diff options
| author | nfenwick <nfenwick@pglaf.org> | 2025-01-27 22:03:41 -0800 |
|---|---|---|
| committer | nfenwick <nfenwick@pglaf.org> | 2025-01-27 22:03:41 -0800 |
| commit | 87f8dd026fc3798f37f4176fb620d8c7519d216e (patch) | |
| tree | 5aee73f8f23bc19eeff27e8bdb70d1bc651bd9da | |
| parent | 41017a6887d670840e1d971c7f00716952da2514 (diff) | |
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 4 | ||||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 | ||||
| -rw-r--r-- | old/61324-0.txt | 6362 | ||||
| -rw-r--r-- | old/61324-0.zip | bin | 98921 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/61324-h.zip | bin | 687321 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/61324-h/61324-h.htm | 7244 | ||||
| -rw-r--r-- | old/61324-h/images/aMarne.png | bin | 13686 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/61324-h/images/book.png | bin | 219 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/61324-h/images/card.png | bin | 230 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/61324-h/images/external.png | bin | 151 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/61324-h/images/frontcover.jpg | bin | 163746 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/61324-h/images/frontispiece.jpg | bin | 91376 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/61324-h/images/o005.png | bin | 5639 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/61324-h/images/o013.png | bin | 5805 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/61324-h/images/o023.png | bin | 5085 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/61324-h/images/o033.png | bin | 3298 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/61324-h/images/o034.png | bin | 4998 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/61324-h/images/o049.png | bin | 5397 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/61324-h/images/o053.png | bin | 4403 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/61324-h/images/o062.png | bin | 3948 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/61324-h/images/o063.png | bin | 5660 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/61324-h/images/o072.png | bin | 5938 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/61324-h/images/o081.png | bin | 1711 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/61324-h/images/o101.png | bin | 5326 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/61324-h/images/o119.png | bin | 3583 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/61324-h/images/o138.png | bin | 2018 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/61324-h/images/o146.png | bin | 4431 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/61324-h/images/o174.png | bin | 5385 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/61324-h/images/p016.png | bin | 15511 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/61324-h/images/p032.jpg | bin | 82385 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/61324-h/images/p096.jpg | bin | 94811 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/61324-h/images/spine.jpg | bin | 20796 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/61324-h/images/titlepage.png | bin | 16502 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/old/61324-8.txt | 6363 | ||||
| -rw-r--r-- | old/old/61324-8.zip | bin | 98832 -> 0 bytes |
36 files changed, 17 insertions, 19969 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..d7b82bc --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,4 @@ +*.txt text eol=lf +*.htm text eol=lf +*.html text eol=lf +*.md text eol=lf diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..0075ac2 --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #61324 (https://www.gutenberg.org/ebooks/61324) diff --git a/old/61324-0.txt b/old/61324-0.txt deleted file mode 100644 index 1cd7aa6..0000000 --- a/old/61324-0.txt +++ /dev/null @@ -1,6362 +0,0 @@ -The Project Gutenberg EBook of Instituut Sparrenheide, by Chr. van Abkoude - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most -other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of -the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have -to check the laws of the country where you are located before using this ebook. - -Title: Instituut Sparrenheide - -Author: Chr. van Abkoude - -Illustrator: Jan Rinke - -Release Date: February 5, 2020 [EBook #61324] - -Language: Dutch - -Character set encoding: UTF-8 - -*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK INSTITUUT SPARRENHEIDE *** - - - - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg - - - - - - - - - - In de Vacantie - Bibliotheek voor Jongens en Meisjes. - Serie A Jongensboeken. Deel 13. - - INSTITUUT SPARRENHEIDE - - - door - - CHR. VAN ABKOUDE - - Geïllustreerd door O. Geerling - - - Tweede Druk - - ALKMAAR--GEBR. KLUITMAN. - - 1917 - - - - - - - - - -EERSTE HOOFDSTUK. - -OORLOGSPLANNEN. - - -Midden in een groot dennenbosch tusschen Baarn en de Vuursche lag op -een heuveltje, geheel verscholen in het groen, een aardige, houten -villa. Er liep een balcon rond het heele huis en daardoor leek het veel -op een Zwitsersche woning. Alleen het dak stak boven de boomen uit, en -wanneer je uit het dakraam keek, had je een verrukkelijk gezicht over -heel den omtrek. Je zag dan duidelijk de torens van Amersfoort, Soest, -Bunschoten en meer omringende dorpen. Je zag er heel mooi het Witte -Paleis van Koningin Emma en wat naar rechts de Naald van Waterloo. - -In dat hooggelegen huis woonde mijnheer Bergwoude, hoofdonderwijzer -van de kostschool "Sparrenheide." Als mijnheer Bergwoude naar school -ging, behoefde hij alleen maar het heuveltje af te dalen, waarop zijn -huis gebouwd was en den boschweg over te steken, want het schoolgebouw -stond juist aan den overkant. - -Dat schoollokaal was niet groot, het bestond maar uit twee klassen -en een gymnastieklokaal. Maar het was ook geen gewone school. Op -"Sparrenheide" kwamen alleen kinderen, die niet zoo vlug konden -leeren als andere jongens en meisjes. Sommigen, omdat ze thuis altijd -ziekelijk waren, anderen omdat ze zenuwachtig waren of vroeger de -een of andere ziekte hadden gehad, waardoor ze later niet meer zoo -goed onthouden konden. - -En waarom ze nu op een gewone school niet, en op "Sparrenheide" -wèl konden leeren, dat zullen we in dit boek wel bemerken. - -Mijnheer en Mevrouw Bergwoude waren alleraardigste menschen, die -beiden verbazend veel van kinderen hielden. Zij hadden drie kinderen, -allen jongens. Op het oogenblik, dat dit verhaal een aanvang neemt, was -juist de Zaterdagmorgen-schooltijd geëindigd en begaven de jongens en -meisjes zich, voor zoover zij niet bij mijnheer Bergwoude in "pension" -waren, naar huis. - -Ook de drie zoons van den hoofdonderwijzer, Hans, Flip en Rob. Hans -was dertien jaar, een flinke, sterke jongen met breede schouders en -een paar armen als een athleet. Voor zijn leeftijd was hij een boom -van een kerel en wat hij met zijn zwarte oogen niet gedaan kreeg, -dat maakte hij verder in orde met zijn gespierde vuisten. - -Flip telde twaalf jaar, hij was eveneens een door en door gezonde -boy, maar niet zoo struisch en stevig als Hans, Flip was een rechte -pretmaker, hij hield verbazend veel van grapjes en wist ook vaak -allerlei aardige dingen te zeggen, waarom een ieder moest lachen. De -tienjarige Robert, doorgaans genoemd Rob, was een rare snuiter. Je -kon eigenlijk niet uit hem wijs worden. Hij was wat stil; hij hield -veel van zijn ouders en zijn broers, maar misschien nog meer van -de bosschen en de hei met de planten en de dieren. Hij maakte er -een heele studie van en bijna altijd was hij in zijn vrije uren met -zijn botaniseer-trommel en plantenschopje in het bosch te vinden, of -rangschikte zijn verzamelde planten en insecten op zijn kamer. Maar -dat nam niet weg, dat hij toch hetzelfde vroolijke humeur van zijn -broers had, al was hij dan ook wat minder luidruchtig en druk. Hij -kon evengoed meedoen aan hun grappen en spelen als andere jongens, -maar bleef altijd kalm. En waarom hij nu een rare snuiter was? Wel, -in de eerste plaats was hij vreeselijk slordig op alles. Niet alleen -op zijn kleeren en boeken, zijn planten en dieren, maar ook verbazend -onverschillig voor andere dingen. Het kon hem bijvoorbeeld heelemaal -niet schelen, een uur te laat op school of aan tafel te komen. Alle -standjes, straffen en vermaningen hielpen weinig of niets. Soms nam -hij zich voor, opeens vreeselijk netjes te worden, maar maakte het -dan weer zóó erg, dat hij op zijn kousen liep om zijn schoenen niet -vuil te maken. Daarbij was hij erg vergeetachtig. Alles en alles bij -elkaar genomen had Rob aanleg om professor te worden. - -Ziezoo, nu zijn de drie vroolijke broers voorgesteld. Zooals gezegd, -zij hadden zoo juist de school verlaten en gingen naar huis. Door den -tuin, die op de helling van den heuvel was aangelegd, kwamen zij in de -huiskamer, waarvan de breede tuindeuren wijd open stonden. Zij vonden -hun moeder bezig met het klaarzetten van de koffietafel en volgens -trouwe gewoonte werd zij allereerst eens stevig gepakt door haar drie -jongens. Dat deden zij alle drie met kracht en klem. Vervolgens keken -zij met verlangende oogen naar de stapels boterhammen en zei Flip op -vertrouwelijken toon: - -"Help ons gauw weg, moedertje, we hebben reusachtig haast!" - -"Ja," voegde Hans erbij, "we hebben nog zooveel te doen en moeten er -vroeg bij zijn." - -"Ik hoef niet eens te eten," zei Rob. - -"Wat zullen we nu weer beleven?" vroeg moeder, "waarom zoo gehaast? En -waarom zonder eten weg? Dat gebeurt niet, hoor! Wat is er dan aan -de hand?" - -"Dat zijn groote geheimen, moeder," zei Flip. - -"Staatsgeheimen," vond Hans. - -"Och kom," pleitte Rob voor zijn moeder, "wij kunnen het moeder -best vertellen." - -Op dit oogenblik kwam hun vader binnen. De heer Bergwoude was een man -met een vriendelijk voorkomen, hij droeg een langen, blonden baard -en blond waren ook zijn haren. In tegenstelling met hem waren zij -drie zoons zwart, net als hun moeder. - -"Zoo, zoo," sprak mijnheer, terwijl hij een stapel schoolschriften op -een tafeltje legde, "en wat zijn dat voor staatsgeheimen, die jullie -best aan moeder kunt vertellen? En dan mag ik ze zeker ook wel hooren?" - -De gebroeders keken elkander eens aan en toen zei Hans: - -"We gaan oorlog voeren!" - -Flip en Rob knikten. Vader en moeder keken elkaar aan. - -"Oorlogvoeren?" vroeg Vader verwonderd. "Wat moet dat beteekenen?" - -"Wel," verklaarde Hans, "het is maar een spel. Onze vrinden van de -Baarnsche school komen vanmiddag door het Overbosch naar "Sparrenheide" -om onze school te bestormen en in te nemen. En nu moeten we er vlug -bij zijn om ze op een afstand te houden." - -De heer en mevrouw Bergwoude lachten. - -"Komaan," sprak de eerste, "dus vanmiddag wordt mijn school -formeel bestormd? Wel wel, ik denk, dat ik maar naar Amersfoort zal -telegrafeeren om een detachement soldaten en huzaren. En hoe laat -zal dat gebeuren?" - -"Ja, dat weten we juist niet, vader," zei Hans. - -"Dat zeggen ze natuurlijk niet," sprak Flip. - -"Neen, dat zeggen ze niet," herhaalde Rob wijsgeerig. - -"Ik hoop niet, dat de andere jongens van onze school zich teveel -bij dat spel zullen opwinden," zei mijnheer Bergwoude, "want dan is -er vanavond geen huis met hen te houden. Zij zitten nu rustig hun -twaalf-uurtje te gebruiken in de eetzaal." - -"Ja, wat 'n wonder," zei Flip leuk. "Die weten er nog niets van." - -"Doen ze dan niet mee?" vroeg vader. - -"O jawel, maar we zeggen het straks pas, als we naar 't bosch -gaan. Want zoo gaat het bij het groote leger ook," zei Hans. "De -soldaten weten nooit van te voren wat er gebeuren zal." - -"Maar hoe zit het plan dan in elkaar?" - -"Niet zeggen," zei Flip. - -"Dat is een geheim, Vader, een geheim," sprak Hans. - -"Een geheim, ja, een geheim," herhaalde Rob weer. - -En hoe Vader en Moeder ook probeerden, meer van dat geheim te weten -te komen, de drie gebroeders lieten niets los, zoodat de ouders zich -tevreden moesten stellen met de mededeeling, dat het schoolgebouw -dien middag door den vijand bestormd zou worden. - -En toch, zij gaven maar toe en maakten geen bezwaren tegen het -vroolijke spel der jongens. Die wisten ook telkens wat nieuws te -verzinnen en speelden in de bosschen, alsof die hun eigendom waren -inplaats van Kroondomein. Met welwillende medewerking van Vader en -Moeder was de koffietafel dan ook gauwer afgeloopen dan anders en -holden de jongens naar hun kamer. - -Hans haalde een wandelkaart van de bosschen te voorschijn en spreidde -die op tafel uit. - -"Dit is onze stafkaart," zei hij lachend. "Ik ben de generaal, Flip -en Albert de Hooge zijn mijn officieren." - -"En ik dan?" - -"Jij bent niet oud genoeg voor officier, maar ik heb toch een mooi -baantje voor je. Omdat jij zoo goed met alle hoekjes en gaatjes van -de bosschen bekend bent, wordt jij mijn verkenner." - -"Dat is best," vond Rob. - -"Kijk eens hier," zei Hans, die als een veldheer zijn plan ging -uitleggen. "Ik heb met Bram Verhallen uit Baarn afgesproken, dat hij -om twee uur met zijn troep het dorp uittrekt bij de Pekinglaan, die -je hier op de kaart ziet. Zij gaan dan door het sparrenbosch onder -de tunneltjes van de spoorbanen door het Baarnsche bosch in. Zie -je wel," vervolgde hij en wees met zijn vinger de wegen aan op de -groene kaart, "dan gaan ze hier door de Borlaan langs de Groote Kom -naar den Eemnesser Straatweg. Daar steken ze schuin over naar den -weg langs het Boterbergje. En vandaar komen ze door het Overbosch op -onze school aan. Nou weet ik natuurlijk niet, welken weg ze nemen, -want dat heeft Bram mij niet verteld." - -"Moeten wij alleen de school verdedigen?" vroeg Flip. "Ik schiet ze -met mijn houten sabel een partij bruine boonen in hun neusgaten en -slinger ze terug, dat ze van hier naar Baarn rollen." - -"Hou nou op met je onzin!" zei Hans ongeduldig, "we kunnen onzen tijd -wel beter gebruiken. Ja, we moeten alleen de school verdedigen, maar -we laten ze niet dadelijk zoo dichtbij komen. Hier op de kaart ligt -onze school. Wij hebben twintig jongens. Vijf moeten bij de school -blijven om die te bewaken. Daar nemen we natuurlijk niet de grootsten -voor. Vijftien gaan er met mij mee. Ik weet een mooie plek om Bram -en zijn troep tegen te houden." - -"Het is nu half één," zei Rob. "Ik denk, dat ik mijn botaniseertrommel -meeneem." - -"Ben je vierkant gebakken?" vroeg Flip, "er is van middag niets te -botaniseeren, botaniseer jij Bram Verhallen maar op zijn gezicht!" - -"Neen, niets meenemen dan een paar goeie oogen en een hoop slimheid," -zei Hans. - -Flip ging opeens ijverig in de lade van de tafel zoeken. - -"Wat doe je," vroeg Rob. - -"Ik zoek een hoop slimmigheid," zei Flip, "want ik ben bang dat ik -er te weinig van in mijn kersepit heb." - -"Als jij vanmiddag in 't bosch zoo loopt te kletsen als je nou doet," -zei Hans, "dan stuur je alles in de war. En hoor eens: De school is een -fort, dat door Europeanen wordt bewoond. Bram en zijn jongens zijn een -wilde Indianenstam, de Mohikanen en Bram is Arendsoog, hun opperhoofd." - -"Dan wil ik Soepoog zijn," zei Flip. - -"Een blauw oog kan je dadelijk wel van me krijgen," bromde Hans, -die één en al ernst en vuur was. "Met jouw flauwiteiten schieten we -heelemaal niet op. Ziezoo, en nou gaan we de anderen waarschuwen." - -De drie broers begaven zich naar de kamers der kostjongens om hen -van de zaak op de hoogte te stellen. - -Natuurlijk wilden ze allemaal graag meedoen, maar Hans koos de flinkste -jongens uit om mee te gaan, de overigen konden de school bewaken. - -"Ik zou ook wel Indiaan willen zijn," mompelde Flip bij -zichzelven. "Akibakki kikkerbokki, de taal ken ik al! Ha, gij -driedubbele gepofte honden van bleekgezichten, ik, de dappere Soepoog, -zal u met mijn tomohawk tot gruttenpap met rozijnen en groene zeep -hakken. Wee u, gij grutteneuzen!" - - - - - - - - - -TWEEDE HOOFDSTUK. - -INDIANEN EN BLEEKGEZICHTEN. - - -Op het Brinkplein bij de Baarnsche kerk verzamelde Bram Verhallen -zijn mannetjes. Bram Verhallen was van denzelfden leeftijd als Hans -Bergwoude, even sterk, even slim, even stevig gebouwd. Alleen was -hij lichtblond en had zachte, bijna droomerige oogen. Hij was een -lobbes van een jongen, maar liet zich toch niet de kaas van het -brood eten. Hans Bergwoude was een zijner beste vrienden en als zij -niet zoo ver van elkaar gewoond hadden, zouden zij veel meer bij -elkaar geweest zijn. Bram was de eenige zoon van notaris Verhallen; -hoewel uit een deftig gezin afkomstig was hij toch vrij van alle -gemaaktheid of aanstellerij. Hij was op school een ijverig leerling, -maar moest nogal blokken om bij te blijven. Hij leefde op als hij -met zijn kameraden kon ravotten. - -Intusschen kwamen meer en meer jongens opdagen en allen waren -zenuwachtig van ongeduld om het heerlijke spel te beginnen. Toen zijn -strijders, ongeveer twintig in getal, compleet waren, stelde Bram -zich aan het hoofd ervan en marcheerde naar de Torenlaan, waar hij -rechtsaf sloeg, het Sparrenbosch in. Daar hield hij even halt, liet -de jongens in een kring om hem heen staan en ging het spel uitleggen. - -"Jullie weet al zoo'n beetje," vertelde hij, "wat we gaan doen, -maar het fijne van de zaak zal je nu pas hooren. Wij zijn Indianen -van den stam der Mohikanen." - -"Hoera, hoera, Indianen!" schreeuwde er al een paar. - -"Stil toch!" vermaande Toon Sprits, een groote jongen en een der -klassegenooten Van Bram. "Mooie Indianenmanieren om in het bosch zoo -te schreeuwen!" - -"Ja," zei Bram, "als je zooveel spektakel maakt, dan hooren de -"Sparheiders" al direct, waar we zitten. Dus jongens, houdt je -doodstil. Jullie hebben allemaal genoeg Indianenboeken gelezen en -daarom weet je ook best, hoe Indianen in hun bosschen doen. Ik ben -Arendsoog, en jullie kiezen maar een naam voor jezelf uit." - -"Tijgerklauw heet ik!" zei de een. - -"Witte Buffel!" riep een tweede. - -"Vuurstraal!" - -"Edelhart!" - -"Apestaart! Oliebol! Kokosvet!" 't Werd weer een geschreeuw door -elkaar van je welste. Op die manier kwam er van de heele onderneming -niets terecht. - -"Stilte!" commandeerde Bram. "Wie niet gehoorzaamt en weer schreeuwt -of leven maakt, kan naar huis gaan." - -Dat hielp. Bram was wel een goeie jongen, maar als hij boos werd, -begonnen zijn gespierde armen een woordje mee te spreken en daar -hadden de jongens respect voor! Het werd dus stil en Bram vervolgde: - -"Ik ben Arendsoog en jullie opperhoofd. Toon Sprits en Jan v.d. Zee -zijn mijn verspieders. De school van Bergwoude in het Overbosch is -een fort, waar blanken wonen. Dat fort wordt door ons bestormd. Maar -het wordt verdedigd door de Sparheiders, dat zijn Hans Bergwoude met -zijn broers en de kostjongens. Zij weten, dat wij uit de richting -van het Boterbergje komen. - -"Alle Sparheiders hebben een witten band om den arm, en voor ons heb -ik roode banden meegebracht. Hier zijn ze. Bind ze om den rechterarm!" - -Dat was gauw gebeurd en daarop deelde Bram zijn troep in. - -Voorop ging de spits, Jan v.d. Zee met twee jongens. Jan midden op -den weg, de twee jongens achter de boomen, daarachter een voortroepje -van drie man op den weg, vervolgens een troep van tien man en vijftig -meters daarachter een achterhoede als dekking van vier jongens. - -Elk gedeelte moest zorgen met de anderen in verbinding te blijven. En -verder deelde Bram zijn strijders alles mede, wat ze voor dezen middag -te weten hadden. - -Had de blijdschap bij het vernemen van dit prettige spel de jongens -eenige oogenblikken luidruchtig gemaakt, nu begrepen ze, dat ze -doodstil moesten zijn. Zij speelden elke week in de bosschen en kenden -er evengoed den weg als in hun eigen huis. - -Nadat Bram zijn troep had opgesteld, ging het in de genoemde volgorde -voorwaarts, de bosschen in. - -Hans Bergwoude, de generaal der Sparheiders, die het fort der blanken -te verdedigen had, zat intusschen ook niet stil. Vijf verdedigers had -hij in een wijden kring om het schoolgebouw doen postvatten en met -vijftien man trok hij de aanvallers tegemoet. Dat wil zeggen, hij -verdeelde ze eerst in drie partijen. Vijf jongens onder aanvoering -van zijn broer Flip trokken door de Sophialaan den vijand tegen, -vijf onder commando van Albert de Hooge door de Hooilaan en vijf -onder hemzelven door de Koninginnelaan, dus in het midden van de -beide andere troepen. Elke troep moest één der jongens tusschen de -boomen laten loopen, om berichten of teekens van links of rechts over -te brengen. Aan het eind van elke laan zouden de troepen halt houden -en daar den toegang voor den vijand afsluiten. Er waren nog wel meer -wegen, die naar Sparrenheide leidden, maar die vormden zulke groote -omwegen, dat er voor de tegenpartij te veel tijd zou verloren gaan -om die te volgen. - -Hans wist dit ook wel, daarom had hij de voornaamste wegen naar -Sparrenheide bezet. - -Het was stil in 't bosch. - -Wandelaars waren er bijna niet te zien, die kwamen zelden zoo vér en -bleven meestal in de nabijheid van het dorp. De zon scheen vroolijk -op dezen mooien Julidag en in het bosch was het heerlijk zoel onder de -boomen. In de toppen van de beuken en linden zongen merels en lijsters, -ginds sprongen een paar eekhoorntjes tusschen de sparretakken, maar -overigens was het doodstil. Schooner plekjes dan waar de jongens zich -door het bosch bewogen kan men zich moeilijk voorstellen. Naar alle -kanten slingerden zich de grijs bruine paden en verdwenen dan in het -duizendtintige boschgroen. Het lichte bladgroen der linden prijkte -naast de bruine beuken, donkere sparren en dennen daartusschen en -opeens weer een groep zachtgroene eiken, 't was voortdurend weer -'n andere tint van boomenloof. Soms weken de boomen vaneen en -omringden een open plek, waar dan 'n vijver gevormd was. Een vijver -van helder water, waarin je salamandertjes en slangen zag en mooie -waterinsecten. De bodem was er bedekt met millioenen bladeren, die -voor de vijverbewoners prachtige nesten vormden. - -Ook de jongens genoten thans wel van die heerlijke boschpracht, -maar voor 't oogenblik waren ze toch meer vervuld van het spel van -dezen middag. - -Zonder onnoodig geruisch te maken gingen de drie troepen voorwaarts -door de lanen. Generaal Hans begreep, dat hij niet tegenover -gewone soldaten stond, maar met Indianen te doen had, die op èchte -Indianenmanier plotseling van achter boomen en struiken te voorschijn -konden komen. Daarom had hij ook den voorzorgsmaatregel genomen, -eenigen van zijn mannetjes niet op de paden, maar tusschen de boomen -door te laten loopen. - -Eindelijk hadden de drie troepen het eindpunt van de genoemde lanen -bereikt en stelden zich daar verdekt op, dat wil zeggen, zij verscholen -zich tusschen het kreupelhout en zetten een schildwacht achter een -boom op den uitkijk. Elke troep moest op zijn plaats blijven en daar -voorloopig bivak houden. - -Generaal Hans wou nu wel eens weten, hoe het met den vijand gesteld -was en daarom riep hij zijn verkenner Rob bij zich. - -"Hoor eens, Rob," sprak hij, "jij moet eens het bosch verder ingaan -naar den kant van het Boterbergje en zien, of er iets van de Indianen -te merken is. Maar kijk goed uit je doppen, hoor, en bemoei je nou -eens niet met allerlei slakken en kevers en aardvlooien en weet ik -veel wat voor ongedierte meer! Denk er aan, dat zoo'n Indiaan op je -loert en voor je 't weet ben je gebrajen. En zorg dat je zoowat over -een half uur terug bent. Kan je roepen als een kraai?" - -"Beter dan jij." - -"Dat zit nog. Als er wat aan de hand is, laat je een kraaienschreeuw -hooren. Dan komen we. Zoo, ga nou maar." - -Rob ging het bosch in en was weldra tusschen het geboomte verdwenen. - -Hans ging van den eenen troep naar den anderen langs de -verbindingslaan. Hij lette er op, dat de schildwachten op hun post -waren. Maar hij had al gauw gezien, dat die ijverig hun plicht deden, -omdat ze veel te bang waren, onverhoeds door de Indianen overvallen te -worden. Hij besloot daarom kalm de lanen bezet te houden en alvorens -verder te gaan, de terugkomst van Rob af te wachten en te hooren, -wat die van de tegenpartij gezien had. - - - -De Indianentroep was voorzichtig voortgegaan door het bosch. Jan -v.d. Zee, die aan de spits ging, met een makker aan iederen kant -tusschen de boomen, meende op den viersprong van de Boslaan voorbij de -Groote Kom onraad te bespeuren. Hij wenkte zijn nevenmannen en stak -den arm omhoog wat door de achter hem aankomenden gezien werd. Die -gaven het teeken door en opeens hielden alle Indianen halt en wierpen -zich plat op den grond, zooveel mogelijk gedekt tusschen de struiken. - -Jan, die zich met den geweldigen naam Tijgerklauw als een echt Indiaan -deed kennen, zag tusschen het kreupelhout recht voor zich uit eenige -jongens bewegen. Zouden de verdedigers van Sparrenheide reeds zoovèr -doorgedrongen zijn? Was het een voorpost? Maar tevergeefs zocht -Tijgerklauw naar den witten band, dien de tegenpartij om den arm -moest dragen. Ook schenen de jongens met een heel ander spel bezig -te zijn. En terwijl Tijgerklauw de vreemde gedaanten tusschen het -geboomte bespiedde, wachtte Arendsoog, het dappere opperhoofd der -Mohikanen, op een tweede teeken. - -"Zou Tijgerklauw de bleekgezichten al zien?" fluisterde Arendsoog -Toon Sprits in 't oor, die nu "Vuurstraal" heette. - -"Vuurstraal weet het evenmin als het dappere opperhoofd, maar -Arendsoog kan mijlen ver zien, hij kan naar voren gaan en zien, -waarom Tijgerklauw niet verder gaat." - -"Mijn broeder spreekt verstandig. Ik zal gaan. Hugh! daar geeft -Tijgerklauw weer het teeken: voorwaarts." - -Inderdaad zwaaide Tijgerklauw zijn arm naar voren, de vreemden waren -geen vijanden geweest, en de Indianen slopen weer geruischloos langs -de paden. - -Zoo bereikten zij het Boterbergje. - -Het Boterbergje is een heuveltje, gelegen aan een zijpad van den -Eemnesser straatweg. Het is omringd door twee rijen boomen, aan -drie zijden daarachter strekt zich over een grooten afstand dicht -kreupelhout uit, alleen de kant van den weg was open. Boven op het -bergje stond een bultige, knoestige lindenboom. - -Arendsoog legerde zijn Indiaansche krijgers in het dichtbegroeide -terrein om het Boterbergje, zoodat er geen tip van hun neus te zien -was. Hij zelf kroop naar boven en klom in een boom. Maar veel kon hij -niet zien, 't was alles bosch en nog eens bosch. Alleen kon hij naar -het Noord-oosten een klein stukje van den straatweg zien. Hij wilde dan -ook juist weer uit den boom klimmen, toen hij de struiken zag bewegen -op een plaats, waar zijn Indianen niet gelegerd waren. Arendsoog hield -den adem in en hield zijn scherpen arendsblik gericht op de struiken. - -In 't volgende oogenblik zag hij een arm tevoorschijn komen, en om -dien arm ... een witte band! - -Een vijand dus! - -Maar was hij wel alleen? Was het niet een sterke afdeeling die -vooruitgezonden was om Arendsoog tegen te houden? Neen, dat was niet -waarschijnlijk, Sparrenheide lag nog op te verren afstand. - -Het zou dus wel een verkenner zijn! - -Maar dan zou Arendsoog ook wel zorgen, dat het bleekgezicht niet bij -zijn generaal terugkeerde! - -Stil... daar kwam een hoofd tusschen het groen te voorschijn, maar de -verkenner was nog te ver om zijn gezicht te kunnen onderscheiden. Hij -keek om zich heen. Toen dook hij weer weg in het groen. - -Arendsoog liet zich geruischloos uit den boom glijden. Hij sloop -langs den heuvel naar beneden en wenkte zijn strijders Tijgerklauw en -Vuurstraal. Een enkel fluisterend woord was voldoende om deze twee -op de hoogte te brengen, en plotseling vlogen de drie Indianen het -kreupelhout in om den spion gevangen te nemen. Zij hadden hem gauw -genoeg bemerkt en nu ontstond er een jacht door het eikengewas. Vijftig -meter verder lag het dennenbosch, als de vluchteling daarin zocht te -ontkomen was hij verloren. - -De Indianen vlogen door het moeilijk begaanbare terrein, zij zagen het -bleekgezicht Rob Bergwoude het bosch steeds meer en meer naderen.... - -Daar rende hij er in! - -Ziezoo, de tallooze, dicht op elkaar groeiende stammen zouden hem -het snelle voortgaan wel beletten. - -En, wat kalmer, volgden de roodhuiden den vluchteling. Ook zij -bereikten nu het dennenbosch. - -Maar.... waar was het bleekgezicht? - -Arendsoog, Tijgerklauw en Vuurstraal keken verbaasd om zich heen. Zij -keken naar de toppen der stammen, zij schopten de dennetakken van -den grond. - -Niets! - -Rob Bergwoude was spoorloos verdwenen! - - - - - - - - - -DERDE HOOFDSTUK. - -IN GEVECHT MET DE ROODHUIDEN. - - -Rob, die door zijn broer Hans op verkenning werd uitgezonden, was door -de Koninginnelaan het bosch ingetrokken. De jonge natuurliefhebber was -juist geschikt voor dit werk, omdat hij alle wegen en schuilhoeken zoo -door en door kende. Hij stapte regelmatig door tot aan de Jagerskom, -ook al een boschvijver. Daar zag hij op een bank bij het water een -stumperig oud moedertje zitten, dat bitter weende. - -Rob had een weekhartig gemoed en vond het zóó ontzettend naar, dat -hij dit oude vrouwtje huilen zag, dat hij het niet over zijn hart -verkrijgen kon, door te loopen. - -Misschien had zij iets in het water laten vallen? - -Rob kwam nog wat nader en toen pas scheen het oudje hem te bemerken. - -"Is... is u soms wat verloren?" - -Het arme moedertje veegde de tranen uit haar oogen en knikte. - -"Och, jongeheer," zei ze snikkend, "ik weet geen raad. Mijn zoon -had geld gestuurd, tien gulden. En nu was ik naar Baarn gegaan, om -wat boodschappen te doen.... en nu heb ik 't briefje verloren. Ik -heb zoo gezocht, zoo gezocht. Maar ik kan het niet meer vinden. Och, -och, wat zal mijn jongen wel zeggen! Hij heeft het voor zijn moeder -overgespaard. Vier weken had ik er mee moeten rondkomen. Tien gulden, -ach, en het is zoo'n lange weg naar De Vuursche." - -"Woont u daar?" vroeg Rob deelnemend. - -"Ja, jongeheer. Ik zal maar weer naar huis gaan. En onderweg nog eens -goed zoeken. Och, och, wat ben ik toch ongelukkig..." - -Opeens kreeg Rob een goed idee. - -"Wij zullen wel helpen zoeken," sprak hij. "Bij het begin van de -Sophialaan staat een troep jongens. Wij zijn aan het spelen. Wij zijn -bleekgezichten, weet u." - -"Bleekgezichten, jongeheer? U ziet er anders heelemaal niet bleek -uit. U hebt een gezonde kleur. Als melk en bloed." - -"Ja," zei Rob lachend, "maar zoo meen ik het ook niet. De Indianen -noemen ons bleekgezichten. De jongens van Baarn zijn de Indianen. Hebt -u ze niet gezien?" - -De oude vrouw schudde ontkennend het hoofd. - -"Nou maar," vervolgde Rob, "als u nou bij die jongens daar vraagt -naar Hans, dat is mijn broer, dan moet u hem maar eens vertellen, -dat ik gezegd heb, dat ze u moeten helpen zoeken. De jongens hebben -allemaal witte banden om den arm." - -'t Vrouwtje knikte hem dankbaar toe voor de aangeboden hulp en -strompelde terug. - -Rob zette zijn weg voort tot hij kwam aan de Reigers laan, in de -nabijheid van het Boterbergje. Daar drong hij het kreupelhout in tot op -tweehonderd meters afstand van het heuveltje. Hij hield zich doodstil -tusschen de struiken en bespionneerde den top van het bergje. Neen, -de Roodhuiden zouden wel niet zoo dom zijn, om zich boven op den top -te legeren... of waren zij nog niet tot hier gevorderd? - -Rob loerde en loerde, maar de dichte eikebladeren beletten hem het -uitzicht. Hij duwde met den arm de takken terzijde en stak zijn hoofd -boven het groen uit. - -Op dit oogenblik bemerkte Arendsoog hem. - -Maar toen deze met Tijgerklauw en Vuurstraal op hem afkwam, had Rob -toch gauw gezien, dat hij ontdekt was. Hij rende, zoo gauw als de -struiken dit toelieten, naar het achter hem gelegen dennenbosch, maar -onder die vlucht bedacht hij, dat de dicht op elkaar staande stammen -hem teveel zouden tegenhouden. En daarom besloot hij van een list -gebruik te maken. Hij zou net doen alsof hij in het bosch vluchtte, -en ook werkelijk een paar stappen tusschen de eerste stammen doen, -zoodat zijn vervolgers, die nog wel een dertig meters achter hem waren, -hem duidelijk konden zien. - -Zoo deed hij. - -Maar na een paar stappen gedaan te hebben, liet hij zich plotseling -vallen en kroop snel terug naar het kreupelhout, waar hij een -uitstekende schuilplaats vond. - -Toen Arendsoog, Tijgerklauw en Vuurstraal eenige oogenblikken later -den rand van het bosch bereikten, was er van den vluchteling geen -spoor meer te ontdekken. - - - -"Hugh!" zei Arendsoog tot zijn makkers, "is het bleekgezicht dan een -geest, die in de lucht verdwijnt?" - -"Of heeft de witte man tooverkruiden ingenomen, waarmede hij zich -onzichtbaar maakt?" vroeg Tijgerklauw. - -"Mijn roode broeders dwalen," zei Vuurstraal, "het bleekgezicht heeft -geen tooverkruiden en is ook geen geest, maar hij heeft verstand. Zie, -het woud is dicht en ondoordringbaar. De slang en de wolf loeren op -hun prooi. Daarom is de blanke verspieder niet in het bosch gegaan." - -"Arendsoog hééft hem het woud zien betreden," sprak het opperhoofd -op deftigen toon, "en het oog van den arend vergist zich nimmer." - -"Het opperhoofd der Mohikanen spreekt als een man," zei Tijgerklauw, -"maar onze broeder heeft gelijk. De vluchteling is niet verder het -woud ingegaan dan wij." - -"Hugh! Waar is hij dan?" - -"Vuurstraal weet het niet, maar begrijpt het. Het bleekgezicht verbergt -zich voor de roode krijgers in het struikgewas." - -En met deze woorden ijlde de jonge Indiaan het kreupelhout in, waar -opeens beweging en leven in kwam. Opnieuw werd het wild opgejaagd en -nu precies in de richting van de plek, waar de Mohikanenstam gelegerd -was. Het duurde dan ook niet lang, of Rob liep als het ware in de -armen zijner vijanden. - -Tegen zulk een overmacht was hij niet bestand en ondanks al zijn -rukken en worstelen werd hij gevangen genomen. Maar hoe de Indianen -hem ook dreigden te scalpeeren, hij wilde volstrekt niet zeggen, -waar zijn kameraden waren. - -De roodhuiden hielden krijgsraad. Zij zaten in een kring gehurkt en -keken naar Arendsoog, die met bezorgd gelaat om zich heen staarde. - -"Het bleekgezicht is een verspieder," sprak hij. "Hij wil zijn mannen -gaan zeggen, dat de Roodhuiden den Boterberg bezet hebben. Maar -Arendsoog is een wijs opperhoofd. Als het bleekgezicht hem zeggen wil, -hoe groot het aantal zijner witte broeders is, zal de Mohikaan genade -voor recht laten gelden. Dat de gevangene spreke!" - -Maar Rob aan handen en voeten gebonden met een lasso, weigerde eenige -inlichting te geven. - -"Het jonge bleekgezicht is wel moedig, maar niet verstandig," -zei Arendsoog. - -Daar klonk opeens het geschreeuw van een kraai door het bosch! - -"Kà rr... Kà rr!!" - -En eer de roodhuiden het verhinderen konden, gaf de gevangene het -antwoord: - -"Kà rr... Karr... Kà rr!" - -"Verraad!" schreeuwde Tijgerklauw. - -"Voorwaarts, dappere krijgers!" riep Arendsoog, "daarginds is de -vijand! Dood aan de bleekgezichten!" - -En de woeste Indianenhorde stormde het bosch in naar den kant vanwaar -het signaal gekomen was. - - - -"Ik begrijp er niets van," zei Generaal Hans tot zijn broer -Flip. "Rob is al meer dan een half uur weg en wij zien hier nog geen -Indiaan. Zouden ze hem te pakken hebben?" - -"Misschien zit-ie heel kalm ergens een bloem te determineeren," -zei Flip. - -"Dat geloof ik niet, want ik heb hem juist nog goed op het hart -gedrukt, om dat nu maar eens over te slaan en alleen uit te kijken -naar de roodhuiden." - -"Ik wou, dat ze maar kwamen," zei Flip, "dan kregen we tenminste wat -te doen. Ik verveel mij een aap." - -"Met jouzelf meegerekend zijn dat dan twéé apen." - -"Zoo, baviaan. Maar je moest er mij eens op uitsturen, om Robberdebob -op te snorren. Wie weet, waar dat heerschap zit." - -"Als hij maar niet gevangengenomen is. Weet je wat? Ik moet natuurlijk -hier blijven. Een generaal kan zijn leger niet in den steek laten. Maar -ik zal je twee soldaten meegeven en je gaat Rob zoeken. Dat is dan -een patrouille." - -Een oogenblik later was commandant Flip met twee man Rob achterna -gegaan. Daar het bosch maar heel weinig betreden wordt, konden -de jongens heel duidelijk de versche voetsporen van hun voorganger -volgen. Maar toen die voetstappen bij den viersprong van de Reigerslaan -opeens in het kreupelhout verdwenen, was het spoor van Rob niet meer -te volgen. - -"Ik ben een citroenschil als ik weet, hoe we Rob nou moeten vinden," -zei Flip. - -"En we zitten hier natuurlijk vlak bij de Roodhuiden," waarschuwde -Hein Veere, een der Sparheiders. - -"Kan je niet 's roepen?" opperde de ander, die Piet Broeser heette. - -"Daar zeg je zoowat," zei Flip. "Ik zal een kraaienschreeuw -geven.--Kà rr... kà rr!!" - -En daar klonk het wat verder: "Karr--karr--karr!" - -"Stil!" sprak Hein, "ik hoor het geschreeuw van de Indianen. Zij -komen hierheen!" - -Het geluid van vele voetstappen kwam snel nader. Flip en zijn twee -mannen kropen in 't dichtste deel van het kreupelhout. - -Een oogenblik later holde een woeste Indianentroep van wel twintig -man voorbij de plek, waar de bleekgezichten verscholen lagen. Deze -hielden zich doodstil, want men kon nooit weten of niet meerdere zouden -volgen. Maar er kwam niemand meer. De Indianen waren blijkbaar in de -meening, dat de vijanden veel verder verwijderd waren dan inderdaad -het geval was. Maar--waar bleef Rob? - -Flip waagde zich aan den rand van het kreupelhout. Aan het einde van -de laan stonden de Roodhuiden besluiteloos te kijken. Nu moest een -poging gewaagd worden om zijn broer te verlossen! - -"Kom mee!" zei Flip, en gedekt door de struiken ijlden zij naar -het Boterbergje. - -In de algemeene opwinding was Rob door de Roodhuiden aan zijn -lot overgelaten. Het plotselinge signaal der bleekgezichten had -hen in den waan gebracht, dat zij door een sterke macht bedreigd -werden. Ondertusschen lag Rob aan handen en voeten gebonden aan den -voet van het Boterbergje. Zoo vond zijn broeder hem. - -"Vlug, vlug!" zei Flip, terwijl hij de lasso doorsneed, waarmee Rob -geboeid was. "We moeten gauw hier vandaan, want de Roodhuiden zullen -in een oogenblik weer hier zijn!" - -Dat behoefde hij Rob geen tweemaal te zeggen. - -De jongens maakten, dat zij wegkwamen, maar nauwelijks hadden zij -den viersprong bereikt en wilden dien passeeren, toen een der daar -dwalende Indianen hen bemerkte. - -De Roodhuid liet een doordringenden kreet hooren. - -En onmiddellijk daarop stormde de heele bende voorwaarts, de -bleekgezichten achterna. Arendsoog voorop, onmiddellijk gevolgd -door Tijgerklauw en Vuurstraal, zaten ze weldra de vluchtelingen op -de hielen. - -Maar generaal Hans had het rumoer in 't bosch gehoord. Snel als de -wind verzamelde hij zijn soldaten en snelde de Roodhuiden tegemoet om -zijn makkers te ontzetten. Nog één oogenblik... en de drie verkenners -waren met den bevrijden Rob weer veilig tusschen de kameraden. - -De Indianen kwamen aanstormen, het werd een gevecht van man tegen -man. Maar de bleekgezichten telden maar vijftien man, terwijl de -Roodhuiden over ruim twintig te beschikken hadden. Al worstelende -en vechtende werden de blanken achterwaarts gedrongen, steeds meer -en meer teruggedreven. De aanvallen der woeste Mohikanen waren zóó -onweerstaanbaar hevig, dat van tegenhouden bijna geen sprake was. - -De blanken werden teruggedreven tot onder de muren van het fort -Sparrenheide. - -Daar kregen ze opeens versterking van de jonge garde, die het fort -bewaakte. Met deze nieuwe krachten ondernamen ze nu een uitval, die -de Roodhuiden niet verwacht hadden en waardoor deze een flink eind -teruggedreven werden. - -Nu omsingelden de Indianen de school, die als fort dienst deed en -het beleg begon. - -Arendsoog bond zijn zakdoek aan een stok en trad naar voren. - -Generaal Hans deed hetzelfde. - -Daar stonden de twee machtige opperhoofden tegenover elkaar. - - - -"Hugh!" zei de Indiaan. "De dappere Arendsoog is gekomen om met het -opperhoofd der bleekgezichten te spreken." - -"En wat verlangt mijn roode broeder?" vroeg de generaal op denzelfden -deftigen toon. - -"De Mohikanen zijn een vreedzaam volk," sprak Arendsoog, "zij jagen -in de bosschen en rooken den vredespijp. Maar de bleekgezichten zijn -gekomen en hebben den rooden man uit zijn bosschen verjaagd, om die -in bezit te nemen. Onze dapperste krijgers hebben zij gedood met hun -vuurwapens. Waar is de Witte Bison? Waar is de Koningstijger? Waar -is de Prairie duivel? Het bleekgezicht heeft ze doodgeschoten. Maar -Arendsoog is het hoofd van den stam der oude helden, Arendsoog zal -de gevallen krijgers wreken. De witte man moet zijn steenen huis aan -de Mohikanen overgeven." - -Generaal Hans keek den Indiaan ernstig aan. - -"Arendsoog wil den oorlog," sprak hij, "maar de witte mannen willen -dien niet. Zij willen in vrede leven met die oude krijgers der -Mohikanen. Het fort behoort aan ons. Wij zullen het verdedigen als -de roode mannen het ons ontnemen willen." - -"Hugh!" riep Arendsoog op minachtenden toon, "de roode krijgers zullen -komen. En vóór het groote licht verduisterd wordt, zullen zij het -bleekgezicht verdreven hebben." - -En met een trotsch gebaar keerde het opperhoofd naar zijn krijgers -terug. - - - -Bijna oogenblikkelijk daarop werd de aanval door de Roodhuiden met -buitengewone hevigheid ondernomen. Maar met niet minder dapperheid -streden de Sparheiders. De Indianen wonnen geen duimbreed grond, -werden zelfs af en toe teruggedreven. - -Het werd inmiddels al later en later en de vechtenden werden -vermoeid. Vooral de Indianen, die zich buitengewoon hadden ingespannen -waren nauwelijks meer tot aanvallen in staat. - -Generaal Hans zag dat zeer goed. Hij verzamelde al zijn soldaten op -één punt en joeg er zóó verbazend snel op de Roodhuiden in, dat deze -niet langer konden standhouden en onder het triomfeerend "hoera!" der -Sparheiders op de vlucht werden gedreven. - -Toen klonk opeens een mannestem: - -"Bravo jongens! Het fort is prachtig verdedigd! Komt nu allemaal -hier! Hans, Flip, Rob, Hein! En de Roodhuiden ook!" - -Het was de heer Bergwoude, die het laatste deel van het spel had -bijgewoond en nu de dappere strijders bij zich riep. - - - - - - - - - -VIERDE HOOFDSTUK. - -EEN PRETTIG BESLUIT EN EEN VROOLIJKE VERTELLING. - - -"Allemaal hierheen, jongens!" - -En mijnheer Bergwoude opende de deur van de gymnastiekzaal, die achter -de school gelegen was. In een oogenblik waren de veertig jongens in -de zaal bijeen. Mijnheer ging op een bankje staan, zijn gelaat stond -vroolijk, want hij had schik in de spelen der jongens. Mevrouw was -op het krijgsrumoer al komen toeloopen om te zien, wat er toch wel -aan de hand mocht zijn. Maar nu keek zij toch ook met een lachend -gezicht naar die vroolijke knapen. - -"Hoor eens, jongens!" sprak Mijnheer, en dadelijk daarop werd het stil, -"ik moet eens even wat zeggen. Jullie hebt vanmiddag een mooi spel -gespeeld! Het was wel een oorlogsspel, maar er zijn geen slachtoffers -gevallen. Het was een spel, waarbij je oogen en ooren goed den kost -moest geven. Jullie hebt je oplettendheid en scherpzinnigheid vanmiddag -kunnen oefenen. Bij het gevecht zijn geen stokken of steenen gebruikt, -bij ieder kwam het op eigen lichaamskracht aan. Dat is ferm, dat is -gezond. Er is niemand mishandeld, ik heb gezien, dat de zwakkere -alleen maar door den sterkere werd teruggedreven. En wie er bij -ongeluk al eens een buil of een schram heeft opgeloopen, die moet -dat dan maar beschouwen als een teeken van heldenmoed. Jullie hebt -je allen kranig gedragen, en ik moet den Roodhuiden mijn compliment -maken, dat zij het nog zoo lang tegen de overmacht hebben uitgehouden!" - -"Hoera!" klonk het dreunend door de zaal. - -"Bravo!" zei Mijnheer Bergwoude. "En nu, jongens, wie wat verdient, -moet wat hebben. Hans, geef jij die groote, ronde doos eens aan, -die daar staat!" - -Hans keek naar den kant, dien zijn vader aanwees en bemerkte nu pas -een kolossale ronde taartjesdoos. Hij gaf die aan zijn vader en deze -toonde haar geopend aan de jongens. - -"Hoera, taartjes!" klonk het. - -"Vooruit jongens, kiest er de heerlijkste maar uit. Ik trakteer de -beide oorlogvoerende partijen," zei Mijnheer lachend en om het goede -voorbeeld te geven, stak hij zelf een roomhoorn in den mond, waarmee -hij vervolgens allerlei gekke gezichten trok, zoodat de jongens het -uitgierden van pret. Zij lieten zich ondertusschen de onverwachte -tractatie heerlijk smaken en rustten op stoelen en banken uit van de -vermoeienissen des oorlogs. - -Toen zei Mijnheer Bergwoude: - -"Ik vind het toch zoo prettig, dat de leerlingen van "Sparrenheide" -zooveel vrienden hebben. En de Baarnsche jongens zijn hun beste -vrienden. Ieder weet wel, dat de jongens van Sparrenheide niet den -heelen dag met den neus in de boeken ziften en dan 's avonds nog -urenlang blokken om 's morgens weer opnieuw te beginnen. Neen, wij -studeeren wat kalmer aan en gaan af en toe eens het bosch in. Wij -timmeren en plakken en cartonneeren allerlei mooie en nuttige dingen, -wij zingen en maken muziek, maar vergeten daarom toch de leervakken -niet. Als wij dag in, dag uit studeerden en al maar blokten en -ploeterden, zouden al onze leerlingen heel gauw zenuwpatiëntjes -worden en heelemaal niets meer kunnen leeren. Nu zijn het ferme, -frissche jongens, met rozen op de volle wangen. En daarom kunnen ze -ook ferm meespelen met hun Baarnsche makkers. Frisch op, Roodhuiden, -en een hartelijk hoera voor de Sparheiders!" - -"Leve de Sparheiders! Hoera!" riepen de Baarnsche knapen. - -"All right, jongens," besloot mijnheer. "Het klokje van gehoorzaamheid -slaat. Nu afscheid nemen van elkaar, de Sparheiders naar hun kamers -en de Roodhuiden op marsch naar Baarn!" - -Dat bevel werd opgevolgd en een oogenblik later verkeerde het bedreigde -fort der bleekgezichten weer in veilige rust. - - - -De slaapkamers der Sparheiders waren op de bovenverdieping, en hadden -alle een deur, die op het balcon uitkwam. Een van die kamers behoorde -aan Hans, Flip en Rob. De drie broers hadden zich wat verfrischt en -rustten nu even uit in hun heiligdom. - -"Zeg," vroeg Flip aan Rob, "hoe kwam jij toch zoo'n stakker om je -door de Indianen te laten inpakken?" - -"Dat was niet stakkerig, dat was..." - -"Slim toch ook niet, Robbekop." - -"Och, jij met je kletspraat," mopperde Rob. "Denk-je, dat het nou zoo -aardig is, om Robbekop tegen mij te zeggen? 'n Kunst! Ik kan ook wel -zeggen: Flip, 'n kikker op je lip." - -"Die naar binnen glipt," voegde Hans er bij. - -"Heel mooi gezegd," plaagde Flip. "Maar toch had ik me niet zoo -één-twee-drie laten inmaken. Hoe is dat toch gebeurd?" - -"Ik heb heelemaal geen zin om dat jou te vertellen," zei Rob. "Als -ik die oude vrouw niet gezien had, dan..." - -"Welke oude vrouw?" vroeg Hans. - -"O, dat is waar ook," herinnerde Rob zich. "Is ze niet bij je geweest, -toen je aan 't eind van de Koninginnelaan lag?" - -"Bij mij?" vroeg Hans weer. "Neen, ik heb niemand gezien." - -"Hee, en ik heb haar nog gezegd, dat ze naar jou moest vragen. Ze kwam -van de Vuursche door het bosch en had onderweg een briefje van tien -gulden verloren. De arme stakker zat te huilen aan de Jagerskom. Ik kon -natuurlijk niet gaan zoeken. Maar ik heb haar naar jou toe gestuurd." - -"Niets gezien," herhaalde Hans. "Ik denk, dat ze 't geld weer gevonden -heeft en toen maar verder is gegaan." - -"Ja, dat kan wel," vond Rob. En verder werd er over die zaak niet -gesproken. - -Maar een oogenblik later kwam de oude huisknecht aan Hans vertellen, -dat er een arme vrouw was, die naar hem vroeg. De huisknecht was een -stokdoove oud-gediende, die Bosman heette. Men moest altijd verbazend -hard roepen om hem iets verstaanbaar te maken en dan nog verstond -hij het meestal heelemaal verkeerd. - -"Hoe heet die vrouw?" riep Hans aan Bosman's oor. - -"Met haar mond, denk ik," zei Bosman. - -"Ach neen, ik vraag niet hoe zij eet, maar hoe zij héét!" - -"Dat weet ik niet" - -"O," zei Rob, "dat is ze bepaald. Wacht Hans, ik ga mee." Hans en Rob -holden naar beneden en Rob herkende dadelijk het arme vrouwtje. Ook -nu had zij nog de tranen in de oogen. - -"Och jongeheer," snikte ze. "Ik was eerst zoo blij. Ik vond de -portemonnaie terug. Maar alles is eruit gehaald! O, ik weet geen -raad. En nu kwam ik vragen, of misschien ... o, ik durf het haast -niet zeggen." - -"Zeg 't maar gerust," moedigde Hans aan. - -"Ach, u moet niet boos worden, als ik 't zeg. Maar een kind is maar een -kind. Het zou toch wel kunnen, dat een van de jongens ... 't gevonden -had ... en 't eruit genomen heeft. Die denkt daar niet altijd kwaad -bij. Maar ik ben een arme, oude vrouw en kan 't niet missen." - -"Welneen," zei Hans. "Zooiets doen ónze jongens niet. Daar hoeft u -niet aan te denken. Maar wij willen het wel eens vragen." - -Op dit oogenblik kwam mijnheer Bergwoude uit de tuinkamer naar de -voordeur. - -"Wat gebeurt er, jongens, en waarom huilt dat vrouwtje?" Rob vertelde -zijn vader met een paar woorden, wat er gebeurd was. - -"Wel dat is een ongelukkige geschiedenis," sprak mijnheer Bergwoude. - -"Maar ik kan je de verzekering geven, vrouwtje, dat geen der jongens -van onze school zoo slecht is geweest om het geld uit de portemonnaie -te nemen. Waar hebt ge die weer teruggevonden?" - -"Op den Hulpweg bij 't Hondenbosch," zei de oude. - -"Zijn jullie in 't Hondenbosch geweest?" vroeg mijnheer Bergwoude -aan Hans en Rob. - -"Neen vader," zei Hans, "dat lag heelemaal uit onze richting. Van -onze troep kan er dus niemand geweest zijn." - -"Zoo. En de andere jongens zijn evenmin hier vandaan geweest. 't -Eenige zou dus zijn, dat een der meisjes ... maar dat zou toch al -heel vreemd zijn. Wacht, ik wil het voor uw zekerheid toch even aan -de onderwijzeres vragen." - -Maar een oogenblik later was de heer Bergwoude al weer terug met de -boodschap, dat de juffrouw dien middag met de meisjes had getennist -en niet in 't Hondenbosch was geweest. - -"Het moet dus een vreemde zijn," vervolgde de hoofdonderwijzer, -"maar daarom zullen we u toch helpen de zaak te onderzoeken. Hoe heet -ge en waar kunnen we u vinden?" - -"Ik ben de weduwe Vorstman, mijnheer, ik woon in de dorpstraat van -de Vuursche." - -"Komaan. Zeg jongens, gaan jullie maar weer naar boven," sprak hun -vader, "ik zal 't wel verder met vrouw Vorstman in orde maken." - -De broers gingen naar boven en mijnheer Bergwoude sprak nog even -met de weduwe. Zij scheen getroost heen te gaan en niet meer over -haar verlies te treuren, want zij lachte nu door haar tranen heen en -stapte heel wat vroolijker naar huis terug. - - - -Om zes uur werd er gedineerd in de groote eetzaal. Mijnheer en Mevrouw -zaten aan 't hoofd van de tafel, dan de onderwijzeres en de onderwijzer -en vervolgens de jongens en meisjes. Die middagtafel was altijd heel -gezellig. En na afloop ging men op mooie zomeravonden nog wat voor -het huis in het gras zitten of een klein wandelingetje maken rond -den heuvel. - -Tegen acht uur, als het zoowat donker werd, bracht de meid een -petroleumlamp buiten, waarvan het licht getemperd werd door een roode -kap. Om de tafel zaten mijnheer en mevrouw Bergwoude met meester -Hooghuizen en juffrouw Wieler. En zoolang het nog geen bedtijd was, -lagen daaromheen de jongens en meisjes van Sparheide. Dat was het -heerlijke verteluurtje, dat om beurten door meester Hooghuizen en de -juffrouw of mijnheer Bergwoude werd gehouden. De zachte schemering, -het omringende bosch met hoog daarboven de aarzelend naar voren komende -sterren, de gezellige kindergroep voor het huis, zacht beschenen door -het tooverroode lamplicht, dat alles werkte mee om een romantische -sprookjesstemming over allen te brengen. - -En 't was vaak, of bij zoo 'n mooi verhaal de sparren en beuken -en dennen stil te luisteren stonden en niet slapen wilden gaan -voordat het uit was. En ieder der vertellers had zoo zijn eigen soort -verhalen. Meester Hooghuizen wist altijd mooie geschiedenissen uit de -vele boeken, die hij las. Juffrouw Wieler vertelde meestal sprookjes -van kabouters en toovergodinnen en nimfen. Dat kon ze wà t mooi, maar -de juffrouw was zelf ook schrijfster en had al heel wat prachtige -sprookjesboeken geschreven. - -Maar als mijnheer Bergwoude aan de beurt was, dan werd er gelachen -om de gekke dingen, die hij vertelde, dat je de tranen van pret over -de wangen rolden. - -Vanavond was hij juist weer aan de beurt van vertellen en de jongens -en meisjes keken hem al verlangend aan. Zij zaten en lagen rondom de -tafel in het gras, mevrouw en juffrouw Wieler hadden een haakwerkje -ter hand genomen en meester Hooghuizen lag in een gemakkelijken stoel -een sigaar te rooken. - -Mijnheer Bergwoude had juist zijn lange goudsche pijp opnieuw gestopt -en aangestoken en scheen wel van plan, iets te gaan vertellen. Daarbij -knipte zijn eene oog ondeugend, alsof hij zeggen wou: Nu zullen jullie -weer wat moois komen te hooren. - -"Ik weet eigenlijk voor vanavond geen nieuw verhaal," sprak hij, -"maar ik zal mijn beurt wel moeten waarnemen en daarom zal ik je eens -iets vertellen uit de allereerste kinderjaren van Hans, Flip en Rob." - -De drie broers werden van alle kanten lachend aangekeken, maar zij -waren ondertusschen zèlf nieuwsgierig naar hetgeen hun Vader daarvan -vertellen zou. - -"Ik woonde hier pas een paar jaar," begon mijnheer, "en de drie -jongens waren nog maar heel klein. En nu zal je hooren, hoe de drie -kleuters op een goeden dag met een hofrijtuig van de Koningin Moeder -werden thuisgebracht. Op den dag, dat mijn verhaal een aanvang neemt, -was Hans, de oudste, vier jaar. Daarop volgde Flip, die 3 jaar was -en dan had je Robert, bijgenaamd Bobbie, die pas 1 jaar telde, maar -niettegenstaande dat de grootste ondeugd was van heel "Sparrenheide." - -Hans en Flip waren wilde rakkers en toch niet zoo ondeugend als -Bobbie. Deze éénjarige jongeheer was véél kalmer, een heel stil -ventje, maar buitengewoon lastig. Je kwam nooit met hem uitgepraat, -hij liet je niet los, als je met hem begon te praten. Hij was een -lief en aardig kereltje, o zeker, maar de dreumes maakte in stilte -plannen en voerde ze dan uit ook, dingen, die den menschen een heelen -hoop last bezorgden. Hij vond allerlei ondeugende streken uit, maar -lachte er nooit zelf om. - -Bobbie was altijd ernstig. - -Hij hield veel van eten, van vechten, van honden en van vogels. Maar -het meest hield hij van zijn vader en moeder. - -Katten kon hij niet uitstaan. Als hij er een te pakken kreeg, greep -hij het dier bij den staart, slingerde poes een paar maal in het rond -en gooide haar dan van zich af. Met de dienstmeiden was hij meestal op -voet van oorlog. Dat kwam, omdat hij, als hij er den kans toe had, de -halve keuken naar buiten sleepte en dan met een hamer alles stuksloeg. - -Alles, in de gangen en in de kamers, dat niet vaststond, nam hij -mee naar buiten. En daar ging het dan onder den hamer. Vader had het -hem al honderdmaal verboden, moeder al wel duizendmaal. Maar Bobbie -scheen erg vergeetachtig en was den volgenden dag opnieuw met zijn -hamer in de weer. Soms viel hij overdag, als hij in den tuin of het -bosch speelde, in slaap. Dat was heelemaal niet erg, maar daarbij had -hij de gewoonte, 's nachts urenlang wakker te liggen en dan allerlei -zonderlinge geluiden te maken. - -Dat was voor de slapenden niet prettig, erg lastig. - -Bobbie sprak maar vier woorden: vajie en moejie, leja en akiboekie. - -Dit Bokkenspaansch beteekende: Vader en moeder, lekker en -leelijk. Alles wat Bobbie mooi vond of graag lustte, was "leja" en wat -niet naar den jongenheer z'n smaak was, noemde hij "akiboekie." Meer -woorden zei hij nooit en wilde hij ook niet zeggen. Want met de -genoemde vier woorden kon hij best terecht. De rest deed hij met -gebaren. Een kus van moeder was "leja" maar een kus van vader met z'n -baard was "akiboekie." Verder maakte Bobbie zich nooit boos of driftig, -hij huilde alleen maar als de dokter in huis kwam, anders nooit, en als -hij niet lief en aardig was, dan was hij lastig, alleen maar lastig! - -Hans en Flip geleken in bijna alles op elkaar, maar verschilden ook -samen in alles evenveel als Bobbie. - -Zij waren beiden even wild, even uitgelaten-vroolijk, even vlug in 't -hardloopen en lachten om 't hardst om alle dwaze dingen van Bob. Zij -bemoeiden zich echter maar weinig met hem, want Bobbie voelde zich vèr -boven zijn broers verheven en wilde zich liefst maar alléén vermaken. - -Tusschen Hans en Flip bestond een soort bondgenootschap, maar tusschen -hen beiden en Bobbie was 't meestal oorlog. - -Omdat zij alle drie nog te jong waren, gingen zij niet op school. Er -was te Baarn wel een bewaarschool, maar ik liet mijn kinderen liever -in het bosch spelen, dat was veel gezonder voor hen. Bovendien moesten -zij alle middagen een uurtje slapen. Dat slapen ging met Hans en Flip -niet zoo gemakkelijk als met Bobbie. Bob kon om zoo te zeggen slapen -als hij wou, dat kwam misschien wel, doordat hij zooveel at en zoo -dik was. Maar Hans en Flip waren heel niet slaperig uitgevallen en -'t kostte moeder heel wat moeite, die twee des middags een uurtje te -laten rusten. - -Op een dag, dat de leerlingen met hun onderwijzer voor een uur -de schoolbanken verlaten hadden om in het bosch wat te spelen, -stapte kleine Bobbie het huis uit, wandelde den heuvel af en stak -den straatweg over, die dwars door het bosch liep. Toen sloeg hij het -grintpad in, dat naar de school leidde en trad binnen. Hij deed dat zoo -kalm en zoo zeker, alsof iemand hem gezegd had, dat hij dit moest doen. - -In 't eerste lokaal bleef hij staan en stak zijn vinger in den -inktpot. Dat zijn vingertje toen heelemaal zwart was, vond hij -vreeselijk prà chtig. - -Daarop stak hij den vinger in zijn mond, hij wilde eens proeven, -of dat zwarte goedje ook lekker smaakte. Maar dat viel niet mee. Hij -trok een leelijk gezicht en zei: "Akiboekie." - -Toen scheen de gedachte in zijn kleine hersentjes op te komen, -dat de andere kinderen dit zwarte drankje maar liever niet moesten -drinken. En daarom wipte de kleuter den inktpot er uit en goot dien -leeg op den grond. - -Zoo deed hij met alle inktpotten. - -Na dit zware werk verricht te hebben, wandelde hij doodbedaard door -de inktplassen en gleed uit. - -Hij viel met zijn neus in den morsboel. Zijn witte boezelaar zag er nu -bijzonder mooi uit, vond hij. Hij smeerde ook zijn bloote beentjes -er mee vol en stapte aldus toegetakeld weer naar buiten. Bobbie -vond dat hij nu in school genoeg geleerd had en ging eens op den -straatweg kijken. - -Daar kuierde een groote tor over de steenen. Bobbie ging erbij zitten -om eens te zien, of de tor niet op zijn schoot wilde zitten. Toen -kwam er in de verte in razende vaart een automobiel aan. De heer, -die de auto bestuurde, zag het kleintje midden op den weg zitten. - -Hij toeterde uit alle macht. - -Bobbie was verdiept in 't beschouwen van de zwarte tor. - -De auto toeterde, de heer zwaaide met zijn arm. - -Bobbie zag de auto wel, en den mijnheer, die zoo tegen hem zwaaide, -zag hij ook wel. Maar hij vond het heelemaal niet noodig, een eindje -op zij te gaan. De heer in de auto rèmde, zwaaide nogmaals zijn arm. - -En Bobbie zwaaide vriendelijk terug. - -Toen schoot de vreemde heer in een lach. Hij liet de automobiel -stilstaan, stapte er uit en droeg Bobbie, dat zwartgezicht naar een -kant van den weg. En daarna reed hij weer verder. - -Kleine Bob had ondertusschen de zwarte tor uit het oog verloren, maar -scheen zich opeens te herinneren, dat hij vandaag nog geen bezoek -had gebracht aan de keuken. Hij had vandaag nog niets stukgeslagen, -en daarom werd het hoog tijd eens wat op te zoeken, dat erg mooi in -stukken kon vliegen. - -Met dit goede voornemen klom hij het heuvelpad weer op, dat naar -zijn huis leidde, toen opeens Hans en Flip in vliegende vaart op hun -rolwagentje van boven kwamen aanrijden. - -Er was geen haar op Bobbie z'n hoofd, dat er aan dacht, ook maar -één stap op zij te gaan. En nu kwam het rolwagentje recht op hem af, -zoodat het tegen hem aanbonsde en omsloeg. - -Er rolden nu vier dingen den heuvel af: het rolwagentje, Hans, Flip -en Bobbie. - -Dat heele stelletje ging holderdebolder naar beneden en toen er niets -meer te rollen was, omdat de weg beneden weer effen was, kropen ze -allemaal overeind, behalve het rolwagentje. De vierjarige Hans vond -het niemendal mooi van Bobbie, om expres midden in den weg te gaan -staan en hun mooie rutschbaan te bederven. - -Hans was spin-nijdig. - -En de driejarige Flip gaf zijn éénjarige broertje een klap. Maar -Bobbie was ook niet van gisteren, die zette zijn tien nagels in Flip's -gezicht en zei: Leja! - -Flip werd daardoor buiten gevecht gesteld en Hans vond dat per slot van -rekening zóó kranig van zijn jongsten broer, dat hij weer vriendschap -sloot. Hij zette den rolwagen weer overeind en zei tot Bobbie: - -"Ga d'r maar in zitten!" - -Ja, dat vond Bobbie aardig en zelfs Flip hielp mee, den kleinen dikzak -in het wagentje te hijschen. Hij en Hans trokken de equipage voort -over den boschweg, wat zeer naar genoegen was van den kleinen schelm, -die maar aanhoudend "Leja, Leja!" riep. De kinderen dwaalden al verder -het bosch in, hielden af en toe eens halt en raapten dan allerlei -schoone dingen op. Vooral spar-appels en plakjes mos. Die vonden zij -altijd verbazend mooi: Bobbie probeerde of hij spar-appels kon opeten, -maar dat beviel hem al heel slecht en hij zei: "Akiboekie." Ook een -paar torren en rupsen werden in den wagen geladen, waar de beestjes -aldra lustig rondkropen over het mos en Bobbie's beenen. - -Zoo scharrelden de drie broers al verder en verder, en eindelijk -hadden ze de Koninginnelaan bereikt. Hoe of het nu precies gegaan -is, zou ik je onmogelijk kunnen zeggen, maar in elk geval schijnt -de rolwagen omgeslagen te zijn. Dat Bob er uitgevallen is, zal wel -zoo klaar als koffiedik zijn. Ze zijn toen met hun drieën tusschen -de boomen gaan spelen. Nu reed er toevallig door het bosch een -rijtuig van het paleis. Als de Koningin niet uitreed, moesten toch -de paarden hun dagelijkschen wandelrit maken, en juist bij den hoek -van de Koninginnelaan gingen de wielen van het rijtuig over het -rolwagentje heen. - -De koetsier hield stil en raad eens, wat hij deed? Hij vond het wat -heel hard om de drie peuters met hun gebroken wagentje aan hun lot -over te laten en stopte toen 't heele gevalletje in het rijtuig. - -Stel je nu onze verbazing voor, toen me daar een hofrijtuig kwam -aanrijden met drie kwajongens er in! Dat wij den koetsier hartelijk -bedankt hebben voor het terugbrengen van de drie zwervers, behoef -ik jullie niet eens te zeggen. Ziezoo, en dit heb ik je nu maar eens -verteld, omdat ik voor vanavond geen ander verhaal wist. - -Er was heel wat gelachen door de jongens en meisjes, en de drie -jolige broers werden van verschillende kanten geplaagd met die -avonturen. Vooral Robert. Er werd al door de meisjes besloten, om -hem voortaan Bobbie te noemen. - -Bobbie, Bobbie! klonk het uit den meisjes hoek. Maar Rob wierp ze -een vernietigenden blik toen en zei: "Stumpers!" - -"Allons, jongelui!" besloot mijnheer Bergwoude, "de klok slaat negen -uur. Naar bed, naar bed!" - -De jongens en meisjes gingen naar hun kamers, om morgen vroeg weer -den heerlijken Zondag te kunnen genieten. De overigen bleven nog wat -praten voor het huis. - -En weldra heerschte er rust en stilte op Sparrenheide. - - - - - - - - - -VIJFDE HOOFDSTUK. - -IN DEN NACHT. - - -Hans, Flip en Rob sliepen op één kamer. Tegen drie van de vier muren -stond een ledikant, de vierde wand had glazen deuren, die naar het -balcon leidden. - -Het was een verrukkelijke zomernacht geen windje suisde door het bosch, -geen blaadje bewoog. - -Flip sliep onrustig. Hij had de dekens van zich afgeworpen en draaide -zich van de eene zijde op de andere. - -Opeens schrok hij wakker en kwam overeind. Hij wreef zijn oogen -eens uit en keek de kamer rond. De broers sliepen als marmotten, -'t was doodstil. - -"Ben ik nou wakker of slaap ik?" mompelde Flip in zichzelven, "ik ben -een olienoot als ik het weet. Hè ... is me dat schrikken! Maar ik zou -wel eens willen weten, waarvan ik eigenlijk geschrokken ben! Ik heb -bepaald gedroomd, dat ik uit een vliegmachine viel en op de punt van de -Gedenknaald terecht kwam. Enfin, ik geloof wel, dat ik nou wakker ben." - -Flip had altijd de gewoonte met zichzelven heele gesprekken te -voeren. Hij deed dan precies of hij tegen een ander sprak en gaf -zichzelf dan ook steeds antwoord. - -"Komaan," zei hij, "ik geloof, dat ik een beetje hoofdpijn heb. Het -is dan ook verbazend warm in bed. Het zal een prachtige nacht zijn, -weet je wat, ik ga een luchtje happen op het balcon, dan zal de -hoofdpijn ook wel zakken." - -Daarop trok hij wat kleeren aan, stak zijn voeten in pantoffels en -opende zoo zacht mogelijk de balcondeuren. - -Inktzwart lag het bosch voor hem, wat lichter boven de boomen was de -hemel met de flonkersterren als diamanten op fluweel. Doodsche stilte -hing over heel de omgeving. Flip hoorde hier het tikken van de Friesche -hangklok, beneden in de gang. Hij leunde een poosje over de balustrade -van het balcon en genoot van den heerlijken zomernacht. Toen wandelde -hij eens om het huis heen, wat gemakkelijk ging, daar het balcon de -woning geheel omringde. Overal sliepen de kostleerlingen, overal was -'t geheel donker, alleen op de kamer van juffrouw Wieler sputterde -een nachtlichtje. Van de jongenskamers stond één deur op een kier. - -"Die hebben 't ook bepaald warm," mompelde Flip en wandelde onhoorbaar -verder. Toen kwam hij weer bij zijn eigen kamer en bleef daar nog even -naar de sterren kijken. Wat was dat toch een prachtig gezicht. Jammer -dat de maan er vannacht niet was. Dan zou... - -Er kraakten takken in het bosch, dichtbij het huis. - -Wat nu? - -Flip luisterde scherp. - -Het kwam van de andere zijde van 't huis. - -Weer gekraak... toen voetstappen van iemand die voorzichtig over het -grint van den tuin liep, om geen onnoodig leven te maken. - -Maar in den stillen nacht toch duidelijk te hooren. - -Flip was niet bang uitgevallen, om den drommel niet, en hij stond -zijn man als 't op een eerlijke vechtpartij aankwam. Maar in -dit nachtelijk uur maakte het zonderlinge geluid hem toch wel wat -zenuwachtig. Niettemin besloot hij voorzichtig te gaan zien, wie daar -in den tuin wandelde. - -Een andere gedachte stelde hem weer gerust. Wel, evengoed als hij kon -toch ook iemand anders uit het huis de buitenlucht opgezocht hebben, -omdat het binnen te benauwd was? Och wel ja, zoo zou 't wel zijn. - -Om den hoek van 't balcon bleef hij staan en keek over de balustrade -in den tuin. - -Wat hij dáár zag, verschrikte hem opnieuw. - -Het balcon werd door houten palen ondersteund. En nu klom er iemand -tegen een der palen omhoog. - -Flip kon maar ternauwernood in 't duister de donkere gedaante -onderscheiden. - -Een hand greep de leuning, er verscheen een hoofd... en langzamerhand -heesch de donkere gedaante zich over de balustrade. - -Het was een jongen. - -Maar een vreemde jongen was het niet, hoewel Flip door de duisternis -en den afstand onmogelijk kon onderscheiden, wiè het was. De jongen -opende voorzichtig de balcondeur, die op een kier stond, en verdween -in zijn slaapkamer, waarna hij de deur geheel sloot. - -Daarna werd het weer doodstil. - -Zonderlinge gevoelens en gedachten bekropen Flip. - -Wat had dat te beteekenen? Waarom kwam die jongen zoo midden in den -nacht op zulk een steelsche wijze het huis in? - -En wie was het? - -Flip wist maar niet, wat hij ervan denken moest. Tallooze vragen -drongen zich herhaaldelijk aan hem op. Maar het eenigste, wat hij wist, -was dat een der jongens van kamer No. 9, dit had hij goed gezien, in -den nacht het huis binnenklom en er dus ook wel op dezelfde manier -uitgegaan zou zijn. Nu was de vraag: deed hij dat elken nacht of -was het slechts voor dezen éénen keer? Of gebeurde dat alleen des -Zaterdags? Flip besloot om er voorloopig maar niets van te zeggen en -liever eerst eens uit te kijken, of de jongen dat ook meer deed. Hij -wachtte nog eenige minuten of misschien nog iets gebeuren zou, maar -toen alles stil bleef en hij weer behoefte aan slaap begon te voelen, -ging hij zijn slaapkamer binnen en strekte zich in zijn bed uit. - -Nog even dacht hij over het gebeurde na, maar zijn jonge lichaam had -nog te veel slaap noodig en het duurde niet lang, of hij snurkte weer -even hard als zijn broers en droomde van Indianen en bleekgezichten -en hofrijtuigen dat het een aard had. - - - - - - - - - -ZESDE HOOFDSTUK. - -BAREND VAN DE LAGE VUURSCHE. NACHTELIJKE VERVOLGING. - - -Wanneer je van Instituut "Sparrenheide" een kwartiertje den -grintweg volgde in Westelijke richting, dan kwam je van zelf in de -uitgestrekte bosschen van het kasteel Groot Drakenstein in de gemeente -De Vuursche. 't Was daar nog een echte wildernis met verborgen holen en -spelonken, vijvertjes en beekjes, onderaardsche gangen en geheimzinnige -hoekjes. Werden de Baarnsche bosschen angstvallig-netjes onderhouden, -boompjes gesnoeid, de paden zelfs bijgeveegd of 't kamervloeren -waren, in de bosschen van de Vuursche ging de natuur haar eigen -gang en tooverde er de meest romantische plekjes. Voor de jongens en -meisjes van Sparrenheide was dan ook het bosch van Drakenstein een -paradijs van genot! Want je had er behalve de reeds genoemde heerlijke -dingen nog een oeroude kapel, de Hermitage, die er ongeveer 1650 werd -neergezet. Dit steenen gebouwtje staat zóó diep in het groen verborgen, -dat men wel precies den weg moet weten, om het te vinden. Het ligt -aan den vijver, die geheel met kroos is bedekt en omringd is door -oude beuken en sparren. De achterzijde komt op dat vijvertje uit. Van -dien kant gezien lijkt de kapel een eeuwenoude ruïne, terwijl aan de -voorzijde de gevel nog vrijwel in zijn geheel staat. En je had er de -Grot, een gemetseld gewelf, waarin vroeger een kluizenaar moet gewoond -hebben, die echter nooit door iemand is gezien, voorts een prachtige -echo, een vischkom en tal van donkere, begroeide slingerpaden. - -Kon er heerlijker omgeving zijn voor een troep vroolijke jongens en -meisjes? Waar kon men mooier spelletjes verzinnen dan temidden van -al die heerlijkheden? - -Jammer, dat er bij al dat moois toch nog iets leelijks was, of liever -gezegd, iets, dat er maar beter gemist had kunnen worden. Aan den -dorpsweg van de Vuursche, een groep eenvoudige woningen met een kerk, -een school en een logement er tusschen, stond een klein huisje, -waarin een veertigjarig man met zijn zoon woonde. - -Die man heette Ranke en was een zeer berucht strooper. In de bosschen -van Drakenstein vindt men tallooze konijnen, zelfs wat herten, maar het -spreekt wel vanzelf, dat die er niet waren om door stroopers geschoten -en verkocht te worden. De veertienjarige zoon heette Barend en beloofde -het waardig evenbeeld zijns vaders te zullen worden. Nauwelijks zes -jaar oud, was hij overgelaten aan de zorgen van zijn vader, maar die -keek ternauwernood naar zijn zoontje om. De kleine Barend was al -blij, als hij het overschot van vaders brood mocht opeten en geen -slaag kreeg. En Ranke vond, dat hij al bijzonder goed en vaderlijk -het kind behandelde, door hem 's morgens een stuk brood te geven met -af en toe een pak slaag. - -Deze vreemde manier van opvoeden had tengevolge, dat Barend meer -buiten- dan binnenshuis te vinden was. Zomer en winter, bij regen en -ontij zwierf hij door de bosschen en langs de woningen. Hier en daar -deed hij dan wel eens een boterham of een bord warm eten op en als hij -'s avonds niet thuiskwam, dan sliep hij wel ergens in een stal of in -een hooiberg. Hij werd een rechte wildeman, hoewel hij werkelijk geen -slecht karakter had. Het ongeregelde leven, dat hij leidde, was er de -schuld van, dat hij heelemaal verwilderde. Bovendien was het gezelschap, -dat zijn vader vaak meebracht in de kleine woning, ook niet bijzonder -geschikt om Barend wat fatsoen en netheid te leeren. Want de vrienden -van Ranke waren eveneens geduchte stroopers, die er tevens van hielden, -sterken drank te drinken en om geld te spelen. - -De dorpsbewoners hadden er den vader al meermalen opgewezen, dat hij -den jongen naar school moest zenden. En inderdaad had Ranke zijn zoon -op zekeren dag erheen gebracht. Maar de meester kon weinig of niets -beginnen met het wilde boschkind. - -Barend, ofschoon toen nog pas acht jaar, was zóó ongemanierd en ruw, -dat hij inderdaad een gevaar voor de andere leerlingen werd. - -Hij spuwde tegen het bord, waarop de meester nieuwe sommen had -geschreven, hij trok zijn buurman de haren uit het hoofd en sloeg hem -half dood. Hij schopte de papiermand door de klas en schold den meester -uit voor alles, wat leelijk was. Maar dan greep de meester hem stevig -beet en zette hem buiten de school. Een oogenblik later werd er een -ruit ingegooid of een hoop modder door 't open raam geslingerd. En -telkens weer opnieuw had de meester het met hem geprobeerd. - -Totdat het op een keer te erg was geworden. - -Toen de meester even zijn klasse had verlaten en één der grootste -jongens ervóor had gezet om toe te zien, was Barend opeens uit zijn -bank gesprongen. Hij gaf den jongen, die met een griffel en een lei in -de hand voor de klasse stond, een schop, dat-ie wel over zes banken -tegelijk heenvloog en ging toen zelf op de voorste bank staan. Met -meesters dikken stok stond hij dreigend voor de kinderen en schreeuwde: - -"Nou allemaal naar huis! Vooruit, het is vacantie!" - -Maar de kinderen durfden natuurlijk niet uit hun banken gaan. - -"Vooruit! Opgerukt!" schreeuwde Barend en hij begon er zóó geweldig -met den stok op los te timmeren, dat hij binnen vijf minuten de heele -klas de deur uitgeslagen had! Dat was al te erg geweest en na dien -tijd had Barend geen voet meer in school mogen zetten. - -Het gevolg daarvan was, dat het er met zijn geleerdheid droevig -uitzag. Hij kon in het geheel niet lezen of schrijven. Omdat Barend -zoo vreeselijk dom was, kon hij ook niet slecht zijn. Hij was, wat -zijn vader en het wilde leven van hem hadden gemaakt. - -Want Barend hoorde vaak van de andere dorpsjongens, dat zij mooie -boeken konden lezen en brieven schrijven, dat zij konden rekenen met -groote getallen en allerlei mooie en nuttige dingen kenden. Als Barend -dan alleen in het bosch dwaalde of heel gemoedelijk met een hert te -praten zat, dat hem al jaren kende en in het geheel niet schuw was, -dan verlangde hij ernaar, ook te kunnen lezen en schrijven. - -Maar de meester wilde er niets meer van weten en niemand op het heele -dorp geloofde dan ook, dat er in Barend nog iets anders zat, dan -ruwheid en slechtheid. Intusschen leefde Barend maar dag in dag uit in -de bosschen. Hij kon met de vogels meefluiten, door langdurige oefening -deed hij hen zóó precies na, dat zij hem voor een collega hielden; hij -lokte de eekhoorntjes naar zich toe en floot de woudduiven, de herten -gaf hij namen en als hij riep, kwamen ze van verre aangeloopen. Dan -gaf hij ze een korst brood en liefkoosde ze. - -Dat waren zoo zijn alledaagsche, maar ook zijn éénige vrienden. - -In den laatsten tijd bemerkten de bewoners van de Vuursche iets -bijzonders aan den jongen. - -Men zag hem 's avonds nooit meer ergens inkruipen om er te slapen -en het leek wel--hoe was het mogelijk--dat de wildeman een beetje -fatsoenlijker begon te worden. Eerst had iemand hem door het bosch -zien gaan met een gewasschen gezicht en gekamde haren! - -Het heele dorp had ervan overeind gestaan. - -Toen had een ander hem ontmoet met een behoorlijk pak kleeren aan... en -kousen en schoenen! - -Wat gebeurde er toch met den wilden jongen en wie had hem zoo -onverwachts al dat goede geleerd? - -Heel de omgeving sprak erover. - -Maar niemand wist het. - - - -Zooals Flip zich had voorgenomen, had hij ook gedaan. Tegen niemand -dus had hij iets gezegd, want hij wist in de eerste plaats niet, wat -er eigenlijk gebeurde, wiè de uit- en inklimmer was en bovendien hield -hij er heelemaal niet van, om een ander te verraden, zonder te weten, -wat deze nu wel eigenlijk had misdaan. - -Maar in stilte had Flip toch het plan gemaakt, om vanavond eens op den -uitkijk te gaan zitten en te zien, wie van kamer negen die nachtelijke -uitstapjes maakte. Hij had heel den dag al de drie kamerbewoners, -Hein Veere, Piet Broeser en Jacob Heintze goed in het oog gehouden, -maar niets bijzonders opgemerkt. - -Alle drie waren uitstekend oppassende jongens en geen van hen zag er -naar uit, of hij iets verborg, dat anderen niet mochten weten. - -Inplaats van naar bed te gaan, zei Flip aan Hans en Rob, dat hij nog -wat op het balcon bleef, hij had weer een beetje hoofdpijn. De broers -wenschten hem beterschap en gingen rustig slapen. - -Terwijl Flip in een donkeren hoek van het balcon gedoken zat, -totaal onzichtbaar in de duisternis, hield hij de oogen gericht op -de balcondeur van kamer negen. - -Maar de uren verstreken en er gebeurde niets. - -Dus ... de jongen ging toch niet elken avond er op uit? - -Flip vond, dat hij voor ditmaal lang genoeg had gewacht en ging -onverrichterzake naar bed met het voornemen, den volgenden avond weer -op wacht te gaan. - -Den tweeden avond ging hij dus weer en zei nu aan de broers, dat -hij toch de eerste uren maar wakker lag en dus liever nog wat in de -frissche lucht bleef. - -"Ga je nou weer op 't balcon staan," vroeg Hans verbaasd, "wat vind -ik dat gek." - -"Voor mijn part vind-je 't krankjorum," zei Flip, "maar daarom doe -ik het toch." - -"Hij wil sterrekundige worden," zei Rob. - -"Nou, weet je wat," zei Hans. "Ik blijf je voor de gezelligheid een -beetje gezelschap houden." - -"Neen, neen," zei Flip, "dat is heelemaal niet noodig. Ik kan je -niet gebruiken." - -"O, moet mijnheer alléén zijn? Mag ik er niet bijwezen?" - -"Liever niet." - -"Zoo. Maar wat gebeurt er dan 's avonds op het balcon?" - -"Gebeuren? Wel, niets. Gebeurde er maar wat. Het is doodstil en nog -al vervelend." - -"Ga dan ook naar bed." - -"Merci, ik slaap tòch niet. En zanik nou asjeblieft niet langer en -kruip in je mandje." - -"Boe-boe, wat een drukte. Nou blijf ik lekker op," zei Hans. - -"Je doe maar," zei Flip. "Maar dan ga ik in den tuin." - -"Hoor eens, je bent een geheimzinnig stuk mensch. Enfin, wat kan 't -mij ook schelen. Ga mijnentwege den heelen nacht op 't dak zitten! Wel -te rusten, ik ga slapen." - -Een oogenblik later zat Flip weer op zijn post en was 't in de -slaapkamer stil geworden. - -Toch sliep Hans niet. - -Het zonderlinge gedrag van Flip gaf hem veel te denken. Wat drommel zoo -gek deed Flip nooit, wat mankeerde zijn broer opeens? En wat voerde -hij daar toch uit op het balcon? Een luchtje scheppen? Larie hoor, -ze schepten hier den heelen dag lucht, o hee, boeren-wagens vòl. Nee, -daar zou wel iets achter zitten. Weet-je wat, nou niet gaan slapen -en goed luisteren, of er soms van buiten af iets te hooren was. En -ondertusschen gauw wat kleeren aantrekken, maar zachtjes, opdat Rob -niet wakker wordt! - -Hans greep zijn kousen en zijn kleeren en deed die, in bed zittend, -weer aan. Hij verliet echter het bed niet, om bij een onverwachte -binnenkomst van Flip dadelijk onder de dekens te kunnen schieten. - -Zoo wachtte hij wel meer dan een half uur zonder dat hij ook maar -het minste geluid vernam. - -Zou Flip soms in slaap gevallen zijn? - -Het was bijna niet denkbaar, dat iemand zich zonder bijzondere reden -zoo doodstil hield. - -Daar hoorde hij opeens wat. Voetstappen. - -Stil ... kwam Flip weer naar binnen? - -Neen ... de deur bleef dicht ... nu hoorde hij niets meer. Ja, daar -was het weer ... Flip liep zachtjes voorbij de deur van de slaapkamer. - -"Wat was er toch aan de hand." - -Nu nam Hans een kloek besluit. Hij wilde in elk geval weten, wat Flip -in den nacht op het balcon uitvoerde. Hij liet zich zoo zachtjes -mogelijk uit het bed glijden, liep op zijn teenen naar de deur, -pantoffels in de hand. - -Voorzichtig opende hij de deur, stak zijn hoofd er buiten. - -En nog net kon hij zien, hoe Flip over de balustrade van het balcon -klom en zich langs een der palen naar beneden liet glijden. - -Drommels, dacht Hans, wat zullen we nu beleven? Ja ja, ik dacht wel, -dat er iets bijzonders aan de hand was. Maar ik mag geschoren worden -als ik er wat van begrijp. Wat zal ik doen? Hem achterna gaan? Dat -was in elk geval wel het beste om ineens het fijne van de zaak te -weten te komen. Komaan, de klimpartij langs balustrade en paal was -een kinderachtig kunstje en zoo duurde 't niet lang, of Hans volgde -Flip en Flip volgde den nachtelijken wandelaar, in wien hij ondanks -de duisternis al dadelijk Jacob Heintze herkend had. - -Welke reden deze Jacob Heintze, die een der beste leerlingen was, van -Instituut "Sparrenheide," had om des nachts uit te breken, begreep -Flip evenmin als dat zijn broer Hans snapte, wat Flip in het bosch -te zoeken had. - -De torenklok sloeg tien uur. - -Flip volgde Jacob langs den grintweg, terwijl Jacob midden op den weg -liep en aldus zijn voetstappen duidelijk te hooren waren, volgde Flip -hem over het mos. - -Daar was het voor Hans verbazend lastig om zijn broer in het oog te -houden, want tusschen de boomen was het stikdonker. Maar ondertusschen -werd het een vermakelijke geschiedenis. Want in de eerste plaats dacht -Jacob, dat hij alleen was, ten tweede was Flip in de meening, dat Hans -rustig was gaan slapen en dus niet wist, dat hij Jacob vervolgde, -en ten derde dacht Hans er in het minst niet aan, dat Flip juist -hetzelfde deed als hij: een ander volgen. - -Nu mankeerde er nog maar aan, dat Rob er achteraan kwam. - -Maar die sliep als een marmot en wist op dat oogenblik niet eens, -dat hij op de wereld was. - - - - - - - - - -ZEVENDE HOOFDSTUK. - -ALLEMAAL HOOFDPIJN. - - -Flip kende Jacob Heintze te goed om niet vooruit te kunnen weten, dat -de jongen zich niet met slechte en misdadige vrinden ophield. Maar -juist dat verergerde Flip's nieuwsgierigheid nog veel meer, want -daardoor begreep hij heelemaal niet, wat Jacob bezielde om in 't -donker het bosch in te gaan. - -Hans dacht er precies zoo over, hij begreep evenmin wat Flip bezielde. - -Intusschen was het Hans zoo goed als onmogelijk om Flip te volgen, -want deze was tusschen de boomstammen bijna onzichtbaar. - -Halt, daar hoorde Hans voetstappen! Flip liep dus midden op den weg? Nu -even luisteren! Het geluid verwijderde zich. Op zijn beurt ging Hans -nu op het mos loopen, maar hij liep wat te haastig en daardoor bonsde -hij een paar maal tegen een boom aan. Dat was niet prettig en het kwam -hem ook heel slecht gelegen, want nu moest hij even blijven staan -om zich den neus te wrijven. Sapperloot, wat dat zeer deed! Zoo'n -boom gaf ook heelemaal niet mee! Maar... waar was Flip ondertusschen -gebleven? Hemeltje, daar was hij al bij den viersprong van 't bosch -van Drakenstein! - -Welken weg was Flip ingeslagen? - -Hij luisterde scherp. - -Maar er heerschte doodsche stilte. - -Op goed geluk sloeg hij een zijweg in, hopende, spoedig weer het geluid -van Flips voetstappen te hooren. Maar hoewel zijn eigen voetstappen -in het mulle zand van den zijweg geen geruisch maakten, hoorde hij -evenmin het loopen van een ander. - -'t Bleef stil om hem heen en hij kwam weldra tot de overtuiging, -dat hij de verkeerde richting was ingeslagen. Hij keerde dus terug -naar den viersprong en probeerde het langs een anderen weg. Deze -bracht hem in 't dichtste gedeelte van het bosch. Daar hoorde hij -weer duidelijk iemand loopen! - -Ha! daar ging Flip dus! - -Hans haastte zich in die richting, vanwaar het geluid der voetstappen -kwam. - -Toen kwam er opeens een man met een geweer van achter een der boomen -te voorschijn en riep hem toe: - -"Duivelsche jongen, wil je wel eens maken, dat je wegkomt!" - -Hans schrikte verbazend en deed, wat alle jongens in dat geval zouden -gedaan hebben: hij liep wat hij loopen kon! - -Het was Ranke, de strooper. - -Waar was Flip intusschen gebleven? - -Die had Jacob weten te volgen tot dichtbij het dorp de Vuursche, maar -ook al door de dikke duisternis, die er in de bosschen heerschte, had -hij hem daar geheel en al uit het oog verloren. Dat was erg jammer, -want nu was al zijn moeite tevergeefsch geweest en wanneer hij het -al nòg eens probeerde, kon hij toch wederom Jacob door de duisternis -uit het oog verliezen en zoo kwam hij geen stap verder. Misschien was -het ten slotte nog maar het beste, om aan Jacob onder vier oogen te -vragen, wat hij toch des nachts in het bosch uitvoerde. Jacob zou -hem dan natuurlijk alles moeten vertellen en dat was per slot van -rekening de eenvoudigste manier. Komaan, langer zoeken in 't donkere -bosch leidde toch tot niets en hij mocht al blij wezen, wanneer hij -zonder te verdwalen weer veilig op Sparrenheide aankwam. - -Flip ging dus onverrichter zake terug en was weldra weer op den -grintweg, die langs "Sparrenheide" liep. - -Op dat oogenblik had Hans juist weer den tuin bereikt en trad door -het hek naar binnen, toen hij tot zijn grooten schrik bemerkte, dat -Meester Hooghuizen, die een vergadering te Hilversum had bezocht, -zoo juist per fiets was teruggekeerd en nu in zijn kamer, die in den -tuin uitkwam, nog wat te lezen zat. - -Groote goden, hoe kwam hij nu veilig en ongemerkt op zijn slaapkamer? - -Dat was me nu ook een leelijke kink in den kabel! Hans hield -onwillekeurig den adem in en keek in de gezellige studeerkamer. - -Meester Hooghuizen zat in zijn leuningstoel en rookte een pijp. Een -boek hield hij in de hand, maar op het oogenblik las hij daarin -niet. Het lamplicht straalde naar buiten en verlichtte nog een deel -van den tuin. - -Hans hoopte maar, dat meneer daar niet lang zou blijven. Het was -immers zóó doodstil, dat hij het minste geluid dadelijk zou hooren? - -Maar de onderwijzer scheen nog niet aan slapen-gaan te denken. - -Toen kreeg Hans een ingeving. - -Komaan, dacht hij. Laat ik net doen of ik een beetje in den tuin -wandel. Daar kan niets bijzonders in zijn. Bovendien heb ik mijn -pantoffels aan, dus dat is al zoo huiselijk, als 't maar kan. - -En Hans stapte langzaam, alsof hij maar 'n loopje had gemaakt, den -tuin in. - -Het volgende oogenblik hief meester Hooghuizen luisterend het hoofd -op. Toen stond hij op en kwam in de geopende deuren staan, keek in -'t donker van den tuin. - -"Wie daar?" vroeg hij. - -"Ik meester, ik ben 't, Hans." - -"O, ben jij 't? Je bent ook laat, zeg. Heelemaal geen slaap?" - -"Neen meneer, 'k had het nogal warm. En zoo'n hoofdpijn. Daarom ben -ik wat naar buiten gegaan." - -"Zoo. En is 't nu wat gezakt?" - -"Gelukkig wel! Kom, nu ga 'k maar slapen. Wel te rusten, meneer." - -"Good night, Hans! Is de deur wel open?" - -"Neen meneer, die is op slot. Maar ik klim wel in den paal." - -"Nee, doe dat niet. Ik heb den sleutel en zal je wel even binnen -brengen. Nou, slaap lekker, Hans." - -Leuke jongen, dacht hij, flink type die Hans. Ik mag hem wel. Kom, -nu nog even de krant lezen. - -Terwijl meester de krant ter hand nam, ging Hans naar boven en -bereikte veilig zijn slaapkamer. Maar hij dacht er nog niet over, -om naar bed te gaan. De teleurstelling, die hij had ondervonden, -nu Flip hem in de duisternis ontsnapt was, had hem een beetje boos -gestemd. Wat duivelkater, hij mòest en zou dan tóch wel te weten komen, -wat Flip uitvoerde! Wacht, hij zou zijn carbidlantaarn nemen en Flipje -even bijlichten, wanneer broertjelief dacht weer netjes in het donker -te zullen binnenglippen. - -En Hans maakte in stilte zijn lantaarn in orde en kroop ermee in een -donkeren hoek van het balcon, het licht zorgvuldig bedekt houdende. - -Het duurde niet lang, of meester Hooghuizen, die het zijne in de -courant had gelezen, hoorde opnieuw voetstappen in den tuin. Denkende, -dat Hans nog niet naar bed was gegaan, riep hij naar buiten: - -"Ben je daar alweer, Hans?" - -Maar tot zijn verbazing hoorde hij de stem van Flip: - -"Neen meneer, ik ben het." - -"Zoo Flip, ben je ook nog zoo laat op?" - -"Ja meneer, ik had zoo'n hoofdpijn, en daarom ben ik maar weer -opgestaan." - -"Hm, zoo zoo. Enne... nu weer beter?" - -"Ja, gelukkig wel, meneer. Nu, dag meneer. Wel te rusten." - -"Dag Flip." - -Meester Hooghuizen keek hem na. Hij blies een groote rookwolk den tuin -in. Merkwaardig, dacht hij, eerst Hans en nu Flip. Als daar maar niets -achter schuilt. Ik moet die twee daar morgen eens naar vragen. Daarop -wandelde hij zijn kamer op en neer, bleef voor de boekenkast staan -en nam er een band uit. Hij bladerde even in het boekje en zette het -toen weer op zijn plaats. Dan nam hij een ander, bekeek het even, -deed het open, sloeg het weer dicht en zette ook dà t weer tusschen de -andere. Hij dacht aan heel andere dingen dan aan boeken. Die Hans en -Flip toch! Wat beteekende toch dat wandelen in den nacht? Waren ze -'t bosch in geweest? Hadden ze werkelijk allebei hoofdpijn? Of was -dat maar een leugentje geweest? Dat zou wel 't akeligste van alles -zijn, als de jongens hèm leugens wijsmaakten! Daarvoor ging hij veel -te vriendschappelijk met al de jongens om! Ze konden hem gerust -hun grootste geheimen toevertrouwen, hij zou er nooit iemand iets -van gezegd hebben! En terwijl meester Hooghuizen daarover nadacht, -hoorde hij voor de derde maal voetstappen in den tuin. - -Wel groote hemel, wie was dat nou weer? Wrevelig liep hij naar den -tuin en riep daar: - -"Zeg nachtpit, kom eens als de drommel hier!" - -Meester dacht, dat er nu wel weer een jongen zou te voorschijn komen, -maar tot zijn groote verbazing en schrik was het mijnheer Bergwoude -zèlf. - -"Goeienavond, Hooghuizen," sprak deze lachend, "hier is de nachtpit." - -"Pardon, 'k vraag beleefd excuus," zei de onderwijzer, "ik dacht, -dat er een jongen in den tuin liep." - -"Ah, zoo, nu, ik neem het je volstrekt niet kwalijk. Ik ben anders -nooit zoo laat op, dat weet je wel, maar vanavond had ik zoo'n -ontzettenden hoofdpijn, dat ik het niet in huis kon uithouden." - -"U--u--ook al!?" - -"Wat?" - -Meester Hooghuizen wist niet, hoe hij het had. Hield men hem vanavond -voor den gek of was dat alles toeval? Had de heele familie Bergwoude -vanavond dan hoofdpijn? - -"Wat bedoelt ge toch?" vroeg mijnheer Bergwoude, die vol verbazing naar -het niet minder verbaasde gezicht van meester Hooghuizen keek. Maar -deze bedacht zich snel, hij wilde tóch Hans en Flip nog niet verraden. - -"Ik bedoel,.. dat ik vanavond ... al meer menschen heb ontmoet... die -hoofdpijn hadden. 't Schijnt bepaald in de lucht te zitten." - -Meester zuchtte van verlichting. Daarop sprak hij met den -hoofdonderwijzer over hetgeen er op de vergadering gesproken was en -daardoor dacht hij spoedig niet meer over menschen met hoofdpijn. - -De beide heeren bleven nog eenigen tijd praten en na verloop van een -half uur vertrok de heer Bergwoude weer naar zijn eigen kamers. - -Meester Hooghuizen ging zijn kamer sluiten. - -Hij liep naar de tuindeuren, en....... - -Daar hoorde hij voor den vierden keer iemand loopen! - - - -"Wel alle goden van Olympus!" zei hij, "ik ben een bolvormige driehoek -als dat Rob niet is! Of anders mevrouw Bergwoude! De heele familie -maakt vanavond hoofdpijnwandelingen!" - -Maar het was plotseling stil geworden in den tuin, meester Hooghuizen -hoorde niets meer. Nu vertrouwde hij het zaakje in het geheel niet -meer en daarom stapte hij vlug den tuin in. - -"Wie is daar?" - -Geen antwoord. - -Maar de meester zag iets tusschen de struiken bewegen. - -Hij liep er snel heen en trok een jongen bij den arm te voorschijn. - -"Hallo, wie is dat nou weer? Kom, doe je mond eens open en geef -antwoord! Ah, ik zie het al! Jacob Heintze! Kom jij eens in mijn -kamer, vriend!" - -Jacob volgde den meester. - -"Zeg eens," sprak deze, "je kunt een stoel nemen en gaan zitten. En -als ik je nu vraag, wat je nog zoo laat in den tuin doet, behoef je me -niet te vertellen, dat het je boven te warm was en dat je hoofdpijn -had, want daar geloof ik toch niets van. Jullie denkt bepaald, dat -ik mij met een leugentje laat afschepen, maar ik zal je vertellen, -dat ik nu eens weten wil, wat er vanavond hier gebeurt. Wie komen er -nà jou nog binnen?" - -Jacob Heintze begreep er niets van. - -"Na mij meester? Dat weet ik niet. Ik denk, niemand." - -"Dus jullie waart met z'n drieën?" - -"Met--z'n drieën?" - -"Ja natuurlijk, eerst is Hans binnengekomen, 'n uur geleden, -toen Flip 'n kwartier later en nou jij. Je ziet, dat ik alles -weet. Verzwijg nu maar niet langer de waarheid en zeg me, wat jullie in -'t bosch deedt! Toe Jacob, wees niet kinderachtig. Hebben jullie een -roovershol? Wordt er soms een grap uitgehaald? Wordt er een gefopt? Als -'t iets aardigs is, doe ik graag mee. Of is 't om mij te doen?" - -Jacob schudde het hoofd. - -"Ik weet niet, wat Hans en Flip gedaan hebben, mijnheer, ik heb -daarmee niets te maken." - -"Maar wat voerde jij dan uit in den tuin?" - -"Och--zoomaar." - -"Kletspraatjes. Zóó maar! Als ik je niet vóór was geweest, had je -mij natuurlijk ook verteld, dat je hoofdpijn had! Dus je wilt het -mij niet zeggen?" - -"Ik kan het u niet zeggen, mijnheer." - -"Zooals je wilt. Misschien vind-je het prettiger, morgen alles aan -mijnheer Bergwoude te vertellen? Want nu zeg ik hem natuurlijk, -dat je klokke twaalf in den nacht bent thuisgekomen." - -"Mijnheer!" riep Jacob "neen ... doet u dat asjeblieft niet!" - -"Ah zoo, dus dà t liever niet? Welnu, zeg dan alles aan mij, en ik -zal zien, dat niemand het te weten komt." - -Toen keek Jacob even peinzend naar den grond, hij moest een besluit -nemen. Welnu, hij zou meester Hooghuizen à lles zeggen! - - - - - - - - - -ACHTSTE HOOFDSTUK. - -HET RAADSEL WORDT OPGELOST. - - -"Ziezoo," dacht Hans, terwijl hij in zijn donkeren balconhoek -verscholen zat en Flip naar boven hoorde klauteren, "daar komt sinjeur -terug! Wat zal hij raar opkijken als hij merkt, dat-ie gesnapt is! Stil -... daar is-ie!" - -Juist aan den tegenovergestelden hoek van Hans klom Flip over de -balustrade. - -Maar op hetzelfde oogenblik, dat hij weer op z'n beenen stond, schoot -Hans, de lantaarn recht voor zich uit houdend, uit zijn schuilplaats -te voorschijn en riep hem toe: - -"Waar ben jij naar toe geweest?" - -Flip schrikte zoo ontzettend van dit plotseling op hem gerichte -verblindende licht, dat hij een luiden schreeuw gaf en de handen voor -de oogen sloeg. - -Zelfs Hans ontstelde van den weeromstuit. - -Hij wendde dadelijk het licht van Flip af en zei, met zenuwachtig -bevende stem: - -"Flip ... jò ... schrik je zoo? Ik ben 't maar, hoor ..." - -Toen sloeg hij zijn arm om Flips schouders en nam hem mee naar de -slaapkamer, waar hij de lantaarn op een tafel zette. Flip zat te -beven op een stoel, maar scheen toch langzamerhand zijn kalmte terug -te krijgen. - -"Hans," sprak hij, en zijn lippen trilden, "wat gemeen, wat in-gemeen -... om me zoo te laten schrikken... ik dacht, dat ik mij half dood -schrok ..." - -"Ja, 't is geweldig stom van me," bekende Hans, "hier Flip, drink -eens. Ik heb 't heusch zóó niet bedoeld, kerel. Wat vind ik dat nou -misselijk ellendig, zeg, dat jij daarvan zoo geschrokken bent." - -Flip dronk wat. De schrik zakte al. - -"Waarom dee-je dat nou, Hans?" - -"Ach jó, 't is eigenlijk voor de helft je eigen schuld. Waarom zei -je niet dadelijk tegen mij, dat je 't bosch in ging? Je vertelde -ons maar een leugentje, toen je zei, dat je op 't balcon bleef, -omdat het binnen zoo warm was. - -"Hoe weet je dat?" - -"Ik heb je naar beneden zien klimmen." - -"Maar hoe weet je nou of ik in 't bosch ben geweest?" - -"Ik ben je achterna gegaan, maar in 't donker ben ik je kwijtgeraakt." - -"Net goed. Maar zeg heb jij 'm niet gezien?" - -"Meester Hooghuizen bedoel je? Ja zeker. Hij vroeg, wat ik zoo laat -in den tuin deed. Toen zei 'k maar, dat ik hoofdpijn had." - -"Hè, wat? Heb jij dat gezegd?" - -"Ja, wat zou dat?" - -"O heerekrentenbaard, die is goed! Dat heb ik óók gezegd!" - -Hans en Flip rolden van 't lachen tegen een stoel aan, die omviel. - -Ze waren eerst bang, dat Rob er wakker van zou worden, maar dit -jongmensch sliep zoo vast, dat ze hem uit zijn bed op het balcon -hadden kunnen leggen, zonder dat hij wakker werd. - -"Zeg," zei Flip, "maar ik bedoelde meester Hooghuizen niet." - -"Wie dan?" - -"Wel--Jacob Heintze natuurlijk!" - -"Jacob Heintze? Wat heeft die er nu mee te maken?" - -"Wel droomer, snap je dat niet? Ik ging Jacob na." - -"Ik verklaar er geen zier van te begrijpen," zei Hans. - -"Dus je wou alleen maar eens zien, waar ik bleef. En je hebt Jacob -heelemaal niet gezien?" - -"Ik heb Jacob vanavond net zoo min gezien als Jan Klaassen." - -"Nou, dan zal ik je de zaak uitleggen. Ik had al eens gemerkt, -dat Jacob 's nachts langs den paal naar boven klom. Dat vond ik erg -vreemd. Daarom ging ik gisteren avond op den uitkijk zitten, maar -toen kwam hij niet. En nou snap je wel, waarom ik jou vanavond niet -bij me wou hebben. Enfin, toen ik eindelijk lang genoeg gewacht had, -kwam Jacob voor den dag en klom naar beneden. Ik hem achterna. Hij -liep wel tot aan de Vuursche toe, zeg." - -"Zoo. En ik toen jou achterna. Wat een stel! Maar wat voerde hij -daar uit?" - -"Ja, als je dat mij zegt, dan weet ik het ook." - -Op dit oogenblik ontwaakte Rob. - -"Zeg ... houën jullie je snaters, ik kan heelemaal niet slapen," -mopperde hij. - -"Stil maar, broer, we gaan al slapen." - -"Zijn jullie nog niet naar bed geweest?" - -"Nee." - -"Wat heb je dan gedaan?" - -"Niks." - -"Zeg het nou, flauwerikken." - --- -- -- -- - -"O, laten jullie me maar kletsen?" - --- -- -- -- - -"Nou, loopen jullie dan voor mijn part naar de hei!" - -"Merci Robbekop, pas geweest! Wel te rusten hoor!" - - - -Jacob Heintze was de eenige zoon van een rijk grondeigenaar in -Gelderland. Zijn vader had hem op het instituut van den heer Bergwoude -geplaatst, omdat Jacob vroeger steeds met ziekte had te kampen gehad -en daardoor niet zoo goed het gewone schoolonderwijs kon volgen. Niet -álleen, dat Jacob met zijn kennis van rekenen en taal ten achter was -bij andere jongens van zijn leeftijd, maar hij kon er ook volstrekt -niet tegen een heelen dag tusschen vier muren te zitten en hard te -leeren. Er zijn honderden jongens en meisjes, die daar eigenlijk -ook niet tegen kunnen, maar ze moeten wel met de anderen mee, omdat -hun ouders niet in de gelegenheid zijn, hen op zoo'n school als -"Sparrenheide" te plaatsen, of omdat er geen in de buurt is. - -Wie een helder hoofd en een vlug verstand heeft, och, voor dien is -het geen kunst, de lessen prompt te leeren en alles te begrijpen, wat -de meesters zeggen. En behoor je toevallig tot degenen, die niet zoo -vlot kunnen leeren en onthouden, die niet zoo vlug van begrip zijn, -en zit je op een gewone school, waar geen tijd is om op je te wachten, -wanneer je niet zoo hard meekunt, wat gebeurt er dan? Je gaat al gauw -tot de "dommen" behooren en de vrinden kijken je er op aan. En als je -'t dan nog treft, dat je 's avonds voor een berg huiswerk zit, waar -je haast niet doorheen komt, dan is 't te begrijpen, dat je zenuwen -op het laatst van streek raken. - -En zoo gaat het met een massa jongens en meisjes. "Sparrenheide" -was juist daarom zoo'n prachtige school, omdat niet dag in dag uit -werd doorgebracht met rekenen, taal, aardrijkskunde, geschiedenis, -algebra, meetkunde, enz. enz. enz., maar wanneer er van 's morgens 9-1 -uur met een uur pauze in school gewerkt was en daarna het middagmaal -was gebruikt, gingen de jongelui van 2 tot 3 rusten in den tuin en het -bosch. Ieder had zijn eigen hangmat. Na 3 uur ging de eene afdeeling -cartonneeren of timmeren, de andere teekenen of den tuin verzorgen, -een derde baden, turnen of iets anders doen. En wie dan nog wat -geholpen moest worden bij zijn werk vond in mijnheer Bergwoude of in -meester Hooghuizen en juffrouw Wieler altijd een bereidwillig helper. - -Daarbij werkte de heerlijke, gezonde boschomgeving zoo uitstekend mee, -dat zelfs het zwakste kind op Sparrenheide aanmerkelijk vooruitging -en tóch nog wat leerde ook. Om al die redenen had de vader van Jacob -Heintze zijn zoon naar Sparrenheide gezonden. En Jacob, die vroeger in -Tiel altijd gesukkeld had met de gezondheid, was gedurende het jaar, -dat hij reeds op Sparrenheide had doorgebracht, een flinke, stevige -jongen geworden, die nu goed zijn best deed bij het leeren en van -geen sukkelen meer wist. Natuurlijk ging dat leeren zachtjesaan en -heel kalm, maar op die manier kwamen Jacob en zijn medeleerlingen toch -heel wat beter vooruit dan wanneer ze het alledaagsche schoolonderwijs -hadden moeten volgen. - -Jacob was een goede jongen, een lobbes. Hij was bijzonder gul en gaf -desnoods het beste weg, wat hij bezat, om iemand maar een genoegen -te kunnen doen. - -En het was juist door zijn zachten aard en zijn goedhartigheid, dat -meester Hooghuizen zich te meer verbaasde, dat Jacob in den nacht -uit het bosch kwam, alsof hij aan het stroopen was geweest. Maar -toen de jongen dan eindelijk besloten had, om alles maar te zeggen, -keek de meester weer wat gemoedelijker en zei: - -"Vooruit dan, Jacob, voor den dag ermee!" - -En toen deed Jacob een verhaal, waarvan mijnheer Hooghuizen verwonderd -opkeek! - -Een paar weken geleden had Jacob namelijk met de jongens in het -bosch gespeeld nabij de Vuursche en was daar een oogenblik van de -anderen afgedwaald. - -Het was juist bij de Vischkom, dat hij even uitrustte. Terwijl hij -zich over het water boog om naar een waterspin te kijken, rolde zijn -zilveren potlood uit zijn borstzak in den vijver. Toevallig kwam daar -Barend Ranke voorbij. Hij zag, hoe Jacob met een hand op den bodem -van den vijver zocht. - -"Wat zoek je daar?" vroeg hij. Maar Jacob was een beetje bang van -den wilden boschjongen en gaf geen antwoord. - -"Ben je bang van me?" vroeg Barend spottend. "Wil ik je eens opnemen -en midden in de kom gooien? Wat zouden je mooie kleertjes nat worden." - -Maar Jacob had geen zin om ruzie te maken met den zoon van den -beruchten strooper. - -Hij wou probeeren den jongen om te koopen, dat zou hem allicht wat -vriendschappelijker stemmen. - -Maar Jacob had geen geld bij zich, en 't eenige wat hij op het -oogenblik had, wat als geschenk kon dienen, was een prachtige -vulpenhouder met een gouden pen. - -Hij haalde dat pronkjuweel uit den zak en toonde het Barend. - -"Kijk eens, wil je dat hebben?" - -"Dat zwarte ding? Wat heb ik daaraan?" - -"Kijk maar. Ik schroef het open. Wat zit er in? Een gouden pen. Nu -zet ik dit stuk weer op den anderen kant en kijk, nu schrijf ik je -naam in mijn zakboekje." - -Barends oogen glinsterden van begeerte. - -"En--waar is de inkt dan?" vroeg hij. - -"Wel, die zit er in." - -"In de penhouder?" - -"Ja--." - -"En staat daar nou: Barend?" - -"Precies." - -De anders zoo ruwe, ongemanierde jongen was één en al verbazing. Je -schroefde een zwart houtje los en dan kwam er een gouden pen te -voorschijn en je kon schrijven zonder een inktpot noodig te hebben! - -"En----en mag ik dat nou hebben?" - -"Ja, als je mij tenminste niet in het water gooit." - -"Neen, dat zal ik niet doen. Jij bent een goeie jongen. Jij scheldt -me niet uit, zooals de anderen allemaal doen. Maar ik ben ook veel -grooter dan jij. Ik zou je wel kunnen doodslaan." - -"Asjeblieft niet," zei Jacob lachend. - -"Neen, wees maar niet bang. Laat nog eens kijken in dat boekje? Staat -daar nou heusch: Barend?" - -"Ja zeker." - -"Ik wou, dat ik ook schrijven kon. Maar ik mag niet meer op school -komen." - -"Waarom niet?" - -"Meester wil 't niet meer. Meester is bang van me." - -"Hoe komt dat zoo?" - -"O, dat weet ik niet meer. Ik heb, geloof ik, op een keer den heelen -boel kapot geslagen. En ik gooide altijd steenen door de ramen in -school. Wat moet ik nou met die gouwe pen doen? Ik kan toch niet -schrijven. Zeg, heb jij boeken?" - -"Genoeg," zei Jacob. - -"Met van die mooie platen er in? Beesten en soldaten en een oorlog?" - -"Ja, ik geloof het wel. Wou je graag zoo'n boek hebben?" - -"Nou, dat zal waar zijn. Wanneer krijg ik het dan?" - -"Vanavond." - -En zoo pratende gebeurde er iets vreemds met beide jongens. Jacob -Heintze, het keurige, nette zoontje van den rijken grondbezitter -voelde zich langzamerhand aangetrokken tot deze verwilderde, ruwe, -onbeschaafde jongen, die de schrik van den omtrek was ... en Barend -vond in Jacob een vriend, zooals hij nooit had ontmoet. Een gouden pen -had hij hem gegeven en een mooi boek beloofd, dat-ie vanavond kreeg! - -Barend was dien avond in de nabijheid van Sparrenheide gekomen en -Jacob had hem ongemerkt een zijner oude prentenboeken weten te brengen. - -Niemand mocht natuurlijk weten, dat Jacob met den verachten boschjongen -sprak. - -Maar van het een was het ander gekomen. - -Jacob, die van nature een zacht en medelijdend karakter had, vond -in Barend een leerling, die alles deed wat de ander zei. Zij hadden -elkander nu meermalen in het bosch opgezocht, zonder dat iemand het -ooit te weten was gekomen. Zij deden dat niet met de bedoeling om -kwaad te doen, te stroopen of te stelen, maar integendeel om veel -goeds van elkaar te leeren. Jacob leerde den strooperszoon in de -eerste plaats netheid en orde, vervolgens begon hij hem les te geven -in lezen en schrijven. - -Meester Hooghuizen hoorde dat alles in de grootste verbazing aan. - -"En gebeurde dat altijd in den laten avond?" - -"Ja, mijnheer," antwoordde Jacob. "Ik kon het op geen anderen tijd -ongemerkt doen. Niemand mocht het weten, want als u of mijnheer -Bergwoude daar iets van gemerkt had, zou het natuurlijk niet meer -mogen." - -"Neen, dat spreekt van zelf. Maar hoor eens, Jacob! Jij bent een -brave jongen, en dat je den armen, verwaarloosden Barend van de Lage -Vuursche met zachtheid en vriendschap zoo langzamerhand tot een goed -mensch weet te veranderen vind ik prachtig! Zoo iets bevalt me! Maar -je moogt niet meer zoo 's avonds laat er op uit gaan. Je zoudt ziek -worden! Ik zie al kringen onder je oogen van dat late opblijven! Dus -dat mag niet meer. Met Barend zullen we verder zien, ik zal eens -probeeren, of ik wat voor hem doen kan." - -"O mijnheer, als dat eens waar was!" - -"We zullen zien, Jacob, we zullen zien. Maar nu, hemel, het is al -half één. Wil je wel eens als de drommel naar bed gaan?" - -"Ik ga al," lachte Jacob. "Slaap wel, mijnheer." - -"Bonsoir," zei meester. "Nu moet jij ook naar boven klimmen, hè? Nou, -tot morgen, hoor!" - -Meester Hooghuizen sloot de tuindeuren, draaide het licht uit en ging -eveneens ter ruste. Hij droomde, dat al de jongens van Sparrenheide in -'t donker de palen van 't balcon op en af klommen en al maar riepen: -hoofdpijn! hoofdpijn! En Barend sprong er als een kikker tusschen -door en sloeg iedereen met een kolossalen vulpenhouder, zoo groot -als een boomstam. - - - - - - - - - -NEGENDE HOOFDSTUK. - -VELDWACHTER BUIKJE. - - -"Ziezoo, vrouw Vorstman," zei Barend, toen hij van uit het tuintje -de hut van de arme weduwe binnentrad, "de tuin is in orde en het -schuurtje is schoongemaakt. Zal ik nu den klimop nog wat opbinden?" - -De arme vrouw keek Barend glimlachend aan. - -"Doe dat nu morgen maar, mijn jongen. Kom toch binnen, dan krijg je -een kom koffie en een boterham." - -'t Was Maandagmorgen. De zon brandde aan den hemel. - -Het tuintje van vrouw Vorstman schitterde van bloemenkleuren in -'t zonnegoud. - -"Het huisje is nu mooi," zei Barend. - -"Dat zal wel waar zijn" sprak zij, "maar dat komt ook, doordat ik -tegenwoordig zoo'n goeden tuinman heb." - -"Ik heb er plezier in, vrouw Vorstman. En ik houd van u." - -"Och ... je bent niet slecht, Barend, de menschen zeggen het wel, -maar ..." - -"Het kan mij heelemaal niet meer schelen, wat ze van me zeggen. Ik -hoor alleen maar wat u zegt en wat Jacob zegt. En ik wou dat u mijn -moeder was, vrouw Vorstman." - -"Goeie jongen ... zeg jij maar gerust, "moeder" tegen mij, hoor." - -"Ja, dat is goed." - -"Kom Barend, en nu de boterham en de koffie. Eet ze met smaak!" - -Juist zou Barend beginnen, toen de deur van de kamer geopend werd -en de dikke gemeenteveldwachter verscheen. Plotseling sprong Barend -op en vloog als een razende door de achterdeur, den tuin in, sprong -daar over een heg en verdween in het bosch. - -"Hei, hier! Barend! Hier zeg ik je!" riep de veldwachter. Maar Barend -liet hem roepen en was minstens al een paar honderd meter uit de buurt. - -"Wel heb je nou toch ooit!" zei Veldwachter Bunze, die met deze warmte -een hoofd had als een reuzentomaat. - -"Wat moet je van hem?" vroeg vrouw Vorstman. - -"Wel, de schooier moet op "Sparrenheide" komen. De directeur van -'t Instituut moet hem spreken. En nou gaat de schelm aan den haal!" - -Veldwachter Bunze was niet bemind bij de dorpsbewoners, en daarom was -het volstrekt niet te verwonderen, dat vrouw Vorstman hem antwoordde: - -"Wat een wonder, Bunze, dat zou iedere jongen voor jou toch doen?" - -"Zoo, je bent wel vriendelijk." - -"Ben jij het dan, Bunze? Je weet heel goed, dat ik de eenige ben op -het dorp, bij wie je af en toe nog eens kunt komen praten, maar de -anderen bedanken ervoor." - -"Zoo, ja; dat heb je me nou al zoo dikwijls verteld, dat weet ik -nou wel. In elk geval vraag ik er niemand om. Ik ben hier niet in de -gemeente aangesteld om koffiepraatjes te houden bij jan en alleman, -maar om de orde te handhaven." - -"Och kom." - -"Natuurlijk! Wat zou er van de veiligheid op den weg en in het bosch -overblijven, als ik er niet was? Het is hier een rooversnest, dà t zeg -ik. En ik bewaak de eigendommen. En zoolang ik hier ben, en zoolang -ik hier de baas ben ..." - -"Wel wel, jij hier de baas? En de burgemeester dan ...?" - -"De burgemeester is het hoofd der gemeente. Ik ben de uitvoerende -macht. Dat is staatsinstelling, dat staat in de grondwet." - -"Ach man, zit niet te huilen," lachte het spotzieke vrouwtje. "Drink -de koffie maar op, de jongen komt toch voorloopig niet terug." - -Dat liet Bunze zich geen tweemaal zeggen. Hij was een man van ruim -veertig jaar en buitengewoon dik. Zóó dik, dat hij haast niet meer -voortkon. Dat was niet zoo heel erg, omdat er in het kleine gehucht -nooit iets gebeurde, waarbij de veldwachter hard moest loopen. Die -geweldige buik had hem den bijnaam "Veldwachter Buikje" bezorgd. Ook -op Sparrenheide was hij onder dien naam bekend. Zooals het meer -met menschen gaat, die weinig of niets te doen hebben, verbeeldde -Bunze zich, dat hij het verbazend druk had en dat hij onmisbaar -was. Hij was zeer trotsch op zijn vak en meende, dat er geen grooter -autoriteit in heel den omtrek was dan hij, sprak graag over zijn eigen -gewichtigheid en gebruikte woorden, die hij zelf niet begreep. Daarbij -schold hij altijd en op iedereen, noemde zijn dorp een rooversnest -en een dievenhol en alle bewoners waren in zijn oogen misdadigers, -die hij in de gaten moest houden. - -Zijn hoofd was kogelrond. Het weinige haar, dat hij bezat, was boven -zijn voorhoofd tot een hoogopstaande kuif bijeengekamd. Wel drukte -de uniformpet die mooie kuif onverbiddellijk omlaag, maar zoodra hij -de pet afzette, streek hij haar met de vingers al draaiend weer omhoog. - -Terwijl vrouw Vorstman nu met haar huishoudelijke bezigheden voortging, -dronk Bunze zwijgend de koffie van Barend op en nam tevens de vrijheid, -diens dikke boterham met kaas naar binnen te werken. Hij begreep wel, -dat dit niet de bedoeling van vrouw Vorstman was, en daarom stapte -hij maar op, toen de boterham naar binnen was. - -"Komaan, vrouw Vorstman, wel bedankt voor de koffie. Ik stap nou maar -op en zal eens zien, of ik den schooier vinden kan." - -"Welken schooier?" - -"Wel, dien stroopersjongen. Op Sparrenheide moet-ie komen. Wat-ie -daar uitvoeren moet kan je wel begrijpen. Hij heeft natuurlijk weer -een of andere streek uitgehaald. Ik begrijp niet, waarom ze dien -dagdief niet allang naar de tuchtschool hebben gestuurd." - -"Dat zal anders nu wel gauw uit zijn, Bunze." - -"Waarom?" - -"Wel, heb je dan niet gemerkt, dat hij zijn leven betert? Wat heeft-ie -al niet van jongenheer Heintze geleerd! Het zou mij niets verwonderen, -als de meester van Sparrenheide hem wou voorthelpen." - -"De directeur van het jongenheeren-instituut?" stoof Bunze op. "Denk -je dat die zich bemoeit met zulk gespuis, met zulk tuig, met zulke -struikroovers? Maar dan ben ik er ook nog, ik zal mijnheer Bergwoude -wel eens inlichten." - -"Ja, doe dat," spotte het vrouwtje, "dan kan meneer Bergwoude ook -nog eens lachen." - -Maar Bunze antwoordde niet, in booze stemming liep hij weg. En als -hij boos was, dan zocht hij altijd het een of ander, om er zijn woede -aan te koelen. Het eerste het beste wat hem dan in den weg kwam, -moest het ontgelden. De kippen van den smid liepen rustig over den -weg. En de haan stapte parmantig, heelemaal niet schuw, juist voor -de voeten van den opgewonden, dikken veldwachter heen. - -Uit woede gaf hij het fraaie dier een schop, dat het luid kakelend -over den weg vloog. - -Maar die haan was ook niet voor de poes. - -Het woedende dier vloog plotseling klapwiekend op Bunze aan, en -hakte met zijn scherpen snavel op diens gezicht, dat de veldwachter -het uitschreeuwde. - -Hij zwaaide met zijn korte, dikke armen en sloeg eindelijk den haan -van zich af. - -Met de verwondingen liep het, gelukkig voor hem, nog al los, ofschoon -het bloed hem uit een gaatje in de wang liep. - -Maar nu was ook zijn woede ten top gestegen! - -Hij trok zijn sabel en wilde er opnieuw den haan mee te lijf gaan, -toen opeens de smid naar buiten kwam en hem, proestend van het lachen, -toeriep: - -"Hei hei, Bunze, het is hier geen hoenderslachterij!" - -"Houdt dien haan vast!" schreeuwde Bunze, en wees met uitgestoken -sabel op het dier, dat niet van plan scheen, voor den dikkerd aan -den haal te gaan. - -Maar de smid deed niets dan lachen. Er kwamen nog wat buren bij en -toen werd het een relletje. - -"Ik zal proces-verbaal opmaken tegen jouw haan!" - -De menschen schaterden het uit. - -Nu raakte Bunze heelemaal de kluts kwijt. Hij maakte zich hoe langer -hoe driftiger, wat met het oog op de warmte niet goed voor hem was. En -hij wist ternauwernood meer wat hij zei. - -"Houdt je mond als je tegen me spreekt!" schreeuwde hij de lachende -omstanders toe en die dwaze uitroep had een orkaan van gelach ten -gevolge. - -Dat deed de woede van den dikzak ten top stijgen en hij zou bepaald -de menschen met zijn sabel te lijf zijn gegaan, wanneer niet toevallig -de burgemeester in zijn auto was voorbijgekomen. - -De auto stopte en de burgemeester kwam er uit. - -De dorpelingen groetten hem, maar Bunze vergat dit. Hij hield nog -altijd den getrokken sabel in de hand en liep er den burgemeester -mee tegemoet. - -"Burgemeester!" riep hij op hoogen toon, "ik constateer hier -insubordinatie!" - -De burgemeester zei niets, maar hij gaf eerst den omstanders een wenk, -dat zij naar huis zouden gaan, wat allen ook onmiddellijk deden, -en aan Bunze een teeken, dat hij zijn moordwapen zou opbergen. Toen -liep hij met den veldwachter een eindje den weg op, zoodat niemand -anders hem kon verstaan en zei: - -"Hoor eens Bunze, ik verzoek je nu uitdrukkelijk en voor den laatsten -keer je niet zoo belachelijk aan te stellen zooals nu, door b.v. met -getrokken sabel tusschen rustige dorpelingen te staan. Wat was er -nu weer?" - -Bunze kroop heelemaal in zijn schulp, want nu de burgemeester hem -zoo kalm naar het gebeurde vroeg, voelde hijzelf, dat het toch niet -heelemaal in orde was met dien haan. - -Hij antwoordde niet dadelijk, want hij vond het toch wel wat al te gek, -om te zeggen, dat-ie den haan als voetbal had gebruikt. - -Toen keek de burgemeester hem eens aandachtig aan en zei: - -"Wat is dat? Je bloedt! Wie heeft dat gedaan?" - -"Dat ... dat heeft--de haan van den smid gedaan, burgemeester." - -"De--háán Bunze, houd je me nu voor den gek?" - -"Neen burgemeester. De brutaliteit van dat beest..." - -"Brutaal--die haan? Wat zei-die dan tegen je?" - -"Wat-ie zei, burgemeester? Wel, hij zei niets. Hij vloog op me aan en -maakte zich schuldig aan een ernstige mishandeling van een ambtenaar -in functie!" - -Nu schoot de burgervader in een hartelijken lach, en wie van de -dorpsbewoners dat om een hoek van verre hoorde en zag, lachte in -stilte mee. - -Maar de burgemeester bracht den dikken veldwachter aan het verstand, -dat hij zich toch weer buitengewoon dwaas had aangesteld en dat hij -kans had, om door een kalmer collega vervangen te worden, als die -tooneeltjes niet ophielden. En na die laatste waarschuwing stapte de -burgemeester weer in zijn auto en reed verder. - -Het verloop van die geschiedenis had Bunze's humeur er niet beter op -gemaakt. Hij was echter zoo verstandig, zich voorloopig niet weer in -het dorp te vertoonen en ging naar huis. - -Maar met dat al had hij zijn boodschap aan Barend nog niet -overgebracht, en de jongen moest toch zoo spoedig mogelijk op -Sparrenheide komen, dat had mijnheer Bergwoude gezegd. Maar hij -hoopte den "struikroover" des middags, wel te vinden, hij zou hem in -'t bosch zoeken en desnoods bij de haren naar de school sleepen! - -En veldwachter Buikje stapte zijn huisje binnen, waar hij met zijn -zuster woonde. Hij bromde eerst nog wat, maar ging dan nijdig in zijn -stoel bij het raam zitten, zwijgend. Hij beet van innerlijke woede zijn -pijp stuk en wierp die toen uit het raam waar ze op Pluto, den hond, -neerkwam, die in 't zonnetje te slapen lag. Daarna at hij zonder een -woord te spreken en ging naar het bosch, op zoek naar Barend. - - - - - - - - - -TIENDE HOOFDSTUK. - -VELDWACHTER BUIKJE EN DE DRIE JOLIGE BROERS. - - -Dienzelfden middag gingen Hans, Flip en Rob het bosch in, de laatste -gewapend met zijn onafscheidelijken botaniseertrommel. - -Er was dien middag weinig te doen, bovendien was het verschrikkelijk -warm en alleen in 't bosch nog tamelijk uit te houden. - -Hans had nog den moed gehad met deze zomerhitte een boek mee te nemen, -waarin de geschiedenis van het Gooi- en Eemland werd beschreven, wat -volgens zijn broer Flip "klinkklare idiotieke nonsensika" was. Loop -rond, je mocht al blij zijn, als je je oogen kon openhouden. De drie -trouwe broers wandelden tot aan het kasteel Drakenstein en gingen -daar wat in de schaduw der beuken liggen. - -Hans sloeg dadelijk zijn boek op en las, dat op diezelfde plek, -waar nu het slot stond, omstreeks de 12e eeuw een huis gebouwd was, -omgeven door een zeer diepe gracht en schier ontoegankelijk. Daar -woonden twee broeders, Wer en Ner, geweldenaars en roovers van hoogen -stand. En naar die twee broeders heeft men later de Wernershoeve, -die in de nabijheid staat, genoemd. En Hans las heele hoofdstukken -over families, die vroeger het slot bewoond hadden en van Warnaer -van Drakenbosch, die het gebouwd had. Hans vond dat allemaal heel -interessant, want hij hield verbazend veel van geschiedenis en oudheid, -maar Flip moest daar heelemaal niets van hebben. Terwijl Hans in zijn -boek verdiept was en Flip met de armen onder het hoofd op den rug lag, -ging Rob op excursie naar een varensoort, die wel in zijn plantenboek -stond, maar die hij tot op heden nog niet gevonden had. - -"Zeg," zei Hans opeens, "dat is toch wel mooi, jò. Luister eens: - -"Prins Frederik Hendrik, de stadhouder, als Graaf van Buren, beleende -Heer Ernst van Reede met de hooge en lage jurisdictie en heerlijkheid -van De Vuursche, mitsgaders de hooge heerlijkheid en ridderhofstad -van Draakstein. Zeg, luister je nou? Hee, Flip!" - -Flip was allang te voren ingedommeld en keek nu suf op. - -"Wat is 'r nou weer?" - -Hans lachte. - -"'k Heb je voorgelezen van Drakenstein." - -"M'n zorg." - -"Nou, vin-je dat dan niet interessant?" - -"'n Gloeiende pook in je hand," rijmde Flip en geeuwde. - -Hans haalde zijn schouders op en las verder de geschiedenis van het -oude landgoed, dat al in 1359 bestond en van "die grote bomen, die -daerinne staen." Flip tukte stevig door. Zoo was ongeveer een uur in -stilte voorbijgegaan toen Hans er opeens aan dacht, dat Rob zich dien -tijd niet had laten zien. Natuurlijk zou de kleine natuurkundige wat -dieper nog het bosch zijn ingegaan, maar nu bleef hij toch wel wat -heel lang weg. Hans keek eens naar den rustig slapenden Flip en trok -hem aan een oor. - -"Hei, Flip. Wor 's wakker!" - -"Arendsoog is een dapper krijger, maar de scalp van het bleekgezicht -zal zijn wigwam niet sieren," mompelde Flip in zijn droom. - -"Héél mooi gezegd, broeder!" lachte Hans. "Maar daar vraag ik je nou -niet naar. Sta op, dan gaan we Rob zoeken." - -"Hè, wat is 'r dan met Rob?" - -"Weet ik het, kom mee, we gaan hem zoeken." - -"O, jawel, dat is goed. Zeg jò, 'k heb zoo fijn gedroomd!" - -Ze stapten op en kwamen bij de oude kapel, die achter heuveltjes in -'t groen verscholen lag. - -Opeens greep Hans zijn broer bij den arm. - -"Stil," zei hij, "daar roept iemand." - -Zij luisterden scherp. - -Op korten afstand klonk een gedempte stem: - -"Hans! Flip! Hierheen!" - -"'t Is Rob!" zei Flip. "Maar waar zit hij?" - -Ze stonden voor den ingang van de kapel. - -Het slot was van de deur verdwenen, door de ijzeren krammen was een -touw gestrikt. - -En nogmaals klonk het geroep. - -"Hij zit in de kapel!" zei Hans. "Ze hebben hem opgesloten!" - - - -Toen Rob zijn broers had alleen gelaten, was hij langs smalle paden, -dichtbegroeid met beuken en sparren, het bosch in gegaan. Eerst had -hij een mossoort gevonden, die hij tot nog toe nog niet had gezien, en -verheugd had hij een gedeelte daarvan in den trommel meegenomen. Hij -zou thuis wel eens onderzoeken, hoe de naam ervan was. Toen was -hij aan 't dwalen gegaan, zoekende naar een kleine varensoort. Zoo -ronddolende was hij eindelijk bij de kapel gekomen. Ofschoon hij het -oude gebouwtje al vaak genoeg gezien had, vond hij het toch altijd -opnieuw weer aardig om er even naar te kijken. Het was omgeven door -een prikkeldraad-versperring en de deur was altijd gesloten met -een hangslot. - -Maar nu merkte Rob tot zijn verwondering op, dat het oude, verroeste -hangslot van de deur verdwenen was en deze inplaats daarvan met een -touw was dichtgebonden. Die ontdekking verheugde hem zeer, want nu -kon hij gemakkelijk genoeg eens een kijkje nemen in de kapel. - -Hij klom over het prikkeldraad, waarbij zijn broek en kousen groot -gevaar liepen en stapte op het oude deurtje toe, toen hij onverwachts -de door hem gezochte varens ontdekte. Met zijn plantenschopje groef -hij er een paar uit en bergde ze in zijn trommel. Daarop maakte hij -het touw van de deur los en trad de kapel binnen. - -Terwijl Rob zoo aan het graven was, kwam de dikke veldwachter Bunze -over den mosgrond aangestapt. Met groote verbazing en verontwaardiging -aanschouwde hij de vernieling van zijn bosschen, maar hij wachtte -nog even om te zien, wat Rob wel verder zou doen. - -Toen de jongen nu in de kapel was, klom Bunze met buitengewone -krachtsinspanning over het prikkeldraad en plaatste zich in de -deuropening. - -"Wat voer jij daaruit?!" riep hij met barsche stem. - -Rob, die daarop in het geheel niet verdacht was, wendde zich verschrikt -om en zei: - -"O Bunze, wat laat je mij schrikken. Ik kwam hier maar eens even -kijken, zie je." - -"Zoo, en van wien heb je daarvoor permissie? Had je mij dat niet -eerst behooren te vragen?" - -"Ik wist niet, dat deze kapel van u was, Bunze." - -"Wat, Bunze, Bunze! Jij brutale aap van een jongen! Mijnheer Bunze -dan toch, hé?" - -Rob kende den veldwachter wel zoo'n beetje, maar dit was nu toch wel -wat al te dwaas. - -"Mijnheer Bunze?" vroeg hij. "Nu mij best, mijnheer Bunze dan." - -"Juist, zoo is 't beter." - -"Jawel mijnheer Bunze." - -"Wat heb je daar in die bus?" - -"Planten, mijnheer Bunze." - -"Hoe kom je daaraan!" - -"Uit het bosch, mijnheer Bunze." - -"Wat! Uit mijn bosch! Heb ik je daar permissie voor gegeven? Wacht, -jou boschvernieler, jou plantendief, ik zal je leeren mijn bosschen -te plunderen. Opsluiten zal ik je en ik verzeker je, dat ik den -burgemeester ga waarschuwen!" - -En de daad bij het woord voegende, sloeg de dikkerd de deur dicht en -bond ze met het touw weer vast. - -Daarop klom hij weer over het prikkeldraad en liep naar den -burgemeester, trotsch als een beroemd detective, die een gevaarlijken -misdadiger achter slot en grendel heeft doen brengen. - -"Dat is ook wat moois," mopperde Rob, "nou zet die dikzak mij -gevangen. Hij zal den burgemeester waarschuwen. Och kom, die zal er -zich weinig van aantrekken, denk ik. Maar ik wou er toch maar liever -weer uit! Het is lang niet gezellig hier." - -Rob probeerde de deur open te duwen, maar het touw was dik en sterk. - -De achterzijde van de kapel was open en alleen afgezet door een -hekje. Rob zag den groenen vijver en de omringende boomen. Het was -romantisch-mooi, maar Rob dacht op het oogenblik heelemaal niet aan -romantische dingen, hij dacht er alleen maar over, op welke manier hij -het spoedigst hier vandaan kwam. Maar er was geen kans tot ontsnappen. - -Toen bedacht hij, dat Hans en Flip niet zoo heel ver hier vandaan -konden zijn en misschien zijn roepen wel konden hooren. - -Het eerste kwartier leverde dat roepen ook al niet veel resultaat op, -maar eindelijk toch meende hij de stemmen van zijn broers te hooren. - -En nu schreeuwde hij zoo hard hij kon: - -"Hierheen, jongens! In de kapel!" - -Hans en Flip vlogen over het prikkeldraad en hadden in een wip het -touw van de deur losgemaakt. - -"Hier ben ik!" juichte Rob. - -"Wel alle bisschoppen!" riep Flip. "Speel je kluizenaartje?" - -"Ken je begrijpen," zei Rob. "Buikje heeft me hier gevangen gezet." - -"De veldwachter? Wat heb je dan uitgevoerd? En het is hier toch -geen gevangenis?" - -"Och, ik had gezien, dat er geen slot op de deur was en toen ben ik -maar eens naar binnen gegaan. Daar komt me ineens veldwachter Buikie -en roept: Wat voer je daar uit?" - -"En jij schrok natuurlijk," zei Flip. - -"Nou, dat snap je. Enfin, ik mocht hier niet in, ik mocht geen planten -in het bosch zoeken, ik was een boschvernieler, een plantendief en -hij zou alles aan den burgemeester vertellen." - -"Toe maar, nog meer?" - -"Nee, anders niet. Alleen moest ik voortaan mijnheer Bunze zeggen." - -"Hahaha, dat is 't mooiste nog!" lachte Hans, "mijnheer Bunze." - -"Vooruit jongens," zei Rob. "Nou kunnen we een grap beleven. We -sluiten de deur weer netjes met het touw en stellen ons achter 't -heuveltje op. Straks komt Buikje terug en dan zal je wat moois zien!" - -"Ja, dat is goed," zei Hans. "En dan zal ik er nog een veel grooter -grap op laten volgen." - - - -Een kwartiertje daarna kwam de veldwachter terug. Hij had den -burgemeester niet gezien. Den jongen in de kapel opgesloten te houden -ging ook niet, dus ging hij dan maar den gevangene na een geduchte -vermaning in vrijheid stellen. - -Hans, Flip en Rob lagen achter het heuveltje, op ongeveer tien pas -afstand van den ingang der kapel. - -Veldwachter Buikje, wiens slechte stemming aanmerkelijk verbeterd was, -sinds hij een gevangene had, klom weer over het prikkeldraad heen. - -Hij grinnikte en sprak overluid. - -"Haha, mannetje. Zit je er nog? Wacht maar, we zullen elkander eens -even nader spreken. Ja, denk nou maar niet, dat je er zoo makkelijk -afkomt, er zit wat voor je op. En ik zal je leeren mijn bosschen -te beschadigen." - -Met deze woorden maakte hij het touw los en opende de deur. - -"Ziezoo jongeheer, kom nou maar eens hier." - -De drie jongens knepen hun neus dicht om het niet van lachen uit -te proesten. - -Er kwam natuurlijk geen antwoord vanuit de kapel. - -"Kom je haast voor den dag, deugniet!" riep Bunze. - -'t Bleef stil. - -Wat drommel dacht de veldwachter, is de arrestant in slaap gevallen -of hoe heb ik het nu? - -Hij bleef echter zorgvuldig de deuropening bewaken en riep nu nog eens: - -"Kom hier zeg ik je, onmiddellijk!" - -Maar geen geluid werd vernomen. - -"Je weigert dus te komen?" riep Bunze, "goed, ik zal je wel weten -te vinden." - -En kordaat stapte hij de kapel binnen, maar trok toch de deur -voorzichtigheidshalve wat dicht. - -Op dat oogenblik sprong opeens Hans te voorschijn en wenkte zijn -broers, hem vlug te volgen. - -Snel als de wind wierp hij de deur toe, Flip en Rob zetten er de -voeten tegen aan en in een oogenblik had Hans het touw door de -krammen geknoopt. - -Maar daar begon Bunze me eventjes op te spelen! - -"Doe open! Doe dadelijk open! In naam der wet! In naam der Koningin! Ik -ben het, Wouterse, ik ben het, de veldwachter!" - -Bunze was in de meening, dat Wouterse, de timmerman van het kasteel -Drakenstein een nieuw slot op de deur deed. Doch nu kwam er evenmin -antwoord. - -"Wouterse!" riep Bunze, "ben jij het? Doe dadelijk weer open, want -ik ben er nog in!" - -De drie broers verwijderden zich. "Kom mee," zei Hans, "nu komt het -mooiste nog." - -Zij liepen achter het heuveltje om den vijver heen, Rob moest zich -schuil houden, terwijl Hans en Flip tegenover de opening aan de -achterzijde van de kapel stonden, alsof ze die voor het eerst bekeken. - -"Hallo, jongens daar!" - -"Hee, zit u in de kapel, mijnheer Bunze?" riep Hans in de hoogste -verbazing. "Is zij dan niet op slot?" - -"Ja," riep de dikzak, "ze is op slot en nou kan ik er niet uit!" - -"Blijf er dan maar een jaar in!" wou Flip terugroepen maar hij was -gelukkig zoo verstandig, om dit niet te doen. - -"Op slot?" riep Hans, "wie heeft dat dan gedaan?" - -"Dat weet ik niet. Wacht, ik zal eens hooren." - -Bunze liep naar de deur van de kapel en duwde daartegen met alle -kracht. Daardoor rekte het touw wat, dat hij duidelijk door den kier -kon zien. En nu kwam hij pas tot de overtuiging dat de arrestant -gevlogen was. Geholpen natuurlijk door zijn broers, die nu aan den -overkant dolle pret hadden, nu zij hem zoo netjes ingesloten hadden. - -Maar daar zouden ze van lusten. - -En Bunze, inplaats van zich kalm te houden, en zich de deur weer voor -de jongens te laten ontsluiten, vloog weer naar het hek en brulde, -dat het over het water daverde: - -"Willen jullie wel 's als de duivel die deur losmaken!" - -"Hoe zegt u, mijnheer Bunze?" antwoordde Hans. "Als de duivel? Hoe -maakt die dan een deur los?" - -"Ik heb niets met je praatjes noodig! Maak oogenblikkelijk, dat ik -eruit kan! Jullie hebt Robert laten ontsnappen, en dat zal ik je -gloeiend betaald zetten!" - -"Gloeiend zegt u, mijnheer Bunze?" plaagde Hans, "wel foei, dat is -niet netjes van u. Wij moeten voor u de deur openmaken en u wil ons -daar gloeiend voor behandelen? Neen, op die voorwaarde bewijzen wij -u geen dienst, mijnheer Bunze." - -"Och loop naar de maan met je mijnheer Bunze," riep de veldwachter. "Ik -gelast jelui nu, oogenblikkelijk hier te komen en de deur te openen." - -"O neen," zei Flip, "wij zijn geen hondjes." - -"Juist," zei Hans, "maar wij willen u toch wel helpen, als u ons maar -belooft, stil onzen weg te laten gaan." - -"Ik beloof niets!" riep Bunze. - -"O nee, op die conditie doen we 't beslist niet. Dag mijnheer -Bunze. Wij gaan naar huis." - -"Hallo, wacht even, jongens! Neen, loop nog niet weg. Je kunt voor mijn -part vrij naar huis gaan, doch help me eerst uit dit verwenschte hol!" - -"Goed, ik kom!" riep Hans. - -Een oogenblik later sneed Hans het touw door en was alweer verdwenen -voor Bunze tot de ontdekking kwam dat de uitgang vrij was. Men kan -zich voorstellen in welk een stemming hij naar huis ging! - - - - - - - - - -ELFDE HOOFDSTUK. - -WAAROM BAREND NIET OP SPARRENHEIDE KWAM. - - -Een uur nadat veldwachter Bunze de hut van vrouw Vorstman verlaten had, -was Barend er teruggekeerd. - -Het vrouwtje had pret om den jongen, die zoo overhaast de vlucht -had genomen. - -"Is-ie weg, moeder Vorstman?" vroeg Barend voorzichtig. - -"Al een uur," lachte ze, "hij komt alweer haast terug!" - -"Dat is toch niet waar?" - -"Neen, wees maar stil. Maar waarom ging je toch zoo ineens op den -loop. Heb je weer kwaad gedaan?" - -"Och, dat is nog van vroeger. Moet-ie mij dan niet hebben?" - -"Jawel, hij kwam je zeggen, dat je vanavond bij mijnheer Bergwoude -op Sparrenheide moest komen." - -"Moet ik daar komen? Owee, ik begrijp het al!" - -"Wat dan?" - -"Wel, ze zullen gemerkt hebben, dat Jacob Heintze elken avond laat -bij mij komt en daar krijg ik nou natuurlijk een leelijk standje voor." - -"Kom, dat zal wel losloopen. Natuurlijk zal Jacob dat niet meer mogen -doen, maar ik denk er het mijne van." - -"Wat denk je er dan van, moeder Vorstman." - -"Hoor eens, Barend, laat dat woord Vorstman nou maar weg. Ik ben je -moeder voortaan, hoor. En wat ik er van denk, wel, meester Bergwoude -zal je wel willen voorthelpen." - -"O, als dat eens waar was! Dan behoefde ik ook niet meer bang te zijn -voor veldwachter Buikie." - -"Die zal jou geen kwaad doen, jongen. Je hebt zeker veel op je kerfstok -dat je hem zoo ontloopt?" - -"Ja moeder. Maar ik heb nu geen zin meer om zoo te rooven en door -'t bosch te loopen. Ik heb dikwijls genoeg de eieren uit Bunze's -kippenhok gestolen. Leelijk, hè? Ik zou 't ook niet meer willen -doen. Eens op een keer kwam Bunze net aanloopen. Hij was zóó dichtbij -dat ik haast geen raad wist. En om hem tegen te houden gooide ik -hem een ei pardoes tegen zijn gezicht. Hij zat van onder tot boven -vòl! Jacob vond dat erg leelijk van mij en ik heb hem ook beloofd, -nooit meer eieren weg te nemen." - -"Dat is braaf van je, Barend. Ik zal je nu een nieuwe boterham geven, -want Bunze heeft de jouwe opgegeten." - -"Wat een gulzigaard! Alsof hij thuis niet genoeg krijgt!" - -"Net zoo. Maar zeg eens, Barend, je moet wat netter wezen op het pak, -dat Jacob je gegeven heeft! Je hebt er zeker mee in 't bosch op den -grond gelegen. Kom hier, dan zal ik je wat afborstelen. En als je nu -vanavond naar mijnheer Bergwoude gaat, moet je eerst bij mij komen om -te laten zien, of je er wel netjes uitziet. Als jij bij mij woonde, -zou ik daar beter op kunnen letten." - -"Ik wou, dat het waar was, moeder V ... - -"Nu wie weet. Komaan, eet de boterham op. En hier is nog een glas -melk." - -Nadat Barend de boterham en de melk op had, haalde hij nog een paar -boodschappen voor zijn goede stiefmoeder en ging naar huis. - -Daar trof hij zijn vader aan in gezelschap van een kerel, dien -hij nooit gezien had. Maar de man zag er allesbehalve aangenaam of -vriendelijk uit. - -"Kijk," zei Ranke, op Barend wijzend, "daar heb je nou mijn -zoon. Flinke jongen, niet? Kom eens hier jij, ik heb je weer in geen -drie dagen gezien. En wat een spullen heb je daar aan. Ben je daar -wel eerlijk aangekomen? Nou, mij 'n zorg, wat zeg jij, Klaas Pos?" De -aldus genoemde vreemde man grijnsde eens, en Barend schrikte van het -terugstootende gezicht. - -"Nou," vervolgde Ranke, "ik zal het hem dan maar vertellen, hij moet -er toch van weten, anders lukt de zaak niet. Hoor jongen, je vader -heeft tot nog toe niets aan je gehad en je toch te eten moeten geven, -dus nou wordt het tijd, dat je daarvoor wat doet. Je bent er nou voor -in de gelegenheid en ik zal je zeggen, wat je doen moet." - -"Dat ligt er aan, wat het is," zei Barend, die nooit ook maar -eenigszins beleefd was tegen den man, die nimmer een vader voor hem -was geweest. - -"Zoo, dat zullen we dan wel eens zien!" zei Ranke. "We zullen je in -elk geval wel weten te dwingen." - -"Dat zit nog," zei Barend. "Ik wil er heelemaal niets van weten en -ik blijf hier ook niet langer in huis. Ik ga weg." - -"Hahaha!" spotte Ranke, "de jongeheer gaat weg. Jawel. Ik zal je eens -wat zeggen, Barend. Je moet vanavond met ons mee. We willen in Baarn -een villa met een bezoek vereeren. Jawel, wij zijn uitgenoodigd, -nietwaar Klaas? Hahaha! En jij moet mee, jongen. Je moet uitkijken, -of er misschien ook iemand voorbijkomt, die de zaak verraden kan." - -"Ik doe 't niet," zei Barend. - -"Flink gesproken," spotte zijn vader. "Maar ik spreek nog veel flinker, -en nog duidelijker ook. Hier! Trek uit die kleeren, gauw wat! Wacht, -ik zal je een handje helpen!" - -En met ruw geweld trok de woeste strooper zijn zoon de kleeren van -het lijf. Hij wierp hem daarop zijn oude, havelooze plunje toe, -die Barend aantrok, zonder een spier van zijn gezicht te vertrekken. - -"Ziezoo," sprak Ranke. "Nu worden we verstandig. Nu zie-je er weer -als vanouds uit. En zal je vanavond meegaan, ja of neen?" - -"Neen!" zei Barend op beslisten toon. - -Pats! daar kreeg hij een slag tegen het hoofd, dat hij tegen den -grond viel. - -"Zal je meegaan?" - -"Nooit!" - -Woede beving den gewetenloozen man, die vader moest heeten van zoo'n -flinken jongen. Hij ging naar hem toe en trapte hem, terwijl Barend -zich in allerlei bochten wrong. De jongen gaf echter geen kik en -bleef eindelijk doodstil liggen. - -"Nou, je hebt hem een goeie portie gegeven, geloof ik," zei Klaas Pos. - -"Natuurlijk en nou zal je eens zien, hoe netjes hij met ons meegaat. En -om te voorkomen, dat-ie wegloopt, zal ik hem netjes opbergen." - -Daarop opende Ranke een deur, waarachter zich een kolen- en turfhok -bevond. Hij nam Barend op en wierp hem met geweld naar binnen. Toen -deed hij een hangslot op de deur en verliet met Klaas Pos het -huisje. In het turfhok lag Barend op den grond. Met het hoofd op -den arm snikte hij en dacht aan het uur, waarop mijnheer Bergwoude -hem verwachtte. - -Wat zou hij doen? - -Zijn vader verraden, overleveren aan de politie.... of... hem -gehoorzamen en zelf opnieuw een dief worden? - - - -Na het avondeten zat de familie Bergwoude als gewoonlijk nog een -uurtje in den tuin en juffrouw Wieler had een splinternieuw sprookje -verteld. Allen hadden aandachtig geluisterd naar het verhaal van -den woesten, roofzuchtigen reus, die het rijk der kabouters wilde -vernietigen en toch met al zijn kracht en ruwheid niet bestand was -tegen het leger der kleine mannetjes. Allen, ja, behalve Jacob Heintze. - -Want wat weerga, waarom kwam Barend Ranke nu niet? Mijnheer Bergwoude -had hem toch de boodschap laten brengen door veldwachter Bunze, -dat-ie vanavond op Sparrenheide komen moest? Er zou bepaald een heel -ernstige reden voor Barend moeten zijn, om nu niet te komen. Of ging -hij nu weer bederven, wat met zooveel moeite was verkregen? - -Mijnheer Bergwoude had er in het eerst vreemd van opgekeken, dat Jacob -met den verwaarloosden strooperszoon, den schrik van de omgeving, -had vriendschap gesloten! En die nachtelijke bezoeken, al waren -ze dan ook om Barend wat nuttigs te leeren, had hij zeer streng -afgekeurd. Mijnheer Bergwoude meende, dat er toch niets aan zoo'n -verwilderden, onopgevoeden knaap te verbeteren viel. Maar Jacob had -het voor Barend opgenomen en verteld, hoe de jongen langzamerhand -veranderde. En ten slotte had mijnheer Bergwoude dan beloofd, dat -hij Barend eens zou laten komen en zien, wat hij er aan doen kon, -om hem nog wat beter op streek te helpen. - -Hoe later het werd, hoe meer Jacob's onrust toenam. - -Waar bleef Barend nu? - -Om half negen, toen allen naar binnen gingen, was hij er nog niet. - -Mijnheer Bergwoude nam Jacob even terzijde: - -"Je vriend Barend is, zooals je ziet, niet gekomen, Jacob. Dat had -ik van te voren wel gedacht. Heusch, geloof me, daar is toch niets -mee te beginnen. Besteed, er aan, wat je wilt, 't zijn paarlen voor -de zwijnen geworpen." - -Maar Jacob schudde het hoofd. - -"Barend zou veel te graag gekomen zijn, mijnheer!" antwoordde hij, -"dat weet ik zeker. Maar misschien heeft Bunze hem niet kunnen -vinden. Of zijn vader houdt hem tegen." - -Mijnheer Bergwoude haalde ongeloovig de schouders op, hij dacht er -het zijne van. En daarop ging hij de huiskamer binnen. Hans, Flip en -Rob bleven nog een oogenblik met hun vader en moeder praten. - -De meid bracht brieven en couranten binnen, door de avondpost zoo -juist bezorgd. - -"Voor jou ook een brief, Hans," zei mijnheer Bergwoude, "van je vriend -Bram Verhallen." - -Hans nam den brief, opende het couvert en las: - - - Baarn, 12 Juli. - - Beste Hans! - - Vind-je het goed, als ik Zondagmiddag naar je toe kom? Wij eten - vroeg, net als jullie. Ik kom dan tegen 3 uur en kan wel tot een - uur of zeven blijven. Zaterdagmiddag kan ik niet komen, want we - hebben deze week zoo razend veel huiswerk, dat we er bijna niet - doorkomen! Och kerel, dat huiswerk! Als ik 's middags half vijf - thuis kom, moet ik maar liefst zoo gauw mogelijk eten, want we - krijgen wel voor drie urenlang huiswerk mee. We hebben dan ook zoo - ontzettend veel te leeren, jò. Zoo moet ik vanavond 2 blz. Fransch - vertalen, 1 blz. Cours Pratique leeren, 3 meetkundesommen maken, de - Duitsche rivieren leeren en een opstel maken. Ik weet heusch niet, - hoe ik dat allemaal à fkrijg. Ik heb elken dag hoofdpijn en ik ben - toch goed gezond. En voor den vrijen Zaterdagmiddag hebben we nog - meer huiswerk. Dus je begrijpt dat er van spelen niets komen kan. - - Schrijf me even of het goed is, dat ik Zondag kom. Groeten aan - allemaal. Dag bleekgezicht, gegroet van je rooden broer Arendsoog, - - Bram Verhallen. - - -"Bram komt Zondagmiddag," zei Hans, den brief aan zijn vader -overreikend. - -Mijnheer Bergwoude las den brief door en schudde het hoofd. - -"Wat zullen we toch een verschrikkelijk geleerd nageslacht krijgen," -zei hij, "de jongens en meisjes worden tegenwoordig zóó met huiswerk -overladen, dat ze nauwelijks tijd hebben om te eten. Wat zullen dat -allemaal een professoren worden! Maar wat een zenuwlijdertjes zullen -erbij zijn!" - -"Schrijft Bram daarover?" vroeg mevrouw. - -"Och neen, de jongen schrijft alleen, dat ze 's avonds wel voor drie -uren huiswerk meekrijgen en dat-ie Zaterdagmiddag niet spelen kan, -omdat-ie te veel werk heeft." - -"Is dat niet een beetje al te erg, man?" - -"Ja zeker, het is méér dan overdreven. En 't mooiste is nog, dat van al -de kinderen, die zulke massa's huiswerk avond aan avond moeten maken, -maar een paar werkelijk knap worden en daar wat aan hebben. Bram, -een flinke, gezonde, sterke jongen, heeft elken dag hoofdpijn van -'t leeren. Kan daar iets goeds uit groeien?" - -"Maar zonder huiswerk komen ze er niet, man." - -"Denk je dat, vrouw? Eenig huiswerk kan geen kwaad, het geeft bezigheid -in huis en de jongens kunnen nog eens repeteeren, wat er op school -geleerd is. Maar om de jongelui een berg werk mee naar huis te geven, -waar ze bijna niet doorheen komen, dat is overdreven. En wat hebben de -meesten er aan? De een wordt kantoorbediende en vergeet 9/10 van wat -hij geleerd heeft, de ander architect, tuinbouwkundige, onderwijzer, -enz. Dat alles hadden ze evengoed kunnen worden zonder al die dwaasheid -in hun jonge jaren te leeren. De ernstige, werkelijk gezonde studie -komt pas later. En daar hebben ze pas wat aan." - -"Toch schijnt men er ook anders over te denken," zei mevrouw. - -"O, ik kan het natuurlijk mis hebben," vervolgde mijnheer Bergwoude, -"maar ik vind, als een jongen tot zijn dertiende jaar het lager -onderwijs goed gevolgd heeft en dat dóór en dóór kent, dan heeft hij -nog tijd genoeg, om à lles te worden, wat hij wil. Dat is mijn meening." - -Er werd nog even over dat onderwerp gesproken en daarna gingen de -drie broers naar bed. - -"Zeg," zei mijnheer, "die Barend is toch maar niet gekomen, hè? Zie -je wel, dat er met zulke jongens toch niets goeds is aan te vangen?" - -"Hij zal niet gedurfd hebben, vader," zei Hans. - -"Och wat, gedurfd? Hij bedankt er eenvoudig voor, om onder de plak -te zitten. Neen, ik weet wel, dat hij liever als een wildeman in de -bosschen rondzwerft en allerlei kattekwaad uithaalt. Dat is hij van -jongsaf gewend en dat zal hij wel blijven doen ook!" - - - -Och, als mijnheer Bergwoude eens geweten had, dat Barend op dit -oogenblik te snikken lag van droefheid en teleurstelling, opgesloten -door zijn harteloozen vader in een donker hok! - - - - - - - - - -TWAALFDE HOOFDSTUK. - -IN DEN NACHT. - - -In den loop van den avond was Ranke, de strooper, met Klaas Pos in -zijn woning teruggekeerd. - -Zij zetten zich aan de tafel om hun plan nog eens nader te -bespreken. Zij dachten er niet eens aan, om Barend uit zijn -gevangenschap te verlossen en hem iets te eten te geven. - -"We moeten de zaak goèd doen of heelemaal niet doen," zei Ranke. "En -ik zal je nog eens haarfijn vertellen, hoe we 't zullen aanpakken. Ik -ben vanmorgen op het kantoor van Verhallen geweest en weet daardoor -precies, hoe de toestand daar is. Ja, ik heb mijn oogen goed den kost -gegeven. Ik heb den notaris zelf te spreken gevraagd, natuurlijk -maar met een onbeduidend praatje. Maar ondertusschen heb ik goed -rondgekeken. De voorkant van het woonhuis is aan de Prinsenlaan, -maar de ingang van 't kantoor is in een achterstraatje. Je loopt een -steenen paadje op en komt aan een hek. Dan een klein tuintje door en -je staat voor de kantoordeur. In de gang heb je weer twee deuren, op -de eene staat: Binnen zonder kloppen, op de andere Privé. Die laatste -moeten we hebben. Daar staat de brandkast van den notaris en als ik -me niet vergist heb, zal het voor ons niet zoo'n heksenwerk zijn om -die groote spaarpot open te maken." - -Daarop vertelde Ranke aan Pos, van welk fabrikaat de brandkast was -en toonde de werktuigen, waarmede hij die dacht te openen. - -"Terwijl wij binnen aan het werk zijn," sprak hij, "moet Barend op -den uitkijk staan." - -"Kunnen we hem wel vertrouwen?" vroeg Pos. - -"Daar kan je verzekerd van zijn. Bovendien zal ik hem wel weten -te dwingen. Kijk, hier heb je nota bene boeken en schriften van -hem. Inplaats van een vet konijn op den kop te tikken, zit hij te -suffen met zijn neus in de boeken. Waar hij die vandaan heeft, mag -de drommel weten. Hij had ze onder zijn bed verstopt. Ik wist niet, -dat mijn zoon een geleerde was. Enfin, wij zullen hem eens voor den -dag halen." - -"Wij deelen toch samen?" vroeg Klaas Pos. - -"Dat is te zeggen: ieder krijgt zijn deel. Ik geloof wel, dat ik twee -derden van het gevaarlijke werk te doen zal hebben, dus neem ik ook -zooveel van den buit. Ieder het zijne. Als je 't niet goed vindt, -kan ik 't misschien ook wel alleen af." - -"Ik zal 't maar goedvinden," zei de ander. - -"Zooals je wilt. En nou zullen we den jongen eens hier halen." - -Met deze woorden begaf Ranke zich naar het turfhok, waar Barend in -slaap gevallen was. - -"Barend!" riep zijn vader, "kom er uit, jongen, het wordt zoo -langzamerhand tijd." - -Barend ontwaakte en keek door de geopende deur in het kamertje, waar -hij Klaas Pos bij de petroleumlamp aan tafel zag zitten. Onmiddellijk -weer herinnerde hij zich het gebeurde en tevens ook, wat zijn vader -van hem verlangde. En evenals te voren besloot hij om in geen geval -met beide mannen mee te gaan. - -Ranke trok hem in de kamer. - -"Je hebt over de zaak kunnen nadenken, Barend," sprak hij, "en ik -geloof wel, dat je nu zoo verstandig geworden bent, om je vader -eindelijk eens te gehoorzamen. Voor alles wat ik aan je besteed -heb ..." - -"Je hebt niets aan mij besteed!" viel Barend opeens uit. "Je hebt me -niet eens te eten gegeven. De paar korsten brood en droge aardappels, -die je zelf niet meer lustte, liet je voor mij op tafel liggen." - -"Wel, hoor me zoo'n ondankbare jongen eens aan!" riep Ranke, die -aan Pos verteld had, dat hij altijd den meesten zorg aan zijn zoon -had besteed, maar dat Barend een door en door slechte jongen was, -die al het goede, wat zijn vader voor hem deed, met ondank beloonde. - -"Wel, hoor me nu zoo'n ondankbare jongen eens aan! Dat is de school -uitgejaagd om al zijn baldadige streken en durft nog zijn vader -beschuldigen! Wacht, kameraad, nu zullen we eens een ander wijsje -zingen. Je gaat nu direct met ons mee, en ..." - -"Ik denk er niet over," zei Barend. "Ik ga toch niet." - -"Dat zullen we wel eens zien! Hier, deze boeken, zijn die van jou?" - -Met grooten schrik bemerkte Barend, dat zijn gewetenloozen vader -zijn boeken en schriften, waar hij met Jacob Heintze uit geleerd had, -gevonden had. - -"Geef hier vader!" riep hij, "dat is mijn werk!" - -"Zoo, is dat jouw werk? Neen vrind, ik zal jou eens zeggen, wat je -werk is. Om je vader te gehoorzamen en hem te helpen. En nu zal je -dat om te beginnen vanavond doen en als je weigert, scheur ik al je -boeken en schriften één voor één kapot!" - -"Vader!!" schreeuwde Barend, "dat doe je niet!" - -"Dat zal je zien!" - -En Ranke greep een boek, dat Jacob aan Barend gegeven had. Hij nam -het in beide handen om het doormidden te scheuren. - -"Vader, vader!!" gilde Barend. "Niet doen ... ik zal wel meegaan!" - -"Ha zoo, dat dacht ik wel. En nu zal ik je nog eens vertellen, wat -je te doen hebt. We gaan door het bosch naar Baarn. In het huis waar -we zijn moeten, is veel geld. Het zal nogal tijd en moeite kosten -om het te krijgen. Zoolang wij binnen aan het werk zijn, houdt jij -buiten de wacht. En als er onraad is, kraai je als een haan. Ik weet, -dat je dat zoo goed kunt, dat iedereen denkt, een werkelijken haan -te hooren. Komt er iemand toevallig voorbij, dan kruip je weg in de -struiken van den tuin. Pos, hebben we de gereedschappen en den zak? De -lantaarn heb ik hier. Ziezoo, alles is klaar. De lamp uit en op pad!" - -De torenklok sloeg elf uur. - -En een oogenblik later gingen drie donkere figuren door het bosch, -dat inktzwart zich voor hen uitstrekte. - - - -"Ik maak mij werkelijk ernstig bezorgd over Bram," zei mevrouw -Verhallen tot haar man, den notaris, toen zij des avonds naar boven -was geweest. "Het is nu al over tienen en nog zit de jongen aan zijn -schoolwerk. Voor een jongen van dertien jaar is dat toch te laat, -vader." - -"Och laat den jongen studeeren," sprak notaris Verhallen, "nu is hij -immers nog in de gelegenheid om goed te leeren, later gaat het zoo -vlug niet meer. En als hij daar nu plezier in heeft?..." - -"Plezier in heeft?" - -"Wel ja, anders zou hij het toch niet doen?" - -"Denk je, dat Bram voor zijn plezier avond aan avond zit te -blokken? Dat hij voor zijn plezier elken dag over hoofdpijn klaagt? De -jongen overwerkt zich, dat zeg ik. Hij begint er slecht uit te zien." - -"Kom, kom, nu overdrijf je toch," zei de ander. Hij was zelf een zeer -werkzaam man en vond het heel best, dat zijn dertienjarige zoon elken -avond stapels schoolwerk maakte. Natuurlijk in den tegenwoordigen -tijd moest de jeugd nu eenmaal hard studeeren. - -Dat wist Mevrouw ook wel, maar zóóveel huiswerk als de kinderen -tegenwoordig van den meester meekregen, vond ze toch wat heel erg. - -"Neen, ik overdrijf volstrekt niet," hernam zij, "de jongen zal er -nog heelemaal door van streek raken. Al is zijn lichaam gezond, dat -wil volstrekt niet zeggen, dat hij daarom een hoofd om veel te leeren -heeft. Ik zou veel liever zien, dat hij wat vroeger naar bed ging." - -Mijnheer Verhallen haalde zijn schouders op en frommelde eens -ongeduldig met de courant, die hij in de handen hield. Hij zag -volstrekt geen bezwaar in het late opblijven en studeeren van zijn -zoon. Hoe knapper Bram werd, hoe liever hij het had. Van leeren werd -je niet ziek en de meesters wisten toch ook wel, wat kòn en wat nièt? - -Mevrouw zweeg nu maar, doch in stilte dacht ze met bezorgdheid aan -haar jongen. - -Op zijn kamertje zat Bram ijverig te pennen. - -De klok wees kwart over tien. - -Bram had juist de laatste rekenopgave af. Gelukkig, eindelijk was -hij weer zoover, dat hij morgen met behoorlijk afgemaakt werk bij -den meester komen kon. O, er waren jongens genoeg, die om zeven uur -aan d'r huiswerk begonnen en vóór achten alweer buiten waren, maar je -moest dan niet vragen, hoe dat werk er uit zag. Bram behoorde niet tot -de vlugsten, maar juist daarom wilde hij zijn werk zoo goed mogelijk -doen. Het leeren viel hem niet gemakkelijk, maar meester was streng -en papa liet niet met zich spotten! Dus kostte het Bram buitengewone -inspanning om met de andere jongens van zijn klasse gelijk te blijven. - -Met een tevreden lachje bergde hij zijn boeken en schriften in de -kast. Het was meer dan bedtijd. Zijn bed stond in een hoek van 't -kamertje. Met langzame bewegingen kleedde hij zich uit. Slaap had -hij bijna niet, hij was over zijn slaap heen; in zijn rond, gezond -jongensgezicht stonden de oogen dof en mat. Hij voelde zich doodmoe en -had toch geen slaap. In bed lag hij te kijken naar een paar sterren, -die hij juist door 't bovenraam kon zien. En onderwijl dacht hij -maar voortdurend, zonder het te willen, aan die laatste som, die zoo -moeilijk was. Toen probeerde hij te slapen, maar dat lukte niet. Zijn -lichaam rustte uit, maar hij bleef klaarwakker. Hee, dacht hij, -wat beef ik nu toch vreemd? Het is toch heelemaal niet koud. Och, -'t zal wel over gaan. Kom, ik zal me maar weer eens omdraaien. En -dan dacht hij weer aan de lesuren van morgen. Eerst taal, de les -over de vervoeging der werkwoorden. En dan Fransch, Cours Gradué, -2 théma's opzeggen, 2 nieuwe inleveren. Die had-ie ook af. En dan -rekenen. Zouën z'n sommen goed zijn? Meester had dikwijls aanmerkingen -op z'n foute sommen, en deed-ie niet heusch zijn best? Als ze nou -maar goed waren! Kom, nou slapen. Nou niet meer aan leeren denken. De -andere jongens sliepen ook allemaal ... de klok sloeg elf. Bram was -nog even wakker als om tien uur. Half twaalf. Bram zat rechtop in -bed, z'n hoofd klopte. Hij stond op, stak zijn hoofd door het open -raam. De lucht was helder, om hem heen waren tuinen met dicht geboomte, -zware dennegeur trok het kamertje in. De nachtkoelte deed hem goed, -de hoofdpijn zakte wat. - -Weet je wat, hij ging een beetje in den gemakkelijken stoel bij het -raam zitten, van slapen kwam toch voorloopig niets. - -Bram trok een jas aan en strekte zich op z'n gemak in den stoel -uit. Zoo zat-ie lekker. En nou naar de sterren kijken. Dà à r had je de -Groote Beer en dan ... één... twee ... drie ... vier ... vijf ... zes -... zeven ... de Poolster ... en dáár ... en dáár.... - -Bram, oververmoeid, dommelde in. - - - -Ruim een uur later schrok-ie wakker. - -Hè, wat? Lag-ie niet in bed? Zat-ie in 'n stoel? Hee ja, dat was waar -ook. Brrr, hij was koud geworden, gauw maar 't bed in. De jas hing -hij over den stoel, stapte dan met z'n eene been in bed. - -Maar opeens bleef-ie zoo staan. - -Stil ... - -Wat was dat beneden? - -Was pa nog op?... Even luisteren.... - -Sssst ... daar hoorde hij 't weer. - -Zoo'n gek geluid.... net of 'r iemand op pa's kantoor was. Nou, -dat was onzin, hè? Pa sliep natuurlijk.... en.... - -Nou viel d'r wat.... - -'t Volgend oogenblik trok Bram kousen en pantoffels aan en wat kleeren. - -Op z'n teenen ging-ie de trap af, opende geruischloos de buitendeur; -over de grasperken liep hij den tuin uit, 't straatje om naar den -kantooringang. - -Stil... daar stond een jongen, vlak bij den lantaarn. - -Bram begréép 't..., die stond op den uitkijk!! - -Dadelijk keerde Bram terug.... de vilten pantoffels maakten z'n -voetstappen onhoorbaar, en snel als de wind vloog-ie de Laanstraat in, -waar twee politieagenten surveilleerden. Die gingen onmiddellijk met -hem mee. - -Bram liep ze vlug vooruit, zag den jongen nog staan. En 'n plotseling -opkomende gedachte dadelijk ten uitvoer brengend, wierp hij zich -onverwachts op den schildwacht en drukte met één hand diens mond toe. - -Daarna stelden zij zich in een donkeren hoek in hinderlaag op. - -Bij het licht van de lantaarn had Bram den jongen herkend. En -verschrikt fluisterde hij de agenten toe: - -"Barend van de Lage Vuursche!" - - - - - - - - - -DERTIENDE HOOFDSTUK. - -WAT JACOB VAN VELDWACHTER BUIKJE HOORDE. - - -Volgende morgen, zes uur. - -De zon stond al hoog aan den hemel, 't beloofde weer een echt warme, -zomersche dag te worden. - -"Zeg," zei Hans tegen zijn broer Flip, terwijl ze zich op hun -slaapkamer aan 't kleeden waren, "wat maft die Rob weer door!" - -"Ja," antwoordde Flip, "ik heb hem al zesmaal geroepen, maar hij heeft -'r maling aan, hoor." - -"Nou, hij is om negen uur naar bed gegaan, dus me dunkt, dat-ie lang -genoeg geslapen heeft." - -"O zoo, maar als roepen niet helpt zal ik hem wel op een andere manier -wakker krijgen. Geef dat witte kopje eens aan, Hans." - -"Wat ga je nou doen?" - -"Zal je wel zien." - -Flip schepte het kopje vol water uit zijn lampetkan en zette het toen -op de plank boven Rob's hoofd. Een draad garen bond hij om het oor -van het kopje. - -Aan het andere einde knoopte hij een lus en schoof dien voorzichtig -om een vinger van Rob. - -"Ziezoo," zei Flip, "zoo gauw als hij nou maar één beweging maakt, -is hij goed wakker ook." - -Inderdaad liet het succes dezer nieuwe wek-methode niet lang op -zich wachten. - -Rob draaide zich in zijn slaap nog eens om, maar door die beweging -trok hij het kopje water van de plank. - -Pletsch!! - -"Au, m'n hoofd!... brrr!!!" vloog Rob ineens overeind, "wat is -dat nou?" - -"Goeiemorgen, Robbie," zei Flip lachend. "Is U Edele ontwaakt?" - -"Wat een misselijke, kinderachtige streek, Flip," zei Rob. "Nou is -'t heele bed nat." - -"Loop heen, dat droogt met die warmte in twee tellen." - -"Toch gemeen, al m'n goed is drijf." - -"Ga maar even buiten in de zon hangen." - -"Doe jij 't zelf maar." - -"De kleine kop viel op de groote kop van Robbekop," plaagde Flip, -waarop Rob zijn kussen greep en dat naar Flip's "kop" gooide. 't -Kussen vloog weer terug en nu begon Hans ook mee te doen. Lakens, -dekens, kussens zeilden van den eenen hoek naar den anderen, een waar -beddengevecht. Ten slotte rolden ze alle drie met al 't beddegoed als -een kolossale bal door elkaar, gierend en schaterend van pret. En de -zon goot haar gouden ochtendstralen naar binnen en lachte mee. - -De deur ging open en Jacob Heintze trad binnen. - -"Zeg, wat maken jullie een reuzenherrie!" - -"Wil je ook een beetje op je kop hebben?" inviteerde Flip. - -"Jij bent ook vroeg present," zei Hans, die uit het kluwen van de -dekens en lakens kroop. - -"O ja, 'k ben al meer dan een uur op," zei Jacob. "Ik had eigenlijk -nòg vroeger willen opstaan om even naar de Vuursche te gaan." - -"Waarom?" - -"Om Barend op te zoeken. Vragen, waarom-ie gisteravond niet gekomen -is." - -"Ja," zei Hans, "daar hadden vader en moeder 't gisteren ook over." - -"Zoo?" - -"Ja, vader zei, dat er met Barend tóch niets goeds te beginnen was." - -Jacob maakte zich driftig over die woorden. - -"Dat is niet waar!" zei hij. "Als Barend niet gekomen is, dan had -hij daar goeie reden voor. Hij was veel te blij, dat-ie komen mocht." - -"Nou, waarom kwam-die dan niet?" - -"Dat--dat weet ik evenmin als jij. Maar ik zal aan je vader vragen, -of ik nog even naar vrouw Vorstman mag gaan." - -Jacob Heintze kreeg van mijnheer Bergwoude verlof daar voor. Hij haalde -zijn fiets uit de bergplaats en snorde een oogenblik later den weg af. - -De arme weduwe was al bedrijvig in de weer. - -"Dag vrouw Vorstman!" riep Jacob haar toe, terwijl hij van zijn -fiets sprong. - -"Zoo Jacob, al zoo vroeg hier? Mooi weer, hè?" - -"Ja, vrouw Vorstman, maar ik wilde u eigenlijk vragen, of u ook weet, -waarom Barend gisteravond niet op Sparrenheide is gekomen." - -"Wel heb ik ooit! Is hij niet gekomen?" - -"Neen." - -"En ik heb het nog zóó gezegd. Hij was ook heel blij, dat-ie komen -mocht. Hij hoopte, dat mijnheer Bergwoude hem wat voorthelpen zou." - -"Ja dat zou-die ook wel doen, maar ..." - -Een derde persoon verscheen aan 't huisje van vrouw Vorstman, -veldwachter Bunze. - -Hij scheen verbazend in zijn schik te zijn, want zijn rond en -bol gezicht stond zoo vroolijk, alsof hij pas een erfenis had -gekregen. Zonder goeienmorgen te zeggen begon hij: - -"Nou, vrouw Vorstman, wat heb ik je gezegd? Schooiersvolk is het, -gespuis, waar niets mee te beginnen is!" - -"Man, waar heb je het over?" - -"Nee, je weet er natuurlijk nog niets van, hè? Maar ik wel. D'r is -al een brigadier uit Baarn op de fiets bij mij geweest, en die heeft -mij de orders gebracht." - -"Maar wat is er dan toch?" - -De veldwachter scheen er bijzonder plezier in te hebben, de menschen -zoo nieuwsgierig en ongeduldig te maken, als maar mogelijk was. - -"Wel," zei-die, "ik moest immers gisteren aan dat galgenaas van een -Barend de boodschap brengen, dat-ie op Sparrenheide komen moest?" - -"Ja--en ..." - -"Inplaats van het te doen, is de schavuit gisteravond met zijn vader -en Klaas Pos naar Baarn gegaan om daar in te breken!" - -"Dat kan niet!" riep Jacob verschrikt. - -Veldwachter Buikje keek den jongen met een minachtenden blik aan. Zoo'n -ventje durfde hem tegenspreken? - -Vrouw Vorstman sloeg van verbazing de handen in elkaar. - -"Om in te breken!" herhaalde Bunze met welgevallen. "De oude strooper -Ranke en zijn kameraad Pos zijn beiden gevangen genomen, Barend net -zoo goed, en alle drie zijn ze in preventieve hechtenis genomen. Nou -zie-je zelf, vrouw Vorstman, wat voor volk je in je huis haalt! Geef -jij den jongen maar koffie en dikke boterhammen, vandaag of morgen -steelt-ie het beetje nog dat je in huis hebt!" - -Jacob Heintze keek verslagen naar den grond. Hoe was dat nu -mogelijk! Barend, die in een paar weken al zoo vooruitgegaan was, -die nu misschien door mijnheer Bergwoude zelf verder geholpen zou -zijn, was in de gevangenis gezet, medeplichtig aan inbraak. Opeens -ging hem een licht op! - -"Ja! zoo is het!" riep hij uit. - -"Wat is zoo?" vroeg Bunze. - -"Wel geloof maar niet, dat Barend uit zichzelf is meegegaan. Zijn -vader en Klaas Pos hebben hem gedwongen. Zij hadden hem noodig." - -"Wat zou dat dan nog!" vroeg veldwachter Buikje. "Het doet er trouwens -ook weinig toe, hoe en waarom de jongen is meegegaan om op den uitkijk -te staan, in elk geval staat vast, dat hij het heeft gedaan, en dat -is voor ons, gerechtsdienaren, voldoende!" - -"En bij wie is er ingebroken," vroeg vrouw Vorstman. - -"Bij notaris Verhallen. Nou moet-je weten, de jongeheer Verhallen -was nog heel laat wakker en hoorde wat in 't kantoor. Wat doet de -slimmerd! Hij trekt wat kleeren en z'n pantoffels aan en loopt om het -huis heen. Daar ziet-ie iemand op den uitkijk staan en dus begreep-ie -dadelijk, dat er wel een paar kornuiten in 't kantoor aan den slag -waren. Hij loopt de dorpsstraat in en komt toevallig twee agenten -tegen. Die gingen dadelijk mee en de jongeheer Verhallen loopt weer -hard terug op zijn pantoffels en slaat zóó maar den uitkijk tegen -den grond. Hij gaf geen kik, want ze hielden zijn mond stijf toe, -dat verzeker ik je. Nou, en de agenten op de loer, dat begrijp je. 't -Duurde een heel poosje, toen kwamen allebei de sinjeurs naar buiten -om te zien, of alles in orde was. - -""Waar is de jongen?" vroeg de een. "Die zal wat verderop staan," -zei de ander. "Laten we eerst zelf eens kijken, of de weg veilig is, -voordat we den buit naar buiten halen." Ze liepen toen allebei het -tuintje door en: kip ik heb je! sprongen de agenten uit hun hoek. In -een oogenblik hadden de schurken de ijzeren polsmofjes aan en gingen -mee. Ik ben blij toe, dat me dat stelletje goed en wel achter de -tralies zit. Nou zie je toch, vrouw Vorstman, wat je met dien jongen -in huis had gehaald. Wees maar blij, dat-ie opgeborgen is. En nou zal -ik je groeten, want ik moet de zaak nog verder onderzoeken en rapport -uitbrengen." En met een zelfbewuste en trotsche houding stapte de -veldwachter den weg op. - -Vrouw Vorstman en Jacob waren door dit verhaal geheel uit het veld -geslagen. Het leek Jacob, of de mooie zonnedag opeens een donkere -nacht geworden was. Was dat nu alles wel waar? Was Barend werkelijk -tot zóó iets in staat? Het was bijna onmogelijk! - -"Neen, vrouw Vorstman," zie hij, "ik kà n het niet gelooven! En als -het tòch waar is, dan heeft Ranke hem gedwòngen om mee te gaan!" - -"Ik geloof het ook, jongeheer," zei ze verdrietig. "Och, och, die -arme Barend in de gevangenis!" - -Wanneer het Jacob's eigen broer geweest was, kon hij niet verdrietiger -geweest zijn dan hij nu was. In een zeer treurige stemming verliet -hij vrouw Vorstman en reed naar Sparrenheide terug, waar hij mijnheer -Bergwoude en Hans vertelde, wat er gebeurd was. - - - -Het gebeurde van dien nacht had Bram's zenuwen geducht geschokt. Toen -alles afgeloopen was en Ranke met Pos en Barend door de agenten waren -weggeleid, zat Bram bevend bij zijn inmiddels gewekte ouders in de -kamer. Hij begreep zelf niet, hoe hij zoo kalm was gebleven, hoe hij -niet één oogenblik bang was geweest om den vreemden schildwacht neer -te leggen. Barend Ranke, de boschjongen! Hoe was het mogelijk? Zoo -jong nog en dan al een dief! - -De heer en mevrouw Verhallen prezen hun jongen, maar Bram glimlachte -flauwtjes. Zijn moeder maakte zich echter steeds meer bezorgd en -eindelijk begon ook zijn vader langzamerhand tot het inzicht te komen, -dat het met Bram toch niet heelemaal in orde was. - -Er werd dien nacht lang niet rustig meer geslapen en 's morgens -had Bram zulk een bonzende hoofdpijn, dat hij niet kon opstaan. Met -den besten wil niet. De dokter werd gehaald en dadelijk luidde zijn -meening: - -"Zenuw-overspanning. Absolute rust houden. Zachte slaappoeders -innemen." - -De dokter schreef Bram's toestand enkel en alleen aan de nachtelijke -gebeurtenis toe, hij meende, dat Bram ten gevolge van een grooten -schrik ziek was geworden. - -Maar mevrouw Verhallen wist wel beter. - -Den volgenden dag sprak zij er eens met den dokter over. - -"Ik vond het beter, om het u eens te zeggen," begon ze. "Ik maakte -mij al sinds eenigen tijd zoo ongerust over onzen jongen, 't is niet -vanwege dien inbraak, ziet u. Bram zit avond aan avond, soms wel -tot na tien uur, huiswerk te maken en te leeren, en meestal begint -hij daar al om zes uur aan. Ik vind dat veel te erg, mijn man denkt -er anders over, maar ik verzeker u, dokter, de jongen kan dat niet -volhouden. Hij is niet dom, maar er wordt te veel van hem gevergd. Hij -gaat er steeds betrokkener uitzien, slaapt te weinig en speelt maar -eens een heel enkele keer met andere jongens." - -De dokter knikte. Hij begreep het volkomen. - -"Mevrouw," sprak hij, "wanneer jongens in hun schooljaren goed hun -best doen en hard werken, zal hun dat later ten goede komen. In -den tegenwoordigen tijd moet een mensch nu eenmaal meer weten dan -vroeger, de examens worden al zwaarder en zwaarder en de eischen, -die de maatschappij stelt, eveneens. Maar of we nu daarom de kinderen -al hun vrijen tijd moeten ontnemen en hen volstampen met allerlei -boekengeleerdheid, dat is een vraag, waarop ik zeer sterk: neen, -antwoord. Intusschen zijn er leerlingen, die dat overmatige werken en -leeren onmogelijk kunnen volhouden en u doet er zeer verstandig aan, -mij op dat geval met uwen zoon te wijzen. We mogen in geen geval -van zoo'n flinken, gezonden jongen een zenuwlijder maken. Laat hem -voorloopig maar eens rust houden en dan zullen we zien, wat we verder -met hem doen zullen." - -Mevrouw dacht over Instituut Sparrenheide. - -Zij sprak er met mijnheer Verhallen over. - -Ook de dokter vond dat besluit zeer verstandig en ten slotte gaf de -notaris toe. - -Na de groote vacantie zou Bram naar Sparrenheide gaan, zeker wel -tot groote vreugde van hemzelf en van Hans, Flip en Rob, de drie -jolige broers! - - - - - - - - - -VEERTIENDE HOOFDSTUK. - -VELDWACHTER BUIKJE EN DE BOSCHGEESTEN. - - -We zullen niet in bijzonderheden nagaan, wat er in de eerstvolgende -weken gebeurde met Barend, Ranke en Pos. - -Het was te danken aan de voorspraak van mijnheer Bergwoude, Jacob -Heintze en moeder Vorstman, dat Barend spoedig in vrijheid werd -gesteld. Er was bij het onderzoek gebleken, dat Barend door zijn vader -gedwongen was mede te gaan, maar er was ook nog een oude historie aan -het licht gekomen! Ranke, de strooper, had verschillende gereedschappen -en werktuigen gekocht en Pos had aan den rechter verteld, dat Ranke -het geld, waarmede hij die dingen betaald had, eenigen tijd geleden -in het bosch gevonden had. Het was een biljet van tien gulden en het -zat in een oude portemonnaie. De portemonnaie had Ranke weer op den -grond geworpen. - -De twee stroopers en dieven werden tot verscheidene jaren -gevangenisstraf veroordeeld. Barend werd als tuinmansjongen op -Sparrenheide aan het werk gezet en kwam bij moeder Vorstman in huis. - -Allen waren zeer tevreden met den goeden afloop der gebeurtenissen -en niet het minst Jacob Heintze, die nooit aan de goede trouw van -Barend had getwijfeld. - -Maar één was er, die zich bij dat alles eenigszins anders gedroeg. En -dat was Bunze, veldwachter Buikje! De dikzak was heelemaal niet -ingenomen met het feit, dat Barend zoo voortgeholpen werd. Het speet -hem verbazend, dat hij in het minst geen deel genomen had aan de -arrestatie der inbrekers, maar hij vertelde toch aan iedereen, die -het hooren wilde, dat hij voortaan met nog veel meer gestrengheid -optreden zou, om de veiligheid en de rust in de omgeving te bewaren. - -Speciaal lette hij nu op de jongens van Sparrenheide, die vaak in -"zijn" bosschen kwamen spelen. Hij liet het minste of geringste niet -meer toe en stelde zich aan als een tiran. Dat begon deze jongens -te vervelen. Als zij zich maar even in het bosch van Drakenstein -vertoonden, zagen zij het dikke gezicht van Buikje al op hen loeren. - -Daarom hielden de jongens op zekeren dag krijgsraad. Ze waren met -hun tienen bij de Echo verzameld en zaten of lagen op den boschgrond. - -"Waar zullen we hem eens een poets mee bakken?" vroeg Rob, die zich -wel het meest aan den veldwachter ergerde. - -Ja, dat was een moeilijke kwestie. 't Was in elk geval de veldwachter -zie je, en al hadden de jongens nu meer ontzag voor den man z'n jas -met de blinkende knoopen en de pet met den gouden bies dan om Bunze -zelf, je moest er voorzichtig mee zijn. - -Maar juist dà t maakte de zaak nog interessanter. - -"We zullen hem een kistje klapsigaren thuis sturen," zei de een. - -"Neen daar hebben wij niets aan. We moeten er zelf ook plezier van -hebben." - -"Stop hem dan een kikker onder zijn pet." - -"Of spijker de blinden van zijn ramen vast." - -"Doe een ons peper in zijn snuifdoos." - -Zoo wist ieder wat. Als de veldwachter al deze folteringen had moeten -doorstaan, dan had het er treurig met den man uitgezien. - -"Neen jongens," zei Hans, "daar hebben we allemaal niets aan. Ik -geloof dat ik een beter plannetje weet. Luister eens, je moet dan -weten, dat Buikje verbazend bijgeloovig is, zooals de meeste menschen -op de Vuursche. Daarom gaan er ook allerlei dwaze verhalen uit het -bosch hier bij de lui rond. Jullie hebt er natuurlijk wel eens een -paar van gehoord." - -"Neen, ik niet, ik niet," klonk het hier en daar. - -"Nou, we zitten hier toch zoo gezellig bij elkaar ... wil ik er eens -een vertellen?" - -"Ja, ja, vertellen!" riepen ze allemaal. - -"Goed dan," zei Hans, "de legende, die ik je vertellen zal heet -"De geschiedenis van de drie Boschgeesten." - -Het was ten tijde, dat Karel de Groote over Holland regeerde. Het bosch -van Drakenstein bestond toen ook al, maar was veel uitgestrekter. Nu -zijn er groote stukken bosch verdwenen, maar in dien tijd was 't -één en al woud. Je moet niet denken, dat er, net als nu, alleen -maar wat vogeltjes en konijnen en een paar herten te vinden waren, -neen, je had er nog wilde zwijnen, wolven, vossen en slangen in -overvloed. Het kasteel Drakenstein bestond nog niet, maar wel was er -op diezelfde plaats een hoeve, die bewoond werd door de gebroeders -Wer en Ner. Dat waren zoogenaamde roofridders, die zelf niets bezaten -en alleen leefden, van hetgeen zij anderen ontstalen------ - -Opeens riep Flip: "Daar komt de veldwachter!" - -Inderdaad! daar kwam Bunze aan. - -De jongens waren teleurgesteld, maar Hans zei: - -"Zitten blijven, jongens. Ik vertel toch." - -"Wat voeren jullie hier uit?" vroeg Bunze op barschen toon. - -"Wij vertellen verhalen, mijnheer Bunze," zei Hans beleefd. - -"Zoo, vertel maar. Ik wil dat moois ook wel eens hooren." - -"Heel goed, mijnheer Bunze. Nou jongens, ik zei dan, dat de broeders -Wer en Ner alleen van roof leefden, en de bewoners waren grootendeels -heidenen, die er hun eigen goden op na hielden. Je weet wel, dat Wotan -of Wodan een van die goden was. Toen nu de roofridders Wer en Ner niet -ophielden met het uitrooven en uitplunderen van den geheelen omtrek, -riepen de hier wonende volksstammen hunne goden aan en smeekten Wodan, -hen te beveiligen tegen de woeste, onmeedoogende roofridders. Wodan -verhoorde het smeeken der volksstammen en zond een reusachtige, -vurige draak naar deze bosschen, die de broeders Wer en Ner zou -verslinden. Maar inplaats dat de draak de roofridders verslond, -begon het geweldige dier van honger heele bosschen achter elkaar te -verslinden, vandaar de vele groote heideplekken in den omtrek. En als -'t ware om den toestand nog erger te maken verscheen een nieuwe roover -en brandstichter in deze streken, genaamd Rador. De broeders Wer en -Ner bemerkten nu het gevaar, waarin zij verkeerden. Zij hadden nu -twee machtige vijanden, Rador en de draak. De draak scheen ten slotte -begrepen te hebben, dat hij hier niet was aangesteld als boomenhakker -en boschontginner, maar om een einde te maken aan de geweldenarijen van -Wer en Ner. Daarom ging de draak op zekeren dag naar de hoeve om de -broeders te dooden. Het geweldige dier, dat boven de boomen uitstak, -naderde met veel geweld en passeerde onderweg de grot, waarin Rador -verblijf hield. Rador kwam naar buiten, om te zien, wat daar toch zulk -een ontzaglijk gedruisch in het bosch veroorzaakte. Maar nauwelijks -kwam hij buiten de grot of de draak sloeg hem met een geweldigen slag -neer en verslond hem met huid en haar. - -"De broeders Wer en Ner hadden al meermalen gehoord van den -ontzettenden draak, die hier in den omtrek verblijf hield. Nu -zij hem echter op de hoeve zagen afkomen, verzamelden zij al hun -krijgsknechten om zich heen en trokken het monster te gemoet. Wer -en Ner gingen aan het hoofd van den troep, maar er was geen vechten -tegen het reusachtige dier. Wer en Ner werden beiden door den draak -doodgeslagen en verslonden. Vreemd genoeg liet het monster de overige -mannen ongedeerd, die in de grootste ontsteltenis en verwarring naar -alle zijden de vlucht namen. - -"Ook de hoeve van de roofridders werd door den draak, die vlammen -braakte, totaal vernietigd en daarna heeft niemand ooit iets meer -gezien, van het dier, dat Wodan op aarde gezonden had. Maar wel -werd het bosch sinds dat oogenblik bewoond door drie geesten, de -boschgeesten. Dat zijn de broeders Wer en Ner en Rador. Elken avond -met de schemering komen zij uit de Grot te voorschijn en zoeken naar -den draak, om zich op hem te wreken. Wie een van die geesten ontmoet, -moet zeer voorzichtig zijn. Hem dreigt gevaar van alle kanten. Ziezoo, -en dit is nu de geschiedenis van de drie boschgeesten." - -Ze vonden 't allemaal mooi en de veldwachter was er heelemaal van -onder den indruk gekomen. - -"Is dat heusch waar?" vroeg hij aan Hans. - -"Beslist waar," zei Hans met een stalen gezicht. Maar de bengel -vertelde er niet bij, dat hij met opzet het laatste deel van de -geschiedenis er maar bij gemaakt had. De andere jongens begrepen dat -wel, want Hans had hen een knipoogje gegeven. - -"Ik heb wel eens hooren vertellen van geesten, die in het bosch -wonen," zei Bunze, "maar van deze heb ik nooit gehoord. Je kunt -anders geheimzinnige geschiedenissen beleven in het bosch. Zoo kan -het bijvoorbeeld 's avonds in de kapel leelijk spoken." - -"Och kom, Bui -- -- Bunze," versprak Flip zich. - -"Er bestaan immers geen spoken!" zei Rob. - -Maar Hans gaf Rob een knipoogje en zei: - -"Wat, bestaan er geen spoken? Je kunt er 's avonds genoeg zien, -nietwaar Bunze?" - -"Nou, nou ... genòeg is wat erg... maar dà t ze bestaan ... is zoo -zeker als dat mijn naam Bunze is!" - -"Willen wij morgen avond de drie boschgeesten eens gaan zien, jongens?" - -"Ja, ja, dat is goed." - -Bunze aarzelde even, hij was wat griezelig van die avonturen, maar -ten laatste zei hij: - -"Wees maar voorzichtig, jongens. Met geesten valt niet te spotten. Ik -zal er bij wezen om jullie te beschermen." - -"Ja, Bunze, doe dat!" zei Hans. "Dan behoeven wij ook niet bang te -zijn. Wij komen morgen avond om acht uur bij de grot." - -"Goed, goed," hernam de dikke veldwachter, "en ik zal er zijn en mijn -karabijn meebrengen. Men kan nooit weten." - -Daarop vertrok Bunze. - -Maar nauwelijks was hij uit de buurt, of de tien jongens rolden met -de beenen omhoog over den grond van het lachen, knepen elkander in -de beenen en trokken aan elkanders haren. - -"Zeg lui, is-die prachtig?" - -"O, die veldwachter Buik, ik lach me een pruik!" zei Flip. - -"Wat toevallig, dat-ie net 't verhaal hooren kon!" - -"Maar wat doen we morgen nou, Hans?" - -"Dat zal ik je vertellen! Luistert allemaal." - -En daarop zette hij zijn kameraden een plannetje uiteen, dat dienen -moest om veldwachter Bunze een poets te bakken. - -Allen keurden het goed en niemand zou er iets van aan de anderen -zeggen. En het mooiste was, dat ze allemaal wat te doen zouden hebben -bij de uitvoering van het plannetje. Hans had dat zoo gewild, het -zou voor allen veel leuker zijn. En wat een pret, om dien veldwachter -Buikje, die altijd zoo voornaam en gewichtig en gewèldig deed alsof hij -de Keizer van de Lage Vuursche was, een toontje lager te hooren zingen! - - - -Den volgenden avond om zeven uur al trok ons tiental, de drie jolige -broers aan het hoofd, er op uit. Hans, Flip en Rob droegen ieder een -pakje onder den arm, de andere jongens hadden de meest vreemdsoortige -en uiteenloopende voorwerpen en muziekinstrumentjes bij zich. Een -torpedo-fluitje en een klappertjes-pistool, een eind ijzeren ketting -en een kinderrateltje, een paar blikken deksels en zelfs had een der -jongens zijn viool meegenomen. - -Om half acht waren de jongens bij de grot. - -Hans gaf ieder der jongens een plaats tusschen struiken en -boomen. Daarop reikte hij het pakje, dat hij onder den arm had, -aan Albert de Hooge over en fluisterde hem nog een paar woorden -toe. Toen ieder zijn plaats had en Albert in de Grot was gegaan, -wandelde Hans wat op en neer en drukte allen nogmaals op het hart, -zeer stil te zijn. Om acht uur werd het al aardig duister in het bosch, -hoewel het op de heide nog vrij licht was. - -Hans wachtte, wachtte, en eindelijk zag hij Bunze aankomen. - -"Goeienavond, Bunze," riep Hans hem reeds op een afstand toe, zoo -dat nu tevens alle samenzweerders wisten, dat de veldwachter er was. - -"Ben je maar alléén?" vroeg Bunze. - -"Ja, er was geen denken aan, dat de anderen méé mochten. Mijn vader -wilde het niet hebben. Maar ik mocht wel eens gaan kijken naar de -drie boschgeesten. Vader heeft mij echter gezegd, dat ik heel erg -voorzichtig moest zijn. Als men maar niet omkijkt en steeds rechtdoor -loopt, kunnen zij geen kwaad doen. Maar wanneer men omkijkt is men -voor goed verloren. Dat zei Vader." - -Hans draaide zijn hoofd naar een anderen kant, terwijl hij dit zeide, -want hij stikte haast van het lachen. - -"Zoo, heeft uw vader dat gezegd," zei Bunze. "Dan zullen wij ook op -onze hoede zijn en niet omkijken." - -"Wà t er ook gebeure!" zei Hans. - -"Ja, wat er ook gebeure!" - -Zij stonden nu voor de grot. - -"Wil ik er eens ingaan?" vroeg Hans. - -"O, doe dat niet, Hans, doe dat niet!" - -"Och, waarom niet. Kijk eens, Bunze, je moet namelijk weten, ik geloof -heelemaal niet aan spoken." - -"Ach Hans, hoe kan je zoo spreken," zei veldwachter Bunze, die door de -raadgevingen van Hans' vader heelemaal van de wijs was gebracht. "Denk -toch eens, wat je vader gezegd heeft." - -"Nu ja, ik zal ook wel voorzichtig zijn," antwoordde Hans en -tegelijkertijd schoot hij de grot in. In een hoek daarvan zat Albert -met een wit laken bij zich. - -"Sssst," fluisterde Hans, "hier is de electrische zaklantaarn, je -weet er alles van." - -En Hans kwam er haastig weer uit. - -"Ik heb hooren zuchten!" zei hij tot den veldwachter. - -Deze keek in de pikdonkere grot, waar opeens een schitterend licht -een witte gedaante bescheen. - -"De geest van Rador!" riep de veldwachter en ging al aan de haal. Bleek -als een stukje kinderzeep vloog hij naar het dorp om daar aan zijn -zuster en allen, die het hooren wilden, te vertellen, dat het bosch -van Drakenstein vanavond weer wemelde van geesten en spoken, brrr... - -De jongens hadden het pistool, de viool en de verdere -spookbenoodigdheden wel thuis kunnen laten. Hoeveel pret zij ook -gehad hadden, zij vergaten, dat wie het laatste lacht, toch altijd -nog het beste lacht, zooals we dat later zullen zien. - - - - - - - - - -VIJFTIENDE HOOFDSTUK. - -BRAM ALS LEERLING OP SPARRENHEIDE. - - -Augustus brak aan met zijn vacantiedagen. Alle leerlingen gingen naar -hunnen ouders en de familie Bergwoude bracht dien tijd te Scheveningen -aan strand en zee door. Op twee September begonnen de lessen weer en -den dag tevoren keerden bijna alle leerlingen weer terug en kwamen -ook enkele nieuwelingen. - -Die niet meer terugkeerden, dat waren de oudsten, die alle klassen -doorloopen hadden en degenen, die op Sparrenheide hersteld waren van -hun vroegeren ziekelijken toestand en nu weer het gewone onderwijs -in de stad konden volgen. - -Dien eersten September was het dan ook een voortdurend af en aanrijden -van rijtuigen met koffers. Sommigen kwamen uit de richting Hilversum, -anderen weer uit de richting Baarn of Utrecht. - -En allen werden door Mijnheer en Mevrouw Bergwoude van harte -verwelkomd. O, instituut Sparrenheide had heelemaal niets van een -gesticht of een kazerne, zooals zoovele kostscholen. Het was er -maar een groote familiekring en daarom waren er ook nooit meer dan -een dertig à vijf en dertig leerlingen. Mijnheer Bergwoude en zijn -vrouw beschouwden zich als vader en moeder van de aan hun zorgen -toevertrouwde jongens en meisjes en daarom werden de meeste maaltijden -ook aan één tafel gebruikt. Door dien maatregel voelden de kinderen -zich op Sparrenheide werkelijk thuis. - -Toen Bram dien dag naar het instituut vertrok, was hij toch wel -eerst een beetje weemoedig gestemd. Hij was tot nog toe altijd bij -zijn ouders in huis geweest, had er zijn eigen kamer gehad en was -er door zijn lieve moeder verwend met al de talrijke lieve dingen, -die een goede moeder voor haar eenigen jongen doet. - -Maar de ontvangst op Sparrenheide door het echtpaar Bergwoude en -de drie jolige broers was zóó hartelijk, dat Bram het eigenlijk -heelemaal niet meer verdrietig vond. Om hem te plezieren was er op -de kamer van Hans, Flip en Rob een vierde ledikant gezet voor hem, -zoodat hij als het ware heelemaal in het gezin werd opgenomen. - -Hij had een grooten koffer met allerlei snuisterijen van zijn kamer -meegebracht, die de bewondering der broers wekten. Zij hielpen hem -bij het uitpakken en daarbij bleek, dat Bram voor ieder een cadeautje -had meegebracht. - -Hans kreeg een prachtig inktstel, Flip een juweel van een verfdoos -en Rob een keurig plantenalbum. - -Zóó deed Bram zijn intocht op de jongenskamer, waar hij zóó door -allerlei dingen in beslag genomen werd, dat hij geen tijd had om -treurig te zijn over de verandering in zijn leven. - -Den volgenden morgen, waarop de lessen weer een aanvang zouden nemen, -was Flip het eerste wakker. - -Hoewel het verplichte uur van opstaan pas om zeven uur was, waren -Hans en Flip meestal een uur te voren al op de been. - -Rob niet. Rob stond geen minuut eerder op dan zeven uur, al gooiden -ze twintig kopjes water op zijn hoofd. - -Maar met Bram was dat een ander geval. - -Flip trok den slapenden makker even aan den neus. - -"Hola, mijn roode broeder Arendsoog!" riep hij. "Het Groote licht staat -al hoog aan den hemel! De Mohikanen wachten u, dapper opperhoofd. Zij -hebben de strijdbijl opgegraven!" - -Bram knorde eens en deed loom de oogen open. - -"Wa ... wat kletsen jullie ... 'k heb zoo'n slaap." - -"De bleekgezichten bestormen de wigwams, zij hebben een verbond -gesloten met de Comanchen," zei Hans. - -"M'n zorg," bromde Bram en draaide zich om. - -"Nee, om den drommel niet, Arendsoog!" zei Flip, "ben je heelemaal -besuikerpeerd, zóó zijn we niet getrouwd! Och Hans en Rob helpen -jullie eens even. We zullen het slaperige opperhoofd even met de -dekens en al op het balcon leggen. - -De drie broers sjouwden Bram met dek en al naar buiten. Maar Bram trok -zich daar bitter weinig van aan en sliep rustig door. Maar toen Hans -en Flip een soort Indiaansche oorlogsdans om hem heen uitvoerden en -hij bij die bewegingen nog al eens in aanraking met hun voeten kwam, -werd het hem toch al te bar. Hij sprong ineens overeind en trok ze -allebei op den grond, rolde langs het heele balcon met hen over den -vloer en maakte een spektakel, dat alle deuren opengingen en de pas -ontwaakte jongens met verbazing keken naar die gekke vertooning! - -Bram was onder die bedrijven geheel wakker geworden. Toen hij zich -gewasschen en gekleed had, ging hij met Hans en Flip eens den tuin -in. Daar liep ook een andere nieuweling, die Gerard Beker heette. - -Flip, de eeuwige clown, had dadelijk weer een nieuwe grap in 't hoofd. - -"Zeg," sprak hij tot Bram, "dat is ook een nieuwe jongen. Hij is -stokdoof. Als je tegen hem praat, mag je wel hard schreeuwen." - -"Zoo," zei Bram, "ik zal er aan denken." - -Tien minuten later--Bram liep met Hans in 't aangrenzende bosch--zag -Flip Gerard Beker op een andere plaats in den tuin. - -"Die nieuwe jongen van daarnet heet Bram Verhallen," zei hij, "als -je tegen hem praat, mag je wel hard schreeuwen, want hij is stokdoof." - -En Flip verdween, maakte een omweg en zorgde, dat Bram weer in de -buurt van Gerard kwam. Daarop ging hij met Hans weg, doch zorgde wel, -in de buurt te blijven. - -Bram keek Gerard eens aan en glimlachte. - -Gerard glimlachte uit beleefdheid terug. - -"Goeienmorgen!!!" schreeuwde Bram, "heb je goed geslapen!!!" - -"Jáááá!!" gilde Gerard terug. "Jij óóóóók??!!" - -Achter een denneboschje knepen Hans en Flip zich de neuzen dicht van -het lachen. - -"Ik heet Verhallen!!" brulde Bram weer, die verbaasd was, dat de -ander zoo schreeuwde. - -"En ik heet Bééééker!!!" loeide Gerard, die 't evenmin snapte, waarom -Bram ook zoo hard riep. - -"Je hoeft niet zoo hard te schreeuwen!!" gilde Bram. - -"Jij ook niet! Ik ben niet dóóf!!!" - -Toen was er aan beide kanten enorme verbazing. - -"Die is goed!" zei Bram op gewonen toon. "Ik dacht, dat je stokdoof -was!" - -"Ben jij het dan niet?" vroeg Gerard. - -"Net zoo min als jij," zei Bram. "Dat heeft Flip ons gelapt! Ik zal -het hem betaald zetten!" - -Daar kwam Bosman, de oude, doove huisknecht. - -"Hebben de jongeheeren al ontbeten?" vroeg hij. - -"Neen," antwoordde Gerard, "waar moeten wij zijn?" - -"Wijn? Neen, u krijgt geen wijn," zei Bosman, die natuurlijk weer -verkeerd had verstaan. - -"Dat zeg ik niet," lachte Gerard, "ik vraag, wáár moeten wij zijn?" - -"Foei, ben ik een zwijn? Mag u dat zeggen?" - -"Die schijnt ook al doof te zijn," sprak Gerard tot Bram. - -Bram lachte. - -"Ja, maar Bosman is het heusch! Kom maar mee, ik weet hier den -weg wel." - -In de eetzaal zag het er gezellig uit. Er waren twee tafels. Eén -voor de meisjes, één voor de jongens. Daar tusschen in de heer en -mevrouw Bergwoude. - -Mijnheer Bergwoude verwelkomde de leerlingen op dezen eersten morgen -van den nieuwen cursus. In het bijzonder de nieuwelingen. Hij hoopte, -dat zij spoedig zich op Sparrenheide zouden thuisvoelen. En het beste -middel daartoe was, om in de eerste plaats zooveel mogelijk te eten -en altijd een prettig gezicht te zetten. De rest kwam vanzelf wel. - -Na het ontbijt nog even rondwandelen en om negen uur begon de school. - -Bram kwam in dezelfde klasse van Hans. Zij kwamen naast elkander -te zitten. - -En dadelijk al bemerkte Bram, dat het leeren hier veel lichter -en gemakkelijker ging dan op zijn vorige school. Het ging wel -heel langzaam, maar hij begreep alles veel beter en dat vond -hij prettig. De les duurde tot 11 uur en toen gingen ze een uur -in het bosch spelen. Van 12-1 was er weer les en daarna werd het -middagmaal gebruikt. Wie er lust in had, mocht ook om 11 uur in het -pauze-uurtje iets gebruiken. Toen het eten was afgeloopen, werd er -tot 3 uur liggend gerust. Bram kreeg een hangmat en bond die aan twee -boomen. Dat rustuurtje vond hij heerlijk en hij sliep, eer hij het -wist. Dat kwam van de boschlucht. - -En na dat slaapje, dat tot 3 uur duurde, kwam er iets aardigs. Bram -werd ingedeeld bij een clubje jongens, die handenarbeid gingen doen, -en wel het leeren timmeren van houten voorwerpen. - -Meester Hooghuizen was in het slöjdwerk zeer bedreven. In de zaal, -waar de jongens timmeren konden, waren tal van aardige dingen -tentoongesteld, die de leerlingen vroeger al hadden gemaakt. - -Dat was iets nieuws voor Bram. Hij vond het zeer prettig en deed zijn -best, alles goed te onthouden. En wat de leerlingen vervaardigden, -mochten zij zelf behouden of het aan hunne ouders sturen. - -Dat timmerwerk duurde ook al weer een uur en daarna ging het groepje -in den tuin werken. - -Wéér iets nieuws voor Bram, thuis had hij altijd met veel genoegen in -den tuin gewandeld of gezeten, maar die werd steeds in orde gehouden -door een vasten tuinman, en Bram had nog nooit een boompje geplant -of een zaadje uitgestrooid. - -Nu hij dat zelf allemaal doen mocht, vond hij het plantenrijk nog -veel aardiger en leerde hij de boomen en de bloemen liefhebben en ze -verzorgen als hulpbehoevende kindertjes. - -Na den tuinarbeid mocht hij wat gaan lezen in een boek, dat mijnheer -Bergwoude hem gaf. En als huiswerk had hij op zijn kamer twee sommen -te maken. Dat was alles. - -Om zeven uur werd het avondeten gebruikt. Vroeger at men het -middagmaal om zes uur, maar met den nieuwen cursus had de directeur -daarin verandering gebracht. Men at om 1 uur en om 7 uur werd de -avondboterham gebruikt. Evenals in de morgenrust konden de leerlingen -ook tusschen 3-5 uur iets gebruiken, als zij daar trek in hadden, -wat bij de meesten dan ook steeds het geval was. - -Om acht uur kwamen ze buiten het huis in den tuin bijeen voor het -gewone verteluurtje. Meester Hooghuizen begon dien avond met een -prachtige vertelling. - -En toen Bram na dien eersten kostschooldag in bed stapte, moest hij -erkennen, dat alles even prettig was geweest. De schoolles zoowel -als de handenarbeid en het tuinwerk, de gezellige maaltijden, en het -heerlijke verteluurtje! En met het heerlijke, rustige gevoel, dat -hij nu eens niet zoo zenuwachtig-hard behoefde te blokken, maar toch -kalm voortleeren kon, sliep hij in met een glimlach van tevredenheid -om den mond. - - - - - - - - - -ZESTIENDE HOOFDSTUK. - -WAT HANS VAN PLAN WAS. - - -Bram ontwaakte den tweeden morgen veel vroeger nog dan Hans en -Flip. Nadat hij zich gewasschen en gekleed had, ging hij een brief -aan zijn ouders schrijven. - -Deze luidde aldus: - - - Instituut Sparrenheide - - 3 September 19.. - - Lieve Vader en Moeder, - - Ofschoon ik pas twee dagen hier ben, kan ik toch niet nalaten - U beiden eens even te vertellen, hoe prettig ik het hier - vind. Iedereen is even aardig en vriendelijk voor mij en de - eerste werkdag is voor mij een plezierdag geweest. Wel is er nog - veel nieuw voor me en ongewoon, maar het zal wel gauw wennen. Ik - ben op dezelfde kamer met Hans, Flip en Rob en terwijl ik dit - schrijf liggen zij alle drie nog te snurken. Ik mis U beiden - wel en telkens verlang ik toch zoo naar U, maar ik kom elken - Zondag naar U toe en zoo zie ik U toch elke week. Je leert hier - zoo van alles en dat is heel prettig. Gisteren heb ik les gehad - in timmeren en ook hebben we tuinarbeid gehad. Op het oogenblik - weet ik niet meer. Nu dag beste vader, dag lieve moeder, ik hoop - U Zondag veel te kunnen vertellen. - - Weest hartelijk gegroet van Uw éénen jongen - - Bram. - - -Toen de brief klaar was, deed Bram hem in een enveloppe en schreef -het adres er op. Daarna ging hij den tuin eens in. Hij hoorde, dat -iemand aan het harken was. Dat zou wel een tuinman zijn en hij besloot, -eens een praatje met hem te maken. - -Het was echter geen man, maar een jongen. - -Bram wist eerst niet, wie zijn oogen daar zagen! - -En toch--het wà s zoo! - -Barend van de Lage Vuursche! - -Nu keek ook deze op. - -De twee jongens zagen elkander een oogenblik aan. Bram had er niet -eens meer aan gedacht, dat hij Barend hier zou ontmoeten. - -"Dag Barend," zei Bram, toen hij wat over zijn eerste verbazing -heen was. - -"Dag ... Bram." - -Ze waren verlegen met elkander. - -"Ben je ... ben je aan 't harken?" vroeg Bram nogal onnoozel. - -"Ja." - -"Bevalt het je hier goed?" - -"O ja ... ik ... ik woon bij moeder Vorstman." - -"Dat heb ik gehoord. Willen we vrienden wezen, Barend?" - -De tuinmansjongen keek Bram eerst ongeloovig aan, toen stak hij beide -handen uit en zei: "Graag!" - -Daarop vertelde Barend, dat mijnheer Bergwoude hem nu les gaf en dat -hij landbouwkundige wou worden. Bram vond hem een flinken vent en -zei, dat-ie maar goed op moest passen. Toen kwamen daar juist Hans -en Flip aan. - -"Je moet bepaald eens op de Vuursche komen," zei Barend tot Hans. "De -veldwachter heeft het al wekenlang over je." - -"Over mij?" vroeg Hans verbaasd. - -Hij wist niet, dat hij iets met Bunze aan den stok had. - -"Ja," vervolgde Barend. "En dan vertelt-ie van boschgeesten bij -Drakenstein en zegt, dat je ze ook gezien en gehoord hebt." - -Nu begon Hans hartelijk te lachen. - -"Die domme Bunze!" riep hij vroolijk uit. "O, o, wat laat die man -zich toch beetnemen!" - -"Is dat niet veldwachter Buikje?" vroeg Bram. "Ik heb hem tenminste -zoo wel eens hooren noemen." - -"Ja," zei Hans, "het is een type." En hij vertelde Bram de avonturen -van Bunze en de boschgeesten. - -"Bunze is buitengewoon bijgeloovig," besloot hij "en vooral oude -legenden en vertellingen kun je hem wijsmaken, zoo gek als je ze zelf -maar verzinnen kunt. Hij is een geweldige dienstdoener. Maar zeg eens, -Barend, wat vertelt Buikje toch van me?" - -"O," zei Barend, "het is om je ziek te lachen. In het bosch zijn drie -geesten, zegt hij, de geesten van drie roofridders, die in de Grot -wonen. Hij heeft ze zelf gezien toen hij met je in het bosch was. En -hij vertelt dat aan iedereen en als je in 't dorp komt, zal hij je -tot getuige nemen." - -"En gelooven de menschen dat?" - -"Niet allemaal. Maar de meesten wel. Ik lach er om. Bunze moet trouwens -heelemaal niets van mij hebben. Hij is mijn vriend niet en ik wou, -dat de burgemeester een ander nam. Hij behandelt mij nog precies -eender als vroeger en spreekt tot iedereen kwaad van me." - -"Ik zou ook wel eens zoo'n grap willen bijwonen," zei Bram. "Maar -zijn jullie niet bang, het is toch een veldwachter?" - -"Och kom," zei Hans, "het is volstrekt geen kwade kerel, al kijkt -hij wat leelijk. Maar ik kan 't nou eenmaal niet laten, om hem af -en toe eens te plagen. En dat kwaadspreken van Barend zullen wij hem -wel eens afleeren." - -"Hoe wou je dat doen?" - -"Dat is mijn geheim. Vanavond zal het gebeuren. Heb je zin om mee te -gaan, Bram?" - -"Asjeblieft, wà t graag!" - -"Goed, afgesproken. Ik zal aan Vader vragen, of we een half uurtje -later mogen thuiskomen. Stil, daar heb je de andere jongens. Niets -zeggen, hoor!" - -Dien middag sprong Hans op de fiets en reed naar het dorp. Hij -wilde Bunze wel eens spreken. Maar de veldwachter was daar niet, -deed waarschijnlijk een rondwandeling door zijn bosschen. - -Daarom nam Hans de fiets bij de hand en kuierde er het bosch mee -in. Het duurde niet lang of hij bemerkte Bunze op eenigen afstand. Hij -sprak hardop tot zichzelf en scheen nogal opgewonden. - -Daar vloog Hans een klein vliegje in den neus en "Hatsjie!!!" niesde -hij opeens. - -Veldwachter Bunze vloog overeind. - -"Alle duivels, wie waagt het ... O Hans, ben jij het! Wat laat je -mij schrikken!" - -"Goeienmiddag, mijnheer Bunze," zei Hans lachend, "ik ..." - -"Hoor eens Hans," zei de veldwachter. "Laat dat, "mijnheer" nu maar -weg. Dat behoef jij niet tegen mij te zeggen." - -"O, erg prettig, dank-je wel," zei Hans. "Maar ik moest je even -spreken, Bunze. Laten wij hier even gaan zitten." - -De veldwachter stelde onbepaald vertrouwen in Hans, die zooveel wist -van oude geschiedenissen van het slot. - -"De geest van Rador is bij mij geweest," zei Hans ernstig. - -Bunze zette groote oogen op. - -"Gisteravond acht uur zat ik in een stil hoekje van den tuin," -fantaseerde Hans, en onder het vertellen kreeg hij een prachtig -idee voor zijn plan, "toen ik opeens een witte gedaante op mij af -zag komen. Ik schrikte eerst wel een beetje, maar toen hoorde ik een -stem: "Wees niet bang, jongmensch, ik ben Rador, de roofridder." Je -begrijpt, Bunze, hoe interessant ik dat vond en ik zeide: "Goed, ik -zal niet bang zijn." "Luister dan," zei de geest. "Ga morgenmiddag naar -veldwachter Bunze van de Lage Vuursche en zeg, dat hij mijn vriend is."" - -"Zei de geest dat?" vroeg Bunze aangenaam gestreeld. - -"Ja, dat zei hij. "Veldwachter Bunze is mijn vriend," sprak hij -verder. "Ik zal hem gelukkig maken, maar hij moet precies doen, wat ik -hem gebieden zal. Ik weet, dat hij graag burgemeester wil worden. Goed, -zeg hem, dat hij dit worden zal, als hij mij gehoorzaamt." Luister, -Bunze. Toen zei de geest van Rador: "zeg aan veldwachter Bui--Bunze, -dat hij vanavond om acht uur moet zijn vóór het huis van de weduwe -Vorstman. Daar mag hij mij roepen."" - -"En--en hoe zal ik hem roepen?" vroeg Bunze, die het begon te gelooven. - -"Ja, dat is juist het moeilijke," zei Hans, "dat is zoo heel -gemakkelijk niet. Kunt gij hard schreeuwen, Bunze?" - -"Dat zal wel gaan, denk ik." - -"Mooi, dan moet ge zoo hard mogelijk roepen: "Geest van ridder Rador, -hier ben ik!" - -Hans bleef nog eenigen tijd met Bunze praten en maakte hem allerlei -onzinnige boschverhalen wijs, die de veldwachter volstrekt niet in -twijfel trok, integendeel, hij vond ze zeer mooi en vertelde aan Hans, -dat hij "spiritus" was. - -"Spiritist zal je bedoelen," zei Hans lachend. - -"Ja juist." - -Kort daarna stapte Hans verder. Hij drukte den veldwachter op het hart, -toch vooral op tijd te zijn en zich stipt aan de order van den geest -van ridder Rador te houden. - -Buiten het bosch stapte Hans op de fiets en reed naar vrouw Vorstman, -die op een bank vóór haar huisje te breien zat. Na de eerste begroeting -vertelde Hans haar, welke grap hij met den veldwachter wilde hebben. - -"Kijk eens hier, vrouw Vorstman," sprak hij, "Barend past tegenwoordig -uitstekend op, nietwaar, hij doet goed zijn best. Maar Bunze beschouwt -hem nog altijd als den wilden ondeugenden boschjongen, die tot niets -goeds in staat is en alleen maar allerlei kattekwaad uithaalt." - -"Daar weet ik van mee te praten," zei vrouw Vorstman. "Bunze komt -zoo af en toe wel eens hier, maar hij heeft nooit een goed woord voor -Barend. Altijd schelden en razen op hem. En hem verwijten, dat zijn -vader in de gevangenis zit. Daar doet Bunze heel leelijk aan." - -"Juist," zei Hans, "en dat willen wij hem nu eens afleeren." - -"Nu moet ge met Barend alvast maar eens aan de menschen gaan zeggen, -wat er vanavond gebeurt. Maar zeg er bij, dat ze vooral stil moeten -zijn en zich moeten houden, alsof ze ook gelooven dat het allemaal -waar is. Ik speel voor den geest van Rador en kruip op uw vliering -voor het raampje, vrouw Vorstman. Ge zult er wat van beleven!" - -"Och och," lachte vrouw Vorstman, "hoe is het toch mogelijk, dat zoo'n -groote kerel zich zóó laat beetnemen. En gelooft hij dat nu allemaal?" - -"Of hij het gelooft?" riep Hans uit. "Zeg hem maar niet, dat het maar -onzin is, want hij vindt het zelf veel te mooi om het niet als wáár -en echt aan te nemen. Maar denk er om, vrouw Vorstman, dat ge zelf -óók doet, of het zoo is. Ge moet voor vanavond ook maar eens aan de -boschgeesten gelooven." - -"Ik zal mijn best doen," zei het vrouwtje. "Ik ben toch benieuwd, -hoe dit afloopt, jongeheer Hans. Pas maar op, dat Bunze jullie toch -niet te slim af is." - -"O, dat zullen we wel zien." - -Daarop nam Hans afscheid van vrouw Vorstman en peddelde naar -Sparrenheide terug, om er Bram verder met zijn plannen op de hoogte -te stellen. - - - - - - - - - -ZEVENTIENDE HOOFDSTUK. - -HANS GRAAFT EEN KUIL VOOR BUNZE, DOCH VALT ER ZELF IN. - - -Dien avond gingen vijf jongens van Sparrenheide naar het dorp. Het -waren Hans, Flip, Rob, Bram en Barend. - -Hans installeerde zich op de vliering bij het dakraampje, dat aan -den voorkant van het huis was. Hij scharrelde daar wat ouden rommel -op, onder andere een stuk kachelpijp, wat losse turven en wat oude -aardappelen en legde dat alles bij elkaar onder het raampje. Hij -plaatste zich nu zóó, dat hij goed kon zien, wat er buiten voorviel, -maar dat van buiten af niemand hem zien kon. Daarna gaf hij Bram, -die met Flip en Rob in de buurt bleef en ook het zijne er toe moest -bijdragen om de grap zoo goed mogelijk te doen slagen, nog eenige -aanwijzingen. De buren, die wel zoo iets gehoord hadden van wat er -gebeuren zou, zaten voor de deuren hunner woningen en lachten al -bij voorbaat. - -Het werd acht uur, vijf, ... tien minuten over achten, maar wie ten -tooneele verscheen, de veldwachter niet. - -Zou hij niet komen? - -Kwart over acht ... de menschen werden ongeduldig en de jongens -dachten reeds, dat Bunze inmiddels wijzer geworden was ... daar kwam -de veldwachter eindelijk aan! - -Ieder hield zich van den domme en deed, of er niets bijzonders op -til was. - - - -Toen veldwachter Bunze op het punt stond, zijn woning te verlaten, -passeerde daar juist meester Hooghuizen. - -Meester Hooghuizen was dien avond na het eten het bosch in -gewandeld. Hij hield veel van de bosschen en bracht er zijn -meeste vrije uren door om er te wandelen of te lezen. Soms ging -hij in gezelschap van een paar jongens. Dan luisterde hij naar hun -gesprekken en deed vaak met hen de dolste spelletjes. De jongens -hielden dan ook veel van hem, hij was meer hun groote vertrouwde -vriend dan hun meester. Dat wil nu ook weer volstrekt niet zeggen, -dat zij daarom maar alles met hem konden doen, wat zij wilden. Wel -hield meester Hooghuizen van een grapje, maar het mocht niet te -ver gaan. De jongens kwamen bij hem met al hun groote en kleine -geheimpjes en verdrietjes, en hij wist hen altijd troost te brengen -of hun zaken in orde te maken. En dezen avond zou hem die vriendschap -voor de jongens uitstekend van pas komen. De heer Hooghuizen liep even -het huisje van den veldwachter binnen en keek niet weinig verbaasd, -toen hij Bunze in groot tenue gereed zag om uit te gaan. - -"Wat nu, Bunze, feest vanavond?" - -"Neen meester, ik ga naar ... ik zal maar zeggen naar ridder Rador." - -De zuster van Bunze, een bejaarde, maar zeer verstandige vrouw, -begon te lachen. - -Meester Hooghuizen was een en al verbazing. - -"Ridder Rador?" vroeg hij. "Waar woont-die?" - -Bunze's zuster tikte op haar voorhoofd. - -"Rador behoort bij de boschgeesten," zei Bunze, "weet u dat dan niet?" - -"Hoor eens Bunze," zei de onderwijzer, "ik ben een eekhoorn als -ik er wat van begrijp. Wie is ridder Rador? En wat praat je toch -van geesten?" - -"U hebt toch wel eens gehoord van de drie geesten uit het bosch van -Drakenstein?" - -"Neen, nooit. Zijn die daar misschien pas losgelaten?" - -"Losgelaten? Het zijn geen wilde beesten!" zei Bunze. - -Meester Hooghuizen lachte, zoowel om den veldwachter als om diens -zuster, want die wees weer met den vinger op haar voorhoofd en zei: - -"Waarachtig waar, meneer Hooghuizen, als je niet beter wist, zou je -zeggen, dat mijn broer niet wijs was. Zeg ù nou eens, meneer, is dat -nou geen onzin met die geesten in 't bosch? Eerst hebben we dat grappie -'n week of wat geleden gehad. Toen had-ie de boschgeesten gezien!" - -"Ach jij," mopperde Bunze, die het niet velen kon, dat zijn zuster -hem nog als een stoute jongen beknorde. - -Meester Hooghuizen verkneuterde zich in 't geval en had pret voor zes. - -"Nou afijn," vervolgde juffrouw Bunze, "stel u nou voor, meneer, -dat-ie vanavond z'n Zondagsche uniform aangedaan heeft en z'n witte -handschoenen! Ik zeg, waar moet dat heen? Naar de boschgeesten, -zeit-ie, want die zullen vanavond verschijnen." - -"Maar wat moet er dan toch gebeuren?" - -"Laat mij nu verder vertellen, Mie," zei Bunze, "want daar weet jij -niks van. Nou dan, meneer, Hans had me gezegd, dat de geest van Ridder -Rador me moest spreken." - -Meester Hooghuizen nam gauw zijn zakdoek en begon zijn neus te snuiten, -maar in werkelijkheid wist hij geen raad van het lachen. Hij begreep -direct, dat Hans hier weer aardig aan den gang was geweest. - -En daarop verhaalde Bunze, wat er voor het huisje van vrouw Vorstman -moest gebeuren. - -"Nou, daar heit u nou 't heele paskwil," lachte zus Mie, "is dat nou -niet treurig, meneer, dat die man dat nou allemaal gelooft? Die Hans -heit je te pakken gehad, broer. En leelijk ook." - -De meester vond het een onbetaalbare grap, doch vond tevens, dat het -nu genoeg was en hij er maar eens een einde aan moest maken. - -"Hoor eens, Bunze," sprak hij, "die Hans is een geduchte grappenmaker." - -"Maar ..." - -"Heb je vroeger wel eens boschgeesten gezien?" - -"Neen .... gezien niet, maar daarom bestonden zij toch wel!" - -"Heelemaal niet. En hoe heb je ze 't eerste gezien? Wie heeft je -verteld, dat ze te zien waren?" - -"Wel, Hans. Die zat aan een groepje jongens een verhaal te vertellen -van de broeders Wer en Ner en den roofridder Rador die door een draak -verslonden werd." - -"Onzin. De broeders Wer en Ner zullen wel bestaan hebben, vandaar dat -je hier nog de Wernershoeve hebt. Maar dat van dien draak en ridder -Rador zal wel jongensverzinsel zijn. Trouwens, ik heb indertijd van -die grap gehoord, maar ik dacht niet, Bunze, dat je zóó vreeselijk -bijgeloovig zoudt zijn, om al die dwaasheid te gelooven!" - -De veldwachter zag zijn geloof in de boschgeesten als een ruïne -in puin vallen en zijn verbazing daarover maakte al spoedig plaats -voor woede. Wat, die kwajongens durfden hem zóó belachelijk maken, -zóó bespotten? Neen maar, hij zou ze dat eens afleeren! - -"Luister nu eens, Bunze," vervolgde de onderwijzer "nu gaan we samen -naar 't huisje van vrouw Vorstman. Jij doet alsof je nog alles gelooft -en ik volg op een afstand." - -En toen fluisterde meester Hooghuizen den veldwachter nog iets in -het oor, waarop de laatste grinnikte en in de handen wreef. - - - -De nieuwsgierige dorpsbewoners zeiden niets, toen de veldwachter -naderde. Deze deed, alsof hij de buren en de jongens niet zag, wendde -zijn gezicht naar het zoldervenster en riep: - -"Geest van Ridder Rador! Hier ben ik! Spreek tot mij!" - -Geen antwoord. - -De buren vermaakten zich al kostelijk. - -"Roep nog eens," zei Bram, die naast den veldwachter was gaan staan. - -"Geest van ridder Rador! Spreek tot mij!" herhaalde Bunze. - -Toen klonk daar opeens een holle stem vanuit de hoogte: - -"Zijt gij daar, veldwachter Bunze?" - -"Ja, hier ben ik!" - -"Waarom zwaait gij niet met de pet? Zwaai!" - -Bunze gehoorzaamde, maar al zwaaiende gaf hij Bram zulk een geweldigen -oorvijg, dat de jongen verschrikt achteruit vloog. - -Nu gierden de buren het uit, en Bunze zelf had wel de meeste pret. - -De veldwachter zei nu op zachten toon tot de omstanders, dat hij den -geest eens te voorschijn zou halen en daarop holde hij tot groote -verbazing der omstanders het huisje in en de trap op. - -Hans, die bij 't zolderraam, gewapend met een oude kachelpijp, een -raagbol en een wit laken voor geest speelde, begreep niet, wie daar -zoo haastig naar boven kwam. - -Een oogenblik later voelde hij zich bij den kraag gevat en met -krachtigen hand meegevoerd. - -"Hou op, laat los!" riep hij. "Wie ben je?" - -"Ik ben de geest van ridder Rador!" bromde Bunze met veranderde -stem. "Ik zal je leeren mij te bespotten!" Onwillekeurig huiverde -Hans, ofschoon hij zelf niet aan spoken geloofde. - -Van schrik kon hij niet meer spreken. Maar beneden ontdekte hij, -wie op zijn beurt voor geestenridder speelde. - -Toen Bunze met Hans naar buiten kwam, en hem daar "van dik hout zaagt -men planken" gaf, ging er een luid spotgelach op. Maar dat was niet -om den veldwachter, maar om 't verschrikte, bleeke gezicht van Hans. - -En wie het luidst lachte, dat was meester Hooghuizen. - - - -De grap was mislukt en dat was maar goed ook, want Hans had vergeten, -dat Bunze toch in elk geval de veldwachter was en ook.... dat men -zorgen moet, bij 't graven van een kuil voor een ander, er zelf niet -in te vallen! - - - - - - - - - -ACHTTIENDE HOOFDSTUK. - -VAN SCHOONE BLOUSES, EEN TAKKEBOS EN EEN VERDWAALD MEISJE. - - -Het onderwijs op Instituut Sparrenheide ging intusschen weer z'n -dagelijkschen gang en vooral de nieuwe leerlingen ondervonden er -den weldadigen invloed van. Zoolang Bram bijvoorbeeld hier was, -had hij nog geen hoofdpijn gehad. Het werk, dat hij te doen kreeg, -was heelemaal berekend naar zijn krachten en daarom behoefde hij er -zijn hoofd niet mee te breken. Vooral ook in den handen- en huisarbeid -had hij veel lust en zoo leidde hij hier een geheel nieuw leven. Hans, -Flip en Rob waren zijn beste vrienden en hij leefde geheel en al met -hen mee. Bram had al wat gelachen om de grappen van Hans en Flip, -en om het eigenaardige karakter van Rob. - -Die Rob, wat was hij slordig! Zijn moeder zorgde, dat hij iederen dag -een schoone blouse kon aantrekken en dat was wel noodig ook, want -omdat Rob altijd naar kevers, vlinders en planten zocht en daarbij -in het geheel zijn kleeren niet ontzag, was hij dan ook elken avond -ontoonbaar. - -Op zekeren dag was hij juist met een schoone, gestreepte blouse naar -buiten gegaan. - -Het had heel den nacht geregend en de grond was overal nog nat. - -De bladeren begonnen hier en daar al te vallen, teeken van den -naderenden herfst. - -In een der boomen ontdekte Rob toevallig een geweldig groot web. - -Het was gespannen tusschen twee verwijderde takken. - -Waar zoo'n reuzenweb is, dacht Rob, is ook een reuzenspin. En dié -moet ik hebben voor mijn verzameling. - -Maar de takken waren nog vrij hoog, zoodat Rob klimmen moest. Zonder -zich te bedenken omklemde hij den natten stam van den boom en klom -naar boven. - -Langzaam naderde hij het reuzenweb. - -Toen hij er was, haalde hij een glazen vangbuisje uit den zak en -hield dat in de eene hand. - -Hij wachtte even en keek naar de bladeren. - -Daar liep een langpoot-mug over een bladsteel. Rob pakte het insect -en zette het in het web, waar het wild aan de draden rukte, die -het vasthielden. - -Als een havik op zijn prooi schoot een geweldige grijze spin uit haar -schuilhoek te voorschijn. Maar op zijn beurt was Rob op zijn post, -met een pijlsnelle beweging schepte hij als 't ware de spin uit haar -web in de glazen vangbuis op, waar zij niet ontsnappen kon. - -Daarop liet Rob zich weer langs den stam naar beneden glijden en -spoedde zich naar huis. - -"Maar jongen!" riep mevrouw Bergwoude verschrikt uit, toen zij Rob -van uit de tuinkamer zag. - -"Wel moeder, wat is er dan?" - -"Wat er is, vraagt hij! Kind, kijk je er eens uitzien! Het is meer -dan schande!" - -Nu pas kwam Rob tot de ontdekking, hoe hij op jacht naar de reuzenspin -zijn blouse had toegetakeld! Die was van den boomstam totaal groen -geworden! - -Och och, wat was Moeder boos. Want toevallig moesten Rob's overige -blouses dien dag gewasschen worden. Ja, er was er nog wel een, -maar die was eigenlijk voor den Zondag! Het was een splinternieuwe, -spierwitte matrozenkiel. Ten einde raad liet zijn moeder hem dien -in vredesnaam maar aandoen, en Rob beloofde, dat hij er dien dag -vrééselijk voorzichtig mee zou zijn. - -Na het ontbijt ging Rob, piekfijn in het wit, den weg eens op en -neer. Hij floot een deuntje en keek naar een roodborstje, dat tusschen -de struiken hipte. De zon brak door een grauwe nevel heen en zette -den omtrek weer in goudschijn. - -Daar kwam een stokoud moedertje aan. Rob kende haar wel, zij woonde in -een klein hutje, even buiten het bosch. Het was een oude stakker. Ze -sjouwde een grooten takkebos op haar gekromden rug en hijgde van -inspanning. - -Rob had een medelijdend hart. Hij had deernis met het oude, ploeterende -tobbertje en sprak haar aan. "Dag moedertje. Een heele vracht hè?" - -"Ja jongeheer. Een heele vracht. Vooral wanneer je tachtig jaar bent." - -"Tachtig jaar? Asjeblieft. Ik ben twaalf." - -"Twaalf is jong. U ziet er goed uit." - -"Ja," zei Rob. "En ik ben erg sterk. Ik kan dien takkebos veel gauwer -naar je huis dragen." - -"Och.... doet U dat maar niet, jongeheer." - -"Waarom, niet? 't Is voor een kip, hoor. Kijk, zóó op mijn rug. Eén -... twee ... hoepla! Vooruit met de geit, moedertje!" - -Nu kon het oudje ook vlugger vooruitkomen en het duurde niet lang, -of het huisje was bereikt. - -"Nou, u wordt wel bedankt, hoor." - -"Geen dank," zei Rob, "'t is de moeite niet waard." - -"Maar nou wil ik toch, dat u een kopje koffie met mij drinkt." - -Rob, gemoedelijk als altijd, zei: - -"Nou, dat wil ik wel doen." - -Hij ging zitten en 't vrouwtje, dat de koffie al lang had opstaan, -schonk er hem een groote kom van vol, zonder suiker en met 'n -scheutje melk. - -Rob nam de kom, die niet zoo bijzonder warm was, in de handen en -proefde de koffie. - -Groote genadigheid, was dat koffie? Loop rond, slootwater was -het. Moest hij dà t uitdrinken? Neen hoor, voor geen geld. - -Opeens liet hij de kom tusschen zijn knieën door op den grond vallen -en schreeuwde: - -"Au! Wat is die koffie heet!" - -De kom viel in stukken op het leemen vloertje en verschrikt liet Rob -erop volgen: - -"O... wat een ongeluk! Neemt u mij niet kwalijk, hoor. Ik hoef geen -koffie te hebben! Ik zal u den kom wel betalen." En hij legde vijf -centen op de tafel neer. - -"Maar jongeheer, dat is niet noodig!" zei het oudje. "Daar koop ik -twee kommen voor!" - -"Goed, koop er dan twee," zei Rob, "maar nu moet ik heusch terug." - -En hij wendde zich naar de deur. - -Maar opeens liet het vrouwtje een verschrikten kreet hooren! - -"O jongeheer! Uw witte kiel! Heelemaal zwart op uw rug!" - -O jee, dacht Rob, dat komt van den takkebos! Daar had ik heelemaal -niet aan gedacht! - -"Och, och wat zal uw Moeder boos zijn!" - -Dat kan net uitkomen, dacht Rob. Enfin, wie wat verdient moet wat -hebben. - -Hij nam afscheid van het oude vrouwtje en werd door zijn moeder met -de grootste verbazing, maar ook met wanhoop ontvangen. - -"Rob, wat ben je toch schandelijk slordig! Dat is nu binnen een uur -je tweede schoone kiel! Kind, waar zitten je hersens? Denk je, dat -ik hier een kleerenmagazijn voor jou apart er op nahoud? Nu trek je -je oudste pak aan en dan direct uit school op je kamer blijven." - -Zoo geschiedde. - -Om twaalf uur bleef Rob op zijn kamer. - -De anderen vonden dit vreemd, want dat deed Rob nooit. En voor Rob -zou het heel eenvoudig geweest zijn, om dadelijk aan zijn moeder te -zeggen, dat hij het heusch niet helpen kon, want dat hij juist zoo'n -erg-goede daad had gedaan. Neen, Rob vond het veel te kinderachtig -om zich dáármee te verdedigen. Tweemaal met een vuil pak thuiskomen -en dan nog den braven Hendrik bij moeder uithangen, dat deed hij -niet! Daarvoor was hij veel te trotsch. - -Hij verzweeg dus het geval met den takkebos en bleef stil op de kamer. - -Maar Hans en Flip wilden er meer van weten. - -"Biecht nou maar op, broer," zei Hans. "Waarom zit je hier met je -ouwe pak aan. Is er wat gebeurd?" - -"Och, welnee." - -"Kom Robbekop," zei Flip. "Wees nou niet zoo stug. Pak slaag gehad?" - -"Nee." - -Maar Hans wist hem aan 't praten te krijgen. Rob vertelde op een -beetje onverschilligen toon, wat er gebeurd was. - -"Nou, 'k had dan al een kiel vuilgemaakt aan dien boom. Toen moest -'k voor moeder m'n nieuwe witte aantrekken. Ik loop daarmee op den -boschweg en daar komt dat ouwe vrouwtje uit de boschhut aanstappen. Ze -had een takkebos op d'r hoofd zoo groot als de Naald van Waterloo -en ze liep gewoonweg dubbelgevouwen, hè? Nou, wat doe je? Ik zeg: -goeiemorgen, grootmoeder, wil jij je wel 's schamen om zoo'n takkebos -op je rug naar huis te dragen? Dat zal ik wel voor je doen. Enfin, -ik neem de heele kattebak op m'n nek en... adjuus, schoone kiel." - -"Maar domoor, dacht je daar dan niet aan?" - -"Nee, ik dacht alleen maar aan die arme, ouwe stakker. Nou moet je -hooren. Toen we d'r waren, wou ze mij met alle geweld 'n kopje koffie -schenken. Ik denk: nou, voor de gezelligheid dan. Maar daar schenkt -me dat mensch een kom baggersloot-limonade in, die ik niet lustte, -hoor. Maar hoe kom ik eraf? Ik laat ineens de kom uit mijn vingers -vallen en roep: "Au, verdikkie, is me die koffie heet!" Voor vijf -centen was ik van de koffie af. Nou, blij toe. Maar dat weet moeder -allemaal niet. Denk je nou, dat ik aan moeder vertellen ga, dat ik -die zwarte kiel gekregen heb, omdat ik voor dat oude mensch een bosje -takken gesjouwd heb? Kan je net denken!" - - - -Flip lachtte zich onderste boven bij 't vertellen van Rob. - -En een oogenblik later wist moeder 't wèl. Daar had Hans voor gezorgd. - -En moeder, blij dat er ditmaal een goede reden was voor Rob's -verregaande slordigheid, gaf hem nog een kus op den koop toe en -ontsloeg hem van zijn kamerarrest. - - - -Een paar dagen later, het was ongeveer half September geworden, -verzamelde de heer Bergwoude zijn leerlingen des avonds in de eetzaal -om hen een nieuwtje mede te deelen. Allen waren tegenwoordig en -wachtten op juffrouw Wieler, die met drie meisjes aan 't wandelen -was en ieder oogenblik kon terugkeeren. Wachten duurt altijd lang en -daarom besloot de heer Bergwoude, alvast maar te beginnen. - -"Jongelui," begon hij, "ik heb jullie vanavond hier bijeen geroepen, -om je een prettige tijding mede te deelen. Zooals de meesten van jullie -wel weten, bestaat Instituut Sparrenheide den eersten October a.s. vijf -jaar. Wij hebben besloten, dien dag feestelijk te vieren. Daar hebben -jullie zeker niets op tegen?" - -"Neen mijnheer!" klonk het lachend. - -"Dus niemand heeft daar bezwaar tegen, dat is prettig. En nu ...." - -Plotseling werd de deur geopend en kwam juffrouw Wieler, de -onderwijzeres, met ontsteld gezicht binnen. - -"Mijnheer," zei ze gejaagd, "wij kunnen nergens meer Mina Drijvers -vinden. Ze is bepaald in het bosch verdwaald." - -Mijnheer Bergwoude schrikte van die onverwachte tijding. - -"In het bosch verdwaald?" vroeg hij. "Hoe is het mogelijk! Was u dan -niet bij haar?" - -"Jawel, ik was met de drie meisjes. Wij speelden verstoppertje en -toen Mina Drijvers zoeken moest, hebben wij haar niet weergezien," - -Mijnheer Bergwoude stelde de verdere bespreking der feestplannen -dadelijk uit en commandeerde de grootste jongens op voor een -onderzoekingstocht door het bosch. Hijzelf zou medegaan en meester -Hooghuizen ook. Mevrouw Bergwoude en juffrouw Wieler zouden bij de -andere kinderen blijven. - - - -Meester Hooghuizen trok het bosch in met Hans, Bram en nog twee -andere jongens, mijnheer Bergwoude met Flip, Jacob Heintze en drie -anderen. In twee verschillende richtingen, doch beide naar den kant -van kasteel Drakenstein, zou het bosch doorzocht worden. Allen droegen -een brandende lampion aan een stok, wat een zeer fantastisch gezicht -opleverde. Het werd al donker en een beetje verlichting der paden -was wel noodig. - -Hans liep met meester Hooghuizen voorop. Hun lichtende lampions -beschenen het pad en den onderkant der boomstammen met een rossen -gloed. - -Het begon wat te waaien, hoewel men daarvan in het dichte bosch weinig -last had, alleen de toppen der boomen begonnen luider te ruischen en -bogen door den wind. - -"'t Zal me niets verwonderen, als er een onweer komt opzetten," -zei Hans. - -"Daar zou je wel eens gelijk aan kunnen hebben, Hans," zei meester -Hooghuizen. "Het is vandaag aardig broeierig geweest en de lucht -begon vanmiddag al te werken." - -En die twee hadden het zoo ver niet mis. - -De wind nam toe en zwarte kopwolken kwamen aanzetten. Het werd steeds -donkerder en donkerder in het bosch en wanneer de doorzoekers geen -lampions bij zich gehad hadden, zouden zij evenmin den weg geweten -hebben als het verdwaalde meisje. - -Mina Drijvers was een allerliefst meisje van twaalf jaar. Zij was een -nieuwelinge, uit Amsterdam afkomstig en ze wist in het geheel den -weg niet in de bosschen. Toen zij met juffrouw Wieler en de andere -meisjes een spelletje in het bosch deed en de anderen zoeken moest, -had zij niemand gevonden. - -Er waren dan ook prachtige schuilplaatsen. Mina vond het eerst wel -aardig, dat zij zoo zoeken moest. Maar zij dwaalde al verder en verder -en zag nog geen tipje van een jurk der anderen. - -Een poosje later hoorde zij de juffrouw roepen en ook de twee andere -meisjes. Zij was op het geluid afgegaan, doch scheen zich vergist -te hebben. Eindelijk kwam ze op een plek, waar een houten stellage -getimmerd was. Zij klom op het trapje en riep: - -"Juffrouw! Hier." - -Tot haar groote verbazing klonk het van verre zeer duidelijk: -"Juffrouw, hier!" - -Dat was de echo! Mina vond het mooi en herhaalde haar geroep nog een -paar keeren. Maar intusschen werd ze toch ongerust, want nu hoorde zij -heelemaal niets meer. Zij dwaalde van het eene punt in het bosch naar -het andere, kwam nu eens uit bij het kasteel, dan weer bij de grot, -de kapel en ten slotte werd het door het naderende onweer zóó donker, -dat zij de boomen niet meer kon onderscheiden en snikkende op den -grond neerviel. - - - -Een wit-blauwe bliksemstraal vloog over 't bosch ... een hevige slag -daverde er bijna onmiddellijk op .... - -De wind joeg de bladeren van de boomen, zwiepte de takken der hoogste -boomen als riethalmpjes heen en weer. - -"Hierheen, jongens! Bij elkaar blijven!" riep meester Hooghuizen. "Af -en toe nog maar eens roepen." - -Hans zocht even een zijpaadje af, terwijl de anderen wachtten. - -"Mina!" riep hij, "Mina Drijvers!" - -Een felle lichtstraal schoot sissend over 't bosch, ratelend viel -de slag ... dat was 't eenige antwoord op het roepen. Een geweldige -plasregen barstte los. - -"Hans! Hans!" riep meester Hooghuizen, "kom hier." - -Hans keerde haastig terug. - -De lampions regenden uit, nu stonden ze in het stikdonkere bosch, -midden in een geweldige donderbui. - -Mijnheer Bergwoude keerde zoo snel mogelijk naar Sparrenheide terug, -er waren nu toch vijf menschen aan het zoeken naar het verloren -meisje en hij vond het beter om naar de overige kinderen te gaan, -die aan de hoede van mevrouw en juffrouw Wieler waren toevertrouwd. - -Intusschen zocht het troepje van meester Hooghuizen dapper voort. Wel -was het gevaar groot, wel hadden zij licht een schuilplaats kunnen -zoeken in de Grot, maar de gedachte aan het arme meisje, dat toch -ook in dit ontzettende weer hier of daar door het bosch dwaalde, -deed hen regen en onweer trotseeren. - -Heviger ratelden de donderslagen, vlogen de bliksemstralen door -'t zware, zwarte zwerk, schril verlichtend het duistere boschpad. - -De jongens liepen nu dicht bijeen, ze hielden elkaar bij de hand, -want in dit noodweer konden ze elkander spoedig kwijtraken. Ze waren -doornat, maar daar gaven zij nu weinig om, zij dachten alleen maar -aan het doel van hun tocht. - -Zij kwamen nu bij 't kasteel en sloegen weer een anderen weg in, -opnieuw door 't inktzwarte bosch. - -En weer vloog een schitterende bliksem boven de boomen ... barstte -de slag als een kanonnade los .... toen Hans opeens een schreeuw gaf. - -Bij 't felle bliksemlicht had hij iets wits gezien onder een boom. Hij -schoot er snel op toe en .... - -"Hier ligt ze!" riep hij zegevierend. - -Dadelijk snelden de anderen toe. - -Meester Hooghuizen nam het meisje op en droeg haar naar het eerste het -beste huisje, dat van veldwachter Bunze. - -Deze en zijn zuster waren niet weinig verbaasd over het vreemde, -onverwachte gezelschap, dat eensklaps voor hun woning stond. Maar de -goede vrouw was dadelijk tot helpen bereid, ze legde Mina Drijvers in -haar eigen bed en zeide, dat het met het meisje best zou losloopen. Ze -moest echter dien nacht maar bij haar blijven, wat meester Hooghuizen -uitstekend vond. Veldwachter Bunze bewonderde den moed der knapen, -die in dit verschrikkelijke weer niet geaarzeld hadden, het verloren -meisje op te sporen. - -En de dikbuik trok Hans aan een oor en zei: - -"Als je niet zoo'n moedige, flinke jongen was, zou ik een heel ander -woordje met je spreken, kameraad. Intusschen hebben wij nog een -appeltje met elkaar te schillen, maar dat zal ik nu maar voor een -anderen keer bewaren. Je hebt nu vanavond al genoeg doorstaan!" - - - -Gelukkig dreef het onweer langzamerhand af. Meester Hooghuizen en -zijn jongens konden nu de geruststellende tijding op Sparrenheide -brengen, dat het verdwaalde meisje gevonden en in goede handen was. En -daar verheugden allen zich over, want men had den grootsten angst -uitgestaan, zoowel om Mina als om haar redders. - - - - - - - - - -NEGENTIENDE HOOFDSTUK. - -FEESTELIJKE PLANNEN EN ANGSTIGE UREN. - - -Den volgenden dag was Mina weer terug en spoedig geheel en al -van den schrik hersteld. Alles was nu weer in orde en daarom kon -mijnheer Bergwoude gerust opnieuw met zijn prettige plannen omtrent de -feestelijke viering van het 5-jarig bestaan van Sparrenheide voor den -dag komen. Hij wachtte daar dan ook niet lang mede en deelde aan allen -mede, dat den heelen dag van den 1en October zou gefuifd worden. Er -moesten muzikanten komen, er zou een uitvoering worden gegeven, waar -ieder wat mocht ten beste geven, er zou een goochelaar komen en verder -zouden er vanzelf wel allerlei plannetjes onder leiding van meester -Hooghuizen en juffrouw Wieler tot stand komen. Intusschen moest -het onderwijs zijn gewonen gang gaan en mocht er alleen na drie uur -'s middags aan de voorbereidingen van het feest gewerkt worden. - -Mijnheer Bergwoude had gezegd, dat ook de oudleerlingen en vorige -onderwijzers van Sparrenheide uitgenoodigd zouden worden, zoodat er -allicht een 100-tal feestvierenden tezamen zouden zijn. - -En nu werd er eventjes met liefhebberij gewerkt aan de -feest-voorbereidingen. Ieder deed het zijne. Meester Hooghuizen had -de leiding van het geheel. Hij liet de jongens van latten een groote -eerepoort timmeren aan den hoofdingang, de meisjes moesten slingers -maken van dennegroen en linten. Juffrouw Wieler studeerde met een paar -meisjes Speelliedjes van Dalcroze in, terwijl anderen weer aardige -voordrachten leerden. Er zouden verschillende wedstrijden gehouden -worden en een vlaggenoptocht door het bosch en het dorp kwam ook al op -het programma. Het was ook niet te verwonderen, dat Hans, Flip en Rob, -de drie jolige broers, in de allereerste plaats zich weerden, om het -feest zoo goed mogelijk te doen slagen! Flip, de grappenmaker, zette -zelf een koddig vers in elkaar, dat van onzin aan elkaar hing. Maar -er werd toch flink den lof van Sparrenheide in gezongen en dat was -de hoofdzaak. Flip had er urenlang op zitten broeden en er wel vijf -penhouders op stuk gebeten, maar eindelijk had hij toch ongeveer het -volgende vers uit die houtjes gekauwd: - - - Dames en heeren, het is van daag feest, - Zooals er nog nooit op Sparrenhei is geweest! - Het heeft vandaag al vijf jaren bestaan, - En het gaat nog in lang niet naar de maan, - Als de zon schijnt is het hier mooi weer, - Dikwijls gaan we wandelen met mijnheer, - We hebben hier geen last van ratten of muizen, - Hier zit juffrouw Wieler en dáár meester Hooghuizen. - Sparrenhei is de allerbeste school. - Je eet er havermout, grutten en roodekool, - Dus roept mij nu allen na: - Lang leve Sparrenhei! Hiep hiep hoera! - - -Hans maakte zich op een ander gebied verdienstelijk. - -Hij kocht in Utrecht vuurwerk en verborg dat op een plaats, die alleen -aan hem bekend was. En Rob deed hard mee aan à lles waarvoor zijn hulp -gevraagd werd. - -Zoo werkte een ieder aan het welslagen van den grooten feestdag, -toen er opeens iets gebeurde, dat aller aandacht voor een poos van -den 1en Octoberdag afleidde, ja, dat zelfs een groot deel van de -aanstaande feestvreugde dreigde te verstoren! - - - -Barend, die zich zoo uitstekend gedroeg, sinds mijnheer Bergwoude -hem onder zijn bescherming genomen had, woonde nu bij moeder Vorstman -in. De jongen verdiende als tuinman op Sparrenheide vier gulden per -week, die hij aan zijn nieuwe moeder gaf. De arme vrouw, die alleen -leefde van hetgeen haar eigen zoon, die in Amsterdam werkte, haar zond -en van hetgeen haar moestuintje opleverde, was met de komst van Barend -in haar hutje er veel beter aan toe. Want Barend deed veel werk voor -haar, dat haar niet meer zoo gemakkelijk afging als vroeger. Daarbij -at de jongen altijd in de keuken op Sparrenheide en kreeg vaak genoeg -een pak kleeren, zoodat hij haar al heel weinig kostte. - -Het arme, tevreden vrouwtje had met dit eenvoudige, sobere leven nog -een rustigen, onbezorgden, ouden dag, vooral waar Barend haar beloofd -had, steeds voor haar te zullen zorgen. - -Des morgens was Barend al vroeg op en zette koffie en brood voor -haar en zichzelf gereed. Dan ruimde hij het kamertje op en ging het -moestuintje nazien. Vervolgens begaf hij zich naar Sparrenheide en -bleef daar tot den avond. Dan hielp hij zijn "moeder" weer en las -haar voor. - -Het oude huisje, waarin strooper Ranke met zijn zoon had geleefd, -stond thans ledig. Er was nog geen liefhebber voor komen opdagen. De -weinige, armoedige meubelen waren door Barend eruit gehaald; wat nog -bruikbaar was, had hij aan moeder Vorstman gegeven, de rest had hij -tot brandhout gehakt. - -Op zekeren avond begaf Hans zich naar Barend, om met hem een aardig -plannetje voor het feest te bespreken. Misschien had Hans dit evengoed -overdag op Sparrenheide kunnen doen, maar in elk geval werd hij daar -door te veel oogen op de vingers gekeken en daarom vond hij het beter, -om zijn plannetje rustig met Barend bij moeder Vorstman te bespreken. - -In het dorpje gekomen, passeerde Hans de verlaten woning van Ranke. Tot -zijn groote verwondering meende hij daarin een zwak lichtje te zien -branden, hoewel hij toch zeker wist, dat de hut ledig en onbewoond -was. Hij zag, dat het licht heen en weer ging, alsof iemand met een -kaars door het vertrek ging. - -Hij begreep dadelijk, dat het niemand anders dan Barend kon zijn, -die misschien nog het een of ander in de oude woning zocht. En omdat -het hem juist om Barend te doen was, duwde hij de deur van het huisje -open en trad het ledige vertrek binnen. Maar inplaats dat hij Barend -daar aantrof, staarde hij opeens in het schurkachtige gezicht van -diens vader. Het was Ranke, de strooper, van wien iedereen dacht, -dat hij in de gevangenis te Utrecht zat! - -Inplaats dat Hans dadelijk vluchtte, bleef hij als aan den grond -genageld staan. - -Op dat bezoek scheen Ranke allerminst gerekend te hebben, evenals Hans -staarde hij dezen een oogenblik verbijsterd aan, maar toen blies hij -snel de kaars uit, wierp zich op Hans en overmeesterde hem, voor de -jongen tijd had, zich te verweren. Maar Hans was sterk en Ranke had -zijn handen vol aan hem, vooral omdat hij hem met één hand den mond -moest dichthouden en met de andere bedwingen. Toch bleek de strooper de -sterkere. Hij bond Hans een vuilen doek om den mond en haalde daarop -een lang touw uit zijn zak, waarmede hij hem aan handen en voeten -bond! Toen sleurde hij den weerloozen knaap in hetzelfde turfhok, -waarin hij vroeger Barend had opgesloten, en deed er den grendel -voor. Daarop verdween hij .... - -Dienzelfden avond las mijnheer Bergwoude, aan zijn schrijftafel -gezeten, het volgende bericht in het Handelsblad: - - - Men schrijft ons uit Utrecht: - - Bij de overbrenging van twee gedetineerden uit de strafgevangenis - alhier naar het station, alwaar zij onder geleide van twee - marechaussees naar Leeuwarden zouden vertrekken, wist een hunner, - de beruchte strooper en inbreker R.--wonende te Lage Vuursche, aan - zijn geleider te ontsnappen. De arrestant vluchtte een openstaand - huis in en is vermoedelijk over de daken ontkomen. Het vervoer - van den anderen gevangene is nu uitgesteld, totdat de eerste - zal teruggevonden zijn. De politie stelt een streng onderzoek - in naar den vluchteling, die vermoedelijk nog wel binnen Utrecht - verblijf houdt. - - -Mijnheer Bergwoude las dit bericht met begrijpelijke verbazing en -spoedig was dat nieuwtje het onderwerp van dien avond geworden. Weinig -dacht de vader er aan, dat op ditzelfde oogenblik zijn zoon Hans in -handen van den gevreesden kerel gevallen was! - -Intusschen had Ranke niet de bedoeling, den jongen ook in het minst -eenig leed te doen. Hij was alleen in zijn oude woning gekomen, -gebruik makende van het avonddonker, om er eenige kleedingstukken -te halen. Maar tot zijn groote verwondering had hij de hut totaal -leeg gevonden. De plotselinge verschijning van Hans had hem eerst -heelemaal van streek gebracht, maar de snel-opkomende gedachte, dat -de jongen zijn aanwezigheid alhier verraden zou, deed hem plotseling -op Hans toevliegen om hem onschadelijk te maken. - -Ranke verschool zich in de bosschen en wachtte er een gunstige -gelegenheid af om zijn verdere plannen ten uitvoer te brengen. - -Groote ongerustheid heerschte er op Sparrenheide! - -Hans was nog steeds niet teruggekeerd, hoewel de klok reeds tien -uur wees! - -Had de jongen het soms in zijn hoofd gekregen, om bij Barend te -overnachten? - -Was hij verdwaald? - -Maar neen, zoowel het een als het ander was ondenkbaar. Hans zou nooit -uitblijven zonder toestemming zijner ouders. En voor verdwalen bestond -ook weinig grond, in de eerste plaats was het vrij helder weer en in de -tweede plaats kende Hans den weg in de bosschen als in zijn eigen huis. - -Toen het al later en later werd, stegen mijnheer Bergwoude en meester -Hooghuizen op de fiets en reden naar het huisje van vrouw Vorstman. - -De oude vrouw was al naar bed, maar Barend zat nog te lezen. - -"Is mijn zoon Hans hier?" vroeg mijnheer Bergwoude, toen hij met den -meester aangeklopt had. - -"Hans?" riep Barend verbaasd uit. "Nu nog? Hij is hier den heelen -avond zelfs niet geweest!" - -"Nièt geweest? Hij is toch om zeven uur al hierheen gegaan." - -Barend schudde het hoofd. - -"Dan zou ik hem toch moeten gezien hebben," zei hij beslist. Nu steeg -de ongerustheid van den vader tot angst. - -Hij keerde weer naar Sparrenheide terug, in de hoop, dat Hans daar -inmiddels mocht aangekomen zijn, maar niemand had hem teruggezien! - -Opnieuw werd er een leerling vermist, en ditmaal mijnheer Bergwoude's -eigen zoon! - -Niemand der grooten sliep dien nacht. - -De arme vader, de meester en Barend, zelfs de oude, doove Bosman, -zij allen gingen, gewapend met lantaarns, het bosch in. - -Maar Hans werd niet gevonden. - -Diep-ongelukkig keerde mijnheer Bergwoude naar huis terug, vond -er zijn vrouw weenende en wist weinig of niets te zeggen, dat haar -eenigen troost geven kon. - - - -Barend had het zoeken het langst volgehouden. Toen het licht begon -te worden, liep hij nog van de eene boschlaan in de andere. Hij -was doodmoe. - -Eindelijk gaf hij het op. - -Hij keerde naar de woning van moeder Vorstman terug. En nu gebeurde -met hem bijna hetzelfde, wat den vorigen avond Hans overkwam. - -Hij passeerde zijn oude hut. - -En zag, dat de deur op een kier stond. - -Dat was nu zoo heel vreemd niet, want die deur had niet eens meer -een behoorlijk slot en kon dus best opengewaaid zijn. Maar Barend was -teveel een natuurkind, dan dat hij niet dadelijk zich herinneren zou, -dat het heelemaal niet gewaaid had. Toch vermoedde hij niets bijzonders -en trad op de deur toe, om die te sluiten! - -Even keek hij nog naar binnen, en... - -Wat drommel hoorde hij nu? Was er iemand in? - -Hij luisterde nog eens. Jawel! daar schopte iemand tegen een -deur. Barend kende dat geluid en had in een ondeelbaar oogenblik de -deur van het turfhok geopend. - -"Hans!" - -Met een kreet van vreugde begroette hij den verloren makker, bevrijdde -hem van doek en touwen en hoorde dan tot zijn grooten schrik, dat -zijn vader ontvlucht was! - -Maar dadelijk gingen zij naar Sparrenheide. - -Als met tooverslag veranderde daar de droefheid in groote vreugde! - - - -Toen de telegrambesteller dien morgen den burgemeester het bericht -bracht, dat Ranke ontvlucht was, liep Bunze door het bosch en deed -er zijn gewone ronde. Bij de grot gekomen, bleef hij eensklaps staan. - -Snurkte daar iemand? Hij trad op de teenen nader en ontdekte den -slapenden Ranke. Bunze dacht eerst weer met een geest te doen te -hebben, maar omdat hij daar niet meer aan geloofde, gaf hij ineens -gevolg aan een ingeving. - -Hij haalde kalm zijn stalen handboeien tevoorschijn en schoof die -om de polsen van den rustig slapenden strooper. Vervolgens haalde -hij zijn revolver te voorschijn, waar hij nog nooit van zijn leven -mee geschoten had, omdat de gemeente hem doodeenvoudig geen patronen -verschafte en riep met daverende stem: - -"Ranke! In naam van Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden neem -ik U gevangen!" - -De vluchteling sprong verschrikt overeind. - -Hij voelde zich tot zijn groote verbazing stevig geboeid en zag den -loop van Bunze's revolver op zich gericht. - -Tegenstand was nutteloos en de strooper liet zich gewillig door den -dikkerd meevoeren, die als een overste in den paradepas naast zijn -arrestant liep! - - - - - - - - - -TWINTIGSTE HOOFDSTUK. - -BESLUIT. - - -Nu alles zoo goed afgeloopen was, de goeden konden beloond worden en -de kwaden gestraft, was er ook geen bezwaar meer om het feest van den -eersten October zoo luisterrijk mogelijk te vieren. Gelukkig was het -prachtig weer. - -Precies om acht uur des morgens werden onder het spelen van het -Wilhelmus de vlaggen uitgestoken van huis en schoolgebouw. Wat zag de -tuin, wat zag de weg er feestelijk uit! Overal slingers van oranje en -rood-wit-blauw, overal lampions. En aan den hoofdingang een magnifieke -eerepoort. Allen waren met de nationale kleuren getooid en reeds -dadelijk was er de rechte, feestelijke stemming in. Na het ontbijt -stelde de muziek zich aan het hoofd van den stoet jongens en meisjes, -die vlaggen, vaandels en schilden droegen. Het was allerleukst! - -De een had op zijn oranje-schild het portret van mijnheer Bergwoude, de -ander droeg een vaandel met het opschrift: Leve Sparrenheide! Een derde -had er in 't geheim opgeplakt: Meester H. gaat nooit verloren! terwijl -zijn buurman heel nuchter er naast liep met een schild: Falderalderire! - -De kleurige, fleurige stoet ging onder 't spelen van vroolijke -marschen, voorafgegaan door de gehuurde muzikanten naar het dorp. Daar -stelde veldwachter Buikje zich aan het hoofd van den optocht als -of hij een paar duizend menschen op zij moest houden! Hij werd met -algemeen gejuich begroet en werd dadelijk door mijnheer Bergwoude -uitgenoodigd, het feest op Sparrenheide te komen bijwonen. Ook Barend -en moeder Vorstman hadden zulk een uitnoodiging aan te nemen. - -Des morgens om 10 uur vertrok een clubje jongens per auto, die ook -al met vlaggen beplant werd, naar het station te Baarn, om daar de -oudleerlingen af te halen. Tegen twaalf uur was het heele feestvierende -gezelschap present en nu kon de algemeene vreugde eigenlijk pas een -aanvang nemen. - -Toen allen aan den feestdisch bijeenzaten, stond mijnheer Bergwoude -op en zei: - -"Vrienden! Wat is het vandaag een heerlijke dag! Ik zie rondom mij -niets dan vroolijke gezichten en dat is geen wonder. Bijna allen, -die hier bijeen zijn, hebben meer of minder jaren op Sparrenheide -door gebracht en kennen het leven hier. En allen verheugen zich er in, -dat zij thans het feest van het vijfjarig bestaan onzer school mogen -meevieren! En nu is het niet mijn bedoeling, om lang en breed over -ons werk te praten, want we zijn hier om feest te vieren. Maar ik wil -er alleen op wijzen, dat we vandaag dubbel en dwars reden hebben tot -feestvieren! Een paar dagen geleden, misschien hebt ge er vandaag al -met een enkel woord over hooren spreken, verkeerden we in angst en -droefheid. Eerst werd er een onzer meisjes vermist, die tijdens een -onschuldig spelletje in het bosch verdwaald was. Gedurende een hevig -onweer hebben meester Hooghuizen en een paar flinke jongens haar in 't -stikdonkere bosch weten te vinden en haar veilig onder dak gebracht. En -kort daarop werd onze beste Hans door een ontvluchten gevangene -overrompeld en opgesloten. Op zijn beurt is Hans gevonden door Barend, -terwijl onze dappere gemeenteveldwachter Bunze den gevangene weer wist -te kerkeren. Al deze gebeurtenissen geven de viering van ons feest -een blijder glans. Dus, vrienden, viert vroolijk feest, geniet zooveel -mogelijk en roept allen met mij een driewerf hoera voor Sparrenheide!" - -Daverend gejuich klonk omhoog. Daarna mocht ieder toasten. Flip kwam -met zijn onzin-gedicht voor den dag en daar werd me wat om gelachen! - -Meester Hooghuizen had een feestlied gedicht op de wijze van "In -naam van Oranje." Het werd aan allen uitgedeeld. Mevrouw speelde op -de piano en daar klonk het uit wel honderd kelen: - - - Zeg jongens, hoe leuk is het hier toch vandaag! - Wat vieren we vroolijk toch feest! - En d'oud Sparrenheiders, ze kwamen wat graag, - Ze zijn ook zoo lang hier geweest! - Wij allen zijn vroolijk, wij allen zijn blij, - Omdat wij zoo houden, geloof het maar vrij, - Omdat wij zoo houden van Sparrenhei, - Van 't jarige Sparrenhei! - - Wie wil nog eens hooren van wat hier gebeurt, - Van 't leuke, gezellige werk? - Hier wordt niet gekniesd en hier wordt niet getreurd, - Hier worden we knap en ook sterk. - We zitten niet steeds bij de schoolboeken neer, - Dan spelen, boetseeren, tuinieren we weer, - We zijn hier steeds leuk aan den gang (bis). - - En timmeren vinden we ook altijd fijn, - Dat uurtje is om, voor men 't merkt, - Dan hamert en schaaft om het hardst groot en klein, - Dan wordt er steeds duchtig gewerkt. - Maar als het voorbij is neemt ieder toch graag - Zijn fransch of zijn meetkundesom bij den kraag. - Zoo wisselt het werk hier steeds af. (bis). - - Geen uur van den dag is bij ons onbezet, - We werken zooveel als 't maar moet. - Maar 's middags, dan vindt ge ons allen te bed, - Dat valt na het eten zoo goed. - Een uurtje gemaft en dan weer aan den gang, - Zoo valt ons het werken ook nimmer te lang - En daarom: Hoera voor ons Sparrenhei! - Voor Sparrenhei, hiep hiep hoera! - - -Dat lied werd duchtig gezongen en de dichter, meester Hooghuizen, -er eens extra voor toegejuicht. - -Na den feestdisch trad de goochelaar op. - -Wat had die een succès! Wat een pret de toeschouwers! - -De handige kunstenaar haalde iedereen guldens en rijksdaalders uit den -neus, Flip vooral scheen veel zilvergeld in zijn neus te hebben. Hij -probeerde nu zelf ook om er een ris guldens uit te halen, maar er -kwam er niet een meer, al trok hij ook nog zoo hard. De goochelaar -had ze er allemaal uitgehaald! De man vertoonde wel twintig toeren, -die haast allemaal even mooi waren. - -Na twee uur werd er een uur gerust. Daarvan week men op Sparrenheide -nooit af. - -Om drie uur begonnen de wedstrijden en gymnastiekuitvoeringen. Wat -ging dat alles netjes en correct! En al die jongens en meisjes, die -vroeger op hun oude scholen slechte en achterlijke leerlingen waren, -zenuwachtig en ziekelijk, wat toonden zij nu hier volkomen genezen -te zijn! Want hier werden zij niet geestelijk afgemat door veel te -moeilijke vraagstukken en opgaven, hier werden zij niet overladen -met stapels en stapels werk, waaraan bijna iedere vrije minuut moest -opgeofferd worden. - -En daarom waren zij hier ook zoo flink en gezond en sterk geworden -en konden daarom evengoed hun fransch en rekenen als hun vrienden op -de gewone scholen, al leerden zij het dan ook wat kalmer aan! - -Half vier werden ouders en belangstellenden verwacht. Die kwamen in -auto's en rijtuigen. In de gymnastiekzaal maakte juffrouw Wieler zich -met de meisjes gereed tot het opvoeren der speelliedjes. Wat zongen -die lief-aangekleede meisjes keurig en wat maakten zij hun danspassen -daarbij stipt in de maat. Ze werden dan ook hartelijk toegejuicht. En -zoo volgde het eene nummer van het programma op het andere. Er scheen -geen einde aan den feestdag te komen! Maar het mooist werd het toch -tegen den avond. Dank zij het zachte, zoele weer kon de verlichting -à la giorno uitstekend doorgaan. Alle lampions werden ontstoken en ze -schitterden als vurige ballons in het donkerblauwe avondduister. Het -was een fantastisch tafereel! - -En temidden der feestvierenden bewogen zich zij, die de hoofdpersonen -van dit verhaal zijn geweest: Mijnheer en Mevrouw Bergwoude, de -goeddoende, liefhebbende vader en moeder van heel deez' gelukkige -kinderschare, Meester Hooghuizen en juffrouw Wieler, die hen trouw -bijstonden in den moeitevollen, maar dankbaren arbeid, Hans, Flip en -Rob, de drie jolige broers, van wie een ieder hield, Jacob Heintze, -die den vroeger zoo verwilderden en verwaarloosden Barend allereerst -de beginselen van fatsoen en netheid geleerd had! Vervolgens Bram, -voor wien Sparrenheide een uitredding was geweest, maar dan was -er ook veldwachter Bunze, die vandaag menig plagerijtje over zijn -zwaarlijvigheid hooren moest, en moeder Vorstman, die zoo herhaaldelijk -met de verschillende personen uit dit boek in aanraking kwam. - -Aan het slot van den avond stak Hans zijn vuurwerk af. Knetterend -schoten de vuurpijlen omhoog, sissend draaiden de gouden en zilveren -zonnen, daverend ontploften de knalpotten. - -Ten slotte zette hij 't heele feestterrein in rooden en groenen -Bengaalschen gloed. En uit honderden monden klonk het nog eens bij -'t afscheid nemen: - - - Leve Sparrenheide! - - Hoera! - - - - - - - - - -INHOUD. - - -Hoofdst. Bladz. - - I. Oorlogsplannen 5 - II. Indianen en Bleekgezichten 13 - III. In gevecht met de Roodhuiden 23 - IV. Een prettig besluit en een vroolijke vertelling 34 - V. In den nacht 49 - VI. Barend van de Lage Vuursche. Nachtelijke vervolging 53 - VII. Allemaal hoofdpijn 63 - VIII. Het raadsel wordt opgelost 72 - IX. Veldwachter Buikje 82 - X. Veldwachter Buikje en de drie jolige broers 90 - XI. Waarom Barend niet op Sparrenheide kwam 101 - XII. In den nacht 111 - XIII. Wat Jacob van veldwachter Buikje hoorde 120 - XIV. Veldwachter Buikje en de boschgeesten 129 - XV. Bram als leerling op Sparrenheide 139 - XVI. Wat Hans van plan was 147 - XVII. Hans graaft een kuil voor Bunze, doch valt er zelf in 155 - XVIII. Van schoone blouses, een takkebos en een verdwaald - meisje 162 - XIX. Feestelijke plannen en angstige uren 174 - XX. Besluit 183 - - - - - - - - -End of Project Gutenberg's Instituut Sparrenheide, by Chr. van Abkoude - -*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK INSTITUUT SPARRENHEIDE *** - -***** This file should be named 61324-0.txt or 61324-0.zip ***** -This and all associated files of various formats will be found in: - http://www.gutenberg.org/6/1/3/2/61324/ - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United -States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive -specific permission. If you do not charge anything for copies of this -eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook -for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports, -performances and research. They may be modified and printed and given -away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks -not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the -trademark license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country outside the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you'll have to check the laws of the country where you - are located before using this ebook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm web site -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The -Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm -trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - - - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the -mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its -volunteers and employees are scattered throughout numerous -locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt -Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to -date contact information can be found at the Foundation's web site and -official page at www.gutenberg.org/contact - -For additional contact information: - - Dr. Gregory B. Newby - Chief Executive and Director - gbnewby@pglaf.org - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide -spread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works. - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our Web site which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/old/61324-0.zip b/old/61324-0.zip Binary files differdeleted file mode 100644 index d394814..0000000 --- a/old/61324-0.zip +++ /dev/null diff --git a/old/61324-h.zip b/old/61324-h.zip Binary files differdeleted file mode 100644 index f8cf1d6..0000000 --- a/old/61324-h.zip +++ /dev/null diff --git a/old/61324-h/61324-h.htm b/old/61324-h/61324-h.htm deleted file mode 100644 index 7ddc921..0000000 --- a/old/61324-h/61324-h.htm +++ /dev/null @@ -1,7244 +0,0 @@ -<!DOCTYPE html -PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd"> -<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2020-02-03T13:36:00Z using SAXON HE 9.9.1.6 . --> -<html lang="nl"> -<head> -<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=iso-8859-1"> -<title>Instituut Sparrenheide</title> -<meta name="generator" content="tei2html.xsl, see https://github.com/jhellingman/tei2html"> -<meta name="author" content="Chris van Abkoude (1880–1960)"> -<link rel="coverpage" href="images/frontcover.jpg"> -<link rel="schema.DC" href="http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/"> -<meta name="DC.Creator" content="Chris van Abkoude (1880–1960)"> -<meta name="DC.Title" content="Instituut Sparrenheide"> -<meta name="DC.Language" content="nl-1900"> -<meta name="DC.Format" content="text/html"> -<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg"> -<meta name="DC:Subject" content="#####"> -<style type="text/css"> -body { -font-family: "Times New Roman", Times, serif; -font-size: 100%; -line-height: 1.2em; -text-align: left; -} -.div0 { -padding-top: 5.6em; -} -.div1 { -padding-top: 4.8em; -} -.div2 { -padding-top: 3.6em; -} -.div3, .div4, .div5 { -padding-top: 2.4em; -} -h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4 { -clear: both; -font-style: normal; -text-transform: none; -} -h3, .h3 { -font-size: 1.2em; -line-height: 1.2em; -} -h3.label { -font-size: 1em; -line-height: 1.2em; -margin-bottom: 0; -} -h4, .h4 { -font-size: 1em; -line-height: 1.2em; -} -.alignleft { -text-align: left; -} -.alignright { -text-align: right; -} -.alignblock { -text-align: justify; -} -p.tb, hr.tb, .par.tb { -margin: 1.6em auto; -text-align: center; -} -p.argument, p.note, p.tocArgument, .par.argument, .par.note, .par.tocArgument { -font-size: 0.9em; -line-height: 1.2em; -text-indent: 0; -} -p.argument, p.tocArgument, .par.argument, .par.tocArgument { -margin: 1.58em 10%; -} -td.tocDivNum { -vertical-align: top; -} -td.tocPageNum { -vertical-align: bottom; -} -.opener, .address { -margin-top: 1.6em; -margin-bottom: 1.6em; -} -.addrline { -margin-top: 0; -margin-bottom: 0; -} -.dateline { -margin-top: 1.6em; -margin-bottom: 1.6em; -text-align: right; -} -.salute { -margin-top: 1.6em; -margin-left: 3.58em; -text-indent: -2em; -} -.signed { -margin-top: 1.6em; -margin-left: 3.58em; -text-indent: -2em; -} -.epigraph { -font-size: 0.9em; -line-height: 1.2em; -width: 60%; -margin-left: auto; -} -.epigraph span.bibl { -display: block; -text-align: right; -} -.trailer { -clear: both; -padding-top: 2.4em; -padding-bottom: 1.6em; -} -span.abbr, abbr { -white-space: nowrap; -} -span.parnum { -font-weight: bold; -} -span.corr, span.gap { -border-bottom: 1px dotted red; -} -span.num, span.trans, span.trans { -border-bottom: 1px dotted gray; -} -span.measure { -border-bottom: 1px dotted green; -} -.ex { -letter-spacing: 0.2em; -} -.sc { -font-variant: small-caps; -} -.asc { -font-variant: small-caps; -text-transform: lowercase; -} -.uc { -text-transform: uppercase; -} -.tt { -font-family: monospace; -} -.underline { -text-decoration: underline; -} -sup { -line-height: 6pt; -} -.overline, .overtilde { -text-decoration: overline; -} -.rm { -font-style: normal; -} -.red { -color: red; -} -hr { -clear: both; -height: 1px; -margin-left: auto; -margin-right: auto; -margin-top: 1em; -text-align: center; -width: 45%; -} -.aligncenter { -text-align: center; -} -h1, h2, .h1, .h2 { -font-size: 1.44em; -line-height: 1.5em; -} -h1.label, h2.label { -font-size: 1.2em; -line-height: 1.2em; -margin-bottom: 0; -} -h5, h6 { -font-size: 1em; -font-style: italic; -line-height: 1em; -} -p, .par { -text-indent: 0; -} -p.firstlinecaps:first-line, .par.firstlinecaps:first-line { -text-transform: uppercase; -} -.hangq { -text-indent: -0.32em; -} -.hangqq { -text-indent: -0.40em; -} -.hangqqq { -text-indent: -0.71em; -} -p.dropcap:first-letter, .par.dropcap:first-letter { -float: left; -clear: left; -margin: 0 0.05em 0 0; -padding: 0; -line-height: 0.8em; -font-size: 420%; -vertical-align: super; -} -blockquote, p.quote, div.blockquote, div.argument, .par.quote { -font-size: 0.9em; -line-height: 1.2em; -margin: 1.58em 5%; -} -.pagenum a, a.noteref:hover, a.pseudonoteref:hover, a.hidden:hover, a.hidden { -text-decoration: none; -} -.advertisement, .advertisements { -background-color: #FFFEE0; -border: black 1px dotted; -color: #000; -margin: 2em 5%; -padding: 1em; -} -.footnotes .body, .footnotes .div1 { -padding: 0; -} -.fnarrow { -color: #AAAAAA; -font-weight: bold; -text-decoration: none; -} -a.noteref, a.pseudonoteref { -font-size: 80%; -text-decoration: none; -vertical-align: 0.25em; -} -.displayfootnote { -display: none; -} -div.footnotes { -font-size: 80%; -margin-top: 1em; -padding: 0; -} -hr.fnsep { -margin-left: 0; -margin-right: 0; -text-align: left; -width: 25%; -} -p.footnote, .par.footnote { -margin-bottom: 0.5em; -margin-top: 0.5em; -} -p.footnote .label, .par.footnote .label { -float: left; -width: 2em; -height: 12pt; -display: block; -} -.apparatusnote { -text-decoration: none; -} -table.tocList { -width: 100%; -margin-left: auto; -margin-right: auto; -border-width: 0; -border-collapse: collapse; -} -td.tocPageNum, td.tocDivNum { -text-align: right; -min-width: 10%; -border-width: 0; -} -td.tocDivNum { -padding-left: 0; -padding-right: 0.5em; -} -td.tocPageNum { -padding-left: 0.5em; -padding-right: 0; -} -td.tocDivTitle { -width: auto; -} -p.tocPart, .par.tocPart { -margin: 1.58em 0; -font-variant: small-caps; -} -p.tocChapter, .par.tocChapter { -margin: 1.58em 0; -} -p.tocSection, .par.tocSection { -margin: 0.7em 5%; -} -table.tocList td { -vertical-align: top; -} -table.tocList td.tocPageNum { -vertical-align: bottom; -} -table.inner { -display: inline-table; -border-collapse: collapse; -width: 100%; -} -td.itemNum { -text-align: right; -min-width: 5%; -padding-right: 0.8em; -} -td.innerContainer { -padding: 0; -margin: 0; -} -.index { -font-size: 80%; -} -.indexToc { -text-align: center; -} -.transcriberNote { -background-color: #DDE; -border: black 1px dotted; -color: #000; -font-family: sans-serif; -font-size: 80%; -margin: 2em 5%; -padding: 1em; -} -.missingTarget { -text-decoration: line-through; -color: red; -} -.correctionTable { -width: 75%; -} -.width20 { -width: 20%; -} -.width40 { -width: 40%; -} -p.smallprint, li.smallprint, .par.smallprint { -color: #666666; -font-size: 80%; -} -span.musictime { -vertical-align: middle; -display: inline-block; -text-align: center; -} -span.musictime, span.musictime span.top, span.musictime span.bottom { -padding: 1px 0.5px; -font-size: xx-small; -font-weight: bold; -line-height: 0.7em; -} -span.musictime span.bottom { -display: block; -} -ul { -list-style-type: none; -} -.splitListTable { -margin-left: 0; -} -.numberedItem { -text-indent: -3em; -margin-left: 3em; -} -.numberedItem .itemNumber { -float: left; -position: relative; -left: -3.5em; -width: 3em; -display: inline-block; -text-align: right; -} -.itemGroupTable { -border-collapse: collapse; -margin-left: 0; -} -.itemGroupTable td { -padding: 0; -margin: 0; -vertical-align: middle; -} -.itemGroupBrace { -padding: 0 0.5em !important; -} -.titlePage { -border: #DDDDDD 2px solid; -margin: 3em 0 7em 0; -padding: 5em 10% 6em 10%; -text-align: center; -} -.titlePage .docTitle { -line-height: 3.5em; -margin: 2em 0 2em 0; -font-weight: bold; -} -.titlePage .docTitle .mainTitle { -font-size: 1.8em; -} -.titlePage .docTitle .subTitle, .titlePage .docTitle .seriesTitle, -.titlePage .docTitle .volumeTitle { -font-size: 1.44em; -} -.titlePage .byline { -margin: 2em 0 2em 0; -font-size: 1.2em; -line-height: 1.72em; -} -.titlePage .byline .docAuthor { -font-size: 1.2em; -font-weight: bold; -} -.titlePage .figure { -margin: 2em auto; -} -.titlePage .docImprint { -margin: 4em 0 0 0; -font-size: 1.2em; -line-height: 1.72em; -} -.titlePage .docImprint .docDate { -font-size: 1.2em; -font-weight: bold; -} -div.figure { -text-align: center; -} -.figure { -margin-left: auto; -margin-right: auto; -} -.floatLeft { -float: left; -margin: 10px 10px 10px 0; -} -.floatRight { -float: right; -margin: 10px 0 10px 10px; -} -p.figureHead, .par.figureHead { -font-size: 100%; -text-align: center; -} -.figAnnotation { -font-size: 80%; -position: relative; -margin: 0 auto; -} -.figTopLeft, .figBottomLeft { -float: left; -} -.figTop, .figBottom { -} -.figTopRight, .figBottomRight { -float: right; -} -.figure p, .figure .par { -font-size: 80%; -margin-top: 0; -text-align: center; -} -img { -border-width: 0; -} -td.galleryFigure { -text-align: center; -vertical-align: middle; -} -td.galleryCaption { -text-align: center; -vertical-align: top; -} -.lgouter { -margin-left: auto; -margin-right: auto; -display: table; -} -.lg { -text-align: left; -padding: .5em 0 .5em 0; -} -.lg h4, .lgouter h4 { -font-weight: normal; -} -.lg .lineNum, .sp .lineNum, .lgouter .lineNum { -color: #777; -font-size: 90%; -left: 16%; -margin: 0; -position: absolute; -text-align: center; -text-indent: 0; -top: auto; -width: 1.75em; -} -p.line, .par.line { -margin: 0 0 0 0; -} -span.hemistich { -visibility: hidden; -} -.verseNum { -font-weight: bold; -} -.speaker { -font-weight: bold; -margin-bottom: 0.4em; -} -.sp .line { -margin: 0 10%; -text-align: left; -} -.castlist, .castitem { -list-style-type: none; -} -.castGroupTable { -border-collapse: collapse; -margin-left: 0; -} -.castGroupTable td { -padding: 0; -margin: 0; -vertical-align: middle; -} -.castGroupBrace { -padding: 0 0.5em !important; -} -body { -padding: 1.58em 16%; -} -.pagenum { -display: inline; -font-size: 70%; -font-style: normal; -margin: 0; -padding: 0; -position: absolute; -right: 1%; -text-align: right; -} -.marginnote { -font-size: 0.8em; -height: 0; -left: 1%; -line-height: 1.2em; -position: absolute; -text-indent: 0; -width: 14%; -text-align: left; -} -.cut-in-left-note { -font-size: 0.8em; -left: 1%; -line-height: 1.2em; -float: left; -text-indent: 0; -width: 14%; -text-align: left; -padding: 0.8em 0.8em 0.8em 0; -} -.cut-in-right-note { -font-size: 0.8em; -left: 1%; -line-height: 1.2em; -float: right; -text-indent: 0; -width: 14%; -text-align: right; -padding: 0.8em 0 0.8em 0.8em; -} -span.tocPageNum, span.flushright { -position: absolute; -right: 16%; -top: auto; -text-indent: 0; -} -.pglink, .catlink, .exlink, .wplink, .biblink, .qurlink, .seclink { -background-repeat: no-repeat; -background-position: right center; -} -.pglink { -background-image: url(images/book.png); -padding-right: 18px; -} -.catlink { -background-image: url(images/card.png); -padding-right: 17px; -} -.exlink, .wplink, .biblink, .qurlink, .seclink { -background-image: url(images/external.png); -padding-right: 13px; -} -.pglink:hover { -background-color: #DCFFDC; -} -.catlink:hover { -background-color: #FFFFDC; -} -.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover, .qurlink:hover { -background-color: #FFDCDC; -} -body { -background: #FFFFFF; -font-family: "Times New Roman", Times, serif; -} -body, a.hidden { -color: black; -} -h1, .h1 { -padding-bottom: 5em; -} -h1, h2, .h1, .h2 { -text-align: center; -font-variant: small-caps; -font-weight: normal; -} -p.byline { -text-align: center; -font-style: italic; -margin-bottom: 2em; -} -.figureHead, .noteref, .pseudonoteref, .marginnote, p.legend, .verseNum { -color: #660000; -} -.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a { -color: #AAAAAA; -} -a.hidden:hover, a.noteref:hover, a.pseudonoteref:hover { -color: red; -} -h1, h2, h3, h4, h5, h6 { -font-weight: normal; -} -table { -margin-left: auto; -margin-right: auto; -} -.tablecaption { -text-align: center; -} -.arab { font-family: Scheherazade, serif; } -.aran { font-family: 'Awami Nastaliq', serif; } -.grek { font-family: 'Charis SIL', serif; } -.hebr { font-family: Shlomo, 'Ezra SIL', serif; } -.syrc { font-family: 'Serto Jerusalem', serif; } -.pagenum, .linenum { -speak: none; -}</style> -<style type="text/css"> -/* CSS rules generated from @rend attributes in TEI file */ -.cover-imagewidth { -width:553px; -} -.xd29e99 { -text-align:center; font-size:large; -} -.xd29e105 { -text-align:center; -} -.frontispiecewidth { -width:499px; -} -.titlepage-imagewidth { -width:522px; -} -.xd29e147 { -text-align:center; font-size:smaller; -} -.xd29e155 { -text-indent: 0; -} -.xd29e155dc { -float: left; -font-size: 48pt; -margin-left: 0; -margin-bottom: 5px; -margin-right: 3px; -} -.xd29e155adc { -/* empty */ -} -.xd29e155 { -text-indent: 0; -} -.xd29e155dc { -float: left; -font-size: 48pt; -margin-left: 0; -margin-bottom: 5px; -margin-right: 3px; -} -.xd29e155adc { -/* empty */ -} -.p016width { -width:496px; -} -.xd29e352width { -width:182px; -} -.xd29e155 { -text-indent: 0; -} -.xd29e155dc { -float: left; -font-size: 48pt; -margin-left: 0; -margin-bottom: 5px; -margin-right: 3px; -} -.xd29e155adc { -/* empty */ -} -.p032width { -width:500px; -} -.xd29e511width { -width:182px; -} -.xd29e155 { -text-indent: 0; -} -.xd29e155dc { -float: left; -font-size: 48pt; -margin-left: 0; -margin-bottom: 5px; -margin-right: 3px; -} -.xd29e155adc { -/* empty */ -} -.xd29e155 { -text-indent: 0; -} -.xd29e155dc { -float: left; -font-size: 48pt; -margin-left: 0; -margin-bottom: 5px; -margin-right: 3px; -} -.xd29e155adc { -/* empty */ -} -.xd29e155 { -text-indent: 0; -} -.xd29e155dc { -float: left; -font-size: 48pt; -margin-left: 0; -margin-bottom: 5px; -margin-right: 3px; -} -.xd29e155adc { -/* empty */ -} -.xd29e899width { -width:142px; -} -.xd29e155 { -text-indent: 0; -} -.xd29e155dc { -float: left; -font-size: 48pt; -margin-left: 0; -margin-bottom: 5px; -margin-right: 3px; -} -.xd29e155adc { -/* empty */ -} -.xd29e155 { -text-indent: 0; -} -.xd29e155dc { -float: left; -font-size: 48pt; -margin-left: 0; -margin-bottom: 5px; -margin-right: 3px; -} -.xd29e155adc { -/* empty */ -} -.xd29e1212width { -width:157px; -} -.xd29e155 { -text-indent: 0; -} -.xd29e155dc { -float: left; -font-size: 48pt; -margin-left: 0; -margin-bottom: 5px; -margin-right: 3px; -} -.xd29e155adc { -/* empty */ -} -.p096width { -width:501px; -} -.xd29e155 { -text-indent: 0; -} -.xd29e155dc { -float: left; -font-size: 48pt; -margin-left: 0; -margin-bottom: 5px; -margin-right: 3px; -} -.xd29e155adc { -/* empty */ -} -.xd29e1538width { -width:96px; -} -.xd29e155 { -text-indent: 0; -} -.xd29e155dc { -float: left; -font-size: 48pt; -margin-left: 0; -margin-bottom: 5px; -margin-right: 3px; -} -.xd29e155adc { -/* empty */ -} -.xd29e1676width { -width:142px; -} -.xd29e155 { -text-indent: 0; -} -.xd29e155dc { -float: left; -font-size: 48pt; -margin-left: 0; -margin-bottom: 5px; -margin-right: 3px; -} -.xd29e155adc { -/* empty */ -} -.xd29e1800width { -width:137px; -} -.xd29e155 { -text-indent: 0; -} -.xd29e155dc { -float: left; -font-size: 48pt; -margin-left: 0; -margin-bottom: 5px; -margin-right: 3px; -} -.xd29e155adc { -/* empty */ -} -.xd29e1934width { -width:157px; -} -.xd29e155 { -text-indent: 0; -} -.xd29e155dc { -float: left; -font-size: 48pt; -margin-left: 0; -margin-bottom: 5px; -margin-right: 3px; -} -.xd29e155adc { -/* empty */ -} -.xd29e2071width { -width:96px; -} -.xd29e155 { -text-indent: 0; -} -.xd29e155dc { -float: left; -font-size: 48pt; -margin-left: 0; -margin-bottom: 5px; -margin-right: 3px; -} -.xd29e155adc { -/* empty */ -} -.xd29e2171width { -width:313px; -} -.xd29e155 { -text-indent: 0; -} -.xd29e155dc { -float: left; -font-size: 48pt; -margin-left: 0; -margin-bottom: 5px; -margin-right: 3px; -} -.xd29e155adc { -/* empty */ -} -.xd29e2303width { -width:142px; -} -.xd29e155 { -text-indent: 0; -} -.xd29e155dc { -float: left; -font-size: 48pt; -margin-left: 0; -margin-bottom: 5px; -margin-right: 3px; -} -.xd29e155adc { -/* empty */ -} -.xd29e2406width { -width:182px; -} -.xd29e155 { -text-indent: 0; -} -.xd29e155dc { -float: left; -font-size: 48pt; -margin-left: 0; -margin-bottom: 5px; -margin-right: 3px; -} -.xd29e155adc { -/* empty */ -} -.xd29e155 { -text-indent: 0; -} -.xd29e155dc { -float: left; -font-size: 48pt; -margin-left: 0; -margin-bottom: 5px; -margin-right: 3px; -} -.xd29e155adc { -/* empty */ -} -.xd29e155 { -text-indent: 0; -} -.xd29e155dc { -float: left; -font-size: 48pt; -margin-left: 0; -margin-bottom: 5px; -margin-right: 3px; -} -.xd29e155adc { -/* empty */ -} -.xd29e2744 { -text-indent:2em; -} -.xd29e3015 { -text-align:center; font-size:xx-large; -} -.xd29e3017 { -text-align:center; font-size:x-large; -} -.pamarnewidth { -width:209px; -} -.spinewidth { -width:120px; -} -@media handheld { -} -/* CSS rules copied from @style attributes in TEI file */ -</style> -</head> -<body> - - -<pre> - -The Project Gutenberg EBook of Instituut Sparrenheide, by Chr. van Abkoude - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most -other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of -the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have -to check the laws of the country where you are located before using this ebook. - -Title: Instituut Sparrenheide - -Author: Chr. van Abkoude - -Illustrator: Jan Rinke - -Release Date: February 5, 2020 [EBook #61324] - -Language: Dutch - -Character set encoding: ISO-8859-1 - -*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK INSTITUUT SPARRENHEIDE *** - - - - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg - - - - - - -</pre> - -<div class="front"> -<div class="div1 cover"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first"></p> -<div class="figure cover-imagewidth"><img src="images/frontcover.jpg" alt="Oorspronkelijke voorkant." width="553" height="720"></div><p> -</p> -</div> -</div> -<div class="div1 frenchtitle"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first xd29e99">INSTITUUT SPARRENHEIDE. -</p> -</div> -</div> -<div class="div1 dedication"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first xd29e99">Voor Annie. -</p> -<p class="xd29e105">Als een herinnering aan den zomer van 1913. -</p> -</div> -</div> -<div class="div1 frontispiece"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first"></p> -<div class="figure frontispiecewidth"><img src="images/frontispiece.jpg" alt="De auto toeterde, de heer zwaaide met zijn arm." width="499" height="720"><p class="figureHead">De auto toeterde, de heer zwaaide met zijn arm.</p> -</div><p> -</p> -</div> -</div> -<div class="div1 titlepage"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first"></p> -<div class="figure titlepage-imagewidth"><img src="images/titlepage.png" alt="Oorspronkelijke titelpagina." width="522" height="720"></div><p> -</p> -</div> -</div> -<div class="titlePage"> -<div class="docTitle"> -<div class="seriesTitle">In de Vacantie</div> -<div class="subTitle">Bibliotheek voor Jongens en Meisjes.</div> -<div class="subTitle">Serie A Jongensboeken. Deel 13.</div> -<div class="mainTitle">Instituut Sparrenheide</div> -</div> -<div class="byline">door -<br> -<span class="docAuthor">Chr. van Abkoude</span> -<br> -Geïllustreerd door <span class="docAuthor">O. Geerling</span></div> -<div class="docImprint">Tweede Druk -<br> -ALKMAAR—GEBR. KLUITMAN. -<br> -<span class="docDate">1917</span></div> -</div> -<p></p> -<div class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first xd29e147">BOEKDRUKKERIJ GEBR. KLUITMAN—ALKMAAR. -<span class="pagenum">[<a id="pb5" href="#pb5">5</a>]</span></p> -</div> -</div> -</div> -<div class="body"> -<div id="ch1" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd29e2833">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/o005.png" alt="Eerste Hoofdstuk." width="565" height="86"></div> -<h2 class="label">Eerste Hoofdstuk.</h2> -<h2 class="main">Oorlogsplannen.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="xd29e155"><span class="xd29e155dc initdropcap">M</span><span class="xd29e155adc afterdropcap">idden in een groot dennenbosch tusschen Baarn en de Vuursche lag op een heuveltje, -geheel verscholen in het groen, een aardige, houten villa. Er liep een balcon rond -het heele huis en daardoor leek het veel op een Zwitsersche woning. Alleen het dak -stak boven de boomen uit, en wanneer je uit het dakraam keek, had je een verrukkelijk -gezicht over heel den omtrek. Je zag dan duidelijk de torens van Amersfoort, Soest, -Bunschoten en meer omringende dorpen. Je zag er heel mooi het Witte Paleis van Koningin -Emma en wat naar rechts de Naald van Waterloo. -</span></p> -<p>In dat hooggelegen huis woonde mijnheer Bergwoude, hoofdonderwijzer van de kostschool -„Sparrenheide.” Als mijnheer Bergwoude naar school ging, behoefde hij alleen maar -het heuveltje af te dalen, waarop <span class="pagenum">[<a id="pb6" href="#pb6">6</a>]</span>zijn huis gebouwd was en den boschweg over te steken, want het schoolgebouw stond -juist aan den overkant. -</p> -<p>Dat schoollokaal was niet groot, het bestond maar uit twee klassen en een gymnastieklokaal. -Maar het was ook geen gewone school. Op „Sparrenheide” kwamen alleen kinderen, die -niet zoo vlug konden leeren als andere jongens en meisjes. Sommigen, omdat ze thuis -altijd ziekelijk waren, anderen omdat ze zenuwachtig waren of vroeger de een of andere -ziekte hadden gehad, waardoor ze later niet meer zoo goed onthouden konden. -</p> -<p>En waarom ze nu op een gewone school <i>niet</i>, en op „Sparrenheide” <i>wèl</i> konden leeren, dat zullen we in dit boek wel bemerken. -</p> -<p>Mijnheer en Mevrouw Bergwoude waren alleraardigste menschen, die beiden verbazend -veel van kinderen hielden. Zij hadden drie kinderen, allen jongens. Op het oogenblik, -dat dit verhaal een aanvang neemt, was juist de Zaterdagmorgen-schooltijd geëindigd -en begaven de jongens en meisjes zich, voor zoover zij niet bij mijnheer Bergwoude -in „pension” waren, naar huis. -</p> -<p>Ook de drie zoons van den hoofdonderwijzer, Hans, Flip en Rob. Hans was dertien jaar, -een flinke, sterke jongen met breede schouders en een paar armen als een athleet. -Voor zijn leeftijd was hij een boom van een kerel en wat hij met zijn zwarte oogen -niet gedaan kreeg, dat maakte hij verder in orde met zijn gespierde vuisten. -</p> -<p>Flip telde twaalf jaar, hij was eveneens een door en door gezonde boy, maar niet zoo -struisch en stevig als Hans, Flip was een rechte pretmaker, hij hield verbazend <span class="pagenum">[<a id="pb7" href="#pb7">7</a>]</span>veel van grapjes en wist ook vaak allerlei aardige dingen te zeggen, waarom een ieder -moest lachen. De tienjarige Robert, doorgaans genoemd Rob, was een rare snuiter. Je -kon eigenlijk niet uit hem wijs worden. Hij was wat stil; hij hield veel van zijn -ouders en zijn broers, maar misschien nog meer van de bosschen en de hei met de planten -en de dieren. Hij maakte er een heele studie van en bijna altijd was hij in zijn vrije -uren met zijn botaniseer-trommel en plantenschopje in het bosch te vinden, of rangschikte -zijn verzamelde planten en insecten op zijn kamer. Maar dat nam niet weg, dat hij -toch hetzelfde vroolijke humeur van zijn broers had, al was hij dan ook wat minder -luidruchtig en druk. Hij kon evengoed meedoen aan hun grappen en spelen als andere -jongens, maar bleef altijd kalm. En waarom hij nu een rare snuiter was? Wel, in de -eerste plaats was hij vreeselijk slordig op alles. Niet alleen op zijn kleeren en -boeken, zijn planten en dieren, maar ook verbazend onverschillig voor andere dingen. -Het kon hem bijvoorbeeld heelemaal niet schelen, een uur te laat op school of aan -tafel te komen. Alle standjes, straffen en vermaningen hielpen weinig of niets. Soms -nam hij zich voor, opeens vreeselijk netjes te worden, maar maakte het dan weer zóó -erg, dat hij op zijn kousen liep om zijn schoenen niet vuil te maken. Daarbij was -hij erg vergeetachtig. Alles en alles bij elkaar genomen had Rob aanleg om professor -te worden. -</p> -<p>Ziezoo, nu zijn de drie vroolijke broers voorgesteld. Zooals gezegd, zij hadden zoo -juist de school verlaten en gingen naar huis. Door den tuin, die op de helling van -den heuvel was aangelegd, kwamen zij in de huiskamer, <span class="pagenum">[<a id="pb8" href="#pb8">8</a>]</span>waarvan de breede tuindeuren wijd open stonden. Zij vonden hun moeder bezig met het -klaarzetten van de <span class="corr" id="xd29e178" title="Bron: koffie-tafel">koffietafel</span> en volgens trouwe gewoonte werd zij allereerst eens stevig gepakt door haar drie -jongens. Dat deden zij alle drie met kracht en klem. Vervolgens keken zij met verlangende -oogen naar de stapels boterhammen en zei Flip op vertrouwelijken toon: -</p> -<p>„Help ons gauw weg, moedertje, we hebben reusachtig haast!” -</p> -<p>„Ja,” voegde Hans erbij, „we hebben nog zooveel te doen en moeten er vroeg bij zijn.” -</p> -<p>„Ik hoef niet eens te eten,” zei Rob. -</p> -<p>„Wat zullen we nu weer beleven?” vroeg moeder, „waarom zoo gehaast? En waarom zonder -eten weg? Dat gebeurt niet, hoor! Wat is er dan aan de hand?” -</p> -<p>„Dat zijn groote geheimen, moeder,” zei Flip. -</p> -<p>„Staatsgeheimen,” vond Hans. -</p> -<p>„Och kom,” pleitte Rob voor zijn moeder, „wij kunnen het moeder best vertellen.” -</p> -<p>Op dit oogenblik kwam hun vader binnen. De heer Bergwoude was een man met een vriendelijk -voorkomen, hij droeg een langen, blonden baard en blond waren ook zijn haren. In tegenstelling -met hem waren zij drie zoons zwart, net als hun moeder. -</p> -<p>„Zoo, zoo,” sprak mijnheer, terwijl hij een stapel schoolschriften op een tafeltje -legde, „en wat zijn dat voor staatsgeheimen, die jullie best aan moeder kunt vertellen? -En dan mag ik ze zeker ook wel hooren?” -</p> -<p>De gebroeders keken elkander eens aan en toen zei Hans: -</p> -<p>„We gaan oorlog voeren!” -<span class="pagenum">[<a id="pb9" href="#pb9">9</a>]</span></p> -<p>Flip en Rob knikten. Vader en moeder keken elkaar aan. -</p> -<p>„Oorlogvoeren?” vroeg Vader verwonderd. „Wat moet dat beteekenen?” -</p> -<p>„Wel,” verklaarde Hans, „het is maar een spel. Onze vrinden van de Baarnsche school -komen vanmiddag door het Overbosch naar „Sparrenheide” om onze school te bestormen -en in te nemen. En nu moeten we er vlug bij zijn om ze op een afstand te houden.” -</p> -<p>De heer en mevrouw Bergwoude lachten. -</p> -<p>„Komaan,” sprak de eerste, „dus vanmiddag wordt mijn school formeel bestormd? Wel -wel, ik denk, dat ik maar naar Amersfoort zal telegrafeeren om een detachement soldaten -en huzaren. En hoe laat zal dat gebeuren?” -</p> -<p>„Ja, dat weten we juist niet, vader,” zei Hans. -</p> -<p>„Dat zeggen ze natuurlijk niet,” sprak Flip. -</p> -<p>„Neen, dat zeggen ze niet,” herhaalde Rob wijsgeerig. -</p> -<p>„Ik hoop niet, dat de andere jongens van onze school zich teveel bij dat spel zullen -opwinden,” zei mijnheer Bergwoude, „want dan is er vanavond geen huis met hen te houden. -Zij zitten nu rustig hun twaalf-uurtje te gebruiken in de eetzaal.” -</p> -<p>„Ja, wat ’n wonder,” zei Flip leuk. „Die weten er nog niets van.” -</p> -<p>„Doen ze dan niet mee?” vroeg vader. -</p> -<p>„O jawel, maar we zeggen het straks pas, als we naar ’t bosch gaan. Want zoo gaat -het bij het groote leger ook,” zei Hans. „De soldaten weten nooit van te voren wat -er gebeuren zal.” -<span class="pagenum">[<a id="pb10" href="#pb10">10</a>]</span></p> -<p>„Maar hoe zit het plan dan in elkaar?” -</p> -<p>„Niet zeggen,” zei Flip. -</p> -<p>„Dat is een geheim, Vader, een geheim,” sprak Hans. -</p> -<p>„Een geheim, ja, een geheim,” herhaalde Rob weer. -</p> -<p>En hoe Vader en Moeder ook probeerden, meer van dat geheim te weten te komen, de drie -gebroeders lieten niets los, zoodat de ouders zich tevreden moesten stellen met de -mededeeling, dat het schoolgebouw dien middag door den vijand bestormd zou worden. -</p> -<p>En toch, zij gaven maar toe en maakten geen bezwaren tegen het vroolijke spel der -jongens. Die wisten ook telkens wat nieuws te verzinnen en speelden in de bosschen, -alsof die hun eigendom waren inplaats van Kroondomein. Met welwillende medewerking -van Vader en Moeder was de koffietafel dan ook gauwer afgeloopen dan anders en holden -de jongens naar hun kamer. -</p> -<p>Hans haalde een wandelkaart van de bosschen te voorschijn en spreidde die op tafel -uit. -</p> -<p>„Dit is onze stafkaart,” zei hij lachend. „Ik ben de generaal, Flip en Albert de Hooge -zijn mijn officieren.” -</p> -<p>„En ik dan?” -</p> -<p>„Jij bent niet oud genoeg voor officier, maar ik heb toch een mooi baantje voor je. -Omdat jij zoo goed met alle hoekjes en gaatjes van de bosschen bekend bent, wordt -jij mijn verkenner.” -</p> -<p>„Dat is best,” vond Rob. -</p> -<p>„Kijk eens hier,” zei Hans, die als een veldheer zijn plan ging uitleggen. „Ik heb -met Bram Verhallen uit Baarn afgesproken, dat hij om twee uur met zijn troep <span class="pagenum">[<a id="pb11" href="#pb11">11</a>]</span>het dorp uittrekt bij de Pekinglaan, die je hier op de kaart ziet. Zij gaan dan door -het sparrenbosch onder de tunneltjes van de spoorbanen door het Baarnsche bosch in. -Zie je wel,” vervolgde hij en wees met zijn vinger de wegen aan op de groene kaart, -„dan gaan ze hier door de Borlaan langs de Groote Kom naar den Eemnesser Straatweg. -Daar steken ze schuin over naar den weg langs het Boterbergje. En vandaar komen ze -door het Overbosch op onze school aan. Nou weet ik natuurlijk niet, welken weg ze -nemen, want dat heeft Bram mij niet verteld.” -</p> -<p>„Moeten wij alleen de school verdedigen?” vroeg Flip. „Ik schiet ze met mijn houten -sabel een partij bruine boonen in hun neusgaten en slinger ze terug, dat ze van hier -naar Baarn rollen.” -</p> -<p>„Hou nou op met je onzin!” zei Hans ongeduldig, „we kunnen onzen tijd wel beter gebruiken. -Ja, we moeten alleen de school verdedigen, maar we laten ze niet dadelijk zoo dichtbij -komen. Hier op de kaart ligt onze school. Wij hebben twintig jongens. Vijf moeten -bij de school blijven om die te bewaken. Daar nemen we natuurlijk niet de grootsten -voor. Vijftien gaan er met mij mee. Ik weet een mooie plek om Bram en zijn troep tegen -te houden.” -</p> -<p>„Het is nu half één,” zei Rob. „Ik denk, dat ik mijn botaniseertrommel meeneem.” -</p> -<p>„Ben je vierkant gebakken?” vroeg Flip, „er is van middag niets te botaniseeren, botaniseer -jij Bram Verhallen maar op zijn gezicht!” -</p> -<p>„Neen, niets meenemen dan een paar goeie oogen en een hoop slimheid,” zei Hans. -<span class="pagenum">[<a id="pb12" href="#pb12">12</a>]</span></p> -<p>Flip ging opeens ijverig in de lade van de tafel zoeken. -</p> -<p>„Wat doe je,” vroeg Rob. -</p> -<p>„Ik zoek een hoop slimmigheid,” zei Flip, „want ik ben bang dat ik er te weinig van -in mijn kersepit heb.” -</p> -<p>„Als jij vanmiddag in ’t bosch zoo loopt te kletsen als je nou doet,” zei Hans, „dan -stuur je alles in de war. En hoor eens: De school is een fort, dat door Europeanen -wordt bewoond. Bram en zijn jongens zijn een wilde Indianenstam, de Mohikanen en Bram -is Arendsoog, hun opperhoofd.” -</p> -<p>„Dan wil ik Soepoog zijn,” zei Flip. -</p> -<p>„Een blauw oog kan je dadelijk wel van me krijgen,” bromde Hans, die één en al ernst -en vuur was. „Met jouw flauwiteiten schieten we heelemaal niet op. Ziezoo, en nou -gaan we de anderen waarschuwen.” -</p> -<p>De drie broers begaven zich naar de kamers der kostjongens om hen van de zaak op de -hoogte te stellen. -</p> -<p>Natuurlijk wilden ze allemaal graag meedoen, maar Hans koos de flinkste jongens uit -om mee te gaan, de overigen konden de school bewaken. -</p> -<p>„Ik zou ook wel Indiaan willen zijn,” mompelde Flip bij zichzelven. „Akibakki kikkerbokki, -de taal ken ik al! Ha, gij driedubbele gepofte honden van bleekgezichten, ik, de dappere -Soepoog, zal u met mijn tomohawk tot gruttenpap met rozijnen en groene zeep hakken. -Wee u, gij grutteneuzen!” -<span class="pagenum">[<a id="pb13" href="#pb13">13</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch2" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd29e2842">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/o013.png" alt="Tweede Hoofdstuk." width="566" height="91"></div> -<h2 class="label">Tweede Hoofdstuk.</h2> -<h2 class="main">Indianen en Bleekgezichten.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="xd29e155"><span class="xd29e155dc initdropcap">O</span><span class="xd29e155adc afterdropcap">p het Brinkplein bij de Baarnsche kerk verzamelde Bram Verhallen zijn mannetjes. Bram -Verhallen was van denzelfden leeftijd als Hans Bergwoude, even sterk, even slim, even -stevig gebouwd. Alleen was hij lichtblond en had zachte, bijna droomerige oogen. Hij -was een lobbes van een jongen, maar liet zich toch niet de kaas van het brood eten. -Hans Bergwoude was een zijner beste vrienden en als zij niet <span class="corr" id="xd29e252" title="Bron: zoover">zoo ver</span> van elkaar gewoond hadden, zouden zij veel meer bij elkaar geweest zijn. Bram was -de eenige zoon van notaris Verhallen; hoewel uit een deftig gezin afkomstig was hij -toch vrij van alle gemaaktheid of aanstellerij. Hij was op school een ijverig leerling, -maar moest nogal blokken om bij te blijven. Hij leefde op als hij met zijn kameraden -kon ravotten. -</span></p> -<p>Intusschen kwamen meer en meer jongens opdagen en allen waren zenuwachtig van ongeduld -om het heerlijke spel te beginnen. Toen zijn strijders, ongeveer <span class="pagenum">[<a id="pb14" href="#pb14">14</a>]</span>twintig in getal, compleet waren, stelde Bram zich aan het hoofd ervan en marcheerde -naar de Torenlaan, waar hij rechtsaf sloeg, het Sparrenbosch in. Daar hield hij even -halt, liet de jongens in een kring om hem heen staan en ging het spel uitleggen. -</p> -<p>„Jullie weet al zoo’n beetje,” vertelde hij, „wat we gaan doen, maar het fijne van -de zaak zal je nu pas hooren. Wij zijn Indianen van den stam der Mohikanen.” -</p> -<p>„Hoera, hoera, Indianen!” schreeuwde er al een paar. -</p> -<p>„Stil toch!” vermaande Toon Sprits, een groote jongen en een der klassegenooten Van -Bram. „Mooie Indianenmanieren om in het bosch zoo te schreeuwen!” -</p> -<p>„Ja,” zei Bram, „als je zooveel spektakel maakt, dan hooren de „Sparheiders” al direct, -waar we zitten. Dus jongens, houdt je doodstil. Jullie hebben allemaal genoeg Indianenboeken -gelezen en daarom weet je ook best, hoe Indianen in hun bosschen doen. Ik ben Arendsoog, -en jullie kiezen maar een naam voor jezelf uit.” -</p> -<p>„Tijgerklauw heet ik!” zei de een. -</p> -<p>„Witte Buffel!” riep een tweede. -</p> -<p>„Vuurstraal!” -</p> -<p>„Edelhart!” -</p> -<p>„Apestaart! Oliebol! Kokosvet!” ’t Werd weer een geschreeuw door elkaar van je welste. -Op die manier kwam er van de heele onderneming niets terecht. -</p> -<p>„Stilte!” commandeerde Bram. „Wie niet gehoorzaamt en weer schreeuwt of leven maakt, -kan naar huis gaan.” -<span class="pagenum">[<a id="pb15" href="#pb15">15</a>]</span></p> -<p>Dat hielp. Bram was wel een goeie jongen, maar als hij boos werd, begonnen zijn gespierde -armen een woordje mee te spreken en daar hadden de jongens respect voor! Het werd -dus stil en Bram vervolgde: -</p> -<p>„Ik ben Arendsoog en jullie opperhoofd. Toon Sprits en Jan v.d. Zee zijn mijn verspieders. -De school van Bergwoude in het Overbosch is een fort, waar blanken wonen. Dat fort -wordt door ons bestormd. Maar het wordt verdedigd door de Sparheiders, dat zijn Hans -Bergwoude met zijn broers en de kostjongens. Zij weten, dat wij uit de richting van -het Boterbergje komen. -</p> -<p><span class="corr" id="xd29e275" title="Niet in bron">„</span>Alle Sparheiders hebben een witten band om den arm, en voor ons heb ik roode banden -meegebracht. Hier zijn ze. Bind ze om den rechterarm!” -</p> -<p>Dat was gauw gebeurd en daarop deelde Bram zijn troep in. -</p> -<p>Voorop ging de spits, Jan v.d. Zee met twee jongens. Jan midden op den weg, de twee -jongens achter de boomen, daarachter een voortroepje van drie man op den weg, vervolgens -een troep van tien man en vijftig meters daarachter een achterhoede als dekking van -vier jongens. -</p> -<p>Elk gedeelte moest zorgen met de anderen in verbinding te blijven. En verder deelde -Bram zijn strijders alles mede, wat ze voor dezen middag te weten hadden. -</p> -<p>Had de blijdschap bij het vernemen van dit prettige spel de jongens eenige oogenblikken -luidruchtig gemaakt, nu begrepen ze, dat ze doodstil moesten zijn. Zij speelden elke -week in de bosschen en kenden er evengoed den weg als in hun eigen huis. -</p> -<p>Nadat Bram zijn troep had opgesteld, ging het in de <span class="pagenum">[<a id="pb16" href="#pb16">16</a>]</span>genoemde volgorde voorwaarts, de bosschen in. -</p> -<div class="figure p016width"><img src="images/p016.png" alt="Opstelling van de jongens op de laan." width="496" height="213"></div><p> -</p> -<p>Hans Bergwoude, de generaal der Sparheiders, die het fort der blanken te verdedigen -had, zat intusschen ook niet stil. Vijf verdedigers had hij in een wijden kring om -het schoolgebouw doen postvatten en met vijftien man trok hij de aanvallers tegemoet. -Dat wil zeggen, hij verdeelde ze eerst in drie partijen. Vijf jongens onder aanvoering -van zijn broer Flip trokken door de Sophialaan den vijand tegen, vijf onder commando -van Albert de Hooge door de Hooilaan en vijf onder hemzelven door de Koninginnelaan, -dus in het midden van de beide andere troepen. Elke troep moest één der jongens tusschen -de boomen laten loopen, om berichten of teekens van links of rechts over te brengen. -Aan het eind van elke laan zouden de troepen halt houden en daar den toegang voor -den vijand afsluiten. Er waren nog wel meer wegen, die naar Sparrenheide leidden, -maar die vormden zulke groote omwegen, dat er voor de tegenpartij te veel tijd zou -verloren gaan om die te volgen. -<span class="pagenum">[<a id="pb17" href="#pb17">17</a>]</span></p> -<p>Hans wist dit ook wel, daarom had hij de voornaamste wegen naar Sparrenheide bezet. -</p> -<p>Het was stil in ’t bosch. -</p> -<p>Wandelaars waren er bijna niet te zien, die kwamen zelden zoo vér en bleven meestal -in de nabijheid van het dorp. De zon scheen vroolijk op dezen mooien Julidag en in -het bosch was het heerlijk zoel onder de boomen. In de toppen van de beuken en linden -zongen merels en lijsters, ginds sprongen een paar eekhoorntjes tusschen de sparretakken, -maar overigens was het doodstil. Schooner plekjes dan waar de jongens zich door het -bosch bewogen kan men zich moeilijk voorstellen. Naar alle kanten slingerden zich -de grijs bruine paden en verdwenen dan in het duizendtintige boschgroen. Het lichte -bladgroen der linden prijkte naast de bruine beuken, donkere sparren en dennen daartusschen -en opeens weer een groep zachtgroene eiken, ’t was voortdurend weer ’n andere tint -van boomenloof. Soms weken de boomen vaneen en omringden een open plek, waar dan ’n -vijver gevormd was. Een vijver van helder water, waarin je salamandertjes en slangen -zag en mooie waterinsecten. De bodem was er bedekt met millioenen bladeren, die voor -de vijverbewoners prachtige nesten vormden. -</p> -<p>Ook de jongens genoten thans wel van die heerlijke boschpracht, maar voor ’t oogenblik -waren ze toch meer vervuld van het spel van dezen middag. -</p> -<p>Zonder onnoodig geruisch te maken gingen de drie troepen voorwaarts door de lanen. -Generaal Hans begreep, dat hij niet tegenover gewone soldaten stond, maar met Indianen -te doen had, die op èchte Indianenmanier <span class="pagenum">[<a id="pb18" href="#pb18">18</a>]</span>plotseling van achter boomen en struiken te voorschijn konden komen. Daarom had hij -ook den voorzorgsmaatregel genomen, eenigen van zijn mannetjes niet op de paden, maar -tusschen de boomen door te laten loopen. -</p> -<p>Eindelijk hadden de drie troepen het eindpunt van de genoemde lanen bereikt en stelden -zich daar verdekt op, dat wil zeggen, zij verscholen zich tusschen het kreupelhout -en zetten een schildwacht achter een boom op den uitkijk. Elke troep moest op zijn -plaats blijven en daar voorloopig bivak houden. -</p> -<p>Generaal Hans wou nu wel eens weten, hoe het met den vijand gesteld was en daarom -riep hij zijn verkenner Rob bij zich. -</p> -<p>„Hoor eens, Rob,” sprak hij, „jij moet eens het bosch verder ingaan naar den kant -van het Boterbergje en zien, of er iets van de Indianen te merken is. Maar kijk goed -uit je doppen, hoor, en bemoei je nou eens niet met allerlei slakken en kevers en -aardvlooien en weet ik veel wat voor ongedierte meer! Denk er aan, dat zoo’n Indiaan -op je loert en voor je ’t weet ben je gebrajen. En zorg dat je zoowat over een half -uur terug bent. Kan je roepen als een kraai?” -</p> -<p>„Beter dan jij.” -</p> -<p>„Dat zit nog. Als er wat aan de hand is, laat je een kraaienschreeuw hooren. Dan komen -we. Zoo, ga nou maar.” -</p> -<p>Rob ging het bosch in en was weldra tusschen het geboomte verdwenen. -</p> -<p>Hans ging van den eenen troep naar den anderen langs de verbindingslaan. Hij lette -er op, dat de schildwachten <span class="pagenum">[<a id="pb19" href="#pb19">19</a>]</span>op hun post waren. Maar hij had al gauw gezien, dat die ijverig hun plicht deden, -omdat ze veel te bang waren, onverhoeds door de Indianen overvallen te worden. Hij -besloot daarom kalm de lanen bezet te houden en alvorens verder te gaan, de terugkomst -van Rob af te wachten en te hooren, wat die van de tegenpartij gezien had. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>De Indianentroep was voorzichtig voortgegaan door het bosch. Jan v.d. Zee, die aan -de spits ging, met een makker aan iederen kant tusschen de boomen, meende op den viersprong -van de Boslaan voorbij de Groote Kom onraad te bespeuren. Hij wenkte zijn nevenmannen -en stak den arm omhoog wat door de achter hem aankomenden gezien werd. Die gaven het -teeken door en opeens hielden alle Indianen halt en wierpen zich plat op den grond, -zooveel mogelijk gedekt tusschen de struiken. -</p> -<p>Jan, die zich met den geweldigen naam Tijgerklauw als een echt Indiaan deed kennen, -zag tusschen het kreupelhout recht voor zich uit eenige jongens bewegen. Zouden de -verdedigers van Sparrenheide reeds zoovèr doorgedrongen zijn? Was het een voorpost? -Maar tevergeefs zocht Tijgerklauw naar den witten band, dien de tegenpartij om den -arm moest dragen. Ook schenen de jongens met een heel ander spel bezig te zijn. En -terwijl Tijgerklauw de vreemde gedaanten tusschen het geboomte bespiedde, wachtte -Arendsoog, het dappere opperhoofd der Mohikanen, op een tweede teeken. -</p> -<p>„Zou Tijgerklauw de bleekgezichten al zien?” fluisterde <span class="pagenum">[<a id="pb20" href="#pb20">20</a>]</span>Arendsoog Toon Sprits in ’t oor, die nu „Vuurstraal” heette. -</p> -<p>„Vuurstraal weet het evenmin als het dappere opperhoofd, maar Arendsoog kan mijlen -ver zien, hij kan naar voren gaan en zien, waarom Tijgerklauw niet verder gaat.” -</p> -<p>„Mijn broeder spreekt verstandig. Ik zal gaan. Hugh! daar geeft Tijgerklauw weer het -teeken: voorwaarts.” -</p> -<p>Inderdaad zwaaide Tijgerklauw zijn arm naar voren, de vreemden waren geen vijanden -geweest, en de Indianen slopen weer geruischloos langs de paden. -</p> -<p>Zoo bereikten zij het Boterbergje. -</p> -<p>Het Boterbergje is een heuveltje, gelegen aan een zijpad van den Eemnesser straatweg. -Het is omringd door twee rijen boomen, aan drie zijden daarachter strekt zich over -een grooten afstand dicht kreupelhout uit, alleen de kant van den weg was open. Boven -op het bergje stond een bultige, knoestige lindenboom. -</p> -<p>Arendsoog legerde zijn Indiaansche krijgers in het dichtbegroeide terrein om het Boterbergje, -zoodat er geen tip van hun neus te zien was. Hij zelf kroop naar boven en klom in -een boom. Maar veel kon hij niet zien, ’t was alles bosch en nog eens bosch. Alleen -kon hij naar het Noord-oosten een klein stukje van den straatweg zien. Hij wilde dan -ook juist weer uit den boom klimmen, toen hij de struiken zag bewegen op een plaats, -waar zijn Indianen niet gelegerd waren. Arendsoog hield den adem in en hield zijn -scherpen arendsblik gericht op de struiken. -</p> -<p>In ’t volgende oogenblik zag hij een arm tevoorschijn <span class="pagenum">[<a id="pb21" href="#pb21">21</a>]</span>komen, en om dien arm … een witte band! -</p> -<p>Een vijand dus! -</p> -<p>Maar was hij wel alleen? Was het niet een sterke afdeeling die vooruitgezonden was -om Arendsoog tegen te houden? Neen, dat was niet waarschijnlijk, Sparrenheide lag -nog op te verren afstand. -</p> -<p>Het zou dus wel een verkenner zijn! -</p> -<p>Maar dan zou Arendsoog ook wel zorgen, dat het bleekgezicht niet bij zijn generaal -terugkeerde! -</p> -<p>Stil<span class="corr" id="xd29e336" title="Bron: ..">…</span> daar kwam een hoofd tusschen het groen te voorschijn, maar de verkenner was nog te -ver om zijn gezicht te kunnen onderscheiden. Hij keek om zich heen. Toen dook hij -weer weg in het groen. -</p> -<p>Arendsoog liet zich geruischloos uit den boom glijden. Hij sloop langs den heuvel -naar beneden en wenkte zijn strijders Tijgerklauw en Vuurstraal. Een enkel fluisterend -woord was voldoende om deze twee op de hoogte te brengen, en plotseling vlogen de -drie Indianen het kreupelhout in om den spion gevangen te nemen. Zij hadden hem gauw -genoeg bemerkt en nu ontstond er een jacht door het eikengewas. Vijftig meter verder -lag het dennenbosch, als de vluchteling daarin zocht te ontkomen was hij verloren. -</p> -<p>De Indianen vlogen door het moeilijk begaanbare terrein, zij zagen het bleekgezicht -Rob Bergwoude het bosch steeds meer en meer naderen.… -</p> -<p>Daar rende hij er in! -</p> -<p>Ziezoo, de tallooze, dicht op elkaar groeiende stammen zouden hem het snelle voortgaan -wel beletten. -</p> -<p>En, wat kalmer, volgden de roodhuiden den vluchteling. Ook zij bereikten nu het dennenbosch. -<span class="pagenum">[<a id="pb22" href="#pb22">22</a>]</span></p> -<p>Maar.… waar was het bleekgezicht? -</p> -<p>Arendsoog, Tijgerklauw en Vuurstraal keken verbaasd om zich heen. Zij keken naar de -toppen der stammen, zij schopten de dennetakken van den grond. -</p> -<p>Niets! -</p> -<p>Rob Bergwoude was spoorloos verdwenen! -</p> -<p></p> -<div class="figure xd29e352width"><img src="images/o033.png" alt="Ornament." width="182" height="99"></div><p> -<span class="pagenum">[<a id="pb23" href="#pb23">23</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch3" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd29e2851">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/o023.png" alt="Derde Hoofdstuk." width="565" height="79"></div> -<h2 class="label">Derde Hoofdstuk.</h2> -<h2 class="main">In gevecht met de Roodhuiden.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="xd29e155"><span class="xd29e155dc initdropcap">R</span><span class="xd29e155adc afterdropcap">ob, die door zijn broer Hans op verkenning werd uitgezonden, was door de Koninginnelaan -het bosch ingetrokken. De jonge natuurliefhebber was juist geschikt voor dit werk, -omdat hij alle wegen en schuilhoeken zoo door en door kende. Hij stapte regelmatig -door tot aan de Jagerskom, ook al een boschvijver. Daar zag hij op een bank bij het -water een stumperig oud moedertje zitten, dat bitter weende. -</span></p> -<p>Rob had een weekhartig gemoed en vond het zóó ontzettend naar, dat hij dit oude vrouwtje -huilen zag, dat hij het niet over zijn hart verkrijgen kon, door te loopen. -</p> -<p>Misschien had zij iets in het water laten vallen? -</p> -<p>Rob kwam nog wat nader en toen pas scheen het oudje hem te bemerken. -<span class="pagenum">[<a id="pb24" href="#pb24">24</a>]</span></p> -<p>„Is … is u soms wat verloren?” -</p> -<p>Het arme moedertje veegde de tranen uit haar oogen en knikte. -</p> -<p></p> -<div class="figure p032width"><img src="images/p032.jpg" alt="Het arme moedertje veegde de tranen uit haar oogen." width="500" height="720"><p class="figureHead">Het arme moedertje veegde de tranen uit haar oogen.</p> -</div><p> -</p> -<p>„Och, jongeheer,” zei ze snikkend, „ik weet geen raad. Mijn zoon had geld gestuurd, -tien gulden. En nu was ik naar Baarn gegaan, om wat boodschappen te doen.… en nu heb -ik ’t briefje verloren. Ik heb zoo gezocht, zoo gezocht. Maar ik kan het niet meer -vinden. Och, och, wat zal mijn jongen wel zeggen! Hij heeft het voor zijn moeder overgespaard. -Vier weken had ik er mee moeten rondkomen. Tien gulden, ach, en het is zoo’n lange -weg naar De Vuursche.” -</p> -<p>„Woont u daar?” vroeg Rob deelnemend. -</p> -<p>„Ja, jongeheer. Ik zal maar weer naar huis gaan. En onderweg nog eens goed zoeken. -Och, och, wat ben ik toch ongelukkig<span class="corr" id="xd29e378" title="Bron: ..">…</span>” -</p> -<p>Opeens kreeg Rob een goed idee. -</p> -<p>„Wij zullen wel helpen zoeken,” sprak hij. „Bij het begin van de Sophialaan staat -een troep jongens. Wij zijn aan het spelen. Wij zijn bleekgezichten, weet u.” -</p> -<p>„Bleekgezichten, jongeheer? U ziet er anders heelemaal niet bleek uit. U hebt een -gezonde kleur. Als melk en bloed.” -</p> -<p>„Ja,” zei Rob lachend, „maar zoo meen ik het ook niet. De Indianen noemen ons bleekgezichten. -De jongens van Baarn zijn de Indianen. Hebt u ze niet gezien?” -</p> -<p>De oude vrouw schudde ontkennend het hoofd. -</p> -<p>„Nou maar,” vervolgde Rob, „als u nou bij die jongens daar vraagt naar Hans, dat is -mijn broer, dan moet u hem maar eens vertellen, dat ik gezegd heb, dat <span class="pagenum">[<a id="pb25" href="#pb25">25</a>]</span>ze u moeten helpen zoeken. De jongens hebben allemaal witte banden om den arm.” -</p> -<p>’t Vrouwtje knikte hem dankbaar toe voor de aangeboden hulp en strompelde terug. -</p> -<p>Rob zette zijn weg voort tot hij kwam aan de Reigers laan, in de nabijheid van het -Boterbergje. Daar drong hij het kreupelhout in tot op tweehonderd meters afstand van -het heuveltje. Hij hield zich doodstil tusschen de struiken en bespionneerde den top -van het bergje. Neen, de Roodhuiden zouden wel niet zoo dom zijn, om zich boven op -den top te legeren … of waren zij nog niet tot hier gevorderd? -</p> -<p>Rob loerde en loerde, maar de dichte eikebladeren beletten hem het uitzicht. Hij duwde -met den arm de takken terzijde en stak zijn hoofd boven het groen uit. -</p> -<p>Op dit oogenblik bemerkte Arendsoog hem. -</p> -<p>Maar toen deze met Tijgerklauw en Vuurstraal op hem afkwam, had Rob toch gauw gezien, -dat hij ontdekt was. Hij rende, zoo gauw als de struiken dit toelieten, naar het achter -hem gelegen dennenbosch, maar onder die vlucht bedacht hij, dat de dicht op elkaar -staande stammen hem teveel zouden tegenhouden. En daarom besloot hij van een list -gebruik te maken. Hij zou net doen alsof hij in het bosch vluchtte, en ook werkelijk -een paar stappen tusschen de eerste stammen doen, zoodat zijn vervolgers, die nog -wel een dertig meters achter hem waren, hem duidelijk konden zien. -</p> -<p>Zoo deed hij. -</p> -<p>Maar na een paar stappen gedaan te hebben, liet hij zich plotseling vallen en kroop -snel terug naar het kreupelhout, waar hij een uitstekende schuilplaats vond. -<span class="pagenum">[<a id="pb26" href="#pb26">26</a>]</span></p> -<p>Toen Arendsoog, Tijgerklauw en Vuurstraal eenige oogenblikken later den rand van het -bosch bereikten, was er van den vluchteling geen spoor meer te ontdekken. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>„Hugh!” zei Arendsoog tot zijn makkers, „is het bleekgezicht dan een geest, die in -de lucht verdwijnt?” -</p> -<p>„Of heeft de witte man tooverkruiden ingenomen, waarmede hij zich onzichtbaar maakt?” -vroeg Tijgerklauw. -</p> -<p>„Mijn roode broeders dwalen,” zei Vuurstraal, „het bleekgezicht heeft geen tooverkruiden -en is ook geen geest, maar hij heeft verstand. Zie, het woud is dicht en ondoordringbaar. -De slang en de wolf loeren op hun prooi. Daarom is de blanke verspieder niet in het -bosch gegaan.” -</p> -<p>„Arendsoog hééft hem het woud zien betreden,” sprak het opperhoofd op deftigen toon, -„en het oog van den arend vergist zich nimmer.” -</p> -<p>„Het opperhoofd der Mohikanen spreekt als een man,” zei Tijgerklauw, „maar onze broeder -heeft gelijk. De vluchteling is niet verder het woud ingegaan dan wij.” -</p> -<p>„Hugh! Waar is hij dan?” -</p> -<p>„Vuurstraal weet het niet, maar begrijpt het. Het bleekgezicht verbergt zich voor -de roode krijgers in het struikgewas.” -</p> -<p>En met deze woorden ijlde de jonge Indiaan het kreupelhout in, waar opeens beweging -en leven in kwam. Opnieuw werd het wild opgejaagd en nu precies <span class="pagenum">[<a id="pb27" href="#pb27">27</a>]</span>in de richting van de plek, waar de Mohikanenstam gelegerd was. Het duurde dan ook -niet lang, of Rob liep als het ware in de armen zijner vijanden. -</p> -<p>Tegen zulk een overmacht was hij niet bestand en ondanks al zijn rukken en worstelen -werd hij gevangen genomen. Maar hoe de Indianen hem ook dreigden te scalpeeren, hij -wilde volstrekt niet zeggen, waar zijn kameraden waren. -</p> -<p>De roodhuiden hielden krijgsraad. Zij zaten in een kring gehurkt en keken naar Arendsoog, -die met bezorgd gelaat om zich heen staarde. -</p> -<p>„Het bleekgezicht is een verspieder,” sprak hij. „Hij wil zijn mannen gaan zeggen, -dat de Roodhuiden den Boterberg bezet hebben. Maar Arendsoog is een wijs opperhoofd. -Als het bleekgezicht hem zeggen wil, hoe groot het aantal zijner witte broeders is, -zal de Mohikaan genade voor recht laten gelden. Dat de gevangene spreke!” -</p> -<p>Maar Rob aan handen en voeten gebonden met een lasso, weigerde eenige inlichting te -geven. -</p> -<p>„Het jonge bleekgezicht is wel moedig, maar niet verstandig,” zei Arendsoog. -</p> -<p>Daar klonk opeens het geschreeuw van een kraai door het bosch! -</p> -<p>„Kàrr … Kàrr!!” -</p> -<p>En eer de roodhuiden het verhinderen konden, gaf de gevangene het antwoord: -</p> -<p>„Kàrr … Karr … Kàrr!” -</p> -<p>„Verraad!” schreeuwde Tijgerklauw. -</p> -<p>„Voorwaarts, dappere krijgers!” riep Arendsoog, „daarginds is de vijand! Dood aan -de bleekgezichten!” -<span class="pagenum">[<a id="pb28" href="#pb28">28</a>]</span></p> -<p>En de woeste Indianenhorde stormde het bosch in naar den kant vanwaar het signaal -gekomen was. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>„Ik begrijp er niets van,” zei Generaal Hans tot zijn broer Flip. „Rob is al meer -dan een half uur weg en wij zien hier nog geen Indiaan. Zouden ze hem te pakken hebben?” -</p> -<p>„Misschien zit-ie heel kalm ergens een bloem te determineeren,” zei Flip. -</p> -<p>„Dat geloof ik niet, want ik heb hem juist nog goed op het hart gedrukt, om dat nu -maar eens over te slaan en alleen uit te kijken naar de roodhuiden.” -</p> -<p>„Ik wou, dat ze maar kwamen,” zei Flip, „dan kregen we tenminste wat te doen. Ik verveel -mij een aap.” -</p> -<p>„Met jouzelf meegerekend zijn dat dan twéé apen.” -</p> -<p>„Zoo, baviaan. Maar je moest er mij eens op uitsturen, om Robberdebob op te snorren. -Wie weet, waar dat heerschap zit.” -</p> -<p>„Als hij maar niet gevangengenomen is. Weet je wat? Ik moet natuurlijk hier blijven. -Een generaal kan zijn leger niet in den steek laten. Maar ik zal je twee soldaten -meegeven en je gaat Rob zoeken. Dat is dan een patrouille.” -</p> -<p>Een oogenblik later was commandant Flip met twee man Rob achterna gegaan. Daar het -bosch maar heel weinig betreden wordt, konden de jongens heel duidelijk de versche -voetsporen van hun voorganger volgen. Maar toen die voetstappen bij den viersprong -van de Reigerslaan opeens in het kreupelhout verdwenen, was het spoor van Rob niet -meer te volgen. -<span class="pagenum">[<a id="pb29" href="#pb29">29</a>]</span></p> -<p>„Ik ben een citroenschil als ik weet, hoe we Rob nou moeten vinden,” zei Flip. -</p> -<p>„En we zitten hier natuurlijk vlak bij de Roodhuiden,” waarschuwde Hein Veere, een -der Sparheiders. -</p> -<p>„Kan je niet ’s roepen?” opperde de ander, die Piet Broeser heette. -</p> -<p>„Daar zeg je zoowat,” zei Flip. „Ik zal een kraaienschreeuw geven.—<a id="xd29e450"></a>Kàrr … kàrr!!” -</p> -<p>En daar klonk het wat verder: „Karr—karr—karr!” -</p> -<p>„Stil!” sprak Hein, „ik hoor het geschreeuw van de Indianen. Zij komen hierheen!” -</p> -<p>Het geluid van vele voetstappen kwam snel nader. Flip en zijn twee mannen kropen in -’t dichtste deel van het kreupelhout. -</p> -<p>Een oogenblik later holde een woeste Indianentroep van wel twintig man voorbij de -plek, waar de bleekgezichten verscholen lagen. Deze hielden zich doodstil, want men -kon nooit weten of niet meerdere zouden volgen. Maar er kwam niemand meer. De Indianen -waren blijkbaar in de meening, dat de vijanden veel verder verwijderd waren dan inderdaad -het geval was. Maar—waar bleef Rob? -</p> -<p>Flip waagde zich aan den rand van het kreupelhout. Aan het einde van de laan stonden -de Roodhuiden besluiteloos te kijken. Nu moest een poging gewaagd worden om zijn broer -te verlossen! -</p> -<p>„Kom mee!” zei Flip, en gedekt door de struiken ijlden zij naar het Boterbergje. -</p> -<p>In de algemeene opwinding was Rob door de Roodhuiden aan zijn lot overgelaten. Het -plotselinge signaal der bleekgezichten had hen in den waan gebracht, <span class="pagenum">[<a id="pb30" href="#pb30">30</a>]</span>dat zij door een sterke macht bedreigd werden. Ondertusschen lag Rob aan handen en -voeten gebonden aan den voet van het Boterbergje. Zoo vond zijn broeder hem. -</p> -<p>„Vlug, vlug!” zei Flip, terwijl hij de lasso doorsneed, waarmee Rob geboeid was. „We -moeten gauw hier vandaan, want de Roodhuiden zullen in een oogenblik weer hier zijn!” -</p> -<p>Dat behoefde hij Rob geen tweemaal te zeggen. -</p> -<p>De jongens maakten, dat zij wegkwamen, maar nauwelijks hadden zij den viersprong bereikt -en wilden dien passeeren, toen een der daar dwalende Indianen hen bemerkte. -</p> -<p>De Roodhuid liet een doordringenden kreet hooren. -</p> -<p>En onmiddellijk daarop stormde de heele bende voorwaarts, de bleekgezichten achterna. -Arendsoog voorop, onmiddellijk gevolgd door Tijgerklauw en Vuurstraal, zaten ze weldra -de vluchtelingen op de hielen. -</p> -<p>Maar generaal Hans had het rumoer in ’t bosch gehoord. Snel als de wind verzamelde hij zijn soldaten en snelde -de Roodhuiden tegemoet om zijn makkers te ontzetten. Nog één oogenblik … en de drie -verkenners waren met den bevrijden Rob weer veilig tusschen de kameraden. -</p> -<p>De Indianen kwamen aanstormen, het werd een gevecht van man tegen man. Maar de bleekgezichten -telden maar vijftien man, terwijl de Roodhuiden over ruim twintig te beschikken hadden. -Al worstelende en vechtende werden de blanken achterwaarts gedrongen, steeds meer -en meer teruggedreven. De aanvallen der <span class="pagenum">[<a id="pb31" href="#pb31">31</a>]</span>woeste Mohikanen waren zóó onweerstaanbaar hevig, dat van tegenhouden bijna geen sprake -was. -</p> -<p>De blanken werden teruggedreven tot onder de muren van het fort Sparrenheide. -</p> -<p>Daar kregen ze opeens versterking van de jonge garde, die het fort bewaakte. Met deze -nieuwe krachten ondernamen ze nu een uitval, die de Roodhuiden niet verwacht hadden -en waardoor deze een flink eind teruggedreven werden. -</p> -<p>Nu omsingelden de Indianen de school, die als fort dienst deed en het beleg begon. -</p> -<p>Arendsoog bond zijn zakdoek aan een stok en trad naar voren. -</p> -<p>Generaal Hans deed hetzelfde. -</p> -<p>Daar stonden de twee machtige opperhoofden tegenover elkaar. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>„Hugh!” zei de Indiaan. „De dappere Arendsoog is gekomen om met het opperhoofd der -bleekgezichten te spreken.” -</p> -<p>„En wat verlangt mijn roode broeder?” vroeg de generaal op denzelfden deftigen toon. -</p> -<p>„De Mohikanen zijn een vreedzaam volk,” sprak Arendsoog, „zij jagen in de bosschen -en rooken den vredespijp. Maar de bleekgezichten zijn gekomen en hebben den rooden -man uit zijn bosschen verjaagd, om die in bezit te nemen. Onze dapperste krijgers -hebben zij gedood met hun vuurwapens. Waar is de Witte Bison? Waar is de Koningstijger? -Waar is de Prairie duivel? Het bleekgezicht heeft ze doodgeschoten. <span class="pagenum">[<a id="pb32" href="#pb32">32</a>]</span>Maar Arendsoog is het hoofd van den stam der oude helden, Arendsoog zal de gevallen -krijgers wreken. De witte man moet zijn steenen huis aan de Mohikanen overgeven.” -</p> -<p>Generaal Hans keek den Indiaan ernstig aan. -</p> -<p>„Arendsoog wil den oorlog,” sprak hij, „maar de witte mannen willen dien niet. Zij -willen in vrede leven met die oude krijgers der Mohikanen. Het fort behoort aan ons. -Wij zullen het verdedigen als de roode mannen het ons ontnemen willen.” -</p> -<p>„Hugh!” riep Arendsoog op minachtenden toon, „de roode krijgers zullen komen. En vóór -het groote licht verduisterd wordt, zullen zij het bleekgezicht verdreven hebben.” -</p> -<p>En met een trotsch gebaar keerde het opperhoofd naar zijn krijgers terug. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Bijna oogenblikkelijk daarop werd de aanval door de Roodhuiden met buitengewone hevigheid -ondernomen. Maar met niet minder dapperheid streden de Sparheiders. De Indianen wonnen -geen duimbreed grond, werden zelfs af en toe teruggedreven. -</p> -<p>Het werd inmiddels al later en later en de vechtenden werden vermoeid. Vooral de Indianen, -die zich buitengewoon hadden ingespannen waren nauwelijks meer tot aanvallen in staat. -</p> -<p>Generaal Hans zag dat zeer goed. Hij verzamelde al zijn soldaten op één punt en joeg -er zóó verbazend snel op de Roodhuiden in, dat deze niet langer konden standhouden -en onder het triomfeerend „hoera!” der <span class="pagenum">[<a id="pb33" href="#pb33">33</a>]</span>Sparheiders op de vlucht werden gedreven. -</p> -<p>Toen klonk opeens een mannestem: -</p> -<p>„Bravo jongens! Het fort is prachtig verdedigd! Komt nu allemaal hier! Hans, Flip, -Rob, Hein! En de Roodhuiden ook!” -</p> -<p>Het was de heer Bergwoude, die het laatste deel van het spel had bijgewoond en nu -de dappere strijders bij zich riep. -</p> -<p></p> -<div class="figure xd29e511width"><img src="images/o033.png" alt="Ornament." width="182" height="99"></div><p> -<span class="pagenum">[<a id="pb34" href="#pb34">34</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch4" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd29e2860">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/o034.png" alt="Vierde Hoofdstuk." width="562" height="67"></div> -<h2 class="label">Vierde Hoofdstuk.</h2> -<h2 class="main">Een prettig besluit en een vroolijke vertelling.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="xd29e155"><span class="xd29e155dc initdropcap">„A</span><span class="xd29e155adc afterdropcap">llemaal hierheen, jongens!” -</span></p> -<p>En mijnheer Bergwoude opende de deur van de gymnastiekzaal, die achter de school gelegen -was. In een oogenblik waren de veertig jongens in de zaal bijeen. Mijnheer ging op -een bankje staan, zijn gelaat stond vroolijk, want hij had schik in de spelen der -jongens. Mevrouw was op het krijgsrumoer al komen toeloopen om te zien, wat er toch -wel aan de hand mocht zijn. Maar nu keek zij toch ook met een lachend gezicht naar -die vroolijke knapen. -</p> -<p>„Hoor eens, jongens!” sprak Mijnheer, en dadelijk daarop werd het stil, „ik moet eens -even wat zeggen. Jullie hebt vanmiddag een mooi spel gespeeld! Het was wel een oorlogsspel, -maar er zijn geen slachtoffers gevallen. Het was een spel, waarbij je oogen en ooren -goed den kost moest geven. Jullie hebt je oplettendheid <span class="pagenum">[<a id="pb35" href="#pb35">35</a>]</span>en scherpzinnigheid vanmiddag kunnen oefenen. Bij het gevecht zijn geen stokken of -steenen gebruikt, bij ieder kwam het op eigen lichaamskracht aan. Dat is ferm, dat -is gezond. Er is niemand mishandeld, ik heb gezien, dat de zwakkere alleen maar door -den sterkere werd teruggedreven. En wie er bij ongeluk al eens een buil of een schram -heeft opgeloopen, die moet dat dan maar beschouwen als een teeken van heldenmoed. -Jullie hebt je allen kranig gedragen, en ik moet den Roodhuiden mijn compliment maken, -dat zij het nog zoo lang tegen de overmacht hebben uitgehouden!” -</p> -<p>„Hoera!” klonk het dreunend door de zaal. -</p> -<p>„Bravo!” zei Mijnheer Bergwoude. „En nu, jongens, wie wat verdient, moet wat hebben. -Hans, geef jij die groote, ronde doos eens aan, die daar staat!” -</p> -<p>Hans keek naar den kant, dien zijn vader aanwees en bemerkte nu pas een kolossale -ronde taartjesdoos. Hij gaf die aan zijn vader en deze toonde haar geopend aan de -jongens. -</p> -<p>„Hoera, taartjes!” klonk het. -</p> -<p>„Vooruit jongens, kiest er de heerlijkste maar uit. Ik trakteer de beide oorlogvoerende -partijen,” zei Mijnheer lachend en om het goede voorbeeld te geven, stak hij zelf -een roomhoorn in den mond, waarmee hij vervolgens allerlei gekke gezichten trok, zoodat -de jongens het uitgierden van pret. Zij lieten zich <span class="corr" id="xd29e532" title="Bron: ondertuschen">ondertusschen</span> de onverwachte tractatie heerlijk smaken en rustten op stoelen en banken uit van -de vermoeienissen des oorlogs. -</p> -<p>Toen zei Mijnheer Bergwoude: -</p> -<p>„Ik vind het toch zoo prettig, dat de leerlingen van <span class="pagenum">[<a id="pb36" href="#pb36">36</a>]</span>„Sparrenheide” zooveel vrienden hebben. En de Baarnsche jongens zijn hun beste vrienden. -Ieder weet wel, dat de jongens van Sparrenheide niet den heelen dag met den neus in -de boeken ziften en dan ’s avonds nog urenlang blokken om ’s morgens weer opnieuw -te beginnen. Neen, wij studeeren wat kalmer aan en gaan af en toe eens het bosch in. -Wij timmeren en plakken en cartonneeren allerlei mooie en nuttige dingen, wij zingen -en maken muziek, maar vergeten daarom toch de leervakken niet. Als wij dag in, dag -uit studeerden en al maar blokten en ploeterden, zouden al onze leerlingen heel gauw -zenuwpatiëntjes worden en <i>heelemaal niets</i> meer kunnen leeren. Nu zijn het ferme, frissche jongens, met rozen op de volle wangen. -En daarom kunnen ze ook ferm meespelen met hun Baarnsche makkers. Frisch op, Roodhuiden, -en een hartelijk hoera voor de Sparheiders!” -</p> -<p>„Leve de Sparheiders! Hoera!” riepen de Baarnsche knapen. -</p> -<p>„All right, jongens,” besloot mijnheer. „Het klokje van gehoorzaamheid slaat. Nu afscheid -nemen van elkaar, de Sparheiders naar hun kamers en de Roodhuiden op marsch naar Baarn!” -</p> -<p>Dat bevel werd opgevolgd en een oogenblik later verkeerde het bedreigde fort der bleekgezichten -weer in veilige rust. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>De slaapkamers der Sparheiders waren op de bovenverdieping, en hadden alle een deur, -die op het balcon uitkwam. Een van die kamers behoorde aan Hans, Flip <span class="pagenum">[<a id="pb37" href="#pb37">37</a>]</span>en Rob. De drie broers hadden zich wat verfrischt en rustten nu even uit in hun heiligdom. -</p> -<p>„Zeg,” vroeg Flip aan Rob, „hoe kwam jij toch zoo’n stakker om je door de Indianen -te laten inpakken?” -</p> -<p>„Dat was niet stakkerig, dat was …” -</p> -<p>„Slim toch ook niet, Robbekop.” -</p> -<p>„Och, jij met je kletspraat,” mopperde Rob. „Denk-je, dat het nou zoo aardig is, om -Robbekop tegen mij te zeggen? ’n Kunst! Ik kan ook wel zeggen: Flip, ’n kikker op -je lip.” -</p> -<p>„Die naar binnen glipt,” voegde Hans er bij. -</p> -<p>„Heel mooi gezegd,” plaagde Flip. „Maar toch had ik me niet zoo één-twee-drie laten -inmaken. Hoe is dat toch gebeurd?” -</p> -<p>„Ik heb heelemaal geen zin om dat jou te vertellen,” zei Rob. „Als ik die oude vrouw -niet gezien had, dan …” -</p> -<p>„Welke oude vrouw?” vroeg Hans. -</p> -<p>„O, dat is waar ook,” herinnerde Rob zich. „Is ze niet bij je geweest, toen je aan -’t eind van de Koninginnelaan lag?” -</p> -<p>„Bij mij?” vroeg Hans weer. <span class="corr" id="xd29e565" title="Niet in bron">„</span>Neen, ik heb niemand gezien.” -</p> -<p>„Hee, en ik heb haar nog gezegd, dat ze naar jou moest vragen. Ze kwam van de Vuursche -door het bosch en had onderweg een briefje van tien gulden verloren. De arme stakker -zat te huilen aan de Jagerskom. Ik kon natuurlijk niet gaan zoeken. Maar ik heb haar -naar jou toe gestuurd.” -</p> -<p>„Niets gezien,” herhaalde Hans. „Ik denk, dat ze ’t <span class="pagenum">[<a id="pb38" href="#pb38">38</a>]</span>geld weer gevonden heeft en toen maar verder is gegaan.” -</p> -<p>„Ja, dat kan wel,” vond Rob. En verder werd er over die zaak niet gesproken. -</p> -<p>Maar een oogenblik later kwam de oude huisknecht aan Hans vertellen, dat er een arme -vrouw was, die naar hem vroeg. De huisknecht was een stokdoove oud-gediende, die Bosman -heette. Men moest altijd verbazend hard roepen om hem iets verstaanbaar te maken en -dan nog verstond hij het meestal heelemaal verkeerd. -</p> -<p>„Hoe heet die vrouw?” riep Hans aan Bosman’s oor. -</p> -<p>„Met haar mond, denk ik,” zei Bosman. -</p> -<p>„Ach neen, ik vraag niet hoe zij <i>eet</i>, maar hoe zij héét!” -</p> -<p>„Dat weet ik niet” -</p> -<p>„O,” zei Rob, „dat is ze bepaald. Wacht Hans, ik ga mee.” Hans en Rob holden naar -beneden en Rob herkende dadelijk het arme vrouwtje. Ook nu had zij nog de tranen in -de oogen.<a id="xd29e584"></a> -</p> -<p>„Och jongeheer,” snikte ze. „Ik was eerst zoo blij. Ik vond de portemonnaie terug. -Maar alles is eruit gehaald! O, ik weet geen raad. En nu kwam ik vragen, of misschien -… o, ik durf het haast niet zeggen.” -</p> -<p>„Zeg ’t maar gerust,” moedigde Hans aan. -</p> -<p>„Ach, u moet niet boos worden, als ik ’t zeg. Maar een kind is maar een kind. Het -zou toch wel kunnen, dat een van de jongens … ’t gevonden had … en ’t eruit genomen -heeft. Die denkt daar niet altijd kwaad bij. Maar ik ben een arme, oude vrouw en kan -’t niet missen.” -<span class="pagenum">[<a id="pb39" href="#pb39">39</a>]</span></p> -<p>„Welneen,” zei Hans. „Zooiets doen ónze jongens niet. Daar hoeft u niet aan te denken. -Maar wij willen het wel eens vragen.” -</p> -<p>Op dit oogenblik kwam mijnheer Bergwoude uit de tuinkamer naar de voordeur. -</p> -<p>„Wat gebeurt er, jongens, en waarom huilt dat vrouwtje?” Rob vertelde zijn vader met -een paar woorden, wat er gebeurd was. -</p> -<p>„Wel dat is een ongelukkige geschiedenis,<span class="corr" id="xd29e596" title="Niet in bron">”</span> sprak mijnheer Bergwoude. -</p> -<p>„Maar ik kan je de verzekering geven, vrouwtje, dat geen der jongens van onze school -zoo slecht is geweest om het geld uit de portemonnaie te nemen. Waar hebt ge die weer -teruggevonden?” -</p> -<p>„Op den Hulpweg bij ’t Hondenbosch,” zei de oude. -</p> -<p>„Zijn jullie in ’t Hondenbosch geweest?” vroeg mijnheer Bergwoude aan Hans en Rob. -</p> -<p>„Neen vader,” zei Hans, „dat lag heelemaal uit onze richting. Van onze troep kan er -dus niemand geweest zijn.” -</p> -<p>„Zoo. En de andere jongens zijn evenmin hier vandaan geweest. ’t Eenige zou dus zijn, -dat een der meisjes … maar dat zou toch al heel vreemd zijn. Wacht, ik wil het voor -uw zekerheid toch even aan de onderwijzeres vragen.” -</p> -<p>Maar een oogenblik later was de heer Bergwoude al weer terug met de boodschap, dat -de juffrouw dien middag met de meisjes had getennist en niet in ’t Hondenbosch was -geweest. -</p> -<p>„Het moet dus een vreemde zijn,” vervolgde de hoofdonderwijzer, „maar daarom zullen -we u toch helpen <span class="pagenum">[<a id="pb40" href="#pb40">40</a>]</span>de zaak te onderzoeken. Hoe heet ge en waar kunnen we u vinden?” -</p> -<p>„Ik ben de weduwe Vorstman, mijnheer, ik woon in de dorpstraat van de Vuursche.” -</p> -<p>„Komaan. Zeg jongens, gaan jullie maar weer naar boven,” sprak hun vader, „ik zal -’t wel verder met vrouw Vorstman in orde maken.” -</p> -<p>De broers gingen naar boven en mijnheer Bergwoude sprak nog even met de weduwe. Zij -scheen getroost heen te gaan en niet meer over haar verlies te treuren, want zij lachte -nu door haar tranen heen en stapte heel wat vroolijker naar huis terug. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Om zes uur werd er gedineerd in de groote eetzaal. Mijnheer en Mevrouw zaten aan ’t -hoofd van de tafel, dan de onderwijzeres en de onderwijzer en vervolgens de jongens -en meisjes. Die middagtafel was altijd heel gezellig. En na afloop ging men op mooie -zomeravonden nog wat voor het huis in het gras zitten of een klein wandelingetje maken -rond den heuvel. -</p> -<p>Tegen acht uur, als het zoowat donker werd, bracht de meid een petroleumlamp buiten, -waarvan het licht getemperd werd door een roode kap. Om de tafel zaten mijnheer en -mevrouw Bergwoude met meester Hooghuizen en juffrouw Wieler. En zoolang het nog geen -bedtijd was, lagen daaromheen de jongens en meisjes van Sparheide. Dat was het heerlijke -verteluurtje, dat om beurten door meester Hooghuizen en de juffrouw of mijnheer Bergwoude -werd gehouden. De zachte schemering, het omringende bosch met hoog daarboven de aarzelend -naar voren komende sterren, de gezellige <span class="pagenum">[<a id="pb41" href="#pb41">41</a>]</span>kindergroep voor het huis, zacht beschenen door het tooverroode lamplicht, dat alles -werkte mee om een romantische sprookjesstemming over allen te brengen. -</p> -<p>En ’t was vaak, of bij zoo ’n mooi verhaal de sparren en beuken en dennen stil te -luisteren stonden en niet slapen wilden gaan voordat het uit was. En ieder der vertellers -had zoo zijn eigen soort verhalen. Meester Hooghuizen wist altijd mooie geschiedenissen -uit de vele boeken, die hij las. Juffrouw Wieler vertelde meestal sprookjes van kabouters -en toovergodinnen en nimfen. Dat kon ze wàt mooi, maar de juffrouw was zelf ook schrijfster -en had al heel wat prachtige sprookjesboeken geschreven. -</p> -<p>Maar als mijnheer Bergwoude aan de beurt was, dan werd er gelachen om de gekke dingen, -die hij vertelde, dat je de tranen van pret over de wangen rolden. -</p> -<p>Vanavond was hij juist weer aan de beurt van vertellen en de jongens en meisjes keken -hem al verlangend aan. Zij zaten en lagen rondom de tafel in het gras, mevrouw en -juffrouw Wieler hadden een haakwerkje ter hand genomen en meester Hooghuizen lag in -een gemakkelijken stoel een sigaar te rooken. -</p> -<p>Mijnheer Bergwoude had juist zijn lange goudsche pijp opnieuw gestopt en aangestoken -en scheen wel van plan, iets te gaan vertellen. Daarbij knipte zijn eene oog ondeugend, -alsof hij zeggen wou: Nu zullen jullie weer wat moois komen te hooren. -</p> -<p>„Ik weet eigenlijk voor vanavond geen nieuw verhaal,” sprak hij, „maar ik zal mijn -beurt wel moeten waarnemen en daarom zal ik je eens iets vertellen uit de allereerste -kinderjaren van Hans, Flip en Rob.” -<span class="pagenum">[<a id="pb42" href="#pb42">42</a>]</span></p> -<p>De drie broers werden van alle kanten lachend aangekeken, maar zij waren ondertusschen -zèlf nieuwsgierig naar hetgeen hun Vader daarvan vertellen zou. -</p> -<p>„Ik woonde hier pas een paar jaar,” begon mijnheer, „en de drie jongens waren nog -maar heel klein. En nu zal je hooren, hoe de drie kleuters op een goeden dag met een -hofrijtuig van de Koningin Moeder werden thuisgebracht. Op den dag, dat mijn verhaal -een aanvang neemt, was Hans, de oudste, vier jaar. Daarop volgde Flip, die 3 jaar -was en dan had je Robert, bijgenaamd Bobbie, die pas 1 jaar telde, maar niettegenstaande -dat de grootste ondeugd was van heel „Sparrenheide.” -</p> -<p>Hans en Flip waren wilde rakkers en toch niet zoo ondeugend als Bobbie. Deze éénjarige -jongeheer was véél kalmer, een heel stil ventje, maar buitengewoon lastig. Je kwam -nooit met hem uitgepraat, hij liet je niet los, als je met hem begon te praten. Hij -was een lief en aardig kereltje, o zeker, maar de dreumes maakte in stilte plannen -en voerde ze dan uit ook, dingen, die den menschen een heelen hoop last bezorgden. -Hij vond allerlei ondeugende streken uit, maar lachte er nooit zelf om. -</p> -<p>Bobbie was altijd ernstig. -</p> -<p>Hij hield veel van eten, van vechten, van honden en van vogels. Maar het meest hield -hij van zijn vader en moeder. -</p> -<p>Katten kon hij niet uitstaan. Als hij er een te pakken kreeg, greep hij het dier bij -den staart, slingerde poes een paar maal in het rond en gooide haar dan van zich af. -Met de dienstmeiden was hij meestal op voet van <span class="pagenum">[<a id="pb43" href="#pb43">43</a>]</span>oorlog. Dat kwam, omdat hij, als hij er den kans toe had, de halve keuken naar buiten -sleepte en dan met een hamer alles stuksloeg. -</p> -<p>Alles, in de gangen en in de kamers, dat niet vaststond, nam hij mee naar buiten. -En daar ging het dan onder den hamer. Vader had het hem al honderdmaal verboden, moeder -al wel duizendmaal. Maar Bobbie scheen erg vergeetachtig en was den volgenden dag -opnieuw met zijn hamer in de weer. Soms viel hij overdag, als hij in den tuin of het -bosch speelde, in slaap. Dat was heelemaal niet erg, maar daarbij had hij de gewoonte, -’s nachts urenlang wakker te liggen en dan allerlei zonderlinge geluiden te maken. -</p> -<p>Dat was voor de slapenden niet prettig, erg lastig. -</p> -<p>Bobbie sprak maar vier woorden: <i>vajie</i> en <i>moejie</i>, <i>leja</i> en <i>akiboekie</i>. -</p> -<p>Dit Bokkenspaansch beteekende: <i>Vader</i> en <i>moeder</i>, <i>lekker</i> en <i>leelijk</i>. Alles wat Bobbie mooi vond of graag lustte, was „leja” en wat niet naar den jongenheer -z’n smaak was, noemde hij „akiboekie.” Meer woorden zei hij nooit en wilde hij ook -niet zeggen. Want met de genoemde vier woorden kon hij best terecht. De rest deed -hij met gebaren. Een kus van moeder was „leja” maar een kus van vader met z’n baard -was „akiboekie.” Verder maakte Bobbie zich nooit boos of driftig, hij huilde alleen -maar als de dokter in huis kwam, anders nooit, en als hij niet lief en aardig was, -dan was hij lastig, alleen maar lastig! -</p> -<p>Hans en Flip geleken in bijna alles op elkaar, maar verschilden ook samen in alles -evenveel als Bobbie. -</p> -<p>Zij waren beiden even wild, even uitgelaten-vroolijk, <span class="pagenum">[<a id="pb44" href="#pb44">44</a>]</span>even vlug in ’t hardloopen en lachten om ’t hardst om alle dwaze dingen van Bob. Zij -bemoeiden zich echter maar weinig met hem, want Bobbie voelde zich vèr boven zijn -broers verheven en wilde zich liefst maar alléén vermaken. -</p> -<p>Tusschen Hans en Flip bestond een soort bondgenootschap, maar tusschen hen beiden -en Bobbie was ’t meestal oorlog. -</p> -<p>Omdat zij alle drie nog te jong waren, gingen zij niet op school. Er was te Baarn -wel een bewaarschool, maar ik liet mijn kinderen liever in het bosch spelen, dat was -veel gezonder voor hen. Bovendien moesten zij alle middagen een uurtje slapen. Dat -slapen ging met Hans en Flip niet zoo gemakkelijk als met Bobbie. Bob kon om zoo te -zeggen slapen als hij wou, dat kwam misschien wel, doordat hij zooveel at en zoo dik -was. Maar Hans en Flip waren heel niet slaperig uitgevallen en ’t kostte moeder heel -wat moeite, die twee des middags een uurtje te laten rusten. -</p> -<p>Op een dag, dat de leerlingen met hun onderwijzer voor een uur de schoolbanken verlaten -hadden om in het bosch wat te spelen, stapte kleine Bobbie het huis uit, wandelde -den heuvel af en stak den straatweg over, die dwars door het bosch liep. Toen sloeg -hij het grintpad in, dat naar de school leidde en trad binnen. Hij deed dat zoo kalm -en zoo zeker, alsof iemand hem gezegd had, dat hij dit moest doen. -</p> -<p>In ’t eerste lokaal bleef hij staan en stak zijn vinger in den inktpot. Dat zijn vingertje -toen heelemaal zwart was, vond hij vreeselijk pràchtig. -</p> -<p>Daarop stak hij den vinger in zijn mond, hij wilde <span class="pagenum">[<a id="pb45" href="#pb45">45</a>]</span>eens proeven, of dat zwarte goedje ook lekker smaakte. Maar dat viel niet mee. Hij -trok een leelijk gezicht en zei: „Akiboekie.” -</p> -<p>Toen scheen de gedachte in zijn kleine hersentjes op te komen, dat de andere kinderen -dit zwarte drankje maar liever niet moesten drinken. En daarom wipte de kleuter den -inktpot er uit en goot dien leeg op den grond. -</p> -<p>Zoo deed hij met alle inktpotten. -</p> -<p>Na dit zware werk verricht te hebben, wandelde hij doodbedaard door de inktplassen -en gleed uit. -</p> -<p>Hij viel met zijn neus in den morsboel. Zijn witte boezelaar zag er nu bijzonder mooi -uit, vond hij. Hij smeerde ook zijn bloote beentjes er mee vol en stapte aldus toegetakeld -weer naar buiten. Bobbie vond<a id="xd29e679"></a> dat hij nu in school genoeg geleerd had en ging eens op den straatweg kijken. -</p> -<p>Daar kuierde een groote tor over de steenen. Bobbie ging erbij zitten om eens te zien, -of de tor niet op zijn schoot wilde zitten. Toen kwam er in de verte in razende vaart -een automobiel aan. De heer, die de auto bestuurde, zag het kleintje midden op den -weg zitten. -</p> -<p>Hij toeterde uit alle macht. -</p> -<p>Bobbie was verdiept in ’t beschouwen van de zwarte tor. -</p> -<p>De auto toeterde, de heer zwaaide met zijn arm. -</p> -<p>Bobbie zag de auto wel, en den mijnheer, die zoo tegen hem zwaaide, zag hij ook wel. -Maar hij vond het heelemaal niet noodig, een eindje op zij te gaan. De heer in de -auto rèmde, zwaaide nogmaals zijn arm. -</p> -<p>En Bobbie zwaaide vriendelijk terug. -</p> -<p>Toen schoot de vreemde heer in een lach. Hij liet <span class="pagenum">[<a id="pb46" href="#pb46">46</a>]</span>de automobiel stilstaan, stapte er uit en droeg Bobbie, dat zwartgezicht naar een -kant van den weg. En daarna reed hij weer verder. -</p> -<p>Kleine Bob had ondertusschen de zwarte tor uit het oog verloren, maar scheen zich -opeens te herinneren, dat hij vandaag nog geen bezoek had gebracht aan de keuken. -Hij had vandaag nog niets stukgeslagen, en daarom werd het hoog tijd eens wat op te -zoeken, dat erg mooi in stukken kon vliegen. -</p> -<p>Met dit goede voornemen klom hij het heuvelpad weer op, dat naar zijn huis leidde, -toen opeens Hans en Flip in vliegende vaart op hun rolwagentje van boven kwamen aanrijden. -</p> -<p>Er was geen haar op Bobbie z’n hoofd, dat er aan dacht, ook maar één stap op zij te -gaan. En nu kwam het rolwagentje recht op hem af, zoodat het tegen hem aanbonsde en -omsloeg. -</p> -<p>Er rolden nu vier dingen den heuvel af: het rolwagentje, Hans<span class="corr" id="xd29e697" title="Niet in bron">,</span> Flip en Bobbie. -</p> -<p>Dat heele stelletje ging holderdebolder naar beneden en toen er niets meer te rollen -was, omdat de weg beneden weer effen was, kropen ze allemaal overeind, behalve het -rolwagentje. De vierjarige Hans vond het niemendal mooi van Bobbie, om expres midden -in den weg te gaan staan en hun mooie rutschbaan te bederven. -</p> -<p>Hans was spin-nijdig. -</p> -<p>En de driejarige Flip gaf zijn éénjarige broertje een klap. Maar Bobbie was ook niet -van gisteren, die zette zijn tien nagels in Flip’s gezicht en zei: Leja! -</p> -<p>Flip werd daardoor buiten gevecht gesteld en Hans vond dat per slot van rekening zóó -kranig van zijn <span class="pagenum">[<a id="pb47" href="#pb47">47</a>]</span>jongsten broer, dat hij weer vriendschap sloot. Hij zette den rolwagen weer overeind -en zei tot Bobbie: -</p> -<p>„Ga d’r maar in zitten!” -</p> -<p>Ja, dat vond Bobbie aardig en zelfs Flip hielp mee, den kleinen dikzak in het wagentje -te hijschen. Hij en Hans trokken de equipage voort over den boschweg, wat zeer naar -genoegen was van den kleinen schelm, die maar aanhoudend „Leja, Leja!” riep. De kinderen -dwaalden al verder het bosch in, hielden af en toe eens halt en raapten dan allerlei -schoone dingen op. Vooral spar-appels en plakjes mos. Die vonden zij altijd verbazend -mooi: Bobbie probeerde of hij spar-appels kon opeten, maar dat beviel hem al heel -slecht en hij zei: „Akiboekie.” Ook een paar torren en rupsen werden in den wagen -geladen, waar de beestjes aldra lustig rondkropen over het mos en Bobbie’s beenen. -</p> -<p>Zoo scharrelden de drie broers al verder en verder, en eindelijk hadden ze de Koninginnelaan -bereikt. Hoe of het nu precies gegaan is, zou ik je onmogelijk kunnen zeggen, maar -in elk geval schijnt de rolwagen omgeslagen te zijn. Dat Bob er uitgevallen is, zal -wel zoo klaar als koffiedik zijn. Ze zijn toen met hun drieën tusschen de boomen gaan -spelen. Nu reed er toevallig door het bosch een rijtuig van het paleis. Als de Koningin -niet uitreed, moesten toch de paarden hun dagelijkschen wandelrit maken, en juist -bij den hoek van de Koninginnelaan gingen de wielen van het rijtuig over het rolwagentje -heen. -</p> -<p>De koetsier hield stil en raad eens, wat hij deed? Hij vond het wat heel hard om de -drie peuters met hun gebroken wagentje aan hun lot over te laten en stopte <span class="pagenum">[<a id="pb48" href="#pb48">48</a>]</span>toen ’t heele gevalletje in het rijtuig. -</p> -<p>Stel je nu onze verbazing voor, toen me daar een hofrijtuig kwam aanrijden met drie -kwajongens er in! Dat wij den koetsier hartelijk bedankt hebben voor het terugbrengen -van de drie zwervers, behoef ik jullie niet eens te zeggen. Ziezoo, en dit heb ik -je nu maar eens verteld, omdat ik voor vanavond geen ander verhaal wist.<a id="xd29e716"></a> -</p> -<p>Er was heel wat gelachen door de jongens en meisjes, en de drie jolige broers werden -van verschillende kanten geplaagd met die avonturen. Vooral Robert. Er werd al door -de meisjes besloten, om hem voortaan Bobbie te noemen. -</p> -<p>Bobbie, Bobbie! klonk het uit den meisjes hoek. Maar Rob wierp ze een vernietigenden -blik toen en zei: „Stumpers!” -</p> -<p>„Allons, jongelui!” besloot mijnheer Bergwoude, „de klok slaat negen uur. Naar bed, -naar bed!” -</p> -<p>De jongens en meisjes gingen naar hun kamers, om morgen vroeg weer den heerlijken -Zondag te kunnen genieten. De overigen bleven nog wat praten voor het huis. -</p> -<p>En weldra heerschte er rust en stilte op Sparrenheide. -<span class="pagenum">[<a id="pb49" href="#pb49">49</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch5" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd29e2869">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/o049.png" alt="Vijfde Hoofdstuk." width="566" height="95"></div> -<h2 class="label">Vijfde Hoofdstuk.</h2> -<h2 class="main">In den Nacht.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="xd29e155"><span class="xd29e155dc initdropcap">H</span><span class="xd29e155adc afterdropcap">ans, Flip en Rob sliepen op één kamer. Tegen drie van de vier muren stond een ledikant, -de vierde wand had glazen deuren, die naar het balcon leidden. -</span></p> -<p>Het was een verrukkelijke zomernacht geen windje suisde door het bosch, geen blaadje -bewoog. -</p> -<p>Flip sliep onrustig. Hij had de dekens van zich afgeworpen en draaide zich van de -eene zijde op de andere. -</p> -<p>Opeens schrok hij wakker en kwam overeind. Hij wreef zijn oogen eens uit en keek de -kamer rond. De broers sliepen als marmotten, ’t was doodstil. -</p> -<p>„Ben ik nou wakker of slaap ik?” mompelde Flip in zichzelven, „ik ben een olienoot -als ik het weet. Hè … is me dat schrikken! Maar ik zou wel eens willen weten, waarvan -ik eigenlijk geschrokken ben! Ik heb bepaald <span class="pagenum">[<a id="pb50" href="#pb50">50</a>]</span>gedroomd, dat ik uit een vliegmachine viel en op de punt van de Gedenknaald terecht -kwam. Enfin, ik geloof wel, dat ik nou wakker ben.” -</p> -<p>Flip had altijd de gewoonte met zichzelven heele gesprekken te voeren. Hij deed dan -precies of hij tegen een ander sprak en gaf zichzelf dan ook steeds antwoord. -</p> -<p>„Komaan,” zei hij, „ik geloof, dat ik een beetje hoofdpijn heb. Het is dan ook verbazend -warm in bed. Het zal een prachtige nacht zijn, weet je wat, ik ga een luchtje happen -op het balcon, dan zal de hoofdpijn ook wel zakken.” -</p> -<p>Daarop trok hij wat kleeren aan, stak zijn voeten in pantoffels en opende zoo zacht -mogelijk de balcondeuren. -</p> -<p>Inktzwart lag het bosch voor hem, wat lichter boven de boomen was de hemel met de -flonkersterren als diamanten op fluweel. Doodsche stilte hing over heel de omgeving. -Flip hoorde hier het tikken van de Friesche hangklok, beneden in de gang. Hij leunde -een poosje over de balustrade van het balcon en genoot van den heerlijken zomernacht. -Toen wandelde hij eens om het huis heen, wat gemakkelijk ging, daar het balcon de -woning geheel omringde. Overal sliepen de kostleerlingen, overal was ’t geheel donker, -alleen op de kamer van juffrouw Wieler sputterde een nachtlichtje. Van de jongenskamers -stond één deur op een kier. -</p> -<p>„Die hebben ’t ook bepaald warm,” mompelde Flip en wandelde onhoorbaar verder. Toen -kwam hij weer bij zijn eigen kamer en bleef daar nog even naar de sterren kijken. -Wat was dat toch een prachtig gezicht<span class="corr" id="xd29e745" title="Niet in bron">.</span> <span class="pagenum">[<a id="pb51" href="#pb51">51</a>]</span>Jammer dat de maan er vannacht niet was. Dan zou … -</p> -<p>Er kraakten takken in het bosch, dichtbij het huis. -</p> -<p>Wat nu? -</p> -<p>Flip luisterde scherp. -</p> -<p>Het kwam van de andere zijde van ’t huis. -</p> -<p>Weer gekraak … toen voetstappen van iemand die voorzichtig over het grint van den -tuin liep, om geen onnoodig leven te maken. -</p> -<p>Maar in den stillen nacht toch duidelijk te hooren. -</p> -<p>Flip was niet bang uitgevallen, om den drommel niet, en hij stond zijn man als ’t -op een eerlijke vechtpartij aankwam. Maar in dit nachtelijk uur maakte het zonderlinge -geluid hem toch wel wat zenuwachtig. Niettemin besloot hij voorzichtig te gaan zien, -wie daar in den tuin wandelde. -</p> -<p>Een andere gedachte stelde hem weer gerust. Wel, evengoed als hij kon toch ook iemand -anders uit het huis de buitenlucht opgezocht hebben, omdat het binnen te benauwd was? -Och wel ja, zoo zou ’t wel zijn. -</p> -<p>Om den hoek van ’t balcon bleef hij staan en keek over de balustrade in den tuin. -</p> -<p>Wat hij dáár zag, verschrikte hem opnieuw. -</p> -<p>Het balcon werd door houten palen ondersteund. En nu klom er iemand tegen een der -palen omhoog. -</p> -<p>Flip kon maar ternauwernood in ’t duister de donkere gedaante onderscheiden. -</p> -<p>Een hand greep de leuning, er verscheen een hoofd<span class="corr" id="xd29e764" title="Bron: ..">…</span> en langzamerhand heesch de donkere gedaante zich over de balustrade. -</p> -<p>Het was een jongen. -<span class="pagenum">[<a id="pb52" href="#pb52">52</a>]</span></p> -<p>Maar een vreemde jongen was het niet, hoewel Flip door de duisternis en den afstand -onmogelijk kon onderscheiden, wiè het was. De jongen opende voorzichtig de balcondeur, -die op een kier stond, en verdween in zijn slaapkamer, waarna hij de deur geheel sloot. -</p> -<p>Daarna werd het weer doodstil. -</p> -<p>Zonderlinge gevoelens en gedachten bekropen Flip. -</p> -<p>Wat had dat te beteekenen? Waarom kwam die jongen zoo midden in den nacht op zulk -een steelsche wijze het huis in? -</p> -<p>En wie was het? -</p> -<p>Flip wist maar niet, wat hij ervan denken moest. Tallooze vragen drongen zich herhaaldelijk -aan hem op. Maar het eenigste, wat hij wist, was dat een der jongens van kamer No. -9, dit had hij goed gezien, in den nacht het huis binnenklom en er dus ook wel op -dezelfde manier uitgegaan zou zijn. Nu was de vraag: deed hij dat elken nacht of was -het slechts voor dezen éénen keer? Of gebeurde dat alleen des Zaterdags? Flip besloot -om er voorloopig maar niets van te zeggen en liever eerst eens uit te kijken, of de -jongen dat ook meer deed. Hij wachtte nog eenige minuten of misschien nog iets gebeuren -zou, maar toen alles stil bleef en hij weer behoefte aan slaap begon te voelen, ging -hij zijn slaapkamer binnen en strekte zich in zijn bed uit. -</p> -<p>Nog even dacht hij over het gebeurde na, maar zijn jonge lichaam had nog te veel slaap -noodig en het duurde niet lang, of hij snurkte weer even hard als zijn broers en droomde -van Indianen en bleekgezichten en hofrijtuigen dat het een aard had. -<span class="pagenum">[<a id="pb53" href="#pb53">53</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch6" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd29e2878">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/o053.png" alt="Zesde Hoofdstuk." width="561" height="74"></div> -<h2 class="label">Zesde Hoofdstuk.</h2> -<h2 class="main">Barend van de Lage Vuursche. Nachtelijke Vervolging.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="xd29e155"><span class="xd29e155dc initdropcap">W</span><span class="xd29e155adc afterdropcap">anneer je van Instituut „Sparrenheide” een kwartiertje den grintweg volgde in Westelijke -richting, dan kwam je van zelf in de uitgestrekte bosschen van het kasteel Groot Drakenstein -in de gemeente De Vuursche. ’t Was daar nog een echte wildernis met verborgen holen -en spelonken, vijvertjes en beekjes, onderaardsche gangen en geheimzinnige hoekjes. -Werden de Baarnsche bosschen angstvallig-netjes onderhouden, boompjes gesnoeid, de -paden zelfs bijgeveegd of ’t kamervloeren waren, in de bosschen van de Vuursche ging -de natuur haar eigen gang en tooverde er de meest romantische plekjes. Voor de jongens -en meisjes van Sparrenheide was dan ook het bosch van Drakenstein een paradijs van -genot! Want je had er behalve de reeds genoemde heerlijke dingen nog een oeroude kapel, -de Hermitage, die er ongeveer 1650 <span class="pagenum">[<a id="pb54" href="#pb54">54</a>]</span>werd neergezet. Dit steenen gebouwtje staat zóó diep in het groen verborgen, dat men -wel precies den weg moet weten, om het te vinden. Het ligt aan den vijver, die geheel -met kroos is bedekt en omringd is door oude beuken en sparren. De achterzijde komt -op dat vijvertje uit. Van dien kant gezien lijkt de kapel een eeuwenoude ruïne, terwijl -aan de voorzijde de gevel nog vrijwel in zijn geheel staat. En je had er de Grot, -een gemetseld gewelf, waarin vroeger een kluizenaar moet gewoond hebben, die echter -nooit door iemand is gezien, voorts een prachtige echo, een vischkom en tal van donkere, -begroeide slingerpaden. -</span></p> -<p>Kon er heerlijker omgeving zijn voor een troep vroolijke jongens en meisjes? Waar -kon men mooier spelletjes verzinnen <span class="corr" id="xd29e789" title="Bron: den">dan</span> temidden van al die heerlijkheden? -</p> -<p>Jammer, dat er bij al dat moois toch nog iets leelijks was, of liever gezegd, iets, -dat er maar beter gemist had kunnen worden. Aan den dorpsweg van de Vuursche, een -groep eenvoudige woningen met een kerk, een school en een logement er tusschen, stond -een klein huisje, waarin een veertigjarig man met zijn zoon woonde. -</p> -<p>Die man heette Ranke en was een zeer berucht strooper. In de bosschen van Drakenstein -vindt men tallooze konijnen, zelfs wat herten, maar het spreekt wel vanzelf, dat die -er niet waren om door stroopers geschoten en verkocht te worden. De veertienjarige -zoon heette Barend en beloofde het waardig evenbeeld zijns vaders te zullen worden. -Nauwelijks zes jaar oud, was hij overgelaten aan de zorgen van zijn vader, maar die -keek ternauwernood naar zijn zoontje om. De kleine <span class="pagenum">[<a id="pb55" href="#pb55">55</a>]</span>Barend was al blij, als hij het overschot van vaders brood mocht opeten en geen slaag -kreeg. En Ranke vond, dat hij al bijzonder goed en vaderlijk het kind behandelde, -door hem ’s morgens een stuk brood te geven met af en toe een pak slaag. -</p> -<p>Deze vreemde manier van opvoeden had tengevolge, dat Barend meer buiten- dan binnenshuis -te vinden was. Zomer en winter, bij regen en ontij zwierf hij door de bosschen en -langs de woningen. Hier en daar deed hij dan wel eens een boterham of een bord warm -eten op en als hij ’s avonds niet thuiskwam, dan sliep hij wel ergens in een stal -of in een hooiberg. Hij werd een rechte wildeman, hoewel hij werkelijk geen slecht -karakter had. Het ongeregelde leven, dat hij leidde, was er de schuld van, dat hij -heelemaal verwilderde. Bovendien was het gezelschap, dat zijn vader vaak meebracht in -de kleine woning, ook niet bijzonder geschikt om Barend wat fatsoen en netheid te -leeren. Want de vrienden van Ranke waren eveneens geduchte stroopers, die er tevens -van hielden, sterken drank te drinken en om geld te spelen. -</p> -<p>De dorpsbewoners hadden er den vader al meermalen opgewezen, dat hij den jongen naar -school moest zenden. En inderdaad had Ranke zijn zoon op zekeren dag erheen gebracht. -Maar de meester kon weinig of niets beginnen met het wilde boschkind. -</p> -<p>Barend, ofschoon toen nog pas acht jaar, was zóó ongemanierd en ruw, dat hij inderdaad -een gevaar voor de andere leerlingen werd. -</p> -<p>Hij spuwde tegen het bord, waarop de meester nieuwe sommen had geschreven, hij trok -zijn buurman de <span class="pagenum">[<a id="pb56" href="#pb56">56</a>]</span>haren uit het hoofd en sloeg hem half dood. Hij schopte de papiermand door de klas -en schold den meester uit voor alles, wat leelijk was. Maar dan greep de meester hem -stevig beet en zette hem buiten de school. Een oogenblik later werd er een ruit ingegooid -of een hoop modder door ’t open raam geslingerd. En telkens weer opnieuw had de meester -het met hem geprobeerd. -</p> -<p>Totdat het op een keer te erg was geworden. -</p> -<p>Toen de meester even zijn klasse had verlaten en één der grootste jongens ervóor had -gezet om toe te zien, was Barend opeens uit zijn bank gesprongen. Hij gaf den jongen, -die met een griffel en een lei in de hand voor de klasse stond, een schop, dat-ie -wel over zes banken tegelijk heenvloog en ging toen zelf op de voorste bank staan. -Met meesters dikken stok stond hij dreigend voor de kinderen en schreeuwde: -</p> -<p>„Nou allemaal naar huis! Vooruit, het is vacantie!” -</p> -<p>Maar de kinderen durfden natuurlijk niet uit hun banken gaan. -</p> -<p>„Vooruit! Opgerukt!” schreeuwde Barend en hij begon er zóó geweldig met den stok op -los te timmeren, dat hij binnen vijf minuten de heele klas de deur uitgeslagen had! -Dat was al te erg geweest en na dien tijd had Barend geen voet meer in school mogen -zetten. -</p> -<p>Het gevolg daarvan was, dat het er met zijn geleerdheid droevig uitzag. Hij kon in -het geheel niet lezen of schrijven. Omdat Barend zoo vreeselijk dom was, kon hij ook -niet slecht zijn. Hij was, wat zijn vader en het wilde leven van hem hadden gemaakt. -</p> -<p>Want Barend hoorde vaak van de andere dorpsjongens, <span class="pagenum">[<a id="pb57" href="#pb57">57</a>]</span>dat zij mooie boeken konden lezen en brieven schrijven, dat zij konden rekenen met -groote getallen en allerlei mooie en nuttige dingen kenden. Als Barend dan alleen -in het bosch dwaalde of heel gemoedelijk met een hert te praten zat, dat hem al jaren -kende en in het geheel niet schuw was, dan verlangde hij ernaar, ook te kunnen lezen -en schrijven. -</p> -<p>Maar de meester wilde er niets meer van weten en niemand op het heele dorp geloofde -dan ook, dat er in Barend nog iets anders zat, dan ruwheid en slechtheid. Intusschen -leefde Barend maar dag in dag uit in de bosschen. Hij kon met de vogels meefluiten, -door langdurige oefening deed hij hen zóó precies na, dat zij hem voor een collega -hielden; hij lokte de eekhoorntjes naar zich toe en floot de woudduiven, de herten -gaf hij namen en als hij riep, kwamen ze van verre aangeloopen. Dan gaf hij ze een -korst brood en liefkoosde ze. -</p> -<p>Dat waren zoo zijn alledaagsche, maar ook zijn éénige vrienden. -</p> -<p>In den laatsten tijd bemerkten de bewoners van de Vuursche iets bijzonders aan den -jongen. -</p> -<p>Men zag hem ’s avonds nooit meer ergens inkruipen om er te slapen en het leek wel—hoe -was het mogelijk—dat de wildeman een beetje fatsoenlijker begon te worden. Eerst had -iemand hem door het bosch zien gaan met een gewasschen gezicht en gekamde haren! -</p> -<p>Het heele dorp had ervan overeind gestaan. -</p> -<p>Toen had een ander hem ontmoet met een behoorlijk pak kleeren aan … en kousen en schoenen! -</p> -<p>Wat gebeurde er toch met den wilden jongen en wie had hem zoo onverwachts al dat goede -geleerd? -<span class="pagenum">[<a id="pb58" href="#pb58">58</a>]</span></p> -<p>Heel de omgeving sprak erover. -</p> -<p>Maar niemand wist het. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Zooals Flip zich had voorgenomen, had hij ook gedaan. Tegen niemand dus had hij iets -gezegd, want hij wist in de eerste plaats niet, wat er eigenlijk gebeurde, wiè de -uit- en inklimmer was en bovendien hield hij er heelemaal niet van, om een ander te -verraden, zonder te weten, wat deze nu wel eigenlijk had misdaan. -</p> -<p>Maar in stilte had Flip toch het plan gemaakt, om vanavond eens op den uitkijk te -gaan zitten en te zien, wie van kamer negen die nachtelijke uitstapjes maakte. Hij -had heel den dag al de drie kamerbewoners, Hein<a id="xd29e833"></a> Veere, Piet Broeser en Jacob Heintze goed in het oog gehouden, maar niets bijzonders -opgemerkt. -</p> -<p>Alle drie waren uitstekend oppassende jongens en geen van hen zag er naar uit, of -hij iets verborg, dat anderen niet mochten weten. -</p> -<p>Inplaats van naar bed te gaan, zei Flip aan Hans en Rob, dat hij nog wat op het balcon -bleef, hij had weer een beetje hoofdpijn. De broers wenschten hem beterschap en gingen -rustig slapen. -</p> -<p>Terwijl Flip in een donkeren hoek van het balcon gedoken zat, totaal onzichtbaar in -de duisternis, hield hij de oogen gericht op de balcondeur van kamer negen. -</p> -<p>Maar de uren verstreken en er gebeurde niets. -</p> -<p>Dus … de jongen ging toch niet <i>elken</i> avond er op uit? -</p> -<p>Flip vond, dat hij voor ditmaal lang genoeg had gewacht en ging onverrichterzake naar -bed met het <span class="pagenum">[<a id="pb59" href="#pb59">59</a>]</span>voornemen, den volgenden avond weer op wacht te gaan. -</p> -<p>Den tweeden avond ging hij dus weer en zei nu aan de broers, dat hij toch de eerste -uren maar wakker lag en dus liever nog wat in de frissche lucht bleef. -</p> -<p>„Ga je nou weer op ’t balcon staan,” vroeg Hans verbaasd, „wat vind ik dat gek.” -</p> -<p>„Voor mijn part vind-je ’t krankjorum,” zei Flip, „maar daarom doe ik het toch.” -</p> -<p>„Hij wil sterrekundige worden,” zei Rob. -</p> -<p>„Nou, weet je wat,” zei Hans. „Ik blijf je voor de gezelligheid een beetje gezelschap -houden.” -</p> -<p>„Neen, neen,” zei Flip, „dat is heelemaal niet noodig. Ik kan je niet gebruiken.” -</p> -<p>„O, moet mijnheer alléén zijn? Mag ik er niet bijwezen?” -</p> -<p>„Liever niet.” -</p> -<p>„Zoo. Maar wat gebeurt er dan ’s avonds op het balcon?” -</p> -<p>„Gebeuren? Wel, niets. Gebeurde er maar wat. Het is doodstil en nog al vervelend.” -</p> -<p>„Ga dan ook naar bed.” -</p> -<p>„Merci, ik slaap tòch niet. En zanik nou asjeblieft niet langer en kruip in je mandje.” -</p> -<p>„Boe-boe, wat een drukte. Nou blijf ik lekker op,” zei Hans. -</p> -<p>„Je doe maar,” zei Flip. „Maar dan ga ik in den tuin.” -</p> -<p>„Hoor eens, je bent een geheimzinnig stuk mensch. Enfin, wat kan ’t mij ook schelen. -Ga mijnentwege den heelen nacht op ’t dak zitten! Wel te rusten, ik ga slapen.” -<span class="pagenum">[<a id="pb60" href="#pb60">60</a>]</span></p> -<p>Een oogenblik later zat Flip weer op zijn post en was ’t in de slaapkamer stil geworden. -</p> -<p>Toch sliep Hans niet. -</p> -<p>Het zonderlinge gedrag van Flip gaf hem veel te denken. Wat drommel zoo gek deed Flip -nooit, wat mankeerde zijn broer opeens? En wat voerde hij daar toch uit op het balcon? -Een luchtje scheppen? Larie hoor, ze schepten hier den heelen dag lucht, o hee, boeren-wagens -vòl. Nee, daar zou wel iets achter zitten. Weet-je wat, nou niet gaan slapen en goed -luisteren, of er soms van buiten af iets te hooren was. En ondertusschen gauw wat -kleeren aantrekken, maar zachtjes, opdat Rob niet wakker wordt!<a id="xd29e870"></a> -</p> -<p>Hans greep zijn kousen en zijn kleeren en deed die, in bed zittend, weer aan. Hij -verliet echter het bed niet, om bij een onverwachte binnenkomst van Flip dadelijk -onder de dekens te kunnen schieten. -</p> -<p>Zoo wachtte hij wel meer dan een half uur zonder dat hij ook maar het minste geluid -vernam. -</p> -<p>Zou Flip soms in slaap gevallen zijn? -</p> -<p>Het was bijna niet denkbaar, dat iemand zich zonder bijzondere reden zoo doodstil -hield. -</p> -<p>Daar hoorde hij opeens wat. Voetstappen. -</p> -<p>Stil … kwam Flip weer naar binnen? -</p> -<p>Neen … de deur bleef dicht … nu hoorde hij niets meer. Ja, daar was het weer … Flip -liep zachtjes voorbij de deur van de slaapkamer. -</p> -<p>„Wat was er toch aan de hand.” -</p> -<p>Nu nam Hans een kloek besluit. Hij wilde in elk geval weten, wat Flip in den nacht -op het balcon uitvoerde. Hij liet zich zoo zachtjes mogelijk uit het bed <span class="pagenum">[<a id="pb61" href="#pb61">61</a>]</span>glijden, liep op zijn teenen naar de deur, pantoffels in de hand. -</p> -<p>Voorzichtig opende hij de deur, stak zijn hoofd er buiten. -</p> -<p>En nog net kon hij zien, hoe Flip over de balustrade van het balcon klom en zich langs -een der palen naar beneden liet glijden. -</p> -<p>Drommels, dacht Hans, wat zullen we nu beleven? Ja ja, ik dacht wel, dat er iets bijzonders -aan de hand was. Maar ik mag geschoren worden als ik er wat van begrijp. Wat zal ik -doen? Hem achterna gaan? Dat was in elk geval wel het beste om ineens het fijne van -de zaak te weten te komen. Komaan, de klimpartij langs balustrade en paal was een -kinderachtig kunstje en zoo duurde ’t niet lang, of Hans volgde Flip en Flip volgde -den nachtelijken wandelaar, in wien hij ondanks de duisternis al dadelijk Jacob Heintze -herkend had. -</p> -<p>Welke reden deze Jacob Heintze, die een der beste leerlingen was, van Instituut „Sparrenheide,” -had om des nachts uit te breken, begreep Flip evenmin als dat zijn broer Hans snapte, -wat Flip in het bosch te zoeken had. -</p> -<p>De torenklok sloeg tien uur. -</p> -<p>Flip volgde Jacob langs den grintweg, terwijl Jacob midden op den weg liep en aldus -zijn voetstappen duidelijk te hooren waren, volgde Flip hem over het mos. -</p> -<p>Daar was het voor Hans verbazend lastig om zijn broer in het oog te houden, want tusschen -de boomen was het stikdonker. Maar ondertusschen werd het een vermakelijke geschiedenis. -Want in de eerste plaats <span class="pagenum">[<a id="pb62" href="#pb62">62</a>]</span>dacht Jacob, dat hij alleen was, ten tweede was Flip in de meening, dat Hans rustig -was gaan slapen en dus niet wist, dat hij Jacob vervolgde, en ten derde dacht Hans -er in het minst niet aan, dat Flip juist hetzelfde deed als hij: een ander volgen. -</p> -<p>Nu mankeerde er nog maar aan, dat Rob er achteraan kwam. -</p> -<p>Maar die sliep als een marmot en wist op dat oogenblik niet eens, dat hij op de wereld -was. -</p> -<p></p> -<div class="figure xd29e899width"><img src="images/o062.png" alt="Ornament." width="142" height="139"></div><p> -<span class="pagenum">[<a id="pb63" href="#pb63">63</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch7" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd29e2887">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/o063.png" alt="Zevende Hoofdstuk." width="566" height="79"></div> -<h2 class="label">Zevende Hoofdstuk.</h2> -<h2 class="main">Allemaal Hoofdpijn.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="xd29e155"><span class="xd29e155dc initdropcap">F</span><span class="xd29e155adc afterdropcap">lip kende Jacob Heintze te goed om niet vooruit te kunnen weten, dat de jongen zich -niet met slechte en misdadige vrinden ophield. Maar juist dat verergerde Flip’s nieuwsgierigheid -nog veel meer, want daardoor begreep hij heelemaal niet, wat Jacob bezielde om in -’t donker het bosch in te gaan. -</span></p> -<p>Hans dacht er precies zoo over, hij begreep evenmin wat Flip bezielde. -</p> -<p>Intusschen was het Hans zoo goed als onmogelijk<a id="xd29e912"></a> om Flip te volgen, want deze was tusschen de boomstammen bijna onzichtbaar. -</p> -<p>Halt, daar hoorde Hans voetstappen! Flip liep dus midden op den weg? Nu even luisteren! -Het geluid verwijderde zich. Op zijn beurt ging Hans nu op het mos loopen, maar hij -liep wat te haastig en daardoor bonsde hij een paar maal tegen een boom aan. Dat was -niet prettig en het kwam hem ook heel slecht gelegen, want <span class="pagenum">[<a id="pb64" href="#pb64">64</a>]</span>nu moest hij even blijven staan om zich den neus te wrijven. Sapperloot, wat dat zeer -deed! Zoo’n boom gaf ook heelemaal niet mee! Maar … waar was Flip ondertusschen gebleven? -Hemeltje, daar was hij al bij den viersprong van ’t bosch van Drakenstein! -</p> -<p>Welken weg was Flip ingeslagen? -</p> -<p>Hij luisterde scherp. -</p> -<p>Maar er heerschte doodsche stilte. -</p> -<p>Op goed geluk sloeg hij een zijweg in, hopende, spoedig weer het geluid van Flips -voetstappen te hooren. Maar hoewel zijn eigen voetstappen in het mulle zand van den -zijweg geen geruisch maakten, hoorde hij evenmin het loopen van een ander. -</p> -<p>’t Bleef stil om hem heen en hij kwam weldra tot de overtuiging, dat hij de verkeerde -richting was ingeslagen. Hij keerde dus terug naar den viersprong en probeerde het -langs een anderen weg. Deze bracht hem in ’t dichtste gedeelte van het bosch. Daar -hoorde hij weer duidelijk iemand loopen! -</p> -<p>Ha! daar ging Flip dus! -</p> -<p>Hans haastte zich in die richting, vanwaar het geluid der voetstappen kwam. -</p> -<p>Toen kwam er opeens een man met een geweer van achter een der boomen te voorschijn -en riep hem toe: -</p> -<p>„Duivelsche jongen, wil je wel eens maken, dat je wegkomt!” -</p> -<p>Hans schrikte verbazend en deed, wat alle jongens in dat geval zouden gedaan hebben: -hij liep wat hij loopen kon! -</p> -<p>Het was Ranke, de strooper. -<span class="pagenum">[<a id="pb65" href="#pb65">65</a>]</span></p> -<p>Waar was Flip intusschen gebleven? -</p> -<p>Die had Jacob weten te volgen tot dichtbij het dorp de Vuursche, maar ook al door -de dikke duisternis, die er in de bosschen heerschte, had hij hem daar geheel en al -uit het oog verloren. Dat was erg jammer, want nu was al zijn moeite tevergeefsch -geweest en wanneer hij het al nòg eens probeerde, kon hij toch wederom Jacob door -de duisternis uit het oog verliezen en zoo kwam hij geen stap verder. Misschien was -het ten slotte nog maar het beste, om aan Jacob onder vier oogen te vragen, wat hij -toch des nachts in het bosch uitvoerde. Jacob zou hem dan natuurlijk alles moeten -vertellen en dat was per slot van rekening de eenvoudigste manier. Komaan, langer -zoeken in ’t donkere bosch leidde toch tot niets en hij mocht al blij wezen, wanneer -hij zonder te verdwalen weer veilig op Sparrenheide aankwam. -</p> -<p>Flip ging dus onverrichter zake terug en was weldra weer op den grintweg, die langs -„Sparrenheide” liep. -</p> -<p>Op dat oogenblik had Hans juist weer den tuin bereikt en trad door het hek naar binnen, -toen hij tot zijn grooten schrik bemerkte, dat Meester Hooghuizen, die een vergadering -te Hilversum had bezocht, zoo juist per fiets was teruggekeerd en nu in zijn kamer, -die in den tuin uitkwam, nog wat te lezen zat. -</p> -<p>Groote goden, hoe kwam hij nu veilig en ongemerkt op zijn slaapkamer? -</p> -<p>Dat was me nu ook een leelijke kink in den kabel! Hans hield onwillekeurig den adem -in en keek in de gezellige studeerkamer. -</p> -<p>Meester Hooghuizen zat in zijn leuningstoel en rookte <span class="pagenum">[<a id="pb66" href="#pb66">66</a>]</span>een pijp. Een boek hield hij in de hand, maar op het oogenblik las hij daarin niet. -Het lamplicht straalde naar buiten en verlichtte nog een deel van den tuin. -</p> -<p>Hans hoopte maar, dat meneer daar niet lang zou blijven. Het was immers zóó doodstil, -dat hij het minste geluid dadelijk zou hooren? -</p> -<p>Maar de onderwijzer scheen nog niet aan slapen-gaan te denken. -</p> -<p>Toen kreeg Hans een ingeving. -</p> -<p>Komaan, dacht hij. Laat ik net doen of ik een beetje in den tuin wandel. Daar kan -niets bijzonders in zijn. Bovendien heb ik mijn pantoffels aan, dus dat is al zoo -huiselijk, als ’t maar kan. -</p> -<p>En Hans stapte langzaam, alsof hij maar ’n loopje had gemaakt, den tuin in. -</p> -<p>Het volgende oogenblik hief meester Hooghuizen luisterend het hoofd op. Toen stond -hij op en kwam in de geopende deuren staan, keek in ’t donker van den tuin. -</p> -<p>„Wie daar?” vroeg hij. -</p> -<p>„Ik meester, ik ben ’t, Hans.” -</p> -<p>„O, ben jij ’t? Je bent ook laat, zeg. Heelemaal geen slaap?” -</p> -<p>„Neen meneer, ’k had het nogal warm. En zoo’n hoofdpijn. Daarom ben ik wat naar buiten -gegaan.” -</p> -<p>„Zoo. En is ’t nu wat gezakt?” -</p> -<p>„Gelukkig wel! Kom, nu ga ’k maar slapen. Wel te rusten, meneer.” -</p> -<p>„Good night, Hans! Is de deur wel open?” -</p> -<p>„Neen meneer, die is op slot. Maar ik klim wel in den paal.” -<span class="pagenum">[<a id="pb67" href="#pb67">67</a>]</span></p> -<p>„Nee, doe dat niet. Ik heb den sleutel en zal je wel even binnen brengen. Nou, slaap -lekker, Hans.” -</p> -<p>Leuke jongen, dacht hij, flink type die Hans. Ik mag hem wel. Kom, nu nog even de -krant lezen. -</p> -<p>Terwijl meester de krant ter hand nam, ging Hans naar boven en bereikte veilig zijn -slaapkamer. Maar hij dacht er nog niet over, om naar bed te gaan. De teleurstelling, -die hij had ondervonden, nu Flip hem in de duisternis ontsnapt was, had hem een beetje -boos gestemd. Wat duivelkater, hij mòest en zou dan tóch wel te weten komen, wat Flip -uitvoerde! Wacht, hij zou zijn carbidlantaarn nemen en Flipje even bijlichten, wanneer -broertjelief dacht weer netjes in het donker te zullen binnenglippen. -</p> -<p>En Hans maakte in stilte zijn lantaarn in orde en kroop ermee in een donkeren hoek -van het balcon, het licht zorgvuldig bedekt houdende. -</p> -<p>Het duurde niet lang, of meester Hooghuizen, die het zijne in de courant had gelezen, -hoorde opnieuw voetstappen in den tuin. Denkende, dat Hans nog niet naar bed was gegaan, -riep hij naar buiten: -</p> -<p>„Ben je daar alweer, Hans?” -</p> -<p>Maar tot zijn verbazing hoorde hij de stem van Flip: -</p> -<p>„Neen meneer, ik ben het.” -</p> -<p>„Zoo Flip, ben je ook nog zoo laat op?” -</p> -<p>„Ja meneer, ik had zoo’n hoofdpijn, en daarom ben ik maar weer opgestaan.” -</p> -<p>„Hm, zoo zoo. Enne … nu weer beter?” -</p> -<p>„Ja, gelukkig wel, meneer. Nu, dag meneer. Wel te rusten.” -</p> -<p>„Dag Flip.” -<span class="pagenum">[<a id="pb68" href="#pb68">68</a>]</span></p> -<p>Meester Hooghuizen keek hem na. Hij blies een groote rookwolk den tuin in. Merkwaardig, -dacht hij, eerst Hans en nu Flip. Als daar maar niets achter schuilt. Ik moet die -twee daar morgen eens naar vragen. Daarop wandelde hij zijn kamer op en neer, bleef -voor de boekenkast staan en nam er een band uit. Hij bladerde even in het boekje en -zette het toen weer op zijn plaats. Dan nam hij een ander, bekeek het even, deed het -open, sloeg het weer dicht en zette ook dàt weer tusschen de andere. Hij dacht aan -heel andere dingen dan aan boeken. Die Hans en Flip toch! Wat beteekende toch dat -wandelen in den nacht? Waren ze ’t bosch in geweest? Hadden ze werkelijk allebei hoofdpijn? -Of was dat maar een leugentje geweest? Dat zou wel ’t akeligste van alles zijn, als -de jongens hèm leugens wijsmaakten! Daarvoor ging hij veel te vriendschappelijk met -al de jongens om! Ze konden hem gerust hun grootste geheimen toevertrouwen, hij zou -er nooit iemand iets van gezegd hebben! En terwijl meester Hooghuizen daarover nadacht, -hoorde hij voor de derde maal voetstappen in den tuin. -</p> -<p>Wel groote hemel, wie was dat nou weer? Wrevelig liep hij naar den tuin en riep daar: -</p> -<p>„Zeg nachtpit, kom eens als de drommel hier!” -</p> -<p>Meester dacht, dat er nu wel weer een jongen zou te voorschijn komen, maar tot zijn -groote verbazing en schrik was het mijnheer Bergwoude zèlf. -</p> -<p>„Goeienavond, Hooghuizen,” sprak deze lachend, „hier is de nachtpit.” -</p> -<p>„Pardon, ’k vraag beleefd excuus,” zei de onderwijzer, „ik dacht, dat er een jongen -in den tuin liep.” -<span class="pagenum">[<a id="pb69" href="#pb69">69</a>]</span></p> -<p>„Ah, zoo, nu, ik neem het je volstrekt niet kwalijk. Ik ben anders nooit zoo laat -op, dat weet je wel, maar vanavond had ik zoo’n ontzettenden hoofdpijn, dat ik het -niet in huis kon uithouden.” -</p> -<p>„U—u—ook al!?” -</p> -<p>„Wat?” -</p> -<p>Meester Hooghuizen wist niet, hoe hij het had. Hield men hem vanavond voor den gek -of was dat alles toeval? Had de heele familie Bergwoude vanavond dan hoofdpijn? -</p> -<p>„Wat bedoelt ge toch?” vroeg mijnheer Bergwoude, die vol verbazing naar het niet minder -verbaasde gezicht van meester Hooghuizen keek. Maar deze bedacht zich snel, hij wilde -tóch Hans en Flip nog niet verraden. -</p> -<p>„Ik bedoel,.. dat ik vanavond … al meer menschen heb ontmoet … die hoofdpijn hadden. -’t Schijnt bepaald in de lucht te zitten.” -</p> -<p>Meester zuchtte van verlichting. Daarop sprak hij met den hoofdonderwijzer over hetgeen -er op de vergadering gesproken was en daardoor dacht hij spoedig niet meer over menschen -met hoofdpijn. -</p> -<p>De beide heeren bleven nog eenigen tijd praten en na verloop van een half uur vertrok -de heer Bergwoude weer naar zijn eigen kamers. -</p> -<p>Meester Hooghuizen ging zijn kamer sluiten. -</p> -<p>Hij liep naar de tuindeuren, en.…… -</p> -<p><i>Daar hoorde hij voor den vierden keer iemand loopen!</i> -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p><span class="corr" id="xd29e1002" title="Niet in bron">„</span>Wel alle goden van Olympus!<span class="corr" id="xd29e1004" title="Niet in bron">”</span> zei hij, <span class="corr" id="xd29e1006" title="Niet in bron">„</span>ik ben een <span class="pagenum">[<a id="pb70" href="#pb70">70</a>]</span>bolvormige driehoek als dat Rob niet is! Of anders mevrouw Bergwoude! De heele familie -maakt vanavond hoofdpijnwandelingen!<span class="corr" id="xd29e1010" title="Niet in bron">”</span> -</p> -<p>Maar het was plotseling stil geworden in den tuin, meester Hooghuizen hoorde niets -meer. Nu vertrouwde hij het zaakje in het geheel niet meer en daarom stapte hij vlug -den tuin in. -</p> -<p>„Wie is daar?” -</p> -<p>Geen antwoord. -</p> -<p>Maar de meester zag iets tusschen de struiken bewegen. -</p> -<p>Hij liep er snel heen en trok een jongen bij den arm te voorschijn. -</p> -<p>„Hallo, wie is dat nou weer? Kom, doe je mond eens open en geef antwoord! Ah, ik zie -het al! Jacob Heintze! Kom jij eens in mijn kamer, vriend!” -</p> -<p>Jacob volgde den meester. -</p> -<p>„Zeg eens,” sprak deze, „je kunt een stoel nemen en gaan zitten. En als ik je nu vraag, -wat je nog zoo laat in den tuin doet, behoef je me niet te vertellen, dat het je boven -te warm was en dat je hoofdpijn had, want daar geloof ik toch niets van. Jullie denkt -bepaald, dat ik mij met een leugentje laat afschepen, maar ik zal je vertellen, dat -ik nu eens weten wil, wat er vanavond hier gebeurt. Wie komen er nà jou nog binnen?” -</p> -<p>Jacob Heintze begreep er niets van. -</p> -<p>„Na mij meester? Dat weet ik niet. Ik denk, niemand.” -</p> -<p>„Dus jullie waart met z’n drieën?” -</p> -<p>„Met—z’n drieën?” -</p> -<p>„Ja natuurlijk, eerst is Hans binnengekomen, ’n uur <span class="pagenum">[<a id="pb71" href="#pb71">71</a>]</span>geleden, toen Flip ’n kwartier later en nou jij. Je ziet, dat ik alles weet. Verzwijg -nu maar niet langer de waarheid en zeg me, wat jullie in ’t bosch deedt! Toe Jacob, -wees niet kinderachtig. Hebben jullie een roovershol? Wordt er soms een grap uitgehaald? -Wordt er een gefopt? Als ’t iets aardigs is, doe ik graag mee. Of is ’t om mij te -doen?” -</p> -<p>Jacob schudde het hoofd. -</p> -<p>„Ik weet niet, wat Hans en Flip gedaan hebben, mijnheer, ik heb daarmee niets te maken.” -</p> -<p>„Maar wat voerde jij dan uit in den tuin?” -</p> -<p>„Och—zoomaar.” -</p> -<p>„Kletspraatjes. Zóó maar! Als ik je niet vóór was geweest, had je mij natuurlijk ook -verteld, dat je hoofdpijn had! Dus je wilt het mij niet zeggen?” -</p> -<p>„Ik kan het u niet zeggen, mijnheer.” -</p> -<p>„Zooals je wilt. Misschien vind-je het prettiger, morgen alles aan mijnheer Bergwoude -te vertellen? Want nu zeg ik hem natuurlijk, dat je klokke twaalf in den nacht bent -thuisgekomen.” -</p> -<p>„Mijnheer!” riep Jacob „neen … doet u dat asjeblieft niet!” -</p> -<p>„Ah zoo, dus dàt liever niet? Welnu, zeg dan alles aan mij, en ik zal zien, dat niemand -het te weten komt.” -</p> -<p>Toen keek Jacob even peinzend naar den grond, hij moest een besluit nemen. Welnu, -hij zou meester Hooghuizen àlles zeggen! -<span class="pagenum">[<a id="pb72" href="#pb72">72</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch8" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd29e2896">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/o072.png" alt="Achtste Hoofdstuk." width="565" height="92"></div> -<h2 class="label">Achtste Hoofdstuk.</h2> -<h2 class="main">Het raadsel wordt opgelost.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="xd29e155"><span class="xd29e155dc initdropcap">„Z</span><span class="xd29e155adc afterdropcap">iezoo,” dacht Hans, terwijl hij in zijn donkeren balconhoek verscholen zat en Flip -naar boven hoorde klauteren, „daar komt sinjeur terug! Wat zal hij raar opkijken als -hij merkt, dat-ie gesnapt is! Stil <span class="corr" id="xd29e1048" title="Bron: ..">…</span> daar is-ie!” -</span></p> -<p>Juist aan den tegenovergestelden hoek van Hans klom Flip over de balustrade. -</p> -<p>Maar op hetzelfde oogenblik, dat hij weer op z’n beenen stond, schoot Hans, de lantaarn -recht voor zich uit houdend, uit zijn schuilplaats te voorschijn en riep hem toe: -</p> -<p>„Waar ben jij naar toe geweest?” -</p> -<p>Flip schrikte zoo ontzettend van dit plotseling op hem gerichte verblindende licht, -dat hij een luiden schreeuw gaf en de handen voor de oogen sloeg. -</p> -<p>Zelfs Hans ontstelde van den weeromstuit. -<span class="pagenum">[<a id="pb73" href="#pb73">73</a>]</span></p> -<p>Hij wendde dadelijk het licht van Flip af en zei, met zenuwachtig bevende stem: -</p> -<p>„Flip … jò … schrik je zoo? Ik ben ’t maar, hoor <span class="corr" id="xd29e1061" title="Bron: ..">…</span>” -</p> -<p>Toen sloeg hij zijn arm om Flips schouders en nam hem mee naar de slaapkamer, waar -hij de lantaarn op een tafel zette. Flip zat te beven op een stoel, maar scheen toch -langzamerhand zijn kalmte terug te krijgen. -</p> -<p>„Hans,” sprak hij, en zijn lippen trilden, „wat gemeen, wat in-gemeen <span class="corr" id="xd29e1068" title="Bron: ..">…</span> om me zoo te laten schrikken … ik dacht, dat ik mij half dood schrok …” -</p> -<p>„Ja, ’t is geweldig stom van me,” bekende Hans, „hier Flip, drink eens. Ik heb ’t -heusch zóó niet bedoeld, kerel. Wat vind ik dat nou misselijk ellendig, zeg, dat jij -daarvan zoo geschrokken bent.” -</p> -<p>Flip dronk wat. De schrik zakte al. -</p> -<p>„Waarom dee-je dat nou, Hans?” -</p> -<p>„Ach jó, ’t is eigenlijk voor de helft je eigen schuld. Waarom zei je niet dadelijk -tegen mij, dat je ’t bosch in ging? Je vertelde ons maar een leugentje, toen je zei, -dat je op ’t balcon bleef, omdat het binnen zoo warm was. -</p> -<p>„Hoe weet je dat?” -</p> -<p>„Ik heb je naar beneden zien klimmen.” -</p> -<p>„Maar hoe weet je nou of ik in ’t bosch ben geweest?” -</p> -<p>„Ik ben je achterna gegaan, maar in ’t donker ben ik je kwijtgeraakt.” -</p> -<p>„Net goed. Maar zeg heb jij ’m niet gezien?” -</p> -<p>„Meester Hooghuizen bedoel je? Ja zeker. Hij vroeg, wat ik zoo laat in den tuin deed. -Toen zei ’k maar, dat ik hoofdpijn had.” -<span class="pagenum">[<a id="pb74" href="#pb74">74</a>]</span></p> -<p>„Hè, wat? Heb jij dat gezegd?” -</p> -<p>„Ja, wat zou dat?” -</p> -<p>„O heerekrentenbaard, die is goed! Dat heb ik óók gezegd!” -</p> -<p>Hans en Flip rolden van ’t lachen tegen een stoel aan, die omviel. -</p> -<p>Ze waren eerst bang, dat Rob er wakker van zou worden, maar dit jongmensch sliep zoo -vast, dat ze hem uit zijn bed op het balcon hadden kunnen leggen, zonder dat hij wakker -werd. -</p> -<p>„Zeg,” zei Flip, „maar ik bedoelde meester Hooghuizen niet.” -</p> -<p>„Wie dan?” -</p> -<p>„Wel—Jacob Heintze natuurlijk!” -</p> -<p>„Jacob Heintze? Wat heeft die er nu mee te maken?” -</p> -<p>„Wel droomer, snap je dat niet? Ik ging Jacob na.” -</p> -<p>„Ik verklaar er geen zier van te begrijpen,” zei Hans. -</p> -<p>„Dus je wou alleen maar eens zien, waar <i>ik</i> bleef. En je hebt Jacob heelemaal niet gezien?” -</p> -<p>„Ik heb Jacob vanavond net zoo min gezien als Jan Klaassen.” -</p> -<p>„Nou, dan zal ik je de zaak uitleggen. Ik had al eens gemerkt, dat Jacob ’s nachts -langs den paal naar boven klom. Dat vond ik erg vreemd. Daarom ging ik gisteren avond -op den uitkijk zitten, maar toen kwam hij niet. En nou snap je wel, waarom ik jou -vanavond niet bij me wou hebben. Enfin, toen ik eindelijk lang genoeg gewacht had, -kwam Jacob voor den dag en klom naar beneden. Ik hem achterna. Hij liep wel tot aan -de Vuursche toe, zeg.” -</p> -<p>„Zoo. En ik toen jou achterna. Wat een stel! Maar <span class="pagenum">[<a id="pb75" href="#pb75">75</a>]</span>wat voerde hij daar uit?” -</p> -<p>„Ja, als je dat mij zegt, dan weet ik het ook.” -</p> -<p>Op dit oogenblik ontwaakte Rob. -</p> -<p>„Zeg … houën jullie je snaters, ik kan heelemaal niet slapen,” mopperde hij. -</p> -<p>„Stil maar, broer, we gaan al slapen.” -</p> -<p>„Zijn jullie nog niet naar bed geweest?” -</p> -<p>„Nee.” -</p> -<p>„Wat heb je dan gedaan?” -</p> -<p>„Niks.” -</p> -<p>„Zeg het nou, flauwerikken.” -</p> -<p>— — — — -</p> -<p>„O, laten jullie me maar kletsen?” -</p> -<p>— — — — -</p> -<p>„Nou, loopen jullie dan voor mijn part naar de hei!” -</p> -<p>„Merci Robbekop, pas geweest! Wel te rusten hoor!” -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Jacob Heintze was de eenige zoon van een rijk grondeigenaar in Gelderland. Zijn vader -had hem op het instituut van den heer Bergwoude geplaatst, omdat Jacob vroeger steeds -met ziekte had te kampen gehad en daardoor niet zoo goed het gewone schoolonderwijs -kon volgen. Niet álleen, dat Jacob met zijn kennis van rekenen en taal ten achter -was bij andere jongens van zijn leeftijd, maar hij kon er ook volstrekt niet tegen -een heelen dag tusschen vier muren te zitten en hard te leeren. Er zijn honderden -jongens en meisjes, die daar eigenlijk ook niet tegen kunnen, maar ze moeten wel met -de anderen mee, omdat hun ouders niet in de gelegenheid zijn, hen op zoo’n school -als „Sparrenheide” te plaatsen, of omdat er geen in de buurt is. -<span class="pagenum">[<a id="pb76" href="#pb76">76</a>]</span></p> -<p>Wie een helder hoofd en een vlug verstand heeft, och, voor dien is het geen kunst, -de lessen prompt te leeren en alles te begrijpen, wat de meesters zeggen. En behoor -je toevallig tot degenen, die niet zoo vlot kunnen leeren en onthouden, die niet zoo -vlug van begrip zijn, en zit je op een gewone school, waar geen tijd is om op je te -wachten, wanneer je niet zoo hard meekunt, wat gebeurt er dan? Je gaat al gauw tot -de „dommen” behooren en de vrinden kijken je er op aan. En als je ’t dan nog treft, -dat je ’s avonds voor een berg huiswerk zit, waar je haast niet doorheen komt, dan -is ’t te begrijpen, dat je zenuwen op het laatst van streek raken. -</p> -<p>En zoo gaat het met een massa jongens en meisjes. „Sparrenheide” was juist daarom -zoo’n prachtige school, omdat niet dag in dag uit werd doorgebracht met rekenen, taal, -aardrijkskunde, geschiedenis, algebra, meetkunde, enz. enz. enz., maar wanneer er -van ’s morgens 9–1 uur met een uur pauze in school gewerkt was en daarna het middagmaal -was gebruikt, gingen de jongelui van 2 tot 3 rusten in den tuin en het bosch. Ieder -had zijn eigen hangmat. Na 3 uur ging de eene afdeeling cartonneeren of timmeren, -de andere teekenen of den tuin verzorgen, een derde baden, turnen of iets anders doen. -En wie dan nog wat geholpen moest worden bij zijn werk vond in mijnheer Bergwoude -of in meester Hooghuizen en juffrouw Wieler altijd een bereidwillig helper. -</p> -<p>Daarbij werkte de heerlijke, gezonde <span class="corr" id="xd29e1131" title="Bron: bosch-omgeving">boschomgeving</span> zoo uitstekend mee, dat zelfs het zwakste kind op Sparrenheide aanmerkelijk vooruitging -en tóch nog wat leerde ook. Om al die redenen had de vader van <span class="pagenum">[<a id="pb77" href="#pb77">77</a>]</span>Jacob Heintze zijn zoon naar Sparrenheide gezonden. En Jacob, die vroeger in Tiel -altijd gesukkeld had met de gezondheid, was gedurende het jaar, dat hij reeds op Sparrenheide -had doorgebracht, een flinke, stevige jongen geworden, die nu goed zijn best deed -bij het leeren en van geen sukkelen meer wist. Natuurlijk ging dat leeren zachtjesaan -en heel kalm, maar op die manier kwamen Jacob en zijn medeleerlingen toch heel wat -beter vooruit dan wanneer ze het alledaagsche schoolonderwijs hadden moeten volgen. -</p> -<p>Jacob was een goede jongen, een lobbes. Hij was bijzonder gul en gaf desnoods het -beste weg, wat hij bezat, om iemand maar een genoegen te kunnen doen. -</p> -<p>En het was juist door zijn zachten aard en zijn goedhartigheid, dat meester Hooghuizen -zich te meer verbaasde, dat Jacob in den nacht uit het bosch kwam, alsof hij aan het -stroopen was geweest. Maar toen de jongen dan eindelijk besloten had, om alles maar -te zeggen, keek de meester weer wat gemoedelijker en zei: -</p> -<p>„Vooruit dan, Jacob, voor den dag ermee!” -</p> -<p>En toen deed Jacob een verhaal, waarvan mijnheer Hooghuizen verwonderd opkeek! -</p> -<p>Een paar weken geleden had Jacob namelijk met de jongens in het bosch gespeeld nabij -de Vuursche en was daar een oogenblik van de anderen afgedwaald. -</p> -<p>Het was juist bij de Vischkom, dat hij even uitrustte. Terwijl hij zich over het water -boog om naar een waterspin te kijken, rolde zijn zilveren potlood uit zijn borstzak -in den vijver. Toevallig kwam daar Barend Ranke voorbij. Hij zag, hoe Jacob met een -hand op den bodem van den vijver zocht. -<span class="pagenum">[<a id="pb78" href="#pb78">78</a>]</span></p> -<p>„Wat zoek je daar?” vroeg hij. Maar Jacob was een beetje bang van den wilden boschjongen -en gaf geen antwoord. -</p> -<p>„Ben je bang van me?” vroeg Barend spottend. „Wil ik je eens opnemen en midden in -de kom gooien? Wat zouden je mooie kleertjes nat worden.” -</p> -<p>Maar Jacob had geen zin om ruzie te maken met den zoon van den beruchten strooper. -</p> -<p>Hij wou probeeren den jongen om te koopen, dat zou hem allicht wat vriendschappelijker -stemmen. -</p> -<p>Maar Jacob had geen geld bij zich, en ’t eenige wat hij op het oogenblik had, wat -als geschenk kon dienen, was een prachtige vulpenhouder met een gouden pen. -</p> -<p>Hij haalde dat pronkjuweel uit den zak en toonde het Barend. -</p> -<p>„Kijk eens, wil je dat hebben?” -</p> -<p>„Dat zwarte ding? Wat heb ik daaraan?” -</p> -<p>„Kijk maar. Ik schroef het open. Wat zit er in? Een gouden pen. Nu zet ik dit stuk -weer op den anderen kant en kijk, nu schrijf ik je naam in mijn zakboekje.” -</p> -<p>Barends oogen glinsterden van begeerte. -</p> -<p>„En—waar is de inkt dan?” vroeg hij. -</p> -<p>„Wel, die zit er in.” -</p> -<p>„In de penhouder?” -</p> -<p>„Ja—.” -</p> -<p>„En staat daar nou: Barend?” -</p> -<p>„Precies.” -</p> -<p>De anders zoo ruwe, ongemanierde jongen was één en al verbazing. Je schroefde een -zwart houtje los en dan kwam er een gouden pen te voorschijn en je kon <span class="pagenum">[<a id="pb79" href="#pb79">79</a>]</span>schrijven zonder een <span class="corr" id="xd29e1167" title="Bron: inkpot">inktpot</span> noodig te hebben! -</p> -<p>„En——en mag ik dat nou hebben?” -</p> -<p>„Ja, als je mij tenminste niet in het water gooit.” -</p> -<p>„Neen, dat zal ik niet doen. Jij bent een goeie jongen. Jij scheldt me niet uit, zooals -de anderen allemaal doen. Maar ik ben ook veel grooter dan jij. Ik zou je wel kunnen -doodslaan.” -</p> -<p>„Asjeblieft niet,” zei Jacob lachend. -</p> -<p>„Neen, wees maar niet bang. Laat nog eens kijken in dat boekje? Staat daar nou heusch: -Barend?” -</p> -<p>„Ja zeker.” -</p> -<p>„Ik wou, dat ik ook schrijven kon. Maar ik mag niet meer op school komen.” -</p> -<p>„Waarom niet?” -</p> -<p>„Meester wil ’t niet meer. Meester is bang van me.” -</p> -<p>„Hoe komt dat zoo?” -</p> -<p>„O, dat weet ik niet meer. Ik heb, geloof ik, op een keer den heelen boel kapot geslagen. -En ik gooide altijd steenen door de ramen in school. Wat moet ik nou met die gouwe -pen doen? Ik kan toch niet schrijven. Zeg, heb jij boeken?” -</p> -<p>„Genoeg,” zei Jacob. -</p> -<p>„Met van die mooie platen er in? Beesten en soldaten en een oorlog?” -</p> -<p>„Ja, ik geloof het wel. Wou je graag zoo’n boek hebben?” -</p> -<p>„Nou, dat zal waar zijn. Wanneer krijg ik het dan?” -</p> -<p>„Vanavond.” -</p> -<p>En zoo pratende gebeurde er iets vreemds met beide jongens. Jacob Heintze, het keurige, -nette <span class="corr" id="xd29e1189" title="Bron: zoonje">zoontje</span> van den rijken grondbezitter voelde zich langzamerhand <span class="pagenum">[<a id="pb80" href="#pb80">80</a>]</span>aangetrokken tot deze verwilderde, ruwe, onbeschaafde jongen, die de schrik van den -omtrek was … en Barend vond in Jacob een vriend, zooals hij nooit had ontmoet. Een -gouden pen had hij hem gegeven en een mooi boek beloofd, dat-ie vanavond kreeg! -</p> -<p>Barend was dien avond in de nabijheid van Sparrenheide gekomen en Jacob had hem ongemerkt -een zijner oude prentenboeken weten te brengen. -</p> -<p>Niemand mocht natuurlijk weten, dat Jacob met den verachten boschjongen sprak. -</p> -<p>Maar van het een was het ander gekomen. -</p> -<p>Jacob, die van nature een zacht en medelijdend karakter had, vond in Barend een leerling, -die alles deed wat de ander zei. Zij hadden elkander nu meermalen in het bosch opgezocht, -zonder dat iemand het ooit te weten was gekomen. Zij deden dat niet met de bedoeling -om kwaad te doen, te stroopen of te stelen, maar integendeel om veel goeds van elkaar -te leeren. Jacob leerde den strooperszoon in de eerste plaats netheid en orde, vervolgens -begon hij hem les te geven in lezen en schrijven. -</p> -<p>Meester Hooghuizen hoorde dat alles in de grootste verbazing aan. -</p> -<p>„En gebeurde dat altijd in den laten avond?” -</p> -<p>„Ja, mijnheer,” antwoordde Jacob. „Ik kon het op geen anderen tijd ongemerkt doen. -Niemand mocht het weten, want als u of mijnheer Bergwoude daar iets van gemerkt had, -zou het natuurlijk niet meer mogen.” -</p> -<p>„Neen, dat spreekt van zelf. Maar hoor eens, Jacob! Jij bent een brave jongen, en -dat je den armen, verwaarloosden Barend van de Lage Vuursche met zachtheid <span class="pagenum">[<a id="pb81" href="#pb81">81</a>]</span>en vriendschap zoo langzamerhand tot een goed mensch weet te veranderen vind ik prachtig! -Zoo iets bevalt me! Maar je moogt niet meer zoo ’s avonds laat er op uit gaan. Je -zoudt ziek worden! Ik zie al kringen onder je oogen van dat late opblijven! Dus dat -mag niet meer. Met Barend zullen we verder zien, ik zal eens probeeren, of ik wat -voor hem doen kan.” -</p> -<p>„O mijnheer, als dat eens waar was!” -</p> -<p>„We zullen zien, Jacob, we zullen zien. Maar nu, hemel, het is al half één. Wil je -wel eens als de drommel naar bed gaan?” -</p> -<p>„Ik ga al,” lachte Jacob. „Slaap wel, mijnheer.” -</p> -<p>„Bonsoir,” zei meester. „Nu moet jij ook naar boven klimmen, hè? Nou, tot morgen, -hoor!” -</p> -<p>Meester Hooghuizen sloot de tuindeuren, draaide het licht uit en ging eveneens ter -ruste. Hij droomde, dat al de jongens van Sparrenheide in ’t donker de palen van ’t -balcon op en af klommen en al maar riepen: hoofdpijn! hoofdpijn! En Barend sprong -er als een kikker tusschen door en sloeg iedereen met een kolossalen vulpenhouder, -zoo groot als een boomstam. -</p> -<p></p> -<div class="figure xd29e1212width"><img src="images/o081.png" alt="Ornament." width="157" height="55"></div><p> -<span class="pagenum">[<a id="pb82" href="#pb82">82</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch9" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd29e2905">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/o063.png" alt="Negende Hoofdstuk." width="566" height="79"></div> -<h2 class="label">Negende Hoofdstuk.</h2> -<h2 class="main">Veldwachter Buikje.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="xd29e155"><span class="xd29e155dc initdropcap">„Z</span><span class="xd29e155adc afterdropcap">iezoo, vrouw Vorstman,” zei Barend, toen hij van uit het tuintje de hut van de arme -weduwe binnentrad, „de tuin is in orde en het schuurtje is schoongemaakt. Zal ik nu -den klimop nog wat opbinden?” -</span></p> -<p>De arme vrouw keek Barend glimlachend aan. -</p> -<p>„Doe dat nu morgen maar, mijn jongen. Kom toch binnen, dan krijg je een kom koffie -en een boterham.” -</p> -<p>’t Was Maandagmorgen. De zon brandde aan den hemel. -</p> -<p>Het tuintje van vrouw Vorstman schitterde van bloemenkleuren in ’t zonnegoud. -</p> -<p>„Het huisje is nu mooi,” zei Barend. -</p> -<p>„Dat zal wel waar zijn” sprak zij, „maar dat komt ook, doordat ik tegenwoordig zoo’n -goeden tuinman heb.” -</p> -<p>„Ik heb er plezier in, vrouw Vorstman. En ik houd van u.” -<span class="pagenum">[<a id="pb83" href="#pb83">83</a>]</span></p> -<p>„Och … je bent niet slecht, Barend, de menschen zeggen het wel, maar …” -</p> -<p>„Het kan mij heelemaal niet meer schelen, wat ze van me zeggen. Ik hoor alleen maar -wat u zegt en wat Jacob zegt. En ik wou dat u mijn moeder was, vrouw Vorstman.” -</p> -<p>„Goeie jongen … zeg jij maar gerust, „moeder<a id="xd29e1236"></a>” tegen mij, hoor.” -</p> -<p>„Ja, dat is goed.” -</p> -<p>„Kom Barend, en nu de boterham en de koffie. Eet ze met smaak!” -</p> -<p>Juist zou Barend beginnen, toen de deur van de kamer geopend werd en de dikke <span class="corr" id="xd29e1242" title="Bron: gemeente-veldwachter">gemeenteveldwachter</span> verscheen. Plotseling sprong Barend op en vloog als een razende door de achterdeur, -den tuin in, sprong daar over een heg en verdween in het bosch. -</p> -<p>„Hei, hier! Barend! Hier zeg ik je!” riep de veldwachter. Maar Barend liet hem roepen -en was minstens al een paar honderd meter uit de buurt. -</p> -<p>„Wel heb je nou toch ooit!” zei Veldwachter Bunze, die met deze warmte een hoofd had -als een reuzentomaat. -</p> -<p>„Wat moet je van hem?” vroeg vrouw Vorstman. -</p> -<p>„Wel, de schooier moet op „Sparrenheide” komen. De directeur van ’t Instituut moet -hem spreken. En nou gaat de schelm aan den haal!” -</p> -<p>Veldwachter Bunze was niet bemind bij de dorpsbewoners, en daarom was het volstrekt -niet te verwonderen, dat vrouw Vorstman hem antwoordde: -</p> -<p>„Wat een wonder, Bunze, dat zou iedere jongen voor jou toch doen?” -<span class="pagenum">[<a id="pb84" href="#pb84">84</a>]</span></p> -<p>„Zoo, je bent wel vriendelijk.” -</p> -<p>„Ben jij het dan, Bunze? Je weet heel goed, dat ik de eenige ben op het dorp, bij -wie je af en toe nog eens kunt komen praten, maar de anderen bedanken ervoor.” -</p> -<p>„Zoo, ja; dat heb je me nou al zoo dikwijls verteld, dat weet ik nou wel. In elk geval -vraag ik er niemand om. Ik ben hier niet in de gemeente aangesteld om koffiepraatjes -te houden bij jan en alleman, maar om de orde te handhaven.” -</p> -<p>„Och kom.” -</p> -<p>„Natuurlijk! Wat zou er van de veiligheid op den weg en in het bosch overblijven, -als <i>ik</i> er niet was? Het is hier een rooversnest, dàt zeg ik. En ik bewaak de eigendommen. -En zoolang ik hier ben, en zoolang ik hier de baas ben …<span class="corr" id="xd29e1262" title="Niet in bron">”</span> -</p> -<p>„Wel wel, jij hier de baas? En de burgemeester dan …?” -</p> -<p>„De burgemeester is het hoofd der gemeente. Ik ben de uitvoerende macht. Dat is staatsinstelling, -dat staat in de grondwet.” -</p> -<p>„Ach man, zit niet te huilen,” lachte het spotzieke vrouwtje. <span class="corr" id="xd29e1268" title="Niet in bron">„</span>Drink de koffie maar op, de jongen komt toch voorloopig niet terug.” -</p> -<p>Dat liet Bunze zich geen tweemaal zeggen. Hij was een man van ruim veertig jaar en -buitengewoon dik. Zóó dik, dat hij haast niet meer voortkon. Dat was niet zoo heel -erg, omdat er in het kleine gehucht nooit iets gebeurde, waarbij de veldwachter hard -moest loopen. Die geweldige buik had hem den bijnaam „Veldwachter Buikje” bezorgd. -Ook op Sparrenheide was hij onder dien naam bekend. Zooals het meer met menschen gaat, -<span class="pagenum">[<a id="pb85" href="#pb85">85</a>]</span>die weinig of niets te doen hebben, verbeeldde Bunze zich, dat hij het verbazend druk -had en dat hij onmisbaar was. Hij was zeer trotsch op zijn vak en meende, dat er geen -grooter autoriteit in heel den omtrek was dan hij, sprak graag over zijn eigen gewichtigheid -en gebruikte woorden, die hij zelf niet begreep. Daarbij schold hij altijd en op iedereen, -noemde zijn dorp een rooversnest en een dievenhol en alle bewoners waren in zijn oogen -misdadigers, die hij in de gaten moest houden. -</p> -<p>Zijn hoofd was kogelrond. Het weinige haar, dat hij bezat, was boven zijn voorhoofd -tot een hoogopstaande kuif bijeengekamd. Wel drukte de uniformpet die mooie kuif onverbiddellijk -omlaag, maar zoodra hij de pet afzette, streek hij haar met de vingers al draaiend -weer omhoog. -</p> -<p>Terwijl vrouw Vorstman nu met haar huishoudelijke bezigheden voortging, dronk Bunze -zwijgend de koffie van Barend op en nam tevens de vrijheid, diens dikke boterham met -kaas naar binnen te werken. Hij begreep wel, dat dit niet de bedoeling van vrouw Vorstman -was, en daarom stapte hij maar op, toen de boterham naar binnen was. -</p> -<p>„Komaan, vrouw Vorstman, wel bedankt voor de koffie. Ik stap nou maar op en zal eens -zien, of ik den schooier vinden kan.” -</p> -<p>„Welken schooier?” -</p> -<p>„Wel, dien stroopersjongen. Op Sparrenheide moet-ie komen. Wat-ie daar uitvoeren moet -kan je wel begrijpen. Hij heeft natuurlijk weer een of andere streek uitgehaald. Ik -begrijp niet, waarom ze dien dagdief niet <span class="pagenum">[<a id="pb86" href="#pb86">86</a>]</span>allang naar de tuchtschool hebben gestuurd.” -</p> -<p>„Dat zal anders nu wel gauw uit zijn, Bunze.” -</p> -<p>„Waarom?” -</p> -<p>„Wel, heb je dan niet gemerkt, dat hij zijn leven betert? Wat heeft-ie al niet van -jongenheer Heintze geleerd! Het zou mij niets verwonderen, als de meester van Sparrenheide -hem wou voorthelpen.” -</p> -<p>„De directeur van het jongenheeren-instituut?” stoof Bunze op. „Denk je dat die zich -bemoeit met zulk gespuis, met zulk tuig, met zulke struikroovers? Maar dan ben <i>ik</i> er ook nog, ik zal mijnheer Bergwoude wel eens inlichten.” -</p> -<p>„Ja, doe dat,” spotte het vrouwtje, <span class="corr" id="xd29e1292" title="Niet in bron">„</span>dan kan meneer Bergwoude ook nog eens lachen.” -</p> -<p>Maar Bunze antwoordde niet, in booze stemming liep hij weg. En als hij boos was, dan -zocht hij altijd het een of ander, om er zijn woede aan te koelen. Het eerste het -beste wat hem dan in den weg kwam, moest het ontgelden. De kippen van den smid liepen -rustig over den weg. En de haan stapte parmantig, heelemaal niet schuw, juist voor -de voeten van den opgewonden, dikken veldwachter heen. -</p> -<p>Uit woede gaf hij het fraaie dier een schop, dat het luid kakelend over den weg vloog. -</p> -<p>Maar die haan was ook niet voor de poes. -</p> -<p>Het woedende dier vloog plotseling klapwiekend op Bunze aan, en hakte met zijn scherpen -snavel op diens gezicht, dat de veldwachter het uitschreeuwde. -</p> -<p>Hij zwaaide met zijn korte, dikke armen en sloeg eindelijk den haan van zich af. -</p> -<p>Met de verwondingen liep het, gelukkig voor hem, <span class="pagenum">[<a id="pb87" href="#pb87">87</a>]</span>nog al los, ofschoon het bloed hem uit een gaatje in de wang liep. -</p> -<p>Maar nu was ook zijn woede ten top gestegen! -</p> -<p>Hij trok zijn sabel en wilde er opnieuw den haan mee te lijf gaan, toen opeens de -smid naar buiten kwam en hem, proestend van het lachen, toeriep: -</p> -<p>„Hei hei, Bunze, het is hier geen hoenderslachterij!” -</p> -<p>„Houdt dien haan vast!” schreeuwde Bunze, en wees met uitgestoken sabel op het dier, -dat niet van plan scheen, voor den dikkerd aan den haal te gaan. -</p> -<p>Maar de smid deed niets dan lachen. Er kwamen nog wat buren bij en toen werd het een -relletje. -</p> -<p>„Ik zal proces-verbaal opmaken tegen jouw haan!” -</p> -<p></p> -<div class="figure p096width"><img src="images/p096.jpg" alt="„Ik zal proces-verbaal opmaken tegen jouw haan!”" width="501" height="720"><p class="figureHead">„Ik zal proces-verbaal opmaken tegen jouw haan!”</p> -</div><p> -</p> -<p>De menschen schaterden het uit. -</p> -<p>Nu raakte Bunze heelemaal de kluts kwijt. Hij maakte zich hoe langer hoe driftiger, -wat met het oog op de warmte niet goed voor hem was. En hij wist ternauwernood meer -wat hij zei. -</p> -<p>„Houdt je mond als je tegen me spreekt!” schreeuwde hij de lachende omstanders toe -en die dwaze uitroep had een orkaan van gelach ten gevolge. -</p> -<p>Dat deed de woede van den dikzak ten top stijgen en hij zou bepaald de menschen met -zijn sabel te lijf zijn gegaan, wanneer niet toevallig de burgemeester in zijn auto -was voorbijgekomen. -</p> -<p>De auto stopte en de burgemeester kwam er uit. -</p> -<p>De dorpelingen groetten hem, maar Bunze vergat dit. Hij hield nog altijd den getrokken -sabel in de hand en liep er den burgemeester mee tegemoet. -</p> -<p>„Burgemeester!” riep hij op hoogen toon, „ik constateer hier insubordinatie!” -<span class="pagenum">[<a id="pb88" href="#pb88">88</a>]</span></p> -<p>De burgemeester zei niets, maar hij gaf eerst den omstanders een wenk, dat zij naar -huis zouden gaan, wat allen ook onmiddellijk deden, en aan Bunze een teeken, dat hij -zijn moordwapen zou opbergen. Toen liep hij met den veldwachter een eindje den weg -op, zoodat niemand anders hem kon verstaan en zei: -</p> -<p>„Hoor eens Bunze, ik verzoek je nu uitdrukkelijk en voor den laatsten keer je niet -zoo belachelijk aan te stellen zooals nu, door <abbr title="bijvoorbeeld">b.v.</abbr> met getrokken sabel tusschen rustige dorpelingen te staan. Wat was er nu weer?” -</p> -<p>Bunze kroop heelemaal in zijn schulp, want nu de burgemeester hem zoo kalm naar het -gebeurde vroeg, voelde hijzelf, dat het toch niet heelemaal in orde was met dien haan. -</p> -<p>Hij antwoordde niet dadelijk, want hij vond het toch wel wat al te gek, om te zeggen, -dat-ie den haan als voetbal had gebruikt. -</p> -<p>Toen keek de burgemeester hem eens aandachtig aan en zei: -</p> -<p>„Wat is dat? Je bloedt! Wie heeft dat gedaan?” -</p> -<p>„Dat … dat heeft—de haan van den smid gedaan, burgemeester.” -</p> -<p>„De—háán Bunze, houd je me nu voor den gek?” -</p> -<p>„Neen burgemeester. De brutaliteit van dat beest …” -</p> -<p>„Brutaal—die haan? Wat zei-die dan tegen je?” -</p> -<p>„Wat-ie zei, burgemeester? Wel, hij zei niets. Hij vloog op me aan en maakte zich -schuldig aan een ernstige mishandeling van een ambtenaar in functie!” -</p> -<p>Nu schoot de burgervader in een hartelijken lach, en wie van de dorpsbewoners dat -om een hoek van <span class="pagenum">[<a id="pb89" href="#pb89">89</a>]</span>verre hoorde en zag, lachte in stilte mee. -</p> -<p>Maar de burgemeester bracht den dikken veldwachter aan het verstand, dat hij zich -toch weer buitengewoon dwaas had aangesteld en dat hij kans had, om door een kalmer -collega vervangen te worden, als die tooneeltjes niet ophielden. En na die laatste -waarschuwing stapte de burgemeester weer in zijn auto en reed verder. -</p> -<p>Het verloop van die geschiedenis had Bunze’s humeur er niet beter op gemaakt. Hij -was echter zoo verstandig, zich voorloopig niet weer in het dorp te vertoonen en ging -naar huis. -</p> -<p>Maar met dat al had hij zijn boodschap aan Barend nog niet overgebracht, en de jongen -moest toch zoo spoedig mogelijk op Sparrenheide komen, dat had mijnheer Bergwoude -gezegd. Maar hij hoopte den „struikroover” des middags, wel te vinden, hij zou hem -in ’t bosch zoeken en desnoods bij de haren naar de school sleepen! -</p> -<p>En veldwachter Buikje stapte zijn huisje binnen, waar hij met zijn zuster woonde. -Hij bromde eerst nog wat, maar ging dan nijdig in zijn stoel bij het raam zitten, -zwijgend. Hij beet van innerlijke woede zijn pijp stuk en wierp die toen uit het raam -waar ze op Pluto, den hond, neerkwam, die in ’t zonnetje te slapen lag. Daarna at -hij zonder een woord te spreken en ging naar het bosch, op zoek naar Barend. -<span class="pagenum">[<a id="pb90" href="#pb90">90</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch10" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd29e2914">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/o034.png" alt="Tiende Hoofdstuk." width="562" height="67"></div> -<h2 class="label">Tiende Hoofdstuk.</h2> -<h2 class="main">Veldwachter Buikje en de drie jolige broers.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="xd29e155"><span class="xd29e155dc initdropcap">D</span><span class="xd29e155adc afterdropcap">ienzelfden middag gingen Hans, Flip en Rob het bosch in, de laatste gewapend met zijn -onafscheidelijken botaniseertrommel. -</span></p> -<p>Er was dien middag weinig te doen, bovendien was het verschrikkelijk warm en alleen -in ’t bosch nog tamelijk uit te houden. -</p> -<p>Hans had nog den moed gehad met deze zomerhitte een boek mee te nemen, waarin de geschiedenis -van het Gooi- en Eemland werd beschreven, wat volgens zijn broer Flip „klinkklare -idiotieke nonsensika” was. Loop rond, je mocht al blij zijn, als je je oogen kon openhouden. -De drie trouwe broers wandelden tot aan het kasteel Drakenstein en gingen daar wat -in de schaduw der beuken liggen. -</p> -<p>Hans sloeg dadelijk zijn boek op en las, dat op diezelfde plek, waar nu het slot stond, -omstreeks de 12e <span class="pagenum">[<a id="pb91" href="#pb91">91</a>]</span>eeuw een huis gebouwd was, omgeven door een zeer diepe gracht en schier ontoegankelijk. -Daar woonden twee broeders, Wer en Ner, geweldenaars en roovers van hoogen stand. -En naar die twee broeders heeft men later de <span class="corr" id="xd29e1362" title="Bron: Werners-hoeve">Wernershoeve</span>, die in de nabijheid staat, genoemd. En Hans las heele hoofdstukken over families, -die vroeger het slot bewoond hadden en van Warnaer van Drakenbosch, die het gebouwd -had. Hans vond dat allemaal heel interessant, want hij hield verbazend veel van geschiedenis -en oudheid, maar Flip moest daar heelemaal niets van hebben. Terwijl Hans in zijn -boek verdiept was en Flip met de armen onder het hoofd op den rug lag, ging Rob op -excursie naar een varensoort, die wel in zijn plantenboek stond, maar die hij tot -op heden nog niet gevonden had. -</p> -<p>„Zeg,” zei Hans opeens, „dat is toch wel mooi, jò. Luister eens: -</p> -<p>„Prins Frederik Hendrik, de stadhouder, als Graaf van Buren, beleende Heer Ernst van -Reede met de hooge en lage jurisdictie en heerlijkheid van De Vuursche, mitsgaders -de hooge heerlijkheid en ridderhofstad van Draakstein. Zeg, luister je nou? Hee, Flip!” -</p> -<p>Flip was allang te voren ingedommeld en keek nu suf op. -</p> -<p>„Wat is ’r nou weer?” -</p> -<p>Hans lachte. -</p> -<p>„’k Heb je voorgelezen van Drakenstein.” -</p> -<p>„M’n zorg.” -</p> -<p>„Nou, vin-je dat dan niet interessant?” -</p> -<p>„’n Gloeiende pook in je hand,” rijmde Flip en geeuwde. -<span class="pagenum">[<a id="pb92" href="#pb92">92</a>]</span></p> -<p>Hans haalde zijn schouders op en las verder de geschiedenis van het oude landgoed, -dat al in 1359 bestond en van „die grote bomen, die daerinne staen.” Flip tukte stevig -door. Zoo was ongeveer een uur in stilte voorbijgegaan toen Hans er opeens aan dacht, -dat Rob zich dien tijd niet had laten zien. Natuurlijk zou de kleine natuurkundige -wat dieper nog het bosch zijn ingegaan, maar nu bleef hij toch wel wat heel lang weg. -Hans keek eens naar den rustig slapenden Flip en trok hem aan een oor. -</p> -<p>„Hei, Flip. Wor ’s wakker!” -</p> -<p>„Arendsoog is een dapper krijger, maar de scalp van het bleekgezicht zal zijn wigwam -niet sieren,” mompelde Flip in zijn droom. -</p> -<p>„Héél mooi gezegd, broeder!” lachte Hans. „Maar daar vraag ik je nou niet naar. Sta -op, dan gaan we Rob zoeken.” -</p> -<p>„Hè, wat is ’r dan met Rob?” -</p> -<p>„Weet ik het, kom mee, we gaan hem zoeken.” -</p> -<p>„O, jawel, dat is goed. Zeg jò, ’k heb zoo fijn gedroomd!” -</p> -<p>Ze stapten op en kwamen bij de oude kapel, die achter heuveltjes in ’t groen verscholen -lag. -</p> -<p>Opeens greep Hans zijn broer bij den arm. -</p> -<p>„Stil,” zei hij, „daar roept iemand.” -</p> -<p>Zij luisterden scherp. -</p> -<p>Op korten afstand klonk een gedempte stem: -</p> -<p>„Hans! Flip! Hierheen!” -</p> -<p>„’t Is Rob!” zei Flip. „Maar waar zit hij?” -</p> -<p>Ze stonden voor den ingang van de kapel. -</p> -<p>Het slot was van de deur verdwenen, door de ijzeren <span class="pagenum">[<a id="pb93" href="#pb93">93</a>]</span>krammen was een touw gestrikt. -</p> -<p>En nogmaals klonk het geroep. -</p> -<p>„Hij zit in de kapel!” zei Hans. „Ze hebben hem opgesloten!” -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Toen Rob zijn broers had alleen gelaten, was hij langs smalle paden, dichtbegroeid -met beuken en sparren, het bosch in gegaan. Eerst had hij een mossoort gevonden, die -hij tot nog toe nog niet had gezien, en verheugd had hij een gedeelte daarvan in den -trommel meegenomen. Hij zou thuis wel eens onderzoeken, hoe de naam ervan was. Toen -was hij aan ’t dwalen gegaan, zoekende naar een kleine varensoort. Zoo ronddolende -was hij eindelijk bij de kapel gekomen. Ofschoon hij het oude gebouwtje al vaak genoeg -gezien had, vond hij het toch altijd opnieuw weer aardig om er even naar te kijken. -Het was omgeven door een prikkeldraad-versperring en de deur was altijd gesloten met -een hangslot. -</p> -<p>Maar nu merkte Rob tot zijn verwondering op, dat het oude, verroeste hangslot van -de deur verdwenen was en deze inplaats daarvan met een touw was dichtgebonden. Die -ontdekking verheugde hem zeer, want nu kon hij gemakkelijk genoeg eens een kijkje -nemen in de kapel. -</p> -<p>Hij klom over het prikkeldraad, waarbij zijn broek en kousen groot gevaar liepen en -stapte op het oude deurtje toe, toen hij onverwachts de door hem gezochte varens ontdekte. -Met zijn plantenschopje groef hij er een paar uit en bergde ze in zijn trommel. Daarop -maakte hij het touw van de deur los en trad de kapel binnen. -<span class="pagenum">[<a id="pb94" href="#pb94">94</a>]</span></p> -<p>Terwijl Rob zoo aan het graven was, kwam de dikke veldwachter Bunze over den mosgrond -aangestapt. Met groote verbazing en verontwaardiging aanschouwde hij de vernieling -van <i>zijn bosschen</i>, maar hij wachtte nog even om te zien, wat Rob wel verder zou doen. -</p> -<p>Toen de jongen nu in de kapel was, klom Bunze met buitengewone krachtsinspanning over -het prikkeldraad en plaatste zich in de deuropening. -</p> -<p>„Wat voer jij daaruit?!” riep hij met barsche stem. -</p> -<p>Rob, die daarop in het geheel niet verdacht was, wendde zich verschrikt om en zei: -</p> -<p>„O Bunze, wat laat je mij schrikken. Ik kwam hier maar eens even kijken, zie je.” -</p> -<p>„Zoo, en van wien heb je daarvoor permissie? Had je <i>mij</i> dat niet eerst behooren te vragen?” -</p> -<p>„Ik wist niet, dat deze kapel van u was, Bunze.” -</p> -<p>„Wat, Bunze, Bunze! Jij brutale aap van een jongen! Mijnheer Bunze dan toch, hé?” -</p> -<p>Rob kende den veldwachter wel zoo’n beetje, maar dit was nu toch wel wat al te dwaas. -</p> -<p>„Mijnheer Bunze?” vroeg hij. „Nu mij best, mijnheer Bunze dan.” -</p> -<p>„Juist, zoo is ’t beter.” -</p> -<p>„Jawel mijnheer Bunze.” -</p> -<p>„Wat heb je daar in die bus?” -</p> -<p>„Planten, mijnheer Bunze.” -</p> -<p>„Hoe kom je daaraan!” -</p> -<p>„Uit het bosch, mijnheer Bunze.” -</p> -<p>„Wat! Uit mijn bosch! Heb ik je daar permissie voor gegeven? Wacht, jou boschvernieler, -jou plantendief, ik zal je leeren mijn bosschen te plunderen. Opsluiten <span class="pagenum">[<a id="pb95" href="#pb95">95</a>]</span>zal ik je en ik verzeker je, dat ik den burgemeester ga waarschuwen!” -</p> -<p>En de daad bij het woord voegende, sloeg de dikkerd de deur dicht en bond ze met het -touw weer vast. -</p> -<p>Daarop klom hij weer over het prikkeldraad en liep naar den burgemeester, trotsch -als een beroemd detective, die een gevaarlijken misdadiger achter slot en grendel -heeft doen brengen. -</p> -<p>„Dat is ook wat moois,” mopperde Rob, „nou zet die dikzak mij gevangen. Hij zal den -burgemeester waarschuwen. Och kom, die zal er zich weinig van aantrekken, denk ik. -Maar ik wou er toch maar liever weer uit! Het is lang niet gezellig hier.” -</p> -<p>Rob probeerde de deur open te duwen, maar het touw was dik en sterk. -</p> -<p>De achterzijde van de kapel was open en alleen afgezet door een hekje. Rob zag den -groenen vijver en de omringende boomen. Het was romantisch-mooi, maar Rob dacht op -het oogenblik heelemaal niet aan romantische dingen, hij dacht er alleen maar over, -op welke manier hij het spoedigst hier vandaan kwam. Maar er was geen kans tot ontsnappen. -</p> -<p>Toen bedacht hij, dat Hans en Flip niet zoo heel ver hier vandaan konden zijn en misschien -zijn roepen wel konden hooren. -</p> -<p>Het eerste kwartier leverde dat roepen ook al niet veel resultaat op, maar eindelijk -toch meende hij de stemmen van zijn broers te hooren. -</p> -<p>En nu schreeuwde hij zoo hard hij kon: -</p> -<p>„Hierheen, jongens! In de kapel!” -</p> -<p>Hans en Flip vlogen over het prikkeldraad en hadden <span class="pagenum">[<a id="pb96" href="#pb96">96</a>]</span>in een wip het touw van de deur losgemaakt. -</p> -<p>„Hier ben ik!” juichte Rob. -</p> -<p>„Wel alle bisschoppen!” riep Flip. „Speel je kluizenaartje?” -</p> -<p>„Ken je begrijpen,” zei Rob. „Buikje heeft me hier gevangen gezet.” -</p> -<p>„De veldwachter? Wat heb je dan uitgevoerd? En het is hier toch geen gevangenis?” -</p> -<p>„Och, ik had gezien, dat er geen slot op de deur was en toen ben ik maar eens naar -binnen gegaan. Daar komt me ineens veldwachter Buikie en roept: Wat voer je daar uit?” -</p> -<p>„En jij schrok natuurlijk,” zei Flip. -</p> -<p>„Nou, dat snap je. Enfin, ik mocht hier niet in, ik mocht geen planten in het bosch -zoeken, ik was een boschvernieler, een plantendief en hij zou alles aan den burgemeester -vertellen.” -</p> -<p>„Toe maar, nog meer?” -</p> -<p>„Nee, anders niet. Alleen moest ik voortaan <i>mijnheer Bunze</i> zeggen.” -</p> -<p>„Hahaha, dat is ’t mooiste nog!” lachte Hans, „mijnheer Bunze.” -</p> -<p>„Vooruit jongens,” zei Rob. „Nou kunnen we een grap beleven. We sluiten de deur weer -netjes met het touw en stellen ons achter ’t heuveltje op. Straks komt Buikje terug -en dan zal je wat moois zien!” -</p> -<p>„Ja, dat is goed,” zei Hans. „En dan zal ik er nog een veel grooter grap op laten -volgen.” -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Een kwartiertje daarna kwam de veldwachter terug. Hij had den burgemeester niet gezien. -Den jongen in de <span class="pagenum">[<a id="pb97" href="#pb97">97</a>]</span>kapel opgesloten te houden ging ook niet, dus ging hij dan maar den gevangene na een -geduchte vermaning in vrijheid stellen. -</p> -<p>Hans, Flip en Rob lagen achter het heuveltje, op ongeveer tien pas afstand van den -ingang der kapel. -</p> -<p>Veldwachter Buikje, wiens slechte stemming aanmerkelijk verbeterd was, sinds hij een -gevangene had, klom weer over het prikkeldraad heen. -</p> -<p>Hij grinnikte en sprak overluid. -</p> -<p>„Haha, mannetje. Zit je er nog? Wacht maar, we zullen elkander eens even nader spreken. -Ja, denk nou maar niet, dat je er zoo makkelijk afkomt, er zit wat voor je op. En -ik zal je leeren mijn bosschen te beschadigen.” -</p> -<p>Met deze woorden maakte hij het touw los en opende de deur. -</p> -<p>„Ziezoo jongeheer, kom nou maar eens hier.” -</p> -<p>De drie jongens knepen hun neus dicht om het niet van lachen uit te proesten. -</p> -<p>Er kwam natuurlijk geen antwoord vanuit de kapel. -</p> -<p>„Kom je haast voor den dag, deugniet!” riep Bunze. -</p> -<p>’t Bleef stil. -</p> -<p>Wat drommel dacht de veldwachter, is de arrestant in slaap gevallen of hoe heb ik -het nu? -</p> -<p>Hij bleef echter zorgvuldig de deuropening bewaken en riep nu nog eens: -</p> -<p>„Kom hier zeg ik je, onmiddellijk!” -</p> -<p>Maar geen geluid werd vernomen. -</p> -<p>„Je weigert dus te komen?” riep Bunze, „goed, ik zal je wel weten te vinden.” -</p> -<p>En kordaat stapte hij de kapel binnen, maar trok <span class="pagenum">[<a id="pb98" href="#pb98">98</a>]</span>toch de deur voorzichtigheidshalve wat dicht. -</p> -<p>Op dat oogenblik sprong opeens Hans te voorschijn en wenkte zijn broers, hem vlug -te volgen. -</p> -<p>Snel als de wind wierp hij de deur toe, Flip en Rob zetten er de voeten tegen aan -en in een oogenblik had Hans het touw door de krammen geknoopt. -</p> -<p>Maar daar begon Bunze me eventjes op te spelen! -</p> -<p>„Doe open! Doe dadelijk open! In naam der wet! In naam der Koningin! Ik ben het, Wouterse, -ik ben het, de veldwachter!” -</p> -<p>Bunze was in de meening, dat Wouterse, de timmerman van het kasteel <span class="corr" id="xd29e1499" title="Bron: Drakestein">Drakenstein</span> een nieuw slot op de deur deed. Doch nu kwam er evenmin antwoord. -</p> -<p>„Wouterse!” riep Bunze, „ben jij het? Doe dadelijk weer open, want ik ben er nog in!” -</p> -<p>De drie broers verwijderden zich. „Kom mee,” zei Hans, „nu komt het mooiste nog.” -</p> -<p>Zij liepen achter het heuveltje om den vijver heen, Rob moest zich schuil houden, -terwijl Hans en Flip tegenover de opening aan de achterzijde van de kapel stonden, -alsof ze die voor het eerst bekeken. -</p> -<p>„Hallo, jongens daar!” -</p> -<p>„Hee, zit u in de kapel, mijnheer Bunze?” riep Hans in de hoogste verbazing. „Is zij -dan niet op slot?” -</p> -<p>„Ja,” riep de dikzak, „ze is op slot en nou kan ik er niet uit!” -</p> -<p>„Blijf er dan maar een jaar in!” wou Flip terugroepen maar hij was gelukkig zoo verstandig, -om dit niet te doen. -</p> -<p>„Op slot?” riep Hans, „wie heeft dat dan gedaan?” -</p> -<p>„Dat weet ik niet. Wacht, ik zal eens hooren.” -<span class="pagenum">[<a id="pb99" href="#pb99">99</a>]</span></p> -<p>Bunze liep naar de deur van de kapel en duwde daartegen met alle kracht. Daardoor -rekte het touw wat, dat hij duidelijk door den kier kon zien. En nu kwam hij pas tot -de overtuiging dat de arrestant gevlogen was. Geholpen natuurlijk door zijn broers, -die nu aan den overkant dolle pret hadden, nu zij hem zoo netjes ingesloten hadden. -</p> -<p>Maar daar zouden ze van lusten. -</p> -<p>En Bunze, inplaats van zich kalm te houden, en zich de deur weer voor de jongens te -laten ontsluiten, vloog weer naar het hek en brulde, dat het over het water daverde: -</p> -<p>„Willen jullie wel ’s als de duivel die deur losmaken!” -</p> -<p>„Hoe zegt u, mijnheer Bunze?” antwoordde Hans. „Als de duivel? Hoe maakt die dan een -deur los?” -</p> -<p>„Ik heb niets met je praatjes noodig! Maak oogenblikkelijk, dat ik eruit kan! Jullie -hebt Robert laten ontsnappen, en dat zal ik je gloeiend betaald zetten!” -</p> -<p>„Gloeiend zegt u, mijnheer Bunze?” plaagde Hans, „wel foei, dat is niet netjes van -u. Wij moeten voor u de deur openmaken en u wil ons daar <i>gloeiend</i> voor behandelen? Neen, op die voorwaarde bewijzen wij u geen dienst, mijnheer Bunze.” -</p> -<p>„Och loop naar de maan met je mijnheer Bunze,” riep de veldwachter. „Ik gelast jelui -nu, oogenblikkelijk hier te komen en de deur te openen.” -</p> -<p>„O neen,” zei Flip, „wij zijn geen hondjes.” -</p> -<p>„Juist,” zei Hans, „maar wij willen u toch wel helpen, als u ons maar belooft, stil -onzen weg te laten gaan.” -</p> -<p>„Ik beloof niets!” riep Bunze. -</p> -<p>„O nee, op die conditie doen we ’t beslist niet. Dag <span class="pagenum">[<a id="pb100" href="#pb100">100</a>]</span>mijnheer Bunze. Wij gaan naar huis.” -</p> -<p>„Hallo, wacht even, jongens! Neen, loop nog niet weg. Je kunt voor mijn part vrij -naar huis gaan, doch help me eerst uit dit verwenschte hol!” -</p> -<p>„Goed, ik kom!” riep Hans. -</p> -<p>Een oogenblik later sneed Hans het touw door en was alweer verdwenen voor Bunze tot -de ontdekking kwam dat de uitgang vrij was. Men kan zich voorstellen in welk een stemming -hij naar huis ging! -</p> -<p></p> -<div class="figure xd29e1538width"><img src="images/o138.png" alt="Ornament." width="96" height="92"></div><p> -<span class="pagenum">[<a id="pb101" href="#pb101">101</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch11" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd29e2924">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/o101.png" alt="Elfde Hoofdstuk." width="566" height="94"></div> -<h2 class="label">Elfde Hoofdstuk.</h2> -<h2 class="main">Waarom Barend niet op Sparrenheide kwam.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="xd29e155"><span class="xd29e155dc initdropcap">E</span><span class="xd29e155adc afterdropcap">en uur nadat veldwachter Bunze de hut van vrouw Vorstman verlaten had, was Barend -er teruggekeerd. -</span></p> -<p>Het vrouwtje had pret om den jongen, die zoo overhaast de vlucht had genomen. -</p> -<p>„Is-ie weg, moeder Vorstman?” vroeg Barend voorzichtig. -</p> -<p>„Al een uur,” lachte ze, „hij komt alweer haast terug!” -</p> -<p>„Dat is toch niet waar?” -</p> -<p>„Neen, wees maar stil. Maar waarom ging je toch zoo ineens op den loop. Heb je weer -kwaad gedaan?” -</p> -<p>„Och, dat is nog van vroeger. Moet-ie mij dan niet hebben?” -</p> -<p>„Jawel, hij kwam je zeggen, dat je vanavond bij <span class="pagenum">[<a id="pb102" href="#pb102">102</a>]</span>mijnheer Bergwoude op Sparrenheide moest komen.” -</p> -<p>„Moet <i>ik</i> daar komen? Owee, ik begrijp het al!” -</p> -<p>„Wat dan?” -</p> -<p>„Wel, ze zullen gemerkt hebben, dat Jacob Heintze elken avond laat bij mij komt en -daar krijg ik nou natuurlijk een leelijk standje voor.” -</p> -<p>„Kom, dat zal wel losloopen. Natuurlijk zal Jacob dat niet meer mogen doen, maar ik -denk er het mijne van.” -</p> -<p>„Wat denk je er dan van, moeder Vorstman.” -</p> -<p>„Hoor eens, Barend, laat dat woord Vorstman nou maar weg. Ik ben je moeder voortaan, -hoor. En wat ik er van denk, wel, meester Bergwoude zal je wel willen voorthelpen.” -</p> -<p>„O, als dat eens waar was! Dan behoefde ik ook niet meer bang te zijn voor veldwachter -Buikie.” -</p> -<p>„Die zal jou geen kwaad doen, jongen. Je hebt zeker veel op je kerfstok dat je hem -zoo ontloopt?” -</p> -<p>„Ja moeder. Maar ik heb nu geen zin meer om zoo te rooven en door ’t bosch te loopen. -Ik heb dikwijls genoeg de eieren uit Bunze’s kippenhok gestolen. Leelijk, hè? Ik zou -’t ook niet meer willen doen. Eens op een keer kwam Bunze net aanloopen. Hij was zóó -dichtbij dat ik haast geen raad wist. En om hem tegen te houden gooide ik hem een -ei pardoes tegen zijn gezicht. Hij zat van onder tot boven vòl! Jacob vond dat erg -leelijk van mij en ik heb hem ook beloofd, nooit meer eieren weg te nemen.” -</p> -<p>„Dat is braaf van je, Barend. Ik zal je nu een nieuwe boterham geven, want Bunze heeft -de jouwe opgegeten.” -<span class="pagenum">[<a id="pb103" href="#pb103">103</a>]</span></p> -<p>„Wat een gulzigaard! Alsof hij thuis niet genoeg krijgt!” -</p> -<p>„Net zoo. Maar zeg eens, Barend, je moet wat netter wezen op het pak, dat Jacob je -gegeven heeft! Je hebt er zeker mee in ’t bosch op den grond gelegen. Kom hier, dan -zal ik je wat afborstelen. En als je nu vanavond naar mijnheer Bergwoude gaat, moet -je eerst bij mij komen om te laten zien, of je er wel netjes uitziet. Als jij bij -mij woonde, zou ik daar beter op kunnen letten.” -</p> -<p>„Ik wou, dat het waar was, moeder V … -</p> -<p>„Nu wie weet. Komaan, eet de boterham op. En hier is nog een glas melk.” -</p> -<p>Nadat Barend de boterham en de melk op had, haalde hij nog een paar boodschappen voor -zijn goede stiefmoeder en ging naar huis. -</p> -<p>Daar trof hij zijn vader aan in gezelschap van een kerel, dien hij nooit gezien had. -Maar de man zag er allesbehalve aangenaam of vriendelijk uit. -</p> -<p>„Kijk,” zei Ranke, op Barend wijzend, „daar heb je nou mijn zoon. Flinke jongen, niet? -Kom eens hier jij, ik heb je weer in geen drie dagen gezien. En wat een spullen heb -je daar aan. Ben je daar wel eerlijk aangekomen? Nou, mij ’n zorg, wat zeg jij, Klaas -Pos?” De aldus genoemde vreemde man grijnsde eens, en Barend schrikte van het terugstootende -gezicht. -</p> -<p>„Nou,” vervolgde Ranke, „ik zal het hem dan maar vertellen, hij moet er toch van weten, -anders lukt de zaak niet. Hoor jongen, je vader heeft tot nog toe niets aan je gehad -en je toch te eten moeten geven, dus nou wordt het tijd, dat je daarvoor wat doet. -Je bent er nou <span class="pagenum">[<a id="pb104" href="#pb104">104</a>]</span>voor in de gelegenheid en ik zal je zeggen, wat je doen moet.” -</p> -<p>„Dat ligt er aan, wat het is,” zei Barend, die nooit ook maar eenigszins beleefd was -tegen den man, die nimmer een vader voor hem was geweest. -</p> -<p>„Zoo, dat zullen we dan wel eens zien!” zei Ranke. „We zullen je in elk geval wel -weten te dwingen.” -</p> -<p>„Dat zit nog,” zei Barend. „Ik wil er heelemaal niets van weten en ik blijf hier ook -niet langer in huis. Ik ga weg.” -</p> -<p>„Hahaha!” spotte Ranke, „de jongeheer gaat weg. Jawel. Ik zal je eens wat zeggen, -Barend. Je moet vanavond met ons mee. We willen in Baarn een villa met een bezoek -vereeren. Jawel, wij zijn uitgenoodigd, nietwaar Klaas? Hahaha! En jij moet mee, jongen. -Je moet uitkijken, of er misschien ook iemand voorbijkomt, die de zaak verraden kan.” -</p> -<p>„Ik doe ’t niet,” zei Barend. -</p> -<p>„Flink gesproken,” spotte zijn vader. „Maar ik spreek nog veel flinker, en nog duidelijker -ook. Hier! Trek uit die kleeren, gauw wat! Wacht, ik zal je een handje helpen!” -</p> -<p>En met ruw geweld trok de woeste strooper zijn zoon de kleeren van het lijf. Hij wierp -hem daarop zijn oude, havelooze plunje toe, die Barend aantrok, zonder een spier van -zijn gezicht te vertrekken. -</p> -<p>„Ziezoo,” sprak Ranke. „Nu worden we verstandig. Nu zie-je er weer als vanouds uit. -En zal je vanavond meegaan, ja of neen?” -</p> -<p>„Neen!” zei Barend op beslisten toon. -</p> -<p>Pats! daar kreeg hij een slag tegen het hoofd, dat <span class="pagenum">[<a id="pb105" href="#pb105">105</a>]</span>hij tegen den grond viel. -</p> -<p>„Zal je meegaan?” -</p> -<p>„Nooit!” -</p> -<p>Woede beving den gewetenloozen man, die vader moest heeten van zoo’n flinken jongen. -Hij ging naar hem toe en trapte hem, terwijl Barend zich in allerlei bochten wrong. -De jongen gaf echter geen kik en bleef eindelijk doodstil liggen. -</p> -<p>„Nou, je hebt hem een goeie portie gegeven, geloof ik,” zei Klaas Pos. -</p> -<p>„Natuurlijk en nou zal je eens zien, hoe netjes hij met ons meegaat. En om te voorkomen, -dat-ie wegloopt, zal ik hem netjes opbergen.” -</p> -<p>Daarop opende Ranke een deur, waarachter zich een kolen- en turfhok bevond. Hij nam -Barend op en wierp hem met geweld naar binnen. Toen deed hij een hangslot op de deur -en verliet met Klaas Pos het huisje. In het turfhok lag Barend op den grond. Met het -hoofd op den arm snikte hij en dacht aan het uur, waarop mijnheer Bergwoude hem verwachtte. -</p> -<p>Wat zou hij doen? -</p> -<p>Zijn vader verraden, overleveren aan de politie.… of … hem gehoorzamen en zelf opnieuw -een dief worden? -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Na het avondeten zat de familie Bergwoude als gewoonlijk nog een uurtje in den tuin -en juffrouw Wieler had een splinternieuw sprookje verteld. Allen hadden aandachtig -geluisterd naar het verhaal van den woesten, roofzuchtigen reus, die het rijk der -kabouters <span class="pagenum">[<a id="pb106" href="#pb106">106</a>]</span>wilde vernietigen en toch met al zijn kracht en ruwheid niet bestand was tegen het -leger der kleine mannetjes. Allen, ja, behalve Jacob Heintze. -</p> -<p>Want wat weerga, waarom kwam Barend Ranke nu niet? Mijnheer Bergwoude had hem toch -de boodschap laten brengen door veldwachter Bunze, dat-ie vanavond op Sparrenheide -komen moest? Er zou bepaald een heel ernstige reden voor Barend moeten zijn, om nu -niet te komen. Of ging hij nu weer bederven, wat met zooveel moeite was verkregen? -</p> -<p>Mijnheer Bergwoude had er in het eerst vreemd van opgekeken, dat Jacob met den verwaarloosden -strooperszoon, den schrik van de omgeving, had vriendschap gesloten! En die nachtelijke -bezoeken, al waren ze dan ook om Barend wat nuttigs te leeren, had hij zeer streng -afgekeurd. Mijnheer Bergwoude meende, dat er toch niets aan zoo’n verwilderden, onopgevoeden -knaap te verbeteren viel. Maar Jacob had het voor Barend opgenomen en verteld, hoe -de jongen langzamerhand veranderde. En ten slotte had mijnheer Bergwoude dan beloofd, -dat hij Barend eens zou laten komen en zien, wat hij er aan doen kon, om hem nog wat -beter op streek te helpen. -</p> -<p>Hoe later het werd, hoe meer Jacob’s onrust toenam. -</p> -<p>Waar bleef Barend nu? -</p> -<p>Om half negen, toen allen naar binnen gingen, was hij er nog niet. -</p> -<p>Mijnheer Bergwoude nam Jacob even terzijde: -</p> -<p>„Je vriend Barend is, zooals je ziet, niet gekomen, Jacob. Dat had ik van te voren -wel gedacht. Heusch, geloof me, daar is toch niets mee te beginnen. Besteed, <span class="pagenum">[<a id="pb107" href="#pb107">107</a>]</span>er aan, wat je wilt, ’t zijn paarlen voor de zwijnen geworpen.” -</p> -<p>Maar Jacob schudde het hoofd. -</p> -<p>„Barend zou veel te graag gekomen zijn, mijnheer!” antwoordde hij, „dat weet ik zeker. -Maar misschien heeft Bunze hem niet kunnen vinden. Of zijn vader houdt hem tegen.” -</p> -<p>Mijnheer Bergwoude haalde ongeloovig de schouders op, hij dacht er het zijne van. -En daarop ging hij de huiskamer binnen. Hans, Flip en Rob bleven nog een oogenblik -met hun vader en moeder praten. -</p> -<p>De meid bracht brieven en couranten binnen, door de avondpost zoo juist bezorgd. -</p> -<p>„Voor jou ook een brief, Hans,” zei mijnheer Bergwoude, „van je vriend Bram Verhallen.” -</p> -<p>Hans nam den brief, opende het couvert en las: -</p> -<blockquote> -<p class="first dateline">Baarn, 12 Juli. -</p> -<p class="salute">Beste Hans! -</p> -<p>Vind-je het goed, als ik Zondagmiddag naar je toe kom? Wij eten vroeg, net als jullie. -Ik kom dan tegen 3 uur en kan wel tot een uur of zeven blijven. Zaterdagmiddag kan -ik niet komen, want we hebben deze week zoo razend veel huiswerk, dat we er bijna -niet doorkomen! Och kerel, dat huiswerk! Als ik ’s middags half vijf thuis kom, moet -ik maar liefst zoo gauw mogelijk eten, want we krijgen wel voor drie urenlang huiswerk -mee. We hebben dan ook zoo ontzettend veel te leeren, jò. Zoo moet ik vanavond 2 blz. -Fransch vertalen, 1 blz. Cours <span class="pagenum">[<a id="pb108" href="#pb108">108</a>]</span>Pratique leeren, 3 <span class="corr" id="xd29e1643" title="Bron: meetkunde-sommen">meetkundesommen</span> maken, de Duitsche rivieren leeren en een opstel maken. Ik weet heusch niet, hoe -ik dat allemaal àfkrijg. Ik heb elken dag hoofdpijn en ik ben toch goed gezond. En -voor den vrijen Zaterdagmiddag hebben we nog meer huiswerk. Dus je begrijpt dat er -van spelen niets komen kan. -</p> -<p>Schrijf me even of het goed is, dat ik Zondag kom. Groeten aan allemaal. Dag bleekgezicht, -gegroet van je rooden broer Arendsoog, -</p> -<p class="signed">Bram Verhallen.</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>„Bram komt Zondagmiddag,” zei Hans, den brief aan zijn vader overreikend. -</p> -<p>Mijnheer Bergwoude las den brief door en schudde het hoofd. -</p> -<p>„Wat zullen we toch een verschrikkelijk geleerd nageslacht krijgen,” zei hij, „de -jongens en meisjes worden tegenwoordig zóó met huiswerk overladen, dat ze nauwelijks -tijd hebben om te eten. Wat zullen dat allemaal een professoren worden! Maar wat een -zenuwlijdertjes zullen erbij zijn!” -</p> -<p>„Schrijft Bram daarover?” vroeg mevrouw. -</p> -<p>„Och neen, de jongen schrijft alleen, dat ze ’s avonds wel voor drie uren huiswerk -meekrijgen en dat-ie Zaterdagmiddag niet spelen kan, omdat-ie te veel werk heeft.” -</p> -<p>„Is dat niet een beetje al te erg, man?” -</p> -<p>„Ja zeker, het is méér dan overdreven. En ’t mooiste is nog, dat van al de kinderen, -die zulke massa’s huiswerk avond aan avond moeten maken, maar een paar <span class="pagenum">[<a id="pb109" href="#pb109">109</a>]</span>werkelijk knap worden en daar wat aan hebben. Bram, een flinke, gezonde, sterke jongen, -heeft elken dag hoofdpijn van ’t leeren. Kan daar iets goeds uit groeien?” -</p> -<p>„Maar zonder huiswerk komen ze er niet, man.” -</p> -<p>„Denk je dat, vrouw? Eenig huiswerk kan geen kwaad, het geeft bezigheid in huis en -de jongens kunnen nog eens repeteeren, wat er op school geleerd is. Maar om de jongelui -een berg werk mee naar huis te geven, waar ze bijna niet doorheen komen, dat is overdreven. -En wat hebben de meesten er aan? De een wordt kantoorbediende en vergeet 9⁄10 van -wat hij geleerd heeft, de ander architect, tuinbouwkundige, onderwijzer, enz. Dat -alles hadden ze evengoed kunnen worden zonder al die dwaasheid in hun jonge jaren -te leeren. De ernstige, werkelijk gezonde studie komt pas later. En daar hebben ze -pas wat aan.” -</p> -<p>„Toch schijnt men er ook anders over te denken,” zei mevrouw. -</p> -<p>„O, ik kan het natuurlijk mis hebben,” vervolgde mijnheer Bergwoude, „maar ik vind, -als een jongen tot zijn dertiende jaar het lager onderwijs goed gevolgd heeft en dat -dóór en dóór kent, dan heeft hij nog tijd genoeg, om àlles te worden, wat hij wil. -Dat is mijn meening.” -</p> -<p>Er werd nog even over dat onderwerp gesproken en daarna gingen de drie broers naar -bed. -</p> -<p>„Zeg,” zei mijnheer, „die Barend is toch maar niet gekomen, hè? Zie je wel, dat er -met zulke jongens toch niets goeds is aan te vangen?” -</p> -<p>„Hij zal niet gedurfd hebben, vader,” zei Hans. -<span class="pagenum">[<a id="pb110" href="#pb110">110</a>]</span></p> -<p>„Och wat, gedurfd? Hij bedankt er eenvoudig voor, om onder de plak te zitten. Neen, -ik weet wel, dat hij liever als een wildeman in de bosschen rondzwerft en allerlei -kattekwaad uithaalt. Dat is hij van jongsaf gewend en dat zal hij wel blijven doen -ook!” -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Och, als mijnheer Bergwoude eens geweten had, dat Barend op dit oogenblik te snikken -lag van droefheid en teleurstelling, opgesloten door zijn harteloozen vader in een -donker hok! -</p> -<p></p> -<div class="figure xd29e1676width"><img src="images/o062.png" alt="Ornament." width="142" height="139"></div><p> -<span class="pagenum">[<a id="pb111" href="#pb111">111</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch12" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd29e2933">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/o053.png" alt="Twaalfde Hoofdstuk." width="561" height="74"></div> -<h2 class="label">Twaalfde Hoofdstuk.</h2> -<h2 class="main">In den nacht.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="xd29e155"><span class="xd29e155dc initdropcap">I</span><span class="xd29e155adc afterdropcap">n den loop van den avond was Ranke, de <span class="corr" id="xd29e1687" title="Bron: stooper">strooper</span>, met Klaas Pos in zijn woning teruggekeerd. -</span></p> -<p>Zij zetten zich aan de tafel om hun plan nog eens nader te bespreken. Zij dachten -er niet eens aan, om Barend uit zijn gevangenschap te verlossen en hem iets te eten -te geven. -</p> -<p>„We moeten de zaak goèd doen of heelemaal niet doen,” zei Ranke. „En ik zal je nog -eens haarfijn vertellen, hoe we ’t zullen aanpakken. Ik ben vanmorgen op het kantoor -van Verhallen geweest en weet daardoor precies, hoe de toestand daar is. Ja, ik heb -mijn oogen goed den kost gegeven. Ik heb den notaris zelf te spreken gevraagd, natuurlijk -maar met een onbeduidend praatje. Maar ondertusschen heb ik goed rondgekeken. <span class="pagenum">[<a id="pb112" href="#pb112">112</a>]</span>De voorkant van het woonhuis is aan de Prinsenlaan, maar de ingang van ’t kantoor -is in een achterstraatje. Je loopt een steenen paadje op en komt aan een hek. Dan -een klein tuintje door en je staat voor de kantoordeur. In de gang heb je weer twee -deuren, op de eene staat: <i>Binnen zonder kloppen</i>, op de andere <i>Privé</i>. Die laatste moeten we hebben. Daar staat de brandkast van den notaris en als ik -me niet vergist heb, zal het voor ons niet zoo’n heksenwerk zijn om die groote spaarpot -open te maken.” -</p> -<p>Daarop vertelde Ranke aan Pos, van welk fabrikaat de brandkast was en toonde de werktuigen, -waarmede hij die dacht te openen. -</p> -<p>„Terwijl wij binnen aan het werk zijn,” sprak hij, „moet Barend op den uitkijk staan.” -</p> -<p>„Kunnen we hem wel vertrouwen?” vroeg Pos. -</p> -<p>„Daar kan je verzekerd van zijn. Bovendien zal ik hem wel weten te dwingen. Kijk, -hier heb je nota bene boeken en schriften van hem. Inplaats van een vet konijn op -den kop te tikken, zit hij te suffen met zijn neus in de boeken. Waar hij die vandaan -heeft, mag de drommel weten. Hij had ze onder zijn bed verstopt. Ik wist niet, dat -mijn zoon een geleerde was. Enfin, wij zullen hem eens voor den dag halen.” -</p> -<p>„Wij deelen toch samen?” vroeg Klaas Pos. -</p> -<p>„Dat is te zeggen: ieder krijgt zijn deel. Ik geloof wel, dat ik twee derden van het -gevaarlijke werk te doen zal hebben, dus neem ik ook zooveel van den buit. Ieder het -zijne. Als je ’t niet goed vindt, kan ik ’t misschien ook wel alleen af.” -</p> -<p>„Ik zal ’t maar goedvinden,” zei de ander. -<span class="pagenum">[<a id="pb113" href="#pb113">113</a>]</span></p> -<p>„Zooals je wilt. En nou zullen we den jongen eens hier halen.” -</p> -<p>Met deze woorden begaf Ranke zich naar het turfhok, waar Barend in slaap gevallen -was. -</p> -<p>„Barend!” riep zijn vader, „kom er uit, jongen, het wordt zoo langzamerhand tijd.” -</p> -<p>Barend ontwaakte en keek door de geopende deur in het kamertje, waar hij Klaas Pos -bij de petroleumlamp aan tafel zag zitten. Onmiddellijk weer herinnerde hij zich het -gebeurde en tevens ook, wat zijn vader van hem verlangde. En evenals te voren besloot -hij om in geen geval met beide mannen mee te gaan. -</p> -<p>Ranke trok hem in de kamer. -</p> -<p>„Je hebt over de zaak kunnen nadenken, Barend,” sprak hij, „en ik geloof wel, dat -je nu zoo verstandig geworden bent, om je vader eindelijk eens te gehoorzamen. Voor -alles wat ik aan je besteed heb …” -</p> -<p>„Je hebt niets aan mij besteed!” viel Barend opeens uit. „Je hebt me niet eens te -eten gegeven. De paar korsten brood en droge aardappels, die je zelf niet meer lustte, -liet je voor mij op tafel liggen.” -</p> -<p>„Wel, hoor me zoo’n ondankbare jongen eens aan!” riep Ranke, die aan Pos verteld had, -dat hij altijd den meesten zorg aan zijn zoon had besteed, maar dat Barend een door -en door slechte jongen was, die al het goede, wat zijn vader voor hem deed, met ondank -beloonde. -</p> -<p>„Wel, hoor me nu zoo’n ondankbare jongen eens aan! Dat is de school uitgejaagd om -al zijn baldadige streken en durft nog zijn vader beschuldigen! Wacht, kameraad, nu -zullen we eens een ander wijsje zingen. <span class="pagenum">[<a id="pb114" href="#pb114">114</a>]</span>Je gaat nu direct met ons mee, en …” -</p> -<p>„Ik denk er niet over,” zei Barend. „Ik ga toch niet.” -</p> -<p>„Dat zullen we wel eens zien! Hier, deze boeken, zijn die van jou?” -</p> -<p>Met grooten schrik bemerkte Barend, dat zijn gewetenloozen vader zijn boeken en schriften, -waar hij met Jacob Heintze uit geleerd had, gevonden had. -</p> -<p>„Geef hier vader!” riep hij, „dat is mijn werk!” -</p> -<p>„Zoo, is dat jouw werk? Neen vrind, ik zal jou eens zeggen, wat je werk is. Om je -vader te gehoorzamen en hem te helpen. En nu zal je dat om te beginnen vanavond doen -en als je weigert, scheur ik al je boeken en schriften één voor één kapot!” -</p> -<p>„Vader!!” schreeuwde Barend, „dat doe je niet!” -</p> -<p>„Dat zal je zien!” -</p> -<p>En Ranke greep een boek, dat Jacob aan Barend gegeven had. Hij nam het in beide handen -om het doormidden te scheuren. -</p> -<p>„Vader, vader!!” gilde Barend. „Niet doen … ik zal wel meegaan!” -</p> -<p>„Ha zoo, dat dacht ik wel. En nu zal ik je nog eens vertellen, wat je te doen hebt. -We gaan door het bosch naar Baarn. In het huis waar we zijn moeten, is veel geld. -Het zal nogal tijd en moeite kosten om het te krijgen. Zoolang wij binnen aan het -werk zijn, houdt jij buiten de wacht. En als er onraad is, kraai je als een haan. -Ik weet, dat je dat zoo goed kunt, dat iedereen denkt, een werkelijken haan te hooren. -Komt er iemand toevallig voorbij, dan kruip je weg in de struiken van den tuin. Pos, -hebben we de gereedschappen en den zak? De lantaarn heb ik hier. Ziezoo, alles is -klaar. De <span class="pagenum">[<a id="pb115" href="#pb115">115</a>]</span>lamp uit en op pad!” -</p> -<p>De torenklok sloeg elf uur. -</p> -<p>En een oogenblik later gingen drie donkere figuren door het bosch, dat inktzwart zich -voor hen uitstrekte. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>„Ik maak mij werkelijk ernstig bezorgd over Bram,” zei mevrouw Verhallen tot haar -man, den notaris, toen zij des avonds naar boven was geweest. „Het is nu al over tienen -en nog zit de jongen aan zijn schoolwerk. Voor een jongen van dertien jaar is dat -toch te laat, vader.” -</p> -<p>„Och laat den jongen studeeren,” sprak notaris Verhallen, „nu is hij immers nog in -de gelegenheid om goed te leeren, later gaat het zoo vlug niet meer. En als hij daar -nu plezier in heeft?…” -</p> -<p>„Plezier in heeft?” -</p> -<p>„Wel ja, anders zou hij het toch niet doen?” -</p> -<p>„Denk je, dat Bram voor zijn plezier avond aan avond zit te blokken? Dat hij voor -zijn plezier elken dag over hoofdpijn klaagt? De jongen overwerkt zich, dat zeg ik. -Hij begint er slecht uit te zien.” -</p> -<p>„Kom, kom, nu overdrijf je toch,” zei de ander. Hij was zelf een zeer werkzaam man -en vond het heel best, dat zijn dertienjarige zoon elken avond stapels schoolwerk -maakte. Natuurlijk in den tegenwoordigen tijd moest de jeugd nu eenmaal hard studeeren. -</p> -<p>Dat wist Mevrouw ook wel, maar zóóveel huiswerk als de kinderen tegenwoordig van den -meester meekregen, vond ze toch wat heel erg. -</p> -<p>„Neen, ik overdrijf volstrekt niet,” hernam zij, „de jongen zal er nog heelemaal door -van streek raken. Al <span class="pagenum">[<a id="pb116" href="#pb116">116</a>]</span>is zijn lichaam gezond, dat wil volstrekt niet zeggen, dat hij daarom een hoofd om -veel te leeren heeft. Ik zou veel liever zien, dat hij wat vroeger naar bed ging.” -</p> -<p>Mijnheer Verhallen haalde zijn schouders op en frommelde eens ongeduldig met de courant, -die hij in de handen hield. Hij zag volstrekt geen bezwaar in het late opblijven en -studeeren van zijn zoon. Hoe knapper Bram werd, hoe liever hij het had. Van leeren -werd je niet ziek en de meesters wisten toch ook wel, wat kòn en wat nièt? -</p> -<p>Mevrouw zweeg nu maar, doch in stilte dacht ze met bezorgdheid aan haar jongen. -</p> -<p>Op zijn kamertje zat Bram ijverig te pennen. -</p> -<p>De klok wees kwart over tien. -</p> -<p>Bram had juist de laatste rekenopgave af. Gelukkig, eindelijk was hij weer zoover, -dat hij morgen met behoorlijk afgemaakt werk bij den meester komen kon. O, er waren -jongens genoeg, die om zeven uur aan d’r huiswerk begonnen en vóór achten alweer buiten -waren, maar je moest dan niet vragen, hoe dat werk er uit zag. Bram behoorde niet -tot de vlugsten, maar juist daarom wilde hij zijn werk zoo goed mogelijk doen. Het -leeren viel hem niet gemakkelijk, maar meester was streng en papa liet niet met zich -spotten! Dus kostte het Bram buitengewone inspanning om met de andere jongens van -zijn klasse gelijk te blijven. -</p> -<p>Met een tevreden lachje bergde hij zijn boeken en schriften in de kast. Het was meer -dan bedtijd. Zijn bed stond in een hoek van ’t kamertje. Met langzame bewegingen kleedde -hij zich uit. Slaap had hij bijna niet, hij was over zijn slaap heen; in zijn rond, -gezond jongensgezicht <span class="pagenum">[<a id="pb117" href="#pb117">117</a>]</span>stonden de oogen dof en mat. Hij voelde zich doodmoe en had toch geen slaap. In bed -lag hij te kijken naar een paar sterren, die hij juist door ’t bovenraam kon zien. -En onderwijl dacht hij maar voortdurend, zonder het te willen, aan die laatste som, -die zoo moeilijk was. Toen probeerde hij te slapen, maar dat lukte niet. Zijn lichaam -rustte uit, maar hij bleef klaarwakker. Hee, dacht hij, wat beef ik nu toch vreemd? -Het is toch heelemaal niet koud. Och, ’t zal wel over gaan. Kom, ik zal me maar weer -eens omdraaien. En dan dacht hij weer aan de lesuren van morgen. Eerst taal, de les -over de vervoeging der werkwoorden. En dan Fransch, Cours Gradué, 2 théma’s opzeggen, -2 nieuwe inleveren. Die had-ie ook af. En dan rekenen. Zouën z’n sommen goed zijn? -Meester had dikwijls aanmerkingen op z’n foute sommen, en deed-ie niet heusch zijn -best? Als ze nou maar goed waren! Kom, nou slapen. Nou niet meer aan leeren denken. -De andere jongens sliepen ook allemaal … de klok sloeg elf. Bram was nog even wakker -als om tien uur. Half twaalf. Bram zat rechtop in bed, z’n hoofd klopte. Hij stond -op, stak zijn hoofd door het open raam. De lucht was helder, om hem heen waren tuinen -met dicht geboomte, zware dennegeur trok het kamertje in. De nachtkoelte deed hem -goed, de hoofdpijn zakte wat. -</p> -<p>Weet je wat, hij ging een beetje in den gemakkelijken stoel bij het raam zitten, van -slapen kwam toch voorloopig niets. -</p> -<p>Bram trok een jas aan en strekte zich op z’n gemak in den stoel uit. Zoo zat-ie lekker. -En nou naar de sterren kijken. Dààr had je de Groote Beer en dan … één … <span class="pagenum">[<a id="pb118" href="#pb118">118</a>]</span>twee … drie … vier … vijf … zes <span class="corr" id="xd29e1767" title="Bron: ..">…</span> zeven<span class="corr" id="xd29e1770" title="Bron: .."> …</span> de Poolster … en dáár … en dáár.… -</p> -<p>Bram, oververmoeid, dommelde in. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Ruim een uur later schrok-ie wakker. -</p> -<p>Hè, wat? Lag-ie niet in bed? Zat-ie in ’n stoel? Hee ja, dat was waar ook. Brrr, hij -was koud geworden, gauw maar ’t bed in. De jas hing hij over den stoel, stapte dan -met z’n eene been in bed. -</p> -<p>Maar opeens bleef-ie zoo staan. -</p> -<p>Stil … -</p> -<p>Wat was dat beneden? -</p> -<p>Was pa nog op?… Even luisteren.… -</p> -<p>Sssst … daar hoorde hij ’t weer. -</p> -<p>Zoo’n gek geluid.… net of ’r iemand op pa’s kantoor was. Nou, dat was onzin, hè? Pa -sliep natuurlijk.… en.… -</p> -<p>Nou viel d’r wat.… -</p> -<p>’t Volgend oogenblik trok Bram kousen en pantoffels aan en wat kleeren. -</p> -<p>Op z’n teenen ging-ie de trap af, opende geruischloos de buitendeur; over de grasperken -liep hij den tuin uit, ’t straatje om naar den kantooringang. -</p> -<p>Stil … daar stond een jongen, vlak bij den lantaarn. -</p> -<p>Bram begréép ’t …, die stond op den uitkijk!! -</p> -<p>Dadelijk keerde Bram terug.… de vilten pantoffels maakten z’n voetstappen onhoorbaar, -en snel als de wind vloog-ie de Laanstraat in, waar twee politieagenten surveilleerden. -Die gingen onmiddellijk met hem mee. -<span class="pagenum">[<a id="pb119" href="#pb119">119</a>]</span></p> -<p>Bram liep ze vlug vooruit, zag den jongen nog staan. En ’n plotseling opkomende gedachte -dadelijk ten uitvoer brengend, wierp hij zich onverwachts op den schildwacht en drukte -met één hand diens mond toe. -</p> -<p>Daarna stelden zij zich in een donkeren hoek in hinderlaag op. -</p> -<p>Bij het licht van de lantaarn had Bram den jongen herkend. En verschrikt fluisterde -hij de agenten toe: -</p> -<p>„Barend van de Lage Vuursche!” -</p> -<p></p> -<div class="figure xd29e1800width"><img src="images/o119.png" alt="Ornament." width="137" height="136"></div><p> -<span class="pagenum">[<a id="pb120" href="#pb120">120</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch13" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd29e2942">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/o174.png" alt="Dertiende Hoofdstuk." width="564" height="84"></div> -<h2 class="label">Dertiende Hoofdstuk.</h2> -<h2 class="main">Wat Jacob van Veldwachter Buikje hoorde.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="xd29e155"><span class="xd29e155dc initdropcap">V</span><span class="xd29e155adc afterdropcap">olgende morgen, zes uur. -</span></p> -<p>De zon stond al hoog aan den hemel, ’t beloofde weer een echt warme, zomersche dag -te worden. -</p> -<p>„Zeg,” zei Hans tegen zijn broer Flip, terwijl ze zich op hun slaapkamer aan ’t kleeden -waren, „wat maft die Rob weer door!” -</p> -<p>„Ja,” antwoordde Flip, „ik heb hem al zesmaal geroepen, maar hij heeft ’r maling aan, -hoor.” -</p> -<p>„Nou, hij is om negen uur naar bed gegaan, dus me dunkt, dat-ie lang genoeg geslapen -heeft.” -</p> -<p>„O zoo, maar als roepen niet helpt zal ik hem wel op een andere manier wakker krijgen. -Geef dat witte kopje eens aan, Hans.” -</p> -<p>„Wat ga je nou doen?” -</p> -<p>„Zal je wel zien.” -<span class="pagenum">[<a id="pb121" href="#pb121">121</a>]</span></p> -<p>Flip schepte het kopje vol water uit zijn lampetkan en zette het toen op de plank -boven Rob’s hoofd. Een draad garen bond hij om het oor van het kopje. -</p> -<p>Aan het andere einde knoopte hij een lus en schoof dien voorzichtig om een vinger -van Rob. -</p> -<p>„Ziezoo,” zei Flip, „zoo gauw als hij nou maar één beweging maakt, is hij goed wakker -ook.” -</p> -<p>Inderdaad liet het succes dezer nieuwe wek-methode niet lang op zich wachten. -</p> -<p>Rob draaide zich in zijn slaap nog eens om, maar door die beweging trok hij het kopje -water van de plank. -</p> -<p>Pletsch!! -</p> -<p>„Au, m’n hoofd!… brrr!!!” vloog Rob ineens overeind, „wat is dat nou?” -</p> -<p>„Goeiemorgen, Robbie,” zei Flip lachend. „Is U Edele ontwaakt?” -</p> -<p>„Wat een misselijke, kinderachtige streek, Flip,” zei Rob. „Nou is ’t heele bed nat.” -</p> -<p>„Loop heen, dat droogt met die warmte in twee tellen.” -</p> -<p>„Toch gemeen, al m’n goed is drijf.” -</p> -<p>„Ga maar even buiten in de zon hangen.” -</p> -<p>„Doe jij ’t zelf maar.” -</p> -<p>„De kleine kop viel op de groote kop van Robbekop,” plaagde Flip, waarop Rob zijn -kussen greep en dat naar Flip’s „kop” gooide. ’t Kussen vloog weer terug en nu begon -Hans ook mee te doen. Lakens, dekens, kussens zeilden van den eenen hoek naar den -anderen, een waar beddengevecht. Ten slotte rolden ze alle drie met al ’t beddegoed -als een kolossale bal door elkaar, gierend en <span class="pagenum">[<a id="pb122" href="#pb122">122</a>]</span>schaterend van pret. En de zon goot haar gouden ochtendstralen naar binnen en lachte -mee. -</p> -<p>De deur ging open en Jacob Heintze trad binnen. -</p> -<p>„Zeg, wat maken jullie een reuzenherrie!” -</p> -<p>„Wil je ook een beetje op je kop hebben?” inviteerde Flip. -</p> -<p>„Jij bent ook vroeg present,” zei Hans, die uit het kluwen van de dekens en lakens -kroop. -</p> -<p>„O ja, ’k ben al meer dan een uur op,” zei Jacob. „Ik had eigenlijk nòg vroeger willen -opstaan om even naar de Vuursche te gaan.” -</p> -<p>„Waarom?” -</p> -<p>„Om Barend op te zoeken. Vragen, waarom-ie gisteravond niet gekomen is.” -</p> -<p>„Ja,” zei Hans, „daar hadden vader en moeder ’t gisteren ook over.” -</p> -<p>„Zoo?” -</p> -<p>„Ja, vader zei, dat er met Barend tóch niets goeds te beginnen was.” -</p> -<p>Jacob maakte zich driftig over die woorden. -</p> -<p>„Dat is niet waar!” zei hij. „Als Barend niet gekomen is, dan had hij daar goeie reden -voor. Hij was veel te blij, dat-ie komen mocht.” -</p> -<p>„Nou, waarom kwam-die dan niet?” -</p> -<p>„Dat—dat weet ik evenmin als jij. Maar ik zal aan je vader vragen, of ik nog even -naar vrouw Vorstman mag gaan.” -</p> -<p>Jacob Heintze kreeg van mijnheer Bergwoude verlof daar voor. Hij haalde zijn fiets -uit de bergplaats en snorde een oogenblik later den weg af. -</p> -<p>De arme weduwe was al bedrijvig in de weer. -<span class="pagenum">[<a id="pb123" href="#pb123">123</a>]</span></p> -<p>„Dag vrouw Vorstman!” riep Jacob haar toe, terwijl hij van zijn fiets sprong. -</p> -<p>„Zoo Jacob, al zoo vroeg hier? Mooi weer, hè?” -</p> -<p>„Ja, vrouw Vorstman, maar ik wilde u eigenlijk vragen, of u ook weet, waarom Barend -gisteravond niet op Sparrenheide is gekomen.” -</p> -<p>„Wel heb ik ooit! Is hij niet gekomen?” -</p> -<p>„Neen.” -</p> -<p>„En ik heb het nog zóó gezegd. Hij was ook heel blij, dat-ie komen mocht. Hij hoopte, -dat mijnheer Bergwoude hem wat voorthelpen zou.” -</p> -<p>„Ja dat zou-die ook wel doen, maar …” -</p> -<p>Een derde persoon verscheen aan ’t huisje van vrouw Vorstman, veldwachter Bunze. -</p> -<p>Hij scheen verbazend in zijn schik te zijn, want zijn rond en bol gezicht stond zoo -vroolijk, alsof hij pas een erfenis had gekregen. Zonder goeienmorgen te zeggen begon -hij: -</p> -<p>„Nou, vrouw Vorstman, wat heb ik je gezegd? Schooiersvolk is het, gespuis, waar niets -mee te beginnen is!” -</p> -<p>„Man, waar heb je het over?” -</p> -<p>„Nee, je weet er natuurlijk nog niets van, hè? Maar ik wel. D’r is al een brigadier -uit Baarn op de fiets bij mij geweest, en die heeft mij de orders gebracht.” -</p> -<p>„Maar wat is er dan toch?” -</p> -<p>De veldwachter scheen er bijzonder plezier in te hebben, de menschen zoo nieuwsgierig -en ongeduldig te maken, als maar mogelijk was. -</p> -<p>„Wel,” zei-die, „ik moest immers gisteren aan dat galgenaas van een Barend de boodschap -brengen, <span class="pagenum">[<a id="pb124" href="#pb124">124</a>]</span>dat-ie op Sparrenheide komen moest?” -</p> -<p>„Ja—en …” -</p> -<p>„Inplaats van het te doen, is de schavuit gisteravond met zijn vader en Klaas Pos -naar Baarn gegaan om daar in te breken!” -</p> -<p>„Dat kan niet!” riep Jacob verschrikt. -</p> -<p>Veldwachter Buikje keek den jongen met een minachtenden blik aan. Zoo’n ventje durfde -hem tegenspreken? -</p> -<p>Vrouw Vorstman sloeg van verbazing de handen in elkaar. -</p> -<p>„Om in te breken!” herhaalde Bunze met welgevallen. „De oude strooper Ranke en zijn -kameraad Pos zijn beiden gevangen genomen, Barend net zoo goed, en alle drie zijn -ze in <i>preventieve</i> hechtenis genomen. Nou zie-je zelf, vrouw Vorstman, wat voor volk je in je huis haalt! -Geef jij den jongen maar koffie en dikke boterhammen, vandaag of morgen steelt-ie -het beetje nog dat je in huis hebt!” -</p> -<p>Jacob Heintze keek verslagen naar den grond. Hoe was dat nu mogelijk! Barend, die -in een paar weken al zoo vooruitgegaan was, die nu misschien door mijnheer Bergwoude -zelf verder geholpen zou zijn, was in de gevangenis gezet, medeplichtig aan inbraak. -Opeens ging hem een licht op! -</p> -<p>„Ja! zoo is het!” riep hij uit. -</p> -<p>„Wat is zoo?” vroeg Bunze. -</p> -<p>„Wel geloof maar niet, dat Barend uit zichzelf is meegegaan. Zijn vader en Klaas Pos -hebben hem gedwongen. Zij hadden hem noodig.” -</p> -<p>„Wat zou dat dan nog!” vroeg veldwachter Buikje. <span class="pagenum">[<a id="pb125" href="#pb125">125</a>]</span>„Het doet er trouwens ook weinig toe, hoe en waarom de jongen is meegegaan om op den -uitkijk te staan, in elk geval staat vast, dat hij het heeft gedaan, en dat is voor -ons, gerechtsdienaren, voldoende!” -</p> -<p>„En bij wie is er ingebroken,” vroeg vrouw Vorstman. -</p> -<p>„Bij notaris Verhallen. Nou moet-je weten, de jongeheer Verhallen was nog heel laat -wakker en hoorde wat in ’t kantoor. Wat doet de slimmerd! Hij trekt wat kleeren en -z’n pantoffels aan en loopt om het huis heen. Daar ziet-ie iemand op den uitkijk staan -en dus begreep-ie dadelijk, dat er wel een paar kornuiten in ’t kantoor aan den slag -waren. Hij loopt de dorpsstraat in en komt toevallig twee agenten tegen. Die gingen -dadelijk mee en de jongeheer Verhallen loopt weer hard terug op zijn pantoffels en -slaat zóó maar den uitkijk tegen den grond. Hij gaf geen kik, want ze hielden zijn -mond stijf toe, dat verzeker ik je. Nou, en de agenten op de loer, dat begrijp je. -’t Duurde een heel poosje, toen kwamen allebei de sinjeurs naar buiten om te zien, -of alles in orde was. -</p> -<p><span class="corr" id="xd29e1898" title="Niet in bron">„</span>„Waar is de jongen?” vroeg de een. „Die zal wat verderop staan,” zei de ander. „Laten -we eerst zelf eens kijken, of de weg veilig is, voordat we den buit naar buiten halen.” -Ze liepen toen allebei het tuintje door en: kip ik heb je! sprongen de agenten uit -hun hoek. In een oogenblik hadden de schurken de ijzeren polsmofjes aan en gingen -mee. Ik ben blij toe, dat me dat stelletje goed en wel achter de tralies zit. Nou -zie je toch, vrouw Vorstman, wat je met dien jongen in huis had gehaald. Wees maar -blij, dat-ie opgeborgen is. En <span class="pagenum">[<a id="pb126" href="#pb126">126</a>]</span>nou zal ik je groeten, want ik moet de zaak nog verder onderzoeken en rapport uitbrengen.” -En met een zelfbewuste en trotsche houding stapte de veldwachter den weg op. -</p> -<p>Vrouw Vorstman en Jacob waren door dit verhaal geheel uit het veld geslagen. Het leek -Jacob, of de mooie zonnedag opeens een donkere nacht geworden was. Was dat nu alles -wel waar? Was Barend werkelijk tot zóó iets in staat? Het was bijna onmogelijk! -</p> -<p>„Neen, vrouw Vorstman,” zie hij, „ik kàn het niet gelooven! En als het tòch waar is, -dan heeft Ranke hem gedwòngen om mee te gaan!” -</p> -<p>„Ik geloof het ook, jongeheer,” zei ze verdrietig. „Och, och, die arme Barend in de -gevangenis!” -</p> -<p>Wanneer het Jacob’s eigen broer geweest was, kon hij niet verdrietiger geweest zijn -dan hij nu was. In een zeer treurige stemming verliet hij vrouw Vorstman en reed naar -Sparrenheide terug, waar hij mijnheer Bergwoude en Hans vertelde, wat er gebeurd was. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Het gebeurde van dien nacht had Bram’s zenuwen geducht geschokt. Toen alles afgeloopen -was en Ranke met Pos en Barend door de agenten waren weggeleid, zat Bram bevend bij -zijn inmiddels gewekte ouders in de kamer. Hij begreep zelf niet, hoe hij zoo kalm -was gebleven, hoe hij niet één oogenblik bang was geweest om den vreemden schildwacht -neer te leggen. Barend Ranke, de boschjongen! Hoe was het mogelijk? Zoo jong nog en -dan al een dief! -</p> -<p>De heer en mevrouw Verhallen prezen hun jongen, maar Bram <span class="corr" id="xd29e1912" title="Bron: gimlachte">glimlachte</span> flauwtjes. Zijn moeder maakte <span class="pagenum">[<a id="pb127" href="#pb127">127</a>]</span>zich echter steeds meer bezorgd en eindelijk begon ook zijn vader langzamerhand tot -het inzicht te komen, dat het met Bram toch niet heelemaal in orde was. -</p> -<p>Er werd dien nacht lang niet rustig meer geslapen en ’s morgens had Bram zulk een -bonzende hoofdpijn, dat hij niet kon opstaan. Met den besten wil niet. De dokter werd -gehaald en dadelijk luidde zijn meening: -</p> -<p>„Zenuw-overspanning. Absolute rust houden. Zachte slaappoeders innemen.” -</p> -<p>De dokter schreef Bram’s toestand enkel en alleen aan de nachtelijke gebeurtenis toe, -hij meende, dat Bram ten gevolge van een grooten schrik ziek was geworden. -</p> -<p>Maar mevrouw Verhallen wist wel beter. -</p> -<p>Den volgenden dag sprak zij er eens met den dokter over. -</p> -<p>„Ik vond het beter, om het u eens te zeggen,” begon ze. „Ik maakte mij al sinds eenigen -tijd zoo ongerust over onzen jongen, ’t is niet vanwege dien inbraak, ziet u. Bram -zit avond aan avond, soms wel tot na tien uur, huiswerk te maken en te leeren, en -meestal begint hij daar al om zes uur aan. Ik vind dat veel te erg, mijn man denkt -er anders over, maar ik verzeker u, dokter, de jongen kan dat niet volhouden. Hij -is niet dom, maar er wordt te veel van hem gevergd. Hij gaat er steeds betrokkener -uitzien, slaapt te weinig en speelt maar eens een heel enkele keer met andere jongens.” -</p> -<p>De dokter knikte. Hij begreep het volkomen. -</p> -<p>„Mevrouw,” sprak hij, „wanneer jongens in hun schooljaren goed hun best doen en hard -werken, zal hun dat later ten goede komen. In den tegenwoordigen <span class="pagenum">[<a id="pb128" href="#pb128">128</a>]</span>tijd moet een mensch nu eenmaal meer weten dan vroeger, de examens worden al zwaarder -en zwaarder en de eischen, die de maatschappij stelt, eveneens. Maar of we nu daarom -de kinderen al hun vrijen tijd moeten ontnemen en hen volstampen met allerlei boekengeleerdheid, -dat is een vraag, waarop ik zeer sterk: neen, antwoord. Intusschen zijn er leerlingen, -die dat overmatige werken en leeren onmogelijk kunnen volhouden en u doet er zeer -verstandig aan, mij op dat geval met uwen zoon te wijzen. We mogen in geen geval van -zoo’n flinken, gezonden jongen een zenuwlijder maken. Laat hem voorloopig maar eens -rust houden en dan zullen we zien, wat we verder met hem doen zullen.” -</p> -<p>Mevrouw dacht over Instituut Sparrenheide. -</p> -<p>Zij sprak er met mijnheer Verhallen over. -</p> -<p>Ook de dokter vond dat besluit zeer verstandig en ten slotte gaf de notaris toe. -</p> -<p>Na de groote vacantie zou Bram naar Sparrenheide gaan, zeker wel tot groote vreugde -van hemzelf en van Hans, Flip en Rob, de drie jolige broers! -</p> -<p></p> -<div class="figure xd29e1934width"><img src="images/o081.png" alt="Ornament." width="157" height="55"></div><p> -<span class="pagenum">[<a id="pb129" href="#pb129">129</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch14" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd29e2951">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/o013.png" alt="Veertiende Hoofdstuk." width="566" height="91"></div> -<h2 class="label">Veertiende Hoofdstuk.</h2> -<h2 class="main">Veldwachter Buikje en de Boschgeesten.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="xd29e155"><span class="xd29e155dc initdropcap">W</span><span class="xd29e155adc afterdropcap">e zullen niet in bijzonderheden nagaan, wat er in de eerstvolgende weken gebeurde -met Barend, Ranke en Pos. -</span></p> -<p>Het was te danken aan de voorspraak van mijnheer Bergwoude, Jacob Heintze en moeder -Vorstman, dat Barend spoedig in vrijheid werd gesteld. Er was bij het onderzoek gebleken, -dat Barend door zijn vader gedwongen was mede te gaan, maar er was ook nog een oude -historie aan het licht gekomen! Ranke, de strooper, had verschillende gereedschappen -en werktuigen gekocht en Pos had aan den rechter verteld, dat Ranke het geld, waarmede -hij die dingen betaald had, eenigen tijd geleden in het bosch gevonden had. Het was -een biljet van tien gulden en het zat in een oude portemonnaie. De portemonnaie had -Ranke weer op den grond geworpen. -</p> -<p>De twee stroopers en dieven werden tot verscheidene <span class="pagenum">[<a id="pb130" href="#pb130">130</a>]</span>jaren gevangenisstraf veroordeeld. Barend werd als tuinmansjongen op Sparrenheide -aan het werk gezet en kwam bij moeder Vorstman in huis. -</p> -<p>Allen waren zeer tevreden met den goeden afloop der gebeurtenissen en niet het minst -Jacob Heintze, die nooit aan de goede trouw van Barend had getwijfeld. -</p> -<p>Maar één was er, die zich bij dat alles eenigszins anders gedroeg. En dat was Bunze, -veldwachter Buikje! De dikzak was heelemaal niet ingenomen met het feit, dat Barend -zoo voortgeholpen werd. Het speet hem verbazend, dat hij in het minst geen deel genomen -had aan de arrestatie der inbrekers, maar hij vertelde toch aan iedereen, die het -hooren wilde, dat hij voortaan met nog veel meer gestrengheid optreden zou, om de -veiligheid en de rust in de omgeving te bewaren. -</p> -<p>Speciaal lette hij nu op de jongens van Sparrenheide, die vaak in „zijn” bosschen -kwamen spelen. Hij liet het minste of geringste niet meer toe en stelde zich aan als -een tiran. Dat begon deze jongens te vervelen. Als zij zich maar even in het bosch -van Drakenstein vertoonden, zagen zij het dikke gezicht van Buikje al op hen loeren. -</p> -<p>Daarom hielden de jongens op zekeren dag krijgsraad. Ze waren met hun tienen bij de -Echo verzameld en zaten of lagen op den boschgrond. -</p> -<p>„Waar zullen we hem eens een poets mee bakken?” vroeg Rob, die zich wel het meest -aan den veldwachter ergerde. -</p> -<p>Ja, dat was een moeilijke kwestie. ’t Was in elk geval de veldwachter zie je, en al -hadden de jongens nu <span class="pagenum">[<a id="pb131" href="#pb131">131</a>]</span>meer ontzag voor den man z’n jas met de blinkende knoopen en de pet met den gouden -bies dan om Bunze zelf, je moest er voorzichtig mee zijn. -</p> -<p>Maar juist dàt maakte de zaak nog interessanter. -</p> -<p>„We zullen hem een kistje klapsigaren thuis sturen,” zei de een. -</p> -<p>„Neen daar hebben wij niets aan. We moeten er zelf ook plezier van hebben.” -</p> -<p>„Stop hem dan een kikker onder zijn pet.” -</p> -<p>„Of spijker de blinden van zijn ramen vast.” -</p> -<p>„Doe een ons peper in zijn snuifdoos.” -</p> -<p>Zoo wist ieder wat. Als de veldwachter al deze folteringen had moeten doorstaan, dan -had het er treurig met den man uitgezien. -</p> -<p>„Neen jongens,” zei Hans, „daar hebben we allemaal niets aan. Ik geloof dat ik een -beter plannetje weet. Luister eens, je moet dan weten, dat Buikje verbazend bijgeloovig -is, zooals de meeste menschen op de Vuursche. Daarom gaan er ook allerlei dwaze verhalen -uit het bosch hier bij de lui rond. Jullie hebt er natuurlijk wel eens een paar van -gehoord.” -</p> -<p>„Neen, ik niet, ik niet,” klonk het hier en daar. -</p> -<p>„Nou, we zitten hier toch zoo gezellig bij elkaar … wil ik er eens een vertellen?” -</p> -<p>„Ja, ja, vertellen!” riepen ze allemaal. -</p> -<p>„Goed dan,” zei Hans, „de legende, die ik je vertellen zal heet „De geschiedenis van -de drie Boschgeesten.” -</p> -<p>Het was ten tijde, dat Karel de Groote over Holland regeerde. Het bosch van Drakenstein -bestond toen ook al, maar was veel uitgestrekter. Nu zijn er groote stukken <span class="pagenum">[<a id="pb132" href="#pb132">132</a>]</span>bosch verdwenen, maar in dien tijd was ’t één en al woud. Je moet niet denken, dat -er, net als nu, alleen maar wat vogeltjes en konijnen en een paar herten te vinden -waren, neen, je had er nog wilde zwijnen, wolven, vossen en slangen in overvloed. -Het kasteel Drakenstein bestond nog niet, maar wel was er op diezelfde plaats een -hoeve, die bewoond werd door de gebroeders Wer en Ner. Dat waren zoogenaamde roofridders, -die zelf niets bezaten en alleen leefden, van hetgeen zij anderen ontstalen——— -</p> -<p>Opeens riep Flip: „Daar komt de veldwachter!” -</p> -<p>Inderdaad! daar kwam Bunze aan. -</p> -<p>De jongens waren teleurgesteld, maar Hans zei: -</p> -<p>„Zitten blijven, jongens. Ik vertel toch.” -</p> -<p>„Wat voeren jullie hier uit?” vroeg Bunze op barschen toon. -</p> -<p>„Wij vertellen verhalen, <i>mijnheer</i> Bunze,” zei Hans beleefd. -</p> -<p>„Zoo, vertel maar. Ik wil dat moois ook wel eens hooren.” -</p> -<p>„Heel goed, <i>mijnheer</i> Bunze. Nou jongens, ik zei dan, dat de broeders Wer en Ner alleen van roof leefden, -en de bewoners waren grootendeels heidenen, die er hun eigen goden op na hielden. -Je weet wel, dat Wotan of Wodan een van die goden was. Toen nu <span class="corr" id="xd29e1990" title="Bron: d">de</span> roofridders Wer en Ner niet ophielden met het uitrooven en uitplunderen van den geheelen -omtrek, riepen de hier wonende volksstammen hunne goden aan en smeekten Wodan, hen -te beveiligen tegen de woeste, onmeedoogende roofridders. Wodan verhoorde het smeeken -der volksstammen en zond een reusachtige, <span class="pagenum">[<a id="pb133" href="#pb133">133</a>]</span>vurige draak naar deze bosschen, die de broeders Wer en Ner zou verslinden. Maar inplaats -dat de draak de roofridders verslond, begon het geweldige dier van honger heele bosschen -achter elkaar te verslinden, vandaar de vele groote heideplekken in den omtrek. En -als ’t ware om den toestand nog erger te maken verscheen een nieuwe roover en brandstichter -in deze streken, genaamd Rador. De broeders Wer en Ner bemerkten nu het gevaar, waarin -zij verkeerden. Zij hadden nu twee machtige vijanden, Rador en de draak. De draak -scheen ten slotte begrepen te hebben, dat hij hier niet was aangesteld als boomenhakker -en boschontginner, maar om een einde te maken aan de geweldenarijen van Wer en Ner. -Daarom ging de draak op zekeren dag naar de hoeve om de broeders te dooden. Het geweldige -dier, dat boven de boomen uitstak, naderde met veel geweld en passeerde onderweg de -grot, waarin Rador verblijf hield. Rador kwam naar buiten, om te zien, wat daar toch -zulk een ontzaglijk gedruisch in het bosch veroorzaakte. Maar nauwelijks kwam hij -buiten de grot of de draak sloeg hem met een geweldigen slag neer en verslond hem -met huid en haar. -</p> -<p><span class="corr" id="xd29e1996" title="Niet in bron">„</span>De broeders Wer en Ner hadden al meermalen gehoord van den ontzettenden draak, die -hier in den omtrek verblijf hield. Nu zij hem echter op de hoeve zagen afkomen, verzamelden -zij al hun krijgsknechten om zich heen en trokken het monster te gemoet. Wer en Ner -gingen aan het hoofd van den troep, maar er was geen vechten tegen het reusachtige -dier. Wer en Ner werden beiden door den draak doodgeslagen en verslonden. Vreemd genoeg -liet het monster de overige <span class="pagenum">[<a id="pb134" href="#pb134">134</a>]</span>mannen ongedeerd, die in de grootste ontsteltenis en verwarring naar alle zijden de -vlucht namen. -</p> -<p><span class="corr" id="xd29e2002" title="Niet in bron">„</span>Ook de hoeve van de roofridders werd door den draak, die vlammen braakte, totaal vernietigd -en daarna heeft niemand ooit iets meer gezien, van het dier, dat Wodan op aarde gezonden -had. Maar wel werd het bosch sinds dat oogenblik bewoond door drie geesten, de boschgeesten. -Dat zijn de broeders Wer en Ner en Rador. Elken avond met de schemering komen zij -uit de Grot te voorschijn en zoeken naar den draak, om zich op hem te wreken. Wie -een van die geesten ontmoet, moet zeer voorzichtig zijn. Hem dreigt gevaar van alle -kanten. Ziezoo, en dit is nu de geschiedenis van de drie boschgeesten.<span class="corr" id="xd29e2004" title="Niet in bron">”</span> -</p> -<p>Ze vonden ’t allemaal mooi en de veldwachter was er heelemaal van onder den indruk -gekomen. -</p> -<p>„Is dat heusch waar?” vroeg hij aan Hans. -</p> -<p>„Beslist waar,” zei Hans met een stalen gezicht. Maar de bengel vertelde er niet bij, -dat hij met opzet het laatste deel van de geschiedenis er maar bij gemaakt had. De -andere jongens begrepen dat wel, want Hans had hen een knipoogje gegeven. -</p> -<p>„Ik heb wel eens hooren vertellen van geesten, die in het bosch wonen,” zei Bunze, -„maar van deze heb ik nooit gehoord. Je kunt anders geheimzinnige geschiedenissen -beleven in het bosch. Zoo kan het bijvoorbeeld ’s avonds in de kapel leelijk spoken.” -</p> -<p>„Och kom, Bui — — Bunze,” versprak Flip zich. -</p> -<p>„Er bestaan immers geen spoken!” zei Rob. -</p> -<p>Maar Hans gaf Rob een knipoogje en zei: -</p> -<p>„Wat, bestaan er geen spoken? Je kunt er ’s avonds <span class="pagenum">[<a id="pb135" href="#pb135">135</a>]</span>genoeg zien, nietwaar Bunze?” -</p> -<p>„Nou, nou … genòeg is wat erg … maar dàt ze bestaan … is zoo zeker als dat mijn naam -Bunze is!” -</p> -<p>„Willen wij morgen avond de drie boschgeesten eens gaan zien, jongens?” -</p> -<p>„Ja, ja, dat is goed.” -</p> -<p>Bunze aarzelde even, hij was wat griezelig van die avonturen, maar ten laatste zei -hij: -</p> -<p>„Wees maar voorzichtig, jongens. Met geesten valt niet te spotten. Ik zal er bij wezen -om jullie te beschermen.” -</p> -<p>„Ja, Bunze, doe dat!” zei Hans. „Dan behoeven wij ook niet bang te zijn. Wij komen -morgen avond om acht uur bij de grot.” -</p> -<p>„Goed, goed,” hernam de dikke veldwachter, „en ik zal er zijn en mijn karabijn meebrengen. -Men kan nooit weten.” -</p> -<p>Daarop vertrok Bunze. -</p> -<p>Maar nauwelijks was hij uit de buurt, of de tien jongens rolden met de beenen omhoog -over den grond van het lachen, knepen elkander in de beenen en trokken aan elkanders -haren. -</p> -<p>„Zeg lui, is-die prachtig?” -</p> -<p>„O, die veldwachter Buik, ik lach me een pruik!” zei Flip. -</p> -<p>„Wat toevallig, dat-ie net ’t verhaal hooren kon!” -</p> -<p>„Maar wat doen we morgen nou, Hans?” -</p> -<p>„Dat zal ik je vertellen! Luistert allemaal.” -</p> -<p>En daarop zette hij zijn kameraden een plannetje uiteen, dat dienen moest om veldwachter -Bunze een poets te bakken. -<span class="pagenum">[<a id="pb136" href="#pb136">136</a>]</span></p> -<p>Allen keurden het goed en niemand zou er iets van aan de anderen zeggen. En het mooiste -was, dat ze allemaal wat te doen zouden hebben bij de uitvoering van het plannetje. -Hans had dat zoo gewild, het zou voor allen veel leuker zijn. En wat een pret, om -dien veldwachter Buikje, die altijd zoo voornaam en gewichtig en gewèldig deed alsof -hij de Keizer van de Lage Vuursche was, een toontje lager te hooren zingen! -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Den volgenden avond om zeven uur al trok ons tiental, de drie jolige broers aan het -hoofd, er op uit. Hans, Flip en Rob droegen ieder een pakje onder den arm, de andere -jongens hadden de meest vreemdsoortige en uiteenloopende voorwerpen en muziekinstrumentjes -bij zich. Een torpedo-fluitje en een klappertjes-pistool, een eind ijzeren ketting -en een kinderrateltje, een paar blikken deksels en zelfs had een der jongens zijn -viool meegenomen. -</p> -<p>Om half acht waren de jongens bij de grot. -</p> -<p>Hans gaf ieder der jongens een plaats tusschen struiken en boomen. Daarop reikte hij -het pakje, dat hij onder den arm had, aan Albert de Hooge over en fluisterde hem nog -een paar woorden toe. Toen ieder zijn plaats had en Albert in de Grot was gegaan, -wandelde Hans wat op en neer en drukte allen nogmaals op het hart, zeer stil te zijn. -Om acht uur werd het al aardig duister in het bosch, hoewel het op de heide nog vrij -licht was. -</p> -<p>Hans wachtte, wachtte, en eindelijk zag hij Bunze aankomen. -</p> -<p>„Goeienavond, Bunze,” riep Hans hem reeds op een <span class="pagenum">[<a id="pb137" href="#pb137">137</a>]</span>afstand toe, zoo dat nu tevens alle samenzweerders wisten, dat de veldwachter er was. -</p> -<p>„Ben je maar alléén?” vroeg Bunze. -</p> -<p>„Ja, er was geen denken aan, dat de anderen méé mochten. Mijn vader wilde het niet -hebben. Maar ik mocht wel eens gaan kijken naar de drie boschgeesten. Vader heeft -mij echter gezegd, dat ik heel erg voorzichtig moest zijn. Als men maar niet omkijkt -en steeds rechtdoor loopt, kunnen zij geen kwaad doen. Maar wanneer men omkijkt is -men voor goed verloren. Dat zei Vader.” -</p> -<p>Hans draaide zijn hoofd naar een anderen kant, terwijl hij dit zeide, want hij stikte -haast van het lachen. -</p> -<p>„Zoo, heeft uw vader dat gezegd,” zei Bunze. „Dan zullen wij ook op onze hoede zijn -en niet omkijken.” -</p> -<p>„Wàt er ook gebeure!” zei Hans. -</p> -<p>„Ja, wat er ook gebeure!” -</p> -<p>Zij stonden nu voor de grot. -</p> -<p>„Wil ik er eens ingaan?” vroeg Hans. -</p> -<p>„O, doe dat niet, Hans, doe dat niet!” -</p> -<p>„Och, waarom niet. Kijk eens, Bunze, je moet namelijk weten, ik geloof heelemaal niet -aan spoken.” -</p> -<p>„Ach Hans, hoe kan je zoo spreken,” zei veldwachter Bunze, die door de raadgevingen -van Hans’ vader heelemaal van de wijs was gebracht. „Denk toch eens, wat je vader -gezegd heeft.” -</p> -<p>„Nu ja, ik zal ook wel voorzichtig zijn,” antwoordde Hans en tegelijkertijd schoot -hij de grot in. In een hoek daarvan zat Albert met een wit laken bij zich. -</p> -<p>„Sssst,” fluisterde Hans, „hier is de electrische zaklantaarn, je weet er alles van.” -<span class="pagenum">[<a id="pb138" href="#pb138">138</a>]</span></p> -<p>En Hans kwam er haastig weer uit. -</p> -<p>„Ik heb hooren zuchten!” zei hij tot den veldwachter. -</p> -<p>Deze keek in de pikdonkere grot, waar opeens een schitterend licht een witte gedaante -bescheen. -</p> -<p>„De geest van Rador!” riep de veldwachter en ging al aan de haal. Bleek als een stukje -kinderzeep vloog hij naar het dorp om daar aan zijn zuster en allen, die het hooren -wilden, te vertellen, dat het bosch van Drakenstein vanavond weer wemelde van geesten -en spoken, brrr … -</p> -<p>De jongens hadden het pistool, de viool en de verdere spookbenoodigdheden wel thuis -kunnen laten. Hoeveel pret zij ook gehad hadden, zij vergaten, dat wie het laatste -lacht, toch altijd nog het beste lacht, zooals we dat later zullen zien. -</p> -<p></p> -<div class="figure xd29e2071width"><img src="images/o138.png" alt="Ornament." width="96" height="92"></div><p> -<span class="pagenum">[<a id="pb139" href="#pb139">139</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch15" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd29e2960">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/o023.png" alt="Vijftiende Hoofdstuk." width="565" height="79"></div> -<h2 class="label">Vijftiende Hoofdstuk.</h2> -<h2 class="main">Bram als leerling op Sparrenheide.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="xd29e155"><span class="xd29e155dc initdropcap">A</span><span class="xd29e155adc afterdropcap">ugustus brak aan met zijn vacantiedagen. Alle leerlingen gingen naar hunnen ouders -en de familie Bergwoude bracht dien tijd te Scheveningen aan strand en zee door. Op -twee September begonnen de lessen weer en den dag tevoren keerden bijna alle leerlingen -weer terug en kwamen ook enkele nieuwelingen. -</span></p> -<p>Die niet meer terugkeerden, dat waren de oudsten, die alle klassen doorloopen hadden -en degenen, die op Sparrenheide hersteld waren van hun vroegeren ziekelijken toestand -en nu weer het gewone onderwijs in de stad konden volgen. -</p> -<p>Dien eersten September was het dan ook een voortdurend af en aanrijden van rijtuigen -met koffers. Sommigen kwamen uit de richting Hilversum, anderen weer uit de richting -Baarn of Utrecht. -</p> -<p>En allen werden door Mijnheer en Mevrouw Bergwoude <span class="pagenum">[<a id="pb140" href="#pb140">140</a>]</span>van harte verwelkomd. O, instituut Sparrenheide had heelemaal niets van een gesticht -of een kazerne, zooals zoovele kostscholen. Het was er maar een groote familiekring -en daarom waren er ook nooit meer dan een dertig à vijf en dertig leerlingen. Mijnheer -Bergwoude en zijn vrouw beschouwden zich als vader en moeder van de aan hun zorgen -toevertrouwde jongens en meisjes en daarom werden de meeste maaltijden ook aan één -tafel gebruikt. Door dien maatregel voelden de kinderen zich op Sparrenheide werkelijk -thuis. -</p> -<p>Toen Bram dien dag naar het instituut vertrok, was hij toch wel eerst een beetje weemoedig -gestemd. Hij was tot nog toe altijd bij zijn ouders in huis geweest, had er zijn eigen -kamer gehad en was er door zijn lieve moeder verwend met al de talrijke lieve dingen, -die een goede moeder voor haar eenigen jongen doet. -</p> -<p>Maar de ontvangst op Sparrenheide door het echtpaar Bergwoude en de drie jolige broers -was zóó hartelijk, dat Bram het eigenlijk heelemaal niet meer verdrietig vond. Om -hem te plezieren was er op de kamer van Hans, Flip en Rob een vierde ledikant gezet -voor hem, zoodat hij als het ware heelemaal in het gezin werd opgenomen. -</p> -<p>Hij had een grooten koffer met allerlei snuisterijen van zijn kamer meegebracht, die -de bewondering der broers wekten. Zij hielpen hem bij het uitpakken en daarbij bleek, -dat Bram voor ieder een cadeautje had meegebracht. -</p> -<p>Hans kreeg een prachtig inktstel, Flip een juweel van een verfdoos en Rob een keurig -plantenalbum. -</p> -<p>Zóó deed Bram zijn intocht op de jongenskamer, <span class="pagenum">[<a id="pb141" href="#pb141">141</a>]</span>waar hij zóó door allerlei dingen in beslag genomen werd, dat hij geen tijd had om -treurig te zijn over de verandering in zijn leven. -</p> -<p>Den volgenden morgen, waarop de lessen weer een aanvang zouden nemen, was Flip het -eerste wakker. -</p> -<p>Hoewel het verplichte uur van opstaan pas om zeven uur was, waren Hans en Flip meestal -een uur te voren al op de been. -</p> -<p>Rob niet. Rob stond geen minuut eerder op dan zeven uur, al gooiden ze twintig kopjes -water op zijn hoofd. -</p> -<p>Maar met Bram was dat een ander geval. -</p> -<p>Flip trok den slapenden makker even aan den neus. -</p> -<p>„Hola, mijn roode broeder Arendsoog!” riep hij. „Het Groote licht staat al hoog aan -den hemel! De Mohikanen wachten u, dapper opperhoofd. Zij hebben de strijdbijl opgegraven!” -</p> -<p>Bram knorde eens en deed loom de oogen open. -</p> -<p>„Wa … wat kletsen jullie … ’k heb zoo’n slaap.” -</p> -<p>„De bleekgezichten bestormen de wigwams, zij hebben een verbond gesloten met de Comanchen,” -zei Hans. -</p> -<p>„M’n zorg,” bromde Bram en draaide zich om. -</p> -<p>„Nee, om den drommel niet, Arendsoog!” zei Flip, „ben je heelemaal besuikerpeerd, -zóó zijn we niet getrouwd! Och Hans en Rob helpen jullie eens even. We zullen het -slaperige opperhoofd even met de dekens en al op het balcon leggen. -</p> -<p>De drie broers sjouwden Bram met dek en al naar buiten. Maar Bram trok zich daar bitter -weinig van aan en sliep rustig door. Maar toen Hans en Flip een soort Indiaansche -oorlogsdans om hem heen uitvoerden en <span class="pagenum">[<a id="pb142" href="#pb142">142</a>]</span>hij bij die bewegingen nog al eens in aanraking met hun voeten kwam, werd het hem -toch al te bar. Hij sprong ineens overeind en trok ze allebei op den grond, rolde -langs het heele balcon met hen over den vloer en maakte een spektakel, dat alle deuren -opengingen en de pas ontwaakte jongens met verbazing keken naar die gekke vertooning! -</p> -<p>Bram was onder die bedrijven geheel wakker geworden. Toen hij zich gewasschen en gekleed -had, ging hij met Hans en Flip eens den tuin in. Daar liep ook een andere nieuweling, -die Gerard Beker heette. -</p> -<p>Flip, de eeuwige clown, had dadelijk weer een nieuwe grap in ’t hoofd. -</p> -<p>„Zeg,” sprak hij tot Bram, „dat is ook een nieuwe jongen. Hij is stokdoof. Als je -tegen hem praat, mag je wel hard schreeuwen.” -</p> -<p>„Zoo,” zei Bram, „ik zal er aan denken.” -</p> -<p>Tien minuten later—Bram liep met Hans in ’t aangrenzende bosch—zag Flip Gerard Beker -op een andere plaats in den tuin. -</p> -<p>„Die nieuwe jongen van daarnet heet Bram Verhallen,” zei hij, „als je tegen hem praat, -mag je wel hard schreeuwen, want hij is stokdoof.” -</p> -<p>En Flip verdween, maakte een omweg en zorgde, dat Bram weer in de buurt van Gerard -kwam. Daarop ging hij met Hans weg, doch zorgde wel, in de buurt te blijven. -</p> -<p>Bram keek Gerard eens aan en glimlachte. -</p> -<p>Gerard glimlachte uit beleefdheid terug. -</p> -<p>„Goeienmorgen!!!” schreeuwde Bram, „heb je goed geslapen!!!” -<span class="pagenum">[<a id="pb143" href="#pb143">143</a>]</span></p> -<p>„Jáááá!!” gilde Gerard terug. „Jij óóóóók??!!” -</p> -<p>Achter een denneboschje knepen Hans en Flip zich de neuzen dicht van het lachen. -</p> -<p>„Ik heet Verhallen!!” brulde Bram weer, die verbaasd was, dat de ander zoo schreeuwde. -</p> -<p>„En ik heet Bééééker!!!” loeide Gerard, die ’t evenmin snapte, waarom Bram ook zoo -hard riep. -</p> -<p>„Je hoeft niet zoo hard te schreeuwen!!” gilde Bram. -</p> -<p>„Jij ook niet! Ik ben niet dóóf!!!” -</p> -<p>Toen was er aan beide kanten enorme verbazing. -</p> -<p>„Die is goed!” zei Bram op gewonen toon. „Ik dacht, dat je stokdoof was!” -</p> -<p>„Ben jij het dan niet?” vroeg Gerard. -</p> -<p>„Net zoo min als jij,” zei Bram. „Dat heeft Flip ons gelapt! Ik zal het hem betaald -zetten!” -</p> -<p>Daar kwam Bosman, de oude, doove huisknecht. -</p> -<p>„Hebben de jongeheeren al ontbeten?” vroeg hij. -</p> -<p>„Neen,” antwoordde Gerard, „waar moeten wij zijn?” -</p> -<p>„Wijn? Neen, u krijgt geen wijn,” zei Bosman, die natuurlijk weer verkeerd had verstaan. -</p> -<p>„Dat zeg ik niet,” lachte Gerard, „ik vraag, wáár moeten wij zijn?” -</p> -<p>„Foei, ben ik een zwijn? Mag u dat zeggen?” -</p> -<p>„Die schijnt ook al doof te zijn,” sprak Gerard tot Bram. -</p> -<p>Bram lachte. -</p> -<p>„Ja, maar Bosman is het heusch! Kom maar mee, ik weet hier den weg wel.” -</p> -<p>In de eetzaal zag het er gezellig uit. Er waren twee tafels. Eén voor de meisjes, -één voor de jongens. Daar <span class="pagenum">[<a id="pb144" href="#pb144">144</a>]</span>tusschen in de heer en mevrouw Bergwoude. -</p> -<p>Mijnheer Bergwoude verwelkomde de leerlingen op dezen eersten morgen van den nieuwen -cursus. In het bijzonder de nieuwelingen. Hij hoopte, dat zij spoedig zich op Sparrenheide -zouden thuisvoelen. En het beste middel daartoe was, om in de eerste plaats zooveel -mogelijk te eten en altijd een prettig gezicht te zetten. De rest kwam vanzelf wel. -</p> -<p>Na het ontbijt nog even rondwandelen en om negen uur begon de school. -</p> -<p>Bram kwam in dezelfde klasse van Hans. Zij kwamen naast elkander te zitten. -</p> -<p>En dadelijk al bemerkte Bram, dat het leeren hier veel lichter en gemakkelijker ging -dan op zijn vorige school. Het ging wel heel langzaam, maar hij begreep alles veel -beter en dat vond hij prettig. De les duurde tot 11 uur en toen gingen ze een uur -in het bosch spelen. Van 12–1 was er weer les en daarna werd het middagmaal gebruikt. -Wie er lust in had, mocht ook om 11 uur in het pauze-uurtje iets gebruiken. Toen het -eten was afgeloopen, werd er tot 3 uur liggend gerust. Bram kreeg een hangmat en bond -die aan twee boomen. Dat rustuurtje vond hij heerlijk en hij sliep, eer hij het wist. -Dat kwam van de boschlucht. -</p> -<p>En na dat slaapje, dat tot 3 uur duurde, kwam er iets aardigs. Bram werd ingedeeld -bij een clubje jongens, die handenarbeid gingen doen, en wel het leeren timmeren van -houten voorwerpen. -</p> -<p>Meester Hooghuizen was in het slöjdwerk zeer bedreven. In de zaal, waar de jongens -timmeren konden, waren tal van aardige dingen tentoongesteld, die de <span class="pagenum">[<a id="pb145" href="#pb145">145</a>]</span>leerlingen vroeger al hadden gemaakt. -</p> -<p>Dat was iets nieuws voor Bram. Hij vond het zeer prettig en deed zijn best, alles -goed te onthouden. En wat de leerlingen vervaardigden, mochten zij zelf behouden -of het aan hunne ouders sturen. -</p> -<p>Dat timmerwerk duurde ook al weer een uur en daarna ging het groepje in den tuin werken. -</p> -<p>Wéér iets nieuws voor Bram, thuis had hij altijd met veel genoegen in den tuin gewandeld -of gezeten, maar die werd steeds in orde gehouden door een vasten tuinman, en Bram -had nog nooit een boompje geplant of een zaadje uitgestrooid. -</p> -<p>Nu hij dat zelf allemaal doen mocht, vond hij het plantenrijk nog veel aardiger en -leerde hij de boomen en de bloemen liefhebben en ze verzorgen als hulpbehoevende kindertjes. -</p> -<p>Na den tuinarbeid mocht hij wat gaan lezen in een boek, dat mijnheer Bergwoude hem -gaf. En als huiswerk had hij op zijn kamer twee sommen te maken. Dat was alles. -</p> -<p>Om zeven uur werd het avondeten gebruikt. Vroeger at men het middagmaal om zes uur, -maar met den nieuwen cursus had de directeur daarin verandering gebracht. Men at om -1 uur en om 7 uur werd de avondboterham gebruikt. Evenals in de morgenrust konden -de leerlingen ook tusschen 3–5 uur iets gebruiken, als zij daar trek in hadden, wat -bij de meesten dan ook steeds het geval was. -</p> -<p>Om acht uur kwamen ze buiten het huis in den tuin bijeen voor het gewone verteluurtje. -Meester Hooghuizen begon dien avond met een prachtige vertelling. -<span class="pagenum">[<a id="pb146" href="#pb146">146</a>]</span></p> -<p>En toen Bram na dien eersten kostschooldag in bed stapte, moest hij erkennen, dat -alles even prettig was geweest. De schoolles zoowel als de handenarbeid en het tuinwerk, -de gezellige maaltijden, en het heerlijke verteluurtje! En met het heerlijke, rustige -gevoel, dat hij nu eens niet zoo zenuwachtig-hard behoefde te blokken, maar toch kalm -voortleeren kon, sliep hij in met een glimlach van tevredenheid om den mond. -</p> -<p></p> -<div class="figure xd29e2171width"><img src="images/o146.png" alt="Ornament." width="313" height="118"></div><p> -<span class="pagenum">[<a id="pb147" href="#pb147">147</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch16" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd29e2969">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/o034.png" alt="Zestiende Hoofdstuk." width="562" height="67"></div> -<h2 class="label">Zestiende Hoofdstuk.</h2> -<h2 class="main">Wat Hans van plan was.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="xd29e155"><span class="xd29e155dc initdropcap">B</span><span class="xd29e155adc afterdropcap">ram ontwaakte den tweeden morgen veel vroeger nog dan Hans en Flip. Nadat hij zich -gewasschen en gekleed had, ging hij een brief aan zijn ouders schrijven. -</span></p> -<p>Deze luidde aldus: -</p> -<blockquote> -<p class="first address">Instituut Sparrenheide -</p> -<p class="dateline">3 September 19.. -</p> -<p class="salute">Lieve Vader en Moeder, -</p> -<p>Ofschoon ik pas twee dagen hier ben, kan ik toch niet nalaten U beiden eens even te -vertellen, hoe prettig ik het hier vind. Iedereen is even aardig en vriendelijk voor -mij en de eerste werkdag is voor mij een plezierdag geweest. Wel is er nog veel nieuw -voor me en ongewoon, maar het zal <span class="pagenum">[<a id="pb148" href="#pb148">148</a>]</span>wel gauw wennen. Ik ben op dezelfde kamer met <span class="corr" id="xd29e2194" title="Bron: Hein">Hans</span>, Flip en Rob en terwijl ik dit schrijf liggen zij alle drie nog te snurken. Ik mis -U beiden wel en telkens verlang ik toch zoo naar U, maar ik kom elken Zondag naar -U toe en zoo zie ik U toch elke week. Je leert hier zoo van alles en dat is heel prettig. -Gisteren heb ik les gehad in timmeren en ook hebben we tuinarbeid gehad. Op het oogenblik -weet ik niet meer. Nu dag beste vader, dag lieve moeder, ik hoop U Zondag veel te -kunnen vertellen. -</p> -<p>Weest hartelijk gegroet van Uw éénen jongen -</p> -<p class="signed">Bram.</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>Toen de brief klaar was, deed Bram hem in een enveloppe en schreef het adres er op. -Daarna ging hij den tuin eens in. Hij hoorde, dat iemand aan het harken was. Dat zou -wel een tuinman zijn en hij besloot, eens een praatje met hem te maken. -</p> -<p>Het was echter geen man, maar een jongen. -</p> -<p>Bram wist eerst niet, wie zijn oogen daar zagen! -</p> -<p>En toch—het wàs zoo! -</p> -<p>Barend van de Lage Vuursche! -</p> -<p>Nu keek ook deze op. -</p> -<p>De twee jongens zagen elkander een oogenblik aan. Bram had er niet eens meer aan gedacht, -dat hij Barend hier zou ontmoeten. -</p> -<p>„Dag Barend,” zei Bram, toen hij wat over zijn eerste verbazing heen was. -</p> -<p>„Dag … Bram.” -</p> -<p>Ze waren verlegen met elkander. -<span class="pagenum">[<a id="pb149" href="#pb149">149</a>]</span></p> -<p>„Ben je … ben je aan ’t harken?” vroeg Bram nogal onnoozel. -</p> -<p>„Ja.” -</p> -<p>„Bevalt het je hier goed?” -</p> -<p>„O ja … ik … ik woon bij moeder Vorstman.” -</p> -<p>„Dat heb ik gehoord. Willen we vrienden wezen, Barend?” -</p> -<p>De tuinmansjongen keek Bram eerst ongeloovig aan, toen stak hij beide handen uit en -zei: „Graag!” -</p> -<p>Daarop vertelde Barend, dat mijnheer Bergwoude hem nu les gaf en dat hij landbouwkundige -wou worden. Bram vond hem een flinken vent en zei, dat-ie maar goed op moest passen. -Toen kwamen daar juist Hans en Flip aan. -</p> -<p>„Je moet bepaald eens op de Vuursche komen,” zei Barend tot Hans. „De veldwachter -heeft het al wekenlang over je.” -</p> -<p>„Over mij?” vroeg Hans verbaasd. -</p> -<p><a id="xd29e2225"></a>Hij wist niet, dat hij iets met Bunze aan den stok had. -</p> -<p>„Ja,” vervolgde Barend. „En dan vertelt-ie van boschgeesten bij Drakenstein en zegt, -dat je ze ook gezien en gehoord hebt.” -</p> -<p>Nu begon Hans hartelijk te lachen. -</p> -<p>„Die domme Bunze!” riep hij vroolijk uit. „O, o, wat laat die man zich toch beetnemen!” -</p> -<p>„Is dat niet veldwachter Buikje?” vroeg Bram. „Ik heb hem tenminste zoo wel eens hooren -noemen.” -</p> -<p>„Ja,” zei Hans, „het is een type.” En hij vertelde Bram de avonturen van Bunze en -de boschgeesten. -</p> -<p>„Bunze is buitengewoon bijgeloovig,” besloot hij <span class="corr" id="xd29e2234" title="Niet in bron">„</span>en <span class="pagenum">[<a id="pb150" href="#pb150">150</a>]</span>vooral oude legenden en vertellingen kun je hem wijsmaken, zoo gek als je ze zelf -maar verzinnen kunt. Hij is een geweldige dienstdoener. Maar zeg eens, Barend, wat -vertelt Buikje toch van me?” -</p> -<p>„O,” zei Barend, „het is om je ziek te lachen. In het bosch zijn drie geesten, zegt -hij, de geesten van drie roofridders, die in de Grot wonen. Hij heeft ze zelf gezien -toen hij met je in het bosch was. En hij vertelt dat aan iedereen en als je in ’t -dorp komt, zal hij je tot getuige nemen.” -</p> -<p>„En gelooven de menschen dat?” -</p> -<p>„Niet allemaal. Maar de meesten wel. Ik lach er om. Bunze moet trouwens heelemaal -niets van mij hebben. Hij is mijn vriend niet en ik wou, dat de burgemeester een ander -nam. Hij behandelt mij nog precies eender als vroeger en spreekt tot iedereen kwaad -van me.” -</p> -<p>„Ik zou ook wel eens zoo’n grap willen bijwonen,” zei Bram. „Maar zijn jullie niet -bang, het is toch een veldwachter?” -</p> -<p>„Och kom,” zei Hans, „het is volstrekt geen kwade kerel, al kijkt hij wat leelijk. -Maar ik kan ’t nou eenmaal niet laten, om hem af en toe eens te plagen. En dat kwaadspreken -van Barend zullen wij hem wel eens afleeren.” -</p> -<p>„Hoe wou je dat doen?” -</p> -<p>„Dat is mijn geheim. Vanavond zal het gebeuren. Heb je zin om mee te gaan, Bram?” -</p> -<p>„Asjeblieft, wàt graag!” -</p> -<p>„Goed, afgesproken. Ik zal aan Vader vragen, of we een half uurtje later mogen thuiskomen. -Stil, daar heb je de andere jongens. Niets zeggen, hoor!” -<span class="pagenum">[<a id="pb151" href="#pb151">151</a>]</span></p> -<p>Dien middag sprong Hans op de fiets en reed naar het dorp. Hij wilde Bunze wel eens -spreken. Maar de veldwachter was daar niet, deed waarschijnlijk een rondwandeling -door zijn bosschen. -</p> -<p>Daarom nam Hans de fiets bij de hand en kuierde er het bosch mee in. Het duurde niet -lang of hij bemerkte Bunze op eenigen afstand. Hij sprak hardop tot zichzelf en scheen -nogal opgewonden. -</p> -<p>Daar vloog Hans een klein vliegje in den neus en „Hatsjie!!!” niesde hij opeens. -</p> -<p>Veldwachter Bunze vloog overeind. -</p> -<p>„Alle duivels, wie waagt het … O Hans, ben jij het! Wat laat je mij schrikken!” -</p> -<p>„Goeienmiddag, mijnheer Bunze,” zei Hans lachend, „ik …” -</p> -<p>„Hoor eens Hans,” zei de veldwachter. „Laat dat, „mijnheer” nu maar weg. Dat behoef -jij niet tegen mij te zeggen.” -</p> -<p>„O, erg prettig, dank-je wel,” zei Hans. „Maar ik moest je even spreken, Bunze. Laten -wij hier even gaan zitten.” -</p> -<p>De veldwachter stelde onbepaald vertrouwen in Hans, die zooveel wist van oude geschiedenissen -van het slot. -</p> -<p>„De geest van Rador is bij mij geweest,” zei Hans ernstig. -</p> -<p>Bunze zette groote oogen op. -</p> -<p>„Gisteravond acht uur zat ik in een stil hoekje van den tuin,” fantaseerde Hans, en -onder het vertellen kreeg hij een prachtig idee voor zijn plan, „toen ik opeens een -witte gedaante op mij af zag komen. Ik schrikte <span class="pagenum">[<a id="pb152" href="#pb152">152</a>]</span>eerst wel een beetje, maar toen hoorde ik een stem: „Wees niet bang, jongmensch, ik -ben Rador, de roofridder.<span class="corr" id="xd29e2266" title="Niet in bron">”</span> Je begrijpt, Bunze, hoe interessant ik dat vond en ik zeide: „Goed, ik zal niet bang -zijn.” „Luister dan,” zei de geest. „Ga morgenmiddag naar veldwachter Bunze van de Lage -Vuursche en zeg, dat hij mijn vriend is.”” -</p> -<p>„Zei de geest dat?” vroeg Bunze aangenaam gestreeld. -</p> -<p>„Ja, dat zei hij. „Veldwachter Bunze is mijn vriend,” sprak hij verder. „Ik zal hem gelukkig -maken, maar hij moet precies doen, wat ik hem gebieden zal. Ik weet, dat hij graag -burgemeester wil worden. Goed, zeg hem, dat hij dit worden zal, als hij mij gehoorzaamt.” -Luister, Bunze. Toen zei de geest van Rador: „zeg aan veldwachter Bui—Bunze, dat hij -vanavond om acht uur moet zijn vóór het huis van de weduwe Vorstman. Daar mag hij -mij roepen.”” -</p> -<p>„En—en hoe zal ik hem roepen?” vroeg Bunze, die het begon te gelooven. -</p> -<p>„Ja, dat is juist het moeilijke,” zei Hans, „dat is zoo heel gemakkelijk niet. Kunt -gij hard schreeuwen, Bunze?” -</p> -<p>„Dat zal wel gaan, denk ik.” -</p> -<p>„Mooi, dan moet ge zoo hard mogelijk roepen: „Geest van ridder Rador, hier ben ik!” -</p> -<p>Hans bleef nog eenigen tijd met Bunze praten en maakte hem allerlei onzinnige boschverhalen -wijs, die de veldwachter volstrekt niet in twijfel trok, integendeel, hij vond ze -zeer mooi en vertelde aan Hans, dat hij „spiritus” was. -<span class="pagenum">[<a id="pb153" href="#pb153">153</a>]</span></p> -<p>„<i>Spiritist</i> zal je bedoelen,” zei Hans lachend. -</p> -<p>„Ja juist.” -</p> -<p>Kort daarna stapte Hans verder. Hij drukte den veldwachter op het hart, toch vooral -op tijd te zijn en zich stipt aan de order van den geest van ridder Rador te houden. -</p> -<p>Buiten het bosch stapte Hans op de fiets en reed naar vrouw Vorstman, die op een bank -vóór haar huisje te breien zat. Na de eerste begroeting vertelde Hans haar, welke -grap hij met den veldwachter wilde hebben. -</p> -<p>„Kijk eens hier, vrouw Vorstman,” sprak hij, „Barend past tegenwoordig uitstekend -op, nietwaar, hij doet goed zijn best. Maar Bunze beschouwt hem nog altijd als den -wilden ondeugenden boschjongen, die tot niets goeds in staat is en alleen maar allerlei -kattekwaad uithaalt.” -</p> -<p>„Daar weet ik van mee te praten,<span class="corr" id="xd29e2288" title="Niet in bron">”</span> zei vrouw Vorstman. <span class="corr" id="xd29e2290" title="Niet in bron">„</span>Bunze komt zoo af en toe wel eens hier, maar hij heeft nooit een goed woord voor Barend. -Altijd schelden en razen op hem. En hem verwijten, dat zijn vader in de gevangenis -zit. Daar doet Bunze heel leelijk aan.” -</p> -<p>„Juist,” zei Hans, „en dat willen wij hem nu eens afleeren.” -</p> -<p>„Nu moet ge met Barend alvast maar eens aan de menschen gaan zeggen, wat er vanavond -gebeurt. Maar zeg er bij, dat ze vooral stil moeten zijn en zich moeten houden, alsof -ze ook gelooven dat het allemaal waar is. Ik speel voor den geest van Rador en kruip -op uw vliering voor het raampje, vrouw Vorstman. Ge zult er wat van beleven!” -<span class="pagenum">[<a id="pb154" href="#pb154">154</a>]</span></p> -<p>„Och och,” lachte vrouw Vorstman, „hoe is het toch mogelijk, dat zoo’n groote kerel -zich zóó laat beetnemen. En gelooft hij dat nu allemaal?” -</p> -<p>„Of hij het gelooft?” riep Hans uit. „Zeg hem maar niet, dat het maar onzin is, want -hij vindt het zelf veel te mooi om het niet als wáár en echt aan te nemen. Maar denk -er om, vrouw Vorstman, dat ge zelf óók doet, of het zoo is. Ge moet voor vanavond -ook maar eens aan de boschgeesten gelooven.” -</p> -<p>„Ik zal mijn best doen,” zei het vrouwtje. „Ik ben toch benieuwd, hoe dit afloopt, -jongeheer Hans. Pas maar op, dat Bunze jullie toch niet te slim af is.” -</p> -<p>„O, dat zullen we wel zien.” -</p> -<p>Daarop nam Hans afscheid van vrouw Vorstman en peddelde naar Sparrenheide terug, om -er Bram verder met zijn plannen op de hoogte te stellen. -</p> -<p></p> -<div class="figure xd29e2303width"><img src="images/o062.png" alt="Ornament." width="142" height="139"></div><p> -<span class="pagenum">[<a id="pb155" href="#pb155">155</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch17" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd29e2978">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/o101.png" alt="Zeventiende Hoofdstuk." width="566" height="94"></div> -<h2 class="label">Zeventiende Hoofdstuk.</h2> -<h2 class="main">Hans graaft een kuil voor Bunze, doch valt er zelf in.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="xd29e155"><span class="xd29e155dc initdropcap">D</span><span class="xd29e155adc afterdropcap">ien avond gingen vijf jongens van Sparrenheide naar het dorp. Het waren Hans, Flip, -Rob, Bram en Barend. -</span></p> -<p>Hans installeerde zich op de vliering bij het dakraampje, dat aan den voorkant van -het huis was. Hij scharrelde daar wat ouden rommel op, onder andere een stuk kachelpijp, -wat losse turven en wat oude aardappelen en legde dat alles bij elkaar onder het raampje. -Hij plaatste zich nu zóó, dat hij goed kon zien, wat er buiten voorviel, maar dat -van buiten af niemand hem zien kon. Daarna gaf hij Bram, die met Flip en Rob in de -buurt bleef en ook het zijne er toe moest bijdragen om de grap zoo goed mogelijk te -doen slagen, nog eenige aanwijzingen. De buren, die wel zoo iets gehoord hadden van -wat er gebeuren zou, zaten voor de deuren hunner woningen en lachten al bij voorbaat. -<span class="pagenum">[<a id="pb156" href="#pb156">156</a>]</span></p> -<p>Het werd acht uur, vijf, … tien minuten over achten, maar wie ten tooneele verscheen, -de veldwachter niet. -</p> -<p>Zou hij niet komen? -</p> -<p>Kwart over acht … de menschen werden ongeduldig en de jongens dachten reeds, dat Bunze -inmiddels wijzer geworden was … daar kwam de veldwachter eindelijk aan! -</p> -<p>Ieder hield zich van den domme en deed, of er niets bijzonders op til was. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Toen veldwachter Bunze op het punt stond, zijn woning te verlaten, passeerde daar -juist meester Hooghuizen. -</p> -<p>Meester Hooghuizen was dien avond na het eten het bosch in gewandeld. Hij hield veel -van de bosschen en bracht er zijn meeste vrije uren door om er te wandelen of te lezen. -Soms ging hij in gezelschap van een paar jongens. Dan luisterde hij naar hun gesprekken -en deed vaak met hen de dolste spelletjes. De jongens hielden dan ook veel van hem, -hij was meer hun groote vertrouwde vriend dan hun meester. Dat wil nu ook weer volstrekt -niet zeggen, dat zij daarom maar alles met hem konden doen, wat zij wilden. Wel hield -meester Hooghuizen van een grapje, maar het mocht niet te ver gaan. De jongens kwamen -bij hem met al hun groote en kleine geheimpjes en verdrietjes, en hij wist hen altijd -troost te brengen of hun zaken in orde te maken. En dezen avond zou hem die vriendschap -voor de jongens uitstekend van pas komen. De heer Hooghuizen liep <span class="pagenum">[<a id="pb157" href="#pb157">157</a>]</span>even het huisje van den veldwachter binnen en keek niet weinig verbaasd, toen hij -Bunze in groot tenue gereed zag om uit te gaan. -</p> -<p>„Wat nu, Bunze, feest vanavond?” -</p> -<p>„Neen meester, ik ga naar … ik zal maar zeggen naar ridder Rador.” -</p> -<p>De zuster van Bunze, een bejaarde, maar zeer verstandige vrouw, begon te lachen. -</p> -<p>Meester Hooghuizen was een en al verbazing. -</p> -<p>„Ridder Rador?” vroeg hij. „Waar woont-die?” -</p> -<p>Bunze’s zuster tikte op haar voorhoofd. -</p> -<p>„Rador behoort bij de boschgeesten,” zei Bunze, „weet u dat dan niet?” -</p> -<p>„Hoor eens Bunze,” zei de onderwijzer, „ik ben een eekhoorn als ik er wat van begrijp. -Wie is ridder Rador? En wat praat je toch van geesten?” -</p> -<p>„U hebt toch wel eens gehoord van de drie geesten uit het bosch van Drakenstein?” -</p> -<p>„Neen, nooit. Zijn die daar misschien pas losgelaten?” -</p> -<p>„Losgelaten? Het zijn geen wilde beesten!” zei Bunze. -</p> -<p>Meester Hooghuizen lachte, zoowel om den veldwachter als om diens zuster, want die -wees weer met den vinger op haar voorhoofd en zei: -</p> -<p>„Waarachtig waar, meneer Hooghuizen, als je niet beter wist, zou je zeggen, dat mijn -broer niet wijs was. Zeg ù nou eens, meneer, is dat nou geen onzin met die geesten -in ’t bosch? Eerst hebben we dat grappie ’n week of wat geleden gehad. Toen had-ie -de boschgeesten gezien!” -<span class="pagenum">[<a id="pb158" href="#pb158">158</a>]</span></p> -<p>„Ach jij,” mopperde Bunze, die het niet velen kon, dat zijn zuster hem nog als een -stoute jongen beknorde. -</p> -<p>Meester Hooghuizen verkneuterde zich in ’t geval en had pret voor zes. -</p> -<p>„Nou afijn,” vervolgde juffrouw Bunze, „stel u nou voor, meneer, dat-ie vanavond z’n -Zondagsche uniform aangedaan heeft en z’n witte handschoenen! Ik zeg, waar moet dat -heen? Naar de boschgeesten, zeit-ie, want die zullen vanavond verschijnen.” -</p> -<p>„Maar wat moet er dan toch gebeuren?” -</p> -<p>„Laat mij nu verder vertellen, Mie,” zei Bunze, „want daar weet jij niks van. Nou -dan, meneer, Hans had me gezegd, dat de geest van Ridder Rador me moest spreken.” -</p> -<p>Meester Hooghuizen nam gauw zijn zakdoek en begon zijn neus te snuiten, maar in werkelijkheid -wist hij geen raad van het lachen. Hij begreep direct, dat Hans hier weer aardig aan -den gang was geweest. -</p> -<p>En daarop verhaalde Bunze, wat er voor het huisje van vrouw Vorstman moest gebeuren. -</p> -<p>„Nou, daar heit u nou ’t heele paskwil,” lachte zus Mie, „is dat nou niet treurig, -meneer, dat die man dat nou allemaal gelooft? Die Hans heit je te pakken gehad, broer. -En leelijk ook.” -</p> -<p>De meester vond het een onbetaalbare grap, doch vond tevens, dat het nu genoeg was -en hij er maar eens een einde aan moest maken. -</p> -<p>„Hoor eens, Bunze,” sprak hij, „die Hans is een geduchte grappenmaker.” -</p> -<p>„Maar …” -</p> -<p>„Heb je vroeger wel eens boschgeesten gezien?” -<span class="pagenum">[<a id="pb159" href="#pb159">159</a>]</span></p> -<p>„Neen .… gezien niet, maar daarom bestonden zij toch wel!” -</p> -<p>„Heelemaal niet. En hoe heb je ze ’t eerste gezien? Wie heeft je verteld, dat ze te -zien waren?” -</p> -<p>„Wel, Hans. Die zat aan een groepje jongens een verhaal te vertellen van de broeders -Wer en Ner en den roofridder Rador die door een draak verslonden werd.” -</p> -<p>„Onzin. De broeders Wer en Ner zullen wel bestaan hebben, vandaar dat je hier nog -de Wernershoeve hebt. Maar dat van dien draak en ridder Rador zal wel jongensverzinsel -zijn. Trouwens, ik heb indertijd van die grap gehoord, maar ik dacht niet, Bunze, -dat je zóó vreeselijk bijgeloovig zoudt zijn, om al die dwaasheid te gelooven!” -</p> -<p>De veldwachter zag zijn geloof in de boschgeesten als een ruïne in puin vallen en -zijn verbazing daarover maakte al spoedig plaats voor woede. Wat, die kwajongens durfden -hem zóó belachelijk maken, zóó bespotten? Neen maar, hij zou ze dat eens afleeren! -</p> -<p>„Luister nu eens, Bunze,” vervolgde de onderwijzer „nu gaan we samen naar ’t huisje -van vrouw Vorstman. Jij doet alsof je nog alles gelooft en ik volg op een afstand.” -</p> -<p>En toen fluisterde meester Hooghuizen den veldwachter nog iets in het oor, waarop -de laatste grinnikte en in de handen wreef. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>De nieuwsgierige dorpsbewoners zeiden niets, toen de veldwachter naderde. Deze deed, -alsof hij de buren en de jongens niet zag, wendde zijn gezicht naar het zoldervenster -en riep: -<span class="pagenum">[<a id="pb160" href="#pb160">160</a>]</span></p> -<p>„Geest van Ridder Rador! Hier ben ik! Spreek tot mij!” -</p> -<p>Geen antwoord. -</p> -<p>De buren vermaakten zich al kostelijk. -</p> -<p>„Roep nog eens,” zei Bram, die naast den veldwachter was gaan staan. -</p> -<p>„Geest van ridder Rador! Spreek tot mij!” herhaalde Bunze. -</p> -<p>Toen klonk daar opeens een holle stem vanuit de hoogte: -</p> -<p>„Zijt gij daar, veldwachter Bunze?” -</p> -<p>„Ja, hier ben ik<span class="corr" id="xd29e2383" title="Bron: ?">!</span>” -</p> -<p>„Waarom zwaait gij niet met de pet? Zwaai!” -</p> -<p>Bunze gehoorzaamde, maar al zwaaiende gaf hij Bram zulk een geweldigen oorvijg, dat -de jongen verschrikt achteruit vloog. -</p> -<p>Nu gierden de buren het uit, en Bunze zelf had wel de meeste pret. -</p> -<p>De veldwachter zei nu op zachten toon tot de omstanders, dat hij den geest eens te -voorschijn zou halen en daarop holde hij tot groote verbazing der omstanders het huisje -in en de trap op. -</p> -<p>Hans, die bij ’t zolderraam, gewapend met een oude kachelpijp, een raagbol en een -wit laken voor geest speelde, begreep niet, wie daar zoo haastig naar boven kwam. -</p> -<p>Een oogenblik later voelde hij zich bij den kraag gevat en met krachtigen hand meegevoerd. -</p> -<p>„Hou op, laat los!” riep hij. „Wie ben je?” -</p> -<p>„Ik ben de geest van ridder Rador!” bromde Bunze met veranderde stem. „Ik zal je leeren -mij te bespotten!” <span class="pagenum">[<a id="pb161" href="#pb161">161</a>]</span>Onwillekeurig huiverde Hans, ofschoon hij zelf niet aan spoken geloofde. -</p> -<p>Van schrik kon hij niet meer spreken. Maar beneden ontdekte hij, wie op zijn beurt -voor geestenridder speelde. -</p> -<p>Toen Bunze met Hans naar buiten kwam, en hem daar „van dik hout zaagt men planken” -gaf, ging er een luid spotgelach op. Maar dat was niet om den veldwachter, maar om -’t verschrikte, bleeke gezicht van Hans. -</p> -<p>En wie het luidst lachte, dat was meester Hooghuizen. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>De grap was mislukt en dat was maar goed ook, want Hans had vergeten, dat Bunze toch -in elk geval de veldwachter was en ook.… dat men zorgen moet, bij ’t graven van een -kuil voor een ander, er zelf niet in te vallen! -</p> -<p></p> -<div class="figure xd29e2406width"><img src="images/o033.png" alt="Ornament." width="182" height="99"></div><p> -<span class="pagenum">[<a id="pb162" href="#pb162">162</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch18" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd29e2987">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/o053.png" alt="Achttiende Hoofdstuk." width="561" height="74"></div> -<h2 class="label">Achttiende Hoofdstuk.</h2> -<h2 class="main">Van schoone blouses, een takkebos en een verdwaald meisje.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="xd29e155"><span class="xd29e155dc initdropcap">H</span><span class="xd29e155adc afterdropcap">et onderwijs op Instituut Sparrenheide ging intusschen weer z’n dagelijkschen gang -en vooral de nieuwe leerlingen ondervonden er den weldadigen invloed van. Zoolang -Bram bijvoorbeeld hier was, had hij nog geen hoofdpijn gehad. Het werk, dat hij te -doen kreeg, was heelemaal berekend naar zijn krachten en daarom behoefde hij er zijn -hoofd niet mee te breken. Vooral ook in den handen- en huisarbeid had hij veel lust -en zoo leidde hij hier een geheel nieuw leven. Hans, Flip en Rob waren zijn beste -vrienden en hij leefde geheel en al met hen mee. Bram had al wat gelachen om de grappen -van Hans en Flip, en om het eigenaardige karakter van Rob. -</span></p> -<p>Die Rob, wat was hij slordig! Zijn moeder zorgde, dat hij iederen dag een schoone -blouse kon aantrekken en dat was wel noodig ook, want omdat Rob altijd <span class="pagenum">[<a id="pb163" href="#pb163">163</a>]</span>naar kevers, vlinders en planten zocht en daarbij in het geheel zijn kleeren niet -ontzag, was hij dan ook elken avond ontoonbaar. -</p> -<p>Op zekeren dag was hij juist met een schoone, gestreepte blouse naar buiten gegaan. -</p> -<p>Het had heel den nacht geregend en de grond was overal nog nat. -</p> -<p>De bladeren begonnen hier en daar al te vallen, teeken van den naderenden herfst. -</p> -<p>In een der boomen ontdekte Rob toevallig een geweldig groot web. -</p> -<p>Het was gespannen tusschen twee verwijderde takken. -</p> -<p>Waar zoo’n reuzenweb is, dacht Rob, is ook een reuzenspin. En dié moet ik hebben voor -mijn verzameling. -</p> -<p>Maar de takken waren nog vrij hoog, zoodat Rob klimmen moest. Zonder zich te bedenken -omklemde hij den natten stam van den boom en klom naar boven. -</p> -<p>Langzaam naderde hij het reuzenweb. -</p> -<p>Toen hij er was, haalde hij een glazen vangbuisje uit den zak en hield dat in de eene -hand. -</p> -<p>Hij wachtte even en keek naar de bladeren. -</p> -<p>Daar liep een langpoot-mug over een bladsteel. Rob pakte het insect en zette het in -het web, waar het wild aan de draden rukte, die het vasthielden. -</p> -<p>Als een havik op zijn prooi schoot een geweldige grijze spin uit haar schuilhoek te -voorschijn. Maar op zijn beurt was Rob op zijn post, met een pijlsnelle beweging schepte -hij als ’t ware de spin uit haar web in de glazen vangbuis op, waar zij niet ontsnappen -kon. -</p> -<p>Daarop liet Rob zich weer langs den stam naar <span class="pagenum">[<a id="pb164" href="#pb164">164</a>]</span>beneden glijden en spoedde zich naar huis. -</p> -<p>„Maar jongen!” riep mevrouw Bergwoude verschrikt uit, toen zij Rob van uit de tuinkamer -zag. -</p> -<p>„Wel moeder, wat is er dan?” -</p> -<p>„Wat er is, vraagt hij! Kind, kijk je er eens uitzien! Het is meer dan schande!” -</p> -<p>Nu pas kwam Rob tot de ontdekking, hoe hij op jacht naar de reuzenspin zijn blouse -had toegetakeld! Die was van den boomstam totaal groen geworden! -</p> -<p>Och och, wat was Moeder boos. Want toevallig moesten Rob’s overige blouses dien dag -gewasschen worden. Ja, er was er nog wel een, maar die was eigenlijk voor den Zondag! -Het was een splinternieuwe, spierwitte matrozenkiel. Ten einde raad liet zijn moeder -hem dien in vredesnaam maar aandoen, en Rob beloofde, dat hij er dien dag vrééselijk -voorzichtig mee zou zijn. -</p> -<p>Na het ontbijt ging Rob, piekfijn in het wit, den weg eens op en neer. Hij floot een -deuntje en keek naar een roodborstje, dat tusschen de struiken hipte. De zon brak -door een grauwe nevel heen en zette den omtrek weer in goudschijn. -</p> -<p>Daar kwam een stokoud moedertje aan. Rob kende haar wel, zij woonde in een klein hutje, -even buiten het bosch. Het was een oude stakker. Ze sjouwde een grooten takkebos op -haar gekromden rug en hijgde van inspanning. -</p> -<p>Rob had een medelijdend hart. Hij had deernis met het oude, ploeterende tobbertje -en sprak haar aan. „Dag moedertje. Een heele vracht hè?” -</p> -<p>„Ja jongeheer. Een heele vracht. Vooral wanneer je tachtig jaar bent.” -<span class="pagenum">[<a id="pb165" href="#pb165">165</a>]</span></p> -<p>„Tachtig jaar? Asjeblieft. Ik ben twaalf.” -</p> -<p>„Twaalf is jong. U ziet er goed uit.” -</p> -<p>„Ja,” zei Rob. „En ik ben erg sterk. Ik kan dien takkebos veel gauwer naar je huis -dragen.” -</p> -<p>„Och.… doet U dat maar niet, jongeheer.” -</p> -<p>„Waarom, niet? ’t Is voor een kip, hoor. Kijk, zóó op mijn rug. Eén … twee … hoepla! -Vooruit met de geit, moedertje!” -</p> -<p>Nu kon het oudje ook vlugger vooruitkomen en het duurde niet lang, of het huisje was -bereikt. -</p> -<p>„Nou, u wordt wel bedankt, hoor.” -</p> -<p>„Geen dank,” zei Rob, „’t is de moeite niet waard.” -</p> -<p>„Maar nou wil ik toch, dat u een kopje koffie met mij drinkt.” -</p> -<p>Rob, gemoedelijk als altijd, zei: -</p> -<p>„Nou, dat wil ik wel doen.” -</p> -<p>Hij ging zitten en ’t vrouwtje, dat de koffie al lang had opstaan, schonk er hem een -groote kom van vol, zonder suiker en met ’n scheutje melk. -</p> -<p>Rob nam de kom, die niet zoo bijzonder warm was, in de handen en proefde de koffie. -</p> -<p>Groote genadigheid, was dat koffie? Loop rond, slootwater was het. Moest hij dàt uitdrinken? -Neen hoor, voor geen geld. -</p> -<p>Opeens liet hij de kom tusschen zijn knieën door op den grond vallen en schreeuwde: -</p> -<p>„Au! Wat is die koffie heet!” -</p> -<p>De kom viel in stukken op het leemen vloertje en verschrikt liet Rob erop volgen: -</p> -<p>„O … wat een ongeluk! Neemt u mij niet kwalijk, hoor. <i>Ik hoef geen koffie te hebben!</i> Ik zal u den kom <span class="pagenum">[<a id="pb166" href="#pb166">166</a>]</span>wel betalen.” En hij legde vijf centen op de tafel neer. -</p> -<p>„Maar jongeheer, dat is niet noodig!” zei het oudje. „Daar koop ik twee kommen voor!” -</p> -<p>„Goed, koop er dan twee,” zei Rob, „maar nu moet ik heusch terug.” -</p> -<p>En hij wendde zich naar de deur. -</p> -<p>Maar opeens liet het vrouwtje een verschrikten kreet hooren! -</p> -<p>„O jongeheer! Uw witte kiel! Heelemaal zwart op uw rug!” -</p> -<p>O jee, dacht Rob, dat komt van den takkebos! Daar had ik heelemaal niet aan gedacht! -</p> -<p>„Och, och wat zal uw Moeder boos zijn!” -</p> -<p>Dat kan net uitkomen, dacht Rob. Enfin, wie wat verdient moet wat hebben. -</p> -<p>Hij nam afscheid van het oude vrouwtje en werd door zijn moeder met de grootste verbazing, -maar ook met wanhoop ontvangen. -</p> -<p>„Rob, wat ben je toch schandelijk slordig! Dat is nu binnen een uur je tweede schoone -kiel! Kind, waar zitten je hersens? Denk je, dat ik hier een kleerenmagazijn voor -jou apart er op nahoud? Nu trek je je oudste pak aan en dan direct uit school op je -kamer blijven.” -</p> -<p>Zoo geschiedde. -</p> -<p>Om twaalf uur bleef Rob op zijn kamer. -</p> -<p>De anderen vonden dit vreemd, want dat deed Rob nooit. En voor Rob zou het heel eenvoudig -geweest zijn, om dadelijk aan zijn moeder te zeggen, dat hij het heusch niet helpen -kon, want dat hij juist zoo’n erg-goede daad had gedaan. Neen, Rob vond het veel te -kinderachtig om zich dáármee te verdedigen. Tweemaal <span class="pagenum">[<a id="pb167" href="#pb167">167</a>]</span>met een vuil pak thuiskomen en dan nog den braven Hendrik bij moeder uithangen, dat -deed hij niet! Daarvoor was hij veel te trotsch. -</p> -<p>Hij verzweeg dus het geval met den takkebos en bleef stil op de kamer. -</p> -<p>Maar Hans en Flip wilden er meer van weten. -</p> -<p>„Biecht nou maar op, broer,” zei Hans. „Waarom zit je hier met je ouwe pak aan. Is -er wat gebeurd?” -</p> -<p>„Och, welnee.” -</p> -<p>„Kom Robbekop,” zei Flip. „<span class="corr" id="xd29e2497" title="Bron: wees">Wees</span> nou niet zoo stug. Pak slaag gehad?” -</p> -<p>„Nee.” -</p> -<p>Maar Hans wist hem aan ’t praten te krijgen. Rob vertelde op een beetje onverschilligen -toon, wat er gebeurd was. -</p> -<p>„Nou, ’k had dan al een kiel vuilgemaakt aan dien boom. Toen moest ’k voor moeder -m’n nieuwe witte aantrekken. Ik loop daarmee op den boschweg en daar komt dat ouwe -vrouwtje uit de boschhut aanstappen. Ze had een takkebos op d’r hoofd zoo groot als -de Naald van Waterloo en ze liep gewoonweg dubbelgevouwen, hè? Nou, wat doe je? Ik -zeg: goeiemorgen, grootmoeder, wil jij je wel ’s schamen om zoo’n takkebos op je rug -naar huis te dragen? Dat zal ik wel voor je doen. Enfin, ik neem de heele kattebak -op m’n nek en … adjuus, schoone kiel.” -</p> -<p>„Maar domoor, dacht je daar dan niet aan?” -</p> -<p>„Nee, ik dacht alleen maar aan die arme, ouwe stakker. Nou moet je hooren. Toen we -d’r waren, wou ze mij met alle geweld ’n kopje koffie schenken. Ik denk: nou, voor -de gezelligheid dan. Maar daar schenkt me <span class="pagenum">[<a id="pb168" href="#pb168">168</a>]</span>dat mensch een kom baggersloot-limonade in, die ik niet lustte, hoor. Maar hoe kom -ik eraf? Ik laat ineens de kom uit mijn vingers vallen en roep: „Au, verdikkie, is -me die koffie heet!<span class="corr" id="xd29e2509" title="Niet in bron">”</span> Voor vijf centen was ik van de koffie af. Nou, blij toe. Maar dat weet moeder allemaal -niet. Denk je nou, dat ik aan moeder vertellen ga, dat ik die zwarte kiel gekregen -heb, omdat ik voor dat oude mensch een bosje takken gesjouwd heb? Kan je net denken!” -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Flip lachtte zich <span class="corr" id="xd29e2515" title="Bron: onderst">onderste</span> boven bij ’t vertellen van Rob. -</p> -<p>En een oogenblik later wist moeder ’t wèl. Daar had Hans voor gezorgd. -</p> -<p>En moeder, blij dat er ditmaal een goede reden was voor Rob’s verregaande slordigheid, -gaf hem nog een kus op den koop toe en ontsloeg hem van zijn kamerarrest. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Een paar dagen later, het was ongeveer half September geworden, verzamelde de heer -Bergwoude zijn leerlingen des avonds in de eetzaal om hen een nieuwtje mede te deelen. -Allen waren tegenwoordig en wachtten op juffrouw Wieler, die met drie meisjes aan -’t wandelen was en ieder oogenblik kon terugkeeren. Wachten duurt altijd lang en daarom -besloot de heer Bergwoude, alvast maar te beginnen. -</p> -<p>„Jongelui,” begon hij, „ik heb jullie vanavond hier bijeen geroepen, om je een prettige -tijding mede te deelen. Zooals de meesten van jullie wel weten, bestaat Instituut -Sparrenheide den eersten October <abbr title="aanstaande">a.s.</abbr> vijf <span class="pagenum">[<a id="pb169" href="#pb169">169</a>]</span>jaar. Wij hebben besloten, dien dag feestelijk te vieren. Daar hebben jullie zeker -niets op tegen?” -</p> -<p>„Neen mijnheer!” klonk het lachend. -</p> -<p>„Dus niemand heeft daar bezwaar tegen, dat is prettig. En nu .…” -</p> -<p>Plotseling werd de deur geopend en kwam juffrouw Wieler, de onderwijzeres, met ontsteld -gezicht binnen. -</p> -<p>„Mijnheer,” zei ze gejaagd, „wij kunnen nergens meer Mina Drijvers vinden. Ze is bepaald -in het bosch verdwaald.” -</p> -<p>Mijnheer Bergwoude schrikte van die onverwachte tijding. -</p> -<p>„In het bosch verdwaald?” vroeg hij. „Hoe is het mogelijk! Was u dan niet bij haar?” -</p> -<p>„Jawel, ik was met de drie meisjes. Wij speelden verstoppertje en toen Mina Drijvers -zoeken moest, hebben wij haar niet weergezien,” -</p> -<p>Mijnheer Bergwoude stelde de verdere bespreking der feestplannen dadelijk uit en commandeerde -de grootste jongens op voor een onderzoekingstocht door het bosch. Hijzelf zou medegaan -en meester Hooghuizen ook. Mevrouw Bergwoude en juffrouw Wieler zouden bij de andere -kinderen blijven. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Meester Hooghuizen trok het bosch in met Hans, Bram en nog twee andere jongens, mijnheer -Bergwoude met Flip, Jacob Heintze en drie anderen. In twee verschillende richtingen, -doch beide naar den kant van kasteel Drakenstein, zou het bosch doorzocht worden. -Allen droegen een brandende lampion aan een stok, wat een zeer fantastisch gezicht -opleverde. Het <span class="pagenum">[<a id="pb170" href="#pb170">170</a>]</span>werd al donker en een beetje verlichting der paden was wel noodig. -</p> -<p>Hans liep met meester Hooghuizen voorop. Hun lichtende lampions beschenen het pad -en den onderkant der boomstammen met een rossen gloed. -</p> -<p>Het begon wat te waaien, hoewel men daarvan in het dichte bosch weinig last had, alleen -de toppen der boomen begonnen luider te ruischen en bogen door den wind. -</p> -<p>„’t Zal me niets verwonderen, als er een onweer komt opzetten,” zei Hans. -</p> -<p>„Daar zou je wel eens gelijk aan kunnen hebben, Hans,” zei meester Hooghuizen. „Het -is vandaag aardig broeierig geweest en de lucht begon vanmiddag al te werken.” -</p> -<p>En die twee hadden het zoo ver niet mis. -</p> -<p>De wind nam toe en zwarte kopwolken kwamen aanzetten. Het werd steeds donkerder en -donkerder in het bosch en wanneer de doorzoekers geen lampions bij zich gehad hadden, -zouden zij evenmin den weg geweten hebben als het verdwaalde meisje. -</p> -<p>Mina Drijvers was een allerliefst meisje van twaalf jaar. Zij was een nieuwelinge, -uit Amsterdam afkomstig en ze wist in het geheel den weg niet in de bosschen. Toen -zij met juffrouw Wieler en de andere meisjes een spelletje in het bosch deed en de -anderen zoeken moest, had zij niemand gevonden. -</p> -<p>Er waren dan ook prachtige schuilplaatsen. Mina vond het eerst wel aardig, dat zij -zoo zoeken moest. Maar zij dwaalde al verder en verder en zag nog geen tipje van een -jurk der anderen. -<span class="pagenum">[<a id="pb171" href="#pb171">171</a>]</span></p> -<p>Een poosje later hoorde zij de juffrouw roepen en ook de twee andere meisjes. Zij -was op het geluid afgegaan, doch scheen zich vergist te hebben. Eindelijk kwam ze -op een plek, waar een houten stellage getimmerd was. Zij klom op het trapje en riep: -</p> -<p>„Juffrouw! Hier.” -</p> -<p>Tot haar groote verbazing klonk het van verre zeer duidelijk: „Juffrouw, hier!” -</p> -<p>Dat was de echo! Mina vond het mooi en herhaalde haar geroep nog een paar keeren. -Maar intusschen werd ze toch ongerust, want nu hoorde zij heelemaal niets meer. Zij -dwaalde van het eene punt in het bosch naar het andere, kwam nu eens uit bij het kasteel, -dan weer bij de grot, de kapel en ten slotte werd het door het naderende onweer zóó -donker, dat zij de boomen niet meer kon onderscheiden en snikkende op den grond neerviel. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Een wit-blauwe bliksemstraal vloog over ’t bosch … een hevige slag daverde er bijna -onmiddellijk op .… -</p> -<p>De wind joeg de bladeren van de boomen, zwiepte de takken der hoogste boomen als riethalmpjes -heen en weer. -</p> -<p>„Hierheen, jongens! Bij elkaar blijven!” riep meester Hooghuizen. „Af en toe nog maar -eens roepen.” -</p> -<p>Hans zocht even een zijpaadje af, terwijl de anderen wachtten. -</p> -<p>„Mina!” riep hij, „Mina Drijvers!” -</p> -<p>Een felle lichtstraal schoot sissend over ’t bosch, ratelend viel de slag … dat was -’t eenige antwoord op het roepen. Een geweldige plasregen barstte los. -<span class="pagenum">[<a id="pb172" href="#pb172">172</a>]</span></p> -<p>„Hans! Hans!” riep meester Hooghuizen, „kom hier.” -</p> -<p>Hans keerde haastig terug. -</p> -<p>De lampions regenden uit, nu stonden ze in het stikdonkere bosch, midden in een geweldige -donderbui. -</p> -<p>Mijnheer Bergwoude keerde zoo snel mogelijk naar Sparrenheide terug, er waren nu toch -vijf menschen aan het zoeken naar het verloren meisje en hij vond het beter om naar -de overige kinderen te gaan, die aan de hoede van mevrouw en juffrouw Wieler waren -toevertrouwd. -</p> -<p>Intusschen zocht het troepje van meester Hooghuizen dapper voort. Wel was het gevaar -groot, wel hadden zij licht een schuilplaats kunnen zoeken in de Grot, maar de gedachte -aan het arme meisje, dat toch ook in dit ontzettende weer hier of daar door het bosch -dwaalde, deed hen regen en onweer trotseeren. -</p> -<p>Heviger ratelden de donderslagen, vlogen de bliksemstralen door ’t zware, zwarte zwerk, -schril verlichtend het duistere boschpad. -</p> -<p>De jongens liepen nu dicht bijeen, ze hielden elkaar bij de hand, want in dit noodweer -konden ze elkander spoedig kwijtraken. Ze waren doornat, maar daar gaven zij nu weinig -om, zij dachten alleen maar aan het doel van hun tocht. -</p> -<p>Zij kwamen nu bij ’t kasteel en sloegen weer een anderen weg in, opnieuw door ’t inktzwarte -bosch. -</p> -<p>En weer vloog een schitterende bliksem boven de boomen … barstte de slag als een kanonnade -los .… toen Hans opeens een schreeuw gaf. -</p> -<p>Bij ’t felle bliksemlicht had hij iets wits gezien onder <span class="pagenum">[<a id="pb173" href="#pb173">173</a>]</span>een boom. Hij schoot er snel op toe en .… -</p> -<p>„Hier ligt ze!” riep hij zegevierend. -</p> -<p>Dadelijk snelden de anderen toe. -</p> -<p>Meester Hooghuizen nam het meisje op en droeg haar naar het eerste het beste huisje, -dat van veldwachter Bunze. -</p> -<p>Deze en zijn zuster waren niet weinig verbaasd over het vreemde, onverwachte gezelschap, -dat eensklaps voor hun woning stond. Maar de goede vrouw was dadelijk tot helpen bereid, -ze legde Mina Drijvers in haar eigen bed en zeide, dat het met het meisje best zou -losloopen. Ze moest echter dien nacht maar bij haar blijven, wat meester Hooghuizen -uitstekend vond. Veldwachter Bunze bewonderde den moed der knapen, die in dit verschrikkelijke -weer niet geaarzeld hadden, het verloren meisje op te sporen. -</p> -<p>En de dikbuik trok Hans aan een oor en zei: -</p> -<p>„Als je niet zoo’n moedige, flinke jongen was, zou ik een heel ander woordje met je -spreken, kameraad. Intusschen hebben wij nog een appeltje met elkaar te schillen, -maar dat zal ik nu maar voor een anderen keer bewaren. Je hebt nu vanavond al genoeg -doorstaan!” -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Gelukkig dreef het onweer langzamerhand af. Meester Hooghuizen en zijn jongens konden -nu de geruststellende tijding op Sparrenheide brengen, dat het verdwaalde meisje gevonden -en in goede handen was. En daar verheugden allen zich over, want men had den grootsten -angst uitgestaan, zoowel om Mina als om haar redders. -<span class="pagenum">[<a id="pb174" href="#pb174">174</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch19" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd29e2996">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/o174.png" alt="Negentiende Hoofdstuk." width="564" height="84"></div> -<h2 class="label">Negentiende Hoofdstuk.</h2> -<h2 class="main">Feestelijke plannen en angstige uren.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="xd29e155"><span class="xd29e155dc initdropcap">D</span><span class="xd29e155adc afterdropcap">en volgenden dag was Mina weer terug en spoedig geheel en al van den schrik hersteld. -Alles was nu weer in orde en daarom kon mijnheer Bergwoude gerust opnieuw met zijn -prettige plannen omtrent de feestelijke viering van het 5-jarig bestaan van Sparrenheide -voor den dag komen. Hij wachtte daar dan ook niet lang mede en deelde aan allen mede, -dat den heelen dag van den 1en October zou gefuifd worden. Er moesten muzikanten komen, -er zou een uitvoering worden gegeven, waar ieder wat mocht ten beste geven, er zou -een goochelaar komen en verder zouden er vanzelf wel allerlei plannetjes onder leiding -van meester Hooghuizen en juffrouw Wieler tot stand komen. Intusschen moest het onderwijs -zijn gewonen gang gaan en mocht er alleen na drie uur ’s middags aan de voorbereidingen -<span class="pagenum">[<a id="pb175" href="#pb175">175</a>]</span>van het feest gewerkt worden. -</span></p> -<p>Mijnheer Bergwoude had gezegd, dat ook de oudleerlingen en vorige onderwijzers van -Sparrenheide uitgenoodigd zouden worden, zoodat er allicht een 100-tal feestvierenden -tezamen zouden zijn. -</p> -<p>En nu werd er eventjes met liefhebberij gewerkt aan de feest-voorbereidingen. Ieder -deed het zijne. Meester Hooghuizen had de leiding van het geheel. Hij liet de jongens -van latten een groote eerepoort timmeren aan den hoofdingang, de meisjes moesten slingers -maken van dennegroen en linten. Juffrouw Wieler studeerde met een paar meisjes Speelliedjes -van Dalcroze in, terwijl anderen weer aardige voordrachten leerden. Er zouden verschillende -wedstrijden gehouden worden en een vlaggenoptocht door het bosch en het dorp kwam -ook al op het programma. Het was ook niet te verwonderen, dat Hans, Flip en Rob, de -drie jolige broers, in de allereerste plaats zich weerden, om het feest zoo goed mogelijk -te doen slagen! Flip, de grappenmaker, zette zelf een koddig vers in elkaar, dat van -onzin aan elkaar hing. Maar er werd toch flink den lof van Sparrenheide in gezongen -en dat was de hoofdzaak. Flip had er urenlang op zitten broeden en er wel vijf penhouders -op stuk gebeten, maar eindelijk had hij toch ongeveer het volgende vers uit die houtjes -gekauwd: -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">Dames en heeren, het is van daag feest, -</p> -<p class="line">Zooals er nog nooit op Sparrenhei is geweest! -</p> -<p class="line">Het heeft vandaag al vijf jaren bestaan, -</p> -<p class="line">En het gaat nog in lang niet naar de maan, -</p> -<p class="line">Als de zon schijnt is het hier mooi weer, -</p> -<p class="line">Dikwijls gaan we wandelen met mijnheer, -<span class="pagenum">[<a id="pb176" href="#pb176">176</a>]</span></p> -<p class="line">We hebben hier geen last van ratten of muizen, -</p> -<p class="line">Hier zit juffrouw Wieler en dáár meester Hooghuizen. -</p> -<p class="line">Sparrenhei is de allerbeste school. -</p> -<p class="line">Je eet er havermout, grutten en roodekool, -</p> -<p class="line">Dus roept mij nu allen na: -</p> -<p class="line">Lang leve Sparrenhei! Hiep hiep hoera!</p> -</div> -<p class="first">Hans maakte zich op een ander gebied verdienstelijk. -</p> -<p>Hij kocht in Utrecht vuurwerk en verborg dat op een plaats, die alleen aan hem bekend -was. En Rob deed hard mee aan àlles waarvoor zijn hulp gevraagd werd. -</p> -<p>Zoo werkte een ieder aan het welslagen van den grooten feestdag, toen er opeens iets -gebeurde, dat aller aandacht voor een poos van den 1en Octoberdag afleidde, ja, dat -zelfs een groot deel van de aanstaande feestvreugde dreigde te verstoren! -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Barend, die zich zoo uitstekend gedroeg, sinds mijnheer Bergwoude hem onder zijn bescherming -genomen had, woonde nu bij moeder Vorstman in. De jongen verdiende als tuinman op -Sparrenheide vier gulden per week, die hij aan zijn nieuwe moeder gaf. De arme vrouw, -die alleen leefde van hetgeen haar eigen zoon, die in Amsterdam werkte, haar zond -en van hetgeen haar moestuintje opleverde, was met de komst van Barend in haar hutje -er veel beter aan toe. Want Barend deed veel werk voor haar, dat haar niet meer zoo -gemakkelijk afging als vroeger. Daarbij at de jongen altijd in de keuken op Sparrenheide -en kreeg vaak genoeg een pak kleeren, zoodat hij haar al heel weinig kostte. -<span class="pagenum">[<a id="pb177" href="#pb177">177</a>]</span></p> -<p>Het arme, tevreden vrouwtje had met dit eenvoudige, sobere leven nog een rustigen, -onbezorgden, ouden dag, vooral waar Barend haar beloofd had, steeds voor haar te zullen -zorgen. -</p> -<p>Des morgens was Barend al vroeg op en zette koffie en brood voor haar en zichzelf -gereed. Dan ruimde hij het kamertje op en ging het moestuintje nazien. Vervolgens -begaf hij zich naar Sparrenheide en bleef daar tot den avond. Dan hielp hij zijn „moeder” -weer en las haar voor. -</p> -<p>Het oude huisje, waarin strooper Ranke met zijn zoon had geleefd, <span class="corr" id="xd29e2640" title="Bron: stonds">stond</span> thans ledig. Er was nog geen liefhebber voor komen opdagen. De weinige, armoedige -meubelen waren door Barend eruit gehaald; wat nog bruikbaar was, had hij aan moeder -Vorstman gegeven, de rest had hij tot brandhout gehakt. -</p> -<p>Op zekeren avond begaf Hans zich naar Barend, om met hem een aardig plannetje voor -het feest te bespreken. Misschien had Hans dit evengoed overdag op Sparrenheide kunnen -doen, maar in elk geval werd hij daar door te veel oogen op de vingers gekeken en -daarom vond hij het beter, om zijn plannetje rustig met Barend bij moeder Vorstman -te bespreken. -</p> -<p>In het dorpje gekomen, passeerde Hans de verlaten woning van Ranke. Tot zijn groote -verwondering meende hij daarin een zwak lichtje te zien branden, hoewel hij toch zeker -wist, dat de hut ledig en onbewoond was. Hij zag, dat het licht heen en weer ging, -alsof iemand met een kaars door het vertrek ging. -</p> -<p>Hij begreep dadelijk, dat het niemand anders dan Barend kon zijn, die misschien nog -het een of ander in <span class="pagenum">[<a id="pb178" href="#pb178">178</a>]</span>de oude woning zocht. En omdat het hem juist om Barend te doen was, duwde hij de deur -van het huisje open en trad het ledige vertrek binnen. Maar inplaats dat hij Barend -daar aantrof, staarde hij opeens in het schurkachtige gezicht van diens vader. Het -was Ranke, de strooper, van wien iedereen dacht, dat hij in de gevangenis te Utrecht -zat! -</p> -<p>Inplaats dat Hans dadelijk vluchtte, bleef hij als aan den grond genageld staan. -</p> -<p>Op dat bezoek scheen Ranke allerminst gerekend te hebben, evenals Hans staarde hij -dezen een oogenblik verbijsterd aan, maar toen blies hij snel de kaars uit, wierp -zich op Hans en overmeesterde hem, voor de jongen tijd had, zich te verweren. Maar -Hans was sterk en Ranke had zijn handen vol aan hem, vooral omdat hij hem met één -hand den mond moest dichthouden en met de andere bedwingen. Toch bleek de strooper -de sterkere. Hij bond Hans een vuilen doek om den mond en haalde daarop een lang touw -uit zijn zak, waarmede hij hem aan handen en voeten bond! Toen sleurde hij den weerloozen -knaap in hetzelfde turfhok, waarin hij vroeger Barend had opgesloten, en deed er den -grendel voor. Daarop verdween hij .… -</p> -<p>Dienzelfden avond las mijnheer Bergwoude, aan zijn schrijftafel gezeten, het volgende -bericht in het Handelsblad: -</p> -<blockquote> -<p class="first">Men schrijft ons uit Utrecht: -</p> -<p>Bij de overbrenging van twee gedetineerden uit de strafgevangenis alhier naar het -station, alwaar zij onder geleide van twee marechaussees naar <span class="pagenum">[<a id="pb179" href="#pb179">179</a>]</span>Leeuwarden zouden vertrekken, wist een hunner, de beruchte strooper en inbreker R.—wonende -te Lage Vuursche, aan zijn geleider te ontsnappen. De arrestant vluchtte een openstaand -huis in en is vermoedelijk over de daken ontkomen. Het vervoer van den anderen gevangene -is nu uitgesteld, totdat de eerste zal teruggevonden zijn. De politie stelt een streng -onderzoek in naar den vluchteling, die vermoedelijk nog wel binnen Utrecht verblijf -houdt.</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>Mijnheer Bergwoude las dit bericht met begrijpelijke verbazing en spoedig was dat -nieuwtje het onderwerp van dien avond geworden. Weinig dacht de vader er aan, dat -op ditzelfde oogenblik zijn zoon Hans in handen van den gevreesden kerel gevallen -was! -</p> -<p>Intusschen had Ranke niet de bedoeling, den jongen ook in het minst eenig leed te -doen. Hij was alleen in zijn oude woning gekomen, gebruik makende van het avonddonker, -om er eenige kleedingstukken te halen. Maar tot zijn groote verwondering had hij de -hut totaal leeg gevonden. De plotselinge verschijning van Hans had hem eerst heelemaal -van streek gebracht, maar de snel-opkomende gedachte, dat de jongen zijn aanwezigheid -alhier verraden zou, deed hem plotseling op Hans toevliegen om hem onschadelijk te -maken. -</p> -<p>Ranke verschool zich in de bosschen en wachtte er een gunstige gelegenheid af om zijn -verdere plannen ten uitvoer te brengen. -</p> -<p>Groote ongerustheid heerschte er op Sparrenheide! -<span class="pagenum">[<a id="pb180" href="#pb180">180</a>]</span></p> -<p>Hans was nog steeds niet teruggekeerd, hoewel de klok reeds tien uur wees! -</p> -<p>Had de jongen het soms in zijn hoofd gekregen, om bij Barend te overnachten? -</p> -<p>Was hij verdwaald? -</p> -<p>Maar neen, zoowel het een als het ander was ondenkbaar. Hans zou nooit uitblijven -zonder toestemming zijner ouders. En voor verdwalen bestond ook weinig grond, in de -eerste plaats was het vrij helder weer en in de tweede plaats kende Hans den weg in -de bosschen als in zijn eigen huis. -</p> -<p>Toen het al later en later werd, stegen mijnheer Bergwoude en meester Hooghuizen op -de fiets en reden naar het huisje van vrouw Vorstman. -</p> -<p>De oude vrouw was al naar bed, maar Barend zat nog te lezen. -</p> -<p>„Is mijn zoon Hans hier?” vroeg mijnheer Bergwoude, toen hij met den meester aangeklopt -had. -</p> -<p>„Hans?” riep Barend verbaasd uit. „Nu nog? Hij is hier den heelen avond zelfs niet -geweest!” -</p> -<p>„Nièt geweest? Hij is toch om zeven uur al hierheen gegaan.” -</p> -<p>Barend schudde het hoofd. -</p> -<p>„Dan zou ik hem toch moeten gezien hebben,” zei hij beslist. Nu steeg de ongerustheid -van den vader tot angst. -</p> -<p>Hij keerde weer naar Sparrenheide terug, in de hoop, dat Hans daar inmiddels mocht -aangekomen zijn, maar niemand had hem teruggezien! -</p> -<p>Opnieuw werd er een leerling vermist, en ditmaal mijnheer Bergwoude’s eigen zoon! -<span class="pagenum">[<a id="pb181" href="#pb181">181</a>]</span></p> -<p>Niemand der grooten sliep dien nacht. -</p> -<p>De arme vader, de meester en Barend, zelfs de oude, doove Bosman, zij allen gingen, -gewapend met lantaarns, het bosch in. -</p> -<p>Maar Hans werd niet gevonden. -</p> -<p>Diep-ongelukkig keerde mijnheer Bergwoude naar huis terug, vond er zijn vrouw weenende -en wist weinig of niets te zeggen, dat haar eenigen troost geven kon. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Barend had het zoeken het langst volgehouden. Toen het licht begon te worden, liep -hij nog van de eene boschlaan in de andere. Hij was doodmoe. -</p> -<p>Eindelijk gaf hij het op. -</p> -<p>Hij keerde naar de woning van moeder Vorstman terug. En nu gebeurde met hem bijna -hetzelfde, wat den vorigen avond Hans overkwam. -</p> -<p>Hij passeerde zijn oude hut. -</p> -<p>En zag, dat de deur op een kier stond. -</p> -<p>Dat was nu zoo heel vreemd niet, want die deur had niet eens meer een behoorlijk slot -en kon dus best opengewaaid zijn. Maar Barend was teveel een natuurkind, dan dat hij -niet dadelijk zich herinneren zou, dat het heelemaal niet gewaaid had. Toch vermoedde -hij niets bijzonders en trad op de deur toe, om die te sluiten! -</p> -<p>Even keek hij nog naar binnen, en … -</p> -<p>Wat drommel hoorde hij nu? Was er iemand in? -</p> -<p>Hij luisterde nog eens. Jawel! daar schopte iemand tegen een deur. Barend kende dat -geluid en had in een ondeelbaar oogenblik de deur van het turfhok geopend. -</p> -<p>„Hans!” -</p> -<p>Met een kreet van vreugde begroette hij den verloren <span class="pagenum">[<a id="pb182" href="#pb182">182</a>]</span>makker, bevrijdde hem van doek en touwen en hoorde dan tot zijn grooten schrik, dat -zijn vader ontvlucht was! -</p> -<p>Maar dadelijk gingen zij naar Sparrenheide. -</p> -<p>Als met tooverslag veranderde daar de droefheid in groote vreugde! -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Toen de telegrambesteller dien morgen den burgemeester het bericht bracht, dat Ranke -ontvlucht was, liep Bunze door het bosch en deed er zijn gewone ronde. Bij de grot -gekomen, bleef hij eensklaps staan. -</p> -<p>Snurkte daar iemand? Hij trad op de teenen nader en ontdekte den slapenden Ranke. -Bunze dacht eerst weer met een geest te doen te hebben, maar omdat hij daar niet meer -aan geloofde, gaf hij ineens gevolg aan een ingeving. -</p> -<p>Hij haalde kalm zijn stalen handboeien tevoorschijn en schoof die om de polsen van -den rustig slapenden strooper. Vervolgens haalde hij zijn revolver te voorschijn, -waar hij nog nooit van zijn leven mee geschoten had, omdat de gemeente hem doodeenvoudig -geen patronen verschafte en riep met daverende stem: -</p> -<p>„Ranke! In naam van Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden neem ik U gevangen!” -</p> -<p>De vluchteling sprong verschrikt overeind. -</p> -<p>Hij voelde zich tot zijn groote verbazing stevig geboeid en zag den loop van Bunze’s -revolver op zich gericht. -</p> -<p>Tegenstand was nutteloos en de strooper liet zich gewillig door den dikkerd meevoeren, -die als een overste in den paradepas naast zijn arrestant liep! -<span class="pagenum">[<a id="pb183" href="#pb183">183</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch20" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd29e3005">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/o013.png" alt="Twintigste Hoofdstuk." width="566" height="91"></div> -<h2 class="label">Twintigste Hoofdstuk.</h2> -<h2 class="main">Besluit.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="xd29e155"><span class="xd29e155dc initdropcap">N</span><span class="xd29e155adc afterdropcap">u alles zoo goed afgeloopen was, de goeden konden beloond worden en de kwaden gestraft, -was er ook geen bezwaar meer om het feest van den eersten October zoo luisterrijk -mogelijk te vieren. Gelukkig was het prachtig weer. -</span></p> -<p>Precies om acht uur des morgens werden onder het spelen van het Wilhelmus de vlaggen -uitgestoken van huis en schoolgebouw. Wat zag de tuin, wat zag de weg er feestelijk -uit! Overal slingers van oranje en rood-wit-blauw, overal lampions. En aan den hoofdingang -een magnifieke eerepoort. Allen waren met de nationale kleuren getooid en reeds dadelijk -was er de rechte, feestelijke stemming in. Na het ontbijt stelde de muziek zich aan -het hoofd van den stoet jongens en meisjes, die vlaggen, vaandels en schilden droegen. -Het was allerleukst! -</p> -<p>De een had op zijn oranje-schild het portret van mijnheer Bergwoude, de ander droeg -een vaandel met <span class="pagenum">[<a id="pb184" href="#pb184">184</a>]</span>het opschrift: Leve Sparrenheide! Een derde had er in ’t geheim opgeplakt: Meester -H. gaat nooit verloren! terwijl zijn buurman heel nuchter er naast liep met een schild: -Falderalderire! -</p> -<p>De kleurige, fleurige stoet ging onder ’t spelen van vroolijke marschen, voorafgegaan -door de gehuurde muzikanten naar het dorp. Daar stelde veldwachter Buikje zich aan -het hoofd van den optocht als of hij een paar duizend menschen op zij moest houden! -Hij werd met algemeen gejuich begroet en werd dadelijk door mijnheer Bergwoude uitgenoodigd, -het feest op Sparrenheide te komen bijwonen. Ook Barend en moeder Vorstman hadden -zulk een uitnoodiging aan te nemen. -</p> -<p>Des morgens om 10 uur vertrok een clubje jongens per auto, die ook al met vlaggen -beplant werd, naar het station te Baarn, om daar de oudleerlingen af te halen. Tegen -twaalf uur was het heele feestvierende gezelschap present en nu kon de algemeene vreugde -eigenlijk pas een aanvang nemen. -</p> -<p>Toen allen aan den feestdisch bijeenzaten, stond mijnheer Bergwoude op en zei: -</p> -<p>„Vrienden! Wat is het vandaag een heerlijke dag! Ik zie rondom mij niets dan vroolijke -gezichten en dat is geen wonder. Bijna allen, die hier bijeen zijn, hebben meer of -minder jaren op Sparrenheide door gebracht en kennen het leven hier. En allen verheugen -zich er in, dat zij thans het feest van het vijfjarig bestaan onzer school mogen meevieren! -En nu is het niet mijn bedoeling, om lang en breed over ons werk te praten, want we -zijn hier om feest te vieren. Maar ik wil er alleen op <span class="pagenum">[<a id="pb185" href="#pb185">185</a>]</span>wijzen, dat we vandaag dubbel en dwars reden hebben tot feestvieren! Een paar dagen -geleden, misschien hebt ge er vandaag al met een enkel woord over hooren spreken, -verkeerden we in angst en droefheid. Eerst werd er een onzer meisjes vermist, die -tijdens een onschuldig spelletje in het bosch verdwaald was. Gedurende een hevig onweer -hebben meester Hooghuizen en een paar flinke jongens haar in ’t stikdonkere bosch -weten te vinden en haar veilig onder dak gebracht. En kort daarop werd onze beste -Hans door een ontvluchten gevangene overrompeld en opgesloten. Op zijn beurt is Hans -gevonden door Barend, terwijl onze dappere gemeenteveldwachter Bunze den gevangene -weer wist te kerkeren. Al deze gebeurtenissen geven de viering van ons feest een blijder -glans. Dus, vrienden, viert vroolijk feest, geniet zooveel mogelijk en roept allen -met mij een driewerf hoera voor Sparrenheide!” -</p> -<p>Daverend gejuich klonk omhoog. Daarna mocht ieder toasten. Flip kwam met zijn onzin-gedicht -voor den dag en daar werd me wat om gelachen! -</p> -<p>Meester Hooghuizen had een feestlied gedicht op de wijze van „In naam van Oranje.” -Het werd aan allen uitgedeeld. Mevrouw speelde op de piano en daar klonk het uit wel -honderd kelen: -</p> -<div class="lgouter"> -<div class="lg"> -<p class="line">Zeg jongens, hoe leuk is het hier toch vandaag! -</p> -<p class="line xd29e2744">Wat vieren we vroolijk toch feest! -</p> -<p class="line">En d’oud Sparrenheiders, ze kwamen wat graag, -</p> -<p class="line xd29e2744">Ze zijn ook zoo lang hier geweest! -</p> -<p class="line">Wij allen zijn vroolijk, wij allen zijn blij, -</p> -<p class="line">Omdat wij zoo houden, geloof het maar vrij, -</p> -<p class="line xd29e2744">Omdat wij zoo houden van Sparrenhei, -</p> -<p class="line xd29e2744">Van ’t jarige Sparrenhei! -</p> -</div> -<p><span class="pagenum">[<a id="pb186" href="#pb186">186</a>]</span></p> -<div class="lg"> -<p class="line">Wie wil nog eens hooren van wat hier gebeurt, -</p> -<p class="line xd29e2744">Van ’t leuke, gezellige werk? -</p> -<p class="line">Hier wordt niet gekniesd en hier wordt niet getreurd, -</p> -<p class="line xd29e2744">Hier worden we knap en ook sterk. -</p> -<p class="line">We zitten niet steeds bij de schoolboeken neer, -</p> -<p class="line">Dan spelen, boetseeren, tuinieren we weer, -</p> -<p class="line xd29e2744">We zijn hier steeds leuk aan den gang (bis). -</p> -</div> -<div class="lg"> -<p class="line">En timmeren vinden we ook altijd fijn, -</p> -<p class="line xd29e2744">Dat uurtje is om, voor men ’t merkt, -</p> -<p class="line">Dan hamert en schaaft om het hardst groot en klein, -</p> -<p class="line xd29e2744">Dan wordt er steeds duchtig gewerkt. -</p> -<p class="line">Maar als het voorbij is neemt ieder toch graag -</p> -<p class="line">Zijn fransch of zijn meetkundesom bij den kraag. -</p> -<p class="line xd29e2744">Zoo wisselt het werk hier steeds af. (bis)<span class="corr" id="xd29e2778" title="Bron: ,">.</span> -</p> -</div> -<div class="lg"> -<p class="line">Geen uur van den dag is bij ons onbezet, -</p> -<p class="line xd29e2744">We werken zooveel als ’t maar moet. -</p> -<p class="line">Maar ’s middags, dan vindt ge ons allen te bed, -</p> -<p class="line xd29e2744">Dat valt na het eten zoo goed. -</p> -<p class="line">Een uurtje gemaft en dan weer aan den gang, -</p> -<p class="line">Zoo valt ons het werken ook nimmer te lang -</p> -<p class="line xd29e2744">En daarom: Hoera voor ons Sparrenhei! -</p> -<p class="line xd29e2744">Voor Sparrenhei, hiep hiep hoera!</p> -</div> -</div> -<p class="first">Dat lied werd duchtig gezongen en de dichter, meester Hooghuizen, er eens extra voor -toegejuicht. -</p> -<p>Na den feestdisch trad de goochelaar op. -</p> -<p>Wat had die een succès! Wat een pret de toeschouwers! -</p> -<p>De handige kunstenaar haalde iedereen guldens en rijksdaalders uit den neus, Flip -vooral scheen veel zilvergeld in zijn neus te hebben. Hij probeerde nu zelf ook om -er een ris guldens uit te halen, maar er kwam er niet een meer, al trok hij ook nog -zoo hard. De goochelaar had ze er allemaal uitgehaald! De man vertoonde <span class="pagenum">[<a id="pb187" href="#pb187">187</a>]</span>wel twintig toeren, die haast allemaal even mooi waren. -</p> -<p>Na twee uur werd er een uur gerust. Daarvan week men op Sparrenheide nooit af. -</p> -<p>Om drie uur begonnen de wedstrijden en gymnastiekuitvoeringen. Wat ging dat alles -netjes en correct! En al die jongens en meisjes, die vroeger op hun oude scholen slechte -en achterlijke leerlingen waren, zenuwachtig en ziekelijk, wat toonden zij nu hier -volkomen genezen te zijn! Want hier werden zij niet geestelijk afgemat door veel te -moeilijke vraagstukken en opgaven, hier werden zij niet overladen met stapels en stapels -werk, waaraan bijna iedere vrije minuut moest opgeofferd worden. -</p> -<p>En daarom waren zij hier ook zoo flink en gezond en sterk geworden en konden daarom -evengoed hun fransch en rekenen als hun vrienden op de gewone scholen, al leerden -zij het dan ook wat kalmer aan! -</p> -<p>Half vier werden ouders en belangstellenden verwacht. Die kwamen in auto’s en rijtuigen. -In de gymnastiekzaal maakte juffrouw Wieler zich met de meisjes gereed tot het opvoeren -der speelliedjes. Wat zongen die lief-aangekleede meisjes keurig en wat maakten zij -hun danspassen daarbij stipt in de maat. Ze werden dan ook hartelijk toegejuicht. -En zoo volgde het eene nummer van het programma op het andere. Er scheen geen einde -aan den feestdag te komen! Maar het mooist werd het toch tegen den avond. Dank zij -het zachte, zoele weer kon de verlichting à la giorno uitstekend doorgaan. Alle lampions -werden ontstoken en ze schitterden als vurige ballons in het donkerblauwe avondduister. -Het was een fantastisch tafereel! -<span class="pagenum">[<a id="pb188" href="#pb188">188</a>]</span></p> -<p>En temidden der feestvierenden bewogen zich zij, die de hoofdpersonen van dit verhaal -zijn geweest: Mijnheer en Mevrouw Bergwoude, de goeddoende, liefhebbende vader en -moeder van heel deez’ gelukkige kinderschare, Meester Hooghuizen en juffrouw Wieler, -die hen trouw bijstonden in den moeitevollen, maar dankbaren arbeid, Hans, Flip en -Rob, de drie jolige broers, van wie een ieder hield, Jacob Heintze, die den vroeger -zoo verwilderden en verwaarloosden Barend allereerst de beginselen van fatsoen en -netheid geleerd had! Vervolgens Bram, voor wien Sparrenheide een uitredding was geweest, -maar dan was er ook veldwachter Bunze, die vandaag menig plagerijtje over zijn zwaarlijvigheid -hooren moest, en moeder Vorstman, die zoo herhaaldelijk met de verschillende personen -uit dit boek in aanraking kwam. -</p> -<p>Aan het slot van den avond stak Hans zijn vuurwerk af. Knetterend schoten de vuurpijlen -omhoog, sissend draaiden de gouden en zilveren zonnen, daverend ontploften de knalpotten. -</p> -<p>Ten slotte zette hij ’t heele feestterrein in rooden en groenen Bengaalschen gloed. -En uit honderden monden klonk het nog eens bij ’t afscheid nemen: -</p> -<p class="xd29e105"><i>Leve Sparrenheide!</i> -</p> -<p class="xd29e105"><i>Hoera!</i> -<span class="pagenum">[<a id="pb189" href="#pb189">189</a>]</span></p> -</div> -</div> -</div> -<div class="back"> -<div id="toc" class="div1 contents"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">INHOUD.</h2> -<table class="tocList"> -<tr> -<td class="tocDivNum">Hoofdst.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> -</td> -<td class="tocPageNum">Bladz.</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">I.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch1" id="xd29e2833">Oorlogsplannen</a> </td> -<td class="tocPageNum">5</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">II.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch2" id="xd29e2842">Indianen en Bleekgezichten</a> </td> -<td class="tocPageNum">13</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">III.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch3" id="xd29e2851">In gevecht met de Roodhuiden</a> </td> -<td class="tocPageNum">23</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">IV.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch4" id="xd29e2860">Een prettig besluit en een vroolijke vertelling</a> </td> -<td class="tocPageNum">34</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">V.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch5" id="xd29e2869">In den nacht</a> </td> -<td class="tocPageNum">49</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">VI.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch6" id="xd29e2878">Barend van de Lage Vuursche. Nachtelijke vervolging</a> </td> -<td class="tocPageNum">53</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">VII.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch7" id="xd29e2887">Allemaal hoofdpijn</a> </td> -<td class="tocPageNum">63</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">VIII.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch8" id="xd29e2896">Het raadsel wordt opgelost</a> </td> -<td class="tocPageNum">72</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">IX.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch9" id="xd29e2905">Veldwachter Buikje</a> </td> -<td class="tocPageNum">82</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">X.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch10" id="xd29e2914">Veldwachter Buikje en de drie jolige broers</a> </td> -<td class="tocPageNum">90</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XI.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch11" id="xd29e2924">Waarom Barend niet op Sparrenheide kwam</a> </td> -<td class="tocPageNum">101</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XII.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch12" id="xd29e2933">In den nacht</a> </td> -<td class="tocPageNum">111</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XIII.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch13" id="xd29e2942">Wat Jacob van veldwachter Buikje hoorde</a> </td> -<td class="tocPageNum">120</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XIV.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch14" id="xd29e2951">Veldwachter Buikje en de boschgeesten</a> </td> -<td class="tocPageNum">129</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XV.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch15" id="xd29e2960">Bram als leerling op Sparrenheide</a> </td> -<td class="tocPageNum">139</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XVI.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch16" id="xd29e2969">Wat Hans van plan was</a> </td> -<td class="tocPageNum">147</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XVII.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch17" id="xd29e2978">Hans graaft een kuil voor Bunze, doch valt er zelf in</a> </td> -<td class="tocPageNum">155</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XVIII.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch18" id="xd29e2987">Van schoone blouses, een takkebos en een verdwaald meisje</a> </td> -<td class="tocPageNum">162</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XIX.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch19" id="xd29e2996">Feestelijke plannen en angstige uren</a> </td> -<td class="tocPageNum">174</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XX.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch20" id="xd29e3005">Besluit</a> </td> -<td class="tocPageNum">183</td> -</tr> -</table> -<p><span class="pagenum">[<a id="pb190" href="#pb190">190</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div class="div1 advertisement"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main"><span class="underline">Uitgaven van Gebr. Kluitman’s Uitgevers-Maatschappij Alkmaar.</span></h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first xd29e3015">In de Vacantie. -</p> -<p class="xd29e3017">Bibliotheek voor Jongens en Meisjes. -</p> -<p class="xd29e105">Prijs ingenaaid à <b>ƒ 0.90</b>, in prachtband à ƒ <b>1.40</b> per deel. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p><b>Serie A. Voor Jongens.</b> -</p> -<p class="xd29e105"><b>Frans van Dorentil</b>, Derde Druk,<br> -door C. Joh. Kieviet.—Geïllustreerd door A. Rünckel. -</p> -<p class="xd29e105"><b>Karel Vermeer</b>, 2e druk<br> -door Ch. Krienen.—Geïllustreerd door W. K. de Bruin. -</p> -<p class="xd29e105"><b>Van een Diefjesmaat en een Schooljongen</b>,<br> -door Joh. H. Been.—Geïllustreerd door O. Geerling. -</p> -<p class="xd29e105"><b>De Avonturen van Vier Pretmakers</b>, 3e druk<br> -door Ch. Krienen.—Geïllustreerd door Joh. Braakensiek. -</p> -<p class="xd29e105"><b>Twee echte Jongens</b>, Derde Druk,<br> -door Ch. Krienen.—Geïllustreerd door C. van der Sluis. -</p> -<p class="xd29e105"><b>Adriaan Brouwer</b>, Tweede Druk,<br> -door J. G. Kramer.—Geïll. door W. F. A. J. Vaarzon Morel. -</p> -<p class="xd29e105"><b>Het Jongenskamp</b>, Tweede Druk,<br> -door Chr. van Abkoude.—Met 6 fraaie platen. -</p> -<p class="xd29e105"><b>De club der Jonge Kaninefaten</b>,<br> -door N. W. C. Kuyk.—Geïllustreerd door W. K. de Bruin. -</p> -<p class="xd29e105"><b>Op de vloot van Admiraal Verhuell</b>,<br> -door J. G. Kramer.—Geïllustreerd door J. H. Isings Jr. -</p> -<p class="xd29e105"><b>Mijn Jongensjaren</b>, Tweede Druk,<br> -door Koen van Dam. -:- Geïllustreerd door Joh. Braakensiek -</p> -<p class="xd29e105"><b>Instituut Sparrenheide</b>,<br> -door Chr. van Abkoude. -:- Geïllustreerd door Jan Rinke. -</p> -<p class="xd29e105"><b>Uit de Vlegeljaren van Henkie Snip</b>,<br> -door N. W. C. Kuyk.—Geïllustreerd door O. Geerling. -</p> -<p class="xd29e105"><b>Jan Bloemer</b>,<br> -door A. M. v. d. Linden.—Geïllustreerd door O. Geerling. -<span class="pagenum">[<a id="pb191" href="#pb191">191</a>]</span></p> -<p class="xd29e3015">Boeiende Jongensboeken -</p> -<p class="xd29e99">van CHR. VAN ABKOUDE. -</p> -<p>Tot heden verschenen van den gevierden schrijver van Jongensboeken, CHR. VAN ABKOUDE, -onderstaande titels, allen boeiend van inhoud, en keurig geïllustreerd. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p class="xd29e105">Prijs in prachtband ƒ <b>2.90</b>. -</p> -<p class="xd29e105"><b>De Otters</b>, met 12 prachtige platen. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p class="xd29e105">Prijs in prachtband ƒ <b>2.10</b>. -</p> -<p class="xd29e105"><b>Hoe Jaap Bekkers een fiets kreeg</b>,<br> -Geïllustreerd door Jan Rinke. -</p> -<p class="xd29e105"><b>De Zonnige Jeugd van Frits van Duuren</b>, <br> -Geïllustreerd door Jan Rinke. -</p> -<p class="xd29e105"><b>Jolig Strandleven</b>, Geïll. door Jan Rinke -</p> -<p class="xd29e105"><b>De Waterratten</b>, Geïllustreerd door O. Geerling. -</p> -<p class="xd29e105"><b>Jaap Snoek van Volendam</b>, Tweede druk. <br> -Geïllustreerd door Jan Rinke. -</p> -<p class="xd29e105"><b>Pietje Bell</b>, Tweede druk, Geïllustreerd door Jan Rinke. -</p> -<p class="xd29e105"><b>De Fietsclub „Alle Vijf,”</b> Tweede druk,<br> -Geïllustreerd door Louis Raemaekers. -</p> -<p class="xd29e105"><b>Tim en Tom</b>, 3e druk, Geïll. door Louis Raemaekers. -</p> -<p class="xd29e105"><b>Hein Stavast</b>, 3e druk. Geïllustreerd door Jan Rinke. -</p> -<p class="xd29e105"><b>Hollandsche Jongens</b>, 2e druk. Met 4 platen. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p class="xd29e105">Prijs in prachtband ƒ <b>1.40</b> -</p> -<p class="xd29e105"><b>Het Jongenskamp</b>, 2e druk. -:- Met 6 fraaie platen. -</p> -<p class="xd29e105"><b>Instituut Sparrenheide</b>, <span class="corr" id="xd29e3202" title="Bron: Geïl.">Geïll.</span> door Jan Rinke. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p class="xd29e105">Prijs in prachtband ƒ <b>1.—</b> -</p> -<p class="xd29e105"><b>Bert en Bram.</b> -</p> -<p class="xd29e105"><b>Willems Verjaarsgeschenk</b>, 2e druk. -</p> -<p class="xd29e105"><b>Bob zonder zorg.</b> -</p> -<p class="xd29e105"><b>Een Ongeluksvogel</b>, 2e druk. -</p> -<p class="xd29e105"><b>De Voetbalclub</b>, 2e druk. -</p> -<p class="xd29e105">Prijs in prachtband ƒ <b>0.50</b> -</p> -<p class="xd29e105"><b>Piet Parker</b>, 2e druk. -</p> -<p class="xd29e105"><b>De Man met de Poppenkast</b>, 2e druk. -<span class="pagenum">[<a id="pb192" href="#pb192">192</a>]</span></p> -<p class="xd29e105"><span class="underline">Uitgaven van Gebr. Kluitman’s Uitgevers-Maatschappij, Alkmaar.</span> -</p> -<p class="xd29e3017"><b>Jongensboeken</b> van P. VISSER. -</p> -<div class="figure floatLeft pamarnewidth"><img src="images/aMarne.png" alt="Boekomslag: De Slag aan de Marne." width="209" height="289"></div><p> -</p> -<p>Prijs in prachtband ƒ 2.10. -</p> -<p class="xd29e3017">De Slag aan de Marne. -</p> -<p class="xd29e105">Geïllustreerd door O. GEERLING. <b>Tweede druk.</b> -</p> -<p class="xd29e3017">Taco de Minstreel. -</p> -<p class="xd29e105">Met 8 platen van J. H. ISINGS Jr. -</p> -<p class="xd29e3017">De laatsten der Arkels. -</p> -<p class="xd29e105">Met 8 platen van J. H. ISINGS Jr. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p class="xd29e105">Prijs in prachtband ƒ 1.40. -</p> -<p class="xd29e3017">De Zwervers van het Groote Leger. -</p> -<p class="xd29e105">Geïllustreerd door O. GEERLING. -</p> -<p class="xd29e3017">De Ritmeester van Waterloo. -</p> -<p class="xd29e105">Geïllustreerd door O. GEERLING. -</p> -<p class="xd29e3017">Heemskerck op Nova Zembla. -</p> -<p class="xd29e105">Geïllustreerd door A. H. GOUWE.—<b>Derde Druk.</b> -</p> -<p class="xd29e3017">Heemskerck voor Gibraltar. -</p> -<p class="xd29e105">Geïllustreerd door H. C. LOUWERSE. -:- <b>Derde Druk.</b> -</p> -<p class="xd29e3017">De Vliegende Hollander. -</p> -<p class="xd29e105">Geïllustreerd door A. Rünckel.—<b>Derde Druk.</b> -</p> -<p class="xd29e3017">Het Beleg van Haarlem. -</p> -<p class="xd29e105">Geïllustreerd door FRANS LAZAROM. -</p> -<p class="xd29e3017">Het Beleg van Alkmaar. -</p> -<p class="xd29e105">Geïllustreerd door H. C. LOUWERSE.—<b>Derde Druk</b> -</p> -</div> -</div> -<div class="div1 cover"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first"></p> -<div class="figure spinewidth"><img src="images/spine.jpg" alt="Oorspronkelijke rug." width="120" height="720"></div><p> -</p> -</div> -</div> -<div class="transcriberNote"> -<h2 class="main">Colofon</h2> -<h3 class="main">Beschikbaarheid</h3> -<p class="first">Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen -van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden -van de Project Gutenberg Licentie in dit eBoek of on-line op <a class="seclink xd29e49" title="Externe link" href="https://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>. -</p> -<p>Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctieteam op <a class="seclink xd29e49" title="Externe link" href="https://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>. -</p> -<p>Hoewel de titelpagina aangeeft dat de Otto Geerling de illustrator is van dit werk, -zijn de platen gesigneerd door Jan Rinke. -</p> -<p>Een alternatieve tekstversie is beschikbaar via de <a class="seclink xd29e49" title="Externe link" href="https://www.dbnl.org/tekst/abko001inst02_01/">DBNL</a>. -</p> -<h3 class="main">Metadata</h3> -<table class="colophonMetadata"> -<tr> -<td><b>Titel:</b></td> -<td>Instituut Sparrenheide</td> -<td></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Auteur:</b></td> -<td>Chris van Abkoude (1880–1960)</td> -<td><a href="https://viaf.org/viaf/76629279/" class="seclink">Info</a></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Illustrator:</b></td> -<td>Otto Geerling (1850–na 1927)</td> -<td><a href="https://viaf.org/viaf/288850452/" class="seclink">Info</a></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Illustrator:</b></td> -<td>Jan Rinke (1863–1922)</td> -<td><a href="https://viaf.org/viaf/81095994/" class="seclink">Info</a></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Taal:</b></td> -<td>Nederlands (Spelling De Vries-Te Winkel)</td> -<td></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Oorspronkelijke uitgiftedatum:</b></td> -<td>1917</td> -<td></td> -</tr> -</table> -<h3 class="main">Codering</h3> -<p class="first">Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het -einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel -zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van -dit boek. -</p> -<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3> -<ul> -<li>2020-01-31 Begonnen. -</li> -</ul> -<h3 class="main">Externe Referenties</h3> -<p>Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links -voor u niet werken.</p> -<h3 class="main">Verbeteringen</h3> -<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p> -<table class="correctionTable" summary="Overzicht van verbeteringen aangebracht in de tekst."> -<tr> -<th>Bladzijde</th> -<th>Bron</th> -<th>Verbetering</th> -<th>Bewerkingsafstand</th> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e178">8</a></td> -<td class="width40 bottom">koffie-tafel</td> -<td class="width40 bottom">koffietafel</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e252">13</a></td> -<td class="width40 bottom">zoover</td> -<td class="width40 bottom">zoo ver</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e275">15</a>, <a class="pageref" href="#xd29e565">37</a>, <a class="pageref" href="#xd29e1002">69</a>, <a class="pageref" href="#xd29e1006">69</a>, <a class="pageref" href="#xd29e1268">84</a>, <a class="pageref" href="#xd29e1292">86</a>, <a class="pageref" href="#xd29e1898">125</a>, <a class="pageref" href="#xd29e1996">133</a>, <a class="pageref" href="#xd29e2002">134</a>, <a class="pageref" href="#xd29e2234">149</a>, <a class="pageref" href="#xd29e2290">153</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">„</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e336">21</a>, <a class="pageref" href="#xd29e378">24</a>, <a class="pageref" href="#xd29e764">51</a>, <a class="pageref" href="#xd29e1048">72</a>, <a class="pageref" href="#xd29e1061">73</a>, <a class="pageref" href="#xd29e1068">73</a>, <a class="pageref" href="#xd29e1767">118</a></td> -<td class="width40 bottom">..</td> -<td class="width40 bottom">…</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e450">29</a>, <a class="pageref" href="#xd29e2225">149</a></td> -<td class="width40 bottom">„</td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Verwijderd</i>] -</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e532">35</a></td> -<td class="width40 bottom">ondertuschen</td> -<td class="width40 bottom">ondertusschen</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e584">38</a>, <a class="pageref" href="#xd29e716">48</a>, <a class="pageref" href="#xd29e870">60</a></td> -<td class="width40 bottom">”</td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Verwijderd</i>] -</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e596">39</a>, <a class="pageref" href="#xd29e1004">69</a>, <a class="pageref" href="#xd29e1010">70</a>, <a class="pageref" href="#xd29e1262">84</a>, <a class="pageref" href="#xd29e2004">134</a>, <a class="pageref" href="#xd29e2266">152</a>, <a class="pageref" href="#xd29e2288">153</a>, <a class="pageref" href="#xd29e2509">168</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">”</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e679">45</a>, <a class="pageref" href="#xd29e833">58</a>, <a class="pageref" href="#xd29e912">63</a>, <a class="pageref" href="#xd29e1236">83</a></td> -<td class="width40 bottom">,</td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Verwijderd</i>] -</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e697">46</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">,</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e745">50</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">.</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e789">54</a></td> -<td class="width40 bottom">den</td> -<td class="width40 bottom">dan</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e1131">76</a></td> -<td class="width40 bottom">bosch-omgeving</td> -<td class="width40 bottom">boschomgeving</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e1167">79</a></td> -<td class="width40 bottom">inkpot</td> -<td class="width40 bottom">inktpot</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e1189">79</a></td> -<td class="width40 bottom">zoonje</td> -<td class="width40 bottom">zoontje</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e1242">83</a></td> -<td class="width40 bottom">gemeente-veldwachter</td> -<td class="width40 bottom">gemeenteveldwachter</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e1362">91</a></td> -<td class="width40 bottom">Werners-hoeve</td> -<td class="width40 bottom">Wernershoeve</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e1499">98</a></td> -<td class="width40 bottom">Drakestein</td> -<td class="width40 bottom">Drakenstein</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e1643">108</a></td> -<td class="width40 bottom">meetkunde-sommen</td> -<td class="width40 bottom">meetkundesommen</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e1687">111</a></td> -<td class="width40 bottom">stooper</td> -<td class="width40 bottom">strooper</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e1770">118</a></td> -<td class="width40 bottom">..</td> -<td class="width40 bottom"> …</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e1912">126</a></td> -<td class="width40 bottom">gimlachte</td> -<td class="width40 bottom">glimlachte</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e1990">132</a></td> -<td class="width40 bottom">d</td> -<td class="width40 bottom">de</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e2194">148</a></td> -<td class="width40 bottom">Hein</td> -<td class="width40 bottom">Hans</td> -<td class="bottom">3</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e2383">160</a></td> -<td class="width40 bottom">?</td> -<td class="width40 bottom">!</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e2497">167</a></td> -<td class="width40 bottom">wees</td> -<td class="width40 bottom">Wees</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e2515">168</a></td> -<td class="width40 bottom">onderst</td> -<td class="width40 bottom">onderste</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e2640">177</a></td> -<td class="width40 bottom">stonds</td> -<td class="width40 bottom">stond</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e2778">186</a></td> -<td class="width40 bottom">,</td> -<td class="width40 bottom">.</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e3202">191</a></td> -<td class="width40 bottom">Geïl.</td> -<td class="width40 bottom">Geïll.</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -</table> -<h3 class="main">Afkortingen</h3> -<p>Overzicht van gebruikte afkortingen.</p> -<table class="abbreviationtable" summary="Overzicht van gebruikte afkortingen."> -<tr> -<th>Afkorting</th> -<th>Uitgeschreven</th> -</tr> -<tr> -<td class="bottom">a.s.</td> -<td class="bottom">aanstaande</td> -</tr> -<tr> -<td class="bottom">b.v.</td> -<td class="bottom">bijvoorbeeld</td> -</tr> -</table> -</div> -</div> - - - - - - - -<pre> - - - - - -End of Project Gutenberg's Instituut Sparrenheide, by Chr. van Abkoude - -*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK INSTITUUT SPARRENHEIDE *** - -***** This file should be named 61324-h.htm or 61324-h.zip ***** -This and all associated files of various formats will be found in: - http://www.gutenberg.org/6/1/3/2/61324/ - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United -States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive -specific permission. If you do not charge anything for copies of this -eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook -for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports, -performances and research. They may be modified and printed and given -away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks -not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the -trademark license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country outside the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you'll have to check the laws of the country where you - are located before using this ebook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm web site -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The -Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm -trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - - - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the -mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its -volunteers and employees are scattered throughout numerous -locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt -Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to -date contact information can be found at the Foundation's web site and -official page at www.gutenberg.org/contact - -For additional contact information: - - Dr. Gregory B. Newby - Chief Executive and Director - gbnewby@pglaf.org - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide -spread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works. - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our Web site which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. - - - -</pre> - -</body> -</html> diff --git a/old/61324-h/images/aMarne.png b/old/61324-h/images/aMarne.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 943d15a..0000000 --- a/old/61324-h/images/aMarne.png +++ /dev/null diff --git a/old/61324-h/images/book.png b/old/61324-h/images/book.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 1825ce0..0000000 --- a/old/61324-h/images/book.png +++ /dev/null diff --git a/old/61324-h/images/card.png b/old/61324-h/images/card.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 784a984..0000000 --- a/old/61324-h/images/card.png +++ /dev/null diff --git a/old/61324-h/images/external.png b/old/61324-h/images/external.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 1434642..0000000 --- a/old/61324-h/images/external.png +++ /dev/null diff --git a/old/61324-h/images/frontcover.jpg b/old/61324-h/images/frontcover.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 8890e8f..0000000 --- a/old/61324-h/images/frontcover.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/61324-h/images/frontispiece.jpg b/old/61324-h/images/frontispiece.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 1287dda..0000000 --- a/old/61324-h/images/frontispiece.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/61324-h/images/o005.png b/old/61324-h/images/o005.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 0f1abaf..0000000 --- a/old/61324-h/images/o005.png +++ /dev/null diff --git a/old/61324-h/images/o013.png b/old/61324-h/images/o013.png Binary files differdeleted file mode 100644 index f922372..0000000 --- a/old/61324-h/images/o013.png +++ /dev/null diff --git a/old/61324-h/images/o023.png b/old/61324-h/images/o023.png Binary files differdeleted file mode 100644 index fa73546..0000000 --- a/old/61324-h/images/o023.png +++ /dev/null diff --git a/old/61324-h/images/o033.png b/old/61324-h/images/o033.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 0ac85f6..0000000 --- a/old/61324-h/images/o033.png +++ /dev/null diff --git a/old/61324-h/images/o034.png b/old/61324-h/images/o034.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 51c12c7..0000000 --- a/old/61324-h/images/o034.png +++ /dev/null diff --git a/old/61324-h/images/o049.png b/old/61324-h/images/o049.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 23ebc1d..0000000 --- a/old/61324-h/images/o049.png +++ /dev/null diff --git a/old/61324-h/images/o053.png b/old/61324-h/images/o053.png Binary files differdeleted file mode 100644 index e8f3c37..0000000 --- a/old/61324-h/images/o053.png +++ /dev/null diff --git a/old/61324-h/images/o062.png b/old/61324-h/images/o062.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 50fabce..0000000 --- a/old/61324-h/images/o062.png +++ /dev/null diff --git a/old/61324-h/images/o063.png b/old/61324-h/images/o063.png Binary files differdeleted file mode 100644 index da82e5f..0000000 --- a/old/61324-h/images/o063.png +++ /dev/null diff --git a/old/61324-h/images/o072.png b/old/61324-h/images/o072.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 4a026d0..0000000 --- a/old/61324-h/images/o072.png +++ /dev/null diff --git a/old/61324-h/images/o081.png b/old/61324-h/images/o081.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 9e4936f..0000000 --- a/old/61324-h/images/o081.png +++ /dev/null diff --git a/old/61324-h/images/o101.png b/old/61324-h/images/o101.png Binary files differdeleted file mode 100644 index bf644f5..0000000 --- a/old/61324-h/images/o101.png +++ /dev/null diff --git a/old/61324-h/images/o119.png b/old/61324-h/images/o119.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 5213512..0000000 --- a/old/61324-h/images/o119.png +++ /dev/null diff --git a/old/61324-h/images/o138.png b/old/61324-h/images/o138.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 6f4880b..0000000 --- a/old/61324-h/images/o138.png +++ /dev/null diff --git a/old/61324-h/images/o146.png b/old/61324-h/images/o146.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 7f43103..0000000 --- a/old/61324-h/images/o146.png +++ /dev/null diff --git a/old/61324-h/images/o174.png b/old/61324-h/images/o174.png Binary files differdeleted file mode 100644 index ad0ecb4..0000000 --- a/old/61324-h/images/o174.png +++ /dev/null diff --git a/old/61324-h/images/p016.png b/old/61324-h/images/p016.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 981dceb..0000000 --- a/old/61324-h/images/p016.png +++ /dev/null diff --git a/old/61324-h/images/p032.jpg b/old/61324-h/images/p032.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index b3ff791..0000000 --- a/old/61324-h/images/p032.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/61324-h/images/p096.jpg b/old/61324-h/images/p096.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 9d61c5a..0000000 --- a/old/61324-h/images/p096.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/61324-h/images/spine.jpg b/old/61324-h/images/spine.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 0b928a9..0000000 --- a/old/61324-h/images/spine.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/61324-h/images/titlepage.png b/old/61324-h/images/titlepage.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 49c4ff9..0000000 --- a/old/61324-h/images/titlepage.png +++ /dev/null diff --git a/old/old/61324-8.txt b/old/old/61324-8.txt deleted file mode 100644 index 2e1c809..0000000 --- a/old/old/61324-8.txt +++ /dev/null @@ -1,6363 +0,0 @@ -The Project Gutenberg EBook of Instituut Sparrenheide, by Chr. van Abkoude - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most -other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of -the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have -to check the laws of the country where you are located before using this ebook. - -Title: Instituut Sparrenheide - -Author: Chr. van Abkoude - -Illustrator: Jan Rinke - -Release Date: February 5, 2020 [EBook #61324] - -Language: Dutch - -Character set encoding: ISO-8859-1 - -*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK INSTITUUT SPARRENHEIDE *** - - - - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg - - - - - - - - - - In de Vacantie - Bibliotheek voor Jongens en Meisjes. - Serie A Jongensboeken. Deel 13. - - INSTITUUT SPARRENHEIDE - - - door - - CHR. VAN ABKOUDE - - Geïllustreerd door O. Geerling - - - Tweede Druk - - ALKMAAR--GEBR. KLUITMAN. - - 1917 - - - - - - - - - -EERSTE HOOFDSTUK. - -OORLOGSPLANNEN. - - -Midden in een groot dennenbosch tusschen Baarn en de Vuursche lag op -een heuveltje, geheel verscholen in het groen, een aardige, houten -villa. Er liep een balcon rond het heele huis en daardoor leek het veel -op een Zwitsersche woning. Alleen het dak stak boven de boomen uit, en -wanneer je uit het dakraam keek, had je een verrukkelijk gezicht over -heel den omtrek. Je zag dan duidelijk de torens van Amersfoort, Soest, -Bunschoten en meer omringende dorpen. Je zag er heel mooi het Witte -Paleis van Koningin Emma en wat naar rechts de Naald van Waterloo. - -In dat hooggelegen huis woonde mijnheer Bergwoude, hoofdonderwijzer -van de kostschool "Sparrenheide." Als mijnheer Bergwoude naar school -ging, behoefde hij alleen maar het heuveltje af te dalen, waarop zijn -huis gebouwd was en den boschweg over te steken, want het schoolgebouw -stond juist aan den overkant. - -Dat schoollokaal was niet groot, het bestond maar uit twee klassen -en een gymnastieklokaal. Maar het was ook geen gewone school. Op -"Sparrenheide" kwamen alleen kinderen, die niet zoo vlug konden -leeren als andere jongens en meisjes. Sommigen, omdat ze thuis altijd -ziekelijk waren, anderen omdat ze zenuwachtig waren of vroeger de -een of andere ziekte hadden gehad, waardoor ze later niet meer zoo -goed onthouden konden. - -En waarom ze nu op een gewone school niet, en op "Sparrenheide" -wèl konden leeren, dat zullen we in dit boek wel bemerken. - -Mijnheer en Mevrouw Bergwoude waren alleraardigste menschen, die -beiden verbazend veel van kinderen hielden. Zij hadden drie kinderen, -allen jongens. Op het oogenblik, dat dit verhaal een aanvang neemt, was -juist de Zaterdagmorgen-schooltijd geëindigd en begaven de jongens en -meisjes zich, voor zoover zij niet bij mijnheer Bergwoude in "pension" -waren, naar huis. - -Ook de drie zoons van den hoofdonderwijzer, Hans, Flip en Rob. Hans -was dertien jaar, een flinke, sterke jongen met breede schouders en -een paar armen als een athleet. Voor zijn leeftijd was hij een boom -van een kerel en wat hij met zijn zwarte oogen niet gedaan kreeg, -dat maakte hij verder in orde met zijn gespierde vuisten. - -Flip telde twaalf jaar, hij was eveneens een door en door gezonde -boy, maar niet zoo struisch en stevig als Hans, Flip was een rechte -pretmaker, hij hield verbazend veel van grapjes en wist ook vaak -allerlei aardige dingen te zeggen, waarom een ieder moest lachen. De -tienjarige Robert, doorgaans genoemd Rob, was een rare snuiter. Je -kon eigenlijk niet uit hem wijs worden. Hij was wat stil; hij hield -veel van zijn ouders en zijn broers, maar misschien nog meer van -de bosschen en de hei met de planten en de dieren. Hij maakte er -een heele studie van en bijna altijd was hij in zijn vrije uren met -zijn botaniseer-trommel en plantenschopje in het bosch te vinden, of -rangschikte zijn verzamelde planten en insecten op zijn kamer. Maar -dat nam niet weg, dat hij toch hetzelfde vroolijke humeur van zijn -broers had, al was hij dan ook wat minder luidruchtig en druk. Hij -kon evengoed meedoen aan hun grappen en spelen als andere jongens, -maar bleef altijd kalm. En waarom hij nu een rare snuiter was? Wel, -in de eerste plaats was hij vreeselijk slordig op alles. Niet alleen -op zijn kleeren en boeken, zijn planten en dieren, maar ook verbazend -onverschillig voor andere dingen. Het kon hem bijvoorbeeld heelemaal -niet schelen, een uur te laat op school of aan tafel te komen. Alle -standjes, straffen en vermaningen hielpen weinig of niets. Soms nam -hij zich voor, opeens vreeselijk netjes te worden, maar maakte het -dan weer zóó erg, dat hij op zijn kousen liep om zijn schoenen niet -vuil te maken. Daarbij was hij erg vergeetachtig. Alles en alles bij -elkaar genomen had Rob aanleg om professor te worden. - -Ziezoo, nu zijn de drie vroolijke broers voorgesteld. Zooals gezegd, -zij hadden zoo juist de school verlaten en gingen naar huis. Door den -tuin, die op de helling van den heuvel was aangelegd, kwamen zij in de -huiskamer, waarvan de breede tuindeuren wijd open stonden. Zij vonden -hun moeder bezig met het klaarzetten van de koffietafel en volgens -trouwe gewoonte werd zij allereerst eens stevig gepakt door haar drie -jongens. Dat deden zij alle drie met kracht en klem. Vervolgens keken -zij met verlangende oogen naar de stapels boterhammen en zei Flip op -vertrouwelijken toon: - -"Help ons gauw weg, moedertje, we hebben reusachtig haast!" - -"Ja," voegde Hans erbij, "we hebben nog zooveel te doen en moeten er -vroeg bij zijn." - -"Ik hoef niet eens te eten," zei Rob. - -"Wat zullen we nu weer beleven?" vroeg moeder, "waarom zoo gehaast? En -waarom zonder eten weg? Dat gebeurt niet, hoor! Wat is er dan aan -de hand?" - -"Dat zijn groote geheimen, moeder," zei Flip. - -"Staatsgeheimen," vond Hans. - -"Och kom," pleitte Rob voor zijn moeder, "wij kunnen het moeder -best vertellen." - -Op dit oogenblik kwam hun vader binnen. De heer Bergwoude was een man -met een vriendelijk voorkomen, hij droeg een langen, blonden baard -en blond waren ook zijn haren. In tegenstelling met hem waren zij -drie zoons zwart, net als hun moeder. - -"Zoo, zoo," sprak mijnheer, terwijl hij een stapel schoolschriften op -een tafeltje legde, "en wat zijn dat voor staatsgeheimen, die jullie -best aan moeder kunt vertellen? En dan mag ik ze zeker ook wel hooren?" - -De gebroeders keken elkander eens aan en toen zei Hans: - -"We gaan oorlog voeren!" - -Flip en Rob knikten. Vader en moeder keken elkaar aan. - -"Oorlogvoeren?" vroeg Vader verwonderd. "Wat moet dat beteekenen?" - -"Wel," verklaarde Hans, "het is maar een spel. Onze vrinden van de -Baarnsche school komen vanmiddag door het Overbosch naar "Sparrenheide" -om onze school te bestormen en in te nemen. En nu moeten we er vlug -bij zijn om ze op een afstand te houden." - -De heer en mevrouw Bergwoude lachten. - -"Komaan," sprak de eerste, "dus vanmiddag wordt mijn school -formeel bestormd? Wel wel, ik denk, dat ik maar naar Amersfoort zal -telegrafeeren om een detachement soldaten en huzaren. En hoe laat -zal dat gebeuren?" - -"Ja, dat weten we juist niet, vader," zei Hans. - -"Dat zeggen ze natuurlijk niet," sprak Flip. - -"Neen, dat zeggen ze niet," herhaalde Rob wijsgeerig. - -"Ik hoop niet, dat de andere jongens van onze school zich teveel -bij dat spel zullen opwinden," zei mijnheer Bergwoude, "want dan is -er vanavond geen huis met hen te houden. Zij zitten nu rustig hun -twaalf-uurtje te gebruiken in de eetzaal." - -"Ja, wat 'n wonder," zei Flip leuk. "Die weten er nog niets van." - -"Doen ze dan niet mee?" vroeg vader. - -"O jawel, maar we zeggen het straks pas, als we naar 't bosch -gaan. Want zoo gaat het bij het groote leger ook," zei Hans. "De -soldaten weten nooit van te voren wat er gebeuren zal." - -"Maar hoe zit het plan dan in elkaar?" - -"Niet zeggen," zei Flip. - -"Dat is een geheim, Vader, een geheim," sprak Hans. - -"Een geheim, ja, een geheim," herhaalde Rob weer. - -En hoe Vader en Moeder ook probeerden, meer van dat geheim te weten -te komen, de drie gebroeders lieten niets los, zoodat de ouders zich -tevreden moesten stellen met de mededeeling, dat het schoolgebouw -dien middag door den vijand bestormd zou worden. - -En toch, zij gaven maar toe en maakten geen bezwaren tegen het -vroolijke spel der jongens. Die wisten ook telkens wat nieuws te -verzinnen en speelden in de bosschen, alsof die hun eigendom waren -inplaats van Kroondomein. Met welwillende medewerking van Vader en -Moeder was de koffietafel dan ook gauwer afgeloopen dan anders en -holden de jongens naar hun kamer. - -Hans haalde een wandelkaart van de bosschen te voorschijn en spreidde -die op tafel uit. - -"Dit is onze stafkaart," zei hij lachend. "Ik ben de generaal, Flip -en Albert de Hooge zijn mijn officieren." - -"En ik dan?" - -"Jij bent niet oud genoeg voor officier, maar ik heb toch een mooi -baantje voor je. Omdat jij zoo goed met alle hoekjes en gaatjes van -de bosschen bekend bent, wordt jij mijn verkenner." - -"Dat is best," vond Rob. - -"Kijk eens hier," zei Hans, die als een veldheer zijn plan ging -uitleggen. "Ik heb met Bram Verhallen uit Baarn afgesproken, dat hij -om twee uur met zijn troep het dorp uittrekt bij de Pekinglaan, die -je hier op de kaart ziet. Zij gaan dan door het sparrenbosch onder -de tunneltjes van de spoorbanen door het Baarnsche bosch in. Zie -je wel," vervolgde hij en wees met zijn vinger de wegen aan op de -groene kaart, "dan gaan ze hier door de Borlaan langs de Groote Kom -naar den Eemnesser Straatweg. Daar steken ze schuin over naar den -weg langs het Boterbergje. En vandaar komen ze door het Overbosch op -onze school aan. Nou weet ik natuurlijk niet, welken weg ze nemen, -want dat heeft Bram mij niet verteld." - -"Moeten wij alleen de school verdedigen?" vroeg Flip. "Ik schiet ze -met mijn houten sabel een partij bruine boonen in hun neusgaten en -slinger ze terug, dat ze van hier naar Baarn rollen." - -"Hou nou op met je onzin!" zei Hans ongeduldig, "we kunnen onzen tijd -wel beter gebruiken. Ja, we moeten alleen de school verdedigen, maar -we laten ze niet dadelijk zoo dichtbij komen. Hier op de kaart ligt -onze school. Wij hebben twintig jongens. Vijf moeten bij de school -blijven om die te bewaken. Daar nemen we natuurlijk niet de grootsten -voor. Vijftien gaan er met mij mee. Ik weet een mooie plek om Bram -en zijn troep tegen te houden." - -"Het is nu half één," zei Rob. "Ik denk, dat ik mijn botaniseertrommel -meeneem." - -"Ben je vierkant gebakken?" vroeg Flip, "er is van middag niets te -botaniseeren, botaniseer jij Bram Verhallen maar op zijn gezicht!" - -"Neen, niets meenemen dan een paar goeie oogen en een hoop slimheid," -zei Hans. - -Flip ging opeens ijverig in de lade van de tafel zoeken. - -"Wat doe je," vroeg Rob. - -"Ik zoek een hoop slimmigheid," zei Flip, "want ik ben bang dat ik -er te weinig van in mijn kersepit heb." - -"Als jij vanmiddag in 't bosch zoo loopt te kletsen als je nou doet," -zei Hans, "dan stuur je alles in de war. En hoor eens: De school is een -fort, dat door Europeanen wordt bewoond. Bram en zijn jongens zijn een -wilde Indianenstam, de Mohikanen en Bram is Arendsoog, hun opperhoofd." - -"Dan wil ik Soepoog zijn," zei Flip. - -"Een blauw oog kan je dadelijk wel van me krijgen," bromde Hans, -die één en al ernst en vuur was. "Met jouw flauwiteiten schieten we -heelemaal niet op. Ziezoo, en nou gaan we de anderen waarschuwen." - -De drie broers begaven zich naar de kamers der kostjongens om hen -van de zaak op de hoogte te stellen. - -Natuurlijk wilden ze allemaal graag meedoen, maar Hans koos de flinkste -jongens uit om mee te gaan, de overigen konden de school bewaken. - -"Ik zou ook wel Indiaan willen zijn," mompelde Flip bij -zichzelven. "Akibakki kikkerbokki, de taal ken ik al! Ha, gij -driedubbele gepofte honden van bleekgezichten, ik, de dappere Soepoog, -zal u met mijn tomohawk tot gruttenpap met rozijnen en groene zeep -hakken. Wee u, gij grutteneuzen!" - - - - - - - - - -TWEEDE HOOFDSTUK. - -INDIANEN EN BLEEKGEZICHTEN. - - -Op het Brinkplein bij de Baarnsche kerk verzamelde Bram Verhallen -zijn mannetjes. Bram Verhallen was van denzelfden leeftijd als Hans -Bergwoude, even sterk, even slim, even stevig gebouwd. Alleen was -hij lichtblond en had zachte, bijna droomerige oogen. Hij was een -lobbes van een jongen, maar liet zich toch niet de kaas van het -brood eten. Hans Bergwoude was een zijner beste vrienden en als zij -niet zoo ver van elkaar gewoond hadden, zouden zij veel meer bij -elkaar geweest zijn. Bram was de eenige zoon van notaris Verhallen; -hoewel uit een deftig gezin afkomstig was hij toch vrij van alle -gemaaktheid of aanstellerij. Hij was op school een ijverig leerling, -maar moest nogal blokken om bij te blijven. Hij leefde op als hij -met zijn kameraden kon ravotten. - -Intusschen kwamen meer en meer jongens opdagen en allen waren -zenuwachtig van ongeduld om het heerlijke spel te beginnen. Toen zijn -strijders, ongeveer twintig in getal, compleet waren, stelde Bram -zich aan het hoofd ervan en marcheerde naar de Torenlaan, waar hij -rechtsaf sloeg, het Sparrenbosch in. Daar hield hij even halt, liet -de jongens in een kring om hem heen staan en ging het spel uitleggen. - -"Jullie weet al zoo'n beetje," vertelde hij, "wat we gaan doen, -maar het fijne van de zaak zal je nu pas hooren. Wij zijn Indianen -van den stam der Mohikanen." - -"Hoera, hoera, Indianen!" schreeuwde er al een paar. - -"Stil toch!" vermaande Toon Sprits, een groote jongen en een der -klassegenooten Van Bram. "Mooie Indianenmanieren om in het bosch zoo -te schreeuwen!" - -"Ja," zei Bram, "als je zooveel spektakel maakt, dan hooren de -"Sparheiders" al direct, waar we zitten. Dus jongens, houdt je -doodstil. Jullie hebben allemaal genoeg Indianenboeken gelezen en -daarom weet je ook best, hoe Indianen in hun bosschen doen. Ik ben -Arendsoog, en jullie kiezen maar een naam voor jezelf uit." - -"Tijgerklauw heet ik!" zei de een. - -"Witte Buffel!" riep een tweede. - -"Vuurstraal!" - -"Edelhart!" - -"Apestaart! Oliebol! Kokosvet!" 't Werd weer een geschreeuw door -elkaar van je welste. Op die manier kwam er van de heele onderneming -niets terecht. - -"Stilte!" commandeerde Bram. "Wie niet gehoorzaamt en weer schreeuwt -of leven maakt, kan naar huis gaan." - -Dat hielp. Bram was wel een goeie jongen, maar als hij boos werd, -begonnen zijn gespierde armen een woordje mee te spreken en daar -hadden de jongens respect voor! Het werd dus stil en Bram vervolgde: - -"Ik ben Arendsoog en jullie opperhoofd. Toon Sprits en Jan v.d. Zee -zijn mijn verspieders. De school van Bergwoude in het Overbosch is -een fort, waar blanken wonen. Dat fort wordt door ons bestormd. Maar -het wordt verdedigd door de Sparheiders, dat zijn Hans Bergwoude met -zijn broers en de kostjongens. Zij weten, dat wij uit de richting -van het Boterbergje komen. - -"Alle Sparheiders hebben een witten band om den arm, en voor ons heb -ik roode banden meegebracht. Hier zijn ze. Bind ze om den rechterarm!" - -Dat was gauw gebeurd en daarop deelde Bram zijn troep in. - -Voorop ging de spits, Jan v.d. Zee met twee jongens. Jan midden op -den weg, de twee jongens achter de boomen, daarachter een voortroepje -van drie man op den weg, vervolgens een troep van tien man en vijftig -meters daarachter een achterhoede als dekking van vier jongens. - -Elk gedeelte moest zorgen met de anderen in verbinding te blijven. En -verder deelde Bram zijn strijders alles mede, wat ze voor dezen middag -te weten hadden. - -Had de blijdschap bij het vernemen van dit prettige spel de jongens -eenige oogenblikken luidruchtig gemaakt, nu begrepen ze, dat ze -doodstil moesten zijn. Zij speelden elke week in de bosschen en kenden -er evengoed den weg als in hun eigen huis. - -Nadat Bram zijn troep had opgesteld, ging het in de genoemde volgorde -voorwaarts, de bosschen in. - -Hans Bergwoude, de generaal der Sparheiders, die het fort der blanken -te verdedigen had, zat intusschen ook niet stil. Vijf verdedigers had -hij in een wijden kring om het schoolgebouw doen postvatten en met -vijftien man trok hij de aanvallers tegemoet. Dat wil zeggen, hij -verdeelde ze eerst in drie partijen. Vijf jongens onder aanvoering -van zijn broer Flip trokken door de Sophialaan den vijand tegen, -vijf onder commando van Albert de Hooge door de Hooilaan en vijf -onder hemzelven door de Koninginnelaan, dus in het midden van de -beide andere troepen. Elke troep moest één der jongens tusschen de -boomen laten loopen, om berichten of teekens van links of rechts over -te brengen. Aan het eind van elke laan zouden de troepen halt houden -en daar den toegang voor den vijand afsluiten. Er waren nog wel meer -wegen, die naar Sparrenheide leidden, maar die vormden zulke groote -omwegen, dat er voor de tegenpartij te veel tijd zou verloren gaan -om die te volgen. - -Hans wist dit ook wel, daarom had hij de voornaamste wegen naar -Sparrenheide bezet. - -Het was stil in 't bosch. - -Wandelaars waren er bijna niet te zien, die kwamen zelden zoo vér en -bleven meestal in de nabijheid van het dorp. De zon scheen vroolijk -op dezen mooien Julidag en in het bosch was het heerlijk zoel onder de -boomen. In de toppen van de beuken en linden zongen merels en lijsters, -ginds sprongen een paar eekhoorntjes tusschen de sparretakken, maar -overigens was het doodstil. Schooner plekjes dan waar de jongens zich -door het bosch bewogen kan men zich moeilijk voorstellen. Naar alle -kanten slingerden zich de grijs bruine paden en verdwenen dan in het -duizendtintige boschgroen. Het lichte bladgroen der linden prijkte -naast de bruine beuken, donkere sparren en dennen daartusschen en -opeens weer een groep zachtgroene eiken, 't was voortdurend weer -'n andere tint van boomenloof. Soms weken de boomen vaneen en -omringden een open plek, waar dan 'n vijver gevormd was. Een vijver -van helder water, waarin je salamandertjes en slangen zag en mooie -waterinsecten. De bodem was er bedekt met millioenen bladeren, die -voor de vijverbewoners prachtige nesten vormden. - -Ook de jongens genoten thans wel van die heerlijke boschpracht, -maar voor 't oogenblik waren ze toch meer vervuld van het spel van -dezen middag. - -Zonder onnoodig geruisch te maken gingen de drie troepen voorwaarts -door de lanen. Generaal Hans begreep, dat hij niet tegenover -gewone soldaten stond, maar met Indianen te doen had, die op èchte -Indianenmanier plotseling van achter boomen en struiken te voorschijn -konden komen. Daarom had hij ook den voorzorgsmaatregel genomen, -eenigen van zijn mannetjes niet op de paden, maar tusschen de boomen -door te laten loopen. - -Eindelijk hadden de drie troepen het eindpunt van de genoemde lanen -bereikt en stelden zich daar verdekt op, dat wil zeggen, zij verscholen -zich tusschen het kreupelhout en zetten een schildwacht achter een -boom op den uitkijk. Elke troep moest op zijn plaats blijven en daar -voorloopig bivak houden. - -Generaal Hans wou nu wel eens weten, hoe het met den vijand gesteld -was en daarom riep hij zijn verkenner Rob bij zich. - -"Hoor eens, Rob," sprak hij, "jij moet eens het bosch verder ingaan -naar den kant van het Boterbergje en zien, of er iets van de Indianen -te merken is. Maar kijk goed uit je doppen, hoor, en bemoei je nou -eens niet met allerlei slakken en kevers en aardvlooien en weet ik -veel wat voor ongedierte meer! Denk er aan, dat zoo'n Indiaan op je -loert en voor je 't weet ben je gebrajen. En zorg dat je zoowat over -een half uur terug bent. Kan je roepen als een kraai?" - -"Beter dan jij." - -"Dat zit nog. Als er wat aan de hand is, laat je een kraaienschreeuw -hooren. Dan komen we. Zoo, ga nou maar." - -Rob ging het bosch in en was weldra tusschen het geboomte verdwenen. - -Hans ging van den eenen troep naar den anderen langs de -verbindingslaan. Hij lette er op, dat de schildwachten op hun post -waren. Maar hij had al gauw gezien, dat die ijverig hun plicht deden, -omdat ze veel te bang waren, onverhoeds door de Indianen overvallen te -worden. Hij besloot daarom kalm de lanen bezet te houden en alvorens -verder te gaan, de terugkomst van Rob af te wachten en te hooren, -wat die van de tegenpartij gezien had. - - - -De Indianentroep was voorzichtig voortgegaan door het bosch. Jan -v.d. Zee, die aan de spits ging, met een makker aan iederen kant -tusschen de boomen, meende op den viersprong van de Boslaan voorbij de -Groote Kom onraad te bespeuren. Hij wenkte zijn nevenmannen en stak -den arm omhoog wat door de achter hem aankomenden gezien werd. Die -gaven het teeken door en opeens hielden alle Indianen halt en wierpen -zich plat op den grond, zooveel mogelijk gedekt tusschen de struiken. - -Jan, die zich met den geweldigen naam Tijgerklauw als een echt Indiaan -deed kennen, zag tusschen het kreupelhout recht voor zich uit eenige -jongens bewegen. Zouden de verdedigers van Sparrenheide reeds zoovèr -doorgedrongen zijn? Was het een voorpost? Maar tevergeefs zocht -Tijgerklauw naar den witten band, dien de tegenpartij om den arm -moest dragen. Ook schenen de jongens met een heel ander spel bezig -te zijn. En terwijl Tijgerklauw de vreemde gedaanten tusschen het -geboomte bespiedde, wachtte Arendsoog, het dappere opperhoofd der -Mohikanen, op een tweede teeken. - -"Zou Tijgerklauw de bleekgezichten al zien?" fluisterde Arendsoog -Toon Sprits in 't oor, die nu "Vuurstraal" heette. - -"Vuurstraal weet het evenmin als het dappere opperhoofd, maar -Arendsoog kan mijlen ver zien, hij kan naar voren gaan en zien, -waarom Tijgerklauw niet verder gaat." - -"Mijn broeder spreekt verstandig. Ik zal gaan. Hugh! daar geeft -Tijgerklauw weer het teeken: voorwaarts." - -Inderdaad zwaaide Tijgerklauw zijn arm naar voren, de vreemden waren -geen vijanden geweest, en de Indianen slopen weer geruischloos langs -de paden. - -Zoo bereikten zij het Boterbergje. - -Het Boterbergje is een heuveltje, gelegen aan een zijpad van den -Eemnesser straatweg. Het is omringd door twee rijen boomen, aan -drie zijden daarachter strekt zich over een grooten afstand dicht -kreupelhout uit, alleen de kant van den weg was open. Boven op het -bergje stond een bultige, knoestige lindenboom. - -Arendsoog legerde zijn Indiaansche krijgers in het dichtbegroeide -terrein om het Boterbergje, zoodat er geen tip van hun neus te zien -was. Hij zelf kroop naar boven en klom in een boom. Maar veel kon hij -niet zien, 't was alles bosch en nog eens bosch. Alleen kon hij naar -het Noord-oosten een klein stukje van den straatweg zien. Hij wilde dan -ook juist weer uit den boom klimmen, toen hij de struiken zag bewegen -op een plaats, waar zijn Indianen niet gelegerd waren. Arendsoog hield -den adem in en hield zijn scherpen arendsblik gericht op de struiken. - -In 't volgende oogenblik zag hij een arm tevoorschijn komen, en om -dien arm ... een witte band! - -Een vijand dus! - -Maar was hij wel alleen? Was het niet een sterke afdeeling die -vooruitgezonden was om Arendsoog tegen te houden? Neen, dat was niet -waarschijnlijk, Sparrenheide lag nog op te verren afstand. - -Het zou dus wel een verkenner zijn! - -Maar dan zou Arendsoog ook wel zorgen, dat het bleekgezicht niet bij -zijn generaal terugkeerde! - -Stil... daar kwam een hoofd tusschen het groen te voorschijn, maar de -verkenner was nog te ver om zijn gezicht te kunnen onderscheiden. Hij -keek om zich heen. Toen dook hij weer weg in het groen. - -Arendsoog liet zich geruischloos uit den boom glijden. Hij sloop -langs den heuvel naar beneden en wenkte zijn strijders Tijgerklauw en -Vuurstraal. Een enkel fluisterend woord was voldoende om deze twee -op de hoogte te brengen, en plotseling vlogen de drie Indianen het -kreupelhout in om den spion gevangen te nemen. Zij hadden hem gauw -genoeg bemerkt en nu ontstond er een jacht door het eikengewas. Vijftig -meter verder lag het dennenbosch, als de vluchteling daarin zocht te -ontkomen was hij verloren. - -De Indianen vlogen door het moeilijk begaanbare terrein, zij zagen het -bleekgezicht Rob Bergwoude het bosch steeds meer en meer naderen.... - -Daar rende hij er in! - -Ziezoo, de tallooze, dicht op elkaar groeiende stammen zouden hem -het snelle voortgaan wel beletten. - -En, wat kalmer, volgden de roodhuiden den vluchteling. Ook zij -bereikten nu het dennenbosch. - -Maar.... waar was het bleekgezicht? - -Arendsoog, Tijgerklauw en Vuurstraal keken verbaasd om zich heen. Zij -keken naar de toppen der stammen, zij schopten de dennetakken van -den grond. - -Niets! - -Rob Bergwoude was spoorloos verdwenen! - - - - - - - - - -DERDE HOOFDSTUK. - -IN GEVECHT MET DE ROODHUIDEN. - - -Rob, die door zijn broer Hans op verkenning werd uitgezonden, was door -de Koninginnelaan het bosch ingetrokken. De jonge natuurliefhebber was -juist geschikt voor dit werk, omdat hij alle wegen en schuilhoeken zoo -door en door kende. Hij stapte regelmatig door tot aan de Jagerskom, -ook al een boschvijver. Daar zag hij op een bank bij het water een -stumperig oud moedertje zitten, dat bitter weende. - -Rob had een weekhartig gemoed en vond het zóó ontzettend naar, dat -hij dit oude vrouwtje huilen zag, dat hij het niet over zijn hart -verkrijgen kon, door te loopen. - -Misschien had zij iets in het water laten vallen? - -Rob kwam nog wat nader en toen pas scheen het oudje hem te bemerken. - -"Is... is u soms wat verloren?" - -Het arme moedertje veegde de tranen uit haar oogen en knikte. - -"Och, jongeheer," zei ze snikkend, "ik weet geen raad. Mijn zoon -had geld gestuurd, tien gulden. En nu was ik naar Baarn gegaan, om -wat boodschappen te doen.... en nu heb ik 't briefje verloren. Ik -heb zoo gezocht, zoo gezocht. Maar ik kan het niet meer vinden. Och, -och, wat zal mijn jongen wel zeggen! Hij heeft het voor zijn moeder -overgespaard. Vier weken had ik er mee moeten rondkomen. Tien gulden, -ach, en het is zoo'n lange weg naar De Vuursche." - -"Woont u daar?" vroeg Rob deelnemend. - -"Ja, jongeheer. Ik zal maar weer naar huis gaan. En onderweg nog eens -goed zoeken. Och, och, wat ben ik toch ongelukkig..." - -Opeens kreeg Rob een goed idee. - -"Wij zullen wel helpen zoeken," sprak hij. "Bij het begin van de -Sophialaan staat een troep jongens. Wij zijn aan het spelen. Wij zijn -bleekgezichten, weet u." - -"Bleekgezichten, jongeheer? U ziet er anders heelemaal niet bleek -uit. U hebt een gezonde kleur. Als melk en bloed." - -"Ja," zei Rob lachend, "maar zoo meen ik het ook niet. De Indianen -noemen ons bleekgezichten. De jongens van Baarn zijn de Indianen. Hebt -u ze niet gezien?" - -De oude vrouw schudde ontkennend het hoofd. - -"Nou maar," vervolgde Rob, "als u nou bij die jongens daar vraagt -naar Hans, dat is mijn broer, dan moet u hem maar eens vertellen, -dat ik gezegd heb, dat ze u moeten helpen zoeken. De jongens hebben -allemaal witte banden om den arm." - -'t Vrouwtje knikte hem dankbaar toe voor de aangeboden hulp en -strompelde terug. - -Rob zette zijn weg voort tot hij kwam aan de Reigers laan, in de -nabijheid van het Boterbergje. Daar drong hij het kreupelhout in tot op -tweehonderd meters afstand van het heuveltje. Hij hield zich doodstil -tusschen de struiken en bespionneerde den top van het bergje. Neen, -de Roodhuiden zouden wel niet zoo dom zijn, om zich boven op den top -te legeren... of waren zij nog niet tot hier gevorderd? - -Rob loerde en loerde, maar de dichte eikebladeren beletten hem het -uitzicht. Hij duwde met den arm de takken terzijde en stak zijn hoofd -boven het groen uit. - -Op dit oogenblik bemerkte Arendsoog hem. - -Maar toen deze met Tijgerklauw en Vuurstraal op hem afkwam, had Rob -toch gauw gezien, dat hij ontdekt was. Hij rende, zoo gauw als de -struiken dit toelieten, naar het achter hem gelegen dennenbosch, maar -onder die vlucht bedacht hij, dat de dicht op elkaar staande stammen -hem teveel zouden tegenhouden. En daarom besloot hij van een list -gebruik te maken. Hij zou net doen alsof hij in het bosch vluchtte, -en ook werkelijk een paar stappen tusschen de eerste stammen doen, -zoodat zijn vervolgers, die nog wel een dertig meters achter hem waren, -hem duidelijk konden zien. - -Zoo deed hij. - -Maar na een paar stappen gedaan te hebben, liet hij zich plotseling -vallen en kroop snel terug naar het kreupelhout, waar hij een -uitstekende schuilplaats vond. - -Toen Arendsoog, Tijgerklauw en Vuurstraal eenige oogenblikken later -den rand van het bosch bereikten, was er van den vluchteling geen -spoor meer te ontdekken. - - - -"Hugh!" zei Arendsoog tot zijn makkers, "is het bleekgezicht dan een -geest, die in de lucht verdwijnt?" - -"Of heeft de witte man tooverkruiden ingenomen, waarmede hij zich -onzichtbaar maakt?" vroeg Tijgerklauw. - -"Mijn roode broeders dwalen," zei Vuurstraal, "het bleekgezicht heeft -geen tooverkruiden en is ook geen geest, maar hij heeft verstand. Zie, -het woud is dicht en ondoordringbaar. De slang en de wolf loeren op -hun prooi. Daarom is de blanke verspieder niet in het bosch gegaan." - -"Arendsoog hééft hem het woud zien betreden," sprak het opperhoofd -op deftigen toon, "en het oog van den arend vergist zich nimmer." - -"Het opperhoofd der Mohikanen spreekt als een man," zei Tijgerklauw, -"maar onze broeder heeft gelijk. De vluchteling is niet verder het -woud ingegaan dan wij." - -"Hugh! Waar is hij dan?" - -"Vuurstraal weet het niet, maar begrijpt het. Het bleekgezicht verbergt -zich voor de roode krijgers in het struikgewas." - -En met deze woorden ijlde de jonge Indiaan het kreupelhout in, waar -opeens beweging en leven in kwam. Opnieuw werd het wild opgejaagd en -nu precies in de richting van de plek, waar de Mohikanenstam gelegerd -was. Het duurde dan ook niet lang, of Rob liep als het ware in de -armen zijner vijanden. - -Tegen zulk een overmacht was hij niet bestand en ondanks al zijn -rukken en worstelen werd hij gevangen genomen. Maar hoe de Indianen -hem ook dreigden te scalpeeren, hij wilde volstrekt niet zeggen, -waar zijn kameraden waren. - -De roodhuiden hielden krijgsraad. Zij zaten in een kring gehurkt en -keken naar Arendsoog, die met bezorgd gelaat om zich heen staarde. - -"Het bleekgezicht is een verspieder," sprak hij. "Hij wil zijn mannen -gaan zeggen, dat de Roodhuiden den Boterberg bezet hebben. Maar -Arendsoog is een wijs opperhoofd. Als het bleekgezicht hem zeggen wil, -hoe groot het aantal zijner witte broeders is, zal de Mohikaan genade -voor recht laten gelden. Dat de gevangene spreke!" - -Maar Rob aan handen en voeten gebonden met een lasso, weigerde eenige -inlichting te geven. - -"Het jonge bleekgezicht is wel moedig, maar niet verstandig," -zei Arendsoog. - -Daar klonk opeens het geschreeuw van een kraai door het bosch! - -"Kàrr... Kàrr!!" - -En eer de roodhuiden het verhinderen konden, gaf de gevangene het -antwoord: - -"Kàrr... Karr... Kàrr!" - -"Verraad!" schreeuwde Tijgerklauw. - -"Voorwaarts, dappere krijgers!" riep Arendsoog, "daarginds is de -vijand! Dood aan de bleekgezichten!" - -En de woeste Indianenhorde stormde het bosch in naar den kant vanwaar -het signaal gekomen was. - - - -"Ik begrijp er niets van," zei Generaal Hans tot zijn broer -Flip. "Rob is al meer dan een half uur weg en wij zien hier nog geen -Indiaan. Zouden ze hem te pakken hebben?" - -"Misschien zit-ie heel kalm ergens een bloem te determineeren," -zei Flip. - -"Dat geloof ik niet, want ik heb hem juist nog goed op het hart -gedrukt, om dat nu maar eens over te slaan en alleen uit te kijken -naar de roodhuiden." - -"Ik wou, dat ze maar kwamen," zei Flip, "dan kregen we tenminste wat -te doen. Ik verveel mij een aap." - -"Met jouzelf meegerekend zijn dat dan twéé apen." - -"Zoo, baviaan. Maar je moest er mij eens op uitsturen, om Robberdebob -op te snorren. Wie weet, waar dat heerschap zit." - -"Als hij maar niet gevangengenomen is. Weet je wat? Ik moet natuurlijk -hier blijven. Een generaal kan zijn leger niet in den steek laten. Maar -ik zal je twee soldaten meegeven en je gaat Rob zoeken. Dat is dan -een patrouille." - -Een oogenblik later was commandant Flip met twee man Rob achterna -gegaan. Daar het bosch maar heel weinig betreden wordt, konden -de jongens heel duidelijk de versche voetsporen van hun voorganger -volgen. Maar toen die voetstappen bij den viersprong van de Reigerslaan -opeens in het kreupelhout verdwenen, was het spoor van Rob niet meer -te volgen. - -"Ik ben een citroenschil als ik weet, hoe we Rob nou moeten vinden," -zei Flip. - -"En we zitten hier natuurlijk vlak bij de Roodhuiden," waarschuwde -Hein Veere, een der Sparheiders. - -"Kan je niet 's roepen?" opperde de ander, die Piet Broeser heette. - -"Daar zeg je zoowat," zei Flip. "Ik zal een kraaienschreeuw -geven.--Kàrr... kàrr!!" - -En daar klonk het wat verder: "Karr--karr--karr!" - -"Stil!" sprak Hein, "ik hoor het geschreeuw van de Indianen. Zij -komen hierheen!" - -Het geluid van vele voetstappen kwam snel nader. Flip en zijn twee -mannen kropen in 't dichtste deel van het kreupelhout. - -Een oogenblik later holde een woeste Indianentroep van wel twintig -man voorbij de plek, waar de bleekgezichten verscholen lagen. Deze -hielden zich doodstil, want men kon nooit weten of niet meerdere zouden -volgen. Maar er kwam niemand meer. De Indianen waren blijkbaar in de -meening, dat de vijanden veel verder verwijderd waren dan inderdaad -het geval was. Maar--waar bleef Rob? - -Flip waagde zich aan den rand van het kreupelhout. Aan het einde van -de laan stonden de Roodhuiden besluiteloos te kijken. Nu moest een -poging gewaagd worden om zijn broer te verlossen! - -"Kom mee!" zei Flip, en gedekt door de struiken ijlden zij naar -het Boterbergje. - -In de algemeene opwinding was Rob door de Roodhuiden aan zijn -lot overgelaten. Het plotselinge signaal der bleekgezichten had -hen in den waan gebracht, dat zij door een sterke macht bedreigd -werden. Ondertusschen lag Rob aan handen en voeten gebonden aan den -voet van het Boterbergje. Zoo vond zijn broeder hem. - -"Vlug, vlug!" zei Flip, terwijl hij de lasso doorsneed, waarmee Rob -geboeid was. "We moeten gauw hier vandaan, want de Roodhuiden zullen -in een oogenblik weer hier zijn!" - -Dat behoefde hij Rob geen tweemaal te zeggen. - -De jongens maakten, dat zij wegkwamen, maar nauwelijks hadden zij -den viersprong bereikt en wilden dien passeeren, toen een der daar -dwalende Indianen hen bemerkte. - -De Roodhuid liet een doordringenden kreet hooren. - -En onmiddellijk daarop stormde de heele bende voorwaarts, de -bleekgezichten achterna. Arendsoog voorop, onmiddellijk gevolgd -door Tijgerklauw en Vuurstraal, zaten ze weldra de vluchtelingen op -de hielen. - -Maar generaal Hans had het rumoer in 't bosch gehoord. Snel als de -wind verzamelde hij zijn soldaten en snelde de Roodhuiden tegemoet om -zijn makkers te ontzetten. Nog één oogenblik... en de drie verkenners -waren met den bevrijden Rob weer veilig tusschen de kameraden. - -De Indianen kwamen aanstormen, het werd een gevecht van man tegen -man. Maar de bleekgezichten telden maar vijftien man, terwijl de -Roodhuiden over ruim twintig te beschikken hadden. Al worstelende -en vechtende werden de blanken achterwaarts gedrongen, steeds meer -en meer teruggedreven. De aanvallen der woeste Mohikanen waren zóó -onweerstaanbaar hevig, dat van tegenhouden bijna geen sprake was. - -De blanken werden teruggedreven tot onder de muren van het fort -Sparrenheide. - -Daar kregen ze opeens versterking van de jonge garde, die het fort -bewaakte. Met deze nieuwe krachten ondernamen ze nu een uitval, die -de Roodhuiden niet verwacht hadden en waardoor deze een flink eind -teruggedreven werden. - -Nu omsingelden de Indianen de school, die als fort dienst deed en -het beleg begon. - -Arendsoog bond zijn zakdoek aan een stok en trad naar voren. - -Generaal Hans deed hetzelfde. - -Daar stonden de twee machtige opperhoofden tegenover elkaar. - - - -"Hugh!" zei de Indiaan. "De dappere Arendsoog is gekomen om met het -opperhoofd der bleekgezichten te spreken." - -"En wat verlangt mijn roode broeder?" vroeg de generaal op denzelfden -deftigen toon. - -"De Mohikanen zijn een vreedzaam volk," sprak Arendsoog, "zij jagen -in de bosschen en rooken den vredespijp. Maar de bleekgezichten zijn -gekomen en hebben den rooden man uit zijn bosschen verjaagd, om die -in bezit te nemen. Onze dapperste krijgers hebben zij gedood met hun -vuurwapens. Waar is de Witte Bison? Waar is de Koningstijger? Waar -is de Prairie duivel? Het bleekgezicht heeft ze doodgeschoten. Maar -Arendsoog is het hoofd van den stam der oude helden, Arendsoog zal -de gevallen krijgers wreken. De witte man moet zijn steenen huis aan -de Mohikanen overgeven." - -Generaal Hans keek den Indiaan ernstig aan. - -"Arendsoog wil den oorlog," sprak hij, "maar de witte mannen willen -dien niet. Zij willen in vrede leven met die oude krijgers der -Mohikanen. Het fort behoort aan ons. Wij zullen het verdedigen als -de roode mannen het ons ontnemen willen." - -"Hugh!" riep Arendsoog op minachtenden toon, "de roode krijgers zullen -komen. En vóór het groote licht verduisterd wordt, zullen zij het -bleekgezicht verdreven hebben." - -En met een trotsch gebaar keerde het opperhoofd naar zijn krijgers -terug. - - - -Bijna oogenblikkelijk daarop werd de aanval door de Roodhuiden met -buitengewone hevigheid ondernomen. Maar met niet minder dapperheid -streden de Sparheiders. De Indianen wonnen geen duimbreed grond, -werden zelfs af en toe teruggedreven. - -Het werd inmiddels al later en later en de vechtenden werden -vermoeid. Vooral de Indianen, die zich buitengewoon hadden ingespannen -waren nauwelijks meer tot aanvallen in staat. - -Generaal Hans zag dat zeer goed. Hij verzamelde al zijn soldaten op -één punt en joeg er zóó verbazend snel op de Roodhuiden in, dat deze -niet langer konden standhouden en onder het triomfeerend "hoera!" der -Sparheiders op de vlucht werden gedreven. - -Toen klonk opeens een mannestem: - -"Bravo jongens! Het fort is prachtig verdedigd! Komt nu allemaal -hier! Hans, Flip, Rob, Hein! En de Roodhuiden ook!" - -Het was de heer Bergwoude, die het laatste deel van het spel had -bijgewoond en nu de dappere strijders bij zich riep. - - - - - - - - - -VIERDE HOOFDSTUK. - -EEN PRETTIG BESLUIT EN EEN VROOLIJKE VERTELLING. - - -"Allemaal hierheen, jongens!" - -En mijnheer Bergwoude opende de deur van de gymnastiekzaal, die achter -de school gelegen was. In een oogenblik waren de veertig jongens in -de zaal bijeen. Mijnheer ging op een bankje staan, zijn gelaat stond -vroolijk, want hij had schik in de spelen der jongens. Mevrouw was -op het krijgsrumoer al komen toeloopen om te zien, wat er toch wel -aan de hand mocht zijn. Maar nu keek zij toch ook met een lachend -gezicht naar die vroolijke knapen. - -"Hoor eens, jongens!" sprak Mijnheer, en dadelijk daarop werd het stil, -"ik moet eens even wat zeggen. Jullie hebt vanmiddag een mooi spel -gespeeld! Het was wel een oorlogsspel, maar er zijn geen slachtoffers -gevallen. Het was een spel, waarbij je oogen en ooren goed den kost -moest geven. Jullie hebt je oplettendheid en scherpzinnigheid vanmiddag -kunnen oefenen. Bij het gevecht zijn geen stokken of steenen gebruikt, -bij ieder kwam het op eigen lichaamskracht aan. Dat is ferm, dat is -gezond. Er is niemand mishandeld, ik heb gezien, dat de zwakkere -alleen maar door den sterkere werd teruggedreven. En wie er bij -ongeluk al eens een buil of een schram heeft opgeloopen, die moet -dat dan maar beschouwen als een teeken van heldenmoed. Jullie hebt -je allen kranig gedragen, en ik moet den Roodhuiden mijn compliment -maken, dat zij het nog zoo lang tegen de overmacht hebben uitgehouden!" - -"Hoera!" klonk het dreunend door de zaal. - -"Bravo!" zei Mijnheer Bergwoude. "En nu, jongens, wie wat verdient, -moet wat hebben. Hans, geef jij die groote, ronde doos eens aan, -die daar staat!" - -Hans keek naar den kant, dien zijn vader aanwees en bemerkte nu pas -een kolossale ronde taartjesdoos. Hij gaf die aan zijn vader en deze -toonde haar geopend aan de jongens. - -"Hoera, taartjes!" klonk het. - -"Vooruit jongens, kiest er de heerlijkste maar uit. Ik trakteer de -beide oorlogvoerende partijen," zei Mijnheer lachend en om het goede -voorbeeld te geven, stak hij zelf een roomhoorn in den mond, waarmee -hij vervolgens allerlei gekke gezichten trok, zoodat de jongens het -uitgierden van pret. Zij lieten zich ondertusschen de onverwachte -tractatie heerlijk smaken en rustten op stoelen en banken uit van de -vermoeienissen des oorlogs. - -Toen zei Mijnheer Bergwoude: - -"Ik vind het toch zoo prettig, dat de leerlingen van "Sparrenheide" -zooveel vrienden hebben. En de Baarnsche jongens zijn hun beste -vrienden. Ieder weet wel, dat de jongens van Sparrenheide niet den -heelen dag met den neus in de boeken ziften en dan 's avonds nog -urenlang blokken om 's morgens weer opnieuw te beginnen. Neen, wij -studeeren wat kalmer aan en gaan af en toe eens het bosch in. Wij -timmeren en plakken en cartonneeren allerlei mooie en nuttige dingen, -wij zingen en maken muziek, maar vergeten daarom toch de leervakken -niet. Als wij dag in, dag uit studeerden en al maar blokten en -ploeterden, zouden al onze leerlingen heel gauw zenuwpatiëntjes -worden en heelemaal niets meer kunnen leeren. Nu zijn het ferme, -frissche jongens, met rozen op de volle wangen. En daarom kunnen ze -ook ferm meespelen met hun Baarnsche makkers. Frisch op, Roodhuiden, -en een hartelijk hoera voor de Sparheiders!" - -"Leve de Sparheiders! Hoera!" riepen de Baarnsche knapen. - -"All right, jongens," besloot mijnheer. "Het klokje van gehoorzaamheid -slaat. Nu afscheid nemen van elkaar, de Sparheiders naar hun kamers -en de Roodhuiden op marsch naar Baarn!" - -Dat bevel werd opgevolgd en een oogenblik later verkeerde het bedreigde -fort der bleekgezichten weer in veilige rust. - - - -De slaapkamers der Sparheiders waren op de bovenverdieping, en hadden -alle een deur, die op het balcon uitkwam. Een van die kamers behoorde -aan Hans, Flip en Rob. De drie broers hadden zich wat verfrischt en -rustten nu even uit in hun heiligdom. - -"Zeg," vroeg Flip aan Rob, "hoe kwam jij toch zoo'n stakker om je -door de Indianen te laten inpakken?" - -"Dat was niet stakkerig, dat was..." - -"Slim toch ook niet, Robbekop." - -"Och, jij met je kletspraat," mopperde Rob. "Denk-je, dat het nou zoo -aardig is, om Robbekop tegen mij te zeggen? 'n Kunst! Ik kan ook wel -zeggen: Flip, 'n kikker op je lip." - -"Die naar binnen glipt," voegde Hans er bij. - -"Heel mooi gezegd," plaagde Flip. "Maar toch had ik me niet zoo -één-twee-drie laten inmaken. Hoe is dat toch gebeurd?" - -"Ik heb heelemaal geen zin om dat jou te vertellen," zei Rob. "Als -ik die oude vrouw niet gezien had, dan..." - -"Welke oude vrouw?" vroeg Hans. - -"O, dat is waar ook," herinnerde Rob zich. "Is ze niet bij je geweest, -toen je aan 't eind van de Koninginnelaan lag?" - -"Bij mij?" vroeg Hans weer. "Neen, ik heb niemand gezien." - -"Hee, en ik heb haar nog gezegd, dat ze naar jou moest vragen. Ze kwam -van de Vuursche door het bosch en had onderweg een briefje van tien -gulden verloren. De arme stakker zat te huilen aan de Jagerskom. Ik kon -natuurlijk niet gaan zoeken. Maar ik heb haar naar jou toe gestuurd." - -"Niets gezien," herhaalde Hans. "Ik denk, dat ze 't geld weer gevonden -heeft en toen maar verder is gegaan." - -"Ja, dat kan wel," vond Rob. En verder werd er over die zaak niet -gesproken. - -Maar een oogenblik later kwam de oude huisknecht aan Hans vertellen, -dat er een arme vrouw was, die naar hem vroeg. De huisknecht was een -stokdoove oud-gediende, die Bosman heette. Men moest altijd verbazend -hard roepen om hem iets verstaanbaar te maken en dan nog verstond -hij het meestal heelemaal verkeerd. - -"Hoe heet die vrouw?" riep Hans aan Bosman's oor. - -"Met haar mond, denk ik," zei Bosman. - -"Ach neen, ik vraag niet hoe zij eet, maar hoe zij héét!" - -"Dat weet ik niet" - -"O," zei Rob, "dat is ze bepaald. Wacht Hans, ik ga mee." Hans en Rob -holden naar beneden en Rob herkende dadelijk het arme vrouwtje. Ook -nu had zij nog de tranen in de oogen. - -"Och jongeheer," snikte ze. "Ik was eerst zoo blij. Ik vond de -portemonnaie terug. Maar alles is eruit gehaald! O, ik weet geen -raad. En nu kwam ik vragen, of misschien ... o, ik durf het haast -niet zeggen." - -"Zeg 't maar gerust," moedigde Hans aan. - -"Ach, u moet niet boos worden, als ik 't zeg. Maar een kind is maar een -kind. Het zou toch wel kunnen, dat een van de jongens ... 't gevonden -had ... en 't eruit genomen heeft. Die denkt daar niet altijd kwaad -bij. Maar ik ben een arme, oude vrouw en kan 't niet missen." - -"Welneen," zei Hans. "Zooiets doen ónze jongens niet. Daar hoeft u -niet aan te denken. Maar wij willen het wel eens vragen." - -Op dit oogenblik kwam mijnheer Bergwoude uit de tuinkamer naar de -voordeur. - -"Wat gebeurt er, jongens, en waarom huilt dat vrouwtje?" Rob vertelde -zijn vader met een paar woorden, wat er gebeurd was. - -"Wel dat is een ongelukkige geschiedenis," sprak mijnheer Bergwoude. - -"Maar ik kan je de verzekering geven, vrouwtje, dat geen der jongens -van onze school zoo slecht is geweest om het geld uit de portemonnaie -te nemen. Waar hebt ge die weer teruggevonden?" - -"Op den Hulpweg bij 't Hondenbosch," zei de oude. - -"Zijn jullie in 't Hondenbosch geweest?" vroeg mijnheer Bergwoude -aan Hans en Rob. - -"Neen vader," zei Hans, "dat lag heelemaal uit onze richting. Van -onze troep kan er dus niemand geweest zijn." - -"Zoo. En de andere jongens zijn evenmin hier vandaan geweest. 't -Eenige zou dus zijn, dat een der meisjes ... maar dat zou toch al -heel vreemd zijn. Wacht, ik wil het voor uw zekerheid toch even aan -de onderwijzeres vragen." - -Maar een oogenblik later was de heer Bergwoude al weer terug met de -boodschap, dat de juffrouw dien middag met de meisjes had getennist -en niet in 't Hondenbosch was geweest. - -"Het moet dus een vreemde zijn," vervolgde de hoofdonderwijzer, -"maar daarom zullen we u toch helpen de zaak te onderzoeken. Hoe heet -ge en waar kunnen we u vinden?" - -"Ik ben de weduwe Vorstman, mijnheer, ik woon in de dorpstraat van -de Vuursche." - -"Komaan. Zeg jongens, gaan jullie maar weer naar boven," sprak hun -vader, "ik zal 't wel verder met vrouw Vorstman in orde maken." - -De broers gingen naar boven en mijnheer Bergwoude sprak nog even -met de weduwe. Zij scheen getroost heen te gaan en niet meer over -haar verlies te treuren, want zij lachte nu door haar tranen heen en -stapte heel wat vroolijker naar huis terug. - - - -Om zes uur werd er gedineerd in de groote eetzaal. Mijnheer en Mevrouw -zaten aan 't hoofd van de tafel, dan de onderwijzeres en de onderwijzer -en vervolgens de jongens en meisjes. Die middagtafel was altijd heel -gezellig. En na afloop ging men op mooie zomeravonden nog wat voor -het huis in het gras zitten of een klein wandelingetje maken rond -den heuvel. - -Tegen acht uur, als het zoowat donker werd, bracht de meid een -petroleumlamp buiten, waarvan het licht getemperd werd door een roode -kap. Om de tafel zaten mijnheer en mevrouw Bergwoude met meester -Hooghuizen en juffrouw Wieler. En zoolang het nog geen bedtijd was, -lagen daaromheen de jongens en meisjes van Sparheide. Dat was het -heerlijke verteluurtje, dat om beurten door meester Hooghuizen en de -juffrouw of mijnheer Bergwoude werd gehouden. De zachte schemering, -het omringende bosch met hoog daarboven de aarzelend naar voren komende -sterren, de gezellige kindergroep voor het huis, zacht beschenen door -het tooverroode lamplicht, dat alles werkte mee om een romantische -sprookjesstemming over allen te brengen. - -En 't was vaak, of bij zoo 'n mooi verhaal de sparren en beuken -en dennen stil te luisteren stonden en niet slapen wilden gaan -voordat het uit was. En ieder der vertellers had zoo zijn eigen soort -verhalen. Meester Hooghuizen wist altijd mooie geschiedenissen uit de -vele boeken, die hij las. Juffrouw Wieler vertelde meestal sprookjes -van kabouters en toovergodinnen en nimfen. Dat kon ze wàt mooi, maar -de juffrouw was zelf ook schrijfster en had al heel wat prachtige -sprookjesboeken geschreven. - -Maar als mijnheer Bergwoude aan de beurt was, dan werd er gelachen -om de gekke dingen, die hij vertelde, dat je de tranen van pret over -de wangen rolden. - -Vanavond was hij juist weer aan de beurt van vertellen en de jongens -en meisjes keken hem al verlangend aan. Zij zaten en lagen rondom de -tafel in het gras, mevrouw en juffrouw Wieler hadden een haakwerkje -ter hand genomen en meester Hooghuizen lag in een gemakkelijken stoel -een sigaar te rooken. - -Mijnheer Bergwoude had juist zijn lange goudsche pijp opnieuw gestopt -en aangestoken en scheen wel van plan, iets te gaan vertellen. Daarbij -knipte zijn eene oog ondeugend, alsof hij zeggen wou: Nu zullen jullie -weer wat moois komen te hooren. - -"Ik weet eigenlijk voor vanavond geen nieuw verhaal," sprak hij, -"maar ik zal mijn beurt wel moeten waarnemen en daarom zal ik je eens -iets vertellen uit de allereerste kinderjaren van Hans, Flip en Rob." - -De drie broers werden van alle kanten lachend aangekeken, maar zij -waren ondertusschen zèlf nieuwsgierig naar hetgeen hun Vader daarvan -vertellen zou. - -"Ik woonde hier pas een paar jaar," begon mijnheer, "en de drie -jongens waren nog maar heel klein. En nu zal je hooren, hoe de drie -kleuters op een goeden dag met een hofrijtuig van de Koningin Moeder -werden thuisgebracht. Op den dag, dat mijn verhaal een aanvang neemt, -was Hans, de oudste, vier jaar. Daarop volgde Flip, die 3 jaar was -en dan had je Robert, bijgenaamd Bobbie, die pas 1 jaar telde, maar -niettegenstaande dat de grootste ondeugd was van heel "Sparrenheide." - -Hans en Flip waren wilde rakkers en toch niet zoo ondeugend als -Bobbie. Deze éénjarige jongeheer was véél kalmer, een heel stil -ventje, maar buitengewoon lastig. Je kwam nooit met hem uitgepraat, -hij liet je niet los, als je met hem begon te praten. Hij was een -lief en aardig kereltje, o zeker, maar de dreumes maakte in stilte -plannen en voerde ze dan uit ook, dingen, die den menschen een heelen -hoop last bezorgden. Hij vond allerlei ondeugende streken uit, maar -lachte er nooit zelf om. - -Bobbie was altijd ernstig. - -Hij hield veel van eten, van vechten, van honden en van vogels. Maar -het meest hield hij van zijn vader en moeder. - -Katten kon hij niet uitstaan. Als hij er een te pakken kreeg, greep -hij het dier bij den staart, slingerde poes een paar maal in het rond -en gooide haar dan van zich af. Met de dienstmeiden was hij meestal op -voet van oorlog. Dat kwam, omdat hij, als hij er den kans toe had, de -halve keuken naar buiten sleepte en dan met een hamer alles stuksloeg. - -Alles, in de gangen en in de kamers, dat niet vaststond, nam hij -mee naar buiten. En daar ging het dan onder den hamer. Vader had het -hem al honderdmaal verboden, moeder al wel duizendmaal. Maar Bobbie -scheen erg vergeetachtig en was den volgenden dag opnieuw met zijn -hamer in de weer. Soms viel hij overdag, als hij in den tuin of het -bosch speelde, in slaap. Dat was heelemaal niet erg, maar daarbij had -hij de gewoonte, 's nachts urenlang wakker te liggen en dan allerlei -zonderlinge geluiden te maken. - -Dat was voor de slapenden niet prettig, erg lastig. - -Bobbie sprak maar vier woorden: vajie en moejie, leja en akiboekie. - -Dit Bokkenspaansch beteekende: Vader en moeder, lekker en -leelijk. Alles wat Bobbie mooi vond of graag lustte, was "leja" en wat -niet naar den jongenheer z'n smaak was, noemde hij "akiboekie." Meer -woorden zei hij nooit en wilde hij ook niet zeggen. Want met de -genoemde vier woorden kon hij best terecht. De rest deed hij met -gebaren. Een kus van moeder was "leja" maar een kus van vader met z'n -baard was "akiboekie." Verder maakte Bobbie zich nooit boos of driftig, -hij huilde alleen maar als de dokter in huis kwam, anders nooit, en als -hij niet lief en aardig was, dan was hij lastig, alleen maar lastig! - -Hans en Flip geleken in bijna alles op elkaar, maar verschilden ook -samen in alles evenveel als Bobbie. - -Zij waren beiden even wild, even uitgelaten-vroolijk, even vlug in 't -hardloopen en lachten om 't hardst om alle dwaze dingen van Bob. Zij -bemoeiden zich echter maar weinig met hem, want Bobbie voelde zich vèr -boven zijn broers verheven en wilde zich liefst maar alléén vermaken. - -Tusschen Hans en Flip bestond een soort bondgenootschap, maar tusschen -hen beiden en Bobbie was 't meestal oorlog. - -Omdat zij alle drie nog te jong waren, gingen zij niet op school. Er -was te Baarn wel een bewaarschool, maar ik liet mijn kinderen liever -in het bosch spelen, dat was veel gezonder voor hen. Bovendien moesten -zij alle middagen een uurtje slapen. Dat slapen ging met Hans en Flip -niet zoo gemakkelijk als met Bobbie. Bob kon om zoo te zeggen slapen -als hij wou, dat kwam misschien wel, doordat hij zooveel at en zoo -dik was. Maar Hans en Flip waren heel niet slaperig uitgevallen en -'t kostte moeder heel wat moeite, die twee des middags een uurtje te -laten rusten. - -Op een dag, dat de leerlingen met hun onderwijzer voor een uur -de schoolbanken verlaten hadden om in het bosch wat te spelen, -stapte kleine Bobbie het huis uit, wandelde den heuvel af en stak -den straatweg over, die dwars door het bosch liep. Toen sloeg hij het -grintpad in, dat naar de school leidde en trad binnen. Hij deed dat zoo -kalm en zoo zeker, alsof iemand hem gezegd had, dat hij dit moest doen. - -In 't eerste lokaal bleef hij staan en stak zijn vinger in den -inktpot. Dat zijn vingertje toen heelemaal zwart was, vond hij -vreeselijk pràchtig. - -Daarop stak hij den vinger in zijn mond, hij wilde eens proeven, -of dat zwarte goedje ook lekker smaakte. Maar dat viel niet mee. Hij -trok een leelijk gezicht en zei: "Akiboekie." - -Toen scheen de gedachte in zijn kleine hersentjes op te komen, -dat de andere kinderen dit zwarte drankje maar liever niet moesten -drinken. En daarom wipte de kleuter den inktpot er uit en goot dien -leeg op den grond. - -Zoo deed hij met alle inktpotten. - -Na dit zware werk verricht te hebben, wandelde hij doodbedaard door -de inktplassen en gleed uit. - -Hij viel met zijn neus in den morsboel. Zijn witte boezelaar zag er nu -bijzonder mooi uit, vond hij. Hij smeerde ook zijn bloote beentjes -er mee vol en stapte aldus toegetakeld weer naar buiten. Bobbie -vond dat hij nu in school genoeg geleerd had en ging eens op den -straatweg kijken. - -Daar kuierde een groote tor over de steenen. Bobbie ging erbij zitten -om eens te zien, of de tor niet op zijn schoot wilde zitten. Toen -kwam er in de verte in razende vaart een automobiel aan. De heer, -die de auto bestuurde, zag het kleintje midden op den weg zitten. - -Hij toeterde uit alle macht. - -Bobbie was verdiept in 't beschouwen van de zwarte tor. - -De auto toeterde, de heer zwaaide met zijn arm. - -Bobbie zag de auto wel, en den mijnheer, die zoo tegen hem zwaaide, -zag hij ook wel. Maar hij vond het heelemaal niet noodig, een eindje -op zij te gaan. De heer in de auto rèmde, zwaaide nogmaals zijn arm. - -En Bobbie zwaaide vriendelijk terug. - -Toen schoot de vreemde heer in een lach. Hij liet de automobiel -stilstaan, stapte er uit en droeg Bobbie, dat zwartgezicht naar een -kant van den weg. En daarna reed hij weer verder. - -Kleine Bob had ondertusschen de zwarte tor uit het oog verloren, maar -scheen zich opeens te herinneren, dat hij vandaag nog geen bezoek -had gebracht aan de keuken. Hij had vandaag nog niets stukgeslagen, -en daarom werd het hoog tijd eens wat op te zoeken, dat erg mooi in -stukken kon vliegen. - -Met dit goede voornemen klom hij het heuvelpad weer op, dat naar -zijn huis leidde, toen opeens Hans en Flip in vliegende vaart op hun -rolwagentje van boven kwamen aanrijden. - -Er was geen haar op Bobbie z'n hoofd, dat er aan dacht, ook maar -één stap op zij te gaan. En nu kwam het rolwagentje recht op hem af, -zoodat het tegen hem aanbonsde en omsloeg. - -Er rolden nu vier dingen den heuvel af: het rolwagentje, Hans, Flip -en Bobbie. - -Dat heele stelletje ging holderdebolder naar beneden en toen er niets -meer te rollen was, omdat de weg beneden weer effen was, kropen ze -allemaal overeind, behalve het rolwagentje. De vierjarige Hans vond -het niemendal mooi van Bobbie, om expres midden in den weg te gaan -staan en hun mooie rutschbaan te bederven. - -Hans was spin-nijdig. - -En de driejarige Flip gaf zijn éénjarige broertje een klap. Maar -Bobbie was ook niet van gisteren, die zette zijn tien nagels in Flip's -gezicht en zei: Leja! - -Flip werd daardoor buiten gevecht gesteld en Hans vond dat per slot van -rekening zóó kranig van zijn jongsten broer, dat hij weer vriendschap -sloot. Hij zette den rolwagen weer overeind en zei tot Bobbie: - -"Ga d'r maar in zitten!" - -Ja, dat vond Bobbie aardig en zelfs Flip hielp mee, den kleinen dikzak -in het wagentje te hijschen. Hij en Hans trokken de equipage voort -over den boschweg, wat zeer naar genoegen was van den kleinen schelm, -die maar aanhoudend "Leja, Leja!" riep. De kinderen dwaalden al verder -het bosch in, hielden af en toe eens halt en raapten dan allerlei -schoone dingen op. Vooral spar-appels en plakjes mos. Die vonden zij -altijd verbazend mooi: Bobbie probeerde of hij spar-appels kon opeten, -maar dat beviel hem al heel slecht en hij zei: "Akiboekie." Ook een -paar torren en rupsen werden in den wagen geladen, waar de beestjes -aldra lustig rondkropen over het mos en Bobbie's beenen. - -Zoo scharrelden de drie broers al verder en verder, en eindelijk -hadden ze de Koninginnelaan bereikt. Hoe of het nu precies gegaan -is, zou ik je onmogelijk kunnen zeggen, maar in elk geval schijnt -de rolwagen omgeslagen te zijn. Dat Bob er uitgevallen is, zal wel -zoo klaar als koffiedik zijn. Ze zijn toen met hun drieën tusschen -de boomen gaan spelen. Nu reed er toevallig door het bosch een -rijtuig van het paleis. Als de Koningin niet uitreed, moesten toch -de paarden hun dagelijkschen wandelrit maken, en juist bij den hoek -van de Koninginnelaan gingen de wielen van het rijtuig over het -rolwagentje heen. - -De koetsier hield stil en raad eens, wat hij deed? Hij vond het wat -heel hard om de drie peuters met hun gebroken wagentje aan hun lot -over te laten en stopte toen 't heele gevalletje in het rijtuig. - -Stel je nu onze verbazing voor, toen me daar een hofrijtuig kwam -aanrijden met drie kwajongens er in! Dat wij den koetsier hartelijk -bedankt hebben voor het terugbrengen van de drie zwervers, behoef -ik jullie niet eens te zeggen. Ziezoo, en dit heb ik je nu maar eens -verteld, omdat ik voor vanavond geen ander verhaal wist. - -Er was heel wat gelachen door de jongens en meisjes, en de drie -jolige broers werden van verschillende kanten geplaagd met die -avonturen. Vooral Robert. Er werd al door de meisjes besloten, om -hem voortaan Bobbie te noemen. - -Bobbie, Bobbie! klonk het uit den meisjes hoek. Maar Rob wierp ze -een vernietigenden blik toen en zei: "Stumpers!" - -"Allons, jongelui!" besloot mijnheer Bergwoude, "de klok slaat negen -uur. Naar bed, naar bed!" - -De jongens en meisjes gingen naar hun kamers, om morgen vroeg weer -den heerlijken Zondag te kunnen genieten. De overigen bleven nog wat -praten voor het huis. - -En weldra heerschte er rust en stilte op Sparrenheide. - - - - - - - - - -VIJFDE HOOFDSTUK. - -IN DEN NACHT. - - -Hans, Flip en Rob sliepen op één kamer. Tegen drie van de vier muren -stond een ledikant, de vierde wand had glazen deuren, die naar het -balcon leidden. - -Het was een verrukkelijke zomernacht geen windje suisde door het bosch, -geen blaadje bewoog. - -Flip sliep onrustig. Hij had de dekens van zich afgeworpen en draaide -zich van de eene zijde op de andere. - -Opeens schrok hij wakker en kwam overeind. Hij wreef zijn oogen -eens uit en keek de kamer rond. De broers sliepen als marmotten, -'t was doodstil. - -"Ben ik nou wakker of slaap ik?" mompelde Flip in zichzelven, "ik ben -een olienoot als ik het weet. Hè ... is me dat schrikken! Maar ik zou -wel eens willen weten, waarvan ik eigenlijk geschrokken ben! Ik heb -bepaald gedroomd, dat ik uit een vliegmachine viel en op de punt van de -Gedenknaald terecht kwam. Enfin, ik geloof wel, dat ik nou wakker ben." - -Flip had altijd de gewoonte met zichzelven heele gesprekken te -voeren. Hij deed dan precies of hij tegen een ander sprak en gaf -zichzelf dan ook steeds antwoord. - -"Komaan," zei hij, "ik geloof, dat ik een beetje hoofdpijn heb. Het -is dan ook verbazend warm in bed. Het zal een prachtige nacht zijn, -weet je wat, ik ga een luchtje happen op het balcon, dan zal de -hoofdpijn ook wel zakken." - -Daarop trok hij wat kleeren aan, stak zijn voeten in pantoffels en -opende zoo zacht mogelijk de balcondeuren. - -Inktzwart lag het bosch voor hem, wat lichter boven de boomen was de -hemel met de flonkersterren als diamanten op fluweel. Doodsche stilte -hing over heel de omgeving. Flip hoorde hier het tikken van de Friesche -hangklok, beneden in de gang. Hij leunde een poosje over de balustrade -van het balcon en genoot van den heerlijken zomernacht. Toen wandelde -hij eens om het huis heen, wat gemakkelijk ging, daar het balcon de -woning geheel omringde. Overal sliepen de kostleerlingen, overal was -'t geheel donker, alleen op de kamer van juffrouw Wieler sputterde -een nachtlichtje. Van de jongenskamers stond één deur op een kier. - -"Die hebben 't ook bepaald warm," mompelde Flip en wandelde onhoorbaar -verder. Toen kwam hij weer bij zijn eigen kamer en bleef daar nog even -naar de sterren kijken. Wat was dat toch een prachtig gezicht. Jammer -dat de maan er vannacht niet was. Dan zou... - -Er kraakten takken in het bosch, dichtbij het huis. - -Wat nu? - -Flip luisterde scherp. - -Het kwam van de andere zijde van 't huis. - -Weer gekraak... toen voetstappen van iemand die voorzichtig over het -grint van den tuin liep, om geen onnoodig leven te maken. - -Maar in den stillen nacht toch duidelijk te hooren. - -Flip was niet bang uitgevallen, om den drommel niet, en hij stond -zijn man als 't op een eerlijke vechtpartij aankwam. Maar in -dit nachtelijk uur maakte het zonderlinge geluid hem toch wel wat -zenuwachtig. Niettemin besloot hij voorzichtig te gaan zien, wie daar -in den tuin wandelde. - -Een andere gedachte stelde hem weer gerust. Wel, evengoed als hij kon -toch ook iemand anders uit het huis de buitenlucht opgezocht hebben, -omdat het binnen te benauwd was? Och wel ja, zoo zou 't wel zijn. - -Om den hoek van 't balcon bleef hij staan en keek over de balustrade -in den tuin. - -Wat hij dáár zag, verschrikte hem opnieuw. - -Het balcon werd door houten palen ondersteund. En nu klom er iemand -tegen een der palen omhoog. - -Flip kon maar ternauwernood in 't duister de donkere gedaante -onderscheiden. - -Een hand greep de leuning, er verscheen een hoofd... en langzamerhand -heesch de donkere gedaante zich over de balustrade. - -Het was een jongen. - -Maar een vreemde jongen was het niet, hoewel Flip door de duisternis -en den afstand onmogelijk kon onderscheiden, wiè het was. De jongen -opende voorzichtig de balcondeur, die op een kier stond, en verdween -in zijn slaapkamer, waarna hij de deur geheel sloot. - -Daarna werd het weer doodstil. - -Zonderlinge gevoelens en gedachten bekropen Flip. - -Wat had dat te beteekenen? Waarom kwam die jongen zoo midden in den -nacht op zulk een steelsche wijze het huis in? - -En wie was het? - -Flip wist maar niet, wat hij ervan denken moest. Tallooze vragen -drongen zich herhaaldelijk aan hem op. Maar het eenigste, wat hij wist, -was dat een der jongens van kamer No. 9, dit had hij goed gezien, in -den nacht het huis binnenklom en er dus ook wel op dezelfde manier -uitgegaan zou zijn. Nu was de vraag: deed hij dat elken nacht of -was het slechts voor dezen éénen keer? Of gebeurde dat alleen des -Zaterdags? Flip besloot om er voorloopig maar niets van te zeggen en -liever eerst eens uit te kijken, of de jongen dat ook meer deed. Hij -wachtte nog eenige minuten of misschien nog iets gebeuren zou, maar -toen alles stil bleef en hij weer behoefte aan slaap begon te voelen, -ging hij zijn slaapkamer binnen en strekte zich in zijn bed uit. - -Nog even dacht hij over het gebeurde na, maar zijn jonge lichaam had -nog te veel slaap noodig en het duurde niet lang, of hij snurkte weer -even hard als zijn broers en droomde van Indianen en bleekgezichten -en hofrijtuigen dat het een aard had. - - - - - - - - - -ZESDE HOOFDSTUK. - -BAREND VAN DE LAGE VUURSCHE. NACHTELIJKE VERVOLGING. - - -Wanneer je van Instituut "Sparrenheide" een kwartiertje den -grintweg volgde in Westelijke richting, dan kwam je van zelf in de -uitgestrekte bosschen van het kasteel Groot Drakenstein in de gemeente -De Vuursche. 't Was daar nog een echte wildernis met verborgen holen en -spelonken, vijvertjes en beekjes, onderaardsche gangen en geheimzinnige -hoekjes. Werden de Baarnsche bosschen angstvallig-netjes onderhouden, -boompjes gesnoeid, de paden zelfs bijgeveegd of 't kamervloeren -waren, in de bosschen van de Vuursche ging de natuur haar eigen -gang en tooverde er de meest romantische plekjes. Voor de jongens en -meisjes van Sparrenheide was dan ook het bosch van Drakenstein een -paradijs van genot! Want je had er behalve de reeds genoemde heerlijke -dingen nog een oeroude kapel, de Hermitage, die er ongeveer 1650 werd -neergezet. Dit steenen gebouwtje staat zóó diep in het groen verborgen, -dat men wel precies den weg moet weten, om het te vinden. Het ligt -aan den vijver, die geheel met kroos is bedekt en omringd is door -oude beuken en sparren. De achterzijde komt op dat vijvertje uit. Van -dien kant gezien lijkt de kapel een eeuwenoude ruïne, terwijl aan de -voorzijde de gevel nog vrijwel in zijn geheel staat. En je had er de -Grot, een gemetseld gewelf, waarin vroeger een kluizenaar moet gewoond -hebben, die echter nooit door iemand is gezien, voorts een prachtige -echo, een vischkom en tal van donkere, begroeide slingerpaden. - -Kon er heerlijker omgeving zijn voor een troep vroolijke jongens en -meisjes? Waar kon men mooier spelletjes verzinnen dan temidden van -al die heerlijkheden? - -Jammer, dat er bij al dat moois toch nog iets leelijks was, of liever -gezegd, iets, dat er maar beter gemist had kunnen worden. Aan den -dorpsweg van de Vuursche, een groep eenvoudige woningen met een kerk, -een school en een logement er tusschen, stond een klein huisje, -waarin een veertigjarig man met zijn zoon woonde. - -Die man heette Ranke en was een zeer berucht strooper. In de bosschen -van Drakenstein vindt men tallooze konijnen, zelfs wat herten, maar het -spreekt wel vanzelf, dat die er niet waren om door stroopers geschoten -en verkocht te worden. De veertienjarige zoon heette Barend en beloofde -het waardig evenbeeld zijns vaders te zullen worden. Nauwelijks zes -jaar oud, was hij overgelaten aan de zorgen van zijn vader, maar die -keek ternauwernood naar zijn zoontje om. De kleine Barend was al -blij, als hij het overschot van vaders brood mocht opeten en geen -slaag kreeg. En Ranke vond, dat hij al bijzonder goed en vaderlijk -het kind behandelde, door hem 's morgens een stuk brood te geven met -af en toe een pak slaag. - -Deze vreemde manier van opvoeden had tengevolge, dat Barend meer -buiten- dan binnenshuis te vinden was. Zomer en winter, bij regen en -ontij zwierf hij door de bosschen en langs de woningen. Hier en daar -deed hij dan wel eens een boterham of een bord warm eten op en als hij -'s avonds niet thuiskwam, dan sliep hij wel ergens in een stal of in -een hooiberg. Hij werd een rechte wildeman, hoewel hij werkelijk geen -slecht karakter had. Het ongeregelde leven, dat hij leidde, was er de -schuld van, dat hij heelemaal verwilderde. Bovendien was het gezelschap, -dat zijn vader vaak meebracht in de kleine woning, ook niet bijzonder -geschikt om Barend wat fatsoen en netheid te leeren. Want de vrienden -van Ranke waren eveneens geduchte stroopers, die er tevens van hielden, -sterken drank te drinken en om geld te spelen. - -De dorpsbewoners hadden er den vader al meermalen opgewezen, dat hij -den jongen naar school moest zenden. En inderdaad had Ranke zijn zoon -op zekeren dag erheen gebracht. Maar de meester kon weinig of niets -beginnen met het wilde boschkind. - -Barend, ofschoon toen nog pas acht jaar, was zóó ongemanierd en ruw, -dat hij inderdaad een gevaar voor de andere leerlingen werd. - -Hij spuwde tegen het bord, waarop de meester nieuwe sommen had -geschreven, hij trok zijn buurman de haren uit het hoofd en sloeg hem -half dood. Hij schopte de papiermand door de klas en schold den meester -uit voor alles, wat leelijk was. Maar dan greep de meester hem stevig -beet en zette hem buiten de school. Een oogenblik later werd er een -ruit ingegooid of een hoop modder door 't open raam geslingerd. En -telkens weer opnieuw had de meester het met hem geprobeerd. - -Totdat het op een keer te erg was geworden. - -Toen de meester even zijn klasse had verlaten en één der grootste -jongens ervóor had gezet om toe te zien, was Barend opeens uit zijn -bank gesprongen. Hij gaf den jongen, die met een griffel en een lei in -de hand voor de klasse stond, een schop, dat-ie wel over zes banken -tegelijk heenvloog en ging toen zelf op de voorste bank staan. Met -meesters dikken stok stond hij dreigend voor de kinderen en schreeuwde: - -"Nou allemaal naar huis! Vooruit, het is vacantie!" - -Maar de kinderen durfden natuurlijk niet uit hun banken gaan. - -"Vooruit! Opgerukt!" schreeuwde Barend en hij begon er zóó geweldig -met den stok op los te timmeren, dat hij binnen vijf minuten de heele -klas de deur uitgeslagen had! Dat was al te erg geweest en na dien -tijd had Barend geen voet meer in school mogen zetten. - -Het gevolg daarvan was, dat het er met zijn geleerdheid droevig -uitzag. Hij kon in het geheel niet lezen of schrijven. Omdat Barend -zoo vreeselijk dom was, kon hij ook niet slecht zijn. Hij was, wat -zijn vader en het wilde leven van hem hadden gemaakt. - -Want Barend hoorde vaak van de andere dorpsjongens, dat zij mooie -boeken konden lezen en brieven schrijven, dat zij konden rekenen met -groote getallen en allerlei mooie en nuttige dingen kenden. Als Barend -dan alleen in het bosch dwaalde of heel gemoedelijk met een hert te -praten zat, dat hem al jaren kende en in het geheel niet schuw was, -dan verlangde hij ernaar, ook te kunnen lezen en schrijven. - -Maar de meester wilde er niets meer van weten en niemand op het heele -dorp geloofde dan ook, dat er in Barend nog iets anders zat, dan -ruwheid en slechtheid. Intusschen leefde Barend maar dag in dag uit in -de bosschen. Hij kon met de vogels meefluiten, door langdurige oefening -deed hij hen zóó precies na, dat zij hem voor een collega hielden; hij -lokte de eekhoorntjes naar zich toe en floot de woudduiven, de herten -gaf hij namen en als hij riep, kwamen ze van verre aangeloopen. Dan -gaf hij ze een korst brood en liefkoosde ze. - -Dat waren zoo zijn alledaagsche, maar ook zijn éénige vrienden. - -In den laatsten tijd bemerkten de bewoners van de Vuursche iets -bijzonders aan den jongen. - -Men zag hem 's avonds nooit meer ergens inkruipen om er te slapen -en het leek wel--hoe was het mogelijk--dat de wildeman een beetje -fatsoenlijker begon te worden. Eerst had iemand hem door het bosch -zien gaan met een gewasschen gezicht en gekamde haren! - -Het heele dorp had ervan overeind gestaan. - -Toen had een ander hem ontmoet met een behoorlijk pak kleeren aan... en -kousen en schoenen! - -Wat gebeurde er toch met den wilden jongen en wie had hem zoo -onverwachts al dat goede geleerd? - -Heel de omgeving sprak erover. - -Maar niemand wist het. - - - -Zooals Flip zich had voorgenomen, had hij ook gedaan. Tegen niemand -dus had hij iets gezegd, want hij wist in de eerste plaats niet, wat -er eigenlijk gebeurde, wiè de uit- en inklimmer was en bovendien hield -hij er heelemaal niet van, om een ander te verraden, zonder te weten, -wat deze nu wel eigenlijk had misdaan. - -Maar in stilte had Flip toch het plan gemaakt, om vanavond eens op den -uitkijk te gaan zitten en te zien, wie van kamer negen die nachtelijke -uitstapjes maakte. Hij had heel den dag al de drie kamerbewoners, -Hein Veere, Piet Broeser en Jacob Heintze goed in het oog gehouden, -maar niets bijzonders opgemerkt. - -Alle drie waren uitstekend oppassende jongens en geen van hen zag er -naar uit, of hij iets verborg, dat anderen niet mochten weten. - -Inplaats van naar bed te gaan, zei Flip aan Hans en Rob, dat hij nog -wat op het balcon bleef, hij had weer een beetje hoofdpijn. De broers -wenschten hem beterschap en gingen rustig slapen. - -Terwijl Flip in een donkeren hoek van het balcon gedoken zat, -totaal onzichtbaar in de duisternis, hield hij de oogen gericht op -de balcondeur van kamer negen. - -Maar de uren verstreken en er gebeurde niets. - -Dus ... de jongen ging toch niet elken avond er op uit? - -Flip vond, dat hij voor ditmaal lang genoeg had gewacht en ging -onverrichterzake naar bed met het voornemen, den volgenden avond weer -op wacht te gaan. - -Den tweeden avond ging hij dus weer en zei nu aan de broers, dat -hij toch de eerste uren maar wakker lag en dus liever nog wat in de -frissche lucht bleef. - -"Ga je nou weer op 't balcon staan," vroeg Hans verbaasd, "wat vind -ik dat gek." - -"Voor mijn part vind-je 't krankjorum," zei Flip, "maar daarom doe -ik het toch." - -"Hij wil sterrekundige worden," zei Rob. - -"Nou, weet je wat," zei Hans. "Ik blijf je voor de gezelligheid een -beetje gezelschap houden." - -"Neen, neen," zei Flip, "dat is heelemaal niet noodig. Ik kan je -niet gebruiken." - -"O, moet mijnheer alléén zijn? Mag ik er niet bijwezen?" - -"Liever niet." - -"Zoo. Maar wat gebeurt er dan 's avonds op het balcon?" - -"Gebeuren? Wel, niets. Gebeurde er maar wat. Het is doodstil en nog -al vervelend." - -"Ga dan ook naar bed." - -"Merci, ik slaap tòch niet. En zanik nou asjeblieft niet langer en -kruip in je mandje." - -"Boe-boe, wat een drukte. Nou blijf ik lekker op," zei Hans. - -"Je doe maar," zei Flip. "Maar dan ga ik in den tuin." - -"Hoor eens, je bent een geheimzinnig stuk mensch. Enfin, wat kan 't -mij ook schelen. Ga mijnentwege den heelen nacht op 't dak zitten! Wel -te rusten, ik ga slapen." - -Een oogenblik later zat Flip weer op zijn post en was 't in de -slaapkamer stil geworden. - -Toch sliep Hans niet. - -Het zonderlinge gedrag van Flip gaf hem veel te denken. Wat drommel zoo -gek deed Flip nooit, wat mankeerde zijn broer opeens? En wat voerde -hij daar toch uit op het balcon? Een luchtje scheppen? Larie hoor, -ze schepten hier den heelen dag lucht, o hee, boeren-wagens vòl. Nee, -daar zou wel iets achter zitten. Weet-je wat, nou niet gaan slapen -en goed luisteren, of er soms van buiten af iets te hooren was. En -ondertusschen gauw wat kleeren aantrekken, maar zachtjes, opdat Rob -niet wakker wordt! - -Hans greep zijn kousen en zijn kleeren en deed die, in bed zittend, -weer aan. Hij verliet echter het bed niet, om bij een onverwachte -binnenkomst van Flip dadelijk onder de dekens te kunnen schieten. - -Zoo wachtte hij wel meer dan een half uur zonder dat hij ook maar -het minste geluid vernam. - -Zou Flip soms in slaap gevallen zijn? - -Het was bijna niet denkbaar, dat iemand zich zonder bijzondere reden -zoo doodstil hield. - -Daar hoorde hij opeens wat. Voetstappen. - -Stil ... kwam Flip weer naar binnen? - -Neen ... de deur bleef dicht ... nu hoorde hij niets meer. Ja, daar -was het weer ... Flip liep zachtjes voorbij de deur van de slaapkamer. - -"Wat was er toch aan de hand." - -Nu nam Hans een kloek besluit. Hij wilde in elk geval weten, wat Flip -in den nacht op het balcon uitvoerde. Hij liet zich zoo zachtjes -mogelijk uit het bed glijden, liep op zijn teenen naar de deur, -pantoffels in de hand. - -Voorzichtig opende hij de deur, stak zijn hoofd er buiten. - -En nog net kon hij zien, hoe Flip over de balustrade van het balcon -klom en zich langs een der palen naar beneden liet glijden. - -Drommels, dacht Hans, wat zullen we nu beleven? Ja ja, ik dacht wel, -dat er iets bijzonders aan de hand was. Maar ik mag geschoren worden -als ik er wat van begrijp. Wat zal ik doen? Hem achterna gaan? Dat -was in elk geval wel het beste om ineens het fijne van de zaak te -weten te komen. Komaan, de klimpartij langs balustrade en paal was -een kinderachtig kunstje en zoo duurde 't niet lang, of Hans volgde -Flip en Flip volgde den nachtelijken wandelaar, in wien hij ondanks -de duisternis al dadelijk Jacob Heintze herkend had. - -Welke reden deze Jacob Heintze, die een der beste leerlingen was, van -Instituut "Sparrenheide," had om des nachts uit te breken, begreep -Flip evenmin als dat zijn broer Hans snapte, wat Flip in het bosch -te zoeken had. - -De torenklok sloeg tien uur. - -Flip volgde Jacob langs den grintweg, terwijl Jacob midden op den weg -liep en aldus zijn voetstappen duidelijk te hooren waren, volgde Flip -hem over het mos. - -Daar was het voor Hans verbazend lastig om zijn broer in het oog te -houden, want tusschen de boomen was het stikdonker. Maar ondertusschen -werd het een vermakelijke geschiedenis. Want in de eerste plaats dacht -Jacob, dat hij alleen was, ten tweede was Flip in de meening, dat Hans -rustig was gaan slapen en dus niet wist, dat hij Jacob vervolgde, -en ten derde dacht Hans er in het minst niet aan, dat Flip juist -hetzelfde deed als hij: een ander volgen. - -Nu mankeerde er nog maar aan, dat Rob er achteraan kwam. - -Maar die sliep als een marmot en wist op dat oogenblik niet eens, -dat hij op de wereld was. - - - - - - - - - -ZEVENDE HOOFDSTUK. - -ALLEMAAL HOOFDPIJN. - - -Flip kende Jacob Heintze te goed om niet vooruit te kunnen weten, dat -de jongen zich niet met slechte en misdadige vrinden ophield. Maar -juist dat verergerde Flip's nieuwsgierigheid nog veel meer, want -daardoor begreep hij heelemaal niet, wat Jacob bezielde om in 't -donker het bosch in te gaan. - -Hans dacht er precies zoo over, hij begreep evenmin wat Flip bezielde. - -Intusschen was het Hans zoo goed als onmogelijk om Flip te volgen, -want deze was tusschen de boomstammen bijna onzichtbaar. - -Halt, daar hoorde Hans voetstappen! Flip liep dus midden op den weg? Nu -even luisteren! Het geluid verwijderde zich. Op zijn beurt ging Hans -nu op het mos loopen, maar hij liep wat te haastig en daardoor bonsde -hij een paar maal tegen een boom aan. Dat was niet prettig en het kwam -hem ook heel slecht gelegen, want nu moest hij even blijven staan -om zich den neus te wrijven. Sapperloot, wat dat zeer deed! Zoo'n -boom gaf ook heelemaal niet mee! Maar... waar was Flip ondertusschen -gebleven? Hemeltje, daar was hij al bij den viersprong van 't bosch -van Drakenstein! - -Welken weg was Flip ingeslagen? - -Hij luisterde scherp. - -Maar er heerschte doodsche stilte. - -Op goed geluk sloeg hij een zijweg in, hopende, spoedig weer het geluid -van Flips voetstappen te hooren. Maar hoewel zijn eigen voetstappen -in het mulle zand van den zijweg geen geruisch maakten, hoorde hij -evenmin het loopen van een ander. - -'t Bleef stil om hem heen en hij kwam weldra tot de overtuiging, -dat hij de verkeerde richting was ingeslagen. Hij keerde dus terug -naar den viersprong en probeerde het langs een anderen weg. Deze -bracht hem in 't dichtste gedeelte van het bosch. Daar hoorde hij -weer duidelijk iemand loopen! - -Ha! daar ging Flip dus! - -Hans haastte zich in die richting, vanwaar het geluid der voetstappen -kwam. - -Toen kwam er opeens een man met een geweer van achter een der boomen -te voorschijn en riep hem toe: - -"Duivelsche jongen, wil je wel eens maken, dat je wegkomt!" - -Hans schrikte verbazend en deed, wat alle jongens in dat geval zouden -gedaan hebben: hij liep wat hij loopen kon! - -Het was Ranke, de strooper. - -Waar was Flip intusschen gebleven? - -Die had Jacob weten te volgen tot dichtbij het dorp de Vuursche, maar -ook al door de dikke duisternis, die er in de bosschen heerschte, had -hij hem daar geheel en al uit het oog verloren. Dat was erg jammer, -want nu was al zijn moeite tevergeefsch geweest en wanneer hij het -al nòg eens probeerde, kon hij toch wederom Jacob door de duisternis -uit het oog verliezen en zoo kwam hij geen stap verder. Misschien was -het ten slotte nog maar het beste, om aan Jacob onder vier oogen te -vragen, wat hij toch des nachts in het bosch uitvoerde. Jacob zou -hem dan natuurlijk alles moeten vertellen en dat was per slot van -rekening de eenvoudigste manier. Komaan, langer zoeken in 't donkere -bosch leidde toch tot niets en hij mocht al blij wezen, wanneer hij -zonder te verdwalen weer veilig op Sparrenheide aankwam. - -Flip ging dus onverrichter zake terug en was weldra weer op den -grintweg, die langs "Sparrenheide" liep. - -Op dat oogenblik had Hans juist weer den tuin bereikt en trad door -het hek naar binnen, toen hij tot zijn grooten schrik bemerkte, dat -Meester Hooghuizen, die een vergadering te Hilversum had bezocht, -zoo juist per fiets was teruggekeerd en nu in zijn kamer, die in den -tuin uitkwam, nog wat te lezen zat. - -Groote goden, hoe kwam hij nu veilig en ongemerkt op zijn slaapkamer? - -Dat was me nu ook een leelijke kink in den kabel! Hans hield -onwillekeurig den adem in en keek in de gezellige studeerkamer. - -Meester Hooghuizen zat in zijn leuningstoel en rookte een pijp. Een -boek hield hij in de hand, maar op het oogenblik las hij daarin -niet. Het lamplicht straalde naar buiten en verlichtte nog een deel -van den tuin. - -Hans hoopte maar, dat meneer daar niet lang zou blijven. Het was -immers zóó doodstil, dat hij het minste geluid dadelijk zou hooren? - -Maar de onderwijzer scheen nog niet aan slapen-gaan te denken. - -Toen kreeg Hans een ingeving. - -Komaan, dacht hij. Laat ik net doen of ik een beetje in den tuin -wandel. Daar kan niets bijzonders in zijn. Bovendien heb ik mijn -pantoffels aan, dus dat is al zoo huiselijk, als 't maar kan. - -En Hans stapte langzaam, alsof hij maar 'n loopje had gemaakt, den -tuin in. - -Het volgende oogenblik hief meester Hooghuizen luisterend het hoofd -op. Toen stond hij op en kwam in de geopende deuren staan, keek in -'t donker van den tuin. - -"Wie daar?" vroeg hij. - -"Ik meester, ik ben 't, Hans." - -"O, ben jij 't? Je bent ook laat, zeg. Heelemaal geen slaap?" - -"Neen meneer, 'k had het nogal warm. En zoo'n hoofdpijn. Daarom ben -ik wat naar buiten gegaan." - -"Zoo. En is 't nu wat gezakt?" - -"Gelukkig wel! Kom, nu ga 'k maar slapen. Wel te rusten, meneer." - -"Good night, Hans! Is de deur wel open?" - -"Neen meneer, die is op slot. Maar ik klim wel in den paal." - -"Nee, doe dat niet. Ik heb den sleutel en zal je wel even binnen -brengen. Nou, slaap lekker, Hans." - -Leuke jongen, dacht hij, flink type die Hans. Ik mag hem wel. Kom, -nu nog even de krant lezen. - -Terwijl meester de krant ter hand nam, ging Hans naar boven en -bereikte veilig zijn slaapkamer. Maar hij dacht er nog niet over, -om naar bed te gaan. De teleurstelling, die hij had ondervonden, -nu Flip hem in de duisternis ontsnapt was, had hem een beetje boos -gestemd. Wat duivelkater, hij mòest en zou dan tóch wel te weten komen, -wat Flip uitvoerde! Wacht, hij zou zijn carbidlantaarn nemen en Flipje -even bijlichten, wanneer broertjelief dacht weer netjes in het donker -te zullen binnenglippen. - -En Hans maakte in stilte zijn lantaarn in orde en kroop ermee in een -donkeren hoek van het balcon, het licht zorgvuldig bedekt houdende. - -Het duurde niet lang, of meester Hooghuizen, die het zijne in de -courant had gelezen, hoorde opnieuw voetstappen in den tuin. Denkende, -dat Hans nog niet naar bed was gegaan, riep hij naar buiten: - -"Ben je daar alweer, Hans?" - -Maar tot zijn verbazing hoorde hij de stem van Flip: - -"Neen meneer, ik ben het." - -"Zoo Flip, ben je ook nog zoo laat op?" - -"Ja meneer, ik had zoo'n hoofdpijn, en daarom ben ik maar weer -opgestaan." - -"Hm, zoo zoo. Enne... nu weer beter?" - -"Ja, gelukkig wel, meneer. Nu, dag meneer. Wel te rusten." - -"Dag Flip." - -Meester Hooghuizen keek hem na. Hij blies een groote rookwolk den tuin -in. Merkwaardig, dacht hij, eerst Hans en nu Flip. Als daar maar niets -achter schuilt. Ik moet die twee daar morgen eens naar vragen. Daarop -wandelde hij zijn kamer op en neer, bleef voor de boekenkast staan -en nam er een band uit. Hij bladerde even in het boekje en zette het -toen weer op zijn plaats. Dan nam hij een ander, bekeek het even, -deed het open, sloeg het weer dicht en zette ook dàt weer tusschen de -andere. Hij dacht aan heel andere dingen dan aan boeken. Die Hans en -Flip toch! Wat beteekende toch dat wandelen in den nacht? Waren ze -'t bosch in geweest? Hadden ze werkelijk allebei hoofdpijn? Of was -dat maar een leugentje geweest? Dat zou wel 't akeligste van alles -zijn, als de jongens hèm leugens wijsmaakten! Daarvoor ging hij veel -te vriendschappelijk met al de jongens om! Ze konden hem gerust -hun grootste geheimen toevertrouwen, hij zou er nooit iemand iets -van gezegd hebben! En terwijl meester Hooghuizen daarover nadacht, -hoorde hij voor de derde maal voetstappen in den tuin. - -Wel groote hemel, wie was dat nou weer? Wrevelig liep hij naar den -tuin en riep daar: - -"Zeg nachtpit, kom eens als de drommel hier!" - -Meester dacht, dat er nu wel weer een jongen zou te voorschijn komen, -maar tot zijn groote verbazing en schrik was het mijnheer Bergwoude -zèlf. - -"Goeienavond, Hooghuizen," sprak deze lachend, "hier is de nachtpit." - -"Pardon, 'k vraag beleefd excuus," zei de onderwijzer, "ik dacht, -dat er een jongen in den tuin liep." - -"Ah, zoo, nu, ik neem het je volstrekt niet kwalijk. Ik ben anders -nooit zoo laat op, dat weet je wel, maar vanavond had ik zoo'n -ontzettenden hoofdpijn, dat ik het niet in huis kon uithouden." - -"U--u--ook al!?" - -"Wat?" - -Meester Hooghuizen wist niet, hoe hij het had. Hield men hem vanavond -voor den gek of was dat alles toeval? Had de heele familie Bergwoude -vanavond dan hoofdpijn? - -"Wat bedoelt ge toch?" vroeg mijnheer Bergwoude, die vol verbazing naar -het niet minder verbaasde gezicht van meester Hooghuizen keek. Maar -deze bedacht zich snel, hij wilde tóch Hans en Flip nog niet verraden. - -"Ik bedoel,.. dat ik vanavond ... al meer menschen heb ontmoet... die -hoofdpijn hadden. 't Schijnt bepaald in de lucht te zitten." - -Meester zuchtte van verlichting. Daarop sprak hij met den -hoofdonderwijzer over hetgeen er op de vergadering gesproken was en -daardoor dacht hij spoedig niet meer over menschen met hoofdpijn. - -De beide heeren bleven nog eenigen tijd praten en na verloop van een -half uur vertrok de heer Bergwoude weer naar zijn eigen kamers. - -Meester Hooghuizen ging zijn kamer sluiten. - -Hij liep naar de tuindeuren, en....... - -Daar hoorde hij voor den vierden keer iemand loopen! - - - -"Wel alle goden van Olympus!" zei hij, "ik ben een bolvormige driehoek -als dat Rob niet is! Of anders mevrouw Bergwoude! De heele familie -maakt vanavond hoofdpijnwandelingen!" - -Maar het was plotseling stil geworden in den tuin, meester Hooghuizen -hoorde niets meer. Nu vertrouwde hij het zaakje in het geheel niet -meer en daarom stapte hij vlug den tuin in. - -"Wie is daar?" - -Geen antwoord. - -Maar de meester zag iets tusschen de struiken bewegen. - -Hij liep er snel heen en trok een jongen bij den arm te voorschijn. - -"Hallo, wie is dat nou weer? Kom, doe je mond eens open en geef -antwoord! Ah, ik zie het al! Jacob Heintze! Kom jij eens in mijn -kamer, vriend!" - -Jacob volgde den meester. - -"Zeg eens," sprak deze, "je kunt een stoel nemen en gaan zitten. En -als ik je nu vraag, wat je nog zoo laat in den tuin doet, behoef je me -niet te vertellen, dat het je boven te warm was en dat je hoofdpijn -had, want daar geloof ik toch niets van. Jullie denkt bepaald, dat -ik mij met een leugentje laat afschepen, maar ik zal je vertellen, -dat ik nu eens weten wil, wat er vanavond hier gebeurt. Wie komen er -nà jou nog binnen?" - -Jacob Heintze begreep er niets van. - -"Na mij meester? Dat weet ik niet. Ik denk, niemand." - -"Dus jullie waart met z'n drieën?" - -"Met--z'n drieën?" - -"Ja natuurlijk, eerst is Hans binnengekomen, 'n uur geleden, -toen Flip 'n kwartier later en nou jij. Je ziet, dat ik alles -weet. Verzwijg nu maar niet langer de waarheid en zeg me, wat jullie in -'t bosch deedt! Toe Jacob, wees niet kinderachtig. Hebben jullie een -roovershol? Wordt er soms een grap uitgehaald? Wordt er een gefopt? Als -'t iets aardigs is, doe ik graag mee. Of is 't om mij te doen?" - -Jacob schudde het hoofd. - -"Ik weet niet, wat Hans en Flip gedaan hebben, mijnheer, ik heb -daarmee niets te maken." - -"Maar wat voerde jij dan uit in den tuin?" - -"Och--zoomaar." - -"Kletspraatjes. Zóó maar! Als ik je niet vóór was geweest, had je -mij natuurlijk ook verteld, dat je hoofdpijn had! Dus je wilt het -mij niet zeggen?" - -"Ik kan het u niet zeggen, mijnheer." - -"Zooals je wilt. Misschien vind-je het prettiger, morgen alles aan -mijnheer Bergwoude te vertellen? Want nu zeg ik hem natuurlijk, -dat je klokke twaalf in den nacht bent thuisgekomen." - -"Mijnheer!" riep Jacob "neen ... doet u dat asjeblieft niet!" - -"Ah zoo, dus dàt liever niet? Welnu, zeg dan alles aan mij, en ik -zal zien, dat niemand het te weten komt." - -Toen keek Jacob even peinzend naar den grond, hij moest een besluit -nemen. Welnu, hij zou meester Hooghuizen àlles zeggen! - - - - - - - - - -ACHTSTE HOOFDSTUK. - -HET RAADSEL WORDT OPGELOST. - - -"Ziezoo," dacht Hans, terwijl hij in zijn donkeren balconhoek -verscholen zat en Flip naar boven hoorde klauteren, "daar komt sinjeur -terug! Wat zal hij raar opkijken als hij merkt, dat-ie gesnapt is! Stil -... daar is-ie!" - -Juist aan den tegenovergestelden hoek van Hans klom Flip over de -balustrade. - -Maar op hetzelfde oogenblik, dat hij weer op z'n beenen stond, schoot -Hans, de lantaarn recht voor zich uit houdend, uit zijn schuilplaats -te voorschijn en riep hem toe: - -"Waar ben jij naar toe geweest?" - -Flip schrikte zoo ontzettend van dit plotseling op hem gerichte -verblindende licht, dat hij een luiden schreeuw gaf en de handen voor -de oogen sloeg. - -Zelfs Hans ontstelde van den weeromstuit. - -Hij wendde dadelijk het licht van Flip af en zei, met zenuwachtig -bevende stem: - -"Flip ... jò ... schrik je zoo? Ik ben 't maar, hoor ..." - -Toen sloeg hij zijn arm om Flips schouders en nam hem mee naar de -slaapkamer, waar hij de lantaarn op een tafel zette. Flip zat te -beven op een stoel, maar scheen toch langzamerhand zijn kalmte terug -te krijgen. - -"Hans," sprak hij, en zijn lippen trilden, "wat gemeen, wat in-gemeen -... om me zoo te laten schrikken... ik dacht, dat ik mij half dood -schrok ..." - -"Ja, 't is geweldig stom van me," bekende Hans, "hier Flip, drink -eens. Ik heb 't heusch zóó niet bedoeld, kerel. Wat vind ik dat nou -misselijk ellendig, zeg, dat jij daarvan zoo geschrokken bent." - -Flip dronk wat. De schrik zakte al. - -"Waarom dee-je dat nou, Hans?" - -"Ach jó, 't is eigenlijk voor de helft je eigen schuld. Waarom zei -je niet dadelijk tegen mij, dat je 't bosch in ging? Je vertelde -ons maar een leugentje, toen je zei, dat je op 't balcon bleef, -omdat het binnen zoo warm was. - -"Hoe weet je dat?" - -"Ik heb je naar beneden zien klimmen." - -"Maar hoe weet je nou of ik in 't bosch ben geweest?" - -"Ik ben je achterna gegaan, maar in 't donker ben ik je kwijtgeraakt." - -"Net goed. Maar zeg heb jij 'm niet gezien?" - -"Meester Hooghuizen bedoel je? Ja zeker. Hij vroeg, wat ik zoo laat -in den tuin deed. Toen zei 'k maar, dat ik hoofdpijn had." - -"Hè, wat? Heb jij dat gezegd?" - -"Ja, wat zou dat?" - -"O heerekrentenbaard, die is goed! Dat heb ik óók gezegd!" - -Hans en Flip rolden van 't lachen tegen een stoel aan, die omviel. - -Ze waren eerst bang, dat Rob er wakker van zou worden, maar dit -jongmensch sliep zoo vast, dat ze hem uit zijn bed op het balcon -hadden kunnen leggen, zonder dat hij wakker werd. - -"Zeg," zei Flip, "maar ik bedoelde meester Hooghuizen niet." - -"Wie dan?" - -"Wel--Jacob Heintze natuurlijk!" - -"Jacob Heintze? Wat heeft die er nu mee te maken?" - -"Wel droomer, snap je dat niet? Ik ging Jacob na." - -"Ik verklaar er geen zier van te begrijpen," zei Hans. - -"Dus je wou alleen maar eens zien, waar ik bleef. En je hebt Jacob -heelemaal niet gezien?" - -"Ik heb Jacob vanavond net zoo min gezien als Jan Klaassen." - -"Nou, dan zal ik je de zaak uitleggen. Ik had al eens gemerkt, -dat Jacob 's nachts langs den paal naar boven klom. Dat vond ik erg -vreemd. Daarom ging ik gisteren avond op den uitkijk zitten, maar -toen kwam hij niet. En nou snap je wel, waarom ik jou vanavond niet -bij me wou hebben. Enfin, toen ik eindelijk lang genoeg gewacht had, -kwam Jacob voor den dag en klom naar beneden. Ik hem achterna. Hij -liep wel tot aan de Vuursche toe, zeg." - -"Zoo. En ik toen jou achterna. Wat een stel! Maar wat voerde hij -daar uit?" - -"Ja, als je dat mij zegt, dan weet ik het ook." - -Op dit oogenblik ontwaakte Rob. - -"Zeg ... houën jullie je snaters, ik kan heelemaal niet slapen," -mopperde hij. - -"Stil maar, broer, we gaan al slapen." - -"Zijn jullie nog niet naar bed geweest?" - -"Nee." - -"Wat heb je dan gedaan?" - -"Niks." - -"Zeg het nou, flauwerikken." - --- -- -- -- - -"O, laten jullie me maar kletsen?" - --- -- -- -- - -"Nou, loopen jullie dan voor mijn part naar de hei!" - -"Merci Robbekop, pas geweest! Wel te rusten hoor!" - - - -Jacob Heintze was de eenige zoon van een rijk grondeigenaar in -Gelderland. Zijn vader had hem op het instituut van den heer Bergwoude -geplaatst, omdat Jacob vroeger steeds met ziekte had te kampen gehad -en daardoor niet zoo goed het gewone schoolonderwijs kon volgen. Niet -álleen, dat Jacob met zijn kennis van rekenen en taal ten achter was -bij andere jongens van zijn leeftijd, maar hij kon er ook volstrekt -niet tegen een heelen dag tusschen vier muren te zitten en hard te -leeren. Er zijn honderden jongens en meisjes, die daar eigenlijk -ook niet tegen kunnen, maar ze moeten wel met de anderen mee, omdat -hun ouders niet in de gelegenheid zijn, hen op zoo'n school als -"Sparrenheide" te plaatsen, of omdat er geen in de buurt is. - -Wie een helder hoofd en een vlug verstand heeft, och, voor dien is -het geen kunst, de lessen prompt te leeren en alles te begrijpen, wat -de meesters zeggen. En behoor je toevallig tot degenen, die niet zoo -vlot kunnen leeren en onthouden, die niet zoo vlug van begrip zijn, -en zit je op een gewone school, waar geen tijd is om op je te wachten, -wanneer je niet zoo hard meekunt, wat gebeurt er dan? Je gaat al gauw -tot de "dommen" behooren en de vrinden kijken je er op aan. En als je -'t dan nog treft, dat je 's avonds voor een berg huiswerk zit, waar -je haast niet doorheen komt, dan is 't te begrijpen, dat je zenuwen -op het laatst van streek raken. - -En zoo gaat het met een massa jongens en meisjes. "Sparrenheide" -was juist daarom zoo'n prachtige school, omdat niet dag in dag uit -werd doorgebracht met rekenen, taal, aardrijkskunde, geschiedenis, -algebra, meetkunde, enz. enz. enz., maar wanneer er van 's morgens 9-1 -uur met een uur pauze in school gewerkt was en daarna het middagmaal -was gebruikt, gingen de jongelui van 2 tot 3 rusten in den tuin en het -bosch. Ieder had zijn eigen hangmat. Na 3 uur ging de eene afdeeling -cartonneeren of timmeren, de andere teekenen of den tuin verzorgen, -een derde baden, turnen of iets anders doen. En wie dan nog wat -geholpen moest worden bij zijn werk vond in mijnheer Bergwoude of in -meester Hooghuizen en juffrouw Wieler altijd een bereidwillig helper. - -Daarbij werkte de heerlijke, gezonde boschomgeving zoo uitstekend mee, -dat zelfs het zwakste kind op Sparrenheide aanmerkelijk vooruitging -en tóch nog wat leerde ook. Om al die redenen had de vader van Jacob -Heintze zijn zoon naar Sparrenheide gezonden. En Jacob, die vroeger in -Tiel altijd gesukkeld had met de gezondheid, was gedurende het jaar, -dat hij reeds op Sparrenheide had doorgebracht, een flinke, stevige -jongen geworden, die nu goed zijn best deed bij het leeren en van -geen sukkelen meer wist. Natuurlijk ging dat leeren zachtjesaan en -heel kalm, maar op die manier kwamen Jacob en zijn medeleerlingen toch -heel wat beter vooruit dan wanneer ze het alledaagsche schoolonderwijs -hadden moeten volgen. - -Jacob was een goede jongen, een lobbes. Hij was bijzonder gul en gaf -desnoods het beste weg, wat hij bezat, om iemand maar een genoegen -te kunnen doen. - -En het was juist door zijn zachten aard en zijn goedhartigheid, dat -meester Hooghuizen zich te meer verbaasde, dat Jacob in den nacht -uit het bosch kwam, alsof hij aan het stroopen was geweest. Maar -toen de jongen dan eindelijk besloten had, om alles maar te zeggen, -keek de meester weer wat gemoedelijker en zei: - -"Vooruit dan, Jacob, voor den dag ermee!" - -En toen deed Jacob een verhaal, waarvan mijnheer Hooghuizen verwonderd -opkeek! - -Een paar weken geleden had Jacob namelijk met de jongens in het -bosch gespeeld nabij de Vuursche en was daar een oogenblik van de -anderen afgedwaald. - -Het was juist bij de Vischkom, dat hij even uitrustte. Terwijl hij -zich over het water boog om naar een waterspin te kijken, rolde zijn -zilveren potlood uit zijn borstzak in den vijver. Toevallig kwam daar -Barend Ranke voorbij. Hij zag, hoe Jacob met een hand op den bodem -van den vijver zocht. - -"Wat zoek je daar?" vroeg hij. Maar Jacob was een beetje bang van -den wilden boschjongen en gaf geen antwoord. - -"Ben je bang van me?" vroeg Barend spottend. "Wil ik je eens opnemen -en midden in de kom gooien? Wat zouden je mooie kleertjes nat worden." - -Maar Jacob had geen zin om ruzie te maken met den zoon van den -beruchten strooper. - -Hij wou probeeren den jongen om te koopen, dat zou hem allicht wat -vriendschappelijker stemmen. - -Maar Jacob had geen geld bij zich, en 't eenige wat hij op het -oogenblik had, wat als geschenk kon dienen, was een prachtige -vulpenhouder met een gouden pen. - -Hij haalde dat pronkjuweel uit den zak en toonde het Barend. - -"Kijk eens, wil je dat hebben?" - -"Dat zwarte ding? Wat heb ik daaraan?" - -"Kijk maar. Ik schroef het open. Wat zit er in? Een gouden pen. Nu -zet ik dit stuk weer op den anderen kant en kijk, nu schrijf ik je -naam in mijn zakboekje." - -Barends oogen glinsterden van begeerte. - -"En--waar is de inkt dan?" vroeg hij. - -"Wel, die zit er in." - -"In de penhouder?" - -"Ja--." - -"En staat daar nou: Barend?" - -"Precies." - -De anders zoo ruwe, ongemanierde jongen was één en al verbazing. Je -schroefde een zwart houtje los en dan kwam er een gouden pen te -voorschijn en je kon schrijven zonder een inktpot noodig te hebben! - -"En----en mag ik dat nou hebben?" - -"Ja, als je mij tenminste niet in het water gooit." - -"Neen, dat zal ik niet doen. Jij bent een goeie jongen. Jij scheldt -me niet uit, zooals de anderen allemaal doen. Maar ik ben ook veel -grooter dan jij. Ik zou je wel kunnen doodslaan." - -"Asjeblieft niet," zei Jacob lachend. - -"Neen, wees maar niet bang. Laat nog eens kijken in dat boekje? Staat -daar nou heusch: Barend?" - -"Ja zeker." - -"Ik wou, dat ik ook schrijven kon. Maar ik mag niet meer op school -komen." - -"Waarom niet?" - -"Meester wil 't niet meer. Meester is bang van me." - -"Hoe komt dat zoo?" - -"O, dat weet ik niet meer. Ik heb, geloof ik, op een keer den heelen -boel kapot geslagen. En ik gooide altijd steenen door de ramen in -school. Wat moet ik nou met die gouwe pen doen? Ik kan toch niet -schrijven. Zeg, heb jij boeken?" - -"Genoeg," zei Jacob. - -"Met van die mooie platen er in? Beesten en soldaten en een oorlog?" - -"Ja, ik geloof het wel. Wou je graag zoo'n boek hebben?" - -"Nou, dat zal waar zijn. Wanneer krijg ik het dan?" - -"Vanavond." - -En zoo pratende gebeurde er iets vreemds met beide jongens. Jacob -Heintze, het keurige, nette zoontje van den rijken grondbezitter -voelde zich langzamerhand aangetrokken tot deze verwilderde, ruwe, -onbeschaafde jongen, die de schrik van den omtrek was ... en Barend -vond in Jacob een vriend, zooals hij nooit had ontmoet. Een gouden pen -had hij hem gegeven en een mooi boek beloofd, dat-ie vanavond kreeg! - -Barend was dien avond in de nabijheid van Sparrenheide gekomen en -Jacob had hem ongemerkt een zijner oude prentenboeken weten te brengen. - -Niemand mocht natuurlijk weten, dat Jacob met den verachten boschjongen -sprak. - -Maar van het een was het ander gekomen. - -Jacob, die van nature een zacht en medelijdend karakter had, vond -in Barend een leerling, die alles deed wat de ander zei. Zij hadden -elkander nu meermalen in het bosch opgezocht, zonder dat iemand het -ooit te weten was gekomen. Zij deden dat niet met de bedoeling om -kwaad te doen, te stroopen of te stelen, maar integendeel om veel -goeds van elkaar te leeren. Jacob leerde den strooperszoon in de -eerste plaats netheid en orde, vervolgens begon hij hem les te geven -in lezen en schrijven. - -Meester Hooghuizen hoorde dat alles in de grootste verbazing aan. - -"En gebeurde dat altijd in den laten avond?" - -"Ja, mijnheer," antwoordde Jacob. "Ik kon het op geen anderen tijd -ongemerkt doen. Niemand mocht het weten, want als u of mijnheer -Bergwoude daar iets van gemerkt had, zou het natuurlijk niet meer -mogen." - -"Neen, dat spreekt van zelf. Maar hoor eens, Jacob! Jij bent een -brave jongen, en dat je den armen, verwaarloosden Barend van de Lage -Vuursche met zachtheid en vriendschap zoo langzamerhand tot een goed -mensch weet te veranderen vind ik prachtig! Zoo iets bevalt me! Maar -je moogt niet meer zoo 's avonds laat er op uit gaan. Je zoudt ziek -worden! Ik zie al kringen onder je oogen van dat late opblijven! Dus -dat mag niet meer. Met Barend zullen we verder zien, ik zal eens -probeeren, of ik wat voor hem doen kan." - -"O mijnheer, als dat eens waar was!" - -"We zullen zien, Jacob, we zullen zien. Maar nu, hemel, het is al -half één. Wil je wel eens als de drommel naar bed gaan?" - -"Ik ga al," lachte Jacob. "Slaap wel, mijnheer." - -"Bonsoir," zei meester. "Nu moet jij ook naar boven klimmen, hè? Nou, -tot morgen, hoor!" - -Meester Hooghuizen sloot de tuindeuren, draaide het licht uit en ging -eveneens ter ruste. Hij droomde, dat al de jongens van Sparrenheide in -'t donker de palen van 't balcon op en af klommen en al maar riepen: -hoofdpijn! hoofdpijn! En Barend sprong er als een kikker tusschen -door en sloeg iedereen met een kolossalen vulpenhouder, zoo groot -als een boomstam. - - - - - - - - - -NEGENDE HOOFDSTUK. - -VELDWACHTER BUIKJE. - - -"Ziezoo, vrouw Vorstman," zei Barend, toen hij van uit het tuintje -de hut van de arme weduwe binnentrad, "de tuin is in orde en het -schuurtje is schoongemaakt. Zal ik nu den klimop nog wat opbinden?" - -De arme vrouw keek Barend glimlachend aan. - -"Doe dat nu morgen maar, mijn jongen. Kom toch binnen, dan krijg je -een kom koffie en een boterham." - -'t Was Maandagmorgen. De zon brandde aan den hemel. - -Het tuintje van vrouw Vorstman schitterde van bloemenkleuren in -'t zonnegoud. - -"Het huisje is nu mooi," zei Barend. - -"Dat zal wel waar zijn" sprak zij, "maar dat komt ook, doordat ik -tegenwoordig zoo'n goeden tuinman heb." - -"Ik heb er plezier in, vrouw Vorstman. En ik houd van u." - -"Och ... je bent niet slecht, Barend, de menschen zeggen het wel, -maar ..." - -"Het kan mij heelemaal niet meer schelen, wat ze van me zeggen. Ik -hoor alleen maar wat u zegt en wat Jacob zegt. En ik wou dat u mijn -moeder was, vrouw Vorstman." - -"Goeie jongen ... zeg jij maar gerust, "moeder" tegen mij, hoor." - -"Ja, dat is goed." - -"Kom Barend, en nu de boterham en de koffie. Eet ze met smaak!" - -Juist zou Barend beginnen, toen de deur van de kamer geopend werd -en de dikke gemeenteveldwachter verscheen. Plotseling sprong Barend -op en vloog als een razende door de achterdeur, den tuin in, sprong -daar over een heg en verdween in het bosch. - -"Hei, hier! Barend! Hier zeg ik je!" riep de veldwachter. Maar Barend -liet hem roepen en was minstens al een paar honderd meter uit de buurt. - -"Wel heb je nou toch ooit!" zei Veldwachter Bunze, die met deze warmte -een hoofd had als een reuzentomaat. - -"Wat moet je van hem?" vroeg vrouw Vorstman. - -"Wel, de schooier moet op "Sparrenheide" komen. De directeur van -'t Instituut moet hem spreken. En nou gaat de schelm aan den haal!" - -Veldwachter Bunze was niet bemind bij de dorpsbewoners, en daarom was -het volstrekt niet te verwonderen, dat vrouw Vorstman hem antwoordde: - -"Wat een wonder, Bunze, dat zou iedere jongen voor jou toch doen?" - -"Zoo, je bent wel vriendelijk." - -"Ben jij het dan, Bunze? Je weet heel goed, dat ik de eenige ben op -het dorp, bij wie je af en toe nog eens kunt komen praten, maar de -anderen bedanken ervoor." - -"Zoo, ja; dat heb je me nou al zoo dikwijls verteld, dat weet ik -nou wel. In elk geval vraag ik er niemand om. Ik ben hier niet in de -gemeente aangesteld om koffiepraatjes te houden bij jan en alleman, -maar om de orde te handhaven." - -"Och kom." - -"Natuurlijk! Wat zou er van de veiligheid op den weg en in het bosch -overblijven, als ik er niet was? Het is hier een rooversnest, dàt zeg -ik. En ik bewaak de eigendommen. En zoolang ik hier ben, en zoolang -ik hier de baas ben ..." - -"Wel wel, jij hier de baas? En de burgemeester dan ...?" - -"De burgemeester is het hoofd der gemeente. Ik ben de uitvoerende -macht. Dat is staatsinstelling, dat staat in de grondwet." - -"Ach man, zit niet te huilen," lachte het spotzieke vrouwtje. "Drink -de koffie maar op, de jongen komt toch voorloopig niet terug." - -Dat liet Bunze zich geen tweemaal zeggen. Hij was een man van ruim -veertig jaar en buitengewoon dik. Zóó dik, dat hij haast niet meer -voortkon. Dat was niet zoo heel erg, omdat er in het kleine gehucht -nooit iets gebeurde, waarbij de veldwachter hard moest loopen. Die -geweldige buik had hem den bijnaam "Veldwachter Buikje" bezorgd. Ook -op Sparrenheide was hij onder dien naam bekend. Zooals het meer -met menschen gaat, die weinig of niets te doen hebben, verbeeldde -Bunze zich, dat hij het verbazend druk had en dat hij onmisbaar -was. Hij was zeer trotsch op zijn vak en meende, dat er geen grooter -autoriteit in heel den omtrek was dan hij, sprak graag over zijn eigen -gewichtigheid en gebruikte woorden, die hij zelf niet begreep. Daarbij -schold hij altijd en op iedereen, noemde zijn dorp een rooversnest -en een dievenhol en alle bewoners waren in zijn oogen misdadigers, -die hij in de gaten moest houden. - -Zijn hoofd was kogelrond. Het weinige haar, dat hij bezat, was boven -zijn voorhoofd tot een hoogopstaande kuif bijeengekamd. Wel drukte -de uniformpet die mooie kuif onverbiddellijk omlaag, maar zoodra hij -de pet afzette, streek hij haar met de vingers al draaiend weer omhoog. - -Terwijl vrouw Vorstman nu met haar huishoudelijke bezigheden voortging, -dronk Bunze zwijgend de koffie van Barend op en nam tevens de vrijheid, -diens dikke boterham met kaas naar binnen te werken. Hij begreep wel, -dat dit niet de bedoeling van vrouw Vorstman was, en daarom stapte -hij maar op, toen de boterham naar binnen was. - -"Komaan, vrouw Vorstman, wel bedankt voor de koffie. Ik stap nou maar -op en zal eens zien, of ik den schooier vinden kan." - -"Welken schooier?" - -"Wel, dien stroopersjongen. Op Sparrenheide moet-ie komen. Wat-ie -daar uitvoeren moet kan je wel begrijpen. Hij heeft natuurlijk weer -een of andere streek uitgehaald. Ik begrijp niet, waarom ze dien -dagdief niet allang naar de tuchtschool hebben gestuurd." - -"Dat zal anders nu wel gauw uit zijn, Bunze." - -"Waarom?" - -"Wel, heb je dan niet gemerkt, dat hij zijn leven betert? Wat heeft-ie -al niet van jongenheer Heintze geleerd! Het zou mij niets verwonderen, -als de meester van Sparrenheide hem wou voorthelpen." - -"De directeur van het jongenheeren-instituut?" stoof Bunze op. "Denk -je dat die zich bemoeit met zulk gespuis, met zulk tuig, met zulke -struikroovers? Maar dan ben ik er ook nog, ik zal mijnheer Bergwoude -wel eens inlichten." - -"Ja, doe dat," spotte het vrouwtje, "dan kan meneer Bergwoude ook -nog eens lachen." - -Maar Bunze antwoordde niet, in booze stemming liep hij weg. En als -hij boos was, dan zocht hij altijd het een of ander, om er zijn woede -aan te koelen. Het eerste het beste wat hem dan in den weg kwam, -moest het ontgelden. De kippen van den smid liepen rustig over den -weg. En de haan stapte parmantig, heelemaal niet schuw, juist voor -de voeten van den opgewonden, dikken veldwachter heen. - -Uit woede gaf hij het fraaie dier een schop, dat het luid kakelend -over den weg vloog. - -Maar die haan was ook niet voor de poes. - -Het woedende dier vloog plotseling klapwiekend op Bunze aan, en -hakte met zijn scherpen snavel op diens gezicht, dat de veldwachter -het uitschreeuwde. - -Hij zwaaide met zijn korte, dikke armen en sloeg eindelijk den haan -van zich af. - -Met de verwondingen liep het, gelukkig voor hem, nog al los, ofschoon -het bloed hem uit een gaatje in de wang liep. - -Maar nu was ook zijn woede ten top gestegen! - -Hij trok zijn sabel en wilde er opnieuw den haan mee te lijf gaan, -toen opeens de smid naar buiten kwam en hem, proestend van het lachen, -toeriep: - -"Hei hei, Bunze, het is hier geen hoenderslachterij!" - -"Houdt dien haan vast!" schreeuwde Bunze, en wees met uitgestoken -sabel op het dier, dat niet van plan scheen, voor den dikkerd aan -den haal te gaan. - -Maar de smid deed niets dan lachen. Er kwamen nog wat buren bij en -toen werd het een relletje. - -"Ik zal proces-verbaal opmaken tegen jouw haan!" - -De menschen schaterden het uit. - -Nu raakte Bunze heelemaal de kluts kwijt. Hij maakte zich hoe langer -hoe driftiger, wat met het oog op de warmte niet goed voor hem was. En -hij wist ternauwernood meer wat hij zei. - -"Houdt je mond als je tegen me spreekt!" schreeuwde hij de lachende -omstanders toe en die dwaze uitroep had een orkaan van gelach ten -gevolge. - -Dat deed de woede van den dikzak ten top stijgen en hij zou bepaald -de menschen met zijn sabel te lijf zijn gegaan, wanneer niet toevallig -de burgemeester in zijn auto was voorbijgekomen. - -De auto stopte en de burgemeester kwam er uit. - -De dorpelingen groetten hem, maar Bunze vergat dit. Hij hield nog -altijd den getrokken sabel in de hand en liep er den burgemeester -mee tegemoet. - -"Burgemeester!" riep hij op hoogen toon, "ik constateer hier -insubordinatie!" - -De burgemeester zei niets, maar hij gaf eerst den omstanders een wenk, -dat zij naar huis zouden gaan, wat allen ook onmiddellijk deden, -en aan Bunze een teeken, dat hij zijn moordwapen zou opbergen. Toen -liep hij met den veldwachter een eindje den weg op, zoodat niemand -anders hem kon verstaan en zei: - -"Hoor eens Bunze, ik verzoek je nu uitdrukkelijk en voor den laatsten -keer je niet zoo belachelijk aan te stellen zooals nu, door b.v. met -getrokken sabel tusschen rustige dorpelingen te staan. Wat was er -nu weer?" - -Bunze kroop heelemaal in zijn schulp, want nu de burgemeester hem -zoo kalm naar het gebeurde vroeg, voelde hijzelf, dat het toch niet -heelemaal in orde was met dien haan. - -Hij antwoordde niet dadelijk, want hij vond het toch wel wat al te gek, -om te zeggen, dat-ie den haan als voetbal had gebruikt. - -Toen keek de burgemeester hem eens aandachtig aan en zei: - -"Wat is dat? Je bloedt! Wie heeft dat gedaan?" - -"Dat ... dat heeft--de haan van den smid gedaan, burgemeester." - -"De--háán Bunze, houd je me nu voor den gek?" - -"Neen burgemeester. De brutaliteit van dat beest..." - -"Brutaal--die haan? Wat zei-die dan tegen je?" - -"Wat-ie zei, burgemeester? Wel, hij zei niets. Hij vloog op me aan en -maakte zich schuldig aan een ernstige mishandeling van een ambtenaar -in functie!" - -Nu schoot de burgervader in een hartelijken lach, en wie van de -dorpsbewoners dat om een hoek van verre hoorde en zag, lachte in -stilte mee. - -Maar de burgemeester bracht den dikken veldwachter aan het verstand, -dat hij zich toch weer buitengewoon dwaas had aangesteld en dat hij -kans had, om door een kalmer collega vervangen te worden, als die -tooneeltjes niet ophielden. En na die laatste waarschuwing stapte de -burgemeester weer in zijn auto en reed verder. - -Het verloop van die geschiedenis had Bunze's humeur er niet beter op -gemaakt. Hij was echter zoo verstandig, zich voorloopig niet weer in -het dorp te vertoonen en ging naar huis. - -Maar met dat al had hij zijn boodschap aan Barend nog niet -overgebracht, en de jongen moest toch zoo spoedig mogelijk op -Sparrenheide komen, dat had mijnheer Bergwoude gezegd. Maar hij -hoopte den "struikroover" des middags, wel te vinden, hij zou hem in -'t bosch zoeken en desnoods bij de haren naar de school sleepen! - -En veldwachter Buikje stapte zijn huisje binnen, waar hij met zijn -zuster woonde. Hij bromde eerst nog wat, maar ging dan nijdig in zijn -stoel bij het raam zitten, zwijgend. Hij beet van innerlijke woede zijn -pijp stuk en wierp die toen uit het raam waar ze op Pluto, den hond, -neerkwam, die in 't zonnetje te slapen lag. Daarna at hij zonder een -woord te spreken en ging naar het bosch, op zoek naar Barend. - - - - - - - - - -TIENDE HOOFDSTUK. - -VELDWACHTER BUIKJE EN DE DRIE JOLIGE BROERS. - - -Dienzelfden middag gingen Hans, Flip en Rob het bosch in, de laatste -gewapend met zijn onafscheidelijken botaniseertrommel. - -Er was dien middag weinig te doen, bovendien was het verschrikkelijk -warm en alleen in 't bosch nog tamelijk uit te houden. - -Hans had nog den moed gehad met deze zomerhitte een boek mee te nemen, -waarin de geschiedenis van het Gooi- en Eemland werd beschreven, wat -volgens zijn broer Flip "klinkklare idiotieke nonsensika" was. Loop -rond, je mocht al blij zijn, als je je oogen kon openhouden. De drie -trouwe broers wandelden tot aan het kasteel Drakenstein en gingen -daar wat in de schaduw der beuken liggen. - -Hans sloeg dadelijk zijn boek op en las, dat op diezelfde plek, -waar nu het slot stond, omstreeks de 12e eeuw een huis gebouwd was, -omgeven door een zeer diepe gracht en schier ontoegankelijk. Daar -woonden twee broeders, Wer en Ner, geweldenaars en roovers van hoogen -stand. En naar die twee broeders heeft men later de Wernershoeve, -die in de nabijheid staat, genoemd. En Hans las heele hoofdstukken -over families, die vroeger het slot bewoond hadden en van Warnaer -van Drakenbosch, die het gebouwd had. Hans vond dat allemaal heel -interessant, want hij hield verbazend veel van geschiedenis en oudheid, -maar Flip moest daar heelemaal niets van hebben. Terwijl Hans in zijn -boek verdiept was en Flip met de armen onder het hoofd op den rug lag, -ging Rob op excursie naar een varensoort, die wel in zijn plantenboek -stond, maar die hij tot op heden nog niet gevonden had. - -"Zeg," zei Hans opeens, "dat is toch wel mooi, jò. Luister eens: - -"Prins Frederik Hendrik, de stadhouder, als Graaf van Buren, beleende -Heer Ernst van Reede met de hooge en lage jurisdictie en heerlijkheid -van De Vuursche, mitsgaders de hooge heerlijkheid en ridderhofstad -van Draakstein. Zeg, luister je nou? Hee, Flip!" - -Flip was allang te voren ingedommeld en keek nu suf op. - -"Wat is 'r nou weer?" - -Hans lachte. - -"'k Heb je voorgelezen van Drakenstein." - -"M'n zorg." - -"Nou, vin-je dat dan niet interessant?" - -"'n Gloeiende pook in je hand," rijmde Flip en geeuwde. - -Hans haalde zijn schouders op en las verder de geschiedenis van het -oude landgoed, dat al in 1359 bestond en van "die grote bomen, die -daerinne staen." Flip tukte stevig door. Zoo was ongeveer een uur in -stilte voorbijgegaan toen Hans er opeens aan dacht, dat Rob zich dien -tijd niet had laten zien. Natuurlijk zou de kleine natuurkundige wat -dieper nog het bosch zijn ingegaan, maar nu bleef hij toch wel wat -heel lang weg. Hans keek eens naar den rustig slapenden Flip en trok -hem aan een oor. - -"Hei, Flip. Wor 's wakker!" - -"Arendsoog is een dapper krijger, maar de scalp van het bleekgezicht -zal zijn wigwam niet sieren," mompelde Flip in zijn droom. - -"Héél mooi gezegd, broeder!" lachte Hans. "Maar daar vraag ik je nou -niet naar. Sta op, dan gaan we Rob zoeken." - -"Hè, wat is 'r dan met Rob?" - -"Weet ik het, kom mee, we gaan hem zoeken." - -"O, jawel, dat is goed. Zeg jò, 'k heb zoo fijn gedroomd!" - -Ze stapten op en kwamen bij de oude kapel, die achter heuveltjes in -'t groen verscholen lag. - -Opeens greep Hans zijn broer bij den arm. - -"Stil," zei hij, "daar roept iemand." - -Zij luisterden scherp. - -Op korten afstand klonk een gedempte stem: - -"Hans! Flip! Hierheen!" - -"'t Is Rob!" zei Flip. "Maar waar zit hij?" - -Ze stonden voor den ingang van de kapel. - -Het slot was van de deur verdwenen, door de ijzeren krammen was een -touw gestrikt. - -En nogmaals klonk het geroep. - -"Hij zit in de kapel!" zei Hans. "Ze hebben hem opgesloten!" - - - -Toen Rob zijn broers had alleen gelaten, was hij langs smalle paden, -dichtbegroeid met beuken en sparren, het bosch in gegaan. Eerst had -hij een mossoort gevonden, die hij tot nog toe nog niet had gezien, en -verheugd had hij een gedeelte daarvan in den trommel meegenomen. Hij -zou thuis wel eens onderzoeken, hoe de naam ervan was. Toen was -hij aan 't dwalen gegaan, zoekende naar een kleine varensoort. Zoo -ronddolende was hij eindelijk bij de kapel gekomen. Ofschoon hij het -oude gebouwtje al vaak genoeg gezien had, vond hij het toch altijd -opnieuw weer aardig om er even naar te kijken. Het was omgeven door -een prikkeldraad-versperring en de deur was altijd gesloten met -een hangslot. - -Maar nu merkte Rob tot zijn verwondering op, dat het oude, verroeste -hangslot van de deur verdwenen was en deze inplaats daarvan met een -touw was dichtgebonden. Die ontdekking verheugde hem zeer, want nu -kon hij gemakkelijk genoeg eens een kijkje nemen in de kapel. - -Hij klom over het prikkeldraad, waarbij zijn broek en kousen groot -gevaar liepen en stapte op het oude deurtje toe, toen hij onverwachts -de door hem gezochte varens ontdekte. Met zijn plantenschopje groef -hij er een paar uit en bergde ze in zijn trommel. Daarop maakte hij -het touw van de deur los en trad de kapel binnen. - -Terwijl Rob zoo aan het graven was, kwam de dikke veldwachter Bunze -over den mosgrond aangestapt. Met groote verbazing en verontwaardiging -aanschouwde hij de vernieling van zijn bosschen, maar hij wachtte -nog even om te zien, wat Rob wel verder zou doen. - -Toen de jongen nu in de kapel was, klom Bunze met buitengewone -krachtsinspanning over het prikkeldraad en plaatste zich in de -deuropening. - -"Wat voer jij daaruit?!" riep hij met barsche stem. - -Rob, die daarop in het geheel niet verdacht was, wendde zich verschrikt -om en zei: - -"O Bunze, wat laat je mij schrikken. Ik kwam hier maar eens even -kijken, zie je." - -"Zoo, en van wien heb je daarvoor permissie? Had je mij dat niet -eerst behooren te vragen?" - -"Ik wist niet, dat deze kapel van u was, Bunze." - -"Wat, Bunze, Bunze! Jij brutale aap van een jongen! Mijnheer Bunze -dan toch, hé?" - -Rob kende den veldwachter wel zoo'n beetje, maar dit was nu toch wel -wat al te dwaas. - -"Mijnheer Bunze?" vroeg hij. "Nu mij best, mijnheer Bunze dan." - -"Juist, zoo is 't beter." - -"Jawel mijnheer Bunze." - -"Wat heb je daar in die bus?" - -"Planten, mijnheer Bunze." - -"Hoe kom je daaraan!" - -"Uit het bosch, mijnheer Bunze." - -"Wat! Uit mijn bosch! Heb ik je daar permissie voor gegeven? Wacht, -jou boschvernieler, jou plantendief, ik zal je leeren mijn bosschen -te plunderen. Opsluiten zal ik je en ik verzeker je, dat ik den -burgemeester ga waarschuwen!" - -En de daad bij het woord voegende, sloeg de dikkerd de deur dicht en -bond ze met het touw weer vast. - -Daarop klom hij weer over het prikkeldraad en liep naar den -burgemeester, trotsch als een beroemd detective, die een gevaarlijken -misdadiger achter slot en grendel heeft doen brengen. - -"Dat is ook wat moois," mopperde Rob, "nou zet die dikzak mij -gevangen. Hij zal den burgemeester waarschuwen. Och kom, die zal er -zich weinig van aantrekken, denk ik. Maar ik wou er toch maar liever -weer uit! Het is lang niet gezellig hier." - -Rob probeerde de deur open te duwen, maar het touw was dik en sterk. - -De achterzijde van de kapel was open en alleen afgezet door een -hekje. Rob zag den groenen vijver en de omringende boomen. Het was -romantisch-mooi, maar Rob dacht op het oogenblik heelemaal niet aan -romantische dingen, hij dacht er alleen maar over, op welke manier hij -het spoedigst hier vandaan kwam. Maar er was geen kans tot ontsnappen. - -Toen bedacht hij, dat Hans en Flip niet zoo heel ver hier vandaan -konden zijn en misschien zijn roepen wel konden hooren. - -Het eerste kwartier leverde dat roepen ook al niet veel resultaat op, -maar eindelijk toch meende hij de stemmen van zijn broers te hooren. - -En nu schreeuwde hij zoo hard hij kon: - -"Hierheen, jongens! In de kapel!" - -Hans en Flip vlogen over het prikkeldraad en hadden in een wip het -touw van de deur losgemaakt. - -"Hier ben ik!" juichte Rob. - -"Wel alle bisschoppen!" riep Flip. "Speel je kluizenaartje?" - -"Ken je begrijpen," zei Rob. "Buikje heeft me hier gevangen gezet." - -"De veldwachter? Wat heb je dan uitgevoerd? En het is hier toch -geen gevangenis?" - -"Och, ik had gezien, dat er geen slot op de deur was en toen ben ik -maar eens naar binnen gegaan. Daar komt me ineens veldwachter Buikie -en roept: Wat voer je daar uit?" - -"En jij schrok natuurlijk," zei Flip. - -"Nou, dat snap je. Enfin, ik mocht hier niet in, ik mocht geen planten -in het bosch zoeken, ik was een boschvernieler, een plantendief en -hij zou alles aan den burgemeester vertellen." - -"Toe maar, nog meer?" - -"Nee, anders niet. Alleen moest ik voortaan mijnheer Bunze zeggen." - -"Hahaha, dat is 't mooiste nog!" lachte Hans, "mijnheer Bunze." - -"Vooruit jongens," zei Rob. "Nou kunnen we een grap beleven. We -sluiten de deur weer netjes met het touw en stellen ons achter 't -heuveltje op. Straks komt Buikje terug en dan zal je wat moois zien!" - -"Ja, dat is goed," zei Hans. "En dan zal ik er nog een veel grooter -grap op laten volgen." - - - -Een kwartiertje daarna kwam de veldwachter terug. Hij had den -burgemeester niet gezien. Den jongen in de kapel opgesloten te houden -ging ook niet, dus ging hij dan maar den gevangene na een geduchte -vermaning in vrijheid stellen. - -Hans, Flip en Rob lagen achter het heuveltje, op ongeveer tien pas -afstand van den ingang der kapel. - -Veldwachter Buikje, wiens slechte stemming aanmerkelijk verbeterd was, -sinds hij een gevangene had, klom weer over het prikkeldraad heen. - -Hij grinnikte en sprak overluid. - -"Haha, mannetje. Zit je er nog? Wacht maar, we zullen elkander eens -even nader spreken. Ja, denk nou maar niet, dat je er zoo makkelijk -afkomt, er zit wat voor je op. En ik zal je leeren mijn bosschen -te beschadigen." - -Met deze woorden maakte hij het touw los en opende de deur. - -"Ziezoo jongeheer, kom nou maar eens hier." - -De drie jongens knepen hun neus dicht om het niet van lachen uit -te proesten. - -Er kwam natuurlijk geen antwoord vanuit de kapel. - -"Kom je haast voor den dag, deugniet!" riep Bunze. - -'t Bleef stil. - -Wat drommel dacht de veldwachter, is de arrestant in slaap gevallen -of hoe heb ik het nu? - -Hij bleef echter zorgvuldig de deuropening bewaken en riep nu nog eens: - -"Kom hier zeg ik je, onmiddellijk!" - -Maar geen geluid werd vernomen. - -"Je weigert dus te komen?" riep Bunze, "goed, ik zal je wel weten -te vinden." - -En kordaat stapte hij de kapel binnen, maar trok toch de deur -voorzichtigheidshalve wat dicht. - -Op dat oogenblik sprong opeens Hans te voorschijn en wenkte zijn -broers, hem vlug te volgen. - -Snel als de wind wierp hij de deur toe, Flip en Rob zetten er de -voeten tegen aan en in een oogenblik had Hans het touw door de -krammen geknoopt. - -Maar daar begon Bunze me eventjes op te spelen! - -"Doe open! Doe dadelijk open! In naam der wet! In naam der Koningin! Ik -ben het, Wouterse, ik ben het, de veldwachter!" - -Bunze was in de meening, dat Wouterse, de timmerman van het kasteel -Drakenstein een nieuw slot op de deur deed. Doch nu kwam er evenmin -antwoord. - -"Wouterse!" riep Bunze, "ben jij het? Doe dadelijk weer open, want -ik ben er nog in!" - -De drie broers verwijderden zich. "Kom mee," zei Hans, "nu komt het -mooiste nog." - -Zij liepen achter het heuveltje om den vijver heen, Rob moest zich -schuil houden, terwijl Hans en Flip tegenover de opening aan de -achterzijde van de kapel stonden, alsof ze die voor het eerst bekeken. - -"Hallo, jongens daar!" - -"Hee, zit u in de kapel, mijnheer Bunze?" riep Hans in de hoogste -verbazing. "Is zij dan niet op slot?" - -"Ja," riep de dikzak, "ze is op slot en nou kan ik er niet uit!" - -"Blijf er dan maar een jaar in!" wou Flip terugroepen maar hij was -gelukkig zoo verstandig, om dit niet te doen. - -"Op slot?" riep Hans, "wie heeft dat dan gedaan?" - -"Dat weet ik niet. Wacht, ik zal eens hooren." - -Bunze liep naar de deur van de kapel en duwde daartegen met alle -kracht. Daardoor rekte het touw wat, dat hij duidelijk door den kier -kon zien. En nu kwam hij pas tot de overtuiging dat de arrestant -gevlogen was. Geholpen natuurlijk door zijn broers, die nu aan den -overkant dolle pret hadden, nu zij hem zoo netjes ingesloten hadden. - -Maar daar zouden ze van lusten. - -En Bunze, inplaats van zich kalm te houden, en zich de deur weer voor -de jongens te laten ontsluiten, vloog weer naar het hek en brulde, -dat het over het water daverde: - -"Willen jullie wel 's als de duivel die deur losmaken!" - -"Hoe zegt u, mijnheer Bunze?" antwoordde Hans. "Als de duivel? Hoe -maakt die dan een deur los?" - -"Ik heb niets met je praatjes noodig! Maak oogenblikkelijk, dat ik -eruit kan! Jullie hebt Robert laten ontsnappen, en dat zal ik je -gloeiend betaald zetten!" - -"Gloeiend zegt u, mijnheer Bunze?" plaagde Hans, "wel foei, dat is -niet netjes van u. Wij moeten voor u de deur openmaken en u wil ons -daar gloeiend voor behandelen? Neen, op die voorwaarde bewijzen wij -u geen dienst, mijnheer Bunze." - -"Och loop naar de maan met je mijnheer Bunze," riep de veldwachter. "Ik -gelast jelui nu, oogenblikkelijk hier te komen en de deur te openen." - -"O neen," zei Flip, "wij zijn geen hondjes." - -"Juist," zei Hans, "maar wij willen u toch wel helpen, als u ons maar -belooft, stil onzen weg te laten gaan." - -"Ik beloof niets!" riep Bunze. - -"O nee, op die conditie doen we 't beslist niet. Dag mijnheer -Bunze. Wij gaan naar huis." - -"Hallo, wacht even, jongens! Neen, loop nog niet weg. Je kunt voor mijn -part vrij naar huis gaan, doch help me eerst uit dit verwenschte hol!" - -"Goed, ik kom!" riep Hans. - -Een oogenblik later sneed Hans het touw door en was alweer verdwenen -voor Bunze tot de ontdekking kwam dat de uitgang vrij was. Men kan -zich voorstellen in welk een stemming hij naar huis ging! - - - - - - - - - -ELFDE HOOFDSTUK. - -WAAROM BAREND NIET OP SPARRENHEIDE KWAM. - - -Een uur nadat veldwachter Bunze de hut van vrouw Vorstman verlaten had, -was Barend er teruggekeerd. - -Het vrouwtje had pret om den jongen, die zoo overhaast de vlucht -had genomen. - -"Is-ie weg, moeder Vorstman?" vroeg Barend voorzichtig. - -"Al een uur," lachte ze, "hij komt alweer haast terug!" - -"Dat is toch niet waar?" - -"Neen, wees maar stil. Maar waarom ging je toch zoo ineens op den -loop. Heb je weer kwaad gedaan?" - -"Och, dat is nog van vroeger. Moet-ie mij dan niet hebben?" - -"Jawel, hij kwam je zeggen, dat je vanavond bij mijnheer Bergwoude -op Sparrenheide moest komen." - -"Moet ik daar komen? Owee, ik begrijp het al!" - -"Wat dan?" - -"Wel, ze zullen gemerkt hebben, dat Jacob Heintze elken avond laat -bij mij komt en daar krijg ik nou natuurlijk een leelijk standje voor." - -"Kom, dat zal wel losloopen. Natuurlijk zal Jacob dat niet meer mogen -doen, maar ik denk er het mijne van." - -"Wat denk je er dan van, moeder Vorstman." - -"Hoor eens, Barend, laat dat woord Vorstman nou maar weg. Ik ben je -moeder voortaan, hoor. En wat ik er van denk, wel, meester Bergwoude -zal je wel willen voorthelpen." - -"O, als dat eens waar was! Dan behoefde ik ook niet meer bang te zijn -voor veldwachter Buikie." - -"Die zal jou geen kwaad doen, jongen. Je hebt zeker veel op je kerfstok -dat je hem zoo ontloopt?" - -"Ja moeder. Maar ik heb nu geen zin meer om zoo te rooven en door -'t bosch te loopen. Ik heb dikwijls genoeg de eieren uit Bunze's -kippenhok gestolen. Leelijk, hè? Ik zou 't ook niet meer willen -doen. Eens op een keer kwam Bunze net aanloopen. Hij was zóó dichtbij -dat ik haast geen raad wist. En om hem tegen te houden gooide ik -hem een ei pardoes tegen zijn gezicht. Hij zat van onder tot boven -vòl! Jacob vond dat erg leelijk van mij en ik heb hem ook beloofd, -nooit meer eieren weg te nemen." - -"Dat is braaf van je, Barend. Ik zal je nu een nieuwe boterham geven, -want Bunze heeft de jouwe opgegeten." - -"Wat een gulzigaard! Alsof hij thuis niet genoeg krijgt!" - -"Net zoo. Maar zeg eens, Barend, je moet wat netter wezen op het pak, -dat Jacob je gegeven heeft! Je hebt er zeker mee in 't bosch op den -grond gelegen. Kom hier, dan zal ik je wat afborstelen. En als je nu -vanavond naar mijnheer Bergwoude gaat, moet je eerst bij mij komen om -te laten zien, of je er wel netjes uitziet. Als jij bij mij woonde, -zou ik daar beter op kunnen letten." - -"Ik wou, dat het waar was, moeder V ... - -"Nu wie weet. Komaan, eet de boterham op. En hier is nog een glas -melk." - -Nadat Barend de boterham en de melk op had, haalde hij nog een paar -boodschappen voor zijn goede stiefmoeder en ging naar huis. - -Daar trof hij zijn vader aan in gezelschap van een kerel, dien -hij nooit gezien had. Maar de man zag er allesbehalve aangenaam of -vriendelijk uit. - -"Kijk," zei Ranke, op Barend wijzend, "daar heb je nou mijn -zoon. Flinke jongen, niet? Kom eens hier jij, ik heb je weer in geen -drie dagen gezien. En wat een spullen heb je daar aan. Ben je daar -wel eerlijk aangekomen? Nou, mij 'n zorg, wat zeg jij, Klaas Pos?" De -aldus genoemde vreemde man grijnsde eens, en Barend schrikte van het -terugstootende gezicht. - -"Nou," vervolgde Ranke, "ik zal het hem dan maar vertellen, hij moet -er toch van weten, anders lukt de zaak niet. Hoor jongen, je vader -heeft tot nog toe niets aan je gehad en je toch te eten moeten geven, -dus nou wordt het tijd, dat je daarvoor wat doet. Je bent er nou voor -in de gelegenheid en ik zal je zeggen, wat je doen moet." - -"Dat ligt er aan, wat het is," zei Barend, die nooit ook maar -eenigszins beleefd was tegen den man, die nimmer een vader voor hem -was geweest. - -"Zoo, dat zullen we dan wel eens zien!" zei Ranke. "We zullen je in -elk geval wel weten te dwingen." - -"Dat zit nog," zei Barend. "Ik wil er heelemaal niets van weten en -ik blijf hier ook niet langer in huis. Ik ga weg." - -"Hahaha!" spotte Ranke, "de jongeheer gaat weg. Jawel. Ik zal je eens -wat zeggen, Barend. Je moet vanavond met ons mee. We willen in Baarn -een villa met een bezoek vereeren. Jawel, wij zijn uitgenoodigd, -nietwaar Klaas? Hahaha! En jij moet mee, jongen. Je moet uitkijken, -of er misschien ook iemand voorbijkomt, die de zaak verraden kan." - -"Ik doe 't niet," zei Barend. - -"Flink gesproken," spotte zijn vader. "Maar ik spreek nog veel flinker, -en nog duidelijker ook. Hier! Trek uit die kleeren, gauw wat! Wacht, -ik zal je een handje helpen!" - -En met ruw geweld trok de woeste strooper zijn zoon de kleeren van -het lijf. Hij wierp hem daarop zijn oude, havelooze plunje toe, -die Barend aantrok, zonder een spier van zijn gezicht te vertrekken. - -"Ziezoo," sprak Ranke. "Nu worden we verstandig. Nu zie-je er weer -als vanouds uit. En zal je vanavond meegaan, ja of neen?" - -"Neen!" zei Barend op beslisten toon. - -Pats! daar kreeg hij een slag tegen het hoofd, dat hij tegen den -grond viel. - -"Zal je meegaan?" - -"Nooit!" - -Woede beving den gewetenloozen man, die vader moest heeten van zoo'n -flinken jongen. Hij ging naar hem toe en trapte hem, terwijl Barend -zich in allerlei bochten wrong. De jongen gaf echter geen kik en -bleef eindelijk doodstil liggen. - -"Nou, je hebt hem een goeie portie gegeven, geloof ik," zei Klaas Pos. - -"Natuurlijk en nou zal je eens zien, hoe netjes hij met ons meegaat. En -om te voorkomen, dat-ie wegloopt, zal ik hem netjes opbergen." - -Daarop opende Ranke een deur, waarachter zich een kolen- en turfhok -bevond. Hij nam Barend op en wierp hem met geweld naar binnen. Toen -deed hij een hangslot op de deur en verliet met Klaas Pos het -huisje. In het turfhok lag Barend op den grond. Met het hoofd op -den arm snikte hij en dacht aan het uur, waarop mijnheer Bergwoude -hem verwachtte. - -Wat zou hij doen? - -Zijn vader verraden, overleveren aan de politie.... of... hem -gehoorzamen en zelf opnieuw een dief worden? - - - -Na het avondeten zat de familie Bergwoude als gewoonlijk nog een -uurtje in den tuin en juffrouw Wieler had een splinternieuw sprookje -verteld. Allen hadden aandachtig geluisterd naar het verhaal van -den woesten, roofzuchtigen reus, die het rijk der kabouters wilde -vernietigen en toch met al zijn kracht en ruwheid niet bestand was -tegen het leger der kleine mannetjes. Allen, ja, behalve Jacob Heintze. - -Want wat weerga, waarom kwam Barend Ranke nu niet? Mijnheer Bergwoude -had hem toch de boodschap laten brengen door veldwachter Bunze, -dat-ie vanavond op Sparrenheide komen moest? Er zou bepaald een heel -ernstige reden voor Barend moeten zijn, om nu niet te komen. Of ging -hij nu weer bederven, wat met zooveel moeite was verkregen? - -Mijnheer Bergwoude had er in het eerst vreemd van opgekeken, dat Jacob -met den verwaarloosden strooperszoon, den schrik van de omgeving, -had vriendschap gesloten! En die nachtelijke bezoeken, al waren -ze dan ook om Barend wat nuttigs te leeren, had hij zeer streng -afgekeurd. Mijnheer Bergwoude meende, dat er toch niets aan zoo'n -verwilderden, onopgevoeden knaap te verbeteren viel. Maar Jacob had -het voor Barend opgenomen en verteld, hoe de jongen langzamerhand -veranderde. En ten slotte had mijnheer Bergwoude dan beloofd, dat -hij Barend eens zou laten komen en zien, wat hij er aan doen kon, -om hem nog wat beter op streek te helpen. - -Hoe later het werd, hoe meer Jacob's onrust toenam. - -Waar bleef Barend nu? - -Om half negen, toen allen naar binnen gingen, was hij er nog niet. - -Mijnheer Bergwoude nam Jacob even terzijde: - -"Je vriend Barend is, zooals je ziet, niet gekomen, Jacob. Dat had -ik van te voren wel gedacht. Heusch, geloof me, daar is toch niets -mee te beginnen. Besteed, er aan, wat je wilt, 't zijn paarlen voor -de zwijnen geworpen." - -Maar Jacob schudde het hoofd. - -"Barend zou veel te graag gekomen zijn, mijnheer!" antwoordde hij, -"dat weet ik zeker. Maar misschien heeft Bunze hem niet kunnen -vinden. Of zijn vader houdt hem tegen." - -Mijnheer Bergwoude haalde ongeloovig de schouders op, hij dacht er -het zijne van. En daarop ging hij de huiskamer binnen. Hans, Flip en -Rob bleven nog een oogenblik met hun vader en moeder praten. - -De meid bracht brieven en couranten binnen, door de avondpost zoo -juist bezorgd. - -"Voor jou ook een brief, Hans," zei mijnheer Bergwoude, "van je vriend -Bram Verhallen." - -Hans nam den brief, opende het couvert en las: - - - Baarn, 12 Juli. - - Beste Hans! - - Vind-je het goed, als ik Zondagmiddag naar je toe kom? Wij eten - vroeg, net als jullie. Ik kom dan tegen 3 uur en kan wel tot een - uur of zeven blijven. Zaterdagmiddag kan ik niet komen, want we - hebben deze week zoo razend veel huiswerk, dat we er bijna niet - doorkomen! Och kerel, dat huiswerk! Als ik 's middags half vijf - thuis kom, moet ik maar liefst zoo gauw mogelijk eten, want we - krijgen wel voor drie urenlang huiswerk mee. We hebben dan ook zoo - ontzettend veel te leeren, jò. Zoo moet ik vanavond 2 blz. Fransch - vertalen, 1 blz. Cours Pratique leeren, 3 meetkundesommen maken, de - Duitsche rivieren leeren en een opstel maken. Ik weet heusch niet, - hoe ik dat allemaal àfkrijg. Ik heb elken dag hoofdpijn en ik ben - toch goed gezond. En voor den vrijen Zaterdagmiddag hebben we nog - meer huiswerk. Dus je begrijpt dat er van spelen niets komen kan. - - Schrijf me even of het goed is, dat ik Zondag kom. Groeten aan - allemaal. Dag bleekgezicht, gegroet van je rooden broer Arendsoog, - - Bram Verhallen. - - -"Bram komt Zondagmiddag," zei Hans, den brief aan zijn vader -overreikend. - -Mijnheer Bergwoude las den brief door en schudde het hoofd. - -"Wat zullen we toch een verschrikkelijk geleerd nageslacht krijgen," -zei hij, "de jongens en meisjes worden tegenwoordig zóó met huiswerk -overladen, dat ze nauwelijks tijd hebben om te eten. Wat zullen dat -allemaal een professoren worden! Maar wat een zenuwlijdertjes zullen -erbij zijn!" - -"Schrijft Bram daarover?" vroeg mevrouw. - -"Och neen, de jongen schrijft alleen, dat ze 's avonds wel voor drie -uren huiswerk meekrijgen en dat-ie Zaterdagmiddag niet spelen kan, -omdat-ie te veel werk heeft." - -"Is dat niet een beetje al te erg, man?" - -"Ja zeker, het is méér dan overdreven. En 't mooiste is nog, dat van al -de kinderen, die zulke massa's huiswerk avond aan avond moeten maken, -maar een paar werkelijk knap worden en daar wat aan hebben. Bram, -een flinke, gezonde, sterke jongen, heeft elken dag hoofdpijn van -'t leeren. Kan daar iets goeds uit groeien?" - -"Maar zonder huiswerk komen ze er niet, man." - -"Denk je dat, vrouw? Eenig huiswerk kan geen kwaad, het geeft bezigheid -in huis en de jongens kunnen nog eens repeteeren, wat er op school -geleerd is. Maar om de jongelui een berg werk mee naar huis te geven, -waar ze bijna niet doorheen komen, dat is overdreven. En wat hebben de -meesten er aan? De een wordt kantoorbediende en vergeet 9/10 van wat -hij geleerd heeft, de ander architect, tuinbouwkundige, onderwijzer, -enz. Dat alles hadden ze evengoed kunnen worden zonder al die dwaasheid -in hun jonge jaren te leeren. De ernstige, werkelijk gezonde studie -komt pas later. En daar hebben ze pas wat aan." - -"Toch schijnt men er ook anders over te denken," zei mevrouw. - -"O, ik kan het natuurlijk mis hebben," vervolgde mijnheer Bergwoude, -"maar ik vind, als een jongen tot zijn dertiende jaar het lager -onderwijs goed gevolgd heeft en dat dóór en dóór kent, dan heeft hij -nog tijd genoeg, om àlles te worden, wat hij wil. Dat is mijn meening." - -Er werd nog even over dat onderwerp gesproken en daarna gingen de -drie broers naar bed. - -"Zeg," zei mijnheer, "die Barend is toch maar niet gekomen, hè? Zie -je wel, dat er met zulke jongens toch niets goeds is aan te vangen?" - -"Hij zal niet gedurfd hebben, vader," zei Hans. - -"Och wat, gedurfd? Hij bedankt er eenvoudig voor, om onder de plak -te zitten. Neen, ik weet wel, dat hij liever als een wildeman in de -bosschen rondzwerft en allerlei kattekwaad uithaalt. Dat is hij van -jongsaf gewend en dat zal hij wel blijven doen ook!" - - - -Och, als mijnheer Bergwoude eens geweten had, dat Barend op dit -oogenblik te snikken lag van droefheid en teleurstelling, opgesloten -door zijn harteloozen vader in een donker hok! - - - - - - - - - -TWAALFDE HOOFDSTUK. - -IN DEN NACHT. - - -In den loop van den avond was Ranke, de strooper, met Klaas Pos in -zijn woning teruggekeerd. - -Zij zetten zich aan de tafel om hun plan nog eens nader te -bespreken. Zij dachten er niet eens aan, om Barend uit zijn -gevangenschap te verlossen en hem iets te eten te geven. - -"We moeten de zaak goèd doen of heelemaal niet doen," zei Ranke. "En -ik zal je nog eens haarfijn vertellen, hoe we 't zullen aanpakken. Ik -ben vanmorgen op het kantoor van Verhallen geweest en weet daardoor -precies, hoe de toestand daar is. Ja, ik heb mijn oogen goed den kost -gegeven. Ik heb den notaris zelf te spreken gevraagd, natuurlijk -maar met een onbeduidend praatje. Maar ondertusschen heb ik goed -rondgekeken. De voorkant van het woonhuis is aan de Prinsenlaan, -maar de ingang van 't kantoor is in een achterstraatje. Je loopt een -steenen paadje op en komt aan een hek. Dan een klein tuintje door en -je staat voor de kantoordeur. In de gang heb je weer twee deuren, op -de eene staat: Binnen zonder kloppen, op de andere Privé. Die laatste -moeten we hebben. Daar staat de brandkast van den notaris en als ik -me niet vergist heb, zal het voor ons niet zoo'n heksenwerk zijn om -die groote spaarpot open te maken." - -Daarop vertelde Ranke aan Pos, van welk fabrikaat de brandkast was -en toonde de werktuigen, waarmede hij die dacht te openen. - -"Terwijl wij binnen aan het werk zijn," sprak hij, "moet Barend op -den uitkijk staan." - -"Kunnen we hem wel vertrouwen?" vroeg Pos. - -"Daar kan je verzekerd van zijn. Bovendien zal ik hem wel weten -te dwingen. Kijk, hier heb je nota bene boeken en schriften van -hem. Inplaats van een vet konijn op den kop te tikken, zit hij te -suffen met zijn neus in de boeken. Waar hij die vandaan heeft, mag -de drommel weten. Hij had ze onder zijn bed verstopt. Ik wist niet, -dat mijn zoon een geleerde was. Enfin, wij zullen hem eens voor den -dag halen." - -"Wij deelen toch samen?" vroeg Klaas Pos. - -"Dat is te zeggen: ieder krijgt zijn deel. Ik geloof wel, dat ik twee -derden van het gevaarlijke werk te doen zal hebben, dus neem ik ook -zooveel van den buit. Ieder het zijne. Als je 't niet goed vindt, -kan ik 't misschien ook wel alleen af." - -"Ik zal 't maar goedvinden," zei de ander. - -"Zooals je wilt. En nou zullen we den jongen eens hier halen." - -Met deze woorden begaf Ranke zich naar het turfhok, waar Barend in -slaap gevallen was. - -"Barend!" riep zijn vader, "kom er uit, jongen, het wordt zoo -langzamerhand tijd." - -Barend ontwaakte en keek door de geopende deur in het kamertje, waar -hij Klaas Pos bij de petroleumlamp aan tafel zag zitten. Onmiddellijk -weer herinnerde hij zich het gebeurde en tevens ook, wat zijn vader -van hem verlangde. En evenals te voren besloot hij om in geen geval -met beide mannen mee te gaan. - -Ranke trok hem in de kamer. - -"Je hebt over de zaak kunnen nadenken, Barend," sprak hij, "en ik -geloof wel, dat je nu zoo verstandig geworden bent, om je vader -eindelijk eens te gehoorzamen. Voor alles wat ik aan je besteed -heb ..." - -"Je hebt niets aan mij besteed!" viel Barend opeens uit. "Je hebt me -niet eens te eten gegeven. De paar korsten brood en droge aardappels, -die je zelf niet meer lustte, liet je voor mij op tafel liggen." - -"Wel, hoor me zoo'n ondankbare jongen eens aan!" riep Ranke, die -aan Pos verteld had, dat hij altijd den meesten zorg aan zijn zoon -had besteed, maar dat Barend een door en door slechte jongen was, -die al het goede, wat zijn vader voor hem deed, met ondank beloonde. - -"Wel, hoor me nu zoo'n ondankbare jongen eens aan! Dat is de school -uitgejaagd om al zijn baldadige streken en durft nog zijn vader -beschuldigen! Wacht, kameraad, nu zullen we eens een ander wijsje -zingen. Je gaat nu direct met ons mee, en ..." - -"Ik denk er niet over," zei Barend. "Ik ga toch niet." - -"Dat zullen we wel eens zien! Hier, deze boeken, zijn die van jou?" - -Met grooten schrik bemerkte Barend, dat zijn gewetenloozen vader -zijn boeken en schriften, waar hij met Jacob Heintze uit geleerd had, -gevonden had. - -"Geef hier vader!" riep hij, "dat is mijn werk!" - -"Zoo, is dat jouw werk? Neen vrind, ik zal jou eens zeggen, wat je -werk is. Om je vader te gehoorzamen en hem te helpen. En nu zal je -dat om te beginnen vanavond doen en als je weigert, scheur ik al je -boeken en schriften één voor één kapot!" - -"Vader!!" schreeuwde Barend, "dat doe je niet!" - -"Dat zal je zien!" - -En Ranke greep een boek, dat Jacob aan Barend gegeven had. Hij nam -het in beide handen om het doormidden te scheuren. - -"Vader, vader!!" gilde Barend. "Niet doen ... ik zal wel meegaan!" - -"Ha zoo, dat dacht ik wel. En nu zal ik je nog eens vertellen, wat -je te doen hebt. We gaan door het bosch naar Baarn. In het huis waar -we zijn moeten, is veel geld. Het zal nogal tijd en moeite kosten -om het te krijgen. Zoolang wij binnen aan het werk zijn, houdt jij -buiten de wacht. En als er onraad is, kraai je als een haan. Ik weet, -dat je dat zoo goed kunt, dat iedereen denkt, een werkelijken haan -te hooren. Komt er iemand toevallig voorbij, dan kruip je weg in de -struiken van den tuin. Pos, hebben we de gereedschappen en den zak? De -lantaarn heb ik hier. Ziezoo, alles is klaar. De lamp uit en op pad!" - -De torenklok sloeg elf uur. - -En een oogenblik later gingen drie donkere figuren door het bosch, -dat inktzwart zich voor hen uitstrekte. - - - -"Ik maak mij werkelijk ernstig bezorgd over Bram," zei mevrouw -Verhallen tot haar man, den notaris, toen zij des avonds naar boven -was geweest. "Het is nu al over tienen en nog zit de jongen aan zijn -schoolwerk. Voor een jongen van dertien jaar is dat toch te laat, -vader." - -"Och laat den jongen studeeren," sprak notaris Verhallen, "nu is hij -immers nog in de gelegenheid om goed te leeren, later gaat het zoo -vlug niet meer. En als hij daar nu plezier in heeft?..." - -"Plezier in heeft?" - -"Wel ja, anders zou hij het toch niet doen?" - -"Denk je, dat Bram voor zijn plezier avond aan avond zit te -blokken? Dat hij voor zijn plezier elken dag over hoofdpijn klaagt? De -jongen overwerkt zich, dat zeg ik. Hij begint er slecht uit te zien." - -"Kom, kom, nu overdrijf je toch," zei de ander. Hij was zelf een zeer -werkzaam man en vond het heel best, dat zijn dertienjarige zoon elken -avond stapels schoolwerk maakte. Natuurlijk in den tegenwoordigen -tijd moest de jeugd nu eenmaal hard studeeren. - -Dat wist Mevrouw ook wel, maar zóóveel huiswerk als de kinderen -tegenwoordig van den meester meekregen, vond ze toch wat heel erg. - -"Neen, ik overdrijf volstrekt niet," hernam zij, "de jongen zal er -nog heelemaal door van streek raken. Al is zijn lichaam gezond, dat -wil volstrekt niet zeggen, dat hij daarom een hoofd om veel te leeren -heeft. Ik zou veel liever zien, dat hij wat vroeger naar bed ging." - -Mijnheer Verhallen haalde zijn schouders op en frommelde eens -ongeduldig met de courant, die hij in de handen hield. Hij zag -volstrekt geen bezwaar in het late opblijven en studeeren van zijn -zoon. Hoe knapper Bram werd, hoe liever hij het had. Van leeren werd -je niet ziek en de meesters wisten toch ook wel, wat kòn en wat nièt? - -Mevrouw zweeg nu maar, doch in stilte dacht ze met bezorgdheid aan -haar jongen. - -Op zijn kamertje zat Bram ijverig te pennen. - -De klok wees kwart over tien. - -Bram had juist de laatste rekenopgave af. Gelukkig, eindelijk was -hij weer zoover, dat hij morgen met behoorlijk afgemaakt werk bij -den meester komen kon. O, er waren jongens genoeg, die om zeven uur -aan d'r huiswerk begonnen en vóór achten alweer buiten waren, maar je -moest dan niet vragen, hoe dat werk er uit zag. Bram behoorde niet tot -de vlugsten, maar juist daarom wilde hij zijn werk zoo goed mogelijk -doen. Het leeren viel hem niet gemakkelijk, maar meester was streng -en papa liet niet met zich spotten! Dus kostte het Bram buitengewone -inspanning om met de andere jongens van zijn klasse gelijk te blijven. - -Met een tevreden lachje bergde hij zijn boeken en schriften in de -kast. Het was meer dan bedtijd. Zijn bed stond in een hoek van 't -kamertje. Met langzame bewegingen kleedde hij zich uit. Slaap had -hij bijna niet, hij was over zijn slaap heen; in zijn rond, gezond -jongensgezicht stonden de oogen dof en mat. Hij voelde zich doodmoe en -had toch geen slaap. In bed lag hij te kijken naar een paar sterren, -die hij juist door 't bovenraam kon zien. En onderwijl dacht hij -maar voortdurend, zonder het te willen, aan die laatste som, die zoo -moeilijk was. Toen probeerde hij te slapen, maar dat lukte niet. Zijn -lichaam rustte uit, maar hij bleef klaarwakker. Hee, dacht hij, -wat beef ik nu toch vreemd? Het is toch heelemaal niet koud. Och, -'t zal wel over gaan. Kom, ik zal me maar weer eens omdraaien. En -dan dacht hij weer aan de lesuren van morgen. Eerst taal, de les -over de vervoeging der werkwoorden. En dan Fransch, Cours Gradué, -2 théma's opzeggen, 2 nieuwe inleveren. Die had-ie ook af. En dan -rekenen. Zouën z'n sommen goed zijn? Meester had dikwijls aanmerkingen -op z'n foute sommen, en deed-ie niet heusch zijn best? Als ze nou -maar goed waren! Kom, nou slapen. Nou niet meer aan leeren denken. De -andere jongens sliepen ook allemaal ... de klok sloeg elf. Bram was -nog even wakker als om tien uur. Half twaalf. Bram zat rechtop in -bed, z'n hoofd klopte. Hij stond op, stak zijn hoofd door het open -raam. De lucht was helder, om hem heen waren tuinen met dicht geboomte, -zware dennegeur trok het kamertje in. De nachtkoelte deed hem goed, -de hoofdpijn zakte wat. - -Weet je wat, hij ging een beetje in den gemakkelijken stoel bij het -raam zitten, van slapen kwam toch voorloopig niets. - -Bram trok een jas aan en strekte zich op z'n gemak in den stoel -uit. Zoo zat-ie lekker. En nou naar de sterren kijken. Dààr had je de -Groote Beer en dan ... één... twee ... drie ... vier ... vijf ... zes -... zeven ... de Poolster ... en dáár ... en dáár.... - -Bram, oververmoeid, dommelde in. - - - -Ruim een uur later schrok-ie wakker. - -Hè, wat? Lag-ie niet in bed? Zat-ie in 'n stoel? Hee ja, dat was waar -ook. Brrr, hij was koud geworden, gauw maar 't bed in. De jas hing -hij over den stoel, stapte dan met z'n eene been in bed. - -Maar opeens bleef-ie zoo staan. - -Stil ... - -Wat was dat beneden? - -Was pa nog op?... Even luisteren.... - -Sssst ... daar hoorde hij 't weer. - -Zoo'n gek geluid.... net of 'r iemand op pa's kantoor was. Nou, -dat was onzin, hè? Pa sliep natuurlijk.... en.... - -Nou viel d'r wat.... - -'t Volgend oogenblik trok Bram kousen en pantoffels aan en wat kleeren. - -Op z'n teenen ging-ie de trap af, opende geruischloos de buitendeur; -over de grasperken liep hij den tuin uit, 't straatje om naar den -kantooringang. - -Stil... daar stond een jongen, vlak bij den lantaarn. - -Bram begréép 't..., die stond op den uitkijk!! - -Dadelijk keerde Bram terug.... de vilten pantoffels maakten z'n -voetstappen onhoorbaar, en snel als de wind vloog-ie de Laanstraat in, -waar twee politieagenten surveilleerden. Die gingen onmiddellijk met -hem mee. - -Bram liep ze vlug vooruit, zag den jongen nog staan. En 'n plotseling -opkomende gedachte dadelijk ten uitvoer brengend, wierp hij zich -onverwachts op den schildwacht en drukte met één hand diens mond toe. - -Daarna stelden zij zich in een donkeren hoek in hinderlaag op. - -Bij het licht van de lantaarn had Bram den jongen herkend. En -verschrikt fluisterde hij de agenten toe: - -"Barend van de Lage Vuursche!" - - - - - - - - - -DERTIENDE HOOFDSTUK. - -WAT JACOB VAN VELDWACHTER BUIKJE HOORDE. - - -Volgende morgen, zes uur. - -De zon stond al hoog aan den hemel, 't beloofde weer een echt warme, -zomersche dag te worden. - -"Zeg," zei Hans tegen zijn broer Flip, terwijl ze zich op hun -slaapkamer aan 't kleeden waren, "wat maft die Rob weer door!" - -"Ja," antwoordde Flip, "ik heb hem al zesmaal geroepen, maar hij heeft -'r maling aan, hoor." - -"Nou, hij is om negen uur naar bed gegaan, dus me dunkt, dat-ie lang -genoeg geslapen heeft." - -"O zoo, maar als roepen niet helpt zal ik hem wel op een andere manier -wakker krijgen. Geef dat witte kopje eens aan, Hans." - -"Wat ga je nou doen?" - -"Zal je wel zien." - -Flip schepte het kopje vol water uit zijn lampetkan en zette het toen -op de plank boven Rob's hoofd. Een draad garen bond hij om het oor -van het kopje. - -Aan het andere einde knoopte hij een lus en schoof dien voorzichtig -om een vinger van Rob. - -"Ziezoo," zei Flip, "zoo gauw als hij nou maar één beweging maakt, -is hij goed wakker ook." - -Inderdaad liet het succes dezer nieuwe wek-methode niet lang op -zich wachten. - -Rob draaide zich in zijn slaap nog eens om, maar door die beweging -trok hij het kopje water van de plank. - -Pletsch!! - -"Au, m'n hoofd!... brrr!!!" vloog Rob ineens overeind, "wat is -dat nou?" - -"Goeiemorgen, Robbie," zei Flip lachend. "Is U Edele ontwaakt?" - -"Wat een misselijke, kinderachtige streek, Flip," zei Rob. "Nou is -'t heele bed nat." - -"Loop heen, dat droogt met die warmte in twee tellen." - -"Toch gemeen, al m'n goed is drijf." - -"Ga maar even buiten in de zon hangen." - -"Doe jij 't zelf maar." - -"De kleine kop viel op de groote kop van Robbekop," plaagde Flip, -waarop Rob zijn kussen greep en dat naar Flip's "kop" gooide. 't -Kussen vloog weer terug en nu begon Hans ook mee te doen. Lakens, -dekens, kussens zeilden van den eenen hoek naar den anderen, een waar -beddengevecht. Ten slotte rolden ze alle drie met al 't beddegoed als -een kolossale bal door elkaar, gierend en schaterend van pret. En de -zon goot haar gouden ochtendstralen naar binnen en lachte mee. - -De deur ging open en Jacob Heintze trad binnen. - -"Zeg, wat maken jullie een reuzenherrie!" - -"Wil je ook een beetje op je kop hebben?" inviteerde Flip. - -"Jij bent ook vroeg present," zei Hans, die uit het kluwen van de -dekens en lakens kroop. - -"O ja, 'k ben al meer dan een uur op," zei Jacob. "Ik had eigenlijk -nòg vroeger willen opstaan om even naar de Vuursche te gaan." - -"Waarom?" - -"Om Barend op te zoeken. Vragen, waarom-ie gisteravond niet gekomen -is." - -"Ja," zei Hans, "daar hadden vader en moeder 't gisteren ook over." - -"Zoo?" - -"Ja, vader zei, dat er met Barend tóch niets goeds te beginnen was." - -Jacob maakte zich driftig over die woorden. - -"Dat is niet waar!" zei hij. "Als Barend niet gekomen is, dan had -hij daar goeie reden voor. Hij was veel te blij, dat-ie komen mocht." - -"Nou, waarom kwam-die dan niet?" - -"Dat--dat weet ik evenmin als jij. Maar ik zal aan je vader vragen, -of ik nog even naar vrouw Vorstman mag gaan." - -Jacob Heintze kreeg van mijnheer Bergwoude verlof daar voor. Hij haalde -zijn fiets uit de bergplaats en snorde een oogenblik later den weg af. - -De arme weduwe was al bedrijvig in de weer. - -"Dag vrouw Vorstman!" riep Jacob haar toe, terwijl hij van zijn -fiets sprong. - -"Zoo Jacob, al zoo vroeg hier? Mooi weer, hè?" - -"Ja, vrouw Vorstman, maar ik wilde u eigenlijk vragen, of u ook weet, -waarom Barend gisteravond niet op Sparrenheide is gekomen." - -"Wel heb ik ooit! Is hij niet gekomen?" - -"Neen." - -"En ik heb het nog zóó gezegd. Hij was ook heel blij, dat-ie komen -mocht. Hij hoopte, dat mijnheer Bergwoude hem wat voorthelpen zou." - -"Ja dat zou-die ook wel doen, maar ..." - -Een derde persoon verscheen aan 't huisje van vrouw Vorstman, -veldwachter Bunze. - -Hij scheen verbazend in zijn schik te zijn, want zijn rond en -bol gezicht stond zoo vroolijk, alsof hij pas een erfenis had -gekregen. Zonder goeienmorgen te zeggen begon hij: - -"Nou, vrouw Vorstman, wat heb ik je gezegd? Schooiersvolk is het, -gespuis, waar niets mee te beginnen is!" - -"Man, waar heb je het over?" - -"Nee, je weet er natuurlijk nog niets van, hè? Maar ik wel. D'r is -al een brigadier uit Baarn op de fiets bij mij geweest, en die heeft -mij de orders gebracht." - -"Maar wat is er dan toch?" - -De veldwachter scheen er bijzonder plezier in te hebben, de menschen -zoo nieuwsgierig en ongeduldig te maken, als maar mogelijk was. - -"Wel," zei-die, "ik moest immers gisteren aan dat galgenaas van een -Barend de boodschap brengen, dat-ie op Sparrenheide komen moest?" - -"Ja--en ..." - -"Inplaats van het te doen, is de schavuit gisteravond met zijn vader -en Klaas Pos naar Baarn gegaan om daar in te breken!" - -"Dat kan niet!" riep Jacob verschrikt. - -Veldwachter Buikje keek den jongen met een minachtenden blik aan. Zoo'n -ventje durfde hem tegenspreken? - -Vrouw Vorstman sloeg van verbazing de handen in elkaar. - -"Om in te breken!" herhaalde Bunze met welgevallen. "De oude strooper -Ranke en zijn kameraad Pos zijn beiden gevangen genomen, Barend net -zoo goed, en alle drie zijn ze in preventieve hechtenis genomen. Nou -zie-je zelf, vrouw Vorstman, wat voor volk je in je huis haalt! Geef -jij den jongen maar koffie en dikke boterhammen, vandaag of morgen -steelt-ie het beetje nog dat je in huis hebt!" - -Jacob Heintze keek verslagen naar den grond. Hoe was dat nu -mogelijk! Barend, die in een paar weken al zoo vooruitgegaan was, -die nu misschien door mijnheer Bergwoude zelf verder geholpen zou -zijn, was in de gevangenis gezet, medeplichtig aan inbraak. Opeens -ging hem een licht op! - -"Ja! zoo is het!" riep hij uit. - -"Wat is zoo?" vroeg Bunze. - -"Wel geloof maar niet, dat Barend uit zichzelf is meegegaan. Zijn -vader en Klaas Pos hebben hem gedwongen. Zij hadden hem noodig." - -"Wat zou dat dan nog!" vroeg veldwachter Buikje. "Het doet er trouwens -ook weinig toe, hoe en waarom de jongen is meegegaan om op den uitkijk -te staan, in elk geval staat vast, dat hij het heeft gedaan, en dat -is voor ons, gerechtsdienaren, voldoende!" - -"En bij wie is er ingebroken," vroeg vrouw Vorstman. - -"Bij notaris Verhallen. Nou moet-je weten, de jongeheer Verhallen -was nog heel laat wakker en hoorde wat in 't kantoor. Wat doet de -slimmerd! Hij trekt wat kleeren en z'n pantoffels aan en loopt om het -huis heen. Daar ziet-ie iemand op den uitkijk staan en dus begreep-ie -dadelijk, dat er wel een paar kornuiten in 't kantoor aan den slag -waren. Hij loopt de dorpsstraat in en komt toevallig twee agenten -tegen. Die gingen dadelijk mee en de jongeheer Verhallen loopt weer -hard terug op zijn pantoffels en slaat zóó maar den uitkijk tegen -den grond. Hij gaf geen kik, want ze hielden zijn mond stijf toe, -dat verzeker ik je. Nou, en de agenten op de loer, dat begrijp je. 't -Duurde een heel poosje, toen kwamen allebei de sinjeurs naar buiten -om te zien, of alles in orde was. - -""Waar is de jongen?" vroeg de een. "Die zal wat verderop staan," -zei de ander. "Laten we eerst zelf eens kijken, of de weg veilig is, -voordat we den buit naar buiten halen." Ze liepen toen allebei het -tuintje door en: kip ik heb je! sprongen de agenten uit hun hoek. In -een oogenblik hadden de schurken de ijzeren polsmofjes aan en gingen -mee. Ik ben blij toe, dat me dat stelletje goed en wel achter de -tralies zit. Nou zie je toch, vrouw Vorstman, wat je met dien jongen -in huis had gehaald. Wees maar blij, dat-ie opgeborgen is. En nou zal -ik je groeten, want ik moet de zaak nog verder onderzoeken en rapport -uitbrengen." En met een zelfbewuste en trotsche houding stapte de -veldwachter den weg op. - -Vrouw Vorstman en Jacob waren door dit verhaal geheel uit het veld -geslagen. Het leek Jacob, of de mooie zonnedag opeens een donkere -nacht geworden was. Was dat nu alles wel waar? Was Barend werkelijk -tot zóó iets in staat? Het was bijna onmogelijk! - -"Neen, vrouw Vorstman," zie hij, "ik kàn het niet gelooven! En als -het tòch waar is, dan heeft Ranke hem gedwòngen om mee te gaan!" - -"Ik geloof het ook, jongeheer," zei ze verdrietig. "Och, och, die -arme Barend in de gevangenis!" - -Wanneer het Jacob's eigen broer geweest was, kon hij niet verdrietiger -geweest zijn dan hij nu was. In een zeer treurige stemming verliet -hij vrouw Vorstman en reed naar Sparrenheide terug, waar hij mijnheer -Bergwoude en Hans vertelde, wat er gebeurd was. - - - -Het gebeurde van dien nacht had Bram's zenuwen geducht geschokt. Toen -alles afgeloopen was en Ranke met Pos en Barend door de agenten waren -weggeleid, zat Bram bevend bij zijn inmiddels gewekte ouders in de -kamer. Hij begreep zelf niet, hoe hij zoo kalm was gebleven, hoe hij -niet één oogenblik bang was geweest om den vreemden schildwacht neer -te leggen. Barend Ranke, de boschjongen! Hoe was het mogelijk? Zoo -jong nog en dan al een dief! - -De heer en mevrouw Verhallen prezen hun jongen, maar Bram glimlachte -flauwtjes. Zijn moeder maakte zich echter steeds meer bezorgd en -eindelijk begon ook zijn vader langzamerhand tot het inzicht te komen, -dat het met Bram toch niet heelemaal in orde was. - -Er werd dien nacht lang niet rustig meer geslapen en 's morgens -had Bram zulk een bonzende hoofdpijn, dat hij niet kon opstaan. Met -den besten wil niet. De dokter werd gehaald en dadelijk luidde zijn -meening: - -"Zenuw-overspanning. Absolute rust houden. Zachte slaappoeders -innemen." - -De dokter schreef Bram's toestand enkel en alleen aan de nachtelijke -gebeurtenis toe, hij meende, dat Bram ten gevolge van een grooten -schrik ziek was geworden. - -Maar mevrouw Verhallen wist wel beter. - -Den volgenden dag sprak zij er eens met den dokter over. - -"Ik vond het beter, om het u eens te zeggen," begon ze. "Ik maakte -mij al sinds eenigen tijd zoo ongerust over onzen jongen, 't is niet -vanwege dien inbraak, ziet u. Bram zit avond aan avond, soms wel -tot na tien uur, huiswerk te maken en te leeren, en meestal begint -hij daar al om zes uur aan. Ik vind dat veel te erg, mijn man denkt -er anders over, maar ik verzeker u, dokter, de jongen kan dat niet -volhouden. Hij is niet dom, maar er wordt te veel van hem gevergd. Hij -gaat er steeds betrokkener uitzien, slaapt te weinig en speelt maar -eens een heel enkele keer met andere jongens." - -De dokter knikte. Hij begreep het volkomen. - -"Mevrouw," sprak hij, "wanneer jongens in hun schooljaren goed hun -best doen en hard werken, zal hun dat later ten goede komen. In -den tegenwoordigen tijd moet een mensch nu eenmaal meer weten dan -vroeger, de examens worden al zwaarder en zwaarder en de eischen, -die de maatschappij stelt, eveneens. Maar of we nu daarom de kinderen -al hun vrijen tijd moeten ontnemen en hen volstampen met allerlei -boekengeleerdheid, dat is een vraag, waarop ik zeer sterk: neen, -antwoord. Intusschen zijn er leerlingen, die dat overmatige werken en -leeren onmogelijk kunnen volhouden en u doet er zeer verstandig aan, -mij op dat geval met uwen zoon te wijzen. We mogen in geen geval -van zoo'n flinken, gezonden jongen een zenuwlijder maken. Laat hem -voorloopig maar eens rust houden en dan zullen we zien, wat we verder -met hem doen zullen." - -Mevrouw dacht over Instituut Sparrenheide. - -Zij sprak er met mijnheer Verhallen over. - -Ook de dokter vond dat besluit zeer verstandig en ten slotte gaf de -notaris toe. - -Na de groote vacantie zou Bram naar Sparrenheide gaan, zeker wel -tot groote vreugde van hemzelf en van Hans, Flip en Rob, de drie -jolige broers! - - - - - - - - - -VEERTIENDE HOOFDSTUK. - -VELDWACHTER BUIKJE EN DE BOSCHGEESTEN. - - -We zullen niet in bijzonderheden nagaan, wat er in de eerstvolgende -weken gebeurde met Barend, Ranke en Pos. - -Het was te danken aan de voorspraak van mijnheer Bergwoude, Jacob -Heintze en moeder Vorstman, dat Barend spoedig in vrijheid werd -gesteld. Er was bij het onderzoek gebleken, dat Barend door zijn vader -gedwongen was mede te gaan, maar er was ook nog een oude historie aan -het licht gekomen! Ranke, de strooper, had verschillende gereedschappen -en werktuigen gekocht en Pos had aan den rechter verteld, dat Ranke -het geld, waarmede hij die dingen betaald had, eenigen tijd geleden -in het bosch gevonden had. Het was een biljet van tien gulden en het -zat in een oude portemonnaie. De portemonnaie had Ranke weer op den -grond geworpen. - -De twee stroopers en dieven werden tot verscheidene jaren -gevangenisstraf veroordeeld. Barend werd als tuinmansjongen op -Sparrenheide aan het werk gezet en kwam bij moeder Vorstman in huis. - -Allen waren zeer tevreden met den goeden afloop der gebeurtenissen -en niet het minst Jacob Heintze, die nooit aan de goede trouw van -Barend had getwijfeld. - -Maar één was er, die zich bij dat alles eenigszins anders gedroeg. En -dat was Bunze, veldwachter Buikje! De dikzak was heelemaal niet -ingenomen met het feit, dat Barend zoo voortgeholpen werd. Het speet -hem verbazend, dat hij in het minst geen deel genomen had aan de -arrestatie der inbrekers, maar hij vertelde toch aan iedereen, die -het hooren wilde, dat hij voortaan met nog veel meer gestrengheid -optreden zou, om de veiligheid en de rust in de omgeving te bewaren. - -Speciaal lette hij nu op de jongens van Sparrenheide, die vaak in -"zijn" bosschen kwamen spelen. Hij liet het minste of geringste niet -meer toe en stelde zich aan als een tiran. Dat begon deze jongens -te vervelen. Als zij zich maar even in het bosch van Drakenstein -vertoonden, zagen zij het dikke gezicht van Buikje al op hen loeren. - -Daarom hielden de jongens op zekeren dag krijgsraad. Ze waren met -hun tienen bij de Echo verzameld en zaten of lagen op den boschgrond. - -"Waar zullen we hem eens een poets mee bakken?" vroeg Rob, die zich -wel het meest aan den veldwachter ergerde. - -Ja, dat was een moeilijke kwestie. 't Was in elk geval de veldwachter -zie je, en al hadden de jongens nu meer ontzag voor den man z'n jas -met de blinkende knoopen en de pet met den gouden bies dan om Bunze -zelf, je moest er voorzichtig mee zijn. - -Maar juist dàt maakte de zaak nog interessanter. - -"We zullen hem een kistje klapsigaren thuis sturen," zei de een. - -"Neen daar hebben wij niets aan. We moeten er zelf ook plezier van -hebben." - -"Stop hem dan een kikker onder zijn pet." - -"Of spijker de blinden van zijn ramen vast." - -"Doe een ons peper in zijn snuifdoos." - -Zoo wist ieder wat. Als de veldwachter al deze folteringen had moeten -doorstaan, dan had het er treurig met den man uitgezien. - -"Neen jongens," zei Hans, "daar hebben we allemaal niets aan. Ik -geloof dat ik een beter plannetje weet. Luister eens, je moet dan -weten, dat Buikje verbazend bijgeloovig is, zooals de meeste menschen -op de Vuursche. Daarom gaan er ook allerlei dwaze verhalen uit het -bosch hier bij de lui rond. Jullie hebt er natuurlijk wel eens een -paar van gehoord." - -"Neen, ik niet, ik niet," klonk het hier en daar. - -"Nou, we zitten hier toch zoo gezellig bij elkaar ... wil ik er eens -een vertellen?" - -"Ja, ja, vertellen!" riepen ze allemaal. - -"Goed dan," zei Hans, "de legende, die ik je vertellen zal heet -"De geschiedenis van de drie Boschgeesten." - -Het was ten tijde, dat Karel de Groote over Holland regeerde. Het bosch -van Drakenstein bestond toen ook al, maar was veel uitgestrekter. Nu -zijn er groote stukken bosch verdwenen, maar in dien tijd was 't -één en al woud. Je moet niet denken, dat er, net als nu, alleen -maar wat vogeltjes en konijnen en een paar herten te vinden waren, -neen, je had er nog wilde zwijnen, wolven, vossen en slangen in -overvloed. Het kasteel Drakenstein bestond nog niet, maar wel was er -op diezelfde plaats een hoeve, die bewoond werd door de gebroeders -Wer en Ner. Dat waren zoogenaamde roofridders, die zelf niets bezaten -en alleen leefden, van hetgeen zij anderen ontstalen------ - -Opeens riep Flip: "Daar komt de veldwachter!" - -Inderdaad! daar kwam Bunze aan. - -De jongens waren teleurgesteld, maar Hans zei: - -"Zitten blijven, jongens. Ik vertel toch." - -"Wat voeren jullie hier uit?" vroeg Bunze op barschen toon. - -"Wij vertellen verhalen, mijnheer Bunze," zei Hans beleefd. - -"Zoo, vertel maar. Ik wil dat moois ook wel eens hooren." - -"Heel goed, mijnheer Bunze. Nou jongens, ik zei dan, dat de broeders -Wer en Ner alleen van roof leefden, en de bewoners waren grootendeels -heidenen, die er hun eigen goden op na hielden. Je weet wel, dat Wotan -of Wodan een van die goden was. Toen nu de roofridders Wer en Ner niet -ophielden met het uitrooven en uitplunderen van den geheelen omtrek, -riepen de hier wonende volksstammen hunne goden aan en smeekten Wodan, -hen te beveiligen tegen de woeste, onmeedoogende roofridders. Wodan -verhoorde het smeeken der volksstammen en zond een reusachtige, -vurige draak naar deze bosschen, die de broeders Wer en Ner zou -verslinden. Maar inplaats dat de draak de roofridders verslond, -begon het geweldige dier van honger heele bosschen achter elkaar te -verslinden, vandaar de vele groote heideplekken in den omtrek. En als -'t ware om den toestand nog erger te maken verscheen een nieuwe roover -en brandstichter in deze streken, genaamd Rador. De broeders Wer en -Ner bemerkten nu het gevaar, waarin zij verkeerden. Zij hadden nu -twee machtige vijanden, Rador en de draak. De draak scheen ten slotte -begrepen te hebben, dat hij hier niet was aangesteld als boomenhakker -en boschontginner, maar om een einde te maken aan de geweldenarijen van -Wer en Ner. Daarom ging de draak op zekeren dag naar de hoeve om de -broeders te dooden. Het geweldige dier, dat boven de boomen uitstak, -naderde met veel geweld en passeerde onderweg de grot, waarin Rador -verblijf hield. Rador kwam naar buiten, om te zien, wat daar toch zulk -een ontzaglijk gedruisch in het bosch veroorzaakte. Maar nauwelijks -kwam hij buiten de grot of de draak sloeg hem met een geweldigen slag -neer en verslond hem met huid en haar. - -"De broeders Wer en Ner hadden al meermalen gehoord van den -ontzettenden draak, die hier in den omtrek verblijf hield. Nu -zij hem echter op de hoeve zagen afkomen, verzamelden zij al hun -krijgsknechten om zich heen en trokken het monster te gemoet. Wer -en Ner gingen aan het hoofd van den troep, maar er was geen vechten -tegen het reusachtige dier. Wer en Ner werden beiden door den draak -doodgeslagen en verslonden. Vreemd genoeg liet het monster de overige -mannen ongedeerd, die in de grootste ontsteltenis en verwarring naar -alle zijden de vlucht namen. - -"Ook de hoeve van de roofridders werd door den draak, die vlammen -braakte, totaal vernietigd en daarna heeft niemand ooit iets meer -gezien, van het dier, dat Wodan op aarde gezonden had. Maar wel -werd het bosch sinds dat oogenblik bewoond door drie geesten, de -boschgeesten. Dat zijn de broeders Wer en Ner en Rador. Elken avond -met de schemering komen zij uit de Grot te voorschijn en zoeken naar -den draak, om zich op hem te wreken. Wie een van die geesten ontmoet, -moet zeer voorzichtig zijn. Hem dreigt gevaar van alle kanten. Ziezoo, -en dit is nu de geschiedenis van de drie boschgeesten." - -Ze vonden 't allemaal mooi en de veldwachter was er heelemaal van -onder den indruk gekomen. - -"Is dat heusch waar?" vroeg hij aan Hans. - -"Beslist waar," zei Hans met een stalen gezicht. Maar de bengel -vertelde er niet bij, dat hij met opzet het laatste deel van de -geschiedenis er maar bij gemaakt had. De andere jongens begrepen dat -wel, want Hans had hen een knipoogje gegeven. - -"Ik heb wel eens hooren vertellen van geesten, die in het bosch -wonen," zei Bunze, "maar van deze heb ik nooit gehoord. Je kunt -anders geheimzinnige geschiedenissen beleven in het bosch. Zoo kan -het bijvoorbeeld 's avonds in de kapel leelijk spoken." - -"Och kom, Bui -- -- Bunze," versprak Flip zich. - -"Er bestaan immers geen spoken!" zei Rob. - -Maar Hans gaf Rob een knipoogje en zei: - -"Wat, bestaan er geen spoken? Je kunt er 's avonds genoeg zien, -nietwaar Bunze?" - -"Nou, nou ... genòeg is wat erg... maar dàt ze bestaan ... is zoo -zeker als dat mijn naam Bunze is!" - -"Willen wij morgen avond de drie boschgeesten eens gaan zien, jongens?" - -"Ja, ja, dat is goed." - -Bunze aarzelde even, hij was wat griezelig van die avonturen, maar -ten laatste zei hij: - -"Wees maar voorzichtig, jongens. Met geesten valt niet te spotten. Ik -zal er bij wezen om jullie te beschermen." - -"Ja, Bunze, doe dat!" zei Hans. "Dan behoeven wij ook niet bang te -zijn. Wij komen morgen avond om acht uur bij de grot." - -"Goed, goed," hernam de dikke veldwachter, "en ik zal er zijn en mijn -karabijn meebrengen. Men kan nooit weten." - -Daarop vertrok Bunze. - -Maar nauwelijks was hij uit de buurt, of de tien jongens rolden met -de beenen omhoog over den grond van het lachen, knepen elkander in -de beenen en trokken aan elkanders haren. - -"Zeg lui, is-die prachtig?" - -"O, die veldwachter Buik, ik lach me een pruik!" zei Flip. - -"Wat toevallig, dat-ie net 't verhaal hooren kon!" - -"Maar wat doen we morgen nou, Hans?" - -"Dat zal ik je vertellen! Luistert allemaal." - -En daarop zette hij zijn kameraden een plannetje uiteen, dat dienen -moest om veldwachter Bunze een poets te bakken. - -Allen keurden het goed en niemand zou er iets van aan de anderen -zeggen. En het mooiste was, dat ze allemaal wat te doen zouden hebben -bij de uitvoering van het plannetje. Hans had dat zoo gewild, het -zou voor allen veel leuker zijn. En wat een pret, om dien veldwachter -Buikje, die altijd zoo voornaam en gewichtig en gewèldig deed alsof hij -de Keizer van de Lage Vuursche was, een toontje lager te hooren zingen! - - - -Den volgenden avond om zeven uur al trok ons tiental, de drie jolige -broers aan het hoofd, er op uit. Hans, Flip en Rob droegen ieder een -pakje onder den arm, de andere jongens hadden de meest vreemdsoortige -en uiteenloopende voorwerpen en muziekinstrumentjes bij zich. Een -torpedo-fluitje en een klappertjes-pistool, een eind ijzeren ketting -en een kinderrateltje, een paar blikken deksels en zelfs had een der -jongens zijn viool meegenomen. - -Om half acht waren de jongens bij de grot. - -Hans gaf ieder der jongens een plaats tusschen struiken en -boomen. Daarop reikte hij het pakje, dat hij onder den arm had, -aan Albert de Hooge over en fluisterde hem nog een paar woorden -toe. Toen ieder zijn plaats had en Albert in de Grot was gegaan, -wandelde Hans wat op en neer en drukte allen nogmaals op het hart, -zeer stil te zijn. Om acht uur werd het al aardig duister in het bosch, -hoewel het op de heide nog vrij licht was. - -Hans wachtte, wachtte, en eindelijk zag hij Bunze aankomen. - -"Goeienavond, Bunze," riep Hans hem reeds op een afstand toe, zoo -dat nu tevens alle samenzweerders wisten, dat de veldwachter er was. - -"Ben je maar alléén?" vroeg Bunze. - -"Ja, er was geen denken aan, dat de anderen méé mochten. Mijn vader -wilde het niet hebben. Maar ik mocht wel eens gaan kijken naar de -drie boschgeesten. Vader heeft mij echter gezegd, dat ik heel erg -voorzichtig moest zijn. Als men maar niet omkijkt en steeds rechtdoor -loopt, kunnen zij geen kwaad doen. Maar wanneer men omkijkt is men -voor goed verloren. Dat zei Vader." - -Hans draaide zijn hoofd naar een anderen kant, terwijl hij dit zeide, -want hij stikte haast van het lachen. - -"Zoo, heeft uw vader dat gezegd," zei Bunze. "Dan zullen wij ook op -onze hoede zijn en niet omkijken." - -"Wàt er ook gebeure!" zei Hans. - -"Ja, wat er ook gebeure!" - -Zij stonden nu voor de grot. - -"Wil ik er eens ingaan?" vroeg Hans. - -"O, doe dat niet, Hans, doe dat niet!" - -"Och, waarom niet. Kijk eens, Bunze, je moet namelijk weten, ik geloof -heelemaal niet aan spoken." - -"Ach Hans, hoe kan je zoo spreken," zei veldwachter Bunze, die door de -raadgevingen van Hans' vader heelemaal van de wijs was gebracht. "Denk -toch eens, wat je vader gezegd heeft." - -"Nu ja, ik zal ook wel voorzichtig zijn," antwoordde Hans en -tegelijkertijd schoot hij de grot in. In een hoek daarvan zat Albert -met een wit laken bij zich. - -"Sssst," fluisterde Hans, "hier is de electrische zaklantaarn, je -weet er alles van." - -En Hans kwam er haastig weer uit. - -"Ik heb hooren zuchten!" zei hij tot den veldwachter. - -Deze keek in de pikdonkere grot, waar opeens een schitterend licht -een witte gedaante bescheen. - -"De geest van Rador!" riep de veldwachter en ging al aan de haal. Bleek -als een stukje kinderzeep vloog hij naar het dorp om daar aan zijn -zuster en allen, die het hooren wilden, te vertellen, dat het bosch -van Drakenstein vanavond weer wemelde van geesten en spoken, brrr... - -De jongens hadden het pistool, de viool en de verdere -spookbenoodigdheden wel thuis kunnen laten. Hoeveel pret zij ook -gehad hadden, zij vergaten, dat wie het laatste lacht, toch altijd -nog het beste lacht, zooals we dat later zullen zien. - - - - - - - - - -VIJFTIENDE HOOFDSTUK. - -BRAM ALS LEERLING OP SPARRENHEIDE. - - -Augustus brak aan met zijn vacantiedagen. Alle leerlingen gingen naar -hunnen ouders en de familie Bergwoude bracht dien tijd te Scheveningen -aan strand en zee door. Op twee September begonnen de lessen weer en -den dag tevoren keerden bijna alle leerlingen weer terug en kwamen -ook enkele nieuwelingen. - -Die niet meer terugkeerden, dat waren de oudsten, die alle klassen -doorloopen hadden en degenen, die op Sparrenheide hersteld waren van -hun vroegeren ziekelijken toestand en nu weer het gewone onderwijs -in de stad konden volgen. - -Dien eersten September was het dan ook een voortdurend af en aanrijden -van rijtuigen met koffers. Sommigen kwamen uit de richting Hilversum, -anderen weer uit de richting Baarn of Utrecht. - -En allen werden door Mijnheer en Mevrouw Bergwoude van harte -verwelkomd. O, instituut Sparrenheide had heelemaal niets van een -gesticht of een kazerne, zooals zoovele kostscholen. Het was er -maar een groote familiekring en daarom waren er ook nooit meer dan -een dertig à vijf en dertig leerlingen. Mijnheer Bergwoude en zijn -vrouw beschouwden zich als vader en moeder van de aan hun zorgen -toevertrouwde jongens en meisjes en daarom werden de meeste maaltijden -ook aan één tafel gebruikt. Door dien maatregel voelden de kinderen -zich op Sparrenheide werkelijk thuis. - -Toen Bram dien dag naar het instituut vertrok, was hij toch wel -eerst een beetje weemoedig gestemd. Hij was tot nog toe altijd bij -zijn ouders in huis geweest, had er zijn eigen kamer gehad en was -er door zijn lieve moeder verwend met al de talrijke lieve dingen, -die een goede moeder voor haar eenigen jongen doet. - -Maar de ontvangst op Sparrenheide door het echtpaar Bergwoude en -de drie jolige broers was zóó hartelijk, dat Bram het eigenlijk -heelemaal niet meer verdrietig vond. Om hem te plezieren was er op -de kamer van Hans, Flip en Rob een vierde ledikant gezet voor hem, -zoodat hij als het ware heelemaal in het gezin werd opgenomen. - -Hij had een grooten koffer met allerlei snuisterijen van zijn kamer -meegebracht, die de bewondering der broers wekten. Zij hielpen hem -bij het uitpakken en daarbij bleek, dat Bram voor ieder een cadeautje -had meegebracht. - -Hans kreeg een prachtig inktstel, Flip een juweel van een verfdoos -en Rob een keurig plantenalbum. - -Zóó deed Bram zijn intocht op de jongenskamer, waar hij zóó door -allerlei dingen in beslag genomen werd, dat hij geen tijd had om -treurig te zijn over de verandering in zijn leven. - -Den volgenden morgen, waarop de lessen weer een aanvang zouden nemen, -was Flip het eerste wakker. - -Hoewel het verplichte uur van opstaan pas om zeven uur was, waren -Hans en Flip meestal een uur te voren al op de been. - -Rob niet. Rob stond geen minuut eerder op dan zeven uur, al gooiden -ze twintig kopjes water op zijn hoofd. - -Maar met Bram was dat een ander geval. - -Flip trok den slapenden makker even aan den neus. - -"Hola, mijn roode broeder Arendsoog!" riep hij. "Het Groote licht staat -al hoog aan den hemel! De Mohikanen wachten u, dapper opperhoofd. Zij -hebben de strijdbijl opgegraven!" - -Bram knorde eens en deed loom de oogen open. - -"Wa ... wat kletsen jullie ... 'k heb zoo'n slaap." - -"De bleekgezichten bestormen de wigwams, zij hebben een verbond -gesloten met de Comanchen," zei Hans. - -"M'n zorg," bromde Bram en draaide zich om. - -"Nee, om den drommel niet, Arendsoog!" zei Flip, "ben je heelemaal -besuikerpeerd, zóó zijn we niet getrouwd! Och Hans en Rob helpen -jullie eens even. We zullen het slaperige opperhoofd even met de -dekens en al op het balcon leggen. - -De drie broers sjouwden Bram met dek en al naar buiten. Maar Bram trok -zich daar bitter weinig van aan en sliep rustig door. Maar toen Hans -en Flip een soort Indiaansche oorlogsdans om hem heen uitvoerden en -hij bij die bewegingen nog al eens in aanraking met hun voeten kwam, -werd het hem toch al te bar. Hij sprong ineens overeind en trok ze -allebei op den grond, rolde langs het heele balcon met hen over den -vloer en maakte een spektakel, dat alle deuren opengingen en de pas -ontwaakte jongens met verbazing keken naar die gekke vertooning! - -Bram was onder die bedrijven geheel wakker geworden. Toen hij zich -gewasschen en gekleed had, ging hij met Hans en Flip eens den tuin -in. Daar liep ook een andere nieuweling, die Gerard Beker heette. - -Flip, de eeuwige clown, had dadelijk weer een nieuwe grap in 't hoofd. - -"Zeg," sprak hij tot Bram, "dat is ook een nieuwe jongen. Hij is -stokdoof. Als je tegen hem praat, mag je wel hard schreeuwen." - -"Zoo," zei Bram, "ik zal er aan denken." - -Tien minuten later--Bram liep met Hans in 't aangrenzende bosch--zag -Flip Gerard Beker op een andere plaats in den tuin. - -"Die nieuwe jongen van daarnet heet Bram Verhallen," zei hij, "als -je tegen hem praat, mag je wel hard schreeuwen, want hij is stokdoof." - -En Flip verdween, maakte een omweg en zorgde, dat Bram weer in de -buurt van Gerard kwam. Daarop ging hij met Hans weg, doch zorgde wel, -in de buurt te blijven. - -Bram keek Gerard eens aan en glimlachte. - -Gerard glimlachte uit beleefdheid terug. - -"Goeienmorgen!!!" schreeuwde Bram, "heb je goed geslapen!!!" - -"Jáááá!!" gilde Gerard terug. "Jij óóóóók??!!" - -Achter een denneboschje knepen Hans en Flip zich de neuzen dicht van -het lachen. - -"Ik heet Verhallen!!" brulde Bram weer, die verbaasd was, dat de -ander zoo schreeuwde. - -"En ik heet Bééééker!!!" loeide Gerard, die 't evenmin snapte, waarom -Bram ook zoo hard riep. - -"Je hoeft niet zoo hard te schreeuwen!!" gilde Bram. - -"Jij ook niet! Ik ben niet dóóf!!!" - -Toen was er aan beide kanten enorme verbazing. - -"Die is goed!" zei Bram op gewonen toon. "Ik dacht, dat je stokdoof -was!" - -"Ben jij het dan niet?" vroeg Gerard. - -"Net zoo min als jij," zei Bram. "Dat heeft Flip ons gelapt! Ik zal -het hem betaald zetten!" - -Daar kwam Bosman, de oude, doove huisknecht. - -"Hebben de jongeheeren al ontbeten?" vroeg hij. - -"Neen," antwoordde Gerard, "waar moeten wij zijn?" - -"Wijn? Neen, u krijgt geen wijn," zei Bosman, die natuurlijk weer -verkeerd had verstaan. - -"Dat zeg ik niet," lachte Gerard, "ik vraag, wáár moeten wij zijn?" - -"Foei, ben ik een zwijn? Mag u dat zeggen?" - -"Die schijnt ook al doof te zijn," sprak Gerard tot Bram. - -Bram lachte. - -"Ja, maar Bosman is het heusch! Kom maar mee, ik weet hier den -weg wel." - -In de eetzaal zag het er gezellig uit. Er waren twee tafels. Eén -voor de meisjes, één voor de jongens. Daar tusschen in de heer en -mevrouw Bergwoude. - -Mijnheer Bergwoude verwelkomde de leerlingen op dezen eersten morgen -van den nieuwen cursus. In het bijzonder de nieuwelingen. Hij hoopte, -dat zij spoedig zich op Sparrenheide zouden thuisvoelen. En het beste -middel daartoe was, om in de eerste plaats zooveel mogelijk te eten -en altijd een prettig gezicht te zetten. De rest kwam vanzelf wel. - -Na het ontbijt nog even rondwandelen en om negen uur begon de school. - -Bram kwam in dezelfde klasse van Hans. Zij kwamen naast elkander -te zitten. - -En dadelijk al bemerkte Bram, dat het leeren hier veel lichter -en gemakkelijker ging dan op zijn vorige school. Het ging wel -heel langzaam, maar hij begreep alles veel beter en dat vond -hij prettig. De les duurde tot 11 uur en toen gingen ze een uur -in het bosch spelen. Van 12-1 was er weer les en daarna werd het -middagmaal gebruikt. Wie er lust in had, mocht ook om 11 uur in het -pauze-uurtje iets gebruiken. Toen het eten was afgeloopen, werd er -tot 3 uur liggend gerust. Bram kreeg een hangmat en bond die aan twee -boomen. Dat rustuurtje vond hij heerlijk en hij sliep, eer hij het -wist. Dat kwam van de boschlucht. - -En na dat slaapje, dat tot 3 uur duurde, kwam er iets aardigs. Bram -werd ingedeeld bij een clubje jongens, die handenarbeid gingen doen, -en wel het leeren timmeren van houten voorwerpen. - -Meester Hooghuizen was in het slöjdwerk zeer bedreven. In de zaal, -waar de jongens timmeren konden, waren tal van aardige dingen -tentoongesteld, die de leerlingen vroeger al hadden gemaakt. - -Dat was iets nieuws voor Bram. Hij vond het zeer prettig en deed zijn -best, alles goed te onthouden. En wat de leerlingen vervaardigden, -mochten zij zelf behouden of het aan hunne ouders sturen. - -Dat timmerwerk duurde ook al weer een uur en daarna ging het groepje -in den tuin werken. - -Wéér iets nieuws voor Bram, thuis had hij altijd met veel genoegen in -den tuin gewandeld of gezeten, maar die werd steeds in orde gehouden -door een vasten tuinman, en Bram had nog nooit een boompje geplant -of een zaadje uitgestrooid. - -Nu hij dat zelf allemaal doen mocht, vond hij het plantenrijk nog -veel aardiger en leerde hij de boomen en de bloemen liefhebben en ze -verzorgen als hulpbehoevende kindertjes. - -Na den tuinarbeid mocht hij wat gaan lezen in een boek, dat mijnheer -Bergwoude hem gaf. En als huiswerk had hij op zijn kamer twee sommen -te maken. Dat was alles. - -Om zeven uur werd het avondeten gebruikt. Vroeger at men het -middagmaal om zes uur, maar met den nieuwen cursus had de directeur -daarin verandering gebracht. Men at om 1 uur en om 7 uur werd de -avondboterham gebruikt. Evenals in de morgenrust konden de leerlingen -ook tusschen 3-5 uur iets gebruiken, als zij daar trek in hadden, -wat bij de meesten dan ook steeds het geval was. - -Om acht uur kwamen ze buiten het huis in den tuin bijeen voor het -gewone verteluurtje. Meester Hooghuizen begon dien avond met een -prachtige vertelling. - -En toen Bram na dien eersten kostschooldag in bed stapte, moest hij -erkennen, dat alles even prettig was geweest. De schoolles zoowel -als de handenarbeid en het tuinwerk, de gezellige maaltijden, en het -heerlijke verteluurtje! En met het heerlijke, rustige gevoel, dat -hij nu eens niet zoo zenuwachtig-hard behoefde te blokken, maar toch -kalm voortleeren kon, sliep hij in met een glimlach van tevredenheid -om den mond. - - - - - - - - - -ZESTIENDE HOOFDSTUK. - -WAT HANS VAN PLAN WAS. - - -Bram ontwaakte den tweeden morgen veel vroeger nog dan Hans en -Flip. Nadat hij zich gewasschen en gekleed had, ging hij een brief -aan zijn ouders schrijven. - -Deze luidde aldus: - - - Instituut Sparrenheide - - 3 September 19.. - - Lieve Vader en Moeder, - - Ofschoon ik pas twee dagen hier ben, kan ik toch niet nalaten - U beiden eens even te vertellen, hoe prettig ik het hier - vind. Iedereen is even aardig en vriendelijk voor mij en de - eerste werkdag is voor mij een plezierdag geweest. Wel is er nog - veel nieuw voor me en ongewoon, maar het zal wel gauw wennen. Ik - ben op dezelfde kamer met Hans, Flip en Rob en terwijl ik dit - schrijf liggen zij alle drie nog te snurken. Ik mis U beiden - wel en telkens verlang ik toch zoo naar U, maar ik kom elken - Zondag naar U toe en zoo zie ik U toch elke week. Je leert hier - zoo van alles en dat is heel prettig. Gisteren heb ik les gehad - in timmeren en ook hebben we tuinarbeid gehad. Op het oogenblik - weet ik niet meer. Nu dag beste vader, dag lieve moeder, ik hoop - U Zondag veel te kunnen vertellen. - - Weest hartelijk gegroet van Uw éénen jongen - - Bram. - - -Toen de brief klaar was, deed Bram hem in een enveloppe en schreef -het adres er op. Daarna ging hij den tuin eens in. Hij hoorde, dat -iemand aan het harken was. Dat zou wel een tuinman zijn en hij besloot, -eens een praatje met hem te maken. - -Het was echter geen man, maar een jongen. - -Bram wist eerst niet, wie zijn oogen daar zagen! - -En toch--het wàs zoo! - -Barend van de Lage Vuursche! - -Nu keek ook deze op. - -De twee jongens zagen elkander een oogenblik aan. Bram had er niet -eens meer aan gedacht, dat hij Barend hier zou ontmoeten. - -"Dag Barend," zei Bram, toen hij wat over zijn eerste verbazing -heen was. - -"Dag ... Bram." - -Ze waren verlegen met elkander. - -"Ben je ... ben je aan 't harken?" vroeg Bram nogal onnoozel. - -"Ja." - -"Bevalt het je hier goed?" - -"O ja ... ik ... ik woon bij moeder Vorstman." - -"Dat heb ik gehoord. Willen we vrienden wezen, Barend?" - -De tuinmansjongen keek Bram eerst ongeloovig aan, toen stak hij beide -handen uit en zei: "Graag!" - -Daarop vertelde Barend, dat mijnheer Bergwoude hem nu les gaf en dat -hij landbouwkundige wou worden. Bram vond hem een flinken vent en -zei, dat-ie maar goed op moest passen. Toen kwamen daar juist Hans -en Flip aan. - -"Je moet bepaald eens op de Vuursche komen," zei Barend tot Hans. "De -veldwachter heeft het al wekenlang over je." - -"Over mij?" vroeg Hans verbaasd. - -Hij wist niet, dat hij iets met Bunze aan den stok had. - -"Ja," vervolgde Barend. "En dan vertelt-ie van boschgeesten bij -Drakenstein en zegt, dat je ze ook gezien en gehoord hebt." - -Nu begon Hans hartelijk te lachen. - -"Die domme Bunze!" riep hij vroolijk uit. "O, o, wat laat die man -zich toch beetnemen!" - -"Is dat niet veldwachter Buikje?" vroeg Bram. "Ik heb hem tenminste -zoo wel eens hooren noemen." - -"Ja," zei Hans, "het is een type." En hij vertelde Bram de avonturen -van Bunze en de boschgeesten. - -"Bunze is buitengewoon bijgeloovig," besloot hij "en vooral oude -legenden en vertellingen kun je hem wijsmaken, zoo gek als je ze zelf -maar verzinnen kunt. Hij is een geweldige dienstdoener. Maar zeg eens, -Barend, wat vertelt Buikje toch van me?" - -"O," zei Barend, "het is om je ziek te lachen. In het bosch zijn drie -geesten, zegt hij, de geesten van drie roofridders, die in de Grot -wonen. Hij heeft ze zelf gezien toen hij met je in het bosch was. En -hij vertelt dat aan iedereen en als je in 't dorp komt, zal hij je -tot getuige nemen." - -"En gelooven de menschen dat?" - -"Niet allemaal. Maar de meesten wel. Ik lach er om. Bunze moet trouwens -heelemaal niets van mij hebben. Hij is mijn vriend niet en ik wou, -dat de burgemeester een ander nam. Hij behandelt mij nog precies -eender als vroeger en spreekt tot iedereen kwaad van me." - -"Ik zou ook wel eens zoo'n grap willen bijwonen," zei Bram. "Maar -zijn jullie niet bang, het is toch een veldwachter?" - -"Och kom," zei Hans, "het is volstrekt geen kwade kerel, al kijkt -hij wat leelijk. Maar ik kan 't nou eenmaal niet laten, om hem af -en toe eens te plagen. En dat kwaadspreken van Barend zullen wij hem -wel eens afleeren." - -"Hoe wou je dat doen?" - -"Dat is mijn geheim. Vanavond zal het gebeuren. Heb je zin om mee te -gaan, Bram?" - -"Asjeblieft, wàt graag!" - -"Goed, afgesproken. Ik zal aan Vader vragen, of we een half uurtje -later mogen thuiskomen. Stil, daar heb je de andere jongens. Niets -zeggen, hoor!" - -Dien middag sprong Hans op de fiets en reed naar het dorp. Hij -wilde Bunze wel eens spreken. Maar de veldwachter was daar niet, -deed waarschijnlijk een rondwandeling door zijn bosschen. - -Daarom nam Hans de fiets bij de hand en kuierde er het bosch mee -in. Het duurde niet lang of hij bemerkte Bunze op eenigen afstand. Hij -sprak hardop tot zichzelf en scheen nogal opgewonden. - -Daar vloog Hans een klein vliegje in den neus en "Hatsjie!!!" niesde -hij opeens. - -Veldwachter Bunze vloog overeind. - -"Alle duivels, wie waagt het ... O Hans, ben jij het! Wat laat je -mij schrikken!" - -"Goeienmiddag, mijnheer Bunze," zei Hans lachend, "ik ..." - -"Hoor eens Hans," zei de veldwachter. "Laat dat, "mijnheer" nu maar -weg. Dat behoef jij niet tegen mij te zeggen." - -"O, erg prettig, dank-je wel," zei Hans. "Maar ik moest je even -spreken, Bunze. Laten wij hier even gaan zitten." - -De veldwachter stelde onbepaald vertrouwen in Hans, die zooveel wist -van oude geschiedenissen van het slot. - -"De geest van Rador is bij mij geweest," zei Hans ernstig. - -Bunze zette groote oogen op. - -"Gisteravond acht uur zat ik in een stil hoekje van den tuin," -fantaseerde Hans, en onder het vertellen kreeg hij een prachtig -idee voor zijn plan, "toen ik opeens een witte gedaante op mij af -zag komen. Ik schrikte eerst wel een beetje, maar toen hoorde ik een -stem: "Wees niet bang, jongmensch, ik ben Rador, de roofridder." Je -begrijpt, Bunze, hoe interessant ik dat vond en ik zeide: "Goed, ik -zal niet bang zijn." "Luister dan," zei de geest. "Ga morgenmiddag naar -veldwachter Bunze van de Lage Vuursche en zeg, dat hij mijn vriend is."" - -"Zei de geest dat?" vroeg Bunze aangenaam gestreeld. - -"Ja, dat zei hij. "Veldwachter Bunze is mijn vriend," sprak hij -verder. "Ik zal hem gelukkig maken, maar hij moet precies doen, wat ik -hem gebieden zal. Ik weet, dat hij graag burgemeester wil worden. Goed, -zeg hem, dat hij dit worden zal, als hij mij gehoorzaamt." Luister, -Bunze. Toen zei de geest van Rador: "zeg aan veldwachter Bui--Bunze, -dat hij vanavond om acht uur moet zijn vóór het huis van de weduwe -Vorstman. Daar mag hij mij roepen."" - -"En--en hoe zal ik hem roepen?" vroeg Bunze, die het begon te gelooven. - -"Ja, dat is juist het moeilijke," zei Hans, "dat is zoo heel -gemakkelijk niet. Kunt gij hard schreeuwen, Bunze?" - -"Dat zal wel gaan, denk ik." - -"Mooi, dan moet ge zoo hard mogelijk roepen: "Geest van ridder Rador, -hier ben ik!" - -Hans bleef nog eenigen tijd met Bunze praten en maakte hem allerlei -onzinnige boschverhalen wijs, die de veldwachter volstrekt niet in -twijfel trok, integendeel, hij vond ze zeer mooi en vertelde aan Hans, -dat hij "spiritus" was. - -"Spiritist zal je bedoelen," zei Hans lachend. - -"Ja juist." - -Kort daarna stapte Hans verder. Hij drukte den veldwachter op het hart, -toch vooral op tijd te zijn en zich stipt aan de order van den geest -van ridder Rador te houden. - -Buiten het bosch stapte Hans op de fiets en reed naar vrouw Vorstman, -die op een bank vóór haar huisje te breien zat. Na de eerste begroeting -vertelde Hans haar, welke grap hij met den veldwachter wilde hebben. - -"Kijk eens hier, vrouw Vorstman," sprak hij, "Barend past tegenwoordig -uitstekend op, nietwaar, hij doet goed zijn best. Maar Bunze beschouwt -hem nog altijd als den wilden ondeugenden boschjongen, die tot niets -goeds in staat is en alleen maar allerlei kattekwaad uithaalt." - -"Daar weet ik van mee te praten," zei vrouw Vorstman. "Bunze komt -zoo af en toe wel eens hier, maar hij heeft nooit een goed woord voor -Barend. Altijd schelden en razen op hem. En hem verwijten, dat zijn -vader in de gevangenis zit. Daar doet Bunze heel leelijk aan." - -"Juist," zei Hans, "en dat willen wij hem nu eens afleeren." - -"Nu moet ge met Barend alvast maar eens aan de menschen gaan zeggen, -wat er vanavond gebeurt. Maar zeg er bij, dat ze vooral stil moeten -zijn en zich moeten houden, alsof ze ook gelooven dat het allemaal -waar is. Ik speel voor den geest van Rador en kruip op uw vliering -voor het raampje, vrouw Vorstman. Ge zult er wat van beleven!" - -"Och och," lachte vrouw Vorstman, "hoe is het toch mogelijk, dat zoo'n -groote kerel zich zóó laat beetnemen. En gelooft hij dat nu allemaal?" - -"Of hij het gelooft?" riep Hans uit. "Zeg hem maar niet, dat het maar -onzin is, want hij vindt het zelf veel te mooi om het niet als wáár -en echt aan te nemen. Maar denk er om, vrouw Vorstman, dat ge zelf -óók doet, of het zoo is. Ge moet voor vanavond ook maar eens aan de -boschgeesten gelooven." - -"Ik zal mijn best doen," zei het vrouwtje. "Ik ben toch benieuwd, -hoe dit afloopt, jongeheer Hans. Pas maar op, dat Bunze jullie toch -niet te slim af is." - -"O, dat zullen we wel zien." - -Daarop nam Hans afscheid van vrouw Vorstman en peddelde naar -Sparrenheide terug, om er Bram verder met zijn plannen op de hoogte -te stellen. - - - - - - - - - -ZEVENTIENDE HOOFDSTUK. - -HANS GRAAFT EEN KUIL VOOR BUNZE, DOCH VALT ER ZELF IN. - - -Dien avond gingen vijf jongens van Sparrenheide naar het dorp. Het -waren Hans, Flip, Rob, Bram en Barend. - -Hans installeerde zich op de vliering bij het dakraampje, dat aan -den voorkant van het huis was. Hij scharrelde daar wat ouden rommel -op, onder andere een stuk kachelpijp, wat losse turven en wat oude -aardappelen en legde dat alles bij elkaar onder het raampje. Hij -plaatste zich nu zóó, dat hij goed kon zien, wat er buiten voorviel, -maar dat van buiten af niemand hem zien kon. Daarna gaf hij Bram, -die met Flip en Rob in de buurt bleef en ook het zijne er toe moest -bijdragen om de grap zoo goed mogelijk te doen slagen, nog eenige -aanwijzingen. De buren, die wel zoo iets gehoord hadden van wat er -gebeuren zou, zaten voor de deuren hunner woningen en lachten al -bij voorbaat. - -Het werd acht uur, vijf, ... tien minuten over achten, maar wie ten -tooneele verscheen, de veldwachter niet. - -Zou hij niet komen? - -Kwart over acht ... de menschen werden ongeduldig en de jongens -dachten reeds, dat Bunze inmiddels wijzer geworden was ... daar kwam -de veldwachter eindelijk aan! - -Ieder hield zich van den domme en deed, of er niets bijzonders op -til was. - - - -Toen veldwachter Bunze op het punt stond, zijn woning te verlaten, -passeerde daar juist meester Hooghuizen. - -Meester Hooghuizen was dien avond na het eten het bosch in -gewandeld. Hij hield veel van de bosschen en bracht er zijn -meeste vrije uren door om er te wandelen of te lezen. Soms ging -hij in gezelschap van een paar jongens. Dan luisterde hij naar hun -gesprekken en deed vaak met hen de dolste spelletjes. De jongens -hielden dan ook veel van hem, hij was meer hun groote vertrouwde -vriend dan hun meester. Dat wil nu ook weer volstrekt niet zeggen, -dat zij daarom maar alles met hem konden doen, wat zij wilden. Wel -hield meester Hooghuizen van een grapje, maar het mocht niet te -ver gaan. De jongens kwamen bij hem met al hun groote en kleine -geheimpjes en verdrietjes, en hij wist hen altijd troost te brengen -of hun zaken in orde te maken. En dezen avond zou hem die vriendschap -voor de jongens uitstekend van pas komen. De heer Hooghuizen liep even -het huisje van den veldwachter binnen en keek niet weinig verbaasd, -toen hij Bunze in groot tenue gereed zag om uit te gaan. - -"Wat nu, Bunze, feest vanavond?" - -"Neen meester, ik ga naar ... ik zal maar zeggen naar ridder Rador." - -De zuster van Bunze, een bejaarde, maar zeer verstandige vrouw, -begon te lachen. - -Meester Hooghuizen was een en al verbazing. - -"Ridder Rador?" vroeg hij. "Waar woont-die?" - -Bunze's zuster tikte op haar voorhoofd. - -"Rador behoort bij de boschgeesten," zei Bunze, "weet u dat dan niet?" - -"Hoor eens Bunze," zei de onderwijzer, "ik ben een eekhoorn als -ik er wat van begrijp. Wie is ridder Rador? En wat praat je toch -van geesten?" - -"U hebt toch wel eens gehoord van de drie geesten uit het bosch van -Drakenstein?" - -"Neen, nooit. Zijn die daar misschien pas losgelaten?" - -"Losgelaten? Het zijn geen wilde beesten!" zei Bunze. - -Meester Hooghuizen lachte, zoowel om den veldwachter als om diens -zuster, want die wees weer met den vinger op haar voorhoofd en zei: - -"Waarachtig waar, meneer Hooghuizen, als je niet beter wist, zou je -zeggen, dat mijn broer niet wijs was. Zeg ù nou eens, meneer, is dat -nou geen onzin met die geesten in 't bosch? Eerst hebben we dat grappie -'n week of wat geleden gehad. Toen had-ie de boschgeesten gezien!" - -"Ach jij," mopperde Bunze, die het niet velen kon, dat zijn zuster -hem nog als een stoute jongen beknorde. - -Meester Hooghuizen verkneuterde zich in 't geval en had pret voor zes. - -"Nou afijn," vervolgde juffrouw Bunze, "stel u nou voor, meneer, -dat-ie vanavond z'n Zondagsche uniform aangedaan heeft en z'n witte -handschoenen! Ik zeg, waar moet dat heen? Naar de boschgeesten, -zeit-ie, want die zullen vanavond verschijnen." - -"Maar wat moet er dan toch gebeuren?" - -"Laat mij nu verder vertellen, Mie," zei Bunze, "want daar weet jij -niks van. Nou dan, meneer, Hans had me gezegd, dat de geest van Ridder -Rador me moest spreken." - -Meester Hooghuizen nam gauw zijn zakdoek en begon zijn neus te snuiten, -maar in werkelijkheid wist hij geen raad van het lachen. Hij begreep -direct, dat Hans hier weer aardig aan den gang was geweest. - -En daarop verhaalde Bunze, wat er voor het huisje van vrouw Vorstman -moest gebeuren. - -"Nou, daar heit u nou 't heele paskwil," lachte zus Mie, "is dat nou -niet treurig, meneer, dat die man dat nou allemaal gelooft? Die Hans -heit je te pakken gehad, broer. En leelijk ook." - -De meester vond het een onbetaalbare grap, doch vond tevens, dat het -nu genoeg was en hij er maar eens een einde aan moest maken. - -"Hoor eens, Bunze," sprak hij, "die Hans is een geduchte grappenmaker." - -"Maar ..." - -"Heb je vroeger wel eens boschgeesten gezien?" - -"Neen .... gezien niet, maar daarom bestonden zij toch wel!" - -"Heelemaal niet. En hoe heb je ze 't eerste gezien? Wie heeft je -verteld, dat ze te zien waren?" - -"Wel, Hans. Die zat aan een groepje jongens een verhaal te vertellen -van de broeders Wer en Ner en den roofridder Rador die door een draak -verslonden werd." - -"Onzin. De broeders Wer en Ner zullen wel bestaan hebben, vandaar dat -je hier nog de Wernershoeve hebt. Maar dat van dien draak en ridder -Rador zal wel jongensverzinsel zijn. Trouwens, ik heb indertijd van -die grap gehoord, maar ik dacht niet, Bunze, dat je zóó vreeselijk -bijgeloovig zoudt zijn, om al die dwaasheid te gelooven!" - -De veldwachter zag zijn geloof in de boschgeesten als een ruïne -in puin vallen en zijn verbazing daarover maakte al spoedig plaats -voor woede. Wat, die kwajongens durfden hem zóó belachelijk maken, -zóó bespotten? Neen maar, hij zou ze dat eens afleeren! - -"Luister nu eens, Bunze," vervolgde de onderwijzer "nu gaan we samen -naar 't huisje van vrouw Vorstman. Jij doet alsof je nog alles gelooft -en ik volg op een afstand." - -En toen fluisterde meester Hooghuizen den veldwachter nog iets in -het oor, waarop de laatste grinnikte en in de handen wreef. - - - -De nieuwsgierige dorpsbewoners zeiden niets, toen de veldwachter -naderde. Deze deed, alsof hij de buren en de jongens niet zag, wendde -zijn gezicht naar het zoldervenster en riep: - -"Geest van Ridder Rador! Hier ben ik! Spreek tot mij!" - -Geen antwoord. - -De buren vermaakten zich al kostelijk. - -"Roep nog eens," zei Bram, die naast den veldwachter was gaan staan. - -"Geest van ridder Rador! Spreek tot mij!" herhaalde Bunze. - -Toen klonk daar opeens een holle stem vanuit de hoogte: - -"Zijt gij daar, veldwachter Bunze?" - -"Ja, hier ben ik!" - -"Waarom zwaait gij niet met de pet? Zwaai!" - -Bunze gehoorzaamde, maar al zwaaiende gaf hij Bram zulk een geweldigen -oorvijg, dat de jongen verschrikt achteruit vloog. - -Nu gierden de buren het uit, en Bunze zelf had wel de meeste pret. - -De veldwachter zei nu op zachten toon tot de omstanders, dat hij den -geest eens te voorschijn zou halen en daarop holde hij tot groote -verbazing der omstanders het huisje in en de trap op. - -Hans, die bij 't zolderraam, gewapend met een oude kachelpijp, een -raagbol en een wit laken voor geest speelde, begreep niet, wie daar -zoo haastig naar boven kwam. - -Een oogenblik later voelde hij zich bij den kraag gevat en met -krachtigen hand meegevoerd. - -"Hou op, laat los!" riep hij. "Wie ben je?" - -"Ik ben de geest van ridder Rador!" bromde Bunze met veranderde -stem. "Ik zal je leeren mij te bespotten!" Onwillekeurig huiverde -Hans, ofschoon hij zelf niet aan spoken geloofde. - -Van schrik kon hij niet meer spreken. Maar beneden ontdekte hij, -wie op zijn beurt voor geestenridder speelde. - -Toen Bunze met Hans naar buiten kwam, en hem daar "van dik hout zaagt -men planken" gaf, ging er een luid spotgelach op. Maar dat was niet -om den veldwachter, maar om 't verschrikte, bleeke gezicht van Hans. - -En wie het luidst lachte, dat was meester Hooghuizen. - - - -De grap was mislukt en dat was maar goed ook, want Hans had vergeten, -dat Bunze toch in elk geval de veldwachter was en ook.... dat men -zorgen moet, bij 't graven van een kuil voor een ander, er zelf niet -in te vallen! - - - - - - - - - -ACHTTIENDE HOOFDSTUK. - -VAN SCHOONE BLOUSES, EEN TAKKEBOS EN EEN VERDWAALD MEISJE. - - -Het onderwijs op Instituut Sparrenheide ging intusschen weer z'n -dagelijkschen gang en vooral de nieuwe leerlingen ondervonden er -den weldadigen invloed van. Zoolang Bram bijvoorbeeld hier was, -had hij nog geen hoofdpijn gehad. Het werk, dat hij te doen kreeg, -was heelemaal berekend naar zijn krachten en daarom behoefde hij er -zijn hoofd niet mee te breken. Vooral ook in den handen- en huisarbeid -had hij veel lust en zoo leidde hij hier een geheel nieuw leven. Hans, -Flip en Rob waren zijn beste vrienden en hij leefde geheel en al met -hen mee. Bram had al wat gelachen om de grappen van Hans en Flip, -en om het eigenaardige karakter van Rob. - -Die Rob, wat was hij slordig! Zijn moeder zorgde, dat hij iederen dag -een schoone blouse kon aantrekken en dat was wel noodig ook, want -omdat Rob altijd naar kevers, vlinders en planten zocht en daarbij -in het geheel zijn kleeren niet ontzag, was hij dan ook elken avond -ontoonbaar. - -Op zekeren dag was hij juist met een schoone, gestreepte blouse naar -buiten gegaan. - -Het had heel den nacht geregend en de grond was overal nog nat. - -De bladeren begonnen hier en daar al te vallen, teeken van den -naderenden herfst. - -In een der boomen ontdekte Rob toevallig een geweldig groot web. - -Het was gespannen tusschen twee verwijderde takken. - -Waar zoo'n reuzenweb is, dacht Rob, is ook een reuzenspin. En dié -moet ik hebben voor mijn verzameling. - -Maar de takken waren nog vrij hoog, zoodat Rob klimmen moest. Zonder -zich te bedenken omklemde hij den natten stam van den boom en klom -naar boven. - -Langzaam naderde hij het reuzenweb. - -Toen hij er was, haalde hij een glazen vangbuisje uit den zak en -hield dat in de eene hand. - -Hij wachtte even en keek naar de bladeren. - -Daar liep een langpoot-mug over een bladsteel. Rob pakte het insect -en zette het in het web, waar het wild aan de draden rukte, die -het vasthielden. - -Als een havik op zijn prooi schoot een geweldige grijze spin uit haar -schuilhoek te voorschijn. Maar op zijn beurt was Rob op zijn post, -met een pijlsnelle beweging schepte hij als 't ware de spin uit haar -web in de glazen vangbuis op, waar zij niet ontsnappen kon. - -Daarop liet Rob zich weer langs den stam naar beneden glijden en -spoedde zich naar huis. - -"Maar jongen!" riep mevrouw Bergwoude verschrikt uit, toen zij Rob -van uit de tuinkamer zag. - -"Wel moeder, wat is er dan?" - -"Wat er is, vraagt hij! Kind, kijk je er eens uitzien! Het is meer -dan schande!" - -Nu pas kwam Rob tot de ontdekking, hoe hij op jacht naar de reuzenspin -zijn blouse had toegetakeld! Die was van den boomstam totaal groen -geworden! - -Och och, wat was Moeder boos. Want toevallig moesten Rob's overige -blouses dien dag gewasschen worden. Ja, er was er nog wel een, -maar die was eigenlijk voor den Zondag! Het was een splinternieuwe, -spierwitte matrozenkiel. Ten einde raad liet zijn moeder hem dien -in vredesnaam maar aandoen, en Rob beloofde, dat hij er dien dag -vrééselijk voorzichtig mee zou zijn. - -Na het ontbijt ging Rob, piekfijn in het wit, den weg eens op en -neer. Hij floot een deuntje en keek naar een roodborstje, dat tusschen -de struiken hipte. De zon brak door een grauwe nevel heen en zette -den omtrek weer in goudschijn. - -Daar kwam een stokoud moedertje aan. Rob kende haar wel, zij woonde in -een klein hutje, even buiten het bosch. Het was een oude stakker. Ze -sjouwde een grooten takkebos op haar gekromden rug en hijgde van -inspanning. - -Rob had een medelijdend hart. Hij had deernis met het oude, ploeterende -tobbertje en sprak haar aan. "Dag moedertje. Een heele vracht hè?" - -"Ja jongeheer. Een heele vracht. Vooral wanneer je tachtig jaar bent." - -"Tachtig jaar? Asjeblieft. Ik ben twaalf." - -"Twaalf is jong. U ziet er goed uit." - -"Ja," zei Rob. "En ik ben erg sterk. Ik kan dien takkebos veel gauwer -naar je huis dragen." - -"Och.... doet U dat maar niet, jongeheer." - -"Waarom, niet? 't Is voor een kip, hoor. Kijk, zóó op mijn rug. Eén -... twee ... hoepla! Vooruit met de geit, moedertje!" - -Nu kon het oudje ook vlugger vooruitkomen en het duurde niet lang, -of het huisje was bereikt. - -"Nou, u wordt wel bedankt, hoor." - -"Geen dank," zei Rob, "'t is de moeite niet waard." - -"Maar nou wil ik toch, dat u een kopje koffie met mij drinkt." - -Rob, gemoedelijk als altijd, zei: - -"Nou, dat wil ik wel doen." - -Hij ging zitten en 't vrouwtje, dat de koffie al lang had opstaan, -schonk er hem een groote kom van vol, zonder suiker en met 'n -scheutje melk. - -Rob nam de kom, die niet zoo bijzonder warm was, in de handen en -proefde de koffie. - -Groote genadigheid, was dat koffie? Loop rond, slootwater was -het. Moest hij dàt uitdrinken? Neen hoor, voor geen geld. - -Opeens liet hij de kom tusschen zijn knieën door op den grond vallen -en schreeuwde: - -"Au! Wat is die koffie heet!" - -De kom viel in stukken op het leemen vloertje en verschrikt liet Rob -erop volgen: - -"O... wat een ongeluk! Neemt u mij niet kwalijk, hoor. Ik hoef geen -koffie te hebben! Ik zal u den kom wel betalen." En hij legde vijf -centen op de tafel neer. - -"Maar jongeheer, dat is niet noodig!" zei het oudje. "Daar koop ik -twee kommen voor!" - -"Goed, koop er dan twee," zei Rob, "maar nu moet ik heusch terug." - -En hij wendde zich naar de deur. - -Maar opeens liet het vrouwtje een verschrikten kreet hooren! - -"O jongeheer! Uw witte kiel! Heelemaal zwart op uw rug!" - -O jee, dacht Rob, dat komt van den takkebos! Daar had ik heelemaal -niet aan gedacht! - -"Och, och wat zal uw Moeder boos zijn!" - -Dat kan net uitkomen, dacht Rob. Enfin, wie wat verdient moet wat -hebben. - -Hij nam afscheid van het oude vrouwtje en werd door zijn moeder met -de grootste verbazing, maar ook met wanhoop ontvangen. - -"Rob, wat ben je toch schandelijk slordig! Dat is nu binnen een uur -je tweede schoone kiel! Kind, waar zitten je hersens? Denk je, dat -ik hier een kleerenmagazijn voor jou apart er op nahoud? Nu trek je -je oudste pak aan en dan direct uit school op je kamer blijven." - -Zoo geschiedde. - -Om twaalf uur bleef Rob op zijn kamer. - -De anderen vonden dit vreemd, want dat deed Rob nooit. En voor Rob -zou het heel eenvoudig geweest zijn, om dadelijk aan zijn moeder te -zeggen, dat hij het heusch niet helpen kon, want dat hij juist zoo'n -erg-goede daad had gedaan. Neen, Rob vond het veel te kinderachtig -om zich dáármee te verdedigen. Tweemaal met een vuil pak thuiskomen -en dan nog den braven Hendrik bij moeder uithangen, dat deed hij -niet! Daarvoor was hij veel te trotsch. - -Hij verzweeg dus het geval met den takkebos en bleef stil op de kamer. - -Maar Hans en Flip wilden er meer van weten. - -"Biecht nou maar op, broer," zei Hans. "Waarom zit je hier met je -ouwe pak aan. Is er wat gebeurd?" - -"Och, welnee." - -"Kom Robbekop," zei Flip. "Wees nou niet zoo stug. Pak slaag gehad?" - -"Nee." - -Maar Hans wist hem aan 't praten te krijgen. Rob vertelde op een -beetje onverschilligen toon, wat er gebeurd was. - -"Nou, 'k had dan al een kiel vuilgemaakt aan dien boom. Toen moest -'k voor moeder m'n nieuwe witte aantrekken. Ik loop daarmee op den -boschweg en daar komt dat ouwe vrouwtje uit de boschhut aanstappen. Ze -had een takkebos op d'r hoofd zoo groot als de Naald van Waterloo -en ze liep gewoonweg dubbelgevouwen, hè? Nou, wat doe je? Ik zeg: -goeiemorgen, grootmoeder, wil jij je wel 's schamen om zoo'n takkebos -op je rug naar huis te dragen? Dat zal ik wel voor je doen. Enfin, -ik neem de heele kattebak op m'n nek en... adjuus, schoone kiel." - -"Maar domoor, dacht je daar dan niet aan?" - -"Nee, ik dacht alleen maar aan die arme, ouwe stakker. Nou moet je -hooren. Toen we d'r waren, wou ze mij met alle geweld 'n kopje koffie -schenken. Ik denk: nou, voor de gezelligheid dan. Maar daar schenkt -me dat mensch een kom baggersloot-limonade in, die ik niet lustte, -hoor. Maar hoe kom ik eraf? Ik laat ineens de kom uit mijn vingers -vallen en roep: "Au, verdikkie, is me die koffie heet!" Voor vijf -centen was ik van de koffie af. Nou, blij toe. Maar dat weet moeder -allemaal niet. Denk je nou, dat ik aan moeder vertellen ga, dat ik -die zwarte kiel gekregen heb, omdat ik voor dat oude mensch een bosje -takken gesjouwd heb? Kan je net denken!" - - - -Flip lachtte zich onderste boven bij 't vertellen van Rob. - -En een oogenblik later wist moeder 't wèl. Daar had Hans voor gezorgd. - -En moeder, blij dat er ditmaal een goede reden was voor Rob's -verregaande slordigheid, gaf hem nog een kus op den koop toe en -ontsloeg hem van zijn kamerarrest. - - - -Een paar dagen later, het was ongeveer half September geworden, -verzamelde de heer Bergwoude zijn leerlingen des avonds in de eetzaal -om hen een nieuwtje mede te deelen. Allen waren tegenwoordig en -wachtten op juffrouw Wieler, die met drie meisjes aan 't wandelen -was en ieder oogenblik kon terugkeeren. Wachten duurt altijd lang en -daarom besloot de heer Bergwoude, alvast maar te beginnen. - -"Jongelui," begon hij, "ik heb jullie vanavond hier bijeen geroepen, -om je een prettige tijding mede te deelen. Zooals de meesten van jullie -wel weten, bestaat Instituut Sparrenheide den eersten October a.s. vijf -jaar. Wij hebben besloten, dien dag feestelijk te vieren. Daar hebben -jullie zeker niets op tegen?" - -"Neen mijnheer!" klonk het lachend. - -"Dus niemand heeft daar bezwaar tegen, dat is prettig. En nu ...." - -Plotseling werd de deur geopend en kwam juffrouw Wieler, de -onderwijzeres, met ontsteld gezicht binnen. - -"Mijnheer," zei ze gejaagd, "wij kunnen nergens meer Mina Drijvers -vinden. Ze is bepaald in het bosch verdwaald." - -Mijnheer Bergwoude schrikte van die onverwachte tijding. - -"In het bosch verdwaald?" vroeg hij. "Hoe is het mogelijk! Was u dan -niet bij haar?" - -"Jawel, ik was met de drie meisjes. Wij speelden verstoppertje en -toen Mina Drijvers zoeken moest, hebben wij haar niet weergezien," - -Mijnheer Bergwoude stelde de verdere bespreking der feestplannen -dadelijk uit en commandeerde de grootste jongens op voor een -onderzoekingstocht door het bosch. Hijzelf zou medegaan en meester -Hooghuizen ook. Mevrouw Bergwoude en juffrouw Wieler zouden bij de -andere kinderen blijven. - - - -Meester Hooghuizen trok het bosch in met Hans, Bram en nog twee -andere jongens, mijnheer Bergwoude met Flip, Jacob Heintze en drie -anderen. In twee verschillende richtingen, doch beide naar den kant -van kasteel Drakenstein, zou het bosch doorzocht worden. Allen droegen -een brandende lampion aan een stok, wat een zeer fantastisch gezicht -opleverde. Het werd al donker en een beetje verlichting der paden -was wel noodig. - -Hans liep met meester Hooghuizen voorop. Hun lichtende lampions -beschenen het pad en den onderkant der boomstammen met een rossen -gloed. - -Het begon wat te waaien, hoewel men daarvan in het dichte bosch weinig -last had, alleen de toppen der boomen begonnen luider te ruischen en -bogen door den wind. - -"'t Zal me niets verwonderen, als er een onweer komt opzetten," -zei Hans. - -"Daar zou je wel eens gelijk aan kunnen hebben, Hans," zei meester -Hooghuizen. "Het is vandaag aardig broeierig geweest en de lucht -begon vanmiddag al te werken." - -En die twee hadden het zoo ver niet mis. - -De wind nam toe en zwarte kopwolken kwamen aanzetten. Het werd steeds -donkerder en donkerder in het bosch en wanneer de doorzoekers geen -lampions bij zich gehad hadden, zouden zij evenmin den weg geweten -hebben als het verdwaalde meisje. - -Mina Drijvers was een allerliefst meisje van twaalf jaar. Zij was een -nieuwelinge, uit Amsterdam afkomstig en ze wist in het geheel den -weg niet in de bosschen. Toen zij met juffrouw Wieler en de andere -meisjes een spelletje in het bosch deed en de anderen zoeken moest, -had zij niemand gevonden. - -Er waren dan ook prachtige schuilplaatsen. Mina vond het eerst wel -aardig, dat zij zoo zoeken moest. Maar zij dwaalde al verder en verder -en zag nog geen tipje van een jurk der anderen. - -Een poosje later hoorde zij de juffrouw roepen en ook de twee andere -meisjes. Zij was op het geluid afgegaan, doch scheen zich vergist -te hebben. Eindelijk kwam ze op een plek, waar een houten stellage -getimmerd was. Zij klom op het trapje en riep: - -"Juffrouw! Hier." - -Tot haar groote verbazing klonk het van verre zeer duidelijk: -"Juffrouw, hier!" - -Dat was de echo! Mina vond het mooi en herhaalde haar geroep nog een -paar keeren. Maar intusschen werd ze toch ongerust, want nu hoorde zij -heelemaal niets meer. Zij dwaalde van het eene punt in het bosch naar -het andere, kwam nu eens uit bij het kasteel, dan weer bij de grot, -de kapel en ten slotte werd het door het naderende onweer zóó donker, -dat zij de boomen niet meer kon onderscheiden en snikkende op den -grond neerviel. - - - -Een wit-blauwe bliksemstraal vloog over 't bosch ... een hevige slag -daverde er bijna onmiddellijk op .... - -De wind joeg de bladeren van de boomen, zwiepte de takken der hoogste -boomen als riethalmpjes heen en weer. - -"Hierheen, jongens! Bij elkaar blijven!" riep meester Hooghuizen. "Af -en toe nog maar eens roepen." - -Hans zocht even een zijpaadje af, terwijl de anderen wachtten. - -"Mina!" riep hij, "Mina Drijvers!" - -Een felle lichtstraal schoot sissend over 't bosch, ratelend viel -de slag ... dat was 't eenige antwoord op het roepen. Een geweldige -plasregen barstte los. - -"Hans! Hans!" riep meester Hooghuizen, "kom hier." - -Hans keerde haastig terug. - -De lampions regenden uit, nu stonden ze in het stikdonkere bosch, -midden in een geweldige donderbui. - -Mijnheer Bergwoude keerde zoo snel mogelijk naar Sparrenheide terug, -er waren nu toch vijf menschen aan het zoeken naar het verloren -meisje en hij vond het beter om naar de overige kinderen te gaan, -die aan de hoede van mevrouw en juffrouw Wieler waren toevertrouwd. - -Intusschen zocht het troepje van meester Hooghuizen dapper voort. Wel -was het gevaar groot, wel hadden zij licht een schuilplaats kunnen -zoeken in de Grot, maar de gedachte aan het arme meisje, dat toch -ook in dit ontzettende weer hier of daar door het bosch dwaalde, -deed hen regen en onweer trotseeren. - -Heviger ratelden de donderslagen, vlogen de bliksemstralen door -'t zware, zwarte zwerk, schril verlichtend het duistere boschpad. - -De jongens liepen nu dicht bijeen, ze hielden elkaar bij de hand, -want in dit noodweer konden ze elkander spoedig kwijtraken. Ze waren -doornat, maar daar gaven zij nu weinig om, zij dachten alleen maar -aan het doel van hun tocht. - -Zij kwamen nu bij 't kasteel en sloegen weer een anderen weg in, -opnieuw door 't inktzwarte bosch. - -En weer vloog een schitterende bliksem boven de boomen ... barstte -de slag als een kanonnade los .... toen Hans opeens een schreeuw gaf. - -Bij 't felle bliksemlicht had hij iets wits gezien onder een boom. Hij -schoot er snel op toe en .... - -"Hier ligt ze!" riep hij zegevierend. - -Dadelijk snelden de anderen toe. - -Meester Hooghuizen nam het meisje op en droeg haar naar het eerste het -beste huisje, dat van veldwachter Bunze. - -Deze en zijn zuster waren niet weinig verbaasd over het vreemde, -onverwachte gezelschap, dat eensklaps voor hun woning stond. Maar de -goede vrouw was dadelijk tot helpen bereid, ze legde Mina Drijvers in -haar eigen bed en zeide, dat het met het meisje best zou losloopen. Ze -moest echter dien nacht maar bij haar blijven, wat meester Hooghuizen -uitstekend vond. Veldwachter Bunze bewonderde den moed der knapen, -die in dit verschrikkelijke weer niet geaarzeld hadden, het verloren -meisje op te sporen. - -En de dikbuik trok Hans aan een oor en zei: - -"Als je niet zoo'n moedige, flinke jongen was, zou ik een heel ander -woordje met je spreken, kameraad. Intusschen hebben wij nog een -appeltje met elkaar te schillen, maar dat zal ik nu maar voor een -anderen keer bewaren. Je hebt nu vanavond al genoeg doorstaan!" - - - -Gelukkig dreef het onweer langzamerhand af. Meester Hooghuizen en -zijn jongens konden nu de geruststellende tijding op Sparrenheide -brengen, dat het verdwaalde meisje gevonden en in goede handen was. En -daar verheugden allen zich over, want men had den grootsten angst -uitgestaan, zoowel om Mina als om haar redders. - - - - - - - - - -NEGENTIENDE HOOFDSTUK. - -FEESTELIJKE PLANNEN EN ANGSTIGE UREN. - - -Den volgenden dag was Mina weer terug en spoedig geheel en al -van den schrik hersteld. Alles was nu weer in orde en daarom kon -mijnheer Bergwoude gerust opnieuw met zijn prettige plannen omtrent de -feestelijke viering van het 5-jarig bestaan van Sparrenheide voor den -dag komen. Hij wachtte daar dan ook niet lang mede en deelde aan allen -mede, dat den heelen dag van den 1en October zou gefuifd worden. Er -moesten muzikanten komen, er zou een uitvoering worden gegeven, waar -ieder wat mocht ten beste geven, er zou een goochelaar komen en verder -zouden er vanzelf wel allerlei plannetjes onder leiding van meester -Hooghuizen en juffrouw Wieler tot stand komen. Intusschen moest -het onderwijs zijn gewonen gang gaan en mocht er alleen na drie uur -'s middags aan de voorbereidingen van het feest gewerkt worden. - -Mijnheer Bergwoude had gezegd, dat ook de oudleerlingen en vorige -onderwijzers van Sparrenheide uitgenoodigd zouden worden, zoodat er -allicht een 100-tal feestvierenden tezamen zouden zijn. - -En nu werd er eventjes met liefhebberij gewerkt aan de -feest-voorbereidingen. Ieder deed het zijne. Meester Hooghuizen had -de leiding van het geheel. Hij liet de jongens van latten een groote -eerepoort timmeren aan den hoofdingang, de meisjes moesten slingers -maken van dennegroen en linten. Juffrouw Wieler studeerde met een paar -meisjes Speelliedjes van Dalcroze in, terwijl anderen weer aardige -voordrachten leerden. Er zouden verschillende wedstrijden gehouden -worden en een vlaggenoptocht door het bosch en het dorp kwam ook al op -het programma. Het was ook niet te verwonderen, dat Hans, Flip en Rob, -de drie jolige broers, in de allereerste plaats zich weerden, om het -feest zoo goed mogelijk te doen slagen! Flip, de grappenmaker, zette -zelf een koddig vers in elkaar, dat van onzin aan elkaar hing. Maar -er werd toch flink den lof van Sparrenheide in gezongen en dat was -de hoofdzaak. Flip had er urenlang op zitten broeden en er wel vijf -penhouders op stuk gebeten, maar eindelijk had hij toch ongeveer het -volgende vers uit die houtjes gekauwd: - - - Dames en heeren, het is van daag feest, - Zooals er nog nooit op Sparrenhei is geweest! - Het heeft vandaag al vijf jaren bestaan, - En het gaat nog in lang niet naar de maan, - Als de zon schijnt is het hier mooi weer, - Dikwijls gaan we wandelen met mijnheer, - We hebben hier geen last van ratten of muizen, - Hier zit juffrouw Wieler en dáár meester Hooghuizen. - Sparrenhei is de allerbeste school. - Je eet er havermout, grutten en roodekool, - Dus roept mij nu allen na: - Lang leve Sparrenhei! Hiep hiep hoera! - - -Hans maakte zich op een ander gebied verdienstelijk. - -Hij kocht in Utrecht vuurwerk en verborg dat op een plaats, die alleen -aan hem bekend was. En Rob deed hard mee aan àlles waarvoor zijn hulp -gevraagd werd. - -Zoo werkte een ieder aan het welslagen van den grooten feestdag, -toen er opeens iets gebeurde, dat aller aandacht voor een poos van -den 1en Octoberdag afleidde, ja, dat zelfs een groot deel van de -aanstaande feestvreugde dreigde te verstoren! - - - -Barend, die zich zoo uitstekend gedroeg, sinds mijnheer Bergwoude -hem onder zijn bescherming genomen had, woonde nu bij moeder Vorstman -in. De jongen verdiende als tuinman op Sparrenheide vier gulden per -week, die hij aan zijn nieuwe moeder gaf. De arme vrouw, die alleen -leefde van hetgeen haar eigen zoon, die in Amsterdam werkte, haar zond -en van hetgeen haar moestuintje opleverde, was met de komst van Barend -in haar hutje er veel beter aan toe. Want Barend deed veel werk voor -haar, dat haar niet meer zoo gemakkelijk afging als vroeger. Daarbij -at de jongen altijd in de keuken op Sparrenheide en kreeg vaak genoeg -een pak kleeren, zoodat hij haar al heel weinig kostte. - -Het arme, tevreden vrouwtje had met dit eenvoudige, sobere leven nog -een rustigen, onbezorgden, ouden dag, vooral waar Barend haar beloofd -had, steeds voor haar te zullen zorgen. - -Des morgens was Barend al vroeg op en zette koffie en brood voor -haar en zichzelf gereed. Dan ruimde hij het kamertje op en ging het -moestuintje nazien. Vervolgens begaf hij zich naar Sparrenheide en -bleef daar tot den avond. Dan hielp hij zijn "moeder" weer en las -haar voor. - -Het oude huisje, waarin strooper Ranke met zijn zoon had geleefd, -stond thans ledig. Er was nog geen liefhebber voor komen opdagen. De -weinige, armoedige meubelen waren door Barend eruit gehaald; wat nog -bruikbaar was, had hij aan moeder Vorstman gegeven, de rest had hij -tot brandhout gehakt. - -Op zekeren avond begaf Hans zich naar Barend, om met hem een aardig -plannetje voor het feest te bespreken. Misschien had Hans dit evengoed -overdag op Sparrenheide kunnen doen, maar in elk geval werd hij daar -door te veel oogen op de vingers gekeken en daarom vond hij het beter, -om zijn plannetje rustig met Barend bij moeder Vorstman te bespreken. - -In het dorpje gekomen, passeerde Hans de verlaten woning van Ranke. Tot -zijn groote verwondering meende hij daarin een zwak lichtje te zien -branden, hoewel hij toch zeker wist, dat de hut ledig en onbewoond -was. Hij zag, dat het licht heen en weer ging, alsof iemand met een -kaars door het vertrek ging. - -Hij begreep dadelijk, dat het niemand anders dan Barend kon zijn, -die misschien nog het een of ander in de oude woning zocht. En omdat -het hem juist om Barend te doen was, duwde hij de deur van het huisje -open en trad het ledige vertrek binnen. Maar inplaats dat hij Barend -daar aantrof, staarde hij opeens in het schurkachtige gezicht van -diens vader. Het was Ranke, de strooper, van wien iedereen dacht, -dat hij in de gevangenis te Utrecht zat! - -Inplaats dat Hans dadelijk vluchtte, bleef hij als aan den grond -genageld staan. - -Op dat bezoek scheen Ranke allerminst gerekend te hebben, evenals Hans -staarde hij dezen een oogenblik verbijsterd aan, maar toen blies hij -snel de kaars uit, wierp zich op Hans en overmeesterde hem, voor de -jongen tijd had, zich te verweren. Maar Hans was sterk en Ranke had -zijn handen vol aan hem, vooral omdat hij hem met één hand den mond -moest dichthouden en met de andere bedwingen. Toch bleek de strooper de -sterkere. Hij bond Hans een vuilen doek om den mond en haalde daarop -een lang touw uit zijn zak, waarmede hij hem aan handen en voeten -bond! Toen sleurde hij den weerloozen knaap in hetzelfde turfhok, -waarin hij vroeger Barend had opgesloten, en deed er den grendel -voor. Daarop verdween hij .... - -Dienzelfden avond las mijnheer Bergwoude, aan zijn schrijftafel -gezeten, het volgende bericht in het Handelsblad: - - - Men schrijft ons uit Utrecht: - - Bij de overbrenging van twee gedetineerden uit de strafgevangenis - alhier naar het station, alwaar zij onder geleide van twee - marechaussees naar Leeuwarden zouden vertrekken, wist een hunner, - de beruchte strooper en inbreker R.--wonende te Lage Vuursche, aan - zijn geleider te ontsnappen. De arrestant vluchtte een openstaand - huis in en is vermoedelijk over de daken ontkomen. Het vervoer - van den anderen gevangene is nu uitgesteld, totdat de eerste - zal teruggevonden zijn. De politie stelt een streng onderzoek - in naar den vluchteling, die vermoedelijk nog wel binnen Utrecht - verblijf houdt. - - -Mijnheer Bergwoude las dit bericht met begrijpelijke verbazing en -spoedig was dat nieuwtje het onderwerp van dien avond geworden. Weinig -dacht de vader er aan, dat op ditzelfde oogenblik zijn zoon Hans in -handen van den gevreesden kerel gevallen was! - -Intusschen had Ranke niet de bedoeling, den jongen ook in het minst -eenig leed te doen. Hij was alleen in zijn oude woning gekomen, -gebruik makende van het avonddonker, om er eenige kleedingstukken -te halen. Maar tot zijn groote verwondering had hij de hut totaal -leeg gevonden. De plotselinge verschijning van Hans had hem eerst -heelemaal van streek gebracht, maar de snel-opkomende gedachte, dat -de jongen zijn aanwezigheid alhier verraden zou, deed hem plotseling -op Hans toevliegen om hem onschadelijk te maken. - -Ranke verschool zich in de bosschen en wachtte er een gunstige -gelegenheid af om zijn verdere plannen ten uitvoer te brengen. - -Groote ongerustheid heerschte er op Sparrenheide! - -Hans was nog steeds niet teruggekeerd, hoewel de klok reeds tien -uur wees! - -Had de jongen het soms in zijn hoofd gekregen, om bij Barend te -overnachten? - -Was hij verdwaald? - -Maar neen, zoowel het een als het ander was ondenkbaar. Hans zou nooit -uitblijven zonder toestemming zijner ouders. En voor verdwalen bestond -ook weinig grond, in de eerste plaats was het vrij helder weer en in de -tweede plaats kende Hans den weg in de bosschen als in zijn eigen huis. - -Toen het al later en later werd, stegen mijnheer Bergwoude en meester -Hooghuizen op de fiets en reden naar het huisje van vrouw Vorstman. - -De oude vrouw was al naar bed, maar Barend zat nog te lezen. - -"Is mijn zoon Hans hier?" vroeg mijnheer Bergwoude, toen hij met den -meester aangeklopt had. - -"Hans?" riep Barend verbaasd uit. "Nu nog? Hij is hier den heelen -avond zelfs niet geweest!" - -"Nièt geweest? Hij is toch om zeven uur al hierheen gegaan." - -Barend schudde het hoofd. - -"Dan zou ik hem toch moeten gezien hebben," zei hij beslist. Nu steeg -de ongerustheid van den vader tot angst. - -Hij keerde weer naar Sparrenheide terug, in de hoop, dat Hans daar -inmiddels mocht aangekomen zijn, maar niemand had hem teruggezien! - -Opnieuw werd er een leerling vermist, en ditmaal mijnheer Bergwoude's -eigen zoon! - -Niemand der grooten sliep dien nacht. - -De arme vader, de meester en Barend, zelfs de oude, doove Bosman, -zij allen gingen, gewapend met lantaarns, het bosch in. - -Maar Hans werd niet gevonden. - -Diep-ongelukkig keerde mijnheer Bergwoude naar huis terug, vond -er zijn vrouw weenende en wist weinig of niets te zeggen, dat haar -eenigen troost geven kon. - - - -Barend had het zoeken het langst volgehouden. Toen het licht begon -te worden, liep hij nog van de eene boschlaan in de andere. Hij -was doodmoe. - -Eindelijk gaf hij het op. - -Hij keerde naar de woning van moeder Vorstman terug. En nu gebeurde -met hem bijna hetzelfde, wat den vorigen avond Hans overkwam. - -Hij passeerde zijn oude hut. - -En zag, dat de deur op een kier stond. - -Dat was nu zoo heel vreemd niet, want die deur had niet eens meer -een behoorlijk slot en kon dus best opengewaaid zijn. Maar Barend was -teveel een natuurkind, dan dat hij niet dadelijk zich herinneren zou, -dat het heelemaal niet gewaaid had. Toch vermoedde hij niets bijzonders -en trad op de deur toe, om die te sluiten! - -Even keek hij nog naar binnen, en... - -Wat drommel hoorde hij nu? Was er iemand in? - -Hij luisterde nog eens. Jawel! daar schopte iemand tegen een -deur. Barend kende dat geluid en had in een ondeelbaar oogenblik de -deur van het turfhok geopend. - -"Hans!" - -Met een kreet van vreugde begroette hij den verloren makker, bevrijdde -hem van doek en touwen en hoorde dan tot zijn grooten schrik, dat -zijn vader ontvlucht was! - -Maar dadelijk gingen zij naar Sparrenheide. - -Als met tooverslag veranderde daar de droefheid in groote vreugde! - - - -Toen de telegrambesteller dien morgen den burgemeester het bericht -bracht, dat Ranke ontvlucht was, liep Bunze door het bosch en deed -er zijn gewone ronde. Bij de grot gekomen, bleef hij eensklaps staan. - -Snurkte daar iemand? Hij trad op de teenen nader en ontdekte den -slapenden Ranke. Bunze dacht eerst weer met een geest te doen te -hebben, maar omdat hij daar niet meer aan geloofde, gaf hij ineens -gevolg aan een ingeving. - -Hij haalde kalm zijn stalen handboeien tevoorschijn en schoof die -om de polsen van den rustig slapenden strooper. Vervolgens haalde -hij zijn revolver te voorschijn, waar hij nog nooit van zijn leven -mee geschoten had, omdat de gemeente hem doodeenvoudig geen patronen -verschafte en riep met daverende stem: - -"Ranke! In naam van Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden neem -ik U gevangen!" - -De vluchteling sprong verschrikt overeind. - -Hij voelde zich tot zijn groote verbazing stevig geboeid en zag den -loop van Bunze's revolver op zich gericht. - -Tegenstand was nutteloos en de strooper liet zich gewillig door den -dikkerd meevoeren, die als een overste in den paradepas naast zijn -arrestant liep! - - - - - - - - - -TWINTIGSTE HOOFDSTUK. - -BESLUIT. - - -Nu alles zoo goed afgeloopen was, de goeden konden beloond worden en -de kwaden gestraft, was er ook geen bezwaar meer om het feest van den -eersten October zoo luisterrijk mogelijk te vieren. Gelukkig was het -prachtig weer. - -Precies om acht uur des morgens werden onder het spelen van het -Wilhelmus de vlaggen uitgestoken van huis en schoolgebouw. Wat zag de -tuin, wat zag de weg er feestelijk uit! Overal slingers van oranje en -rood-wit-blauw, overal lampions. En aan den hoofdingang een magnifieke -eerepoort. Allen waren met de nationale kleuren getooid en reeds -dadelijk was er de rechte, feestelijke stemming in. Na het ontbijt -stelde de muziek zich aan het hoofd van den stoet jongens en meisjes, -die vlaggen, vaandels en schilden droegen. Het was allerleukst! - -De een had op zijn oranje-schild het portret van mijnheer Bergwoude, de -ander droeg een vaandel met het opschrift: Leve Sparrenheide! Een derde -had er in 't geheim opgeplakt: Meester H. gaat nooit verloren! terwijl -zijn buurman heel nuchter er naast liep met een schild: Falderalderire! - -De kleurige, fleurige stoet ging onder 't spelen van vroolijke -marschen, voorafgegaan door de gehuurde muzikanten naar het dorp. Daar -stelde veldwachter Buikje zich aan het hoofd van den optocht als -of hij een paar duizend menschen op zij moest houden! Hij werd met -algemeen gejuich begroet en werd dadelijk door mijnheer Bergwoude -uitgenoodigd, het feest op Sparrenheide te komen bijwonen. Ook Barend -en moeder Vorstman hadden zulk een uitnoodiging aan te nemen. - -Des morgens om 10 uur vertrok een clubje jongens per auto, die ook -al met vlaggen beplant werd, naar het station te Baarn, om daar de -oudleerlingen af te halen. Tegen twaalf uur was het heele feestvierende -gezelschap present en nu kon de algemeene vreugde eigenlijk pas een -aanvang nemen. - -Toen allen aan den feestdisch bijeenzaten, stond mijnheer Bergwoude -op en zei: - -"Vrienden! Wat is het vandaag een heerlijke dag! Ik zie rondom mij -niets dan vroolijke gezichten en dat is geen wonder. Bijna allen, -die hier bijeen zijn, hebben meer of minder jaren op Sparrenheide -door gebracht en kennen het leven hier. En allen verheugen zich er in, -dat zij thans het feest van het vijfjarig bestaan onzer school mogen -meevieren! En nu is het niet mijn bedoeling, om lang en breed over -ons werk te praten, want we zijn hier om feest te vieren. Maar ik wil -er alleen op wijzen, dat we vandaag dubbel en dwars reden hebben tot -feestvieren! Een paar dagen geleden, misschien hebt ge er vandaag al -met een enkel woord over hooren spreken, verkeerden we in angst en -droefheid. Eerst werd er een onzer meisjes vermist, die tijdens een -onschuldig spelletje in het bosch verdwaald was. Gedurende een hevig -onweer hebben meester Hooghuizen en een paar flinke jongens haar in 't -stikdonkere bosch weten te vinden en haar veilig onder dak gebracht. En -kort daarop werd onze beste Hans door een ontvluchten gevangene -overrompeld en opgesloten. Op zijn beurt is Hans gevonden door Barend, -terwijl onze dappere gemeenteveldwachter Bunze den gevangene weer wist -te kerkeren. Al deze gebeurtenissen geven de viering van ons feest -een blijder glans. Dus, vrienden, viert vroolijk feest, geniet zooveel -mogelijk en roept allen met mij een driewerf hoera voor Sparrenheide!" - -Daverend gejuich klonk omhoog. Daarna mocht ieder toasten. Flip kwam -met zijn onzin-gedicht voor den dag en daar werd me wat om gelachen! - -Meester Hooghuizen had een feestlied gedicht op de wijze van "In -naam van Oranje." Het werd aan allen uitgedeeld. Mevrouw speelde op -de piano en daar klonk het uit wel honderd kelen: - - - Zeg jongens, hoe leuk is het hier toch vandaag! - Wat vieren we vroolijk toch feest! - En d'oud Sparrenheiders, ze kwamen wat graag, - Ze zijn ook zoo lang hier geweest! - Wij allen zijn vroolijk, wij allen zijn blij, - Omdat wij zoo houden, geloof het maar vrij, - Omdat wij zoo houden van Sparrenhei, - Van 't jarige Sparrenhei! - - Wie wil nog eens hooren van wat hier gebeurt, - Van 't leuke, gezellige werk? - Hier wordt niet gekniesd en hier wordt niet getreurd, - Hier worden we knap en ook sterk. - We zitten niet steeds bij de schoolboeken neer, - Dan spelen, boetseeren, tuinieren we weer, - We zijn hier steeds leuk aan den gang (bis). - - En timmeren vinden we ook altijd fijn, - Dat uurtje is om, voor men 't merkt, - Dan hamert en schaaft om het hardst groot en klein, - Dan wordt er steeds duchtig gewerkt. - Maar als het voorbij is neemt ieder toch graag - Zijn fransch of zijn meetkundesom bij den kraag. - Zoo wisselt het werk hier steeds af. (bis). - - Geen uur van den dag is bij ons onbezet, - We werken zooveel als 't maar moet. - Maar 's middags, dan vindt ge ons allen te bed, - Dat valt na het eten zoo goed. - Een uurtje gemaft en dan weer aan den gang, - Zoo valt ons het werken ook nimmer te lang - En daarom: Hoera voor ons Sparrenhei! - Voor Sparrenhei, hiep hiep hoera! - - -Dat lied werd duchtig gezongen en de dichter, meester Hooghuizen, -er eens extra voor toegejuicht. - -Na den feestdisch trad de goochelaar op. - -Wat had die een succès! Wat een pret de toeschouwers! - -De handige kunstenaar haalde iedereen guldens en rijksdaalders uit den -neus, Flip vooral scheen veel zilvergeld in zijn neus te hebben. Hij -probeerde nu zelf ook om er een ris guldens uit te halen, maar er -kwam er niet een meer, al trok hij ook nog zoo hard. De goochelaar -had ze er allemaal uitgehaald! De man vertoonde wel twintig toeren, -die haast allemaal even mooi waren. - -Na twee uur werd er een uur gerust. Daarvan week men op Sparrenheide -nooit af. - -Om drie uur begonnen de wedstrijden en gymnastiekuitvoeringen. Wat -ging dat alles netjes en correct! En al die jongens en meisjes, die -vroeger op hun oude scholen slechte en achterlijke leerlingen waren, -zenuwachtig en ziekelijk, wat toonden zij nu hier volkomen genezen -te zijn! Want hier werden zij niet geestelijk afgemat door veel te -moeilijke vraagstukken en opgaven, hier werden zij niet overladen -met stapels en stapels werk, waaraan bijna iedere vrije minuut moest -opgeofferd worden. - -En daarom waren zij hier ook zoo flink en gezond en sterk geworden -en konden daarom evengoed hun fransch en rekenen als hun vrienden op -de gewone scholen, al leerden zij het dan ook wat kalmer aan! - -Half vier werden ouders en belangstellenden verwacht. Die kwamen in -auto's en rijtuigen. In de gymnastiekzaal maakte juffrouw Wieler zich -met de meisjes gereed tot het opvoeren der speelliedjes. Wat zongen -die lief-aangekleede meisjes keurig en wat maakten zij hun danspassen -daarbij stipt in de maat. Ze werden dan ook hartelijk toegejuicht. En -zoo volgde het eene nummer van het programma op het andere. Er scheen -geen einde aan den feestdag te komen! Maar het mooist werd het toch -tegen den avond. Dank zij het zachte, zoele weer kon de verlichting -à la giorno uitstekend doorgaan. Alle lampions werden ontstoken en ze -schitterden als vurige ballons in het donkerblauwe avondduister. Het -was een fantastisch tafereel! - -En temidden der feestvierenden bewogen zich zij, die de hoofdpersonen -van dit verhaal zijn geweest: Mijnheer en Mevrouw Bergwoude, de -goeddoende, liefhebbende vader en moeder van heel deez' gelukkige -kinderschare, Meester Hooghuizen en juffrouw Wieler, die hen trouw -bijstonden in den moeitevollen, maar dankbaren arbeid, Hans, Flip en -Rob, de drie jolige broers, van wie een ieder hield, Jacob Heintze, -die den vroeger zoo verwilderden en verwaarloosden Barend allereerst -de beginselen van fatsoen en netheid geleerd had! Vervolgens Bram, -voor wien Sparrenheide een uitredding was geweest, maar dan was -er ook veldwachter Bunze, die vandaag menig plagerijtje over zijn -zwaarlijvigheid hooren moest, en moeder Vorstman, die zoo herhaaldelijk -met de verschillende personen uit dit boek in aanraking kwam. - -Aan het slot van den avond stak Hans zijn vuurwerk af. Knetterend -schoten de vuurpijlen omhoog, sissend draaiden de gouden en zilveren -zonnen, daverend ontploften de knalpotten. - -Ten slotte zette hij 't heele feestterrein in rooden en groenen -Bengaalschen gloed. En uit honderden monden klonk het nog eens bij -'t afscheid nemen: - - - Leve Sparrenheide! - - Hoera! - - - - - - - - - -INHOUD. - - -Hoofdst. Bladz. - - I. Oorlogsplannen 5 - II. Indianen en Bleekgezichten 13 - III. In gevecht met de Roodhuiden 23 - IV. Een prettig besluit en een vroolijke vertelling 34 - V. In den nacht 49 - VI. Barend van de Lage Vuursche. Nachtelijke vervolging 53 - VII. Allemaal hoofdpijn 63 - VIII. Het raadsel wordt opgelost 72 - IX. Veldwachter Buikje 82 - X. Veldwachter Buikje en de drie jolige broers 90 - XI. Waarom Barend niet op Sparrenheide kwam 101 - XII. In den nacht 111 - XIII. Wat Jacob van veldwachter Buikje hoorde 120 - XIV. Veldwachter Buikje en de boschgeesten 129 - XV. Bram als leerling op Sparrenheide 139 - XVI. Wat Hans van plan was 147 - XVII. Hans graaft een kuil voor Bunze, doch valt er zelf in 155 - XVIII. Van schoone blouses, een takkebos en een verdwaald - meisje 162 - XIX. Feestelijke plannen en angstige uren 174 - XX. Besluit 183 - - - - - - - - -End of Project Gutenberg's Instituut Sparrenheide, by Chr. van Abkoude - -*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK INSTITUUT SPARRENHEIDE *** - -***** This file should be named 61324-8.txt or 61324-8.zip ***** -This and all associated files of various formats will be found in: - http://www.gutenberg.org/6/1/3/2/61324/ - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United -States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive -specific permission. If you do not charge anything for copies of this -eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook -for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports, -performances and research. They may be modified and printed and given -away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks -not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the -trademark license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country outside the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you'll have to check the laws of the country where you - are located before using this ebook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm web site -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The -Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm -trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - - - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the -mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its -volunteers and employees are scattered throughout numerous -locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt -Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to -date contact information can be found at the Foundation's web site and -official page at www.gutenberg.org/contact - -For additional contact information: - - Dr. Gregory B. Newby - Chief Executive and Director - gbnewby@pglaf.org - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide -spread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works. - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our Web site which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. - diff --git a/old/old/61324-8.zip b/old/old/61324-8.zip Binary files differdeleted file mode 100644 index 74c6e49..0000000 --- a/old/old/61324-8.zip +++ /dev/null |
