diff options
Diffstat (limited to 'old/61129-8.txt')
| -rw-r--r-- | old/61129-8.txt | 3710 |
1 files changed, 0 insertions, 3710 deletions
diff --git a/old/61129-8.txt b/old/61129-8.txt deleted file mode 100644 index 72a057b..0000000 --- a/old/61129-8.txt +++ /dev/null @@ -1,3710 +0,0 @@ -The Project Gutenberg EBook of Het Boschvolkje, by William J. Long - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most -other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of -the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have -to check the laws of the country where you are located before using this ebook. - -Title: Het Boschvolkje - -Author: William J. Long - -Illustrator: Charles Copeland - -Translator: Cilia Stoffel - -Release Date: January 8, 2020 [EBook #61129] - -Language: Dutch - -Character set encoding: ISO-8859-1 - -*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET BOSCHVOLKJE *** - - - - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg. - - - - - - - - - HET BOSCHVOLKJE - - - MET TOESTEMMING VAN DEN SCHRIJVER - WILLIAM J. LONG UIT HET ENGELSCH - VERTAALD DOOR CILIA STOFFEL - TEEKENINGEN DOOR CHARLES COPELAND - - - ROTTERDAM MCMXX - - W. L. & J. BRUSSE'S UITGEVERSMAATSCHAPPIJ - - - - - - - - -INHOUD. - - - Inleiding Bladz. 7 - Merganser 11 - Een wilde Eend 25 - Het nest van een Oriole 40 - De Bouwmeesters 48 - Kraaiengewoonten 73 - Een stukje natuur 90 - Het lokken van Elanden 94 - Ch'geegee-lokh-sis 109 - Iemand met aanpassingsvermogen 125 - Een Kerstlied 134 - De Indiaansche namen 141 - - - - - - - - - AAN PLATO, DEN UIL, DIE OVER MIJN - SCHOUDER KIJKT TERWIJL IK SCHRIJF EN - DIE ALLES AFWEET VAN DE BOSSCHEN - - - - - - - - -INLEIDING. - - -"Alle kraaien zijn eender", zei een wijs man, toen hij het over -politici had. Dat is volkomen waar--in het donker, maar bij daglicht -is er tusschen twee kraaien die je aantreft evenveel verschil, -in- en uitwendig, als tusschen twee van de eerste de beste mannen -of vrouwen. Ik vroeg eens aan een klein kind, dat me alles over -haar kuikentje vertelde, hoe ze het hare uit twintig net zulke uit -den koppel kende. "Hoe ik mijn kuikentje ken? Ik ken het aan zijn -gezichtje", zei ze. En werkelijk, wanneer je dat kopje nauwkeurig -bekeek, verschilde het van alle andere. - -Dit gaat ongetwijfeld op voor alle dieren, vogels incluis. Ze herkennen -elkaar onmiddellijk onder een menigte van hun soortgenooten, en -wie ze zorgvuldig gadeslaat ziet evenveel eigenaardige gewoonten en -karakters onder de boschbewoners als onder andere schepselen. Het -geeft daarom niets, al ken je de kraaiengewoonten of die van het -rendier in 't algemeen ook nog zoo goed; maar bestudeer eens den -eersten den besten die je weg kruist, alsof hij een geheel vreemde -was, open je oogen om te zien en je hart om te vertolken, en je zult -stellig iets nieuws ontdekken: de een of andere eigenaardige gewoonte, -die je nooit vermeld had gevonden--om je zwerftochten tot een genot -te maken en je naar huis te doen keeren met een nieuwe belangstelling. - -Dit eigen karakter van de dieren in de natuur zal misschien veel -van hun gewoonten, in dit boekje beschreven, verklaren; gewoonten, -die den lezer niet vreemder of verbazingwekkender kunnen lijken dan -den schrijver, toen hij ze 't eerst ontdekte. Ze zijn bijna geheel -aanteekeningen van persoonlijke waarneming in bosschen en velden. Af -en toe, wanneer ik mijn jager of houthakker goed kende, heb ik diens -getuigenis gebruikt, maar nooit zonder haar zorgvuldig te overwegen, -en altijd stelde ik haar, wanneer dat mogelijk was, op de proef, -door het bewuste dier dagen of weken gade te slaan, tot ik zelf zag -dat alles waar was. - -De schetsen zijn bijna lukraak uit oude opschrijfboekjes en zomersche -dagboeken genomen. Er omheen verzamelt zich een heer van verwante -gedachten, van opnieuw-beleven, die het een genot hebben gemaakt ze -te schrijven; gedachten aan de wintersche bosschen, aan appelbloesems -en nestelende vogels, aan de heuvels en de rivieren in de wildernis -van Nieuw-Engeland, aan kampen en kano's, aan sneeuwschoenen en -forellenhengels, aan zonsopgang over de heuvels, als je naar boven -klom om het adelaarsnest, en aan de schemering op de gele stranden -waar de wind gierde, waar in de verre verte de branding klaagde -en vlerken snorden als riet in den wind, wanneer ze neerschoten op -lokeenden--dat alles verdrong zich gretig om me heen om herdacht te -worden, zoo al niet vermeld. De levendigste, de meest gespannen, -de 't vaakst weerkeerende van al die herinneringen is een jongen, -wiens zenuwen trillen bij de oneindige, lieflijke geheimzinnigheid -die in elk bosch ritselde, wanneer hij den roep van de winden en -van de vogels volgde, of alleen dwaalde waar zijn zin hem leidde, -die nooit de natuur bewust bestudeerde, maar haar slechts liefhad, -en die veel van deze gewoonten lang geleden ontdekte, door niets dan -zijn jongensinstinct geleid. - -Wanneer ze tot andere jongens spreken als tot kameraden, -mede-ontdekkingsreizigers in de altijd nieuwe wereld, wanneer ze -kinderen gelukkige herinneringen van een gulden tijd te binnen brengen, -toen de natuur en de mensch nog niet zoo ver van elkaar stonden, -dan zal 't me nog grooter genoegen zijn ze te hebben geschreven. - - - WILLIAM J. LONG. - - Andover, Mass., Juni 1899. - - - - - - - - -MERGANSER [1]. - - -Shelldrake of schelpeend is de naam waaronder deze eend in 't -Engelsch algemeen bekend staat, ofschoon het moeilijk valt uit -te maken waarom ze zoo genoemd wordt. Waarschijnlijk is die naam -haar door jagers gegeven die haar alleen 's winters zien, wanneer -de honger haar noopt mossels te eten--maar zelfs dan houdt ze veel -meer van waterslakken. De naam visch-eend, dien men wel eens hoort, -is veel eigenaardiger. De lange, dunne bek met zijn gezaagde kanten, -waarvan de tanden in elkander passen als die van een berenval, er -juist op berekend om een glibberigen, kronkelenden visch te grijpen -en vast te houden, toont duidelijk genoeg van welken aard het voedsel -van dien vogel is, zelfs aan wie hem niet heeft zien visschen op de -meren en rivieren die 's zomers zijn verblijfplaats zijn. - -Diezelfde snavel is, tusschen twee haakjes, soms een bron van -gevaar. Eens zag ik aan de kust hoe een zaagbek tevergeefs trachtte -tegen den wind in te vliegen, die hem ruw het hooge riet vlak bij -me inwierp. Het volgende oogenblik had Don, mijn oude hond, hem te -pakken. In een hongerig oogenblik had de vogel zijn snavel door de -beide schelpen van een oester gehakt, die tot aan zijn neusgaten -was gegleden of zich naar boven had gewerkt en den vogel totaal -muilbandde met een harden schelpring. De stakkerd kon na wanhopige -pogingen zijn bek nauwelijks wijd genoeg opendoen om te drinken of -het kleinste stukje door te slikken. Hij moest lang in dien toestand -verkeerd hebben, want de snavel was half doorgesleten, en hij was -zoo licht dat de wind hem als een groote veer rondblies wanneer hij -poogde te vliegen. - -Gelukkig was Don een goed apporteur en bracht hij me de eend zonder dat -er zooveel als een slagpen aan gekrenkt was, zoodat ik de voldoening -smaakte haar uit haar gevangenschap te verlossen en vrij te laten met -een heerlijke vaart. Maar er stond te veel wind voor haar, zij viel in -'t water en zeilde de haven af als een dame met te wijde rokken en een -te grooten hoed in bluisterig weer. Ondertusschen lag Don op het zand -met den kop in de hoogte en opgestoken ooren ongeduldig te janken, -tot ik "apporte" zou zeggen. Toen liet hij zijn kop neerzinken, -haalde diep adem en probeerde te ontraadselen waarom zoo'n man op -een vorstigen dag in Februari toch op een vogel zou uittrekken en -rondsjouwen en roeien en zich nat maken, alleen om hem los te laten -zoodra hij eerlijk gevangen was. - -Kwasleko, de zaagbek, leidt een dubbel bestaan. 's Winters is hij bijna -overal langs de kust van Massachusetts en meer zuidelijk te vinden, -waar hij een hondenleven heeft, hoe vroolijk hij er ook uitziet. Een -honderdtal geweren paffen naar hem, waar hij zich maar vertoont. Van -ochtendkrieken tot donker toe heeft hij geen minuut om zijn hapje -visch op te eten of in vrede een uiltje te knappen. Hij vliegt naar den -oceaan en gaat met zijn makkers op de breede, open zandbanken voor alle -veiligheid ter ruste. Maar de oostenwinden blazen en de zandbanken zijn -één ziedende uitgestrektheid van over elkander stortende golven. Ze -smakken hem heen en weer, ze havenen zijn vroolijke veeren, ze maken -zijn slagpennen vochtig, niettegenstaande zijn ervarenheid in het -zwemmen. Dan zoekt hij de kreken en inhammen op. - -Langs de kust is een koppel van zijn eigen familie naar 't schijnt -in kalm water voedsel aan 't zoeken. Niets kwaads vermoedend vliegt -hij er recht op aan, terwijl 't morgenlicht vol op zijn witte borst -en zijn helderroode pooten schijnt, als hij zich schrap zet om te -water te gaan. Maar paf, paf! gaan de geweren en klets, klets! vallen -zijn makkers, en uit een hoop zeewier komen een man en een hond te -voorschijn en hij trekt, droevig verbaasd over die geverfde dingen -op het water, af, om dat alles in honger en verdriet te overdenken. - -Dan wordt het koud weer en een nachtvorst bedekt alle plaatsen waar -hij zijn eten zoekt. Onder zijn mooie veeren steken de botten uit -en bederven de lijn van zijn ronde, welgedane lichaam. Hij is nu -uitgehongerd, kijkt naar de meeuwen, om te zien wat die eten. Wanneer -hij er achter is, vergeet hij zijn behoedzaamheid en zwerft op het -strand rond op zoek naar verdwaalde mossels. Inde lente drijft de -honger hem naar de meren, waar een overvloed van voedsel is--neen -maar, een voedsel! In een week is zijn vleesch zoo sterk, dat een -kraai het nauwelijks zou willen eten. Alles bij elkaar genomen is het -geen groot wonder, als hij, zoodra zijn instinct hem waarschuwt dat -de rivieren van het Noorden open zijn en de forellen stroomop zwemmen, -maakt dat hij in een oord van gelukkiger herinneringen komt. - -'s Zomers vergeet hij zijn ontberingen. Zijn bestaan is zoo vredig als -een beekje in de wei. Zijn tehuis is de wildernis--een eenzaam meer -misschien, dat sparkelt onder de zomerzon of door den zuidenwind in -duizenden glimlachende rimpels gekust wordt. Of mogelijk is het een -rivier in het bosch, die zich voortslingert langs beboomde heuvels -en grazige landtongen en eenzame cedermoerassen. In verborgen, -ondiepe baaien plassen de jonge broedsels rond, terwijl ze leeren -zwemmen en duiken en zich-in-veiligheid-brengen. Van uit het diepe -water komt het neerplonzen van den vischarend. Een luidruchtige -ijsvogel, rustelooze druktemaker die hij is, ratelt rond van boom -naar boomstomp. 't Gezoem van insecten vervult de lucht met een -dommelig gemurmel. Nu tript een hert sierlijk de landtong af en -kijkt--en luistert--en drinkt. Een groote eland waadt onbeholpen -het water in om zijn kop onder te dompelen en te gaan trekken aan de -leliewortels. Het jonge broed trekt zich echter van die onschuldige -dingen niets aan. Maar soms, als de middag ten einde loopt, draaien -ze hun kopjes achterdochtig om, wanneer de elzen kraken en zwiepen -aan den oever boven hen; een zacht geklok van de moeder zendt ze -alle het gras in om zich te verschuilen. Wat zijn ze vlug verdwenen, -zonder ook maar een spoor achter te laten! Maar het is slechts een -beer, die de helling waar hij heeft liggen slapen afkomt, om eens te -zien of hij voor zijn avondmaal ook een dooden visch kan vinden; en -'t is alsof het jonge broed lacht, wanneer weer een zacht geklok hen -haastig uit hun schuilplaats te voorschijn doet scharrelen. - -Eens komt er misschien een echte schrik, wanneer hun geoefendheid -van zoo'n heelen zomer op de proef wordt gesteld. Ze hooren een -ongewoon geluid--en om de bocht glijdt een schorskano met 't gerucht -van menschenstemmen. De jongen maken samen dat ze wegkomen en de -rivier achter hen schuimt als het zog van een stoombootje, wanneer de -snel-zich-roerende pooten hen bijna uit het water heffen. Visioenen -van den oceaan, de geweren, vallende vogels en den strengen winter -brengen de moeder buiten zichzelf. Ze fladdert wild om de jongen heen, -nu eens de leiding nemend, dan weer dapper zich tegen het monster -te weer stellend; nu een zwakken, kleinen treuzelaar voortduwend, -dan weer wiekkleppend alsof ze gewond was in de buurt van de kano, -om de aandacht van de jongen af te leiden. Maar eindelijk zijn ze -de landtong om en verstoppen ze zich onder de elzen. De kano komt -aanglijden en doet geen poging hen te vinden. Stilte heerscht weer -over het bosch. Het kleine grut komt naar 't ondiepe water terug, -terwijl de moeder er klapwiekend omheen zwemt om nog eens en nog eens -te tellen of er ook eentje ontbreekt. De ijsvogel komt uit zijn hol in -den oever. De rivier stroomt verder als te voren, de rust keert weer, -en over 't geheel ligt de geheimzinnige bekoring van de wildernis en -de vrede van een zomerdag. - -Zoo komt me dat alles daar voor als ik aan den overkant onder -den grooten spar de vogels door mijn verrekijker gadesla, zelf -onzichtbaar. Dag in dag uit heb ik zulke schooltjes bespied, -onopgemerkt door den argeloozen moedervogel. Soms was het de -a-b-c-klasse: nietige, donzen dingetjes, die les kregen in 't zich -verstoppen op een lelieblad en nooit een belooning voor verdienste in -den vorm van een jonge forel ontvingen, of ze moesten zich zoo goed -verscholen hebben dat de leerares (wel wat over-critisch, vond ik) -tevreden was. Dan weer waren het de candidaten, die hun talenten -ten toon spreidden voor den ongevraagden bezoeker, door als een -flits uit het gezicht te verdwijnen en het water te doorklieven -als een lichtstraal, om op den bodem een jonge forel te grijpen -met de snelheid en de zekerheid bijna van de leermeesteres. Het was -wonderbaarlijk, dat duiken en zwemmen, en de moeder keek toe en gaf -kwakend haar tevredenheid te kennen: nu waren ze volleerd. Dit is -ook wat bijzonders: 's winters zijn de vogels stom; ze vinden hun -stem slechts voor de jongen terug. - -Terwijl die zorgvuldige opvoeding thuis plaats heeft, is 't -mannetje ginder ergens op de meren met zijn vroolijke vrienden -aan 't plezier-maken en veronachtzaamt geheel zijn vaderlijke -verantwoordelijkheid. Ik heb wel eens groepjes van vijf of zes -gevonden, lustige maatjes alle, die onder elkaar aan een eind van -een groot meer woonden, waar 't vischwater best was. Den heelen zomer -zwerven en dolen ze rond zonder zorg, blij als zomersche kampeerders, -en laten ondertusschen de moedervogels achter om hun kroost eten te -geven en op te voeden. Slechts ééns heb ik gezien dat een mannetje -deelde in de verantwoordelijkheid voor zijn gezin. Ik heb drie -dagen op de loer gelegen om achter de reden van zijn toewijding te -komen, maar den derden avond verdween hij en ik heb hem nooit weer -gezien. Of de mannetjes lui zijn en zich uit de voeten maken, of -dat ze de bloeddorstige gewoonte van veel manlijke vogels en andere -dieren hebben om hun jongen te dooden en daarom door de wijfjes worden -weggejaagd, heb ik niet kunnen uitmaken. - -Deze vogels zijn buitengewoon schadelijk in water waar forellen -zitten. Dat een kampeerder ze 's zomers spaart is uit belangstelling -voor de jongen en vooral om de toewijding van de moeder. Als ze -het minderwaardige mannetje echter aantreffen, wordt hij netjes op -'t menu gezet bij andere lekkernijen. 't Gebeurt wel eens dat je een -broedsel overvalt op een snel stroomende rivier. Dan zijn ze eerst -recht van streek! Zoodra ze maar een glimp van de kano zien, maken ze -dat ze wegkomen en zwiepen het water tot schuim in hun vlucht. Niet -aleer ze om de bocht uit het gezicht zijn, hooren ze 't geklok dat -hun zegt weg te schuilen. Sommige vinden niet gauw een schuilplaats -op het vreemde water. De moeder haast ze en verwilderd jagen ze rond -als de snel voortglijdende kano de bocht om komt. Op een noodkreet -van haar gaan ze er alle weer van door, want zelfs den zwakste wil -ze niet met rust laten. Weer verdwijnen ze om den hoek en trachten -zich te verstoppen, weer haalt de kano ze in, en zoo gaat het verder, -mijl na mijl, tot een zijtak of moeraswater dat in de rivier uitmondt -een weg tot ontsnapping biedt. Dan zoeken de kleintjes als een pijl -uit den boog de beschutting van de oevers en glijden geruischloos -stroomop, terwijl de moedervogel net voor de kano de rivier af blijft -fladderen. Als ze die naar haar meening ver genoeg voor de veiligheid -heeft weggelokt, gaat ze vliegen en keert naar haar jongen terug. - -Hun uithoudingsvermogen is merkwaardig. Eens, op de Restigouche, -verschrikten we laat op den middag een broed jongen. We dreven voort -in een flinken stroom, op zoek naar een plaats om te kampeeren, -en hadden weinig aandacht voor de vogels, die ons nooit ver genoeg -vóór konden komen om zich veilig te verschuilen. Vijf mijlen [2] -ver bleven ze ons voor, terwijl ze bij elke nieuwe baan uit het water -flodderden en ons ver achterlieten, met een vaart die rechtaan rechtuit -ging. Terwijl we onze tenten opsloegen, waren ze nog stroomaf van -ons. Bij het invallen van de schemering zat ik onbeweeglijk aan de -rivier, toen een lichte beweging ginds bij den tegenovergestelden -oever mijn aandacht trok. Daar was de moedervogel, die onder de -neerhangende struiken heimelijk stroomop gleed. De jongen kwamen er -in een enkele rij achteraan. Nu was er geen watergeplas. Schaduwen -waren niet geruchtloozer. - -Tweemaal heb ik ze sindsdien zoo zien doen. Ik twijfel er niet aan -of ze zijn dien avond heelemaal naar de plek waar ze aan 't eten -zoeken waren en waar wij ze den eersten keer opgeschrikt hadden -teruggekeerd, want evenals bij de ijsvogels schijnt elke vogel zijn -eigen gedeelte van de rivier te hebben. Hij vischt nooit in het water -van zijn buurman en zal het nooit dulden dat er in het zijne gestroopt -wordt. Op de Restigouche vonden we om de paar mijlen een broedsel; -op andere rivieren, minder goed van forel voorzien, zijn ze niet -zoo talrijk. Op meren is er dikwijls aan weerskanten een broedsel, -maar ofschoon ik ze zorgvuldig heb gadeslagen, ik heb ze nooit naar -elkanders vischwater zien oversteken. - -Op de Groote Toledi zag ik eens een eigenaardig staaltje van hun -opvoeding. Ik pagaaide op een dag over het meer, toen ik zag hoe een -zaagbek haar jongen een kleine baai binnenleidde, waar ik wist dat -het water ondiep was, en dadelijk begonnen ze daar kopje te duikelen, -hoewel erg onbeholpen. Ze kregen klaarblijkelijk hun eerste onderricht -in het duiken. Den volgenden middag was ik daar weer in de buurt. Ik -had met visschen--of liever met kikkersvangen--gedaan, had de kano -in wat hoog gras uit het oog geduwd en zat daar maar zoowat te luieren. - -Een muskusrat kwam er aan, wreef met haar neus langs de kano en -knabbelde een leliewortel op, voordat ze mij merkte. Een school -voorntjes speelde tusschen het riet vlak bij. Een waterjuffer stond op -haar kop tegen een riethalm--wat me een heel moeilijke kunst leek. Ze -was net met een kronkeling bezig die me onbegrijpelijk voorkwam, toen -een hert langs den oever kwam trippen en me niet eens zag. Niets doen -is loonend onder zulke omstandigheden, al was het alleen maar om de -kijkjes die het op het dierenleven geeft. Het gebeurt zoo zelden dat -we in de natuur een onbevangen dier zien. - -Toen kwam Kwasleko weer met haar jongen in de ondiepe baai en -onmiddellijk begonnen ze net als den vorigen keer kopje te duikelen. Ik -vroeg me af hoe de moeder ze toch liet duiken, tot ik door mijn kijker -keek en zag dat de kleintjes af en toe wat naar boven brachten om te -eten. Maar in dat warme, ondiepe water was toch stellig geen visch te -vangen. Plotseling kreeg ik een ingeving en ik duwde de kano het gras -uit, wat het troepje in wilde verwarring het meer overjoeg. Daar, op -den zwarten bodem, lag een dozijn jonge forellen, alle pas gevangen -en alle met de zwemblaas door den scherpen snavel van de moeder -stukgepriemd. Wel had ze hun middagmaal geschaft, maar ze had het -naar een geschikte plaats gebracht en liet ze duiken om het te krijgen. - -Toen ik naar het kamp terugpagaaide, dacht ik aan de manier waarop -de Indianen hun jongens leerden schieten. Ze hingen hun eten in de -boomen buiten hun bereik en lieten ze het touw waaraan het vastzat -met een pijl doorschieten. Hebben de Indianen dat bedacht, vraag -ik me af, met hun juisten kijk op de dingen, bijna even natuurlijk -als die van de vogels, of was het denkbeeld daartoe lang geleden een -Indiaanschen jager ingefluisterd, toen hij Merganser bezig zag haar -jongen te leeren duiken? - -Van alle broedsels, die ik in de wildernis heb aangetroffen, was er -geloof ik maar één dat mij en mijn kano ooit zóó leerde kennen, dat -het minder bang voor me was dan de andere. Het was op een meertje in -'t hart van de bosschen, waar we op onzen tocht lang bleven hangen, -deels bekoord door de schoonheid van het plekje en deels door het feit -dat er twee of drie beren rondzwierven, die ik soms in de schemering -op den oever van het meer ontmoette. De jongen waren even wild als -van andere broedsels, maar ik trof ze dikwijls en ze vonden mijn kano -soms onbeweeglijk en onschadelijk in hun buurt liggen, zonder dat ze -precies wisten hoe die daar kwam. Na een dag of wat bekeken ze mij -slechts met onrust en nieuwsgierigheid, tenzij ik te dichtbij kwam. - -Er waren er zes in dat broedsel. Vijf waren stevige kwantjes, die -'t water achter zich deden koken als ze 't meer overschoten, maar het -zesde was een teer ding. Misschien had een havik het te pakken gehad, -of een groote forel of een mink, of had het een botje doorgeslikt, of -misschien was het wel zoo'n zwak kereltje, zonder dat een oorzaak van -buitenaf hem zoo gemaakt had. Altijd als het troepje opgeschrikt werd, -worstelde hij een poosje dapper om ze bij te houden; daarna bleef -hij steeds achter. Dan kwam de moeder terug om hem aan te moedigen -en te helpen, maar het gaf weinig: hij was niet sterk genoeg. En het -laatste dat ik altijd van ze zag, was een schuimend spoor dat om een -landtong in de verte verdween, terwijl heelemaal in de achterhoede -een waterplooi was, waar het kleine ding nog aandoenlijke pogingen -in het werk stelde om weg te komen. - -Eens op een middag gleed de kano om een landtong en was bijna -tot bij het troepje gevaren voor ze haar zagen, zoodat ze -danig schrokken. Oogenblikkelijk maakten ze dat ze wegkwamen: -plasse-plasse-plasse-plas, terwijl ze zich bijna uit het water -beurden met hun snel-zich-roerende pootjes en hun kleine vlerken. De -moedervogel vloog op, keerde terug en kruiste met luid gekwaak voor den -boeg van mijn kano heen en weer. Het zwakkelingetje was achter, als -gewoonlijk, maar in een plotselinge aanvechting van nieuwsgierigheid -of slechtheid--want ik voelde werkelijk met het kleintje mee--liet ik -de kano voorwaarts schieten, bijna tot waar het was. Hij trachtte te -duiken, raakte in zijn angst in een leliestengel verward, dook op, -schoot weer onder, en ik zag het tien voet verder in wat riet weer -bovenkomen, waar het onbeweeglijk en bijna onzichtbaar tusschen de -bladen en de gele stengels bleef zitten. - -Wat was het bang! Maar wat zat het toch stil! Wanneer ik mijn oogen -ook maar even van hem afwendde moest ik weer zoeken, soms twee of -drie minuten, eer ik hem daar zien kon. - -Ondertusschen gingen de andere bijna tot aan den tegenovergestelden -oever eer ze stilhielden, en de moeder, eindelijk gerustgesteld door -mijn kalmte, vloog naar den overkant en kwam tusschen hen neer. Ze -had het kleintje niet gezien. Door mijn kijker zag ik haar steeds -om hen heen fladderen, om toch maar zeker te zijn dat ze er alle -waren. Toen miste zij het. Dat kon ik uit al haar bewegingen zien. Ze -moet dunkt me geklokt hebben, want de jongen verdwenen plotseling en -ze kwam haastig den weg dien ze gekomen was terugzwemmen, kijkend, -turend overal. Ze ging op een veiligen afstand om de kano heen, -terwijl ze tusschen 't gras en de leliebladen zocht en het zachtjes -toeriep voor den dag te komen. Maar het was heel dicht bij de kano en -hevig verschrikt. De eenige uitwerking van haar geroep was dat het -zich stijver tegen de riethalmen drong, terwijl de heldere oogjes, -groot van angst geworden, op mij gevestigd waren. - -Langzaam liet ik de kano achteruitglijden, totdat ik om de landtong uit -'t gezicht was, ofschoon ik de moeder nog kon zien door de struiken. Ze -zwom haastig rond, daar waar de kano geweest was, en riep luider; -maar het kleintje had zijn vertrouwen in haar verloren of was te -zeer verschrikt: het wilde niet voor den dag komen. Ten langen leste -ontdekte zij het en met gekwaak en vleugelgeklepper, die me eenigszins -overspannen leken, trok ze het uit zijn schuilplaats. Wat een drukte -maakte ze over hem! Wat haastte en hielp en prees en beknorde ze het -den heelen weg over, en wat flodderde ze voor hem uit en klokte het -troepje uit zijn schuilplaats om het tegemoet te komen! Toen, met al -haar jongen om zich heen, zeilde ze de landtong om, de rustige baai -binnen die hun oefenschool was. - -En terwijl ik langzaam in de ondergaande zon over 't spiegelgladde -water het meer opdreef, peinsde ik hoe menschelijk dat alles was: -"Zal hij niet de negen-en-negentig laten, en op de bergen heengaande -het afgedwaalde zoeken?" [3] - - - - - - - - -EEN WILDE EEND. - - -De titel zal den meesten jongens een lijn op den najaarshemel bij -zonsondergang voor den geest roepen, waar iets geheimzinnigs aan is; -of anders een donkeren driehoek die zich hoog en snel zuidwaarts -beweegt, tegen Dankdag. Enkelen, die bosschen en velden om hun -woonplaats goed kennen, mag hij doen denken aan een eenzaam vijvertje, -waaruit een donkere vogel snel opstijgt, ver buiten zijn bereik, -die de waterrimpels achterlaat spelend tusschen het riet. Aan wie -gewend zijn goed uit te kijken zal hij nog vijf of zes vogels te -binnen brengen, kleine, donzige beestjes, die veilig tusschen wortels -en gras wegschuilen, zoo stil, dat iemand zelden hun aanwezigheid -vermoedt. Maar de eend, zooals het meeste jachtwild, houdt van de -eenzaamheid, en de jongens moeten zich tevreden stellen met slechts -af en toe een glimp. - -Dit geldt vooral van de donkere eend, meer algemeen onder den naam -van zwarte eend bij de jagers bekend; want zij is een echte wilde -eend, zoo wild dat je haar met een geweer moet bestudeeren en lang -bestudeeren eer je veel van haar afweet. Op een gewonen zwerftocht -met een kijker, de oogen goed open, zou je haar in de verte kunnen -zien, een zeldzaam gezicht, maar slechts wie haar winter voor, -winter na als jager volgt, met heel wat meer ontmoediging dan succes, -leert allerlei kleine bijzonderheden uit haar intieme leven kennen; -want de schuwheid is haar aangeboren en er is geen ervaring met een -mensch toe noodig om die te ontwikkelen. Op de eenzame meren midden -in een Canadeesch woud, waar ze den mensch misschien voor het eerst -ontmoet, is ze dezelfde als wanneer ze nestelt aan het uiteinde van -den een of anderen molenvijver in 't gezicht van een drukke stad -in Nieuw-Engeland. Andere eenden kunnen bijtijds tam gemaakt worden -en als lokeend gebruikt, maar zij niet. Verscheiden keer heb ik het -met gekortwiekte exemplaren geprobeerd, maar de uitslag was altijd -hetzelfde. Ze werkten dag en nacht om te ontsnappen, terwijl ze alle -voedsel, zelfs water weigerden, tot ze hun omheining uitbraken of -bijna stierven van honger, en dan liet ik ze los. - -Zeker voorjaar besloot een boer met wien ik soms ga jagen het eens -met jonge vogels te probeeren. Hij had het nest van een zwarte eend -in een dicht begroeid moeras vlak bij een zoutkreek gevonden en had -de eieren met wat andere onder een tamme eend laten uitbroeden. Elken -keer dat hij het hok naderde doken de kleintjes weg en verscholen zich, -en ze konden er niet toe gebracht worden zich te vertoonen, ofschoon -hun tamme kameraadjes heel tevreden aan 't pikken en ronddribbelen -waren. Na een paar weken, toen hij meende dat ze eenigszins aan hun -omgeving gewend waren, liet hij 't heele broedsel den oever afgaan -stroomaf, net voorbij zijn huis. Nauwelijks waren ze vrij, of de -wilde vogels scharrelden haastig het riet in, zoodat je ze niet meer -zien kon, en hoe angstig de moedereend van haar kant ook kwaakte, -ze vermocht ze niet in gevangenschap terug te brengen. Hij heeft ze -nooit weergezien. - -Die gewoonte van de jonge vogels om zich onzichtbaar te maken door -weg te duiken, is een veiligheidsmaatregel dien ze herhaaldelijk -toepassen. Op bijna elken afgelegen vijver of meer in Nieuw-Engeland -waar de vogels in 't vroege voorjaar hun nesten komen bouwen is -zoo'n broedsel te vinden. Wie van een verscholen plekje aan den oever -toekijkt ziet ze duiken en rondzwemmen in de grootste vrijheid, overal -op jacht naar eten. Het volgende oogenblik verspreiden ze zich en zijn -zoo plotseling verdwenen, dat je je bijna de oogen uitwrijft om je te -vergewissen dat de vogels werkelijk weg zijn. Wie dicht genoeg in de -buurt is (niet waarschijnlijk, tenzij hij heel behoedzaam te werk ging) -heeft een zacht geklok van de oude moeder gehoord, die nu met haar hals -rechtop uit het water zoo stil zit, dat zij makkelijk voor een van -de oude stronken of uitsteeksels waar ze hun voedsel tusschen zoeken -gehouden kan worden. Ze kijkt rond om te zien of de kuikens alle goed -verscholen zitten. Na een poosje klinkt er weer een geklok dat heel -veel op het eerste lijkt, en kleine donzige diertjes komen uit het riet -duikelen of van vlak naast de stronken, waar je een oogenblik te voren -nog keek zonder iets te zien. Dit wordt met herhaalde tusschenpoozen -overgedaan, want de bedoeling is klaarblijkelijk de jonge vogels er -aan te wennen onmiddellijk weg te schuilen zoodra een gevaar nadert. - -Maar de oude vogel is zoo waakzaam, dat er maar zelden onraad dreigt -zonder dat zij er van weet. Zijn de jongen goed verstopt op de eerste -aankondiging van den vijand, dan vliegt ze op en laat ze achter, -om als 't gevaar geweken is terug te keeren en ze nog roerloos in -hun schuilhoek gedoken te vinden. Wanneer ze overvallen wordt, doet -ze als andere vogels die gejaagd worden--floddert onder veel geplas -voort met een vleugel slepend alsof ze gewond was, tot ze je weggeleid -heeft van de jongen, of je aandacht lang genoeg bezig gehouden heeft -en ze veilig verscholen zijn; dan vliegt ze op en laat je achter. - -De gewoonte om zich te verschuilen komt er bij de jonge vogels zoo -vast in, dat ze er nog op vertrouwen lang nadat de vleugels gegroeid -en zij zelf in staat zijn vliegend te ontkomen. - -Ik heb in 't vroege voorjaar den boeg van mijn kano wel eens bijna over -een volwassen vogel gejaagd die in een graspol verscholen lag, voordat -hij de lucht in schoot. Een maand later kon dezelfde kano nauwelijks -die plaats tot op een kwart mijl naderen of hij sloeg op de vlucht. - -Als ze eenmaal op hun vleugels hebben leeren vertrouwen, geven -ze 't wegschuilen op voor de snelle vlucht. Maar ze vergeten hun -jeugdoefening nooit en wanneer ze gewond zijn, verstoppen ze zich -zoo listig dat het merkwaardig is. Tenzij je een goeden hond hebt, -is het bijna nutteloos om een aangeschoten eend te zoeken als ze de -een of andere dekking kan bereiken. Zich verstoppen onder een oever, in -'t hol van een muskusrat krabbelen, zich een weg wurmen onder een hoop -dor gras of een pak bladen, steeds om een groep struiken heenzwemmen -net buiten den gezichtskring van haar vervolger, duiken en weer boven -komen achter een pol gras--ziedaar enkele van de manieren waarop ik -weet dat een zwarte eend tracht te ontsnappen. Twee keer heb ik van -oude jagers gehoord dat ze een vogel hadden gevonden, die zich onder -water aan een bosje gras vastklemde, ofschoon ik het nooit gezien heb. - -Eens heb ik, verdekt opgesteld, een zwarte eend naar den oever -zien zwemmen, landen en in een kleine groep boschbessen zien -verdwijnen. Karl, dien ik bij me had, draafde er heen om haar te -krijgen, maar gaf het na een halfuur zoekens op. Toen probeerde ik het, -maar gaf het ook op. Een uur later zagen we den vogel uit dezelfde plek -komen waar we gezocht hadden en 't water ingaan. Karl schoot met een -kreet te voorschijn en de vogel verborg zich weer in de struiken. Weer -doorzochten we de groep aan alle kanten, maar we konden geen eend -ontdekken. We keerden ons een tweeden keer af, toen Karl uitriep: -"Kijk eens!"--en daar, in 't volle gezicht, bij den eigen witten -steen waar ik haar had zien verdwijnen, was de eend, of liever de -roode poot van de eend, die uit een wirwar van zwarte wortels stak. - -Bij de eerste felle vorst, die dreigt de vijvers, waar ze den -zomer in doorgebracht hebben, met een ijslaag te bedekken, gaan de -inlandsche vogels naar de zeekust, waar het den heelen winter zoo'n -beetje heen-en-weer trekken is. De groote massa der eenden beweegt -zich langzaam aan naar 't Zuiden als 't een strenge winter wordt; -maar als er een overvloed van voedsel is, overwinteren ze langs de -heele kust. Dan kunnen ze het best bestudeerd worden. - -Overdag zijn ze opgeborgen in stille meertjes en schuilplaatsen, -of rusten ze in groote scharen op de zandbanken goed buiten bereik -van land en gevaar. Als het mogelijk is kiezen ze het eerste, omdat -dit hun frisch water in overvloed verschaft, wat een dagelijksche -behoefte is, en omdat ze, anders dan de duikeenden [4], die dikwijls -in grooten getale op dezelfde zandbanken worden aangetroffen, er niet -van houden zoo eindeloos op de golven rond te dobberen. Maar achter -in den herfst verlaten ze de meren en worden daar zelden meer vóór -de lente aangetroffen, zelfs al is het water open. Ze zijn heel bang -ingevroren te raken of ijs aan hun veeren te krijgen en hebben hun -versche water liever bij de mondingen van kreken en sprengen. - -Met al hun voorzichtigheid--en ze zijn heel goede weerprofeten, -die de getijden en de komst van stormen net zoo wel kennen als de -dagen dat stroomend water bevriest--komen ze toch soms bedrogen -uit. Eens heb ik een koppel van vijf in grooten nood aangetroffen, -die terwijl ze sliepen stellig in het dunne ijs waren vastgevroren -met hun kop in de vleugels gestoken. Een anderen keer vond ik één -vogel die rondfladderde met een groot stuk ijs en modder aan zijn -staart. Hij had waarschijnlijk bij ebbe een massa insecten ergens in -de zachte modder gevonden en was daar te lang gebleven, terwijl de -thermometer op 't vriespunt stond. - -'s Nachts is hun etenstijd. Aan de kust komen ze met de schemering -'t land invliegen om voedsel te halen. Mist maakt dat ze de kluts -kwijt raken, en geen vogel vliegt graag in den regen, omdat deze de -veeren zwaar maakt; dus op mistige of regenachtige namiddagen komen -ze vroeg of heelemaal niet 't land in. - -De meest geliefkoosde plek voor hun maaltijden is een zout moeras -met bronnen en kreken van brak water. Zaden, wortels, zacht gras -en slakken en insecten, die in de modder achter zijn gebleven bij -laag tij, zijn hun gewone wintervoedsel. Als die schaarsch worden, -gaan ze met de duikeenden naar de mosselbanken; dientengevolge wordt -hun vleesch sterk en vischachtig. - -Als de eerste vogels vóór donker aankomen waar ze hun voedsel zoeken, -gaan ze met de grootste omzichtigheid te werk en bespieden niet -alleen het meertje of de kreek maar de heele omgeving, voordat ze -neerdalen. De vogels die volgen vertrouwen op het onderzoek van die -'t eerst gekomen zijn en strijken gewoonlijk zoo neer. Daarom is -het goed dat wie ze om dezen tijd poogt waar te nemen, er levende -lokeenden op nahoudt en als 't mogelijk is de hinderlaag waarachter -hij zich verdekt wil opstellen al een dag of wat van te voren gemaakt -heeft, zoodat de vogels, die misschien al op die plek hun voedsel -gezocht hebben, geen ongewoon ding zien als ze er aankomen. Wanneer -het een nieuwe hinderlaag is, zullen alleen vreemde vogels regelrecht -naar de lokeenden toevliegen. Die er eerder geweest zijn zullen òf -vol schrik afzwenken òf anders de schuilplaats heel behoedzaam aan -alle kanten onderzoeken. Als je nu kunt wachten en doodstil zitten, -zullen de vogels ten leste vlak boven de hinderlaag komen vliegen -om er in te kijken. Dat is je eenige kans en je moet er snel gebruik -van maken wanneer je eend voor je middagmaal denkt te eten. - -Met maanlicht kun je aan de rivier in 't volle gezicht van je lokeenden -gaan zitten en de wilde vogels zoo lang je wilt bekijken. Het is -slechts zaak doodstil te zitten. Maar het loont niet erg, want je kunt -nooit zien wat ze uitvoeren. Eens had ik er een dertig of veertig op -die manier vlak om me heen. Een plotselinge beweging met mijn hoofd, -toen een vleermuis tegen mijn wang aanflapte, joeg ze alle in wilde -vlucht naar den open oceaan. - -Iets merkwaardigs, bij deze vogels vaak waargenomen als ze 's avonds -komen aanvliegen, is dat ze 't in hun macht hebben om hun vlucht al -naar ze willen sterk hoorbaar of bijna geruischloos te maken. Soms is -'t geruisch zoo licht dat je het nauwelijks hoort, behalve als het -doodstil in de lucht is; dan weer is het een krachtig wisj, wisj, -dat op een afstand van een kleine tweehonderd meter te vernemen -is. De eenige verklaring die ik aan de hand kan doen is dat het als -een soort sein gebeurt. Overdag en op lichte avonden hoort men het -zelden, maar op donkere avonden heel dikwijls, en het wordt altijd -beantwoord door 't gekwaak van vogels die al aan 't voedselzoeken zijn, -waarschijnlijk om de komenden te leiden. Hoe ze het doen staat niet -vast; waarschijnlijk op een zelfde wijze als de nachtzwaluw haar -eigenaardig snorrend geluid maakt--niet met den open bek, zooals -gewoonlijk verondersteld wordt, maar door even de slagpennen uit de -vleugels te keeren, zoodat de lucht ze doet trillen. Hier kunt ge -de proef van nemen als ge wilt, door tegen de eerste de beste stijve -veer te blazen. - -Op stormachtige dagen strijken de vogels, in plaats van op de -zandbanken te gaan rusten, bij een verlaten deel van het strand neer, -en na zorgvuldig een paar uren te hebben rondgespied, om er zeker van -te zijn dat er geen gevaar dreigt, zwemmen ze naar wal en verzamelen -zich in groote klompen op een beschutte plek onder den oever. Het -is wel een verleidelijk schouwspel daar misschien een honderd van -die prachtige vogels dicht op elkaar gepakt op het strand te zien, -de meeste met den kop onder de veeren gestoken, vast in slaap; maar -als je hen wilt verrassen moet je als een slang worden en kruipen -en geduld oefenen. Over het strand aan weerszijden verspreid, staan -eenzame vogels of groepjes die blijkbaar als schildwachten dienst -doen. De kraaien en zeemeeuwen vliegen onophoudelijk langs de lijn van -'t getij om voedsel te zoeken, en als ze over een van deze groepjes -eenden vliegen, stijgen ze onveranderlijk in de lucht en kijken over -den heelen oever uit. Je moet goed verscholen zitten wil je aan die -heldere oogen ontgaan. De eenden verstaan de kraaien- en meeuwentaal -uitstekend en stellen groot vertrouwen in deze vriendschappelijke -wachtposten. De meeuwen schreeuwen en de kraaien kaën den heelen dag -door en geen eend licht haar kop uit den vleugel; maar op hetzelfde -oogenblik dat kraai of meeuw, wie ook, haar sein van gevaar geeft, -is elke eend de lucht al in, regelrecht van de kust af. - -Die voortdurende waakzaamheid van de zwarte eenden is misschien -wel het merkwaardigste aan haar. Wanneer ze 's avonds voedsel aan -'t zoeken zijn in een eenzaam moeras, of overdag diep in 't hartje -van het drassige land verscholen liggen, schijnen ze nooit ook maar -een oogenblik te vergeten op hun hoede te zijn, evenmin alleen op -hun schuilplaatsen te vertrouwen voor bescherming. Zelfs als ze -vast liggen te slapen tusschen 't moerasgras, met den kop onder de -vleugels gestoken, is er een zenuwachtige waakzaamheid in de houding -alleen al, die aan gevaar doet denken. Gewoonlijk moet je je tevreden -stellen met ze door een kijker te bestudeeren; maar eens had ik een -heel goede gelegenheid ze van vlakbij te bekijken, ze als 't ware de -loef af te steken in hun eigen spelletje van verstop. Het was op een -grazig meertje, ingesloten door hooge heuvels in de open moerassen van -Nantucket. Het meertje lag midden in een vlakte, misschien een negentig -meter van den naasten heuvel. Geen boom of rots of struikgewas bood -eenige schuilplaats aan den vijand; de eenden konden daar slapen, -even zeker dat ze 't naderend gevaar zouden zien aankomen alsof ze -op den open oceaan waren. - -Op een herfstdag kwam ik eens langs die plek, en terwijl ik behoedzaam -over den top van een heuvel keek zag ik een eenzame zwarte eend uit -het moerasgras aan den oever van het meer te voorschijn zwemmen. De -koele bries in mijn gezicht bracht me er toe een poging te wagen naar -beneden te kruipen, tot dicht bij den oever, om te zien of het mogelijk -zou zijn daar vogels te naderen als ik er op mijn volgende jacht wat -vond. Vlak onder me, aan den voet van den heuvel, was een moerassig -stroompje dat naar het meertje vloeide, en gras van bijna een voet -hoog groeide langs zijn kanten. Dat moest ik zien te bereiken. Na -een paar minuten te hebben rondgekeken verdween de eend weer in het -gras en de biezen en ik begon den heuvel af te kruipen met mijn blik -onafgebroken op het meer. Halverwege was ik naar beneden toen er weer -een eend verscheen, en ik liet me plat op de helling vallen in 't -volle gezicht. Natuurlijk zag de eend het vreemde ding wel. Er ontstond -beroering in het gras; hier en daar kwamen kopjes te voorschijn. Het -volgende oogenblik waren er tot mijn groote verbazing wel meer dan -vijftig zwarte eenden in de grootste onrust aan 't rondzwemmen. - -Ik bleef doodstil liggen kijken. Vijf minuten gingen voorbij; toen -hield alle beweging in den plas plotseling op; elke eend zat met den -nek rechtop uit het water mij strak aan te kijken. Zoo stil waren -ze, dat men ze makkelijk voor stronken of veenklompen kon hebben -gehouden. Na een paar minuten op deze manier gekeken te hebben schenen -ze voldaan en gleden ze terug in het gras, telkens een paar tegelijk. - -Nauwelijks waren ze alle verdwenen of ik liet me den heuvel -afrollen, bereikte het stroompje en werd door en door nat toen -'k er in plaste. Daarna ging 't vooruitkomen zonder ontdekt te -worden gemakkelijker, want zoodra een eend zich vertoonde om rond -te kijken--wat in 't eerst bijna elke minuut gebeurde--kon ik me -onzichtbaar in 't gras laten vallen. - -In een half uur had ik den rand van een lagen oever bereikt, goed -met grof watergras en biezen bedekt. Voorzichtig schoof ik dat weg, -keek er door, en mijn adem stokte me bijna in de keel, zoo dichtbij -waren ze. Vlak onder me, geen zes voet van me af, was een groote woerd, -met zijn kop zoo dicht tegen zijn lichaam, dat ik me afvroeg wat hij -met zijn nek had uitgevoerd. Zijn oogen had hij dicht; hij was vast -in slaap. Vóór hem waren acht of tien of meer eenden dicht bijeen, -alle met den kop onder de vleugels, overal in het riet verspreid, -die sliepen of bezig waren in hun glimmend zwarte veeren te pluizen. - -Behalve 't genot ze gade te slaan, de eerste zwarte eenden die ik -ooit zoo argeloos gezien had, smaakte ik de voldoening te overdenken -hoe prachtig ik ze te slim af geweest was bij hun eigen spelletje van -scherp-uitzien. Wat zouden ze opgevlogen zijn, als ze slechts geweten -hadden wat daar in 't riet lag zoo vlak bij hun schuilplaats! Elk -oogenblik in den beginne, als ik een paar zwarte oogjes knippen of een -kop van onder een vleugel uit zag komen, voelde 'k me ineenkrimpen bij -de gedachte dat ik ontdekt was; maar dat werd na een poosje beter, -toen ik merkte dat de oogjes nog al slaperig knipten en de halzen -alleen te voorschijn gebracht werden om ze uit te rekken, zooals wij -eens op ons gemak zouden gapen. - -Eens werd ik op heeter daad betrapt, maar gras en biezen en 't feit -dat ik zoo vlak bij was redden me. Ik had mijn hoofd opgebeurd en -lag met mijn kin in de handen vol belangstelling een jonge eend op -te nemen die heel uitvoerig toilet maakte, toen er van den anderen -kant plotseling een oude vogel in het open water schoot en me in -'t oog kreeg, terwijl ik me liet vallen om niet gezien te worden. Er -klonk een zacht, scherp gekwek dat elke eend onmiddellijk klaar wakker -uit haar schuilplaats te voorschijn bracht. Eerst schoolden ze alle -samen aan den anderen kant en staarden recht naar den oever waar ik -lag. Waarschijnlijk zagen ze mijn voeten die uit het riet staken, -want ik lag languit. Toen kwamen ze geleidelijk nader, tot ze weer -binnen den grilligen rand van het moerasgras waren. Sommige van hen -gingen geheel overeind op hun staart zitten door een heftig gebruik -van hun vleugels te maken, en rekten hun halzen uit om over den lagen -oever te kijken. Slechts doodstil te liggen was mijn behoud. Binnen -de vijf minuten waren ze weer rustig; zelfs de jonge eend scheen haar -ijdelheid vergeten en was gaan slapen met de andere. - -Een uur of drie lag ik ze daar door het riet te bespieden, en 't was -wel heel onbeleefd dat 'k daar maar zoo in de intimiteit van hun -huiselijk leven neusde. Toen de lange schaduw van den westelijken -heuvel zich over den poel uitstrekte tot ze den oostelijken oever -verduisterde, ontwaakten de eenden een voor een uit haar dutje en -begonnen ze rond te scharrelen om haar vertrek voor te bereiden. Weldra -waren ze midden in het open water verzameld, waar ze een oogenblik -heel stil bleven zitten met opgeheven koppen, klaar. Als er een sein -gegeven is heb ik het niet gehoord. Op één en hetzelfde oogenblik -sloeg elk vleugelpaar met een harden klets op het water en ze schoten -steil naar boven, op die merkwaardige manier die ze hebben, alsof ze -door een sterke veer geworpen worden. Een oogenblik leek het alsof -ze roerloos hoog boven het water in de lucht hingen; toen zwenkten -ze en verdwenen haastig over den oostelijken heuvel naar de moerassen. - - - - - - - - -HET NEST VAN EEN ORIOLE [5]. - - -Wat al gedachten roept het op, zooals het daar door zonlicht en -schaduw aan de lange, neerhangende toppen van de oude iepetakken -wiegelt. En wat een verrukkelijke wieg voor de jonge orioles: den -lieven, langen dag heen en weer geschommeld op elk zuchtje van de -zomerkoelte door de reetjes te kijken als de wereld voorbijzwaait, -of met heldere oogjes naar den jongen beneden te gluren die tevergeefs -naar boven loert, of naar de hooiberg, die in 't voorbijgaan langs ze -strijkt, en vroolijk te fluiten al waait het hard of zacht, en nooit -eenigen angst voor vallen te hebben. De moeder moet er als ze op de -vlindervangst uittrekt wel heel gerust op zijn, want geen vogelvijand -kan de kleintjes wat doen als zij uit is. De zwarte slang, die schrik -van alle laagnestelende vogels, zal nooit zoo hoog klimmen. De roode -eekhoorn--kleine schavuit die hij is, om jonge vogeltjes te eten als -hij nog een schepel koren of noten in zijn ouden muur heeft--kan geen -houvast voor zijn pootjes op die ranke takjes krijgen. En de kraai -kan net zoo min een steunplaats vinden om van daaruit de jongen te -stelen: en de pooten van den havik zijn niet lang genoeg om naar -beneden te reiken en ze te grijpen, wanneer hij zich toevallig eens -in de buurt van het huis zou gewaagd hebben en een oogenblik boven -het nest zweefde. - -Daarenboven is de oriole een gezellig klein ding en dat helpt -hem. Ofschoon de jongen voor alle gevaar behoed worden door het listige -instinct dat een hangend nest maakt, bouwt het wijfje toch liever -in de buurt van het huis waar haviken en kraaien en uilen zelden -komen. Zij kent haar vrienden en trekt voordeel uit hun bescherming -door jaar in, jaar uit naar denzelfden ouden iep terug te keeren en -als een zuinig huismoedertje zorgvuldig de goede draden van haar door -stormen vergane oude huisje op te sporen en uit te zoeken om gebruikt -te worden bij het bouwen van het nieuwe. - -In de laatste jaren scheen het me soms dat die aardige nesten aan -afgelegen straten van steden in Nieuw-Engeland zeldzamer worden. De -orioles zijn vogels die van den vrede houden en ze hebben een hekel -aan 't gezelschap van die luidruchtige, vechtlustige kleine rakkers, -de musschen, die in den laatsten tijd bezit hebben genomen van onze -straten. Dikwijls vind ik nu de nesten ver verwijderd van eenig huis, -aan eenzame wegen waar ze een paar jaar geleden nog zelden werden -waargenomen. Soms ook heeft een eenzame boerderij, te ver van stad -om veel door musschen te worden bezocht, twee of drie nesten in de -oude iepen om zich heen wiegelen, waar er vroeger maar één was. - -Het is een merkwaardig bewijs voor 't schrander instinct van den vogel, -dat waar de nesten aan stille wegen en ver van de huizen gebouwd -worden, ze aanmerkelijk dieper zijn en zoodoende beter tegen vijanden -beschermd. Hetzelfde is soms opgemerkt bij nesten in eschdoorns of -appelboomen gebouwd, die de bescherming van afhangende twijgen waar de -roofvogels geen houvast op kunnen vinden missen. Enkele wijze vogels -verschaffen zich dezelfde bescherming door eenvoudig den hals van het -nest nauwer te maken in plaats van een diep te bouwen. Het is alsof -jonge vogels die voor 't eerst nestelen bang zijn op de stevigheid -van hun eigen weefsel te vertrouwen. Hun nesten zijn nooit anders -dan ondiep en hebben dus het meest van roofvogels te lijden. - -In de keuze van het bouwmateriaal zijn de vogels heel zorgvuldig. Ze -weten best dat geen tak het nest van onderen schraagt, dat -de veiligheid van de jonge orioles afhangt van deugdelijk, sterk -materiaal dat goed samengeweven is. Door het een of andere wijze -overleg schijnen ze met één blik te weten of een draad stevig genoeg is -om betrouwbaar te zijn; maar ook wel gaan ze niet op het uiterlijk af, -als ze de eerste draden uitzoeken die 't volle gewicht van het nest -moeten dragen. Dan kun je een paar vogels aan 't touwtrekken zien: -de pootjes schrap, als een paar terriërs aan den draad rukkend en -trekkend tot ze goed op de proef is gesteld. - -Bij 't verzamelen en beproeven van de bouwstoffen voor een nest toonen -de orioles niet weinig vindingrijkheid. Een jaar of wat geleden lag -ik eens onder wat struiken naar een paar van die vogels te kijken -die dicht bij het huis aan 't bouwen waren. Het was echt een dag -om te nestelen; terwijl de zon haar heldere stralen door teergroene -bladeren en een heerlijkheid van witten appelbloesem liet stroomen, -de lucht vervuld was van warmte en geur, vogels en bijen overal in -de weer waren. Het is of orioles altijd gelukkig zijn, maar dien -dag vloeiden ze bijna over te midden van alle vroolijkheid, ofschoon -'t materiaal schaarsch was en ze heel ijverig moesten zijn. - -Het wijfje was druk in de weer, keerde nooit naar het nest terug zonder -dat ze wat aanbracht, terwijl het mannetje in de boomen ronddartelde -in zijn schitterend oranje en zwart, zijn warme, rijke tonen floot en -wel een schicht van de Zuiderzon leek te midden van de bloesems. Soms -staakte hij zijn pret om een eindje touw op te pikken, waar hij een -geïmproviseerd "jubilate" over aanhief, of om elken keer, dat zijn -wijfje iets bijzonder uitgezochts had gevonden, met haar naar het nest -te vliegen, terwijl hij dat zachte, volle gekwetter van hem uitte -in een mengeling van vleien en gelukwenschen. Maar zijn voornaamste -aandeel scheen er in te bestaan voor de feestelijkheid te zorgen, -terwijl zij het maken van het nest voor haar rekening nam. - -Vlak voor me, in de luwte van een ouden muur, lag een lapje waar -overal de losse draden uitstaken, van een stuk waschgoed door een -windvlaag van de lijn gerukt. Ik vroeg me af waarom de vogels -dat niet gebruikten, toen het mannetje het bij zijn levendig -heen-en-weer-gevlieg ontdekte en naar beneden vloog. Eerst hipte -hij er rond omheen, daarna probeerde hij eens een paar draden, maar -doordat het lapje los op het gras lag, kwam 't heele stuk mee als hij -trok. Een poosje werkte hij ijverig, door achtereenvolgens aan alle -kanten een ruk te probeeren. Eén keer tuimelde hij ondersteboven en -maakte een malle buiteling, want het stukje bleef achter een stobbetje -haken, maar liet los toen hij zich schrap had gezet en zoo hard als -hij kon trok. Eensklaps vloog hij weg en ik meende dat hij de poging -opgegeven had. - -Even later was hij er weer met zijn wijfje, stellig in de meening -dat zij als een handig huishoudstertje alles wel van zulke zaken -zou afweten. Als vogels niet praten, dan hebben ze toch een heel -vernuftige manier om elkaar aan het verstand te brengen wat ze denken, -wat op hetzelfde neerkomt. - -De twee werkten een minuut of wat samen, kregen af en toe een draad -te pakken, maar niet genoeg om de moeite te loonen. De moeilijkheid -zat 'em daarin, dat ze samen aan denzelfden kant trokken en dus niets -deden dan het lapje het heele grasveld rondsleepen, in plaats van er de -draden uit te rukken die ze noodig hadden. Een keer ontrafelden ze een -langen draad door er onder een rechten hoek aan te trekken, maar het -volgende oogenblik waren ze weer gezamenlijk aan denzelfden kant. Het -mannetje scheen te doen, niet zooals hem gezegd werd, maar precies -zooals hij zijn wijfje zag doen. Zoodra ze aan een draad trok, hipte -hij er heen, zoo dicht als hij maar bij haar kon komen, en rukte ook. - -Tweemaal hadden ze de poging opgegeven, maar ze kwamen terug, nadat ze -naarstig ergens anders gezocht hadden. Goede bouwstof was schaarsch -dat jaar. Ik vroeg me af hoe lang hun geduld zou duren, toen het -wijfje plotseling het lapje bij een tip greep, laag over den grond -wegvloog, terwijl zij 't achter zich aan sleepte en ondertusschen -hard sjilpte. Ze verdween in een meidoorn in een hoek van den tuin, -waarheen het mannetje haar een oogenblik later volgde. - -Nieuwsgierig naar wat ze uitvoerden en toch bang dat 'k ze zou storen, -bleef ik wachten waar ik was, tot ik beide vogels naar het nest zag -vliegen, elk met een paar lange draden. Dit gebeurde nog eens en -toen kreeg mijn nieuwsgierigheid de overhand. Terwijl de orioles die -laatste draden in hun nest vlochten, draafde ik het huis om, kroop -een heel eind achter den ouden muur langs en zoo naar een veilige -schuilplaats bij den meidoorn. - -De orioles hadden hun vraagstuk opgelost: het lapje was daar stevig -tusschen de doornen vastgemaakt. Weldra kwamen de vogels terug, en door -een paar draden aan het eind beet te pakken rafelden zij ze zonder -moeite uit. Het was maar 't werk van een oogenblik zooveel materiaal -te verzamelen als ze voor een weefsel gebruiken konden. Langer dan een -uur keek ik toe hoe ze naarstig bezig waren tusschen den meidoorn en -den ouden iep, waar het nest spoedig prachtig diep werd. Verscheiden -keer viel 't lapje van de dorens doordat de vogels er aan trokken, -maar elken keer dat dit gebeurde droegen ze het terug en maakten -ze het zorgvuldiger vast, tot het ten leste zoo gehavend was dat ze -er geen lange draden meer uit konden trekken, en toen lieten ze het -voorgoed in den steek. - -Dienzelfden dag bracht ik veelkleurige stukjes sajet en lint buiten en -strooide ze over het gras. De vogels vonden ze al gauw en gebruikten -ze bij 't voltooien van hun nest. Een poos lang was er nog nooit zoo'n -vroolijk huisje in een boom gezien. De levendige, kleurige plekjes -in het zachte grijs van de wanden gaven het nest steeds een Zondagsch -aanzien, dat net paste bij het goede humeur van de orioles. Maar tegen -den tijd dat de jongen uit den dop gekropen waren en 't plezier van -nestjesbouwen plaats gemaakt had voor de onophoudelijke zorg van -hongerige bekjes te vullen, hadden regens en zomerzon de heldere -kleuren tot een eentonig, sober grijs verbleekt. - -Dat was een gelukkig gezin van 't begin tot het einde. Er gebeurde -nooit iets mee; geen vijand verstoorde er den vrede. En toen de jonge -vogels naar het Zuiden waren getrokken, haalde ik het nest naar -beneden dat ik had helpen bouwen en hing het in mijn studeerkamer -als een herinnering aan mijn vroolijke buurtjes. - - - - - - - - -DE BOUWMEESTERS. - - -Eens stond ik in de schemering onverwachts tegenover een eigenaardig -stukje natuurleven. 't Was midden in den winter en er lag een dikke -sneeuw. Ik zat in m'n eentje op een omgevallen boom het opkomen van -de maan af te wachten, om het flauwe sneeuwschoenenspoor drie mijlen -over een vlakte te kunnen volgen, dan een mijl door een bosch naar -een ander spoor dat naar het kamp leidde. Ik had dien dag te ver -een rendier gevolgd, met dit resultaat dat ik op den tast in den -maneschijn langs mijn eigen spoor terugging, terwijl de thermometer -snel tot twintig graden onder nul daalde. - -In de bosschen is er nauwelijks sprake van een schemering; over tien -minuten zou het geheel donker zijn, en ik wenschte net dat ik dekens -en een bijl had, om te kunnen kampeeren waar ik was, toen een groote, -grijze schaduw door de boomen op me af kwam sluipen. Het was een -Canadeesche lynx. Mijn vingers klemden zich stevig om mijn buks en -'t was alsof mijn rechter want vanzelf afgleed toen het glinsteren -van zijn felle, gele oogen me trof. - -De oogen keken echter in 't geheel niet naar me. Hij had me niet -eens bemerkt, maar sloop met achteruitgetrokken ooren in de sneeuw -gedoken voort, het staartstompje zenuwachtig trillend, zijn heele -aandacht gespannen gevestigd op iets achter me in de vlakte. Ik had -zin in zijn mooie huid; maar ik wilde er nog liever achterkomen wat -hij van plan was; dus hield ik me stil en keek toe. - -Aan den zoom van de vlakte dook hij neer onder een dwergden, nestelde -zich dieper in de sneeuw door een paar keer heen en weer te wrikken, -tot hij zijn pooten goed onder zich had en hij volkomen in evenwicht -was; het roode vuur gloeide in zijn oogen, zijn forsche spieren -trilden. Toen schoot hij voorwaarts: een, twee, een dozijn geweldige -sprongen door de vliegende sneeuw, en hij belandde met een krijsch -op den koepel van een beverwoning. Daar sprong hij rond, schudde -als een furie een denkbeeldigen bever en gaf nog een krijsch, die -me een rilling over den rug joeg. Daarop stond hij doodstil over -de beverdaken, die daar den oever van een meertje bestippelden, -in de verte te kijken. De gloed verstierf in zijn oogen; een andere -uitdrukking kwam er langzamerhand in. Hij duwde zijn neus weer tegen -een gaatje in den heuvel, den luchtkoker van den bever, en snoof lang, -terwijl het leek of zijn heele lichaam zich uitzette door den warmen, -rijken geur die zijn hongerige neusgaten binnenstroomde. Toen schudde -hij treurig zijn kop heen en weer en ging weg. - -Dit alles was zuiver komedie. Een lynx houdt meer van bevervleesch -dan van iets anders, en deze hier had er stellig in de herfstdagen -toen er volop te eten was een paar van de kolonie gevangen, terwijl -ze aan hun dam en woningen bezig waren. Nijpende honger maakte -dat hij zich hen herinnerde, toen hij door het bosch kwam op zijn -nachtelijke hazenjacht. Hij wist wel dat de bevers veilig zaten, -dat de maanden van felle kou hun twee voet dikke muren als graniet -gemaakt hadden. Maar ondanks dat kwam hij toch, alleen om te doen -alsof hij er een gevangen had, en om zich te herinneren hoe lekker -zijn laatste volledige maaltijd rook toen hij dien in October at. - -Het was alles zoo jongensachtig, zoo onverwacht daar in 't hartje -van de wildernis, dat ik heelemaal vergat hoe graag ik den lynx zijn -huid had gehad. Ik was ook hongerig en 'k ging er heen om eens aan -het luchtgat te ruiken; en het rook goed. De tijd heugde me toen ik -eens bevervleesch gegeten had en blij was het te krijgen. Ik liep -tusschen de hutten rond. Op elken koepel waren prenten van een lynx, -oude en nieuwe, en de indrukken van een stompen neus in de sneeuw. Hij -kwam klaarblijkelijk dikwijls om zijn maaltijd te doen met den geur -van lekker eten. Ik keek naar den weg dien hij genomen had en begon -medelijden met hem te krijgen. Maar de bevers dan, veilig en warm -en onbevreesd, die geen twee voet van me af stellig naar de vreemde -voetstappen buiten luisterden. En dat was best, want ze zijn de -belangwekkendste dieren in de heele wildernis. - -De meesten onder ons kennen den bever hoofdzakelijk uit een -vergelijking. "Werken als een bever" of "druk in de weer als een -bever", is een van die spreekwoordelijke uitdrukkingen in Amerika die -men zonder opheldering of nieuwsgierigheid aanneemt. Voor een derde -gaat het op, wat veel is voor de waarheid van een spreekwoord. 's -Winters, vijf maanden lang tenminste, doet hij niets dan slapen en -eten en zorgen dat hij warm blijft. "Zoo lui als een bever" zou dan -een goed beeld zijn. En 's zomers--o, dat is één lange vacantiedag, en -de bevers zijn zoo vroolijk als vogeltjes in de lucht, en denken niet -aan werken van den morgen tot den avond. Wanneer de sneeuw verdwenen is -en de rivieren vrij van ijs zijn, en 't getierelier van vogeldeuntjes -het oor van den bever treft als hij opduikt uit den donkeren gang -die onder water naar zijn huis leidt, dan vergeet hij alle vaste -gewoonten en neemt deel aan de algemeene feestvreugde der natuur. Het -stevig gebouwde huis dat hem voor storm en kou beschutte, en zelfs -den veelvraat tartte zijn bewoner uit te graven, wordt verlaten voor -'t eerste het beste otterhol of een ander gat in den oever, waar hij -rustig kan slapen tot het zonlicht verdwenen is. De groote dam waar -hij zoo menigen nacht aan gezwoegd heeft wordt overgelaten aan de -genade van den wassenden stroom of aan de bijl van den man in zijn -kano. En over 't geplas van water dat door een breuk valt--het geluid -dat in herfst of winter den bever als een bliksemflits te voorschijn -doet schieten--zal hij zijn wijze kopje geen oogenblik breken. - -Den heelen zomer hoort hij tot den stam van Ismaël, zwervend door -meren en stroomen, waar 't hem maar lust. Het is alsof hij er op -uit moet om de wereld te zien, na den heelen winter in zijn benauwde -verblijf opgesloten te zijn geweest. Zelfs de sterke familieband, een -van de meest karakteristieke en merkwaardige dingen in het beverleven, -wordt in dien tijd losgemaakt. Elke familiegroep vertegenwoordigt, -wanneer zij 't huishouden in de lente opbreekt, vijf geslachten. Eerst -heb je de beide oude bevers, de hoofden van de familie en onbeperkte -heerschers, die het eerst den grooten dam en de woningen optrokken -en het herstellingswerk geleid hebben, hoe lang al weet niemand. Dan -komen, wat gewichtigheid betreft, de bevertjes, niet grooter dan -muskusratten, met vachtjes als zijden fluweel en oogen altijd wijd open -voor de wonderen van hun eerste uitgaan; dan die een en twee jaar oud -zijn, dartel als losgelaten schooljongens, steeds vol baldadigheid, -waar altijd opgelet moet worden en die af en toe eens een knauw moeten -hebben; dan de driejarige, die weldra den troep verlaten en hun eigen -gelukkigen weg gaan op zoek naar een wijfje. - -Zoo trekken de lange dagen voorbij als van een soort zorgeloos -zomeruitstapje, en wie op zijn eigen zomersche zwerftochten door de -wildernis soms hun kampplaats aantreft voelt er zich nieuwsgierig -toe aangetrokken als hij dat ziet. Ze zijn ook kampgenooten, die hun -tenten opslaan aan zonnige meren en met elzen omzoomde, forelrijke -beken, steeds dicht aan 't hart der natuur, en evenzeer het wilde, -vrije leven minnend als hij zelf. - -Maar wanneer de dagen kort en kil worden en 't getierelier der -zangvogels plaats maakt voor 't "honk" van trekkende ganzen, en wilde -eenden zich in de meren verzamelen, dan gaat 't hart van den bever naar -zijn gezellige huis terug, en weldra volgt hij zijn hart. September -vindt ze weer om den ouden dam vergaderd, de oudere koppen vol plannen -van herstel en nieuwe woningen en wintervoer en allerlei andere -zaken. De volwassen mannetjes hebben hun wijfjes mee teruggebracht -naar 't oude huis; de vrouwtjes hebben een plaats gevonden in andere -familiegroepen. Dan begint de bever het druk te krijgen. - -Zijn eerste zorg is voor een steviger dam over den stroom, die hem -een kom van flinke afmetingen zal verschaffen en een overvloed van -diep water. Om dit te begrijpen, moet ge u herinneren dat de bever van -plan is zichzelf den heelen winter in een soort van gevangenis op te -sluiten. Hij weet best dat hij aan wal geen oogenblik veilig is zoodra -het sneeuwt, dat een rondsluipende lynx of veelvraat zijn spoor zou -vinden en hem volgen en dat dik ijs zijn ontsnapping in water afsnijden -zou. Daarom ontwerpt hij een groot, voor klauwen veilig, huis, dat geen -ingang heeft behalve een tunnel middenin, die door den oever naar den -bodem van zijn kunstmatigen vijver leidt. Wanneer deze eens bevroren -is, kan hij er niet uitkomen voordat de lentezon hem vrijlaat. Maar -hij houdt van een grooten vijver, om onder water wat beweging te nemen -als hij voor zijn maaltijd beneden komt; en van een diepen vijver, -om het zekere gevoel te hebben dat de strengste winter nooit door -zal vriezen tot zijn ingang en hem opsluiten. Wat van nog grooter -gewicht is: het voedsel van den bever is op den bodem opgeslagen en -'t zou niet gaan het aan ondiep water toe te vertrouwen, want dan zou -'t met een strengen winter in het ijs vastvriezen en de bevers zouden -van honger in hun gevangenis omkomen. Tien tot vijftien voet voldoet -gewoonlijk aan hun veiligheidsinstinct; maar om die diepte van water -te krijgen, is, vooral in ondiepe rivieren, een reusachtige dam noodig -en verbazend veel werk, om van de ontwerpen niet eens te spreken. - -Beverdammen zijn altijd degelijke bouwwerken van houtblokken, -struiken, steenen en drijfhout, goed door elzetakken verbonden. Eens -toen ik 's zomers met mijn kano op een wilde, onbekende rivier was, -trof ik over een afstand van vijf mijlen veertien dammen. Door twee -er van braken mijn Indiaan en ik ons een doortocht met onze bijlen; -de andere waren zoo stevig, dat het gemakkelijker ging onze kano uit -te laden en haar er over te dragen dan er door te breken. Men vindt -dammen zoo dicht opeen, als een beverkolonie jarenlang een rivier -ongehinderd bewoond heeft. Wanneer het hout dat voor voedsel dient -boven den eersten dam is afgeknaagd, trekken ze stroomaf--want de -bever knaagt altijd op de oevers boven zijn dam en laat den stroom -voor zijn vervoer zorgen. Soms, als de oevers zoo zijn dat er geen kom -gemaakt kan, worden er drie of vier dammen dicht bij elkaar gebouwd, -zoodat het stuwwater van den een reikt aan dat van den volgenden, -als een reeks kanaalpanden. Dit dient om de kolonie bijeen te houden -en toch plaats te geven voor spel en berging van voedsel. - -Er heerscht de grootste verscheidenheid van meening over 't verstand -waar de bevers blijk van geven in 't kiezen van de plaats voor hun dam; -want de eene waarnemer beweert dat het handigheid is, vernuft, zelfs -overleg van de bevers, en een ander dat het een zuiver instinctmatig, -lukraak ophoopen van materiaal zoo maar ergens in de rivier is. Ik -heb misschien wel honderd dammen in de wildernis gezien, die bijna -alle goed geplaatst waren. Een enkelen keer heb ik er een aangetroffen -die veel had van dom werk--twee- of driehonderd voet elzestruiken en -grint over 't breedste van de rivier, wanneer, door vlak er boven -of even stroomaf te bouwen, een dam van een kwartmaal de lengte ze -beter water verschaft zou hebben. Dit moet echter ter verdediging -van de bouwmeesters gezegd worden, dat ze bij hun eigen dam misschien -beter bodem vonden om hun tunnels in te graven, of geschikter plaats -voor hun hutten, of dat zij beter wisten waar ze behoefte aan hadden -dan hun criticus. Ik geloof vast en zeker dat jonge bevers dikwijls -fouten maken, maar ik geloof ook, door het bestudeeren van heel -wat beverdammen, dat ze hun les trekken uit tegenslag en dan beter -bouwen, en dat hun misgrepen over 't algemeen in hun soort niet -grooter zijn dan die van menschelijke bouwmeesters. Soms blijkt een -dam te kostbaar. De ligging is niet goed gekozen, omdat de oevers -stroomop te laag zijn en het opgehouden water om de kanten van hun -dam stroomt en ze wegsleurt. Dadelijk bouwen ze den dam langer; maar -weer stroomt het water er omheen bij zijn vernielingswerk. Ze blijven -dus maar doorbouwen: een eindelooze bouwen, tot de vorst invalt en ze -hun hout moeten vellen, hun hutten in elkaar jachten in een radelooze -haast om klaar te zijn als het ijs zich over hen sluit. - -Maar in rivieren waar elzenhout langs den kant groeit, waar de -stroom traag is en de bodem zacht, ontdek je soms een wonderbaarlijk -vernuftige vinding om genoemde moeilijkheid te verhelpen. Als de -dam gebouwd is en 't water diep genoeg voor de veiligheid, graven de -bevers een gracht om een uiteinde van den dam voor het afvoeren van -het overtollige water. Ik ken nergens in bosschen of velden iets, -dat ons nader brengt tot het wilde volkje, in denken en voelen, als -het vinden van zoo'n gracht, waar 't water veilig doorstroomt langs -'t handenwerk van den bever, terwijl de dam zich recht en hecht in -den stroom uitstrekt, en daarachter de koepelvormige hutten oprijzen. - -Eens heb ik gemerkt dat de bevers van menschenwerk gebruik hadden -gemaakt. Een reusachtige paaldam was in een rivier in de wildernis -gebouwd om een stuw te krijgen voor het vlotten van balken uit de -bosschen waar gehakt werd. Toen de dennen en sparren van vijf-en-dertig -centimeters alle verdwenen waren, had men dien aanleg verlaten en -den dam laten liggen--met open sluisdeuren natuurlijk. Een paar jonge -bevers, op zoek naar een winterwoning, vonden die plaats, en het was -juist wat ze zochten. Ze rolden een gezonken stam als grondslag voor -de sluisdeuren, dichtten ze met elzestruiken en steenen, en klaar -was 't werk. Toen ik de plek ontdekte hadden ze een vijver van een -mijl breed om in te spelen. Hun hut stond op een prachtig plekje, -onder een zwaren spar, en hun ingang glooide neer in twintig voet -water. Die ligging was stellig goed gekozen. - -Nog een dam, dien ik eens 's winters op de rendierjacht vond, was -wonderlijk goed geplaatst. Geen ingenieur kon het beter uitgezocht -hebben. Hij was gemaakt door dezelfde kolonie waar de lynx op loerde, -en even stroomaf vanwaar hij zijn pantomime voor mijn plezier -opvoerde; zijn prent was er ook. De vlakten waar ik van sprak zijn -boomlooze uitgestrektheden in de Noordelijke bosschen, beddingen -van oude, ondiepe meren. De bevers hadden er een gevonden waar een -rivier doorheen stroomde, en waren die gevolgd stroomaf tot aan het -uiteinde der vlakte, waar twee beboschte landtongen van weerszijden -uitspringend bijna elkaar raakten. Hier was vroeger een doorgang en -hier bouwden ze hun dam en herschiepen op die manier het vroegere -meer. Het moet 's zomers een aller verrukkelijkst plekje zijn--een -of anderhalf duizend bunder speelterrein, vol veenbessen en sappige -wortels. 's Winters is het te ondiep om veel te deugen, behalve een -paar bunder om de ingangen van de beverhutten. - -Er zijn drie wijzen om een dam te bouwen, die algemeen bij de -bevers in gebruik zijn. De eerste dient voor trage, met elzen -bezoomde rivieren, waar ze van den bodem af kunnen bouwen. Twee -of drie stammen hebben ze laten zinken; die vormen den grondslag, -drie tot vijf voet breed. Takken, aangedreven hout en stammen, -die de bevers aan de oevers vellen, worden hier opgestapeld en met -steenen en modder bezwaard. De keien worden van den oever afgerold -of aanmerkelijke afstanden onder water vervoerd. De modder draagt -de bever in zijn voorpooten, die hij tegen zijn kin gedrukt houdt -om zoo een groote handvol te kunnen meevoeren zonder morsen. Bevers -houden van zulke rivieren met hun elzenschaduw en zoete grassoorten -en wilde weideranden, meer dan van eenige andere plek. En, laat ik -even opmerken, de meeste van de natuurlijke weiden en de helft van de -meren in Nieuw-Engeland zijn door bevers gemaakt. Wanneer je naar het -einde van een boschweitje gaat, onverschillig welk, en je graaft daar -waar de rivier er uit wegstroomt, dan zul je, soms tien voet onder -de oppervlakte, de overblijfselen van den eersten dam vinden die de -weide deed ontstaan toen het water terugvloeide en de boomen doodde. - -De tweede soort van dam is voor snelle rivieren. Dicht kreupelhout van -een tien voet is 't voornaamste materiaal. Het hout wordt afgevlot -naar de uitverkoren plek, de toppen neergebogen door ze met keien -te bezwaren en de dikke einden vrijgelaten, zoodat ze stroomaf -wijzen. Zulke dammen moeten natuurlijk van de kanten uit gebouwd -worden. Ze zijn gewoonlijk gebogen, zoodat de bolle kant tegen stroom -in ligt om een steviger bouw te krijgen. Als de boog in het midden -sluit, wordt de kant van den dam die stroomaf ligt zwaar met aarde -en steenen versterkt. Dat is sluw overleg van den bever, want wanneer -de boog eenmaal door twijgwerk afgesloten is, kan de stroom aarde en -steenen, voor het versterken gebruikt, niet meer wegsleuren. - -De derde soort is de stevigste en 't gemakkelijkst te bouwen. Ze -is voor plaatsen waar zware boomen over den stroom leunen. Drie -of vier bevers verzamelen zich om een boom en beginnen, op hun -breeden staart gezeten, te knagen. Een staat er boven hen op den -oever en leidt klaarblijkelijk het werk. In een ommezien is de boom -van onderen bijna doorgeknaagd. Dan begint de bever boven zorgvuldig -naar beneden te knagen. Bij het eerste waarschuwende gekraak springt -hij op zij en de boom valt juist over de plaats heen waar ze hem -noodig hebben. Alle bevers verdwijnen dan en beginnen de takken af -te knagen die op den bodem rusten. Langzamerhand rijst de boom, tot -zijn stam op de juiste hoogte is om den rug van den dam te vormen. De -bovenste takken worden dan dicht tegen den stam gebracht en met elzen -tusschen de lange takstompen gevlochten die van den tronk neersteken -in de rivierbedding. Steenen, modder en twijgen worden overvloedig -gebruikt om spleten te vullen, en binnen een merkwaardig korten tijd -is de dam voltooid. - -Wanneer ge zoo'n dam aantreft in de rivier waar ge met uw kano roeit, -tracht dan niet er doorheen te breken. Ge zult ontdekken dat het u een -paar uur in tijd scheelt, als ge alles uitpakt en overdraagt. Al het -knaagwerk van den bever geschiedt met beitelvormige voortanden. Hij -heeft er twee in elke kaak, die ruim drie en een halven centimeter uit -het tandvleesch steken en die onder een scherpen hoek samenkomen. De -binnenkant van de tanden is zachter en slijt gauwer dan de buitenkant, -zoodat de hoek hetzelfde blijft; en de beweging van boven- en -ondertanden over elkaar houdt ze steeds scherp. Ze groeien zoo snel -dat een bever voortdurend hout moet knagen om ze op de juiste grootte -afgesleten te houden. - -Dikwijls komt je op wilde rivieren een stok tegemoet drijven, -waar pas aan geknaagd is. Je grijpt hem natuurlijk en zegt: "Er -kampeert hier iemand stroomop. Die stok is net met een scherp mes -gesneden." Maar kijk eens beter, zie die flauwe richel over de heele -lengte van de snede eens, alsof er uit het scherp van het mes een -stukje was. Daar komen de boventanden van den bever aan elkaar en -het vlak is niet heelemaal zuiver. Hij sneed dien stok, dikker dan -een mansduim, in één beet door. Een els met een doorsnede van een -theekopje af te bijten is het werk van een minuut voor dezelfde -werktuigen, en een hoogopgaande berkeboom valt in een merkwaardig -korten tijd als hij door drie of vier bevers aangevallen wordt. Om -de stomp van zoo'n boom vindt ge een hoop van vijf centimeters lange -spaanders, dik, wit, scherp gesneden en gebogen naar de ronding van -de bevertanden. "Beoordeel den werkman naar zijn spanen", zegt een -Amerikaansche spreekwijze. Dit is een goed werkman! - -Wanneer de dam gebouwd is knaagt de bever zijn voedselhout voor den -winter af. Een kolonie van deze dieren zal dikwijls een heel boschje -jonge berken of peppels op den oever boven den dam vellen. De takken -met den besten bast worden dan in korte stukken gebeten, die den -oever af worden gerold en naar 't diepe water achter den dam gevlot. - -Er zijn heel wat woorden over gevallen hoe de bever zijn hout laat -zinken--want natuurlijk moet hij 't laten zinken; anders zou het in -'t ijs vriezen en nergens toe dienen. Eén opvatting is deze: dat de -bevers uit elken tak de lucht zuigen. Twee getuigen verzekeren me -dat ze het hen hebben zien doen, en in een boek over natuurlijke -historie uit mijn kinderjaren staat een plaatje van een bever met -'t eind van een drie voet langen stok in zijn bek, bezig de lucht er -uit te zuigen. Alsof de bevers niet beter wisten, zelfs wanneer die -onzin mogelijk was! De eenvoudigste manier is het hout bijtijds te -vellen, het een poosje in 't water te laten, waarna het vanzelf zinkt; -want groen berken- en peppelhout is bijna zoo zwaar als water. Het -wordt spoedig verzadigd en zakt naar den bodem. Om deze reden is het -bijna onmogelijk voor de houthakkers om berkenhout te vlotten. Als -de nachten plotseling koud worden voordat het hout gezonken is, -trekken de bevers het naar den bodem en duwen het even in de modder, -of anders steken ze onder de takken die tegen den dam drijven andere, -en hieronder weer andere en zoo verder, tot de rivier tot den bodem -toe vol is en 't gewicht van de bovenste de rest onderhoudt. Veel van -het hout gaat op deze wijze verloren, doordat het in 't ijs vastvriest; -maar dat weet de bever en hij knaagt een overvloed. - -Als de bever 's winters hongerig is gaat hij onder het ijs naar -beneden, kiest een tak uit, draagt hem naar boven in zijn hut en eet -den bast op. Dan sleept hij den geschilden tak weer onder 't ijs en -legt hem ergens uit den weg. - -Op een winter had ik eens den inval, dat door het weeken de bast zijn -geur wel kwijt zou zijn geraakt en dat de bevers misschien zin zouden -hebben in een versch hapje. Ik hakte dus boven het diepe water achter -den dam een gat in 't ijs. Natuurlijk maakte het gehak de bevers -verschrikt en zou het vergeefsche moeite zijn dien dag de proef te -nemen. Ik spreidde een deken en wat dikke takken over de opening om -te zorgen dat ze niet te dik zou bevriezen, en ging heen. - -Den volgenden dag duwde ik het eind van een pas afgesneden berkestam -tusschen den voorraad van den bever naar beneden, ging met mijn gezicht -bij het gat liggen na zorgvuldig het dunne ijs te hebben weggesneden, -trok een groote deken over mijn hoofd en het eind van den stok dat er -uitstak, om het licht buiten te sluiten, en wachtte af. Een poosje -was het er zoo donker als de nacht; toen begon ik vaag de dingen te -onderscheiden. Weldra schoot een donkerder schaduw over den bodem en -greep den stok vast. Het was een bever met een jas van wel vijftig -gulden aan. Hij rukte; ik hield stevig vast,--wat hem zoo verbaasde -dat hij in zijn hut terugkeerde om adem te scheppen. - -Maar den smaak van verschen bast had hij beet en weldra was hij -terug met een anderen bever. Beide grepen dezen keer vast en -trokken samen. 't Hielp niet! Ze begonnen rond te zwemmen en den -stok aan alle kanten te bekijken. "Wat voor soort van stok ben je -eigenlijk?" dacht de een. "Je groeit hier niet, want dan zou 'k -je allang gevonden hebben". "En je bent niet in 't ijs gevroren", -zei de ander, "want je gaat heen en weer". Toen pakten ze samen weer -vast en ik begon voorzichtig op te trekken. Ik wou ze graag wat van -dichterbij bekijken. Dat verbaasde ze ten zeerste, maar me dunkt dat -ze zouden hebben vastgehouden, als er geen ongeluk gebeurd was. De -deken gleed af, een stroom van licht viel naar binnen; er waren twee -groote wielingen in het water en dat was 't einde van de proef. Ze -kwamen niet terug, ofschoon ik bleef wachten tot ik bijna bevroren -was. Maar ik sneed wat versche berketakken en duwde ze onder het ijs, -om voor mijn deel in de vertooning te betalen. - -De beverhut komt gewoonlijk het laatst aan de beurt. De bever houdt -er van deze te bouwen, als de nachten koud genoeg worden om zijn -metselspecie spoedig nadat ze aangebracht is te doen bevriezen. Twee -of drie tunnels worden van den bodem van het bevermeer door den oever -naar boven gedolven, die op één plaats aan de oppervlakte samenkomen, -waar het middelpunt van het huis zal zijn. Hieromheen legt hij -stevige fundamenten van houtblokken en steen in een kring van zes -tot vijftien voet in doorsnee, al naar gelang van het aantal bevers -die het huis zullen bewonen. Op deze fundamenten trekt hij een dikken -wand van takken en gras op, die door klei in overvloed samen worden -gehouden. Het dak wordt er bovenop gemaakt door zware takken zoo te -plaatsen als in een Indiaansche wigwam, en het geheel wordt overwelfd -met gras, steenen, takken en klei. Als dit een keer vast bevroren is -slaapt de bever in vrede; zijn huis is veilig voor inbrekers. - -Wanneer een beverhut aan den oever van een meer staat, waar het water -nooit zoo hoog komt, is ze vier of vijf voet hoog. Aan rivieren die -aan overstroomingen onderhevig zijn, kunnen ze wel twee- of driemaal -die hoogte hebben. Evenals de muskusrat wordt de bever ten opzichte -van de hoogte zijner woning door een wonderlijk instinct geleid. Hij -bouwt hoog of laag al naar zijn verwachting van hoog of laag water, -en hij moet zelden zijn droge nest verlaten, door verdrinking bedreigd. - -Soms vereenigen twee families zich om één groot huis te bouwen, maar -in zoo'n geval heeft elke familie altijd haar eigen vertrek. Als een -hut opengegraven wordt, blijkt het duidelijk uit de verschillende -afdrukken dat elk lid van de familie zijn eigen bed heeft, waar hij -steeds op ligt. Bevers zijn voorbeelden van netheid: na vijf maanden -bewoond te zijn geweest is de hut nog even keurig als toen ze pas -gemaakt was. Hun heele bouwerij is in hoofdzaak instinct, want een -tamme bever bouwt miniatuurdammen en -hutten op den vloer van zijn -kooi. Toch is het niet een instinct waaraan ze uiting moeten geven, -zooals dat van ratten en eekhoorns bij tijden. Ik heb beverhutten aan -meeroevers gevonden waar eenvoudig geen dam was gebouwd, omdat het -water diep genoeg was en het niet hoefde. In hun vacantie bouwen de -jonge bevers voor de aardigheid, evenals jongens een dam leggen waar -ze maar stroomend water kunnen vinden. Ik ben er ook van overtuigd -(en dit verklaart misschien sommige dammen die dom gelegd schijnen), -dat de oude bevers 's zomers bij wijlen de jongen aan 't werk zetten om -ze te leeren bouwen tegen dat het noodig wordt. Het is moeilijk deze -theorie te bewijzen, want de bevers werken 's nachts, bij voorkeur in -donkere, regenachtige nachten, als 't voor hen aan land (om bouwstoffen -te verzamelen) het veiligst is. Maar terwijl het bouwen instinctmatig -gebeurt, is deskundig bouwen de vrucht van oefening en ondervinding; -en sommige beverdammen vertoonen een verwonderlijk overleg. - -Er is één bever die nooit bouwt, die zich nooit druk maakt over hut, -of dam, of wintervoorraad. Ik weet niet zeker of we hem het genie -of den luiaard van de familie moeten noemen. De oeverbever is een -eenzaam, oud vrijgezel, die als een "mink" in een hol in den oever -van een rivier woont. Hij bouwt geen hut, omdat een hol onder de -wortels van een ceder even veilig en warm is. Hij bouwt nooit een -dam, omdat er diepe plaatsen in de rivier zijn waar de stroom te -snel is om te bevriezen. Hij vindt teere twijgen zelfs 's winters -veel sappiger dan oudbakken schors onder water opgeslagen. Wat zijn -verraderlijke prent in de sneeuw betreft, zijn slimheid moet hem voor -zijn vijanden behoeden; en het open gedeelte van de rivier is er nog -om heen te vluchten. - -Er zijn twee opvattingen gangbaar onder de Indianen en "trappers", die -een verklaring geven voor de eigenaardigheden van den oeverbever. De -eerste is dat hij er niet in slaagde een wijfje te vinden en de kolonie -heeft verlaten, of er uit gedreven is, om een eenzaam jonggezellenleven -te leiden. Zijn gedrag in den paartijd spreekt zeer zeker ten gunste -van deze opvatting, want niemand was ooit zoo naarstig aan 't zoeken -van een wijfje als hij. Langs de rivieren en elzenbeken van een heele -wilde streek zwerft hij rusteloos stroomop, stroomaf, terwijl hij -hier en daar op een grazig plekje stilhoudt om een handjevol modder -te verzamelen, als 't moddertaartje van een kind, keurig gladgeklopt, -met in 't midden een beetje sterk ruikende muskus. Wanneer je dat -teeken onder de elzen in een kring van zorgvuldig geëffend gras -aantreft, weet je dat er aan die rivier een jonge bever naar een wijfje -zoekt. En als hij zijn taartje geopend en weer gesloten vindt, weet -hij dat er ergens in de buurt een wijfje op hem wacht. Maar de arme -oeverbever vindt zijn wijfje nooit en moet den volgenden winter naar -zijn eenzaam hol terugkeeren. Hij wordt veel gemakkelijker gevangen -dan andere bevers, en de "trappers" zeggen dat het komt doordat hij -verlaten en levensmoe is. - -De tweede opvatting is die, welke de Indianen er gewoonlijk op -nahouden. Ze zeggen dat de oeverbever lui is en weigert met de andere -te werken, waarom deze hem uitdrijven. Wanneer de bevers bezig zijn, -zijn ze goed bezig en dulden geen geluier. Misschien tracht hij hen -wel te overreden dat al hun werken onnoodig is, en deelt hij daarom -in het lot van de hervormers in 't algemeen. - -Toen ik den vorigen zomer bezig was het hol van een oeverbever -te onderzoeken, leek me nog een derde verklaring mogelijk. Is dit -niet een van de zeldzame dieren in wie alle instincten van de soort -afwezig zijn? Hij bouwt niet omdat hij geen neiging heeft tot bouwen; -hij weet niet hoe. Hij vertegenwoordigt dus wat de bever duizenden -jaren geleden was, voordat hij leerde zijn dam en hut te bouwen,--de -bever die nu door een wonderlijke gril van de erfelijkheid weer te -voorschijn komt, en zich rampzalig uit den tijd en niet op zijn gemak -voelt. De andere bevers jagen hem weg, omdat alle in troepen levende -dieren, ook de vogels, een sterken afkeer en vrees hebben voor elke -onregelmatigheid in hun soort. Zelfs als die afwijking gering is--een -wond of een misvorming--jagen ze het arme slachtoffer meedoogenloos -uit hun midden. Het is een wreed instinct, maar een deel van een -der oudste in de schepping: het instinct van het in-stand-houden der -soorten. Dit verklaart waarom de oeverbever nooit een wijfje vindt: -geen van de bevers wil iets met hem te maken hebben. - -Dit in sommige gevallen ontbreken van instinct is niet een -eigenaardigheid van de bevers alleen. Af en toe wordt er een vogel hier -in 't Noorden uitgebroed die den drang tot trekken niet heeft. Hij -roept zijn vertrekkende makkers na, maar volgt nooit, en blijft dus, -om in de winterstormen om te komen. - -Er zijn weinig wezens in de wildernis die moeilijker te bespieden -zijn dan de bevers, èn door hun buitengewone schuwheid, èn doordat ze -alleen 's nachts werken. De beste manier om een glimp van hen op te -vangen, als ze aan 't werk zijn, is hun dam kapot te maken en het dak -van een hunner hutten af te trekken op een herfstmiddag in den tijd -van volle maan. Vlak voor de schemering moet je terugsluipen en op -eenigen afstand van den dam je verbergen. Zelfs dan heb je niet veel -kans, want de bevers zijn achterdochtig, scherp van gehoor en reuk, -en weigeren gewoonlijk zich te vertoonen eer de maan onder is of je -bent heengegaan. Het kan wel zijn dat je een keer of twaalf hun dam -kapot moet maken en even dikwijls verkleumen van kou, eer je hem -ziet herstellen. - -Het is een buitengewoon merkwaardig gezicht als het ten langen leste -geschiedt, en 't loont het op de loer liggen wel. Het water stroomt -door een gat in den dam van een voet of vijf; het dak van een hut is -vernield. Je hebt jezelf heelemaal met dennetakken bewreven om wat -van den reuk in je kleeren te niet te doen, en je in den top van -een gevallen boom verborgen. De schemering eindigt; de maanschijf -rijst boven de sparren in het oosten en overstroomt de rivier met een -zilveren schijnsel. Nog geen teeken van leven. Je begint te denken dat -het alweer op een teleurstelling zal uitloopen, te denken dat je teenen -de kou geen minuut langer kunnen uithouden zonder stampvoeten, wat -alles zou bederven,--als een rimpel snel over het diepe, stilstaande -water schiet en een groote bever aan wal komt. Hij zit een oogenblik -op, kijkt rond, luistert, trekt dan naar de kapotte hut en gaat weer -opzitten om ze van onder tot boven te bekijken, terwijl hij de schade -schat en plannen maakt. Er ontstaat beweging in het water; nog drie -voegen er zich bij hem--nu ben je wel warm! Ondertusschen zwemmen -er nog een stuk of drie, vier bij den dam rond om daar de schade op -te nemen. Eén duikt er naar den bodem, maar komt in een oogwenk weer -boven om "alles veilig beneden" te melden. Een andere is bezig vlak -onder je aan een dikken tak te trekken. Langzaam haalt hij hem er -naar voren uit, balanceert een oogenblik en laat hem schieten--mooi -zoo!--dwars over de breuk. Twee andere zijn stroomop elzen aan 't -vellen, en hier komen de stammetjes aandrijven. - -Ginds bij de beschadigde hut zijn er twee boven op de wanden bezig -de dakbalken op hun plaats te beuren; een derde schijnt de buitenste -bedekking weer aan te brengen en haar met modder te bepleisteren. Zoo -nu en dan gaat er een als een konijn recht overeind zitten, luistert, -rekt zijn rug eens om er de stijfheid uit te krijgen, en laat zich -dan weer zakken om verder te werken. - -Het is nu helderder; maan en sterren fonkelen in 't gladde water. Bij -den dam verzwakt het geluid van vallend water, doordat het gat snel -gedicht wordt. Grooter doemen de hutten op. Over den koepel van de eene -vernielde gaat de donkere omtrek van een bever zegevierend voorbij. Dat -noem ik nog eens vlug werken! Je belangstelling groeit, je rekt je -hals uit om te kijken--klets! Een bever die je voorbijgleed heeft je -gezien. Onder het duiken geeft hij het water een fermen klap met zijn -breeden staart, het sein voor gevaar bij de bevers, en dat je in de -doodelijke stilte doet opschrikken. Er klinkt een geluid alsof een stok -met den kop vooruit in het water werd geplonsd, een paar draaikolken -trillen over 't gladde water, waar ze de weerspiegeling van de maan -breken--dan weer stilte en 't gekabbel der waterrimpels op den oever. - -Nu kun je wel naar huis gaan; je zult vannacht niets meer zien. Daar -ginds onder den oever zit een bever in de schaduw, waar je hem niet -zien kunt, slechts met oogen en ooren boven water je te bespieden. Hij -zal zich niet bewegen, en ook zal er geen andere bever voor den dag -komen eer je heengaat. Als je je kano zoekt en terugpagaait naar het -kamp, volgt een waterrimpel, veroorzaakt door den neus van een bever, -stil in de elzenschaduw. Bij de bocht van de rivier, waar je verdwijnt, -houdt de rimpel even stil, als een stobbe die uitsteekt in den stroom, -keert zich dan om en gaat haastig terug. Nog een klap--de bouwmeesters -komen weer voor den dag, allerlei kabbelingen strooien sterrevonken -over de heele watervlakte, terwijl het boschvolkje een oogenblik toeft -om nieuwsgierig naar de nieuwe bouwwerken te kijken, en dan schuw, -stil, nijver zijns weegs gaat door de nachtelijke wildernis. - - - - - - - - -KRAAIENGEWOONTEN. - - -De kraai is eigenlijk een groote schavuit--dat is te zeggen, als -eenig schepsel een schavuit genoemd kan worden omdat het volgens -natuurlijke en schavuitachtige neigingen handelt. Ik kwam het eerst -tot deze slotsom heel wat jaren geleden, toen ik eens 's morgens -vroeg een ouden kraai bespiedde, die naarstig bezig was een rand -van struikgewas, dat langs de muur van een verlaten weide groeide, -te doorzoeken. Hij had een handvol lijstereieren verorberd en drie -jonge musschen meegenomen om zijn eigen jongen mee te voeren, eer ik -begreep wat hij toch uitvoerde. Sedert dien tijd heb ik hem dikwijls -betrapt op dezelfde rooverijen. - -Een oude boer heeft me verzekerd dat hij hem ook wel gesnapt heeft -bezig zijn schapen te mishandelen, door op hun rug neer te strijken -en de wol bij den wortel uit te trekken, om vacht te krijgen voor -'t voeren van zijn nest. Dit is een veel ernstiger beschuldiging dan -dat hij 't koren uittrekt, ofschoon dit laatste bijna elken boer tot -zijn vijand maakt. - -Toch, met al zijn schavuitenstreken heeft hij allerlei grappige en -merkwaardige gewoonten. Ik weet wezenlijk bijna geen anderen vogel -die zoo de studie gedurende een jaargetijde loont; maar je moet heel -geduldig wezen en heel wat teleurstellingen dragen, als je veel -van den kraai zijn eigenaardigheden door persoonlijke waarneming -wilt leeren kennen. Wat is hij schuw! Wat geslepen is hij, wat gauw -wijs! Toch is hij heel gemakkelijk voor den gek te houden, en sommige -ervaringen die hem wijs hadden moeten maken schijnt hij binnen 't uur -te vergeten. Bijna elken keer dat ik uit schieten ging in de oude, -barbaarsche dagen, voordat ik beter leerde, kreeg ik altijd een of -een paar kraaien uit een troep die over mijn jachtterrein zeilde, -door me slechts tusschen de dennen te verstoppen en als een jonge -kraai te roepen. Wanneer de troep binnen 't gehoor kwam, was het -verwonderlijk het luide koor van ka-ka te hooren, en te zien hoe -ze aan kwamen schieten over hetzelfde boschje, waar ze een week te -voren op dezelfde wijze waren beetgenomen. Soms schenen ze het zich -toch te herinneren, en als de zoogenaamde jonge kraai zijn spektakel -ergens diep in een dicht boschje begon, verzamelden ze zich een eind er -vandaan op een den en ka-den heftig tot antwoord. Maar nieuwsgierigheid -kreeg bij hen altijd de overhand, en ze kwamen gewoonlijk onder elkaar -tot een besluit en zonden een snellen, langgewiekten, ouden vlieger, -alleen om hem neer te zien storten bij 't knallen van een geweer; -en dan gingen ze er vandoor, krijschend zoo hard als ze konden, en -ze hielden niet op voordat ze mijlen ver weg waren. Een week later -deden ze weer precies zoo. - -Kraaien houden meer dan eenige andere vogel van opwinding en -samenscholing; het geringste ongewone voorwerp levert een gelegenheid -voor een oploop. Een gewonde vogel zal evenveel beroering in een troep -kraaien veroorzaken, als een spoorwegongeluk in een dorp. Maar als -een rondwarende oude kraai een uil snapt die 't zonlicht verslaapt -in den top van een zwaren spar, kennen zijn verrukking en opwinding -geen grenzen. In zijn kreet, dien elke kraai in de buurt begrijpt, -is al een onderdrukte wildheid. 't Is of hij "komt! komt! komt -allemaal!" krijscht, terwijl hij boven den boomtop kringt; en binnen -de twee minuten zijn er meer kraaien om dien ouden spar verzameld, -dan iemand zou meenen dat er mijlen in den omtrek bestonden. Ik telde -er eens zeventig vlak om een boom heen, waarin een van hen een uil had -gevonden, en ik geloof dat er wel net zooveel buiten omheen vlogen, -die ik niet kon tellen. - -Op zoo'n oogenblik is 't mogelijk met een beetje voorzichtigheid -vlakbij te komen en als 't ware een kraaien-vergadering bij te -wonen. Ofschoon ik er heel wat heb bijgewoond, heb ik nooit eenige -werkelijke reden voor hun opwinding kunnen ontdekken. Die 't dichtst -bij den uil zijn zitten in de boomen verspreid luidkeels te roepen; -geen kraai zwijgt er. Die verderaf zijn vliegen snel rond en maken zoo -mogelijk nog meer lawaai dan de binnenste kring. Onderwijl zit de uil -onzichtbaar in den groenen top te knipoogen en te staren. Elk oogenblik -verlaten twee of drie kraaien den kring om er heen te vliegen, er eens -binnen te kijken en dan krijschend op hun tak terug te keeren, waar -ze rondspringen, bij elken ademtocht ka zeggen, met hun kop knikken, -in de takken hakken en precies als opgewonden verkiezingsredenaars -te werk gaan. - -Het lawaai neemt hoe langer hoe meer toe; nieuwe stemmen voegen er -zich elk oogenblik bij; en de uil, tot wien het flauwtjes doordringt -dat hij de oorzaak van dit alles is, vliegt weg naar een anderen boom, -waar hij rust kan hebben en gaan slapen. Dan, met veel geruisch en -geraas, volgen de kraaien. Een vlugge, oude verkenner blijft vlak -bij den uil en krijscht den heelen weg over om de krassende bende de -richting te wijzen. Als de uil gaat zitten, verzamelen zij er zich -weer omheen en voeren dezelfde vertooning nog eens op, opgewondener -dan te voren. Zoo gaat dat door, tot de uil een hollen boom vindt, -er in wegschuilt en hen laat krassen tot ze er genoeg van hebben; of -wel, hij zoekt een dicht dennenbosch waar hij zich hier en ginds keert -en wendt met die schimmige, geruischlooze vlucht van hem, tot hij ze -van het spoor heeft gebracht. Dan vliegt hij in den diksten boom dien -hij kan vinden, gewoonlijk buiten het boschje waar de kraaien zoeken, -en dicht tegen den stam aan gezeten knipt hij met zijn groote, gele -oogen en luistert hij naar het spektakel dat tierend door het boschje -trekt; terwijl ze nieuwsgierig in elken, dikken den loeren en overal -zoeken naar de verloren oorzaak van hun opgewondenheid. - -Met tegenzin geven de kraaien het op. Ze kringen nog een poosje boven -het boschje, terwijl ze stijgen en dalen met die mooie, gelijkmatige -beweging, die veel heeft van de geregelde oefeningen van alle in -troepen levende vogels en gewoonlijk hiermee eindigt, dat ze zich op -een afstand in een boom verzamelen en er urenlang over krassen, tot -een nieuwe aanleiding om zich op te winden hen ergens anders heenroept. - -Waarom ze eigenlijk zoo opgewonden raken over een uil is een open -vraag. Ik heb nooit gezien dat ze hem kwaad deden, en geen andere -bedoeling bij ze waargenomen, dan om hem af en toe aan te staren -en er een groote drukte over te maken. Ik twijfel er niet aan of -ze zien in hem een dief, een verslinder van soortgenooten. Maar -hij dieft 's nachts als andere vogels slapen, en daar zij hun eigen -diefstal in 't volle daglicht bedrijven, veroordeelen ze hem als een -bedrieger. Of misschien grijpt de uil, als hij 's nachts rondwaart, -wel eens een jongen kraai van den tak waarop hij zat te slapen. De -groote, gehoornde uil zou stellig niet aarzelen om een ouden kraai -op te eten, als hij hem in een dutje kon snappen, en daarom raken ze -opgewonden, zooals alle vogels in de nabijheid van hun natuurlijke -vijanden. Over een havik maken ze bijna net zoo'n drukte, maar deze -weet aan de herrie te ontkomen door snel heen te vliegen, of door -langzaam tot op zoo'n duizelingwekkende hoogte naar boven te kringen, -dat de kraaien niet durven volgen. - -In 't vroege voorjaar heb ik van deze kraaiengewoonte partij getrokken, -als ik naar uilennesten zocht. De kraaien ontdekken veel eer waar er -een zit dan de meest nauwlettende vogelkenner, en ze verzamelen er -zich dikwijls voor een pretje omheen. Eens maakte ik van die gewoonte -gebruik om de kraaien zelf terdege gade te slaan. Ik bracht een ouden, -opgezetten uil mee en plaatste dien op een paal dicht tegen een grooten -denneboom aan den zoom van een boschje. Toen ging ik er vlakbij in een -groep struiken liggen en kraste opgewonden. De eerste boodschapper -van den troep vloog er recht overheen zonder iets te ontdekken. De -tweede vond den uil, en ik hoefde niet langer te lokken. "Ka! ka!" riep -hij diep uit zijn keel--"hier is hij! hier zit de schavuit!" In een -oogwenk had hij er de heele bende; en wel bijna tien minuten bleven -ze van alle kanten aanvliegen. Een bezetener troep heb ik nog nooit -gezien. Het gekras was vreeselijk en ik hoopte eindelijk de werkelijke -oorzaak en de gevolgen van de opwinding te zullen kunnen vaststellen, -toen een oude kraai die vlak boven mijn schuilplaats vloog me in 't -oog kreeg, terwijl ik uit de struiken keek. Hoe hij zichzelf hoorbaar -of verstaanbaar maakte in 't lawaai weet ik niet; maar de kraai is -nooit te opgewonden om op een sein van gevaar te letten. Het volgende -oogenblik stroomde de heele bende over de bosschen weg, terwijl ze -bij elken wiekslag 't sein tot verspreiden gaven. - -Er is nog een gewoonte, waarin uitkomt hoe de kraai van afwisseling -houdt, ofschoon op veel waardiger wijze. 't Gebeurt wel dat er een -troep betrapt wordt als hij in de boomen verstrooid zit en heelemaal -opgaat in 't kijken naar een voorstelling--gewoonlijk iets in den -geest van een opera--gegeven door een van hen. Het voornaamste geluid -van een kraai is 't schorre ka, ka, waar iedereen vertrouwd mee is -en dat in staat schijnt alles uit te drukken, van het zachte gekakel -bij 't slapen-gaan in de dennetoppen, tot het luide gehoon waar hij -alle gewone pogingen om hem te verrassen mee ontmaskert. Bepaalde -kraaien hebben echter een ongewone vaardigheid wat hun stem betreft, -en schijnen die somtijds tot vermaak van de andere te gebruiken. Toch -heb ik een vermoeden dat deze vocale gave zelden gebruikt of zelfs -ontdekt wordt, behalve als gebrek aan vermakelijkheid hen dwingt het -in eigen kracht te zoeken. Een feit is het, dat zoodra een kraai -ongewone geluiden maakt, er altijd verscheiden andere om hem heen -zijn die lustig krassen en toch aandachtig schijnen te luisteren. Ik -heb ze hierop herhaaldelijk betrapt. - -Op een Septembernamiddag dat ik kalm door het bosch wandelde, werd mijn -aandacht getrokken door een ongewoon geluid dat uit een eikenboschje -kwam, een geliefkoosde verblijfplaats van grijze eekhoorns. Aan dien -kant krasten de kraaien ook, maar telkens na een kort oogenblik kwam -er een vreemd, krakend geluid--kr-r-rak-e-rak-rak, alsof iemand een -reusachtigen notenkraker had en dien telkens toedrukte. Ik sloop -voort door het struikgewas, tot ik misschien wel vijftig kraaien kon -zien die verspreid in de eiken zaten, alle vol aandacht voor iets -dat beneden hen gebeurde, maar dat ik niet kon waarnemen. - -Niet voordat ik naar het omheinend kreupelhout was gekropen, vlak aan -den zoom van het boschje, en er doorloerde, zag ik wie het deed. Aan -het uiteinde van een langen, ranken tak, een paar voet boven den grond, -klemde zich een kleine kraai vast, die op en neer wiegde als een -rijstvogeltje op een kardinaalsbloem [6], zich sierlijk in evenwicht -hield door zijn vlerken uit te spreiden en elk oogenblik het vreemde, -krakende geluid gaf, begeleid door een slag van vleugels en staart, -als de tak naar boven zwiepte. Telkens als het herhaald werd krasten -de kraaien bij wijze van toejuiching. Langer dan tien minuten sloeg -ik ze gade, eer ze mij zagen en wegvlogen. - -Verscheiden keeren ben ik na dien tijd door ongewone geluiden -aangelokt, en altijd snapte ik een troep kraaien die klaarblijkelijk -naar een vertooning van een hunner keken. Eens was het een diep, -welluidend gefluit, dat veel had van het toe-loe-loe van de blauwe -gaai (ondanks al haar heldere kleuren een nichtje van den kraai) maar -dieper en voller en zonder de trilling, die altijd het gefluit van -de blauwe gaai kenmerkt. Een andere maal, in een van de uitgestrekte -bosschen in Maine, was het een schor geblaf, dat hoegenaamd niets had -van een vogelroep en maakte dat ik zware patronen in mijn geweer liet -glijden, en voortkroop in afwachting van een vreemd beest dat ik nog -nooit eerder ontmoet had. - -Diezelfde liefde voor afwisseling en opwinding leidt de kraai er -toe om elk ongewoon gezicht of geluid dat haar aandacht trekt te -onderzoeken. Verberg je ergens in het bosch en maak elk gek geluid dat -je maar wilt--blaas op een mondharmonica, of rammel met een blik vol -steentjes of laat slechts een zachten roep hooren--en eerst verschijnt -er een blauwe gaai, een en al bedrijvigheid om er alles van te weten te -komen; dan sluipt een roode eekhoorn naar beneden en tokt vlak boven -je hoofd om je te laten schrikken als 't kan; daarna, als je scherpe -oogen hebt, zul je een kraai van kreupelboschje naar kreupelboschje -zien glippen, zich zooveel mogelijk uit 't gezicht houdend, maar -steeds nader komend om het ongewone geluid te onderzoeken. En als zij -achterdochtig is of onvoldaan, zal zij zich verstoppen en geduldig -wachten, tot je te voorschijn komt en je laat kijken. - -Zij is niet alleen nieuwsgierig naar jou en bespiedt je als je door -'t bosch gaat, maar zij doet het haar buren net zoo goed. Als -een vos opgeschrikt is, kun je zijn spoor dikwijls ver voor je -honden uit volgen door de kraaien die boven hem kringen en schurk, -schurk! roepen, elk oogenblik dat hij zich vertoont. Zij bespiedt -de eenden en de pluvier, het hert en den beer; zij weet waar ze zijn -en wat ze uitvoeren, en zij zal een heel eind van haar weg afwijken -om hen even goed als haar soortgenooten te waarschuwen bij dreigend -gevaar. Als vogels nestelen, of vossen een hol hebben, of er dieren in -'t bosch vechten, zij is er bij om toe te kijken. Als er niets anders -is, zal zij zelfs grappen uithalen, zooals ik eens bij gelegenheid -een jonge kraai zag, die zich verstopte in een gat in een denneboom -en twee uren lang een heelen troep bijna razend van opwinding hield -door haar angstig gekras. Als ze een eind weg waren, waagde zij zich -te voorschijn, spiedde voorzichtig in het rond om te zien of niemand -haar zag, slaakte dan een hartverscheurenden noodkreet, om weer weg -te duiken als de troep onder een oorverdoovend leven aan kwam suizen. - -Slechts een van twee verklaringen kan een oplossing geven voor haar -gedrag in dit geval: òf zij was een jonge kraai, die den ernst niet -besefte van het "wolf, wolf!" roepen als er geen wolf was, òf was -eenvoudig verstoppertje spelen. Toen de kraaien haar eindelijk snapten, -joegen ze haar uit het gezicht, om haar te straffen, of, zooals ik -nu geneigd ben te denken: elke kraai trachtte haar te krijgen om -'t voorrecht van de volgende te zijn die zich verstoppen mocht. - -Werkelijk, wanneer je een troep kraaien in 't bosch hoort krassen, -kun je er altijd zeker van zijn dat er 't een of andere pretje gaande -is, dat den tijd en het geduld aan 't onderzoeken besteed ruimschoots -vergoeden zal. - - - -Sinds het bovenstaande opstel geschreven werd, zijn er nog meer -eigenaardige kraaiengewoonten aan 't licht gekomen. Dit is er een, die -een eigenaardig licht schijnt te werpen op de vraag of ze spelletjes -spelen. Ik ontdekte ze op een Septembermiddag, toen een hevig gekras -ginds in de bosschen me er toe bracht, den boomgaard waar ik aan -'t appels-plukken was in den steek te laten, voor de meer opwindende -bezigheid van mijn zwarte buren te bespieden. - -Het rumoer kwam uit een oude, verlaten wei, aan drie kanten door -dennenbosschen ingesloten en aan den vierden door half verwilderde -velden, die hier en daar verspreid zich uitstrekten naar den stoffigen -weg er achter. Eens, lang geleden, stond hier een boerderij, maar -zelfs de kelders zijn verdwenen en de kraaien zijn niet meer bang -voor die plaats. - -Het was een gemakkelijke taak om onbespied door het naaste -dennenboschje te kruipen en een veilige schuilplaats te bereiken onder -een paar jeneverbessen aan den zoom van de oude wei. Het gekras ging -onderwijl met tusschenpoozen voort; soms brak het uit in een waar -Babel, alsof elke kraai haar best deed alle andere in 't krassen de -baas te zijn; dan weer was er een stilte, behalve af en toe een kort -geluid: het "alles in orde" van den schildwacht op den uitkijk. De -kraaien hebben het nooit zóó druk, zijn nooit zóó in beslag genomen, -dat ze deze voorzorg veronachtzamen. - -Toen ik de jeneverbessen bereikte, zaten de kraaien--wel een -vijftig--in de dennetoppen langs een kant van het open land -geschaard. Ze waren rustig genoeg, uitgezonderd af en toe wat -geharrewar om een plaats, en wachtten klaarblijkelijk op iets dat -gebeuren moest. - -Ginds aan mijn rechterhand, aan den vierden of open kant van de weide, -zat een eenzame oude kraai in den top van een hoogen noteboom. Ik had -haar voor een schildwacht kunnen houden, als zij niet een schitterend -voorwerp in haar snavel had gehouden. Het was te ver weg om uit te -maken wat het voor ding was, maar steeds wanneer zij met den kop -draaide, fonkelde het in 't zonlicht als een stukje glas. - -Terwijl ik haar nieuwsgierig gadesloeg, wierp zij zich omhoog en -vloog in volle vaart naar 't midden van het veld om bij de dennen aan -de overzijde te komen. Onmiddellijk waren alle kraaien in de lucht; -ze kwamen van weerskanten te voorschijn schieten, veel die ik eerst -niet gezien had, en alle als dol krassend. Ze suisden op den ouden -baas uit den noteboom los en een korte poos was het onmogelijk iets -anders te ontwaren dan een warrelend, golvend bewegen van zwarte -vleugels. Het lawaai was intusschen oorverdoovend. - -Iets schitterends viel uit de opgewonden bende en een enkele kraai -dook het achterna; maar ik was te vol belangstelling voor de herrie, -om op te letten wat er met haar gebeurde. Plotseling hield het leven -op. Na een korte oefenvlucht van rijzen en dalen en zwenken op bevel, -lieten de kraaien zich in de dennen aan weerskanten van het veld neer, -waar ze eerst gezeten hadden. En daar in den noteboom zat weer een -kraai met hetzelfde glimmende, flonkerende ding in haar snavel. - -Dezen keer was er een lange pauze, als om op adem te komen. Toen kwam -de eenzame kraai weer zonder waarschuwing over het veld aanzeilen. In -een ommezien had de troep haar omringd met de duidelijke bedoeling haar -zooveel mogelijk in haar vlucht te hinderen. Ze klapwiekten haar in -'t gezicht, ze vlogen zigzagsgewijs voor haar heen, ze trachtten haar -op den rug te gaan zitten. Tevergeefs draaide en dook zij en liet zij -zich vallen als een steen. Waarheen zij zich ook keerde, ontmoette -zij fladderende wieken om haar vlucht te belemmeren. Het voornaamste -doel van het spelletje was duidelijk: zij poogde het einddoel van de -dennen tegenover den noteboom te bereiken en de andere trachtten het -te voorkomen. Weer eens en nog eens werd de aanvoerder uit het oog -verloren, maar zoodra het zonlicht van 't glimmende ding dat zij droeg -fonkelde, kon hij er verzekerd van zijn dat ze hem zelfs midden in -een luidruchtige bende zouden vinden. Toen bleek de tweede bedoeling: -de kraaien poogden haar in verwarring te brengen en te maken dat zij -den talisman liet vallen. - -Ze kringden snel naar de overzijde van het land en weer terug, waar -de schildwacht zat. Plotseling viel het glimmende ding, dat den grond -bereikte voordat het ontdekt werd. Drie of vier kraaien schoten er op -af en er ontstond een levendige schermutseling om zijn bezit. Midden -onder 't gevecht schoot een kleine kraai onder de strijders, en voor ze -wisten wat er aan de hand was, haastte zij zich weg naar den notelaar, -terwijl zij het begeerde kleinood zoo hoog droeg als zij 't houden kon, -als in zegepraal over haar slimmen zet. - -Langzaam, onder veel gekras, streek de troep weer op de dennen -neer. Er was klaarblijkelijk een geschil, of het spel al of niet mocht -doorgaan. Alle hadden er iets over te vertellen, en er kwam geen -eind aan de protesten. Ten leste werd het in der minne geschikt en -ze namen hun plaatsen in om goed te kijken, tot de nieuwe aanvoerder -ze een gelegenheid zou geven voor een volgende jacht. - -Nu kon de waarnemer niet langer twijfelen aan wat de kraaien -uitvoerden. Ze speelden eenvoudig een spelletje alsof ze schooljongens -waren, en genoten volop van de lange, vroolijke middaguren in -September. Hadden ze dat glimmende ding gevonden toen ze de weide -overstaken op weg van boer B's korenveld, en kwam het spelletje toen -vanzelf bij hen op? Of werd het spel eerst voorgesteld en de talisman -later gehaald? Elke kraai heeft een verborgen opslagplaats, waar zij -ieder glimmend ding dat zij vindt verbergt. Soms is dat een spleet in -de rotsen onder mos en varens, dan weer 't versplinterde uiteinde van -een afgebroken tak, of een verlaten uilennest in een hollen boom; -vaak een vork in een grooten den, zorgvuldig met bruine naalden -bedekt; maar waar het ook is, 't ligt er vol glimmende dingen--glas -en porselein en kralen en blik en een oude lepel en een verzilverde -gesp--en niemand dan de kraai zelf weet hoe het te vinden. Had een -kraai haar grootsten schat voor die gelegenheid voor den dag gehaald, -of was dit het ding voor hun spel, en werd het door den troep zoo -bewaard dat elke kraai er bij kon? - -Dit waren een paar van de merkwaardige dingen die de waarnemer -trachtte te ontraadselen, toen hij merkte dat de notelaar leeg -was. Een flonkering tegen het donkere groen aan den overkant verried -den leider. Daar had je hem, stilletjes voortvliegend in de schaduw -om te trachten het doel te bereiken voordat ze hem zagen. Een hoonend -gekras kondigde aan dat ze hem ontdekt hadden. Toen begon de pret weer -van voren af aan, met dezelfde luidruchtigheid, dezelfde verwarring, -hetzelfde onvervalschte genot. - -Toen het glimmende ding dezen keer viel, was mijn nieuwsgierigheid -om het in bezit te krijgen sterker dan mijn belangstelling in het -spelletje. Daarenboven, de appels wachtten. Ik sprong op, zoodat -de kraaien in wilde verwarring uit elkaar vlogen; maar toen ze -wegstroomden, kwam het me voor dat er nog meer van de opwinding door -het spel dan van ontsteltenis uit hun vlucht en lawaai sprak. Het -glimmende ding dat de aanvoerder droeg bleek het oor van een glazen -kopje of kannetje te zijn. Een stuk van het ding zelf was er met -het oor afgebroken, zoodat het een mooien ring vormde. Kortom, -'t was juist voor het doel geschikt: glimmend en niet te zwaar en -heel handig voor een kraai om vast te pakken en te dragen. Als 't -eens was beetgegrepen zouden ze haar flink in 't nauw moeten drijven -om te maken dat zij 't liet vallen. - -Wie was "'em" het eerst, zooals de kinderen onder 't spelen zeggen? Was -het een bijzonder voorrecht van de kraai die het eerst den talisman -had gevonden, of houden de kraaien er een manier op na om af te tellen -wie het eerst aanvoerder zal zijn? - -Verderop aan dienzelfden, ouden, stoffigen weg staat een school. Als -ik daar speelde, zag ik vaak hoe de kraaien stilletjes van boom -tot boom trokken in het bosch er achter en naar ons spel keken--ik -twijfel er niet aan--, zooals ik nu naar het hunne had gedaan. Maar -wij zijn ouder geworden en zijn vergeten hoe te spelen, en zij zijn -nog net zulke jongens als ooit. Hebben ze hun spelletjes geleerd, -door ons te begluren als we aan 't krijgertje-spelen waren? Dat zou -'k wel eens willen weten. En kennen ze "kom-over", en "roovertje en -gendarme" en "verlos" en "kat en muis" even goed? Je zou makkelijk -gelooven dat hun verstandige, zwarte kopjes in staat waren alles na te -doen, vooral wanneer je ze een poosje bij hun spel had gadegeslagen, -als ze geen vermoeden er van hadden dat ze bespied werden. - - - - - - - - -EEN STUKJE NATUUR. - - -Het blijde gefluit van een kwartel [7] roept voor de meeste bewoners -van Nieuw-Engeland een visioen op van hooge weiden waar een bries -waait, en een gevlekten, bruinen vogel die welluidend roept van de -bovenste scheeve lat eener oude schapenheining. De boeren zeggen dat -hij 't weer voorspelt, door te roepen: "meer-nat-meer-meer-nat!" De -jongens zeggen dat hij alleen zijn naam maar verkondigt: "Bob Wit! Ik -ben Bob Wit!" Maar voorspellend of zich voorstellend, zijn stem -is altijd welkom. Zij die den roep kennen luisteren met plezier, -en leeren al gauw van den vogel houden die hem voortbrengt. - -Bob Wit heeft nog een geluid, mooier dan zijn jongensachtig gefluit, -dat betrekkelijk weinigen gehoord hebben. Het is een zacht vloeiend -gejodel, dat het mannetje gebruikt om den verspreiden koppel weer -bij elkaar te roepen. Wie tegen zonsondergang in het bosch wandelt -hoort het soms uit een warreling van wilde druiven en smilaxranken -[8]. Als hij genoeg geduld bezit om zich zorgvuldig een weg door het -kreupelhout te banen, heeft hij kans den mooien Bob die het zachtste, -welluidendste gefluit laat hooren op een rots of een boomstomp te -zien. Hij vertelt zijn koppel hoe er hier een mooi plekje is dat hij -gevonden heeft, waar ze den nacht door kunnen brengen en veilig zijn -voor uilen en rondsluipende vossen. - -Als de bezoeker heel geduldig is en stil ligt, zal hij weldra 't -getrippel van kleine pootjes op de bladeren hooren, en de bruine -vogels van alle kanten zien aandraven. Eens in zijn heele leven zal -hij misschien zien hoe ze zich in een nauwen kring scharen--met de -staarten naar elkaar toe, met de koppen naar buiten, als de spaken van -een wiel, en zoo 's nachts gaan slapen. Hun zacht gefluit en gesjilp -bij zoo'n gelegenheid zijn de heerlijkste klanken die je ooit in -'t bosch te hooren krijgt. - -Deze roep van het mannetje is niet moeilijk na te doen. Jagers -die de vogels kennen zullen hem van tijd tot tijd gebruiken om een -verspreiden koppel bij elkaar te lokken, of om de plaats te bepalen -waar de mannetjes zitten, die gewoonlijk op den roep van den aanvoerder -antwoorden. Ik heb herhaaldelijk tegen zonsondergang een koppel van -die vogels in dicht kreupelhout gelokt en snelle glimpen van ze gezien, -als ze haastig rondscharrelden om den taptoe-blazer te zoeken. - -Dit alles kwam me weer laat op een middag in den grooten Antwerpschen -dierentuin te binnen. Ik stond naar een afdeeling met vogels te kijken, -drie- of vierhonderd vertegenwoordigers van de fazantenfamilie over de -heele aarde, die rondtrippelden tusschen de rotsen en afzonderlijke -kreupelboschjes. Sommige waren bijna even wild als in hun eigen -bosschen, vooral de kleine vogels in de boomen; andere waren tam -geworden, doordat ze steeds door bezoekers gevoerd werden. - -Het was verbijsterend voor een liefhebber van vogels, die alleen -maar met die uit zijn omgeving bekend was, al die vreemde modellen -en kleuren in het gras te zien en een koor te hooren van onbekende -geluiden uit boomen en kreupelhout. Maar plotseling was ik in de -natuur. Die mooie, bruine vogel met zijn welgevormde lijfje en -dat snelle, zenuwachtige getippel! Niemand zou zich in hem kunnen -vergissen: het was Bob Wit. En met hem kwam er plotseling even een -visioen van het dierbare landschap uit Nieuw-Engeland, drie duizend -mijlen ver weg. Nog een en nog een vertoonde zich en verdween -weer. Toen dacht ik aan de bosschen bij zonsondergang en ik begon -zachtjes te lokken. - -De vleeschetende dieren werden niet ver daarvandaan gevoerd; -een vreeselijk lawaai kwam uit de kooien. Het kuchend gebrul van -een leeuw deed de lucht trillen. Kakatoes krijschten, luidruchtige -papagaaien gilden afschuwelijk. Kinderen speelden en schreeuwden -vlak in de buurt. In de omheining zelf zongen wel vijftig vogels of -maakten vreemde geluiden. Daar kwam nog bij dat de kwartel, dien ik -gezien had, ver van huis onder een vreemde moeder was uitgebroed. Ik -had dus weinig hoop dat ik slagen zou. - -Maar toen het roepen steeds luider werd, kwam er als een electrische -schok een vloeiend gejodel uit een groepje heesters. Daar stond -hij te kijken, te luisteren. Weer een lokroep, en hij kwam op me -aansnellen. Andere kwamen uit alle richtingen te voorschijn en weldra -trippelde er een heele koppel kwartels rond aan den binnenkant van het -rasterwerk, met zachte gorgelgeluidjes als van een verscholen beek, -dubbel heerlijk voor een oor dat er naar verlangd had ze te hooren. - -Stad, tuin, dieren, vreemdelingen--alles was in een oogwenk -verdwenen. Ik was weer een jongen in 't veld. De ruige heuvelhelling in -Nieuw-Engeland werd teer en mooi in 't licht van de ondergaande zon, -de dellingen waren rijk in najaarsheerlijkheid. De weidebeek zong op -weg naar de rivier, een roodborst riep uit een scharlaken eschdoorn, -en overal in 't rond klonk het lieve, zachte, trillende fluiten en -'t getrippel van welkome pootjes op de bladeren, als Bob Wit weer -aan kwam snellen om naar zijn landsman toe te gaan. - - - - - - - - -HET LOKKEN DER ELANDEN. - - -Middernacht in de wildernis. De late maan rijst langzaam boven den -oostelijken heuvelrug, waar een paar minuten geleden een machtige -denneboom en honderden spitse sparretoppen zich nog inktzwart tegen -den grauwen, lichter wordenden achtergrond afteekenden. Het zilveren -licht glijdt heimelijk en snel langs de sparretoppen neer, zendt -lange, zwarte schaduwen kruipend voor zich uit en valt glinsterend en -blikkerend over het slapende water van een boschmeer. Geen rimpel -breekt zijn gepolijst oppervlak, geen geplas van muskusrat of -opspringende forel zendt zijn trillingen op in de stille, vorstige -lucht; geen geluid van eenig dier wekt de echo's van het zwijgende -bosch. Het is of de Natuur gaat sterven, het leven uit haar gevroren -door de kilte van den Octobernacht; en geen stem vertolkt haar lijden. - -Een oogenblik geleden lag het meertje geheel zwart en effen, als -een groote bron tusschen de heuvels, met niets dan de flonkerende -sterrepuntjes om zijn spiegel te verraden. Nu ligt er, ginds in een -baai aan den anderen kant van een grazige landtong, waar de donkere -schaduwen van den oostelijken oever bijna overheen reiken, iets donkers -stil en roerloos op het meer. Op zij lijkt het grijs en vaag boven -het water, aan beide einden is een zwarte massa die in 't toenemende -licht den vorm aanneemt van een menschenhoofd en -schouders. Voor -ons ligt een kano van berkebast met twee inzittenden; maar zoo stil, -zoo levenloos leek ze, dat wij haar tot nu toe een stuk van den oever -daarginds waanden. - -Er is beweging in den achtersteven; de doodsche stilte -wordt plotseling verbroken door een vreeselijk gebrul: -m-wah-ioeh! m-waah-ioeh! m-w-wa-a-a-a-a! Haastig ontwaken de echo's -en snellen verward en gebroken over 't meer heen en weer--weg zijn -ze. Als ze tusschen de heuvels sterven, klinkt er van de kano een -geluid, alsof er een dier door ondiep water stapte: plas, plas, plas, -klop!--dan weer stilte, die niet levenloos is, maar luistert. - -Een half uur gaat voorbij--maar geen oogenblik verslapt de spanning -van het luisterende meer. Dan weerschalt het luide gebrul weer -en verschrikt ons en de echo's, ofschoon we er luisterend op -wachtten. Ditmaal neemt de spanning geweldig toe: elke zenuw is -strak, elke spier gereed. Nauwelijks zijn de echo's verstorven, of -ver weg over de heuvelkammen komt plotseling een diep, afschuwelijk -geloei, dat als een geweerschot door de bosschen dringt. Weer komt -het en dichterbij! Ginds in de kano raakt het blad van een pagaai -aan den achtersteven geruischloos het water, en boven den boeg is -een fonkeling van maanlicht op een geweerloop. Het gebrul klinkt nu -onafgebroken op den kam van de laatste, lage heuvelrij. Twijgen kraken -en takken breken. Daar klinkt het woedend gedaver van een machtig -gewei in 't kreupelhout en 't dreunen van zware hoeven op den grond, -en als een wervelwind komt het groote mannetje naar beneden draven, -al dichter en dichter bij, tot hij met een geweldig gekraak door -den zoom van de laatste warrelige elzen op de grazige landtong te -voorschijn breekt.--En dan de zware knal van een geweer die over -'t opgeschrikte meer rolt. - -Dat is 't lokken van een eland in één van zijn vormen--de meest -opwindende, de meest teleurstellende manier om dit nobele wild te -jagen, de manier die je geduld het zwaarst op de proef stelt. - -De lokroep van den wijfjeseland, dien de jager in 't begin altijd -gebruikt, is een zacht uitgestooten geloei, onmogelijk nauwkeurig te -omschrijven. Voordat ik het ooit hoorde, had ik herhaaldelijk aan -Indianen en jagers gevraagd waar 't op leek. De antwoorden waren -niet heel afdoende. "Op 't vallen van een boom", zei de een. "Op -het plotseling aanruischen van een waterval of stroomversnellingen -'s nachts", zei een ander. "Op een geweerschot, of 't schorre roepen -van een man", zei een derde; en zoo voort, tot mijn voorstelling er -van zooiets was als een menagerie wanneer de beesten gevoerd worden. - -Toen ik eens 's nachts met mijn vriend voor de deur van onze basttent -vermoeid en zwijgend aan ons late avondmaal zat, terwijl 't gedruisch -van 't diepe water waar de zalm huisde, vlak bij, en 't zuchten van den -nachtwind in de sparren ons onder 't eten in slaap zongen, vervulde -plotseling een geluid het woud, en was weer verstomd. Het is vreemd, -maar we spraken tegelijk het woord eland uit, ofschoon geen van ons -'t geluid ooit tevoren had gehoord. "Als een schot in den mist", -zou 't geluid dunkt me beter omschrijven dan iets anders, ofschoon, -wanneer je 't dikwijls gehoord hebt, de vergelijking in 't geheel -niet zuiver is. Dit eerste, vage geluid wordt vroeg in 't seizoen -gehoord. Later wordt het gerekt en meer omlijnd en dikwijls herhaald, -zooals ik het weergegeven heb. - -Het antwoord van het mannetje wijkt er slechts weinig van af. Het -is een kort, schor, knorrend gebrul, afschuwelijk leelijk van nabij -gehoord, en 't laat geen twijfel bestaan over de stemming waarin hij -zich bevindt. Soms, als een mannetje schuw is en de jager meent dat hij -in de buurt staat te luisteren, ofschoon geen geluid er ook maar iets -van laat vermoeden waar het is, laat hij op 't loeien van het wijfje -het korte gebrul van het mannetje volgen, terwijl hij tegelijkertijd -de takken onder zijn voeten laat knappen en met zijn stok in 't -kreupelhout slaat. Als het mannetje antwoordt, pas dan op! Jaloersch -en wild van vechtlust, stort hij zich uit zijn schuilhoek en rent zoo -voor den dag om op zijn medeminnaar los te gaan. Als hij een keer op -deze wijze gewekt is stoort hij zich aan geen gevaar, en het oog moet -scherp zijn en de spieren vast om hem met succes te stuiten, eer hij -het struikgewas bereikt waar de jager zich verborgen houdt. Maanlicht -helpt weinig om zeker te treffen en een woedende mannetjeseland is -een heel groote en een heel kwade kwant. Het beschuttende kreupelhout -is dus niet veel waard, als er tenminste niet een goede boom met lage -takken in staat. In den regel kun je 't wel aan je Indiaan (beruchte -lafaards!) overlaten om daar heel secuur op te letten. - -De trompet waar 't roepen mee gebeurt is eenvoudig een stuk -berkebast, kegelvormig opgerold met den gladden kant van binnen. Ze -is drie-en-een-halven of vier decimeters lang, met een middellijn -van ongeveer een decimeter aan 't breede-, en twee-en-een-halven -centimeter aan het nauwe eind. De rechterhand wordt als een mondstuk -om 't nauwe gedeelte heengesloten; hier knort en brult en loeit de -lokker in, terwijl hij tegelijkertijd de opening van de trompet in -golvende bochten heen-en-weer zwaait om de eigenaardige trilling in -den roep van 't wijfje na te bootsen. Als het mannetje in de buurt -is en achterdocht heeft, wordt het geluid gedempt door de opening -van den roeper dicht tegen den grond te houden. Dit bootst voor mij -het werkelijke geluid veel nauwkeuriger na dan eenige andere poging. - -Alles hangt zoo van allerlei omstandigheden af en moet zoo precies -kloppen om te slagen met roepen, en zoo omzichtig nadert het mannetje, -dat de jager altijd bijzonder weinig kans heeft zijn wild te zien. De -oude mannetjes zijn schuw, doordat er zoo dikwijls op hen gejaagd is; -de jongere vreezen de woede van een ouden medeminnaar. Het gebeurt -slechts eens in je leven en ver van de beschaving, waar niet op -elanden gejaagd is, dat je roep gauw beantwoord wordt door een woest, -oud mannetje dat geen vrees kent. Hier ben je nooit zeker wat voor -antwoord je roep zal brengen, en het jachtgenot wordt nog gekruid -door de opwinding en wellicht door het gevaar. - -Om de kwade kansen van het lokken in het licht te stellen, roept -de schrijver zich weer met heel wat trots zijn eerste poging in -'t geheugen, waarvan de uitwerking wel wat ontstellend was. Het -was op een meer in noordelijk Nieuw-Brunswijk, op grooten afstand -van de nederzettingen. Toen ik op een avond achter in Augustus van -'t visschen terugkeerde, hoorde ik het loeien van een wijfjeseland -boven me op een met loofhout begroeiden heuvelkam. Langs den voet -van den heuvelrug strekte zich een baai uit met grazige oevers, -heel nauw waar ze in het meer uitmondde, maar die zich wel tot een -uitgestrektheid van een vijf-en-veertig meter verbreedde en zich een -halve mijl terug uitstrekte om met een stroom samen te vloeien, die -uit een kleiner meer tusschen de heuvels naar beneden kwam. Dat merkte -ik allemaal zorgvuldig op onder 't voorbijglijden, want het trof me -als een ideale plek om elanden te lokken, wanneer je aan 't jagen was. - -Den volgenden avond, toen ik alleen stond te visschen in den kouden -stroom waar 'k over gesproken heb, hoorde ik het wijfje weer op -denzelfden heuvelrug, en besloot, met een plotselinge aanvechting van -nieuwsgierigheid, te probeeren wat de uitwerking van eens een paar -maal brullen op de wijze van een oud mannetje op haar zou zijn. Ik -had er nog nooit van gehoord dat een wijfje op 't roepen antwoordde, -en ik had er toen geen vermoeden van dat het mannetje ergens in de -buurt was. Ik was nog geen ervaren lokker. Onder leiding van mijn -Indiaan (die er zelf niet zoo heel veel van afwist) had ik twee of -drie keer geoefend, tot hij me met beminlijke openhartigheid vertelde -dat een mensch me misschien voor een eland zou kunnen houden, als hij -er nog niet zoo heel vaak een gehoord had. Hier bestond dus kans voor -verdere bekwaming en eens wat afwisseling. Als 't haar bang maakte zou -'t geen kwaad kunnen, want we waren niet aan 't jagen. - -Nadat ik de kano stilletjes op land had laten loopen, stroomaf vanwaar -de eland geroepen had, pelde ik den bast van een jongen berk, rolde -hem op tot een trompet en staande op den grazigen oever stootte ik -het diepe geknor van een mannetje uit, twee of drie keer snel achter -elkaar. De uitwerking was geweldig. Van den top van den heuvelrug, -geen tweehonderd meter boven de plek waar ik stond, schalde de woedende -uitdaging van een mannetje op me neer uit de bosschen. Daarop leek het -alsof er een stoommachine in volle vaart door het kreupelhout kwam -razen. In minder seconden dan er noodig zijn het neer te schrijven, -was de kano een goed eind het diepe water in en lag roerloos met -den boeg naar de kust toe. Een oogenblik later stortte zich een -reusachtige mannetjeseland door 't warrelruig van elzen op den open -oever, tandenknarsend, grommend, woest op den grond stampend en in -'t kreupelhout hakkend met zijn groote gewei--een tafereel zoo leelijk -als je maar in 't bosch kon verlangen te ontmoeten. - -Hij scheen heelemaal in de war dat hij zijn medeminnaar niet zag, -draafde hard langs den oever, keerde zich om en kwam weer terugzwaaien, -terwijl hij al dien tijd zijn schorre uitdaging uitstiet. Daar zwenkte -de kano in den lichten stroom; toen ik haar weer baas werd, trok -de beweging zijn aandacht en zag hij mij voor den eersten keer. In -een oogwenk was hij den oever af en 't ondiepe water in, terwijl hij -met zijn hoeven trapte en met zijn reusachtigen kop op-en-neersloeg -als een nijdige stier. Gelukkig dat het water diep was en hij niet -probeerde te zwemmen; want er was geenerlei wapen in de kano. - -Toen ik aan den haal ging in de richting van het meer, nadat 'k -de woede van den eland nog aangewakkerd had door met de pagaai te -zwaaien en water naar hem te plassen, volgde hij me langs den oever -steeds met dezelfde dreigende bewegingen. Dicht bij het meer stortte -hij zich stroomaf opeens vooruit, eer ik het gevaar besefte, plaste -den nauwen doorgang voor mijn kano in--en daar zat ik gevangen. - -Het was donker toen 'k er mij ten leste uitredde. Er was geen -mogelijkheid in dien nauwen doorgang voorbij het ongure monster te -komen, zooals ik merkte na het een half uur te hebben geprobeerd. Juist -toen 't ging schemeren wendde ik de kano en pagaaide langzaam terug, -en de eland verliet zijn post om me als te voren langs den oever te -volgen. Aan den hoogen kant van een kleine baai pagaaide ik tot vlak -bij den oever en wachtte tot hij er omheen was gedraafd, bijna tot -waar ik me bevond eer ik in het diepe water teruggleed. Gooien met -water scheen 't monster dol te maken; dus deed ik het hem, tot hij -in zijn woede al verder en verder in het diepe waadde om die kano die -hem tot het uiterste dreef met zijn gewei te stooten. Toen hij me niet -verder achterna wou, zwenkte ik plotseling met mijn kano en zette in -vliegende vaart koers naar den doorgang. Ik had een goeden voorsprong -eer hij begreep te zijn beetgenomen, maar ik keek niet één keer om, -om te zien hoe hij den oever bereikte en om de baai heenkwam. Het -geplas en hoefgestamp was griezelig dicht achter me toen de kano door -den doorgang schoot; en toen het bootje op het open vlak van het meer -zwenkte, om me ten slotte in staat te stellen nog eens met water te -gooien en met de pagaai te zwaaien en hun nog eens een paar keer luid -te hoonen, stond de eland daar aan den ingang nog met zijn gewei te -slingeren en met zijn tanden te knarsen; en zoo liet ik hem staan. - -Het lokseizoen is maar kort. Het begint vroeg in September en duurt tot -midden October. Soms gebeurt het dat een mannetje nog wel tot November -antwoordt, maar dat is ongewoon. In dit seizoen is een bladstille nacht -misschien het eerste vereischte. Als het mannetje hoort roepen, zal hij -dikwijls tot op een afstand van een kleine tien meters naderen zonder -een geluid te geven. Het is eenvoudig een wonder hoe stil het groote -monster zijn kan als hij zich langzaam door het bosch beweegt. Dan -maakt hij een wijden boog, tot hij geheel om de plaats heen is geweest -waar hij 't roepen hoorde, en als er wind is, het lichtste briesje -maar, dan ruikt hij 't gevaar en gaat er hals over kop vandoor. In -een stillen nacht zijn zijn groote trompetvormige ooren merkwaardig -scherp. Slechts volkomen stilte van jagerszijde kan maken dat het lukt. - -Een voorwaarde van evenveel belang is maanlicht. De eland roept soms -juist voor 't invallen van de schemering en juist voor zonsopgang; -'t mannetje gaat echter bij zoo'n gelegenheid veel behoedzamer te -werk en houdt er niet van zich in 't open veld te laten zien. Maar de -nacht vermindert zijn uiterste voorzichtigheid en hij antwoordt veel -eerder, tenzij er vroeger op hem gejaagd is. Slechts heldere maneschijn -kan eenigszins een zuiver schot waarborgen. Het bij sterrenlicht te -probeeren zou eenvoudig geen andere uitwerking hebben dan dat het -wild opgeschrikt werd, of mogelijk gevaar opleveren. - -Verreweg de beste plaats om te lokken, als je in een elandenstreek -bent, is van een kano uit op een rustig meer of een kalme rivier. Er -wordt een plek uitgekozen halverwege tusschen twee open oevers, -die als 't kan dicht bij elkaar moeten liggen. Van welken oever het -mannetje ook antwoordt, laat de kano geruischloos achteruitglijden in -de schaduw aan den tegenovergestelden oever, en daar moeten de jagers -roerloos neerduiken tot hun wild zich duidelijk in den maneschijn op -den open oever vertoont. - -Als er zich in de onmiddellijke nabijheid van het jachtveld geen -water bevindt, is een boschje midden op een open terrein de plaats -om te lokken. Zulke plaatsen worden slechts in de buurt van de -"barrens" aangetroffen, boomlooze vlakten, die hier en daar in -de groote noordelijke wildernis verspreid liggen. De verstrooide -boschjes op zulke vlakten zijn ongetwijfeld de eilanden van de oude -meren die ze eens bedekten. Hier gaart de jager bij zonsondergang -een dik bed van droog mos en varentoppen bijeen en spreidt de dikke -deken uit, die hij dien heelen vermoeienden weg van het kamp op zijn -rug heeft meegesjouwd; want zonder die deken zou de koude van den -herfstnacht ondraaglijk zijn voor iemand die geen vuur kan aanleggen, -noch rondloopen om warm te worden. Als een mannetje op 't lokken van -zoo'n plek antwoordt, zal hij gewoonlijk om de vlakte heenloopen, -net binnen den zoom van het omringende bosch en zich zelden ver in -'t open veld wagen, behalve als hij dol is van jaloezie. Deze angst -voor 't open veld is kenmerkend voor den eland in alle plaatsen en -jaargetijden. Hij is een wouddier, dat nooit op zijn gemak is of hij -moet snel de beschutting weer kunnen bereiken. - -In een najaar overkwam Mitchell, mijn Indiaanschen gids, eens een -opwindende gebeurtenis, terwijl hij op een van die vlakten met een -jager wien hij als gids diende op jacht was. Hij was 's nachts, van -een boschje uit, bijna in 't midden van een smalle vlakte elanden -aan 't lokken. Geen antwoord kwam er op zijn herhaald geroep, -ofschoon hij er wel langer dan een uur al heel zeker van was dat er -zich een mannetje binnen gehoorsafstand ergens in de donkere ruigte -van den boschzoom ophield. Hij wilde 't gebrul van het mannetje net -probeeren, toen het plotseling uit het bosch achter hem kwam breken, -juist van den tegenovergestelden kant dan waar hij gemeend had dat -hun wild verscholen zat. Mitchell begon door het boschje te kruipen; -maar nauwelijks hadden de echo's geantwoord, of vóór hen weerklonk -scherp en heftig een tweede uitdaging, en ze zagen recht tegenover -zich, aan den anderen kant van de open vlakte, het kreupelhout van -den boschzoom hevig heen-en-weer bewegen, terwijl het mannetje, dat -ze er al lang vermoed hadden, ziedend van woede voor den dag kwam -kraken. Maar hij ging slechts langzaam vooruit en Mitchell glipte -snel door het kreupelhout, waar een oogenblik later een opgewonden -gefluister zijn metgezel riep. Aan den anderen kant had het tweede -mannetje zich uit de ruigte van het bosch gestort, en kwam met woest -gegrom recht op hem aan galoppeeren. - -Diep in de varens gedoken wachtten ze af hoe hij hals over kop -naderstormde, niet zonder dikwijls angstig achteruit te kijken en met -een heel onplezierige gewaarwording, dat ze leelijk in de val geloopen -waren en angst voelden, zooals Mitchell me later bekende. Hij had -zijn geweer in het kamp gelaten; daar had zijn meester op gestaan, -begeerig als hij was om zelf den eland te schieten. - -Het mannetje kwam snel onder schot. Een oogenblik later zou het in -hun schuilplaats zijn en 't vizier trachtte een doodelijke plek te -ontdekken, toen een vreeselijk gebrul en woedend hoefgestamp vlak -achter hen--het leek wel aan den rand van het boschje--hen met een -sprong op de been bracht. Een seconde later lag het geweer in de -struiken, en een jager die totaal de kluts kwijt was krabbelde alles -vernielend in een wanhopige vaart tusschen de takken van een lagen -spar naar boven, alsof het alleruiterste topje ook nog maar half -hoog genoeg was. Mitchell was nergens te zien, tenzij men de oogen -van een uil bezat om hem tusschen de wortels van een gevallen den te -ontdekken. Maar de eerste eland stormde, zonder op of om te kijken, -dwars door het boschje, en op de open vlakte begon een geweldige -strijd. Een minuut lang was er alles in verwarden opstand van -woest gegrom en kletterende geweien en stampende hoeven en heesche, -moeilijke ademstooten; toen was de opwinding over 't gevecht te sterk -om weerstand te bieden: een donkere figuur scharrelde uit de wortels, -om dadelijk plat onder een struik te gaan liggen en omzichtig naar de -worstelende monsters, geen dertig voet van hem af, te gluren. Twee keer -fluisterde Mitchell zijn meester toe naar beneden te komen; maar de -held zat veilig schrijlings op den hoogsten tak die zijn gewicht wilde -dragen, en had klaarblijkelijk geen verlangst om een beter gezicht op -den strijd te hebben. Toen vond Mitchell het geweer in de struiken, -en het oogenblik afwachtend dat de elanden achteruitweken voor een -van hun woedende aanvallen, doodde hij den grootsten in den loop. De -andere stond een oogenblik versteld, met opgeheven kop en trillende -spieren, en stormde toen weg de vlakte over en 't bosch in. - -Zulke ontmoetingen hooren dikwijls tot de treurspelen van de groote -wildernis. Als ge door de bosschen zwerft treft ge wel eens twee -reusachtige geweien aan, vast ineengeklonken, en wit gebeente, door -hongerige roovers schoon geknaagd. Er is geen geschreven relaas noodig -om hun geschiedenis te verhalen. - -Eens zag ik een tweestrijd die anders afliep. Ik hoorde een vreeselijk -rumoer, en kroop door het bosch met de gedachte dat 'k een woest -tooneel uit de wildernis daar voor mezelf alleen zou hebben. Twee -jonge mannetjes waren wanhopig aan het vechten op een open plek, om -geen andere reden, dan dat ze sterk waren en trotsch op hun eerste -groote gewei. - -Maar ik was niet alleen, zooals ik verwachtte. Een groote vlucht -kruisbekken [9] streek neer in de sparren en hield van verbazing met -fluiten op. Een dozijn roode eekhoorntjes juichte het gichelend en -klakkend toe als de mannetjes op elkaar losrammeiden. Mieko is altijd -blij wanneer er ergens kwaad geschiedt. Hoog in de lucht zweefde -een zeldzame boschraaf met haar kop recht naar beneden gebogen om -te kijken. Elandvogels [10] glipten in rustelooze opgewondenheid -van boom naar struik. Kagax de wezel stelde haar bloeddorstigen gang -naar de jonge konijntjes uit. En vlak naast me, onder de toppen der -sparretwijgen, vergat Tookhees de boschmuis haar angst voor den uil -en den vos en haar honderd vijanden, en zat in 't volle daglicht bij -haar holletje zenuwachtig over haar snorren te strijken. - -Zoo keken we toe, tot de eland die het af moest leggen vlak bij me -achteruitweek, mij in den neus kreeg, en het gevecht was uit. - - - - - - - - -CH' GEEGEE-LOKH-SIS. - - -Dat is de naam dien de Noordelijke Indianen aan het zwartkopmeesje -geven. Het beteekent "kleine vriend Ch' geegee"; want de Indianen, -juist als ieder ander die het meesje kent, houden van dat blijde, -kleine ding, dat de bosschen in 't Noorden opvroolijkt. Den eersten -keer, dat ik Simmo vroeg hoe ze bij hem den vogel noemden, antwoordde -hij met een glimlach. Sinds dien tijd heb ik het andere Indianen -gevraagd en altijd verhelderde een glimlach, een prettige blik de -donkere, norsche gezichten als ze 't me vertelden. Weer een cijns -aan den invloed van het vroolijke vogeltje. - -Een mees is steeds welgemutst. Zij is in geen enkel opzicht aan -luimen onderhevig. Op een mooien morgen stap je de deur uit, en daar -in de struiken glipt ze van twijg naar twijg; nu eens hangt ze aan het -uiterste tipje met haar kopje naar beneden om in een knop aan het einde -te kijken, dan weer gaat ze spiraalsgewijze om een tak naar boven, -terwijl zij naarstig in elken knop en spleet gluurt. Een insect moet -zich goed verstoppen om aan die wakkere oogjes te ontkomen. Ze helpt -je bij 't kweeken van je planten. Ze kijkt vroolijk op als je aankomt, -hipt onbevreesd naar beneden en kijkt met eerlijke, onschuldige oogen -naar je. Tsjikke-die-die-die-die! Tsjikke-die-ie-ie?--dit laatste met -een stijgend haaltje, alsof zij vroeg hoe je 't maakte, nadat zij -goedenmorgen gezegd had. Dan gaat ze weer op jacht naar insecten; -want ze verspilt nooit meer dan een oogenblikje om te praten. Maar -ze twettert gezellig onder 't werk. - -In de diepste wildernis tref je haar weer aan. Nauwelijks is de -rook van je kampvuur boven de sparretoppen gerezen, of dicht naast je -klinkt dezelfde opgewekte begroeting en vraagt naar je gezondheid. Daar -zit ze op de berketwijg, vroolijk en gelukkig en onbevreesd! Ze komt -beneden bij het vuur, om te zien of er ook iets overgekookt is waar -ze zich van meester mag maken. Ze pikt dankbaar de kruimeltjes op -die je aan je voeten strooit. Ze vertrouwt je.--Kijk, ze blijft even -op den vinger zitten dien je uitsteekt, kijkt nieuwsgierig naar den -nagel en onderzoekt hem met haar snavel, om te zien of hij ook een -schadelijk insect verbergt. Dan keert ze naar haar berketakjes terug. - -Op zomerdagen vloeit ze nooit over van uitbundige pret als het -rijstvogeltje en de oriole, maar aanvaardt zij haar overvloed in -kalme tevredenheid. Ik vermoed dat het komt, doordat ze 's winters -harder werkt en haar vreugde dieper is dan de hunne. 's Winters, -als er een dik pak sneeuw ligt, is ze het leven van het bosch. Ze -roept je aan van de zoomen der troostelooze vlakten waar de rendieren -wonen, en haar begroeting doet op de een of andere manier aan de -Meimaand denken. Zij komt in je kampplaats van ruwen bast en eet -je sobere spijs en laat een beetje zonneschijn achter. Ze gaat met -je mee, als je je moeilijk op sneeuwschoenen een weg baant door de -dichtopeengepakte sparren. Ze heeft misschien evenveel honger als jij, -maar haar deuntje is er niet minder opgewekt en hoopvol om. - -Als de zon heet brandt, in Augustus, vindt ze je onder de elzen -liggen met de bries van het meer in je gezicht, en zij spert haar -oogen heel ver open en zegt: "Tsikkedie-ie-ie? Ik heb je den vorigen -winter gezien. Toen was 't een moeilijke tijd. Maar 't is fijn -om nu hier te wezen." En als de regen neerstroomt en de bosschen -doorweekt zijn en 't kampleven gewoonweg verschrikkelijk lijkt, -verschijnt ze plotseling met een begroeting zoo opwekkend als de -zonneschijn: "Tsikkedie-ie-ie-ie? Herinner je je gisteren niet -meer? Het regent nu wel, maar er zijn een massa insecten en morgen -zal de zon schijnen." Haar opgewektheid is aanstekelijk. Je hebt -betere gedachten dan voordat zij kwam. - -Ze is werkelijk een bovenste-beste: er komt geen eind aan het goed -dat zij uitwerkt. Telkens weer heb ik iemand beter gehumeurd zien -worden of opgewekter, zonder dat hij wist waarom, alleen doordat een -meesje eventjes poosde om vroolijk en gezellig te zijn. Ik herinner -me een keer dat een troepje van vier na een hevigen stortregen ging -kampeeren. De luilak had een kano laten kantelen en alle droge kleeren -en dekens hadden we juist uit de rivier gevischt. Nu stond de luilak -bij 't vuur voor zijn eigen gemak te zorgen. De andere drie werkten -als mieren, om 't kamp klaar te krijgen. Ze waren in een slecht humeur, -koud, nat, hongerig, prikkelbaar. Ze zeiden niets. - -Een vlucht meesjes streek neer met zonnige begroetingen, -onbevreesd, vol vertrouwen, maar indringerig. Ze keken onschuldig -in de menschengezichten en deden net of ze de prikkelbaarheid daar -niet zagen. "Tsikke-die. Ik wou dat ik helpen kon. Misschien kan ik -het. Tikke-die-ie-ie?"--Met dat zachte, lieflijke, vleiende haaltje -naar boven aan het eind. - -Er sprak iemand, voor het eerst in een half uur, en het was geen -gemopper. Al gauw floot er iemand--een zwak, klein gefluit, maar 't -getij was om. Toen lachte er iemand. "Werkelijk," zei hij, terwijl -hij zijn natte kleeren ophing, "ik geloof dat die meesjes goed op -mijn humeur werken. Ze schijnen wel aardig opgewekt, zie je, en het -gezelschap had het noodig." - -En terwijl het meesje zijn beschuitkruimels oppikte, deed het heelemaal -niet, alsof het er 't meest toe bijgedragen had om 't kamp behaaglijk -te maken. - -Er is nog een manier waarop het helpt, een meer materieele -manier. Millioenen schadelijke insecten leven en vermenigvuldigen -zich in de knoppen en den zachten bast van boomen. Andere vogels -zien ze nooit, maar het meesje en zijn familie laten geen twijgje -onbekeken. De heldere oogjes ontdekken de eitjes onder de knoppen -verscholen, de scherpe ooren hooren de larven eten onder den bast en -een klop met het nebje ontdekt ze in hun boos bedrijf. Zijn diensten -van deze soort zijn reusachtig, ofschoon zelden erkend. - -Een meezennest is altijd netjes en behaaglijk en merkwaardig, evenals -de mees zelf. Het is een buitenkansje (dat je maar zelden ten deel -valt) het te vinden. Zij zoekt een oud gat waar vroeger een knoest in -'t hout zat, gewoonlijk aan den beschutten kant van een drogen tak, -en graaft er het vermolmde hout uit, zoodat ze een diepen en soms -draaienden tunnel naar beneden maakt. In het droge hout op den bodem -maakt ze een rond zakje en voert het met het zachtste wat er is. Als -je zoo'n nest ontdekt met vijf of zes witte eitjes, die daar teer -met rose gespikkeld op den bodem liggen, en een paar meesjes die daar -rondglippen, half angstig, half vertrouwend, is het bij elkaar zoo'n -mooi plekje, dat ik me moeilijk een jongen kan denken die laaghartig -genoeg zou zijn om het te verstoren. - -Eén ding is me bij die nestjes altijd een raadsel geweest. In de zachte -voering zit meestal meer of minder konijnenhaar. Soms is er zelfs niets -anders, en een zachter nest zou je niet kunnen verlangen. Maar waar -haalt ze het vandaan? Ik ben er van overtuigd dat ze het niet uit het -konijntje zal plukken, zooals de kraai soms wol uit de schaperuggen -trekt. Zijn haar oogjes helder genoeg om het haar voor haar te vinden, -waar de wind het neergeblazen heeft tusschen de blaren? Als dat zoo is, -moet 't een langdurig werkje zijn; maar een mees is heel geduldig. In -'t voorjaar kun je haar wel eens op den grond verrassen, waar ze -nooit om voedsel gaat; maar bij zoo'n gelegenheid is ze altijd schuw -en fladdert zij omhoog tusschen de berketakken, en twettert en geeft -een verbazingwekkende gymnastische vertooning, alsof zij je aandacht -van haar vorige ongewone doen wou afleiden. Dat is alleen maar, -omdat je in de buurt van haar nest bent. Als zij ondertusschen een -plukje konijnenhaar in haar snavel heeft, zijn je oogen niet scherp -genoeg om het te onderscheiden. - -Eens na zoo'n vertooning deed ik net of ik wegging, maar ik verschool -me slechts in een dennenboschje. De mees luisterde een poosje, hipte -toen naar beneden op den grond, pikte iets op dat ik niet kon zien -en vloog weg. Ik twijfel er niet aan of het was de voering voor haar -nest in de buurt. Zij had het laten vallen toen ik haar verraste, -opdat ik haar niet van nestelen zou verdenken. - -Zoo'n vroolijk, behulpzaam diertje moest geen vijand ter wereld hebben, -en ik geloof dat het er minder te weerstaan heeft dan de meeste -vogels. De klauwier [11] is zijn ergste vijand; het neersuizen van -zijn wreeden bek is altijd noodlottig in een meezenvlucht. Gelukkig -komt de klauwier weinig bij ons voor; je vindt zijn nest maar zelden, -met het arme meesje op een scherpen doorn er vlak bij gespietst, -omringd door allerlei leelijke torren. Ik verdenk er de uilen soms -van dat ze 's nachts op hem jagen, maar het slaapt in het lage, dichte -dennenhout, stijf tegen een tak gedrukt, met de dennenaalden aan alle -kanten om zich heen, die het heel donker maken; en met die duisternis, -en de naalden die hem in de oogen kunnen prikken, geeft de uil zijn -zoeken gewoonlijk op en hij gaat in minder dichte bosschen jagen. - -Soms trachten de haviken hem te snappen, maar er is een paar heel -snelle en heel kleine wieken noodig om een meesje te vangen. Eens keek -ik naar hem, terwijl hij met zijn kopje naar beneden aan een eiketwijg -hing waar de dorre bladen nog aanzaten, want het was winter. Plotseling -was er een tocht, een flits van gespikkelde vleugels en felle, gele -oogen en wreede klauwen. Het meesje schoot onzichtbaar weg onder een -blad. De havik vloog verder met ruischende slagpennen. Een bruine -veer zeeg neer tusschen de eikebladen. Toen hing het meesje met 't -kopje naar beneden, juist waar het eerst was. "Tsikke-die? Heb ik -hem niet mooi beetgehad!" scheen het te zeggen. Het was eenvoudig om -zijn twijg heen onder een blad geglipt en weer terug, en 't gevaar -was voorbij. Als een havik op zoo'n manier mist, stoot hij nooit -weer. Jongens hebben gewoonlijk een eigenaardige vriendschap voor de -meezen. Ze mogen wreed of gedachteloos tegenover andere vogels zijn, -maar zelden zijn ze 't voor haar. Ze lijkt wel wat op hen. - -Twee jongens op bloote voeten, met pijlen en bogen, waren op een -Septemberdag aan het jagen tusschen de halfvolgroeide boschjes -op een oud weiland. De oudere leerde den jongeren schieten. Een -roodborst, een chipmunk [12] en twee of drie musschen waren al in hun -jaszakken weggestopt, een bruin konijn hing den oudsten jongen over -den schouder. Plotseling hief de jongste zijn boog op en trok den -pijl tot aan den top terug. Vlak voor hem hing een meesje tusschen -de berketakjes te twetteren. Maar de oudere jongen greep zijn arm beet. - -"Niet schieten--schiet hem niet!" zei hij. - -"Maar waarom niet?" - -"Omdat je 't niet doen moet--je moet nooit een mees schieten." - -En de jongere, door een zeker geheimzinnig hoofdschudden meer dan -door de woorden genoopt, ontspande vroolijk zijn boog; en met een -laatsten blik uit groote oogen naar het grijze vogeltje, dat daar zoo -zonder vrees twetterde en wiegelde vlak bij hem, gingen de jongens -verder jagen. - -Niemand had den oudsten jongen ooit geleerd onderscheid te maken -tusschen een mees en andere vogels, niemand anders heeft het ooit aan -den jongeren geleerd, en toch voelden ze beiden op de een of andere -manier, en voelen het nog na vele jaren, dat er een onderscheid -is. Zoo gaat het altijd met jongens. Ze zijn vrienden van alles wat -hen vertrouwt en geen vrees kent. Gee--gee's eigen persoontje, haar -opgewekte manieren en vertrouwelijke natuur hadden het hun geleerd, -ofschoon ze het niet beseften. En onder alle jongens uit die buurt -bestaat er nog een wet die geen mensch ooit gegeven heeft, waar geen -mensch den oorsprong van kent, een wet even onveranderlijk als die -van de Meden en Perzen: Dood nooit een meesje. - -Als je gindschen jongen die je van de wet vertelt vraagt: "Waarom -een meesje niet evengoed als een musch?" schudt hij zijn hoofd net -als eertijds en antwoordt dogmatisch: "Omdat je dat niet doen moet." - - HET GEHEIM VAN HET MEESJE. - -Wanneer je in Mei een meesje aantreft met een plukje konijnenhaar -in zijn bek, of als het aandachtig ergens mee bezig, geheel van -iets vervuld lijkt, kun je er zeker van zijn, dat het bezig is een -nest te bouwen, of vrouw en kinderen in de buurt heeft om voor te -zorgen. Als je het goed kent, gebeurt het misschien wel dat je je -gegriefd voelt, omdat het vriendje, dat je kamp met je deelde en den -vorigen winter aan je tafel kwam eten, dit voorjaar even vrijpostig -scheen en je toch nooit naar zijn kampplaats uitnoodigde, je er soms -zelfs van wegleidde. Maar het zachte nestje in het oude boomgat is -het eenige geheim in een meezenleven; en de bedriegerijtjes waarmee -hij het tracht te bewaren zijn soms zoo kinderlijk, zoo doorzichtig, -dat ze zelfs nog meer belangstelling wekken dan zijn vertrouwlijkheid. - -Op een middag in Mei liep ik eens zonder geweer te jagen bij een oude, -verlaten hoeve tusschen de heuvels--een van die zonnige plaatsen -waar de vogels van houden, omdat er iets van de menschelijke wezens -die er eens woonden nog over de halfverwilderde landen waart en er -iets beschermends aan geeft. De dag was warm en zonnig. De vogels -waren overal en schoten van de dennenboschjes naar de berken, in de -volle vreugde van het nestelen, en vervulden de lucht van leven en -melodie. Het jagen geeft niet veel als je op zoo'n tijd rondgaat. Of -de jager, òf zijn wild moet rustig zijn. Hier repten de vogels zich -onophoudelijk; ik kon meer van hen en hun gewoonten zien door me -eenvoudig stil en onzichtbaar te houden. - -Ik ging aan den zoom van een dennenboschje zitten en werd zooveel -mogelijk een deel van de oude stomp die me tot zitplaats diende. Vlak -voor me slingerde zich een oud hek, vier balken hoog, over de -verlaten wei, worstelend tegen de braamranken die in overvloed er -omheen groeiden, en 't leek wel of ze aan den ondersten balk rukten -om de oude omheining naar beneden te trekken, tot ze 't ondersteboven -lag. Aan weerskanten verdween ze in boschjes van berken en eiken en -sparren, evenals de rankende bramen door vogels daar gezaaid, die -een poosje op het oude hek waren blijven zitten om uit te rusten, -of om hun nieuwsgierigheid te bevredigen. Forsche, jonge boomen -hadden het op zij gedrongen en gebroken. Hier en daar was een scheeve -post met kamperfoelie geheel begroeid. De balken waren grijs en met -mos bedekt. De natuur deed al haar best om er een onderdeel van het -landschap van te maken; het zou niet heel lang zijn eigen karakter meer -kunnen bewaren. 't Wilde boschvolkje had het al lang in bezit genomen, -ofschoon nog niet zoo geheel als ze het de ranken en boomen deden. - -Terwijl ik daar zat liet er zich een roodborst uit den top van een -jongen ceder, waar hij een oogenblik te voren zijn bruidsliedje nog -zat te oefenen, op neervallen. Hij was niet van zins er te gaan zitten, -maar nieuwsgierigheid, even doelloos als de mijne, deed hem even op den -ouden grijzen balk poozen. Toen liet een specht zich tegen den kant -van een post neer en onderzocht dien zachtjes. Maar hij was te kort -bij den grond, te dicht bij zijn vijanden om leven te maken--vloog -dus naar een hooger tak, en sloeg een roffel dat de bosschen er van -weerschalden. Daar zat hij veilig en kon net zooveel leven maken als -hem behaagde. Een boschmuis bewoog de ranken en verscheen even op den -ondersten balk; toen verdween ze, alsof ze hevig geschrokken was dat -ze zich zoo maar in den zonneschijn vertoond had. Zoo doet zij altijd -bij haar eerste verschijning. - -'t Duurt niet lang of een roode eekhoorn schiet uit het boschje -aan den linkerkant, rept zich langs de balken en de posten op en -neer. Hij gaat als een kleine, roode wervelwind, ofschoon hij niets -ter wereld heeft om zoo'n haast voor te hebben. Juist tegenover -mijn stomp staakt hij zijn jacht merkwaardig plotseling, snatert, -klakt, scheldt, probeert of ik me ook beweeg, dan gaat hij verder en -verdwijnt met dezelfde halsbrekende vaart uit 't oog. Een gaai blijft -even stilzitten in een jongen noteboom boven het hek om 't uit te -fluiten van nieuwsgierigheid, alsof ze het al niet vijftig keer eerder -gezien had. Iets wat haar nieuwsgierigheid opwekt blijft altijd nieuw -voor haar. Ze krijscht nu niet; 't is haar nesteltijd.--En zoo den -heelen middag door. Het oude hek wordt een stukje van de bosschen, -en elk dier dat voorbij komt houdt stil om er kennis mee te maken. - -Ik droomde me een geschiedenis van de oude heining, toen een meesje -in den den achter me twetterde. Toen ik me omkeerde vloog het over -me heen en ging voor me op het hek zitten. Het had iets in zijn bek; -ik keek dus goed toe om zijn nest te ontdekken, want ik zou het heel -graag eens aan 't werk zien. - -'t Meesje had nooit blijk gegeven dat het bang voor me was, en ik -meende dat het me nu vertrouwen zou. Maar dat deed het niet. Het wou -niet naar zijn nest toegaan. In plaats daarvan begon het op den ouden -balk heen en weer te hippen en net te doen of het heel naarstig op -de insectenjacht was. - -Even later verscheen zijn wijfje en met een scherp geluid riep het haar -naast zich. Toen hipten en twetterden beide vogels op den balk heen -en weer, en er was blijkbaar niets ter wereld dat hun zorg gaf. Vooral -het mannetje leek net in een stemming om pret te maken. Het dribbelde -den mossigen balk op en neer, het draaide er omheen, tot het veel had -van een klein, grijs vuurraadje; het hing met 't kopje naar beneden -aan zijn teenen, liet zich vallen en draaide zich als een kat om, -zoodat het op zijn pootjes op den balk er onder neerkwam. Terwijl ik -op deze vertooning lette, had ik nauwelijks gemerkt dat zijn wijfje -verdwenen was, tot ze plotseling naast hem op den balk weer voor den -dag kwam. Toen verdween hij, terwijl zij de vertooning op den balk -gaande hield, misschien met drukker getwetter en wat minder kunsten. Na -een poosje waren de beide vogels weer bij elkaar en vlogen de dennen -in, waar ze uit het oog verdwenen. - -Ik had ze bijna vergeten onder 't gadeslaan van andere vogels, toen -ze weer op den balk verschenen, tien minuten of een kwartiertje -later, en een voorstelling ten beste gaven die weer heel veel van -de vorige had. Dat was bepaald ongewoon, en ik bleef zitten, heel -rustig, vol belangstelling, ofschoon eenigszins in de war gebracht, -en een beetje teleurgesteld dat ze niet naar hun nest waren gegaan. Ze -hadden beide keeren dat ze op den balk verschenen 't een of ander in -den bek en waren nu waarschijnlijk bezig nog wat te zoeken--misschien -wel konijnenhaar in den ouden boomgaard. Maar wat hadden ze er mee -uitgevoerd? "Misschien," dacht ik, "hebben ze 't laten vallen om me -beet te nemen." Dat doet het meesje soms. "Maar waarom bleef de eene -vogel dan op den balk? Misschien..." Nu, ik zou eens goed uitkijken. - -Toen me die gedachte inviel, verliet ik mijn stomp en begon heel -zorgvuldig de posten van het oude hek te onderzoeken. Het meezennest -zat daar ergens. In den tweeden post aan den linkerkant ontdekte ik -het, een klein gat, waar een knoest was geweest, dat het meesje diep -uitgehold had en met konijnenhaar gevoerd. Het zat mooi verborgen -door de ranken die den ouden post bijna geheel bedekten, en grijs -mos groeide overal om den ingang. Nog nooit had ik zoo'n snoezig -nestje gevonden. - -Ik keerde naar mijn stomp terug en ging zoo zitten, dat ik net -het donkere holletje kon zien dat naar het nest leidde. Nu konden -geen andere vogels me boeien, tot de meesjes terugkwamen. Ze waren -er gauw en hipten net als eerst op den balk heen en weer, met een -heel fijnen klank van verbazing even in hun zachte getwetter, dat -ik van houding veranderd was. Dezen keer zou ik me niet beet laten -nemen door gymnastische kunsten, hoe merkwaardig ook. Ik hield -mijn oogen op het nest gericht. Het mannetje ging zeker door met -zijn moeilijkste kunststukken en deed zijn best om mijn aandacht -te boeien, toen ik plotseling zijn wijfje achter den post om zag -glippen en in haar deurtje verdwijnen. Ik kon nauwelijks zeggen of -'t een vogel was of niet. Het leek veeleer alsof de wind een plukje -grijs mos bewogen had. Had ze 't langzaam gedaan, dan zou 'k haar -best niet gezien kunnen hebben, zoo weinig was haar zachte grijze -jasje te onderscheiden van het verweerde hout en het mos. - -Even later kwam ze weer te voorschijn, wachtte een oogenblik, terwijl -haar kleine kopje uit het gat keek, glipte om den post zoodat 'k haar -niet meer zien kon, en ik kreeg haar weer in 't oog toen ze plotseling -naast het mannetje verscheen. - -Toen lette ik op hem. Terwijl zijn wijfje rondsnorde op den bovensten -balk, liet hij zich op den middelsten vallen, hipte langzamerhand naar -één kant, liet zich toen plotseling op den ondersten neertuimelen, -die half om den wingerd verscholen was, en verdween. Ik wendde mijn -oogen naar het nest. Een oogenblik, en daar had je hem--niets dan -een grijs glimpje dat even van achter den post te voorschijn kwam, -alleen om in den donkeren ingang te verdwijnen. Toen hij weer naar -buiten kwam, kon ik maar een flits van hem opvangen, tot hij op den -balk bij me, naast zijn wijfje verscheen. - -Nu was hun kleine krijgslist duidelijk. Ze waren teruggekomen van -'t verzamelen van konijnenhaar en hadden me onverwachts bij hun -nest aangetroffen. In plaats van drukte te maken en het te verraden, -zooals andere vogels misschien gedaan zouden hebben, streken ze op den -balk vóór me neer en waren zoo gezellig als alleen meesjes dat kunnen -zijn. Terwijl het eene mij bezighield en mijn aandacht in beslag nam, -liet het andere zich naar den ondersten balk tuimelen en gleed er -achter langs voort, dan langs den post naar boven, waar hun nest was, -en langs denzelfden weg terug, met achterlating van zijn bouwstof. Dan -hield het me bezig terwijl het wijfje net zoo deed, en omgekeerd. - -Hoe simpel hun toeleg ook was, ik was er in 't eerst door bedrogen -en 'k zou me steeds hebben laten beetnemen, als ik niet wat van -meezengewoonten had afgeweten en 't nest had gevonden toen zij weg -waren. Vogels die gejaagd worden gebruiken de list om iemand van hun -nest weg te lokken. Ik weet het niet, maar me dunkt dat alle vogels -min of meer datzelfde instinct hebben, maar niet één had haar ooit -met zooveel succes op me toegepast als Ch'gee-gee. Wel langer dan -twee uur zat ik daar naast het dennenboschje, terwijl de meesjes -af- en aanvlogen. Soms naderden ze het nest van den anderen kant, -en ik zag ze niet of ving slechts een glimp van hen op misschien, -als ze hun deurtje binnenglipten. Altijd wanneer ze er van mijn -kant heengingen, bleven ze op den balk voor me zitten en voerden hun -vertooninkje op. Langzamerhand werden ze vertrouwlijker en gaven zich -minder moeite om hun bewegingen te verbergen dan eerst. Soms kwam er -maar één en verdween na een kleine voorstelling. Misschien meenden -ze wel dat 'k niet veel kwaad kon, of dat ze me den eersten keer -zoo mooi beet gehad hadden, dat ik niet eens vermoedde hoe ze aan -'t nestelen waren. In elk geval, ik deed nooit alsof ik het wist. - -Toen de middag kortte en de zon in de dennetoppen gleed, werden de -meesjes hongerig en staakten hun werk tot den volgenden morgen. Ze -pikten tusschen de jonge berkeknoppen toen ik ze verliet, samen druk -en gezellig in de weer om hun avondmaal te zoeken. - - - - - - - - -IEMAND MET AANPASSINGSVERMOGEN. - - -Onder de vogels is er één, wiens uiterlijk voorkomen bezig is -een snelle verandering te ondergaan. Hij is in zijn tegenwoordige -bestaan teekenend voor een proces dat historisch welbekend is aan alle -biologen, te weten: de vormwijziging die voortkomt uit een veranderde -omgeving. Ik spreek van den gouden specht, den "flicker"; misschien de -mooist geteekende vogel van het Noorden, wiens namen even verscheiden -zijn als zijn gewoonten en kundigheden. - -De natuur had hem er toe bestemd op dezelfde wijze aan voedsel te -komen als de andere spechten, door in oude boomen en boomstompen naar -de insecten te boren die van het vermolmde hout leven. Voor dat doel -gaf ze hem den rechten, scherpen, wigvormigen snavel, er juist op -berekend om houtspaanders uit te hakken, de zeer lange tong met een -hoornen tipje om in de gaten te steken die hij maakt, de eigenaardige -plaatsing van de teenen: twee naar voren en twee naar achteren, en de -stijve, stugge staartveeren om zich onder 't werken tegen den kant van -een boom te steunen. Maar zijn kost op die wijze verdienen beteekent -hard werken, en hij heeft voor zichzelf een veel gemakkelijker manier -ontdekt. Je kunt hem nu telkens op den grond verrassen in oude weiden -en boomgaarden, waar hij nog al onbeholpen rondfladdert (want zijn -pootjes waren nooit bedoeld om er mee te loopen) op jacht naar de -krekels en sprinkhanen, waarvan het daar wemelt. Maar toch vindt hij -'t werk om ze te vangen veel gemakkelijker dan in droge, oude boomen -te boren, de insecten zelf veel grooter, en ze loonen de moeite meer. - -Een enkele blik zal aantoonen hoeveel die nieuwe leefwijze hem van de -andere spechten heeft doen afwijken. De snavel is niet meer recht maar -heeft een duidelijke bocht, zooals van de lijsters, en in plaats van -het wigvormige uiteinde is er een afgeronde punt aan. De roode kuif op -zijn kop, een kenmerk van de heele spechtenfamilie, zou op den grond -te veel in 't oog vallen. In plaats daarvan vinden we, goed laag in den -nek en gedeeltelijk door de korte, grijze veeren er omheen verscholen, -een rood half maantje. De punt van de tong is minder hoornachtig, en -uit de stijve punten van de staartveeren beginnen baarden te groeien -die ze meer op die van andere vogels doen lijken. Een volgend geslacht -zal zich stellig afvragen waar deze eigenaardige lijstersoort haar -ongewone tong en staart vandaan heeft, zooals wij ons verbazen over -de mismaakte pootjes en de wonderlijke manieren van den koekoek. - -De gewoonten van dezen vogel zijn een eigenaardig mengelmoes van -zijn oude leven in de bosschen en zijn nieuwe voorkeur voor het open -veld en boerderijen. Soms zit het nest heelemaal in 't hartje van -het woud, waar de vogel in- en uitglipt, stil als een kraai in den -nesteltijd. Het terrein waar hij zijn eten haalt kan dan best een -vroegere weide op wel een halve-mijls afstand zijn, waar hij luidkeels -roept en zoo uitgelaten ronddartelt, alsof hij nooit zorg of angst in -de wereld had. Maar nu zit het nest veel vaker in een wilden bongerd, -waar de vogel een oude holte in een boom ontdekt en diep in het zachte -hout naar beneden graaft, zoodat hij met heel weinig moeite een diep -nest klaar krijgt. Als de ligging van het gat niet goed is, vindt hij -een grooten, verganen tak en boort het buitenste, harde omhulsel door, -graaft dan een centimeter of dertig of meer in het zachte hout en maakt -een nest. In dit nest heeft hij nooit last van den regen, want hij -boort den ingang met voorbedachten rade aan den onderkant van den tak. - -Als veel andere vogels heeft hij ontdekt dat de boer zijn vriend is. Af -en toe verzuimt hij daarom een diep nest te maken, door eenvoudig -een oud boomgat uit te hollen, zich op de tegenwoordigheid van den -mensch verlatend voor bescherming tegen haviken en uilen. Bij zulke -gelegenheden leert de vogel al heel gauw wie er bij den boomgaard -hooren, en verliest hij de overgroote schuwheid die hem overal elders -kenmerkt. - -Eens noodigde een boer, mijn belangstelling in vogels kennend, me -uit om een gouden specht te komen kijken, die in haar vertrouwen -zoo'n ondiep nest had gebouwd dat je ze als een roodborst op de -eieren kon zien zitten. Ze was zoo tam, zei hij, dat hij soms -wanneer hij naar zijn werk ging langs den boom kon komen zonder -haar te verstoren. Hetzelfde oogenblik dat we den muur overkwamen, -binnen den gezichtskring van het nest, glipte de vogel den boomgaard -uit. Omdat we haar op de proef wilden stellen, trokken we ons terug -en wachtten tot ze weer kwam. Toen liep de boer op een afstand van -nog geen paar voet voorbij, zonder dat hij haar ook maar in 't minst -verstoorde. Tien minuten later volgde ik hem, en de vogel vloog weer -weg zoodra ik den muur overkwam. - -Het geluid van den gouden specht--met veel meer afwisseling en veel -welluidender dan dat van andere spechten--is waarschijnlijk een gevolg -van zijn nieuwe, vrije leven en de gewijzigde tong en snavel. In de -bosschen hoor je zelden iets anders dan een ratelend ret-e-tet-tet, -als hij aan 't hameren is op een droge, oude dennestomp. In den -regel schijnt hij dit meer te doen voor 't leven dat het maakt en om -zijn krachten te oefenen, dan omdat hij verwacht er insecten in te -zullen vinden, behalve 's winters, als hij tot zijn oude gewoonten -terugkeert. Maar buiten op het veld heeft hij een verscheidenheid van -tonen. Soms is het een luid kie-uk, als de kreet van een blauwe gaai in -twee lettergrepen verdeeld, met den klemtoon op de laatste. Dan weer is -het een luide, verheugde, fluitende roep van heel korte nootjes, die -vlak achter elkaar aanrollen met een klemtoon op elk. Of hij wipt op -'t uiteinde van een ouden hekbalk op-en-neer met een vroolijk iekoe, -iekoe, iekoe, dat meer van een lach heeft dan iets anders onder de -vogels. In de meeste van zijn muzikale pogingen zit de gouden specht -zooals andere vogels op den tak, in plaats van zich op zij aan een -boom vast te klampen. - -Een eigenaardige gewoonte, die de vogel heeft aangenomen met zijn -toenemende beschaving, is dat hij zich van een slaapgelegenheid -verzekert, beschut tegen de wintersche stormen en kou. Laat in den -herfst zoekt hij een verlaten gebouw en na veel schichtig onderzoek, -om er zich van te overtuigen dat er niemand in is, boort hij door -den eenen kant een gat. Dan heeft hij een behaaglijk plaatsje om te -slapen en genoeg vermolmd hout om er op stormachtige dagen insecten -te vangen. Een koelhuis is een geliefkoosde woonplaats voor hem, -want het warme zaagsel verschaft een mooie gelegenheid om zijn nest -of slaapkamer in te graven. Als een gebouw voor nestelplaats gebruikt -wordt, boort de vogel heel leep den ingang vlak onder den dakrand, -waar hij beschut wordt voor buien en tegelijkertijd niet in 't oog -loopt voor loerende blikken. - -Gedurende den winter bewonen verscheiden vogels vaak samen een -gebouw. Ik ken een oude, verlaten schuur, waar 't vorige jaar vijf -van die vogels heel vreedzaam woonden, ofschoon ik nooit precies kon -uitmaken wat ze er overdag uitvoerden. Als je er heel behoedzaam -aankwam, op elk uur bijna van den dag, en op den zijkant van de -schuur bonsde, vlogen er een paar vogels hevig verschrikt uit, die -geen oogenblik ophielden om achter zich te kijken. In 't eerst waren -er maar drie ingangen, maar nadat ik ze een paar keer verrast had -werden er nog twee aan toegevoegd. Om gauwer naar buiten te komen, -als ze alle binnen waren, of eenvoudig om maar gaten te boren, dat -weet ik niet. Soms hebben een paar vogels vijf of zes gaten geboord, -gewoonlijk aan denzelfden kant van 't gebouw. - -Twee dingen wekten mijn nieuwsgierigheid ten opzichte van mijn familie -in de oude schuur: wat ze daar overdag uitvoerden, en hoe ze er zoo -gauw uitkwamen als ze opgeschrikt werden. De eenige voor hen mogelijke -manier om er zoo oogenblikkelijk uit te komen schieten als zij deden, -was dat ze er regelrecht uitvlogen. Maar de gaten waren te klein en -geen andere vogel dan een oeverzwaluw zou zoo iets geprobeerd hebben. - -Op een dag joeg ik de vogels naar buiten, kroop toen aan den -tegenovergestelden kant onder een vloerbalk door naar binnen en -verschool me in een hoek van de hanebalken zonder daarbinnen iets van -zijn plaats te brengen. Het was een lang gewacht in die oude, stoffige -gelegenheid, voordat een van de vogels terugkeerde. Eerst hoorde ik -hoe er een op het dak ging zitten, toen verscheen zijn kopje voor een -van de gaten, terwijl hij er vlak onder tegen den kant van de schuur -aan zat te kijken en te luisteren voordat hij binnenkwam. Na een paar -minuten krabbelde hij heel voldaan dat er niemand in was naar binnen, -en streek neer in een hoek waar een hoop oud hooi en rommel lag. Hier -begon hij druk te ritselen en rond te scharrelen, als een eekhoorn -in de herfstblaren, waarschijnlijk op insecten uit, ofschoon het te -donker was om precies te zien wat hij uitvoerde. De helft van den tijd -klonk het alsof hij 't hooi wegkrabde, bijna zooals een kip zou hebben -gedaan. Als dat zoo was, moet 't voor zijn beide voorste teentjes -een bitter zwaar werk zijn geweest, doordat de achterste twee onder -de hand altijd dubbel sloegen. Toen ik plotseling tegen den zijkant -van de schuur bonsde, schoot hij als een pijl uit den boog op een van -de gaten af waar hij vlak onder neerkwam, en bleef er zoo steken, -dat het me aan de gekauwde papierballetjes deed denken die jongens -gewoon waren op school tegen het bord te gooien. Ik kon duidelijk den -klop van zijn pootjes hooren, toen hij neerkwam. Met dezelfde beweging -en zonder een oogenblik op te houden dook hij er hals over kop door, -geholpen door een veering van zijn staart, bijna net als een duiveltje -uit zijn doosje springt, maar veel gauwer. Nauwelijks was hij weg, -of er verscheen een andere om hetzelfde programma af te werken. - -Ofschoon hij veel schuwer is dan andere vogels op de boerderij, waagt -hij zich dikwijls tot dicht bij het huis en de deur 's morgens vroeg, -voordat er nog iemand op is. Op een voorjaarsmorgen werd ik door een -vreemd, kletterend geluidje gewekt, en toen ik mijn oogen opende was -ik verbaasd een van die vogels in 't kozijn van het open raam te zien -zitten, nog geen vijf voet van mijn hand af. Mijn oogen half sluitend -hield ik me heel stil en keek toe. Vlak voor hem op de latafel stond -een opgezette gouden specht, met vleugels en staart uitgespreid om -het mooie gevederte op zijn voordeeligst te laten uitkomen. Hij -had hem onder 't voorbijvliegen gezien en stond nu heen-en-weer -te hippen langs het kozijn, niet zeker of hij binnen zou komen of -niet. Soms breidde hij zijn wieken uit, alsof hij op 't punt was -om binnen te vliegen, dan keerde hij zijn kop om, om nieuwsgierig -naar mij te kijken en naar de vreemde omgeving, en bang om zich naar -binnen te wagen, poogde hij de aandacht van den opgezetten vogel te -trekken wiens kop afgekeerd was. In den spiegel zag hij zijn eigen -bewegingen herhaald. Tweemaal begon hij heel zachtjes zijn minnelied, -maar hield plotseling op alsof hij verschrikt was. De echo van het -kamertje maakte dat het zoo heel anders klonk dan dezelfde loktoon in -'t open veld; het leek wel alsof hij twijfelde aan zijn eigen geluid. - -Bijna boven zijn kop aan een klamp in den muur was nog een vogel, -een groote havik, die naar voren hing aan zijn steunpunt, met wijd -uitgespreide vlerken en felle, neerturende oogen, in de ingespannen -houding die een havik aanneemt als hij van een hoogen uitkijkboom -op zijn prooi wil stooten. De specht was op dat oogenblik op 't -punt om zich naar binnen te wagen. Hij had met uitgeslagen wieken -voorovergeleund om op me neer te kijken en er goed zeker van te -zijn dat ik geen kwaad kon, toen hij voor een laatsten blik achter -zich zijn kop had omgedraaid en den havik in 't oog kreeg, die juist -gereed was om zich op hem te storten. Met een ontzet kie-uk tuimelde -hij gewoon van 't kozijn af, en ik ving nog net een glimp van hem op, -toen hij in volle vaart den hoek omschoot. - -Wat waren zijn indrukken, vraag ik me af, toen hij op een tak van den -ouden appelboom zat en alles overdacht? Hebben de vogels romantische -verhalen? Wat had hij dan iets veel merkwaardigers gezien dan in -één van die! En hebben ze middelen om ze mede te deelen, zooals ze -hun minnezangen zingen? Wat een merkwaardige geschiedenis kon hij -vertellen, waar gebeurd, van een tooverpaleis vol vreemde wonderen, -van een glimmend stukje lucht dat maakte dat hij zichzelf zag, van -een reus geheel in 't wit met alleen zijn hoofd zichtbaar, van een -betooverde schoone, die haar vleugels in een stomme smeekbede naar den -een of anderen ridder uitstrekte om haar aan te raken en de betoovering -te verbreken, terwijl er boven een felle draak-havik de wacht hield, -gereed om iedereen op te eten die zou durven binnenkomen! - -En natuurlijk wou niemand van de vogels hem gelooven. Hij zou de rest -van zijn leven moeten doorbrengen met uitleg-geven en de andere zouden -slechts fluiten en hem Jago [13] den leugenaar noemen. Wel beschouwd -zou 't maar beter voor den vogel met zoo'n ongewone ervaring zijn om -erover te zwijgen. - - - - - - - - -EEN KERSTLIED. - - -Het kerstlied door een koor van frissche kinderstemmen gezongen is -misschien de volmaaktste uitdrukking van den geest van Kerstmis. - -Dit geldt vooral van de oude Engelsche en Duitsche kerstliederen, die -naarmate de jaren vlieden steeds lieflijker, heerlijker, volmaakter -uitdrukking van de liefde en het welbehagen worden die ze deden -ontstaan. Toch wordt altijd met kersttijd de herinnering bij me -wakker aan een lied, het lieflijkste van alle, dat voor mij alleen -werd gekweeld door een zanger uit het hooge Noorden, terwijl de wind -in de dennen een zachte begeleiding zoemde. - - - -Ongetwijfeld hebben veel lezers 's winters wel vluchten vreemde vogels -gezien--donzige, grijze gasten, bijna zoo groot als een roodborst, -die met zacht fluitende loktonen over 't gras rondvliegen, of op den -grond aan 't pikken zijn zoo tam en onbevreesd, dat ze ternauwernood -op zij gaan wanneer je aankomt. De snavel is kort en dik, de kop van -achteren en een groote vlek juist boven den staart zijn goudbruin, en -over de vleugels loopen dubbele, smalle, witte strepen. Verder is hij -heelemaal zachtgrijs: donker bovenop en licht van onderen. Wanneer je -er op den grond bespiedt, zul je zien dat ze een eigenaardige manier -van zich voort te bewegen hebben, als de gouden specht in dezelfde -omstandigheden. Soms zetten ze 't eene pootje voor het andere in -een grappig poginkje om deftig te stappen als de lijsters; dan weer -hippen ze als een roodborst, maar veel onhandiger, alsof ze niet -aan loopen gewend waren en niet precies wisten hoe ze hun pootjes -gebruiken moesten--wat dan ook zoo is. - -De vogels zijn Parisvogels [14] en zijn ietwat ongeregelde wintergasten -uit het hooge Noorden. Alleen als de koude buitengewoon vinnig is en -de sneeuw dik om de Hudson-Baai ligt, verlaten ze hun nestelplaatsen -om een paar weken in het verlaten Nieuw-Engeland door te brengen als -winterverblijf. Hun toeven is bij ons kort en onzeker. Lang voordat -de eerste blauwborst [15] ons van de oude schutting af verheugd -toegefloten heeft dat 't voorjaar komt, fluiten de Parisvogels al in -de wouden van Labrador over de lente en zingen ze hun minnezangen. - -Iets merkwaardigs, dat we bij die vluchten 's winters zien, is dat ze -bijna geheel uit wijfjes bestaan. Het mannetje komt heel zelden bij ons -voor. Je kunt hem onmiddellijk aan zijn vroolijke kleur en zijn mooie, -roode borst herkennen. Soms zijn er een paar jonge mannetjes in de -vluchten; maar voordat de eerste paartijd hun borstveeren dieproode -tipjes gegeven heeft, zijn ze bijna niet te onderscheiden van hun -sobergetinte metgezellen. - -Laat ik even opmerken: het roode borstschild is de -familieonderscheiding, het geslachtswapen van de Parisvogels, evenals -de scharlaken kuif alle spechten kenmerkt. En wanneer je een Micmac -[16] uit het hartje van de bosschen vraagt hoe een Parisvogel aan -zijn schild komt, dan vertelt hij je misschien een geschiedenis, -die je evenzeer boeit als de legende van Hiawatha en den specht in -de dagen van je jeugd. - -Is het oude mannetje met zijn fiere rood zeldzaam bij ons, zijn mooie -gezang is het nog meer. Slechts diep in de wouden, bij de eenzame -rivieren van het hooge Noorden, waar geen menschenoor ooit naar -luistert, begroet hij de opgaande zon uit den top van een hoogen -spar. Daar ook zingt hij voor de ooren van zijn zedig grijs wijfje -den lieflijksten minnezang der vogels. Het is een stroom van zacht -gekweelde tonen, die tinkelen als een beekje diep onder 't ijs, -die over elkaar duikelen in een kalme verrukking van welluidend -ineensmeltende klanken, vol als 't lied van den weidespreeuw, maar veel -zachter, alsof hij bang was dat iemand anders het zou hooren dan zij -voor wie hij zong. Zij, die het lied kennen van den Parisvogel met de -rozeroode borst (niet het lentelied dat aan dat van den roodborst [17] -doet denken, maar het verrukkelijk zachte gekweel aan zijn broedend -wijfje) mogen haar lieflijkheid tot in 't oneindige vermenigvuldigen -en er zich zoo een denkbeeld van maken, waar het gezang van den -Parisvogel op lijkt. Maar soms vergeet hij zich op zijn winterbezoek -en zingt als andere vogels, eenvoudig omdat de wereld blij voor hem -is, en dan, eens in een menschenleven, hoort een vogelminnaar uit -Nieuw-Engeland hem en sluit het in zijn herinnering, en betreurt het -voor zijn verdere leven dat het bestaan dat de Parisvogel in zijn -Noordelijke land voert hem tot zoo'n schuw bezoeker heeft gemaakt. - - - -Op een Kerstmorgen, een jaar of wat geleden, lag de versch gevallen -sneeuw smetteloos wit over alle bosschen en velden. Ze was zacht en -hechtte zich, toen ze op Kerstavond viel. Nu was elke oude muur en -heining een glinsterend wit gebeeldhouwde bank, elke paal en boomstomp -had een zachten, witten mantel en een groote witte muts, struiken en -boschjes waren een heerlijk tooverland van witte bogen en flonkerende -zuilen en donkere grotten, ingesloten door ragfijn vrieswerk van zilver -en juweelen. En dan de heerlijkheid, zoo oogverblindend schoon dat er -geen woorden voor te vinden zijn, toen de zon opging en er over scheen! - -Voor zonsopgang was ik buiten. Al gauw bracht de springende vlucht en -'t opgewekte goedenmorgen van een donzigen specht me naar een oud stuk -land, waar groepjes sparren verspreid stonden. Er is geen beter tijd om -eens rustig de vogels te begluren dan 's morgens na een sneeuwjacht, -en geen beter plaats dan tusschen de sparren. Als je ze kunt snappen -(wat nog niet zoo zeker is, want ze kunnen soms geheimzinnig vóór -een storm verdwijnen), zul je ze ongekend rustig vinden; ze willen -je onderzoek wel verdragen, 't kan hun niet schelen nu, terwijl ze -anders zouden wegvliegen naar nog dichter schuilplaatsen. - -Ik was nauwelijks den muur over, toen ik stilstond bij 't hooren van -een nieuw vogellied, zoo verwonderlijk liefelijk, dat het niet anders -dan een kerstboodschap kon zijn, en toch paste het daar zoo heelemaal -niet, dat de hoorder er aan stond te twijfelen of zijn ooren hem -bedrogen, en zich afvroeg of de muziek of het landschap niet plotseling -als iets onwezenlijks zou verdwijnen. Het lied duurde voort--een zacht, -welluidend gekweel vol lieflijkheid en geheimzinnige bekoring, maar 't -wekte herinneringen aan weiden in Juni en een zomerschen zonsopgang, -veel meer dan aan sparren met sneeuw beladen en Kerstmis. Om alles -nog onwerkelijker te maken, kon geen oor onderscheiden waar 't gezang -vandaan kwam; het eigenaardige gedempte er van verborg de herkomst -volkomen. Ik doorzocht de boomen vóór me,--daar was geen vogel. Ik -keek om,--daar was geen plek waar een vogel kon zingen. Ik herinnerde -me den roodstaart [18] en hoe die soms van tusschen de rotsen roept en -weigert zich te vertoonen, en snel verdwijnt en zich verstopt als je -naar hem zoekt. Ik onderzocht den muur, maar geen vogelspoor teekende -zich af op de sneeuw. Al dien tijd ging het wonderbaarlijke gezang -voort, nu in de lucht, dan dicht bij me, en 't werd hoe langer hoe -verwarrender naarmate ik luisterde. Het kostte me een goed half uur, -om de plek waar 't geluid vandaan kwam te bepalen; toen begreep ik het. - -Dicht bij me stond een eenzame sparreboom met een ruigen top. De vogel, -wie hij dan ook was, was daar gaan slapen dicht tegen den stam gedrukt, -zooals vogels dat doen om zich te beschermen. Gedurende den nacht -had de sneeuw zich steeds dikker en dikker op de buigzame takken -getast. Hun toppen bogen onder 't gewicht, tot ze lager den stam -raakten en een groen priëel vormden, waar omheen de sneeuw zich den -heelen nacht door opstapelde, zoodat het geheel ingesloten was. De -vogel zat er in gevangen en zong toen de ochtendzon door de muren -van zijn gevangenis scheen. - -Terwijl ik luisterde, verrukt over 't lied en den ongewonen toestand -waarin de zanger zich bevond, gleed er een pak sneeuw, losgemaakt -door de zon, van het sneeuwpriëel en verscheen er een Parisvogel in de -opening. Even leek het alsof hij nieuwsgierig over de nieuwe, witte, -schoone wereld rondkeek; toen hipte hij op het allerhoogste takje en, -met zijn karmozijne borst naar de opgaande zon gekeerd, stortte hij -zijn morgenzang uit, niet langer gedempt, maar lieflijk en helder als -'t klokje van 'n boschlijster [19] dat luidde voor zonsondergang. - -Eens, veel later, heb ik zijn zachter minnelied gehoord en zijn -nest gevonden in 't hartje van een woud in Nieuw-Brunswijk. Tot -dien tijd was het niet bekend dat hij ooit zuidelijker dan Labrador -nestelde. Maar dat zelfs en de vreugde over de ontdekking misten de -bekoring van zijn zeldzaam lieflijken zang, die geheel ongezocht en -onverwachts kwam zooals alle goede zaken, terwijl onze eigen vogels -hun kersttijd doorbrachten en den zonneschijn zingend begroetten -in Florida. - - - - - - - - -DE INDIAANSCHE NAMEN. - - -Cheokhes, kie-ok-ez', de Amerikaansche "mink", een ottersoort. - -Cheplahgan, tsjep-la'-guan, de Canadeesche arend. - -Ch'geegee-lokh-sis, tsj-dsjie-dsjie'-lok-siz, de zwartkopmees: -parus atricapillus. - -Chigwooltz, tsjigg-woelts', de stierkikvorsch. - -Clote Scarpe, Kloot Skaarp, een fabelachtige held van de Noordelijke -Indianen, zooals Hiawatha. - -Commoosie, kom-moe-sie', een kleine schuilplaats of hut van bast en -takken gemaakt. - -Deedeeaskh, die-die'-ask, de Vlaamsche gaai. - -Eleemos, el-ie'mos, de vos. - -Hawahak, ha-wa-hek', de havik. - -Hukweem, huk-wiem', de groote Noordelijke duiker, of ijsduiker. - -Ismaques, is-ma-kwez', de vischarend. - -Kagax, ke'-guaks, de wezel. - -Kakagos, ka-ka-guoz', de raaf. - -K'dunk, k'dunk', de pad. - -Keeokuskh, kie-o-kusk', de muskusrat. - -Keeonekh, kie'-o-nek, de otter. - -Killoleet, kil'-loe-liet, de witkeel-musch. - -Kookooskoos, koe-koes-koes', de groote oehoe. - -Koskomenos, kos'-kom-ie-nos', de ijsvogel. - -Kupkawis, kup-kee'-wiz, syrnium nebulosum, een gestreepte uil. - -Kwaseekho, kwa-ziek'o, de bergeend. - -Lhoks, loks, de panter. - -Malsun, mel'-sun, de wolf. - -Meeko, mie'ko, de roode eekhoorn. - -Megaleep, meg'-a-liep, de caribou of 't N.-Amerikaansche rendier. - -Milicete, mil'-i-siet, de naam van een Indiaanschen stam, ook Malicete -geschreven. - -Mitches, mit'-sjes, het gekraagde hazelhoen, een soort "grouse": -bonasia umbellis of Amerikaansche patrijs. - -Moktaques, mok-ta'-kwes, de haas. - -Mooween, moe-wien', de zwarte beer. - -Musquash, mus'kwosj, de muskusrat. - -Nemox, nem'-moks, } - } de vischmarter uit N.-Amer. -Pekquam, pek-wem, } - -Quoskh, kwosk, de blauwe reiger. - -Seksagadagee, sek'sa-guee-da'-guie, het Canadeesche hazelhoen, ook -een soort "grouse". - -Skooktum, skoek'-tum, de forel. - -Tookhees, tok'-ies, de boschmuis. - -Umquenawis, um-kwie-na'-wiz, de eland. - -Unkwunk, unk'-wunk, het stekelvarken. - -Upweekis, up-wiek'-is, de Canadeesche lynx. - - - - - - - - -AANTEEKENINGEN - - -[1] De Zaagbek. - -[2] Als hier sprake is van mijlen in 't vervolg, worden de Engelsche -bedoeld. 1.6093 M. - -[3] Mattheus 18:12. - -[4] Oidemia. - -[5] Icterus Galbula. - -[6] Lobelia cardinalis. - -[7] De Amerikaansche Colinus Virginianus. - -[8] Smilax Sarsaparilla. - -[9] Loxia Curvirostra. - -[10] Perisoreus Canadensis. - -[11] De Amerikaansche Lanius Borealis. - -[12] Soort eekhoorn: Tamias Stryatus. - -[13] Zie Hiawatha van Longfellow. De Indiaansche opsnijder. - -[14] Pinicola Enucleator. - -[15] Sylvia Sialis. - -[16] Indiaansche stam. - -[17] Met roodborst wordt hier steeds de Amerikaansche bedoeld, een -lijstersoort: Merula Migratoria. - -[18] Stetophaga Ruticilla, helder oranje, zwart en wit, grooter dan -de Europeesche roodstaart. - -[19] Turdus Mustelinus. - - - - - - -End of the Project Gutenberg EBook of Het Boschvolkje, by William J. Long - -*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET BOSCHVOLKJE *** - -***** This file should be named 61129-8.txt or 61129-8.zip ***** -This and all associated files of various formats will be found in: - http://www.gutenberg.org/6/1/1/2/61129/ - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg. - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United -States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive -specific permission. If you do not charge anything for copies of this -eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook -for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports, -performances and research. They may be modified and printed and given -away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks -not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the -trademark license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country outside the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you'll have to check the laws of the country where you - are located before using this ebook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm web site -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The -Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm -trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - - - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the -mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its -volunteers and employees are scattered throughout numerous -locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt -Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to -date contact information can be found at the Foundation's web site and -official page at www.gutenberg.org/contact - -For additional contact information: - - Dr. Gregory B. Newby - Chief Executive and Director - gbnewby@pglaf.org - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide -spread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works. - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our Web site which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. - |
