bij deze kolonie verwijdt de stam zich -van boven tot een groote blaas met een aanzienlijke luchtkamer, die -door een opening met de buitenwereld in gemeenschap staat. Onder aan -deze blaas hangen naast elkander voedingspolypoïden, tasters, waaraan -medusoïde knoppen tot ontwikkeling komen en zeer lange vangdraden. - -De Bezaantjes prijken met prachtige kleuren: de luchtblaas en -haar kam zien er uit alsof zij van zilver zijn gedreven, versierd -met lichtblauw, violet en purper. Kleine verhevenheden aan de -kiel van den kam zijn helder karmijnrood; een verwonderlijk fraaie -ultramarijnblauwe kleur is eigen aan alle aanhangselen. Zelfs de ruwe -matrozen bewonderen deze prachtige schepsels, welker blaas de grootte -van een kinderhoofd kan bereiken en welker vangdraden diep in het -water hangen; hun bewondering gaat echter met een eerbiedig ontzag -gepaard. Meyen verhaalt dat bij de eerste reis om de wereld van de -"Princes Louise", een prachtige Physalia langs het schip dreef. Een -jonge, drieste matroos sprong in zee om het dier te vangen, haalde -het zwemmend in en vatte het aan. De Pijpkwal kronkelde de lange -vangdraden om haar roekeloozen tegenstander, die, door vreeselijke -pijn gekweld, vertwijfeld om hulp schreeuwde; met moeite gelukte het -hem naar het schip terug te keeren; hij moest zich aan boord laten -hijschen en leed ten gevolge van de ontsteking der huid aan zulke -hevige koortsen, dat men geruimen tijd voor zijn leven beducht was. - - - - - - -TWEEDE ONDERKLASSE. - -DE HYDROÏDKWALLEN (Hydromedusae). - - -Om niet te uitvoerig te worden bepalen wij ons tot de beschrijving van -één in de Noordzee voorkomende soort van de orde der Tubulariën. In -vastzittenden toestand is zij bekend onder den naam van Knikkende -Bloempolyp (Corymorpha nutans); hare vrij levende Kwallen-generatie -heet Steenstrupia galanthus. De polyp is niet, gelijk de meeste -van hare orde-verwanten, vertakt, maar onverdeeld; ook hecht zij -zich niet, als deze, aan waterplanten, steenen en dergelijke stevige -voorwerpen vast, maar is gedeeltelijk weggedoken in het fijne zand van -den zeebodem. Van het op deze wijze verborgen kegelvormig uiteinde -van den steel gaan in alle richtingen draadvormige aanhangsels uit, -die aan het geheele lichaam voldoenden steun verschaffen. De gastrale -holte wordt niet, gelijk bij de Anthozoën, door straalsgewijze plooien -van den wand vernauwd; zij staat van boven direct met de buitenwereld -in gemeenschap door de mondopening. Deze is omgeven door een krans -van ongeveer 80 korte tentakels; een tweede krans van ongeveer 32 -langere voelers omgeeft het middelste deel van de verwijding (maag), -die onder den mond gelegen is. Vooral op den cilindrischen, overlangs -gestreepten steel vormt het ectoderm een dun, op chitine gelijkend, -uitwendig skelet (periderma). Een verkalkt periderma vindt men bij -de op diepe zeebodems levende Hydroïd-koralen (Hydrocoralliae). Een -inwendig, door het mesoderm gevormd kalkskelet, zooals bij de -Anthozoën voorkomt, hebben de Hydrozoën niet. Onmiddellijk boven -den ondersten tentakelkrans ontspruiten de geslachtsknoppen, die -zich afscheiden, nadat zij zich ontwikkeld hebben tot Kwallen, -welker cilindrisch of vierzijdig prismatisch scherm 1.5 mM. breed -is en van boven eindigt in een kegelvormige spits. Van onderen is -het scherm, op een groote centrale opening na, afgesloten door een -randzoom (velum). Aan den rand hangen 4 holle, weeke, buigzame, -gele of roode tentakels, waarvan 3 zeer klein zijn; de vierde is -goed ontwikkeld en loopt uit in een buitengewoon lang, draadvormig -aanhangsel. Iedere tentakel is aan zijn basis voorzien van een rood -of geelbruin oog. Bij andere "Kwallen met randzoom" vindt men, in -plaats van oogen, "randblaasjes" (gehoororganen). Als een klepel in -een klok, hangt in het scherm een roode of geelbruine, kegelvormige, -holle, van onderen geopende "maagsteel" in gemeenschap staande met -een daarboven in het scherm aanwezige gastrale holte; de 4 van hier -naar de tentakels loopende radiale kanalen zijn door een in den rand -gelegen ringkanaal vereenigd. Aan de binnenste oppervlakte van dit -gastrovasculaire stelsel, dat voor het bereiden en verspreiden van -voedingsvocht dient, bevinden zich bij het eene individu mannelijke, -bij het andere vrouwelijke geslachtsorganen. - -In hoofdzaken stemmen alle Hydroïdkwallen en Hydroïdpolypen met -de beschrevene overeen. Deze leven in den regel niet eenzaam, -maar zijn meestal tot boom- of korstvormige "polymorphe" stokken -vereenigd. Voorbeelden hiervan zijn hoornachtige Zeecypres (Sertularia -cupressina), die zoo dikwijls op het strand ligt en voor een plant -wordt aangezien, en de Ruwe Zeerasp (Hydractinia echinata), welker -overblijfsel niet zelden als een bruine korst de uit zee aanspoelende -Wulken en andere schelpen bedekt. De Hydroïdkwallen zijn in den -regel zeer klein; zelden bereiken zij een aanzienlijke grootte, -zooals Equorea Forskalea, die de Middellandsche Zee bewoont en een -scherm van 20 à 40 cM. middellijn heeft. - -De eenige Zoetwater-hydrozoën zijn de Knodspolypen (Cordylophora) -en de Zoetwaterpolypen (Hydra). Cordylophora lacustris vormt 4 à 8 -cM. hooge, sierlijk vertakte boompjes, die met op wortels gelijkende -draden vastgegroeid zijn aan steenen, hout, schelpen, enz. De geheele -stok is met een dunne chitinelaag (periderma) bekleed, behalve de -knotsvormige "kopjes", waaraan een slurfvormigen mond, omgeven door -onregelmatig verdeelde, draadvormige armen. Tot in het midden van -deze eeuw kende men deze soort slechts als een bewoner van het brak -water der Europeesche en Noord-Amerikaansche kusten. Toen vertoonde -zij zich in sommige gedeelten van den benedenloop van verscheidene -rivieren, Theems, Elbe, enz.; thans is zij zoowel in de Oude- als -in de Nieuwe Wereld ver in het binnenland doorgedrongen. In Hamburg -heeft zij zich in de buizen van de waterleiding gevestigd en zich er -zoo sterk vermenigvuldigd, dat de doorstrooming van het water hier -en daar verhinderd werd. - -Meer algemeen bekend zijn de Hydra's, de Zoetwaterpolypen bij -uitnemendheid. Zij hebben een lichaamslengte van 1 à 2 cM. In den -regel zal men niet tevergeefs zoeken naar een van de drie inheemsche -soorten--de Groene, de Grijze en de Gewone Armpolyp (Hydra viridis, -H. grisea en H. vulgaris)--in het stilstaand water van met planten -begroeide poelen en plassen, wanneer men eenige van hier mede -genomen planten stil laat staan in een glas met water en ze dan -met een vergrootglas onderzoekt. Zoodra de Polypen tot rust gekomen -zijn, beginnen zij zich te strekken en hare 6 à 12 voelers tot fijne -draden te verlengen (die van de Gewone Armpolyp kunnen wel 40 cM. lang -worden; bij de overige soorten zijn zij korter of niet langer dan het -lichaam). Diertjes, die met de voelers in aanraking komen, blijven er, -als verlamd, aan hangen; door het inkrimpen van de vangtoestellen wordt -de buit naar den gretig geopenden, voor sterke uitzetting geschikten -mond gebracht. Van polymorphie is geen sprake, van blijvende koloniën -evenmin. Gewoonlijk vermenigvuldigen deze diertjes zich door knoppen, -die aan den romp ontspruiten. Dikwijls blijft de dochter zoolang -met de moeder vereenigd, totdat zij zelf ook eenige dochterknoppen -vertoont. In de laatste zomermaanden of in den herfst verschijnen -(in het ectoderm) dicht bij den tentakelkrans, 1 à 5 knobbels, die -zich langzamerhand boven de oppervlakte verheffen en eindelijk door -een opening aan den top talrijke spermatozoïden laten ontwijken; -ongeveer terzelfder tijd vormen zich aan een lager gedeelte van den -romp één of twee eizakjes, die ieder een ei voortbrengen. Nog in -'t zelfde jaar of in de volgende lente verlaat het jonge dier de -eischaal; het heeft aanvankelijk slechts 4 beginsels van vangarmen, -doch wordt weldra aan zijne ouders gelijk. - - - - - - -DERDE ONDERKLASSE. - -DE ECHTE KWALLEN (Acalephae). - - -Deze onderklasse bestaat uit wezens, die wegens hun overeenstemming met -de geslachtsdieren der beide vorige orden denzelfden naam verdienen -te dragen, doch een veel hoogeren trap van volkomenheid bereikt -hebben. Van de Hydroïd-kwallen onderscheiden zich de Acalephen -o.a. door het gemis van een randzoom; daarentegen is de rand van -haar scherm gewoonlijk door insnijdingen in lobben verdeeld. Daar -aan onze kust nooit Buidelkwallen of Diepzeekwallen en hoogst zelden -Bekerkwallen voorkomen, is het voldoende de orde der Schijfkwallen -(Discomedusae) te bespreken. Tot haar behooren ruim 150 van de -ruim 200 bekende soorten der onderklasse en tevens hare grootste -vertegenwoordigers. Zes daarvan bewonen in aanzienlijken getale de -zee langs onze kust. Meer dan andere Coelenteraten trekken zij de -aandacht, daar zij in 't gunstige seizoen tot in de onmiddellijke -nabijheid van den oever aan de oppervlakte zwemmen. Bij ruw weer -verongelukken vele exemplaren op het strand, waar deze groote, rood- -of blauwachtige, halfbolvormige geleiklompen spoedig door uitdroging -zoo goed als geheel verdwijnen. Hun lichaam, vooral dat van de -Aurelia's en Chrysaora's, heeft n.l. zulk een groot watergehalte -(95 à 96 percent), dat er van een middelmatig groot exemplaar, op -vloeipapier aan de zonnestralen blootgesteld, niets anders overblijft -dan een (door echte natuurzelfdruk gevormde) omtrekfiguur. Sommige -soorten ziet men nu en dan in grooten getale bijeen. Lang aanhoudende, -noordelijke windrichtingen vullen de havens van de westkust der Oostzee -soms met geheele banken van blauwe Kwallen (Aurelia aurita). In de -Middellandsche en de Adriatische Zee kan men zelden een uitstapje -maken, zonder eenige of zelfs vele exemplaren te ontmoeten van de -prachtige Longkwal (Rhizostoma pulmo), die nog iets grooter wordt -dan haar hierachter afgebeelde verwante. Beide worden echter in -dit opzicht ver overtroffen door Cyanea arctica, een bewoonster -van het noordelijke deel van den Atlantischen Oceaan, en zelfs door -Cyanea capillata, die aan onze kust veelvuldig voorkomt; bij deze -kan het scherm 1, bij gene 2 M. middellijn bereiken. Een andere in -'t oog vallende eigenschap van vele Kwallen is het phosphoresceeren; -hieraan ontleent Pelagia noctiluca, die de Middellandsche Zee bewoont, -haar naam. Bovendien brengen vele soorten met hare netelorganen ook -op de huid van den mensch een pijnlijke ontsteking te weeg. - -De Schijfkwallen zijn niet slechts de meest bekende, maar ook de -hoogst ontwikkelde leden van de geheele klasse. Het scherm, dat het -grootste deel van haar lichaam uitmaakt, heeft meestal den vorm van -een horlogeglas of van een halven bol, zelden dien van een klok. Door -aanhoudende, regelmatig opeenvolgende samentrekkingen van het scherm, -of liever van een zijn ondervlakte bedekkende laag van straals- -en kringswijs loopende spiervezels (den zoogenaamden "zwemzak"), -houden de Schijfkwallen zich bij den waterspiegel. Zoolang de nu en -dan voorkomende rustpauzen duren, zinkt het dier langzaam naar beneden, -waaruit blijkt, dat het iets zwaarder is dan het omringende water. Het -grootste deel van het scherm wordt gevormd door het geleiachtige, -met cellen doorgroeide "mesoderm", dat vezeltjes en veerkrachtige -draadnetten bevat en hierdoor betrekkelijk stevig is. De rand van het -scherm is op regelmatige wijze in 8 groepen van "lobben" verdeeld door -insnijdingen, waarin "randlichaampjes" voorkomen, die ieder een oog -en een gehoororgaan bevatten, beschut door een "ooglobje", aan welks -bovenzijde, bij den oorsprong, zich een reukgroefje bevindt. Bovendien -zijn hier (behalve bij de Rhizostomeën) holle voeldraden aanwezig, die -bij Aurelia en Chrysaora één reeks aan den rand, bij Cyanea 8 bundels -aan de ondervlakte van het scherm vormen. Aan 't middengedeelte hangt, -als de klepel van een klok, de eenigszins vierkantige "mondsteel"; bij -de 3 laatstgenoemde geslachten bevindt zich aan zijn vrije uiteinde -de mond, welks vier hoeken tot wimpelvormige "mondarmen" verlengd -zijn. Bij de Rhizostomeën echter is de opening tusschen de mondarmen -gesloten en zijn deze ieder in twee takken verdeeld; de gedeeltelijk -aaneengegroeide randen van elken tak vormen een buis, die een aantal -openingen overlaat, welke met gekroesde randlobben omgeven zijn en -voor het opzuigen van het voedsel dienen. De boven den mond gelegen -gastrale holte of "maag"--bij alle Aculephen voorzien van maagdraden, -die spijsverteringssappen afscheiden--staat buitenwaarts in gemeenschap -met 8 (of een veelvoud van 8) "maagzakken" en verder met "kanalen", -die zich straalsgewijs tot in den rand van het scherm uitstrekken -en hier dikwijls door een "ringkanaal" vereenigd zijn. Gezamenlijk -vormen al deze holten en kanalen het gastrovasculaire stelsel. De -schijfkwallen voeden zich hoofdzakelijk met kleine dieren, die zij -met de mondarmen vangen, waarbij de netelorganen goede diensten -bewijzen. De Rhizostomiden zuigen de prooi uit; de overige Kwallen -brengen haar onmiddellijk in de maag. - -Bij verreweg de meeste Schijfkwallen zijn geslachtsorganen -over tweeërlei individuën verdeeld en is de ontwikkelingskring -samengesteld uit twee generatiën: Polypen, die zich door deeling -en knopvorming vermenigvuldigen, brengen de geslachtsdieren -voort. De geslachtsorganen, kenbaar aan hun teere kleur, puilen -uit in 4 ondiepe holten, die den mondsteel omgeven. Het bevruchte -ei doorloopt den gastrula-toestand, in het slijm van het ectoderm -tusschen de mondarmen en ontwikkelt zich hier tot een mondlooze, -aan de oppervlakte met trilharen begroeide larve, planula genaamd, -welke door haar plat-ovale gedaante aan een damesmedaillon herinnert -en een tijdlang vrij rondzwemt. Zij hecht zich vervolgens vast en -wordt peervormig. Tegenover het dunne, aan den bodem vastgehechte -uiteinde ontstaat een mond, die de gastrale holte opnieuw met -de buitenwereld in gemeenschap brengt, en omgeven wordt met 4 -tentakels. Het nu polypvormige wezen heet Scyphistoma en vermeerdert -het aantal tentakels tot 16. Een aantal "dochter-polypen" kunnen uit -de basis van deze "moederpolyp" ontspruiten en zich, evenals deze, -door deeling vermenigvuldigen, n.l. door ringvormige insnoeringen, -die, steeds dieper wordend en naar onderen in aantal toenemend, -terwijl de Polyp zich verlengt, haar allengs het voorkomen geven van -een stapel tafelborden. Aan den scherpen rand van elk dezer deelen -ontwikkelen zich 8 korte, 3-deelige randlobben (uit het middelste deel -ontstaat een randlichaampje). In dezen toestand wordt de Polyp met een -sparrekegel vergeleken en Strobila genoemd. Door het steeds toenemen -van de diepte der insnoeringen geraken, te beginnen bij de bovenste, -die hare tentakels verliest, achtereenvolgens alle schijven los. Zij -draaien zich om en zwemmen als jonge Kwallen (zoogenaamde Ephyra's) -weg; elke randlob is vooraf uitgegroeid tot een langwerpig uitsteeksel -(met een diepe insnijding aan den top) waaronder het randlichaampje -verborgen is. Langzamerhand verkrijgt de Ephyra alle eigenschappen -van een Schijfkwal. - - - - - - - -DERDE KLASSE. - -DE STRAALPOLYPEN (Anthozoa). - - -Een liefelijk schouwspel levert het komen en gaan der Kwallen op den -door golving en strooming telkens veranderden spiegel der zee. Na een -kortstondig leven, welks duur waarschijnlijk een jaar overtreft, gaan -deze wezens te niet, keeren hunne bestanddeelen terug in den algemeenen -kringloop der stof en blijven van hun aanwezigheid geen andere sporen -over dan een talrijke, in wording verkeerende nakomelingschap. Ook -onder de Straalpolypen zijn er, welker generaties even spoorloos -verdwijnen als deze. Veel grooter is echter het aantal leden dezer -klasse, die sedert de eerste tijden van hun bestaan op aarde, door -alle geologische perioden heen gedenkteekenen hebben opgericht, zooveel -grootscher dan die, welke door menschenhanden zijn gebouwd, dat deze, -met hen vergeleken, geheel in 't niet verzinken. De vorming van een -groot deel der vaste aardkorst is een gevolg van de werkzaamheid der -hier bedoelde, nietig kleine dieren. Door de veranderingen, die in -'t binnenste der aarde plaats grijpen en zich aan hare oppervlakte -openbaren, als opheffingen en inzinkingen, worden op de eene plaats -riffen en koraaleilanden boven den zeespiegel omhoog gestuwd, terwijl -zij elders in de diepte terugkeeren. Overal waar de Koraaldieren, de -belangrijkste van alle Straalpolypen, zich vertoonen, hebben werkingen -plaats, die door haar omvang en beteekenis bijna alles in de schaduw -stellen, wat overigens nog door het dierlijk leven tot stand wordt -gebracht. Nietig klein in den beginne, slechts door den microscoop -waarneembaar, wordt deze vestiging weldra het vereenigingspunt van -verbazend veelvormige levensverschijnselen, totdat de mensch als -'t ware den hier verrichten arbeid bekroont, door den op deze wijze -gevormden bodem in bezit te nemen. - -De Anthozoën zijn vastzittende, meestal tot stokken vereenigde -dieren; het gesloten uiteinde van haar cilindervormig lichaam heet -voet; in het midden van de hieraan tegenovergestelde, in den regel -uitpuilende mondschijf, die langs den rand één of meer kransen -van holle tentakels draagt, bevindt zich de meestal spleetvormige -mond. Deze staat niet, gelijk bij de Hydroïdpolypen, onmiddellijk, -maar door tusschenkomst van een buisvormigen (door instulping van -het ectoderm gevormden), in de gastrale holte hangenden "maagzak" met -genoemde holte in gemeenschap. Deze wordt in "kamers" verdeeld door -schotten (mesenteriaalplooien), die straalsgewijs van de binnenste -oppervlakte van den lichaamswand uitgaan, met de buitenste oppervlakte -van den "maagzak" verbonden zijn en zich van de mondschijf tot den -voet uitstrekken, maar niet tot aan de lichaamsas reiken, rondom deze -dus een centrale holte vrijlaten. Elke kamer zet zich naar boven voort -in de kegelvormige holte van een tentakel; zij bestaat verder uit een -kokervormig vak van de ringvormige ruimte tusschen den lichaamswand -en den maagzak en bovendien uit de hieronder gelegene, nisvormige, -aan de aszijde opene afdeeling van de gastrale holte. De lichaamswand -bestaat uit drie lagen: het met tallooze netelorganen gewapende -ectoderm, het hieruit secundair gevormde mesoderm, dat spieren bevat, -en het slijmerige entoderm, dat de geheele binnenste oppervlakte van -de gastrale holte bekleedt. Spieren komen zoowel in den buitenwand -als in de tentakels, den maagzak en de mesenteriaalplooien voor. Die -welke in overlangsche richting loopen, hebben de overhand; zij stellen -het dier in staat zich sterk te verkorten, het bovenste stuk van zijn -lichaam in het meestal door harde deelen gesteunde onderste stuk als -in een etui terug te trekken. Zintuigen komen bij de Anthozoën niet -voor; het ectoderm, vooral dat van de mondschijf en van de tentakels, -is echter zeer gevoelig en bevat talrijke zenuwvezels. Van den vrijen -rand der mesenteriaalplooien gaan gekronkelde of kluwenvormig opgerolde -"mesenteriaaldraden" uit, die in de gastrale holte uitpuilen (bij de -Actiniën ook wel door den mond of door huidporiën naar buiten gestoken -worden); zij zijn met netelorganen en kliercellen toegerust en schijnen -bij de spijsvertering een belangrijke rol te vervullen. Onder de plaats -waar deze draden ontspringen, komen aan de mesenteriaalplooien de -geslachtsorganen voor, bij ieder dier òf vrouwelijke, òf mannelijke, -zelden beide. De eieren ontwikkelen zich dikwijls in de gastrale -holte van de moeder en verlaten deze als eivormige, later wormvormige -planula's. Na eenigen tijd rondgezwommen te hebben, hechten zij zich -vast. Aan den top van het jonge dier ontstaat een diepe instulping (de -toekomstige "maagzak"), welker bodem vervolgens een opening verkrijgt, -waardoor de gemeenschap van de gastrale holte met de buitenwereld -(die sedert het einde van den gastrula-toestand was afgebroken) -hersteld wordt. Nadat nu eerst mesenteriaalplooien en later tentakels -gevormd zijn, gelijkt de jonge Polyp op hare ouders. - -Een zeer belangrijke rol speelt bij de Anthozoën de ongeslachtelijke -vermenigvuldiging. Alle leden van één stok zijn langs dezen weg -ontstaan uit een aanvankelijk eenzaam levend dier, dat zich hier -als planula heeft vastgehecht. Al naar de stokvorming geschiedt door -onvolkomen deeling of door knopvorming, hetzij aan den voet of aan de -zijden van het lichaam (bij fossiele Koralen ook aan de mondschijf) en -al naar de diepte van de scheiding tusschen de hierdoor voortgebrachte -individuën, zal de stok massief zijn of vertakt, in 't laatstgenoemde -geval zodevormig, struikvormig, bladvormig, waaiervormig, enz.--De -scheiding kan zoo ver gaan, dat leden van een kolonie een geheel -zelfstandig leven leiden. Dikwijls echter blijven hunne gastrale -holten met elkander verbonden, daar alle Polypen aan den voet meer -of minder ver omgeven zijn door een gemeenschappelijke laag. Deze -levende massa, die "coenosark" heet, bevat een groot aantal kanalen, -waardoor het voedingsvocht van iedere Polyp aan alle leden der kolonie -ten goede kan komen en tevens dient voor het vormen en onderhouden van -het gemeenschappelijk eigendom van alle individuën, n.l. van den stam -en de takken van den stok.--Bij een aantal Anthozoën mist men ieder -spoor van vaste, tot steun geschikte deelen; meestal echter is hun -lichaam door een skelet gesteund, welks deelen soms geïsoleerd blijven, -in den regel echter een samenhangend geheel vormen. Bij eenige zijn -zij van hoornachtigen aard, bij de meeste echter grootendeels uit -koolzure kalk samengesteld. - -Alle Anthozoën zijn zeebewoners; de grootste verscheidenheid van -vormen ontwikkelt deze klasse tusschen de keerkringen: in 't geheel -zijn ongeveer 1800 levende soorten bekend. Hun voedsel bestaat -hoofdzakelijk uit kleine dieren, die zij met de tentakels grijpen -en naar den mond brengen. Zij worden vooral naar het aantal stralen -en tentakels in twee orden verdeeld, waarvan de eerste ongeveer 1200 -levende en nagenoeg alle (1700) fossiele soorten omvat. - - - - - - -EERSTE ORDE. - -DE ZESSTRALIGE POLYPEN (Hexactinia). - - -Bij alle hedendaagsche leden van deze orde bedraagt het grondtal van -de stralen en tentakels 6 (bij een reeds sinds het primaire tijdvak -geheel uitgestorven groep echter 4). Slechts enkele geslachten, alle -behoorende tot de kleine onderorde der Hoornkoralen (Antipatharia), -blijven levenslang uit dit geringe aantal stralen samengesteld; -bij alle overige heeft vermeerdering van hun aantal plaats door -tusschenvoeging van nieuwe schotten, die een geringere breedte bereiken -dan de reeds aanwezige, en deel uitmaken van een nieuwen "cyclus", -die volledig is na verdubbeling van het aantal kamers; dit kan op -deze wijze toenemen tot 96 en zelfs tot 192, doch stijgt zelden hooger. - -De eerste rang komt toe aan de Zeeanemonen of Actiniën (Actinaria), -die een der grootste aantrekkelijkheden onzer aquariën uitmaken. Zij -onderscheiden zich door het gemis van een skelet van de beide overige -onderorden der Zesstraligen en zijn sterker dan deze in den gematigden -aardgordel vertegenwoordigd. Verreweg de meeste leven afzonderlijk, -vormen geen stokken. Daar zij dikwijls een aanzienlijke grootte -bereiken en veelvuldig in ondiep water voorkomen, trekken zij sterk -de aandacht. Niet weinig draagt hiertoe bij hun levendige, meestal -fraaie kleur. Zij hebben een taaie, lederachtige huid, die groote -samentrekkingen en vormveranderingen kan ondergaan. Met uitzondering -van enkele soorten die het achterste gedeelte van haar lichaam -in een kuiltje van den zandigen of slijkerigen zeebodem verbergen -(Cerianthus) of zich met een koker van aaneengekleefd zand of slijm -omgeven (Edwardsia), gebruiken alle Actiniën de voetschijf om zich -vast te hechten en kunnen zij zich zelfs langzaam schuivend op dit -orgaan voortbewegen. - -In alle Europeesche zeeën, ook aan onze kust, ontmoet men van -de laagwaterlijn, tot op een diepte van 20 vademen, bij voorkeur -aan de onderzijde van overhangende steenen, de Gewone Zee-anemone -(Actinia equina, A. mesembryanthemum). Haar lichaam is een korte -en dikke cilinder, 5 cM. hoog en 7 cM. breed, in saamgetrokken -toestand kegelvormig. De mondschijf is aan den rand bezet met -vele rijen kegelvormige tentakels, gezamenlijk hoogstens 192, van -15 mM. lengte. Zij komt in vele kleurverscheidenheden voor, van -paarsachtig rood tot zeer donker olijfkleurig, soms groen of groen -gevlekt of gestreept. De voetschijf is even boven den rand door een -blauwe streep omgeven. De rand van de mondschijf draagt een krans -van hoogstens 48 azuurblauwe knobbeltjes, die talrijke netelorganen -voortbrengen. - -Ondanks hun bevalligen vorm, prachtige kleur, stillen aard en -aan bloemen herinnerend uiterlijk zijn de Actiniën buitengewoon -vraatzuchtige wezens. In het aquarium ziet men ze groote stukken -vleesch verzwelgen, niet om er eenvoudig het sap uit te persen, maar -om het geheel te verteren; de vetdeelen, die zich er aan bevinden, -worden weer uitgeworpen. Ook zuigen zij gaarne Oesters en Mossels -uit. Daar het geen bijzondere moeite kost de Actiniën in 't leven te -houden, heeft men hun levenswijze en voortplanting nauwkeurig kunnen -nagaan. Zij behooren voor 't meerendeel tot de niet talrijke Anthozoën, -die geen stokken vormen. Met zeldzame uitzonderingen planten zij zich -uitsluitend langs geslachtelijken weg voort. - - - -Steenkoralen of Koraaldieren i.e.z. (Madreporaria) noemt men alle -Anthozoën met verkalkt skelet. De gezamenlijke skeletdeelen vormen -het polyparium. Dit kan enkelvoudig zijn of vertakt. Enkelvoudig is -het, wanneer de groei van het individu geen knopvorming of deeling, -maar vermeerdering van het aantal kransen van tentakels en kringen -van mesenteriaalplooien ten gevolge heeft, zooals reeds bij de -Actiniën werd opgemerkt. Een voorbeeld hiervan levert de hiernevens -afgebeelde soort, die tot de Tolkoralen (Turbinolidae) behoort. De -"wand" of "muur" van haar "cel" is van buiten glad; van de binnenste -oppervlakte gaan "straalschotten" uit, die tusschen (niet in) de -mesenteriaalplooien liggen: iedere kamer bevat er één. De muur met -de straalschotten vormen de "kelk". In de hierdoor begrensde holte -kan de Polyp het altijd week blijvende voorste deel van haar lichaam -terugtrekken, hetgeen gepaard gaat met het uitwerpen van het hierin -aanwezige vocht. - -Bij vele soorten is de buitenste oppervlakte van den muur tegenover -de straalschotten bezet met smalle, gaafrandige, uitgetakte of getande -lijsten, die "ribben" heeten. - -Het hierboven afgebeelde, boogvormig vertakte, samengestelde polyparium -van een Eupsammide uit de Golf van Napels dankt zijn vorm aan de -wijze van vermenigvuldiging, door knopvorming aan de zijden van het -lichaam; reeksen van fijne korreltjes vormen ribben aan de buitenste -oppervlakte van den langwerpigen kelk, waarboven de weeke deelen niet -ver uitsteken. Aan de overlangsche doorsnede van een der individuën -(B) ziet men hoe diep de tentakels (a) teruggetrokken worden, hoe -dik de muur (b) is en hoe ver de straalschotten zich binnenwaarts -uitstrekken. De geheel verkalkte wand aan de tegenover den mond gelegen -pool heet "voetblad"; hierop rust een tamelijk hooge zuil. Zij is -dikwijls omgeven door een aantal staafvormige verhevenheden, die men -"paaltjes" noemt. Deze en alle andere kalkafscheidingen tusschen de -straalschotten vormen samen de endotheca. Deze is bij de Steenkoralen -zeer ongelijk ontwikkeld. Soms, zooals bij de Oogkoralen (Oculina), -zet zij zich, naarmate de Polyp omhooggroeit, als een samenhangende -massa af op den bodem der cel, zoodat het onderste gedeelte van de -straalschotten er geheel in opgenomen wordt. Vaker echter ontstaan -tusschen de straalschotten dunne, betrekkelijk dicht bij elkander -gelegen dwarsschotten, die soms ineenvloeien tot vloeren, soms een -zeer geringe breedte hebben en op fijne, kegelvormige knobbeltjes -gelijken, die zich met die van het naburige straalschot tot -dwarsbalkjes vereenigen. Op deze wordt de niet meer door de weeke -deelen ingenomen ruimte allengs gevuld met een kalkmassa, die soms -als 't ware blaasjes, soms talrijke evenwijdige verdiepingen, soms -een soort van traliewerk vormt. - -Ook aan de buitenzijde van den muur kunnen allerlei kalkafscheidingen -voorkomen; soms bekleeden zij dezen met een gladde laag (epitheca), -soms vormen zij talrijke blaasjes (peritheca), soms worden de leden -van den stok aaneenverbonden door een kalkmassa (het coenenchym), -die bladerig dicht of sponsachtig kan zijn. Den laatstgenoemden vorm -heeft zij bij de Sponskoralen (Madrepora), zooals uit de afbeelding -(B) blijkt. - -De leden van dit geslacht leveren de fraaiste en grootste -polypenstokken aan de verzamelingen van naturaliën. Eerst na het -passeeren van het kanaal van Suez ontmoet men ze in grooten getale. De -hieronder afgebeelde soort komt behalve in den Indischen en den Grooten -Oceaan ook in de Roode Zee voor. Hare kelken steken als korte, van -boven kegelvormige buizen boven het hen vereenigende en bedekkende, -met fijne doorntjes bezaaide coenenchym uit. De Madrepora-stokken -zijn soms massief, soms op onregelmatige wijze gelobd, soms struik- -of boomvormig vertakt. - -De Madreporiden, Poritiden en Eupsammiden worden wegens -de tusschenruimten (poriën) van hun kalkskelet onder den naam -van Poreuze Koralen (Perforata, Medreporacea) samengevat. Uit een -dichtere massa bestaan de polypariën van de Zwamkoralen, Sterkoralen en -Oogkoralen, die daarom gezamenlijk Aporosa heeten. Bij het bekijken -van een collectie naturaliën trekken de Zwam-, Paddestoel- of -Kampernoeljekoralen van het geslacht Fungia allicht de aandacht door -hun vorm en hun grootte. Het zijn platte, cirkelronde of langwerpige -schijven, die niet zelden een middellijn van 30 cM. bereiken en met -een het onderste boven gekeerden hoed van een Paddestoel vergeleken -worden. Behoudens een langwerpige groeve, die de plaats aanwijst, -waar zich bij het levende dier de mond bevindt, bestaat de geheele -bovenvlakte uit talrijke, verticale straalschotten; deze rusten -op een voetblad, dat aan de meestal eenigszins uitgeholde, niet -vastgehechte onderzijde gedoornde ribben draagt; de muur, het deel, -dat bij de meeste Koralen het sterkst ontwikkeld is, ontbreekt hier -geheel. De Zwamkoralen zijn enkelvoudig, niet tot stokken vereenigd: -evenals de Actiniën, vermenigvuldigen zij zich bijna uitsluitend -door eieren; wanneer ooit bij hen knopvorming of deeling voorkomt, -blijven de nieuwe individuën niet met het oude vereenigd. - -De Sterkoralen (Astraea) met hunne meestal massieve stokken zijn -karakteristieke verschijnselen van de keerkringszeeën. De kelken zijn -direct of door hunne ribben, niet door tusschenkomst van coenenchym, -verbonden.--Tot dezelfde familie behooren de Hersenkoralen of -Maeandrinen, waarvan een soort is afgebeeld. Bij hen komt een zeer -eigenaardige wijze van vermenigvuldiging door deeling voor. Evenals -bij andere Koraaldieren worden de mondopening en de mondschijf, na -het verdubbelen van het aantal tentakels, langwerpig en naderen de -randen van de mondspleet elkander in 't midden, totdat er twee ronde -openingen zijn ontstaan. Bij de Hersenkoralen wordt dit verschijnsel -echter niet gevolgd door de verdeeling van de mondschijf en blijft ook -de splitsing van de kelk achterwege. De geheele verandering neemt een -einde na de allereerste toebereidselen. In verband met de vermeerdering -van het aantal tentakels, verlengt de mondschijf zich aanhoudend; -telkens ontstaan er nieuwe mondopeningen, zonder dat de verdeeling -verder gaat. De mondschijven breiden zich uit tot lange strooken, -die sterk gekronkeld zijn, omdat zij van de aanvankelijk gevolgde -richting afwijken, zoodra zij elkander ontmoeten. De donkere lijnen -in afbeelding A stellen de reeksen van tentakels voor: zij bedekken -de ineenvloeiende muren, die in afbeelding B als witte lijnen tusschen -de donkerder getinte straalschotten zichtbaar zijn. - -Over 't algemeen groeien de Steenkoralen niet snel, hoewel het eene -geslacht in dit opzicht van het andere verschilt. Sommige levende -stokken bij de Bermudas-eilanden zijn sedert eeuwen nagenoeg niet van -gedaante veranderd; van eenige riffen in de Roode Zee is gedurende een -halve eeuw de aanwas niet merkbaar geweest. Daarentegen vond Wellstead -een gezonken schip in de Perzische Golf reeds na 20 maanden met een 2 -voet dikke korst van Koraaldieren bedekt, en heeft de Torrezstraat, -die bij haar ontdekking 25 koraaleilanden bevatte, er thans reeds -meer dan 150, waartusschen slechts smalle vaargeulen overblijven. In -sommige gedeelten van de Stille Zuidzee komen riffen voor, waarvan -de dikte op 2000 voet wordt geschat. - -De hedendaagsche Madreporariën kunnen naar hun levenswijze en -geographische verbreiding in twee groepen worden verdeeld. De -eene omvat de zoogenaamde Diepzeekoralen, die een uitgestrekt -gebied bewonen, waar het klimaat, de temperatuur van het water en de -aardrijkskundige ligging zeer uiteenloopen. De meeste worden op diepten -van 50 à 300 en zelfs van 1500 vademen gevonden, vele echter ook in -ondiep water in de nabijheid van den oever. Voor 't meerendeel hebben -zij enkelvoudige polypariën of vertakte, struikvormige en kruipende -stokken zonder coenenchym; in den regel vindt men ze geïsoleerd, -nooit tot groote massa's vereenigd. Dit geldt o.a. van de Oog- en -Tolkoralen, van de Eupsammiden en van eenige Zwamkoralen. - -Verreweg de meeste Madreporariën, vooral die, welke stokken met veel -coenenchym vormen, behooren echter tot de Rifkoralen. Vele daarvan -bereiken een aanzienlijke grootte en kenmerken zich door snellen -groei. Daar zij alleen kunnen leven in water, welks temperatuur -minstens 18 of 20° C. bedraagt, is hun verbreiding tegenwoordig -beperkt tot den gordel tusschen 30° NB. en 30° ZB., en wel tot die -gedeelten, waar de gesteldheid van den bodem en de temperatuur van -het water (dat niet onzuiver of met zoetwater vermengd mag zijn) -aan de eischen voldoen. Bovendien is de diepte, waarop zij zich -vestigen, gemiddeld niet grooter dan 20 vademen (30 à 35 M.). Aan de -hedendaagsche koraalriffen arbeiden vooral leden van de geslachten -Porites, Madrepora, Turbinaria, Areopora, Poecilopora, vele Astraeiden -(o.a. Macandrina en Heliastraea) en een aantal samengestelde en -enkelvoudige Zwamkoralen (Fungidae). Behalve deze Madreporariën spelen -ook sommige Alcyonariën (Heliopora), Hydromedusen (Milleporidae) -en Kalkalgen (Nulliporidae) bij de vorming van de koraalriffen geen -onbelangrijke rol. - -Daar de meeste Rifkoralen op geen grootere diepte dan 20 -vademen (ongeveer 30 M.) leven, moet het water op de plaatsen, -waar nu koraalriffen gevonden worden, oorspronkelijk ondiep zijn -geweest. In den regel is dit alleen op geringen afstand van de kust -het geval. Bij Mauritius, Madagaskar, Florida, in de Roode zee, -enz. waar de temperatuur van het zeewater en de bodemgesteldheid voor -het gedijen van de Steenkoralen gunstig zijn, is de kust overal of -op sommige plaatsen omzoomd door een vlak terras van koralenkalk, -waarop bij eb gemiddeld slechts 1 of 2 voet water staat. Overal -waar de zeebodem dieper dan 20 vademen begint te worden, houdt -het koraalrif plotseling op en helt steil naar de zeezijde af; -zijn bovenrand hangt een weinig over; aan den voet van de steilte -is de bodem bedekt met doode stukken koraal, die er door de golven -bijeengespoeld zijn. Het bovenste deel van den buitenrand van zulk een -"zoomrif", dat het meest aan den schok der golven is blootgesteld, -wordt vooral bewoond door Koraaldieren met veel coenenchym en zeer -kleine kelken (Porites). en door Kalkalgen (Nulliporen); iets verder -naar onderen begint de gordel van de Astraeïden en Milleporiden, nog -verder benedenwaarts komen uitsluitend doode polypenstokken voor. Het -terras tusschen de kust en den buitenrand van het rif is weelderig -begroeid met allerlei, ten deele zeer teer gebouwde Koralen (Fungidae, -Astraeidae, Madreporidae); zij rusten op een uit doode brokstukken -van Koralen en slib bestaanden bodem, die na iederen storm door het -aangespoelde gruis een weinig opgehoogd wordt. - -Koraalriffen van geheel andere gedaante vindt men aan de noordoostzijde -van Australië of ten westen van Nieuw-Caledonië. Langs de kust -strekken zich hier, op een afstand van 20 à 60 zeemijlen, damvormige, -uit koralen samengestelde, onderzeesche bergruggen uit. De buitenrand -van deze barrière- of walriffen, welker lengte soms 400 à 1000 mijlen -bedraagt, helt aan de open zeezijde steil af; op weinige honderden -meters afstand buiten het rif wijst het dieplood afgronden van meer -dan 1000 vademen diepte aan, terwijl tusschen het rif en de kust -een kanaal ligt, dat slechts 10 à 30 vademen water bevat. Naar deze -zijde keert het rif zijn zacht glooiende, door tallooze levende wezens -bewoonde oppervlakte. - -Nog merkwaardiger zijn de atollen of lagune-eilanden, die vooral -over de Zuidzee verstrooid zijn. Ringvormige, naar buiten steil -afhellende riffen, verheffen zich te midden van den oceaan, meestal -op onderzeesche vulkanen, en begrenzen een ondiepe lagune met een of -meer kanaalvormige toegangsopeningen aan de benedenwindzijde. Boven -den breeden, ringvormigen dam, die slechts weinige voeten onder -de oppervlakte der zee gelegen is, rijst dikwijls een eiland van -soortgelijke gedaante, dat uit opeengehoopte stukken koraal en slib -bestaat, boven den waterspiegel op; reeds kort na zijn ontstaan -is het begroeid met kokospalmen en een weelderig, doch eenvormig -plantenkleed. Op het door water bedekte terras tusschen het eiland en -den steilen rand van het rif vindt men uitgestrekte, met Koraaldieren -begroeide vlakten; andere zijn bedekt met een Nulliporen-korst van -verscheidene voeten dikte. Een weelderig dierlijk leven openbaart zich -in het ondiepe water van de lagune; hier houden zich de fraaiste en -teerste Koraaldieren op. - - - - - - -TWEEDE ORDE. - -DE ACHTSTRALIGE POLYPEN (Octactinia). - - -De tweede groote afdeeling van de Straalpolypen staat, wat -vormenrijkdom betreft, ver bij de vorige achter, daar zij ruim 600 -levende en 80 fossiele soorten omvat. Ook deze groep biedt veel -verscheidenheid aan, hoewel de individuën, door nooit af te wijken -van het oorspronkelijk aantal voelers, een veel eenvormiger uitzicht -vertoonen dan de overige Anthozoën. De voelers van de Octactiniën -zijn niet hol, gewoonlijk eenigszins afgeplat en langs den rand als -bladen getand of uitgetakt. - -Het verst verbreid is de familie der Zeekurken (Alcyonidae), voor een -groot deel behoorend tot het gelijknamige geslacht (Alcyonium), waarvan -reeds in het hooge noorden eenige soorten veelvuldig voorkomen en dat -in de warmere zeeën zeer sterk vertegenwoordigd is. In de Noordzee, -ook bij onze kust, vindt men op diepten van 5 tot 30 vademen zeer -algemeen den Doodenmanshand of Doomansduim (Alcyonium digitatum), een -meestal witachtigen of bleek rooskleurigen stok, die van onderen even -breed is als van boven, hier in lobben verdeeld, welker eenigszins -rimpelige huid met stervormige, achtstralige sporen is overdekt, -die met de oppervlakte gelijk zijn. - -Eene andere familie, die der Zeepennen, Zeevederen (Pennatuliden), -vormt een zeer eigenaardige groep, die zich wel is waar door het -maaksel der polypen na aan de overige aansluiten, maar zich toch weder -door den zeer regelmatigen, sierlijken vorm van den stok daarvan -verwijderen, zoodat men hen voor andere wezens zou houden. Deze -polypenstokken zwemmen vrij rond. Zij zijn niet, zooals de andere -altijd op eenig voorwerp in zee vastgegroeid, maar steken met het -steelvormig ondereind slechts los in den bodem, in het slib of het -zeezand. Door de golven, of door welke oorzaak ook, kunnen zij echter -worden weggerukt en zwemmen dan vrij rond. - -De stok is vleezig of lederachtig, slechts over het bovenste gedeelte -met polypen bezet, die gewoonlijk op bijzondere, met kalkachtige -naaldjes ondersteunde aanhangsels geplaatst zijn. De meeste geslachten -hebben een door het geheele lichaam loopende kalkachtige as. De -polypen zijn voorzien van acht voelers, welke aan de randen diep -ingesneden zijn. - -Voorwerpen van deze familie zijn indertijd in de Noordzee gevonden door -den heer Maitland, vroeger directeur van den Haagschen dierentuin, -n.l. de Wonderstaf [Vigularia (Lygus) mirabilis]. Deze heeft een -verlengden polypenstok met cilindrische, vleezige schaft, die aan beide -zijden van het bovengedeelte verlengde, vliezige aanhangsels heeft, -welke naar boven omgebogen zijn en aan hun onderrand polypencellen -dragen, acht in getal. Het onderste gedeelte van de schaft, dat -geen aanhangsels draagt, is opgezwollen. De as is cilindrisch, -draadvormig. De kleur van de polypenstok is geelachtig. - -De andere soort behoort tot het geslacht, dat aan de familie den naam -gaf van Zeepennen, door de gelijkheid in vorm met een schrijfpen, -die de polypenstok aanbiedt. De schaft is aan de bovenzijde met -vinachtige aanhangsels ter weerszijden bekleed, waarop de polypen op -verschillende wijzen geplaatst zijn. - -In de groep, aan welke Herklots weder den ouden naam van Zeepennen gaf, -zijn de bovengenoemde vinnen min of meer ingesneden tot bekervormige -cellen, waarin de polypen zitten. De schaft is lederachtig van huid, -ruw of gekorreld. De as is cilindrisch, aan beide uiteinden puntiger -en loopt door de geheele schaft. - -De Lichtende Zeepen (Pennatula phosphorea) is lang en slank; de schaft -is met kleine, stekelachtige schubjes bedekt. De vinnen zijn over de -helft van het lichaam verspreid, ongeveer vijf en dertig aan elke -zijde. Zij zijn vliezig, lang, zeer dun en in afgezonderde cellen -ingesneden, die tweemaal hare doorsnede van elkander verwijderd zijn, -veertien of vijftien op elke vin in aantal. De schaft is cilindrisch, -smal, ruw, het naakte gedeelte is bijna niet opgezwollen. De kleur -is rood [1]. - -De Zeeveder (Pteroides Spinosa) behoort tot de Pteroiden, wier -polypendragende bladeren, zooals boven werd beschreven, door -kalkachtige naaldjes ondersteund worden. - -De Zeevederen behooren tot de lichtgevende zeedieren. - - - -Eene in de verzamelingen van naturaliën meestal rijk vertegenwoordigde -familie, is die der Gorgoniden. Zij komen met de Pennatuliden -in zooverre overeen, dat zij een harde, hetzij hoornachtige of -kalkachtige as hebben, omhuld door het weeke of althans halfweeke -weefsel der individuën en van het deze verbindende coenenchym. De -polypenstokken zijn vastgehecht aan rotsen of andere onderzeesche -voorwerpen. De vorm der stokken is met enkele zeldzame uitzonderingen -meer of minder sterk vertakt, doch zeer verschillend. Bij de eene is -de stam rolrond en zijn de vertakkingen boomachtig, bij de andere is -de stam plat en zijn de takken pluim- of waaiervormig. Verscheidene -soorten hebben bladachtig samengedrukte takken, eene vereeniging van -takken, die er als een soort van traliewerk uitziet. Bij nog andere -is de stam aan één of beide zijden kamsgewijs of vedersgewijs met -takken bezet. Paragoria arborea, die aan de kusten van Noorwegen -voorkomt, bereikt bijna manshoogte. Andere komen vooral voor in de -Middellandsche Zee en de warmere zeeën, zooals de Roode Zee, Indische -Zee, Stillen Oceaan en West-Indische Zee. Men kent ook eenige weinige -fossiele soorten uit het krijt en de tertiaire formatie van Europa. - - - -Een geslacht (Corallium) onderscheidt zich door de geheel verkalkte, -harde, steenachtige as, welke, evenals de geheele stok, boomachtig -vertakt is. Die van de gewone Middellandsche Zee-soort (Corallium -rubrum) levert het bekende bloedkoraal. - -De stam bestaat uit talrijke fijne kalkschichten, van zóó bepaalde -microscopische structuur, dat een kenner van de verhouding hiervan -gemakkelijk aan ieder stuk koraal de echtheid of valschheid kan -constateeren. De nog versche, niet kunstmatig glad gemaakte, nòch in -zee afgeschuurde stok, is met fijne overlangsgroeven bedekt, waarin -de kanalen loopen, die het voedingssap bevatten. - -De natuurlijke historie en de anatomie van het zoogenaamde edelkoraal -is op uitstekende wijze door Lacare-Duthiers bestudeerd. Hij kwam tot -de ontdekking dat de stokken nu eens enkel mannelijke, dan weder enkel -vrouwelijke individuën bevatten, dat echter ook polypen van beiderlei -geslacht op een stok voorkomen, ja, dat er zelfs hermaphroditen -(geslachtloozen) onder loopen. - -Onze afbeeldingen vertoonen, matig vergroot, een twijg van een stok met -verschillende gesloten en een opengesneden kelk. In fig. A ziet men, -bij o, eieren, bij t een grooter zaadhuisje en daarnaast, bij o´, een -ei. In fig. B, bij B, de 1 à 2 mM. lange larven, in de lichaamsopening -van het moederdier het ei verlatend. Zij zijn langwerpig wormvormig -en wij zien in de polypen met ingetrokken voelers, bij f g, door de -zachte wanden van het lichaam heen twee zulke larven. De middelste -polypencel is afgesneden; zij bevat twee larven. Uit de mondopening -der bovenste, bij b, is een larve bezig de wereld in te treden. - -Het voorkomen van het Edelkoraal is beperkt tot de Middellandsche- -en de Adriatische Zeeën. In den laatsten tijd strekt zij zich uit tot -halverwege Sebenico, en wordt op eenige plaatsen van de Albaneesche -kust en tusschen de Ionische eilanden reeds talrijker gevonden. De -opbrengst is in verhouding tot die aan de Algerijnsche en Tunesische -kusten onbeduidend. Aan de laatstgenoemde kust is de visscherij -het loonendst op banken, die zich tot op eenige zeemijlen afstands -van den oever uitbreiden en bij eene diepte van 40-100 vademen, -zeldzaam daaronder of daarboven. Zij wordt bij voorkeur uitgeoefend -door vaartuigen met een Italiaansche bemanning, minder met Franschen -en Spanjaarden en het is een hard werk. De vaartuigen varieeren van -6-12 tonnen inhoud ongeveer, en hebben eene bemanning van 4-12 man -en hiernaar zijn ook de werktuigen en netten ingericht, welke voor de -koraalvisscherij gebruikt worden. De eersten bestaan uit twee overkruis -gelegde en stevig verbonden balken, bij de groote vaartuigen 3 M. lang -en op de kruising met steen of met ijzer bezwaard. Daaraan hangen 34-38 -bundels netten met groote mazen, in den vorm van bundels of dwijlen, -zooals men dat op gewone schuiten wel ziet om het dek te reinigen. Dit -aan een sterke kabel bevestigde toestel wordt achter het vaartuig aan -gesleept en al naar het vaartuig is, met een windas of met de hand -opgehaald en neergelaten. Daar de koralen slechts op oneffen zeebodem -leven, bij voorkeur onder vooruitspringende of overstekende gedeelten, -waarin de armen van de balken moeten doordringen, zoo begrijpt men -dat het vastzitten van het net elk oogenblik voorkomt. Het moet dus -telkens weder losgemaakt worden, en het is begrijpelijk, dat dit -tot den zwaarsten arbeid behoort, temeer daar deze visscherij in het -heete jaargetijde zonder ophouden geschiedt. - -Het aldus verkregen koraal varieert in reinen toestand zeer in -hoedanigheid en in waarde. Het van de rotsen afgerukte, dikwijls -door zwammen en wormen doorboorde koraal kost 5-20 franc het kilo. De -prijs der betere soort wisselt af van 45-70 franc het kilo. Voor het -kilo bizonder uitgezochte dikke en rozenrood (peau d'ange) gekleurde -stukken, wordt echter 400 en 500 franc, ja meer betaald. De stukken -welke op eene bepaalde diepte gevonden worden of die door en door -zwart zijn en als "zwarte koraal" voor 12 à 15 franc het kilo verkocht -worden, behooren niet tot eene bizondere soort, maar zijn lang door -slijk bedekt geweest en hebben door een soort van verrottingsproces en -nog niet bekende chemische inwerkingen de zwarte kleur gekregen. De -verwerking van het koraal tot sieraden en bijouteriën geschiedt te -Parijs en te Marseille en in het bizonder te Napels, Livorno en Genua. - - - -De bouw en het leven der Polypen als enkele individuën en in koloniën -biedt ons veel wetenswaardigs en boeiends aan. De beteekenis van -het leven der polypen is echter van veel grootere strekking. Die -polypen welke men als riffenbouwende koralen aanduidt, richten zich -gedenkteekenen op voor eeuwen, en de invloed op het leven en de -ontwikkeling van het menschelijk geslacht is het gewichtigste punt, -waarop de waarnemingen van het leven der polypen geconcentreerd -kunnen worden. - -Welk een tooverachtigen indruk de bloote aanschouwing van een koraalrif -maakt, heeft Haeckel na een bezoek aan de Arabische kust van de Roode -Zee meesterlijk geschilderd: - -"Die pracht te schilderen, daartoe zijn pen noch penseel in staat. De -oppervlakte der grootere koraalbanken, van 6-8 voet in doorsnede, -is bedekt met duizenden van de schoonste bloemsterren. Tusschen -de vertakte boomen en struiken zit bloem aan bloem. De groote, -bontgekleurde bloemkelken aan hun voet zijn eveneens koralen. Ja zelfs -het bonte mos, dat de tusschenruimten tusschen de verschillende stammen -aanvult, blijkt bij nauwkeurige beschouwing te bestaan uit millioenen -kleine koraaldiertjes. En deze geheele onvergelijkelijke bloemenpracht -wordt door de schitterende Arabische zon in dit kristalheldere water -overgoten met een onvergelijkelijken glans. - -"In deze wondervolle koralentuinen, welke de tot het rijk der -sagen behoorende tooverachtige Hesperidentuinen overtreffen, -wemelt het van dierlijk leven in talrijke soorten. Metaalachtig -glanzende visschen van de zonderlingste kleuren en vormen spelen in -scharen tusschen de koraalbloemen, evenals de kolibrie's die rondom -de kelken der tropische bloemen zweven. Nog veel menigvuldiger en -interessanter zijn de weekdieren der verschillende klassen, welke op de -koraalbanken hun leven leiden. Sierlijke, doorzichtige Schaaldieren, -tot de groep der Garnalen behoorende, klimmen tusschen de takken der -Koralen. Ook roode Zeesterren, violette Slangsterren en zwarte Zeeëgels -klauteren in menigte rond op de takken der koraalstruiken; de scharen -bontgekleurde Mosselen en Slakken zijn niet op te noemen. Schoone -Wormen met bontgekleurde kieuwvederboschjes kijken uit hunne holen -en gangen. Daar komt ook een dichte zwerm Medusen aanzwemmen en tot -onze verrassing herkennen wij in den sierlijken klok een oude bekende -uit de Oost- en Noordzee, de Kwal". - -Alle riffenvormende koraalsoorten leven in de zeeën der heete zone, -waar de afkoeling van het water zelfs in den winter niet onder de 16 -graden Réaumur daalt. De grootste zomerwarmte in den Stillen Oceaan -bedraagt 24 graden Réaumur. Twee lijnen noordelijk en zuidelijk -van den equator, welke de streek van de gelijke wintertemperatuur -verbinden en al naar de stroomingen veelvoudig in- en uitgebogen zijn, -omsluiten de Zone van de koraalriffen-zeeën. - -De grootste verscheidenheid heerscht natuurlijk in den middelsten -heetsten gordel, tusschen 15 en 18 graden noordelijk en zuidelijk -van den equator, waar de temperatuur niet onder 18½ graad Réaumur -daalt. In deze streek vallen de Fidschi-eilanden, wier riffen een -voorbeeld van eene buitengewone menigte Koralen vertoonen. - -De koraalsoorten van Oost-Indië en van de Roode Zee zijn dezelfde als -in het centrale gedeelte van den Stillen Oceaan, eveneens die van de -kusten van Zanzibar. - -De Golf van Panama en de naburige deelen der zee noordelijk tot -aan de punt van het Californische schiereiland en zuidelijk tot -Guayaquil liggen ook nog in den heeten gordel, maar in de koelere zone -daarvan. De polypensoorten aldaar dragen een ander karakter, en zijn -geheel verschillend van de West-Indische. Zij zijn daar niet talrijk en -tot een klein getal geslachten beperkt. Dit laat zich verklaren door -den aard en richting van de strooming langs de Westkust van Amerika, -welke zoowel door hare lage temperatuur als door hare richting, de -verbreiding der soorten uit het centrale gedeelte van den Stillen -Oceaan naar Panama verhindert. - - - -Koraalriffen en koraaleilanden zijn werken van dezelfde soort, maar -onder eenigszins verschillende omstandigheden. Een koraal-eiland -is in ieder geval altijd lang geleden een tijd lang een koraalrif -geweest en is dat voor het grootste deel nog. De namen beteekenen -echter iets anders. Koraal-eilanden zijn geïsoleerd in de zeeën -staande riffen, welke nu eens slechts tot den waterspiegel reiken of -half onderduiken of bedekt zijn met een dichteren of minder dichten -plantengroei. Koraalriffen echter noemt men in het bizonder de -koraalvormingen langs de kusten van eilanden en het vasteland. - -Alle door Koralen omgeven kusten en in het bizonder die van midden -in den Oceaan gelegen eilanden, genieten van hunne riffen groote -voordeelen. De uitgestrekte koraalbanken en de daarachter liggende -kanalen breiden den omvang van het eiland waartoe zij behooren, -buitengewoon uit. Behalve dat zij bolwerken tegen den oceaan vormen, -zijn zij te gelijk dijken, welke den van de bergachtige kusten -afgespoelden grond verzamelen. Zij noodzaken het van het land -afstroomende water het slib, hetwelk zij met zich voeren, af te -zetten en bewaren die op deze wijze voor het land; en het is op deze -aangespoelde gronden dat de inwoners gewoon zijn hunne dorpen aan -te leggen. Zulke vlakten vindt men rondom Tahiti, van O.5-3 mijlen -breed en juist hier groeien de kokos- en broodvruchtboomen het best. - -De riffen maken ook de vischgronden der inboorlingen uitgestrekter -en lokken de visch zeer aan, wat voor die menschen bijna het eenige -vleeschvoeder is. De door de riffen ingesloten wateren bevorderen -de scheepvaart en vergemakkelijken de verbinding tusschen de -nederzettingen. Om dezelfde reden treft men er veilige havens aan, -waarvan sommige er wel een dozijn bezitten, terwijl men langs vele -onbeschutte kusten soms geen enkele veilige haven bezit. Zelfs voor -den wereldhandel leveren de omvangrijke riffenregionen hunne bijdrage, -behalve parelen, de tripang genoemde eetbare holothuriën of zeeslakken, -waarvan duizenden centenaars jaarlijks van de riffen in Oost-Indië, -Australië en de Fidschi-eilanden naar China worden uitgevoerd. - - - - - - - - - -DE SPONSEN (Spongiae). - - -Wie voor den eersten keer eene verzameling Sponsen, gedroogd of in -spiritus bewaard, bekijkt, zal niet zelden over de dierlijke natuur -van deze in verschillende vormen (zooals beker-, bol-, knots-, -waaier- of trechtervormige) voorkomende voorwerpen in twijfel staan -en de totaalindruk zal wezen, dat het planten zijn. Daar men echter -zulke Sponsen in een museum van natuurlijke historie vindt, zal men -allicht oordeelen, dat zij dan zeker in leven en op de plaatsen wáár -zij leven er anders uit zullen zien en dan meer den indruk van dieren -maken. Laten wij daarom de Sponsen in de natuur opzoeken. Zij komen -slechts in het water voor, en zeer spaarzaam zijn zij in zoet water -vertegenwoordigd door de Zoetwater-sponsen of Spongillen. Op den -bodem van menig water, aan houten brugpijlers, kan men gedurende -den zomer groenachtige of grijze, vertakte of rondachtige dingen, -ter grootte van een vuist of van een hoofd, bestaande uit een weeke -of papachtige massa, zien, die voor het bloote oog niet het geringste -spoor van leven vertoonen, die, in een glas met water bewaard, zich -weken lang onbeweeglijk vertoonen, en die, in de zon gelegd, snel -indrogen, zonder iets van hun vorm te verliezen en dan gemakkelijk -tot poeder zijn te knijpen. - -Het microscoop toont dat dit poeder of stof grootendeels uit fijne, -met twee punten voorziene kiezelnaalden bestaat en wij zijn nog even -wijs als vroeger. Laten wij daarom de zee opzoeken, waar Sponsen in -menigte voorhanden zijn. - -Op sommige plaatsen van de Adriatische Zee en de Ionische eilanden -zijn de rotsen bij plekken door een korst van O.5-2 cM. dikte -bedekt, die witachtig van kleur is en die men gemakkelijk er af kan -breken. Als men deze korst losbrokkelt, ziet men dat zij ten deele -bestaat uit lichaampjes van een onregelmatigen, ten deele van een -kegelachtigen of fleschachtigen vorm, die eerst leven en beweging -verraden, als men in hunne nabijheid fijn verdeelde verfstof in het -water werpt. Daardoor worden dan stroomingen zichtbaar, welke van -de groote openingen uitgaan en door de een of andere werkzaamheid in -het inwendige van deze lichamen moeten ontstaan. Al deze Kalksponsen -zijn hard en ruw op het gevoel of vertoonen tenminste, als zij van -een weekere zelfstandigheid zijn, eene ruwe, stekelige oppervlakte. - -Waaraan herkent men nu eigenlijk een Spons? Om deze vraag te -beantwoorden, kunnen wij niet beter doen dan te wijzen op de meest -verbreide soort van Spons, die bij iedereen bekend is, n.l. de gewone -Badspons. Maar ... om te beginnen hebben wij ons reeds onjuist -uitgedrukt, want niet de Badspons is het die bij iedereen bekend -is maar ... het geraamte er van. Het is, zooals men gemakkelijk -kan nagaan, een zeer elastisch, van grootere en ontelbare kleinere -poriën en kanalen doorboorde, vezelachtige massa van een stof die -men hoornachtig (Spongin) noemt. - -Wij hebben over het voorkomen der Sponsen reeds gesproken. De vorm -wijzigt zich echter dikwijls naar de omstandigheden waaronder zij -groeit en van het voorwerp waarop zij zich heeft vastgehecht. Met -uitzondering van den eersten levenstijd, zijn zij vastzittende -wezens en niet zelden leven zij ook parasitisch op andere dieren, -op de schelpen van Weekdieren, Polypariën enz. Er zijn ook Sponsen, -die parasitisch op andere wonen. Eenige soorten hebben zelfs het -vermogen om gaten in kalkgesteenten te boren en houden daarin -hun verblijf. In verschen toestand bezitten de meeste Sponsen eene -tamelijke vastheid, zoodat zij aan drukking weerstand kunnen bieden, -zooals b.v. de soorten, welke worden ingezameld om in den handel te -worden gebracht. Deze handelsartikelen bestaan echter, zooals wij -reeds zeiden, enkel uit het skelet, waaruit alle weeke deelen door -uitspoeling en uitwassching zijn verdreven. De kleuren welke zij -vertoonen zijn wit, geel, bruin, zwart, rood, violet en groen, en in -grootte wisselen zij af van eenige millimeters tot een meter en meer. - -Alle Sponsen bestaan uit een skelet en uit eene zeer weeke -zelfstandigheid, het sarcode of protoplasma, waarmede de opene -holten en kanalen gevuld zijn, die met elkander in verband staan en -buitenwaarts uitmonden met tweeërlei soort van openingen, namelijk -zeer kleine, poriën genaamd, en grootere, gewoonlijk mondjes (oscula) -geheeten. Het stelsel van kanalen mondt uit in eene ruimte, de -maagruimte, die naar onderen zakachtig gesloten is, naar boven met eene -opening, de schoorsteen genaamd, in verbinding staat. Het omringende -water met de daarin zwevende kleine deeltjes, die tot voeding van -het lichaam dienen, treedt de kleine poriën binnen en verlaat dit -weder door de groote openingen, na de voedende bestanddeelen te -hebben achtergelaten. - -De instroomingsopeningen of poriën bevinden zich altijd aan de -buitenvlakte, de uitstroomingsopeningen daarentegen monden dikwijls -uit in een gemeenschappelijke of cloacale holte, die dan één grootere, -naar buiten voerende opening heeft. Deze openingen bezitten nog de -eigenaardigheid dat zij tijdelijk of blijvend kunnen zijn. Dit hangt af -van de meerdere of mindere vastheid van de weeke zelfstandigheid. Is -de buitenste sarcodelaag in zekeren graad verhard en een soort -certicula geworden, dan zijn de openingen blijvend, is de sarcode -week, dan verschijnen en verdwijnen de openingen zonder een spoor -achter te laten. - -Waarnemingen hebben aangetoond, dat er voortdurend eene strooming -van het water naar de ingangsopeningen plaats heeft en dat deze -strooming veroorzaakt wordt door de beweging van trilciliën. Aan de -wanden der inwendige kanalen komen namelijk binnenwaartsche, lange, -draadvormige verlengselen van wandlooze cellen voor, die meestal elk -slechts een enkel trilhaar bezitten, soms twee of meer. Op sommige -punten zijn zij troepsgewijs vereenigd tot zoogenaamde triltoestellen, -ook trilkorfjes genoemd. Door de zweepende beweging nu van deze -trilhaartjes, wordt de strooming van het water onderhouden en naar de -verschillende gedeelten gevoerd. Uit de uitstroomingsopeningen komt -het water verder met kracht naar buiten en voert de faecale stoffen -mede. Deze geheele inrichting voldoet voor de Sponsen aan de behoefte -tot ademhaling zoowel als aan die der spijsvertering. - -Het voedsel wordt in de eerste plaats opgenomen door zekere beweeglijke -cellen, geassimileerd en dan naar de plaatsen, waar voedsel noodig is, -gebracht. Hier geven deze wandelende cellen haar voedsel af behalve -het onbruikbare deel daarvan. Daarna verplaatsen zij zich met die -faecale stoffen naar de uitstroomingskanalen waar zij deze afgeven, -dan trekken de cellen naar de instroomingsmonden, nemen voedsel op -en beginnen hun rondreis van voren af aan. - -Het weeke sarcodelichaam, dat wij in de vorige regels schetsten, wordt -gedragen, omvat als het ware, door het skelet, dat gedeelte wat wij -na droging de "spons" noemen. Men noemt de zelfstandigheid, waaruit -dit skelet bestaat, hoornachtig, maar in werkelijkheid is het een -geheel andere stof. Zij wordt onderscheiden met de namen spongioline, -keratode en keratose, zelfstandigheden waartoe ook de chitine en -conchyoline behooren. Deze stof wordt uit de sarcode gevormd in de -gedaante van vezels, vliezige platen en spicula, die onderling tot een -meer of minder dicht net zijn verbonden. Zij zijn meest cilindrisch -van vorm, uit concentrische blaadjes samengesteld, ook hol, in welk -geval zij een net van vertakte buizen vormen. Een ander bestanddeel -van het skelet is kiezelzuur, dat zich gewoonlijk vertoont in den -vorm van afzonderlijke spicula, die, daar zij veelal naaldvormig -zijn, ook eenvoudig sponsnaalden worden genoemd. Zeldzamer komt als -bestanddeel van het skelet voor koolzure kalk, die ook somtijds in de -gedaante van spicula voorkomt en dan van de kiezelspicula moeielijk -te onderscheiden zijn. - -Ook de eieren ontstaan uit beweeglijke cellen. - -De gewone wijze van voortplanting is die door tweeërlei soort -van lichaampjes. De eerste zijn bolvormige, eironde, korrelige -lichaampjes en liggen verspreid in de sarcode massa, te midden waarvan -zij ontstaan, en worden door de uitstroomingsopeningen naar buiten -gevoerd. Zij verkrijgen dan geheel of ten deele een trilhaarbekleedsel, -zwemmen een tijd rond en hechten zich daarna vast aan eenig voorwerp, -waarna de ontwikkeling zijn verder verloop heeft. De tweede soort -van lichaampjes zijn grooter en bestaan uit een verzameling cellen, -welke door eene opening in den dunnen wand, welke hen bijeenhoudt, naar -buiten treden. Er is echter nog eene andere wijze van voortplanting. - -Wanneer een levende Spons in stukken verdeeld wordt dan behoudt elk -stuk het vermogen om te blijven leven en te groeien. Men neemt aan -dat zich uit elk sarcodeklompje een Spons kan ontwikkelen en het -schijnt dat deze zelfverdeeling somtijds voorkomt. - - - - - - - -EERSTE KLASSE. - -DE KALKSPONSEN (Caleispongiae). - - -Deze afdeeling heeft haren naam ontvangen naar de eigenschap, dat -in alle soorten microscopische of ook met het bloote oog zichtbare -kalkafzettingen afgescheiden worden, welke het lichaam als een soort -van skelet dienen, terwijl zij nu eens onregelmatig door het weefsel -verstrooid, dan weder sierlijk bundelsgewijs en op rijen geordend -zijn. Deze kalkafscheidingen hebben den vorm van staafjes of naalden -of van drie- en vierstralige sterren. Zij vullen de Spons gewoonlijk -in zoo'n mate (terwijl de weeke bestanddeelen bovendien zeer gering -zijn), dat bij het indrogen de gedaante en de omvang van het lichaam -onveranderd blijft en dat de meeste Kalksponsen levend of dood een -krijtachtig of gipsachtig voorkomen hebben. - -Wij onderscheiden drie hoofdfamiliën: - -De Zak-kalksponsen of Ascones zijn eenvoudige of vertakte, gesloten of -open cilinders met dunne wanden. Zij zijn dikwijls van zulke zachte -en fijne wanden omgeven, dat zij in het water nauwelijks te bemerken -zijn en zich alleen door een witachtige schemering verraden. Zeer -dikwijls echter vertoonen zij de gedaante van vastere voorwerpen, -welke de grootte van een noot of zelfs van een vuist bereiken en dan -vallen zij natuurlijk als witte of geelachtige gewassen in het oog. Dit -is b.v. het geval met de fraaie Ascelta clothius, bij Napels in de -grotten van Posilipp en het eiland Nicita menigvuldig voorkomende. - -De Knollen-kalksponsen (Leucones) omvatten die vormen, bij welke zich -de wanden der onregelmatig vertakte kanalen onder eene sterke ophooping -van kalknaalden verdikken, zoodat er min of meer onregelmatige -vormen te voorschijn komen, knollen en kogels, maar ook flesschen -en bekers. Tot de sierlijkste en grootere soorten behoort Leucandra -penicillata van Groenland. - -De schoonste en hoogst ontwikkelden zijn de Cellen-kalksponsen -(Sycones). De grondvorm van het enkele dier is een lange beker of -een meestal op een steel zittende cilinder, welks dikkere wanden -regelmatige kringen van diepe, van de groote centrale holten uitgaande -bochten vertoont. De mondopening is nu eens naakt, evenals bij -Leucandra, dan weder met een krans van fijne naalden omzet. - -Alle Kalksponsen leven in zee. De meeste houden van de duisternis en -schuwen het licht. Slechts weinige soorten groeien op plaatsen, die -sterker verlicht zijn. De soorten, die zich het liefst vastzetten -op rotsen en steenen, vindt men bij voorkeur in holen en grotten -aan de zeekust, in rotsspleten en onder steenen. Deze voorliefde -voor de duisternis noopt ook vele Kalksponsen zich te vestigen in -het binnenste van ledige dierlijke woningen zooals mosselschelpen, -slakkenhuisjes, schalen van Zeeëgels, wormkokers enz. - -De meeste Kalksponsen behooren thuis in de strandzone tot 2 vademen -diepte. Van daar tot eene diepte van 10 vademen is hunne vermindering -reeds opvallend; op verdere diepte behooren zij tot de zeldzame -verschijningen. - - - - - - - -TWEEDE KLASSE. - -DE GEWONE SPONSEN (Coenospongiae). - - -Bij de tweede klasse der Sponsen, die veel talrijker dan de eerste -en in alle zonen en diepten der zee verbreid is, bestaat het skelet -uit kiezelnaalden, die gedeeltelijk of ten deele door samenhangende -hoornvezels verdrongen zijn, welke harerzijds naar omstandigheden -weder onder opneming van vreemde lichamen bijna totaal verdwijnen. - - - - - - -EERSTE ORDE. - -DE HALICHONDRIËN (Halichondriadae). - - -Die Sponsen, welker weeke vormlooze zelfstandigheid een op de gewone -badspons gelijkende, min of meer elastisch netwerk oplevert, waarin -zich geen kiezelnaalden bevinden, worden Hoornsponsen genoemd. Onder -deze Hoornsponsen nemen de verschillende soorten van badsponsen, -paarden- en tafelsponsen om hunne beteekenis voor den handel de -eerste plaats in. Men vat deze samen in de familie Euspongia. Aan -eene behoorlijke indeeling in soorten is niet te denken. De -sponsenhandelaars nemen 16 soorten aan, die uit verschillende streken -van de Middellandsche Zee komen. - -Het is aan iedereen bekend, dat de badspons de eigenschap moet -bezitten, zelfs wanneer zij volkomen uitgedroogd is, niet te breken, -maar zich oogenblikkelijk, zoodra zij in het water is gelegd, vol te -zuigen en elastisch te worden. Het netwerk hetwelk wij spons noemen -is niets anders dan het skelet van het dier, hetwelk overblijft -als men een levende, volwassen Spons zoolang kneedt en drukt, dat -de geheele kleverige massa, welke de gangen en holten vult, er uit -verwijderd is. Zulke Sponsen treft men in de koude zone in het geheel -niet aan. Alleen in de noordelijke helft der gematigde zone vindt -men enkele kwijnende exemplaren. Daarentegen zijn de Adriatische -en de Middellandsche Zeeën rijk aan soorten, welke onder de namen -Dalmatiner-, Fijne Syrische-, Zimotka- en Paardensponsen in den -handel komen. - -De fijnste soort, zich onderscheidend door weekheid en zachtheid, -en meestal den bekervorm vertoonend, wordt aan de Syrische kust -gevischt. Vlakker en uit een dichter weefsel bestaande is de Grieksche -Zimotkaspons. De Dalmatiner-spons daarentegen legt het tegen beide -soorten af, hij is door de geheele Adriatische Zee verbreid, is wat -grover van vezel en verkrijgt niet geregeld dien vorm welke in den -handel gewenscht is. - -In de Grieksche zeeën en aan de Turksche kusten verkrijgt men de -Sponsen door duikers. Aan de kusten van Dalmatië en Istrië bemachtigt -men ze door middel van de lange vierpootige vork, welke men op oude -afbeeldingen als het attribuut van Neptunus ziet afgebeeld. Alleen -de bewoners van het kleine eiland Krapano wijden zich aan deze -bezigheid en met 30-40 barken zoeken zij gedurende het gunstige -jaargetijde de ingeschaarde en aan eilanden rijke kusten af. Op elke -bark, aan welks voordek zich een vierhoekig uitsteeksel bevindt, -zijn twee man; de man, die de vork hanteert, bevindt zich op dit -uitsteeksel om voorover gebogen met het bovenlijf goed te kunnen -balanceeren. De steel van de vork is 7.14 M. lang eene reserve-vork -en stelen zijn altijd aan boord. De tweede man zit op de riemen, -welker rustpunten in een over het boord uitstekenden balk liggen, -waardoor de noodzakelijke scherpe bewegingen der boot zekerder kunnen -gemaakt worden. Terwijl nu de boot dicht langs den rotsigen oever -over een diepte van 4-13 M. langzaam voortdrijft, spiedt ieders -oog naar de door hunne zwarte huidkleur kenbare Sponsen. Algeheele -windstilte is natuurlijk het wenschelijkst. Is de zee te woelig dan -wordt de oppervlakte met olie overgoten. Tot dit doel ligt altijd op -den voorsteven der boot een hoopje gladde kiezelsteenen, waarnaast -een pot met olie staat. De visscher doopt eenige dezer steenen met -de punt in de olie en werpt ze dan in een halven cirkel om zich heen -in zee. De uitwerking is verrassend, want hoe gering de hoeveelheid -olie is welke op deze wijze op de oppervlakte wordt overgebracht, -is het toch voldoende om de kleine golven tot rust te brengen en het -oog wordt niet meer gehinderd door het spiegelen en kabbelen van de -golfjes. De visscher kan echter de Sponzen niet allen zien, daar velen -in de schaduw leven. Hij moet dus met zijn vork of viertand tot onder -de overhangende rotsen en steenen wroeten om ze te bekomen en zeker -is het dat een groot deel niet gevangen wordt. - -Als zij gesorteerd en aan den oever gebracht zijn worden de Sponsen -daar zoolang getrapt, gekneed, gedrukt tot er alle sporen van de -slijmachtige zelfstandigheid uit verdwenen zijn en slechts het -skelet is overgebleven. De Sponsen behoeven daarna niets meer dan -eene wassching en reiniging in lauw zoet water. - -Aan de Grieksche en Syrische kusten is de behandeling dezelfde. - -Dit is in tegenspraak met de omstandigheid, aan iedereen bekend, dat -men groote moeite heeft eene nieuwe spons te reinigen van het daarin -zittende zand, maar de zaak is zeer eenvoudig. De Sponsen namelijk, -welke door de visschers zuiver afgeleverd worden, worden door de -groothandelaars (het is bijna niet te gelooven!) met zand verzwaard, -door ze in zand door te schudden, want de Spons wordt bij het gewicht -verkocht. - -Tot verbetering en uitbreiding dezer visscherij zijn van 1863-72 -aan de kust van Dalmatië pogingen gedaan om de Sponsen kunstmatig -te kweeken. Dat gelukte ook. Versche Sponsen werden in bepaalde -stukken gedaan en, aan houten voorwerpen bevestigd, op de aangewezen -plaatsen onder water gebracht. Door gestadige verbetering van deze -methode was men reeds tot zeer mooie resultaten gekomen, toen allerlei -storende gebeurtenissen, in de eerste plaats door het onverstand en -de kwaadwilligheid der sponsenvisschers veroorzaakt, de onderneming -verijdelden. - - - -Onder de Sponsen van den tegenwoordigen tijd nemen die, welke -enkelassige kiezellichaampjes afzonderen (Monactinellidae) de eerste -plaats in. - -Een interessante hoornkiezelspons van de Middellandsche Zee, -de As-spons (Axinella polypoides), vertoont de nevenstaande -afbeelding. Het fraai zwavelkleurige of bruingele dier vertoont een -stok met talrijke individuën, wier schoorsteenen in vlakke groeven -liggen. Hun bouw is stralig en meestal hebben zij acht stralen, wat -hun met een in het binnenste van de spons voorhanden vastere as een -groote gelijkenis geeft met een achtstralige polyp. - -Het door hare werkzaamheid sterkste en daarom gewichtigste en -belangrijkste geslacht is dat der Boorsponsen (Vioa). De beteekenis -van deze Sponsen is veel grooter dan die der Badsponsen. - -Als deze Oersponsen niet sinds eeuwen en eeuwen gearbeid hadden, -zouden de kalk- en krijtlagen van onze aardkorst en de uit deze -gesteenten bestaande kusten der tegenwoordige zeeën een geheel ander -voorkomen hebben. - -Ook vele meest vastzittende Mosselen worden door boorzwammen bezocht -en dat is altijd zoo geweest, zooals de fossiele mosselschelpen -bewijzen. Dit doet de vraag rijzen op welke wijze de Boorsponsen er in -komen. Waarschijnlijk geschiedt dit op de volgende manier. Zij treden -slechts in werkelijk uit kalk bestaande vormen op. De vrij zwemmende -larve zal zich ergens in de een of andere kleine holte verbergen en -daar tot een Spons ontwikkelen, die zijn arbeid voornamelijk langs -chemischen weg begint en de kalk oplost. - -Zwakke zuren bereiden het wrijven of raspen van de naalden voor, -door de oppervlakte van de kalk aan te tasten. De naalden kunnen -nu de kalk des te gemakkelijker meester worden. Het fijne boormeel -wordt door de zuren opgelost, de stroomingen welke door het lichaam -spoelen, nemen het op en zoo wordt de kalk in opgelosten vorm naar -buiten gebracht. Het gewicht van de boorzwammen in den grooten -kringloop van de eeuwige stof berust daarop, dat het gesteente niet -tot in de kleinste stukjes fijn gewreven wordt maar als suiker in een -glas water wordt opgelost en in dien toestand in het zeewater wordt -gemengd. Daaruit nemen weder de tallooze Schaaldieren hun voedsel en -trekken uit het in het bloed opgenomen water de vaste bestanddeelen -voor het bouwen hunner woningen, welke eindelijk weder opgelost worden -of op den zeebodem blijven liggen als bijdrage tot het vormen van -nieuwe aardlagen voor latere eeuwen. - -Tot de Kiezelsponsen met eenvoudige naalden behooren ook de -Zoetwatersponsen (Potamospongiae), die, zooals hun naam aanduidt, -het zoete water bewonen. De rijkdom van vormen onder hen is nog al -tamelijk, maar de weinige soorten gaan in elkander over en vormen -talrijke locale rassen. Deze dieren schijnen in nagenoeg alle zoete -wateren der wereld voor te komen, ja men heeft ze in onderaardsche -kolken en beken aangetroffen, die steeds aan het daglicht onttrokken -zijn, ook in de buizen der waterleidingen komen zij voor. Het -verbreidingsgebied van vele soorten is buitengewoon groot; zoo kennen -wij er velen uit de voornaamste zoete wateren van Europa, Siberië en -Noord-Amerika, maar tevens ook van Voor-Indië (Bombay) en Australië. - - - - - - -TWEEDE ORDE. - -DE GLASBUISSPONSEN (Hexactinellidae). - - -De meeste der met den naam Glasbuissponsen aangeduide Sponsen -kenmerken zich daardoor dat hun kiezelskelet op een fijn spinwerk van -glas gelijkt. De gedaante, welke aan deze vormen ten grondslag ligt, -is de as-ster van de kubus; dit is altijd het geval, al overtreffen -ook de gedurende hun leven afgescheiden kiezelvormen, geïsoleerd van -elkander bestaand of met elkander ineengesmolten en samenhangende, -aan sierlijkheid alle menschelijke producten. - -De gedaanteverwisseling der stralen schept vormen van eene elegance en -verscheidenheid, zooals de stoutste fantasie zich nauwelijks kan denken -en slechts de later te beschrijven Radiolariën overtreffen hen hierin. - -De fraaiste van alle Sponsen wegens haar wonderbaarlijk fijn -kiezelvlechtwerk zijn de Euplectelliden, de "Fraaigewevene", -waaronder Euplectella aspergilium. Deze fraaie Sponsen hebben een -buisvormig kiezelskelet; de wand der buis bestaat uit een zeer -regelmatig traliewerk van kiezelmazen. Het kiezelskelet der soorten -van Euplectella wordt gevormd door een enkele zoodanige buis, die -gewoonlijk min of meer gekromd is. Bij groote exemplaren kan die buis -tot 30 cM. lang en 4 cM. breed zijn. Het traliewerk van den wand is -uiterst sierlijk en regelmatig en gelijkt op een fraai kantwerk. Het -is samengesteld uit overlangs en loodrecht daarop overdwars loopende -kiezelvezelen, waardoor vierkante mazen begrensd worden, waarin -zich nog diagonaal loopende balkjes vertoonen, zóó geplaatst in -een gedeelte der mazen, dat er ronde openingen overblijven, die -vermoedelijk de uitstroomingsopeningen zijn. Langs de buitenvlakte -der buis verheffen zich (bij E. aspergilium, niet bij E. cucumer -Owen) min of meer regelmatig spiraalsgewijs loopende en groote, -vrije tusschenruimten openlatende dunne kammen, die zelve ook uit -kiezelspicula zijn samengesteld. De bolle, horlogeglasvormige plaat, -die het boveneinde bedekt, bestaat uit een dergelijk traliewerk -van minder regelmatige mazen met iets grootere openingen, welke -waarschijnlijk als de uitstroomingsopeningen mogen beschouwd worden. De -buis vernauwt zich benedenwaarts en is aan haar ondereinde bezet -met bundels van dunne kiezelharen, die een vrij aanmerkelijke lengte -(10 cM. en meer) bereiken. - -De meest bekende soort, Euplectella aspergilium, is afkomstig uit de -zee bij de Philippijnsche eilanden, waar zij op vrij aanmerkelijke -diepte leeft. - -Niet zelden wordt zij door twee soorten van Schaaldieren bewoond, -behoorende tot de geslachten Aega en Palaemon, die daar blijkbaar een -parasitisch leven leiden en die in hun eerste jeugd in de spons moeten -zijn geraakt, toen zij nog klein genoeg waren om door de openingen -van het kiezelskelet te dringen. Vooral voorwerpen van Palaemon, -een garnaal, komen er vrij regelmatig in voor als gevangenen. - - - - - - - - - -AANTEEKENING - - -[1] Herklots. - - - - - - -End of the Project Gutenberg EBook of Het Leven der Dieren: Deel 3.8 De -Stekelhuidigen, Plantdieren en Sponsen, by A. E. Brehm - -*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN: DEEL 3.8 *** - -***** This file should be named 62662-8.txt or 62662-8.zip ***** -This and all associated files of various formats will be found in: - http://www.gutenberg.org/6/2/6/6/62662/ - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United -States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive -specific permission. If you do not charge anything for copies of this -eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook -for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports, -performances and research. They may be modified and printed and given -away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks -not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the -trademark license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country outside the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you'll have to check the laws of the country where you - are located before using this ebook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm web site -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The -Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm -trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - - - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the -mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its -volunteers and employees are scattered throughout numerous -locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt -Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to -date contact information can be found at the Foundation's web site and -official page at www.gutenberg.org/contact - -For additional contact information: - - Dr. Gregory B. Newby - Chief Executive and Director - gbnewby@pglaf.org - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide -spread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works. - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our Web site which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. - |
