diff options
Diffstat (limited to 'old/62626-8.txt')
| -rw-r--r-- | old/62626-8.txt | 5527 |
1 files changed, 0 insertions, 5527 deletions
diff --git a/old/62626-8.txt b/old/62626-8.txt deleted file mode 100644 index 1fa7fa2..0000000 --- a/old/62626-8.txt +++ /dev/null @@ -1,5527 +0,0 @@ -The Project Gutenberg EBook of Het Leven der Dieren: Deel 3.7 De Weekdieren, by -A. E. Brehm - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most -other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of -the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have -to check the laws of the country where you are located before using this ebook. - -Title: Het Leven der Dieren: Deel 3.7 De Weekdieren - -Author: A. E. Brehm - -Release Date: July 12, 2020 [EBook #62626] - -Language: Dutch - -Character set encoding: ISO-8859-1 - -*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN: DEEL 3.7 *** - - - - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg - - - - - - - - - - HET LEVEN DER DIEREN - - DE WEEKDIEREN - - DOOR - - A. E. BREHM. - - - - - - - - - -DE WEEKDIEREN (Mollusca). - - -Voor een nadere kennismaking met de Weekdieren zijn wij allen -reeds eenigermate voorbereid door vroegere ervaringen. Een der -eerste verkenningen op dit terrein heeft ons geleid tot het besef, -dat een Slak en een Mossel nagenoeg in dezelfde richting afwijken -van de Gewervelde en de Gelede Dieren; deze overtuiging hebben wij -uitgesproken door aan beide den naam van "Weekdieren" te geven. Tot -het erkennen van de noodzakelijkheid om deze dieren samen te voegen -zijn wij gekomen, hoewel wij aan de Slak een kop met voelers en -oogen opmerkten en deze bij de Mossel te vergeefs hebben gezocht. Ook -over het verschil tusschen de Mosselschelp en het Slakkenhuis zijn -wij heengestapt; zelfs aarzelden wij niet de naakte Kelderslak en -de Huisjesslak als nauw verwante vormen te beschouwen en (met de -Mossel) door één naam aan te duiden. Dat deze en vele andere dieren -werkelijk een in 't oogvallend karakter dragen, bleek duidelijk -bij een bezoek aan het zeestrand en aan een visschersplaats: de -talrijke vormen, die wij hier voor 't eerst aanschouwden, werden, -ondanks hun verscheidenheid, in den regel als Weekdieren herkend, niet -met Gewervelde of met Gelede Dieren, meestal zelfs niet met Wormen -verward. Deze karaktertrekken moeten wij nu trachten op te sporen. - -Hoewel men aan vele Weekdieren een kop en een romp kan onderscheiden, -maakt toch hun lichaam algemeen den indruk van plomper, onbehouwener -te zijn dan dat der vroeger behandelde dieren; het vertoont geen -spoor van de geleding, die bij de Arthropoden zoo duidelijk op den -voorgrond treedt en die ook den geheelen lichaamsbouw der Gewervelde -Dieren beheerscht. De niet aan veranderingen onderhevige vorm, dien -de Gewervelde Dieren aan hun inwendig geraamte, de Gelede Dieren aan -het harde bekleedsel van de huid danken, wordt bij de Weekdieren -gemist. De eenvoudiger gebouwde Wormen vormen den overgang. De -tegenwerping, dat de schelp den vorm van de Mossel, het huisje dien -van de Slak bepaalt, zal bij nader onderzoek ongegrond blijken, daar -de beide huisjes eigenlijk niet veel van "huisjes", van woningen, -verschillen. Zij zijn wel is waar gevormd door het lichaam, maar -hangen er zoo los mede samen, dat zij in geen vergelijking kunnen -komen met het inwendig of uitwendig skelet. Deze zijn in den volsten -zin van het woord deelen van het organisme. De beenderen nemen deel -aan de stofwisseling: zij worden aanhoudend gevoed en vernieuwd. De -Kever kan niet verwijderd worden uit zijn huidskelet; als het pantser -van den Kreeft niet meer door levende deelen met het dier verbonden -is, valt het af om door een nieuw pantser vervangen te worden. Deze -innige samenhang bestaat niet tusschen het Weekdier en zijn "huis"; -de schelp is een uitscheidingsproduct, dat wel is waar dikker wordt -door aanvoeging van nieuwe lagen, een grootere uitgebreidheid verkrijgt -door toevoeging van bestanddeelen aan de vrije randen en ook zelfs, -als het beschadigd is, een gebrekkige reparatie ondergaat, maar slechts -in een enkel punt, of op een gering aantal plaatsen, werkelijk met het -dier in verband staat, en niet aan de stofwisseling deelneemt, kortom -een doode massa is. Een Slak kan men uit zijn huisje lichten na het -doorsnijden van eene spier, die haar er mede verbindt, welke operatie, -op zichzelf beschouwd, het leven van het dier niet in gevaar brengt. De -eenige deelen van een Weekdier, die bij oppervlakkige beschouwing, -eenigszins op een skelet gelijken, zijn binnen in de huid gelegen; -hoewel zij door haar ligging aan beenderen herinneren, stemmen ook -deze inwendig afgescheiden hoorn- en kalkplaten in werkelijkheid met -de uitwendige schelp overeen. - -Om met de karakteristieke eigenschappen van de Weekdieren in 't -algemeen bekend te worden, moeten wij ons wenden tot die, welke geen -schelp hebben, en aan de overige hun schelp ontnemen. Zij vertoonen -zich dan als ongelede dieren met een dikwijls zeer plomp voorkomen; -bovendien maakt de symmetrie, die aanvankelijk bij allen valt waar te -nemen, op lateren leeftijd bij velen plaats voor een asymmetrischen -lichaamsbouw. De huid is glibberig en week, bij alle vormen uitgegroeid -tot lobben en mantelachtige plooien, die het lichaam geheel of ten -deele bedekken. Van deze belangrijke eigenaardigheid der Weekdieren -kan men zich gemakkelijk door aanschouwing overtuigen. Als een Slak -in haar huisje kruipt, ziet men, terwijl de kop teruggetrokken wordt, -dezen zich bedekken met een dikke huidplooi, die een stuk van den -mantel is. Na 't wegnemen van een Mossel uit de schelp, ziet men -haar lichaam aan weerszijden geheel bedekt met een groote, vliezige -huidplooi: dit zijn de beide mantelhelften. De schelp wordt door den -mantel gevormd, vooral door zijne vrije randen. - -Wanneer men bedenkt, dat de hoogst ontwikkelde Weekdieren niet -zelden een lengte bereiken van 1 en zelfs van 2 M. (terwijl sommige -reuzen onder hen meer dan 6 M. lang worden), met zintuigen zijn -uitgerust, welke bijna met die der hoogere Gewervelde Dieren -kunnen wedijveren, en een spierkracht toonen, die aan hun grootte -geëvenredigd is,--wanneer men tevens in 't oog houdt, dat dezelfde -hoofdafdeeling ook microscopische vormen bevat, waarvan sommige aan -Trilwormen herinneren,--zal men inzien, dat er van een algemeene -beschrijving van den bouw, de levenswijze en de woonplaats dezer -dieren geen sprake kan zijn.--Het voornaamste centrale deel van hun -zenuwstelsel bestaat uit een slokdarmring, waarmede de overige door -het lichaam verspreide zenuwen en zenuwknoopen samenhangen. Het -bezit van zintuigen hangt af van den trap van ontwikkeling, dien -het lichaam in 't algemeen bereikt, voorts van de verblijfplaats en -de levenswijze. De spijsverteringsorganen zijn bij alle Weekdieren -zeer volkomen; voor de ademhaling bezitten de meeste kieuwen, die -dan steeds een aanzienlijke uitgebreidheid hebben. - -De liefhebbers van merkwaardigheden hebben reeds sinds eeuwen met -grooten ijver Slakkenhuizen en Mosselschelpen verzameld en zich -verlustigd aan de bonte kleuren en de groote verscheidenheid van -liefelijke en grillige vormen dezer voorwerpen. Hoewel het volstrekt -niet onze bedoeling is, het genoegen, dat een fraaie collectie -conchyliën den eigenaar verschaft, te verminderen, moeten wij echter -doen opmerken, dat zulk een verzameling een even onbevredigenden indruk -achterlaat als b.v. een sorteering van hoeven en klauwen. De invloed -van de schelp op het leven van het Weekdier is nog veel geringer -dan die van de hoeven en klauwen op het bestaan der Zoogdieren. Van -overwegend belang is dus de studie der inwendige organen. - - - - - - - -EERSTE KLASSE. - -DE KOPPOOTIGEN (Cephalopoda). - - -Van den lichaamsbouw der Koppootigen zullen wij den lezer een denkbeeld -trachten te geven door de bespreking van den Dwerginktvisch (Sepiola -Rondeleti). Talrijke exemplaren van deze kleine soort worden den -bezoeker van de vischmarkten in Italië te koop geboden en door den -verkooper wegens hun fijnen smaak ten zeerste geroemd. Den kop kan -men zeer duidelijk van den romp onderscheiden. Kringsgewijs om den -mond geplaatste armen doen dienst als grijp- en bewegingsorganen. De -romp bestaat uit een ingewandenzak, omhuld door een mantel, die -aan de rugzijde vastzit en samenhangt met de huid, die den kop -bedekt, maar aan de buikzijde een holte overlaat, waarin de kieuwen -voorkomen. Naar het aantal van deze ademhalingsorganen onderscheidt -men de Koppootigen in Tweekieuwigen (b.v. Sepiola) en Vierkieuwigen -(Nautilus). Aan de buikzijde ziet men in de afbeelding, boven de -hier van voren geopende mantelholte het nauwste uiteinde uitsteken -van den zoogenaamden trechter; de veel wijdere, achterste opening -is onder den mantel verborgen. De zeer taaie, sterk gespierde -en rekbare armen kunnen zich in alle richtingen bewegen, zoodat -hunne kronkelingen niet zelden aan die van Slangen herinneren. Bij -alle hedendaagsche Koppootigen (met uitzondering van Nautilus) -bedraagt hun aantal 8 of 10 en zijn zij bezet met zuignappen, die -bij het grijpen van den buit en bij het kruipen een belangrijke -rol spelen. Bij de Tienarmigen rusten de zuignappen op een korten, -gespierden steel en hebben in den rand een kraakbeenigen ring. Door -het hierbinnen aanwezige spierkussen een weinig terug te trekken, -hecht het dier zich vast aan de oppervlakte, waartegen de rand van -den zuignap wordt aangedrukt. De verbinding is zoo stevig, dat een -gezond dier dikwijls niet zonder verscheuring van enkele zuignappen -losgerukt kan worden, en dat het, eerder dan het gegrepen voorwerp, -den geheelen arm in den steek laat, wanneer deze door de gelijktijdige -werking van verscheidene zuignappen bevestigd is. Bij vele soorten is -de rand der zuignappen van haakvormige doorntjes voorzien. De armen -zijn volkomen symmetrisch geplaatst en worden daarom van den rug te -beginnen, bij paren geteld. Daar men de "grijparmen" der Tienarmige -Koppootigen buiten rekening laat, zijn de armen van het 4e paar die, -welke naast elkander aan de buikzijde liggen. De huid, die de armen bij -hun oorsprong (en bij eenige soorten zelfs tot aan den top) verbindt, -schijnt vooral bestemd om een aan alle zijden gesloten holte te vormen, -waarin de buit, die met de armen gegrepen werd, geheel weerloos aan de -werking van de kaken en tanden is blootgesteld. Na het buitenwaarts -ombuigen van de armen ziet men, te midden van den door hen gevormden -kring, de mondopening en de kringvormige lippen, die haar omgeven, -bovendien 2 zwartbruine, hoornachtige kaken, die gezamenlijk aan den -snavel van een Papegaai herinneren, hoewel bij 't sluiten van den -bek de bovenkaak door de onderkaak omgeven wordt. Een verhevenheid op -den bodem van de mondholte heet tong en is bedekt met een wrijfplaat -(radula), die uit verscheidene dwarsrijen van 7 à 13 spitse tandjes -bestaat. - -Aan weerszijden van den kop puilen de bijzonder groote, goed -ontwikkelde, glinsterende oogen uit, ieder beschut door een -napvormig zijstuk van het kopkraakbeen, dat de centrale deelen van -het zenuwstelsel omhult en tevens in afzonderlijke holten de beide -gehoororganen bevat. - -De beide platte, afgeronde aanhangsels aan de zijden van den romp van -Sepiola heeten vinnen, dienen voor het zwemmen en kunnen ook den stand -van het lichaam en zijn bewegingsrichting wijzigen. Deze huidplooien -ontbreken bij eenige geslachten en zijn bij de overige verschillend -van vorm en grootte. - -Van den trechter maakt het dier een zeer belangrijk gebruik. Door den -vrijen rand van den mantel van den ingewandenzak te verwijderen, wordt -de mantelholte gevuld met het water, dat voor de ademhaling dient. Door -vervolgens, na den rand, ook de overige deelen van den mantel tegen -den ingewandenzak te drukken, wordt het water met groote kracht door -de achterste opening in den trechter en van hier, door de voorste, -enge opening, als een straal naar buiten geperst. Hierdoor verkrijgt -het lichaam in achterwaartsche richting een stoot, die voldoende is -om de slankst gebouwde leden der klasse pijlsnel door het water te -doen schieten. - -Behalve het spijskanaal, komt bij de meeste Koppootigen ook de -afvoerbuis van een ander belangrijk orgaan, n.l. van den inktzak, -in den trechter uit. Het uitwerpen van de zwartbruine stof, die door -deze klier wordt afgescheiden, heeft willekeurig plaats; een kleine -hoeveelheid is voldoende om het dier met een donkere wolk te omhullen, -waardoor het eensklaps voor zijne vervolgers onzichtbaar wordt. Op deze -eigenschap berust de onjuiste benaming "Inktvisschen". Onder den naam -"sepia" wordt de bedoelde stof door de schilders gebruikt. Men heeft -haar zelfs bij fossiele Cephalopoden gevonden. - -Aan vele in spiritus geconserveerde exemplaren van Koppootigen neemt -men op de huid fijne, paarse en bruinachtige stipjes waar. Dit is -al wat er overblijft, van de prachtige kleurveranderingen, die het -levende dier te aanschouwen geeft; de kleur wisselt af in verband -met den toestand waarin het verkeert, hangt af van de verlichting, -is verschillend al naar het dier zelf aanvalt, of aangevallen en -geprikkeld wordt. Kleurige wolken en strepen schieten over het -lichaam heen, vereenigen zich, spreiden zich uit en gaan in den -regel gepaard met een algemeene verhooging van den glans, met een -bliksemsnel optreden van het glinsteren en iriseeren van de geheele -oppervlakte; men is getuige van een schitterend onweer van toorn en -zenuwoverprikkeling. De mechanische oorzaken van dit buitengewoon -fraaie kleurenspel zijn van tweeërlei aard. In de huid bevinden zich -cellen, die een uiterst fijn verdeelde kleurstof bevatten. Wanneer -deze cellen in den toestand van rust verkeeren en door de veerkracht -van haar wand tot haar geringste volume zijn ingekrompen, is de -invloed van de kleine pigmentklompjes op de kleur van de huid zeer -gering. Door talrijke spiervezels, die straalswijs met den wand -der kleurstofcellen of "chromatophoren" verbonden zijn, kan deze -echter uitgerekt worden, zoodat de kleurstof zich over een grootere -oppervlakte uitbreidt. Bij de op deze wijze veroorzaakte kleuren komen -nog die, welke een gevolg zijn van interferentie-verschijnselen, -waarbij fijne, dicht opeengepakte plaatjes, die dieper dan de -chromatophoren liggen, de hoofdrol spelen. - -Alle Koppootigen bewonen uitsluitend de zee; hier leefden ook al -hunne voorouders, die reeds in de alleroudste lagen van de Silurische -formatie sporen van hun bestaan hebben achtergelaten, en in 't Jura- en -'t krijttijdvak hun hoogsten bloei bereikten. De alleroudste fossiele -Tweekieuwigen werden in de lias-lagen gevonden. Vele hedendaagsche -soorten leven gezellig, gelijk vooral blijkt, wanneer zij van grootere -diepten en uit de open zee naar de kustwateren trekken. Alle leven -van roof; zij verslinden een menigte Visschen, Schaaldieren, Slakken -en Plaatkieuwige Weekdieren. Als een staaltje van hun vraatzucht kan -dienen, dat zij zelfs aanvallen op soortgenooten, die zich door een -lokaas hebben laten verschalken, en met deze boven water getrokken -en gevangen worden. Bij de soorten, die in de nabijheid van de kust, -op rotsen en tusschen waterplanten kruipend, op buit loeren, komen -velerlei draadvormige aanhangsels voor, welker beweging de prooi -aanlokt. De door hen aangerichte schade wordt vergoed, doordat een -aantal voor ons zeer belangrijke dieren, b.v. verscheidene walvisschen, -de Potvisschen, de Kabeljauwen, zich bijna uitsluitend of bij voorkeur -met Cephalopoden voeden; bovendien worden verscheidene soorten ook -door den mensch gegeten. - -De Cephalopoden zijn de hoogst ontwikkelde Weekdieren; de sterkste, -grootste en zwaarste leden van de hoofdafdeeling behooren tot hun -klasse. Aan de oostkust van Noord-Amerika zijn exemplaren gevangen van -het geslacht Architeuthis, die een totale lengte van 12 M. hadden; -de romp was 2.5 M. lang en had een omvang van 2.12 M.; de armen -zijn zoo dik als eens menschen dij. Prachtige nabootsingen in ware -grootte van dezen reusachtigen Inktvisch, die misschien aanleiding -heeft gegeven tot de sprookjes van den Kraken en de Reuzenzeeslang, -heeft Prof. Verrill van Newhaven (Connecticut) voor verscheidene -Amerikaansche musea laten vervaardigen. - -Men kent tegenwoordig ongeveer 7000 soorten van Koppootigen, waarbij -ongeveer 6500 Vierkieuwigen (met 4 thans nog levende) en ruim 450 -Tweekieuwigen (met 240 thans nog levende soorten). - - - - - -EERSTE ORDE. - -DE TWEEKIEUWIGEN (Dibranchiata). - -Tot deze orde, waarvan een lid als uitgangspunt voor ons algemeen -overzicht heeft gediend, behooren alle Cephalopoden, welker kringvormig -om den mond geplaatste armen zuignappen dragen en welker mantelholte -twee kieuwen bevat: een aan de rechter- en een aan de linkerzijde. Een -inktzak is steeds aanwezig. Naar het aantal armen worden zij in twee -groepen verdeeld. - -De Achtarmige Cephalopoden (Octopoda) missen de beide grijparmen -en hebben bijna zonder uitzondering een korten en breeden romp, die -geen vinnen draagt. Het ruggedeelte van den mantel scheidt bij hen -geen tot steun dienende plaat af. De meeste Achtarmigen bewonen de -zee in de nabijheid van de kust; zij kruipen en loopen meer dan zij -zwemmen. Hunne gewone verblijfplaatsen zijn spleten en gaten in het -gesteente, vanwaar zij op buit loeren. Zij kunnen in alle richtingen -kruipen, maar bewegen zich bij voorkeur zijwaarts, spreiden de armen -uit, heffen den kop omhoog, geven den romp een eenigszins hellenden -stand boven het 4e paar armen en wenden de opening van den trechter -naar een zijde. Vooral het tweede en derde paar armen doen bij het -kruipen dienst. Op deze wijze verplaatsen zij zich tamelijk vlug, -zoowel in als buiten het water. Uit eigen beweging verlaten zij het -natte element nooit, hoewel sommige soorten uren lang op het droge in -'t leven kunnen blijven. Een bewonderenswaardig instinct stelt hen in -staat om de zee terug te vinden, nadat zij op betrekkelijk grooten -afstand van de kust landwaarts gebracht zijn; zelfs van plaatsen -waar het water niet meer te zien is, gaan zij regelrecht over de -steendammen heen naar de zee terug. - -De oude Grieken en Romeinen noemden de hun bekende Koppootigen -"Veelvoeten" (Polypous Polypus); nagenoeg dezelfde naam (tot Polpo -vervormd in Italië, tot Poulpe in het Fransch) dient thans nog tot -aanduiding van de geslachten Octopus en Eledone. Zij maken deel uit -van de familie der Octopodiden, die o.a. kenbaar zijn aan de breedte -van den "nekband", waardoor de mantel aan de rugzijde met den kop -verbonden is. - -De lange armen der Achtarmen (Octopus) zijn aan den wortel door een -huid vereenigd en aan de binnenzijde met 2 reeksen van zuignappen -uitgerust. - -De Gewone Achtarm (Octopus vulgaris) is de grootste soort en tevens -die, welke het sterkst vertegenwoordigd is in de meeste deelen van -haar uitgestrekt verbreidingsgebied. De witgrijze huid verkrijgt, -zoodra het dier in opgewonden toestand verkeert, bruine, roode en -gele tinten, terwijl tevens de geheele bovenzijde zich bedekt met -wratvormige verhevenheden. Men vindt dezen Inktvisch niet slechts in -alle deelen van de Middellandsche Zee, maar ook aan de kusten van den -Atlantischen Oceaan, bij de eilanden van West- en Oost-Indië en bij -Mauritius. Enkele malen zijn exemplaren naar onze kust afgedwaald. Het -meest vindt men hem op een rotsachtige zeebodem, in welks gaten en -spleten zijn buigzaam lichaam gemakkelijk doordringt; van uit deze -verblijfplaats beloert hij de dieren, waarmede hij zich voedt. Bij -'t zien van een prooi verlaat hij voorzichtig zijn schuilhoek, nadert, -pijlsnel achterwaarts zwemmend, zijn slachtoffer tot op korten afstand, -keert zich zoo vlug om, dat men hem nauwelijks met de oogen kan volgen, -omstrengelt den buit met de nu uiteenwijkende armen en houdt hem met -de zuignappen vast. Soms vestigt hij zich op eenigen afstand van een -rotsachtig terrein op zandgrond en in een nest van steenen, die hij -met de zuignappen grijpt, met de armen vervoert en opeenhoopt tot -een soort van kom; hierin verborgen, wacht hij geduldig, tot er een -Visch of Kreeft in de nabijheid komt, die dan behendig gevangen wordt. - -In den zomer ziet men de jongen in de nabijheid van de kust op -den met steenen bedekten zeebodem, soms ook op slib. Zij worden -gewoonlijk gevangen aan een hengel zonder haak met een wit, in 't -oog vallend lokaas, dat bezwaard is door een steentje en leveren een -smakelijke spijs; die, welke meer dan ½ KG. wegen, worden wegens -de taaiheid van hun vleesch veel minder geschat dan de Sepia's en -Kalmars. Het grootst bekende exemplaar van deze diersoort was ongeveer -3 M. lang en woog 25 KG.; het werd bij Nizza door een visscher na -zeer groote inspanning gevangen. Exemplaren van 15 KG. zijn niet -zeldzaam. Onbeschrijfelijk woest is het voorkomen van deze dieren -bij het grijpen van een slachtoffer; de hevigheid en snelheid van -den aanval, de kleursveranderingen van de huid en de wratten, die -zich er op vertoonen, maken een diepen indruk. - -Collmann was getuige van een gevecht tusschen een Zeekreeft en een -Achtarm in het groote aquarium te Napels en beschrijft dit op de -volgende aanschouwelijke wijze: "Een Zeekreeft had zich vergrepen aan -een zijner metgezellen--een Zeeschildpad ter grootte van een tafelbord, -welker schedel hij geheel verbrijzelde--en moest tot straf naar het -reservoir der Achtarmen verhuizen. Deze verloren den indringer niet -uit het oog, bewogen zich in uitdagende houding om hem heen, maar -bleven aanvankelijk op een eerbiedigen afstand. Af en toe sloop een -van hen naderbij, slingerde de uiteinden van eenige armen als zweepen -over den vreemdeling, maar trok zich weldra aarzelend terug, zoodra -de geweldige scharen of het steenharde rugpantser van de tegenpartij -zijn aandacht trokken. Langzamerhand verminderde de opgewondenheid -van de meeste bewoners van het bassin. Een der Achtarmen gaf den -strijd echter niet dadelijk op, maar deed nog vele pogingen om den -Kreeft ongemerkt te naderen. Ook hij kwam eindelijk, naar het scheen, -tot andere gedachten en nam een onverschillige houding aan. Toen -nu de Kreeft, hierop vertrouwend, zijn vroegere waakzaamheid liet -varen, werd hij onverhoeds aangegrepen en zoo stevig omstrengeld, -dat hij zich niet meer verweren kon. De beide kampioenen werden -echter onmiddellijk gescheiden door een oppasser, die getuige was -van den strijd.--Voordat een uur verloopen was, had de Achtarm -den Kreeft opnieuw gepakt en het pantser van het Schaaldier met de -kronkelingen zijner gespierde armen omstrengeld. Indien hij soms -zijn vijand op één plaats losliet, geschiedde dit slechts met het -doel om hem op een andere, beter gekozen plaats te vatten. Terwijl -de strijders zich als een kluwen woedende Slangen over den grond -wentelden en in de fijne grint, die de kampplaats bedekte, diepe -voren trokken, was er bijna niets van den Kreeft te zien: de Achtarm -omgaf hem geheel. Opeens echter keerde de kans; de Achtarm staakte -den strijd en snelde, tegen wil en dank zijn vijand medesleepend, -naar de overzijde van 't slagveld. Eén zijner armen, die dicht bij de -plaats van aanhechting aan den kop door den Kreeft gegrepen was, werd -door een der geweldige scharen zoo stevig saamgeknepen, dat hij reeds -doorgesneden scheen. Toch had er geen amputatie van dit lichaamsdeel -plaats; alsof het uit caoutchouc bestond, bood het weerstand aan de -vreeselijke drukking. Dit bleek vooral, toen de gepijnigde Octopus, -die her- en derwaarts zwom en snelle wendingen maakte om zijn vijand -van zich af te weren, dezen een paar malen tegen de steenen wanden -van het reservoir had geslingerd en hem eindelijk noopte zijn schaar -te openen. De Kreeft trok zich in een donkeren hoek terug; de Achtarm -hechtte zich aan een uitstekende rotspunt. Als naar gewoonte waren -zijne armen voortdurend in beweging; soms werden zij ineengekronkeld, -soms langzaam gestrekt en tastend in alle richtingen bewogen. Zelfs -de zoo vreeselijk geknepen arm bewoog zich. Een lichaamsdeel van een -Gewerveld Dier zou na zulk een behandeling verlamd zijn geweest. De -bloedsomloop van een Weekdier kan echter voortduren in deelen van -het vaatstelsel, die niet meer met het hart in gemeenschap staan. Na -weinige dagen was van de geleden schade bij den Achtarm geen spoor -meer waar te nemen. - -"De beide kampioenen hadden echter geen vrede gesloten. Herhaaldelijk -moest de oppasser hen scheiden. Eens gelukte dit eerst, nadat de -Kreeft een zijner scharen had verloren. Om den invalide voor verdere -verminking te behoeden, werd hij overgebracht in een volgend bassin, -dat door een massieven cementmuur, die ongeveer 2 cM. boven den -waterspiegel uitsteekt, gescheiden is van de beide onderling in -gemeenschap staande ruimten, die het tooneel waren van den reeds -beschreven strijd.--De hoop, dat de Kreeft nu rust zou hebben, bleek -ijdel te zijn. Reeds op den dag der overbrenging klom een der Achtarmen -over den muur, viel onverwachts op zijn tegenstander aan en scheurde -hem na korten kamp letterlijk in tweeën. Ongeveer 40 seconden nadat -de overval begon, was het pleit beslecht en bekroonde de overwinnaar -zijn zege door het slachtoffer te verslinden. - -"Ontegenzeggelijk getuigden de handelingen van den Achtarm van -veel overleg. Op indirecte wijze tot het besluit gekomen, dat -een voor hem onzichtbare prooi zich aan de andere zijde van den -scheidingsmuur bevindt, aarzelde hij niet dezen te overschrijden, -hoewel dit niet kon geschieden zonder voor een oogenblik het water -te verlaten.--Bovendien valt nog te vermelden, dat de hier bedoelde -Achtarmen sinds geruimen tijd in de beste verstandhouding leefden -met twee Kreeften en eenige Visschen, die gelijktijdig met hen in -het reservoir waren gebracht. Hieruit blijkt, dat geen roofzucht één -van hen tot het plegen van den moord had vervoerd, maar haat tegen -den indringer, die ongenood, een deel kwam nemen van de ruimte en -van het voedsel, die zij als hun uitsluitend eigendom hadden leeren -beschouwen. Dat dit hun drijfveer was, bleek uit de ontvangst, die -ten deel viel aan een anderen Achtarm, die later in hetzelfde bassin -werd gebracht; ook deze werd gedood en verslonden. Dat blinde haat -en moordlust geen kenmerkende eigenschappen van den Octopus zijn, -valt af te leiden uit de gehechtheid van hierboven bedoelde dieren -aan hun oppasser. Streelend omstrengelden zij zijne bloote armen en -namen hem omzichtig het voedsel uit de hand. Zonder boosheid te toonen, -speelden zij met hun verzorger, die de voor hun maal bestemde brokken -nu en dan plagend terugtrok." - - - -Het geslacht Eledone verschilt van Octopus vooral door het bezit van -slechts één rij zuignappen op iederen arm. De meest gewone soort is -de Muscus-eledone (Eledone moschata), die haar romp willekeurig van -vorm kan doen veranderen, zoodat deze zakvormig, langwerpig, eivormig, -van achteren afgerond of spits, aan de oppervlakte glad of met wratten -bedekt kan zijn. De kleine, uitpuilende oogen kunnen geheel door de -oogleden bedekt worden en hebben een zeer veranderlijke iris. De -grijze grondkleur neemt nooit een rozeroode of andere roodachtige -tint aan. Symmetrische, zwartachtige vlekken en een blauwachtige -zoom aan het scherm, dat de armen verbindt, zijn verdere kenmerken -van deze soort, die haar naam dankt aan de muscuslucht, die van haar -uitgaat, ook wel bij andere soorten voorkomt, doch bij haar bijzonder -duidelijk is. Zij schijnt tot de Middellandsche Zee beperkt te zijn, -maar is hier aan alle kusten een zeer gewone verschijning. Het meest -vindt men haar op een slijkerigen bodem van 10 à 100 M. diepte, in -alle jaargetijden echter ook op zand- en grintgrond, minder dikwijls -op rotsen.--Ondanks hun muscuslucht worden deze dieren in menigte op -de markt gebracht om tot spijs te dienen. - - - -Een derde, reeds in overouden tijd beroemden, herhaaldelijk beschreven -vorm van de Achtarmige Tweekieuwigen is de Papier-nautilus (Argonauta -argo). Alleen het wijfje is met de afgebeelde, fraaie en dunwandige -schelp uitgerust. Het veel kleinere mannetje bezit geen schelp. Beide -hebben een afgerond lichaam met kleinen kop en ver vooruitstekenden, -langen trechter; het wijfje kenmerkt zich door de vliezige verbreeding -van het bovenste paar armen en door een zeer fraaie, schitterende -kleur. De romp is van onderen en onder aan de zijden bruinachtig -met zilverglans en met een lichte weerschijn, die, al naar de -richting en de sterkte der invallende lichtstralen, blauwachtig, -grijsachtig of roodachtig is. Bovendien komen op deze van kleur -wisselende oppervlakte een groot aantal glinsterende stipjes voor, -sommige geel en kastanjebruin, andere rozerood; hoe sneller beweging, -hoe fraaier kleuren. De rug en het bovenste deel van de zijden zijn -met een fraaie, lichtgroene kleur getooid, die, vooral tegen den -avond, pistache-groen wordt. De zilverkleur van de onderdeelen breidt -zich in den vorm van strepen ook over de (overigens groenachtige) -bovenste gedeelten der zijden uit, zoodat beide kleuren hier met -elkander afwisselen. Dergelijke kleuren vertoonen de kop en de armen. - -De sierlijke, papierdunne, hoogstens 20 cM. lange schelp van het -wijfje is naar verhouding rijk aan organische stof en daarom tamelijk -veerkrachtig, althans veel buigzamer dan de veel dunnere schelpen -van andere Weekdieren, b.v. van de Vinpootigen. Zij bevat slechts één -holte, geen door dwarsschotten gescheiden kamers, gelijk de schelp van -Nautilus welker spiraalwindingen in zooverre met de hare overeenkomen, -dat iedere omgang den vorigen geheel bedekt. In één opzicht verschilt -de Argonauta-schelp echter van iedere andere, n.l. doordat het dier -er op geenerlei wijze mede vergroeid is en een vorm vertoont, welke -in 't geheel niet overeenkomt met die van de holte, waarin het zich -ophoudt. Men meende daarom vroeger, dat deze schelp door een nog -onbekend Weekdier gevormd en na diens dood door den Papier-nautilus -in bezit genomen werd. Thans weet men, dat de vliezig verbreede armen -geschikt zijn voor de taak, die bij andere Weekdieren verricht wordt -door den mantel. Zij hebben een achterwaartsche richting en krommen -zich, naar onderen en naar voren, zoodat hunne vliezige lobben de -schelp aan weerszijden bedekken. Het dier kan deze woning verlaten -en eenigen tijd daarbuiten leven. - -Men heeft de Papier-nautilus dikwijls afgebeeld in een houding, -die zij onmogelijk kan hebben; deze onjuiste voorstelling berust op -de reeds door Aristoteles verkondigde meening, dat het dier, aan -de oppervlakte van de zee drijvend, zijne beide vliezig verbreede -armen naar boven richt en als zeilen gebruikt. Waar is het, dat de -Papier-nautilus zich bij windstilte aan den waterspiegel ophoudt en -dan met de achterste armen zich voortroeit. Onder water zwemt dit dier, -dat vooral op de kust van Sicilië en in de golf van Tarente veelvuldig -voorkomt, door het uitspuiten van water uit den trechter.--9 andere -soorten bewonen de tropische zeeën. - - - -De onderorde der Tienarmigen (Decapoda) omvat de van zuignappen -voorziene Cephalopoden, die, behalve 8 bewegingsorganen, welke met -die der Achtarmigen overeenstemmen, nog 2 sterk verlengde organen -bezitten, bestaande uit een gladden, langen steel en een aan diens -einde geplaatste, zuignappen dragende plaat of knots. In den regel -bevinden deze beide afwijkend gebouwde grijparmen zich in voor hen -bestemde scheeden, waarin zij grootendeels teruggetrokken kunnen -worden. Zij dienen niet als bewegings-, maar als grijporganen. Alle -Tienarmigen hebben aan de rugzijde een door de huid bedekte, -verkalkte of hoornachtige plaat. De meeste soorten leven in de open -zee en trekken slechts in sommige omstandigheden, tot groote scholen -vereenigd, naar de kustwateren. Om aan de vervolging door groote -Visschen te ontkomen, springen zij boven den waterspiegel uit en -stranden hierdoor dikwijls op booten of aan den oever. Daar zij door -uiterlijk en levenswijze zeer uiteenloopen, geven wij ook hier aan -afzonderlijke beschrijvingen de voorkeur boven een algemeen overzicht. - -De leden van het geslacht der Dwerginktvisschen (Sepiola) onderscheiden -zich door een kort, afgerond lichaam met een half cirkelvormige vin -aan weerszijden van den romp. De rugplaat is hoornachtig en buigzaam, -slechts half zoo lang als het lichaam. De afgebeelde Sepiola Rondeleti, -die de geheele Middellandsche en Adriatische Zee bewoont, is een -van de kleinste Cephalopoden, daar exemplaren, welker totale lengte, -van het achtereinde tot aan den top der uitgestoken grijparmen, 16 -cM. bedraagt, reeds tot de zeldzaamheden behooren. Het levende dier -levert wegens zijn teere, rozeroode kleur en groote doorschijnendheid -een bekoorlijk schouwspel op. Het zwemt door middel van de vinnen -op zeer sierlijke wijze, naar verkiezing vooruit en achteruit; -de grijparmen zijn dan gewoonlijk teruggetrokken en de kop is als -'t ware tusschen de schouders gezeten.-- - -Een van de belangrijkste geslachten is dat der Inktvisschen -i.e.z. (Sepia), zoo genoemd naar het product van den inktzak en de -daaruit verkregen schildersverf; hun verkalkte rugplaat kwam vroeger -in alle apotheken voor onder den naam van os sepiae ("sepiabeen", -c) en wordt door de kustbewoners zeeschuim genoemd. De Inktvisschen -hebben een langwerpig, eivormig, eenigszins afgeplat lichaam, welks -romp geheel door een vin omzoomd is. De verst verbreide en talrijkst -vertegenwoordigde soort, de Gewone Inktvisch (Sepia officinalis), -is aan onze kust bekend onder den naam van Zeekat. Hare armen zijn -middelmatig lang; slechts de grijparmen zijn langer dan het lichaam; -hun zuignappen dragend uiteinde is lanspuntvormig. Aan de platte, -ovale rugschelp, die met het smalste, afgeronde uiteinde naar den -kop is gericht, zijn drie lagen te onderscheiden: de buitenste, -een dunne, stevige kalkplaat, heeft een segrijnachtige, (met fijne -knobbeltjes bezette) oppervlakte; de middelste laag is een dunne, -hoornachtige plaat; de grootste ruimte wordt echter ingenomen door -de derde laag, die uit zeer talrijke schuins naar bovengerichte, -sponsachtige kalkplaatjes bestaat en, fijngewreven als tandpoeder en -als polijstmiddel dienst doet. - -In den toestand van rust is de hoofdkleur van de iriseerende rugzijde -geelachtig rozerood, met witte vlekken langs de middellijn. De -kop is een weinig donkerder van kleur; de oogen zijn blauwachtig; -de witte vlekken der groenachtige armen verschillen in aantal en -wijze van rangschikking op ieder paar. Ten teeken van opgewondenheid -verschijnen op den rug een menigte onregelmatige knobbels van fraaie, -donker kastanjebruine kleur, met roodachtigen, aan koper herinnerenden -metaalglans. De kop en de armen schitteren intusschen met groenachtige -nuancen; de zilverglanzige oogbol weerspiegelt rozeroode, blauwe en -groene tinten; terwijl de vroeger witte vlekken op de armen de kleur -van rood koper aannemen. Bij alle Cephalopoden, en niet het minst -bij de Sepia's, brengen gemoedsaandoeningen groote veranderingen in -de uitdrukking der oogen teweeg. Deze hebben een zeer eigenaardig -uitzicht. Door de zeer smalle pupil, die ongeveer den vorm van -de Grieksche letter omega heeft, ziet men het donkerzwarte -vaatvlies. Van den bovenrand der oogkas gaat een huidplooi uit, die -kleurstofcellen bevat en als een bovenste ooglid tot op het middelste -gedeelte van de pupil over den oogbol heenhangt. - -Zeekatten van gemiddeld 15 cM. lengte ziet men veelvuldig in de -nabijheid van de kust, het meest op kleiachtige en zandige gronden; -op zulke plaatsen worden zij in groote sleepnetten gevangen. In 't -voorjaar maakt men als lokmiddel dikwijls gebruik van een wijfje, dat -aan een touw vastzit. Het zwemmend of op den grond liggend mannetje -zal, zoodra een wijfje in zijn nabijheid verschijnt, pijlsnel op haar -toeschieten en haar met de armen omklemmen. De visscher trekt het paar -voorzichtig naar zich toe, vangt het onder water in een schepnet, -behoudt het mannetje en laat het wijfje opnieuw te water. Het best -gelukt deze jacht bij maanlicht. Geheel op dezelfde wijze heeft de -vangst plaats met behulp van een stuk hout, dat den vorm heeft van -een Sepia en met stukjes spiegelglas behangen is. - -De Inktvisschen geraken in de groote waterbakken van het aquarium -te Napels zeer spoedig gewoon aan hun nieuwe omgeving. Wanneer de -oppasser aan het publiek wil laten zien, dat deze dieren door het -rijkelijk uitwerpen van inkt hun ontevredenheid toonen, moet hij -hen op onzachte wijze met een stok aanraken. Zij houden niet van -beweging; even als de Achtarmen, zoeken zij hun buit niet zwemmend -op, maar loerend van uit een hinderlaag. Op soortgelijke wijze en -met hetzelfde doel als de Schollen en Roggen bedekken zij zich met -zand en steentjes, die zij met de vinnen opwerpen. Te gelijkertijd -verschijnen groenachtige en grijze vlekken op den rug, welks kleur nu -zoo uitmuntend overeenstemt met die der omgeving, dat zoowel menschen -als dieren er door bedrogen worden en den Inktvisch eerst opmerken, -wanneer hij plotseling op zijn slachtoffer toeschiet.-- - -Een ander belangrijk geslacht is dat der Kalmars of Pijlinktvisschen -(Loligo), zoo genoemd, omdat het achterste deel van den -cilindervormigen, van achteren toegespitsten romp door de vinnen, die -op den rug samenkomen, meestal den vorm van een gevleugelde pijlspits -heeft. De naam Calamaro, dien men in Italië aan deze dieren geeft, -wordt afgeleid van 't nieuw-Latijnsche woord calamarium, dat een koker -met schrijfgereedschap aanduidt; het doelt op het rolronde lichaam, -dat een pen (de vedervormige, buigzame, hoornachtige rugplaat) en inkt -(in den inktzak) bevat. Bij den Gewonen Pijlinktvisch (Loligo vulgaris) -vormen de vinnen te zamen een rhomboïd, dat zich over 2/3 van den -romp uitstrekt. De langste armen zijn die van het eerste paar; naar -de lengte gerangschikt, volgen dan die van het 4e, 2e en 3e paar. De -hierbij niet medegerekende grijparmen zijn 1½ maal zoo lang als het -lichaam; hunne knotsvormig verdikte en verbreede uiteinden dragen 4 -reeksen van zeer ongelijke zuignappen. Een in 't oog vallend kenmerk -van dit dier zijn de zeer sterk uitkomende karmijnroode tinten. - -Zeer algemeen ontmoet men deze soort van Pijlinktvisschen in de -Middellandsche Zee en in den Atlantischen Oceaan, vooral in den herfst, -wijl zij dan, tot groote scholen vereenigd, rondzwerven. Soms komen -zij in groote menigte in de netten, die voor de Tonijnen-vangst -dienen. Het geheele jaar door worden zij van slijkerige en zandige -gronden met het treknet opgehaald, het talrijkst bij volle maan. Hun -beweging staat in verband met die der scholen van kleine Visschen, -waarmede zij zich voeden. Niet zelden wordt de Kalmar 10 KG. zwaar; -nu en dan vindt men nog grootere exemplaren (in den regel dood en -op het strand): een van deze had een rugplaat van 75 cM. Gemiddeld -bedraagt de lengte van het geheele dier (zonder de grijparmen) niet -meer dan 20 cM.; de wijfjes worden iets grooter dan de mannetjes. De -middelmatig groote Pijlinktvisschen zijn wegens hun fijneren smaak -en malscher vleesch meer gezocht dan de Sepia's en de meeste andere -op de markt komende Cephalopoden. - -Ook den Gewonen Pijlinktvisch zal men geregeld in het aquarium te -Napels aantreffen, ofschoon hij het hier niet lang uithoudt. Als -bewoner van de open zee gedraagt hij zich geheel anders dan zijne -reeds genoemde in een hinderlaag loerende verwanten. Op sierlijke -wijze roeit hij zich voort met de op vleugels gelijkende vinnen: bij -het achteruitzwemmen helpt hem de schok van het door den trechter -uitgeperste water. Hij vermijdt zorgvuldig elke aanraking met de -wanden van den bak; de geheele school verandert bijna in 't zelfde -oogenblik van richting.-- - -Bij verscheidene door vorm en levenswijze op de Pijlinktvisschen -gelijkende geslachten, die men Hakenkalmars kan noemen, zijn de armen, -behalve met zuignappen, ook nog met hoornachtige haken gewapend. Deze -komen bij het soortenrijke geslacht Onychoteuthis alleen aan de -grijparmen voor. - - - -Aan de rugplaat van de Zeekat (fig. c) kan men (boven *), behalve -de eigenlijke plaat ook nog een veel kleiner en harder, zeer licht -afbrekend deel (de snavel of stekel) onderscheiden, dat aan vele op het -strand liggende schelpen van deze Sepia niet meer voorkomt. Het voorste -deel van den stekel is aan de binnenzijde uitgehold en bevat het nietig -kleine beginsel van een zeer flauw gekromde, gekamerde schelp. Dit deel -nu is duidelijk ontwikkeld bij de zoogenaamde Posthoorntjes (Spirula), -waarvan 3 soorten bekend zijn, die de zeeën van den keerkringsgordel -bewonen (in grooten getale worden hunne schelpjes o.a. op de kust van -Nieuw-Zeeland gevonden). Spirula fragilis bewoont den Atlantischen -Oceaan en de Moluksche Zee. Uit den aan 't achtereind gespleten -mantel van het langwerpig rolronde dier komt de hierboven afgebeelde, -spiraalsgewijs gewonden schelp (die geheel uit parelmoer bestaat) -gedeeltelijk te voorschijn. De omgangen liggen in één vlak, raken -elkander niet en zijn cirkelrond op de doorsnede. De schelp is door van -achteren bolle tusschenschotten in een groot aantal kamertjes verdeeld, -die naar voren allengs wijder worden. In de voorste of laatst gevormde -kamer is een deel van den ingewandenzak opgenomen: de overige kamers -zijn met lucht gevuld. Aan de holle zijde van de omgangen zijn alle -dwarsschotten van een opening voorzien, waarin een tamelijk wijde buis -(sipho) voorkomt, die zich door alle kamers uitstrekt. - -Alle drie deelen van de inwendige schelp (plaat, stekel en gekamerde -schelp) waren goed ontwikkeld bij de Belemnieten, die van de aanvang -der lias-formatie tot in het begin van het tertiaire tijdvak -leefden. Vooral in de oudste krijtlagen treft men hunne stekels -(bekend onder den naam van "dondersteenen" of "duivelsvingers") in -overgroot aantal aan. Sommige hebben 0.6 à 0.8 M. lengte, waaruit -valt af te leiden, dat hunne bezitters in 't geheel 2 à 2.5 cM. lang -waren. Men kent ongeveer 350 soorten van deze fossielen. - - - -De voortplanting van de Tweekieuwige Koppootigen kunnen wij nu in -'t algemeen bespreken. Eerst in deze eeuw heeft men ontdekt, dat het -voornaamste onderscheid tusschen het mannetje en het wijfje bestaat -in den afwijkenden bouw van een der armen. Dit verschil is van meer -belang, dan sommige andere sexueele eigenaardigheden, b.v. de witte -streep op de vinnen, waaraan het mannetje van Sepia kenbaar is, de -grootere lengte van het lichaam bij het wijfje der Loliginen, enz. Bij -Argonauta is de 3e arm links, bij Octopus de 3e arm rechts, bij Sepia -en Loligo de 4e arm links, zooals men het noemt, "gehectocotyliseerd"; -de gewijzigde arm doet bij de paring dienst. - -De eieren zijn gewoonlijk ieder afzonderlijk, of verscheidene -tegelijk, omhuld door een kapsel of schaal; door de stof, waaruit deze -hulsels bestaan, zijn zij tevens onderling verbonden tot trossen, -snoeren, bundels, enz. De Sepia bevestigt hare zwarte eikapsels, -ieder afzonderlijk, of bij groepen, aan polypenstokken, algen, -zeegras, stukken hout of in 't water drijvende takken. Terwijl het -eierenleggende dier deze voorwerpen met de armen omvat, wordt het -uiteinde van den kapselsteel in nog weeken toestand er omheen gelegd, -zoodat het een ring vormt. De eikapsels van Loligo zijn lange buizen, -die ieder 30 à 40, op 3 of 4 rijen geplaatste eieren bevatten; zij -worden in grooten getale aan een onderzeesch voorwerp vastgehecht, -zoodat zij er in alle richtingen van uitstralen; een enkele eierenhoop -bevat soms 40000 eieren. - - - - - -TWEEDE ORDE. - -DE VIERKIEUWIGEN (Tetrabranchiata). - -Van den vroegeren bloei dezer orde getuigen, in alle uit zee -bezonken aardlagen, te beginnen bij de onderste Silurische talrijke -fossielen. Deze vormen 6500 soorten, waarvan 2500 behooren tot de -(reeds in den Cambrischen tijd vertegenwoordigde) onderorde der -Nautiloïden en 4000 tot de jongere, doch sedert den aanvang der -krijtperiode geheel uitgestorven onderorde der Ammonoïden, zoo -genoemd naar het soortenrijk geslacht der Ammonshoorns (Ammonites), -dat tegenwoordig in een groot aantal geslachten is gesplitst. Als -laatst overgebleven leden van dezen stam, verdienen de 6 soorten van -het geslacht Nautilus in hooge mate onze belangstelling. Hunne weeke -deelen krijgt een deskundige slechts zelden in handen; veelvuldig -ontmoet men echter in de verzamelingen hun fraaie, spiraalswijs -gewonden schelp, die een middellijn van ongeveer 25 cM. kan bereiken -en gewoonlijk afkomstig is van Nautilus pompilius uit den Indischen -Oceaan. Bij deze is de schelp van buiten porseleinachtig wit en met -roode dwarsstrepen geteekend; hare oudste windingen zijn door de -jongste volkomen bedekt. De voorste, van binnen parelmoerglanzige -ruimte is van achteren gesloten door een concaaf dwarsschot. Het dier -bewoont uitsluitend de korte, maar wijde, laatste afdeeling van de -schelp: zijn lichaam strekt zich niet, evenals dat van de Slakken, door -alle omgangen uit. Aan het bedoelde dwarsschot, dat in het midden een -opening heeft, gaan, zooals uit de achterstaande afbeelding blijkt, -een groot aantal dergelijke dwarsschotten vooraf, die de geheele -inwendige ruimte in kamers verdeelen en, door welker openingen zich -een deels vliezige, deels verkalkte buis of sipho uitstrekt. - -In hoofdtrekken komt de bouw van Nautilus met dien der overige -Cephalopoden overeen: ook bij hem bestaat het lichaam uit een kop -met aanhangsels, die den mond omgeven en een door den mantel omhulden -ingewandenzak, die aan de buikzijde voorzien is van een trechter. De -aanhangsels van den kop dragen echter geen zuignappen; zij heeten -voelers of tentakels en kunnen teruggetrokken worden in scheeden, -die gezamenlijk om de mondopening twee concentrische kringen vormen, -welke aan de buikzijde bij den trechter een gaping vertoonen. De -scheeden van de beide bovenste voelers zijn uitgegroeid tot een -breede kopkap, die als een deksel de opening van de schelp sluit, -zoodra het dier zich teruggetrokken heeft. De trechter is aan de -buikzijde overlangs gespleten en kan dus alleen door het tegen elkander -aanvoegen van de randgedeelten zijner beide lobben gesloten worden, -waaruit voortvloeit, dat hij een veel minder krachtige beweging zal -veroorzaken dan die der Tweekieuwigen. Onder in de mantelholte zijn -aan iedere zijde twee kieuwen gelegen. Het achterste deel van het -dier is langwerpig en afgerond, zooals reeds blijkt uit den vorm van -de kamer, die het bewoont. Daar de trechter aan de convexe zijde van -de schelp gelegen is, moet men zich in de afbeelding den buik bij *, -den rug bij ** voorstellen. - -Voor het terugtrekken van het lichaam in de schelp dienen twee -krachtige spieren, die onder de oogen aan den kop zijn gehecht; -de plaatsen waar zij ontspringen, zijn aan de binnenste oppervlakte -van de schelp door flauwe indruksels aangeduid. Terzelfder hoogte is -een eenigszins verdikte ring van den mantel met de schelp vergroeid; -hierdoor wordt de ruimte tusschen romp en schelp in twee afdeelingen -gescheiden en de achterste volkomen afgesloten van de daarvoor -gelegene. Gene zal naarmate het dier groeit, zich vullen met lucht, -welke wordt uitgescheiden door het achter den ring gelegen deel van den -mantel, terwijl het voorste deel van den mantel voortdurend parelmoer -vormt en de spiraalwinding vergroot door toevoeging van een nieuwe -strook (groeiring) aan den vrijen rand van de opening. Het dier wordt -gedurende het tijdperk van groei door de lucht, die zich achter zijn -romp ophoopt, al verder en verder naar buiten geperst; het trekt zich -uit het nauwste deel van de kamer niet geheel terug, maar blijft met -het laatst gevormde dwarsschot verbonden door een dunne, buisvormige -voortzetting (sipho) van de achtervlakte van den mantel. - -Op ieder tijdperk van groei volgt een periode van rust, waarin door de -achtervlakte van den mantel geen lucht, maar een parelmoerlaag wordt -uitgescheiden, die een nieuwe met lucht gevulde kamer begrenst. Daar -ook het laatst gevormde deel van de sipho in dezen tijd parelmoer -vormt, zal de opening in het dwarsschot voorzien zijn van een -kokervormig, achterwaarts gericht verlengstuk. Ieder dwarsschot -duidt dus een nieuwen ontwikkelingskring aan; indien men er den -duur van kende, zou men uit het aantal schotten den ouderdom van den -Nautilus kunnen afleiden.--Hoewel de lichaamsbouw van dit dier, door -de onderzoekingen van Owen, Vrolik, Valenciennes, Van der Hoeven en -Keferstein, vrij nauwkeurig bekend is, bepaalt onze kennis van zijn -levenswijze zich nagenoeg tot hetgeen Georg Eberhard Rumph (als arts -in dienst van de Oost-Indische Compagnie in 1702 te Amboina overleden) -er in den "Amboineeschen Rariteitenkamer" van mededeelt: "Als deze -Slak op het water drijft, verheft zij den kop met alle baarden" -(voelers) "er boven en spreidt deze over het water uit, terwijl ook -de achterste winding steeds boven de oppervlakte gelegen is. Als -zij echter op den grond ligt, is zij omgekeerd, houdt de schelp -omhoog en kruipt met den kop en de voelers tamelijk snel over den -bodem voort. Zij vertoeft meestal op den zeebodem en wordt soms in -de vischkorven gevangen. Wanneer na een storm de zee weder tot rust -komt, ziet men deze dieren bij troepen op het water drijven; hieruit -blijkt, dat zij ook bij troepen op den grond leven. Men vindt ze in -alle zeeën der Moluksche eilanden; ook in den omtrek van de Duizend -eilanden vóór Batavia en bij Java, ofschoon men meestal slechts de -ledige schelp aantreft, want het dier zelf wordt zelden gevonden, -alleen wanneer het in de vischkorven gekropen is. Het wordt, gelijk -andere zeedieren, als spijs gebruikt; maar zijn vleesch is veel harder -en moeielijker te verteren." - - - - - - - -TWEEDE KLASSE. - -DE BUIKPOOTIGEN (Gastropoda). - - -Iedereen kent vertegenwoordigers van deze klasse onder den naam -van Slakken, dieren met meer buik dan kop, die met moeite op hun -platte zool voortkruipen, het asymmetrische, spiraalswijs gewonden -huis, dat den ingewandenzak bevat, op den rug dragen en van oudsher -beschouwd worden als zinnebeelden van langzaamheid en trage, vervelende -bedachtzaamheid. - -Wegens het bezit van een meer of minder duidelijk begrensden kop heeft -men de Slakken ook wel Kopdragers (Cephalophora) genoemd. Zij stemmen -in dit opzicht, zooals reeds gebleken is, overeen met de Cephalopoden, -die zich van haar door het bezit van armen om de mondopening -onderscheiden. Dat het bezit van een kop een belangrijk kenmerk van de -Slakken is, blijkt reeds bij oppervlakkige vergelijking van deze dieren -met de Mossels, waaraan men tevergeefs naar een kop zou zoeken; deze -staan hierdoor op veel lageren trap van organisatie en toonen dit door -haar leven. Hoogst eigenaardig is ook de "slakkengang." Deze beweging -komt tot stand door de werking van de zoolvormige, gespierde schijf, -van den voet, die vooral bij de Naakte Slakken, waar zij zich over de -geheele buikzijde van 't lichaam uitstrekt, bijzonder duidelijk in 't -oog valt. Aan dit orgaan danken de Slakken den naam van Buikpootigen -(Gastropoda). Wanneer men een Slak op een stuk vensterglas laat -kruipen en dit omkeert, ziet men, terwijl het dier zijn gelijkmatige -beweging voortzet, in 't midden van de zool rimpels en groeven, die -zich "als de golven der zee," gelijk Swammerdam zegt, van den kop -naar den staart voortplanten. Een Landslak zal tevens het door haar -gevolgde pad bedekken met een als zilver glinsterende laag van slijm; -het dier scheidt deze stof uit om minder hinder te hebben van de -oneffenheden. De Waterslakken bewegen zich geheel op dezelfde wijze, -kruipen over den zeebodem, beklimmen steile rotsmassa's of dwalen in -hare schuilplaatsen tusschen zeeplanten en koralen rond. Bovendien kan -men aan al onze Land- en Waterslakken opmerken, welke eigenaardigheden -de mantel, die bij alle Weekdieren zulk eene belangrijke rol speelt, -in deze klasse vertoont. Bij de Huisjesslakken vormt hij van voren -een dikke plooi, die als een kraag over den kop kan worden getrokken, -en van achteren een soort van breukzak, die een groot deel van de -ingewanden bevat; bij de meeste Naakte Slakken onderscheidt hij zich -niet duidelijk van de overige lichaams-bekleedselen; hoe echter zijn -vorm moge zijn, nooit is hij aan de buikzijde gesloten. - -De Slakken zijn voor 't meerendeel waterdieren; de meeste bewonen -de zee. Zeeslakken ontmoet men in ieder gebied, te beginnen bij het -uiterste deel van de kust, dat nog geregeld door de golven bespoeld -wordt, tot in de open zee op alle diepten. Geen enkele Zeeslak heeft -zich boven de ademhaling door kieuwen verheven; alle Longslakken -leven in het zoetwater of op het land. - -Voor het begrijpen van de beschrijving van een Slak is eenige -bekendheid met den bouw en de samenstelling van haar schelp -noodzakelijk. Het voornaamste bestanddeel van alle Weekdierschelpen -is koolzure kalk; de hoeveelheid dezer stof wisselt in de schelpen -van de hedendaagsche Slakken van 95 tot 98 percent af; het gehalte -aan organische stof (conchioline) bedraagt ongeveer 1.5 percent. - -Om den vorm van een slakkenhuis in 't algemeen te leeren kennen, zou -men als type de voorkeur kunnen geven aan de schelp van de grootste -Europeesche Landslak, van de Wijngaardslak (Helix pomatia). Daar -echter deze soort hier te lande zeldzaam is (men vindt haar hier en -daar in de duinen, ook in Gaasterland en Limburg) en waarschijnlijk -van elders werd ingevoerd, zullen wij liever de zeer algemeene, -doch aanmerkelijk kleinere Tuinslak (Helix nemoralis) als voorbeeld -nemen. De meeste verschijnselen, die wij nu te bespreken hebben, -komen trouwens bij beide soorten voor. Wanneer men een slakkenhuis -met de spits (of top) naar zich toe en met het grondvlak (de basis) -op de tafel plaatst, heeft het denzelfden stand, als wanneer het nog -bewoond wordt door het (in dit geval van ons af kruipende) dier, zoodat -men zich gemakkelijk rekenschap kan geven van de uitdrukkingen vóór (of -onder), achter (of boven), links en rechts: de buitenrand van den mond -(of opening) der schelp is nu rechts gelegen. Wanneer men het huisje -met de spits omhoog en de opening naar zich toe in de hand houdt, -ziet men de omgangen van rechts naar links afdalen. Onze schelpen zijn -dus rechts gewonden, evenals die van de meeste Slakken. Slechts enkele -geslachten--b.v. de Blaashorenslakken (Physa) en de Spoelhoornslakken -(Clausilia)--zijn geregeld links gewonden. Bij uitzondering vindt -men ook bij allerlei andere geslachten en soorten exemplaren, die -door een links gewonden huisje van den regel afwijken, b.v. bij -Wijngaardslakken.--Aan den rand van den naar ons toegekeerden mond -der schelp onderscheidt men twee gedeelten: rechterrand, buitenrand -of buitenlip en linkerrand, binnenrand of binnenlip (welker onderste -deel spilrand heet). Bij de schelpen, die wij als voorbeelden kozen, -zijn beide lippen gescheiden, althans van boven, waar het uiteinde -van de naad (de uitwendig zichtbare verbindingslijn der omgangen) -de grens vormt. (Zelden, o.a. bij Cyclostoma en Scalaria vormen -beide randen een onverdeelde, meestal cirkelvormige of ovale -lijn.) De echte binnenlip is steeds, zooals in ons geval, kenbaar -aan een (soms zeer dun) kalklaagje van afwijkende geaardheid, dat, -zich over het midden van het grondvlak der schelp uitbreidend, -het zoogenaamde eelt vormt. Op de hierdoor bedekte plek zou anders, -zooals bij sommige huisjes van de Wijngaardslak werkelijk geschiedt, -een opening (of althans een nauwe spleet) overblijven. De navel -(of navelspleet) gaat hier echter niet verder dan de laatste omgang -(valsche navel). Wanneer echter de spiraalswijze kronkelingen van de -kegelvormige buis, waaruit men zich het slakkenhuis gevormd kan denken, -nergens geheel tot aan de as van de spiraal reiken, maar hier een -ruimte overlaten, zal de schelp een kanaal hebben, dat zich van het -grondvlak tot bij de spits uitstrekt (echte navel). Aan een stevige -strandschelp, b.v. de Gewone Wulk (Buccinum undatum), die volgens de -as is doorgezaagd of afgeslepen, merkt men een massieve spil op; bij -genavelde schelpen, b.v. de Verrekijkerslak (Solarium perspectivum), -zal men een doorboorde spil vinden.--De buitenlip heet recht, wanneer -zij, zooals bij de Tuinslak, een voortzetting vormt van den laatsten -omgang, omgeslagen, wanneer zij, zooals bij de Tuinslak, naar buiten, -ingerold, wanneer zij naar binnen omgebogen is.--Van enkele regelmatig -gewonden schelpen zijn de omgangen in 't geheel niet met elkander in -aanraking; een voorbeeld hiervan is de Echte Wenteltrap (Scalaria -pretiosa), die door de schelpenverzamelaars op zeer hoogen prijs -wordt gesteld.--Alle omgangen, met uitzondering van den laatsten, -vormen gezamenlijk de winding. De kern, het alleroudste deel van -de schelp, vertoont soms een afwijkenden vorm.--De Wijngaardslak, -de Tuinslak en de meeste van hare talrijke verwanten sluiten den mond -van het huisje alleen gedurende den winterslaap met een deksel, dat in -'t voorjaar wordt afgeworpen; bij de Wijngaardslak is het verkalkt; -bij de Tuinslak en andere Landslakken vliezig. Een blijvend deksel kan -ieder, die niet aan zee woont, te zien krijgen bij de Moerashoornslak -(Paludina). Deze draagt op de rugzijde van den voet een hoornachtige -plaat; bij vele andere Slakken is het deksel verkalkt en vertoont, -evenals het huisje, omgangen als gevolg van de voortdurende -vergrooting. Overal waar de omgeving beurtelings uit lucht en uit -water bestaat, is het deksel het eenvoudigste middel voor de Slak om -zich volkomen terug te trekken in de voor vloeistoffen ondoordringbare -schelp en deze waterdicht te sluiten. Het dier kan door het vocht, -dat zich nog in zijn woning bevindt, in 't leven blijven en zonder -eenige levenswerkzaamheid een gunstiger tijd afwachten. Daarom zijn -o.a. alle Strandslakken van een deksel voorzien. - - - - - -EERSTE ORDE. - -DE VINPOOTIGEN (Pteropoda). - -De Vinpootigen (Pteropoda) staan op een aanmerkelijk lageren trap -van organisatie dan de overige Slakken; hun lichaamsbouw biedt -verscheidene eigenaardigheden aan, die in een algemeen overzicht van -de klasse niet konden worden opgenomen, zonder dit onduidelijk te -maken en aanleiding te geven tot een verkeerde voorstelling. Bovendien -vertoonen de Vinpootigen eenige verwantschap met de overigens zooveel -hooger bewerktuigde Cephalopoden. Bepaaldelijk geldt dit van die, -welker achterlichaam door een mantel omhuld is; ook kan als zoodanig -gelden het maaksel van den trechter bij Nautilus, welks beide lobben -met de vinnen der Pteropoden vergeleken kunnen worden. - -De kop, die bij de echte Slakken zich kenmerkt door het bezit van mond -en lippen, van voelers en oogen, die vóór het overige lichaam uitsteekt -en er dikwijls zeer duidelijk door een hals van gescheiden is, valt -bij de Vinpootigen veel minder in 't oog. De plaats waar men hem moet -zoeken, is alleen aangeduid door de mondopening. In zijn omgeving staan -1 à 3 paren voelers, die echter bij vele soorten zeer klein zijn en -ook wel geheel kunnen ontbreken. Bij nauwkeurige vergelijking van de -inwendige organen der Vinpootigen met die der overige Slakken, merkt -men overal punten van overeenkomst op. Werkelijk karakteristiek zijn -alleen de organen, waaraan de naam der orde ontleend is, de vleugel- -of vinvormige, zijwaarts gerichte aanhangsels, van het voorste of -kopgedeelte van 't lichaam, of van de streek, die den hals der Echte -Slakken vertegenwoordigt. Deze dunne, vliezige platen, die men met -de zijstukken van den voet der Slakken vergelijken kan, zijn voorzien -van spiervezels, die elkander kruisen; zij worden op gelijke wijze en -dikwijls ook even snel als vlinder-vleugels op en neer bewogen. De -Pteropoden zijn daarom bij de visschers van de Middellandsche Zee -onder den zeer eigenaardigen naam van "Zeevlinders" (Farfalle di mare) -bekend. Alleen door voortdurend op deze wijze te roeien kunnen zij -vooruitkomen of op dezelfde plaats blijven. De rustelooze beweging -der vinnen geschiedt zonder merkbare inspanning en leidt uitmuntend -tot het beoogde doel; al naar den stand der roeiorganen zwemt het -dier rechtuit, naar boven of naar beneden; intusschen behoudt het -lichaam steeds een rechten of weinig hellenden stand. - -De Vinpootigen zijn over alle zeeën, van de pool tot den equator, -verbreid. Hun teere lichaamsbouw en hunne vinnen stempelen hen tot -bewoners van de open zee. Dat men hen soms ook in de nabijheid van -de kust aantreft, b.v. bij Nizza en Messina, hangt grootendeels van -de zeestroomingen af. Hoewel zij in de Middellandsche Zee dikwijls op -'t midden van den dag aan de oppervlakte van de zee gevangen worden, -zijn toch de meeste soorten nacht- en schemeringdieren; vooral op meer -zuidelijke breedten staat hun komst aan de oppervlakte in verband -met het verdwijnen van het directe zonlicht. Zoodra tusschen de -tropen de schemering begint, verschijnen allerlei kleine Heteropoden -en Pteropoden. De groote soorten vangt men echter niet, voordat het -volslagen nacht geworden is. Kort daarna verdwijnen alle in dezelfde -volgorde, als zij gekomen zijn, zoodat men omstreeks middernacht nog -slechts weinige individuën in de bovenste waterlaag waarneemt. Soms -blijft een enkele tot aan den morgen; na zonsopgang echter zoekt -men zoowel aan den waterspiegel als in de diepte, zoover het gezicht -reikt, te vergeefs naar een Vinpootige. Iedere soort houdt zich bij -'t komen en het gaan aan vaste uren of liever aan bepaalde graden -van duisternis. - -De Pteropoden zijn vleescheters; behalve op allerlei Weekdieren, -maken zij jacht op de kleine Schaaldieren, die in ontzaglijke menigte -de bovenste waterlaag bevolken. - - - -De Schelpdragende Vinpootigen (Thecosomata) hebben een weinig -ontwikkelden, dikwijls niet herkenbaren kop en slechts sporen van -voelers; de vinnen blijven steeds in samenhang met de "middellob", -een onparig orgaan, dat den voet der overige Slakken vervangt. Tot -deze onderorde behoort de familie der Hyaleaceën, welker vinnen tot aan -den oorsprong van elkander gescheiden en alleen met het onderste deel -van haar buitenrand met de middellob min of meer versmolten zijn. In -de dunne, hoornachtige of verkalkte schelp, die het lichaam omgeeft, -kunnen de vinnen geheel teruggetrokken worden. - -Bij Hyalaea is de schelp nagenoeg bolvormig, doch van achteren -van spitse uitsteeksels voorzien; van voren heeft zij een nauwe -opening, van achteren twee spleten, die het ademhalingswater naar -en van de kieuwen voeren; door iedere spleet steken twee tamelijk -groote aanhangsels van den mantel uit, die deels naar de rugzijde, -deels naar de buikzijde omgeslagen zijn en, zoolang het dier leeft, -de schelp bedekken. Bij dit geslacht zijn geen andere zintuigen -gevonden dan gehoorblaasjes. - -Cleodora en Creseis hebben een wijde opening aan de langwerpige schelp, -die bij gene kantig, bij deze rond en kegelvormig is. De korte voelers -in den nek dragen oogstipjes. - -De familie der Cymbuliaceën kenmerkt zich door de aanzienlijke grootte -van de breed aangehechte vinnen en door het bezit van een platte -"schelp", die uit een doorzichtige stof bestaat en in normalen -toestand door een lob van den mantel volkomen bedekt is; dit deel -van den mantel scheurt echter zeer licht en is slechts zelden bij de -gevangen exemplaren onbeschadigd gebleven. De weeke, kraakbeenachtige -schelp bestaat uit een organische stof. - -Van de familie der Limacinaceën, die zich door de spiraalswijs gewonden -schelp onderscheidt, zijn een vijftiental soorten uit allerlei zeeën -bekend. Een daarvan is Limacina arctica van de Groenlandsche kust, een -slakje van 4 mM. middellijn, dat het voornaamste voedsel uitmaakt van -den Vinvisch (Balaenoptera boops) en van den Groenlandschen Walvisch, -(Balaena mysticetus). - - - -De Naakte Vinpootigen (Gymnosomata) missen de schelp en hebben aan den -duidelijk begrensden kop 1 of 2 paar tentakels, die bij Pneumodermon -zuignappen dragen en hierdoor aan de armen der Tweekieuwige -Cephalopoden herinneren. Tusschen de plaatsen van aanhechting der -beide vinnen aan den hals, doch niet er mede verbonden, bevindt -zich de onparige afdeeling van den voet. Deze is bij de Clioniden -hoefijzervormig en soms met een aanhangsel uitgerust. De leden van het -geslacht Clio kunnen, als zij zich naar de diepte willen begeven, de -vinnen plooien en ze, met den geheelen kop en hals, in het achterlijf -terugtrekken. De 2.5 à 3.5 cM. lange Noordsche Clio, het Walvischaas -(Clio borealis) die vooral in de Groenlandsche Zee zeer veelvuldig -voorkomt, maakt het gewone voedsel uit van vele Roofvisschen, van de -Drieteenige Meeuw en ook van de zooeven genoemde Cetaceën. - - - - - -TWEEDE ORDE. - -DE ACHTERKIEUWIGEN (Opisthobranchia). - -Wij noodigen den lezer uit zich in gedachten te verplaatsen naar de -kustwateren van Zuid-Europa, waar draadvormige, struikachtige en aan -bladen herinnerende algen, gemengd met grove wieren, bonte weiden -vormend, den zeebodem bekleeden met een bekoorlijk plantentapijt. Een -prachtig schouwspel levert het kristalheldere water op, wanneer men, -in een langzaam voortdrijvende boot gezeten, in de diepte staart. Het -wemelt hier van Weekdieren. Boven onze Aardslakken, waaraan de meeste -door hun naakt lichaam herinneren, munten zij gewoonlijk uit door -de meerdere sierlijkheid van hun lichaamsbouw, door veelvormige, -als kieuwen dienende aanhangselen en door bontere kleuren. Vele van -de fraaie wezens, die over de waterplanten zich langzaam voortbewegen -behooren tot de orde der Achterkieuwigen (Opisthobranchia). Haar naam -ontleenen deze Zeeslakken, waarvan sommige door de huid, de meeste -echter door kieuwen ademen, aan de plaats, die deze ademhalingsorganen -innemen ten opzichte van het hart. Het bloed, dat uit de kieuwen komt, -begeeft zich door een naar voren gerichte buis naar de voorkamer van -het hart en wordt van hier naar de nog verder naar voren liggende -kamer gevoerd. Bijna zonder uitzondering zijn zij langwerpig van vorm -en naakt. Slechts enkele familiën onderscheiden zich door het bezit -van een schildvormige of gewonden schelp, die echter steeds minder -volkomen ontwikkeld is dan bij de Voorkieuwigen. Bij verreweg de meeste -strekt zich vóór den mond een huidplooi uit, de "voorhoofdschijf", -die een overblijfsel is van het "kopscherm", het bewegingsorgaan der -larven, en in twee "lipvoelers" eindigt; iets verder achterwaarts -bevinden zich bij sommige geslachten op het voorste deel van den rug -een paar zoogenaamde "reukvoelers". In tegenstelling met nagenoeg -alle Voorkieuwigen zijn de Achterkieuwigen steeds tweeslachtig. - -Deze orde omvat ongeveer 1000 bekende soorten, die door lichaamsbouw, -vorm en levenswijze zeer uiteenloopen. De hoogst ontwikkelde--de -Bedektkieuwigen (Tectibranchiata)--bezitten een mantel, die -de kieuwen meer of minder volkomen bedekt, en meestal ook een -uitwendige of inwendige schelp. Bij andere daarentegen zijn deze -typische eigenaardigheden van de Weekdieren min of meer verloren -gegaan; de kieuwen zijn onbedekt of zelfs niet aanwezig bij vele -vormen, die hierdoor een duidelijke toenadering tot de Platwormen -vertoonen. Deze laagst ontwikkelde Achterkieuwigen worden onder den -naam van Naaktkieuwigen (Nudibranchiata) in een onderorde samengevat. - - - -Tot de Bedektkieuwigen behoort o.a. de familie der Bullaceën. Deze -hebben op den rug aan de rechterzijde een vedervormige, door den -mantel bedekte kieuw. Bijna zonder uitzondering bezitten zij een -uitwendige schelp, die dikwijls zoo groot is, dat het geheele dier -zich er in verbergen kan. - -De Gewone Kogelslak (Acera bullata), die de Oostzee, de Noordzee en -de Middellandsche Zee bewoont, heeft een langwerpig, bijna rolvormig -lichaam; de kop is van boven naar onderen afgeplat en loopt van voren -stomp uit; de voelers zijn met de voorhoofdschijf vereenigd. De voet -heeft groote, afgeronde zijlobben, die het grootste deel van de schelp -kunnen bedekken. Het draadvormig aanhangsel van den achterrand van den -mantel, dat van achteren uit den schelpmond naar buiten treedt, kan -uitgestrekt en teruggetrokken worden. De schelp is dun, hoornachtig, -veerkrachtig en eivormig. Groote exemplaren van deze soort strekken -zich bij 't kruipen tot 40 mM. lengte uit. Hun krachtig ontwikkelde -voet is bovendien voor het zwemmen geschikt. Bij het rustende of -kruipende dier zijn de vrije zijlobben van den voet naar boven -omgeslagen, zoodat zij niet slechts de zijden van het lichaam, maar -ook den middelrug en een deel van de schelp, bovendien met den rand -elkander, bedekken. Als men deze Slak plaagt of uit het water neemt, -verkort zij het lichaam zoo sterk, dat het, op een driehoekig stukje -van de schelp na, geheel door den voet omhuld wordt. Het geheele dier -is dan een weeke, slijmerige kogel; hieraan dankt het zijn naam. - -In de bocht van Kiel komt deze soort op slijkerige, met zeegras -begroeide gronden veelvuldig voor; de grootste exemplaren vindt men -er in den winter en in de lente; zij voeden zich met bruine, rottende -plantendeelen; in het aquarium eten zij bovendien ook vleesch. Hier -beginnen zij reeds in Januari eieren te leggen; in de bocht van Kiel -vonden Meijer en Möbius in Mei en Juni deze eieren in zoo groote -hoeveelheid op het zeegras, dat zij ze bij handenvol uit het sleepnet -konden opscheppen. - -Zelden ziet men de Kogelslakken zwemmen; bij deze zeer eigenaardige -bewegingswijze leveren zij een zeer fraai schouwspel op: het is, -alsof zij gaan vliegen. De gele schelp wordt al vlugger en verder, -beurtelings naar voren en achteren verschoven; het voorste deel van -het lichaam wordt rhytmisch gebogen, de zijlobben van den voet bewegen -zich afwisselend zijwaarts en rugwaarts, al verder en krachtiger, -totdat eindelijk de neerwaartsche slagen het geheele lichaam van den -bodem opheffen. Nu stijgt het dier, afwisselend voor- en achterover -schommelend, al hooger en hooger in 't water op en neemt bij 't -zweven in het heldere vocht allerlei elegante houdingen aan. Als deze -bewegingen het krachtigst geschieden, doen de zijlobben van den voet -2 à 3 krachtige slagen in de seconde en verwijderen zich zoo ver van -'t lichaam, dat zij te zamen een van onderen holle vlakte vormen. - -Bij andere leden van dezelfde familie, o.a. bij de Opene Zeeamandel -(Philine aperta), wordt de schelp geheel door den mantel omhuld, zijn -de zijlobben van den voet zijwaarts gestrekt en verdikt en ontbreken -de voelers aan den kop. Deze soort wordt in de Oostzee en voorts van -de Noordsche kust tot in de Adriatische Zee gevonden; bij 't kruipen -rekt zij zich tot een lengte van 20 mM. uit. De dunne, 9 mM. hooge, -7 mM. breede, zeer wijdmondige, weinig gewonden schelp is melkwit, -eenigszins doorschijnend en parelmoerglanzig. - -Veelvuldiger leeft in de Noordzee bij onze kust de Stompe -Obliehorenslak (Utriculus obtusus), wiens vrij stevige, -ondoorschijnende, 10 mM. lange, 5 mM. breede schelp bijna rolrond -is, aan de spits geknot, met korte, ingedrukte uit 4 à 5 omgangen -bestaande winding en een van boven nauwen, van onderen eivormigen mond. - - - -De Zeehazen (Aplysiaceae) hebben een inwendige, zeer weinig ontwikkelde -(of in 't geheel geen) schelp. Het eerstgenoemde geval doet zich -voor bij den Gewonen Zeehaas (Aplysia depilans), die in den tijd -der Romeinsche keizers in verhalen betreffende toovenarij een groote -rol speelde. De ouden hielden hem ten onrechte voor zeer vergiftig; -zelfs door het zoeken van deze dieren stelde men zich aan de verdenking -van gifmengerij bloot. Domitianus werd beschuldigd zijn broeder Titus -met een uit Zeehazen bereiden gifdrank om 't leven te hebben gebracht. - -De naam is ontleend aan den vorm der voelers: twee platte, driehoekige -worden in nagenoeg horizontale richting vooruitgestoken en dienen -voor het zoeken van den weg en het betasten van 't voedsel; de beide -andere staan overeind en gelijken sprekend op een paar hazenooren. De -oogen zijn vóór de achterste voelers gelegen. Op het midden van den -rug ligt de schildvormige mantel, die een flauw gewelfde, soms geheel -hoornachtige, soms verkalkte schelp bevat. De mantelholte eindigt van -achteren in een korte buis; hierdoor komt het water bij de kieuw, -welker buitenste slippen gewoonlijk aan de rechterzijde buiten de -mondholte uitsteken, maar, evenals het grootste deel van den rug, -bedekt kunnen worden door twee vleugelvormige huidplooien, die het -dier gewoonlijk naar boven gericht houdt en golvend beweegt. Ook zijn -zij uitstekend geschikt voor 't zwemmen, een bewegingswijze, waarvan -het dier slechts zelden gebruik maakt. Wanneer de Zeehaas ongestoord -over steenen en wieren kruipt, is zijn lichaam dik en de huid -gespannen. Zoodra men hem aanvat en in een glas met water overbrengt, -werpt hij, behalve het vocht, dat zijn lichaam deed opzwellen, ook -een donkerviolette vloeistof uit, die zich gelijkmatig door het water -verdeelt en in zoo groote hoeveelheid uit de randen van den mantel -ontwijkt, dat het dier geheel onzichtbaar wordt. Ziegler noemt deze -vloeistof een sterke oplossing van anilinerood en analineviolet en -zegt, dat zij op drieërlei wijze als verdedigingsmiddel dient: zij -onttrekt het dier aan de oogen zijner vijanden door het water troebel -te maken, bezit giftige eigenschappen en verbreidt een walgelijken -reuk. De stank van Aplysia depilans, den 20 à 25 cM. langen Zeehaas -der Zuid-Europeesche kusten, is echter volgens andere onderzoekers, -niet zoo hevig, als veelvuldig beweerd wordt; ook werd door hen -volstrekt geen brandig gevoel waargenomen aan de deelen van de huid, -die met den Zeehaas in aanraking kwamen. Blijkbaar is het dier beter -dan zijn reputatie; zeer zeker verdient het niet den naam depilans -(de "ontharende"), daar de bewering der Italiaansche visschers, dat -het hoofdhaar van den persoon, die de Zeehaas aanraakt, uitvalt, -ongegrond is. Wel schijnt het waar te zijn, dat verwante soorten, -die de tropische zeeën bewonen, door de prikkeling, die zij bij -aanraking teweegbrengen, aan brandnetels herinneren. - -De Aplysiën herinneren niet slechts door hun uitwendige gedaante en -hun voedsel, maar ook door de in vele afdeelingen gescheiden maag -aan plantenetende Zoogdieren. Steeds vindt men den Zeehaas dan ook -grazend, meestal op grove wieren. Aplysia depilans komt dikwijls zoo -hoog op het strand, dat zij bij eb in kleine plasjes achterblijft, -die haar ternauwernood kunnen bevochtigen; zij komt echter ook op -diepten van verscheidene vademen voor. - - - -Bij de Zijdekieuwigen (Pleurobranchiaceae) ligt de kieuw niet -verborgen onder den schildvormigen mantel, maar bijna vrij in de -groeve tusschen den voet en den mantelrand, waaronder zij bij het -saamgetrokken dier verborgen is; evenals bij de vorige familiën, is -zij vedervormig en rechts gelegen. Bij sommige soorten ontbreekt de -schelp, bij de overige is zij schildvormig en plat, nu eens uitwendig -en verkalkt, dan weer inwendig en hoornachtig. Het laatstgenoemde geval -doet zich voor bij Pleurobranchus. Deze heeft een platten, nagenoeg -eivormigen voet, die bij sommige soorten breeder is en aan alle zijden -uitsteekt voorbij het door een vleezig mantelschild bedekte lichaam, -dat er als een eivormig gewelf op rust. Minder breed dan het lichaam -is de voet bij Pleurobranchus aurantiacus en P. ocellatus, die de -Middellandsche Zee bewonen. Onder den voorrand van het mantelschild -ontspringen twee holle voelers, die uit een opgerolde, dunne plaat -bestaan, waarop bij den oorsprong twee zeer kleine, zwarte stipjes (de -oogen) voorkomen. Onder de voelers, doch nog boven den mond, ligt een -driezijdige, naar voren zich verbreedende huidplooi (het mondscherm). - -De kruipende Slak vervormt haar lichaam in overeenstemming met alle -oneffenheden van het voorwerp, waarover zij zich voortbeweegt; -de weekheid van de weefsels maakt deze telkens herhaalde -gedaanteveranderingen mogelijk. In dezen toestand zijn de voelers, -het mondscherm en de kieuw steeds gestrekt. Het mondscherm is rijk -aan zenuwen en dient als tastorgaan. De zoogenaamde rugvoelers ziet -men nooit iets betasten en blijven steeds achterwaarts gericht. Zij -worden, zooals reeds vroeger gezegd is, als reukorganen beschouwd. Daar -zij den vorm hebben van een aan beide einden geopende buis, waardoor -onophoudelijk een stroom water wordt geleid, ten gevolge van de werking -der microscopische trilharen, die de binnenste oppervlakte bekleeden, -beantwoorden deze voelers in hooge mate aan de voorstelling, die men -door beschouwing van andere dieren van reukorganen verkrijgt. - -Pleurobranchus heeft de gewoonte bij aanraking en bij 't opheffen van -den steen, waaronder hij verborgen is, tot een bol in te krimpen en -zich te laten vallen. Den verzamelaar komt dit goed te pas, daar het -hem onmogelijk zou zijn, deze teere Slak onbeschadigd van de steenen -en uit hunne spleten op te nemen, indien zij, gelijk zoovele andere -Weekdieren, zich trachtte te redden door de stevige vasthechting van -den voet. - - - -Soortenrijker dan de vorige onderorde is die der Naaktkieuwigen -(Nudibranchiata). Zij hebben gedurende het embryonale leven in den -larvetoestand een fijne schelp, maar verliezen deze reeds vroegtijdig; -het volkomen ontwikkelde dier is naakt, bezit geen spoor van een -schelp. De meeste hebben op den rug kwast-, boom- of bladvormige -kieuwen, die echter altijd onbedekt blijven. - -Bij de Doris-achtige Naaktkieuwigen (Dorididae) vormen de veder- -of bladvormige kieuwen een fraaie ster of rozet om de aarsopening, -die zich midden op het achterste deel van den rug bevindt. Vele -soorten kunnen de kieuwen in een gemeenschappelijke holte terug -trekken. Terugtrekbaar in afzonderlijke holten zijn ook de rugvoelers, -althans bij de Sterslakken (Doris), een van de soortenrijkste -geslachten van de geheele onderorde. Deze dieren hebben een langwerpig -rond lichaam, aan de rugzijde bol en geheel bedekt door den mantel, die -zich tot vóór den kop en voorbij den rand van den voet uitstrekt. Hun -huid bevat kalkkorrels van eigenaardigen vorm. - -Een drietal soorten van dit geslacht werden in de Noordzee bij onze -kust waargenomen, o.a. de 3 cM. lange, grauwwitte Wrattige Sterslak -(Doris stellata), door Bomme in de vorige eeuw ontdekt en als "Egeltje -met een ster op den snuit" beschreven. De hierachter afgebeelde soort -kan een lengte van ruim 20 mM. bereiken en werd vooral in de lente -en den herfst op een zandigen en steenachtigen bodem in de Bocht van -Kiel aangetroffen op wieren en zeegras. Hier vindt men in September -en October hare eieren, tot snoeren vereenigd door een helder slijm. - - - -Bij een aantal geslachten, die gezamenlijk de familie der Aeolididen -vormen, zijn de kieuwen over den geheelen rug verdeeld, op reeksen -geplaatst en van zeer verschillende gedaante: bij sommige geslachten -vertakt, bij andere enkelvoudig. - - - -De Boompjesslakken (Dendronotus) hebben op den rug symmetrisch -gerangschikte, boomvormig vertakte aanhangsels. Een van de fraaiste -Naaktkieuwigen is de Gewone Boompjesslak (Dendronotus arborescens), -die een lengte van bijna 35 mM. kan bereiken. Zij valt duidelijk in -'t oog door haar vleeschroode grondkleur. Haar zeer slank en naar -achteren allengs spitser wordend lichaam bekoort het oog het meest -door de daarboven uitstekende, boomvormig vertakte kieuwen, die ten -getale van 7 à 9 dicht bij den voorrand van den kop in een halven -cirkel gerangschikt zijn en waarvan ook nog 5 of 6 paar langs den -rug verspreid liggen. Ook de voelers hebben een vertakten stam, -waarin zij teruggetrokken kunnen worden. Deze Slak kruipt liever -op de dunne spitsen der algen dan op den bodem rond. Dikwijls zit -zij aan de uiterste spits van een tak met vrij naar boven gericht -voorlijf en wendt dit, als een Spanrups, nu eens naar deze, dan weer -naar gene zijde om een vast voorwerp te zoeken, waarop zij verder -kan kruipen. Wanneer zij bij den waterspiegel zwemt, wordt de voet -afwisselend zooveel mogelijk verbreed en gootvormig opgevouwen, zoodat -de zijranden dicht bij elkander liggen. De boomvormige kieuwen, die bij -'t zwemmen naar buiten en naar onderen overhangen, hellen een weinig -achterover, als het dier met gestrekt lichaam rechtuit kruipt, en -wijken in alle richtingen uiteen, als het lichaam zich kromt. Algemeen -wordt deze Slak wegens haar slanke gestalte, teere kleur, zachte, -sierlijke beweging en niet het minst wegens de fijne, gemakkelijk in -schommeling gerakende boompjes, die haar rug versieren, als een van -de bekoorlijkste zeedieren beschouwd. Aan alle noordelijke kusten -komt zij vrij algemeen voor; door Bomme werd zij "Hartshoorn-gelijk -getakt Zeeslakje" genoemd. Bij Kiel vond men haar het veelvuldigst -in den winter op de boomen, die ten behoeve van de mosselteelt in -het binnenste deel van de Bocht zijn geplaatst. In een aquarium met -rottende en versche planten kan men haar lang in 't leven houden. - - - -De kern van de geheele familie wordt gevormd door het geslacht der -Draadslakken (Aeolis), die zich vooral kenmerken door het bezit -van symmetrisch gerangschikte papillen op den rug. Deze uitwassen -zijn, behalve als ademhalingsorganen, ook in andere opzichten van -zeer groot belang. In iedere papil dringt n.l. een buis door, die -van onderen met het boomvormig vertakte spijskanaal samenhangt en -door zijn samenstelling zich doet kennen als een deel van de lever, -welk orgaan hier dus op een zeer eigenaardige wijze uiteengespreid -is. De leverbuis staat in gemeenschap met een zakje in het bovenste -deel van de papil, welk zakje gevuld is met "netelcellen", nietig -kleine blaasjes, waaruit een draad te voorschijn kan komen, die een -prikkelende werking uitoefent op het wezen, dat er door getroffen -wordt. Waarschijnlijk treden deze netelcellen door een opening aan -'t einde van de papil in grooten getale naar buiten om als wapens -te dienen, wanneer de Slak andere dieren aanvalt, of zich tegen hen -moet verweren. - -De Gedoornde Draadslak (Aeolis papillosa), wordt in de Kielsche Bocht -ruim 5, aan onze en de Engelsche kust echter wel 15 cM. lang. Meestal -is zij bruinachtig grijs van kleur. Zij kruipt langzaam en zit -dikwijls stil. Zeldzamer dan andere Draadslakken begeeft zij zich -naar de oppervlakte om te zwemmen. Haar voedsel bestaat uit dierlijke -stoffen, vooral uit Actiniën (Zee-anemonen). Kleine exemplaren van -Actinia plumosa vat zij aan bij den rand van den voet en vreet hun een -halvemaanvormig gat in 't lijf, dat zij aanhoudend vergroot. Eindelijk -omgeeft zij met den sterk uitgezetten mond het geheele overschot -van den buit en verzwelgt het langzamerhand zonder eenige uitwendig -zichtbare slikbewegingen. - - - -Uitsluitend in het Middellandsche-Zee-gebied leeft de Sluierslak -(Tethys fimbria) zoo genoemd wegens haar groot, niervormig "kopscherm"; -dit is ontstaan uit het bewegingswerktuig, dat bij de Weekdieren -gedurende den larvetoestand algemeen voorkomt, meestal gedurende de -volgende ontwikkelingsperioden groote wijzigingen ondergaat, minder -sterk groeit dan de overige lichaamsdeelen en bij vele groepen zelfs -spoorloos verdwijnt. De Sluierslak, die door de plaatsing harer kieuwen -aan Dendronotes herinnert, kan 30 cM. lang worden. Van haar leven in de -gevangenschap geeft Grabe, naar aanleiding van een door hem te Triëst -waargenomen exemplaar, de volgende aanschouwelijke beschrijving: "Het -volkomen gave dier bezat aan de zijden van den rug alle aanhangsels, -die vroeger als parasieten werden beschouwd. Deze waren ongeveer -peer- of peenvormig, sterk gezwollen, aan den oorsprong een weinig -ingesnoerd, onmiddellijk voor de kieuwen langs de zijden van den -rug bij paren gerangschikt, namen naar achteren in grootte af en -werden als roeiorganen uitgespreid en bewogen. Het eveneens gezwollen -lichaam, dat, gelijk de kieuwen, bijna kleurloos en doorzichtig was, -stak vreemd af bij de aanhangsels met hun lichtrooden top en donker-, -bijna zwartachtig roode middenvlek en bij de zwartachtige, door een -onregelmatigen, witten rand omringde oogvlekken der bovenzijde. Op -den rug liggend, wentelde het dier zich onophoudelijk en met een -zekere gratie heen en weer, waarbij het zich zoo sterk kromde, -dat het uiteinde van het lichaam de zijranden van het kopscherm -aanraakte. Het groote kopscherm was bijna geheel naar boven en -naar achteren omgeslagen; de zijranden der van onderen geheel holle -voetschijf waren benedenwaarts en naar binnen gekromd en zoo dicht -bijeengelegen, dat er hoogstens een smalle groeve tusschen overbleef, -zoo zij elkander niet aanraakten. In deze houding geleek het dier op -een hamer, waarvan het ineengekrompen kopscherm den kop en de steel -den romp voorstelt. Toen het tot kalmte kwam, breidde het den voet uit -en gaf aan dit orgaan den vorm van een diepen, ovalen schotel, welks -rand aan de zijden hooger was dan van voren en van achteren. In het -donker verbreidde het een sterk phosphoresceerend licht, niet slechts -als ik het dier aanraakte, maar ook als ik eenvoudig de hand door het -water bewoog. Ieder die de heftige bewegingen van deze Tethys heeft -gezien, zal niet meer, gelijk gewoonlijk geschiedt, alle Weekdieren -flegmatisch noemen." - - - -De Fluweelslakken (Elysia) bezitten geen als kieuwen dienende -aanhangsels; de voet is smal; twee aan 't achtereinde ineenvloeiende -huidplooien aan de zijden van het lichaam spelen bij de ademhaling een -belangrijke rol. De onduidelijk begrensde kop draagt twee voelers, -die overlangs opgerold zijn en dus een van boven en aan de zijde -geopende buis vormen. - -Van de Middellandsche Zee tot bij de kusten van Noord-Europa ontmoet -men de prachtig getooide Groene Fluweelslak (Elysia viridis). De kop, -de voelers en de voorrug zijn, evenals de buitenhelft der bladachtige -uitbreidingen van den achterrug, grootendeels fluweelachtig zwart, -soms met groene, soms met bruine tint; de hoofdkleur van den voet is -olijfgroen. Hier en daar komen sneeuwwitte vlekken voor; metaalachtig -glinsterende, groenachtig blauwe en roodachtig witte stipjes zijn -over de geheele oppervlakte verspreid; bij honderdvoudige vergrooting -blijkt, dat dit verschijnsel teweeggebracht wordt door dunwandige -cellen, welker inhoud het licht met een prachtige, smaragdgroene en -saffierblauwe kleur terugkaatst. Twee andere soorten van kleine cellen -veroorzaken een zilverachtigen of een helder koperachtigen glans. - -Bij zijne bewegingen neemt dit diertje zeer verschillende vormen -aan. Terwijl het over den bodem kruipt, strekt het zich gewoonlijk -recht uit, en glijdt betrekkelijk snel voort. Wanneer het daarentegen -langs den loodrechten wand van een aquariumbak omhoogkruipt, dienen -dikwijls de huidlappen met een deel van de zool voor de aanhechting; -dikwijls zelfs wordt het lichaam kurketrekkervormig gewrongen, -zoodat deelen van den buik en van den rug gelijktijdig den weg -aanraken. Deze Slak scheidt veel slijm af, die men, na aanraking van -haar huid met een staafje of penseel, in lange draden tot boven het -water kan uittrekken. Aan zulke slijmdraden hangt zij soms vrij te -midden van het water. - - - - - -DERDE ORDE. - -DE LONGSLAKKEN (Pulmonata). - -Alle Landslakken en de meeste Zoetwaterslakken ademen lucht. De mantel -vormt in de nekstreek een holte, welke bij de Naakte Slakken en bij de -Huisjesslakken met rechts gewonden schelp lucht ontvangt door een aan -de rechterzijde gelegen opening; de zolder van deze holte, de binnenste -laag van den mantel, bevat een dicht netwerk van bloedvaten. Terwijl -de Slak kruipt, is het ademgat duidelijk zichtbaar. Het wordt nauwer en -verdwijnt, wanneer men de Slak aanraakt en in haar huisje drijft; kort -nadat zij zich teruggetrokken heeft, ziet men dit gat echter opnieuw -verschijnen in de buurt van den spilrand. Natuurlijk moeten de in -'t water levende Longslakken aan de oppervlakte komen om te ademen; -evenals de Landslakken, stikken zij, indien men haar de gelegenheid -beneemt op deze wijze haar behoefte aan lucht te bevredigen. - -Dat de lichaamsbouw van de Naakte Slakken met die van de Huisjesslakken -overeenstemt, hoewel beide in uitzicht zeer verschillen, blijkt -spoedig uit de nadere vergelijking van een Limax-soort met een -Tuinslak of Wijngaardslak (Helix). Bij Limax is het achter den kop -gelegen deel van den voet van boven niet vrij, maar verbonden met -den zak, die de ingewanden bevat. Dit deel van het lichaam nu is -bij Helix spiraalsgewijs gewonden en blijft steeds verborgen in het -huisje; met de schelp is het slechts door één spier verbonden; deze, -de spilspier, ontspringt boven de eerste winding aan de spil; door -haar samentrekking keert het dier in het huisje terug. - -Om een Slak te ontleden doode men haar bij voorkeur onder water -door haar op een glazen plaat te laten kruipen, deze om te keeren -en hiermede een tot boven den rand gevuld glas water te bedekken; -men kan haar ook in volkomen uitgestrekten toestand gedurende 10 -à 12 seconden aan de werking van kokend water blootstellen. Zeer -ondoelmatig is het haar in spiritus te dooden, daar zij hierdoor te -sterk inkrimpt. De Huisjesslakken, die in kokend water gelegen hebben, -kan men gemakkelijk uit haar schelp draaien, daar de spilspier er -nu niet meer aan vastzit. Het ontleden moet onder water geschieden, -in een ondiep bakje, welks platte bodem bedekt is met een plaat -kurk, waaraan het doode dier in uitgestrekten toestand met spelden -wordt vastgestoken. Daar wij reeds aan het levende dier het ademgat -hebben leeren kennen, gaan wij van hier uit en knippen de mantelholte -open. De dikke ader, die haar bloed ontvangt uit de talrijke fijnere -vaten, welke een netwerk vormen in den zolder van de long, volgen -wij tot aan de linkerzijde, waar zij uitmondt in de voorkamer van -het hart. Het bloed begeeft zich van de voorkamer naar de kamer en -wordt van hier door de aorta en hare takken naar alle deelen van het -lichaam gevoerd. Alle Weekdieren hebben een arterieel hart: dit orgaan -ontvangt het bloed uit de ademhalingsorganen. Het hart van de Visschen -daarentegen zendt het bloed, dat voor het onderhouden van het lichaam -gediend heeft, naar de ademhalingsorganen en heet daarom "veneus". - -De mondholte met de haar omgevende dikke spiermassa heet slokdarmhoofd; -aan het gehemelte, achter de lip, is de bijna halvemaanvormige, -overlangs gerimpelde kaak vastgehecht. Het zeer samengestelde orgaan, -dat men wegens zijn ligging op den bodem van de mondholte tong noemt, -draagt een wrijfplaat (radula); deze kan gemakkelijk verwijderd -worden uit de scheede, waarin zij zich terugtrekt en levert dan een -fraai microscopisch preparaat op. Zij is n.l. bezet met een groot -aantal dwarse reeksen van tandjes, grootendeels samengesteld uit -chitine. Alle Koppootigen en Slakken hebben zulk een wrijfplaat, -van welker aanwezigheid en doel men zich het best kan overtuigen -door te letten op inheemsche Zoetwaterslakken, die men in slootwater -houdt. De binnenste oppervlakte van het glas is na verloop van eenige -dagen bedekt met een laag van microscopisch kleine, groene plantjes; -bijna aanhoudend ziet men de Slakken bezig, de bedoelde algen, -die haar tot voedsel dienen, van het glas af te likken of liever -af te vijlen door de tong beurtelings uit te steken en terug te -trekken. Wegens de belangrijkheid van dit orgaan voor het leven -van de Slakken zijn de hieraan ontleende kenmerken uitmuntend -geschikt voor de onderscheiding van familiën en geslachten. De -verschillende gedaante en rangschikking van de tandjes, staat in -verband met de soort van voedsel en de levenswijze. De wrijfplaat -kan gemakkelijk bewaard en nog na vele tientallen van jaren uit het -intusschen verdroogde dier afgezonderd worden.--Op het slokdarmhoofd -volgt de dunne slokdarm, die in de onverdeelde maag eindigt. Hierop -liggen de speekselklieren. Onmiddellijk achter de maag bevindt zich -de lever; deze omhult eenige kronkelingen van den darm, die zich -als endeldarm naar voren richt en naast het ademgat eindigt. Hier -mondt ook de afvoerbuis van de nier uit. De toestellen tot het -bevredigen van gastronomische neigingen zijn dus bij de Slakken goed -ontwikkeld.--De oogen aan den top der groote voelhorens werden reeds -door Swammerdam zorgvuldig beschreven. Twee gehoorblaasjes liggen tegen -den onderkant van den slokdarmring. Deze bevat 3 paar zenuwknoopen: -de bovenslokdarmknoopen, de voetknoopen en de kieuwknoopen; de beide -laatste paren bevinden zich onder den slokdarm.--Alle Longslakken -zijn tweeslachtig (hermaphrodiet) en leggen na paring eieren. - -Ook voor de levensverrichtingen der Landslakken is een vochtige -omgeving volstrekt noodig. De Naakte Slakken--en de Slakken -welker schelp het lichaam slechts voor een klein deel bedekt -(b.v. Testacella)--bezwijken spoedig in een droge ruimte; in een -kartonnen doos b.v. kunnen de kleine soorten geen 24 uur in 't -leven blijven. Over 't algemeen schijnen de bewoners van glanzige, -doorschijnende schelpen (Vitrina b.v.) veel vocht noodig te -hebben. Ook alle Slakken welker huisjes een harige opperhuid hebben -(b.v. vele Helix-soorten van de groep Fruticicola), houden van een -natte woonplaats. Daarentegen onderscheiden zich de Landslakken, -die goed aan de droogte weerstand bieden, door een ondoorzichtige, -doffe schelp, waaraan de opperhuid nagenoeg ontbreekt. - -Over 't algemeen oefent de warmte, binnen zekere grenzen, op de -Slakken een gunstigen invloed uit, voorzoover zij het uitdrogen -niet bevordert. In enkele warme bronnen leven sommige soorten nog -bij een temperatuur van meer dan 50° C., andere kunnen een zeer -lagen warmtegraad verdragen. In koude en gematigde gewesten weten de -Slakken aan den schadelijken invloed van den winter te ontkomen door -het afsluiten van de schelp met deksels en door het verblijf in een -doelmatige schuilplaats, waar zij in winterslaap verkeeren. Een hierop -gelijkende zomerslaap hebben de Landslakken der keerkringsgewesten -evenals vele Reptiliën en Insecten. Ook in dit geval kruipen zij in den -grond of maken gebruik van toevluchtsoorden onder steenen en takken. - -Daar alle slakkenhuizen verkalkt zijn en de hiervoor benoodigde -materiaal in het voedsel aan het organisme moet worden toegevoerd, -kunnen op plaatsen waar de bodem volkomen vrij van kalk is, geen -Huisjesslakken bestaan. Op den omvang van het verbreidingsgebied der -soort, op de talrijkheid der individuën, op de stevigheid, kleur -en doorschijnendheid van de schelp heeft daarom de geaardheid van -den bodem grooten invloed. De Slakken, die op graniet en dergelijke -weinig kalk bevattende gesteenten leven, hebben huisjes, die wegens -hun grooter gehalte aan organische stoffen levendiger gekleurd, -doorschijnender en dunwandiger zijn, dan die van leden van dezelfde -soort, welke op kalkvrije gronden leven. De opperhuid, die veel -meer organische stof bevat dan de daaronder liggende parelmoerlaag, -is bij beide nagenoeg even sterk, de parelmoerlaag daarentegen bij -exemplaren op granietgrond veel minder sterk ontwikkeld. - -De schelpenverzamelaar vindt nuttige wenken in hetgeen Roszmäszler -van de verblijfplaatsen en van het verzamelen der Landslakken zegt: -"Vele soorten kruipen bij voorkeur op planten rond en houden zich het -meest op aan de onderzijde van bladen en in de hoekpunten van takken; -andere leven op en onder afgevallen bladen, nog andere meer verborgen -onder het dichte moskleed, dat steenen en boomstammen bedekt; eenige -treft men zelfs aan in gezelschap van Aardwormen en Duizendpooten, -dikwijls onder een zoo grooten steen, dat het moeielijk te begrijpen -is, hoe een teer dier met brooze schelp onder dit zware voorwerp -geraakt. Sommige Slakken schijnen zich hier nog niet veilig te achten -en leiden een volkomen onderaardsch leven. - -"Daar de Landslakken bijna geen ander dan plantaardig voedsel -gebruiken, komen de meeste op of althans bij planten voor; zij -zijn merkbaar talrijker in bosschen met breedbladige dan in de met -naaldbladige boomen. Ook hier geldt de regel, dat vlakke gewesten -rijker zijn aan Slakken dan bergstreken. Steeds vond ik ze minder -veelvuldig in bergwouden dan in vochtige bosschen van de vlakte.--Nooit -leven de Slakken op aanzienlijke hoogte in de boomen; liever bewonen -zij laag kreupelhout, of vestigen zich in bosschen op kruiden of -op den bodem. Hoe dichter en schaduwrijker het struikgewas is, hoe -gedekter en vochtiger de plaats, waar het groeit, des te meer kans -heeft men er Slakken te vinden. Het liefst bewonen zij echter boschjes, -waar b.v. kornoeljes, braamstruiken, eschdoornen en hazelaars, door -hopstengels omrankt en met andere hoogopschietende kruiden als 't -ware doorgroeid zijn. Bij droog weer zijn zij hier niet gemakkelijk te -vinden, wel na een warme regenbui. Alle komen dan uit hare schuilhoeken -te voorschijn, om zich te laven aan de regendruppels, die van de bladen -en takken afhangen, en zich te verfrisschen in de heerlijke koelte. Wie -zich niet bekommert om de vallende druppels, de schrammende doornen -en de brandende netels, kan nu een groote menigte Slakken verzamelen. - -"Na het afzoeken van de takken en bladen van zulke struiken, verzuime -men niet, den bodem er om heen, die gewoonlijk met mos, steenen en -afgevallen bladen bedekt is, zorgvuldig te doorzoeken: verscheidene -hier levende zeldzame soorten, o.a. de Glashorenslakken (Vitrina), -komen niet dikwijls te voorschijn. De levende heggen komen nog het -meest overeen met de zooeven genoemde boschjes, wat rijkdom aan Slakken -betreft. Vooral heggen van vochtige en laag gelegen tuinen zijn in den -regel, en meer bepaaldelijk na een regenbui, sterk bevolkt. In tuinen -kan men echter ook wel op andere plaatsen met goed gevolg Slakken -zoeken. De buksboom- (of zoogenaamde "palm"-) randen rondom bloemperken -verschaffen vooral bij warm en droog weer een koele verblijfplaats -aan deze dieren, die men ook vindt in hoeken, waar onkruid groeit en -afval ligt, op plaatsen waar het uitgewiede onkruid neergeworpen wordt, -kortom op alle rommelige, donkere en vochtige plekken." - -Van de 6000 levende soorten, die (behalve ongeveer 700 fossielen) -de orde der Longslakken vormen, behooren 5800 tot de onderorde der -Landslakken (Stylommatophora), die al of niet een huisje bezitten -en oogen hebben aan den top van twee (in den regel door instulping -terugtrekbare) "oogvoelers"; verder naar voren en naar onderen staan -gewoonlijk nog twee kleinere "lipvoelers". - -Tot de familie der Heliciden (Helicidae) brengt men niet minder -dan 5000 levende soorten, waarvan meer dan 1800 behooren tot -het geslacht der Echte Slakken (Helix), dat in een groot aantal -ondergeslachten verdeeld wordt. Alle Heliciden hebben een goed -ontwikkelde, spiraalswijs gewonden, uitwendige schelp, die bij de -meeste (althans bij alle leden van het typische geslacht) ruim genoeg -is om het geheele dier te bevatten, maar overigens allerlei vormen -kan vertoonen: bij sommige plat (nagenoeg schijfvormig), bij andere -spits en lang (torenvormig) is. De kop draagt 4 voelers. De bewapening -van de mondholte bestaat uit een stevige, boogvormige, geribde kaak -en een wrijfplaat met zeer talrijke, gelijke, min of meer vierkante -tandjes. Bij Helix is de mond van de schelp scheef, halvemaanvormig -of rondachtig; de mondranden zijn gescheiden, de binnenlip wordt door -den voorlaatsten omgang gevormd. De grootste Europeesche soort is -de reeds genoemde Wijngaardslak [Helix (Helicogena) pomatia]. Haar -groote, bolvormige, buikige, geelachtige of bruinachtige schelp is -"bedekt doorboord", heeft een nauwen "bedekten navel", daar deze door -een binnenwaartsche uitbreiding van den spilrand gesloten is. Zij -bepaalt zich volstrekt niet tot de wijngaarden, hoewel zij zich -in 't voorjaar gaarne vergast op de knoppen der wijnstokken en op -deze wijze een aanzienlijke schade kan aanrichten; men vindt haar -overal in de droge, vooral in heuvelachtige oorden, waar grassen en -struiken groeien. Omdat zij groot is en gegeten wordt, heeft deze Slak -veelvuldiger dan andere leden van haar geslacht voor onderzoekingen -gediend. Zij en de meer zuidwaarts wonende Ruige Wijngaardslak (Helix -adspersa) behooren tot die soorten, welke in den herfst, bij voorkeur -op een met mos bedekte plaats, 20 à 30 cM. diep in den grond kruipen en -den mond van het huisje met een stevig verkalkt deksel sluiten. Het -dier trekt zich vervolgens nog tamelijk ver achter het deksel in -de schelp terug en brengt in de tusschenruimte een of meer vliezige -dwarsschotten aan. Gedurende den minstens 6 maanden aanhoudenden tijd -van afzondering, duren de ademhaling en de hartwerking onverpoosd -voort. Wel mist het kalkdeksel de opening, die men er bij eenige -andere soorten in aantreft, maar het is zoo poreus, dat door dezen -wand en door de overige dunne vliezen de gasuitwisseling ongehinderd -kan plaats hebben. De warmte van de maanden April en Mei wekt de Slak -tot nieuw leven op; het hart begint vlugger te slaan; vermoedelijk -noopt de vermeerderde behoefte aan lucht het (zeer zeker ook door -een hevigen honger gekwelde) dier tot het openen van het huisje; -dit geschiedt door den voet tegen de vliezige deksels te plaatsen, -waardoor deze niet stukgestooten, maar zonder moeite losgeweekt worden; -ook het oplichten van het kalkdeksel vereischt geen groote inspanning. - -In 't laatst van den zomer graaft de Wijngaardslak een kuiltje van -7 à 8 cM. diepte voor het bergen van de 60 à 80 eieren, die zij in 1 -of 2 dagen legt. Het eierennest is niet gemakkelijk te vinden, tenzij -onmiddellijk na het leggen aan de kleur van den grond, waarmede het -kuiltje dichtgemaakt is. Ieder ei heeft 6 à 8 mM. middellijn en is -omgeven door een witte, met kalkkristallen doormengde en hierdoor -stevige schaal. De ontwikkeling van de kiem duurt ongeveer 26 dagen. - -De Wijngaardslak is sinds lang in Zwitserland, Zuid-Duitschland en -Oostenrijk, vooral in den vastentijd, een zeer gezochte spijs. Nog -steeds wordt zij in Zwitserland en langs den Donau opzettelijk -voor dit doel in zoogenaamde "slakkentuinen" met koolbladen -enz. gemest. Gewoonlijk brengt men haar eerst op de markt, nadat zij de -schelp met een winterdeksel gesloten heeft. De handel in dit artikel -is echter niet meer zoo levendig als vroeger, toen uit de omstreken -van Ulm iederen winter meer dan 4 millioen Wijngaardslakken in vaten -van 10000 stuks langs den Donau tot voorbij Weenen stroomafwaarts -werden gevoerd. - -Zeer algemeen komen hier te lande drie groote soorten voor, die -ongeveer hetzelfde verbreidingsgsbied hebben als de Wijngaardslak, -maar aanmerkelijk kleiner zijn. De Heesterslak [Helix (Arionta) -arbustorum] heeft een bedekt doorboord, zeer gedrongen bolvormig, -glanzig huisje, van (gemiddeld) 21 mM. middellijn en 18 mM. hoogte; de -5 à 6 bolle omgangen nemen snel in grootte toe. De mond is maanvormig -en gerond; zij wordt door den voorlaatsten omgang weinig uitgesneden; -de mondrand is omgeslagen, verdikt en aan de binnenzijde glanzig -wit. Van buiten is de schelp kastanjebruin met een groot aantal -kleine, onregelmatig verspreide (soms op dwarsreeksen geplaatste), -stroogele vlammetjes en zigzagstrepen; gewoonlijk loopt iets boven -het midden van den laatsten omgang en langs den naad der winding een -bruine band. Het dier is blauwzwart met lichtere, bruingrijze zool; -twee donkere strepen op den rug gaan van de oogvoelers uit; deze zijn -aan den top lichter van kleur. De Heesterslak wordt, evenals de beide -volgende soorten, in tuinen, kreupelhout en heggen op beschaduwde, -vochtige plaatsen gevonden, ook op den grond en op lage planten. - -De Tuinslak [Helix (Tachea) nemoralis] heeft een breeder en minder -bolvormig huisje dan de vorige soort (gemiddelde middellijn 23, -hoogte 17 mM.); het is ongenaveld en heeft 5 à 6 geleidelijk in -grootte toenemende, tamelijk bolle omgangen. De mond is breed, -eenigszins afgerond en wordt door den voorlaatsten omgang zwak -boogvormig uitgesneden: de mondrand is een weinig omgeslagen; de -mondzoom kastanjebruin met een bijna zwarte lip. Van buiten is de -schelp meestal citroengeel (soms bruinrood, geelgroen, olijfbruin of -wit), gewoonlijk met donkerder banden (meestal 5 op den laatsten, van -deze alleen de 3 bovenste op iederen vroegeren omgang); ook door de -afwezigheid, het samenvloeien of het afgebroken zijn van sommige of -van alle banden onderscheiden zich de talrijke variëteiten, die men -van deze soort aantreft. Met haar komt door vorm, kleur en teekening -van het huisje de eveneens sterk varieerende Witlippige Tuinslak -[Helix (Tachea) hortensis] overeen; zij is kenbaar aan den bijna -altijd zuiver witten mondzoom van het in den regel dunnere huisje, -wordt vooral in tuinen en in de vlakte minder talrijk gevonden -dan de vorige soort en houdt over 't algemeen van vochtiger oorden; -noordwaarts en bovenwaarts strekt haar verbreidingsgebied zich verder -uit; ten zuiden van de Alpen en de Pyreneën komt zij niet voor. - - - -De Veelvraatslakken (Bulimus) komen in levenswijze met de Echte -Slakken overeen, doch zijn over 't algemeen grooter; het huisje is -langwerpiger (ei- of torenvormig), de mond meer verlengd; ook dit -geslacht is zeer rijk aan soorten (meer dan 1000). Slechts enkele -bewonen Europa, vele daarentegen de keerkringsgewesten, vooral -Zuid-Amerika, o.a. de Eivormige Veelvraatslak (Bulimus ovatus), die -te Rio de Janeiro gegeten wordt en een horen van 12 cM. hoogte heeft, -en de Langwerpige Veelvraatslak (Bulimus oblongus), welker 10 cM. hooge -schelpen in Paraguay zoo talrijk zijn, dat men er kalk van brandt. - -Nog grootere Landslakken bevat het geslacht der Agaathorens (Achatina), -dat meer nog dan het vorige tot de warme luchtstreken beperkt is. Het -dier onderscheidt zich door den plat en spits eindigenden voet, zijn -woning door de vrije, van onderen afgeknotte spil. De Patrijsslak -(Achatina perdix), die op vette weiden in West-Afrika leeft, wordt -16 cM. hoog; de helft van deze hoogte bereikt de hierboven afgebeelde -soort, die op Mauritius en Madagaskar door zijn vraatzucht in tuinen -en plantages schade aanricht. Evenals van vele andere Bulimus- -en Achatina-soorten, is haar schelp fraai gekleurd en geteekend; -de van geelachtig wit tot geelachtig bruin varieerende grond heeft -roodbruine, afgebrokene, overlangsche vlammen; de mond is wit, met -bruin gerande buitenlip. - -Onder afgevallen bladen, mos, rottend hout of steenen en in het -gras leeft bij ons op vochtige, beschaduwde plaatsen de geelachtig -hoornkleurige, 6 mM. hooge Glanzige Agaathoornslak (Achatina lubrica, -Bulimus lubricus), welker langwerpig eivormig, zeer glad, doorschijnend -schelpje een scheef peervormigen mond en een weinig afgeknotte spil -heeft. Zij is een van de weinige soorten, welker verbreidingsgebied -zich rondom de pool, n.l. over geheel Europa, Siberië en Noord-Amerika, -uitstrekt. - -Zeer vochtige oorden bewonen de meeste Amberhorenslakken (Succinea); -dit blijkt reeds uit de zeer wijde opening van de dunne, uit weinige -omgangen bestaande schelp. De behoefte aan water is ongelijk en -evenredig aan de grootte van den schelpmond. Deze is het grootst bij -de goudgele Succinea Pfeifferi, die niet, gelijk de barnsteenkleurige -Gewone Amberhorenslak (Succinea putris, fig. 2) aan waterkanten en -op vochtige weiden blijft, maar dikwijls te water gaat en hier als -een Poelslak rondzwemt. - -Een soortgelijke betrekking tusschen de levenswijze en den vorm der -schelp merkt men op bij de inheemsche Glashorenslakken (Vitrina), -die zich met rottende stoffen (vermoedelijk met de hierin levende -bacteriën en diertjes) voeden en soms elkander verslinden. De winding -van het dunne, doorzichtige schelpje is min of meer bedekt door -een ver buiten den schelp tredenden lob van den mantel, die aan -de rechterzijde naar boven en achteren omgeslagen is. De kleinste -schelpmond heeft Vitrina pellucida (fig. 1), de grootste Vitrina -elongata. De laatstgenoemde bewoont uitsluitend zeer vochtige bosschen -en houdt zich het meest op aan de oevers van beken, tusschen het mos -en de bovenste humuslaag, waarin zij gedurende de heete zomermaanden -zeer diep doordringt. Vitrina pellucida daarentegen wordt ook nog -wel gevonden op veel ongunstiger plaatsen, die in tijden van droogte -gedurende den geheelen dag aan de zonnehitte blootgesteld zijn. - -De beide volgende geslachten geven aan droge oorden de voorkeur en -zijn in de kalksteengebergten van de Alpen en van Zuid-Europa het -sterkst vertegenwoordigd. De meeste Tonhorentjes (Pupa) zijn niet -langer dan 10 à 15 mM., niet weinige microscopisch klein, geen -hunner hooger dan 25 mM. De schelp is ei- of rolvormig, de mond -meestal door tandvormige uitwassen vernauwd. Deze strekken zich in -den vorm van plooien bovenwaarts uit in het langere, slankere en -spitsere huisje van de Spoelhorenslakken (Clausilia), dat, zoodra -het dier zich terugtrekt, gesloten wordt door een kalkplaatje, het -"luikje", dat precies in den mond past en aan den spilrand een opening -overlaat, waardoor de lucht de ademholte kan bereiken. Het luikje -is door een veerkrachtig, naar boven gericht "steeltje" aan de spil -bevestigd en wordt bij het naar buiten komen van het dier opgenomen -in de "nis", een tusschenruimte van twee plooien der spil. Voor het -bewonen van oorden, waar langdurige tijdperken van droogte voorkomen, -zijn deze Slakken uitmuntend geschikt, daar zij maanden achtereen in -haar huisje verborgen kunnen blijven. Exemplaren van de Dalmatische -Clausilia amissana, die in Mei ingezameld en tot in den herfst van -het volgende jaar op een droge plaats bewaard werden, bleken toen -na bevochtiging nog in leven te zijn. Hier te lande vindt men het 3 -mM. hooge Mos-tonhorentje (Pupa muscorum) op droge weiden en heigrond, -den 16 à 20 mM. hoogen Tweetandigen Spoelhoren (Clausilia biplicata) -onder mos op muren en in bosschen. - - - -Onder den naam van Naakte Slakken (Limacidae) vatten wij alle -Longslakken samen, die in 't geheel geen schelp bezitten, of, verborgen -in het mantelschild, dat het voorste deel van den romp aan de rugzijde -bedekt, een klein kalkplaatje (Limax) of eenige onsamenhangende -kalkkorrels (Arion) hebben. Door het maaksel van de tong en de ligging -van het ademgat en van de geslachtsopening stemmen de Limaciden met de -Heliciden volkomen overeen. Ter vervanging van de uitwendige schelp, -die de Heliciden tegen plotselinge weersveranderingen beveiligt, wordt -bij de Limaciden door besproeiing van de oppervlakte een vermindering -van het vochtgehalte der huid door verdamping voorkomen. Deze -eigenaardige inrichting is bij een groot exemplaar van de Gewone -Aardslak (Arion empiricorum) duidelijk waar te nemen. Het mantelschild -is taai en korrelig, omgeven door een groeve, van voren verwijd tot -een soort van muts, waaronder de kop geborgen kan worden. Van de rand -van het mantelschild gaan straalsgewijs diepe groeven uit, die op -den rug de grootste diepte en lengte hebben en door scherp gekielde -kammen gescheiden zijn. Zij eindigen boven den bodem in de groeve, -die den zoom van den voet begrenst; het vocht, dat door deze kanalen -stroomt, vloeit dus niet onmiddellijk weg. Het geheele stelsel is -bedekt met slijm, dat door de tallooze eencellige slijmklieren van -de huid afgescheiden wordt, maar bevat ook nog een andere vloeistof, -die men bij onzachte aanraking van een rustig kruipende Slak als -een melkachtige stroom naast het ademgat (uit de nieropening) naar -buiten ziet komen. Dit vocht, dat, behalve het product van de nier, -ook water bevat (daar de nier water uit de lichaamsholte kan opnemen) -en misschien ten deele direct uit de bloedvaten afkomstig is, stroomt -door de groeven naar beneden en (ten gevolge van een capillaire -werking), ook in de ringvormige goot om het mantelschild en van -hier in het kanalenstelsel op den rug. De geheele oppervlakte van -de Slak wordt dus door tal van greppels van vocht voorzien, dat, -langzaam naar beneden vloeiend, verdampt. Door samentrekking van het -lichaam worden de groeven nauwer en dieper, hetgeen de verdamping -vertraagt. Niet bij alle Naakte Slakken is het bevloeiingsstelsel zoo -volkomen als bij de bovengenoemde soort. De schadelijkste van alle, -de 3 à 4 cM. lange Grauwe Veldslak of Akkeraardslak (Limax agrestis) -heeft geen uitpuilende rimpels, maar een gladde, door fijne groefjes -in veelhoekige velden verdeelde huid, en is daarom minder dan andere -tegen droogte bestand. Alleen bij vochtig weer verlaat zij, over -dag zoowel als 's avonds en 's nachts, hare schuilplaats om zich -te voeden met allerlei jonge gekweekte planten; als de zon schijnt -verbergt zij zich onder steenen, planken, bladen en in den grond.--De -beide belangrijke geslachten Limax en Arion verschillen, behalve -door de mate van ontwikkeling van de schelp, ook door de plaatsing -van het ademgat, dat bij Arion vóór, bij Limax achter het midden van -het mantelschild gelegen is; bovendien komen bij het laatstgenoemde -geslacht op het mantelschild concentrische golflijnen voor en is het -achterste deel van den rug gekield. De Groote Aardslak (Limax maximus) -is op witachtig grijzen of zwarten grond met donkerder of lichtere -overlangsche strepen of reeksen van vlekken geteekend; de kiel op den -rug is witachtig, geel of roodachtig. Zij bereikt dezelfde grootte -als de Gewone Aardslak. Deze komt vooral in bosschen voor, 't zij dan -in de zwarte, 't zij in de roode verscheidenheid. "In Groningen," -schrijft Prof. Ritzema Bos, "ziet men bijna altijd eerstgenoemde, -in Gelderland meer laatstgenoemde verscheidenheid. In bosschen komt -evenzeer de Groote Aardslak voor, welke Slak tevens degene is, welke -in vochtige kelders het meest wordt aangetroffen. In tuinen vindt -men zoowel de Akkeraardslak als de Tuinaardslak (Arion fuscus) en de -Gewone (zwarte of roode) Aardslak. Op bouwland is de Akkeraardslak -verreweg het meest algemeen. In 't algemeen kan gezegd worden, dat op -alle mogelijke vochtige plaatsen elke soort van Slakken aangetroffen -kan worden. Alle kunnen schadelijk worden, vooral wanneer zij jonge -gewassen aantasten. Sommige soorten leven doorgaans in bosschen van -paddestoelen en uitwerpselen, terwijl zij daarnevens boombast of -verschillende onkruiden (paardenbloem, weegbree) vreten." - -De Slakken zijn zeer vruchtbaar. De Grauwe Veldslak begint in Augustus -eieren te leggen en zet dezen arbeid, zoolang het vochtig weer blijft, -gedurende den herfst voort. In 't geheel brengt zij er wel 400 ter -wereld, die men, slechts dun bedekt, bij hoopjes van 6 tot 15, vooral -in de schaduw, aan den voet van tuinmuren b.v., aantreft. In Augustus -komen de jongen na 3 of 4 weken uit; de eieren, die laat in het jaar -gelegd worden, overwinteren, gelijk ook de Slakken zelve doen. - - - -De Ongesteeldoogigen (Basommatophora) hebben geen oogvoelers, wel 2 -lipvoelers, die niet ingestulpt kunnen worden. - -Tot deze onderorde behoort de familie der Oorslakken (Auriculidae), -welker leden (voor het meerendeel in den heeten aardgordel), behalve -aan de oevers van zout- en zoetwatermeeren en van de zee, ook op -andere zeer vochtige plaatsen, doch niet in het water leven. - -Belangrijker is voor ons de familie der Waterlongslakken -(Limnaeidae). Bij het typische geslacht der Poelslakken (Limnaeus) -merkt men afgeplatte, driehoekige voelers op. De schelp is rechts -gewonden, meestal dun en doorschijnend; de omgangen nemen zeer -snel in wijdte toe; de laatste maakt meestal het aanzienlijkste -deel van het huisje uit; met hem vergeleken is de winding soms zeer -onbeduidend. De Poelslakken bewonen bij voorkeur zeer zacht water, in -welks slijkerigen bodem allerlei waterplanten welig groeien. Behalve -op stengels of bladen en over den bodem, ziet men deze dieren dikwijls -ook langs den waterspiegel kruipen, waaraan zij met den voet hangen, -terwijl het huisje naar beneden gericht is; deze beweging merkt men -ook bij vele andere Buikpootigen op. - -De Gewone Poelslak (Limnaeus stagnalis), die in stilstaand water overal -veelvuldig gevonden wordt, is de grootste van haar geslacht en van alle -inheemsche Zoetwaterslakken; haar huisje is 6 à 7 cM. hoog. Dit dier, -welks grondkleur van vuil geelachtig grijs tot donker olijfgroen -afwisselt, is met geelachtige stipjes als bezaaid; de voet heeft -steeds een donkerder kleur, met lichten rand. - -Bij de Poelslakken merkt men tusschen de grootte van den schelpmond -en de levenswijze een soortgelijk verband op als bij de Vitrinen en -de Succiniden. De huisjes van de Gewone en van de Moeras-poelslak -(Limnaeus palustris), die beide moerassen en ander stilstaand water -bewonen, hebben een betrekkelijk kleine opening en een betrekkelijk -groote winding. Bij andere soorten is de schelpmond grooter en de -winding in dezelfde verhouding kleiner; aan 't einde van deze reeks -staat bij ons de Oorvormige Poelslak (Limnaeus auricularis), met een -schelp, die nagenoeg geheel door den laatsten omgang wordt gevormd -en waarvan de mond een nagenoeg 4-maal zoo grooten omtrek heeft als -de overige schelp. De laatstgenoemde soort wordt in meer bewogen -water gevonden; hare verwanten, die nog verder in dezelfde richting -voortgeschreden zijn, bewonen de stille bochten van de Zwitsersche -meeren en de zoogenaamde doode armen van rivieren. - -Alle Limneën hechten hare eieren in samenhangende, wormvormige of ovale -scholen aan allerlei in 't water liggende voorwerpen, meestal aan de -onderzijde van drijvende bladen van waterplanten. Dikwijls brengt -één dier, van Mei tot Augustus, een 20-tal van deze scholen voort, -die ieder 20 à 130 eieren bevatten. Zoowel het eierenleggen als de -ontwikkeling van de met trilhaarorganen uitgeruste en zich bewegende -kiemen kan men gemakkelijk bij exemplaren in een aquarium waarnemen. - -Overal waar Limneën zich ophouden, zal men ook Schijfhorenslakken -(Planorbis) aantreffen. Het huisje heeft de gedaante van een -schijf, waaraan men zoowel van boven als van onderen de omgangen kan -onderscheiden, daar zij een vlakke spiraal vormen. De winding steekt -niet of weinig uit; soms zelfs is de bovenzijde hol, de onderzijde -vlak. Enkele hebben een wijd genavelden horen, zooals de grootste en -meest voorkomende, inheemsche soort--de Gewone Schijfhoren (Planorbis -corneus)--, die een middellijn van 31 en een hoogte van 12 mM. kan -bereiken. Bij vele soorten heeft de laatste omgang een meer of minder -scherpe kiel. Het tamelijk slanke dier heeft een van voren afgeronden -kop met twee samentrekbare, lange, borstelvormige voelers. De tamelijk -korte voet is van voren afgeknot, van achteren afgerond. Van haar -woonplaats, levenswijze en beweging valt ongeveer hetzelfde te zeggen -als van Limnaeus. De Schijfhorenslakken bewonen voor 't meerendeel -het noordelijk halfrond en den gematigden aardgordel. Zij leggen de -eieren op soortgelijke wijze als de Limneën, doch vereenigen ze niet -tot langwerpige, maar tot ronde, platte scholen. - -De Beek-kaphoren (Ancylus fluviatilis) en de Poel-kaphoren (Acroloxus -lacustris), die beide ook tot onze fauna behooren, hebben een -napvormig huisje, dat slechts zwakke sporen van asymmetrie vertoont, -doordat bij de eerstgenoemde soort de spits een weinig naar rechts, -bij de laatstgenoemde zeer weinig naar links afwijkt; bij gene is -de eivormige schelpmond 5 mM. lang en 4 mM. breed, bij deze 7.5 -mM. lang en gemiddeld 3 mM. breed, doch van achteren smaller dan -van voren. Zij leiden een zeer eenvormig en lui leven, de eerste -in stroomend, de tweede in stilstaand zoetwater: gewoonlijk vindt -men het huisje stijf aangedrukt tegen bladen en steenen. Geen der -overige Land- en Zoetwaterslakken heeft een schelp van zulk een vorm; -wel komen soortgelijke huisjes bij Slakken in Spanje, Amerika, Cuba -en Nieuw-Zeeland voor. - - - - - -VIERDE ORDE. - -DE KIELSLAKKEN (Heteropoda). - -Evenals de Vinpootigen, bewonen de Kielslakken de open zee. Haar -geleiachtig, doorzichtig lichaam is naakt, of wordt door een teere, -doorzichtige schelp beschut. Deze orde omvat slechts een 60-tal -soorten en biedt veel minder verscheidenheid van vormen aan dan de -beide vorige groepen van Slakken, die op het land, in het zoetwater -en op de plantenwereld van de kustzee veel meer verschillende -levensomstandigheden hebben ontmoet. In de nabijheid van deze -past nog het best de familie der Atlanten (Atlantidae), diertjes -van eenige mM. middellijn, die iedereen op het eerste gezicht als -Slakken herkennen zal. De kop is verlengd tot een snuit, aan welks -einde zich de mondopening bevindt. Het bovenste, aan een kruin -herinnerende deel van den kop geeft de belangrijkste zenuwcentra -en de zintuigen van dit bijna waterheldere dier te aanschouwen, -n.l. de bovenslokdarmknoopen, de gehoorblaasjes, de hoog ontwikkelde -oogen en (vóór deze) de voelers. Daar wij reeds bij vele Vinpootigen -en Voorkieuwigen een voet leerden kennen, die door overlangsche of -dwarse groeven in afdeelingen is gesplitst, hebben wij slechts één -stap verder te doen om de voor 't kruipen dienende zool der meeste -Buikpootigen te vervormen in het op een geheel andere wijze werkende -bewegingsorgaan van Atlanta en van de meeste Kielslakken. Wij zien -hier--in plaats van den breeden, meestal onmiddellijk met den kop -samenhangenden voet--van den kop door een diepe bocht gescheiden, -een lichaamsdeel, waaraan drie afdeelingen zijn op te merken. De -eerste is zijdelings samengedrukt tot een voor 't zwemmen geschikt -orgaan, dat kiel wordt genoemd. Het kan zich uitmuntend bewegen; het -dier roeit zich er op soortgelijke wijze mede voort als de matroos, -die achter in een boot met één riem staat te pagaaien. Onmiddellijk -achter de kiel bevindt zich een zuignap, waarmede de Kielslak zich -aan den bodem, in de regel echter aan voorwerpen, die vrij in 't water -drijven, vooral aan wieren, vasthecht. De derde of achterste afdeeling -is bij Atlanta eveneens zeer sterk ontwikkeld; het is de staart met -het platte hoornachtige deksel op den rug, waarmede onze Heteropode, -evenals vele andere Slakken, haar schelp kan sluiten. - -De Atlanten komen in alle zeeën tusschen de keerkringen en van de -beide gematigde aardgordels in grooten getale voor. Het best bekend -zijn de beide soorten, die (met vele andere bewoners van de open -zee) door storm en strooming dikwijls in de straat van Messina worden -gedreven, n.l. Atlanta Peronii, welker schelp licht hoorngeel gekleurd -en eenigszins buigzaam is, en Atlanta Kerandsenii, met een bijna -glasheldere, brooze schelp. De middellijn van de grootste huisjes -bedraagt bij deze soort 10, bij gene 9 mM. - -Als de Atlanten verontrust worden, of om een andere reden zich naar de -diepte willen begeven, trekken zij zich geheel in de schelp terug. De -kop wordt het eerst geborgen, dan volgt, na plooiing, de kiel en -ten slotte het achterste deel van den voet, dat met zijn deksel den -mond der schelp geheel aanvult. De eieren drijven tot lange snoeren -vereenigd, in 't water. - -Carinaria gelijkt in sommige opzichten op Atlanta, maar nadert door -andere belangrijke eigenaardigheden meer tot den derden hoofdvorm -der Kielslakken. Ook bij dit geslacht is een schelp aanwezig, die -echter buitengewoon dun en glasachtig is. Zij bestaat uit omgangen, -die alle in één vlak gelegen zijn en zoo snel in wijdte toenemen, -dat de laatste veel meer ruimte inneemt dan alle overige te zamen -genomen. Hierin is echter alleen plaats voor de zoogenaamde "kern", -die uit de lever en den kluwenvormige darm bestaat; de kieuwen steken -voorbij den rand der schelp uit. Een spoelvormige massa, aan welker -voorste uiteinde de kop voorkomt en waarvan het achterste stuk met -de derde afdeeling van den voet van Atlanta vergeleken moet worden, -maakt het grootste deel van het lichaam uit. Bij den oorsprong van den -kop ziet men twee lange, spitse voeldraden, waarachter de oogen liggen. - -Dat de liefhebbers van conchyliën zich, evenals andere verzamelaars, -soms groote opofferingen getroosten, om in het bezit van een zeldzaam -voorwerp te geraken, blijkt uit de prijs van f 1200, die indertijd -voor een schelp van een Indische Carinaria werd betaald. - -Volkomen naakt zijn de Kielslakken van het geslacht Pterotrachea; -de ingewandenkern, die bij haar den vorm van een tarwekorrel heeft, -wordt niet door een afzonderlijke, breukzakvormige uitstulping van den -mantel omgeven en is niet door een schelp bedekt. Overigens gelijken -deze Slakken veel op de leden van het vorige geslacht. Het lange, -cilindervormige lichaam loopt van voren uit in een dunnen, meestal -knievormig gebogen snuit en eindigt van achteren in een spitsen -staart. De onderzijde is van een bijlvormige vin voorzien. - -De Pterotracheën zijn, evenals al hare verwanten, vraatzuchtige -roofdieren. Meestal tot groote scholen vereenigd en bij 't zwemmen den -rug naar onderen, de kiel naar boven richtend, bewegen zij, naar buit -zoekend, den snuit heen en weer; de tong wordt beurtelings uitgestoken -en in opgerolden toestand teruggetrokken, hare zijtanden als tangen -vóór de mondopening geopend en gesloten. Met deze grijporganen wordt de -buit, die vooral uit Visschen, kleine Schaaldieren en Kwallen bestaat, -gegrepen, vastgehouden en langzamerhand in het spijskanaal getrokken. - - - - - -VIJFDE ORDE. - -DE VOORKIEUWIGEN (Prosobranchia). - -Deze orde, die alle overige in omvang overtreft, daar er ongeveer 9000 -levende en 6000 fossiele soorten van bekend zijn, omvat nagenoeg alle -door een stevig huisje omhulde Zeeslakken, bovendien echter eenige -honderden Zoetwaterslakken (Paludinidae) en een duizendtal op het -land levende, door longen ademende soorten (Neurobranchiata). Met -uitzondering van de laatstgenoemde, hebben alle leden dezer orde -kieuwen. Ter beschutting van de ademhalingswerktuigen vormt de mantel -een plooi of een holte, die door een gat, een inham of een buis met -de buitenwereld in gemeenschap staat. Ieder, die met den lichaamsbouw -van een Longslak kennis heeft gemaakt, begrijpt zonder moeite de -ligging der organen van andere Buikpootigen. Ter verklaring van de -eigenaardigheden der Voorkieuwigen kan de nevenstaande afbeelding -van een uit haar huisje genomen Zeeslak dienen. - -Voor aan den kop zien wij een tamelijk langen snuit (a), aan -welks einde zich de mondopening bevindt. Zulk een snuit, die niet -ingestulpt, maar gewoonlijk wel verkort kan worden, komt bij vele -leden dezer orde voor. De (soms zeer lange) buisvormige slurf, die -bij andere Voorkieuwigen uit den snuit te voorschijn kan komen en aan -'t einde de mondopening draagt, is van spieren voorzien, die haar -kunnen terugtrekken. De voet (p) is verbonden met de spilspier (m), -waardoor het dier aan zijn schelp bevestigd is. Daar de mantelholte -aan de rechterzijde opengesneden is, kan men de belangrijke organen -zien, die aan de binnenste oppervlakte van den (hier naar links -omgeslagen) mantel (c) voorkomen. Wanneer de organen nog op hun gewone -plaats liggen, vindt men het meest naar rechts den endeldarm met de -aarsopening (d). Daarnaast ligt een klier, die gewoonlijk slijmklier -(f) wordt genoemd. Zij kan bij deze Slakken een buitengewoon groote -hoeveelheid van een taaie, slijmerige stof afscheiden, die soms als -verdedigingsmiddel dienst doet. Meer naar links ligt de kamvormige -kieuw (g), die eigenlijk bij de rechterlichaamshelft behoort, maar -sterk naar de linkerzijde verschoven is; de linkerkieuw of "bijkieuw" -is weinig ontwikkeld; het hart (h) is achter de kieuw gelegen en -uit een kamer en een voorkamer samengesteld. Alle Slakken, waar, -zooals hier, de kieuw vóór het hart--en dus de voorkamer, die het -bloed uit de kieuw ontvangt, vóór de kamer--geplaatst is, worden -Voorkieuwigen genoemd. Bij een groot aantal geslachten bezit de voet -een opening, waardoor dit lichaamsdeel, zoodra het buiten de schelp te -voorschijn komt, water opneemt in een sterk vertakt kanalenstelsel, -dat ook met de lichaamsholte, die veneus bloed bevat, in gemeenschap -staat. Hierdoor verkrijgt de voet een omvang veel grooter dan die -van het huisje, waarin hij, na het laten wegvloeien van het water, -gemakkelijk geborgen kan worden. Met uitzondering van de Pluimdragers -(Valvata) zijn alle leden der orde éénslachtig. - - - -Verreweg de meeste Voorkieuwigen (ongeveer 5800 levende en 4000 -fossiele soorten) behooren tot de onderorde der Kamkieuwigen -(Ctenobranchiata). Deze hebben, evenals het zooeven tot voorbeeld -gekozen dier, in de op den nek liggende ademholte een groote kieuw en -daarnaast een kleinere, de bijkieuw. Bij vele Kamkieuwigen (o.a. bij -Murex) is de mantel aan de linkerzijde verlengd tot een "adembuis" -of "sipho", die het water naar de mantelholte geleidt. Zij, die dit -aanvoerkanaal missen, hebben in den regel geen terugtrekbare slurf -(wel een niet terugtrekbaren snuit) en voeden zich met plantaardige -stoffen. De overige, die dierlijk voedsel gebruiken, zijn meestal in -het bezit van een adembuis en van een slurf. Het eerst zullen wij -die familiën bespreken, welke, wegens het gemis van een sipho, aan -de schelp een gaafrandigen mond, zonder kanaal of insnijding hebben -(Holostomata). Voor 't meerendeel zijn deze Slakken planteneters. - -De Moeras-kieuwslakken (Paludinaceae) bewonen stilstaand en stroomend -zoetwater; zij hebben een korten, niet terugtrekbaren snuit, gelegen -tusschen twee lange en slanke voelers, naast welker oorsprong (aan -de buitenzijde), meestal op zeer korte steeltjes, de oogen geplaatst -zijn. De lange, smalle wrijfplaat bestaat uit 7 overlangsche reeksen -van tanden (1 middelplaat en aan weerszijden 3 zijplaten in elke -dwarsreeks). Alle Slakken met zulk een tong heeten Bandtongigen -(Taenioglossa). - -De Moerashorenslakken (Paludina) hebben een eivormige of -buikig-kegelvormige schelp met zeer bolle, door een diepen naad -vereenigde omgangen en een hoornachtigen, concentrisch gestreepten -deksel. De Paludinen leven in slooten, poelen, plassen en rivieren, -vooral in het noordelijk halfrond. Meestal vindt men ze op den bodem -van 't water, kruipend over den modder of langs de stengels en bladen -van de hier groeiende planten. Bij warm, zonnig weer komen zij ook wel -aan de oppervlakte, waar zij soms, evenals de Poelslakken, met naar -beneden gericht huisje langs den waterspiegel kruipen. Het lichaam -kan niet zoo ver als bij deze buiten de schelp komen; op het deksel, -dat boven het achterste deel van den voet vastzit, rust dan het bolle -gedeelte van den laatsten omgang. Bij het terugkeeren in het huisje -wordt de voet middendoor gevouwen en als een boek dichtgeslagen. De -grootste inheemsche soort, de Levendbarende Moerashorenslak (Paludina -vivipara) is bijna 4 cM. hoog. Gedurende den geheelen zomer vindt men -den eierenzak van het wijfje gevuld met kiemen en eieren, die op zeer -verschillende trappen van ontwikkeling verkeeren, daar er slechts één -jong te gelijk ter wereld wordt gebracht; dit heeft bij de geboorte een -huisje van 4 omgangen, dat 6 mM. hoog en even breed is; de bovenzijde -van iederen omgang heeft een kiel, waarop lange borstelige haren staan, -die in den regel zeer spoedig geheel verdwijnen. - -Ook de 3 cM. hooge Gestreepte Moerashorenslak (Paludina achatina) -brengt levende jongen ter wereld. Zij houdt zich bij voorkeur op -in stroomend water en komt in de Elbe, de Spree, den Rijn en de -Donau voor. - -De Kogelslakken (Ampullaria), die de Paludinen op het zuidelijk -halfrond vervangen, onderscheiden zich van alle overige Slakken -door het gelijktijdig bezit van een longholte en een kieuwholte, -waardoor zij maanden lang buiten het water kunnen leven. De longholte -is boven de kieuwholte gelegen en wordt in het water door een klep -gesloten. De 75 mM. hooge Gestreepte Kogelslak (Ampullaria fasciata), -die in Oost-Indië, zoowel in rivieren als op slijkerige rijstvelden -leeft, wordt veelvuldig ingezameld en als spijs gebruikt. - -Tot dezelfde familie en tot onze fauna behooren, behalve sommige -Diepslakken (Bitynia), die, evenals de vorige, een verkalkt -deksel hebben, doch overigens veel op Paludinen gelijken, ook nog -eenige Pluimdragers (Valvata); deze zijn merkwaardig wegens hun -tweeslachtigheid en bovendien, doordat de vedervormige kieuw uit -de mantelholte naar buiten treedt en door het kruipende dier omhoog -gericht gedragen wordt. - -De nu volgende geslachten, die men gewoonlijk onder den naam van -Oeverslakken (Litorinaceae) samenvat, naderen tot de vorige door -den lichaamsvorm van het volwassen dier; de ontwikkelingsgang is -echter samengestelder, doordat de jongen, evenals nagenoeg alle -Zeeslakken, met twee groote, gewimperde mondlappen (het kopscherm) -zijn uitgerust; hiermede kunnen zij vlug zwemmen. Het soortenrijke -geslacht der Zeewier- of Drijfhorentjes (Rissoa) bevat geen andere -dan kleine vertegenwoordigers, met slurfvormige, van voren ingesneden -snuit, die half zoo lang is als de beide draadvormige voelers. De -meeste hebben een kegel- à torenvormige schelp met eivormigen mond -en hierin passend, hoornachtig deksel. Hun hoofdvoedsel bestaat uit -zeewieren; zij worden daarom in de laminariën-zone het veelvuldigst -aangetroffen. Zij bewegen zich flink, kruipen tamelijk vlug en richten -intusschen de voelers beurtelings naar achteren en naar voren. Eenige -soorten kunnen zich met naar beneden gericht huisje en naar boven -gerichten voet langs den waterspiegel bewegen. Het 4 mM. hooge Kleine -Zeewierhorentje (Rissoa parva) spint kleverige draden, waarmede het -zich aan waterplanten vasthecht om beter bestand te zijn tegen den -aandrang van het water en om veiliger zijn standplaats te kunnen -verlaten. Deze Slakken worden op zeer verschillende diepten (tot op -105 vademen) gevonden, doch voor 't meerendeel op geringer afstand van -den waterspiegel. Dat haar eigenlijk vaderland het zuidelijke deel van -de noordelijke gematigde zone is, blijkt uit de talrijkheid, grootte -en ontwikkeling van de soorten, die de Middellandsche Zee bewonen. - -Een amphibische levenswijze hebben de Alikruiken (Litorina), daar -zij een groot deel van haar leven doorbrengen boven den waterspiegel -in den oevergordel, die slechts door den vloed (of soms alleen door -de toppen der golven bij hoog water) bereikt wordt. Meer dan 100 -soorten van dit geslacht uit alle zeeën zijn bekend. De dikrandige, -porseleinachtige schelp is in den regel nagenoeg bolvormig. Het dier -heeft een korten, ronden snuit en lange, draadvormige voelers, aan -welker basis de oogen gezeten zijn. - -Een van de algemeenste en verst verbreide Strandslakken van het -noordelijk halfrond is de 25 mM. hooge Gewone Alikruik of Kreukel -(Litorina litorea), die in ondiep water op blaaswieren, steenen en -paalwerk leeft. Zij beweegt zich langzaam; bij 't kruipen werken de -beide helften van den voet afwisselend. Haar voedsel bestaat zoowel -uit plantaardige als uit dierlijke stoffen. In de Oostzee vindt men -deze soort tot op de oostkust van Bornholm en Rugen. Verder oostwaards -wordt ook voor haar het zoutgehalte van deze zee te gering. Aan de -kusten van Denemarken en Sleeswijk-Holstein komt zij in menigte voor, -zoo ook in den Atlantischen Oceaan, van Groenland en het noordoosten -van Amerika tot Portugal. Men vindt haar in de Witte Zee zoowel als -in de Adriatische Zee. Bij groote hoeveelheden worden deze Slakken -o.a. aan onze kusten gevangen en door de kustbewoners gegeten of naar -andere landen uitgevoerd. De Gewone Alikruik legt eieren; de Ruwe -Alikruik (Litorea rudis) brengt gedurende het geheele warme seizoen -levende jongen ter wereld. - -Indien alleen op de wijze van ademhaling werd gelet, zouden de Slakken, -die men onder den naam Netkieuwigen (Neurobranchiata) samenvat, -bij de Longslakken geplaatst moeten worden, omdat zij geen kieuw, -maar een long bezitten. In alle overige opzichten stemmen zij echter -met de Voorkieuwigen overeen. Zij hebben twee, niet voor instulping -(wel voor verkorting) geschikte voelers, aan welker basis de oogen -staan. Een slurf ontbreekt altijd; maar de snuit is lang en bevat een -wrijfplaat, welker maaksel met die der Bandtongigen overeenkomt. Voor -het sluiten van de steeds spiraalswijs gewonden schelp bezitten zij -een hoornachtig of verkalkt deksel, dat door het uitgestrekte dier op -den rug van 't achterste deel van den voet wordt medegedragen. Zij -zijn geen hermaphrodieten, zooals de Longslakken, maar eenslachtig, -zooals nagenoeg alle Voorkieuwigen. Alle leven op het land, vooral -in vochtige keerkringsgewesten. - -De belangrijkste familie is die der Kringmondslakken (Cyclostomidae), -waarvan ongeveer 900 levende soorten bekend zijn. Slechts enkele -van deze bewonen ook Midden-Europa, n.l. Frankrijk, Zwitserland -en het zuidelijke deel van Midden-Duitschland. De eenige die ook -in Nederland heet voor te komen, is de Sierlijke Rondmondhoren -(Cyclostoma elegans), zoo genoemd wegens het traliewerk van zeer -regelmatige, uitpuilende spiraallijnen en fijne, daartusschen gelegen -dwarsstrepen op de geelachtig violet-grijze of donker vleeschkleurige, -10 à 15 mM. hooge schelp. Deze is bij alle leden van haar geslacht -dun en uit ronde omgangen samengesteld; de afgerond eivormige mond -is volkomen gaafrandig, wordt in 't geheel niet ingesneden door den -laatsten omgang, zoodat de binnen- en buitenlip overal samenhangen. De -schelp is meestal kegelvormig, zelden plat; meestal eng genaveld -en van een diepen naad voorzien. De genoemde Slak is zeer schuw, -trekt zich bij de minste, haar ongewoon voorkomende aanraking in haar -huisje terug en sluit dit met het zeer stevige, harde deksel. Alle -Cyclostomen zijn over dag werkzaam en begeven zich 's avonds in het -goed gesloten huisje ter ruste. - -Het soortenrijke geslacht der Tepelhorens (Natica) vormt de kern van -een gelijknamige familie (Naticidae). Hoewel zij op planteneters -gelijken (daar hun bol- of eivormige schelp geen kanaal of inham -heeft aan den half-cirkelvormigen mond), voeden zij zich met dierlijke -stoffen; de buitenlip is scherp, aan de binnenzijde glad, de binnenlip -eeltachtig verdikt. De zijstukken van den uitgestoken voet, die door -het opnemen van water buitengewoon sterk in omvang kan toenemen, -bedekken het geheele huisje; bovendien gebruikt de Slak dit orgaan -om er mede in 't zand te graven en om er haar prooi geheel mede -te bedekken. Zij valt n.l. dikwijls andere Weekdieren (Slakken en -Mossels) aan, en boort hun met de wrijfplaat een cirkelrond gat in -de schelp. Naar men zegt, helpt zij mede bij het uit den weg ruimen -van doode Visschen en andere aan 't strand gespoelde dieren. Zeer -merkwaardig is haar eierennest, dat men lang voor een soort van -polypenstok heeft gehouden. Het heeft den vorm van een breede schelp, -ter dikte van een sinaasappelschil, die met den mond op den bodem rust -en aan de eene zijde open is; het bestaat uit aaneengekleefd zand en -kan gemakkelijk zonder te breken gebogen worden, zoolang het vochtig -is. Wanneer men er doorheen kijkt, ziet men een menigte kleine cellen -op afwisselende reeksen. Elke cel bevat een geleiachtig ei met gele -kern, de schelp van de kiem. In het midden van den zomer kan men op -ieder strand, waarop zich een Natica-soort ophoudt, zulke eierennesten -vinden. De Gewone Tepelhoorn (Natica monilifera) van onze kust is 27 -mM. breed. - -Ieder die zich op een rotsachtige zeekust met het inzamelen van planten -bezig houdt en, om geen hinder te hebben van 't water, schoenen en -kousen uittrekt, loopt niet zelden gevaar zich de voeten bloedend -te verwonden. Er zijn plaatsen, waar de bodem dicht bedekt is met -meer of minder onregelmatig gewonden, zeer stevige kalkkokers, -welker mond zoo scherp is, dat slechts vurige belangstelling in -de wetenschap de pijn leert verdragen van het loopen op dezen -als 't ware uit doornen en messen samengestelden weg. De bedoelde -schelpen, die men allicht voor woningen van Kokerwormen zou houden, -zijn afkomstig van Wormslakken (Vermetus). Dit valt moeielijk af te -leiden uit de ledige schelpen, die bij de meeste soorten (b.v. bij -Vermetus triqueter uit de Middellandsche Zee) wit en bij de Gewone -Wormslak (V. lumbricalis) aan de westkust van Afrika roodachtig geel -en doorschijnend zijn. Het oudste gedeelte is regelmatig spiraalswijs -gewonden en steeds aan den bodem vastgehecht. Met den bewoner kan men -het best kennis maken door een stuk van den rotsachtigen zeebodem, -waaraan eenige van deze dieren vastgehecht zijn, los te rukken en -het thuis in een grooten bak met zeewater te plaatsen. De Wormslak -kan zich zeer diep in haar schelp terugtrekken. Als zij op het punt -staat te voorschijn te komen, ziet men eerst boven de opening een -soort van stop uitpuilen, welks afgeronde en gladde bovenvlakte met -een hoornachtig plaatje bedekt is. Bij vele Zeeslakken zien de voet -en het deksel er zóó uit, wanneer het dier zich zoo sterk mogelijk -heeft saamgetrokken. De voet van onze soort behoudt echter dezen vorm -ook in gestrekten toestand. Op den voet volgt een plompen, door de -sterk ontwikkelde slikorganen uitgezetten kop, die door het bezit -van voelers, met oogen aan hun basis, den waren aard van het dier -verraadt. De beide voorste, draadvormige organen zijn geen voelers, -maar eenvoudig verlengstukken van de lip. De kop kan gemakkelijk -waargenomen worden, omdat dit dier, moediger dan andere Slakken, -zich bij aanraking niet in het huisje terugtrekt, maar van weeke -voorwerpen, die men het voorhoudt, stukken afbijt; harde voorwerpen -worden met den mond omvat en stevig vastgehouden. Waarschijnlijk -zijn de Wormslakken diereneters, die de Wormen en Schaaldieren, -welke altijd in haar onmiddellijke nabijheid voorkomen, buitmaken. - -De eieren worden door het wijfje ten getale van 10 à 30 in cocons -geborgen, die ieder door tusschenkomst van een kort steeltje, aan den -binnenwand van de schelp bevestigd zijn. De oudste van deze cocons -bevindt zich het dichtst bij den mond van het huisje en heeft den -grootsten omvang, daar deze toeneemt, naarmate de ontwikkeling der -kiemen voortschrijdt. Niet bij alle groepen van Slakken vormen de -organen zich in volkomen gelijke volgorde; toch ontstaan gewoonlijk -de voet en het zoogenaamde kopscherm het eerst en vertoonen ook de -mantel en de schelp zich zeer spoedig. Het kopscherm bestaat uit -een paar halfcirkelvormige lobben aan weerszijden van den mond; -haar rand is met lange wimpers bezet. Deze verschaffen reeds aan -de kiem in het ei een spiraalsgewijze beweging. De voet van de -jonge Wormslak is bij het verlaten van het ei zoo goed ontwikkeld, -als van eenige Slak verwacht kan worden. Behalve aan het kopscherm, -is zij als een Echte Slak kenbaar aan de sierlijke, rechts gewonden -schelp. Zoo uitgerust verlaat zij de eischaal en den cocon en zwemt, -gelijk alle Zeeslakken, met behulp van het kopscherm vrij rond. Na -verloop van eenigen tijd verdwijnen eerst de wimpers en later de -overige deelen van haar zwemorgaan; waarschijnlijk blijft zij daarna -nog een tijdlang kruipen en voegt in deze perioden van vrij leven nog -eenige omgangen aan haar huisje toe. Eindelijk krimpt ook de voet in; -de schelp hecht zich op een nog onbekende wijze aan het gesteente en -groeit verder uit tot een onregelmatig gewonden buis, welker omgangen -elkander niet raken. - -De Wormslakken worden door sommigen als een afzonderlijke familie -beschouwd (Vermetaceae), door anderen met de Penhorenslakken -(Turritellaceae) vereenigd. Bij het typische geslacht Turritella, -waarvan één soort--de Gewone Penhoren (Turritella communis)--ook -(hoewel zeldzaam) in de Noordzee aangetroffen wordt, is het huisje -torenvormig, met talrijke (hoogstens 30), meestal geribde omgangen; ook -de spiraallijn die de vergrooting van het hoornachtige deksel verraadt, -vertoont vele windingen. De kop is tot een langen, platten, van voren -uitgesneden en met wratjes bezetten snuit verlengd; de mantelrand -en een huidplooi dwars om den nek zijn met franje omzoomd. Van deze -familie zijn ongeveer 40 soorten bekend; de meeste en de grootste -bewonen de keerkringszeeën. Alle zijn diereneters, maar trage, zelden -buiten haar schelp te voorschijn komende schepsels. - - - -Bij de overige Bandtongige Kamkieuwigen is de mantelrand uitgegroeid -tot een voor de ademhaling dienende, gootvormige lob (ademsipho) -en de opening van de schelp bijgevolg voorzien van een insnijding of -kanaal; zij heeten daarom Siphonostomata, hebben een gewonden schelp, -die meestal met een (hoornachtig) deksel gesloten kan worden, leven -in de zee en zijn voor 't meerendeel diereneters. - -De familie, waarvan de Porseleinhorenslakken (Cypraea) de kern vormen -(Cypraeidae), zou men met het oog op de economische beteekenis der -Kauris de belangrijkste van de geheele klasse kunnen noemen. De -buitenste (jongste) omgangen bedekken de oudere nagenoeg geheel, -zoodat deze niet zichtbaar (ingewikkeld) zijn. Evenals hare verwanten, -hebben deze Slakken een tamelijk dikken kop met korte slurfen, -lange, slanke, dicht bijeen gezeten voelers, aan welker basis, op een -knobbel aan de buitenzijde, de oogen voorkomen. De mantel strekt zich -naar weerszijden zeer ver uit en kan naar boven omgeslagen worden, -zoodat het huisje er grootendeels of geheel door bedekt is. Wegens -den eigenaardigen glans, dien de schelp hieraan ontleent en wegens -hare soms zeer schitterende en bonte, soms zeer teere kleuren nemen -de Porseleinhorens een voorname plaats in onder de aantrekkelijkheden -eener conchyliënverzameling. Misschien heeft geen enkel geslacht -van oudsher zooveel belangstelling gewekt; de reden hiervoor is -zoowel in de veelvuldigheid dezer conchyliën als in haar werkelijk -zeer fraai uiterlijk te vinden. In alle oorden van de wereld en -zelfs bij zeer onbeschaafde volken dienen zij ter versiering van -woningen en van kleederen; op grond van een overoude conventie zijn -sommige soorten in verscheidene landen als pasmunt in gebruik. Om -verschillende redenen verdienen de Porseleinhorens de voorkeur die -hun betoond wordt: zij bekoren het oog door de fijne afronding hunner -vormen, kunnen gemakkelijk een spiegelgladde oppervlakte verkrijgen, -doen in hardheid voor marmer niet onder en prijken met schitterende -kleuren. Ook uit een wetenschappelijk oogpunt trekken zij de aandacht, -daar de schelp bij toenemenden leeftijd op in 't oogvallende wijze -van vorm verandert. Bij het jonge dier is zij dunwandig en heeft -een wijden mond met ongetande lippen; bij de volwassen Slak is de -mond lang en smal, aan beide einden diep ingesneden (tuitvormig); -terwijl tevens beide lippen getand zijn. - -De belangrijkste soort van het geheele geslacht is de Kauri (Cypraea -moneta). Deze wordt 1½ à 2 cM. lang, is wit- of geelachtig, breed -eivormig en van achteren aan weerszijden van twee stompe knobbels -voorzien. Het talrijkst vindt men haar op de kust der Maledivische -eilanden, waar zij, volgens berichten uit vroegeren tijd, 2-maal -in de maand, 3 dagen na nieuwe maan en 3 dagen na volle maan, -ingezameld wordt. Van hier wordt zij gedeeltelijk naar Bengalen en -Siam, vooral echter naar Afrika verscheept. De hoofdstapelplaats voor -den Afrikaanschen kauri-handel is Zanzibar. Van Afrika's oostkust -begeven zich sedert eeuwen groote karavanen met dit artikel, dat -geld en koopwaar is, naar het binnenland. Bij scheepsladingen worden -deze schelpjes door Europeesche schepen van Zanzibar afgehaald en -aan de westkust tegen de producten des lands, stofgoud, ivoor, -palmolie, ingeruild. In Goere vertegenwoordigden 700000 Kauris -een waarde van 594 gulden, 1180 stuks dus 1 gulden; de inkomsten -van den vorst bedroegen 30 millioen Kauris per jaar. De waarde is -natuurlijk aan koers onderhevig en hangt af van den aanvoer en van -de transportkosten. Gewoonlijk zijn zij bij honderd aan een koord -geregen om het tellen gemakkelijker te maken. Op vele plaatsen is dit -echter niet gebruikelijk; zoodat de duizenden een voor een afgeteld -moeten worden. Zoolang de Nederlanders Ceylon bezaten, was dit eiland -de belangrijkste stapelplaats voor den handel in Kauris; van hier -werden zij in korven, in balen die ieder 12000 stuks bevatten, of -(naar Guinea) in vaten verzonden. Een tijdlang werd met behulp van -Kauris de geheele Afrikaansche slavenhandel gedreven. Voor 12000 pond -van dit artikel konden 500 à 600 slaven gekocht worden. Tegen het -midden van de 8e eeuw was de prijs reeds verdubbeld; later werden de -kustdistricten met Kauri-geld overstroomd en kwamen voor deze schelpen -andere ruilmiddelen in de plaats. - -Merkwaardige soorten uit den Indischen Oceaan zijn: de 10 cM. hooge -Argus (Cypraea argus), welker geelachtig witte schelp van boven met -bruine, op oogen gelijkende ringen, van onderen met 4 groote bruine -vlekken geteekend is;--de 8 cM. hooge Groote Slangenkop (Cypraea -mauritiana), welker eivormige schelp van boven bultig, van achteren -neergedrukt, van onderen plat en grootendeels effen zwartbruin is, -doch een roodbruine bovenzijde, met geelachtig witte, verspreide -vlekken heeft;--de 4 cM. hooge Kleine Slangenkop (Cypraea caput -serpentis), die van de vorige verschilt door de dicht bijeenstaande, -als 't ware een netwerk vormende, witte vlekken;--de 10 cM. hooge -Tijgerslak (Cypraea tigris), welker van boven en van onderen even -sterk gewelfde schelp van onderen wit is, doch een blauwachtig witte -bovenzijde heeft met talrijke, zwartachtig bruine, groote, uitvloeiende -vlekken en een overlangsche, rechte, roestbruine streep in 't midden. - -De Tritonshorenslakken (Tritoniidae) hebben een grooten kop, -die tusschen de lange, kegelvormige voelers vooruitsteekt. Deze -dragen de oogen aan de buitenzijde ongeveer op halverhoogte. Een -tamelijk lange snuit kan door de mondspleet, aan de onderzijde van -den kop, uitgestoken worden. De schelp is langwerpig eivormig of -bijna torenvormig, met hooge spiraalwinding, overlangs loopende -verdikkingen op iederen omgang en een tamelijk lang, recht kanaal -aan den mond. Het voornaamste geslacht is dat der Kinkhorens -of Trompetslakken (Tritonium). In de Middellandsche Zee leeft de -Knobbelige Kinkhoren (Tritonium nodiferum), welker schelp, de Buccina -der oude Romeinen, door hen als krijgstrompet gebruikt werd en ook -thans nog de trompet is van de Italiaansche jagers en visschers. Voor -'t zelfde doel dient de even groote Tritonshoren (Tritonium tritonis) -bij de kustbewoners van den Indischen Oceaan. De naam "kinkhoren" -is ontleend aan het geluid, dat men hoort, wanneer men den mond van -de schelp voor het oor houdt. Dit geluid, dat ook wel "het bruischen -van de zee" wordt genoemd, hoort men trouwens aan alle niet-te-kleine -Slakkenhuizen, daar deze een goede resonansbodem opleveren voor het -mengelmoes van tonen van ieder gedruisch. Eenig gedruisch moet er -zijn, opdat men een geluid zal hooren; bij absolute stilte zwijgt -ook de Tritonshoren. Veelvuldig ziet men deze schelp voorgesteld op -schilderijen, beeldengroepen en reliefs uit den rococo-tijd. - -In meer dan één opzicht zijn de Tonhorenslakken (Doliidae) -merkwaardig. Haar schelp is dunwandig, buikig, dikwijls bijna bolrond, -de mond wijd, de buitenlip meestal verdikt en over haar geheele -lengte gekorven. Het dier heeft een langwerpig-eivormigen, grooten -en dikken voet, die door het opnemen van water sterk in omvang kan -toenemen. De kop is plat en breed, zijn voorrand tusschen de voelers -bijna rechtlijnig. Deze zijn lang en dragen de oogen aan de buitenzijde -op hun verdikt grondstuk. De adembuis is dik, tamelijk lang en wordt -boven de schelp teruggebogen.--De 11 cM. hooge Tonslak (Dolium perdix) -uit de Middellandsche Zee is de grootste Slak van dit gebied. Toen -Prof. Troschel te Messina met dierkundige onderzoekingen bezig was, -bracht men hem een groot, levend exemplaar van deze soort, dat bij -aanraking de slurf een halve voet ver uitstak en onmiddellijk door -de mondopening een straal van een waterheldere vloeistof een voet ver -uitspoot. Tot zijn groote verbazing zag Troschel, dat deze vloeistof -overal, waar zij op den uit kalksteen bestaanden vloer neerkwam, een -opbruisching veroorzaakte en dus geen speeksel, maar een sterk zuur -was. Het bleek, dat zij 3 à 4 percent vrij zwavelzuur en 0.3 percent -vrij zoutzuur bevat en dat deze zuren afgescheiden worden door een -afzonderlijke klier, die naast de eigenlijke speekselklier ligt. Het -doel van deze verrichting, die, naar Panceri heeft aangetoond, ook bij -een aantal soorten van de geslachten Cassis, Cassidaria en Tritonium -voorkomt, is onbekend.--Onderzoekingen op kunsthistorisch gebied hebben -tot het vermoeden geleid, dat de schelp van de Tonslak het voorbeeld -is geweest van de spiraalswijze versieringen van de Ionische zuil. - - - -De beide nu volgende familiën (Aporrhaideae en Strombidae) worden, -op grond van den eigenaardigen vorm der schelp, Vleugelhorenslakken -genoemd, hoewel het onderzoek der weeke deelen leert, dat zij -aanmerkelijk van elkander verschillen. Van het geslacht Aporrhais zijn -slechts 4 soorten uit de Europeesche zeeën bekend; één daarvan--de -Pelikaansvoet (Aporrhais pes-pelecani)--komt overal zeer veelvuldig -voor. Haar huisje is spoelvormig en bestaat uit 10 bolle omgangen, -die op het midden met naar boven en naar onderen uitloopende ribben -bezet zijn; op den laatsten omgang vindt men onder deze nog een rij -kleinere knobbeltjes en daaronder een verhoogde, soms gekorrelde -lijn. De geheele buitenste oppervlakte is verder met fijne, gegolfde -strepen bedekt. De binnenlip loopt naar onderen en naar boven uit in -een spits eindigend kanaal; de vrije mondrand is naar buiten omgeslagen -en tot een vleugel verbreed, die in 't midden vingervormige verlengsels -draagt: een korte en twee lange vingers, op welker buitenvlakte de -knobbelrijen der omgangen als ribben doorloopen, aan de binnenzijde -van gleuven voorzien, die zich zoover uitstrekken als de mondrand -omgeslagen is. De buitenlip is aanvankelijk gaafrandig; eerst -langzamerhand ontwikkelt zich de vleugelvormige uitbreiding met hare -uitsteeksels. De kop van den bewoner dezer schelp is tot een platten, -van voren uitgesneden snuit verlengd. De lange, draadvormige voelers -dragen de oogen aan de buitenzijde op een knobbel. De voet is klein, -maar geheel voor 't kruipen ingericht, aan weerszijden afgerond. De -mantel van het geheel volwassen dier is niet sterk verbreed en op de -plaatsen, waar de schelp vingers heeft, slechts slipvormig uitgegroeid. - -De Vleugelhorenslakken i.e.z. (Strombus) en de Vingerhorenslakken -(Pterocera) zijn zeer zonderling gebouwd. De voet is bijna rechthoekig -geknikt, een weinig samengedrukt, aan den rand afgerond: het kortere, -voorste deel is uitgesneden, het zeer lange, achterste deel draagt -aan 't einde een bijna sikkelvormig, hoornachtig deksel, dat de mond -van de schelp niet kan sluiten. Deze voet is niet geschikt voor een -kruipende beweging; het dier springt er mede: schuift het achterste -deel onder het voorste, brengt beide plotseling in den vorigen stand -terug en wordt door den schok opgeheven. - -De kop draagt twee dikke, cilindervormige stelen, aan welker top -de meestal buitengewoon groote, schel gekleurde oogen voorkomen; de -voelers ontspringen aan de binnenzijde van deze stelen in den vorm -van dunne draden. Tusschen de oogen is de kop tot een langen, niet -terugtrekbaren snuit verlengd. De mantel is groot, maar dun en heeft -meestal een draadvormig aanhangsel, gelegen in het bovenste kanaal -van den lijnvormigen schelpmond, die ook van onderen in een kanaal -eindigt. De buitenlip van den schelpmond is gewoonlijk vleugelvormig -uitgespreid, soms naar boven in een lob verlengd, maar nooit voorzien -van de lange uitsteeksels of vingers, die aan de Vingerhorenslakken -zulk een eigenaardig voorkomen verschaffen. Bij deze vindt men -er gewoonlijk 6 (bij Pterocera millepeda 9) aan de buitenlip, -terwijl bovendien de schelpmond naar onderen en naar boven in een -vingervormig kanaal uitloopt. De namen Duivelsklauw, Schorpioen, -Bootshaak, Zeespin doelen op deze eigenaardige uitsteeksels.--De -12 soorten van Pterocera bewonen de keerkringszeeën, evenals de 80 -Strombus-soorten.--De schelpen van het Reuzenoor (Strombus gigas), -een in West-Indië zeer veelvuldig voorkomende soort, worden niet -zelden gebruikt als omlijsting van bloemperken, als bloempotten en -als bloemvazen; zij kunnen 30 cM. hoog en 4.5 KG. zwaar worden. Om -te begrijpen, hoe het dier, ondanks dit groote gewicht, springen kan, -moet men niet uit het oog verliezen, dat het opheffen van een in water -ondergedompeld voorwerp veel minder kracht vereischt dan in de lucht. - - - -De Vedertongige Kamkieuwigen (Ctenobranchiata Ptenoglossa) hebben, -evenals de reeds behandelde leden der onderorde, een uit talrijke -leden (of dwarsreeksen van tandjes) samengestelde wrijfplaat; de -leden hebben echter een ander maaksel, bestaan uit een groot aantal -kleine, haak- of klauwvormige zijplaatjes zonder middelplaat. Met de -Gaafmondige Bandtongigen komen deze Slakken overeen door het gemis -van een adembuis, zooals blijkt uit het niet aanwezig zijn van een -insnijding of kanaal aan den schelpmond. Tot deze groep behooren -o.a. de Janthiniden, welker meest bekende vertegenwoordigers de -Kwalbootslakken (Janthina) zijn. Deze hebben een zeer dunne, buikige -schelp van blauwachtige kleur, in vorm ongeveer overeenkomende met het -huisje onzer Tuinslakken. Zij leven van dierlijk voedsel in de open -zee en werpen om zich te verdedigen, doch waarschijnlijk ook om haar -buit gemakkelijker te vangen, een purperkleurige vloeistof uit, die -het water in de omgeving troebel maakt. Het meest trekken zij echter -de aandacht door het aan 't achterste deel van den voet verbonden -"vlot", dat uit een groot aantal samenhangende, met lucht gevulde, -kraakbeenharde slijmblaasjes bestaat, waarmede zij aan de oppervlakte -van de zee blijven hangen. Ondanks de lichtheid van dezen toestel, -zijn zij niet weerloos overgeleverd aan iedere strooming van het -water of van de lucht, maar kunnen haar bewegingsrichting wijzigen -met behulp van een kleine vin, die zich aan weerszijden van den voet, -een weinig boven zijn rand bevindt. - -"Een krachtige storm uit het noordwesten" schrijft Lacaze-Duthiers, -"had een groot aantal drijftoestellen van Janthinen op den zandigen -oever van de baai van Boulif niet ver van La Calle" (bij de grens -van Algerië en Tunis) "geworpen; hierbij waren een groot aantal nog -levende dieren, die, in een aquarium overgebracht, onmiddellijk hun -door storm en stranding beschadigd vlot begonnen te herstellen. In -'t eerst verbaasde ik mij er over, dat alle Janthinen, die haar -drijftoestel geheel verloren hadden, op den bodem bleven liggen, -hoewel zij volkomen gaaf waren; eenige van de vlugste kropen, niet -zonder moeite, met behulp van den voet bij den wand omhoog tot aan de -oppervlakte en bogen zich daar achterover; het gelukte haar echter -slechts bij uitzondering een vlot te vervaardigen; de meeste zonken -weer naar den bodem. Nooit zag ik ze, gelijk zoovele andere Slakken, -door uitzetting en samentrekking van den voet zwemmen. Het dier met de -schelp scheen te zwaar te zijn om zonder vlot te kunnen drijven. De -exemplaren, die op den bodem lagen, stierven zeer spoedig". Door de -Slak met behulp van een steunsel van metaaldraad zoo dicht bij den -waterspiegel te brengen, als zij zich met haar vlot zou bevinden, -leerde Lacaze-Duthiers haar wijze van werken kennen. - -De voet bestaat uit twee afdeelingen: de achterste, waaraan het vlot -vastzit, is plat en grooter dan de voorste (p), welker benedenwaarts -omgekrulde rand een kanaal van voortdurend veranderende gedaante vormt, -dat bij het vervaardigen van het vlot een hoofdrol speelt. Het wordt -naar voren gestrekt en vervolgens boven den waterspiegel opgeheven, -waar het een luchtbel (b) omvat, die, met een door den voet uitgezweete -slijmlaag omhuld, door het intusschen achterwaarts gebogene, naar -rechts of links overhellende orgaan tegen het voorste deel van het -vlot wordt aangedrukt. Zoodra het vlot gereed is, blijft het voorste -deel van den voet er op liggen. Hoewel de aanvankelijk weeke slijmlaag -in het water weldra hard wordt, is het drijftoestel zoo broos en aan -zoovele gevaren blootgesteld, dat zijn draagkracht waarschijnlijk -zeer dikwijls door toevoeging van nieuwe blaasjes op de vereischte -grootte moet worden teruggebracht. - -Een andere eigenaardigheid van de Janthinen is, dat het wijfje de -eieren in kleine cocons aan de onderzijde van haar vlot medevoert. Men -weet niet, hoe zij ze hier bevestigt. Alleen het toeval zal ons -hierover kunnen onderrichten, daar alle teere bewoners van de open -zee, in een aquarium slechts kort in 't leven blijven, waarschijnlijk -vooral, omdat men hun geen geschikt voedsel kan verschaffen en het -bovendien uiterst moeilijk is het water op den vereischten graad van -reinheid te houden. - -Tot dezelfde groep behooren de Wenteltrapslakken (Scalariidae). Op -de Noordzeekust vindt men vrij veelvuldig de 35 mM. hooge Gewone -Wenteltrap (Scalaria communis), die, evenals de andere leden van haar -geslacht, een wit, porseleinachtig, torenvormig huisje heeft met bolle, -overlangs geribde wendingen. Bij haar komt geen navel voor, wel bij -de 50 cM. hooge, uit Oost-Indië afkomstige Echte Wenteltrap (Scalaria -pretiosa), welker omgangen bovendien alleen door de overlangsche ribben -met elkander in aanraking komen. Vroeger werden voor het laatstgenoemde -schelpje door de verzamelaars zeer hooge prijzen besteed, soms wel -f 200; thans is het wel voor een rijksdaalder te krijgen. - -Een tolvormig of schijfvormig huisje met wijden en diepen navel, -waardoor men tot aan den top kan zien, hebben de Verrekijker- of -Zonnewijzerslakken (Solariidae), waarvan de meest gewone soort, -de Oost-Indische Solarium perspectivum, een middellijn van 60 à 65 -mM. kan bereiken. - - - -Bij de afdeeling der Smaltongigen (Rhachiglossa) is de wrijfplaat -lang en smal, bandvormig, ieder lid (of dwarsreeks) samengesteld -uit een middelplaat (welks achterrand gewoonlijk met uitstekende, -scherpe tanden bezet is) en twee (soms ontbrekende) zijplaten. Alle -hebben een adembuis en bijgevolg een kanaal of insnijding aan het -voorste deel van den schelpmond; zij bewonen de zee en voeden zich -bijna zonder uitzondering met dieren. - -De familie der Plooihorenslakken (Volutaceae), die zich kenmerkt -door het gemis van zijplaten aan de wrijfplaat en haar naam ontleent -aan de sterk uitpuilende, schuinsche plooien op de spil, omvat een -aantal voor verzamelaars van conchyliën zeer merkwaardige soorten, -van welker levenswijze echter zoo goed als niets belangrijks -valt mede te deelen. Merkwaardig zijn o.a. wegens hun grootte: -de Gekroonde Tepelbak of Moorenkroon (Cymbium aethiopicum, 135 -mM. hoog) en de Neptunuswagen (Cymbium Neptuni, 240 mM. hoog), beide -afkomstig uit de Perzische Golf,--wegens de teekening van de schelp: de -West-Indische Muzieknotenslak (Voluta musica), met bruine, evenwijdige -dwarslijnen (als notenbalken) en bruine stippels (als muzieknoten), -de Oost-Indische Vleermuisslak (Voluta vespertilio) met roodbruine, -zigzagvormige strepen en vlekken. - -Ongeveer hetzelfde valt op te merken van de Mijterslakken (Mitridae), -die een kleineren, breederen voet en een veel langere slurf -(soms langer dan de schelp) hebben dan de vorige, waarvan zij -bovendien verschillen door haar spoelvormige schelp met spitse, -hooge winding. Door de kleur van de schelp en de knobbels aan den -naad onderscheiden zich de voor verzamelaars belangrijke soorten -Mitra episcopalis, papalis, pontificalis, cardinalis, enz. - -De schelp van de Olijfhorenslakken (Oliva), die een gelijknamige -familie vertegenwoordigen, herinnert aan die van den Porseleinhoren, -maar verschilt er van, doordat de jongste windingen de oudere niet -geheel bedekken; steeds is een, wel is waar korte, maar spitse -winding zichtbaar, met diepen, groefvormigen naad. Zij is glad en -glanzig, daar de zijstukken van den eivormigen, zeer breeden voet -over de schelp heengelegd worden. De voorste lob van den voet, aan -weerszijden door een diepe insnijding begrensd, steekt ver voorbij den -kop uit. Deze is klein; de voelers zijn naast elkander vastgehecht en -dragen aan de buitenzijde, op tamelijk grooten afstand van hun basis, -de oogen. De mantel is van voren uitgegroeid tot een lange adembuis -met een haar gedeeltelijk omgevende plooi, van achteren tot een draad, -die in den naad van de winding ligt. Deze Slakken bewonen bij voorkeur -een zandigen zeebodem in helder water, kruipen zeer snel en vreten -vleesch; zij moeten zich echter, wegens de zwakke bewapening van -de tong, tot zuigen bepalen. Ongeveer 150 soorten van dit geslacht -bewonen de tropische zeeën. - -De Harpslakken (Harpa) hebben een zeer grooten voet, die veel breeder -is dan de schelp en in uitgestrekten toestand ook tweemaal zoo lang. De -fraaie, eivormige, min of meer opgeblazene schelpen zijn gemakkelijk -te herkennen aan de evenwijdige, scherprandige, overlangsche -ribben. Reeds Rumph heeft opgemerkt, dat deze Slakken, die den -Indischen en den Stillen Oceaan bewonen, door hevige samentrekkingen -het achterste deel van den voet afwerpen kunnen. Dwars door den voet -loopt n.l. een waterkanaal; op deze zwakkere plaats komt de scheiding -tot stand. Hoewel het verloren lichaamsdeel zeer groot is, groeit -het schielijk weder aan. - -Een zeer veelvuldig aan onze kust voorkomende soort--de Wulk, ook -wel eenvoudig Horen genoemd (Buccinum undatum)--dient gewoonlijk -als voorbeeld bij het bespreken van de familie der Bucciniden. De -8 à 9 cM. hooge schelp is kegel-eivormig, buikig en op de bolle, -overlangs geplooide omgangen van uitpuilende dwarslijnen en fijne, -overlangsche strepen voorzien. Aan de beide hoeken van den platten, van -voren afgeknotten kop bevinden zich de tamelijk lange voelers, waarop -aan de buitenzijde, dicht bij de basis, de oogen voorkomen. De voet is -groot, van achteren en aan de beide voorste hoeken afgerond. De Wulk -houdt zich op in de nabijheid van zandige kusten en dringt dikwijls met -behulp van den voet in den bodem door, met het doel om de hier levende -Mossels (Pecten opercularis, soorten van Mactrina, Tellina, Venus en -andere geslachten) buit te maken, die zij verslindt, na haar met de -tong een gat in de schelp geboord te hebben. Op ons zeestrand vindt -men dikwijls schelpen, die, blijkens de regelmatige ronde opening, -die zij vertoonen, op deze wijze zijn leeggevreten. De Wulken en -hare verwanten (vooral de Purperslakken en de Stekelhoornslakken) -vernielen allerlei eetbare Weekdieren (o.a. Oesters en Mossels), -maar worden zelf ook gegeten (komen op de Londensche vischmarkt -o.a. geregeld voor); bovendien leveren zij aas voor de vischvangst. - -Ledige eiernesten van de Gewone Wulk, bij de strandbewoners bekend -onder den naam van "zeeschuim", worden veelvuldig door de golven -op het strand geworpen. Het zijn rondachtige opeenhoopingen van -gele, vliezige blaasjes, half zoo groot als erwten en samengedrukt -bolvormig; die, welke men op het strand vindt, zijn opengebarsten en -dienen dikwijls tot schuilplaats aan kleine strandbewoners. De Slakken -hechten deze door een dikken band onderling vereenigde eierenzakjes -vast aan allerlei onderzeesche voorwerpen, aan steenen, stukken hout, -oesterschelpen, enz.; hun wand is aanvankelijk zoo dun en doorzichtig, -dat men er de eieren gemakkelijk met een vergrootglas in kan waarnemen; -ieder zakje bevat er niet minder dan 600 à 800 en levert toch slechts -4 à 12 jonge Slakken op. De kiem ontwikkelt zich uit den inhoud van -een enkel ei, bezit weldra, behalve andere organen, ook een mond en -een spijskanaal en verslindt dan de haar omringende, niet ontkiemde -eieren, die eenvoudig als voedsel dienen. Bij deze Slakken bestaat de -inhoud van het ei uitsluitend uit den zoogenaamden "vormingsdooier", -die door celdeeling de weefsels van de kiem levert; bij andere -dieren vindt men er ook nog den zoogenaamden "voedingsdooier" in, -die in het spijskanaal van het jonge dier opgenomen en verteerd -wordt. Aanvankelijk zijn alle in een kapsel aanwezige eieren volkomen -gelijk van aard; de eigenlijke reden waarom er slechts zoo weinige -van tot ontwikkeling komen, is onbekend. - -Ook bij onze Gewone Purperslak (Purpura lapillus) ontwikkelen zich -een gering aantal jongen ten koste van de groote meerderheid der -eieren. Deze drijven ten getale van 500 à 600 in een taai, helder vocht -en zijn omhuld door een fleschvormig, hoornachtig zakje; de fleschjes -zijn, op rijen naast elkander, ieder door tusschenkomst van een dunner -steeltje en een breeder grondstuk, bevestigd aan een steen of rots. - -Alle Purperslakken zijn traag en langzaam; de genoemde blijft dagen en -weken achtereen op dezelfde plaats zitten. Nog trager zijn eenige van -hare kleine verwanten, die op het Waaierkoraal (Gorgonia flabellum) -en andere West-Indischen Gorgoniën leven. Zij veranderen in 't geheel -niet van plaats en omvatten met den stijf aangedrukten mantelrand één -of meer takken van den stok; intusschen groeit de weeke, buitenste laag -van de Gorgonie om de schelp heen, zoodat de Slak ten slotte slechts -door een kleine opening met de buitenwereld in gemeenschap staat. - -De leden van 2 zeer nauw aan Purpura verwante geslachten, die zich -aanvankelijk vrij bewegen, Magilus en Rhizochilus, ondergaan, nadat zij -zich vastgehecht hebben, zeer merkwaardige veranderingen, die zoowel -den vorm van het huisje als de wijze van voeding en de levenswijze in -'t algemeen betreffen. Op jeugdigen leeftijd is het verschil tusschen -Rhizochilus antipathum en jonge exemplaren van sommige Purpura-soorten -al zeer gering. Wanneer men de eerstgenoemde soort op lateren leeftijd -beschouwt, nadat zij zich aan een polypenstok heeft vastgehecht, -merkt men bij haar een merkwaardige verandering op in de omgeving -van den mond der schelp; de aanvankelijk enkelvoudige lippen zijn -sterk gezwollen en hebben een of meer takken van het Hoornkoraal -omvat. Door de steeds voortschrijdende kalkafscheiding blijft ten -slotte van den mond der schelp niets anders over dan de opening van -het naar voren gerichte kanaal; deze verlengt zich tot een buis, die -groote overeenkomst vertoont met den koker van een Worm (Serpula) en in -dezelfde mate groeit, als de schelp bedekt wordt door de steeds verder -zich uitbreidende Polyp. Natuurlijk leidt de Slak nu een geheel ander -leven dan vroeger; nadere bijzonderheden hierover zijn niet bekend. - -Magilus antiquus komt voor in de Roode Zee; haar schelp wordt allengs -overdekt door de kalkmassa van een Steenkoraal, terwijl de geheele -schelpmond uitgroeit tot een wijde buis, die vergroot wordt, naarmate -de polypenstok zich uitbreidt; intusschen vult de Slak de vroeger -door haar bewoonde ruimten met kalk. - -Bij de Stekelhorenslakken (Murex) is de buitenlip omgeslagen of -verdikt, waardoor op de omgangen bultige, geplooide of stekelige, -overlangsche lijsten ontstaan, op elken omgang minstens drie; de lagere -vereenigen zich in schuinsche richting met de hoogere tot doorloopende -rijen. De kleine, ronde schelpmond loopt naar voren uit in een recht -of gebogen, soms gesloten kanaal. De 95 mM. hooge Murex brandaris -en de kleinere Murex trunculus komen beide in de Middellandsche Zee -zeer algemeen voor, gene op slijkerigen, deze op steenachtigen grond; -bij gene zijn de stekels en het kanaal recht en lang; bij deze is -het kanaal middelmatig lang en gebogen, en zijn de stekels door -knobbels vervangen. Beide worden in groote hoeveelheid ingezameld, -ter markt gebracht en gegeten. Vooral aan haar werd door de ouden de -beroemde kleurstof ontleend, die voor het purperverven diende en zoo -kostbaar was, dat een purperen gewaad als onderscheidingsteeken gold -voor voorname lieden. Destijds was het purperverven in geheel Italië -en Griekenland een zeer belangrijke tak van nijverheid, die vooral te -Rome bloeide, waar de Monte Testacea ontstaan is uit de schelpen der -hiervoor gebruikte Slakken. Tegenwoordig kan men op veel goedkoopere -wijze niet minder duurzame en fraaie kleuren verkrijgen en dient -de bedoelde verfstof hoogstens nog op enkele afgelegene eilanden -en kusten voor het merken van kleedingstukken. Zij was reeds in het -vergeetboek geraakt, lang voordat de uitmuntende onderzoekingen van -Lacaze-Duthiers een helder licht wierpen op hare eigenschappen. Toen -deze geleerde in den zomer van 1858 in de haven van Mahon allerlei -zeedieren verzamelde en hierbij geholpen werd door een visscher, zag -hij dezen kleedingstukken merken door er met een stukje hout plompe -letters en figuren op te teekenen, die aanvankelijk een geelachtige -kleur hadden. "Zij zullen rood worden," zeide de visscher, "zoodra -de zon er op geschenen heeft", en doopte tevens het houtje in het -taaie afscheidingsproduct van den mantel, dien hij had losgescheurd -van een Slak, waarin onze zoöloog onmiddellijk Purpura haemastoma -herkende. De verfstof is wit of lichtgeelachtig op 't oogenblik, -dat men haar aan 't dier ontneemt; dit kan het best geschieden met -een tamelijk stijf penseel, dat men over de geelachtige purperklier -(zie de onderstaande afbeelding bij p) strijkt en dadelijk afveegt op -de plaats, die geverfd moet worden. Terwijl men de stof aan de werking -der zonnestralen blootstelt, verbreidt zij een hoogst onaangename, -doordringende lucht en gaat achtereenvolgens door citroengeel, -groenachtig geel en groen in violet over, dat allengs donkerder -wordt. De tint hangt af van de hoeveelheid verfstof; de bekwame verver -is dus in staat allerlei nuanceeringen voort te brengen. - -Om het orgaan te leeren kennen, waardoor het purper afgescheiden -wordt, moet men de Slak, door het stuk slaan van de schelp, uit haar -woning verwijderen en den mantel doorsnijden tusschen de kieuw (b) -en een iets verder naar rechts gelegene geelachtig groene band (p), -die men beide reeds vóór deze bewerking door den mantel heen waarnemen -kan. De laatstgenoemde is de purperklier. - -Behalve de reedsgenoemde Murex-soorten bezigde Lacaze-Duthiers voor -zijne proeven ook de Geschubde Stekelhoren (Murex erinaceus), die -in den Atlantischen Oceaan aan de Fransche kust voorkomt en, hoewel -zelden, ook in de Noordzee bij onze kust gevonden wordt, voorts twee -soorten van Purpura, n.l. P. haemastoma (zie boven) en P. lapillus. Uit -de beschrijving, die Plinius geeft van de Slakken, welke oudtijds -voor de purperververij dienden, blijkt, dat het tegenwoordige geslacht -Purpura bij hem "Buccinum", Murex echter "Purpura" heet. - -De Spilhorenslakken (Fusus) hebben een zeer kleinen kop met voelers, -die op de helft van hun hoogte de oogen dragen en onder een scherpen -hoek samenkomen. Ook de voet is betrekkelijk klein. De schelp is -spoelvormig; loopt naar achteren uit in de lange, spitse winding, -naar voren in een (meestal zeer lang) recht kanaal. Bij den 30 -cM. hoogen Reuzenspilhoren (Fusus colosseus) uit den Indischen Oceaan -is het kanaal 2-maal zoo lang als de winding; het is kort bij den 15 -cM. hoogen Noordhoren [Fusus (Neptunea) antiquus], een der weinige -Europeesche vertegenwoordigers van zijn geslacht en tevens de grootste -Slak onzer kusten. Zij wordt voor Texel dikwijls met netten van den -zeebodem opgehaald en levert aas voor de vischvangst. Men vindt -haar schelp slechts zelden op ons strand; op de Hebriden wordt -zij in horizontale richting aan een koord opgehangen en als lamp -gebruikt. Evenals een groot aantal andere Weekdieren, leeft deze -Slak in het noorden van den Atlantischen Oceaan, vooral aan de kusten -van Scandinavië en Schotland, op geringer diepten dan in het zuiden; -haar woonplaats is des te dieper, naarmate zij verder zuidwaarts ligt. - - - -Pijltongigen (Toxoglossa) noemt men de Kamkieuwige Voorkieuwigen, -welker lange en smalle wrijfplaat uit slecht 2 overlangsche reeksen van -holle, pijlvormige zijtanden (zonder middeltand) bestaat; soms zijn zij -van weerhaken voorzien. Door de tanden, die zich bij 't uitstulpen van -de slurf naar voren richten, stroomt het afscheidingsproduct van een -onparige gifklier in de wonde van den aan de tong gespieste buit. Alle -hebben een adembuis, leven in de zee en voeden zich met dieren. - -De belangrijkste van de 4 tot deze groep behoorende familiën is die -der Kegelhorenslakken (Conidae) niet slechts wegens de veelvormigheid -van het typische geslacht Conus, dat 526 levende en 160 fossiele -soorten omvat, maar ook wegens de fraaiheid der schelpen, die tot -de meest aantrekkelijke bestanddeelen eener conchyliën-verzameling -behooren. Voor één exemplaar van den 5 cM. hoogen Onvergelijkelijken -Kegelhoren (Conus cedo-nulli)--van welke soort in den Atlantischen -Oceaan, vooral in Westindië en aan de oostkust van Zuid-Amerika, -vele variëteiten voorkomen--werd eens door een liefhebber 300 guinjes -besteed. Zeer gezocht zijn ook de Admiraal-toot (Conus ammiralis), -de Oranje-admiraal-toot (Conus aurisiacus), de Goudlaken-toot -(Conus textilis) en de Roem-der-zeetoot (Conus gloria-maris) uit de -Moluksche Zee. - -De Kegelhoren is meestal omgekeerd kegelvormig, met korte, laag -kegelvormige of zelfs platte winding (in dit geval heet de schelp -"ingewikkeld"); de smalle, overlangsche, spleetvormige mond heeft een -enkelvoudige, rechtlijnige buitenlip en van boven een spoor van een -kanaal. In verband hiermede zijn de voet en het hoornachtige deksel -lang en smal. De kleine, snuitvormige kop draagt korte, cilindrische -voelers, waarop, niet ver van de spits, de oogen zitten. De sipho is -bij sommige soorten kort, bij andere half zoo lang als de schelp. De -berichten over de levenswijze dezer Slakken, die bijna uitsluitend de -intertropische zeeën bewonen en op tamelijk groote diepte, meestal -op slikgrond, verblijf houden, zijn zeer schaarsch. De bewering, -dat zij planten eten, is moeielijk te rijmen met de bewapening -van de tong. Volgens Rumph worden verscheidene soorten--van den -Gemarmerden Kegelhoren (Conus marmoreus) ook de eieren--door de -bewoners van Oostindië gegeten. Deze verwerken de schelp van Conus en -van vele andere Slakken, tot allerlei aardige luxe-artikelen, o.a. tot -vingerringen. Bij het doorzagen van de schelp blijkt, dat de wanden -der binnenste omgangen papierdun zijn, daar het dier ze grootendeels -weer oplost, zoodra zij niet meer aan de oppervlakte liggen. - - - -Bij de Waaiertongige (Rhipidoglossa) bevat ieder lid van de radula, -behalve de middelplaat en minstens 3 paar tusschenplaten, een zeer -groot aantal (bij Nerita 60) kleine, smalle randplaten, die elkander -waaiersgewijs bedekken. De leden dezer onderorde heeten ook wel -Schildkieuwigen (Aspidobranchiata) naar de groote, vóór op den rug -gelegen holte, die de beide (alleen met de basis vastgehechte) -soms vergroeide kieuwbladen bevat. De ademhalingsorganen zijn -bij de Scutibranchiën (b.v. de Nerietslakken en Tolhorenslakken) -asymmetrisch, naar links verschoven, waarmede een gaafrandige mantel -(en schelpmond) gepaard gaat. De Zeugobranchiën (b.v. de Zee-ooren) -met hunne steeds tweeledige, min of meer symmetrisch geplaatste -kieuwen, hebben daarentegen den mantelrand van voren diep ingesneden -en bij gevolg aan de buitenlip een spleet of een reeks van gaten; -de Sleutelgathorens (Fissurella) hebben het ademgat aan den top van -de schelp. De voet draagt dikwijls draadvormige aanhangsels aan den -rand en heeft een aanzienlijke grootte. Alle Schildkieuwigen zijn -planteneters; de meeste bewonen rotsachtige zeekusten. - -Alleen de familie der Nerietslakken (Neritidae) bevat ook -zoetwaterdieren, meer dan 100 soorten, die bijna alle tot het -geslacht Neritina behooren. De Nerieten hebben een breeden, platten, -omgekeerd-hartvormigen kop en geplooide randen aan de groote, -onderstandige mondspleet. Aan de buitenzijde van den oorsprong -der beide lange, spitse voelers zijn op een korten steel de oogen -gezeten. De half-bolvormige, van onderen platte, ongenavelde schelp -heeft een zeer korte winding en een halfcirkelvormige, gaafrandige -opening, welker afgeplatte binnenlip dikwijls een getanden rand -heeft. Een uitsteeksel aan de binnenzijde van het verkalkte deksel -grijpt bij het sluiten van den horen achter den spilrand. Men -kent ongeveer 300 soorten van Nerietslakken uit alle deelen van de -wereld. Zeer algemeen verbreid is in Midden-Europa de Rivier-neriet -[Nerita (Neritina) fluviatilis], een slakje van ongeveer 8 mM. hoogte -en 10 mM. middellijn, dat ook bij ons in rivieren en beken, poelen -en moerassen, op steenen en waterplanten veelvuldig aangetroffen -wordt. Het witte, met roode of paarse vlekken, vlammen en strepen -bont geteekende schelpje is dun, maar vergeleken met de schelpen der -overige inheemsche Zoetwaterslakken, buitengewoon stevig. Evenals -vele andere geslachten van zoetwaterdieren, bevat ook Neritina een -aantal brakwatervormen en ook soorten, die in zeer verschillende -watersoorten kunnen leven. - -Het opmerkelijk verschijnsel, dat hierboven van Buccinum en Purpura -werd vermeld, n.l. dat slechts weinige embryonen zich ontwikkelen ten -koste van een groot aantal eieren, komt ook bij de Rivier-neriet voor. - -Reeds in de alleroudste fossielen-bevattende lagen treft men -overblijfsels van Tolhorenslakken (Trochidae) aan. De leden dezer -omvangrijke familie (meer dan 1000 soorten) hebben een spiraalswijs -gewonden, meestal tol- of torenvormige, van binnen parelmoerglanzige -schelp met een hoornachtig of verkalkt deksel. - -Tolvormig, met afgeronden, buikigen laatsten omgang is de woning van -de Maanhoren-Slakken (Turbo). Hoewel de beide lippen niet samenhangen, -is de schelpmond cirkelvormig. De kop is tot een snuit verlengd. Aan -de buitenzijde van de lange voelers staan de oogstelen; tusschen -de voelers steken twee voorhoofdslobben uit. Aan weerszijden van -den voet komen in den regel 3 draden voor en dikwijls bovendien een -franjedragenden, vliezigen rand. Het deksel is dik en sterk verkalkt, -soms bijna halfbolvormig. Eertijds vonden de deksels van den Rimpeligen -Maanhoren (Turbo rugosus)--en van verscheidene andere tropische -soorten--onder den naam "zeenavel" (umbilicus marinus) een plaats -in de apotheek; vooral tegen "het zuur" werden zij aangewend. Vele -leden van dit geslacht worden gegeten. De Chineezen gebruiken stukken -van de prachtig parelmoerglanzige schelp voor het inleggen van hun -verlakte houtwaren. - -Nauw verwant aan het vorige geslacht is dat der Tolhorens -i.e.z. (Trochus); ook deze zijn duidelijk kegel- of tolvormig; -de omgangen zijn echter min of meer hoekig; de basis is vlak en -de mond meestal ruitvormig. Zoowel van Trochus als van Turbo kent -men meer dan 200 soorten uit alle zeeën. De fraaiste van de niet -zeer talrijke Europeesche soorten is de 3 cM. hooge Jujube-tolhoren -(Trochus zizyphinus). In de Noordzee vindt men veelvuldiger de 1.8 -cM. hooge Aschgrauwe Tolhoren (Trochus cinerarius). - - - -Door talrijke, voor 't meerendeel fossiele overgangsvormen -(Pleurotomariidae) hangen de Zee-oorslakken (Haliotidae), die tot -de Zeugobranchiën gerekend worden, met de vorige groep samen. De -ademholte ligt bij haar aan de linkerzijde en bevat twee symmetrische -kieuwen. Haar schelp verschilt aanmerkelijk van den Tolhoren: haar -platte schotelvormige gedaante herinnert eenigszins aan een menschen -oor. De omgangen nemen zoo snel in wijdte toe, dat de laatste verreweg -het grootste deel van de schelp uitmaakt. Aan de linkerzijde heeft zij -een aan den rand evenwijdig loopende reeks van gaten; de achterste -sluit zich, terwijl aan den rand een nieuwe opening ontstaat, die -aanvankelijk van voren geopend is. Door deze openingen, die water in -de kieuwholte toelaten, steekt het dier de draadvormige aanhangsels -van den voet naar buiten. De buitenzijde van de schelp is niet fraai, -dikwijls schilferig, soms met groenachtige strepen geteekend; de -binnenzijde echter iriseert met de prachtigste kleuren; metaalachtig -groen heeft de overhand. Een tamelijk uitgestrekte, oneffene plek -geeft aan, waar het dier met de schelp vereenigd is geweest. De rand -van den mantel steekt voorbij de schelp uit en is bezet met groene -en witte franjes en draadvormige aanhangsels. De Zee-ooren leven -in de strandzone, doch op zulk een diepte, dat zij bij laag water -niet geheel op het droge komen te liggen. Zij bewonen bij voorkeur -rotsachtige oevers, houden zich overdag meestal verborgen onder -steenen en grazen in de duisternis de wieren af. Meer dan 70 soorten -zijn over de zeeën der warme en gematigde aardgordels verbreid, vooral -langs de kusten van Indië en Australië. De noordelijke grens van haar -verbreidingsgebied is het Kanaal. Daar treft men soms het 8 cM. wijde -Knobbelige Zeeoor (Haliotis tuberculata) aan; veelvuldiger vindt men -het in de Middellandsche Zee; in Italië wordt het onder den naam van -"Oor van Sint-Petrus" op de markt gebracht en gegeten. Bekend is het -gebruik, dat van het Reuzenzeeoor (Haliotis tubifera) als aschbakje -wordt gemaakt. Bij deze 14 à 16 cM. wijde schelp zijn de randen der -ademgaten uitgegroeid tot 5 à 6 mM. lange tuitjes. Zij is afkomstig -van de kusten van Oost-Azië en Australië; haar bewoner wordt gegeten. - - - -De onderorde der Gordelkieuwigen (Cyclobranchiata) wordt grootendeels -gevormd door het meer dan 150 soorten omvattende geslacht der -Schaalhorens (Patella). - -De schelp is kort kegelvormig, met eivormige opening en naar voren -gerichten top. De kop is verlengd tot een korten, dikken snuit (zie -onder bij l) met 2 lange spitse voelers (e), aan welker buitenzijde, -bij de basis, de oogen staan. De mantelrand (b) is dikwijls van franjes -voorzien; daaronder strekt zich een krans van kieuwplaatjes (c) uit, -die slechts door den kop wordt afgebroken; in 't midden is de breede -voor 't kruipen geschikte voet (a) zichtbaar. Van de inwendige organen -verdient vermelding de buitengewoon lange, met 6 reeksen van tandjes -gewapende tong. - -De meeste Schaalhorens bewonen de strandzone, vele de streek, die -geregeld bij laag water droog komt te liggen. Hoewel de Patellen -nooit, zooals verscheidene vroeger behandelde Slakken, op een -bepaalden leeftijd vastgroeien, gelijken zij door hun buitengewone -traagheid en onbeweeglijkheid zeer veel op deze voorgoed vastgehechte -wezens. Réaumur vond, dat een gewicht van 14 à 15 KG. noodig was om -een Gewonen Schaalhoren (Patella vulgata) los te rukken. Deze soort -leeft aan de Europeesche kusten en komt, hoewel zelden, ook bij de onze -voor. Zij levert een niet bijzonder smakelijk voedsel aan de armste -klassen van de kustbewoners. De Doorzichtige Schaalhoren (Patella -pellucida), een bewoner van de Noordzee en de kust van Noorwegen, -verdient dezen naam door de teerheid van de schelp; zij hecht zich -even stevig aan planken als hunne verwanten aan rotsen. Haar kleur -is in hooge mate afhankelijk van die der omgeving: bleek hoornkleurig -op het donkere, stengelvormige, fraai purperkleurig met lichtblauwe, -overlangsche strepen op het doorschijnende, bladvormige loof der -wieren. Zij leven beneden de strandzone op plaatsen, die nooit droog -komen te liggen. - - - - - -ZESDE ORDE. - -DE KEVERSLAKKEN (Cnemidophora). - -De Keverslakken, die een uit ruim 400 soorten bestaande familie -vormen (Chitonidae), herinneren door verscheidene eigenaardigheden -aan de Wormen en worden daarom door sommige onderzoekers als -een afzonderlijke klasse (Amphineura) aan deze hoofdafdeeling -toegevoegd. Anderen beschouwen de Chitoniden als een klasse van -Weekdieren (Placophora). Nog anderen geven haar, wegens het maaksel -van den voet en van de wrijfplaat, een plaats in de klasse der -Gastropoden. Hoewel het dier van boven gezien voor een oogenblik aan -een platte, langwerpige, ovale Schaalhorenslak herinnert, bemerkt men, -bij nader onderzoek, een groot verschil. De schelp, die het midden -van den rug van de Slak bedekt, bestaat n.l. uit 8 verkalkte, door -gewrichten vereenigde dwarsplaten, ieder met den achterrand over den -voorrand van de volgende plaat uitgestrekt. Voorbij deze schelp steekt -de rand van den mantel uit, die zich bij sommige soorten (niet bij -de hierboven afgebeelde) min of meer over de schelp uitbreidt en haar -zelfs geheel aan 't oog onttrekken kan. De mantel is soms glad, soms -met knobbeltjes of schubben bezet, soms met kleine, hoekige papillen -als 't ware geplaveid, soms met stekels uitgerust. Na 't omkeeren -van het dier ziet men den voet, die even breed is als de schelp en -hierdoor aan dien der Patellen herinnert. Verder naar voren, aan de -onderzijde, ligt de mondopening. Een eigenlijke kop ontbreekt; zijn -plaats wordt ingenomen door een halfcirkelvormige opzwelling zonder -voelers of oogen. De aarsopening is, in tegenstelling van hetgeen bij -alle Echte Slakken voorkomt, geheel aan 't andere uiteinde van den -stam gelegen: de Keverslakken zijn zuiver bilateraal symmetrisch. Aan -het achterste deel van 't lichaam, tusschen den mantel en den voet, -is aan weerszijden een rij van kieuwplaatjes gelegen. - -Vele Keverslakken hebben oogen in de schelp! Deze liggen in -de opperhuid der schelpstukken: bij sommige regelmatig op rijen -gerangschikt, bij andere onregelmatig verspreid. Uitwendig vertoonen -zij zich als ronde of ovale, bolle vlekjes, die het licht sterk -breken. Hun aantal is soms zeer aanzienlijk: bij een groot exemplaar -van Corephium aculeatum wordt het door Moseley op 11500 geschat. Dat -deze eigenaardige plaatsing der oogen voor de Keverslakken van groot -belang is, vloeit voort uit haar levenswijze. Vele soorten hechten -zich gaarne dicht bij den waterspiegel aan steenen vast, zoo dat zij -bij eb droog komen te liggen. Wanneer haar nu een gevaar bedreigt, -kunnen zij er op tweeërlei wijze aan ontkomen. Eenige soorten rollen -zich, als sommige Pissebedden en Duizendpooten, tot een bol ineen, -hiertoe in staat gesteld door den bouw der schelp, en laten zich -vallen; zij komen dan op den bodem van 't water te recht of ook wel -op het strand, waar zij, wegens haar indifferente kleur en bolronden, -aan kiezelsteenen herinnerenden vorm, tusschen de afgeronde steentjes -moeielijk te vinden zijn. Andere soorten hechten zich, wanneer men de -hand in haar nabijheid brengt, nog voordat men ze heeft aangeraakt, -zoo stevig vast aan den steen, waarop zij zitten, dat het niet -mogelijk is ze onbeschadigd los te maken. Blijkbaar hebben zij dus het -gevaar vooraf bemerkt. Deze dieren schijnen éénslachtig te zijn. Hun -ontwikkelingsgeschiedenis is ons bekend door Loven's onderzoekingen, -die betrekking hebben op de Omzoomde Keverslak (Chiton marginatus), -een in de Noordzee en aan de Noorsche kust voorkomende soort. De -larve gelijkt meer op die van sommige Borstelvormen dan op die der -overige Mollusken. Behalve de laatstgenoemde soort heeft Maitland aan -onze kust gevonden: de Aschgrauwe Chiton (Chiton cinereus), de Gladde -Chiton (Chiton laevigatus) en de Fluweelen Chiton (Chiton laevis). In -levenswijze gelijken deze dieren veel op de Schaalhorenslakken; -zij bewegen zich even weinig als deze. - - - - - - - -DERDE KLASSE. - -DE GRAAFVOETIGEN (Scaphopoda). - - -Ook over de plaats, die de Stoottand- of Tandhorenslakken (Dentalidae), -ook wel Meshefthorens (Solenoconchae) genoemd, in het stelsel behooren -in te nemen, bestaat verschil van meening. Het is gebleken, dat -deze kleine, uit ongeveer 80 hedendaagsche en 160 fossiele vormen -bestaande diergroep, zoowel met de Slakken als met de Mossels -kenmerken gemeen heeft en dat de ontwikkelingsgeschiedenis harer -leden eenige overeenkomst met die der Ringwormen vertoont. Daar zij -een rudimentairen kop hebben en de oogen zoowel als de kieuwen missen, -staan de Graafvoetigen op een veel lageren trap van organisatie dan de -Echte Slakken. Van de koplooze Plaatkieuwige Weekdieren verschillen -zij echter duidelijk door het bezit van een tong met wrijfplaat en -van een buisvormige, enkelvoudige schelp, zoodat het geraden schijnt -ze tusschen de Gastropoden en de Lamellibranchiaten te plaatsen. - -De schelp van de Dentaliën heeft den vorm van een niet sterk gekromden -Olifants-slagtand en is aan beide einden open. De convexe boog is -de buikzijde van het dier, dat in gewone omstandigheden dezen hollen -kegel geheel vult en er alleen door een smalle, gespierde, ringvormige -mantelstrook dicht bij de achterste opening aan vastgegroeid is. De -lange, buisvormige, van voren en van achteren geopende mantel -heeft denzelfden vorm als de holte der schelp; zijn cirkelvormige, -voorste opening kan door een kringspier gesloten worden; een deksel -is niet aanwezig. De ingewandenzak is van achteren over twee derde -deel van zijn leegte met den mantel vergroeid. De romp is door een -tusschenschot en een insnoering in tweeën verdeeld; ook de mantelholte -bestaat uit een voorste en een achterste kamer (a en a). De voorste -bevat het monduitsteeksel (b), met de door bladvormige aanhangsels -(lipvoelers) omgeven mondopening. Niet deze, maar de volgende -opzwelling omsluit de tong, welker wrijfplaat gevormd wordt door -25 à 30 dwarsreeksen, ieder van 5 plaatjes. Aan de buikzijde van -de voorste lichaamsafdeeling ligt de voet (d), een holle cilinder, -die door vulling met bloed verlengd en door de voorste mantelopening -naar buiten gestoken kan worden; dit orgaan gelijkt veel meer op den -voet der Mossels dan op dien der Echte Slakken. De aarsopening (c) -ligt in de achterste kamer van de mantelholte. Door wijde ruimten en -kanalen tusschen en in de organen beweegt zich het bloed, hoewel een -eigenlijk hart ontbreekt. Bepaaldelijk voor de ademhaling bestemde -organen zijn evenmin aanwezig. De centrale deelen van het zenuwstelsel -komen het meest overeen met die der Plaatkieuwigen. Behalve een paar -knoopen boven den slokdarm en een paar bij de aarsopening, zijn -in den voet twee knoopen gelegen, die met twee gehoorblaasjes in -gemeenschap staan. Bovendien moeten als zintuigen worden beschouwd -2 bundels van voeldraden, die knotsvormig eindigen en uitgaan van -twee zijdelingsche opzwellingen (e) van het deel van den romp, dat -met den mantel verbonden is. In de nevenstaande afbeelding zijn zij -naar links omgeslagen; zij behooren echter in de voorste kamer van -de mantelholte te liggen. - -De geslachtsorganen zijn over tweeërlei individuën verdeeld. Uit -het ei komt een langwerpig eivormige larve, welker spits uiteinde -het voorste gedeelte van het dier voorstelt; de trilharen, waarmede -aanvankelijk de geheele oppervlakte bekleed is, rangschikken zich later -gordelsgewijs; nog later verdwijnen de achterste trilhaargordels en -breiden de voorste zich tot een "kopscherm" uit. - -De Dentaliën bewonen den zandigen of slijkerigen zeebodem langs de -kusten; ledige, 3 à 4 cM. lange schelpen van Dentalium entale en -Dentalium vulgare worden dikwijls op ons zeestrand gevonden. Het -dier is minder gemakkelijk te verkrijgen: zoodra de zeebodem niet -meer door water bedekt is, kruipt het in het zand en wordt geheel -onzichtbaar. Het gunstigste tijdstip voor het inzamelen van de dieren, -die het strand bewonen, is dat, hetwelk onmiddellijk voorafgaat aan het -stijgen van het water. Bij het begin van de eb verkeeren deze dieren -in gunstige omstandigheden, daar het zand nog veel water terughoudt; -ook dit water vloeit echter weg; bij den laagsten waterstand, -kort voordat het water weer begint te rijzen, is het strand het -droogst; nu worden vele van de dieren, die er in begraven liggen, -door behoefte aan water genoopt een vochtiger oord op te zoeken en -kan men hen, o.a. ook de Dentaliën, het gemakkelijkst inzamelen. De -voet heeft een kegelvormige spits met twee bladvormige zijlobben; -deze spelen bij het doordringen in 't zand de rol van ankers, zoodat -bij samentrekking van het lichaam het geheele lichaam vooruitgaat. - -Door trilhaarbeweging (en ook door den voet als pompzuiger te -gebruiken) stroomt het water door de voorste mantelopening naar binnen; -het water, dat op dezelfde wijze door de achterste mantelopening -verwijderd wordt, is beladen met uitwerpselen en (in de noordelijke -zeeën: van het begin van Mei tot het midden van September) ook met de -producten der voortplantingsklieren. De waterstroom, die geregeld van -voren naar achteren het lichaam doorloopt, voert op passieve wijze -voedsel toe aan de mondopening; door middel van de voeldraden kunnen -de kleine, tot voedsel dienende diertjes echter ook op actieve wijze -opgezocht en naar den mond gebracht worden. - - - - - - - -VIERDE KLASSE. - -DE PLAATKIEUWIGEN (Lamellibranchiata). - - -Over het algemeen is de Weekdieren-klasse, waarvan de Mossels en -de Oesters vertegenwoordigers zijn, nog minder dan die der Slakken -bekend aan leeken op zoölogisch gebied. Slechts zelden krijgt -men bij toeval Plaatkieuwigen op hunne gewone verblijfplaatsen te -aanschouwen, terwijl, ook nadat deze gezocht en gevonden zijn, het -eigenlijke dier voor de meeste belangstellende onderzoekers een raadsel -blijft. Menigeen heeft boven het slijk van ondiepe plassen honderden en -duizenden van zoogenaamde Eendenmossels in eenigszins scheeve richting -zien uitsteken, zonder te kunnen uitmaken, of zij haar vooreinde -of haar achtereinde toonden. Aan een opengestoken Oester valt kop -noch staart te onderscheiden; de meeste liefhebbers van dit Weekdier -verorberen het, zonder dat eenig lichaamsdeel bij hen anatomische -of systematische herinneringen wekt. De schelp verschaft, zelfs na -oplettend onderzoek, niet veel inlichtingen; hoogstens zal men kunnen -raden, op welke plaats ongeveer de mond gelegen is. Voor een groot -deel is de geringe belangstelling, die de Mossels en hare verwanten -wekken, te wijten aan het buitengewoon flegmatisch temperament dezer -dieren. Met hen vergeleken zijn de zoo trage Slakken in hooge mate -sanguinisch. Eenige in zee levende soorten van Mossels vormen een -uitzondering op den algemeenen regel, daar zij door het snel openen en -sluiten der schelp tamelijk vlug zwemmen kunnen: haar aantal is echter -zeer gering. De overige zijn bijna even duurzaam aan haar woonplaats -verbonden als de planten. Een uitsluitend biographische behandeling van -deze diergroep zou wegens de eenvormigheid van de levensuitingen harer -leden den lezer niet bevredigen. Wij zullen bij haar beschrijving ons -op een hooger standpunt plaatsen en, evenals vroeger in dergelijke -gevallen geschiedde, een voorstelling trachten te geven van den -eigenaardigen lichaamsbouw der Plaatkieuwige Weekdieren, de hoog -georganiseerde met hunne lager ontwikkelde verwanten vergelijken, -om zoo tot een verklaring van de waargenomen verschijnselen te geraken. - -Als voorbeeld kiezen wij de hierboven genoemde Eendenmossel, hetzij -een levend of een in spiritus gedood exemplaar. Een oppervlakkige -voorstelling van zulk een wezen kan men verkrijgen door het te -vergelijken met een gebonden boek, dat met den rug naar boven en met -den bovenkant naar voren wordt gehouden. De beide stukken bordpapier, -rechts en links, vertegenwoordigen de verkalkte schelpkleppen, de -schutbladen de mantelhelften van het dier; de beide titelbladen -en de achteraankomende, uit twee bladen bestaande inhoudsopgave -stellen de kieuwplaten voor en de eigenlijke tekst vervangt den romp -of ingewandenzak. Men moet zich echter voorstellen, dat de bedoelde -bladen aan weerszijden, van het omslag tot aan de eigenlijke tekst, in -uitgebreidheid verminderen; want de beide bolle schelpkleppen omgeven -alle overige lichaamsdeelen en de mantelhelften overtreffen in lengte -en breedte de kieuwplaten, die op hun beurt verder reiken dan een -groot deel van den romp. Al deze deelen zijn langs den bovenrand, -als de bladen van een boek, onderling vergroeid. De schelp is een -uitscheidingsproduct van den mantel (in de afbeelding met g aangeduid), -die iedere schelpklep aan de binnenzijde bekleedt met een plaat -(mantelhelft) en de overige weeke deelen omhult; de mantelrand, die -gewoonlijk aan den schelprand vastgehecht is, kan gemakkelijk zonder -beschadiging losgemaakt worden. Aan het achtereinde zijn de beide -mantel-helften bezet met een groot aantal wratjes (h), die buitengewoon -gevoelig zijn; zij komen hier voor bij alle Plaatkieuwigen, die, zooals -de onze, de voorste helft van 't lichaam in den grond verbergen. Wij -weten dus nu, welk lichaamsdeel zij ons van uit het slijk toekeeren -en waar zich de openingen bevinden voor den aanvoer en den afvoer van -stoffen. Bij een zeer groot aantal Mossels zijn de mantelranden niet -vrij, zooals bij onze Zoetwatermossel, maar over een meer of minder -grooten afstand met elkander vergroeid. Waar dit geschiedt, komen -dikwijls zoogenaamde mantelbuizen (siphonen) achter uit de schelp te -voorschijn: de bovenste (kloaksipho) is bestemd voor het afvoeren van -'t water, dat voor de ademhaling gediend heeft, van de uitwerpselen -en van de geslachtsproducten; door de onderste (ademhalingssipho) -dringt het water (en tevens het voedsel) in de mantelholte door. Verder -naar voren blijft aan de buikzijde een spleet over, waardoor de voet -wordt uitgestoken. - -Op iedere mantelhelft volgen naar binnen de beide kieuwplaten (d en e), -die bij onze Zoetwatermossel buitengewoon sterk ontwikkeld zijn, maar -ook bij al hare verwanten zoo duidelijk in 't oog vallen, dat de naam -der geheele klasse aan haar vorm ontleend is. Tusschen de kieuwen, -doch verder naar voren, ligt de wigvormige voet (a). Zoowel uit de -verrichting van dit sterk gespierde orgaan als uit zijn ligging ten -opzichte van de overige lichaamsdeelen blijkt zijn overeenkomst met den -voet der Slakken. Zoolang het dier leeft, moet men een groote kracht -aanwenden om de schelp te openen; men zal eerder stukken van de schelp -afbreken, dan de werking der beide sluitspieren overwinnen. De eene -(b) is vóór den mond gelegen; zijn ondervlakte en de voet begrenzen -de ruimte, waarin de ingang tot het spijskanaal verborgen ligt. Boven -de achterste sluitspier (i) ligt de endeldarm, welks einde (bij f) -zichtbaar is. - -De Plaatkieuwigen hebben geen kop en werden daarom vroeger met de -Ascidiën en Salpen onder den naam van "Koplooze Weekdieren" (Acephala) -tot één klasse vereenigd. De mondopening (b) kan men in den regel -het gemakkelijkst vinden door langs het midden van den voet naar -voren en naar boven te gaan en tevens de beide driehoekige platen -(mondlobben: c), die aan weerszijden vóór de kieuwen liggen, naar -boven en buiten om te slaan. De mondholte bevat zoomin wapens als -toestellen voor het fijnmaken van het voedsel; dit bestaat daarom -uitsluitend uit microscopisch kleine plantjes of diertjes, die door -trilhaarbeweging naar de mondopening worden gevoerd en vervolgens -aankomen in een korten en wijden slokdarm, die zich tot een maag -verruimt. De lever ligt onmiddellijk boven en aan weerszijden -van de maag en van den daaropvolgenden darm, die, omhuld door de -geslachtsorganen, eenige kronkelingen maakt, welke zich, wanneer de -voet groot is, gelijk bij het tot voorbeeld gekozen dier, ook in dit -orgaan uitstrekken. In het deel van den romp, dat achter den voet -aan de rugzijde gelegen is, loopt het spijskanaal onder den naam -van endeldarm regelrecht, onder den mantel langs, naar achteren en -eindigt bij f in de aarsopening. Achter deze opening laten de tot -hier vereenigde mantelhelften een spleet over, de kloak; daaronder -zijn zij door een brugje verbonden. - -Een paar zenuwknoopen liggen naast en een weinig achter den mond, -een tweede paar veel lager in den voet. De strengen, die deze -beide zenuwmassa's verbinden, vormen een ring om den slokdarm, -die ook dan nog aanwezig is, wanneer, zooals bij de Oester, -de voet en de voetzenuwknoopen ontbreken. Het derde en grootste -paar, de kieuwzenuwknoopen, is veel verder achterwaarts, onder de -achterste sluitspier, gelegen en staat ook door strengen met de -bovenslokdarmknoopen in verband. - -Het hart bevindt zich in een met bloed gevulde "lichaamsholte" -(pericardiaalholte), die bij onze Zoetwatermossel (en alle overige -Tweespierige Plaatkieuwigen) aan de rugzijde dicht onder den mantel -en kort vóór de achterste sluitspier--bij de Oester (en alle overige -Eénspierigen) verder binnenwaarts gelegen is. Het bestaat uit een -rechter en een linker voorkamer met een daartusschen geplaatste -kamer, die den endeldarm ringvormig omgeeft, ontvangt het bloed, -dat uit de kieuwen komt en stuwt het door twee slagaders in de -bloedvatenstelsels der lichaamsdeelen, vanwaar het langs vaste banen -naar de kieuwbloedvaten terugkeert. Vooraf doorstroomt het een zeer -omvangrijk, sponsachtig orgaan, dat, naar zijn ontdekker, orgaan van -Bojanus heet. Hierin kan het dier willekeurig (door een opening, die -men na het zijwaarts omslaan der kieuwen bespeurt) water opnemen, -dat aan het bloedvatenstelsel wordt toegevoerd en, evenals bij de -Slakken, dient tot het doen opzwellen en buiten de schelp steken -van verschillende lichaamsdeelen; vooral van den voet en van den -mantelzoom; deze vertoonen verscheidene openingen, waardoor bij het -plotseling terugtrekken van de organen in de schelp het overtollige, -met water vermengde bloed ontwijkt. - -De trilharen, waarmede de geheele binnenste oppervlakte van den mantel -en alle deelen van de kieuwen en mondlappen bezet zijn, spelen door hun -beweging in het leven der Plaatkieuwigen een hoogst belangrijke rol. De -stroomingen, die zij teweegbrengen, behouden altijd dezelfde richting, -ververschen het water, dat voor de ademhaling bestemd is en voeren -gelijktijdig voedseldeeltjes naar den mond. De kieuwplaten, die bij -oppervlakkige beschouwing den indruk maken van enkelvoudig te zijn, -bestaan in werkelijkheid ieder uit twee op traliewerk gelijkende, -door chitinestaafjes gesteunde lagen, waartusschen een stelsel van -holten voorkomt, dat door talrijke openingen water ontvangt uit -de zoogenaamde kieuwkamer: de door den mantel begrensde ruimte, -waarin de kieuwen hangen. Dit water wordt door de werking van -de trilharen, die de inwendige holte der kieuwplaten bekleeden, -opgevoerd naar een kanaal, dat boven de plaats van aanhechting -van iedere kieuwplaat gelegen is; deze kanalen, die zich verder -achterwaarts vereenigen, vormen gezamenlijk de kloak-kamer, waarin -niet slechts het verbruikte ademhalingswater; maar ook alle overige, -uit endeldarm, geslachtsorganen, enz. afkomstige, voor het dier -nuttelooze of schadelijke stoffen ter verwijdering uit de schelp -opgenomen worden. Door de beweging der trilharen stroomt het water -in de bedoelde richting en worden tevens de voedseldeeltjes, die -voor de openingen der kieuwen achterblijven, naar de mondlappen en -van hier in de mondopening overgebracht. De kloak-kamer staat met -de buitenwereld in gemeenschap door de opening boven het verbindend -strookje, dat tusschen den achterrand der mantelhelften aanwezig is, -terwijl onmiddellijk daaronder, dus eveneens aan den achterrand, -door het aaneenvoegen der overige randgedeelten van den mantel een -spleetvormige opening wordt begrensd, waardoor het versche water in -de kieuwkamer binnendringt. Bij vele Plaatkieuwigen vormt de mantel -een grootendeels gesloten zak; ook in dit geval worden de noodige -betrekkingen met de buitenwereld onderhouden door 2 spleten aan den -achterrand, die voor den aanvoer en den afvoer van water bestemd zijn, -en door een spleet bij het vooreinde, die den voet doorlaat. Dat -de waterverversching in de mantelholte soms ook nog op andere wijze -dan door trilhaarbeweging tot stand komt, blijkt, wanneer men eenige -oogenblikken een Zoetwatermossel gadeslaat. Zonder eenige merkbare -aanleiding flapt zij van tijd tot tijd plotseling de schelp dicht, -waardoor natuurlijk het water uit de ruimten tusschen mantel- en -kieuwplaten met geweld naar buiten wordt geperst. Het openen van de -schelp geschiedt vervolgens langzaam. - -De mantelhelften zijn op eenigen afstand van haar vrijen rand door -spiervezels vastgehecht aan de binnenste oppervlakte van de schelp; -hier ziet men een lijn (de mantellijn), die, althans gedeeltelijk, -evenwijdig loopt met den vrijen rand van iedere klep. Het deel van -den mantel, dat boven deze lijn gelegen is, heet mantelschijf en -onderscheidt zich gewoonlijk door geringere dikte van den daarbuiten -gelegen mantelzoom, die meer of minder breed, glad of geplooid kan -zijn, rijk is aan vaten, klieren en kleurstof en dikwijls voelers en -andere zintuigelijke organen (oogen) draagt. De schelp wordt deels door -de mantelschijf, deels door den mantelzoom gevormd en bestaat dus uit 2 -verschillende lagen. De buitenste laag, die door den mantelzoom wordt -uitgescheiden, bestaat uit prismatische, met koolzure kalk gevulde -vakjes, loodrecht geplaatst ten opzichte van de oppervlakte der schelp; -in de binnenste, die zich dikwijls door parelmoerglans onderscheidt -(parelmoerlaag), zijn een groot aantal evenwijdige, structuurlooze -laagjes van koolzure kalk en conchioline dicht opeengedrongen. Een -hoornachtig opperhuidje van verschillende dikte bedekt de schelp aan -de buitenzijde en is soms met fijne haren of borstels bezet; van de -oudste deelen is het dikwijls door afslijting verdwenen ("afgevreten" -spitsen). Soms maakt de parelmoerlaag, soms de prismatische kalklaag -de hoofdmassa van de schelp uit. - -De schelpkleppen zijn aan de rugzijde met elkander verbonden door een -veerkrachtigen band, den slotband, die door zijn elasticiteit de schelp -opent, wanneer de sluitspieren niet werken. De slotband is eigenlijk -een doode massa, niet aan den wil van het dier onderworpen. Daarom -gaapt de schelp van de doode Mossel in den regel: de spieren, die zich -bij het levende dier onder den invloed van den wil samentrekken en -de werking van den slotband tijdelijk opheffen, zijn nu verslapt. De -slotband ligt aan den rugrand, meestal achter, soms onder de beide -toppen of spitsen (bij c in de afbeelding); in het eerstgenoemde -geval maakt zijn ligging het onderscheiden van den voorrand en den -achterrand gemakkelijk; gewoonlijk bevindt de voorrand (a) zich het -naast bij de spits en vertoont een sterkere afronding dan de achterrand -(b), die door den slotrand van de spits gescheiden is. - -De hechtheid van de verbinding der schelpkleppen wordt bij vele -Plaatkieuwigen zeer bevorderd door het passen van lijst- en tandvormige -verhevenheden in daarbij behoorende kuiltjes en groeven van de tegen -elkander aanliggende randgedeelten onder en naast de spits. Deze -slottanden (of middeltanden) en zijtanden vormen met den slotband -het zoogenaamde slot; belangrijke kenmerken ter onderscheiding van -geslachten en familiën worden hieraan ontleend. De top (c), het -oudste en dikste deel van de schelpklep, verschilt niet zelden in -vorm van het overige gedeelte, dat, door latere aanvoeging ontstaan, -in vele gevallen kenbaar is aan onderling evenwijdige, concentrische -groeistrepen. Belangrijke kenmerken levert ook de beschouwing van de -binnenste oppervlakte der schelpkleppen. Bij de meeste geslachten -komen twee spierindruksels voor: het voorste (m) en het achterste -(m'); hun grootte, vorm en diepte loopen zeer uiteen. Zeer klein -is de voorste sluitspier bij de Ongelijkspierigen (Heteromyaria), -b.v. bij de Gewone Mossels (Mytilus). De achterste sluitspier is -alleen overgebleven, maar heeft zich meer naar het midden van de -schelp verplaatst bij de Eénspierigen (Monomyaria), b.v. bij de -Oesters (Ostrea, zie nevenstaande afbeelding: c). De Zoetwatermossel -(Anodonta), die twee goed ontwikkelde sluitspieren hebben, behooren -daarom tot de Gelijkspierigen (Homomyaria). De drie genoemde -groepen komen onderling overeen door het gemis van mantelbuizen; -zij worden gezamenlijk Asiphoniden genoemd. De bezitters van lange, -terugtrekbare mantelbuizen hebben op de plaats waar de spieren voor -het terugtrekken ontspringen, een naar achteren geopende bocht in -de mantellijn (n); hieraan danken zij den naam van Bochtmanteligen -(Sinupalliata). Deze bocht komt niet voor bij de Asiphoniden en ook -niet bij de Siphoniden met korte, niet terugtrekbare mantelbuizen; -de laatstbedoelde groep heet daarom Gaafmanteligen (Integripalliata). - -Alle Plaatkieuwigen zijn waterdieren; verreweg de meeste bewonen de -zee; hoogstens 1/5 deel van alle levende soorten worden in zoetwater -gevonden. De meeste zoetwatervormen zijn Gelijkspierige Asiphoniden -en dus Gaafmanteligen. De soortenrijke familie der Najaden is geheel -tot het zoetwater beperkt en is het sterkst vertegenwoordigd in -Noord-Amerika. Alle zoetwaterschelpen zijn kenbaar aan een dikke, -donkergroene, geelachtige of bruine opperhuid en meestal ook aan -de afgevreten spitsen. De Plaatkieuwigen, die de zee bewonen, -komen op verschillende diepten voor: dikke, bontgekleurde, rijk -versierde schelpen worden in den regel bij de kust, op steenachtigen -of zandigen bodem aangetroffen; op grootere diepten vindt men teere, -dunne, weinig of niet gekleurde schelpen. Verreweg de meeste soorten -leven op diepten van 0 à 35 vademen; op 200 vademen diepte neemt het -aantal Plaatkieuwigen aanmerkelijk af; slechts enkele vormen zijn op -1500 à 2500 vademen diepte gevonden. Tusschen de keerkringen is de -verscheidenheid van vormen grooter dan in de koudere zeeën. - -Dikwijls komen sommige soorten uitsluitend in diep, andere leden van -hetzelfde geslacht slechts in ondiep water voor. De leden van eenige -geslachten hechten zich aan onderzeesche voorwerpen vast: blijvend -door het vastmetselen van één klep, zooals de Oester, tijdelijk -door met den voet gesponnen draden, zooals de Gewone Mossel. Vele -Plaatkieuwigen kunnen zich vrij bewegen, hoewel dit steeds zeer -langzaam geschiedt: eenige zwemmen; de meeste echter kruipen met -behulp van den voet. De Bochtmanteligen begraven zich ten deele in -zand of slijk; de Schelpdieren, die zelfgemaakte holten in hout of -steen bewonen, behooren voor 't meerendeel tot deze groep. - - - - - -EERSTE ORDE. - -DE ASIPHONIDEN (Asiphonida). - -Tot de Plaatkieuwigen zonder mantelbuizen (Asiphonida) en meer -bepaaldelijk tot de afdeeling der Eénspierigen (Monomyaria) behoort -o.a. de familie der Oesters (Ostreidae). - -Met uitzondering van de Zee-pareloester, heeft geen enkel Schelpdier -zulk een belangrijke economische beteekenis, verschaft aan zoovele -menschen een middel van bestaan en brengt zooveel geld in omloop -als de Oester. In alle zeeën leven soorten van dit geslacht; de nu -volgende mededeelingen hebben echter uitsluitend betrekking op de -Gewone Oester (Ostrea edulis) der Europeesche kusten. Ieder die een -Oester met eenige aandacht bekijkt, zal aan de schelp van dit dier -verscheidene karakteristieke eigenschappen opmerken. Zij is meestal -eivormig, dikwijls echter zeer onregelmatig; hare kleppen zijn -ongelijk; de linker klep, die aan den bodem vastzit, is van onderen -bol en bevat een ondiepe holte, waarover de kleinere, plattere en -dunnere rechter klep als een deksel heen ligt. Beide hebben een -grauwe, schilferige oppervlakte en bestaan overigens uit een witte, -poreuze kalkmassa. Vooral geldt dit van de onderste en dikste klep, -die aan allerlei voorwerpen vastgroeit. De aanhechting gaat niet uit -van den rand, maar van nader bij 't midden gelegen deelen; men kan -haar niet anders verklaren dan door aan te nemen, dat een door het -dier gevormde, op cement gelijkende stof door de bolle schelpkalk -heendringt en haar aan het onderliggende voorwerp vastlijmt. Naarmate -de schelp aangroeit, wordt rondom de reeds vastgehechte plaats nieuw -"cement" uitgescheiden. Ook het slot vertoont eenige opmerkelijke -eigenaardigheden. De aanvankelijk gelijkvormige spitsen vertoonen later -een groot verschil, daar de bovenklep in ontwikkeling achterblijft. De -slotband is "inwendig", d. w. z. onder de spits gelegen, aan de -ongeopende schelp niet waarneembaar en kraakbeenig van aard. - -Een belangrijke afwijking van den regel vertoont de Oester door het -ontbreken van den voet, die spoorloos verdwijnt, nadat het jonge dier -zich heeft vastgehecht. Met het gemis van den voet gaat de afwezigheid -gepaard van gehoorblaasjes, die bij andere Weekdieren in dit orgaan -voorkomen. Oogen zijn evenmin voorhanden. Het dikkere randgedeelte -van den mantelzoom is door een groeve in tweeën gesplitst en met -een groot aantal voelertjes bezet. Dat het zeer gevoelig is, blijkt, -wanneer men het aanraakt. - -De Oesters zijn tweeslachtig, brengen zoowel eieren ("melk") -als spermatozoïden voort, doch doen dit niet terzelfder tijd. De -geslachtsklier levert aanvankelijk uitsluitend mannelijke, later, doch -bij jonge exemplaren dikwijls eerst in een volgend jaar, geen andere -dan vrouwelijke cellen. Reeds in het eerste of tweede jaar begint deze -verrichting. Bij oudere individuën treft men, nadat het eierenleggen -heeft opgehouden, nog in den loop van hetzelfde jaar spermatozoïden -aan. Een deel van de Oesters gedragen zich dus gedurende een zekeren -tijd geheel als mannetjes, terwijl de overige dan feitelijk wijfjes -zijn. Zelfbevruchting kan niet voorkomen; de eieren worden bevrucht -door spermatozoïden, die met het water in de mantelholte van de -moeder doordringen. De ontwikkeling van de kiem begint reeds in het -afvoerkanaal van het geslachtsorgaan, dat het "broed" uitstort in -de kloakkamer van de mantelholte, vanwaar het door het water wordt -medegevoerd; het verlaat echter de schelp niet, maar blijft achter in -de ruimte tusschen mantelzoom en kieuwen. Hier, in den "baard", vindt -men het reeds bij twee- en zelfs bij éénjarige, het talrijkst echter -bij vier- of vijfjarige individuën. In warme en vroege zomers begint -de voortplanting reeds in Mei, in late zomers duurt zij tot in het -begin van September voort. Aanvankelijk (bij de "melkoester") gelijkt -het broed op een witte, slijmerige vloeistof, die korreltjes (eieren) -van 0.1 mM. middellijn bevat. Deze komen uit en ontwikkelen zich ten -koste van de hem omgevende eiwitachtige stof, die vermoedelijk aan -de oppervlakte van de kieuwen der moeder uitgescheiden wordt. Later, -als het broed een blauwgrijze kleur heeft aangenomen, heeten de -Oesters, waarin het voorkomt, "zaadoesters". De oesterlarve bewoont -langer dan een maand de kieuwkamer van haar moeder en ontwikkelt -zich niet verder, wanneer haar vóór het einde van dit tijdperk een -andere woonplaats wordt verschaft. Zij is in het bezit van een met -trilharen bezet "kopscherm", dat hoofdzakelijk als bewegingsorgaan -dient, doch tevens bij de ademhaling en waarschijnlijk ook bij het -toevoeren van voedsel aan het spijskanaal een rol speelt. De larve -heeft bij het verlaten van de moederschelp een middellijn van 0.15 à -0.18 mM. bereikt, is omhuld door een schelpje, dat uit twee gelijke, -bolle kleppen bestaat en vertoont bij de aars een beginsel van een -voet. Met het kopscherm vrij rondzwemmend in de bovenste waterlaag, -wordt zij soms door stroomingen ver weggevoerd. Hoe lang dit vrije -leven duurt, is niet bekend, volgens sommigen niet langer dan 2 dagen, -volgens anderen wel een week. Gaandeweg neemt de larve meer kalk in -haar schelp op en verkrijgt een grooter soortelijk gewicht. Wanneer -haar middellijn tot minstens 0.24 mM. is toegenomen, zinkt zij naar den -bodem, hecht zich hier vast en begint het ware oesterleven, gesteld -n.l., dat zij het zeldzame geluk had aan te komen op een plaats, die -voor haar verdere ontwikkeling geschikt is. De meeste oesterlarven -zijn zoo gelukkig niet. Tegenover de ontzaglijk groote sterfte onder de -jongen, staat echter de verbazende vruchtbaarheid der volwassenen. Het -aantal nakomelingen, dat een groot exemplaar in één jaar voortbrengt, -werd door Davaine op 1¼ millioen begroot. (Leeuwenhoek sprak van 20 -millioen.) Men houde hierbij in het oog, dat de jongere en oudere -Oesters aanmerkelijk minder vruchtbaar zijn dan die van 4- of -5-jarigen leeftijd, dat het aantal als wijfjes fungeerende Oesters -op de oesterbanken hoogstens 30 percent en dikwijls niet meer dan -10 percent van alle geslachtsrijpe exemplaren bedraagt. Ook het -kweeken op een niet door het dier zelf gezochte woonplaats schijnt -een nadeeligen invloed uit te oefenen op zijn vruchtbaarheid. - -In den regel vindt men de Oesters in grooten getale bijeen op -zoogenaamde "oesterbanken", op vele plaatsen ook wel sporadisch. Op -beide wijzen bewonen zij verschillende deelen van de Adriatische Zee, -van Venetië en Triëst tot Brindisi en de golf van Tarente. Minder -sterk schijnt haar verspreiding te zijn langs de kusten der -Middellandsche Zee, zoowel in het oostelijk als in het westelijk -gedeelte; sporadisch ontmoet men ze in de Zwarte Zee en bij de -zuidkust van de Krim. De oesters van Zuid-Europa en van Portugal -behooren niet tot de bij ons gewone soort (Ostrea edulis). Deze komt -voor in den Atlantischen Oceaan, van Vigo in Spanje tot Finistère in -Frankrijk, in het Kanaal en langs de Engelsche, Iersche en Schotsche -kusten tot bij de Shetlandsche eilanden. Dezelfde soort vertoont -zich op verschillende plaatsen in de Noordzee, gewoonlijk niet ver -van de kust, doch ook wel in de open zee. Te ver af, om als een -Nederlandsche oesterbank aangemerkt te worden, is die, welke zich -benoorden de eilanden Vlieland, Terschelling, enz. tot Helgoland -uitstrekt. Men vindt de Gewone Oester verder: langs de westkust van -Sleeswijk en Denemarken, in de Limfjord, de Aalbekbaai in het Kattegat -(bij Frederikshavn of Fladstrand) en langs de oostkust van Jutland tot -bij de Horsensfjord, van een punt ten zuiden van Götheborg, aan den -overkant van 't Kattegat, tot aan de Baai van Christiania en langs -de zuid- en westkust van Noorwegen tot de Thren-eilanden dicht bij -den poolcirkel. Het klimaat en de fauna worden in alle deelen van -het genoemde gebied beheerscht door den Golfstroom. De temperatuur -en het zoutgehalte zijn er hoog en onafhankelijk van plaatselijke -invloeden. Er komen geen Oesters voor bij de kusten van de Far-öer -en IJsland, daar deze bespoeld worden door een zeestroom, die direct -uit het Bahama-kanaal komt en dus geen oesterbroed bevat. Dat in het -zuidelijke deel van het Kattegat en in de Oostzee tegenwoordig geen -Oesters meer kunnen leven, hangt samen met het geringe zoutgehalte -van het water. In de Bothnische Golf kan het water nagenoeg zoet -heeten; in de Finsche Golf bevat het 6 per duizend, in de Kleine Belt -ongeveer 17 per duizend, in de open oceaan echter 35 à 36 per duizend -zout. Een duidelijk bewijs voor de stelling, dat het Oostzeewater -eertijds meer zout bevatte (en een grond voor het vermoeden, dat -er directe gemeenschap heeft bestaan tusschen de Bothnische Golf -en de Poolzee) is gelegen in de zoogenaamde "Kjökkenmöddinger" -("keukenafval"), uitgestrekte opeenhoopingen van schelpen (Oesters, -Mossels, Zandschelpen, Alikruiken, enz.), vischgraten, beenderen van -Vogels en Zoogdieren, gemengd met asch en houtskool, potscherven, -vuursteenen werktuigen en uit been of hertshoorn vervaardigde -voorwerpen. Een 50-tal van deze hoopen (dikwijls slechts 1 M. hoog, -bij een lengte van ongeveer 100 en een breedte van 50 M., soms echter -3 M. hoog en 300 M. lang) zijn langs de oostkust van Jutland en op -de Deensche eilanden gevonden en door Deensche geleerden nauwkeurig -onderzocht. Zij hebben het bewijs geleverd, dat duizenden van jaren -geleden de Oesters het Kattegat bewoonden (althans het zuidelijke -deel) en er talrijk genoeg waren om een hoofdbestanddeel te zijn van -het voedsel der oerbewoners dezer kusten. - -Niettegenstaande haar verre verbreiding in noordelijke richting moet -Ostrea edulis beschouwd worden als een zuidelijke soort, aangezien -zij het veelvuldigst is (zich het sterkst ontwikkelt en voortplant) in -het Kanaal en verder zuidwaarts. Bij de Engelsche en Fransche kusten -schijnen de rijkste, natuurlijke oesterbanken voor te komen. Die -van de Hollandsche en Sleeswijksche kusten komen eerst in de tweede -plaats in aanmerking. Het is niet zoozeer de lage wintertemperatuur, -die voor de Oesters in noordelijker streken nadeelig wordt, daar zij -een tamelijk lagen warmtegraad kunnen verdragen en zich in 't noorden -op grootere diepten vestigen dan in het zuiden. Meer schade doet haar -de te lage zomertemperatuur; deze moet eenige dagen achtereen 18 à 20° -C. bedragen, opdat er overvloedig broed worde voortgebracht. - -Ook de gesteldheid van den zeebodem heeft een zeer grooten invloed -op de ligging der oesterbanken. De Oesters vestigen zich nooit op -plaatsen, die sterk begroeid zijn met planten, evenmin daar waar -een dikke laag slib of beweeglijk zand aan de oppervlakte ligt, -of waar de grond geheel uit rotsblokken of steenen bestaat. Daar -echter de slib aan deze dieren veel voedsel kan leveren, bewonen -zij gaarne een harden bodem, die met een dunne laag slijk bedekt -is. Om dezelfde reden gedijen zij op derrie (veengrond, die door de -zee overstroomd is en bedekt werd met een kleilaag, welke later weer -wegspoelde). Voor een deel is het hieraan toe te schrijven, dat zij -zoo veelvuldig gevonden worden (of werden) in de Oosterschelde, in het -noordelijke deel van de Zuiderzee, in de Lauwers en aan de monden van -de Eems (bij Borkum en Juist). Met uitzondering van de Oosterschelde, -zijn deze oestergronden thans grootendeels leeggevischt en zullen, -ondanks de thans geldende verordening, dat er van 1o April tot 1o -October geen Oesters mogen worden geraapt of gekord, niet licht hun -vroegeren rijkdom herkrijgen. Hierdoor vermaard was nog in de vorige -eeuw het terrein, dat zich van de lijn Medemblik-Stavoren tot de zachte -waardgronden ten zuidoosten van Terschelling uitstrekt. "Dit gebied," -schrijft Dr. P. P. C. Hoek [1], "bestaat uit ondiepe vaak zeer vlakke -platen (men noemt ze "zand", "waard", "wal" of "plaat"), door geulen -van elkander gescheiden. Langs de meeste dezer geulen treft men nog -Oesters aan: zoo in den Balg, het Amsteldiep, den Texelstroom, de Pan, -enz. enz. Een der rijkste punten is nog het zoogenaamde Waardje op den -zuidwesthoek van Wieringen. Het is een vlakke bank, ongeveer 2 KM. in -doorsnede. Bij laag water komt het water op deze plaats niet hooger -dan de knie; de Oesters worden dan ook niet gekord, maar geraapt. Elke -raper is voorzien van een fleschje met olie, waarin een veertje, dat -aan de kurk bevestigd is; deze olie wordt met behulp van de veer op -het wateroppervlak gesprenkeld: de golfslag wordt hierdoor gestild en -de raper in staat gesteld de voorwerpen op den bodem behoorlijk waar -te nemen. Tot de rijkere plaatsen in de Zuiderzee schijnen vervolgens -ook de ten zuidoosten van Terschelling gelegen Riepel (of Reepel) en -het zoogenaamde Zuiderrak te behooren." "De Oester, die hier verzameld -werd, was groot van stuk en als Texelsche Oester bekend. Verreweg het -grootste deel er van werd uitgevoerd naar Hamburg, doch ook Amsterdam -werd van hieruit voorzien. Het is echter zeer de vraag, of niet als -zoogenaamde Texelsche Oesters ook zulke verkocht werden, die uit de -open Noordzee afkomstig waren. In het midden der vorige eeuw rustten -de Texelaars jaarlijks 60, de bewoners van Schiermonnikoog evenveel -en de bewoners van de Zoutkamp 25 schuiten ter oestervangst uit. Op -de zoogenaamde waarden vischte men al loopende, in de diepere geulen -werden de Oesters gekord. Het eerste was meer het werk der Texelaars; -vandaar dat deze den naam hadden van oesterzoekers; het laatste werd -voornamelijk door de visschers van Schiermonnikoog en de Zoutkamp -(de zoogenaamde oesterkorders) in praktijk gebracht." Slechts -bij uitzondering werden de Oesters direct naar de markt vervoerd; -in den regel werden zij tijdelijk op zoogenaamde "oesterbedden" -uitgestrooid, die met wilgenstokken werden afgetuind. De visschers -van Schiermonnikoog en de Zoutkamp brachten de gevonden Oesters naar -Terschelling en wierpen ze bij de reede van Midsland neder; die van -Texel stortten ze benoordoosten van Texel, bijzonder gaarne op de -plaat, genaamd het Middelzand. Eenig denkbeeld van den rijkdom der -banken geeft het bericht van Paludanus, dat iedere schuit 100000 -Oesters aan de markt moest brengen om den eigenaar een bestaan op -te leveren. De meeste dezer eens zoo rijke oestergronden zijn thans -uitgeput. De pogingen om ze bij Wieringen, in het Noorden (tusschen -Eierland en Texel) en in de Lauwers (onder Oostmahorn, tusschen den -Babbelaar en het Dokkumer-diep) opnieuw te bevolken, zijn mislukt. - -Bezuiden Texel ontbreken de Oesters langs de geheele Noordzeekust -van Holland. Wel worden op Zuidhollandsch gebied, onder Herkingen en -Goedereede, terreinen gebezigd voor het "planten" en vetmesten van -Fransche Oesters (afkomstig van Bretagne, Auray en Morbihan). Van -oudsher worden echter Oesters gevischt langs beide oevers van de -Oosterschelde. De vroeger zeer groote opbrengst is in de eerste -helft dezer eeuw allengs afgenomen; maar bedroeg toch, volgens een -waarschijnlijk te lage schatting, nog in 1850 een millioen stuks. In -1870 is men begonnen op deze toen nog niet geheel uitgeputte banken -de oestercultuur uit te oefenen. Onderzoekingen, die in de jaren -1882 en 1883 met behulp van duikertoestellen verricht zijn op de -steenbestortingen langs den voet der schaardijken, hebben geleerd, -dat ook buiten de min of meer kunstmatig bevolkte terreinen tal van -Oesters leven. Deze worden met rust gelaten en vermenigvuldigen zich -zoo sterk als de beschikbare ruimte en de aanwezige voedselvoorraad -toelaten; het korren is hier van wege de waterstaat verboden en zou -trouwens op de hier gestorte granietblokken gevaar opleveren voor -de vischtoestellen. - -Op plaatsen waar, zooals in het Kanaal, de Oesters groot worden -en veel broed voortbrengen, verkrijgen zij echter niet de grootste -handelswaarde. Reeds voor lang heeft men opgemerkt, dat deze dieren -het vetst en smakelijkst worden na overbrenging op terreinen, die -door eilanden of banken tegen den onmiddellijken invloed van den -Oceaan beschut zijn, waar het zoutgehalte van 't water getemperd is, -hetzij door een groote rivier, die zich hier in de zee stort, of -door een aantal kleinere stroompjes, die in een golf uitmonden. In -ons vaderland heeft men reeds voor lange jaren putten ingericht, -waarin men naar verkiezing versch zout water kan doen stroomen; -het overbrengen van de in zee gekorde Oesters in deze putten heet -"spenen." Hierdoor is men tevens in staat om, voordat het ruwe seizoen -de vangst te zeer bemoeielijkt, de voorraad te verzamelen, die, naar -verwacht wordt, in den winter kan worden gesleten. Op groote schaal -geschiedt dit o.a. bij Londen door de "Whistable Free Dredgers Oyster -Company", welke aan niet minder dan 3000 personen (mannen, vrouwen -en kinderen) werk verschaft en zich uitsluitend bezighoudt met het -koopen van broed, van half of geheel volwassen Oesters uit de open zee -(natives), die, op hare oestergronden aan den zuidelijken oever van -den mond der Theems neergelegd, weldra de gewenschte grootte en vetheid -bereiken. Het verblijf in zulke inrichtingen, waaraan het zoetwater en -de vloedgolf afwisselend groote hoeveelheden organische stof toevoeren -als voedsel voor de Oesters, geeft aanleiding tot een sterkeren -groei dezer dieren. Ook de schelp wordt er door gewijzigd, neemt een -regelmatiger vorm aan en blijft, wegens het geringer zoutgehalte, -dunner. Daarentegen neemt het voortplantingsvermogen af: de voor 't -vetmesten bestemde oesterparken kunnen op den langen duur onmogelijk -zich zelf in stand houden. Reeds een vermindering van zoutgehalte -met 5 per duizend brengt een geringere vruchtbaarheid teweeg; in -dezelfde richting voortgaande, zal men eindelijk een watermengsel -verkrijgen, waarin de Oester nog wel kan leven, maar ophoudt zich -voort te planten. Zonder voortdurenden aanvoer van broed uit zee -kunnen dus de oesterparken op plaatsen, waar het zoutgehalte gering -is, niet blijven bestaan.--Een eigenaardig verschijnsel in sommige -van deze inrichtingen is de groene kleur, die de weeke deelen van de -Oester er verkrijgen; o.a. de Oesters van het park te Marennes aan -de Fransche kust zijn om deze reden beroemd. De kleur is te danken -aan Diatomeën (Kristalwieren) van het geslacht Navicula, die in het -bedoelde water voorkomen en tot voedsel voor de Oesters dienen. - -Het verbruik van Oesters, dat b.v. te Parijs minstens 75 millioen stuks -en te Londen meer dan tweemaal zooveel bedraagt, zou geen merkbare -vermindering van den rijkdom der natuurlijke banken teweegbrengen, -indien niet andere oorzaken medewerkten. Een daarvan is het groot -aantal dieren, uit alle klassen, die op de door ons zoo hoog geschatte -Weekdieren belust zijn. Tallooze Visschen verslinden het jonge broed, -dat trouwens in ontzaglijke menigte de zee in de nabijheid van de -banken bevolkt. Krabben en Kreeften wachten het oogenblik af, waarop -de Oester haar schelp opent, om zich te vergasten aan haar smakelijk -vleesch; dit kunnen zij zonder bezwaar doen, daar de sterk gepantserde -schaar bestand is tegen de drukking, die de Oester er bij 't sluiten -van de schelp op uitoefent. De Zeesterren zien kans de inhoud van de -schelp op te zuigen. Verscheidene Slakken, vooral Murex tarentinus, -Murex erinaceus, Purpura lappillus en Nassa reticulata, in Frankrijk -"perceurs" genoemd, boren met de slurf gaten in de schelp en verslinden -op deze wijze den buit. Op andere plaatsen hebben Mossels (Mytilus -edulis) zich in zoo grooten getale op de oesterbanken gevestigd, -dat zij de oorspronkelijke bewoners uitroeiden. Voorts heeft men nog -een ander dier, in Frankrijk "Maërle" genaamd, waarschijnlijk een -Kokerworm uit het geslacht Sabellaria, als vijand van het kostelijke -Weekdier leeren kennen. Indien deze wezens geen verdelgingskrijg -tegen de Oesters voerden, indien niet milliarden van jongen door -de golven opgenomen en verbrijzeld, of onder zand en slijk verstikt -werden, zouden vele zeeën reeds sinds lang goed gevulde oesterbedden -geworden zijn. De grootste schade hebben de oesterbanken echter geleden -door de ondoelmatige wijze van inzameling hunner bewoners door den -mensch. Waar de banken te diep liggen om bij eb de Oesters te "rapen", -maakt men gebruik van een net, waarvan de opening gevormd wordt door -een zwaar ijzeren raam, welks over den bodem sleepende kant bij wijze -van een eg van tanden voorzien is. Dit net is met een touw aan een boot -bevestigd, die langzaam voortzeilt, zoodat het raam diep in den grond -doordringt en bij zijn beweging diepe gaten en groeven in de banken -scheurt. Daar deze kuilen zich binnen korten tijd met slib vullen, -kunnen zich hier geen Oesters meer vasthechten, terwijl bovendien -ook de omliggende dieren, die aan het net ontkomen zijn, bedolven -geraken. Op deze wijze wordt een oesterbank in korten tijd uitgeput. - -Tallooze jonge Oesters bezwijken, omdat de bodem, waarop zij -neervallen, haar geen gelegenheid tot aanhechting biedt. De -oestercultuur heeft zich tot taak gesteld het grootst mogelijke -aantal van deze dieren in 't leven te behouden en op te kweeken tot -een handelsartikel. Met dit doel worden buiten de Oosterschelde van -half Juni tot begin Juli, of van Juli tot half Augustus zoogenaamde -"collecteurs" aangebracht op de door lange ervaring bekende terreinen, -waarover het van de oesterbanken afkomstige broed gewoonlijk -door de zeestroomingen wordt verspreid. Hiervoor dienen meestal -vorstpannen. Daar deze met een dikke laag metselkalk bestreken zijn, -kan men de jonge dieren er naderhand afsteken, zonder de nog brooze -schelp te beschadigen; te gelijk met deze geraakt n.l. een deel van de -kalklaag los. Indien men de Oester op de pan had laten blijven, zou -zij wegens haar platten vorm niet gewild zijn. Van de "panperceelen" -worden de collecteurs vóór 1 December naar de "oesterputten" -overgebracht om te overwinteren; het afsteken heeft aan den vasten -wal plaats, meestal in 't voorjaar; de afgestoken Oesters vinden -aanvankelijk een ligplaats in de "kweekbakken" of "hospitalen"; -ondiepe bakken, bestaande uit een rand van hout of ijzer en een -bodem van metaalgaas of doorboord zink, die de vrije doorstrooming -van het water toelaat. Hier zijn de jonge dieren veilig tegen hunne -talrijke vijanden en tegen het gevaar van verstikking onder zand of -slib,--ook tegen de koude, bij tijdige overbrenging dezer bakken van -de ondiepe "zaaiperceelen" naar de "putten". De Oesters worden daarna -vrij op diepere "zaaiperceelen" neergelegd om er te blijven, tot zij -verkoopbaar zijn. Bovendien zijn voor den "broedval" nog zoogenaamde -"natuurperceelen" in gebruik, die men, voornamelijk door er schelpen -op te brengen, voor de aanhechting der oestertjes geschikt maakt. In -den regel laat men het op deze perceelen aangeslagen broed gedurende -den winter liggen en brengt het niet naar de putten over. De putten -zijn afgeperkte terreinen, die hun water bij eb behouden. Sommige -(de "vloeiputten") liggen op een deel van den oesterbank, dat bij eb -droog loopt en behouden dan hun water, daar zij door een laag walletje -omgeven zijn. Andere (de "overloopsche putten") zijn tegen den voet -van den dijk aangebracht en aan de openwaterzijde afgesloten door -een dijk, die bij vloed overstroomd wordt, hetgeen noodig is voor de -waterverversching. Door duikers kan men, zoo noodig, al het water er -bij eb uit laten wegvloeien en de put zorgvuldig reinigen. De diepte -is voldoende om de pannen met de jonge oesters te beschermen tegen de -nadeelige gevolgen van koude en stormweer. Sommige oesterondernemingen -hebben binnendijks groote putten, welker vloer geheel gemetseld is -en waarvan de wanden met sterke houten beschoeiingen bekleed zijn. - -In 1886 schreef Dr. Hoek: "Thans is het geheele oestergebied van -de Oosterschelde voor een gezamenlijk bedrag van ruim f 500000 aan -verschillende pachters afgestaan. Het rijkste gedeelte is echter -ongetwijfeld de ongeveer 1000 bunders groote bank, die men de Yersche -oesterbank noemt. Deze is oorspronkelijk voor 10 jaren verpacht -geweest; in 1880 werd den pachters vergund de pacht met 5 jaren te -verlengen. Van 1870 tot 1885 heeft deze oesterbank ruim f 2000 's jaars -aan pacht opgebracht. In 1883 heeft de nieuwe publieke verpachting, -die met 1 April 1885 zou ingaan, plaats gehad. Hoewel het mogelijk, -en voor sommige perceelen zelfs zeker is, dat grootere sommen besteed -zijn, dan in alle opzichten door de opbrengst gebillijkt wordt, zoo -mag het toch ongetwijfeld als een welsprekend bewijs voor den bloei -van dezen tak van nijverheid gelden, dat diezelfde bank voortaan -niet minder dan f 379000 aan jaarlijksche pacht opbrengt." Het -vervoer van Oesters langs de spoorwegen naar verschillende binnen- en -buitenlandsche markten, dat in 1890 tot ruim 4.5 millioen KG. gestegen -was, is sedert dien tijd aanmerkelijk afgenomen en bedroeg in 1892 -weinig meer dan 1 millioen. Hoewel het in 1896 weer tot nagenoeg -2 millioen KG. vermeerderde, waren de financieele resultaten ook -in 't laatstgenoemde jaar ongunstig. Het Verslag van de Kamer van -Koophandel en Fabrieken te Bergen op Zoom over 1896 bevat hierover -de volgende mededeeling: "De concurrentie met Fransche en Engelsche -Oesters nam belangrijk toe. Daar deze, vooral door de aanzienlijke -mindere pachtsommen der gronden, voordeeliger gekweekt kunnen worden, -vonden zij, behalve in hun eigen land, in België en Duitschland grooten -aftrek. Dit had ten gevolge, dat het Zeeuwsche product slechts tot -veel te lagen prijs van de hand te doen was. Daarbij kwam, dat vele -kweekers, door concurrentiezucht en geldbehoefte gedreven, inferieure -soorten naar verschillende vischmarkten in consignatie afzonden, -waardoor gevaar voor vermindering van de renommée en de waarde der -Zeeuwsche Oesters kan ontstaan. Deze tak van nijverheid verkeert in -staat van verval; zoo niet spoedig zeer ingrijpende hervormingen -plaats hebben, is het te vreezen, dat de tijd weldra zal komen, -waarin deze industrie met ondergang wordt bedreigd." - - - -De Mantelschelpdieren (Pectinidae) hebben, evenals de Oesters, -slechts één sluitspier en een geheel open mantel. Zij bezitten echter -steeds een kleinen voet, die bij vele soorten in verband staat met -een eigenaardigen, voor 't spinnen van draden geschikten toestel, -het byssusorgaan. Aan den bovenachterrand van den voet bevindt -zich n.l. een kleine verhevenheid met een kuiltje er in, dat den -"byssusstam" bevat; een van hier uitgaande, gootvormige groeve zet -zich voort over de achterzijde van den voet tot dicht bij de spits, -waar zich de "byssusklier" bevindt, die een kleverige, onder water -spoedig verhardende stof afscheidt. Om een draad te spinnen, buigt -het dier den voet achterover naar de "byssusholte" en raakt den hier -reeds aanwezigen "byssusstam" aan met de kleverige vloeistof, die door -de afvoeropening van de klier naar buiten treedt. Door vervolgens -den voet te strekken, wordt in diens overlangsche groeve een draad -gevormd, welks uiteinde, vastgehecht aan het een of ander voorwerp, -zich tot een schijfje afplat of tot een bolletje verdikt. De op deze -wijze gevormde bundel van draden wordt byssus of baard genoemd. - -"Toen ik," verhaalt Oscar Schmidt, "gedurende de maanden Mei en Juni -van 1850 in de Bergener-fjord zeedieren verzamelde met het sleepnet, -vond ik hierin eens een 12 cM. dikke kluit van zeer onregelmatigen -vorm, welks bestanddeelen, steentjes en schelpgruis, door een -groot aantal in allerlei richtingen dooreengewarde, geelachtige en -bruine draden bijeen gehouden werden. "Een mosselnest!" riepen mijne -roeiers, en werkelijk, toen ik de kluit omdraaide, blonk mij uit een -tamelijk nauwe spleet de schitterend witte schelp van de Vijlmossel -(Lima hians) te gemoet. Deze is langwerpig en gelijkkleppig; zij -gaapt aan beide einden, het meest echter van voren. De talrijke -oranjekleurige randdraden van den mantel, die door de openingen naar -buiten treden, maken, zelfs wanneer het dier overigens rustig is, -allerlei wormvormige bewegingen en worden, als het dier op zijn hoogst -zonderlinge wijze zwemt, als een vurige staart medegesleept. Zoodra -men n.l. de Mossel uit haar omhulsel verwijderd en in 't water gezet -heeft, opent en sluit zij hare schelpkleppen beurtelings met kracht en -zwemt op deze wijze bij rukken in elke richting. Bij haar bevrijding -uit het nest zijn enkele van de fraaie randdraden losgescheurd; -deze schijnen hierdoor eerst recht levendig geworden te zijn, -kronkelen zich op den bodem van den waterbak als Aardwormen en kunnen, -wanneer men het water frisch houdt, zich een paar uren achtereen als -levende wezens gedragen. Terwijl het dier zich in 't nest bevindt, -steken de draden--die van den naar binnen gekeerden rand van den -(bijna overal open) mantel uitgaan en hieraan een dichte franje -vormen--buiten de opening van 't nest uit, zoodat er bijna niets van -de schelp te zien is. De manteldraden zijn aan haar oppervlakte met -wimpers bezet, die door haar aanhoudende beweging aan de mondopening -kleine microscopische dieren en aan de kieuwen ademhalingswater -toevoeren. Waarom een Schelpdier, dat zich zoo flink kan bewegen, -een nest bewoont, waaruit het blijkbaar nooit te voorschijn komt, is -niet recht duidelijk. Wanneer men het nest van nabij beschouwt, kan -men zich een voorstelling vormen van de wijze, waarop het vervaardigd -wordt. Het dier maakt allerlei voorwerpen, die het in zijn nabijheid -vindt, door grove byssusdraden aan elkander vast, totdat de ruwe -buitenwanden van de woning zijn opgebouwd; de hierbinnen overblijvende -holte wordt bekleed met fijnere draden; ook in dit opzicht gelijkt -dit bouwwerk op een kunstig en gemakkelijk vogelnest, dat van buiten -weinig de aandacht trekt. De Mossel, die door haar gapende schelp -onvoldoende beschut wordt, omgeeft haar woning met een vesting, die -zelfs de vraatzuchtigste roofvisschen niet graag zullen verzwelgen. De -draden, die de bouwstoffen van het nest verbinden, worden door het -drogen zeer broos; daarom kan dit merkwaardige en volstrekt niet -zeldzame gebouw moeielijk in een naturaliën-kabinet bewaard worden." - -Het typische geslacht der Mantelschelpen of Kamoesters (Pecten) is -den lezer misschien bekend door het gebruik dat van de schelpen der -grootste soorten gemaakt wordt als schotel voor fijne ragouts (ragout -fin en coquilles). Met dezelfde schelpen zijn de pelgrims, die uit -het Oosten terugkeeren, gewoon hoed en kleederen te versieren. Bij -alle soorten is de schelp regelmatig en niet aan andere voorwerpen -vastgegroeid; vele zijn ongelijkkleppig, daar de eene klep als een plat -deksel op de andere ligt en deze schotelvormig is. Opmerkelijk zijn -ook de ooren, die aan weerszijden van den top voorkomen, en de ribben, -die zich bij de meeste soorten straalsgewijs van den top naar den rand -uitstrekken. De mantel is aan den rand verdikt en met verscheidene -rijen van vleezige tasters bezet, waartusschen een groot aantal -oogen geplaatst zijn. Deze trekken bij de Mantelschelpdieren door hun -diamant- of smaragdachtigen glans meer dan bij andere Plaatkieuwigen -de aandacht. Zij zijn in de buurt van het slot (en meer bepaaldelijk er -achter) het dichtst bijeen gezeten en worden op de convexe of onderste -mantelhelft minder talrijk gevonden dan op de platte, bovenste. Bij -de grootste soorten bereiken zij een middellijn van 1 mM.; tusschen -deze groote oogen zijn kleinere gezeten; alle vertoonen echter een -merkwaardigen glans, veroorzaakt door een eigenaardige gesteldheid -van het regenboogsvlies, dat de lichtstralen terugkaatst. Het dier -kan met deze oogen geen verafgelegen voorwerpen zien; zij dienen -voor het doel, waarvoor wij kleine lenzen gebruiken en zijn alleen -voor het waarnemen van voorwerpen in de onmiddellijke nabijheid -geschikt. Als schildwachten hebben zij aan den rand van den mantel -een geschikte plaats. Verkeerd zou het zijn, het gezichtsvermogen van -de Mantelschelpdieren met hun geschiktheid tot springen en zwemmen -in verband te brengen. Evenals bij de Vijlmossels, geschiedt de -laatstgenoemde beweging door het plotseling sluiten van de schelp -met behulp van de krachtige sluitspier. - -Dat er geen reden bestaat om verband te zoeken tusschen de bedoelde -bewegingen en het gezichtsvermogen, blijkt ook uit de aanwezigheid -van oogen bij de nauw verwante Klepoesters (Spondylus). Deze groeien -n.l. met de bolle schelpklep aan onderzeesche voorwerpen vast. Zij -onderscheiden zich door het bezit van lange stekels op de ribben der -schelp. In de Middellandsche Zee vindt men op betrekkelijk groote -diepte veelvuldig de Lazarusklep (Spondylus gaederopus), die een -purperkleurige bovenste klep heeft. - -Verscheidene Mantelschelpdieren worden gegeten en munten uit door -fijnheid van smaak. - - - -Twee sluitspieren, waarvan de achterste groot, de voorste -daarentegen zeer klein en onder het slot gelegen is, vindt men bij -de Ongelijkspierige Asiphoniden (Asiphonida Heteromyaria); zij hebben -den voet weinig, het byssusorgaan meestal krachtig ontwikkeld. - - - -De Vleugelschelpdieren (Aviculidae) heeten zoo wegens de oor- of -vleugelvormige uitbreiding, die in den regel naar voren en naar -achteren (of althans in een van deze beide richtingen) van het slot -uitgaan en den slotrand rechtlijnig maken. De schelp is dikwijls -eenigszins ongelijkkleppig; de (in dit geval meer uitgeholde) rechter -klep is naar den bodem gekeerd; voor vasthechting dienen byssusdraden, -die door een insnijding onder het voorste oor van de rechter klep -(of door een haar vervangende opening onder den top) naar buiten -treden. De slottanden zijn klein of ontbreken. De schelp bestaat uit -een binnenste parelmoerglanzige en een buitenste, soms bladerige, -prismatische kalklaag; haar opperhuid is onbeduidend. Het indruksel -van de achterste (grootste) sluitspier is op korten afstand boven het -midden der schelp gelegen. Het voorste spierindruksel bevindt zich -gewoonlijk bij de basis van het voorste oor. Het ontbreekt geheel -bij de Hamerschelpen (Malleus), welke dezen naam ontleenen aan het -ruggedeelte van de schelp, langs den rechtlijnigen slotrand. Dit -gelijkt op een hamerkop en bestaat uit een vóór en een achter den -top gelegen, lang en smal uitsteeksel; de steel van den hamer wordt -dan voorgesteld door het zeer korte, lepelvormige buikgedeelte van de -schelp, dat onder den top aanvangt en loodrecht naar beneden gericht -is. Soorten van dit geslacht vindt men bij de kusten van Ceylon, -China en Australië. - -Van de levenswijze der Aviculiden valt niets bijzonders op te -merken. Sommige, vooral de Pareloesters (Meleagrina) spelen echter een -belangrijke rol wegens de kostbare producten (parels en parelmoer), die -zij aan den handel leveren. De slotrand is bij alle Meleagrina-soorten -naar voren, bij vele ook naar achteren oorvormig verlengd. Het slot -is volkomen tandeloos, of heeft in elke klep een stompen tand. De -rechter klep is vóór het voorste oor uitgesneden tot het doorlaten -van den baard. Men kent een 30-tal soorten van dit geslacht, die -alle de keerkringszeeën bewonen, met uitzondering van één in de -Middellandsche Zee levende soort. Gewoonlijk zijn alle exemplaren, die -op een bepaalde standplaats voorkomen, leden van dezelfde soort. Haar -uitzicht verschilt zeer in verband met de gesteldheid van den tamelijk -diepen zeebodem, waarop zij wonen, en met de planten en dieren, die -zich op hare schelpen vestigen; hiernaar worden zij met verschillende -namen aangeduid. De dikte van de laag schelpen, die den bodem bedekt, -is ongelijk; volgens de verzekering van betrouwbare duikers bedraagt -zij niet meer dan 1.5 à 2 voet; de banken zijn op een diepte van 3 -à 15, gewoonlijk 5 à 8 vademen gelegen. - -De belangrijkste en verst verbreide soort is de Echte Pareloester -(Meleagrina meleagris). Zij wordt gevonden in den Perzischen zeeboezem, -aan de kusten van Ceylon, bij de eilanden van den Grooten Oceaan, in de -Roode Zee, in de Golf van Panama en van Mexico en aan de Californische -kust. Verscheidene variëteiten komen voor, die vooral door de -grootte en de dikte van de parelmoerlaag van elkander verschillen: -de Ceylonsche heeft een kleine, voor den handel onbruikbare schelp; -de Soendaneesche wordt 0.5 à 1 KG. zwaar en bevat een dikke, prachtig -glinsterende parelmoerlaag. - -"De kostbaarste parels," schrijft Von Heszling, "worden gewoonlijk -gevonden in het gespierde deel van den mantel dicht bij het slot; -in alle andere lichaamsdeelen, aan de binnenste oppervlakte van -de schelp en in de sluitspier kunnen echter parels voorkomen. Zij -verschillen zeer in omvang; zelden overtreft haar grootte die van -een kers; die welke een kleinen speldeknop evenaren, zijn zeer -talrijk en heeten "seedpearls". Kapitein Stuart vond 67, Cordiner -150 parels in één Oester; niet zelden komt het echter voor, dat men -honderden schelpen achtereenvolgens opent, zonder een enkele parel -te vinden. Opmerkelijkerwijze hebben de visschers van Pareloesters -dezelfde ervaring opgedaan als die van Zoetwaterparelmossels: zij -verwachten n.l. nooit fraaie parels in volkomen ontwikkelde, gladde -schelpen, maar rekenen er vast op, ze te zullen vinden in dieren -met verdraaide en misvormde schelpen en in die, welke op de diepste -gedeelten van den zeebodem liggen." - -De parelvisscherijen aan de Perzische Golf zijn tegenwoordig in -het bezit van den Sultan van Maskate; de parelhandel wordt bijna -uitsluitend gedreven door Banianer groothandelaars, die in Maskate een -eigen handelsgilde vormen. Het belangrijkste parelgebied strekt zich -van de havenplaats Sjardsja westwaarts tot aan Biddulph's eiland uit; -langs deze kust mag ieder vrij visschen. In het gunstigste jaargetijde, -van Juni tot het midden van September, houden zich hier ruim 30000 -menschen in 4000 à 5000 vaartuigen, van gemiddeld 10 à 18 ton inhoud, -met de parelvisscherij bezig. Geen hunner werkt voor een vast loon, -alle krijgen een zeker aandeel in de winst. De visschers verdeelen -zich vooraf in twee groepen: sommige blijven in de booten om de -overige, die onderduiken, weer op te trekken. Iedere duiker heeft -een kleinen korf bij zich, springt over boord en zet de voeten op -een steen, die aan een touw bevestigd is. Op een door hem gegeven -teeken laat de visscher, die in de boot zit, het touw los, waarna -het met den duiker naar den zeebodem zinkt. Indien hij aankomt op -een plaats, waar de Pareloesters dicht opeengepakt zijn, is het hem -mogelijk er in éénmaal 8 à 10 los te scheuren. Door een ruk aan het -touw noodigt hij de lieden in de boot uit om hem zoo snel mogelijk -weer op te trekken. Gemiddeld vertoeft hij 40 seconden achtereen -onder water. Ongelukken door Haaien komen niet dikwijls voor; meer -vrees boezemt de Zaagvisch in: het is wel eens voorgekomen, dat dit -gevaarlijke dier een duiker letterlijk doormiddensneed. Om beter -den adem te kunnen inhouden, zet de duiker zich een hoornen knijper -op den neus. Hij acht het niet noodig, bij iedere verschijning aan -de oppervlakte aan boord te gaan, maar rust uit, terwijl hij zich -vasthoudt aan de touwen, die van de boot afhangen; meestal zijn 3 -minuten verpoozing voldoende om hem van de vermoeienis van 't duiken -te doen bekomen, waarna hij zich opnieuw in de diepte stort. - -De parels worden in den regel door rotting van de weeke deelen uit de -schelpen te voorschijn gebracht. Dit geschiedt te Aripo op Ceylon in -vierhoekige, door hooge muren omgeven ruimten, welker hellende bodem -van groeven is voorzien voor het laten wegvloeien van het vocht uit -de met water gevulde reservoirs, waarin de Pareloesters liggen te -rotten. De parels, die door het met rottingsproducten beladen water -worden medegevoerd, blijven achter voor schotten van gaas, die in de -geulen zijn aangebracht. - -In 1889 bedroeg de opbrengst van de parelvisscherijen aan den -Perzischen zeeboezem f 3600000. Op Ceylon, waar de Engelsche regeering -het monopolie van de vangst heeft, worden ieder jaar bepaalde banken -bevischt, die vervolgens 6 à 7 jaar achtereen onaangeroerd blijven -liggen. Hierdoor is de jaarlijksche opbrengst aan groote afwisseling -onderhevig; zij bedraagt soms niet meer dan f 300000 en stijgt in -andere jaren tot f 2400000.--De parelvisscherij in Mexico leverde -in 1889 een bedrag van 85000 dollars op.--Bij scheepsladingen worden -van verschillende oorden de parelmoerschelpen naar Europa vervoerd. - - - -De schelp van de Steekmossels (Pinnidae) is, in tegenstelling met -die der Pareloesters, nagenoeg geheel door de dunne prismatische -kalklaag gevormd en slechts aan haar voorste en oudste gedeelte met -een nauwelijks waarneembare parelmoerlaag bekleed. Hare gelijke, -van buiten meestal geschubde kleppen zijn langwerpig, driezijdig: -aan het scherphoekige vooreinde bevindt zich de rechte spits; het -achtereinde is breed en gapend. De voorste helft van de langste rechte -zijde wordt door den smallen, inwendigen slotband ingenomen. Onder de -spits treft men de kleine, voorste, op korten afstand van het midden de -groote, achterste sluitspier aan. De mantel is geheel open. De slanke, -wormvormige voet heeft den dichten bundel van byssusdraden gesponnen, -die aan de buikzijde op korten afstand van den top uit de schelp -te voorschijn komt. De Steekmossels bewonen de zeeën van de heete -en gematigde aardgordels; vooral in stille zeeboezems met slikgrond -leven zij, op een diepte van eenige voeten, meestal in grooten getale -bijeen. De grootste soort is de (soms wel 80 cM. lange) Geschubde -Steekmossel (Pinna squamosa) der Middellandsche Zee. Evenals de 20 -à 30 cM. lange Edele Steekmossel (Pinna nobilis), wordt zij, vooral -in de golf van Tarente, veelvuldig gevischt. Haar vleesch levert een -niet bijzonder smakelijk gerecht. De 10 à 25 cM. lange, geelachtig -bruine byssus wordt o.a. in Tarente, Reggio en Cagliari (al of niet -met zijde gemengd) tot draden versponnen en vervolgens tot allerlei -fraaie en duurzame voorwerpen (handschoenen, beurzen, enz.) verwerkt, -die echter niet als artikelen voor dagelijksch gebruik, maar veeleer -als curiositeiten beschouwd worden. In de schelpen van Pinna-soorten -worden dikwijls zoogenaamde Mosselkrabbetjes (Pinnotheres), gevonden. - - - -De Mossels i.e.z. (Mytilidae) hebben, evenals de leden der vorige -familie, een gelijkkleppige, meestal dunwandige schelp met een aan -(of dicht bij) het vooreind gelegen spits en een langen, smallen, -min of meer inwendigen slotband. De schelp is bij sommige geslachten -driehoekig, bij andere langwerpig eivormig, steeds van buiten met een -dikke, hoornachtige opperhuid bekleed, van binnen parelmoerglanzig. Het -slot is tandeloos, of heeft een nauwelijks merkbaar tandje. De -kloak is steeds door een strookje, dat de mantelranden van achteren -verbindt, van de aanvoer-opening der mantelholte gescheiden. Soms -zijn beide openingen tot een korte buis verlengd. De voet is in den -regel cilindervormig, de byssus of baard sterk ontwikkeld. De beide -laatstgenoemde deelen kan men bij de Gewone Mossel (Mytilus edulis) -onzer zeeën gemakkelijk nagaan. Ieder die Mossels plukt, zal zich -over de stevigheid der baarddraden verwonderen; zij zijn tegen de -sterkste strooming en branding bestand. Met deze draden kan de Mossel -echter ook nog iets anders doen dan zich vasthechten; zij wordt er -door in staat gesteld van plaats te veranderen. Door samentrekking -van de spieren voor het terugtrekken van den voet vermindert zij zoo -veel mogelijk den afstand die haar van de plaats van aanhechting van -den byssus scheidt, zendt met den voet eenige draden uit naar een -punt, gelegen op den weg, dien zij wil volgen, schuift, zoodra deze -vastzitten, den voet tusschen de oude draden en scheurt ze met een -plotselingen ruk een voor een, los. Zij hangt nu aan de pas gesponnen -draden en gaat hiermede op dezelfde wijze te werk, na zich vooraf op -nieuw voor anker te hebben gelegd. - -Deze Mossel gedijt het best in de Noordzee en in de zeeën van -Noord-Europa, doch ook in de Middellandsche Zee overal, waar zij -geschikte plaatsen vindt om zich vast te hechten. Zij is een van -de weinige Schelpdieren (of liever Zeedieren in 't algemeen), die -uit de zeeën met normaal zoutgehalte, zooals de Noordzee, in de -zeeën en binnenzeeën met geringer zoutgehalte, zooals de Oostzee, -overgaan. Ook in de Kaspische Zee treft men haar en eenige andere -soorten van Plaatkieuwigen aan, hoewel zij zich in dit minder zoute -water niet zoo krachtig ontwikkelen. - -Overal waar de Gewone Mossel voorkomt, gebruikt men haar hetzij als -lokaas bij de vischvangst, hetzij als spijs voor den mensch; met het -oog op het laatstgenoemde doel heeft men op vele plaatsen maatregelen -genomen om geregeld aan de vraag naar dit artikel te kunnen voldoen, -door inrichtingen voor mosselteelt. De bewoners van Ellerbeck, een -oud, schilderachtig gelegen visschersdorp, tegenover Kiel, hebben op -perceelen, die bij hunne woningen behooren, mosselpalen onder water -in den zeebodem geplant. Hiervoor worden bij voorkeur elzen gebruikt, -omdat zij goedkooper zijn dan eiken en beuken, die echter ook wel -voor genoemd doel dienen. De visschers nemen de dunste twijgen weg, -snijden het jaartal in den stam, hakken er van onderen een punt -aan en bevestigen hem met behulp van een touw en een in een gaffel -eindigenden stok op 2 of 3 vademen diepte in het met levend of dood -zeegras bedekte deel van den zeebodem in den grond. Het "zetten" -van de mosselboomen heeft plaats in ieder jaargetijde; "getrokken" -worden zij uitsluitend in den winter, omdat in dezen tijd, vooral -als de zee met ijs bedekt is, de Mossels het smakelijkst zijn en -haar gebruik dan geen nadeelige gevolgen heeft. De visschers vinden -hunne mosselboomen terug door merkteekens op de kust, die van uit -de zee zichtbaar zijn. Ter rechter plaatse aangekomen, maken zij de -schuit vast aan een in den grond gestoken staak en trekken vervolgens -den mosselboom boven water aan een touw met een haak, dat zij om den -stam slingeren. Bij bundels en klompen hangen er groote Mossels aan, -die door middel van de byssusdraden aan het hout of aan de schelpen -harer buren vastgehecht zijn; tusschen en op de schelpen wemelt het -van allerlei zeedieren. - -In de Bocht van Kiel worden ieder jaar ongeveer 1000 mosselpalen -gezet en een even groot aantal getrokken, nadat zij 3 à 5 jaren -gestaan hebben. Op de markt te Kiel komen per jaar ongeveer 800 -ton Mossels, die ieder gemiddeld 42000 stuks bevatten; in 't geheel -worden dus in iederen winter bijna 3.5 millioen van deze Weekdieren -verzameld. Het eene jaar is voordeeliger dan het andere, niet slechts -wat de hoeveelheid, maar ook wat de kwaliteit van het product betreft. - -Op onze kusten, doch vooral in de Westerschelde, wordt de -mosselkweekerij uitgeoefend door op hiervoor bestemde perceelen -de van elders aangevoerde jonge Mossels (zoogenaamd "mosselzaad") -uit te strooien (te "planten"). Het van ondiepe plaatsen verkregen -mosselzaad verdient de voorkeur boven dat, hetwelk van diepe plaatsen -(b.v. uit de Grevelingen) afkomstig is, daar zich hierbij meer "zaad" -van Vijfhoeken (Zeesterren) bevindt, waarmede dan de kunstmatige -mosselbanken worden aangestoken. Van deze dieren en ook van de felle -ooste- en noordoostewinden hebben de banken veel te lijden. - -De mosselvisscherij wordt vooral uitgeoefend te Philippine, vanwaar -in 1896, vooral naar België, uitgevoerd werden 800 000 ton (à 90 -KG.) mosselen; de gemiddelde opbrengst per ton was f 2. Van Bruinisse -bedroeg de uitvoer 108 000 ton. In sommige provinciën worden Mossels -gebruikt ter bemesting van het land; o.a. door Wieringer visschers -worden zij met dit doel gekord en voor f 0.30 per HL. verkocht. - -Het eten van Mossels schijnt niet ieder goed te bekomen; bij sommigen -veroorzaakt deze spijs een soort van huiduitslag (ook Kreeften brengen -soms een dergelijk verschijnsel teweeg). Soms heeft het gebruik van -Mossels, evenals dat van vele andere Schelpdieren (Oesters, Kokkels, -Kreukels, Wijngaardslakken, enz.) ernstiger ziekteverschijnselen -en zelfs sterfgevallen ten gevolge. Volgens de onderzoekingen van -Salkowski en Brieger behoort het "mosselgif" (mytilotoxin), evenals het -"lijkengif" en het "worstgif", tot de zoogenaamde ptomaïnen, die een -op curare (Indiaansch pijlgif) gelijkende werking op het organisme -uitoefenen. Het ontstaat echter niet door rotting, maar komt reeds -in de levende Mossel voor, vooral in de lever, en wel bij dieren, -die uit onzuiver, stilstaand water opgehaald zijn, niet bij die, -welke op zuiveren zandgrond in de open zee leefden. - -Tot de Mytilaceën behooren ook de Steendadels (Lithodomus), welker -bijna cilindervormige, aan beide einden afgeronde schelp met een -zeer dikke opperhuid bedekt is. Alle soorten van dit geslacht leven -en zitten onbeweeglijk vast in zelf gemaakte gaten in steenen, -steenkoralen en dikwandige schelpen. Gedurende haar jeugd zijn zij -door byssusdraden vastgehecht. Door korte siphonen aan het achtereinde -hebben de aanvoer en de afvoer van het water plaats. - -Het meest bekend is de Gewone Steendadel (Lithodomus lithophagus), die -de Middellandsche Zee bewoont. Dit dier levert een zeer gewilde spijs; -hoewel bijna overal aanwezig in de door kalksteen gevormde kusten, -komt het nooit in groote hoeveelheid op de markt, daar het openen -van zijn hol een moeielijken en tijdroovenden arbeid vereischt. Op -een geheel andere wijze dan de Steenborers of Pholaden dringen de -Steendadels in het gesteente door: hun schelp is glad, vertoont geen -spoor van tandjes, die als vijl of rasp zouden kunnen dienen. Men -moet dus wel aannemen, dat zij de door hen bewoonde holen maken -en allengs verlengen en verwijden door de bestanddeelen van het -gesteente op te lossen; de stof die zij met dit doel uitscheiden, -heeft men nog niet kunnen ontdekken; zoowel over haar scheikundige -samenstelling als over het orgaan, waarin zij gevormd wordt, verkeert -men dus nog in onzekerheid. Het vermoeden is geopperd, dat hierbij -het door de ademhaling geleverde koolzuur in 't spel zou zijn; de -dikke opperhuid kan de brooze schelp tegen de oplossende werking van -het koolzuurhoudend water beschutten. - -De beroemdste woonplaats van deze rotsbewoners is de Serapis-tempel te -Puzzuoli aan de Golf van Napels, welks ruïnen in 1749 door opgravingen -werden blootgelegd. Hiertoe behooren drie marmeren zuilen van ongeveer -13 M. hoogte, die nog steeds op hare voetstukken rusten. Op een hoogte -van 4 à 5 M. boven den tegenwoordigen zeespiegel bevindt zich een -1 M. breeden gordel van gaten, die door Steendadels gemaakt zijn, -gelijk blijkt uit de schelpen, die thans nog 15 cM. diep in vele -van deze gaten voorkomen. De zee moet dus, toen deze dieren leefden, -6 M. hoog in de bouwvallen van dezen tempel gestaan hebben. Hieruit -valt af te leiden, dat de kuststreek in de nabijheid van Puzzuoli na -het bouwen van den tempel aanmerkelijk gedaald is en dat de bodem -na geruimen tijd overstroomd te zijn geweest, zich opnieuw tot de -tegenwoordige hoogte verheven heeft. - -De Riviermossels (Dreyssena of Tichogonia) verschillen van de leden van -het geslacht Mytilus, doordat de mantelhelften aan den rand nagenoeg -overal met elkander vergroeid zijn; er blijven slechts drie enge -openingen over: een voor het uittreden van den voet en den byssus, -een tweede voor het binnenlaten van voedsel en ademhalingswater, -de derde voor het afvoeren van de uitwerpselen en van het water, -dat voor de ademhaling gediend heeft. De schelp is gelijkkleppig -en driehoekig; de spits is aan den scherpen hoek gelegen. Aan de -buitenzijde is iedere klep van de spits tot den achterrand gekield, -van binnen bij de spits tusschen rug- en buikrand van een plaatvormige -lijst voorzien, waarop het indruksel van de voorste sluitspier -voorkomt. Van de 6 hedendaagsche soorten is vooral de Europeesche -Dreyssena polymorpha merkwaardig wegens de groote uitbreiding, die haar -gebied in buitengewoon korten tijd ondergaan heeft. Deze bij de lagere -dieren zoo zeldzame gebeurtenis kan nog het best vergeleken worden -met den zegetocht van de Grauwe Rat door alle landen van West-Europa -en met de verspreiding van dit Knaagdier over alle werelddeelen. - -De natuuronderzoekers van de vorige eeuw kenden de Dreyssena slechts -als bewoonster van de rivieren van Zuid-Rusland. Het oudste bericht -over een andere woonplaats van dit dier is afkomstig van C. E. von Bär, -die het in 1825 in ontzaglijk grooten getale in het Frische en het -Koerische Haff en, op vele mijlen afstands van de zee, in de naburige -groote rivieren aantrof, bij hoopen met den byssus vastgehecht aan -steenen en aan schelpen van andere Weekdieren. Terzelfder tijd vond men -het plotseling in de Havel, niet ver van Potsdam, en in de naburige -meren. Eenige jaren later, in 1835 ongeveer, ontsierde het in groote -massa's de in 't water staande palen bij het Pauweneiland, niet ver -van Potsdam. Nog altijd is deze soort in de Havel en het Tegel-meer -zeer talrijk vertegenwoordigd, ook heeft zij zich in de Spree, -dicht bij Berlijn, vertoond. Men weet zeker, dat zij in 1824 in den -benedenloop van de Donau voorkwam, maar niet, of zij er reeds vroeger -leefde; in 1868 werd zij bij Regensburg waargenomen, nog later bij -Vilshofen. Uit den Havel, die tot het stroomgebied van de Elbe behoort, -is zij stroomopwaarts tot Maagdenburg en Halle doorgedrongen. In onze -riviermonden werd zij voor 't eerst in 1826 opgemerkt, thans vindt men -haar overal in den Rijn, van de Zwitsersche grenzen tot aan de zee, -ook in den Neckar en de Main. Van Nederland uit heeft zij zich over -België en Noord-Frankrijk tot Parijs verbreid en is vervolgens uit -het stroomgebied van de Seine in dat van de Loire overgegaan. In -Engeland heeft men haar voor 't eerst in 1824 in de dokken van -Londen gezien; thans bewoont zij verscheidene rivieren van Engeland -en Schotland. De verspreiding van deze Mossel geschiedde ongetwijfeld -door schepen en houtvlotten, waaraan zij zich had vastgehecht, langs -de gewone waterwegen; de scheepvaartkanalen brachten haar van 't eene -stroomgebied naar 't andere. Gedurende de zeereis naar de monden van -den Rijn en naar Engeland was zij waarschijnlijk niet aan de buitenste -oppervlakte van het schip vastgehecht, maar aan de lading, aan het -voor den scheepsbouw bestemde hout. Te midden van een grooten klomp -dezer Weekdieren kunnen enkele exemplaren ongetwijfeld verscheidene -dagen buiten water leven, langer althans dan in zeewater, dat voor -zoetwaterdieren in den regel schadelijk is. Ten onrechte heeft men -wel eens beweerd, dat Dreyssena zoowel in zoetwater als in de zee -kan leven. In de Oostzee komt zij uitsluitend binnen, niet buiten de -Haffen voor; bij Swinemunde vindt men enkele exemplaren tot aan de -binnenzijde van den dam, geen enkele echter aan den buitenkant. - - - -De Gelijkspierige Asiphoniden (Asiphonida Homomyaria) hebben een -gelijkkleppige schelp en twee sluitspieren, van nagenoeg gelijke -dikte; de mantelhelften zijn gescheiden of aan den achterrand onder de -kloakopening door een brugje vereenigd; de voet is goed ontwikkeld. De -belangrijkste hiertoe behoorende familie is die der Najaden (Najades -of Unionidae), waarvan onze groote, algemeen bekende Zoetwatermossels -vertegenwoordigers zijn. Alle hebben een gesloten schelp, samengesteld -uit een dikke, donkergroene of bruinachtige opperhuid, een dunne, -prismatische kalklaag en een dikke parelmoerlaag. De slotband is -uitwendig. De beide spierindruksels zijn nagenoeg even ver van den -rand verwijderd; achter de voorste komen twee voetspierindruksels voor, -vóór de achterste één. - -Bij de Stroommossels (Unio) is de schelp dikwandig en de top veel -dichter bij het vooreinde dan bij het achtereinde gelegen; de rechter -schelpklep heeft vóór den top een korten, stevigen middeltand en -er achter, onder den slotband, een langen, aan den rand evenwijdig -loopenden zijtand; tegenover deze bevinden zich aan de linker -schelpklep twee stevige middeltanden en twee lange zijtanden. Van dit -geslacht zijn ongeveer 500 levende soorten uit alle werelddeelen en -alle aardgordels bekend. - -De Unioniden, die men meer bepaaldelijk Zoetwatermosselen noemt -(Anodonta), komen door lichaamsbouw en levenswijze met de -reeds genoemde overeen, doch zijn meer dan deze tot slijkerig, -stilstaand en langzaam stroomend water beperkt. Enkele soorten of -verscheidenheden treft men echter ook in groote, zeldzamer in kleine -rivieren aan, op plaatsen waar zij eenigszins tegen den stroom beschut -zijn. Vooral in de afvoergeulen van groote plassen schijnen zij zich -gaarne te vestigen. De naam Anodonta (die "tandeloos" beteekent) -is gerechtvaardigd door het volkomen gemis van slottanden; wel komt -onder den zeer dikken slotband een stompe, overlangsche lijst voor; -de slotrand is dun, evenals de geheele brooze schelp. Zoowel van -de Unionen als van de Anodonten, zijn een groot aantal vormen als -afzonderlijke soorten beschreven, die hoogstens op den rang van -verscheidenheden aanspraak kunnen maken. Iedere beek, rivier of plas -geeft schelpen van eigenaardige gedaante te aanschouwen; bovendien -gaan wijzigingen van de breedte en diepte van het stroombed, van de -grondgesteldheid en van de stroomsnelheid niet zelden gepaard met -verandering van den vorm der schelp. De ondiepe, aan de heerschende -windrichting tegenovergestelde zijde van groote plassen of binnenmeren -wordt dikwijls bewoond door geheel andere verscheidenheden dan -de meestal diepere overkant. Ieder, die eigenhandig honderden van -Anodonten en Unionen in verschillende oorden verzamelde, of in grooten -getale van anderen kreeg met nauwkeurige vermelding van de vindplaats, -zal zich minder verwonderen over de ontvangst van eigenaardige -variaties van sommige soorten dan over het nu en dan waarnemen van -vormen, gelijk aan die, welke hem reeds van elders bekend zijn. - -De Anodonten, die in Duitschland (en Nederland) voorkomen, worden door -Clessin tot 2 soorten gebracht: de Bolle Zoetwatermossel (Anodonta -mutabilis) en de Platte (A. complanata). Van de talrijke variëteiten -der eerstgenoemde soort is de Zwanenmossel (var. cygnea), die plassen -met slibrijken, weinig humus bevattenden bodem bewoont, de grootste, -daar zij soms bij 190 mM. lengte, 80 mM. breedte en 60 mM. dikte -heeft. Een van de kleinste rassen is de Eendenmossel (var. anatina), -die in langzaam stroomende beken leeft en 90 mM. lang, 48 mM. breed -en 30 mM. dik kan worden. Gelijke lengte, doch een geringere breedte -en dikte heeft de meest gewone Unio-soort, de Verfmossel (Unio -pictorum); haar schelp is langwerpig met nagenoeg evenwijdigen boven- -en onderrand. - -Vele soorten van Unioniden brengen parels voort; bijzonder rijk -aan dit kostbare product is echter de in Nederland ontbrekende -Rivierparelmossel (Margaritana margaritifera), die hoofdzakelijk -wegens het gemis van zijtanden niet meer tot het geslacht Unio -wordt gerekend. Van de reeds genoemde Unioniden verschilt zij door -de dikwandigheid van haar schelp, die in sommige gewesten (Saksen, -het noorden en oosten van Beieren) een lengte van 110 à 140 mM. kan -bereiken. (Bij 120 mM. lengte is zij 50 mM. breed en 30 mM. dik.) Deze -soort heeft een zeer uitgestrekt verbreidingsgebied: zij leeft in -de rivieren van de westkust van Ierland en in die van den Oeral, -bewoont Skandinavië en Noord-Rusland tot aan de IJszee, houdt zich op -in de monden van den Don zoowel als in de snelstroomende beken der -Pyreneën en komt ook in Noord-Amerika voor. Hoewel het kalkgehalte -van den bodem een gunstigen invloed uitoefent op de verbreiding der -meeste Weekdieren, gedijt juist deze soort het best in stroomen, die -in graniet- of gneiss-lagen (gesteenten met veel kiezelzuur, doch zeer -weinig kalk) ontspringen en verder uitsluitend door gewesten vloeien, -welker bodem eveneens deze samenstelling heeft, in Duitschland o.a. in -het Beiersche Woud, het Fichtelgebergte en het Saksische Vogtland. Daar -de Parelmossels zich bijna uitsluitend voeden met rottingsproducten -van waterplanten, die de geringe hoeveelheid kalk van het water in -hare weefsels ophoopen, kunnen zij in kalkarm water een dikwandige -schelp verkrijgen. Hoewel de Parelmossels bijna voortdurend in -flegmatische rust verkeeren, merkt men bij hen duidelijke bewijzen -van geschiktheid tot beweging op. Die welke na bezichtiging weer in -'t water werden geworpen, waren den volgenden dag tot in het midden -van de beek voortgeschreden, zooals bleek uit de groeven, die zij in -'t zand hadden achtergelaten. Zij bewegen zich echter zeer langzaam -en over een geringen afstand: gemerkte exemplaren vond men dikwijls -na verloop van 6 à 8 jaren tamelijk dicht bij hun oorspronkelijke -ligplaats terug. - -Het grootendeels in apathische rust doorgebrachte leven dezer dieren -duurt zeer lang, wanneer het niet door een noodlottig toeval wordt -verkort. In de lente loopen zij gevaar, dat de sterk gezwollen stroom -hen onder gruis en steenen bedelft; 's winters hebben zij in kleine -beken veel van de vorst te lijden; voortdurend wordt hun leven door -de hebzucht van den mensch en door de vraatzucht van Otters, Eksters, -Raven en Kraaien bedreigd. Hunne weeke deelen leveren een goed lokaas -voor de vangst van Visschen en Kreeften, een geschikt voedsel voor -het mesten van Eenden en Zwijnen. De dikwandigheid der schelp in -het zoo weinig kalk bevattende water getuigt van den hoogen leeftijd -dezer dieren; dat zij 70 of 80 jaar oud kunnen worden, is gebleken -uit het vinden van schelpen, die met een jaartal gemerkt waren. De -berichten over een nog hoogeren ouderdom (200 jaar) berusten op geen -vasten grond. - -Een even rustig leven als de Parelmossels leiden onze Unionen en -Anodonten. Zij brengen in de zomermaanden een verbazend groot aantal -eieren voort; deze worden door trilhaarbeweging vervoerd naar de -tijdelijk als broedzakken dienende holten van de buitenste (soms ook -van de binnenste) kieuwen, die hierdoor tot een aanmerkelijke dikte -opzwellen. De ontwikkeling van de kiem in deze eieren werd voor 't -eerst door Leeuwenhoek waargenomen en beschreven. Hij zag haar reeds -op zeer jeugdigen leeftijd met trilharen uitgerust en in draaiende -beweging te midden van de vloeistof, die de eihuid vult. Wanneer -men dit merkwaardige verschijnsel nagaat na het ontstaan van de -eerste beginselen der schelp en de dunne eihuid breekt, zoodat het -embryo vrij in het water komt te liggen, ziet men de schelp eensklaps -opengaan, daar de sluitspier (het embryo heeft er slechts één) nog niet -sterk genoeg is om de spanning van den slotband te overwinnen. Van -tijd tot tijd doet het arme dier vruchtelooze pogingen om door -spiersamentrekking de beide schelpkleppen weder bij elkander te -brengen. In dit stadium van ontwikkeling verkeert het embryo als de -moeder hare eieren uitwerpt; kort daarna worden de met een kopscherm -uitgeruste larven vrij, hechten zich door middel van een byssusdraad -aan de huid van Zoetwatervisschen en brengen hier 2 à 3 maanden door; -nu is de gedaantewisseling afgeloopen en neemt het leven op den bodem -een aanvang. - -De parels bestaan, evenals de schelp, uit fijne, organische vliezen -en de daartusschen afgezette koolzure kalk. Een zuivere, vlekkelooze -parel heeft geen bepaalde kleur, vertoont geen anderen weerschijn dan -de parelmoerlaag en komt met deze in samenstelling overeen. Parels van -het zuiverste "water" hebben een onbeschrijfelijk zachte, melkwitte, -zilverheldere glans, waarmede nagenoeg geen regenboogskleuren gemengd -zijn. Het iriseerend vermogen hangt af van de wijze, waarop de kalk -tusschen de organische vliezen is afgezet; aan de dikte dezer vliezen -dankt de parel de zachtheid van het teruggekaatste licht, waardoor -zij het oog nog het meest bekoort. De Oostersche parels munten -boven alle andere uit, omdat bij haar zelfs de prismatische kalk, -die niet minder dikwijls dan het parelmoer als bestanddeel van de -parel optreedt, bijna geen spoor van kleur vertoont en dus het licht -beter doorlaat dan de gekleurde, prismatische kalk der door Unioniden -voortgebrachte parels. Een prachtige, zuiver ronde, Oostersche parel -van 27 7/8 karaat, die Von Heszling in de verzameling naturaliën en -kunstvoorwerpen van de Gebroeders Zosima te Moskou zag, rolde als een -groote, fraai glinsterende kwikzilverdruppel over het fijne batist, -waarop zij tentoongesteld werd. Alle parels ter grootte van een -walnoot of van een duivenei waren afkomstig van Zeepareloesters uit -den Perzischen zeeboezem of van de Amerikaansche kust. De Europeesche -en meer bepaaldelijk de Beiersche parels kunnen den omvang van een -groote erwt of van een kleine boon bereiken, maar zijn dikwijls niet -grooter dan een speldekop en nog vaker veel kleiner. - -De parel heeft haar ontstaan te danken aan den prikkel, die een -fijnkorrelig, vreemd lichaam op het kalkafscheidende deel van den -mantel uitoefent; rondom deze kern worden concentrische lagen -van organische stof en koolzure kalk afgezet, die, wanneer zij -vrij tusschen den mantel en de schelp liggen, de kostbare parel -vormen. Dikwijls zijn de parels met de schelp vergroeid, of vertoont -deze uitwassen, die op parels gelijken. De vreemde lichaampjes ter -grootte van 0.02 à 0.1 mM., die als kernen optreden, zijn meestal -kwartskorreltjes, plantendeeltjes of schilfertjes van de opperhuid -der schelp. De parels groeien zeer langzaam. Een vol jaar nadat in -de Mossel een vreemd lichaam was gebracht, had de hierop afgezette -laag nog geen meetbare dikte. Volgens ervaringen, door visschers bij -gemerkte Parelmossels opgedaan, bereiken parels van speldekopgrootte -in ongeveer 12 jaar den omvang van een erwt. Hieruit vloeit voort, -dat het parelvisschen alleen met tusschenruimten van vele jaren op -dezelfde plaats met voordeel kan geschieden. - -De parelvisscherij is in Europa een kroondomein; haar opbrengst is in -de meeste landen zeer gering. In Saksen werden van 1826 tot 1836 140 -parels gevonden ter waarde van nog geen f 150. De parelvisscherijen -van Beieren leverden in 43 jaar, van 1814 tot 1857, 158880 parels -op. De opbrengst aan parels uit de Moldau, over den 8 mijlen langen -afstand van Rosenberg tot Moldautein, wordt op 8000 à 12000 gulden -per jaar geschat. Gemiddeld vindt men in 103 Parelmossels één parel -van geringe waarde, in 2215 één middelmatige, in 2708 een goede parel. - -Reeds sinds een paar duizend jaar wenden de Chineezen middelen aan om -de Parelmossels te nopen in minder tijd meer arbeid te verrichten. Met -dit doel worden vreemde lichamen gebracht tusschen de schelp en den -mantel. "De uitoefening van deze industrie is," volgens Mac-Gowan, -"beperkt tot twee bijeengelegen plaatsen in het noorden van de -provincie Tsjekiang. Gedurende de maanden Mei en Juni worden in -korven groote hoeveelheden Mossels (Anodonta plicata) uit het meer -Thai-hoe ingezameld en hiervan de grootste exemplaren uitgekozen. Daar -zij gewoonlijk door de reis eenigszins geleden hebben, gunt men -haar in bamboes-mandjes, die in het water gedompeld worden, eenige -dagen rust, voordat men ze ter wille van de menschelijke ijdelheid -kwelt. Dit geschiedt door het plaatsen van korrels of matrijzen in -de voorzichtig geopende Mossel. De hiervoor dienende korrels zijn -gewoonlijk vervaardigd van klei, dat met sap van den kamferboom tot -een deeg is aangemengd. De matrijzen die het best een bekleeding -met parelmoer aannemen, worden uit Canton ingevoerd, waar men ze, -naar het schijnt vervaardigt door onregelmatige stukjes parelmoer van -de Zeepareloesters (Meleagrina margaritifera) in een ijzeren bak zoo -lang met zand te schuren, totdat zij glad en rond zijn. Ook dienen als -matrijzen kleine figuurtjes van lood, die meestal Boeddha in zittende -houding of Visschen voorstellen. Deze voorwerpjes worden na het openen -van de schelp met een parelmoeren spatel in twee evenwijdige reeksen -neergelegd op de buitenste oppervlakte van den vooraf eenigszins -opgelichten mantel, eerst op de eene, vervolgens ook op de andere -mantelhelft. De hierdoor veroorzaakte pijn noopt het dier den mantel -krampachtig tegen de schelp te drukken, zoodat de voorwerpjes op hun -plaats blijven. De dus voorbereide Mossels worden (soms ten getale van -50000) op den 7 à 17 dM. diepen bodem van kanalen, plassen of vijvers, -op 10 à 14 cM. afstand van elkander neergelegd. Eenige dagen later zijn -de vormen door een vliezige uitscheiding aan de schelp bevestigd; later -vindt men dit vliesje met kalk doordrongen en eindelijk hebben zich -rondom de kern lagen parelmoer gevormd. In November, volgens andere -berichtgevers eerst na 10 maanden of zelfs eerst na 3 jaar, worden de -Mossels geopend, de weeke deelen er uitgesneden en de parels met een -scherp mes losgemaakt. De parelmoeren kernen laat men er in blijven; -die van klei of metaal worden weggenomen, de holte met gesmolten -hars gevuld en met een stukje parelmoer gesloten. In dezen toestand -gelijken zij op halfbolvormige parels en staan in glans en schoonheid -bij de massieve niet achter, hoewel zij voor een veel lageren prijs -verkrijgbaar zijn". - -Von Heszling heeft de bruikbaarheid van de Chineesche handelwijze op de -Europeesche Parelmossel beproefd, doch ongunstige uitkomsten verkregen. - - - - - -TWEEDE ORDE. - -DE PLAATKIEUWIGEN MET MANTELBUIZEN (Siphonida). - -De vergroeiing van de mantelhelften langs een groot deel van den rand, -waarmede het bezit van siphonen gepaard gaat, is een hoofdkenmerk -van deze groep. Alle Siphoniden hebben twee krachtig ontwikkelde -sluitspieren. In de onderorde der Gaafmanteligen (Integripalliata) -vereenigt men die, welker siphonen kort zijn en niet teruggetrokken -kunnen worden; in dit geval heeft de mantellijn geen bocht aan -'t achtereinde. - -Bij de Tridacnaceën zijn de beide sluitspieren (zie de afbeelding -bij c) zoo dicht bij elkander gelegen, dat men ze als een uit twee -afdeelingen bestaande, enkelvoudige spier zou kunnen beschouwen. De -mantel is op drie openingen na geheel gesloten. Door de middelste (a) -worden het ademhalingswater en het voedsel aangevoerd. Op tamelijken -grooten afstand van de aanvoeropening, ongeveer tegenover het slot, -ligt de kloak (b). De voorste opening--een tamelijk groote spleet -(d), waardoor de kleine voet en de baard (e) die aan zijn basis is -gehecht, uittreden--is gelegen daar, waar men aan de gesloten schelp -het zoogenaamde "maantje" opmerkt. Bij de meeste Plaatkieuwigen komt -in deze onmiddellijk vóór de spitsen gelegen plek geen opening voor; -bij de Tridacnaceën is dit wel het geval, zoodat de schelp tot het -uitsteken van den voet niet geopend behoeft te worden. De schelp -is gelijkkleppig en langwerpig ruitvormig met afgeronde hoeken; -zij bestaat uit een zeer dichte en harde stof; elke klep heeft één -zijtand; de slotband is uitwendig. De zeer dikke schelpkleppen hebben -grove, dikwijls geschubde ribben, welker uiteinden bij 't sluiten van -de schelp als groote tanden in elkander passen. Alle Tridacnaceën -bewonen de Chineesche Zee, den Indischen Oceaan (met de Roode Zee) -en den Grooten Oceaan. Tot deze familie behoort de grootste van alle -schelpen, de Reuzenschelp (Tridacna gigas), die in vele kerken als -wijwaterbak gebruikt wordt en daarom ook wel Wijwaterschelp, Bénitier -of Bakschelp heet. Sommige exemplaren hebben een gewicht van meer dan -250 KG. en een lengte van meer dan 1 M.; de weeke deelen, die niet -meer dan 10 KG. zwaar zijn, worden gegeten, vooral de sluitspieren. - -Met een tweede, in de Roode Zee zeer veelvuldig voorkomende, kleinere -soort, Tridacna elongata, heeft Vaillant merkwaardige proeven genomen -om de weerstand te bepalen, die door de sluitspieren overwonnen kan -worden. Daar de randen niet geheel op elkander passen, kon men aan -iedere schelpklep een haak bevestigen: aan de eene werd de schelp -opgehangen, de andere kreeg een bak te dragen, waarin men water goot, -totdat de schelp zich opende. Bij het gewicht van den bak met water -moet men natuurlijk nog voegen dat van de onderste schelpklep en den -weerstand van den slotband, daar deze de sluitspier tegenwerken. Dit -in aanmerking nemend, bleek de spierkracht van een exemplaar van -24 cM. lengte 7 KG. te zijn, waaruit men kan afleiden, dat, naar -verhouding, een Reuzenschelp van 250 KG. gewicht een spierkracht meer -dan 900 KG. ontwikkelen zou. - -De Tridacna's, houden zich gedeeltelijk in 't zand verborgen. Van -Tridacna elongata steekt alleen de getande rand van de schelp boven -het zand uit. Vaillant roemt zeer het prachtige schouwspel, dat de -bijna altijd zichtbare mantelzoom van dit Weekdier bij stil water op -een diepte van 3 à 4 M. oplevert. - -De familie der Zandschelpen of Hartschelpen (Cardiaceae) heeft nagenoeg -geen andere hedendaagsche vertegenwoordigers dan het gelijknamige, -omstreeks 200 soorten omvattende geslacht Cardium. De wetenschappelijke -naam is ontleend aan den vorm van de steeds gelijkkleppige, meestal -buikig gezwollen schelp, die wegens de binnenwaarts gekromde spitsen -van voren of van achteren gezien, nagenoeg hartvormig is. Men vindt -overblijfselen van deze Weekdieren in alle aardlagen, te beginnen -bij de Silurische; de hedendaagsche soorten leven in alle zeeën, -doch vooral in die van den heeten aardgordel. Verscheidene soorten -bewonen de Zwarte en de Kaspische Zee en het meer van Aral, zelfs -water met gering zoutgehalte in de nabijheid van riviermonden; deze -hebben belangrijke wijzigingen van lichaamsbouw ondergaan. De siphonen, -die bij de typische, in zee levende soorten kort en gescheiden zijn, -hebben bij de brak- en zoetwatervormen een veel grootere lengte -en zijn vergroeid, hetgeen gepaard gaat met het optreden van een -korte mantelbocht en met het geopend blijven van de schelp aan den -achterrand; bovendien is in dit geval de voet korter en breeder en -het slot onduidelijk of niet getand. Bij de typische vormen sluiten -de dikwandige schelpkleppen langs den geheelen, gewoonlijk gekorven -of getanden rand aaneen en zijn voorzien van ribben of strepen, die, -straalswijs uiteenwijkend (en niet zelden stekels of knobbeltjes -dragend), van den top naar den rand loopen. Iedere klep heeft, -behalve 2 dikke, schuine, kegelvormige slottanden, één voorsten en -één achtersten zijtand. De mantelhelften zijn van voren tot over de -helft van de lengte gescheiden, van achteren aan den zoom met talrijke, -lange franjes bezet, die eveneens aan de siphonen voorkomen. De voet -is zeer lang, cilindervormig en knievormig gebogen. - -De 4 à 4.5 cM. lange, 3 à 4 cM. hooge Eetbare Zandschelp, meer bekend -onder de namen Kokhaan, Kokkel of Haantje (Cardium edule), welker -eenigszins scheeve, buikig-hartvormige, witte of roestgele schelp 24 -à 28 dwars gerimpelde ribben heeft, komt in grooten overvloed op de -zandbanken langs onze kusten voor. In groote hoeveelheid wordt zij, -o.a. in de Westerschelde en in de Zuiderzee, ingezameld en deels -naar België, deels over Harlingen naar Engeland vervoerd. In 1896 -bedroeg de aanvoer te Harlingen 11110 balen Kokkels [benevens 8422 -balen Kreukels en 54032 balen Mosselen (de baal weegt c.c. 90 KG.)]. - -Van veel meer belang zijn deze Weekdieren echter voor de bewoners -van andere kusten. Het rapen van Kokkels op de bij eb droog loopende -banken maakt het voornaamste middel van bestaan uit van de bevolking -der rotsachtige noord- en noordwestkust van Schotland, die in de -hier niet zeldzame jaren van gebrek nagenoeg geen ander voedsel kan -verkrijgen. Ook de Hebridische eilanden Barra en Noord-Uist bezitten -ontzaglijke hulpbronnen van dezen aard. Evenals andere leden van haar -geslacht, is de Eetbare Zandschelp zeer taai van leven; zij kan zeer -groote wijzigingen van zoutgehalte verdragen en komt daarom ook in -de Oostzee en zelfs in de Finsche en de Botnische golf voor. - -Meer geschat als spijs zijn de aan onze kusten zeldzame, grootere -soorten van Zandschelpen, o.a. de Gedoornde Zandschelp (Cardium -echinatum, 5.7 cM. lang, 5.5 cM. hoog), welker 18 of 19 ribben bezet -zijn met puntige, van voren gegroefde stekels. Op het Goodrington- -Strand in de baai van Torquay (aan de zuidkust van Devonshire)--een -uitgestrekte gele zandvlakte, die op verscheidene plaatsen door -steile rotsen afgebroken is--wordt dit Weekdier veelvuldig geraapt -en aan de welgestelde bewoners van deze bekoorlijke kuststreek -verkocht door de visschers van Paington, die zelf zich behelpen met -de vroeger genoemde kleine soort, welke aan de slibbanken vóór de -riviermonden de voorkeur geeft boven zandgrond. Gosse beschrijft de -Gedoornde Zandschelp met de volgende woorden: "De schelp is bevallig, -maar volstrekt niet prachtig van kleur; zij vertoont rijke en warme -geelachtig en roodachtig bruine tinten in concentrische strepen, die -in de nabijheid van de spitsen in melkwit overgaan. De lange, spits -toeloopende voet wordt zoo ver mogelijk (9 cM. voorbij den rand der -schelp) uitgestoken, zoekt tastend een voor steun geschikt voorwerp, -b.v. een half in 't zand bedolven steen, drukt, zoodra het er een -voelt, de haakvormig gekromde spits er met kracht tegen aan, maakt -de geheele voet door vulling met vocht stijf, en springt vervolgens -door samentrekking van de voetspieren plotseling 60 of meer cM. ver -weg. Menigmaal is het gebeurd, dat een gevangen exemplaar van den bodem -der schuit over boord wipte en op deze wijze zijn vrijheid herkreeg. De -haakvormige spits, die bij het springen zulke goede diensten bewijst, -speelt bij 't graven een niet minder belangrijke rol. Evenals alle -Kokhanen, verbergt ook deze zich in 't zand en kan hierin met vrij -groote kracht en snelheid doordringen. Door den voet te strekken en -zijn spits uiteinde loodrecht tegen het natte zand te drukken, dringt -het geheele orgaan er in door. Nadat het een stevig steunpunt heeft -verkregen door het plotseling zijwaarts krommen van de spits, krimpt -het sterk ineen, waardoor de schelp met kracht tegen den ingang van -de holte wordt gedrukt en zijn naar beneden gerichte rand het zand -een weinig zijwaarts verschuift. De voet wordt nogmaals gestrekt en -zijn spits op 4 à 5 cM. grooter diepte opnieuw gekromd. Een tweede -samentrekking doet de schelp iets verder in het zand doordringen. Deze -bewegingen geschieden zeer snel en worden in dezelfde orde herhaald, -totdat het dier zich diep genoeg verborgen heeft." - -De Strandschelpdieren (Cyrenidae) hebben een hartvormige, ronde of -ovale schelp met concentrische strepen en een duidelijke opperhuid -van bruine of groenachtige kleur. Elke klep heeft 2 of 3 slottanden; -hiervoor en hierachter bevinden zich in de rechterklep 2 zijtanden, -in de linkerklep 1. De slotband is uitwendig. Soms is een kleine -mantelbocht aanwezig. De brakwater-Cyreniden onderscheiden zich -door een dikkere schelp en komen uitsluitend in de tropische en -subtropische gewesten voor; enkele bewoners van rivieren en moerassen -treft men ook in de gematigde en koude aardgordels aan, o.a. sommige -Hoornschalen (Cyclas), zoo genaamd wegens de grijsachtige hoornkleur -van de schelp. Deze verbergen zich niet dikwijls in den grond, maar -houden zich liever tusschen plantenstengels op, waarbij zij met een -voor Weekdieren prijzenswaardige snelheid opklimmen en afdalen. Zelfs -kunnen zij, naar men zegt, als Zoetwaterslakken aan den waterspiegel -hangend, voortkruipen. De grootste inheemsche soort is de 2 cM. lange -Rivierhoornschaal (Cyclas rivicola); de overige, o.a. de Gewone -Hoornschaal (Cyclas cornea), worden nauwelijks half zoo lang. - -De Fijnschalen (Pisidium) zijn gemiddeld nog kleiner: -de Rivierfijnschaal (Pisidium amnicum) wordt 11 mM., de Kleine -Fijnschaal (Pisidium pusillum) 3.5 mM. lang. Zij onderscheiden zich -van de Hoornschalen door de kortheid van hare vergroeide siphonen en -de meer ongelijkzijdige, scheeve gedaante van de schelp. - - - -De Bochtmanteligen (Sinupalliata) hebben lange, geheel of gedeeltelijk -terugtrekbare siphonen en bij gevolg een meer of minder diepe -mantelbocht. - -De dunne, teer gekleurde schelpjes, die men zoo veelvuldig op -ons zeestrand vindt--de witte, gele of rozeroode Boternapjes -(Tellina solidula), de van buiten lichtgele, van binnen paars-blauwe -Zaagjes (Donax anatina)--zijn leden van de familie der Platschelpen -(Tellinaceae), gekenmerkt door een van voren wijd geopenden mantel met -lange, geheel gescheiden siphonen en een zijdelings samengedrukten, -tongvormigen voet, die geen byssus voortbrengt. Andere bij ons zeer -gewone Tellinaceën zijn de Platte Slijkgaper (Scrobicularia piperita) -en de Gewone Dunschaal [Syndosmia (Erycina) alba], beide met nagenoeg -witte schelp, de Dunne Platschelp (Tellina tenuis), met vleeschroode, -en de Linksgestreepte Platschelp (Tellina fabula) met geelachtig -witte schelp; bij de laatstgenoemde soort is de rechterklep glad, -de linker gestreept. Behalve de 5 cM. lange Platte Slijkgaper, is -geen der genoemde soorten langer dan 25 mM. - -De Venusschelpen (Veneraceae) gelijken veel op de Tellinaceën, maar -hebben matig lange, aan de basis vergroeide siphonen en een dikken, -langen, vierzijdigen voet, die alleen bij de Tapijtschelpen (Tapes) -een byssus vormt. - -Beide familiën zijn rijk aan soorten (ieder c.c. 600) en in alle -zeeën vertegenwoordigd; hare leden leven vrij in het zand. Sommige -Venus-schelpen worden door verzamelaars van conchyliën op hoogen prijs -gesteld wegens haar fraaie kleur en stekelige uitwassen. Eenige in de -Middellandsche Zee levende Venus-soorten dienen als spijs. Verscheidene -Tellina- en Donax-soorten kunnen springen, weten den voet zoo te -bewegen, dat zij op den rug komen te liggen, drukken dan dit zeer -rekbaar, knievormig gebogen orgaan om de schelp heen tegen den bodem -en strekken het plotseling. - -Een der grootste, bij ons uit zee aanspoelende schelpen is de -10 cM. lange, 5 cM. hooge, dunwandige Ovale Slijkschelp (Lutraria -elliptica); zij is van buiten met een vrij dikke, vuilbruine opperhuid -bedekt, van binnen blauwachtig wit. Niet minder algemeen is de -verwante, 5 cM. lange, 37 mM. hooge, driehoekig ovale Gestreepte -Strandschelp (Mactra stultorum), van buiten geelachtig bruin, met -donkerbruine of bruinachtig purperkleurige, straalswijs gerichte, naar -den rand breeder wordende strepen, van binnen bleek paars; ook vindt -men op ons strand eenige kleinere, witte of geelachtige soorten van -hetzelfde geslacht. Alle Mactraceën hebben een van achteren eenigszins -gapende schelp met driehoekige of ovale, inwendige bandgroeve onder -het slot en daarvóór in iedere klep een L-vormigen slotband. De voet -is lang en spits; de van voren wijd geopende mantel loopt van achteren -in vergroeide siphonen uit. - -De veelvuldig voorkomende, aan beide einden openstaande schelpen van de -Gapers (Mya) hebben een grooten, loodrecht op het middenvlak gerichten, -lepelvormigen tand onder het slot van de linker klep. De Strandgaper -(Mya arenaria) heeft een 10 cM. lange, 6.5 cM. hooge, langwerpig -ovale schelp. De Stompe Gaper, in Zuid-Holland Kussentje genoemd -(Mya truncata), is kenbaar aan de sterk afgeknotte, wijd openstaande -achterzijde van de overigens eivormige, zeer bolle, 6.5 cM. lange, 5 -cM. hooge schelp. De mantel is bijna geheel gesloten; door een kleine -spleet aan de voorzijde kan de korte, kegelvormige voet uitgestoken -worden; de lange, dikke siphonen zijn onderling vergroeid en met een -dikke opperhuid bedekt. Het dier is zoo ver bedolven in 't zandige -strand, dat alleen het met franje bezette uiteinde van de schijnbaar -enkelvoudige mantelbuis zichtbaar is. Zoodra het door voetstappen of -aanraking verontrust wordt, verdwijnt het geheel in zijn hol. Op den -vlakken grond kunnen de Gapers zich achterwaarts bewegen door den -voet achtereenvolgens te krommen en te strekken. In sommige streken -van Engeland en Noord-Amerika worden deze dieren door de armste -volksklasse gegeten; ook dienen zij als lokaas bij de vischvangst. - -De Mesheften (Solen) gelijken door hun levenswijze veel op de Gapers -en hebben, evenals zij, een van voren en van achteren openstaande -schelp. Deze is scheedevormig verlengd en meestal met een dikke, bruine -opperhuid bekleed. De dikke, rolronde, aan 't einde knotsvormige voet -wordt door de voorste spleet van den mantel naar buiten gestoken en -is een uitmuntend graafwerktuig in het lichte zand van den oever. De -kustbewoners van de Middellandsche Zee eten deze Weekdieren, die -zij Capa lunga en Capa di Deo noemen. Men vangt het Mesheft, dat men -voorzichtig genaderd heeft, door het, als een gravenden Mol, met de -spade omhoog te werpen, of door in het gat, waarin het vlug tot op -0.5 M. diepte afdaalt, een dunne, in een knop eindigende, ijzeren -stang te steken, waaraan men het dier kan optrekken, indien de knop -tot in de schelp is doorgedrongen. Aan de Middel-Europeesche kusten -komen drie soorten voor: de (bij ons zeer zeldzame) 125 mM. lange, -21 mM. hooge Rechte Messcheede (Solen vagina), de sterk gekromde, -93 mM. lange, 12 mM. hooge Zwaardscheede (Solen ensis) en het 200 -mM. lange, 25 mM. hooge Tafelmesheft (Solen siliqua). - -De Steenborers of Pholaden, aan de Zuid-Hollandsche kust Wiegen, op -Walcheren Boerinnehoedjes genoemd (Pholas), wijken door schelpvorm en -lichaamsbouw aanmerkelijk af van alle overige Plaatkieuwigen. De schelp -is langwerpig van vorm en van achteren open. De beide schelpkleppen -zijn op een zeer eigenaardige wijze met elkander verbonden, hebben -ieder van binnen een lepelvormig uitsteeksel, hetwelk aan den slottand -van de linker schelpklep van Mya herinnert. De rugrand van iedere -schelpklep is in de slotstreek omgeslagen en vormt een plaatvormig -uitsteeksel met een aantal openingen, dienende tot het doorlaten van -spierbundels, die zich hechten aan een paar los op den rug liggende, -bijkomende schelpstukken. Bij de Gewone Pholade (Pholas dactylus) en -vele van hare verwanten zijn er twee (ongerekend het lange en smalle -stuk, dat er achter gelegen is), bij andere slechts één. Door deze -inrichting wordt een vollediger afsluiting aan de rugzijde verkregen, -terwijl het dier de voorste gedeelten van de beide slotranden van -elkander verwijdert, hetgeen noodig is voor het boren. Hiervoor -dienen bij alle soorten reeksen van uitsteekseltjes en tandjes aan -de buitenzijde van de schelp, welker voorste oppervlakte hierdoor op -een groote rasp gelijkt. Op deze wijze boren zij horizontale gangen in -zachte gesteenten en hout; het dier vangt deze werkzaamheid aan op zeer -jeugdigen leeftijd, dadelijk na het verlaten van den larvetoestand, -terwijl het nog zeer klein is, en zet haar levenslang voort. Het maakt -de gang voortdurend dieper en wijder, maar kan haar niet verlaten, daar -het zich niet kan omkeeren en de eerste gevormde deelen van de woning -de nauwste zijn. Alleen de siphonen treden door de opening van de gang -naar buiten en kunnen er geheel in teruggetrokken worden. -- Naar -het schijnt, kan de voet bij het graven van gangen in weeke stoffen -dienst doen. Volgens sommigen spelen bij 't boren kiezelsplintertjes -in den voet en 't voorste deel van den mantel een rol. Van een bijtende -vloeistof heeft men nooit eenig spoor kunnen ontdekken. - -Een andere eigenaardigheid van de Pholaden is het lichtgevend vermogen, -dat zich, evenals bij andere op deze wijze begaafde dieren, eerst na -prikkeling openbaart. Wanneer men een Pholade aanvat en beweegt, komen -als 't ware wolkjes uit haar lichaam te voorschijn, die langzamerhand -het omgevende water lichtgevend maken. Zij bestaan uit een slijm, -dat aan alle voorwerpen, waarmede het in aanraking komt, blijft -hangen, en door bepaalde organen van betrekkelijk geringen omvang -wordt uitgescheiden. - -De tot dusver genoemde Borende Schelpdieren (Pholadidae) richten geen -schade van eenige beteekenis aan. In hooge mate schadelijk voor alle -houten voorwerpen, die een tijdlang door zeewater omgeven blijven, -zijn echter andere leden van dezelfde familie, die het geslacht der -Paalwormen (Teredo) vormen. Vooral in het paalwerk van zeeweringen, -havens, bruggen, richten deze dieren groote verwoestingen aan. Den -onjuisten naam van Wormen danken zij aan hun buitengewoon langwerpig -lichaam; slechts het kleine, gezwollene, voorste lichaamsdeel is -met een gelijkkleppige schelp bedekt. Elke schelpklep bestaat uit -drie afdeelingen: de voorste is lepelvormig en veel smaller dan de -middelste, die eveneens breeder is dan het achter- of halsgedeelte, -dat bij het levende dier steeds bedekt is door een plooi van den -mantel, welke zich, zoolang het dier niet boort, over de geheele schelp -uitbreidt. Evenals bij de Pholaden, ontbreken het slot en de slotband; -de schelpkleppen zijn slechts in een punt aan de buikzijde met elkander -in aanraking en laten van voren en van achteren een wijde opening -over. De voorste omvat een mantelspleet, dienende voor het uitsteken -van den kleinen, cilindrischen voet, met welks afgeknot voorste -uiteinde het dier zich gedurende het boren vasthecht. Van achteren -loopt het wormvormige lichaam uit in twee siphonen van ongelijke -lengte: de kortste voorziet het lichaam van water en voedsel; de -langste verwijdert, behalve het water, dat voor de ademhaling gediend -heeft, de uitwerpselen, de jonge larven en het houtboorsel, dat door -de werking der schelpkleppen ontstond. Het knagen geschiedt namelijk -niet met het doel om voedsel, maar uitsluitend om een woning te -verkrijgen. Bij den oorsprong der mantelbuizen komen twee kalkplaatjes -(paletten) voor en bevat het lichaam een krachtige, ringvormige -sluitspier. Ook bevindt zich hier een dwarsspier, die vermoedelijk -met de achterste sluitspier der overige Tweespierige Plaatkieuwigen -vergeleken moet worden. De voorste is in de schelp gelegen. Aan het -door Paalwormen aangetaste houtwerk merkt men uitwendig slechts kleine, -1 à 1.5 mM. wijde, scheef in het hout doordringende gaatjes op, waaruit -de beide mantelbuizen te voorschijn komen, zoolang het dier ongestoord -wordt gelaten. De gang in het hout wordt allengs wijder en eindigt -blind op de plaats, waar de schelp zich bevindt. Van binnen is zij -bekleed met een witte kalklaag, door den mantel aan zijn oppervlakte -uitgescheiden. Een verbinding van het dier met deze buis komt alleen -voor ter plaatse, waar de paletten zich bevinden. De ruimte in iedere -gang wordt geheel ingenomen door den Paalworm, die in volwassen -toestand meestal 8 cM. lang is. Voor het boren is geen draaiende, -maar een heen en weer gaande beweging (het beurtelings openen en -sluiten der schelp) noodig. Beide bewegingen zijn een gevolg van -spiersamentrekking: de sluitspieren werken, evenals bij de Pholaden, -op een binnenwaarts gericht uitsteeksel van iedere schelpklep; die, -welke voor 't openen dienen, hechten zich aan de buitenste oppervlakte -der schelp. De samenwerking van beide spieren met die van den voet -brengt een zeer langzame draaiing van het dier om zijn as teweeg; -deze heeft alleen ten doel een ander aanhechtingspunt te verkrijgen -voor den voet, die, als zuignap werkend, het dier naar den bodem van -de gang trekt en de raspende randen der schelpkleppen tegen het hout -drukt. Het lepelvormig gedeelte van iedere klep is n.l. voorzien van -uiterst fijne, op reeksen geplaatste, wigvormige tandjes (ongeveer -100 op 1 mM.), die loodrecht staan op de richting der iets grootere -tandjes (ongeveer 30 op 1 mM.), die aan het middelste schelpgedeelte -voorkomen. (Op een zeer groote, 7.5 mM. lange schelpklep telde men -4000 tandjes op de 40 onderling evenwijdige rijen). Het hout wordt -dus achtereenvolgens in 2 richtingen getroffen en als 't ware in -vierkante stukjes gesneden, fijn genoeg om het darmkanaal en de -kloak-sipho te passeeren. Naarmate de tandjes afslijten, komen er -nieuwe te voorschijn op een volgende groeistreep. De gangen, die -aanvankelijk scheef naar binnen gericht zijn, worden weldra geheel in -de richting van de houtvezels voortgezet en wijken hiervan alleen af, -als de nabijheid van een andere gang dit noodig maakt. Nooit snijden -twee gangen elkander, hoewel zij ten slotte zoo dicht bijeenliggen, -dat er slechts een dun tusschenschot overblijft en het hout, dat van -buiten nagenoeg gaaf schijnt, doch van binnen in een sponsachtige -massa veranderd is, geen weerstand meer kan bieden. Natuurlijk strekt -de vernieling zich niet hooger uit dan halftij (d.i. op de hoogte -midden tusschen gewoon hoog- en laagwater), daar de siphonen steeds -in schoon zeewater moeten uitmonden. De volwassen Worm kan hoogstens -3 à 4 dagen buiten 't hout in zeewater leven; in hout, dat niet met -zeewater in aanraking is, sterft hij binnen 24 uur. - -Hoewel de Paalworm reeds aan de ouden bekend was en te allen tijde -ook onze zeeën bewoond schijnt te hebben, werd echter eerst in -1730 de algemeene aandacht op dit Weekdier gevestigd. In genoemd -jaar vertoonde het zich aan den Westkappelschen zeedijk en andere -zeewerken van Walcheren. In het midden van September 1731 werden de -Drechterlandsche zeedijken door storm geteisterd en tot niet geringen -schrik zag men, dat de palen, ter bescherming van dien dijk en langs -de Bovenkarspelsche en Grootebroeksche dijken ingeslagen, bij den -grond af braken. Ditzelfde feit werd op Texel en aan de Friesche kust -waargenomen, waar nieuwe palen zoodanig doorknaagd werden, dat zij -vanzelf omvielen. Hierdoor werd een ontzaglijke schade aangericht: -alleen in Noord-Holland kostte de dijkverbetering 5½ millioen. Om -een dijk te beschermen [2] werd aan de zeezijde de buitenglooiing -ter breedte van 3 à 4 M. uitgegraven tot 0.5 à 0.7 M. beneden -laagwater. Deze lange, evenwijdig met den dijk loopende sleuf werd -met in zee opgevischt wier aangevuld niet alleen, maar terzelfder -breedte tot 2 à 3 M. boven volzee opgestapeld. Een ontzaglijke massa -wier was hiervoor noodig, daar dit materiaal door het steeds ophoogen -zoodanig in elkander zakt, dat van een 1 à 1.5 M. hooge opstapeling -in het onderste deel van de "wierriem" slechts een laag van 0.1 -M. dikte overblijft. De wierriemen hadden bovendien het nadeel van te -slijten door het dagelijksch golfgeklots: tusschen laag- en hoogwater -uitgehold, vertoonden zij neiging om in te storten door aandrang van -den achterliggenden grond en eigen gewicht. Daar het inzetten van -stukken niet mogelijk is, werden de uitgeholde wierriemen, om het -vernieuwen van een geheel vak te vermijden, onder de voorzijde met -puin en zwaren steen bestort en zoo tegen omvallen beveiligd. Deze -bestorting werd aan de zeezijde allengs verzwaard, de wierriem geheel -aangestort en zelfs ondergestort en het puin tegen het wegslaan met -zwaren steen bedekt. Zoodoende ontstonden de glooiingen van dijksteen. - -Ook in den tegenwoordigen tijd richt de Paalworm dikwijls groote -schade aan; vele middelen worden aangewend om haar te voorkomen. Het -houtwerk van sluizen wordt gewoonlijk tweemaal goed geteerd, daarna -met grauw papier of vilt overdekt en eindelijk met koperen platen -bekleed. De kosten hiervan bedragen ongeveer f 13 per M2.--Ook -de houten zeeschepen worden tegenwoordig algemeen gekoperd. Bij -visschersvaartuigen kan men dit niet doen, daar de netten aan de -hoeken der koperen platen blijven haken en hierdoor schade lijden -zouden. Van zulke vaartuigen wordt, wanneer zij op het strand of -op de helling droog liggen, de huid schoongeschrapt, afgebrand en -vervolgens geteerd. Deze bewerking wordt 2- of 3-maal per jaar in 't -warme seizoen toegepast.--Palen worden door een roestkorst beveiligd -en te dien einde, van halftij of iets hooger tot 0.75 M. diepte in den -grond, zorgvuldig beslagen met smeedijzeren wormnagels: groote met een -kop van 3 à 4 cM. middellijn en, voor 't vullen van de hiertusschen -overblijvende openingen, kleine met een kop van 2 cM. middellijn. De -kosten van deze bewerking worden op f 5.40 per M2 geraamd.--Ook -door een voldoende inpersing van creosootolie (± 300 L. per M3 hout) -wordt de beschadiging door den Paalworm voorkomen. Wegens de groote -kosten van dit voorbehoedmiddel zal--vooral bij palen, die ver boven -water staan en diep in den grond steken--het creotoseeren het oude -bespijkeren met wormnagels nog wel niet op den achtergrond dringen. - - - -De Gastrochaenaceën bewonen in volwassen toestand een door den -mantel gevormde, slechts aan één einde geopende kalkkoker, die -op verschillende wijzen beschut wordt. Het achterste deel van -het langwerpige lichaam bestaat uit twee over haar geheele lengte -vergroeide siphonen; overigens heeft de zakvormige mantel geen andere -opening dan die waardoor, dicht bij het vooreinde, de zeer kleine -voet wordt uitgestoken. De dunne, van voren wijd gapende schelp is op -verre na niet voldoende tot berging van de weeke deelen en mist steeds -aan de binnenzijde der kleppen het uitsteeksel, waardoor de leden -der vorige familie zich onderscheiden. De 2 cM. lange Gastrochaena -modiolina die bij de Engelsche kust in rotsspleten leeft, voegt -kleine steentjes en schelpgruis bijeen tot een fleschvormig nest, -dat de schelp geheel omgeeft; zij bekleedt het van binnen met een -dunne kalklaag. Met uitzondering van den hals, die voor het uitsteken -der siphonen geopend blijft, is het nest geheel gesloten. Ditzelfde -dier kan, naar het schijnt, ook een gat boren in het gesteente, -waarbinnen het zich met een koker omgeeft, evenals zijne verwanten -doen in oesterschelpen, koralen, opeenhoopingen van Zeepokken, enz. - - - -Een nog zonderlinger voorkomen hebben de Gieterschelpen (Aspergillum), -zoo genoemd naar den vorm van den als woning dienenden kalkkoker; -deze is n.l. van onderen afgesloten (B) door een schijf, welke op een -sprei van een gieter gelijkt. De spleetvormige opening in 't midden -van de schijf is omgeven door een aantal holle buisjes, die langs -den rand de grootste lengte bereiken en, naar men vermoedt, dienen -voor het uitsteken van draadvormige deelen van den mantel. De beide -schelpkleppen zijn zeer klein gebleven en op korten afstand van het -onderste uiteinde van den koker met deze vergroeid. De koker heeft -den vorm van een cilinder of van een afgeknotten kegel en is voor -drie vierde van haar lengte in het zand van den zeebodem verborgen; -door de opening aan het bovenste deel steken de uiteinden der siphonen -uit. Van dit geslacht zijn een twintigtal levende soorten bekend, die -de warme zeeën van het oostelijk halfrond bewonen. Het noordelijkste -deel van haar verbreidingsgebied is de Roode Zee. - - - - - - - - - -AANTEEKENINGEN - - -[1] De hier medegedeelde bijzonderheden zijn voor een groot deel -ontleend aan Dr. Hoek's verhandeling over de "Oestercultuur als -vaderlandsche industrie" in het Album der Natuur, jaargang 1886, en -aan het "Verslag omtrent onderzoekingen op de oester en de oesterteelt -betrekking hebbende, uitgebracht door de commissie voor het Zoölogisch -Station", 1883-1884. - -[2] Ontleend aan een opstel over den "Paalworm" van den heer F. L. Ortt -in het "Album der Natuur", Jaargang 1887, pp. 382-397. - - - - - - -End of the Project Gutenberg EBook of Het Leven der Dieren: Deel 3.7 De -Weekdieren, by A. E. Brehm - -*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN: DEEL 3.7 *** - -***** This file should be named 62626-8.txt or 62626-8.zip ***** -This and all associated files of various formats will be found in: - http://www.gutenberg.org/6/2/6/2/62626/ - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United -States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive -specific permission. If you do not charge anything for copies of this -eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook -for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports, -performances and research. They may be modified and printed and given -away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks -not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the -trademark license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country outside the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you'll have to check the laws of the country where you - are located before using this ebook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm web site -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The -Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm -trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - - - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the -mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its -volunteers and employees are scattered throughout numerous -locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt -Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to -date contact information can be found at the Foundation's web site and -official page at www.gutenberg.org/contact - -For additional contact information: - - Dr. Gregory B. Newby - Chief Executive and Director - gbnewby@pglaf.org - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide -spread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works. - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our Web site which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. - |
