summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/61129-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/61129-8.txt')
-rw-r--r--old/61129-8.txt3710
1 files changed, 0 insertions, 3710 deletions
diff --git a/old/61129-8.txt b/old/61129-8.txt
deleted file mode 100644
index 72a057b..0000000
--- a/old/61129-8.txt
+++ /dev/null
@@ -1,3710 +0,0 @@
-The Project Gutenberg EBook of Het Boschvolkje, by William J. Long
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
-other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of
-the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have
-to check the laws of the country where you are located before using this ebook.
-
-Title: Het Boschvolkje
-
-Author: William J. Long
-
-Illustrator: Charles Copeland
-
-Translator: Cilia Stoffel
-
-Release Date: January 8, 2020 [EBook #61129]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: ISO-8859-1
-
-*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET BOSCHVOLKJE ***
-
-
-
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg.
-
-
-
-
-
-
-
-
- HET BOSCHVOLKJE
-
-
- MET TOESTEMMING VAN DEN SCHRIJVER
- WILLIAM J. LONG UIT HET ENGELSCH
- VERTAALD DOOR CILIA STOFFEL
- TEEKENINGEN DOOR CHARLES COPELAND
-
-
- ROTTERDAM MCMXX
-
- W. L. & J. BRUSSE'S UITGEVERSMAATSCHAPPIJ
-
-
-
-
-
-
-
-
-INHOUD.
-
-
- Inleiding Bladz. 7
- Merganser 11
- Een wilde Eend 25
- Het nest van een Oriole 40
- De Bouwmeesters 48
- Kraaiengewoonten 73
- Een stukje natuur 90
- Het lokken van Elanden 94
- Ch'geegee-lokh-sis 109
- Iemand met aanpassingsvermogen 125
- Een Kerstlied 134
- De Indiaansche namen 141
-
-
-
-
-
-
-
-
- AAN PLATO, DEN UIL, DIE OVER MIJN
- SCHOUDER KIJKT TERWIJL IK SCHRIJF EN
- DIE ALLES AFWEET VAN DE BOSSCHEN
-
-
-
-
-
-
-
-
-INLEIDING.
-
-
-"Alle kraaien zijn eender", zei een wijs man, toen hij het over
-politici had. Dat is volkomen waar--in het donker, maar bij daglicht
-is er tusschen twee kraaien die je aantreft evenveel verschil,
-in- en uitwendig, als tusschen twee van de eerste de beste mannen
-of vrouwen. Ik vroeg eens aan een klein kind, dat me alles over
-haar kuikentje vertelde, hoe ze het hare uit twintig net zulke uit
-den koppel kende. "Hoe ik mijn kuikentje ken? Ik ken het aan zijn
-gezichtje", zei ze. En werkelijk, wanneer je dat kopje nauwkeurig
-bekeek, verschilde het van alle andere.
-
-Dit gaat ongetwijfeld op voor alle dieren, vogels incluis. Ze herkennen
-elkaar onmiddellijk onder een menigte van hun soortgenooten, en
-wie ze zorgvuldig gadeslaat ziet evenveel eigenaardige gewoonten en
-karakters onder de boschbewoners als onder andere schepselen. Het
-geeft daarom niets, al ken je de kraaiengewoonten of die van het
-rendier in 't algemeen ook nog zoo goed; maar bestudeer eens den
-eersten den besten die je weg kruist, alsof hij een geheel vreemde
-was, open je oogen om te zien en je hart om te vertolken, en je zult
-stellig iets nieuws ontdekken: de een of andere eigenaardige gewoonte,
-die je nooit vermeld had gevonden--om je zwerftochten tot een genot
-te maken en je naar huis te doen keeren met een nieuwe belangstelling.
-
-Dit eigen karakter van de dieren in de natuur zal misschien veel
-van hun gewoonten, in dit boekje beschreven, verklaren; gewoonten,
-die den lezer niet vreemder of verbazingwekkender kunnen lijken dan
-den schrijver, toen hij ze 't eerst ontdekte. Ze zijn bijna geheel
-aanteekeningen van persoonlijke waarneming in bosschen en velden. Af
-en toe, wanneer ik mijn jager of houthakker goed kende, heb ik diens
-getuigenis gebruikt, maar nooit zonder haar zorgvuldig te overwegen,
-en altijd stelde ik haar, wanneer dat mogelijk was, op de proef,
-door het bewuste dier dagen of weken gade te slaan, tot ik zelf zag
-dat alles waar was.
-
-De schetsen zijn bijna lukraak uit oude opschrijfboekjes en zomersche
-dagboeken genomen. Er omheen verzamelt zich een heer van verwante
-gedachten, van opnieuw-beleven, die het een genot hebben gemaakt ze
-te schrijven; gedachten aan de wintersche bosschen, aan appelbloesems
-en nestelende vogels, aan de heuvels en de rivieren in de wildernis
-van Nieuw-Engeland, aan kampen en kano's, aan sneeuwschoenen en
-forellenhengels, aan zonsopgang over de heuvels, als je naar boven
-klom om het adelaarsnest, en aan de schemering op de gele stranden
-waar de wind gierde, waar in de verre verte de branding klaagde
-en vlerken snorden als riet in den wind, wanneer ze neerschoten op
-lokeenden--dat alles verdrong zich gretig om me heen om herdacht te
-worden, zoo al niet vermeld. De levendigste, de meest gespannen,
-de 't vaakst weerkeerende van al die herinneringen is een jongen,
-wiens zenuwen trillen bij de oneindige, lieflijke geheimzinnigheid
-die in elk bosch ritselde, wanneer hij den roep van de winden en
-van de vogels volgde, of alleen dwaalde waar zijn zin hem leidde,
-die nooit de natuur bewust bestudeerde, maar haar slechts liefhad,
-en die veel van deze gewoonten lang geleden ontdekte, door niets dan
-zijn jongensinstinct geleid.
-
-Wanneer ze tot andere jongens spreken als tot kameraden,
-mede-ontdekkingsreizigers in de altijd nieuwe wereld, wanneer ze
-kinderen gelukkige herinneringen van een gulden tijd te binnen brengen,
-toen de natuur en de mensch nog niet zoo ver van elkaar stonden,
-dan zal 't me nog grooter genoegen zijn ze te hebben geschreven.
-
-
- WILLIAM J. LONG.
-
- Andover, Mass., Juni 1899.
-
-
-
-
-
-
-
-
-MERGANSER [1].
-
-
-Shelldrake of schelpeend is de naam waaronder deze eend in 't
-Engelsch algemeen bekend staat, ofschoon het moeilijk valt uit
-te maken waarom ze zoo genoemd wordt. Waarschijnlijk is die naam
-haar door jagers gegeven die haar alleen 's winters zien, wanneer
-de honger haar noopt mossels te eten--maar zelfs dan houdt ze veel
-meer van waterslakken. De naam visch-eend, dien men wel eens hoort,
-is veel eigenaardiger. De lange, dunne bek met zijn gezaagde kanten,
-waarvan de tanden in elkander passen als die van een berenval, er
-juist op berekend om een glibberigen, kronkelenden visch te grijpen
-en vast te houden, toont duidelijk genoeg van welken aard het voedsel
-van dien vogel is, zelfs aan wie hem niet heeft zien visschen op de
-meren en rivieren die 's zomers zijn verblijfplaats zijn.
-
-Diezelfde snavel is, tusschen twee haakjes, soms een bron van
-gevaar. Eens zag ik aan de kust hoe een zaagbek tevergeefs trachtte
-tegen den wind in te vliegen, die hem ruw het hooge riet vlak bij
-me inwierp. Het volgende oogenblik had Don, mijn oude hond, hem te
-pakken. In een hongerig oogenblik had de vogel zijn snavel door de
-beide schelpen van een oester gehakt, die tot aan zijn neusgaten
-was gegleden of zich naar boven had gewerkt en den vogel totaal
-muilbandde met een harden schelpring. De stakkerd kon na wanhopige
-pogingen zijn bek nauwelijks wijd genoeg opendoen om te drinken of
-het kleinste stukje door te slikken. Hij moest lang in dien toestand
-verkeerd hebben, want de snavel was half doorgesleten, en hij was
-zoo licht dat de wind hem als een groote veer rondblies wanneer hij
-poogde te vliegen.
-
-Gelukkig was Don een goed apporteur en bracht hij me de eend zonder dat
-er zooveel als een slagpen aan gekrenkt was, zoodat ik de voldoening
-smaakte haar uit haar gevangenschap te verlossen en vrij te laten met
-een heerlijke vaart. Maar er stond te veel wind voor haar, zij viel in
-'t water en zeilde de haven af als een dame met te wijde rokken en een
-te grooten hoed in bluisterig weer. Ondertusschen lag Don op het zand
-met den kop in de hoogte en opgestoken ooren ongeduldig te janken,
-tot ik "apporte" zou zeggen. Toen liet hij zijn kop neerzinken,
-haalde diep adem en probeerde te ontraadselen waarom zoo'n man op
-een vorstigen dag in Februari toch op een vogel zou uittrekken en
-rondsjouwen en roeien en zich nat maken, alleen om hem los te laten
-zoodra hij eerlijk gevangen was.
-
-Kwasleko, de zaagbek, leidt een dubbel bestaan. 's Winters is hij bijna
-overal langs de kust van Massachusetts en meer zuidelijk te vinden,
-waar hij een hondenleven heeft, hoe vroolijk hij er ook uitziet. Een
-honderdtal geweren paffen naar hem, waar hij zich maar vertoont. Van
-ochtendkrieken tot donker toe heeft hij geen minuut om zijn hapje
-visch op te eten of in vrede een uiltje te knappen. Hij vliegt naar den
-oceaan en gaat met zijn makkers op de breede, open zandbanken voor alle
-veiligheid ter ruste. Maar de oostenwinden blazen en de zandbanken zijn
-één ziedende uitgestrektheid van over elkander stortende golven. Ze
-smakken hem heen en weer, ze havenen zijn vroolijke veeren, ze maken
-zijn slagpennen vochtig, niettegenstaande zijn ervarenheid in het
-zwemmen. Dan zoekt hij de kreken en inhammen op.
-
-Langs de kust is een koppel van zijn eigen familie naar 't schijnt
-in kalm water voedsel aan 't zoeken. Niets kwaads vermoedend vliegt
-hij er recht op aan, terwijl 't morgenlicht vol op zijn witte borst
-en zijn helderroode pooten schijnt, als hij zich schrap zet om te
-water te gaan. Maar paf, paf! gaan de geweren en klets, klets! vallen
-zijn makkers, en uit een hoop zeewier komen een man en een hond te
-voorschijn en hij trekt, droevig verbaasd over die geverfde dingen
-op het water, af, om dat alles in honger en verdriet te overdenken.
-
-Dan wordt het koud weer en een nachtvorst bedekt alle plaatsen waar
-hij zijn eten zoekt. Onder zijn mooie veeren steken de botten uit
-en bederven de lijn van zijn ronde, welgedane lichaam. Hij is nu
-uitgehongerd, kijkt naar de meeuwen, om te zien wat die eten. Wanneer
-hij er achter is, vergeet hij zijn behoedzaamheid en zwerft op het
-strand rond op zoek naar verdwaalde mossels. Inde lente drijft de
-honger hem naar de meren, waar een overvloed van voedsel is--neen
-maar, een voedsel! In een week is zijn vleesch zoo sterk, dat een
-kraai het nauwelijks zou willen eten. Alles bij elkaar genomen is het
-geen groot wonder, als hij, zoodra zijn instinct hem waarschuwt dat
-de rivieren van het Noorden open zijn en de forellen stroomop zwemmen,
-maakt dat hij in een oord van gelukkiger herinneringen komt.
-
-'s Zomers vergeet hij zijn ontberingen. Zijn bestaan is zoo vredig als
-een beekje in de wei. Zijn tehuis is de wildernis--een eenzaam meer
-misschien, dat sparkelt onder de zomerzon of door den zuidenwind in
-duizenden glimlachende rimpels gekust wordt. Of mogelijk is het een
-rivier in het bosch, die zich voortslingert langs beboomde heuvels
-en grazige landtongen en eenzame cedermoerassen. In verborgen,
-ondiepe baaien plassen de jonge broedsels rond, terwijl ze leeren
-zwemmen en duiken en zich-in-veiligheid-brengen. Van uit het diepe
-water komt het neerplonzen van den vischarend. Een luidruchtige
-ijsvogel, rustelooze druktemaker die hij is, ratelt rond van boom
-naar boomstomp. 't Gezoem van insecten vervult de lucht met een
-dommelig gemurmel. Nu tript een hert sierlijk de landtong af en
-kijkt--en luistert--en drinkt. Een groote eland waadt onbeholpen
-het water in om zijn kop onder te dompelen en te gaan trekken aan de
-leliewortels. Het jonge broed trekt zich echter van die onschuldige
-dingen niets aan. Maar soms, als de middag ten einde loopt, draaien
-ze hun kopjes achterdochtig om, wanneer de elzen kraken en zwiepen
-aan den oever boven hen; een zacht geklok van de moeder zendt ze
-alle het gras in om zich te verschuilen. Wat zijn ze vlug verdwenen,
-zonder ook maar een spoor achter te laten! Maar het is slechts een
-beer, die de helling waar hij heeft liggen slapen afkomt, om eens te
-zien of hij voor zijn avondmaal ook een dooden visch kan vinden; en
-'t is alsof het jonge broed lacht, wanneer weer een zacht geklok hen
-haastig uit hun schuilplaats te voorschijn doet scharrelen.
-
-Eens komt er misschien een echte schrik, wanneer hun geoefendheid
-van zoo'n heelen zomer op de proef wordt gesteld. Ze hooren een
-ongewoon geluid--en om de bocht glijdt een schorskano met 't gerucht
-van menschenstemmen. De jongen maken samen dat ze wegkomen en de
-rivier achter hen schuimt als het zog van een stoombootje, wanneer de
-snel-zich-roerende pooten hen bijna uit het water heffen. Visioenen
-van den oceaan, de geweren, vallende vogels en den strengen winter
-brengen de moeder buiten zichzelf. Ze fladdert wild om de jongen heen,
-nu eens de leiding nemend, dan weer dapper zich tegen het monster
-te weer stellend; nu een zwakken, kleinen treuzelaar voortduwend,
-dan weer wiekkleppend alsof ze gewond was in de buurt van de kano,
-om de aandacht van de jongen af te leiden. Maar eindelijk zijn ze
-de landtong om en verstoppen ze zich onder de elzen. De kano komt
-aanglijden en doet geen poging hen te vinden. Stilte heerscht weer
-over het bosch. Het kleine grut komt naar 't ondiepe water terug,
-terwijl de moeder er klapwiekend omheen zwemt om nog eens en nog eens
-te tellen of er ook eentje ontbreekt. De ijsvogel komt uit zijn hol in
-den oever. De rivier stroomt verder als te voren, de rust keert weer,
-en over 't geheel ligt de geheimzinnige bekoring van de wildernis en
-de vrede van een zomerdag.
-
-Zoo komt me dat alles daar voor als ik aan den overkant onder
-den grooten spar de vogels door mijn verrekijker gadesla, zelf
-onzichtbaar. Dag in dag uit heb ik zulke schooltjes bespied,
-onopgemerkt door den argeloozen moedervogel. Soms was het de
-a-b-c-klasse: nietige, donzen dingetjes, die les kregen in 't zich
-verstoppen op een lelieblad en nooit een belooning voor verdienste in
-den vorm van een jonge forel ontvingen, of ze moesten zich zoo goed
-verscholen hebben dat de leerares (wel wat over-critisch, vond ik)
-tevreden was. Dan weer waren het de candidaten, die hun talenten
-ten toon spreidden voor den ongevraagden bezoeker, door als een
-flits uit het gezicht te verdwijnen en het water te doorklieven
-als een lichtstraal, om op den bodem een jonge forel te grijpen
-met de snelheid en de zekerheid bijna van de leermeesteres. Het was
-wonderbaarlijk, dat duiken en zwemmen, en de moeder keek toe en gaf
-kwakend haar tevredenheid te kennen: nu waren ze volleerd. Dit is
-ook wat bijzonders: 's winters zijn de vogels stom; ze vinden hun
-stem slechts voor de jongen terug.
-
-Terwijl die zorgvuldige opvoeding thuis plaats heeft, is 't
-mannetje ginder ergens op de meren met zijn vroolijke vrienden
-aan 't plezier-maken en veronachtzaamt geheel zijn vaderlijke
-verantwoordelijkheid. Ik heb wel eens groepjes van vijf of zes
-gevonden, lustige maatjes alle, die onder elkaar aan een eind van
-een groot meer woonden, waar 't vischwater best was. Den heelen zomer
-zwerven en dolen ze rond zonder zorg, blij als zomersche kampeerders,
-en laten ondertusschen de moedervogels achter om hun kroost eten te
-geven en op te voeden. Slechts ééns heb ik gezien dat een mannetje
-deelde in de verantwoordelijkheid voor zijn gezin. Ik heb drie
-dagen op de loer gelegen om achter de reden van zijn toewijding te
-komen, maar den derden avond verdween hij en ik heb hem nooit weer
-gezien. Of de mannetjes lui zijn en zich uit de voeten maken, of
-dat ze de bloeddorstige gewoonte van veel manlijke vogels en andere
-dieren hebben om hun jongen te dooden en daarom door de wijfjes worden
-weggejaagd, heb ik niet kunnen uitmaken.
-
-Deze vogels zijn buitengewoon schadelijk in water waar forellen
-zitten. Dat een kampeerder ze 's zomers spaart is uit belangstelling
-voor de jongen en vooral om de toewijding van de moeder. Als ze
-het minderwaardige mannetje echter aantreffen, wordt hij netjes op
-'t menu gezet bij andere lekkernijen. 't Gebeurt wel eens dat je een
-broedsel overvalt op een snel stroomende rivier. Dan zijn ze eerst
-recht van streek! Zoodra ze maar een glimp van de kano zien, maken ze
-dat ze wegkomen en zwiepen het water tot schuim in hun vlucht. Niet
-aleer ze om de bocht uit het gezicht zijn, hooren ze 't geklok dat
-hun zegt weg te schuilen. Sommige vinden niet gauw een schuilplaats
-op het vreemde water. De moeder haast ze en verwilderd jagen ze rond
-als de snel voortglijdende kano de bocht om komt. Op een noodkreet
-van haar gaan ze er alle weer van door, want zelfs den zwakste wil
-ze niet met rust laten. Weer verdwijnen ze om den hoek en trachten
-zich te verstoppen, weer haalt de kano ze in, en zoo gaat het verder,
-mijl na mijl, tot een zijtak of moeraswater dat in de rivier uitmondt
-een weg tot ontsnapping biedt. Dan zoeken de kleintjes als een pijl
-uit den boog de beschutting van de oevers en glijden geruischloos
-stroomop, terwijl de moedervogel net voor de kano de rivier af blijft
-fladderen. Als ze die naar haar meening ver genoeg voor de veiligheid
-heeft weggelokt, gaat ze vliegen en keert naar haar jongen terug.
-
-Hun uithoudingsvermogen is merkwaardig. Eens, op de Restigouche,
-verschrikten we laat op den middag een broed jongen. We dreven voort
-in een flinken stroom, op zoek naar een plaats om te kampeeren,
-en hadden weinig aandacht voor de vogels, die ons nooit ver genoeg
-vóór konden komen om zich veilig te verschuilen. Vijf mijlen [2]
-ver bleven ze ons voor, terwijl ze bij elke nieuwe baan uit het water
-flodderden en ons ver achterlieten, met een vaart die rechtaan rechtuit
-ging. Terwijl we onze tenten opsloegen, waren ze nog stroomaf van
-ons. Bij het invallen van de schemering zat ik onbeweeglijk aan de
-rivier, toen een lichte beweging ginds bij den tegenovergestelden
-oever mijn aandacht trok. Daar was de moedervogel, die onder de
-neerhangende struiken heimelijk stroomop gleed. De jongen kwamen er
-in een enkele rij achteraan. Nu was er geen watergeplas. Schaduwen
-waren niet geruchtloozer.
-
-Tweemaal heb ik ze sindsdien zoo zien doen. Ik twijfel er niet aan
-of ze zijn dien avond heelemaal naar de plek waar ze aan 't eten
-zoeken waren en waar wij ze den eersten keer opgeschrikt hadden
-teruggekeerd, want evenals bij de ijsvogels schijnt elke vogel zijn
-eigen gedeelte van de rivier te hebben. Hij vischt nooit in het water
-van zijn buurman en zal het nooit dulden dat er in het zijne gestroopt
-wordt. Op de Restigouche vonden we om de paar mijlen een broedsel;
-op andere rivieren, minder goed van forel voorzien, zijn ze niet
-zoo talrijk. Op meren is er dikwijls aan weerskanten een broedsel,
-maar ofschoon ik ze zorgvuldig heb gadeslagen, ik heb ze nooit naar
-elkanders vischwater zien oversteken.
-
-Op de Groote Toledi zag ik eens een eigenaardig staaltje van hun
-opvoeding. Ik pagaaide op een dag over het meer, toen ik zag hoe een
-zaagbek haar jongen een kleine baai binnenleidde, waar ik wist dat
-het water ondiep was, en dadelijk begonnen ze daar kopje te duikelen,
-hoewel erg onbeholpen. Ze kregen klaarblijkelijk hun eerste onderricht
-in het duiken. Den volgenden middag was ik daar weer in de buurt. Ik
-had met visschen--of liever met kikkersvangen--gedaan, had de kano
-in wat hoog gras uit het oog geduwd en zat daar maar zoowat te luieren.
-
-Een muskusrat kwam er aan, wreef met haar neus langs de kano en
-knabbelde een leliewortel op, voordat ze mij merkte. Een school
-voorntjes speelde tusschen het riet vlak bij. Een waterjuffer stond op
-haar kop tegen een riethalm--wat me een heel moeilijke kunst leek. Ze
-was net met een kronkeling bezig die me onbegrijpelijk voorkwam, toen
-een hert langs den oever kwam trippen en me niet eens zag. Niets doen
-is loonend onder zulke omstandigheden, al was het alleen maar om de
-kijkjes die het op het dierenleven geeft. Het gebeurt zoo zelden dat
-we in de natuur een onbevangen dier zien.
-
-Toen kwam Kwasleko weer met haar jongen in de ondiepe baai en
-onmiddellijk begonnen ze net als den vorigen keer kopje te duikelen. Ik
-vroeg me af hoe de moeder ze toch liet duiken, tot ik door mijn kijker
-keek en zag dat de kleintjes af en toe wat naar boven brachten om te
-eten. Maar in dat warme, ondiepe water was toch stellig geen visch te
-vangen. Plotseling kreeg ik een ingeving en ik duwde de kano het gras
-uit, wat het troepje in wilde verwarring het meer overjoeg. Daar, op
-den zwarten bodem, lag een dozijn jonge forellen, alle pas gevangen
-en alle met de zwemblaas door den scherpen snavel van de moeder
-stukgepriemd. Wel had ze hun middagmaal geschaft, maar ze had het
-naar een geschikte plaats gebracht en liet ze duiken om het te krijgen.
-
-Toen ik naar het kamp terugpagaaide, dacht ik aan de manier waarop
-de Indianen hun jongens leerden schieten. Ze hingen hun eten in de
-boomen buiten hun bereik en lieten ze het touw waaraan het vastzat
-met een pijl doorschieten. Hebben de Indianen dat bedacht, vraag
-ik me af, met hun juisten kijk op de dingen, bijna even natuurlijk
-als die van de vogels, of was het denkbeeld daartoe lang geleden een
-Indiaanschen jager ingefluisterd, toen hij Merganser bezig zag haar
-jongen te leeren duiken?
-
-Van alle broedsels, die ik in de wildernis heb aangetroffen, was er
-geloof ik maar één dat mij en mijn kano ooit zóó leerde kennen, dat
-het minder bang voor me was dan de andere. Het was op een meertje in
-'t hart van de bosschen, waar we op onzen tocht lang bleven hangen,
-deels bekoord door de schoonheid van het plekje en deels door het feit
-dat er twee of drie beren rondzwierven, die ik soms in de schemering
-op den oever van het meer ontmoette. De jongen waren even wild als
-van andere broedsels, maar ik trof ze dikwijls en ze vonden mijn kano
-soms onbeweeglijk en onschadelijk in hun buurt liggen, zonder dat ze
-precies wisten hoe die daar kwam. Na een dag of wat bekeken ze mij
-slechts met onrust en nieuwsgierigheid, tenzij ik te dichtbij kwam.
-
-Er waren er zes in dat broedsel. Vijf waren stevige kwantjes, die
-'t water achter zich deden koken als ze 't meer overschoten, maar het
-zesde was een teer ding. Misschien had een havik het te pakken gehad,
-of een groote forel of een mink, of had het een botje doorgeslikt, of
-misschien was het wel zoo'n zwak kereltje, zonder dat een oorzaak van
-buitenaf hem zoo gemaakt had. Altijd als het troepje opgeschrikt werd,
-worstelde hij een poosje dapper om ze bij te houden; daarna bleef
-hij steeds achter. Dan kwam de moeder terug om hem aan te moedigen
-en te helpen, maar het gaf weinig: hij was niet sterk genoeg. En het
-laatste dat ik altijd van ze zag, was een schuimend spoor dat om een
-landtong in de verte verdween, terwijl heelemaal in de achterhoede
-een waterplooi was, waar het kleine ding nog aandoenlijke pogingen
-in het werk stelde om weg te komen.
-
-Eens op een middag gleed de kano om een landtong en was bijna
-tot bij het troepje gevaren voor ze haar zagen, zoodat ze
-danig schrokken. Oogenblikkelijk maakten ze dat ze wegkwamen:
-plasse-plasse-plasse-plas, terwijl ze zich bijna uit het water
-beurden met hun snel-zich-roerende pootjes en hun kleine vlerken. De
-moedervogel vloog op, keerde terug en kruiste met luid gekwaak voor den
-boeg van mijn kano heen en weer. Het zwakkelingetje was achter, als
-gewoonlijk, maar in een plotselinge aanvechting van nieuwsgierigheid
-of slechtheid--want ik voelde werkelijk met het kleintje mee--liet ik
-de kano voorwaarts schieten, bijna tot waar het was. Hij trachtte te
-duiken, raakte in zijn angst in een leliestengel verward, dook op,
-schoot weer onder, en ik zag het tien voet verder in wat riet weer
-bovenkomen, waar het onbeweeglijk en bijna onzichtbaar tusschen de
-bladen en de gele stengels bleef zitten.
-
-Wat was het bang! Maar wat zat het toch stil! Wanneer ik mijn oogen
-ook maar even van hem afwendde moest ik weer zoeken, soms twee of
-drie minuten, eer ik hem daar zien kon.
-
-Ondertusschen gingen de andere bijna tot aan den tegenovergestelden
-oever eer ze stilhielden, en de moeder, eindelijk gerustgesteld door
-mijn kalmte, vloog naar den overkant en kwam tusschen hen neer. Ze
-had het kleintje niet gezien. Door mijn kijker zag ik haar steeds
-om hen heen fladderen, om toch maar zeker te zijn dat ze er alle
-waren. Toen miste zij het. Dat kon ik uit al haar bewegingen zien. Ze
-moet dunkt me geklokt hebben, want de jongen verdwenen plotseling en
-ze kwam haastig den weg dien ze gekomen was terugzwemmen, kijkend,
-turend overal. Ze ging op een veiligen afstand om de kano heen,
-terwijl ze tusschen 't gras en de leliebladen zocht en het zachtjes
-toeriep voor den dag te komen. Maar het was heel dicht bij de kano en
-hevig verschrikt. De eenige uitwerking van haar geroep was dat het
-zich stijver tegen de riethalmen drong, terwijl de heldere oogjes,
-groot van angst geworden, op mij gevestigd waren.
-
-Langzaam liet ik de kano achteruitglijden, totdat ik om de landtong uit
-'t gezicht was, ofschoon ik de moeder nog kon zien door de struiken. Ze
-zwom haastig rond, daar waar de kano geweest was, en riep luider;
-maar het kleintje had zijn vertrouwen in haar verloren of was te
-zeer verschrikt: het wilde niet voor den dag komen. Ten langen leste
-ontdekte zij het en met gekwaak en vleugelgeklepper, die me eenigszins
-overspannen leken, trok ze het uit zijn schuilplaats. Wat een drukte
-maakte ze over hem! Wat haastte en hielp en prees en beknorde ze het
-den heelen weg over, en wat flodderde ze voor hem uit en klokte het
-troepje uit zijn schuilplaats om het tegemoet te komen! Toen, met al
-haar jongen om zich heen, zeilde ze de landtong om, de rustige baai
-binnen die hun oefenschool was.
-
-En terwijl ik langzaam in de ondergaande zon over 't spiegelgladde
-water het meer opdreef, peinsde ik hoe menschelijk dat alles was:
-"Zal hij niet de negen-en-negentig laten, en op de bergen heengaande
-het afgedwaalde zoeken?" [3]
-
-
-
-
-
-
-
-
-EEN WILDE EEND.
-
-
-De titel zal den meesten jongens een lijn op den najaarshemel bij
-zonsondergang voor den geest roepen, waar iets geheimzinnigs aan is;
-of anders een donkeren driehoek die zich hoog en snel zuidwaarts
-beweegt, tegen Dankdag. Enkelen, die bosschen en velden om hun
-woonplaats goed kennen, mag hij doen denken aan een eenzaam vijvertje,
-waaruit een donkere vogel snel opstijgt, ver buiten zijn bereik,
-die de waterrimpels achterlaat spelend tusschen het riet. Aan wie
-gewend zijn goed uit te kijken zal hij nog vijf of zes vogels te
-binnen brengen, kleine, donzige beestjes, die veilig tusschen wortels
-en gras wegschuilen, zoo stil, dat iemand zelden hun aanwezigheid
-vermoedt. Maar de eend, zooals het meeste jachtwild, houdt van de
-eenzaamheid, en de jongens moeten zich tevreden stellen met slechts
-af en toe een glimp.
-
-Dit geldt vooral van de donkere eend, meer algemeen onder den naam
-van zwarte eend bij de jagers bekend; want zij is een echte wilde
-eend, zoo wild dat je haar met een geweer moet bestudeeren en lang
-bestudeeren eer je veel van haar afweet. Op een gewonen zwerftocht
-met een kijker, de oogen goed open, zou je haar in de verte kunnen
-zien, een zeldzaam gezicht, maar slechts wie haar winter voor,
-winter na als jager volgt, met heel wat meer ontmoediging dan succes,
-leert allerlei kleine bijzonderheden uit haar intieme leven kennen;
-want de schuwheid is haar aangeboren en er is geen ervaring met een
-mensch toe noodig om die te ontwikkelen. Op de eenzame meren midden
-in een Canadeesch woud, waar ze den mensch misschien voor het eerst
-ontmoet, is ze dezelfde als wanneer ze nestelt aan het uiteinde van
-den een of anderen molenvijver in 't gezicht van een drukke stad
-in Nieuw-Engeland. Andere eenden kunnen bijtijds tam gemaakt worden
-en als lokeend gebruikt, maar zij niet. Verscheiden keer heb ik het
-met gekortwiekte exemplaren geprobeerd, maar de uitslag was altijd
-hetzelfde. Ze werkten dag en nacht om te ontsnappen, terwijl ze alle
-voedsel, zelfs water weigerden, tot ze hun omheining uitbraken of
-bijna stierven van honger, en dan liet ik ze los.
-
-Zeker voorjaar besloot een boer met wien ik soms ga jagen het eens
-met jonge vogels te probeeren. Hij had het nest van een zwarte eend
-in een dicht begroeid moeras vlak bij een zoutkreek gevonden en had
-de eieren met wat andere onder een tamme eend laten uitbroeden. Elken
-keer dat hij het hok naderde doken de kleintjes weg en verscholen zich,
-en ze konden er niet toe gebracht worden zich te vertoonen, ofschoon
-hun tamme kameraadjes heel tevreden aan 't pikken en ronddribbelen
-waren. Na een paar weken, toen hij meende dat ze eenigszins aan hun
-omgeving gewend waren, liet hij 't heele broedsel den oever afgaan
-stroomaf, net voorbij zijn huis. Nauwelijks waren ze vrij, of de
-wilde vogels scharrelden haastig het riet in, zoodat je ze niet meer
-zien kon, en hoe angstig de moedereend van haar kant ook kwaakte,
-ze vermocht ze niet in gevangenschap terug te brengen. Hij heeft ze
-nooit weergezien.
-
-Die gewoonte van de jonge vogels om zich onzichtbaar te maken door
-weg te duiken, is een veiligheidsmaatregel dien ze herhaaldelijk
-toepassen. Op bijna elken afgelegen vijver of meer in Nieuw-Engeland
-waar de vogels in 't vroege voorjaar hun nesten komen bouwen is
-zoo'n broedsel te vinden. Wie van een verscholen plekje aan den oever
-toekijkt ziet ze duiken en rondzwemmen in de grootste vrijheid, overal
-op jacht naar eten. Het volgende oogenblik verspreiden ze zich en zijn
-zoo plotseling verdwenen, dat je je bijna de oogen uitwrijft om je te
-vergewissen dat de vogels werkelijk weg zijn. Wie dicht genoeg in de
-buurt is (niet waarschijnlijk, tenzij hij heel behoedzaam te werk ging)
-heeft een zacht geklok van de oude moeder gehoord, die nu met haar hals
-rechtop uit het water zoo stil zit, dat zij makkelijk voor een van
-de oude stronken of uitsteeksels waar ze hun voedsel tusschen zoeken
-gehouden kan worden. Ze kijkt rond om te zien of de kuikens alle goed
-verscholen zitten. Na een poosje klinkt er weer een geklok dat heel
-veel op het eerste lijkt, en kleine donzige diertjes komen uit het riet
-duikelen of van vlak naast de stronken, waar je een oogenblik te voren
-nog keek zonder iets te zien. Dit wordt met herhaalde tusschenpoozen
-overgedaan, want de bedoeling is klaarblijkelijk de jonge vogels er
-aan te wennen onmiddellijk weg te schuilen zoodra een gevaar nadert.
-
-Maar de oude vogel is zoo waakzaam, dat er maar zelden onraad dreigt
-zonder dat zij er van weet. Zijn de jongen goed verstopt op de eerste
-aankondiging van den vijand, dan vliegt ze op en laat ze achter,
-om als 't gevaar geweken is terug te keeren en ze nog roerloos in
-hun schuilhoek gedoken te vinden. Wanneer ze overvallen wordt, doet
-ze als andere vogels die gejaagd worden--floddert onder veel geplas
-voort met een vleugel slepend alsof ze gewond was, tot ze je weggeleid
-heeft van de jongen, of je aandacht lang genoeg bezig gehouden heeft
-en ze veilig verscholen zijn; dan vliegt ze op en laat je achter.
-
-De gewoonte om zich te verschuilen komt er bij de jonge vogels zoo
-vast in, dat ze er nog op vertrouwen lang nadat de vleugels gegroeid
-en zij zelf in staat zijn vliegend te ontkomen.
-
-Ik heb in 't vroege voorjaar den boeg van mijn kano wel eens bijna over
-een volwassen vogel gejaagd die in een graspol verscholen lag, voordat
-hij de lucht in schoot. Een maand later kon dezelfde kano nauwelijks
-die plaats tot op een kwart mijl naderen of hij sloeg op de vlucht.
-
-Als ze eenmaal op hun vleugels hebben leeren vertrouwen, geven
-ze 't wegschuilen op voor de snelle vlucht. Maar ze vergeten hun
-jeugdoefening nooit en wanneer ze gewond zijn, verstoppen ze zich
-zoo listig dat het merkwaardig is. Tenzij je een goeden hond hebt,
-is het bijna nutteloos om een aangeschoten eend te zoeken als ze de
-een of andere dekking kan bereiken. Zich verstoppen onder een oever, in
-'t hol van een muskusrat krabbelen, zich een weg wurmen onder een hoop
-dor gras of een pak bladen, steeds om een groep struiken heenzwemmen
-net buiten den gezichtskring van haar vervolger, duiken en weer boven
-komen achter een pol gras--ziedaar enkele van de manieren waarop ik
-weet dat een zwarte eend tracht te ontsnappen. Twee keer heb ik van
-oude jagers gehoord dat ze een vogel hadden gevonden, die zich onder
-water aan een bosje gras vastklemde, ofschoon ik het nooit gezien heb.
-
-Eens heb ik, verdekt opgesteld, een zwarte eend naar den oever
-zien zwemmen, landen en in een kleine groep boschbessen zien
-verdwijnen. Karl, dien ik bij me had, draafde er heen om haar te
-krijgen, maar gaf het na een halfuur zoekens op. Toen probeerde ik het,
-maar gaf het ook op. Een uur later zagen we den vogel uit dezelfde plek
-komen waar we gezocht hadden en 't water ingaan. Karl schoot met een
-kreet te voorschijn en de vogel verborg zich weer in de struiken. Weer
-doorzochten we de groep aan alle kanten, maar we konden geen eend
-ontdekken. We keerden ons een tweeden keer af, toen Karl uitriep:
-"Kijk eens!"--en daar, in 't volle gezicht, bij den eigen witten
-steen waar ik haar had zien verdwijnen, was de eend, of liever de
-roode poot van de eend, die uit een wirwar van zwarte wortels stak.
-
-Bij de eerste felle vorst, die dreigt de vijvers, waar ze den
-zomer in doorgebracht hebben, met een ijslaag te bedekken, gaan de
-inlandsche vogels naar de zeekust, waar het den heelen winter zoo'n
-beetje heen-en-weer trekken is. De groote massa der eenden beweegt
-zich langzaam aan naar 't Zuiden als 't een strenge winter wordt;
-maar als er een overvloed van voedsel is, overwinteren ze langs de
-heele kust. Dan kunnen ze het best bestudeerd worden.
-
-Overdag zijn ze opgeborgen in stille meertjes en schuilplaatsen,
-of rusten ze in groote scharen op de zandbanken goed buiten bereik
-van land en gevaar. Als het mogelijk is kiezen ze het eerste, omdat
-dit hun frisch water in overvloed verschaft, wat een dagelijksche
-behoefte is, en omdat ze, anders dan de duikeenden [4], die dikwijls
-in grooten getale op dezelfde zandbanken worden aangetroffen, er niet
-van houden zoo eindeloos op de golven rond te dobberen. Maar achter
-in den herfst verlaten ze de meren en worden daar zelden meer vóór
-de lente aangetroffen, zelfs al is het water open. Ze zijn heel bang
-ingevroren te raken of ijs aan hun veeren te krijgen en hebben hun
-versche water liever bij de mondingen van kreken en sprengen.
-
-Met al hun voorzichtigheid--en ze zijn heel goede weerprofeten,
-die de getijden en de komst van stormen net zoo wel kennen als de
-dagen dat stroomend water bevriest--komen ze toch soms bedrogen
-uit. Eens heb ik een koppel van vijf in grooten nood aangetroffen,
-die terwijl ze sliepen stellig in het dunne ijs waren vastgevroren
-met hun kop in de vleugels gestoken. Een anderen keer vond ik één
-vogel die rondfladderde met een groot stuk ijs en modder aan zijn
-staart. Hij had waarschijnlijk bij ebbe een massa insecten ergens in
-de zachte modder gevonden en was daar te lang gebleven, terwijl de
-thermometer op 't vriespunt stond.
-
-'s Nachts is hun etenstijd. Aan de kust komen ze met de schemering
-'t land invliegen om voedsel te halen. Mist maakt dat ze de kluts
-kwijt raken, en geen vogel vliegt graag in den regen, omdat deze de
-veeren zwaar maakt; dus op mistige of regenachtige namiddagen komen
-ze vroeg of heelemaal niet 't land in.
-
-De meest geliefkoosde plek voor hun maaltijden is een zout moeras
-met bronnen en kreken van brak water. Zaden, wortels, zacht gras
-en slakken en insecten, die in de modder achter zijn gebleven bij
-laag tij, zijn hun gewone wintervoedsel. Als die schaarsch worden,
-gaan ze met de duikeenden naar de mosselbanken; dientengevolge wordt
-hun vleesch sterk en vischachtig.
-
-Als de eerste vogels vóór donker aankomen waar ze hun voedsel zoeken,
-gaan ze met de grootste omzichtigheid te werk en bespieden niet
-alleen het meertje of de kreek maar de heele omgeving, voordat ze
-neerdalen. De vogels die volgen vertrouwen op het onderzoek van die
-'t eerst gekomen zijn en strijken gewoonlijk zoo neer. Daarom is
-het goed dat wie ze om dezen tijd poogt waar te nemen, er levende
-lokeenden op nahoudt en als 't mogelijk is de hinderlaag waarachter
-hij zich verdekt wil opstellen al een dag of wat van te voren gemaakt
-heeft, zoodat de vogels, die misschien al op die plek hun voedsel
-gezocht hebben, geen ongewoon ding zien als ze er aankomen. Wanneer
-het een nieuwe hinderlaag is, zullen alleen vreemde vogels regelrecht
-naar de lokeenden toevliegen. Die er eerder geweest zijn zullen òf
-vol schrik afzwenken òf anders de schuilplaats heel behoedzaam aan
-alle kanten onderzoeken. Als je nu kunt wachten en doodstil zitten,
-zullen de vogels ten leste vlak boven de hinderlaag komen vliegen
-om er in te kijken. Dat is je eenige kans en je moet er snel gebruik
-van maken wanneer je eend voor je middagmaal denkt te eten.
-
-Met maanlicht kun je aan de rivier in 't volle gezicht van je lokeenden
-gaan zitten en de wilde vogels zoo lang je wilt bekijken. Het is
-slechts zaak doodstil te zitten. Maar het loont niet erg, want je kunt
-nooit zien wat ze uitvoeren. Eens had ik er een dertig of veertig op
-die manier vlak om me heen. Een plotselinge beweging met mijn hoofd,
-toen een vleermuis tegen mijn wang aanflapte, joeg ze alle in wilde
-vlucht naar den open oceaan.
-
-Iets merkwaardigs, bij deze vogels vaak waargenomen als ze 's avonds
-komen aanvliegen, is dat ze 't in hun macht hebben om hun vlucht al
-naar ze willen sterk hoorbaar of bijna geruischloos te maken. Soms is
-'t geruisch zoo licht dat je het nauwelijks hoort, behalve als het
-doodstil in de lucht is; dan weer is het een krachtig wisj, wisj,
-dat op een afstand van een kleine tweehonderd meter te vernemen
-is. De eenige verklaring die ik aan de hand kan doen is dat het als
-een soort sein gebeurt. Overdag en op lichte avonden hoort men het
-zelden, maar op donkere avonden heel dikwijls, en het wordt altijd
-beantwoord door 't gekwaak van vogels die al aan 't voedselzoeken zijn,
-waarschijnlijk om de komenden te leiden. Hoe ze het doen staat niet
-vast; waarschijnlijk op een zelfde wijze als de nachtzwaluw haar
-eigenaardig snorrend geluid maakt--niet met den open bek, zooals
-gewoonlijk verondersteld wordt, maar door even de slagpennen uit de
-vleugels te keeren, zoodat de lucht ze doet trillen. Hier kunt ge
-de proef van nemen als ge wilt, door tegen de eerste de beste stijve
-veer te blazen.
-
-Op stormachtige dagen strijken de vogels, in plaats van op de
-zandbanken te gaan rusten, bij een verlaten deel van het strand neer,
-en na zorgvuldig een paar uren te hebben rondgespied, om er zeker van
-te zijn dat er geen gevaar dreigt, zwemmen ze naar wal en verzamelen
-zich in groote klompen op een beschutte plek onder den oever. Het
-is wel een verleidelijk schouwspel daar misschien een honderd van
-die prachtige vogels dicht op elkaar gepakt op het strand te zien,
-de meeste met den kop onder de veeren gestoken, vast in slaap; maar
-als je hen wilt verrassen moet je als een slang worden en kruipen
-en geduld oefenen. Over het strand aan weerszijden verspreid, staan
-eenzame vogels of groepjes die blijkbaar als schildwachten dienst
-doen. De kraaien en zeemeeuwen vliegen onophoudelijk langs de lijn van
-'t getij om voedsel te zoeken, en als ze over een van deze groepjes
-eenden vliegen, stijgen ze onveranderlijk in de lucht en kijken over
-den heelen oever uit. Je moet goed verscholen zitten wil je aan die
-heldere oogen ontgaan. De eenden verstaan de kraaien- en meeuwentaal
-uitstekend en stellen groot vertrouwen in deze vriendschappelijke
-wachtposten. De meeuwen schreeuwen en de kraaien kaën den heelen dag
-door en geen eend licht haar kop uit den vleugel; maar op hetzelfde
-oogenblik dat kraai of meeuw, wie ook, haar sein van gevaar geeft,
-is elke eend de lucht al in, regelrecht van de kust af.
-
-Die voortdurende waakzaamheid van de zwarte eenden is misschien
-wel het merkwaardigste aan haar. Wanneer ze 's avonds voedsel aan
-'t zoeken zijn in een eenzaam moeras, of overdag diep in 't hartje
-van het drassige land verscholen liggen, schijnen ze nooit ook maar
-een oogenblik te vergeten op hun hoede te zijn, evenmin alleen op
-hun schuilplaatsen te vertrouwen voor bescherming. Zelfs als ze
-vast liggen te slapen tusschen 't moerasgras, met den kop onder de
-vleugels gestoken, is er een zenuwachtige waakzaamheid in de houding
-alleen al, die aan gevaar doet denken. Gewoonlijk moet je je tevreden
-stellen met ze door een kijker te bestudeeren; maar eens had ik een
-heel goede gelegenheid ze van vlakbij te bekijken, ze als 't ware de
-loef af te steken in hun eigen spelletje van verstop. Het was op een
-grazig meertje, ingesloten door hooge heuvels in de open moerassen van
-Nantucket. Het meertje lag midden in een vlakte, misschien een negentig
-meter van den naasten heuvel. Geen boom of rots of struikgewas bood
-eenige schuilplaats aan den vijand; de eenden konden daar slapen,
-even zeker dat ze 't naderend gevaar zouden zien aankomen alsof ze
-op den open oceaan waren.
-
-Op een herfstdag kwam ik eens langs die plek, en terwijl ik behoedzaam
-over den top van een heuvel keek zag ik een eenzame zwarte eend uit
-het moerasgras aan den oever van het meer te voorschijn zwemmen. De
-koele bries in mijn gezicht bracht me er toe een poging te wagen naar
-beneden te kruipen, tot dicht bij den oever, om te zien of het mogelijk
-zou zijn daar vogels te naderen als ik er op mijn volgende jacht wat
-vond. Vlak onder me, aan den voet van den heuvel, was een moerassig
-stroompje dat naar het meertje vloeide, en gras van bijna een voet
-hoog groeide langs zijn kanten. Dat moest ik zien te bereiken. Na
-een paar minuten te hebben rondgekeken verdween de eend weer in het
-gras en de biezen en ik begon den heuvel af te kruipen met mijn blik
-onafgebroken op het meer. Halverwege was ik naar beneden toen er weer
-een eend verscheen, en ik liet me plat op de helling vallen in 't
-volle gezicht. Natuurlijk zag de eend het vreemde ding wel. Er ontstond
-beroering in het gras; hier en daar kwamen kopjes te voorschijn. Het
-volgende oogenblik waren er tot mijn groote verbazing wel meer dan
-vijftig zwarte eenden in de grootste onrust aan 't rondzwemmen.
-
-Ik bleef doodstil liggen kijken. Vijf minuten gingen voorbij; toen
-hield alle beweging in den plas plotseling op; elke eend zat met den
-nek rechtop uit het water mij strak aan te kijken. Zoo stil waren
-ze, dat men ze makkelijk voor stronken of veenklompen kon hebben
-gehouden. Na een paar minuten op deze manier gekeken te hebben schenen
-ze voldaan en gleden ze terug in het gras, telkens een paar tegelijk.
-
-Nauwelijks waren ze alle verdwenen of ik liet me den heuvel
-afrollen, bereikte het stroompje en werd door en door nat toen
-'k er in plaste. Daarna ging 't vooruitkomen zonder ontdekt te
-worden gemakkelijker, want zoodra een eend zich vertoonde om rond
-te kijken--wat in 't eerst bijna elke minuut gebeurde--kon ik me
-onzichtbaar in 't gras laten vallen.
-
-In een half uur had ik den rand van een lagen oever bereikt, goed
-met grof watergras en biezen bedekt. Voorzichtig schoof ik dat weg,
-keek er door, en mijn adem stokte me bijna in de keel, zoo dichtbij
-waren ze. Vlak onder me, geen zes voet van me af, was een groote woerd,
-met zijn kop zoo dicht tegen zijn lichaam, dat ik me afvroeg wat hij
-met zijn nek had uitgevoerd. Zijn oogen had hij dicht; hij was vast
-in slaap. Vóór hem waren acht of tien of meer eenden dicht bijeen,
-alle met den kop onder de vleugels, overal in het riet verspreid,
-die sliepen of bezig waren in hun glimmend zwarte veeren te pluizen.
-
-Behalve 't genot ze gade te slaan, de eerste zwarte eenden die ik
-ooit zoo argeloos gezien had, smaakte ik de voldoening te overdenken
-hoe prachtig ik ze te slim af geweest was bij hun eigen spelletje van
-scherp-uitzien. Wat zouden ze opgevlogen zijn, als ze slechts geweten
-hadden wat daar in 't riet lag zoo vlak bij hun schuilplaats! Elk
-oogenblik in den beginne, als ik een paar zwarte oogjes knippen of een
-kop van onder een vleugel uit zag komen, voelde 'k me ineenkrimpen bij
-de gedachte dat ik ontdekt was; maar dat werd na een poosje beter,
-toen ik merkte dat de oogjes nog al slaperig knipten en de halzen
-alleen te voorschijn gebracht werden om ze uit te rekken, zooals wij
-eens op ons gemak zouden gapen.
-
-Eens werd ik op heeter daad betrapt, maar gras en biezen en 't feit
-dat ik zoo vlak bij was redden me. Ik had mijn hoofd opgebeurd en
-lag met mijn kin in de handen vol belangstelling een jonge eend op
-te nemen die heel uitvoerig toilet maakte, toen er van den anderen
-kant plotseling een oude vogel in het open water schoot en me in
-'t oog kreeg, terwijl ik me liet vallen om niet gezien te worden. Er
-klonk een zacht, scherp gekwek dat elke eend onmiddellijk klaar wakker
-uit haar schuilplaats te voorschijn bracht. Eerst schoolden ze alle
-samen aan den anderen kant en staarden recht naar den oever waar ik
-lag. Waarschijnlijk zagen ze mijn voeten die uit het riet staken,
-want ik lag languit. Toen kwamen ze geleidelijk nader, tot ze weer
-binnen den grilligen rand van het moerasgras waren. Sommige van hen
-gingen geheel overeind op hun staart zitten door een heftig gebruik
-van hun vleugels te maken, en rekten hun halzen uit om over den lagen
-oever te kijken. Slechts doodstil te liggen was mijn behoud. Binnen
-de vijf minuten waren ze weer rustig; zelfs de jonge eend scheen haar
-ijdelheid vergeten en was gaan slapen met de andere.
-
-Een uur of drie lag ik ze daar door het riet te bespieden, en 't was
-wel heel onbeleefd dat 'k daar maar zoo in de intimiteit van hun
-huiselijk leven neusde. Toen de lange schaduw van den westelijken
-heuvel zich over den poel uitstrekte tot ze den oostelijken oever
-verduisterde, ontwaakten de eenden een voor een uit haar dutje en
-begonnen ze rond te scharrelen om haar vertrek voor te bereiden. Weldra
-waren ze midden in het open water verzameld, waar ze een oogenblik
-heel stil bleven zitten met opgeheven koppen, klaar. Als er een sein
-gegeven is heb ik het niet gehoord. Op één en hetzelfde oogenblik
-sloeg elk vleugelpaar met een harden klets op het water en ze schoten
-steil naar boven, op die merkwaardige manier die ze hebben, alsof ze
-door een sterke veer geworpen worden. Een oogenblik leek het alsof
-ze roerloos hoog boven het water in de lucht hingen; toen zwenkten
-ze en verdwenen haastig over den oostelijken heuvel naar de moerassen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HET NEST VAN EEN ORIOLE [5].
-
-
-Wat al gedachten roept het op, zooals het daar door zonlicht en
-schaduw aan de lange, neerhangende toppen van de oude iepetakken
-wiegelt. En wat een verrukkelijke wieg voor de jonge orioles: den
-lieven, langen dag heen en weer geschommeld op elk zuchtje van de
-zomerkoelte door de reetjes te kijken als de wereld voorbijzwaait,
-of met heldere oogjes naar den jongen beneden te gluren die tevergeefs
-naar boven loert, of naar de hooiberg, die in 't voorbijgaan langs ze
-strijkt, en vroolijk te fluiten al waait het hard of zacht, en nooit
-eenigen angst voor vallen te hebben. De moeder moet er als ze op de
-vlindervangst uittrekt wel heel gerust op zijn, want geen vogelvijand
-kan de kleintjes wat doen als zij uit is. De zwarte slang, die schrik
-van alle laagnestelende vogels, zal nooit zoo hoog klimmen. De roode
-eekhoorn--kleine schavuit die hij is, om jonge vogeltjes te eten als
-hij nog een schepel koren of noten in zijn ouden muur heeft--kan geen
-houvast voor zijn pootjes op die ranke takjes krijgen. En de kraai
-kan net zoo min een steunplaats vinden om van daaruit de jongen te
-stelen: en de pooten van den havik zijn niet lang genoeg om naar
-beneden te reiken en ze te grijpen, wanneer hij zich toevallig eens
-in de buurt van het huis zou gewaagd hebben en een oogenblik boven
-het nest zweefde.
-
-Daarenboven is de oriole een gezellig klein ding en dat helpt
-hem. Ofschoon de jongen voor alle gevaar behoed worden door het listige
-instinct dat een hangend nest maakt, bouwt het wijfje toch liever
-in de buurt van het huis waar haviken en kraaien en uilen zelden
-komen. Zij kent haar vrienden en trekt voordeel uit hun bescherming
-door jaar in, jaar uit naar denzelfden ouden iep terug te keeren en
-als een zuinig huismoedertje zorgvuldig de goede draden van haar door
-stormen vergane oude huisje op te sporen en uit te zoeken om gebruikt
-te worden bij het bouwen van het nieuwe.
-
-In de laatste jaren scheen het me soms dat die aardige nesten aan
-afgelegen straten van steden in Nieuw-Engeland zeldzamer worden. De
-orioles zijn vogels die van den vrede houden en ze hebben een hekel
-aan 't gezelschap van die luidruchtige, vechtlustige kleine rakkers,
-de musschen, die in den laatsten tijd bezit hebben genomen van onze
-straten. Dikwijls vind ik nu de nesten ver verwijderd van eenig huis,
-aan eenzame wegen waar ze een paar jaar geleden nog zelden werden
-waargenomen. Soms ook heeft een eenzame boerderij, te ver van stad
-om veel door musschen te worden bezocht, twee of drie nesten in de
-oude iepen om zich heen wiegelen, waar er vroeger maar één was.
-
-Het is een merkwaardig bewijs voor 't schrander instinct van den vogel,
-dat waar de nesten aan stille wegen en ver van de huizen gebouwd
-worden, ze aanmerkelijk dieper zijn en zoodoende beter tegen vijanden
-beschermd. Hetzelfde is soms opgemerkt bij nesten in eschdoorns of
-appelboomen gebouwd, die de bescherming van afhangende twijgen waar de
-roofvogels geen houvast op kunnen vinden missen. Enkele wijze vogels
-verschaffen zich dezelfde bescherming door eenvoudig den hals van het
-nest nauwer te maken in plaats van een diep te bouwen. Het is alsof
-jonge vogels die voor 't eerst nestelen bang zijn op de stevigheid
-van hun eigen weefsel te vertrouwen. Hun nesten zijn nooit anders
-dan ondiep en hebben dus het meest van roofvogels te lijden.
-
-In de keuze van het bouwmateriaal zijn de vogels heel zorgvuldig. Ze
-weten best dat geen tak het nest van onderen schraagt, dat
-de veiligheid van de jonge orioles afhangt van deugdelijk, sterk
-materiaal dat goed samengeweven is. Door het een of andere wijze
-overleg schijnen ze met één blik te weten of een draad stevig genoeg is
-om betrouwbaar te zijn; maar ook wel gaan ze niet op het uiterlijk af,
-als ze de eerste draden uitzoeken die 't volle gewicht van het nest
-moeten dragen. Dan kun je een paar vogels aan 't touwtrekken zien:
-de pootjes schrap, als een paar terriërs aan den draad rukkend en
-trekkend tot ze goed op de proef is gesteld.
-
-Bij 't verzamelen en beproeven van de bouwstoffen voor een nest toonen
-de orioles niet weinig vindingrijkheid. Een jaar of wat geleden lag
-ik eens onder wat struiken naar een paar van die vogels te kijken
-die dicht bij het huis aan 't bouwen waren. Het was echt een dag
-om te nestelen; terwijl de zon haar heldere stralen door teergroene
-bladeren en een heerlijkheid van witten appelbloesem liet stroomen,
-de lucht vervuld was van warmte en geur, vogels en bijen overal in
-de weer waren. Het is of orioles altijd gelukkig zijn, maar dien
-dag vloeiden ze bijna over te midden van alle vroolijkheid, ofschoon
-'t materiaal schaarsch was en ze heel ijverig moesten zijn.
-
-Het wijfje was druk in de weer, keerde nooit naar het nest terug zonder
-dat ze wat aanbracht, terwijl het mannetje in de boomen ronddartelde
-in zijn schitterend oranje en zwart, zijn warme, rijke tonen floot en
-wel een schicht van de Zuiderzon leek te midden van de bloesems. Soms
-staakte hij zijn pret om een eindje touw op te pikken, waar hij een
-geïmproviseerd "jubilate" over aanhief, of om elken keer, dat zijn
-wijfje iets bijzonder uitgezochts had gevonden, met haar naar het nest
-te vliegen, terwijl hij dat zachte, volle gekwetter van hem uitte
-in een mengeling van vleien en gelukwenschen. Maar zijn voornaamste
-aandeel scheen er in te bestaan voor de feestelijkheid te zorgen,
-terwijl zij het maken van het nest voor haar rekening nam.
-
-Vlak voor me, in de luwte van een ouden muur, lag een lapje waar
-overal de losse draden uitstaken, van een stuk waschgoed door een
-windvlaag van de lijn gerukt. Ik vroeg me af waarom de vogels
-dat niet gebruikten, toen het mannetje het bij zijn levendig
-heen-en-weer-gevlieg ontdekte en naar beneden vloog. Eerst hipte
-hij er rond omheen, daarna probeerde hij eens een paar draden, maar
-doordat het lapje los op het gras lag, kwam 't heele stuk mee als hij
-trok. Een poosje werkte hij ijverig, door achtereenvolgens aan alle
-kanten een ruk te probeeren. Eén keer tuimelde hij ondersteboven en
-maakte een malle buiteling, want het stukje bleef achter een stobbetje
-haken, maar liet los toen hij zich schrap had gezet en zoo hard als
-hij kon trok. Eensklaps vloog hij weg en ik meende dat hij de poging
-opgegeven had.
-
-Even later was hij er weer met zijn wijfje, stellig in de meening
-dat zij als een handig huishoudstertje alles wel van zulke zaken
-zou afweten. Als vogels niet praten, dan hebben ze toch een heel
-vernuftige manier om elkaar aan het verstand te brengen wat ze denken,
-wat op hetzelfde neerkomt.
-
-De twee werkten een minuut of wat samen, kregen af en toe een draad
-te pakken, maar niet genoeg om de moeite te loonen. De moeilijkheid
-zat 'em daarin, dat ze samen aan denzelfden kant trokken en dus niets
-deden dan het lapje het heele grasveld rondsleepen, in plaats van er de
-draden uit te rukken die ze noodig hadden. Een keer ontrafelden ze een
-langen draad door er onder een rechten hoek aan te trekken, maar het
-volgende oogenblik waren ze weer gezamenlijk aan denzelfden kant. Het
-mannetje scheen te doen, niet zooals hem gezegd werd, maar precies
-zooals hij zijn wijfje zag doen. Zoodra ze aan een draad trok, hipte
-hij er heen, zoo dicht als hij maar bij haar kon komen, en rukte ook.
-
-Tweemaal hadden ze de poging opgegeven, maar ze kwamen terug, nadat ze
-naarstig ergens anders gezocht hadden. Goede bouwstof was schaarsch
-dat jaar. Ik vroeg me af hoe lang hun geduld zou duren, toen het
-wijfje plotseling het lapje bij een tip greep, laag over den grond
-wegvloog, terwijl zij 't achter zich aan sleepte en ondertusschen
-hard sjilpte. Ze verdween in een meidoorn in een hoek van den tuin,
-waarheen het mannetje haar een oogenblik later volgde.
-
-Nieuwsgierig naar wat ze uitvoerden en toch bang dat 'k ze zou storen,
-bleef ik wachten waar ik was, tot ik beide vogels naar het nest zag
-vliegen, elk met een paar lange draden. Dit gebeurde nog eens en
-toen kreeg mijn nieuwsgierigheid de overhand. Terwijl de orioles die
-laatste draden in hun nest vlochten, draafde ik het huis om, kroop
-een heel eind achter den ouden muur langs en zoo naar een veilige
-schuilplaats bij den meidoorn.
-
-De orioles hadden hun vraagstuk opgelost: het lapje was daar stevig
-tusschen de doornen vastgemaakt. Weldra kwamen de vogels terug, en door
-een paar draden aan het eind beet te pakken rafelden zij ze zonder
-moeite uit. Het was maar 't werk van een oogenblik zooveel materiaal
-te verzamelen als ze voor een weefsel gebruiken konden. Langer dan een
-uur keek ik toe hoe ze naarstig bezig waren tusschen den meidoorn en
-den ouden iep, waar het nest spoedig prachtig diep werd. Verscheiden
-keer viel 't lapje van de dorens doordat de vogels er aan trokken,
-maar elken keer dat dit gebeurde droegen ze het terug en maakten
-ze het zorgvuldiger vast, tot het ten leste zoo gehavend was dat ze
-er geen lange draden meer uit konden trekken, en toen lieten ze het
-voorgoed in den steek.
-
-Dienzelfden dag bracht ik veelkleurige stukjes sajet en lint buiten en
-strooide ze over het gras. De vogels vonden ze al gauw en gebruikten
-ze bij 't voltooien van hun nest. Een poos lang was er nog nooit zoo'n
-vroolijk huisje in een boom gezien. De levendige, kleurige plekjes
-in het zachte grijs van de wanden gaven het nest steeds een Zondagsch
-aanzien, dat net paste bij het goede humeur van de orioles. Maar tegen
-den tijd dat de jongen uit den dop gekropen waren en 't plezier van
-nestjesbouwen plaats gemaakt had voor de onophoudelijke zorg van
-hongerige bekjes te vullen, hadden regens en zomerzon de heldere
-kleuren tot een eentonig, sober grijs verbleekt.
-
-Dat was een gelukkig gezin van 't begin tot het einde. Er gebeurde
-nooit iets mee; geen vijand verstoorde er den vrede. En toen de jonge
-vogels naar het Zuiden waren getrokken, haalde ik het nest naar
-beneden dat ik had helpen bouwen en hing het in mijn studeerkamer
-als een herinnering aan mijn vroolijke buurtjes.
-
-
-
-
-
-
-
-
-DE BOUWMEESTERS.
-
-
-Eens stond ik in de schemering onverwachts tegenover een eigenaardig
-stukje natuurleven. 't Was midden in den winter en er lag een dikke
-sneeuw. Ik zat in m'n eentje op een omgevallen boom het opkomen van
-de maan af te wachten, om het flauwe sneeuwschoenenspoor drie mijlen
-over een vlakte te kunnen volgen, dan een mijl door een bosch naar
-een ander spoor dat naar het kamp leidde. Ik had dien dag te ver
-een rendier gevolgd, met dit resultaat dat ik op den tast in den
-maneschijn langs mijn eigen spoor terugging, terwijl de thermometer
-snel tot twintig graden onder nul daalde.
-
-In de bosschen is er nauwelijks sprake van een schemering; over tien
-minuten zou het geheel donker zijn, en ik wenschte net dat ik dekens
-en een bijl had, om te kunnen kampeeren waar ik was, toen een groote,
-grijze schaduw door de boomen op me af kwam sluipen. Het was een
-Canadeesche lynx. Mijn vingers klemden zich stevig om mijn buks en
-'t was alsof mijn rechter want vanzelf afgleed toen het glinsteren
-van zijn felle, gele oogen me trof.
-
-De oogen keken echter in 't geheel niet naar me. Hij had me niet
-eens bemerkt, maar sloop met achteruitgetrokken ooren in de sneeuw
-gedoken voort, het staartstompje zenuwachtig trillend, zijn heele
-aandacht gespannen gevestigd op iets achter me in de vlakte. Ik had
-zin in zijn mooie huid; maar ik wilde er nog liever achterkomen wat
-hij van plan was; dus hield ik me stil en keek toe.
-
-Aan den zoom van de vlakte dook hij neer onder een dwergden, nestelde
-zich dieper in de sneeuw door een paar keer heen en weer te wrikken,
-tot hij zijn pooten goed onder zich had en hij volkomen in evenwicht
-was; het roode vuur gloeide in zijn oogen, zijn forsche spieren
-trilden. Toen schoot hij voorwaarts: een, twee, een dozijn geweldige
-sprongen door de vliegende sneeuw, en hij belandde met een krijsch
-op den koepel van een beverwoning. Daar sprong hij rond, schudde
-als een furie een denkbeeldigen bever en gaf nog een krijsch, die
-me een rilling over den rug joeg. Daarop stond hij doodstil over
-de beverdaken, die daar den oever van een meertje bestippelden,
-in de verte te kijken. De gloed verstierf in zijn oogen; een andere
-uitdrukking kwam er langzamerhand in. Hij duwde zijn neus weer tegen
-een gaatje in den heuvel, den luchtkoker van den bever, en snoof lang,
-terwijl het leek of zijn heele lichaam zich uitzette door den warmen,
-rijken geur die zijn hongerige neusgaten binnenstroomde. Toen schudde
-hij treurig zijn kop heen en weer en ging weg.
-
-Dit alles was zuiver komedie. Een lynx houdt meer van bevervleesch
-dan van iets anders, en deze hier had er stellig in de herfstdagen
-toen er volop te eten was een paar van de kolonie gevangen, terwijl
-ze aan hun dam en woningen bezig waren. Nijpende honger maakte
-dat hij zich hen herinnerde, toen hij door het bosch kwam op zijn
-nachtelijke hazenjacht. Hij wist wel dat de bevers veilig zaten,
-dat de maanden van felle kou hun twee voet dikke muren als graniet
-gemaakt hadden. Maar ondanks dat kwam hij toch, alleen om te doen
-alsof hij er een gevangen had, en om zich te herinneren hoe lekker
-zijn laatste volledige maaltijd rook toen hij dien in October at.
-
-Het was alles zoo jongensachtig, zoo onverwacht daar in 't hartje
-van de wildernis, dat ik heelemaal vergat hoe graag ik den lynx zijn
-huid had gehad. Ik was ook hongerig en 'k ging er heen om eens aan
-het luchtgat te ruiken; en het rook goed. De tijd heugde me toen ik
-eens bevervleesch gegeten had en blij was het te krijgen. Ik liep
-tusschen de hutten rond. Op elken koepel waren prenten van een lynx,
-oude en nieuwe, en de indrukken van een stompen neus in de sneeuw. Hij
-kwam klaarblijkelijk dikwijls om zijn maaltijd te doen met den geur
-van lekker eten. Ik keek naar den weg dien hij genomen had en begon
-medelijden met hem te krijgen. Maar de bevers dan, veilig en warm
-en onbevreesd, die geen twee voet van me af stellig naar de vreemde
-voetstappen buiten luisterden. En dat was best, want ze zijn de
-belangwekkendste dieren in de heele wildernis.
-
-De meesten onder ons kennen den bever hoofdzakelijk uit een
-vergelijking. "Werken als een bever" of "druk in de weer als een
-bever", is een van die spreekwoordelijke uitdrukkingen in Amerika die
-men zonder opheldering of nieuwsgierigheid aanneemt. Voor een derde
-gaat het op, wat veel is voor de waarheid van een spreekwoord. 's
-Winters, vijf maanden lang tenminste, doet hij niets dan slapen en
-eten en zorgen dat hij warm blijft. "Zoo lui als een bever" zou dan
-een goed beeld zijn. En 's zomers--o, dat is één lange vacantiedag, en
-de bevers zijn zoo vroolijk als vogeltjes in de lucht, en denken niet
-aan werken van den morgen tot den avond. Wanneer de sneeuw verdwenen is
-en de rivieren vrij van ijs zijn, en 't getierelier van vogeldeuntjes
-het oor van den bever treft als hij opduikt uit den donkeren gang
-die onder water naar zijn huis leidt, dan vergeet hij alle vaste
-gewoonten en neemt deel aan de algemeene feestvreugde der natuur. Het
-stevig gebouwde huis dat hem voor storm en kou beschutte, en zelfs
-den veelvraat tartte zijn bewoner uit te graven, wordt verlaten voor
-'t eerste het beste otterhol of een ander gat in den oever, waar hij
-rustig kan slapen tot het zonlicht verdwenen is. De groote dam waar
-hij zoo menigen nacht aan gezwoegd heeft wordt overgelaten aan de
-genade van den wassenden stroom of aan de bijl van den man in zijn
-kano. En over 't geplas van water dat door een breuk valt--het geluid
-dat in herfst of winter den bever als een bliksemflits te voorschijn
-doet schieten--zal hij zijn wijze kopje geen oogenblik breken.
-
-Den heelen zomer hoort hij tot den stam van Ismaël, zwervend door
-meren en stroomen, waar 't hem maar lust. Het is alsof hij er op
-uit moet om de wereld te zien, na den heelen winter in zijn benauwde
-verblijf opgesloten te zijn geweest. Zelfs de sterke familieband, een
-van de meest karakteristieke en merkwaardige dingen in het beverleven,
-wordt in dien tijd losgemaakt. Elke familiegroep vertegenwoordigt,
-wanneer zij 't huishouden in de lente opbreekt, vijf geslachten. Eerst
-heb je de beide oude bevers, de hoofden van de familie en onbeperkte
-heerschers, die het eerst den grooten dam en de woningen optrokken
-en het herstellingswerk geleid hebben, hoe lang al weet niemand. Dan
-komen, wat gewichtigheid betreft, de bevertjes, niet grooter dan
-muskusratten, met vachtjes als zijden fluweel en oogen altijd wijd open
-voor de wonderen van hun eerste uitgaan; dan die een en twee jaar oud
-zijn, dartel als losgelaten schooljongens, steeds vol baldadigheid,
-waar altijd opgelet moet worden en die af en toe eens een knauw moeten
-hebben; dan de driejarige, die weldra den troep verlaten en hun eigen
-gelukkigen weg gaan op zoek naar een wijfje.
-
-Zoo trekken de lange dagen voorbij als van een soort zorgeloos
-zomeruitstapje, en wie op zijn eigen zomersche zwerftochten door de
-wildernis soms hun kampplaats aantreft voelt er zich nieuwsgierig
-toe aangetrokken als hij dat ziet. Ze zijn ook kampgenooten, die hun
-tenten opslaan aan zonnige meren en met elzen omzoomde, forelrijke
-beken, steeds dicht aan 't hart der natuur, en evenzeer het wilde,
-vrije leven minnend als hij zelf.
-
-Maar wanneer de dagen kort en kil worden en 't getierelier der
-zangvogels plaats maakt voor 't "honk" van trekkende ganzen, en wilde
-eenden zich in de meren verzamelen, dan gaat 't hart van den bever naar
-zijn gezellige huis terug, en weldra volgt hij zijn hart. September
-vindt ze weer om den ouden dam vergaderd, de oudere koppen vol plannen
-van herstel en nieuwe woningen en wintervoer en allerlei andere
-zaken. De volwassen mannetjes hebben hun wijfjes mee teruggebracht
-naar 't oude huis; de vrouwtjes hebben een plaats gevonden in andere
-familiegroepen. Dan begint de bever het druk te krijgen.
-
-Zijn eerste zorg is voor een steviger dam over den stroom, die hem
-een kom van flinke afmetingen zal verschaffen en een overvloed van
-diep water. Om dit te begrijpen, moet ge u herinneren dat de bever van
-plan is zichzelf den heelen winter in een soort van gevangenis op te
-sluiten. Hij weet best dat hij aan wal geen oogenblik veilig is zoodra
-het sneeuwt, dat een rondsluipende lynx of veelvraat zijn spoor zou
-vinden en hem volgen en dat dik ijs zijn ontsnapping in water afsnijden
-zou. Daarom ontwerpt hij een groot, voor klauwen veilig, huis, dat geen
-ingang heeft behalve een tunnel middenin, die door den oever naar den
-bodem van zijn kunstmatigen vijver leidt. Wanneer deze eens bevroren
-is, kan hij er niet uitkomen voordat de lentezon hem vrijlaat. Maar
-hij houdt van een grooten vijver, om onder water wat beweging te nemen
-als hij voor zijn maaltijd beneden komt; en van een diepen vijver,
-om het zekere gevoel te hebben dat de strengste winter nooit door
-zal vriezen tot zijn ingang en hem opsluiten. Wat van nog grooter
-gewicht is: het voedsel van den bever is op den bodem opgeslagen en
-'t zou niet gaan het aan ondiep water toe te vertrouwen, want dan zou
-'t met een strengen winter in het ijs vastvriezen en de bevers zouden
-van honger in hun gevangenis omkomen. Tien tot vijftien voet voldoet
-gewoonlijk aan hun veiligheidsinstinct; maar om die diepte van water
-te krijgen, is, vooral in ondiepe rivieren, een reusachtige dam noodig
-en verbazend veel werk, om van de ontwerpen niet eens te spreken.
-
-Beverdammen zijn altijd degelijke bouwwerken van houtblokken,
-struiken, steenen en drijfhout, goed door elzetakken verbonden. Eens
-toen ik 's zomers met mijn kano op een wilde, onbekende rivier was,
-trof ik over een afstand van vijf mijlen veertien dammen. Door twee
-er van braken mijn Indiaan en ik ons een doortocht met onze bijlen;
-de andere waren zoo stevig, dat het gemakkelijker ging onze kano uit
-te laden en haar er over te dragen dan er door te breken. Men vindt
-dammen zoo dicht opeen, als een beverkolonie jarenlang een rivier
-ongehinderd bewoond heeft. Wanneer het hout dat voor voedsel dient
-boven den eersten dam is afgeknaagd, trekken ze stroomaf--want de
-bever knaagt altijd op de oevers boven zijn dam en laat den stroom
-voor zijn vervoer zorgen. Soms, als de oevers zoo zijn dat er geen kom
-gemaakt kan, worden er drie of vier dammen dicht bij elkaar gebouwd,
-zoodat het stuwwater van den een reikt aan dat van den volgenden,
-als een reeks kanaalpanden. Dit dient om de kolonie bijeen te houden
-en toch plaats te geven voor spel en berging van voedsel.
-
-Er heerscht de grootste verscheidenheid van meening over 't verstand
-waar de bevers blijk van geven in 't kiezen van de plaats voor hun dam;
-want de eene waarnemer beweert dat het handigheid is, vernuft, zelfs
-overleg van de bevers, en een ander dat het een zuiver instinctmatig,
-lukraak ophoopen van materiaal zoo maar ergens in de rivier is. Ik
-heb misschien wel honderd dammen in de wildernis gezien, die bijna
-alle goed geplaatst waren. Een enkelen keer heb ik er een aangetroffen
-die veel had van dom werk--twee- of driehonderd voet elzestruiken en
-grint over 't breedste van de rivier, wanneer, door vlak er boven
-of even stroomaf te bouwen, een dam van een kwartmaal de lengte ze
-beter water verschaft zou hebben. Dit moet echter ter verdediging
-van de bouwmeesters gezegd worden, dat ze bij hun eigen dam misschien
-beter bodem vonden om hun tunnels in te graven, of geschikter plaats
-voor hun hutten, of dat zij beter wisten waar ze behoefte aan hadden
-dan hun criticus. Ik geloof vast en zeker dat jonge bevers dikwijls
-fouten maken, maar ik geloof ook, door het bestudeeren van heel
-wat beverdammen, dat ze hun les trekken uit tegenslag en dan beter
-bouwen, en dat hun misgrepen over 't algemeen in hun soort niet
-grooter zijn dan die van menschelijke bouwmeesters. Soms blijkt een
-dam te kostbaar. De ligging is niet goed gekozen, omdat de oevers
-stroomop te laag zijn en het opgehouden water om de kanten van hun
-dam stroomt en ze wegsleurt. Dadelijk bouwen ze den dam langer; maar
-weer stroomt het water er omheen bij zijn vernielingswerk. Ze blijven
-dus maar doorbouwen: een eindelooze bouwen, tot de vorst invalt en ze
-hun hout moeten vellen, hun hutten in elkaar jachten in een radelooze
-haast om klaar te zijn als het ijs zich over hen sluit.
-
-Maar in rivieren waar elzenhout langs den kant groeit, waar de
-stroom traag is en de bodem zacht, ontdek je soms een wonderbaarlijk
-vernuftige vinding om genoemde moeilijkheid te verhelpen. Als de
-dam gebouwd is en 't water diep genoeg voor de veiligheid, graven de
-bevers een gracht om een uiteinde van den dam voor het afvoeren van
-het overtollige water. Ik ken nergens in bosschen of velden iets,
-dat ons nader brengt tot het wilde volkje, in denken en voelen, als
-het vinden van zoo'n gracht, waar 't water veilig doorstroomt langs
-'t handenwerk van den bever, terwijl de dam zich recht en hecht in
-den stroom uitstrekt, en daarachter de koepelvormige hutten oprijzen.
-
-Eens heb ik gemerkt dat de bevers van menschenwerk gebruik hadden
-gemaakt. Een reusachtige paaldam was in een rivier in de wildernis
-gebouwd om een stuw te krijgen voor het vlotten van balken uit de
-bosschen waar gehakt werd. Toen de dennen en sparren van vijf-en-dertig
-centimeters alle verdwenen waren, had men dien aanleg verlaten en
-den dam laten liggen--met open sluisdeuren natuurlijk. Een paar jonge
-bevers, op zoek naar een winterwoning, vonden die plaats, en het was
-juist wat ze zochten. Ze rolden een gezonken stam als grondslag voor
-de sluisdeuren, dichtten ze met elzestruiken en steenen, en klaar
-was 't werk. Toen ik de plek ontdekte hadden ze een vijver van een
-mijl breed om in te spelen. Hun hut stond op een prachtig plekje,
-onder een zwaren spar, en hun ingang glooide neer in twintig voet
-water. Die ligging was stellig goed gekozen.
-
-Nog een dam, dien ik eens 's winters op de rendierjacht vond, was
-wonderlijk goed geplaatst. Geen ingenieur kon het beter uitgezocht
-hebben. Hij was gemaakt door dezelfde kolonie waar de lynx op loerde,
-en even stroomaf vanwaar hij zijn pantomime voor mijn plezier
-opvoerde; zijn prent was er ook. De vlakten waar ik van sprak zijn
-boomlooze uitgestrektheden in de Noordelijke bosschen, beddingen
-van oude, ondiepe meren. De bevers hadden er een gevonden waar een
-rivier doorheen stroomde, en waren die gevolgd stroomaf tot aan het
-uiteinde der vlakte, waar twee beboschte landtongen van weerszijden
-uitspringend bijna elkaar raakten. Hier was vroeger een doorgang en
-hier bouwden ze hun dam en herschiepen op die manier het vroegere
-meer. Het moet 's zomers een aller verrukkelijkst plekje zijn--een
-of anderhalf duizend bunder speelterrein, vol veenbessen en sappige
-wortels. 's Winters is het te ondiep om veel te deugen, behalve een
-paar bunder om de ingangen van de beverhutten.
-
-Er zijn drie wijzen om een dam te bouwen, die algemeen bij de
-bevers in gebruik zijn. De eerste dient voor trage, met elzen
-bezoomde rivieren, waar ze van den bodem af kunnen bouwen. Twee
-of drie stammen hebben ze laten zinken; die vormen den grondslag,
-drie tot vijf voet breed. Takken, aangedreven hout en stammen,
-die de bevers aan de oevers vellen, worden hier opgestapeld en met
-steenen en modder bezwaard. De keien worden van den oever afgerold
-of aanmerkelijke afstanden onder water vervoerd. De modder draagt
-de bever in zijn voorpooten, die hij tegen zijn kin gedrukt houdt
-om zoo een groote handvol te kunnen meevoeren zonder morsen. Bevers
-houden van zulke rivieren met hun elzenschaduw en zoete grassoorten
-en wilde weideranden, meer dan van eenige andere plek. En, laat ik
-even opmerken, de meeste van de natuurlijke weiden en de helft van de
-meren in Nieuw-Engeland zijn door bevers gemaakt. Wanneer je naar het
-einde van een boschweitje gaat, onverschillig welk, en je graaft daar
-waar de rivier er uit wegstroomt, dan zul je, soms tien voet onder
-de oppervlakte, de overblijfselen van den eersten dam vinden die de
-weide deed ontstaan toen het water terugvloeide en de boomen doodde.
-
-De tweede soort van dam is voor snelle rivieren. Dicht kreupelhout van
-een tien voet is 't voornaamste materiaal. Het hout wordt afgevlot
-naar de uitverkoren plek, de toppen neergebogen door ze met keien
-te bezwaren en de dikke einden vrijgelaten, zoodat ze stroomaf
-wijzen. Zulke dammen moeten natuurlijk van de kanten uit gebouwd
-worden. Ze zijn gewoonlijk gebogen, zoodat de bolle kant tegen stroom
-in ligt om een steviger bouw te krijgen. Als de boog in het midden
-sluit, wordt de kant van den dam die stroomaf ligt zwaar met aarde
-en steenen versterkt. Dat is sluw overleg van den bever, want wanneer
-de boog eenmaal door twijgwerk afgesloten is, kan de stroom aarde en
-steenen, voor het versterken gebruikt, niet meer wegsleuren.
-
-De derde soort is de stevigste en 't gemakkelijkst te bouwen. Ze
-is voor plaatsen waar zware boomen over den stroom leunen. Drie
-of vier bevers verzamelen zich om een boom en beginnen, op hun
-breeden staart gezeten, te knagen. Een staat er boven hen op den
-oever en leidt klaarblijkelijk het werk. In een ommezien is de boom
-van onderen bijna doorgeknaagd. Dan begint de bever boven zorgvuldig
-naar beneden te knagen. Bij het eerste waarschuwende gekraak springt
-hij op zij en de boom valt juist over de plaats heen waar ze hem
-noodig hebben. Alle bevers verdwijnen dan en beginnen de takken af
-te knagen die op den bodem rusten. Langzamerhand rijst de boom, tot
-zijn stam op de juiste hoogte is om den rug van den dam te vormen. De
-bovenste takken worden dan dicht tegen den stam gebracht en met elzen
-tusschen de lange takstompen gevlochten die van den tronk neersteken
-in de rivierbedding. Steenen, modder en twijgen worden overvloedig
-gebruikt om spleten te vullen, en binnen een merkwaardig korten tijd
-is de dam voltooid.
-
-Wanneer ge zoo'n dam aantreft in de rivier waar ge met uw kano roeit,
-tracht dan niet er doorheen te breken. Ge zult ontdekken dat het u een
-paar uur in tijd scheelt, als ge alles uitpakt en overdraagt. Al het
-knaagwerk van den bever geschiedt met beitelvormige voortanden. Hij
-heeft er twee in elke kaak, die ruim drie en een halven centimeter uit
-het tandvleesch steken en die onder een scherpen hoek samenkomen. De
-binnenkant van de tanden is zachter en slijt gauwer dan de buitenkant,
-zoodat de hoek hetzelfde blijft; en de beweging van boven- en
-ondertanden over elkaar houdt ze steeds scherp. Ze groeien zoo snel
-dat een bever voortdurend hout moet knagen om ze op de juiste grootte
-afgesleten te houden.
-
-Dikwijls komt je op wilde rivieren een stok tegemoet drijven,
-waar pas aan geknaagd is. Je grijpt hem natuurlijk en zegt: "Er
-kampeert hier iemand stroomop. Die stok is net met een scherp mes
-gesneden." Maar kijk eens beter, zie die flauwe richel over de heele
-lengte van de snede eens, alsof er uit het scherp van het mes een
-stukje was. Daar komen de boventanden van den bever aan elkaar en
-het vlak is niet heelemaal zuiver. Hij sneed dien stok, dikker dan
-een mansduim, in één beet door. Een els met een doorsnede van een
-theekopje af te bijten is het werk van een minuut voor dezelfde
-werktuigen, en een hoogopgaande berkeboom valt in een merkwaardig
-korten tijd als hij door drie of vier bevers aangevallen wordt. Om
-de stomp van zoo'n boom vindt ge een hoop van vijf centimeters lange
-spaanders, dik, wit, scherp gesneden en gebogen naar de ronding van
-de bevertanden. "Beoordeel den werkman naar zijn spanen", zegt een
-Amerikaansche spreekwijze. Dit is een goed werkman!
-
-Wanneer de dam gebouwd is knaagt de bever zijn voedselhout voor den
-winter af. Een kolonie van deze dieren zal dikwijls een heel boschje
-jonge berken of peppels op den oever boven den dam vellen. De takken
-met den besten bast worden dan in korte stukken gebeten, die den
-oever af worden gerold en naar 't diepe water achter den dam gevlot.
-
-Er zijn heel wat woorden over gevallen hoe de bever zijn hout laat
-zinken--want natuurlijk moet hij 't laten zinken; anders zou het in
-'t ijs vriezen en nergens toe dienen. Eén opvatting is deze: dat de
-bevers uit elken tak de lucht zuigen. Twee getuigen verzekeren me
-dat ze het hen hebben zien doen, en in een boek over natuurlijke
-historie uit mijn kinderjaren staat een plaatje van een bever met
-'t eind van een drie voet langen stok in zijn bek, bezig de lucht er
-uit te zuigen. Alsof de bevers niet beter wisten, zelfs wanneer die
-onzin mogelijk was! De eenvoudigste manier is het hout bijtijds te
-vellen, het een poosje in 't water te laten, waarna het vanzelf zinkt;
-want groen berken- en peppelhout is bijna zoo zwaar als water. Het
-wordt spoedig verzadigd en zakt naar den bodem. Om deze reden is het
-bijna onmogelijk voor de houthakkers om berkenhout te vlotten. Als
-de nachten plotseling koud worden voordat het hout gezonken is,
-trekken de bevers het naar den bodem en duwen het even in de modder,
-of anders steken ze onder de takken die tegen den dam drijven andere,
-en hieronder weer andere en zoo verder, tot de rivier tot den bodem
-toe vol is en 't gewicht van de bovenste de rest onderhoudt. Veel van
-het hout gaat op deze wijze verloren, doordat het in 't ijs vastvriest;
-maar dat weet de bever en hij knaagt een overvloed.
-
-Als de bever 's winters hongerig is gaat hij onder het ijs naar
-beneden, kiest een tak uit, draagt hem naar boven in zijn hut en eet
-den bast op. Dan sleept hij den geschilden tak weer onder 't ijs en
-legt hem ergens uit den weg.
-
-Op een winter had ik eens den inval, dat door het weeken de bast zijn
-geur wel kwijt zou zijn geraakt en dat de bevers misschien zin zouden
-hebben in een versch hapje. Ik hakte dus boven het diepe water achter
-den dam een gat in 't ijs. Natuurlijk maakte het gehak de bevers
-verschrikt en zou het vergeefsche moeite zijn dien dag de proef te
-nemen. Ik spreidde een deken en wat dikke takken over de opening om
-te zorgen dat ze niet te dik zou bevriezen, en ging heen.
-
-Den volgenden dag duwde ik het eind van een pas afgesneden berkestam
-tusschen den voorraad van den bever naar beneden, ging met mijn gezicht
-bij het gat liggen na zorgvuldig het dunne ijs te hebben weggesneden,
-trok een groote deken over mijn hoofd en het eind van den stok dat er
-uitstak, om het licht buiten te sluiten, en wachtte af. Een poosje
-was het er zoo donker als de nacht; toen begon ik vaag de dingen te
-onderscheiden. Weldra schoot een donkerder schaduw over den bodem en
-greep den stok vast. Het was een bever met een jas van wel vijftig
-gulden aan. Hij rukte; ik hield stevig vast,--wat hem zoo verbaasde
-dat hij in zijn hut terugkeerde om adem te scheppen.
-
-Maar den smaak van verschen bast had hij beet en weldra was hij
-terug met een anderen bever. Beide grepen dezen keer vast en
-trokken samen. 't Hielp niet! Ze begonnen rond te zwemmen en den
-stok aan alle kanten te bekijken. "Wat voor soort van stok ben je
-eigenlijk?" dacht de een. "Je groeit hier niet, want dan zou 'k
-je allang gevonden hebben". "En je bent niet in 't ijs gevroren",
-zei de ander, "want je gaat heen en weer". Toen pakten ze samen weer
-vast en ik begon voorzichtig op te trekken. Ik wou ze graag wat van
-dichterbij bekijken. Dat verbaasde ze ten zeerste, maar me dunkt dat
-ze zouden hebben vastgehouden, als er geen ongeluk gebeurd was. De
-deken gleed af, een stroom van licht viel naar binnen; er waren twee
-groote wielingen in het water en dat was 't einde van de proef. Ze
-kwamen niet terug, ofschoon ik bleef wachten tot ik bijna bevroren
-was. Maar ik sneed wat versche berketakken en duwde ze onder het ijs,
-om voor mijn deel in de vertooning te betalen.
-
-De beverhut komt gewoonlijk het laatst aan de beurt. De bever houdt
-er van deze te bouwen, als de nachten koud genoeg worden om zijn
-metselspecie spoedig nadat ze aangebracht is te doen bevriezen. Twee
-of drie tunnels worden van den bodem van het bevermeer door den oever
-naar boven gedolven, die op één plaats aan de oppervlakte samenkomen,
-waar het middelpunt van het huis zal zijn. Hieromheen legt hij
-stevige fundamenten van houtblokken en steen in een kring van zes
-tot vijftien voet in doorsnee, al naar gelang van het aantal bevers
-die het huis zullen bewonen. Op deze fundamenten trekt hij een dikken
-wand van takken en gras op, die door klei in overvloed samen worden
-gehouden. Het dak wordt er bovenop gemaakt door zware takken zoo te
-plaatsen als in een Indiaansche wigwam, en het geheel wordt overwelfd
-met gras, steenen, takken en klei. Als dit een keer vast bevroren is
-slaapt de bever in vrede; zijn huis is veilig voor inbrekers.
-
-Wanneer een beverhut aan den oever van een meer staat, waar het water
-nooit zoo hoog komt, is ze vier of vijf voet hoog. Aan rivieren die
-aan overstroomingen onderhevig zijn, kunnen ze wel twee- of driemaal
-die hoogte hebben. Evenals de muskusrat wordt de bever ten opzichte
-van de hoogte zijner woning door een wonderlijk instinct geleid. Hij
-bouwt hoog of laag al naar zijn verwachting van hoog of laag water,
-en hij moet zelden zijn droge nest verlaten, door verdrinking bedreigd.
-
-Soms vereenigen twee families zich om één groot huis te bouwen, maar
-in zoo'n geval heeft elke familie altijd haar eigen vertrek. Als een
-hut opengegraven wordt, blijkt het duidelijk uit de verschillende
-afdrukken dat elk lid van de familie zijn eigen bed heeft, waar hij
-steeds op ligt. Bevers zijn voorbeelden van netheid: na vijf maanden
-bewoond te zijn geweest is de hut nog even keurig als toen ze pas
-gemaakt was. Hun heele bouwerij is in hoofdzaak instinct, want een
-tamme bever bouwt miniatuurdammen en -hutten op den vloer van zijn
-kooi. Toch is het niet een instinct waaraan ze uiting moeten geven,
-zooals dat van ratten en eekhoorns bij tijden. Ik heb beverhutten aan
-meeroevers gevonden waar eenvoudig geen dam was gebouwd, omdat het
-water diep genoeg was en het niet hoefde. In hun vacantie bouwen de
-jonge bevers voor de aardigheid, evenals jongens een dam leggen waar
-ze maar stroomend water kunnen vinden. Ik ben er ook van overtuigd
-(en dit verklaart misschien sommige dammen die dom gelegd schijnen),
-dat de oude bevers 's zomers bij wijlen de jongen aan 't werk zetten om
-ze te leeren bouwen tegen dat het noodig wordt. Het is moeilijk deze
-theorie te bewijzen, want de bevers werken 's nachts, bij voorkeur in
-donkere, regenachtige nachten, als 't voor hen aan land (om bouwstoffen
-te verzamelen) het veiligst is. Maar terwijl het bouwen instinctmatig
-gebeurt, is deskundig bouwen de vrucht van oefening en ondervinding;
-en sommige beverdammen vertoonen een verwonderlijk overleg.
-
-Er is één bever die nooit bouwt, die zich nooit druk maakt over hut,
-of dam, of wintervoorraad. Ik weet niet zeker of we hem het genie
-of den luiaard van de familie moeten noemen. De oeverbever is een
-eenzaam, oud vrijgezel, die als een "mink" in een hol in den oever
-van een rivier woont. Hij bouwt geen hut, omdat een hol onder de
-wortels van een ceder even veilig en warm is. Hij bouwt nooit een
-dam, omdat er diepe plaatsen in de rivier zijn waar de stroom te
-snel is om te bevriezen. Hij vindt teere twijgen zelfs 's winters
-veel sappiger dan oudbakken schors onder water opgeslagen. Wat zijn
-verraderlijke prent in de sneeuw betreft, zijn slimheid moet hem voor
-zijn vijanden behoeden; en het open gedeelte van de rivier is er nog
-om heen te vluchten.
-
-Er zijn twee opvattingen gangbaar onder de Indianen en "trappers", die
-een verklaring geven voor de eigenaardigheden van den oeverbever. De
-eerste is dat hij er niet in slaagde een wijfje te vinden en de kolonie
-heeft verlaten, of er uit gedreven is, om een eenzaam jonggezellenleven
-te leiden. Zijn gedrag in den paartijd spreekt zeer zeker ten gunste
-van deze opvatting, want niemand was ooit zoo naarstig aan 't zoeken
-van een wijfje als hij. Langs de rivieren en elzenbeken van een heele
-wilde streek zwerft hij rusteloos stroomop, stroomaf, terwijl hij
-hier en daar op een grazig plekje stilhoudt om een handjevol modder
-te verzamelen, als 't moddertaartje van een kind, keurig gladgeklopt,
-met in 't midden een beetje sterk ruikende muskus. Wanneer je dat
-teeken onder de elzen in een kring van zorgvuldig geëffend gras
-aantreft, weet je dat er aan die rivier een jonge bever naar een wijfje
-zoekt. En als hij zijn taartje geopend en weer gesloten vindt, weet
-hij dat er ergens in de buurt een wijfje op hem wacht. Maar de arme
-oeverbever vindt zijn wijfje nooit en moet den volgenden winter naar
-zijn eenzaam hol terugkeeren. Hij wordt veel gemakkelijker gevangen
-dan andere bevers, en de "trappers" zeggen dat het komt doordat hij
-verlaten en levensmoe is.
-
-De tweede opvatting is die, welke de Indianen er gewoonlijk op
-nahouden. Ze zeggen dat de oeverbever lui is en weigert met de andere
-te werken, waarom deze hem uitdrijven. Wanneer de bevers bezig zijn,
-zijn ze goed bezig en dulden geen geluier. Misschien tracht hij hen
-wel te overreden dat al hun werken onnoodig is, en deelt hij daarom
-in het lot van de hervormers in 't algemeen.
-
-Toen ik den vorigen zomer bezig was het hol van een oeverbever
-te onderzoeken, leek me nog een derde verklaring mogelijk. Is dit
-niet een van de zeldzame dieren in wie alle instincten van de soort
-afwezig zijn? Hij bouwt niet omdat hij geen neiging heeft tot bouwen;
-hij weet niet hoe. Hij vertegenwoordigt dus wat de bever duizenden
-jaren geleden was, voordat hij leerde zijn dam en hut te bouwen,--de
-bever die nu door een wonderlijke gril van de erfelijkheid weer te
-voorschijn komt, en zich rampzalig uit den tijd en niet op zijn gemak
-voelt. De andere bevers jagen hem weg, omdat alle in troepen levende
-dieren, ook de vogels, een sterken afkeer en vrees hebben voor elke
-onregelmatigheid in hun soort. Zelfs als die afwijking gering is--een
-wond of een misvorming--jagen ze het arme slachtoffer meedoogenloos
-uit hun midden. Het is een wreed instinct, maar een deel van een
-der oudste in de schepping: het instinct van het in-stand-houden der
-soorten. Dit verklaart waarom de oeverbever nooit een wijfje vindt:
-geen van de bevers wil iets met hem te maken hebben.
-
-Dit in sommige gevallen ontbreken van instinct is niet een
-eigenaardigheid van de bevers alleen. Af en toe wordt er een vogel hier
-in 't Noorden uitgebroed die den drang tot trekken niet heeft. Hij
-roept zijn vertrekkende makkers na, maar volgt nooit, en blijft dus,
-om in de winterstormen om te komen.
-
-Er zijn weinig wezens in de wildernis die moeilijker te bespieden
-zijn dan de bevers, èn door hun buitengewone schuwheid, èn doordat ze
-alleen 's nachts werken. De beste manier om een glimp van hen op te
-vangen, als ze aan 't werk zijn, is hun dam kapot te maken en het dak
-van een hunner hutten af te trekken op een herfstmiddag in den tijd
-van volle maan. Vlak voor de schemering moet je terugsluipen en op
-eenigen afstand van den dam je verbergen. Zelfs dan heb je niet veel
-kans, want de bevers zijn achterdochtig, scherp van gehoor en reuk,
-en weigeren gewoonlijk zich te vertoonen eer de maan onder is of je
-bent heengegaan. Het kan wel zijn dat je een keer of twaalf hun dam
-kapot moet maken en even dikwijls verkleumen van kou, eer je hem
-ziet herstellen.
-
-Het is een buitengewoon merkwaardig gezicht als het ten langen leste
-geschiedt, en 't loont het op de loer liggen wel. Het water stroomt
-door een gat in den dam van een voet of vijf; het dak van een hut is
-vernield. Je hebt jezelf heelemaal met dennetakken bewreven om wat
-van den reuk in je kleeren te niet te doen, en je in den top van
-een gevallen boom verborgen. De schemering eindigt; de maanschijf
-rijst boven de sparren in het oosten en overstroomt de rivier met een
-zilveren schijnsel. Nog geen teeken van leven. Je begint te denken dat
-het alweer op een teleurstelling zal uitloopen, te denken dat je teenen
-de kou geen minuut langer kunnen uithouden zonder stampvoeten, wat
-alles zou bederven,--als een rimpel snel over het diepe, stilstaande
-water schiet en een groote bever aan wal komt. Hij zit een oogenblik
-op, kijkt rond, luistert, trekt dan naar de kapotte hut en gaat weer
-opzitten om ze van onder tot boven te bekijken, terwijl hij de schade
-schat en plannen maakt. Er ontstaat beweging in het water; nog drie
-voegen er zich bij hem--nu ben je wel warm! Ondertusschen zwemmen
-er nog een stuk of drie, vier bij den dam rond om daar de schade op
-te nemen. Eén duikt er naar den bodem, maar komt in een oogwenk weer
-boven om "alles veilig beneden" te melden. Een andere is bezig vlak
-onder je aan een dikken tak te trekken. Langzaam haalt hij hem er
-naar voren uit, balanceert een oogenblik en laat hem schieten--mooi
-zoo!--dwars over de breuk. Twee andere zijn stroomop elzen aan 't
-vellen, en hier komen de stammetjes aandrijven.
-
-Ginds bij de beschadigde hut zijn er twee boven op de wanden bezig
-de dakbalken op hun plaats te beuren; een derde schijnt de buitenste
-bedekking weer aan te brengen en haar met modder te bepleisteren. Zoo
-nu en dan gaat er een als een konijn recht overeind zitten, luistert,
-rekt zijn rug eens om er de stijfheid uit te krijgen, en laat zich
-dan weer zakken om verder te werken.
-
-Het is nu helderder; maan en sterren fonkelen in 't gladde water. Bij
-den dam verzwakt het geluid van vallend water, doordat het gat snel
-gedicht wordt. Grooter doemen de hutten op. Over den koepel van de eene
-vernielde gaat de donkere omtrek van een bever zegevierend voorbij. Dat
-noem ik nog eens vlug werken! Je belangstelling groeit, je rekt je
-hals uit om te kijken--klets! Een bever die je voorbijgleed heeft je
-gezien. Onder het duiken geeft hij het water een fermen klap met zijn
-breeden staart, het sein voor gevaar bij de bevers, en dat je in de
-doodelijke stilte doet opschrikken. Er klinkt een geluid alsof een stok
-met den kop vooruit in het water werd geplonsd, een paar draaikolken
-trillen over 't gladde water, waar ze de weerspiegeling van de maan
-breken--dan weer stilte en 't gekabbel der waterrimpels op den oever.
-
-Nu kun je wel naar huis gaan; je zult vannacht niets meer zien. Daar
-ginds onder den oever zit een bever in de schaduw, waar je hem niet
-zien kunt, slechts met oogen en ooren boven water je te bespieden. Hij
-zal zich niet bewegen, en ook zal er geen andere bever voor den dag
-komen eer je heengaat. Als je je kano zoekt en terugpagaait naar het
-kamp, volgt een waterrimpel, veroorzaakt door den neus van een bever,
-stil in de elzenschaduw. Bij de bocht van de rivier, waar je verdwijnt,
-houdt de rimpel even stil, als een stobbe die uitsteekt in den stroom,
-keert zich dan om en gaat haastig terug. Nog een klap--de bouwmeesters
-komen weer voor den dag, allerlei kabbelingen strooien sterrevonken
-over de heele watervlakte, terwijl het boschvolkje een oogenblik toeft
-om nieuwsgierig naar de nieuwe bouwwerken te kijken, en dan schuw,
-stil, nijver zijns weegs gaat door de nachtelijke wildernis.
-
-
-
-
-
-
-
-
-KRAAIENGEWOONTEN.
-
-
-De kraai is eigenlijk een groote schavuit--dat is te zeggen, als
-eenig schepsel een schavuit genoemd kan worden omdat het volgens
-natuurlijke en schavuitachtige neigingen handelt. Ik kwam het eerst
-tot deze slotsom heel wat jaren geleden, toen ik eens 's morgens
-vroeg een ouden kraai bespiedde, die naarstig bezig was een rand
-van struikgewas, dat langs de muur van een verlaten weide groeide,
-te doorzoeken. Hij had een handvol lijstereieren verorberd en drie
-jonge musschen meegenomen om zijn eigen jongen mee te voeren, eer ik
-begreep wat hij toch uitvoerde. Sedert dien tijd heb ik hem dikwijls
-betrapt op dezelfde rooverijen.
-
-Een oude boer heeft me verzekerd dat hij hem ook wel gesnapt heeft
-bezig zijn schapen te mishandelen, door op hun rug neer te strijken
-en de wol bij den wortel uit te trekken, om vacht te krijgen voor
-'t voeren van zijn nest. Dit is een veel ernstiger beschuldiging dan
-dat hij 't koren uittrekt, ofschoon dit laatste bijna elken boer tot
-zijn vijand maakt.
-
-Toch, met al zijn schavuitenstreken heeft hij allerlei grappige en
-merkwaardige gewoonten. Ik weet wezenlijk bijna geen anderen vogel
-die zoo de studie gedurende een jaargetijde loont; maar je moet heel
-geduldig wezen en heel wat teleurstellingen dragen, als je veel
-van den kraai zijn eigenaardigheden door persoonlijke waarneming
-wilt leeren kennen. Wat is hij schuw! Wat geslepen is hij, wat gauw
-wijs! Toch is hij heel gemakkelijk voor den gek te houden, en sommige
-ervaringen die hem wijs hadden moeten maken schijnt hij binnen 't uur
-te vergeten. Bijna elken keer dat ik uit schieten ging in de oude,
-barbaarsche dagen, voordat ik beter leerde, kreeg ik altijd een of
-een paar kraaien uit een troep die over mijn jachtterrein zeilde,
-door me slechts tusschen de dennen te verstoppen en als een jonge
-kraai te roepen. Wanneer de troep binnen 't gehoor kwam, was het
-verwonderlijk het luide koor van ka-ka te hooren, en te zien hoe
-ze aan kwamen schieten over hetzelfde boschje, waar ze een week te
-voren op dezelfde wijze waren beetgenomen. Soms schenen ze het zich
-toch te herinneren, en als de zoogenaamde jonge kraai zijn spektakel
-ergens diep in een dicht boschje begon, verzamelden ze zich een eind er
-vandaan op een den en ka-den heftig tot antwoord. Maar nieuwsgierigheid
-kreeg bij hen altijd de overhand, en ze kwamen gewoonlijk onder elkaar
-tot een besluit en zonden een snellen, langgewiekten, ouden vlieger,
-alleen om hem neer te zien storten bij 't knallen van een geweer;
-en dan gingen ze er vandoor, krijschend zoo hard als ze konden, en
-ze hielden niet op voordat ze mijlen ver weg waren. Een week later
-deden ze weer precies zoo.
-
-Kraaien houden meer dan eenige andere vogel van opwinding en
-samenscholing; het geringste ongewone voorwerp levert een gelegenheid
-voor een oploop. Een gewonde vogel zal evenveel beroering in een troep
-kraaien veroorzaken, als een spoorwegongeluk in een dorp. Maar als
-een rondwarende oude kraai een uil snapt die 't zonlicht verslaapt
-in den top van een zwaren spar, kennen zijn verrukking en opwinding
-geen grenzen. In zijn kreet, dien elke kraai in de buurt begrijpt,
-is al een onderdrukte wildheid. 't Is of hij "komt! komt! komt
-allemaal!" krijscht, terwijl hij boven den boomtop kringt; en binnen
-de twee minuten zijn er meer kraaien om dien ouden spar verzameld,
-dan iemand zou meenen dat er mijlen in den omtrek bestonden. Ik telde
-er eens zeventig vlak om een boom heen, waarin een van hen een uil had
-gevonden, en ik geloof dat er wel net zooveel buiten omheen vlogen,
-die ik niet kon tellen.
-
-Op zoo'n oogenblik is 't mogelijk met een beetje voorzichtigheid
-vlakbij te komen en als 't ware een kraaien-vergadering bij te
-wonen. Ofschoon ik er heel wat heb bijgewoond, heb ik nooit eenige
-werkelijke reden voor hun opwinding kunnen ontdekken. Die 't dichtst
-bij den uil zijn zitten in de boomen verspreid luidkeels te roepen;
-geen kraai zwijgt er. Die verderaf zijn vliegen snel rond en maken zoo
-mogelijk nog meer lawaai dan de binnenste kring. Onderwijl zit de uil
-onzichtbaar in den groenen top te knipoogen en te staren. Elk oogenblik
-verlaten twee of drie kraaien den kring om er heen te vliegen, er eens
-binnen te kijken en dan krijschend op hun tak terug te keeren, waar
-ze rondspringen, bij elken ademtocht ka zeggen, met hun kop knikken,
-in de takken hakken en precies als opgewonden verkiezingsredenaars
-te werk gaan.
-
-Het lawaai neemt hoe langer hoe meer toe; nieuwe stemmen voegen er
-zich elk oogenblik bij; en de uil, tot wien het flauwtjes doordringt
-dat hij de oorzaak van dit alles is, vliegt weg naar een anderen boom,
-waar hij rust kan hebben en gaan slapen. Dan, met veel geruisch en
-geraas, volgen de kraaien. Een vlugge, oude verkenner blijft vlak
-bij den uil en krijscht den heelen weg over om de krassende bende de
-richting te wijzen. Als de uil gaat zitten, verzamelen zij er zich
-weer omheen en voeren dezelfde vertooning nog eens op, opgewondener
-dan te voren. Zoo gaat dat door, tot de uil een hollen boom vindt,
-er in wegschuilt en hen laat krassen tot ze er genoeg van hebben; of
-wel, hij zoekt een dicht dennenbosch waar hij zich hier en ginds keert
-en wendt met die schimmige, geruischlooze vlucht van hem, tot hij ze
-van het spoor heeft gebracht. Dan vliegt hij in den diksten boom dien
-hij kan vinden, gewoonlijk buiten het boschje waar de kraaien zoeken,
-en dicht tegen den stam aan gezeten knipt hij met zijn groote, gele
-oogen en luistert hij naar het spektakel dat tierend door het boschje
-trekt; terwijl ze nieuwsgierig in elken, dikken den loeren en overal
-zoeken naar de verloren oorzaak van hun opgewondenheid.
-
-Met tegenzin geven de kraaien het op. Ze kringen nog een poosje boven
-het boschje, terwijl ze stijgen en dalen met die mooie, gelijkmatige
-beweging, die veel heeft van de geregelde oefeningen van alle in
-troepen levende vogels en gewoonlijk hiermee eindigt, dat ze zich op
-een afstand in een boom verzamelen en er urenlang over krassen, tot
-een nieuwe aanleiding om zich op te winden hen ergens anders heenroept.
-
-Waarom ze eigenlijk zoo opgewonden raken over een uil is een open
-vraag. Ik heb nooit gezien dat ze hem kwaad deden, en geen andere
-bedoeling bij ze waargenomen, dan om hem af en toe aan te staren
-en er een groote drukte over te maken. Ik twijfel er niet aan of
-ze zien in hem een dief, een verslinder van soortgenooten. Maar
-hij dieft 's nachts als andere vogels slapen, en daar zij hun eigen
-diefstal in 't volle daglicht bedrijven, veroordeelen ze hem als een
-bedrieger. Of misschien grijpt de uil, als hij 's nachts rondwaart,
-wel eens een jongen kraai van den tak waarop hij zat te slapen. De
-groote, gehoornde uil zou stellig niet aarzelen om een ouden kraai
-op te eten, als hij hem in een dutje kon snappen, en daarom raken ze
-opgewonden, zooals alle vogels in de nabijheid van hun natuurlijke
-vijanden. Over een havik maken ze bijna net zoo'n drukte, maar deze
-weet aan de herrie te ontkomen door snel heen te vliegen, of door
-langzaam tot op zoo'n duizelingwekkende hoogte naar boven te kringen,
-dat de kraaien niet durven volgen.
-
-In 't vroege voorjaar heb ik van deze kraaiengewoonte partij getrokken,
-als ik naar uilennesten zocht. De kraaien ontdekken veel eer waar er
-een zit dan de meest nauwlettende vogelkenner, en ze verzamelen er
-zich dikwijls voor een pretje omheen. Eens maakte ik van die gewoonte
-gebruik om de kraaien zelf terdege gade te slaan. Ik bracht een ouden,
-opgezetten uil mee en plaatste dien op een paal dicht tegen een grooten
-denneboom aan den zoom van een boschje. Toen ging ik er vlakbij in een
-groep struiken liggen en kraste opgewonden. De eerste boodschapper
-van den troep vloog er recht overheen zonder iets te ontdekken. De
-tweede vond den uil, en ik hoefde niet langer te lokken. "Ka! ka!" riep
-hij diep uit zijn keel--"hier is hij! hier zit de schavuit!" In een
-oogwenk had hij er de heele bende; en wel bijna tien minuten bleven
-ze van alle kanten aanvliegen. Een bezetener troep heb ik nog nooit
-gezien. Het gekras was vreeselijk en ik hoopte eindelijk de werkelijke
-oorzaak en de gevolgen van de opwinding te zullen kunnen vaststellen,
-toen een oude kraai die vlak boven mijn schuilplaats vloog me in 't
-oog kreeg, terwijl ik uit de struiken keek. Hoe hij zichzelf hoorbaar
-of verstaanbaar maakte in 't lawaai weet ik niet; maar de kraai is
-nooit te opgewonden om op een sein van gevaar te letten. Het volgende
-oogenblik stroomde de heele bende over de bosschen weg, terwijl ze
-bij elken wiekslag 't sein tot verspreiden gaven.
-
-Er is nog een gewoonte, waarin uitkomt hoe de kraai van afwisseling
-houdt, ofschoon op veel waardiger wijze. 't Gebeurt wel dat er een
-troep betrapt wordt als hij in de boomen verstrooid zit en heelemaal
-opgaat in 't kijken naar een voorstelling--gewoonlijk iets in den
-geest van een opera--gegeven door een van hen. Het voornaamste geluid
-van een kraai is 't schorre ka, ka, waar iedereen vertrouwd mee is
-en dat in staat schijnt alles uit te drukken, van het zachte gekakel
-bij 't slapen-gaan in de dennetoppen, tot het luide gehoon waar hij
-alle gewone pogingen om hem te verrassen mee ontmaskert. Bepaalde
-kraaien hebben echter een ongewone vaardigheid wat hun stem betreft,
-en schijnen die somtijds tot vermaak van de andere te gebruiken. Toch
-heb ik een vermoeden dat deze vocale gave zelden gebruikt of zelfs
-ontdekt wordt, behalve als gebrek aan vermakelijkheid hen dwingt het
-in eigen kracht te zoeken. Een feit is het, dat zoodra een kraai
-ongewone geluiden maakt, er altijd verscheiden andere om hem heen
-zijn die lustig krassen en toch aandachtig schijnen te luisteren. Ik
-heb ze hierop herhaaldelijk betrapt.
-
-Op een Septembernamiddag dat ik kalm door het bosch wandelde, werd mijn
-aandacht getrokken door een ongewoon geluid dat uit een eikenboschje
-kwam, een geliefkoosde verblijfplaats van grijze eekhoorns. Aan dien
-kant krasten de kraaien ook, maar telkens na een kort oogenblik kwam
-er een vreemd, krakend geluid--kr-r-rak-e-rak-rak, alsof iemand een
-reusachtigen notenkraker had en dien telkens toedrukte. Ik sloop
-voort door het struikgewas, tot ik misschien wel vijftig kraaien kon
-zien die verspreid in de eiken zaten, alle vol aandacht voor iets
-dat beneden hen gebeurde, maar dat ik niet kon waarnemen.
-
-Niet voordat ik naar het omheinend kreupelhout was gekropen, vlak aan
-den zoom van het boschje, en er doorloerde, zag ik wie het deed. Aan
-het uiteinde van een langen, ranken tak, een paar voet boven den grond,
-klemde zich een kleine kraai vast, die op en neer wiegde als een
-rijstvogeltje op een kardinaalsbloem [6], zich sierlijk in evenwicht
-hield door zijn vlerken uit te spreiden en elk oogenblik het vreemde,
-krakende geluid gaf, begeleid door een slag van vleugels en staart,
-als de tak naar boven zwiepte. Telkens als het herhaald werd krasten
-de kraaien bij wijze van toejuiching. Langer dan tien minuten sloeg
-ik ze gade, eer ze mij zagen en wegvlogen.
-
-Verscheiden keeren ben ik na dien tijd door ongewone geluiden
-aangelokt, en altijd snapte ik een troep kraaien die klaarblijkelijk
-naar een vertooning van een hunner keken. Eens was het een diep,
-welluidend gefluit, dat veel had van het toe-loe-loe van de blauwe
-gaai (ondanks al haar heldere kleuren een nichtje van den kraai) maar
-dieper en voller en zonder de trilling, die altijd het gefluit van
-de blauwe gaai kenmerkt. Een andere maal, in een van de uitgestrekte
-bosschen in Maine, was het een schor geblaf, dat hoegenaamd niets had
-van een vogelroep en maakte dat ik zware patronen in mijn geweer liet
-glijden, en voortkroop in afwachting van een vreemd beest dat ik nog
-nooit eerder ontmoet had.
-
-Diezelfde liefde voor afwisseling en opwinding leidt de kraai er
-toe om elk ongewoon gezicht of geluid dat haar aandacht trekt te
-onderzoeken. Verberg je ergens in het bosch en maak elk gek geluid dat
-je maar wilt--blaas op een mondharmonica, of rammel met een blik vol
-steentjes of laat slechts een zachten roep hooren--en eerst verschijnt
-er een blauwe gaai, een en al bedrijvigheid om er alles van te weten te
-komen; dan sluipt een roode eekhoorn naar beneden en tokt vlak boven
-je hoofd om je te laten schrikken als 't kan; daarna, als je scherpe
-oogen hebt, zul je een kraai van kreupelboschje naar kreupelboschje
-zien glippen, zich zooveel mogelijk uit 't gezicht houdend, maar
-steeds nader komend om het ongewone geluid te onderzoeken. En als zij
-achterdochtig is of onvoldaan, zal zij zich verstoppen en geduldig
-wachten, tot je te voorschijn komt en je laat kijken.
-
-Zij is niet alleen nieuwsgierig naar jou en bespiedt je als je door
-'t bosch gaat, maar zij doet het haar buren net zoo goed. Als
-een vos opgeschrikt is, kun je zijn spoor dikwijls ver voor je
-honden uit volgen door de kraaien die boven hem kringen en schurk,
-schurk! roepen, elk oogenblik dat hij zich vertoont. Zij bespiedt
-de eenden en de pluvier, het hert en den beer; zij weet waar ze zijn
-en wat ze uitvoeren, en zij zal een heel eind van haar weg afwijken
-om hen even goed als haar soortgenooten te waarschuwen bij dreigend
-gevaar. Als vogels nestelen, of vossen een hol hebben, of er dieren in
-'t bosch vechten, zij is er bij om toe te kijken. Als er niets anders
-is, zal zij zelfs grappen uithalen, zooals ik eens bij gelegenheid
-een jonge kraai zag, die zich verstopte in een gat in een denneboom
-en twee uren lang een heelen troep bijna razend van opwinding hield
-door haar angstig gekras. Als ze een eind weg waren, waagde zij zich
-te voorschijn, spiedde voorzichtig in het rond om te zien of niemand
-haar zag, slaakte dan een hartverscheurenden noodkreet, om weer weg
-te duiken als de troep onder een oorverdoovend leven aan kwam suizen.
-
-Slechts een van twee verklaringen kan een oplossing geven voor haar
-gedrag in dit geval: òf zij was een jonge kraai, die den ernst niet
-besefte van het "wolf, wolf!" roepen als er geen wolf was, òf was
-eenvoudig verstoppertje spelen. Toen de kraaien haar eindelijk snapten,
-joegen ze haar uit het gezicht, om haar te straffen, of, zooals ik
-nu geneigd ben te denken: elke kraai trachtte haar te krijgen om
-'t voorrecht van de volgende te zijn die zich verstoppen mocht.
-
-Werkelijk, wanneer je een troep kraaien in 't bosch hoort krassen,
-kun je er altijd zeker van zijn dat er 't een of andere pretje gaande
-is, dat den tijd en het geduld aan 't onderzoeken besteed ruimschoots
-vergoeden zal.
-
-
-
-Sinds het bovenstaande opstel geschreven werd, zijn er nog meer
-eigenaardige kraaiengewoonten aan 't licht gekomen. Dit is er een, die
-een eigenaardig licht schijnt te werpen op de vraag of ze spelletjes
-spelen. Ik ontdekte ze op een Septembermiddag, toen een hevig gekras
-ginds in de bosschen me er toe bracht, den boomgaard waar ik aan
-'t appels-plukken was in den steek te laten, voor de meer opwindende
-bezigheid van mijn zwarte buren te bespieden.
-
-Het rumoer kwam uit een oude, verlaten wei, aan drie kanten door
-dennenbosschen ingesloten en aan den vierden door half verwilderde
-velden, die hier en daar verspreid zich uitstrekten naar den stoffigen
-weg er achter. Eens, lang geleden, stond hier een boerderij, maar
-zelfs de kelders zijn verdwenen en de kraaien zijn niet meer bang
-voor die plaats.
-
-Het was een gemakkelijke taak om onbespied door het naaste
-dennenboschje te kruipen en een veilige schuilplaats te bereiken onder
-een paar jeneverbessen aan den zoom van de oude wei. Het gekras ging
-onderwijl met tusschenpoozen voort; soms brak het uit in een waar
-Babel, alsof elke kraai haar best deed alle andere in 't krassen de
-baas te zijn; dan weer was er een stilte, behalve af en toe een kort
-geluid: het "alles in orde" van den schildwacht op den uitkijk. De
-kraaien hebben het nooit zóó druk, zijn nooit zóó in beslag genomen,
-dat ze deze voorzorg veronachtzamen.
-
-Toen ik de jeneverbessen bereikte, zaten de kraaien--wel een
-vijftig--in de dennetoppen langs een kant van het open land
-geschaard. Ze waren rustig genoeg, uitgezonderd af en toe wat
-geharrewar om een plaats, en wachtten klaarblijkelijk op iets dat
-gebeuren moest.
-
-Ginds aan mijn rechterhand, aan den vierden of open kant van de weide,
-zat een eenzame oude kraai in den top van een hoogen noteboom. Ik had
-haar voor een schildwacht kunnen houden, als zij niet een schitterend
-voorwerp in haar snavel had gehouden. Het was te ver weg om uit te
-maken wat het voor ding was, maar steeds wanneer zij met den kop
-draaide, fonkelde het in 't zonlicht als een stukje glas.
-
-Terwijl ik haar nieuwsgierig gadesloeg, wierp zij zich omhoog en
-vloog in volle vaart naar 't midden van het veld om bij de dennen aan
-de overzijde te komen. Onmiddellijk waren alle kraaien in de lucht;
-ze kwamen van weerskanten te voorschijn schieten, veel die ik eerst
-niet gezien had, en alle als dol krassend. Ze suisden op den ouden
-baas uit den noteboom los en een korte poos was het onmogelijk iets
-anders te ontwaren dan een warrelend, golvend bewegen van zwarte
-vleugels. Het lawaai was intusschen oorverdoovend.
-
-Iets schitterends viel uit de opgewonden bende en een enkele kraai
-dook het achterna; maar ik was te vol belangstelling voor de herrie,
-om op te letten wat er met haar gebeurde. Plotseling hield het leven
-op. Na een korte oefenvlucht van rijzen en dalen en zwenken op bevel,
-lieten de kraaien zich in de dennen aan weerskanten van het veld neer,
-waar ze eerst gezeten hadden. En daar in den noteboom zat weer een
-kraai met hetzelfde glimmende, flonkerende ding in haar snavel.
-
-Dezen keer was er een lange pauze, als om op adem te komen. Toen kwam
-de eenzame kraai weer zonder waarschuwing over het veld aanzeilen. In
-een ommezien had de troep haar omringd met de duidelijke bedoeling haar
-zooveel mogelijk in haar vlucht te hinderen. Ze klapwiekten haar in
-'t gezicht, ze vlogen zigzagsgewijs voor haar heen, ze trachtten haar
-op den rug te gaan zitten. Tevergeefs draaide en dook zij en liet zij
-zich vallen als een steen. Waarheen zij zich ook keerde, ontmoette
-zij fladderende wieken om haar vlucht te belemmeren. Het voornaamste
-doel van het spelletje was duidelijk: zij poogde het einddoel van de
-dennen tegenover den noteboom te bereiken en de andere trachtten het
-te voorkomen. Weer eens en nog eens werd de aanvoerder uit het oog
-verloren, maar zoodra het zonlicht van 't glimmende ding dat zij droeg
-fonkelde, kon hij er verzekerd van zijn dat ze hem zelfs midden in
-een luidruchtige bende zouden vinden. Toen bleek de tweede bedoeling:
-de kraaien poogden haar in verwarring te brengen en te maken dat zij
-den talisman liet vallen.
-
-Ze kringden snel naar de overzijde van het land en weer terug, waar
-de schildwacht zat. Plotseling viel het glimmende ding, dat den grond
-bereikte voordat het ontdekt werd. Drie of vier kraaien schoten er op
-af en er ontstond een levendige schermutseling om zijn bezit. Midden
-onder 't gevecht schoot een kleine kraai onder de strijders, en voor ze
-wisten wat er aan de hand was, haastte zij zich weg naar den notelaar,
-terwijl zij het begeerde kleinood zoo hoog droeg als zij 't houden kon,
-als in zegepraal over haar slimmen zet.
-
-Langzaam, onder veel gekras, streek de troep weer op de dennen
-neer. Er was klaarblijkelijk een geschil, of het spel al of niet mocht
-doorgaan. Alle hadden er iets over te vertellen, en er kwam geen
-eind aan de protesten. Ten leste werd het in der minne geschikt en
-ze namen hun plaatsen in om goed te kijken, tot de nieuwe aanvoerder
-ze een gelegenheid zou geven voor een volgende jacht.
-
-Nu kon de waarnemer niet langer twijfelen aan wat de kraaien
-uitvoerden. Ze speelden eenvoudig een spelletje alsof ze schooljongens
-waren, en genoten volop van de lange, vroolijke middaguren in
-September. Hadden ze dat glimmende ding gevonden toen ze de weide
-overstaken op weg van boer B's korenveld, en kwam het spelletje toen
-vanzelf bij hen op? Of werd het spel eerst voorgesteld en de talisman
-later gehaald? Elke kraai heeft een verborgen opslagplaats, waar zij
-ieder glimmend ding dat zij vindt verbergt. Soms is dat een spleet in
-de rotsen onder mos en varens, dan weer 't versplinterde uiteinde van
-een afgebroken tak, of een verlaten uilennest in een hollen boom;
-vaak een vork in een grooten den, zorgvuldig met bruine naalden
-bedekt; maar waar het ook is, 't ligt er vol glimmende dingen--glas
-en porselein en kralen en blik en een oude lepel en een verzilverde
-gesp--en niemand dan de kraai zelf weet hoe het te vinden. Had een
-kraai haar grootsten schat voor die gelegenheid voor den dag gehaald,
-of was dit het ding voor hun spel, en werd het door den troep zoo
-bewaard dat elke kraai er bij kon?
-
-Dit waren een paar van de merkwaardige dingen die de waarnemer
-trachtte te ontraadselen, toen hij merkte dat de notelaar leeg
-was. Een flonkering tegen het donkere groen aan den overkant verried
-den leider. Daar had je hem, stilletjes voortvliegend in de schaduw
-om te trachten het doel te bereiken voordat ze hem zagen. Een hoonend
-gekras kondigde aan dat ze hem ontdekt hadden. Toen begon de pret weer
-van voren af aan, met dezelfde luidruchtigheid, dezelfde verwarring,
-hetzelfde onvervalschte genot.
-
-Toen het glimmende ding dezen keer viel, was mijn nieuwsgierigheid
-om het in bezit te krijgen sterker dan mijn belangstelling in het
-spelletje. Daarenboven, de appels wachtten. Ik sprong op, zoodat
-de kraaien in wilde verwarring uit elkaar vlogen; maar toen ze
-wegstroomden, kwam het me voor dat er nog meer van de opwinding door
-het spel dan van ontsteltenis uit hun vlucht en lawaai sprak. Het
-glimmende ding dat de aanvoerder droeg bleek het oor van een glazen
-kopje of kannetje te zijn. Een stuk van het ding zelf was er met
-het oor afgebroken, zoodat het een mooien ring vormde. Kortom,
-'t was juist voor het doel geschikt: glimmend en niet te zwaar en
-heel handig voor een kraai om vast te pakken en te dragen. Als 't
-eens was beetgegrepen zouden ze haar flink in 't nauw moeten drijven
-om te maken dat zij 't liet vallen.
-
-Wie was "'em" het eerst, zooals de kinderen onder 't spelen zeggen? Was
-het een bijzonder voorrecht van de kraai die het eerst den talisman
-had gevonden, of houden de kraaien er een manier op na om af te tellen
-wie het eerst aanvoerder zal zijn?
-
-Verderop aan dienzelfden, ouden, stoffigen weg staat een school. Als
-ik daar speelde, zag ik vaak hoe de kraaien stilletjes van boom
-tot boom trokken in het bosch er achter en naar ons spel keken--ik
-twijfel er niet aan--, zooals ik nu naar het hunne had gedaan. Maar
-wij zijn ouder geworden en zijn vergeten hoe te spelen, en zij zijn
-nog net zulke jongens als ooit. Hebben ze hun spelletjes geleerd,
-door ons te begluren als we aan 't krijgertje-spelen waren? Dat zou
-'k wel eens willen weten. En kennen ze "kom-over", en "roovertje en
-gendarme" en "verlos" en "kat en muis" even goed? Je zou makkelijk
-gelooven dat hun verstandige, zwarte kopjes in staat waren alles na te
-doen, vooral wanneer je ze een poosje bij hun spel had gadegeslagen,
-als ze geen vermoeden er van hadden dat ze bespied werden.
-
-
-
-
-
-
-
-
-EEN STUKJE NATUUR.
-
-
-Het blijde gefluit van een kwartel [7] roept voor de meeste bewoners
-van Nieuw-Engeland een visioen op van hooge weiden waar een bries
-waait, en een gevlekten, bruinen vogel die welluidend roept van de
-bovenste scheeve lat eener oude schapenheining. De boeren zeggen dat
-hij 't weer voorspelt, door te roepen: "meer-nat-meer-meer-nat!" De
-jongens zeggen dat hij alleen zijn naam maar verkondigt: "Bob Wit! Ik
-ben Bob Wit!" Maar voorspellend of zich voorstellend, zijn stem
-is altijd welkom. Zij die den roep kennen luisteren met plezier,
-en leeren al gauw van den vogel houden die hem voortbrengt.
-
-Bob Wit heeft nog een geluid, mooier dan zijn jongensachtig gefluit,
-dat betrekkelijk weinigen gehoord hebben. Het is een zacht vloeiend
-gejodel, dat het mannetje gebruikt om den verspreiden koppel weer
-bij elkaar te roepen. Wie tegen zonsondergang in het bosch wandelt
-hoort het soms uit een warreling van wilde druiven en smilaxranken
-[8]. Als hij genoeg geduld bezit om zich zorgvuldig een weg door het
-kreupelhout te banen, heeft hij kans den mooien Bob die het zachtste,
-welluidendste gefluit laat hooren op een rots of een boomstomp te
-zien. Hij vertelt zijn koppel hoe er hier een mooi plekje is dat hij
-gevonden heeft, waar ze den nacht door kunnen brengen en veilig zijn
-voor uilen en rondsluipende vossen.
-
-Als de bezoeker heel geduldig is en stil ligt, zal hij weldra 't
-getrippel van kleine pootjes op de bladeren hooren, en de bruine
-vogels van alle kanten zien aandraven. Eens in zijn heele leven zal
-hij misschien zien hoe ze zich in een nauwen kring scharen--met de
-staarten naar elkaar toe, met de koppen naar buiten, als de spaken van
-een wiel, en zoo 's nachts gaan slapen. Hun zacht gefluit en gesjilp
-bij zoo'n gelegenheid zijn de heerlijkste klanken die je ooit in
-'t bosch te hooren krijgt.
-
-Deze roep van het mannetje is niet moeilijk na te doen. Jagers
-die de vogels kennen zullen hem van tijd tot tijd gebruiken om een
-verspreiden koppel bij elkaar te lokken, of om de plaats te bepalen
-waar de mannetjes zitten, die gewoonlijk op den roep van den aanvoerder
-antwoorden. Ik heb herhaaldelijk tegen zonsondergang een koppel van
-die vogels in dicht kreupelhout gelokt en snelle glimpen van ze gezien,
-als ze haastig rondscharrelden om den taptoe-blazer te zoeken.
-
-Dit alles kwam me weer laat op een middag in den grooten Antwerpschen
-dierentuin te binnen. Ik stond naar een afdeeling met vogels te kijken,
-drie- of vierhonderd vertegenwoordigers van de fazantenfamilie over de
-heele aarde, die rondtrippelden tusschen de rotsen en afzonderlijke
-kreupelboschjes. Sommige waren bijna even wild als in hun eigen
-bosschen, vooral de kleine vogels in de boomen; andere waren tam
-geworden, doordat ze steeds door bezoekers gevoerd werden.
-
-Het was verbijsterend voor een liefhebber van vogels, die alleen
-maar met die uit zijn omgeving bekend was, al die vreemde modellen
-en kleuren in het gras te zien en een koor te hooren van onbekende
-geluiden uit boomen en kreupelhout. Maar plotseling was ik in de
-natuur. Die mooie, bruine vogel met zijn welgevormde lijfje en
-dat snelle, zenuwachtige getippel! Niemand zou zich in hem kunnen
-vergissen: het was Bob Wit. En met hem kwam er plotseling even een
-visioen van het dierbare landschap uit Nieuw-Engeland, drie duizend
-mijlen ver weg. Nog een en nog een vertoonde zich en verdween
-weer. Toen dacht ik aan de bosschen bij zonsondergang en ik begon
-zachtjes te lokken.
-
-De vleeschetende dieren werden niet ver daarvandaan gevoerd;
-een vreeselijk lawaai kwam uit de kooien. Het kuchend gebrul van
-een leeuw deed de lucht trillen. Kakatoes krijschten, luidruchtige
-papagaaien gilden afschuwelijk. Kinderen speelden en schreeuwden
-vlak in de buurt. In de omheining zelf zongen wel vijftig vogels of
-maakten vreemde geluiden. Daar kwam nog bij dat de kwartel, dien ik
-gezien had, ver van huis onder een vreemde moeder was uitgebroed. Ik
-had dus weinig hoop dat ik slagen zou.
-
-Maar toen het roepen steeds luider werd, kwam er als een electrische
-schok een vloeiend gejodel uit een groepje heesters. Daar stond
-hij te kijken, te luisteren. Weer een lokroep, en hij kwam op me
-aansnellen. Andere kwamen uit alle richtingen te voorschijn en weldra
-trippelde er een heele koppel kwartels rond aan den binnenkant van het
-rasterwerk, met zachte gorgelgeluidjes als van een verscholen beek,
-dubbel heerlijk voor een oor dat er naar verlangd had ze te hooren.
-
-Stad, tuin, dieren, vreemdelingen--alles was in een oogwenk
-verdwenen. Ik was weer een jongen in 't veld. De ruige heuvelhelling in
-Nieuw-Engeland werd teer en mooi in 't licht van de ondergaande zon,
-de dellingen waren rijk in najaarsheerlijkheid. De weidebeek zong op
-weg naar de rivier, een roodborst riep uit een scharlaken eschdoorn,
-en overal in 't rond klonk het lieve, zachte, trillende fluiten en
-'t getrippel van welkome pootjes op de bladeren, als Bob Wit weer
-aan kwam snellen om naar zijn landsman toe te gaan.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HET LOKKEN DER ELANDEN.
-
-
-Middernacht in de wildernis. De late maan rijst langzaam boven den
-oostelijken heuvelrug, waar een paar minuten geleden een machtige
-denneboom en honderden spitse sparretoppen zich nog inktzwart tegen
-den grauwen, lichter wordenden achtergrond afteekenden. Het zilveren
-licht glijdt heimelijk en snel langs de sparretoppen neer, zendt
-lange, zwarte schaduwen kruipend voor zich uit en valt glinsterend en
-blikkerend over het slapende water van een boschmeer. Geen rimpel
-breekt zijn gepolijst oppervlak, geen geplas van muskusrat of
-opspringende forel zendt zijn trillingen op in de stille, vorstige
-lucht; geen geluid van eenig dier wekt de echo's van het zwijgende
-bosch. Het is of de Natuur gaat sterven, het leven uit haar gevroren
-door de kilte van den Octobernacht; en geen stem vertolkt haar lijden.
-
-Een oogenblik geleden lag het meertje geheel zwart en effen, als
-een groote bron tusschen de heuvels, met niets dan de flonkerende
-sterrepuntjes om zijn spiegel te verraden. Nu ligt er, ginds in een
-baai aan den anderen kant van een grazige landtong, waar de donkere
-schaduwen van den oostelijken oever bijna overheen reiken, iets donkers
-stil en roerloos op het meer. Op zij lijkt het grijs en vaag boven
-het water, aan beide einden is een zwarte massa die in 't toenemende
-licht den vorm aanneemt van een menschenhoofd en -schouders. Voor
-ons ligt een kano van berkebast met twee inzittenden; maar zoo stil,
-zoo levenloos leek ze, dat wij haar tot nu toe een stuk van den oever
-daarginds waanden.
-
-Er is beweging in den achtersteven; de doodsche stilte
-wordt plotseling verbroken door een vreeselijk gebrul:
-m-wah-ioeh! m-waah-ioeh! m-w-wa-a-a-a-a! Haastig ontwaken de echo's
-en snellen verward en gebroken over 't meer heen en weer--weg zijn
-ze. Als ze tusschen de heuvels sterven, klinkt er van de kano een
-geluid, alsof er een dier door ondiep water stapte: plas, plas, plas,
-klop!--dan weer stilte, die niet levenloos is, maar luistert.
-
-Een half uur gaat voorbij--maar geen oogenblik verslapt de spanning
-van het luisterende meer. Dan weerschalt het luide gebrul weer
-en verschrikt ons en de echo's, ofschoon we er luisterend op
-wachtten. Ditmaal neemt de spanning geweldig toe: elke zenuw is
-strak, elke spier gereed. Nauwelijks zijn de echo's verstorven, of
-ver weg over de heuvelkammen komt plotseling een diep, afschuwelijk
-geloei, dat als een geweerschot door de bosschen dringt. Weer komt
-het en dichterbij! Ginds in de kano raakt het blad van een pagaai
-aan den achtersteven geruischloos het water, en boven den boeg is
-een fonkeling van maanlicht op een geweerloop. Het gebrul klinkt nu
-onafgebroken op den kam van de laatste, lage heuvelrij. Twijgen kraken
-en takken breken. Daar klinkt het woedend gedaver van een machtig
-gewei in 't kreupelhout en 't dreunen van zware hoeven op den grond,
-en als een wervelwind komt het groote mannetje naar beneden draven,
-al dichter en dichter bij, tot hij met een geweldig gekraak door
-den zoom van de laatste warrelige elzen op de grazige landtong te
-voorschijn breekt.--En dan de zware knal van een geweer die over
-'t opgeschrikte meer rolt.
-
-Dat is 't lokken van een eland in één van zijn vormen--de meest
-opwindende, de meest teleurstellende manier om dit nobele wild te
-jagen, de manier die je geduld het zwaarst op de proef stelt.
-
-De lokroep van den wijfjeseland, dien de jager in 't begin altijd
-gebruikt, is een zacht uitgestooten geloei, onmogelijk nauwkeurig te
-omschrijven. Voordat ik het ooit hoorde, had ik herhaaldelijk aan
-Indianen en jagers gevraagd waar 't op leek. De antwoorden waren
-niet heel afdoende. "Op 't vallen van een boom", zei de een. "Op
-het plotseling aanruischen van een waterval of stroomversnellingen
-'s nachts", zei een ander. "Op een geweerschot, of 't schorre roepen
-van een man", zei een derde; en zoo voort, tot mijn voorstelling er
-van zooiets was als een menagerie wanneer de beesten gevoerd worden.
-
-Toen ik eens 's nachts met mijn vriend voor de deur van onze basttent
-vermoeid en zwijgend aan ons late avondmaal zat, terwijl 't gedruisch
-van 't diepe water waar de zalm huisde, vlak bij, en 't zuchten van den
-nachtwind in de sparren ons onder 't eten in slaap zongen, vervulde
-plotseling een geluid het woud, en was weer verstomd. Het is vreemd,
-maar we spraken tegelijk het woord eland uit, ofschoon geen van ons
-'t geluid ooit tevoren had gehoord. "Als een schot in den mist",
-zou 't geluid dunkt me beter omschrijven dan iets anders, ofschoon,
-wanneer je 't dikwijls gehoord hebt, de vergelijking in 't geheel
-niet zuiver is. Dit eerste, vage geluid wordt vroeg in 't seizoen
-gehoord. Later wordt het gerekt en meer omlijnd en dikwijls herhaald,
-zooals ik het weergegeven heb.
-
-Het antwoord van het mannetje wijkt er slechts weinig van af. Het
-is een kort, schor, knorrend gebrul, afschuwelijk leelijk van nabij
-gehoord, en 't laat geen twijfel bestaan over de stemming waarin hij
-zich bevindt. Soms, als een mannetje schuw is en de jager meent dat hij
-in de buurt staat te luisteren, ofschoon geen geluid er ook maar iets
-van laat vermoeden waar het is, laat hij op 't loeien van het wijfje
-het korte gebrul van het mannetje volgen, terwijl hij tegelijkertijd
-de takken onder zijn voeten laat knappen en met zijn stok in 't
-kreupelhout slaat. Als het mannetje antwoordt, pas dan op! Jaloersch
-en wild van vechtlust, stort hij zich uit zijn schuilhoek en rent zoo
-voor den dag om op zijn medeminnaar los te gaan. Als hij een keer op
-deze wijze gewekt is stoort hij zich aan geen gevaar, en het oog moet
-scherp zijn en de spieren vast om hem met succes te stuiten, eer hij
-het struikgewas bereikt waar de jager zich verborgen houdt. Maanlicht
-helpt weinig om zeker te treffen en een woedende mannetjeseland is
-een heel groote en een heel kwade kwant. Het beschuttende kreupelhout
-is dus niet veel waard, als er tenminste niet een goede boom met lage
-takken in staat. In den regel kun je 't wel aan je Indiaan (beruchte
-lafaards!) overlaten om daar heel secuur op te letten.
-
-De trompet waar 't roepen mee gebeurt is eenvoudig een stuk
-berkebast, kegelvormig opgerold met den gladden kant van binnen. Ze
-is drie-en-een-halven of vier decimeters lang, met een middellijn
-van ongeveer een decimeter aan 't breede-, en twee-en-een-halven
-centimeter aan het nauwe eind. De rechterhand wordt als een mondstuk
-om 't nauwe gedeelte heengesloten; hier knort en brult en loeit de
-lokker in, terwijl hij tegelijkertijd de opening van de trompet in
-golvende bochten heen-en-weer zwaait om de eigenaardige trilling in
-den roep van 't wijfje na te bootsen. Als het mannetje in de buurt
-is en achterdocht heeft, wordt het geluid gedempt door de opening
-van den roeper dicht tegen den grond te houden. Dit bootst voor mij
-het werkelijke geluid veel nauwkeuriger na dan eenige andere poging.
-
-Alles hangt zoo van allerlei omstandigheden af en moet zoo precies
-kloppen om te slagen met roepen, en zoo omzichtig nadert het mannetje,
-dat de jager altijd bijzonder weinig kans heeft zijn wild te zien. De
-oude mannetjes zijn schuw, doordat er zoo dikwijls op hen gejaagd is;
-de jongere vreezen de woede van een ouden medeminnaar. Het gebeurt
-slechts eens in je leven en ver van de beschaving, waar niet op
-elanden gejaagd is, dat je roep gauw beantwoord wordt door een woest,
-oud mannetje dat geen vrees kent. Hier ben je nooit zeker wat voor
-antwoord je roep zal brengen, en het jachtgenot wordt nog gekruid
-door de opwinding en wellicht door het gevaar.
-
-Om de kwade kansen van het lokken in het licht te stellen, roept
-de schrijver zich weer met heel wat trots zijn eerste poging in
-'t geheugen, waarvan de uitwerking wel wat ontstellend was. Het
-was op een meer in noordelijk Nieuw-Brunswijk, op grooten afstand
-van de nederzettingen. Toen ik op een avond achter in Augustus van
-'t visschen terugkeerde, hoorde ik het loeien van een wijfjeseland
-boven me op een met loofhout begroeiden heuvelkam. Langs den voet
-van den heuvelrug strekte zich een baai uit met grazige oevers,
-heel nauw waar ze in het meer uitmondde, maar die zich wel tot een
-uitgestrektheid van een vijf-en-veertig meter verbreedde en zich een
-halve mijl terug uitstrekte om met een stroom samen te vloeien, die
-uit een kleiner meer tusschen de heuvels naar beneden kwam. Dat merkte
-ik allemaal zorgvuldig op onder 't voorbijglijden, want het trof me
-als een ideale plek om elanden te lokken, wanneer je aan 't jagen was.
-
-Den volgenden avond, toen ik alleen stond te visschen in den kouden
-stroom waar 'k over gesproken heb, hoorde ik het wijfje weer op
-denzelfden heuvelrug, en besloot, met een plotselinge aanvechting van
-nieuwsgierigheid, te probeeren wat de uitwerking van eens een paar
-maal brullen op de wijze van een oud mannetje op haar zou zijn. Ik
-had er nog nooit van gehoord dat een wijfje op 't roepen antwoordde,
-en ik had er toen geen vermoeden van dat het mannetje ergens in de
-buurt was. Ik was nog geen ervaren lokker. Onder leiding van mijn
-Indiaan (die er zelf niet zoo heel veel van afwist) had ik twee of
-drie keer geoefend, tot hij me met beminlijke openhartigheid vertelde
-dat een mensch me misschien voor een eland zou kunnen houden, als hij
-er nog niet zoo heel vaak een gehoord had. Hier bestond dus kans voor
-verdere bekwaming en eens wat afwisseling. Als 't haar bang maakte zou
-'t geen kwaad kunnen, want we waren niet aan 't jagen.
-
-Nadat ik de kano stilletjes op land had laten loopen, stroomaf vanwaar
-de eland geroepen had, pelde ik den bast van een jongen berk, rolde
-hem op tot een trompet en staande op den grazigen oever stootte ik
-het diepe geknor van een mannetje uit, twee of drie keer snel achter
-elkaar. De uitwerking was geweldig. Van den top van den heuvelrug,
-geen tweehonderd meter boven de plek waar ik stond, schalde de woedende
-uitdaging van een mannetje op me neer uit de bosschen. Daarop leek het
-alsof er een stoommachine in volle vaart door het kreupelhout kwam
-razen. In minder seconden dan er noodig zijn het neer te schrijven,
-was de kano een goed eind het diepe water in en lag roerloos met
-den boeg naar de kust toe. Een oogenblik later stortte zich een
-reusachtige mannetjeseland door 't warrelruig van elzen op den open
-oever, tandenknarsend, grommend, woest op den grond stampend en in
-'t kreupelhout hakkend met zijn groote gewei--een tafereel zoo leelijk
-als je maar in 't bosch kon verlangen te ontmoeten.
-
-Hij scheen heelemaal in de war dat hij zijn medeminnaar niet zag,
-draafde hard langs den oever, keerde zich om en kwam weer terugzwaaien,
-terwijl hij al dien tijd zijn schorre uitdaging uitstiet. Daar zwenkte
-de kano in den lichten stroom; toen ik haar weer baas werd, trok
-de beweging zijn aandacht en zag hij mij voor den eersten keer. In
-een oogwenk was hij den oever af en 't ondiepe water in, terwijl hij
-met zijn hoeven trapte en met zijn reusachtigen kop op-en-neersloeg
-als een nijdige stier. Gelukkig dat het water diep was en hij niet
-probeerde te zwemmen; want er was geenerlei wapen in de kano.
-
-Toen ik aan den haal ging in de richting van het meer, nadat 'k
-de woede van den eland nog aangewakkerd had door met de pagaai te
-zwaaien en water naar hem te plassen, volgde hij me langs den oever
-steeds met dezelfde dreigende bewegingen. Dicht bij het meer stortte
-hij zich stroomaf opeens vooruit, eer ik het gevaar besefte, plaste
-den nauwen doorgang voor mijn kano in--en daar zat ik gevangen.
-
-Het was donker toen 'k er mij ten leste uitredde. Er was geen
-mogelijkheid in dien nauwen doorgang voorbij het ongure monster te
-komen, zooals ik merkte na het een half uur te hebben geprobeerd. Juist
-toen 't ging schemeren wendde ik de kano en pagaaide langzaam terug,
-en de eland verliet zijn post om me als te voren langs den oever te
-volgen. Aan den hoogen kant van een kleine baai pagaaide ik tot vlak
-bij den oever en wachtte tot hij er omheen was gedraafd, bijna tot
-waar ik me bevond eer ik in het diepe water teruggleed. Gooien met
-water scheen 't monster dol te maken; dus deed ik het hem, tot hij
-in zijn woede al verder en verder in het diepe waadde om die kano die
-hem tot het uiterste dreef met zijn gewei te stooten. Toen hij me niet
-verder achterna wou, zwenkte ik plotseling met mijn kano en zette in
-vliegende vaart koers naar den doorgang. Ik had een goeden voorsprong
-eer hij begreep te zijn beetgenomen, maar ik keek niet één keer om,
-om te zien hoe hij den oever bereikte en om de baai heenkwam. Het
-geplas en hoefgestamp was griezelig dicht achter me toen de kano door
-den doorgang schoot; en toen het bootje op het open vlak van het meer
-zwenkte, om me ten slotte in staat te stellen nog eens met water te
-gooien en met de pagaai te zwaaien en hun nog eens een paar keer luid
-te hoonen, stond de eland daar aan den ingang nog met zijn gewei te
-slingeren en met zijn tanden te knarsen; en zoo liet ik hem staan.
-
-Het lokseizoen is maar kort. Het begint vroeg in September en duurt tot
-midden October. Soms gebeurt het dat een mannetje nog wel tot November
-antwoordt, maar dat is ongewoon. In dit seizoen is een bladstille nacht
-misschien het eerste vereischte. Als het mannetje hoort roepen, zal hij
-dikwijls tot op een afstand van een kleine tien meters naderen zonder
-een geluid te geven. Het is eenvoudig een wonder hoe stil het groote
-monster zijn kan als hij zich langzaam door het bosch beweegt. Dan
-maakt hij een wijden boog, tot hij geheel om de plaats heen is geweest
-waar hij 't roepen hoorde, en als er wind is, het lichtste briesje
-maar, dan ruikt hij 't gevaar en gaat er hals over kop vandoor. In
-een stillen nacht zijn zijn groote trompetvormige ooren merkwaardig
-scherp. Slechts volkomen stilte van jagerszijde kan maken dat het lukt.
-
-Een voorwaarde van evenveel belang is maanlicht. De eland roept soms
-juist voor 't invallen van de schemering en juist voor zonsopgang;
-'t mannetje gaat echter bij zoo'n gelegenheid veel behoedzamer te
-werk en houdt er niet van zich in 't open veld te laten zien. Maar de
-nacht vermindert zijn uiterste voorzichtigheid en hij antwoordt veel
-eerder, tenzij er vroeger op hem gejaagd is. Slechts heldere maneschijn
-kan eenigszins een zuiver schot waarborgen. Het bij sterrenlicht te
-probeeren zou eenvoudig geen andere uitwerking hebben dan dat het
-wild opgeschrikt werd, of mogelijk gevaar opleveren.
-
-Verreweg de beste plaats om te lokken, als je in een elandenstreek
-bent, is van een kano uit op een rustig meer of een kalme rivier. Er
-wordt een plek uitgekozen halverwege tusschen twee open oevers,
-die als 't kan dicht bij elkaar moeten liggen. Van welken oever het
-mannetje ook antwoordt, laat de kano geruischloos achteruitglijden in
-de schaduw aan den tegenovergestelden oever, en daar moeten de jagers
-roerloos neerduiken tot hun wild zich duidelijk in den maneschijn op
-den open oever vertoont.
-
-Als er zich in de onmiddellijke nabijheid van het jachtveld geen
-water bevindt, is een boschje midden op een open terrein de plaats
-om te lokken. Zulke plaatsen worden slechts in de buurt van de
-"barrens" aangetroffen, boomlooze vlakten, die hier en daar in
-de groote noordelijke wildernis verspreid liggen. De verstrooide
-boschjes op zulke vlakten zijn ongetwijfeld de eilanden van de oude
-meren die ze eens bedekten. Hier gaart de jager bij zonsondergang
-een dik bed van droog mos en varentoppen bijeen en spreidt de dikke
-deken uit, die hij dien heelen vermoeienden weg van het kamp op zijn
-rug heeft meegesjouwd; want zonder die deken zou de koude van den
-herfstnacht ondraaglijk zijn voor iemand die geen vuur kan aanleggen,
-noch rondloopen om warm te worden. Als een mannetje op 't lokken van
-zoo'n plek antwoordt, zal hij gewoonlijk om de vlakte heenloopen,
-net binnen den zoom van het omringende bosch en zich zelden ver in
-'t open veld wagen, behalve als hij dol is van jaloezie. Deze angst
-voor 't open veld is kenmerkend voor den eland in alle plaatsen en
-jaargetijden. Hij is een wouddier, dat nooit op zijn gemak is of hij
-moet snel de beschutting weer kunnen bereiken.
-
-In een najaar overkwam Mitchell, mijn Indiaanschen gids, eens een
-opwindende gebeurtenis, terwijl hij op een van die vlakten met een
-jager wien hij als gids diende op jacht was. Hij was 's nachts, van
-een boschje uit, bijna in 't midden van een smalle vlakte elanden
-aan 't lokken. Geen antwoord kwam er op zijn herhaald geroep,
-ofschoon hij er wel langer dan een uur al heel zeker van was dat er
-zich een mannetje binnen gehoorsafstand ergens in de donkere ruigte
-van den boschzoom ophield. Hij wilde 't gebrul van het mannetje net
-probeeren, toen het plotseling uit het bosch achter hem kwam breken,
-juist van den tegenovergestelden kant dan waar hij gemeend had dat
-hun wild verscholen zat. Mitchell begon door het boschje te kruipen;
-maar nauwelijks hadden de echo's geantwoord, of vóór hen weerklonk
-scherp en heftig een tweede uitdaging, en ze zagen recht tegenover
-zich, aan den anderen kant van de open vlakte, het kreupelhout van
-den boschzoom hevig heen-en-weer bewegen, terwijl het mannetje, dat
-ze er al lang vermoed hadden, ziedend van woede voor den dag kwam
-kraken. Maar hij ging slechts langzaam vooruit en Mitchell glipte
-snel door het kreupelhout, waar een oogenblik later een opgewonden
-gefluister zijn metgezel riep. Aan den anderen kant had het tweede
-mannetje zich uit de ruigte van het bosch gestort, en kwam met woest
-gegrom recht op hem aan galoppeeren.
-
-Diep in de varens gedoken wachtten ze af hoe hij hals over kop
-naderstormde, niet zonder dikwijls angstig achteruit te kijken en met
-een heel onplezierige gewaarwording, dat ze leelijk in de val geloopen
-waren en angst voelden, zooals Mitchell me later bekende. Hij had
-zijn geweer in het kamp gelaten; daar had zijn meester op gestaan,
-begeerig als hij was om zelf den eland te schieten.
-
-Het mannetje kwam snel onder schot. Een oogenblik later zou het in
-hun schuilplaats zijn en 't vizier trachtte een doodelijke plek te
-ontdekken, toen een vreeselijk gebrul en woedend hoefgestamp vlak
-achter hen--het leek wel aan den rand van het boschje--hen met een
-sprong op de been bracht. Een seconde later lag het geweer in de
-struiken, en een jager die totaal de kluts kwijt was krabbelde alles
-vernielend in een wanhopige vaart tusschen de takken van een lagen
-spar naar boven, alsof het alleruiterste topje ook nog maar half
-hoog genoeg was. Mitchell was nergens te zien, tenzij men de oogen
-van een uil bezat om hem tusschen de wortels van een gevallen den te
-ontdekken. Maar de eerste eland stormde, zonder op of om te kijken,
-dwars door het boschje, en op de open vlakte begon een geweldige
-strijd. Een minuut lang was er alles in verwarden opstand van
-woest gegrom en kletterende geweien en stampende hoeven en heesche,
-moeilijke ademstooten; toen was de opwinding over 't gevecht te sterk
-om weerstand te bieden: een donkere figuur scharrelde uit de wortels,
-om dadelijk plat onder een struik te gaan liggen en omzichtig naar de
-worstelende monsters, geen dertig voet van hem af, te gluren. Twee keer
-fluisterde Mitchell zijn meester toe naar beneden te komen; maar de
-held zat veilig schrijlings op den hoogsten tak die zijn gewicht wilde
-dragen, en had klaarblijkelijk geen verlangst om een beter gezicht op
-den strijd te hebben. Toen vond Mitchell het geweer in de struiken,
-en het oogenblik afwachtend dat de elanden achteruitweken voor een
-van hun woedende aanvallen, doodde hij den grootsten in den loop. De
-andere stond een oogenblik versteld, met opgeheven kop en trillende
-spieren, en stormde toen weg de vlakte over en 't bosch in.
-
-Zulke ontmoetingen hooren dikwijls tot de treurspelen van de groote
-wildernis. Als ge door de bosschen zwerft treft ge wel eens twee
-reusachtige geweien aan, vast ineengeklonken, en wit gebeente, door
-hongerige roovers schoon geknaagd. Er is geen geschreven relaas noodig
-om hun geschiedenis te verhalen.
-
-Eens zag ik een tweestrijd die anders afliep. Ik hoorde een vreeselijk
-rumoer, en kroop door het bosch met de gedachte dat 'k een woest
-tooneel uit de wildernis daar voor mezelf alleen zou hebben. Twee
-jonge mannetjes waren wanhopig aan het vechten op een open plek, om
-geen andere reden, dan dat ze sterk waren en trotsch op hun eerste
-groote gewei.
-
-Maar ik was niet alleen, zooals ik verwachtte. Een groote vlucht
-kruisbekken [9] streek neer in de sparren en hield van verbazing met
-fluiten op. Een dozijn roode eekhoorntjes juichte het gichelend en
-klakkend toe als de mannetjes op elkaar losrammeiden. Mieko is altijd
-blij wanneer er ergens kwaad geschiedt. Hoog in de lucht zweefde
-een zeldzame boschraaf met haar kop recht naar beneden gebogen om
-te kijken. Elandvogels [10] glipten in rustelooze opgewondenheid
-van boom naar struik. Kagax de wezel stelde haar bloeddorstigen gang
-naar de jonge konijntjes uit. En vlak naast me, onder de toppen der
-sparretwijgen, vergat Tookhees de boschmuis haar angst voor den uil
-en den vos en haar honderd vijanden, en zat in 't volle daglicht bij
-haar holletje zenuwachtig over haar snorren te strijken.
-
-Zoo keken we toe, tot de eland die het af moest leggen vlak bij me
-achteruitweek, mij in den neus kreeg, en het gevecht was uit.
-
-
-
-
-
-
-
-
-CH' GEEGEE-LOKH-SIS.
-
-
-Dat is de naam dien de Noordelijke Indianen aan het zwartkopmeesje
-geven. Het beteekent "kleine vriend Ch' geegee"; want de Indianen,
-juist als ieder ander die het meesje kent, houden van dat blijde,
-kleine ding, dat de bosschen in 't Noorden opvroolijkt. Den eersten
-keer, dat ik Simmo vroeg hoe ze bij hem den vogel noemden, antwoordde
-hij met een glimlach. Sinds dien tijd heb ik het andere Indianen
-gevraagd en altijd verhelderde een glimlach, een prettige blik de
-donkere, norsche gezichten als ze 't me vertelden. Weer een cijns
-aan den invloed van het vroolijke vogeltje.
-
-Een mees is steeds welgemutst. Zij is in geen enkel opzicht aan
-luimen onderhevig. Op een mooien morgen stap je de deur uit, en daar
-in de struiken glipt ze van twijg naar twijg; nu eens hangt ze aan het
-uiterste tipje met haar kopje naar beneden om in een knop aan het einde
-te kijken, dan weer gaat ze spiraalsgewijze om een tak naar boven,
-terwijl zij naarstig in elken knop en spleet gluurt. Een insect moet
-zich goed verstoppen om aan die wakkere oogjes te ontkomen. Ze helpt
-je bij 't kweeken van je planten. Ze kijkt vroolijk op als je aankomt,
-hipt onbevreesd naar beneden en kijkt met eerlijke, onschuldige oogen
-naar je. Tsjikke-die-die-die-die! Tsjikke-die-ie-ie?--dit laatste met
-een stijgend haaltje, alsof zij vroeg hoe je 't maakte, nadat zij
-goedenmorgen gezegd had. Dan gaat ze weer op jacht naar insecten;
-want ze verspilt nooit meer dan een oogenblikje om te praten. Maar
-ze twettert gezellig onder 't werk.
-
-In de diepste wildernis tref je haar weer aan. Nauwelijks is de
-rook van je kampvuur boven de sparretoppen gerezen, of dicht naast je
-klinkt dezelfde opgewekte begroeting en vraagt naar je gezondheid. Daar
-zit ze op de berketwijg, vroolijk en gelukkig en onbevreesd! Ze komt
-beneden bij het vuur, om te zien of er ook iets overgekookt is waar
-ze zich van meester mag maken. Ze pikt dankbaar de kruimeltjes op
-die je aan je voeten strooit. Ze vertrouwt je.--Kijk, ze blijft even
-op den vinger zitten dien je uitsteekt, kijkt nieuwsgierig naar den
-nagel en onderzoekt hem met haar snavel, om te zien of hij ook een
-schadelijk insect verbergt. Dan keert ze naar haar berketakjes terug.
-
-Op zomerdagen vloeit ze nooit over van uitbundige pret als het
-rijstvogeltje en de oriole, maar aanvaardt zij haar overvloed in
-kalme tevredenheid. Ik vermoed dat het komt, doordat ze 's winters
-harder werkt en haar vreugde dieper is dan de hunne. 's Winters,
-als er een dik pak sneeuw ligt, is ze het leven van het bosch. Ze
-roept je aan van de zoomen der troostelooze vlakten waar de rendieren
-wonen, en haar begroeting doet op de een of andere manier aan de
-Meimaand denken. Zij komt in je kampplaats van ruwen bast en eet
-je sobere spijs en laat een beetje zonneschijn achter. Ze gaat met
-je mee, als je je moeilijk op sneeuwschoenen een weg baant door de
-dichtopeengepakte sparren. Ze heeft misschien evenveel honger als jij,
-maar haar deuntje is er niet minder opgewekt en hoopvol om.
-
-Als de zon heet brandt, in Augustus, vindt ze je onder de elzen
-liggen met de bries van het meer in je gezicht, en zij spert haar
-oogen heel ver open en zegt: "Tsikkedie-ie-ie? Ik heb je den vorigen
-winter gezien. Toen was 't een moeilijke tijd. Maar 't is fijn
-om nu hier te wezen." En als de regen neerstroomt en de bosschen
-doorweekt zijn en 't kampleven gewoonweg verschrikkelijk lijkt,
-verschijnt ze plotseling met een begroeting zoo opwekkend als de
-zonneschijn: "Tsikkedie-ie-ie-ie? Herinner je je gisteren niet
-meer? Het regent nu wel, maar er zijn een massa insecten en morgen
-zal de zon schijnen." Haar opgewektheid is aanstekelijk. Je hebt
-betere gedachten dan voordat zij kwam.
-
-Ze is werkelijk een bovenste-beste: er komt geen eind aan het goed
-dat zij uitwerkt. Telkens weer heb ik iemand beter gehumeurd zien
-worden of opgewekter, zonder dat hij wist waarom, alleen doordat een
-meesje eventjes poosde om vroolijk en gezellig te zijn. Ik herinner
-me een keer dat een troepje van vier na een hevigen stortregen ging
-kampeeren. De luilak had een kano laten kantelen en alle droge kleeren
-en dekens hadden we juist uit de rivier gevischt. Nu stond de luilak
-bij 't vuur voor zijn eigen gemak te zorgen. De andere drie werkten
-als mieren, om 't kamp klaar te krijgen. Ze waren in een slecht humeur,
-koud, nat, hongerig, prikkelbaar. Ze zeiden niets.
-
-Een vlucht meesjes streek neer met zonnige begroetingen,
-onbevreesd, vol vertrouwen, maar indringerig. Ze keken onschuldig
-in de menschengezichten en deden net of ze de prikkelbaarheid daar
-niet zagen. "Tsikke-die. Ik wou dat ik helpen kon. Misschien kan ik
-het. Tikke-die-ie-ie?"--Met dat zachte, lieflijke, vleiende haaltje
-naar boven aan het eind.
-
-Er sprak iemand, voor het eerst in een half uur, en het was geen
-gemopper. Al gauw floot er iemand--een zwak, klein gefluit, maar 't
-getij was om. Toen lachte er iemand. "Werkelijk," zei hij, terwijl
-hij zijn natte kleeren ophing, "ik geloof dat die meesjes goed op
-mijn humeur werken. Ze schijnen wel aardig opgewekt, zie je, en het
-gezelschap had het noodig."
-
-En terwijl het meesje zijn beschuitkruimels oppikte, deed het heelemaal
-niet, alsof het er 't meest toe bijgedragen had om 't kamp behaaglijk
-te maken.
-
-Er is nog een manier waarop het helpt, een meer materieele
-manier. Millioenen schadelijke insecten leven en vermenigvuldigen
-zich in de knoppen en den zachten bast van boomen. Andere vogels
-zien ze nooit, maar het meesje en zijn familie laten geen twijgje
-onbekeken. De heldere oogjes ontdekken de eitjes onder de knoppen
-verscholen, de scherpe ooren hooren de larven eten onder den bast en
-een klop met het nebje ontdekt ze in hun boos bedrijf. Zijn diensten
-van deze soort zijn reusachtig, ofschoon zelden erkend.
-
-Een meezennest is altijd netjes en behaaglijk en merkwaardig, evenals
-de mees zelf. Het is een buitenkansje (dat je maar zelden ten deel
-valt) het te vinden. Zij zoekt een oud gat waar vroeger een knoest in
-'t hout zat, gewoonlijk aan den beschutten kant van een drogen tak,
-en graaft er het vermolmde hout uit, zoodat ze een diepen en soms
-draaienden tunnel naar beneden maakt. In het droge hout op den bodem
-maakt ze een rond zakje en voert het met het zachtste wat er is. Als
-je zoo'n nest ontdekt met vijf of zes witte eitjes, die daar teer
-met rose gespikkeld op den bodem liggen, en een paar meesjes die daar
-rondglippen, half angstig, half vertrouwend, is het bij elkaar zoo'n
-mooi plekje, dat ik me moeilijk een jongen kan denken die laaghartig
-genoeg zou zijn om het te verstoren.
-
-Eén ding is me bij die nestjes altijd een raadsel geweest. In de zachte
-voering zit meestal meer of minder konijnenhaar. Soms is er zelfs niets
-anders, en een zachter nest zou je niet kunnen verlangen. Maar waar
-haalt ze het vandaan? Ik ben er van overtuigd dat ze het niet uit het
-konijntje zal plukken, zooals de kraai soms wol uit de schaperuggen
-trekt. Zijn haar oogjes helder genoeg om het haar voor haar te vinden,
-waar de wind het neergeblazen heeft tusschen de blaren? Als dat zoo is,
-moet 't een langdurig werkje zijn; maar een mees is heel geduldig. In
-'t voorjaar kun je haar wel eens op den grond verrassen, waar ze
-nooit om voedsel gaat; maar bij zoo'n gelegenheid is ze altijd schuw
-en fladdert zij omhoog tusschen de berketakken, en twettert en geeft
-een verbazingwekkende gymnastische vertooning, alsof zij je aandacht
-van haar vorige ongewone doen wou afleiden. Dat is alleen maar,
-omdat je in de buurt van haar nest bent. Als zij ondertusschen een
-plukje konijnenhaar in haar snavel heeft, zijn je oogen niet scherp
-genoeg om het te onderscheiden.
-
-Eens na zoo'n vertooning deed ik net of ik wegging, maar ik verschool
-me slechts in een dennenboschje. De mees luisterde een poosje, hipte
-toen naar beneden op den grond, pikte iets op dat ik niet kon zien
-en vloog weg. Ik twijfel er niet aan of het was de voering voor haar
-nest in de buurt. Zij had het laten vallen toen ik haar verraste,
-opdat ik haar niet van nestelen zou verdenken.
-
-Zoo'n vroolijk, behulpzaam diertje moest geen vijand ter wereld hebben,
-en ik geloof dat het er minder te weerstaan heeft dan de meeste
-vogels. De klauwier [11] is zijn ergste vijand; het neersuizen van
-zijn wreeden bek is altijd noodlottig in een meezenvlucht. Gelukkig
-komt de klauwier weinig bij ons voor; je vindt zijn nest maar zelden,
-met het arme meesje op een scherpen doorn er vlak bij gespietst,
-omringd door allerlei leelijke torren. Ik verdenk er de uilen soms
-van dat ze 's nachts op hem jagen, maar het slaapt in het lage, dichte
-dennenhout, stijf tegen een tak gedrukt, met de dennenaalden aan alle
-kanten om zich heen, die het heel donker maken; en met die duisternis,
-en de naalden die hem in de oogen kunnen prikken, geeft de uil zijn
-zoeken gewoonlijk op en hij gaat in minder dichte bosschen jagen.
-
-Soms trachten de haviken hem te snappen, maar er is een paar heel
-snelle en heel kleine wieken noodig om een meesje te vangen. Eens keek
-ik naar hem, terwijl hij met zijn kopje naar beneden aan een eiketwijg
-hing waar de dorre bladen nog aanzaten, want het was winter. Plotseling
-was er een tocht, een flits van gespikkelde vleugels en felle, gele
-oogen en wreede klauwen. Het meesje schoot onzichtbaar weg onder een
-blad. De havik vloog verder met ruischende slagpennen. Een bruine
-veer zeeg neer tusschen de eikebladen. Toen hing het meesje met 't
-kopje naar beneden, juist waar het eerst was. "Tsikke-die? Heb ik
-hem niet mooi beetgehad!" scheen het te zeggen. Het was eenvoudig om
-zijn twijg heen onder een blad geglipt en weer terug, en 't gevaar
-was voorbij. Als een havik op zoo'n manier mist, stoot hij nooit
-weer. Jongens hebben gewoonlijk een eigenaardige vriendschap voor de
-meezen. Ze mogen wreed of gedachteloos tegenover andere vogels zijn,
-maar zelden zijn ze 't voor haar. Ze lijkt wel wat op hen.
-
-Twee jongens op bloote voeten, met pijlen en bogen, waren op een
-Septemberdag aan het jagen tusschen de halfvolgroeide boschjes
-op een oud weiland. De oudere leerde den jongeren schieten. Een
-roodborst, een chipmunk [12] en twee of drie musschen waren al in hun
-jaszakken weggestopt, een bruin konijn hing den oudsten jongen over
-den schouder. Plotseling hief de jongste zijn boog op en trok den
-pijl tot aan den top terug. Vlak voor hem hing een meesje tusschen
-de berketakjes te twetteren. Maar de oudere jongen greep zijn arm beet.
-
-"Niet schieten--schiet hem niet!" zei hij.
-
-"Maar waarom niet?"
-
-"Omdat je 't niet doen moet--je moet nooit een mees schieten."
-
-En de jongere, door een zeker geheimzinnig hoofdschudden meer dan
-door de woorden genoopt, ontspande vroolijk zijn boog; en met een
-laatsten blik uit groote oogen naar het grijze vogeltje, dat daar zoo
-zonder vrees twetterde en wiegelde vlak bij hem, gingen de jongens
-verder jagen.
-
-Niemand had den oudsten jongen ooit geleerd onderscheid te maken
-tusschen een mees en andere vogels, niemand anders heeft het ooit aan
-den jongeren geleerd, en toch voelden ze beiden op de een of andere
-manier, en voelen het nog na vele jaren, dat er een onderscheid
-is. Zoo gaat het altijd met jongens. Ze zijn vrienden van alles wat
-hen vertrouwt en geen vrees kent. Gee--gee's eigen persoontje, haar
-opgewekte manieren en vertrouwelijke natuur hadden het hun geleerd,
-ofschoon ze het niet beseften. En onder alle jongens uit die buurt
-bestaat er nog een wet die geen mensch ooit gegeven heeft, waar geen
-mensch den oorsprong van kent, een wet even onveranderlijk als die
-van de Meden en Perzen: Dood nooit een meesje.
-
-Als je gindschen jongen die je van de wet vertelt vraagt: "Waarom
-een meesje niet evengoed als een musch?" schudt hij zijn hoofd net
-als eertijds en antwoordt dogmatisch: "Omdat je dat niet doen moet."
-
- HET GEHEIM VAN HET MEESJE.
-
-Wanneer je in Mei een meesje aantreft met een plukje konijnenhaar
-in zijn bek, of als het aandachtig ergens mee bezig, geheel van
-iets vervuld lijkt, kun je er zeker van zijn, dat het bezig is een
-nest te bouwen, of vrouw en kinderen in de buurt heeft om voor te
-zorgen. Als je het goed kent, gebeurt het misschien wel dat je je
-gegriefd voelt, omdat het vriendje, dat je kamp met je deelde en den
-vorigen winter aan je tafel kwam eten, dit voorjaar even vrijpostig
-scheen en je toch nooit naar zijn kampplaats uitnoodigde, je er soms
-zelfs van wegleidde. Maar het zachte nestje in het oude boomgat is
-het eenige geheim in een meezenleven; en de bedriegerijtjes waarmee
-hij het tracht te bewaren zijn soms zoo kinderlijk, zoo doorzichtig,
-dat ze zelfs nog meer belangstelling wekken dan zijn vertrouwlijkheid.
-
-Op een middag in Mei liep ik eens zonder geweer te jagen bij een oude,
-verlaten hoeve tusschen de heuvels--een van die zonnige plaatsen
-waar de vogels van houden, omdat er iets van de menschelijke wezens
-die er eens woonden nog over de halfverwilderde landen waart en er
-iets beschermends aan geeft. De dag was warm en zonnig. De vogels
-waren overal en schoten van de dennenboschjes naar de berken, in de
-volle vreugde van het nestelen, en vervulden de lucht van leven en
-melodie. Het jagen geeft niet veel als je op zoo'n tijd rondgaat. Of
-de jager, òf zijn wild moet rustig zijn. Hier repten de vogels zich
-onophoudelijk; ik kon meer van hen en hun gewoonten zien door me
-eenvoudig stil en onzichtbaar te houden.
-
-Ik ging aan den zoom van een dennenboschje zitten en werd zooveel
-mogelijk een deel van de oude stomp die me tot zitplaats diende. Vlak
-voor me slingerde zich een oud hek, vier balken hoog, over de
-verlaten wei, worstelend tegen de braamranken die in overvloed er
-omheen groeiden, en 't leek wel of ze aan den ondersten balk rukten
-om de oude omheining naar beneden te trekken, tot ze 't ondersteboven
-lag. Aan weerskanten verdween ze in boschjes van berken en eiken en
-sparren, evenals de rankende bramen door vogels daar gezaaid, die
-een poosje op het oude hek waren blijven zitten om uit te rusten,
-of om hun nieuwsgierigheid te bevredigen. Forsche, jonge boomen
-hadden het op zij gedrongen en gebroken. Hier en daar was een scheeve
-post met kamperfoelie geheel begroeid. De balken waren grijs en met
-mos bedekt. De natuur deed al haar best om er een onderdeel van het
-landschap van te maken; het zou niet heel lang zijn eigen karakter meer
-kunnen bewaren. 't Wilde boschvolkje had het al lang in bezit genomen,
-ofschoon nog niet zoo geheel als ze het de ranken en boomen deden.
-
-Terwijl ik daar zat liet er zich een roodborst uit den top van een
-jongen ceder, waar hij een oogenblik te voren zijn bruidsliedje nog
-zat te oefenen, op neervallen. Hij was niet van zins er te gaan zitten,
-maar nieuwsgierigheid, even doelloos als de mijne, deed hem even op den
-ouden grijzen balk poozen. Toen liet een specht zich tegen den kant
-van een post neer en onderzocht dien zachtjes. Maar hij was te kort
-bij den grond, te dicht bij zijn vijanden om leven te maken--vloog
-dus naar een hooger tak, en sloeg een roffel dat de bosschen er van
-weerschalden. Daar zat hij veilig en kon net zooveel leven maken als
-hem behaagde. Een boschmuis bewoog de ranken en verscheen even op den
-ondersten balk; toen verdween ze, alsof ze hevig geschrokken was dat
-ze zich zoo maar in den zonneschijn vertoond had. Zoo doet zij altijd
-bij haar eerste verschijning.
-
-'t Duurt niet lang of een roode eekhoorn schiet uit het boschje
-aan den linkerkant, rept zich langs de balken en de posten op en
-neer. Hij gaat als een kleine, roode wervelwind, ofschoon hij niets
-ter wereld heeft om zoo'n haast voor te hebben. Juist tegenover
-mijn stomp staakt hij zijn jacht merkwaardig plotseling, snatert,
-klakt, scheldt, probeert of ik me ook beweeg, dan gaat hij verder en
-verdwijnt met dezelfde halsbrekende vaart uit 't oog. Een gaai blijft
-even stilzitten in een jongen noteboom boven het hek om 't uit te
-fluiten van nieuwsgierigheid, alsof ze het al niet vijftig keer eerder
-gezien had. Iets wat haar nieuwsgierigheid opwekt blijft altijd nieuw
-voor haar. Ze krijscht nu niet; 't is haar nesteltijd.--En zoo den
-heelen middag door. Het oude hek wordt een stukje van de bosschen,
-en elk dier dat voorbij komt houdt stil om er kennis mee te maken.
-
-Ik droomde me een geschiedenis van de oude heining, toen een meesje
-in den den achter me twetterde. Toen ik me omkeerde vloog het over
-me heen en ging voor me op het hek zitten. Het had iets in zijn bek;
-ik keek dus goed toe om zijn nest te ontdekken, want ik zou het heel
-graag eens aan 't werk zien.
-
-'t Meesje had nooit blijk gegeven dat het bang voor me was, en ik
-meende dat het me nu vertrouwen zou. Maar dat deed het niet. Het wou
-niet naar zijn nest toegaan. In plaats daarvan begon het op den ouden
-balk heen en weer te hippen en net te doen of het heel naarstig op
-de insectenjacht was.
-
-Even later verscheen zijn wijfje en met een scherp geluid riep het haar
-naast zich. Toen hipten en twetterden beide vogels op den balk heen
-en weer, en er was blijkbaar niets ter wereld dat hun zorg gaf. Vooral
-het mannetje leek net in een stemming om pret te maken. Het dribbelde
-den mossigen balk op en neer, het draaide er omheen, tot het veel had
-van een klein, grijs vuurraadje; het hing met 't kopje naar beneden
-aan zijn teenen, liet zich vallen en draaide zich als een kat om,
-zoodat het op zijn pootjes op den balk er onder neerkwam. Terwijl ik
-op deze vertooning lette, had ik nauwelijks gemerkt dat zijn wijfje
-verdwenen was, tot ze plotseling naast hem op den balk weer voor den
-dag kwam. Toen verdween hij, terwijl zij de vertooning op den balk
-gaande hield, misschien met drukker getwetter en wat minder kunsten. Na
-een poosje waren de beide vogels weer bij elkaar en vlogen de dennen
-in, waar ze uit het oog verdwenen.
-
-Ik had ze bijna vergeten onder 't gadeslaan van andere vogels, toen
-ze weer op den balk verschenen, tien minuten of een kwartiertje
-later, en een voorstelling ten beste gaven die weer heel veel van
-de vorige had. Dat was bepaald ongewoon, en ik bleef zitten, heel
-rustig, vol belangstelling, ofschoon eenigszins in de war gebracht,
-en een beetje teleurgesteld dat ze niet naar hun nest waren gegaan. Ze
-hadden beide keeren dat ze op den balk verschenen 't een of ander in
-den bek en waren nu waarschijnlijk bezig nog wat te zoeken--misschien
-wel konijnenhaar in den ouden boomgaard. Maar wat hadden ze er mee
-uitgevoerd? "Misschien," dacht ik, "hebben ze 't laten vallen om me
-beet te nemen." Dat doet het meesje soms. "Maar waarom bleef de eene
-vogel dan op den balk? Misschien..." Nu, ik zou eens goed uitkijken.
-
-Toen me die gedachte inviel, verliet ik mijn stomp en begon heel
-zorgvuldig de posten van het oude hek te onderzoeken. Het meezennest
-zat daar ergens. In den tweeden post aan den linkerkant ontdekte ik
-het, een klein gat, waar een knoest was geweest, dat het meesje diep
-uitgehold had en met konijnenhaar gevoerd. Het zat mooi verborgen
-door de ranken die den ouden post bijna geheel bedekten, en grijs
-mos groeide overal om den ingang. Nog nooit had ik zoo'n snoezig
-nestje gevonden.
-
-Ik keerde naar mijn stomp terug en ging zoo zitten, dat ik net
-het donkere holletje kon zien dat naar het nest leidde. Nu konden
-geen andere vogels me boeien, tot de meesjes terugkwamen. Ze waren
-er gauw en hipten net als eerst op den balk heen en weer, met een
-heel fijnen klank van verbazing even in hun zachte getwetter, dat
-ik van houding veranderd was. Dezen keer zou ik me niet beet laten
-nemen door gymnastische kunsten, hoe merkwaardig ook. Ik hield
-mijn oogen op het nest gericht. Het mannetje ging zeker door met
-zijn moeilijkste kunststukken en deed zijn best om mijn aandacht
-te boeien, toen ik plotseling zijn wijfje achter den post om zag
-glippen en in haar deurtje verdwijnen. Ik kon nauwelijks zeggen of
-'t een vogel was of niet. Het leek veeleer alsof de wind een plukje
-grijs mos bewogen had. Had ze 't langzaam gedaan, dan zou 'k haar
-best niet gezien kunnen hebben, zoo weinig was haar zachte grijze
-jasje te onderscheiden van het verweerde hout en het mos.
-
-Even later kwam ze weer te voorschijn, wachtte een oogenblik, terwijl
-haar kleine kopje uit het gat keek, glipte om den post zoodat 'k haar
-niet meer zien kon, en ik kreeg haar weer in 't oog toen ze plotseling
-naast het mannetje verscheen.
-
-Toen lette ik op hem. Terwijl zijn wijfje rondsnorde op den bovensten
-balk, liet hij zich op den middelsten vallen, hipte langzamerhand naar
-één kant, liet zich toen plotseling op den ondersten neertuimelen,
-die half om den wingerd verscholen was, en verdween. Ik wendde mijn
-oogen naar het nest. Een oogenblik, en daar had je hem--niets dan
-een grijs glimpje dat even van achter den post te voorschijn kwam,
-alleen om in den donkeren ingang te verdwijnen. Toen hij weer naar
-buiten kwam, kon ik maar een flits van hem opvangen, tot hij op den
-balk bij me, naast zijn wijfje verscheen.
-
-Nu was hun kleine krijgslist duidelijk. Ze waren teruggekomen van
-'t verzamelen van konijnenhaar en hadden me onverwachts bij hun
-nest aangetroffen. In plaats van drukte te maken en het te verraden,
-zooals andere vogels misschien gedaan zouden hebben, streken ze op den
-balk vóór me neer en waren zoo gezellig als alleen meesjes dat kunnen
-zijn. Terwijl het eene mij bezighield en mijn aandacht in beslag nam,
-liet het andere zich naar den ondersten balk tuimelen en gleed er
-achter langs voort, dan langs den post naar boven, waar hun nest was,
-en langs denzelfden weg terug, met achterlating van zijn bouwstof. Dan
-hield het me bezig terwijl het wijfje net zoo deed, en omgekeerd.
-
-Hoe simpel hun toeleg ook was, ik was er in 't eerst door bedrogen
-en 'k zou me steeds hebben laten beetnemen, als ik niet wat van
-meezengewoonten had afgeweten en 't nest had gevonden toen zij weg
-waren. Vogels die gejaagd worden gebruiken de list om iemand van hun
-nest weg te lokken. Ik weet het niet, maar me dunkt dat alle vogels
-min of meer datzelfde instinct hebben, maar niet één had haar ooit
-met zooveel succes op me toegepast als Ch'gee-gee. Wel langer dan
-twee uur zat ik daar naast het dennenboschje, terwijl de meesjes
-af- en aanvlogen. Soms naderden ze het nest van den anderen kant,
-en ik zag ze niet of ving slechts een glimp van hen op misschien,
-als ze hun deurtje binnenglipten. Altijd wanneer ze er van mijn
-kant heengingen, bleven ze op den balk voor me zitten en voerden hun
-vertooninkje op. Langzamerhand werden ze vertrouwlijker en gaven zich
-minder moeite om hun bewegingen te verbergen dan eerst. Soms kwam er
-maar één en verdween na een kleine voorstelling. Misschien meenden
-ze wel dat 'k niet veel kwaad kon, of dat ze me den eersten keer
-zoo mooi beet gehad hadden, dat ik niet eens vermoedde hoe ze aan
-'t nestelen waren. In elk geval, ik deed nooit alsof ik het wist.
-
-Toen de middag kortte en de zon in de dennetoppen gleed, werden de
-meesjes hongerig en staakten hun werk tot den volgenden morgen. Ze
-pikten tusschen de jonge berkeknoppen toen ik ze verliet, samen druk
-en gezellig in de weer om hun avondmaal te zoeken.
-
-
-
-
-
-
-
-
-IEMAND MET AANPASSINGSVERMOGEN.
-
-
-Onder de vogels is er één, wiens uiterlijk voorkomen bezig is
-een snelle verandering te ondergaan. Hij is in zijn tegenwoordige
-bestaan teekenend voor een proces dat historisch welbekend is aan alle
-biologen, te weten: de vormwijziging die voortkomt uit een veranderde
-omgeving. Ik spreek van den gouden specht, den "flicker"; misschien de
-mooist geteekende vogel van het Noorden, wiens namen even verscheiden
-zijn als zijn gewoonten en kundigheden.
-
-De natuur had hem er toe bestemd op dezelfde wijze aan voedsel te
-komen als de andere spechten, door in oude boomen en boomstompen naar
-de insecten te boren die van het vermolmde hout leven. Voor dat doel
-gaf ze hem den rechten, scherpen, wigvormigen snavel, er juist op
-berekend om houtspaanders uit te hakken, de zeer lange tong met een
-hoornen tipje om in de gaten te steken die hij maakt, de eigenaardige
-plaatsing van de teenen: twee naar voren en twee naar achteren, en de
-stijve, stugge staartveeren om zich onder 't werken tegen den kant van
-een boom te steunen. Maar zijn kost op die wijze verdienen beteekent
-hard werken, en hij heeft voor zichzelf een veel gemakkelijker manier
-ontdekt. Je kunt hem nu telkens op den grond verrassen in oude weiden
-en boomgaarden, waar hij nog al onbeholpen rondfladdert (want zijn
-pootjes waren nooit bedoeld om er mee te loopen) op jacht naar de
-krekels en sprinkhanen, waarvan het daar wemelt. Maar toch vindt hij
-'t werk om ze te vangen veel gemakkelijker dan in droge, oude boomen
-te boren, de insecten zelf veel grooter, en ze loonen de moeite meer.
-
-Een enkele blik zal aantoonen hoeveel die nieuwe leefwijze hem van de
-andere spechten heeft doen afwijken. De snavel is niet meer recht maar
-heeft een duidelijke bocht, zooals van de lijsters, en in plaats van
-het wigvormige uiteinde is er een afgeronde punt aan. De roode kuif op
-zijn kop, een kenmerk van de heele spechtenfamilie, zou op den grond
-te veel in 't oog vallen. In plaats daarvan vinden we, goed laag in den
-nek en gedeeltelijk door de korte, grijze veeren er omheen verscholen,
-een rood half maantje. De punt van de tong is minder hoornachtig, en
-uit de stijve punten van de staartveeren beginnen baarden te groeien
-die ze meer op die van andere vogels doen lijken. Een volgend geslacht
-zal zich stellig afvragen waar deze eigenaardige lijstersoort haar
-ongewone tong en staart vandaan heeft, zooals wij ons verbazen over
-de mismaakte pootjes en de wonderlijke manieren van den koekoek.
-
-De gewoonten van dezen vogel zijn een eigenaardig mengelmoes van
-zijn oude leven in de bosschen en zijn nieuwe voorkeur voor het open
-veld en boerderijen. Soms zit het nest heelemaal in 't hartje van
-het woud, waar de vogel in- en uitglipt, stil als een kraai in den
-nesteltijd. Het terrein waar hij zijn eten haalt kan dan best een
-vroegere weide op wel een halve-mijls afstand zijn, waar hij luidkeels
-roept en zoo uitgelaten ronddartelt, alsof hij nooit zorg of angst in
-de wereld had. Maar nu zit het nest veel vaker in een wilden bongerd,
-waar de vogel een oude holte in een boom ontdekt en diep in het zachte
-hout naar beneden graaft, zoodat hij met heel weinig moeite een diep
-nest klaar krijgt. Als de ligging van het gat niet goed is, vindt hij
-een grooten, verganen tak en boort het buitenste, harde omhulsel door,
-graaft dan een centimeter of dertig of meer in het zachte hout en maakt
-een nest. In dit nest heeft hij nooit last van den regen, want hij
-boort den ingang met voorbedachten rade aan den onderkant van den tak.
-
-Als veel andere vogels heeft hij ontdekt dat de boer zijn vriend is. Af
-en toe verzuimt hij daarom een diep nest te maken, door eenvoudig
-een oud boomgat uit te hollen, zich op de tegenwoordigheid van den
-mensch verlatend voor bescherming tegen haviken en uilen. Bij zulke
-gelegenheden leert de vogel al heel gauw wie er bij den boomgaard
-hooren, en verliest hij de overgroote schuwheid die hem overal elders
-kenmerkt.
-
-Eens noodigde een boer, mijn belangstelling in vogels kennend, me
-uit om een gouden specht te komen kijken, die in haar vertrouwen
-zoo'n ondiep nest had gebouwd dat je ze als een roodborst op de
-eieren kon zien zitten. Ze was zoo tam, zei hij, dat hij soms
-wanneer hij naar zijn werk ging langs den boom kon komen zonder
-haar te verstoren. Hetzelfde oogenblik dat we den muur overkwamen,
-binnen den gezichtskring van het nest, glipte de vogel den boomgaard
-uit. Omdat we haar op de proef wilden stellen, trokken we ons terug
-en wachtten tot ze weer kwam. Toen liep de boer op een afstand van
-nog geen paar voet voorbij, zonder dat hij haar ook maar in 't minst
-verstoorde. Tien minuten later volgde ik hem, en de vogel vloog weer
-weg zoodra ik den muur overkwam.
-
-Het geluid van den gouden specht--met veel meer afwisseling en veel
-welluidender dan dat van andere spechten--is waarschijnlijk een gevolg
-van zijn nieuwe, vrije leven en de gewijzigde tong en snavel. In de
-bosschen hoor je zelden iets anders dan een ratelend ret-e-tet-tet,
-als hij aan 't hameren is op een droge, oude dennestomp. In den
-regel schijnt hij dit meer te doen voor 't leven dat het maakt en om
-zijn krachten te oefenen, dan omdat hij verwacht er insecten in te
-zullen vinden, behalve 's winters, als hij tot zijn oude gewoonten
-terugkeert. Maar buiten op het veld heeft hij een verscheidenheid van
-tonen. Soms is het een luid kie-uk, als de kreet van een blauwe gaai in
-twee lettergrepen verdeeld, met den klemtoon op de laatste. Dan weer is
-het een luide, verheugde, fluitende roep van heel korte nootjes, die
-vlak achter elkaar aanrollen met een klemtoon op elk. Of hij wipt op
-'t uiteinde van een ouden hekbalk op-en-neer met een vroolijk iekoe,
-iekoe, iekoe, dat meer van een lach heeft dan iets anders onder de
-vogels. In de meeste van zijn muzikale pogingen zit de gouden specht
-zooals andere vogels op den tak, in plaats van zich op zij aan een
-boom vast te klampen.
-
-Een eigenaardige gewoonte, die de vogel heeft aangenomen met zijn
-toenemende beschaving, is dat hij zich van een slaapgelegenheid
-verzekert, beschut tegen de wintersche stormen en kou. Laat in den
-herfst zoekt hij een verlaten gebouw en na veel schichtig onderzoek,
-om er zich van te overtuigen dat er niemand in is, boort hij door
-den eenen kant een gat. Dan heeft hij een behaaglijk plaatsje om te
-slapen en genoeg vermolmd hout om er op stormachtige dagen insecten
-te vangen. Een koelhuis is een geliefkoosde woonplaats voor hem,
-want het warme zaagsel verschaft een mooie gelegenheid om zijn nest
-of slaapkamer in te graven. Als een gebouw voor nestelplaats gebruikt
-wordt, boort de vogel heel leep den ingang vlak onder den dakrand,
-waar hij beschut wordt voor buien en tegelijkertijd niet in 't oog
-loopt voor loerende blikken.
-
-Gedurende den winter bewonen verscheiden vogels vaak samen een
-gebouw. Ik ken een oude, verlaten schuur, waar 't vorige jaar vijf
-van die vogels heel vreedzaam woonden, ofschoon ik nooit precies kon
-uitmaken wat ze er overdag uitvoerden. Als je er heel behoedzaam
-aankwam, op elk uur bijna van den dag, en op den zijkant van de
-schuur bonsde, vlogen er een paar vogels hevig verschrikt uit, die
-geen oogenblik ophielden om achter zich te kijken. In 't eerst waren
-er maar drie ingangen, maar nadat ik ze een paar keer verrast had
-werden er nog twee aan toegevoegd. Om gauwer naar buiten te komen,
-als ze alle binnen waren, of eenvoudig om maar gaten te boren, dat
-weet ik niet. Soms hebben een paar vogels vijf of zes gaten geboord,
-gewoonlijk aan denzelfden kant van 't gebouw.
-
-Twee dingen wekten mijn nieuwsgierigheid ten opzichte van mijn familie
-in de oude schuur: wat ze daar overdag uitvoerden, en hoe ze er zoo
-gauw uitkwamen als ze opgeschrikt werden. De eenige voor hen mogelijke
-manier om er zoo oogenblikkelijk uit te komen schieten als zij deden,
-was dat ze er regelrecht uitvlogen. Maar de gaten waren te klein en
-geen andere vogel dan een oeverzwaluw zou zoo iets geprobeerd hebben.
-
-Op een dag joeg ik de vogels naar buiten, kroop toen aan den
-tegenovergestelden kant onder een vloerbalk door naar binnen en
-verschool me in een hoek van de hanebalken zonder daarbinnen iets van
-zijn plaats te brengen. Het was een lang gewacht in die oude, stoffige
-gelegenheid, voordat een van de vogels terugkeerde. Eerst hoorde ik
-hoe er een op het dak ging zitten, toen verscheen zijn kopje voor een
-van de gaten, terwijl hij er vlak onder tegen den kant van de schuur
-aan zat te kijken en te luisteren voordat hij binnenkwam. Na een paar
-minuten krabbelde hij heel voldaan dat er niemand in was naar binnen,
-en streek neer in een hoek waar een hoop oud hooi en rommel lag. Hier
-begon hij druk te ritselen en rond te scharrelen, als een eekhoorn
-in de herfstblaren, waarschijnlijk op insecten uit, ofschoon het te
-donker was om precies te zien wat hij uitvoerde. De helft van den tijd
-klonk het alsof hij 't hooi wegkrabde, bijna zooals een kip zou hebben
-gedaan. Als dat zoo was, moet 't voor zijn beide voorste teentjes
-een bitter zwaar werk zijn geweest, doordat de achterste twee onder
-de hand altijd dubbel sloegen. Toen ik plotseling tegen den zijkant
-van de schuur bonsde, schoot hij als een pijl uit den boog op een van
-de gaten af waar hij vlak onder neerkwam, en bleef er zoo steken,
-dat het me aan de gekauwde papierballetjes deed denken die jongens
-gewoon waren op school tegen het bord te gooien. Ik kon duidelijk den
-klop van zijn pootjes hooren, toen hij neerkwam. Met dezelfde beweging
-en zonder een oogenblik op te houden dook hij er hals over kop door,
-geholpen door een veering van zijn staart, bijna net als een duiveltje
-uit zijn doosje springt, maar veel gauwer. Nauwelijks was hij weg,
-of er verscheen een andere om hetzelfde programma af te werken.
-
-Ofschoon hij veel schuwer is dan andere vogels op de boerderij, waagt
-hij zich dikwijls tot dicht bij het huis en de deur 's morgens vroeg,
-voordat er nog iemand op is. Op een voorjaarsmorgen werd ik door een
-vreemd, kletterend geluidje gewekt, en toen ik mijn oogen opende was
-ik verbaasd een van die vogels in 't kozijn van het open raam te zien
-zitten, nog geen vijf voet van mijn hand af. Mijn oogen half sluitend
-hield ik me heel stil en keek toe. Vlak voor hem op de latafel stond
-een opgezette gouden specht, met vleugels en staart uitgespreid om
-het mooie gevederte op zijn voordeeligst te laten uitkomen. Hij
-had hem onder 't voorbijvliegen gezien en stond nu heen-en-weer
-te hippen langs het kozijn, niet zeker of hij binnen zou komen of
-niet. Soms breidde hij zijn wieken uit, alsof hij op 't punt was
-om binnen te vliegen, dan keerde hij zijn kop om, om nieuwsgierig
-naar mij te kijken en naar de vreemde omgeving, en bang om zich naar
-binnen te wagen, poogde hij de aandacht van den opgezetten vogel te
-trekken wiens kop afgekeerd was. In den spiegel zag hij zijn eigen
-bewegingen herhaald. Tweemaal begon hij heel zachtjes zijn minnelied,
-maar hield plotseling op alsof hij verschrikt was. De echo van het
-kamertje maakte dat het zoo heel anders klonk dan dezelfde loktoon in
-'t open veld; het leek wel alsof hij twijfelde aan zijn eigen geluid.
-
-Bijna boven zijn kop aan een klamp in den muur was nog een vogel,
-een groote havik, die naar voren hing aan zijn steunpunt, met wijd
-uitgespreide vlerken en felle, neerturende oogen, in de ingespannen
-houding die een havik aanneemt als hij van een hoogen uitkijkboom
-op zijn prooi wil stooten. De specht was op dat oogenblik op 't
-punt om zich naar binnen te wagen. Hij had met uitgeslagen wieken
-voorovergeleund om op me neer te kijken en er goed zeker van te
-zijn dat ik geen kwaad kon, toen hij voor een laatsten blik achter
-zich zijn kop had omgedraaid en den havik in 't oog kreeg, die juist
-gereed was om zich op hem te storten. Met een ontzet kie-uk tuimelde
-hij gewoon van 't kozijn af, en ik ving nog net een glimp van hem op,
-toen hij in volle vaart den hoek omschoot.
-
-Wat waren zijn indrukken, vraag ik me af, toen hij op een tak van den
-ouden appelboom zat en alles overdacht? Hebben de vogels romantische
-verhalen? Wat had hij dan iets veel merkwaardigers gezien dan in
-één van die! En hebben ze middelen om ze mede te deelen, zooals ze
-hun minnezangen zingen? Wat een merkwaardige geschiedenis kon hij
-vertellen, waar gebeurd, van een tooverpaleis vol vreemde wonderen,
-van een glimmend stukje lucht dat maakte dat hij zichzelf zag, van
-een reus geheel in 't wit met alleen zijn hoofd zichtbaar, van een
-betooverde schoone, die haar vleugels in een stomme smeekbede naar den
-een of anderen ridder uitstrekte om haar aan te raken en de betoovering
-te verbreken, terwijl er boven een felle draak-havik de wacht hield,
-gereed om iedereen op te eten die zou durven binnenkomen!
-
-En natuurlijk wou niemand van de vogels hem gelooven. Hij zou de rest
-van zijn leven moeten doorbrengen met uitleg-geven en de andere zouden
-slechts fluiten en hem Jago [13] den leugenaar noemen. Wel beschouwd
-zou 't maar beter voor den vogel met zoo'n ongewone ervaring zijn om
-erover te zwijgen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-EEN KERSTLIED.
-
-
-Het kerstlied door een koor van frissche kinderstemmen gezongen is
-misschien de volmaaktste uitdrukking van den geest van Kerstmis.
-
-Dit geldt vooral van de oude Engelsche en Duitsche kerstliederen, die
-naarmate de jaren vlieden steeds lieflijker, heerlijker, volmaakter
-uitdrukking van de liefde en het welbehagen worden die ze deden
-ontstaan. Toch wordt altijd met kersttijd de herinnering bij me
-wakker aan een lied, het lieflijkste van alle, dat voor mij alleen
-werd gekweeld door een zanger uit het hooge Noorden, terwijl de wind
-in de dennen een zachte begeleiding zoemde.
-
-
-
-Ongetwijfeld hebben veel lezers 's winters wel vluchten vreemde vogels
-gezien--donzige, grijze gasten, bijna zoo groot als een roodborst,
-die met zacht fluitende loktonen over 't gras rondvliegen, of op den
-grond aan 't pikken zijn zoo tam en onbevreesd, dat ze ternauwernood
-op zij gaan wanneer je aankomt. De snavel is kort en dik, de kop van
-achteren en een groote vlek juist boven den staart zijn goudbruin, en
-over de vleugels loopen dubbele, smalle, witte strepen. Verder is hij
-heelemaal zachtgrijs: donker bovenop en licht van onderen. Wanneer je
-er op den grond bespiedt, zul je zien dat ze een eigenaardige manier
-van zich voort te bewegen hebben, als de gouden specht in dezelfde
-omstandigheden. Soms zetten ze 't eene pootje voor het andere in
-een grappig poginkje om deftig te stappen als de lijsters; dan weer
-hippen ze als een roodborst, maar veel onhandiger, alsof ze niet
-aan loopen gewend waren en niet precies wisten hoe ze hun pootjes
-gebruiken moesten--wat dan ook zoo is.
-
-De vogels zijn Parisvogels [14] en zijn ietwat ongeregelde wintergasten
-uit het hooge Noorden. Alleen als de koude buitengewoon vinnig is en
-de sneeuw dik om de Hudson-Baai ligt, verlaten ze hun nestelplaatsen
-om een paar weken in het verlaten Nieuw-Engeland door te brengen als
-winterverblijf. Hun toeven is bij ons kort en onzeker. Lang voordat
-de eerste blauwborst [15] ons van de oude schutting af verheugd
-toegefloten heeft dat 't voorjaar komt, fluiten de Parisvogels al in
-de wouden van Labrador over de lente en zingen ze hun minnezangen.
-
-Iets merkwaardigs, dat we bij die vluchten 's winters zien, is dat ze
-bijna geheel uit wijfjes bestaan. Het mannetje komt heel zelden bij ons
-voor. Je kunt hem onmiddellijk aan zijn vroolijke kleur en zijn mooie,
-roode borst herkennen. Soms zijn er een paar jonge mannetjes in de
-vluchten; maar voordat de eerste paartijd hun borstveeren dieproode
-tipjes gegeven heeft, zijn ze bijna niet te onderscheiden van hun
-sobergetinte metgezellen.
-
-Laat ik even opmerken: het roode borstschild is de
-familieonderscheiding, het geslachtswapen van de Parisvogels, evenals
-de scharlaken kuif alle spechten kenmerkt. En wanneer je een Micmac
-[16] uit het hartje van de bosschen vraagt hoe een Parisvogel aan
-zijn schild komt, dan vertelt hij je misschien een geschiedenis,
-die je evenzeer boeit als de legende van Hiawatha en den specht in
-de dagen van je jeugd.
-
-Is het oude mannetje met zijn fiere rood zeldzaam bij ons, zijn mooie
-gezang is het nog meer. Slechts diep in de wouden, bij de eenzame
-rivieren van het hooge Noorden, waar geen menschenoor ooit naar
-luistert, begroet hij de opgaande zon uit den top van een hoogen
-spar. Daar ook zingt hij voor de ooren van zijn zedig grijs wijfje
-den lieflijksten minnezang der vogels. Het is een stroom van zacht
-gekweelde tonen, die tinkelen als een beekje diep onder 't ijs,
-die over elkaar duikelen in een kalme verrukking van welluidend
-ineensmeltende klanken, vol als 't lied van den weidespreeuw, maar veel
-zachter, alsof hij bang was dat iemand anders het zou hooren dan zij
-voor wie hij zong. Zij, die het lied kennen van den Parisvogel met de
-rozeroode borst (niet het lentelied dat aan dat van den roodborst [17]
-doet denken, maar het verrukkelijk zachte gekweel aan zijn broedend
-wijfje) mogen haar lieflijkheid tot in 't oneindige vermenigvuldigen
-en er zich zoo een denkbeeld van maken, waar het gezang van den
-Parisvogel op lijkt. Maar soms vergeet hij zich op zijn winterbezoek
-en zingt als andere vogels, eenvoudig omdat de wereld blij voor hem
-is, en dan, eens in een menschenleven, hoort een vogelminnaar uit
-Nieuw-Engeland hem en sluit het in zijn herinnering, en betreurt het
-voor zijn verdere leven dat het bestaan dat de Parisvogel in zijn
-Noordelijke land voert hem tot zoo'n schuw bezoeker heeft gemaakt.
-
-
-
-Op een Kerstmorgen, een jaar of wat geleden, lag de versch gevallen
-sneeuw smetteloos wit over alle bosschen en velden. Ze was zacht en
-hechtte zich, toen ze op Kerstavond viel. Nu was elke oude muur en
-heining een glinsterend wit gebeeldhouwde bank, elke paal en boomstomp
-had een zachten, witten mantel en een groote witte muts, struiken en
-boschjes waren een heerlijk tooverland van witte bogen en flonkerende
-zuilen en donkere grotten, ingesloten door ragfijn vrieswerk van zilver
-en juweelen. En dan de heerlijkheid, zoo oogverblindend schoon dat er
-geen woorden voor te vinden zijn, toen de zon opging en er over scheen!
-
-Voor zonsopgang was ik buiten. Al gauw bracht de springende vlucht en
-'t opgewekte goedenmorgen van een donzigen specht me naar een oud stuk
-land, waar groepjes sparren verspreid stonden. Er is geen beter tijd om
-eens rustig de vogels te begluren dan 's morgens na een sneeuwjacht,
-en geen beter plaats dan tusschen de sparren. Als je ze kunt snappen
-(wat nog niet zoo zeker is, want ze kunnen soms geheimzinnig vóór
-een storm verdwijnen), zul je ze ongekend rustig vinden; ze willen
-je onderzoek wel verdragen, 't kan hun niet schelen nu, terwijl ze
-anders zouden wegvliegen naar nog dichter schuilplaatsen.
-
-Ik was nauwelijks den muur over, toen ik stilstond bij 't hooren van
-een nieuw vogellied, zoo verwonderlijk liefelijk, dat het niet anders
-dan een kerstboodschap kon zijn, en toch paste het daar zoo heelemaal
-niet, dat de hoorder er aan stond te twijfelen of zijn ooren hem
-bedrogen, en zich afvroeg of de muziek of het landschap niet plotseling
-als iets onwezenlijks zou verdwijnen. Het lied duurde voort--een zacht,
-welluidend gekweel vol lieflijkheid en geheimzinnige bekoring, maar 't
-wekte herinneringen aan weiden in Juni en een zomerschen zonsopgang,
-veel meer dan aan sparren met sneeuw beladen en Kerstmis. Om alles
-nog onwerkelijker te maken, kon geen oor onderscheiden waar 't gezang
-vandaan kwam; het eigenaardige gedempte er van verborg de herkomst
-volkomen. Ik doorzocht de boomen vóór me,--daar was geen vogel. Ik
-keek om,--daar was geen plek waar een vogel kon zingen. Ik herinnerde
-me den roodstaart [18] en hoe die soms van tusschen de rotsen roept en
-weigert zich te vertoonen, en snel verdwijnt en zich verstopt als je
-naar hem zoekt. Ik onderzocht den muur, maar geen vogelspoor teekende
-zich af op de sneeuw. Al dien tijd ging het wonderbaarlijke gezang
-voort, nu in de lucht, dan dicht bij me, en 't werd hoe langer hoe
-verwarrender naarmate ik luisterde. Het kostte me een goed half uur,
-om de plek waar 't geluid vandaan kwam te bepalen; toen begreep ik het.
-
-Dicht bij me stond een eenzame sparreboom met een ruigen top. De vogel,
-wie hij dan ook was, was daar gaan slapen dicht tegen den stam gedrukt,
-zooals vogels dat doen om zich te beschermen. Gedurende den nacht
-had de sneeuw zich steeds dikker en dikker op de buigzame takken
-getast. Hun toppen bogen onder 't gewicht, tot ze lager den stam
-raakten en een groen priëel vormden, waar omheen de sneeuw zich den
-heelen nacht door opstapelde, zoodat het geheel ingesloten was. De
-vogel zat er in gevangen en zong toen de ochtendzon door de muren
-van zijn gevangenis scheen.
-
-Terwijl ik luisterde, verrukt over 't lied en den ongewonen toestand
-waarin de zanger zich bevond, gleed er een pak sneeuw, losgemaakt
-door de zon, van het sneeuwpriëel en verscheen er een Parisvogel in de
-opening. Even leek het alsof hij nieuwsgierig over de nieuwe, witte,
-schoone wereld rondkeek; toen hipte hij op het allerhoogste takje en,
-met zijn karmozijne borst naar de opgaande zon gekeerd, stortte hij
-zijn morgenzang uit, niet langer gedempt, maar lieflijk en helder als
-'t klokje van 'n boschlijster [19] dat luidde voor zonsondergang.
-
-Eens, veel later, heb ik zijn zachter minnelied gehoord en zijn
-nest gevonden in 't hartje van een woud in Nieuw-Brunswijk. Tot
-dien tijd was het niet bekend dat hij ooit zuidelijker dan Labrador
-nestelde. Maar dat zelfs en de vreugde over de ontdekking misten de
-bekoring van zijn zeldzaam lieflijken zang, die geheel ongezocht en
-onverwachts kwam zooals alle goede zaken, terwijl onze eigen vogels
-hun kersttijd doorbrachten en den zonneschijn zingend begroetten
-in Florida.
-
-
-
-
-
-
-
-
-DE INDIAANSCHE NAMEN.
-
-
-Cheokhes, kie-ok-ez', de Amerikaansche "mink", een ottersoort.
-
-Cheplahgan, tsjep-la'-guan, de Canadeesche arend.
-
-Ch'geegee-lokh-sis, tsj-dsjie-dsjie'-lok-siz, de zwartkopmees:
-parus atricapillus.
-
-Chigwooltz, tsjigg-woelts', de stierkikvorsch.
-
-Clote Scarpe, Kloot Skaarp, een fabelachtige held van de Noordelijke
-Indianen, zooals Hiawatha.
-
-Commoosie, kom-moe-sie', een kleine schuilplaats of hut van bast en
-takken gemaakt.
-
-Deedeeaskh, die-die'-ask, de Vlaamsche gaai.
-
-Eleemos, el-ie'mos, de vos.
-
-Hawahak, ha-wa-hek', de havik.
-
-Hukweem, huk-wiem', de groote Noordelijke duiker, of ijsduiker.
-
-Ismaques, is-ma-kwez', de vischarend.
-
-Kagax, ke'-guaks, de wezel.
-
-Kakagos, ka-ka-guoz', de raaf.
-
-K'dunk, k'dunk', de pad.
-
-Keeokuskh, kie-o-kusk', de muskusrat.
-
-Keeonekh, kie'-o-nek, de otter.
-
-Killoleet, kil'-loe-liet, de witkeel-musch.
-
-Kookooskoos, koe-koes-koes', de groote oehoe.
-
-Koskomenos, kos'-kom-ie-nos', de ijsvogel.
-
-Kupkawis, kup-kee'-wiz, syrnium nebulosum, een gestreepte uil.
-
-Kwaseekho, kwa-ziek'o, de bergeend.
-
-Lhoks, loks, de panter.
-
-Malsun, mel'-sun, de wolf.
-
-Meeko, mie'ko, de roode eekhoorn.
-
-Megaleep, meg'-a-liep, de caribou of 't N.-Amerikaansche rendier.
-
-Milicete, mil'-i-siet, de naam van een Indiaanschen stam, ook Malicete
-geschreven.
-
-Mitches, mit'-sjes, het gekraagde hazelhoen, een soort "grouse":
-bonasia umbellis of Amerikaansche patrijs.
-
-Moktaques, mok-ta'-kwes, de haas.
-
-Mooween, moe-wien', de zwarte beer.
-
-Musquash, mus'kwosj, de muskusrat.
-
-Nemox, nem'-moks, }
- } de vischmarter uit N.-Amer.
-Pekquam, pek-wem, }
-
-Quoskh, kwosk, de blauwe reiger.
-
-Seksagadagee, sek'sa-guee-da'-guie, het Canadeesche hazelhoen, ook
-een soort "grouse".
-
-Skooktum, skoek'-tum, de forel.
-
-Tookhees, tok'-ies, de boschmuis.
-
-Umquenawis, um-kwie-na'-wiz, de eland.
-
-Unkwunk, unk'-wunk, het stekelvarken.
-
-Upweekis, up-wiek'-is, de Canadeesche lynx.
-
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN
-
-
-[1] De Zaagbek.
-
-[2] Als hier sprake is van mijlen in 't vervolg, worden de Engelsche
-bedoeld. 1.6093 M.
-
-[3] Mattheus 18:12.
-
-[4] Oidemia.
-
-[5] Icterus Galbula.
-
-[6] Lobelia cardinalis.
-
-[7] De Amerikaansche Colinus Virginianus.
-
-[8] Smilax Sarsaparilla.
-
-[9] Loxia Curvirostra.
-
-[10] Perisoreus Canadensis.
-
-[11] De Amerikaansche Lanius Borealis.
-
-[12] Soort eekhoorn: Tamias Stryatus.
-
-[13] Zie Hiawatha van Longfellow. De Indiaansche opsnijder.
-
-[14] Pinicola Enucleator.
-
-[15] Sylvia Sialis.
-
-[16] Indiaansche stam.
-
-[17] Met roodborst wordt hier steeds de Amerikaansche bedoeld, een
-lijstersoort: Merula Migratoria.
-
-[18] Stetophaga Ruticilla, helder oranje, zwart en wit, grooter dan
-de Europeesche roodstaart.
-
-[19] Turdus Mustelinus.
-
-
-
-
-
-
-End of the Project Gutenberg EBook of Het Boschvolkje, by William J. Long
-
-*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET BOSCHVOLKJE ***
-
-***** This file should be named 61129-8.txt or 61129-8.zip *****
-This and all associated files of various formats will be found in:
- http://www.gutenberg.org/6/1/1/2/61129/
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg.
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
-States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive
-specific permission. If you do not charge anything for copies of this
-eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook
-for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports,
-performances and research. They may be modified and printed and given
-away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks
-not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the
-trademark license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country outside the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you'll have to check the laws of the country where you
- are located before using this ebook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm web site
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The
-Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm
-trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the
-mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its
-volunteers and employees are scattered throughout numerous
-locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt
-Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to
-date contact information can be found at the Foundation's web site and
-official page at www.gutenberg.org/contact
-
-For additional contact information:
-
- Dr. Gregory B. Newby
- Chief Executive and Director
- gbnewby@pglaf.org
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
-spread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works.
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our Web site which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
-