diff options
Diffstat (limited to 'old/61324-0.txt')
| -rw-r--r-- | old/61324-0.txt | 6362 |
1 files changed, 0 insertions, 6362 deletions
diff --git a/old/61324-0.txt b/old/61324-0.txt deleted file mode 100644 index 1cd7aa6..0000000 --- a/old/61324-0.txt +++ /dev/null @@ -1,6362 +0,0 @@ -The Project Gutenberg EBook of Instituut Sparrenheide, by Chr. van Abkoude - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most -other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of -the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have -to check the laws of the country where you are located before using this ebook. - -Title: Instituut Sparrenheide - -Author: Chr. van Abkoude - -Illustrator: Jan Rinke - -Release Date: February 5, 2020 [EBook #61324] - -Language: Dutch - -Character set encoding: UTF-8 - -*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK INSTITUUT SPARRENHEIDE *** - - - - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg - - - - - - - - - - In de Vacantie - Bibliotheek voor Jongens en Meisjes. - Serie A Jongensboeken. Deel 13. - - INSTITUUT SPARRENHEIDE - - - door - - CHR. VAN ABKOUDE - - Geïllustreerd door O. Geerling - - - Tweede Druk - - ALKMAAR--GEBR. KLUITMAN. - - 1917 - - - - - - - - - -EERSTE HOOFDSTUK. - -OORLOGSPLANNEN. - - -Midden in een groot dennenbosch tusschen Baarn en de Vuursche lag op -een heuveltje, geheel verscholen in het groen, een aardige, houten -villa. Er liep een balcon rond het heele huis en daardoor leek het veel -op een Zwitsersche woning. Alleen het dak stak boven de boomen uit, en -wanneer je uit het dakraam keek, had je een verrukkelijk gezicht over -heel den omtrek. Je zag dan duidelijk de torens van Amersfoort, Soest, -Bunschoten en meer omringende dorpen. Je zag er heel mooi het Witte -Paleis van Koningin Emma en wat naar rechts de Naald van Waterloo. - -In dat hooggelegen huis woonde mijnheer Bergwoude, hoofdonderwijzer -van de kostschool "Sparrenheide." Als mijnheer Bergwoude naar school -ging, behoefde hij alleen maar het heuveltje af te dalen, waarop zijn -huis gebouwd was en den boschweg over te steken, want het schoolgebouw -stond juist aan den overkant. - -Dat schoollokaal was niet groot, het bestond maar uit twee klassen -en een gymnastieklokaal. Maar het was ook geen gewone school. Op -"Sparrenheide" kwamen alleen kinderen, die niet zoo vlug konden -leeren als andere jongens en meisjes. Sommigen, omdat ze thuis altijd -ziekelijk waren, anderen omdat ze zenuwachtig waren of vroeger de -een of andere ziekte hadden gehad, waardoor ze later niet meer zoo -goed onthouden konden. - -En waarom ze nu op een gewone school niet, en op "Sparrenheide" -wèl konden leeren, dat zullen we in dit boek wel bemerken. - -Mijnheer en Mevrouw Bergwoude waren alleraardigste menschen, die -beiden verbazend veel van kinderen hielden. Zij hadden drie kinderen, -allen jongens. Op het oogenblik, dat dit verhaal een aanvang neemt, was -juist de Zaterdagmorgen-schooltijd geëindigd en begaven de jongens en -meisjes zich, voor zoover zij niet bij mijnheer Bergwoude in "pension" -waren, naar huis. - -Ook de drie zoons van den hoofdonderwijzer, Hans, Flip en Rob. Hans -was dertien jaar, een flinke, sterke jongen met breede schouders en -een paar armen als een athleet. Voor zijn leeftijd was hij een boom -van een kerel en wat hij met zijn zwarte oogen niet gedaan kreeg, -dat maakte hij verder in orde met zijn gespierde vuisten. - -Flip telde twaalf jaar, hij was eveneens een door en door gezonde -boy, maar niet zoo struisch en stevig als Hans, Flip was een rechte -pretmaker, hij hield verbazend veel van grapjes en wist ook vaak -allerlei aardige dingen te zeggen, waarom een ieder moest lachen. De -tienjarige Robert, doorgaans genoemd Rob, was een rare snuiter. Je -kon eigenlijk niet uit hem wijs worden. Hij was wat stil; hij hield -veel van zijn ouders en zijn broers, maar misschien nog meer van -de bosschen en de hei met de planten en de dieren. Hij maakte er -een heele studie van en bijna altijd was hij in zijn vrije uren met -zijn botaniseer-trommel en plantenschopje in het bosch te vinden, of -rangschikte zijn verzamelde planten en insecten op zijn kamer. Maar -dat nam niet weg, dat hij toch hetzelfde vroolijke humeur van zijn -broers had, al was hij dan ook wat minder luidruchtig en druk. Hij -kon evengoed meedoen aan hun grappen en spelen als andere jongens, -maar bleef altijd kalm. En waarom hij nu een rare snuiter was? Wel, -in de eerste plaats was hij vreeselijk slordig op alles. Niet alleen -op zijn kleeren en boeken, zijn planten en dieren, maar ook verbazend -onverschillig voor andere dingen. Het kon hem bijvoorbeeld heelemaal -niet schelen, een uur te laat op school of aan tafel te komen. Alle -standjes, straffen en vermaningen hielpen weinig of niets. Soms nam -hij zich voor, opeens vreeselijk netjes te worden, maar maakte het -dan weer zóó erg, dat hij op zijn kousen liep om zijn schoenen niet -vuil te maken. Daarbij was hij erg vergeetachtig. Alles en alles bij -elkaar genomen had Rob aanleg om professor te worden. - -Ziezoo, nu zijn de drie vroolijke broers voorgesteld. Zooals gezegd, -zij hadden zoo juist de school verlaten en gingen naar huis. Door den -tuin, die op de helling van den heuvel was aangelegd, kwamen zij in de -huiskamer, waarvan de breede tuindeuren wijd open stonden. Zij vonden -hun moeder bezig met het klaarzetten van de koffietafel en volgens -trouwe gewoonte werd zij allereerst eens stevig gepakt door haar drie -jongens. Dat deden zij alle drie met kracht en klem. Vervolgens keken -zij met verlangende oogen naar de stapels boterhammen en zei Flip op -vertrouwelijken toon: - -"Help ons gauw weg, moedertje, we hebben reusachtig haast!" - -"Ja," voegde Hans erbij, "we hebben nog zooveel te doen en moeten er -vroeg bij zijn." - -"Ik hoef niet eens te eten," zei Rob. - -"Wat zullen we nu weer beleven?" vroeg moeder, "waarom zoo gehaast? En -waarom zonder eten weg? Dat gebeurt niet, hoor! Wat is er dan aan -de hand?" - -"Dat zijn groote geheimen, moeder," zei Flip. - -"Staatsgeheimen," vond Hans. - -"Och kom," pleitte Rob voor zijn moeder, "wij kunnen het moeder -best vertellen." - -Op dit oogenblik kwam hun vader binnen. De heer Bergwoude was een man -met een vriendelijk voorkomen, hij droeg een langen, blonden baard -en blond waren ook zijn haren. In tegenstelling met hem waren zij -drie zoons zwart, net als hun moeder. - -"Zoo, zoo," sprak mijnheer, terwijl hij een stapel schoolschriften op -een tafeltje legde, "en wat zijn dat voor staatsgeheimen, die jullie -best aan moeder kunt vertellen? En dan mag ik ze zeker ook wel hooren?" - -De gebroeders keken elkander eens aan en toen zei Hans: - -"We gaan oorlog voeren!" - -Flip en Rob knikten. Vader en moeder keken elkaar aan. - -"Oorlogvoeren?" vroeg Vader verwonderd. "Wat moet dat beteekenen?" - -"Wel," verklaarde Hans, "het is maar een spel. Onze vrinden van de -Baarnsche school komen vanmiddag door het Overbosch naar "Sparrenheide" -om onze school te bestormen en in te nemen. En nu moeten we er vlug -bij zijn om ze op een afstand te houden." - -De heer en mevrouw Bergwoude lachten. - -"Komaan," sprak de eerste, "dus vanmiddag wordt mijn school -formeel bestormd? Wel wel, ik denk, dat ik maar naar Amersfoort zal -telegrafeeren om een detachement soldaten en huzaren. En hoe laat -zal dat gebeuren?" - -"Ja, dat weten we juist niet, vader," zei Hans. - -"Dat zeggen ze natuurlijk niet," sprak Flip. - -"Neen, dat zeggen ze niet," herhaalde Rob wijsgeerig. - -"Ik hoop niet, dat de andere jongens van onze school zich teveel -bij dat spel zullen opwinden," zei mijnheer Bergwoude, "want dan is -er vanavond geen huis met hen te houden. Zij zitten nu rustig hun -twaalf-uurtje te gebruiken in de eetzaal." - -"Ja, wat 'n wonder," zei Flip leuk. "Die weten er nog niets van." - -"Doen ze dan niet mee?" vroeg vader. - -"O jawel, maar we zeggen het straks pas, als we naar 't bosch -gaan. Want zoo gaat het bij het groote leger ook," zei Hans. "De -soldaten weten nooit van te voren wat er gebeuren zal." - -"Maar hoe zit het plan dan in elkaar?" - -"Niet zeggen," zei Flip. - -"Dat is een geheim, Vader, een geheim," sprak Hans. - -"Een geheim, ja, een geheim," herhaalde Rob weer. - -En hoe Vader en Moeder ook probeerden, meer van dat geheim te weten -te komen, de drie gebroeders lieten niets los, zoodat de ouders zich -tevreden moesten stellen met de mededeeling, dat het schoolgebouw -dien middag door den vijand bestormd zou worden. - -En toch, zij gaven maar toe en maakten geen bezwaren tegen het -vroolijke spel der jongens. Die wisten ook telkens wat nieuws te -verzinnen en speelden in de bosschen, alsof die hun eigendom waren -inplaats van Kroondomein. Met welwillende medewerking van Vader en -Moeder was de koffietafel dan ook gauwer afgeloopen dan anders en -holden de jongens naar hun kamer. - -Hans haalde een wandelkaart van de bosschen te voorschijn en spreidde -die op tafel uit. - -"Dit is onze stafkaart," zei hij lachend. "Ik ben de generaal, Flip -en Albert de Hooge zijn mijn officieren." - -"En ik dan?" - -"Jij bent niet oud genoeg voor officier, maar ik heb toch een mooi -baantje voor je. Omdat jij zoo goed met alle hoekjes en gaatjes van -de bosschen bekend bent, wordt jij mijn verkenner." - -"Dat is best," vond Rob. - -"Kijk eens hier," zei Hans, die als een veldheer zijn plan ging -uitleggen. "Ik heb met Bram Verhallen uit Baarn afgesproken, dat hij -om twee uur met zijn troep het dorp uittrekt bij de Pekinglaan, die -je hier op de kaart ziet. Zij gaan dan door het sparrenbosch onder -de tunneltjes van de spoorbanen door het Baarnsche bosch in. Zie -je wel," vervolgde hij en wees met zijn vinger de wegen aan op de -groene kaart, "dan gaan ze hier door de Borlaan langs de Groote Kom -naar den Eemnesser Straatweg. Daar steken ze schuin over naar den -weg langs het Boterbergje. En vandaar komen ze door het Overbosch op -onze school aan. Nou weet ik natuurlijk niet, welken weg ze nemen, -want dat heeft Bram mij niet verteld." - -"Moeten wij alleen de school verdedigen?" vroeg Flip. "Ik schiet ze -met mijn houten sabel een partij bruine boonen in hun neusgaten en -slinger ze terug, dat ze van hier naar Baarn rollen." - -"Hou nou op met je onzin!" zei Hans ongeduldig, "we kunnen onzen tijd -wel beter gebruiken. Ja, we moeten alleen de school verdedigen, maar -we laten ze niet dadelijk zoo dichtbij komen. Hier op de kaart ligt -onze school. Wij hebben twintig jongens. Vijf moeten bij de school -blijven om die te bewaken. Daar nemen we natuurlijk niet de grootsten -voor. Vijftien gaan er met mij mee. Ik weet een mooie plek om Bram -en zijn troep tegen te houden." - -"Het is nu half één," zei Rob. "Ik denk, dat ik mijn botaniseertrommel -meeneem." - -"Ben je vierkant gebakken?" vroeg Flip, "er is van middag niets te -botaniseeren, botaniseer jij Bram Verhallen maar op zijn gezicht!" - -"Neen, niets meenemen dan een paar goeie oogen en een hoop slimheid," -zei Hans. - -Flip ging opeens ijverig in de lade van de tafel zoeken. - -"Wat doe je," vroeg Rob. - -"Ik zoek een hoop slimmigheid," zei Flip, "want ik ben bang dat ik -er te weinig van in mijn kersepit heb." - -"Als jij vanmiddag in 't bosch zoo loopt te kletsen als je nou doet," -zei Hans, "dan stuur je alles in de war. En hoor eens: De school is een -fort, dat door Europeanen wordt bewoond. Bram en zijn jongens zijn een -wilde Indianenstam, de Mohikanen en Bram is Arendsoog, hun opperhoofd." - -"Dan wil ik Soepoog zijn," zei Flip. - -"Een blauw oog kan je dadelijk wel van me krijgen," bromde Hans, -die één en al ernst en vuur was. "Met jouw flauwiteiten schieten we -heelemaal niet op. Ziezoo, en nou gaan we de anderen waarschuwen." - -De drie broers begaven zich naar de kamers der kostjongens om hen -van de zaak op de hoogte te stellen. - -Natuurlijk wilden ze allemaal graag meedoen, maar Hans koos de flinkste -jongens uit om mee te gaan, de overigen konden de school bewaken. - -"Ik zou ook wel Indiaan willen zijn," mompelde Flip bij -zichzelven. "Akibakki kikkerbokki, de taal ken ik al! Ha, gij -driedubbele gepofte honden van bleekgezichten, ik, de dappere Soepoog, -zal u met mijn tomohawk tot gruttenpap met rozijnen en groene zeep -hakken. Wee u, gij grutteneuzen!" - - - - - - - - - -TWEEDE HOOFDSTUK. - -INDIANEN EN BLEEKGEZICHTEN. - - -Op het Brinkplein bij de Baarnsche kerk verzamelde Bram Verhallen -zijn mannetjes. Bram Verhallen was van denzelfden leeftijd als Hans -Bergwoude, even sterk, even slim, even stevig gebouwd. Alleen was -hij lichtblond en had zachte, bijna droomerige oogen. Hij was een -lobbes van een jongen, maar liet zich toch niet de kaas van het -brood eten. Hans Bergwoude was een zijner beste vrienden en als zij -niet zoo ver van elkaar gewoond hadden, zouden zij veel meer bij -elkaar geweest zijn. Bram was de eenige zoon van notaris Verhallen; -hoewel uit een deftig gezin afkomstig was hij toch vrij van alle -gemaaktheid of aanstellerij. Hij was op school een ijverig leerling, -maar moest nogal blokken om bij te blijven. Hij leefde op als hij -met zijn kameraden kon ravotten. - -Intusschen kwamen meer en meer jongens opdagen en allen waren -zenuwachtig van ongeduld om het heerlijke spel te beginnen. Toen zijn -strijders, ongeveer twintig in getal, compleet waren, stelde Bram -zich aan het hoofd ervan en marcheerde naar de Torenlaan, waar hij -rechtsaf sloeg, het Sparrenbosch in. Daar hield hij even halt, liet -de jongens in een kring om hem heen staan en ging het spel uitleggen. - -"Jullie weet al zoo'n beetje," vertelde hij, "wat we gaan doen, -maar het fijne van de zaak zal je nu pas hooren. Wij zijn Indianen -van den stam der Mohikanen." - -"Hoera, hoera, Indianen!" schreeuwde er al een paar. - -"Stil toch!" vermaande Toon Sprits, een groote jongen en een der -klassegenooten Van Bram. "Mooie Indianenmanieren om in het bosch zoo -te schreeuwen!" - -"Ja," zei Bram, "als je zooveel spektakel maakt, dan hooren de -"Sparheiders" al direct, waar we zitten. Dus jongens, houdt je -doodstil. Jullie hebben allemaal genoeg Indianenboeken gelezen en -daarom weet je ook best, hoe Indianen in hun bosschen doen. Ik ben -Arendsoog, en jullie kiezen maar een naam voor jezelf uit." - -"Tijgerklauw heet ik!" zei de een. - -"Witte Buffel!" riep een tweede. - -"Vuurstraal!" - -"Edelhart!" - -"Apestaart! Oliebol! Kokosvet!" 't Werd weer een geschreeuw door -elkaar van je welste. Op die manier kwam er van de heele onderneming -niets terecht. - -"Stilte!" commandeerde Bram. "Wie niet gehoorzaamt en weer schreeuwt -of leven maakt, kan naar huis gaan." - -Dat hielp. Bram was wel een goeie jongen, maar als hij boos werd, -begonnen zijn gespierde armen een woordje mee te spreken en daar -hadden de jongens respect voor! Het werd dus stil en Bram vervolgde: - -"Ik ben Arendsoog en jullie opperhoofd. Toon Sprits en Jan v.d. Zee -zijn mijn verspieders. De school van Bergwoude in het Overbosch is -een fort, waar blanken wonen. Dat fort wordt door ons bestormd. Maar -het wordt verdedigd door de Sparheiders, dat zijn Hans Bergwoude met -zijn broers en de kostjongens. Zij weten, dat wij uit de richting -van het Boterbergje komen. - -"Alle Sparheiders hebben een witten band om den arm, en voor ons heb -ik roode banden meegebracht. Hier zijn ze. Bind ze om den rechterarm!" - -Dat was gauw gebeurd en daarop deelde Bram zijn troep in. - -Voorop ging de spits, Jan v.d. Zee met twee jongens. Jan midden op -den weg, de twee jongens achter de boomen, daarachter een voortroepje -van drie man op den weg, vervolgens een troep van tien man en vijftig -meters daarachter een achterhoede als dekking van vier jongens. - -Elk gedeelte moest zorgen met de anderen in verbinding te blijven. En -verder deelde Bram zijn strijders alles mede, wat ze voor dezen middag -te weten hadden. - -Had de blijdschap bij het vernemen van dit prettige spel de jongens -eenige oogenblikken luidruchtig gemaakt, nu begrepen ze, dat ze -doodstil moesten zijn. Zij speelden elke week in de bosschen en kenden -er evengoed den weg als in hun eigen huis. - -Nadat Bram zijn troep had opgesteld, ging het in de genoemde volgorde -voorwaarts, de bosschen in. - -Hans Bergwoude, de generaal der Sparheiders, die het fort der blanken -te verdedigen had, zat intusschen ook niet stil. Vijf verdedigers had -hij in een wijden kring om het schoolgebouw doen postvatten en met -vijftien man trok hij de aanvallers tegemoet. Dat wil zeggen, hij -verdeelde ze eerst in drie partijen. Vijf jongens onder aanvoering -van zijn broer Flip trokken door de Sophialaan den vijand tegen, -vijf onder commando van Albert de Hooge door de Hooilaan en vijf -onder hemzelven door de Koninginnelaan, dus in het midden van de -beide andere troepen. Elke troep moest één der jongens tusschen de -boomen laten loopen, om berichten of teekens van links of rechts over -te brengen. Aan het eind van elke laan zouden de troepen halt houden -en daar den toegang voor den vijand afsluiten. Er waren nog wel meer -wegen, die naar Sparrenheide leidden, maar die vormden zulke groote -omwegen, dat er voor de tegenpartij te veel tijd zou verloren gaan -om die te volgen. - -Hans wist dit ook wel, daarom had hij de voornaamste wegen naar -Sparrenheide bezet. - -Het was stil in 't bosch. - -Wandelaars waren er bijna niet te zien, die kwamen zelden zoo vér en -bleven meestal in de nabijheid van het dorp. De zon scheen vroolijk -op dezen mooien Julidag en in het bosch was het heerlijk zoel onder de -boomen. In de toppen van de beuken en linden zongen merels en lijsters, -ginds sprongen een paar eekhoorntjes tusschen de sparretakken, maar -overigens was het doodstil. Schooner plekjes dan waar de jongens zich -door het bosch bewogen kan men zich moeilijk voorstellen. Naar alle -kanten slingerden zich de grijs bruine paden en verdwenen dan in het -duizendtintige boschgroen. Het lichte bladgroen der linden prijkte -naast de bruine beuken, donkere sparren en dennen daartusschen en -opeens weer een groep zachtgroene eiken, 't was voortdurend weer -'n andere tint van boomenloof. Soms weken de boomen vaneen en -omringden een open plek, waar dan 'n vijver gevormd was. Een vijver -van helder water, waarin je salamandertjes en slangen zag en mooie -waterinsecten. De bodem was er bedekt met millioenen bladeren, die -voor de vijverbewoners prachtige nesten vormden. - -Ook de jongens genoten thans wel van die heerlijke boschpracht, -maar voor 't oogenblik waren ze toch meer vervuld van het spel van -dezen middag. - -Zonder onnoodig geruisch te maken gingen de drie troepen voorwaarts -door de lanen. Generaal Hans begreep, dat hij niet tegenover -gewone soldaten stond, maar met Indianen te doen had, die op èchte -Indianenmanier plotseling van achter boomen en struiken te voorschijn -konden komen. Daarom had hij ook den voorzorgsmaatregel genomen, -eenigen van zijn mannetjes niet op de paden, maar tusschen de boomen -door te laten loopen. - -Eindelijk hadden de drie troepen het eindpunt van de genoemde lanen -bereikt en stelden zich daar verdekt op, dat wil zeggen, zij verscholen -zich tusschen het kreupelhout en zetten een schildwacht achter een -boom op den uitkijk. Elke troep moest op zijn plaats blijven en daar -voorloopig bivak houden. - -Generaal Hans wou nu wel eens weten, hoe het met den vijand gesteld -was en daarom riep hij zijn verkenner Rob bij zich. - -"Hoor eens, Rob," sprak hij, "jij moet eens het bosch verder ingaan -naar den kant van het Boterbergje en zien, of er iets van de Indianen -te merken is. Maar kijk goed uit je doppen, hoor, en bemoei je nou -eens niet met allerlei slakken en kevers en aardvlooien en weet ik -veel wat voor ongedierte meer! Denk er aan, dat zoo'n Indiaan op je -loert en voor je 't weet ben je gebrajen. En zorg dat je zoowat over -een half uur terug bent. Kan je roepen als een kraai?" - -"Beter dan jij." - -"Dat zit nog. Als er wat aan de hand is, laat je een kraaienschreeuw -hooren. Dan komen we. Zoo, ga nou maar." - -Rob ging het bosch in en was weldra tusschen het geboomte verdwenen. - -Hans ging van den eenen troep naar den anderen langs de -verbindingslaan. Hij lette er op, dat de schildwachten op hun post -waren. Maar hij had al gauw gezien, dat die ijverig hun plicht deden, -omdat ze veel te bang waren, onverhoeds door de Indianen overvallen te -worden. Hij besloot daarom kalm de lanen bezet te houden en alvorens -verder te gaan, de terugkomst van Rob af te wachten en te hooren, -wat die van de tegenpartij gezien had. - - - -De Indianentroep was voorzichtig voortgegaan door het bosch. Jan -v.d. Zee, die aan de spits ging, met een makker aan iederen kant -tusschen de boomen, meende op den viersprong van de Boslaan voorbij de -Groote Kom onraad te bespeuren. Hij wenkte zijn nevenmannen en stak -den arm omhoog wat door de achter hem aankomenden gezien werd. Die -gaven het teeken door en opeens hielden alle Indianen halt en wierpen -zich plat op den grond, zooveel mogelijk gedekt tusschen de struiken. - -Jan, die zich met den geweldigen naam Tijgerklauw als een echt Indiaan -deed kennen, zag tusschen het kreupelhout recht voor zich uit eenige -jongens bewegen. Zouden de verdedigers van Sparrenheide reeds zoovèr -doorgedrongen zijn? Was het een voorpost? Maar tevergeefs zocht -Tijgerklauw naar den witten band, dien de tegenpartij om den arm -moest dragen. Ook schenen de jongens met een heel ander spel bezig -te zijn. En terwijl Tijgerklauw de vreemde gedaanten tusschen het -geboomte bespiedde, wachtte Arendsoog, het dappere opperhoofd der -Mohikanen, op een tweede teeken. - -"Zou Tijgerklauw de bleekgezichten al zien?" fluisterde Arendsoog -Toon Sprits in 't oor, die nu "Vuurstraal" heette. - -"Vuurstraal weet het evenmin als het dappere opperhoofd, maar -Arendsoog kan mijlen ver zien, hij kan naar voren gaan en zien, -waarom Tijgerklauw niet verder gaat." - -"Mijn broeder spreekt verstandig. Ik zal gaan. Hugh! daar geeft -Tijgerklauw weer het teeken: voorwaarts." - -Inderdaad zwaaide Tijgerklauw zijn arm naar voren, de vreemden waren -geen vijanden geweest, en de Indianen slopen weer geruischloos langs -de paden. - -Zoo bereikten zij het Boterbergje. - -Het Boterbergje is een heuveltje, gelegen aan een zijpad van den -Eemnesser straatweg. Het is omringd door twee rijen boomen, aan -drie zijden daarachter strekt zich over een grooten afstand dicht -kreupelhout uit, alleen de kant van den weg was open. Boven op het -bergje stond een bultige, knoestige lindenboom. - -Arendsoog legerde zijn Indiaansche krijgers in het dichtbegroeide -terrein om het Boterbergje, zoodat er geen tip van hun neus te zien -was. Hij zelf kroop naar boven en klom in een boom. Maar veel kon hij -niet zien, 't was alles bosch en nog eens bosch. Alleen kon hij naar -het Noord-oosten een klein stukje van den straatweg zien. Hij wilde dan -ook juist weer uit den boom klimmen, toen hij de struiken zag bewegen -op een plaats, waar zijn Indianen niet gelegerd waren. Arendsoog hield -den adem in en hield zijn scherpen arendsblik gericht op de struiken. - -In 't volgende oogenblik zag hij een arm tevoorschijn komen, en om -dien arm ... een witte band! - -Een vijand dus! - -Maar was hij wel alleen? Was het niet een sterke afdeeling die -vooruitgezonden was om Arendsoog tegen te houden? Neen, dat was niet -waarschijnlijk, Sparrenheide lag nog op te verren afstand. - -Het zou dus wel een verkenner zijn! - -Maar dan zou Arendsoog ook wel zorgen, dat het bleekgezicht niet bij -zijn generaal terugkeerde! - -Stil... daar kwam een hoofd tusschen het groen te voorschijn, maar de -verkenner was nog te ver om zijn gezicht te kunnen onderscheiden. Hij -keek om zich heen. Toen dook hij weer weg in het groen. - -Arendsoog liet zich geruischloos uit den boom glijden. Hij sloop -langs den heuvel naar beneden en wenkte zijn strijders Tijgerklauw en -Vuurstraal. Een enkel fluisterend woord was voldoende om deze twee -op de hoogte te brengen, en plotseling vlogen de drie Indianen het -kreupelhout in om den spion gevangen te nemen. Zij hadden hem gauw -genoeg bemerkt en nu ontstond er een jacht door het eikengewas. Vijftig -meter verder lag het dennenbosch, als de vluchteling daarin zocht te -ontkomen was hij verloren. - -De Indianen vlogen door het moeilijk begaanbare terrein, zij zagen het -bleekgezicht Rob Bergwoude het bosch steeds meer en meer naderen.... - -Daar rende hij er in! - -Ziezoo, de tallooze, dicht op elkaar groeiende stammen zouden hem -het snelle voortgaan wel beletten. - -En, wat kalmer, volgden de roodhuiden den vluchteling. Ook zij -bereikten nu het dennenbosch. - -Maar.... waar was het bleekgezicht? - -Arendsoog, Tijgerklauw en Vuurstraal keken verbaasd om zich heen. Zij -keken naar de toppen der stammen, zij schopten de dennetakken van -den grond. - -Niets! - -Rob Bergwoude was spoorloos verdwenen! - - - - - - - - - -DERDE HOOFDSTUK. - -IN GEVECHT MET DE ROODHUIDEN. - - -Rob, die door zijn broer Hans op verkenning werd uitgezonden, was door -de Koninginnelaan het bosch ingetrokken. De jonge natuurliefhebber was -juist geschikt voor dit werk, omdat hij alle wegen en schuilhoeken zoo -door en door kende. Hij stapte regelmatig door tot aan de Jagerskom, -ook al een boschvijver. Daar zag hij op een bank bij het water een -stumperig oud moedertje zitten, dat bitter weende. - -Rob had een weekhartig gemoed en vond het zóó ontzettend naar, dat -hij dit oude vrouwtje huilen zag, dat hij het niet over zijn hart -verkrijgen kon, door te loopen. - -Misschien had zij iets in het water laten vallen? - -Rob kwam nog wat nader en toen pas scheen het oudje hem te bemerken. - -"Is... is u soms wat verloren?" - -Het arme moedertje veegde de tranen uit haar oogen en knikte. - -"Och, jongeheer," zei ze snikkend, "ik weet geen raad. Mijn zoon -had geld gestuurd, tien gulden. En nu was ik naar Baarn gegaan, om -wat boodschappen te doen.... en nu heb ik 't briefje verloren. Ik -heb zoo gezocht, zoo gezocht. Maar ik kan het niet meer vinden. Och, -och, wat zal mijn jongen wel zeggen! Hij heeft het voor zijn moeder -overgespaard. Vier weken had ik er mee moeten rondkomen. Tien gulden, -ach, en het is zoo'n lange weg naar De Vuursche." - -"Woont u daar?" vroeg Rob deelnemend. - -"Ja, jongeheer. Ik zal maar weer naar huis gaan. En onderweg nog eens -goed zoeken. Och, och, wat ben ik toch ongelukkig..." - -Opeens kreeg Rob een goed idee. - -"Wij zullen wel helpen zoeken," sprak hij. "Bij het begin van de -Sophialaan staat een troep jongens. Wij zijn aan het spelen. Wij zijn -bleekgezichten, weet u." - -"Bleekgezichten, jongeheer? U ziet er anders heelemaal niet bleek -uit. U hebt een gezonde kleur. Als melk en bloed." - -"Ja," zei Rob lachend, "maar zoo meen ik het ook niet. De Indianen -noemen ons bleekgezichten. De jongens van Baarn zijn de Indianen. Hebt -u ze niet gezien?" - -De oude vrouw schudde ontkennend het hoofd. - -"Nou maar," vervolgde Rob, "als u nou bij die jongens daar vraagt -naar Hans, dat is mijn broer, dan moet u hem maar eens vertellen, -dat ik gezegd heb, dat ze u moeten helpen zoeken. De jongens hebben -allemaal witte banden om den arm." - -'t Vrouwtje knikte hem dankbaar toe voor de aangeboden hulp en -strompelde terug. - -Rob zette zijn weg voort tot hij kwam aan de Reigers laan, in de -nabijheid van het Boterbergje. Daar drong hij het kreupelhout in tot op -tweehonderd meters afstand van het heuveltje. Hij hield zich doodstil -tusschen de struiken en bespionneerde den top van het bergje. Neen, -de Roodhuiden zouden wel niet zoo dom zijn, om zich boven op den top -te legeren... of waren zij nog niet tot hier gevorderd? - -Rob loerde en loerde, maar de dichte eikebladeren beletten hem het -uitzicht. Hij duwde met den arm de takken terzijde en stak zijn hoofd -boven het groen uit. - -Op dit oogenblik bemerkte Arendsoog hem. - -Maar toen deze met Tijgerklauw en Vuurstraal op hem afkwam, had Rob -toch gauw gezien, dat hij ontdekt was. Hij rende, zoo gauw als de -struiken dit toelieten, naar het achter hem gelegen dennenbosch, maar -onder die vlucht bedacht hij, dat de dicht op elkaar staande stammen -hem teveel zouden tegenhouden. En daarom besloot hij van een list -gebruik te maken. Hij zou net doen alsof hij in het bosch vluchtte, -en ook werkelijk een paar stappen tusschen de eerste stammen doen, -zoodat zijn vervolgers, die nog wel een dertig meters achter hem waren, -hem duidelijk konden zien. - -Zoo deed hij. - -Maar na een paar stappen gedaan te hebben, liet hij zich plotseling -vallen en kroop snel terug naar het kreupelhout, waar hij een -uitstekende schuilplaats vond. - -Toen Arendsoog, Tijgerklauw en Vuurstraal eenige oogenblikken later -den rand van het bosch bereikten, was er van den vluchteling geen -spoor meer te ontdekken. - - - -"Hugh!" zei Arendsoog tot zijn makkers, "is het bleekgezicht dan een -geest, die in de lucht verdwijnt?" - -"Of heeft de witte man tooverkruiden ingenomen, waarmede hij zich -onzichtbaar maakt?" vroeg Tijgerklauw. - -"Mijn roode broeders dwalen," zei Vuurstraal, "het bleekgezicht heeft -geen tooverkruiden en is ook geen geest, maar hij heeft verstand. Zie, -het woud is dicht en ondoordringbaar. De slang en de wolf loeren op -hun prooi. Daarom is de blanke verspieder niet in het bosch gegaan." - -"Arendsoog hééft hem het woud zien betreden," sprak het opperhoofd -op deftigen toon, "en het oog van den arend vergist zich nimmer." - -"Het opperhoofd der Mohikanen spreekt als een man," zei Tijgerklauw, -"maar onze broeder heeft gelijk. De vluchteling is niet verder het -woud ingegaan dan wij." - -"Hugh! Waar is hij dan?" - -"Vuurstraal weet het niet, maar begrijpt het. Het bleekgezicht verbergt -zich voor de roode krijgers in het struikgewas." - -En met deze woorden ijlde de jonge Indiaan het kreupelhout in, waar -opeens beweging en leven in kwam. Opnieuw werd het wild opgejaagd en -nu precies in de richting van de plek, waar de Mohikanenstam gelegerd -was. Het duurde dan ook niet lang, of Rob liep als het ware in de -armen zijner vijanden. - -Tegen zulk een overmacht was hij niet bestand en ondanks al zijn -rukken en worstelen werd hij gevangen genomen. Maar hoe de Indianen -hem ook dreigden te scalpeeren, hij wilde volstrekt niet zeggen, -waar zijn kameraden waren. - -De roodhuiden hielden krijgsraad. Zij zaten in een kring gehurkt en -keken naar Arendsoog, die met bezorgd gelaat om zich heen staarde. - -"Het bleekgezicht is een verspieder," sprak hij. "Hij wil zijn mannen -gaan zeggen, dat de Roodhuiden den Boterberg bezet hebben. Maar -Arendsoog is een wijs opperhoofd. Als het bleekgezicht hem zeggen wil, -hoe groot het aantal zijner witte broeders is, zal de Mohikaan genade -voor recht laten gelden. Dat de gevangene spreke!" - -Maar Rob aan handen en voeten gebonden met een lasso, weigerde eenige -inlichting te geven. - -"Het jonge bleekgezicht is wel moedig, maar niet verstandig," -zei Arendsoog. - -Daar klonk opeens het geschreeuw van een kraai door het bosch! - -"Kàrr... Kàrr!!" - -En eer de roodhuiden het verhinderen konden, gaf de gevangene het -antwoord: - -"Kàrr... Karr... Kàrr!" - -"Verraad!" schreeuwde Tijgerklauw. - -"Voorwaarts, dappere krijgers!" riep Arendsoog, "daarginds is de -vijand! Dood aan de bleekgezichten!" - -En de woeste Indianenhorde stormde het bosch in naar den kant vanwaar -het signaal gekomen was. - - - -"Ik begrijp er niets van," zei Generaal Hans tot zijn broer -Flip. "Rob is al meer dan een half uur weg en wij zien hier nog geen -Indiaan. Zouden ze hem te pakken hebben?" - -"Misschien zit-ie heel kalm ergens een bloem te determineeren," -zei Flip. - -"Dat geloof ik niet, want ik heb hem juist nog goed op het hart -gedrukt, om dat nu maar eens over te slaan en alleen uit te kijken -naar de roodhuiden." - -"Ik wou, dat ze maar kwamen," zei Flip, "dan kregen we tenminste wat -te doen. Ik verveel mij een aap." - -"Met jouzelf meegerekend zijn dat dan twéé apen." - -"Zoo, baviaan. Maar je moest er mij eens op uitsturen, om Robberdebob -op te snorren. Wie weet, waar dat heerschap zit." - -"Als hij maar niet gevangengenomen is. Weet je wat? Ik moet natuurlijk -hier blijven. Een generaal kan zijn leger niet in den steek laten. Maar -ik zal je twee soldaten meegeven en je gaat Rob zoeken. Dat is dan -een patrouille." - -Een oogenblik later was commandant Flip met twee man Rob achterna -gegaan. Daar het bosch maar heel weinig betreden wordt, konden -de jongens heel duidelijk de versche voetsporen van hun voorganger -volgen. Maar toen die voetstappen bij den viersprong van de Reigerslaan -opeens in het kreupelhout verdwenen, was het spoor van Rob niet meer -te volgen. - -"Ik ben een citroenschil als ik weet, hoe we Rob nou moeten vinden," -zei Flip. - -"En we zitten hier natuurlijk vlak bij de Roodhuiden," waarschuwde -Hein Veere, een der Sparheiders. - -"Kan je niet 's roepen?" opperde de ander, die Piet Broeser heette. - -"Daar zeg je zoowat," zei Flip. "Ik zal een kraaienschreeuw -geven.--Kàrr... kàrr!!" - -En daar klonk het wat verder: "Karr--karr--karr!" - -"Stil!" sprak Hein, "ik hoor het geschreeuw van de Indianen. Zij -komen hierheen!" - -Het geluid van vele voetstappen kwam snel nader. Flip en zijn twee -mannen kropen in 't dichtste deel van het kreupelhout. - -Een oogenblik later holde een woeste Indianentroep van wel twintig -man voorbij de plek, waar de bleekgezichten verscholen lagen. Deze -hielden zich doodstil, want men kon nooit weten of niet meerdere zouden -volgen. Maar er kwam niemand meer. De Indianen waren blijkbaar in de -meening, dat de vijanden veel verder verwijderd waren dan inderdaad -het geval was. Maar--waar bleef Rob? - -Flip waagde zich aan den rand van het kreupelhout. Aan het einde van -de laan stonden de Roodhuiden besluiteloos te kijken. Nu moest een -poging gewaagd worden om zijn broer te verlossen! - -"Kom mee!" zei Flip, en gedekt door de struiken ijlden zij naar -het Boterbergje. - -In de algemeene opwinding was Rob door de Roodhuiden aan zijn -lot overgelaten. Het plotselinge signaal der bleekgezichten had -hen in den waan gebracht, dat zij door een sterke macht bedreigd -werden. Ondertusschen lag Rob aan handen en voeten gebonden aan den -voet van het Boterbergje. Zoo vond zijn broeder hem. - -"Vlug, vlug!" zei Flip, terwijl hij de lasso doorsneed, waarmee Rob -geboeid was. "We moeten gauw hier vandaan, want de Roodhuiden zullen -in een oogenblik weer hier zijn!" - -Dat behoefde hij Rob geen tweemaal te zeggen. - -De jongens maakten, dat zij wegkwamen, maar nauwelijks hadden zij -den viersprong bereikt en wilden dien passeeren, toen een der daar -dwalende Indianen hen bemerkte. - -De Roodhuid liet een doordringenden kreet hooren. - -En onmiddellijk daarop stormde de heele bende voorwaarts, de -bleekgezichten achterna. Arendsoog voorop, onmiddellijk gevolgd -door Tijgerklauw en Vuurstraal, zaten ze weldra de vluchtelingen op -de hielen. - -Maar generaal Hans had het rumoer in 't bosch gehoord. Snel als de -wind verzamelde hij zijn soldaten en snelde de Roodhuiden tegemoet om -zijn makkers te ontzetten. Nog één oogenblik... en de drie verkenners -waren met den bevrijden Rob weer veilig tusschen de kameraden. - -De Indianen kwamen aanstormen, het werd een gevecht van man tegen -man. Maar de bleekgezichten telden maar vijftien man, terwijl de -Roodhuiden over ruim twintig te beschikken hadden. Al worstelende -en vechtende werden de blanken achterwaarts gedrongen, steeds meer -en meer teruggedreven. De aanvallen der woeste Mohikanen waren zóó -onweerstaanbaar hevig, dat van tegenhouden bijna geen sprake was. - -De blanken werden teruggedreven tot onder de muren van het fort -Sparrenheide. - -Daar kregen ze opeens versterking van de jonge garde, die het fort -bewaakte. Met deze nieuwe krachten ondernamen ze nu een uitval, die -de Roodhuiden niet verwacht hadden en waardoor deze een flink eind -teruggedreven werden. - -Nu omsingelden de Indianen de school, die als fort dienst deed en -het beleg begon. - -Arendsoog bond zijn zakdoek aan een stok en trad naar voren. - -Generaal Hans deed hetzelfde. - -Daar stonden de twee machtige opperhoofden tegenover elkaar. - - - -"Hugh!" zei de Indiaan. "De dappere Arendsoog is gekomen om met het -opperhoofd der bleekgezichten te spreken." - -"En wat verlangt mijn roode broeder?" vroeg de generaal op denzelfden -deftigen toon. - -"De Mohikanen zijn een vreedzaam volk," sprak Arendsoog, "zij jagen -in de bosschen en rooken den vredespijp. Maar de bleekgezichten zijn -gekomen en hebben den rooden man uit zijn bosschen verjaagd, om die -in bezit te nemen. Onze dapperste krijgers hebben zij gedood met hun -vuurwapens. Waar is de Witte Bison? Waar is de Koningstijger? Waar -is de Prairie duivel? Het bleekgezicht heeft ze doodgeschoten. Maar -Arendsoog is het hoofd van den stam der oude helden, Arendsoog zal -de gevallen krijgers wreken. De witte man moet zijn steenen huis aan -de Mohikanen overgeven." - -Generaal Hans keek den Indiaan ernstig aan. - -"Arendsoog wil den oorlog," sprak hij, "maar de witte mannen willen -dien niet. Zij willen in vrede leven met die oude krijgers der -Mohikanen. Het fort behoort aan ons. Wij zullen het verdedigen als -de roode mannen het ons ontnemen willen." - -"Hugh!" riep Arendsoog op minachtenden toon, "de roode krijgers zullen -komen. En vóór het groote licht verduisterd wordt, zullen zij het -bleekgezicht verdreven hebben." - -En met een trotsch gebaar keerde het opperhoofd naar zijn krijgers -terug. - - - -Bijna oogenblikkelijk daarop werd de aanval door de Roodhuiden met -buitengewone hevigheid ondernomen. Maar met niet minder dapperheid -streden de Sparheiders. De Indianen wonnen geen duimbreed grond, -werden zelfs af en toe teruggedreven. - -Het werd inmiddels al later en later en de vechtenden werden -vermoeid. Vooral de Indianen, die zich buitengewoon hadden ingespannen -waren nauwelijks meer tot aanvallen in staat. - -Generaal Hans zag dat zeer goed. Hij verzamelde al zijn soldaten op -één punt en joeg er zóó verbazend snel op de Roodhuiden in, dat deze -niet langer konden standhouden en onder het triomfeerend "hoera!" der -Sparheiders op de vlucht werden gedreven. - -Toen klonk opeens een mannestem: - -"Bravo jongens! Het fort is prachtig verdedigd! Komt nu allemaal -hier! Hans, Flip, Rob, Hein! En de Roodhuiden ook!" - -Het was de heer Bergwoude, die het laatste deel van het spel had -bijgewoond en nu de dappere strijders bij zich riep. - - - - - - - - - -VIERDE HOOFDSTUK. - -EEN PRETTIG BESLUIT EN EEN VROOLIJKE VERTELLING. - - -"Allemaal hierheen, jongens!" - -En mijnheer Bergwoude opende de deur van de gymnastiekzaal, die achter -de school gelegen was. In een oogenblik waren de veertig jongens in -de zaal bijeen. Mijnheer ging op een bankje staan, zijn gelaat stond -vroolijk, want hij had schik in de spelen der jongens. Mevrouw was -op het krijgsrumoer al komen toeloopen om te zien, wat er toch wel -aan de hand mocht zijn. Maar nu keek zij toch ook met een lachend -gezicht naar die vroolijke knapen. - -"Hoor eens, jongens!" sprak Mijnheer, en dadelijk daarop werd het stil, -"ik moet eens even wat zeggen. Jullie hebt vanmiddag een mooi spel -gespeeld! Het was wel een oorlogsspel, maar er zijn geen slachtoffers -gevallen. Het was een spel, waarbij je oogen en ooren goed den kost -moest geven. Jullie hebt je oplettendheid en scherpzinnigheid vanmiddag -kunnen oefenen. Bij het gevecht zijn geen stokken of steenen gebruikt, -bij ieder kwam het op eigen lichaamskracht aan. Dat is ferm, dat is -gezond. Er is niemand mishandeld, ik heb gezien, dat de zwakkere -alleen maar door den sterkere werd teruggedreven. En wie er bij -ongeluk al eens een buil of een schram heeft opgeloopen, die moet -dat dan maar beschouwen als een teeken van heldenmoed. Jullie hebt -je allen kranig gedragen, en ik moet den Roodhuiden mijn compliment -maken, dat zij het nog zoo lang tegen de overmacht hebben uitgehouden!" - -"Hoera!" klonk het dreunend door de zaal. - -"Bravo!" zei Mijnheer Bergwoude. "En nu, jongens, wie wat verdient, -moet wat hebben. Hans, geef jij die groote, ronde doos eens aan, -die daar staat!" - -Hans keek naar den kant, dien zijn vader aanwees en bemerkte nu pas -een kolossale ronde taartjesdoos. Hij gaf die aan zijn vader en deze -toonde haar geopend aan de jongens. - -"Hoera, taartjes!" klonk het. - -"Vooruit jongens, kiest er de heerlijkste maar uit. Ik trakteer de -beide oorlogvoerende partijen," zei Mijnheer lachend en om het goede -voorbeeld te geven, stak hij zelf een roomhoorn in den mond, waarmee -hij vervolgens allerlei gekke gezichten trok, zoodat de jongens het -uitgierden van pret. Zij lieten zich ondertusschen de onverwachte -tractatie heerlijk smaken en rustten op stoelen en banken uit van de -vermoeienissen des oorlogs. - -Toen zei Mijnheer Bergwoude: - -"Ik vind het toch zoo prettig, dat de leerlingen van "Sparrenheide" -zooveel vrienden hebben. En de Baarnsche jongens zijn hun beste -vrienden. Ieder weet wel, dat de jongens van Sparrenheide niet den -heelen dag met den neus in de boeken ziften en dan 's avonds nog -urenlang blokken om 's morgens weer opnieuw te beginnen. Neen, wij -studeeren wat kalmer aan en gaan af en toe eens het bosch in. Wij -timmeren en plakken en cartonneeren allerlei mooie en nuttige dingen, -wij zingen en maken muziek, maar vergeten daarom toch de leervakken -niet. Als wij dag in, dag uit studeerden en al maar blokten en -ploeterden, zouden al onze leerlingen heel gauw zenuwpatiëntjes -worden en heelemaal niets meer kunnen leeren. Nu zijn het ferme, -frissche jongens, met rozen op de volle wangen. En daarom kunnen ze -ook ferm meespelen met hun Baarnsche makkers. Frisch op, Roodhuiden, -en een hartelijk hoera voor de Sparheiders!" - -"Leve de Sparheiders! Hoera!" riepen de Baarnsche knapen. - -"All right, jongens," besloot mijnheer. "Het klokje van gehoorzaamheid -slaat. Nu afscheid nemen van elkaar, de Sparheiders naar hun kamers -en de Roodhuiden op marsch naar Baarn!" - -Dat bevel werd opgevolgd en een oogenblik later verkeerde het bedreigde -fort der bleekgezichten weer in veilige rust. - - - -De slaapkamers der Sparheiders waren op de bovenverdieping, en hadden -alle een deur, die op het balcon uitkwam. Een van die kamers behoorde -aan Hans, Flip en Rob. De drie broers hadden zich wat verfrischt en -rustten nu even uit in hun heiligdom. - -"Zeg," vroeg Flip aan Rob, "hoe kwam jij toch zoo'n stakker om je -door de Indianen te laten inpakken?" - -"Dat was niet stakkerig, dat was..." - -"Slim toch ook niet, Robbekop." - -"Och, jij met je kletspraat," mopperde Rob. "Denk-je, dat het nou zoo -aardig is, om Robbekop tegen mij te zeggen? 'n Kunst! Ik kan ook wel -zeggen: Flip, 'n kikker op je lip." - -"Die naar binnen glipt," voegde Hans er bij. - -"Heel mooi gezegd," plaagde Flip. "Maar toch had ik me niet zoo -één-twee-drie laten inmaken. Hoe is dat toch gebeurd?" - -"Ik heb heelemaal geen zin om dat jou te vertellen," zei Rob. "Als -ik die oude vrouw niet gezien had, dan..." - -"Welke oude vrouw?" vroeg Hans. - -"O, dat is waar ook," herinnerde Rob zich. "Is ze niet bij je geweest, -toen je aan 't eind van de Koninginnelaan lag?" - -"Bij mij?" vroeg Hans weer. "Neen, ik heb niemand gezien." - -"Hee, en ik heb haar nog gezegd, dat ze naar jou moest vragen. Ze kwam -van de Vuursche door het bosch en had onderweg een briefje van tien -gulden verloren. De arme stakker zat te huilen aan de Jagerskom. Ik kon -natuurlijk niet gaan zoeken. Maar ik heb haar naar jou toe gestuurd." - -"Niets gezien," herhaalde Hans. "Ik denk, dat ze 't geld weer gevonden -heeft en toen maar verder is gegaan." - -"Ja, dat kan wel," vond Rob. En verder werd er over die zaak niet -gesproken. - -Maar een oogenblik later kwam de oude huisknecht aan Hans vertellen, -dat er een arme vrouw was, die naar hem vroeg. De huisknecht was een -stokdoove oud-gediende, die Bosman heette. Men moest altijd verbazend -hard roepen om hem iets verstaanbaar te maken en dan nog verstond -hij het meestal heelemaal verkeerd. - -"Hoe heet die vrouw?" riep Hans aan Bosman's oor. - -"Met haar mond, denk ik," zei Bosman. - -"Ach neen, ik vraag niet hoe zij eet, maar hoe zij héét!" - -"Dat weet ik niet" - -"O," zei Rob, "dat is ze bepaald. Wacht Hans, ik ga mee." Hans en Rob -holden naar beneden en Rob herkende dadelijk het arme vrouwtje. Ook -nu had zij nog de tranen in de oogen. - -"Och jongeheer," snikte ze. "Ik was eerst zoo blij. Ik vond de -portemonnaie terug. Maar alles is eruit gehaald! O, ik weet geen -raad. En nu kwam ik vragen, of misschien ... o, ik durf het haast -niet zeggen." - -"Zeg 't maar gerust," moedigde Hans aan. - -"Ach, u moet niet boos worden, als ik 't zeg. Maar een kind is maar een -kind. Het zou toch wel kunnen, dat een van de jongens ... 't gevonden -had ... en 't eruit genomen heeft. Die denkt daar niet altijd kwaad -bij. Maar ik ben een arme, oude vrouw en kan 't niet missen." - -"Welneen," zei Hans. "Zooiets doen ónze jongens niet. Daar hoeft u -niet aan te denken. Maar wij willen het wel eens vragen." - -Op dit oogenblik kwam mijnheer Bergwoude uit de tuinkamer naar de -voordeur. - -"Wat gebeurt er, jongens, en waarom huilt dat vrouwtje?" Rob vertelde -zijn vader met een paar woorden, wat er gebeurd was. - -"Wel dat is een ongelukkige geschiedenis," sprak mijnheer Bergwoude. - -"Maar ik kan je de verzekering geven, vrouwtje, dat geen der jongens -van onze school zoo slecht is geweest om het geld uit de portemonnaie -te nemen. Waar hebt ge die weer teruggevonden?" - -"Op den Hulpweg bij 't Hondenbosch," zei de oude. - -"Zijn jullie in 't Hondenbosch geweest?" vroeg mijnheer Bergwoude -aan Hans en Rob. - -"Neen vader," zei Hans, "dat lag heelemaal uit onze richting. Van -onze troep kan er dus niemand geweest zijn." - -"Zoo. En de andere jongens zijn evenmin hier vandaan geweest. 't -Eenige zou dus zijn, dat een der meisjes ... maar dat zou toch al -heel vreemd zijn. Wacht, ik wil het voor uw zekerheid toch even aan -de onderwijzeres vragen." - -Maar een oogenblik later was de heer Bergwoude al weer terug met de -boodschap, dat de juffrouw dien middag met de meisjes had getennist -en niet in 't Hondenbosch was geweest. - -"Het moet dus een vreemde zijn," vervolgde de hoofdonderwijzer, -"maar daarom zullen we u toch helpen de zaak te onderzoeken. Hoe heet -ge en waar kunnen we u vinden?" - -"Ik ben de weduwe Vorstman, mijnheer, ik woon in de dorpstraat van -de Vuursche." - -"Komaan. Zeg jongens, gaan jullie maar weer naar boven," sprak hun -vader, "ik zal 't wel verder met vrouw Vorstman in orde maken." - -De broers gingen naar boven en mijnheer Bergwoude sprak nog even -met de weduwe. Zij scheen getroost heen te gaan en niet meer over -haar verlies te treuren, want zij lachte nu door haar tranen heen en -stapte heel wat vroolijker naar huis terug. - - - -Om zes uur werd er gedineerd in de groote eetzaal. Mijnheer en Mevrouw -zaten aan 't hoofd van de tafel, dan de onderwijzeres en de onderwijzer -en vervolgens de jongens en meisjes. Die middagtafel was altijd heel -gezellig. En na afloop ging men op mooie zomeravonden nog wat voor -het huis in het gras zitten of een klein wandelingetje maken rond -den heuvel. - -Tegen acht uur, als het zoowat donker werd, bracht de meid een -petroleumlamp buiten, waarvan het licht getemperd werd door een roode -kap. Om de tafel zaten mijnheer en mevrouw Bergwoude met meester -Hooghuizen en juffrouw Wieler. En zoolang het nog geen bedtijd was, -lagen daaromheen de jongens en meisjes van Sparheide. Dat was het -heerlijke verteluurtje, dat om beurten door meester Hooghuizen en de -juffrouw of mijnheer Bergwoude werd gehouden. De zachte schemering, -het omringende bosch met hoog daarboven de aarzelend naar voren komende -sterren, de gezellige kindergroep voor het huis, zacht beschenen door -het tooverroode lamplicht, dat alles werkte mee om een romantische -sprookjesstemming over allen te brengen. - -En 't was vaak, of bij zoo 'n mooi verhaal de sparren en beuken -en dennen stil te luisteren stonden en niet slapen wilden gaan -voordat het uit was. En ieder der vertellers had zoo zijn eigen soort -verhalen. Meester Hooghuizen wist altijd mooie geschiedenissen uit de -vele boeken, die hij las. Juffrouw Wieler vertelde meestal sprookjes -van kabouters en toovergodinnen en nimfen. Dat kon ze wàt mooi, maar -de juffrouw was zelf ook schrijfster en had al heel wat prachtige -sprookjesboeken geschreven. - -Maar als mijnheer Bergwoude aan de beurt was, dan werd er gelachen -om de gekke dingen, die hij vertelde, dat je de tranen van pret over -de wangen rolden. - -Vanavond was hij juist weer aan de beurt van vertellen en de jongens -en meisjes keken hem al verlangend aan. Zij zaten en lagen rondom de -tafel in het gras, mevrouw en juffrouw Wieler hadden een haakwerkje -ter hand genomen en meester Hooghuizen lag in een gemakkelijken stoel -een sigaar te rooken. - -Mijnheer Bergwoude had juist zijn lange goudsche pijp opnieuw gestopt -en aangestoken en scheen wel van plan, iets te gaan vertellen. Daarbij -knipte zijn eene oog ondeugend, alsof hij zeggen wou: Nu zullen jullie -weer wat moois komen te hooren. - -"Ik weet eigenlijk voor vanavond geen nieuw verhaal," sprak hij, -"maar ik zal mijn beurt wel moeten waarnemen en daarom zal ik je eens -iets vertellen uit de allereerste kinderjaren van Hans, Flip en Rob." - -De drie broers werden van alle kanten lachend aangekeken, maar zij -waren ondertusschen zèlf nieuwsgierig naar hetgeen hun Vader daarvan -vertellen zou. - -"Ik woonde hier pas een paar jaar," begon mijnheer, "en de drie -jongens waren nog maar heel klein. En nu zal je hooren, hoe de drie -kleuters op een goeden dag met een hofrijtuig van de Koningin Moeder -werden thuisgebracht. Op den dag, dat mijn verhaal een aanvang neemt, -was Hans, de oudste, vier jaar. Daarop volgde Flip, die 3 jaar was -en dan had je Robert, bijgenaamd Bobbie, die pas 1 jaar telde, maar -niettegenstaande dat de grootste ondeugd was van heel "Sparrenheide." - -Hans en Flip waren wilde rakkers en toch niet zoo ondeugend als -Bobbie. Deze éénjarige jongeheer was véél kalmer, een heel stil -ventje, maar buitengewoon lastig. Je kwam nooit met hem uitgepraat, -hij liet je niet los, als je met hem begon te praten. Hij was een -lief en aardig kereltje, o zeker, maar de dreumes maakte in stilte -plannen en voerde ze dan uit ook, dingen, die den menschen een heelen -hoop last bezorgden. Hij vond allerlei ondeugende streken uit, maar -lachte er nooit zelf om. - -Bobbie was altijd ernstig. - -Hij hield veel van eten, van vechten, van honden en van vogels. Maar -het meest hield hij van zijn vader en moeder. - -Katten kon hij niet uitstaan. Als hij er een te pakken kreeg, greep -hij het dier bij den staart, slingerde poes een paar maal in het rond -en gooide haar dan van zich af. Met de dienstmeiden was hij meestal op -voet van oorlog. Dat kwam, omdat hij, als hij er den kans toe had, de -halve keuken naar buiten sleepte en dan met een hamer alles stuksloeg. - -Alles, in de gangen en in de kamers, dat niet vaststond, nam hij -mee naar buiten. En daar ging het dan onder den hamer. Vader had het -hem al honderdmaal verboden, moeder al wel duizendmaal. Maar Bobbie -scheen erg vergeetachtig en was den volgenden dag opnieuw met zijn -hamer in de weer. Soms viel hij overdag, als hij in den tuin of het -bosch speelde, in slaap. Dat was heelemaal niet erg, maar daarbij had -hij de gewoonte, 's nachts urenlang wakker te liggen en dan allerlei -zonderlinge geluiden te maken. - -Dat was voor de slapenden niet prettig, erg lastig. - -Bobbie sprak maar vier woorden: vajie en moejie, leja en akiboekie. - -Dit Bokkenspaansch beteekende: Vader en moeder, lekker en -leelijk. Alles wat Bobbie mooi vond of graag lustte, was "leja" en wat -niet naar den jongenheer z'n smaak was, noemde hij "akiboekie." Meer -woorden zei hij nooit en wilde hij ook niet zeggen. Want met de -genoemde vier woorden kon hij best terecht. De rest deed hij met -gebaren. Een kus van moeder was "leja" maar een kus van vader met z'n -baard was "akiboekie." Verder maakte Bobbie zich nooit boos of driftig, -hij huilde alleen maar als de dokter in huis kwam, anders nooit, en als -hij niet lief en aardig was, dan was hij lastig, alleen maar lastig! - -Hans en Flip geleken in bijna alles op elkaar, maar verschilden ook -samen in alles evenveel als Bobbie. - -Zij waren beiden even wild, even uitgelaten-vroolijk, even vlug in 't -hardloopen en lachten om 't hardst om alle dwaze dingen van Bob. Zij -bemoeiden zich echter maar weinig met hem, want Bobbie voelde zich vèr -boven zijn broers verheven en wilde zich liefst maar alléén vermaken. - -Tusschen Hans en Flip bestond een soort bondgenootschap, maar tusschen -hen beiden en Bobbie was 't meestal oorlog. - -Omdat zij alle drie nog te jong waren, gingen zij niet op school. Er -was te Baarn wel een bewaarschool, maar ik liet mijn kinderen liever -in het bosch spelen, dat was veel gezonder voor hen. Bovendien moesten -zij alle middagen een uurtje slapen. Dat slapen ging met Hans en Flip -niet zoo gemakkelijk als met Bobbie. Bob kon om zoo te zeggen slapen -als hij wou, dat kwam misschien wel, doordat hij zooveel at en zoo -dik was. Maar Hans en Flip waren heel niet slaperig uitgevallen en -'t kostte moeder heel wat moeite, die twee des middags een uurtje te -laten rusten. - -Op een dag, dat de leerlingen met hun onderwijzer voor een uur -de schoolbanken verlaten hadden om in het bosch wat te spelen, -stapte kleine Bobbie het huis uit, wandelde den heuvel af en stak -den straatweg over, die dwars door het bosch liep. Toen sloeg hij het -grintpad in, dat naar de school leidde en trad binnen. Hij deed dat zoo -kalm en zoo zeker, alsof iemand hem gezegd had, dat hij dit moest doen. - -In 't eerste lokaal bleef hij staan en stak zijn vinger in den -inktpot. Dat zijn vingertje toen heelemaal zwart was, vond hij -vreeselijk pràchtig. - -Daarop stak hij den vinger in zijn mond, hij wilde eens proeven, -of dat zwarte goedje ook lekker smaakte. Maar dat viel niet mee. Hij -trok een leelijk gezicht en zei: "Akiboekie." - -Toen scheen de gedachte in zijn kleine hersentjes op te komen, -dat de andere kinderen dit zwarte drankje maar liever niet moesten -drinken. En daarom wipte de kleuter den inktpot er uit en goot dien -leeg op den grond. - -Zoo deed hij met alle inktpotten. - -Na dit zware werk verricht te hebben, wandelde hij doodbedaard door -de inktplassen en gleed uit. - -Hij viel met zijn neus in den morsboel. Zijn witte boezelaar zag er nu -bijzonder mooi uit, vond hij. Hij smeerde ook zijn bloote beentjes -er mee vol en stapte aldus toegetakeld weer naar buiten. Bobbie -vond dat hij nu in school genoeg geleerd had en ging eens op den -straatweg kijken. - -Daar kuierde een groote tor over de steenen. Bobbie ging erbij zitten -om eens te zien, of de tor niet op zijn schoot wilde zitten. Toen -kwam er in de verte in razende vaart een automobiel aan. De heer, -die de auto bestuurde, zag het kleintje midden op den weg zitten. - -Hij toeterde uit alle macht. - -Bobbie was verdiept in 't beschouwen van de zwarte tor. - -De auto toeterde, de heer zwaaide met zijn arm. - -Bobbie zag de auto wel, en den mijnheer, die zoo tegen hem zwaaide, -zag hij ook wel. Maar hij vond het heelemaal niet noodig, een eindje -op zij te gaan. De heer in de auto rèmde, zwaaide nogmaals zijn arm. - -En Bobbie zwaaide vriendelijk terug. - -Toen schoot de vreemde heer in een lach. Hij liet de automobiel -stilstaan, stapte er uit en droeg Bobbie, dat zwartgezicht naar een -kant van den weg. En daarna reed hij weer verder. - -Kleine Bob had ondertusschen de zwarte tor uit het oog verloren, maar -scheen zich opeens te herinneren, dat hij vandaag nog geen bezoek -had gebracht aan de keuken. Hij had vandaag nog niets stukgeslagen, -en daarom werd het hoog tijd eens wat op te zoeken, dat erg mooi in -stukken kon vliegen. - -Met dit goede voornemen klom hij het heuvelpad weer op, dat naar -zijn huis leidde, toen opeens Hans en Flip in vliegende vaart op hun -rolwagentje van boven kwamen aanrijden. - -Er was geen haar op Bobbie z'n hoofd, dat er aan dacht, ook maar -één stap op zij te gaan. En nu kwam het rolwagentje recht op hem af, -zoodat het tegen hem aanbonsde en omsloeg. - -Er rolden nu vier dingen den heuvel af: het rolwagentje, Hans, Flip -en Bobbie. - -Dat heele stelletje ging holderdebolder naar beneden en toen er niets -meer te rollen was, omdat de weg beneden weer effen was, kropen ze -allemaal overeind, behalve het rolwagentje. De vierjarige Hans vond -het niemendal mooi van Bobbie, om expres midden in den weg te gaan -staan en hun mooie rutschbaan te bederven. - -Hans was spin-nijdig. - -En de driejarige Flip gaf zijn éénjarige broertje een klap. Maar -Bobbie was ook niet van gisteren, die zette zijn tien nagels in Flip's -gezicht en zei: Leja! - -Flip werd daardoor buiten gevecht gesteld en Hans vond dat per slot van -rekening zóó kranig van zijn jongsten broer, dat hij weer vriendschap -sloot. Hij zette den rolwagen weer overeind en zei tot Bobbie: - -"Ga d'r maar in zitten!" - -Ja, dat vond Bobbie aardig en zelfs Flip hielp mee, den kleinen dikzak -in het wagentje te hijschen. Hij en Hans trokken de equipage voort -over den boschweg, wat zeer naar genoegen was van den kleinen schelm, -die maar aanhoudend "Leja, Leja!" riep. De kinderen dwaalden al verder -het bosch in, hielden af en toe eens halt en raapten dan allerlei -schoone dingen op. Vooral spar-appels en plakjes mos. Die vonden zij -altijd verbazend mooi: Bobbie probeerde of hij spar-appels kon opeten, -maar dat beviel hem al heel slecht en hij zei: "Akiboekie." Ook een -paar torren en rupsen werden in den wagen geladen, waar de beestjes -aldra lustig rondkropen over het mos en Bobbie's beenen. - -Zoo scharrelden de drie broers al verder en verder, en eindelijk -hadden ze de Koninginnelaan bereikt. Hoe of het nu precies gegaan -is, zou ik je onmogelijk kunnen zeggen, maar in elk geval schijnt -de rolwagen omgeslagen te zijn. Dat Bob er uitgevallen is, zal wel -zoo klaar als koffiedik zijn. Ze zijn toen met hun drieën tusschen -de boomen gaan spelen. Nu reed er toevallig door het bosch een -rijtuig van het paleis. Als de Koningin niet uitreed, moesten toch -de paarden hun dagelijkschen wandelrit maken, en juist bij den hoek -van de Koninginnelaan gingen de wielen van het rijtuig over het -rolwagentje heen. - -De koetsier hield stil en raad eens, wat hij deed? Hij vond het wat -heel hard om de drie peuters met hun gebroken wagentje aan hun lot -over te laten en stopte toen 't heele gevalletje in het rijtuig. - -Stel je nu onze verbazing voor, toen me daar een hofrijtuig kwam -aanrijden met drie kwajongens er in! Dat wij den koetsier hartelijk -bedankt hebben voor het terugbrengen van de drie zwervers, behoef -ik jullie niet eens te zeggen. Ziezoo, en dit heb ik je nu maar eens -verteld, omdat ik voor vanavond geen ander verhaal wist. - -Er was heel wat gelachen door de jongens en meisjes, en de drie -jolige broers werden van verschillende kanten geplaagd met die -avonturen. Vooral Robert. Er werd al door de meisjes besloten, om -hem voortaan Bobbie te noemen. - -Bobbie, Bobbie! klonk het uit den meisjes hoek. Maar Rob wierp ze -een vernietigenden blik toen en zei: "Stumpers!" - -"Allons, jongelui!" besloot mijnheer Bergwoude, "de klok slaat negen -uur. Naar bed, naar bed!" - -De jongens en meisjes gingen naar hun kamers, om morgen vroeg weer -den heerlijken Zondag te kunnen genieten. De overigen bleven nog wat -praten voor het huis. - -En weldra heerschte er rust en stilte op Sparrenheide. - - - - - - - - - -VIJFDE HOOFDSTUK. - -IN DEN NACHT. - - -Hans, Flip en Rob sliepen op één kamer. Tegen drie van de vier muren -stond een ledikant, de vierde wand had glazen deuren, die naar het -balcon leidden. - -Het was een verrukkelijke zomernacht geen windje suisde door het bosch, -geen blaadje bewoog. - -Flip sliep onrustig. Hij had de dekens van zich afgeworpen en draaide -zich van de eene zijde op de andere. - -Opeens schrok hij wakker en kwam overeind. Hij wreef zijn oogen -eens uit en keek de kamer rond. De broers sliepen als marmotten, -'t was doodstil. - -"Ben ik nou wakker of slaap ik?" mompelde Flip in zichzelven, "ik ben -een olienoot als ik het weet. Hè ... is me dat schrikken! Maar ik zou -wel eens willen weten, waarvan ik eigenlijk geschrokken ben! Ik heb -bepaald gedroomd, dat ik uit een vliegmachine viel en op de punt van de -Gedenknaald terecht kwam. Enfin, ik geloof wel, dat ik nou wakker ben." - -Flip had altijd de gewoonte met zichzelven heele gesprekken te -voeren. Hij deed dan precies of hij tegen een ander sprak en gaf -zichzelf dan ook steeds antwoord. - -"Komaan," zei hij, "ik geloof, dat ik een beetje hoofdpijn heb. Het -is dan ook verbazend warm in bed. Het zal een prachtige nacht zijn, -weet je wat, ik ga een luchtje happen op het balcon, dan zal de -hoofdpijn ook wel zakken." - -Daarop trok hij wat kleeren aan, stak zijn voeten in pantoffels en -opende zoo zacht mogelijk de balcondeuren. - -Inktzwart lag het bosch voor hem, wat lichter boven de boomen was de -hemel met de flonkersterren als diamanten op fluweel. Doodsche stilte -hing over heel de omgeving. Flip hoorde hier het tikken van de Friesche -hangklok, beneden in de gang. Hij leunde een poosje over de balustrade -van het balcon en genoot van den heerlijken zomernacht. Toen wandelde -hij eens om het huis heen, wat gemakkelijk ging, daar het balcon de -woning geheel omringde. Overal sliepen de kostleerlingen, overal was -'t geheel donker, alleen op de kamer van juffrouw Wieler sputterde -een nachtlichtje. Van de jongenskamers stond één deur op een kier. - -"Die hebben 't ook bepaald warm," mompelde Flip en wandelde onhoorbaar -verder. Toen kwam hij weer bij zijn eigen kamer en bleef daar nog even -naar de sterren kijken. Wat was dat toch een prachtig gezicht. Jammer -dat de maan er vannacht niet was. Dan zou... - -Er kraakten takken in het bosch, dichtbij het huis. - -Wat nu? - -Flip luisterde scherp. - -Het kwam van de andere zijde van 't huis. - -Weer gekraak... toen voetstappen van iemand die voorzichtig over het -grint van den tuin liep, om geen onnoodig leven te maken. - -Maar in den stillen nacht toch duidelijk te hooren. - -Flip was niet bang uitgevallen, om den drommel niet, en hij stond -zijn man als 't op een eerlijke vechtpartij aankwam. Maar in -dit nachtelijk uur maakte het zonderlinge geluid hem toch wel wat -zenuwachtig. Niettemin besloot hij voorzichtig te gaan zien, wie daar -in den tuin wandelde. - -Een andere gedachte stelde hem weer gerust. Wel, evengoed als hij kon -toch ook iemand anders uit het huis de buitenlucht opgezocht hebben, -omdat het binnen te benauwd was? Och wel ja, zoo zou 't wel zijn. - -Om den hoek van 't balcon bleef hij staan en keek over de balustrade -in den tuin. - -Wat hij dáár zag, verschrikte hem opnieuw. - -Het balcon werd door houten palen ondersteund. En nu klom er iemand -tegen een der palen omhoog. - -Flip kon maar ternauwernood in 't duister de donkere gedaante -onderscheiden. - -Een hand greep de leuning, er verscheen een hoofd... en langzamerhand -heesch de donkere gedaante zich over de balustrade. - -Het was een jongen. - -Maar een vreemde jongen was het niet, hoewel Flip door de duisternis -en den afstand onmogelijk kon onderscheiden, wiè het was. De jongen -opende voorzichtig de balcondeur, die op een kier stond, en verdween -in zijn slaapkamer, waarna hij de deur geheel sloot. - -Daarna werd het weer doodstil. - -Zonderlinge gevoelens en gedachten bekropen Flip. - -Wat had dat te beteekenen? Waarom kwam die jongen zoo midden in den -nacht op zulk een steelsche wijze het huis in? - -En wie was het? - -Flip wist maar niet, wat hij ervan denken moest. Tallooze vragen -drongen zich herhaaldelijk aan hem op. Maar het eenigste, wat hij wist, -was dat een der jongens van kamer No. 9, dit had hij goed gezien, in -den nacht het huis binnenklom en er dus ook wel op dezelfde manier -uitgegaan zou zijn. Nu was de vraag: deed hij dat elken nacht of -was het slechts voor dezen éénen keer? Of gebeurde dat alleen des -Zaterdags? Flip besloot om er voorloopig maar niets van te zeggen en -liever eerst eens uit te kijken, of de jongen dat ook meer deed. Hij -wachtte nog eenige minuten of misschien nog iets gebeuren zou, maar -toen alles stil bleef en hij weer behoefte aan slaap begon te voelen, -ging hij zijn slaapkamer binnen en strekte zich in zijn bed uit. - -Nog even dacht hij over het gebeurde na, maar zijn jonge lichaam had -nog te veel slaap noodig en het duurde niet lang, of hij snurkte weer -even hard als zijn broers en droomde van Indianen en bleekgezichten -en hofrijtuigen dat het een aard had. - - - - - - - - - -ZESDE HOOFDSTUK. - -BAREND VAN DE LAGE VUURSCHE. NACHTELIJKE VERVOLGING. - - -Wanneer je van Instituut "Sparrenheide" een kwartiertje den -grintweg volgde in Westelijke richting, dan kwam je van zelf in de -uitgestrekte bosschen van het kasteel Groot Drakenstein in de gemeente -De Vuursche. 't Was daar nog een echte wildernis met verborgen holen en -spelonken, vijvertjes en beekjes, onderaardsche gangen en geheimzinnige -hoekjes. Werden de Baarnsche bosschen angstvallig-netjes onderhouden, -boompjes gesnoeid, de paden zelfs bijgeveegd of 't kamervloeren -waren, in de bosschen van de Vuursche ging de natuur haar eigen -gang en tooverde er de meest romantische plekjes. Voor de jongens en -meisjes van Sparrenheide was dan ook het bosch van Drakenstein een -paradijs van genot! Want je had er behalve de reeds genoemde heerlijke -dingen nog een oeroude kapel, de Hermitage, die er ongeveer 1650 werd -neergezet. Dit steenen gebouwtje staat zóó diep in het groen verborgen, -dat men wel precies den weg moet weten, om het te vinden. Het ligt -aan den vijver, die geheel met kroos is bedekt en omringd is door -oude beuken en sparren. De achterzijde komt op dat vijvertje uit. Van -dien kant gezien lijkt de kapel een eeuwenoude ruïne, terwijl aan de -voorzijde de gevel nog vrijwel in zijn geheel staat. En je had er de -Grot, een gemetseld gewelf, waarin vroeger een kluizenaar moet gewoond -hebben, die echter nooit door iemand is gezien, voorts een prachtige -echo, een vischkom en tal van donkere, begroeide slingerpaden. - -Kon er heerlijker omgeving zijn voor een troep vroolijke jongens en -meisjes? Waar kon men mooier spelletjes verzinnen dan temidden van -al die heerlijkheden? - -Jammer, dat er bij al dat moois toch nog iets leelijks was, of liever -gezegd, iets, dat er maar beter gemist had kunnen worden. Aan den -dorpsweg van de Vuursche, een groep eenvoudige woningen met een kerk, -een school en een logement er tusschen, stond een klein huisje, -waarin een veertigjarig man met zijn zoon woonde. - -Die man heette Ranke en was een zeer berucht strooper. In de bosschen -van Drakenstein vindt men tallooze konijnen, zelfs wat herten, maar het -spreekt wel vanzelf, dat die er niet waren om door stroopers geschoten -en verkocht te worden. De veertienjarige zoon heette Barend en beloofde -het waardig evenbeeld zijns vaders te zullen worden. Nauwelijks zes -jaar oud, was hij overgelaten aan de zorgen van zijn vader, maar die -keek ternauwernood naar zijn zoontje om. De kleine Barend was al -blij, als hij het overschot van vaders brood mocht opeten en geen -slaag kreeg. En Ranke vond, dat hij al bijzonder goed en vaderlijk -het kind behandelde, door hem 's morgens een stuk brood te geven met -af en toe een pak slaag. - -Deze vreemde manier van opvoeden had tengevolge, dat Barend meer -buiten- dan binnenshuis te vinden was. Zomer en winter, bij regen en -ontij zwierf hij door de bosschen en langs de woningen. Hier en daar -deed hij dan wel eens een boterham of een bord warm eten op en als hij -'s avonds niet thuiskwam, dan sliep hij wel ergens in een stal of in -een hooiberg. Hij werd een rechte wildeman, hoewel hij werkelijk geen -slecht karakter had. Het ongeregelde leven, dat hij leidde, was er de -schuld van, dat hij heelemaal verwilderde. Bovendien was het gezelschap, -dat zijn vader vaak meebracht in de kleine woning, ook niet bijzonder -geschikt om Barend wat fatsoen en netheid te leeren. Want de vrienden -van Ranke waren eveneens geduchte stroopers, die er tevens van hielden, -sterken drank te drinken en om geld te spelen. - -De dorpsbewoners hadden er den vader al meermalen opgewezen, dat hij -den jongen naar school moest zenden. En inderdaad had Ranke zijn zoon -op zekeren dag erheen gebracht. Maar de meester kon weinig of niets -beginnen met het wilde boschkind. - -Barend, ofschoon toen nog pas acht jaar, was zóó ongemanierd en ruw, -dat hij inderdaad een gevaar voor de andere leerlingen werd. - -Hij spuwde tegen het bord, waarop de meester nieuwe sommen had -geschreven, hij trok zijn buurman de haren uit het hoofd en sloeg hem -half dood. Hij schopte de papiermand door de klas en schold den meester -uit voor alles, wat leelijk was. Maar dan greep de meester hem stevig -beet en zette hem buiten de school. Een oogenblik later werd er een -ruit ingegooid of een hoop modder door 't open raam geslingerd. En -telkens weer opnieuw had de meester het met hem geprobeerd. - -Totdat het op een keer te erg was geworden. - -Toen de meester even zijn klasse had verlaten en één der grootste -jongens ervóor had gezet om toe te zien, was Barend opeens uit zijn -bank gesprongen. Hij gaf den jongen, die met een griffel en een lei in -de hand voor de klasse stond, een schop, dat-ie wel over zes banken -tegelijk heenvloog en ging toen zelf op de voorste bank staan. Met -meesters dikken stok stond hij dreigend voor de kinderen en schreeuwde: - -"Nou allemaal naar huis! Vooruit, het is vacantie!" - -Maar de kinderen durfden natuurlijk niet uit hun banken gaan. - -"Vooruit! Opgerukt!" schreeuwde Barend en hij begon er zóó geweldig -met den stok op los te timmeren, dat hij binnen vijf minuten de heele -klas de deur uitgeslagen had! Dat was al te erg geweest en na dien -tijd had Barend geen voet meer in school mogen zetten. - -Het gevolg daarvan was, dat het er met zijn geleerdheid droevig -uitzag. Hij kon in het geheel niet lezen of schrijven. Omdat Barend -zoo vreeselijk dom was, kon hij ook niet slecht zijn. Hij was, wat -zijn vader en het wilde leven van hem hadden gemaakt. - -Want Barend hoorde vaak van de andere dorpsjongens, dat zij mooie -boeken konden lezen en brieven schrijven, dat zij konden rekenen met -groote getallen en allerlei mooie en nuttige dingen kenden. Als Barend -dan alleen in het bosch dwaalde of heel gemoedelijk met een hert te -praten zat, dat hem al jaren kende en in het geheel niet schuw was, -dan verlangde hij ernaar, ook te kunnen lezen en schrijven. - -Maar de meester wilde er niets meer van weten en niemand op het heele -dorp geloofde dan ook, dat er in Barend nog iets anders zat, dan -ruwheid en slechtheid. Intusschen leefde Barend maar dag in dag uit in -de bosschen. Hij kon met de vogels meefluiten, door langdurige oefening -deed hij hen zóó precies na, dat zij hem voor een collega hielden; hij -lokte de eekhoorntjes naar zich toe en floot de woudduiven, de herten -gaf hij namen en als hij riep, kwamen ze van verre aangeloopen. Dan -gaf hij ze een korst brood en liefkoosde ze. - -Dat waren zoo zijn alledaagsche, maar ook zijn éénige vrienden. - -In den laatsten tijd bemerkten de bewoners van de Vuursche iets -bijzonders aan den jongen. - -Men zag hem 's avonds nooit meer ergens inkruipen om er te slapen -en het leek wel--hoe was het mogelijk--dat de wildeman een beetje -fatsoenlijker begon te worden. Eerst had iemand hem door het bosch -zien gaan met een gewasschen gezicht en gekamde haren! - -Het heele dorp had ervan overeind gestaan. - -Toen had een ander hem ontmoet met een behoorlijk pak kleeren aan... en -kousen en schoenen! - -Wat gebeurde er toch met den wilden jongen en wie had hem zoo -onverwachts al dat goede geleerd? - -Heel de omgeving sprak erover. - -Maar niemand wist het. - - - -Zooals Flip zich had voorgenomen, had hij ook gedaan. Tegen niemand -dus had hij iets gezegd, want hij wist in de eerste plaats niet, wat -er eigenlijk gebeurde, wiè de uit- en inklimmer was en bovendien hield -hij er heelemaal niet van, om een ander te verraden, zonder te weten, -wat deze nu wel eigenlijk had misdaan. - -Maar in stilte had Flip toch het plan gemaakt, om vanavond eens op den -uitkijk te gaan zitten en te zien, wie van kamer negen die nachtelijke -uitstapjes maakte. Hij had heel den dag al de drie kamerbewoners, -Hein Veere, Piet Broeser en Jacob Heintze goed in het oog gehouden, -maar niets bijzonders opgemerkt. - -Alle drie waren uitstekend oppassende jongens en geen van hen zag er -naar uit, of hij iets verborg, dat anderen niet mochten weten. - -Inplaats van naar bed te gaan, zei Flip aan Hans en Rob, dat hij nog -wat op het balcon bleef, hij had weer een beetje hoofdpijn. De broers -wenschten hem beterschap en gingen rustig slapen. - -Terwijl Flip in een donkeren hoek van het balcon gedoken zat, -totaal onzichtbaar in de duisternis, hield hij de oogen gericht op -de balcondeur van kamer negen. - -Maar de uren verstreken en er gebeurde niets. - -Dus ... de jongen ging toch niet elken avond er op uit? - -Flip vond, dat hij voor ditmaal lang genoeg had gewacht en ging -onverrichterzake naar bed met het voornemen, den volgenden avond weer -op wacht te gaan. - -Den tweeden avond ging hij dus weer en zei nu aan de broers, dat -hij toch de eerste uren maar wakker lag en dus liever nog wat in de -frissche lucht bleef. - -"Ga je nou weer op 't balcon staan," vroeg Hans verbaasd, "wat vind -ik dat gek." - -"Voor mijn part vind-je 't krankjorum," zei Flip, "maar daarom doe -ik het toch." - -"Hij wil sterrekundige worden," zei Rob. - -"Nou, weet je wat," zei Hans. "Ik blijf je voor de gezelligheid een -beetje gezelschap houden." - -"Neen, neen," zei Flip, "dat is heelemaal niet noodig. Ik kan je -niet gebruiken." - -"O, moet mijnheer alléén zijn? Mag ik er niet bijwezen?" - -"Liever niet." - -"Zoo. Maar wat gebeurt er dan 's avonds op het balcon?" - -"Gebeuren? Wel, niets. Gebeurde er maar wat. Het is doodstil en nog -al vervelend." - -"Ga dan ook naar bed." - -"Merci, ik slaap tòch niet. En zanik nou asjeblieft niet langer en -kruip in je mandje." - -"Boe-boe, wat een drukte. Nou blijf ik lekker op," zei Hans. - -"Je doe maar," zei Flip. "Maar dan ga ik in den tuin." - -"Hoor eens, je bent een geheimzinnig stuk mensch. Enfin, wat kan 't -mij ook schelen. Ga mijnentwege den heelen nacht op 't dak zitten! Wel -te rusten, ik ga slapen." - -Een oogenblik later zat Flip weer op zijn post en was 't in de -slaapkamer stil geworden. - -Toch sliep Hans niet. - -Het zonderlinge gedrag van Flip gaf hem veel te denken. Wat drommel zoo -gek deed Flip nooit, wat mankeerde zijn broer opeens? En wat voerde -hij daar toch uit op het balcon? Een luchtje scheppen? Larie hoor, -ze schepten hier den heelen dag lucht, o hee, boeren-wagens vòl. Nee, -daar zou wel iets achter zitten. Weet-je wat, nou niet gaan slapen -en goed luisteren, of er soms van buiten af iets te hooren was. En -ondertusschen gauw wat kleeren aantrekken, maar zachtjes, opdat Rob -niet wakker wordt! - -Hans greep zijn kousen en zijn kleeren en deed die, in bed zittend, -weer aan. Hij verliet echter het bed niet, om bij een onverwachte -binnenkomst van Flip dadelijk onder de dekens te kunnen schieten. - -Zoo wachtte hij wel meer dan een half uur zonder dat hij ook maar -het minste geluid vernam. - -Zou Flip soms in slaap gevallen zijn? - -Het was bijna niet denkbaar, dat iemand zich zonder bijzondere reden -zoo doodstil hield. - -Daar hoorde hij opeens wat. Voetstappen. - -Stil ... kwam Flip weer naar binnen? - -Neen ... de deur bleef dicht ... nu hoorde hij niets meer. Ja, daar -was het weer ... Flip liep zachtjes voorbij de deur van de slaapkamer. - -"Wat was er toch aan de hand." - -Nu nam Hans een kloek besluit. Hij wilde in elk geval weten, wat Flip -in den nacht op het balcon uitvoerde. Hij liet zich zoo zachtjes -mogelijk uit het bed glijden, liep op zijn teenen naar de deur, -pantoffels in de hand. - -Voorzichtig opende hij de deur, stak zijn hoofd er buiten. - -En nog net kon hij zien, hoe Flip over de balustrade van het balcon -klom en zich langs een der palen naar beneden liet glijden. - -Drommels, dacht Hans, wat zullen we nu beleven? Ja ja, ik dacht wel, -dat er iets bijzonders aan de hand was. Maar ik mag geschoren worden -als ik er wat van begrijp. Wat zal ik doen? Hem achterna gaan? Dat -was in elk geval wel het beste om ineens het fijne van de zaak te -weten te komen. Komaan, de klimpartij langs balustrade en paal was -een kinderachtig kunstje en zoo duurde 't niet lang, of Hans volgde -Flip en Flip volgde den nachtelijken wandelaar, in wien hij ondanks -de duisternis al dadelijk Jacob Heintze herkend had. - -Welke reden deze Jacob Heintze, die een der beste leerlingen was, van -Instituut "Sparrenheide," had om des nachts uit te breken, begreep -Flip evenmin als dat zijn broer Hans snapte, wat Flip in het bosch -te zoeken had. - -De torenklok sloeg tien uur. - -Flip volgde Jacob langs den grintweg, terwijl Jacob midden op den weg -liep en aldus zijn voetstappen duidelijk te hooren waren, volgde Flip -hem over het mos. - -Daar was het voor Hans verbazend lastig om zijn broer in het oog te -houden, want tusschen de boomen was het stikdonker. Maar ondertusschen -werd het een vermakelijke geschiedenis. Want in de eerste plaats dacht -Jacob, dat hij alleen was, ten tweede was Flip in de meening, dat Hans -rustig was gaan slapen en dus niet wist, dat hij Jacob vervolgde, -en ten derde dacht Hans er in het minst niet aan, dat Flip juist -hetzelfde deed als hij: een ander volgen. - -Nu mankeerde er nog maar aan, dat Rob er achteraan kwam. - -Maar die sliep als een marmot en wist op dat oogenblik niet eens, -dat hij op de wereld was. - - - - - - - - - -ZEVENDE HOOFDSTUK. - -ALLEMAAL HOOFDPIJN. - - -Flip kende Jacob Heintze te goed om niet vooruit te kunnen weten, dat -de jongen zich niet met slechte en misdadige vrinden ophield. Maar -juist dat verergerde Flip's nieuwsgierigheid nog veel meer, want -daardoor begreep hij heelemaal niet, wat Jacob bezielde om in 't -donker het bosch in te gaan. - -Hans dacht er precies zoo over, hij begreep evenmin wat Flip bezielde. - -Intusschen was het Hans zoo goed als onmogelijk om Flip te volgen, -want deze was tusschen de boomstammen bijna onzichtbaar. - -Halt, daar hoorde Hans voetstappen! Flip liep dus midden op den weg? Nu -even luisteren! Het geluid verwijderde zich. Op zijn beurt ging Hans -nu op het mos loopen, maar hij liep wat te haastig en daardoor bonsde -hij een paar maal tegen een boom aan. Dat was niet prettig en het kwam -hem ook heel slecht gelegen, want nu moest hij even blijven staan -om zich den neus te wrijven. Sapperloot, wat dat zeer deed! Zoo'n -boom gaf ook heelemaal niet mee! Maar... waar was Flip ondertusschen -gebleven? Hemeltje, daar was hij al bij den viersprong van 't bosch -van Drakenstein! - -Welken weg was Flip ingeslagen? - -Hij luisterde scherp. - -Maar er heerschte doodsche stilte. - -Op goed geluk sloeg hij een zijweg in, hopende, spoedig weer het geluid -van Flips voetstappen te hooren. Maar hoewel zijn eigen voetstappen -in het mulle zand van den zijweg geen geruisch maakten, hoorde hij -evenmin het loopen van een ander. - -'t Bleef stil om hem heen en hij kwam weldra tot de overtuiging, -dat hij de verkeerde richting was ingeslagen. Hij keerde dus terug -naar den viersprong en probeerde het langs een anderen weg. Deze -bracht hem in 't dichtste gedeelte van het bosch. Daar hoorde hij -weer duidelijk iemand loopen! - -Ha! daar ging Flip dus! - -Hans haastte zich in die richting, vanwaar het geluid der voetstappen -kwam. - -Toen kwam er opeens een man met een geweer van achter een der boomen -te voorschijn en riep hem toe: - -"Duivelsche jongen, wil je wel eens maken, dat je wegkomt!" - -Hans schrikte verbazend en deed, wat alle jongens in dat geval zouden -gedaan hebben: hij liep wat hij loopen kon! - -Het was Ranke, de strooper. - -Waar was Flip intusschen gebleven? - -Die had Jacob weten te volgen tot dichtbij het dorp de Vuursche, maar -ook al door de dikke duisternis, die er in de bosschen heerschte, had -hij hem daar geheel en al uit het oog verloren. Dat was erg jammer, -want nu was al zijn moeite tevergeefsch geweest en wanneer hij het -al nòg eens probeerde, kon hij toch wederom Jacob door de duisternis -uit het oog verliezen en zoo kwam hij geen stap verder. Misschien was -het ten slotte nog maar het beste, om aan Jacob onder vier oogen te -vragen, wat hij toch des nachts in het bosch uitvoerde. Jacob zou -hem dan natuurlijk alles moeten vertellen en dat was per slot van -rekening de eenvoudigste manier. Komaan, langer zoeken in 't donkere -bosch leidde toch tot niets en hij mocht al blij wezen, wanneer hij -zonder te verdwalen weer veilig op Sparrenheide aankwam. - -Flip ging dus onverrichter zake terug en was weldra weer op den -grintweg, die langs "Sparrenheide" liep. - -Op dat oogenblik had Hans juist weer den tuin bereikt en trad door -het hek naar binnen, toen hij tot zijn grooten schrik bemerkte, dat -Meester Hooghuizen, die een vergadering te Hilversum had bezocht, -zoo juist per fiets was teruggekeerd en nu in zijn kamer, die in den -tuin uitkwam, nog wat te lezen zat. - -Groote goden, hoe kwam hij nu veilig en ongemerkt op zijn slaapkamer? - -Dat was me nu ook een leelijke kink in den kabel! Hans hield -onwillekeurig den adem in en keek in de gezellige studeerkamer. - -Meester Hooghuizen zat in zijn leuningstoel en rookte een pijp. Een -boek hield hij in de hand, maar op het oogenblik las hij daarin -niet. Het lamplicht straalde naar buiten en verlichtte nog een deel -van den tuin. - -Hans hoopte maar, dat meneer daar niet lang zou blijven. Het was -immers zóó doodstil, dat hij het minste geluid dadelijk zou hooren? - -Maar de onderwijzer scheen nog niet aan slapen-gaan te denken. - -Toen kreeg Hans een ingeving. - -Komaan, dacht hij. Laat ik net doen of ik een beetje in den tuin -wandel. Daar kan niets bijzonders in zijn. Bovendien heb ik mijn -pantoffels aan, dus dat is al zoo huiselijk, als 't maar kan. - -En Hans stapte langzaam, alsof hij maar 'n loopje had gemaakt, den -tuin in. - -Het volgende oogenblik hief meester Hooghuizen luisterend het hoofd -op. Toen stond hij op en kwam in de geopende deuren staan, keek in -'t donker van den tuin. - -"Wie daar?" vroeg hij. - -"Ik meester, ik ben 't, Hans." - -"O, ben jij 't? Je bent ook laat, zeg. Heelemaal geen slaap?" - -"Neen meneer, 'k had het nogal warm. En zoo'n hoofdpijn. Daarom ben -ik wat naar buiten gegaan." - -"Zoo. En is 't nu wat gezakt?" - -"Gelukkig wel! Kom, nu ga 'k maar slapen. Wel te rusten, meneer." - -"Good night, Hans! Is de deur wel open?" - -"Neen meneer, die is op slot. Maar ik klim wel in den paal." - -"Nee, doe dat niet. Ik heb den sleutel en zal je wel even binnen -brengen. Nou, slaap lekker, Hans." - -Leuke jongen, dacht hij, flink type die Hans. Ik mag hem wel. Kom, -nu nog even de krant lezen. - -Terwijl meester de krant ter hand nam, ging Hans naar boven en -bereikte veilig zijn slaapkamer. Maar hij dacht er nog niet over, -om naar bed te gaan. De teleurstelling, die hij had ondervonden, -nu Flip hem in de duisternis ontsnapt was, had hem een beetje boos -gestemd. Wat duivelkater, hij mòest en zou dan tóch wel te weten komen, -wat Flip uitvoerde! Wacht, hij zou zijn carbidlantaarn nemen en Flipje -even bijlichten, wanneer broertjelief dacht weer netjes in het donker -te zullen binnenglippen. - -En Hans maakte in stilte zijn lantaarn in orde en kroop ermee in een -donkeren hoek van het balcon, het licht zorgvuldig bedekt houdende. - -Het duurde niet lang, of meester Hooghuizen, die het zijne in de -courant had gelezen, hoorde opnieuw voetstappen in den tuin. Denkende, -dat Hans nog niet naar bed was gegaan, riep hij naar buiten: - -"Ben je daar alweer, Hans?" - -Maar tot zijn verbazing hoorde hij de stem van Flip: - -"Neen meneer, ik ben het." - -"Zoo Flip, ben je ook nog zoo laat op?" - -"Ja meneer, ik had zoo'n hoofdpijn, en daarom ben ik maar weer -opgestaan." - -"Hm, zoo zoo. Enne... nu weer beter?" - -"Ja, gelukkig wel, meneer. Nu, dag meneer. Wel te rusten." - -"Dag Flip." - -Meester Hooghuizen keek hem na. Hij blies een groote rookwolk den tuin -in. Merkwaardig, dacht hij, eerst Hans en nu Flip. Als daar maar niets -achter schuilt. Ik moet die twee daar morgen eens naar vragen. Daarop -wandelde hij zijn kamer op en neer, bleef voor de boekenkast staan -en nam er een band uit. Hij bladerde even in het boekje en zette het -toen weer op zijn plaats. Dan nam hij een ander, bekeek het even, -deed het open, sloeg het weer dicht en zette ook dàt weer tusschen de -andere. Hij dacht aan heel andere dingen dan aan boeken. Die Hans en -Flip toch! Wat beteekende toch dat wandelen in den nacht? Waren ze -'t bosch in geweest? Hadden ze werkelijk allebei hoofdpijn? Of was -dat maar een leugentje geweest? Dat zou wel 't akeligste van alles -zijn, als de jongens hèm leugens wijsmaakten! Daarvoor ging hij veel -te vriendschappelijk met al de jongens om! Ze konden hem gerust -hun grootste geheimen toevertrouwen, hij zou er nooit iemand iets -van gezegd hebben! En terwijl meester Hooghuizen daarover nadacht, -hoorde hij voor de derde maal voetstappen in den tuin. - -Wel groote hemel, wie was dat nou weer? Wrevelig liep hij naar den -tuin en riep daar: - -"Zeg nachtpit, kom eens als de drommel hier!" - -Meester dacht, dat er nu wel weer een jongen zou te voorschijn komen, -maar tot zijn groote verbazing en schrik was het mijnheer Bergwoude -zèlf. - -"Goeienavond, Hooghuizen," sprak deze lachend, "hier is de nachtpit." - -"Pardon, 'k vraag beleefd excuus," zei de onderwijzer, "ik dacht, -dat er een jongen in den tuin liep." - -"Ah, zoo, nu, ik neem het je volstrekt niet kwalijk. Ik ben anders -nooit zoo laat op, dat weet je wel, maar vanavond had ik zoo'n -ontzettenden hoofdpijn, dat ik het niet in huis kon uithouden." - -"U--u--ook al!?" - -"Wat?" - -Meester Hooghuizen wist niet, hoe hij het had. Hield men hem vanavond -voor den gek of was dat alles toeval? Had de heele familie Bergwoude -vanavond dan hoofdpijn? - -"Wat bedoelt ge toch?" vroeg mijnheer Bergwoude, die vol verbazing naar -het niet minder verbaasde gezicht van meester Hooghuizen keek. Maar -deze bedacht zich snel, hij wilde tóch Hans en Flip nog niet verraden. - -"Ik bedoel,.. dat ik vanavond ... al meer menschen heb ontmoet... die -hoofdpijn hadden. 't Schijnt bepaald in de lucht te zitten." - -Meester zuchtte van verlichting. Daarop sprak hij met den -hoofdonderwijzer over hetgeen er op de vergadering gesproken was en -daardoor dacht hij spoedig niet meer over menschen met hoofdpijn. - -De beide heeren bleven nog eenigen tijd praten en na verloop van een -half uur vertrok de heer Bergwoude weer naar zijn eigen kamers. - -Meester Hooghuizen ging zijn kamer sluiten. - -Hij liep naar de tuindeuren, en....... - -Daar hoorde hij voor den vierden keer iemand loopen! - - - -"Wel alle goden van Olympus!" zei hij, "ik ben een bolvormige driehoek -als dat Rob niet is! Of anders mevrouw Bergwoude! De heele familie -maakt vanavond hoofdpijnwandelingen!" - -Maar het was plotseling stil geworden in den tuin, meester Hooghuizen -hoorde niets meer. Nu vertrouwde hij het zaakje in het geheel niet -meer en daarom stapte hij vlug den tuin in. - -"Wie is daar?" - -Geen antwoord. - -Maar de meester zag iets tusschen de struiken bewegen. - -Hij liep er snel heen en trok een jongen bij den arm te voorschijn. - -"Hallo, wie is dat nou weer? Kom, doe je mond eens open en geef -antwoord! Ah, ik zie het al! Jacob Heintze! Kom jij eens in mijn -kamer, vriend!" - -Jacob volgde den meester. - -"Zeg eens," sprak deze, "je kunt een stoel nemen en gaan zitten. En -als ik je nu vraag, wat je nog zoo laat in den tuin doet, behoef je me -niet te vertellen, dat het je boven te warm was en dat je hoofdpijn -had, want daar geloof ik toch niets van. Jullie denkt bepaald, dat -ik mij met een leugentje laat afschepen, maar ik zal je vertellen, -dat ik nu eens weten wil, wat er vanavond hier gebeurt. Wie komen er -nà jou nog binnen?" - -Jacob Heintze begreep er niets van. - -"Na mij meester? Dat weet ik niet. Ik denk, niemand." - -"Dus jullie waart met z'n drieën?" - -"Met--z'n drieën?" - -"Ja natuurlijk, eerst is Hans binnengekomen, 'n uur geleden, -toen Flip 'n kwartier later en nou jij. Je ziet, dat ik alles -weet. Verzwijg nu maar niet langer de waarheid en zeg me, wat jullie in -'t bosch deedt! Toe Jacob, wees niet kinderachtig. Hebben jullie een -roovershol? Wordt er soms een grap uitgehaald? Wordt er een gefopt? Als -'t iets aardigs is, doe ik graag mee. Of is 't om mij te doen?" - -Jacob schudde het hoofd. - -"Ik weet niet, wat Hans en Flip gedaan hebben, mijnheer, ik heb -daarmee niets te maken." - -"Maar wat voerde jij dan uit in den tuin?" - -"Och--zoomaar." - -"Kletspraatjes. Zóó maar! Als ik je niet vóór was geweest, had je -mij natuurlijk ook verteld, dat je hoofdpijn had! Dus je wilt het -mij niet zeggen?" - -"Ik kan het u niet zeggen, mijnheer." - -"Zooals je wilt. Misschien vind-je het prettiger, morgen alles aan -mijnheer Bergwoude te vertellen? Want nu zeg ik hem natuurlijk, -dat je klokke twaalf in den nacht bent thuisgekomen." - -"Mijnheer!" riep Jacob "neen ... doet u dat asjeblieft niet!" - -"Ah zoo, dus dàt liever niet? Welnu, zeg dan alles aan mij, en ik -zal zien, dat niemand het te weten komt." - -Toen keek Jacob even peinzend naar den grond, hij moest een besluit -nemen. Welnu, hij zou meester Hooghuizen àlles zeggen! - - - - - - - - - -ACHTSTE HOOFDSTUK. - -HET RAADSEL WORDT OPGELOST. - - -"Ziezoo," dacht Hans, terwijl hij in zijn donkeren balconhoek -verscholen zat en Flip naar boven hoorde klauteren, "daar komt sinjeur -terug! Wat zal hij raar opkijken als hij merkt, dat-ie gesnapt is! Stil -... daar is-ie!" - -Juist aan den tegenovergestelden hoek van Hans klom Flip over de -balustrade. - -Maar op hetzelfde oogenblik, dat hij weer op z'n beenen stond, schoot -Hans, de lantaarn recht voor zich uit houdend, uit zijn schuilplaats -te voorschijn en riep hem toe: - -"Waar ben jij naar toe geweest?" - -Flip schrikte zoo ontzettend van dit plotseling op hem gerichte -verblindende licht, dat hij een luiden schreeuw gaf en de handen voor -de oogen sloeg. - -Zelfs Hans ontstelde van den weeromstuit. - -Hij wendde dadelijk het licht van Flip af en zei, met zenuwachtig -bevende stem: - -"Flip ... jò ... schrik je zoo? Ik ben 't maar, hoor ..." - -Toen sloeg hij zijn arm om Flips schouders en nam hem mee naar de -slaapkamer, waar hij de lantaarn op een tafel zette. Flip zat te -beven op een stoel, maar scheen toch langzamerhand zijn kalmte terug -te krijgen. - -"Hans," sprak hij, en zijn lippen trilden, "wat gemeen, wat in-gemeen -... om me zoo te laten schrikken... ik dacht, dat ik mij half dood -schrok ..." - -"Ja, 't is geweldig stom van me," bekende Hans, "hier Flip, drink -eens. Ik heb 't heusch zóó niet bedoeld, kerel. Wat vind ik dat nou -misselijk ellendig, zeg, dat jij daarvan zoo geschrokken bent." - -Flip dronk wat. De schrik zakte al. - -"Waarom dee-je dat nou, Hans?" - -"Ach jó, 't is eigenlijk voor de helft je eigen schuld. Waarom zei -je niet dadelijk tegen mij, dat je 't bosch in ging? Je vertelde -ons maar een leugentje, toen je zei, dat je op 't balcon bleef, -omdat het binnen zoo warm was. - -"Hoe weet je dat?" - -"Ik heb je naar beneden zien klimmen." - -"Maar hoe weet je nou of ik in 't bosch ben geweest?" - -"Ik ben je achterna gegaan, maar in 't donker ben ik je kwijtgeraakt." - -"Net goed. Maar zeg heb jij 'm niet gezien?" - -"Meester Hooghuizen bedoel je? Ja zeker. Hij vroeg, wat ik zoo laat -in den tuin deed. Toen zei 'k maar, dat ik hoofdpijn had." - -"Hè, wat? Heb jij dat gezegd?" - -"Ja, wat zou dat?" - -"O heerekrentenbaard, die is goed! Dat heb ik óók gezegd!" - -Hans en Flip rolden van 't lachen tegen een stoel aan, die omviel. - -Ze waren eerst bang, dat Rob er wakker van zou worden, maar dit -jongmensch sliep zoo vast, dat ze hem uit zijn bed op het balcon -hadden kunnen leggen, zonder dat hij wakker werd. - -"Zeg," zei Flip, "maar ik bedoelde meester Hooghuizen niet." - -"Wie dan?" - -"Wel--Jacob Heintze natuurlijk!" - -"Jacob Heintze? Wat heeft die er nu mee te maken?" - -"Wel droomer, snap je dat niet? Ik ging Jacob na." - -"Ik verklaar er geen zier van te begrijpen," zei Hans. - -"Dus je wou alleen maar eens zien, waar ik bleef. En je hebt Jacob -heelemaal niet gezien?" - -"Ik heb Jacob vanavond net zoo min gezien als Jan Klaassen." - -"Nou, dan zal ik je de zaak uitleggen. Ik had al eens gemerkt, -dat Jacob 's nachts langs den paal naar boven klom. Dat vond ik erg -vreemd. Daarom ging ik gisteren avond op den uitkijk zitten, maar -toen kwam hij niet. En nou snap je wel, waarom ik jou vanavond niet -bij me wou hebben. Enfin, toen ik eindelijk lang genoeg gewacht had, -kwam Jacob voor den dag en klom naar beneden. Ik hem achterna. Hij -liep wel tot aan de Vuursche toe, zeg." - -"Zoo. En ik toen jou achterna. Wat een stel! Maar wat voerde hij -daar uit?" - -"Ja, als je dat mij zegt, dan weet ik het ook." - -Op dit oogenblik ontwaakte Rob. - -"Zeg ... houën jullie je snaters, ik kan heelemaal niet slapen," -mopperde hij. - -"Stil maar, broer, we gaan al slapen." - -"Zijn jullie nog niet naar bed geweest?" - -"Nee." - -"Wat heb je dan gedaan?" - -"Niks." - -"Zeg het nou, flauwerikken." - --- -- -- -- - -"O, laten jullie me maar kletsen?" - --- -- -- -- - -"Nou, loopen jullie dan voor mijn part naar de hei!" - -"Merci Robbekop, pas geweest! Wel te rusten hoor!" - - - -Jacob Heintze was de eenige zoon van een rijk grondeigenaar in -Gelderland. Zijn vader had hem op het instituut van den heer Bergwoude -geplaatst, omdat Jacob vroeger steeds met ziekte had te kampen gehad -en daardoor niet zoo goed het gewone schoolonderwijs kon volgen. Niet -álleen, dat Jacob met zijn kennis van rekenen en taal ten achter was -bij andere jongens van zijn leeftijd, maar hij kon er ook volstrekt -niet tegen een heelen dag tusschen vier muren te zitten en hard te -leeren. Er zijn honderden jongens en meisjes, die daar eigenlijk -ook niet tegen kunnen, maar ze moeten wel met de anderen mee, omdat -hun ouders niet in de gelegenheid zijn, hen op zoo'n school als -"Sparrenheide" te plaatsen, of omdat er geen in de buurt is. - -Wie een helder hoofd en een vlug verstand heeft, och, voor dien is -het geen kunst, de lessen prompt te leeren en alles te begrijpen, wat -de meesters zeggen. En behoor je toevallig tot degenen, die niet zoo -vlot kunnen leeren en onthouden, die niet zoo vlug van begrip zijn, -en zit je op een gewone school, waar geen tijd is om op je te wachten, -wanneer je niet zoo hard meekunt, wat gebeurt er dan? Je gaat al gauw -tot de "dommen" behooren en de vrinden kijken je er op aan. En als je -'t dan nog treft, dat je 's avonds voor een berg huiswerk zit, waar -je haast niet doorheen komt, dan is 't te begrijpen, dat je zenuwen -op het laatst van streek raken. - -En zoo gaat het met een massa jongens en meisjes. "Sparrenheide" -was juist daarom zoo'n prachtige school, omdat niet dag in dag uit -werd doorgebracht met rekenen, taal, aardrijkskunde, geschiedenis, -algebra, meetkunde, enz. enz. enz., maar wanneer er van 's morgens 9-1 -uur met een uur pauze in school gewerkt was en daarna het middagmaal -was gebruikt, gingen de jongelui van 2 tot 3 rusten in den tuin en het -bosch. Ieder had zijn eigen hangmat. Na 3 uur ging de eene afdeeling -cartonneeren of timmeren, de andere teekenen of den tuin verzorgen, -een derde baden, turnen of iets anders doen. En wie dan nog wat -geholpen moest worden bij zijn werk vond in mijnheer Bergwoude of in -meester Hooghuizen en juffrouw Wieler altijd een bereidwillig helper. - -Daarbij werkte de heerlijke, gezonde boschomgeving zoo uitstekend mee, -dat zelfs het zwakste kind op Sparrenheide aanmerkelijk vooruitging -en tóch nog wat leerde ook. Om al die redenen had de vader van Jacob -Heintze zijn zoon naar Sparrenheide gezonden. En Jacob, die vroeger in -Tiel altijd gesukkeld had met de gezondheid, was gedurende het jaar, -dat hij reeds op Sparrenheide had doorgebracht, een flinke, stevige -jongen geworden, die nu goed zijn best deed bij het leeren en van -geen sukkelen meer wist. Natuurlijk ging dat leeren zachtjesaan en -heel kalm, maar op die manier kwamen Jacob en zijn medeleerlingen toch -heel wat beter vooruit dan wanneer ze het alledaagsche schoolonderwijs -hadden moeten volgen. - -Jacob was een goede jongen, een lobbes. Hij was bijzonder gul en gaf -desnoods het beste weg, wat hij bezat, om iemand maar een genoegen -te kunnen doen. - -En het was juist door zijn zachten aard en zijn goedhartigheid, dat -meester Hooghuizen zich te meer verbaasde, dat Jacob in den nacht -uit het bosch kwam, alsof hij aan het stroopen was geweest. Maar -toen de jongen dan eindelijk besloten had, om alles maar te zeggen, -keek de meester weer wat gemoedelijker en zei: - -"Vooruit dan, Jacob, voor den dag ermee!" - -En toen deed Jacob een verhaal, waarvan mijnheer Hooghuizen verwonderd -opkeek! - -Een paar weken geleden had Jacob namelijk met de jongens in het -bosch gespeeld nabij de Vuursche en was daar een oogenblik van de -anderen afgedwaald. - -Het was juist bij de Vischkom, dat hij even uitrustte. Terwijl hij -zich over het water boog om naar een waterspin te kijken, rolde zijn -zilveren potlood uit zijn borstzak in den vijver. Toevallig kwam daar -Barend Ranke voorbij. Hij zag, hoe Jacob met een hand op den bodem -van den vijver zocht. - -"Wat zoek je daar?" vroeg hij. Maar Jacob was een beetje bang van -den wilden boschjongen en gaf geen antwoord. - -"Ben je bang van me?" vroeg Barend spottend. "Wil ik je eens opnemen -en midden in de kom gooien? Wat zouden je mooie kleertjes nat worden." - -Maar Jacob had geen zin om ruzie te maken met den zoon van den -beruchten strooper. - -Hij wou probeeren den jongen om te koopen, dat zou hem allicht wat -vriendschappelijker stemmen. - -Maar Jacob had geen geld bij zich, en 't eenige wat hij op het -oogenblik had, wat als geschenk kon dienen, was een prachtige -vulpenhouder met een gouden pen. - -Hij haalde dat pronkjuweel uit den zak en toonde het Barend. - -"Kijk eens, wil je dat hebben?" - -"Dat zwarte ding? Wat heb ik daaraan?" - -"Kijk maar. Ik schroef het open. Wat zit er in? Een gouden pen. Nu -zet ik dit stuk weer op den anderen kant en kijk, nu schrijf ik je -naam in mijn zakboekje." - -Barends oogen glinsterden van begeerte. - -"En--waar is de inkt dan?" vroeg hij. - -"Wel, die zit er in." - -"In de penhouder?" - -"Ja--." - -"En staat daar nou: Barend?" - -"Precies." - -De anders zoo ruwe, ongemanierde jongen was één en al verbazing. Je -schroefde een zwart houtje los en dan kwam er een gouden pen te -voorschijn en je kon schrijven zonder een inktpot noodig te hebben! - -"En----en mag ik dat nou hebben?" - -"Ja, als je mij tenminste niet in het water gooit." - -"Neen, dat zal ik niet doen. Jij bent een goeie jongen. Jij scheldt -me niet uit, zooals de anderen allemaal doen. Maar ik ben ook veel -grooter dan jij. Ik zou je wel kunnen doodslaan." - -"Asjeblieft niet," zei Jacob lachend. - -"Neen, wees maar niet bang. Laat nog eens kijken in dat boekje? Staat -daar nou heusch: Barend?" - -"Ja zeker." - -"Ik wou, dat ik ook schrijven kon. Maar ik mag niet meer op school -komen." - -"Waarom niet?" - -"Meester wil 't niet meer. Meester is bang van me." - -"Hoe komt dat zoo?" - -"O, dat weet ik niet meer. Ik heb, geloof ik, op een keer den heelen -boel kapot geslagen. En ik gooide altijd steenen door de ramen in -school. Wat moet ik nou met die gouwe pen doen? Ik kan toch niet -schrijven. Zeg, heb jij boeken?" - -"Genoeg," zei Jacob. - -"Met van die mooie platen er in? Beesten en soldaten en een oorlog?" - -"Ja, ik geloof het wel. Wou je graag zoo'n boek hebben?" - -"Nou, dat zal waar zijn. Wanneer krijg ik het dan?" - -"Vanavond." - -En zoo pratende gebeurde er iets vreemds met beide jongens. Jacob -Heintze, het keurige, nette zoontje van den rijken grondbezitter -voelde zich langzamerhand aangetrokken tot deze verwilderde, ruwe, -onbeschaafde jongen, die de schrik van den omtrek was ... en Barend -vond in Jacob een vriend, zooals hij nooit had ontmoet. Een gouden pen -had hij hem gegeven en een mooi boek beloofd, dat-ie vanavond kreeg! - -Barend was dien avond in de nabijheid van Sparrenheide gekomen en -Jacob had hem ongemerkt een zijner oude prentenboeken weten te brengen. - -Niemand mocht natuurlijk weten, dat Jacob met den verachten boschjongen -sprak. - -Maar van het een was het ander gekomen. - -Jacob, die van nature een zacht en medelijdend karakter had, vond -in Barend een leerling, die alles deed wat de ander zei. Zij hadden -elkander nu meermalen in het bosch opgezocht, zonder dat iemand het -ooit te weten was gekomen. Zij deden dat niet met de bedoeling om -kwaad te doen, te stroopen of te stelen, maar integendeel om veel -goeds van elkaar te leeren. Jacob leerde den strooperszoon in de -eerste plaats netheid en orde, vervolgens begon hij hem les te geven -in lezen en schrijven. - -Meester Hooghuizen hoorde dat alles in de grootste verbazing aan. - -"En gebeurde dat altijd in den laten avond?" - -"Ja, mijnheer," antwoordde Jacob. "Ik kon het op geen anderen tijd -ongemerkt doen. Niemand mocht het weten, want als u of mijnheer -Bergwoude daar iets van gemerkt had, zou het natuurlijk niet meer -mogen." - -"Neen, dat spreekt van zelf. Maar hoor eens, Jacob! Jij bent een -brave jongen, en dat je den armen, verwaarloosden Barend van de Lage -Vuursche met zachtheid en vriendschap zoo langzamerhand tot een goed -mensch weet te veranderen vind ik prachtig! Zoo iets bevalt me! Maar -je moogt niet meer zoo 's avonds laat er op uit gaan. Je zoudt ziek -worden! Ik zie al kringen onder je oogen van dat late opblijven! Dus -dat mag niet meer. Met Barend zullen we verder zien, ik zal eens -probeeren, of ik wat voor hem doen kan." - -"O mijnheer, als dat eens waar was!" - -"We zullen zien, Jacob, we zullen zien. Maar nu, hemel, het is al -half één. Wil je wel eens als de drommel naar bed gaan?" - -"Ik ga al," lachte Jacob. "Slaap wel, mijnheer." - -"Bonsoir," zei meester. "Nu moet jij ook naar boven klimmen, hè? Nou, -tot morgen, hoor!" - -Meester Hooghuizen sloot de tuindeuren, draaide het licht uit en ging -eveneens ter ruste. Hij droomde, dat al de jongens van Sparrenheide in -'t donker de palen van 't balcon op en af klommen en al maar riepen: -hoofdpijn! hoofdpijn! En Barend sprong er als een kikker tusschen -door en sloeg iedereen met een kolossalen vulpenhouder, zoo groot -als een boomstam. - - - - - - - - - -NEGENDE HOOFDSTUK. - -VELDWACHTER BUIKJE. - - -"Ziezoo, vrouw Vorstman," zei Barend, toen hij van uit het tuintje -de hut van de arme weduwe binnentrad, "de tuin is in orde en het -schuurtje is schoongemaakt. Zal ik nu den klimop nog wat opbinden?" - -De arme vrouw keek Barend glimlachend aan. - -"Doe dat nu morgen maar, mijn jongen. Kom toch binnen, dan krijg je -een kom koffie en een boterham." - -'t Was Maandagmorgen. De zon brandde aan den hemel. - -Het tuintje van vrouw Vorstman schitterde van bloemenkleuren in -'t zonnegoud. - -"Het huisje is nu mooi," zei Barend. - -"Dat zal wel waar zijn" sprak zij, "maar dat komt ook, doordat ik -tegenwoordig zoo'n goeden tuinman heb." - -"Ik heb er plezier in, vrouw Vorstman. En ik houd van u." - -"Och ... je bent niet slecht, Barend, de menschen zeggen het wel, -maar ..." - -"Het kan mij heelemaal niet meer schelen, wat ze van me zeggen. Ik -hoor alleen maar wat u zegt en wat Jacob zegt. En ik wou dat u mijn -moeder was, vrouw Vorstman." - -"Goeie jongen ... zeg jij maar gerust, "moeder" tegen mij, hoor." - -"Ja, dat is goed." - -"Kom Barend, en nu de boterham en de koffie. Eet ze met smaak!" - -Juist zou Barend beginnen, toen de deur van de kamer geopend werd -en de dikke gemeenteveldwachter verscheen. Plotseling sprong Barend -op en vloog als een razende door de achterdeur, den tuin in, sprong -daar over een heg en verdween in het bosch. - -"Hei, hier! Barend! Hier zeg ik je!" riep de veldwachter. Maar Barend -liet hem roepen en was minstens al een paar honderd meter uit de buurt. - -"Wel heb je nou toch ooit!" zei Veldwachter Bunze, die met deze warmte -een hoofd had als een reuzentomaat. - -"Wat moet je van hem?" vroeg vrouw Vorstman. - -"Wel, de schooier moet op "Sparrenheide" komen. De directeur van -'t Instituut moet hem spreken. En nou gaat de schelm aan den haal!" - -Veldwachter Bunze was niet bemind bij de dorpsbewoners, en daarom was -het volstrekt niet te verwonderen, dat vrouw Vorstman hem antwoordde: - -"Wat een wonder, Bunze, dat zou iedere jongen voor jou toch doen?" - -"Zoo, je bent wel vriendelijk." - -"Ben jij het dan, Bunze? Je weet heel goed, dat ik de eenige ben op -het dorp, bij wie je af en toe nog eens kunt komen praten, maar de -anderen bedanken ervoor." - -"Zoo, ja; dat heb je me nou al zoo dikwijls verteld, dat weet ik -nou wel. In elk geval vraag ik er niemand om. Ik ben hier niet in de -gemeente aangesteld om koffiepraatjes te houden bij jan en alleman, -maar om de orde te handhaven." - -"Och kom." - -"Natuurlijk! Wat zou er van de veiligheid op den weg en in het bosch -overblijven, als ik er niet was? Het is hier een rooversnest, dàt zeg -ik. En ik bewaak de eigendommen. En zoolang ik hier ben, en zoolang -ik hier de baas ben ..." - -"Wel wel, jij hier de baas? En de burgemeester dan ...?" - -"De burgemeester is het hoofd der gemeente. Ik ben de uitvoerende -macht. Dat is staatsinstelling, dat staat in de grondwet." - -"Ach man, zit niet te huilen," lachte het spotzieke vrouwtje. "Drink -de koffie maar op, de jongen komt toch voorloopig niet terug." - -Dat liet Bunze zich geen tweemaal zeggen. Hij was een man van ruim -veertig jaar en buitengewoon dik. Zóó dik, dat hij haast niet meer -voortkon. Dat was niet zoo heel erg, omdat er in het kleine gehucht -nooit iets gebeurde, waarbij de veldwachter hard moest loopen. Die -geweldige buik had hem den bijnaam "Veldwachter Buikje" bezorgd. Ook -op Sparrenheide was hij onder dien naam bekend. Zooals het meer -met menschen gaat, die weinig of niets te doen hebben, verbeeldde -Bunze zich, dat hij het verbazend druk had en dat hij onmisbaar -was. Hij was zeer trotsch op zijn vak en meende, dat er geen grooter -autoriteit in heel den omtrek was dan hij, sprak graag over zijn eigen -gewichtigheid en gebruikte woorden, die hij zelf niet begreep. Daarbij -schold hij altijd en op iedereen, noemde zijn dorp een rooversnest -en een dievenhol en alle bewoners waren in zijn oogen misdadigers, -die hij in de gaten moest houden. - -Zijn hoofd was kogelrond. Het weinige haar, dat hij bezat, was boven -zijn voorhoofd tot een hoogopstaande kuif bijeengekamd. Wel drukte -de uniformpet die mooie kuif onverbiddellijk omlaag, maar zoodra hij -de pet afzette, streek hij haar met de vingers al draaiend weer omhoog. - -Terwijl vrouw Vorstman nu met haar huishoudelijke bezigheden voortging, -dronk Bunze zwijgend de koffie van Barend op en nam tevens de vrijheid, -diens dikke boterham met kaas naar binnen te werken. Hij begreep wel, -dat dit niet de bedoeling van vrouw Vorstman was, en daarom stapte -hij maar op, toen de boterham naar binnen was. - -"Komaan, vrouw Vorstman, wel bedankt voor de koffie. Ik stap nou maar -op en zal eens zien, of ik den schooier vinden kan." - -"Welken schooier?" - -"Wel, dien stroopersjongen. Op Sparrenheide moet-ie komen. Wat-ie -daar uitvoeren moet kan je wel begrijpen. Hij heeft natuurlijk weer -een of andere streek uitgehaald. Ik begrijp niet, waarom ze dien -dagdief niet allang naar de tuchtschool hebben gestuurd." - -"Dat zal anders nu wel gauw uit zijn, Bunze." - -"Waarom?" - -"Wel, heb je dan niet gemerkt, dat hij zijn leven betert? Wat heeft-ie -al niet van jongenheer Heintze geleerd! Het zou mij niets verwonderen, -als de meester van Sparrenheide hem wou voorthelpen." - -"De directeur van het jongenheeren-instituut?" stoof Bunze op. "Denk -je dat die zich bemoeit met zulk gespuis, met zulk tuig, met zulke -struikroovers? Maar dan ben ik er ook nog, ik zal mijnheer Bergwoude -wel eens inlichten." - -"Ja, doe dat," spotte het vrouwtje, "dan kan meneer Bergwoude ook -nog eens lachen." - -Maar Bunze antwoordde niet, in booze stemming liep hij weg. En als -hij boos was, dan zocht hij altijd het een of ander, om er zijn woede -aan te koelen. Het eerste het beste wat hem dan in den weg kwam, -moest het ontgelden. De kippen van den smid liepen rustig over den -weg. En de haan stapte parmantig, heelemaal niet schuw, juist voor -de voeten van den opgewonden, dikken veldwachter heen. - -Uit woede gaf hij het fraaie dier een schop, dat het luid kakelend -over den weg vloog. - -Maar die haan was ook niet voor de poes. - -Het woedende dier vloog plotseling klapwiekend op Bunze aan, en -hakte met zijn scherpen snavel op diens gezicht, dat de veldwachter -het uitschreeuwde. - -Hij zwaaide met zijn korte, dikke armen en sloeg eindelijk den haan -van zich af. - -Met de verwondingen liep het, gelukkig voor hem, nog al los, ofschoon -het bloed hem uit een gaatje in de wang liep. - -Maar nu was ook zijn woede ten top gestegen! - -Hij trok zijn sabel en wilde er opnieuw den haan mee te lijf gaan, -toen opeens de smid naar buiten kwam en hem, proestend van het lachen, -toeriep: - -"Hei hei, Bunze, het is hier geen hoenderslachterij!" - -"Houdt dien haan vast!" schreeuwde Bunze, en wees met uitgestoken -sabel op het dier, dat niet van plan scheen, voor den dikkerd aan -den haal te gaan. - -Maar de smid deed niets dan lachen. Er kwamen nog wat buren bij en -toen werd het een relletje. - -"Ik zal proces-verbaal opmaken tegen jouw haan!" - -De menschen schaterden het uit. - -Nu raakte Bunze heelemaal de kluts kwijt. Hij maakte zich hoe langer -hoe driftiger, wat met het oog op de warmte niet goed voor hem was. En -hij wist ternauwernood meer wat hij zei. - -"Houdt je mond als je tegen me spreekt!" schreeuwde hij de lachende -omstanders toe en die dwaze uitroep had een orkaan van gelach ten -gevolge. - -Dat deed de woede van den dikzak ten top stijgen en hij zou bepaald -de menschen met zijn sabel te lijf zijn gegaan, wanneer niet toevallig -de burgemeester in zijn auto was voorbijgekomen. - -De auto stopte en de burgemeester kwam er uit. - -De dorpelingen groetten hem, maar Bunze vergat dit. Hij hield nog -altijd den getrokken sabel in de hand en liep er den burgemeester -mee tegemoet. - -"Burgemeester!" riep hij op hoogen toon, "ik constateer hier -insubordinatie!" - -De burgemeester zei niets, maar hij gaf eerst den omstanders een wenk, -dat zij naar huis zouden gaan, wat allen ook onmiddellijk deden, -en aan Bunze een teeken, dat hij zijn moordwapen zou opbergen. Toen -liep hij met den veldwachter een eindje den weg op, zoodat niemand -anders hem kon verstaan en zei: - -"Hoor eens Bunze, ik verzoek je nu uitdrukkelijk en voor den laatsten -keer je niet zoo belachelijk aan te stellen zooals nu, door b.v. met -getrokken sabel tusschen rustige dorpelingen te staan. Wat was er -nu weer?" - -Bunze kroop heelemaal in zijn schulp, want nu de burgemeester hem -zoo kalm naar het gebeurde vroeg, voelde hijzelf, dat het toch niet -heelemaal in orde was met dien haan. - -Hij antwoordde niet dadelijk, want hij vond het toch wel wat al te gek, -om te zeggen, dat-ie den haan als voetbal had gebruikt. - -Toen keek de burgemeester hem eens aandachtig aan en zei: - -"Wat is dat? Je bloedt! Wie heeft dat gedaan?" - -"Dat ... dat heeft--de haan van den smid gedaan, burgemeester." - -"De--háán Bunze, houd je me nu voor den gek?" - -"Neen burgemeester. De brutaliteit van dat beest..." - -"Brutaal--die haan? Wat zei-die dan tegen je?" - -"Wat-ie zei, burgemeester? Wel, hij zei niets. Hij vloog op me aan en -maakte zich schuldig aan een ernstige mishandeling van een ambtenaar -in functie!" - -Nu schoot de burgervader in een hartelijken lach, en wie van de -dorpsbewoners dat om een hoek van verre hoorde en zag, lachte in -stilte mee. - -Maar de burgemeester bracht den dikken veldwachter aan het verstand, -dat hij zich toch weer buitengewoon dwaas had aangesteld en dat hij -kans had, om door een kalmer collega vervangen te worden, als die -tooneeltjes niet ophielden. En na die laatste waarschuwing stapte de -burgemeester weer in zijn auto en reed verder. - -Het verloop van die geschiedenis had Bunze's humeur er niet beter op -gemaakt. Hij was echter zoo verstandig, zich voorloopig niet weer in -het dorp te vertoonen en ging naar huis. - -Maar met dat al had hij zijn boodschap aan Barend nog niet -overgebracht, en de jongen moest toch zoo spoedig mogelijk op -Sparrenheide komen, dat had mijnheer Bergwoude gezegd. Maar hij -hoopte den "struikroover" des middags, wel te vinden, hij zou hem in -'t bosch zoeken en desnoods bij de haren naar de school sleepen! - -En veldwachter Buikje stapte zijn huisje binnen, waar hij met zijn -zuster woonde. Hij bromde eerst nog wat, maar ging dan nijdig in zijn -stoel bij het raam zitten, zwijgend. Hij beet van innerlijke woede zijn -pijp stuk en wierp die toen uit het raam waar ze op Pluto, den hond, -neerkwam, die in 't zonnetje te slapen lag. Daarna at hij zonder een -woord te spreken en ging naar het bosch, op zoek naar Barend. - - - - - - - - - -TIENDE HOOFDSTUK. - -VELDWACHTER BUIKJE EN DE DRIE JOLIGE BROERS. - - -Dienzelfden middag gingen Hans, Flip en Rob het bosch in, de laatste -gewapend met zijn onafscheidelijken botaniseertrommel. - -Er was dien middag weinig te doen, bovendien was het verschrikkelijk -warm en alleen in 't bosch nog tamelijk uit te houden. - -Hans had nog den moed gehad met deze zomerhitte een boek mee te nemen, -waarin de geschiedenis van het Gooi- en Eemland werd beschreven, wat -volgens zijn broer Flip "klinkklare idiotieke nonsensika" was. Loop -rond, je mocht al blij zijn, als je je oogen kon openhouden. De drie -trouwe broers wandelden tot aan het kasteel Drakenstein en gingen -daar wat in de schaduw der beuken liggen. - -Hans sloeg dadelijk zijn boek op en las, dat op diezelfde plek, -waar nu het slot stond, omstreeks de 12e eeuw een huis gebouwd was, -omgeven door een zeer diepe gracht en schier ontoegankelijk. Daar -woonden twee broeders, Wer en Ner, geweldenaars en roovers van hoogen -stand. En naar die twee broeders heeft men later de Wernershoeve, -die in de nabijheid staat, genoemd. En Hans las heele hoofdstukken -over families, die vroeger het slot bewoond hadden en van Warnaer -van Drakenbosch, die het gebouwd had. Hans vond dat allemaal heel -interessant, want hij hield verbazend veel van geschiedenis en oudheid, -maar Flip moest daar heelemaal niets van hebben. Terwijl Hans in zijn -boek verdiept was en Flip met de armen onder het hoofd op den rug lag, -ging Rob op excursie naar een varensoort, die wel in zijn plantenboek -stond, maar die hij tot op heden nog niet gevonden had. - -"Zeg," zei Hans opeens, "dat is toch wel mooi, jò. Luister eens: - -"Prins Frederik Hendrik, de stadhouder, als Graaf van Buren, beleende -Heer Ernst van Reede met de hooge en lage jurisdictie en heerlijkheid -van De Vuursche, mitsgaders de hooge heerlijkheid en ridderhofstad -van Draakstein. Zeg, luister je nou? Hee, Flip!" - -Flip was allang te voren ingedommeld en keek nu suf op. - -"Wat is 'r nou weer?" - -Hans lachte. - -"'k Heb je voorgelezen van Drakenstein." - -"M'n zorg." - -"Nou, vin-je dat dan niet interessant?" - -"'n Gloeiende pook in je hand," rijmde Flip en geeuwde. - -Hans haalde zijn schouders op en las verder de geschiedenis van het -oude landgoed, dat al in 1359 bestond en van "die grote bomen, die -daerinne staen." Flip tukte stevig door. Zoo was ongeveer een uur in -stilte voorbijgegaan toen Hans er opeens aan dacht, dat Rob zich dien -tijd niet had laten zien. Natuurlijk zou de kleine natuurkundige wat -dieper nog het bosch zijn ingegaan, maar nu bleef hij toch wel wat -heel lang weg. Hans keek eens naar den rustig slapenden Flip en trok -hem aan een oor. - -"Hei, Flip. Wor 's wakker!" - -"Arendsoog is een dapper krijger, maar de scalp van het bleekgezicht -zal zijn wigwam niet sieren," mompelde Flip in zijn droom. - -"Héél mooi gezegd, broeder!" lachte Hans. "Maar daar vraag ik je nou -niet naar. Sta op, dan gaan we Rob zoeken." - -"Hè, wat is 'r dan met Rob?" - -"Weet ik het, kom mee, we gaan hem zoeken." - -"O, jawel, dat is goed. Zeg jò, 'k heb zoo fijn gedroomd!" - -Ze stapten op en kwamen bij de oude kapel, die achter heuveltjes in -'t groen verscholen lag. - -Opeens greep Hans zijn broer bij den arm. - -"Stil," zei hij, "daar roept iemand." - -Zij luisterden scherp. - -Op korten afstand klonk een gedempte stem: - -"Hans! Flip! Hierheen!" - -"'t Is Rob!" zei Flip. "Maar waar zit hij?" - -Ze stonden voor den ingang van de kapel. - -Het slot was van de deur verdwenen, door de ijzeren krammen was een -touw gestrikt. - -En nogmaals klonk het geroep. - -"Hij zit in de kapel!" zei Hans. "Ze hebben hem opgesloten!" - - - -Toen Rob zijn broers had alleen gelaten, was hij langs smalle paden, -dichtbegroeid met beuken en sparren, het bosch in gegaan. Eerst had -hij een mossoort gevonden, die hij tot nog toe nog niet had gezien, en -verheugd had hij een gedeelte daarvan in den trommel meegenomen. Hij -zou thuis wel eens onderzoeken, hoe de naam ervan was. Toen was -hij aan 't dwalen gegaan, zoekende naar een kleine varensoort. Zoo -ronddolende was hij eindelijk bij de kapel gekomen. Ofschoon hij het -oude gebouwtje al vaak genoeg gezien had, vond hij het toch altijd -opnieuw weer aardig om er even naar te kijken. Het was omgeven door -een prikkeldraad-versperring en de deur was altijd gesloten met -een hangslot. - -Maar nu merkte Rob tot zijn verwondering op, dat het oude, verroeste -hangslot van de deur verdwenen was en deze inplaats daarvan met een -touw was dichtgebonden. Die ontdekking verheugde hem zeer, want nu -kon hij gemakkelijk genoeg eens een kijkje nemen in de kapel. - -Hij klom over het prikkeldraad, waarbij zijn broek en kousen groot -gevaar liepen en stapte op het oude deurtje toe, toen hij onverwachts -de door hem gezochte varens ontdekte. Met zijn plantenschopje groef -hij er een paar uit en bergde ze in zijn trommel. Daarop maakte hij -het touw van de deur los en trad de kapel binnen. - -Terwijl Rob zoo aan het graven was, kwam de dikke veldwachter Bunze -over den mosgrond aangestapt. Met groote verbazing en verontwaardiging -aanschouwde hij de vernieling van zijn bosschen, maar hij wachtte -nog even om te zien, wat Rob wel verder zou doen. - -Toen de jongen nu in de kapel was, klom Bunze met buitengewone -krachtsinspanning over het prikkeldraad en plaatste zich in de -deuropening. - -"Wat voer jij daaruit?!" riep hij met barsche stem. - -Rob, die daarop in het geheel niet verdacht was, wendde zich verschrikt -om en zei: - -"O Bunze, wat laat je mij schrikken. Ik kwam hier maar eens even -kijken, zie je." - -"Zoo, en van wien heb je daarvoor permissie? Had je mij dat niet -eerst behooren te vragen?" - -"Ik wist niet, dat deze kapel van u was, Bunze." - -"Wat, Bunze, Bunze! Jij brutale aap van een jongen! Mijnheer Bunze -dan toch, hé?" - -Rob kende den veldwachter wel zoo'n beetje, maar dit was nu toch wel -wat al te dwaas. - -"Mijnheer Bunze?" vroeg hij. "Nu mij best, mijnheer Bunze dan." - -"Juist, zoo is 't beter." - -"Jawel mijnheer Bunze." - -"Wat heb je daar in die bus?" - -"Planten, mijnheer Bunze." - -"Hoe kom je daaraan!" - -"Uit het bosch, mijnheer Bunze." - -"Wat! Uit mijn bosch! Heb ik je daar permissie voor gegeven? Wacht, -jou boschvernieler, jou plantendief, ik zal je leeren mijn bosschen -te plunderen. Opsluiten zal ik je en ik verzeker je, dat ik den -burgemeester ga waarschuwen!" - -En de daad bij het woord voegende, sloeg de dikkerd de deur dicht en -bond ze met het touw weer vast. - -Daarop klom hij weer over het prikkeldraad en liep naar den -burgemeester, trotsch als een beroemd detective, die een gevaarlijken -misdadiger achter slot en grendel heeft doen brengen. - -"Dat is ook wat moois," mopperde Rob, "nou zet die dikzak mij -gevangen. Hij zal den burgemeester waarschuwen. Och kom, die zal er -zich weinig van aantrekken, denk ik. Maar ik wou er toch maar liever -weer uit! Het is lang niet gezellig hier." - -Rob probeerde de deur open te duwen, maar het touw was dik en sterk. - -De achterzijde van de kapel was open en alleen afgezet door een -hekje. Rob zag den groenen vijver en de omringende boomen. Het was -romantisch-mooi, maar Rob dacht op het oogenblik heelemaal niet aan -romantische dingen, hij dacht er alleen maar over, op welke manier hij -het spoedigst hier vandaan kwam. Maar er was geen kans tot ontsnappen. - -Toen bedacht hij, dat Hans en Flip niet zoo heel ver hier vandaan -konden zijn en misschien zijn roepen wel konden hooren. - -Het eerste kwartier leverde dat roepen ook al niet veel resultaat op, -maar eindelijk toch meende hij de stemmen van zijn broers te hooren. - -En nu schreeuwde hij zoo hard hij kon: - -"Hierheen, jongens! In de kapel!" - -Hans en Flip vlogen over het prikkeldraad en hadden in een wip het -touw van de deur losgemaakt. - -"Hier ben ik!" juichte Rob. - -"Wel alle bisschoppen!" riep Flip. "Speel je kluizenaartje?" - -"Ken je begrijpen," zei Rob. "Buikje heeft me hier gevangen gezet." - -"De veldwachter? Wat heb je dan uitgevoerd? En het is hier toch -geen gevangenis?" - -"Och, ik had gezien, dat er geen slot op de deur was en toen ben ik -maar eens naar binnen gegaan. Daar komt me ineens veldwachter Buikie -en roept: Wat voer je daar uit?" - -"En jij schrok natuurlijk," zei Flip. - -"Nou, dat snap je. Enfin, ik mocht hier niet in, ik mocht geen planten -in het bosch zoeken, ik was een boschvernieler, een plantendief en -hij zou alles aan den burgemeester vertellen." - -"Toe maar, nog meer?" - -"Nee, anders niet. Alleen moest ik voortaan mijnheer Bunze zeggen." - -"Hahaha, dat is 't mooiste nog!" lachte Hans, "mijnheer Bunze." - -"Vooruit jongens," zei Rob. "Nou kunnen we een grap beleven. We -sluiten de deur weer netjes met het touw en stellen ons achter 't -heuveltje op. Straks komt Buikje terug en dan zal je wat moois zien!" - -"Ja, dat is goed," zei Hans. "En dan zal ik er nog een veel grooter -grap op laten volgen." - - - -Een kwartiertje daarna kwam de veldwachter terug. Hij had den -burgemeester niet gezien. Den jongen in de kapel opgesloten te houden -ging ook niet, dus ging hij dan maar den gevangene na een geduchte -vermaning in vrijheid stellen. - -Hans, Flip en Rob lagen achter het heuveltje, op ongeveer tien pas -afstand van den ingang der kapel. - -Veldwachter Buikje, wiens slechte stemming aanmerkelijk verbeterd was, -sinds hij een gevangene had, klom weer over het prikkeldraad heen. - -Hij grinnikte en sprak overluid. - -"Haha, mannetje. Zit je er nog? Wacht maar, we zullen elkander eens -even nader spreken. Ja, denk nou maar niet, dat je er zoo makkelijk -afkomt, er zit wat voor je op. En ik zal je leeren mijn bosschen -te beschadigen." - -Met deze woorden maakte hij het touw los en opende de deur. - -"Ziezoo jongeheer, kom nou maar eens hier." - -De drie jongens knepen hun neus dicht om het niet van lachen uit -te proesten. - -Er kwam natuurlijk geen antwoord vanuit de kapel. - -"Kom je haast voor den dag, deugniet!" riep Bunze. - -'t Bleef stil. - -Wat drommel dacht de veldwachter, is de arrestant in slaap gevallen -of hoe heb ik het nu? - -Hij bleef echter zorgvuldig de deuropening bewaken en riep nu nog eens: - -"Kom hier zeg ik je, onmiddellijk!" - -Maar geen geluid werd vernomen. - -"Je weigert dus te komen?" riep Bunze, "goed, ik zal je wel weten -te vinden." - -En kordaat stapte hij de kapel binnen, maar trok toch de deur -voorzichtigheidshalve wat dicht. - -Op dat oogenblik sprong opeens Hans te voorschijn en wenkte zijn -broers, hem vlug te volgen. - -Snel als de wind wierp hij de deur toe, Flip en Rob zetten er de -voeten tegen aan en in een oogenblik had Hans het touw door de -krammen geknoopt. - -Maar daar begon Bunze me eventjes op te spelen! - -"Doe open! Doe dadelijk open! In naam der wet! In naam der Koningin! Ik -ben het, Wouterse, ik ben het, de veldwachter!" - -Bunze was in de meening, dat Wouterse, de timmerman van het kasteel -Drakenstein een nieuw slot op de deur deed. Doch nu kwam er evenmin -antwoord. - -"Wouterse!" riep Bunze, "ben jij het? Doe dadelijk weer open, want -ik ben er nog in!" - -De drie broers verwijderden zich. "Kom mee," zei Hans, "nu komt het -mooiste nog." - -Zij liepen achter het heuveltje om den vijver heen, Rob moest zich -schuil houden, terwijl Hans en Flip tegenover de opening aan de -achterzijde van de kapel stonden, alsof ze die voor het eerst bekeken. - -"Hallo, jongens daar!" - -"Hee, zit u in de kapel, mijnheer Bunze?" riep Hans in de hoogste -verbazing. "Is zij dan niet op slot?" - -"Ja," riep de dikzak, "ze is op slot en nou kan ik er niet uit!" - -"Blijf er dan maar een jaar in!" wou Flip terugroepen maar hij was -gelukkig zoo verstandig, om dit niet te doen. - -"Op slot?" riep Hans, "wie heeft dat dan gedaan?" - -"Dat weet ik niet. Wacht, ik zal eens hooren." - -Bunze liep naar de deur van de kapel en duwde daartegen met alle -kracht. Daardoor rekte het touw wat, dat hij duidelijk door den kier -kon zien. En nu kwam hij pas tot de overtuiging dat de arrestant -gevlogen was. Geholpen natuurlijk door zijn broers, die nu aan den -overkant dolle pret hadden, nu zij hem zoo netjes ingesloten hadden. - -Maar daar zouden ze van lusten. - -En Bunze, inplaats van zich kalm te houden, en zich de deur weer voor -de jongens te laten ontsluiten, vloog weer naar het hek en brulde, -dat het over het water daverde: - -"Willen jullie wel 's als de duivel die deur losmaken!" - -"Hoe zegt u, mijnheer Bunze?" antwoordde Hans. "Als de duivel? Hoe -maakt die dan een deur los?" - -"Ik heb niets met je praatjes noodig! Maak oogenblikkelijk, dat ik -eruit kan! Jullie hebt Robert laten ontsnappen, en dat zal ik je -gloeiend betaald zetten!" - -"Gloeiend zegt u, mijnheer Bunze?" plaagde Hans, "wel foei, dat is -niet netjes van u. Wij moeten voor u de deur openmaken en u wil ons -daar gloeiend voor behandelen? Neen, op die voorwaarde bewijzen wij -u geen dienst, mijnheer Bunze." - -"Och loop naar de maan met je mijnheer Bunze," riep de veldwachter. "Ik -gelast jelui nu, oogenblikkelijk hier te komen en de deur te openen." - -"O neen," zei Flip, "wij zijn geen hondjes." - -"Juist," zei Hans, "maar wij willen u toch wel helpen, als u ons maar -belooft, stil onzen weg te laten gaan." - -"Ik beloof niets!" riep Bunze. - -"O nee, op die conditie doen we 't beslist niet. Dag mijnheer -Bunze. Wij gaan naar huis." - -"Hallo, wacht even, jongens! Neen, loop nog niet weg. Je kunt voor mijn -part vrij naar huis gaan, doch help me eerst uit dit verwenschte hol!" - -"Goed, ik kom!" riep Hans. - -Een oogenblik later sneed Hans het touw door en was alweer verdwenen -voor Bunze tot de ontdekking kwam dat de uitgang vrij was. Men kan -zich voorstellen in welk een stemming hij naar huis ging! - - - - - - - - - -ELFDE HOOFDSTUK. - -WAAROM BAREND NIET OP SPARRENHEIDE KWAM. - - -Een uur nadat veldwachter Bunze de hut van vrouw Vorstman verlaten had, -was Barend er teruggekeerd. - -Het vrouwtje had pret om den jongen, die zoo overhaast de vlucht -had genomen. - -"Is-ie weg, moeder Vorstman?" vroeg Barend voorzichtig. - -"Al een uur," lachte ze, "hij komt alweer haast terug!" - -"Dat is toch niet waar?" - -"Neen, wees maar stil. Maar waarom ging je toch zoo ineens op den -loop. Heb je weer kwaad gedaan?" - -"Och, dat is nog van vroeger. Moet-ie mij dan niet hebben?" - -"Jawel, hij kwam je zeggen, dat je vanavond bij mijnheer Bergwoude -op Sparrenheide moest komen." - -"Moet ik daar komen? Owee, ik begrijp het al!" - -"Wat dan?" - -"Wel, ze zullen gemerkt hebben, dat Jacob Heintze elken avond laat -bij mij komt en daar krijg ik nou natuurlijk een leelijk standje voor." - -"Kom, dat zal wel losloopen. Natuurlijk zal Jacob dat niet meer mogen -doen, maar ik denk er het mijne van." - -"Wat denk je er dan van, moeder Vorstman." - -"Hoor eens, Barend, laat dat woord Vorstman nou maar weg. Ik ben je -moeder voortaan, hoor. En wat ik er van denk, wel, meester Bergwoude -zal je wel willen voorthelpen." - -"O, als dat eens waar was! Dan behoefde ik ook niet meer bang te zijn -voor veldwachter Buikie." - -"Die zal jou geen kwaad doen, jongen. Je hebt zeker veel op je kerfstok -dat je hem zoo ontloopt?" - -"Ja moeder. Maar ik heb nu geen zin meer om zoo te rooven en door -'t bosch te loopen. Ik heb dikwijls genoeg de eieren uit Bunze's -kippenhok gestolen. Leelijk, hè? Ik zou 't ook niet meer willen -doen. Eens op een keer kwam Bunze net aanloopen. Hij was zóó dichtbij -dat ik haast geen raad wist. En om hem tegen te houden gooide ik -hem een ei pardoes tegen zijn gezicht. Hij zat van onder tot boven -vòl! Jacob vond dat erg leelijk van mij en ik heb hem ook beloofd, -nooit meer eieren weg te nemen." - -"Dat is braaf van je, Barend. Ik zal je nu een nieuwe boterham geven, -want Bunze heeft de jouwe opgegeten." - -"Wat een gulzigaard! Alsof hij thuis niet genoeg krijgt!" - -"Net zoo. Maar zeg eens, Barend, je moet wat netter wezen op het pak, -dat Jacob je gegeven heeft! Je hebt er zeker mee in 't bosch op den -grond gelegen. Kom hier, dan zal ik je wat afborstelen. En als je nu -vanavond naar mijnheer Bergwoude gaat, moet je eerst bij mij komen om -te laten zien, of je er wel netjes uitziet. Als jij bij mij woonde, -zou ik daar beter op kunnen letten." - -"Ik wou, dat het waar was, moeder V ... - -"Nu wie weet. Komaan, eet de boterham op. En hier is nog een glas -melk." - -Nadat Barend de boterham en de melk op had, haalde hij nog een paar -boodschappen voor zijn goede stiefmoeder en ging naar huis. - -Daar trof hij zijn vader aan in gezelschap van een kerel, dien -hij nooit gezien had. Maar de man zag er allesbehalve aangenaam of -vriendelijk uit. - -"Kijk," zei Ranke, op Barend wijzend, "daar heb je nou mijn -zoon. Flinke jongen, niet? Kom eens hier jij, ik heb je weer in geen -drie dagen gezien. En wat een spullen heb je daar aan. Ben je daar -wel eerlijk aangekomen? Nou, mij 'n zorg, wat zeg jij, Klaas Pos?" De -aldus genoemde vreemde man grijnsde eens, en Barend schrikte van het -terugstootende gezicht. - -"Nou," vervolgde Ranke, "ik zal het hem dan maar vertellen, hij moet -er toch van weten, anders lukt de zaak niet. Hoor jongen, je vader -heeft tot nog toe niets aan je gehad en je toch te eten moeten geven, -dus nou wordt het tijd, dat je daarvoor wat doet. Je bent er nou voor -in de gelegenheid en ik zal je zeggen, wat je doen moet." - -"Dat ligt er aan, wat het is," zei Barend, die nooit ook maar -eenigszins beleefd was tegen den man, die nimmer een vader voor hem -was geweest. - -"Zoo, dat zullen we dan wel eens zien!" zei Ranke. "We zullen je in -elk geval wel weten te dwingen." - -"Dat zit nog," zei Barend. "Ik wil er heelemaal niets van weten en -ik blijf hier ook niet langer in huis. Ik ga weg." - -"Hahaha!" spotte Ranke, "de jongeheer gaat weg. Jawel. Ik zal je eens -wat zeggen, Barend. Je moet vanavond met ons mee. We willen in Baarn -een villa met een bezoek vereeren. Jawel, wij zijn uitgenoodigd, -nietwaar Klaas? Hahaha! En jij moet mee, jongen. Je moet uitkijken, -of er misschien ook iemand voorbijkomt, die de zaak verraden kan." - -"Ik doe 't niet," zei Barend. - -"Flink gesproken," spotte zijn vader. "Maar ik spreek nog veel flinker, -en nog duidelijker ook. Hier! Trek uit die kleeren, gauw wat! Wacht, -ik zal je een handje helpen!" - -En met ruw geweld trok de woeste strooper zijn zoon de kleeren van -het lijf. Hij wierp hem daarop zijn oude, havelooze plunje toe, -die Barend aantrok, zonder een spier van zijn gezicht te vertrekken. - -"Ziezoo," sprak Ranke. "Nu worden we verstandig. Nu zie-je er weer -als vanouds uit. En zal je vanavond meegaan, ja of neen?" - -"Neen!" zei Barend op beslisten toon. - -Pats! daar kreeg hij een slag tegen het hoofd, dat hij tegen den -grond viel. - -"Zal je meegaan?" - -"Nooit!" - -Woede beving den gewetenloozen man, die vader moest heeten van zoo'n -flinken jongen. Hij ging naar hem toe en trapte hem, terwijl Barend -zich in allerlei bochten wrong. De jongen gaf echter geen kik en -bleef eindelijk doodstil liggen. - -"Nou, je hebt hem een goeie portie gegeven, geloof ik," zei Klaas Pos. - -"Natuurlijk en nou zal je eens zien, hoe netjes hij met ons meegaat. En -om te voorkomen, dat-ie wegloopt, zal ik hem netjes opbergen." - -Daarop opende Ranke een deur, waarachter zich een kolen- en turfhok -bevond. Hij nam Barend op en wierp hem met geweld naar binnen. Toen -deed hij een hangslot op de deur en verliet met Klaas Pos het -huisje. In het turfhok lag Barend op den grond. Met het hoofd op -den arm snikte hij en dacht aan het uur, waarop mijnheer Bergwoude -hem verwachtte. - -Wat zou hij doen? - -Zijn vader verraden, overleveren aan de politie.... of... hem -gehoorzamen en zelf opnieuw een dief worden? - - - -Na het avondeten zat de familie Bergwoude als gewoonlijk nog een -uurtje in den tuin en juffrouw Wieler had een splinternieuw sprookje -verteld. Allen hadden aandachtig geluisterd naar het verhaal van -den woesten, roofzuchtigen reus, die het rijk der kabouters wilde -vernietigen en toch met al zijn kracht en ruwheid niet bestand was -tegen het leger der kleine mannetjes. Allen, ja, behalve Jacob Heintze. - -Want wat weerga, waarom kwam Barend Ranke nu niet? Mijnheer Bergwoude -had hem toch de boodschap laten brengen door veldwachter Bunze, -dat-ie vanavond op Sparrenheide komen moest? Er zou bepaald een heel -ernstige reden voor Barend moeten zijn, om nu niet te komen. Of ging -hij nu weer bederven, wat met zooveel moeite was verkregen? - -Mijnheer Bergwoude had er in het eerst vreemd van opgekeken, dat Jacob -met den verwaarloosden strooperszoon, den schrik van de omgeving, -had vriendschap gesloten! En die nachtelijke bezoeken, al waren -ze dan ook om Barend wat nuttigs te leeren, had hij zeer streng -afgekeurd. Mijnheer Bergwoude meende, dat er toch niets aan zoo'n -verwilderden, onopgevoeden knaap te verbeteren viel. Maar Jacob had -het voor Barend opgenomen en verteld, hoe de jongen langzamerhand -veranderde. En ten slotte had mijnheer Bergwoude dan beloofd, dat -hij Barend eens zou laten komen en zien, wat hij er aan doen kon, -om hem nog wat beter op streek te helpen. - -Hoe later het werd, hoe meer Jacob's onrust toenam. - -Waar bleef Barend nu? - -Om half negen, toen allen naar binnen gingen, was hij er nog niet. - -Mijnheer Bergwoude nam Jacob even terzijde: - -"Je vriend Barend is, zooals je ziet, niet gekomen, Jacob. Dat had -ik van te voren wel gedacht. Heusch, geloof me, daar is toch niets -mee te beginnen. Besteed, er aan, wat je wilt, 't zijn paarlen voor -de zwijnen geworpen." - -Maar Jacob schudde het hoofd. - -"Barend zou veel te graag gekomen zijn, mijnheer!" antwoordde hij, -"dat weet ik zeker. Maar misschien heeft Bunze hem niet kunnen -vinden. Of zijn vader houdt hem tegen." - -Mijnheer Bergwoude haalde ongeloovig de schouders op, hij dacht er -het zijne van. En daarop ging hij de huiskamer binnen. Hans, Flip en -Rob bleven nog een oogenblik met hun vader en moeder praten. - -De meid bracht brieven en couranten binnen, door de avondpost zoo -juist bezorgd. - -"Voor jou ook een brief, Hans," zei mijnheer Bergwoude, "van je vriend -Bram Verhallen." - -Hans nam den brief, opende het couvert en las: - - - Baarn, 12 Juli. - - Beste Hans! - - Vind-je het goed, als ik Zondagmiddag naar je toe kom? Wij eten - vroeg, net als jullie. Ik kom dan tegen 3 uur en kan wel tot een - uur of zeven blijven. Zaterdagmiddag kan ik niet komen, want we - hebben deze week zoo razend veel huiswerk, dat we er bijna niet - doorkomen! Och kerel, dat huiswerk! Als ik 's middags half vijf - thuis kom, moet ik maar liefst zoo gauw mogelijk eten, want we - krijgen wel voor drie urenlang huiswerk mee. We hebben dan ook zoo - ontzettend veel te leeren, jò. Zoo moet ik vanavond 2 blz. Fransch - vertalen, 1 blz. Cours Pratique leeren, 3 meetkundesommen maken, de - Duitsche rivieren leeren en een opstel maken. Ik weet heusch niet, - hoe ik dat allemaal àfkrijg. Ik heb elken dag hoofdpijn en ik ben - toch goed gezond. En voor den vrijen Zaterdagmiddag hebben we nog - meer huiswerk. Dus je begrijpt dat er van spelen niets komen kan. - - Schrijf me even of het goed is, dat ik Zondag kom. Groeten aan - allemaal. Dag bleekgezicht, gegroet van je rooden broer Arendsoog, - - Bram Verhallen. - - -"Bram komt Zondagmiddag," zei Hans, den brief aan zijn vader -overreikend. - -Mijnheer Bergwoude las den brief door en schudde het hoofd. - -"Wat zullen we toch een verschrikkelijk geleerd nageslacht krijgen," -zei hij, "de jongens en meisjes worden tegenwoordig zóó met huiswerk -overladen, dat ze nauwelijks tijd hebben om te eten. Wat zullen dat -allemaal een professoren worden! Maar wat een zenuwlijdertjes zullen -erbij zijn!" - -"Schrijft Bram daarover?" vroeg mevrouw. - -"Och neen, de jongen schrijft alleen, dat ze 's avonds wel voor drie -uren huiswerk meekrijgen en dat-ie Zaterdagmiddag niet spelen kan, -omdat-ie te veel werk heeft." - -"Is dat niet een beetje al te erg, man?" - -"Ja zeker, het is méér dan overdreven. En 't mooiste is nog, dat van al -de kinderen, die zulke massa's huiswerk avond aan avond moeten maken, -maar een paar werkelijk knap worden en daar wat aan hebben. Bram, -een flinke, gezonde, sterke jongen, heeft elken dag hoofdpijn van -'t leeren. Kan daar iets goeds uit groeien?" - -"Maar zonder huiswerk komen ze er niet, man." - -"Denk je dat, vrouw? Eenig huiswerk kan geen kwaad, het geeft bezigheid -in huis en de jongens kunnen nog eens repeteeren, wat er op school -geleerd is. Maar om de jongelui een berg werk mee naar huis te geven, -waar ze bijna niet doorheen komen, dat is overdreven. En wat hebben de -meesten er aan? De een wordt kantoorbediende en vergeet 9/10 van wat -hij geleerd heeft, de ander architect, tuinbouwkundige, onderwijzer, -enz. Dat alles hadden ze evengoed kunnen worden zonder al die dwaasheid -in hun jonge jaren te leeren. De ernstige, werkelijk gezonde studie -komt pas later. En daar hebben ze pas wat aan." - -"Toch schijnt men er ook anders over te denken," zei mevrouw. - -"O, ik kan het natuurlijk mis hebben," vervolgde mijnheer Bergwoude, -"maar ik vind, als een jongen tot zijn dertiende jaar het lager -onderwijs goed gevolgd heeft en dat dóór en dóór kent, dan heeft hij -nog tijd genoeg, om àlles te worden, wat hij wil. Dat is mijn meening." - -Er werd nog even over dat onderwerp gesproken en daarna gingen de -drie broers naar bed. - -"Zeg," zei mijnheer, "die Barend is toch maar niet gekomen, hè? Zie -je wel, dat er met zulke jongens toch niets goeds is aan te vangen?" - -"Hij zal niet gedurfd hebben, vader," zei Hans. - -"Och wat, gedurfd? Hij bedankt er eenvoudig voor, om onder de plak -te zitten. Neen, ik weet wel, dat hij liever als een wildeman in de -bosschen rondzwerft en allerlei kattekwaad uithaalt. Dat is hij van -jongsaf gewend en dat zal hij wel blijven doen ook!" - - - -Och, als mijnheer Bergwoude eens geweten had, dat Barend op dit -oogenblik te snikken lag van droefheid en teleurstelling, opgesloten -door zijn harteloozen vader in een donker hok! - - - - - - - - - -TWAALFDE HOOFDSTUK. - -IN DEN NACHT. - - -In den loop van den avond was Ranke, de strooper, met Klaas Pos in -zijn woning teruggekeerd. - -Zij zetten zich aan de tafel om hun plan nog eens nader te -bespreken. Zij dachten er niet eens aan, om Barend uit zijn -gevangenschap te verlossen en hem iets te eten te geven. - -"We moeten de zaak goèd doen of heelemaal niet doen," zei Ranke. "En -ik zal je nog eens haarfijn vertellen, hoe we 't zullen aanpakken. Ik -ben vanmorgen op het kantoor van Verhallen geweest en weet daardoor -precies, hoe de toestand daar is. Ja, ik heb mijn oogen goed den kost -gegeven. Ik heb den notaris zelf te spreken gevraagd, natuurlijk -maar met een onbeduidend praatje. Maar ondertusschen heb ik goed -rondgekeken. De voorkant van het woonhuis is aan de Prinsenlaan, -maar de ingang van 't kantoor is in een achterstraatje. Je loopt een -steenen paadje op en komt aan een hek. Dan een klein tuintje door en -je staat voor de kantoordeur. In de gang heb je weer twee deuren, op -de eene staat: Binnen zonder kloppen, op de andere Privé. Die laatste -moeten we hebben. Daar staat de brandkast van den notaris en als ik -me niet vergist heb, zal het voor ons niet zoo'n heksenwerk zijn om -die groote spaarpot open te maken." - -Daarop vertelde Ranke aan Pos, van welk fabrikaat de brandkast was -en toonde de werktuigen, waarmede hij die dacht te openen. - -"Terwijl wij binnen aan het werk zijn," sprak hij, "moet Barend op -den uitkijk staan." - -"Kunnen we hem wel vertrouwen?" vroeg Pos. - -"Daar kan je verzekerd van zijn. Bovendien zal ik hem wel weten -te dwingen. Kijk, hier heb je nota bene boeken en schriften van -hem. Inplaats van een vet konijn op den kop te tikken, zit hij te -suffen met zijn neus in de boeken. Waar hij die vandaan heeft, mag -de drommel weten. Hij had ze onder zijn bed verstopt. Ik wist niet, -dat mijn zoon een geleerde was. Enfin, wij zullen hem eens voor den -dag halen." - -"Wij deelen toch samen?" vroeg Klaas Pos. - -"Dat is te zeggen: ieder krijgt zijn deel. Ik geloof wel, dat ik twee -derden van het gevaarlijke werk te doen zal hebben, dus neem ik ook -zooveel van den buit. Ieder het zijne. Als je 't niet goed vindt, -kan ik 't misschien ook wel alleen af." - -"Ik zal 't maar goedvinden," zei de ander. - -"Zooals je wilt. En nou zullen we den jongen eens hier halen." - -Met deze woorden begaf Ranke zich naar het turfhok, waar Barend in -slaap gevallen was. - -"Barend!" riep zijn vader, "kom er uit, jongen, het wordt zoo -langzamerhand tijd." - -Barend ontwaakte en keek door de geopende deur in het kamertje, waar -hij Klaas Pos bij de petroleumlamp aan tafel zag zitten. Onmiddellijk -weer herinnerde hij zich het gebeurde en tevens ook, wat zijn vader -van hem verlangde. En evenals te voren besloot hij om in geen geval -met beide mannen mee te gaan. - -Ranke trok hem in de kamer. - -"Je hebt over de zaak kunnen nadenken, Barend," sprak hij, "en ik -geloof wel, dat je nu zoo verstandig geworden bent, om je vader -eindelijk eens te gehoorzamen. Voor alles wat ik aan je besteed -heb ..." - -"Je hebt niets aan mij besteed!" viel Barend opeens uit. "Je hebt me -niet eens te eten gegeven. De paar korsten brood en droge aardappels, -die je zelf niet meer lustte, liet je voor mij op tafel liggen." - -"Wel, hoor me zoo'n ondankbare jongen eens aan!" riep Ranke, die -aan Pos verteld had, dat hij altijd den meesten zorg aan zijn zoon -had besteed, maar dat Barend een door en door slechte jongen was, -die al het goede, wat zijn vader voor hem deed, met ondank beloonde. - -"Wel, hoor me nu zoo'n ondankbare jongen eens aan! Dat is de school -uitgejaagd om al zijn baldadige streken en durft nog zijn vader -beschuldigen! Wacht, kameraad, nu zullen we eens een ander wijsje -zingen. Je gaat nu direct met ons mee, en ..." - -"Ik denk er niet over," zei Barend. "Ik ga toch niet." - -"Dat zullen we wel eens zien! Hier, deze boeken, zijn die van jou?" - -Met grooten schrik bemerkte Barend, dat zijn gewetenloozen vader -zijn boeken en schriften, waar hij met Jacob Heintze uit geleerd had, -gevonden had. - -"Geef hier vader!" riep hij, "dat is mijn werk!" - -"Zoo, is dat jouw werk? Neen vrind, ik zal jou eens zeggen, wat je -werk is. Om je vader te gehoorzamen en hem te helpen. En nu zal je -dat om te beginnen vanavond doen en als je weigert, scheur ik al je -boeken en schriften één voor één kapot!" - -"Vader!!" schreeuwde Barend, "dat doe je niet!" - -"Dat zal je zien!" - -En Ranke greep een boek, dat Jacob aan Barend gegeven had. Hij nam -het in beide handen om het doormidden te scheuren. - -"Vader, vader!!" gilde Barend. "Niet doen ... ik zal wel meegaan!" - -"Ha zoo, dat dacht ik wel. En nu zal ik je nog eens vertellen, wat -je te doen hebt. We gaan door het bosch naar Baarn. In het huis waar -we zijn moeten, is veel geld. Het zal nogal tijd en moeite kosten -om het te krijgen. Zoolang wij binnen aan het werk zijn, houdt jij -buiten de wacht. En als er onraad is, kraai je als een haan. Ik weet, -dat je dat zoo goed kunt, dat iedereen denkt, een werkelijken haan -te hooren. Komt er iemand toevallig voorbij, dan kruip je weg in de -struiken van den tuin. Pos, hebben we de gereedschappen en den zak? De -lantaarn heb ik hier. Ziezoo, alles is klaar. De lamp uit en op pad!" - -De torenklok sloeg elf uur. - -En een oogenblik later gingen drie donkere figuren door het bosch, -dat inktzwart zich voor hen uitstrekte. - - - -"Ik maak mij werkelijk ernstig bezorgd over Bram," zei mevrouw -Verhallen tot haar man, den notaris, toen zij des avonds naar boven -was geweest. "Het is nu al over tienen en nog zit de jongen aan zijn -schoolwerk. Voor een jongen van dertien jaar is dat toch te laat, -vader." - -"Och laat den jongen studeeren," sprak notaris Verhallen, "nu is hij -immers nog in de gelegenheid om goed te leeren, later gaat het zoo -vlug niet meer. En als hij daar nu plezier in heeft?..." - -"Plezier in heeft?" - -"Wel ja, anders zou hij het toch niet doen?" - -"Denk je, dat Bram voor zijn plezier avond aan avond zit te -blokken? Dat hij voor zijn plezier elken dag over hoofdpijn klaagt? De -jongen overwerkt zich, dat zeg ik. Hij begint er slecht uit te zien." - -"Kom, kom, nu overdrijf je toch," zei de ander. Hij was zelf een zeer -werkzaam man en vond het heel best, dat zijn dertienjarige zoon elken -avond stapels schoolwerk maakte. Natuurlijk in den tegenwoordigen -tijd moest de jeugd nu eenmaal hard studeeren. - -Dat wist Mevrouw ook wel, maar zóóveel huiswerk als de kinderen -tegenwoordig van den meester meekregen, vond ze toch wat heel erg. - -"Neen, ik overdrijf volstrekt niet," hernam zij, "de jongen zal er -nog heelemaal door van streek raken. Al is zijn lichaam gezond, dat -wil volstrekt niet zeggen, dat hij daarom een hoofd om veel te leeren -heeft. Ik zou veel liever zien, dat hij wat vroeger naar bed ging." - -Mijnheer Verhallen haalde zijn schouders op en frommelde eens -ongeduldig met de courant, die hij in de handen hield. Hij zag -volstrekt geen bezwaar in het late opblijven en studeeren van zijn -zoon. Hoe knapper Bram werd, hoe liever hij het had. Van leeren werd -je niet ziek en de meesters wisten toch ook wel, wat kòn en wat nièt? - -Mevrouw zweeg nu maar, doch in stilte dacht ze met bezorgdheid aan -haar jongen. - -Op zijn kamertje zat Bram ijverig te pennen. - -De klok wees kwart over tien. - -Bram had juist de laatste rekenopgave af. Gelukkig, eindelijk was -hij weer zoover, dat hij morgen met behoorlijk afgemaakt werk bij -den meester komen kon. O, er waren jongens genoeg, die om zeven uur -aan d'r huiswerk begonnen en vóór achten alweer buiten waren, maar je -moest dan niet vragen, hoe dat werk er uit zag. Bram behoorde niet tot -de vlugsten, maar juist daarom wilde hij zijn werk zoo goed mogelijk -doen. Het leeren viel hem niet gemakkelijk, maar meester was streng -en papa liet niet met zich spotten! Dus kostte het Bram buitengewone -inspanning om met de andere jongens van zijn klasse gelijk te blijven. - -Met een tevreden lachje bergde hij zijn boeken en schriften in de -kast. Het was meer dan bedtijd. Zijn bed stond in een hoek van 't -kamertje. Met langzame bewegingen kleedde hij zich uit. Slaap had -hij bijna niet, hij was over zijn slaap heen; in zijn rond, gezond -jongensgezicht stonden de oogen dof en mat. Hij voelde zich doodmoe en -had toch geen slaap. In bed lag hij te kijken naar een paar sterren, -die hij juist door 't bovenraam kon zien. En onderwijl dacht hij -maar voortdurend, zonder het te willen, aan die laatste som, die zoo -moeilijk was. Toen probeerde hij te slapen, maar dat lukte niet. Zijn -lichaam rustte uit, maar hij bleef klaarwakker. Hee, dacht hij, -wat beef ik nu toch vreemd? Het is toch heelemaal niet koud. Och, -'t zal wel over gaan. Kom, ik zal me maar weer eens omdraaien. En -dan dacht hij weer aan de lesuren van morgen. Eerst taal, de les -over de vervoeging der werkwoorden. En dan Fransch, Cours Gradué, -2 théma's opzeggen, 2 nieuwe inleveren. Die had-ie ook af. En dan -rekenen. Zouën z'n sommen goed zijn? Meester had dikwijls aanmerkingen -op z'n foute sommen, en deed-ie niet heusch zijn best? Als ze nou -maar goed waren! Kom, nou slapen. Nou niet meer aan leeren denken. De -andere jongens sliepen ook allemaal ... de klok sloeg elf. Bram was -nog even wakker als om tien uur. Half twaalf. Bram zat rechtop in -bed, z'n hoofd klopte. Hij stond op, stak zijn hoofd door het open -raam. De lucht was helder, om hem heen waren tuinen met dicht geboomte, -zware dennegeur trok het kamertje in. De nachtkoelte deed hem goed, -de hoofdpijn zakte wat. - -Weet je wat, hij ging een beetje in den gemakkelijken stoel bij het -raam zitten, van slapen kwam toch voorloopig niets. - -Bram trok een jas aan en strekte zich op z'n gemak in den stoel -uit. Zoo zat-ie lekker. En nou naar de sterren kijken. Dààr had je de -Groote Beer en dan ... één... twee ... drie ... vier ... vijf ... zes -... zeven ... de Poolster ... en dáár ... en dáár.... - -Bram, oververmoeid, dommelde in. - - - -Ruim een uur later schrok-ie wakker. - -Hè, wat? Lag-ie niet in bed? Zat-ie in 'n stoel? Hee ja, dat was waar -ook. Brrr, hij was koud geworden, gauw maar 't bed in. De jas hing -hij over den stoel, stapte dan met z'n eene been in bed. - -Maar opeens bleef-ie zoo staan. - -Stil ... - -Wat was dat beneden? - -Was pa nog op?... Even luisteren.... - -Sssst ... daar hoorde hij 't weer. - -Zoo'n gek geluid.... net of 'r iemand op pa's kantoor was. Nou, -dat was onzin, hè? Pa sliep natuurlijk.... en.... - -Nou viel d'r wat.... - -'t Volgend oogenblik trok Bram kousen en pantoffels aan en wat kleeren. - -Op z'n teenen ging-ie de trap af, opende geruischloos de buitendeur; -over de grasperken liep hij den tuin uit, 't straatje om naar den -kantooringang. - -Stil... daar stond een jongen, vlak bij den lantaarn. - -Bram begréép 't..., die stond op den uitkijk!! - -Dadelijk keerde Bram terug.... de vilten pantoffels maakten z'n -voetstappen onhoorbaar, en snel als de wind vloog-ie de Laanstraat in, -waar twee politieagenten surveilleerden. Die gingen onmiddellijk met -hem mee. - -Bram liep ze vlug vooruit, zag den jongen nog staan. En 'n plotseling -opkomende gedachte dadelijk ten uitvoer brengend, wierp hij zich -onverwachts op den schildwacht en drukte met één hand diens mond toe. - -Daarna stelden zij zich in een donkeren hoek in hinderlaag op. - -Bij het licht van de lantaarn had Bram den jongen herkend. En -verschrikt fluisterde hij de agenten toe: - -"Barend van de Lage Vuursche!" - - - - - - - - - -DERTIENDE HOOFDSTUK. - -WAT JACOB VAN VELDWACHTER BUIKJE HOORDE. - - -Volgende morgen, zes uur. - -De zon stond al hoog aan den hemel, 't beloofde weer een echt warme, -zomersche dag te worden. - -"Zeg," zei Hans tegen zijn broer Flip, terwijl ze zich op hun -slaapkamer aan 't kleeden waren, "wat maft die Rob weer door!" - -"Ja," antwoordde Flip, "ik heb hem al zesmaal geroepen, maar hij heeft -'r maling aan, hoor." - -"Nou, hij is om negen uur naar bed gegaan, dus me dunkt, dat-ie lang -genoeg geslapen heeft." - -"O zoo, maar als roepen niet helpt zal ik hem wel op een andere manier -wakker krijgen. Geef dat witte kopje eens aan, Hans." - -"Wat ga je nou doen?" - -"Zal je wel zien." - -Flip schepte het kopje vol water uit zijn lampetkan en zette het toen -op de plank boven Rob's hoofd. Een draad garen bond hij om het oor -van het kopje. - -Aan het andere einde knoopte hij een lus en schoof dien voorzichtig -om een vinger van Rob. - -"Ziezoo," zei Flip, "zoo gauw als hij nou maar één beweging maakt, -is hij goed wakker ook." - -Inderdaad liet het succes dezer nieuwe wek-methode niet lang op -zich wachten. - -Rob draaide zich in zijn slaap nog eens om, maar door die beweging -trok hij het kopje water van de plank. - -Pletsch!! - -"Au, m'n hoofd!... brrr!!!" vloog Rob ineens overeind, "wat is -dat nou?" - -"Goeiemorgen, Robbie," zei Flip lachend. "Is U Edele ontwaakt?" - -"Wat een misselijke, kinderachtige streek, Flip," zei Rob. "Nou is -'t heele bed nat." - -"Loop heen, dat droogt met die warmte in twee tellen." - -"Toch gemeen, al m'n goed is drijf." - -"Ga maar even buiten in de zon hangen." - -"Doe jij 't zelf maar." - -"De kleine kop viel op de groote kop van Robbekop," plaagde Flip, -waarop Rob zijn kussen greep en dat naar Flip's "kop" gooide. 't -Kussen vloog weer terug en nu begon Hans ook mee te doen. Lakens, -dekens, kussens zeilden van den eenen hoek naar den anderen, een waar -beddengevecht. Ten slotte rolden ze alle drie met al 't beddegoed als -een kolossale bal door elkaar, gierend en schaterend van pret. En de -zon goot haar gouden ochtendstralen naar binnen en lachte mee. - -De deur ging open en Jacob Heintze trad binnen. - -"Zeg, wat maken jullie een reuzenherrie!" - -"Wil je ook een beetje op je kop hebben?" inviteerde Flip. - -"Jij bent ook vroeg present," zei Hans, die uit het kluwen van de -dekens en lakens kroop. - -"O ja, 'k ben al meer dan een uur op," zei Jacob. "Ik had eigenlijk -nòg vroeger willen opstaan om even naar de Vuursche te gaan." - -"Waarom?" - -"Om Barend op te zoeken. Vragen, waarom-ie gisteravond niet gekomen -is." - -"Ja," zei Hans, "daar hadden vader en moeder 't gisteren ook over." - -"Zoo?" - -"Ja, vader zei, dat er met Barend tóch niets goeds te beginnen was." - -Jacob maakte zich driftig over die woorden. - -"Dat is niet waar!" zei hij. "Als Barend niet gekomen is, dan had -hij daar goeie reden voor. Hij was veel te blij, dat-ie komen mocht." - -"Nou, waarom kwam-die dan niet?" - -"Dat--dat weet ik evenmin als jij. Maar ik zal aan je vader vragen, -of ik nog even naar vrouw Vorstman mag gaan." - -Jacob Heintze kreeg van mijnheer Bergwoude verlof daar voor. Hij haalde -zijn fiets uit de bergplaats en snorde een oogenblik later den weg af. - -De arme weduwe was al bedrijvig in de weer. - -"Dag vrouw Vorstman!" riep Jacob haar toe, terwijl hij van zijn -fiets sprong. - -"Zoo Jacob, al zoo vroeg hier? Mooi weer, hè?" - -"Ja, vrouw Vorstman, maar ik wilde u eigenlijk vragen, of u ook weet, -waarom Barend gisteravond niet op Sparrenheide is gekomen." - -"Wel heb ik ooit! Is hij niet gekomen?" - -"Neen." - -"En ik heb het nog zóó gezegd. Hij was ook heel blij, dat-ie komen -mocht. Hij hoopte, dat mijnheer Bergwoude hem wat voorthelpen zou." - -"Ja dat zou-die ook wel doen, maar ..." - -Een derde persoon verscheen aan 't huisje van vrouw Vorstman, -veldwachter Bunze. - -Hij scheen verbazend in zijn schik te zijn, want zijn rond en -bol gezicht stond zoo vroolijk, alsof hij pas een erfenis had -gekregen. Zonder goeienmorgen te zeggen begon hij: - -"Nou, vrouw Vorstman, wat heb ik je gezegd? Schooiersvolk is het, -gespuis, waar niets mee te beginnen is!" - -"Man, waar heb je het over?" - -"Nee, je weet er natuurlijk nog niets van, hè? Maar ik wel. D'r is -al een brigadier uit Baarn op de fiets bij mij geweest, en die heeft -mij de orders gebracht." - -"Maar wat is er dan toch?" - -De veldwachter scheen er bijzonder plezier in te hebben, de menschen -zoo nieuwsgierig en ongeduldig te maken, als maar mogelijk was. - -"Wel," zei-die, "ik moest immers gisteren aan dat galgenaas van een -Barend de boodschap brengen, dat-ie op Sparrenheide komen moest?" - -"Ja--en ..." - -"Inplaats van het te doen, is de schavuit gisteravond met zijn vader -en Klaas Pos naar Baarn gegaan om daar in te breken!" - -"Dat kan niet!" riep Jacob verschrikt. - -Veldwachter Buikje keek den jongen met een minachtenden blik aan. Zoo'n -ventje durfde hem tegenspreken? - -Vrouw Vorstman sloeg van verbazing de handen in elkaar. - -"Om in te breken!" herhaalde Bunze met welgevallen. "De oude strooper -Ranke en zijn kameraad Pos zijn beiden gevangen genomen, Barend net -zoo goed, en alle drie zijn ze in preventieve hechtenis genomen. Nou -zie-je zelf, vrouw Vorstman, wat voor volk je in je huis haalt! Geef -jij den jongen maar koffie en dikke boterhammen, vandaag of morgen -steelt-ie het beetje nog dat je in huis hebt!" - -Jacob Heintze keek verslagen naar den grond. Hoe was dat nu -mogelijk! Barend, die in een paar weken al zoo vooruitgegaan was, -die nu misschien door mijnheer Bergwoude zelf verder geholpen zou -zijn, was in de gevangenis gezet, medeplichtig aan inbraak. Opeens -ging hem een licht op! - -"Ja! zoo is het!" riep hij uit. - -"Wat is zoo?" vroeg Bunze. - -"Wel geloof maar niet, dat Barend uit zichzelf is meegegaan. Zijn -vader en Klaas Pos hebben hem gedwongen. Zij hadden hem noodig." - -"Wat zou dat dan nog!" vroeg veldwachter Buikje. "Het doet er trouwens -ook weinig toe, hoe en waarom de jongen is meegegaan om op den uitkijk -te staan, in elk geval staat vast, dat hij het heeft gedaan, en dat -is voor ons, gerechtsdienaren, voldoende!" - -"En bij wie is er ingebroken," vroeg vrouw Vorstman. - -"Bij notaris Verhallen. Nou moet-je weten, de jongeheer Verhallen -was nog heel laat wakker en hoorde wat in 't kantoor. Wat doet de -slimmerd! Hij trekt wat kleeren en z'n pantoffels aan en loopt om het -huis heen. Daar ziet-ie iemand op den uitkijk staan en dus begreep-ie -dadelijk, dat er wel een paar kornuiten in 't kantoor aan den slag -waren. Hij loopt de dorpsstraat in en komt toevallig twee agenten -tegen. Die gingen dadelijk mee en de jongeheer Verhallen loopt weer -hard terug op zijn pantoffels en slaat zóó maar den uitkijk tegen -den grond. Hij gaf geen kik, want ze hielden zijn mond stijf toe, -dat verzeker ik je. Nou, en de agenten op de loer, dat begrijp je. 't -Duurde een heel poosje, toen kwamen allebei de sinjeurs naar buiten -om te zien, of alles in orde was. - -""Waar is de jongen?" vroeg de een. "Die zal wat verderop staan," -zei de ander. "Laten we eerst zelf eens kijken, of de weg veilig is, -voordat we den buit naar buiten halen." Ze liepen toen allebei het -tuintje door en: kip ik heb je! sprongen de agenten uit hun hoek. In -een oogenblik hadden de schurken de ijzeren polsmofjes aan en gingen -mee. Ik ben blij toe, dat me dat stelletje goed en wel achter de -tralies zit. Nou zie je toch, vrouw Vorstman, wat je met dien jongen -in huis had gehaald. Wees maar blij, dat-ie opgeborgen is. En nou zal -ik je groeten, want ik moet de zaak nog verder onderzoeken en rapport -uitbrengen." En met een zelfbewuste en trotsche houding stapte de -veldwachter den weg op. - -Vrouw Vorstman en Jacob waren door dit verhaal geheel uit het veld -geslagen. Het leek Jacob, of de mooie zonnedag opeens een donkere -nacht geworden was. Was dat nu alles wel waar? Was Barend werkelijk -tot zóó iets in staat? Het was bijna onmogelijk! - -"Neen, vrouw Vorstman," zie hij, "ik kàn het niet gelooven! En als -het tòch waar is, dan heeft Ranke hem gedwòngen om mee te gaan!" - -"Ik geloof het ook, jongeheer," zei ze verdrietig. "Och, och, die -arme Barend in de gevangenis!" - -Wanneer het Jacob's eigen broer geweest was, kon hij niet verdrietiger -geweest zijn dan hij nu was. In een zeer treurige stemming verliet -hij vrouw Vorstman en reed naar Sparrenheide terug, waar hij mijnheer -Bergwoude en Hans vertelde, wat er gebeurd was. - - - -Het gebeurde van dien nacht had Bram's zenuwen geducht geschokt. Toen -alles afgeloopen was en Ranke met Pos en Barend door de agenten waren -weggeleid, zat Bram bevend bij zijn inmiddels gewekte ouders in de -kamer. Hij begreep zelf niet, hoe hij zoo kalm was gebleven, hoe hij -niet één oogenblik bang was geweest om den vreemden schildwacht neer -te leggen. Barend Ranke, de boschjongen! Hoe was het mogelijk? Zoo -jong nog en dan al een dief! - -De heer en mevrouw Verhallen prezen hun jongen, maar Bram glimlachte -flauwtjes. Zijn moeder maakte zich echter steeds meer bezorgd en -eindelijk begon ook zijn vader langzamerhand tot het inzicht te komen, -dat het met Bram toch niet heelemaal in orde was. - -Er werd dien nacht lang niet rustig meer geslapen en 's morgens -had Bram zulk een bonzende hoofdpijn, dat hij niet kon opstaan. Met -den besten wil niet. De dokter werd gehaald en dadelijk luidde zijn -meening: - -"Zenuw-overspanning. Absolute rust houden. Zachte slaappoeders -innemen." - -De dokter schreef Bram's toestand enkel en alleen aan de nachtelijke -gebeurtenis toe, hij meende, dat Bram ten gevolge van een grooten -schrik ziek was geworden. - -Maar mevrouw Verhallen wist wel beter. - -Den volgenden dag sprak zij er eens met den dokter over. - -"Ik vond het beter, om het u eens te zeggen," begon ze. "Ik maakte -mij al sinds eenigen tijd zoo ongerust over onzen jongen, 't is niet -vanwege dien inbraak, ziet u. Bram zit avond aan avond, soms wel -tot na tien uur, huiswerk te maken en te leeren, en meestal begint -hij daar al om zes uur aan. Ik vind dat veel te erg, mijn man denkt -er anders over, maar ik verzeker u, dokter, de jongen kan dat niet -volhouden. Hij is niet dom, maar er wordt te veel van hem gevergd. Hij -gaat er steeds betrokkener uitzien, slaapt te weinig en speelt maar -eens een heel enkele keer met andere jongens." - -De dokter knikte. Hij begreep het volkomen. - -"Mevrouw," sprak hij, "wanneer jongens in hun schooljaren goed hun -best doen en hard werken, zal hun dat later ten goede komen. In -den tegenwoordigen tijd moet een mensch nu eenmaal meer weten dan -vroeger, de examens worden al zwaarder en zwaarder en de eischen, -die de maatschappij stelt, eveneens. Maar of we nu daarom de kinderen -al hun vrijen tijd moeten ontnemen en hen volstampen met allerlei -boekengeleerdheid, dat is een vraag, waarop ik zeer sterk: neen, -antwoord. Intusschen zijn er leerlingen, die dat overmatige werken en -leeren onmogelijk kunnen volhouden en u doet er zeer verstandig aan, -mij op dat geval met uwen zoon te wijzen. We mogen in geen geval -van zoo'n flinken, gezonden jongen een zenuwlijder maken. Laat hem -voorloopig maar eens rust houden en dan zullen we zien, wat we verder -met hem doen zullen." - -Mevrouw dacht over Instituut Sparrenheide. - -Zij sprak er met mijnheer Verhallen over. - -Ook de dokter vond dat besluit zeer verstandig en ten slotte gaf de -notaris toe. - -Na de groote vacantie zou Bram naar Sparrenheide gaan, zeker wel -tot groote vreugde van hemzelf en van Hans, Flip en Rob, de drie -jolige broers! - - - - - - - - - -VEERTIENDE HOOFDSTUK. - -VELDWACHTER BUIKJE EN DE BOSCHGEESTEN. - - -We zullen niet in bijzonderheden nagaan, wat er in de eerstvolgende -weken gebeurde met Barend, Ranke en Pos. - -Het was te danken aan de voorspraak van mijnheer Bergwoude, Jacob -Heintze en moeder Vorstman, dat Barend spoedig in vrijheid werd -gesteld. Er was bij het onderzoek gebleken, dat Barend door zijn vader -gedwongen was mede te gaan, maar er was ook nog een oude historie aan -het licht gekomen! Ranke, de strooper, had verschillende gereedschappen -en werktuigen gekocht en Pos had aan den rechter verteld, dat Ranke -het geld, waarmede hij die dingen betaald had, eenigen tijd geleden -in het bosch gevonden had. Het was een biljet van tien gulden en het -zat in een oude portemonnaie. De portemonnaie had Ranke weer op den -grond geworpen. - -De twee stroopers en dieven werden tot verscheidene jaren -gevangenisstraf veroordeeld. Barend werd als tuinmansjongen op -Sparrenheide aan het werk gezet en kwam bij moeder Vorstman in huis. - -Allen waren zeer tevreden met den goeden afloop der gebeurtenissen -en niet het minst Jacob Heintze, die nooit aan de goede trouw van -Barend had getwijfeld. - -Maar één was er, die zich bij dat alles eenigszins anders gedroeg. En -dat was Bunze, veldwachter Buikje! De dikzak was heelemaal niet -ingenomen met het feit, dat Barend zoo voortgeholpen werd. Het speet -hem verbazend, dat hij in het minst geen deel genomen had aan de -arrestatie der inbrekers, maar hij vertelde toch aan iedereen, die -het hooren wilde, dat hij voortaan met nog veel meer gestrengheid -optreden zou, om de veiligheid en de rust in de omgeving te bewaren. - -Speciaal lette hij nu op de jongens van Sparrenheide, die vaak in -"zijn" bosschen kwamen spelen. Hij liet het minste of geringste niet -meer toe en stelde zich aan als een tiran. Dat begon deze jongens -te vervelen. Als zij zich maar even in het bosch van Drakenstein -vertoonden, zagen zij het dikke gezicht van Buikje al op hen loeren. - -Daarom hielden de jongens op zekeren dag krijgsraad. Ze waren met -hun tienen bij de Echo verzameld en zaten of lagen op den boschgrond. - -"Waar zullen we hem eens een poets mee bakken?" vroeg Rob, die zich -wel het meest aan den veldwachter ergerde. - -Ja, dat was een moeilijke kwestie. 't Was in elk geval de veldwachter -zie je, en al hadden de jongens nu meer ontzag voor den man z'n jas -met de blinkende knoopen en de pet met den gouden bies dan om Bunze -zelf, je moest er voorzichtig mee zijn. - -Maar juist dàt maakte de zaak nog interessanter. - -"We zullen hem een kistje klapsigaren thuis sturen," zei de een. - -"Neen daar hebben wij niets aan. We moeten er zelf ook plezier van -hebben." - -"Stop hem dan een kikker onder zijn pet." - -"Of spijker de blinden van zijn ramen vast." - -"Doe een ons peper in zijn snuifdoos." - -Zoo wist ieder wat. Als de veldwachter al deze folteringen had moeten -doorstaan, dan had het er treurig met den man uitgezien. - -"Neen jongens," zei Hans, "daar hebben we allemaal niets aan. Ik -geloof dat ik een beter plannetje weet. Luister eens, je moet dan -weten, dat Buikje verbazend bijgeloovig is, zooals de meeste menschen -op de Vuursche. Daarom gaan er ook allerlei dwaze verhalen uit het -bosch hier bij de lui rond. Jullie hebt er natuurlijk wel eens een -paar van gehoord." - -"Neen, ik niet, ik niet," klonk het hier en daar. - -"Nou, we zitten hier toch zoo gezellig bij elkaar ... wil ik er eens -een vertellen?" - -"Ja, ja, vertellen!" riepen ze allemaal. - -"Goed dan," zei Hans, "de legende, die ik je vertellen zal heet -"De geschiedenis van de drie Boschgeesten." - -Het was ten tijde, dat Karel de Groote over Holland regeerde. Het bosch -van Drakenstein bestond toen ook al, maar was veel uitgestrekter. Nu -zijn er groote stukken bosch verdwenen, maar in dien tijd was 't -één en al woud. Je moet niet denken, dat er, net als nu, alleen -maar wat vogeltjes en konijnen en een paar herten te vinden waren, -neen, je had er nog wilde zwijnen, wolven, vossen en slangen in -overvloed. Het kasteel Drakenstein bestond nog niet, maar wel was er -op diezelfde plaats een hoeve, die bewoond werd door de gebroeders -Wer en Ner. Dat waren zoogenaamde roofridders, die zelf niets bezaten -en alleen leefden, van hetgeen zij anderen ontstalen------ - -Opeens riep Flip: "Daar komt de veldwachter!" - -Inderdaad! daar kwam Bunze aan. - -De jongens waren teleurgesteld, maar Hans zei: - -"Zitten blijven, jongens. Ik vertel toch." - -"Wat voeren jullie hier uit?" vroeg Bunze op barschen toon. - -"Wij vertellen verhalen, mijnheer Bunze," zei Hans beleefd. - -"Zoo, vertel maar. Ik wil dat moois ook wel eens hooren." - -"Heel goed, mijnheer Bunze. Nou jongens, ik zei dan, dat de broeders -Wer en Ner alleen van roof leefden, en de bewoners waren grootendeels -heidenen, die er hun eigen goden op na hielden. Je weet wel, dat Wotan -of Wodan een van die goden was. Toen nu de roofridders Wer en Ner niet -ophielden met het uitrooven en uitplunderen van den geheelen omtrek, -riepen de hier wonende volksstammen hunne goden aan en smeekten Wodan, -hen te beveiligen tegen de woeste, onmeedoogende roofridders. Wodan -verhoorde het smeeken der volksstammen en zond een reusachtige, -vurige draak naar deze bosschen, die de broeders Wer en Ner zou -verslinden. Maar inplaats dat de draak de roofridders verslond, -begon het geweldige dier van honger heele bosschen achter elkaar te -verslinden, vandaar de vele groote heideplekken in den omtrek. En als -'t ware om den toestand nog erger te maken verscheen een nieuwe roover -en brandstichter in deze streken, genaamd Rador. De broeders Wer en -Ner bemerkten nu het gevaar, waarin zij verkeerden. Zij hadden nu -twee machtige vijanden, Rador en de draak. De draak scheen ten slotte -begrepen te hebben, dat hij hier niet was aangesteld als boomenhakker -en boschontginner, maar om een einde te maken aan de geweldenarijen van -Wer en Ner. Daarom ging de draak op zekeren dag naar de hoeve om de -broeders te dooden. Het geweldige dier, dat boven de boomen uitstak, -naderde met veel geweld en passeerde onderweg de grot, waarin Rador -verblijf hield. Rador kwam naar buiten, om te zien, wat daar toch zulk -een ontzaglijk gedruisch in het bosch veroorzaakte. Maar nauwelijks -kwam hij buiten de grot of de draak sloeg hem met een geweldigen slag -neer en verslond hem met huid en haar. - -"De broeders Wer en Ner hadden al meermalen gehoord van den -ontzettenden draak, die hier in den omtrek verblijf hield. Nu -zij hem echter op de hoeve zagen afkomen, verzamelden zij al hun -krijgsknechten om zich heen en trokken het monster te gemoet. Wer -en Ner gingen aan het hoofd van den troep, maar er was geen vechten -tegen het reusachtige dier. Wer en Ner werden beiden door den draak -doodgeslagen en verslonden. Vreemd genoeg liet het monster de overige -mannen ongedeerd, die in de grootste ontsteltenis en verwarring naar -alle zijden de vlucht namen. - -"Ook de hoeve van de roofridders werd door den draak, die vlammen -braakte, totaal vernietigd en daarna heeft niemand ooit iets meer -gezien, van het dier, dat Wodan op aarde gezonden had. Maar wel -werd het bosch sinds dat oogenblik bewoond door drie geesten, de -boschgeesten. Dat zijn de broeders Wer en Ner en Rador. Elken avond -met de schemering komen zij uit de Grot te voorschijn en zoeken naar -den draak, om zich op hem te wreken. Wie een van die geesten ontmoet, -moet zeer voorzichtig zijn. Hem dreigt gevaar van alle kanten. Ziezoo, -en dit is nu de geschiedenis van de drie boschgeesten." - -Ze vonden 't allemaal mooi en de veldwachter was er heelemaal van -onder den indruk gekomen. - -"Is dat heusch waar?" vroeg hij aan Hans. - -"Beslist waar," zei Hans met een stalen gezicht. Maar de bengel -vertelde er niet bij, dat hij met opzet het laatste deel van de -geschiedenis er maar bij gemaakt had. De andere jongens begrepen dat -wel, want Hans had hen een knipoogje gegeven. - -"Ik heb wel eens hooren vertellen van geesten, die in het bosch -wonen," zei Bunze, "maar van deze heb ik nooit gehoord. Je kunt -anders geheimzinnige geschiedenissen beleven in het bosch. Zoo kan -het bijvoorbeeld 's avonds in de kapel leelijk spoken." - -"Och kom, Bui -- -- Bunze," versprak Flip zich. - -"Er bestaan immers geen spoken!" zei Rob. - -Maar Hans gaf Rob een knipoogje en zei: - -"Wat, bestaan er geen spoken? Je kunt er 's avonds genoeg zien, -nietwaar Bunze?" - -"Nou, nou ... genòeg is wat erg... maar dàt ze bestaan ... is zoo -zeker als dat mijn naam Bunze is!" - -"Willen wij morgen avond de drie boschgeesten eens gaan zien, jongens?" - -"Ja, ja, dat is goed." - -Bunze aarzelde even, hij was wat griezelig van die avonturen, maar -ten laatste zei hij: - -"Wees maar voorzichtig, jongens. Met geesten valt niet te spotten. Ik -zal er bij wezen om jullie te beschermen." - -"Ja, Bunze, doe dat!" zei Hans. "Dan behoeven wij ook niet bang te -zijn. Wij komen morgen avond om acht uur bij de grot." - -"Goed, goed," hernam de dikke veldwachter, "en ik zal er zijn en mijn -karabijn meebrengen. Men kan nooit weten." - -Daarop vertrok Bunze. - -Maar nauwelijks was hij uit de buurt, of de tien jongens rolden met -de beenen omhoog over den grond van het lachen, knepen elkander in -de beenen en trokken aan elkanders haren. - -"Zeg lui, is-die prachtig?" - -"O, die veldwachter Buik, ik lach me een pruik!" zei Flip. - -"Wat toevallig, dat-ie net 't verhaal hooren kon!" - -"Maar wat doen we morgen nou, Hans?" - -"Dat zal ik je vertellen! Luistert allemaal." - -En daarop zette hij zijn kameraden een plannetje uiteen, dat dienen -moest om veldwachter Bunze een poets te bakken. - -Allen keurden het goed en niemand zou er iets van aan de anderen -zeggen. En het mooiste was, dat ze allemaal wat te doen zouden hebben -bij de uitvoering van het plannetje. Hans had dat zoo gewild, het -zou voor allen veel leuker zijn. En wat een pret, om dien veldwachter -Buikje, die altijd zoo voornaam en gewichtig en gewèldig deed alsof hij -de Keizer van de Lage Vuursche was, een toontje lager te hooren zingen! - - - -Den volgenden avond om zeven uur al trok ons tiental, de drie jolige -broers aan het hoofd, er op uit. Hans, Flip en Rob droegen ieder een -pakje onder den arm, de andere jongens hadden de meest vreemdsoortige -en uiteenloopende voorwerpen en muziekinstrumentjes bij zich. Een -torpedo-fluitje en een klappertjes-pistool, een eind ijzeren ketting -en een kinderrateltje, een paar blikken deksels en zelfs had een der -jongens zijn viool meegenomen. - -Om half acht waren de jongens bij de grot. - -Hans gaf ieder der jongens een plaats tusschen struiken en -boomen. Daarop reikte hij het pakje, dat hij onder den arm had, -aan Albert de Hooge over en fluisterde hem nog een paar woorden -toe. Toen ieder zijn plaats had en Albert in de Grot was gegaan, -wandelde Hans wat op en neer en drukte allen nogmaals op het hart, -zeer stil te zijn. Om acht uur werd het al aardig duister in het bosch, -hoewel het op de heide nog vrij licht was. - -Hans wachtte, wachtte, en eindelijk zag hij Bunze aankomen. - -"Goeienavond, Bunze," riep Hans hem reeds op een afstand toe, zoo -dat nu tevens alle samenzweerders wisten, dat de veldwachter er was. - -"Ben je maar alléén?" vroeg Bunze. - -"Ja, er was geen denken aan, dat de anderen méé mochten. Mijn vader -wilde het niet hebben. Maar ik mocht wel eens gaan kijken naar de -drie boschgeesten. Vader heeft mij echter gezegd, dat ik heel erg -voorzichtig moest zijn. Als men maar niet omkijkt en steeds rechtdoor -loopt, kunnen zij geen kwaad doen. Maar wanneer men omkijkt is men -voor goed verloren. Dat zei Vader." - -Hans draaide zijn hoofd naar een anderen kant, terwijl hij dit zeide, -want hij stikte haast van het lachen. - -"Zoo, heeft uw vader dat gezegd," zei Bunze. "Dan zullen wij ook op -onze hoede zijn en niet omkijken." - -"Wàt er ook gebeure!" zei Hans. - -"Ja, wat er ook gebeure!" - -Zij stonden nu voor de grot. - -"Wil ik er eens ingaan?" vroeg Hans. - -"O, doe dat niet, Hans, doe dat niet!" - -"Och, waarom niet. Kijk eens, Bunze, je moet namelijk weten, ik geloof -heelemaal niet aan spoken." - -"Ach Hans, hoe kan je zoo spreken," zei veldwachter Bunze, die door de -raadgevingen van Hans' vader heelemaal van de wijs was gebracht. "Denk -toch eens, wat je vader gezegd heeft." - -"Nu ja, ik zal ook wel voorzichtig zijn," antwoordde Hans en -tegelijkertijd schoot hij de grot in. In een hoek daarvan zat Albert -met een wit laken bij zich. - -"Sssst," fluisterde Hans, "hier is de electrische zaklantaarn, je -weet er alles van." - -En Hans kwam er haastig weer uit. - -"Ik heb hooren zuchten!" zei hij tot den veldwachter. - -Deze keek in de pikdonkere grot, waar opeens een schitterend licht -een witte gedaante bescheen. - -"De geest van Rador!" riep de veldwachter en ging al aan de haal. Bleek -als een stukje kinderzeep vloog hij naar het dorp om daar aan zijn -zuster en allen, die het hooren wilden, te vertellen, dat het bosch -van Drakenstein vanavond weer wemelde van geesten en spoken, brrr... - -De jongens hadden het pistool, de viool en de verdere -spookbenoodigdheden wel thuis kunnen laten. Hoeveel pret zij ook -gehad hadden, zij vergaten, dat wie het laatste lacht, toch altijd -nog het beste lacht, zooals we dat later zullen zien. - - - - - - - - - -VIJFTIENDE HOOFDSTUK. - -BRAM ALS LEERLING OP SPARRENHEIDE. - - -Augustus brak aan met zijn vacantiedagen. Alle leerlingen gingen naar -hunnen ouders en de familie Bergwoude bracht dien tijd te Scheveningen -aan strand en zee door. Op twee September begonnen de lessen weer en -den dag tevoren keerden bijna alle leerlingen weer terug en kwamen -ook enkele nieuwelingen. - -Die niet meer terugkeerden, dat waren de oudsten, die alle klassen -doorloopen hadden en degenen, die op Sparrenheide hersteld waren van -hun vroegeren ziekelijken toestand en nu weer het gewone onderwijs -in de stad konden volgen. - -Dien eersten September was het dan ook een voortdurend af en aanrijden -van rijtuigen met koffers. Sommigen kwamen uit de richting Hilversum, -anderen weer uit de richting Baarn of Utrecht. - -En allen werden door Mijnheer en Mevrouw Bergwoude van harte -verwelkomd. O, instituut Sparrenheide had heelemaal niets van een -gesticht of een kazerne, zooals zoovele kostscholen. Het was er -maar een groote familiekring en daarom waren er ook nooit meer dan -een dertig à vijf en dertig leerlingen. Mijnheer Bergwoude en zijn -vrouw beschouwden zich als vader en moeder van de aan hun zorgen -toevertrouwde jongens en meisjes en daarom werden de meeste maaltijden -ook aan één tafel gebruikt. Door dien maatregel voelden de kinderen -zich op Sparrenheide werkelijk thuis. - -Toen Bram dien dag naar het instituut vertrok, was hij toch wel -eerst een beetje weemoedig gestemd. Hij was tot nog toe altijd bij -zijn ouders in huis geweest, had er zijn eigen kamer gehad en was -er door zijn lieve moeder verwend met al de talrijke lieve dingen, -die een goede moeder voor haar eenigen jongen doet. - -Maar de ontvangst op Sparrenheide door het echtpaar Bergwoude en -de drie jolige broers was zóó hartelijk, dat Bram het eigenlijk -heelemaal niet meer verdrietig vond. Om hem te plezieren was er op -de kamer van Hans, Flip en Rob een vierde ledikant gezet voor hem, -zoodat hij als het ware heelemaal in het gezin werd opgenomen. - -Hij had een grooten koffer met allerlei snuisterijen van zijn kamer -meegebracht, die de bewondering der broers wekten. Zij hielpen hem -bij het uitpakken en daarbij bleek, dat Bram voor ieder een cadeautje -had meegebracht. - -Hans kreeg een prachtig inktstel, Flip een juweel van een verfdoos -en Rob een keurig plantenalbum. - -Zóó deed Bram zijn intocht op de jongenskamer, waar hij zóó door -allerlei dingen in beslag genomen werd, dat hij geen tijd had om -treurig te zijn over de verandering in zijn leven. - -Den volgenden morgen, waarop de lessen weer een aanvang zouden nemen, -was Flip het eerste wakker. - -Hoewel het verplichte uur van opstaan pas om zeven uur was, waren -Hans en Flip meestal een uur te voren al op de been. - -Rob niet. Rob stond geen minuut eerder op dan zeven uur, al gooiden -ze twintig kopjes water op zijn hoofd. - -Maar met Bram was dat een ander geval. - -Flip trok den slapenden makker even aan den neus. - -"Hola, mijn roode broeder Arendsoog!" riep hij. "Het Groote licht staat -al hoog aan den hemel! De Mohikanen wachten u, dapper opperhoofd. Zij -hebben de strijdbijl opgegraven!" - -Bram knorde eens en deed loom de oogen open. - -"Wa ... wat kletsen jullie ... 'k heb zoo'n slaap." - -"De bleekgezichten bestormen de wigwams, zij hebben een verbond -gesloten met de Comanchen," zei Hans. - -"M'n zorg," bromde Bram en draaide zich om. - -"Nee, om den drommel niet, Arendsoog!" zei Flip, "ben je heelemaal -besuikerpeerd, zóó zijn we niet getrouwd! Och Hans en Rob helpen -jullie eens even. We zullen het slaperige opperhoofd even met de -dekens en al op het balcon leggen. - -De drie broers sjouwden Bram met dek en al naar buiten. Maar Bram trok -zich daar bitter weinig van aan en sliep rustig door. Maar toen Hans -en Flip een soort Indiaansche oorlogsdans om hem heen uitvoerden en -hij bij die bewegingen nog al eens in aanraking met hun voeten kwam, -werd het hem toch al te bar. Hij sprong ineens overeind en trok ze -allebei op den grond, rolde langs het heele balcon met hen over den -vloer en maakte een spektakel, dat alle deuren opengingen en de pas -ontwaakte jongens met verbazing keken naar die gekke vertooning! - -Bram was onder die bedrijven geheel wakker geworden. Toen hij zich -gewasschen en gekleed had, ging hij met Hans en Flip eens den tuin -in. Daar liep ook een andere nieuweling, die Gerard Beker heette. - -Flip, de eeuwige clown, had dadelijk weer een nieuwe grap in 't hoofd. - -"Zeg," sprak hij tot Bram, "dat is ook een nieuwe jongen. Hij is -stokdoof. Als je tegen hem praat, mag je wel hard schreeuwen." - -"Zoo," zei Bram, "ik zal er aan denken." - -Tien minuten later--Bram liep met Hans in 't aangrenzende bosch--zag -Flip Gerard Beker op een andere plaats in den tuin. - -"Die nieuwe jongen van daarnet heet Bram Verhallen," zei hij, "als -je tegen hem praat, mag je wel hard schreeuwen, want hij is stokdoof." - -En Flip verdween, maakte een omweg en zorgde, dat Bram weer in de -buurt van Gerard kwam. Daarop ging hij met Hans weg, doch zorgde wel, -in de buurt te blijven. - -Bram keek Gerard eens aan en glimlachte. - -Gerard glimlachte uit beleefdheid terug. - -"Goeienmorgen!!!" schreeuwde Bram, "heb je goed geslapen!!!" - -"Jáááá!!" gilde Gerard terug. "Jij óóóóók??!!" - -Achter een denneboschje knepen Hans en Flip zich de neuzen dicht van -het lachen. - -"Ik heet Verhallen!!" brulde Bram weer, die verbaasd was, dat de -ander zoo schreeuwde. - -"En ik heet Bééééker!!!" loeide Gerard, die 't evenmin snapte, waarom -Bram ook zoo hard riep. - -"Je hoeft niet zoo hard te schreeuwen!!" gilde Bram. - -"Jij ook niet! Ik ben niet dóóf!!!" - -Toen was er aan beide kanten enorme verbazing. - -"Die is goed!" zei Bram op gewonen toon. "Ik dacht, dat je stokdoof -was!" - -"Ben jij het dan niet?" vroeg Gerard. - -"Net zoo min als jij," zei Bram. "Dat heeft Flip ons gelapt! Ik zal -het hem betaald zetten!" - -Daar kwam Bosman, de oude, doove huisknecht. - -"Hebben de jongeheeren al ontbeten?" vroeg hij. - -"Neen," antwoordde Gerard, "waar moeten wij zijn?" - -"Wijn? Neen, u krijgt geen wijn," zei Bosman, die natuurlijk weer -verkeerd had verstaan. - -"Dat zeg ik niet," lachte Gerard, "ik vraag, wáár moeten wij zijn?" - -"Foei, ben ik een zwijn? Mag u dat zeggen?" - -"Die schijnt ook al doof te zijn," sprak Gerard tot Bram. - -Bram lachte. - -"Ja, maar Bosman is het heusch! Kom maar mee, ik weet hier den -weg wel." - -In de eetzaal zag het er gezellig uit. Er waren twee tafels. Eén -voor de meisjes, één voor de jongens. Daar tusschen in de heer en -mevrouw Bergwoude. - -Mijnheer Bergwoude verwelkomde de leerlingen op dezen eersten morgen -van den nieuwen cursus. In het bijzonder de nieuwelingen. Hij hoopte, -dat zij spoedig zich op Sparrenheide zouden thuisvoelen. En het beste -middel daartoe was, om in de eerste plaats zooveel mogelijk te eten -en altijd een prettig gezicht te zetten. De rest kwam vanzelf wel. - -Na het ontbijt nog even rondwandelen en om negen uur begon de school. - -Bram kwam in dezelfde klasse van Hans. Zij kwamen naast elkander -te zitten. - -En dadelijk al bemerkte Bram, dat het leeren hier veel lichter -en gemakkelijker ging dan op zijn vorige school. Het ging wel -heel langzaam, maar hij begreep alles veel beter en dat vond -hij prettig. De les duurde tot 11 uur en toen gingen ze een uur -in het bosch spelen. Van 12-1 was er weer les en daarna werd het -middagmaal gebruikt. Wie er lust in had, mocht ook om 11 uur in het -pauze-uurtje iets gebruiken. Toen het eten was afgeloopen, werd er -tot 3 uur liggend gerust. Bram kreeg een hangmat en bond die aan twee -boomen. Dat rustuurtje vond hij heerlijk en hij sliep, eer hij het -wist. Dat kwam van de boschlucht. - -En na dat slaapje, dat tot 3 uur duurde, kwam er iets aardigs. Bram -werd ingedeeld bij een clubje jongens, die handenarbeid gingen doen, -en wel het leeren timmeren van houten voorwerpen. - -Meester Hooghuizen was in het slöjdwerk zeer bedreven. In de zaal, -waar de jongens timmeren konden, waren tal van aardige dingen -tentoongesteld, die de leerlingen vroeger al hadden gemaakt. - -Dat was iets nieuws voor Bram. Hij vond het zeer prettig en deed zijn -best, alles goed te onthouden. En wat de leerlingen vervaardigden, -mochten zij zelf behouden of het aan hunne ouders sturen. - -Dat timmerwerk duurde ook al weer een uur en daarna ging het groepje -in den tuin werken. - -Wéér iets nieuws voor Bram, thuis had hij altijd met veel genoegen in -den tuin gewandeld of gezeten, maar die werd steeds in orde gehouden -door een vasten tuinman, en Bram had nog nooit een boompje geplant -of een zaadje uitgestrooid. - -Nu hij dat zelf allemaal doen mocht, vond hij het plantenrijk nog -veel aardiger en leerde hij de boomen en de bloemen liefhebben en ze -verzorgen als hulpbehoevende kindertjes. - -Na den tuinarbeid mocht hij wat gaan lezen in een boek, dat mijnheer -Bergwoude hem gaf. En als huiswerk had hij op zijn kamer twee sommen -te maken. Dat was alles. - -Om zeven uur werd het avondeten gebruikt. Vroeger at men het -middagmaal om zes uur, maar met den nieuwen cursus had de directeur -daarin verandering gebracht. Men at om 1 uur en om 7 uur werd de -avondboterham gebruikt. Evenals in de morgenrust konden de leerlingen -ook tusschen 3-5 uur iets gebruiken, als zij daar trek in hadden, -wat bij de meesten dan ook steeds het geval was. - -Om acht uur kwamen ze buiten het huis in den tuin bijeen voor het -gewone verteluurtje. Meester Hooghuizen begon dien avond met een -prachtige vertelling. - -En toen Bram na dien eersten kostschooldag in bed stapte, moest hij -erkennen, dat alles even prettig was geweest. De schoolles zoowel -als de handenarbeid en het tuinwerk, de gezellige maaltijden, en het -heerlijke verteluurtje! En met het heerlijke, rustige gevoel, dat -hij nu eens niet zoo zenuwachtig-hard behoefde te blokken, maar toch -kalm voortleeren kon, sliep hij in met een glimlach van tevredenheid -om den mond. - - - - - - - - - -ZESTIENDE HOOFDSTUK. - -WAT HANS VAN PLAN WAS. - - -Bram ontwaakte den tweeden morgen veel vroeger nog dan Hans en -Flip. Nadat hij zich gewasschen en gekleed had, ging hij een brief -aan zijn ouders schrijven. - -Deze luidde aldus: - - - Instituut Sparrenheide - - 3 September 19.. - - Lieve Vader en Moeder, - - Ofschoon ik pas twee dagen hier ben, kan ik toch niet nalaten - U beiden eens even te vertellen, hoe prettig ik het hier - vind. Iedereen is even aardig en vriendelijk voor mij en de - eerste werkdag is voor mij een plezierdag geweest. Wel is er nog - veel nieuw voor me en ongewoon, maar het zal wel gauw wennen. Ik - ben op dezelfde kamer met Hans, Flip en Rob en terwijl ik dit - schrijf liggen zij alle drie nog te snurken. Ik mis U beiden - wel en telkens verlang ik toch zoo naar U, maar ik kom elken - Zondag naar U toe en zoo zie ik U toch elke week. Je leert hier - zoo van alles en dat is heel prettig. Gisteren heb ik les gehad - in timmeren en ook hebben we tuinarbeid gehad. Op het oogenblik - weet ik niet meer. Nu dag beste vader, dag lieve moeder, ik hoop - U Zondag veel te kunnen vertellen. - - Weest hartelijk gegroet van Uw éénen jongen - - Bram. - - -Toen de brief klaar was, deed Bram hem in een enveloppe en schreef -het adres er op. Daarna ging hij den tuin eens in. Hij hoorde, dat -iemand aan het harken was. Dat zou wel een tuinman zijn en hij besloot, -eens een praatje met hem te maken. - -Het was echter geen man, maar een jongen. - -Bram wist eerst niet, wie zijn oogen daar zagen! - -En toch--het wàs zoo! - -Barend van de Lage Vuursche! - -Nu keek ook deze op. - -De twee jongens zagen elkander een oogenblik aan. Bram had er niet -eens meer aan gedacht, dat hij Barend hier zou ontmoeten. - -"Dag Barend," zei Bram, toen hij wat over zijn eerste verbazing -heen was. - -"Dag ... Bram." - -Ze waren verlegen met elkander. - -"Ben je ... ben je aan 't harken?" vroeg Bram nogal onnoozel. - -"Ja." - -"Bevalt het je hier goed?" - -"O ja ... ik ... ik woon bij moeder Vorstman." - -"Dat heb ik gehoord. Willen we vrienden wezen, Barend?" - -De tuinmansjongen keek Bram eerst ongeloovig aan, toen stak hij beide -handen uit en zei: "Graag!" - -Daarop vertelde Barend, dat mijnheer Bergwoude hem nu les gaf en dat -hij landbouwkundige wou worden. Bram vond hem een flinken vent en -zei, dat-ie maar goed op moest passen. Toen kwamen daar juist Hans -en Flip aan. - -"Je moet bepaald eens op de Vuursche komen," zei Barend tot Hans. "De -veldwachter heeft het al wekenlang over je." - -"Over mij?" vroeg Hans verbaasd. - -Hij wist niet, dat hij iets met Bunze aan den stok had. - -"Ja," vervolgde Barend. "En dan vertelt-ie van boschgeesten bij -Drakenstein en zegt, dat je ze ook gezien en gehoord hebt." - -Nu begon Hans hartelijk te lachen. - -"Die domme Bunze!" riep hij vroolijk uit. "O, o, wat laat die man -zich toch beetnemen!" - -"Is dat niet veldwachter Buikje?" vroeg Bram. "Ik heb hem tenminste -zoo wel eens hooren noemen." - -"Ja," zei Hans, "het is een type." En hij vertelde Bram de avonturen -van Bunze en de boschgeesten. - -"Bunze is buitengewoon bijgeloovig," besloot hij "en vooral oude -legenden en vertellingen kun je hem wijsmaken, zoo gek als je ze zelf -maar verzinnen kunt. Hij is een geweldige dienstdoener. Maar zeg eens, -Barend, wat vertelt Buikje toch van me?" - -"O," zei Barend, "het is om je ziek te lachen. In het bosch zijn drie -geesten, zegt hij, de geesten van drie roofridders, die in de Grot -wonen. Hij heeft ze zelf gezien toen hij met je in het bosch was. En -hij vertelt dat aan iedereen en als je in 't dorp komt, zal hij je -tot getuige nemen." - -"En gelooven de menschen dat?" - -"Niet allemaal. Maar de meesten wel. Ik lach er om. Bunze moet trouwens -heelemaal niets van mij hebben. Hij is mijn vriend niet en ik wou, -dat de burgemeester een ander nam. Hij behandelt mij nog precies -eender als vroeger en spreekt tot iedereen kwaad van me." - -"Ik zou ook wel eens zoo'n grap willen bijwonen," zei Bram. "Maar -zijn jullie niet bang, het is toch een veldwachter?" - -"Och kom," zei Hans, "het is volstrekt geen kwade kerel, al kijkt -hij wat leelijk. Maar ik kan 't nou eenmaal niet laten, om hem af -en toe eens te plagen. En dat kwaadspreken van Barend zullen wij hem -wel eens afleeren." - -"Hoe wou je dat doen?" - -"Dat is mijn geheim. Vanavond zal het gebeuren. Heb je zin om mee te -gaan, Bram?" - -"Asjeblieft, wàt graag!" - -"Goed, afgesproken. Ik zal aan Vader vragen, of we een half uurtje -later mogen thuiskomen. Stil, daar heb je de andere jongens. Niets -zeggen, hoor!" - -Dien middag sprong Hans op de fiets en reed naar het dorp. Hij -wilde Bunze wel eens spreken. Maar de veldwachter was daar niet, -deed waarschijnlijk een rondwandeling door zijn bosschen. - -Daarom nam Hans de fiets bij de hand en kuierde er het bosch mee -in. Het duurde niet lang of hij bemerkte Bunze op eenigen afstand. Hij -sprak hardop tot zichzelf en scheen nogal opgewonden. - -Daar vloog Hans een klein vliegje in den neus en "Hatsjie!!!" niesde -hij opeens. - -Veldwachter Bunze vloog overeind. - -"Alle duivels, wie waagt het ... O Hans, ben jij het! Wat laat je -mij schrikken!" - -"Goeienmiddag, mijnheer Bunze," zei Hans lachend, "ik ..." - -"Hoor eens Hans," zei de veldwachter. "Laat dat, "mijnheer" nu maar -weg. Dat behoef jij niet tegen mij te zeggen." - -"O, erg prettig, dank-je wel," zei Hans. "Maar ik moest je even -spreken, Bunze. Laten wij hier even gaan zitten." - -De veldwachter stelde onbepaald vertrouwen in Hans, die zooveel wist -van oude geschiedenissen van het slot. - -"De geest van Rador is bij mij geweest," zei Hans ernstig. - -Bunze zette groote oogen op. - -"Gisteravond acht uur zat ik in een stil hoekje van den tuin," -fantaseerde Hans, en onder het vertellen kreeg hij een prachtig -idee voor zijn plan, "toen ik opeens een witte gedaante op mij af -zag komen. Ik schrikte eerst wel een beetje, maar toen hoorde ik een -stem: "Wees niet bang, jongmensch, ik ben Rador, de roofridder." Je -begrijpt, Bunze, hoe interessant ik dat vond en ik zeide: "Goed, ik -zal niet bang zijn." "Luister dan," zei de geest. "Ga morgenmiddag naar -veldwachter Bunze van de Lage Vuursche en zeg, dat hij mijn vriend is."" - -"Zei de geest dat?" vroeg Bunze aangenaam gestreeld. - -"Ja, dat zei hij. "Veldwachter Bunze is mijn vriend," sprak hij -verder. "Ik zal hem gelukkig maken, maar hij moet precies doen, wat ik -hem gebieden zal. Ik weet, dat hij graag burgemeester wil worden. Goed, -zeg hem, dat hij dit worden zal, als hij mij gehoorzaamt." Luister, -Bunze. Toen zei de geest van Rador: "zeg aan veldwachter Bui--Bunze, -dat hij vanavond om acht uur moet zijn vóór het huis van de weduwe -Vorstman. Daar mag hij mij roepen."" - -"En--en hoe zal ik hem roepen?" vroeg Bunze, die het begon te gelooven. - -"Ja, dat is juist het moeilijke," zei Hans, "dat is zoo heel -gemakkelijk niet. Kunt gij hard schreeuwen, Bunze?" - -"Dat zal wel gaan, denk ik." - -"Mooi, dan moet ge zoo hard mogelijk roepen: "Geest van ridder Rador, -hier ben ik!" - -Hans bleef nog eenigen tijd met Bunze praten en maakte hem allerlei -onzinnige boschverhalen wijs, die de veldwachter volstrekt niet in -twijfel trok, integendeel, hij vond ze zeer mooi en vertelde aan Hans, -dat hij "spiritus" was. - -"Spiritist zal je bedoelen," zei Hans lachend. - -"Ja juist." - -Kort daarna stapte Hans verder. Hij drukte den veldwachter op het hart, -toch vooral op tijd te zijn en zich stipt aan de order van den geest -van ridder Rador te houden. - -Buiten het bosch stapte Hans op de fiets en reed naar vrouw Vorstman, -die op een bank vóór haar huisje te breien zat. Na de eerste begroeting -vertelde Hans haar, welke grap hij met den veldwachter wilde hebben. - -"Kijk eens hier, vrouw Vorstman," sprak hij, "Barend past tegenwoordig -uitstekend op, nietwaar, hij doet goed zijn best. Maar Bunze beschouwt -hem nog altijd als den wilden ondeugenden boschjongen, die tot niets -goeds in staat is en alleen maar allerlei kattekwaad uithaalt." - -"Daar weet ik van mee te praten," zei vrouw Vorstman. "Bunze komt -zoo af en toe wel eens hier, maar hij heeft nooit een goed woord voor -Barend. Altijd schelden en razen op hem. En hem verwijten, dat zijn -vader in de gevangenis zit. Daar doet Bunze heel leelijk aan." - -"Juist," zei Hans, "en dat willen wij hem nu eens afleeren." - -"Nu moet ge met Barend alvast maar eens aan de menschen gaan zeggen, -wat er vanavond gebeurt. Maar zeg er bij, dat ze vooral stil moeten -zijn en zich moeten houden, alsof ze ook gelooven dat het allemaal -waar is. Ik speel voor den geest van Rador en kruip op uw vliering -voor het raampje, vrouw Vorstman. Ge zult er wat van beleven!" - -"Och och," lachte vrouw Vorstman, "hoe is het toch mogelijk, dat zoo'n -groote kerel zich zóó laat beetnemen. En gelooft hij dat nu allemaal?" - -"Of hij het gelooft?" riep Hans uit. "Zeg hem maar niet, dat het maar -onzin is, want hij vindt het zelf veel te mooi om het niet als wáár -en echt aan te nemen. Maar denk er om, vrouw Vorstman, dat ge zelf -óók doet, of het zoo is. Ge moet voor vanavond ook maar eens aan de -boschgeesten gelooven." - -"Ik zal mijn best doen," zei het vrouwtje. "Ik ben toch benieuwd, -hoe dit afloopt, jongeheer Hans. Pas maar op, dat Bunze jullie toch -niet te slim af is." - -"O, dat zullen we wel zien." - -Daarop nam Hans afscheid van vrouw Vorstman en peddelde naar -Sparrenheide terug, om er Bram verder met zijn plannen op de hoogte -te stellen. - - - - - - - - - -ZEVENTIENDE HOOFDSTUK. - -HANS GRAAFT EEN KUIL VOOR BUNZE, DOCH VALT ER ZELF IN. - - -Dien avond gingen vijf jongens van Sparrenheide naar het dorp. Het -waren Hans, Flip, Rob, Bram en Barend. - -Hans installeerde zich op de vliering bij het dakraampje, dat aan -den voorkant van het huis was. Hij scharrelde daar wat ouden rommel -op, onder andere een stuk kachelpijp, wat losse turven en wat oude -aardappelen en legde dat alles bij elkaar onder het raampje. Hij -plaatste zich nu zóó, dat hij goed kon zien, wat er buiten voorviel, -maar dat van buiten af niemand hem zien kon. Daarna gaf hij Bram, -die met Flip en Rob in de buurt bleef en ook het zijne er toe moest -bijdragen om de grap zoo goed mogelijk te doen slagen, nog eenige -aanwijzingen. De buren, die wel zoo iets gehoord hadden van wat er -gebeuren zou, zaten voor de deuren hunner woningen en lachten al -bij voorbaat. - -Het werd acht uur, vijf, ... tien minuten over achten, maar wie ten -tooneele verscheen, de veldwachter niet. - -Zou hij niet komen? - -Kwart over acht ... de menschen werden ongeduldig en de jongens -dachten reeds, dat Bunze inmiddels wijzer geworden was ... daar kwam -de veldwachter eindelijk aan! - -Ieder hield zich van den domme en deed, of er niets bijzonders op -til was. - - - -Toen veldwachter Bunze op het punt stond, zijn woning te verlaten, -passeerde daar juist meester Hooghuizen. - -Meester Hooghuizen was dien avond na het eten het bosch in -gewandeld. Hij hield veel van de bosschen en bracht er zijn -meeste vrije uren door om er te wandelen of te lezen. Soms ging -hij in gezelschap van een paar jongens. Dan luisterde hij naar hun -gesprekken en deed vaak met hen de dolste spelletjes. De jongens -hielden dan ook veel van hem, hij was meer hun groote vertrouwde -vriend dan hun meester. Dat wil nu ook weer volstrekt niet zeggen, -dat zij daarom maar alles met hem konden doen, wat zij wilden. Wel -hield meester Hooghuizen van een grapje, maar het mocht niet te -ver gaan. De jongens kwamen bij hem met al hun groote en kleine -geheimpjes en verdrietjes, en hij wist hen altijd troost te brengen -of hun zaken in orde te maken. En dezen avond zou hem die vriendschap -voor de jongens uitstekend van pas komen. De heer Hooghuizen liep even -het huisje van den veldwachter binnen en keek niet weinig verbaasd, -toen hij Bunze in groot tenue gereed zag om uit te gaan. - -"Wat nu, Bunze, feest vanavond?" - -"Neen meester, ik ga naar ... ik zal maar zeggen naar ridder Rador." - -De zuster van Bunze, een bejaarde, maar zeer verstandige vrouw, -begon te lachen. - -Meester Hooghuizen was een en al verbazing. - -"Ridder Rador?" vroeg hij. "Waar woont-die?" - -Bunze's zuster tikte op haar voorhoofd. - -"Rador behoort bij de boschgeesten," zei Bunze, "weet u dat dan niet?" - -"Hoor eens Bunze," zei de onderwijzer, "ik ben een eekhoorn als -ik er wat van begrijp. Wie is ridder Rador? En wat praat je toch -van geesten?" - -"U hebt toch wel eens gehoord van de drie geesten uit het bosch van -Drakenstein?" - -"Neen, nooit. Zijn die daar misschien pas losgelaten?" - -"Losgelaten? Het zijn geen wilde beesten!" zei Bunze. - -Meester Hooghuizen lachte, zoowel om den veldwachter als om diens -zuster, want die wees weer met den vinger op haar voorhoofd en zei: - -"Waarachtig waar, meneer Hooghuizen, als je niet beter wist, zou je -zeggen, dat mijn broer niet wijs was. Zeg ù nou eens, meneer, is dat -nou geen onzin met die geesten in 't bosch? Eerst hebben we dat grappie -'n week of wat geleden gehad. Toen had-ie de boschgeesten gezien!" - -"Ach jij," mopperde Bunze, die het niet velen kon, dat zijn zuster -hem nog als een stoute jongen beknorde. - -Meester Hooghuizen verkneuterde zich in 't geval en had pret voor zes. - -"Nou afijn," vervolgde juffrouw Bunze, "stel u nou voor, meneer, -dat-ie vanavond z'n Zondagsche uniform aangedaan heeft en z'n witte -handschoenen! Ik zeg, waar moet dat heen? Naar de boschgeesten, -zeit-ie, want die zullen vanavond verschijnen." - -"Maar wat moet er dan toch gebeuren?" - -"Laat mij nu verder vertellen, Mie," zei Bunze, "want daar weet jij -niks van. Nou dan, meneer, Hans had me gezegd, dat de geest van Ridder -Rador me moest spreken." - -Meester Hooghuizen nam gauw zijn zakdoek en begon zijn neus te snuiten, -maar in werkelijkheid wist hij geen raad van het lachen. Hij begreep -direct, dat Hans hier weer aardig aan den gang was geweest. - -En daarop verhaalde Bunze, wat er voor het huisje van vrouw Vorstman -moest gebeuren. - -"Nou, daar heit u nou 't heele paskwil," lachte zus Mie, "is dat nou -niet treurig, meneer, dat die man dat nou allemaal gelooft? Die Hans -heit je te pakken gehad, broer. En leelijk ook." - -De meester vond het een onbetaalbare grap, doch vond tevens, dat het -nu genoeg was en hij er maar eens een einde aan moest maken. - -"Hoor eens, Bunze," sprak hij, "die Hans is een geduchte grappenmaker." - -"Maar ..." - -"Heb je vroeger wel eens boschgeesten gezien?" - -"Neen .... gezien niet, maar daarom bestonden zij toch wel!" - -"Heelemaal niet. En hoe heb je ze 't eerste gezien? Wie heeft je -verteld, dat ze te zien waren?" - -"Wel, Hans. Die zat aan een groepje jongens een verhaal te vertellen -van de broeders Wer en Ner en den roofridder Rador die door een draak -verslonden werd." - -"Onzin. De broeders Wer en Ner zullen wel bestaan hebben, vandaar dat -je hier nog de Wernershoeve hebt. Maar dat van dien draak en ridder -Rador zal wel jongensverzinsel zijn. Trouwens, ik heb indertijd van -die grap gehoord, maar ik dacht niet, Bunze, dat je zóó vreeselijk -bijgeloovig zoudt zijn, om al die dwaasheid te gelooven!" - -De veldwachter zag zijn geloof in de boschgeesten als een ruïne -in puin vallen en zijn verbazing daarover maakte al spoedig plaats -voor woede. Wat, die kwajongens durfden hem zóó belachelijk maken, -zóó bespotten? Neen maar, hij zou ze dat eens afleeren! - -"Luister nu eens, Bunze," vervolgde de onderwijzer "nu gaan we samen -naar 't huisje van vrouw Vorstman. Jij doet alsof je nog alles gelooft -en ik volg op een afstand." - -En toen fluisterde meester Hooghuizen den veldwachter nog iets in -het oor, waarop de laatste grinnikte en in de handen wreef. - - - -De nieuwsgierige dorpsbewoners zeiden niets, toen de veldwachter -naderde. Deze deed, alsof hij de buren en de jongens niet zag, wendde -zijn gezicht naar het zoldervenster en riep: - -"Geest van Ridder Rador! Hier ben ik! Spreek tot mij!" - -Geen antwoord. - -De buren vermaakten zich al kostelijk. - -"Roep nog eens," zei Bram, die naast den veldwachter was gaan staan. - -"Geest van ridder Rador! Spreek tot mij!" herhaalde Bunze. - -Toen klonk daar opeens een holle stem vanuit de hoogte: - -"Zijt gij daar, veldwachter Bunze?" - -"Ja, hier ben ik!" - -"Waarom zwaait gij niet met de pet? Zwaai!" - -Bunze gehoorzaamde, maar al zwaaiende gaf hij Bram zulk een geweldigen -oorvijg, dat de jongen verschrikt achteruit vloog. - -Nu gierden de buren het uit, en Bunze zelf had wel de meeste pret. - -De veldwachter zei nu op zachten toon tot de omstanders, dat hij den -geest eens te voorschijn zou halen en daarop holde hij tot groote -verbazing der omstanders het huisje in en de trap op. - -Hans, die bij 't zolderraam, gewapend met een oude kachelpijp, een -raagbol en een wit laken voor geest speelde, begreep niet, wie daar -zoo haastig naar boven kwam. - -Een oogenblik later voelde hij zich bij den kraag gevat en met -krachtigen hand meegevoerd. - -"Hou op, laat los!" riep hij. "Wie ben je?" - -"Ik ben de geest van ridder Rador!" bromde Bunze met veranderde -stem. "Ik zal je leeren mij te bespotten!" Onwillekeurig huiverde -Hans, ofschoon hij zelf niet aan spoken geloofde. - -Van schrik kon hij niet meer spreken. Maar beneden ontdekte hij, -wie op zijn beurt voor geestenridder speelde. - -Toen Bunze met Hans naar buiten kwam, en hem daar "van dik hout zaagt -men planken" gaf, ging er een luid spotgelach op. Maar dat was niet -om den veldwachter, maar om 't verschrikte, bleeke gezicht van Hans. - -En wie het luidst lachte, dat was meester Hooghuizen. - - - -De grap was mislukt en dat was maar goed ook, want Hans had vergeten, -dat Bunze toch in elk geval de veldwachter was en ook.... dat men -zorgen moet, bij 't graven van een kuil voor een ander, er zelf niet -in te vallen! - - - - - - - - - -ACHTTIENDE HOOFDSTUK. - -VAN SCHOONE BLOUSES, EEN TAKKEBOS EN EEN VERDWAALD MEISJE. - - -Het onderwijs op Instituut Sparrenheide ging intusschen weer z'n -dagelijkschen gang en vooral de nieuwe leerlingen ondervonden er -den weldadigen invloed van. Zoolang Bram bijvoorbeeld hier was, -had hij nog geen hoofdpijn gehad. Het werk, dat hij te doen kreeg, -was heelemaal berekend naar zijn krachten en daarom behoefde hij er -zijn hoofd niet mee te breken. Vooral ook in den handen- en huisarbeid -had hij veel lust en zoo leidde hij hier een geheel nieuw leven. Hans, -Flip en Rob waren zijn beste vrienden en hij leefde geheel en al met -hen mee. Bram had al wat gelachen om de grappen van Hans en Flip, -en om het eigenaardige karakter van Rob. - -Die Rob, wat was hij slordig! Zijn moeder zorgde, dat hij iederen dag -een schoone blouse kon aantrekken en dat was wel noodig ook, want -omdat Rob altijd naar kevers, vlinders en planten zocht en daarbij -in het geheel zijn kleeren niet ontzag, was hij dan ook elken avond -ontoonbaar. - -Op zekeren dag was hij juist met een schoone, gestreepte blouse naar -buiten gegaan. - -Het had heel den nacht geregend en de grond was overal nog nat. - -De bladeren begonnen hier en daar al te vallen, teeken van den -naderenden herfst. - -In een der boomen ontdekte Rob toevallig een geweldig groot web. - -Het was gespannen tusschen twee verwijderde takken. - -Waar zoo'n reuzenweb is, dacht Rob, is ook een reuzenspin. En dié -moet ik hebben voor mijn verzameling. - -Maar de takken waren nog vrij hoog, zoodat Rob klimmen moest. Zonder -zich te bedenken omklemde hij den natten stam van den boom en klom -naar boven. - -Langzaam naderde hij het reuzenweb. - -Toen hij er was, haalde hij een glazen vangbuisje uit den zak en -hield dat in de eene hand. - -Hij wachtte even en keek naar de bladeren. - -Daar liep een langpoot-mug over een bladsteel. Rob pakte het insect -en zette het in het web, waar het wild aan de draden rukte, die -het vasthielden. - -Als een havik op zijn prooi schoot een geweldige grijze spin uit haar -schuilhoek te voorschijn. Maar op zijn beurt was Rob op zijn post, -met een pijlsnelle beweging schepte hij als 't ware de spin uit haar -web in de glazen vangbuis op, waar zij niet ontsnappen kon. - -Daarop liet Rob zich weer langs den stam naar beneden glijden en -spoedde zich naar huis. - -"Maar jongen!" riep mevrouw Bergwoude verschrikt uit, toen zij Rob -van uit de tuinkamer zag. - -"Wel moeder, wat is er dan?" - -"Wat er is, vraagt hij! Kind, kijk je er eens uitzien! Het is meer -dan schande!" - -Nu pas kwam Rob tot de ontdekking, hoe hij op jacht naar de reuzenspin -zijn blouse had toegetakeld! Die was van den boomstam totaal groen -geworden! - -Och och, wat was Moeder boos. Want toevallig moesten Rob's overige -blouses dien dag gewasschen worden. Ja, er was er nog wel een, -maar die was eigenlijk voor den Zondag! Het was een splinternieuwe, -spierwitte matrozenkiel. Ten einde raad liet zijn moeder hem dien -in vredesnaam maar aandoen, en Rob beloofde, dat hij er dien dag -vrééselijk voorzichtig mee zou zijn. - -Na het ontbijt ging Rob, piekfijn in het wit, den weg eens op en -neer. Hij floot een deuntje en keek naar een roodborstje, dat tusschen -de struiken hipte. De zon brak door een grauwe nevel heen en zette -den omtrek weer in goudschijn. - -Daar kwam een stokoud moedertje aan. Rob kende haar wel, zij woonde in -een klein hutje, even buiten het bosch. Het was een oude stakker. Ze -sjouwde een grooten takkebos op haar gekromden rug en hijgde van -inspanning. - -Rob had een medelijdend hart. Hij had deernis met het oude, ploeterende -tobbertje en sprak haar aan. "Dag moedertje. Een heele vracht hè?" - -"Ja jongeheer. Een heele vracht. Vooral wanneer je tachtig jaar bent." - -"Tachtig jaar? Asjeblieft. Ik ben twaalf." - -"Twaalf is jong. U ziet er goed uit." - -"Ja," zei Rob. "En ik ben erg sterk. Ik kan dien takkebos veel gauwer -naar je huis dragen." - -"Och.... doet U dat maar niet, jongeheer." - -"Waarom, niet? 't Is voor een kip, hoor. Kijk, zóó op mijn rug. Eén -... twee ... hoepla! Vooruit met de geit, moedertje!" - -Nu kon het oudje ook vlugger vooruitkomen en het duurde niet lang, -of het huisje was bereikt. - -"Nou, u wordt wel bedankt, hoor." - -"Geen dank," zei Rob, "'t is de moeite niet waard." - -"Maar nou wil ik toch, dat u een kopje koffie met mij drinkt." - -Rob, gemoedelijk als altijd, zei: - -"Nou, dat wil ik wel doen." - -Hij ging zitten en 't vrouwtje, dat de koffie al lang had opstaan, -schonk er hem een groote kom van vol, zonder suiker en met 'n -scheutje melk. - -Rob nam de kom, die niet zoo bijzonder warm was, in de handen en -proefde de koffie. - -Groote genadigheid, was dat koffie? Loop rond, slootwater was -het. Moest hij dàt uitdrinken? Neen hoor, voor geen geld. - -Opeens liet hij de kom tusschen zijn knieën door op den grond vallen -en schreeuwde: - -"Au! Wat is die koffie heet!" - -De kom viel in stukken op het leemen vloertje en verschrikt liet Rob -erop volgen: - -"O... wat een ongeluk! Neemt u mij niet kwalijk, hoor. Ik hoef geen -koffie te hebben! Ik zal u den kom wel betalen." En hij legde vijf -centen op de tafel neer. - -"Maar jongeheer, dat is niet noodig!" zei het oudje. "Daar koop ik -twee kommen voor!" - -"Goed, koop er dan twee," zei Rob, "maar nu moet ik heusch terug." - -En hij wendde zich naar de deur. - -Maar opeens liet het vrouwtje een verschrikten kreet hooren! - -"O jongeheer! Uw witte kiel! Heelemaal zwart op uw rug!" - -O jee, dacht Rob, dat komt van den takkebos! Daar had ik heelemaal -niet aan gedacht! - -"Och, och wat zal uw Moeder boos zijn!" - -Dat kan net uitkomen, dacht Rob. Enfin, wie wat verdient moet wat -hebben. - -Hij nam afscheid van het oude vrouwtje en werd door zijn moeder met -de grootste verbazing, maar ook met wanhoop ontvangen. - -"Rob, wat ben je toch schandelijk slordig! Dat is nu binnen een uur -je tweede schoone kiel! Kind, waar zitten je hersens? Denk je, dat -ik hier een kleerenmagazijn voor jou apart er op nahoud? Nu trek je -je oudste pak aan en dan direct uit school op je kamer blijven." - -Zoo geschiedde. - -Om twaalf uur bleef Rob op zijn kamer. - -De anderen vonden dit vreemd, want dat deed Rob nooit. En voor Rob -zou het heel eenvoudig geweest zijn, om dadelijk aan zijn moeder te -zeggen, dat hij het heusch niet helpen kon, want dat hij juist zoo'n -erg-goede daad had gedaan. Neen, Rob vond het veel te kinderachtig -om zich dáármee te verdedigen. Tweemaal met een vuil pak thuiskomen -en dan nog den braven Hendrik bij moeder uithangen, dat deed hij -niet! Daarvoor was hij veel te trotsch. - -Hij verzweeg dus het geval met den takkebos en bleef stil op de kamer. - -Maar Hans en Flip wilden er meer van weten. - -"Biecht nou maar op, broer," zei Hans. "Waarom zit je hier met je -ouwe pak aan. Is er wat gebeurd?" - -"Och, welnee." - -"Kom Robbekop," zei Flip. "Wees nou niet zoo stug. Pak slaag gehad?" - -"Nee." - -Maar Hans wist hem aan 't praten te krijgen. Rob vertelde op een -beetje onverschilligen toon, wat er gebeurd was. - -"Nou, 'k had dan al een kiel vuilgemaakt aan dien boom. Toen moest -'k voor moeder m'n nieuwe witte aantrekken. Ik loop daarmee op den -boschweg en daar komt dat ouwe vrouwtje uit de boschhut aanstappen. Ze -had een takkebos op d'r hoofd zoo groot als de Naald van Waterloo -en ze liep gewoonweg dubbelgevouwen, hè? Nou, wat doe je? Ik zeg: -goeiemorgen, grootmoeder, wil jij je wel 's schamen om zoo'n takkebos -op je rug naar huis te dragen? Dat zal ik wel voor je doen. Enfin, -ik neem de heele kattebak op m'n nek en... adjuus, schoone kiel." - -"Maar domoor, dacht je daar dan niet aan?" - -"Nee, ik dacht alleen maar aan die arme, ouwe stakker. Nou moet je -hooren. Toen we d'r waren, wou ze mij met alle geweld 'n kopje koffie -schenken. Ik denk: nou, voor de gezelligheid dan. Maar daar schenkt -me dat mensch een kom baggersloot-limonade in, die ik niet lustte, -hoor. Maar hoe kom ik eraf? Ik laat ineens de kom uit mijn vingers -vallen en roep: "Au, verdikkie, is me die koffie heet!" Voor vijf -centen was ik van de koffie af. Nou, blij toe. Maar dat weet moeder -allemaal niet. Denk je nou, dat ik aan moeder vertellen ga, dat ik -die zwarte kiel gekregen heb, omdat ik voor dat oude mensch een bosje -takken gesjouwd heb? Kan je net denken!" - - - -Flip lachtte zich onderste boven bij 't vertellen van Rob. - -En een oogenblik later wist moeder 't wèl. Daar had Hans voor gezorgd. - -En moeder, blij dat er ditmaal een goede reden was voor Rob's -verregaande slordigheid, gaf hem nog een kus op den koop toe en -ontsloeg hem van zijn kamerarrest. - - - -Een paar dagen later, het was ongeveer half September geworden, -verzamelde de heer Bergwoude zijn leerlingen des avonds in de eetzaal -om hen een nieuwtje mede te deelen. Allen waren tegenwoordig en -wachtten op juffrouw Wieler, die met drie meisjes aan 't wandelen -was en ieder oogenblik kon terugkeeren. Wachten duurt altijd lang en -daarom besloot de heer Bergwoude, alvast maar te beginnen. - -"Jongelui," begon hij, "ik heb jullie vanavond hier bijeen geroepen, -om je een prettige tijding mede te deelen. Zooals de meesten van jullie -wel weten, bestaat Instituut Sparrenheide den eersten October a.s. vijf -jaar. Wij hebben besloten, dien dag feestelijk te vieren. Daar hebben -jullie zeker niets op tegen?" - -"Neen mijnheer!" klonk het lachend. - -"Dus niemand heeft daar bezwaar tegen, dat is prettig. En nu ...." - -Plotseling werd de deur geopend en kwam juffrouw Wieler, de -onderwijzeres, met ontsteld gezicht binnen. - -"Mijnheer," zei ze gejaagd, "wij kunnen nergens meer Mina Drijvers -vinden. Ze is bepaald in het bosch verdwaald." - -Mijnheer Bergwoude schrikte van die onverwachte tijding. - -"In het bosch verdwaald?" vroeg hij. "Hoe is het mogelijk! Was u dan -niet bij haar?" - -"Jawel, ik was met de drie meisjes. Wij speelden verstoppertje en -toen Mina Drijvers zoeken moest, hebben wij haar niet weergezien," - -Mijnheer Bergwoude stelde de verdere bespreking der feestplannen -dadelijk uit en commandeerde de grootste jongens op voor een -onderzoekingstocht door het bosch. Hijzelf zou medegaan en meester -Hooghuizen ook. Mevrouw Bergwoude en juffrouw Wieler zouden bij de -andere kinderen blijven. - - - -Meester Hooghuizen trok het bosch in met Hans, Bram en nog twee -andere jongens, mijnheer Bergwoude met Flip, Jacob Heintze en drie -anderen. In twee verschillende richtingen, doch beide naar den kant -van kasteel Drakenstein, zou het bosch doorzocht worden. Allen droegen -een brandende lampion aan een stok, wat een zeer fantastisch gezicht -opleverde. Het werd al donker en een beetje verlichting der paden -was wel noodig. - -Hans liep met meester Hooghuizen voorop. Hun lichtende lampions -beschenen het pad en den onderkant der boomstammen met een rossen -gloed. - -Het begon wat te waaien, hoewel men daarvan in het dichte bosch weinig -last had, alleen de toppen der boomen begonnen luider te ruischen en -bogen door den wind. - -"'t Zal me niets verwonderen, als er een onweer komt opzetten," -zei Hans. - -"Daar zou je wel eens gelijk aan kunnen hebben, Hans," zei meester -Hooghuizen. "Het is vandaag aardig broeierig geweest en de lucht -begon vanmiddag al te werken." - -En die twee hadden het zoo ver niet mis. - -De wind nam toe en zwarte kopwolken kwamen aanzetten. Het werd steeds -donkerder en donkerder in het bosch en wanneer de doorzoekers geen -lampions bij zich gehad hadden, zouden zij evenmin den weg geweten -hebben als het verdwaalde meisje. - -Mina Drijvers was een allerliefst meisje van twaalf jaar. Zij was een -nieuwelinge, uit Amsterdam afkomstig en ze wist in het geheel den -weg niet in de bosschen. Toen zij met juffrouw Wieler en de andere -meisjes een spelletje in het bosch deed en de anderen zoeken moest, -had zij niemand gevonden. - -Er waren dan ook prachtige schuilplaatsen. Mina vond het eerst wel -aardig, dat zij zoo zoeken moest. Maar zij dwaalde al verder en verder -en zag nog geen tipje van een jurk der anderen. - -Een poosje later hoorde zij de juffrouw roepen en ook de twee andere -meisjes. Zij was op het geluid afgegaan, doch scheen zich vergist -te hebben. Eindelijk kwam ze op een plek, waar een houten stellage -getimmerd was. Zij klom op het trapje en riep: - -"Juffrouw! Hier." - -Tot haar groote verbazing klonk het van verre zeer duidelijk: -"Juffrouw, hier!" - -Dat was de echo! Mina vond het mooi en herhaalde haar geroep nog een -paar keeren. Maar intusschen werd ze toch ongerust, want nu hoorde zij -heelemaal niets meer. Zij dwaalde van het eene punt in het bosch naar -het andere, kwam nu eens uit bij het kasteel, dan weer bij de grot, -de kapel en ten slotte werd het door het naderende onweer zóó donker, -dat zij de boomen niet meer kon onderscheiden en snikkende op den -grond neerviel. - - - -Een wit-blauwe bliksemstraal vloog over 't bosch ... een hevige slag -daverde er bijna onmiddellijk op .... - -De wind joeg de bladeren van de boomen, zwiepte de takken der hoogste -boomen als riethalmpjes heen en weer. - -"Hierheen, jongens! Bij elkaar blijven!" riep meester Hooghuizen. "Af -en toe nog maar eens roepen." - -Hans zocht even een zijpaadje af, terwijl de anderen wachtten. - -"Mina!" riep hij, "Mina Drijvers!" - -Een felle lichtstraal schoot sissend over 't bosch, ratelend viel -de slag ... dat was 't eenige antwoord op het roepen. Een geweldige -plasregen barstte los. - -"Hans! Hans!" riep meester Hooghuizen, "kom hier." - -Hans keerde haastig terug. - -De lampions regenden uit, nu stonden ze in het stikdonkere bosch, -midden in een geweldige donderbui. - -Mijnheer Bergwoude keerde zoo snel mogelijk naar Sparrenheide terug, -er waren nu toch vijf menschen aan het zoeken naar het verloren -meisje en hij vond het beter om naar de overige kinderen te gaan, -die aan de hoede van mevrouw en juffrouw Wieler waren toevertrouwd. - -Intusschen zocht het troepje van meester Hooghuizen dapper voort. Wel -was het gevaar groot, wel hadden zij licht een schuilplaats kunnen -zoeken in de Grot, maar de gedachte aan het arme meisje, dat toch -ook in dit ontzettende weer hier of daar door het bosch dwaalde, -deed hen regen en onweer trotseeren. - -Heviger ratelden de donderslagen, vlogen de bliksemstralen door -'t zware, zwarte zwerk, schril verlichtend het duistere boschpad. - -De jongens liepen nu dicht bijeen, ze hielden elkaar bij de hand, -want in dit noodweer konden ze elkander spoedig kwijtraken. Ze waren -doornat, maar daar gaven zij nu weinig om, zij dachten alleen maar -aan het doel van hun tocht. - -Zij kwamen nu bij 't kasteel en sloegen weer een anderen weg in, -opnieuw door 't inktzwarte bosch. - -En weer vloog een schitterende bliksem boven de boomen ... barstte -de slag als een kanonnade los .... toen Hans opeens een schreeuw gaf. - -Bij 't felle bliksemlicht had hij iets wits gezien onder een boom. Hij -schoot er snel op toe en .... - -"Hier ligt ze!" riep hij zegevierend. - -Dadelijk snelden de anderen toe. - -Meester Hooghuizen nam het meisje op en droeg haar naar het eerste het -beste huisje, dat van veldwachter Bunze. - -Deze en zijn zuster waren niet weinig verbaasd over het vreemde, -onverwachte gezelschap, dat eensklaps voor hun woning stond. Maar de -goede vrouw was dadelijk tot helpen bereid, ze legde Mina Drijvers in -haar eigen bed en zeide, dat het met het meisje best zou losloopen. Ze -moest echter dien nacht maar bij haar blijven, wat meester Hooghuizen -uitstekend vond. Veldwachter Bunze bewonderde den moed der knapen, -die in dit verschrikkelijke weer niet geaarzeld hadden, het verloren -meisje op te sporen. - -En de dikbuik trok Hans aan een oor en zei: - -"Als je niet zoo'n moedige, flinke jongen was, zou ik een heel ander -woordje met je spreken, kameraad. Intusschen hebben wij nog een -appeltje met elkaar te schillen, maar dat zal ik nu maar voor een -anderen keer bewaren. Je hebt nu vanavond al genoeg doorstaan!" - - - -Gelukkig dreef het onweer langzamerhand af. Meester Hooghuizen en -zijn jongens konden nu de geruststellende tijding op Sparrenheide -brengen, dat het verdwaalde meisje gevonden en in goede handen was. En -daar verheugden allen zich over, want men had den grootsten angst -uitgestaan, zoowel om Mina als om haar redders. - - - - - - - - - -NEGENTIENDE HOOFDSTUK. - -FEESTELIJKE PLANNEN EN ANGSTIGE UREN. - - -Den volgenden dag was Mina weer terug en spoedig geheel en al -van den schrik hersteld. Alles was nu weer in orde en daarom kon -mijnheer Bergwoude gerust opnieuw met zijn prettige plannen omtrent de -feestelijke viering van het 5-jarig bestaan van Sparrenheide voor den -dag komen. Hij wachtte daar dan ook niet lang mede en deelde aan allen -mede, dat den heelen dag van den 1en October zou gefuifd worden. Er -moesten muzikanten komen, er zou een uitvoering worden gegeven, waar -ieder wat mocht ten beste geven, er zou een goochelaar komen en verder -zouden er vanzelf wel allerlei plannetjes onder leiding van meester -Hooghuizen en juffrouw Wieler tot stand komen. Intusschen moest -het onderwijs zijn gewonen gang gaan en mocht er alleen na drie uur -'s middags aan de voorbereidingen van het feest gewerkt worden. - -Mijnheer Bergwoude had gezegd, dat ook de oudleerlingen en vorige -onderwijzers van Sparrenheide uitgenoodigd zouden worden, zoodat er -allicht een 100-tal feestvierenden tezamen zouden zijn. - -En nu werd er eventjes met liefhebberij gewerkt aan de -feest-voorbereidingen. Ieder deed het zijne. Meester Hooghuizen had -de leiding van het geheel. Hij liet de jongens van latten een groote -eerepoort timmeren aan den hoofdingang, de meisjes moesten slingers -maken van dennegroen en linten. Juffrouw Wieler studeerde met een paar -meisjes Speelliedjes van Dalcroze in, terwijl anderen weer aardige -voordrachten leerden. Er zouden verschillende wedstrijden gehouden -worden en een vlaggenoptocht door het bosch en het dorp kwam ook al op -het programma. Het was ook niet te verwonderen, dat Hans, Flip en Rob, -de drie jolige broers, in de allereerste plaats zich weerden, om het -feest zoo goed mogelijk te doen slagen! Flip, de grappenmaker, zette -zelf een koddig vers in elkaar, dat van onzin aan elkaar hing. Maar -er werd toch flink den lof van Sparrenheide in gezongen en dat was -de hoofdzaak. Flip had er urenlang op zitten broeden en er wel vijf -penhouders op stuk gebeten, maar eindelijk had hij toch ongeveer het -volgende vers uit die houtjes gekauwd: - - - Dames en heeren, het is van daag feest, - Zooals er nog nooit op Sparrenhei is geweest! - Het heeft vandaag al vijf jaren bestaan, - En het gaat nog in lang niet naar de maan, - Als de zon schijnt is het hier mooi weer, - Dikwijls gaan we wandelen met mijnheer, - We hebben hier geen last van ratten of muizen, - Hier zit juffrouw Wieler en dáár meester Hooghuizen. - Sparrenhei is de allerbeste school. - Je eet er havermout, grutten en roodekool, - Dus roept mij nu allen na: - Lang leve Sparrenhei! Hiep hiep hoera! - - -Hans maakte zich op een ander gebied verdienstelijk. - -Hij kocht in Utrecht vuurwerk en verborg dat op een plaats, die alleen -aan hem bekend was. En Rob deed hard mee aan àlles waarvoor zijn hulp -gevraagd werd. - -Zoo werkte een ieder aan het welslagen van den grooten feestdag, -toen er opeens iets gebeurde, dat aller aandacht voor een poos van -den 1en Octoberdag afleidde, ja, dat zelfs een groot deel van de -aanstaande feestvreugde dreigde te verstoren! - - - -Barend, die zich zoo uitstekend gedroeg, sinds mijnheer Bergwoude -hem onder zijn bescherming genomen had, woonde nu bij moeder Vorstman -in. De jongen verdiende als tuinman op Sparrenheide vier gulden per -week, die hij aan zijn nieuwe moeder gaf. De arme vrouw, die alleen -leefde van hetgeen haar eigen zoon, die in Amsterdam werkte, haar zond -en van hetgeen haar moestuintje opleverde, was met de komst van Barend -in haar hutje er veel beter aan toe. Want Barend deed veel werk voor -haar, dat haar niet meer zoo gemakkelijk afging als vroeger. Daarbij -at de jongen altijd in de keuken op Sparrenheide en kreeg vaak genoeg -een pak kleeren, zoodat hij haar al heel weinig kostte. - -Het arme, tevreden vrouwtje had met dit eenvoudige, sobere leven nog -een rustigen, onbezorgden, ouden dag, vooral waar Barend haar beloofd -had, steeds voor haar te zullen zorgen. - -Des morgens was Barend al vroeg op en zette koffie en brood voor -haar en zichzelf gereed. Dan ruimde hij het kamertje op en ging het -moestuintje nazien. Vervolgens begaf hij zich naar Sparrenheide en -bleef daar tot den avond. Dan hielp hij zijn "moeder" weer en las -haar voor. - -Het oude huisje, waarin strooper Ranke met zijn zoon had geleefd, -stond thans ledig. Er was nog geen liefhebber voor komen opdagen. De -weinige, armoedige meubelen waren door Barend eruit gehaald; wat nog -bruikbaar was, had hij aan moeder Vorstman gegeven, de rest had hij -tot brandhout gehakt. - -Op zekeren avond begaf Hans zich naar Barend, om met hem een aardig -plannetje voor het feest te bespreken. Misschien had Hans dit evengoed -overdag op Sparrenheide kunnen doen, maar in elk geval werd hij daar -door te veel oogen op de vingers gekeken en daarom vond hij het beter, -om zijn plannetje rustig met Barend bij moeder Vorstman te bespreken. - -In het dorpje gekomen, passeerde Hans de verlaten woning van Ranke. Tot -zijn groote verwondering meende hij daarin een zwak lichtje te zien -branden, hoewel hij toch zeker wist, dat de hut ledig en onbewoond -was. Hij zag, dat het licht heen en weer ging, alsof iemand met een -kaars door het vertrek ging. - -Hij begreep dadelijk, dat het niemand anders dan Barend kon zijn, -die misschien nog het een of ander in de oude woning zocht. En omdat -het hem juist om Barend te doen was, duwde hij de deur van het huisje -open en trad het ledige vertrek binnen. Maar inplaats dat hij Barend -daar aantrof, staarde hij opeens in het schurkachtige gezicht van -diens vader. Het was Ranke, de strooper, van wien iedereen dacht, -dat hij in de gevangenis te Utrecht zat! - -Inplaats dat Hans dadelijk vluchtte, bleef hij als aan den grond -genageld staan. - -Op dat bezoek scheen Ranke allerminst gerekend te hebben, evenals Hans -staarde hij dezen een oogenblik verbijsterd aan, maar toen blies hij -snel de kaars uit, wierp zich op Hans en overmeesterde hem, voor de -jongen tijd had, zich te verweren. Maar Hans was sterk en Ranke had -zijn handen vol aan hem, vooral omdat hij hem met één hand den mond -moest dichthouden en met de andere bedwingen. Toch bleek de strooper de -sterkere. Hij bond Hans een vuilen doek om den mond en haalde daarop -een lang touw uit zijn zak, waarmede hij hem aan handen en voeten -bond! Toen sleurde hij den weerloozen knaap in hetzelfde turfhok, -waarin hij vroeger Barend had opgesloten, en deed er den grendel -voor. Daarop verdween hij .... - -Dienzelfden avond las mijnheer Bergwoude, aan zijn schrijftafel -gezeten, het volgende bericht in het Handelsblad: - - - Men schrijft ons uit Utrecht: - - Bij de overbrenging van twee gedetineerden uit de strafgevangenis - alhier naar het station, alwaar zij onder geleide van twee - marechaussees naar Leeuwarden zouden vertrekken, wist een hunner, - de beruchte strooper en inbreker R.--wonende te Lage Vuursche, aan - zijn geleider te ontsnappen. De arrestant vluchtte een openstaand - huis in en is vermoedelijk over de daken ontkomen. Het vervoer - van den anderen gevangene is nu uitgesteld, totdat de eerste - zal teruggevonden zijn. De politie stelt een streng onderzoek - in naar den vluchteling, die vermoedelijk nog wel binnen Utrecht - verblijf houdt. - - -Mijnheer Bergwoude las dit bericht met begrijpelijke verbazing en -spoedig was dat nieuwtje het onderwerp van dien avond geworden. Weinig -dacht de vader er aan, dat op ditzelfde oogenblik zijn zoon Hans in -handen van den gevreesden kerel gevallen was! - -Intusschen had Ranke niet de bedoeling, den jongen ook in het minst -eenig leed te doen. Hij was alleen in zijn oude woning gekomen, -gebruik makende van het avonddonker, om er eenige kleedingstukken -te halen. Maar tot zijn groote verwondering had hij de hut totaal -leeg gevonden. De plotselinge verschijning van Hans had hem eerst -heelemaal van streek gebracht, maar de snel-opkomende gedachte, dat -de jongen zijn aanwezigheid alhier verraden zou, deed hem plotseling -op Hans toevliegen om hem onschadelijk te maken. - -Ranke verschool zich in de bosschen en wachtte er een gunstige -gelegenheid af om zijn verdere plannen ten uitvoer te brengen. - -Groote ongerustheid heerschte er op Sparrenheide! - -Hans was nog steeds niet teruggekeerd, hoewel de klok reeds tien -uur wees! - -Had de jongen het soms in zijn hoofd gekregen, om bij Barend te -overnachten? - -Was hij verdwaald? - -Maar neen, zoowel het een als het ander was ondenkbaar. Hans zou nooit -uitblijven zonder toestemming zijner ouders. En voor verdwalen bestond -ook weinig grond, in de eerste plaats was het vrij helder weer en in de -tweede plaats kende Hans den weg in de bosschen als in zijn eigen huis. - -Toen het al later en later werd, stegen mijnheer Bergwoude en meester -Hooghuizen op de fiets en reden naar het huisje van vrouw Vorstman. - -De oude vrouw was al naar bed, maar Barend zat nog te lezen. - -"Is mijn zoon Hans hier?" vroeg mijnheer Bergwoude, toen hij met den -meester aangeklopt had. - -"Hans?" riep Barend verbaasd uit. "Nu nog? Hij is hier den heelen -avond zelfs niet geweest!" - -"Nièt geweest? Hij is toch om zeven uur al hierheen gegaan." - -Barend schudde het hoofd. - -"Dan zou ik hem toch moeten gezien hebben," zei hij beslist. Nu steeg -de ongerustheid van den vader tot angst. - -Hij keerde weer naar Sparrenheide terug, in de hoop, dat Hans daar -inmiddels mocht aangekomen zijn, maar niemand had hem teruggezien! - -Opnieuw werd er een leerling vermist, en ditmaal mijnheer Bergwoude's -eigen zoon! - -Niemand der grooten sliep dien nacht. - -De arme vader, de meester en Barend, zelfs de oude, doove Bosman, -zij allen gingen, gewapend met lantaarns, het bosch in. - -Maar Hans werd niet gevonden. - -Diep-ongelukkig keerde mijnheer Bergwoude naar huis terug, vond -er zijn vrouw weenende en wist weinig of niets te zeggen, dat haar -eenigen troost geven kon. - - - -Barend had het zoeken het langst volgehouden. Toen het licht begon -te worden, liep hij nog van de eene boschlaan in de andere. Hij -was doodmoe. - -Eindelijk gaf hij het op. - -Hij keerde naar de woning van moeder Vorstman terug. En nu gebeurde -met hem bijna hetzelfde, wat den vorigen avond Hans overkwam. - -Hij passeerde zijn oude hut. - -En zag, dat de deur op een kier stond. - -Dat was nu zoo heel vreemd niet, want die deur had niet eens meer -een behoorlijk slot en kon dus best opengewaaid zijn. Maar Barend was -teveel een natuurkind, dan dat hij niet dadelijk zich herinneren zou, -dat het heelemaal niet gewaaid had. Toch vermoedde hij niets bijzonders -en trad op de deur toe, om die te sluiten! - -Even keek hij nog naar binnen, en... - -Wat drommel hoorde hij nu? Was er iemand in? - -Hij luisterde nog eens. Jawel! daar schopte iemand tegen een -deur. Barend kende dat geluid en had in een ondeelbaar oogenblik de -deur van het turfhok geopend. - -"Hans!" - -Met een kreet van vreugde begroette hij den verloren makker, bevrijdde -hem van doek en touwen en hoorde dan tot zijn grooten schrik, dat -zijn vader ontvlucht was! - -Maar dadelijk gingen zij naar Sparrenheide. - -Als met tooverslag veranderde daar de droefheid in groote vreugde! - - - -Toen de telegrambesteller dien morgen den burgemeester het bericht -bracht, dat Ranke ontvlucht was, liep Bunze door het bosch en deed -er zijn gewone ronde. Bij de grot gekomen, bleef hij eensklaps staan. - -Snurkte daar iemand? Hij trad op de teenen nader en ontdekte den -slapenden Ranke. Bunze dacht eerst weer met een geest te doen te -hebben, maar omdat hij daar niet meer aan geloofde, gaf hij ineens -gevolg aan een ingeving. - -Hij haalde kalm zijn stalen handboeien tevoorschijn en schoof die -om de polsen van den rustig slapenden strooper. Vervolgens haalde -hij zijn revolver te voorschijn, waar hij nog nooit van zijn leven -mee geschoten had, omdat de gemeente hem doodeenvoudig geen patronen -verschafte en riep met daverende stem: - -"Ranke! In naam van Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden neem -ik U gevangen!" - -De vluchteling sprong verschrikt overeind. - -Hij voelde zich tot zijn groote verbazing stevig geboeid en zag den -loop van Bunze's revolver op zich gericht. - -Tegenstand was nutteloos en de strooper liet zich gewillig door den -dikkerd meevoeren, die als een overste in den paradepas naast zijn -arrestant liep! - - - - - - - - - -TWINTIGSTE HOOFDSTUK. - -BESLUIT. - - -Nu alles zoo goed afgeloopen was, de goeden konden beloond worden en -de kwaden gestraft, was er ook geen bezwaar meer om het feest van den -eersten October zoo luisterrijk mogelijk te vieren. Gelukkig was het -prachtig weer. - -Precies om acht uur des morgens werden onder het spelen van het -Wilhelmus de vlaggen uitgestoken van huis en schoolgebouw. Wat zag de -tuin, wat zag de weg er feestelijk uit! Overal slingers van oranje en -rood-wit-blauw, overal lampions. En aan den hoofdingang een magnifieke -eerepoort. Allen waren met de nationale kleuren getooid en reeds -dadelijk was er de rechte, feestelijke stemming in. Na het ontbijt -stelde de muziek zich aan het hoofd van den stoet jongens en meisjes, -die vlaggen, vaandels en schilden droegen. Het was allerleukst! - -De een had op zijn oranje-schild het portret van mijnheer Bergwoude, de -ander droeg een vaandel met het opschrift: Leve Sparrenheide! Een derde -had er in 't geheim opgeplakt: Meester H. gaat nooit verloren! terwijl -zijn buurman heel nuchter er naast liep met een schild: Falderalderire! - -De kleurige, fleurige stoet ging onder 't spelen van vroolijke -marschen, voorafgegaan door de gehuurde muzikanten naar het dorp. Daar -stelde veldwachter Buikje zich aan het hoofd van den optocht als -of hij een paar duizend menschen op zij moest houden! Hij werd met -algemeen gejuich begroet en werd dadelijk door mijnheer Bergwoude -uitgenoodigd, het feest op Sparrenheide te komen bijwonen. Ook Barend -en moeder Vorstman hadden zulk een uitnoodiging aan te nemen. - -Des morgens om 10 uur vertrok een clubje jongens per auto, die ook -al met vlaggen beplant werd, naar het station te Baarn, om daar de -oudleerlingen af te halen. Tegen twaalf uur was het heele feestvierende -gezelschap present en nu kon de algemeene vreugde eigenlijk pas een -aanvang nemen. - -Toen allen aan den feestdisch bijeenzaten, stond mijnheer Bergwoude -op en zei: - -"Vrienden! Wat is het vandaag een heerlijke dag! Ik zie rondom mij -niets dan vroolijke gezichten en dat is geen wonder. Bijna allen, -die hier bijeen zijn, hebben meer of minder jaren op Sparrenheide -door gebracht en kennen het leven hier. En allen verheugen zich er in, -dat zij thans het feest van het vijfjarig bestaan onzer school mogen -meevieren! En nu is het niet mijn bedoeling, om lang en breed over -ons werk te praten, want we zijn hier om feest te vieren. Maar ik wil -er alleen op wijzen, dat we vandaag dubbel en dwars reden hebben tot -feestvieren! Een paar dagen geleden, misschien hebt ge er vandaag al -met een enkel woord over hooren spreken, verkeerden we in angst en -droefheid. Eerst werd er een onzer meisjes vermist, die tijdens een -onschuldig spelletje in het bosch verdwaald was. Gedurende een hevig -onweer hebben meester Hooghuizen en een paar flinke jongens haar in 't -stikdonkere bosch weten te vinden en haar veilig onder dak gebracht. En -kort daarop werd onze beste Hans door een ontvluchten gevangene -overrompeld en opgesloten. Op zijn beurt is Hans gevonden door Barend, -terwijl onze dappere gemeenteveldwachter Bunze den gevangene weer wist -te kerkeren. Al deze gebeurtenissen geven de viering van ons feest -een blijder glans. Dus, vrienden, viert vroolijk feest, geniet zooveel -mogelijk en roept allen met mij een driewerf hoera voor Sparrenheide!" - -Daverend gejuich klonk omhoog. Daarna mocht ieder toasten. Flip kwam -met zijn onzin-gedicht voor den dag en daar werd me wat om gelachen! - -Meester Hooghuizen had een feestlied gedicht op de wijze van "In -naam van Oranje." Het werd aan allen uitgedeeld. Mevrouw speelde op -de piano en daar klonk het uit wel honderd kelen: - - - Zeg jongens, hoe leuk is het hier toch vandaag! - Wat vieren we vroolijk toch feest! - En d'oud Sparrenheiders, ze kwamen wat graag, - Ze zijn ook zoo lang hier geweest! - Wij allen zijn vroolijk, wij allen zijn blij, - Omdat wij zoo houden, geloof het maar vrij, - Omdat wij zoo houden van Sparrenhei, - Van 't jarige Sparrenhei! - - Wie wil nog eens hooren van wat hier gebeurt, - Van 't leuke, gezellige werk? - Hier wordt niet gekniesd en hier wordt niet getreurd, - Hier worden we knap en ook sterk. - We zitten niet steeds bij de schoolboeken neer, - Dan spelen, boetseeren, tuinieren we weer, - We zijn hier steeds leuk aan den gang (bis). - - En timmeren vinden we ook altijd fijn, - Dat uurtje is om, voor men 't merkt, - Dan hamert en schaaft om het hardst groot en klein, - Dan wordt er steeds duchtig gewerkt. - Maar als het voorbij is neemt ieder toch graag - Zijn fransch of zijn meetkundesom bij den kraag. - Zoo wisselt het werk hier steeds af. (bis). - - Geen uur van den dag is bij ons onbezet, - We werken zooveel als 't maar moet. - Maar 's middags, dan vindt ge ons allen te bed, - Dat valt na het eten zoo goed. - Een uurtje gemaft en dan weer aan den gang, - Zoo valt ons het werken ook nimmer te lang - En daarom: Hoera voor ons Sparrenhei! - Voor Sparrenhei, hiep hiep hoera! - - -Dat lied werd duchtig gezongen en de dichter, meester Hooghuizen, -er eens extra voor toegejuicht. - -Na den feestdisch trad de goochelaar op. - -Wat had die een succès! Wat een pret de toeschouwers! - -De handige kunstenaar haalde iedereen guldens en rijksdaalders uit den -neus, Flip vooral scheen veel zilvergeld in zijn neus te hebben. Hij -probeerde nu zelf ook om er een ris guldens uit te halen, maar er -kwam er niet een meer, al trok hij ook nog zoo hard. De goochelaar -had ze er allemaal uitgehaald! De man vertoonde wel twintig toeren, -die haast allemaal even mooi waren. - -Na twee uur werd er een uur gerust. Daarvan week men op Sparrenheide -nooit af. - -Om drie uur begonnen de wedstrijden en gymnastiekuitvoeringen. Wat -ging dat alles netjes en correct! En al die jongens en meisjes, die -vroeger op hun oude scholen slechte en achterlijke leerlingen waren, -zenuwachtig en ziekelijk, wat toonden zij nu hier volkomen genezen -te zijn! Want hier werden zij niet geestelijk afgemat door veel te -moeilijke vraagstukken en opgaven, hier werden zij niet overladen -met stapels en stapels werk, waaraan bijna iedere vrije minuut moest -opgeofferd worden. - -En daarom waren zij hier ook zoo flink en gezond en sterk geworden -en konden daarom evengoed hun fransch en rekenen als hun vrienden op -de gewone scholen, al leerden zij het dan ook wat kalmer aan! - -Half vier werden ouders en belangstellenden verwacht. Die kwamen in -auto's en rijtuigen. In de gymnastiekzaal maakte juffrouw Wieler zich -met de meisjes gereed tot het opvoeren der speelliedjes. Wat zongen -die lief-aangekleede meisjes keurig en wat maakten zij hun danspassen -daarbij stipt in de maat. Ze werden dan ook hartelijk toegejuicht. En -zoo volgde het eene nummer van het programma op het andere. Er scheen -geen einde aan den feestdag te komen! Maar het mooist werd het toch -tegen den avond. Dank zij het zachte, zoele weer kon de verlichting -à la giorno uitstekend doorgaan. Alle lampions werden ontstoken en ze -schitterden als vurige ballons in het donkerblauwe avondduister. Het -was een fantastisch tafereel! - -En temidden der feestvierenden bewogen zich zij, die de hoofdpersonen -van dit verhaal zijn geweest: Mijnheer en Mevrouw Bergwoude, de -goeddoende, liefhebbende vader en moeder van heel deez' gelukkige -kinderschare, Meester Hooghuizen en juffrouw Wieler, die hen trouw -bijstonden in den moeitevollen, maar dankbaren arbeid, Hans, Flip en -Rob, de drie jolige broers, van wie een ieder hield, Jacob Heintze, -die den vroeger zoo verwilderden en verwaarloosden Barend allereerst -de beginselen van fatsoen en netheid geleerd had! Vervolgens Bram, -voor wien Sparrenheide een uitredding was geweest, maar dan was -er ook veldwachter Bunze, die vandaag menig plagerijtje over zijn -zwaarlijvigheid hooren moest, en moeder Vorstman, die zoo herhaaldelijk -met de verschillende personen uit dit boek in aanraking kwam. - -Aan het slot van den avond stak Hans zijn vuurwerk af. Knetterend -schoten de vuurpijlen omhoog, sissend draaiden de gouden en zilveren -zonnen, daverend ontploften de knalpotten. - -Ten slotte zette hij 't heele feestterrein in rooden en groenen -Bengaalschen gloed. En uit honderden monden klonk het nog eens bij -'t afscheid nemen: - - - Leve Sparrenheide! - - Hoera! - - - - - - - - - -INHOUD. - - -Hoofdst. Bladz. - - I. Oorlogsplannen 5 - II. Indianen en Bleekgezichten 13 - III. In gevecht met de Roodhuiden 23 - IV. Een prettig besluit en een vroolijke vertelling 34 - V. In den nacht 49 - VI. Barend van de Lage Vuursche. Nachtelijke vervolging 53 - VII. Allemaal hoofdpijn 63 - VIII. Het raadsel wordt opgelost 72 - IX. Veldwachter Buikje 82 - X. Veldwachter Buikje en de drie jolige broers 90 - XI. Waarom Barend niet op Sparrenheide kwam 101 - XII. In den nacht 111 - XIII. Wat Jacob van veldwachter Buikje hoorde 120 - XIV. Veldwachter Buikje en de boschgeesten 129 - XV. Bram als leerling op Sparrenheide 139 - XVI. Wat Hans van plan was 147 - XVII. Hans graaft een kuil voor Bunze, doch valt er zelf in 155 - XVIII. Van schoone blouses, een takkebos en een verdwaald - meisje 162 - XIX. Feestelijke plannen en angstige uren 174 - XX. Besluit 183 - - - - - - - - -End of Project Gutenberg's Instituut Sparrenheide, by Chr. van Abkoude - -*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK INSTITUUT SPARRENHEIDE *** - -***** This file should be named 61324-0.txt or 61324-0.zip ***** -This and all associated files of various formats will be found in: - http://www.gutenberg.org/6/1/3/2/61324/ - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United -States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive -specific permission. If you do not charge anything for copies of this -eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook -for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports, -performances and research. They may be modified and printed and given -away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks -not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the -trademark license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country outside the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you'll have to check the laws of the country where you - are located before using this ebook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm web site -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The -Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm -trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - - - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the -mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its -volunteers and employees are scattered throughout numerous -locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt -Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to -date contact information can be found at the Foundation's web site and -official page at www.gutenberg.org/contact - -For additional contact information: - - Dr. Gregory B. Newby - Chief Executive and Director - gbnewby@pglaf.org - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide -spread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works. - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our Web site which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
