summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/62626-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/62626-8.txt')
-rw-r--r--old/62626-8.txt5527
1 files changed, 0 insertions, 5527 deletions
diff --git a/old/62626-8.txt b/old/62626-8.txt
deleted file mode 100644
index 1fa7fa2..0000000
--- a/old/62626-8.txt
+++ /dev/null
@@ -1,5527 +0,0 @@
-The Project Gutenberg EBook of Het Leven der Dieren: Deel 3.7 De Weekdieren, by
-A. E. Brehm
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
-other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of
-the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have
-to check the laws of the country where you are located before using this ebook.
-
-Title: Het Leven der Dieren: Deel 3.7 De Weekdieren
-
-Author: A. E. Brehm
-
-Release Date: July 12, 2020 [EBook #62626]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: ISO-8859-1
-
-*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN: DEEL 3.7 ***
-
-
-
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg
-
-
-
-
-
-
-
-
-
- HET LEVEN DER DIEREN
-
- DE WEEKDIEREN
-
- DOOR
-
- A. E. BREHM.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-DE WEEKDIEREN (Mollusca).
-
-
-Voor een nadere kennismaking met de Weekdieren zijn wij allen
-reeds eenigermate voorbereid door vroegere ervaringen. Een der
-eerste verkenningen op dit terrein heeft ons geleid tot het besef,
-dat een Slak en een Mossel nagenoeg in dezelfde richting afwijken
-van de Gewervelde en de Gelede Dieren; deze overtuiging hebben wij
-uitgesproken door aan beide den naam van "Weekdieren" te geven. Tot
-het erkennen van de noodzakelijkheid om deze dieren samen te voegen
-zijn wij gekomen, hoewel wij aan de Slak een kop met voelers en
-oogen opmerkten en deze bij de Mossel te vergeefs hebben gezocht. Ook
-over het verschil tusschen de Mosselschelp en het Slakkenhuis zijn
-wij heengestapt; zelfs aarzelden wij niet de naakte Kelderslak en
-de Huisjesslak als nauw verwante vormen te beschouwen en (met de
-Mossel) door één naam aan te duiden. Dat deze en vele andere dieren
-werkelijk een in 't oogvallend karakter dragen, bleek duidelijk
-bij een bezoek aan het zeestrand en aan een visschersplaats: de
-talrijke vormen, die wij hier voor 't eerst aanschouwden, werden,
-ondanks hun verscheidenheid, in den regel als Weekdieren herkend, niet
-met Gewervelde of met Gelede Dieren, meestal zelfs niet met Wormen
-verward. Deze karaktertrekken moeten wij nu trachten op te sporen.
-
-Hoewel men aan vele Weekdieren een kop en een romp kan onderscheiden,
-maakt toch hun lichaam algemeen den indruk van plomper, onbehouwener
-te zijn dan dat der vroeger behandelde dieren; het vertoont geen
-spoor van de geleding, die bij de Arthropoden zoo duidelijk op den
-voorgrond treedt en die ook den geheelen lichaamsbouw der Gewervelde
-Dieren beheerscht. De niet aan veranderingen onderhevige vorm, dien
-de Gewervelde Dieren aan hun inwendig geraamte, de Gelede Dieren aan
-het harde bekleedsel van de huid danken, wordt bij de Weekdieren
-gemist. De eenvoudiger gebouwde Wormen vormen den overgang. De
-tegenwerping, dat de schelp den vorm van de Mossel, het huisje dien
-van de Slak bepaalt, zal bij nader onderzoek ongegrond blijken, daar
-de beide huisjes eigenlijk niet veel van "huisjes", van woningen,
-verschillen. Zij zijn wel is waar gevormd door het lichaam, maar
-hangen er zoo los mede samen, dat zij in geen vergelijking kunnen
-komen met het inwendig of uitwendig skelet. Deze zijn in den volsten
-zin van het woord deelen van het organisme. De beenderen nemen deel
-aan de stofwisseling: zij worden aanhoudend gevoed en vernieuwd. De
-Kever kan niet verwijderd worden uit zijn huidskelet; als het pantser
-van den Kreeft niet meer door levende deelen met het dier verbonden
-is, valt het af om door een nieuw pantser vervangen te worden. Deze
-innige samenhang bestaat niet tusschen het Weekdier en zijn "huis";
-de schelp is een uitscheidingsproduct, dat wel is waar dikker wordt
-door aanvoeging van nieuwe lagen, een grootere uitgebreidheid verkrijgt
-door toevoeging van bestanddeelen aan de vrije randen en ook zelfs,
-als het beschadigd is, een gebrekkige reparatie ondergaat, maar slechts
-in een enkel punt, of op een gering aantal plaatsen, werkelijk met het
-dier in verband staat, en niet aan de stofwisseling deelneemt, kortom
-een doode massa is. Een Slak kan men uit zijn huisje lichten na het
-doorsnijden van eene spier, die haar er mede verbindt, welke operatie,
-op zichzelf beschouwd, het leven van het dier niet in gevaar brengt. De
-eenige deelen van een Weekdier, die bij oppervlakkige beschouwing,
-eenigszins op een skelet gelijken, zijn binnen in de huid gelegen;
-hoewel zij door haar ligging aan beenderen herinneren, stemmen ook
-deze inwendig afgescheiden hoorn- en kalkplaten in werkelijkheid met
-de uitwendige schelp overeen.
-
-Om met de karakteristieke eigenschappen van de Weekdieren in 't
-algemeen bekend te worden, moeten wij ons wenden tot die, welke geen
-schelp hebben, en aan de overige hun schelp ontnemen. Zij vertoonen
-zich dan als ongelede dieren met een dikwijls zeer plomp voorkomen;
-bovendien maakt de symmetrie, die aanvankelijk bij allen valt waar te
-nemen, op lateren leeftijd bij velen plaats voor een asymmetrischen
-lichaamsbouw. De huid is glibberig en week, bij alle vormen uitgegroeid
-tot lobben en mantelachtige plooien, die het lichaam geheel of ten
-deele bedekken. Van deze belangrijke eigenaardigheid der Weekdieren
-kan men zich gemakkelijk door aanschouwing overtuigen. Als een Slak
-in haar huisje kruipt, ziet men, terwijl de kop teruggetrokken wordt,
-dezen zich bedekken met een dikke huidplooi, die een stuk van den
-mantel is. Na 't wegnemen van een Mossel uit de schelp, ziet men
-haar lichaam aan weerszijden geheel bedekt met een groote, vliezige
-huidplooi: dit zijn de beide mantelhelften. De schelp wordt door den
-mantel gevormd, vooral door zijne vrije randen.
-
-Wanneer men bedenkt, dat de hoogst ontwikkelde Weekdieren niet
-zelden een lengte bereiken van 1 en zelfs van 2 M. (terwijl sommige
-reuzen onder hen meer dan 6 M. lang worden), met zintuigen zijn
-uitgerust, welke bijna met die der hoogere Gewervelde Dieren
-kunnen wedijveren, en een spierkracht toonen, die aan hun grootte
-geëvenredigd is,--wanneer men tevens in 't oog houdt, dat dezelfde
-hoofdafdeeling ook microscopische vormen bevat, waarvan sommige aan
-Trilwormen herinneren,--zal men inzien, dat er van een algemeene
-beschrijving van den bouw, de levenswijze en de woonplaats dezer
-dieren geen sprake kan zijn.--Het voornaamste centrale deel van hun
-zenuwstelsel bestaat uit een slokdarmring, waarmede de overige door
-het lichaam verspreide zenuwen en zenuwknoopen samenhangen. Het
-bezit van zintuigen hangt af van den trap van ontwikkeling, dien
-het lichaam in 't algemeen bereikt, voorts van de verblijfplaats en
-de levenswijze. De spijsverteringsorganen zijn bij alle Weekdieren
-zeer volkomen; voor de ademhaling bezitten de meeste kieuwen, die
-dan steeds een aanzienlijke uitgebreidheid hebben.
-
-De liefhebbers van merkwaardigheden hebben reeds sinds eeuwen met
-grooten ijver Slakkenhuizen en Mosselschelpen verzameld en zich
-verlustigd aan de bonte kleuren en de groote verscheidenheid van
-liefelijke en grillige vormen dezer voorwerpen. Hoewel het volstrekt
-niet onze bedoeling is, het genoegen, dat een fraaie collectie
-conchyliën den eigenaar verschaft, te verminderen, moeten wij echter
-doen opmerken, dat zulk een verzameling een even onbevredigenden indruk
-achterlaat als b.v. een sorteering van hoeven en klauwen. De invloed
-van de schelp op het leven van het Weekdier is nog veel geringer
-dan die van de hoeven en klauwen op het bestaan der Zoogdieren. Van
-overwegend belang is dus de studie der inwendige organen.
-
-
-
-
-
-
-
-EERSTE KLASSE.
-
-DE KOPPOOTIGEN (Cephalopoda).
-
-
-Van den lichaamsbouw der Koppootigen zullen wij den lezer een denkbeeld
-trachten te geven door de bespreking van den Dwerginktvisch (Sepiola
-Rondeleti). Talrijke exemplaren van deze kleine soort worden den
-bezoeker van de vischmarkten in Italië te koop geboden en door den
-verkooper wegens hun fijnen smaak ten zeerste geroemd. Den kop kan
-men zeer duidelijk van den romp onderscheiden. Kringsgewijs om den
-mond geplaatste armen doen dienst als grijp- en bewegingsorganen. De
-romp bestaat uit een ingewandenzak, omhuld door een mantel, die
-aan de rugzijde vastzit en samenhangt met de huid, die den kop
-bedekt, maar aan de buikzijde een holte overlaat, waarin de kieuwen
-voorkomen. Naar het aantal van deze ademhalingsorganen onderscheidt
-men de Koppootigen in Tweekieuwigen (b.v. Sepiola) en Vierkieuwigen
-(Nautilus). Aan de buikzijde ziet men in de afbeelding, boven de
-hier van voren geopende mantelholte het nauwste uiteinde uitsteken
-van den zoogenaamden trechter; de veel wijdere, achterste opening
-is onder den mantel verborgen. De zeer taaie, sterk gespierde
-en rekbare armen kunnen zich in alle richtingen bewegen, zoodat
-hunne kronkelingen niet zelden aan die van Slangen herinneren. Bij
-alle hedendaagsche Koppootigen (met uitzondering van Nautilus)
-bedraagt hun aantal 8 of 10 en zijn zij bezet met zuignappen, die
-bij het grijpen van den buit en bij het kruipen een belangrijke
-rol spelen. Bij de Tienarmigen rusten de zuignappen op een korten,
-gespierden steel en hebben in den rand een kraakbeenigen ring. Door
-het hierbinnen aanwezige spierkussen een weinig terug te trekken,
-hecht het dier zich vast aan de oppervlakte, waartegen de rand van
-den zuignap wordt aangedrukt. De verbinding is zoo stevig, dat een
-gezond dier dikwijls niet zonder verscheuring van enkele zuignappen
-losgerukt kan worden, en dat het, eerder dan het gegrepen voorwerp,
-den geheelen arm in den steek laat, wanneer deze door de gelijktijdige
-werking van verscheidene zuignappen bevestigd is. Bij vele soorten is
-de rand der zuignappen van haakvormige doorntjes voorzien. De armen
-zijn volkomen symmetrisch geplaatst en worden daarom van den rug te
-beginnen, bij paren geteld. Daar men de "grijparmen" der Tienarmige
-Koppootigen buiten rekening laat, zijn de armen van het 4e paar die,
-welke naast elkander aan de buikzijde liggen. De huid, die de armen bij
-hun oorsprong (en bij eenige soorten zelfs tot aan den top) verbindt,
-schijnt vooral bestemd om een aan alle zijden gesloten holte te vormen,
-waarin de buit, die met de armen gegrepen werd, geheel weerloos aan de
-werking van de kaken en tanden is blootgesteld. Na het buitenwaarts
-ombuigen van de armen ziet men, te midden van den door hen gevormden
-kring, de mondopening en de kringvormige lippen, die haar omgeven,
-bovendien 2 zwartbruine, hoornachtige kaken, die gezamenlijk aan den
-snavel van een Papegaai herinneren, hoewel bij 't sluiten van den
-bek de bovenkaak door de onderkaak omgeven wordt. Een verhevenheid op
-den bodem van de mondholte heet tong en is bedekt met een wrijfplaat
-(radula), die uit verscheidene dwarsrijen van 7 à 13 spitse tandjes
-bestaat.
-
-Aan weerszijden van den kop puilen de bijzonder groote, goed
-ontwikkelde, glinsterende oogen uit, ieder beschut door een
-napvormig zijstuk van het kopkraakbeen, dat de centrale deelen van
-het zenuwstelsel omhult en tevens in afzonderlijke holten de beide
-gehoororganen bevat.
-
-De beide platte, afgeronde aanhangsels aan de zijden van den romp van
-Sepiola heeten vinnen, dienen voor het zwemmen en kunnen ook den stand
-van het lichaam en zijn bewegingsrichting wijzigen. Deze huidplooien
-ontbreken bij eenige geslachten en zijn bij de overige verschillend
-van vorm en grootte.
-
-Van den trechter maakt het dier een zeer belangrijk gebruik. Door den
-vrijen rand van den mantel van den ingewandenzak te verwijderen, wordt
-de mantelholte gevuld met het water, dat voor de ademhaling dient. Door
-vervolgens, na den rand, ook de overige deelen van den mantel tegen
-den ingewandenzak te drukken, wordt het water met groote kracht door
-de achterste opening in den trechter en van hier, door de voorste,
-enge opening, als een straal naar buiten geperst. Hierdoor verkrijgt
-het lichaam in achterwaartsche richting een stoot, die voldoende is
-om de slankst gebouwde leden der klasse pijlsnel door het water te
-doen schieten.
-
-Behalve het spijskanaal, komt bij de meeste Koppootigen ook de
-afvoerbuis van een ander belangrijk orgaan, n.l. van den inktzak,
-in den trechter uit. Het uitwerpen van de zwartbruine stof, die door
-deze klier wordt afgescheiden, heeft willekeurig plaats; een kleine
-hoeveelheid is voldoende om het dier met een donkere wolk te omhullen,
-waardoor het eensklaps voor zijne vervolgers onzichtbaar wordt. Op deze
-eigenschap berust de onjuiste benaming "Inktvisschen". Onder den naam
-"sepia" wordt de bedoelde stof door de schilders gebruikt. Men heeft
-haar zelfs bij fossiele Cephalopoden gevonden.
-
-Aan vele in spiritus geconserveerde exemplaren van Koppootigen neemt
-men op de huid fijne, paarse en bruinachtige stipjes waar. Dit is
-al wat er overblijft, van de prachtige kleurveranderingen, die het
-levende dier te aanschouwen geeft; de kleur wisselt af in verband
-met den toestand waarin het verkeert, hangt af van de verlichting,
-is verschillend al naar het dier zelf aanvalt, of aangevallen en
-geprikkeld wordt. Kleurige wolken en strepen schieten over het
-lichaam heen, vereenigen zich, spreiden zich uit en gaan in den
-regel gepaard met een algemeene verhooging van den glans, met een
-bliksemsnel optreden van het glinsteren en iriseeren van de geheele
-oppervlakte; men is getuige van een schitterend onweer van toorn en
-zenuwoverprikkeling. De mechanische oorzaken van dit buitengewoon
-fraaie kleurenspel zijn van tweeërlei aard. In de huid bevinden zich
-cellen, die een uiterst fijn verdeelde kleurstof bevatten. Wanneer
-deze cellen in den toestand van rust verkeeren en door de veerkracht
-van haar wand tot haar geringste volume zijn ingekrompen, is de
-invloed van de kleine pigmentklompjes op de kleur van de huid zeer
-gering. Door talrijke spiervezels, die straalswijs met den wand
-der kleurstofcellen of "chromatophoren" verbonden zijn, kan deze
-echter uitgerekt worden, zoodat de kleurstof zich over een grootere
-oppervlakte uitbreidt. Bij de op deze wijze veroorzaakte kleuren komen
-nog die, welke een gevolg zijn van interferentie-verschijnselen,
-waarbij fijne, dicht opeengepakte plaatjes, die dieper dan de
-chromatophoren liggen, de hoofdrol spelen.
-
-Alle Koppootigen bewonen uitsluitend de zee; hier leefden ook al
-hunne voorouders, die reeds in de alleroudste lagen van de Silurische
-formatie sporen van hun bestaan hebben achtergelaten, en in 't Jura- en
-'t krijttijdvak hun hoogsten bloei bereikten. De alleroudste fossiele
-Tweekieuwigen werden in de lias-lagen gevonden. Vele hedendaagsche
-soorten leven gezellig, gelijk vooral blijkt, wanneer zij van grootere
-diepten en uit de open zee naar de kustwateren trekken. Alle leven
-van roof; zij verslinden een menigte Visschen, Schaaldieren, Slakken
-en Plaatkieuwige Weekdieren. Als een staaltje van hun vraatzucht kan
-dienen, dat zij zelfs aanvallen op soortgenooten, die zich door een
-lokaas hebben laten verschalken, en met deze boven water getrokken
-en gevangen worden. Bij de soorten, die in de nabijheid van de kust,
-op rotsen en tusschen waterplanten kruipend, op buit loeren, komen
-velerlei draadvormige aanhangsels voor, welker beweging de prooi
-aanlokt. De door hen aangerichte schade wordt vergoed, doordat een
-aantal voor ons zeer belangrijke dieren, b.v. verscheidene walvisschen,
-de Potvisschen, de Kabeljauwen, zich bijna uitsluitend of bij voorkeur
-met Cephalopoden voeden; bovendien worden verscheidene soorten ook
-door den mensch gegeten.
-
-De Cephalopoden zijn de hoogst ontwikkelde Weekdieren; de sterkste,
-grootste en zwaarste leden van de hoofdafdeeling behooren tot hun
-klasse. Aan de oostkust van Noord-Amerika zijn exemplaren gevangen van
-het geslacht Architeuthis, die een totale lengte van 12 M. hadden;
-de romp was 2.5 M. lang en had een omvang van 2.12 M.; de armen
-zijn zoo dik als eens menschen dij. Prachtige nabootsingen in ware
-grootte van dezen reusachtigen Inktvisch, die misschien aanleiding
-heeft gegeven tot de sprookjes van den Kraken en de Reuzenzeeslang,
-heeft Prof. Verrill van Newhaven (Connecticut) voor verscheidene
-Amerikaansche musea laten vervaardigen.
-
-Men kent tegenwoordig ongeveer 7000 soorten van Koppootigen, waarbij
-ongeveer 6500 Vierkieuwigen (met 4 thans nog levende) en ruim 450
-Tweekieuwigen (met 240 thans nog levende soorten).
-
-
-
-
-
-EERSTE ORDE.
-
-DE TWEEKIEUWIGEN (Dibranchiata).
-
-Tot deze orde, waarvan een lid als uitgangspunt voor ons algemeen
-overzicht heeft gediend, behooren alle Cephalopoden, welker kringvormig
-om den mond geplaatste armen zuignappen dragen en welker mantelholte
-twee kieuwen bevat: een aan de rechter- en een aan de linkerzijde. Een
-inktzak is steeds aanwezig. Naar het aantal armen worden zij in twee
-groepen verdeeld.
-
-De Achtarmige Cephalopoden (Octopoda) missen de beide grijparmen
-en hebben bijna zonder uitzondering een korten en breeden romp, die
-geen vinnen draagt. Het ruggedeelte van den mantel scheidt bij hen
-geen tot steun dienende plaat af. De meeste Achtarmigen bewonen de
-zee in de nabijheid van de kust; zij kruipen en loopen meer dan zij
-zwemmen. Hunne gewone verblijfplaatsen zijn spleten en gaten in het
-gesteente, vanwaar zij op buit loeren. Zij kunnen in alle richtingen
-kruipen, maar bewegen zich bij voorkeur zijwaarts, spreiden de armen
-uit, heffen den kop omhoog, geven den romp een eenigszins hellenden
-stand boven het 4e paar armen en wenden de opening van den trechter
-naar een zijde. Vooral het tweede en derde paar armen doen bij het
-kruipen dienst. Op deze wijze verplaatsen zij zich tamelijk vlug,
-zoowel in als buiten het water. Uit eigen beweging verlaten zij het
-natte element nooit, hoewel sommige soorten uren lang op het droge in
-'t leven kunnen blijven. Een bewonderenswaardig instinct stelt hen in
-staat om de zee terug te vinden, nadat zij op betrekkelijk grooten
-afstand van de kust landwaarts gebracht zijn; zelfs van plaatsen
-waar het water niet meer te zien is, gaan zij regelrecht over de
-steendammen heen naar de zee terug.
-
-De oude Grieken en Romeinen noemden de hun bekende Koppootigen
-"Veelvoeten" (Polypous Polypus); nagenoeg dezelfde naam (tot Polpo
-vervormd in Italië, tot Poulpe in het Fransch) dient thans nog tot
-aanduiding van de geslachten Octopus en Eledone. Zij maken deel uit
-van de familie der Octopodiden, die o.a. kenbaar zijn aan de breedte
-van den "nekband", waardoor de mantel aan de rugzijde met den kop
-verbonden is.
-
-De lange armen der Achtarmen (Octopus) zijn aan den wortel door een
-huid vereenigd en aan de binnenzijde met 2 reeksen van zuignappen
-uitgerust.
-
-De Gewone Achtarm (Octopus vulgaris) is de grootste soort en tevens
-die, welke het sterkst vertegenwoordigd is in de meeste deelen van
-haar uitgestrekt verbreidingsgebied. De witgrijze huid verkrijgt,
-zoodra het dier in opgewonden toestand verkeert, bruine, roode en
-gele tinten, terwijl tevens de geheele bovenzijde zich bedekt met
-wratvormige verhevenheden. Men vindt dezen Inktvisch niet slechts in
-alle deelen van de Middellandsche Zee, maar ook aan de kusten van den
-Atlantischen Oceaan, bij de eilanden van West- en Oost-Indië en bij
-Mauritius. Enkele malen zijn exemplaren naar onze kust afgedwaald. Het
-meest vindt men hem op een rotsachtige zeebodem, in welks gaten en
-spleten zijn buigzaam lichaam gemakkelijk doordringt; van uit deze
-verblijfplaats beloert hij de dieren, waarmede hij zich voedt. Bij
-'t zien van een prooi verlaat hij voorzichtig zijn schuilhoek, nadert,
-pijlsnel achterwaarts zwemmend, zijn slachtoffer tot op korten afstand,
-keert zich zoo vlug om, dat men hem nauwelijks met de oogen kan volgen,
-omstrengelt den buit met de nu uiteenwijkende armen en houdt hem met
-de zuignappen vast. Soms vestigt hij zich op eenigen afstand van een
-rotsachtig terrein op zandgrond en in een nest van steenen, die hij
-met de zuignappen grijpt, met de armen vervoert en opeenhoopt tot
-een soort van kom; hierin verborgen, wacht hij geduldig, tot er een
-Visch of Kreeft in de nabijheid komt, die dan behendig gevangen wordt.
-
-In den zomer ziet men de jongen in de nabijheid van de kust op
-den met steenen bedekten zeebodem, soms ook op slib. Zij worden
-gewoonlijk gevangen aan een hengel zonder haak met een wit, in 't
-oog vallend lokaas, dat bezwaard is door een steentje en leveren een
-smakelijke spijs; die, welke meer dan ½ KG. wegen, worden wegens
-de taaiheid van hun vleesch veel minder geschat dan de Sepia's en
-Kalmars. Het grootst bekende exemplaar van deze diersoort was ongeveer
-3 M. lang en woog 25 KG.; het werd bij Nizza door een visscher na
-zeer groote inspanning gevangen. Exemplaren van 15 KG. zijn niet
-zeldzaam. Onbeschrijfelijk woest is het voorkomen van deze dieren
-bij het grijpen van een slachtoffer; de hevigheid en snelheid van
-den aanval, de kleursveranderingen van de huid en de wratten, die
-zich er op vertoonen, maken een diepen indruk.
-
-Collmann was getuige van een gevecht tusschen een Zeekreeft en een
-Achtarm in het groote aquarium te Napels en beschrijft dit op de
-volgende aanschouwelijke wijze: "Een Zeekreeft had zich vergrepen aan
-een zijner metgezellen--een Zeeschildpad ter grootte van een tafelbord,
-welker schedel hij geheel verbrijzelde--en moest tot straf naar het
-reservoir der Achtarmen verhuizen. Deze verloren den indringer niet
-uit het oog, bewogen zich in uitdagende houding om hem heen, maar
-bleven aanvankelijk op een eerbiedigen afstand. Af en toe sloop een
-van hen naderbij, slingerde de uiteinden van eenige armen als zweepen
-over den vreemdeling, maar trok zich weldra aarzelend terug, zoodra
-de geweldige scharen of het steenharde rugpantser van de tegenpartij
-zijn aandacht trokken. Langzamerhand verminderde de opgewondenheid
-van de meeste bewoners van het bassin. Een der Achtarmen gaf den
-strijd echter niet dadelijk op, maar deed nog vele pogingen om den
-Kreeft ongemerkt te naderen. Ook hij kwam eindelijk, naar het scheen,
-tot andere gedachten en nam een onverschillige houding aan. Toen
-nu de Kreeft, hierop vertrouwend, zijn vroegere waakzaamheid liet
-varen, werd hij onverhoeds aangegrepen en zoo stevig omstrengeld,
-dat hij zich niet meer verweren kon. De beide kampioenen werden
-echter onmiddellijk gescheiden door een oppasser, die getuige was
-van den strijd.--Voordat een uur verloopen was, had de Achtarm
-den Kreeft opnieuw gepakt en het pantser van het Schaaldier met de
-kronkelingen zijner gespierde armen omstrengeld. Indien hij soms
-zijn vijand op één plaats losliet, geschiedde dit slechts met het
-doel om hem op een andere, beter gekozen plaats te vatten. Terwijl
-de strijders zich als een kluwen woedende Slangen over den grond
-wentelden en in de fijne grint, die de kampplaats bedekte, diepe
-voren trokken, was er bijna niets van den Kreeft te zien: de Achtarm
-omgaf hem geheel. Opeens echter keerde de kans; de Achtarm staakte
-den strijd en snelde, tegen wil en dank zijn vijand medesleepend,
-naar de overzijde van 't slagveld. Eén zijner armen, die dicht bij de
-plaats van aanhechting aan den kop door den Kreeft gegrepen was, werd
-door een der geweldige scharen zoo stevig saamgeknepen, dat hij reeds
-doorgesneden scheen. Toch had er geen amputatie van dit lichaamsdeel
-plaats; alsof het uit caoutchouc bestond, bood het weerstand aan de
-vreeselijke drukking. Dit bleek vooral, toen de gepijnigde Octopus,
-die her- en derwaarts zwom en snelle wendingen maakte om zijn vijand
-van zich af te weren, dezen een paar malen tegen de steenen wanden
-van het reservoir had geslingerd en hem eindelijk noopte zijn schaar
-te openen. De Kreeft trok zich in een donkeren hoek terug; de Achtarm
-hechtte zich aan een uitstekende rotspunt. Als naar gewoonte waren
-zijne armen voortdurend in beweging; soms werden zij ineengekronkeld,
-soms langzaam gestrekt en tastend in alle richtingen bewogen. Zelfs
-de zoo vreeselijk geknepen arm bewoog zich. Een lichaamsdeel van een
-Gewerveld Dier zou na zulk een behandeling verlamd zijn geweest. De
-bloedsomloop van een Weekdier kan echter voortduren in deelen van
-het vaatstelsel, die niet meer met het hart in gemeenschap staan. Na
-weinige dagen was van de geleden schade bij den Achtarm geen spoor
-meer waar te nemen.
-
-"De beide kampioenen hadden echter geen vrede gesloten. Herhaaldelijk
-moest de oppasser hen scheiden. Eens gelukte dit eerst, nadat de
-Kreeft een zijner scharen had verloren. Om den invalide voor verdere
-verminking te behoeden, werd hij overgebracht in een volgend bassin,
-dat door een massieven cementmuur, die ongeveer 2 cM. boven den
-waterspiegel uitsteekt, gescheiden is van de beide onderling in
-gemeenschap staande ruimten, die het tooneel waren van den reeds
-beschreven strijd.--De hoop, dat de Kreeft nu rust zou hebben, bleek
-ijdel te zijn. Reeds op den dag der overbrenging klom een der Achtarmen
-over den muur, viel onverwachts op zijn tegenstander aan en scheurde
-hem na korten kamp letterlijk in tweeën. Ongeveer 40 seconden nadat
-de overval begon, was het pleit beslecht en bekroonde de overwinnaar
-zijn zege door het slachtoffer te verslinden.
-
-"Ontegenzeggelijk getuigden de handelingen van den Achtarm van
-veel overleg. Op indirecte wijze tot het besluit gekomen, dat
-een voor hem onzichtbare prooi zich aan de andere zijde van den
-scheidingsmuur bevindt, aarzelde hij niet dezen te overschrijden,
-hoewel dit niet kon geschieden zonder voor een oogenblik het water
-te verlaten.--Bovendien valt nog te vermelden, dat de hier bedoelde
-Achtarmen sinds geruimen tijd in de beste verstandhouding leefden
-met twee Kreeften en eenige Visschen, die gelijktijdig met hen in
-het reservoir waren gebracht. Hieruit blijkt, dat geen roofzucht één
-van hen tot het plegen van den moord had vervoerd, maar haat tegen
-den indringer, die ongenood, een deel kwam nemen van de ruimte en
-van het voedsel, die zij als hun uitsluitend eigendom hadden leeren
-beschouwen. Dat dit hun drijfveer was, bleek uit de ontvangst, die
-ten deel viel aan een anderen Achtarm, die later in hetzelfde bassin
-werd gebracht; ook deze werd gedood en verslonden. Dat blinde haat
-en moordlust geen kenmerkende eigenschappen van den Octopus zijn,
-valt af te leiden uit de gehechtheid van hierboven bedoelde dieren
-aan hun oppasser. Streelend omstrengelden zij zijne bloote armen en
-namen hem omzichtig het voedsel uit de hand. Zonder boosheid te toonen,
-speelden zij met hun verzorger, die de voor hun maal bestemde brokken
-nu en dan plagend terugtrok."
-
-
-
-Het geslacht Eledone verschilt van Octopus vooral door het bezit van
-slechts één rij zuignappen op iederen arm. De meest gewone soort is
-de Muscus-eledone (Eledone moschata), die haar romp willekeurig van
-vorm kan doen veranderen, zoodat deze zakvormig, langwerpig, eivormig,
-van achteren afgerond of spits, aan de oppervlakte glad of met wratten
-bedekt kan zijn. De kleine, uitpuilende oogen kunnen geheel door de
-oogleden bedekt worden en hebben een zeer veranderlijke iris. De
-grijze grondkleur neemt nooit een rozeroode of andere roodachtige
-tint aan. Symmetrische, zwartachtige vlekken en een blauwachtige
-zoom aan het scherm, dat de armen verbindt, zijn verdere kenmerken
-van deze soort, die haar naam dankt aan de muscuslucht, die van haar
-uitgaat, ook wel bij andere soorten voorkomt, doch bij haar bijzonder
-duidelijk is. Zij schijnt tot de Middellandsche Zee beperkt te zijn,
-maar is hier aan alle kusten een zeer gewone verschijning. Het meest
-vindt men haar op een slijkerigen bodem van 10 à 100 M. diepte, in
-alle jaargetijden echter ook op zand- en grintgrond, minder dikwijls
-op rotsen.--Ondanks hun muscuslucht worden deze dieren in menigte op
-de markt gebracht om tot spijs te dienen.
-
-
-
-Een derde, reeds in overouden tijd beroemden, herhaaldelijk beschreven
-vorm van de Achtarmige Tweekieuwigen is de Papier-nautilus (Argonauta
-argo). Alleen het wijfje is met de afgebeelde, fraaie en dunwandige
-schelp uitgerust. Het veel kleinere mannetje bezit geen schelp. Beide
-hebben een afgerond lichaam met kleinen kop en ver vooruitstekenden,
-langen trechter; het wijfje kenmerkt zich door de vliezige verbreeding
-van het bovenste paar armen en door een zeer fraaie, schitterende
-kleur. De romp is van onderen en onder aan de zijden bruinachtig
-met zilverglans en met een lichte weerschijn, die, al naar de
-richting en de sterkte der invallende lichtstralen, blauwachtig,
-grijsachtig of roodachtig is. Bovendien komen op deze van kleur
-wisselende oppervlakte een groot aantal glinsterende stipjes voor,
-sommige geel en kastanjebruin, andere rozerood; hoe sneller beweging,
-hoe fraaier kleuren. De rug en het bovenste deel van de zijden zijn
-met een fraaie, lichtgroene kleur getooid, die, vooral tegen den
-avond, pistache-groen wordt. De zilverkleur van de onderdeelen breidt
-zich in den vorm van strepen ook over de (overigens groenachtige)
-bovenste gedeelten der zijden uit, zoodat beide kleuren hier met
-elkander afwisselen. Dergelijke kleuren vertoonen de kop en de armen.
-
-De sierlijke, papierdunne, hoogstens 20 cM. lange schelp van het
-wijfje is naar verhouding rijk aan organische stof en daarom tamelijk
-veerkrachtig, althans veel buigzamer dan de veel dunnere schelpen
-van andere Weekdieren, b.v. van de Vinpootigen. Zij bevat slechts één
-holte, geen door dwarsschotten gescheiden kamers, gelijk de schelp van
-Nautilus welker spiraalwindingen in zooverre met de hare overeenkomen,
-dat iedere omgang den vorigen geheel bedekt. In één opzicht verschilt
-de Argonauta-schelp echter van iedere andere, n.l. doordat het dier
-er op geenerlei wijze mede vergroeid is en een vorm vertoont, welke
-in 't geheel niet overeenkomt met die van de holte, waarin het zich
-ophoudt. Men meende daarom vroeger, dat deze schelp door een nog
-onbekend Weekdier gevormd en na diens dood door den Papier-nautilus
-in bezit genomen werd. Thans weet men, dat de vliezig verbreede armen
-geschikt zijn voor de taak, die bij andere Weekdieren verricht wordt
-door den mantel. Zij hebben een achterwaartsche richting en krommen
-zich, naar onderen en naar voren, zoodat hunne vliezige lobben de
-schelp aan weerszijden bedekken. Het dier kan deze woning verlaten
-en eenigen tijd daarbuiten leven.
-
-Men heeft de Papier-nautilus dikwijls afgebeeld in een houding,
-die zij onmogelijk kan hebben; deze onjuiste voorstelling berust op
-de reeds door Aristoteles verkondigde meening, dat het dier, aan
-de oppervlakte van de zee drijvend, zijne beide vliezig verbreede
-armen naar boven richt en als zeilen gebruikt. Waar is het, dat de
-Papier-nautilus zich bij windstilte aan den waterspiegel ophoudt en
-dan met de achterste armen zich voortroeit. Onder water zwemt dit dier,
-dat vooral op de kust van Sicilië en in de golf van Tarente veelvuldig
-voorkomt, door het uitspuiten van water uit den trechter.--9 andere
-soorten bewonen de tropische zeeën.
-
-
-
-De onderorde der Tienarmigen (Decapoda) omvat de van zuignappen
-voorziene Cephalopoden, die, behalve 8 bewegingsorganen, welke met
-die der Achtarmigen overeenstemmen, nog 2 sterk verlengde organen
-bezitten, bestaande uit een gladden, langen steel en een aan diens
-einde geplaatste, zuignappen dragende plaat of knots. In den regel
-bevinden deze beide afwijkend gebouwde grijparmen zich in voor hen
-bestemde scheeden, waarin zij grootendeels teruggetrokken kunnen
-worden. Zij dienen niet als bewegings-, maar als grijporganen. Alle
-Tienarmigen hebben aan de rugzijde een door de huid bedekte,
-verkalkte of hoornachtige plaat. De meeste soorten leven in de open
-zee en trekken slechts in sommige omstandigheden, tot groote scholen
-vereenigd, naar de kustwateren. Om aan de vervolging door groote
-Visschen te ontkomen, springen zij boven den waterspiegel uit en
-stranden hierdoor dikwijls op booten of aan den oever. Daar zij door
-uiterlijk en levenswijze zeer uiteenloopen, geven wij ook hier aan
-afzonderlijke beschrijvingen de voorkeur boven een algemeen overzicht.
-
-De leden van het geslacht der Dwerginktvisschen (Sepiola) onderscheiden
-zich door een kort, afgerond lichaam met een half cirkelvormige vin
-aan weerszijden van den romp. De rugplaat is hoornachtig en buigzaam,
-slechts half zoo lang als het lichaam. De afgebeelde Sepiola Rondeleti,
-die de geheele Middellandsche en Adriatische Zee bewoont, is een
-van de kleinste Cephalopoden, daar exemplaren, welker totale lengte,
-van het achtereinde tot aan den top der uitgestoken grijparmen, 16
-cM. bedraagt, reeds tot de zeldzaamheden behooren. Het levende dier
-levert wegens zijn teere, rozeroode kleur en groote doorschijnendheid
-een bekoorlijk schouwspel op. Het zwemt door middel van de vinnen
-op zeer sierlijke wijze, naar verkiezing vooruit en achteruit;
-de grijparmen zijn dan gewoonlijk teruggetrokken en de kop is als
-'t ware tusschen de schouders gezeten.--
-
-Een van de belangrijkste geslachten is dat der Inktvisschen
-i.e.z. (Sepia), zoo genoemd naar het product van den inktzak en de
-daaruit verkregen schildersverf; hun verkalkte rugplaat kwam vroeger
-in alle apotheken voor onder den naam van os sepiae ("sepiabeen",
-c) en wordt door de kustbewoners zeeschuim genoemd. De Inktvisschen
-hebben een langwerpig, eivormig, eenigszins afgeplat lichaam, welks
-romp geheel door een vin omzoomd is. De verst verbreide en talrijkst
-vertegenwoordigde soort, de Gewone Inktvisch (Sepia officinalis),
-is aan onze kust bekend onder den naam van Zeekat. Hare armen zijn
-middelmatig lang; slechts de grijparmen zijn langer dan het lichaam;
-hun zuignappen dragend uiteinde is lanspuntvormig. Aan de platte,
-ovale rugschelp, die met het smalste, afgeronde uiteinde naar den
-kop is gericht, zijn drie lagen te onderscheiden: de buitenste,
-een dunne, stevige kalkplaat, heeft een segrijnachtige, (met fijne
-knobbeltjes bezette) oppervlakte; de middelste laag is een dunne,
-hoornachtige plaat; de grootste ruimte wordt echter ingenomen door
-de derde laag, die uit zeer talrijke schuins naar bovengerichte,
-sponsachtige kalkplaatjes bestaat en, fijngewreven als tandpoeder en
-als polijstmiddel dienst doet.
-
-In den toestand van rust is de hoofdkleur van de iriseerende rugzijde
-geelachtig rozerood, met witte vlekken langs de middellijn. De
-kop is een weinig donkerder van kleur; de oogen zijn blauwachtig;
-de witte vlekken der groenachtige armen verschillen in aantal en
-wijze van rangschikking op ieder paar. Ten teeken van opgewondenheid
-verschijnen op den rug een menigte onregelmatige knobbels van fraaie,
-donker kastanjebruine kleur, met roodachtigen, aan koper herinnerenden
-metaalglans. De kop en de armen schitteren intusschen met groenachtige
-nuancen; de zilverglanzige oogbol weerspiegelt rozeroode, blauwe en
-groene tinten; terwijl de vroeger witte vlekken op de armen de kleur
-van rood koper aannemen. Bij alle Cephalopoden, en niet het minst
-bij de Sepia's, brengen gemoedsaandoeningen groote veranderingen in
-de uitdrukking der oogen teweeg. Deze hebben een zeer eigenaardig
-uitzicht. Door de zeer smalle pupil, die ongeveer den vorm van
-de Grieksche letter omega heeft, ziet men het donkerzwarte
-vaatvlies. Van den bovenrand der oogkas gaat een huidplooi uit, die
-kleurstofcellen bevat en als een bovenste ooglid tot op het middelste
-gedeelte van de pupil over den oogbol heenhangt.
-
-Zeekatten van gemiddeld 15 cM. lengte ziet men veelvuldig in de
-nabijheid van de kust, het meest op kleiachtige en zandige gronden;
-op zulke plaatsen worden zij in groote sleepnetten gevangen. In 't
-voorjaar maakt men als lokmiddel dikwijls gebruik van een wijfje, dat
-aan een touw vastzit. Het zwemmend of op den grond liggend mannetje
-zal, zoodra een wijfje in zijn nabijheid verschijnt, pijlsnel op haar
-toeschieten en haar met de armen omklemmen. De visscher trekt het paar
-voorzichtig naar zich toe, vangt het onder water in een schepnet,
-behoudt het mannetje en laat het wijfje opnieuw te water. Het best
-gelukt deze jacht bij maanlicht. Geheel op dezelfde wijze heeft de
-vangst plaats met behulp van een stuk hout, dat den vorm heeft van
-een Sepia en met stukjes spiegelglas behangen is.
-
-De Inktvisschen geraken in de groote waterbakken van het aquarium
-te Napels zeer spoedig gewoon aan hun nieuwe omgeving. Wanneer de
-oppasser aan het publiek wil laten zien, dat deze dieren door het
-rijkelijk uitwerpen van inkt hun ontevredenheid toonen, moet hij
-hen op onzachte wijze met een stok aanraken. Zij houden niet van
-beweging; even als de Achtarmen, zoeken zij hun buit niet zwemmend
-op, maar loerend van uit een hinderlaag. Op soortgelijke wijze en
-met hetzelfde doel als de Schollen en Roggen bedekken zij zich met
-zand en steentjes, die zij met de vinnen opwerpen. Te gelijkertijd
-verschijnen groenachtige en grijze vlekken op den rug, welks kleur nu
-zoo uitmuntend overeenstemt met die der omgeving, dat zoowel menschen
-als dieren er door bedrogen worden en den Inktvisch eerst opmerken,
-wanneer hij plotseling op zijn slachtoffer toeschiet.--
-
-Een ander belangrijk geslacht is dat der Kalmars of Pijlinktvisschen
-(Loligo), zoo genoemd, omdat het achterste deel van den
-cilindervormigen, van achteren toegespitsten romp door de vinnen, die
-op den rug samenkomen, meestal den vorm van een gevleugelde pijlspits
-heeft. De naam Calamaro, dien men in Italië aan deze dieren geeft,
-wordt afgeleid van 't nieuw-Latijnsche woord calamarium, dat een koker
-met schrijfgereedschap aanduidt; het doelt op het rolronde lichaam,
-dat een pen (de vedervormige, buigzame, hoornachtige rugplaat) en inkt
-(in den inktzak) bevat. Bij den Gewonen Pijlinktvisch (Loligo vulgaris)
-vormen de vinnen te zamen een rhomboïd, dat zich over 2/3 van den
-romp uitstrekt. De langste armen zijn die van het eerste paar; naar
-de lengte gerangschikt, volgen dan die van het 4e, 2e en 3e paar. De
-hierbij niet medegerekende grijparmen zijn 1½ maal zoo lang als het
-lichaam; hunne knotsvormig verdikte en verbreede uiteinden dragen 4
-reeksen van zeer ongelijke zuignappen. Een in 't oog vallend kenmerk
-van dit dier zijn de zeer sterk uitkomende karmijnroode tinten.
-
-Zeer algemeen ontmoet men deze soort van Pijlinktvisschen in de
-Middellandsche Zee en in den Atlantischen Oceaan, vooral in den herfst,
-wijl zij dan, tot groote scholen vereenigd, rondzwerven. Soms komen
-zij in groote menigte in de netten, die voor de Tonijnen-vangst
-dienen. Het geheele jaar door worden zij van slijkerige en zandige
-gronden met het treknet opgehaald, het talrijkst bij volle maan. Hun
-beweging staat in verband met die der scholen van kleine Visschen,
-waarmede zij zich voeden. Niet zelden wordt de Kalmar 10 KG. zwaar;
-nu en dan vindt men nog grootere exemplaren (in den regel dood en
-op het strand): een van deze had een rugplaat van 75 cM. Gemiddeld
-bedraagt de lengte van het geheele dier (zonder de grijparmen) niet
-meer dan 20 cM.; de wijfjes worden iets grooter dan de mannetjes. De
-middelmatig groote Pijlinktvisschen zijn wegens hun fijneren smaak
-en malscher vleesch meer gezocht dan de Sepia's en de meeste andere
-op de markt komende Cephalopoden.
-
-Ook den Gewonen Pijlinktvisch zal men geregeld in het aquarium te
-Napels aantreffen, ofschoon hij het hier niet lang uithoudt. Als
-bewoner van de open zee gedraagt hij zich geheel anders dan zijne
-reeds genoemde in een hinderlaag loerende verwanten. Op sierlijke
-wijze roeit hij zich voort met de op vleugels gelijkende vinnen: bij
-het achteruitzwemmen helpt hem de schok van het door den trechter
-uitgeperste water. Hij vermijdt zorgvuldig elke aanraking met de
-wanden van den bak; de geheele school verandert bijna in 't zelfde
-oogenblik van richting.--
-
-Bij verscheidene door vorm en levenswijze op de Pijlinktvisschen
-gelijkende geslachten, die men Hakenkalmars kan noemen, zijn de armen,
-behalve met zuignappen, ook nog met hoornachtige haken gewapend. Deze
-komen bij het soortenrijke geslacht Onychoteuthis alleen aan de
-grijparmen voor.
-
-
-
-Aan de rugplaat van de Zeekat (fig. c) kan men (boven *), behalve
-de eigenlijke plaat ook nog een veel kleiner en harder, zeer licht
-afbrekend deel (de snavel of stekel) onderscheiden, dat aan vele op het
-strand liggende schelpen van deze Sepia niet meer voorkomt. Het voorste
-deel van den stekel is aan de binnenzijde uitgehold en bevat het nietig
-kleine beginsel van een zeer flauw gekromde, gekamerde schelp. Dit deel
-nu is duidelijk ontwikkeld bij de zoogenaamde Posthoorntjes (Spirula),
-waarvan 3 soorten bekend zijn, die de zeeën van den keerkringsgordel
-bewonen (in grooten getale worden hunne schelpjes o.a. op de kust van
-Nieuw-Zeeland gevonden). Spirula fragilis bewoont den Atlantischen
-Oceaan en de Moluksche Zee. Uit den aan 't achtereind gespleten
-mantel van het langwerpig rolronde dier komt de hierboven afgebeelde,
-spiraalsgewijs gewonden schelp (die geheel uit parelmoer bestaat)
-gedeeltelijk te voorschijn. De omgangen liggen in één vlak, raken
-elkander niet en zijn cirkelrond op de doorsnede. De schelp is door van
-achteren bolle tusschenschotten in een groot aantal kamertjes verdeeld,
-die naar voren allengs wijder worden. In de voorste of laatst gevormde
-kamer is een deel van den ingewandenzak opgenomen: de overige kamers
-zijn met lucht gevuld. Aan de holle zijde van de omgangen zijn alle
-dwarsschotten van een opening voorzien, waarin een tamelijk wijde buis
-(sipho) voorkomt, die zich door alle kamers uitstrekt.
-
-Alle drie deelen van de inwendige schelp (plaat, stekel en gekamerde
-schelp) waren goed ontwikkeld bij de Belemnieten, die van de aanvang
-der lias-formatie tot in het begin van het tertiaire tijdvak
-leefden. Vooral in de oudste krijtlagen treft men hunne stekels
-(bekend onder den naam van "dondersteenen" of "duivelsvingers") in
-overgroot aantal aan. Sommige hebben 0.6 à 0.8 M. lengte, waaruit
-valt af te leiden, dat hunne bezitters in 't geheel 2 à 2.5 cM. lang
-waren. Men kent ongeveer 350 soorten van deze fossielen.
-
-
-
-De voortplanting van de Tweekieuwige Koppootigen kunnen wij nu in
-'t algemeen bespreken. Eerst in deze eeuw heeft men ontdekt, dat het
-voornaamste onderscheid tusschen het mannetje en het wijfje bestaat
-in den afwijkenden bouw van een der armen. Dit verschil is van meer
-belang, dan sommige andere sexueele eigenaardigheden, b.v. de witte
-streep op de vinnen, waaraan het mannetje van Sepia kenbaar is, de
-grootere lengte van het lichaam bij het wijfje der Loliginen, enz. Bij
-Argonauta is de 3e arm links, bij Octopus de 3e arm rechts, bij Sepia
-en Loligo de 4e arm links, zooals men het noemt, "gehectocotyliseerd";
-de gewijzigde arm doet bij de paring dienst.
-
-De eieren zijn gewoonlijk ieder afzonderlijk, of verscheidene
-tegelijk, omhuld door een kapsel of schaal; door de stof, waaruit deze
-hulsels bestaan, zijn zij tevens onderling verbonden tot trossen,
-snoeren, bundels, enz. De Sepia bevestigt hare zwarte eikapsels,
-ieder afzonderlijk, of bij groepen, aan polypenstokken, algen,
-zeegras, stukken hout of in 't water drijvende takken. Terwijl het
-eierenleggende dier deze voorwerpen met de armen omvat, wordt het
-uiteinde van den kapselsteel in nog weeken toestand er omheen gelegd,
-zoodat het een ring vormt. De eikapsels van Loligo zijn lange buizen,
-die ieder 30 à 40, op 3 of 4 rijen geplaatste eieren bevatten; zij
-worden in grooten getale aan een onderzeesch voorwerp vastgehecht,
-zoodat zij er in alle richtingen van uitstralen; een enkele eierenhoop
-bevat soms 40000 eieren.
-
-
-
-
-
-TWEEDE ORDE.
-
-DE VIERKIEUWIGEN (Tetrabranchiata).
-
-Van den vroegeren bloei dezer orde getuigen, in alle uit zee
-bezonken aardlagen, te beginnen bij de onderste Silurische talrijke
-fossielen. Deze vormen 6500 soorten, waarvan 2500 behooren tot de
-(reeds in den Cambrischen tijd vertegenwoordigde) onderorde der
-Nautiloïden en 4000 tot de jongere, doch sedert den aanvang der
-krijtperiode geheel uitgestorven onderorde der Ammonoïden, zoo
-genoemd naar het soortenrijk geslacht der Ammonshoorns (Ammonites),
-dat tegenwoordig in een groot aantal geslachten is gesplitst. Als
-laatst overgebleven leden van dezen stam, verdienen de 6 soorten van
-het geslacht Nautilus in hooge mate onze belangstelling. Hunne weeke
-deelen krijgt een deskundige slechts zelden in handen; veelvuldig
-ontmoet men echter in de verzamelingen hun fraaie, spiraalswijs
-gewonden schelp, die een middellijn van ongeveer 25 cM. kan bereiken
-en gewoonlijk afkomstig is van Nautilus pompilius uit den Indischen
-Oceaan. Bij deze is de schelp van buiten porseleinachtig wit en met
-roode dwarsstrepen geteekend; hare oudste windingen zijn door de
-jongste volkomen bedekt. De voorste, van binnen parelmoerglanzige
-ruimte is van achteren gesloten door een concaaf dwarsschot. Het dier
-bewoont uitsluitend de korte, maar wijde, laatste afdeeling van de
-schelp: zijn lichaam strekt zich niet, evenals dat van de Slakken, door
-alle omgangen uit. Aan het bedoelde dwarsschot, dat in het midden een
-opening heeft, gaan, zooals uit de achterstaande afbeelding blijkt,
-een groot aantal dergelijke dwarsschotten vooraf, die de geheele
-inwendige ruimte in kamers verdeelen en, door welker openingen zich
-een deels vliezige, deels verkalkte buis of sipho uitstrekt.
-
-In hoofdtrekken komt de bouw van Nautilus met dien der overige
-Cephalopoden overeen: ook bij hem bestaat het lichaam uit een kop
-met aanhangsels, die den mond omgeven en een door den mantel omhulden
-ingewandenzak, die aan de buikzijde voorzien is van een trechter. De
-aanhangsels van den kop dragen echter geen zuignappen; zij heeten
-voelers of tentakels en kunnen teruggetrokken worden in scheeden,
-die gezamenlijk om de mondopening twee concentrische kringen vormen,
-welke aan de buikzijde bij den trechter een gaping vertoonen. De
-scheeden van de beide bovenste voelers zijn uitgegroeid tot een
-breede kopkap, die als een deksel de opening van de schelp sluit,
-zoodra het dier zich teruggetrokken heeft. De trechter is aan de
-buikzijde overlangs gespleten en kan dus alleen door het tegen elkander
-aanvoegen van de randgedeelten zijner beide lobben gesloten worden,
-waaruit voortvloeit, dat hij een veel minder krachtige beweging zal
-veroorzaken dan die der Tweekieuwigen. Onder in de mantelholte zijn
-aan iedere zijde twee kieuwen gelegen. Het achterste deel van het
-dier is langwerpig en afgerond, zooals reeds blijkt uit den vorm van
-de kamer, die het bewoont. Daar de trechter aan de convexe zijde van
-de schelp gelegen is, moet men zich in de afbeelding den buik bij *,
-den rug bij ** voorstellen.
-
-Voor het terugtrekken van het lichaam in de schelp dienen twee
-krachtige spieren, die onder de oogen aan den kop zijn gehecht;
-de plaatsen waar zij ontspringen, zijn aan de binnenste oppervlakte
-van de schelp door flauwe indruksels aangeduid. Terzelfder hoogte is
-een eenigszins verdikte ring van den mantel met de schelp vergroeid;
-hierdoor wordt de ruimte tusschen romp en schelp in twee afdeelingen
-gescheiden en de achterste volkomen afgesloten van de daarvoor
-gelegene. Gene zal naarmate het dier groeit, zich vullen met lucht,
-welke wordt uitgescheiden door het achter den ring gelegen deel van den
-mantel, terwijl het voorste deel van den mantel voortdurend parelmoer
-vormt en de spiraalwinding vergroot door toevoeging van een nieuwe
-strook (groeiring) aan den vrijen rand van de opening. Het dier wordt
-gedurende het tijdperk van groei door de lucht, die zich achter zijn
-romp ophoopt, al verder en verder naar buiten geperst; het trekt zich
-uit het nauwste deel van de kamer niet geheel terug, maar blijft met
-het laatst gevormde dwarsschot verbonden door een dunne, buisvormige
-voortzetting (sipho) van de achtervlakte van den mantel.
-
-Op ieder tijdperk van groei volgt een periode van rust, waarin door de
-achtervlakte van den mantel geen lucht, maar een parelmoerlaag wordt
-uitgescheiden, die een nieuwe met lucht gevulde kamer begrenst. Daar
-ook het laatst gevormde deel van de sipho in dezen tijd parelmoer
-vormt, zal de opening in het dwarsschot voorzien zijn van een
-kokervormig, achterwaarts gericht verlengstuk. Ieder dwarsschot
-duidt dus een nieuwen ontwikkelingskring aan; indien men er den
-duur van kende, zou men uit het aantal schotten den ouderdom van den
-Nautilus kunnen afleiden.--Hoewel de lichaamsbouw van dit dier, door
-de onderzoekingen van Owen, Vrolik, Valenciennes, Van der Hoeven en
-Keferstein, vrij nauwkeurig bekend is, bepaalt onze kennis van zijn
-levenswijze zich nagenoeg tot hetgeen Georg Eberhard Rumph (als arts
-in dienst van de Oost-Indische Compagnie in 1702 te Amboina overleden)
-er in den "Amboineeschen Rariteitenkamer" van mededeelt: "Als deze
-Slak op het water drijft, verheft zij den kop met alle baarden"
-(voelers) "er boven en spreidt deze over het water uit, terwijl ook
-de achterste winding steeds boven de oppervlakte gelegen is. Als
-zij echter op den grond ligt, is zij omgekeerd, houdt de schelp
-omhoog en kruipt met den kop en de voelers tamelijk snel over den
-bodem voort. Zij vertoeft meestal op den zeebodem en wordt soms in
-de vischkorven gevangen. Wanneer na een storm de zee weder tot rust
-komt, ziet men deze dieren bij troepen op het water drijven; hieruit
-blijkt, dat zij ook bij troepen op den grond leven. Men vindt ze in
-alle zeeën der Moluksche eilanden; ook in den omtrek van de Duizend
-eilanden vóór Batavia en bij Java, ofschoon men meestal slechts de
-ledige schelp aantreft, want het dier zelf wordt zelden gevonden,
-alleen wanneer het in de vischkorven gekropen is. Het wordt, gelijk
-andere zeedieren, als spijs gebruikt; maar zijn vleesch is veel harder
-en moeielijker te verteren."
-
-
-
-
-
-
-
-TWEEDE KLASSE.
-
-DE BUIKPOOTIGEN (Gastropoda).
-
-
-Iedereen kent vertegenwoordigers van deze klasse onder den naam
-van Slakken, dieren met meer buik dan kop, die met moeite op hun
-platte zool voortkruipen, het asymmetrische, spiraalswijs gewonden
-huis, dat den ingewandenzak bevat, op den rug dragen en van oudsher
-beschouwd worden als zinnebeelden van langzaamheid en trage, vervelende
-bedachtzaamheid.
-
-Wegens het bezit van een meer of minder duidelijk begrensden kop heeft
-men de Slakken ook wel Kopdragers (Cephalophora) genoemd. Zij stemmen
-in dit opzicht, zooals reeds gebleken is, overeen met de Cephalopoden,
-die zich van haar door het bezit van armen om de mondopening
-onderscheiden. Dat het bezit van een kop een belangrijk kenmerk van de
-Slakken is, blijkt reeds bij oppervlakkige vergelijking van deze dieren
-met de Mossels, waaraan men tevergeefs naar een kop zou zoeken; deze
-staan hierdoor op veel lageren trap van organisatie en toonen dit door
-haar leven. Hoogst eigenaardig is ook de "slakkengang." Deze beweging
-komt tot stand door de werking van de zoolvormige, gespierde schijf,
-van den voet, die vooral bij de Naakte Slakken, waar zij zich over de
-geheele buikzijde van 't lichaam uitstrekt, bijzonder duidelijk in 't
-oog valt. Aan dit orgaan danken de Slakken den naam van Buikpootigen
-(Gastropoda). Wanneer men een Slak op een stuk vensterglas laat
-kruipen en dit omkeert, ziet men, terwijl het dier zijn gelijkmatige
-beweging voortzet, in 't midden van de zool rimpels en groeven, die
-zich "als de golven der zee," gelijk Swammerdam zegt, van den kop
-naar den staart voortplanten. Een Landslak zal tevens het door haar
-gevolgde pad bedekken met een als zilver glinsterende laag van slijm;
-het dier scheidt deze stof uit om minder hinder te hebben van de
-oneffenheden. De Waterslakken bewegen zich geheel op dezelfde wijze,
-kruipen over den zeebodem, beklimmen steile rotsmassa's of dwalen in
-hare schuilplaatsen tusschen zeeplanten en koralen rond. Bovendien kan
-men aan al onze Land- en Waterslakken opmerken, welke eigenaardigheden
-de mantel, die bij alle Weekdieren zulk eene belangrijke rol speelt,
-in deze klasse vertoont. Bij de Huisjesslakken vormt hij van voren
-een dikke plooi, die als een kraag over den kop kan worden getrokken,
-en van achteren een soort van breukzak, die een groot deel van de
-ingewanden bevat; bij de meeste Naakte Slakken onderscheidt hij zich
-niet duidelijk van de overige lichaams-bekleedselen; hoe echter zijn
-vorm moge zijn, nooit is hij aan de buikzijde gesloten.
-
-De Slakken zijn voor 't meerendeel waterdieren; de meeste bewonen
-de zee. Zeeslakken ontmoet men in ieder gebied, te beginnen bij het
-uiterste deel van de kust, dat nog geregeld door de golven bespoeld
-wordt, tot in de open zee op alle diepten. Geen enkele Zeeslak heeft
-zich boven de ademhaling door kieuwen verheven; alle Longslakken
-leven in het zoetwater of op het land.
-
-Voor het begrijpen van de beschrijving van een Slak is eenige
-bekendheid met den bouw en de samenstelling van haar schelp
-noodzakelijk. Het voornaamste bestanddeel van alle Weekdierschelpen
-is koolzure kalk; de hoeveelheid dezer stof wisselt in de schelpen
-van de hedendaagsche Slakken van 95 tot 98 percent af; het gehalte
-aan organische stof (conchioline) bedraagt ongeveer 1.5 percent.
-
-Om den vorm van een slakkenhuis in 't algemeen te leeren kennen, zou
-men als type de voorkeur kunnen geven aan de schelp van de grootste
-Europeesche Landslak, van de Wijngaardslak (Helix pomatia). Daar
-echter deze soort hier te lande zeldzaam is (men vindt haar hier en
-daar in de duinen, ook in Gaasterland en Limburg) en waarschijnlijk
-van elders werd ingevoerd, zullen wij liever de zeer algemeene,
-doch aanmerkelijk kleinere Tuinslak (Helix nemoralis) als voorbeeld
-nemen. De meeste verschijnselen, die wij nu te bespreken hebben,
-komen trouwens bij beide soorten voor. Wanneer men een slakkenhuis
-met de spits (of top) naar zich toe en met het grondvlak (de basis)
-op de tafel plaatst, heeft het denzelfden stand, als wanneer het nog
-bewoond wordt door het (in dit geval van ons af kruipende) dier, zoodat
-men zich gemakkelijk rekenschap kan geven van de uitdrukkingen vóór (of
-onder), achter (of boven), links en rechts: de buitenrand van den mond
-(of opening) der schelp is nu rechts gelegen. Wanneer men het huisje
-met de spits omhoog en de opening naar zich toe in de hand houdt,
-ziet men de omgangen van rechts naar links afdalen. Onze schelpen zijn
-dus rechts gewonden, evenals die van de meeste Slakken. Slechts enkele
-geslachten--b.v. de Blaashorenslakken (Physa) en de Spoelhoornslakken
-(Clausilia)--zijn geregeld links gewonden. Bij uitzondering vindt
-men ook bij allerlei andere geslachten en soorten exemplaren, die
-door een links gewonden huisje van den regel afwijken, b.v. bij
-Wijngaardslakken.--Aan den rand van den naar ons toegekeerden mond
-der schelp onderscheidt men twee gedeelten: rechterrand, buitenrand
-of buitenlip en linkerrand, binnenrand of binnenlip (welker onderste
-deel spilrand heet). Bij de schelpen, die wij als voorbeelden kozen,
-zijn beide lippen gescheiden, althans van boven, waar het uiteinde
-van de naad (de uitwendig zichtbare verbindingslijn der omgangen)
-de grens vormt. (Zelden, o.a. bij Cyclostoma en Scalaria vormen
-beide randen een onverdeelde, meestal cirkelvormige of ovale
-lijn.) De echte binnenlip is steeds, zooals in ons geval, kenbaar
-aan een (soms zeer dun) kalklaagje van afwijkende geaardheid, dat,
-zich over het midden van het grondvlak der schelp uitbreidend,
-het zoogenaamde eelt vormt. Op de hierdoor bedekte plek zou anders,
-zooals bij sommige huisjes van de Wijngaardslak werkelijk geschiedt,
-een opening (of althans een nauwe spleet) overblijven. De navel
-(of navelspleet) gaat hier echter niet verder dan de laatste omgang
-(valsche navel). Wanneer echter de spiraalswijze kronkelingen van de
-kegelvormige buis, waaruit men zich het slakkenhuis gevormd kan denken,
-nergens geheel tot aan de as van de spiraal reiken, maar hier een
-ruimte overlaten, zal de schelp een kanaal hebben, dat zich van het
-grondvlak tot bij de spits uitstrekt (echte navel). Aan een stevige
-strandschelp, b.v. de Gewone Wulk (Buccinum undatum), die volgens de
-as is doorgezaagd of afgeslepen, merkt men een massieve spil op; bij
-genavelde schelpen, b.v. de Verrekijkerslak (Solarium perspectivum),
-zal men een doorboorde spil vinden.--De buitenlip heet recht, wanneer
-zij, zooals bij de Tuinslak, een voortzetting vormt van den laatsten
-omgang, omgeslagen, wanneer zij, zooals bij de Tuinslak, naar buiten,
-ingerold, wanneer zij naar binnen omgebogen is.--Van enkele regelmatig
-gewonden schelpen zijn de omgangen in 't geheel niet met elkander in
-aanraking; een voorbeeld hiervan is de Echte Wenteltrap (Scalaria
-pretiosa), die door de schelpenverzamelaars op zeer hoogen prijs
-wordt gesteld.--Alle omgangen, met uitzondering van den laatsten,
-vormen gezamenlijk de winding. De kern, het alleroudste deel van
-de schelp, vertoont soms een afwijkenden vorm.--De Wijngaardslak,
-de Tuinslak en de meeste van hare talrijke verwanten sluiten den mond
-van het huisje alleen gedurende den winterslaap met een deksel, dat in
-'t voorjaar wordt afgeworpen; bij de Wijngaardslak is het verkalkt;
-bij de Tuinslak en andere Landslakken vliezig. Een blijvend deksel kan
-ieder, die niet aan zee woont, te zien krijgen bij de Moerashoornslak
-(Paludina). Deze draagt op de rugzijde van den voet een hoornachtige
-plaat; bij vele andere Slakken is het deksel verkalkt en vertoont,
-evenals het huisje, omgangen als gevolg van de voortdurende
-vergrooting. Overal waar de omgeving beurtelings uit lucht en uit
-water bestaat, is het deksel het eenvoudigste middel voor de Slak om
-zich volkomen terug te trekken in de voor vloeistoffen ondoordringbare
-schelp en deze waterdicht te sluiten. Het dier kan door het vocht,
-dat zich nog in zijn woning bevindt, in 't leven blijven en zonder
-eenige levenswerkzaamheid een gunstiger tijd afwachten. Daarom zijn
-o.a. alle Strandslakken van een deksel voorzien.
-
-
-
-
-
-EERSTE ORDE.
-
-DE VINPOOTIGEN (Pteropoda).
-
-De Vinpootigen (Pteropoda) staan op een aanmerkelijk lageren trap
-van organisatie dan de overige Slakken; hun lichaamsbouw biedt
-verscheidene eigenaardigheden aan, die in een algemeen overzicht van
-de klasse niet konden worden opgenomen, zonder dit onduidelijk te
-maken en aanleiding te geven tot een verkeerde voorstelling. Bovendien
-vertoonen de Vinpootigen eenige verwantschap met de overigens zooveel
-hooger bewerktuigde Cephalopoden. Bepaaldelijk geldt dit van die,
-welker achterlichaam door een mantel omhuld is; ook kan als zoodanig
-gelden het maaksel van den trechter bij Nautilus, welks beide lobben
-met de vinnen der Pteropoden vergeleken kunnen worden.
-
-De kop, die bij de echte Slakken zich kenmerkt door het bezit van mond
-en lippen, van voelers en oogen, die vóór het overige lichaam uitsteekt
-en er dikwijls zeer duidelijk door een hals van gescheiden is, valt
-bij de Vinpootigen veel minder in 't oog. De plaats waar men hem moet
-zoeken, is alleen aangeduid door de mondopening. In zijn omgeving staan
-1 à 3 paren voelers, die echter bij vele soorten zeer klein zijn en
-ook wel geheel kunnen ontbreken. Bij nauwkeurige vergelijking van de
-inwendige organen der Vinpootigen met die der overige Slakken, merkt
-men overal punten van overeenkomst op. Werkelijk karakteristiek zijn
-alleen de organen, waaraan de naam der orde ontleend is, de vleugel-
-of vinvormige, zijwaarts gerichte aanhangsels, van het voorste of
-kopgedeelte van 't lichaam, of van de streek, die den hals der Echte
-Slakken vertegenwoordigt. Deze dunne, vliezige platen, die men met
-de zijstukken van den voet der Slakken vergelijken kan, zijn voorzien
-van spiervezels, die elkander kruisen; zij worden op gelijke wijze en
-dikwijls ook even snel als vlinder-vleugels op en neer bewogen. De
-Pteropoden zijn daarom bij de visschers van de Middellandsche Zee
-onder den zeer eigenaardigen naam van "Zeevlinders" (Farfalle di mare)
-bekend. Alleen door voortdurend op deze wijze te roeien kunnen zij
-vooruitkomen of op dezelfde plaats blijven. De rustelooze beweging
-der vinnen geschiedt zonder merkbare inspanning en leidt uitmuntend
-tot het beoogde doel; al naar den stand der roeiorganen zwemt het
-dier rechtuit, naar boven of naar beneden; intusschen behoudt het
-lichaam steeds een rechten of weinig hellenden stand.
-
-De Vinpootigen zijn over alle zeeën, van de pool tot den equator,
-verbreid. Hun teere lichaamsbouw en hunne vinnen stempelen hen tot
-bewoners van de open zee. Dat men hen soms ook in de nabijheid van
-de kust aantreft, b.v. bij Nizza en Messina, hangt grootendeels van
-de zeestroomingen af. Hoewel zij in de Middellandsche Zee dikwijls op
-'t midden van den dag aan de oppervlakte van de zee gevangen worden,
-zijn toch de meeste soorten nacht- en schemeringdieren; vooral op meer
-zuidelijke breedten staat hun komst aan de oppervlakte in verband
-met het verdwijnen van het directe zonlicht. Zoodra tusschen de
-tropen de schemering begint, verschijnen allerlei kleine Heteropoden
-en Pteropoden. De groote soorten vangt men echter niet, voordat het
-volslagen nacht geworden is. Kort daarna verdwijnen alle in dezelfde
-volgorde, als zij gekomen zijn, zoodat men omstreeks middernacht nog
-slechts weinige individuën in de bovenste waterlaag waarneemt. Soms
-blijft een enkele tot aan den morgen; na zonsopgang echter zoekt
-men zoowel aan den waterspiegel als in de diepte, zoover het gezicht
-reikt, te vergeefs naar een Vinpootige. Iedere soort houdt zich bij
-'t komen en het gaan aan vaste uren of liever aan bepaalde graden
-van duisternis.
-
-De Pteropoden zijn vleescheters; behalve op allerlei Weekdieren,
-maken zij jacht op de kleine Schaaldieren, die in ontzaglijke menigte
-de bovenste waterlaag bevolken.
-
-
-
-De Schelpdragende Vinpootigen (Thecosomata) hebben een weinig
-ontwikkelden, dikwijls niet herkenbaren kop en slechts sporen van
-voelers; de vinnen blijven steeds in samenhang met de "middellob",
-een onparig orgaan, dat den voet der overige Slakken vervangt. Tot
-deze onderorde behoort de familie der Hyaleaceën, welker vinnen tot aan
-den oorsprong van elkander gescheiden en alleen met het onderste deel
-van haar buitenrand met de middellob min of meer versmolten zijn. In
-de dunne, hoornachtige of verkalkte schelp, die het lichaam omgeeft,
-kunnen de vinnen geheel teruggetrokken worden.
-
-Bij Hyalaea is de schelp nagenoeg bolvormig, doch van achteren
-van spitse uitsteeksels voorzien; van voren heeft zij een nauwe
-opening, van achteren twee spleten, die het ademhalingswater naar
-en van de kieuwen voeren; door iedere spleet steken twee tamelijk
-groote aanhangsels van den mantel uit, die deels naar de rugzijde,
-deels naar de buikzijde omgeslagen zijn en, zoolang het dier leeft,
-de schelp bedekken. Bij dit geslacht zijn geen andere zintuigen
-gevonden dan gehoorblaasjes.
-
-Cleodora en Creseis hebben een wijde opening aan de langwerpige schelp,
-die bij gene kantig, bij deze rond en kegelvormig is. De korte voelers
-in den nek dragen oogstipjes.
-
-De familie der Cymbuliaceën kenmerkt zich door de aanzienlijke grootte
-van de breed aangehechte vinnen en door het bezit van een platte
-"schelp", die uit een doorzichtige stof bestaat en in normalen
-toestand door een lob van den mantel volkomen bedekt is; dit deel
-van den mantel scheurt echter zeer licht en is slechts zelden bij de
-gevangen exemplaren onbeschadigd gebleven. De weeke, kraakbeenachtige
-schelp bestaat uit een organische stof.
-
-Van de familie der Limacinaceën, die zich door de spiraalswijs gewonden
-schelp onderscheidt, zijn een vijftiental soorten uit allerlei zeeën
-bekend. Een daarvan is Limacina arctica van de Groenlandsche kust, een
-slakje van 4 mM. middellijn, dat het voornaamste voedsel uitmaakt van
-den Vinvisch (Balaenoptera boops) en van den Groenlandschen Walvisch,
-(Balaena mysticetus).
-
-
-
-De Naakte Vinpootigen (Gymnosomata) missen de schelp en hebben aan den
-duidelijk begrensden kop 1 of 2 paar tentakels, die bij Pneumodermon
-zuignappen dragen en hierdoor aan de armen der Tweekieuwige
-Cephalopoden herinneren. Tusschen de plaatsen van aanhechting der
-beide vinnen aan den hals, doch niet er mede verbonden, bevindt
-zich de onparige afdeeling van den voet. Deze is bij de Clioniden
-hoefijzervormig en soms met een aanhangsel uitgerust. De leden van het
-geslacht Clio kunnen, als zij zich naar de diepte willen begeven, de
-vinnen plooien en ze, met den geheelen kop en hals, in het achterlijf
-terugtrekken. De 2.5 à 3.5 cM. lange Noordsche Clio, het Walvischaas
-(Clio borealis) die vooral in de Groenlandsche Zee zeer veelvuldig
-voorkomt, maakt het gewone voedsel uit van vele Roofvisschen, van de
-Drieteenige Meeuw en ook van de zooeven genoemde Cetaceën.
-
-
-
-
-
-TWEEDE ORDE.
-
-DE ACHTERKIEUWIGEN (Opisthobranchia).
-
-Wij noodigen den lezer uit zich in gedachten te verplaatsen naar de
-kustwateren van Zuid-Europa, waar draadvormige, struikachtige en aan
-bladen herinnerende algen, gemengd met grove wieren, bonte weiden
-vormend, den zeebodem bekleeden met een bekoorlijk plantentapijt. Een
-prachtig schouwspel levert het kristalheldere water op, wanneer men,
-in een langzaam voortdrijvende boot gezeten, in de diepte staart. Het
-wemelt hier van Weekdieren. Boven onze Aardslakken, waaraan de meeste
-door hun naakt lichaam herinneren, munten zij gewoonlijk uit door
-de meerdere sierlijkheid van hun lichaamsbouw, door veelvormige,
-als kieuwen dienende aanhangselen en door bontere kleuren. Vele van
-de fraaie wezens, die over de waterplanten zich langzaam voortbewegen
-behooren tot de orde der Achterkieuwigen (Opisthobranchia). Haar naam
-ontleenen deze Zeeslakken, waarvan sommige door de huid, de meeste
-echter door kieuwen ademen, aan de plaats, die deze ademhalingsorganen
-innemen ten opzichte van het hart. Het bloed, dat uit de kieuwen komt,
-begeeft zich door een naar voren gerichte buis naar de voorkamer van
-het hart en wordt van hier naar de nog verder naar voren liggende
-kamer gevoerd. Bijna zonder uitzondering zijn zij langwerpig van vorm
-en naakt. Slechts enkele familiën onderscheiden zich door het bezit
-van een schildvormige of gewonden schelp, die echter steeds minder
-volkomen ontwikkeld is dan bij de Voorkieuwigen. Bij verreweg de meeste
-strekt zich vóór den mond een huidplooi uit, de "voorhoofdschijf",
-die een overblijfsel is van het "kopscherm", het bewegingsorgaan der
-larven, en in twee "lipvoelers" eindigt; iets verder achterwaarts
-bevinden zich bij sommige geslachten op het voorste deel van den rug
-een paar zoogenaamde "reukvoelers". In tegenstelling met nagenoeg
-alle Voorkieuwigen zijn de Achterkieuwigen steeds tweeslachtig.
-
-Deze orde omvat ongeveer 1000 bekende soorten, die door lichaamsbouw,
-vorm en levenswijze zeer uiteenloopen. De hoogst ontwikkelde--de
-Bedektkieuwigen (Tectibranchiata)--bezitten een mantel, die
-de kieuwen meer of minder volkomen bedekt, en meestal ook een
-uitwendige of inwendige schelp. Bij andere daarentegen zijn deze
-typische eigenaardigheden van de Weekdieren min of meer verloren
-gegaan; de kieuwen zijn onbedekt of zelfs niet aanwezig bij vele
-vormen, die hierdoor een duidelijke toenadering tot de Platwormen
-vertoonen. Deze laagst ontwikkelde Achterkieuwigen worden onder den
-naam van Naaktkieuwigen (Nudibranchiata) in een onderorde samengevat.
-
-
-
-Tot de Bedektkieuwigen behoort o.a. de familie der Bullaceën. Deze
-hebben op den rug aan de rechterzijde een vedervormige, door den
-mantel bedekte kieuw. Bijna zonder uitzondering bezitten zij een
-uitwendige schelp, die dikwijls zoo groot is, dat het geheele dier
-zich er in verbergen kan.
-
-De Gewone Kogelslak (Acera bullata), die de Oostzee, de Noordzee en
-de Middellandsche Zee bewoont, heeft een langwerpig, bijna rolvormig
-lichaam; de kop is van boven naar onderen afgeplat en loopt van voren
-stomp uit; de voelers zijn met de voorhoofdschijf vereenigd. De voet
-heeft groote, afgeronde zijlobben, die het grootste deel van de schelp
-kunnen bedekken. Het draadvormig aanhangsel van den achterrand van den
-mantel, dat van achteren uit den schelpmond naar buiten treedt, kan
-uitgestrekt en teruggetrokken worden. De schelp is dun, hoornachtig,
-veerkrachtig en eivormig. Groote exemplaren van deze soort strekken
-zich bij 't kruipen tot 40 mM. lengte uit. Hun krachtig ontwikkelde
-voet is bovendien voor het zwemmen geschikt. Bij het rustende of
-kruipende dier zijn de vrije zijlobben van den voet naar boven
-omgeslagen, zoodat zij niet slechts de zijden van het lichaam, maar
-ook den middelrug en een deel van de schelp, bovendien met den rand
-elkander, bedekken. Als men deze Slak plaagt of uit het water neemt,
-verkort zij het lichaam zoo sterk, dat het, op een driehoekig stukje
-van de schelp na, geheel door den voet omhuld wordt. Het geheele dier
-is dan een weeke, slijmerige kogel; hieraan dankt het zijn naam.
-
-In de bocht van Kiel komt deze soort op slijkerige, met zeegras
-begroeide gronden veelvuldig voor; de grootste exemplaren vindt men
-er in den winter en in de lente; zij voeden zich met bruine, rottende
-plantendeelen; in het aquarium eten zij bovendien ook vleesch. Hier
-beginnen zij reeds in Januari eieren te leggen; in de bocht van Kiel
-vonden Meijer en Möbius in Mei en Juni deze eieren in zoo groote
-hoeveelheid op het zeegras, dat zij ze bij handenvol uit het sleepnet
-konden opscheppen.
-
-Zelden ziet men de Kogelslakken zwemmen; bij deze zeer eigenaardige
-bewegingswijze leveren zij een zeer fraai schouwspel op: het is,
-alsof zij gaan vliegen. De gele schelp wordt al vlugger en verder,
-beurtelings naar voren en achteren verschoven; het voorste deel van
-het lichaam wordt rhytmisch gebogen, de zijlobben van den voet bewegen
-zich afwisselend zijwaarts en rugwaarts, al verder en krachtiger,
-totdat eindelijk de neerwaartsche slagen het geheele lichaam van den
-bodem opheffen. Nu stijgt het dier, afwisselend voor- en achterover
-schommelend, al hooger en hooger in 't water op en neemt bij 't
-zweven in het heldere vocht allerlei elegante houdingen aan. Als deze
-bewegingen het krachtigst geschieden, doen de zijlobben van den voet
-2 à 3 krachtige slagen in de seconde en verwijderen zich zoo ver van
-'t lichaam, dat zij te zamen een van onderen holle vlakte vormen.
-
-Bij andere leden van dezelfde familie, o.a. bij de Opene Zeeamandel
-(Philine aperta), wordt de schelp geheel door den mantel omhuld, zijn
-de zijlobben van den voet zijwaarts gestrekt en verdikt en ontbreken
-de voelers aan den kop. Deze soort wordt in de Oostzee en voorts van
-de Noordsche kust tot in de Adriatische Zee gevonden; bij 't kruipen
-rekt zij zich tot een lengte van 20 mM. uit. De dunne, 9 mM. hooge,
-7 mM. breede, zeer wijdmondige, weinig gewonden schelp is melkwit,
-eenigszins doorschijnend en parelmoerglanzig.
-
-Veelvuldiger leeft in de Noordzee bij onze kust de Stompe
-Obliehorenslak (Utriculus obtusus), wiens vrij stevige,
-ondoorschijnende, 10 mM. lange, 5 mM. breede schelp bijna rolrond
-is, aan de spits geknot, met korte, ingedrukte uit 4 à 5 omgangen
-bestaande winding en een van boven nauwen, van onderen eivormigen mond.
-
-
-
-De Zeehazen (Aplysiaceae) hebben een inwendige, zeer weinig ontwikkelde
-(of in 't geheel geen) schelp. Het eerstgenoemde geval doet zich
-voor bij den Gewonen Zeehaas (Aplysia depilans), die in den tijd
-der Romeinsche keizers in verhalen betreffende toovenarij een groote
-rol speelde. De ouden hielden hem ten onrechte voor zeer vergiftig;
-zelfs door het zoeken van deze dieren stelde men zich aan de verdenking
-van gifmengerij bloot. Domitianus werd beschuldigd zijn broeder Titus
-met een uit Zeehazen bereiden gifdrank om 't leven te hebben gebracht.
-
-De naam is ontleend aan den vorm der voelers: twee platte, driehoekige
-worden in nagenoeg horizontale richting vooruitgestoken en dienen
-voor het zoeken van den weg en het betasten van 't voedsel; de beide
-andere staan overeind en gelijken sprekend op een paar hazenooren. De
-oogen zijn vóór de achterste voelers gelegen. Op het midden van den
-rug ligt de schildvormige mantel, die een flauw gewelfde, soms geheel
-hoornachtige, soms verkalkte schelp bevat. De mantelholte eindigt van
-achteren in een korte buis; hierdoor komt het water bij de kieuw,
-welker buitenste slippen gewoonlijk aan de rechterzijde buiten de
-mondholte uitsteken, maar, evenals het grootste deel van den rug,
-bedekt kunnen worden door twee vleugelvormige huidplooien, die het
-dier gewoonlijk naar boven gericht houdt en golvend beweegt. Ook zijn
-zij uitstekend geschikt voor 't zwemmen, een bewegingswijze, waarvan
-het dier slechts zelden gebruik maakt. Wanneer de Zeehaas ongestoord
-over steenen en wieren kruipt, is zijn lichaam dik en de huid
-gespannen. Zoodra men hem aanvat en in een glas met water overbrengt,
-werpt hij, behalve het vocht, dat zijn lichaam deed opzwellen, ook
-een donkerviolette vloeistof uit, die zich gelijkmatig door het water
-verdeelt en in zoo groote hoeveelheid uit de randen van den mantel
-ontwijkt, dat het dier geheel onzichtbaar wordt. Ziegler noemt deze
-vloeistof een sterke oplossing van anilinerood en analineviolet en
-zegt, dat zij op drieërlei wijze als verdedigingsmiddel dient: zij
-onttrekt het dier aan de oogen zijner vijanden door het water troebel
-te maken, bezit giftige eigenschappen en verbreidt een walgelijken
-reuk. De stank van Aplysia depilans, den 20 à 25 cM. langen Zeehaas
-der Zuid-Europeesche kusten, is echter volgens andere onderzoekers,
-niet zoo hevig, als veelvuldig beweerd wordt; ook werd door hen
-volstrekt geen brandig gevoel waargenomen aan de deelen van de huid,
-die met den Zeehaas in aanraking kwamen. Blijkbaar is het dier beter
-dan zijn reputatie; zeer zeker verdient het niet den naam depilans
-(de "ontharende"), daar de bewering der Italiaansche visschers, dat
-het hoofdhaar van den persoon, die de Zeehaas aanraakt, uitvalt,
-ongegrond is. Wel schijnt het waar te zijn, dat verwante soorten,
-die de tropische zeeën bewonen, door de prikkeling, die zij bij
-aanraking teweegbrengen, aan brandnetels herinneren.
-
-De Aplysiën herinneren niet slechts door hun uitwendige gedaante en
-hun voedsel, maar ook door de in vele afdeelingen gescheiden maag
-aan plantenetende Zoogdieren. Steeds vindt men den Zeehaas dan ook
-grazend, meestal op grove wieren. Aplysia depilans komt dikwijls zoo
-hoog op het strand, dat zij bij eb in kleine plasjes achterblijft,
-die haar ternauwernood kunnen bevochtigen; zij komt echter ook op
-diepten van verscheidene vademen voor.
-
-
-
-Bij de Zijdekieuwigen (Pleurobranchiaceae) ligt de kieuw niet
-verborgen onder den schildvormigen mantel, maar bijna vrij in de
-groeve tusschen den voet en den mantelrand, waaronder zij bij het
-saamgetrokken dier verborgen is; evenals bij de vorige familiën, is
-zij vedervormig en rechts gelegen. Bij sommige soorten ontbreekt de
-schelp, bij de overige is zij schildvormig en plat, nu eens uitwendig
-en verkalkt, dan weer inwendig en hoornachtig. Het laatstgenoemde geval
-doet zich voor bij Pleurobranchus. Deze heeft een platten, nagenoeg
-eivormigen voet, die bij sommige soorten breeder is en aan alle zijden
-uitsteekt voorbij het door een vleezig mantelschild bedekte lichaam,
-dat er als een eivormig gewelf op rust. Minder breed dan het lichaam
-is de voet bij Pleurobranchus aurantiacus en P. ocellatus, die de
-Middellandsche Zee bewonen. Onder den voorrand van het mantelschild
-ontspringen twee holle voelers, die uit een opgerolde, dunne plaat
-bestaan, waarop bij den oorsprong twee zeer kleine, zwarte stipjes (de
-oogen) voorkomen. Onder de voelers, doch nog boven den mond, ligt een
-driezijdige, naar voren zich verbreedende huidplooi (het mondscherm).
-
-De kruipende Slak vervormt haar lichaam in overeenstemming met alle
-oneffenheden van het voorwerp, waarover zij zich voortbeweegt;
-de weekheid van de weefsels maakt deze telkens herhaalde
-gedaanteveranderingen mogelijk. In dezen toestand zijn de voelers,
-het mondscherm en de kieuw steeds gestrekt. Het mondscherm is rijk
-aan zenuwen en dient als tastorgaan. De zoogenaamde rugvoelers ziet
-men nooit iets betasten en blijven steeds achterwaarts gericht. Zij
-worden, zooals reeds vroeger gezegd is, als reukorganen beschouwd. Daar
-zij den vorm hebben van een aan beide einden geopende buis, waardoor
-onophoudelijk een stroom water wordt geleid, ten gevolge van de werking
-der microscopische trilharen, die de binnenste oppervlakte bekleeden,
-beantwoorden deze voelers in hooge mate aan de voorstelling, die men
-door beschouwing van andere dieren van reukorganen verkrijgt.
-
-Pleurobranchus heeft de gewoonte bij aanraking en bij 't opheffen van
-den steen, waaronder hij verborgen is, tot een bol in te krimpen en
-zich te laten vallen. Den verzamelaar komt dit goed te pas, daar het
-hem onmogelijk zou zijn, deze teere Slak onbeschadigd van de steenen
-en uit hunne spleten op te nemen, indien zij, gelijk zoovele andere
-Weekdieren, zich trachtte te redden door de stevige vasthechting van
-den voet.
-
-
-
-Soortenrijker dan de vorige onderorde is die der Naaktkieuwigen
-(Nudibranchiata). Zij hebben gedurende het embryonale leven in den
-larvetoestand een fijne schelp, maar verliezen deze reeds vroegtijdig;
-het volkomen ontwikkelde dier is naakt, bezit geen spoor van een
-schelp. De meeste hebben op den rug kwast-, boom- of bladvormige
-kieuwen, die echter altijd onbedekt blijven.
-
-Bij de Doris-achtige Naaktkieuwigen (Dorididae) vormen de veder-
-of bladvormige kieuwen een fraaie ster of rozet om de aarsopening,
-die zich midden op het achterste deel van den rug bevindt. Vele
-soorten kunnen de kieuwen in een gemeenschappelijke holte terug
-trekken. Terugtrekbaar in afzonderlijke holten zijn ook de rugvoelers,
-althans bij de Sterslakken (Doris), een van de soortenrijkste
-geslachten van de geheele onderorde. Deze dieren hebben een langwerpig
-rond lichaam, aan de rugzijde bol en geheel bedekt door den mantel, die
-zich tot vóór den kop en voorbij den rand van den voet uitstrekt. Hun
-huid bevat kalkkorrels van eigenaardigen vorm.
-
-Een drietal soorten van dit geslacht werden in de Noordzee bij onze
-kust waargenomen, o.a. de 3 cM. lange, grauwwitte Wrattige Sterslak
-(Doris stellata), door Bomme in de vorige eeuw ontdekt en als "Egeltje
-met een ster op den snuit" beschreven. De hierachter afgebeelde soort
-kan een lengte van ruim 20 mM. bereiken en werd vooral in de lente
-en den herfst op een zandigen en steenachtigen bodem in de Bocht van
-Kiel aangetroffen op wieren en zeegras. Hier vindt men in September
-en October hare eieren, tot snoeren vereenigd door een helder slijm.
-
-
-
-Bij een aantal geslachten, die gezamenlijk de familie der Aeolididen
-vormen, zijn de kieuwen over den geheelen rug verdeeld, op reeksen
-geplaatst en van zeer verschillende gedaante: bij sommige geslachten
-vertakt, bij andere enkelvoudig.
-
-
-
-De Boompjesslakken (Dendronotus) hebben op den rug symmetrisch
-gerangschikte, boomvormig vertakte aanhangsels. Een van de fraaiste
-Naaktkieuwigen is de Gewone Boompjesslak (Dendronotus arborescens),
-die een lengte van bijna 35 mM. kan bereiken. Zij valt duidelijk in
-'t oog door haar vleeschroode grondkleur. Haar zeer slank en naar
-achteren allengs spitser wordend lichaam bekoort het oog het meest
-door de daarboven uitstekende, boomvormig vertakte kieuwen, die ten
-getale van 7 à 9 dicht bij den voorrand van den kop in een halven
-cirkel gerangschikt zijn en waarvan ook nog 5 of 6 paar langs den
-rug verspreid liggen. Ook de voelers hebben een vertakten stam,
-waarin zij teruggetrokken kunnen worden. Deze Slak kruipt liever
-op de dunne spitsen der algen dan op den bodem rond. Dikwijls zit
-zij aan de uiterste spits van een tak met vrij naar boven gericht
-voorlijf en wendt dit, als een Spanrups, nu eens naar deze, dan weer
-naar gene zijde om een vast voorwerp te zoeken, waarop zij verder
-kan kruipen. Wanneer zij bij den waterspiegel zwemt, wordt de voet
-afwisselend zooveel mogelijk verbreed en gootvormig opgevouwen, zoodat
-de zijranden dicht bij elkander liggen. De boomvormige kieuwen, die bij
-'t zwemmen naar buiten en naar onderen overhangen, hellen een weinig
-achterover, als het dier met gestrekt lichaam rechtuit kruipt, en
-wijken in alle richtingen uiteen, als het lichaam zich kromt. Algemeen
-wordt deze Slak wegens haar slanke gestalte, teere kleur, zachte,
-sierlijke beweging en niet het minst wegens de fijne, gemakkelijk in
-schommeling gerakende boompjes, die haar rug versieren, als een van
-de bekoorlijkste zeedieren beschouwd. Aan alle noordelijke kusten
-komt zij vrij algemeen voor; door Bomme werd zij "Hartshoorn-gelijk
-getakt Zeeslakje" genoemd. Bij Kiel vond men haar het veelvuldigst
-in den winter op de boomen, die ten behoeve van de mosselteelt in
-het binnenste deel van de Bocht zijn geplaatst. In een aquarium met
-rottende en versche planten kan men haar lang in 't leven houden.
-
-
-
-De kern van de geheele familie wordt gevormd door het geslacht der
-Draadslakken (Aeolis), die zich vooral kenmerken door het bezit
-van symmetrisch gerangschikte papillen op den rug. Deze uitwassen
-zijn, behalve als ademhalingsorganen, ook in andere opzichten van
-zeer groot belang. In iedere papil dringt n.l. een buis door, die
-van onderen met het boomvormig vertakte spijskanaal samenhangt en
-door zijn samenstelling zich doet kennen als een deel van de lever,
-welk orgaan hier dus op een zeer eigenaardige wijze uiteengespreid
-is. De leverbuis staat in gemeenschap met een zakje in het bovenste
-deel van de papil, welk zakje gevuld is met "netelcellen", nietig
-kleine blaasjes, waaruit een draad te voorschijn kan komen, die een
-prikkelende werking uitoefent op het wezen, dat er door getroffen
-wordt. Waarschijnlijk treden deze netelcellen door een opening aan
-'t einde van de papil in grooten getale naar buiten om als wapens
-te dienen, wanneer de Slak andere dieren aanvalt, of zich tegen hen
-moet verweren.
-
-De Gedoornde Draadslak (Aeolis papillosa), wordt in de Kielsche Bocht
-ruim 5, aan onze en de Engelsche kust echter wel 15 cM. lang. Meestal
-is zij bruinachtig grijs van kleur. Zij kruipt langzaam en zit
-dikwijls stil. Zeldzamer dan andere Draadslakken begeeft zij zich
-naar de oppervlakte om te zwemmen. Haar voedsel bestaat uit dierlijke
-stoffen, vooral uit Actiniën (Zee-anemonen). Kleine exemplaren van
-Actinia plumosa vat zij aan bij den rand van den voet en vreet hun een
-halvemaanvormig gat in 't lijf, dat zij aanhoudend vergroot. Eindelijk
-omgeeft zij met den sterk uitgezetten mond het geheele overschot
-van den buit en verzwelgt het langzamerhand zonder eenige uitwendig
-zichtbare slikbewegingen.
-
-
-
-Uitsluitend in het Middellandsche-Zee-gebied leeft de Sluierslak
-(Tethys fimbria) zoo genoemd wegens haar groot, niervormig "kopscherm";
-dit is ontstaan uit het bewegingswerktuig, dat bij de Weekdieren
-gedurende den larvetoestand algemeen voorkomt, meestal gedurende de
-volgende ontwikkelingsperioden groote wijzigingen ondergaat, minder
-sterk groeit dan de overige lichaamsdeelen en bij vele groepen zelfs
-spoorloos verdwijnt. De Sluierslak, die door de plaatsing harer kieuwen
-aan Dendronotes herinnert, kan 30 cM. lang worden. Van haar leven in de
-gevangenschap geeft Grabe, naar aanleiding van een door hem te Triëst
-waargenomen exemplaar, de volgende aanschouwelijke beschrijving: "Het
-volkomen gave dier bezat aan de zijden van den rug alle aanhangsels,
-die vroeger als parasieten werden beschouwd. Deze waren ongeveer
-peer- of peenvormig, sterk gezwollen, aan den oorsprong een weinig
-ingesnoerd, onmiddellijk voor de kieuwen langs de zijden van den
-rug bij paren gerangschikt, namen naar achteren in grootte af en
-werden als roeiorganen uitgespreid en bewogen. Het eveneens gezwollen
-lichaam, dat, gelijk de kieuwen, bijna kleurloos en doorzichtig was,
-stak vreemd af bij de aanhangsels met hun lichtrooden top en donker-,
-bijna zwartachtig roode middenvlek en bij de zwartachtige, door een
-onregelmatigen, witten rand omringde oogvlekken der bovenzijde. Op
-den rug liggend, wentelde het dier zich onophoudelijk en met een
-zekere gratie heen en weer, waarbij het zich zoo sterk kromde,
-dat het uiteinde van het lichaam de zijranden van het kopscherm
-aanraakte. Het groote kopscherm was bijna geheel naar boven en
-naar achteren omgeslagen; de zijranden der van onderen geheel holle
-voetschijf waren benedenwaarts en naar binnen gekromd en zoo dicht
-bijeengelegen, dat er hoogstens een smalle groeve tusschen overbleef,
-zoo zij elkander niet aanraakten. In deze houding geleek het dier op
-een hamer, waarvan het ineengekrompen kopscherm den kop en de steel
-den romp voorstelt. Toen het tot kalmte kwam, breidde het den voet uit
-en gaf aan dit orgaan den vorm van een diepen, ovalen schotel, welks
-rand aan de zijden hooger was dan van voren en van achteren. In het
-donker verbreidde het een sterk phosphoresceerend licht, niet slechts
-als ik het dier aanraakte, maar ook als ik eenvoudig de hand door het
-water bewoog. Ieder die de heftige bewegingen van deze Tethys heeft
-gezien, zal niet meer, gelijk gewoonlijk geschiedt, alle Weekdieren
-flegmatisch noemen."
-
-
-
-De Fluweelslakken (Elysia) bezitten geen als kieuwen dienende
-aanhangsels; de voet is smal; twee aan 't achtereinde ineenvloeiende
-huidplooien aan de zijden van het lichaam spelen bij de ademhaling een
-belangrijke rol. De onduidelijk begrensde kop draagt twee voelers,
-die overlangs opgerold zijn en dus een van boven en aan de zijde
-geopende buis vormen.
-
-Van de Middellandsche Zee tot bij de kusten van Noord-Europa ontmoet
-men de prachtig getooide Groene Fluweelslak (Elysia viridis). De kop,
-de voelers en de voorrug zijn, evenals de buitenhelft der bladachtige
-uitbreidingen van den achterrug, grootendeels fluweelachtig zwart,
-soms met groene, soms met bruine tint; de hoofdkleur van den voet is
-olijfgroen. Hier en daar komen sneeuwwitte vlekken voor; metaalachtig
-glinsterende, groenachtig blauwe en roodachtig witte stipjes zijn
-over de geheele oppervlakte verspreid; bij honderdvoudige vergrooting
-blijkt, dat dit verschijnsel teweeggebracht wordt door dunwandige
-cellen, welker inhoud het licht met een prachtige, smaragdgroene en
-saffierblauwe kleur terugkaatst. Twee andere soorten van kleine cellen
-veroorzaken een zilverachtigen of een helder koperachtigen glans.
-
-Bij zijne bewegingen neemt dit diertje zeer verschillende vormen
-aan. Terwijl het over den bodem kruipt, strekt het zich gewoonlijk
-recht uit, en glijdt betrekkelijk snel voort. Wanneer het daarentegen
-langs den loodrechten wand van een aquariumbak omhoogkruipt, dienen
-dikwijls de huidlappen met een deel van de zool voor de aanhechting;
-dikwijls zelfs wordt het lichaam kurketrekkervormig gewrongen,
-zoodat deelen van den buik en van den rug gelijktijdig den weg
-aanraken. Deze Slak scheidt veel slijm af, die men, na aanraking van
-haar huid met een staafje of penseel, in lange draden tot boven het
-water kan uittrekken. Aan zulke slijmdraden hangt zij soms vrij te
-midden van het water.
-
-
-
-
-
-DERDE ORDE.
-
-DE LONGSLAKKEN (Pulmonata).
-
-Alle Landslakken en de meeste Zoetwaterslakken ademen lucht. De mantel
-vormt in de nekstreek een holte, welke bij de Naakte Slakken en bij de
-Huisjesslakken met rechts gewonden schelp lucht ontvangt door een aan
-de rechterzijde gelegen opening; de zolder van deze holte, de binnenste
-laag van den mantel, bevat een dicht netwerk van bloedvaten. Terwijl
-de Slak kruipt, is het ademgat duidelijk zichtbaar. Het wordt nauwer en
-verdwijnt, wanneer men de Slak aanraakt en in haar huisje drijft; kort
-nadat zij zich teruggetrokken heeft, ziet men dit gat echter opnieuw
-verschijnen in de buurt van den spilrand. Natuurlijk moeten de in
-'t water levende Longslakken aan de oppervlakte komen om te ademen;
-evenals de Landslakken, stikken zij, indien men haar de gelegenheid
-beneemt op deze wijze haar behoefte aan lucht te bevredigen.
-
-Dat de lichaamsbouw van de Naakte Slakken met die van de Huisjesslakken
-overeenstemt, hoewel beide in uitzicht zeer verschillen, blijkt
-spoedig uit de nadere vergelijking van een Limax-soort met een
-Tuinslak of Wijngaardslak (Helix). Bij Limax is het achter den kop
-gelegen deel van den voet van boven niet vrij, maar verbonden met
-den zak, die de ingewanden bevat. Dit deel van het lichaam nu is
-bij Helix spiraalsgewijs gewonden en blijft steeds verborgen in het
-huisje; met de schelp is het slechts door één spier verbonden; deze,
-de spilspier, ontspringt boven de eerste winding aan de spil; door
-haar samentrekking keert het dier in het huisje terug.
-
-Om een Slak te ontleden doode men haar bij voorkeur onder water
-door haar op een glazen plaat te laten kruipen, deze om te keeren
-en hiermede een tot boven den rand gevuld glas water te bedekken;
-men kan haar ook in volkomen uitgestrekten toestand gedurende 10
-à 12 seconden aan de werking van kokend water blootstellen. Zeer
-ondoelmatig is het haar in spiritus te dooden, daar zij hierdoor te
-sterk inkrimpt. De Huisjesslakken, die in kokend water gelegen hebben,
-kan men gemakkelijk uit haar schelp draaien, daar de spilspier er
-nu niet meer aan vastzit. Het ontleden moet onder water geschieden,
-in een ondiep bakje, welks platte bodem bedekt is met een plaat
-kurk, waaraan het doode dier in uitgestrekten toestand met spelden
-wordt vastgestoken. Daar wij reeds aan het levende dier het ademgat
-hebben leeren kennen, gaan wij van hier uit en knippen de mantelholte
-open. De dikke ader, die haar bloed ontvangt uit de talrijke fijnere
-vaten, welke een netwerk vormen in den zolder van de long, volgen
-wij tot aan de linkerzijde, waar zij uitmondt in de voorkamer van
-het hart. Het bloed begeeft zich van de voorkamer naar de kamer en
-wordt van hier door de aorta en hare takken naar alle deelen van het
-lichaam gevoerd. Alle Weekdieren hebben een arterieel hart: dit orgaan
-ontvangt het bloed uit de ademhalingsorganen. Het hart van de Visschen
-daarentegen zendt het bloed, dat voor het onderhouden van het lichaam
-gediend heeft, naar de ademhalingsorganen en heet daarom "veneus".
-
-De mondholte met de haar omgevende dikke spiermassa heet slokdarmhoofd;
-aan het gehemelte, achter de lip, is de bijna halvemaanvormige,
-overlangs gerimpelde kaak vastgehecht. Het zeer samengestelde orgaan,
-dat men wegens zijn ligging op den bodem van de mondholte tong noemt,
-draagt een wrijfplaat (radula); deze kan gemakkelijk verwijderd
-worden uit de scheede, waarin zij zich terugtrekt en levert dan een
-fraai microscopisch preparaat op. Zij is n.l. bezet met een groot
-aantal dwarse reeksen van tandjes, grootendeels samengesteld uit
-chitine. Alle Koppootigen en Slakken hebben zulk een wrijfplaat,
-van welker aanwezigheid en doel men zich het best kan overtuigen
-door te letten op inheemsche Zoetwaterslakken, die men in slootwater
-houdt. De binnenste oppervlakte van het glas is na verloop van eenige
-dagen bedekt met een laag van microscopisch kleine, groene plantjes;
-bijna aanhoudend ziet men de Slakken bezig, de bedoelde algen,
-die haar tot voedsel dienen, van het glas af te likken of liever
-af te vijlen door de tong beurtelings uit te steken en terug te
-trekken. Wegens de belangrijkheid van dit orgaan voor het leven
-van de Slakken zijn de hieraan ontleende kenmerken uitmuntend
-geschikt voor de onderscheiding van familiën en geslachten. De
-verschillende gedaante en rangschikking van de tandjes, staat in
-verband met de soort van voedsel en de levenswijze. De wrijfplaat
-kan gemakkelijk bewaard en nog na vele tientallen van jaren uit het
-intusschen verdroogde dier afgezonderd worden.--Op het slokdarmhoofd
-volgt de dunne slokdarm, die in de onverdeelde maag eindigt. Hierop
-liggen de speekselklieren. Onmiddellijk achter de maag bevindt zich
-de lever; deze omhult eenige kronkelingen van den darm, die zich
-als endeldarm naar voren richt en naast het ademgat eindigt. Hier
-mondt ook de afvoerbuis van de nier uit. De toestellen tot het
-bevredigen van gastronomische neigingen zijn dus bij de Slakken goed
-ontwikkeld.--De oogen aan den top der groote voelhorens werden reeds
-door Swammerdam zorgvuldig beschreven. Twee gehoorblaasjes liggen tegen
-den onderkant van den slokdarmring. Deze bevat 3 paar zenuwknoopen:
-de bovenslokdarmknoopen, de voetknoopen en de kieuwknoopen; de beide
-laatste paren bevinden zich onder den slokdarm.--Alle Longslakken
-zijn tweeslachtig (hermaphrodiet) en leggen na paring eieren.
-
-Ook voor de levensverrichtingen der Landslakken is een vochtige
-omgeving volstrekt noodig. De Naakte Slakken--en de Slakken
-welker schelp het lichaam slechts voor een klein deel bedekt
-(b.v. Testacella)--bezwijken spoedig in een droge ruimte; in een
-kartonnen doos b.v. kunnen de kleine soorten geen 24 uur in 't
-leven blijven. Over 't algemeen schijnen de bewoners van glanzige,
-doorschijnende schelpen (Vitrina b.v.) veel vocht noodig te
-hebben. Ook alle Slakken welker huisjes een harige opperhuid hebben
-(b.v. vele Helix-soorten van de groep Fruticicola), houden van een
-natte woonplaats. Daarentegen onderscheiden zich de Landslakken,
-die goed aan de droogte weerstand bieden, door een ondoorzichtige,
-doffe schelp, waaraan de opperhuid nagenoeg ontbreekt.
-
-Over 't algemeen oefent de warmte, binnen zekere grenzen, op de
-Slakken een gunstigen invloed uit, voorzoover zij het uitdrogen
-niet bevordert. In enkele warme bronnen leven sommige soorten nog
-bij een temperatuur van meer dan 50° C., andere kunnen een zeer
-lagen warmtegraad verdragen. In koude en gematigde gewesten weten de
-Slakken aan den schadelijken invloed van den winter te ontkomen door
-het afsluiten van de schelp met deksels en door het verblijf in een
-doelmatige schuilplaats, waar zij in winterslaap verkeeren. Een hierop
-gelijkende zomerslaap hebben de Landslakken der keerkringsgewesten
-evenals vele Reptiliën en Insecten. Ook in dit geval kruipen zij in den
-grond of maken gebruik van toevluchtsoorden onder steenen en takken.
-
-Daar alle slakkenhuizen verkalkt zijn en de hiervoor benoodigde
-materiaal in het voedsel aan het organisme moet worden toegevoerd,
-kunnen op plaatsen waar de bodem volkomen vrij van kalk is, geen
-Huisjesslakken bestaan. Op den omvang van het verbreidingsgebied der
-soort, op de talrijkheid der individuën, op de stevigheid, kleur
-en doorschijnendheid van de schelp heeft daarom de geaardheid van
-den bodem grooten invloed. De Slakken, die op graniet en dergelijke
-weinig kalk bevattende gesteenten leven, hebben huisjes, die wegens
-hun grooter gehalte aan organische stoffen levendiger gekleurd,
-doorschijnender en dunwandiger zijn, dan die van leden van dezelfde
-soort, welke op kalkvrije gronden leven. De opperhuid, die veel
-meer organische stof bevat dan de daaronder liggende parelmoerlaag,
-is bij beide nagenoeg even sterk, de parelmoerlaag daarentegen bij
-exemplaren op granietgrond veel minder sterk ontwikkeld.
-
-De schelpenverzamelaar vindt nuttige wenken in hetgeen Roszmäszler
-van de verblijfplaatsen en van het verzamelen der Landslakken zegt:
-"Vele soorten kruipen bij voorkeur op planten rond en houden zich het
-meest op aan de onderzijde van bladen en in de hoekpunten van takken;
-andere leven op en onder afgevallen bladen, nog andere meer verborgen
-onder het dichte moskleed, dat steenen en boomstammen bedekt; eenige
-treft men zelfs aan in gezelschap van Aardwormen en Duizendpooten,
-dikwijls onder een zoo grooten steen, dat het moeielijk te begrijpen
-is, hoe een teer dier met brooze schelp onder dit zware voorwerp
-geraakt. Sommige Slakken schijnen zich hier nog niet veilig te achten
-en leiden een volkomen onderaardsch leven.
-
-"Daar de Landslakken bijna geen ander dan plantaardig voedsel
-gebruiken, komen de meeste op of althans bij planten voor; zij
-zijn merkbaar talrijker in bosschen met breedbladige dan in de met
-naaldbladige boomen. Ook hier geldt de regel, dat vlakke gewesten
-rijker zijn aan Slakken dan bergstreken. Steeds vond ik ze minder
-veelvuldig in bergwouden dan in vochtige bosschen van de vlakte.--Nooit
-leven de Slakken op aanzienlijke hoogte in de boomen; liever bewonen
-zij laag kreupelhout, of vestigen zich in bosschen op kruiden of
-op den bodem. Hoe dichter en schaduwrijker het struikgewas is, hoe
-gedekter en vochtiger de plaats, waar het groeit, des te meer kans
-heeft men er Slakken te vinden. Het liefst bewonen zij echter boschjes,
-waar b.v. kornoeljes, braamstruiken, eschdoornen en hazelaars, door
-hopstengels omrankt en met andere hoogopschietende kruiden als 't
-ware doorgroeid zijn. Bij droog weer zijn zij hier niet gemakkelijk te
-vinden, wel na een warme regenbui. Alle komen dan uit hare schuilhoeken
-te voorschijn, om zich te laven aan de regendruppels, die van de bladen
-en takken afhangen, en zich te verfrisschen in de heerlijke koelte. Wie
-zich niet bekommert om de vallende druppels, de schrammende doornen
-en de brandende netels, kan nu een groote menigte Slakken verzamelen.
-
-"Na het afzoeken van de takken en bladen van zulke struiken, verzuime
-men niet, den bodem er om heen, die gewoonlijk met mos, steenen en
-afgevallen bladen bedekt is, zorgvuldig te doorzoeken: verscheidene
-hier levende zeldzame soorten, o.a. de Glashorenslakken (Vitrina),
-komen niet dikwijls te voorschijn. De levende heggen komen nog het
-meest overeen met de zooeven genoemde boschjes, wat rijkdom aan Slakken
-betreft. Vooral heggen van vochtige en laag gelegen tuinen zijn in den
-regel, en meer bepaaldelijk na een regenbui, sterk bevolkt. In tuinen
-kan men echter ook wel op andere plaatsen met goed gevolg Slakken
-zoeken. De buksboom- (of zoogenaamde "palm"-) randen rondom bloemperken
-verschaffen vooral bij warm en droog weer een koele verblijfplaats
-aan deze dieren, die men ook vindt in hoeken, waar onkruid groeit en
-afval ligt, op plaatsen waar het uitgewiede onkruid neergeworpen wordt,
-kortom op alle rommelige, donkere en vochtige plekken."
-
-Van de 6000 levende soorten, die (behalve ongeveer 700 fossielen)
-de orde der Longslakken vormen, behooren 5800 tot de onderorde der
-Landslakken (Stylommatophora), die al of niet een huisje bezitten
-en oogen hebben aan den top van twee (in den regel door instulping
-terugtrekbare) "oogvoelers"; verder naar voren en naar onderen staan
-gewoonlijk nog twee kleinere "lipvoelers".
-
-Tot de familie der Heliciden (Helicidae) brengt men niet minder
-dan 5000 levende soorten, waarvan meer dan 1800 behooren tot
-het geslacht der Echte Slakken (Helix), dat in een groot aantal
-ondergeslachten verdeeld wordt. Alle Heliciden hebben een goed
-ontwikkelde, spiraalswijs gewonden, uitwendige schelp, die bij de
-meeste (althans bij alle leden van het typische geslacht) ruim genoeg
-is om het geheele dier te bevatten, maar overigens allerlei vormen
-kan vertoonen: bij sommige plat (nagenoeg schijfvormig), bij andere
-spits en lang (torenvormig) is. De kop draagt 4 voelers. De bewapening
-van de mondholte bestaat uit een stevige, boogvormige, geribde kaak
-en een wrijfplaat met zeer talrijke, gelijke, min of meer vierkante
-tandjes. Bij Helix is de mond van de schelp scheef, halvemaanvormig
-of rondachtig; de mondranden zijn gescheiden, de binnenlip wordt door
-den voorlaatsten omgang gevormd. De grootste Europeesche soort is
-de reeds genoemde Wijngaardslak [Helix (Helicogena) pomatia]. Haar
-groote, bolvormige, buikige, geelachtige of bruinachtige schelp is
-"bedekt doorboord", heeft een nauwen "bedekten navel", daar deze door
-een binnenwaartsche uitbreiding van den spilrand gesloten is. Zij
-bepaalt zich volstrekt niet tot de wijngaarden, hoewel zij zich
-in 't voorjaar gaarne vergast op de knoppen der wijnstokken en op
-deze wijze een aanzienlijke schade kan aanrichten; men vindt haar
-overal in de droge, vooral in heuvelachtige oorden, waar grassen en
-struiken groeien. Omdat zij groot is en gegeten wordt, heeft deze Slak
-veelvuldiger dan andere leden van haar geslacht voor onderzoekingen
-gediend. Zij en de meer zuidwaarts wonende Ruige Wijngaardslak (Helix
-adspersa) behooren tot die soorten, welke in den herfst, bij voorkeur
-op een met mos bedekte plaats, 20 à 30 cM. diep in den grond kruipen en
-den mond van het huisje met een stevig verkalkt deksel sluiten. Het
-dier trekt zich vervolgens nog tamelijk ver achter het deksel in
-de schelp terug en brengt in de tusschenruimte een of meer vliezige
-dwarsschotten aan. Gedurende den minstens 6 maanden aanhoudenden tijd
-van afzondering, duren de ademhaling en de hartwerking onverpoosd
-voort. Wel mist het kalkdeksel de opening, die men er bij eenige
-andere soorten in aantreft, maar het is zoo poreus, dat door dezen
-wand en door de overige dunne vliezen de gasuitwisseling ongehinderd
-kan plaats hebben. De warmte van de maanden April en Mei wekt de Slak
-tot nieuw leven op; het hart begint vlugger te slaan; vermoedelijk
-noopt de vermeerderde behoefte aan lucht het (zeer zeker ook door
-een hevigen honger gekwelde) dier tot het openen van het huisje;
-dit geschiedt door den voet tegen de vliezige deksels te plaatsen,
-waardoor deze niet stukgestooten, maar zonder moeite losgeweekt worden;
-ook het oplichten van het kalkdeksel vereischt geen groote inspanning.
-
-In 't laatst van den zomer graaft de Wijngaardslak een kuiltje van
-7 à 8 cM. diepte voor het bergen van de 60 à 80 eieren, die zij in 1
-of 2 dagen legt. Het eierennest is niet gemakkelijk te vinden, tenzij
-onmiddellijk na het leggen aan de kleur van den grond, waarmede het
-kuiltje dichtgemaakt is. Ieder ei heeft 6 à 8 mM. middellijn en is
-omgeven door een witte, met kalkkristallen doormengde en hierdoor
-stevige schaal. De ontwikkeling van de kiem duurt ongeveer 26 dagen.
-
-De Wijngaardslak is sinds lang in Zwitserland, Zuid-Duitschland en
-Oostenrijk, vooral in den vastentijd, een zeer gezochte spijs. Nog
-steeds wordt zij in Zwitserland en langs den Donau opzettelijk
-voor dit doel in zoogenaamde "slakkentuinen" met koolbladen
-enz. gemest. Gewoonlijk brengt men haar eerst op de markt, nadat zij de
-schelp met een winterdeksel gesloten heeft. De handel in dit artikel
-is echter niet meer zoo levendig als vroeger, toen uit de omstreken
-van Ulm iederen winter meer dan 4 millioen Wijngaardslakken in vaten
-van 10000 stuks langs den Donau tot voorbij Weenen stroomafwaarts
-werden gevoerd.
-
-Zeer algemeen komen hier te lande drie groote soorten voor, die
-ongeveer hetzelfde verbreidingsgsbied hebben als de Wijngaardslak,
-maar aanmerkelijk kleiner zijn. De Heesterslak [Helix (Arionta)
-arbustorum] heeft een bedekt doorboord, zeer gedrongen bolvormig,
-glanzig huisje, van (gemiddeld) 21 mM. middellijn en 18 mM. hoogte; de
-5 à 6 bolle omgangen nemen snel in grootte toe. De mond is maanvormig
-en gerond; zij wordt door den voorlaatsten omgang weinig uitgesneden;
-de mondrand is omgeslagen, verdikt en aan de binnenzijde glanzig
-wit. Van buiten is de schelp kastanjebruin met een groot aantal
-kleine, onregelmatig verspreide (soms op dwarsreeksen geplaatste),
-stroogele vlammetjes en zigzagstrepen; gewoonlijk loopt iets boven
-het midden van den laatsten omgang en langs den naad der winding een
-bruine band. Het dier is blauwzwart met lichtere, bruingrijze zool;
-twee donkere strepen op den rug gaan van de oogvoelers uit; deze zijn
-aan den top lichter van kleur. De Heesterslak wordt, evenals de beide
-volgende soorten, in tuinen, kreupelhout en heggen op beschaduwde,
-vochtige plaatsen gevonden, ook op den grond en op lage planten.
-
-De Tuinslak [Helix (Tachea) nemoralis] heeft een breeder en minder
-bolvormig huisje dan de vorige soort (gemiddelde middellijn 23,
-hoogte 17 mM.); het is ongenaveld en heeft 5 à 6 geleidelijk in
-grootte toenemende, tamelijk bolle omgangen. De mond is breed,
-eenigszins afgerond en wordt door den voorlaatsten omgang zwak
-boogvormig uitgesneden: de mondrand is een weinig omgeslagen; de
-mondzoom kastanjebruin met een bijna zwarte lip. Van buiten is de
-schelp meestal citroengeel (soms bruinrood, geelgroen, olijfbruin of
-wit), gewoonlijk met donkerder banden (meestal 5 op den laatsten, van
-deze alleen de 3 bovenste op iederen vroegeren omgang); ook door de
-afwezigheid, het samenvloeien of het afgebroken zijn van sommige of
-van alle banden onderscheiden zich de talrijke variëteiten, die men
-van deze soort aantreft. Met haar komt door vorm, kleur en teekening
-van het huisje de eveneens sterk varieerende Witlippige Tuinslak
-[Helix (Tachea) hortensis] overeen; zij is kenbaar aan den bijna
-altijd zuiver witten mondzoom van het in den regel dunnere huisje,
-wordt vooral in tuinen en in de vlakte minder talrijk gevonden
-dan de vorige soort en houdt over 't algemeen van vochtiger oorden;
-noordwaarts en bovenwaarts strekt haar verbreidingsgebied zich verder
-uit; ten zuiden van de Alpen en de Pyreneën komt zij niet voor.
-
-
-
-De Veelvraatslakken (Bulimus) komen in levenswijze met de Echte
-Slakken overeen, doch zijn over 't algemeen grooter; het huisje is
-langwerpiger (ei- of torenvormig), de mond meer verlengd; ook dit
-geslacht is zeer rijk aan soorten (meer dan 1000). Slechts enkele
-bewonen Europa, vele daarentegen de keerkringsgewesten, vooral
-Zuid-Amerika, o.a. de Eivormige Veelvraatslak (Bulimus ovatus), die
-te Rio de Janeiro gegeten wordt en een horen van 12 cM. hoogte heeft,
-en de Langwerpige Veelvraatslak (Bulimus oblongus), welker 10 cM. hooge
-schelpen in Paraguay zoo talrijk zijn, dat men er kalk van brandt.
-
-Nog grootere Landslakken bevat het geslacht der Agaathorens (Achatina),
-dat meer nog dan het vorige tot de warme luchtstreken beperkt is. Het
-dier onderscheidt zich door den plat en spits eindigenden voet, zijn
-woning door de vrije, van onderen afgeknotte spil. De Patrijsslak
-(Achatina perdix), die op vette weiden in West-Afrika leeft, wordt
-16 cM. hoog; de helft van deze hoogte bereikt de hierboven afgebeelde
-soort, die op Mauritius en Madagaskar door zijn vraatzucht in tuinen
-en plantages schade aanricht. Evenals van vele andere Bulimus-
-en Achatina-soorten, is haar schelp fraai gekleurd en geteekend;
-de van geelachtig wit tot geelachtig bruin varieerende grond heeft
-roodbruine, afgebrokene, overlangsche vlammen; de mond is wit, met
-bruin gerande buitenlip.
-
-Onder afgevallen bladen, mos, rottend hout of steenen en in het
-gras leeft bij ons op vochtige, beschaduwde plaatsen de geelachtig
-hoornkleurige, 6 mM. hooge Glanzige Agaathoornslak (Achatina lubrica,
-Bulimus lubricus), welker langwerpig eivormig, zeer glad, doorschijnend
-schelpje een scheef peervormigen mond en een weinig afgeknotte spil
-heeft. Zij is een van de weinige soorten, welker verbreidingsgebied
-zich rondom de pool, n.l. over geheel Europa, Siberië en Noord-Amerika,
-uitstrekt.
-
-Zeer vochtige oorden bewonen de meeste Amberhorenslakken (Succinea);
-dit blijkt reeds uit de zeer wijde opening van de dunne, uit weinige
-omgangen bestaande schelp. De behoefte aan water is ongelijk en
-evenredig aan de grootte van den schelpmond. Deze is het grootst bij
-de goudgele Succinea Pfeifferi, die niet, gelijk de barnsteenkleurige
-Gewone Amberhorenslak (Succinea putris, fig. 2) aan waterkanten en
-op vochtige weiden blijft, maar dikwijls te water gaat en hier als
-een Poelslak rondzwemt.
-
-Een soortgelijke betrekking tusschen de levenswijze en den vorm der
-schelp merkt men op bij de inheemsche Glashorenslakken (Vitrina),
-die zich met rottende stoffen (vermoedelijk met de hierin levende
-bacteriën en diertjes) voeden en soms elkander verslinden. De winding
-van het dunne, doorzichtige schelpje is min of meer bedekt door
-een ver buiten den schelp tredenden lob van den mantel, die aan
-de rechterzijde naar boven en achteren omgeslagen is. De kleinste
-schelpmond heeft Vitrina pellucida (fig. 1), de grootste Vitrina
-elongata. De laatstgenoemde bewoont uitsluitend zeer vochtige bosschen
-en houdt zich het meest op aan de oevers van beken, tusschen het mos
-en de bovenste humuslaag, waarin zij gedurende de heete zomermaanden
-zeer diep doordringt. Vitrina pellucida daarentegen wordt ook nog
-wel gevonden op veel ongunstiger plaatsen, die in tijden van droogte
-gedurende den geheelen dag aan de zonnehitte blootgesteld zijn.
-
-De beide volgende geslachten geven aan droge oorden de voorkeur en
-zijn in de kalksteengebergten van de Alpen en van Zuid-Europa het
-sterkst vertegenwoordigd. De meeste Tonhorentjes (Pupa) zijn niet
-langer dan 10 à 15 mM., niet weinige microscopisch klein, geen
-hunner hooger dan 25 mM. De schelp is ei- of rolvormig, de mond
-meestal door tandvormige uitwassen vernauwd. Deze strekken zich in
-den vorm van plooien bovenwaarts uit in het langere, slankere en
-spitsere huisje van de Spoelhorenslakken (Clausilia), dat, zoodra
-het dier zich terugtrekt, gesloten wordt door een kalkplaatje, het
-"luikje", dat precies in den mond past en aan den spilrand een opening
-overlaat, waardoor de lucht de ademholte kan bereiken. Het luikje
-is door een veerkrachtig, naar boven gericht "steeltje" aan de spil
-bevestigd en wordt bij het naar buiten komen van het dier opgenomen
-in de "nis", een tusschenruimte van twee plooien der spil. Voor het
-bewonen van oorden, waar langdurige tijdperken van droogte voorkomen,
-zijn deze Slakken uitmuntend geschikt, daar zij maanden achtereen in
-haar huisje verborgen kunnen blijven. Exemplaren van de Dalmatische
-Clausilia amissana, die in Mei ingezameld en tot in den herfst van
-het volgende jaar op een droge plaats bewaard werden, bleken toen
-na bevochtiging nog in leven te zijn. Hier te lande vindt men het 3
-mM. hooge Mos-tonhorentje (Pupa muscorum) op droge weiden en heigrond,
-den 16 à 20 mM. hoogen Tweetandigen Spoelhoren (Clausilia biplicata)
-onder mos op muren en in bosschen.
-
-
-
-Onder den naam van Naakte Slakken (Limacidae) vatten wij alle
-Longslakken samen, die in 't geheel geen schelp bezitten, of, verborgen
-in het mantelschild, dat het voorste deel van den romp aan de rugzijde
-bedekt, een klein kalkplaatje (Limax) of eenige onsamenhangende
-kalkkorrels (Arion) hebben. Door het maaksel van de tong en de ligging
-van het ademgat en van de geslachtsopening stemmen de Limaciden met de
-Heliciden volkomen overeen. Ter vervanging van de uitwendige schelp,
-die de Heliciden tegen plotselinge weersveranderingen beveiligt, wordt
-bij de Limaciden door besproeiing van de oppervlakte een vermindering
-van het vochtgehalte der huid door verdamping voorkomen. Deze
-eigenaardige inrichting is bij een groot exemplaar van de Gewone
-Aardslak (Arion empiricorum) duidelijk waar te nemen. Het mantelschild
-is taai en korrelig, omgeven door een groeve, van voren verwijd tot
-een soort van muts, waaronder de kop geborgen kan worden. Van de rand
-van het mantelschild gaan straalsgewijs diepe groeven uit, die op
-den rug de grootste diepte en lengte hebben en door scherp gekielde
-kammen gescheiden zijn. Zij eindigen boven den bodem in de groeve,
-die den zoom van den voet begrenst; het vocht, dat door deze kanalen
-stroomt, vloeit dus niet onmiddellijk weg. Het geheele stelsel is
-bedekt met slijm, dat door de tallooze eencellige slijmklieren van
-de huid afgescheiden wordt, maar bevat ook nog een andere vloeistof,
-die men bij onzachte aanraking van een rustig kruipende Slak als
-een melkachtige stroom naast het ademgat (uit de nieropening) naar
-buiten ziet komen. Dit vocht, dat, behalve het product van de nier,
-ook water bevat (daar de nier water uit de lichaamsholte kan opnemen)
-en misschien ten deele direct uit de bloedvaten afkomstig is, stroomt
-door de groeven naar beneden en (ten gevolge van een capillaire
-werking), ook in de ringvormige goot om het mantelschild en van
-hier in het kanalenstelsel op den rug. De geheele oppervlakte van
-de Slak wordt dus door tal van greppels van vocht voorzien, dat,
-langzaam naar beneden vloeiend, verdampt. Door samentrekking van het
-lichaam worden de groeven nauwer en dieper, hetgeen de verdamping
-vertraagt. Niet bij alle Naakte Slakken is het bevloeiingsstelsel zoo
-volkomen als bij de bovengenoemde soort. De schadelijkste van alle,
-de 3 à 4 cM. lange Grauwe Veldslak of Akkeraardslak (Limax agrestis)
-heeft geen uitpuilende rimpels, maar een gladde, door fijne groefjes
-in veelhoekige velden verdeelde huid, en is daarom minder dan andere
-tegen droogte bestand. Alleen bij vochtig weer verlaat zij, over
-dag zoowel als 's avonds en 's nachts, hare schuilplaats om zich
-te voeden met allerlei jonge gekweekte planten; als de zon schijnt
-verbergt zij zich onder steenen, planken, bladen en in den grond.--De
-beide belangrijke geslachten Limax en Arion verschillen, behalve
-door de mate van ontwikkeling van de schelp, ook door de plaatsing
-van het ademgat, dat bij Arion vóór, bij Limax achter het midden van
-het mantelschild gelegen is; bovendien komen bij het laatstgenoemde
-geslacht op het mantelschild concentrische golflijnen voor en is het
-achterste deel van den rug gekield. De Groote Aardslak (Limax maximus)
-is op witachtig grijzen of zwarten grond met donkerder of lichtere
-overlangsche strepen of reeksen van vlekken geteekend; de kiel op den
-rug is witachtig, geel of roodachtig. Zij bereikt dezelfde grootte
-als de Gewone Aardslak. Deze komt vooral in bosschen voor, 't zij dan
-in de zwarte, 't zij in de roode verscheidenheid. "In Groningen,"
-schrijft Prof. Ritzema Bos, "ziet men bijna altijd eerstgenoemde,
-in Gelderland meer laatstgenoemde verscheidenheid. In bosschen komt
-evenzeer de Groote Aardslak voor, welke Slak tevens degene is, welke
-in vochtige kelders het meest wordt aangetroffen. In tuinen vindt
-men zoowel de Akkeraardslak als de Tuinaardslak (Arion fuscus) en de
-Gewone (zwarte of roode) Aardslak. Op bouwland is de Akkeraardslak
-verreweg het meest algemeen. In 't algemeen kan gezegd worden, dat op
-alle mogelijke vochtige plaatsen elke soort van Slakken aangetroffen
-kan worden. Alle kunnen schadelijk worden, vooral wanneer zij jonge
-gewassen aantasten. Sommige soorten leven doorgaans in bosschen van
-paddestoelen en uitwerpselen, terwijl zij daarnevens boombast of
-verschillende onkruiden (paardenbloem, weegbree) vreten."
-
-De Slakken zijn zeer vruchtbaar. De Grauwe Veldslak begint in Augustus
-eieren te leggen en zet dezen arbeid, zoolang het vochtig weer blijft,
-gedurende den herfst voort. In 't geheel brengt zij er wel 400 ter
-wereld, die men, slechts dun bedekt, bij hoopjes van 6 tot 15, vooral
-in de schaduw, aan den voet van tuinmuren b.v., aantreft. In Augustus
-komen de jongen na 3 of 4 weken uit; de eieren, die laat in het jaar
-gelegd worden, overwinteren, gelijk ook de Slakken zelve doen.
-
-
-
-De Ongesteeldoogigen (Basommatophora) hebben geen oogvoelers, wel 2
-lipvoelers, die niet ingestulpt kunnen worden.
-
-Tot deze onderorde behoort de familie der Oorslakken (Auriculidae),
-welker leden (voor het meerendeel in den heeten aardgordel), behalve
-aan de oevers van zout- en zoetwatermeeren en van de zee, ook op
-andere zeer vochtige plaatsen, doch niet in het water leven.
-
-Belangrijker is voor ons de familie der Waterlongslakken
-(Limnaeidae). Bij het typische geslacht der Poelslakken (Limnaeus)
-merkt men afgeplatte, driehoekige voelers op. De schelp is rechts
-gewonden, meestal dun en doorschijnend; de omgangen nemen zeer
-snel in wijdte toe; de laatste maakt meestal het aanzienlijkste
-deel van het huisje uit; met hem vergeleken is de winding soms zeer
-onbeduidend. De Poelslakken bewonen bij voorkeur zeer zacht water, in
-welks slijkerigen bodem allerlei waterplanten welig groeien. Behalve
-op stengels of bladen en over den bodem, ziet men deze dieren dikwijls
-ook langs den waterspiegel kruipen, waaraan zij met den voet hangen,
-terwijl het huisje naar beneden gericht is; deze beweging merkt men
-ook bij vele andere Buikpootigen op.
-
-De Gewone Poelslak (Limnaeus stagnalis), die in stilstaand water overal
-veelvuldig gevonden wordt, is de grootste van haar geslacht en van alle
-inheemsche Zoetwaterslakken; haar huisje is 6 à 7 cM. hoog. Dit dier,
-welks grondkleur van vuil geelachtig grijs tot donker olijfgroen
-afwisselt, is met geelachtige stipjes als bezaaid; de voet heeft
-steeds een donkerder kleur, met lichten rand.
-
-Bij de Poelslakken merkt men tusschen de grootte van den schelpmond
-en de levenswijze een soortgelijk verband op als bij de Vitrinen en
-de Succiniden. De huisjes van de Gewone en van de Moeras-poelslak
-(Limnaeus palustris), die beide moerassen en ander stilstaand water
-bewonen, hebben een betrekkelijk kleine opening en een betrekkelijk
-groote winding. Bij andere soorten is de schelpmond grooter en de
-winding in dezelfde verhouding kleiner; aan 't einde van deze reeks
-staat bij ons de Oorvormige Poelslak (Limnaeus auricularis), met een
-schelp, die nagenoeg geheel door den laatsten omgang wordt gevormd
-en waarvan de mond een nagenoeg 4-maal zoo grooten omtrek heeft als
-de overige schelp. De laatstgenoemde soort wordt in meer bewogen
-water gevonden; hare verwanten, die nog verder in dezelfde richting
-voortgeschreden zijn, bewonen de stille bochten van de Zwitsersche
-meeren en de zoogenaamde doode armen van rivieren.
-
-Alle Limneën hechten hare eieren in samenhangende, wormvormige of ovale
-scholen aan allerlei in 't water liggende voorwerpen, meestal aan de
-onderzijde van drijvende bladen van waterplanten. Dikwijls brengt
-één dier, van Mei tot Augustus, een 20-tal van deze scholen voort,
-die ieder 20 à 130 eieren bevatten. Zoowel het eierenleggen als de
-ontwikkeling van de met trilhaarorganen uitgeruste en zich bewegende
-kiemen kan men gemakkelijk bij exemplaren in een aquarium waarnemen.
-
-Overal waar Limneën zich ophouden, zal men ook Schijfhorenslakken
-(Planorbis) aantreffen. Het huisje heeft de gedaante van een
-schijf, waaraan men zoowel van boven als van onderen de omgangen kan
-onderscheiden, daar zij een vlakke spiraal vormen. De winding steekt
-niet of weinig uit; soms zelfs is de bovenzijde hol, de onderzijde
-vlak. Enkele hebben een wijd genavelden horen, zooals de grootste en
-meest voorkomende, inheemsche soort--de Gewone Schijfhoren (Planorbis
-corneus)--, die een middellijn van 31 en een hoogte van 12 mM. kan
-bereiken. Bij vele soorten heeft de laatste omgang een meer of minder
-scherpe kiel. Het tamelijk slanke dier heeft een van voren afgeronden
-kop met twee samentrekbare, lange, borstelvormige voelers. De tamelijk
-korte voet is van voren afgeknot, van achteren afgerond. Van haar
-woonplaats, levenswijze en beweging valt ongeveer hetzelfde te zeggen
-als van Limnaeus. De Schijfhorenslakken bewonen voor 't meerendeel
-het noordelijk halfrond en den gematigden aardgordel. Zij leggen de
-eieren op soortgelijke wijze als de Limneën, doch vereenigen ze niet
-tot langwerpige, maar tot ronde, platte scholen.
-
-De Beek-kaphoren (Ancylus fluviatilis) en de Poel-kaphoren (Acroloxus
-lacustris), die beide ook tot onze fauna behooren, hebben een
-napvormig huisje, dat slechts zwakke sporen van asymmetrie vertoont,
-doordat bij de eerstgenoemde soort de spits een weinig naar rechts,
-bij de laatstgenoemde zeer weinig naar links afwijkt; bij gene is
-de eivormige schelpmond 5 mM. lang en 4 mM. breed, bij deze 7.5
-mM. lang en gemiddeld 3 mM. breed, doch van achteren smaller dan
-van voren. Zij leiden een zeer eenvormig en lui leven, de eerste
-in stroomend, de tweede in stilstaand zoetwater: gewoonlijk vindt
-men het huisje stijf aangedrukt tegen bladen en steenen. Geen der
-overige Land- en Zoetwaterslakken heeft een schelp van zulk een vorm;
-wel komen soortgelijke huisjes bij Slakken in Spanje, Amerika, Cuba
-en Nieuw-Zeeland voor.
-
-
-
-
-
-VIERDE ORDE.
-
-DE KIELSLAKKEN (Heteropoda).
-
-Evenals de Vinpootigen, bewonen de Kielslakken de open zee. Haar
-geleiachtig, doorzichtig lichaam is naakt, of wordt door een teere,
-doorzichtige schelp beschut. Deze orde omvat slechts een 60-tal
-soorten en biedt veel minder verscheidenheid van vormen aan dan de
-beide vorige groepen van Slakken, die op het land, in het zoetwater
-en op de plantenwereld van de kustzee veel meer verschillende
-levensomstandigheden hebben ontmoet. In de nabijheid van deze
-past nog het best de familie der Atlanten (Atlantidae), diertjes
-van eenige mM. middellijn, die iedereen op het eerste gezicht als
-Slakken herkennen zal. De kop is verlengd tot een snuit, aan welks
-einde zich de mondopening bevindt. Het bovenste, aan een kruin
-herinnerende deel van den kop geeft de belangrijkste zenuwcentra
-en de zintuigen van dit bijna waterheldere dier te aanschouwen,
-n.l. de bovenslokdarmknoopen, de gehoorblaasjes, de hoog ontwikkelde
-oogen en (vóór deze) de voelers. Daar wij reeds bij vele Vinpootigen
-en Voorkieuwigen een voet leerden kennen, die door overlangsche of
-dwarse groeven in afdeelingen is gesplitst, hebben wij slechts één
-stap verder te doen om de voor 't kruipen dienende zool der meeste
-Buikpootigen te vervormen in het op een geheel andere wijze werkende
-bewegingsorgaan van Atlanta en van de meeste Kielslakken. Wij zien
-hier--in plaats van den breeden, meestal onmiddellijk met den kop
-samenhangenden voet--van den kop door een diepe bocht gescheiden,
-een lichaamsdeel, waaraan drie afdeelingen zijn op te merken. De
-eerste is zijdelings samengedrukt tot een voor 't zwemmen geschikt
-orgaan, dat kiel wordt genoemd. Het kan zich uitmuntend bewegen; het
-dier roeit zich er op soortgelijke wijze mede voort als de matroos,
-die achter in een boot met één riem staat te pagaaien. Onmiddellijk
-achter de kiel bevindt zich een zuignap, waarmede de Kielslak zich
-aan den bodem, in de regel echter aan voorwerpen, die vrij in 't water
-drijven, vooral aan wieren, vasthecht. De derde of achterste afdeeling
-is bij Atlanta eveneens zeer sterk ontwikkeld; het is de staart met
-het platte hoornachtige deksel op den rug, waarmede onze Heteropode,
-evenals vele andere Slakken, haar schelp kan sluiten.
-
-De Atlanten komen in alle zeeën tusschen de keerkringen en van de
-beide gematigde aardgordels in grooten getale voor. Het best bekend
-zijn de beide soorten, die (met vele andere bewoners van de open
-zee) door storm en strooming dikwijls in de straat van Messina worden
-gedreven, n.l. Atlanta Peronii, welker schelp licht hoorngeel gekleurd
-en eenigszins buigzaam is, en Atlanta Kerandsenii, met een bijna
-glasheldere, brooze schelp. De middellijn van de grootste huisjes
-bedraagt bij deze soort 10, bij gene 9 mM.
-
-Als de Atlanten verontrust worden, of om een andere reden zich naar de
-diepte willen begeven, trekken zij zich geheel in de schelp terug. De
-kop wordt het eerst geborgen, dan volgt, na plooiing, de kiel en
-ten slotte het achterste deel van den voet, dat met zijn deksel den
-mond der schelp geheel aanvult. De eieren drijven tot lange snoeren
-vereenigd, in 't water.
-
-Carinaria gelijkt in sommige opzichten op Atlanta, maar nadert door
-andere belangrijke eigenaardigheden meer tot den derden hoofdvorm
-der Kielslakken. Ook bij dit geslacht is een schelp aanwezig, die
-echter buitengewoon dun en glasachtig is. Zij bestaat uit omgangen,
-die alle in één vlak gelegen zijn en zoo snel in wijdte toenemen,
-dat de laatste veel meer ruimte inneemt dan alle overige te zamen
-genomen. Hierin is echter alleen plaats voor de zoogenaamde "kern",
-die uit de lever en den kluwenvormige darm bestaat; de kieuwen steken
-voorbij den rand der schelp uit. Een spoelvormige massa, aan welker
-voorste uiteinde de kop voorkomt en waarvan het achterste stuk met
-de derde afdeeling van den voet van Atlanta vergeleken moet worden,
-maakt het grootste deel van het lichaam uit. Bij den oorsprong van den
-kop ziet men twee lange, spitse voeldraden, waarachter de oogen liggen.
-
-Dat de liefhebbers van conchyliën zich, evenals andere verzamelaars,
-soms groote opofferingen getroosten, om in het bezit van een zeldzaam
-voorwerp te geraken, blijkt uit de prijs van f 1200, die indertijd
-voor een schelp van een Indische Carinaria werd betaald.
-
-Volkomen naakt zijn de Kielslakken van het geslacht Pterotrachea;
-de ingewandenkern, die bij haar den vorm van een tarwekorrel heeft,
-wordt niet door een afzonderlijke, breukzakvormige uitstulping van den
-mantel omgeven en is niet door een schelp bedekt. Overigens gelijken
-deze Slakken veel op de leden van het vorige geslacht. Het lange,
-cilindervormige lichaam loopt van voren uit in een dunnen, meestal
-knievormig gebogen snuit en eindigt van achteren in een spitsen
-staart. De onderzijde is van een bijlvormige vin voorzien.
-
-De Pterotracheën zijn, evenals al hare verwanten, vraatzuchtige
-roofdieren. Meestal tot groote scholen vereenigd en bij 't zwemmen den
-rug naar onderen, de kiel naar boven richtend, bewegen zij, naar buit
-zoekend, den snuit heen en weer; de tong wordt beurtelings uitgestoken
-en in opgerolden toestand teruggetrokken, hare zijtanden als tangen
-vóór de mondopening geopend en gesloten. Met deze grijporganen wordt de
-buit, die vooral uit Visschen, kleine Schaaldieren en Kwallen bestaat,
-gegrepen, vastgehouden en langzamerhand in het spijskanaal getrokken.
-
-
-
-
-
-VIJFDE ORDE.
-
-DE VOORKIEUWIGEN (Prosobranchia).
-
-Deze orde, die alle overige in omvang overtreft, daar er ongeveer 9000
-levende en 6000 fossiele soorten van bekend zijn, omvat nagenoeg alle
-door een stevig huisje omhulde Zeeslakken, bovendien echter eenige
-honderden Zoetwaterslakken (Paludinidae) en een duizendtal op het
-land levende, door longen ademende soorten (Neurobranchiata). Met
-uitzondering van de laatstgenoemde, hebben alle leden dezer orde
-kieuwen. Ter beschutting van de ademhalingswerktuigen vormt de mantel
-een plooi of een holte, die door een gat, een inham of een buis met
-de buitenwereld in gemeenschap staat. Ieder, die met den lichaamsbouw
-van een Longslak kennis heeft gemaakt, begrijpt zonder moeite de
-ligging der organen van andere Buikpootigen. Ter verklaring van de
-eigenaardigheden der Voorkieuwigen kan de nevenstaande afbeelding
-van een uit haar huisje genomen Zeeslak dienen.
-
-Voor aan den kop zien wij een tamelijk langen snuit (a), aan
-welks einde zich de mondopening bevindt. Zulk een snuit, die niet
-ingestulpt, maar gewoonlijk wel verkort kan worden, komt bij vele
-leden dezer orde voor. De (soms zeer lange) buisvormige slurf, die
-bij andere Voorkieuwigen uit den snuit te voorschijn kan komen en aan
-'t einde de mondopening draagt, is van spieren voorzien, die haar
-kunnen terugtrekken. De voet (p) is verbonden met de spilspier (m),
-waardoor het dier aan zijn schelp bevestigd is. Daar de mantelholte
-aan de rechterzijde opengesneden is, kan men de belangrijke organen
-zien, die aan de binnenste oppervlakte van den (hier naar links
-omgeslagen) mantel (c) voorkomen. Wanneer de organen nog op hun gewone
-plaats liggen, vindt men het meest naar rechts den endeldarm met de
-aarsopening (d). Daarnaast ligt een klier, die gewoonlijk slijmklier
-(f) wordt genoemd. Zij kan bij deze Slakken een buitengewoon groote
-hoeveelheid van een taaie, slijmerige stof afscheiden, die soms als
-verdedigingsmiddel dienst doet. Meer naar links ligt de kamvormige
-kieuw (g), die eigenlijk bij de rechterlichaamshelft behoort, maar
-sterk naar de linkerzijde verschoven is; de linkerkieuw of "bijkieuw"
-is weinig ontwikkeld; het hart (h) is achter de kieuw gelegen en
-uit een kamer en een voorkamer samengesteld. Alle Slakken, waar,
-zooals hier, de kieuw vóór het hart--en dus de voorkamer, die het
-bloed uit de kieuw ontvangt, vóór de kamer--geplaatst is, worden
-Voorkieuwigen genoemd. Bij een groot aantal geslachten bezit de voet
-een opening, waardoor dit lichaamsdeel, zoodra het buiten de schelp te
-voorschijn komt, water opneemt in een sterk vertakt kanalenstelsel,
-dat ook met de lichaamsholte, die veneus bloed bevat, in gemeenschap
-staat. Hierdoor verkrijgt de voet een omvang veel grooter dan die
-van het huisje, waarin hij, na het laten wegvloeien van het water,
-gemakkelijk geborgen kan worden. Met uitzondering van de Pluimdragers
-(Valvata) zijn alle leden der orde éénslachtig.
-
-
-
-Verreweg de meeste Voorkieuwigen (ongeveer 5800 levende en 4000
-fossiele soorten) behooren tot de onderorde der Kamkieuwigen
-(Ctenobranchiata). Deze hebben, evenals het zooeven tot voorbeeld
-gekozen dier, in de op den nek liggende ademholte een groote kieuw en
-daarnaast een kleinere, de bijkieuw. Bij vele Kamkieuwigen (o.a. bij
-Murex) is de mantel aan de linkerzijde verlengd tot een "adembuis"
-of "sipho", die het water naar de mantelholte geleidt. Zij, die dit
-aanvoerkanaal missen, hebben in den regel geen terugtrekbare slurf
-(wel een niet terugtrekbaren snuit) en voeden zich met plantaardige
-stoffen. De overige, die dierlijk voedsel gebruiken, zijn meestal in
-het bezit van een adembuis en van een slurf. Het eerst zullen wij
-die familiën bespreken, welke, wegens het gemis van een sipho, aan
-de schelp een gaafrandigen mond, zonder kanaal of insnijding hebben
-(Holostomata). Voor 't meerendeel zijn deze Slakken planteneters.
-
-De Moeras-kieuwslakken (Paludinaceae) bewonen stilstaand en stroomend
-zoetwater; zij hebben een korten, niet terugtrekbaren snuit, gelegen
-tusschen twee lange en slanke voelers, naast welker oorsprong (aan
-de buitenzijde), meestal op zeer korte steeltjes, de oogen geplaatst
-zijn. De lange, smalle wrijfplaat bestaat uit 7 overlangsche reeksen
-van tanden (1 middelplaat en aan weerszijden 3 zijplaten in elke
-dwarsreeks). Alle Slakken met zulk een tong heeten Bandtongigen
-(Taenioglossa).
-
-De Moerashorenslakken (Paludina) hebben een eivormige of
-buikig-kegelvormige schelp met zeer bolle, door een diepen naad
-vereenigde omgangen en een hoornachtigen, concentrisch gestreepten
-deksel. De Paludinen leven in slooten, poelen, plassen en rivieren,
-vooral in het noordelijk halfrond. Meestal vindt men ze op den bodem
-van 't water, kruipend over den modder of langs de stengels en bladen
-van de hier groeiende planten. Bij warm, zonnig weer komen zij ook wel
-aan de oppervlakte, waar zij soms, evenals de Poelslakken, met naar
-beneden gericht huisje langs den waterspiegel kruipen. Het lichaam
-kan niet zoo ver als bij deze buiten de schelp komen; op het deksel,
-dat boven het achterste deel van den voet vastzit, rust dan het bolle
-gedeelte van den laatsten omgang. Bij het terugkeeren in het huisje
-wordt de voet middendoor gevouwen en als een boek dichtgeslagen. De
-grootste inheemsche soort, de Levendbarende Moerashorenslak (Paludina
-vivipara) is bijna 4 cM. hoog. Gedurende den geheelen zomer vindt men
-den eierenzak van het wijfje gevuld met kiemen en eieren, die op zeer
-verschillende trappen van ontwikkeling verkeeren, daar er slechts één
-jong te gelijk ter wereld wordt gebracht; dit heeft bij de geboorte een
-huisje van 4 omgangen, dat 6 mM. hoog en even breed is; de bovenzijde
-van iederen omgang heeft een kiel, waarop lange borstelige haren staan,
-die in den regel zeer spoedig geheel verdwijnen.
-
-Ook de 3 cM. hooge Gestreepte Moerashorenslak (Paludina achatina)
-brengt levende jongen ter wereld. Zij houdt zich bij voorkeur op
-in stroomend water en komt in de Elbe, de Spree, den Rijn en de
-Donau voor.
-
-De Kogelslakken (Ampullaria), die de Paludinen op het zuidelijk
-halfrond vervangen, onderscheiden zich van alle overige Slakken
-door het gelijktijdig bezit van een longholte en een kieuwholte,
-waardoor zij maanden lang buiten het water kunnen leven. De longholte
-is boven de kieuwholte gelegen en wordt in het water door een klep
-gesloten. De 75 mM. hooge Gestreepte Kogelslak (Ampullaria fasciata),
-die in Oost-Indië, zoowel in rivieren als op slijkerige rijstvelden
-leeft, wordt veelvuldig ingezameld en als spijs gebruikt.
-
-Tot dezelfde familie en tot onze fauna behooren, behalve sommige
-Diepslakken (Bitynia), die, evenals de vorige, een verkalkt
-deksel hebben, doch overigens veel op Paludinen gelijken, ook nog
-eenige Pluimdragers (Valvata); deze zijn merkwaardig wegens hun
-tweeslachtigheid en bovendien, doordat de vedervormige kieuw uit
-de mantelholte naar buiten treedt en door het kruipende dier omhoog
-gericht gedragen wordt.
-
-De nu volgende geslachten, die men gewoonlijk onder den naam van
-Oeverslakken (Litorinaceae) samenvat, naderen tot de vorige door
-den lichaamsvorm van het volwassen dier; de ontwikkelingsgang is
-echter samengestelder, doordat de jongen, evenals nagenoeg alle
-Zeeslakken, met twee groote, gewimperde mondlappen (het kopscherm)
-zijn uitgerust; hiermede kunnen zij vlug zwemmen. Het soortenrijke
-geslacht der Zeewier- of Drijfhorentjes (Rissoa) bevat geen andere
-dan kleine vertegenwoordigers, met slurfvormige, van voren ingesneden
-snuit, die half zoo lang is als de beide draadvormige voelers. De
-meeste hebben een kegel- à torenvormige schelp met eivormigen mond
-en hierin passend, hoornachtig deksel. Hun hoofdvoedsel bestaat uit
-zeewieren; zij worden daarom in de laminariën-zone het veelvuldigst
-aangetroffen. Zij bewegen zich flink, kruipen tamelijk vlug en richten
-intusschen de voelers beurtelings naar achteren en naar voren. Eenige
-soorten kunnen zich met naar beneden gericht huisje en naar boven
-gerichten voet langs den waterspiegel bewegen. Het 4 mM. hooge Kleine
-Zeewierhorentje (Rissoa parva) spint kleverige draden, waarmede het
-zich aan waterplanten vasthecht om beter bestand te zijn tegen den
-aandrang van het water en om veiliger zijn standplaats te kunnen
-verlaten. Deze Slakken worden op zeer verschillende diepten (tot op
-105 vademen) gevonden, doch voor 't meerendeel op geringer afstand van
-den waterspiegel. Dat haar eigenlijk vaderland het zuidelijke deel van
-de noordelijke gematigde zone is, blijkt uit de talrijkheid, grootte
-en ontwikkeling van de soorten, die de Middellandsche Zee bewonen.
-
-Een amphibische levenswijze hebben de Alikruiken (Litorina), daar
-zij een groot deel van haar leven doorbrengen boven den waterspiegel
-in den oevergordel, die slechts door den vloed (of soms alleen door
-de toppen der golven bij hoog water) bereikt wordt. Meer dan 100
-soorten van dit geslacht uit alle zeeën zijn bekend. De dikrandige,
-porseleinachtige schelp is in den regel nagenoeg bolvormig. Het dier
-heeft een korten, ronden snuit en lange, draadvormige voelers, aan
-welker basis de oogen gezeten zijn.
-
-Een van de algemeenste en verst verbreide Strandslakken van het
-noordelijk halfrond is de 25 mM. hooge Gewone Alikruik of Kreukel
-(Litorina litorea), die in ondiep water op blaaswieren, steenen en
-paalwerk leeft. Zij beweegt zich langzaam; bij 't kruipen werken de
-beide helften van den voet afwisselend. Haar voedsel bestaat zoowel
-uit plantaardige als uit dierlijke stoffen. In de Oostzee vindt men
-deze soort tot op de oostkust van Bornholm en Rugen. Verder oostwaards
-wordt ook voor haar het zoutgehalte van deze zee te gering. Aan de
-kusten van Denemarken en Sleeswijk-Holstein komt zij in menigte voor,
-zoo ook in den Atlantischen Oceaan, van Groenland en het noordoosten
-van Amerika tot Portugal. Men vindt haar in de Witte Zee zoowel als
-in de Adriatische Zee. Bij groote hoeveelheden worden deze Slakken
-o.a. aan onze kusten gevangen en door de kustbewoners gegeten of naar
-andere landen uitgevoerd. De Gewone Alikruik legt eieren; de Ruwe
-Alikruik (Litorea rudis) brengt gedurende het geheele warme seizoen
-levende jongen ter wereld.
-
-Indien alleen op de wijze van ademhaling werd gelet, zouden de Slakken,
-die men onder den naam Netkieuwigen (Neurobranchiata) samenvat,
-bij de Longslakken geplaatst moeten worden, omdat zij geen kieuw,
-maar een long bezitten. In alle overige opzichten stemmen zij echter
-met de Voorkieuwigen overeen. Zij hebben twee, niet voor instulping
-(wel voor verkorting) geschikte voelers, aan welker basis de oogen
-staan. Een slurf ontbreekt altijd; maar de snuit is lang en bevat een
-wrijfplaat, welker maaksel met die der Bandtongigen overeenkomt. Voor
-het sluiten van de steeds spiraalswijs gewonden schelp bezitten zij
-een hoornachtig of verkalkt deksel, dat door het uitgestrekte dier op
-den rug van 't achterste deel van den voet wordt medegedragen. Zij
-zijn geen hermaphrodieten, zooals de Longslakken, maar eenslachtig,
-zooals nagenoeg alle Voorkieuwigen. Alle leven op het land, vooral
-in vochtige keerkringsgewesten.
-
-De belangrijkste familie is die der Kringmondslakken (Cyclostomidae),
-waarvan ongeveer 900 levende soorten bekend zijn. Slechts enkele
-van deze bewonen ook Midden-Europa, n.l. Frankrijk, Zwitserland
-en het zuidelijke deel van Midden-Duitschland. De eenige die ook
-in Nederland heet voor te komen, is de Sierlijke Rondmondhoren
-(Cyclostoma elegans), zoo genoemd wegens het traliewerk van zeer
-regelmatige, uitpuilende spiraallijnen en fijne, daartusschen gelegen
-dwarsstrepen op de geelachtig violet-grijze of donker vleeschkleurige,
-10 à 15 mM. hooge schelp. Deze is bij alle leden van haar geslacht
-dun en uit ronde omgangen samengesteld; de afgerond eivormige mond
-is volkomen gaafrandig, wordt in 't geheel niet ingesneden door den
-laatsten omgang, zoodat de binnen- en buitenlip overal samenhangen. De
-schelp is meestal kegelvormig, zelden plat; meestal eng genaveld
-en van een diepen naad voorzien. De genoemde Slak is zeer schuw,
-trekt zich bij de minste, haar ongewoon voorkomende aanraking in haar
-huisje terug en sluit dit met het zeer stevige, harde deksel. Alle
-Cyclostomen zijn over dag werkzaam en begeven zich 's avonds in het
-goed gesloten huisje ter ruste.
-
-Het soortenrijke geslacht der Tepelhorens (Natica) vormt de kern van
-een gelijknamige familie (Naticidae). Hoewel zij op planteneters
-gelijken (daar hun bol- of eivormige schelp geen kanaal of inham
-heeft aan den half-cirkelvormigen mond), voeden zij zich met dierlijke
-stoffen; de buitenlip is scherp, aan de binnenzijde glad, de binnenlip
-eeltachtig verdikt. De zijstukken van den uitgestoken voet, die door
-het opnemen van water buitengewoon sterk in omvang kan toenemen,
-bedekken het geheele huisje; bovendien gebruikt de Slak dit orgaan
-om er mede in 't zand te graven en om er haar prooi geheel mede
-te bedekken. Zij valt n.l. dikwijls andere Weekdieren (Slakken en
-Mossels) aan, en boort hun met de wrijfplaat een cirkelrond gat in
-de schelp. Naar men zegt, helpt zij mede bij het uit den weg ruimen
-van doode Visschen en andere aan 't strand gespoelde dieren. Zeer
-merkwaardig is haar eierennest, dat men lang voor een soort van
-polypenstok heeft gehouden. Het heeft den vorm van een breede schelp,
-ter dikte van een sinaasappelschil, die met den mond op den bodem rust
-en aan de eene zijde open is; het bestaat uit aaneengekleefd zand en
-kan gemakkelijk zonder te breken gebogen worden, zoolang het vochtig
-is. Wanneer men er doorheen kijkt, ziet men een menigte kleine cellen
-op afwisselende reeksen. Elke cel bevat een geleiachtig ei met gele
-kern, de schelp van de kiem. In het midden van den zomer kan men op
-ieder strand, waarop zich een Natica-soort ophoudt, zulke eierennesten
-vinden. De Gewone Tepelhoorn (Natica monilifera) van onze kust is 27
-mM. breed.
-
-Ieder die zich op een rotsachtige zeekust met het inzamelen van planten
-bezig houdt en, om geen hinder te hebben van 't water, schoenen en
-kousen uittrekt, loopt niet zelden gevaar zich de voeten bloedend
-te verwonden. Er zijn plaatsen, waar de bodem dicht bedekt is met
-meer of minder onregelmatig gewonden, zeer stevige kalkkokers,
-welker mond zoo scherp is, dat slechts vurige belangstelling in
-de wetenschap de pijn leert verdragen van het loopen op dezen
-als 't ware uit doornen en messen samengestelden weg. De bedoelde
-schelpen, die men allicht voor woningen van Kokerwormen zou houden,
-zijn afkomstig van Wormslakken (Vermetus). Dit valt moeielijk af te
-leiden uit de ledige schelpen, die bij de meeste soorten (b.v. bij
-Vermetus triqueter uit de Middellandsche Zee) wit en bij de Gewone
-Wormslak (V. lumbricalis) aan de westkust van Afrika roodachtig geel
-en doorschijnend zijn. Het oudste gedeelte is regelmatig spiraalswijs
-gewonden en steeds aan den bodem vastgehecht. Met den bewoner kan men
-het best kennis maken door een stuk van den rotsachtigen zeebodem,
-waaraan eenige van deze dieren vastgehecht zijn, los te rukken en
-het thuis in een grooten bak met zeewater te plaatsen. De Wormslak
-kan zich zeer diep in haar schelp terugtrekken. Als zij op het punt
-staat te voorschijn te komen, ziet men eerst boven de opening een
-soort van stop uitpuilen, welks afgeronde en gladde bovenvlakte met
-een hoornachtig plaatje bedekt is. Bij vele Zeeslakken zien de voet
-en het deksel er zóó uit, wanneer het dier zich zoo sterk mogelijk
-heeft saamgetrokken. De voet van onze soort behoudt echter dezen vorm
-ook in gestrekten toestand. Op den voet volgt een plompen, door de
-sterk ontwikkelde slikorganen uitgezetten kop, die door het bezit
-van voelers, met oogen aan hun basis, den waren aard van het dier
-verraadt. De beide voorste, draadvormige organen zijn geen voelers,
-maar eenvoudig verlengstukken van de lip. De kop kan gemakkelijk
-waargenomen worden, omdat dit dier, moediger dan andere Slakken,
-zich bij aanraking niet in het huisje terugtrekt, maar van weeke
-voorwerpen, die men het voorhoudt, stukken afbijt; harde voorwerpen
-worden met den mond omvat en stevig vastgehouden. Waarschijnlijk
-zijn de Wormslakken diereneters, die de Wormen en Schaaldieren,
-welke altijd in haar onmiddellijke nabijheid voorkomen, buitmaken.
-
-De eieren worden door het wijfje ten getale van 10 à 30 in cocons
-geborgen, die ieder door tusschenkomst van een kort steeltje, aan den
-binnenwand van de schelp bevestigd zijn. De oudste van deze cocons
-bevindt zich het dichtst bij den mond van het huisje en heeft den
-grootsten omvang, daar deze toeneemt, naarmate de ontwikkeling der
-kiemen voortschrijdt. Niet bij alle groepen van Slakken vormen de
-organen zich in volkomen gelijke volgorde; toch ontstaan gewoonlijk
-de voet en het zoogenaamde kopscherm het eerst en vertoonen ook de
-mantel en de schelp zich zeer spoedig. Het kopscherm bestaat uit
-een paar halfcirkelvormige lobben aan weerszijden van den mond;
-haar rand is met lange wimpers bezet. Deze verschaffen reeds aan
-de kiem in het ei een spiraalsgewijze beweging. De voet van de
-jonge Wormslak is bij het verlaten van het ei zoo goed ontwikkeld,
-als van eenige Slak verwacht kan worden. Behalve aan het kopscherm,
-is zij als een Echte Slak kenbaar aan de sierlijke, rechts gewonden
-schelp. Zoo uitgerust verlaat zij de eischaal en den cocon en zwemt,
-gelijk alle Zeeslakken, met behulp van het kopscherm vrij rond. Na
-verloop van eenigen tijd verdwijnen eerst de wimpers en later de
-overige deelen van haar zwemorgaan; waarschijnlijk blijft zij daarna
-nog een tijdlang kruipen en voegt in deze perioden van vrij leven nog
-eenige omgangen aan haar huisje toe. Eindelijk krimpt ook de voet in;
-de schelp hecht zich op een nog onbekende wijze aan het gesteente en
-groeit verder uit tot een onregelmatig gewonden buis, welker omgangen
-elkander niet raken.
-
-De Wormslakken worden door sommigen als een afzonderlijke familie
-beschouwd (Vermetaceae), door anderen met de Penhorenslakken
-(Turritellaceae) vereenigd. Bij het typische geslacht Turritella,
-waarvan één soort--de Gewone Penhoren (Turritella communis)--ook
-(hoewel zeldzaam) in de Noordzee aangetroffen wordt, is het huisje
-torenvormig, met talrijke (hoogstens 30), meestal geribde omgangen; ook
-de spiraallijn die de vergrooting van het hoornachtige deksel verraadt,
-vertoont vele windingen. De kop is tot een langen, platten, van voren
-uitgesneden en met wratjes bezetten snuit verlengd; de mantelrand
-en een huidplooi dwars om den nek zijn met franje omzoomd. Van deze
-familie zijn ongeveer 40 soorten bekend; de meeste en de grootste
-bewonen de keerkringszeeën. Alle zijn diereneters, maar trage, zelden
-buiten haar schelp te voorschijn komende schepsels.
-
-
-
-Bij de overige Bandtongige Kamkieuwigen is de mantelrand uitgegroeid
-tot een voor de ademhaling dienende, gootvormige lob (ademsipho)
-en de opening van de schelp bijgevolg voorzien van een insnijding of
-kanaal; zij heeten daarom Siphonostomata, hebben een gewonden schelp,
-die meestal met een (hoornachtig) deksel gesloten kan worden, leven
-in de zee en zijn voor 't meerendeel diereneters.
-
-De familie, waarvan de Porseleinhorenslakken (Cypraea) de kern vormen
-(Cypraeidae), zou men met het oog op de economische beteekenis der
-Kauris de belangrijkste van de geheele klasse kunnen noemen. De
-buitenste (jongste) omgangen bedekken de oudere nagenoeg geheel,
-zoodat deze niet zichtbaar (ingewikkeld) zijn. Evenals hare verwanten,
-hebben deze Slakken een tamelijk dikken kop met korte slurfen,
-lange, slanke, dicht bijeen gezeten voelers, aan welker basis, op een
-knobbel aan de buitenzijde, de oogen voorkomen. De mantel strekt zich
-naar weerszijden zeer ver uit en kan naar boven omgeslagen worden,
-zoodat het huisje er grootendeels of geheel door bedekt is. Wegens
-den eigenaardigen glans, dien de schelp hieraan ontleent en wegens
-hare soms zeer schitterende en bonte, soms zeer teere kleuren nemen
-de Porseleinhorens een voorname plaats in onder de aantrekkelijkheden
-eener conchyliënverzameling. Misschien heeft geen enkel geslacht
-van oudsher zooveel belangstelling gewekt; de reden hiervoor is
-zoowel in de veelvuldigheid dezer conchyliën als in haar werkelijk
-zeer fraai uiterlijk te vinden. In alle oorden van de wereld en
-zelfs bij zeer onbeschaafde volken dienen zij ter versiering van
-woningen en van kleederen; op grond van een overoude conventie zijn
-sommige soorten in verscheidene landen als pasmunt in gebruik. Om
-verschillende redenen verdienen de Porseleinhorens de voorkeur die
-hun betoond wordt: zij bekoren het oog door de fijne afronding hunner
-vormen, kunnen gemakkelijk een spiegelgladde oppervlakte verkrijgen,
-doen in hardheid voor marmer niet onder en prijken met schitterende
-kleuren. Ook uit een wetenschappelijk oogpunt trekken zij de aandacht,
-daar de schelp bij toenemenden leeftijd op in 't oogvallende wijze
-van vorm verandert. Bij het jonge dier is zij dunwandig en heeft
-een wijden mond met ongetande lippen; bij de volwassen Slak is de
-mond lang en smal, aan beide einden diep ingesneden (tuitvormig);
-terwijl tevens beide lippen getand zijn.
-
-De belangrijkste soort van het geheele geslacht is de Kauri (Cypraea
-moneta). Deze wordt 1½ à 2 cM. lang, is wit- of geelachtig, breed
-eivormig en van achteren aan weerszijden van twee stompe knobbels
-voorzien. Het talrijkst vindt men haar op de kust der Maledivische
-eilanden, waar zij, volgens berichten uit vroegeren tijd, 2-maal
-in de maand, 3 dagen na nieuwe maan en 3 dagen na volle maan,
-ingezameld wordt. Van hier wordt zij gedeeltelijk naar Bengalen en
-Siam, vooral echter naar Afrika verscheept. De hoofdstapelplaats voor
-den Afrikaanschen kauri-handel is Zanzibar. Van Afrika's oostkust
-begeven zich sedert eeuwen groote karavanen met dit artikel, dat
-geld en koopwaar is, naar het binnenland. Bij scheepsladingen worden
-deze schelpjes door Europeesche schepen van Zanzibar afgehaald en
-aan de westkust tegen de producten des lands, stofgoud, ivoor,
-palmolie, ingeruild. In Goere vertegenwoordigden 700000 Kauris
-een waarde van 594 gulden, 1180 stuks dus 1 gulden; de inkomsten
-van den vorst bedroegen 30 millioen Kauris per jaar. De waarde is
-natuurlijk aan koers onderhevig en hangt af van den aanvoer en van
-de transportkosten. Gewoonlijk zijn zij bij honderd aan een koord
-geregen om het tellen gemakkelijker te maken. Op vele plaatsen is dit
-echter niet gebruikelijk; zoodat de duizenden een voor een afgeteld
-moeten worden. Zoolang de Nederlanders Ceylon bezaten, was dit eiland
-de belangrijkste stapelplaats voor den handel in Kauris; van hier
-werden zij in korven, in balen die ieder 12000 stuks bevatten, of
-(naar Guinea) in vaten verzonden. Een tijdlang werd met behulp van
-Kauris de geheele Afrikaansche slavenhandel gedreven. Voor 12000 pond
-van dit artikel konden 500 à 600 slaven gekocht worden. Tegen het
-midden van de 8e eeuw was de prijs reeds verdubbeld; later werden de
-kustdistricten met Kauri-geld overstroomd en kwamen voor deze schelpen
-andere ruilmiddelen in de plaats.
-
-Merkwaardige soorten uit den Indischen Oceaan zijn: de 10 cM. hooge
-Argus (Cypraea argus), welker geelachtig witte schelp van boven met
-bruine, op oogen gelijkende ringen, van onderen met 4 groote bruine
-vlekken geteekend is;--de 8 cM. hooge Groote Slangenkop (Cypraea
-mauritiana), welker eivormige schelp van boven bultig, van achteren
-neergedrukt, van onderen plat en grootendeels effen zwartbruin is,
-doch een roodbruine bovenzijde, met geelachtig witte, verspreide
-vlekken heeft;--de 4 cM. hooge Kleine Slangenkop (Cypraea caput
-serpentis), die van de vorige verschilt door de dicht bijeenstaande,
-als 't ware een netwerk vormende, witte vlekken;--de 10 cM. hooge
-Tijgerslak (Cypraea tigris), welker van boven en van onderen even
-sterk gewelfde schelp van onderen wit is, doch een blauwachtig witte
-bovenzijde heeft met talrijke, zwartachtig bruine, groote, uitvloeiende
-vlekken en een overlangsche, rechte, roestbruine streep in 't midden.
-
-De Tritonshorenslakken (Tritoniidae) hebben een grooten kop,
-die tusschen de lange, kegelvormige voelers vooruitsteekt. Deze
-dragen de oogen aan de buitenzijde ongeveer op halverhoogte. Een
-tamelijk lange snuit kan door de mondspleet, aan de onderzijde van
-den kop, uitgestoken worden. De schelp is langwerpig eivormig of
-bijna torenvormig, met hooge spiraalwinding, overlangs loopende
-verdikkingen op iederen omgang en een tamelijk lang, recht kanaal
-aan den mond. Het voornaamste geslacht is dat der Kinkhorens
-of Trompetslakken (Tritonium). In de Middellandsche Zee leeft de
-Knobbelige Kinkhoren (Tritonium nodiferum), welker schelp, de Buccina
-der oude Romeinen, door hen als krijgstrompet gebruikt werd en ook
-thans nog de trompet is van de Italiaansche jagers en visschers. Voor
-'t zelfde doel dient de even groote Tritonshoren (Tritonium tritonis)
-bij de kustbewoners van den Indischen Oceaan. De naam "kinkhoren"
-is ontleend aan het geluid, dat men hoort, wanneer men den mond van
-de schelp voor het oor houdt. Dit geluid, dat ook wel "het bruischen
-van de zee" wordt genoemd, hoort men trouwens aan alle niet-te-kleine
-Slakkenhuizen, daar deze een goede resonansbodem opleveren voor het
-mengelmoes van tonen van ieder gedruisch. Eenig gedruisch moet er
-zijn, opdat men een geluid zal hooren; bij absolute stilte zwijgt
-ook de Tritonshoren. Veelvuldig ziet men deze schelp voorgesteld op
-schilderijen, beeldengroepen en reliefs uit den rococo-tijd.
-
-In meer dan één opzicht zijn de Tonhorenslakken (Doliidae)
-merkwaardig. Haar schelp is dunwandig, buikig, dikwijls bijna bolrond,
-de mond wijd, de buitenlip meestal verdikt en over haar geheele
-lengte gekorven. Het dier heeft een langwerpig-eivormigen, grooten
-en dikken voet, die door het opnemen van water sterk in omvang kan
-toenemen. De kop is plat en breed, zijn voorrand tusschen de voelers
-bijna rechtlijnig. Deze zijn lang en dragen de oogen aan de buitenzijde
-op hun verdikt grondstuk. De adembuis is dik, tamelijk lang en wordt
-boven de schelp teruggebogen.--De 11 cM. hooge Tonslak (Dolium perdix)
-uit de Middellandsche Zee is de grootste Slak van dit gebied. Toen
-Prof. Troschel te Messina met dierkundige onderzoekingen bezig was,
-bracht men hem een groot, levend exemplaar van deze soort, dat bij
-aanraking de slurf een halve voet ver uitstak en onmiddellijk door
-de mondopening een straal van een waterheldere vloeistof een voet ver
-uitspoot. Tot zijn groote verbazing zag Troschel, dat deze vloeistof
-overal, waar zij op den uit kalksteen bestaanden vloer neerkwam, een
-opbruisching veroorzaakte en dus geen speeksel, maar een sterk zuur
-was. Het bleek, dat zij 3 à 4 percent vrij zwavelzuur en 0.3 percent
-vrij zoutzuur bevat en dat deze zuren afgescheiden worden door een
-afzonderlijke klier, die naast de eigenlijke speekselklier ligt. Het
-doel van deze verrichting, die, naar Panceri heeft aangetoond, ook bij
-een aantal soorten van de geslachten Cassis, Cassidaria en Tritonium
-voorkomt, is onbekend.--Onderzoekingen op kunsthistorisch gebied hebben
-tot het vermoeden geleid, dat de schelp van de Tonslak het voorbeeld
-is geweest van de spiraalswijze versieringen van de Ionische zuil.
-
-
-
-De beide nu volgende familiën (Aporrhaideae en Strombidae) worden,
-op grond van den eigenaardigen vorm der schelp, Vleugelhorenslakken
-genoemd, hoewel het onderzoek der weeke deelen leert, dat zij
-aanmerkelijk van elkander verschillen. Van het geslacht Aporrhais zijn
-slechts 4 soorten uit de Europeesche zeeën bekend; één daarvan--de
-Pelikaansvoet (Aporrhais pes-pelecani)--komt overal zeer veelvuldig
-voor. Haar huisje is spoelvormig en bestaat uit 10 bolle omgangen,
-die op het midden met naar boven en naar onderen uitloopende ribben
-bezet zijn; op den laatsten omgang vindt men onder deze nog een rij
-kleinere knobbeltjes en daaronder een verhoogde, soms gekorrelde
-lijn. De geheele buitenste oppervlakte is verder met fijne, gegolfde
-strepen bedekt. De binnenlip loopt naar onderen en naar boven uit in
-een spits eindigend kanaal; de vrije mondrand is naar buiten omgeslagen
-en tot een vleugel verbreed, die in 't midden vingervormige verlengsels
-draagt: een korte en twee lange vingers, op welker buitenvlakte de
-knobbelrijen der omgangen als ribben doorloopen, aan de binnenzijde
-van gleuven voorzien, die zich zoover uitstrekken als de mondrand
-omgeslagen is. De buitenlip is aanvankelijk gaafrandig; eerst
-langzamerhand ontwikkelt zich de vleugelvormige uitbreiding met hare
-uitsteeksels. De kop van den bewoner dezer schelp is tot een platten,
-van voren uitgesneden snuit verlengd. De lange, draadvormige voelers
-dragen de oogen aan de buitenzijde op een knobbel. De voet is klein,
-maar geheel voor 't kruipen ingericht, aan weerszijden afgerond. De
-mantel van het geheel volwassen dier is niet sterk verbreed en op de
-plaatsen, waar de schelp vingers heeft, slechts slipvormig uitgegroeid.
-
-De Vleugelhorenslakken i.e.z. (Strombus) en de Vingerhorenslakken
-(Pterocera) zijn zeer zonderling gebouwd. De voet is bijna rechthoekig
-geknikt, een weinig samengedrukt, aan den rand afgerond: het kortere,
-voorste deel is uitgesneden, het zeer lange, achterste deel draagt
-aan 't einde een bijna sikkelvormig, hoornachtig deksel, dat de mond
-van de schelp niet kan sluiten. Deze voet is niet geschikt voor een
-kruipende beweging; het dier springt er mede: schuift het achterste
-deel onder het voorste, brengt beide plotseling in den vorigen stand
-terug en wordt door den schok opgeheven.
-
-De kop draagt twee dikke, cilindervormige stelen, aan welker top
-de meestal buitengewoon groote, schel gekleurde oogen voorkomen; de
-voelers ontspringen aan de binnenzijde van deze stelen in den vorm
-van dunne draden. Tusschen de oogen is de kop tot een langen, niet
-terugtrekbaren snuit verlengd. De mantel is groot, maar dun en heeft
-meestal een draadvormig aanhangsel, gelegen in het bovenste kanaal
-van den lijnvormigen schelpmond, die ook van onderen in een kanaal
-eindigt. De buitenlip van den schelpmond is gewoonlijk vleugelvormig
-uitgespreid, soms naar boven in een lob verlengd, maar nooit voorzien
-van de lange uitsteeksels of vingers, die aan de Vingerhorenslakken
-zulk een eigenaardig voorkomen verschaffen. Bij deze vindt men
-er gewoonlijk 6 (bij Pterocera millepeda 9) aan de buitenlip,
-terwijl bovendien de schelpmond naar onderen en naar boven in een
-vingervormig kanaal uitloopt. De namen Duivelsklauw, Schorpioen,
-Bootshaak, Zeespin doelen op deze eigenaardige uitsteeksels.--De
-12 soorten van Pterocera bewonen de keerkringszeeën, evenals de 80
-Strombus-soorten.--De schelpen van het Reuzenoor (Strombus gigas),
-een in West-Indië zeer veelvuldig voorkomende soort, worden niet
-zelden gebruikt als omlijsting van bloemperken, als bloempotten en
-als bloemvazen; zij kunnen 30 cM. hoog en 4.5 KG. zwaar worden. Om
-te begrijpen, hoe het dier, ondanks dit groote gewicht, springen kan,
-moet men niet uit het oog verliezen, dat het opheffen van een in water
-ondergedompeld voorwerp veel minder kracht vereischt dan in de lucht.
-
-
-
-De Vedertongige Kamkieuwigen (Ctenobranchiata Ptenoglossa) hebben,
-evenals de reeds behandelde leden der onderorde, een uit talrijke
-leden (of dwarsreeksen van tandjes) samengestelde wrijfplaat; de
-leden hebben echter een ander maaksel, bestaan uit een groot aantal
-kleine, haak- of klauwvormige zijplaatjes zonder middelplaat. Met de
-Gaafmondige Bandtongigen komen deze Slakken overeen door het gemis
-van een adembuis, zooals blijkt uit het niet aanwezig zijn van een
-insnijding of kanaal aan den schelpmond. Tot deze groep behooren
-o.a. de Janthiniden, welker meest bekende vertegenwoordigers de
-Kwalbootslakken (Janthina) zijn. Deze hebben een zeer dunne, buikige
-schelp van blauwachtige kleur, in vorm ongeveer overeenkomende met het
-huisje onzer Tuinslakken. Zij leven van dierlijk voedsel in de open
-zee en werpen om zich te verdedigen, doch waarschijnlijk ook om haar
-buit gemakkelijker te vangen, een purperkleurige vloeistof uit, die
-het water in de omgeving troebel maakt. Het meest trekken zij echter
-de aandacht door het aan 't achterste deel van den voet verbonden
-"vlot", dat uit een groot aantal samenhangende, met lucht gevulde,
-kraakbeenharde slijmblaasjes bestaat, waarmede zij aan de oppervlakte
-van de zee blijven hangen. Ondanks de lichtheid van dezen toestel,
-zijn zij niet weerloos overgeleverd aan iedere strooming van het
-water of van de lucht, maar kunnen haar bewegingsrichting wijzigen
-met behulp van een kleine vin, die zich aan weerszijden van den voet,
-een weinig boven zijn rand bevindt.
-
-"Een krachtige storm uit het noordwesten" schrijft Lacaze-Duthiers,
-"had een groot aantal drijftoestellen van Janthinen op den zandigen
-oever van de baai van Boulif niet ver van La Calle" (bij de grens
-van Algerië en Tunis) "geworpen; hierbij waren een groot aantal nog
-levende dieren, die, in een aquarium overgebracht, onmiddellijk hun
-door storm en stranding beschadigd vlot begonnen te herstellen. In
-'t eerst verbaasde ik mij er over, dat alle Janthinen, die haar
-drijftoestel geheel verloren hadden, op den bodem bleven liggen,
-hoewel zij volkomen gaaf waren; eenige van de vlugste kropen, niet
-zonder moeite, met behulp van den voet bij den wand omhoog tot aan de
-oppervlakte en bogen zich daar achterover; het gelukte haar echter
-slechts bij uitzondering een vlot te vervaardigen; de meeste zonken
-weer naar den bodem. Nooit zag ik ze, gelijk zoovele andere Slakken,
-door uitzetting en samentrekking van den voet zwemmen. Het dier met de
-schelp scheen te zwaar te zijn om zonder vlot te kunnen drijven. De
-exemplaren, die op den bodem lagen, stierven zeer spoedig". Door de
-Slak met behulp van een steunsel van metaaldraad zoo dicht bij den
-waterspiegel te brengen, als zij zich met haar vlot zou bevinden,
-leerde Lacaze-Duthiers haar wijze van werken kennen.
-
-De voet bestaat uit twee afdeelingen: de achterste, waaraan het vlot
-vastzit, is plat en grooter dan de voorste (p), welker benedenwaarts
-omgekrulde rand een kanaal van voortdurend veranderende gedaante vormt,
-dat bij het vervaardigen van het vlot een hoofdrol speelt. Het wordt
-naar voren gestrekt en vervolgens boven den waterspiegel opgeheven,
-waar het een luchtbel (b) omvat, die, met een door den voet uitgezweete
-slijmlaag omhuld, door het intusschen achterwaarts gebogene, naar
-rechts of links overhellende orgaan tegen het voorste deel van het
-vlot wordt aangedrukt. Zoodra het vlot gereed is, blijft het voorste
-deel van den voet er op liggen. Hoewel de aanvankelijk weeke slijmlaag
-in het water weldra hard wordt, is het drijftoestel zoo broos en aan
-zoovele gevaren blootgesteld, dat zijn draagkracht waarschijnlijk
-zeer dikwijls door toevoeging van nieuwe blaasjes op de vereischte
-grootte moet worden teruggebracht.
-
-Een andere eigenaardigheid van de Janthinen is, dat het wijfje de
-eieren in kleine cocons aan de onderzijde van haar vlot medevoert. Men
-weet niet, hoe zij ze hier bevestigt. Alleen het toeval zal ons
-hierover kunnen onderrichten, daar alle teere bewoners van de open
-zee, in een aquarium slechts kort in 't leven blijven, waarschijnlijk
-vooral, omdat men hun geen geschikt voedsel kan verschaffen en het
-bovendien uiterst moeilijk is het water op den vereischten graad van
-reinheid te houden.
-
-Tot dezelfde groep behooren de Wenteltrapslakken (Scalariidae). Op
-de Noordzeekust vindt men vrij veelvuldig de 35 mM. hooge Gewone
-Wenteltrap (Scalaria communis), die, evenals de andere leden van haar
-geslacht, een wit, porseleinachtig, torenvormig huisje heeft met bolle,
-overlangs geribde wendingen. Bij haar komt geen navel voor, wel bij
-de 50 cM. hooge, uit Oost-Indië afkomstige Echte Wenteltrap (Scalaria
-pretiosa), welker omgangen bovendien alleen door de overlangsche ribben
-met elkander in aanraking komen. Vroeger werden voor het laatstgenoemde
-schelpje door de verzamelaars zeer hooge prijzen besteed, soms wel
-f 200; thans is het wel voor een rijksdaalder te krijgen.
-
-Een tolvormig of schijfvormig huisje met wijden en diepen navel,
-waardoor men tot aan den top kan zien, hebben de Verrekijker- of
-Zonnewijzerslakken (Solariidae), waarvan de meest gewone soort,
-de Oost-Indische Solarium perspectivum, een middellijn van 60 à 65
-mM. kan bereiken.
-
-
-
-Bij de afdeeling der Smaltongigen (Rhachiglossa) is de wrijfplaat
-lang en smal, bandvormig, ieder lid (of dwarsreeks) samengesteld
-uit een middelplaat (welks achterrand gewoonlijk met uitstekende,
-scherpe tanden bezet is) en twee (soms ontbrekende) zijplaten. Alle
-hebben een adembuis en bijgevolg een kanaal of insnijding aan het
-voorste deel van den schelpmond; zij bewonen de zee en voeden zich
-bijna zonder uitzondering met dieren.
-
-De familie der Plooihorenslakken (Volutaceae), die zich kenmerkt
-door het gemis van zijplaten aan de wrijfplaat en haar naam ontleent
-aan de sterk uitpuilende, schuinsche plooien op de spil, omvat een
-aantal voor verzamelaars van conchyliën zeer merkwaardige soorten,
-van welker levenswijze echter zoo goed als niets belangrijks
-valt mede te deelen. Merkwaardig zijn o.a. wegens hun grootte:
-de Gekroonde Tepelbak of Moorenkroon (Cymbium aethiopicum, 135
-mM. hoog) en de Neptunuswagen (Cymbium Neptuni, 240 mM. hoog), beide
-afkomstig uit de Perzische Golf,--wegens de teekening van de schelp: de
-West-Indische Muzieknotenslak (Voluta musica), met bruine, evenwijdige
-dwarslijnen (als notenbalken) en bruine stippels (als muzieknoten),
-de Oost-Indische Vleermuisslak (Voluta vespertilio) met roodbruine,
-zigzagvormige strepen en vlekken.
-
-Ongeveer hetzelfde valt op te merken van de Mijterslakken (Mitridae),
-die een kleineren, breederen voet en een veel langere slurf
-(soms langer dan de schelp) hebben dan de vorige, waarvan zij
-bovendien verschillen door haar spoelvormige schelp met spitse,
-hooge winding. Door de kleur van de schelp en de knobbels aan den
-naad onderscheiden zich de voor verzamelaars belangrijke soorten
-Mitra episcopalis, papalis, pontificalis, cardinalis, enz.
-
-De schelp van de Olijfhorenslakken (Oliva), die een gelijknamige
-familie vertegenwoordigen, herinnert aan die van den Porseleinhoren,
-maar verschilt er van, doordat de jongste windingen de oudere niet
-geheel bedekken; steeds is een, wel is waar korte, maar spitse
-winding zichtbaar, met diepen, groefvormigen naad. Zij is glad en
-glanzig, daar de zijstukken van den eivormigen, zeer breeden voet
-over de schelp heengelegd worden. De voorste lob van den voet, aan
-weerszijden door een diepe insnijding begrensd, steekt ver voorbij den
-kop uit. Deze is klein; de voelers zijn naast elkander vastgehecht en
-dragen aan de buitenzijde, op tamelijk grooten afstand van hun basis,
-de oogen. De mantel is van voren uitgegroeid tot een lange adembuis
-met een haar gedeeltelijk omgevende plooi, van achteren tot een draad,
-die in den naad van de winding ligt. Deze Slakken bewonen bij voorkeur
-een zandigen zeebodem in helder water, kruipen zeer snel en vreten
-vleesch; zij moeten zich echter, wegens de zwakke bewapening van
-de tong, tot zuigen bepalen. Ongeveer 150 soorten van dit geslacht
-bewonen de tropische zeeën.
-
-De Harpslakken (Harpa) hebben een zeer grooten voet, die veel breeder
-is dan de schelp en in uitgestrekten toestand ook tweemaal zoo lang. De
-fraaie, eivormige, min of meer opgeblazene schelpen zijn gemakkelijk
-te herkennen aan de evenwijdige, scherprandige, overlangsche
-ribben. Reeds Rumph heeft opgemerkt, dat deze Slakken, die den
-Indischen en den Stillen Oceaan bewonen, door hevige samentrekkingen
-het achterste deel van den voet afwerpen kunnen. Dwars door den voet
-loopt n.l. een waterkanaal; op deze zwakkere plaats komt de scheiding
-tot stand. Hoewel het verloren lichaamsdeel zeer groot is, groeit
-het schielijk weder aan.
-
-Een zeer veelvuldig aan onze kust voorkomende soort--de Wulk, ook
-wel eenvoudig Horen genoemd (Buccinum undatum)--dient gewoonlijk
-als voorbeeld bij het bespreken van de familie der Bucciniden. De
-8 à 9 cM. hooge schelp is kegel-eivormig, buikig en op de bolle,
-overlangs geplooide omgangen van uitpuilende dwarslijnen en fijne,
-overlangsche strepen voorzien. Aan de beide hoeken van den platten, van
-voren afgeknotten kop bevinden zich de tamelijk lange voelers, waarop
-aan de buitenzijde, dicht bij de basis, de oogen voorkomen. De voet is
-groot, van achteren en aan de beide voorste hoeken afgerond. De Wulk
-houdt zich op in de nabijheid van zandige kusten en dringt dikwijls met
-behulp van den voet in den bodem door, met het doel om de hier levende
-Mossels (Pecten opercularis, soorten van Mactrina, Tellina, Venus en
-andere geslachten) buit te maken, die zij verslindt, na haar met de
-tong een gat in de schelp geboord te hebben. Op ons zeestrand vindt
-men dikwijls schelpen, die, blijkens de regelmatige ronde opening,
-die zij vertoonen, op deze wijze zijn leeggevreten. De Wulken en
-hare verwanten (vooral de Purperslakken en de Stekelhoornslakken)
-vernielen allerlei eetbare Weekdieren (o.a. Oesters en Mossels),
-maar worden zelf ook gegeten (komen op de Londensche vischmarkt
-o.a. geregeld voor); bovendien leveren zij aas voor de vischvangst.
-
-Ledige eiernesten van de Gewone Wulk, bij de strandbewoners bekend
-onder den naam van "zeeschuim", worden veelvuldig door de golven
-op het strand geworpen. Het zijn rondachtige opeenhoopingen van
-gele, vliezige blaasjes, half zoo groot als erwten en samengedrukt
-bolvormig; die, welke men op het strand vindt, zijn opengebarsten en
-dienen dikwijls tot schuilplaats aan kleine strandbewoners. De Slakken
-hechten deze door een dikken band onderling vereenigde eierenzakjes
-vast aan allerlei onderzeesche voorwerpen, aan steenen, stukken hout,
-oesterschelpen, enz.; hun wand is aanvankelijk zoo dun en doorzichtig,
-dat men er de eieren gemakkelijk met een vergrootglas in kan waarnemen;
-ieder zakje bevat er niet minder dan 600 à 800 en levert toch slechts
-4 à 12 jonge Slakken op. De kiem ontwikkelt zich uit den inhoud van
-een enkel ei, bezit weldra, behalve andere organen, ook een mond en
-een spijskanaal en verslindt dan de haar omringende, niet ontkiemde
-eieren, die eenvoudig als voedsel dienen. Bij deze Slakken bestaat de
-inhoud van het ei uitsluitend uit den zoogenaamden "vormingsdooier",
-die door celdeeling de weefsels van de kiem levert; bij andere
-dieren vindt men er ook nog den zoogenaamden "voedingsdooier" in,
-die in het spijskanaal van het jonge dier opgenomen en verteerd
-wordt. Aanvankelijk zijn alle in een kapsel aanwezige eieren volkomen
-gelijk van aard; de eigenlijke reden waarom er slechts zoo weinige
-van tot ontwikkeling komen, is onbekend.
-
-Ook bij onze Gewone Purperslak (Purpura lapillus) ontwikkelen zich
-een gering aantal jongen ten koste van de groote meerderheid der
-eieren. Deze drijven ten getale van 500 à 600 in een taai, helder vocht
-en zijn omhuld door een fleschvormig, hoornachtig zakje; de fleschjes
-zijn, op rijen naast elkander, ieder door tusschenkomst van een dunner
-steeltje en een breeder grondstuk, bevestigd aan een steen of rots.
-
-Alle Purperslakken zijn traag en langzaam; de genoemde blijft dagen en
-weken achtereen op dezelfde plaats zitten. Nog trager zijn eenige van
-hare kleine verwanten, die op het Waaierkoraal (Gorgonia flabellum)
-en andere West-Indischen Gorgoniën leven. Zij veranderen in 't geheel
-niet van plaats en omvatten met den stijf aangedrukten mantelrand één
-of meer takken van den stok; intusschen groeit de weeke, buitenste laag
-van de Gorgonie om de schelp heen, zoodat de Slak ten slotte slechts
-door een kleine opening met de buitenwereld in gemeenschap staat.
-
-De leden van 2 zeer nauw aan Purpura verwante geslachten, die zich
-aanvankelijk vrij bewegen, Magilus en Rhizochilus, ondergaan, nadat zij
-zich vastgehecht hebben, zeer merkwaardige veranderingen, die zoowel
-den vorm van het huisje als de wijze van voeding en de levenswijze in
-'t algemeen betreffen. Op jeugdigen leeftijd is het verschil tusschen
-Rhizochilus antipathum en jonge exemplaren van sommige Purpura-soorten
-al zeer gering. Wanneer men de eerstgenoemde soort op lateren leeftijd
-beschouwt, nadat zij zich aan een polypenstok heeft vastgehecht,
-merkt men bij haar een merkwaardige verandering op in de omgeving
-van den mond der schelp; de aanvankelijk enkelvoudige lippen zijn
-sterk gezwollen en hebben een of meer takken van het Hoornkoraal
-omvat. Door de steeds voortschrijdende kalkafscheiding blijft ten
-slotte van den mond der schelp niets anders over dan de opening van
-het naar voren gerichte kanaal; deze verlengt zich tot een buis, die
-groote overeenkomst vertoont met den koker van een Worm (Serpula) en in
-dezelfde mate groeit, als de schelp bedekt wordt door de steeds verder
-zich uitbreidende Polyp. Natuurlijk leidt de Slak nu een geheel ander
-leven dan vroeger; nadere bijzonderheden hierover zijn niet bekend.
-
-Magilus antiquus komt voor in de Roode Zee; haar schelp wordt allengs
-overdekt door de kalkmassa van een Steenkoraal, terwijl de geheele
-schelpmond uitgroeit tot een wijde buis, die vergroot wordt, naarmate
-de polypenstok zich uitbreidt; intusschen vult de Slak de vroeger
-door haar bewoonde ruimten met kalk.
-
-Bij de Stekelhorenslakken (Murex) is de buitenlip omgeslagen of
-verdikt, waardoor op de omgangen bultige, geplooide of stekelige,
-overlangsche lijsten ontstaan, op elken omgang minstens drie; de lagere
-vereenigen zich in schuinsche richting met de hoogere tot doorloopende
-rijen. De kleine, ronde schelpmond loopt naar voren uit in een recht
-of gebogen, soms gesloten kanaal. De 95 mM. hooge Murex brandaris
-en de kleinere Murex trunculus komen beide in de Middellandsche Zee
-zeer algemeen voor, gene op slijkerigen, deze op steenachtigen grond;
-bij gene zijn de stekels en het kanaal recht en lang; bij deze is
-het kanaal middelmatig lang en gebogen, en zijn de stekels door
-knobbels vervangen. Beide worden in groote hoeveelheid ingezameld,
-ter markt gebracht en gegeten. Vooral aan haar werd door de ouden de
-beroemde kleurstof ontleend, die voor het purperverven diende en zoo
-kostbaar was, dat een purperen gewaad als onderscheidingsteeken gold
-voor voorname lieden. Destijds was het purperverven in geheel Italië
-en Griekenland een zeer belangrijke tak van nijverheid, die vooral te
-Rome bloeide, waar de Monte Testacea ontstaan is uit de schelpen der
-hiervoor gebruikte Slakken. Tegenwoordig kan men op veel goedkoopere
-wijze niet minder duurzame en fraaie kleuren verkrijgen en dient
-de bedoelde verfstof hoogstens nog op enkele afgelegene eilanden
-en kusten voor het merken van kleedingstukken. Zij was reeds in het
-vergeetboek geraakt, lang voordat de uitmuntende onderzoekingen van
-Lacaze-Duthiers een helder licht wierpen op hare eigenschappen. Toen
-deze geleerde in den zomer van 1858 in de haven van Mahon allerlei
-zeedieren verzamelde en hierbij geholpen werd door een visscher, zag
-hij dezen kleedingstukken merken door er met een stukje hout plompe
-letters en figuren op te teekenen, die aanvankelijk een geelachtige
-kleur hadden. "Zij zullen rood worden," zeide de visscher, "zoodra
-de zon er op geschenen heeft", en doopte tevens het houtje in het
-taaie afscheidingsproduct van den mantel, dien hij had losgescheurd
-van een Slak, waarin onze zoöloog onmiddellijk Purpura haemastoma
-herkende. De verfstof is wit of lichtgeelachtig op 't oogenblik,
-dat men haar aan 't dier ontneemt; dit kan het best geschieden met
-een tamelijk stijf penseel, dat men over de geelachtige purperklier
-(zie de onderstaande afbeelding bij p) strijkt en dadelijk afveegt op
-de plaats, die geverfd moet worden. Terwijl men de stof aan de werking
-der zonnestralen blootstelt, verbreidt zij een hoogst onaangename,
-doordringende lucht en gaat achtereenvolgens door citroengeel,
-groenachtig geel en groen in violet over, dat allengs donkerder
-wordt. De tint hangt af van de hoeveelheid verfstof; de bekwame verver
-is dus in staat allerlei nuanceeringen voort te brengen.
-
-Om het orgaan te leeren kennen, waardoor het purper afgescheiden
-wordt, moet men de Slak, door het stuk slaan van de schelp, uit haar
-woning verwijderen en den mantel doorsnijden tusschen de kieuw (b)
-en een iets verder naar rechts gelegene geelachtig groene band (p),
-die men beide reeds vóór deze bewerking door den mantel heen waarnemen
-kan. De laatstgenoemde is de purperklier.
-
-Behalve de reedsgenoemde Murex-soorten bezigde Lacaze-Duthiers voor
-zijne proeven ook de Geschubde Stekelhoren (Murex erinaceus), die
-in den Atlantischen Oceaan aan de Fransche kust voorkomt en, hoewel
-zelden, ook in de Noordzee bij onze kust gevonden wordt, voorts twee
-soorten van Purpura, n.l. P. haemastoma (zie boven) en P. lapillus. Uit
-de beschrijving, die Plinius geeft van de Slakken, welke oudtijds
-voor de purperververij dienden, blijkt, dat het tegenwoordige geslacht
-Purpura bij hem "Buccinum", Murex echter "Purpura" heet.
-
-De Spilhorenslakken (Fusus) hebben een zeer kleinen kop met voelers,
-die op de helft van hun hoogte de oogen dragen en onder een scherpen
-hoek samenkomen. Ook de voet is betrekkelijk klein. De schelp is
-spoelvormig; loopt naar achteren uit in de lange, spitse winding,
-naar voren in een (meestal zeer lang) recht kanaal. Bij den 30
-cM. hoogen Reuzenspilhoren (Fusus colosseus) uit den Indischen Oceaan
-is het kanaal 2-maal zoo lang als de winding; het is kort bij den 15
-cM. hoogen Noordhoren [Fusus (Neptunea) antiquus], een der weinige
-Europeesche vertegenwoordigers van zijn geslacht en tevens de grootste
-Slak onzer kusten. Zij wordt voor Texel dikwijls met netten van den
-zeebodem opgehaald en levert aas voor de vischvangst. Men vindt
-haar schelp slechts zelden op ons strand; op de Hebriden wordt
-zij in horizontale richting aan een koord opgehangen en als lamp
-gebruikt. Evenals een groot aantal andere Weekdieren, leeft deze
-Slak in het noorden van den Atlantischen Oceaan, vooral aan de kusten
-van Scandinavië en Schotland, op geringer diepten dan in het zuiden;
-haar woonplaats is des te dieper, naarmate zij verder zuidwaarts ligt.
-
-
-
-Pijltongigen (Toxoglossa) noemt men de Kamkieuwige Voorkieuwigen,
-welker lange en smalle wrijfplaat uit slecht 2 overlangsche reeksen van
-holle, pijlvormige zijtanden (zonder middeltand) bestaat; soms zijn zij
-van weerhaken voorzien. Door de tanden, die zich bij 't uitstulpen van
-de slurf naar voren richten, stroomt het afscheidingsproduct van een
-onparige gifklier in de wonde van den aan de tong gespieste buit. Alle
-hebben een adembuis, leven in de zee en voeden zich met dieren.
-
-De belangrijkste van de 4 tot deze groep behoorende familiën is die
-der Kegelhorenslakken (Conidae) niet slechts wegens de veelvormigheid
-van het typische geslacht Conus, dat 526 levende en 160 fossiele
-soorten omvat, maar ook wegens de fraaiheid der schelpen, die tot
-de meest aantrekkelijke bestanddeelen eener conchyliën-verzameling
-behooren. Voor één exemplaar van den 5 cM. hoogen Onvergelijkelijken
-Kegelhoren (Conus cedo-nulli)--van welke soort in den Atlantischen
-Oceaan, vooral in Westindië en aan de oostkust van Zuid-Amerika,
-vele variëteiten voorkomen--werd eens door een liefhebber 300 guinjes
-besteed. Zeer gezocht zijn ook de Admiraal-toot (Conus ammiralis),
-de Oranje-admiraal-toot (Conus aurisiacus), de Goudlaken-toot
-(Conus textilis) en de Roem-der-zeetoot (Conus gloria-maris) uit de
-Moluksche Zee.
-
-De Kegelhoren is meestal omgekeerd kegelvormig, met korte, laag
-kegelvormige of zelfs platte winding (in dit geval heet de schelp
-"ingewikkeld"); de smalle, overlangsche, spleetvormige mond heeft een
-enkelvoudige, rechtlijnige buitenlip en van boven een spoor van een
-kanaal. In verband hiermede zijn de voet en het hoornachtige deksel
-lang en smal. De kleine, snuitvormige kop draagt korte, cilindrische
-voelers, waarop, niet ver van de spits, de oogen zitten. De sipho is
-bij sommige soorten kort, bij andere half zoo lang als de schelp. De
-berichten over de levenswijze dezer Slakken, die bijna uitsluitend de
-intertropische zeeën bewonen en op tamelijk groote diepte, meestal
-op slikgrond, verblijf houden, zijn zeer schaarsch. De bewering,
-dat zij planten eten, is moeielijk te rijmen met de bewapening
-van de tong. Volgens Rumph worden verscheidene soorten--van den
-Gemarmerden Kegelhoren (Conus marmoreus) ook de eieren--door de
-bewoners van Oostindië gegeten. Deze verwerken de schelp van Conus en
-van vele andere Slakken, tot allerlei aardige luxe-artikelen, o.a. tot
-vingerringen. Bij het doorzagen van de schelp blijkt, dat de wanden
-der binnenste omgangen papierdun zijn, daar het dier ze grootendeels
-weer oplost, zoodra zij niet meer aan de oppervlakte liggen.
-
-
-
-Bij de Waaiertongige (Rhipidoglossa) bevat ieder lid van de radula,
-behalve de middelplaat en minstens 3 paar tusschenplaten, een zeer
-groot aantal (bij Nerita 60) kleine, smalle randplaten, die elkander
-waaiersgewijs bedekken. De leden dezer onderorde heeten ook wel
-Schildkieuwigen (Aspidobranchiata) naar de groote, vóór op den rug
-gelegen holte, die de beide (alleen met de basis vastgehechte)
-soms vergroeide kieuwbladen bevat. De ademhalingsorganen zijn
-bij de Scutibranchiën (b.v. de Nerietslakken en Tolhorenslakken)
-asymmetrisch, naar links verschoven, waarmede een gaafrandige mantel
-(en schelpmond) gepaard gaat. De Zeugobranchiën (b.v. de Zee-ooren)
-met hunne steeds tweeledige, min of meer symmetrisch geplaatste
-kieuwen, hebben daarentegen den mantelrand van voren diep ingesneden
-en bij gevolg aan de buitenlip een spleet of een reeks van gaten;
-de Sleutelgathorens (Fissurella) hebben het ademgat aan den top van
-de schelp. De voet draagt dikwijls draadvormige aanhangsels aan den
-rand en heeft een aanzienlijke grootte. Alle Schildkieuwigen zijn
-planteneters; de meeste bewonen rotsachtige zeekusten.
-
-Alleen de familie der Nerietslakken (Neritidae) bevat ook
-zoetwaterdieren, meer dan 100 soorten, die bijna alle tot het
-geslacht Neritina behooren. De Nerieten hebben een breeden, platten,
-omgekeerd-hartvormigen kop en geplooide randen aan de groote,
-onderstandige mondspleet. Aan de buitenzijde van den oorsprong
-der beide lange, spitse voelers zijn op een korten steel de oogen
-gezeten. De half-bolvormige, van onderen platte, ongenavelde schelp
-heeft een zeer korte winding en een halfcirkelvormige, gaafrandige
-opening, welker afgeplatte binnenlip dikwijls een getanden rand
-heeft. Een uitsteeksel aan de binnenzijde van het verkalkte deksel
-grijpt bij het sluiten van den horen achter den spilrand. Men
-kent ongeveer 300 soorten van Nerietslakken uit alle deelen van de
-wereld. Zeer algemeen verbreid is in Midden-Europa de Rivier-neriet
-[Nerita (Neritina) fluviatilis], een slakje van ongeveer 8 mM. hoogte
-en 10 mM. middellijn, dat ook bij ons in rivieren en beken, poelen
-en moerassen, op steenen en waterplanten veelvuldig aangetroffen
-wordt. Het witte, met roode of paarse vlekken, vlammen en strepen
-bont geteekende schelpje is dun, maar vergeleken met de schelpen der
-overige inheemsche Zoetwaterslakken, buitengewoon stevig. Evenals
-vele andere geslachten van zoetwaterdieren, bevat ook Neritina een
-aantal brakwatervormen en ook soorten, die in zeer verschillende
-watersoorten kunnen leven.
-
-Het opmerkelijk verschijnsel, dat hierboven van Buccinum en Purpura
-werd vermeld, n.l. dat slechts weinige embryonen zich ontwikkelen ten
-koste van een groot aantal eieren, komt ook bij de Rivier-neriet voor.
-
-Reeds in de alleroudste fossielen-bevattende lagen treft men
-overblijfsels van Tolhorenslakken (Trochidae) aan. De leden dezer
-omvangrijke familie (meer dan 1000 soorten) hebben een spiraalswijs
-gewonden, meestal tol- of torenvormige, van binnen parelmoerglanzige
-schelp met een hoornachtig of verkalkt deksel.
-
-Tolvormig, met afgeronden, buikigen laatsten omgang is de woning van
-de Maanhoren-Slakken (Turbo). Hoewel de beide lippen niet samenhangen,
-is de schelpmond cirkelvormig. De kop is tot een snuit verlengd. Aan
-de buitenzijde van de lange voelers staan de oogstelen; tusschen
-de voelers steken twee voorhoofdslobben uit. Aan weerszijden van
-den voet komen in den regel 3 draden voor en dikwijls bovendien een
-franjedragenden, vliezigen rand. Het deksel is dik en sterk verkalkt,
-soms bijna halfbolvormig. Eertijds vonden de deksels van den Rimpeligen
-Maanhoren (Turbo rugosus)--en van verscheidene andere tropische
-soorten--onder den naam "zeenavel" (umbilicus marinus) een plaats
-in de apotheek; vooral tegen "het zuur" werden zij aangewend. Vele
-leden van dit geslacht worden gegeten. De Chineezen gebruiken stukken
-van de prachtig parelmoerglanzige schelp voor het inleggen van hun
-verlakte houtwaren.
-
-Nauw verwant aan het vorige geslacht is dat der Tolhorens
-i.e.z. (Trochus); ook deze zijn duidelijk kegel- of tolvormig;
-de omgangen zijn echter min of meer hoekig; de basis is vlak en
-de mond meestal ruitvormig. Zoowel van Trochus als van Turbo kent
-men meer dan 200 soorten uit alle zeeën. De fraaiste van de niet
-zeer talrijke Europeesche soorten is de 3 cM. hooge Jujube-tolhoren
-(Trochus zizyphinus). In de Noordzee vindt men veelvuldiger de 1.8
-cM. hooge Aschgrauwe Tolhoren (Trochus cinerarius).
-
-
-
-Door talrijke, voor 't meerendeel fossiele overgangsvormen
-(Pleurotomariidae) hangen de Zee-oorslakken (Haliotidae), die tot
-de Zeugobranchiën gerekend worden, met de vorige groep samen. De
-ademholte ligt bij haar aan de linkerzijde en bevat twee symmetrische
-kieuwen. Haar schelp verschilt aanmerkelijk van den Tolhoren: haar
-platte schotelvormige gedaante herinnert eenigszins aan een menschen
-oor. De omgangen nemen zoo snel in wijdte toe, dat de laatste verreweg
-het grootste deel van de schelp uitmaakt. Aan de linkerzijde heeft zij
-een aan den rand evenwijdig loopende reeks van gaten; de achterste
-sluit zich, terwijl aan den rand een nieuwe opening ontstaat, die
-aanvankelijk van voren geopend is. Door deze openingen, die water in
-de kieuwholte toelaten, steekt het dier de draadvormige aanhangsels
-van den voet naar buiten. De buitenzijde van de schelp is niet fraai,
-dikwijls schilferig, soms met groenachtige strepen geteekend; de
-binnenzijde echter iriseert met de prachtigste kleuren; metaalachtig
-groen heeft de overhand. Een tamelijk uitgestrekte, oneffene plek
-geeft aan, waar het dier met de schelp vereenigd is geweest. De rand
-van den mantel steekt voorbij de schelp uit en is bezet met groene
-en witte franjes en draadvormige aanhangsels. De Zee-ooren leven
-in de strandzone, doch op zulk een diepte, dat zij bij laag water
-niet geheel op het droge komen te liggen. Zij bewonen bij voorkeur
-rotsachtige oevers, houden zich overdag meestal verborgen onder
-steenen en grazen in de duisternis de wieren af. Meer dan 70 soorten
-zijn over de zeeën der warme en gematigde aardgordels verbreid, vooral
-langs de kusten van Indië en Australië. De noordelijke grens van haar
-verbreidingsgebied is het Kanaal. Daar treft men soms het 8 cM. wijde
-Knobbelige Zeeoor (Haliotis tuberculata) aan; veelvuldiger vindt men
-het in de Middellandsche Zee; in Italië wordt het onder den naam van
-"Oor van Sint-Petrus" op de markt gebracht en gegeten. Bekend is het
-gebruik, dat van het Reuzenzeeoor (Haliotis tubifera) als aschbakje
-wordt gemaakt. Bij deze 14 à 16 cM. wijde schelp zijn de randen der
-ademgaten uitgegroeid tot 5 à 6 mM. lange tuitjes. Zij is afkomstig
-van de kusten van Oost-Azië en Australië; haar bewoner wordt gegeten.
-
-
-
-De onderorde der Gordelkieuwigen (Cyclobranchiata) wordt grootendeels
-gevormd door het meer dan 150 soorten omvattende geslacht der
-Schaalhorens (Patella).
-
-De schelp is kort kegelvormig, met eivormige opening en naar voren
-gerichten top. De kop is verlengd tot een korten, dikken snuit (zie
-onder bij l) met 2 lange spitse voelers (e), aan welker buitenzijde,
-bij de basis, de oogen staan. De mantelrand (b) is dikwijls van franjes
-voorzien; daaronder strekt zich een krans van kieuwplaatjes (c) uit,
-die slechts door den kop wordt afgebroken; in 't midden is de breede
-voor 't kruipen geschikte voet (a) zichtbaar. Van de inwendige organen
-verdient vermelding de buitengewoon lange, met 6 reeksen van tandjes
-gewapende tong.
-
-De meeste Schaalhorens bewonen de strandzone, vele de streek, die
-geregeld bij laag water droog komt te liggen. Hoewel de Patellen
-nooit, zooals verscheidene vroeger behandelde Slakken, op een
-bepaalden leeftijd vastgroeien, gelijken zij door hun buitengewone
-traagheid en onbeweeglijkheid zeer veel op deze voorgoed vastgehechte
-wezens. Réaumur vond, dat een gewicht van 14 à 15 KG. noodig was om
-een Gewonen Schaalhoren (Patella vulgata) los te rukken. Deze soort
-leeft aan de Europeesche kusten en komt, hoewel zelden, ook bij de onze
-voor. Zij levert een niet bijzonder smakelijk voedsel aan de armste
-klassen van de kustbewoners. De Doorzichtige Schaalhoren (Patella
-pellucida), een bewoner van de Noordzee en de kust van Noorwegen,
-verdient dezen naam door de teerheid van de schelp; zij hecht zich
-even stevig aan planken als hunne verwanten aan rotsen. Haar kleur
-is in hooge mate afhankelijk van die der omgeving: bleek hoornkleurig
-op het donkere, stengelvormige, fraai purperkleurig met lichtblauwe,
-overlangsche strepen op het doorschijnende, bladvormige loof der
-wieren. Zij leven beneden de strandzone op plaatsen, die nooit droog
-komen te liggen.
-
-
-
-
-
-ZESDE ORDE.
-
-DE KEVERSLAKKEN (Cnemidophora).
-
-De Keverslakken, die een uit ruim 400 soorten bestaande familie
-vormen (Chitonidae), herinneren door verscheidene eigenaardigheden
-aan de Wormen en worden daarom door sommige onderzoekers als
-een afzonderlijke klasse (Amphineura) aan deze hoofdafdeeling
-toegevoegd. Anderen beschouwen de Chitoniden als een klasse van
-Weekdieren (Placophora). Nog anderen geven haar, wegens het maaksel
-van den voet en van de wrijfplaat, een plaats in de klasse der
-Gastropoden. Hoewel het dier van boven gezien voor een oogenblik aan
-een platte, langwerpige, ovale Schaalhorenslak herinnert, bemerkt men,
-bij nader onderzoek, een groot verschil. De schelp, die het midden
-van den rug van de Slak bedekt, bestaat n.l. uit 8 verkalkte, door
-gewrichten vereenigde dwarsplaten, ieder met den achterrand over den
-voorrand van de volgende plaat uitgestrekt. Voorbij deze schelp steekt
-de rand van den mantel uit, die zich bij sommige soorten (niet bij
-de hierboven afgebeelde) min of meer over de schelp uitbreidt en haar
-zelfs geheel aan 't oog onttrekken kan. De mantel is soms glad, soms
-met knobbeltjes of schubben bezet, soms met kleine, hoekige papillen
-als 't ware geplaveid, soms met stekels uitgerust. Na 't omkeeren
-van het dier ziet men den voet, die even breed is als de schelp en
-hierdoor aan dien der Patellen herinnert. Verder naar voren, aan de
-onderzijde, ligt de mondopening. Een eigenlijke kop ontbreekt; zijn
-plaats wordt ingenomen door een halfcirkelvormige opzwelling zonder
-voelers of oogen. De aarsopening is, in tegenstelling van hetgeen bij
-alle Echte Slakken voorkomt, geheel aan 't andere uiteinde van den
-stam gelegen: de Keverslakken zijn zuiver bilateraal symmetrisch. Aan
-het achterste deel van 't lichaam, tusschen den mantel en den voet,
-is aan weerszijden een rij van kieuwplaatjes gelegen.
-
-Vele Keverslakken hebben oogen in de schelp! Deze liggen in
-de opperhuid der schelpstukken: bij sommige regelmatig op rijen
-gerangschikt, bij andere onregelmatig verspreid. Uitwendig vertoonen
-zij zich als ronde of ovale, bolle vlekjes, die het licht sterk
-breken. Hun aantal is soms zeer aanzienlijk: bij een groot exemplaar
-van Corephium aculeatum wordt het door Moseley op 11500 geschat. Dat
-deze eigenaardige plaatsing der oogen voor de Keverslakken van groot
-belang is, vloeit voort uit haar levenswijze. Vele soorten hechten
-zich gaarne dicht bij den waterspiegel aan steenen vast, zoo dat zij
-bij eb droog komen te liggen. Wanneer haar nu een gevaar bedreigt,
-kunnen zij er op tweeërlei wijze aan ontkomen. Eenige soorten rollen
-zich, als sommige Pissebedden en Duizendpooten, tot een bol ineen,
-hiertoe in staat gesteld door den bouw der schelp, en laten zich
-vallen; zij komen dan op den bodem van 't water te recht of ook wel
-op het strand, waar zij, wegens haar indifferente kleur en bolronden,
-aan kiezelsteenen herinnerenden vorm, tusschen de afgeronde steentjes
-moeielijk te vinden zijn. Andere soorten hechten zich, wanneer men de
-hand in haar nabijheid brengt, nog voordat men ze heeft aangeraakt,
-zoo stevig vast aan den steen, waarop zij zitten, dat het niet
-mogelijk is ze onbeschadigd los te maken. Blijkbaar hebben zij dus het
-gevaar vooraf bemerkt. Deze dieren schijnen éénslachtig te zijn. Hun
-ontwikkelingsgeschiedenis is ons bekend door Loven's onderzoekingen,
-die betrekking hebben op de Omzoomde Keverslak (Chiton marginatus),
-een in de Noordzee en aan de Noorsche kust voorkomende soort. De
-larve gelijkt meer op die van sommige Borstelvormen dan op die der
-overige Mollusken. Behalve de laatstgenoemde soort heeft Maitland aan
-onze kust gevonden: de Aschgrauwe Chiton (Chiton cinereus), de Gladde
-Chiton (Chiton laevigatus) en de Fluweelen Chiton (Chiton laevis). In
-levenswijze gelijken deze dieren veel op de Schaalhorenslakken;
-zij bewegen zich even weinig als deze.
-
-
-
-
-
-
-
-DERDE KLASSE.
-
-DE GRAAFVOETIGEN (Scaphopoda).
-
-
-Ook over de plaats, die de Stoottand- of Tandhorenslakken (Dentalidae),
-ook wel Meshefthorens (Solenoconchae) genoemd, in het stelsel behooren
-in te nemen, bestaat verschil van meening. Het is gebleken, dat
-deze kleine, uit ongeveer 80 hedendaagsche en 160 fossiele vormen
-bestaande diergroep, zoowel met de Slakken als met de Mossels
-kenmerken gemeen heeft en dat de ontwikkelingsgeschiedenis harer
-leden eenige overeenkomst met die der Ringwormen vertoont. Daar zij
-een rudimentairen kop hebben en de oogen zoowel als de kieuwen missen,
-staan de Graafvoetigen op een veel lageren trap van organisatie dan de
-Echte Slakken. Van de koplooze Plaatkieuwige Weekdieren verschillen
-zij echter duidelijk door het bezit van een tong met wrijfplaat en
-van een buisvormige, enkelvoudige schelp, zoodat het geraden schijnt
-ze tusschen de Gastropoden en de Lamellibranchiaten te plaatsen.
-
-De schelp van de Dentaliën heeft den vorm van een niet sterk gekromden
-Olifants-slagtand en is aan beide einden open. De convexe boog is
-de buikzijde van het dier, dat in gewone omstandigheden dezen hollen
-kegel geheel vult en er alleen door een smalle, gespierde, ringvormige
-mantelstrook dicht bij de achterste opening aan vastgegroeid is. De
-lange, buisvormige, van voren en van achteren geopende mantel
-heeft denzelfden vorm als de holte der schelp; zijn cirkelvormige,
-voorste opening kan door een kringspier gesloten worden; een deksel
-is niet aanwezig. De ingewandenzak is van achteren over twee derde
-deel van zijn leegte met den mantel vergroeid. De romp is door een
-tusschenschot en een insnoering in tweeën verdeeld; ook de mantelholte
-bestaat uit een voorste en een achterste kamer (a en a). De voorste
-bevat het monduitsteeksel (b), met de door bladvormige aanhangsels
-(lipvoelers) omgeven mondopening. Niet deze, maar de volgende
-opzwelling omsluit de tong, welker wrijfplaat gevormd wordt door
-25 à 30 dwarsreeksen, ieder van 5 plaatjes. Aan de buikzijde van
-de voorste lichaamsafdeeling ligt de voet (d), een holle cilinder,
-die door vulling met bloed verlengd en door de voorste mantelopening
-naar buiten gestoken kan worden; dit orgaan gelijkt veel meer op den
-voet der Mossels dan op dien der Echte Slakken. De aarsopening (c)
-ligt in de achterste kamer van de mantelholte. Door wijde ruimten en
-kanalen tusschen en in de organen beweegt zich het bloed, hoewel een
-eigenlijk hart ontbreekt. Bepaaldelijk voor de ademhaling bestemde
-organen zijn evenmin aanwezig. De centrale deelen van het zenuwstelsel
-komen het meest overeen met die der Plaatkieuwigen. Behalve een paar
-knoopen boven den slokdarm en een paar bij de aarsopening, zijn
-in den voet twee knoopen gelegen, die met twee gehoorblaasjes in
-gemeenschap staan. Bovendien moeten als zintuigen worden beschouwd
-2 bundels van voeldraden, die knotsvormig eindigen en uitgaan van
-twee zijdelingsche opzwellingen (e) van het deel van den romp, dat
-met den mantel verbonden is. In de nevenstaande afbeelding zijn zij
-naar links omgeslagen; zij behooren echter in de voorste kamer van
-de mantelholte te liggen.
-
-De geslachtsorganen zijn over tweeërlei individuën verdeeld. Uit
-het ei komt een langwerpig eivormige larve, welker spits uiteinde
-het voorste gedeelte van het dier voorstelt; de trilharen, waarmede
-aanvankelijk de geheele oppervlakte bekleed is, rangschikken zich later
-gordelsgewijs; nog later verdwijnen de achterste trilhaargordels en
-breiden de voorste zich tot een "kopscherm" uit.
-
-De Dentaliën bewonen den zandigen of slijkerigen zeebodem langs de
-kusten; ledige, 3 à 4 cM. lange schelpen van Dentalium entale en
-Dentalium vulgare worden dikwijls op ons zeestrand gevonden. Het
-dier is minder gemakkelijk te verkrijgen: zoodra de zeebodem niet
-meer door water bedekt is, kruipt het in het zand en wordt geheel
-onzichtbaar. Het gunstigste tijdstip voor het inzamelen van de dieren,
-die het strand bewonen, is dat, hetwelk onmiddellijk voorafgaat aan het
-stijgen van het water. Bij het begin van de eb verkeeren deze dieren
-in gunstige omstandigheden, daar het zand nog veel water terughoudt;
-ook dit water vloeit echter weg; bij den laagsten waterstand,
-kort voordat het water weer begint te rijzen, is het strand het
-droogst; nu worden vele van de dieren, die er in begraven liggen,
-door behoefte aan water genoopt een vochtiger oord op te zoeken en
-kan men hen, o.a. ook de Dentaliën, het gemakkelijkst inzamelen. De
-voet heeft een kegelvormige spits met twee bladvormige zijlobben;
-deze spelen bij het doordringen in 't zand de rol van ankers, zoodat
-bij samentrekking van het lichaam het geheele lichaam vooruitgaat.
-
-Door trilhaarbeweging (en ook door den voet als pompzuiger te
-gebruiken) stroomt het water door de voorste mantelopening naar binnen;
-het water, dat op dezelfde wijze door de achterste mantelopening
-verwijderd wordt, is beladen met uitwerpselen en (in de noordelijke
-zeeën: van het begin van Mei tot het midden van September) ook met de
-producten der voortplantingsklieren. De waterstroom, die geregeld van
-voren naar achteren het lichaam doorloopt, voert op passieve wijze
-voedsel toe aan de mondopening; door middel van de voeldraden kunnen
-de kleine, tot voedsel dienende diertjes echter ook op actieve wijze
-opgezocht en naar den mond gebracht worden.
-
-
-
-
-
-
-
-VIERDE KLASSE.
-
-DE PLAATKIEUWIGEN (Lamellibranchiata).
-
-
-Over het algemeen is de Weekdieren-klasse, waarvan de Mossels en
-de Oesters vertegenwoordigers zijn, nog minder dan die der Slakken
-bekend aan leeken op zoölogisch gebied. Slechts zelden krijgt
-men bij toeval Plaatkieuwigen op hunne gewone verblijfplaatsen te
-aanschouwen, terwijl, ook nadat deze gezocht en gevonden zijn, het
-eigenlijke dier voor de meeste belangstellende onderzoekers een raadsel
-blijft. Menigeen heeft boven het slijk van ondiepe plassen honderden en
-duizenden van zoogenaamde Eendenmossels in eenigszins scheeve richting
-zien uitsteken, zonder te kunnen uitmaken, of zij haar vooreinde
-of haar achtereinde toonden. Aan een opengestoken Oester valt kop
-noch staart te onderscheiden; de meeste liefhebbers van dit Weekdier
-verorberen het, zonder dat eenig lichaamsdeel bij hen anatomische
-of systematische herinneringen wekt. De schelp verschaft, zelfs na
-oplettend onderzoek, niet veel inlichtingen; hoogstens zal men kunnen
-raden, op welke plaats ongeveer de mond gelegen is. Voor een groot
-deel is de geringe belangstelling, die de Mossels en hare verwanten
-wekken, te wijten aan het buitengewoon flegmatisch temperament dezer
-dieren. Met hen vergeleken zijn de zoo trage Slakken in hooge mate
-sanguinisch. Eenige in zee levende soorten van Mossels vormen een
-uitzondering op den algemeenen regel, daar zij door het snel openen en
-sluiten der schelp tamelijk vlug zwemmen kunnen: haar aantal is echter
-zeer gering. De overige zijn bijna even duurzaam aan haar woonplaats
-verbonden als de planten. Een uitsluitend biographische behandeling van
-deze diergroep zou wegens de eenvormigheid van de levensuitingen harer
-leden den lezer niet bevredigen. Wij zullen bij haar beschrijving ons
-op een hooger standpunt plaatsen en, evenals vroeger in dergelijke
-gevallen geschiedde, een voorstelling trachten te geven van den
-eigenaardigen lichaamsbouw der Plaatkieuwige Weekdieren, de hoog
-georganiseerde met hunne lager ontwikkelde verwanten vergelijken,
-om zoo tot een verklaring van de waargenomen verschijnselen te geraken.
-
-Als voorbeeld kiezen wij de hierboven genoemde Eendenmossel, hetzij
-een levend of een in spiritus gedood exemplaar. Een oppervlakkige
-voorstelling van zulk een wezen kan men verkrijgen door het te
-vergelijken met een gebonden boek, dat met den rug naar boven en met
-den bovenkant naar voren wordt gehouden. De beide stukken bordpapier,
-rechts en links, vertegenwoordigen de verkalkte schelpkleppen, de
-schutbladen de mantelhelften van het dier; de beide titelbladen
-en de achteraankomende, uit twee bladen bestaande inhoudsopgave
-stellen de kieuwplaten voor en de eigenlijke tekst vervangt den romp
-of ingewandenzak. Men moet zich echter voorstellen, dat de bedoelde
-bladen aan weerszijden, van het omslag tot aan de eigenlijke tekst, in
-uitgebreidheid verminderen; want de beide bolle schelpkleppen omgeven
-alle overige lichaamsdeelen en de mantelhelften overtreffen in lengte
-en breedte de kieuwplaten, die op hun beurt verder reiken dan een
-groot deel van den romp. Al deze deelen zijn langs den bovenrand,
-als de bladen van een boek, onderling vergroeid. De schelp is een
-uitscheidingsproduct van den mantel (in de afbeelding met g aangeduid),
-die iedere schelpklep aan de binnenzijde bekleedt met een plaat
-(mantelhelft) en de overige weeke deelen omhult; de mantelrand, die
-gewoonlijk aan den schelprand vastgehecht is, kan gemakkelijk zonder
-beschadiging losgemaakt worden. Aan het achtereinde zijn de beide
-mantel-helften bezet met een groot aantal wratjes (h), die buitengewoon
-gevoelig zijn; zij komen hier voor bij alle Plaatkieuwigen, die, zooals
-de onze, de voorste helft van 't lichaam in den grond verbergen. Wij
-weten dus nu, welk lichaamsdeel zij ons van uit het slijk toekeeren
-en waar zich de openingen bevinden voor den aanvoer en den afvoer van
-stoffen. Bij een zeer groot aantal Mossels zijn de mantelranden niet
-vrij, zooals bij onze Zoetwatermossel, maar over een meer of minder
-grooten afstand met elkander vergroeid. Waar dit geschiedt, komen
-dikwijls zoogenaamde mantelbuizen (siphonen) achter uit de schelp te
-voorschijn: de bovenste (kloaksipho) is bestemd voor het afvoeren van
-'t water, dat voor de ademhaling gediend heeft, van de uitwerpselen
-en van de geslachtsproducten; door de onderste (ademhalingssipho)
-dringt het water (en tevens het voedsel) in de mantelholte door. Verder
-naar voren blijft aan de buikzijde een spleet over, waardoor de voet
-wordt uitgestoken.
-
-Op iedere mantelhelft volgen naar binnen de beide kieuwplaten (d en e),
-die bij onze Zoetwatermossel buitengewoon sterk ontwikkeld zijn, maar
-ook bij al hare verwanten zoo duidelijk in 't oog vallen, dat de naam
-der geheele klasse aan haar vorm ontleend is. Tusschen de kieuwen,
-doch verder naar voren, ligt de wigvormige voet (a). Zoowel uit de
-verrichting van dit sterk gespierde orgaan als uit zijn ligging ten
-opzichte van de overige lichaamsdeelen blijkt zijn overeenkomst met den
-voet der Slakken. Zoolang het dier leeft, moet men een groote kracht
-aanwenden om de schelp te openen; men zal eerder stukken van de schelp
-afbreken, dan de werking der beide sluitspieren overwinnen. De eene
-(b) is vóór den mond gelegen; zijn ondervlakte en de voet begrenzen
-de ruimte, waarin de ingang tot het spijskanaal verborgen ligt. Boven
-de achterste sluitspier (i) ligt de endeldarm, welks einde (bij f)
-zichtbaar is.
-
-De Plaatkieuwigen hebben geen kop en werden daarom vroeger met de
-Ascidiën en Salpen onder den naam van "Koplooze Weekdieren" (Acephala)
-tot één klasse vereenigd. De mondopening (b) kan men in den regel
-het gemakkelijkst vinden door langs het midden van den voet naar
-voren en naar boven te gaan en tevens de beide driehoekige platen
-(mondlobben: c), die aan weerszijden vóór de kieuwen liggen, naar
-boven en buiten om te slaan. De mondholte bevat zoomin wapens als
-toestellen voor het fijnmaken van het voedsel; dit bestaat daarom
-uitsluitend uit microscopisch kleine plantjes of diertjes, die door
-trilhaarbeweging naar de mondopening worden gevoerd en vervolgens
-aankomen in een korten en wijden slokdarm, die zich tot een maag
-verruimt. De lever ligt onmiddellijk boven en aan weerszijden
-van de maag en van den daaropvolgenden darm, die, omhuld door de
-geslachtsorganen, eenige kronkelingen maakt, welke zich, wanneer de
-voet groot is, gelijk bij het tot voorbeeld gekozen dier, ook in dit
-orgaan uitstrekken. In het deel van den romp, dat achter den voet
-aan de rugzijde gelegen is, loopt het spijskanaal onder den naam
-van endeldarm regelrecht, onder den mantel langs, naar achteren en
-eindigt bij f in de aarsopening. Achter deze opening laten de tot
-hier vereenigde mantelhelften een spleet over, de kloak; daaronder
-zijn zij door een brugje verbonden.
-
-Een paar zenuwknoopen liggen naast en een weinig achter den mond,
-een tweede paar veel lager in den voet. De strengen, die deze
-beide zenuwmassa's verbinden, vormen een ring om den slokdarm,
-die ook dan nog aanwezig is, wanneer, zooals bij de Oester,
-de voet en de voetzenuwknoopen ontbreken. Het derde en grootste
-paar, de kieuwzenuwknoopen, is veel verder achterwaarts, onder de
-achterste sluitspier, gelegen en staat ook door strengen met de
-bovenslokdarmknoopen in verband.
-
-Het hart bevindt zich in een met bloed gevulde "lichaamsholte"
-(pericardiaalholte), die bij onze Zoetwatermossel (en alle overige
-Tweespierige Plaatkieuwigen) aan de rugzijde dicht onder den mantel
-en kort vóór de achterste sluitspier--bij de Oester (en alle overige
-Eénspierigen) verder binnenwaarts gelegen is. Het bestaat uit een
-rechter en een linker voorkamer met een daartusschen geplaatste
-kamer, die den endeldarm ringvormig omgeeft, ontvangt het bloed,
-dat uit de kieuwen komt en stuwt het door twee slagaders in de
-bloedvatenstelsels der lichaamsdeelen, vanwaar het langs vaste banen
-naar de kieuwbloedvaten terugkeert. Vooraf doorstroomt het een zeer
-omvangrijk, sponsachtig orgaan, dat, naar zijn ontdekker, orgaan van
-Bojanus heet. Hierin kan het dier willekeurig (door een opening, die
-men na het zijwaarts omslaan der kieuwen bespeurt) water opnemen,
-dat aan het bloedvatenstelsel wordt toegevoerd en, evenals bij de
-Slakken, dient tot het doen opzwellen en buiten de schelp steken
-van verschillende lichaamsdeelen; vooral van den voet en van den
-mantelzoom; deze vertoonen verscheidene openingen, waardoor bij het
-plotseling terugtrekken van de organen in de schelp het overtollige,
-met water vermengde bloed ontwijkt.
-
-De trilharen, waarmede de geheele binnenste oppervlakte van den mantel
-en alle deelen van de kieuwen en mondlappen bezet zijn, spelen door hun
-beweging in het leven der Plaatkieuwigen een hoogst belangrijke rol. De
-stroomingen, die zij teweegbrengen, behouden altijd dezelfde richting,
-ververschen het water, dat voor de ademhaling bestemd is en voeren
-gelijktijdig voedseldeeltjes naar den mond. De kieuwplaten, die bij
-oppervlakkige beschouwing den indruk maken van enkelvoudig te zijn,
-bestaan in werkelijkheid ieder uit twee op traliewerk gelijkende,
-door chitinestaafjes gesteunde lagen, waartusschen een stelsel van
-holten voorkomt, dat door talrijke openingen water ontvangt uit
-de zoogenaamde kieuwkamer: de door den mantel begrensde ruimte,
-waarin de kieuwen hangen. Dit water wordt door de werking van
-de trilharen, die de inwendige holte der kieuwplaten bekleeden,
-opgevoerd naar een kanaal, dat boven de plaats van aanhechting
-van iedere kieuwplaat gelegen is; deze kanalen, die zich verder
-achterwaarts vereenigen, vormen gezamenlijk de kloak-kamer, waarin
-niet slechts het verbruikte ademhalingswater; maar ook alle overige,
-uit endeldarm, geslachtsorganen, enz. afkomstige, voor het dier
-nuttelooze of schadelijke stoffen ter verwijdering uit de schelp
-opgenomen worden. Door de beweging der trilharen stroomt het water
-in de bedoelde richting en worden tevens de voedseldeeltjes, die
-voor de openingen der kieuwen achterblijven, naar de mondlappen en
-van hier in de mondopening overgebracht. De kloak-kamer staat met
-de buitenwereld in gemeenschap door de opening boven het verbindend
-strookje, dat tusschen den achterrand der mantelhelften aanwezig is,
-terwijl onmiddellijk daaronder, dus eveneens aan den achterrand,
-door het aaneenvoegen der overige randgedeelten van den mantel een
-spleetvormige opening wordt begrensd, waardoor het versche water in
-de kieuwkamer binnendringt. Bij vele Plaatkieuwigen vormt de mantel
-een grootendeels gesloten zak; ook in dit geval worden de noodige
-betrekkingen met de buitenwereld onderhouden door 2 spleten aan den
-achterrand, die voor den aanvoer en den afvoer van water bestemd zijn,
-en door een spleet bij het vooreinde, die den voet doorlaat. Dat
-de waterverversching in de mantelholte soms ook nog op andere wijze
-dan door trilhaarbeweging tot stand komt, blijkt, wanneer men eenige
-oogenblikken een Zoetwatermossel gadeslaat. Zonder eenige merkbare
-aanleiding flapt zij van tijd tot tijd plotseling de schelp dicht,
-waardoor natuurlijk het water uit de ruimten tusschen mantel- en
-kieuwplaten met geweld naar buiten wordt geperst. Het openen van de
-schelp geschiedt vervolgens langzaam.
-
-De mantelhelften zijn op eenigen afstand van haar vrijen rand door
-spiervezels vastgehecht aan de binnenste oppervlakte van de schelp;
-hier ziet men een lijn (de mantellijn), die, althans gedeeltelijk,
-evenwijdig loopt met den vrijen rand van iedere klep. Het deel van
-den mantel, dat boven deze lijn gelegen is, heet mantelschijf en
-onderscheidt zich gewoonlijk door geringere dikte van den daarbuiten
-gelegen mantelzoom, die meer of minder breed, glad of geplooid kan
-zijn, rijk is aan vaten, klieren en kleurstof en dikwijls voelers en
-andere zintuigelijke organen (oogen) draagt. De schelp wordt deels door
-de mantelschijf, deels door den mantelzoom gevormd en bestaat dus uit 2
-verschillende lagen. De buitenste laag, die door den mantelzoom wordt
-uitgescheiden, bestaat uit prismatische, met koolzure kalk gevulde
-vakjes, loodrecht geplaatst ten opzichte van de oppervlakte der schelp;
-in de binnenste, die zich dikwijls door parelmoerglans onderscheidt
-(parelmoerlaag), zijn een groot aantal evenwijdige, structuurlooze
-laagjes van koolzure kalk en conchioline dicht opeengedrongen. Een
-hoornachtig opperhuidje van verschillende dikte bedekt de schelp aan
-de buitenzijde en is soms met fijne haren of borstels bezet; van de
-oudste deelen is het dikwijls door afslijting verdwenen ("afgevreten"
-spitsen). Soms maakt de parelmoerlaag, soms de prismatische kalklaag
-de hoofdmassa van de schelp uit.
-
-De schelpkleppen zijn aan de rugzijde met elkander verbonden door een
-veerkrachtigen band, den slotband, die door zijn elasticiteit de schelp
-opent, wanneer de sluitspieren niet werken. De slotband is eigenlijk
-een doode massa, niet aan den wil van het dier onderworpen. Daarom
-gaapt de schelp van de doode Mossel in den regel: de spieren, die zich
-bij het levende dier onder den invloed van den wil samentrekken en
-de werking van den slotband tijdelijk opheffen, zijn nu verslapt. De
-slotband ligt aan den rugrand, meestal achter, soms onder de beide
-toppen of spitsen (bij c in de afbeelding); in het eerstgenoemde
-geval maakt zijn ligging het onderscheiden van den voorrand en den
-achterrand gemakkelijk; gewoonlijk bevindt de voorrand (a) zich het
-naast bij de spits en vertoont een sterkere afronding dan de achterrand
-(b), die door den slotrand van de spits gescheiden is.
-
-De hechtheid van de verbinding der schelpkleppen wordt bij vele
-Plaatkieuwigen zeer bevorderd door het passen van lijst- en tandvormige
-verhevenheden in daarbij behoorende kuiltjes en groeven van de tegen
-elkander aanliggende randgedeelten onder en naast de spits. Deze
-slottanden (of middeltanden) en zijtanden vormen met den slotband
-het zoogenaamde slot; belangrijke kenmerken ter onderscheiding van
-geslachten en familiën worden hieraan ontleend. De top (c), het
-oudste en dikste deel van de schelpklep, verschilt niet zelden in
-vorm van het overige gedeelte, dat, door latere aanvoeging ontstaan,
-in vele gevallen kenbaar is aan onderling evenwijdige, concentrische
-groeistrepen. Belangrijke kenmerken levert ook de beschouwing van de
-binnenste oppervlakte der schelpkleppen. Bij de meeste geslachten
-komen twee spierindruksels voor: het voorste (m) en het achterste
-(m'); hun grootte, vorm en diepte loopen zeer uiteen. Zeer klein
-is de voorste sluitspier bij de Ongelijkspierigen (Heteromyaria),
-b.v. bij de Gewone Mossels (Mytilus). De achterste sluitspier is
-alleen overgebleven, maar heeft zich meer naar het midden van de
-schelp verplaatst bij de Eénspierigen (Monomyaria), b.v. bij de
-Oesters (Ostrea, zie nevenstaande afbeelding: c). De Zoetwatermossel
-(Anodonta), die twee goed ontwikkelde sluitspieren hebben, behooren
-daarom tot de Gelijkspierigen (Homomyaria). De drie genoemde
-groepen komen onderling overeen door het gemis van mantelbuizen;
-zij worden gezamenlijk Asiphoniden genoemd. De bezitters van lange,
-terugtrekbare mantelbuizen hebben op de plaats waar de spieren voor
-het terugtrekken ontspringen, een naar achteren geopende bocht in
-de mantellijn (n); hieraan danken zij den naam van Bochtmanteligen
-(Sinupalliata). Deze bocht komt niet voor bij de Asiphoniden en ook
-niet bij de Siphoniden met korte, niet terugtrekbare mantelbuizen;
-de laatstbedoelde groep heet daarom Gaafmanteligen (Integripalliata).
-
-Alle Plaatkieuwigen zijn waterdieren; verreweg de meeste bewonen de
-zee; hoogstens 1/5 deel van alle levende soorten worden in zoetwater
-gevonden. De meeste zoetwatervormen zijn Gelijkspierige Asiphoniden
-en dus Gaafmanteligen. De soortenrijke familie der Najaden is geheel
-tot het zoetwater beperkt en is het sterkst vertegenwoordigd in
-Noord-Amerika. Alle zoetwaterschelpen zijn kenbaar aan een dikke,
-donkergroene, geelachtige of bruine opperhuid en meestal ook aan
-de afgevreten spitsen. De Plaatkieuwigen, die de zee bewonen,
-komen op verschillende diepten voor: dikke, bontgekleurde, rijk
-versierde schelpen worden in den regel bij de kust, op steenachtigen
-of zandigen bodem aangetroffen; op grootere diepten vindt men teere,
-dunne, weinig of niet gekleurde schelpen. Verreweg de meeste soorten
-leven op diepten van 0 à 35 vademen; op 200 vademen diepte neemt het
-aantal Plaatkieuwigen aanmerkelijk af; slechts enkele vormen zijn op
-1500 à 2500 vademen diepte gevonden. Tusschen de keerkringen is de
-verscheidenheid van vormen grooter dan in de koudere zeeën.
-
-Dikwijls komen sommige soorten uitsluitend in diep, andere leden van
-hetzelfde geslacht slechts in ondiep water voor. De leden van eenige
-geslachten hechten zich aan onderzeesche voorwerpen vast: blijvend
-door het vastmetselen van één klep, zooals de Oester, tijdelijk
-door met den voet gesponnen draden, zooals de Gewone Mossel. Vele
-Plaatkieuwigen kunnen zich vrij bewegen, hoewel dit steeds zeer
-langzaam geschiedt: eenige zwemmen; de meeste echter kruipen met
-behulp van den voet. De Bochtmanteligen begraven zich ten deele in
-zand of slijk; de Schelpdieren, die zelfgemaakte holten in hout of
-steen bewonen, behooren voor 't meerendeel tot deze groep.
-
-
-
-
-
-EERSTE ORDE.
-
-DE ASIPHONIDEN (Asiphonida).
-
-Tot de Plaatkieuwigen zonder mantelbuizen (Asiphonida) en meer
-bepaaldelijk tot de afdeeling der Eénspierigen (Monomyaria) behoort
-o.a. de familie der Oesters (Ostreidae).
-
-Met uitzondering van de Zee-pareloester, heeft geen enkel Schelpdier
-zulk een belangrijke economische beteekenis, verschaft aan zoovele
-menschen een middel van bestaan en brengt zooveel geld in omloop
-als de Oester. In alle zeeën leven soorten van dit geslacht; de nu
-volgende mededeelingen hebben echter uitsluitend betrekking op de
-Gewone Oester (Ostrea edulis) der Europeesche kusten. Ieder die een
-Oester met eenige aandacht bekijkt, zal aan de schelp van dit dier
-verscheidene karakteristieke eigenschappen opmerken. Zij is meestal
-eivormig, dikwijls echter zeer onregelmatig; hare kleppen zijn
-ongelijk; de linker klep, die aan den bodem vastzit, is van onderen
-bol en bevat een ondiepe holte, waarover de kleinere, plattere en
-dunnere rechter klep als een deksel heen ligt. Beide hebben een
-grauwe, schilferige oppervlakte en bestaan overigens uit een witte,
-poreuze kalkmassa. Vooral geldt dit van de onderste en dikste klep,
-die aan allerlei voorwerpen vastgroeit. De aanhechting gaat niet uit
-van den rand, maar van nader bij 't midden gelegen deelen; men kan
-haar niet anders verklaren dan door aan te nemen, dat een door het
-dier gevormde, op cement gelijkende stof door de bolle schelpkalk
-heendringt en haar aan het onderliggende voorwerp vastlijmt. Naarmate
-de schelp aangroeit, wordt rondom de reeds vastgehechte plaats nieuw
-"cement" uitgescheiden. Ook het slot vertoont eenige opmerkelijke
-eigenaardigheden. De aanvankelijk gelijkvormige spitsen vertoonen later
-een groot verschil, daar de bovenklep in ontwikkeling achterblijft. De
-slotband is "inwendig", d. w. z. onder de spits gelegen, aan de
-ongeopende schelp niet waarneembaar en kraakbeenig van aard.
-
-Een belangrijke afwijking van den regel vertoont de Oester door het
-ontbreken van den voet, die spoorloos verdwijnt, nadat het jonge dier
-zich heeft vastgehecht. Met het gemis van den voet gaat de afwezigheid
-gepaard van gehoorblaasjes, die bij andere Weekdieren in dit orgaan
-voorkomen. Oogen zijn evenmin voorhanden. Het dikkere randgedeelte
-van den mantelzoom is door een groeve in tweeën gesplitst en met
-een groot aantal voelertjes bezet. Dat het zeer gevoelig is, blijkt,
-wanneer men het aanraakt.
-
-De Oesters zijn tweeslachtig, brengen zoowel eieren ("melk")
-als spermatozoïden voort, doch doen dit niet terzelfder tijd. De
-geslachtsklier levert aanvankelijk uitsluitend mannelijke, later, doch
-bij jonge exemplaren dikwijls eerst in een volgend jaar, geen andere
-dan vrouwelijke cellen. Reeds in het eerste of tweede jaar begint deze
-verrichting. Bij oudere individuën treft men, nadat het eierenleggen
-heeft opgehouden, nog in den loop van hetzelfde jaar spermatozoïden
-aan. Een deel van de Oesters gedragen zich dus gedurende een zekeren
-tijd geheel als mannetjes, terwijl de overige dan feitelijk wijfjes
-zijn. Zelfbevruchting kan niet voorkomen; de eieren worden bevrucht
-door spermatozoïden, die met het water in de mantelholte van de
-moeder doordringen. De ontwikkeling van de kiem begint reeds in het
-afvoerkanaal van het geslachtsorgaan, dat het "broed" uitstort in
-de kloakkamer van de mantelholte, vanwaar het door het water wordt
-medegevoerd; het verlaat echter de schelp niet, maar blijft achter in
-de ruimte tusschen mantelzoom en kieuwen. Hier, in den "baard", vindt
-men het reeds bij twee- en zelfs bij éénjarige, het talrijkst echter
-bij vier- of vijfjarige individuën. In warme en vroege zomers begint
-de voortplanting reeds in Mei, in late zomers duurt zij tot in het
-begin van September voort. Aanvankelijk (bij de "melkoester") gelijkt
-het broed op een witte, slijmerige vloeistof, die korreltjes (eieren)
-van 0.1 mM. middellijn bevat. Deze komen uit en ontwikkelen zich ten
-koste van de hem omgevende eiwitachtige stof, die vermoedelijk aan
-de oppervlakte van de kieuwen der moeder uitgescheiden wordt. Later,
-als het broed een blauwgrijze kleur heeft aangenomen, heeten de
-Oesters, waarin het voorkomt, "zaadoesters". De oesterlarve bewoont
-langer dan een maand de kieuwkamer van haar moeder en ontwikkelt
-zich niet verder, wanneer haar vóór het einde van dit tijdperk een
-andere woonplaats wordt verschaft. Zij is in het bezit van een met
-trilharen bezet "kopscherm", dat hoofdzakelijk als bewegingsorgaan
-dient, doch tevens bij de ademhaling en waarschijnlijk ook bij het
-toevoeren van voedsel aan het spijskanaal een rol speelt. De larve
-heeft bij het verlaten van de moederschelp een middellijn van 0.15 à
-0.18 mM. bereikt, is omhuld door een schelpje, dat uit twee gelijke,
-bolle kleppen bestaat en vertoont bij de aars een beginsel van een
-voet. Met het kopscherm vrij rondzwemmend in de bovenste waterlaag,
-wordt zij soms door stroomingen ver weggevoerd. Hoe lang dit vrije
-leven duurt, is niet bekend, volgens sommigen niet langer dan 2 dagen,
-volgens anderen wel een week. Gaandeweg neemt de larve meer kalk in
-haar schelp op en verkrijgt een grooter soortelijk gewicht. Wanneer
-haar middellijn tot minstens 0.24 mM. is toegenomen, zinkt zij naar den
-bodem, hecht zich hier vast en begint het ware oesterleven, gesteld
-n.l., dat zij het zeldzame geluk had aan te komen op een plaats, die
-voor haar verdere ontwikkeling geschikt is. De meeste oesterlarven
-zijn zoo gelukkig niet. Tegenover de ontzaglijk groote sterfte onder de
-jongen, staat echter de verbazende vruchtbaarheid der volwassenen. Het
-aantal nakomelingen, dat een groot exemplaar in één jaar voortbrengt,
-werd door Davaine op 1¼ millioen begroot. (Leeuwenhoek sprak van 20
-millioen.) Men houde hierbij in het oog, dat de jongere en oudere
-Oesters aanmerkelijk minder vruchtbaar zijn dan die van 4- of
-5-jarigen leeftijd, dat het aantal als wijfjes fungeerende Oesters
-op de oesterbanken hoogstens 30 percent en dikwijls niet meer dan
-10 percent van alle geslachtsrijpe exemplaren bedraagt. Ook het
-kweeken op een niet door het dier zelf gezochte woonplaats schijnt
-een nadeeligen invloed uit te oefenen op zijn vruchtbaarheid.
-
-In den regel vindt men de Oesters in grooten getale bijeen op
-zoogenaamde "oesterbanken", op vele plaatsen ook wel sporadisch. Op
-beide wijzen bewonen zij verschillende deelen van de Adriatische Zee,
-van Venetië en Triëst tot Brindisi en de golf van Tarente. Minder
-sterk schijnt haar verspreiding te zijn langs de kusten der
-Middellandsche Zee, zoowel in het oostelijk als in het westelijk
-gedeelte; sporadisch ontmoet men ze in de Zwarte Zee en bij de
-zuidkust van de Krim. De oesters van Zuid-Europa en van Portugal
-behooren niet tot de bij ons gewone soort (Ostrea edulis). Deze komt
-voor in den Atlantischen Oceaan, van Vigo in Spanje tot Finistère in
-Frankrijk, in het Kanaal en langs de Engelsche, Iersche en Schotsche
-kusten tot bij de Shetlandsche eilanden. Dezelfde soort vertoont
-zich op verschillende plaatsen in de Noordzee, gewoonlijk niet ver
-van de kust, doch ook wel in de open zee. Te ver af, om als een
-Nederlandsche oesterbank aangemerkt te worden, is die, welke zich
-benoorden de eilanden Vlieland, Terschelling, enz. tot Helgoland
-uitstrekt. Men vindt de Gewone Oester verder: langs de westkust van
-Sleeswijk en Denemarken, in de Limfjord, de Aalbekbaai in het Kattegat
-(bij Frederikshavn of Fladstrand) en langs de oostkust van Jutland tot
-bij de Horsensfjord, van een punt ten zuiden van Götheborg, aan den
-overkant van 't Kattegat, tot aan de Baai van Christiania en langs
-de zuid- en westkust van Noorwegen tot de Thren-eilanden dicht bij
-den poolcirkel. Het klimaat en de fauna worden in alle deelen van
-het genoemde gebied beheerscht door den Golfstroom. De temperatuur
-en het zoutgehalte zijn er hoog en onafhankelijk van plaatselijke
-invloeden. Er komen geen Oesters voor bij de kusten van de Far-öer
-en IJsland, daar deze bespoeld worden door een zeestroom, die direct
-uit het Bahama-kanaal komt en dus geen oesterbroed bevat. Dat in het
-zuidelijke deel van het Kattegat en in de Oostzee tegenwoordig geen
-Oesters meer kunnen leven, hangt samen met het geringe zoutgehalte
-van het water. In de Bothnische Golf kan het water nagenoeg zoet
-heeten; in de Finsche Golf bevat het 6 per duizend, in de Kleine Belt
-ongeveer 17 per duizend, in de open oceaan echter 35 à 36 per duizend
-zout. Een duidelijk bewijs voor de stelling, dat het Oostzeewater
-eertijds meer zout bevatte (en een grond voor het vermoeden, dat
-er directe gemeenschap heeft bestaan tusschen de Bothnische Golf
-en de Poolzee) is gelegen in de zoogenaamde "Kjökkenmöddinger"
-("keukenafval"), uitgestrekte opeenhoopingen van schelpen (Oesters,
-Mossels, Zandschelpen, Alikruiken, enz.), vischgraten, beenderen van
-Vogels en Zoogdieren, gemengd met asch en houtskool, potscherven,
-vuursteenen werktuigen en uit been of hertshoorn vervaardigde
-voorwerpen. Een 50-tal van deze hoopen (dikwijls slechts 1 M. hoog,
-bij een lengte van ongeveer 100 en een breedte van 50 M., soms echter
-3 M. hoog en 300 M. lang) zijn langs de oostkust van Jutland en op
-de Deensche eilanden gevonden en door Deensche geleerden nauwkeurig
-onderzocht. Zij hebben het bewijs geleverd, dat duizenden van jaren
-geleden de Oesters het Kattegat bewoonden (althans het zuidelijke
-deel) en er talrijk genoeg waren om een hoofdbestanddeel te zijn van
-het voedsel der oerbewoners dezer kusten.
-
-Niettegenstaande haar verre verbreiding in noordelijke richting moet
-Ostrea edulis beschouwd worden als een zuidelijke soort, aangezien
-zij het veelvuldigst is (zich het sterkst ontwikkelt en voortplant) in
-het Kanaal en verder zuidwaarts. Bij de Engelsche en Fransche kusten
-schijnen de rijkste, natuurlijke oesterbanken voor te komen. Die
-van de Hollandsche en Sleeswijksche kusten komen eerst in de tweede
-plaats in aanmerking. Het is niet zoozeer de lage wintertemperatuur,
-die voor de Oesters in noordelijker streken nadeelig wordt, daar zij
-een tamelijk lagen warmtegraad kunnen verdragen en zich in 't noorden
-op grootere diepten vestigen dan in het zuiden. Meer schade doet haar
-de te lage zomertemperatuur; deze moet eenige dagen achtereen 18 à 20°
-C. bedragen, opdat er overvloedig broed worde voortgebracht.
-
-Ook de gesteldheid van den zeebodem heeft een zeer grooten invloed
-op de ligging der oesterbanken. De Oesters vestigen zich nooit op
-plaatsen, die sterk begroeid zijn met planten, evenmin daar waar
-een dikke laag slib of beweeglijk zand aan de oppervlakte ligt,
-of waar de grond geheel uit rotsblokken of steenen bestaat. Daar
-echter de slib aan deze dieren veel voedsel kan leveren, bewonen
-zij gaarne een harden bodem, die met een dunne laag slijk bedekt
-is. Om dezelfde reden gedijen zij op derrie (veengrond, die door de
-zee overstroomd is en bedekt werd met een kleilaag, welke later weer
-wegspoelde). Voor een deel is het hieraan toe te schrijven, dat zij
-zoo veelvuldig gevonden worden (of werden) in de Oosterschelde, in het
-noordelijke deel van de Zuiderzee, in de Lauwers en aan de monden van
-de Eems (bij Borkum en Juist). Met uitzondering van de Oosterschelde,
-zijn deze oestergronden thans grootendeels leeggevischt en zullen,
-ondanks de thans geldende verordening, dat er van 1o April tot 1o
-October geen Oesters mogen worden geraapt of gekord, niet licht hun
-vroegeren rijkdom herkrijgen. Hierdoor vermaard was nog in de vorige
-eeuw het terrein, dat zich van de lijn Medemblik-Stavoren tot de zachte
-waardgronden ten zuidoosten van Terschelling uitstrekt. "Dit gebied,"
-schrijft Dr. P. P. C. Hoek [1], "bestaat uit ondiepe vaak zeer vlakke
-platen (men noemt ze "zand", "waard", "wal" of "plaat"), door geulen
-van elkander gescheiden. Langs de meeste dezer geulen treft men nog
-Oesters aan: zoo in den Balg, het Amsteldiep, den Texelstroom, de Pan,
-enz. enz. Een der rijkste punten is nog het zoogenaamde Waardje op den
-zuidwesthoek van Wieringen. Het is een vlakke bank, ongeveer 2 KM. in
-doorsnede. Bij laag water komt het water op deze plaats niet hooger
-dan de knie; de Oesters worden dan ook niet gekord, maar geraapt. Elke
-raper is voorzien van een fleschje met olie, waarin een veertje, dat
-aan de kurk bevestigd is; deze olie wordt met behulp van de veer op
-het wateroppervlak gesprenkeld: de golfslag wordt hierdoor gestild en
-de raper in staat gesteld de voorwerpen op den bodem behoorlijk waar
-te nemen. Tot de rijkere plaatsen in de Zuiderzee schijnen vervolgens
-ook de ten zuidoosten van Terschelling gelegen Riepel (of Reepel) en
-het zoogenaamde Zuiderrak te behooren." "De Oester, die hier verzameld
-werd, was groot van stuk en als Texelsche Oester bekend. Verreweg het
-grootste deel er van werd uitgevoerd naar Hamburg, doch ook Amsterdam
-werd van hieruit voorzien. Het is echter zeer de vraag, of niet als
-zoogenaamde Texelsche Oesters ook zulke verkocht werden, die uit de
-open Noordzee afkomstig waren. In het midden der vorige eeuw rustten
-de Texelaars jaarlijks 60, de bewoners van Schiermonnikoog evenveel
-en de bewoners van de Zoutkamp 25 schuiten ter oestervangst uit. Op
-de zoogenaamde waarden vischte men al loopende, in de diepere geulen
-werden de Oesters gekord. Het eerste was meer het werk der Texelaars;
-vandaar dat deze den naam hadden van oesterzoekers; het laatste werd
-voornamelijk door de visschers van Schiermonnikoog en de Zoutkamp
-(de zoogenaamde oesterkorders) in praktijk gebracht." Slechts
-bij uitzondering werden de Oesters direct naar de markt vervoerd;
-in den regel werden zij tijdelijk op zoogenaamde "oesterbedden"
-uitgestrooid, die met wilgenstokken werden afgetuind. De visschers
-van Schiermonnikoog en de Zoutkamp brachten de gevonden Oesters naar
-Terschelling en wierpen ze bij de reede van Midsland neder; die van
-Texel stortten ze benoordoosten van Texel, bijzonder gaarne op de
-plaat, genaamd het Middelzand. Eenig denkbeeld van den rijkdom der
-banken geeft het bericht van Paludanus, dat iedere schuit 100000
-Oesters aan de markt moest brengen om den eigenaar een bestaan op
-te leveren. De meeste dezer eens zoo rijke oestergronden zijn thans
-uitgeput. De pogingen om ze bij Wieringen, in het Noorden (tusschen
-Eierland en Texel) en in de Lauwers (onder Oostmahorn, tusschen den
-Babbelaar en het Dokkumer-diep) opnieuw te bevolken, zijn mislukt.
-
-Bezuiden Texel ontbreken de Oesters langs de geheele Noordzeekust
-van Holland. Wel worden op Zuidhollandsch gebied, onder Herkingen en
-Goedereede, terreinen gebezigd voor het "planten" en vetmesten van
-Fransche Oesters (afkomstig van Bretagne, Auray en Morbihan). Van
-oudsher worden echter Oesters gevischt langs beide oevers van de
-Oosterschelde. De vroeger zeer groote opbrengst is in de eerste
-helft dezer eeuw allengs afgenomen; maar bedroeg toch, volgens een
-waarschijnlijk te lage schatting, nog in 1850 een millioen stuks. In
-1870 is men begonnen op deze toen nog niet geheel uitgeputte banken
-de oestercultuur uit te oefenen. Onderzoekingen, die in de jaren
-1882 en 1883 met behulp van duikertoestellen verricht zijn op de
-steenbestortingen langs den voet der schaardijken, hebben geleerd,
-dat ook buiten de min of meer kunstmatig bevolkte terreinen tal van
-Oesters leven. Deze worden met rust gelaten en vermenigvuldigen zich
-zoo sterk als de beschikbare ruimte en de aanwezige voedselvoorraad
-toelaten; het korren is hier van wege de waterstaat verboden en zou
-trouwens op de hier gestorte granietblokken gevaar opleveren voor
-de vischtoestellen.
-
-Op plaatsen waar, zooals in het Kanaal, de Oesters groot worden
-en veel broed voortbrengen, verkrijgen zij echter niet de grootste
-handelswaarde. Reeds voor lang heeft men opgemerkt, dat deze dieren
-het vetst en smakelijkst worden na overbrenging op terreinen, die
-door eilanden of banken tegen den onmiddellijken invloed van den
-Oceaan beschut zijn, waar het zoutgehalte van 't water getemperd is,
-hetzij door een groote rivier, die zich hier in de zee stort, of
-door een aantal kleinere stroompjes, die in een golf uitmonden. In
-ons vaderland heeft men reeds voor lange jaren putten ingericht,
-waarin men naar verkiezing versch zout water kan doen stroomen;
-het overbrengen van de in zee gekorde Oesters in deze putten heet
-"spenen." Hierdoor is men tevens in staat om, voordat het ruwe seizoen
-de vangst te zeer bemoeielijkt, de voorraad te verzamelen, die, naar
-verwacht wordt, in den winter kan worden gesleten. Op groote schaal
-geschiedt dit o.a. bij Londen door de "Whistable Free Dredgers Oyster
-Company", welke aan niet minder dan 3000 personen (mannen, vrouwen
-en kinderen) werk verschaft en zich uitsluitend bezighoudt met het
-koopen van broed, van half of geheel volwassen Oesters uit de open zee
-(natives), die, op hare oestergronden aan den zuidelijken oever van
-den mond der Theems neergelegd, weldra de gewenschte grootte en vetheid
-bereiken. Het verblijf in zulke inrichtingen, waaraan het zoetwater en
-de vloedgolf afwisselend groote hoeveelheden organische stof toevoeren
-als voedsel voor de Oesters, geeft aanleiding tot een sterkeren
-groei dezer dieren. Ook de schelp wordt er door gewijzigd, neemt een
-regelmatiger vorm aan en blijft, wegens het geringer zoutgehalte,
-dunner. Daarentegen neemt het voortplantingsvermogen af: de voor 't
-vetmesten bestemde oesterparken kunnen op den langen duur onmogelijk
-zich zelf in stand houden. Reeds een vermindering van zoutgehalte
-met 5 per duizend brengt een geringere vruchtbaarheid teweeg; in
-dezelfde richting voortgaande, zal men eindelijk een watermengsel
-verkrijgen, waarin de Oester nog wel kan leven, maar ophoudt zich
-voort te planten. Zonder voortdurenden aanvoer van broed uit zee
-kunnen dus de oesterparken op plaatsen, waar het zoutgehalte gering
-is, niet blijven bestaan.--Een eigenaardig verschijnsel in sommige
-van deze inrichtingen is de groene kleur, die de weeke deelen van de
-Oester er verkrijgen; o.a. de Oesters van het park te Marennes aan
-de Fransche kust zijn om deze reden beroemd. De kleur is te danken
-aan Diatomeën (Kristalwieren) van het geslacht Navicula, die in het
-bedoelde water voorkomen en tot voedsel voor de Oesters dienen.
-
-Het verbruik van Oesters, dat b.v. te Parijs minstens 75 millioen stuks
-en te Londen meer dan tweemaal zooveel bedraagt, zou geen merkbare
-vermindering van den rijkdom der natuurlijke banken teweegbrengen,
-indien niet andere oorzaken medewerkten. Een daarvan is het groot
-aantal dieren, uit alle klassen, die op de door ons zoo hoog geschatte
-Weekdieren belust zijn. Tallooze Visschen verslinden het jonge broed,
-dat trouwens in ontzaglijke menigte de zee in de nabijheid van de
-banken bevolkt. Krabben en Kreeften wachten het oogenblik af, waarop
-de Oester haar schelp opent, om zich te vergasten aan haar smakelijk
-vleesch; dit kunnen zij zonder bezwaar doen, daar de sterk gepantserde
-schaar bestand is tegen de drukking, die de Oester er bij 't sluiten
-van de schelp op uitoefent. De Zeesterren zien kans de inhoud van de
-schelp op te zuigen. Verscheidene Slakken, vooral Murex tarentinus,
-Murex erinaceus, Purpura lappillus en Nassa reticulata, in Frankrijk
-"perceurs" genoemd, boren met de slurf gaten in de schelp en verslinden
-op deze wijze den buit. Op andere plaatsen hebben Mossels (Mytilus
-edulis) zich in zoo grooten getale op de oesterbanken gevestigd,
-dat zij de oorspronkelijke bewoners uitroeiden. Voorts heeft men nog
-een ander dier, in Frankrijk "Maërle" genaamd, waarschijnlijk een
-Kokerworm uit het geslacht Sabellaria, als vijand van het kostelijke
-Weekdier leeren kennen. Indien deze wezens geen verdelgingskrijg
-tegen de Oesters voerden, indien niet milliarden van jongen door
-de golven opgenomen en verbrijzeld, of onder zand en slijk verstikt
-werden, zouden vele zeeën reeds sinds lang goed gevulde oesterbedden
-geworden zijn. De grootste schade hebben de oesterbanken echter geleden
-door de ondoelmatige wijze van inzameling hunner bewoners door den
-mensch. Waar de banken te diep liggen om bij eb de Oesters te "rapen",
-maakt men gebruik van een net, waarvan de opening gevormd wordt door
-een zwaar ijzeren raam, welks over den bodem sleepende kant bij wijze
-van een eg van tanden voorzien is. Dit net is met een touw aan een boot
-bevestigd, die langzaam voortzeilt, zoodat het raam diep in den grond
-doordringt en bij zijn beweging diepe gaten en groeven in de banken
-scheurt. Daar deze kuilen zich binnen korten tijd met slib vullen,
-kunnen zich hier geen Oesters meer vasthechten, terwijl bovendien
-ook de omliggende dieren, die aan het net ontkomen zijn, bedolven
-geraken. Op deze wijze wordt een oesterbank in korten tijd uitgeput.
-
-Tallooze jonge Oesters bezwijken, omdat de bodem, waarop zij
-neervallen, haar geen gelegenheid tot aanhechting biedt. De
-oestercultuur heeft zich tot taak gesteld het grootst mogelijke
-aantal van deze dieren in 't leven te behouden en op te kweeken tot
-een handelsartikel. Met dit doel worden buiten de Oosterschelde van
-half Juni tot begin Juli, of van Juli tot half Augustus zoogenaamde
-"collecteurs" aangebracht op de door lange ervaring bekende terreinen,
-waarover het van de oesterbanken afkomstige broed gewoonlijk
-door de zeestroomingen wordt verspreid. Hiervoor dienen meestal
-vorstpannen. Daar deze met een dikke laag metselkalk bestreken zijn,
-kan men de jonge dieren er naderhand afsteken, zonder de nog brooze
-schelp te beschadigen; te gelijk met deze geraakt n.l. een deel van de
-kalklaag los. Indien men de Oester op de pan had laten blijven, zou
-zij wegens haar platten vorm niet gewild zijn. Van de "panperceelen"
-worden de collecteurs vóór 1 December naar de "oesterputten"
-overgebracht om te overwinteren; het afsteken heeft aan den vasten
-wal plaats, meestal in 't voorjaar; de afgestoken Oesters vinden
-aanvankelijk een ligplaats in de "kweekbakken" of "hospitalen";
-ondiepe bakken, bestaande uit een rand van hout of ijzer en een
-bodem van metaalgaas of doorboord zink, die de vrije doorstrooming
-van het water toelaat. Hier zijn de jonge dieren veilig tegen hunne
-talrijke vijanden en tegen het gevaar van verstikking onder zand of
-slib,--ook tegen de koude, bij tijdige overbrenging dezer bakken van
-de ondiepe "zaaiperceelen" naar de "putten". De Oesters worden daarna
-vrij op diepere "zaaiperceelen" neergelegd om er te blijven, tot zij
-verkoopbaar zijn. Bovendien zijn voor den "broedval" nog zoogenaamde
-"natuurperceelen" in gebruik, die men, voornamelijk door er schelpen
-op te brengen, voor de aanhechting der oestertjes geschikt maakt. In
-den regel laat men het op deze perceelen aangeslagen broed gedurende
-den winter liggen en brengt het niet naar de putten over. De putten
-zijn afgeperkte terreinen, die hun water bij eb behouden. Sommige
-(de "vloeiputten") liggen op een deel van den oesterbank, dat bij eb
-droog loopt en behouden dan hun water, daar zij door een laag walletje
-omgeven zijn. Andere (de "overloopsche putten") zijn tegen den voet
-van den dijk aangebracht en aan de openwaterzijde afgesloten door
-een dijk, die bij vloed overstroomd wordt, hetgeen noodig is voor de
-waterverversching. Door duikers kan men, zoo noodig, al het water er
-bij eb uit laten wegvloeien en de put zorgvuldig reinigen. De diepte
-is voldoende om de pannen met de jonge oesters te beschermen tegen de
-nadeelige gevolgen van koude en stormweer. Sommige oesterondernemingen
-hebben binnendijks groote putten, welker vloer geheel gemetseld is
-en waarvan de wanden met sterke houten beschoeiingen bekleed zijn.
-
-In 1886 schreef Dr. Hoek: "Thans is het geheele oestergebied van
-de Oosterschelde voor een gezamenlijk bedrag van ruim f 500000 aan
-verschillende pachters afgestaan. Het rijkste gedeelte is echter
-ongetwijfeld de ongeveer 1000 bunders groote bank, die men de Yersche
-oesterbank noemt. Deze is oorspronkelijk voor 10 jaren verpacht
-geweest; in 1880 werd den pachters vergund de pacht met 5 jaren te
-verlengen. Van 1870 tot 1885 heeft deze oesterbank ruim f 2000 's jaars
-aan pacht opgebracht. In 1883 heeft de nieuwe publieke verpachting,
-die met 1 April 1885 zou ingaan, plaats gehad. Hoewel het mogelijk,
-en voor sommige perceelen zelfs zeker is, dat grootere sommen besteed
-zijn, dan in alle opzichten door de opbrengst gebillijkt wordt, zoo
-mag het toch ongetwijfeld als een welsprekend bewijs voor den bloei
-van dezen tak van nijverheid gelden, dat diezelfde bank voortaan
-niet minder dan f 379000 aan jaarlijksche pacht opbrengt." Het
-vervoer van Oesters langs de spoorwegen naar verschillende binnen- en
-buitenlandsche markten, dat in 1890 tot ruim 4.5 millioen KG. gestegen
-was, is sedert dien tijd aanmerkelijk afgenomen en bedroeg in 1892
-weinig meer dan 1 millioen. Hoewel het in 1896 weer tot nagenoeg
-2 millioen KG. vermeerderde, waren de financieele resultaten ook
-in 't laatstgenoemde jaar ongunstig. Het Verslag van de Kamer van
-Koophandel en Fabrieken te Bergen op Zoom over 1896 bevat hierover
-de volgende mededeeling: "De concurrentie met Fransche en Engelsche
-Oesters nam belangrijk toe. Daar deze, vooral door de aanzienlijke
-mindere pachtsommen der gronden, voordeeliger gekweekt kunnen worden,
-vonden zij, behalve in hun eigen land, in België en Duitschland grooten
-aftrek. Dit had ten gevolge, dat het Zeeuwsche product slechts tot
-veel te lagen prijs van de hand te doen was. Daarbij kwam, dat vele
-kweekers, door concurrentiezucht en geldbehoefte gedreven, inferieure
-soorten naar verschillende vischmarkten in consignatie afzonden,
-waardoor gevaar voor vermindering van de renommée en de waarde der
-Zeeuwsche Oesters kan ontstaan. Deze tak van nijverheid verkeert in
-staat van verval; zoo niet spoedig zeer ingrijpende hervormingen
-plaats hebben, is het te vreezen, dat de tijd weldra zal komen,
-waarin deze industrie met ondergang wordt bedreigd."
-
-
-
-De Mantelschelpdieren (Pectinidae) hebben, evenals de Oesters,
-slechts één sluitspier en een geheel open mantel. Zij bezitten echter
-steeds een kleinen voet, die bij vele soorten in verband staat met
-een eigenaardigen, voor 't spinnen van draden geschikten toestel,
-het byssusorgaan. Aan den bovenachterrand van den voet bevindt
-zich n.l. een kleine verhevenheid met een kuiltje er in, dat den
-"byssusstam" bevat; een van hier uitgaande, gootvormige groeve zet
-zich voort over de achterzijde van den voet tot dicht bij de spits,
-waar zich de "byssusklier" bevindt, die een kleverige, onder water
-spoedig verhardende stof afscheidt. Om een draad te spinnen, buigt
-het dier den voet achterover naar de "byssusholte" en raakt den hier
-reeds aanwezigen "byssusstam" aan met de kleverige vloeistof, die door
-de afvoeropening van de klier naar buiten treedt. Door vervolgens
-den voet te strekken, wordt in diens overlangsche groeve een draad
-gevormd, welks uiteinde, vastgehecht aan het een of ander voorwerp,
-zich tot een schijfje afplat of tot een bolletje verdikt. De op deze
-wijze gevormde bundel van draden wordt byssus of baard genoemd.
-
-"Toen ik," verhaalt Oscar Schmidt, "gedurende de maanden Mei en Juni
-van 1850 in de Bergener-fjord zeedieren verzamelde met het sleepnet,
-vond ik hierin eens een 12 cM. dikke kluit van zeer onregelmatigen
-vorm, welks bestanddeelen, steentjes en schelpgruis, door een
-groot aantal in allerlei richtingen dooreengewarde, geelachtige en
-bruine draden bijeen gehouden werden. "Een mosselnest!" riepen mijne
-roeiers, en werkelijk, toen ik de kluit omdraaide, blonk mij uit een
-tamelijk nauwe spleet de schitterend witte schelp van de Vijlmossel
-(Lima hians) te gemoet. Deze is langwerpig en gelijkkleppig; zij
-gaapt aan beide einden, het meest echter van voren. De talrijke
-oranjekleurige randdraden van den mantel, die door de openingen naar
-buiten treden, maken, zelfs wanneer het dier overigens rustig is,
-allerlei wormvormige bewegingen en worden, als het dier op zijn hoogst
-zonderlinge wijze zwemt, als een vurige staart medegesleept. Zoodra
-men n.l. de Mossel uit haar omhulsel verwijderd en in 't water gezet
-heeft, opent en sluit zij hare schelpkleppen beurtelings met kracht en
-zwemt op deze wijze bij rukken in elke richting. Bij haar bevrijding
-uit het nest zijn enkele van de fraaie randdraden losgescheurd;
-deze schijnen hierdoor eerst recht levendig geworden te zijn,
-kronkelen zich op den bodem van den waterbak als Aardwormen en kunnen,
-wanneer men het water frisch houdt, zich een paar uren achtereen als
-levende wezens gedragen. Terwijl het dier zich in 't nest bevindt,
-steken de draden--die van den naar binnen gekeerden rand van den
-(bijna overal open) mantel uitgaan en hieraan een dichte franje
-vormen--buiten de opening van 't nest uit, zoodat er bijna niets van
-de schelp te zien is. De manteldraden zijn aan haar oppervlakte met
-wimpers bezet, die door haar aanhoudende beweging aan de mondopening
-kleine microscopische dieren en aan de kieuwen ademhalingswater
-toevoeren. Waarom een Schelpdier, dat zich zoo flink kan bewegen,
-een nest bewoont, waaruit het blijkbaar nooit te voorschijn komt, is
-niet recht duidelijk. Wanneer men het nest van nabij beschouwt, kan
-men zich een voorstelling vormen van de wijze, waarop het vervaardigd
-wordt. Het dier maakt allerlei voorwerpen, die het in zijn nabijheid
-vindt, door grove byssusdraden aan elkander vast, totdat de ruwe
-buitenwanden van de woning zijn opgebouwd; de hierbinnen overblijvende
-holte wordt bekleed met fijnere draden; ook in dit opzicht gelijkt
-dit bouwwerk op een kunstig en gemakkelijk vogelnest, dat van buiten
-weinig de aandacht trekt. De Mossel, die door haar gapende schelp
-onvoldoende beschut wordt, omgeeft haar woning met een vesting, die
-zelfs de vraatzuchtigste roofvisschen niet graag zullen verzwelgen. De
-draden, die de bouwstoffen van het nest verbinden, worden door het
-drogen zeer broos; daarom kan dit merkwaardige en volstrekt niet
-zeldzame gebouw moeielijk in een naturaliën-kabinet bewaard worden."
-
-Het typische geslacht der Mantelschelpen of Kamoesters (Pecten) is
-den lezer misschien bekend door het gebruik dat van de schelpen der
-grootste soorten gemaakt wordt als schotel voor fijne ragouts (ragout
-fin en coquilles). Met dezelfde schelpen zijn de pelgrims, die uit
-het Oosten terugkeeren, gewoon hoed en kleederen te versieren. Bij
-alle soorten is de schelp regelmatig en niet aan andere voorwerpen
-vastgegroeid; vele zijn ongelijkkleppig, daar de eene klep als een plat
-deksel op de andere ligt en deze schotelvormig is. Opmerkelijk zijn
-ook de ooren, die aan weerszijden van den top voorkomen, en de ribben,
-die zich bij de meeste soorten straalsgewijs van den top naar den rand
-uitstrekken. De mantel is aan den rand verdikt en met verscheidene
-rijen van vleezige tasters bezet, waartusschen een groot aantal
-oogen geplaatst zijn. Deze trekken bij de Mantelschelpdieren door hun
-diamant- of smaragdachtigen glans meer dan bij andere Plaatkieuwigen
-de aandacht. Zij zijn in de buurt van het slot (en meer bepaaldelijk er
-achter) het dichtst bijeen gezeten en worden op de convexe of onderste
-mantelhelft minder talrijk gevonden dan op de platte, bovenste. Bij
-de grootste soorten bereiken zij een middellijn van 1 mM.; tusschen
-deze groote oogen zijn kleinere gezeten; alle vertoonen echter een
-merkwaardigen glans, veroorzaakt door een eigenaardige gesteldheid
-van het regenboogsvlies, dat de lichtstralen terugkaatst. Het dier
-kan met deze oogen geen verafgelegen voorwerpen zien; zij dienen
-voor het doel, waarvoor wij kleine lenzen gebruiken en zijn alleen
-voor het waarnemen van voorwerpen in de onmiddellijke nabijheid
-geschikt. Als schildwachten hebben zij aan den rand van den mantel
-een geschikte plaats. Verkeerd zou het zijn, het gezichtsvermogen van
-de Mantelschelpdieren met hun geschiktheid tot springen en zwemmen
-in verband te brengen. Evenals bij de Vijlmossels, geschiedt de
-laatstgenoemde beweging door het plotseling sluiten van de schelp
-met behulp van de krachtige sluitspier.
-
-Dat er geen reden bestaat om verband te zoeken tusschen de bedoelde
-bewegingen en het gezichtsvermogen, blijkt ook uit de aanwezigheid
-van oogen bij de nauw verwante Klepoesters (Spondylus). Deze groeien
-n.l. met de bolle schelpklep aan onderzeesche voorwerpen vast. Zij
-onderscheiden zich door het bezit van lange stekels op de ribben der
-schelp. In de Middellandsche Zee vindt men op betrekkelijk groote
-diepte veelvuldig de Lazarusklep (Spondylus gaederopus), die een
-purperkleurige bovenste klep heeft.
-
-Verscheidene Mantelschelpdieren worden gegeten en munten uit door
-fijnheid van smaak.
-
-
-
-Twee sluitspieren, waarvan de achterste groot, de voorste
-daarentegen zeer klein en onder het slot gelegen is, vindt men bij
-de Ongelijkspierige Asiphoniden (Asiphonida Heteromyaria); zij hebben
-den voet weinig, het byssusorgaan meestal krachtig ontwikkeld.
-
-
-
-De Vleugelschelpdieren (Aviculidae) heeten zoo wegens de oor- of
-vleugelvormige uitbreiding, die in den regel naar voren en naar
-achteren (of althans in een van deze beide richtingen) van het slot
-uitgaan en den slotrand rechtlijnig maken. De schelp is dikwijls
-eenigszins ongelijkkleppig; de (in dit geval meer uitgeholde) rechter
-klep is naar den bodem gekeerd; voor vasthechting dienen byssusdraden,
-die door een insnijding onder het voorste oor van de rechter klep
-(of door een haar vervangende opening onder den top) naar buiten
-treden. De slottanden zijn klein of ontbreken. De schelp bestaat uit
-een binnenste parelmoerglanzige en een buitenste, soms bladerige,
-prismatische kalklaag; haar opperhuid is onbeduidend. Het indruksel
-van de achterste (grootste) sluitspier is op korten afstand boven het
-midden der schelp gelegen. Het voorste spierindruksel bevindt zich
-gewoonlijk bij de basis van het voorste oor. Het ontbreekt geheel
-bij de Hamerschelpen (Malleus), welke dezen naam ontleenen aan het
-ruggedeelte van de schelp, langs den rechtlijnigen slotrand. Dit
-gelijkt op een hamerkop en bestaat uit een vóór en een achter den
-top gelegen, lang en smal uitsteeksel; de steel van den hamer wordt
-dan voorgesteld door het zeer korte, lepelvormige buikgedeelte van de
-schelp, dat onder den top aanvangt en loodrecht naar beneden gericht
-is. Soorten van dit geslacht vindt men bij de kusten van Ceylon,
-China en Australië.
-
-Van de levenswijze der Aviculiden valt niets bijzonders op te
-merken. Sommige, vooral de Pareloesters (Meleagrina) spelen echter een
-belangrijke rol wegens de kostbare producten (parels en parelmoer), die
-zij aan den handel leveren. De slotrand is bij alle Meleagrina-soorten
-naar voren, bij vele ook naar achteren oorvormig verlengd. Het slot
-is volkomen tandeloos, of heeft in elke klep een stompen tand. De
-rechter klep is vóór het voorste oor uitgesneden tot het doorlaten
-van den baard. Men kent een 30-tal soorten van dit geslacht, die
-alle de keerkringszeeën bewonen, met uitzondering van één in de
-Middellandsche Zee levende soort. Gewoonlijk zijn alle exemplaren, die
-op een bepaalde standplaats voorkomen, leden van dezelfde soort. Haar
-uitzicht verschilt zeer in verband met de gesteldheid van den tamelijk
-diepen zeebodem, waarop zij wonen, en met de planten en dieren, die
-zich op hare schelpen vestigen; hiernaar worden zij met verschillende
-namen aangeduid. De dikte van de laag schelpen, die den bodem bedekt,
-is ongelijk; volgens de verzekering van betrouwbare duikers bedraagt
-zij niet meer dan 1.5 à 2 voet; de banken zijn op een diepte van 3
-à 15, gewoonlijk 5 à 8 vademen gelegen.
-
-De belangrijkste en verst verbreide soort is de Echte Pareloester
-(Meleagrina meleagris). Zij wordt gevonden in den Perzischen zeeboezem,
-aan de kusten van Ceylon, bij de eilanden van den Grooten Oceaan, in de
-Roode Zee, in de Golf van Panama en van Mexico en aan de Californische
-kust. Verscheidene variëteiten komen voor, die vooral door de
-grootte en de dikte van de parelmoerlaag van elkander verschillen:
-de Ceylonsche heeft een kleine, voor den handel onbruikbare schelp;
-de Soendaneesche wordt 0.5 à 1 KG. zwaar en bevat een dikke, prachtig
-glinsterende parelmoerlaag.
-
-"De kostbaarste parels," schrijft Von Heszling, "worden gewoonlijk
-gevonden in het gespierde deel van den mantel dicht bij het slot;
-in alle andere lichaamsdeelen, aan de binnenste oppervlakte van
-de schelp en in de sluitspier kunnen echter parels voorkomen. Zij
-verschillen zeer in omvang; zelden overtreft haar grootte die van
-een kers; die welke een kleinen speldeknop evenaren, zijn zeer
-talrijk en heeten "seedpearls". Kapitein Stuart vond 67, Cordiner
-150 parels in één Oester; niet zelden komt het echter voor, dat men
-honderden schelpen achtereenvolgens opent, zonder een enkele parel
-te vinden. Opmerkelijkerwijze hebben de visschers van Pareloesters
-dezelfde ervaring opgedaan als die van Zoetwaterparelmossels: zij
-verwachten n.l. nooit fraaie parels in volkomen ontwikkelde, gladde
-schelpen, maar rekenen er vast op, ze te zullen vinden in dieren
-met verdraaide en misvormde schelpen en in die, welke op de diepste
-gedeelten van den zeebodem liggen."
-
-De parelvisscherijen aan de Perzische Golf zijn tegenwoordig in
-het bezit van den Sultan van Maskate; de parelhandel wordt bijna
-uitsluitend gedreven door Banianer groothandelaars, die in Maskate een
-eigen handelsgilde vormen. Het belangrijkste parelgebied strekt zich
-van de havenplaats Sjardsja westwaarts tot aan Biddulph's eiland uit;
-langs deze kust mag ieder vrij visschen. In het gunstigste jaargetijde,
-van Juni tot het midden van September, houden zich hier ruim 30000
-menschen in 4000 à 5000 vaartuigen, van gemiddeld 10 à 18 ton inhoud,
-met de parelvisscherij bezig. Geen hunner werkt voor een vast loon,
-alle krijgen een zeker aandeel in de winst. De visschers verdeelen
-zich vooraf in twee groepen: sommige blijven in de booten om de
-overige, die onderduiken, weer op te trekken. Iedere duiker heeft
-een kleinen korf bij zich, springt over boord en zet de voeten op
-een steen, die aan een touw bevestigd is. Op een door hem gegeven
-teeken laat de visscher, die in de boot zit, het touw los, waarna
-het met den duiker naar den zeebodem zinkt. Indien hij aankomt op
-een plaats, waar de Pareloesters dicht opeengepakt zijn, is het hem
-mogelijk er in éénmaal 8 à 10 los te scheuren. Door een ruk aan het
-touw noodigt hij de lieden in de boot uit om hem zoo snel mogelijk
-weer op te trekken. Gemiddeld vertoeft hij 40 seconden achtereen
-onder water. Ongelukken door Haaien komen niet dikwijls voor; meer
-vrees boezemt de Zaagvisch in: het is wel eens voorgekomen, dat dit
-gevaarlijke dier een duiker letterlijk doormiddensneed. Om beter
-den adem te kunnen inhouden, zet de duiker zich een hoornen knijper
-op den neus. Hij acht het niet noodig, bij iedere verschijning aan
-de oppervlakte aan boord te gaan, maar rust uit, terwijl hij zich
-vasthoudt aan de touwen, die van de boot afhangen; meestal zijn 3
-minuten verpoozing voldoende om hem van de vermoeienis van 't duiken
-te doen bekomen, waarna hij zich opnieuw in de diepte stort.
-
-De parels worden in den regel door rotting van de weeke deelen uit de
-schelpen te voorschijn gebracht. Dit geschiedt te Aripo op Ceylon in
-vierhoekige, door hooge muren omgeven ruimten, welker hellende bodem
-van groeven is voorzien voor het laten wegvloeien van het vocht uit
-de met water gevulde reservoirs, waarin de Pareloesters liggen te
-rotten. De parels, die door het met rottingsproducten beladen water
-worden medegevoerd, blijven achter voor schotten van gaas, die in de
-geulen zijn aangebracht.
-
-In 1889 bedroeg de opbrengst van de parelvisscherijen aan den
-Perzischen zeeboezem f 3600000. Op Ceylon, waar de Engelsche regeering
-het monopolie van de vangst heeft, worden ieder jaar bepaalde banken
-bevischt, die vervolgens 6 à 7 jaar achtereen onaangeroerd blijven
-liggen. Hierdoor is de jaarlijksche opbrengst aan groote afwisseling
-onderhevig; zij bedraagt soms niet meer dan f 300000 en stijgt in
-andere jaren tot f 2400000.--De parelvisscherij in Mexico leverde
-in 1889 een bedrag van 85000 dollars op.--Bij scheepsladingen worden
-van verschillende oorden de parelmoerschelpen naar Europa vervoerd.
-
-
-
-De schelp van de Steekmossels (Pinnidae) is, in tegenstelling met
-die der Pareloesters, nagenoeg geheel door de dunne prismatische
-kalklaag gevormd en slechts aan haar voorste en oudste gedeelte met
-een nauwelijks waarneembare parelmoerlaag bekleed. Hare gelijke,
-van buiten meestal geschubde kleppen zijn langwerpig, driezijdig:
-aan het scherphoekige vooreinde bevindt zich de rechte spits; het
-achtereinde is breed en gapend. De voorste helft van de langste rechte
-zijde wordt door den smallen, inwendigen slotband ingenomen. Onder de
-spits treft men de kleine, voorste, op korten afstand van het midden de
-groote, achterste sluitspier aan. De mantel is geheel open. De slanke,
-wormvormige voet heeft den dichten bundel van byssusdraden gesponnen,
-die aan de buikzijde op korten afstand van den top uit de schelp
-te voorschijn komt. De Steekmossels bewonen de zeeën van de heete
-en gematigde aardgordels; vooral in stille zeeboezems met slikgrond
-leven zij, op een diepte van eenige voeten, meestal in grooten getale
-bijeen. De grootste soort is de (soms wel 80 cM. lange) Geschubde
-Steekmossel (Pinna squamosa) der Middellandsche Zee. Evenals de 20
-à 30 cM. lange Edele Steekmossel (Pinna nobilis), wordt zij, vooral
-in de golf van Tarente, veelvuldig gevischt. Haar vleesch levert een
-niet bijzonder smakelijk gerecht. De 10 à 25 cM. lange, geelachtig
-bruine byssus wordt o.a. in Tarente, Reggio en Cagliari (al of niet
-met zijde gemengd) tot draden versponnen en vervolgens tot allerlei
-fraaie en duurzame voorwerpen (handschoenen, beurzen, enz.) verwerkt,
-die echter niet als artikelen voor dagelijksch gebruik, maar veeleer
-als curiositeiten beschouwd worden. In de schelpen van Pinna-soorten
-worden dikwijls zoogenaamde Mosselkrabbetjes (Pinnotheres), gevonden.
-
-
-
-De Mossels i.e.z. (Mytilidae) hebben, evenals de leden der vorige
-familie, een gelijkkleppige, meestal dunwandige schelp met een aan
-(of dicht bij) het vooreind gelegen spits en een langen, smallen,
-min of meer inwendigen slotband. De schelp is bij sommige geslachten
-driehoekig, bij andere langwerpig eivormig, steeds van buiten met een
-dikke, hoornachtige opperhuid bekleed, van binnen parelmoerglanzig. Het
-slot is tandeloos, of heeft een nauwelijks merkbaar tandje. De
-kloak is steeds door een strookje, dat de mantelranden van achteren
-verbindt, van de aanvoer-opening der mantelholte gescheiden. Soms
-zijn beide openingen tot een korte buis verlengd. De voet is in den
-regel cilindervormig, de byssus of baard sterk ontwikkeld. De beide
-laatstgenoemde deelen kan men bij de Gewone Mossel (Mytilus edulis)
-onzer zeeën gemakkelijk nagaan. Ieder die Mossels plukt, zal zich
-over de stevigheid der baarddraden verwonderen; zij zijn tegen de
-sterkste strooming en branding bestand. Met deze draden kan de Mossel
-echter ook nog iets anders doen dan zich vasthechten; zij wordt er
-door in staat gesteld van plaats te veranderen. Door samentrekking
-van de spieren voor het terugtrekken van den voet vermindert zij zoo
-veel mogelijk den afstand die haar van de plaats van aanhechting van
-den byssus scheidt, zendt met den voet eenige draden uit naar een
-punt, gelegen op den weg, dien zij wil volgen, schuift, zoodra deze
-vastzitten, den voet tusschen de oude draden en scheurt ze met een
-plotselingen ruk een voor een, los. Zij hangt nu aan de pas gesponnen
-draden en gaat hiermede op dezelfde wijze te werk, na zich vooraf op
-nieuw voor anker te hebben gelegd.
-
-Deze Mossel gedijt het best in de Noordzee en in de zeeën van
-Noord-Europa, doch ook in de Middellandsche Zee overal, waar zij
-geschikte plaatsen vindt om zich vast te hechten. Zij is een van
-de weinige Schelpdieren (of liever Zeedieren in 't algemeen), die
-uit de zeeën met normaal zoutgehalte, zooals de Noordzee, in de
-zeeën en binnenzeeën met geringer zoutgehalte, zooals de Oostzee,
-overgaan. Ook in de Kaspische Zee treft men haar en eenige andere
-soorten van Plaatkieuwigen aan, hoewel zij zich in dit minder zoute
-water niet zoo krachtig ontwikkelen.
-
-Overal waar de Gewone Mossel voorkomt, gebruikt men haar hetzij als
-lokaas bij de vischvangst, hetzij als spijs voor den mensch; met het
-oog op het laatstgenoemde doel heeft men op vele plaatsen maatregelen
-genomen om geregeld aan de vraag naar dit artikel te kunnen voldoen,
-door inrichtingen voor mosselteelt. De bewoners van Ellerbeck, een
-oud, schilderachtig gelegen visschersdorp, tegenover Kiel, hebben op
-perceelen, die bij hunne woningen behooren, mosselpalen onder water
-in den zeebodem geplant. Hiervoor worden bij voorkeur elzen gebruikt,
-omdat zij goedkooper zijn dan eiken en beuken, die echter ook wel
-voor genoemd doel dienen. De visschers nemen de dunste twijgen weg,
-snijden het jaartal in den stam, hakken er van onderen een punt
-aan en bevestigen hem met behulp van een touw en een in een gaffel
-eindigenden stok op 2 of 3 vademen diepte in het met levend of dood
-zeegras bedekte deel van den zeebodem in den grond. Het "zetten"
-van de mosselboomen heeft plaats in ieder jaargetijde; "getrokken"
-worden zij uitsluitend in den winter, omdat in dezen tijd, vooral
-als de zee met ijs bedekt is, de Mossels het smakelijkst zijn en
-haar gebruik dan geen nadeelige gevolgen heeft. De visschers vinden
-hunne mosselboomen terug door merkteekens op de kust, die van uit
-de zee zichtbaar zijn. Ter rechter plaatse aangekomen, maken zij de
-schuit vast aan een in den grond gestoken staak en trekken vervolgens
-den mosselboom boven water aan een touw met een haak, dat zij om den
-stam slingeren. Bij bundels en klompen hangen er groote Mossels aan,
-die door middel van de byssusdraden aan het hout of aan de schelpen
-harer buren vastgehecht zijn; tusschen en op de schelpen wemelt het
-van allerlei zeedieren.
-
-In de Bocht van Kiel worden ieder jaar ongeveer 1000 mosselpalen
-gezet en een even groot aantal getrokken, nadat zij 3 à 5 jaren
-gestaan hebben. Op de markt te Kiel komen per jaar ongeveer 800
-ton Mossels, die ieder gemiddeld 42000 stuks bevatten; in 't geheel
-worden dus in iederen winter bijna 3.5 millioen van deze Weekdieren
-verzameld. Het eene jaar is voordeeliger dan het andere, niet slechts
-wat de hoeveelheid, maar ook wat de kwaliteit van het product betreft.
-
-Op onze kusten, doch vooral in de Westerschelde, wordt de
-mosselkweekerij uitgeoefend door op hiervoor bestemde perceelen
-de van elders aangevoerde jonge Mossels (zoogenaamd "mosselzaad")
-uit te strooien (te "planten"). Het van ondiepe plaatsen verkregen
-mosselzaad verdient de voorkeur boven dat, hetwelk van diepe plaatsen
-(b.v. uit de Grevelingen) afkomstig is, daar zich hierbij meer "zaad"
-van Vijfhoeken (Zeesterren) bevindt, waarmede dan de kunstmatige
-mosselbanken worden aangestoken. Van deze dieren en ook van de felle
-ooste- en noordoostewinden hebben de banken veel te lijden.
-
-De mosselvisscherij wordt vooral uitgeoefend te Philippine, vanwaar
-in 1896, vooral naar België, uitgevoerd werden 800 000 ton (à 90
-KG.) mosselen; de gemiddelde opbrengst per ton was f 2. Van Bruinisse
-bedroeg de uitvoer 108 000 ton. In sommige provinciën worden Mossels
-gebruikt ter bemesting van het land; o.a. door Wieringer visschers
-worden zij met dit doel gekord en voor f 0.30 per HL. verkocht.
-
-Het eten van Mossels schijnt niet ieder goed te bekomen; bij sommigen
-veroorzaakt deze spijs een soort van huiduitslag (ook Kreeften brengen
-soms een dergelijk verschijnsel teweeg). Soms heeft het gebruik van
-Mossels, evenals dat van vele andere Schelpdieren (Oesters, Kokkels,
-Kreukels, Wijngaardslakken, enz.) ernstiger ziekteverschijnselen
-en zelfs sterfgevallen ten gevolge. Volgens de onderzoekingen van
-Salkowski en Brieger behoort het "mosselgif" (mytilotoxin), evenals het
-"lijkengif" en het "worstgif", tot de zoogenaamde ptomaïnen, die een
-op curare (Indiaansch pijlgif) gelijkende werking op het organisme
-uitoefenen. Het ontstaat echter niet door rotting, maar komt reeds
-in de levende Mossel voor, vooral in de lever, en wel bij dieren,
-die uit onzuiver, stilstaand water opgehaald zijn, niet bij die,
-welke op zuiveren zandgrond in de open zee leefden.
-
-Tot de Mytilaceën behooren ook de Steendadels (Lithodomus), welker
-bijna cilindervormige, aan beide einden afgeronde schelp met een
-zeer dikke opperhuid bedekt is. Alle soorten van dit geslacht leven
-en zitten onbeweeglijk vast in zelf gemaakte gaten in steenen,
-steenkoralen en dikwandige schelpen. Gedurende haar jeugd zijn zij
-door byssusdraden vastgehecht. Door korte siphonen aan het achtereinde
-hebben de aanvoer en de afvoer van het water plaats.
-
-Het meest bekend is de Gewone Steendadel (Lithodomus lithophagus), die
-de Middellandsche Zee bewoont. Dit dier levert een zeer gewilde spijs;
-hoewel bijna overal aanwezig in de door kalksteen gevormde kusten,
-komt het nooit in groote hoeveelheid op de markt, daar het openen
-van zijn hol een moeielijken en tijdroovenden arbeid vereischt. Op
-een geheel andere wijze dan de Steenborers of Pholaden dringen de
-Steendadels in het gesteente door: hun schelp is glad, vertoont geen
-spoor van tandjes, die als vijl of rasp zouden kunnen dienen. Men
-moet dus wel aannemen, dat zij de door hen bewoonde holen maken
-en allengs verlengen en verwijden door de bestanddeelen van het
-gesteente op te lossen; de stof die zij met dit doel uitscheiden,
-heeft men nog niet kunnen ontdekken; zoowel over haar scheikundige
-samenstelling als over het orgaan, waarin zij gevormd wordt, verkeert
-men dus nog in onzekerheid. Het vermoeden is geopperd, dat hierbij
-het door de ademhaling geleverde koolzuur in 't spel zou zijn; de
-dikke opperhuid kan de brooze schelp tegen de oplossende werking van
-het koolzuurhoudend water beschutten.
-
-De beroemdste woonplaats van deze rotsbewoners is de Serapis-tempel te
-Puzzuoli aan de Golf van Napels, welks ruïnen in 1749 door opgravingen
-werden blootgelegd. Hiertoe behooren drie marmeren zuilen van ongeveer
-13 M. hoogte, die nog steeds op hare voetstukken rusten. Op een hoogte
-van 4 à 5 M. boven den tegenwoordigen zeespiegel bevindt zich een
-1 M. breeden gordel van gaten, die door Steendadels gemaakt zijn,
-gelijk blijkt uit de schelpen, die thans nog 15 cM. diep in vele
-van deze gaten voorkomen. De zee moet dus, toen deze dieren leefden,
-6 M. hoog in de bouwvallen van dezen tempel gestaan hebben. Hieruit
-valt af te leiden, dat de kuststreek in de nabijheid van Puzzuoli na
-het bouwen van den tempel aanmerkelijk gedaald is en dat de bodem
-na geruimen tijd overstroomd te zijn geweest, zich opnieuw tot de
-tegenwoordige hoogte verheven heeft.
-
-De Riviermossels (Dreyssena of Tichogonia) verschillen van de leden van
-het geslacht Mytilus, doordat de mantelhelften aan den rand nagenoeg
-overal met elkander vergroeid zijn; er blijven slechts drie enge
-openingen over: een voor het uittreden van den voet en den byssus,
-een tweede voor het binnenlaten van voedsel en ademhalingswater,
-de derde voor het afvoeren van de uitwerpselen en van het water,
-dat voor de ademhaling gediend heeft. De schelp is gelijkkleppig
-en driehoekig; de spits is aan den scherpen hoek gelegen. Aan de
-buitenzijde is iedere klep van de spits tot den achterrand gekield,
-van binnen bij de spits tusschen rug- en buikrand van een plaatvormige
-lijst voorzien, waarop het indruksel van de voorste sluitspier
-voorkomt. Van de 6 hedendaagsche soorten is vooral de Europeesche
-Dreyssena polymorpha merkwaardig wegens de groote uitbreiding, die haar
-gebied in buitengewoon korten tijd ondergaan heeft. Deze bij de lagere
-dieren zoo zeldzame gebeurtenis kan nog het best vergeleken worden
-met den zegetocht van de Grauwe Rat door alle landen van West-Europa
-en met de verspreiding van dit Knaagdier over alle werelddeelen.
-
-De natuuronderzoekers van de vorige eeuw kenden de Dreyssena slechts
-als bewoonster van de rivieren van Zuid-Rusland. Het oudste bericht
-over een andere woonplaats van dit dier is afkomstig van C. E. von Bär,
-die het in 1825 in ontzaglijk grooten getale in het Frische en het
-Koerische Haff en, op vele mijlen afstands van de zee, in de naburige
-groote rivieren aantrof, bij hoopen met den byssus vastgehecht aan
-steenen en aan schelpen van andere Weekdieren. Terzelfder tijd vond men
-het plotseling in de Havel, niet ver van Potsdam, en in de naburige
-meren. Eenige jaren later, in 1835 ongeveer, ontsierde het in groote
-massa's de in 't water staande palen bij het Pauweneiland, niet ver
-van Potsdam. Nog altijd is deze soort in de Havel en het Tegel-meer
-zeer talrijk vertegenwoordigd, ook heeft zij zich in de Spree,
-dicht bij Berlijn, vertoond. Men weet zeker, dat zij in 1824 in den
-benedenloop van de Donau voorkwam, maar niet, of zij er reeds vroeger
-leefde; in 1868 werd zij bij Regensburg waargenomen, nog later bij
-Vilshofen. Uit den Havel, die tot het stroomgebied van de Elbe behoort,
-is zij stroomopwaarts tot Maagdenburg en Halle doorgedrongen. In onze
-riviermonden werd zij voor 't eerst in 1826 opgemerkt, thans vindt men
-haar overal in den Rijn, van de Zwitsersche grenzen tot aan de zee,
-ook in den Neckar en de Main. Van Nederland uit heeft zij zich over
-België en Noord-Frankrijk tot Parijs verbreid en is vervolgens uit
-het stroomgebied van de Seine in dat van de Loire overgegaan. In
-Engeland heeft men haar voor 't eerst in 1824 in de dokken van
-Londen gezien; thans bewoont zij verscheidene rivieren van Engeland
-en Schotland. De verspreiding van deze Mossel geschiedde ongetwijfeld
-door schepen en houtvlotten, waaraan zij zich had vastgehecht, langs
-de gewone waterwegen; de scheepvaartkanalen brachten haar van 't eene
-stroomgebied naar 't andere. Gedurende de zeereis naar de monden van
-den Rijn en naar Engeland was zij waarschijnlijk niet aan de buitenste
-oppervlakte van het schip vastgehecht, maar aan de lading, aan het
-voor den scheepsbouw bestemde hout. Te midden van een grooten klomp
-dezer Weekdieren kunnen enkele exemplaren ongetwijfeld verscheidene
-dagen buiten water leven, langer althans dan in zeewater, dat voor
-zoetwaterdieren in den regel schadelijk is. Ten onrechte heeft men
-wel eens beweerd, dat Dreyssena zoowel in zoetwater als in de zee
-kan leven. In de Oostzee komt zij uitsluitend binnen, niet buiten de
-Haffen voor; bij Swinemunde vindt men enkele exemplaren tot aan de
-binnenzijde van den dam, geen enkele echter aan den buitenkant.
-
-
-
-De Gelijkspierige Asiphoniden (Asiphonida Homomyaria) hebben een
-gelijkkleppige schelp en twee sluitspieren, van nagenoeg gelijke
-dikte; de mantelhelften zijn gescheiden of aan den achterrand onder de
-kloakopening door een brugje vereenigd; de voet is goed ontwikkeld. De
-belangrijkste hiertoe behoorende familie is die der Najaden (Najades
-of Unionidae), waarvan onze groote, algemeen bekende Zoetwatermossels
-vertegenwoordigers zijn. Alle hebben een gesloten schelp, samengesteld
-uit een dikke, donkergroene of bruinachtige opperhuid, een dunne,
-prismatische kalklaag en een dikke parelmoerlaag. De slotband is
-uitwendig. De beide spierindruksels zijn nagenoeg even ver van den
-rand verwijderd; achter de voorste komen twee voetspierindruksels voor,
-vóór de achterste één.
-
-Bij de Stroommossels (Unio) is de schelp dikwandig en de top veel
-dichter bij het vooreinde dan bij het achtereinde gelegen; de rechter
-schelpklep heeft vóór den top een korten, stevigen middeltand en
-er achter, onder den slotband, een langen, aan den rand evenwijdig
-loopenden zijtand; tegenover deze bevinden zich aan de linker
-schelpklep twee stevige middeltanden en twee lange zijtanden. Van dit
-geslacht zijn ongeveer 500 levende soorten uit alle werelddeelen en
-alle aardgordels bekend.
-
-De Unioniden, die men meer bepaaldelijk Zoetwatermosselen noemt
-(Anodonta), komen door lichaamsbouw en levenswijze met de
-reeds genoemde overeen, doch zijn meer dan deze tot slijkerig,
-stilstaand en langzaam stroomend water beperkt. Enkele soorten of
-verscheidenheden treft men echter ook in groote, zeldzamer in kleine
-rivieren aan, op plaatsen waar zij eenigszins tegen den stroom beschut
-zijn. Vooral in de afvoergeulen van groote plassen schijnen zij zich
-gaarne te vestigen. De naam Anodonta (die "tandeloos" beteekent)
-is gerechtvaardigd door het volkomen gemis van slottanden; wel komt
-onder den zeer dikken slotband een stompe, overlangsche lijst voor;
-de slotrand is dun, evenals de geheele brooze schelp. Zoowel van
-de Unionen als van de Anodonten, zijn een groot aantal vormen als
-afzonderlijke soorten beschreven, die hoogstens op den rang van
-verscheidenheden aanspraak kunnen maken. Iedere beek, rivier of plas
-geeft schelpen van eigenaardige gedaante te aanschouwen; bovendien
-gaan wijzigingen van de breedte en diepte van het stroombed, van de
-grondgesteldheid en van de stroomsnelheid niet zelden gepaard met
-verandering van den vorm der schelp. De ondiepe, aan de heerschende
-windrichting tegenovergestelde zijde van groote plassen of binnenmeren
-wordt dikwijls bewoond door geheel andere verscheidenheden dan
-de meestal diepere overkant. Ieder, die eigenhandig honderden van
-Anodonten en Unionen in verschillende oorden verzamelde, of in grooten
-getale van anderen kreeg met nauwkeurige vermelding van de vindplaats,
-zal zich minder verwonderen over de ontvangst van eigenaardige
-variaties van sommige soorten dan over het nu en dan waarnemen van
-vormen, gelijk aan die, welke hem reeds van elders bekend zijn.
-
-De Anodonten, die in Duitschland (en Nederland) voorkomen, worden door
-Clessin tot 2 soorten gebracht: de Bolle Zoetwatermossel (Anodonta
-mutabilis) en de Platte (A. complanata). Van de talrijke variëteiten
-der eerstgenoemde soort is de Zwanenmossel (var. cygnea), die plassen
-met slibrijken, weinig humus bevattenden bodem bewoont, de grootste,
-daar zij soms bij 190 mM. lengte, 80 mM. breedte en 60 mM. dikte
-heeft. Een van de kleinste rassen is de Eendenmossel (var. anatina),
-die in langzaam stroomende beken leeft en 90 mM. lang, 48 mM. breed
-en 30 mM. dik kan worden. Gelijke lengte, doch een geringere breedte
-en dikte heeft de meest gewone Unio-soort, de Verfmossel (Unio
-pictorum); haar schelp is langwerpig met nagenoeg evenwijdigen boven-
-en onderrand.
-
-Vele soorten van Unioniden brengen parels voort; bijzonder rijk
-aan dit kostbare product is echter de in Nederland ontbrekende
-Rivierparelmossel (Margaritana margaritifera), die hoofdzakelijk
-wegens het gemis van zijtanden niet meer tot het geslacht Unio
-wordt gerekend. Van de reeds genoemde Unioniden verschilt zij door
-de dikwandigheid van haar schelp, die in sommige gewesten (Saksen,
-het noorden en oosten van Beieren) een lengte van 110 à 140 mM. kan
-bereiken. (Bij 120 mM. lengte is zij 50 mM. breed en 30 mM. dik.) Deze
-soort heeft een zeer uitgestrekt verbreidingsgebied: zij leeft in
-de rivieren van de westkust van Ierland en in die van den Oeral,
-bewoont Skandinavië en Noord-Rusland tot aan de IJszee, houdt zich op
-in de monden van den Don zoowel als in de snelstroomende beken der
-Pyreneën en komt ook in Noord-Amerika voor. Hoewel het kalkgehalte
-van den bodem een gunstigen invloed uitoefent op de verbreiding der
-meeste Weekdieren, gedijt juist deze soort het best in stroomen, die
-in graniet- of gneiss-lagen (gesteenten met veel kiezelzuur, doch zeer
-weinig kalk) ontspringen en verder uitsluitend door gewesten vloeien,
-welker bodem eveneens deze samenstelling heeft, in Duitschland o.a. in
-het Beiersche Woud, het Fichtelgebergte en het Saksische Vogtland. Daar
-de Parelmossels zich bijna uitsluitend voeden met rottingsproducten
-van waterplanten, die de geringe hoeveelheid kalk van het water in
-hare weefsels ophoopen, kunnen zij in kalkarm water een dikwandige
-schelp verkrijgen. Hoewel de Parelmossels bijna voortdurend in
-flegmatische rust verkeeren, merkt men bij hen duidelijke bewijzen
-van geschiktheid tot beweging op. Die welke na bezichtiging weer in
-'t water werden geworpen, waren den volgenden dag tot in het midden
-van de beek voortgeschreden, zooals bleek uit de groeven, die zij in
-'t zand hadden achtergelaten. Zij bewegen zich echter zeer langzaam
-en over een geringen afstand: gemerkte exemplaren vond men dikwijls
-na verloop van 6 à 8 jaren tamelijk dicht bij hun oorspronkelijke
-ligplaats terug.
-
-Het grootendeels in apathische rust doorgebrachte leven dezer dieren
-duurt zeer lang, wanneer het niet door een noodlottig toeval wordt
-verkort. In de lente loopen zij gevaar, dat de sterk gezwollen stroom
-hen onder gruis en steenen bedelft; 's winters hebben zij in kleine
-beken veel van de vorst te lijden; voortdurend wordt hun leven door
-de hebzucht van den mensch en door de vraatzucht van Otters, Eksters,
-Raven en Kraaien bedreigd. Hunne weeke deelen leveren een goed lokaas
-voor de vangst van Visschen en Kreeften, een geschikt voedsel voor
-het mesten van Eenden en Zwijnen. De dikwandigheid der schelp in
-het zoo weinig kalk bevattende water getuigt van den hoogen leeftijd
-dezer dieren; dat zij 70 of 80 jaar oud kunnen worden, is gebleken
-uit het vinden van schelpen, die met een jaartal gemerkt waren. De
-berichten over een nog hoogeren ouderdom (200 jaar) berusten op geen
-vasten grond.
-
-Een even rustig leven als de Parelmossels leiden onze Unionen en
-Anodonten. Zij brengen in de zomermaanden een verbazend groot aantal
-eieren voort; deze worden door trilhaarbeweging vervoerd naar de
-tijdelijk als broedzakken dienende holten van de buitenste (soms ook
-van de binnenste) kieuwen, die hierdoor tot een aanmerkelijke dikte
-opzwellen. De ontwikkeling van de kiem in deze eieren werd voor 't
-eerst door Leeuwenhoek waargenomen en beschreven. Hij zag haar reeds
-op zeer jeugdigen leeftijd met trilharen uitgerust en in draaiende
-beweging te midden van de vloeistof, die de eihuid vult. Wanneer
-men dit merkwaardige verschijnsel nagaat na het ontstaan van de
-eerste beginselen der schelp en de dunne eihuid breekt, zoodat het
-embryo vrij in het water komt te liggen, ziet men de schelp eensklaps
-opengaan, daar de sluitspier (het embryo heeft er slechts één) nog niet
-sterk genoeg is om de spanning van den slotband te overwinnen. Van
-tijd tot tijd doet het arme dier vruchtelooze pogingen om door
-spiersamentrekking de beide schelpkleppen weder bij elkander te
-brengen. In dit stadium van ontwikkeling verkeert het embryo als de
-moeder hare eieren uitwerpt; kort daarna worden de met een kopscherm
-uitgeruste larven vrij, hechten zich door middel van een byssusdraad
-aan de huid van Zoetwatervisschen en brengen hier 2 à 3 maanden door;
-nu is de gedaantewisseling afgeloopen en neemt het leven op den bodem
-een aanvang.
-
-De parels bestaan, evenals de schelp, uit fijne, organische vliezen
-en de daartusschen afgezette koolzure kalk. Een zuivere, vlekkelooze
-parel heeft geen bepaalde kleur, vertoont geen anderen weerschijn dan
-de parelmoerlaag en komt met deze in samenstelling overeen. Parels van
-het zuiverste "water" hebben een onbeschrijfelijk zachte, melkwitte,
-zilverheldere glans, waarmede nagenoeg geen regenboogskleuren gemengd
-zijn. Het iriseerend vermogen hangt af van de wijze, waarop de kalk
-tusschen de organische vliezen is afgezet; aan de dikte dezer vliezen
-dankt de parel de zachtheid van het teruggekaatste licht, waardoor
-zij het oog nog het meest bekoort. De Oostersche parels munten
-boven alle andere uit, omdat bij haar zelfs de prismatische kalk,
-die niet minder dikwijls dan het parelmoer als bestanddeel van de
-parel optreedt, bijna geen spoor van kleur vertoont en dus het licht
-beter doorlaat dan de gekleurde, prismatische kalk der door Unioniden
-voortgebrachte parels. Een prachtige, zuiver ronde, Oostersche parel
-van 27 7/8 karaat, die Von Heszling in de verzameling naturaliën en
-kunstvoorwerpen van de Gebroeders Zosima te Moskou zag, rolde als een
-groote, fraai glinsterende kwikzilverdruppel over het fijne batist,
-waarop zij tentoongesteld werd. Alle parels ter grootte van een
-walnoot of van een duivenei waren afkomstig van Zeepareloesters uit
-den Perzischen zeeboezem of van de Amerikaansche kust. De Europeesche
-en meer bepaaldelijk de Beiersche parels kunnen den omvang van een
-groote erwt of van een kleine boon bereiken, maar zijn dikwijls niet
-grooter dan een speldekop en nog vaker veel kleiner.
-
-De parel heeft haar ontstaan te danken aan den prikkel, die een
-fijnkorrelig, vreemd lichaam op het kalkafscheidende deel van den
-mantel uitoefent; rondom deze kern worden concentrische lagen
-van organische stof en koolzure kalk afgezet, die, wanneer zij
-vrij tusschen den mantel en de schelp liggen, de kostbare parel
-vormen. Dikwijls zijn de parels met de schelp vergroeid, of vertoont
-deze uitwassen, die op parels gelijken. De vreemde lichaampjes ter
-grootte van 0.02 à 0.1 mM., die als kernen optreden, zijn meestal
-kwartskorreltjes, plantendeeltjes of schilfertjes van de opperhuid
-der schelp. De parels groeien zeer langzaam. Een vol jaar nadat in
-de Mossel een vreemd lichaam was gebracht, had de hierop afgezette
-laag nog geen meetbare dikte. Volgens ervaringen, door visschers bij
-gemerkte Parelmossels opgedaan, bereiken parels van speldekopgrootte
-in ongeveer 12 jaar den omvang van een erwt. Hieruit vloeit voort,
-dat het parelvisschen alleen met tusschenruimten van vele jaren op
-dezelfde plaats met voordeel kan geschieden.
-
-De parelvisscherij is in Europa een kroondomein; haar opbrengst is in
-de meeste landen zeer gering. In Saksen werden van 1826 tot 1836 140
-parels gevonden ter waarde van nog geen f 150. De parelvisscherijen
-van Beieren leverden in 43 jaar, van 1814 tot 1857, 158880 parels
-op. De opbrengst aan parels uit de Moldau, over den 8 mijlen langen
-afstand van Rosenberg tot Moldautein, wordt op 8000 à 12000 gulden
-per jaar geschat. Gemiddeld vindt men in 103 Parelmossels één parel
-van geringe waarde, in 2215 één middelmatige, in 2708 een goede parel.
-
-Reeds sinds een paar duizend jaar wenden de Chineezen middelen aan om
-de Parelmossels te nopen in minder tijd meer arbeid te verrichten. Met
-dit doel worden vreemde lichamen gebracht tusschen de schelp en den
-mantel. "De uitoefening van deze industrie is," volgens Mac-Gowan,
-"beperkt tot twee bijeengelegen plaatsen in het noorden van de
-provincie Tsjekiang. Gedurende de maanden Mei en Juni worden in
-korven groote hoeveelheden Mossels (Anodonta plicata) uit het meer
-Thai-hoe ingezameld en hiervan de grootste exemplaren uitgekozen. Daar
-zij gewoonlijk door de reis eenigszins geleden hebben, gunt men
-haar in bamboes-mandjes, die in het water gedompeld worden, eenige
-dagen rust, voordat men ze ter wille van de menschelijke ijdelheid
-kwelt. Dit geschiedt door het plaatsen van korrels of matrijzen in
-de voorzichtig geopende Mossel. De hiervoor dienende korrels zijn
-gewoonlijk vervaardigd van klei, dat met sap van den kamferboom tot
-een deeg is aangemengd. De matrijzen die het best een bekleeding
-met parelmoer aannemen, worden uit Canton ingevoerd, waar men ze,
-naar het schijnt vervaardigt door onregelmatige stukjes parelmoer van
-de Zeepareloesters (Meleagrina margaritifera) in een ijzeren bak zoo
-lang met zand te schuren, totdat zij glad en rond zijn. Ook dienen als
-matrijzen kleine figuurtjes van lood, die meestal Boeddha in zittende
-houding of Visschen voorstellen. Deze voorwerpjes worden na het openen
-van de schelp met een parelmoeren spatel in twee evenwijdige reeksen
-neergelegd op de buitenste oppervlakte van den vooraf eenigszins
-opgelichten mantel, eerst op de eene, vervolgens ook op de andere
-mantelhelft. De hierdoor veroorzaakte pijn noopt het dier den mantel
-krampachtig tegen de schelp te drukken, zoodat de voorwerpjes op hun
-plaats blijven. De dus voorbereide Mossels worden (soms ten getale van
-50000) op den 7 à 17 dM. diepen bodem van kanalen, plassen of vijvers,
-op 10 à 14 cM. afstand van elkander neergelegd. Eenige dagen later zijn
-de vormen door een vliezige uitscheiding aan de schelp bevestigd; later
-vindt men dit vliesje met kalk doordrongen en eindelijk hebben zich
-rondom de kern lagen parelmoer gevormd. In November, volgens andere
-berichtgevers eerst na 10 maanden of zelfs eerst na 3 jaar, worden de
-Mossels geopend, de weeke deelen er uitgesneden en de parels met een
-scherp mes losgemaakt. De parelmoeren kernen laat men er in blijven;
-die van klei of metaal worden weggenomen, de holte met gesmolten
-hars gevuld en met een stukje parelmoer gesloten. In dezen toestand
-gelijken zij op halfbolvormige parels en staan in glans en schoonheid
-bij de massieve niet achter, hoewel zij voor een veel lageren prijs
-verkrijgbaar zijn".
-
-Von Heszling heeft de bruikbaarheid van de Chineesche handelwijze op de
-Europeesche Parelmossel beproefd, doch ongunstige uitkomsten verkregen.
-
-
-
-
-
-TWEEDE ORDE.
-
-DE PLAATKIEUWIGEN MET MANTELBUIZEN (Siphonida).
-
-De vergroeiing van de mantelhelften langs een groot deel van den rand,
-waarmede het bezit van siphonen gepaard gaat, is een hoofdkenmerk
-van deze groep. Alle Siphoniden hebben twee krachtig ontwikkelde
-sluitspieren. In de onderorde der Gaafmanteligen (Integripalliata)
-vereenigt men die, welker siphonen kort zijn en niet teruggetrokken
-kunnen worden; in dit geval heeft de mantellijn geen bocht aan
-'t achtereinde.
-
-Bij de Tridacnaceën zijn de beide sluitspieren (zie de afbeelding
-bij c) zoo dicht bij elkander gelegen, dat men ze als een uit twee
-afdeelingen bestaande, enkelvoudige spier zou kunnen beschouwen. De
-mantel is op drie openingen na geheel gesloten. Door de middelste (a)
-worden het ademhalingswater en het voedsel aangevoerd. Op tamelijken
-grooten afstand van de aanvoeropening, ongeveer tegenover het slot,
-ligt de kloak (b). De voorste opening--een tamelijk groote spleet
-(d), waardoor de kleine voet en de baard (e) die aan zijn basis is
-gehecht, uittreden--is gelegen daar, waar men aan de gesloten schelp
-het zoogenaamde "maantje" opmerkt. Bij de meeste Plaatkieuwigen komt
-in deze onmiddellijk vóór de spitsen gelegen plek geen opening voor;
-bij de Tridacnaceën is dit wel het geval, zoodat de schelp tot het
-uitsteken van den voet niet geopend behoeft te worden. De schelp
-is gelijkkleppig en langwerpig ruitvormig met afgeronde hoeken;
-zij bestaat uit een zeer dichte en harde stof; elke klep heeft één
-zijtand; de slotband is uitwendig. De zeer dikke schelpkleppen hebben
-grove, dikwijls geschubde ribben, welker uiteinden bij 't sluiten van
-de schelp als groote tanden in elkander passen. Alle Tridacnaceën
-bewonen de Chineesche Zee, den Indischen Oceaan (met de Roode Zee)
-en den Grooten Oceaan. Tot deze familie behoort de grootste van alle
-schelpen, de Reuzenschelp (Tridacna gigas), die in vele kerken als
-wijwaterbak gebruikt wordt en daarom ook wel Wijwaterschelp, Bénitier
-of Bakschelp heet. Sommige exemplaren hebben een gewicht van meer dan
-250 KG. en een lengte van meer dan 1 M.; de weeke deelen, die niet
-meer dan 10 KG. zwaar zijn, worden gegeten, vooral de sluitspieren.
-
-Met een tweede, in de Roode Zee zeer veelvuldig voorkomende, kleinere
-soort, Tridacna elongata, heeft Vaillant merkwaardige proeven genomen
-om de weerstand te bepalen, die door de sluitspieren overwonnen kan
-worden. Daar de randen niet geheel op elkander passen, kon men aan
-iedere schelpklep een haak bevestigen: aan de eene werd de schelp
-opgehangen, de andere kreeg een bak te dragen, waarin men water goot,
-totdat de schelp zich opende. Bij het gewicht van den bak met water
-moet men natuurlijk nog voegen dat van de onderste schelpklep en den
-weerstand van den slotband, daar deze de sluitspier tegenwerken. Dit
-in aanmerking nemend, bleek de spierkracht van een exemplaar van
-24 cM. lengte 7 KG. te zijn, waaruit men kan afleiden, dat, naar
-verhouding, een Reuzenschelp van 250 KG. gewicht een spierkracht meer
-dan 900 KG. ontwikkelen zou.
-
-De Tridacna's, houden zich gedeeltelijk in 't zand verborgen. Van
-Tridacna elongata steekt alleen de getande rand van de schelp boven
-het zand uit. Vaillant roemt zeer het prachtige schouwspel, dat de
-bijna altijd zichtbare mantelzoom van dit Weekdier bij stil water op
-een diepte van 3 à 4 M. oplevert.
-
-De familie der Zandschelpen of Hartschelpen (Cardiaceae) heeft nagenoeg
-geen andere hedendaagsche vertegenwoordigers dan het gelijknamige,
-omstreeks 200 soorten omvattende geslacht Cardium. De wetenschappelijke
-naam is ontleend aan den vorm van de steeds gelijkkleppige, meestal
-buikig gezwollen schelp, die wegens de binnenwaarts gekromde spitsen
-van voren of van achteren gezien, nagenoeg hartvormig is. Men vindt
-overblijfselen van deze Weekdieren in alle aardlagen, te beginnen
-bij de Silurische; de hedendaagsche soorten leven in alle zeeën,
-doch vooral in die van den heeten aardgordel. Verscheidene soorten
-bewonen de Zwarte en de Kaspische Zee en het meer van Aral, zelfs
-water met gering zoutgehalte in de nabijheid van riviermonden; deze
-hebben belangrijke wijzigingen van lichaamsbouw ondergaan. De siphonen,
-die bij de typische, in zee levende soorten kort en gescheiden zijn,
-hebben bij de brak- en zoetwatervormen een veel grootere lengte
-en zijn vergroeid, hetgeen gepaard gaat met het optreden van een
-korte mantelbocht en met het geopend blijven van de schelp aan den
-achterrand; bovendien is in dit geval de voet korter en breeder en
-het slot onduidelijk of niet getand. Bij de typische vormen sluiten
-de dikwandige schelpkleppen langs den geheelen, gewoonlijk gekorven
-of getanden rand aaneen en zijn voorzien van ribben of strepen, die,
-straalswijs uiteenwijkend (en niet zelden stekels of knobbeltjes
-dragend), van den top naar den rand loopen. Iedere klep heeft,
-behalve 2 dikke, schuine, kegelvormige slottanden, één voorsten en
-één achtersten zijtand. De mantelhelften zijn van voren tot over de
-helft van de lengte gescheiden, van achteren aan den zoom met talrijke,
-lange franjes bezet, die eveneens aan de siphonen voorkomen. De voet
-is zeer lang, cilindervormig en knievormig gebogen.
-
-De 4 à 4.5 cM. lange, 3 à 4 cM. hooge Eetbare Zandschelp, meer bekend
-onder de namen Kokhaan, Kokkel of Haantje (Cardium edule), welker
-eenigszins scheeve, buikig-hartvormige, witte of roestgele schelp 24
-à 28 dwars gerimpelde ribben heeft, komt in grooten overvloed op de
-zandbanken langs onze kusten voor. In groote hoeveelheid wordt zij,
-o.a. in de Westerschelde en in de Zuiderzee, ingezameld en deels
-naar België, deels over Harlingen naar Engeland vervoerd. In 1896
-bedroeg de aanvoer te Harlingen 11110 balen Kokkels [benevens 8422
-balen Kreukels en 54032 balen Mosselen (de baal weegt c.c. 90 KG.)].
-
-Van veel meer belang zijn deze Weekdieren echter voor de bewoners
-van andere kusten. Het rapen van Kokkels op de bij eb droog loopende
-banken maakt het voornaamste middel van bestaan uit van de bevolking
-der rotsachtige noord- en noordwestkust van Schotland, die in de
-hier niet zeldzame jaren van gebrek nagenoeg geen ander voedsel kan
-verkrijgen. Ook de Hebridische eilanden Barra en Noord-Uist bezitten
-ontzaglijke hulpbronnen van dezen aard. Evenals andere leden van haar
-geslacht, is de Eetbare Zandschelp zeer taai van leven; zij kan zeer
-groote wijzigingen van zoutgehalte verdragen en komt daarom ook in
-de Oostzee en zelfs in de Finsche en de Botnische golf voor.
-
-Meer geschat als spijs zijn de aan onze kusten zeldzame, grootere
-soorten van Zandschelpen, o.a. de Gedoornde Zandschelp (Cardium
-echinatum, 5.7 cM. lang, 5.5 cM. hoog), welker 18 of 19 ribben bezet
-zijn met puntige, van voren gegroefde stekels. Op het Goodrington-
-Strand in de baai van Torquay (aan de zuidkust van Devonshire)--een
-uitgestrekte gele zandvlakte, die op verscheidene plaatsen door
-steile rotsen afgebroken is--wordt dit Weekdier veelvuldig geraapt
-en aan de welgestelde bewoners van deze bekoorlijke kuststreek
-verkocht door de visschers van Paington, die zelf zich behelpen met
-de vroeger genoemde kleine soort, welke aan de slibbanken vóór de
-riviermonden de voorkeur geeft boven zandgrond. Gosse beschrijft de
-Gedoornde Zandschelp met de volgende woorden: "De schelp is bevallig,
-maar volstrekt niet prachtig van kleur; zij vertoont rijke en warme
-geelachtig en roodachtig bruine tinten in concentrische strepen, die
-in de nabijheid van de spitsen in melkwit overgaan. De lange, spits
-toeloopende voet wordt zoo ver mogelijk (9 cM. voorbij den rand der
-schelp) uitgestoken, zoekt tastend een voor steun geschikt voorwerp,
-b.v. een half in 't zand bedolven steen, drukt, zoodra het er een
-voelt, de haakvormig gekromde spits er met kracht tegen aan, maakt
-de geheele voet door vulling met vocht stijf, en springt vervolgens
-door samentrekking van de voetspieren plotseling 60 of meer cM. ver
-weg. Menigmaal is het gebeurd, dat een gevangen exemplaar van den bodem
-der schuit over boord wipte en op deze wijze zijn vrijheid herkreeg. De
-haakvormige spits, die bij het springen zulke goede diensten bewijst,
-speelt bij 't graven een niet minder belangrijke rol. Evenals alle
-Kokhanen, verbergt ook deze zich in 't zand en kan hierin met vrij
-groote kracht en snelheid doordringen. Door den voet te strekken en
-zijn spits uiteinde loodrecht tegen het natte zand te drukken, dringt
-het geheele orgaan er in door. Nadat het een stevig steunpunt heeft
-verkregen door het plotseling zijwaarts krommen van de spits, krimpt
-het sterk ineen, waardoor de schelp met kracht tegen den ingang van
-de holte wordt gedrukt en zijn naar beneden gerichte rand het zand
-een weinig zijwaarts verschuift. De voet wordt nogmaals gestrekt en
-zijn spits op 4 à 5 cM. grooter diepte opnieuw gekromd. Een tweede
-samentrekking doet de schelp iets verder in het zand doordringen. Deze
-bewegingen geschieden zeer snel en worden in dezelfde orde herhaald,
-totdat het dier zich diep genoeg verborgen heeft."
-
-De Strandschelpdieren (Cyrenidae) hebben een hartvormige, ronde of
-ovale schelp met concentrische strepen en een duidelijke opperhuid
-van bruine of groenachtige kleur. Elke klep heeft 2 of 3 slottanden;
-hiervoor en hierachter bevinden zich in de rechterklep 2 zijtanden,
-in de linkerklep 1. De slotband is uitwendig. Soms is een kleine
-mantelbocht aanwezig. De brakwater-Cyreniden onderscheiden zich
-door een dikkere schelp en komen uitsluitend in de tropische en
-subtropische gewesten voor; enkele bewoners van rivieren en moerassen
-treft men ook in de gematigde en koude aardgordels aan, o.a. sommige
-Hoornschalen (Cyclas), zoo genaamd wegens de grijsachtige hoornkleur
-van de schelp. Deze verbergen zich niet dikwijls in den grond, maar
-houden zich liever tusschen plantenstengels op, waarbij zij met een
-voor Weekdieren prijzenswaardige snelheid opklimmen en afdalen. Zelfs
-kunnen zij, naar men zegt, als Zoetwaterslakken aan den waterspiegel
-hangend, voortkruipen. De grootste inheemsche soort is de 2 cM. lange
-Rivierhoornschaal (Cyclas rivicola); de overige, o.a. de Gewone
-Hoornschaal (Cyclas cornea), worden nauwelijks half zoo lang.
-
-De Fijnschalen (Pisidium) zijn gemiddeld nog kleiner:
-de Rivierfijnschaal (Pisidium amnicum) wordt 11 mM., de Kleine
-Fijnschaal (Pisidium pusillum) 3.5 mM. lang. Zij onderscheiden zich
-van de Hoornschalen door de kortheid van hare vergroeide siphonen en
-de meer ongelijkzijdige, scheeve gedaante van de schelp.
-
-
-
-De Bochtmanteligen (Sinupalliata) hebben lange, geheel of gedeeltelijk
-terugtrekbare siphonen en bij gevolg een meer of minder diepe
-mantelbocht.
-
-De dunne, teer gekleurde schelpjes, die men zoo veelvuldig op
-ons zeestrand vindt--de witte, gele of rozeroode Boternapjes
-(Tellina solidula), de van buiten lichtgele, van binnen paars-blauwe
-Zaagjes (Donax anatina)--zijn leden van de familie der Platschelpen
-(Tellinaceae), gekenmerkt door een van voren wijd geopenden mantel met
-lange, geheel gescheiden siphonen en een zijdelings samengedrukten,
-tongvormigen voet, die geen byssus voortbrengt. Andere bij ons zeer
-gewone Tellinaceën zijn de Platte Slijkgaper (Scrobicularia piperita)
-en de Gewone Dunschaal [Syndosmia (Erycina) alba], beide met nagenoeg
-witte schelp, de Dunne Platschelp (Tellina tenuis), met vleeschroode,
-en de Linksgestreepte Platschelp (Tellina fabula) met geelachtig
-witte schelp; bij de laatstgenoemde soort is de rechterklep glad,
-de linker gestreept. Behalve de 5 cM. lange Platte Slijkgaper, is
-geen der genoemde soorten langer dan 25 mM.
-
-De Venusschelpen (Veneraceae) gelijken veel op de Tellinaceën, maar
-hebben matig lange, aan de basis vergroeide siphonen en een dikken,
-langen, vierzijdigen voet, die alleen bij de Tapijtschelpen (Tapes)
-een byssus vormt.
-
-Beide familiën zijn rijk aan soorten (ieder c.c. 600) en in alle
-zeeën vertegenwoordigd; hare leden leven vrij in het zand. Sommige
-Venus-schelpen worden door verzamelaars van conchyliën op hoogen prijs
-gesteld wegens haar fraaie kleur en stekelige uitwassen. Eenige in de
-Middellandsche Zee levende Venus-soorten dienen als spijs. Verscheidene
-Tellina- en Donax-soorten kunnen springen, weten den voet zoo te
-bewegen, dat zij op den rug komen te liggen, drukken dan dit zeer
-rekbaar, knievormig gebogen orgaan om de schelp heen tegen den bodem
-en strekken het plotseling.
-
-Een der grootste, bij ons uit zee aanspoelende schelpen is de
-10 cM. lange, 5 cM. hooge, dunwandige Ovale Slijkschelp (Lutraria
-elliptica); zij is van buiten met een vrij dikke, vuilbruine opperhuid
-bedekt, van binnen blauwachtig wit. Niet minder algemeen is de
-verwante, 5 cM. lange, 37 mM. hooge, driehoekig ovale Gestreepte
-Strandschelp (Mactra stultorum), van buiten geelachtig bruin, met
-donkerbruine of bruinachtig purperkleurige, straalswijs gerichte, naar
-den rand breeder wordende strepen, van binnen bleek paars; ook vindt
-men op ons strand eenige kleinere, witte of geelachtige soorten van
-hetzelfde geslacht. Alle Mactraceën hebben een van achteren eenigszins
-gapende schelp met driehoekige of ovale, inwendige bandgroeve onder
-het slot en daarvóór in iedere klep een L-vormigen slotband. De voet
-is lang en spits; de van voren wijd geopende mantel loopt van achteren
-in vergroeide siphonen uit.
-
-De veelvuldig voorkomende, aan beide einden openstaande schelpen van de
-Gapers (Mya) hebben een grooten, loodrecht op het middenvlak gerichten,
-lepelvormigen tand onder het slot van de linker klep. De Strandgaper
-(Mya arenaria) heeft een 10 cM. lange, 6.5 cM. hooge, langwerpig
-ovale schelp. De Stompe Gaper, in Zuid-Holland Kussentje genoemd
-(Mya truncata), is kenbaar aan de sterk afgeknotte, wijd openstaande
-achterzijde van de overigens eivormige, zeer bolle, 6.5 cM. lange, 5
-cM. hooge schelp. De mantel is bijna geheel gesloten; door een kleine
-spleet aan de voorzijde kan de korte, kegelvormige voet uitgestoken
-worden; de lange, dikke siphonen zijn onderling vergroeid en met een
-dikke opperhuid bedekt. Het dier is zoo ver bedolven in 't zandige
-strand, dat alleen het met franje bezette uiteinde van de schijnbaar
-enkelvoudige mantelbuis zichtbaar is. Zoodra het door voetstappen of
-aanraking verontrust wordt, verdwijnt het geheel in zijn hol. Op den
-vlakken grond kunnen de Gapers zich achterwaarts bewegen door den
-voet achtereenvolgens te krommen en te strekken. In sommige streken
-van Engeland en Noord-Amerika worden deze dieren door de armste
-volksklasse gegeten; ook dienen zij als lokaas bij de vischvangst.
-
-De Mesheften (Solen) gelijken door hun levenswijze veel op de Gapers
-en hebben, evenals zij, een van voren en van achteren openstaande
-schelp. Deze is scheedevormig verlengd en meestal met een dikke, bruine
-opperhuid bekleed. De dikke, rolronde, aan 't einde knotsvormige voet
-wordt door de voorste spleet van den mantel naar buiten gestoken en
-is een uitmuntend graafwerktuig in het lichte zand van den oever. De
-kustbewoners van de Middellandsche Zee eten deze Weekdieren, die
-zij Capa lunga en Capa di Deo noemen. Men vangt het Mesheft, dat men
-voorzichtig genaderd heeft, door het, als een gravenden Mol, met de
-spade omhoog te werpen, of door in het gat, waarin het vlug tot op
-0.5 M. diepte afdaalt, een dunne, in een knop eindigende, ijzeren
-stang te steken, waaraan men het dier kan optrekken, indien de knop
-tot in de schelp is doorgedrongen. Aan de Middel-Europeesche kusten
-komen drie soorten voor: de (bij ons zeer zeldzame) 125 mM. lange,
-21 mM. hooge Rechte Messcheede (Solen vagina), de sterk gekromde,
-93 mM. lange, 12 mM. hooge Zwaardscheede (Solen ensis) en het 200
-mM. lange, 25 mM. hooge Tafelmesheft (Solen siliqua).
-
-De Steenborers of Pholaden, aan de Zuid-Hollandsche kust Wiegen, op
-Walcheren Boerinnehoedjes genoemd (Pholas), wijken door schelpvorm en
-lichaamsbouw aanmerkelijk af van alle overige Plaatkieuwigen. De schelp
-is langwerpig van vorm en van achteren open. De beide schelpkleppen
-zijn op een zeer eigenaardige wijze met elkander verbonden, hebben
-ieder van binnen een lepelvormig uitsteeksel, hetwelk aan den slottand
-van de linker schelpklep van Mya herinnert. De rugrand van iedere
-schelpklep is in de slotstreek omgeslagen en vormt een plaatvormig
-uitsteeksel met een aantal openingen, dienende tot het doorlaten van
-spierbundels, die zich hechten aan een paar los op den rug liggende,
-bijkomende schelpstukken. Bij de Gewone Pholade (Pholas dactylus) en
-vele van hare verwanten zijn er twee (ongerekend het lange en smalle
-stuk, dat er achter gelegen is), bij andere slechts één. Door deze
-inrichting wordt een vollediger afsluiting aan de rugzijde verkregen,
-terwijl het dier de voorste gedeelten van de beide slotranden van
-elkander verwijdert, hetgeen noodig is voor het boren. Hiervoor
-dienen bij alle soorten reeksen van uitsteekseltjes en tandjes aan
-de buitenzijde van de schelp, welker voorste oppervlakte hierdoor op
-een groote rasp gelijkt. Op deze wijze boren zij horizontale gangen in
-zachte gesteenten en hout; het dier vangt deze werkzaamheid aan op zeer
-jeugdigen leeftijd, dadelijk na het verlaten van den larvetoestand,
-terwijl het nog zeer klein is, en zet haar levenslang voort. Het maakt
-de gang voortdurend dieper en wijder, maar kan haar niet verlaten, daar
-het zich niet kan omkeeren en de eerste gevormde deelen van de woning
-de nauwste zijn. Alleen de siphonen treden door de opening van de gang
-naar buiten en kunnen er geheel in teruggetrokken worden. -- Naar
-het schijnt, kan de voet bij het graven van gangen in weeke stoffen
-dienst doen. Volgens sommigen spelen bij 't boren kiezelsplintertjes
-in den voet en 't voorste deel van den mantel een rol. Van een bijtende
-vloeistof heeft men nooit eenig spoor kunnen ontdekken.
-
-Een andere eigenaardigheid van de Pholaden is het lichtgevend vermogen,
-dat zich, evenals bij andere op deze wijze begaafde dieren, eerst na
-prikkeling openbaart. Wanneer men een Pholade aanvat en beweegt, komen
-als 't ware wolkjes uit haar lichaam te voorschijn, die langzamerhand
-het omgevende water lichtgevend maken. Zij bestaan uit een slijm,
-dat aan alle voorwerpen, waarmede het in aanraking komt, blijft
-hangen, en door bepaalde organen van betrekkelijk geringen omvang
-wordt uitgescheiden.
-
-De tot dusver genoemde Borende Schelpdieren (Pholadidae) richten geen
-schade van eenige beteekenis aan. In hooge mate schadelijk voor alle
-houten voorwerpen, die een tijdlang door zeewater omgeven blijven,
-zijn echter andere leden van dezelfde familie, die het geslacht der
-Paalwormen (Teredo) vormen. Vooral in het paalwerk van zeeweringen,
-havens, bruggen, richten deze dieren groote verwoestingen aan. Den
-onjuisten naam van Wormen danken zij aan hun buitengewoon langwerpig
-lichaam; slechts het kleine, gezwollene, voorste lichaamsdeel is
-met een gelijkkleppige schelp bedekt. Elke schelpklep bestaat uit
-drie afdeelingen: de voorste is lepelvormig en veel smaller dan de
-middelste, die eveneens breeder is dan het achter- of halsgedeelte,
-dat bij het levende dier steeds bedekt is door een plooi van den
-mantel, welke zich, zoolang het dier niet boort, over de geheele schelp
-uitbreidt. Evenals bij de Pholaden, ontbreken het slot en de slotband;
-de schelpkleppen zijn slechts in een punt aan de buikzijde met elkander
-in aanraking en laten van voren en van achteren een wijde opening
-over. De voorste omvat een mantelspleet, dienende voor het uitsteken
-van den kleinen, cilindrischen voet, met welks afgeknot voorste
-uiteinde het dier zich gedurende het boren vasthecht. Van achteren
-loopt het wormvormige lichaam uit in twee siphonen van ongelijke
-lengte: de kortste voorziet het lichaam van water en voedsel; de
-langste verwijdert, behalve het water, dat voor de ademhaling gediend
-heeft, de uitwerpselen, de jonge larven en het houtboorsel, dat door
-de werking der schelpkleppen ontstond. Het knagen geschiedt namelijk
-niet met het doel om voedsel, maar uitsluitend om een woning te
-verkrijgen. Bij den oorsprong der mantelbuizen komen twee kalkplaatjes
-(paletten) voor en bevat het lichaam een krachtige, ringvormige
-sluitspier. Ook bevindt zich hier een dwarsspier, die vermoedelijk
-met de achterste sluitspier der overige Tweespierige Plaatkieuwigen
-vergeleken moet worden. De voorste is in de schelp gelegen. Aan het
-door Paalwormen aangetaste houtwerk merkt men uitwendig slechts kleine,
-1 à 1.5 mM. wijde, scheef in het hout doordringende gaatjes op, waaruit
-de beide mantelbuizen te voorschijn komen, zoolang het dier ongestoord
-wordt gelaten. De gang in het hout wordt allengs wijder en eindigt
-blind op de plaats, waar de schelp zich bevindt. Van binnen is zij
-bekleed met een witte kalklaag, door den mantel aan zijn oppervlakte
-uitgescheiden. Een verbinding van het dier met deze buis komt alleen
-voor ter plaatse, waar de paletten zich bevinden. De ruimte in iedere
-gang wordt geheel ingenomen door den Paalworm, die in volwassen
-toestand meestal 8 cM. lang is. Voor het boren is geen draaiende,
-maar een heen en weer gaande beweging (het beurtelings openen en
-sluiten der schelp) noodig. Beide bewegingen zijn een gevolg van
-spiersamentrekking: de sluitspieren werken, evenals bij de Pholaden,
-op een binnenwaarts gericht uitsteeksel van iedere schelpklep; die,
-welke voor 't openen dienen, hechten zich aan de buitenste oppervlakte
-der schelp. De samenwerking van beide spieren met die van den voet
-brengt een zeer langzame draaiing van het dier om zijn as teweeg;
-deze heeft alleen ten doel een ander aanhechtingspunt te verkrijgen
-voor den voet, die, als zuignap werkend, het dier naar den bodem van
-de gang trekt en de raspende randen der schelpkleppen tegen het hout
-drukt. Het lepelvormig gedeelte van iedere klep is n.l. voorzien van
-uiterst fijne, op reeksen geplaatste, wigvormige tandjes (ongeveer
-100 op 1 mM.), die loodrecht staan op de richting der iets grootere
-tandjes (ongeveer 30 op 1 mM.), die aan het middelste schelpgedeelte
-voorkomen. (Op een zeer groote, 7.5 mM. lange schelpklep telde men
-4000 tandjes op de 40 onderling evenwijdige rijen). Het hout wordt
-dus achtereenvolgens in 2 richtingen getroffen en als 't ware in
-vierkante stukjes gesneden, fijn genoeg om het darmkanaal en de
-kloak-sipho te passeeren. Naarmate de tandjes afslijten, komen er
-nieuwe te voorschijn op een volgende groeistreep. De gangen, die
-aanvankelijk scheef naar binnen gericht zijn, worden weldra geheel in
-de richting van de houtvezels voortgezet en wijken hiervan alleen af,
-als de nabijheid van een andere gang dit noodig maakt. Nooit snijden
-twee gangen elkander, hoewel zij ten slotte zoo dicht bijeenliggen,
-dat er slechts een dun tusschenschot overblijft en het hout, dat van
-buiten nagenoeg gaaf schijnt, doch van binnen in een sponsachtige
-massa veranderd is, geen weerstand meer kan bieden. Natuurlijk strekt
-de vernieling zich niet hooger uit dan halftij (d.i. op de hoogte
-midden tusschen gewoon hoog- en laagwater), daar de siphonen steeds
-in schoon zeewater moeten uitmonden. De volwassen Worm kan hoogstens
-3 à 4 dagen buiten 't hout in zeewater leven; in hout, dat niet met
-zeewater in aanraking is, sterft hij binnen 24 uur.
-
-Hoewel de Paalworm reeds aan de ouden bekend was en te allen tijde
-ook onze zeeën bewoond schijnt te hebben, werd echter eerst in
-1730 de algemeene aandacht op dit Weekdier gevestigd. In genoemd
-jaar vertoonde het zich aan den Westkappelschen zeedijk en andere
-zeewerken van Walcheren. In het midden van September 1731 werden de
-Drechterlandsche zeedijken door storm geteisterd en tot niet geringen
-schrik zag men, dat de palen, ter bescherming van dien dijk en langs
-de Bovenkarspelsche en Grootebroeksche dijken ingeslagen, bij den
-grond af braken. Ditzelfde feit werd op Texel en aan de Friesche kust
-waargenomen, waar nieuwe palen zoodanig doorknaagd werden, dat zij
-vanzelf omvielen. Hierdoor werd een ontzaglijke schade aangericht:
-alleen in Noord-Holland kostte de dijkverbetering 5½ millioen. Om
-een dijk te beschermen [2] werd aan de zeezijde de buitenglooiing
-ter breedte van 3 à 4 M. uitgegraven tot 0.5 à 0.7 M. beneden
-laagwater. Deze lange, evenwijdig met den dijk loopende sleuf werd
-met in zee opgevischt wier aangevuld niet alleen, maar terzelfder
-breedte tot 2 à 3 M. boven volzee opgestapeld. Een ontzaglijke massa
-wier was hiervoor noodig, daar dit materiaal door het steeds ophoogen
-zoodanig in elkander zakt, dat van een 1 à 1.5 M. hooge opstapeling
-in het onderste deel van de "wierriem" slechts een laag van 0.1
-M. dikte overblijft. De wierriemen hadden bovendien het nadeel van te
-slijten door het dagelijksch golfgeklots: tusschen laag- en hoogwater
-uitgehold, vertoonden zij neiging om in te storten door aandrang van
-den achterliggenden grond en eigen gewicht. Daar het inzetten van
-stukken niet mogelijk is, werden de uitgeholde wierriemen, om het
-vernieuwen van een geheel vak te vermijden, onder de voorzijde met
-puin en zwaren steen bestort en zoo tegen omvallen beveiligd. Deze
-bestorting werd aan de zeezijde allengs verzwaard, de wierriem geheel
-aangestort en zelfs ondergestort en het puin tegen het wegslaan met
-zwaren steen bedekt. Zoodoende ontstonden de glooiingen van dijksteen.
-
-Ook in den tegenwoordigen tijd richt de Paalworm dikwijls groote
-schade aan; vele middelen worden aangewend om haar te voorkomen. Het
-houtwerk van sluizen wordt gewoonlijk tweemaal goed geteerd, daarna
-met grauw papier of vilt overdekt en eindelijk met koperen platen
-bekleed. De kosten hiervan bedragen ongeveer f 13 per M2.--Ook
-de houten zeeschepen worden tegenwoordig algemeen gekoperd. Bij
-visschersvaartuigen kan men dit niet doen, daar de netten aan de
-hoeken der koperen platen blijven haken en hierdoor schade lijden
-zouden. Van zulke vaartuigen wordt, wanneer zij op het strand of
-op de helling droog liggen, de huid schoongeschrapt, afgebrand en
-vervolgens geteerd. Deze bewerking wordt 2- of 3-maal per jaar in 't
-warme seizoen toegepast.--Palen worden door een roestkorst beveiligd
-en te dien einde, van halftij of iets hooger tot 0.75 M. diepte in den
-grond, zorgvuldig beslagen met smeedijzeren wormnagels: groote met een
-kop van 3 à 4 cM. middellijn en, voor 't vullen van de hiertusschen
-overblijvende openingen, kleine met een kop van 2 cM. middellijn. De
-kosten van deze bewerking worden op f 5.40 per M2 geraamd.--Ook
-door een voldoende inpersing van creosootolie (± 300 L. per M3 hout)
-wordt de beschadiging door den Paalworm voorkomen. Wegens de groote
-kosten van dit voorbehoedmiddel zal--vooral bij palen, die ver boven
-water staan en diep in den grond steken--het creotoseeren het oude
-bespijkeren met wormnagels nog wel niet op den achtergrond dringen.
-
-
-
-De Gastrochaenaceën bewonen in volwassen toestand een door den
-mantel gevormde, slechts aan één einde geopende kalkkoker, die
-op verschillende wijzen beschut wordt. Het achterste deel van
-het langwerpige lichaam bestaat uit twee over haar geheele lengte
-vergroeide siphonen; overigens heeft de zakvormige mantel geen andere
-opening dan die waardoor, dicht bij het vooreinde, de zeer kleine
-voet wordt uitgestoken. De dunne, van voren wijd gapende schelp is op
-verre na niet voldoende tot berging van de weeke deelen en mist steeds
-aan de binnenzijde der kleppen het uitsteeksel, waardoor de leden
-der vorige familie zich onderscheiden. De 2 cM. lange Gastrochaena
-modiolina die bij de Engelsche kust in rotsspleten leeft, voegt
-kleine steentjes en schelpgruis bijeen tot een fleschvormig nest,
-dat de schelp geheel omgeeft; zij bekleedt het van binnen met een
-dunne kalklaag. Met uitzondering van den hals, die voor het uitsteken
-der siphonen geopend blijft, is het nest geheel gesloten. Ditzelfde
-dier kan, naar het schijnt, ook een gat boren in het gesteente,
-waarbinnen het zich met een koker omgeeft, evenals zijne verwanten
-doen in oesterschelpen, koralen, opeenhoopingen van Zeepokken, enz.
-
-
-
-Een nog zonderlinger voorkomen hebben de Gieterschelpen (Aspergillum),
-zoo genoemd naar den vorm van den als woning dienenden kalkkoker;
-deze is n.l. van onderen afgesloten (B) door een schijf, welke op een
-sprei van een gieter gelijkt. De spleetvormige opening in 't midden
-van de schijf is omgeven door een aantal holle buisjes, die langs
-den rand de grootste lengte bereiken en, naar men vermoedt, dienen
-voor het uitsteken van draadvormige deelen van den mantel. De beide
-schelpkleppen zijn zeer klein gebleven en op korten afstand van het
-onderste uiteinde van den koker met deze vergroeid. De koker heeft
-den vorm van een cilinder of van een afgeknotten kegel en is voor
-drie vierde van haar lengte in het zand van den zeebodem verborgen;
-door de opening aan het bovenste deel steken de uiteinden der siphonen
-uit. Van dit geslacht zijn een twintigtal levende soorten bekend, die
-de warme zeeën van het oostelijk halfrond bewonen. Het noordelijkste
-deel van haar verbreidingsgebied is de Roode Zee.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN
-
-
-[1] De hier medegedeelde bijzonderheden zijn voor een groot deel
-ontleend aan Dr. Hoek's verhandeling over de "Oestercultuur als
-vaderlandsche industrie" in het Album der Natuur, jaargang 1886, en
-aan het "Verslag omtrent onderzoekingen op de oester en de oesterteelt
-betrekking hebbende, uitgebracht door de commissie voor het Zoölogisch
-Station", 1883-1884.
-
-[2] Ontleend aan een opstel over den "Paalworm" van den heer F. L. Ortt
-in het "Album der Natuur", Jaargang 1887, pp. 382-397.
-
-
-
-
-
-
-End of the Project Gutenberg EBook of Het Leven der Dieren: Deel 3.7 De
-Weekdieren, by A. E. Brehm
-
-*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN: DEEL 3.7 ***
-
-***** This file should be named 62626-8.txt or 62626-8.zip *****
-This and all associated files of various formats will be found in:
- http://www.gutenberg.org/6/2/6/2/62626/
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
-States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive
-specific permission. If you do not charge anything for copies of this
-eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook
-for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports,
-performances and research. They may be modified and printed and given
-away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks
-not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the
-trademark license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country outside the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you'll have to check the laws of the country where you
- are located before using this ebook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm web site
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The
-Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm
-trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the
-mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its
-volunteers and employees are scattered throughout numerous
-locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt
-Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to
-date contact information can be found at the Foundation's web site and
-official page at www.gutenberg.org/contact
-
-For additional contact information:
-
- Dr. Gregory B. Newby
- Chief Executive and Director
- gbnewby@pglaf.org
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
-spread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works.
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our Web site which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
-