summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/62662-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/62662-0.txt')
-rw-r--r--old/62662-0.txt2778
1 files changed, 0 insertions, 2778 deletions
diff --git a/old/62662-0.txt b/old/62662-0.txt
deleted file mode 100644
index c410b99..0000000
--- a/old/62662-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,2778 +0,0 @@
-The Project Gutenberg EBook of Het Leven der Dieren: Deel 3.8 De
-Stekelhuidigen, Plantdieren en Sponsen, by A. E. Brehm
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
-other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of
-the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have
-to check the laws of the country where you are located before using this ebook.
-
-Title: Het Leven der Dieren: Deel 3.8 De Stekelhuidigen, Plantdieren en Sponsen
-
-Author: A. E. Brehm
-
-Release Date: July 16, 2020 [EBook #62662]
- updated: December 23, 2021
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: UTF-8
-
-*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN: DEEL 3.8 ***
-
-
-
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg
-
-
-
-
-
-
-
-
-
- HET LEVEN DER DIEREN
-
- DE STEKELHUIDIGEN
- DE PLANTDIEREN
- DE SPONSEN
-
- DOOR
-
- A. E. BREHM.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-DE STEKELHUIDIGEN (Echinodermata).
-
-
-Binnenslands en in het zoetwater bestaat geen gelegenheid om kennis
-te maken met levende Stekelhuidigen. Des te rijker is de zeekust er
-van voorzien. Aan de zandige oevers van de Noordzee althans heeft
-men slechts den ebstroom te volgen om karakteristieke leden van deze
-hoofdafdeeling in grooten getale te ontmoeten. De naam Zeesterren
-of Vijfhoeken, die de bewoners van alle kusten aan deze dieren
-gegeven hebben, is gegrond op den zeer eigenaardigen bouw van hun
-lichaam. Dit is n.l. samengesteld uit afwisselend geplaatste "stralen"
-en "tusschenstralen" (radiën en interradiën, in den regel 5), die op
-zulk een wijze om één gemeenschappelijke as gerangschikt zijn, dat
-telkens het midden van een tusschenstraal juist tegenover het midden
-van een straal ligt. Niet slechts bij uitwendig, maar ook bij inwendig
-onderzoek blijkt de gelijkvormigheid dezer lichaamsdeelen. Sommige
-organen vindt men op overeenkomstige plaatsen in iederen straal
-terug; andere komen op gelijke wijze in iederen tusschenstraal
-voor; van beide is het aantal dus gelijk aan dat der afdeelingen,
-of aan een veelvoud er van. Andere organen (n.l. zulke, waarvan het
-dier er slechts één bezit, zooals de mond en de aars) zijn in de as
-gelegen. Met het oog op deze feiten spreekt men van straalsgewijzen
-bouw, van radiale symmetrie. Men stelt zich voor, dat de Stekelhuidigen
-verdeeld kunnen worden in een aantal volgens één as samenkomende
-gelijke of althans gelijkvormige stukken (antimeren), ieder gevormd
-door één straal en de beide aanliggende halve tusschenstralen.--Er
-zijn echter ook organen, welker plaatsing met den genoemden regel
-strijdt, die niet in iedere antimeren voorkomen en ook niet in de
-as gelegen zijn: hun ligging bepaalt een vlak, waardoor het lichaam
-in twee gelijke helften wordt verdeeld en dus overeenstemt met
-het symmetrie-vlak, dat bij alle vroeger behandelde dieren meer of
-minder duidelijk viel waar te nemen. Evenals deze, zijn de Zeesterren
-dus bilateraal-symmetrisch. Onmiddellijk blijkt dit bij vele andere
-Stekelhuidigen, o.a. bij Holothuriën, die dikwijls zeer sterk afwijken
-van den typischen cilinder-vorm en bij de Spatangen, die, van boven
-gezien, een hartvormige figuur opleveren. Het duidelijkst is echter
-de bilaterale symmetrie gedurende den larvetoestand; bij de meeste
-Stekelhuidigen is dan geen spoor van straalsgewijze rangschikking
-der organen zichtbaar. De meeste leven vrij: de Zeeleliën blijven
-na den larvetoestand levenslang of gedurende geruimen tijd door
-tusschenkomst van een steel aan den bodem bevestigd. Bij alle
-ontstaan in de huid verkalkte, netsgewijs gebouwde skeletdeelen:
-bij sommige (vooral bij Holothuriën) zeer klein, onsamenhangend en
-verschillend van vorm, bij andere daarentegen groot, plaatvormig en
-(al of niet beweegbaar) tot een geheel verbonden. Hoewel het door
-deze (soms wel 1 cM. lange) platen gevormde pantser dikwijls "schelp"
-wordt genoemd, is het volstrekt niet (als bij de Mossels en Slakken)
-een uitwendig omhulsel, maar wel degelijk een in de huid aanwezig,
-aan stofwisseling onderhevig skelet. Niet zelden heeft dit huidskelet
-beweegbare, al of niet stekelvormige aanhangsels; het duidelijkst zijn
-deze bij de Zeeëgels, hoewel ook vele Zeesterren en Slangsterren een
-zeer oneffene oppervlakte vertoonen. Aan deze aanhangsels is de naam
-der hoofdafdeeling ontleend.
-
-Alle Stekelhuidigen bezitten een goed ontwikkeld darmkanaal, omgeven
-door een lichaamsholte, aan welks wand het is vastgehecht. Met
-uitzondering van de Slangsterren en sommige Zeesterren, die de
-aarsopening missen, heeft het zoowel een mond als een aars.
-
-De meeste Stekelhuidigen hebben zoogenaamde ambulacraalpootjes,
-regelmatig op reeksen geplaatst, die ambulacra heeten. Wanneer men een
-levende Zeester in een schotel met zeewater voor zich heeft, blijkt
-het spoedig voor welk doel deze organen dienen. Uit de groeve aan de
-onderzijde van iederen straal komen honderden aan handschoenvingers
-herinnerende, holle buisjes te voorschijn; zij zijn ieder aan den
-top voorzien van een hechtschijfje, dat zich aan 't eerste 't beste
-voorwerp vastklemt. Zoodra het dier een voldoend aantal van deze
-ankers uitgeworpen heeft, verkort het de gestrekte buisjes, waardoor
-het lichaam langzaam naar de nieuwe bevestigingsplaatsen wordt
-verschoven. Het uitsteken en verlengen van de ambulacrale pootjes
-geschiedt door inpersing van water. Met ieder dezer organen staat
-binnen in het lichaam een klein, samentrekbaar blaasje (ampulle) in
-verband; het wordt gevuld door een kanaaltje van het watervaatstelsel,
-dat bij de meeste Stekelhuidigen zijn inhoud door tusschenkomst van
-een zeefvormig doorboorde plaat (madreporenplaat) van buiten ontvangt;
-bij de Holothuriën en Zeeleliën echter is dit vocht afkomstig uit
-de lichaamsholte, die door microscopisch fijne poriën of door dunne
-gedeelten van de huid voortdurend met zeewater gevuld wordt gehouden.
-
-Bij eenige Holothuriën en een enkele Slangster komt hermaphroditisme
-voor; overigens hebben alle Stekelhuidigen de mannelijke en de
-vrouwelijke organen over verschillende individuën verdeeld. De meeste
-ontwikkelen zich uit eieren en ondergaan gewoonlijk in 't oog vallende
-gedaantewisselingen, voordat zij volwassen zijn; andere hebben, als
-zij ter wereld komen, dezen ontwikkelingsgang reeds voor een groot
-deel doorloopen. Sommige Zeesterren en Slangsterren planten zich
-niet slechts geslachtelijk, maar ook door deeling voort; dit is in
-zekeren zin een gevolg van hun zeer groot herstellingsvermogen; de
-armen geraken zeer licht los van de "schijf"; zeer spoedig worden zij
-echter door nieuwe vervangen, die aanvankelijk zeer klein zijn. Alle
-Stekelhuidigen zijn zeedieren; men vindt ze van de kust tot op diepten
-van meer dan 6500 M. en van de Noordpool tot aan de Zuidpool. Zij
-worden in 5 klassen onderscheiden: 1) de Zeerollen of Zeebuidels
-(Holothuroidea), 2) de Zeeëgels (Echinoidea), 3) de Zeesterren
-(Asteroidea), 4) de Slangsterren (Ophiuroidea) en 5) de Zeeleliën of
-Haarsterren (Crinoidea).
-
-
-
-
-
-
-
-EERSTE KLASSE.
-
-DE ZEEROLLEN (Holothuroidea).
-
-
-Slechts zelden worden enkele vertegenwoordigers van deze klasse in
-de nabijheid van onze kust aangetroffen. Eén van die, welke men hier
-zou kunnen ontmoeten, is de hierachter (fig. 5) afgebeelde soort,
-welke op een diepte van 10 à 70 vademen de Middellandsche Zee en den
-Atlantischen Oceaan, langs de kusten van West- en Noord-Europa (ook
-de Noordzee) bewoont, Hyndman's Zeebuidel (Cucumaria Hyndmani) kan 5
-cM. lang worden en heeft een grijze of witte, glanzige huid. Zijn
-wormvormig, van achteren dun eindigend lichaam is door de 5
-(grootendeels dubbele) reeksen van ambulacraalpootjes, die zich op
-onderling gelijken afstand van voren tot achteren uitstrekken, min
-of meer vijfkantig. Van de 5 ambulacra behooren 3 tot de buikzijde
-(het trivium), 2 tot de rugzijde (het bivium). De mondopening is
-omgeven door 10 boomvormig vertakte voelers; de geheele krans kan
-door het inpersen van vocht uit het watervaatstelsel uitgestoken
-en met het geheele voorste lichaamsdeel door de spieren van het
-slokdarmhoofd in de lichaamsholte teruggetrokken worden. Behoudens de
-veel geringere lengte en minder sterke vertakking van de voelers, die
-vóór het middelste ambulacrum van het trivium gelegen zijn, heeft deze
-lichaamsafdeeling hetzelfde voorkomen als het bivium. Hiermede staat
-in verband, dat de Zeebuidel niet, zooals vele van zijne verwanten,
-gewoonlijk op den bodem verblijf houdt, maar allerlei verhevenheden,
-uitstekende rotspunten, groepen van oesterschelpen, bij voorkeur echter
-boom- of netvormige stokken van Hoornkoralen, beklimt. Dit geschiedt
-met behulp van de lange, dunne, tamelijk stijve ambulacraalpootjes,
-die slechts weinig teruggetrokken kunnen worden. Het spijskanaal is
-S-vormig gekromd en loopt aan het achtereind van 't lichaam
-uit in de kloak, een zak met sterk gespierde wanden. De kloak staat
-tevens in gemeenschap met twee wijde, boomvormig vertakte buizen en
-dient, bij wijze van pomp, tot het vullen en ledigen van deze onder
-den naam van waterlongen bekende ademhalingsorganen. Na verscheidene
-snel opeenvolgende inademingen wordt door de wijd geopende kloak
-een dikke waterstraal in weinige sekonden naar buiten geperst. De
-microscopisch kleine diertjes, die onze Zeebuidel tot voedsel gebruikt,
-worden naar den mond gebracht door de voelers, die zich één voor één
-verkorten, binnenwaarts krommen en tot aan hun basis in het spijskanaal
-begeven. Zij worden, voordat zij op hun vorige plaats terugkeeren,
-door de beide kleine voelers tegen de mondranden aangedrukt en als
-'t ware afgelikt. Maanden lang kan dit dier in een aquarium in
-'t leven blijven. Nagenoeg voortdurend behoudt het de eens gekozen
-standplaats, waaraan het zich bij voorkeur met het achtereind van
-'t lichaam vasthecht; aan het verticaal omhooggerichte lichaam
-verschaffen de uitgespreide voelers een zeer fraaien tooi. De huid
-wordt gesteund door een zeer groot aantal rad- of roostervormig
-doorboorde, knobbelige, niet samenhangende kalkplaatjes.
-
-De leden van het geslacht Holothuria kruipen voortdurend op de
-buikzijde, die daarom merkbaar platter is dan de rug en dicht bezet
-met ambulacrale pootjes, die op den rug door papillen vervangen
-zijn. Hoewel zij in dit opzicht van hare duidelijker radiaal gebouwde
-verwanten verschillen, stemmen zij er in alle hoofdzaken mede
-overeen. Zeer veelvuldig is in de Adriatische en de Middellandsche
-Zee de Pijp-holothurie (Holothuria tubulosa), die een lengte van meer
-dan 25 cM. kan bereiken. Men vindt haar zoowel op 20 vademen diepte
-als op zeer ondiepe plaatsen in de nabijheid van den oever, zelfs
-op zulke, die bij eb droog vallen; zij trekt de voelers in, gelijk
-al hare verwanten bij de geringste storing doen, en is dan tegen
-een uren lang verblijf op het droge bestand. Door de lederachtige,
-roodachtige of zwarte huid tegen uitdroging beschut, liggen deze nu
-worstvormige dieren als levenloos op het zand en tusschen de steenen,
-versmaad door de Vogels, die op het strand voedsel zoeken, zoowel
-als door de menschen, die hier verzamelen wat van hun gading is.
-
-Een door 't water bedekt exemplaar ziet men langzamerhand de
-teruggetrokken voorste lichaamsdeelen weer uitstulpen en met de
-gesteelde, aan den top schild- of bladvormige voelers, oogenschijnlijk
-zonder eenige keuze, slib, steentjes, schelpgruis en dergelijke
-bodembestanddeelen naar den mond voeren; de hierin voorkomende
-verteerbare stoffen maken zijn voedsel uit. Omvat men zulk een dier
-met de hand, dan trekt het zich krampachtig samen en spuwt zijn eigen
-ingewanden uit. Ieder die eens zulk een ervaring heeft opgedaan en
-zich door den kleverigen inhoud van een groote Holothurie heeft laten
-bevuilen, gaat naderhand omzichtiger met deze dieren om.
-
-De Holothuriën zijn over alle zeeën verbreid. Verscheidene soorten
-van de geslachten Holothuria en Stichopus worden door de inboorlingen
-van de Molukken en Philippijnen en van Nieuw-Guinea, vooral echter
-door de Polynesiërs, ingezameld, gekookt, gedroogd en aan opkoopers
-afgeleverd, die ze in de Chineesche havensteden, in Manila, Batavia
-en Singapore ter markt brengen. De Chineezen stellen dit artikel,
-dat Trepang wordt genoemd, op hoogen prijs en schrijven er bijzondere
-werkingen aan toe. Om het tot spijs te bereiden wordt het vooreerst
-afgekrabd, om de korst vuil, die er op zit, met de buitenste,
-kalkhoudende laag te verwijderen, en daarna 24 of 48 uur lang in
-zoetwater geweekt. De hierdoor gezwollen huid heeft een vuilgrauwe
-kleur; zij wordt verscheidene malen afgewasschen, zorgvuldig bevrijd
-van ingewanden, zand en andere vreemde stoffen, in kleine stukjes
-gesneden en bij de bereiding van sterk gekruide soepen of andere
-spijzen gebruikt. Evenmin als aan de eetbare vogelnestjes, is aan
-Trepang een eigenaardige smaak waar te nemen.
-
-Alle genoemde vormen behooren tot de orde der Echte Zeekomkommers
-(Pedata), die zich kenmerken door het bezit van ambulacrale pootjes
-en waterlongen.
-
-
-
-Verscheidene wetenschappelijke expedities hebben in de laatste helft
-van deze eeuw licht verspreid over de verschijnselen, die de zee op
-groote diepten oplevert. Hierdoor heeft men een geheel nieuwe, zeer
-merkwaardige, meer dan 50 soorten omvattende orde van Zeerollen, de
-Diepzee-holothuriën (Elasipoda), leeren kennen. Hun uitzicht verschilt
-aanmerkelijk van dat der typische Zeekomkommers; verscheidene
-kenmerken komen bij hen voor, die, naar men meent, aan de voorouders
-der thans levende Holothuriën eigen waren. Sommige herinneren aan
-rupsen, andere aan naakte Zeeslakken, nog andere gelijken door
-hun platte gedaante op Platwormen. Alle zijn duidelijk bilateraal
-symmetrisch; de ambulacrale pootjes zijn tot de meestal afgeplatte
-buikzijde beperkt; van de drie typische ambulacra zijn in den regel
-slechts de beide zijdelingsche aanwezig; aan den rug komen kegelvormige
-uitsteeksels voor; de longen en de spieren voor het terugtrekken van de
-voorste lichaamsdeelen ontbreken. De meeste soorten leven op diepten
-van 1800 à 3600 M., waar zij zich, vermoedelijk vlug, over den bodem
-bewegen en intusschen met den bek voortdurend zand en slib opnemen.
-
-
-
-De laatste orde is die der Pootlooze Holothuriën (Apoda). Zij zijn
-voor 't meerendeel tweeslachtig en worden naar het bezit of gemis
-van longen in 2 groepen verdeeld. Het laatstgenoemde geval doet zich
-voor bij de Klis-holothuriën (Synaptidae), die hun naam danken aan
-de zeer eigenaardige ankervormige kalklichaampjes, die in haar huid
-voorkomen. Het anker steekt met de schaft in een plaat met gaatjes,
-waarin het door een knop aan 't einde wordt vastgehouden (fign. b, c,
-d, e). Deze lichaampjes, welker spitsen boven de oppervlakte uitsteken,
-zijn zoo groot, dat een scherpzichtig persoon ze met het bloote oog
-kan onderscheiden. Van de drie Europeesche soorten komt de hiervoor
-afgebeelde Synapta inhaerens aan de noordwestkust van Frankrijk en
-in de Middellandsche Zee voor. De beide andere (Synapta digitata en
-de veel zeldzamere S. hispida) werden uitsluitend in de Adriatische
-en de Middellandsche Zee gevonden.
-
-Synapta's, die men in gevangenschap houdt, stooten bij aanraking,
-en ook wel zonder eenige merkbare reden, gedurig stukken van het
-achterste gedeelte van 't lichaam af, tot er nagenoeg niets van
-overblijft dan de voelerkrans met een kort ringvormig deel van het
-lichaam, waaronder dan nog het begin van het darmkanaal als een blaas
-uitsteekt. De afgescheiden stukken bewegen zich nog eenigen tijd;
-het is echter niet waarschijnlijk, dat zij in leven kunnen blijven,
-daar zij zich zonder mond niet kunnen voeden en er geen feiten bekend
-zijn, waaruit men zou kunnen afleiden, dat zulke stukken opnieuw een
-kop zullen vormen. Een stuk van den romp zonder kop is niet meer tot
-zelfverminking in staat. Baus heeft opgemerkt, dat het dier na het
-doorsnijden van den voorsten zenuwring het vermogen om zich zelf te
-verminken mist.
-
-R. Semon, die de levenswijze van de Synapten der Golf van Napels
-heeft nagegaan, betwijfelt de juistheid van de heerschende meening,
-dat deze dieren meestijds, in zand en slib verborgen, een onderaardsch
-leven zouden leiden. Hoewel het zeker is, dat zij zeer dikwijls in den
-bodem vertoeven, bewegen zij zich waarschijnlijk nog vaker kruipend
-er over; hierop wijst de overeenkomst van de kleur der lichaamszijde,
-die bij het kruipen naar boven gekeerd moet zijn, met die van den
-omgevenden bodem, waarvoor alleen als middel tot bescherming van
-het dier reden kan bestaan. Onjuist is de bewering, dat de Synapten
-wegens de kalklichaampjes in de huid door roofdieren algemeen versmaad
-worden. Door allerlei soorten van Zeesterren, waarvan sommige zeer
-goed kunnen zien, worden zij gaarne gegeten. Ook de zelfverminking
-wordt door Semon als een middel tot beveiliging beschouwd. Wanneer
-het dier door een vijand gegrepen is, wordt het in gevaar verkeerend
-lichaamsdeel afgeworpen; daar deze operatie zeer schielijk afgeloopen
-is, heeft het vrij geworden kopeinde den tijd om zich in het zand
-te verbergen.
-
-
-
-
-
-
-
-TWEEDE KLASSE.
-
-DE ZEEËGELS (Echinoidea).
-
-
-De Zeeëgels vormen de omvangrijkste klasse van de Stekelhuidigen, niet
-zoozeer wegens het aantal bekende levende soorten, hoewel dit door de
-ontdekkingen van den laatsten tijd, vooral door het onderzoek van diepe
-zeeën, tot ver boven de 300 gestegen is, maar vooral wegens het groot
-aantal fossiele vormen, dat minstens 2000 bedraagt. Deze dieren doen
-den naam van de klasse en van de hoofdafdeeling eer aan. Vooral geldt
-dit van die, welke tot de orde der Regelmatige Zeeëgels of Zeeappels
-behooren (Regulares) en zich kenmerken door een appelvormige (zelden
-elliptische) gedaante, door den vertikalen stand van de lichaamsas,
-die zich van de mondopening, in 't middenpunt van 't benedenvlak,
-tot de aarsopening aan den top van 't bovenvlak uitstrekt, door de
-band- (niet blad-) vormige gedaante der tusschen beide polen gelegen
-ambulacra en door de goed ontwikkelde kaken. Het bij alle Zeeëgels
-aanwezige, uit 4-, 5-, of 6-zijdige platen samengestelde huidskelet
-vertoont bij de genoemde orde in 't midden van het benedenvlak een
-groote opening, die, op den mond na, met een meestal zachte (bij de
-Cidariden kalkplaatjes vormende) huid (peristoom) gevuld is. Bij de
-andere orden is de bedoelde opening veel kleiner. Bij een Zeeappel,
-die van de stekels beroofd is, kan men duidelijk 10 meridiaansgewijs
-geplaatste velden onderscheiden; 5 zoogenaamde interambulacraalvelden,
-uitsluitend bestaande uit plaatjes, die (al of niet doorboorde)
-knobbels dragen, waaraan de stekels vastgehecht zijn geweest, en 5
-hiermede afwisselende ambulacraalvelden, welker plaatjes ten deele
-openingen vertoonen voor het uitsteken der pootjes. Elke stekel is
-aan de basis omgeven door een scheede, die vele spiervezels bevat,
-waardoor de stekel in alle richtingen bewogen kan worden. Bij een
-levenden Zeeëgel, die zich in zijn element bevindt, merkt men zeer
-spoedig op, dat de stekels volstrekt niet uitsluitend ter verdediging,
-maar ook als pooten of stelten tot steun en zelfs als armen tot het
-grijpen en verplaatsen van voorwerpen dienen. Met het ongewapende oog
-ziet men overal tusschen de stekels kleine, twee- of driewangige tangen
-op beweegbare steelen (pedicellariën); zij grijpen de uitwerpselen,
-die als kleine kluitjes het lichaam verlaten en van de eene tang op de
-andere overgaande, weldra voorbij de bolle zijde van de schelp komen,
-waar het dier ze kan laten vallen zonder gevaar te loopen zich te
-bevuilen. Bovendien vangen de pedicellariën de diertjes, die zich
-in hun nabijheid tusschen de stekels bevinden, en zijn daarom vooral
-in de omgeving van den mond zeer talrijk; om beter voor de jacht te
-kunnen dienen staan zij dikwijls met kleine gifklieren in gemeenschap.
-
-Over de beteekenis van eenige andere organen verkeert men nog in
-twijfel; men kent o.a. nog niet de verrichting van de 5 roode vlekjes
-op de 5 platen, die de rugpool omgeven: afgaande op de plaats, die
-zij ten opzichte van de ambulacra en van het zenuwstelsel innemen,
-zou men ze moeten vergelijken met de oogen der Zeesterren; hoewel zij
-niet, als deze, geschikt zijn om een beeld te vormen. Echte oogen heeft
-Diadema setosum: sterk glinsterende, blauwe vlekken van verschillende
-grootte, die prachtig afsteken bij de zwarte opperhuid.
-
-Van alle Zeeëgels zijn de Zeeappels met het krachtigste kauwtoestel
-uitgerust. Het bestaat uit 5 driezijdige, bijna piramidevormige
-"kaken", van boven verbonden door "beugels" en "spaakjes", van
-onderen voorzien van een holte, waarin een gekromde, in een fijne
-spits eindigende tand stevig bevestigd is en hier vereenigd met den
-rand van de opening in het vliezige peristoma, die zich vergroot,
-wanneer de kaken uiteenwijken.
-
-In weerwil van de lange stekels en van het scherpe gebit zijn de
-Zeeappels alles behalve gevaarlijk.
-
-Deze buitengewoon trage dieren voeden zich, naar het schijnt,
-hoofdzakelijk met zeegrassen en wieren en de hierop azende kleinere
-wezens. De Steenborende Zeeappel (Strongylocentrotus lividus), die
-in de Middellandsche Zee (doch ook aan de west- en noordkust van
-Frankrijk en de zuidkust van Engeland) op diepten van 0 à 2 vademen,
-veelvuldig voorkomt, heeft een middellijn van 6 cM. en stekels van
-2 cM. Hij bewoont holten in den zeebodem, maar is ook in staat om
-in het gesteente cirkelronde gaten te boren, die hij gewoonlijk op
-zulk een wijze verwijdt, dat het hem niet mogelijk is zijn woning te
-verlaten. Waarschijnlijk verschaft hij zich dan voedsel met behulp
-van de pedicellariën. De wijfjes verschuilen zich onder schelpen,
-steentjes, enz., die met de zuigvoetjes en de stekels behendig
-op den rug gebracht en hier vastgehouden worden. Gedurende den
-voortplantingstijd, die bijna het geheele jaar door duurt, ziet men
-bij het openen van deze dieren 5 fraaigele, trosvormige eierstokken,
-die een zeer smakelijke spijs opleveren. Alleen hierdoor zijn deze en
-vele andere soorten van Zeeëgels nuttig voor den mensch, vooral voor de
-bewoners van de Fransche kust van de Middellandsche Zee. Te Marseille
-worden, naar men zegt, ieder jaar 100000 dozijn van deze dieren ter
-markt gebracht en voor 20 à 60 centimes per dozijn verkocht. Een
-verwante, iets grootere soort (Strongylocentrotus Dröbrachiensis)
-wordt langs alle kusten van het noordelijke deel van den Atlantischen
-Oceaan en in de IJszee op 0 tot 40 vademen diepte gevonden; zij is
-de meest gewone Zeeappel van onze stranden. Ook de Kabeljauwen houden
-veel van Zeeëgels.
-
-Bij verreweg de meeste Zeeëgels zijn de platen van het kalkskelet
-onbeweeglijk verbonden; een uitzondering op dezen regel vormen de
-Asthenomosa's en de Phormosoma's, die zulk een buigzame huid hebben,
-dat haar lichaam boven water zich afplat en in een rondachtig
-vijfhoekige schijf verandert.
-
-
-
-Een tweede orde is die der Zeeschilden (Clypeastroidea), zoo genoemd
-wegens hun vorm: hoewel verscheidene geslachten, o.a. Clypeaster,
-een tamelijk hoog lichaam hebben, is bij allen de benedenzijde plat,
-in 't midden zelfs min of meer uitgehold. De ambulacra blijven
-tot de bovenzijde beperkt en vormen hier om het topveld, dat bijna
-geheel door de madreporenplaat ingenomen wordt, meestal een fraaie
-rozet. Hiertegenover, een weinig vóór het midden van de benedenzijde,
-bevindt zich de mond, die met een krachtig kauwtoestel gewapend en
-dikwijls door boogvormige of vertakte groeven in de ambulacraal-velden
-omgeven is. De aarsopening ligt niet in 't topveld, maar in het naar
-achteren gerichte interambulacraalveld bij of onder den achterrand, die
-hier dikwijls een inham vertoont, waardoor het lichaam van boven gezien
-hartvormig wordt. Vele zuiver schijfvormige Zeeschilden (Scutellidae)
-hebben hier en in 't verlengde van alle of van de achterste ambulacra
-(soms daarentegen in de interambulacra) een langwerpige opening,
-die bij eenige aan den rand niet gesloten is.
-
-Nagenoeg alle Zeeschilden bewonen de warme zeeën; de eenige
-Europeesche soort, die ook in de Noordzee veelvuldig voorkomt--de
-Gewone Dwergzeeappel (Echinocyamus pusillus)--, vormt een overgang
-tot de vorige.
-
-
-
-Nog duidelijker bilateraal symmetrisch dan de Zeeschilden zijn de
-niet met een kauwtoestel uitgeruste Zeeklitten (Spatangoidea). Bij
-de Hartegels (Spatangidae) althans, de belangrijkste familie van deze
-orde, is de mond niet in 't midden van het benedenvlak gelegen, maar
-verder naar voren; de ambulacra aan de bovenzijde vormen een 4-bladig
-rozet, daar het voorste ambulacrum in den regel een afwijkenden vorm
-vertoont. Aan den onderrand van het afgeknotte achtereinde bevindt zich
-de aarsopening. Het huidskelet is dun en broos, met borstelvormige,
-buigzame, korte stekels bezet. Hartegels vindt men niet slechts
-in alle zeeën van de warme, maar ook in die van de gematigde en
-koude luchtstreek. De meeste bewonen diepe zeebodems, waar zij in
-slib, liever nog in zand, met de als spade dienende vooruitstekende
-onderlip voren graven en het spijskanaal aanhoudend vullen met aarde;
-de hierin aanwezige microscopische diertjes en organische afval
-verschaffen hun voedsel. De Purperen Zeeklit (Spatangus purpureus),
-10 cM. lang, 9 cM. breed, 5 cM. hoog, leeft in de Middellandsche Zee
-en den Atlantischen Oceaan (ook in de Noordzee) op diepten van 10 à
-400 vademen. Veelvuldiger ontmoet men hier op 10 à 50 vademen diepte
-de 4 cM. lange, 3.5 cM. breede Hartvormige Zeeklit (Echinocardium
-cordatum). Het door haar bewoonde hol is 15 à 20 cM. beneden den
-zeebodem gelegen en staat door 2 voor den aanvoer en den afvoer van
-'t water bestemde kanalen, ter dikte van een penneschacht, met de
-buitenwereld in gemeenschap.
-
-
-
-
-
-
-
-DERDE KLASSE.
-
-DE ZEESTERREN (Asteroidea).
-
-
-De eenige Zeester, die geregeld aan onze kust voorkomt, is de Gewone
-Vijfhoek (Astheracanthion rubens). Zij wordt op eene diepte van 0 à 50
-vademen langs alle kusten van 't noordelijke deel van den Atlantischen
-Oceaan gevonden. De beschouwing van dit dier is voldoende voor het
-leeren kennen van de belangrijkste eigenaardigheden der klasse. Het
-heeft de rugzijde roodachtig, soms min of meer paars, hooggeel,
-bruin of zelfs zwartachtig; de buikzijde (kenbaar aan den in 't
-midden aanwezigen mond) is geelachtig wit. Van 't middelstuk van 't
-lichaam, de schijf, gaan straalsgewijs 5 driehoekige armen uit. Deze
-nemen met haar basis den geheelen rand der schijf in beslag; de breede
-interbrachiale ruimten, die aan den rand van de schijf der Slangsterren
-overblijven, zijn bij de Zeesterren tot punten beperkt. Vóór een
-van deze hoekpunten ziet men aan de bovenzijde van de schijf de
-madreporenplaat: een wit, weinig uitpuilend knopje, dat met fijne,
-straalsgewijs gerichte golflijnen versierd is. Dit hoekpunt is het
-achtereind, de top van den tegenoverliggenden arm het vooreind van het
-dier. Het verticale vlak, dat beide vereenigt, verdeelt het lichaam
-in twee symmetrische helften. De oppervlakte is ruw door de nagenoeg
-overal voorkomende, korte, verkalkte, kegelvormige stekels. Talrijk
-zijn ook de kieuwtepeltjes: weeke, samentrekbare, holle, kegelvormige
-knobbeltjes, die met de lichaamsholte in gemeenschap staan en,
-evenals deze, vocht bevatten, dat door trilharen in beweging wordt
-gehouden. Bij het gedroogde dier zijn deze tepeltjes verdwenen en door
-fijne gaatjes vervangen. Aan de buikzijde ziet men 5 diepe en breede
-ambulacraal-groeven, die zich van den mond tot aan den top der armen
-uitstrekken; haar wand wordt gesteund door een soort van dak, gevormd
-door twee overlangsche reeksen van kalkplaatjes, met tusschenruimten
-voor het doorlaten van de ambulacraalpootjes, die in iedere groeve op
-4 overlangsche reeksen geplaatst zijn. Aan weerszijden van de groeve
-komen 2 of 3 reeksen van spitse stekels voor. Op het plaatje dat bij
-den top van den arm de groeve afsluit, bevinden zich zintuigelijke
-organen: een helderrood oog en een taster. In de omgeving van den mond
-en aan de randen der ambulacraal-groeven komen weeke steeltjes voor,
-die pedicellariën dragen met al of niet gekruiste wangen. De kalkplaten
-van het huidskelet der Zeesterren zijn steeds beweegbaar verbonden
-door zachtere deelen van de huid. De mondopening is vijfhoekig, doch
-niet met een kauwtoestel gewapend; de slokdarm en een deel van de
-maag kunnen naar buiten gestulpt worden en vormen dan een tamelijk
-lange slurf. Op de maag, van welke 5 paar blindzakken in de armen
-overgaan, volgt een korten, dunnen darm, die, even onder het midden
-van de bovenzijde, in een zeer kleine aarsopening eindigt.
-
-Het aantal bekende soorten van deze klasse bedraagt niet veel meer dan
-500; toch behooren de Zeesterren tot de meest bekende kustdieren, omdat
-van eenige soorten het aantal individuën verbazend groot is. Bovendien
-trekken zij door haar eigenaardige gedaante spoedig de aandacht van
-ieder, die slechts zelden de zeekust bezoekt. De visschers geven acht
-op deze voor hen volkomen onbruikbare dieren, omdat zij ze hebben
-leeren kennen als gevaarlijke vijanden van hun bedrijf, die de netten
-plunderen, het aas van de vischlijnen afzuigen, allerlei voor ons
-belangrijke Weekdieren verslinden en de oesterbanken met vernietiging
-bedreigen. Naar het schijnt, weten zij door het uitwerpen van een
-verdoovend vocht de spieren van het Weekdier buiten werking te stellen,
-zoodat dit geen weerstand kan bieden aan de omarming van zijn vijand,
-die de slurf in de nu geopende woning steekt en deze ledigt.
-
-
-
-Een zeer merkwaardige groep van Zeesterren vormen de Brisingiden,
-die door de kleinheid van de ronde schijf, welke duidelijk gescheiden
-is van de meestal zeer talrijke, rolronde, spits eindigende armen,
-op Slangsterren gelijken. Aan de onderzijde van iederen arm bevinden
-zich twee reeksen van ambulacraalvoetjes in een groeve, die zich echter
-niet tot aan den mond uitstrekt. De ontdekker van deze diergroep is
-de Noordsche natuuronderzoeker en dichter Peter Kirsten Asbjörnson,
-die van een diepte van 350 M. uit het wegens zijn natuurschoon
-beroemde Hardanger-fjord een elfarmige soort (Brisinga endecacnemos)
-opvischte. Dit prachtig roode dier heeft zeer buigzame armen van
-30 cM., terwijl de middellijn van de schijf 2.8 cM. bedraagt. Men
-kent thans een geheele reeks van soorten van deze en eenige verwante
-geslachten; alle bewonen groote diepten en onderscheiden zich van de
-overige Stekelhuidigen ook hierdoor, dat zij een verwonderlijk fraai
-licht verbreiden.
-
-
-
-
-
-
-
-VIERDE KLASSE.
-
-DE SLANGSTERREN (Ophiuroidea).
-
-
-Ook bij deze dieren is het lichaam uit een schijf en armen
-samengesteld. De buitengewoon slanke en lenige armen vertoonen
-zich niet als onmiddellijke voortzettingen van de schijf, maar als
-aanhangsels van haar onderzijde, die er als 't ware ingevoegd of
-aangezet zijn. De schijf heeft in 't midden van de buikzijde een
-stervormige mondopening, welker stralen zich tot aan den oorsprong
-der armen, maar niet in den vorm van groeven hierover uitstrekken. De
-armen zijn bekleed met reeksen van naar achteren gerichte schubben,
-die elkander dakpansgewijs bedekken. De zeer eenvoudig ingerichte
-ambulacraalpootjes hebben aan 't einde geen hechtschijfje en worden
-aan weerszijden van de onparige reeks van buikschubben, tusschen deze
-en de meestal stekeldragende zijschubben uitgestoken. De aarsopening
-ontbreekt; de madreporenplaat ligt aan de buikzijde van de schijf
-bij de mondopening, in welker omgeving men ook 10 (zelden 20) voor
-de ademhaling dienende spleetvormige openingen aantreft.
-
-Van de klasse der Slangsterren zijn niet minder dan 700 levende,
-daarentegen slechts een 50-tal fossiele soorten bekend; zij is
-dus rijker aan hedendaagsche vormen dan alle overige klassen van
-Stekelhuidigen. Het talrijkst zijn zij op rotsachtige kusten met
-weligen plantengroei; het is echter niet gemakkelijk ze hier te
-vinden daar zij sluw en vreesachtig zijn en zich zeer behendig door
-rotsspleten, tusschen takken van polypenstokken, kokers van Wormen en
-wortels, kortom langs de minst gebaande paden weten te bewegen. Hierbij
-vervullen de ambulacraalpootjes een ondergeschikte rol; de armen
-daarentegen kronkelen zich als slingerstaarten om allerlei dikke en
-dunne voorwerpen. Allerlei lagere dieren, vooral Polypen, worden als
-voedsel gebruikt; de mondhoeken doen als kaken dienst.
-
-Verreweg de meeste soorten (650) behooren tot de orde der Echte
-Slangsterren (Ophiurae), die zich kenmerkt door enkelvoudige
-(onvertakte) armen en in alle zeeën, op alle diepten vertegenwoordigd
-is, door een drietal soorten, ook bij de kusten van Nederland. Bij
-de meeste Medusasterren (Euryalae) daarentegen vertakken de armen
-zich hetzij aan hun einde of reeds dicht bij hun oorsprong en
-hebben tevens het vermogen om zich naar de mondzijde op te rollen;
-vermoedelijk dienen zij niet slechts als bewegings- en grijporganen,
-maar brengen ook den buit naar den mond. Zonder uitzondering bewonen
-zij groote diepten.
-
-
-
-
-
-
-
-VIJFDE KLASSE.
-
-DE ZEELELIËN (Crinoidea).
-
-
-De Zeeleliën behooren tot de oudste van alle bekende levende
-wezens. Duidelijke bewijzen van het bestaan dezer klasse vindt men
-reeds in de oudste Silurische gesteenten (in die van de Cambrische
-formatie). Hare vertegenwoordigers waren in de primaire en de
-secundaire periode zoo talrijk, dat zij belangrijke bijdragen hebben
-geleverd tot de destijds gevormde aardlagen. De Crinoideënkalk bestaat
-grootendeels uit steel-leden van Zeeleliën.
-
-Voor 25 jaren waren slechts weinige soorten van levende Crinoideën
-bekend; haar aantal is vooral door het onderzoeken van diepe zeebodems,
-waarmede verscheidene wetenschappelijke expedities zich in de laatste
-jaren hebben bezig gehouden, tot ongeveer 500 geklommen. Toch is
-het gering in verhouding tot dat der fossiele vormen, waarvan men
-er ongeveer 1800 onderscheiden heeft. De Buidelsterren (Lystidea),
-Pantserzeeleliën (Palaeocrinoïdea) en Knopsterren (Blastoïdea)
-waren reeds kort na de steenkolenperiode uitgestorven. Alleen van
-de orde der Gelede Zeeleliën Neocrinoïdea zijn, nevens fossiele, nog
-hedendaagsche vertegenwoordigers bekend. Zij behooren tot 5 familiën,
-waarvan men 4 kan samenvatten onder den naam van Echte Zeeleliën,
-daar zij levenslang (meestal door tusschenkomst van een langen,
-verkalkten, uit talrijke leden samengestelden, buigzamen steel) aan den
-zeebodem blijven. De reeds in 1755 door Guetterd onder den naam van
-"Palmier marin" beschreven soort, leeft bij de Antillen op diepten
-van 80 à 320 vademen. De Zeeleliën hebben een kelkvormig lichaam,
-dat betrekkelijk zeer klein is in verhouding tot de 5 meestal zeer
-lange en zeer dunne, gelede armen, die van den rand der bovenvlakte
-(of schijf) uitstralen. De armen zijn niet zelden eenmaal of meermalen
-gaffelsgewijs vertakt en zeer dikwijls, afwisselend rechts en links,
-met eveneens vertakte ranken (pinnulae) bezet. De schijf stelt de
-buikzijde van het dier voor, daar zij den mond bevat, die er meestal
-het middelpunt van inneemt; zij bestaat soms uit een gedeeltelijk
-zachte, soms uit een dicht met beweeglijke kalkplaatjes bezette
-huid. Van den mond stralen 5 ambulacraalgroeven uit, die zich op de
-armen en hunne ranken voortzetten. Aan weerszijden van deze groeven
-bevinden zich huidlobjes en kleine tentakels, die door hun bouw
-aan de ambulacraalpootjes der overige Stekelhuidigen herinneren. De
-trilharen in de groeven zijn bestemd om door haar beweging de tot
-voedsel dienende kleine diertjes naar den mond te voeren. Op het
-midden van de uit kalkplaatjes samengestelde onderzijde (rugzijde)
-van de kelk is de steel bevestigd. De aarsopening bevindt zich op
-korten afstand van den mond aan de buikzijde in de ruimte tusschen
-2 ambulacraalgroeven.
-
-Van het geslacht Pentacrinus zijn thans een tiental soorten bekend,
-die op vele plaatsen in den Atlantischen en den Stillen Oceaan op
-diepten van 80 à 1300 vademen leven en dus niet meer zoo zeldzaam zijn
-als in het jaar 1876, toen voor een exemplaar van het Medusahoofd f
- 132 betaald werd.
-
-Van de meeste familiën van Zeeleliën, waarvan nog vertegenwoordigers
-leven, is de bloeitijd sinds lang voorbij; slechts één onderscheidt
-zich ook thans nog door een grooten rijkdom van vormen, n.l. de familie
-der Haarsterren (Comatulidae). Alleen door de Challenger-expeditie
-(21 Dec. 1872 tot 24 Mei 1876) werden niet minder dan 111 soorten
-van Haarsterren uit nagenoeg alle zeeën verzameld; de meeste leven
-op diepten van 30 à 200 vademen, sommigen werden echter van 1000
-à 2900 vademen diepte opgehaald. Deze dieren hebben zich als 't
-ware gemoderniseerd. Hun lichaamsbouw stemt nagenoeg geheel met
-dien van Pentacrimus overeen; ter plaatse waar bij dezen de steel
-is vastgehecht, heeft de Haarster een knop, omgeven door een krans
-van fijne ranken, die ieder in een verkalkte klauw eindigen. Bij 't
-nagaan van de levenswijze van het dier blijkt, dat de klauwdragende
-ranken de rol spelen van pooten en hechtorganen. Slechts zelden maakt
-het echter gebruik van zijn geschiktheid tot zwemmen of klimmen,
-nadat het eens een gemakkelijke plaats heeft gevonden, waar het met
-zijwaarts of bovenwaarts gerichte mondvlakte en flauw gekromde armen
-zijn voedsel afwacht.
-
-Iedere Comatula doorloopt een ontwikkelingsstadium, overeenkomend met
-den toestand, waarin Pentacrinus levenslang verkeert; hieruit blijkt,
-dat zij afstamt van vormen, die nooit los geraken; voordat zij zich
-afscheidt van haar steel om voortaan een vrij leven te leiden,
-ontspruiten aan haar rug de met een klauw uitgeruste ranken. De
-meest gewone soort is Comatula (Antedon) rosacea, die gemiddeld 15
-cM. middellijn heeft. Men vindt haar in de Middellandsche Zee en aan
-de Atlantische kusten van Europa zeer veelvuldig op polypenstokken.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-DE PLANTDIEREN (Coelenterata).
-
-
-Slechts weinige uitverkorenen hebben zich kunnen verlustigen aan de
-liefelijke pracht van de eilanden der Groote Zuidzee, die door de
-levenswerkzaamheid der Koraaldieren in ontzaglijke tijdruimten zijn
-opgebouwd of vervormd, en welker stille lagunen een onvergetelijken
-indruk wekken door den overvloed en de schitterende kleuren van hare
-bewoners. Zulke heerlijke tafereelen verschaffen de Bloemdieren in de
-Europeesche zeeën niet, hoewel ons ook hier door sommige van hunne
-verwanten een verrukkelijk schouwspel wordt bereid. Op kunstwerken
-van lichtpaars, rooskleurig of geelachtig glas gelijken de scherm-
-of klokvormige Kwallen, die met guirlandes en lange franje getooid,
-bij stil weer om de langzaam voortdrijvende boot zweven, waarbij zij
-beurtelings haar schijf uitzetten en samentrekken om in de nabijheid
-van den waterspiegel te blijven. Menigeen heeft op een zeebadplaats
-van een nadere kennismaking met deze Sirenen een minder aangename
-herinnering behouden. Met hare netelorganen, die een brandende
-gewaarwording veroorzaken, beantwoorden zij de belangstelling van
-ieder, die, door de prachtige kleuren dezer levende juweelen verlokt,
-het waagde ze aan te raken. Velen, die niet in de gelegenheid waren om
-in de zee het fraaie schouwspel te genieten, dat de Plantdieren kunnen
-opleveren, hebben dit natuurtafereel op kleinere schaal nagebootst
-gezien in een aquarium. Een der schoonste sieraden voor deze kooien
-met zeebewoners, welker verzorging zooveel moeite vereischt, zijn de
-Actiniën of Zee-anemonen. Evenals de houwmeesters der koraalriffen
-behooren zij tot de Polypen. Deze vormen met de Kwallen de groep
-der Neteldieren (Cnidaria), die met de Ribkwallen (Ctenophora) en de
-Sponzen (Spongiae) de hoofdafdeeling der Coelenteraten uitmaken.
-
-Hunne zeer eenvoudige organen, die, evenals bij alle overige Metazoën,
-opgebouwd zijn uit talrijke cellen, welker verschillende aard in
-verband staat met het door haar verrichte deel van den levensarbeid,
-vertoonen een geheel andere wijze van rangschikking. De Coelenteraten
-zijn echte Straaldieren en niet, zooals de Stekelhuidigen, aanvankelijk
-en ook later bilateraal symmetrisch. Bij deze bedraagt het aantal der
-(op lateren leeftijd optredende) stralen in den regel 5, bij gene
-daarentegen 2, 4 of 6 of een veelvoud van 4 of 6, en vertoonen zij
-zich onmiddellijk nadat de moerbeivormige opeenhooping van cellen,
-welke door dooierklieving ontstond, door indeuking aan den top een
-bekervormige darmlarve of gastrula geworden is. Alleen de Sponzen
-verheffen zich weinig boven den laatstgenoemden oertoestand. Ook
-bij vele andere Plantdieren is echter, evenals bij de gastrulen, de
-lichaamswand uit slechts twee lagen--een buitenste (het ectoderm) en
-een binnenste (het entoderm) samengesteld; het bij alle hoogere dieren
-optredende mesoderm (middelste laag) ontbreekt, of staat, zoo het
-aanwezig is, tot de beide andere lagen in zeer nauwe betrekking. De
-huid, die bij de leden der vorige afdeeling lederachtig verdikt
-is en skeletdeelen vormt, wordt hier slechts bij uitzondering aan
-leder gelijk. Bij vele Coelenteraten (b.v. bij de Ribkwallen en de
-Echte Kwallen) ontwikkelen zich in 't geheel geen harde deelen; deze
-vertoonen zich bij de meeste Polypen en Sponzen aan de oppervlakte van
-het ectoderm of in het mesoderm als uitscheidingen van het chitine,
-koolzure kalk of kiezelzuur.
-
-Aan hun belangrijkste kenmerk danken de Coelenteraten dezen naam,
-die "Darmholte-dieren" beteekent. De lichaamswand omsluit bij
-hen slechts één holte, die zoowel voor het verteren van de spijs,
-als voor de verspreiding van voedsel en zuurstof door het geheele
-lichaam dient; de eindproducten van de stofwisseling (bij de hoogst
-ontwikkelde Plantdieren ook de voortbrengselen der geslachtsorganen)
-worden door één zoowel voor mond als voor aars bestemde opening
-verwijderd. Bloedvaten en uitscheidingsorganen ontbreken.
-
-Het opperhuid (soms ook het entoderm) van de Neteldieren bevat
-netelcellen, cellen van verschillende grootte, doch steeds
-microscopisch klein, welker tamelijk stevige wand een doorschijnend
-blaasje omsluit, dat een spiraalswijs gewonden, draadvormig buisje
-bevat; deze draad is meer dan 20-maal zoo lang als het blaasje, loopt
-aan 't vrije einde spits uit en is tot dicht bij deze plaats met een
-of 2 spiraalvormige reeksen van fijne weerhaakjes voorzien. Iedere
-aanraking of andere wijze van prikkeling van de netelcel veroorzaakt
-het plotseling naar buiten schieten en gelijktijdig omstulpen van den
-draad en geeft dus aanleiding tot verwonding van den aanraker. Naar
-het schijnt, is de draad met een vergiftige stof gevuld, die na het
-omstulpen haar oppervlakte bedekt en met de scherpe punt van den draad
-in de wonde doordringend, op de huid van den mensch een soortgelijke
-werking teweeg brengt als de brandharen der brandnetels. Zeer dikwijls
-zijn de netelcellen tot groepen vereenigd, die men netelknoppen
-of netelbatterijen noemt. Elke netelcel wordt, nadat zij slechts
-éénmaal dienst gedaan heeft, vervangen door een andere, die zich er
-onder bevindt.
-
-De Gewone Roode Zeeanemone (Actinia mesembryanthemum) van de Noordzee,
-die men b.v. onder steenen aan den voet van den zeedijk bij laag
-water aantreft, heeft in een vangarm van gemiddelde grootte meer dan
-4 millioen rijpe netelcellen; in hare gezamenlijke vangarmen minstens
-500 millioen. Een vangarm van de prachtige, fluweelglanzig groene
-Anthea cereus bevat meer dan 43 millioen netelcellen; een exemplaar
-met 150 tentakels heeft dus 6450 millioen wapens in voorraad.
-
-Tot dusver heeft men slechts bij één soort van Ribkwallen (en bij
-deze in geringen getale) netelcellen gevonden; bij de overige leden
-dezer klasse zijn zij vervangen door "grijpcellen", halfbolvormige
-uitsteekseltjes van de vangdraden, die een veerkrachtige, spiraalswijs
-opgerolde draad, doch geen gif bevatten.
-
-
-
-
-
-
-
-EERSTE KLASSE.
-
-DE RIBKWALLEN (Ctenophora).
-
-
-Het geleiachtig, min of meer doorzichtig lichaam van de Rib- of
-Kamkwallen is verschillend van vorm; het gelijkt op een bol bij
-Cydippe, op een Perzische muts bij Beroe, op een lint bij Cestus,
-enz. Het is tweestralig en niet bilateraal symmetrisch, daar het op
-twee wijze door een vlak, dat de lichaamsas bevat, in twee gelijke
-helften kan worden verdeeld. De beide bedoelde vlakken snijden elkander
-rechthoekig volgens de as. In dit geval kan dus evenmin van rugzijde en
-buikzijde sprake zijn als bij een regelmatige vaas met twee ooren. Aan
-de lichaamsas onderscheidt men de mond- en de tegenmondpool (orale
-en aborale pool). Deze dieren zwemmen in de open zee, maar worden
-niet zelden door wind of stroom naar de kust gedreven: bij de onze
-vertoont zich niet zelden de 13 mM. lange Kogelronde Cydippe [Cydippe
-(Pleurobrachia) pileus], nu en dan ook de 16 mM. lange Kleine Eivormige
-Beroë (Beroë roseola). Gewoonlijk nemen zij in 't water een nagenoeg
-vertikalen stand aan met naar beneden gerichte mondopening. Door deze
-komt het voedsel in een afgeplat buisvormigen (bij de Beroïden sterk
-verwijden) zoogenaamden "maagzak" (door instulping van het ectoderm
-gevormd en dus niet voor de spijsvertering bestemd). De meer of
-minder wijde (door het entoderm begrensde) gastrovasculaire ruimte,
-die den "maagzak" omgeeft en waarmede zijn achterste uiteinde, dat
-door spieren gesloten kan worden, in gemeenschap staat, wordt wegens
-haar vorm trechter genoemd en strekt zich uit tot in de nabijheid van
-de aborale pool. Twee hier aanwezige, kleine openingen stellen het
-dier in staat tot het opnemen van water in of tot het verwijderen
-van vocht uit den trechter. De inhoud van deze holte bestaat
-grootendeels uit water, dat echter gemengd is met bloed en deeltjes
-spijsbrij. Door trilharen wordt dit vocht in beweging gehouden in den
-trechter en het van hier uitgaande gastrovasculaire kanalenstelsel,
-welks hoofdstammen dicht onder de oppervlakte langs loopen, daar
-waar zich van buiten de zoogenaamde ribben bevinden. Meestal zijn
-(soms 4 korte en 4 lange) ribben aanwezig; zij reiken van de eene
-pool tot de andere of nemen een deel van deze meridianen in. Elke
-rib wordt gevormd door een reeks van kammen of zwemplaatjes: korte
-dwarsreeksen van lange trilharen, die aan den oorsprong met elkander
-vergroeid zijn. Gewoonlijk trillen deze zwemplaatjes in geregelde
-volgorde heen en weer, waardoor een golvende beweging van de geheele
-reeks ontstaat. Het dier kan naar verkiezing sommige ribben of alle
-te gelijk laten werken, in 't laatstgenoemde geval verplaatst het zich
-langzaam in de richting van de trechterpool. Draaiingen en afwijkingen
-van de oorspronkelijk gevolgde richting komen dikwijls voor; zij
-geschieden vlug, zonder merkbare inspanning en op sierlijke wijze
-onder medewerking van de overige lichaamsaanhangsels: mondlobben,
-oortjes (tongvormige lobjes aan de lichaamsoppervlakte) en vangarmen
-(gewoonlijk 2, meestal dicht bij de trechterpool aan weerszijden
-van het lichaam geplaatst, dikwijls zeer lang, met fijne draden en
-talrijke, tot knopjes vereenigde kleefcellen bezet, te voorschijn
-komend uit scheeden, waarin zij teruggetrokken kunnen worden). Bij
-de afgebeelde soort komen alleen de laatstgenoemde aanhangsels voor.
-
-De Ribkwallen hebben, evenals vele andere pelagische (in de open zee
-levende) dieren, de gewoonte om 's nachts in de bovenste waterlaag
-te zwemmen en zich over dag in de diepte te verbergen; zij voeden
-zich met allerlei diertjes, vooral met kleine Crustaceën, die zij
-met de armen vangen. De Beroïden echter zijn vraatzuchtige roovers
-en verzwelgen dikwijls dieren, die hen in grootte evenaren, hiertoe
-in staat gesteld door een zeer grooten bek en wijden maagzak; hun
-in dwarse richting ovaal lichaam mist de vangarmen en kenmerkt zich
-door de fijne zijtakken, die, van de 8 meridiaansgewijs verloopende
-hoofdkanalen uitgaande, in het geleiachtige weefsel mazen vormen,
-waardoor het (meestal teer rozerood gekleurde) lichaam als 't
-ware gemarmerd is. De grootste soort is Beroë Forskalii, die in de
-Middellandsche Zee groote scholen vormt en 20 cM. lang wordt.
-
-De prachtigste Ribkwal is de 1.5 M. lange, 8 cM. hooge Venusgordel
-(Cestum Veneris), die de Middellandsche Zee, den Atlantischen
-en den Grooten Oceaan bewoont. De schoonheid van zijn sierlijk,
-doorzichtig, het zonlicht in alle kleuren weerkaatsend lichaam wordt
-nog verhoogd door zijne vlugge, elegante bewegingen, waarbij het
-allerlei gracieuse krommingen vertoont. Evenals al zijne verwanten
-is de Venusgordel phosphoresceerend; de zetel van dit tot na den
-dood voortdurend vermogen is de wand der meridiaansgewijs loopende
-kanalen. Het lichten der zee wordt dikwijls voor een groot deel door
-leden dezer klasse veroorzaakt. De Ribkwallen zijn tweeslachtig; de
-jongen ondergaan een meer of minder samengestelde gedaantewisseling
-en verschijnen in den herfst als volwassen dieren aan de oppervlakte.
-
-In de huishouding der natuur speelt deze ongeveer 50 soorten omvattende
-klasse een ondergeschikte rol. Hare leden bekoren het oog van den
-mensch, leven van roof en vallen zelf ten buit aan Schermkwallen
-en Zee-anemonen.
-
-
-
-
-
-
-
-TWEEDE KLASSE.
-
-DE POLYPKWALLEN (Polypomedusae).
-
-
-De vrij levende vormen dezer klasse--de Kwallen (Medusae)--werden
-vroeger in een orde vereenigd en dus gescheiden van hunne vastzittende
-verwanten, de Polypen; toen men beider ontwikkelingsgeschiedenis
-had leeren kennen, kon deze scheiding niet gehandhaafd worden. Vele
-Polypen brengen n.l. door knopvorming Kwallen voort en uit de bevruchte
-eieren dezer Kwallen ontstaan weer Polypen. Hier heeft men dus te
-doen met heterogonie, met een ontwikkelingskring, samengesteld uit een
-geslachtlooze generatie (van Polypen) en een daarop volgende sexueele
-(van Kwallen). In de 3 onderklassen (Echte Kwallen, Pijpkwallen en
-Hydrozoën), waarin men tegenwoordig de Polypkwallen verdeelt, maakt
-nu eens de vastzittende, dan weer de vrij levende generatie het beste
-figuur. Groot en hoog georganiseerd zijn de geslachtsdieren bij de
-Echte Kwallen (Acalephae), zeer klein daarentegen de zoogenaamde
-Scyptzistoma-polypen, waaruit zij langs ongeslachtelijken weg zijn
-ontsproten. De omgekeerde verhouding merkt men op bij de Pijpkwallen
-(Syphonophora), welker vastzittende individuën ("polypoïden") vereenigd
-zijn tot drijvende koloniën. Sommige van deze polypoïden (meer
-bepaaldelijk "medusoïden" genoemd) spelen de rol van geslachtsdieren
-en nemen min of meer den vorm van Kwallen aan. Deze geraken bij eenige
-soorten los en zwemmen vrij rond; bij andere blijven zij deelen van
-de kolonie uitmaken. Vele leden van de onderklasse der Hydrozoën
-(Hydromedusae) vertoonen een enkelvoudige ontwikkelingskring. Dit
-is o.a. het geval met die, welke men in de orde der Trachymedusen
-samenvat; bij hen ontwikkelen de bevruchte eicellen zich niet tot
-Polypen, maar direct (na gedaantewisseling) tot Kwallen. Gelijk hier de
-polyptoestand, zoo ontbreekt de kwaltoestand geheel (en worden zelfs
-geen medusoïden gevormd) in de orde der Zoetwaterpolypen (Hydridae),
-welke direct geslachtscellen in het ectoderm voortbrengen. Tusschen
-deze beide uitersten staan de orden der Campanulariën, Tubulariën
-en Hydrocoralliën: bij sommige van deze wordt de Polypengeneratie
-gevolgd door een generatie van Kwallen, die eerst na een lang leven
-in vrijen toestand rijpe geslachtscellen bezitten; andere soorten
-komen uitsluitend in den polyptoestand voor, vormen een stok, die
-uit individuën van verschillende gedaante en verrichting bestaat;
-sommigen van deze brengen spermatozoïden of eieren voort, hebben min
-of meer den vorm van Kwallen en heeten daarom medusoïden.
-
-
-
-
-
-
-EERSTE ONDERKLASSE.
-
-DE PIJPKWALLEN (Syphonophora).
-
-
-Een voorbeeld van deze aan onze kust niet vertegenwoordigde diergroep,
-levert de Tweezijdige Blaaskwal (Physophora disticha), die de
-Middellandsche Zee en den Atlantischen Oceaan bewoont. De centrale
-as, die de "polypoïden" draagt, is buisvormig en loopt naar boven
-uit in een met lucht gevulde fleschvormige blaas, die de geheele
-kolonie drijvende houdt en haar een verticalen of hellenden stand
-verschaft. Het geheele bovenste deel van de as wordt ingenomen door de
-"zwemzuil", die uit 2 reeksen van "zwemklokken" bestaat. Deze voor de
-beweging dienende polypoïden vertoonen een onmiskenbare overeenkomst
-met Schijfkwallen: haar holte vult zich met water, dat vervolgens door
-een plotselinge samentrekking uitgeworpen wordt. Onder de zwemzuil zet
-de as zich uit tot een zak, waaraan bij den rand zeer beweeglijke, als
-"tasters" aangeduide polypoïden gehecht zijn, die twee kransen vormen
-en bij haar oorsprong ieder een lange "vangdraad" dragen. Verder naar
-'t midden vindt men de eveneens holle, maar bovendien aan 't vrije
-uiteinde opene "voedings-" of "maagpolypoïden", die ieder zelfstandig
-werken, het voedsel inslikken en verteren. De buit, die grootendeels
-uit kleine Schaaldieren bestaat, wordt gegrepen en naar de "monden"
-gevoerd, door de lange vangdraden, welker talrijke zijtakken met
-knopvormige batterijen van netelcellen gewapend zijn. Het kleurlooze
-voedingsvocht (bloed), dat door de maagpolypoïden bereid wordt,
-komt aan alle leden van de kolonie ten goede; het wordt verspreid
-door de buisvormige, centrale as. De "voortplantingspolypoïden" of
-"medusoïden" zijn in de afbeelding niet voorgesteld; tot trossen
-vereenigd, bevinden zij zich tusschen de tasters en de magen. De hier
-als voorbeeld dienende soort heeft "éénhuizige" koloniën, die ieder
-zoowel mannelijke als vrouwelijke medusoïden dragen: gene brengen
-spermatozoïden, deze ieder één ei voort. De medusoïden, die zich bij
-de Blaaskwal niet veel boven den rang van geslachtsorganen verheffen,
-ontwikkelen zich bij andere soorten tot vrij zwemmende Kwallen. Het
-duidelijkst geschiedt dit bij de Zeilkwallen (Velellidae), waar zij
-lang voor de rijpheid der geslachtscellen zich afscheiden, als Kwallen
-(Chrysomitra) rondzwemmen en zelfstandig voedsel opnemen.
-
-Het valt niet te ontkennen, dat de Blaaskwal veel gelijkt op een
-enkelvoudig dier. Tegen deze meening pleit echter de aanwezigheid van
-verscheidene magen, die ieder een afzonderlijke mondopening hebben
-en zelfstandig arbeiden. Neemt men voorts in aanmerking, dat bij
-sommige soorten de medusoïden losgeraken en als zelfstandige wezens
-voor de sexueele voortplanting zorgen, dan begrijpt men, waarom de
-Syphonophoren door B. Leuckart polymorphe koloniën worden genoemd. De
-deelen, waaruit zij samengesteld zijn, komen met deelen van een
-organisme overeen, in zoo verre als zij ieder een afzonderlijken
-arbeid verrichten, die voor het in stand houden van het geheel
-noodzakelijk is. Met het oog hierop vormen zij in physiologischen
-zin één geheel, behooren bij één leven. Toch zijn enkele van deze
-organen zoo zelfstandig werkzaam, en die, welke later den vorm van
-Kwallen aannemen, zoo hoog ontwikkeld, dat zij bijna op den rang
-van enkelvoudige wezens, van individuën, aanspraak mogen maken. Dit
-noopt ons de Pijpkwal te beschouwen als een "stok", samengesteld uit
-onvolledige individuën, met verschil van vorm en van verrichting; deze
-beteekenis moet men hechten aan de uitdrukking "polymorphe kolonie".
-
-Tot de Siphonophoren behoort een van de fraaiste en merkwaardigste,
-maar tevens een van de gevaarlijkste geslachten van Coelenteraten,
-sedert lang aan de zeevarenden bekend onder de namen van Bezaantje,
-Bij-den-wind-zeiler en Portugeesch oorlogschip (Physalia). Verscheidene
-soorten van dit geslacht bewonen de warme zeeën, o.a. de Middellandsche
-Zee en den Atlantischen Oceaan. Bij deze kolonie verwijdt de stam zich
-van boven tot een groote blaas met een aanzienlijke luchtkamer, die
-door een opening met de buitenwereld in gemeenschap staat. Onder aan
-deze blaas hangen naast elkander voedingspolypoïden, tasters, waaraan
-medusoïde knoppen tot ontwikkeling komen en zeer lange vangdraden.
-
-De Bezaantjes prijken met prachtige kleuren: de luchtblaas en
-haar kam zien er uit alsof zij van zilver zijn gedreven, versierd
-met lichtblauw, violet en purper. Kleine verhevenheden aan de
-kiel van den kam zijn helder karmijnrood; een verwonderlijk fraaie
-ultramarijnblauwe kleur is eigen aan alle aanhangselen. Zelfs de ruwe
-matrozen bewonderen deze prachtige schepsels, welker blaas de grootte
-van een kinderhoofd kan bereiken en welker vangdraden diep in het
-water hangen; hun bewondering gaat echter met een eerbiedig ontzag
-gepaard. Meyen verhaalt dat bij de eerste reis om de wereld van de
-"Princes Louise", een prachtige Physalia langs het schip dreef. Een
-jonge, drieste matroos sprong in zee om het dier te vangen, haalde
-het zwemmend in en vatte het aan. De Pijpkwal kronkelde de lange
-vangdraden om haar roekeloozen tegenstander, die, door vreeselijke
-pijn gekweld, vertwijfeld om hulp schreeuwde; met moeite gelukte het
-hem naar het schip terug te keeren; hij moest zich aan boord laten
-hijschen en leed ten gevolge van de ontsteking der huid aan zulke
-hevige koortsen, dat men geruimen tijd voor zijn leven beducht was.
-
-
-
-
-
-
-TWEEDE ONDERKLASSE.
-
-DE HYDROÏDKWALLEN (Hydromedusae).
-
-
-Om niet te uitvoerig te worden bepalen wij ons tot de beschrijving van
-één in de Noordzee voorkomende soort van de orde der Tubulariën. In
-vastzittenden toestand is zij bekend onder den naam van Knikkende
-Bloempolyp (Corymorpha nutans); hare vrij levende Kwallen-generatie
-heet Steenstrupia galanthus. De polyp is niet, gelijk de meeste
-van hare orde-verwanten, vertakt, maar onverdeeld; ook hecht zij
-zich niet, als deze, aan waterplanten, steenen en dergelijke stevige
-voorwerpen vast, maar is gedeeltelijk weggedoken in het fijne zand van
-den zeebodem. Van het op deze wijze verborgen kegelvormig uiteinde
-van den steel gaan in alle richtingen draadvormige aanhangsels uit,
-die aan het geheele lichaam voldoenden steun verschaffen. De gastrale
-holte wordt niet, gelijk bij de Anthozoën, door straalsgewijze plooien
-van den wand vernauwd; zij staat van boven direct met de buitenwereld
-in gemeenschap door de mondopening. Deze is omgeven door een krans
-van ongeveer 80 korte tentakels; een tweede krans van ongeveer 32
-langere voelers omgeeft het middelste deel van de verwijding (maag),
-die onder den mond gelegen is. Vooral op den cilindrischen, overlangs
-gestreepten steel vormt het ectoderm een dun, op chitine gelijkend,
-uitwendig skelet (periderma). Een verkalkt periderma vindt men bij
-de op diepe zeebodems levende Hydroïd-koralen (Hydrocoralliae). Een
-inwendig, door het mesoderm gevormd kalkskelet, zooals bij de
-Anthozoën voorkomt, hebben de Hydrozoën niet. Onmiddellijk boven
-den ondersten tentakelkrans ontspruiten de geslachtsknoppen, die
-zich afscheiden, nadat zij zich ontwikkeld hebben tot Kwallen,
-welker cilindrisch of vierzijdig prismatisch scherm 1.5 mM. breed
-is en van boven eindigt in een kegelvormige spits. Van onderen is
-het scherm, op een groote centrale opening na, afgesloten door een
-randzoom (velum). Aan den rand hangen 4 holle, weeke, buigzame,
-gele of roode tentakels, waarvan 3 zeer klein zijn; de vierde is
-goed ontwikkeld en loopt uit in een buitengewoon lang, draadvormig
-aanhangsel. Iedere tentakel is aan zijn basis voorzien van een rood
-of geelbruin oog. Bij andere "Kwallen met randzoom" vindt men, in
-plaats van oogen, "randblaasjes" (gehoororganen). Als een klepel in
-een klok, hangt in het scherm een roode of geelbruine, kegelvormige,
-holle, van onderen geopende "maagsteel" in gemeenschap staande met
-een daarboven in het scherm aanwezige gastrale holte; de 4 van hier
-naar de tentakels loopende radiale kanalen zijn door een in den rand
-gelegen ringkanaal vereenigd. Aan de binnenste oppervlakte van dit
-gastrovasculaire stelsel, dat voor het bereiden en verspreiden van
-voedingsvocht dient, bevinden zich bij het eene individu mannelijke,
-bij het andere vrouwelijke geslachtsorganen.
-
-In hoofdzaken stemmen alle Hydroïdkwallen en Hydroïdpolypen met
-de beschrevene overeen. Deze leven in den regel niet eenzaam,
-maar zijn meestal tot boom- of korstvormige "polymorphe" stokken
-vereenigd. Voorbeelden hiervan zijn hoornachtige Zeecypres (Sertularia
-cupressina), die zoo dikwijls op het strand ligt en voor een plant
-wordt aangezien, en de Ruwe Zeerasp (Hydractinia echinata), welker
-overblijfsel niet zelden als een bruine korst de uit zee aanspoelende
-Wulken en andere schelpen bedekt. De Hydroïdkwallen zijn in den
-regel zeer klein; zelden bereiken zij een aanzienlijke grootte,
-zooals Equorea Forskalea, die de Middellandsche Zee bewoont en een
-scherm van 20 à 40 cM. middellijn heeft.
-
-De eenige Zoetwater-hydrozoën zijn de Knodspolypen (Cordylophora)
-en de Zoetwaterpolypen (Hydra). Cordylophora lacustris vormt 4 à 8
-cM. hooge, sierlijk vertakte boompjes, die met op wortels gelijkende
-draden vastgegroeid zijn aan steenen, hout, schelpen, enz. De geheele
-stok is met een dunne chitinelaag (periderma) bekleed, behalve de
-knotsvormige "kopjes", waaraan een slurfvormigen mond, omgeven door
-onregelmatig verdeelde, draadvormige armen. Tot in het midden van
-deze eeuw kende men deze soort slechts als een bewoner van het brak
-water der Europeesche en Noord-Amerikaansche kusten. Toen vertoonde
-zij zich in sommige gedeelten van den benedenloop van verscheidene
-rivieren, Theems, Elbe, enz.; thans is zij zoowel in de Oude- als
-in de Nieuwe Wereld ver in het binnenland doorgedrongen. In Hamburg
-heeft zij zich in de buizen van de waterleiding gevestigd en zich er
-zoo sterk vermenigvuldigd, dat de doorstrooming van het water hier
-en daar verhinderd werd.
-
-Meer algemeen bekend zijn de Hydra's, de Zoetwaterpolypen bij
-uitnemendheid. Zij hebben een lichaamslengte van 1 à 2 cM. In den
-regel zal men niet tevergeefs zoeken naar een van de drie inheemsche
-soorten--de Groene, de Grijze en de Gewone Armpolyp (Hydra viridis,
-H. grisea en H. vulgaris)--in het stilstaand water van met planten
-begroeide poelen en plassen, wanneer men eenige van hier mede
-genomen planten stil laat staan in een glas met water en ze dan
-met een vergrootglas onderzoekt. Zoodra de Polypen tot rust gekomen
-zijn, beginnen zij zich te strekken en hare 6 à 12 voelers tot fijne
-draden te verlengen (die van de Gewone Armpolyp kunnen wel 40 cM. lang
-worden; bij de overige soorten zijn zij korter of niet langer dan het
-lichaam). Diertjes, die met de voelers in aanraking komen, blijven er,
-als verlamd, aan hangen; door het inkrimpen van de vangtoestellen wordt
-de buit naar den gretig geopenden, voor sterke uitzetting geschikten
-mond gebracht. Van polymorphie is geen sprake, van blijvende koloniën
-evenmin. Gewoonlijk vermenigvuldigen deze diertjes zich door knoppen,
-die aan den romp ontspruiten. Dikwijls blijft de dochter zoolang
-met de moeder vereenigd, totdat zij zelf ook eenige dochterknoppen
-vertoont. In de laatste zomermaanden of in den herfst verschijnen
-(in het ectoderm) dicht bij den tentakelkrans, 1 à 5 knobbels, die
-zich langzamerhand boven de oppervlakte verheffen en eindelijk door
-een opening aan den top talrijke spermatozoïden laten ontwijken;
-ongeveer terzelfder tijd vormen zich aan een lager gedeelte van den
-romp één of twee eizakjes, die ieder een ei voortbrengen. Nog in
-'t zelfde jaar of in de volgende lente verlaat het jonge dier de
-eischaal; het heeft aanvankelijk slechts 4 beginsels van vangarmen,
-doch wordt weldra aan zijne ouders gelijk.
-
-
-
-
-
-
-DERDE ONDERKLASSE.
-
-DE ECHTE KWALLEN (Acalephae).
-
-
-Deze onderklasse bestaat uit wezens, die wegens hun overeenstemming met
-de geslachtsdieren der beide vorige orden denzelfden naam verdienen
-te dragen, doch een veel hoogeren trap van volkomenheid bereikt
-hebben. Van de Hydroïd-kwallen onderscheiden zich de Acalephen
-o.a. door het gemis van een randzoom; daarentegen is de rand van
-haar scherm gewoonlijk door insnijdingen in lobben verdeeld. Daar
-aan onze kust nooit Buidelkwallen of Diepzeekwallen en hoogst zelden
-Bekerkwallen voorkomen, is het voldoende de orde der Schijfkwallen
-(Discomedusae) te bespreken. Tot haar behooren ruim 150 van de
-ruim 200 bekende soorten der onderklasse en tevens hare grootste
-vertegenwoordigers. Zes daarvan bewonen in aanzienlijken getale de
-zee langs onze kust. Meer dan andere Coelenteraten trekken zij de
-aandacht, daar zij in 't gunstige seizoen tot in de onmiddellijke
-nabijheid van den oever aan de oppervlakte zwemmen. Bij ruw weer
-verongelukken vele exemplaren op het strand, waar deze groote, rood-
-of blauwachtige, halfbolvormige geleiklompen spoedig door uitdroging
-zoo goed als geheel verdwijnen. Hun lichaam, vooral dat van de
-Aurelia's en Chrysaora's, heeft n.l. zulk een groot watergehalte
-(95 à 96 percent), dat er van een middelmatig groot exemplaar, op
-vloeipapier aan de zonnestralen blootgesteld, niets anders overblijft
-dan een (door echte natuurzelfdruk gevormde) omtrekfiguur. Sommige
-soorten ziet men nu en dan in grooten getale bijeen. Lang aanhoudende,
-noordelijke windrichtingen vullen de havens van de westkust der Oostzee
-soms met geheele banken van blauwe Kwallen (Aurelia aurita). In de
-Middellandsche en de Adriatische Zee kan men zelden een uitstapje
-maken, zonder eenige of zelfs vele exemplaren te ontmoeten van de
-prachtige Longkwal (Rhizostoma pulmo), die nog iets grooter wordt
-dan haar hierachter afgebeelde verwante. Beide worden echter in
-dit opzicht ver overtroffen door Cyanea arctica, een bewoonster
-van het noordelijke deel van den Atlantischen Oceaan, en zelfs door
-Cyanea capillata, die aan onze kust veelvuldig voorkomt; bij deze
-kan het scherm 1, bij gene 2 M. middellijn bereiken. Een andere in
-'t oog vallende eigenschap van vele Kwallen is het phosphoresceeren;
-hieraan ontleent Pelagia noctiluca, die de Middellandsche Zee bewoont,
-haar naam. Bovendien brengen vele soorten met hare netelorganen ook
-op de huid van den mensch een pijnlijke ontsteking te weeg.
-
-De Schijfkwallen zijn niet slechts de meest bekende, maar ook de
-hoogst ontwikkelde leden van de geheele klasse. Het scherm, dat het
-grootste deel van haar lichaam uitmaakt, heeft meestal den vorm van
-een horlogeglas of van een halven bol, zelden dien van een klok. Door
-aanhoudende, regelmatig opeenvolgende samentrekkingen van het scherm,
-of liever van een zijn ondervlakte bedekkende laag van straals-
-en kringswijs loopende spiervezels (den zoogenaamden "zwemzak"),
-houden de Schijfkwallen zich bij den waterspiegel. Zoolang de nu en
-dan voorkomende rustpauzen duren, zinkt het dier langzaam naar beneden,
-waaruit blijkt, dat het iets zwaarder is dan het omringende water. Het
-grootste deel van het scherm wordt gevormd door het geleiachtige,
-met cellen doorgroeide "mesoderm", dat vezeltjes en veerkrachtige
-draadnetten bevat en hierdoor betrekkelijk stevig is. De rand van het
-scherm is op regelmatige wijze in 8 groepen van "lobben" verdeeld door
-insnijdingen, waarin "randlichaampjes" voorkomen, die ieder een oog
-en een gehoororgaan bevatten, beschut door een "ooglobje", aan welks
-bovenzijde, bij den oorsprong, zich een reukgroefje bevindt. Bovendien
-zijn hier (behalve bij de Rhizostomeën) holle voeldraden aanwezig, die
-bij Aurelia en Chrysaora één reeks aan den rand, bij Cyanea 8 bundels
-aan de ondervlakte van het scherm vormen. Aan 't middengedeelte hangt,
-als de klepel van een klok, de eenigszins vierkantige "mondsteel"; bij
-de 3 laatstgenoemde geslachten bevindt zich aan zijn vrije uiteinde
-de mond, welks vier hoeken tot wimpelvormige "mondarmen" verlengd
-zijn. Bij de Rhizostomeën echter is de opening tusschen de mondarmen
-gesloten en zijn deze ieder in twee takken verdeeld; de gedeeltelijk
-aaneengegroeide randen van elken tak vormen een buis, die een aantal
-openingen overlaat, welke met gekroesde randlobben omgeven zijn en
-voor het opzuigen van het voedsel dienen. De boven den mond gelegen
-gastrale holte of "maag"--bij alle Aculephen voorzien van maagdraden,
-die spijsverteringssappen afscheiden--staat buitenwaarts in gemeenschap
-met 8 (of een veelvoud van 8) "maagzakken" en verder met "kanalen",
-die zich straalsgewijs tot in den rand van het scherm uitstrekken
-en hier dikwijls door een "ringkanaal" vereenigd zijn. Gezamenlijk
-vormen al deze holten en kanalen het gastrovasculaire stelsel. De
-schijfkwallen voeden zich hoofdzakelijk met kleine dieren, die zij
-met de mondarmen vangen, waarbij de netelorganen goede diensten
-bewijzen. De Rhizostomiden zuigen de prooi uit; de overige Kwallen
-brengen haar onmiddellijk in de maag.
-
-Bij verreweg de meeste Schijfkwallen zijn geslachtsorganen
-over tweeërlei individuën verdeeld en is de ontwikkelingskring
-samengesteld uit twee generatiën: Polypen, die zich door deeling
-en knopvorming vermenigvuldigen, brengen de geslachtsdieren
-voort. De geslachtsorganen, kenbaar aan hun teere kleur, puilen
-uit in 4 ondiepe holten, die den mondsteel omgeven. Het bevruchte
-ei doorloopt den gastrula-toestand, in het slijm van het ectoderm
-tusschen de mondarmen en ontwikkelt zich hier tot een mondlooze,
-aan de oppervlakte met trilharen begroeide larve, planula genaamd,
-welke door haar plat-ovale gedaante aan een damesmedaillon herinnert
-en een tijdlang vrij rondzwemt. Zij hecht zich vervolgens vast en
-wordt peervormig. Tegenover het dunne, aan den bodem vastgehechte
-uiteinde ontstaat een mond, die de gastrale holte opnieuw met
-de buitenwereld in gemeenschap brengt, en omgeven wordt met 4
-tentakels. Het nu polypvormige wezen heet Scyphistoma en vermeerdert
-het aantal tentakels tot 16. Een aantal "dochter-polypen" kunnen uit
-de basis van deze "moederpolyp" ontspruiten en zich, evenals deze,
-door deeling vermenigvuldigen, n.l. door ringvormige insnoeringen,
-die, steeds dieper wordend en naar onderen in aantal toenemend,
-terwijl de Polyp zich verlengt, haar allengs het voorkomen geven van
-een stapel tafelborden. Aan den scherpen rand van elk dezer deelen
-ontwikkelen zich 8 korte, 3-deelige randlobben (uit het middelste deel
-ontstaat een randlichaampje). In dezen toestand wordt de Polyp met een
-sparrekegel vergeleken en Strobila genoemd. Door het steeds toenemen
-van de diepte der insnoeringen geraken, te beginnen bij de bovenste,
-die hare tentakels verliest, achtereenvolgens alle schijven los. Zij
-draaien zich om en zwemmen als jonge Kwallen (zoogenaamde Ephyra's)
-weg; elke randlob is vooraf uitgegroeid tot een langwerpig uitsteeksel
-(met een diepe insnijding aan den top) waaronder het randlichaampje
-verborgen is. Langzamerhand verkrijgt de Ephyra alle eigenschappen
-van een Schijfkwal.
-
-
-
-
-
-
-
-DERDE KLASSE.
-
-DE STRAALPOLYPEN (Anthozoa).
-
-
-Een liefelijk schouwspel levert het komen en gaan der Kwallen op den
-door golving en strooming telkens veranderden spiegel der zee. Na een
-kortstondig leven, welks duur waarschijnlijk een jaar overtreft, gaan
-deze wezens te niet, keeren hunne bestanddeelen terug in den algemeenen
-kringloop der stof en blijven van hun aanwezigheid geen andere sporen
-over dan een talrijke, in wording verkeerende nakomelingschap. Ook
-onder de Straalpolypen zijn er, welker generaties even spoorloos
-verdwijnen als deze. Veel grooter is echter het aantal leden dezer
-klasse, die sedert de eerste tijden van hun bestaan op aarde, door
-alle geologische perioden heen gedenkteekenen hebben opgericht, zooveel
-grootscher dan die, welke door menschenhanden zijn gebouwd, dat deze,
-met hen vergeleken, geheel in 't niet verzinken. De vorming van een
-groot deel der vaste aardkorst is een gevolg van de werkzaamheid der
-hier bedoelde, nietig kleine dieren. Door de veranderingen, die in
-'t binnenste der aarde plaats grijpen en zich aan hare oppervlakte
-openbaren, als opheffingen en inzinkingen, worden op de eene plaats
-riffen en koraaleilanden boven den zeespiegel omhoog gestuwd, terwijl
-zij elders in de diepte terugkeeren. Overal waar de Koraaldieren, de
-belangrijkste van alle Straalpolypen, zich vertoonen, hebben werkingen
-plaats, die door haar omvang en beteekenis bijna alles in de schaduw
-stellen, wat overigens nog door het dierlijk leven tot stand wordt
-gebracht. Nietig klein in den beginne, slechts door den microscoop
-waarneembaar, wordt deze vestiging weldra het vereenigingspunt van
-verbazend veelvormige levensverschijnselen, totdat de mensch als
-'t ware den hier verrichten arbeid bekroont, door den op deze wijze
-gevormden bodem in bezit te nemen.
-
-De Anthozoën zijn vastzittende, meestal tot stokken vereenigde
-dieren; het gesloten uiteinde van haar cilindervormig lichaam heet
-voet; in het midden van de hieraan tegenovergestelde, in den regel
-uitpuilende mondschijf, die langs den rand één of meer kransen
-van holle tentakels draagt, bevindt zich de meestal spleetvormige
-mond. Deze staat niet, gelijk bij de Hydroïdpolypen, onmiddellijk,
-maar door tusschenkomst van een buisvormigen (door instulping van
-het ectoderm gevormden), in de gastrale holte hangenden "maagzak" met
-genoemde holte in gemeenschap. Deze wordt in "kamers" verdeeld door
-schotten (mesenteriaalplooien), die straalsgewijs van de binnenste
-oppervlakte van den lichaamswand uitgaan, met de buitenste oppervlakte
-van den "maagzak" verbonden zijn en zich van de mondschijf tot den
-voet uitstrekken, maar niet tot aan de lichaamsas reiken, rondom deze
-dus een centrale holte vrijlaten. Elke kamer zet zich naar boven voort
-in de kegelvormige holte van een tentakel; zij bestaat verder uit een
-kokervormig vak van de ringvormige ruimte tusschen den lichaamswand
-en den maagzak en bovendien uit de hieronder gelegene, nisvormige,
-aan de aszijde opene afdeeling van de gastrale holte. De lichaamswand
-bestaat uit drie lagen: het met tallooze netelorganen gewapende
-ectoderm, het hieruit secundair gevormde mesoderm, dat spieren bevat,
-en het slijmerige entoderm, dat de geheele binnenste oppervlakte van
-de gastrale holte bekleedt. Spieren komen zoowel in den buitenwand
-als in de tentakels, den maagzak en de mesenteriaalplooien voor. Die
-welke in overlangsche richting loopen, hebben de overhand; zij stellen
-het dier in staat zich sterk te verkorten, het bovenste stuk van zijn
-lichaam in het meestal door harde deelen gesteunde onderste stuk als
-in een etui terug te trekken. Zintuigen komen bij de Anthozoën niet
-voor; het ectoderm, vooral dat van de mondschijf en van de tentakels,
-is echter zeer gevoelig en bevat talrijke zenuwvezels. Van den vrijen
-rand der mesenteriaalplooien gaan gekronkelde of kluwenvormig opgerolde
-"mesenteriaaldraden" uit, die in de gastrale holte uitpuilen (bij de
-Actiniën ook wel door den mond of door huidporiën naar buiten gestoken
-worden); zij zijn met netelorganen en kliercellen toegerust en schijnen
-bij de spijsvertering een belangrijke rol te vervullen. Onder de plaats
-waar deze draden ontspringen, komen aan de mesenteriaalplooien de
-geslachtsorganen voor, bij ieder dier òf vrouwelijke, òf mannelijke,
-zelden beide. De eieren ontwikkelen zich dikwijls in de gastrale
-holte van de moeder en verlaten deze als eivormige, later wormvormige
-planula's. Na eenigen tijd rondgezwommen te hebben, hechten zij zich
-vast. Aan den top van het jonge dier ontstaat een diepe instulping (de
-toekomstige "maagzak"), welker bodem vervolgens een opening verkrijgt,
-waardoor de gemeenschap van de gastrale holte met de buitenwereld
-(die sedert het einde van den gastrula-toestand was afgebroken)
-hersteld wordt. Nadat nu eerst mesenteriaalplooien en later tentakels
-gevormd zijn, gelijkt de jonge Polyp op hare ouders.
-
-Een zeer belangrijke rol speelt bij de Anthozoën de ongeslachtelijke
-vermenigvuldiging. Alle leden van één stok zijn langs dezen weg
-ontstaan uit een aanvankelijk eenzaam levend dier, dat zich hier
-als planula heeft vastgehecht. Al naar de stokvorming geschiedt door
-onvolkomen deeling of door knopvorming, hetzij aan den voet of aan de
-zijden van het lichaam (bij fossiele Koralen ook aan de mondschijf) en
-al naar de diepte van de scheiding tusschen de hierdoor voortgebrachte
-individuën, zal de stok massief zijn of vertakt, in 't laatstgenoemde
-geval zodevormig, struikvormig, bladvormig, waaiervormig, enz.--De
-scheiding kan zoo ver gaan, dat leden van een kolonie een geheel
-zelfstandig leven leiden. Dikwijls echter blijven hunne gastrale
-holten met elkander verbonden, daar alle Polypen aan den voet meer
-of minder ver omgeven zijn door een gemeenschappelijke laag. Deze
-levende massa, die "coenosark" heet, bevat een groot aantal kanalen,
-waardoor het voedingsvocht van iedere Polyp aan alle leden der kolonie
-ten goede kan komen en tevens dient voor het vormen en onderhouden van
-het gemeenschappelijk eigendom van alle individuën, n.l. van den stam
-en de takken van den stok.--Bij een aantal Anthozoën mist men ieder
-spoor van vaste, tot steun geschikte deelen; meestal echter is hun
-lichaam door een skelet gesteund, welks deelen soms geïsoleerd blijven,
-in den regel echter een samenhangend geheel vormen. Bij eenige zijn
-zij van hoornachtigen aard, bij de meeste echter grootendeels uit
-koolzure kalk samengesteld.
-
-Alle Anthozoën zijn zeebewoners; de grootste verscheidenheid van
-vormen ontwikkelt deze klasse tusschen de keerkringen: in 't geheel
-zijn ongeveer 1800 levende soorten bekend. Hun voedsel bestaat
-hoofdzakelijk uit kleine dieren, die zij met de tentakels grijpen
-en naar den mond brengen. Zij worden vooral naar het aantal stralen
-en tentakels in twee orden verdeeld, waarvan de eerste ongeveer 1200
-levende en nagenoeg alle (1700) fossiele soorten omvat.
-
-
-
-
-
-
-EERSTE ORDE.
-
-DE ZESSTRALIGE POLYPEN (Hexactinia).
-
-
-Bij alle hedendaagsche leden van deze orde bedraagt het grondtal van
-de stralen en tentakels 6 (bij een reeds sinds het primaire tijdvak
-geheel uitgestorven groep echter 4). Slechts enkele geslachten, alle
-behoorende tot de kleine onderorde der Hoornkoralen (Antipatharia),
-blijven levenslang uit dit geringe aantal stralen samengesteld;
-bij alle overige heeft vermeerdering van hun aantal plaats door
-tusschenvoeging van nieuwe schotten, die een geringere breedte bereiken
-dan de reeds aanwezige, en deel uitmaken van een nieuwen "cyclus",
-die volledig is na verdubbeling van het aantal kamers; dit kan op
-deze wijze toenemen tot 96 en zelfs tot 192, doch stijgt zelden hooger.
-
-De eerste rang komt toe aan de Zeeanemonen of Actiniën (Actinaria),
-die een der grootste aantrekkelijkheden onzer aquariën uitmaken. Zij
-onderscheiden zich door het gemis van een skelet van de beide overige
-onderorden der Zesstraligen en zijn sterker dan deze in den gematigden
-aardgordel vertegenwoordigd. Verreweg de meeste leven afzonderlijk,
-vormen geen stokken. Daar zij dikwijls een aanzienlijke grootte
-bereiken en veelvuldig in ondiep water voorkomen, trekken zij sterk
-de aandacht. Niet weinig draagt hiertoe bij hun levendige, meestal
-fraaie kleur. Zij hebben een taaie, lederachtige huid, die groote
-samentrekkingen en vormveranderingen kan ondergaan. Met uitzondering
-van enkele soorten die het achterste gedeelte van haar lichaam
-in een kuiltje van den zandigen of slijkerigen zeebodem verbergen
-(Cerianthus) of zich met een koker van aaneengekleefd zand of slijm
-omgeven (Edwardsia), gebruiken alle Actiniën de voetschijf om zich
-vast te hechten en kunnen zij zich zelfs langzaam schuivend op dit
-orgaan voortbewegen.
-
-In alle Europeesche zeeën, ook aan onze kust, ontmoet men van
-de laagwaterlijn, tot op een diepte van 20 vademen, bij voorkeur
-aan de onderzijde van overhangende steenen, de Gewone Zee-anemone
-(Actinia equina, A. mesembryanthemum). Haar lichaam is een korte
-en dikke cilinder, 5 cM. hoog en 7 cM. breed, in saamgetrokken
-toestand kegelvormig. De mondschijf is aan den rand bezet met
-vele rijen kegelvormige tentakels, gezamenlijk hoogstens 192, van
-15 mM. lengte. Zij komt in vele kleurverscheidenheden voor, van
-paarsachtig rood tot zeer donker olijfkleurig, soms groen of groen
-gevlekt of gestreept. De voetschijf is even boven den rand door een
-blauwe streep omgeven. De rand van de mondschijf draagt een krans
-van hoogstens 48 azuurblauwe knobbeltjes, die talrijke netelorganen
-voortbrengen.
-
-Ondanks hun bevalligen vorm, prachtige kleur, stillen aard en
-aan bloemen herinnerend uiterlijk zijn de Actiniën buitengewoon
-vraatzuchtige wezens. In het aquarium ziet men ze groote stukken
-vleesch verzwelgen, niet om er eenvoudig het sap uit te persen, maar
-om het geheel te verteren; de vetdeelen, die zich er aan bevinden,
-worden weer uitgeworpen. Ook zuigen zij gaarne Oesters en Mossels
-uit. Daar het geen bijzondere moeite kost de Actiniën in 't leven te
-houden, heeft men hun levenswijze en voortplanting nauwkeurig kunnen
-nagaan. Zij behooren voor 't meerendeel tot de niet talrijke Anthozoën,
-die geen stokken vormen. Met zeldzame uitzonderingen planten zij zich
-uitsluitend langs geslachtelijken weg voort.
-
-
-
-Steenkoralen of Koraaldieren i.e.z. (Madreporaria) noemt men alle
-Anthozoën met verkalkt skelet. De gezamenlijke skeletdeelen vormen
-het polyparium. Dit kan enkelvoudig zijn of vertakt. Enkelvoudig is
-het, wanneer de groei van het individu geen knopvorming of deeling,
-maar vermeerdering van het aantal kransen van tentakels en kringen
-van mesenteriaalplooien ten gevolge heeft, zooals reeds bij de
-Actiniën werd opgemerkt. Een voorbeeld hiervan levert de hiernevens
-afgebeelde soort, die tot de Tolkoralen (Turbinolidae) behoort. De
-"wand" of "muur" van haar "cel" is van buiten glad; van de binnenste
-oppervlakte gaan "straalschotten" uit, die tusschen (niet in) de
-mesenteriaalplooien liggen: iedere kamer bevat er één. De muur met
-de straalschotten vormen de "kelk". In de hierdoor begrensde holte
-kan de Polyp het altijd week blijvende voorste deel van haar lichaam
-terugtrekken, hetgeen gepaard gaat met het uitwerpen van het hierin
-aanwezige vocht.
-
-Bij vele soorten is de buitenste oppervlakte van den muur tegenover
-de straalschotten bezet met smalle, gaafrandige, uitgetakte of getande
-lijsten, die "ribben" heeten.
-
-Het hierboven afgebeelde, boogvormig vertakte, samengestelde polyparium
-van een Eupsammide uit de Golf van Napels dankt zijn vorm aan de
-wijze van vermenigvuldiging, door knopvorming aan de zijden van het
-lichaam; reeksen van fijne korreltjes vormen ribben aan de buitenste
-oppervlakte van den langwerpigen kelk, waarboven de weeke deelen niet
-ver uitsteken. Aan de overlangsche doorsnede van een der individuën
-(B) ziet men hoe diep de tentakels (a) teruggetrokken worden, hoe
-dik de muur (b) is en hoe ver de straalschotten zich binnenwaarts
-uitstrekken. De geheel verkalkte wand aan de tegenover den mond gelegen
-pool heet "voetblad"; hierop rust een tamelijk hooge zuil. Zij is
-dikwijls omgeven door een aantal staafvormige verhevenheden, die men
-"paaltjes" noemt. Deze en alle andere kalkafscheidingen tusschen de
-straalschotten vormen samen de endotheca. Deze is bij de Steenkoralen
-zeer ongelijk ontwikkeld. Soms, zooals bij de Oogkoralen (Oculina),
-zet zij zich, naarmate de Polyp omhooggroeit, als een samenhangende
-massa af op den bodem der cel, zoodat het onderste gedeelte van de
-straalschotten er geheel in opgenomen wordt. Vaker echter ontstaan
-tusschen de straalschotten dunne, betrekkelijk dicht bij elkander
-gelegen dwarsschotten, die soms ineenvloeien tot vloeren, soms een
-zeer geringe breedte hebben en op fijne, kegelvormige knobbeltjes
-gelijken, die zich met die van het naburige straalschot tot
-dwarsbalkjes vereenigen. Op deze wordt de niet meer door de weeke
-deelen ingenomen ruimte allengs gevuld met een kalkmassa, die soms
-als 't ware blaasjes, soms talrijke evenwijdige verdiepingen, soms
-een soort van traliewerk vormt.
-
-Ook aan de buitenzijde van den muur kunnen allerlei kalkafscheidingen
-voorkomen; soms bekleeden zij dezen met een gladde laag (epitheca),
-soms vormen zij talrijke blaasjes (peritheca), soms worden de leden
-van den stok aaneenverbonden door een kalkmassa (het coenenchym),
-die bladerig dicht of sponsachtig kan zijn. Den laatstgenoemden vorm
-heeft zij bij de Sponskoralen (Madrepora), zooals uit de afbeelding
-(B) blijkt.
-
-De leden van dit geslacht leveren de fraaiste en grootste
-polypenstokken aan de verzamelingen van naturaliën. Eerst na het
-passeeren van het kanaal van Suez ontmoet men ze in grooten getale. De
-hieronder afgebeelde soort komt behalve in den Indischen en den Grooten
-Oceaan ook in de Roode Zee voor. Hare kelken steken als korte, van
-boven kegelvormige buizen boven het hen vereenigende en bedekkende,
-met fijne doorntjes bezaaide coenenchym uit. De Madrepora-stokken
-zijn soms massief, soms op onregelmatige wijze gelobd, soms struik-
-of boomvormig vertakt.
-
-De Madreporiden, Poritiden en Eupsammiden worden wegens
-de tusschenruimten (poriën) van hun kalkskelet onder den naam
-van Poreuze Koralen (Perforata, Medreporacea) samengevat. Uit een
-dichtere massa bestaan de polypariën van de Zwamkoralen, Sterkoralen en
-Oogkoralen, die daarom gezamenlijk Aporosa heeten. Bij het bekijken
-van een collectie naturaliën trekken de Zwam-, Paddestoel- of
-Kampernoeljekoralen van het geslacht Fungia allicht de aandacht door
-hun vorm en hun grootte. Het zijn platte, cirkelronde of langwerpige
-schijven, die niet zelden een middellijn van 30 cM. bereiken en met
-een het onderste boven gekeerden hoed van een Paddestoel vergeleken
-worden. Behoudens een langwerpige groeve, die de plaats aanwijst,
-waar zich bij het levende dier de mond bevindt, bestaat de geheele
-bovenvlakte uit talrijke, verticale straalschotten; deze rusten
-op een voetblad, dat aan de meestal eenigszins uitgeholde, niet
-vastgehechte onderzijde gedoornde ribben draagt; de muur, het deel,
-dat bij de meeste Koralen het sterkst ontwikkeld is, ontbreekt hier
-geheel. De Zwamkoralen zijn enkelvoudig, niet tot stokken vereenigd:
-evenals de Actiniën, vermenigvuldigen zij zich bijna uitsluitend
-door eieren; wanneer ooit bij hen knopvorming of deeling voorkomt,
-blijven de nieuwe individuën niet met het oude vereenigd.
-
-De Sterkoralen (Astraea) met hunne meestal massieve stokken zijn
-karakteristieke verschijnselen van de keerkringszeeën. De kelken zijn
-direct of door hunne ribben, niet door tusschenkomst van coenenchym,
-verbonden.--Tot dezelfde familie behooren de Hersenkoralen of
-Maeandrinen, waarvan een soort is afgebeeld. Bij hen komt een zeer
-eigenaardige wijze van vermenigvuldiging door deeling voor. Evenals
-bij andere Koraaldieren worden de mondopening en de mondschijf, na
-het verdubbelen van het aantal tentakels, langwerpig en naderen de
-randen van de mondspleet elkander in 't midden, totdat er twee ronde
-openingen zijn ontstaan. Bij de Hersenkoralen wordt dit verschijnsel
-echter niet gevolgd door de verdeeling van de mondschijf en blijft ook
-de splitsing van de kelk achterwege. De geheele verandering neemt een
-einde na de allereerste toebereidselen. In verband met de vermeerdering
-van het aantal tentakels, verlengt de mondschijf zich aanhoudend;
-telkens ontstaan er nieuwe mondopeningen, zonder dat de verdeeling
-verder gaat. De mondschijven breiden zich uit tot lange strooken,
-die sterk gekronkeld zijn, omdat zij van de aanvankelijk gevolgde
-richting afwijken, zoodra zij elkander ontmoeten. De donkere lijnen
-in afbeelding A stellen de reeksen van tentakels voor: zij bedekken
-de ineenvloeiende muren, die in afbeelding B als witte lijnen tusschen
-de donkerder getinte straalschotten zichtbaar zijn.
-
-Over 't algemeen groeien de Steenkoralen niet snel, hoewel het eene
-geslacht in dit opzicht van het andere verschilt. Sommige levende
-stokken bij de Bermudas-eilanden zijn sedert eeuwen nagenoeg niet van
-gedaante veranderd; van eenige riffen in de Roode Zee is gedurende een
-halve eeuw de aanwas niet merkbaar geweest. Daarentegen vond Wellstead
-een gezonken schip in de Perzische Golf reeds na 20 maanden met een 2
-voet dikke korst van Koraaldieren bedekt, en heeft de Torrezstraat,
-die bij haar ontdekking 25 koraaleilanden bevatte, er thans reeds
-meer dan 150, waartusschen slechts smalle vaargeulen overblijven. In
-sommige gedeelten van de Stille Zuidzee komen riffen voor, waarvan
-de dikte op 2000 voet wordt geschat.
-
-De hedendaagsche Madreporariën kunnen naar hun levenswijze en
-geographische verbreiding in twee groepen worden verdeeld. De
-eene omvat de zoogenaamde Diepzeekoralen, die een uitgestrekt
-gebied bewonen, waar het klimaat, de temperatuur van het water en de
-aardrijkskundige ligging zeer uiteenloopen. De meeste worden op diepten
-van 50 à 300 en zelfs van 1500 vademen gevonden, vele echter ook in
-ondiep water in de nabijheid van den oever. Voor 't meerendeel hebben
-zij enkelvoudige polypariën of vertakte, struikvormige en kruipende
-stokken zonder coenenchym; in den regel vindt men ze geïsoleerd,
-nooit tot groote massa's vereenigd. Dit geldt o.a. van de Oog- en
-Tolkoralen, van de Eupsammiden en van eenige Zwamkoralen.
-
-Verreweg de meeste Madreporariën, vooral die, welke stokken met veel
-coenenchym vormen, behooren echter tot de Rifkoralen. Vele daarvan
-bereiken een aanzienlijke grootte en kenmerken zich door snellen
-groei. Daar zij alleen kunnen leven in water, welks temperatuur
-minstens 18 of 20° C. bedraagt, is hun verbreiding tegenwoordig
-beperkt tot den gordel tusschen 30° NB. en 30° ZB., en wel tot die
-gedeelten, waar de gesteldheid van den bodem en de temperatuur van
-het water (dat niet onzuiver of met zoetwater vermengd mag zijn)
-aan de eischen voldoen. Bovendien is de diepte, waarop zij zich
-vestigen, gemiddeld niet grooter dan 20 vademen (30 à 35 M.). Aan de
-hedendaagsche koraalriffen arbeiden vooral leden van de geslachten
-Porites, Madrepora, Turbinaria, Areopora, Poecilopora, vele Astraeiden
-(o.a. Macandrina en Heliastraea) en een aantal samengestelde en
-enkelvoudige Zwamkoralen (Fungidae). Behalve deze Madreporariën spelen
-ook sommige Alcyonariën (Heliopora), Hydromedusen (Milleporidae)
-en Kalkalgen (Nulliporidae) bij de vorming van de koraalriffen geen
-onbelangrijke rol.
-
-Daar de meeste Rifkoralen op geen grootere diepte dan 20
-vademen (ongeveer 30 M.) leven, moet het water op de plaatsen,
-waar nu koraalriffen gevonden worden, oorspronkelijk ondiep zijn
-geweest. In den regel is dit alleen op geringen afstand van de kust
-het geval. Bij Mauritius, Madagaskar, Florida, in de Roode zee,
-enz. waar de temperatuur van het zeewater en de bodemgesteldheid voor
-het gedijen van de Steenkoralen gunstig zijn, is de kust overal of
-op sommige plaatsen omzoomd door een vlak terras van koralenkalk,
-waarop bij eb gemiddeld slechts 1 of 2 voet water staat. Overal
-waar de zeebodem dieper dan 20 vademen begint te worden, houdt
-het koraalrif plotseling op en helt steil naar de zeezijde af;
-zijn bovenrand hangt een weinig over; aan den voet van de steilte
-is de bodem bedekt met doode stukken koraal, die er door de golven
-bijeengespoeld zijn. Het bovenste deel van den buitenrand van zulk een
-"zoomrif", dat het meest aan den schok der golven is blootgesteld,
-wordt vooral bewoond door Koraaldieren met veel coenenchym en zeer
-kleine kelken (Porites). en door Kalkalgen (Nulliporen); iets verder
-naar onderen begint de gordel van de Astraeïden en Milleporiden, nog
-verder benedenwaarts komen uitsluitend doode polypenstokken voor. Het
-terras tusschen de kust en den buitenrand van het rif is weelderig
-begroeid met allerlei, ten deele zeer teer gebouwde Koralen (Fungidae,
-Astraeidae, Madreporidae); zij rusten op een uit doode brokstukken
-van Koralen en slib bestaanden bodem, die na iederen storm door het
-aangespoelde gruis een weinig opgehoogd wordt.
-
-Koraalriffen van geheel andere gedaante vindt men aan de noordoostzijde
-van Australië of ten westen van Nieuw-Caledonië. Langs de kust
-strekken zich hier, op een afstand van 20 à 60 zeemijlen, damvormige,
-uit koralen samengestelde, onderzeesche bergruggen uit. De buitenrand
-van deze barrière- of walriffen, welker lengte soms 400 à 1000 mijlen
-bedraagt, helt aan de open zeezijde steil af; op weinige honderden
-meters afstand buiten het rif wijst het dieplood afgronden van meer
-dan 1000 vademen diepte aan, terwijl tusschen het rif en de kust
-een kanaal ligt, dat slechts 10 à 30 vademen water bevat. Naar deze
-zijde keert het rif zijn zacht glooiende, door tallooze levende wezens
-bewoonde oppervlakte.
-
-Nog merkwaardiger zijn de atollen of lagune-eilanden, die vooral
-over de Zuidzee verstrooid zijn. Ringvormige, naar buiten steil
-afhellende riffen, verheffen zich te midden van den oceaan, meestal
-op onderzeesche vulkanen, en begrenzen een ondiepe lagune met een of
-meer kanaalvormige toegangsopeningen aan de benedenwindzijde. Boven
-den breeden, ringvormigen dam, die slechts weinige voeten onder
-de oppervlakte der zee gelegen is, rijst dikwijls een eiland van
-soortgelijke gedaante, dat uit opeengehoopte stukken koraal en slib
-bestaat, boven den waterspiegel op; reeds kort na zijn ontstaan
-is het begroeid met kokospalmen en een weelderig, doch eenvormig
-plantenkleed. Op het door water bedekte terras tusschen het eiland en
-den steilen rand van het rif vindt men uitgestrekte, met Koraaldieren
-begroeide vlakten; andere zijn bedekt met een Nulliporen-korst van
-verscheidene voeten dikte. Een weelderig dierlijk leven openbaart zich
-in het ondiepe water van de lagune; hier houden zich de fraaiste en
-teerste Koraaldieren op.
-
-
-
-
-
-
-TWEEDE ORDE.
-
-DE ACHTSTRALIGE POLYPEN (Octactinia).
-
-
-De tweede groote afdeeling van de Straalpolypen staat, wat
-vormenrijkdom betreft, ver bij de vorige achter, daar zij ruim 600
-levende en 80 fossiele soorten omvat. Ook deze groep biedt veel
-verscheidenheid aan, hoewel de individuën, door nooit af te wijken
-van het oorspronkelijk aantal voelers, een veel eenvormiger uitzicht
-vertoonen dan de overige Anthozoën. De voelers van de Octactiniën
-zijn niet hol, gewoonlijk eenigszins afgeplat en langs den rand als
-bladen getand of uitgetakt.
-
-Het verst verbreid is de familie der Zeekurken (Alcyonidae), voor een
-groot deel behoorend tot het gelijknamige geslacht (Alcyonium), waarvan
-reeds in het hooge noorden eenige soorten veelvuldig voorkomen en dat
-in de warmere zeeën zeer sterk vertegenwoordigd is. In de Noordzee,
-ook bij onze kust, vindt men op diepten van 5 tot 30 vademen zeer
-algemeen den Doodenmanshand of Doomansduim (Alcyonium digitatum), een
-meestal witachtigen of bleek rooskleurigen stok, die van onderen even
-breed is als van boven, hier in lobben verdeeld, welker eenigszins
-rimpelige huid met stervormige, achtstralige sporen is overdekt,
-die met de oppervlakte gelijk zijn.
-
-Eene andere familie, die der Zeepennen, Zeevederen (Pennatuliden),
-vormt een zeer eigenaardige groep, die zich wel is waar door het
-maaksel der polypen na aan de overige aansluiten, maar zich toch weder
-door den zeer regelmatigen, sierlijken vorm van den stok daarvan
-verwijderen, zoodat men hen voor andere wezens zou houden. Deze
-polypenstokken zwemmen vrij rond. Zij zijn niet, zooals de andere
-altijd op eenig voorwerp in zee vastgegroeid, maar steken met het
-steelvormig ondereind slechts los in den bodem, in het slib of het
-zeezand. Door de golven, of door welke oorzaak ook, kunnen zij echter
-worden weggerukt en zwemmen dan vrij rond.
-
-De stok is vleezig of lederachtig, slechts over het bovenste gedeelte
-met polypen bezet, die gewoonlijk op bijzondere, met kalkachtige
-naaldjes ondersteunde aanhangsels geplaatst zijn. De meeste geslachten
-hebben een door het geheele lichaam loopende kalkachtige as. De
-polypen zijn voorzien van acht voelers, welke aan de randen diep
-ingesneden zijn.
-
-Voorwerpen van deze familie zijn indertijd in de Noordzee gevonden door
-den heer Maitland, vroeger directeur van den Haagschen dierentuin,
-n.l. de Wonderstaf [Vigularia (Lygus) mirabilis]. Deze heeft een
-verlengden polypenstok met cilindrische, vleezige schaft, die aan beide
-zijden van het bovengedeelte verlengde, vliezige aanhangsels heeft,
-welke naar boven omgebogen zijn en aan hun onderrand polypencellen
-dragen, acht in getal. Het onderste gedeelte van de schaft, dat
-geen aanhangsels draagt, is opgezwollen. De as is cilindrisch,
-draadvormig. De kleur van de polypenstok is geelachtig.
-
-De andere soort behoort tot het geslacht, dat aan de familie den naam
-gaf van Zeepennen, door de gelijkheid in vorm met een schrijfpen,
-die de polypenstok aanbiedt. De schaft is aan de bovenzijde met
-vinachtige aanhangsels ter weerszijden bekleed, waarop de polypen op
-verschillende wijzen geplaatst zijn.
-
-In de groep, aan welke Herklots weder den ouden naam van Zeepennen gaf,
-zijn de bovengenoemde vinnen min of meer ingesneden tot bekervormige
-cellen, waarin de polypen zitten. De schaft is lederachtig van huid,
-ruw of gekorreld. De as is cilindrisch, aan beide uiteinden puntiger
-en loopt door de geheele schaft.
-
-De Lichtende Zeepen (Pennatula phosphorea) is lang en slank; de schaft
-is met kleine, stekelachtige schubjes bedekt. De vinnen zijn over de
-helft van het lichaam verspreid, ongeveer vijf en dertig aan elke
-zijde. Zij zijn vliezig, lang, zeer dun en in afgezonderde cellen
-ingesneden, die tweemaal hare doorsnede van elkander verwijderd zijn,
-veertien of vijftien op elke vin in aantal. De schaft is cilindrisch,
-smal, ruw, het naakte gedeelte is bijna niet opgezwollen. De kleur
-is rood [1].
-
-De Zeeveder (Pteroides Spinosa) behoort tot de Pteroiden, wier
-polypendragende bladeren, zooals boven werd beschreven, door
-kalkachtige naaldjes ondersteund worden.
-
-De Zeevederen behooren tot de lichtgevende zeedieren.
-
-
-
-Eene in de verzamelingen van naturaliën meestal rijk vertegenwoordigde
-familie, is die der Gorgoniden. Zij komen met de Pennatuliden
-in zooverre overeen, dat zij een harde, hetzij hoornachtige of
-kalkachtige as hebben, omhuld door het weeke of althans halfweeke
-weefsel der individuën en van het deze verbindende coenenchym. De
-polypenstokken zijn vastgehecht aan rotsen of andere onderzeesche
-voorwerpen. De vorm der stokken is met enkele zeldzame uitzonderingen
-meer of minder sterk vertakt, doch zeer verschillend. Bij de eene is
-de stam rolrond en zijn de vertakkingen boomachtig, bij de andere is
-de stam plat en zijn de takken pluim- of waaiervormig. Verscheidene
-soorten hebben bladachtig samengedrukte takken, eene vereeniging van
-takken, die er als een soort van traliewerk uitziet. Bij nog andere
-is de stam aan één of beide zijden kamsgewijs of vedersgewijs met
-takken bezet. Paragoria arborea, die aan de kusten van Noorwegen
-voorkomt, bereikt bijna manshoogte. Andere komen vooral voor in de
-Middellandsche Zee en de warmere zeeën, zooals de Roode Zee, Indische
-Zee, Stillen Oceaan en West-Indische Zee. Men kent ook eenige weinige
-fossiele soorten uit het krijt en de tertiaire formatie van Europa.
-
-
-
-Een geslacht (Corallium) onderscheidt zich door de geheel verkalkte,
-harde, steenachtige as, welke, evenals de geheele stok, boomachtig
-vertakt is. Die van de gewone Middellandsche Zee-soort (Corallium
-rubrum) levert het bekende bloedkoraal.
-
-De stam bestaat uit talrijke fijne kalkschichten, van zóó bepaalde
-microscopische structuur, dat een kenner van de verhouding hiervan
-gemakkelijk aan ieder stuk koraal de echtheid of valschheid kan
-constateeren. De nog versche, niet kunstmatig glad gemaakte, nòch in
-zee afgeschuurde stok, is met fijne overlangsgroeven bedekt, waarin
-de kanalen loopen, die het voedingssap bevatten.
-
-De natuurlijke historie en de anatomie van het zoogenaamde edelkoraal
-is op uitstekende wijze door Lacare-Duthiers bestudeerd. Hij kwam tot
-de ontdekking dat de stokken nu eens enkel mannelijke, dan weder enkel
-vrouwelijke individuën bevatten, dat echter ook polypen van beiderlei
-geslacht op een stok voorkomen, ja, dat er zelfs hermaphroditen
-(geslachtloozen) onder loopen.
-
-Onze afbeeldingen vertoonen, matig vergroot, een twijg van een stok met
-verschillende gesloten en een opengesneden kelk. In fig. A ziet men,
-bij o, eieren, bij t een grooter zaadhuisje en daarnaast, bij o´, een
-ei. In fig. B, bij B, de 1 à 2 mM. lange larven, in de lichaamsopening
-van het moederdier het ei verlatend. Zij zijn langwerpig wormvormig
-en wij zien in de polypen met ingetrokken voelers, bij f g, door de
-zachte wanden van het lichaam heen twee zulke larven. De middelste
-polypencel is afgesneden; zij bevat twee larven. Uit de mondopening
-der bovenste, bij b, is een larve bezig de wereld in te treden.
-
-Het voorkomen van het Edelkoraal is beperkt tot de Middellandsche-
-en de Adriatische Zeeën. In den laatsten tijd strekt zij zich uit tot
-halverwege Sebenico, en wordt op eenige plaatsen van de Albaneesche
-kust en tusschen de Ionische eilanden reeds talrijker gevonden. De
-opbrengst is in verhouding tot die aan de Algerijnsche en Tunesische
-kusten onbeduidend. Aan de laatstgenoemde kust is de visscherij
-het loonendst op banken, die zich tot op eenige zeemijlen afstands
-van den oever uitbreiden en bij eene diepte van 40-100 vademen,
-zeldzaam daaronder of daarboven. Zij wordt bij voorkeur uitgeoefend
-door vaartuigen met een Italiaansche bemanning, minder met Franschen
-en Spanjaarden en het is een hard werk. De vaartuigen varieeren van
-6-12 tonnen inhoud ongeveer, en hebben eene bemanning van 4-12 man
-en hiernaar zijn ook de werktuigen en netten ingericht, welke voor de
-koraalvisscherij gebruikt worden. De eersten bestaan uit twee overkruis
-gelegde en stevig verbonden balken, bij de groote vaartuigen 3 M. lang
-en op de kruising met steen of met ijzer bezwaard. Daaraan hangen 34-38
-bundels netten met groote mazen, in den vorm van bundels of dwijlen,
-zooals men dat op gewone schuiten wel ziet om het dek te reinigen. Dit
-aan een sterke kabel bevestigde toestel wordt achter het vaartuig aan
-gesleept en al naar het vaartuig is, met een windas of met de hand
-opgehaald en neergelaten. Daar de koralen slechts op oneffen zeebodem
-leven, bij voorkeur onder vooruitspringende of overstekende gedeelten,
-waarin de armen van de balken moeten doordringen, zoo begrijpt men
-dat het vastzitten van het net elk oogenblik voorkomt. Het moet dus
-telkens weder losgemaakt worden, en het is begrijpelijk, dat dit
-tot den zwaarsten arbeid behoort, temeer daar deze visscherij in het
-heete jaargetijde zonder ophouden geschiedt.
-
-Het aldus verkregen koraal varieert in reinen toestand zeer in
-hoedanigheid en in waarde. Het van de rotsen afgerukte, dikwijls
-door zwammen en wormen doorboorde koraal kost 5-20 franc het kilo. De
-prijs der betere soort wisselt af van 45-70 franc het kilo. Voor het
-kilo bizonder uitgezochte dikke en rozenrood (peau d'ange) gekleurde
-stukken, wordt echter 400 en 500 franc, ja meer betaald. De stukken
-welke op eene bepaalde diepte gevonden worden of die door en door
-zwart zijn en als "zwarte koraal" voor 12 à 15 franc het kilo verkocht
-worden, behooren niet tot eene bizondere soort, maar zijn lang door
-slijk bedekt geweest en hebben door een soort van verrottingsproces en
-nog niet bekende chemische inwerkingen de zwarte kleur gekregen. De
-verwerking van het koraal tot sieraden en bijouteriën geschiedt te
-Parijs en te Marseille en in het bizonder te Napels, Livorno en Genua.
-
-
-
-De bouw en het leven der Polypen als enkele individuën en in koloniën
-biedt ons veel wetenswaardigs en boeiends aan. De beteekenis van
-het leven der polypen is echter van veel grootere strekking. Die
-polypen welke men als riffenbouwende koralen aanduidt, richten zich
-gedenkteekenen op voor eeuwen, en de invloed op het leven en de
-ontwikkeling van het menschelijk geslacht is het gewichtigste punt,
-waarop de waarnemingen van het leven der polypen geconcentreerd
-kunnen worden.
-
-Welk een tooverachtigen indruk de bloote aanschouwing van een koraalrif
-maakt, heeft Haeckel na een bezoek aan de Arabische kust van de Roode
-Zee meesterlijk geschilderd:
-
-"Die pracht te schilderen, daartoe zijn pen noch penseel in staat. De
-oppervlakte der grootere koraalbanken, van 6-8 voet in doorsnede,
-is bedekt met duizenden van de schoonste bloemsterren. Tusschen
-de vertakte boomen en struiken zit bloem aan bloem. De groote,
-bontgekleurde bloemkelken aan hun voet zijn eveneens koralen. Ja zelfs
-het bonte mos, dat de tusschenruimten tusschen de verschillende stammen
-aanvult, blijkt bij nauwkeurige beschouwing te bestaan uit millioenen
-kleine koraaldiertjes. En deze geheele onvergelijkelijke bloemenpracht
-wordt door de schitterende Arabische zon in dit kristalheldere water
-overgoten met een onvergelijkelijken glans.
-
-"In deze wondervolle koralentuinen, welke de tot het rijk der
-sagen behoorende tooverachtige Hesperidentuinen overtreffen,
-wemelt het van dierlijk leven in talrijke soorten. Metaalachtig
-glanzende visschen van de zonderlingste kleuren en vormen spelen in
-scharen tusschen de koraalbloemen, evenals de kolibrie's die rondom
-de kelken der tropische bloemen zweven. Nog veel menigvuldiger en
-interessanter zijn de weekdieren der verschillende klassen, welke op de
-koraalbanken hun leven leiden. Sierlijke, doorzichtige Schaaldieren,
-tot de groep der Garnalen behoorende, klimmen tusschen de takken der
-Koralen. Ook roode Zeesterren, violette Slangsterren en zwarte Zeeëgels
-klauteren in menigte rond op de takken der koraalstruiken; de scharen
-bontgekleurde Mosselen en Slakken zijn niet op te noemen. Schoone
-Wormen met bontgekleurde kieuwvederboschjes kijken uit hunne holen
-en gangen. Daar komt ook een dichte zwerm Medusen aanzwemmen en tot
-onze verrassing herkennen wij in den sierlijken klok een oude bekende
-uit de Oost- en Noordzee, de Kwal".
-
-Alle riffenvormende koraalsoorten leven in de zeeën der heete zone,
-waar de afkoeling van het water zelfs in den winter niet onder de 16
-graden Réaumur daalt. De grootste zomerwarmte in den Stillen Oceaan
-bedraagt 24 graden Réaumur. Twee lijnen noordelijk en zuidelijk
-van den equator, welke de streek van de gelijke wintertemperatuur
-verbinden en al naar de stroomingen veelvoudig in- en uitgebogen zijn,
-omsluiten de Zone van de koraalriffen-zeeën.
-
-De grootste verscheidenheid heerscht natuurlijk in den middelsten
-heetsten gordel, tusschen 15 en 18 graden noordelijk en zuidelijk
-van den equator, waar de temperatuur niet onder 18½ graad Réaumur
-daalt. In deze streek vallen de Fidschi-eilanden, wier riffen een
-voorbeeld van eene buitengewone menigte Koralen vertoonen.
-
-De koraalsoorten van Oost-Indië en van de Roode Zee zijn dezelfde als
-in het centrale gedeelte van den Stillen Oceaan, eveneens die van de
-kusten van Zanzibar.
-
-De Golf van Panama en de naburige deelen der zee noordelijk tot
-aan de punt van het Californische schiereiland en zuidelijk tot
-Guayaquil liggen ook nog in den heeten gordel, maar in de koelere zone
-daarvan. De polypensoorten aldaar dragen een ander karakter, en zijn
-geheel verschillend van de West-Indische. Zij zijn daar niet talrijk en
-tot een klein getal geslachten beperkt. Dit laat zich verklaren door
-den aard en richting van de strooming langs de Westkust van Amerika,
-welke zoowel door hare lage temperatuur als door hare richting, de
-verbreiding der soorten uit het centrale gedeelte van den Stillen
-Oceaan naar Panama verhindert.
-
-
-
-Koraalriffen en koraaleilanden zijn werken van dezelfde soort, maar
-onder eenigszins verschillende omstandigheden. Een koraal-eiland
-is in ieder geval altijd lang geleden een tijd lang een koraalrif
-geweest en is dat voor het grootste deel nog. De namen beteekenen
-echter iets anders. Koraal-eilanden zijn geïsoleerd in de zeeën
-staande riffen, welke nu eens slechts tot den waterspiegel reiken of
-half onderduiken of bedekt zijn met een dichteren of minder dichten
-plantengroei. Koraalriffen echter noemt men in het bizonder de
-koraalvormingen langs de kusten van eilanden en het vasteland.
-
-Alle door Koralen omgeven kusten en in het bizonder die van midden
-in den Oceaan gelegen eilanden, genieten van hunne riffen groote
-voordeelen. De uitgestrekte koraalbanken en de daarachter liggende
-kanalen breiden den omvang van het eiland waartoe zij behooren,
-buitengewoon uit. Behalve dat zij bolwerken tegen den oceaan vormen,
-zijn zij te gelijk dijken, welke den van de bergachtige kusten
-afgespoelden grond verzamelen. Zij noodzaken het van het land
-afstroomende water het slib, hetwelk zij met zich voeren, af te
-zetten en bewaren die op deze wijze voor het land; en het is op deze
-aangespoelde gronden dat de inwoners gewoon zijn hunne dorpen aan
-te leggen. Zulke vlakten vindt men rondom Tahiti, van O.5-3 mijlen
-breed en juist hier groeien de kokos- en broodvruchtboomen het best.
-
-De riffen maken ook de vischgronden der inboorlingen uitgestrekter
-en lokken de visch zeer aan, wat voor die menschen bijna het eenige
-vleeschvoeder is. De door de riffen ingesloten wateren bevorderen
-de scheepvaart en vergemakkelijken de verbinding tusschen de
-nederzettingen. Om dezelfde reden treft men er veilige havens aan,
-waarvan sommige er wel een dozijn bezitten, terwijl men langs vele
-onbeschutte kusten soms geen enkele veilige haven bezit. Zelfs voor
-den wereldhandel leveren de omvangrijke riffenregionen hunne bijdrage,
-behalve parelen, de tripang genoemde eetbare holothuriën of zeeslakken,
-waarvan duizenden centenaars jaarlijks van de riffen in Oost-Indië,
-Australië en de Fidschi-eilanden naar China worden uitgevoerd.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-DE SPONSEN (Spongiae).
-
-
-Wie voor den eersten keer eene verzameling Sponsen, gedroogd of in
-spiritus bewaard, bekijkt, zal niet zelden over de dierlijke natuur
-van deze in verschillende vormen (zooals beker-, bol-, knots-,
-waaier- of trechtervormige) voorkomende voorwerpen in twijfel staan
-en de totaalindruk zal wezen, dat het planten zijn. Daar men echter
-zulke Sponsen in een museum van natuurlijke historie vindt, zal men
-allicht oordeelen, dat zij dan zeker in leven en op de plaatsen wáár
-zij leven er anders uit zullen zien en dan meer den indruk van dieren
-maken. Laten wij daarom de Sponsen in de natuur opzoeken. Zij komen
-slechts in het water voor, en zeer spaarzaam zijn zij in zoet water
-vertegenwoordigd door de Zoetwater-sponsen of Spongillen. Op den
-bodem van menig water, aan houten brugpijlers, kan men gedurende
-den zomer groenachtige of grijze, vertakte of rondachtige dingen,
-ter grootte van een vuist of van een hoofd, bestaande uit een weeke
-of papachtige massa, zien, die voor het bloote oog niet het geringste
-spoor van leven vertoonen, die, in een glas met water bewaard, zich
-weken lang onbeweeglijk vertoonen, en die, in de zon gelegd, snel
-indrogen, zonder iets van hun vorm te verliezen en dan gemakkelijk
-tot poeder zijn te knijpen.
-
-Het microscoop toont dat dit poeder of stof grootendeels uit fijne,
-met twee punten voorziene kiezelnaalden bestaat en wij zijn nog even
-wijs als vroeger. Laten wij daarom de zee opzoeken, waar Sponsen in
-menigte voorhanden zijn.
-
-Op sommige plaatsen van de Adriatische Zee en de Ionische eilanden
-zijn de rotsen bij plekken door een korst van O.5-2 cM. dikte
-bedekt, die witachtig van kleur is en die men gemakkelijk er af kan
-breken. Als men deze korst losbrokkelt, ziet men dat zij ten deele
-bestaat uit lichaampjes van een onregelmatigen, ten deele van een
-kegelachtigen of fleschachtigen vorm, die eerst leven en beweging
-verraden, als men in hunne nabijheid fijn verdeelde verfstof in het
-water werpt. Daardoor worden dan stroomingen zichtbaar, welke van
-de groote openingen uitgaan en door de een of andere werkzaamheid in
-het inwendige van deze lichamen moeten ontstaan. Al deze Kalksponsen
-zijn hard en ruw op het gevoel of vertoonen tenminste, als zij van
-een weekere zelfstandigheid zijn, eene ruwe, stekelige oppervlakte.
-
-Waaraan herkent men nu eigenlijk een Spons? Om deze vraag te
-beantwoorden, kunnen wij niet beter doen dan te wijzen op de meest
-verbreide soort van Spons, die bij iedereen bekend is, n.l. de gewone
-Badspons. Maar ... om te beginnen hebben wij ons reeds onjuist
-uitgedrukt, want niet de Badspons is het die bij iedereen bekend
-is maar ... het geraamte er van. Het is, zooals men gemakkelijk
-kan nagaan, een zeer elastisch, van grootere en ontelbare kleinere
-poriën en kanalen doorboorde, vezelachtige massa van een stof die
-men hoornachtig (Spongin) noemt.
-
-Wij hebben over het voorkomen der Sponsen reeds gesproken. De vorm
-wijzigt zich echter dikwijls naar de omstandigheden waaronder zij
-groeit en van het voorwerp waarop zij zich heeft vastgehecht. Met
-uitzondering van den eersten levenstijd, zijn zij vastzittende
-wezens en niet zelden leven zij ook parasitisch op andere dieren,
-op de schelpen van Weekdieren, Polypariën enz. Er zijn ook Sponsen,
-die parasitisch op andere wonen. Eenige soorten hebben zelfs het
-vermogen om gaten in kalkgesteenten te boren en houden daarin
-hun verblijf. In verschen toestand bezitten de meeste Sponsen eene
-tamelijke vastheid, zoodat zij aan drukking weerstand kunnen bieden,
-zooals b.v. de soorten, welke worden ingezameld om in den handel te
-worden gebracht. Deze handelsartikelen bestaan echter, zooals wij
-reeds zeiden, enkel uit het skelet, waaruit alle weeke deelen door
-uitspoeling en uitwassching zijn verdreven. De kleuren welke zij
-vertoonen zijn wit, geel, bruin, zwart, rood, violet en groen, en in
-grootte wisselen zij af van eenige millimeters tot een meter en meer.
-
-Alle Sponsen bestaan uit een skelet en uit eene zeer weeke
-zelfstandigheid, het sarcode of protoplasma, waarmede de opene
-holten en kanalen gevuld zijn, die met elkander in verband staan en
-buitenwaarts uitmonden met tweeërlei soort van openingen, namelijk
-zeer kleine, poriën genaamd, en grootere, gewoonlijk mondjes (oscula)
-geheeten. Het stelsel van kanalen mondt uit in eene ruimte, de
-maagruimte, die naar onderen zakachtig gesloten is, naar boven met eene
-opening, de schoorsteen genaamd, in verbinding staat. Het omringende
-water met de daarin zwevende kleine deeltjes, die tot voeding van
-het lichaam dienen, treedt de kleine poriën binnen en verlaat dit
-weder door de groote openingen, na de voedende bestanddeelen te
-hebben achtergelaten.
-
-De instroomingsopeningen of poriën bevinden zich altijd aan de
-buitenvlakte, de uitstroomingsopeningen daarentegen monden dikwijls
-uit in een gemeenschappelijke of cloacale holte, die dan één grootere,
-naar buiten voerende opening heeft. Deze openingen bezitten nog de
-eigenaardigheid dat zij tijdelijk of blijvend kunnen zijn. Dit hangt af
-van de meerdere of mindere vastheid van de weeke zelfstandigheid. Is
-de buitenste sarcodelaag in zekeren graad verhard en een soort
-certicula geworden, dan zijn de openingen blijvend, is de sarcode
-week, dan verschijnen en verdwijnen de openingen zonder een spoor
-achter te laten.
-
-Waarnemingen hebben aangetoond, dat er voortdurend eene strooming
-van het water naar de ingangsopeningen plaats heeft en dat deze
-strooming veroorzaakt wordt door de beweging van trilciliën. Aan de
-wanden der inwendige kanalen komen namelijk binnenwaartsche, lange,
-draadvormige verlengselen van wandlooze cellen voor, die meestal elk
-slechts een enkel trilhaar bezitten, soms twee of meer. Op sommige
-punten zijn zij troepsgewijs vereenigd tot zoogenaamde triltoestellen,
-ook trilkorfjes genoemd. Door de zweepende beweging nu van deze
-trilhaartjes, wordt de strooming van het water onderhouden en naar de
-verschillende gedeelten gevoerd. Uit de uitstroomingsopeningen komt
-het water verder met kracht naar buiten en voert de faecale stoffen
-mede. Deze geheele inrichting voldoet voor de Sponsen aan de behoefte
-tot ademhaling zoowel als aan die der spijsvertering.
-
-Het voedsel wordt in de eerste plaats opgenomen door zekere beweeglijke
-cellen, geassimileerd en dan naar de plaatsen, waar voedsel noodig is,
-gebracht. Hier geven deze wandelende cellen haar voedsel af behalve
-het onbruikbare deel daarvan. Daarna verplaatsen zij zich met die
-faecale stoffen naar de uitstroomingskanalen waar zij deze afgeven,
-dan trekken de cellen naar de instroomingsmonden, nemen voedsel op
-en beginnen hun rondreis van voren af aan.
-
-Het weeke sarcodelichaam, dat wij in de vorige regels schetsten, wordt
-gedragen, omvat als het ware, door het skelet, dat gedeelte wat wij
-na droging de "spons" noemen. Men noemt de zelfstandigheid, waaruit
-dit skelet bestaat, hoornachtig, maar in werkelijkheid is het een
-geheel andere stof. Zij wordt onderscheiden met de namen spongioline,
-keratode en keratose, zelfstandigheden waartoe ook de chitine en
-conchyoline behooren. Deze stof wordt uit de sarcode gevormd in de
-gedaante van vezels, vliezige platen en spicula, die onderling tot een
-meer of minder dicht net zijn verbonden. Zij zijn meest cilindrisch
-van vorm, uit concentrische blaadjes samengesteld, ook hol, in welk
-geval zij een net van vertakte buizen vormen. Een ander bestanddeel
-van het skelet is kiezelzuur, dat zich gewoonlijk vertoont in den
-vorm van afzonderlijke spicula, die, daar zij veelal naaldvormig
-zijn, ook eenvoudig sponsnaalden worden genoemd. Zeldzamer komt als
-bestanddeel van het skelet voor koolzure kalk, die ook somtijds in de
-gedaante van spicula voorkomt en dan van de kiezelspicula moeielijk
-te onderscheiden zijn.
-
-Ook de eieren ontstaan uit beweeglijke cellen.
-
-De gewone wijze van voortplanting is die door tweeërlei soort
-van lichaampjes. De eerste zijn bolvormige, eironde, korrelige
-lichaampjes en liggen verspreid in de sarcode massa, te midden waarvan
-zij ontstaan, en worden door de uitstroomingsopeningen naar buiten
-gevoerd. Zij verkrijgen dan geheel of ten deele een trilhaarbekleedsel,
-zwemmen een tijd rond en hechten zich daarna vast aan eenig voorwerp,
-waarna de ontwikkeling zijn verder verloop heeft. De tweede soort
-van lichaampjes zijn grooter en bestaan uit een verzameling cellen,
-welke door eene opening in den dunnen wand, welke hen bijeenhoudt, naar
-buiten treden. Er is echter nog eene andere wijze van voortplanting.
-
-Wanneer een levende Spons in stukken verdeeld wordt dan behoudt elk
-stuk het vermogen om te blijven leven en te groeien. Men neemt aan
-dat zich uit elk sarcodeklompje een Spons kan ontwikkelen en het
-schijnt dat deze zelfverdeeling somtijds voorkomt.
-
-
-
-
-
-
-
-EERSTE KLASSE.
-
-DE KALKSPONSEN (Caleispongiae).
-
-
-Deze afdeeling heeft haren naam ontvangen naar de eigenschap, dat
-in alle soorten microscopische of ook met het bloote oog zichtbare
-kalkafzettingen afgescheiden worden, welke het lichaam als een soort
-van skelet dienen, terwijl zij nu eens onregelmatig door het weefsel
-verstrooid, dan weder sierlijk bundelsgewijs en op rijen geordend
-zijn. Deze kalkafscheidingen hebben den vorm van staafjes of naalden
-of van drie- en vierstralige sterren. Zij vullen de Spons gewoonlijk
-in zoo'n mate (terwijl de weeke bestanddeelen bovendien zeer gering
-zijn), dat bij het indrogen de gedaante en de omvang van het lichaam
-onveranderd blijft en dat de meeste Kalksponsen levend of dood een
-krijtachtig of gipsachtig voorkomen hebben.
-
-Wij onderscheiden drie hoofdfamiliën:
-
-De Zak-kalksponsen of Ascones zijn eenvoudige of vertakte, gesloten of
-open cilinders met dunne wanden. Zij zijn dikwijls van zulke zachte
-en fijne wanden omgeven, dat zij in het water nauwelijks te bemerken
-zijn en zich alleen door een witachtige schemering verraden. Zeer
-dikwijls echter vertoonen zij de gedaante van vastere voorwerpen,
-welke de grootte van een noot of zelfs van een vuist bereiken en dan
-vallen zij natuurlijk als witte of geelachtige gewassen in het oog. Dit
-is b.v. het geval met de fraaie Ascelta clothius, bij Napels in de
-grotten van Posilipp en het eiland Nicita menigvuldig voorkomende.
-
-De Knollen-kalksponsen (Leucones) omvatten die vormen, bij welke zich
-de wanden der onregelmatig vertakte kanalen onder eene sterke ophooping
-van kalknaalden verdikken, zoodat er min of meer onregelmatige
-vormen te voorschijn komen, knollen en kogels, maar ook flesschen
-en bekers. Tot de sierlijkste en grootere soorten behoort Leucandra
-penicillata van Groenland.
-
-De schoonste en hoogst ontwikkelden zijn de Cellen-kalksponsen
-(Sycones). De grondvorm van het enkele dier is een lange beker of
-een meestal op een steel zittende cilinder, welks dikkere wanden
-regelmatige kringen van diepe, van de groote centrale holten uitgaande
-bochten vertoont. De mondopening is nu eens naakt, evenals bij
-Leucandra, dan weder met een krans van fijne naalden omzet.
-
-Alle Kalksponsen leven in zee. De meeste houden van de duisternis en
-schuwen het licht. Slechts weinige soorten groeien op plaatsen, die
-sterker verlicht zijn. De soorten, die zich het liefst vastzetten
-op rotsen en steenen, vindt men bij voorkeur in holen en grotten
-aan de zeekust, in rotsspleten en onder steenen. Deze voorliefde
-voor de duisternis noopt ook vele Kalksponsen zich te vestigen in
-het binnenste van ledige dierlijke woningen zooals mosselschelpen,
-slakkenhuisjes, schalen van Zeeëgels, wormkokers enz.
-
-De meeste Kalksponsen behooren thuis in de strandzone tot 2 vademen
-diepte. Van daar tot eene diepte van 10 vademen is hunne vermindering
-reeds opvallend; op verdere diepte behooren zij tot de zeldzame
-verschijningen.
-
-
-
-
-
-
-
-TWEEDE KLASSE.
-
-DE GEWONE SPONSEN (Coenospongiae).
-
-
-Bij de tweede klasse der Sponsen, die veel talrijker dan de eerste
-en in alle zonen en diepten der zee verbreid is, bestaat het skelet
-uit kiezelnaalden, die gedeeltelijk of ten deele door samenhangende
-hoornvezels verdrongen zijn, welke harerzijds naar omstandigheden
-weder onder opneming van vreemde lichamen bijna totaal verdwijnen.
-
-
-
-
-
-
-EERSTE ORDE.
-
-DE HALICHONDRIËN (Halichondriadae).
-
-
-Die Sponsen, welker weeke vormlooze zelfstandigheid een op de gewone
-badspons gelijkende, min of meer elastisch netwerk oplevert, waarin
-zich geen kiezelnaalden bevinden, worden Hoornsponsen genoemd. Onder
-deze Hoornsponsen nemen de verschillende soorten van badsponsen,
-paarden- en tafelsponsen om hunne beteekenis voor den handel de
-eerste plaats in. Men vat deze samen in de familie Euspongia. Aan
-eene behoorlijke indeeling in soorten is niet te denken. De
-sponsenhandelaars nemen 16 soorten aan, die uit verschillende streken
-van de Middellandsche Zee komen.
-
-Het is aan iedereen bekend, dat de badspons de eigenschap moet
-bezitten, zelfs wanneer zij volkomen uitgedroogd is, niet te breken,
-maar zich oogenblikkelijk, zoodra zij in het water is gelegd, vol te
-zuigen en elastisch te worden. Het netwerk hetwelk wij spons noemen
-is niets anders dan het skelet van het dier, hetwelk overblijft
-als men een levende, volwassen Spons zoolang kneedt en drukt, dat
-de geheele kleverige massa, welke de gangen en holten vult, er uit
-verwijderd is. Zulke Sponsen treft men in de koude zone in het geheel
-niet aan. Alleen in de noordelijke helft der gematigde zone vindt
-men enkele kwijnende exemplaren. Daarentegen zijn de Adriatische
-en de Middellandsche Zeeën rijk aan soorten, welke onder de namen
-Dalmatiner-, Fijne Syrische-, Zimotka- en Paardensponsen in den
-handel komen.
-
-De fijnste soort, zich onderscheidend door weekheid en zachtheid,
-en meestal den bekervorm vertoonend, wordt aan de Syrische kust
-gevischt. Vlakker en uit een dichter weefsel bestaande is de Grieksche
-Zimotkaspons. De Dalmatiner-spons daarentegen legt het tegen beide
-soorten af, hij is door de geheele Adriatische Zee verbreid, is wat
-grover van vezel en verkrijgt niet geregeld dien vorm welke in den
-handel gewenscht is.
-
-In de Grieksche zeeën en aan de Turksche kusten verkrijgt men de
-Sponsen door duikers. Aan de kusten van Dalmatië en Istrië bemachtigt
-men ze door middel van de lange vierpootige vork, welke men op oude
-afbeeldingen als het attribuut van Neptunus ziet afgebeeld. Alleen
-de bewoners van het kleine eiland Krapano wijden zich aan deze
-bezigheid en met 30-40 barken zoeken zij gedurende het gunstige
-jaargetijde de ingeschaarde en aan eilanden rijke kusten af. Op elke
-bark, aan welks voordek zich een vierhoekig uitsteeksel bevindt,
-zijn twee man; de man, die de vork hanteert, bevindt zich op dit
-uitsteeksel om voorover gebogen met het bovenlijf goed te kunnen
-balanceeren. De steel van de vork is 7.14 M. lang eene reserve-vork
-en stelen zijn altijd aan boord. De tweede man zit op de riemen,
-welker rustpunten in een over het boord uitstekenden balk liggen,
-waardoor de noodzakelijke scherpe bewegingen der boot zekerder kunnen
-gemaakt worden. Terwijl nu de boot dicht langs den rotsigen oever
-over een diepte van 4-13 M. langzaam voortdrijft, spiedt ieders
-oog naar de door hunne zwarte huidkleur kenbare Sponsen. Algeheele
-windstilte is natuurlijk het wenschelijkst. Is de zee te woelig dan
-wordt de oppervlakte met olie overgoten. Tot dit doel ligt altijd op
-den voorsteven der boot een hoopje gladde kiezelsteenen, waarnaast
-een pot met olie staat. De visscher doopt eenige dezer steenen met
-de punt in de olie en werpt ze dan in een halven cirkel om zich heen
-in zee. De uitwerking is verrassend, want hoe gering de hoeveelheid
-olie is welke op deze wijze op de oppervlakte wordt overgebracht,
-is het toch voldoende om de kleine golven tot rust te brengen en het
-oog wordt niet meer gehinderd door het spiegelen en kabbelen van de
-golfjes. De visscher kan echter de Sponzen niet allen zien, daar velen
-in de schaduw leven. Hij moet dus met zijn vork of viertand tot onder
-de overhangende rotsen en steenen wroeten om ze te bekomen en zeker
-is het dat een groot deel niet gevangen wordt.
-
-Als zij gesorteerd en aan den oever gebracht zijn worden de Sponsen
-daar zoolang getrapt, gekneed, gedrukt tot er alle sporen van de
-slijmachtige zelfstandigheid uit verdwenen zijn en slechts het
-skelet is overgebleven. De Sponsen behoeven daarna niets meer dan
-eene wassching en reiniging in lauw zoet water.
-
-Aan de Grieksche en Syrische kusten is de behandeling dezelfde.
-
-Dit is in tegenspraak met de omstandigheid, aan iedereen bekend, dat
-men groote moeite heeft eene nieuwe spons te reinigen van het daarin
-zittende zand, maar de zaak is zeer eenvoudig. De Sponsen namelijk,
-welke door de visschers zuiver afgeleverd worden, worden door de
-groothandelaars (het is bijna niet te gelooven!) met zand verzwaard,
-door ze in zand door te schudden, want de Spons wordt bij het gewicht
-verkocht.
-
-Tot verbetering en uitbreiding dezer visscherij zijn van 1863-72
-aan de kust van Dalmatië pogingen gedaan om de Sponsen kunstmatig
-te kweeken. Dat gelukte ook. Versche Sponsen werden in bepaalde
-stukken gedaan en, aan houten voorwerpen bevestigd, op de aangewezen
-plaatsen onder water gebracht. Door gestadige verbetering van deze
-methode was men reeds tot zeer mooie resultaten gekomen, toen allerlei
-storende gebeurtenissen, in de eerste plaats door het onverstand en
-de kwaadwilligheid der sponsenvisschers veroorzaakt, de onderneming
-verijdelden.
-
-
-
-Onder de Sponsen van den tegenwoordigen tijd nemen die, welke
-enkelassige kiezellichaampjes afzonderen (Monactinellidae) de eerste
-plaats in.
-
-Een interessante hoornkiezelspons van de Middellandsche Zee,
-de As-spons (Axinella polypoides), vertoont de nevenstaande
-afbeelding. Het fraai zwavelkleurige of bruingele dier vertoont een
-stok met talrijke individuën, wier schoorsteenen in vlakke groeven
-liggen. Hun bouw is stralig en meestal hebben zij acht stralen, wat
-hun met een in het binnenste van de spons voorhanden vastere as een
-groote gelijkenis geeft met een achtstralige polyp.
-
-Het door hare werkzaamheid sterkste en daarom gewichtigste en
-belangrijkste geslacht is dat der Boorsponsen (Vioa). De beteekenis
-van deze Sponsen is veel grooter dan die der Badsponsen.
-
-Als deze Oersponsen niet sinds eeuwen en eeuwen gearbeid hadden,
-zouden de kalk- en krijtlagen van onze aardkorst en de uit deze
-gesteenten bestaande kusten der tegenwoordige zeeën een geheel ander
-voorkomen hebben.
-
-Ook vele meest vastzittende Mosselen worden door boorzwammen bezocht
-en dat is altijd zoo geweest, zooals de fossiele mosselschelpen
-bewijzen. Dit doet de vraag rijzen op welke wijze de Boorsponsen er in
-komen. Waarschijnlijk geschiedt dit op de volgende manier. Zij treden
-slechts in werkelijk uit kalk bestaande vormen op. De vrij zwemmende
-larve zal zich ergens in de een of andere kleine holte verbergen en
-daar tot een Spons ontwikkelen, die zijn arbeid voornamelijk langs
-chemischen weg begint en de kalk oplost.
-
-Zwakke zuren bereiden het wrijven of raspen van de naalden voor,
-door de oppervlakte van de kalk aan te tasten. De naalden kunnen
-nu de kalk des te gemakkelijker meester worden. Het fijne boormeel
-wordt door de zuren opgelost, de stroomingen welke door het lichaam
-spoelen, nemen het op en zoo wordt de kalk in opgelosten vorm naar
-buiten gebracht. Het gewicht van de boorzwammen in den grooten
-kringloop van de eeuwige stof berust daarop, dat het gesteente niet
-tot in de kleinste stukjes fijn gewreven wordt maar als suiker in een
-glas water wordt opgelost en in dien toestand in het zeewater wordt
-gemengd. Daaruit nemen weder de tallooze Schaaldieren hun voedsel en
-trekken uit het in het bloed opgenomen water de vaste bestanddeelen
-voor het bouwen hunner woningen, welke eindelijk weder opgelost worden
-of op den zeebodem blijven liggen als bijdrage tot het vormen van
-nieuwe aardlagen voor latere eeuwen.
-
-Tot de Kiezelsponsen met eenvoudige naalden behooren ook de
-Zoetwatersponsen (Potamospongiae), die, zooals hun naam aanduidt,
-het zoete water bewonen. De rijkdom van vormen onder hen is nog al
-tamelijk, maar de weinige soorten gaan in elkander over en vormen
-talrijke locale rassen. Deze dieren schijnen in nagenoeg alle zoete
-wateren der wereld voor te komen, ja men heeft ze in onderaardsche
-kolken en beken aangetroffen, die steeds aan het daglicht onttrokken
-zijn, ook in de buizen der waterleidingen komen zij voor. Het
-verbreidingsgebied van vele soorten is buitengewoon groot; zoo kennen
-wij er velen uit de voornaamste zoete wateren van Europa, Siberië en
-Noord-Amerika, maar tevens ook van Voor-Indië (Bombay) en Australië.
-
-
-
-
-
-
-TWEEDE ORDE.
-
-DE GLASBUISSPONSEN (Hexactinellidae).
-
-
-De meeste der met den naam Glasbuissponsen aangeduide Sponsen
-kenmerken zich daardoor dat hun kiezelskelet op een fijn spinwerk van
-glas gelijkt. De gedaante, welke aan deze vormen ten grondslag ligt,
-is de as-ster van de kubus; dit is altijd het geval, al overtreffen
-ook de gedurende hun leven afgescheiden kiezelvormen, geïsoleerd van
-elkander bestaand of met elkander ineengesmolten en samenhangende,
-aan sierlijkheid alle menschelijke producten.
-
-De gedaanteverwisseling der stralen schept vormen van eene elegance en
-verscheidenheid, zooals de stoutste fantasie zich nauwelijks kan denken
-en slechts de later te beschrijven Radiolariën overtreffen hen hierin.
-
-De fraaiste van alle Sponsen wegens haar wonderbaarlijk fijn
-kiezelvlechtwerk zijn de Euplectelliden, de "Fraaigewevene",
-waaronder Euplectella aspergilium. Deze fraaie Sponsen hebben een
-buisvormig kiezelskelet; de wand der buis bestaat uit een zeer
-regelmatig traliewerk van kiezelmazen. Het kiezelskelet der soorten
-van Euplectella wordt gevormd door een enkele zoodanige buis, die
-gewoonlijk min of meer gekromd is. Bij groote exemplaren kan die buis
-tot 30 cM. lang en 4 cM. breed zijn. Het traliewerk van den wand is
-uiterst sierlijk en regelmatig en gelijkt op een fraai kantwerk. Het
-is samengesteld uit overlangs en loodrecht daarop overdwars loopende
-kiezelvezelen, waardoor vierkante mazen begrensd worden, waarin
-zich nog diagonaal loopende balkjes vertoonen, zóó geplaatst in
-een gedeelte der mazen, dat er ronde openingen overblijven, die
-vermoedelijk de uitstroomingsopeningen zijn. Langs de buitenvlakte
-der buis verheffen zich (bij E. aspergilium, niet bij E. cucumer
-Owen) min of meer regelmatig spiraalsgewijs loopende en groote,
-vrije tusschenruimten openlatende dunne kammen, die zelve ook uit
-kiezelspicula zijn samengesteld. De bolle, horlogeglasvormige plaat,
-die het boveneinde bedekt, bestaat uit een dergelijk traliewerk
-van minder regelmatige mazen met iets grootere openingen, welke
-waarschijnlijk als de uitstroomingsopeningen mogen beschouwd worden. De
-buis vernauwt zich benedenwaarts en is aan haar ondereinde bezet
-met bundels van dunne kiezelharen, die een vrij aanmerkelijke lengte
-(10 cM. en meer) bereiken.
-
-De meest bekende soort, Euplectella aspergilium, is afkomstig uit de
-zee bij de Philippijnsche eilanden, waar zij op vrij aanmerkelijke
-diepte leeft.
-
-Niet zelden wordt zij door twee soorten van Schaaldieren bewoond,
-behoorende tot de geslachten Aega en Palaemon, die daar blijkbaar een
-parasitisch leven leiden en die in hun eerste jeugd in de spons moeten
-zijn geraakt, toen zij nog klein genoeg waren om door de openingen
-van het kiezelskelet te dringen. Vooral voorwerpen van Palaemon,
-een garnaal, komen er vrij regelmatig in voor als gevangenen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENING
-
-
-[1] Herklots.
-
-
-
-
-
-
-End of the Project Gutenberg EBook of Het Leven der Dieren: Deel 3.8 De
-Stekelhuidigen, Plantdieren en Sponsen, by A. E. Brehm
-
-*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN: DEEL 3.8 ***
-
-***** This file should be named 62662-8.txt or 62662-8.zip *****
-This and all associated files of various formats will be found in:
- http://www.gutenberg.org/6/2/6/6/62662/
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
-States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive
-specific permission. If you do not charge anything for copies of this
-eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook
-for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports,
-performances and research. They may be modified and printed and given
-away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks
-not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the
-trademark license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country outside the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you'll have to check the laws of the country where you
- are located before using this ebook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm web site
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The
-Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm
-trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the
-mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its
-volunteers and employees are scattered throughout numerous
-locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt
-Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to
-date contact information can be found at the Foundation's web site and
-official page at www.gutenberg.org/contact
-
-For additional contact information:
-
- Dr. Gregory B. Newby
- Chief Executive and Director
- gbnewby@pglaf.org
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
-spread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works.
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our Web site which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
-