summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/61324-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/61324-0.txt')
-rw-r--r--old/61324-0.txt6362
1 files changed, 0 insertions, 6362 deletions
diff --git a/old/61324-0.txt b/old/61324-0.txt
deleted file mode 100644
index 1cd7aa6..0000000
--- a/old/61324-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,6362 +0,0 @@
-The Project Gutenberg EBook of Instituut Sparrenheide, by Chr. van Abkoude
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
-other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of
-the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have
-to check the laws of the country where you are located before using this ebook.
-
-Title: Instituut Sparrenheide
-
-Author: Chr. van Abkoude
-
-Illustrator: Jan Rinke
-
-Release Date: February 5, 2020 [EBook #61324]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: UTF-8
-
-*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK INSTITUUT SPARRENHEIDE ***
-
-
-
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg
-
-
-
-
-
-
-
-
-
- In de Vacantie
- Bibliotheek voor Jongens en Meisjes.
- Serie A Jongensboeken. Deel 13.
-
- INSTITUUT SPARRENHEIDE
-
-
- door
-
- CHR. VAN ABKOUDE
-
- Geïllustreerd door O. Geerling
-
-
- Tweede Druk
-
- ALKMAAR--GEBR. KLUITMAN.
-
- 1917
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-EERSTE HOOFDSTUK.
-
-OORLOGSPLANNEN.
-
-
-Midden in een groot dennenbosch tusschen Baarn en de Vuursche lag op
-een heuveltje, geheel verscholen in het groen, een aardige, houten
-villa. Er liep een balcon rond het heele huis en daardoor leek het veel
-op een Zwitsersche woning. Alleen het dak stak boven de boomen uit, en
-wanneer je uit het dakraam keek, had je een verrukkelijk gezicht over
-heel den omtrek. Je zag dan duidelijk de torens van Amersfoort, Soest,
-Bunschoten en meer omringende dorpen. Je zag er heel mooi het Witte
-Paleis van Koningin Emma en wat naar rechts de Naald van Waterloo.
-
-In dat hooggelegen huis woonde mijnheer Bergwoude, hoofdonderwijzer
-van de kostschool "Sparrenheide." Als mijnheer Bergwoude naar school
-ging, behoefde hij alleen maar het heuveltje af te dalen, waarop zijn
-huis gebouwd was en den boschweg over te steken, want het schoolgebouw
-stond juist aan den overkant.
-
-Dat schoollokaal was niet groot, het bestond maar uit twee klassen
-en een gymnastieklokaal. Maar het was ook geen gewone school. Op
-"Sparrenheide" kwamen alleen kinderen, die niet zoo vlug konden
-leeren als andere jongens en meisjes. Sommigen, omdat ze thuis altijd
-ziekelijk waren, anderen omdat ze zenuwachtig waren of vroeger de
-een of andere ziekte hadden gehad, waardoor ze later niet meer zoo
-goed onthouden konden.
-
-En waarom ze nu op een gewone school niet, en op "Sparrenheide"
-wèl konden leeren, dat zullen we in dit boek wel bemerken.
-
-Mijnheer en Mevrouw Bergwoude waren alleraardigste menschen, die
-beiden verbazend veel van kinderen hielden. Zij hadden drie kinderen,
-allen jongens. Op het oogenblik, dat dit verhaal een aanvang neemt, was
-juist de Zaterdagmorgen-schooltijd geëindigd en begaven de jongens en
-meisjes zich, voor zoover zij niet bij mijnheer Bergwoude in "pension"
-waren, naar huis.
-
-Ook de drie zoons van den hoofdonderwijzer, Hans, Flip en Rob. Hans
-was dertien jaar, een flinke, sterke jongen met breede schouders en
-een paar armen als een athleet. Voor zijn leeftijd was hij een boom
-van een kerel en wat hij met zijn zwarte oogen niet gedaan kreeg,
-dat maakte hij verder in orde met zijn gespierde vuisten.
-
-Flip telde twaalf jaar, hij was eveneens een door en door gezonde
-boy, maar niet zoo struisch en stevig als Hans, Flip was een rechte
-pretmaker, hij hield verbazend veel van grapjes en wist ook vaak
-allerlei aardige dingen te zeggen, waarom een ieder moest lachen. De
-tienjarige Robert, doorgaans genoemd Rob, was een rare snuiter. Je
-kon eigenlijk niet uit hem wijs worden. Hij was wat stil; hij hield
-veel van zijn ouders en zijn broers, maar misschien nog meer van
-de bosschen en de hei met de planten en de dieren. Hij maakte er
-een heele studie van en bijna altijd was hij in zijn vrije uren met
-zijn botaniseer-trommel en plantenschopje in het bosch te vinden, of
-rangschikte zijn verzamelde planten en insecten op zijn kamer. Maar
-dat nam niet weg, dat hij toch hetzelfde vroolijke humeur van zijn
-broers had, al was hij dan ook wat minder luidruchtig en druk. Hij
-kon evengoed meedoen aan hun grappen en spelen als andere jongens,
-maar bleef altijd kalm. En waarom hij nu een rare snuiter was? Wel,
-in de eerste plaats was hij vreeselijk slordig op alles. Niet alleen
-op zijn kleeren en boeken, zijn planten en dieren, maar ook verbazend
-onverschillig voor andere dingen. Het kon hem bijvoorbeeld heelemaal
-niet schelen, een uur te laat op school of aan tafel te komen. Alle
-standjes, straffen en vermaningen hielpen weinig of niets. Soms nam
-hij zich voor, opeens vreeselijk netjes te worden, maar maakte het
-dan weer zóó erg, dat hij op zijn kousen liep om zijn schoenen niet
-vuil te maken. Daarbij was hij erg vergeetachtig. Alles en alles bij
-elkaar genomen had Rob aanleg om professor te worden.
-
-Ziezoo, nu zijn de drie vroolijke broers voorgesteld. Zooals gezegd,
-zij hadden zoo juist de school verlaten en gingen naar huis. Door den
-tuin, die op de helling van den heuvel was aangelegd, kwamen zij in de
-huiskamer, waarvan de breede tuindeuren wijd open stonden. Zij vonden
-hun moeder bezig met het klaarzetten van de koffietafel en volgens
-trouwe gewoonte werd zij allereerst eens stevig gepakt door haar drie
-jongens. Dat deden zij alle drie met kracht en klem. Vervolgens keken
-zij met verlangende oogen naar de stapels boterhammen en zei Flip op
-vertrouwelijken toon:
-
-"Help ons gauw weg, moedertje, we hebben reusachtig haast!"
-
-"Ja," voegde Hans erbij, "we hebben nog zooveel te doen en moeten er
-vroeg bij zijn."
-
-"Ik hoef niet eens te eten," zei Rob.
-
-"Wat zullen we nu weer beleven?" vroeg moeder, "waarom zoo gehaast? En
-waarom zonder eten weg? Dat gebeurt niet, hoor! Wat is er dan aan
-de hand?"
-
-"Dat zijn groote geheimen, moeder," zei Flip.
-
-"Staatsgeheimen," vond Hans.
-
-"Och kom," pleitte Rob voor zijn moeder, "wij kunnen het moeder
-best vertellen."
-
-Op dit oogenblik kwam hun vader binnen. De heer Bergwoude was een man
-met een vriendelijk voorkomen, hij droeg een langen, blonden baard
-en blond waren ook zijn haren. In tegenstelling met hem waren zij
-drie zoons zwart, net als hun moeder.
-
-"Zoo, zoo," sprak mijnheer, terwijl hij een stapel schoolschriften op
-een tafeltje legde, "en wat zijn dat voor staatsgeheimen, die jullie
-best aan moeder kunt vertellen? En dan mag ik ze zeker ook wel hooren?"
-
-De gebroeders keken elkander eens aan en toen zei Hans:
-
-"We gaan oorlog voeren!"
-
-Flip en Rob knikten. Vader en moeder keken elkaar aan.
-
-"Oorlogvoeren?" vroeg Vader verwonderd. "Wat moet dat beteekenen?"
-
-"Wel," verklaarde Hans, "het is maar een spel. Onze vrinden van de
-Baarnsche school komen vanmiddag door het Overbosch naar "Sparrenheide"
-om onze school te bestormen en in te nemen. En nu moeten we er vlug
-bij zijn om ze op een afstand te houden."
-
-De heer en mevrouw Bergwoude lachten.
-
-"Komaan," sprak de eerste, "dus vanmiddag wordt mijn school
-formeel bestormd? Wel wel, ik denk, dat ik maar naar Amersfoort zal
-telegrafeeren om een detachement soldaten en huzaren. En hoe laat
-zal dat gebeuren?"
-
-"Ja, dat weten we juist niet, vader," zei Hans.
-
-"Dat zeggen ze natuurlijk niet," sprak Flip.
-
-"Neen, dat zeggen ze niet," herhaalde Rob wijsgeerig.
-
-"Ik hoop niet, dat de andere jongens van onze school zich teveel
-bij dat spel zullen opwinden," zei mijnheer Bergwoude, "want dan is
-er vanavond geen huis met hen te houden. Zij zitten nu rustig hun
-twaalf-uurtje te gebruiken in de eetzaal."
-
-"Ja, wat 'n wonder," zei Flip leuk. "Die weten er nog niets van."
-
-"Doen ze dan niet mee?" vroeg vader.
-
-"O jawel, maar we zeggen het straks pas, als we naar 't bosch
-gaan. Want zoo gaat het bij het groote leger ook," zei Hans. "De
-soldaten weten nooit van te voren wat er gebeuren zal."
-
-"Maar hoe zit het plan dan in elkaar?"
-
-"Niet zeggen," zei Flip.
-
-"Dat is een geheim, Vader, een geheim," sprak Hans.
-
-"Een geheim, ja, een geheim," herhaalde Rob weer.
-
-En hoe Vader en Moeder ook probeerden, meer van dat geheim te weten
-te komen, de drie gebroeders lieten niets los, zoodat de ouders zich
-tevreden moesten stellen met de mededeeling, dat het schoolgebouw
-dien middag door den vijand bestormd zou worden.
-
-En toch, zij gaven maar toe en maakten geen bezwaren tegen het
-vroolijke spel der jongens. Die wisten ook telkens wat nieuws te
-verzinnen en speelden in de bosschen, alsof die hun eigendom waren
-inplaats van Kroondomein. Met welwillende medewerking van Vader en
-Moeder was de koffietafel dan ook gauwer afgeloopen dan anders en
-holden de jongens naar hun kamer.
-
-Hans haalde een wandelkaart van de bosschen te voorschijn en spreidde
-die op tafel uit.
-
-"Dit is onze stafkaart," zei hij lachend. "Ik ben de generaal, Flip
-en Albert de Hooge zijn mijn officieren."
-
-"En ik dan?"
-
-"Jij bent niet oud genoeg voor officier, maar ik heb toch een mooi
-baantje voor je. Omdat jij zoo goed met alle hoekjes en gaatjes van
-de bosschen bekend bent, wordt jij mijn verkenner."
-
-"Dat is best," vond Rob.
-
-"Kijk eens hier," zei Hans, die als een veldheer zijn plan ging
-uitleggen. "Ik heb met Bram Verhallen uit Baarn afgesproken, dat hij
-om twee uur met zijn troep het dorp uittrekt bij de Pekinglaan, die
-je hier op de kaart ziet. Zij gaan dan door het sparrenbosch onder
-de tunneltjes van de spoorbanen door het Baarnsche bosch in. Zie
-je wel," vervolgde hij en wees met zijn vinger de wegen aan op de
-groene kaart, "dan gaan ze hier door de Borlaan langs de Groote Kom
-naar den Eemnesser Straatweg. Daar steken ze schuin over naar den
-weg langs het Boterbergje. En vandaar komen ze door het Overbosch op
-onze school aan. Nou weet ik natuurlijk niet, welken weg ze nemen,
-want dat heeft Bram mij niet verteld."
-
-"Moeten wij alleen de school verdedigen?" vroeg Flip. "Ik schiet ze
-met mijn houten sabel een partij bruine boonen in hun neusgaten en
-slinger ze terug, dat ze van hier naar Baarn rollen."
-
-"Hou nou op met je onzin!" zei Hans ongeduldig, "we kunnen onzen tijd
-wel beter gebruiken. Ja, we moeten alleen de school verdedigen, maar
-we laten ze niet dadelijk zoo dichtbij komen. Hier op de kaart ligt
-onze school. Wij hebben twintig jongens. Vijf moeten bij de school
-blijven om die te bewaken. Daar nemen we natuurlijk niet de grootsten
-voor. Vijftien gaan er met mij mee. Ik weet een mooie plek om Bram
-en zijn troep tegen te houden."
-
-"Het is nu half één," zei Rob. "Ik denk, dat ik mijn botaniseertrommel
-meeneem."
-
-"Ben je vierkant gebakken?" vroeg Flip, "er is van middag niets te
-botaniseeren, botaniseer jij Bram Verhallen maar op zijn gezicht!"
-
-"Neen, niets meenemen dan een paar goeie oogen en een hoop slimheid,"
-zei Hans.
-
-Flip ging opeens ijverig in de lade van de tafel zoeken.
-
-"Wat doe je," vroeg Rob.
-
-"Ik zoek een hoop slimmigheid," zei Flip, "want ik ben bang dat ik
-er te weinig van in mijn kersepit heb."
-
-"Als jij vanmiddag in 't bosch zoo loopt te kletsen als je nou doet,"
-zei Hans, "dan stuur je alles in de war. En hoor eens: De school is een
-fort, dat door Europeanen wordt bewoond. Bram en zijn jongens zijn een
-wilde Indianenstam, de Mohikanen en Bram is Arendsoog, hun opperhoofd."
-
-"Dan wil ik Soepoog zijn," zei Flip.
-
-"Een blauw oog kan je dadelijk wel van me krijgen," bromde Hans,
-die één en al ernst en vuur was. "Met jouw flauwiteiten schieten we
-heelemaal niet op. Ziezoo, en nou gaan we de anderen waarschuwen."
-
-De drie broers begaven zich naar de kamers der kostjongens om hen
-van de zaak op de hoogte te stellen.
-
-Natuurlijk wilden ze allemaal graag meedoen, maar Hans koos de flinkste
-jongens uit om mee te gaan, de overigen konden de school bewaken.
-
-"Ik zou ook wel Indiaan willen zijn," mompelde Flip bij
-zichzelven. "Akibakki kikkerbokki, de taal ken ik al! Ha, gij
-driedubbele gepofte honden van bleekgezichten, ik, de dappere Soepoog,
-zal u met mijn tomohawk tot gruttenpap met rozijnen en groene zeep
-hakken. Wee u, gij grutteneuzen!"
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-TWEEDE HOOFDSTUK.
-
-INDIANEN EN BLEEKGEZICHTEN.
-
-
-Op het Brinkplein bij de Baarnsche kerk verzamelde Bram Verhallen
-zijn mannetjes. Bram Verhallen was van denzelfden leeftijd als Hans
-Bergwoude, even sterk, even slim, even stevig gebouwd. Alleen was
-hij lichtblond en had zachte, bijna droomerige oogen. Hij was een
-lobbes van een jongen, maar liet zich toch niet de kaas van het
-brood eten. Hans Bergwoude was een zijner beste vrienden en als zij
-niet zoo ver van elkaar gewoond hadden, zouden zij veel meer bij
-elkaar geweest zijn. Bram was de eenige zoon van notaris Verhallen;
-hoewel uit een deftig gezin afkomstig was hij toch vrij van alle
-gemaaktheid of aanstellerij. Hij was op school een ijverig leerling,
-maar moest nogal blokken om bij te blijven. Hij leefde op als hij
-met zijn kameraden kon ravotten.
-
-Intusschen kwamen meer en meer jongens opdagen en allen waren
-zenuwachtig van ongeduld om het heerlijke spel te beginnen. Toen zijn
-strijders, ongeveer twintig in getal, compleet waren, stelde Bram
-zich aan het hoofd ervan en marcheerde naar de Torenlaan, waar hij
-rechtsaf sloeg, het Sparrenbosch in. Daar hield hij even halt, liet
-de jongens in een kring om hem heen staan en ging het spel uitleggen.
-
-"Jullie weet al zoo'n beetje," vertelde hij, "wat we gaan doen,
-maar het fijne van de zaak zal je nu pas hooren. Wij zijn Indianen
-van den stam der Mohikanen."
-
-"Hoera, hoera, Indianen!" schreeuwde er al een paar.
-
-"Stil toch!" vermaande Toon Sprits, een groote jongen en een der
-klassegenooten Van Bram. "Mooie Indianenmanieren om in het bosch zoo
-te schreeuwen!"
-
-"Ja," zei Bram, "als je zooveel spektakel maakt, dan hooren de
-"Sparheiders" al direct, waar we zitten. Dus jongens, houdt je
-doodstil. Jullie hebben allemaal genoeg Indianenboeken gelezen en
-daarom weet je ook best, hoe Indianen in hun bosschen doen. Ik ben
-Arendsoog, en jullie kiezen maar een naam voor jezelf uit."
-
-"Tijgerklauw heet ik!" zei de een.
-
-"Witte Buffel!" riep een tweede.
-
-"Vuurstraal!"
-
-"Edelhart!"
-
-"Apestaart! Oliebol! Kokosvet!" 't Werd weer een geschreeuw door
-elkaar van je welste. Op die manier kwam er van de heele onderneming
-niets terecht.
-
-"Stilte!" commandeerde Bram. "Wie niet gehoorzaamt en weer schreeuwt
-of leven maakt, kan naar huis gaan."
-
-Dat hielp. Bram was wel een goeie jongen, maar als hij boos werd,
-begonnen zijn gespierde armen een woordje mee te spreken en daar
-hadden de jongens respect voor! Het werd dus stil en Bram vervolgde:
-
-"Ik ben Arendsoog en jullie opperhoofd. Toon Sprits en Jan v.d. Zee
-zijn mijn verspieders. De school van Bergwoude in het Overbosch is
-een fort, waar blanken wonen. Dat fort wordt door ons bestormd. Maar
-het wordt verdedigd door de Sparheiders, dat zijn Hans Bergwoude met
-zijn broers en de kostjongens. Zij weten, dat wij uit de richting
-van het Boterbergje komen.
-
-"Alle Sparheiders hebben een witten band om den arm, en voor ons heb
-ik roode banden meegebracht. Hier zijn ze. Bind ze om den rechterarm!"
-
-Dat was gauw gebeurd en daarop deelde Bram zijn troep in.
-
-Voorop ging de spits, Jan v.d. Zee met twee jongens. Jan midden op
-den weg, de twee jongens achter de boomen, daarachter een voortroepje
-van drie man op den weg, vervolgens een troep van tien man en vijftig
-meters daarachter een achterhoede als dekking van vier jongens.
-
-Elk gedeelte moest zorgen met de anderen in verbinding te blijven. En
-verder deelde Bram zijn strijders alles mede, wat ze voor dezen middag
-te weten hadden.
-
-Had de blijdschap bij het vernemen van dit prettige spel de jongens
-eenige oogenblikken luidruchtig gemaakt, nu begrepen ze, dat ze
-doodstil moesten zijn. Zij speelden elke week in de bosschen en kenden
-er evengoed den weg als in hun eigen huis.
-
-Nadat Bram zijn troep had opgesteld, ging het in de genoemde volgorde
-voorwaarts, de bosschen in.
-
-Hans Bergwoude, de generaal der Sparheiders, die het fort der blanken
-te verdedigen had, zat intusschen ook niet stil. Vijf verdedigers had
-hij in een wijden kring om het schoolgebouw doen postvatten en met
-vijftien man trok hij de aanvallers tegemoet. Dat wil zeggen, hij
-verdeelde ze eerst in drie partijen. Vijf jongens onder aanvoering
-van zijn broer Flip trokken door de Sophialaan den vijand tegen,
-vijf onder commando van Albert de Hooge door de Hooilaan en vijf
-onder hemzelven door de Koninginnelaan, dus in het midden van de
-beide andere troepen. Elke troep moest één der jongens tusschen de
-boomen laten loopen, om berichten of teekens van links of rechts over
-te brengen. Aan het eind van elke laan zouden de troepen halt houden
-en daar den toegang voor den vijand afsluiten. Er waren nog wel meer
-wegen, die naar Sparrenheide leidden, maar die vormden zulke groote
-omwegen, dat er voor de tegenpartij te veel tijd zou verloren gaan
-om die te volgen.
-
-Hans wist dit ook wel, daarom had hij de voornaamste wegen naar
-Sparrenheide bezet.
-
-Het was stil in 't bosch.
-
-Wandelaars waren er bijna niet te zien, die kwamen zelden zoo vér en
-bleven meestal in de nabijheid van het dorp. De zon scheen vroolijk
-op dezen mooien Julidag en in het bosch was het heerlijk zoel onder de
-boomen. In de toppen van de beuken en linden zongen merels en lijsters,
-ginds sprongen een paar eekhoorntjes tusschen de sparretakken, maar
-overigens was het doodstil. Schooner plekjes dan waar de jongens zich
-door het bosch bewogen kan men zich moeilijk voorstellen. Naar alle
-kanten slingerden zich de grijs bruine paden en verdwenen dan in het
-duizendtintige boschgroen. Het lichte bladgroen der linden prijkte
-naast de bruine beuken, donkere sparren en dennen daartusschen en
-opeens weer een groep zachtgroene eiken, 't was voortdurend weer
-'n andere tint van boomenloof. Soms weken de boomen vaneen en
-omringden een open plek, waar dan 'n vijver gevormd was. Een vijver
-van helder water, waarin je salamandertjes en slangen zag en mooie
-waterinsecten. De bodem was er bedekt met millioenen bladeren, die
-voor de vijverbewoners prachtige nesten vormden.
-
-Ook de jongens genoten thans wel van die heerlijke boschpracht,
-maar voor 't oogenblik waren ze toch meer vervuld van het spel van
-dezen middag.
-
-Zonder onnoodig geruisch te maken gingen de drie troepen voorwaarts
-door de lanen. Generaal Hans begreep, dat hij niet tegenover
-gewone soldaten stond, maar met Indianen te doen had, die op èchte
-Indianenmanier plotseling van achter boomen en struiken te voorschijn
-konden komen. Daarom had hij ook den voorzorgsmaatregel genomen,
-eenigen van zijn mannetjes niet op de paden, maar tusschen de boomen
-door te laten loopen.
-
-Eindelijk hadden de drie troepen het eindpunt van de genoemde lanen
-bereikt en stelden zich daar verdekt op, dat wil zeggen, zij verscholen
-zich tusschen het kreupelhout en zetten een schildwacht achter een
-boom op den uitkijk. Elke troep moest op zijn plaats blijven en daar
-voorloopig bivak houden.
-
-Generaal Hans wou nu wel eens weten, hoe het met den vijand gesteld
-was en daarom riep hij zijn verkenner Rob bij zich.
-
-"Hoor eens, Rob," sprak hij, "jij moet eens het bosch verder ingaan
-naar den kant van het Boterbergje en zien, of er iets van de Indianen
-te merken is. Maar kijk goed uit je doppen, hoor, en bemoei je nou
-eens niet met allerlei slakken en kevers en aardvlooien en weet ik
-veel wat voor ongedierte meer! Denk er aan, dat zoo'n Indiaan op je
-loert en voor je 't weet ben je gebrajen. En zorg dat je zoowat over
-een half uur terug bent. Kan je roepen als een kraai?"
-
-"Beter dan jij."
-
-"Dat zit nog. Als er wat aan de hand is, laat je een kraaienschreeuw
-hooren. Dan komen we. Zoo, ga nou maar."
-
-Rob ging het bosch in en was weldra tusschen het geboomte verdwenen.
-
-Hans ging van den eenen troep naar den anderen langs de
-verbindingslaan. Hij lette er op, dat de schildwachten op hun post
-waren. Maar hij had al gauw gezien, dat die ijverig hun plicht deden,
-omdat ze veel te bang waren, onverhoeds door de Indianen overvallen te
-worden. Hij besloot daarom kalm de lanen bezet te houden en alvorens
-verder te gaan, de terugkomst van Rob af te wachten en te hooren,
-wat die van de tegenpartij gezien had.
-
-
-
-De Indianentroep was voorzichtig voortgegaan door het bosch. Jan
-v.d. Zee, die aan de spits ging, met een makker aan iederen kant
-tusschen de boomen, meende op den viersprong van de Boslaan voorbij de
-Groote Kom onraad te bespeuren. Hij wenkte zijn nevenmannen en stak
-den arm omhoog wat door de achter hem aankomenden gezien werd. Die
-gaven het teeken door en opeens hielden alle Indianen halt en wierpen
-zich plat op den grond, zooveel mogelijk gedekt tusschen de struiken.
-
-Jan, die zich met den geweldigen naam Tijgerklauw als een echt Indiaan
-deed kennen, zag tusschen het kreupelhout recht voor zich uit eenige
-jongens bewegen. Zouden de verdedigers van Sparrenheide reeds zoovèr
-doorgedrongen zijn? Was het een voorpost? Maar tevergeefs zocht
-Tijgerklauw naar den witten band, dien de tegenpartij om den arm
-moest dragen. Ook schenen de jongens met een heel ander spel bezig
-te zijn. En terwijl Tijgerklauw de vreemde gedaanten tusschen het
-geboomte bespiedde, wachtte Arendsoog, het dappere opperhoofd der
-Mohikanen, op een tweede teeken.
-
-"Zou Tijgerklauw de bleekgezichten al zien?" fluisterde Arendsoog
-Toon Sprits in 't oor, die nu "Vuurstraal" heette.
-
-"Vuurstraal weet het evenmin als het dappere opperhoofd, maar
-Arendsoog kan mijlen ver zien, hij kan naar voren gaan en zien,
-waarom Tijgerklauw niet verder gaat."
-
-"Mijn broeder spreekt verstandig. Ik zal gaan. Hugh! daar geeft
-Tijgerklauw weer het teeken: voorwaarts."
-
-Inderdaad zwaaide Tijgerklauw zijn arm naar voren, de vreemden waren
-geen vijanden geweest, en de Indianen slopen weer geruischloos langs
-de paden.
-
-Zoo bereikten zij het Boterbergje.
-
-Het Boterbergje is een heuveltje, gelegen aan een zijpad van den
-Eemnesser straatweg. Het is omringd door twee rijen boomen, aan
-drie zijden daarachter strekt zich over een grooten afstand dicht
-kreupelhout uit, alleen de kant van den weg was open. Boven op het
-bergje stond een bultige, knoestige lindenboom.
-
-Arendsoog legerde zijn Indiaansche krijgers in het dichtbegroeide
-terrein om het Boterbergje, zoodat er geen tip van hun neus te zien
-was. Hij zelf kroop naar boven en klom in een boom. Maar veel kon hij
-niet zien, 't was alles bosch en nog eens bosch. Alleen kon hij naar
-het Noord-oosten een klein stukje van den straatweg zien. Hij wilde dan
-ook juist weer uit den boom klimmen, toen hij de struiken zag bewegen
-op een plaats, waar zijn Indianen niet gelegerd waren. Arendsoog hield
-den adem in en hield zijn scherpen arendsblik gericht op de struiken.
-
-In 't volgende oogenblik zag hij een arm tevoorschijn komen, en om
-dien arm ... een witte band!
-
-Een vijand dus!
-
-Maar was hij wel alleen? Was het niet een sterke afdeeling die
-vooruitgezonden was om Arendsoog tegen te houden? Neen, dat was niet
-waarschijnlijk, Sparrenheide lag nog op te verren afstand.
-
-Het zou dus wel een verkenner zijn!
-
-Maar dan zou Arendsoog ook wel zorgen, dat het bleekgezicht niet bij
-zijn generaal terugkeerde!
-
-Stil... daar kwam een hoofd tusschen het groen te voorschijn, maar de
-verkenner was nog te ver om zijn gezicht te kunnen onderscheiden. Hij
-keek om zich heen. Toen dook hij weer weg in het groen.
-
-Arendsoog liet zich geruischloos uit den boom glijden. Hij sloop
-langs den heuvel naar beneden en wenkte zijn strijders Tijgerklauw en
-Vuurstraal. Een enkel fluisterend woord was voldoende om deze twee
-op de hoogte te brengen, en plotseling vlogen de drie Indianen het
-kreupelhout in om den spion gevangen te nemen. Zij hadden hem gauw
-genoeg bemerkt en nu ontstond er een jacht door het eikengewas. Vijftig
-meter verder lag het dennenbosch, als de vluchteling daarin zocht te
-ontkomen was hij verloren.
-
-De Indianen vlogen door het moeilijk begaanbare terrein, zij zagen het
-bleekgezicht Rob Bergwoude het bosch steeds meer en meer naderen....
-
-Daar rende hij er in!
-
-Ziezoo, de tallooze, dicht op elkaar groeiende stammen zouden hem
-het snelle voortgaan wel beletten.
-
-En, wat kalmer, volgden de roodhuiden den vluchteling. Ook zij
-bereikten nu het dennenbosch.
-
-Maar.... waar was het bleekgezicht?
-
-Arendsoog, Tijgerklauw en Vuurstraal keken verbaasd om zich heen. Zij
-keken naar de toppen der stammen, zij schopten de dennetakken van
-den grond.
-
-Niets!
-
-Rob Bergwoude was spoorloos verdwenen!
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-DERDE HOOFDSTUK.
-
-IN GEVECHT MET DE ROODHUIDEN.
-
-
-Rob, die door zijn broer Hans op verkenning werd uitgezonden, was door
-de Koninginnelaan het bosch ingetrokken. De jonge natuurliefhebber was
-juist geschikt voor dit werk, omdat hij alle wegen en schuilhoeken zoo
-door en door kende. Hij stapte regelmatig door tot aan de Jagerskom,
-ook al een boschvijver. Daar zag hij op een bank bij het water een
-stumperig oud moedertje zitten, dat bitter weende.
-
-Rob had een weekhartig gemoed en vond het zóó ontzettend naar, dat
-hij dit oude vrouwtje huilen zag, dat hij het niet over zijn hart
-verkrijgen kon, door te loopen.
-
-Misschien had zij iets in het water laten vallen?
-
-Rob kwam nog wat nader en toen pas scheen het oudje hem te bemerken.
-
-"Is... is u soms wat verloren?"
-
-Het arme moedertje veegde de tranen uit haar oogen en knikte.
-
-"Och, jongeheer," zei ze snikkend, "ik weet geen raad. Mijn zoon
-had geld gestuurd, tien gulden. En nu was ik naar Baarn gegaan, om
-wat boodschappen te doen.... en nu heb ik 't briefje verloren. Ik
-heb zoo gezocht, zoo gezocht. Maar ik kan het niet meer vinden. Och,
-och, wat zal mijn jongen wel zeggen! Hij heeft het voor zijn moeder
-overgespaard. Vier weken had ik er mee moeten rondkomen. Tien gulden,
-ach, en het is zoo'n lange weg naar De Vuursche."
-
-"Woont u daar?" vroeg Rob deelnemend.
-
-"Ja, jongeheer. Ik zal maar weer naar huis gaan. En onderweg nog eens
-goed zoeken. Och, och, wat ben ik toch ongelukkig..."
-
-Opeens kreeg Rob een goed idee.
-
-"Wij zullen wel helpen zoeken," sprak hij. "Bij het begin van de
-Sophialaan staat een troep jongens. Wij zijn aan het spelen. Wij zijn
-bleekgezichten, weet u."
-
-"Bleekgezichten, jongeheer? U ziet er anders heelemaal niet bleek
-uit. U hebt een gezonde kleur. Als melk en bloed."
-
-"Ja," zei Rob lachend, "maar zoo meen ik het ook niet. De Indianen
-noemen ons bleekgezichten. De jongens van Baarn zijn de Indianen. Hebt
-u ze niet gezien?"
-
-De oude vrouw schudde ontkennend het hoofd.
-
-"Nou maar," vervolgde Rob, "als u nou bij die jongens daar vraagt
-naar Hans, dat is mijn broer, dan moet u hem maar eens vertellen,
-dat ik gezegd heb, dat ze u moeten helpen zoeken. De jongens hebben
-allemaal witte banden om den arm."
-
-'t Vrouwtje knikte hem dankbaar toe voor de aangeboden hulp en
-strompelde terug.
-
-Rob zette zijn weg voort tot hij kwam aan de Reigers laan, in de
-nabijheid van het Boterbergje. Daar drong hij het kreupelhout in tot op
-tweehonderd meters afstand van het heuveltje. Hij hield zich doodstil
-tusschen de struiken en bespionneerde den top van het bergje. Neen,
-de Roodhuiden zouden wel niet zoo dom zijn, om zich boven op den top
-te legeren... of waren zij nog niet tot hier gevorderd?
-
-Rob loerde en loerde, maar de dichte eikebladeren beletten hem het
-uitzicht. Hij duwde met den arm de takken terzijde en stak zijn hoofd
-boven het groen uit.
-
-Op dit oogenblik bemerkte Arendsoog hem.
-
-Maar toen deze met Tijgerklauw en Vuurstraal op hem afkwam, had Rob
-toch gauw gezien, dat hij ontdekt was. Hij rende, zoo gauw als de
-struiken dit toelieten, naar het achter hem gelegen dennenbosch, maar
-onder die vlucht bedacht hij, dat de dicht op elkaar staande stammen
-hem teveel zouden tegenhouden. En daarom besloot hij van een list
-gebruik te maken. Hij zou net doen alsof hij in het bosch vluchtte,
-en ook werkelijk een paar stappen tusschen de eerste stammen doen,
-zoodat zijn vervolgers, die nog wel een dertig meters achter hem waren,
-hem duidelijk konden zien.
-
-Zoo deed hij.
-
-Maar na een paar stappen gedaan te hebben, liet hij zich plotseling
-vallen en kroop snel terug naar het kreupelhout, waar hij een
-uitstekende schuilplaats vond.
-
-Toen Arendsoog, Tijgerklauw en Vuurstraal eenige oogenblikken later
-den rand van het bosch bereikten, was er van den vluchteling geen
-spoor meer te ontdekken.
-
-
-
-"Hugh!" zei Arendsoog tot zijn makkers, "is het bleekgezicht dan een
-geest, die in de lucht verdwijnt?"
-
-"Of heeft de witte man tooverkruiden ingenomen, waarmede hij zich
-onzichtbaar maakt?" vroeg Tijgerklauw.
-
-"Mijn roode broeders dwalen," zei Vuurstraal, "het bleekgezicht heeft
-geen tooverkruiden en is ook geen geest, maar hij heeft verstand. Zie,
-het woud is dicht en ondoordringbaar. De slang en de wolf loeren op
-hun prooi. Daarom is de blanke verspieder niet in het bosch gegaan."
-
-"Arendsoog hééft hem het woud zien betreden," sprak het opperhoofd
-op deftigen toon, "en het oog van den arend vergist zich nimmer."
-
-"Het opperhoofd der Mohikanen spreekt als een man," zei Tijgerklauw,
-"maar onze broeder heeft gelijk. De vluchteling is niet verder het
-woud ingegaan dan wij."
-
-"Hugh! Waar is hij dan?"
-
-"Vuurstraal weet het niet, maar begrijpt het. Het bleekgezicht verbergt
-zich voor de roode krijgers in het struikgewas."
-
-En met deze woorden ijlde de jonge Indiaan het kreupelhout in, waar
-opeens beweging en leven in kwam. Opnieuw werd het wild opgejaagd en
-nu precies in de richting van de plek, waar de Mohikanenstam gelegerd
-was. Het duurde dan ook niet lang, of Rob liep als het ware in de
-armen zijner vijanden.
-
-Tegen zulk een overmacht was hij niet bestand en ondanks al zijn
-rukken en worstelen werd hij gevangen genomen. Maar hoe de Indianen
-hem ook dreigden te scalpeeren, hij wilde volstrekt niet zeggen,
-waar zijn kameraden waren.
-
-De roodhuiden hielden krijgsraad. Zij zaten in een kring gehurkt en
-keken naar Arendsoog, die met bezorgd gelaat om zich heen staarde.
-
-"Het bleekgezicht is een verspieder," sprak hij. "Hij wil zijn mannen
-gaan zeggen, dat de Roodhuiden den Boterberg bezet hebben. Maar
-Arendsoog is een wijs opperhoofd. Als het bleekgezicht hem zeggen wil,
-hoe groot het aantal zijner witte broeders is, zal de Mohikaan genade
-voor recht laten gelden. Dat de gevangene spreke!"
-
-Maar Rob aan handen en voeten gebonden met een lasso, weigerde eenige
-inlichting te geven.
-
-"Het jonge bleekgezicht is wel moedig, maar niet verstandig,"
-zei Arendsoog.
-
-Daar klonk opeens het geschreeuw van een kraai door het bosch!
-
-"Kàrr... Kàrr!!"
-
-En eer de roodhuiden het verhinderen konden, gaf de gevangene het
-antwoord:
-
-"Kàrr... Karr... Kàrr!"
-
-"Verraad!" schreeuwde Tijgerklauw.
-
-"Voorwaarts, dappere krijgers!" riep Arendsoog, "daarginds is de
-vijand! Dood aan de bleekgezichten!"
-
-En de woeste Indianenhorde stormde het bosch in naar den kant vanwaar
-het signaal gekomen was.
-
-
-
-"Ik begrijp er niets van," zei Generaal Hans tot zijn broer
-Flip. "Rob is al meer dan een half uur weg en wij zien hier nog geen
-Indiaan. Zouden ze hem te pakken hebben?"
-
-"Misschien zit-ie heel kalm ergens een bloem te determineeren,"
-zei Flip.
-
-"Dat geloof ik niet, want ik heb hem juist nog goed op het hart
-gedrukt, om dat nu maar eens over te slaan en alleen uit te kijken
-naar de roodhuiden."
-
-"Ik wou, dat ze maar kwamen," zei Flip, "dan kregen we tenminste wat
-te doen. Ik verveel mij een aap."
-
-"Met jouzelf meegerekend zijn dat dan twéé apen."
-
-"Zoo, baviaan. Maar je moest er mij eens op uitsturen, om Robberdebob
-op te snorren. Wie weet, waar dat heerschap zit."
-
-"Als hij maar niet gevangengenomen is. Weet je wat? Ik moet natuurlijk
-hier blijven. Een generaal kan zijn leger niet in den steek laten. Maar
-ik zal je twee soldaten meegeven en je gaat Rob zoeken. Dat is dan
-een patrouille."
-
-Een oogenblik later was commandant Flip met twee man Rob achterna
-gegaan. Daar het bosch maar heel weinig betreden wordt, konden
-de jongens heel duidelijk de versche voetsporen van hun voorganger
-volgen. Maar toen die voetstappen bij den viersprong van de Reigerslaan
-opeens in het kreupelhout verdwenen, was het spoor van Rob niet meer
-te volgen.
-
-"Ik ben een citroenschil als ik weet, hoe we Rob nou moeten vinden,"
-zei Flip.
-
-"En we zitten hier natuurlijk vlak bij de Roodhuiden," waarschuwde
-Hein Veere, een der Sparheiders.
-
-"Kan je niet 's roepen?" opperde de ander, die Piet Broeser heette.
-
-"Daar zeg je zoowat," zei Flip. "Ik zal een kraaienschreeuw
-geven.--Kàrr... kàrr!!"
-
-En daar klonk het wat verder: "Karr--karr--karr!"
-
-"Stil!" sprak Hein, "ik hoor het geschreeuw van de Indianen. Zij
-komen hierheen!"
-
-Het geluid van vele voetstappen kwam snel nader. Flip en zijn twee
-mannen kropen in 't dichtste deel van het kreupelhout.
-
-Een oogenblik later holde een woeste Indianentroep van wel twintig
-man voorbij de plek, waar de bleekgezichten verscholen lagen. Deze
-hielden zich doodstil, want men kon nooit weten of niet meerdere zouden
-volgen. Maar er kwam niemand meer. De Indianen waren blijkbaar in de
-meening, dat de vijanden veel verder verwijderd waren dan inderdaad
-het geval was. Maar--waar bleef Rob?
-
-Flip waagde zich aan den rand van het kreupelhout. Aan het einde van
-de laan stonden de Roodhuiden besluiteloos te kijken. Nu moest een
-poging gewaagd worden om zijn broer te verlossen!
-
-"Kom mee!" zei Flip, en gedekt door de struiken ijlden zij naar
-het Boterbergje.
-
-In de algemeene opwinding was Rob door de Roodhuiden aan zijn
-lot overgelaten. Het plotselinge signaal der bleekgezichten had
-hen in den waan gebracht, dat zij door een sterke macht bedreigd
-werden. Ondertusschen lag Rob aan handen en voeten gebonden aan den
-voet van het Boterbergje. Zoo vond zijn broeder hem.
-
-"Vlug, vlug!" zei Flip, terwijl hij de lasso doorsneed, waarmee Rob
-geboeid was. "We moeten gauw hier vandaan, want de Roodhuiden zullen
-in een oogenblik weer hier zijn!"
-
-Dat behoefde hij Rob geen tweemaal te zeggen.
-
-De jongens maakten, dat zij wegkwamen, maar nauwelijks hadden zij
-den viersprong bereikt en wilden dien passeeren, toen een der daar
-dwalende Indianen hen bemerkte.
-
-De Roodhuid liet een doordringenden kreet hooren.
-
-En onmiddellijk daarop stormde de heele bende voorwaarts, de
-bleekgezichten achterna. Arendsoog voorop, onmiddellijk gevolgd
-door Tijgerklauw en Vuurstraal, zaten ze weldra de vluchtelingen op
-de hielen.
-
-Maar generaal Hans had het rumoer in 't bosch gehoord. Snel als de
-wind verzamelde hij zijn soldaten en snelde de Roodhuiden tegemoet om
-zijn makkers te ontzetten. Nog één oogenblik... en de drie verkenners
-waren met den bevrijden Rob weer veilig tusschen de kameraden.
-
-De Indianen kwamen aanstormen, het werd een gevecht van man tegen
-man. Maar de bleekgezichten telden maar vijftien man, terwijl de
-Roodhuiden over ruim twintig te beschikken hadden. Al worstelende
-en vechtende werden de blanken achterwaarts gedrongen, steeds meer
-en meer teruggedreven. De aanvallen der woeste Mohikanen waren zóó
-onweerstaanbaar hevig, dat van tegenhouden bijna geen sprake was.
-
-De blanken werden teruggedreven tot onder de muren van het fort
-Sparrenheide.
-
-Daar kregen ze opeens versterking van de jonge garde, die het fort
-bewaakte. Met deze nieuwe krachten ondernamen ze nu een uitval, die
-de Roodhuiden niet verwacht hadden en waardoor deze een flink eind
-teruggedreven werden.
-
-Nu omsingelden de Indianen de school, die als fort dienst deed en
-het beleg begon.
-
-Arendsoog bond zijn zakdoek aan een stok en trad naar voren.
-
-Generaal Hans deed hetzelfde.
-
-Daar stonden de twee machtige opperhoofden tegenover elkaar.
-
-
-
-"Hugh!" zei de Indiaan. "De dappere Arendsoog is gekomen om met het
-opperhoofd der bleekgezichten te spreken."
-
-"En wat verlangt mijn roode broeder?" vroeg de generaal op denzelfden
-deftigen toon.
-
-"De Mohikanen zijn een vreedzaam volk," sprak Arendsoog, "zij jagen
-in de bosschen en rooken den vredespijp. Maar de bleekgezichten zijn
-gekomen en hebben den rooden man uit zijn bosschen verjaagd, om die
-in bezit te nemen. Onze dapperste krijgers hebben zij gedood met hun
-vuurwapens. Waar is de Witte Bison? Waar is de Koningstijger? Waar
-is de Prairie duivel? Het bleekgezicht heeft ze doodgeschoten. Maar
-Arendsoog is het hoofd van den stam der oude helden, Arendsoog zal
-de gevallen krijgers wreken. De witte man moet zijn steenen huis aan
-de Mohikanen overgeven."
-
-Generaal Hans keek den Indiaan ernstig aan.
-
-"Arendsoog wil den oorlog," sprak hij, "maar de witte mannen willen
-dien niet. Zij willen in vrede leven met die oude krijgers der
-Mohikanen. Het fort behoort aan ons. Wij zullen het verdedigen als
-de roode mannen het ons ontnemen willen."
-
-"Hugh!" riep Arendsoog op minachtenden toon, "de roode krijgers zullen
-komen. En vóór het groote licht verduisterd wordt, zullen zij het
-bleekgezicht verdreven hebben."
-
-En met een trotsch gebaar keerde het opperhoofd naar zijn krijgers
-terug.
-
-
-
-Bijna oogenblikkelijk daarop werd de aanval door de Roodhuiden met
-buitengewone hevigheid ondernomen. Maar met niet minder dapperheid
-streden de Sparheiders. De Indianen wonnen geen duimbreed grond,
-werden zelfs af en toe teruggedreven.
-
-Het werd inmiddels al later en later en de vechtenden werden
-vermoeid. Vooral de Indianen, die zich buitengewoon hadden ingespannen
-waren nauwelijks meer tot aanvallen in staat.
-
-Generaal Hans zag dat zeer goed. Hij verzamelde al zijn soldaten op
-één punt en joeg er zóó verbazend snel op de Roodhuiden in, dat deze
-niet langer konden standhouden en onder het triomfeerend "hoera!" der
-Sparheiders op de vlucht werden gedreven.
-
-Toen klonk opeens een mannestem:
-
-"Bravo jongens! Het fort is prachtig verdedigd! Komt nu allemaal
-hier! Hans, Flip, Rob, Hein! En de Roodhuiden ook!"
-
-Het was de heer Bergwoude, die het laatste deel van het spel had
-bijgewoond en nu de dappere strijders bij zich riep.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-VIERDE HOOFDSTUK.
-
-EEN PRETTIG BESLUIT EN EEN VROOLIJKE VERTELLING.
-
-
-"Allemaal hierheen, jongens!"
-
-En mijnheer Bergwoude opende de deur van de gymnastiekzaal, die achter
-de school gelegen was. In een oogenblik waren de veertig jongens in
-de zaal bijeen. Mijnheer ging op een bankje staan, zijn gelaat stond
-vroolijk, want hij had schik in de spelen der jongens. Mevrouw was
-op het krijgsrumoer al komen toeloopen om te zien, wat er toch wel
-aan de hand mocht zijn. Maar nu keek zij toch ook met een lachend
-gezicht naar die vroolijke knapen.
-
-"Hoor eens, jongens!" sprak Mijnheer, en dadelijk daarop werd het stil,
-"ik moet eens even wat zeggen. Jullie hebt vanmiddag een mooi spel
-gespeeld! Het was wel een oorlogsspel, maar er zijn geen slachtoffers
-gevallen. Het was een spel, waarbij je oogen en ooren goed den kost
-moest geven. Jullie hebt je oplettendheid en scherpzinnigheid vanmiddag
-kunnen oefenen. Bij het gevecht zijn geen stokken of steenen gebruikt,
-bij ieder kwam het op eigen lichaamskracht aan. Dat is ferm, dat is
-gezond. Er is niemand mishandeld, ik heb gezien, dat de zwakkere
-alleen maar door den sterkere werd teruggedreven. En wie er bij
-ongeluk al eens een buil of een schram heeft opgeloopen, die moet
-dat dan maar beschouwen als een teeken van heldenmoed. Jullie hebt
-je allen kranig gedragen, en ik moet den Roodhuiden mijn compliment
-maken, dat zij het nog zoo lang tegen de overmacht hebben uitgehouden!"
-
-"Hoera!" klonk het dreunend door de zaal.
-
-"Bravo!" zei Mijnheer Bergwoude. "En nu, jongens, wie wat verdient,
-moet wat hebben. Hans, geef jij die groote, ronde doos eens aan,
-die daar staat!"
-
-Hans keek naar den kant, dien zijn vader aanwees en bemerkte nu pas
-een kolossale ronde taartjesdoos. Hij gaf die aan zijn vader en deze
-toonde haar geopend aan de jongens.
-
-"Hoera, taartjes!" klonk het.
-
-"Vooruit jongens, kiest er de heerlijkste maar uit. Ik trakteer de
-beide oorlogvoerende partijen," zei Mijnheer lachend en om het goede
-voorbeeld te geven, stak hij zelf een roomhoorn in den mond, waarmee
-hij vervolgens allerlei gekke gezichten trok, zoodat de jongens het
-uitgierden van pret. Zij lieten zich ondertusschen de onverwachte
-tractatie heerlijk smaken en rustten op stoelen en banken uit van de
-vermoeienissen des oorlogs.
-
-Toen zei Mijnheer Bergwoude:
-
-"Ik vind het toch zoo prettig, dat de leerlingen van "Sparrenheide"
-zooveel vrienden hebben. En de Baarnsche jongens zijn hun beste
-vrienden. Ieder weet wel, dat de jongens van Sparrenheide niet den
-heelen dag met den neus in de boeken ziften en dan 's avonds nog
-urenlang blokken om 's morgens weer opnieuw te beginnen. Neen, wij
-studeeren wat kalmer aan en gaan af en toe eens het bosch in. Wij
-timmeren en plakken en cartonneeren allerlei mooie en nuttige dingen,
-wij zingen en maken muziek, maar vergeten daarom toch de leervakken
-niet. Als wij dag in, dag uit studeerden en al maar blokten en
-ploeterden, zouden al onze leerlingen heel gauw zenuwpatiëntjes
-worden en heelemaal niets meer kunnen leeren. Nu zijn het ferme,
-frissche jongens, met rozen op de volle wangen. En daarom kunnen ze
-ook ferm meespelen met hun Baarnsche makkers. Frisch op, Roodhuiden,
-en een hartelijk hoera voor de Sparheiders!"
-
-"Leve de Sparheiders! Hoera!" riepen de Baarnsche knapen.
-
-"All right, jongens," besloot mijnheer. "Het klokje van gehoorzaamheid
-slaat. Nu afscheid nemen van elkaar, de Sparheiders naar hun kamers
-en de Roodhuiden op marsch naar Baarn!"
-
-Dat bevel werd opgevolgd en een oogenblik later verkeerde het bedreigde
-fort der bleekgezichten weer in veilige rust.
-
-
-
-De slaapkamers der Sparheiders waren op de bovenverdieping, en hadden
-alle een deur, die op het balcon uitkwam. Een van die kamers behoorde
-aan Hans, Flip en Rob. De drie broers hadden zich wat verfrischt en
-rustten nu even uit in hun heiligdom.
-
-"Zeg," vroeg Flip aan Rob, "hoe kwam jij toch zoo'n stakker om je
-door de Indianen te laten inpakken?"
-
-"Dat was niet stakkerig, dat was..."
-
-"Slim toch ook niet, Robbekop."
-
-"Och, jij met je kletspraat," mopperde Rob. "Denk-je, dat het nou zoo
-aardig is, om Robbekop tegen mij te zeggen? 'n Kunst! Ik kan ook wel
-zeggen: Flip, 'n kikker op je lip."
-
-"Die naar binnen glipt," voegde Hans er bij.
-
-"Heel mooi gezegd," plaagde Flip. "Maar toch had ik me niet zoo
-één-twee-drie laten inmaken. Hoe is dat toch gebeurd?"
-
-"Ik heb heelemaal geen zin om dat jou te vertellen," zei Rob. "Als
-ik die oude vrouw niet gezien had, dan..."
-
-"Welke oude vrouw?" vroeg Hans.
-
-"O, dat is waar ook," herinnerde Rob zich. "Is ze niet bij je geweest,
-toen je aan 't eind van de Koninginnelaan lag?"
-
-"Bij mij?" vroeg Hans weer. "Neen, ik heb niemand gezien."
-
-"Hee, en ik heb haar nog gezegd, dat ze naar jou moest vragen. Ze kwam
-van de Vuursche door het bosch en had onderweg een briefje van tien
-gulden verloren. De arme stakker zat te huilen aan de Jagerskom. Ik kon
-natuurlijk niet gaan zoeken. Maar ik heb haar naar jou toe gestuurd."
-
-"Niets gezien," herhaalde Hans. "Ik denk, dat ze 't geld weer gevonden
-heeft en toen maar verder is gegaan."
-
-"Ja, dat kan wel," vond Rob. En verder werd er over die zaak niet
-gesproken.
-
-Maar een oogenblik later kwam de oude huisknecht aan Hans vertellen,
-dat er een arme vrouw was, die naar hem vroeg. De huisknecht was een
-stokdoove oud-gediende, die Bosman heette. Men moest altijd verbazend
-hard roepen om hem iets verstaanbaar te maken en dan nog verstond
-hij het meestal heelemaal verkeerd.
-
-"Hoe heet die vrouw?" riep Hans aan Bosman's oor.
-
-"Met haar mond, denk ik," zei Bosman.
-
-"Ach neen, ik vraag niet hoe zij eet, maar hoe zij héét!"
-
-"Dat weet ik niet"
-
-"O," zei Rob, "dat is ze bepaald. Wacht Hans, ik ga mee." Hans en Rob
-holden naar beneden en Rob herkende dadelijk het arme vrouwtje. Ook
-nu had zij nog de tranen in de oogen.
-
-"Och jongeheer," snikte ze. "Ik was eerst zoo blij. Ik vond de
-portemonnaie terug. Maar alles is eruit gehaald! O, ik weet geen
-raad. En nu kwam ik vragen, of misschien ... o, ik durf het haast
-niet zeggen."
-
-"Zeg 't maar gerust," moedigde Hans aan.
-
-"Ach, u moet niet boos worden, als ik 't zeg. Maar een kind is maar een
-kind. Het zou toch wel kunnen, dat een van de jongens ... 't gevonden
-had ... en 't eruit genomen heeft. Die denkt daar niet altijd kwaad
-bij. Maar ik ben een arme, oude vrouw en kan 't niet missen."
-
-"Welneen," zei Hans. "Zooiets doen ónze jongens niet. Daar hoeft u
-niet aan te denken. Maar wij willen het wel eens vragen."
-
-Op dit oogenblik kwam mijnheer Bergwoude uit de tuinkamer naar de
-voordeur.
-
-"Wat gebeurt er, jongens, en waarom huilt dat vrouwtje?" Rob vertelde
-zijn vader met een paar woorden, wat er gebeurd was.
-
-"Wel dat is een ongelukkige geschiedenis," sprak mijnheer Bergwoude.
-
-"Maar ik kan je de verzekering geven, vrouwtje, dat geen der jongens
-van onze school zoo slecht is geweest om het geld uit de portemonnaie
-te nemen. Waar hebt ge die weer teruggevonden?"
-
-"Op den Hulpweg bij 't Hondenbosch," zei de oude.
-
-"Zijn jullie in 't Hondenbosch geweest?" vroeg mijnheer Bergwoude
-aan Hans en Rob.
-
-"Neen vader," zei Hans, "dat lag heelemaal uit onze richting. Van
-onze troep kan er dus niemand geweest zijn."
-
-"Zoo. En de andere jongens zijn evenmin hier vandaan geweest. 't
-Eenige zou dus zijn, dat een der meisjes ... maar dat zou toch al
-heel vreemd zijn. Wacht, ik wil het voor uw zekerheid toch even aan
-de onderwijzeres vragen."
-
-Maar een oogenblik later was de heer Bergwoude al weer terug met de
-boodschap, dat de juffrouw dien middag met de meisjes had getennist
-en niet in 't Hondenbosch was geweest.
-
-"Het moet dus een vreemde zijn," vervolgde de hoofdonderwijzer,
-"maar daarom zullen we u toch helpen de zaak te onderzoeken. Hoe heet
-ge en waar kunnen we u vinden?"
-
-"Ik ben de weduwe Vorstman, mijnheer, ik woon in de dorpstraat van
-de Vuursche."
-
-"Komaan. Zeg jongens, gaan jullie maar weer naar boven," sprak hun
-vader, "ik zal 't wel verder met vrouw Vorstman in orde maken."
-
-De broers gingen naar boven en mijnheer Bergwoude sprak nog even
-met de weduwe. Zij scheen getroost heen te gaan en niet meer over
-haar verlies te treuren, want zij lachte nu door haar tranen heen en
-stapte heel wat vroolijker naar huis terug.
-
-
-
-Om zes uur werd er gedineerd in de groote eetzaal. Mijnheer en Mevrouw
-zaten aan 't hoofd van de tafel, dan de onderwijzeres en de onderwijzer
-en vervolgens de jongens en meisjes. Die middagtafel was altijd heel
-gezellig. En na afloop ging men op mooie zomeravonden nog wat voor
-het huis in het gras zitten of een klein wandelingetje maken rond
-den heuvel.
-
-Tegen acht uur, als het zoowat donker werd, bracht de meid een
-petroleumlamp buiten, waarvan het licht getemperd werd door een roode
-kap. Om de tafel zaten mijnheer en mevrouw Bergwoude met meester
-Hooghuizen en juffrouw Wieler. En zoolang het nog geen bedtijd was,
-lagen daaromheen de jongens en meisjes van Sparheide. Dat was het
-heerlijke verteluurtje, dat om beurten door meester Hooghuizen en de
-juffrouw of mijnheer Bergwoude werd gehouden. De zachte schemering,
-het omringende bosch met hoog daarboven de aarzelend naar voren komende
-sterren, de gezellige kindergroep voor het huis, zacht beschenen door
-het tooverroode lamplicht, dat alles werkte mee om een romantische
-sprookjesstemming over allen te brengen.
-
-En 't was vaak, of bij zoo 'n mooi verhaal de sparren en beuken
-en dennen stil te luisteren stonden en niet slapen wilden gaan
-voordat het uit was. En ieder der vertellers had zoo zijn eigen soort
-verhalen. Meester Hooghuizen wist altijd mooie geschiedenissen uit de
-vele boeken, die hij las. Juffrouw Wieler vertelde meestal sprookjes
-van kabouters en toovergodinnen en nimfen. Dat kon ze wàt mooi, maar
-de juffrouw was zelf ook schrijfster en had al heel wat prachtige
-sprookjesboeken geschreven.
-
-Maar als mijnheer Bergwoude aan de beurt was, dan werd er gelachen
-om de gekke dingen, die hij vertelde, dat je de tranen van pret over
-de wangen rolden.
-
-Vanavond was hij juist weer aan de beurt van vertellen en de jongens
-en meisjes keken hem al verlangend aan. Zij zaten en lagen rondom de
-tafel in het gras, mevrouw en juffrouw Wieler hadden een haakwerkje
-ter hand genomen en meester Hooghuizen lag in een gemakkelijken stoel
-een sigaar te rooken.
-
-Mijnheer Bergwoude had juist zijn lange goudsche pijp opnieuw gestopt
-en aangestoken en scheen wel van plan, iets te gaan vertellen. Daarbij
-knipte zijn eene oog ondeugend, alsof hij zeggen wou: Nu zullen jullie
-weer wat moois komen te hooren.
-
-"Ik weet eigenlijk voor vanavond geen nieuw verhaal," sprak hij,
-"maar ik zal mijn beurt wel moeten waarnemen en daarom zal ik je eens
-iets vertellen uit de allereerste kinderjaren van Hans, Flip en Rob."
-
-De drie broers werden van alle kanten lachend aangekeken, maar zij
-waren ondertusschen zèlf nieuwsgierig naar hetgeen hun Vader daarvan
-vertellen zou.
-
-"Ik woonde hier pas een paar jaar," begon mijnheer, "en de drie
-jongens waren nog maar heel klein. En nu zal je hooren, hoe de drie
-kleuters op een goeden dag met een hofrijtuig van de Koningin Moeder
-werden thuisgebracht. Op den dag, dat mijn verhaal een aanvang neemt,
-was Hans, de oudste, vier jaar. Daarop volgde Flip, die 3 jaar was
-en dan had je Robert, bijgenaamd Bobbie, die pas 1 jaar telde, maar
-niettegenstaande dat de grootste ondeugd was van heel "Sparrenheide."
-
-Hans en Flip waren wilde rakkers en toch niet zoo ondeugend als
-Bobbie. Deze éénjarige jongeheer was véél kalmer, een heel stil
-ventje, maar buitengewoon lastig. Je kwam nooit met hem uitgepraat,
-hij liet je niet los, als je met hem begon te praten. Hij was een
-lief en aardig kereltje, o zeker, maar de dreumes maakte in stilte
-plannen en voerde ze dan uit ook, dingen, die den menschen een heelen
-hoop last bezorgden. Hij vond allerlei ondeugende streken uit, maar
-lachte er nooit zelf om.
-
-Bobbie was altijd ernstig.
-
-Hij hield veel van eten, van vechten, van honden en van vogels. Maar
-het meest hield hij van zijn vader en moeder.
-
-Katten kon hij niet uitstaan. Als hij er een te pakken kreeg, greep
-hij het dier bij den staart, slingerde poes een paar maal in het rond
-en gooide haar dan van zich af. Met de dienstmeiden was hij meestal op
-voet van oorlog. Dat kwam, omdat hij, als hij er den kans toe had, de
-halve keuken naar buiten sleepte en dan met een hamer alles stuksloeg.
-
-Alles, in de gangen en in de kamers, dat niet vaststond, nam hij
-mee naar buiten. En daar ging het dan onder den hamer. Vader had het
-hem al honderdmaal verboden, moeder al wel duizendmaal. Maar Bobbie
-scheen erg vergeetachtig en was den volgenden dag opnieuw met zijn
-hamer in de weer. Soms viel hij overdag, als hij in den tuin of het
-bosch speelde, in slaap. Dat was heelemaal niet erg, maar daarbij had
-hij de gewoonte, 's nachts urenlang wakker te liggen en dan allerlei
-zonderlinge geluiden te maken.
-
-Dat was voor de slapenden niet prettig, erg lastig.
-
-Bobbie sprak maar vier woorden: vajie en moejie, leja en akiboekie.
-
-Dit Bokkenspaansch beteekende: Vader en moeder, lekker en
-leelijk. Alles wat Bobbie mooi vond of graag lustte, was "leja" en wat
-niet naar den jongenheer z'n smaak was, noemde hij "akiboekie." Meer
-woorden zei hij nooit en wilde hij ook niet zeggen. Want met de
-genoemde vier woorden kon hij best terecht. De rest deed hij met
-gebaren. Een kus van moeder was "leja" maar een kus van vader met z'n
-baard was "akiboekie." Verder maakte Bobbie zich nooit boos of driftig,
-hij huilde alleen maar als de dokter in huis kwam, anders nooit, en als
-hij niet lief en aardig was, dan was hij lastig, alleen maar lastig!
-
-Hans en Flip geleken in bijna alles op elkaar, maar verschilden ook
-samen in alles evenveel als Bobbie.
-
-Zij waren beiden even wild, even uitgelaten-vroolijk, even vlug in 't
-hardloopen en lachten om 't hardst om alle dwaze dingen van Bob. Zij
-bemoeiden zich echter maar weinig met hem, want Bobbie voelde zich vèr
-boven zijn broers verheven en wilde zich liefst maar alléén vermaken.
-
-Tusschen Hans en Flip bestond een soort bondgenootschap, maar tusschen
-hen beiden en Bobbie was 't meestal oorlog.
-
-Omdat zij alle drie nog te jong waren, gingen zij niet op school. Er
-was te Baarn wel een bewaarschool, maar ik liet mijn kinderen liever
-in het bosch spelen, dat was veel gezonder voor hen. Bovendien moesten
-zij alle middagen een uurtje slapen. Dat slapen ging met Hans en Flip
-niet zoo gemakkelijk als met Bobbie. Bob kon om zoo te zeggen slapen
-als hij wou, dat kwam misschien wel, doordat hij zooveel at en zoo
-dik was. Maar Hans en Flip waren heel niet slaperig uitgevallen en
-'t kostte moeder heel wat moeite, die twee des middags een uurtje te
-laten rusten.
-
-Op een dag, dat de leerlingen met hun onderwijzer voor een uur
-de schoolbanken verlaten hadden om in het bosch wat te spelen,
-stapte kleine Bobbie het huis uit, wandelde den heuvel af en stak
-den straatweg over, die dwars door het bosch liep. Toen sloeg hij het
-grintpad in, dat naar de school leidde en trad binnen. Hij deed dat zoo
-kalm en zoo zeker, alsof iemand hem gezegd had, dat hij dit moest doen.
-
-In 't eerste lokaal bleef hij staan en stak zijn vinger in den
-inktpot. Dat zijn vingertje toen heelemaal zwart was, vond hij
-vreeselijk pràchtig.
-
-Daarop stak hij den vinger in zijn mond, hij wilde eens proeven,
-of dat zwarte goedje ook lekker smaakte. Maar dat viel niet mee. Hij
-trok een leelijk gezicht en zei: "Akiboekie."
-
-Toen scheen de gedachte in zijn kleine hersentjes op te komen,
-dat de andere kinderen dit zwarte drankje maar liever niet moesten
-drinken. En daarom wipte de kleuter den inktpot er uit en goot dien
-leeg op den grond.
-
-Zoo deed hij met alle inktpotten.
-
-Na dit zware werk verricht te hebben, wandelde hij doodbedaard door
-de inktplassen en gleed uit.
-
-Hij viel met zijn neus in den morsboel. Zijn witte boezelaar zag er nu
-bijzonder mooi uit, vond hij. Hij smeerde ook zijn bloote beentjes
-er mee vol en stapte aldus toegetakeld weer naar buiten. Bobbie
-vond dat hij nu in school genoeg geleerd had en ging eens op den
-straatweg kijken.
-
-Daar kuierde een groote tor over de steenen. Bobbie ging erbij zitten
-om eens te zien, of de tor niet op zijn schoot wilde zitten. Toen
-kwam er in de verte in razende vaart een automobiel aan. De heer,
-die de auto bestuurde, zag het kleintje midden op den weg zitten.
-
-Hij toeterde uit alle macht.
-
-Bobbie was verdiept in 't beschouwen van de zwarte tor.
-
-De auto toeterde, de heer zwaaide met zijn arm.
-
-Bobbie zag de auto wel, en den mijnheer, die zoo tegen hem zwaaide,
-zag hij ook wel. Maar hij vond het heelemaal niet noodig, een eindje
-op zij te gaan. De heer in de auto rèmde, zwaaide nogmaals zijn arm.
-
-En Bobbie zwaaide vriendelijk terug.
-
-Toen schoot de vreemde heer in een lach. Hij liet de automobiel
-stilstaan, stapte er uit en droeg Bobbie, dat zwartgezicht naar een
-kant van den weg. En daarna reed hij weer verder.
-
-Kleine Bob had ondertusschen de zwarte tor uit het oog verloren, maar
-scheen zich opeens te herinneren, dat hij vandaag nog geen bezoek
-had gebracht aan de keuken. Hij had vandaag nog niets stukgeslagen,
-en daarom werd het hoog tijd eens wat op te zoeken, dat erg mooi in
-stukken kon vliegen.
-
-Met dit goede voornemen klom hij het heuvelpad weer op, dat naar
-zijn huis leidde, toen opeens Hans en Flip in vliegende vaart op hun
-rolwagentje van boven kwamen aanrijden.
-
-Er was geen haar op Bobbie z'n hoofd, dat er aan dacht, ook maar
-één stap op zij te gaan. En nu kwam het rolwagentje recht op hem af,
-zoodat het tegen hem aanbonsde en omsloeg.
-
-Er rolden nu vier dingen den heuvel af: het rolwagentje, Hans, Flip
-en Bobbie.
-
-Dat heele stelletje ging holderdebolder naar beneden en toen er niets
-meer te rollen was, omdat de weg beneden weer effen was, kropen ze
-allemaal overeind, behalve het rolwagentje. De vierjarige Hans vond
-het niemendal mooi van Bobbie, om expres midden in den weg te gaan
-staan en hun mooie rutschbaan te bederven.
-
-Hans was spin-nijdig.
-
-En de driejarige Flip gaf zijn éénjarige broertje een klap. Maar
-Bobbie was ook niet van gisteren, die zette zijn tien nagels in Flip's
-gezicht en zei: Leja!
-
-Flip werd daardoor buiten gevecht gesteld en Hans vond dat per slot van
-rekening zóó kranig van zijn jongsten broer, dat hij weer vriendschap
-sloot. Hij zette den rolwagen weer overeind en zei tot Bobbie:
-
-"Ga d'r maar in zitten!"
-
-Ja, dat vond Bobbie aardig en zelfs Flip hielp mee, den kleinen dikzak
-in het wagentje te hijschen. Hij en Hans trokken de equipage voort
-over den boschweg, wat zeer naar genoegen was van den kleinen schelm,
-die maar aanhoudend "Leja, Leja!" riep. De kinderen dwaalden al verder
-het bosch in, hielden af en toe eens halt en raapten dan allerlei
-schoone dingen op. Vooral spar-appels en plakjes mos. Die vonden zij
-altijd verbazend mooi: Bobbie probeerde of hij spar-appels kon opeten,
-maar dat beviel hem al heel slecht en hij zei: "Akiboekie." Ook een
-paar torren en rupsen werden in den wagen geladen, waar de beestjes
-aldra lustig rondkropen over het mos en Bobbie's beenen.
-
-Zoo scharrelden de drie broers al verder en verder, en eindelijk
-hadden ze de Koninginnelaan bereikt. Hoe of het nu precies gegaan
-is, zou ik je onmogelijk kunnen zeggen, maar in elk geval schijnt
-de rolwagen omgeslagen te zijn. Dat Bob er uitgevallen is, zal wel
-zoo klaar als koffiedik zijn. Ze zijn toen met hun drieën tusschen
-de boomen gaan spelen. Nu reed er toevallig door het bosch een
-rijtuig van het paleis. Als de Koningin niet uitreed, moesten toch
-de paarden hun dagelijkschen wandelrit maken, en juist bij den hoek
-van de Koninginnelaan gingen de wielen van het rijtuig over het
-rolwagentje heen.
-
-De koetsier hield stil en raad eens, wat hij deed? Hij vond het wat
-heel hard om de drie peuters met hun gebroken wagentje aan hun lot
-over te laten en stopte toen 't heele gevalletje in het rijtuig.
-
-Stel je nu onze verbazing voor, toen me daar een hofrijtuig kwam
-aanrijden met drie kwajongens er in! Dat wij den koetsier hartelijk
-bedankt hebben voor het terugbrengen van de drie zwervers, behoef
-ik jullie niet eens te zeggen. Ziezoo, en dit heb ik je nu maar eens
-verteld, omdat ik voor vanavond geen ander verhaal wist.
-
-Er was heel wat gelachen door de jongens en meisjes, en de drie
-jolige broers werden van verschillende kanten geplaagd met die
-avonturen. Vooral Robert. Er werd al door de meisjes besloten, om
-hem voortaan Bobbie te noemen.
-
-Bobbie, Bobbie! klonk het uit den meisjes hoek. Maar Rob wierp ze
-een vernietigenden blik toen en zei: "Stumpers!"
-
-"Allons, jongelui!" besloot mijnheer Bergwoude, "de klok slaat negen
-uur. Naar bed, naar bed!"
-
-De jongens en meisjes gingen naar hun kamers, om morgen vroeg weer
-den heerlijken Zondag te kunnen genieten. De overigen bleven nog wat
-praten voor het huis.
-
-En weldra heerschte er rust en stilte op Sparrenheide.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-VIJFDE HOOFDSTUK.
-
-IN DEN NACHT.
-
-
-Hans, Flip en Rob sliepen op één kamer. Tegen drie van de vier muren
-stond een ledikant, de vierde wand had glazen deuren, die naar het
-balcon leidden.
-
-Het was een verrukkelijke zomernacht geen windje suisde door het bosch,
-geen blaadje bewoog.
-
-Flip sliep onrustig. Hij had de dekens van zich afgeworpen en draaide
-zich van de eene zijde op de andere.
-
-Opeens schrok hij wakker en kwam overeind. Hij wreef zijn oogen
-eens uit en keek de kamer rond. De broers sliepen als marmotten,
-'t was doodstil.
-
-"Ben ik nou wakker of slaap ik?" mompelde Flip in zichzelven, "ik ben
-een olienoot als ik het weet. Hè ... is me dat schrikken! Maar ik zou
-wel eens willen weten, waarvan ik eigenlijk geschrokken ben! Ik heb
-bepaald gedroomd, dat ik uit een vliegmachine viel en op de punt van de
-Gedenknaald terecht kwam. Enfin, ik geloof wel, dat ik nou wakker ben."
-
-Flip had altijd de gewoonte met zichzelven heele gesprekken te
-voeren. Hij deed dan precies of hij tegen een ander sprak en gaf
-zichzelf dan ook steeds antwoord.
-
-"Komaan," zei hij, "ik geloof, dat ik een beetje hoofdpijn heb. Het
-is dan ook verbazend warm in bed. Het zal een prachtige nacht zijn,
-weet je wat, ik ga een luchtje happen op het balcon, dan zal de
-hoofdpijn ook wel zakken."
-
-Daarop trok hij wat kleeren aan, stak zijn voeten in pantoffels en
-opende zoo zacht mogelijk de balcondeuren.
-
-Inktzwart lag het bosch voor hem, wat lichter boven de boomen was de
-hemel met de flonkersterren als diamanten op fluweel. Doodsche stilte
-hing over heel de omgeving. Flip hoorde hier het tikken van de Friesche
-hangklok, beneden in de gang. Hij leunde een poosje over de balustrade
-van het balcon en genoot van den heerlijken zomernacht. Toen wandelde
-hij eens om het huis heen, wat gemakkelijk ging, daar het balcon de
-woning geheel omringde. Overal sliepen de kostleerlingen, overal was
-'t geheel donker, alleen op de kamer van juffrouw Wieler sputterde
-een nachtlichtje. Van de jongenskamers stond één deur op een kier.
-
-"Die hebben 't ook bepaald warm," mompelde Flip en wandelde onhoorbaar
-verder. Toen kwam hij weer bij zijn eigen kamer en bleef daar nog even
-naar de sterren kijken. Wat was dat toch een prachtig gezicht. Jammer
-dat de maan er vannacht niet was. Dan zou...
-
-Er kraakten takken in het bosch, dichtbij het huis.
-
-Wat nu?
-
-Flip luisterde scherp.
-
-Het kwam van de andere zijde van 't huis.
-
-Weer gekraak... toen voetstappen van iemand die voorzichtig over het
-grint van den tuin liep, om geen onnoodig leven te maken.
-
-Maar in den stillen nacht toch duidelijk te hooren.
-
-Flip was niet bang uitgevallen, om den drommel niet, en hij stond
-zijn man als 't op een eerlijke vechtpartij aankwam. Maar in
-dit nachtelijk uur maakte het zonderlinge geluid hem toch wel wat
-zenuwachtig. Niettemin besloot hij voorzichtig te gaan zien, wie daar
-in den tuin wandelde.
-
-Een andere gedachte stelde hem weer gerust. Wel, evengoed als hij kon
-toch ook iemand anders uit het huis de buitenlucht opgezocht hebben,
-omdat het binnen te benauwd was? Och wel ja, zoo zou 't wel zijn.
-
-Om den hoek van 't balcon bleef hij staan en keek over de balustrade
-in den tuin.
-
-Wat hij dáár zag, verschrikte hem opnieuw.
-
-Het balcon werd door houten palen ondersteund. En nu klom er iemand
-tegen een der palen omhoog.
-
-Flip kon maar ternauwernood in 't duister de donkere gedaante
-onderscheiden.
-
-Een hand greep de leuning, er verscheen een hoofd... en langzamerhand
-heesch de donkere gedaante zich over de balustrade.
-
-Het was een jongen.
-
-Maar een vreemde jongen was het niet, hoewel Flip door de duisternis
-en den afstand onmogelijk kon onderscheiden, wiè het was. De jongen
-opende voorzichtig de balcondeur, die op een kier stond, en verdween
-in zijn slaapkamer, waarna hij de deur geheel sloot.
-
-Daarna werd het weer doodstil.
-
-Zonderlinge gevoelens en gedachten bekropen Flip.
-
-Wat had dat te beteekenen? Waarom kwam die jongen zoo midden in den
-nacht op zulk een steelsche wijze het huis in?
-
-En wie was het?
-
-Flip wist maar niet, wat hij ervan denken moest. Tallooze vragen
-drongen zich herhaaldelijk aan hem op. Maar het eenigste, wat hij wist,
-was dat een der jongens van kamer No. 9, dit had hij goed gezien, in
-den nacht het huis binnenklom en er dus ook wel op dezelfde manier
-uitgegaan zou zijn. Nu was de vraag: deed hij dat elken nacht of
-was het slechts voor dezen éénen keer? Of gebeurde dat alleen des
-Zaterdags? Flip besloot om er voorloopig maar niets van te zeggen en
-liever eerst eens uit te kijken, of de jongen dat ook meer deed. Hij
-wachtte nog eenige minuten of misschien nog iets gebeuren zou, maar
-toen alles stil bleef en hij weer behoefte aan slaap begon te voelen,
-ging hij zijn slaapkamer binnen en strekte zich in zijn bed uit.
-
-Nog even dacht hij over het gebeurde na, maar zijn jonge lichaam had
-nog te veel slaap noodig en het duurde niet lang, of hij snurkte weer
-even hard als zijn broers en droomde van Indianen en bleekgezichten
-en hofrijtuigen dat het een aard had.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-ZESDE HOOFDSTUK.
-
-BAREND VAN DE LAGE VUURSCHE. NACHTELIJKE VERVOLGING.
-
-
-Wanneer je van Instituut "Sparrenheide" een kwartiertje den
-grintweg volgde in Westelijke richting, dan kwam je van zelf in de
-uitgestrekte bosschen van het kasteel Groot Drakenstein in de gemeente
-De Vuursche. 't Was daar nog een echte wildernis met verborgen holen en
-spelonken, vijvertjes en beekjes, onderaardsche gangen en geheimzinnige
-hoekjes. Werden de Baarnsche bosschen angstvallig-netjes onderhouden,
-boompjes gesnoeid, de paden zelfs bijgeveegd of 't kamervloeren
-waren, in de bosschen van de Vuursche ging de natuur haar eigen
-gang en tooverde er de meest romantische plekjes. Voor de jongens en
-meisjes van Sparrenheide was dan ook het bosch van Drakenstein een
-paradijs van genot! Want je had er behalve de reeds genoemde heerlijke
-dingen nog een oeroude kapel, de Hermitage, die er ongeveer 1650 werd
-neergezet. Dit steenen gebouwtje staat zóó diep in het groen verborgen,
-dat men wel precies den weg moet weten, om het te vinden. Het ligt
-aan den vijver, die geheel met kroos is bedekt en omringd is door
-oude beuken en sparren. De achterzijde komt op dat vijvertje uit. Van
-dien kant gezien lijkt de kapel een eeuwenoude ruïne, terwijl aan de
-voorzijde de gevel nog vrijwel in zijn geheel staat. En je had er de
-Grot, een gemetseld gewelf, waarin vroeger een kluizenaar moet gewoond
-hebben, die echter nooit door iemand is gezien, voorts een prachtige
-echo, een vischkom en tal van donkere, begroeide slingerpaden.
-
-Kon er heerlijker omgeving zijn voor een troep vroolijke jongens en
-meisjes? Waar kon men mooier spelletjes verzinnen dan temidden van
-al die heerlijkheden?
-
-Jammer, dat er bij al dat moois toch nog iets leelijks was, of liever
-gezegd, iets, dat er maar beter gemist had kunnen worden. Aan den
-dorpsweg van de Vuursche, een groep eenvoudige woningen met een kerk,
-een school en een logement er tusschen, stond een klein huisje,
-waarin een veertigjarig man met zijn zoon woonde.
-
-Die man heette Ranke en was een zeer berucht strooper. In de bosschen
-van Drakenstein vindt men tallooze konijnen, zelfs wat herten, maar het
-spreekt wel vanzelf, dat die er niet waren om door stroopers geschoten
-en verkocht te worden. De veertienjarige zoon heette Barend en beloofde
-het waardig evenbeeld zijns vaders te zullen worden. Nauwelijks zes
-jaar oud, was hij overgelaten aan de zorgen van zijn vader, maar die
-keek ternauwernood naar zijn zoontje om. De kleine Barend was al
-blij, als hij het overschot van vaders brood mocht opeten en geen
-slaag kreeg. En Ranke vond, dat hij al bijzonder goed en vaderlijk
-het kind behandelde, door hem 's morgens een stuk brood te geven met
-af en toe een pak slaag.
-
-Deze vreemde manier van opvoeden had tengevolge, dat Barend meer
-buiten- dan binnenshuis te vinden was. Zomer en winter, bij regen en
-ontij zwierf hij door de bosschen en langs de woningen. Hier en daar
-deed hij dan wel eens een boterham of een bord warm eten op en als hij
-'s avonds niet thuiskwam, dan sliep hij wel ergens in een stal of in
-een hooiberg. Hij werd een rechte wildeman, hoewel hij werkelijk geen
-slecht karakter had. Het ongeregelde leven, dat hij leidde, was er de
-schuld van, dat hij heelemaal verwilderde. Bovendien was het gezelschap,
-dat zijn vader vaak meebracht in de kleine woning, ook niet bijzonder
-geschikt om Barend wat fatsoen en netheid te leeren. Want de vrienden
-van Ranke waren eveneens geduchte stroopers, die er tevens van hielden,
-sterken drank te drinken en om geld te spelen.
-
-De dorpsbewoners hadden er den vader al meermalen opgewezen, dat hij
-den jongen naar school moest zenden. En inderdaad had Ranke zijn zoon
-op zekeren dag erheen gebracht. Maar de meester kon weinig of niets
-beginnen met het wilde boschkind.
-
-Barend, ofschoon toen nog pas acht jaar, was zóó ongemanierd en ruw,
-dat hij inderdaad een gevaar voor de andere leerlingen werd.
-
-Hij spuwde tegen het bord, waarop de meester nieuwe sommen had
-geschreven, hij trok zijn buurman de haren uit het hoofd en sloeg hem
-half dood. Hij schopte de papiermand door de klas en schold den meester
-uit voor alles, wat leelijk was. Maar dan greep de meester hem stevig
-beet en zette hem buiten de school. Een oogenblik later werd er een
-ruit ingegooid of een hoop modder door 't open raam geslingerd. En
-telkens weer opnieuw had de meester het met hem geprobeerd.
-
-Totdat het op een keer te erg was geworden.
-
-Toen de meester even zijn klasse had verlaten en één der grootste
-jongens ervóor had gezet om toe te zien, was Barend opeens uit zijn
-bank gesprongen. Hij gaf den jongen, die met een griffel en een lei in
-de hand voor de klasse stond, een schop, dat-ie wel over zes banken
-tegelijk heenvloog en ging toen zelf op de voorste bank staan. Met
-meesters dikken stok stond hij dreigend voor de kinderen en schreeuwde:
-
-"Nou allemaal naar huis! Vooruit, het is vacantie!"
-
-Maar de kinderen durfden natuurlijk niet uit hun banken gaan.
-
-"Vooruit! Opgerukt!" schreeuwde Barend en hij begon er zóó geweldig
-met den stok op los te timmeren, dat hij binnen vijf minuten de heele
-klas de deur uitgeslagen had! Dat was al te erg geweest en na dien
-tijd had Barend geen voet meer in school mogen zetten.
-
-Het gevolg daarvan was, dat het er met zijn geleerdheid droevig
-uitzag. Hij kon in het geheel niet lezen of schrijven. Omdat Barend
-zoo vreeselijk dom was, kon hij ook niet slecht zijn. Hij was, wat
-zijn vader en het wilde leven van hem hadden gemaakt.
-
-Want Barend hoorde vaak van de andere dorpsjongens, dat zij mooie
-boeken konden lezen en brieven schrijven, dat zij konden rekenen met
-groote getallen en allerlei mooie en nuttige dingen kenden. Als Barend
-dan alleen in het bosch dwaalde of heel gemoedelijk met een hert te
-praten zat, dat hem al jaren kende en in het geheel niet schuw was,
-dan verlangde hij ernaar, ook te kunnen lezen en schrijven.
-
-Maar de meester wilde er niets meer van weten en niemand op het heele
-dorp geloofde dan ook, dat er in Barend nog iets anders zat, dan
-ruwheid en slechtheid. Intusschen leefde Barend maar dag in dag uit in
-de bosschen. Hij kon met de vogels meefluiten, door langdurige oefening
-deed hij hen zóó precies na, dat zij hem voor een collega hielden; hij
-lokte de eekhoorntjes naar zich toe en floot de woudduiven, de herten
-gaf hij namen en als hij riep, kwamen ze van verre aangeloopen. Dan
-gaf hij ze een korst brood en liefkoosde ze.
-
-Dat waren zoo zijn alledaagsche, maar ook zijn éénige vrienden.
-
-In den laatsten tijd bemerkten de bewoners van de Vuursche iets
-bijzonders aan den jongen.
-
-Men zag hem 's avonds nooit meer ergens inkruipen om er te slapen
-en het leek wel--hoe was het mogelijk--dat de wildeman een beetje
-fatsoenlijker begon te worden. Eerst had iemand hem door het bosch
-zien gaan met een gewasschen gezicht en gekamde haren!
-
-Het heele dorp had ervan overeind gestaan.
-
-Toen had een ander hem ontmoet met een behoorlijk pak kleeren aan... en
-kousen en schoenen!
-
-Wat gebeurde er toch met den wilden jongen en wie had hem zoo
-onverwachts al dat goede geleerd?
-
-Heel de omgeving sprak erover.
-
-Maar niemand wist het.
-
-
-
-Zooals Flip zich had voorgenomen, had hij ook gedaan. Tegen niemand
-dus had hij iets gezegd, want hij wist in de eerste plaats niet, wat
-er eigenlijk gebeurde, wiè de uit- en inklimmer was en bovendien hield
-hij er heelemaal niet van, om een ander te verraden, zonder te weten,
-wat deze nu wel eigenlijk had misdaan.
-
-Maar in stilte had Flip toch het plan gemaakt, om vanavond eens op den
-uitkijk te gaan zitten en te zien, wie van kamer negen die nachtelijke
-uitstapjes maakte. Hij had heel den dag al de drie kamerbewoners,
-Hein Veere, Piet Broeser en Jacob Heintze goed in het oog gehouden,
-maar niets bijzonders opgemerkt.
-
-Alle drie waren uitstekend oppassende jongens en geen van hen zag er
-naar uit, of hij iets verborg, dat anderen niet mochten weten.
-
-Inplaats van naar bed te gaan, zei Flip aan Hans en Rob, dat hij nog
-wat op het balcon bleef, hij had weer een beetje hoofdpijn. De broers
-wenschten hem beterschap en gingen rustig slapen.
-
-Terwijl Flip in een donkeren hoek van het balcon gedoken zat,
-totaal onzichtbaar in de duisternis, hield hij de oogen gericht op
-de balcondeur van kamer negen.
-
-Maar de uren verstreken en er gebeurde niets.
-
-Dus ... de jongen ging toch niet elken avond er op uit?
-
-Flip vond, dat hij voor ditmaal lang genoeg had gewacht en ging
-onverrichterzake naar bed met het voornemen, den volgenden avond weer
-op wacht te gaan.
-
-Den tweeden avond ging hij dus weer en zei nu aan de broers, dat
-hij toch de eerste uren maar wakker lag en dus liever nog wat in de
-frissche lucht bleef.
-
-"Ga je nou weer op 't balcon staan," vroeg Hans verbaasd, "wat vind
-ik dat gek."
-
-"Voor mijn part vind-je 't krankjorum," zei Flip, "maar daarom doe
-ik het toch."
-
-"Hij wil sterrekundige worden," zei Rob.
-
-"Nou, weet je wat," zei Hans. "Ik blijf je voor de gezelligheid een
-beetje gezelschap houden."
-
-"Neen, neen," zei Flip, "dat is heelemaal niet noodig. Ik kan je
-niet gebruiken."
-
-"O, moet mijnheer alléén zijn? Mag ik er niet bijwezen?"
-
-"Liever niet."
-
-"Zoo. Maar wat gebeurt er dan 's avonds op het balcon?"
-
-"Gebeuren? Wel, niets. Gebeurde er maar wat. Het is doodstil en nog
-al vervelend."
-
-"Ga dan ook naar bed."
-
-"Merci, ik slaap tòch niet. En zanik nou asjeblieft niet langer en
-kruip in je mandje."
-
-"Boe-boe, wat een drukte. Nou blijf ik lekker op," zei Hans.
-
-"Je doe maar," zei Flip. "Maar dan ga ik in den tuin."
-
-"Hoor eens, je bent een geheimzinnig stuk mensch. Enfin, wat kan 't
-mij ook schelen. Ga mijnentwege den heelen nacht op 't dak zitten! Wel
-te rusten, ik ga slapen."
-
-Een oogenblik later zat Flip weer op zijn post en was 't in de
-slaapkamer stil geworden.
-
-Toch sliep Hans niet.
-
-Het zonderlinge gedrag van Flip gaf hem veel te denken. Wat drommel zoo
-gek deed Flip nooit, wat mankeerde zijn broer opeens? En wat voerde
-hij daar toch uit op het balcon? Een luchtje scheppen? Larie hoor,
-ze schepten hier den heelen dag lucht, o hee, boeren-wagens vòl. Nee,
-daar zou wel iets achter zitten. Weet-je wat, nou niet gaan slapen
-en goed luisteren, of er soms van buiten af iets te hooren was. En
-ondertusschen gauw wat kleeren aantrekken, maar zachtjes, opdat Rob
-niet wakker wordt!
-
-Hans greep zijn kousen en zijn kleeren en deed die, in bed zittend,
-weer aan. Hij verliet echter het bed niet, om bij een onverwachte
-binnenkomst van Flip dadelijk onder de dekens te kunnen schieten.
-
-Zoo wachtte hij wel meer dan een half uur zonder dat hij ook maar
-het minste geluid vernam.
-
-Zou Flip soms in slaap gevallen zijn?
-
-Het was bijna niet denkbaar, dat iemand zich zonder bijzondere reden
-zoo doodstil hield.
-
-Daar hoorde hij opeens wat. Voetstappen.
-
-Stil ... kwam Flip weer naar binnen?
-
-Neen ... de deur bleef dicht ... nu hoorde hij niets meer. Ja, daar
-was het weer ... Flip liep zachtjes voorbij de deur van de slaapkamer.
-
-"Wat was er toch aan de hand."
-
-Nu nam Hans een kloek besluit. Hij wilde in elk geval weten, wat Flip
-in den nacht op het balcon uitvoerde. Hij liet zich zoo zachtjes
-mogelijk uit het bed glijden, liep op zijn teenen naar de deur,
-pantoffels in de hand.
-
-Voorzichtig opende hij de deur, stak zijn hoofd er buiten.
-
-En nog net kon hij zien, hoe Flip over de balustrade van het balcon
-klom en zich langs een der palen naar beneden liet glijden.
-
-Drommels, dacht Hans, wat zullen we nu beleven? Ja ja, ik dacht wel,
-dat er iets bijzonders aan de hand was. Maar ik mag geschoren worden
-als ik er wat van begrijp. Wat zal ik doen? Hem achterna gaan? Dat
-was in elk geval wel het beste om ineens het fijne van de zaak te
-weten te komen. Komaan, de klimpartij langs balustrade en paal was
-een kinderachtig kunstje en zoo duurde 't niet lang, of Hans volgde
-Flip en Flip volgde den nachtelijken wandelaar, in wien hij ondanks
-de duisternis al dadelijk Jacob Heintze herkend had.
-
-Welke reden deze Jacob Heintze, die een der beste leerlingen was, van
-Instituut "Sparrenheide," had om des nachts uit te breken, begreep
-Flip evenmin als dat zijn broer Hans snapte, wat Flip in het bosch
-te zoeken had.
-
-De torenklok sloeg tien uur.
-
-Flip volgde Jacob langs den grintweg, terwijl Jacob midden op den weg
-liep en aldus zijn voetstappen duidelijk te hooren waren, volgde Flip
-hem over het mos.
-
-Daar was het voor Hans verbazend lastig om zijn broer in het oog te
-houden, want tusschen de boomen was het stikdonker. Maar ondertusschen
-werd het een vermakelijke geschiedenis. Want in de eerste plaats dacht
-Jacob, dat hij alleen was, ten tweede was Flip in de meening, dat Hans
-rustig was gaan slapen en dus niet wist, dat hij Jacob vervolgde,
-en ten derde dacht Hans er in het minst niet aan, dat Flip juist
-hetzelfde deed als hij: een ander volgen.
-
-Nu mankeerde er nog maar aan, dat Rob er achteraan kwam.
-
-Maar die sliep als een marmot en wist op dat oogenblik niet eens,
-dat hij op de wereld was.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-ZEVENDE HOOFDSTUK.
-
-ALLEMAAL HOOFDPIJN.
-
-
-Flip kende Jacob Heintze te goed om niet vooruit te kunnen weten, dat
-de jongen zich niet met slechte en misdadige vrinden ophield. Maar
-juist dat verergerde Flip's nieuwsgierigheid nog veel meer, want
-daardoor begreep hij heelemaal niet, wat Jacob bezielde om in 't
-donker het bosch in te gaan.
-
-Hans dacht er precies zoo over, hij begreep evenmin wat Flip bezielde.
-
-Intusschen was het Hans zoo goed als onmogelijk om Flip te volgen,
-want deze was tusschen de boomstammen bijna onzichtbaar.
-
-Halt, daar hoorde Hans voetstappen! Flip liep dus midden op den weg? Nu
-even luisteren! Het geluid verwijderde zich. Op zijn beurt ging Hans
-nu op het mos loopen, maar hij liep wat te haastig en daardoor bonsde
-hij een paar maal tegen een boom aan. Dat was niet prettig en het kwam
-hem ook heel slecht gelegen, want nu moest hij even blijven staan
-om zich den neus te wrijven. Sapperloot, wat dat zeer deed! Zoo'n
-boom gaf ook heelemaal niet mee! Maar... waar was Flip ondertusschen
-gebleven? Hemeltje, daar was hij al bij den viersprong van 't bosch
-van Drakenstein!
-
-Welken weg was Flip ingeslagen?
-
-Hij luisterde scherp.
-
-Maar er heerschte doodsche stilte.
-
-Op goed geluk sloeg hij een zijweg in, hopende, spoedig weer het geluid
-van Flips voetstappen te hooren. Maar hoewel zijn eigen voetstappen
-in het mulle zand van den zijweg geen geruisch maakten, hoorde hij
-evenmin het loopen van een ander.
-
-'t Bleef stil om hem heen en hij kwam weldra tot de overtuiging,
-dat hij de verkeerde richting was ingeslagen. Hij keerde dus terug
-naar den viersprong en probeerde het langs een anderen weg. Deze
-bracht hem in 't dichtste gedeelte van het bosch. Daar hoorde hij
-weer duidelijk iemand loopen!
-
-Ha! daar ging Flip dus!
-
-Hans haastte zich in die richting, vanwaar het geluid der voetstappen
-kwam.
-
-Toen kwam er opeens een man met een geweer van achter een der boomen
-te voorschijn en riep hem toe:
-
-"Duivelsche jongen, wil je wel eens maken, dat je wegkomt!"
-
-Hans schrikte verbazend en deed, wat alle jongens in dat geval zouden
-gedaan hebben: hij liep wat hij loopen kon!
-
-Het was Ranke, de strooper.
-
-Waar was Flip intusschen gebleven?
-
-Die had Jacob weten te volgen tot dichtbij het dorp de Vuursche, maar
-ook al door de dikke duisternis, die er in de bosschen heerschte, had
-hij hem daar geheel en al uit het oog verloren. Dat was erg jammer,
-want nu was al zijn moeite tevergeefsch geweest en wanneer hij het
-al nòg eens probeerde, kon hij toch wederom Jacob door de duisternis
-uit het oog verliezen en zoo kwam hij geen stap verder. Misschien was
-het ten slotte nog maar het beste, om aan Jacob onder vier oogen te
-vragen, wat hij toch des nachts in het bosch uitvoerde. Jacob zou
-hem dan natuurlijk alles moeten vertellen en dat was per slot van
-rekening de eenvoudigste manier. Komaan, langer zoeken in 't donkere
-bosch leidde toch tot niets en hij mocht al blij wezen, wanneer hij
-zonder te verdwalen weer veilig op Sparrenheide aankwam.
-
-Flip ging dus onverrichter zake terug en was weldra weer op den
-grintweg, die langs "Sparrenheide" liep.
-
-Op dat oogenblik had Hans juist weer den tuin bereikt en trad door
-het hek naar binnen, toen hij tot zijn grooten schrik bemerkte, dat
-Meester Hooghuizen, die een vergadering te Hilversum had bezocht,
-zoo juist per fiets was teruggekeerd en nu in zijn kamer, die in den
-tuin uitkwam, nog wat te lezen zat.
-
-Groote goden, hoe kwam hij nu veilig en ongemerkt op zijn slaapkamer?
-
-Dat was me nu ook een leelijke kink in den kabel! Hans hield
-onwillekeurig den adem in en keek in de gezellige studeerkamer.
-
-Meester Hooghuizen zat in zijn leuningstoel en rookte een pijp. Een
-boek hield hij in de hand, maar op het oogenblik las hij daarin
-niet. Het lamplicht straalde naar buiten en verlichtte nog een deel
-van den tuin.
-
-Hans hoopte maar, dat meneer daar niet lang zou blijven. Het was
-immers zóó doodstil, dat hij het minste geluid dadelijk zou hooren?
-
-Maar de onderwijzer scheen nog niet aan slapen-gaan te denken.
-
-Toen kreeg Hans een ingeving.
-
-Komaan, dacht hij. Laat ik net doen of ik een beetje in den tuin
-wandel. Daar kan niets bijzonders in zijn. Bovendien heb ik mijn
-pantoffels aan, dus dat is al zoo huiselijk, als 't maar kan.
-
-En Hans stapte langzaam, alsof hij maar 'n loopje had gemaakt, den
-tuin in.
-
-Het volgende oogenblik hief meester Hooghuizen luisterend het hoofd
-op. Toen stond hij op en kwam in de geopende deuren staan, keek in
-'t donker van den tuin.
-
-"Wie daar?" vroeg hij.
-
-"Ik meester, ik ben 't, Hans."
-
-"O, ben jij 't? Je bent ook laat, zeg. Heelemaal geen slaap?"
-
-"Neen meneer, 'k had het nogal warm. En zoo'n hoofdpijn. Daarom ben
-ik wat naar buiten gegaan."
-
-"Zoo. En is 't nu wat gezakt?"
-
-"Gelukkig wel! Kom, nu ga 'k maar slapen. Wel te rusten, meneer."
-
-"Good night, Hans! Is de deur wel open?"
-
-"Neen meneer, die is op slot. Maar ik klim wel in den paal."
-
-"Nee, doe dat niet. Ik heb den sleutel en zal je wel even binnen
-brengen. Nou, slaap lekker, Hans."
-
-Leuke jongen, dacht hij, flink type die Hans. Ik mag hem wel. Kom,
-nu nog even de krant lezen.
-
-Terwijl meester de krant ter hand nam, ging Hans naar boven en
-bereikte veilig zijn slaapkamer. Maar hij dacht er nog niet over,
-om naar bed te gaan. De teleurstelling, die hij had ondervonden,
-nu Flip hem in de duisternis ontsnapt was, had hem een beetje boos
-gestemd. Wat duivelkater, hij mòest en zou dan tóch wel te weten komen,
-wat Flip uitvoerde! Wacht, hij zou zijn carbidlantaarn nemen en Flipje
-even bijlichten, wanneer broertjelief dacht weer netjes in het donker
-te zullen binnenglippen.
-
-En Hans maakte in stilte zijn lantaarn in orde en kroop ermee in een
-donkeren hoek van het balcon, het licht zorgvuldig bedekt houdende.
-
-Het duurde niet lang, of meester Hooghuizen, die het zijne in de
-courant had gelezen, hoorde opnieuw voetstappen in den tuin. Denkende,
-dat Hans nog niet naar bed was gegaan, riep hij naar buiten:
-
-"Ben je daar alweer, Hans?"
-
-Maar tot zijn verbazing hoorde hij de stem van Flip:
-
-"Neen meneer, ik ben het."
-
-"Zoo Flip, ben je ook nog zoo laat op?"
-
-"Ja meneer, ik had zoo'n hoofdpijn, en daarom ben ik maar weer
-opgestaan."
-
-"Hm, zoo zoo. Enne... nu weer beter?"
-
-"Ja, gelukkig wel, meneer. Nu, dag meneer. Wel te rusten."
-
-"Dag Flip."
-
-Meester Hooghuizen keek hem na. Hij blies een groote rookwolk den tuin
-in. Merkwaardig, dacht hij, eerst Hans en nu Flip. Als daar maar niets
-achter schuilt. Ik moet die twee daar morgen eens naar vragen. Daarop
-wandelde hij zijn kamer op en neer, bleef voor de boekenkast staan
-en nam er een band uit. Hij bladerde even in het boekje en zette het
-toen weer op zijn plaats. Dan nam hij een ander, bekeek het even,
-deed het open, sloeg het weer dicht en zette ook dàt weer tusschen de
-andere. Hij dacht aan heel andere dingen dan aan boeken. Die Hans en
-Flip toch! Wat beteekende toch dat wandelen in den nacht? Waren ze
-'t bosch in geweest? Hadden ze werkelijk allebei hoofdpijn? Of was
-dat maar een leugentje geweest? Dat zou wel 't akeligste van alles
-zijn, als de jongens hèm leugens wijsmaakten! Daarvoor ging hij veel
-te vriendschappelijk met al de jongens om! Ze konden hem gerust
-hun grootste geheimen toevertrouwen, hij zou er nooit iemand iets
-van gezegd hebben! En terwijl meester Hooghuizen daarover nadacht,
-hoorde hij voor de derde maal voetstappen in den tuin.
-
-Wel groote hemel, wie was dat nou weer? Wrevelig liep hij naar den
-tuin en riep daar:
-
-"Zeg nachtpit, kom eens als de drommel hier!"
-
-Meester dacht, dat er nu wel weer een jongen zou te voorschijn komen,
-maar tot zijn groote verbazing en schrik was het mijnheer Bergwoude
-zèlf.
-
-"Goeienavond, Hooghuizen," sprak deze lachend, "hier is de nachtpit."
-
-"Pardon, 'k vraag beleefd excuus," zei de onderwijzer, "ik dacht,
-dat er een jongen in den tuin liep."
-
-"Ah, zoo, nu, ik neem het je volstrekt niet kwalijk. Ik ben anders
-nooit zoo laat op, dat weet je wel, maar vanavond had ik zoo'n
-ontzettenden hoofdpijn, dat ik het niet in huis kon uithouden."
-
-"U--u--ook al!?"
-
-"Wat?"
-
-Meester Hooghuizen wist niet, hoe hij het had. Hield men hem vanavond
-voor den gek of was dat alles toeval? Had de heele familie Bergwoude
-vanavond dan hoofdpijn?
-
-"Wat bedoelt ge toch?" vroeg mijnheer Bergwoude, die vol verbazing naar
-het niet minder verbaasde gezicht van meester Hooghuizen keek. Maar
-deze bedacht zich snel, hij wilde tóch Hans en Flip nog niet verraden.
-
-"Ik bedoel,.. dat ik vanavond ... al meer menschen heb ontmoet... die
-hoofdpijn hadden. 't Schijnt bepaald in de lucht te zitten."
-
-Meester zuchtte van verlichting. Daarop sprak hij met den
-hoofdonderwijzer over hetgeen er op de vergadering gesproken was en
-daardoor dacht hij spoedig niet meer over menschen met hoofdpijn.
-
-De beide heeren bleven nog eenigen tijd praten en na verloop van een
-half uur vertrok de heer Bergwoude weer naar zijn eigen kamers.
-
-Meester Hooghuizen ging zijn kamer sluiten.
-
-Hij liep naar de tuindeuren, en.......
-
-Daar hoorde hij voor den vierden keer iemand loopen!
-
-
-
-"Wel alle goden van Olympus!" zei hij, "ik ben een bolvormige driehoek
-als dat Rob niet is! Of anders mevrouw Bergwoude! De heele familie
-maakt vanavond hoofdpijnwandelingen!"
-
-Maar het was plotseling stil geworden in den tuin, meester Hooghuizen
-hoorde niets meer. Nu vertrouwde hij het zaakje in het geheel niet
-meer en daarom stapte hij vlug den tuin in.
-
-"Wie is daar?"
-
-Geen antwoord.
-
-Maar de meester zag iets tusschen de struiken bewegen.
-
-Hij liep er snel heen en trok een jongen bij den arm te voorschijn.
-
-"Hallo, wie is dat nou weer? Kom, doe je mond eens open en geef
-antwoord! Ah, ik zie het al! Jacob Heintze! Kom jij eens in mijn
-kamer, vriend!"
-
-Jacob volgde den meester.
-
-"Zeg eens," sprak deze, "je kunt een stoel nemen en gaan zitten. En
-als ik je nu vraag, wat je nog zoo laat in den tuin doet, behoef je me
-niet te vertellen, dat het je boven te warm was en dat je hoofdpijn
-had, want daar geloof ik toch niets van. Jullie denkt bepaald, dat
-ik mij met een leugentje laat afschepen, maar ik zal je vertellen,
-dat ik nu eens weten wil, wat er vanavond hier gebeurt. Wie komen er
-nà jou nog binnen?"
-
-Jacob Heintze begreep er niets van.
-
-"Na mij meester? Dat weet ik niet. Ik denk, niemand."
-
-"Dus jullie waart met z'n drieën?"
-
-"Met--z'n drieën?"
-
-"Ja natuurlijk, eerst is Hans binnengekomen, 'n uur geleden,
-toen Flip 'n kwartier later en nou jij. Je ziet, dat ik alles
-weet. Verzwijg nu maar niet langer de waarheid en zeg me, wat jullie in
-'t bosch deedt! Toe Jacob, wees niet kinderachtig. Hebben jullie een
-roovershol? Wordt er soms een grap uitgehaald? Wordt er een gefopt? Als
-'t iets aardigs is, doe ik graag mee. Of is 't om mij te doen?"
-
-Jacob schudde het hoofd.
-
-"Ik weet niet, wat Hans en Flip gedaan hebben, mijnheer, ik heb
-daarmee niets te maken."
-
-"Maar wat voerde jij dan uit in den tuin?"
-
-"Och--zoomaar."
-
-"Kletspraatjes. Zóó maar! Als ik je niet vóór was geweest, had je
-mij natuurlijk ook verteld, dat je hoofdpijn had! Dus je wilt het
-mij niet zeggen?"
-
-"Ik kan het u niet zeggen, mijnheer."
-
-"Zooals je wilt. Misschien vind-je het prettiger, morgen alles aan
-mijnheer Bergwoude te vertellen? Want nu zeg ik hem natuurlijk,
-dat je klokke twaalf in den nacht bent thuisgekomen."
-
-"Mijnheer!" riep Jacob "neen ... doet u dat asjeblieft niet!"
-
-"Ah zoo, dus dàt liever niet? Welnu, zeg dan alles aan mij, en ik
-zal zien, dat niemand het te weten komt."
-
-Toen keek Jacob even peinzend naar den grond, hij moest een besluit
-nemen. Welnu, hij zou meester Hooghuizen àlles zeggen!
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-ACHTSTE HOOFDSTUK.
-
-HET RAADSEL WORDT OPGELOST.
-
-
-"Ziezoo," dacht Hans, terwijl hij in zijn donkeren balconhoek
-verscholen zat en Flip naar boven hoorde klauteren, "daar komt sinjeur
-terug! Wat zal hij raar opkijken als hij merkt, dat-ie gesnapt is! Stil
-... daar is-ie!"
-
-Juist aan den tegenovergestelden hoek van Hans klom Flip over de
-balustrade.
-
-Maar op hetzelfde oogenblik, dat hij weer op z'n beenen stond, schoot
-Hans, de lantaarn recht voor zich uit houdend, uit zijn schuilplaats
-te voorschijn en riep hem toe:
-
-"Waar ben jij naar toe geweest?"
-
-Flip schrikte zoo ontzettend van dit plotseling op hem gerichte
-verblindende licht, dat hij een luiden schreeuw gaf en de handen voor
-de oogen sloeg.
-
-Zelfs Hans ontstelde van den weeromstuit.
-
-Hij wendde dadelijk het licht van Flip af en zei, met zenuwachtig
-bevende stem:
-
-"Flip ... jò ... schrik je zoo? Ik ben 't maar, hoor ..."
-
-Toen sloeg hij zijn arm om Flips schouders en nam hem mee naar de
-slaapkamer, waar hij de lantaarn op een tafel zette. Flip zat te
-beven op een stoel, maar scheen toch langzamerhand zijn kalmte terug
-te krijgen.
-
-"Hans," sprak hij, en zijn lippen trilden, "wat gemeen, wat in-gemeen
-... om me zoo te laten schrikken... ik dacht, dat ik mij half dood
-schrok ..."
-
-"Ja, 't is geweldig stom van me," bekende Hans, "hier Flip, drink
-eens. Ik heb 't heusch zóó niet bedoeld, kerel. Wat vind ik dat nou
-misselijk ellendig, zeg, dat jij daarvan zoo geschrokken bent."
-
-Flip dronk wat. De schrik zakte al.
-
-"Waarom dee-je dat nou, Hans?"
-
-"Ach jó, 't is eigenlijk voor de helft je eigen schuld. Waarom zei
-je niet dadelijk tegen mij, dat je 't bosch in ging? Je vertelde
-ons maar een leugentje, toen je zei, dat je op 't balcon bleef,
-omdat het binnen zoo warm was.
-
-"Hoe weet je dat?"
-
-"Ik heb je naar beneden zien klimmen."
-
-"Maar hoe weet je nou of ik in 't bosch ben geweest?"
-
-"Ik ben je achterna gegaan, maar in 't donker ben ik je kwijtgeraakt."
-
-"Net goed. Maar zeg heb jij 'm niet gezien?"
-
-"Meester Hooghuizen bedoel je? Ja zeker. Hij vroeg, wat ik zoo laat
-in den tuin deed. Toen zei 'k maar, dat ik hoofdpijn had."
-
-"Hè, wat? Heb jij dat gezegd?"
-
-"Ja, wat zou dat?"
-
-"O heerekrentenbaard, die is goed! Dat heb ik óók gezegd!"
-
-Hans en Flip rolden van 't lachen tegen een stoel aan, die omviel.
-
-Ze waren eerst bang, dat Rob er wakker van zou worden, maar dit
-jongmensch sliep zoo vast, dat ze hem uit zijn bed op het balcon
-hadden kunnen leggen, zonder dat hij wakker werd.
-
-"Zeg," zei Flip, "maar ik bedoelde meester Hooghuizen niet."
-
-"Wie dan?"
-
-"Wel--Jacob Heintze natuurlijk!"
-
-"Jacob Heintze? Wat heeft die er nu mee te maken?"
-
-"Wel droomer, snap je dat niet? Ik ging Jacob na."
-
-"Ik verklaar er geen zier van te begrijpen," zei Hans.
-
-"Dus je wou alleen maar eens zien, waar ik bleef. En je hebt Jacob
-heelemaal niet gezien?"
-
-"Ik heb Jacob vanavond net zoo min gezien als Jan Klaassen."
-
-"Nou, dan zal ik je de zaak uitleggen. Ik had al eens gemerkt,
-dat Jacob 's nachts langs den paal naar boven klom. Dat vond ik erg
-vreemd. Daarom ging ik gisteren avond op den uitkijk zitten, maar
-toen kwam hij niet. En nou snap je wel, waarom ik jou vanavond niet
-bij me wou hebben. Enfin, toen ik eindelijk lang genoeg gewacht had,
-kwam Jacob voor den dag en klom naar beneden. Ik hem achterna. Hij
-liep wel tot aan de Vuursche toe, zeg."
-
-"Zoo. En ik toen jou achterna. Wat een stel! Maar wat voerde hij
-daar uit?"
-
-"Ja, als je dat mij zegt, dan weet ik het ook."
-
-Op dit oogenblik ontwaakte Rob.
-
-"Zeg ... houën jullie je snaters, ik kan heelemaal niet slapen,"
-mopperde hij.
-
-"Stil maar, broer, we gaan al slapen."
-
-"Zijn jullie nog niet naar bed geweest?"
-
-"Nee."
-
-"Wat heb je dan gedaan?"
-
-"Niks."
-
-"Zeg het nou, flauwerikken."
-
--- -- -- --
-
-"O, laten jullie me maar kletsen?"
-
--- -- -- --
-
-"Nou, loopen jullie dan voor mijn part naar de hei!"
-
-"Merci Robbekop, pas geweest! Wel te rusten hoor!"
-
-
-
-Jacob Heintze was de eenige zoon van een rijk grondeigenaar in
-Gelderland. Zijn vader had hem op het instituut van den heer Bergwoude
-geplaatst, omdat Jacob vroeger steeds met ziekte had te kampen gehad
-en daardoor niet zoo goed het gewone schoolonderwijs kon volgen. Niet
-álleen, dat Jacob met zijn kennis van rekenen en taal ten achter was
-bij andere jongens van zijn leeftijd, maar hij kon er ook volstrekt
-niet tegen een heelen dag tusschen vier muren te zitten en hard te
-leeren. Er zijn honderden jongens en meisjes, die daar eigenlijk
-ook niet tegen kunnen, maar ze moeten wel met de anderen mee, omdat
-hun ouders niet in de gelegenheid zijn, hen op zoo'n school als
-"Sparrenheide" te plaatsen, of omdat er geen in de buurt is.
-
-Wie een helder hoofd en een vlug verstand heeft, och, voor dien is
-het geen kunst, de lessen prompt te leeren en alles te begrijpen, wat
-de meesters zeggen. En behoor je toevallig tot degenen, die niet zoo
-vlot kunnen leeren en onthouden, die niet zoo vlug van begrip zijn,
-en zit je op een gewone school, waar geen tijd is om op je te wachten,
-wanneer je niet zoo hard meekunt, wat gebeurt er dan? Je gaat al gauw
-tot de "dommen" behooren en de vrinden kijken je er op aan. En als je
-'t dan nog treft, dat je 's avonds voor een berg huiswerk zit, waar
-je haast niet doorheen komt, dan is 't te begrijpen, dat je zenuwen
-op het laatst van streek raken.
-
-En zoo gaat het met een massa jongens en meisjes. "Sparrenheide"
-was juist daarom zoo'n prachtige school, omdat niet dag in dag uit
-werd doorgebracht met rekenen, taal, aardrijkskunde, geschiedenis,
-algebra, meetkunde, enz. enz. enz., maar wanneer er van 's morgens 9-1
-uur met een uur pauze in school gewerkt was en daarna het middagmaal
-was gebruikt, gingen de jongelui van 2 tot 3 rusten in den tuin en het
-bosch. Ieder had zijn eigen hangmat. Na 3 uur ging de eene afdeeling
-cartonneeren of timmeren, de andere teekenen of den tuin verzorgen,
-een derde baden, turnen of iets anders doen. En wie dan nog wat
-geholpen moest worden bij zijn werk vond in mijnheer Bergwoude of in
-meester Hooghuizen en juffrouw Wieler altijd een bereidwillig helper.
-
-Daarbij werkte de heerlijke, gezonde boschomgeving zoo uitstekend mee,
-dat zelfs het zwakste kind op Sparrenheide aanmerkelijk vooruitging
-en tóch nog wat leerde ook. Om al die redenen had de vader van Jacob
-Heintze zijn zoon naar Sparrenheide gezonden. En Jacob, die vroeger in
-Tiel altijd gesukkeld had met de gezondheid, was gedurende het jaar,
-dat hij reeds op Sparrenheide had doorgebracht, een flinke, stevige
-jongen geworden, die nu goed zijn best deed bij het leeren en van
-geen sukkelen meer wist. Natuurlijk ging dat leeren zachtjesaan en
-heel kalm, maar op die manier kwamen Jacob en zijn medeleerlingen toch
-heel wat beter vooruit dan wanneer ze het alledaagsche schoolonderwijs
-hadden moeten volgen.
-
-Jacob was een goede jongen, een lobbes. Hij was bijzonder gul en gaf
-desnoods het beste weg, wat hij bezat, om iemand maar een genoegen
-te kunnen doen.
-
-En het was juist door zijn zachten aard en zijn goedhartigheid, dat
-meester Hooghuizen zich te meer verbaasde, dat Jacob in den nacht
-uit het bosch kwam, alsof hij aan het stroopen was geweest. Maar
-toen de jongen dan eindelijk besloten had, om alles maar te zeggen,
-keek de meester weer wat gemoedelijker en zei:
-
-"Vooruit dan, Jacob, voor den dag ermee!"
-
-En toen deed Jacob een verhaal, waarvan mijnheer Hooghuizen verwonderd
-opkeek!
-
-Een paar weken geleden had Jacob namelijk met de jongens in het
-bosch gespeeld nabij de Vuursche en was daar een oogenblik van de
-anderen afgedwaald.
-
-Het was juist bij de Vischkom, dat hij even uitrustte. Terwijl hij
-zich over het water boog om naar een waterspin te kijken, rolde zijn
-zilveren potlood uit zijn borstzak in den vijver. Toevallig kwam daar
-Barend Ranke voorbij. Hij zag, hoe Jacob met een hand op den bodem
-van den vijver zocht.
-
-"Wat zoek je daar?" vroeg hij. Maar Jacob was een beetje bang van
-den wilden boschjongen en gaf geen antwoord.
-
-"Ben je bang van me?" vroeg Barend spottend. "Wil ik je eens opnemen
-en midden in de kom gooien? Wat zouden je mooie kleertjes nat worden."
-
-Maar Jacob had geen zin om ruzie te maken met den zoon van den
-beruchten strooper.
-
-Hij wou probeeren den jongen om te koopen, dat zou hem allicht wat
-vriendschappelijker stemmen.
-
-Maar Jacob had geen geld bij zich, en 't eenige wat hij op het
-oogenblik had, wat als geschenk kon dienen, was een prachtige
-vulpenhouder met een gouden pen.
-
-Hij haalde dat pronkjuweel uit den zak en toonde het Barend.
-
-"Kijk eens, wil je dat hebben?"
-
-"Dat zwarte ding? Wat heb ik daaraan?"
-
-"Kijk maar. Ik schroef het open. Wat zit er in? Een gouden pen. Nu
-zet ik dit stuk weer op den anderen kant en kijk, nu schrijf ik je
-naam in mijn zakboekje."
-
-Barends oogen glinsterden van begeerte.
-
-"En--waar is de inkt dan?" vroeg hij.
-
-"Wel, die zit er in."
-
-"In de penhouder?"
-
-"Ja--."
-
-"En staat daar nou: Barend?"
-
-"Precies."
-
-De anders zoo ruwe, ongemanierde jongen was één en al verbazing. Je
-schroefde een zwart houtje los en dan kwam er een gouden pen te
-voorschijn en je kon schrijven zonder een inktpot noodig te hebben!
-
-"En----en mag ik dat nou hebben?"
-
-"Ja, als je mij tenminste niet in het water gooit."
-
-"Neen, dat zal ik niet doen. Jij bent een goeie jongen. Jij scheldt
-me niet uit, zooals de anderen allemaal doen. Maar ik ben ook veel
-grooter dan jij. Ik zou je wel kunnen doodslaan."
-
-"Asjeblieft niet," zei Jacob lachend.
-
-"Neen, wees maar niet bang. Laat nog eens kijken in dat boekje? Staat
-daar nou heusch: Barend?"
-
-"Ja zeker."
-
-"Ik wou, dat ik ook schrijven kon. Maar ik mag niet meer op school
-komen."
-
-"Waarom niet?"
-
-"Meester wil 't niet meer. Meester is bang van me."
-
-"Hoe komt dat zoo?"
-
-"O, dat weet ik niet meer. Ik heb, geloof ik, op een keer den heelen
-boel kapot geslagen. En ik gooide altijd steenen door de ramen in
-school. Wat moet ik nou met die gouwe pen doen? Ik kan toch niet
-schrijven. Zeg, heb jij boeken?"
-
-"Genoeg," zei Jacob.
-
-"Met van die mooie platen er in? Beesten en soldaten en een oorlog?"
-
-"Ja, ik geloof het wel. Wou je graag zoo'n boek hebben?"
-
-"Nou, dat zal waar zijn. Wanneer krijg ik het dan?"
-
-"Vanavond."
-
-En zoo pratende gebeurde er iets vreemds met beide jongens. Jacob
-Heintze, het keurige, nette zoontje van den rijken grondbezitter
-voelde zich langzamerhand aangetrokken tot deze verwilderde, ruwe,
-onbeschaafde jongen, die de schrik van den omtrek was ... en Barend
-vond in Jacob een vriend, zooals hij nooit had ontmoet. Een gouden pen
-had hij hem gegeven en een mooi boek beloofd, dat-ie vanavond kreeg!
-
-Barend was dien avond in de nabijheid van Sparrenheide gekomen en
-Jacob had hem ongemerkt een zijner oude prentenboeken weten te brengen.
-
-Niemand mocht natuurlijk weten, dat Jacob met den verachten boschjongen
-sprak.
-
-Maar van het een was het ander gekomen.
-
-Jacob, die van nature een zacht en medelijdend karakter had, vond
-in Barend een leerling, die alles deed wat de ander zei. Zij hadden
-elkander nu meermalen in het bosch opgezocht, zonder dat iemand het
-ooit te weten was gekomen. Zij deden dat niet met de bedoeling om
-kwaad te doen, te stroopen of te stelen, maar integendeel om veel
-goeds van elkaar te leeren. Jacob leerde den strooperszoon in de
-eerste plaats netheid en orde, vervolgens begon hij hem les te geven
-in lezen en schrijven.
-
-Meester Hooghuizen hoorde dat alles in de grootste verbazing aan.
-
-"En gebeurde dat altijd in den laten avond?"
-
-"Ja, mijnheer," antwoordde Jacob. "Ik kon het op geen anderen tijd
-ongemerkt doen. Niemand mocht het weten, want als u of mijnheer
-Bergwoude daar iets van gemerkt had, zou het natuurlijk niet meer
-mogen."
-
-"Neen, dat spreekt van zelf. Maar hoor eens, Jacob! Jij bent een
-brave jongen, en dat je den armen, verwaarloosden Barend van de Lage
-Vuursche met zachtheid en vriendschap zoo langzamerhand tot een goed
-mensch weet te veranderen vind ik prachtig! Zoo iets bevalt me! Maar
-je moogt niet meer zoo 's avonds laat er op uit gaan. Je zoudt ziek
-worden! Ik zie al kringen onder je oogen van dat late opblijven! Dus
-dat mag niet meer. Met Barend zullen we verder zien, ik zal eens
-probeeren, of ik wat voor hem doen kan."
-
-"O mijnheer, als dat eens waar was!"
-
-"We zullen zien, Jacob, we zullen zien. Maar nu, hemel, het is al
-half één. Wil je wel eens als de drommel naar bed gaan?"
-
-"Ik ga al," lachte Jacob. "Slaap wel, mijnheer."
-
-"Bonsoir," zei meester. "Nu moet jij ook naar boven klimmen, hè? Nou,
-tot morgen, hoor!"
-
-Meester Hooghuizen sloot de tuindeuren, draaide het licht uit en ging
-eveneens ter ruste. Hij droomde, dat al de jongens van Sparrenheide in
-'t donker de palen van 't balcon op en af klommen en al maar riepen:
-hoofdpijn! hoofdpijn! En Barend sprong er als een kikker tusschen
-door en sloeg iedereen met een kolossalen vulpenhouder, zoo groot
-als een boomstam.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-NEGENDE HOOFDSTUK.
-
-VELDWACHTER BUIKJE.
-
-
-"Ziezoo, vrouw Vorstman," zei Barend, toen hij van uit het tuintje
-de hut van de arme weduwe binnentrad, "de tuin is in orde en het
-schuurtje is schoongemaakt. Zal ik nu den klimop nog wat opbinden?"
-
-De arme vrouw keek Barend glimlachend aan.
-
-"Doe dat nu morgen maar, mijn jongen. Kom toch binnen, dan krijg je
-een kom koffie en een boterham."
-
-'t Was Maandagmorgen. De zon brandde aan den hemel.
-
-Het tuintje van vrouw Vorstman schitterde van bloemenkleuren in
-'t zonnegoud.
-
-"Het huisje is nu mooi," zei Barend.
-
-"Dat zal wel waar zijn" sprak zij, "maar dat komt ook, doordat ik
-tegenwoordig zoo'n goeden tuinman heb."
-
-"Ik heb er plezier in, vrouw Vorstman. En ik houd van u."
-
-"Och ... je bent niet slecht, Barend, de menschen zeggen het wel,
-maar ..."
-
-"Het kan mij heelemaal niet meer schelen, wat ze van me zeggen. Ik
-hoor alleen maar wat u zegt en wat Jacob zegt. En ik wou dat u mijn
-moeder was, vrouw Vorstman."
-
-"Goeie jongen ... zeg jij maar gerust, "moeder" tegen mij, hoor."
-
-"Ja, dat is goed."
-
-"Kom Barend, en nu de boterham en de koffie. Eet ze met smaak!"
-
-Juist zou Barend beginnen, toen de deur van de kamer geopend werd
-en de dikke gemeenteveldwachter verscheen. Plotseling sprong Barend
-op en vloog als een razende door de achterdeur, den tuin in, sprong
-daar over een heg en verdween in het bosch.
-
-"Hei, hier! Barend! Hier zeg ik je!" riep de veldwachter. Maar Barend
-liet hem roepen en was minstens al een paar honderd meter uit de buurt.
-
-"Wel heb je nou toch ooit!" zei Veldwachter Bunze, die met deze warmte
-een hoofd had als een reuzentomaat.
-
-"Wat moet je van hem?" vroeg vrouw Vorstman.
-
-"Wel, de schooier moet op "Sparrenheide" komen. De directeur van
-'t Instituut moet hem spreken. En nou gaat de schelm aan den haal!"
-
-Veldwachter Bunze was niet bemind bij de dorpsbewoners, en daarom was
-het volstrekt niet te verwonderen, dat vrouw Vorstman hem antwoordde:
-
-"Wat een wonder, Bunze, dat zou iedere jongen voor jou toch doen?"
-
-"Zoo, je bent wel vriendelijk."
-
-"Ben jij het dan, Bunze? Je weet heel goed, dat ik de eenige ben op
-het dorp, bij wie je af en toe nog eens kunt komen praten, maar de
-anderen bedanken ervoor."
-
-"Zoo, ja; dat heb je me nou al zoo dikwijls verteld, dat weet ik
-nou wel. In elk geval vraag ik er niemand om. Ik ben hier niet in de
-gemeente aangesteld om koffiepraatjes te houden bij jan en alleman,
-maar om de orde te handhaven."
-
-"Och kom."
-
-"Natuurlijk! Wat zou er van de veiligheid op den weg en in het bosch
-overblijven, als ik er niet was? Het is hier een rooversnest, dàt zeg
-ik. En ik bewaak de eigendommen. En zoolang ik hier ben, en zoolang
-ik hier de baas ben ..."
-
-"Wel wel, jij hier de baas? En de burgemeester dan ...?"
-
-"De burgemeester is het hoofd der gemeente. Ik ben de uitvoerende
-macht. Dat is staatsinstelling, dat staat in de grondwet."
-
-"Ach man, zit niet te huilen," lachte het spotzieke vrouwtje. "Drink
-de koffie maar op, de jongen komt toch voorloopig niet terug."
-
-Dat liet Bunze zich geen tweemaal zeggen. Hij was een man van ruim
-veertig jaar en buitengewoon dik. Zóó dik, dat hij haast niet meer
-voortkon. Dat was niet zoo heel erg, omdat er in het kleine gehucht
-nooit iets gebeurde, waarbij de veldwachter hard moest loopen. Die
-geweldige buik had hem den bijnaam "Veldwachter Buikje" bezorgd. Ook
-op Sparrenheide was hij onder dien naam bekend. Zooals het meer
-met menschen gaat, die weinig of niets te doen hebben, verbeeldde
-Bunze zich, dat hij het verbazend druk had en dat hij onmisbaar
-was. Hij was zeer trotsch op zijn vak en meende, dat er geen grooter
-autoriteit in heel den omtrek was dan hij, sprak graag over zijn eigen
-gewichtigheid en gebruikte woorden, die hij zelf niet begreep. Daarbij
-schold hij altijd en op iedereen, noemde zijn dorp een rooversnest
-en een dievenhol en alle bewoners waren in zijn oogen misdadigers,
-die hij in de gaten moest houden.
-
-Zijn hoofd was kogelrond. Het weinige haar, dat hij bezat, was boven
-zijn voorhoofd tot een hoogopstaande kuif bijeengekamd. Wel drukte
-de uniformpet die mooie kuif onverbiddellijk omlaag, maar zoodra hij
-de pet afzette, streek hij haar met de vingers al draaiend weer omhoog.
-
-Terwijl vrouw Vorstman nu met haar huishoudelijke bezigheden voortging,
-dronk Bunze zwijgend de koffie van Barend op en nam tevens de vrijheid,
-diens dikke boterham met kaas naar binnen te werken. Hij begreep wel,
-dat dit niet de bedoeling van vrouw Vorstman was, en daarom stapte
-hij maar op, toen de boterham naar binnen was.
-
-"Komaan, vrouw Vorstman, wel bedankt voor de koffie. Ik stap nou maar
-op en zal eens zien, of ik den schooier vinden kan."
-
-"Welken schooier?"
-
-"Wel, dien stroopersjongen. Op Sparrenheide moet-ie komen. Wat-ie
-daar uitvoeren moet kan je wel begrijpen. Hij heeft natuurlijk weer
-een of andere streek uitgehaald. Ik begrijp niet, waarom ze dien
-dagdief niet allang naar de tuchtschool hebben gestuurd."
-
-"Dat zal anders nu wel gauw uit zijn, Bunze."
-
-"Waarom?"
-
-"Wel, heb je dan niet gemerkt, dat hij zijn leven betert? Wat heeft-ie
-al niet van jongenheer Heintze geleerd! Het zou mij niets verwonderen,
-als de meester van Sparrenheide hem wou voorthelpen."
-
-"De directeur van het jongenheeren-instituut?" stoof Bunze op. "Denk
-je dat die zich bemoeit met zulk gespuis, met zulk tuig, met zulke
-struikroovers? Maar dan ben ik er ook nog, ik zal mijnheer Bergwoude
-wel eens inlichten."
-
-"Ja, doe dat," spotte het vrouwtje, "dan kan meneer Bergwoude ook
-nog eens lachen."
-
-Maar Bunze antwoordde niet, in booze stemming liep hij weg. En als
-hij boos was, dan zocht hij altijd het een of ander, om er zijn woede
-aan te koelen. Het eerste het beste wat hem dan in den weg kwam,
-moest het ontgelden. De kippen van den smid liepen rustig over den
-weg. En de haan stapte parmantig, heelemaal niet schuw, juist voor
-de voeten van den opgewonden, dikken veldwachter heen.
-
-Uit woede gaf hij het fraaie dier een schop, dat het luid kakelend
-over den weg vloog.
-
-Maar die haan was ook niet voor de poes.
-
-Het woedende dier vloog plotseling klapwiekend op Bunze aan, en
-hakte met zijn scherpen snavel op diens gezicht, dat de veldwachter
-het uitschreeuwde.
-
-Hij zwaaide met zijn korte, dikke armen en sloeg eindelijk den haan
-van zich af.
-
-Met de verwondingen liep het, gelukkig voor hem, nog al los, ofschoon
-het bloed hem uit een gaatje in de wang liep.
-
-Maar nu was ook zijn woede ten top gestegen!
-
-Hij trok zijn sabel en wilde er opnieuw den haan mee te lijf gaan,
-toen opeens de smid naar buiten kwam en hem, proestend van het lachen,
-toeriep:
-
-"Hei hei, Bunze, het is hier geen hoenderslachterij!"
-
-"Houdt dien haan vast!" schreeuwde Bunze, en wees met uitgestoken
-sabel op het dier, dat niet van plan scheen, voor den dikkerd aan
-den haal te gaan.
-
-Maar de smid deed niets dan lachen. Er kwamen nog wat buren bij en
-toen werd het een relletje.
-
-"Ik zal proces-verbaal opmaken tegen jouw haan!"
-
-De menschen schaterden het uit.
-
-Nu raakte Bunze heelemaal de kluts kwijt. Hij maakte zich hoe langer
-hoe driftiger, wat met het oog op de warmte niet goed voor hem was. En
-hij wist ternauwernood meer wat hij zei.
-
-"Houdt je mond als je tegen me spreekt!" schreeuwde hij de lachende
-omstanders toe en die dwaze uitroep had een orkaan van gelach ten
-gevolge.
-
-Dat deed de woede van den dikzak ten top stijgen en hij zou bepaald
-de menschen met zijn sabel te lijf zijn gegaan, wanneer niet toevallig
-de burgemeester in zijn auto was voorbijgekomen.
-
-De auto stopte en de burgemeester kwam er uit.
-
-De dorpelingen groetten hem, maar Bunze vergat dit. Hij hield nog
-altijd den getrokken sabel in de hand en liep er den burgemeester
-mee tegemoet.
-
-"Burgemeester!" riep hij op hoogen toon, "ik constateer hier
-insubordinatie!"
-
-De burgemeester zei niets, maar hij gaf eerst den omstanders een wenk,
-dat zij naar huis zouden gaan, wat allen ook onmiddellijk deden,
-en aan Bunze een teeken, dat hij zijn moordwapen zou opbergen. Toen
-liep hij met den veldwachter een eindje den weg op, zoodat niemand
-anders hem kon verstaan en zei:
-
-"Hoor eens Bunze, ik verzoek je nu uitdrukkelijk en voor den laatsten
-keer je niet zoo belachelijk aan te stellen zooals nu, door b.v. met
-getrokken sabel tusschen rustige dorpelingen te staan. Wat was er
-nu weer?"
-
-Bunze kroop heelemaal in zijn schulp, want nu de burgemeester hem
-zoo kalm naar het gebeurde vroeg, voelde hijzelf, dat het toch niet
-heelemaal in orde was met dien haan.
-
-Hij antwoordde niet dadelijk, want hij vond het toch wel wat al te gek,
-om te zeggen, dat-ie den haan als voetbal had gebruikt.
-
-Toen keek de burgemeester hem eens aandachtig aan en zei:
-
-"Wat is dat? Je bloedt! Wie heeft dat gedaan?"
-
-"Dat ... dat heeft--de haan van den smid gedaan, burgemeester."
-
-"De--háán Bunze, houd je me nu voor den gek?"
-
-"Neen burgemeester. De brutaliteit van dat beest..."
-
-"Brutaal--die haan? Wat zei-die dan tegen je?"
-
-"Wat-ie zei, burgemeester? Wel, hij zei niets. Hij vloog op me aan en
-maakte zich schuldig aan een ernstige mishandeling van een ambtenaar
-in functie!"
-
-Nu schoot de burgervader in een hartelijken lach, en wie van de
-dorpsbewoners dat om een hoek van verre hoorde en zag, lachte in
-stilte mee.
-
-Maar de burgemeester bracht den dikken veldwachter aan het verstand,
-dat hij zich toch weer buitengewoon dwaas had aangesteld en dat hij
-kans had, om door een kalmer collega vervangen te worden, als die
-tooneeltjes niet ophielden. En na die laatste waarschuwing stapte de
-burgemeester weer in zijn auto en reed verder.
-
-Het verloop van die geschiedenis had Bunze's humeur er niet beter op
-gemaakt. Hij was echter zoo verstandig, zich voorloopig niet weer in
-het dorp te vertoonen en ging naar huis.
-
-Maar met dat al had hij zijn boodschap aan Barend nog niet
-overgebracht, en de jongen moest toch zoo spoedig mogelijk op
-Sparrenheide komen, dat had mijnheer Bergwoude gezegd. Maar hij
-hoopte den "struikroover" des middags, wel te vinden, hij zou hem in
-'t bosch zoeken en desnoods bij de haren naar de school sleepen!
-
-En veldwachter Buikje stapte zijn huisje binnen, waar hij met zijn
-zuster woonde. Hij bromde eerst nog wat, maar ging dan nijdig in zijn
-stoel bij het raam zitten, zwijgend. Hij beet van innerlijke woede zijn
-pijp stuk en wierp die toen uit het raam waar ze op Pluto, den hond,
-neerkwam, die in 't zonnetje te slapen lag. Daarna at hij zonder een
-woord te spreken en ging naar het bosch, op zoek naar Barend.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-TIENDE HOOFDSTUK.
-
-VELDWACHTER BUIKJE EN DE DRIE JOLIGE BROERS.
-
-
-Dienzelfden middag gingen Hans, Flip en Rob het bosch in, de laatste
-gewapend met zijn onafscheidelijken botaniseertrommel.
-
-Er was dien middag weinig te doen, bovendien was het verschrikkelijk
-warm en alleen in 't bosch nog tamelijk uit te houden.
-
-Hans had nog den moed gehad met deze zomerhitte een boek mee te nemen,
-waarin de geschiedenis van het Gooi- en Eemland werd beschreven, wat
-volgens zijn broer Flip "klinkklare idiotieke nonsensika" was. Loop
-rond, je mocht al blij zijn, als je je oogen kon openhouden. De drie
-trouwe broers wandelden tot aan het kasteel Drakenstein en gingen
-daar wat in de schaduw der beuken liggen.
-
-Hans sloeg dadelijk zijn boek op en las, dat op diezelfde plek,
-waar nu het slot stond, omstreeks de 12e eeuw een huis gebouwd was,
-omgeven door een zeer diepe gracht en schier ontoegankelijk. Daar
-woonden twee broeders, Wer en Ner, geweldenaars en roovers van hoogen
-stand. En naar die twee broeders heeft men later de Wernershoeve,
-die in de nabijheid staat, genoemd. En Hans las heele hoofdstukken
-over families, die vroeger het slot bewoond hadden en van Warnaer
-van Drakenbosch, die het gebouwd had. Hans vond dat allemaal heel
-interessant, want hij hield verbazend veel van geschiedenis en oudheid,
-maar Flip moest daar heelemaal niets van hebben. Terwijl Hans in zijn
-boek verdiept was en Flip met de armen onder het hoofd op den rug lag,
-ging Rob op excursie naar een varensoort, die wel in zijn plantenboek
-stond, maar die hij tot op heden nog niet gevonden had.
-
-"Zeg," zei Hans opeens, "dat is toch wel mooi, jò. Luister eens:
-
-"Prins Frederik Hendrik, de stadhouder, als Graaf van Buren, beleende
-Heer Ernst van Reede met de hooge en lage jurisdictie en heerlijkheid
-van De Vuursche, mitsgaders de hooge heerlijkheid en ridderhofstad
-van Draakstein. Zeg, luister je nou? Hee, Flip!"
-
-Flip was allang te voren ingedommeld en keek nu suf op.
-
-"Wat is 'r nou weer?"
-
-Hans lachte.
-
-"'k Heb je voorgelezen van Drakenstein."
-
-"M'n zorg."
-
-"Nou, vin-je dat dan niet interessant?"
-
-"'n Gloeiende pook in je hand," rijmde Flip en geeuwde.
-
-Hans haalde zijn schouders op en las verder de geschiedenis van het
-oude landgoed, dat al in 1359 bestond en van "die grote bomen, die
-daerinne staen." Flip tukte stevig door. Zoo was ongeveer een uur in
-stilte voorbijgegaan toen Hans er opeens aan dacht, dat Rob zich dien
-tijd niet had laten zien. Natuurlijk zou de kleine natuurkundige wat
-dieper nog het bosch zijn ingegaan, maar nu bleef hij toch wel wat
-heel lang weg. Hans keek eens naar den rustig slapenden Flip en trok
-hem aan een oor.
-
-"Hei, Flip. Wor 's wakker!"
-
-"Arendsoog is een dapper krijger, maar de scalp van het bleekgezicht
-zal zijn wigwam niet sieren," mompelde Flip in zijn droom.
-
-"Héél mooi gezegd, broeder!" lachte Hans. "Maar daar vraag ik je nou
-niet naar. Sta op, dan gaan we Rob zoeken."
-
-"Hè, wat is 'r dan met Rob?"
-
-"Weet ik het, kom mee, we gaan hem zoeken."
-
-"O, jawel, dat is goed. Zeg jò, 'k heb zoo fijn gedroomd!"
-
-Ze stapten op en kwamen bij de oude kapel, die achter heuveltjes in
-'t groen verscholen lag.
-
-Opeens greep Hans zijn broer bij den arm.
-
-"Stil," zei hij, "daar roept iemand."
-
-Zij luisterden scherp.
-
-Op korten afstand klonk een gedempte stem:
-
-"Hans! Flip! Hierheen!"
-
-"'t Is Rob!" zei Flip. "Maar waar zit hij?"
-
-Ze stonden voor den ingang van de kapel.
-
-Het slot was van de deur verdwenen, door de ijzeren krammen was een
-touw gestrikt.
-
-En nogmaals klonk het geroep.
-
-"Hij zit in de kapel!" zei Hans. "Ze hebben hem opgesloten!"
-
-
-
-Toen Rob zijn broers had alleen gelaten, was hij langs smalle paden,
-dichtbegroeid met beuken en sparren, het bosch in gegaan. Eerst had
-hij een mossoort gevonden, die hij tot nog toe nog niet had gezien, en
-verheugd had hij een gedeelte daarvan in den trommel meegenomen. Hij
-zou thuis wel eens onderzoeken, hoe de naam ervan was. Toen was
-hij aan 't dwalen gegaan, zoekende naar een kleine varensoort. Zoo
-ronddolende was hij eindelijk bij de kapel gekomen. Ofschoon hij het
-oude gebouwtje al vaak genoeg gezien had, vond hij het toch altijd
-opnieuw weer aardig om er even naar te kijken. Het was omgeven door
-een prikkeldraad-versperring en de deur was altijd gesloten met
-een hangslot.
-
-Maar nu merkte Rob tot zijn verwondering op, dat het oude, verroeste
-hangslot van de deur verdwenen was en deze inplaats daarvan met een
-touw was dichtgebonden. Die ontdekking verheugde hem zeer, want nu
-kon hij gemakkelijk genoeg eens een kijkje nemen in de kapel.
-
-Hij klom over het prikkeldraad, waarbij zijn broek en kousen groot
-gevaar liepen en stapte op het oude deurtje toe, toen hij onverwachts
-de door hem gezochte varens ontdekte. Met zijn plantenschopje groef
-hij er een paar uit en bergde ze in zijn trommel. Daarop maakte hij
-het touw van de deur los en trad de kapel binnen.
-
-Terwijl Rob zoo aan het graven was, kwam de dikke veldwachter Bunze
-over den mosgrond aangestapt. Met groote verbazing en verontwaardiging
-aanschouwde hij de vernieling van zijn bosschen, maar hij wachtte
-nog even om te zien, wat Rob wel verder zou doen.
-
-Toen de jongen nu in de kapel was, klom Bunze met buitengewone
-krachtsinspanning over het prikkeldraad en plaatste zich in de
-deuropening.
-
-"Wat voer jij daaruit?!" riep hij met barsche stem.
-
-Rob, die daarop in het geheel niet verdacht was, wendde zich verschrikt
-om en zei:
-
-"O Bunze, wat laat je mij schrikken. Ik kwam hier maar eens even
-kijken, zie je."
-
-"Zoo, en van wien heb je daarvoor permissie? Had je mij dat niet
-eerst behooren te vragen?"
-
-"Ik wist niet, dat deze kapel van u was, Bunze."
-
-"Wat, Bunze, Bunze! Jij brutale aap van een jongen! Mijnheer Bunze
-dan toch, hé?"
-
-Rob kende den veldwachter wel zoo'n beetje, maar dit was nu toch wel
-wat al te dwaas.
-
-"Mijnheer Bunze?" vroeg hij. "Nu mij best, mijnheer Bunze dan."
-
-"Juist, zoo is 't beter."
-
-"Jawel mijnheer Bunze."
-
-"Wat heb je daar in die bus?"
-
-"Planten, mijnheer Bunze."
-
-"Hoe kom je daaraan!"
-
-"Uit het bosch, mijnheer Bunze."
-
-"Wat! Uit mijn bosch! Heb ik je daar permissie voor gegeven? Wacht,
-jou boschvernieler, jou plantendief, ik zal je leeren mijn bosschen
-te plunderen. Opsluiten zal ik je en ik verzeker je, dat ik den
-burgemeester ga waarschuwen!"
-
-En de daad bij het woord voegende, sloeg de dikkerd de deur dicht en
-bond ze met het touw weer vast.
-
-Daarop klom hij weer over het prikkeldraad en liep naar den
-burgemeester, trotsch als een beroemd detective, die een gevaarlijken
-misdadiger achter slot en grendel heeft doen brengen.
-
-"Dat is ook wat moois," mopperde Rob, "nou zet die dikzak mij
-gevangen. Hij zal den burgemeester waarschuwen. Och kom, die zal er
-zich weinig van aantrekken, denk ik. Maar ik wou er toch maar liever
-weer uit! Het is lang niet gezellig hier."
-
-Rob probeerde de deur open te duwen, maar het touw was dik en sterk.
-
-De achterzijde van de kapel was open en alleen afgezet door een
-hekje. Rob zag den groenen vijver en de omringende boomen. Het was
-romantisch-mooi, maar Rob dacht op het oogenblik heelemaal niet aan
-romantische dingen, hij dacht er alleen maar over, op welke manier hij
-het spoedigst hier vandaan kwam. Maar er was geen kans tot ontsnappen.
-
-Toen bedacht hij, dat Hans en Flip niet zoo heel ver hier vandaan
-konden zijn en misschien zijn roepen wel konden hooren.
-
-Het eerste kwartier leverde dat roepen ook al niet veel resultaat op,
-maar eindelijk toch meende hij de stemmen van zijn broers te hooren.
-
-En nu schreeuwde hij zoo hard hij kon:
-
-"Hierheen, jongens! In de kapel!"
-
-Hans en Flip vlogen over het prikkeldraad en hadden in een wip het
-touw van de deur losgemaakt.
-
-"Hier ben ik!" juichte Rob.
-
-"Wel alle bisschoppen!" riep Flip. "Speel je kluizenaartje?"
-
-"Ken je begrijpen," zei Rob. "Buikje heeft me hier gevangen gezet."
-
-"De veldwachter? Wat heb je dan uitgevoerd? En het is hier toch
-geen gevangenis?"
-
-"Och, ik had gezien, dat er geen slot op de deur was en toen ben ik
-maar eens naar binnen gegaan. Daar komt me ineens veldwachter Buikie
-en roept: Wat voer je daar uit?"
-
-"En jij schrok natuurlijk," zei Flip.
-
-"Nou, dat snap je. Enfin, ik mocht hier niet in, ik mocht geen planten
-in het bosch zoeken, ik was een boschvernieler, een plantendief en
-hij zou alles aan den burgemeester vertellen."
-
-"Toe maar, nog meer?"
-
-"Nee, anders niet. Alleen moest ik voortaan mijnheer Bunze zeggen."
-
-"Hahaha, dat is 't mooiste nog!" lachte Hans, "mijnheer Bunze."
-
-"Vooruit jongens," zei Rob. "Nou kunnen we een grap beleven. We
-sluiten de deur weer netjes met het touw en stellen ons achter 't
-heuveltje op. Straks komt Buikje terug en dan zal je wat moois zien!"
-
-"Ja, dat is goed," zei Hans. "En dan zal ik er nog een veel grooter
-grap op laten volgen."
-
-
-
-Een kwartiertje daarna kwam de veldwachter terug. Hij had den
-burgemeester niet gezien. Den jongen in de kapel opgesloten te houden
-ging ook niet, dus ging hij dan maar den gevangene na een geduchte
-vermaning in vrijheid stellen.
-
-Hans, Flip en Rob lagen achter het heuveltje, op ongeveer tien pas
-afstand van den ingang der kapel.
-
-Veldwachter Buikje, wiens slechte stemming aanmerkelijk verbeterd was,
-sinds hij een gevangene had, klom weer over het prikkeldraad heen.
-
-Hij grinnikte en sprak overluid.
-
-"Haha, mannetje. Zit je er nog? Wacht maar, we zullen elkander eens
-even nader spreken. Ja, denk nou maar niet, dat je er zoo makkelijk
-afkomt, er zit wat voor je op. En ik zal je leeren mijn bosschen
-te beschadigen."
-
-Met deze woorden maakte hij het touw los en opende de deur.
-
-"Ziezoo jongeheer, kom nou maar eens hier."
-
-De drie jongens knepen hun neus dicht om het niet van lachen uit
-te proesten.
-
-Er kwam natuurlijk geen antwoord vanuit de kapel.
-
-"Kom je haast voor den dag, deugniet!" riep Bunze.
-
-'t Bleef stil.
-
-Wat drommel dacht de veldwachter, is de arrestant in slaap gevallen
-of hoe heb ik het nu?
-
-Hij bleef echter zorgvuldig de deuropening bewaken en riep nu nog eens:
-
-"Kom hier zeg ik je, onmiddellijk!"
-
-Maar geen geluid werd vernomen.
-
-"Je weigert dus te komen?" riep Bunze, "goed, ik zal je wel weten
-te vinden."
-
-En kordaat stapte hij de kapel binnen, maar trok toch de deur
-voorzichtigheidshalve wat dicht.
-
-Op dat oogenblik sprong opeens Hans te voorschijn en wenkte zijn
-broers, hem vlug te volgen.
-
-Snel als de wind wierp hij de deur toe, Flip en Rob zetten er de
-voeten tegen aan en in een oogenblik had Hans het touw door de
-krammen geknoopt.
-
-Maar daar begon Bunze me eventjes op te spelen!
-
-"Doe open! Doe dadelijk open! In naam der wet! In naam der Koningin! Ik
-ben het, Wouterse, ik ben het, de veldwachter!"
-
-Bunze was in de meening, dat Wouterse, de timmerman van het kasteel
-Drakenstein een nieuw slot op de deur deed. Doch nu kwam er evenmin
-antwoord.
-
-"Wouterse!" riep Bunze, "ben jij het? Doe dadelijk weer open, want
-ik ben er nog in!"
-
-De drie broers verwijderden zich. "Kom mee," zei Hans, "nu komt het
-mooiste nog."
-
-Zij liepen achter het heuveltje om den vijver heen, Rob moest zich
-schuil houden, terwijl Hans en Flip tegenover de opening aan de
-achterzijde van de kapel stonden, alsof ze die voor het eerst bekeken.
-
-"Hallo, jongens daar!"
-
-"Hee, zit u in de kapel, mijnheer Bunze?" riep Hans in de hoogste
-verbazing. "Is zij dan niet op slot?"
-
-"Ja," riep de dikzak, "ze is op slot en nou kan ik er niet uit!"
-
-"Blijf er dan maar een jaar in!" wou Flip terugroepen maar hij was
-gelukkig zoo verstandig, om dit niet te doen.
-
-"Op slot?" riep Hans, "wie heeft dat dan gedaan?"
-
-"Dat weet ik niet. Wacht, ik zal eens hooren."
-
-Bunze liep naar de deur van de kapel en duwde daartegen met alle
-kracht. Daardoor rekte het touw wat, dat hij duidelijk door den kier
-kon zien. En nu kwam hij pas tot de overtuiging dat de arrestant
-gevlogen was. Geholpen natuurlijk door zijn broers, die nu aan den
-overkant dolle pret hadden, nu zij hem zoo netjes ingesloten hadden.
-
-Maar daar zouden ze van lusten.
-
-En Bunze, inplaats van zich kalm te houden, en zich de deur weer voor
-de jongens te laten ontsluiten, vloog weer naar het hek en brulde,
-dat het over het water daverde:
-
-"Willen jullie wel 's als de duivel die deur losmaken!"
-
-"Hoe zegt u, mijnheer Bunze?" antwoordde Hans. "Als de duivel? Hoe
-maakt die dan een deur los?"
-
-"Ik heb niets met je praatjes noodig! Maak oogenblikkelijk, dat ik
-eruit kan! Jullie hebt Robert laten ontsnappen, en dat zal ik je
-gloeiend betaald zetten!"
-
-"Gloeiend zegt u, mijnheer Bunze?" plaagde Hans, "wel foei, dat is
-niet netjes van u. Wij moeten voor u de deur openmaken en u wil ons
-daar gloeiend voor behandelen? Neen, op die voorwaarde bewijzen wij
-u geen dienst, mijnheer Bunze."
-
-"Och loop naar de maan met je mijnheer Bunze," riep de veldwachter. "Ik
-gelast jelui nu, oogenblikkelijk hier te komen en de deur te openen."
-
-"O neen," zei Flip, "wij zijn geen hondjes."
-
-"Juist," zei Hans, "maar wij willen u toch wel helpen, als u ons maar
-belooft, stil onzen weg te laten gaan."
-
-"Ik beloof niets!" riep Bunze.
-
-"O nee, op die conditie doen we 't beslist niet. Dag mijnheer
-Bunze. Wij gaan naar huis."
-
-"Hallo, wacht even, jongens! Neen, loop nog niet weg. Je kunt voor mijn
-part vrij naar huis gaan, doch help me eerst uit dit verwenschte hol!"
-
-"Goed, ik kom!" riep Hans.
-
-Een oogenblik later sneed Hans het touw door en was alweer verdwenen
-voor Bunze tot de ontdekking kwam dat de uitgang vrij was. Men kan
-zich voorstellen in welk een stemming hij naar huis ging!
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-ELFDE HOOFDSTUK.
-
-WAAROM BAREND NIET OP SPARRENHEIDE KWAM.
-
-
-Een uur nadat veldwachter Bunze de hut van vrouw Vorstman verlaten had,
-was Barend er teruggekeerd.
-
-Het vrouwtje had pret om den jongen, die zoo overhaast de vlucht
-had genomen.
-
-"Is-ie weg, moeder Vorstman?" vroeg Barend voorzichtig.
-
-"Al een uur," lachte ze, "hij komt alweer haast terug!"
-
-"Dat is toch niet waar?"
-
-"Neen, wees maar stil. Maar waarom ging je toch zoo ineens op den
-loop. Heb je weer kwaad gedaan?"
-
-"Och, dat is nog van vroeger. Moet-ie mij dan niet hebben?"
-
-"Jawel, hij kwam je zeggen, dat je vanavond bij mijnheer Bergwoude
-op Sparrenheide moest komen."
-
-"Moet ik daar komen? Owee, ik begrijp het al!"
-
-"Wat dan?"
-
-"Wel, ze zullen gemerkt hebben, dat Jacob Heintze elken avond laat
-bij mij komt en daar krijg ik nou natuurlijk een leelijk standje voor."
-
-"Kom, dat zal wel losloopen. Natuurlijk zal Jacob dat niet meer mogen
-doen, maar ik denk er het mijne van."
-
-"Wat denk je er dan van, moeder Vorstman."
-
-"Hoor eens, Barend, laat dat woord Vorstman nou maar weg. Ik ben je
-moeder voortaan, hoor. En wat ik er van denk, wel, meester Bergwoude
-zal je wel willen voorthelpen."
-
-"O, als dat eens waar was! Dan behoefde ik ook niet meer bang te zijn
-voor veldwachter Buikie."
-
-"Die zal jou geen kwaad doen, jongen. Je hebt zeker veel op je kerfstok
-dat je hem zoo ontloopt?"
-
-"Ja moeder. Maar ik heb nu geen zin meer om zoo te rooven en door
-'t bosch te loopen. Ik heb dikwijls genoeg de eieren uit Bunze's
-kippenhok gestolen. Leelijk, hè? Ik zou 't ook niet meer willen
-doen. Eens op een keer kwam Bunze net aanloopen. Hij was zóó dichtbij
-dat ik haast geen raad wist. En om hem tegen te houden gooide ik
-hem een ei pardoes tegen zijn gezicht. Hij zat van onder tot boven
-vòl! Jacob vond dat erg leelijk van mij en ik heb hem ook beloofd,
-nooit meer eieren weg te nemen."
-
-"Dat is braaf van je, Barend. Ik zal je nu een nieuwe boterham geven,
-want Bunze heeft de jouwe opgegeten."
-
-"Wat een gulzigaard! Alsof hij thuis niet genoeg krijgt!"
-
-"Net zoo. Maar zeg eens, Barend, je moet wat netter wezen op het pak,
-dat Jacob je gegeven heeft! Je hebt er zeker mee in 't bosch op den
-grond gelegen. Kom hier, dan zal ik je wat afborstelen. En als je nu
-vanavond naar mijnheer Bergwoude gaat, moet je eerst bij mij komen om
-te laten zien, of je er wel netjes uitziet. Als jij bij mij woonde,
-zou ik daar beter op kunnen letten."
-
-"Ik wou, dat het waar was, moeder V ...
-
-"Nu wie weet. Komaan, eet de boterham op. En hier is nog een glas
-melk."
-
-Nadat Barend de boterham en de melk op had, haalde hij nog een paar
-boodschappen voor zijn goede stiefmoeder en ging naar huis.
-
-Daar trof hij zijn vader aan in gezelschap van een kerel, dien
-hij nooit gezien had. Maar de man zag er allesbehalve aangenaam of
-vriendelijk uit.
-
-"Kijk," zei Ranke, op Barend wijzend, "daar heb je nou mijn
-zoon. Flinke jongen, niet? Kom eens hier jij, ik heb je weer in geen
-drie dagen gezien. En wat een spullen heb je daar aan. Ben je daar
-wel eerlijk aangekomen? Nou, mij 'n zorg, wat zeg jij, Klaas Pos?" De
-aldus genoemde vreemde man grijnsde eens, en Barend schrikte van het
-terugstootende gezicht.
-
-"Nou," vervolgde Ranke, "ik zal het hem dan maar vertellen, hij moet
-er toch van weten, anders lukt de zaak niet. Hoor jongen, je vader
-heeft tot nog toe niets aan je gehad en je toch te eten moeten geven,
-dus nou wordt het tijd, dat je daarvoor wat doet. Je bent er nou voor
-in de gelegenheid en ik zal je zeggen, wat je doen moet."
-
-"Dat ligt er aan, wat het is," zei Barend, die nooit ook maar
-eenigszins beleefd was tegen den man, die nimmer een vader voor hem
-was geweest.
-
-"Zoo, dat zullen we dan wel eens zien!" zei Ranke. "We zullen je in
-elk geval wel weten te dwingen."
-
-"Dat zit nog," zei Barend. "Ik wil er heelemaal niets van weten en
-ik blijf hier ook niet langer in huis. Ik ga weg."
-
-"Hahaha!" spotte Ranke, "de jongeheer gaat weg. Jawel. Ik zal je eens
-wat zeggen, Barend. Je moet vanavond met ons mee. We willen in Baarn
-een villa met een bezoek vereeren. Jawel, wij zijn uitgenoodigd,
-nietwaar Klaas? Hahaha! En jij moet mee, jongen. Je moet uitkijken,
-of er misschien ook iemand voorbijkomt, die de zaak verraden kan."
-
-"Ik doe 't niet," zei Barend.
-
-"Flink gesproken," spotte zijn vader. "Maar ik spreek nog veel flinker,
-en nog duidelijker ook. Hier! Trek uit die kleeren, gauw wat! Wacht,
-ik zal je een handje helpen!"
-
-En met ruw geweld trok de woeste strooper zijn zoon de kleeren van
-het lijf. Hij wierp hem daarop zijn oude, havelooze plunje toe,
-die Barend aantrok, zonder een spier van zijn gezicht te vertrekken.
-
-"Ziezoo," sprak Ranke. "Nu worden we verstandig. Nu zie-je er weer
-als vanouds uit. En zal je vanavond meegaan, ja of neen?"
-
-"Neen!" zei Barend op beslisten toon.
-
-Pats! daar kreeg hij een slag tegen het hoofd, dat hij tegen den
-grond viel.
-
-"Zal je meegaan?"
-
-"Nooit!"
-
-Woede beving den gewetenloozen man, die vader moest heeten van zoo'n
-flinken jongen. Hij ging naar hem toe en trapte hem, terwijl Barend
-zich in allerlei bochten wrong. De jongen gaf echter geen kik en
-bleef eindelijk doodstil liggen.
-
-"Nou, je hebt hem een goeie portie gegeven, geloof ik," zei Klaas Pos.
-
-"Natuurlijk en nou zal je eens zien, hoe netjes hij met ons meegaat. En
-om te voorkomen, dat-ie wegloopt, zal ik hem netjes opbergen."
-
-Daarop opende Ranke een deur, waarachter zich een kolen- en turfhok
-bevond. Hij nam Barend op en wierp hem met geweld naar binnen. Toen
-deed hij een hangslot op de deur en verliet met Klaas Pos het
-huisje. In het turfhok lag Barend op den grond. Met het hoofd op
-den arm snikte hij en dacht aan het uur, waarop mijnheer Bergwoude
-hem verwachtte.
-
-Wat zou hij doen?
-
-Zijn vader verraden, overleveren aan de politie.... of... hem
-gehoorzamen en zelf opnieuw een dief worden?
-
-
-
-Na het avondeten zat de familie Bergwoude als gewoonlijk nog een
-uurtje in den tuin en juffrouw Wieler had een splinternieuw sprookje
-verteld. Allen hadden aandachtig geluisterd naar het verhaal van
-den woesten, roofzuchtigen reus, die het rijk der kabouters wilde
-vernietigen en toch met al zijn kracht en ruwheid niet bestand was
-tegen het leger der kleine mannetjes. Allen, ja, behalve Jacob Heintze.
-
-Want wat weerga, waarom kwam Barend Ranke nu niet? Mijnheer Bergwoude
-had hem toch de boodschap laten brengen door veldwachter Bunze,
-dat-ie vanavond op Sparrenheide komen moest? Er zou bepaald een heel
-ernstige reden voor Barend moeten zijn, om nu niet te komen. Of ging
-hij nu weer bederven, wat met zooveel moeite was verkregen?
-
-Mijnheer Bergwoude had er in het eerst vreemd van opgekeken, dat Jacob
-met den verwaarloosden strooperszoon, den schrik van de omgeving,
-had vriendschap gesloten! En die nachtelijke bezoeken, al waren
-ze dan ook om Barend wat nuttigs te leeren, had hij zeer streng
-afgekeurd. Mijnheer Bergwoude meende, dat er toch niets aan zoo'n
-verwilderden, onopgevoeden knaap te verbeteren viel. Maar Jacob had
-het voor Barend opgenomen en verteld, hoe de jongen langzamerhand
-veranderde. En ten slotte had mijnheer Bergwoude dan beloofd, dat
-hij Barend eens zou laten komen en zien, wat hij er aan doen kon,
-om hem nog wat beter op streek te helpen.
-
-Hoe later het werd, hoe meer Jacob's onrust toenam.
-
-Waar bleef Barend nu?
-
-Om half negen, toen allen naar binnen gingen, was hij er nog niet.
-
-Mijnheer Bergwoude nam Jacob even terzijde:
-
-"Je vriend Barend is, zooals je ziet, niet gekomen, Jacob. Dat had
-ik van te voren wel gedacht. Heusch, geloof me, daar is toch niets
-mee te beginnen. Besteed, er aan, wat je wilt, 't zijn paarlen voor
-de zwijnen geworpen."
-
-Maar Jacob schudde het hoofd.
-
-"Barend zou veel te graag gekomen zijn, mijnheer!" antwoordde hij,
-"dat weet ik zeker. Maar misschien heeft Bunze hem niet kunnen
-vinden. Of zijn vader houdt hem tegen."
-
-Mijnheer Bergwoude haalde ongeloovig de schouders op, hij dacht er
-het zijne van. En daarop ging hij de huiskamer binnen. Hans, Flip en
-Rob bleven nog een oogenblik met hun vader en moeder praten.
-
-De meid bracht brieven en couranten binnen, door de avondpost zoo
-juist bezorgd.
-
-"Voor jou ook een brief, Hans," zei mijnheer Bergwoude, "van je vriend
-Bram Verhallen."
-
-Hans nam den brief, opende het couvert en las:
-
-
- Baarn, 12 Juli.
-
- Beste Hans!
-
- Vind-je het goed, als ik Zondagmiddag naar je toe kom? Wij eten
- vroeg, net als jullie. Ik kom dan tegen 3 uur en kan wel tot een
- uur of zeven blijven. Zaterdagmiddag kan ik niet komen, want we
- hebben deze week zoo razend veel huiswerk, dat we er bijna niet
- doorkomen! Och kerel, dat huiswerk! Als ik 's middags half vijf
- thuis kom, moet ik maar liefst zoo gauw mogelijk eten, want we
- krijgen wel voor drie urenlang huiswerk mee. We hebben dan ook zoo
- ontzettend veel te leeren, jò. Zoo moet ik vanavond 2 blz. Fransch
- vertalen, 1 blz. Cours Pratique leeren, 3 meetkundesommen maken, de
- Duitsche rivieren leeren en een opstel maken. Ik weet heusch niet,
- hoe ik dat allemaal àfkrijg. Ik heb elken dag hoofdpijn en ik ben
- toch goed gezond. En voor den vrijen Zaterdagmiddag hebben we nog
- meer huiswerk. Dus je begrijpt dat er van spelen niets komen kan.
-
- Schrijf me even of het goed is, dat ik Zondag kom. Groeten aan
- allemaal. Dag bleekgezicht, gegroet van je rooden broer Arendsoog,
-
- Bram Verhallen.
-
-
-"Bram komt Zondagmiddag," zei Hans, den brief aan zijn vader
-overreikend.
-
-Mijnheer Bergwoude las den brief door en schudde het hoofd.
-
-"Wat zullen we toch een verschrikkelijk geleerd nageslacht krijgen,"
-zei hij, "de jongens en meisjes worden tegenwoordig zóó met huiswerk
-overladen, dat ze nauwelijks tijd hebben om te eten. Wat zullen dat
-allemaal een professoren worden! Maar wat een zenuwlijdertjes zullen
-erbij zijn!"
-
-"Schrijft Bram daarover?" vroeg mevrouw.
-
-"Och neen, de jongen schrijft alleen, dat ze 's avonds wel voor drie
-uren huiswerk meekrijgen en dat-ie Zaterdagmiddag niet spelen kan,
-omdat-ie te veel werk heeft."
-
-"Is dat niet een beetje al te erg, man?"
-
-"Ja zeker, het is méér dan overdreven. En 't mooiste is nog, dat van al
-de kinderen, die zulke massa's huiswerk avond aan avond moeten maken,
-maar een paar werkelijk knap worden en daar wat aan hebben. Bram,
-een flinke, gezonde, sterke jongen, heeft elken dag hoofdpijn van
-'t leeren. Kan daar iets goeds uit groeien?"
-
-"Maar zonder huiswerk komen ze er niet, man."
-
-"Denk je dat, vrouw? Eenig huiswerk kan geen kwaad, het geeft bezigheid
-in huis en de jongens kunnen nog eens repeteeren, wat er op school
-geleerd is. Maar om de jongelui een berg werk mee naar huis te geven,
-waar ze bijna niet doorheen komen, dat is overdreven. En wat hebben de
-meesten er aan? De een wordt kantoorbediende en vergeet 9/10 van wat
-hij geleerd heeft, de ander architect, tuinbouwkundige, onderwijzer,
-enz. Dat alles hadden ze evengoed kunnen worden zonder al die dwaasheid
-in hun jonge jaren te leeren. De ernstige, werkelijk gezonde studie
-komt pas later. En daar hebben ze pas wat aan."
-
-"Toch schijnt men er ook anders over te denken," zei mevrouw.
-
-"O, ik kan het natuurlijk mis hebben," vervolgde mijnheer Bergwoude,
-"maar ik vind, als een jongen tot zijn dertiende jaar het lager
-onderwijs goed gevolgd heeft en dat dóór en dóór kent, dan heeft hij
-nog tijd genoeg, om àlles te worden, wat hij wil. Dat is mijn meening."
-
-Er werd nog even over dat onderwerp gesproken en daarna gingen de
-drie broers naar bed.
-
-"Zeg," zei mijnheer, "die Barend is toch maar niet gekomen, hè? Zie
-je wel, dat er met zulke jongens toch niets goeds is aan te vangen?"
-
-"Hij zal niet gedurfd hebben, vader," zei Hans.
-
-"Och wat, gedurfd? Hij bedankt er eenvoudig voor, om onder de plak
-te zitten. Neen, ik weet wel, dat hij liever als een wildeman in de
-bosschen rondzwerft en allerlei kattekwaad uithaalt. Dat is hij van
-jongsaf gewend en dat zal hij wel blijven doen ook!"
-
-
-
-Och, als mijnheer Bergwoude eens geweten had, dat Barend op dit
-oogenblik te snikken lag van droefheid en teleurstelling, opgesloten
-door zijn harteloozen vader in een donker hok!
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-TWAALFDE HOOFDSTUK.
-
-IN DEN NACHT.
-
-
-In den loop van den avond was Ranke, de strooper, met Klaas Pos in
-zijn woning teruggekeerd.
-
-Zij zetten zich aan de tafel om hun plan nog eens nader te
-bespreken. Zij dachten er niet eens aan, om Barend uit zijn
-gevangenschap te verlossen en hem iets te eten te geven.
-
-"We moeten de zaak goèd doen of heelemaal niet doen," zei Ranke. "En
-ik zal je nog eens haarfijn vertellen, hoe we 't zullen aanpakken. Ik
-ben vanmorgen op het kantoor van Verhallen geweest en weet daardoor
-precies, hoe de toestand daar is. Ja, ik heb mijn oogen goed den kost
-gegeven. Ik heb den notaris zelf te spreken gevraagd, natuurlijk
-maar met een onbeduidend praatje. Maar ondertusschen heb ik goed
-rondgekeken. De voorkant van het woonhuis is aan de Prinsenlaan,
-maar de ingang van 't kantoor is in een achterstraatje. Je loopt een
-steenen paadje op en komt aan een hek. Dan een klein tuintje door en
-je staat voor de kantoordeur. In de gang heb je weer twee deuren, op
-de eene staat: Binnen zonder kloppen, op de andere Privé. Die laatste
-moeten we hebben. Daar staat de brandkast van den notaris en als ik
-me niet vergist heb, zal het voor ons niet zoo'n heksenwerk zijn om
-die groote spaarpot open te maken."
-
-Daarop vertelde Ranke aan Pos, van welk fabrikaat de brandkast was
-en toonde de werktuigen, waarmede hij die dacht te openen.
-
-"Terwijl wij binnen aan het werk zijn," sprak hij, "moet Barend op
-den uitkijk staan."
-
-"Kunnen we hem wel vertrouwen?" vroeg Pos.
-
-"Daar kan je verzekerd van zijn. Bovendien zal ik hem wel weten
-te dwingen. Kijk, hier heb je nota bene boeken en schriften van
-hem. Inplaats van een vet konijn op den kop te tikken, zit hij te
-suffen met zijn neus in de boeken. Waar hij die vandaan heeft, mag
-de drommel weten. Hij had ze onder zijn bed verstopt. Ik wist niet,
-dat mijn zoon een geleerde was. Enfin, wij zullen hem eens voor den
-dag halen."
-
-"Wij deelen toch samen?" vroeg Klaas Pos.
-
-"Dat is te zeggen: ieder krijgt zijn deel. Ik geloof wel, dat ik twee
-derden van het gevaarlijke werk te doen zal hebben, dus neem ik ook
-zooveel van den buit. Ieder het zijne. Als je 't niet goed vindt,
-kan ik 't misschien ook wel alleen af."
-
-"Ik zal 't maar goedvinden," zei de ander.
-
-"Zooals je wilt. En nou zullen we den jongen eens hier halen."
-
-Met deze woorden begaf Ranke zich naar het turfhok, waar Barend in
-slaap gevallen was.
-
-"Barend!" riep zijn vader, "kom er uit, jongen, het wordt zoo
-langzamerhand tijd."
-
-Barend ontwaakte en keek door de geopende deur in het kamertje, waar
-hij Klaas Pos bij de petroleumlamp aan tafel zag zitten. Onmiddellijk
-weer herinnerde hij zich het gebeurde en tevens ook, wat zijn vader
-van hem verlangde. En evenals te voren besloot hij om in geen geval
-met beide mannen mee te gaan.
-
-Ranke trok hem in de kamer.
-
-"Je hebt over de zaak kunnen nadenken, Barend," sprak hij, "en ik
-geloof wel, dat je nu zoo verstandig geworden bent, om je vader
-eindelijk eens te gehoorzamen. Voor alles wat ik aan je besteed
-heb ..."
-
-"Je hebt niets aan mij besteed!" viel Barend opeens uit. "Je hebt me
-niet eens te eten gegeven. De paar korsten brood en droge aardappels,
-die je zelf niet meer lustte, liet je voor mij op tafel liggen."
-
-"Wel, hoor me zoo'n ondankbare jongen eens aan!" riep Ranke, die
-aan Pos verteld had, dat hij altijd den meesten zorg aan zijn zoon
-had besteed, maar dat Barend een door en door slechte jongen was,
-die al het goede, wat zijn vader voor hem deed, met ondank beloonde.
-
-"Wel, hoor me nu zoo'n ondankbare jongen eens aan! Dat is de school
-uitgejaagd om al zijn baldadige streken en durft nog zijn vader
-beschuldigen! Wacht, kameraad, nu zullen we eens een ander wijsje
-zingen. Je gaat nu direct met ons mee, en ..."
-
-"Ik denk er niet over," zei Barend. "Ik ga toch niet."
-
-"Dat zullen we wel eens zien! Hier, deze boeken, zijn die van jou?"
-
-Met grooten schrik bemerkte Barend, dat zijn gewetenloozen vader
-zijn boeken en schriften, waar hij met Jacob Heintze uit geleerd had,
-gevonden had.
-
-"Geef hier vader!" riep hij, "dat is mijn werk!"
-
-"Zoo, is dat jouw werk? Neen vrind, ik zal jou eens zeggen, wat je
-werk is. Om je vader te gehoorzamen en hem te helpen. En nu zal je
-dat om te beginnen vanavond doen en als je weigert, scheur ik al je
-boeken en schriften één voor één kapot!"
-
-"Vader!!" schreeuwde Barend, "dat doe je niet!"
-
-"Dat zal je zien!"
-
-En Ranke greep een boek, dat Jacob aan Barend gegeven had. Hij nam
-het in beide handen om het doormidden te scheuren.
-
-"Vader, vader!!" gilde Barend. "Niet doen ... ik zal wel meegaan!"
-
-"Ha zoo, dat dacht ik wel. En nu zal ik je nog eens vertellen, wat
-je te doen hebt. We gaan door het bosch naar Baarn. In het huis waar
-we zijn moeten, is veel geld. Het zal nogal tijd en moeite kosten
-om het te krijgen. Zoolang wij binnen aan het werk zijn, houdt jij
-buiten de wacht. En als er onraad is, kraai je als een haan. Ik weet,
-dat je dat zoo goed kunt, dat iedereen denkt, een werkelijken haan
-te hooren. Komt er iemand toevallig voorbij, dan kruip je weg in de
-struiken van den tuin. Pos, hebben we de gereedschappen en den zak? De
-lantaarn heb ik hier. Ziezoo, alles is klaar. De lamp uit en op pad!"
-
-De torenklok sloeg elf uur.
-
-En een oogenblik later gingen drie donkere figuren door het bosch,
-dat inktzwart zich voor hen uitstrekte.
-
-
-
-"Ik maak mij werkelijk ernstig bezorgd over Bram," zei mevrouw
-Verhallen tot haar man, den notaris, toen zij des avonds naar boven
-was geweest. "Het is nu al over tienen en nog zit de jongen aan zijn
-schoolwerk. Voor een jongen van dertien jaar is dat toch te laat,
-vader."
-
-"Och laat den jongen studeeren," sprak notaris Verhallen, "nu is hij
-immers nog in de gelegenheid om goed te leeren, later gaat het zoo
-vlug niet meer. En als hij daar nu plezier in heeft?..."
-
-"Plezier in heeft?"
-
-"Wel ja, anders zou hij het toch niet doen?"
-
-"Denk je, dat Bram voor zijn plezier avond aan avond zit te
-blokken? Dat hij voor zijn plezier elken dag over hoofdpijn klaagt? De
-jongen overwerkt zich, dat zeg ik. Hij begint er slecht uit te zien."
-
-"Kom, kom, nu overdrijf je toch," zei de ander. Hij was zelf een zeer
-werkzaam man en vond het heel best, dat zijn dertienjarige zoon elken
-avond stapels schoolwerk maakte. Natuurlijk in den tegenwoordigen
-tijd moest de jeugd nu eenmaal hard studeeren.
-
-Dat wist Mevrouw ook wel, maar zóóveel huiswerk als de kinderen
-tegenwoordig van den meester meekregen, vond ze toch wat heel erg.
-
-"Neen, ik overdrijf volstrekt niet," hernam zij, "de jongen zal er
-nog heelemaal door van streek raken. Al is zijn lichaam gezond, dat
-wil volstrekt niet zeggen, dat hij daarom een hoofd om veel te leeren
-heeft. Ik zou veel liever zien, dat hij wat vroeger naar bed ging."
-
-Mijnheer Verhallen haalde zijn schouders op en frommelde eens
-ongeduldig met de courant, die hij in de handen hield. Hij zag
-volstrekt geen bezwaar in het late opblijven en studeeren van zijn
-zoon. Hoe knapper Bram werd, hoe liever hij het had. Van leeren werd
-je niet ziek en de meesters wisten toch ook wel, wat kòn en wat nièt?
-
-Mevrouw zweeg nu maar, doch in stilte dacht ze met bezorgdheid aan
-haar jongen.
-
-Op zijn kamertje zat Bram ijverig te pennen.
-
-De klok wees kwart over tien.
-
-Bram had juist de laatste rekenopgave af. Gelukkig, eindelijk was
-hij weer zoover, dat hij morgen met behoorlijk afgemaakt werk bij
-den meester komen kon. O, er waren jongens genoeg, die om zeven uur
-aan d'r huiswerk begonnen en vóór achten alweer buiten waren, maar je
-moest dan niet vragen, hoe dat werk er uit zag. Bram behoorde niet tot
-de vlugsten, maar juist daarom wilde hij zijn werk zoo goed mogelijk
-doen. Het leeren viel hem niet gemakkelijk, maar meester was streng
-en papa liet niet met zich spotten! Dus kostte het Bram buitengewone
-inspanning om met de andere jongens van zijn klasse gelijk te blijven.
-
-Met een tevreden lachje bergde hij zijn boeken en schriften in de
-kast. Het was meer dan bedtijd. Zijn bed stond in een hoek van 't
-kamertje. Met langzame bewegingen kleedde hij zich uit. Slaap had
-hij bijna niet, hij was over zijn slaap heen; in zijn rond, gezond
-jongensgezicht stonden de oogen dof en mat. Hij voelde zich doodmoe en
-had toch geen slaap. In bed lag hij te kijken naar een paar sterren,
-die hij juist door 't bovenraam kon zien. En onderwijl dacht hij
-maar voortdurend, zonder het te willen, aan die laatste som, die zoo
-moeilijk was. Toen probeerde hij te slapen, maar dat lukte niet. Zijn
-lichaam rustte uit, maar hij bleef klaarwakker. Hee, dacht hij,
-wat beef ik nu toch vreemd? Het is toch heelemaal niet koud. Och,
-'t zal wel over gaan. Kom, ik zal me maar weer eens omdraaien. En
-dan dacht hij weer aan de lesuren van morgen. Eerst taal, de les
-over de vervoeging der werkwoorden. En dan Fransch, Cours Gradué,
-2 théma's opzeggen, 2 nieuwe inleveren. Die had-ie ook af. En dan
-rekenen. Zouën z'n sommen goed zijn? Meester had dikwijls aanmerkingen
-op z'n foute sommen, en deed-ie niet heusch zijn best? Als ze nou
-maar goed waren! Kom, nou slapen. Nou niet meer aan leeren denken. De
-andere jongens sliepen ook allemaal ... de klok sloeg elf. Bram was
-nog even wakker als om tien uur. Half twaalf. Bram zat rechtop in
-bed, z'n hoofd klopte. Hij stond op, stak zijn hoofd door het open
-raam. De lucht was helder, om hem heen waren tuinen met dicht geboomte,
-zware dennegeur trok het kamertje in. De nachtkoelte deed hem goed,
-de hoofdpijn zakte wat.
-
-Weet je wat, hij ging een beetje in den gemakkelijken stoel bij het
-raam zitten, van slapen kwam toch voorloopig niets.
-
-Bram trok een jas aan en strekte zich op z'n gemak in den stoel
-uit. Zoo zat-ie lekker. En nou naar de sterren kijken. Dààr had je de
-Groote Beer en dan ... één... twee ... drie ... vier ... vijf ... zes
-... zeven ... de Poolster ... en dáár ... en dáár....
-
-Bram, oververmoeid, dommelde in.
-
-
-
-Ruim een uur later schrok-ie wakker.
-
-Hè, wat? Lag-ie niet in bed? Zat-ie in 'n stoel? Hee ja, dat was waar
-ook. Brrr, hij was koud geworden, gauw maar 't bed in. De jas hing
-hij over den stoel, stapte dan met z'n eene been in bed.
-
-Maar opeens bleef-ie zoo staan.
-
-Stil ...
-
-Wat was dat beneden?
-
-Was pa nog op?... Even luisteren....
-
-Sssst ... daar hoorde hij 't weer.
-
-Zoo'n gek geluid.... net of 'r iemand op pa's kantoor was. Nou,
-dat was onzin, hè? Pa sliep natuurlijk.... en....
-
-Nou viel d'r wat....
-
-'t Volgend oogenblik trok Bram kousen en pantoffels aan en wat kleeren.
-
-Op z'n teenen ging-ie de trap af, opende geruischloos de buitendeur;
-over de grasperken liep hij den tuin uit, 't straatje om naar den
-kantooringang.
-
-Stil... daar stond een jongen, vlak bij den lantaarn.
-
-Bram begréép 't..., die stond op den uitkijk!!
-
-Dadelijk keerde Bram terug.... de vilten pantoffels maakten z'n
-voetstappen onhoorbaar, en snel als de wind vloog-ie de Laanstraat in,
-waar twee politieagenten surveilleerden. Die gingen onmiddellijk met
-hem mee.
-
-Bram liep ze vlug vooruit, zag den jongen nog staan. En 'n plotseling
-opkomende gedachte dadelijk ten uitvoer brengend, wierp hij zich
-onverwachts op den schildwacht en drukte met één hand diens mond toe.
-
-Daarna stelden zij zich in een donkeren hoek in hinderlaag op.
-
-Bij het licht van de lantaarn had Bram den jongen herkend. En
-verschrikt fluisterde hij de agenten toe:
-
-"Barend van de Lage Vuursche!"
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-DERTIENDE HOOFDSTUK.
-
-WAT JACOB VAN VELDWACHTER BUIKJE HOORDE.
-
-
-Volgende morgen, zes uur.
-
-De zon stond al hoog aan den hemel, 't beloofde weer een echt warme,
-zomersche dag te worden.
-
-"Zeg," zei Hans tegen zijn broer Flip, terwijl ze zich op hun
-slaapkamer aan 't kleeden waren, "wat maft die Rob weer door!"
-
-"Ja," antwoordde Flip, "ik heb hem al zesmaal geroepen, maar hij heeft
-'r maling aan, hoor."
-
-"Nou, hij is om negen uur naar bed gegaan, dus me dunkt, dat-ie lang
-genoeg geslapen heeft."
-
-"O zoo, maar als roepen niet helpt zal ik hem wel op een andere manier
-wakker krijgen. Geef dat witte kopje eens aan, Hans."
-
-"Wat ga je nou doen?"
-
-"Zal je wel zien."
-
-Flip schepte het kopje vol water uit zijn lampetkan en zette het toen
-op de plank boven Rob's hoofd. Een draad garen bond hij om het oor
-van het kopje.
-
-Aan het andere einde knoopte hij een lus en schoof dien voorzichtig
-om een vinger van Rob.
-
-"Ziezoo," zei Flip, "zoo gauw als hij nou maar één beweging maakt,
-is hij goed wakker ook."
-
-Inderdaad liet het succes dezer nieuwe wek-methode niet lang op
-zich wachten.
-
-Rob draaide zich in zijn slaap nog eens om, maar door die beweging
-trok hij het kopje water van de plank.
-
-Pletsch!!
-
-"Au, m'n hoofd!... brrr!!!" vloog Rob ineens overeind, "wat is
-dat nou?"
-
-"Goeiemorgen, Robbie," zei Flip lachend. "Is U Edele ontwaakt?"
-
-"Wat een misselijke, kinderachtige streek, Flip," zei Rob. "Nou is
-'t heele bed nat."
-
-"Loop heen, dat droogt met die warmte in twee tellen."
-
-"Toch gemeen, al m'n goed is drijf."
-
-"Ga maar even buiten in de zon hangen."
-
-"Doe jij 't zelf maar."
-
-"De kleine kop viel op de groote kop van Robbekop," plaagde Flip,
-waarop Rob zijn kussen greep en dat naar Flip's "kop" gooide. 't
-Kussen vloog weer terug en nu begon Hans ook mee te doen. Lakens,
-dekens, kussens zeilden van den eenen hoek naar den anderen, een waar
-beddengevecht. Ten slotte rolden ze alle drie met al 't beddegoed als
-een kolossale bal door elkaar, gierend en schaterend van pret. En de
-zon goot haar gouden ochtendstralen naar binnen en lachte mee.
-
-De deur ging open en Jacob Heintze trad binnen.
-
-"Zeg, wat maken jullie een reuzenherrie!"
-
-"Wil je ook een beetje op je kop hebben?" inviteerde Flip.
-
-"Jij bent ook vroeg present," zei Hans, die uit het kluwen van de
-dekens en lakens kroop.
-
-"O ja, 'k ben al meer dan een uur op," zei Jacob. "Ik had eigenlijk
-nòg vroeger willen opstaan om even naar de Vuursche te gaan."
-
-"Waarom?"
-
-"Om Barend op te zoeken. Vragen, waarom-ie gisteravond niet gekomen
-is."
-
-"Ja," zei Hans, "daar hadden vader en moeder 't gisteren ook over."
-
-"Zoo?"
-
-"Ja, vader zei, dat er met Barend tóch niets goeds te beginnen was."
-
-Jacob maakte zich driftig over die woorden.
-
-"Dat is niet waar!" zei hij. "Als Barend niet gekomen is, dan had
-hij daar goeie reden voor. Hij was veel te blij, dat-ie komen mocht."
-
-"Nou, waarom kwam-die dan niet?"
-
-"Dat--dat weet ik evenmin als jij. Maar ik zal aan je vader vragen,
-of ik nog even naar vrouw Vorstman mag gaan."
-
-Jacob Heintze kreeg van mijnheer Bergwoude verlof daar voor. Hij haalde
-zijn fiets uit de bergplaats en snorde een oogenblik later den weg af.
-
-De arme weduwe was al bedrijvig in de weer.
-
-"Dag vrouw Vorstman!" riep Jacob haar toe, terwijl hij van zijn
-fiets sprong.
-
-"Zoo Jacob, al zoo vroeg hier? Mooi weer, hè?"
-
-"Ja, vrouw Vorstman, maar ik wilde u eigenlijk vragen, of u ook weet,
-waarom Barend gisteravond niet op Sparrenheide is gekomen."
-
-"Wel heb ik ooit! Is hij niet gekomen?"
-
-"Neen."
-
-"En ik heb het nog zóó gezegd. Hij was ook heel blij, dat-ie komen
-mocht. Hij hoopte, dat mijnheer Bergwoude hem wat voorthelpen zou."
-
-"Ja dat zou-die ook wel doen, maar ..."
-
-Een derde persoon verscheen aan 't huisje van vrouw Vorstman,
-veldwachter Bunze.
-
-Hij scheen verbazend in zijn schik te zijn, want zijn rond en
-bol gezicht stond zoo vroolijk, alsof hij pas een erfenis had
-gekregen. Zonder goeienmorgen te zeggen begon hij:
-
-"Nou, vrouw Vorstman, wat heb ik je gezegd? Schooiersvolk is het,
-gespuis, waar niets mee te beginnen is!"
-
-"Man, waar heb je het over?"
-
-"Nee, je weet er natuurlijk nog niets van, hè? Maar ik wel. D'r is
-al een brigadier uit Baarn op de fiets bij mij geweest, en die heeft
-mij de orders gebracht."
-
-"Maar wat is er dan toch?"
-
-De veldwachter scheen er bijzonder plezier in te hebben, de menschen
-zoo nieuwsgierig en ongeduldig te maken, als maar mogelijk was.
-
-"Wel," zei-die, "ik moest immers gisteren aan dat galgenaas van een
-Barend de boodschap brengen, dat-ie op Sparrenheide komen moest?"
-
-"Ja--en ..."
-
-"Inplaats van het te doen, is de schavuit gisteravond met zijn vader
-en Klaas Pos naar Baarn gegaan om daar in te breken!"
-
-"Dat kan niet!" riep Jacob verschrikt.
-
-Veldwachter Buikje keek den jongen met een minachtenden blik aan. Zoo'n
-ventje durfde hem tegenspreken?
-
-Vrouw Vorstman sloeg van verbazing de handen in elkaar.
-
-"Om in te breken!" herhaalde Bunze met welgevallen. "De oude strooper
-Ranke en zijn kameraad Pos zijn beiden gevangen genomen, Barend net
-zoo goed, en alle drie zijn ze in preventieve hechtenis genomen. Nou
-zie-je zelf, vrouw Vorstman, wat voor volk je in je huis haalt! Geef
-jij den jongen maar koffie en dikke boterhammen, vandaag of morgen
-steelt-ie het beetje nog dat je in huis hebt!"
-
-Jacob Heintze keek verslagen naar den grond. Hoe was dat nu
-mogelijk! Barend, die in een paar weken al zoo vooruitgegaan was,
-die nu misschien door mijnheer Bergwoude zelf verder geholpen zou
-zijn, was in de gevangenis gezet, medeplichtig aan inbraak. Opeens
-ging hem een licht op!
-
-"Ja! zoo is het!" riep hij uit.
-
-"Wat is zoo?" vroeg Bunze.
-
-"Wel geloof maar niet, dat Barend uit zichzelf is meegegaan. Zijn
-vader en Klaas Pos hebben hem gedwongen. Zij hadden hem noodig."
-
-"Wat zou dat dan nog!" vroeg veldwachter Buikje. "Het doet er trouwens
-ook weinig toe, hoe en waarom de jongen is meegegaan om op den uitkijk
-te staan, in elk geval staat vast, dat hij het heeft gedaan, en dat
-is voor ons, gerechtsdienaren, voldoende!"
-
-"En bij wie is er ingebroken," vroeg vrouw Vorstman.
-
-"Bij notaris Verhallen. Nou moet-je weten, de jongeheer Verhallen
-was nog heel laat wakker en hoorde wat in 't kantoor. Wat doet de
-slimmerd! Hij trekt wat kleeren en z'n pantoffels aan en loopt om het
-huis heen. Daar ziet-ie iemand op den uitkijk staan en dus begreep-ie
-dadelijk, dat er wel een paar kornuiten in 't kantoor aan den slag
-waren. Hij loopt de dorpsstraat in en komt toevallig twee agenten
-tegen. Die gingen dadelijk mee en de jongeheer Verhallen loopt weer
-hard terug op zijn pantoffels en slaat zóó maar den uitkijk tegen
-den grond. Hij gaf geen kik, want ze hielden zijn mond stijf toe,
-dat verzeker ik je. Nou, en de agenten op de loer, dat begrijp je. 't
-Duurde een heel poosje, toen kwamen allebei de sinjeurs naar buiten
-om te zien, of alles in orde was.
-
-""Waar is de jongen?" vroeg de een. "Die zal wat verderop staan,"
-zei de ander. "Laten we eerst zelf eens kijken, of de weg veilig is,
-voordat we den buit naar buiten halen." Ze liepen toen allebei het
-tuintje door en: kip ik heb je! sprongen de agenten uit hun hoek. In
-een oogenblik hadden de schurken de ijzeren polsmofjes aan en gingen
-mee. Ik ben blij toe, dat me dat stelletje goed en wel achter de
-tralies zit. Nou zie je toch, vrouw Vorstman, wat je met dien jongen
-in huis had gehaald. Wees maar blij, dat-ie opgeborgen is. En nou zal
-ik je groeten, want ik moet de zaak nog verder onderzoeken en rapport
-uitbrengen." En met een zelfbewuste en trotsche houding stapte de
-veldwachter den weg op.
-
-Vrouw Vorstman en Jacob waren door dit verhaal geheel uit het veld
-geslagen. Het leek Jacob, of de mooie zonnedag opeens een donkere
-nacht geworden was. Was dat nu alles wel waar? Was Barend werkelijk
-tot zóó iets in staat? Het was bijna onmogelijk!
-
-"Neen, vrouw Vorstman," zie hij, "ik kàn het niet gelooven! En als
-het tòch waar is, dan heeft Ranke hem gedwòngen om mee te gaan!"
-
-"Ik geloof het ook, jongeheer," zei ze verdrietig. "Och, och, die
-arme Barend in de gevangenis!"
-
-Wanneer het Jacob's eigen broer geweest was, kon hij niet verdrietiger
-geweest zijn dan hij nu was. In een zeer treurige stemming verliet
-hij vrouw Vorstman en reed naar Sparrenheide terug, waar hij mijnheer
-Bergwoude en Hans vertelde, wat er gebeurd was.
-
-
-
-Het gebeurde van dien nacht had Bram's zenuwen geducht geschokt. Toen
-alles afgeloopen was en Ranke met Pos en Barend door de agenten waren
-weggeleid, zat Bram bevend bij zijn inmiddels gewekte ouders in de
-kamer. Hij begreep zelf niet, hoe hij zoo kalm was gebleven, hoe hij
-niet één oogenblik bang was geweest om den vreemden schildwacht neer
-te leggen. Barend Ranke, de boschjongen! Hoe was het mogelijk? Zoo
-jong nog en dan al een dief!
-
-De heer en mevrouw Verhallen prezen hun jongen, maar Bram glimlachte
-flauwtjes. Zijn moeder maakte zich echter steeds meer bezorgd en
-eindelijk begon ook zijn vader langzamerhand tot het inzicht te komen,
-dat het met Bram toch niet heelemaal in orde was.
-
-Er werd dien nacht lang niet rustig meer geslapen en 's morgens
-had Bram zulk een bonzende hoofdpijn, dat hij niet kon opstaan. Met
-den besten wil niet. De dokter werd gehaald en dadelijk luidde zijn
-meening:
-
-"Zenuw-overspanning. Absolute rust houden. Zachte slaappoeders
-innemen."
-
-De dokter schreef Bram's toestand enkel en alleen aan de nachtelijke
-gebeurtenis toe, hij meende, dat Bram ten gevolge van een grooten
-schrik ziek was geworden.
-
-Maar mevrouw Verhallen wist wel beter.
-
-Den volgenden dag sprak zij er eens met den dokter over.
-
-"Ik vond het beter, om het u eens te zeggen," begon ze. "Ik maakte
-mij al sinds eenigen tijd zoo ongerust over onzen jongen, 't is niet
-vanwege dien inbraak, ziet u. Bram zit avond aan avond, soms wel
-tot na tien uur, huiswerk te maken en te leeren, en meestal begint
-hij daar al om zes uur aan. Ik vind dat veel te erg, mijn man denkt
-er anders over, maar ik verzeker u, dokter, de jongen kan dat niet
-volhouden. Hij is niet dom, maar er wordt te veel van hem gevergd. Hij
-gaat er steeds betrokkener uitzien, slaapt te weinig en speelt maar
-eens een heel enkele keer met andere jongens."
-
-De dokter knikte. Hij begreep het volkomen.
-
-"Mevrouw," sprak hij, "wanneer jongens in hun schooljaren goed hun
-best doen en hard werken, zal hun dat later ten goede komen. In
-den tegenwoordigen tijd moet een mensch nu eenmaal meer weten dan
-vroeger, de examens worden al zwaarder en zwaarder en de eischen,
-die de maatschappij stelt, eveneens. Maar of we nu daarom de kinderen
-al hun vrijen tijd moeten ontnemen en hen volstampen met allerlei
-boekengeleerdheid, dat is een vraag, waarop ik zeer sterk: neen,
-antwoord. Intusschen zijn er leerlingen, die dat overmatige werken en
-leeren onmogelijk kunnen volhouden en u doet er zeer verstandig aan,
-mij op dat geval met uwen zoon te wijzen. We mogen in geen geval
-van zoo'n flinken, gezonden jongen een zenuwlijder maken. Laat hem
-voorloopig maar eens rust houden en dan zullen we zien, wat we verder
-met hem doen zullen."
-
-Mevrouw dacht over Instituut Sparrenheide.
-
-Zij sprak er met mijnheer Verhallen over.
-
-Ook de dokter vond dat besluit zeer verstandig en ten slotte gaf de
-notaris toe.
-
-Na de groote vacantie zou Bram naar Sparrenheide gaan, zeker wel
-tot groote vreugde van hemzelf en van Hans, Flip en Rob, de drie
-jolige broers!
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-VEERTIENDE HOOFDSTUK.
-
-VELDWACHTER BUIKJE EN DE BOSCHGEESTEN.
-
-
-We zullen niet in bijzonderheden nagaan, wat er in de eerstvolgende
-weken gebeurde met Barend, Ranke en Pos.
-
-Het was te danken aan de voorspraak van mijnheer Bergwoude, Jacob
-Heintze en moeder Vorstman, dat Barend spoedig in vrijheid werd
-gesteld. Er was bij het onderzoek gebleken, dat Barend door zijn vader
-gedwongen was mede te gaan, maar er was ook nog een oude historie aan
-het licht gekomen! Ranke, de strooper, had verschillende gereedschappen
-en werktuigen gekocht en Pos had aan den rechter verteld, dat Ranke
-het geld, waarmede hij die dingen betaald had, eenigen tijd geleden
-in het bosch gevonden had. Het was een biljet van tien gulden en het
-zat in een oude portemonnaie. De portemonnaie had Ranke weer op den
-grond geworpen.
-
-De twee stroopers en dieven werden tot verscheidene jaren
-gevangenisstraf veroordeeld. Barend werd als tuinmansjongen op
-Sparrenheide aan het werk gezet en kwam bij moeder Vorstman in huis.
-
-Allen waren zeer tevreden met den goeden afloop der gebeurtenissen
-en niet het minst Jacob Heintze, die nooit aan de goede trouw van
-Barend had getwijfeld.
-
-Maar één was er, die zich bij dat alles eenigszins anders gedroeg. En
-dat was Bunze, veldwachter Buikje! De dikzak was heelemaal niet
-ingenomen met het feit, dat Barend zoo voortgeholpen werd. Het speet
-hem verbazend, dat hij in het minst geen deel genomen had aan de
-arrestatie der inbrekers, maar hij vertelde toch aan iedereen, die
-het hooren wilde, dat hij voortaan met nog veel meer gestrengheid
-optreden zou, om de veiligheid en de rust in de omgeving te bewaren.
-
-Speciaal lette hij nu op de jongens van Sparrenheide, die vaak in
-"zijn" bosschen kwamen spelen. Hij liet het minste of geringste niet
-meer toe en stelde zich aan als een tiran. Dat begon deze jongens
-te vervelen. Als zij zich maar even in het bosch van Drakenstein
-vertoonden, zagen zij het dikke gezicht van Buikje al op hen loeren.
-
-Daarom hielden de jongens op zekeren dag krijgsraad. Ze waren met
-hun tienen bij de Echo verzameld en zaten of lagen op den boschgrond.
-
-"Waar zullen we hem eens een poets mee bakken?" vroeg Rob, die zich
-wel het meest aan den veldwachter ergerde.
-
-Ja, dat was een moeilijke kwestie. 't Was in elk geval de veldwachter
-zie je, en al hadden de jongens nu meer ontzag voor den man z'n jas
-met de blinkende knoopen en de pet met den gouden bies dan om Bunze
-zelf, je moest er voorzichtig mee zijn.
-
-Maar juist dàt maakte de zaak nog interessanter.
-
-"We zullen hem een kistje klapsigaren thuis sturen," zei de een.
-
-"Neen daar hebben wij niets aan. We moeten er zelf ook plezier van
-hebben."
-
-"Stop hem dan een kikker onder zijn pet."
-
-"Of spijker de blinden van zijn ramen vast."
-
-"Doe een ons peper in zijn snuifdoos."
-
-Zoo wist ieder wat. Als de veldwachter al deze folteringen had moeten
-doorstaan, dan had het er treurig met den man uitgezien.
-
-"Neen jongens," zei Hans, "daar hebben we allemaal niets aan. Ik
-geloof dat ik een beter plannetje weet. Luister eens, je moet dan
-weten, dat Buikje verbazend bijgeloovig is, zooals de meeste menschen
-op de Vuursche. Daarom gaan er ook allerlei dwaze verhalen uit het
-bosch hier bij de lui rond. Jullie hebt er natuurlijk wel eens een
-paar van gehoord."
-
-"Neen, ik niet, ik niet," klonk het hier en daar.
-
-"Nou, we zitten hier toch zoo gezellig bij elkaar ... wil ik er eens
-een vertellen?"
-
-"Ja, ja, vertellen!" riepen ze allemaal.
-
-"Goed dan," zei Hans, "de legende, die ik je vertellen zal heet
-"De geschiedenis van de drie Boschgeesten."
-
-Het was ten tijde, dat Karel de Groote over Holland regeerde. Het bosch
-van Drakenstein bestond toen ook al, maar was veel uitgestrekter. Nu
-zijn er groote stukken bosch verdwenen, maar in dien tijd was 't
-één en al woud. Je moet niet denken, dat er, net als nu, alleen
-maar wat vogeltjes en konijnen en een paar herten te vinden waren,
-neen, je had er nog wilde zwijnen, wolven, vossen en slangen in
-overvloed. Het kasteel Drakenstein bestond nog niet, maar wel was er
-op diezelfde plaats een hoeve, die bewoond werd door de gebroeders
-Wer en Ner. Dat waren zoogenaamde roofridders, die zelf niets bezaten
-en alleen leefden, van hetgeen zij anderen ontstalen------
-
-Opeens riep Flip: "Daar komt de veldwachter!"
-
-Inderdaad! daar kwam Bunze aan.
-
-De jongens waren teleurgesteld, maar Hans zei:
-
-"Zitten blijven, jongens. Ik vertel toch."
-
-"Wat voeren jullie hier uit?" vroeg Bunze op barschen toon.
-
-"Wij vertellen verhalen, mijnheer Bunze," zei Hans beleefd.
-
-"Zoo, vertel maar. Ik wil dat moois ook wel eens hooren."
-
-"Heel goed, mijnheer Bunze. Nou jongens, ik zei dan, dat de broeders
-Wer en Ner alleen van roof leefden, en de bewoners waren grootendeels
-heidenen, die er hun eigen goden op na hielden. Je weet wel, dat Wotan
-of Wodan een van die goden was. Toen nu de roofridders Wer en Ner niet
-ophielden met het uitrooven en uitplunderen van den geheelen omtrek,
-riepen de hier wonende volksstammen hunne goden aan en smeekten Wodan,
-hen te beveiligen tegen de woeste, onmeedoogende roofridders. Wodan
-verhoorde het smeeken der volksstammen en zond een reusachtige,
-vurige draak naar deze bosschen, die de broeders Wer en Ner zou
-verslinden. Maar inplaats dat de draak de roofridders verslond,
-begon het geweldige dier van honger heele bosschen achter elkaar te
-verslinden, vandaar de vele groote heideplekken in den omtrek. En als
-'t ware om den toestand nog erger te maken verscheen een nieuwe roover
-en brandstichter in deze streken, genaamd Rador. De broeders Wer en
-Ner bemerkten nu het gevaar, waarin zij verkeerden. Zij hadden nu
-twee machtige vijanden, Rador en de draak. De draak scheen ten slotte
-begrepen te hebben, dat hij hier niet was aangesteld als boomenhakker
-en boschontginner, maar om een einde te maken aan de geweldenarijen van
-Wer en Ner. Daarom ging de draak op zekeren dag naar de hoeve om de
-broeders te dooden. Het geweldige dier, dat boven de boomen uitstak,
-naderde met veel geweld en passeerde onderweg de grot, waarin Rador
-verblijf hield. Rador kwam naar buiten, om te zien, wat daar toch zulk
-een ontzaglijk gedruisch in het bosch veroorzaakte. Maar nauwelijks
-kwam hij buiten de grot of de draak sloeg hem met een geweldigen slag
-neer en verslond hem met huid en haar.
-
-"De broeders Wer en Ner hadden al meermalen gehoord van den
-ontzettenden draak, die hier in den omtrek verblijf hield. Nu
-zij hem echter op de hoeve zagen afkomen, verzamelden zij al hun
-krijgsknechten om zich heen en trokken het monster te gemoet. Wer
-en Ner gingen aan het hoofd van den troep, maar er was geen vechten
-tegen het reusachtige dier. Wer en Ner werden beiden door den draak
-doodgeslagen en verslonden. Vreemd genoeg liet het monster de overige
-mannen ongedeerd, die in de grootste ontsteltenis en verwarring naar
-alle zijden de vlucht namen.
-
-"Ook de hoeve van de roofridders werd door den draak, die vlammen
-braakte, totaal vernietigd en daarna heeft niemand ooit iets meer
-gezien, van het dier, dat Wodan op aarde gezonden had. Maar wel
-werd het bosch sinds dat oogenblik bewoond door drie geesten, de
-boschgeesten. Dat zijn de broeders Wer en Ner en Rador. Elken avond
-met de schemering komen zij uit de Grot te voorschijn en zoeken naar
-den draak, om zich op hem te wreken. Wie een van die geesten ontmoet,
-moet zeer voorzichtig zijn. Hem dreigt gevaar van alle kanten. Ziezoo,
-en dit is nu de geschiedenis van de drie boschgeesten."
-
-Ze vonden 't allemaal mooi en de veldwachter was er heelemaal van
-onder den indruk gekomen.
-
-"Is dat heusch waar?" vroeg hij aan Hans.
-
-"Beslist waar," zei Hans met een stalen gezicht. Maar de bengel
-vertelde er niet bij, dat hij met opzet het laatste deel van de
-geschiedenis er maar bij gemaakt had. De andere jongens begrepen dat
-wel, want Hans had hen een knipoogje gegeven.
-
-"Ik heb wel eens hooren vertellen van geesten, die in het bosch
-wonen," zei Bunze, "maar van deze heb ik nooit gehoord. Je kunt
-anders geheimzinnige geschiedenissen beleven in het bosch. Zoo kan
-het bijvoorbeeld 's avonds in de kapel leelijk spoken."
-
-"Och kom, Bui -- -- Bunze," versprak Flip zich.
-
-"Er bestaan immers geen spoken!" zei Rob.
-
-Maar Hans gaf Rob een knipoogje en zei:
-
-"Wat, bestaan er geen spoken? Je kunt er 's avonds genoeg zien,
-nietwaar Bunze?"
-
-"Nou, nou ... genòeg is wat erg... maar dàt ze bestaan ... is zoo
-zeker als dat mijn naam Bunze is!"
-
-"Willen wij morgen avond de drie boschgeesten eens gaan zien, jongens?"
-
-"Ja, ja, dat is goed."
-
-Bunze aarzelde even, hij was wat griezelig van die avonturen, maar
-ten laatste zei hij:
-
-"Wees maar voorzichtig, jongens. Met geesten valt niet te spotten. Ik
-zal er bij wezen om jullie te beschermen."
-
-"Ja, Bunze, doe dat!" zei Hans. "Dan behoeven wij ook niet bang te
-zijn. Wij komen morgen avond om acht uur bij de grot."
-
-"Goed, goed," hernam de dikke veldwachter, "en ik zal er zijn en mijn
-karabijn meebrengen. Men kan nooit weten."
-
-Daarop vertrok Bunze.
-
-Maar nauwelijks was hij uit de buurt, of de tien jongens rolden met
-de beenen omhoog over den grond van het lachen, knepen elkander in
-de beenen en trokken aan elkanders haren.
-
-"Zeg lui, is-die prachtig?"
-
-"O, die veldwachter Buik, ik lach me een pruik!" zei Flip.
-
-"Wat toevallig, dat-ie net 't verhaal hooren kon!"
-
-"Maar wat doen we morgen nou, Hans?"
-
-"Dat zal ik je vertellen! Luistert allemaal."
-
-En daarop zette hij zijn kameraden een plannetje uiteen, dat dienen
-moest om veldwachter Bunze een poets te bakken.
-
-Allen keurden het goed en niemand zou er iets van aan de anderen
-zeggen. En het mooiste was, dat ze allemaal wat te doen zouden hebben
-bij de uitvoering van het plannetje. Hans had dat zoo gewild, het
-zou voor allen veel leuker zijn. En wat een pret, om dien veldwachter
-Buikje, die altijd zoo voornaam en gewichtig en gewèldig deed alsof hij
-de Keizer van de Lage Vuursche was, een toontje lager te hooren zingen!
-
-
-
-Den volgenden avond om zeven uur al trok ons tiental, de drie jolige
-broers aan het hoofd, er op uit. Hans, Flip en Rob droegen ieder een
-pakje onder den arm, de andere jongens hadden de meest vreemdsoortige
-en uiteenloopende voorwerpen en muziekinstrumentjes bij zich. Een
-torpedo-fluitje en een klappertjes-pistool, een eind ijzeren ketting
-en een kinderrateltje, een paar blikken deksels en zelfs had een der
-jongens zijn viool meegenomen.
-
-Om half acht waren de jongens bij de grot.
-
-Hans gaf ieder der jongens een plaats tusschen struiken en
-boomen. Daarop reikte hij het pakje, dat hij onder den arm had,
-aan Albert de Hooge over en fluisterde hem nog een paar woorden
-toe. Toen ieder zijn plaats had en Albert in de Grot was gegaan,
-wandelde Hans wat op en neer en drukte allen nogmaals op het hart,
-zeer stil te zijn. Om acht uur werd het al aardig duister in het bosch,
-hoewel het op de heide nog vrij licht was.
-
-Hans wachtte, wachtte, en eindelijk zag hij Bunze aankomen.
-
-"Goeienavond, Bunze," riep Hans hem reeds op een afstand toe, zoo
-dat nu tevens alle samenzweerders wisten, dat de veldwachter er was.
-
-"Ben je maar alléén?" vroeg Bunze.
-
-"Ja, er was geen denken aan, dat de anderen méé mochten. Mijn vader
-wilde het niet hebben. Maar ik mocht wel eens gaan kijken naar de
-drie boschgeesten. Vader heeft mij echter gezegd, dat ik heel erg
-voorzichtig moest zijn. Als men maar niet omkijkt en steeds rechtdoor
-loopt, kunnen zij geen kwaad doen. Maar wanneer men omkijkt is men
-voor goed verloren. Dat zei Vader."
-
-Hans draaide zijn hoofd naar een anderen kant, terwijl hij dit zeide,
-want hij stikte haast van het lachen.
-
-"Zoo, heeft uw vader dat gezegd," zei Bunze. "Dan zullen wij ook op
-onze hoede zijn en niet omkijken."
-
-"Wàt er ook gebeure!" zei Hans.
-
-"Ja, wat er ook gebeure!"
-
-Zij stonden nu voor de grot.
-
-"Wil ik er eens ingaan?" vroeg Hans.
-
-"O, doe dat niet, Hans, doe dat niet!"
-
-"Och, waarom niet. Kijk eens, Bunze, je moet namelijk weten, ik geloof
-heelemaal niet aan spoken."
-
-"Ach Hans, hoe kan je zoo spreken," zei veldwachter Bunze, die door de
-raadgevingen van Hans' vader heelemaal van de wijs was gebracht. "Denk
-toch eens, wat je vader gezegd heeft."
-
-"Nu ja, ik zal ook wel voorzichtig zijn," antwoordde Hans en
-tegelijkertijd schoot hij de grot in. In een hoek daarvan zat Albert
-met een wit laken bij zich.
-
-"Sssst," fluisterde Hans, "hier is de electrische zaklantaarn, je
-weet er alles van."
-
-En Hans kwam er haastig weer uit.
-
-"Ik heb hooren zuchten!" zei hij tot den veldwachter.
-
-Deze keek in de pikdonkere grot, waar opeens een schitterend licht
-een witte gedaante bescheen.
-
-"De geest van Rador!" riep de veldwachter en ging al aan de haal. Bleek
-als een stukje kinderzeep vloog hij naar het dorp om daar aan zijn
-zuster en allen, die het hooren wilden, te vertellen, dat het bosch
-van Drakenstein vanavond weer wemelde van geesten en spoken, brrr...
-
-De jongens hadden het pistool, de viool en de verdere
-spookbenoodigdheden wel thuis kunnen laten. Hoeveel pret zij ook
-gehad hadden, zij vergaten, dat wie het laatste lacht, toch altijd
-nog het beste lacht, zooals we dat later zullen zien.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
-
-BRAM ALS LEERLING OP SPARRENHEIDE.
-
-
-Augustus brak aan met zijn vacantiedagen. Alle leerlingen gingen naar
-hunnen ouders en de familie Bergwoude bracht dien tijd te Scheveningen
-aan strand en zee door. Op twee September begonnen de lessen weer en
-den dag tevoren keerden bijna alle leerlingen weer terug en kwamen
-ook enkele nieuwelingen.
-
-Die niet meer terugkeerden, dat waren de oudsten, die alle klassen
-doorloopen hadden en degenen, die op Sparrenheide hersteld waren van
-hun vroegeren ziekelijken toestand en nu weer het gewone onderwijs
-in de stad konden volgen.
-
-Dien eersten September was het dan ook een voortdurend af en aanrijden
-van rijtuigen met koffers. Sommigen kwamen uit de richting Hilversum,
-anderen weer uit de richting Baarn of Utrecht.
-
-En allen werden door Mijnheer en Mevrouw Bergwoude van harte
-verwelkomd. O, instituut Sparrenheide had heelemaal niets van een
-gesticht of een kazerne, zooals zoovele kostscholen. Het was er
-maar een groote familiekring en daarom waren er ook nooit meer dan
-een dertig à vijf en dertig leerlingen. Mijnheer Bergwoude en zijn
-vrouw beschouwden zich als vader en moeder van de aan hun zorgen
-toevertrouwde jongens en meisjes en daarom werden de meeste maaltijden
-ook aan één tafel gebruikt. Door dien maatregel voelden de kinderen
-zich op Sparrenheide werkelijk thuis.
-
-Toen Bram dien dag naar het instituut vertrok, was hij toch wel
-eerst een beetje weemoedig gestemd. Hij was tot nog toe altijd bij
-zijn ouders in huis geweest, had er zijn eigen kamer gehad en was
-er door zijn lieve moeder verwend met al de talrijke lieve dingen,
-die een goede moeder voor haar eenigen jongen doet.
-
-Maar de ontvangst op Sparrenheide door het echtpaar Bergwoude en
-de drie jolige broers was zóó hartelijk, dat Bram het eigenlijk
-heelemaal niet meer verdrietig vond. Om hem te plezieren was er op
-de kamer van Hans, Flip en Rob een vierde ledikant gezet voor hem,
-zoodat hij als het ware heelemaal in het gezin werd opgenomen.
-
-Hij had een grooten koffer met allerlei snuisterijen van zijn kamer
-meegebracht, die de bewondering der broers wekten. Zij hielpen hem
-bij het uitpakken en daarbij bleek, dat Bram voor ieder een cadeautje
-had meegebracht.
-
-Hans kreeg een prachtig inktstel, Flip een juweel van een verfdoos
-en Rob een keurig plantenalbum.
-
-Zóó deed Bram zijn intocht op de jongenskamer, waar hij zóó door
-allerlei dingen in beslag genomen werd, dat hij geen tijd had om
-treurig te zijn over de verandering in zijn leven.
-
-Den volgenden morgen, waarop de lessen weer een aanvang zouden nemen,
-was Flip het eerste wakker.
-
-Hoewel het verplichte uur van opstaan pas om zeven uur was, waren
-Hans en Flip meestal een uur te voren al op de been.
-
-Rob niet. Rob stond geen minuut eerder op dan zeven uur, al gooiden
-ze twintig kopjes water op zijn hoofd.
-
-Maar met Bram was dat een ander geval.
-
-Flip trok den slapenden makker even aan den neus.
-
-"Hola, mijn roode broeder Arendsoog!" riep hij. "Het Groote licht staat
-al hoog aan den hemel! De Mohikanen wachten u, dapper opperhoofd. Zij
-hebben de strijdbijl opgegraven!"
-
-Bram knorde eens en deed loom de oogen open.
-
-"Wa ... wat kletsen jullie ... 'k heb zoo'n slaap."
-
-"De bleekgezichten bestormen de wigwams, zij hebben een verbond
-gesloten met de Comanchen," zei Hans.
-
-"M'n zorg," bromde Bram en draaide zich om.
-
-"Nee, om den drommel niet, Arendsoog!" zei Flip, "ben je heelemaal
-besuikerpeerd, zóó zijn we niet getrouwd! Och Hans en Rob helpen
-jullie eens even. We zullen het slaperige opperhoofd even met de
-dekens en al op het balcon leggen.
-
-De drie broers sjouwden Bram met dek en al naar buiten. Maar Bram trok
-zich daar bitter weinig van aan en sliep rustig door. Maar toen Hans
-en Flip een soort Indiaansche oorlogsdans om hem heen uitvoerden en
-hij bij die bewegingen nog al eens in aanraking met hun voeten kwam,
-werd het hem toch al te bar. Hij sprong ineens overeind en trok ze
-allebei op den grond, rolde langs het heele balcon met hen over den
-vloer en maakte een spektakel, dat alle deuren opengingen en de pas
-ontwaakte jongens met verbazing keken naar die gekke vertooning!
-
-Bram was onder die bedrijven geheel wakker geworden. Toen hij zich
-gewasschen en gekleed had, ging hij met Hans en Flip eens den tuin
-in. Daar liep ook een andere nieuweling, die Gerard Beker heette.
-
-Flip, de eeuwige clown, had dadelijk weer een nieuwe grap in 't hoofd.
-
-"Zeg," sprak hij tot Bram, "dat is ook een nieuwe jongen. Hij is
-stokdoof. Als je tegen hem praat, mag je wel hard schreeuwen."
-
-"Zoo," zei Bram, "ik zal er aan denken."
-
-Tien minuten later--Bram liep met Hans in 't aangrenzende bosch--zag
-Flip Gerard Beker op een andere plaats in den tuin.
-
-"Die nieuwe jongen van daarnet heet Bram Verhallen," zei hij, "als
-je tegen hem praat, mag je wel hard schreeuwen, want hij is stokdoof."
-
-En Flip verdween, maakte een omweg en zorgde, dat Bram weer in de
-buurt van Gerard kwam. Daarop ging hij met Hans weg, doch zorgde wel,
-in de buurt te blijven.
-
-Bram keek Gerard eens aan en glimlachte.
-
-Gerard glimlachte uit beleefdheid terug.
-
-"Goeienmorgen!!!" schreeuwde Bram, "heb je goed geslapen!!!"
-
-"Jáááá!!" gilde Gerard terug. "Jij óóóóók??!!"
-
-Achter een denneboschje knepen Hans en Flip zich de neuzen dicht van
-het lachen.
-
-"Ik heet Verhallen!!" brulde Bram weer, die verbaasd was, dat de
-ander zoo schreeuwde.
-
-"En ik heet Bééééker!!!" loeide Gerard, die 't evenmin snapte, waarom
-Bram ook zoo hard riep.
-
-"Je hoeft niet zoo hard te schreeuwen!!" gilde Bram.
-
-"Jij ook niet! Ik ben niet dóóf!!!"
-
-Toen was er aan beide kanten enorme verbazing.
-
-"Die is goed!" zei Bram op gewonen toon. "Ik dacht, dat je stokdoof
-was!"
-
-"Ben jij het dan niet?" vroeg Gerard.
-
-"Net zoo min als jij," zei Bram. "Dat heeft Flip ons gelapt! Ik zal
-het hem betaald zetten!"
-
-Daar kwam Bosman, de oude, doove huisknecht.
-
-"Hebben de jongeheeren al ontbeten?" vroeg hij.
-
-"Neen," antwoordde Gerard, "waar moeten wij zijn?"
-
-"Wijn? Neen, u krijgt geen wijn," zei Bosman, die natuurlijk weer
-verkeerd had verstaan.
-
-"Dat zeg ik niet," lachte Gerard, "ik vraag, wáár moeten wij zijn?"
-
-"Foei, ben ik een zwijn? Mag u dat zeggen?"
-
-"Die schijnt ook al doof te zijn," sprak Gerard tot Bram.
-
-Bram lachte.
-
-"Ja, maar Bosman is het heusch! Kom maar mee, ik weet hier den
-weg wel."
-
-In de eetzaal zag het er gezellig uit. Er waren twee tafels. Eén
-voor de meisjes, één voor de jongens. Daar tusschen in de heer en
-mevrouw Bergwoude.
-
-Mijnheer Bergwoude verwelkomde de leerlingen op dezen eersten morgen
-van den nieuwen cursus. In het bijzonder de nieuwelingen. Hij hoopte,
-dat zij spoedig zich op Sparrenheide zouden thuisvoelen. En het beste
-middel daartoe was, om in de eerste plaats zooveel mogelijk te eten
-en altijd een prettig gezicht te zetten. De rest kwam vanzelf wel.
-
-Na het ontbijt nog even rondwandelen en om negen uur begon de school.
-
-Bram kwam in dezelfde klasse van Hans. Zij kwamen naast elkander
-te zitten.
-
-En dadelijk al bemerkte Bram, dat het leeren hier veel lichter
-en gemakkelijker ging dan op zijn vorige school. Het ging wel
-heel langzaam, maar hij begreep alles veel beter en dat vond
-hij prettig. De les duurde tot 11 uur en toen gingen ze een uur
-in het bosch spelen. Van 12-1 was er weer les en daarna werd het
-middagmaal gebruikt. Wie er lust in had, mocht ook om 11 uur in het
-pauze-uurtje iets gebruiken. Toen het eten was afgeloopen, werd er
-tot 3 uur liggend gerust. Bram kreeg een hangmat en bond die aan twee
-boomen. Dat rustuurtje vond hij heerlijk en hij sliep, eer hij het
-wist. Dat kwam van de boschlucht.
-
-En na dat slaapje, dat tot 3 uur duurde, kwam er iets aardigs. Bram
-werd ingedeeld bij een clubje jongens, die handenarbeid gingen doen,
-en wel het leeren timmeren van houten voorwerpen.
-
-Meester Hooghuizen was in het slöjdwerk zeer bedreven. In de zaal,
-waar de jongens timmeren konden, waren tal van aardige dingen
-tentoongesteld, die de leerlingen vroeger al hadden gemaakt.
-
-Dat was iets nieuws voor Bram. Hij vond het zeer prettig en deed zijn
-best, alles goed te onthouden. En wat de leerlingen vervaardigden,
-mochten zij zelf behouden of het aan hunne ouders sturen.
-
-Dat timmerwerk duurde ook al weer een uur en daarna ging het groepje
-in den tuin werken.
-
-Wéér iets nieuws voor Bram, thuis had hij altijd met veel genoegen in
-den tuin gewandeld of gezeten, maar die werd steeds in orde gehouden
-door een vasten tuinman, en Bram had nog nooit een boompje geplant
-of een zaadje uitgestrooid.
-
-Nu hij dat zelf allemaal doen mocht, vond hij het plantenrijk nog
-veel aardiger en leerde hij de boomen en de bloemen liefhebben en ze
-verzorgen als hulpbehoevende kindertjes.
-
-Na den tuinarbeid mocht hij wat gaan lezen in een boek, dat mijnheer
-Bergwoude hem gaf. En als huiswerk had hij op zijn kamer twee sommen
-te maken. Dat was alles.
-
-Om zeven uur werd het avondeten gebruikt. Vroeger at men het
-middagmaal om zes uur, maar met den nieuwen cursus had de directeur
-daarin verandering gebracht. Men at om 1 uur en om 7 uur werd de
-avondboterham gebruikt. Evenals in de morgenrust konden de leerlingen
-ook tusschen 3-5 uur iets gebruiken, als zij daar trek in hadden,
-wat bij de meesten dan ook steeds het geval was.
-
-Om acht uur kwamen ze buiten het huis in den tuin bijeen voor het
-gewone verteluurtje. Meester Hooghuizen begon dien avond met een
-prachtige vertelling.
-
-En toen Bram na dien eersten kostschooldag in bed stapte, moest hij
-erkennen, dat alles even prettig was geweest. De schoolles zoowel
-als de handenarbeid en het tuinwerk, de gezellige maaltijden, en het
-heerlijke verteluurtje! En met het heerlijke, rustige gevoel, dat
-hij nu eens niet zoo zenuwachtig-hard behoefde te blokken, maar toch
-kalm voortleeren kon, sliep hij in met een glimlach van tevredenheid
-om den mond.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-ZESTIENDE HOOFDSTUK.
-
-WAT HANS VAN PLAN WAS.
-
-
-Bram ontwaakte den tweeden morgen veel vroeger nog dan Hans en
-Flip. Nadat hij zich gewasschen en gekleed had, ging hij een brief
-aan zijn ouders schrijven.
-
-Deze luidde aldus:
-
-
- Instituut Sparrenheide
-
- 3 September 19..
-
- Lieve Vader en Moeder,
-
- Ofschoon ik pas twee dagen hier ben, kan ik toch niet nalaten
- U beiden eens even te vertellen, hoe prettig ik het hier
- vind. Iedereen is even aardig en vriendelijk voor mij en de
- eerste werkdag is voor mij een plezierdag geweest. Wel is er nog
- veel nieuw voor me en ongewoon, maar het zal wel gauw wennen. Ik
- ben op dezelfde kamer met Hans, Flip en Rob en terwijl ik dit
- schrijf liggen zij alle drie nog te snurken. Ik mis U beiden
- wel en telkens verlang ik toch zoo naar U, maar ik kom elken
- Zondag naar U toe en zoo zie ik U toch elke week. Je leert hier
- zoo van alles en dat is heel prettig. Gisteren heb ik les gehad
- in timmeren en ook hebben we tuinarbeid gehad. Op het oogenblik
- weet ik niet meer. Nu dag beste vader, dag lieve moeder, ik hoop
- U Zondag veel te kunnen vertellen.
-
- Weest hartelijk gegroet van Uw éénen jongen
-
- Bram.
-
-
-Toen de brief klaar was, deed Bram hem in een enveloppe en schreef
-het adres er op. Daarna ging hij den tuin eens in. Hij hoorde, dat
-iemand aan het harken was. Dat zou wel een tuinman zijn en hij besloot,
-eens een praatje met hem te maken.
-
-Het was echter geen man, maar een jongen.
-
-Bram wist eerst niet, wie zijn oogen daar zagen!
-
-En toch--het wàs zoo!
-
-Barend van de Lage Vuursche!
-
-Nu keek ook deze op.
-
-De twee jongens zagen elkander een oogenblik aan. Bram had er niet
-eens meer aan gedacht, dat hij Barend hier zou ontmoeten.
-
-"Dag Barend," zei Bram, toen hij wat over zijn eerste verbazing
-heen was.
-
-"Dag ... Bram."
-
-Ze waren verlegen met elkander.
-
-"Ben je ... ben je aan 't harken?" vroeg Bram nogal onnoozel.
-
-"Ja."
-
-"Bevalt het je hier goed?"
-
-"O ja ... ik ... ik woon bij moeder Vorstman."
-
-"Dat heb ik gehoord. Willen we vrienden wezen, Barend?"
-
-De tuinmansjongen keek Bram eerst ongeloovig aan, toen stak hij beide
-handen uit en zei: "Graag!"
-
-Daarop vertelde Barend, dat mijnheer Bergwoude hem nu les gaf en dat
-hij landbouwkundige wou worden. Bram vond hem een flinken vent en
-zei, dat-ie maar goed op moest passen. Toen kwamen daar juist Hans
-en Flip aan.
-
-"Je moet bepaald eens op de Vuursche komen," zei Barend tot Hans. "De
-veldwachter heeft het al wekenlang over je."
-
-"Over mij?" vroeg Hans verbaasd.
-
-Hij wist niet, dat hij iets met Bunze aan den stok had.
-
-"Ja," vervolgde Barend. "En dan vertelt-ie van boschgeesten bij
-Drakenstein en zegt, dat je ze ook gezien en gehoord hebt."
-
-Nu begon Hans hartelijk te lachen.
-
-"Die domme Bunze!" riep hij vroolijk uit. "O, o, wat laat die man
-zich toch beetnemen!"
-
-"Is dat niet veldwachter Buikje?" vroeg Bram. "Ik heb hem tenminste
-zoo wel eens hooren noemen."
-
-"Ja," zei Hans, "het is een type." En hij vertelde Bram de avonturen
-van Bunze en de boschgeesten.
-
-"Bunze is buitengewoon bijgeloovig," besloot hij "en vooral oude
-legenden en vertellingen kun je hem wijsmaken, zoo gek als je ze zelf
-maar verzinnen kunt. Hij is een geweldige dienstdoener. Maar zeg eens,
-Barend, wat vertelt Buikje toch van me?"
-
-"O," zei Barend, "het is om je ziek te lachen. In het bosch zijn drie
-geesten, zegt hij, de geesten van drie roofridders, die in de Grot
-wonen. Hij heeft ze zelf gezien toen hij met je in het bosch was. En
-hij vertelt dat aan iedereen en als je in 't dorp komt, zal hij je
-tot getuige nemen."
-
-"En gelooven de menschen dat?"
-
-"Niet allemaal. Maar de meesten wel. Ik lach er om. Bunze moet trouwens
-heelemaal niets van mij hebben. Hij is mijn vriend niet en ik wou,
-dat de burgemeester een ander nam. Hij behandelt mij nog precies
-eender als vroeger en spreekt tot iedereen kwaad van me."
-
-"Ik zou ook wel eens zoo'n grap willen bijwonen," zei Bram. "Maar
-zijn jullie niet bang, het is toch een veldwachter?"
-
-"Och kom," zei Hans, "het is volstrekt geen kwade kerel, al kijkt
-hij wat leelijk. Maar ik kan 't nou eenmaal niet laten, om hem af
-en toe eens te plagen. En dat kwaadspreken van Barend zullen wij hem
-wel eens afleeren."
-
-"Hoe wou je dat doen?"
-
-"Dat is mijn geheim. Vanavond zal het gebeuren. Heb je zin om mee te
-gaan, Bram?"
-
-"Asjeblieft, wàt graag!"
-
-"Goed, afgesproken. Ik zal aan Vader vragen, of we een half uurtje
-later mogen thuiskomen. Stil, daar heb je de andere jongens. Niets
-zeggen, hoor!"
-
-Dien middag sprong Hans op de fiets en reed naar het dorp. Hij
-wilde Bunze wel eens spreken. Maar de veldwachter was daar niet,
-deed waarschijnlijk een rondwandeling door zijn bosschen.
-
-Daarom nam Hans de fiets bij de hand en kuierde er het bosch mee
-in. Het duurde niet lang of hij bemerkte Bunze op eenigen afstand. Hij
-sprak hardop tot zichzelf en scheen nogal opgewonden.
-
-Daar vloog Hans een klein vliegje in den neus en "Hatsjie!!!" niesde
-hij opeens.
-
-Veldwachter Bunze vloog overeind.
-
-"Alle duivels, wie waagt het ... O Hans, ben jij het! Wat laat je
-mij schrikken!"
-
-"Goeienmiddag, mijnheer Bunze," zei Hans lachend, "ik ..."
-
-"Hoor eens Hans," zei de veldwachter. "Laat dat, "mijnheer" nu maar
-weg. Dat behoef jij niet tegen mij te zeggen."
-
-"O, erg prettig, dank-je wel," zei Hans. "Maar ik moest je even
-spreken, Bunze. Laten wij hier even gaan zitten."
-
-De veldwachter stelde onbepaald vertrouwen in Hans, die zooveel wist
-van oude geschiedenissen van het slot.
-
-"De geest van Rador is bij mij geweest," zei Hans ernstig.
-
-Bunze zette groote oogen op.
-
-"Gisteravond acht uur zat ik in een stil hoekje van den tuin,"
-fantaseerde Hans, en onder het vertellen kreeg hij een prachtig
-idee voor zijn plan, "toen ik opeens een witte gedaante op mij af
-zag komen. Ik schrikte eerst wel een beetje, maar toen hoorde ik een
-stem: "Wees niet bang, jongmensch, ik ben Rador, de roofridder." Je
-begrijpt, Bunze, hoe interessant ik dat vond en ik zeide: "Goed, ik
-zal niet bang zijn." "Luister dan," zei de geest. "Ga morgenmiddag naar
-veldwachter Bunze van de Lage Vuursche en zeg, dat hij mijn vriend is.""
-
-"Zei de geest dat?" vroeg Bunze aangenaam gestreeld.
-
-"Ja, dat zei hij. "Veldwachter Bunze is mijn vriend," sprak hij
-verder. "Ik zal hem gelukkig maken, maar hij moet precies doen, wat ik
-hem gebieden zal. Ik weet, dat hij graag burgemeester wil worden. Goed,
-zeg hem, dat hij dit worden zal, als hij mij gehoorzaamt." Luister,
-Bunze. Toen zei de geest van Rador: "zeg aan veldwachter Bui--Bunze,
-dat hij vanavond om acht uur moet zijn vóór het huis van de weduwe
-Vorstman. Daar mag hij mij roepen.""
-
-"En--en hoe zal ik hem roepen?" vroeg Bunze, die het begon te gelooven.
-
-"Ja, dat is juist het moeilijke," zei Hans, "dat is zoo heel
-gemakkelijk niet. Kunt gij hard schreeuwen, Bunze?"
-
-"Dat zal wel gaan, denk ik."
-
-"Mooi, dan moet ge zoo hard mogelijk roepen: "Geest van ridder Rador,
-hier ben ik!"
-
-Hans bleef nog eenigen tijd met Bunze praten en maakte hem allerlei
-onzinnige boschverhalen wijs, die de veldwachter volstrekt niet in
-twijfel trok, integendeel, hij vond ze zeer mooi en vertelde aan Hans,
-dat hij "spiritus" was.
-
-"Spiritist zal je bedoelen," zei Hans lachend.
-
-"Ja juist."
-
-Kort daarna stapte Hans verder. Hij drukte den veldwachter op het hart,
-toch vooral op tijd te zijn en zich stipt aan de order van den geest
-van ridder Rador te houden.
-
-Buiten het bosch stapte Hans op de fiets en reed naar vrouw Vorstman,
-die op een bank vóór haar huisje te breien zat. Na de eerste begroeting
-vertelde Hans haar, welke grap hij met den veldwachter wilde hebben.
-
-"Kijk eens hier, vrouw Vorstman," sprak hij, "Barend past tegenwoordig
-uitstekend op, nietwaar, hij doet goed zijn best. Maar Bunze beschouwt
-hem nog altijd als den wilden ondeugenden boschjongen, die tot niets
-goeds in staat is en alleen maar allerlei kattekwaad uithaalt."
-
-"Daar weet ik van mee te praten," zei vrouw Vorstman. "Bunze komt
-zoo af en toe wel eens hier, maar hij heeft nooit een goed woord voor
-Barend. Altijd schelden en razen op hem. En hem verwijten, dat zijn
-vader in de gevangenis zit. Daar doet Bunze heel leelijk aan."
-
-"Juist," zei Hans, "en dat willen wij hem nu eens afleeren."
-
-"Nu moet ge met Barend alvast maar eens aan de menschen gaan zeggen,
-wat er vanavond gebeurt. Maar zeg er bij, dat ze vooral stil moeten
-zijn en zich moeten houden, alsof ze ook gelooven dat het allemaal
-waar is. Ik speel voor den geest van Rador en kruip op uw vliering
-voor het raampje, vrouw Vorstman. Ge zult er wat van beleven!"
-
-"Och och," lachte vrouw Vorstman, "hoe is het toch mogelijk, dat zoo'n
-groote kerel zich zóó laat beetnemen. En gelooft hij dat nu allemaal?"
-
-"Of hij het gelooft?" riep Hans uit. "Zeg hem maar niet, dat het maar
-onzin is, want hij vindt het zelf veel te mooi om het niet als wáár
-en echt aan te nemen. Maar denk er om, vrouw Vorstman, dat ge zelf
-óók doet, of het zoo is. Ge moet voor vanavond ook maar eens aan de
-boschgeesten gelooven."
-
-"Ik zal mijn best doen," zei het vrouwtje. "Ik ben toch benieuwd,
-hoe dit afloopt, jongeheer Hans. Pas maar op, dat Bunze jullie toch
-niet te slim af is."
-
-"O, dat zullen we wel zien."
-
-Daarop nam Hans afscheid van vrouw Vorstman en peddelde naar
-Sparrenheide terug, om er Bram verder met zijn plannen op de hoogte
-te stellen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
-
-HANS GRAAFT EEN KUIL VOOR BUNZE, DOCH VALT ER ZELF IN.
-
-
-Dien avond gingen vijf jongens van Sparrenheide naar het dorp. Het
-waren Hans, Flip, Rob, Bram en Barend.
-
-Hans installeerde zich op de vliering bij het dakraampje, dat aan
-den voorkant van het huis was. Hij scharrelde daar wat ouden rommel
-op, onder andere een stuk kachelpijp, wat losse turven en wat oude
-aardappelen en legde dat alles bij elkaar onder het raampje. Hij
-plaatste zich nu zóó, dat hij goed kon zien, wat er buiten voorviel,
-maar dat van buiten af niemand hem zien kon. Daarna gaf hij Bram,
-die met Flip en Rob in de buurt bleef en ook het zijne er toe moest
-bijdragen om de grap zoo goed mogelijk te doen slagen, nog eenige
-aanwijzingen. De buren, die wel zoo iets gehoord hadden van wat er
-gebeuren zou, zaten voor de deuren hunner woningen en lachten al
-bij voorbaat.
-
-Het werd acht uur, vijf, ... tien minuten over achten, maar wie ten
-tooneele verscheen, de veldwachter niet.
-
-Zou hij niet komen?
-
-Kwart over acht ... de menschen werden ongeduldig en de jongens
-dachten reeds, dat Bunze inmiddels wijzer geworden was ... daar kwam
-de veldwachter eindelijk aan!
-
-Ieder hield zich van den domme en deed, of er niets bijzonders op
-til was.
-
-
-
-Toen veldwachter Bunze op het punt stond, zijn woning te verlaten,
-passeerde daar juist meester Hooghuizen.
-
-Meester Hooghuizen was dien avond na het eten het bosch in
-gewandeld. Hij hield veel van de bosschen en bracht er zijn
-meeste vrije uren door om er te wandelen of te lezen. Soms ging
-hij in gezelschap van een paar jongens. Dan luisterde hij naar hun
-gesprekken en deed vaak met hen de dolste spelletjes. De jongens
-hielden dan ook veel van hem, hij was meer hun groote vertrouwde
-vriend dan hun meester. Dat wil nu ook weer volstrekt niet zeggen,
-dat zij daarom maar alles met hem konden doen, wat zij wilden. Wel
-hield meester Hooghuizen van een grapje, maar het mocht niet te
-ver gaan. De jongens kwamen bij hem met al hun groote en kleine
-geheimpjes en verdrietjes, en hij wist hen altijd troost te brengen
-of hun zaken in orde te maken. En dezen avond zou hem die vriendschap
-voor de jongens uitstekend van pas komen. De heer Hooghuizen liep even
-het huisje van den veldwachter binnen en keek niet weinig verbaasd,
-toen hij Bunze in groot tenue gereed zag om uit te gaan.
-
-"Wat nu, Bunze, feest vanavond?"
-
-"Neen meester, ik ga naar ... ik zal maar zeggen naar ridder Rador."
-
-De zuster van Bunze, een bejaarde, maar zeer verstandige vrouw,
-begon te lachen.
-
-Meester Hooghuizen was een en al verbazing.
-
-"Ridder Rador?" vroeg hij. "Waar woont-die?"
-
-Bunze's zuster tikte op haar voorhoofd.
-
-"Rador behoort bij de boschgeesten," zei Bunze, "weet u dat dan niet?"
-
-"Hoor eens Bunze," zei de onderwijzer, "ik ben een eekhoorn als
-ik er wat van begrijp. Wie is ridder Rador? En wat praat je toch
-van geesten?"
-
-"U hebt toch wel eens gehoord van de drie geesten uit het bosch van
-Drakenstein?"
-
-"Neen, nooit. Zijn die daar misschien pas losgelaten?"
-
-"Losgelaten? Het zijn geen wilde beesten!" zei Bunze.
-
-Meester Hooghuizen lachte, zoowel om den veldwachter als om diens
-zuster, want die wees weer met den vinger op haar voorhoofd en zei:
-
-"Waarachtig waar, meneer Hooghuizen, als je niet beter wist, zou je
-zeggen, dat mijn broer niet wijs was. Zeg ù nou eens, meneer, is dat
-nou geen onzin met die geesten in 't bosch? Eerst hebben we dat grappie
-'n week of wat geleden gehad. Toen had-ie de boschgeesten gezien!"
-
-"Ach jij," mopperde Bunze, die het niet velen kon, dat zijn zuster
-hem nog als een stoute jongen beknorde.
-
-Meester Hooghuizen verkneuterde zich in 't geval en had pret voor zes.
-
-"Nou afijn," vervolgde juffrouw Bunze, "stel u nou voor, meneer,
-dat-ie vanavond z'n Zondagsche uniform aangedaan heeft en z'n witte
-handschoenen! Ik zeg, waar moet dat heen? Naar de boschgeesten,
-zeit-ie, want die zullen vanavond verschijnen."
-
-"Maar wat moet er dan toch gebeuren?"
-
-"Laat mij nu verder vertellen, Mie," zei Bunze, "want daar weet jij
-niks van. Nou dan, meneer, Hans had me gezegd, dat de geest van Ridder
-Rador me moest spreken."
-
-Meester Hooghuizen nam gauw zijn zakdoek en begon zijn neus te snuiten,
-maar in werkelijkheid wist hij geen raad van het lachen. Hij begreep
-direct, dat Hans hier weer aardig aan den gang was geweest.
-
-En daarop verhaalde Bunze, wat er voor het huisje van vrouw Vorstman
-moest gebeuren.
-
-"Nou, daar heit u nou 't heele paskwil," lachte zus Mie, "is dat nou
-niet treurig, meneer, dat die man dat nou allemaal gelooft? Die Hans
-heit je te pakken gehad, broer. En leelijk ook."
-
-De meester vond het een onbetaalbare grap, doch vond tevens, dat het
-nu genoeg was en hij er maar eens een einde aan moest maken.
-
-"Hoor eens, Bunze," sprak hij, "die Hans is een geduchte grappenmaker."
-
-"Maar ..."
-
-"Heb je vroeger wel eens boschgeesten gezien?"
-
-"Neen .... gezien niet, maar daarom bestonden zij toch wel!"
-
-"Heelemaal niet. En hoe heb je ze 't eerste gezien? Wie heeft je
-verteld, dat ze te zien waren?"
-
-"Wel, Hans. Die zat aan een groepje jongens een verhaal te vertellen
-van de broeders Wer en Ner en den roofridder Rador die door een draak
-verslonden werd."
-
-"Onzin. De broeders Wer en Ner zullen wel bestaan hebben, vandaar dat
-je hier nog de Wernershoeve hebt. Maar dat van dien draak en ridder
-Rador zal wel jongensverzinsel zijn. Trouwens, ik heb indertijd van
-die grap gehoord, maar ik dacht niet, Bunze, dat je zóó vreeselijk
-bijgeloovig zoudt zijn, om al die dwaasheid te gelooven!"
-
-De veldwachter zag zijn geloof in de boschgeesten als een ruïne
-in puin vallen en zijn verbazing daarover maakte al spoedig plaats
-voor woede. Wat, die kwajongens durfden hem zóó belachelijk maken,
-zóó bespotten? Neen maar, hij zou ze dat eens afleeren!
-
-"Luister nu eens, Bunze," vervolgde de onderwijzer "nu gaan we samen
-naar 't huisje van vrouw Vorstman. Jij doet alsof je nog alles gelooft
-en ik volg op een afstand."
-
-En toen fluisterde meester Hooghuizen den veldwachter nog iets in
-het oor, waarop de laatste grinnikte en in de handen wreef.
-
-
-
-De nieuwsgierige dorpsbewoners zeiden niets, toen de veldwachter
-naderde. Deze deed, alsof hij de buren en de jongens niet zag, wendde
-zijn gezicht naar het zoldervenster en riep:
-
-"Geest van Ridder Rador! Hier ben ik! Spreek tot mij!"
-
-Geen antwoord.
-
-De buren vermaakten zich al kostelijk.
-
-"Roep nog eens," zei Bram, die naast den veldwachter was gaan staan.
-
-"Geest van ridder Rador! Spreek tot mij!" herhaalde Bunze.
-
-Toen klonk daar opeens een holle stem vanuit de hoogte:
-
-"Zijt gij daar, veldwachter Bunze?"
-
-"Ja, hier ben ik!"
-
-"Waarom zwaait gij niet met de pet? Zwaai!"
-
-Bunze gehoorzaamde, maar al zwaaiende gaf hij Bram zulk een geweldigen
-oorvijg, dat de jongen verschrikt achteruit vloog.
-
-Nu gierden de buren het uit, en Bunze zelf had wel de meeste pret.
-
-De veldwachter zei nu op zachten toon tot de omstanders, dat hij den
-geest eens te voorschijn zou halen en daarop holde hij tot groote
-verbazing der omstanders het huisje in en de trap op.
-
-Hans, die bij 't zolderraam, gewapend met een oude kachelpijp, een
-raagbol en een wit laken voor geest speelde, begreep niet, wie daar
-zoo haastig naar boven kwam.
-
-Een oogenblik later voelde hij zich bij den kraag gevat en met
-krachtigen hand meegevoerd.
-
-"Hou op, laat los!" riep hij. "Wie ben je?"
-
-"Ik ben de geest van ridder Rador!" bromde Bunze met veranderde
-stem. "Ik zal je leeren mij te bespotten!" Onwillekeurig huiverde
-Hans, ofschoon hij zelf niet aan spoken geloofde.
-
-Van schrik kon hij niet meer spreken. Maar beneden ontdekte hij,
-wie op zijn beurt voor geestenridder speelde.
-
-Toen Bunze met Hans naar buiten kwam, en hem daar "van dik hout zaagt
-men planken" gaf, ging er een luid spotgelach op. Maar dat was niet
-om den veldwachter, maar om 't verschrikte, bleeke gezicht van Hans.
-
-En wie het luidst lachte, dat was meester Hooghuizen.
-
-
-
-De grap was mislukt en dat was maar goed ook, want Hans had vergeten,
-dat Bunze toch in elk geval de veldwachter was en ook.... dat men
-zorgen moet, bij 't graven van een kuil voor een ander, er zelf niet
-in te vallen!
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
-
-VAN SCHOONE BLOUSES, EEN TAKKEBOS EN EEN VERDWAALD MEISJE.
-
-
-Het onderwijs op Instituut Sparrenheide ging intusschen weer z'n
-dagelijkschen gang en vooral de nieuwe leerlingen ondervonden er
-den weldadigen invloed van. Zoolang Bram bijvoorbeeld hier was,
-had hij nog geen hoofdpijn gehad. Het werk, dat hij te doen kreeg,
-was heelemaal berekend naar zijn krachten en daarom behoefde hij er
-zijn hoofd niet mee te breken. Vooral ook in den handen- en huisarbeid
-had hij veel lust en zoo leidde hij hier een geheel nieuw leven. Hans,
-Flip en Rob waren zijn beste vrienden en hij leefde geheel en al met
-hen mee. Bram had al wat gelachen om de grappen van Hans en Flip,
-en om het eigenaardige karakter van Rob.
-
-Die Rob, wat was hij slordig! Zijn moeder zorgde, dat hij iederen dag
-een schoone blouse kon aantrekken en dat was wel noodig ook, want
-omdat Rob altijd naar kevers, vlinders en planten zocht en daarbij
-in het geheel zijn kleeren niet ontzag, was hij dan ook elken avond
-ontoonbaar.
-
-Op zekeren dag was hij juist met een schoone, gestreepte blouse naar
-buiten gegaan.
-
-Het had heel den nacht geregend en de grond was overal nog nat.
-
-De bladeren begonnen hier en daar al te vallen, teeken van den
-naderenden herfst.
-
-In een der boomen ontdekte Rob toevallig een geweldig groot web.
-
-Het was gespannen tusschen twee verwijderde takken.
-
-Waar zoo'n reuzenweb is, dacht Rob, is ook een reuzenspin. En dié
-moet ik hebben voor mijn verzameling.
-
-Maar de takken waren nog vrij hoog, zoodat Rob klimmen moest. Zonder
-zich te bedenken omklemde hij den natten stam van den boom en klom
-naar boven.
-
-Langzaam naderde hij het reuzenweb.
-
-Toen hij er was, haalde hij een glazen vangbuisje uit den zak en
-hield dat in de eene hand.
-
-Hij wachtte even en keek naar de bladeren.
-
-Daar liep een langpoot-mug over een bladsteel. Rob pakte het insect
-en zette het in het web, waar het wild aan de draden rukte, die
-het vasthielden.
-
-Als een havik op zijn prooi schoot een geweldige grijze spin uit haar
-schuilhoek te voorschijn. Maar op zijn beurt was Rob op zijn post,
-met een pijlsnelle beweging schepte hij als 't ware de spin uit haar
-web in de glazen vangbuis op, waar zij niet ontsnappen kon.
-
-Daarop liet Rob zich weer langs den stam naar beneden glijden en
-spoedde zich naar huis.
-
-"Maar jongen!" riep mevrouw Bergwoude verschrikt uit, toen zij Rob
-van uit de tuinkamer zag.
-
-"Wel moeder, wat is er dan?"
-
-"Wat er is, vraagt hij! Kind, kijk je er eens uitzien! Het is meer
-dan schande!"
-
-Nu pas kwam Rob tot de ontdekking, hoe hij op jacht naar de reuzenspin
-zijn blouse had toegetakeld! Die was van den boomstam totaal groen
-geworden!
-
-Och och, wat was Moeder boos. Want toevallig moesten Rob's overige
-blouses dien dag gewasschen worden. Ja, er was er nog wel een,
-maar die was eigenlijk voor den Zondag! Het was een splinternieuwe,
-spierwitte matrozenkiel. Ten einde raad liet zijn moeder hem dien
-in vredesnaam maar aandoen, en Rob beloofde, dat hij er dien dag
-vrééselijk voorzichtig mee zou zijn.
-
-Na het ontbijt ging Rob, piekfijn in het wit, den weg eens op en
-neer. Hij floot een deuntje en keek naar een roodborstje, dat tusschen
-de struiken hipte. De zon brak door een grauwe nevel heen en zette
-den omtrek weer in goudschijn.
-
-Daar kwam een stokoud moedertje aan. Rob kende haar wel, zij woonde in
-een klein hutje, even buiten het bosch. Het was een oude stakker. Ze
-sjouwde een grooten takkebos op haar gekromden rug en hijgde van
-inspanning.
-
-Rob had een medelijdend hart. Hij had deernis met het oude, ploeterende
-tobbertje en sprak haar aan. "Dag moedertje. Een heele vracht hè?"
-
-"Ja jongeheer. Een heele vracht. Vooral wanneer je tachtig jaar bent."
-
-"Tachtig jaar? Asjeblieft. Ik ben twaalf."
-
-"Twaalf is jong. U ziet er goed uit."
-
-"Ja," zei Rob. "En ik ben erg sterk. Ik kan dien takkebos veel gauwer
-naar je huis dragen."
-
-"Och.... doet U dat maar niet, jongeheer."
-
-"Waarom, niet? 't Is voor een kip, hoor. Kijk, zóó op mijn rug. Eén
-... twee ... hoepla! Vooruit met de geit, moedertje!"
-
-Nu kon het oudje ook vlugger vooruitkomen en het duurde niet lang,
-of het huisje was bereikt.
-
-"Nou, u wordt wel bedankt, hoor."
-
-"Geen dank," zei Rob, "'t is de moeite niet waard."
-
-"Maar nou wil ik toch, dat u een kopje koffie met mij drinkt."
-
-Rob, gemoedelijk als altijd, zei:
-
-"Nou, dat wil ik wel doen."
-
-Hij ging zitten en 't vrouwtje, dat de koffie al lang had opstaan,
-schonk er hem een groote kom van vol, zonder suiker en met 'n
-scheutje melk.
-
-Rob nam de kom, die niet zoo bijzonder warm was, in de handen en
-proefde de koffie.
-
-Groote genadigheid, was dat koffie? Loop rond, slootwater was
-het. Moest hij dàt uitdrinken? Neen hoor, voor geen geld.
-
-Opeens liet hij de kom tusschen zijn knieën door op den grond vallen
-en schreeuwde:
-
-"Au! Wat is die koffie heet!"
-
-De kom viel in stukken op het leemen vloertje en verschrikt liet Rob
-erop volgen:
-
-"O... wat een ongeluk! Neemt u mij niet kwalijk, hoor. Ik hoef geen
-koffie te hebben! Ik zal u den kom wel betalen." En hij legde vijf
-centen op de tafel neer.
-
-"Maar jongeheer, dat is niet noodig!" zei het oudje. "Daar koop ik
-twee kommen voor!"
-
-"Goed, koop er dan twee," zei Rob, "maar nu moet ik heusch terug."
-
-En hij wendde zich naar de deur.
-
-Maar opeens liet het vrouwtje een verschrikten kreet hooren!
-
-"O jongeheer! Uw witte kiel! Heelemaal zwart op uw rug!"
-
-O jee, dacht Rob, dat komt van den takkebos! Daar had ik heelemaal
-niet aan gedacht!
-
-"Och, och wat zal uw Moeder boos zijn!"
-
-Dat kan net uitkomen, dacht Rob. Enfin, wie wat verdient moet wat
-hebben.
-
-Hij nam afscheid van het oude vrouwtje en werd door zijn moeder met
-de grootste verbazing, maar ook met wanhoop ontvangen.
-
-"Rob, wat ben je toch schandelijk slordig! Dat is nu binnen een uur
-je tweede schoone kiel! Kind, waar zitten je hersens? Denk je, dat
-ik hier een kleerenmagazijn voor jou apart er op nahoud? Nu trek je
-je oudste pak aan en dan direct uit school op je kamer blijven."
-
-Zoo geschiedde.
-
-Om twaalf uur bleef Rob op zijn kamer.
-
-De anderen vonden dit vreemd, want dat deed Rob nooit. En voor Rob
-zou het heel eenvoudig geweest zijn, om dadelijk aan zijn moeder te
-zeggen, dat hij het heusch niet helpen kon, want dat hij juist zoo'n
-erg-goede daad had gedaan. Neen, Rob vond het veel te kinderachtig
-om zich dáármee te verdedigen. Tweemaal met een vuil pak thuiskomen
-en dan nog den braven Hendrik bij moeder uithangen, dat deed hij
-niet! Daarvoor was hij veel te trotsch.
-
-Hij verzweeg dus het geval met den takkebos en bleef stil op de kamer.
-
-Maar Hans en Flip wilden er meer van weten.
-
-"Biecht nou maar op, broer," zei Hans. "Waarom zit je hier met je
-ouwe pak aan. Is er wat gebeurd?"
-
-"Och, welnee."
-
-"Kom Robbekop," zei Flip. "Wees nou niet zoo stug. Pak slaag gehad?"
-
-"Nee."
-
-Maar Hans wist hem aan 't praten te krijgen. Rob vertelde op een
-beetje onverschilligen toon, wat er gebeurd was.
-
-"Nou, 'k had dan al een kiel vuilgemaakt aan dien boom. Toen moest
-'k voor moeder m'n nieuwe witte aantrekken. Ik loop daarmee op den
-boschweg en daar komt dat ouwe vrouwtje uit de boschhut aanstappen. Ze
-had een takkebos op d'r hoofd zoo groot als de Naald van Waterloo
-en ze liep gewoonweg dubbelgevouwen, hè? Nou, wat doe je? Ik zeg:
-goeiemorgen, grootmoeder, wil jij je wel 's schamen om zoo'n takkebos
-op je rug naar huis te dragen? Dat zal ik wel voor je doen. Enfin,
-ik neem de heele kattebak op m'n nek en... adjuus, schoone kiel."
-
-"Maar domoor, dacht je daar dan niet aan?"
-
-"Nee, ik dacht alleen maar aan die arme, ouwe stakker. Nou moet je
-hooren. Toen we d'r waren, wou ze mij met alle geweld 'n kopje koffie
-schenken. Ik denk: nou, voor de gezelligheid dan. Maar daar schenkt
-me dat mensch een kom baggersloot-limonade in, die ik niet lustte,
-hoor. Maar hoe kom ik eraf? Ik laat ineens de kom uit mijn vingers
-vallen en roep: "Au, verdikkie, is me die koffie heet!" Voor vijf
-centen was ik van de koffie af. Nou, blij toe. Maar dat weet moeder
-allemaal niet. Denk je nou, dat ik aan moeder vertellen ga, dat ik
-die zwarte kiel gekregen heb, omdat ik voor dat oude mensch een bosje
-takken gesjouwd heb? Kan je net denken!"
-
-
-
-Flip lachtte zich onderste boven bij 't vertellen van Rob.
-
-En een oogenblik later wist moeder 't wèl. Daar had Hans voor gezorgd.
-
-En moeder, blij dat er ditmaal een goede reden was voor Rob's
-verregaande slordigheid, gaf hem nog een kus op den koop toe en
-ontsloeg hem van zijn kamerarrest.
-
-
-
-Een paar dagen later, het was ongeveer half September geworden,
-verzamelde de heer Bergwoude zijn leerlingen des avonds in de eetzaal
-om hen een nieuwtje mede te deelen. Allen waren tegenwoordig en
-wachtten op juffrouw Wieler, die met drie meisjes aan 't wandelen
-was en ieder oogenblik kon terugkeeren. Wachten duurt altijd lang en
-daarom besloot de heer Bergwoude, alvast maar te beginnen.
-
-"Jongelui," begon hij, "ik heb jullie vanavond hier bijeen geroepen,
-om je een prettige tijding mede te deelen. Zooals de meesten van jullie
-wel weten, bestaat Instituut Sparrenheide den eersten October a.s. vijf
-jaar. Wij hebben besloten, dien dag feestelijk te vieren. Daar hebben
-jullie zeker niets op tegen?"
-
-"Neen mijnheer!" klonk het lachend.
-
-"Dus niemand heeft daar bezwaar tegen, dat is prettig. En nu ...."
-
-Plotseling werd de deur geopend en kwam juffrouw Wieler, de
-onderwijzeres, met ontsteld gezicht binnen.
-
-"Mijnheer," zei ze gejaagd, "wij kunnen nergens meer Mina Drijvers
-vinden. Ze is bepaald in het bosch verdwaald."
-
-Mijnheer Bergwoude schrikte van die onverwachte tijding.
-
-"In het bosch verdwaald?" vroeg hij. "Hoe is het mogelijk! Was u dan
-niet bij haar?"
-
-"Jawel, ik was met de drie meisjes. Wij speelden verstoppertje en
-toen Mina Drijvers zoeken moest, hebben wij haar niet weergezien,"
-
-Mijnheer Bergwoude stelde de verdere bespreking der feestplannen
-dadelijk uit en commandeerde de grootste jongens op voor een
-onderzoekingstocht door het bosch. Hijzelf zou medegaan en meester
-Hooghuizen ook. Mevrouw Bergwoude en juffrouw Wieler zouden bij de
-andere kinderen blijven.
-
-
-
-Meester Hooghuizen trok het bosch in met Hans, Bram en nog twee
-andere jongens, mijnheer Bergwoude met Flip, Jacob Heintze en drie
-anderen. In twee verschillende richtingen, doch beide naar den kant
-van kasteel Drakenstein, zou het bosch doorzocht worden. Allen droegen
-een brandende lampion aan een stok, wat een zeer fantastisch gezicht
-opleverde. Het werd al donker en een beetje verlichting der paden
-was wel noodig.
-
-Hans liep met meester Hooghuizen voorop. Hun lichtende lampions
-beschenen het pad en den onderkant der boomstammen met een rossen
-gloed.
-
-Het begon wat te waaien, hoewel men daarvan in het dichte bosch weinig
-last had, alleen de toppen der boomen begonnen luider te ruischen en
-bogen door den wind.
-
-"'t Zal me niets verwonderen, als er een onweer komt opzetten,"
-zei Hans.
-
-"Daar zou je wel eens gelijk aan kunnen hebben, Hans," zei meester
-Hooghuizen. "Het is vandaag aardig broeierig geweest en de lucht
-begon vanmiddag al te werken."
-
-En die twee hadden het zoo ver niet mis.
-
-De wind nam toe en zwarte kopwolken kwamen aanzetten. Het werd steeds
-donkerder en donkerder in het bosch en wanneer de doorzoekers geen
-lampions bij zich gehad hadden, zouden zij evenmin den weg geweten
-hebben als het verdwaalde meisje.
-
-Mina Drijvers was een allerliefst meisje van twaalf jaar. Zij was een
-nieuwelinge, uit Amsterdam afkomstig en ze wist in het geheel den
-weg niet in de bosschen. Toen zij met juffrouw Wieler en de andere
-meisjes een spelletje in het bosch deed en de anderen zoeken moest,
-had zij niemand gevonden.
-
-Er waren dan ook prachtige schuilplaatsen. Mina vond het eerst wel
-aardig, dat zij zoo zoeken moest. Maar zij dwaalde al verder en verder
-en zag nog geen tipje van een jurk der anderen.
-
-Een poosje later hoorde zij de juffrouw roepen en ook de twee andere
-meisjes. Zij was op het geluid afgegaan, doch scheen zich vergist
-te hebben. Eindelijk kwam ze op een plek, waar een houten stellage
-getimmerd was. Zij klom op het trapje en riep:
-
-"Juffrouw! Hier."
-
-Tot haar groote verbazing klonk het van verre zeer duidelijk:
-"Juffrouw, hier!"
-
-Dat was de echo! Mina vond het mooi en herhaalde haar geroep nog een
-paar keeren. Maar intusschen werd ze toch ongerust, want nu hoorde zij
-heelemaal niets meer. Zij dwaalde van het eene punt in het bosch naar
-het andere, kwam nu eens uit bij het kasteel, dan weer bij de grot,
-de kapel en ten slotte werd het door het naderende onweer zóó donker,
-dat zij de boomen niet meer kon onderscheiden en snikkende op den
-grond neerviel.
-
-
-
-Een wit-blauwe bliksemstraal vloog over 't bosch ... een hevige slag
-daverde er bijna onmiddellijk op ....
-
-De wind joeg de bladeren van de boomen, zwiepte de takken der hoogste
-boomen als riethalmpjes heen en weer.
-
-"Hierheen, jongens! Bij elkaar blijven!" riep meester Hooghuizen. "Af
-en toe nog maar eens roepen."
-
-Hans zocht even een zijpaadje af, terwijl de anderen wachtten.
-
-"Mina!" riep hij, "Mina Drijvers!"
-
-Een felle lichtstraal schoot sissend over 't bosch, ratelend viel
-de slag ... dat was 't eenige antwoord op het roepen. Een geweldige
-plasregen barstte los.
-
-"Hans! Hans!" riep meester Hooghuizen, "kom hier."
-
-Hans keerde haastig terug.
-
-De lampions regenden uit, nu stonden ze in het stikdonkere bosch,
-midden in een geweldige donderbui.
-
-Mijnheer Bergwoude keerde zoo snel mogelijk naar Sparrenheide terug,
-er waren nu toch vijf menschen aan het zoeken naar het verloren
-meisje en hij vond het beter om naar de overige kinderen te gaan,
-die aan de hoede van mevrouw en juffrouw Wieler waren toevertrouwd.
-
-Intusschen zocht het troepje van meester Hooghuizen dapper voort. Wel
-was het gevaar groot, wel hadden zij licht een schuilplaats kunnen
-zoeken in de Grot, maar de gedachte aan het arme meisje, dat toch
-ook in dit ontzettende weer hier of daar door het bosch dwaalde,
-deed hen regen en onweer trotseeren.
-
-Heviger ratelden de donderslagen, vlogen de bliksemstralen door
-'t zware, zwarte zwerk, schril verlichtend het duistere boschpad.
-
-De jongens liepen nu dicht bijeen, ze hielden elkaar bij de hand,
-want in dit noodweer konden ze elkander spoedig kwijtraken. Ze waren
-doornat, maar daar gaven zij nu weinig om, zij dachten alleen maar
-aan het doel van hun tocht.
-
-Zij kwamen nu bij 't kasteel en sloegen weer een anderen weg in,
-opnieuw door 't inktzwarte bosch.
-
-En weer vloog een schitterende bliksem boven de boomen ... barstte
-de slag als een kanonnade los .... toen Hans opeens een schreeuw gaf.
-
-Bij 't felle bliksemlicht had hij iets wits gezien onder een boom. Hij
-schoot er snel op toe en ....
-
-"Hier ligt ze!" riep hij zegevierend.
-
-Dadelijk snelden de anderen toe.
-
-Meester Hooghuizen nam het meisje op en droeg haar naar het eerste het
-beste huisje, dat van veldwachter Bunze.
-
-Deze en zijn zuster waren niet weinig verbaasd over het vreemde,
-onverwachte gezelschap, dat eensklaps voor hun woning stond. Maar de
-goede vrouw was dadelijk tot helpen bereid, ze legde Mina Drijvers in
-haar eigen bed en zeide, dat het met het meisje best zou losloopen. Ze
-moest echter dien nacht maar bij haar blijven, wat meester Hooghuizen
-uitstekend vond. Veldwachter Bunze bewonderde den moed der knapen,
-die in dit verschrikkelijke weer niet geaarzeld hadden, het verloren
-meisje op te sporen.
-
-En de dikbuik trok Hans aan een oor en zei:
-
-"Als je niet zoo'n moedige, flinke jongen was, zou ik een heel ander
-woordje met je spreken, kameraad. Intusschen hebben wij nog een
-appeltje met elkaar te schillen, maar dat zal ik nu maar voor een
-anderen keer bewaren. Je hebt nu vanavond al genoeg doorstaan!"
-
-
-
-Gelukkig dreef het onweer langzamerhand af. Meester Hooghuizen en
-zijn jongens konden nu de geruststellende tijding op Sparrenheide
-brengen, dat het verdwaalde meisje gevonden en in goede handen was. En
-daar verheugden allen zich over, want men had den grootsten angst
-uitgestaan, zoowel om Mina als om haar redders.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
-
-FEESTELIJKE PLANNEN EN ANGSTIGE UREN.
-
-
-Den volgenden dag was Mina weer terug en spoedig geheel en al
-van den schrik hersteld. Alles was nu weer in orde en daarom kon
-mijnheer Bergwoude gerust opnieuw met zijn prettige plannen omtrent de
-feestelijke viering van het 5-jarig bestaan van Sparrenheide voor den
-dag komen. Hij wachtte daar dan ook niet lang mede en deelde aan allen
-mede, dat den heelen dag van den 1en October zou gefuifd worden. Er
-moesten muzikanten komen, er zou een uitvoering worden gegeven, waar
-ieder wat mocht ten beste geven, er zou een goochelaar komen en verder
-zouden er vanzelf wel allerlei plannetjes onder leiding van meester
-Hooghuizen en juffrouw Wieler tot stand komen. Intusschen moest
-het onderwijs zijn gewonen gang gaan en mocht er alleen na drie uur
-'s middags aan de voorbereidingen van het feest gewerkt worden.
-
-Mijnheer Bergwoude had gezegd, dat ook de oudleerlingen en vorige
-onderwijzers van Sparrenheide uitgenoodigd zouden worden, zoodat er
-allicht een 100-tal feestvierenden tezamen zouden zijn.
-
-En nu werd er eventjes met liefhebberij gewerkt aan de
-feest-voorbereidingen. Ieder deed het zijne. Meester Hooghuizen had
-de leiding van het geheel. Hij liet de jongens van latten een groote
-eerepoort timmeren aan den hoofdingang, de meisjes moesten slingers
-maken van dennegroen en linten. Juffrouw Wieler studeerde met een paar
-meisjes Speelliedjes van Dalcroze in, terwijl anderen weer aardige
-voordrachten leerden. Er zouden verschillende wedstrijden gehouden
-worden en een vlaggenoptocht door het bosch en het dorp kwam ook al op
-het programma. Het was ook niet te verwonderen, dat Hans, Flip en Rob,
-de drie jolige broers, in de allereerste plaats zich weerden, om het
-feest zoo goed mogelijk te doen slagen! Flip, de grappenmaker, zette
-zelf een koddig vers in elkaar, dat van onzin aan elkaar hing. Maar
-er werd toch flink den lof van Sparrenheide in gezongen en dat was
-de hoofdzaak. Flip had er urenlang op zitten broeden en er wel vijf
-penhouders op stuk gebeten, maar eindelijk had hij toch ongeveer het
-volgende vers uit die houtjes gekauwd:
-
-
- Dames en heeren, het is van daag feest,
- Zooals er nog nooit op Sparrenhei is geweest!
- Het heeft vandaag al vijf jaren bestaan,
- En het gaat nog in lang niet naar de maan,
- Als de zon schijnt is het hier mooi weer,
- Dikwijls gaan we wandelen met mijnheer,
- We hebben hier geen last van ratten of muizen,
- Hier zit juffrouw Wieler en dáár meester Hooghuizen.
- Sparrenhei is de allerbeste school.
- Je eet er havermout, grutten en roodekool,
- Dus roept mij nu allen na:
- Lang leve Sparrenhei! Hiep hiep hoera!
-
-
-Hans maakte zich op een ander gebied verdienstelijk.
-
-Hij kocht in Utrecht vuurwerk en verborg dat op een plaats, die alleen
-aan hem bekend was. En Rob deed hard mee aan àlles waarvoor zijn hulp
-gevraagd werd.
-
-Zoo werkte een ieder aan het welslagen van den grooten feestdag,
-toen er opeens iets gebeurde, dat aller aandacht voor een poos van
-den 1en Octoberdag afleidde, ja, dat zelfs een groot deel van de
-aanstaande feestvreugde dreigde te verstoren!
-
-
-
-Barend, die zich zoo uitstekend gedroeg, sinds mijnheer Bergwoude
-hem onder zijn bescherming genomen had, woonde nu bij moeder Vorstman
-in. De jongen verdiende als tuinman op Sparrenheide vier gulden per
-week, die hij aan zijn nieuwe moeder gaf. De arme vrouw, die alleen
-leefde van hetgeen haar eigen zoon, die in Amsterdam werkte, haar zond
-en van hetgeen haar moestuintje opleverde, was met de komst van Barend
-in haar hutje er veel beter aan toe. Want Barend deed veel werk voor
-haar, dat haar niet meer zoo gemakkelijk afging als vroeger. Daarbij
-at de jongen altijd in de keuken op Sparrenheide en kreeg vaak genoeg
-een pak kleeren, zoodat hij haar al heel weinig kostte.
-
-Het arme, tevreden vrouwtje had met dit eenvoudige, sobere leven nog
-een rustigen, onbezorgden, ouden dag, vooral waar Barend haar beloofd
-had, steeds voor haar te zullen zorgen.
-
-Des morgens was Barend al vroeg op en zette koffie en brood voor
-haar en zichzelf gereed. Dan ruimde hij het kamertje op en ging het
-moestuintje nazien. Vervolgens begaf hij zich naar Sparrenheide en
-bleef daar tot den avond. Dan hielp hij zijn "moeder" weer en las
-haar voor.
-
-Het oude huisje, waarin strooper Ranke met zijn zoon had geleefd,
-stond thans ledig. Er was nog geen liefhebber voor komen opdagen. De
-weinige, armoedige meubelen waren door Barend eruit gehaald; wat nog
-bruikbaar was, had hij aan moeder Vorstman gegeven, de rest had hij
-tot brandhout gehakt.
-
-Op zekeren avond begaf Hans zich naar Barend, om met hem een aardig
-plannetje voor het feest te bespreken. Misschien had Hans dit evengoed
-overdag op Sparrenheide kunnen doen, maar in elk geval werd hij daar
-door te veel oogen op de vingers gekeken en daarom vond hij het beter,
-om zijn plannetje rustig met Barend bij moeder Vorstman te bespreken.
-
-In het dorpje gekomen, passeerde Hans de verlaten woning van Ranke. Tot
-zijn groote verwondering meende hij daarin een zwak lichtje te zien
-branden, hoewel hij toch zeker wist, dat de hut ledig en onbewoond
-was. Hij zag, dat het licht heen en weer ging, alsof iemand met een
-kaars door het vertrek ging.
-
-Hij begreep dadelijk, dat het niemand anders dan Barend kon zijn,
-die misschien nog het een of ander in de oude woning zocht. En omdat
-het hem juist om Barend te doen was, duwde hij de deur van het huisje
-open en trad het ledige vertrek binnen. Maar inplaats dat hij Barend
-daar aantrof, staarde hij opeens in het schurkachtige gezicht van
-diens vader. Het was Ranke, de strooper, van wien iedereen dacht,
-dat hij in de gevangenis te Utrecht zat!
-
-Inplaats dat Hans dadelijk vluchtte, bleef hij als aan den grond
-genageld staan.
-
-Op dat bezoek scheen Ranke allerminst gerekend te hebben, evenals Hans
-staarde hij dezen een oogenblik verbijsterd aan, maar toen blies hij
-snel de kaars uit, wierp zich op Hans en overmeesterde hem, voor de
-jongen tijd had, zich te verweren. Maar Hans was sterk en Ranke had
-zijn handen vol aan hem, vooral omdat hij hem met één hand den mond
-moest dichthouden en met de andere bedwingen. Toch bleek de strooper de
-sterkere. Hij bond Hans een vuilen doek om den mond en haalde daarop
-een lang touw uit zijn zak, waarmede hij hem aan handen en voeten
-bond! Toen sleurde hij den weerloozen knaap in hetzelfde turfhok,
-waarin hij vroeger Barend had opgesloten, en deed er den grendel
-voor. Daarop verdween hij ....
-
-Dienzelfden avond las mijnheer Bergwoude, aan zijn schrijftafel
-gezeten, het volgende bericht in het Handelsblad:
-
-
- Men schrijft ons uit Utrecht:
-
- Bij de overbrenging van twee gedetineerden uit de strafgevangenis
- alhier naar het station, alwaar zij onder geleide van twee
- marechaussees naar Leeuwarden zouden vertrekken, wist een hunner,
- de beruchte strooper en inbreker R.--wonende te Lage Vuursche, aan
- zijn geleider te ontsnappen. De arrestant vluchtte een openstaand
- huis in en is vermoedelijk over de daken ontkomen. Het vervoer
- van den anderen gevangene is nu uitgesteld, totdat de eerste
- zal teruggevonden zijn. De politie stelt een streng onderzoek
- in naar den vluchteling, die vermoedelijk nog wel binnen Utrecht
- verblijf houdt.
-
-
-Mijnheer Bergwoude las dit bericht met begrijpelijke verbazing en
-spoedig was dat nieuwtje het onderwerp van dien avond geworden. Weinig
-dacht de vader er aan, dat op ditzelfde oogenblik zijn zoon Hans in
-handen van den gevreesden kerel gevallen was!
-
-Intusschen had Ranke niet de bedoeling, den jongen ook in het minst
-eenig leed te doen. Hij was alleen in zijn oude woning gekomen,
-gebruik makende van het avonddonker, om er eenige kleedingstukken
-te halen. Maar tot zijn groote verwondering had hij de hut totaal
-leeg gevonden. De plotselinge verschijning van Hans had hem eerst
-heelemaal van streek gebracht, maar de snel-opkomende gedachte, dat
-de jongen zijn aanwezigheid alhier verraden zou, deed hem plotseling
-op Hans toevliegen om hem onschadelijk te maken.
-
-Ranke verschool zich in de bosschen en wachtte er een gunstige
-gelegenheid af om zijn verdere plannen ten uitvoer te brengen.
-
-Groote ongerustheid heerschte er op Sparrenheide!
-
-Hans was nog steeds niet teruggekeerd, hoewel de klok reeds tien
-uur wees!
-
-Had de jongen het soms in zijn hoofd gekregen, om bij Barend te
-overnachten?
-
-Was hij verdwaald?
-
-Maar neen, zoowel het een als het ander was ondenkbaar. Hans zou nooit
-uitblijven zonder toestemming zijner ouders. En voor verdwalen bestond
-ook weinig grond, in de eerste plaats was het vrij helder weer en in de
-tweede plaats kende Hans den weg in de bosschen als in zijn eigen huis.
-
-Toen het al later en later werd, stegen mijnheer Bergwoude en meester
-Hooghuizen op de fiets en reden naar het huisje van vrouw Vorstman.
-
-De oude vrouw was al naar bed, maar Barend zat nog te lezen.
-
-"Is mijn zoon Hans hier?" vroeg mijnheer Bergwoude, toen hij met den
-meester aangeklopt had.
-
-"Hans?" riep Barend verbaasd uit. "Nu nog? Hij is hier den heelen
-avond zelfs niet geweest!"
-
-"Nièt geweest? Hij is toch om zeven uur al hierheen gegaan."
-
-Barend schudde het hoofd.
-
-"Dan zou ik hem toch moeten gezien hebben," zei hij beslist. Nu steeg
-de ongerustheid van den vader tot angst.
-
-Hij keerde weer naar Sparrenheide terug, in de hoop, dat Hans daar
-inmiddels mocht aangekomen zijn, maar niemand had hem teruggezien!
-
-Opnieuw werd er een leerling vermist, en ditmaal mijnheer Bergwoude's
-eigen zoon!
-
-Niemand der grooten sliep dien nacht.
-
-De arme vader, de meester en Barend, zelfs de oude, doove Bosman,
-zij allen gingen, gewapend met lantaarns, het bosch in.
-
-Maar Hans werd niet gevonden.
-
-Diep-ongelukkig keerde mijnheer Bergwoude naar huis terug, vond
-er zijn vrouw weenende en wist weinig of niets te zeggen, dat haar
-eenigen troost geven kon.
-
-
-
-Barend had het zoeken het langst volgehouden. Toen het licht begon
-te worden, liep hij nog van de eene boschlaan in de andere. Hij
-was doodmoe.
-
-Eindelijk gaf hij het op.
-
-Hij keerde naar de woning van moeder Vorstman terug. En nu gebeurde
-met hem bijna hetzelfde, wat den vorigen avond Hans overkwam.
-
-Hij passeerde zijn oude hut.
-
-En zag, dat de deur op een kier stond.
-
-Dat was nu zoo heel vreemd niet, want die deur had niet eens meer
-een behoorlijk slot en kon dus best opengewaaid zijn. Maar Barend was
-teveel een natuurkind, dan dat hij niet dadelijk zich herinneren zou,
-dat het heelemaal niet gewaaid had. Toch vermoedde hij niets bijzonders
-en trad op de deur toe, om die te sluiten!
-
-Even keek hij nog naar binnen, en...
-
-Wat drommel hoorde hij nu? Was er iemand in?
-
-Hij luisterde nog eens. Jawel! daar schopte iemand tegen een
-deur. Barend kende dat geluid en had in een ondeelbaar oogenblik de
-deur van het turfhok geopend.
-
-"Hans!"
-
-Met een kreet van vreugde begroette hij den verloren makker, bevrijdde
-hem van doek en touwen en hoorde dan tot zijn grooten schrik, dat
-zijn vader ontvlucht was!
-
-Maar dadelijk gingen zij naar Sparrenheide.
-
-Als met tooverslag veranderde daar de droefheid in groote vreugde!
-
-
-
-Toen de telegrambesteller dien morgen den burgemeester het bericht
-bracht, dat Ranke ontvlucht was, liep Bunze door het bosch en deed
-er zijn gewone ronde. Bij de grot gekomen, bleef hij eensklaps staan.
-
-Snurkte daar iemand? Hij trad op de teenen nader en ontdekte den
-slapenden Ranke. Bunze dacht eerst weer met een geest te doen te
-hebben, maar omdat hij daar niet meer aan geloofde, gaf hij ineens
-gevolg aan een ingeving.
-
-Hij haalde kalm zijn stalen handboeien tevoorschijn en schoof die
-om de polsen van den rustig slapenden strooper. Vervolgens haalde
-hij zijn revolver te voorschijn, waar hij nog nooit van zijn leven
-mee geschoten had, omdat de gemeente hem doodeenvoudig geen patronen
-verschafte en riep met daverende stem:
-
-"Ranke! In naam van Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden neem
-ik U gevangen!"
-
-De vluchteling sprong verschrikt overeind.
-
-Hij voelde zich tot zijn groote verbazing stevig geboeid en zag den
-loop van Bunze's revolver op zich gericht.
-
-Tegenstand was nutteloos en de strooper liet zich gewillig door den
-dikkerd meevoeren, die als een overste in den paradepas naast zijn
-arrestant liep!
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
-
-BESLUIT.
-
-
-Nu alles zoo goed afgeloopen was, de goeden konden beloond worden en
-de kwaden gestraft, was er ook geen bezwaar meer om het feest van den
-eersten October zoo luisterrijk mogelijk te vieren. Gelukkig was het
-prachtig weer.
-
-Precies om acht uur des morgens werden onder het spelen van het
-Wilhelmus de vlaggen uitgestoken van huis en schoolgebouw. Wat zag de
-tuin, wat zag de weg er feestelijk uit! Overal slingers van oranje en
-rood-wit-blauw, overal lampions. En aan den hoofdingang een magnifieke
-eerepoort. Allen waren met de nationale kleuren getooid en reeds
-dadelijk was er de rechte, feestelijke stemming in. Na het ontbijt
-stelde de muziek zich aan het hoofd van den stoet jongens en meisjes,
-die vlaggen, vaandels en schilden droegen. Het was allerleukst!
-
-De een had op zijn oranje-schild het portret van mijnheer Bergwoude, de
-ander droeg een vaandel met het opschrift: Leve Sparrenheide! Een derde
-had er in 't geheim opgeplakt: Meester H. gaat nooit verloren! terwijl
-zijn buurman heel nuchter er naast liep met een schild: Falderalderire!
-
-De kleurige, fleurige stoet ging onder 't spelen van vroolijke
-marschen, voorafgegaan door de gehuurde muzikanten naar het dorp. Daar
-stelde veldwachter Buikje zich aan het hoofd van den optocht als
-of hij een paar duizend menschen op zij moest houden! Hij werd met
-algemeen gejuich begroet en werd dadelijk door mijnheer Bergwoude
-uitgenoodigd, het feest op Sparrenheide te komen bijwonen. Ook Barend
-en moeder Vorstman hadden zulk een uitnoodiging aan te nemen.
-
-Des morgens om 10 uur vertrok een clubje jongens per auto, die ook
-al met vlaggen beplant werd, naar het station te Baarn, om daar de
-oudleerlingen af te halen. Tegen twaalf uur was het heele feestvierende
-gezelschap present en nu kon de algemeene vreugde eigenlijk pas een
-aanvang nemen.
-
-Toen allen aan den feestdisch bijeenzaten, stond mijnheer Bergwoude
-op en zei:
-
-"Vrienden! Wat is het vandaag een heerlijke dag! Ik zie rondom mij
-niets dan vroolijke gezichten en dat is geen wonder. Bijna allen,
-die hier bijeen zijn, hebben meer of minder jaren op Sparrenheide
-door gebracht en kennen het leven hier. En allen verheugen zich er in,
-dat zij thans het feest van het vijfjarig bestaan onzer school mogen
-meevieren! En nu is het niet mijn bedoeling, om lang en breed over
-ons werk te praten, want we zijn hier om feest te vieren. Maar ik wil
-er alleen op wijzen, dat we vandaag dubbel en dwars reden hebben tot
-feestvieren! Een paar dagen geleden, misschien hebt ge er vandaag al
-met een enkel woord over hooren spreken, verkeerden we in angst en
-droefheid. Eerst werd er een onzer meisjes vermist, die tijdens een
-onschuldig spelletje in het bosch verdwaald was. Gedurende een hevig
-onweer hebben meester Hooghuizen en een paar flinke jongens haar in 't
-stikdonkere bosch weten te vinden en haar veilig onder dak gebracht. En
-kort daarop werd onze beste Hans door een ontvluchten gevangene
-overrompeld en opgesloten. Op zijn beurt is Hans gevonden door Barend,
-terwijl onze dappere gemeenteveldwachter Bunze den gevangene weer wist
-te kerkeren. Al deze gebeurtenissen geven de viering van ons feest
-een blijder glans. Dus, vrienden, viert vroolijk feest, geniet zooveel
-mogelijk en roept allen met mij een driewerf hoera voor Sparrenheide!"
-
-Daverend gejuich klonk omhoog. Daarna mocht ieder toasten. Flip kwam
-met zijn onzin-gedicht voor den dag en daar werd me wat om gelachen!
-
-Meester Hooghuizen had een feestlied gedicht op de wijze van "In
-naam van Oranje." Het werd aan allen uitgedeeld. Mevrouw speelde op
-de piano en daar klonk het uit wel honderd kelen:
-
-
- Zeg jongens, hoe leuk is het hier toch vandaag!
- Wat vieren we vroolijk toch feest!
- En d'oud Sparrenheiders, ze kwamen wat graag,
- Ze zijn ook zoo lang hier geweest!
- Wij allen zijn vroolijk, wij allen zijn blij,
- Omdat wij zoo houden, geloof het maar vrij,
- Omdat wij zoo houden van Sparrenhei,
- Van 't jarige Sparrenhei!
-
- Wie wil nog eens hooren van wat hier gebeurt,
- Van 't leuke, gezellige werk?
- Hier wordt niet gekniesd en hier wordt niet getreurd,
- Hier worden we knap en ook sterk.
- We zitten niet steeds bij de schoolboeken neer,
- Dan spelen, boetseeren, tuinieren we weer,
- We zijn hier steeds leuk aan den gang (bis).
-
- En timmeren vinden we ook altijd fijn,
- Dat uurtje is om, voor men 't merkt,
- Dan hamert en schaaft om het hardst groot en klein,
- Dan wordt er steeds duchtig gewerkt.
- Maar als het voorbij is neemt ieder toch graag
- Zijn fransch of zijn meetkundesom bij den kraag.
- Zoo wisselt het werk hier steeds af. (bis).
-
- Geen uur van den dag is bij ons onbezet,
- We werken zooveel als 't maar moet.
- Maar 's middags, dan vindt ge ons allen te bed,
- Dat valt na het eten zoo goed.
- Een uurtje gemaft en dan weer aan den gang,
- Zoo valt ons het werken ook nimmer te lang
- En daarom: Hoera voor ons Sparrenhei!
- Voor Sparrenhei, hiep hiep hoera!
-
-
-Dat lied werd duchtig gezongen en de dichter, meester Hooghuizen,
-er eens extra voor toegejuicht.
-
-Na den feestdisch trad de goochelaar op.
-
-Wat had die een succès! Wat een pret de toeschouwers!
-
-De handige kunstenaar haalde iedereen guldens en rijksdaalders uit den
-neus, Flip vooral scheen veel zilvergeld in zijn neus te hebben. Hij
-probeerde nu zelf ook om er een ris guldens uit te halen, maar er
-kwam er niet een meer, al trok hij ook nog zoo hard. De goochelaar
-had ze er allemaal uitgehaald! De man vertoonde wel twintig toeren,
-die haast allemaal even mooi waren.
-
-Na twee uur werd er een uur gerust. Daarvan week men op Sparrenheide
-nooit af.
-
-Om drie uur begonnen de wedstrijden en gymnastiekuitvoeringen. Wat
-ging dat alles netjes en correct! En al die jongens en meisjes, die
-vroeger op hun oude scholen slechte en achterlijke leerlingen waren,
-zenuwachtig en ziekelijk, wat toonden zij nu hier volkomen genezen
-te zijn! Want hier werden zij niet geestelijk afgemat door veel te
-moeilijke vraagstukken en opgaven, hier werden zij niet overladen
-met stapels en stapels werk, waaraan bijna iedere vrije minuut moest
-opgeofferd worden.
-
-En daarom waren zij hier ook zoo flink en gezond en sterk geworden
-en konden daarom evengoed hun fransch en rekenen als hun vrienden op
-de gewone scholen, al leerden zij het dan ook wat kalmer aan!
-
-Half vier werden ouders en belangstellenden verwacht. Die kwamen in
-auto's en rijtuigen. In de gymnastiekzaal maakte juffrouw Wieler zich
-met de meisjes gereed tot het opvoeren der speelliedjes. Wat zongen
-die lief-aangekleede meisjes keurig en wat maakten zij hun danspassen
-daarbij stipt in de maat. Ze werden dan ook hartelijk toegejuicht. En
-zoo volgde het eene nummer van het programma op het andere. Er scheen
-geen einde aan den feestdag te komen! Maar het mooist werd het toch
-tegen den avond. Dank zij het zachte, zoele weer kon de verlichting
-à la giorno uitstekend doorgaan. Alle lampions werden ontstoken en ze
-schitterden als vurige ballons in het donkerblauwe avondduister. Het
-was een fantastisch tafereel!
-
-En temidden der feestvierenden bewogen zich zij, die de hoofdpersonen
-van dit verhaal zijn geweest: Mijnheer en Mevrouw Bergwoude, de
-goeddoende, liefhebbende vader en moeder van heel deez' gelukkige
-kinderschare, Meester Hooghuizen en juffrouw Wieler, die hen trouw
-bijstonden in den moeitevollen, maar dankbaren arbeid, Hans, Flip en
-Rob, de drie jolige broers, van wie een ieder hield, Jacob Heintze,
-die den vroeger zoo verwilderden en verwaarloosden Barend allereerst
-de beginselen van fatsoen en netheid geleerd had! Vervolgens Bram,
-voor wien Sparrenheide een uitredding was geweest, maar dan was
-er ook veldwachter Bunze, die vandaag menig plagerijtje over zijn
-zwaarlijvigheid hooren moest, en moeder Vorstman, die zoo herhaaldelijk
-met de verschillende personen uit dit boek in aanraking kwam.
-
-Aan het slot van den avond stak Hans zijn vuurwerk af. Knetterend
-schoten de vuurpijlen omhoog, sissend draaiden de gouden en zilveren
-zonnen, daverend ontploften de knalpotten.
-
-Ten slotte zette hij 't heele feestterrein in rooden en groenen
-Bengaalschen gloed. En uit honderden monden klonk het nog eens bij
-'t afscheid nemen:
-
-
- Leve Sparrenheide!
-
- Hoera!
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-INHOUD.
-
-
-Hoofdst. Bladz.
-
- I. Oorlogsplannen 5
- II. Indianen en Bleekgezichten 13
- III. In gevecht met de Roodhuiden 23
- IV. Een prettig besluit en een vroolijke vertelling 34
- V. In den nacht 49
- VI. Barend van de Lage Vuursche. Nachtelijke vervolging 53
- VII. Allemaal hoofdpijn 63
- VIII. Het raadsel wordt opgelost 72
- IX. Veldwachter Buikje 82
- X. Veldwachter Buikje en de drie jolige broers 90
- XI. Waarom Barend niet op Sparrenheide kwam 101
- XII. In den nacht 111
- XIII. Wat Jacob van veldwachter Buikje hoorde 120
- XIV. Veldwachter Buikje en de boschgeesten 129
- XV. Bram als leerling op Sparrenheide 139
- XVI. Wat Hans van plan was 147
- XVII. Hans graaft een kuil voor Bunze, doch valt er zelf in 155
- XVIII. Van schoone blouses, een takkebos en een verdwaald
- meisje 162
- XIX. Feestelijke plannen en angstige uren 174
- XX. Besluit 183
-
-
-
-
-
-
-
-
-End of Project Gutenberg's Instituut Sparrenheide, by Chr. van Abkoude
-
-*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK INSTITUUT SPARRENHEIDE ***
-
-***** This file should be named 61324-0.txt or 61324-0.zip *****
-This and all associated files of various formats will be found in:
- http://www.gutenberg.org/6/1/3/2/61324/
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
-States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive
-specific permission. If you do not charge anything for copies of this
-eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook
-for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports,
-performances and research. They may be modified and printed and given
-away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks
-not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the
-trademark license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country outside the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you'll have to check the laws of the country where you
- are located before using this ebook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm web site
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The
-Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm
-trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the
-mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its
-volunteers and employees are scattered throughout numerous
-locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt
-Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to
-date contact information can be found at the Foundation's web site and
-official page at www.gutenberg.org/contact
-
-For additional contact information:
-
- Dr. Gregory B. Newby
- Chief Executive and Director
- gbnewby@pglaf.org
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
-spread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works.
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our Web site which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.