summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/60777-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/60777-8.txt')
-rw-r--r--old/60777-8.txt7358
1 files changed, 0 insertions, 7358 deletions
diff --git a/old/60777-8.txt b/old/60777-8.txt
deleted file mode 100644
index fa8bae8..0000000
--- a/old/60777-8.txt
+++ /dev/null
@@ -1,7358 +0,0 @@
-The Project Gutenberg EBook of De zilveren schaatsen, by Mary Mapes Dodge
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
-other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of
-the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have
-to check the laws of the country where you are located before using this ebook.
-
-Title: De zilveren schaatsen
-
-Author: Mary Mapes Dodge
-
-Illustrator: Johan Coenraad Braakensiek
- Johannes Carolus Bernardus Sluijters
-
-Translator: Pieter Jacob Andriessen
-
-Release Date: November 24, 2019 [EBook #60777]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: ISO-8859-1
-
-*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ZILVEREN SCHAATSEN ***
-
-
-
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg
-
-
-
-
-
-
-
-
-
- DE ZILVEREN SCHAATSEN
-
- NAVERTELD DOOR
-
- P. J. ANDRIESSEN
-
- GEÏLLUSTREERD DOOR
-
- JOH. BRAAKENSIEK EN J. SLUYTERS
-
- TIENDE DRUK
-
-
-
-
-
-
-
-
- A. W. SIJTHOFF'S UITGEVERSMAATSCHAPPIJ--LEIDEN
-
-
-
-
-
-
-
-
-INHOUD.
-
-
-EERSTE HOOFDSTUK. Bladz.
-
-Waarin verhaald wordt, hoe men, ook zonder schaatsen, toch het
-ijsvermaak genieten kan 1
-
-TWEEDE HOOFDSTUK.
-
-Waarin wij verscheidene nieuwe kennissen ontmoeten 9
-
-DERDE HOOFDSTUK.
-
-Hoe een paar schaatsen en een dokter in één hoofdstuk kunnen
-vereenigd worden 15
-
-VIERDE HOOFDSTUK.
-
-Hoe echt Hollandsche jongens zich goed houden onder tegenspoed 22
-
-VIJFDE HOOFDSTUK.
-
-Ongelukken in de hut van Rolf Brinker 35
-
-ZESDE HOOFDSTUK.
-
-Wat de jongens zoo al in Haarlem zagen 45
-
-ZEVENDE HOOFDSTUK.
-
-Hoe goed het kan zijn, als men in een kouden winternacht zonder
-dek ligt 57
-
-ACHTSTE HOOFDSTUK.
-
-Wat onze knapen al zoo in Leiden zagen 74
-
-NEGENDE HOOFDSTUK.
-
-Hoe onze reizigers in den Haag ontvangen werden 83
-
-TIENDE HOOFDSTUK.
-
-De gevaarlijke operatie 96
-
-ELFDE HOOFDSTUK.
-
-De verborgen schat 106
-
-TWAALFDE HOOFDSTUK.
-
-De toovergodin 118
-
-DERTIENDE HOOFDSTUK.
-
-Het geheimzinnige horloge 128
-
-VEERTIENDE HOOFDSTUK.
-
-De hardrijderij 142
-
-VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
-
-Wat de zilveren schaatsen al uitwerken 152
-
-ZESTIENDE HOOFDSTUK.
-
-Besluit 163
-
-
-
-
-
-
-
-
-VOORBERICHT.
-
-
-Toen de geachte Uitgever mij eenige jaren geleden dit boek ter hand
-stelde, om daarover een oordeel te vellen, beviel het mij zoodanig,
-dat ik er volgaarne in toestemde, het voor de Nederlandsche jeugd om
-te werken. Ik zeg omwerken, want er is van het oorspronkelijke weinig
-meer overgebleven dan het geraamte. Had ik het boek van Mary Mapes
-Dodge vertaald, ik zou tal van dwaasheden hebben moeten debiteeren,
-waarvoor mijn jeugdige lezeressen en lezers mij zeker op de vingers
-zouden hebben getikt en die men in den vreemde voor goede munt
-opneemt, daar men 't natuurlijk niet beter weet. En toch is er veel in,
-waardoor de Schrijfster haar landgenooten met vrij wat bijzonderheden
-van ons land en ons volk bekendmaakt. Ik twijfel er ook geenszins aan,
-of deze zilveren schaatsen zullen mijn jongen vriendinnen en vrienden
-wèl bevallen. Het werk kan hun tot een aangename afwisseling strekken
-van de meer ernstige lectuur mijner historische verhalen.
-
-Dat dit boek in zoo betrekkelijk korten tijd telken male herdrukt moest
-worden, heeft mij niet verwonderd. De goede manier van uitgeven, het
-echt nationale, dat er in het schaatsenrijden is, en de vriendelijke
-inhoud van het verhaal stonden mij daarvoor borg.
-
-
-P. J. Andriessen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-EERSTE HOOFDSTUK.
-
-WAARIN VERHAALD WORDT, HOE MEN, OOK ZONDER SCHAATSEN, TOCH HET
-IJSVERMAAK GENIETEN KAN.
-
-
-Wanneer gij, mijn lieve lezeressen en lezers, eenige jaren geleden
-op een helderen December-ochtend de vaart van 't Schouw naar het
-Noordhollandsche dorp Broek waart opgewandeld, dan zoudt gij aan den
-kant van het bevroren water twee dun gekleede kinderen op hun knieën
-hebben zien liggen.
-
-'t Was heel vroeg in den morgen: de zon was zooeven eerst opgegaan en
-de horizon zag rood door den nevel, die nog moest optrekken voor den
-gloed van haar stralen. De meeste bewoners van Broek en zijn omtrek
-waren nog warm in het dons hunner bedden gedoken en schrikten er
-voor om uit de veeren te komen: want het was aardig koud en had dien
-nacht geducht gevroren. Slechts een enkele boer of boerin, die naar de
-stad ging, of een werkman, die wat ver van huis op karwei moest zijn,
-reed op de gladde spiegelvlakte en wierp een vriendelijken blik op het
-tweetal, dat daar aan den kant geknield lag en zich bezighield met iets
-aan te binden, hetwelk schaatsen moesten verbeelden en dat bestond
-uit stukken hard hout, die naar onderen spits toeliepen en waarin
-gaten waren geboord, om ze met touwen aan de voeten te bevestigen.
-
-Die schaatsen waren het fabrikaat van Hans, den oudste der twee: want
-zijn moeder was een arme boerenvrouw, die geen schaatsen bekostigen
-kon; en daarom had onze knaap, die zeer behendig in het snijden van
-hout was, er een paar voor zich en zijn zuster Griete vervaardigd, op
-welke zij reeds menig gelukkig uurtje op het ijs hadden gesleten. Met
-hun van de kou roode vingers trokken zij aan de touwen, terwijl hun
-gezichten zoo ernstig stonden, als moesten zij zich het beste paar
-Friesche schaatsen aanbinden.
-
-"Kom, Griete," zei Hans, toen hij opstond en een prachtige streek op
-de vaart maakte, niet zonder beide armen geducht te bewegen.
-
-"Ach, Hans!" riep Griete op verdrietigen toon. "De touwen hebben
-mij gisteren zoo geducht gekneld, en nu kan ik ze niet op dezelfde
-plaats velen."
-
-"Bind ze dan wat hooger," gaf Hans ten antwoord, terwijl hij op zijn
-manier een sierlijken zwaai maakte.
-
-"Dat kan ik niet doen: want het touw is te kort."
-
-Hans had toch deernis met zijn zusje en reed naar haar toe.
-
-"Waarom heb je ook die dunne schoenen aan je voeten, malle meid?" zeide
-hij. "Wie trekt zulk dun schoeisel aan, als hij er dikker heeft? Had
-dan liever je klompen aangehouden."
-
-"Maar, Hans! Weet je dan niet, dat vader mijn beste schoenen in 't
-vuur heeft gegooid? Eer ik nog wist, wat hij gedaan had, waren ze al
-heelemaal omgekruld en bedorven. Met die schoenen kon ik wel rijden,
-maar niet met mijn klompen."
-
-Hans had intusschen een touw uit zijn zak gehaald en knielde voor
-Griete, terwijl hij zijn best deed om haar schaats vast te maken.
-
-"O, je doet me zeer!" riep zij uit.
-
-Hans werd bijna boos, maar hij zag een traan in Griete's oog en
-bedwong zijn toorn. Integendeel hernam hij op vriendelijken toon:
-
-"Ik kan 't niet helpen, Griete. Maar ik moet de schaats toch
-vastmaken. En je weet zelf, dat we weinig tijd hebben: want moeder
-zal ons wel gauw roepen."
-
-Hierop keek hij rond of hij niets zag, waarmede hij zijn zuster kon
-helpen, bedacht zich even, nam zijn pet af, haalde uit de gescheurde
-voering een dotje watten, legde dat op de plaats, waar hij het touw
-moest binden, en bond toen de schaats vast, zoo schielijk als hij
-'t met zijn van kou verstijfde vingers doen kon.
-
-"Kijk, nu zal 't je geen pijn meer doen, Griete," zeide hij, "want
-nu zal je wel eenige drukking kunnen velen."
-
-Griete beet zich op de lippen, als wilde zij zeggen: "'t doet mij
-toch nog zeer," maar zij zweeg en liet hem begaan.
-
-Eenige oogenblikken later reden zij lachend en vroolijk, hand aan hand
-over de vaart, zonder zich er over te bekommeren, of hun schaatsen
-al dan niet met ijzer beslagen waren. Maar eensklaps begonnen de
-schaatsen van Hans een raar soort van geluid te geven, zijn streken
-werden al korter en korter, flap! daar lag hij zoo lang als hij was
-op het ijs te spartelen.
-
-"Ha, ha," riep Griete lachend. "Daar ben je mooi te land gekomen." Maar
-even snel kwam het liefderijke zusterhart weer boven, en met een
-fikschen omzwaai stond zij, ofschoon nog altijd lachend, vóór haar
-gevallen broeder.
-
-"Je hebt je toch niet bezeerd, Hans?" vroeg zij medelijdend. "O, je
-lacht. Dan is 't niets." En terwijl zij weer voortreed met wangen,
-gloeiend van de warmte, die de beweging haar had gegeven, en oogen,
-schitterend van genoegen, riep zij: "Hans je kunt mij niet krijgen!"
-
-Hans sprong weer op de beenen, maar 't was geen gemakkelijke zaak om
-Griete in te halen: want zij was hem reeds een heel eind vooruit. Toch
-was zij nog niet ver, toen zij voelde, dat ook haar schaatsen begonnen
-te krassen. Daar zij nu de eer aan zich wilde houden, keerde zij zich
-om en reed haar vervolger in de armen.
-
-"Gevangen!" riep Hans, terwijl hij haar stevig in zijn armen pakte.
-
-"Ik heb jou gevangen," antwoordde Griete, die poogde zich uit zijn
-armen los te maken.
-
-Juist op dit oogenblik klonk er een luide stem over de vaart:
-"Hans! Griete!"
-
-"Moeder roept ons," zeide Hans, terwijl hij zijn zusje losliet.
-
-Op dat oogenblik werd de vaart door de nu geheel en al opgekomen
-zon beschenen en begonnen er al meer schaatsenrijders te komen. 't
-Was een hard gelag, om nu juist te moeten uitscheiden. Maar Hans en
-Griete waren gehoorzame kinderen. Terstond bonden zij hun schaatsen af
-en lieten de vaart aan de liefhebbers over. Statig liep Hans met zijn
-breede schouders en zijn weerbarstig blond haar naast zijn blauwoogige
-zuster voort, terwijl zij huiswaarts togen. Hij was vijftien en
-Griete twaalf jaar. Hij was een stevige, vriendelijke jongen met een
-hart van goud en een paar oogen, die hij nooit neersloeg, als hij u
-aankeek. Griete was een klein, tenger ding, met een paar levendige
-blauwe oogen, die u zoo vriendelijk konden aankijken, en zulk een
-lief gezichtje, dat gij, als gij haar aanzaagt, heur armoedig en
-verschoten gewaad schier vergeten zoudt hebben.
-
-Toen de kinderen thuis kwamen, was moeder Brinker weer binnen en zat
-hun vader bij het vlammende vuur. Die vader was in vroegeren tijd een
-stevig werkman geweest, die voor vrouw en kinderen een eerlijk stuk
-brood verdiende. Maar jaren geleden, toen er midden in den nacht gevaar
-voor overstrooming was en de man zich aan het werk had bevonden aan
-den dijk, die dreigde te bezwijken, was hij gevallen, en bewusteloos
-thuis gebracht. Sedert dat oogenblik had hij niet meer gewerkt, en,
-ofschoon hij nog leefde, waren zijn verstand en geheugen weg.
-
-Griete kende hem niet anders dan als "den zonderlingen, stillen man",
-wiens oogen haar volgden, waar zij ook ging; maar Hans herinnerde
-zich nog een hartelijken, vroolijken vader, die hem zoo pleizierig
-op zijn schouder kon dragen en die zoo mooi kon zingen, als hij
-'s avonds wakker lag en naar hem luisterde.
-
-De arme vrouw Brinker had sedert dien tijd hard gewerkt. Zij toch
-moest den kost verdienen voor haar zelf, haar hulpeloozen man en haar
-niet minder hulpelooze kinderen. Met spinnen en breien trachtte zij
-daarin te voorzien, zelfs had zij zich tusschenbeide verhuurd, om
-in het zeel te loopen voor een schuit; maar sedert Hans sterk genoeg
-was geworden, had hij haar plaats vervuld. En het was ook wel noodig,
-dat vrouw Brinker thuis bleef: want, hoe hulpbehoevend Brinker ook was,
-hoewel hij niet meer verstand bezat dan een kind van drie of vier jaar,
-had hij toch de kracht van een man, en het kostte der arme vrouw vrij
-wat moeite, om hem in bedwang te houden.
-
-"Ach, kinderen," zeide zij somtijds, "hij was zoo goed en zoo
-verstandig! Zoo knap als een advocaat! Zou je wel willen gelooven,
-dat de burgemeester hem soms staande hield, om hem het een of ander te
-vragen. En nu, ach, lieve Hemel! nu kent hij zijn vrouw en kinderen
-niet meer! Jij kunt je uw vader nog wel voorstellen, niet waar,
-Hans, toen hij nog de goede Rolf Brinker was, hè? Wat een ferm,
-knap man! Weet je 't nog wel?"
-
-"Ja, moeder," antwoordde Hans. "En wat wist hij alles, en wat kon
-hij mooi zingen! Ik weet het nog best, hoe gij wel eens zeidet,
-dat hij door zijn stem alleen al de windmolens aan het draaien zou
-hebben gemaakt."
-
-"Ja, dat heb ik dikwerf gezegd. Wat die jongen toch een geheugen
-heeft! Griete, kindlief, neem je vader die breinaald af, anders steekt
-hij er mee in zijn oog. Doe hem zijn slof aan, want zijn voeten zijn
-zoo koud als ijs, en ik kan ze niet warm houden," en dan liet vrouw
-Brinker haar spinnewiel weer snorren, als gaf dat geluid afleiding
-aan haar smart.
-
-Hans en Griete deden al wat zij konden, om hun arme moeder in haar
-zware taak te ondersteunen. Waar het lieve kind in het huishouden
-hielp en den kleinen moestuin bebouwde, die bij het huisje lag,
-waar zij reeds menig paar sokken breide en al de boodschappen deed,
-die er noodig waren, verdiende Hans geld met het jagen der paarden
-voor de pakschuiten en kleine vrachtschepen, die door de vaart kwamen;
-ook was hij vrij bekwaam in het houtsnijden, in hetwelk hij, als men
-de slechte werktuigen, welke hij bezat, en het volslagen gemis aan
-onderricht daarbij in aanmerking neemt, al een heel aardige hoogte
-bereikt had. En niet alleen in deze werktuigelijke kunst muntte Hans
-uit. Ook op de school kon geen enkele hem bijhouden. Hoe hard hij soms
-moest blokken, eer hij iets wist, hij rustte niet, vóór hij het onder
-de knie had, en menigeen, die zijn neus optrok voor zijn armoedige
-plunje en zijn gelapte broek, moest voor hem de vlag strijken en
-aan den jongen uit de hut de hoogste plaats afstaan. Jammer genoeg,
-dat hij nu sedert een jaar niet meer had kunnen schoolgaan, daar,
-bij de verergering van Brinker's toestand, de behoeften van het gezin
-waren toegenomen en Hans geld moest verdienen om in die behoeften te
-voorzien. Griete was zoo vlug niet in het leeren. Als 't op zingen
-aankwam, kon zeker niemand haar overtreffen, en als zij een liedje
-tweemaal hoorde, zong zij het zonder fout; maar--boeken waren haar
-een gruwel, het schoolbord een verdriet en de school zelf een soort
-van gevangenis, die zij met looden schoenen betrad. Des te meer
-jammer voor het lieve kind, dat moeder ook haar moest thuis houden:
-want wat moest er van haar worden, als zij op lateren leeftijd niet
-zou kunnen lezen of schrijven?
-
-Terwijl onze beide kinderen druk bezig waren, hun moeder binnenshuis
-te helpen, kwam er een vroolijke hoop meisjes en jongens over de
-vaart rijden. Daar waren goede rijdsters en rijders onder, en als
-men hen in hun bonte kleeding op een afstand zag komen aanrijden,
-dan zou men zich verbeeld hebben, dat het ijs eensklaps gesmolten
-was en er een veelkleurig bed met tulpen op den stroom kwam aandrijven.
-
-Voorop rijdt Hilda, de dochter van burgemeester De Bruyn, in haar
-fluweelen, met bont omzet jacketje en haar met pels omboorde jurk,
-en naast haar Annie Bouman, de dochter van een rijken boer, met haar
-scharlaken rood jacketje, van stevige wol gebreid, en haar keurig
-blauw rokje, kort genoeg om haar nette voetjes te doen zien. Verder de
-trotsche Truida Korbes, de dochter van den rijken aannemer te Broek,
-Karel Schimmel, Peter en Lodewijk van den Helm, Jacob Poot en een heel
-kleine jongen, die den naam van Frans van Bree voert. Er waren ruim
-twintig jongens en meisjes bij elkander, en zij maakten vrij wat pret,
-dat kan ik u verzekeren.
-
-Zij reden herhaalde malen de vaart op en neder, en het was wèl te zien,
-dat er flinke schaatsenrijders onder hen waren. Menigen vriendelijken
-groet wisselden zij met andere dorpelingen, die hen voorbijreden, om
-zich naar Amsterdam of elders te begeven, en ook diegenen, aan wie zij
-ten eenen male onbekend waren, konden niet nalaten, met genoegen naar
-het vroolijke troepje te zien en het een groet toe te werpen. Ook van
-den wal af hadden zij bekijks genoeg van de kinderen, die te voet naar
-school gingen, en bij wie zich de meesten van hen straks zouden voegen.
-
-Eensklaps echter scheen hen iets in hun vaart te belemmeren en allen
-bleven stilstaan rondom een klein aardig meisje, dat er allerliefst
-uitzag en van den kant van Monnikendam was komen aanrijden.
-
-"Waar moet jij zoo vroeg reeds heen, Kato?" riep de een.
-
-"Wat kom je hier jagen?" vraagde de ander.
-
-"Je doet toch ook mee met den wedstrijd op den dertigsten?" zeide
-een derde.
-
-"Je moet stellig meedoen, Kato," bevestigde een vierde.
-
-"Maar, lieve vrienden," zeide de aardige Kato. "Je brengt me heelemaal
-in de war. Spreekt als het u belieft één voor één: want als je allen
-te gelijk praat, kan ik je onmogelijk antwoorden."
-
-"Je doet toch mee met den wedren op den dertigsten?" herhaalde Truida
-Korbes, die 't eerst het woord nam.
-
-"Een wedren? Denk je, dat ik paard kan rijden, Truida?" vroeg Kato
-glimlachend.
-
-"Nu, dat begrijp je toch wel beter, Kato."
-
-"Kom, zij weet er even goed van als wij," zeide Annie Bouman. "Zoo
-ver woont ze niet van Broek af, dat ze het niet zou weten."
-
-"Inderdaad, ik heb niets van een wedren gehoord," verzekerde Kato
-met het onnoozelste gezicht ter wereld.
-
-"Welnu," hernam Truida, "als je 't dan werkelijk niet weet, zal ik 't
-zeggen. Mevrouw De Bruyn van Broek is op den dertigsten van deze maand
-veertig jaar en heeft besloten dien dag feestelijk te vieren. Daartoe
-zal zij een wedren op schaatsen geven, waaraan al de kinderen van
-Broek en den omtrek, mits ze beneden de zestien jaren zijn, mogen
-deelnemen. Dat is alles het werk van Hilda."
-
-"En zullen er mooie prijzen zijn?"
-
-"Een paar beeldige mooie Engelsche schaatsen," riepen wel zes stemmen
-te gelijk.
-
-"Met zilver ingelegd," voegde een ander er bij.
-
-"En met zilveren neuzen en hielstukken," vervolgde een derde.
-
-"En er zijn zilveren belletjes ook aan," voegde Frans van Bree er bij.
-
-"Hoor me zoo'n kleinen betweter eens aan!" riep Jacob Poot uit. "Bellen
-aan schaatsen! Dan zou een mensch veel van een paard voor een
-Narreslede hebben."
-
-"Of van een katje, dat men niet wil trappen," meende Truida.
-
-"Je hebt je wat laten wijsmaken, Frans," zeide Lodewijk van den Helm,
-terwijl hij het kleine kereltje medelijdend aanzag.
-
-"Hij heeft het toch zoo geheel en al niet mis," verzekerde
-Hilda. "Er zijn twee paren schaatsen, één voor de meisjes en één
-voor de jongens. Het paar van de meisjes is met zilveren plaatjes
-aan de hielstukken, die bij het stampen een rammelend geluid maken
-als belletjes."
-
-"En wie zullen er rijden?" vroeg Kato.
-
-"Wel, wij allen," gaf Truida ten antwoord. "'t Zal een pret zijn! Je
-doet toch ook mee, Kato? Maar het is nu tijd, om naar school te
-gaan. Kom, ga mee, dan zal ik 't je onderweg verder vertellen."
-
-En zonder zich om de overigen te bekommeren, maakte zij een sierlijken
-zwaai en reed, door Kato vergezeld, naar de school met een vlugheid,
-dat de anderen werk hadden om haar te volgen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-TWEEDE HOOFDSTUK.
-
-WAARIN WIJ VERSCHEIDENE NIEUWE KENNISSEN ONTMOETEN.
-
-
-'t Was op den namiddag van dien zelfden dag, dat onze jongelieden,
-na afgeloopen arbeid, weder een uurtje op het ijs reden.
-
-"Kijk eens," riep Karel Schimmel spottend tegen Hilda, die vlak
-naast hem stond. "Kijk eens, welk een mooi paar daar over het ijs komt
-aanrijden. 't Zijn zeker de voddenrapers uit de hut. Hun schaatsen zijn
-zeker een geschenk van Hare Majesteit de Koningin in eigen persoon."
-
-"Foei, Karel," zeide Hilda. "Je moest je schamen, dat je zoo over hen
-spreekt. 't Zijn arme kinderen en de schaatsen, op welke zij rijden,
-heeft de knaap misschien zelf gemaakt."
-
-Karel keek mal op zijn neus.
-
-"Ik weet niet wat zij met zulk tuig op de baan doen," bromde hij,
-terwijl Hilda naar de beide kinderen toereed, "maar ik zou, dunkt
-mij, even goed op een oud verroest mes kunnen rijden als op zoo'n
-paar schaatsen."
-
-Deze uitval wekte het gelach van verscheidene andere der rijders. Hilda
-stoorde zich daaraan niet en vroeg aan Griete:
-
-"Hoe heet je, kindlief?"
-
-"Griete, juffrouw," antwoordde het kind, min of meer verlegen, dat
-de juffrouw van den burgemeester haar aansprak, al was die dan ook
-nog geen twee jaar ouder dan zij.
-
-"En hoe heet je broer?"
-
-"Hans, juffrouw!"
-
-"Nu, 't is een ferme jongen, die Hans. Die heeft zeker een warm
-kacheltje in zijn lijf; want hij ziet er zoo gezond uit als een
-visch. Maar jij bent koud. Waarom kleed je je ook niet wat warmer,
-klein ding?"
-
-Griete deed haar best om te glimlachen.
-
-"Ik ben zoo klein niet als u wel denkt," zeide zij. "Ik ben ruim
-twaalf jaar oud."
-
-"Nu, je zult wel grooter worden," hervatte Hilda, meesmuilende
-over het antwoord van Griete. "Maar dan moet je je ook wat warmer
-kleeden. Meisjes, die kou lijden, worden nooit groot."
-
-Hans kreeg een kleur als bloed, toen hij zag, dat er waterlanders in
-Griete's oogen kwamen.
-
-"Hoor eens, juffrouw! Mijn zuster heeft nog nooit over de kou
-geklaagd. Maar 't vriest nu ook zoo hard."
-
-"O," zeide Griete. "Ik ben dikwijls heel warm, dikwijls al te warm,
-als ik schaatsen rijd. 't Is al heel lief van u, juffrouw, om daaraan
-te denken."
-
-"Ik wou je wat anders vragen, Griete," zeide Hilda, min of meer boos
-op zich zelf, omdat zij vreesde de arme kinderen beleedigd te hebben.
-
-"Kan ik de juffrouw van dienst zijn?" vroeg Hans.
-
-"O neen, ik wou je alleen iets vragen over den grooten wedstrijd. Je
-zult toch meedoen, niet waar? Je kunt allebei aardig rijden en iedereen
-mag meedingen."
-
-Griete zag Hans zwijgend aan; deze trok verlegen aan zijn buis en
-antwoordde op eerbiedigen toon:
-
-"Ach! juffrouw, al konden wij ook meedingen, dan nog zouden wij geen
-tien slagen met de overigen doen. Zie maar," en hij liet haar een
-zijner schaatsen zien, "onze schaatsen zijn slechts van hard hout, zij
-worden gauw vochtig en dan willen zij niet meer voort, of wij rollen."
-
-Griete kon niet nalaten te lachen, toen zij om het ongeval van Hans
-van dien morgen dacht, en zeide:
-
-"Neen, juffrouw, meerijden kunnen wij niet; maar wij zullen er wel
-bij zijn om te kijken."
-
-"Natuurlijk," antwoordde Hilda. "Maar je moet meedoen ook."
-
-Zij haalde haar beursje uit en zag, dat er nog een gulden en twee
-kwartjes in waren. 't Speet haar, dat zij niet wat zuiniger op haar
-weekgeld was geweest, en daarom keek zij met een zucht naar de twee
-paar voeten, die zoo ongelijk van grootte waren.
-
-"Zeg, wie van je beiden is de beste rijder?"
-
-"Griete," antwoordde Hans snel.
-
-"Hans," was het antwoord van Griete.
-
-Hilda glimlachte.
-
-"Hoort eens," hernam zij. "Ik kan voor jelui elk geen paar
-schaatsen koopen, zelfs niet enkel een goed paar. Maar hier heb je
-een daalder. Maak 't nu onder je beiden uit, wie 't best kan rijden
-en de meeste kans heeft om bij den wedstrijd te winnen, en koop dan
-voor die een paar schaatsen, zoo goed als je ze voor een daalder kunt
-krijgen. 'k Wou, dat ik geld genoeg had om je ieder een paar betere
-te koopen."
-
-En terwijl zij hen vriendelijk toeknikte en den verwezen Hans het geld
-in de hand stopte, reed zij snel weg om zich weer bij haar gezelschap
-te voegen, dat in dien tijd een heel eind vooruitgereden was.
-
-"Juffrouw! Juffrouw De Bruyn," riep Hans, terwijl hij haar achterna
-strompelde, want hij had een zijner schaatsen losgebonden, om haar
-die te laten zien.
-
-Hilda keerde zich om en was in een oogenblik weer bij hen.
-
-"Wat is het?" vroeg zij.
-
-"Wij mogen dit geld niet behouden, juffrouw," zeide hij. "Ofschoon
-wij u hoogst dankbaar zijn voor uw goedheid."
-
-"Kom, waarom niet?"
-
-"Omdat wij 't niet verdiend hebben."
-
-Hilda's snelle bevatting wist terstond raad.
-
-"Welnu, snijd voor mij dan zoo'n ketting als je zuster draagt."
-
-"Heel gaarne, juffrouw," antwoordde Hans. "Wij hebben beeldig wit
-hout in huis en gij zult er morgen een hebben, zoo wit als ivoor." Dit
-zeggende, wilde hij haar het geld teruggeven.
-
-"Neen, zoo is 't niet gemeend," antwoordde Hilda. "Dat geld is voor
-den ketting. 't Is wel wat weinig zelfs." En zonder verder een woord te
-spreken, snelde zij weg en was spoedig bij de andere schaatsenrijders.
-
-Hans keek haar met tranen in de oogen na.
-
-"Een edel meisje, Griete," zeide hij. "En zij zal den ketting morgen
-hebben, al moet ik er ook den halven nacht voor opzitten; als moeder
-ten minste wil hebben, dat ik zoo lang licht brand. Morgen is de
-ketting af en dan mogen wij het geld houden."
-
-"En dan ga je naar Amsterdam om de schaatsen te koopen," zeide
-Griete. "Daar kun je ze zeker beter en goedkooper krijgen dan in
-Monnikendam."
-
-Hans schudde zijn hoofd.
-
-"De juffrouw wilde ons het geld geven om schaatsen voor te koopen. Dit
-hadden wij ook moeten doen. Maar nu ik het verdien, zal ik er wol
-voor koopen. Je moet een warm jacketje hebben, Griete."
-
-"Hé!" riep Griete treurig uit. "En je zoudt er geen schaatsen voor
-koopen? Kom, ik heb 't zoo koud niet als je denkt. Ik ben jong
-en gezond."
-
-En er stonden haar tranen in de oogen bij de gedachte, dat Hans de
-schaatsen niet zou koopen.
-
-Hans zag haar zwijgend aan. Tranen kon hij niet zien, vooral niet in
-de blauwe kijkers van zijn zuster. Griete bemerkte haar voordeel.
-
-"Begrijp eens," ging zij voort, "hoe jammer zou 't zijn, zoo'n schoone
-gelegenheid te verzuimen. 't Zou me zoo spijten, als je de schaatsen
-niet kocht. Niet voor mij; ik wil ze niet eens hebben. Maar voor
-jou; dan kun je er nu op rijden, en als ik grooter ben, dan zijn ze
-voor mij."
-
-Hans klemde het geld krampachtig in zijn hand. Nooit in zijn leven
-had hij zoo vurig naar een paar schaatsen verlangd; want ook hij had
-van den wedstrijd gehoord en zoo gaarne een kans mede gewaagd. En dat
-wist hij, als hij maar een paar goede schaatsen had, dan zou hij een
-menigte van jongens, die op de vaart reden, de loef afsteken. En dan
-Griete's aanbod! Maar als zij, dat vlugge ding, zich eens een week op
-een paar goede schaatsen oefende, dan zou zij Truida Korbes en zelfs
-Kato Lammers gemakkelijk voorbijhalen. Zoodra die laatste gedachte
-bij hem opkwam, stond zijn besluit vast. Als Griete het jacketje niet
-wilde hebben, zou hij haar een paar schaatsen geven.
-
-"Neen, Griete," antwoordde hij eindelijk. "Ik kan wel wachten. Ik
-zal geld opsparen, en dan zal 't zoo lang niet duren, of ik kan er
-ook een paar koopen. Deze zullen voor jou zijn."
-
-Griete's oogen schitterden bij dit aanbod; maar toch zeide zij,
-misschien wel wat minder krachtig:
-
-"De jonge juffrouw heeft het geld aan jou gegeven, Hans. 't Zou mij
-leelijk staan, als ik ze nam."
-
-Hans schudde vastberaden het hoofd, en zij gingen naar de hut hunner
-moeder: want bij de gedachte aan betere schaatsen, hadden zij de
-hunne afgebonden.
-
-"Weet je wat, Hans," zeide Griete onderweg. "Ik weet goeden raad. Als
-je eens een paar schaatsen kocht, die te klein voor jou en te groot
-voor mij waren, dan konden we ze om beurten gebruiken."
-
-Het voorstel scheen Hans zoo aanlokkelijk toe. 't Was een heele
-verzoeking; maar hij wierp die van zich.
-
-"Dwaasheid, Griete!" riep hij uit. "Op een paar, die je te groot zijn,
-kun je niet voortkomen. Weet je nog wel, hoe je net als een blind
-kuiken voortstrompelde, toen deze schaatsen je te groot waren. Eerst
-toen ik ze aan beide einden wat korter had gemaakt, kon je er op
-rijden. Neen, je moet er een paar hebben, die je net van pas zijn,
-dan kan je je elk vrij oogenblik oefenen, tot de dertigste komt,
-en dan zal mijn kleine Griete de zilveren schaatsen winnen."
-
-Griete kon zich niet bedwingen om te glimlachen bij het denkbeeld,
-dat Hans haar voor oogen stelde.
-
-"Hans! Griete!" riep moeder Brinker.
-
-"Wij komen, moeder!" antwoordde Hans.
-
-
-
-Den volgenden dag was er geen trotscher en gelukkiger knaap in geheel
-Broek dan Hans Brinker, als hij naar zijn zuster keek, zoo flink
-als ze daar reed te midden van de schaatsenrijders, die de vaart op
-en neder zwierden. De goedhartige Hilda had haar een warm jacketje
-gegeven en moeder Brinker had de uitgebarsten schoenen weder in hun
-fatsoen gebracht.
-
-Terwijl het kleine ding over het ijs snelde, was 't haar, of die
-blinkende schaatsen onder haar voeten haar eensklaps in het land der
-feeën verplaatst hadden, en in haar dankbaar hartje weerklonk het:
-"Hans, lieve goede Hans!"
-
-"Wel, sakkerloot!" zei Peter van den Helm tegen Karel Schimmel. "Kijk
-dat kleine ding eens met haar roode jacketje en haar gelapten rok. Zij
-rijdt drommels goed! En wat heeft zij een paar oogen in haar hoofd! 't
-Zou wel aardig zijn, als zij Kato Lammers eens de loef afstak bij
-den wedstrijd."
-
-"Praat niet zoo luid, Piet," zeide Karel. "Dat kleine meisje met
-haar gelapten rok is de verklaarde gunsteling van Hilda de Bruyn. Die
-schaatsen heeft zij haar gegeven."
-
-"Ei, ei!" riep Peter van den Helm uit: want hij hield veel van
-Hilda. "Dan heeft zij weer een goed werk verricht."
-
-En hij reed naar Hilda. Wat echter wonderlijk was: nadat hij eenigen
-tijd met haar gereden had, stond het bij hem vast, dat zijn zusje
-ook zoo'n ketting moest hebben als Hilda.
-
-En drie dagen later was Hans Brinker op het pad, om, nadat hij drie
-eindjes kaars verbrand en zich tot slot van rekening in den duim
-gesneden had, ook een paar schaatsen in Amsterdam te koopen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-DERDE HOOFDSTUK.
-
-HOE EEN PAAR SCHAATSEN EN EEN DOKTER IN ÉÉN HOOFDSTUK KUNNEN
-VEREENIGD WORDEN.
-
-
-"Kom, Hans! Maak je nu klaar en ga naar Amsterdam, om een paar
-schaatsen te koopen," zei vrouw Brinker, toen men den dag vóór Kerstmis
-het sober middagmaal genuttigd had.
-
-"Neen, moeder," gaf hij ten antwoord. "Gij hebt nog zooveel
-noodig. Waarom zou ik nieuwe schaatsen koopen?"
-
-"Welk een dwaasheid, kind! Je hebt het geld gekregen, om er schaatsen
-voor te koopen. Al heb je het nu eerlijk verdiend, dan blijft het
-toch hetzelfde. Ga nu, dan ben je nog vóór den donker terug."
-
-"Ja, en dan kunnen wij van avond nog op de vaart rijden, als moeder
-het ten minste wil hebben," voegde Griete er bij.
-
-"Maar moeder, gij hebt nog wol noodig, en meel, en ...."
-
-"Kom, kom! Voor dat geld kan je niet alles koopen," hernam vrouw
-Brinker. "Ach! als ons gestolen geld maar terug was!" zuchtte zij. "Dan
-konden wij alles koopen en waren op eens uit allen nood."
-
-"Gestolen geld?" zeide Hans op vragenden toon. "Meent u dat geld,
-waarvoor u jaren geleden de geheele hut hebt doorzocht!"
-
-"Juist, Hans. Maar dat zal wel nooit terechtkomen."
-
-"Misschien, als vader 't maar zeggen kon," hernam Hans.
-
-"Ja, als die spreken kon," zuchtte de arme vrouw. "Ik ben altijd
-bang, dat hij voor dat geld het mooie gouden horloge heeft gekocht,
-dat wij sedert dien dag bewaren."
-
-"Maar dat horloge was nog geen tiende part van de som waard, moeder!"
-
-"Dat is waar. Daarenboven was je vader veel te zuinig en te verstandig
-om zoo iets te doen."
-
-"Waar dat horloge toch vandaan is gekomen?" zeide Hans halfluid.
-
-"Dat zullen wij wel nimmer te weten komen, Hans! Ik heb het je vader
-reeds zoo menigmaal laten zien, maar hij kan het niet onderscheiden
-van een aardappel. Toen hij dien vreeselijken avond thuis kwam om
-te eten, kort vóór hij werd opgeroepen om aan den dijk te werken,
-heeft hij het mij gegeven, en bevolen er goed zorg voor te dragen,
-totdat hij het terug zou eischen. Juist toen hij er nog meer van
-wilde zeggen, kwam Jan Belderbos hem roepen om terstond te komen,
-want dat de dijk gevaar liep. Je vader stond dadelijk op en snelde
-naar de plaats des gevaars. 't Was voor 't laatst, dat ik hem bij zijn
-verstand zag. Midden in den nacht werd hij thuisgebracht, bijna dood:
-want hij was op zijn achterhoofd neergekomen. Hij ontwaakte wel uit
-den bewusteloozen toestand, waarin hij nederlag, maar tot eigenlijk
-bewustzijn--nooit. Wij zullen wel nimmer van hem hooren, wat er van
-dat horloge is en waar het gespaarde geld is gebleven."
-
-Wat vrouw Brinker vertelde, was voor Hans niet nieuw meer. Hoe dikwerf
-toch had hij zijn moeder, als de nood wat hoog steeg, het horloge van
-de plaats zien nemen, waar het verborgen lag, terwijl zij er reeds
-naar overhelde, om het te gelde te maken; maar ook telken male had
-hij haar de verzoeking zien overwinnen. "Neen Hans," had zij dan
-gezegd. "Liever willen wij van honger sterven, dan ontrouw worden
-aan de belofte, die wij vader gedaan hebben."
-
-Dat alles kwam hem nu voor den geest; en daarom zeide hij, ofschoon
-hij een diepen zucht loosde:
-
-"Ja moeder, u hebt er goed aan gedaan, dat u het niet verkocht
-hebt--menigeen, die in uw geval was, zou er klein geld van gemaakt
-hebben."
-
-"Die dat had gedaan, zou weinig gevoel van eer hebben gehad, Hans! Ik
-ten minste heb 't nooit van mij kunnen verkrijgen. Daarenboven--wat
-zou men van ons gedacht hebben, als men zoo iets in onze handen had
-gezien. Al hadden wij alles verteld, men zou zeker gezegd hebben,
-dat uw vader ...."
-
-Hans kreeg een kleur als bloed en balde zijn vuisten.
-
-"Dat hadden ze eens moeten wagen. Ik geloof, dat ik ...."
-
-Vrouw Brinker moest onder haar tranen glimlachen.
-
-"Je bent een brave jongen, Hans," zeide zij, terwijl zij hem op het
-hoofd klopte. "Neen, wij zullen het horloge nimmer verkoopen. Vader
-mocht op zijn doodbed eens weer tot bezinning komen, en als hij er
-dan naar vroeg ...."
-
-"Tot bezinning komen, moeder, en ons herkennen?" vroeg Hans.
-
-"Dat is wel meer gebeurd, mijn jongen."
-
-Hans had met al dat spreken bijna vergeten, dat hij naar Amsterdam
-zou gaan. 't Was zelden gebeurd, dat moeder zoo vertrouwelijk met hem
-sprak. 't Was hem, alsof hij niet alleen haar eenige zoon, maar haar
-vriend, haar raadgever was.
-
-"Ja, moeder, wij moeten het horloge nimmer verkoopen," zeide hij
-nogmaals. "Om den wil van vader zullen wij het altijd bewaren. Het
-geld kan nog wel eens terechtkomen, als wij dat het minst verwachten."
-
-"Nooit!" riep vrouw Brinker uit, terwijl zij de kous afkampte, die
-zij in dien tusschentijd had afgebreid. "Er is geen kans, dat dit geld
-ooit zal terechtkomen. Duizend gulden! En die alle weg in één enkelen
-dag! Duizend gulden! O, waar zijn ze gebleven! Als ze gestolen zijn,
-kan de dief geen gerust uur meer gehad hebben--dan heeft hij niet in
-vrede kunnen sterven met die schuld op zijn ziel."
-
-"Hij kan nog wel niet dood zijn, moeder," zeide Hans
-vertroostend. "Misschien hooren wij nog wel te eeniger tijd iets
-van hem."
-
-"Ach kind," antwoordde vrouw Brinker op treurigen toon. "Als ik alles
-goed overweeg, dan vraag ik mij zelf wel eens af, of het een dief is
-geweest. Wie toch zou het ooit in de gedachten gekomen zijn, om hier
-te stelen? 't Zag er hier altijd wel zindelijk en netjes uit, maar
-niet om de begeerlijkheid van een dief op te wekken. Vader en ik waren
-zuinig en dachten: alle kleine beetjes helpen. Als vader wat extra's
-verdiende, kwam er wat meer bij en, daar hij goed geld won, werd er
-wekelijks ten minste een gulden bijgevoegd. Alleen toen jij de koorts
-had en toen Griete kwam, kon er niets overgelegd worden. Eindelijk werd
-de buidel zóó groot, dat ik weer een oude kous stopte, die reeds binnen
-een paar maanden vol zat tot aan de hiel. 't Was niet alleen zilver,
-mijn jongen, er was goud ook bij. Want vader had toen goede dagen,
-dat verzeker ik je. Ja, Griete, je mag wel groote oogen opzetten. En
-als ik toen mijn oude kleeren droeg en vader wilde, dat ik eens een
-nieuw stuk zou koopen, dan antwoordde ik hem lachend: "'t Is immers
-niet uit armoede, dat ik er zoo sjofel uitzie,"--en intusschen werd
-de nieuwe kous al voller en voller, en mijn hoogste wensch was,
-dat je beiden braaf en knap mocht worden en vader eens op zijn ouden
-dag van den arbeid mocht uitrusten. En dan konden wij zoo aangenaam
-praten over den nieuwen stal, dien vader zou timmeren voor de koe,
-welke wij zouden koopen, en dan een nieuwen schoorsteen. Maar vader
-had veel schooner plannen dan ik. Een ferm schip met een fiksch zeil,
-dat veel wind vat, en dan .... terwijl ik den boel afwiesch, begonnen
-wij te zingen. En alle weken nam vader de kousen van de beddeplank en
-dan werd het geld nageteld en dan lachte hij en kuste mij, terwijl
-wij de kousen weer toebonden .... Maar Hans, je zit me daar aan te
-gapen en vergeet, dat je naar Amsterdam moet. De dag verloopt. 't Is
-hoog tijd, dat je op weg gaat."
-
-Hans stond op, keek zijn moeder ernstig aan en zeide:
-
-"Maar moeder, hebt gij 't vader wel eens goed gevraagd?"
-
-"Ach kind, zoo menigmaal! Maar dan begint hij zóó akelig te lachen en
-kijkt mij zóó verwezen aan, dat ik niets meer durf vragen. Toen jij
-en Griete verleden winter de koorts hadt en al ons brood bijna op
-was en ik niets kon verdienen, toen heb ik 't nog eens op allerlei
-manieren geprobeerd. Maar dan kon hij zoo akelig aan mijn mouw
-trekken en zulke onverstaanbare brabbeltaal te voorschijn brengen,
-dat het bloed in mijn aderen stolde. Eindelijk, toen Griete daar
-doodsbleek nederlag en jij ijlde in de hitte der koorts, heb ik hem
-toegeschreeuwd: Rolf, waar is ons geld? Weet je niets van ons geld,
-Rolf? Dat geld in de kousen? Maar ik had evengoed tegen een stuk
-steen kunnen schreeuwen--de arme man verstond mij niet."
-
-Hans zag, dat zijn moeder vreeselijk ontroerd was; daarom zeide hij:
-
-"Kom, moeder! laat ons trachten het geld te vergeten. Ik ben groot
-en sterk--Griete is ook heel vlug en gewillig. Hoor eens, wij zien
-u liever gelukkig en vroolijk, dan dat wij al het zilver der wereld
-hadden, niet waar, Griete?"
-
-"Dat weet moeder wel," zeide Griete snikkend.
-
-"Maar 't wordt nu tijd, dat je naar Amsterdam gaat, anders kom je
-waarlijk niet vóór den donker thuis. Hier, neem die twee paar kousen
-mee voor den manufacturier in de Warmoesstraat, dan breng je nog geld
-terug ook."
-
-Hans talmde nog een oogenblik.
-
-"Wat sta je daar nog te talmen, jongen?" ging vrouw Brinker voort.
-
-"Hoor eens, moeder," zeide hij verlegen. "Waarom zal ik mijn geld
-aan schaatsen uitgeven, terwijl... terwijl..." en hij keek met een
-schuwen blik naar een vreemde gedaante, die bij de vuurplaat nederzat,
-"terwijl dat geld een dokter uit Amsterdam zou kunnen hier brengen,
-om vader eens te bezoeken--misschien dat die er wat aan doen kon."
-
-"Voor geen tweemaal zooveel geld als je daar hebt, zou een dokter
-uit Amsterdam hier komen; en dat zou toch niet helpen. Ach! ik heb
-er al zoo menigen gulden aan gespendeerd, maar uw arme vader wilde
-niet wakker worden. Het is Gods wil. Ga dus maar naar Amsterdam,
-om een paar schaatsen te koopen, hoor!"
-
-Met een bezwaard hart reed Hans van huis; maar de frissche lucht,
-de beweging en vooral het vooruitzicht van een paar nieuwe schaatsen
-deden het jonge hart weldra alle zorg vergeten, en 't duurde dan
-ook niet lang, nadat hij 't Schouw voorbij was, of hij dacht bijna
-niet meer aan vader, horloge, geld, aan alles, hij dacht alleen om
-de schoone schaatsen, welke hij reeds aan zijn voeten voelde.
-
-Fluitend reed hij voort langs het Noordhollandsche kanaal, tot aan
-Buiksloot, waar hij zijn schaatsen moest afbinden, omdat ze te vochtig
-waren geworden. Hij trad dus den weg op en ging voorbij de herberg
-van Fuik, toen hij den kastelein tegen den knecht hoorde zeggen:
-
-"'t Rijtuig van dokter Broekman voor!"
-
-"Dokter Broekman!" zeide Hans bij zich zelf. "Dat is de knapste
-dokter uit geheel Holland. Is dat niet een beschikking van God,
-dat je dien hier moet aantreffen? Nu koop je geen schaatsen, Hans,
-maar besteed je geld om je vader te helpen."
-
-"Is dat het rijtuig van dokter Broekman van Amsterdam?" vroeg hij
-aan den knecht, die juist uit den stal terugkwam.
-
-"Voor wien anders?" vroeg de man. "Als er ijs is, komt hij altijd met
-zijn eigen rijtuig het IJ over en rijden wij hem verder Noord-Holland
-in."
-
-"Ik dank je," zeide de knaap en terstond begaf hij zich naar de
-herberg.
-
-"Mag ik dokter Broekman wel eens spreken?" vroeg hij aan den kastelein.
-
-"Die zal voor jou wel niet te spreken zijn, mannetje," antwoordde
-deze. "Diens tijd is veel te kostbaar."
-
-"Maar ik zal hem niet lang ophouden, mijnheer!"
-
-"Wat is daar, Fuik?" vroeg een heer met een tamelijk onvriendelijk
-uitzicht, die aan een tafeltje zat met een glas madera voor zich.
-
-"Die knaap wenscht u te spreken, dokter," antwoordde de
-kastelein. "Maar ik heb hem gezegd, dat u wel wat anders te doen hebt,
-dan zulk klein bedelvolk te spreken."
-
-"Ik kom niet bedelen," zeide Hans trotsch. "Dat is een leugen."
-
-"Laat den knaap hier komen, Fuik," zeide de dokter, die, hoe bar hij
-er ook uitzag, toch in 't geheel geen kwaad hart bezat.
-
-Hans ging naar den dokter toe; maar toen hij dat strenge en
-onvriendelijke gelaat zag, werd hij wel wat verlegen.
-
-"Wat wou je, mannetje?" vroeg de dokter op een allesbehalve innemenden
-toon.
-
-"Mijnheer," begon Hans met een weifelende stem, die echter onder
-het spreken hoe langer hoe vaster werd. "UE. is de beroemde dokter
-Broekman. Ik heb u een groote gunst te vragen."
-
-"Hoor eens, knaap," antwoordde de dokter. "Maak het wat kort: want
-mijn paarden kunnen niet lang in de kou staan. Zeg dus zonder omwegen:
-wat wil je?"
-
-"Mijnheer, ik kwam u om hulp vragen voor mijn vader. De man leeft,
-maar hij zit als een doode. Hij kan niet denken. Al wat hij zegt zijn
-onsamenhangende woorden. Maar hij is niet ziek; jaren geleden is hij
-bij een watervloed van den dijk gevallen."
-
-De dokter luisterde nu met meer aandacht dan in het begin.
-
-"Vertel er mij wat meer van," zeide hij, alsof zijn paarden nu de
-koude niet meer voelden.
-
-Hans vertelde hem de geheele historie, zonder echter van geld of
-horloge te spreken, terwijl hem de tranen in de oogen stonden, en
-eindigde met vollen ernst:
-
-"En nu, mijnheer de dokter! Ik was op reis naar Amsterdam, om een
-paar nieuwe schaatsen te koopen, waarmede ik aan den wedstrijd zou
-kunnen deelnemen, die den 30sten door mevrouw De Bruyn, de vrouw van
-den burgemeester van Broek, zal worden gegeven. Maar dat geld kan
-ik veel nuttiger gebruiken, als ik er vader mede kan helpen. Hier
-is 't, mijnheer," en hij telde het geld op de tafel uit. "Ik weet
-wel, dat het voor u veel te weinig is; maar ik zal meer trachten te
-verdienen. Nacht en dag zal ik werken, als u maar mee wilt komen om
-vader te bezoeken. Want u zult hem zeker genezen."
-
-De oude dokter wist niet wat hem scheelde, want hij werd zoo raar
-in zijn oogen: 't was net alsof er tranen in stonden. Hij was toch
-anders zoo gevoelig niet. Hij veegde ze met zijn vingers weg, klopte
-Hans goedhartig op den schouder en zeide:
-
-"Strijk je geld maar weer op, knaap! Ik heb 't niet noodig. Maar je
-vader zal ik komen zien. Evenwel, je moet je niet te zeer vleien--'t
-is een hopeloos geval. Tien jaren geleden, zei je, niet waar?"
-
-"Ja, mijnheer, tien jaren," zeide Hans, die den dokter wel om den
-hals had willen vallen.
-
-"'t Is bedenkelijk. Maar kortom, ik kom bij hem. Doch nu niet. Ik
-moet vandaag naar Leiden, waar ik eenige dagen blijf. Na dien tijd
-kom ik stellig. Waar woon je?"
-
-"Ongeveer een kwartier van Broek, aan de vaart, in een armoedig
-hutje. Als u maar vraagt naar de hut van Rolf Brinker, kan het kleinste
-kind u terechtwijzen."
-
-De dokter schreef het in zijn zakboekje.
-
-"En weet je wat je doet?" zei de dokter. "Nu rij je terstond naar
-Amsterdam om een paar nieuwe schaatsen te koopen in plaats van die
-vodden, die je daar in de hand hebt en die veel op een paar roeispanen
-gelijken. En dan zorg je maar, dat je ferm kunt rijden en me den
-prijs laten zien, als ik te Broek kom."
-
-Hans vertrok vroolijk en boog zich heel diep, toen de dokter hem een
-oogenblik later voorbijreed en hem vriendelijk groette, terwijl hij
-mompelde: "Wat gelijkt die knaap op mijn armen Frits, toen die zoo
-oud was. Net zijn oogen! Maar voor den drommel! zal ik dien onverlaat
-dan nooit vergeten!"
-
-En het oog van den dokter, dat straks zoo vriendelijk gestaan had,
-stond nu weder strenger. Hans echter kuierde onbezorgd den dijk
-langs en het IJ over: want hij had zijn houten schaatsen even buiten
-Buiksloot in den Ham gesmeten. Hoe snel hij op zijn nieuwe schaatsen
-terugreed en welke blijde gezichten de tijding van hetgeen dokter
-Broekman hem gezegd had, thuis veroorzaakte, behoef ik u wel niet
-te zeggen.
-
-In de hut van Rolf Brinker was 't een heerlijke Kerstavond.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VIERDE HOOFDSTUK.
-
-HOE ECHT HOLLANDSCHE JONGENS ZICH GOED HOUDEN ONDER TEGENSPOED.
-
-
-Den eersten Kerstdag was 't schoon vriezend weer en 's avonds scheen
-de maan zóó helder op de trekvaart, die langs Broek loopt, dat men
-een stuivertje op den grond had kunnen zien liggen. Moeder Brinker
-was dien dag heel gelukkig geweest en had zich in haar beste gewaad
-getooid: haar bruidspakje, dat zij vroeger altijd bij feestelijke
-aangelegenheden droeg, doch dat sedert het ongeluk van haar man
-ongebruikt in de kast had gelegen. Hoezeer zij weinig van het bezoek
-van dokter Broekman verwachtte, maakte haar toch het denkbeeld, dat
-de beroemde en kundige man haar Rolf bezoeken zou, reeds gelukkig,
-omdat zij zich niet kon weerhouden, eenige hoop te voeden, al was
-die ook nog zoo gering; zoo houdt zich de ongelukkige, die op 't punt
-is van te verdrinken, nog aan een stroohalm vast. Daarom ook had zij
-haar kinderen verlof gegeven, nog een uurtje in den maneschijn op de
-vaart te gaan rijden, eer zij naar bed gingen.
-
-Hans was recht in zijn schik met zijn nieuwe schaatsen en in zijn
-ijver, om Griete te laten zien hoe goed hij er op voort kon, maakte
-hij toeren op het ijs, die het kleine meisje in de handen deed klappen
-van bewondering. Zij waren echter niet alleen op de baan.
-
-De twee Van den Helms en Karel Schimmel waren er onder anderen ook en
-reden om 't hardst. Van vier wedrennen had Peter er drie gewonnen. Dat
-had Karel, die toch al niet heel aangenaam van humeur was, geheel
-en al in een kwade luim gebracht. Hij had die luim bot gevierd,
-door Frans van Bree te plagen; maar toen hij daar niet veel eer bij
-inlegde, daar de kleine Frans zich weinig aan zijn plagerijen stoorde,
-kwam er een nieuwe gedachte bij hem op.
-
-"Hoort eens, jongens," riep hij uit. "Wij moeten er voor zorgen,
-dat die voddenrapers uit de hut niet met den wedstrijd meedoen. 't
-Is of Hilda mal is, dat zij daaraan denkt. Kato Lammers en Truida
-Korbes zijn woedend alleen bij het denkbeeld, om met zulk een meid
-te rijden; en wat mij aangaat, ik kan 't haar niet kwalijk nemen. Wat
-den jongen aangaat, als wij een vonkje eergevoel in onze borst hebben,
-zullen wij terugdeinzen bij het denkbeeld van ...."
-
-"Voorzeker," viel Pieter van den Helm hem in de rede, terwijl hij
-Karels meening verkeerd begreep, "wie twijfelt daaraan? Geen jongen,
-die een vonkje eergevoel in zijn borst heeft, zal weigeren, twee
-goede schaatsenrijders bij den wedstrijd toe te laten, alleen omdat
-zij arm zijn."
-
-"Hoor eens, Piet!" riep Karel toornig uit. "Ik bedank je vriendelijk,
-dat je eens anders woorden in mijn mond gelieft te leggen. Dat waag
-je niet weer, hoor!"
-
-"Ha, ha!" riep de kleine Frans van Bree, die al in zijn handen wreef
-van de pret om een gevecht te aanschouwen en verzekerd was, dat, als
-'t op ranselen aankwam, Karel een duchtig pak slaag zou beloopen.
-
-'t Scheen dat Karel niet veel lust had den strijd met Peter te wagen
-en daarom keerde hij zijn toorn op een zwakkeren: op Frans van Bree.
-
-"Zeg eens, waarover heb jij zoo'n plezier, kleine rekel? Je bent niks
-dan een kleine aap zonder staart!"
-
-Een half dozijn der omstanders op schaatsen moest om dien uitval
-van Karel Schimmel lachen, en deze, die nu meende, dat hij al zijn
-tegenstanders ridderlijk had overwonnen, was weder in een goed humeur
-gebracht. Hij besloot echter wijselijk, om zijn complot tegen Hans
-en Griete uit te stellen, tot Peter er niet bij was.
-
-Op dit oogenblik zagen zij hun vriend Jacob Poot komen aanrijden. Daar
-hij de dikste knaap uit de buurt was, konden zij hem reeds op eenigen
-afstand aan zijn gestalte onderscheiden, al herkende zij zijn trekken
-nog niet.
-
-"Ha, daar komt de dikzak!" riep Karel uit, "en hij heeft er een bij
-hem ook, een kleinen, slanken knaap, een vreemden."
-
-"Dat is Jacobs Engelsche neef," zeide Frans van Bree, recht in zijn
-schik, dat hij iets kon vertellen, wat de anderen niet wisten. "Die
-heeft zulk een grappigen naam: Ben Dobbs. Hij is wel eens meer in
-Holland geweest en zal bij Jacob blijven tot na den grooten wedstrijd."
-
-Op dit oogenblik waren Jacob Poot en diens neef Ben Dobbs bij hen.
-
-"Goeden avond, jongens," zei de dikke Jacob op vroolijken toon. "Dit
-is mijn neef, Ben Dobbs. Hij is een John Bull [1]."
-
-Allen drongen zich, volgens jongensgewoonte, om de nieuw komenden
-heen. Ben, die het Hollandsch vrij wel verstond, maar in het spreken
-de Engelsche constructie behield en er tusschenbeide een vreemd woord
-tusschen gooide, zeide "dat hij would maken heel gaarne kennis mit
-de Holland boys."
-
-"Jongens," vervolgde Jacob, na de eerste begroeting. "Wij, mijn neef
-en ik, hebben een aardig plannetje gevormd. We hebben nu vacantie
-tot na Nieuwjaar, zooals je weet. Nu heeft Ben nog nooit Den Haag
-gezien en zou dol graag daar eens wezen. Wat zou je er van denken,
-om met ons beiden den tocht mee te maken?"
-
-"Naar Den Haag! Wat een eind!" zei Karel.
-
-"Welnu we behoeven 't niet in één dag te doen. We moeten geld bij
-elkander leggen en dan een nacht in Leiden of Haarlem logeeren."
-
-"Uitmuntend!" riep Lodewijk van den Helm uit. "Dat zal een pret zijn."
-
-"Hoe meer zieltjes hoe meer vreugd," zeide Jacob. "Dus jongens! Wie
-van jelui gaat er mee, natuurlijk als je ouders 't willen toestaan?"
-
-"Ik, ik, ik!" riepen allen te gelijk.
-
-"Ik ook!" riep Frans van Bree.
-
-"Maar kereltje," zeide Jacob, terwijl zijn dikke buik van lachen
-schudde. "Jij mee! Je hebt je valhoed nog niet eens voorgoed afgezet."
-
-"Pas op je woorden, Jacob," zeide Frans, die geducht op zijn teenen
-getrapt was. "Voor jou is 't gelukkig, dat je 'm kunt aflaten: want
-je heele lichaam lijkt wel een valhoed."
-
-Allen lachten om dit snedige antwoord en boven allen klonk de
-goedhartige lach van Jacob uit.
-
-"Nu moet hij mee!" riep hij. "Iemand, die zoo snedig kan antwoorden,
-is een prettig gezelschap."
-
-"Hoort eens," zei Peter van den Helm. "We moeten te Haarlem en te
-Leiden stilhouden, om je neef daar het merkwaardigste te laten zien,
-en wat Den Haag aangaat, daar kunnen wij bij mijn getrouwde zuster
-logeeren. Die zal heel blij zijn, als zij ons ziet."
-
-"Maar Piet," zeide Jacob. "Met ons zoo velen!"
-
-"O, ze is zulk een hartelijke meid en haar man zulk een gulle kerel. Ze
-hebben een groot huis. En wat kwaad--kunnen ze ons niet logeeren,
-dan gaan we in een logement. Maar ik zal haar vanavond nog schrijven."
-
-"Nu, dan is 't mij goed. Maar wij moeten wat geld bij elkander leggen,"
-hernam Jacob.
-
-"Natuurlijk," antwoordde Peter. "Mij dunkt, vijf gulden ieder."
-
-"Dat is goed," zeiden de anderen.
-
-"En wie zal de beurs bewaren?" vroeg Peter.
-
-"Niemand anders dan jij. Jij zult onze kapitein zijn! Niet waar
-jongens?" zeide Karel Schimmel, die weer wilde goedmaken wat hij
-straks bedorven had, omdat hij het uitzicht had, in Den Haag bij
-Peter's zuster te logeeren.
-
-"Hoezee! voor Peter! Peter zal onze kapitein zijn!" riepen allen.
-
-"Welnu, ik neem 't aan, mits mijn volk mij gehoorzaamt. En hoe laat
-zal morgen de tocht beginnen?"
-
-"Om acht uur," riepen allen.
-
-"Goed, en de verzamelplaats vóór de hut van Rolf Brinker. Ieder brenge
-gepast geld mee en dan--met moed op het ijs."
-
-"Nu mama zal maar niet in haar schik zijn, als zij hoort, dat
-wij zuster Van Gent gaan opzoeken," zeide Lodewijk tegen zijn
-broeder. "Maar we moesten naar huis gaan; anders bevriest mijn neus
-nog aan mijn aangezicht."
-
-"Koukleum!" riep Karel Schimmel uit.
-
-"Dat dankje den drommel, als je hier zoo stilstaat," zeide
-Lodewijk. "Ik heb het tenminste koud gekregen."
-
-"'t Is dan ook buitengemeen koud," merkte Jacob Poot op. "En 't zal
-nog wel eenigen tijd aanhouden: want wij hebben wassende maan."
-
-"Des te beter voor onze reis," zeide Frans van Bree.
-
-"Nu, jongens! Tot morgen om acht uren. Goeden nacht."
-
-Met deze woorden stoven zij uit elkander--ieder naar zijn huis met
-de blijde gedachte aan de aanstaande pret, die hen nog in den droom
-bezighield.
-
-En waar waren Hans en Griete?
-
-Die hadden ongeveer een uur gereden, terwijl zij zich op een afstand
-van de anderen hielden en zich met elkanders bijzijn vergenoegden. "O,
-hoe heerlijk is toch het denkbeeld, dat wij nu beiden schaatsen
-hebben!" riep Griete uit.--Daar hoorden zij iets.
-
-'t Was een gil, een akelige gil. Niemand op de vaart had dien gil
-opgemerkt; maar Hans voelde er de beteekenis van. Hij werd zoo bleek
-als een lijk, deed zoo spoedig hij kon zijn schaatsen af en snelde
-naar huis.
-
-"'t Is vader," zeide hij tegen Griete. "Hij heeft moeder doen
-schrikken."
-
-En Griete bond ook haar schaatsen los en volgde Hans naar binnen.
-
-
-
-"Allen present?" riep Peter van den Helm, toen men zich den volgenden
-morgen om acht uren, geheel uitgerust tot den grooten tocht, dien
-men wilde ondernemen, op de vaart verzamelde. "Ik zal de namen
-oproepen. Ieder antwoorde op zijn beurt en stelle mij het geld ter
-hand. Hier zijn vijf gulden voor mij en vijf voor Lodewijk."
-
-Dit zeggende, legde hij een muntje van tien gulden op zijn vlakke
-hand en stak dat daarop in zijn portemonnaie.
-
-"Karel Schimmel!"
-
-"Present!" antwoordde deze, terwijl hij den kapitein twee blanke
-rijksdaalders ter hand stelde.
-
-"Jacob Poot!"
-
-"Present! Tien gulden voor mij en mijn neef."
-
-"Benjamin Dobbs!"
-
-"Present!"
-
-"Frits Verdam!"
-
-"Present!"
-
-"Gelukkig, dat jij er bent," hernam Peter. "Jij bent zoo'n halve
-Engelschman en jij kunt dus onzen vriend Ben wat voorthelpen."
-
-"But ik doe kennen wel een beetje Hollandsch!" riep Benjamin.
-
-"Ferrie koed," hernam Peter. "Lodewijk van den Helm"
-
-"Present!"
-
-"Jij hebt al betaald."
-
-"Frans van Bree!"
-
-Geen antwoord.
-
-"Dat 's jammer. De kleine schelm mag zeker niet mee. Zijn moeder is
-vast bang, dat hij kou zal vatten. Nu jongens! Allen klaar! Daar slaat
-de klok van Broek acht! Ferm er op los, dan zijn we in een half uur
-te Amsterdam! Eén, twee, drie, vooruit!"
-
-En voort ging ons zestal, met oogen schitterend van genoegen.
-
-Binnen het half uur waren zij aan de Nieuwe Stads-Herberg te Amsterdam,
-waar zij hun schaatsen afbonden en zoolang ter bewaring gaven aan den
-kastelein. Ofschoon de meeste jongens reeds meer van Amsterdam gezien
-hadden, had men toch besloten, ter wille van Benjamin de stad eens door
-te wandelen en het paleis op den Dam en het museum van schilderijen in
-het Trippenhuis te bezichtigen. Daar het voor laatstgenoemd gebouw nog
-wat te vroeg was, stapte men de Martelaarsgracht op, den Nieuwendijk
-over en bewonderde intusschen de mooie winkels, vooral dien van Sinkel,
-Wille en Bahlman.
-
-"O, die moest je 's avonds eens zien bij het electrische licht!" zeide
-Peter, die wel eens op dien tijd in Amsterdam was geweest.
-
-"Dat ik kan gelooven," zeide Ben. "But bij ons in Londen daar zijn
-still grooter shops!"
-
-"Zoo, ben je wel eens in Londen geweest?" vroeg Lodewijk.
-
-"Certainly. Dat is een groot stad, much grooter dan Amsterdam."
-
-"Daar heb je nu 't paleis," zeide Jacob Poot tot zijn neef. "Vind je
-dat geen mooi gebouw?"
-
-"Voor een paleis, neen," antwoordde Ben. "Bij ons in Londen je heb
-meer schoone paleizen."
-
-"Dat wil ik wel gelooven," antwoordde Jacob. "Dit huis werd gebouwd
-voor een stadhuis."
-
-"Voor een stadhuis? Wat doe je meen?"
-
-"A townhuis," verbeterde Peter, die het Engelsch, zooals wij reeds
-gezien hebben, zeer slecht uitsprak. "'t Is gebouwd op 13659 palen,
-die alle in den grond geheid zijn."
-
-"Ik doe 't niet begrijpen," antwoordde Ben.
-
-Frits Verdam vertolkte 't hem.
-
-"En als je het paleis zien wilt, dan is daar wel de gelegenheid toe,"
-voegde hij er bij. "Ik ken den zoon van den concierge en die heeft mij
-al zoo lang uitgenoodigd, om het eens te komen zien. Je moet echter
-niet denken, dat je er een machtig mooi ameublement zult vinden. Het
-stadhuis werd in den tijd van Koning Lodewijk van Holland voor 't
-eerst tot paleis ingericht, en sedert dien tijd geloof ik, dat er
-niet veel aan veranderd is, zoodat alles er zeer ouderwetsch uitziet."
-
-"En dat voor een koninklijk paleis!" riep Ben uit.
-
-"Maar de koninklijke familie logeert slechts eenige dagen in het jaar
-in de hoofdstad," hernam Frits.
-
-"Is dan bij u het hoofdstad geen residence?" vroeg Ben met verbazing.
-
-"Neen, Ben! En hierop maakt ons land een uitzondering op andere
-landen. Londen, Parijs, Brussel, Berlijn, Weenen, Petersburg, Madrid,
-ja, zelfs Konstantinopel--alle hoofdsteden in Europa zijn te gelijk
-hoofd- en residentiesteden: hier alleen geniet de hoofdstad slechts
-een vijftigste gedeelte van het jaar de eer, de vorstelijke residentie
-te zijn."
-
-"O, ja, nu ik herinner, The Hague is het residence."
-
-Intusschen was men het gebouw omgegaan en stonden onze vrienden achter
-het paleis, vlak tegenover het postkantoor.
-
-"Our postoffice," zeide Frits Verdam.
-
-"Niet zoo groot als dat van Londen," verzekerde Ben. "Dat moest je
-eens zien."
-
-'t Kostte Frits Verdam niet veel moeite, voor hem en zijn makkers
-den toegang tot het paleis te krijgen. Recht veel schik hadden onze
-knapen in de groote danszaal met haar mahoniehouten vloer, onder
-welken een keurige marmeren ligt, waarin kunstig een aard- en een halve
-hemelglobe zijn ingelegd. De zaal zelf is 34 ellen lang, 15.6 el breed
-en 28 ellen hoog, zonder dat het dak door een enkelen pilaar wordt
-gesteund. Aardig lieten zij zich verschalken door de twee fresco's
-boven de deuren der voorzaal, welken men den naam van "grauwtjes"
-geeft. Jacob Poot wilde maar niet gelooven, dat zij geschilderd waren,
-totdat hij er vlak onder stond en zag, dat het geen beeldhouwwerk was.
-
-Ook het ruime uitzicht op den toren boeide hen allen zeer, en daar het
-helder weer was, konden zij met hun jonge oogen den Dom van Utrecht
-zien schemeren en ....
-
-"Bless me!" riep Ben uit, toen eensklaps de klok haar negen slagen
-begon te brommen.
-
-"Ben je verschrikt?" vroeg Jacob, die nog hijgde van het trappen
-klimmen.
-
-"Ik was niet verdacht op het," hernam Ben.
-
-"Dat komt, omdat het speelwerk gerepareerd wordt," zeide Karel
-Schimmel. "Anders waarschuwt je dat."
-
-Van het paleis wandelden zij de Kalverstraat door tot op de Botermarkt,
-waar zij het standbeeld van Rembrandt van Rhijn beschouwden.
-
-"Dat was een groot schilder," zeide Peter tegen Ben. "Je zult straks
-een schilderij van hem op het Trippenhuis zien, dat de Nachtwacht
-heet."
-
-Door de Halvemaansteeg gingen zij den Kloveniersburgwal over tot
-aan het Trippenhuis, waar zij de heerlijke schilderijen bezagen,
-daar ten toon gesteld.
-
-"Er zijn hier, behalve dit museum, nog twee schoone verzamelingen
-van schilderijen," zeide Frits Verdam tot Ben, "een museum Van der
-Hoop en een museum Fodor, beide door genoemde heeren aan de stad
-per legaat vermaakt. Dit is echter het voornaamste en oudste, en,
-daar wij geen tijd hebben ze alle drie te bezien, zullen we ons met
-het bekijken van dit vergenoegen."
-
-"Kijk eens hier, Ben," zeide Peter. "Dit kleine stukje, de Avondschool
-van Gerard Dou, is in het jaar 1808 te Rotterdam voor f17.500
-verkocht."
-
-"Ontzaglijk!" riepen verscheidene jongens te gelijk uit.
-
-Toen onze knapen genoeg naar hun zin van het museum hadden gezien,
-begaven zij zich terug naar de Nieuwe Stads-Herberg, waar zij zich de
-schaatsen weder onderbonden en het IJ opreden tot aan halfweg Haarlem,
-alwaar zij den dijk overklommen om langs de trekvaart hun weg naar
-de Spaarnestad te vervolgen.
-
-Juist toen zij eenige oogenblikken op die vaart waren, kwam de
-spoortrein van Amsterdam aanrijden.
-
-"Wie van ons kan de locomotief bijhouden?" riep Peter.
-
-Allen beproefden het; doch spoedig zagen zij de vruchteloosheid hunner
-pogingen in. Zij reden dus wat meer op hun gemak.
-
-"Vertel Ben wat van de tulpen, Frits," zeide Peter.
-
-"Van de tulips?" vraagde Ben. "O, ja, Haarlem is het groot kweekplaats
-van tulips. Men zendt every year duizend to England."
-
-"Juist," antwoordde Frits. "En daar is een tijd geweest, 't was in
-1632, dat hier te lande een dwaze handel in tulpen werd gedreven. Men
-had menschen, die er zóóveel goud voor betaalden als zij op de
-schaal wogen."
-
-"De menschen?" vroeg Ben.
-
-"Wel neen, de tulpen. De eerste kwam hier uit Konstantinopel, omtrent
-het jaar 1560. Men vond die zoo mooi, dat de rijken kooplieden naar
-Turkije zonden om er meer te halen. Langzamerhand werd de liefhebberij
-in tulpen een ware woede. Enkele bollen werden voor drie à vier
-duizend gulden verkocht; één bol zelfs, de Semper Augustus, bracht
-vijf duizend vijfhonderd gulden op."
-
-"Nu, dat is geld genoeg," vond Jacob Poot. "Ik heb mij wel eens
-laten vertellen, dat de kerk te Sassenheim van de opbrengst van twee
-tulpebollen gebouwd is."
-
-"Ik herinner," zeide Ben in zijn gebroken Hollandsch, "dat ik een
-duizend six honderd en dertig six een Maniabol is verkocht geweest
-voor seventy pound, d.i. achthonderd veertig guldens."
-
-"'t Moet een rare tijd zijn geweest," merkte Lodewijk van den
-Helm aan. "Iedereen speculeerde in tulpen: de rijke koopman en de
-voddenraper, de echtgenoote van den Burgemeester en haar waschvrouw,
-de molenaar en de schoorsteenveger. Land, vee, juweelen, niets was te
-goed om tulpen voor te koopen. Eindelijk bemoeiden de Staten-Generaal
-er zich mede. Nu begonnen de prijzen te dalen. Duizenden werden in
-weinige dagen doodarm."
-
-"Maar, jelui Hollanders doet nog beminnen de tulips very much,"
-zeide Ben, "zooals ik heb gehoord."
-
-"Zeker. Geen tuin, of wij moeten er tulpen in hebben," zeide Karel
-Schimmel. "Maar heb je de historie wel eens gehoord van dien matroos?"
-
-"Vertel ons die," riepen allen.
-
-"Wel, een matroos, die niet wist van den tulpenhandel, was met zijn
-schip te Amsterdam aangekomen en had een boodschap aan een der heeren
-van de Oostindische Compagnie te doen. Toen hij daar kwam, was er
-niemand op het kantoor; maar mijnheer zou dadelijk bij hem komen,
-zeide de dienstmaagd. Nu lag daar een tulpebol van groote waarde op
-den lessenaar. De matroos, meenende dat het een ui was, nam dien op,
-rook er aan en zeide: die is zeker voos. Daarop nam hij zijn mes,
-sneed den bol door, proefde er van en spoog hem uit, zeggende:
-"Gemeene uien!" Denk eens, hoe raar de eigenaar van den bol opkeek,
-toen hij dien vernield vond."
-
-"Dat ik wil geloof willingly," zeide Ben. "But onze Mr. Mackay
-verhaalt still een ander historie, dat ik wil u mededeelen, als gij
-kunt mij understand. Een Englisch botanist kwam in een trekkas van een
-rich Hollander, waar hij zag een tulp van groot value. Niet weting
-zijn prijs, hij nam uit zijn pennemes en snijding het bol in twee,
-hij wilde dat examineer. Eensklaps de eigenaar entered en vroeg hem,
-of hij wist, wat hij deed? Ik schil een meest buitengewoon ajuin,
-hij antwoordde. Maar bij hemel, 't is een admiraal Van der Eyk. Dank
-je, hernam de botanist, en schreef het naam in zijn zakboekje; zeg,
-zijn ze zeer gewoon in jouw country? Maar voor den duivel! riep uit
-de Hollander, komt voor schout en schepens en dan zult je zien. Tot
-zijn verdriet werd de arme man geplaatst in gevangenis en niet gelaten
-los, vóór hij had gesteld borgen, tot schadevergoeding van de vier
-duizend guldens."
-
-Zoo pratende, waren zij in het gezicht van Haarlem gekomen, en de
-jongens voelden nog niet, dat zij schaatsen hadden gereden. Van den
-jongsten, Lodewijk van den Helm, die eerst veertien jaar oud was,
-tot den oudsten, die geen ander persoon was dan de kapitein zelf en
-naar de zeventien liep, waren ze allen zoo moedig en ferm als jonge
-arenden. Alleen de dikke Jacob Poot hijgde wat naar zijn adem en zag
-met welgevallen naar den toren van het oude Haarlem, bij het denkbeeld,
-dat hij nu eens een paar uurtjes rusten kon. Iedere jongen had, bij
-het van-huis-gaan, een paar broodjes meegenomen en die broodjes waren
-reddeloos achter de kiezen der schaatsenrijders verdwenen. Maar zulk
-een inspanning bij zulk koud weder had de jonge magen hongerig gemaakt,
-en met een luid hoezee begroetten zij de grijze wallen van Haarlem,
-waar zij zich aan een stevig ontbijt te goed hoopten te doen.
-
-"Sakkerloot! Ik heb een honger als een paard!" riep Frits Verdam uit.
-
-"Ik val haast flauw, zoo jeukt mijn maag," voegde Jacob Poot er bij.
-
-"Nu jongens," zeide de kapitein. "Dan is 't goed, dat we straks voet
-aan vasten wal zetten. Wij rijden nu het Buitenspaarne over, dan het
-Binnenspaarne langs, daar binden we onze schaatsen af en willen een
-frisch ontbijt bestellen, zoo'n Engelschen luncheon, hé, Ben!"
-
-En dit zeggende, tastte hij in den zak, om met het geld der
-Compagnieschap te rammelen, toen hij eensklaps zoo bleek werd als een
-doek. Met beide handen klopte hij op zijn broekzakken, op zijn borst;
-maar 't scheen, dat hem die manoeuvre niet baatte.
-
-"Wat scheelt je, Piet?" vroeg Lodewijk.
-
-"Hij is ziek," meende Ben.
-
-"Neen, hij heeft wat verloren," verzekerde Lodewijk.
-
-"Ik ben mijn portemonnaie met al ons geld kwijt!" riep Peter wanhopig
-uit.
-
-"Dat komt er van, als één al het geld heeft," zeide Karel, mooi
-knorrig. "Voel nog eens in je anderen zak."
-
-Peter voelde en voelde alweer; maar hoe hij zocht of niet zocht,
-hij kon de verloren portemonnaie niet vinden.
-
-"'t Is weg, jongens!" riep hij met bitter verdriet uit. "Had ik het
-maar alles in zilvergeld meegenomen, dan zou ik 't wel gemerkt hebben,
-toen ik het verloor. Nu kan je geen ontbijt, geen diner hebben! Wat
-nu te doen? 't Best zal wezen, dat ik naar Amsterdam terugrijd; daar
-ken ik wel menschen, die mij zooveel kunnen leenen als ik noodig
-heb. Maar in dien tijd vallen we allen flauw van den honger."
-
-"'t Is wat te zeggen," riep Karel Schimmel uit. "Hoe kun je ook zoo
-dom zijn, Piet!"
-
-"Ja, of je daar nu al over maalt, dat helpt niemendal," hernam
-Peter van den Helm. "Je zult er geen van allen een cent bij te kort
-komen. Maar 't malst is, dat je dit op 't oogenblik niet helpt. Is er
-niemand onder jelui, die hier in Haarlem iemand kent, die ons dertig
-gulden zou willen leenen?"
-
-Ieder van de jongens zag vijf verlegen gezichten.
-
-"Ik ken in Haarlem wel een paar menschen, die rijk zijn," zeide Karel
-Schimmel: "maar vader zou ongenadig boos zijn, als ik een cent van
-hen durfde leenen."
-
-"'t Is jammer, dat Frans van Bree niet hier is," zeide Jacob Poot
-zuchtend. "Die zou wel raad weten."
-
-"Hij was misschien een beter kapitein geweest dan ik," zuchtte
-Peter. "Maar hoe nu?"
-
-"Als je je gouden horloge eens verkocht, Piet," zeide Karel
-Schimmel. "Daar zal je geld genoeg voor krijgen."
-
-"Ik dank je," antwoordde Peter. "Dat kan ik niet doen. Mijn horloge
-verkoopen, dat ik van mijn vader op mijn verjaardag heb gekregen? Dat
-nooit! Dan verkoop ik liever mijn jas."
-
-"Kom, kom, spreek niet van verkoopen," zeide Jacob Poot. "We hebben
-nog wel zooveel klein geld op zak, om bij een bakker een paar broodjes
-te koopen; daarmee stillen we onzen honger, dan rijden we naar Broek
-terug en stellen den verderen tocht tot morgen uit."
-
-"Jij hebt goed praten," bromde Karel. "Je zult wel weer tien gulden
-krijgen, maar mijn vader is zoo scheutig niet. 't Zal bij mij wel
-thuis blijven zijn."
-
-"Ik heb je immers al gezegd, dat je er geen cent aan zult te kort
-komen," hernam Peter. "Ik heb thuis nog wel tweemaal dertig gulden
-in mijn spaarpot."
-
-"En dan, na al het pleizier, dat wij ons voorgesteld hebben, met
-hangende pootjes terug te komen," zeide Karel knorrig. "'t Is een
-mooie pret."
-
-"Komt, jongens!" riep Peter, "'t Geval ligt er nu toe en gedane zaken
-hebben geen keer. Ik heb een goed plan."
-
-"En dat is?" riepen allen te gelijk.
-
-"Om ons mannelijk te houden en met een vroolijk gezicht huiswaarts
-te keeren."
-
-"Leve de kapitein!" riepen de jongens, behalve Karel, die in zich
-zelf bromde van: "stommiteit, belabberd," enz.
-
-"Kom dan, met nieuwen moed! Eén, twee, drie, voorwaarts!"
-
-En, met even vroolijke gezichten als de knapen Haarlem begroet hadden,
-verlieten zij de stad van Laurens Koster.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VIJFDE HOOFDSTUK.
-
-ONGELUKKEN IN DE HUT VAN ROLF BRINKER.
-
-
-"Voor den drommel!" riep Karel toornig uit, toen zij een twintig
-ellen waren voortgereden. "Daar heb je dien voddenraper ook al met
-zijn houten schaatsen en zijn gelapte broek. Die ellendige knaap is
-overal, 'k wou de drommel hem haalde! Er ontbreekt nu nog maar aan,"
-zeide hij tegen Jacob Poot, die bij hem reed, "dat onze kapitein ons
-laat stilhouden, om hem de hand te geven."
-
-"Dat zou wel kunnen gebeuren, Karel," riep Peter, die de laatste
-opmerking gehoord had. "Maar je behoeft er niet bang voor te zijn,
-man; want ik zie den armen knaap nergens."
-
-"De blindheid komt het eerst aan de oogen," merkte Jacob op. "Kijk dan,
-daar ginds komt hij aan!"
-
-"Inderdaad, je hebt gelijk," hernam Peter. "Hij is 't. Maar wat scheelt
-hem. Hij ziet doodsbleek. Zijn lippen zijn op elkander geklemd."
-
-Op 't oogenblik, dat Hans hem wilde voorbijrijden, want hij had hem
-niet gezien, riep Peter:
-
-"Dag, Hans Brinker! Wou je mij zoo voorbijgaan?"
-
-"Jongeheer Van den Helm!" riep Hans uit, terwijl een blos van vreugde
-zijn gelaat verhelderde. "Hoe gelukkig, dat ik u ontmoet!"
-
-"Wat een onbeschaamde vlegel!" mompelde Karel tegen Jacob.
-
-"En ik ben blij, dat ik jou zie, Hans," antwoordde de kapitein. "Maar
-wat scheelt je? Kan ik je van dienst zijn?"
-
-"Ach, jongeheer! Er is zooveel gebeurd," zeide Hans. "Maar kunt u
-mij niet helpen, ik kan u wel van dienst zijn?"
-
-"Jij?" riep Peter uit.
-
-"Ja, jongeheer! Door u dit te geven."
-
-Dit zeggende, haalde Hans de verloren portemonnaie uit den zak en
-reikte ze Peter over.
-
-"Hoezee! hoezee!" riepen de jongens, toen zij den verloren schat
-terugzagen. Maar Peter drukte Hans de hand en zeide met bewogen stem:
-"Hartelijk dank, goede Hans Brinker!"
-
-En dat "goede Hans Brinker" en die handdruk deden den armen knaap goed.
-
-"Hoe wist je, dat het mijn portemonnaie was?" vroeg Peter verder.
-
-"Gij hebt mij uit die zelfde portemonnaie het geld betaald voor den
-withouten ketting, dien ik voor uw zuster gemaakt had, op voorwaarde,
-dat ik er schaatsen voor zou koopen. Ik herkende ze dadelijk."
-
-"En waar heb je ze gevonden?"
-
-"Niet ver van ons huis."
-
-"Ja, nu herinner ik 't mij. Ik heb ze zeker verloren, toen ik mijn
-zakdoek uit den zak haalde. Je redt ons uit groote verlegenheid, Hans,"
-vervolgde hij, terwijl hij de portemonnaie opendeed. "We zullen het
-geld deelen."
-
-"In 't geheel niet, jongeheer!" antwoordde Hans, terwijl hij de hand
-terugtrok. Peter deed de portemonnaie weder toe, terwijl hij mompelde:
-
-"Die jongen bevalt mij al is hij nog zoo arm. "Maar," vervolgde hij,
-"wat scheelt je, Hans?"
-
-"Ach, jongeheer," antwoordde Hans. "'t Is een treurig geval. Maar
-ik heb mij hier reeds te lang opgehouden. Ik ben op weg naar Leiden,
-om dokter Broekman op te zoeken.
-
-"Dokter Broekman!" riep Peter verbaasd uit.
-
-"Ja, jongeheer, en ik heb geen oogenblik te verliezen. Goeden dag!"
-
-"Wacht een oogenblik! Ik ga naar Leiden. Komt, jongens! we zullen
-naar Haarlem terugkeeren."
-
-"Uitmuntend!" riepen de jongens vroolijk uit, en zij keerden zich om
-en reden weder naar de Spaarnestad.
-
-"Welnu," zeide Peter, terwijl hij naast Hans ging rijden, beiden
-zóó netjes en zóó licht, dat men haast niet kon zien, dat zij zich
-voortbewogen. "Wij zullen van nacht te Leiden logeeren, en als je
-slechts een boodschap aan dokter Broekman hebt, kan ik die wel voor
-je doen. En mochten de jongens te moede zijn, om het nog vandaag tot
-Leiden te brengen, dan beloof ik je, dat ik hem toch morgenochtend
-vroeg zal opzoeken."
-
-"O, jongeheer! Daar zoudt u mij een grooten dienst mee bewijzen. 't
-Is niet om het eind, maar alleen omdat ik bang ben, moeder zoo lang
-alleen te laten."
-
-"Is zij dan ziek?"
-
-"Neen, jongeheer! Maar 't is erger met vader. U zult wel gehoord
-hebben, hoe vader sinds jaar en dag niet goed is. Dat is al sedert
-dien zwaren storm, toen hij van den dijk is gestort en door een val
-op zijn achterhoofd zijn verstand is kwijtgeraakt. Maar zijn lichaam
-is nog sterk. Nu lag moeder gisteravond voor den haard geknield,
-om het vuur wat op te rakelen: want hij ziet het zoo graag ferm
-branden. Eensklaps springt vader op haar af, en, eer zij in staat
-is zich te bewegen, houdt hij haar met een reusachtige hand vast,
-terwijl hij niets deed dan lachen en het hoofd schudden. Wij waren
-juist aan het schaatsenrijden op de vaart, toen ik moeder hoorde
-gillen. Ik liep zoo snel ik kon huiswaarts en zag daar een vreeselijk
-tooneel. Vader hield moeder vast en wilde haar niet loslaten. Haar
-goed rookte al en was op 't punt in vlam te raken, en als dat gebeurd
-ware, was mijn arme moeder verloren. Ik trachtte het vuur te blusschen,
-maar hij duwde mij met zijn eene hand terug, terwijl hij moeder met de
-andere vasthield. Er was op 't oogenblik geen water in de hut. Ik was
-wanhopig, terwijl vader al dien tijd lachte--o, zulk een ijselijken
-lach, niet luid, maar akelig. Ik poogde moeder weg te trekken; maar
-hij hield haar te sterk vast. Toen nam ik een stoel op en sloeg er
-vader mee; maar hij stiet mij van zich af. Wat er verder gebeurd is,
-kan ik mij niet herinneren. Ik zag moeders rok in vlam en--later, toen
-ik uit mijn bezwijming ontwaakte, lag ik in een hoek van het vertrek,
-waar vader mij had geworpen; vader zat weer op zijn plaats met een bord
-met eten vóór zich en moeder knielde bij mij neder. Griete heeft mij
-later verteld, hoe 't gegaan was. Vader had mij met reuzenkracht tegen
-een kast geworpen en bleef altijd moeder bij het vuur houden. Nog tien
-tellens en onze arme moeder ware verloren geweest. Daar schoot Griete
-een denkbeeld in. Snel liep zij naar de kast, waarbij ik lag, haalde
-er een bord met eten uit en liet het vader zien. Als een klein kind
-liet hij moeder los en kroop naar zijn stoel. Gelukkig had moeder
-zich niet gebrand. Maar vader was afgemat door de buitengewone
-inspanning. Den geheelen nacht heeft hij in een brandende koorts
-gelegen en heeft moeder voor zijn bed gezeten en hem opgepast. Hij
-sliep vast en snurkte akelig, terwijl hij tusschenbeide zijn hand
-tegen zijn hoofd drukte. Moeder zegt, dat hij dat vroeger meer deed,
-alsof hij daar pijn voelde. Ach, jongeheer, ik had u dat alles liever
-niet verteld! Toen vader nog bij zijn verstand was, zou hij geen dier
-kwaad gedaan hebben...."
-
-Beiden zwegen eenige oogenblikken stil.
-
-"'t Is vreeselijk!" riep Peter uit. "En hoe is je vader vandaag?"
-
-"Doodziek, jongeheer!"
-
-"Maar waarom ga je naar dokter Broekman, Hans? Daar zijn dokters
-genoeg in Amsterdam, die hem misschien even goed konden helpen. Dokter
-Broekman is een beroemd man, die slechts bij de rijken praktiseert,
-en dan gebeurt het nog dikwijls, dat hij geen tijd heeft om hen
-te helpen."
-
-"Dokter Broekman heeft mij gisteren beloofd, dat hij vader binnen
-acht dagen zou komen bezoeken. Maar nu die verandering is gekomen,
-kan het niet wachten, anders sterft mijn arme vader. O, jongeheer,
-vraag hem toch, of hij niet de geheele week wil wegblijven, want dat
-vader op sterven ligt! Hij is zoo'n vriendelijk man!"
-
-"Vriendelijk!" zeide Peter lachend. "Er is geen grooter brompot in
-het gansche land."
-
-"Dat schijnt maar zoo, jongeheer! En dat komt, omdat hij altijd zooveel
-aan zijn hoofd heeft. Maar hij heeft een goed hart, dat weet ik. Vertel
-hem, als 't u belieft, wat ik u verteld heb en ik ben er zeker van,
-dat hij komen zal."
-
-"Ik mag 't hopen, Hans, om jouwentwil. Maar ik zie, dat je haast
-hebt om naar huis te keeren. Beloof me, dat je, als je iemand noodig
-hebt, naar mijn moeder te Broek zult gaan. Zeg haar, dat ik 't je heb
-gezegd. En Hans, neem deze guldens aan, niet als belooning, maar als
-een geschenk."
-
-Hans schudde vastberaden het hoofd.
-
-"Neen, jongeheer, dat kan ik niet aannemen," antwoordde hij. "Als
-ik werk kon vinden in Broek of ergens op een molen, zou ik gelukkig
-zijn. Maar overal, waar ik kom, is het dezelfde historie: "wacht tot
-het voorjaar."
-
-"'t Is goed dat je er van spreekt," gaf Peter ten antwoord. "Vader
-zal je terstond helpen. Je mooie ketting beviel hem zeer. "Die jongen
-snijdt machtig mooi in hout," zeide hij. Vader wil van den winter
-onzen nieuwen koepel van snijwerk voorzien; misschien durft hij 't
-jou wel opdragen: er is geld aan te verdienen. De teekeningen liggen
-bij ons aan huis."
-
-"God is goed!" riep Hans opgetogen uit. "O, jongeheer.... dat zou
-al te veel geluk zijn! Ik heb nog wel nooit groot werk onder handen
-gehad--maar ik zou 't gerust durven wagen, en ben ik er zeker van,
-dat het mij gelukken zal."
-
-"Nu, ik zal mijn vader zeggen, dat hij 't jou moet laten doen. Hij
-zal je zeker gaarne helpen."
-
-Hans keek Peter aan.
-
-"Ik dank u, jongeheer," zeide hij.
-
-"Kom, kapitein," riep Karel. "Hier zijn we nu midden in Haarlem,
-en we hebben nog geen woord uit je mond vernomen. We wachten allen
-ongeduldig op je bevelen."
-
-"Goed, jongens! Dan de schaatsen maar afgebonden!" riep Peter. "Jij
-zult toch meegaan, om iets te eten, Hans," ging hij voort, zich tot
-den knaap wendende, "daarna zal ik je niet langer ophouden."
-
-Een oogenblik flikkerden de oogen des knapen van genoegen en Peter was
-verwonderd, dat hij er niet eer aan had gedacht, dat de arme jongen
-wel honger moest hebben. Maar 't was ook slechts een oogenblik,
-dat Hans er zich in verheugde, het andere hernam hij op treurigen toon:
-
-"Ach, jongeheer! hoe gaarne ik uw vriendelijk aanbod zou willen
-aannemen, ik mag mij niet langer ophouden. Moeder mocht mij noodig
-hebben. Vaarwel! God zegene u!"
-
-Dit zeggende, knikte hij Peter vriendelijk toe en--verdween.
-
-Wij willen onze vroolijke knapen een oogenblik verlaten en met Hans
-naar Broek terugkeeren. Wij moeten daar, vooral ten gevalle onzer
-lieve lezeressen, eens een kijkje nemen bij de meisjes, die wij
-reeds vroeger ontmoet hebben, een kijkje in de jeugdige hartjes,
-die zoo warm en zoo snel onder de nauwe keursjes klopten.
-
-Hilda de Bruyn--haar kent gij reeds, met haar warm, edel hart. Truida
-Korbes was vrij wat mooier dan Hilda, veel aanvalliger en zelfs
-meer gezocht, maar toch niet half zoo zonnig van binnen. In dat
-jonge hart hingen wolken van trots, ontevredenheid en wangunst,
-die dagelijks donkerder warden. 't Was natuurlijk, dat die wolken
-zich nu en dan evenals die aan den hemel ontlastten. Maar wie zag die
-tranen? Slechts haar dienstmaagd, haar ouders, haar jongere broeder,
-die haar zoo hartelijk liefhadden. Anderen bespeurden weinig van
-hetgeen er in dat jeugdige hart omging. In haar oog was het arme
-boerenkind Griete geen menschelijk wezen, niet evengoed een schepsel
-van God als zij--het was een onding, waaronder men niets dan armoede,
-lompen en morsigheid verstond. Zoo'n kind als Griete had geen recht om
-te gevoelen of te hopen; bovenal moest zij haar meerderen nooit in den
-weg komen, ten minste niet op een onaangename manier. Zulk volk mocht
-voor haar en haar gelijken werken en zwoegen, maar op een eerbiedigen
-afstand; zij mochten haar bewonderen, als zij 't met gepasten eerbied
-deden--meer niet. Verheffen zij zich--dan sla ik ze neer; lijden zij,
-wat gaat mij dat aan--dat was de leer van Truida Korbes. En toch--hoe
-mooi zij altijd gekleed was en hoe lief zij zich voordeed, jongens met
-een echt Nederlandsch hart, zooals Frits Verdam en Peter en Lodewijk
-van den Helm, konden haar niet velen.
-
-Hoezeer Karel Schimmel 't meest in karakter met haar overeenkwam,
-hield die toch veel meer van de levendige Kato Lammers, wier aard
-veel had van de rinkelende bellen eener narreslede. Reeds als kind
-was Kato een coquette, als schoolmeisje was zij zoo coquet als
-ooit. Zij was coquet op haar moeder, op haar kleine broertje, zelfs
-op haar blonde krullen, die zij verachtelijk in den hals wierp, als
-ze haar verveelden. Iedereen mocht haar graag lijden, niemand hield
-van haar. Nooit kwam er een ernstig woord over haar lippen. De arme
-Kato! Met haar lief gezichtje, haar vroolijk hartje, haar aangename
-manieren, kon zij slechts een uur boeien. Wat zou er later van haar
-worden, als het werkelijke leven vol ernst kwam en de rinkelende
-bellen één voor één dof zou maken!
-
-Karel Schimmel had dus wel gelijk, toen hij gezegd had, dat Kato en
-Truida woedend waren, omdat Griete mee zou doen in de harddraverij
-op schaatsen. Hij had Truida hooren zeggen, dat het "schandelijk,
-onteerend, gemeen" was. Kato had haar lieve kopje geschud en zachtkens
-nagepraat, dat het "schandelijk, onteerend, gemeen" was, ofschoon met
-zulk een lief stemmetje, dat men het nauwelijks met den naam van toorn
-zou mogen bestempelen. Dat was voor hem genoeg. Hij bedacht niet, dat,
-als Hilda en niet Truida haar 't eerst over de zaak had gesproken,
-dat zelfde stemmetje zou gezegd hebben: "zeer goed, opperbest,
-allerliefst". Maar nu oordeelde Kato, dat een boerenkind als Griete
-in staat was, de geheele pret te bederven. Daar Truida rijk was en
-machtig (altijd in den zin van een schoolmeisje) had zij een menigte
-volgelingen onder haar schoolkameraden, die òf te laf òf te zorgeloos
-waren, om voor zich zelf te denken.
-
-Arme Griete! Zij en Hans hadden de geheele schaatsenpartij reeds
-uit hun hoofd gezet. Zij hadden wel aan wat anders te denken dan
-aan zilveren schaatsen! Ach! de hut van Rolf Brinker was tegenwoordig
-treurig en somber genoeg. De arme krankzinnige lag kermend op zijn hard
-bed en zijn vrouw bette zijn brandend voorhoofd en zijn droge lippen
-met koud water, weenend en biddend, dat hij niet mocht sterven. Hans
-was, zooals wij weten, in wanhoop naar Leiden gereden, om daar dokter
-Broekman op te zoeken en hem te smeeken, als 't kon, terstond bij
-zijn vader te komen. Griete, door een zonderlingen angst bevangen,
-had haar werk zoo goed verricht als zij kon, zij had de steenen vloer
-opgedaan, brandstof gehaald om het vuur te onderhouden, en zat nu
-op een laag stoeltje naast het bed, terwijl zij haar moeder smeekte,
-om toch een uur of wat te gaan slapen.
-
-"Gij zijt zoo vermoeid, moeder," zeide zij. "Den geheelen nacht hebt
-gij geen oog geloken. Ik heb mijn bed voor u opgemaakt. Hier is uw
-jak. Doe die mooie japon uit, dan zal ik ze opvouwen en in de kast
-bergen, vóór gij gaat slapen."
-
-Vrouw Brinker schudde treurig het hoofd, zonder heur oogen van haar
-man af te wenden.
-
-"Ik kan immers wel op vader passen," hernam Griete, "en ik zal u
-dadelijk wakker maken, als hij zich beweegt. Gij ziet zoo bleek en
-uw oogen zijn zoo rood. Toe, moeder! doe 't maar!"
-
-Het kind smeekte tevergeefs. Vrouw Brinker wilde haar post niet
-verlaten.
-
-Griete keek haar aan met een onrustig stilzwijgen, terwijl zij dacht,
-dat het toch heel slecht van haar was, dat zij meer van haar moeder
-hield dan van haar vader, voor wien zij bang was.
-
-"En Hans houdt zoo veel van vader," zuchtte zij.
-
-"Waarom kan ik 't niet doen? Toch was ik zoo bedroefd, toen hij
-verleden week dat mes beetpakte en zich zoo vreeselijk sneed
-en zoo bloedde. En 't gaat mij door de ziel, nu ik hem zoo hoor
-steunen. Misschien houd ik toch veel van hem en ben ik niet zulk een
-slecht kind als ik dacht. Ja, ik houd van mijn armen vader--bijna
-zooveel als Hans; want Hans is sterker en is niet bang voor hem. O,
-zal dat gesteun dan nooit ophouden! Arme moeder! Wat is zij
-geduldig! Nooit mort zij over het geld, dat op zoo'n zonderlinge
-manier is weggeraakt. O, kon vader maar eens voor een oogenblik
-zijn oogen opslaan en ons aanzien zooals Hans doet, en zeggen,
-waar de guldens gebleven zijn--dan kon mij de rest niet schelen--de
-rest.... ja toch. Ik zou niet graag zien, dat mijn arme vader stierf."
-
-Diep in gedachten staarde zij naar de zonderlinge figuren, welke de
-vlammen aan den haard vormden, daarop telde zij de gebroken en geplakte
-ruiten van het bouwvallige raam, eindelijk bleven haar oogen rusten op
-een fraai gesneden plank, waarop de quarto-bijbel met koperen sloten
-stond, nog een erfstuk van vrouw Brinker's vader.
-
-"Wat is die Hans toch knap!" zeide zij. "En zoo sterk! Als hij
-hier was, kon hij vader eens omkeeren en dan hield het gesteun
-op. Ach! Ach! Als vader zoo ziek blijft, zal ik nooit meer schaatsen
-rijden. Ik zal mijn schaatsen maar teruggeven aan die mooie jonge
-dame. Hans en ik zullen de harddraverij wel niet zien."
-
-En Griete's oogen vulden zich met tranen.
-
-"Huil maar niet, Griete," zeide vrouw Brinker. "Je vader is wel eens
-meer zoo ziek geweest."
-
-Griete barstte in tranen uit.
-
-"O moeder, dat is het niet alleen! Gij weet nog niet alles--ik ben
-zeer slecht en goddeloos!"
-
-"Jij Griete, jij, die zoo geduldig en zoet zijt? Maar huil zoo hard
-niet, kindlief, of je zoudt vader wakker maken."
-
-Griete verborg haar gelaat in den schoot harer moeder en poogde niet
-hard te schreien.
-
-Zij legde haar klein, mager bruin handje in de ruwe hand harer
-moeder. Kort daarna keek zij op met een vriendelijken, rustigen blik
-en zeide met een bevende stem:
-
-"Vader heeft u willen verbranden--ik heb het gezien en hij lachte
-er om."
-
-"Zwijg, kind!"
-
-Vrouw Brinker zeide die woorden op zulk een snellen en scherpen toon,
-dat Rolf Brinker, levenloos als hij was voor al wat om hem voorviel,
-zich zacht op zijn bed bewoog.
-
-Griete sprak geen woord meer, maar plukte treurig aan het brandgat
-in haar moeders japon. Gelukkig, dat de japon van wollen stof was!
-
-
-
-
-
-
-
-
-ZESDE HOOFDSTUK.
-
-WAT DE JONGENS ZOO AL IN HAARLEM ZAGEN.
-
-
-Verzadigd en verkwikt kwamen onze knapen uit het koffiehuis, waar
-zij zich van het noodige voorzien hadden, juist toen de klok twee
-uren sloeg.
-
-"Heb je je slaapmuts niet vergeten, grootvader?" riep Lodewijk van
-den Helm tot den kapitein, die in gedachten verzonken was over de
-treurige historie, welke Hans Brinker hem had medegedeeld, en daardoor
-half droomend medeliep.
-
-"Volstrekt niet, Lodewijk," antwoordde Peter, en zich tot de anderen
-richtende, commandeerde hij: "Vooruit, jongens! Deze straat in!"
-
-"Zie je dat aardige, roode speldenkussentje daar wel aan die deur
-hangen?" vroeg Frits Verdam aan Ben.
-
-"Ik doe het zien. Maar wat is de meening van het?" vroeg de
-aangesprokene.
-
-"Wel, dat zal ik je zeggen. Zoo'n ding noemen ze een klopper, en die
-beteekent, dat daar een kind geboren is. Is het kussentje geheel en
-al effen, zooals dit, dan wil 't zeggen, dat het een jongetje is. Is
-er daarentegen een wit papiertje ingeschoven, dan kan men er op aan,
-dat er een dochter is geboren."
-
-"Very vreemd!" riep Ben uit, terwijl hij naar den klopper bleef kijken,
-die rijk met kant omzoomd was. "En doet gij kennen den oorsprong van
-dat gebruik?"
-
-"Ieder Haarlemmer," zeide Frits Verdam, die er bij was gekomen, "zal
-u kunnen vertellen, dat dit afstamt van het jaar 1573, toen Haarlem,
-na een hardnekkige en moedige verdediging van zeven maanden, zich
-eindelijk aan den Spanjaard moest overgeven. De Spaansche bevelhebber,
-Frederik van Toledo, zou, naar men zegt, aan de bewoners van elk huis,
-waar zich een kraamvrouw bevond, veroorloofd hebben om een lint aan hun
-klopper te winden, welk huis daardoor van plundering zou verschoond
-blijven. Dat is echter slechts een sprookje: 't is niets anders dan
-een gewoonte, die, eenigszins gewijzigd, in geheel Noord-Holland in
-zwang is."
-
-"Komt, jongens!" riep nu de kapitein. "Je weet wat de kastelein gezegd
-heeft: dat het groote orgel vandaag bespeeld wordt en dat wij daar
-naar toe moeten. Verkijkt je tijd dus niet aan wat anders."
-
-"Je hebt deugdelijk gelijk," antwoordde Frits. "'t Is maar jammer,
-dat we de damiaatjes ook niet kunnen hooren."
-
-"De damiaatjes, wat zijn zij?" vroeg Benjamin.
-
-"Dat zijn kleine klokjes, die in den toren hangen en elken avond van
-halftien tot tien uren geluid worden, 't Is een akelig gerinkinkel,
-dat tinge, tinge, tinge. 't Heeft mij wat verveeld, toen ik van den
-zomer hier logeerde. Maar de Haarlemmers zijn er zeer grootsch op en
-weten u te vertellen, dat de stad die klokjes present heeft gekregen
-van Graaf Willem I, die in 1219 Damiate, aan den Nijl gelegen, op
-Sultan Saladijn veroverde, bij welke verovering hun voorvaderen zich
-zoo dapper moeten hebben gedragen."
-
-"Niet minder dan de Dokkumers," viel Jacob Poot hem in de
-rede. "Daarboven heb ik altijd gehoord, dat de tegenwoordige damiaatjes
-niet meer die zijn, welke de Haarlemmers van Graaf Willem hebben
-gekregen, maar nog overblijfsels van de zilvervloot van Piet Hein."
-
-"Van Piet Hein?" vroeg Ben.
-
-"Een onzer grootste zeehelden, die in 1628 de Spaansche zilvervloot
-veroverde en het volgende jaar in een gevecht tegen de Duinkerkers
-sneuvelde," zeide Peter van den Helm. "En wat die verovering van
-Damiate aangaat, daar hangen nog kleine scheepjes tot gedachtenis
-van dat feit in de kerk, die modellen moeten zijn van de bij deze
-verovering gebruikte vaartuigen. Over 't geheel zijn de Haarlemmers
-zeer trotsch op hun stad en weten u verscheidene bijzonderheden te
-vertellen, van welke er eenige slechts op overleveringen berusten."
-
-"Nu, de Haarlemmers hebben wel recht om trotsch op hun stad te zijn,"
-meende Lodewijk. "Voor zulk een kleine plaats is zij waarlijk rijk
-aan bijzonderheden."
-
-"Ha! wiens beeld is dat?" riep Benjamin uit, toen zij op de Groote
-Markt kwamen.
-
-"Dat is het standbeeld van den uitvinder der boekdrukkunst, Laurens
-Janszoon Koster, die in 1423 of 1425 deze nuttige kunst voor 't
-eerst uitoefende. Behalve dit standbeeld heeft men een gedenkteeken
-voor hem in den Hout opgericht, dat echter door leelijkheid uitmunt,
-ofschoon de Haarlemmers het fraai noemen om zijn eenvoudigheid."
-
-"Wij Engelschen willen gaarne toegeven u, dat uw Koster heeft uitgevind
-drukkunst," zeide Benjamin. "Maar de Duitschers doen betwisten die
-eer aan u."
-
-"Zij zeggen, dat Gutenberg de uitvinder was, en hebben hem te Mainz
-een metalen standbeeld opgericht," antwoordde Frits. "De Franschen
-daarentegen geven die eer aan hun Faust, dien ze te Straatsburg door
-een standbeeld vereerd hebben. Doch wij Hollanders houden er onzen
-Laurens Janszoon Koster voor, ofschoon 't wel jammer is, dat het eerste
-werk, hetwelk hij gedrukt heeft, "de Spiegel onzer behoudenis", van
-geen jaartal voorzien is. Kijk, daar, waar dat borstbeeld in den gevel
-staat, zegt men, dat zijn huis is geweest. Volgens de overlevering
-was hij koster van deze kerk en een aanzienlijk man."
-
-"En wat is dat voor een antiek gebouw?" hernam Ben.
-
-"Dat is het oude stadhuis van Haarlem, thans tot hoofdwacht gebruikt,"
-zeide Lodewijk. "Zie maar, daar staat nog het opschrift in den gevel:
-
-
- "Wanneer de graef hierop het sant,
- Syn princenwoning had geplant,
- Soo was dit loflick out gesticht,
- Tot Haerlems raethuis ingericht."
-
-
-"Het zand is de tegenwoordige Groote Markt, die toen door een smal
-watertje, de Beek genaamd, werd doorsneden en op hetwelk menig tornooi
-is gehouden."
-
-"En welk gebouw is dat, met die groote hardsteenen trap?"
-
-"Dat is het tegenwoordige stadhuis," antwoordde Frits, "vroeger
-het paleis der graven, in de dertiende eeuw door Graaf Willem II
-gesticht. Er zijn mooie schilderijen in, van groote meesters en van
-hooge waarde."
-
-Thans traden zij de Groote Kerk in, waar het orgel reeds aan den
-gang was.
-
-"Dit orgel," zeide Karel Schimmel, die nu toch ook eens wat vertellen
-wilde, "heeft een Europeesche vermaardheid. Het is dertig meters
-lang en veertien breed. In 1735 door den Amsterdamschen orgelmaker
-Christiaan Muller vervaardigd, munt het door zijn grootte en zijn
-rijkdom van tonen boven alle andere uit. Het moet 8000 pijpen hebben,
-van welke er sommige zóó dik zijn, dat er wel een man kan doorkruipen,
-andere zoo dun als het fluitje aan de zilveren bel van een klein
-kind. Er zijn niet minder dan zestig registers op."
-
-"Vooral de vox humana (een nabootsing van de menschelijke stem)
-is mooi," zeide Frits. "Maar laat ons intusschen de kerk eens
-rondwandelen. Ik ben hier nogal bekend en zal dus maar voor cicerone
-[2] spelen."
-
-"Dat is goed," zeiden Lodewijk en Peter.
-
-"Als je 't mij niet kwalijk neemt, ga ik een beetje in die bank
-rusten," zeide Jacob Poot. "We hebben nog een heelen tocht te doen
-en ik wou me niet graag te veel vermoeien. Daarenboven, ik heb de
-St. Bavo [3] al meermalen gezien."
-
-"Hier heb je nu de scheepjes," begon Frits, "opgehangen ter herinnering
-aan de verovering van Damiate. Ziet gij op die geelkoperen grafplaat
-wel dat roode spijkertje?" vroeg hij een oogenblik later.
-
-"Welnu, wat zou dat?"
-
-"Dat spijkertje wijzen alle oprechte Haarlemmers aan hun jonge kinderen
-en vertellen daarbij, dat onder dit graf een kindje begraven is,
-hetwelk zijn moeder geslagen heeft, en dat nu tot straf het vingertje,
-waarmede het haar heeft aangeraakt, niet is kunnen verrotten, maar
-door het koper is heengekomen.--Hier op den muur ziet gij een steen,
-aan onzen grootsten dichter, Willem Bilderdijk, gewijd; die twee
-afmetingen daar zijn van den grootsten en den kleinsten man, die
-Haarlem heeft opgeleverd: den grootsten, langsten, namelijk Cajanus en
-den kleinsten, Simon Jane Paap, die echter te Zandvoort geboren was."
-
-"Papa heeft mij wel eens verteld, dat hier in vroeger tijd ook een
-Sparenwouder reus rondgewandeld heeft, die Klaas van Kieten heette
-en familiaar zijn pijp aan de stadlantaarns aanstak," zeide Peter.
-
-"Ik doe niet recht verstaan dat woord," zeide Ben. "Wat is dat voor
-een soort van reus, een Sparrewou?"
-
-"Dat wil zeggen een bewoner van het naburige dorp Sparenwoude, hetwelk
-wij in de verte aan onze rechterhand zagen liggen, toen wij over de
-vaart reden."
-
-"Die kogel daar in den muur is nog van den tijd van het beleg in
-1573," zeide Frits. "De Haarlemmers vertellen u, dat de Spanjaards,
-die hun kanonnen op het huis te Kleef geplant hadden, aan een boer
-vroegen, waar de preekstoel was, omdat zij dan zoo den dominee konden
-doodschieten. De boer wees opzettelijk een pilaar te ver en daardoor
-schoten zij mis. Gij begrijpt echter wel, dat het een sprookje is:
-het huis te Kleef is veel te ver, om hier te raken. De kogel is
-echter wel van den tijd van het beleg, maar tot gedachtenis hier in
-den muur gemetseld."
-
-Intusschen bespeelde de organist het orgel, terwijl de knapen,
-evenals het Haarlemsche publiek, door de voetpaden wandelden en naar
-de muziek luisterden.
-
-'t Was een schoon stuk, dat de kunstenaar uitvoerde: een heerlijken
-zomermorgen moest het voorstellen, waarbij het orgel zijn liefelijkste
-tonen deed hooren, afgewisseld door het gefluit der vogelen en
-de zuiverste akkoorden, die vriendelijk door de kerkgewelven
-rolden en waarbij de wandelaars als onwillekeurig stilstonden,
-om door het geslijfer hunner voetstappen zich zelf en anderen niet
-te hinderen. Maar eensklaps veranderde dat tooneel. 't Was of de
-stormwind door het kerkgebouw begon te loeien, de vogels zwegen, luider
-en luider werd de storm, vreeselijk rommelde de donder en daarbij
-hoorde men duidelijk het luiden der noodklok. De knapen hielden hun
-adem in en staarden elkander verbaasd aan. Want daar klonken op eens
-de stemmen der vox humana, en 't was of duizend angstkreten door de
-St. Bavo weergalmden.--Maar--daar ruischt een zacht geluid, als een
-stem des engels--de storm bedaart--de liefelijke tonen zwellen als
-op de vleugelen der zefirs--de vogelen beginnen weder te zingen en
-alles wordt besloten met een psalm van lof en dank, die de harten
-tot aanbidden stemt.
-
-Het orgel zweeg--en nog stonden de knapen daar beweging- en
-sprakeloos. 't Was alsof zij aan den grond genageld waren. Karel
-Schimmel was de eerste, die het stilzwijgen afbrak.
-
-"Hoe lang zul je daar nog staan kijken, kapitein?" vroeg hij, terwijl
-hij Peter aanstiet, "'t Wordt hoog tijd, om op te stappen."
-
-"Je hebt gelijk," antwoordde de aangesprokene, terwijl hij op zijn
-horloge keek. "Laat ons Jacob dan in het voorbijgaan aanroepen."
-
-De dikke Jacob Poot echter was niet meer op de plaats, waar zij hem
-gelaten hadden. De bank, waarin hij was gaan zitten, was hem niet
-gemakkelijk genoeg en hij had een andere, meer afgezonderde opgezocht,
-waar zijn kameraads hem vonden, in de armen van Morpheus gezonken.
-
-"Slaapkop!" riep Peter, terwijl hij hem wakker schudde. "Hoe kun je
-bij zulke heerlijke muziek snurken, Jacob?"
-
-"Algemeen zelfstandig naamwoord, vrouwelijk enkelvoud eersten naamval,"
-antwoordde Jacob, die gedroomd had, dat hij op school bezig was aan
-het grammaticaal analyseeren.
-
-"Als aangesprokene," voleindigde Peter, "behalve, dat Jacob een eigen
-naamwoord en mannelijk is."
-
-Jacob was nu geheel wakker geworden en moest lachen om zijn eigen
-dwazen praat.
-
-Benjamin was zóó verrukt over hetgeen hij gehoord had, dat hij niets
-kon zeggen dan: "Glorious! Glorious!"
-
-"Ja, Ben," hernam Peter, terwijl zij de kerk verlieten, "'t is
-inderdaad heerlijk. Je hebt zeker wel eens gehoord van Händel,
-den grooten componist. Nu, die bezocht Haarlem eens en wenschte
-natuurlijk het orgel te bespelen. Hij kreeg daartoe vergunning en was
-druk aan den gang, toen de gewone organist, die verre van onbekwaam
-was in zijn vak, de kerk binnentrad. Zulke muziek had hij nog in zijn
-leven niet gehoord. "Wie is daar op het orgel?" riep hij uit. "Als 't
-geen engel of duivel is, dan moet het Händel zijn." En toen hij zag,
-dat het Händel was, stond hij nog meer verwonderd.
-
-"Hoe heb ik het toch?" vroeg hij, "gij hebt het onmogelijke
-gedaan. Tien vingers en twee voeten kunnen de passages niet spelen,
-welke gij hebt laten hooren."--"Gij hebt gelijk," gaf Händel bedaard
-ten antwoord, "en daarom ben ik tusschenbeide verplicht geweest,
-toetsen met de punt van mijn neus in beweging te brengen."--"Je kunt
-begrijpen, hoe de organist stond te kijken." [4]
-
-"Dat laat zich hooren," zeide Frits. "Maar waar zullen wij nu heen?"
-
-"Hoort eens, jongens!" hernam Peter. "Wij moeten nu even
-raadsvergadering houden omtrent onze verdere plannen."
-
-"Heel goed," antwoordde Karel Schimmel. "Wat is hier nog meer te
-kijken?"
-
-"O, heel veel," gaf Frits ten antwoord. "Vooreerst de schilderijen
-hier op het stadhuis, ten tweede niet minder dan acht en twintig
-liefdadige hofjes, waar oude vrouwen het eind van haar leven rustig
-doorbrengen en van welke het Teylers- en Staats-zen-hofje de mooiste,
-en zoo ik meen, de rijkste zijn; ten derde, het physisch museum van
-Teyler, waar men onder andere zulk een groot electriseermachine vindt,
-dat men met één vonk een paling kan doodslaan; ten vierde, het huis
-van Jan de Lapper, op het Spaarne bij de melkbrug."
-
-"Jan de Lapper? Wie was dat?"--vroeg Ben.
-
-"Een schoenlapper, die hier in 1652 woonde, en toen het land in nood
-was, doordien wij oorlog met uw volk gekregen hadden, ter zee ging
-varen en zulk een heldenmoed toonde dat de Staat hem een gouden keten
-en 500 gulden vereerde. En toen het land uit den nood was, ging onze
-Jan weer even bedaard aan 't schoenflikken als te voren. Later weer in
-dienst getreden, stierf hij den heldendood. Een zijner nakomelingen
-heeft in het huis, vroeger door den dapperen schoenlapper bewoond,
-een blauwen steen met een opschrift doen plaatsen. Ten vijfde kunnen
-wij naar Kraantje-Lek gaan en den Blinkert beklimmen, op welken Witte
-van Haamstede [5] eens den Hollandschen liebaard plantte en van welks
-top wij een heerlijk gezicht over de blauwe Noordzee hebben. Ten
-zesde kunnen wij den Hout bezoeken."
-
-"Den Hout? Wat is dat?" vroeg Ben.
-
-"Een fraai bosch, dat met het Haagsche en Alkmaarder waarschijnlijk
-één geheel heeft uitgemaakt. Het is in 1822 door den architect Zocher
-in den bevalligen toestand gebracht, waarin het nu is. Ten zevende
-kunnen wij in dien Hout het monument van Koster gaan kijken, of het
-fraaie paviljoen, nog door een landgenoot van u, den bankier Hope,
-gebouwd, later door Koning Lodewijk voor drie ton gekocht en, na het
-vertrek der Franschen, domeingoed geworden. Er bevindt zich thans
-een heerlijk museum van schilderijen; ten achtste...."
-
-"Houd op!" riep Peter. "Als wij alles zouden willen bezien, dan
-mochten we nog wel een dag langer hier blijven. Wij zullen ons maar
-bepalen tot twee zaken: den Hout en den Blinkert, of Leiden?"
-
-"Leiden!" riepen allen, behalve Ben, die wel lust zou gehad hebben,
-om den Blinkert te beklimmen en van daar een kijkje op de zee te nemen.
-
-"'t Is zoo maar 't best ook," zeide Frits Verdam tegen Benjamin. "Want
-als je Haarlem op zijn mooist wil zien, dan moet je er in den zomer
-komen, wanneer 't een groote bloemtuin is."
-
-"Komt dan, op reis!" riep Peter uit. En men wandelde de Zijlstraat
-door, het Zijlhek uit en naar de Leidsche vaart, waar zij hun schaatsen
-aanbonden en den tocht naar de stad van Van der Werf aanvingen.
-
-"Jongens! Wie weet er nu wat van Haarlem te vertellen?" zeide
-Peter. "Dat kort den weg op."
-
-"Ik wil wat mededeelen," zeide Frits Verdam. "Laat ons dan wat langzaam
-en naast elkander rijden."
-
-"Dat is goed," riepen allen en Frits begon:
-
-"In heel veel vroeger tijden stond bij Haarlem een oud, sterk
-kasteel, welks slotheer een ware tiran was voor de poorters der stad
-en de omliggende dorpers, die allen van hem afhingen. Dit werd zóó
-geweldig, dat deze in opstand kwamen, zijn kasteel omringden en het
-belegerden. De nood op het slot steeg dermate, dat de wreedaard geen
-ander uitzicht had, dan zich aan het woedende volk over te geven,
-hetwelk hem in stukken zou hebben gescheurd. Daar verscheen op een
-der kanteelen een liefelijke gestalte, de vrouw van den slotheer. Was
-haar echtgenoot slecht voor zijn onderdanen, zij daarentegen was
-steeds een moeder voor hen geweest; geen arme, die haar om hulp had
-gevraagd, zou zij weggezonden hebben; zieken en nooddruftigen had zij
-verzorgd. Zoodra het volk haar zag, liet het de armen slap hangen,
-die het reeds had opgeheven, om den pijl te richten, welke het hart van
-den krijgsknecht moest doorboren, die 't wagen durfde, op den trans te
-verschijnen. "Ik ben altijd goed voor u geweest," zeide zij. "Welnu,
-veroorloof mij een vrijen uittocht en sta mij toe, zooveel van mijn
-kostbaarheden mede te nemen als ik op mijn schouders kan dragen." "Dat
-is u toegestaan," riep men haar toe.--De poort gaat open, en daaruit
-komt de burchtvrouw, die op haar schouders torst.... Wat denkt gij?"
-
-"Wel, haar juweelen en beste kleederen," zeide Karel.
-
-"Neen--haar snooden echtgenoot, den wreeden burchtheer," hervatte
-Frits. "En haar daad was des te mooier, daar de wreedaard ook voor
-haar steeds een tiran geweest was."
-
-"En wat deed het volk nu?" vroeg Peter.
-
-"'t Was getroffen door die edele daad en liet den burchtheer vrij;
-maar het kasteel werd vernield."
-
-"Kom, dat is nooit gebeurd!" riep Karel Schimmel uit. "Hoe zou een
-zwakke vrouw zoo'n grooten kerel hebben kunnen dragen!"
-
-"Nu, de vrouwen van Weinsberg hebben het toch ook wel gedaan,"
-verzekerde Frits.
-
-"Ik geloof het wèl," zeide Jacob Poot. "Ik ten minste zou geen vrouw
-willen hebben, die niet hetzelfde voor mij zou doen."
-
-"Ik zou haar beklagen, Jacob," antwoordde Peter lachend, "indien zij
-zulk een vracht moest dragen als jij bent. Drie man zouden werk hebben
-om je voort te sjouwen."
-
-"Nu dan, 't zou mij genoeg zijn, als zij 't wilde doen," hervatte
-Jacob.
-
-"Dus zou je den wil voor de daad nemen?" vroeg Peter. "Doch wie weet
-er nog een historie, Haarlem betreffende?"
-
-"Meen je van het beleg?" zeide Lodewijk.
-
-"O, neen, daar hebben we in het boekje van Andriessen [6] reeds
-zooveel van gelezen, dat het voor ons geen nieuws meer is."
-
-"Ik weet nog iets, dat ik eens in een boek gelezen heb," zeide
-Jacob. "'t Is een heel mooie historie."
-
-"Nu vertel dan!" riepen allen te gelijk.
-
-"Goed, maar dan moeten we nog wat zachter rijden," antwoordde de
-dikkerd. "Anders kan ik onmogelijk vertellen."
-
-"Best," antwoordde Peter. "Jongens! Wat meer piano aan."
-
-"Jaren geleden woonde in Haarlem een blondharige knaap, wiens vader
-den post van sluiswachter vervulde. Op zekeren schoonen namiddag in
-den herfst nu, toen het knaapje omtrent acht jaren oud was, kreeg
-hij verlof van zijn ouders om pannekoeken te brengen aan een blinden
-grijsaard, die in den polder woonde aan den kant van den dijk. Het
-knaapje bracht een uur bij zijn dankbaren ouden vriend door en ging,
-nadat hij afscheid van hem genomen had, vroolijk naar huis terug.
-
-"Terwijl hij zoo over den dijk ging, bemerkte hij, hoezeer het water
-daar langs gezwollen was, en dacht hij aan de stevige sluisdeuren van
-zijn vader en hoe boos het water op dezen moest zijn, dat hij het zoo
-tegenhield. O, als het eens losbrak en den dijk vernielde of de sluizen
-doorbrak, en dat schoone vruchtbare land overstroomde; hoe zou 't dan
-met vader of moeder gaan? Vreeselijk zou het dan wraak nemen op zijn
-vader, die het zoo lang in toom had gehouden. Nu eens hield hij stil,
-om een paar bloempjes te plukken, die daar in het wild groeiden, dan
-weder plukte hij een kaars, die hij in de lucht blies, dan bleef hij
-stilstaan, om nog eens terug te zien naar het hutje van zijn ouden
-vriend, waarvan de glazen gloeiden in het rood der ondergaande zon,
-alsof het in lichtelaaie stond.
-
-"Eensklaps bemerkte ons knaapje tot zijn verdriet, dat hij zich te lang
-had opgehouden en dat de zon op het punt was van onder te gaan. Hij
-was nog een heel eind van huis verwijderd en reeds werden de blauwe
-bloempjes op den dijk grauw en zag hij, dat zijn lange schaduw niet
-meer op het gras viel. Hij verhaastte dus zijn stap, om gauwer thuis
-te zijn. Op eens echter bleef hij weder staan, daar hij iets gehoord
-had, dat hem het bloed in de aderen deed stollen. 't Was het geluid
-van neersijpelend water. Waar kwam dat vandaan? Hij onderzocht het en
-zag een klein gat in den dijk, waardoor het water als door een smal
-gootje liep. Men moest het kind van een sluiswachter zijn, om te weten,
-wat er in dat woord lag opgesloten: een gat in den dijk! Als het water
-bleef doorsijpelen, dan zou het gat grooter en grooter worden en een
-vreeselijke overstrooming ten gevolge hebben.
-
-"Dadelijk begreep de achtjarige knaap wat hem te doen stond. Hij
-wierp zijn bloemen weg en klom van den eenen steen op den anderen,
-totdat hij aan het gaatje kwam. Bijna onwillekeurig stopte hij er zijn
-vingertje in. Het sijpelen hield op. "Ha!" riep hij met kinderlijke
-vroolijkheid uit. "Dat booze water kan er nu niet door. Haarlem zal
-niet overstroomd worden, zoolang ik hier ben."
-
-"Dit ging in 't eerst wel goed; maar de nacht viel al meer en meer,
-er kwam een vochtige damp op. Onze kleine held begon van koude en
-angst te beven. Hij schreeuwde luid: "Komt hier, komt hier!" maar
-niemand kwam. Hij werd hoe langer hoe kouder, een verstijving,
-beginnende met zijn vinger en voortgaande over zijn hand en arm,
-maakte dat hij spoedig pijn over zijn gansche lichaam voelde. Hij
-riep nogmaals: "zal er dan niemand komen? Moeder! Moeder!" Helaas,
-zijn moeder, zijn goede lieve moeder, had de deur reeds gesloten en
-besloten, haar zoon morgen braaf te beknorren, omdat hij den nacht
-bij den ouden blindeman was gebleven. Hij wilde fluiten--misschien
-zou de een of andere rondzwervende knaap het teeken hooren, maar zijn
-tanden klapperden zoo, dat het hem niet doenlijk was. Toen bad hij
-God om hulp en nam het vaste besluit: "Ik wil hier tot morgen blijven."
-
-"De maan kwam op en bescheen de kleine gedaante, die daar eenzaam
-en verlaten op een steen zat, halfweg de glooiing van den dijk. Zijn
-hoofdje hing hem op de borst, doch hij sliep niet; want nu en dan wreef
-hij den uitgestrekten arm, die als vastgeketend was aan den dijk--en
-meermalen keerde zich het bleeke, betraande gelaat plotseling om,
-bij een wezenlijk of denkbeeldig geluid.
-
-"O, wat leed de knaap in dien langen en vreeselijken nacht. Hoe
-dikwijls wankelde hij in zijn voornemen, als hij aan het warme bedje
-bij zijn ouders dacht, aan zijn broertjes en zusjes, die al gerust
-sliepen, en daarbij aan den kouden treurigen nacht! Maar als hij
-zijn vinger wegtrok, dan zou het verbolgen water, dat hoe langer
-hoe toorniger werd, weer doorsijpelen, het gat zou grooter worden en
-niet tevreden zijn, vóór het de stad overstroomd had! Neen, hij zou
-het tegenhouden, tot het daglicht aankwam, indien hij ten minste zoo
-lang leefde. Hij was er niet zeker van, of dat zoo lang zou duren;
-want wat beteekende dat vreemde gesuis in zijn ooren? En was 't niet
-of hij van hoofd tot voeten met messen werd geprikt?
-
-"Met het aanbreken van den dag kwam er een geestelijke, die dien
-nacht aan het bed van een stervende gewaakt had, den dijk langs en
-meende een zacht gekerm te hooren. Hij boog zich voorover om te zien
-wat het was en zag een kind, dat van pijn in elkander kromp.
-
-"In 's Hemels naam, jongen! Wat doe je daar?" riep hij uit.
-
-"Ik houd het water tegen, dat door den dijk sijpelt," antwoordde het
-kind met flauwe stem. "Zeg, dat zij gauw komen." [7]
-
-"Ik behoef u niet te zeggen, dat er spoedig hulp kwam en dat Haarlem
-zoo door een kleinen knaap gered was," eindigde Jacob.
-
-
-
-
-
-
-
-
-ZEVENDE HOOFDSTUK.
-
-HOE GOED HET KAN ZIJN, ALS MEN IN EEN KOUDEN WINTERNACHT
-ZONDER DEK LIGT.
-
-
-Nadat Jacob Poot zijn verhaal geëindigd had, gaf de kapitein bevel om
-harder te rijden, en voort ging het langs de gladde baan als hadden
-zij de vleugels van Mercurius onder de voeten gebonden. Hoe verder
-zij van Haarlem zich verwijderden, hoe minder het ijs bevolkt was;
-doch toen zij de Piet-Gijzenbrug waren doorgereden, bemerkten zij
-door het meer en meer aanwassend aantal schaatsenrijders, dat zij
-langzamerhand Leiden naderden. Onder vroolijke gesprekken, nu eens
-twee aan twee dan tusschen drie, dan door alle zes te gelijk gevoerd,
-kwamen ze al dichter en dichter bij de stad, toen er iets gebeurde,
-dat de pret in treurigheid dreigde te veranderen. Jacob Poot, die
-zeker eenige ponden meer had mee te dragen dan zijn makkers, had
-reeds een paar malen in stilte aan zijn neef geklaagd, dat hij zoo
-moe werd, en om zijnentwil hadden de anderen ook al eens hun vaart
-ingekort. Maar zooals het gaat met jongens, die schaatsen rijden en
-nog geen vermoeienis gevoelen, zoolang zij ten minste op het ijs zijn,
-telkenmale waren zij weer vlugger aan 't rijden gegaan, toen op eens
-Frits Verdam, die zich onwillekeurig omkeerde, uitriep:
-
-"Goede Hemel! Daar gaat Jacob van zijn stokje."
-
-Bij dien kreet hielden al de jongens eensklaps op en snelden naar
-Jacob toe, die bleek en roerloos als een lijk op het harde ijs was
-neergevallen.
-
-"Jacob! Jacob! Wat scheelt je?" riep Ben in 't Engelsch.
-
-"Wat scheelt je, Jacob?" herhaalde Peter in 't Nederlandsch.
-
-"Maar, al hadden ze Sanskritsch gesproken, de arme Jacob Poot zou
-het evenmin verstaan hebben als hij het Engelsch of Nederlandsch
-deed. Peter en Karel trachtten den bezwijmde op te helpen, maar hij
-was nu nog zwaarder dan anders. Tal van menschen verzamelden zich
-om hen. De een zeide dit, de ander dat; ieder wist raad, zooals het
-trouwens altijd in zulke gevallen gebeurt.
-
-"Wrijf zijn handen," riep een vrouw op schaatsen.
-
-"Zet hem op zijn beenen," zeide een ander.
-
-"Geef hem een slok brandewijn," riep een man. "De kou zal hem bevangen
-hebben!"
-
-"Ja, ja, geef hem wat brandewijn!" riepen wel twintig stemmen te
-gelijk.
-
-"Ja, brandewijn! brandewijn," schreeuwden Peter en Karel.
-
-"Heeft niemand hier wat brandewijn?"
-
-"Maakt toch maar zoo'n leven niet, jongeheeren," zeide een dikke
-Leidenaar, die de hand in zijn jaszak stak als om er wat uit te
-halen. "Wat doet die jongen zoo mal te zijn, om flauw te vallen als
-een meissie?"
-
-"Brandewijn!" riep Lodewijk smeekend. "Anders sterft hij nog."
-
-"Hij is al dood!" zeide een van de omstanders.
-
-Benjamin lag bij zijn neef neergeknield en ondersteunde met tranen
-in de oogen diens hoofd.
-
-'t Was akelig om te zien hoe doodsbleek dat anders zoo blozende
-gelaat was en hoe pijnlijk die straks nog zoo vriendelijke en goedige
-trekken stonden.
-
-"Hier," zeide de dikke Leidenaar, die eindelijk zijn veldflesch met
-brandewijn had gevonden. "Giet hem daarvan wat tusschen de lippen."
-
-Dankbaar nam Peter de veldflesch aan en deed wat de man zeide. En
-die brandewijn deed goede uitwerking. Jacob loosde een diepen zucht,
-deed de oogen open en keek verwilderd rond. Toen hij echter Ben zag,
-die hem met tranen in de oogen aanstaarde, en zijn makkers, die rondom
-hem stonden, scheen hij te begrijpen, wat er met hem gebeurd was. Met
-behulp van Peter en Karel richtte hij zich op.
-
-"'t Was de vermoeienis," zeide hij flauw.
-
-"We moeten zien, dat we hem in een dier groote sleden krijgen, die
-hier telkens voorbijrijden," zeide Karel.
-
-Over 't algemeen is onze natie een hulpvaardig volk. Vooral vindt men
-onder de geringere burgerklasse een medelijden, dat inderdaad treffend
-is. Laat iemand op straat wat overkomen, terstond zijn er tien, twintig
-handen gereed, om hem bij te springen, al is ook de ongelukkige in
-lompen gewikkeld--en 't is aardig om te zien, hoe ieder volgaarne zich
-inspant, om toch maar te helpen of om raad te geven. Nauwelijks had
-Karel den wensch geuit, of reeds waren er drie sleden aangehouden,
-van welke een ledig en groot genoeg was, om ons zestal te bevatten:
-want zij wilden hun makker niet alleen laten--en, om u de waarheid te
-zeggen, "zij waren niet moede, behalve in hun beenen," en vonden 't
-dus niet onaardig, op zulk een gemakkelijke wijze in Leiden te komen.
-
-Zij lieten dus hun Spartaansch besluit, om Leiden op schaatsen te
-bereiken, varen, om een ander Spartaansch besluit uit te voeren, dat
-zij wel eenigszins hoog opvijzelden: "hun makker niet verlaten". Zij
-bedankten dus den dikken Leidenaar, die voor zijn brandewijn geen geld
-wilde aannemen, vriendelijk, en stapten in de slede, een kales, waarvan
-de wielen waren afgenomen en die op twee met ijzer beslagen balken
-was bevestigd. Zooals zij vernamen, had de voerman er eenige heeren
-en dames mee naar een buitenplaats gebracht en keerde hij ledig naar
-Leiden terug. Voor een gulden zou hij de knapen naar de stad brengen.
-
-"Hoe is 't nu, Jacob?" vroeg Benjamin, toen men eenige oogenblikken
-zat en de paarden in vollen draf waren.
-
-"O, veel beter," antwoordde deze met een paar oogen, zoo lodderig
-als van een kabeljauw, die op een warme stoof zijn testament maakt.
-
-"Je moet niet gaan slapen, Jacob," zei Frits. "'t Is te koud om in
-de open lucht te slapen. Je weet zelf zoo goed als ik, hoe gevaarlijk
-dat is."
-
-"Ik denk aan geen slapen," antwoordde Jacob op goedigen toon, en twee
-minuten later sliep hij als een os.
-
-Peter en Lodewijk moesten er om lachen.
-
-"We moeten wakker maken hem," zeide Ben, terwijl hij den dikkerd aan
-den arm schudde. "Jacob! Jacob!"
-
-Daar drie van de jongens Ben hielpen om Jacob wakker te schudden,
-begreep kapitein Peter, dat hij er zich mee bemoeien moest.
-
-"Laat hem slapen, jongens! Ben je mal, om hem zoo te schudden. Zóó
-snurkt men niet, als men doodvriest. Bedekt hem met iets
-warms. Koetsier," zeide hij, "geef den pijjakker eens waar je op zit,
-om dien jongeheer voor de kou te beschutten."
-
-Deze voldeed hieraan.
-
-Peter bedekte Jacob met den pijjakker.
-
-"Ziezoo," zeide hij, "laat hem nu maar slapen. Als hij wakker wordt,
-zal hij geheel en al beter zijn. Hoever zijn wij nog van Leiden?"
-
-"Een klein half uurtje," antwoordde de voerman.
-
-Toen zij Leiden's toren in 't gezicht kregen, werd Jacob wakker.
-
-"Hoe is 't nu, Jacob?" vroeg Ben.
-
-"O, ik ben weer beter, maar doodmoe," antwoordde hij.
-
-"Nu, dat zijn wij ook," zeide Frits openhartig. "Zoolang wij op
-schaatsen waren, voelden wij geen vermoeienis; maar nu wij gezeten
-hebben, voelen wij onze beenen."
-
-"Weet je een goed logement, niet te duur, koetsier?" vroeg Peter.
-
-"In "De Roode Leeuw," gaf de voerman ten antwoord. "Daar heeft men
-'t goed en ze halen je het vel niet over de ooren."
-
-"Kun je ons tot zoover brengen?"
-
-"Tot bijna voor de deur."
-
-"Goed zoo, dan zul je een fooi extra hebben."
-
-Het duurde niet lang, of de knapen stapten de slede uit en het hotel
-in, waar "De Roode Leeuw" uithing.
-
-De kastelein, een klein, dik mannetje, stond met zijn lange pijp in
-de deur van zijn logement en groette onze jonge reizigers beleefd,
-die zulk een grooten honger hadden, dat hun eerste vraag was:
-
-"Kastelein, heb je wat voor ons te eten?"
-
-"Om de heeren te dienen. Wat zullen de heeren gebruiken?"
-
-"Maak maar wat klaar," antwoordde Peter, die vrij wat in zijn schik
-was, dat zij heeren genoemd werden.
-
-"Mag ik dan den heeren maar verzoeken binnen te gaan," hernam de
-kastelein, terwijl hij de gelagkamer opendeed, waar de kachel lekker
-gloeiend stond.
-
-"Ik kan niet zeggen, dat de koetsier ons juist een fijn logement
-heeft aangewezen," zei Peter, toen de kastelein vertrokken was. "'t
-Lijkt hier wel zoo'n voermanslogies."
-
-"Wanneer wij gegeten hebben, kunnen wij hem betalen en een ander
-logement opzoeken," meende Lodewijk.
-
-"Laat ons maar hier blijven," zeide Jacob, die weinig lust gevoelde,
-om over de straatsteenen te gaan en een ander logement op te zoeken.
-
-"'t Is misschien een aardig avontuur op onzen tocht," zeide Frits.
-
-"'t Is juist niet altijd het aardigst, als men alles zoo tout-à-fait
-heeft."
-
-"Kom, laat ons dan de stemmen opnemen," zeide Peter. "Waarvoor stem
-jij, Lodewijk?"
-
-"Voor hier blijven."
-
-"Jacob Poot?"
-
-"Vóór, sterk vóór!"
-
-"Benjamin Dobbs?"
-
-"Buiten stemming."
-
-"Frits Verdam?"
-
-"Vóór!"
-
-"Karel Schimmel?"
-
-"Tegen."
-
-"En ik ben er vóór. Alzoo vier stemmen vóór, één tegen, één buiten
-stemming. Dus blijven we hier."
-
-"Uitmuntend," zei Frits. "Jammer echter, dat wij niet aan het
-spreekwoord gedacht hebben, hetwelk hier inderdaad te pas komt, dat
-men niet buiten den waard moet rekenen. Wij hebben buiten den waard
-gerekend en zullen dus eerst moeten wachten, of hij ons logeeren kan."
-
-Frits schelde.
-
-"Zeg eens, kastelein," zeide Peter. "Kunnen wij hier van nacht
-logeeren?"
-
-"Indien de heeren zich met drie bedden willen vergenoegen, dan heb
-ik een mooie kamer voor hen."
-
-Peter keek een weinig bedenkelijk en zeide:
-
-"Hoor eens, kastelein, op voorwaarde, dat we je kamer eerst eens zien
-en de bedden inspecteeren mogen."
-
-"Als de heeren eerst willen eten, dan zal mijn vrouw in dien tijd de
-bedden opmaken, antwoordde de kastelein.
-
-"Heel goed," antwoordde Peter.
-
-De kastelein vertrok met een buiging.
-
-"Daar heb je verstandig aan gedaan, Peter, dat je de conditie maaktet
-om eerst de kamer te zien en de bedden te inspecteeren," zeide Frits.
-
-"Wel zeker; al zijn we 't beter gewend, is 't niet onaardig om ons
-eens te behelpen. Maar zij moeten ons in geen smerige bedden stoppen,
-daar zou ik voor bedanken," antwoordde Peter.
-
-"En ik," hernam Frits. "Maar de waardin zal er nu wel op passen dat
-alles in orde is."
-
-Het eten was niet slecht, en de jongens deden den maaltijd
-eer aan. Koud rundvleesch, ham en warme karbonade met goede
-zandaardappelen, appelmoes en andijviesla deden zich goed smaken
-door ons zestal, dat sedert twee uren niets had genuttigd en hetwelk
-de koude lucht en de meer dan gewone inspanning geducht hongerig
-hadden gemaakt.
-
-Toen de maaltijd gedaan was, zeide Peter:
-
-"Nu ga ik dokter Broekman opzoeken.--Weet je ook, kastelein, waar
-die logeert?"
-
-"In "De Gouden Engel" op de Breestraat," antwoordde de kastelein. "Ik
-zal mijnheer iemand meegeven; anders mocht hij den weg niet vinden."
-
-"Dat is goed," antwoordde Peter. "Wie van jelui heeft lust, mij te
-vergezellen? Dan kunnen wij Leiden eens bij den avond zien."
-
-"Ik ga mee," zeide Ben. "Ik ben begeerig om te zien Leiden."
-
-"Ik blijf Jacob gezelschap houden," zeide Lodewijk.
-
-"En ik ben te lui, om nu over de straatsteenen te gaan loopen,"
-voegde Karel Schimmel er bij.
-
-"En jij, Frits?" vroeg Peter.
-
-"Wel, laat ons deelen. Drie blijven er thuis, dan gaan er drie naar
-dokter Broekman. Ik zal de derde wezen."
-
-"Zorgt dan, dat jelui ons met een kopje thee wacht," zeide
-Peter. "Schaatsenrijders zijn altijd dorstig, vooral wanneer zij zulk
-een goed middagmaal hebben genoten."
-
-"Willen de heeren niet eerst de kamer zien?" vroeg de kastelein.
-
-"Dat is waar ook," zeide Peter. "Wie gaat er mee op dien tocht?"
-
-Allen, behalve Jacob, vergezelden hem op de expeditie, die zeer wel
-ten genoegen van het vijftal afliep.
-
-Peter vertrok nu met Frits en Benjamin, onder het geleide van
-een kleinen jongen uit de herberg, die afschuwelijk plat Leidsch
-sprak en hem tot vervelens toe "menhair" noemde, maar hen toch
-goed terechtbracht. Zij vonden dokter Broekman niet in "De Gouden
-Engel". Hij was dien namiddag naar 's-Gravenhage vertrokken en zou
-eerst den volgenden dag tegen den middag terugkomen. Peter zei den
-kastelein, dat hij een brief voor den dokter zou bezorgen, dien de
-logementhouder hem beloofde, dezen terstond bij zijn aankomst ter hand
-te zullen stellen, wandelde met zijn makkers de Breestraat op en keerde
-daarna in "De Roode Leeuw" terug, waar Jacob een tukje zat te doen
-en de beide anderen hen met een lekker kopje thee zaten te wachten.
-
-Intusschen waren onze drie jongelieden niet meer de eenigen, die zich
-in de gelagkamer bevonden. Er waren twee mannen gekomen, blijkbaar
-voerlieden, hetgeen men bemerkte aan de lange zweepen, die tegen
-den schoorsteenmantel stonden. Peter kon niet zeggen, dat hij dit
-gezelschap heel pleizierig vond, en hij zag wel aan het gelaat van
-zijn makkers, dat zij er ook zoo over dachten. Frits Verdam, die
-bij een boekverkooper op de Breestraat een plaat gezien had, waarop
-eenige struikroovers bezig waren, een reisgezelschap uit te plunderen,
-fluisterde Peter in het oor: "Die eene kerel lijkt net op den roover,
-die op de Breestraat de arme dame het pistool op de borst zette." Karel
-Schimmel, die dat hoorde, keek angstig naar den hoek van den haard,
-waar de mannen half zaten te slapen. En inderdaad, een van de beide
-nieuw aangekomenen had wel iets in zich, om vrees te boezemen. Naar
-het scheen was hij de knecht van den andere, die een rond, vriendelijk
-gelaat had en dapper snurkte. Of hij echter werkelijk sliep, dan of hij
-zijn loerende oogen tusschenbeide op de welgekleede knapen wierp, durf
-ik niet verzekeren; wel, dat zijn verwilderd haar, zijn ongeschoren
-baard, zijn mager beenig gelaat, gevoegd bij zijn haveloozen pijjakker,
-zijn gelapte broek en smerige klompen, bijzonder geschikt waren, de
-vroolijke gesprekken der knapen te doen verstommen, zoodat zij op
-'t laatst bijna fluisterend spraken. Gelukkig dat beiden, na een
-drietal glazen jenever gedronken, een paar pijpen stinkende tabak
-gerookt en hun avondeten gebruikt te hebben, den kastelein bevalen,
-hun hun slaapplaats te wijzen, en met hem de gelagkamer verlieten.
-
-"Goddank, dat zij weg zijn!" riep Karel Schimmel uit, toen de deur
-achter hen dicht ging. "Als 't zoo laat niet was en wij hadden
-ons logies niet reeds betaald, dan zou ik er wel vóór zijn, om een
-ander logement op te zoeken. Die eene kerel is in staat, ons allen
-te vermoorden."
-
-"Ik zou je bedanken," zeide Jacob, die zijn laarzen sedert lang had
-uitgetrokken en een paar pantoffels aangeschoten, welke hij van de
-dochter van den kastelein geleend had. "Ik ben waarlijk reeds blij,
-dat ik niet verder dan van hier naar onze slaapkamer behoef te gaan,
-en er dan nu nog op uit te snijden, om een logement te zoeken! Ik ben
-zoo bang niet voor dien man. Hij is misschien niet zoo kwaad als hij
-er wel uitziet."
-
-"We moesten den kastelein, dunkt mij, maar zeggen, dat hij het
-avondeten op tafel zet," zeide Peter, "ofschoon ik er niet veel van
-gebruiken zal: want ik heb van middag copieus gegeten."
-
-"Ja, dat is goed," zeide Jacob. "Ik begin mooi slaap te krijgen en
-naar bed te verlangen."
-
-"Jij slaap te krijgen!" riep Frits lachend uit. "Je hebt den ganschen
-dag nog niets anders gedaan dan slapen. 't Is jammer, dat de tijd der
-toovernimfen over is; anders kon je naar de schoone slaapster in het
-bosch gaan en honderd jaren lang slapen."
-
-"En dan zou ik wel de prins willen zijn, die in het bosch jaagde,"
-zeide Frits.
-
-"Om onzen dikken vrind wakker te maken," schertste Lodewijk. "Waarlijk,
-daar zou niet veel eer aan te behalen zijn."
-
-"Neen, om de schoone prinses te doen ontwaken (want er moest natuurlijk
-een schoone prinses bij zijn) en dan met haar te trouwen."
-
-"Ei, ei, je bent ook niet mal!" riep Lodewijk lachend uit. "'t Is
-maar jammer, dat er op Broek geen andere prinsessen zijn dan Hilda
-en Truida."
-
-"Of Kato," voegde Peter er bij. "Maar daar komt de kastelein.--Wees
-zoo goed, ons avondeten klaar te zetten, hospes!" zeide hij tot dezen.
-
-Onder vroolijke gesprekken ging de avondmaaltijd voorbij, en, ofschoon
-Peter niet veel honger had, deed hij dien toch tamelijk eer aan.
-
-Onze knapen bleven, na het gebruik van het avondeten, niet lang
-meer zitten, maar lieten zich, zoodra zij gedaan hadden, naar hun
-slaapkamer brengen. Het was gansch geen vriendelijk vertrek, waar
-zij hun nachtverblijf zouden houden; een donker, smerig behangsel
-en een houten, lichtbruin geverfde vloer, terwijl de neteldoeksche
-gordijnen voor de ramen met kleine vuile ruiten, die het licht der
-maan, welke zoo pas opgekomen was, doorlieten, het kille van het
-vertrek nog kouder maakten. Maar onze jongens hadden te veel slaap,
-om zich lang uit te kleeden. Het duurde dan ook niet lang, of Peter,
-die 't laatst was opgebleven, deed den domper op zijn kaars en stapte
-in zijn bed, waarin Jacob zich reeds lekker in de dekens gerold had.
-
-"Nacht, jongens!" zeide de kapitein, toen hij in het bed stapte.
-
-Slechts vier stemmen antwoordden--Jacob alleen gaf antwoord door
-zijn snurken.
-
-"Hoort eens, jongens," zeide Karel, die naast Lodewijk lag. "Je moogt
-wel niet snurken: want Lodewijk ligt al te beven van angst."
-
-"Ja, van kou; ik zou niet weten, waarvoor ik bang zou zijn."
-
-"Hou je nu maar goed, man," antwoordde Karel. "Ik weet toch, dat je
-benauwd bent voor dien roover van hedenavond."
-
-"Nu, dan ben ik maar bang. Gelukkig, dat ik achteraan lig. Als hij
-ons dan vermoorden wil, pakt hij jou 't eerst bij de keel."
-
-"Slapen gaan, jongens!" riep de kapitein. "We moeten morgen niet te
-laat op. Goeden nacht dus!"
-
-Om de waarheid te zeggen, had Lodewijk te veel slaap om te disputeeren,
-en het duurde niet veel langer dan vijf minuten, of men hoorde uit
-de drie ledikanten slechts het gesnurk der schaatsenrijders.
-
-
-
-'t Was in 't holst van den nacht. De maan scheen helder op den vloer
-der kamer, op welken zich iets zwarts bewoog, dat de jongens geen van
-allen vermoedden of zagen. Slapende jongens denken aan geen gevaar. De
-dikke Jacob had zich intusschen al eens in zijn slaap omgedraaid en,
-ongelukkig voor Peter, juist naar die zijde, dat hij zich als een
-Egyptische mummie in de dekens rolde en daardoor het deel, dat zijn
-buurman in het dek toekwam, met zich nam. De mummie lag nu warm en
-wel naast den bevrozen Peter, die natuurlijk in zijn droom uit al
-zijn macht over de ontoegankelijkste ijsbergen schaatsen reed.
-
-Zooals ik u reeds zeide, bewoog zich in het maanlicht een zwarte
-gedaante over den bruin geverfden vloer--langzaam en behoedzaam als
-een tijger, die zijn prooi beloert.
-
-"Word toch wakker, Lodewijk! Dat is de roover, voor wien Karel zeide,
-dat gij bang waart."
-
-Maar Lodewijk wordt niet wakker.--Hij snurkte, alsof hij nooit wakker
-moest worden.
-
-Hoort Karel 't dan niet? Die dappere Karel, die zooveel pleizier had,
-omdat hij meende, dat Lodewijk bang was?
-
-Wel neen, Karel droomt van de hardrijderij.
-
-En Jacob, Frits of Ben?
-
-Ook zij hooren 't niet. Ook zij droomen van den wedloop. Kato
-zingt in hun droomen en Truida is boos, omdat Griete zal meedoen,
-en Ben hoort het groote orgel weer spelen, waarop de dikke Jacob als
-organist ageert.
-
-En toch beweegt de zwarte gedaante zich, langzaam, behoedzaam, al
-nader en nader.
-
-Peter! Kapitein Peter! Word toch wakker! Daar is gevaar!
-
-
-
-Peter hoort ons roepen niet. Maar in zijn droom glijdt hij eensklaps
-van een ijsberg van ruim duizend voet in de diepte en wordt wakker
-door den schok.
-
-Brr! Wat is dat koud! Hij trekt met wanhopige kracht aan de
-mummie. Tevergeefs. Laken, katoenen sprei en wollen deken, alles is
-als een muur om Jacob's dikke en slapende gestalte gewikkeld. Peter
-werpt een treurigen blik naar het door het maanlicht beschenen venster,
-daarna op den vloer.
-
-"Heldere maneschijn!" denkt hij. "We zullen morgen mooi weer hebben
-op onze reis naar Den Haag. Sakkerloot! Wat is dat?"
-
-Hij ziet de zwarte gedaante, die zich over den vloer beweegt of
-liever nu stilhoudt; want toen Peter zich bewoog, was zij onbeweeglijk
-gebleven.
-
-Peter houdt zich doodstil en staart onafgewend op de donkere gedaante.
-
-Weder beweegt zij zich, al nader en nader. Door het maanlicht kan de
-knaap haar duidelijk onderscheiden.
-
-'t Is een man, die op handen en voeten kruipt.
-
-De kapitein wil een luid geschreeuw aanheffen; doch hij bedenkt
-zich bijtijds.
-
-De kerel heeft een blinkend mes in de hand. Dat is een leelijke zaak;
-maar onze Peter verliest zijn tegenwoordigheid van geest niet. Als
-de vent zijn hoofd naar hen wendt, heeft hij de oogen gesloten; maar
-zoodra hij gevoelt, dat hij niet bespied wordt, is zijn blik scherp
-op elke beweging van den kruipende gericht.
-
-Al dichter en dichter kruipt de dief naar het bed, waarop Jacob
-en Peter liggen. Op 't oogenblik is zijn rug naar den kapitein
-gericht. Zachtkens legt hij het mes op den vloer neder en strekt zijn
-arm behoedzaam uit, om de kleeren van den stoel bij Peter's bed naar
-zich toe te trekken.
-
-Nu is 't Peter's tijd. Terwijl hij zijn adem inhoudt, springt hij
-op en werpt zich op den rug des roovers, die door het onverwachte
-en geweldige van den sprong voorover op den grond neervalt. Te
-gelijk grijpt hij het mes van den kerel, dat op den grond ligt. De
-roover begint tegen te worstelen, maar als een reus zit Peter op de
-neergestreken gedaante.
-
-"Als je 't hart hebt, je te bewegen, schoelje," zegt de dappere
-jongen met zulk een barsche stem, als hij maar kon voortbrengen,
-"als je je maar een duim verroert, dan steek ik je het mes in je
-nek. Jongens! jongens! wordt wakker!" riep hij, terwijl hij den
-zwarten kop naar de laagte drukte en het scherpe mes vlak op den nek
-des roovers hield. "Helpt een handje! Ik heb den kerel! Ik heb hem!"
-
-De mummie keerde zich om, maar gaf geen ander teeken van leven.
-
-"Op, jongens!" schreeuwde Peter nog luider, terwijl hij
-den kerel, die begon te worstelen, met zijn mes in den nek
-prikte. "Lodewijk! Karel! Frits! Ben! Jacob! Ben je dan allemaal dood?"
-
-Dood! dat waren ze in 't geheel niet.
-
-Frits en Ben waren reeds uit het bed gesprongen.
-
-"Wat schreeuw je toch?" riep Frits. "'t Is of het huis in brand staat."
-
-"Wel, ik heb hier een roover gevangen," zeide Peter koel. "Lig stil,
-schurk of het mes gaat er in!--Jelui ledikant is met een touw aan
-elkander gebonden. Haalt dat er af, om den schelm te binden. Doe 't
-maar op je dooie gemak; want als de kerel het hart heeft, om spul te
-maken, is hij een kind des doods."
-
-Dat Peter zoo kordaat was, kwam, omdat hij gevoelde, dat hij, met dat
-mes in zijn hand, voor den kerel op 't oogenblik meer dan duizend pond
-woog. De vent bromde en vloekte, maar bewegen durfde hij zich niet.
-
-Op dit oogenblik sprong ook Lodewijk uit zijn bed. Hij had een ferm
-knipmes in zijn broekzak. Dat kon nu goeden dienst doen. In een
-oogenblik waren de gordijnen van het ledikant omhooggeslagen en zagen
-zij het touw, dat van voren en van achteren aangeknoopt was.
-
-"Ik zal het lossnijden," zeide Lodewijk, terwijl hij met zijn mes
-den knoop doorzaagde. "Hou hem maar goed vast, Peter!"
-
-"Heb daar maar geen vrees voor," antwoordde de kapitein, terwijl hij
-den roover de punt van zijn mes liet voelen.
-
-'t Duurde niet lang, of het touw was van het ledikant; het was een
-mooi lang eind.
-
-"Nu, jongens!" beval de kapitein. "Licht nu de armen van den schurk
-op. Bindt hem de handen op den rug. Zoo is 't goed--neemt mij niet
-kwalijk, dat ik zoo in den weg zit--bindt hem maar stevig vast."
-
-"Ja, en zijn voeten ook, den schurk!" riep Lodewijk. En zij bonden
-hem zóó stevig, dat de kerel van pijn kermde.
-
-Thans veranderde de man van toon.
-
-"Ach, lieve jongeheeren!" smeekte hij. "Spaart toch een armen,
-kranken man, die een slaapwandelaar is."
-
-"Zoo, mannetje!" zei Frits, die nog bezig was om een knoop in het
-koord aan 's mans been te leggen. "Was je in slaap? Nu, dan zullen
-we je wel wakker maken."
-
-De kerel mompelde een paar voermansvloeken; toen riep hij
-op deerniswekkenden toon: "Maakt die touwen los, lieve, beste
-jongeheeren! Ik heb vijf kleine kinderen thuis. Bij al wat heilig is,
-ik zal u ieder vier rijksdaalders geven, als gij mij loslaat!
-
-"Niet onaardig," riep Peter lachend uit.
-
-Toen begon de kerel te dreigen en wel zóó verschrikkelijk, dat Lodewijk
-er bang voor werd. Maar zij bleven hem toch maar dapper binden.
-
-"Houd je mond, mijnheer de huisbreker," zeide Frits. "Bedenk, dat
-je mes vlak op je hals is. Als je onzen kapitein zenuwachtig maakt,
-dan sta ik er niet voor in, wat er gebeuren kan."
-
-'t Scheen, dat de roover die bedreiging ter harte nam; hij zweeg
-ten minste.
-
-Juist op het oogenblik bewoog zich de mummie in Peter's bed en richtte
-hij zich op. "Wat voer jelui toch uit?" riep hij, zonder zijn oogen
-open te doen.
-
-"Wat we uitvoeren, Jacob?" zeide Lodewijk. "Kom, sta op! Daar is werk
-voor je aan den winkel. Ga jij eens op den rug van dien kerel zitten,
-totdat wij onze kleederen hebben aangeschoten; want we bevriezen
-bijna van de kou."
-
-"Welken kerel?"
-
-"Leve Poot!" riepen de jongens, toen de dikzak met dek en al het bed
-uitkwam, met een enkelen blik de zaken overzag en nu met zijn zware
-lichaam naast Peter op den rug des roovers ging zitten.
-
-Nu eerst kermde de kerel terdeeg.
-
-"Ziezoo, blijf jij nu maar op hem zitten," zei Peter.
-
-"Je zult toch geen kou vatten met je dekens om 't lijf. Intusschen zal
-ik mij aankleeden en met Frits naar de politie gaan. Sakkerloot! Ik
-ben zoo koud als een visch geworden."
-
-"Waar is Karel?" vroeg Lodewijk, die zijn slaapkameraad miste.
-
-Allen keken rond--Karel was nergens te zien.
-
-"Lieve Hemel!" riep Frits. "Misschien heeft hij den kerel op de trap
-ontmoet en heeft die hem doodgestoken. Er was toch geen bloed aan
-het mes?"
-
-"Hij lag nog in het bed, toen ik er uitsprong," zei Lodewijk.
-
-"Maak je maar niet ongerust over hem," zeide Peter lachend, terwijl
-hij zijn dikken pijjakker vastknoopte. "Kijk maar eens onder de
-ledikanten."
-
-Dit deden zij; maar Karel was er niet.
-
-Op dit oogenblik hoorden zij een beweging op de trap en een paar
-seconden later kwam de waard, gewapend met een zwaren ijzeren
-pook. Zijn dochter volgde hem met de blaaspijp in de eene hand en
-een brandende kaars in de andere, en daarachter--zoo bleek als een
-doode en met het angstigste gezicht, dat men zich kan voorstellen--de
-dappere Karel in zijn hemd.
-
-"Daar is de kerel al, kastelein," zeide Peter, terwijl hij op den
-gevangene wees.
-
-De kastelein hief zijn pook op om den kerel een slag te geven en
-de dochter gaf een gil, terwijl Jacob, vlugger dan men van hem zou
-verwacht hebben, van den rug des gevangenen afsprong.
-
-"Sla hem niet," zeide Peter. "Hij is aan handen en voeten
-gebonden. Laat ons hem op den rug draaien en zien, wie hij is."
-
-Karel stapte moedig voorwaarts en zeide op dapperen toon:
-
-"Ja, laat ons hem omdraaien, of 't hem bevalt of niet. Gelukkig,
-dat we hem gesnapt hebben."
-
-"Hé, ben jij daar, Karel? zeide Lodewijk spottend. "Waar heb je toch
-gezeten, man?"
-
-"Waar ik gezeten heb? Wel, ik heb alarm gemaakt. Mij dunkt, dat dit
-noodig was."
-
-De jongens keken elkander glimlachend aan; maar zij waren veel te
-blij en te opgewonden, om Karel verder te plagen. Karel was moedig
-genoeg. Hij hielp dapper mede aan het omkeeren van den kerel.
-
-Toen de roover nu met het gezicht naar boven lag, nam Lodewijk de
-kaars uit de hand van het meisje en hield die vlak bij het gelaat
-van den gevangene.
-
-"Nu moet ik hem toch eens goed zien," zeide hij. "Inderdaad--het is
-de kerel, die van avond achter de kachel zat."
-
-"Waarlijk, hij is het!" zeide Peter.
-
-Intusschen was de dochter van den kastelein de kamer uitgegaan. Zij
-kwam een oogenblik daarna weer binnen met een paar smerige klompen.
-
-"Kijk, vader," zeide zij, "'t is dezelfde kerel, die van avond zoo
-laat met zijn baas hier kwam. 't Was heel onvoorzichtig van ons,
-dat wij hem zoo dicht bij de jongeheeren lieten slapen."
-
-"Die schurk!" kreet de kastelein. "Hij heeft mijn logement in
-miskrediet gebracht. Ik ga terstond om de politie."
-
-In minder dan een kwartier waren er twee stevige nachtwachts in de
-kamer. Nadat zij den kastelein gezegd hadden, dat hij den volgenden
-morgen vroeg met de zes jongeheeren op het politiebureau moest komen,
-om hun getuigenis af te leggen, gingen zij met den gevangene heen.
-
-Nu zoudt gij misschien denken, dat de kapitein en zijn volk het
-verdere van dien nacht geen oog meer loken. Dat weten mijn lezers wel
-beter. Het kruid is nog niet uitgevonden, dat een jongen, die een goed
-geweten heeft en vermoeid is, kan beletten om te slapen. 't Duurde niet
-lang of zij waren allen te bed (dat van Lodewijk en Karel, waarvan
-de onderlagen waren losgeschoten, lag op den vloer), hadden roover,
-politie, wedloop, alles vergeten en sliepen allen behalve Karel,
-die 't maar niet kon vergeten, dat hij zich zoo laf had aangesteld,
-doch ook spoedig het voorbeeld der anderen volgde en in slaap viel.
-
-
-
-
-
-
-
-
-ACHTSTE HOOFDSTUK.
-
-WAT ONZE KNAPEN AL ZOO IN LEIDEN ZAGEN.
-
-
-'t Was tien uren, vóór ons zestal den volgenden morgen beneden kwam.
-
-"Laat hen maar slapen," had de dochter van den kastelein tegen haar
-vader gezegd. "De moedige jongens mogen hun rust wel hebben na de
-vermoeienissen van gisteren en den schrik van dezen nacht. En als
-zij beneden komen, zullen zij een goed ontbijt hebben--daar kunnen
-zij op rekenen. En wat warms ook."
-
-Nu, zij hadden dan ook ruimschoots gebruik van de gelegenheid tot
-slapen gemaakt en gevoelden zich recht verfrischt, ja, zelfs Jacob
-Poot kon niet begrijpen, dat hij den vorigen dag een tocht van Broek
-naar Leiden had gemaakt. Over 't geheel konden de jongens zich niet
-voorstellen, dat zij gisterochtend nog in het hartje van Noord-Holland
-waren; er was dan ook zóóveel gebeurd, dat het hun was, als waren
-zij reeds een week op reis geweest.
-
-"Goeden morgen, heeren!" zeide de kastelein, toen zij beneden
-kwamen. "Nu, dat noem ik een gat in den dag slapen. Maar
-'t is de schuld van mijn Betje. Zij wilde niet, dat Gerrit u
-riep. Intusschen--gaat nu maar spoedig aan het ontbijt, en, als gij
-daarmede klaar zijt, dan gaan we naar het politiebureau: want het is
-hoog tijd, om ons daar heen te begeven.--'t Is waarachtig een mooi
-geval voor een fatsoenlijk logement. Gij zult echter wel naar waarheid
-getuigen, heeren, dat gij goed logies en fatsoenlijke behandeling in
-"De Roode Leeuw" gehad hebt, niet waar?"
-
-"Dat zullen wij," antwoordde Karel. "En tevens, welk aangenaam
-gezelschap wij er gevonden hebben ook. Jammer dat het op zoo'n
-ongelegen uur kwam."
-
-De kastelein keek mooi beteuterd toen Karel dat zoo zeide; maar zijn
-dochter nam het woord en voegde er tamelijk scherp bij:
-
-"Zoo aangenaam was 't u toch niet, jongeheer, als ik bedenk, hoe hard
-en in welk toilet gij zijt weggeloopen."
-
-Karel Schimmel beet zich op de lippen en mompelde iets, dat niemand
-verstond; maar hij wachtte zich wel, een woord meer te zeggen.
-
-Na het ontbijt wandelden onze zes jongens, in gezelschap van den
-kastelein en zijn dochter, naar het bureau van politie. De getuigenis
-van den kastelein kwam hierop neer, dat een roover, zooals er den
-afgeloopen nacht een in de kamer zijner loges was binnengedrongen,
-een ongehoorde zaak voor "De Roode Leeuw" was; dat zijn logement een
-respectabel logement was, zoo goed als een in Leiden tusschen zijn
-vier muren stond. Ieder van de jongens legde op zijn beurt getuigenis
-af en bevestigde, dat de kerel, die werd voorgebracht, dezelfde was,
-die dezen nacht op hun kamer was geweest. Toen Karel hem zag, sloeg hij
-de handen ineen, dat de man niet grooter was dan een gewoon mensch;
-want in zijn getuigenis had hij een reus van hem gemaakt met breede
-schouders en een vreeselijk uitzicht. Jacob had getuigd, dat hij wakker
-geworden was door het stampen, dat de roover deed op den houten vloer;
-maar Peter en de overigen hadden medegedeeld, dat de kerel geen vin
-verroerd had van het oogenblik, dat hij de punt van het mes op zijn
-nek voelde, totdat men hem had omgekeerd, om hem van aangezicht tot
-aangezicht te zien. De dochter van den kastelein dwong den commissaris
-een glimlach en een der knapen een blos af, toen zij verklaarde,
-dat, als die knappe jongeheer er niet geweest was, zij allen in hun
-bed zouden zijn vermoord geworden: "want de schurk had een groot,
-blinkend mes, bijna zoo lang als uwés arm," en zij geloofde, dat "de
-knappe jongeheer werk genoeg had gehad om hem onder zich te krijgen;
-maar de jongeheer was te zedig, om er zich op te beroemen."
-
-Nadat er proces-verbaal was opgemaakt van het getuigenverhoor en dit
-door den kastelein en zijn dochter, als de eenige mondige getuigen,
-was onderteekend, werd de schuldige weggebracht en konden onze knapen
-naar huis gaan.
-
-"De schurk!" riep Karel. "'t Is ferm, dat hij naar de gevangenis
-gaat. Ze moeten hem maar een jaar of wat geven. Als ik in jouw plaats
-geweest was, Peter, zou ik den kerel het mes door den hals gejaagd
-hebben."
-
-"Gelukkig, dat hij dan niet in jouw handen gevallen is, Karel,"
-antwoordde Peter kalm. "Die arme kerel zal er waarschijnlijk slecht
-genoeg afkomen, daar 't mij uit het verhoor is gebleken, dat hij al
-vroeger in handen der justitie is geweest, en de omstandigheid, dat
-hij van nacht een mes bij zich gehad heeft, nogal verzwarend schijnt
-te wezen."
-
-"Arme kerel!" mompelde Karel luid genoeg, om door Peter verstaan te
-worden. "Je praat er warempel over alsof 't je broer was."
-
-"Is hij dan mijn broer niet?" vroeg Peter. "Hij is 't net zoo
-goed van jou als van mij. En kun jij zeggen wat wij onder gelijke
-omstandigheden zouden gedaan hebben? Schier van onze geboorte af aan,
-hebben onze ouders ons van het kwade teruggehouden. Was die man in
-een goed huisgezin en door zorgvuldige ouders opgevoed, wie weet,
-welk een braaf mensch er van hem geworden was."
-
-"Dat is nobel van je gesproken, Piet," zeide Frits Verdam, terwijl
-hij hem de hand drukte. "Maar Karel heeft het zoo kwaad niet gemeend."
-
-"Ik was hardvochtig," zeide Karel, terwijl hij Peter de hand
-reikte. "Je bent beter dan ik, Piet!"
-
-"Kom, laat ons daar maar niet over twisten. Waar zullen we 't eerst
-heengaan? Laat Ben dat nu eens beslissen."
-
-"Naar het Egyptian museum," antwoordde deze.
-
-"Dat is op de Breestraat," zeide Peter. "Dan gaan wij de ruïne over."
-
-"De ruïne? Wat is dat?" vroeg Ben, die niets anders dacht, dan dat
-hij een steenklomp zou zien, zooals bijvoorbeeld de ruïne van het
-huis te Brederode.
-
-"Daar heb je haar reeds," zeide Jacob, toen zij een prachtig met
-boomen beplant en tot wandelplaats ingericht plein overgingen.
-
-"Maar dat in 't geheel niet doet gelijken op een ruïne," zeide Ben
-met een gezicht, als meende hij, dat zijn neef hem voor den gek hield.
-
-"En toch is de naam zeer juist. Want hier en aan den overkant der
-gracht, stonden, in den morgen van den 12den Januari 1807, tal van
-huizen die alle in een enkel oogenblik tot puin vielen," antwoordde
-Peter. "Papa was toen juist in Leiden en hij heeft het mij dikwijls
-verteld."
-
-"Hé, dan moest je 't ook eens vertellen," zeiden de andere
-jongens. "Dat zou aardig wezen, net dat we op de plaats zelf zijn."
-
-"Met veel genoegen," hervatte Peter. "Weet dan, dat hier, evenals
-op het andere gedeelte van het Rapenburg tal van aanzienlijke huizen
-stonden met geringere buurten er achter."
-
-"Daar kunnen er nogal wat gestaan hebben," merkte Frits op. "'t Is
-hier een ruimte."
-
-"Zoo wat van driehonderd, en de ledige oppervlakte is ver over de vijf
-bunders groot," hernam Peter. "Nu was er, door welke onvoorzichtigheid
-weet ik niet, een schip met veertig duizend pond buskruit op den morgen
-van den 12den Januari door de stad gekomen en hier op het fraaiste
-gedeelte blijven liggen--ook al een ongehoorde zaak. Eensklaps--door
-welke oorzaak weet natuurlijk niemand--barst het schip met een
-donderenden slag uiteen en storten door de plotselinge uitzetting
-der lucht, drie honderd huizen in puin."
-
-"Vreeselijk!" riep Ben uit.
-
-"Ja, wèl vreeselijk. In geheel Leiden zelf bleef er geen glas heel,
-en 't was zelfs zóó erg, dat men uit Den Haag en andere plaatsen
-brood moest aanvoeren, omdat de Leidsche bakkers niet konden bakken,
-daar al hun meel vol glas zat. De slag deed in 's-Gravenhage en Gouda
-de glazen dreunen en de deuren openspringen en werd zelfs te Arnhem
-gehoord. Maar ook hier toonde zich de Nederlandsche weldadigheid weder
-schitterend: meer dan een millioen guldens werd er ingezameld tot
-leniging van de ramp. En wat ik niet mag verzwijgen, Ben, en wat je
-zeker machtig veel pleizier zal doen als je 't hoort: in Engeland,
-dat te dien tijde met ons in zekeren zin in oorlog was, werd een
-collecte voor Leiden gedaan, die vrij wat opbracht."
-
-Ben's gelaat blonk van genoegen over de lofspraak, die Peter aan zijn
-volk bracht; want onder de deugden der Engelsche natie is er een, die
-zij somtijds zóó ver drijft, dat het een ondeugd wordt: nationaliteit.
-
-"En heeft je papa je geen bijzonderheden van die ramp verteld?" vroeg
-Frits.
-
-"O ja, en ik wil er je wel een paar van meedeelen, die ik nog onthouden
-heb, als ik de namen nog maar weet," antwoordde Peter. "Zekere
-mijnheer Van Staveren, bij wien papa dikwijls aan huis kwam, zat in
-zijn woonvertrek te schrijven, terwijl zijn vrouw met haar eenig
-kindje bij hem in de kamer was. Eensklaps ziet papa's vriend een
-licht, sneller dan dat van den bliksem, en op hetzelfde oogenblik
-is hij met al zijn huisgenooten onder het puin bedolven. Vreeselijk
-gekwetst worden zij er onder vandaan gehaald; doch het arme kind
-is verpletterd. Dominee Broes, bij wien papa op de catechisatie
-ging, en diens echtgenoote werden ook onder de puinhoopen van hun
-huis begraven: zij werden gered, maar hun dienstboden verloren het
-leven. Gelukkig, dat de departementale school juist uit was; anders
-had een menigte schoolkinderen het aantal slachtoffers aanzienlijk
-vermeerderd. Toch waren er nog een twaalftal die tusschen de morgen- en
-middagschooltijden overbleven, onder wie een zoontje van professor Van
-der Palm. Al die twaalf kinderen, benevens twee van den onderwijzer
-zelf, werden levenloos onder het puin vandaan gehaald. Onder de
-vreeselijke gevallen, welke papa zich nog herinnert, is ook dat van
-een gezelschap van veertien personen, dien morgen met een pleizierjacht
-uit Den Haag gekomen. Zij zaten juist aan een vroolijken maaltijd bij
-den heer Struick, toen eensklaps het huis boven hun hoofden instortte
-en ze allen in een oogenblik een prooi des doods werden. Gelukkig was
-de vacantie der academie nog niet uit en werd er geen student gemist:
-twee professoren echter, de heeren Luzac en Kluit, lieten bij het
-ongeval hun leven."
-
-"Vreeselijk!" riepen Ben en Frits uit. "En hoeveel menschen kwamen
-er wel bij om?"
-
-"Honderd en vijftig, en ongeveer twee duizend werden er gekwetst. Maar
-daar zijn wij aan het museum van oudheden."
-
-Welke groote oogen zetten zij op bij het zien van die verzameling
-van mummies, van welke sommige wel drie duizend jaren oud waren!
-
-"Zonderling denkbeeld!" riep Frits uit. "Die menschen hebben vóór
-drie duizend jaren door Thebe's straten gewandeld, hebben gesproken,
-gedacht, bemind en gehaat...."
-
-"En hun gelijken onderdrukt, die voor hen in 't stof bogen...." voegde
-Peter er bij.
-
-"En ze hebben thans geen macht, om een vlieg weg te jagen, die over
-hun neus loopt," zeide Lodewijk.
-
-Behalve de mummies der volwassenen, zagen zij er van kinderen, katten,
-ibissen en andere dieren. Ook de mummie van de dochter van Koningin
-Cleopatra in haar groote kist. Verder allerlei huishoudelijke zaken,
-kleederen, sieraden, wapenen, muziek-instrumenten, kortom, allerlei
-dingen, die hun een klaar denkbeeld gaven van de zeden en gebruiken
-der oude Egyptenaren. Ook bezagen zij er verschillende overblijfselen
-van het oude Rome en Griekenland; ook enkele, die niet ver van Den
-Haag zijn opgedolven op Arentsburch, waar de Romeinen een legerplaats
-hebben gehad; daarna nog de afgietsels in gips van de schoonste
-voortbrengselen der Grieksche en Romeinsche beeldhouwkunst.
-
-Van het museum van oudheden begaven zij zich naar dat van natuurlijke
-historie, waar zij zich vermaakten met het zien van de opgezette dieren
-en geraamten, der delfstoffen en fossiliën of overblijfselen uit de
-voorwereld. Daarna bezagen zij den plantentuin, waar zij gewassen uit
-alle oorden der wereld vonden, maar zich 't meest voelden aangetrokken
-door een boom, dien men zeide, dat Boerhaave zelf had geplant.
-
-"Is dat die zelfde Boerhaave, die zoo'n groot dokter was?" vroeg Ben.
-
-"Dezelfde," antwoordde Peter. "Hij had zulk een Europeesche
-beroemdheid, dat er eens een brief uit China kwam met het adres:
-aan Hermanus Boerhaave in Europa."
-
-"En kwam die terecht?"
-
-"Wel zeker. En wat het mooiste van alles was: uit alle oorden kwamen
-rijken en aanzienlijken hem als arts raadplegen; maar zij moesten
-steeds wachten, tot hij zijn armen-praktijk had bediend: want, zeide
-hij, dat zijn mijn beste klanten, omdat God voor hen betaalt."
-
-Daar 't in het kortst van de dagen was en zij dus niet veel tijd te
-verliezen hadden, indien zij nog dien avond in Den Haag wilden zijn,
-begrepen zij, dat zij hun verder bezichtigen van Leiden tot nog twee
-zaken moesten beperken: het Stadhuis en "Den Burcht".
-
-Het eerste, op de Breestraat staande en vooral beroemd door den tijd
-van het beleg, is een statig gebouw, uit Bentheimer steen opgetrokken,
-met een hooge steenen trap van twintig treden aan elke zijde, en
-bevatte, behalve de beroemde schilderij van den vermaarden Lucas
-van Leyden, voor welke Keizer Rudolf II eens zooveel dukaten heeft
-geboden als er noodig waren om haar te bedekken, nog een van den
-hongersnood gedurende het beleg, en een andere, waar Van der Werf
-wordt voorgesteld op het oogenblik, dat hij zijn heldhaftige taal tot
-de Leidsche burgerij richt. Ook bezagen zij daar met belangstelling
-overblijfselen van het beleg: den pot van Schaak, twee opgezette
-duiven, die als briefposten hebben gediend, het zwaard van Van der
-Does, alsook verschillende noodmunten, gedurende de belegering
-geslagen, zaken die thans meerendeels naar het Stedelijk Museum
-zijn verhuisd.
-
-Na alles bezichtigd te hebben en een oogenblik te hebben stilgestaan
-bij de schilderij, voorstellende een moeder, die aan de pest sterft,
-begaven zij zich naar "Den Burcht", destijds een logement.
-
-"Wij zullen hier koffie drinken," zeide Peter.
-
-"En wat eten ook," zeide Jacob. "Want van al dat ronddrentelen heb
-ik mooi honger gekregen."
-
-"Mij is 't goed," antwoordde Peter. "Alleen geef ik je in bedenking,
-of we ons maal niet zullen bederven, daar ze ons in "De Roode Leeuw"
-met het middagmaal wachten."
-
-"Nu, een broodje met ossenvleesch zal ons maal niet bederven," zeide
-Karel, die ook zijn maag geducht voelde jeuken.
-
-"Je hebt gelijk," hernam Peter, en dit zeggende, stapte hij met zijn
-makkers het hek van het zich aan den voet van "Den Burcht" bevindende
-logement in.
-
-Hoe ferm onze jongens ook tegen de kou konden praten--het rondwandelen
-door de kille zalen der museums had hen koud gemaakt, en, al waren
-zij in de trekkassen van den plantentuin een weinig bekomen, zij waren
-weer door en door koud geworden bij het bezoek op het Stadhuis. Recht
-aangenaam was hun dus de ferm gestookte kachel in het logement
-"Den Burcht", en met volle teugen genoten zij de dampende koffie,
-die hen, in vereeniging met de broodjes met vleesch, geheel en al
-restaureerde. Intusschen hadden zij 't gezicht op "Den Burcht".
-
-"'t Schijnt te zijn een oud gebouw, die burcht," zeide Ben.
-
-"Dat zou ik meenen," antwoordde Lodewijk. "Hij moet nog uit den
-tijd der Romeinen zijn, die hem gebouwd hebben, zooals zij 't andere
-dergelijke gebouwen deden, om het volk des lands van uit die burchten
-te onderdrukken. Tevens heeft hij nog een historische waarde: want
-het was op hem, dat Gravin Ada, de dochter van Dirk VII en Aleid van
-Cleef, belegerd is geworden."
-
-"Dat was tijdens de Hoeksche en Kabeljauwsche twisten, niet
-waar?" zeide Ben.
-
-"Wel neen, mijn Engelsche vriend," zeide Lodewijk lachend. "Nu heb je
-'t heel en al mis. Onze gravin Ada leefde evenmin tijdens de Hoeksche
-en Kabeljauwsche twisten als jelui Koningin Elisabeth tijdens den
-twist tusschen de Roode en Witte Roos. Gravin Ada werd hier in 1203
-belegerd en de Hoeksche en Kabeljauwsche twisten begonnen in 1349."
-
-"En duurden tot 1493; dus bijna honderd en vijftig jaren," voegde
-Frits er bij, die ook eens zijn historische kennis wilde laten
-luchten. Daar ik vertrouw, dat mijn lezeressen en lezers wel wat op
-de hoogte zijn der geschiedenis van ons vaderland, zal ik hun het
-verhaal niet mededeelen, dat Lodewijk aan Ben deed van de korte,
-maar rampspoedige regeering der ongelukkige gravin.
-
-Toen onze knapen genoegzaam gerestaureerd waren, beklommen zij de
-acht en zestig treden, langs welke men aan den zes ellen hoogen muur
-komt. Daarop traden zij door de met gebeeldhouwde wapens voorziene
-poort binnen en bestegen de hoogte, die langs den met zes en dertig
-kanteelen bezetten muur loopt, en van waar zij een uitlokkend gezicht
-over de stad Leiden hadden. Daarna bezagen zij den put, waarin door
-een machine het water werd gepompt, hetwelk door onderaardsche pijpen
-werd geleid naar de in 1691 gebouwde fontein op de Vischmarkt, die
-alle Zaterdagen springt.
-
-"Van dezen put wordt nog een aardige bijzonderheid verteld, die
-gedurende het beleg in 1203 plaats had," zeide Lodewijk. "Toen
-genoegzaam alle leeftocht was uitgeput, ving een der soldaten in dien
-put een levenden visch, dien men den belegeraars toewierp, opdat zij
-mochten denken, dat de belegerden nog toevloed van buiten hadden en
-dan het beleg zouden opbreken. Maar 't hielp hun niet; een paar dagen
-later moesten zij zich toch overgeven."
-
-"Er zijn allerlei dwaze vertelsels van dezen put," merkte Frits aan,
-"die echter geen van alle den minsten schijn van waarheid hebben. Zoo
-heb ik mij onder andere eens laten verhalen, dat deze put met een
-onderaardsche gang in verband stond, die tot Katwijk doorliep."
-
-"Als dat was waar," zeide Ben, "Gravin Ada zou zich niet gevangen
-hebben laten nemen, zooals zij deed."
-
-"Natuurlijk niet," hernam Frits.
-
-Nadat zij "Den Burcht" genoegzaam bezien en hun vertering betaald
-hadden, wandelden zij naar "De Roode Leeuw" terug, waar zij, na het
-door de dochter van den kastelein lekker gereedgemaakte diner, nog een
-uurtje uitrustten en met hun waard afrekenden. Kort daarna stonden zij,
-met hun schaatsen ondergebonden, op de trekvaart, die van Leiden naar
-'s-Gravenhage loopt en den naam van "Vliet" draagt.
-
-
-
-
-
-
-
-
-NEGENDE HOOFDSTUK.
-
-HOE ONZE REIZIGERS IN DEN HAAG ONTVANGEN WERDEN.
-
-
-"Ik dacht, dat je de reis hadt uitgesteld," zeide mevrouw Van Gent,
-de zuster van Peter en Lodewijk, toen de zes knapen door de dienstmaagd
-in de woonkamer waren gelaten. "Ik had je al voor den eten gewacht en
-stellig op je gerekend. En daar kom je me nu in den donker aanzetten."
-
-"Wat zal ik je zeggen, Marie," zeide Peter. "We hebben den dag besteed,
-om Leiden eens te zien. Je bent er toch niet boos om?"
-
-"Boos?--In 't geheel niet. Integendeel, ik ben heel blij dat je gekomen
-zijt. Maar gaat zitten. En zijn dat je kameraads? Nu, jongens, je
-moet je tijd maar goed besteden in ons mooi Haagje. Daar is ook wat
-te zien, dat verzeker ik je."
-
-Nadat onze knapen waren gezeten en Peter alle vragen naar de familie
-had beantwoord, zeide mevrouw Van Gent:
-
-"En nu zul je wel honger hebben ook. Ik zal zorgen, dat je binnen
-een half uur je middagmaal hebt."
-
-"Doe maar geen moeite, Marie," antwoordde Peter. "We hebben te Leiden
-reeds gedineerd en dus geen behoefte aan middageten. Je zoudt ons
-meer pleizier doen met een paar boterhammen en een kop thee."
-
-"Die zul je hebben," antwoordde mevrouw Van Gent, terwijl zij de meid
-schelde, om het noodige te brengen.
-
-Toen onze jongens nu rondom de tafel zaten, bij de gezellige carcellamp
-en den niet minder gezellig vlammenden haard, kwam mijnheer Van
-Gent thuis.
-
-"Welzoo, ben jelui toch gekomen?" zeide hij, terwijl hij ieder der
-knapen hartelijk de hand reikte. "Kom, dat is goed. Marie had je al
-uitgeschrapt. Toch niet van morgen pas van Broek gegaan, denk ik?"
-
-"Gistermorgen, François," zeide Peter. "En wel vóór dag en dauw."
-
-"Dan hadt je ook wel wat vroeger hier kunnen zijn, dunkt mij."
-
-"Als er geen bijzonderheden te zien waren geweest in Haarlem en
-Leiden," zeide Lodewijk.
-
-"Ha, zoo! Heb je daar je tijd aan besteed? Kijk, dat bevalt me. Nu,
-dan zal ik zorgen, dat je hier ook al het merkwaardige ziet. Je blijft
-toch zeker tot na Nieuwjaar?"
-
-"Wij zijn van plan, om overmorgen vroeg weer te vertrekken," zeide
-Peter.
-
-"Dat kun je begrijpen. Overmorgen! Daar komt niets van, beste vriend!"
-
-"Maar ze wachten ons thuis," hervatte Peter.
-
-"Dat doet niets tot de zaak. Je schrijft morgen een brief naar Broek
-en meldt daarin, dat je tot na Nieuwjaar hier blijft."
-
-"Dat zouden we niet kunnen," hernam Peter. "We moeten den dertigsten
-te Broek zijn: want dan is er een groote wedren op schaatsen, en dien
-kunnen we niet verzuimen."
-
-"Dat spijt me. In vredesnaam! Dan moeten we morgen onzen tijd maar
-goed besteden. Doch verhaal me nu eens, hoe je 't op je reis van
-Broek hierheen gehad hebt?"
-
-De jongens verhaalden nu de lotgevallen, welke zij op hun tochtje
-gehad hadden. Toen zij aan hun nachtelijk avontuur kwamen, zeide
-mevrouw Van Gent:
-
-"Maar hoe kon je ook zoo dwaas zijn, om in zulk een logement te
-kruipen?"
-
-"Wat zal ik zeggen," antwoordde Peter. "We hadden ons door den voerman
-om den tuin laten leiden, en toen wij er eenmaal in waren...."
-
-"Had Jacob geen lust om verder te zoeken," voegde Karel er bij.
-
-"Alsof ik 't alleen was," zeide Jacob. "Er waren nog wel anderen,
-die even moe waren als ik."
-
-"Nu, hou je maar niet groot, vriendlief," zeide Frits. "Trouwens,
-'t is je niet kwalijk te nemen. Je hebt vrij wat meer mee te sleepen
-dan wij."
-
-"Dat heeft hij," bevestigde mevrouw Van Gent. "En nu--wat zijn de
-plannen voor morgen?"
-
-Mijnheer Van Gent ontwikkelde zijn plan voor den volgenden dag. Daar
-wij echter ons zestal op de uitvoering daarvan zullen vergezellen, wil
-ik dat niet mededeelen en zullen wij ook de verdere gesprekken van dien
-avond niet beluisteren, maar laten wij liever de jongens wat tijdig
-naar bed gaan, om den volgenden morgen vroeg bij de hand te zijn.
-
-"Je zult je wat moeten behelpen, jongens," zeide mevrouw Van Gent. "Ik
-ben niet ingericht op zes logés en dus zul je twee aan twee moeten
-slapen. Ik heb gedacht, als Peter en Lodewijk, Jacob en Ben, Karel
-en Frits samen wilden slapen, dan zou dat heel goed gaan."
-
-"Opperbest!" zeide Peter, die den hemel dankte, dat hij niet weer
-naast de mummie zou behoeven te liggen en van een ijsberg van duizend
-voet zou droomen.
-
-Ook de anderen vonden die schikking goed, en zoo trok men reeds om tien
-uur naar bed. Dat was een ander logies dan den vorigen nacht. Ieder
-tweetal had een afzonderlijke kamer, keurig gemeubeld en van een
-ledikant voorzien, zóó ruim, dat er wel drie jongens naast elkander
-hadden kunnen liggen, zonder elkander te hinderen. En dan zulke
-heerlijke bedden en zoo'n lekker dek! En op elke kamer een brandend
-nachtlicht--hetgeen den jongens trouwens niet kon schelen, daar zij
-toch met hun oogen toe sliepen en in het donker net zoo goed konden
-zien als zonder licht. 't Duurde dan ook niet lang, of zij lagen te
-slapen als rozen en droomden.... doch hoe zal ik u de droomen van
-zes levenslustige knapen vertellen? Daarenboven--droomen is bedrog.
-
-'t Was nog niet geheel en al licht, toen mijnheer Van Gent onze knapen
-kwam wekken. En ofschoon zij zich nog gaarne eens hadden omgekeerd en
-Jacob wel een weinig bromde, toen Ben hem een paar fiksche stompen gaf
-om hem geheel en al wakker te maken, waren zij toch spoedig uit hun
-bed en deed het hun veel genoegen, dat de kachels op hun logeerkamers
-reeds ferm snorden en zij zich op geen koude vertrekken behoefden
-aan te kleeden.
-
-"Wel, hoe hebt jelui geslapen?" vroeg mevrouw Van Gent, die hen reeds
-aan de ontbijttafel zat te wachten, toen zij al heel spoedig, nadat
-ze geroepen waren, beneden kwamen.
-
-"O, uitmuntend," antwoordde Frits. "Alsof we thuis waren."
-
-"En heeft Jacob u niet bloot gewoeld, Ben?"
-
-"Neen, hij heeft gedragen zich fashionably" antwoordde Benjamin.
-
-"En jij bent van geen ijsberg van duizend voet gevallen, Peter?"
-
-"Ik heb veel te warm gelegen, Marie, om van ijsbergen te droomen,"
-antwoordde de aangesprokene.
-
-Onder vroolijke gesprekken ging het ontbijt voort. Toen men geëindigd
-had, keek mijnheer Van Gent op zijn horloge.
-
-"'t Wordt onze tijd," zeide hij. "Komt, jongens, maakt je klaar! Het
-rijtuig zal wel dadelijk voorkomen en we moeten zorgen, dat de
-paarden geen koude voeten krijgen; anders mochten ze wel elk vier
-stoven onder hun beenen hebben."
-
-Er behoefde geen tweede sein te worden gegeven. Als een troep wilde
-ganzen stormden de jongens naar hun kamers en kwamen kort daarop
-gekleed en gereed binnen, waar zij ook mijnheer en mevrouw Van Gent
-in de kleeren vonden.
-
-'t Was dan ook hoog tijd: want op hetzelfde oogenblik kwam er een
-heerlijke barouchette voor, waarvan de glazen natuurlijk alle toe
-waren. De tocht ging naar Scheveningen.
-
-"Wij zullen eerst den nieuwen weg nemen, die langs 't Kanaal is
-aangelegd," zeide mijnheer van Gent.
-
-En zoo deden zij en reden den over de duinen gebaanden weg op,
-die langs het groote kerkhof loopt en recht tegenover het badhuis
-uitkomt. Hier gebruikten zij wat en wandelden langs het strand tot
-aan het dorp Scheveningen, waarheen het rijtuig vooruitgezonden was.
-
-Al de jongens waren opgetogen over de zee, die op dat oogenblik
-echter al te kalm naar hun zin was, en het speet Ben, dat hij geen
-verrekijker bij zich had, die vèr genoeg droeg, om Engeland aan de
-overzijde te zien, waarover allen hartelijk lachten.
-
-"Dat is het paviljoen, in 1826 door Koning Willem I voor zijn gemalin
-gesticht," zeide mijnheer Van Gent. "'t Is in Toskaanschen stijl
-gebouwd."
-
-Veel pret had ons zestal in de kleeding der Scheveningers, vooral in
-die der kleine meisjes, die volmaakte miniatuur-Scheveningsters waren.
-
-"In vroegere eeuwen," zeide mevrouw Van Gent, "hadden de Scheveningers
-er pret in, hun vrijsters te doopen en in te zouten."
-
-"In te zouten!" herhaalden vier stemmen te gelijk.
-
-"Ja, in te zouten. In de maand Mei, als wanneer men nog op Scheveningen
-een feest houdt voor het verhuizen van de eene pink op de andere,
-noodigden de jonge knapen hun vrijsters uit, om met hen naar het strand
-te gaan en een zeeluchtje te scheppen. Dan was het strand gezaaid met
-menschen. Op 't onverwachts echter nam iedere knaap zijn meisje op de
-armen en droeg haar, ondanks haar tegenspartelen, een geheel eind in
-zee. Daar gekomen, doopte hij haar in het water, zoodat zij droop, en
-droeg haar vervolgens naar de duinen, waar hij haar in het zand rolde."
-
-"Die meisjes zullen er fraai hebben uitgezien", zeide Jacob. "Maar
-die gewoonte bestaat nog in Zeeland; ten minste zij bestond nog ten
-tijde van Bellamy."
-
-"Die 't ons in zijn "Roosje" zoo naïef beschrijft," voegde Peter
-er bij.
-
-"Daar is echter het inzouten, voor zoover mij bewust is, niet in
-de mode," zeide mijnheer Van Gent. "Ook geloof ik niet, dat zij er
-hun vrijsters doopen. Dit gebruik hier echter, dat al zeer oud moet
-zijn en niet meer in zwang is, kostte eens een adellijke dame van
-een onzer eerste geslachten het leven."
-
-"Inderdaad," zeide Ben. "O, pray, doe vertellen dat eens."
-
-"'t Was een jonge gravin van Egmond. Met haar verloofde, een
-Duitschen Graaf, aan het strand wandelende, had zij veel vermaak
-in die Meipret. Op eens neemt de graaf, die zeker wilde toonen,
-hoe weinig bang hij voor het groote water was, en wel te galant zal
-geweest zijn, om zijn adellijke beminde den zeedoop te doen ondergaan,
-de gravin op en draagt haar in zee. Door haar tegenspartelen bezeert
-zij zich aan zijn degen--en deze wond, waarin het koud vuur kwam,
-kostte haar het leven."
-
-Aan het dorp gekomen, stapte men weer in het rijtuig.
-
-"Die kerk," zeide mevrouw Van Gent, "stond vroeger midden in het dorp."
-
-"Is zij dan verzet?" vroeg Frits.
-
-"Wel neen, maar bij de verschillende hooge vloeden, door welke
-Scheveningen geteisterd is, zijn al de huizen, die aan den zeekant
-stonden, weggespoeld."
-
-"Vreeselijk!" riep Jacob uit.
-
-Men reed nu den schoonen, met boomen beplanten weg langs, naar het plan
-van Constantijn Huijgens aangelegd, en gedacht bij het voorbijrijden
-van "Zorgvliet" aan onzen volksdichter Jacob Cats, die deze plaats
-heeft aangelegd, wiens gedichten bij onze voorouders in huis- en
-pronkvertrek een plaats hadden naast den Staten-Bijbel en van wiens
-zinrijke spreuken er nog ten huidigen dage in den mond van het volk
-leven. Daarna reden zij het schoone Willemspark met zijn prachtige
-villa's door, bewonderden de Alexanderstraat en de Mauritskade,
-en lieten zich brengen tot aan het oude paleis in het Noordeinde,
-waar zij uit het rijtuig stapten, dat mevrouw Van Gent naar huis zou
-brengen, nadat deze haar man wèl op 't hart gedrukt had, om toch tegen
-het koffiedrinken thuis te zijn, daar de jongens anders flauw zouden
-vallen van den honger.
-
-"Hier staan wij nu tusschen twee paleizen," zeide mijnheer Van Gent,
-nadat het rijtuig was weggereden. "Dat aan uw linkerhand is het oude
-huis van Van Wassenaar Obdam en heeft zijn front op den Kneuterdijk."
-
-"Is dat van den admiraal Van Wassenaar Obdam, die in den tweeden
-Engelschen oorlog in de lucht vloog?" vroeg Peter.
-
-"Van denzelfden. Een graftombe is voor hem opgericht in het koor der
-Groote Kerk."
-
-"Daar hij wel toch zelf niet ligt onder," zeide Ben.
-
-"Natuurlijk niet. Het paleis aan onze rechterhand is dat van onze
-tegenwoordige koningin. Jammer, dat H. M. thans in Den Haag is; anders
-zou ik het u laten zien. Het is prachtig en vorstelijk gemeubileerd,
-dat kan ik u verzekeren. Dat ruiterstandbeeld is van Willem den
-Eersten, den grondlegger onzer vrijheid. Het werd hier geplaatst
-door Koning Willem II en munt uit door zijn schoone vormen en stoute
-conceptie."
-
-Toen zij het Heulstraatje doorgewandeld waren, bleef mijnheer Van
-Gent staan.
-
-"Ziet nu aan uw linkerhand, daar in den hoek staat het voormalig
-paleis van Willem II; een paar huizen verder ziet gij het huis,
-waarin Oldenbarneveld gewoond heeft; die kerk op den hoek van dat
-straatje is de Kloosterkerk, waarin Prins Maurits ging om de voorkeur
-te doen zien, welke hij den contra-remonstranten wilde betoonen, en
-verder op is een schoon hardsteenen gebouw met breede trap, waarin
-eens een beruchte prefect van het Departement der Zuiderzee, baron
-De Stassart, woonde en dat tegenwoordig is ingericht tot koninklijke
-bibliotheek en bewaarplaats van een aanzienlijke verzameling gouden,
-zilveren, bronzen en koperen munten. Als gij langer bleeft, zou ik èn
-de bibliotheek èn het penningkabinet eens met u bezoeken; nu echter
-gaan wij den Kneuterdijk op."
-
-"Is hier niet het huis van den Raadpensionaris Jan de Witt?" vroeg
-Peter. "Ik meen ten minste te hebben gelezen, dat dit op den
-Kneuterdijk stond" [8].
-
-"En ik herinner mij, dat Gijsbert Karel van Hogendorp ook op den
-Kneuterdijk gewoond heeft," voegde Frits er bij.
-
-"Dan moeten we ook kort bij de Gevangenpoort en 't Groene Zoodje zijn,"
-zeide Karel.
-
-"Wacht maar, ik zal je alles wijzen. En misschien nog meer dan je wel
-weet," antwoordde de heer Van Gent, die er recht schik in had, dat
-de jongens zooveel historische kennis en zooveel lust tot onderzoeken
-hadden. "Hier aan onze rechterhand heb je het huis van Van Hogendorp,
-en daarnaast is de woning van onzen onsterfelijken Jan de Witt,
-waarin ook zijn zwager Van Swijndrecht woonde."
-
-Met aandoening beschouwden onze knapen het huis, waarin eens zulk een
-groot man geleefd, gedacht en gewerkt had. Zoo ging men voort tot op
-de Plaats.
-
-"Hier bij dezen lantaarnpaal," vervolgde mijnheer Van Gent, "is 't
-Groene Zoodje. Hier stond het schavot, waarop Reinier van Groeneveld,
-Buat en Van der Graaff zijn onthoofd en de gebroeders de Witt zijn
-opgehangen en mishandeld. En daar, die groote keisteen met zeven
-strepen is er ter gedachtenis gelegd van den vreeselijken moord,
-aan Aleida van Poelgeest gepleegd, omdat zij graaf Albrecht tot de
-partij der Kabeljauwen had overgehaald."
-
-"Maar kijkt nu eens recht uit," vervolgde hij na een poos. "Deze
-poort is de Gevangenpoort, vroeger Voorpoort van den Hove, en dit
-venster dat van den kerker van Cornelis de Witt."
-
-"Zouden wij dien niet kunnen zien?" vroeg Peter.
-
-"We zullen 't vragen. Zeggen ze neen, dan zijn we nog even ver."
-
-Men ging de Gevangenpoort door en schelde aan. Het verzoek, om de
-vroegere gevangenis te zien, werd volgaarne ingewilligd. Met aandoening
-klommen zij de trap op, welke de gebroeders De Witt door het opgeruide
-gemeen waren afgesleept; met niet minder aandoening aanschouwden zij
-de kamer, waar beiden de laatste en vreeselijkste oogenblikken huns
-levens doorbrachten. En toen zij daarna in den kelder afdaalden en
-hun de pijnbank gewezen werd, op welke de Ruwaard van Putten werd
-gepijnigd, toen stond er in het oog van Lodewijk een traan, die hem
-waarlijk niet tot schande was.
-
-Nadat mijnheer Van Gent de vriendelijke dienstmaagd, die hun een en
-ander had laten zien, met een ruime fooi beloond had, wandelde men
-naar het Buitenhof.
-
-"Kijk nu eens recht voor u," zeide mijnheer Van Gent. "Uit deze ramen
-hield eens de snoode Tichelaar zijn redevoering tot het volk. En nu
-linksom. Dit standbeeld is dat van den ridderlijksten onzer vorsten,
-van den edelen Koning Willem II, die bij Quatre-Bras voor onze
-onafhankelijkheid streed en bij Waterloo zijn bloed voor ons veil had."
-
-"'t Staat daar al heel mooi," zeide Frits. "En hoe sierlijk zijn die
-beelden aan den voet!"
-
-"Dat zijn ze," hernam mijnheer Van Gent. "En nu slaan we linksom
-en gaan naar het Binnenhof, het oudste gedeelte van Den Haag en
-dat door drie poorten kan worden gesloten. Vroeger hingen hier
-de vaandels, in verschillende veldslagen op de vijanden des lands
-behaald. Doch die zijn tijdens Koning Lodewijk weggenomen en naar
-Amsterdam gezonden. Die, welke wij nu doorgaan en boven welke de
-appartementen der vroegere Prinsen van Oranje zich uitstrekten,
-heet de Stadhouderspoort."
-
-"Die is, in het laatst der achttiende eeuw, tegen alle bepalingen
-aan doorgereden door Cornelis de Gijzelaar," zeide Peter. "En daar
-vandaan hebben de tegenstanders van het Huis van Oranje in dien tijd
-den naam van Keezen gekregen."
-
-"Juist. En hier vlak over ons hebben wij het oudste gebouw van Den
-Haag: de Loterijzaal of liever de groote ridderzaal, door Willem II,
-graaf van Holland en Zeeland, in 1270 gesticht, en den oorsprong van
-Den Haag."
-
-Zij bezichtigden nu de groote ridderzaal, toen nog niet herbouwd of
-liever gedeconstrueerd; verder de vergaderzaal van de Eerste Kamer
-der Staten-Generaal, waar het Twaalfjarig Bestand werd gesloten
-en die daarom vroeger den naam van Trèves-kamer droeg. Zij is
-vooral bezienswaardig om haar schoone schilderijen, voornamelijk
-het schoorsteenstuk, hetwelk Prins Willem III ten voeten uit in
-koninklijk gewaad voorstelt;--en het gebouw, dat tot vergaderplaats
-dient van de Tweede Kamer, vroeger gebruikt tot danszaal voor de
-Prinsen van Oranje, maar onder Prins Willem V van hardsteen herbouwd
-en tot vergaderzaal voor de Staten-Generaal ingericht. Hier werd in
-1796 de eerste Nationale Vergadering gehouden.
-
-"Dat torentje aan de linkerzijde der groote ridderzaal,"
-vervolgde mijnheer Van Gent, toen zij uit de troonzaal kwamen,
-"is ook nog merkwaardig. Hier stond het schavot, waarop de grijze
-Oldenbarneveld het leven verloor onder beulshanden. En daar vlak
-over ons is een merkwaardige kapel, de oudste kerk van Den Haag,
-tegenwoordig in gebruik bij de Roomsen-Katholieken, onder den naam
-van Hofkerk. Zij heette vroeger de "kapel van Maria ten Hove" en is
-waarschijnlijk door Graaf Willem II gebouwd en door diens zoon Floris
-V voltrokken. In deze kapel woonden de vroegere graven van Holland en
-Zeeland de godsdienstoefeningen bij. Na de Hervorming werd zij tot een
-Gereformeerde kerk ingericht, waar, op last der Staten van Holland, in
-de landtaal en, sedert 1592 vooral ten genoegen van Louise de Coligny,
-ook in het Fransch werd gepredikt. Toen men bij het verbouwen in 1769,
-de fondamenten van den muur aan de zijde van het Binnenhof opbrak,
-vond men daar verscheidene houten en looden grafkisten, waarin zich
-het gebeente der Oudhollandsche graven bevond."
-
-"En heeft men die beenderen bewaard?" vroeg Frits.
-
-"Men kon 't niet. Zoodra zij met de buitenlucht in aanraking kwamen,
-vielen zij in elkander. Een der lijken echter, dat in een looden
-kist lag, was door een sterk vocht vrij wel bewaard. Uit de wonden,
-welke het aan den hals en in het gezicht had, veronderstelde men,
-dat dit het lijk van Willem IV moet zijn geweest, die in 1345 in den
-slag bij Warns tegen de Friezen is gesneuveld. In de kist van Jacoba
-van Beieren was het hoofdhaar nog ongeschonden bewaard; men heeft
-dat naar het museum gebracht en daar zullen wij het straks zien."
-
-Daar het te koud was om lang stil te staan, waren zij tot genoemd
-huis doorgewandeld en beschouwden hier eerst het museum van Japansche,
-Chineesche en andere curiositeiten en eindelijk, in de laatste zaal,
-de historische overblijfselen. 't Meest werd de aandacht onzer knapen
-geboeid door het gewaad, dat Prins Willem I had aangehad, toen hij
-te Delft door Balthazar Gerards vermoord werd. Duidelijk kon men de
-plaats zien, waar de kogel was doorgegaan. Daar lag ook het hemd van
-den grooten man, nog gekleurd van het edel bloed, dat hij voor ons
-land veil had gehad, de uitgesneden kogel met een paar beentjes, die
-door het vuurwapen verbrijzeld waren, de pistolen van den moordenaar
-met zijn sententie, zooals die binnen Delft is uitgevoerd. Verder
-zagen zij er geuzennappen, geuzenpenningen, zilveren schotels, aan
-onze grootste zeehelden ten geschenke gegeven, groote haakbussen,
-oude pieken; ook uit later tijd, den stoel, waarop Chassé in de
-citadel heeft gezeten, en een geweer, afkomstig van het in de lucht
-gesprongen schip van Van Speyk.
-
-Maar wat vooral Ben het meest belang inboezemde, was het Oudhollandsche
-huis in schildpadden kast, eens voor Czaar Peter van Rusland
-vervaardigd, en dat zulk een duidelijke voorstelling bevat van het
-ameublement onzer voorouders.
-
-Daarna begaf men zich de trap op naar het schoone museum van
-schilderijen door oude meesters. Als de tijd niet gedrongen had, zouden
-de knapen gaarne langer hebben vertoefd voor de ontleedkundige les
-van Rembrandt, voor den stier van Potter, den veldslag van Wouwerman,
-en zoo menig stuk dat niet alleen groote kunstwaarde bezit, maar ook
-zelfs den oppervlakkigen beschouwer door zijn meesterlijk navolgen
-van de natuur boeit.
-
-"Wij moeten naar huis, jongens," zeide mijnheer Van Gent, "anders
-krijgen wij knorren van mijn vrouw en--wat erger is--koude koffie."
-
-"Is dit huis gebouwd door Prins Maurits, die vocht in het slag at
-Newpoort?" vroeg Ben, toen zij de trappen van het museum afgingen.
-
-"Neen, Ben. Het is gesticht door Johan Maurits van Nassau, den held
-van Brazilië, en gebouwd door den beroemden Jacob van Kampen, den
-bouwmeester van het paleis van Amsterdam, en Daniël Stalpert. Maar
-zie nu eens hier. Dit is het standbeeld van Willem den Zwijger,
-denzelfden, wiens ruiterstandbeeld gij in het Noordeinde hebt gezien."
-
-"En wiens kleeren op het Prins-Maurits-huis waren," zeide Jacob.
-
-Toen zij bij mevrouw Van Gent kwamen, zat deze hen reeds met de
-koffie te wachten, of liever, ter eere van Benjamin en ten genoegen
-van den eetlust der vijf andere jongens, met een soort van luncheon
-of Engelsch ochtenddiner. Onder het vertellen van wat men gezien had,
-werden verdere plannen voor dien dag besproken. De jongens, zeide
-mijnheer Van Gent, moesten hun schaatsen medenemen, dan zou men,
-na eerst de kanongieterij te hebben bezien, een wandeling door het
-Bosch doen en vervolgens, te midden van de beaumonde van Den Haag,
-op de vijvers schaatsen rijden. Daarna zou men een bezoek brengen
-aan het Huis ten Bosch en vervolgens naar huis rijden om te dineeren,
-terwijl mevrouw Van Gent als voorwaarde stelde, dat zij het verdere van
-den avond zouden uitrusten en in den huiselijken kring slijten, als
-wanneer zij ze op een glas warmen wijn met bisschop en wentelteefjes
-zou trakteeren.
-
-"En dan gaan jelui morgen per spoortrein naar Amsterdam terug,"
-eindigde zij.
-
-"Per spoortrein, Marie?" vroeg Peter. "Dan zal men ons in Broek
-uitlachen."
-
-"Laat men lachen," zeide Jacob, die alweer meer trek had om rust te
-nemen, dan zich in te spannen. "Ik vind het voorstel van mevrouw Van
-Gent lumineus."
-
-"'t Zou een schandelijk eind van onzen tocht zijn," zeide Frits.
-
-"Mevrouw Van Gent is in 't gelijk," zeide Ben. "Wij moeten gaan
-per railway. Otherwise wij zullen niet zijn in staat om overmorgen
-te rijden."
-
-"'t Best is, dat wij er ons op beslapen," hernam Lodewijk.
-
-"Ik ben verzekerd, dat mijn voorstel wel zal worden aangenomen, als
-de jongens van middag gedineerd hebben," hernam mevrouw Van Gent,
-die berekende, dat ons zestal na den tocht naar het Bosch wel van
-idee veranderen zou.
-
-"Als mevrouw Van Gent het mij veroorlooft, dan zou ik haar gaarne
-gezelschap houden, in plaats van mede naar het Bosch te gaan," zeide
-Jacob, die tamelijk vermoeid was van de morgenwandeling.
-
-"Geneer je niet, Jacob," antwoordde mevrouw Van Gent, die zeer goed
-begreep wat de reden van Jacobs wellevendheid was. "Ik mag je niet van
-je fortuin afhouden. Ga gerust mee. Kanongieten heb je nog nooit gezien
-en een partijtje op de vijvers in het Bosch is ook niet te verwerpen."
-
-"Maar dan zit Mevrouw den geheelen namiddag alleen," hervatte Jacob.
-
-"Inderdaad, geneer je niet," hernam mevrouw Van Gent. "Ik ben wel
-gewoon aan de eenzaamheid. Mijn man is een groot deel van den dag uit."
-
-Jacob zat er geducht in, toen zijn gewaande beleefdheid zoo werd
-gerefuseerd. Gelukkig dat Ben hem uit den nood hielp. "Mijn neef is
-zoo vermoeid," zeide hij. "En daarom hij wenscht te profiteeren van
-het gezelschap van Mevrouw, because het hem behaagt veel."
-
-"Je slaat den spijker op den kop," hervatte Jacob, die nu maar
-ruiterlijk voor de waarheid uitkwam.
-
-"'t Mocht je anders weer eens zoo gaan als eergisteren," zeide
-Karel. "En dan zou je een mal figuur maken op de vijvers in het Bosch."
-
-Toen de knapen het luncheon gebruikt hadden en wat uitgerust waren,
-gingen zij, behalve Jacob die thuis bleef, met hun schaatsen in de hand
-naar de kanongieterij, waar mijnheer Van Gent toegang had gekregen en
-waar men juist aan het gieten was. Daarna wandelden zij het Bosch in,
-dat, ofschoon van zijn groen beroofd en dus vrij wat minder schoon
-dan in den zomer, er toch statig genoeg uitzag, om hun bewondering
-te wekken.
-
-Nadat zij langen tijd in dat heerlijke gedenkstuk van den ouden tijd
-gewandeld hadden, welks westelijk gedeelte nog eenig denkbeeld geeft,
-hoe 't er in den tijd van de Batavieren en Kaninefaten uitzag, bonden
-zij de schaatsen aan en vermaakten zich te midden van een talrijk
-en uitgezocht publiek van schaatsenrijders, waarbij zij hun oogen
-uitkeken naar de bonte rij van wandelaars uit de eerste standen des
-lands, die zich langs de vijvers bewogen.
-
-Daarop bezichtigden zij het Huis ten Bosch, door Amalia van Solms, de
-weduwe van Prins Frederik Hendrik, ter eere van haar gemaal gesticht:
-een mausoleum uit den nieuweren tijd. Vooral de Oranjezaal boeide
-hen lang. Het is een achthoekige zaal met een rond koepeltje in
-het dak, hetwelk haar een eigenaardig licht schenkt. Terstond bij
-het binnentreden wordt men getroffen door de heerlijke voorstelling
-van Frederik Hendrik op zijn triomfwagen met vier witte paarden door
-Pallas en Mercurius gemend; terwijl de overwinning zijn hoofd met een
-lauwerkrans kroont en de faam de pijlen afweert, waarmede de dood
-den held bedreigt. Niet minder trof hun het beeld van den grijzen
-tijd en de afbeelding van de stichtster zelf met haar dochters,
-levensgroot en ten voeten uit. Al had men geen andere overblijfselen
-der Oudnederlandsche schilderschool dan die heerlijke schilderijen
-uit de Oranjezaal, dan nog zouden deze genoegzaam zijn om den naam
-onzer oude kunstenaars te vereeuwigen.
-
-Maar 't wordt tijd, dat wij met de jongens naar huis gaan. Ik laat
-aan de verbeelding mijner lezeressen en lezers over, hoe het diner
-hun smaakte, hoe genoeglijk zij den avond bij de familie Van Gent
-doorbrachten, hoe zij naar Amsterdam spoorden en hoe zij toch op
-schaatsen van de hoofdstad naar Broek reden. Ook wij keeren derwaarts
-terug.
-
-
-
-
-
-
-
-
-TIENDE HOOFDSTUK.
-
-DE GEVAARLIJKE OPERATIE.
-
-
-'t Wordt tijd, dat we weder eens een kijkje nemen in de hut van Rolf
-Brinker, van wien we 't laatst hebben gehoord, toen Hans op weg naar
-Leiden was.
-
-Wij vinden er dokter Broekman, die, toen hij het briefje van Peter
-ontvangen had, nog denzelfden dag naar Amsterdam was vertrokken om
-hulp toe te brengen, waar hij die zoo hartelijk beloofd had. Wij zien
-hem in een hoek van het vertrek zacht spreken met een jongmensch,
-student in de medicijnen en zijn assistent. Hans is ook in het
-vertrek, eerbiedig wachtende, totdat hij zou worden aangesproken. Van
-hun gesprek verstond hij niets, daar het eensdeels fluisterend werd
-gevoerd, anderdeels zoo met Latijnsche woorden doorspekt was, dat het
-toch voor hem geheel onverstaanbaar zou zijn geweest, al hadden zij
-ook luide gesproken. Maar zooveel begreep hij wel aan hun ernstig
-gelaat, dat er van iets zeer gewichtigs sprake was, en daarin werd
-hij versterkt door de woorden van den student:
-
-"Indien er iemand in Holland den armen man kan redden, dokter, dan
-zijt gij het."
-
-De dokter keek min of meer knorrig over dien lof; want hij wist maar al
-te wel en had het in zijn langdurige praktijk slechts al te dikwijls
-ondervonden, dat de kunst wel kan te gemoet komen, wel kan helpen,
-maar dat er slechts één is die kan redden, en dat is God. Hij wenkte
-dus Hans, om nader te komen.
-
-"Hoor eens, mannetje," zeide hij op denzelfden vriendelijken toon,
-als hij vroeger te Buiksloot tegen hem had aangeslagen. "Daar is
-maar één middel om je vader te helpen, maar ik moet je vooraf zeggen,
-dat hij onder de handen kan dood blijven; 't is een operatie."
-
-Hans keek den dokter angstig aan.
-
-"En u zegt, dat vader onder uw handen kan sterven," zeide hij met
-sidderende stem.
-
-"Ja, 't is er op of er onder. Maar ik heb alle hoop, dat de operatie
-zal gelukken. Intusschen, jij en je moeder moeten decideeren. De
-operatie is te gevaarlijk, dan dat ik die zonder uw beslissing zou
-willen ondernemen. Vraag jij dus aan je moeder, hoe zij er over
-denkt. Want er moet spoedig een besluit genomen worden, daar mijn
-tijd kostbaar is."
-
-Hans ging naar zijn moeder, vertelde haar wat de dokter hem gezegd had,
-en eindigde:
-
-"En nu moeder, hoe wilt gij? De dokter wacht op antwoord."
-
-"Ach, Hans, ik weet het niet," zeide zij met bewogen stem. "Beslis
-jij voor mij en voor jou."
-
-"Maar moeder, hoe kan ik dat?"
-
-"Ach kind! Wat zal ik antwoorden? Je zegt, dat vader onder de handen
-kan dood blijven."
-
-"Dat kan hij. Maar hij kan ook beter worden."
-
-"Ik weet het niet, Hans, ik weet het waarlijk niet."
-
-"Welnu, antwoord dan, zooals God u dat in 't hart geeft, moeder."
-
-Vrouw Brinker sloeg het betraande oog naar boven, als vroeg zij God om
-raad. Uit het binnenste van haar ziel steeg een gebed naar den troon
-des Almachtigen. Een oogenblik later wendde zij zich tot den dokter.
-
-"Gods wil geschiede, mijnheer!" zeide zij. "Ga uw gang!"
-
-Met kalme bedaardheid deed nu dokter Broekman een lederen étui open,
-waaruit hij verschillende scherpe, blinkende instrumenten haalde,
-terwijl hij Hans beval, een kom met frisch koud water en eenige doeken
-te brengen.
-
-Griete had al wat er gebeurde met angstig stilzwijgen
-gadegeslagen. Toen zij nu den dokter die scherpe instrumenten voor
-den dag zag halen, vloog zij naar haar moeder toe, sloeg haar armen
-om den hals der reeds zoo geschokte vrouw en riep uit:
-
-"Ach moeder! ze zullen vader gaan vermoorden--dat zullen ze."
-
-"Ik weet het niet, kind!" schreide vrouw Brinker. "'t Is wel mogelijk!"
-
-"Hoor eens, vrouwtje," zeide dokter Broekman ernstig, terwijl hij
-tevens een doordringenden blik op Hans wierp, "dat kan zoo niet
-gaan. Jij en het meisje moeten het huis uit. De jongen kan blijven."
-
-'t Was, of er in vrouw Brinker eensklaps een andere geest voer. Zij
-droogde haar tranen, hief het hoofd fier op en zeide op vasten toon:
-
-"Neen, mijnheer, ik verlaat mijn man niet. Ik blijf bij hem in de
-ure des gevaars."
-
-Dokter Broekman keek vreemd op. Hij was niet gewoon, dat zijn bevelen
-in den wind werden geslagen. Maar toen hij de vrouw aanzag en haar
-vasten, beslissenden blik opmerkte, toen zeide hij kalm:
-
-"Je kunt blijven, vrouw Brinker."
-
-Griete was al verdwenen. Verborgen achter een kist, die in een donkeren
-hoek van het vertrek stond, bevend over al haar leden, bespiedde zij
-al wat er in de hut voorviel.
-
-Dokter Broekman en zijn assistent trokken hun overjassen uit. Hans
-bracht een kom vol water, welke hij op bevel van den geneesheer naast
-het bed plaatste, en vrouw Brinker kreeg een paar beddelakens uit de
-kast, overblijfsels van vroegere tijden en braaf versleten, doch voor
-het gebruik, dat er van gemaakt moest worden, des te beter geschikt.
-
-"Nu Hans, kan ik op je rekenen?" vroeg de dokter.
-
-"Dat kunt u, dokter."
-
-"Zeer goed. Ga jij nu daar staan, dan kan je moeder naast je zitten."
-
-"Hoor eens, vrouwtje," ging hij tot vrouw Brinker voort. "Ik moet je
-verzoeken, geen kik te geven en niet flauw te vallen."
-
-Vrouw Brinker antwoordde hem slechts met een blik. Hij was tevreden.
-
-Hij wenkte den student. Deze nam de vreeselijke instrumenten van de
-tafel af en ging er mede naar het bed van den zieke.
-
-Nu kon Griete 't niet langer uithouden. Zij kwam uit haar schuilplaats
-te voorschijn en snelde de hut uit.
-
-'t Was vol op het ijs van de vaart. Waarom ook zouden de kinderen
-van Broek hun vacantietijd laten voorbijgaan, zonder ruimschoots hun
-geliefd wintervermaak te genieten? Daar waren er een aantal, al waren
-onze zes jongens er ook niet bij, en onder deze ook Frans van Bree,
-de dappere aap zonder staart, zooals Jacob hem genoemd had.
-
-"Wat is dat daar ginds?" riep Frans eensklaps uit, terwijl hij
-stilstond.
-
-"Wat? Waar? Wat bedoel je?" riepen een dozijn stemmen te gelijk.
-
-"Wel, dat zwarte ding daar bij de hut van den gekken Rolf," hernam
-Frans.
-
-"Ik zie niets," zeide een der kinderen.
-
-"Ik wel," antwoordde een andere, "'t Lijkt wel een hond."
-
-"Ben je mal? Een hond? 't Is niets dan een hoop oude lorren,"
-hernam Frans.
-
-"Een hoop oude lorren?" herhaalde een ander.
-
-"Je hebt warempel gelijk, Frans, en als ik mij niet bedrieg, is
-'t die meid uit de hut."
-
-"Ze is het," bevestigde Frans. "Heb ik dus geen gelijk gehad, dat
-het maar een hoop oude lorren is?"
-
-"'t Is goed, dat haar broer Hans er niet bij is," meende een ander
-lachende, "anders zou je zoo niet spreken, Fransje."
-
-"'k Ben nog al bang voor hem!" riep Frans dapper uit, daar hij Hans
-in geen velden of wegen zag. "Zoo'n voddenraper! Hij moest me eens
-durven aanraken, 'k Ben nog niet bang voor een dozijn zooals hij en
-voor jou ook niet."
-
-"'k Hou je aan je woord!" riep de andere en reed op Frans toe; maar
-deze, die zich in zijn bluf wat vergaloppeerd had, koos, tot groot
-pleizier van de anderen, het hazenpad gevolgd door den vroolijken
-troep, die de harddraverij wel eens wilde zien.
-
-Eén echter van deze gelukkige kinderen dacht aan die zwarte kleine
-gedaante daar bij de hut van Rolf Brinker, aan de arme, kleine
-Griete. De arme Griete! Zij dacht niet aan hen, ofschoon hun vroolijk
-gelach haar in de ooren drong en haar door de ziel moest snijden:
-ach! zij hoorde die schaterende tonen slechts als in een droom. Zij
-hoorde slechts het gekerm daar achter het donkere venster. Hoe! als
-die vreemde mannen haar vader eens doodden!
-
-Die gedachte deed haar van afgrijzen opstaan.
-
-"Neen, neen," riep zij snikkend uit. "Moeder is er immers, en
-Hans ook. Zij zullen er wel op passen! Maar wat zagen ze allebei
-verschrikkelijk bleek! Zelfs Hans stonden de tranen in de oogen."
-
-Een oogenblik later vervolgde zij, terwijl zij schuw naar de hut keek:
-
-"Waarom heeft die oude, knorrige dokter hem laten blijven en mij
-weggezonden! Ik zou moeder hebben kunnen kussen en haar troosten. Zij
-houdt zooveel van mij, meer.... Maar wat is 't nu stil in huis. O,
-als vader sterft, dan gaat moeder ook dood en Hans misschien ook,
-en wat moet er dan van mij worden!"
-
-En zij verborg haar schreiend gelaat in haar handjes.
-
-Toen kwamen er nieuwe gedachten in haar op.
-
-Waarom had Hans 't alleen aan moeder gezegd, wat de dokter ging
-doen en niet aan haar? 't Was toch haar vader, net zoo goed als de
-zijne. Zij was geen klein kind meer. Zij had haar vader eens een scherp
-mes afgenomen, waarmee hij zich een ongeluk zou hebben toegebracht,
-als zij het niet belet had. En op dien akeligen avond, toen Hans, zoo
-groot als hij was, daar bewusteloos in een hoek van het vertrek lag,
-toen had zij vader van het vuur gelokt en 't was door haar toedoen,
-dat moeder niet in brand gevlogen was. Waarom moest zij nu behandeld
-worden, alsof zij er niet bij hoorde?--Ach! wat was het koud! hoe
-bitter koud! Haar voeten waren als steenen!
-
-Toen ging Griete weer zitten op de plaats, van welke zij was opgestaan,
-en keek rondom zich en verwonderde zich, dat de lucht zoo helder
-blauw was en dat het zoo stil in de hut bleef en....
-
-"Wat heeft die dokter een rare lip!" zeide zij eensklaps. "'t Lijkt
-net een schaats! En wat blonken die messen, welke hij uit dien leeren
-zak haalde. Misschien nog mooier dan de zilveren schaatsen. Had
-ik mijn nieuw jacketje maar aangedaan, dan zou ik 't zoo koud niet
-hebben! Dat nieuwe jacketje is zoo mooi, 'k heb nog nooit zoo iets
-moois gehad!--God heeft zoo lang voor mijn vader gezorgd; Hij zal
-'t nu ook wel doen, als die twee mannen maar weg waren.--Kijk, daar
-staan ze allebei op het dak van ons huis!--Neen, 't zijn moeder en
-Hans. O, neen! 't zijn maar een paar vogels."
-
-En weder hield Griete beide handjes voor haar oogjes en schreide zóó
-luid, dat men 't wel in de hut had kunnen hooren.
-
-Eensklaps voelde zij een vreemde hand op haar schouder leggen.
-
-"Sta op, Griete," zeide een vreemde stem. "Sta op kind! Anders heb
-je nog kans om te bevriezen."
-
-Griete keek verschrikt op. 't Was de lieve Hilda de Bruyn.
-
-"Sta op, Griete, en ga in de hut," vervolgde het lieve meisje. "Is
-dat nu weer, om buiten op de steenen te zitten?"
-
-"O, neen, juffrouw," zeide het kind, terwijl zij opstond en tegen
-Hilda aanleunde, "ik ga niet in de hut, want de dokter is er in en
-hij heeft mij weggestuurd."
-
-"Zoo, welnu, dan moet je wat gaan loopen, Griete. Want je bent
-verkleumd van de kou. Ik zag je daar straks wel zitten, maar ik
-dacht, dat je aan 't spelen waart. Waarom heb je ook je jacketje
-niet aangedaan?"
-
-"Daar had ik geen tijd voor, juffrouw, want ik ben zoo hard als ik
-kon de hut uitgeloopen."
-
-"Kom hier, doe mijn jacketje zoo lang aan, totdat je weer in de hut
-kunt komen," hervatte Hilda, die reeds pogingen deed, om zich van
-haar eigen winterkleed te berooven. "Als de dokter wist, hoe koud je
-'t hier hebt, zou hij je wel weer in de hut laten."
-
-"O, juffrouw," riep Griete smeekend uit, "doe als 't u belieft uw
-jacketje niet uit. Ik ben wel koud, maar zal wel weer warm worden,
-als ik maar wat beweging neem."
-
-"Nu, 't is goed, Griete. Sla je armen dan maar over elkaar. Maar zeg
-me, is er een dokter bij je in huis? Is je vader dan erger?"
-
-"Ach, juffrouw! Ik geloof, dat hij sterft!" riep Griete weenend
-uit. "Er zijn op 't oogenblik twee dokters bij hem, die hem zullen
-vermoorden. Kunt u hem hier niet hooren kermen? Ik kan 't niet hooren,
-door het fluiten van den wind."
-
-Hilda luisterde, maar vernam niets.
-
-"We zullen eens door het venster zien, hoe 't met uw vader is,"
-hernam zij. Dit zeggende, ging ze met Griete naar het raam der
-hut. Maar eensklaps bedacht zij zich.
-
-"Ik mag niet door eens anders raam kijken," zeide zij bij zich
-zelve. "Kijk jij er eens door, Griete," vervolgde zij, "en zeg me
-dan wat je ziet."
-
-Griete ging op haar teenen staan en keek.
-
-"Kind, je bent zelf ziek," hernam Hilda, die haar ondersteunde en
-voelde hoe het arme meisje over haar geheele lichaam beefde.
-
-"Neen, juffrouw, ik ben niet ziek," antwoordde Griete, "maar mijn
-hart schreit, al zijn mijn oogen ook zoo droog als de uwe.--Hé,
-juffrouw! U schreit ook. Schreit u om ons? O, dat is wel goed, en
-als onze lieve Heer dat ziet, zal hij vader zeker beter maken."
-
-"Wat zie je, Griete?" vroeg Hilda. "Of kun je niets zien?"
-
-"Vader ligt heel stil, juffrouw, met een doek om zijn hoofd en
-allen kijken naar hem. Ik moet naar binnen, naar moeder. Gaat u mee,
-juffrouw?"
-
-"Nu niet, maar later kom ik eens hooren, hoe 't met je vader is."
-
-En Griete hoorde de laatste woorden niet meer: want snel liep zij
-den hoek om en trad, zoo zacht als zij kon, de hut binnen.
-
-In de kamer was 't stil. 't Was, of zij den ouden dokter kon hooren
-ademhalen, ja, als hoorde zij de asch op de plaat van den haard
-vallen. De hand van haar moeder was ijskoud, maar haar wangen gloeiden
-en haar oogen stonden glazig helder.
-
-Eindelijk kwam er beweging op het bed, wel zeer zacht, maar genoeg om
-hen allen hun oogen naar dien kant te doen richten; dokter Broekman
-boog zich oplettend voorover. Brinker trok zijn groote hand, zoo bleek
-en zoo zwak voor die van zulk een stevig man, onder het dek vandaan
-en voelde er mee naar zijn voorhoofd. Hij scheen daar het verband
-te voelen, doch deed dat niet op die rustelooze, onbewuste manier,
-maar alsof hij met bewustheid onderzocht, wat men hem toch om het
-hoofd had gebonden. Zelfs dokter Broekman hield zijn adem in. Daarop
-sloeg de patiënt zijn oogen langzaam op.
-
-"Wat gauw, jongens," zeide hij met een stem, die in Griete's ooren
-zeer vreemd klonk. "Haalt die kribben wat hooger en werpt er aarde
-op. Het water rijst zoo snel--er is geen tijd...."
-
-Vrouw Brinker vloog naar het bed, greep beide handen van haar man
-en zeide:
-
-"Rolf, Rolf! ouwe jongen! Praat eens tegen me."
-
-"Ben jij 't, Mietje?" vroeg hij met een zwakke stem. "Ik heb zoo
-lang geslapen en geloof zelfs, dat ik mij bezeerd heb. Waar is de
-kleine Hans?"
-
-"Hier ben ik, vader!" riep Hans, half dol van vreugde. Maar de dokter
-hield hem terug.
-
-"Hij kent ons!" riep vrouw Brinker uit. "Hij kent ons,
-Griete! Griete! kom eens bij je vader!"
-
-Tevergeefs beval dokter Broekman stilte en trachtte hij hen met
-geweld van het bed te houden. Hij kon er niets tegen doen. Hans en
-zijn moeder lachten en weenden te gelijk. Griete liet geen geluid
-hooren, maar stond hen met blijde en toch verschrikte oogen aan te
-kijken. Haar vader vroeg met zwakke stem:
-
-"Slaapt het kleine kind, Mietje?"
-
-"Het kleine kind!" herhaalde vrouw Brinker. "O, Griete, dat ben
-jij! En hij noemt onzen Hans "den kleinen Hans"! Tien jaren heeft
-hij geslapen! O, mijnheer, gij hebt ons allen gered! Van al die tien
-jaren weet hij niets af. Kinderen, dankt toch dien goeden dokter."
-
-De arme vrouw was buiten zich zelve van vreugde. Dokter Broekman
-zeide niets, maar toen hij zijn oogen, die vochtig waren, op de hare
-vestigde, sloeg hij ze opwaarts. Zij begreep, wat hij meende. Ook Hans
-en Griete begrepen het. Alsof zij 't hadden afgesproken, knielden
-ze alle drie in de hut neder, zonder dat vrouw Brinker echter haar
-mans hand losliet. Dokter Broekman stond bij hen en boog eerbiedig
-het hoofd.
-
-"Waarom bid je?" mompelde de vader. "Is 't vandaag Zondag?"
-
-Vrouw Brinker knikte, maar kon niet spreken.
-
-"Lees dan een hoofdstuk uit den Bijbel," hervatte Rolf, terwijl hij
-langzaam en met moeite sprak. "Ik weet niet, hoe 't met mij is. Ik
-ben zoo zwak. Misschien wil de dominee het ons voorlezen."
-
-Griete kreeg den zwaren bijbel van de gebeeldhouwde plank. Dokter
-Broekman, die er om meesmuilde, dat Rolf hem een dominee noemde,
-reikte het boek aan zijn assistent over.
-
-"Lees," mompelde hij. "Die menschen moeten tot rust gebracht worden,
-anders sterft de man nog."
-
-Toen het hoofdstuk uit was, wenkte vrouw Brinker geheimzinnig, dat
-allen stil moesten zijn, want dat haar man sliep.
-
-"Hoor eens, vrouwtje," zeide de dokter met gedempte stem, terwijl
-hij zijn overjas aantrok. "Er moet hier de grootste stilte zijn,
-versta je. Morgen kom ik terug. Geef den patiënt vandaag geen eten,"
-en zonder verder een woord te zeggen, ging hij de hut uit, de bevroren
-vaart over en naar het rijtuig, dat den ganschen tijd, dien de dokter
-in de hut had doorgebracht, den weg langzaam op en neer gereden had,
-om de paarden in beweging te houden.
-
-Hans ging ook de deur uit.
-
-"Moge God u zegenen, mijnheer," zeide hij blozend en met een stem,
-die van aandoening beefde. "Ik kan u nooit beloonen. Doch, als...."
-
-"Ja, dat kun je wel," antwoordde de dokter vrij stroef. "Je kunt je
-verstand gebruiken, als de patiënt weer wakker wordt. Als je wilt,
-dat je vader beter zal worden, dan moet je allemaal je stilhouden."
-
-Hilda was aan de hut blijven staan, totdat zij Hans had hooren zeggen:
-"Hier ben ik, vader!" Toen was zij heengegaan, terwijl zij in zich
-zelf mompelde: "O, wat ben ik blij! Wat ben ik blij!"
-
-'t Duurde niet lang, of het nieuws, dat de krankzinnige Brinker weer
-tot zijn verstand was gekomen, was met de noodige vergrootingen door
-geheel Broek verspreid. Nog dien zelfden avond werd er verhaald, dat
-dokter Broekman hem een groote hoeveelheid medicijnen had ingegeven
-en dat er zes mannen waren noodig geweest om den patiënt vast te
-houden, terwijl de dokter hem die in de keel goot. Terstond daarop
-was de krankzinnige van zijn bed gesprongen en had, in het volle
-bezit zijner geestvermogens, zich op den dokter geworpen en hem een
-pak slaag gegeven; daarop was hij gaan zitten en had al de omstanders
-aangesproken, alsof hij een advocaat was. Toen had hij zich omgekeerd
-en heel vriendelijk met zijn vrouw en kinderen gepraat. Vrouw Brinker
-had het daarna op haar zenuwen gekregen, en Hans had gezegd: "Hier
-ben ik, vader!" En Griete had gezegd: "Hier ben ik, vader!" En de
-dokter was zoo bleek als een lijk in zijn rijtuig gekropen en naar
-Amsterdam teruggereden.
-
-
-
-
-
-
-
-
-ELFDE HOOFDSTUK.
-
-DE VERBORGEN SCHAT.
-
-
-Toen dokter Broekman den volgenden dag in de hut van Rolf Brinker kwam,
-was 't hem alsof een atmosfeer van geluk hem tegenwoei. Vrouw Brinker
-zat met een vergenoegd gezicht te breien aan het bed van haar man,
-die rustig sliep, terwijl Griete in een hoek van het vertrek bezig
-was met het kneden van roggebrood.
-
-De dokter bleef niet lang. Hij deed eenige vragen, scheen tevreden
-over de antwoorden, voelde den pols van zijn patiënt en zeide:
-
-"Je man is geducht zwak, vrouw Brinker! Hij moet wat versterkends
-hebben. Je kunt er gerust mee beginnen, maar niet te veel op eens,
-en wat je hem geeft, het moet van het krachtigste en beste zijn."
-
-"Wij hebben niets dan roggebrood en aardappelen, mijnheer," antwoordde
-vrouw Brinker, "en die zijn hem altijd heel goed bekomen."
-
-"Ho, ho! vrouwtje," hernam de dokter, terwijl hij zijn wenkbrauwen
-fronste. "Dat deugt niemendal voor hem. Hij moet krachtigen bouillon
-hebben, met oudbakken wittebrood, dat je kan roosteren, dan goede
-Malaga, en .... de man lijdt kou .... je moet hem beter dek geven. Waar
-is je zoon?"
-
-"Hij is het dorp ingegaan, om te zien of hij werk kan krijgen,
-mijnheer! Maar hij zal wel gauw terug zijn. Wil u niet gaan zitten?"
-
-Hetzij de harde stoel, dien vrouw Brinker hem aanbood, niet bijzonder
-uitlokkend scheen, of dat de dokter haast had--hij nam het aanbod
-van vrouw Brinker niet aan, maar zette zijn hoed op en vertrok.
-
-Dokter Broekman's bezoek had ditmaal geen aangenamen indruk
-achtergelaten. Griete kneedde haar roggebrood met een zenuwachtige
-gejaagdheid en vrouw Brinker ging naar het bed van haar man en barstte
-in bittere tranen uit.
-
-Op dit oogenblik kwam Hans binnen.
-
-"Wat scheelt er aan, moeder?" vroeg hij, toen hij haar zag weenen. "Is
-vader soms erger?"
-
-Zij wendde haar gelaat naar Hans, en zonder eenige poging om voor
-hem de reden van haar verdriet verborgen te houden, gaf zij hem
-ten antwoord:
-
-"Ja Hans! je arme vader lijdt honger en kou--dat heeft de dokter
-gezegd."
-
-Hans werd bleek.
-
-"Dan moet ge hem wat eten geven, moeder, en hem wat warmer toedekken,"
-zeide hij.
-
-"Eten? Roggebrood en aardappelen? Dan vermoorden wij hem. Ons eten
-is te zwaar voor hem. Ach! hij zal sterven, je arme vader, als we hem
-dat geven. Hij moet vleesch hebben, wijn en een zacht, warm bed. Wat
-moeten wij beginnen? Wat zullen wij doen? Er is geen stuiver in huis!"
-
-"Heeft de dokter dan gezegd, dat hij al die dingen moest hebben?" vroeg
-Hans.
-
-"Ja, dat heeft hij gezegd."
-
-"Welnu, moeder! Droog dan uw tranen. Hij zal ze hebben. Nog vóór den
-avond breng ik hem vleesch en wijn. En wat het dek aangaat, neem
-het maar van het mijne af. Ik ben jong en sterk en kan wel zonder
-dek slapen!"
-
-"En dan, wat er tot overmaat van ramp nog bij komt, Hans, we hebben
-geen brandstof meer. Je vader is er wat ruw mee omgegaan, als ik het
-niet zag."
-
-"Zorg daar maar niet voor, moeder! Als de nood dringt, dan kan ik
-den wilgeboom wel omhakken; maar van avond zal ik wat brandstof
-medebrengen. Al is er te Broek geen werk te vinden, in Amsterdam
-moet er zijn. Maak u maar niet ongerust. Het ergste van alles is
-geleden. Nu vader weer bij zijn verstand is, kunnen wij allen dingen
-het hoofd bieden."
-
-"Je hebt gelijk, Hans," antwoordde vrouw Brinker, terwijl zij haar
-tranen afdroogde.
-
-"Kijk hem nu eens, moeder, hoe rustig hij slaapt. Zou God hem
-nu door gebrek aan voedsel doen omkomen, nu Hij hem ons heeft
-teruggeschonken? Treur dus niet."
-
-Dit zeggende, nam Hans zijn schaatsen onder den arm, gaf zijn
-moeder een kus en ging de deur uit. De arme jongen, moedeloos door
-het mislukken van al zijn pogingen om in Broek werk te krijgen, in
-bittere smart over de mededeelingen zijner moeder, hield zich groot,
-grooter dan hij 't wel in zijn hart was, ja, poogde te fluiten,
-terwijl hij naar de vaart ging.
-
-Nooit was bij de Brinkers de nood zoo hoog geweest. Hun voorraad van
-brandhout was zoo goed als op en Griete was bezig met het laatste meel
-tot brood te kneden. En geld--dat was een soort van ding, dat er in
-de hut aan de vaart weinig, thans in 't geheel niet te vinden was.
-
-'t Speet Hans, dat hij den koetsier niet had verzocht, om stil te
-houden, toen de dokter hem daar straks voorbijreed. Misschien had
-moeder het verkeerd verstaan. De dokter kon toch wel begrijpen, dat
-het buiten hun macht was om vader bouillon en wijn te verschaffen. En
-toch--hij was er wel zeker van, dat de arme man het noodig had,
-want hij zag er zoo zwak uit.
-
-"Kon ik maar werk krijgen, dan zou men mij misschien wat op voorschot
-geven. Ik moet werk hebben. Was mijnheer Van den Helm maar niet juist
-naar Rotterdam, dan zou hij mij wel werk verschaffen. Maar de jonge
-heer Peter heeft mij gezegd, dat ik maar naar zijn moeder moest gaan,
-als ik hulp noodig had. Weet je wat, ik doe 't: baat het niet, dan
-schaadt het niet. O, als 't maar zomer was!"
-
-Onder dit zelfgesprek had Hans zijn schaatsen ondergebonden en reed
-hij naar de woning van mijnheer Van den Helm.
-
-"Vader moet wijn en vleesch hebben," mompelde hij. "Maar hoe kom ik
-vandaag nog aan het geld, om het voor hem te koopen? Er is geen ander
-middel op, dan de belofte te vervullen, die ik stilzwijgend aan den
-jongen heer Peter gedaan heb. Een beetje wijn en vleesch beteekent
-niets voor de familie Van den Helm. Als vader maar voedsel heeft,
-dan rij ik naar Amsterdam en zie daar wat te verdienen."
-
-Toen kwamen er andere gedachten bij hem op, gedachten, die zijn hart
-heviger deden kloppen en het schaamrood op zijn wangen joegen.
-
-"Dat zou bedelen zijn," zeide hij. "Op zijn zachtst genomen
-bedelen. Nooit heeft een van de Brinkers gebedeld! Zal ik dan de
-eerste zijn? En zou mijn arme vader daartoe uit zijn tienjarigen
-doodslaap ontwaakt zijn, opdat hij moet hooren, dat zijn huisgezin om
-een aalmoes gevraagd heeft, hij die altijd zoo fier werkzaam was? Neen,
-dan is 't nog duizendmaal beter om het horloge te verkoopen."
-
-Hij stond peinzend stil.
-
-"Verkoopen?" vervolgde hij, als beantwoordde hij zich zelf. "Wel,
-dat behoeft niet. Ik kan het te Amsterdam beleenen. Dat is toch geen
-schande. En als ik dan werk krijg, dan los ik het weer, en vader
-is geholpen."
-
-Die laatste gedachte deed hem opspringen van vreugde.
-
-"Ik behoef 't niet stil te doen ook," vervolgde hij in het
-naar-huis-rijden. "Wel neen, in 't geheel niet. Ik kan er vader
-zelfs naar vragen. Hij is nu weer bij zijn volle verstand. Misschien
-is hij al wakker. Dan kan hij ons vertellen wat er van dat horloge
-is. Misschien zegt hij, dat het van niet het minste belang is."
-
-Sneller dan hij van huis gereden was, reed hij terug. Hij ontmoette
-zijn moeder juist in de deur.
-
-"O, Hans!" riep zij met een gelaat, dat van vreugde straalde, uit:
-"Daar is de jonge dame geweest met haar dienstmaagd. Zij heeft alles
-meegebracht, wat wij noodig hebben: vleesch, soep, wijn en brood--een
-mand vol brood. En de dokter heeft een mand gestuurd met een paar
-flesschen wijn, een zacht bed en warme dekens voor vader. O, nu zal
-hij wel weer beter worden. God zegene die edele juffrouw Hilda en
-den braven dokter!"
-
-"God zegene hen!" herhaalde Hans en de tranen kwamen hem in de oogen.
-
-Dien avond gevoelde Rolf Brinker zich zooveel beter, dat hij er op
-aandrong, om een weinig in zijn ruwen stoel met hooge leuning op
-te zitten. Het gaf wel een weinig verlegenheid in de hut. Wat Hans
-aangaat, die kon, ofschoon zijn vader een zwaar man was, hem best
-aan de eene zijde ondersteunen, maar vrouw Brinker, ofschoon ze in
-'t geheel niet zwak was, beefde zoozeer vooral bij het denkbeeld,
-dat zij iets zou doen, wat de dokter niet geordonneerd had, dat het
-weinig scheelde of zij was onder den last bezweken.
-
-"Hou je goed, vrouw! hou je goed," zeide Rolf. "Ben ik dan zóó oud
-en zóó zwak geworden, dat ik niet meer op mijn beenen staan kan. Of
-is het de koorts?"
-
-"Hoor me dien man eens aan!" riep vrouw Brinker zenuwachtig lachend
-uit. "Spreekt hij niet als een gezond christenmensch! 't Is de koorts,
-die je zoo zwak maakt, Rolf. Hier is je stoel. Ga nu maar zitten!"
-
-Met deze woorden liet vrouw Brinker haar man zachtjes op zijn stoel
-nederzakken, op welken zij een donzig kussen had gelegd. Hans deed
-hetzelfde. Intusschen bracht Griete alles aan, wat tot gemak van haar
-vader kon dienen, en stookte het vuur ferm op.
-
-Eindelijk zat Rolf Brinker op zijn gemak. Geen wonder, dat hij
-vreemd rondkeek. "De kleine Hans" had niet veel minder gedaan dan
-hem ondersteund. Het "kleine kind" was meer dan vier voet lang en
-stookte den haard zoo goed, alsof haar moeder 't gedaan had. Mietje,
-zijn vrouw, was nog wel even mooi als vroeger, maar heel wat dikker
-geworden, en dat alles--naar 't hem voorkwam, in weinige uren. De
-eenige welbekende dingen, welke hij om zich zag, waren de grenenhouten
-tafel, welke hij zelf had gemaakt, de Bijbel op de plank en de kast
-in den hoek.
-
-Wat wonder, dat de oogen van Rolf Brinker zich met tranen vulden,
-zelfs bij het zien van de vroolijke gezichten, die hem omringden. Tien
-jaren toch van een menschenleven is geen gering verlies! Tien jaren
-van mannelijken leeftijd, van huiselijk geluk en huiselijke zorg,
-tien jaren van eerlijken arbeid, genieting van zonneschijn, van een
-leven in dankbaarheid gesleten. En die tien jaren als een enkele nacht
-voorbijgegaan! Was 't wonder, dat er bittere tranen over zijn wangen
-vloeiden, toen hij begreep, wat er met hem gebeurd was?
-
-Die tranen--'t was of zij in het hart van Griete drongen en daar de
-ijskorst deden smelten, die dat jeugdige hart bedekte. Thans had zij
-haar vader lief, snelde op hem toe en sloeg de armen om zijn hals.
-
-"Vader, lieve vader!" fluisterde zij, terwijl zij haar wangetje dicht
-aan de eene zijde drukte. "O, lieve vader, schrei zoo niet! Wij zijn
-allen hier."
-
-"God zegene u, kind!" snikte Rolf, terwijl hij haar herhaalde malen
-kuste. "Ik had dat waarlijk vergeten!"
-
-Hans en vrouw Brinker hadden zwijgend en met aandoening Griete
-gadegeslagen. Zij waren zóó blijde, dat het kind, hetwelk haar
-vader eigenlijk nooit gekend had, zich thans zoo lief jegens hem
-gedroeg. Rolf Brinker nam het hoofd van zijn dochtertje tusschen zijn
-beide handen, keek haar vriendelijk in het gelaat, wendde zich toen
-tot zijn vrouw en zeide:
-
-"Ik geloof, dat ik haar ken, Mietje. Dezelfde blauwe oogjes, dezelfde
-lippen, 't is het lieve kind, dat al kon zingen, vóór ze nog kon
-loopen. Maar dat is al lang geleden, heel lang," voegde hij er bij,
-terwijl hij met een droomerig gelaat opkeek, "en al die tijd is
-nu voorbij."
-
-"In 't geheel niet, Rolf!" riep zijn vrouw haastig uit. "Denk je dan,
-dat ik er niet voor gezorgd heb, dat ze jou niet vergat? Griete,
-kind! zing eens het oude liedje, dat je zoo lang gekend hebt."
-
-Rolf Brinker liet zijn handen zwaar naast zich hangen en sloot zijn
-oogen, maar er speelde een glimlach om zijn lippen, toen Griete met
-haar heldere stem dat oude, welbekende liedje zong.
-
-Het was een eenvoudig wijsje; de woorden had zij nooit gekend.
-
-En als uit instinct zong zij de noten zóó zacht, dat Rolf zich bijna
-verbeeldde, dat zijn tweejarig kindje weer naast hem zat.
-
-Zoodra het gezang gedaan was, klom Hans op een bankje en begon boven
-in de kast te rommelen.
-
-"Wees voorzichtig, Hans," zeide vrouw Brinker, die, hoe arm zij ook
-was, steeds een zorgvuldige huismoeder bleef. "Wees voorzichtig,
-dat je den wijn niet omgooit, en pas op het brood, dat er naast staat."
-
-"Wees maar niet bang, moeder," antwoordde Hans, die ver boven de
-hoogste plank uitstak. "Ik zal niets omgooien."
-
-Toen sprong hij van het bankje af en ging naar zijn vader, voor wien
-hij een langwerpig stuk grenenhout op tafel zette. Eén van de einden
-was schuin afgerond, en het bovengedeelte was uitgehold.
-
-"Weet gij wel, wat dat is, vader?" vroeg hij.
-
-Rolf Brinker's gelaat helderde op.
-
-"Of ik het weet. Wel ja, mijn jongen, dat is de boot, waaraan ik
-giste.... neen, niet gisteren, maar jaren geleden bezig was."
-
-"Ik heb haar altijd bewaard, vader. Als uw handen weer sterker zijn,
-kunt gij haar afmaken."
-
-"Dat is goed, mijn jongen. Maar niet voor jou, hoor. 'k Moet nu
-maar wachten, tot ik kleinkinderen heb. Wel kerel, je bent bijna een
-man. Heb je je moeder al die jaren trouw geholpen?"
-
-"Ja, dat heeft hij gedaan," zeide vrouw Brinker.
-
-"Laat me eens bedenken," prevelde de vader. "Hoe lang is 't sinds
-dien nacht, dat het water zoo hoog was? Dat is 't laatst, wat ik
-mij herinner."
-
-"We hebben je de waarheid gezegd, Rolf. 't Is al over de tien jaren."
-
-"Tien jaren--en toen ben ik gevallen, niet waar? En heb ik sedert al
-dien tijd in de koorts gelegen?"
-
-Vrouw Brinker wist niet, wat zij moest antwoorden. Zou ze hem alles
-vertellen? Dokter Broekman had haar volstrekt verboden, om hem bekend
-te maken, dat hij krankzinnig, idioot geweest was. Hans en Griete
-stonden verbaasd te kijken, toen hun moeder antwoordde:
-
-"Dat heeft er veel van, Rolf. Je begrijpt, als zoo'n zwaar man als
-jij op zijn hoofd valt, dan loopt dat zoo gemakkelijk niet af. Maar
-nu ben je weer beter, Goddank!"
-
-Rolf liet zijn hoofd zakken.
-
-"'t Is goed, vrouw," hernam hij, na een oogenblik gezwegen te
-hebben. "'t Is me tusschenbeide of mij de hersens in het hoofd
-draaien. Dat zal wel niet beter worden, vóór ik op den dijk ga
-werken. Wanneer denk je, dat ik weer aan den arbeid kan gaan?"
-
-"Hoor me zoo'n man eens aan!" riep vrouw Brinker verheugd en toch
-verschrikt. "We moeten hem te bed brengen, Hans! Dat wou nu al gaan
-werken!"
-
-Zij poogden hem nu van zijn stoel op te richten, maar hij was nog
-niet van zins om naar bed te gaan.
-
-"Schei toch uit," zeide hij met zijn ouden glimlach, een glimlach dien
-Griete nog nooit op zijn gelaat had gezien. "Moet je een man oplichten
-als een blok hout. 't Duurt geen drie dagen of ik ben weer op den dijk
-aan 't werk. Daar zal ik weer mijn oude, goeie jongens vinden! Wat
-zullen ze in hun schik zijn, als ze mij weer zien verschijnen! Daar heb
-je Jan Kamphuijzen en den jongen Hoogvliet. 't Waren trouwe kameraads,
-Hans, daar kan je op aan!"
-
-Hans keek zijn moeder aan. De jonge Hoogvliet was al vijf jaren
-geleden gestorven en Jan Kamphuijzen zat in de cellulaire gevangenis
-te Amsterdam.
-
-"Ze zullen 't nog wel goed maken, denk ik," zeide vrouw Brinker
-ontwijkend. "Maar je begrijpt wel, Rolf, dat we geen tijd hebben gehad
-om ons met hen te bemoeien. Hans had het te druk met leeren en werken,
-dan dat hij kameraden zou hebben kunnen zoeken."
-
-"Leeren en werken!" herhaalde Rolf op peinzenden toon. "Kan de jongen
-dan lezen en schrijven, Mietje?"
-
-"Dat zou ik meenen," antwoordde zij trotsch. "Je zult het hooren,
-Rolf. In den tijd, dat ik den vloer doe, leest de jongen een heel
-boek uit. Hij is net zoo blij met een blaadje gedrukt schrift als
-een konijn met een koolstronk. En cijferen dat hij kan...."
-
-"Hans, help mij een handje," viel Rolf zijn vrouw in de rede. "Ik
-wou weer naar bed."
-
-
-
-Wie dien avond vrouw Brinker en haar beide kinderen had zien soupeeren,
-zou niet gedacht hebben, dat er zooveel fijns in de kast daar aan
-den muur verborgen was. Vroolijk gebruikten zij hun grof brood met
-helder water: "het wittebrood, de wijn en het vleesch moesten voor
-vader blijven," had vrouw Brinker gezegd. "Als men daar een stukje
-van at, zou men het den armen man ontstelen."
-
-"Wat zit je daar te kijken, Griete?" vroeg vrouw Brinker, toen ze
-gedaan hadden. "Heeft je het eten van avond niet gesmaakt, nu je wat
-beters gezien hebt?"
-
-"Neen, moeder," antwoordde Griete verschrikt, dat ze zoo eensklaps
-in haar droomerijen gestoord werd. "Daar heb ik geen oogenblik over
-gedacht. Maar ik...."
-
-"Nu, wat dan, kind?" herhaalde vrouw Brinker ongeduldig.
-
-"Ik dacht, we konden vader nu wel eens naar de duizend gulden
-vragen.--Misschien weet hij er iets van."
-
-"Duizend gulden!" herhaalde eensklaps een stem uit het bed, en zoowel
-vrouw Brinker als Hans sprongen verschrikt op. "De duizend gulden
-zullen je ook wel te pas gekomen zijn, Mietje, al dien langen tijd,
-dat je man geen slag werk deed."
-
-"Ben je wel wakker, Rolf?" vroeg zij.
-
-"Ja, kind. En ik gevoel mij veel beter. Wat een geluk, dat we dit
-geld hadden gespaard! Heeft het gedurende al die tien jaren gestrekt,
-Mietje?"
-
-"Ik .... ik heb er geen cent van gezien, Rolf." En zij was op het punt,
-om hem de geheele waarheid mede te deelen, toen Hans zijn vinger op
-den mond legde en zijn moeder toefluisterde:
-
-"Denk er aan, moeder, wat de dokter gezegd heeft, dat we vaders hoofd
-niet vermoeien mogen."
-
-"Spreek jij dan met hem, kind," antwoordde zij.
-
-Hans voldeed hieraan.
-
-"Ik ben blij, dat ge wat beter zijt, vader," begon hij. "Als 't zoo
-voortgaat, zult gij wel spoedig sterk zijn."
-
-"Ja, jongen, dat willen we hopen. Maar hoe lang heeft dat geld geduurd,
-Hans? Ik kon je moeder niet recht verstaan. Wat zeide zij?"
-
-"Ik heb gezegd, Rolf," antwoordde vrouw Brinker op treurigen toon,
-"dat alles weg is."
-
-"Nu, vrouwtje, wees daar maar niet bedroefd om. Duizend, gulden is
-waarlijk niet zooveel voor tien jaren, vooral als men er een paar
-kinderen bij groot te brengen heeft; maar ze hebben toch gemaakt,
-dat je geen armoede hebt behoeven te lijden. Ben je allen dien tijd
-nogal gezond geweest?"
-
-"Ja," snikte vrouw Brinker, terwijl zij haar voorschoot voor de
-oogen hield.
-
-"Kom, kom, vrouw! Waarom schrei je?" hernam Rolf vriendelijk. "Als
-ik maar weer op de been ben, zullen we wel gauw weer een nieuwe kous
-vullen. Gelukkig, dat ik je alles verteld heb, eer ik ziek werd."
-
-"Verteld? Wat heb je me verteld?"
-
-"Wel, dat ik 't je gezegd heb, dat ik het geld begraven had."
-
-Vrouw Brinker wilde naar het bed vliegen; maar Hans hield haar bij
-den arm vast.
-
-"Stil, moeder," fluisterde hij, terwijl hij haar tegenhield. "Wij
-moeten heel voorzichtig zijn."
-
-Toen zij daar nu zoo handenwringend stond, naderde hij nog eens
-zijn vader.
-
-"Herinnert gij u nog, vader, wanneer gij het geld begraven hebt?"
-
-"Wel zeker, 't Was vóór dag en dauw, op denzelfden dag, dat ik van den
-dijk viel. Jan Kamphuijzen had den avond te voren iets ten opzichte van
-dat geld gezegd, dat mij zijn eerlijkheid deed wantrouwen. Hij was de
-eenige, die met moeder en mij wat van dat geld wist. Ik stond 's nachts
-op en begroef het. Dwaas, die ik was, om een vriend te wantrouwen!"
-
-"Ik wed om al wat gij wilt, vader," hernam Hans lachend, terwijl hij
-zijn moeder en Griete wenkte, om zich stil te houden, "dat gij niet
-meer weet, waar gij het begraven hebt."
-
-"Ha! Ha! Ha! Je hebt gelijk. Maar goeden nacht, Hans! Ik heb slaap."
-
-Hans wilde zijn vader met rust laten en van het bed afgaan, maar
-zijn moeder wenkte hem en hij mocht haar niet ongehoorzaam zijn;
-daarom vervolgde hij:
-
-"Goeden nacht, vader! Waar hebt gij het geld begraven? Ik was toen
-nog heel klein."
-
-"Vlak bij den wilgeboom achter de hut," antwoordde Brinker slaperig.
-
-"O, ja. Aan den noordkant van den boom, niet waar, vader!"
-
-"Neen, aan de zuidzijde. Kom, je weet de plaats net zoo goed als ik,
-kleine schelm! Je bent er toch zeker bij geweest, toen je moeder het
-geld opgroef. Wees nu stil, Hans, en schud mijn kussen wat op. Ik
-heb zoo'n slaap. Goeden nacht!"
-
-"Goeden nacht, vader!" antwoordde Hans, die wel van vreugd had
-willen dansen.
-
-
-
-Dien nacht kwam de maan vrij laat op en wierp haar schijnsel vol en
-helder door het venster in de hut; maar haar licht stoorde den slaap
-van Rolf Brinker niet. Hij sliep rustig evenals Griete. Niet zoo Hans
-en zijn moeder; zij hadden wel wat anders te doen.
-
-Na eenige toebereidselen gemaakt te hebben, slopen zij de hut uit,
-gewapend met een spade en een houweel, beide braaf verroest, daar
-het werktuigen waren, vroeger door Rolf bij het dijkwerk gebezigd.
-
-'t Was buiten helder licht en zij konden den wilgeboom duidelijk
-zien. De bevroren grond was zoo hard als een steen, maar Hans en zijn
-moeder waren niet bang voor een beetje moeite. Het eenige, wat zij
-vreesden, was, dat zij de slapers in de hut zouden wakker maken.
-
-"Gelukkig, dat wij het houweel hebben, moeder," zeide Hans, terwijl
-hij uit al zijn macht sloeg; "maar de grond is zóó hard, dat we moeite
-zullen hebben, om er door te komen."
-
-"Wat zal dat een heuglijke tijding voor hem zijn," zeide vrouw Brinker
-glimlachend, "als hij sterk genoeg is om haar te dragen. Ik zou er
-wel lust in hebben, beide kousen, zoo vol met geld, net zooals wij
-ze vinden, naast hem neer te leggen. Wat zou de brave man dan raar
-opkijken, als hij wakker werd!"
-
-"Dan moeten we ze eerst vinden, moeder!"
-
-"Daar is geen twijfel aan, mijn jongen! Ze kunnen ons nu niet
-ontgaan. Waarschijnlijk zitten ze in den ouden koekepot, dien ik
-jarenlang gemist heb."
-
-Maar hoe diep Hans ook groef, er kwam geen teeken van den schat terug.
-
-"'t Is vreemd, dat vader het geld zoo vreeselijk diep in den grond
-heeft gespit," zeide vrouw Brinker op knorrigen toon. "De grond was
-toen nog zacht genoeg. Hoe verstandig van hem dat hij Jan Kamphuijzen
-niet vertrouwd heeft, en toch stelde hij toen nog zijn volle vertrouwen
-op hem. Wie had ook ooit kunnen denken, dat die vroolijke jongen,
-die altijd zoo aardig was, nog naar de gevangenis zou gaan! Nu, Hans,
-geef mij nu de spade eens. 't Zou toch jammer zijn, als wij den boom
-er mee doodden. Zou 't hem geen kwaad doen?"
-
-"Ik weet het niet," antwoordde Hans ernstig.
-
-Uur op uur gingen moeder en zoon voort met hun werk. Het gat werd
-hoe langer hoe dieper. Eindelijk moesten zij 't wel opgeven. Zij
-hadden bezuiden, benoorden, beoosten, bewesten den boom gegraven;
-maar de verborgen schat was er niet.
-
-
-
-
-
-
-
-
-TWAALFDE HOOFDSTUK.
-
-DE TOOVERGODIN.
-
-
-"Goeden morgen, Annie Bouman," zeide Hans, toen het meisje hem den
-volgenden morgen op het ijs ontmoette.
-
-"Goeden morgen, Hans," antwoordde zij vriendelijk. "Ik ben blij,
-dat ik je eens zie. Hoe is 't met je vader?"
-
-"Daar is een groote verandering mee voorgevallen, Annie!"
-
-"Ik heb er zoo wat van gehoord, Hans. Je moet het mij eens vertellen."
-
-En hij vertelde haar al wat er gebeurd was, terwijl hij natuurlijk
-van het begraven geld zweeg.
-
-"Maar nu moet ik weg, Annie," eindigde hij. "Ik moet naar Amsterdam,
-om mijn schaatsen te verkoopen. Moeder heeft geld noodig."
-
-"Je nieuwe schaatsen, Hans?" riep Annie uit. "Jij, de beste rijder
-uit Broek! En hoe wil je dan meedoen aan den wedren?"
-
-"Dat zal niet gaan, Annie! Maar ik moet weg. Goeden dag!"
-
-En hij was reeds heen.
-
-"Hans!" riep Annie.
-
-Hans kwam terug.
-
-"Ben je wezenlijk van zins, om je schaatsen van de hand te doen,
-als je er een kooper voor kunt vinden?"
-
-"Natuurlijk," antwoordde hij, terwijl hij een paar groote oogen
-opzette. "Waarom zou ik anders naar Amsterdam rijden?"
-
-"Nu, Hans, als je dan je schaatsen wilt verkoopen, dan weet ik wel
-iemand, die ze van je wil overnemen."
-
-"Mijn schaatsen koopen?" hernam Hans.
-
-"Waarom niet die zoo goed als een ander?" zeide zij vriendelijk. "Wat
-zal je er in Amsterdam voor krijgen? Je moet ze daar voor een appel
-en een ei geven. 't Is altijd veel voordeeliger, om ze uit de hand
-te verkoopen."
-
-Hans kon èn aan het argument èn aan het lieve, vriendelijke gezichtje
-van het meisje geen weerstand bieden.
-
-Hij zette zich neder, bond zijn schaatsen af en overhandigde ze
-aan Annie:
-
-"Hoor eens, Annie," zeide hij, "als je kennis de schaatsen
-niet wil hebben, dan moet je me beloven, dat je ze me van middag
-terugbrengt. Want moeder heeft hout en meel noodig en dan ga ik nog
-vóór den avond naar Amsterdam."
-
-"Mijn vriend heeft ze noodig," antwoordde zij, terwijl zij hem
-vriendelijk toeknikte en met de schaatsen wegreed, terwijl zij bij
-zich zelf zeide:
-
-"Wat is die Hans toch een goede, brave jongen!"
-
-Hans vervolgde intusschen, en nu te voet, zijn reis naar Amsterdam.
-
-"'k Hoop maar niet, dat moeder boos zal zijn," zeide hij in zich zelf,
-"dat ik de schaatsen verkocht heb, zonder haar verlof te hebben
-gevraagd. Zij heeft al verdriet genoeg. 't Zal tijds genoeg zijn,
-'t haar te vertellen, als ik het geld heb."
-
-"Hé, waar moet jij naar toe?" hoorde Hans eensklaps roepen, toen hij
-nog niet tot aan het Noordhollandsche kanaal genaderd was.
-
-Hans, die met de oogen naar den grond geslagen geloopen had (want hij
-was heel verdrietig, omdat hij in Broek geen werk had kunnen krijgen,
-en vreesde er terecht voor dat hij wel een vergeefschen tocht naar
-Amsterdam zou doen), keek op en zag Peter van den Helm, die zijn vijf
-makkers een oogenblik verliet en naar den kant der vaart reed.
-
-"O, zijt gij het, jongeheer!" zeide Hans min of meer beteuterd door
-de onverwachte verschijning.
-
-"Wij komen zoo juist van onze reis terug. Hoe is 't met je vader? Is
-dokter Broekman er al geweest?"
-
-"O, mijnheer, dokter Broekman is er niet alleen geweest, maar met
-Gods hulp heeft hij vader gered."
-
-"Wat je zegt! Nu, Hans, dat is een goede tijding. En waar ging je nu
-naar toe?"
-
-"Naar Amsterdam, om werk te zoeken, jongeheer!"
-
-"Naar Amsterdam? Daar zul je geen werk krijgen. Waarom zoek je het
-niet in Broek?"
-
-"Ik heb 't gepoogd, jongeheer, maar er is geen werk."
-
-"En zou je zoo op je voetjes naar Amsterdam kuieren? Dat zou je niet
-meevallen: want het is een heel eind. Waar zijn je nieuwe schaatsen?"
-
-"Ach, jongeheer," zeide Hans, terwijl hij verlegen aan zijn mouw
-plukte, "die heb ik verkocht."
-
-"Verkocht? En hoe moet je dan morgen aan de hardrijderij meedoen?"
-
-"Dat zal ik niet kunnen. Ach, ik heb wel aan wat anders te denken
-dan aan hardrijderijen."
-
-"Maar waarom heb je je schaatsen verkocht, Hans? Je was er zoo blij
-mee en jij kondt er zoo goed op voort."
-
-"Omdat er meel en brandstof in huis moest zijn," hernam Hans. "Als
-ik maar werk had kunnen krijgen, zou ik er geen oogenblik aan gedacht
-hebben."
-
-"Werk? Heb ik niet gezegd, dat je maar naar mijn papa moest gaan om
-werk. Die zou het je wel gegeven hebben."
-
-"Hij is naar Rotterdam, jongeheer!"
-
-"Hoor eens, je ziet, dat mijn kameraads reeds met ongeduld op mij
-wachten. Kom dadelijk bij mij, dan zal ik er met mama over spreken."
-
-Dit zeggende, vloog Peter als een pijl uit een boog voort en was binnen
-weinige minuten weder bij zijn reisgenooten, die hem braaf berispten,
-dat hij zich zoo gemeenzaam met dien voddenraper aanstelde. Maar Peter
-antwoordde niets, ofschoon hij bij zich zelf dacht: die voddenraper
-is honderd percent beter dan een van ons allen. Hij antwoordde niet,
-omdat hij de laatste seconden van hun vroolijk samenzijn niet wilde
-verbitteren door een twist, waarin zij hem toch nooit gelijk zouden
-geven. Hans intusschen wandelde getroost terug en kwam aan het huis
-van mijnheer Van den Helm, toen Peter en Lodewijk reeds lang en breed
-thuis zaten en al hun wedervaren verteld hadden.
-
-"Kom maar binnen, Hans!" zeide Peter. "Ik heb mama reeds over je
-gesproken."
-
-"Dat is heel vriendelijk van u, jongeheer!" antwoordde Hans.
-
-"En zij is heel boos op je, omdat je niet gedaan hebt, wat ik je
-gezegd had en bij haar bent gekomen om hulp."
-
-"Ik bij haar komen om hulp, jongeheer?" zeide Hans, terwijl hij een
-kleur kreeg als bloed. "Neem mij niet kwalijk," vervolgde hij op
-fieren toon, "'t is misschien een beetje trotsch van mij, maar nooit
-heeft een der Brinkers zich verlaagd tot het vragen om een aalmoes!"
-
-"En daar heb je braaf aan gedaan, Brinker," zeide een deftige dame,
-die het vertrek binnentrad. "Toch spijt het mij, dat je niet bij mij
-gekomen bent; ik had je graag wat voorgeschoten op het werk, dat je
-hier zult verrichten."
-
-Hans keek mevrouw Van den Helm met een paar oogen aan, glinsterend
-van vreugde. En hij sloeg die oogen zóó bescheiden en toch zóó open
-tot haar op, dat hij haar ondanks zijn versleten plunje beviel.
-
-"Je bent een gunsteling van mijn zoon Peter," hernam zij. "Hij
-heeft mij verteld, hoe je hem te Haarlem uit de verlegenheid gered
-hebt. Maar waarom hield je dat geld niet voor je zelf, daar je het
-toch zoo noodig hebt?"
-
-"Dat kan Mevrouw niet meenen," zeide Hans, terwijl hij een ongeloovigen
-blik op mevrouw Van den Helm sloeg. "Als ik het gehouden had, was ik
-immers een dief geweest."
-
-"Maar dan had je toch wel een paar gulden voor je moeite kunnen
-aannemen," hervatte mevrouw Van den Helm.
-
-"Geld, dat ik niet verdiend heb, is een aalmoes, Mevrouw. En wat mijn
-moeite aangaat, de jongeheer heeft mij waarlijk nog grooter dienst
-bewezen met dokter Broekman te gaan spreken."
-
-"'t Is waar, Brinker. Dokter Broekman heeft je vader zoo gelukkig
-genezen. Vertel me dat eens!"
-
-Hans verhaalde wat dokter Broekman gedaan had en weidde zeer uit over
-'s mans vriendelijkheid.
-
-"Hoe kun je toch zeggen, dat dokter Broekman vriendelijk is?" zeide
-Peter. "Ik heb nooit grooter bok gezien."
-
-"'t Kan wezen, jongeheer! En ik wil heel gaarne gelooven, dat andere
-menschen geen reden hebben, om op zijn vriendelijkheid te roemen. Maar
-dat belet toch niet, dat ik hem voor een lief, goed man houd en dat
-ik mijn leven zou opofferen, om hem een dienst te doen."
-
-"Je hebt gelijk, Brinker," zeide mevrouw Van den Helm. "En ik vind het
-nobel van je, dat je zoo ferm voor je gevoelen durft uitkomen. Dokter
-Broekman is een braaf man en een knap geneesheer. Dat hij gewoonlijk
-zoo ernstig en streng is, daar heeft hij wel reden voor, de arme
-man. 't Zal zoowat tien jaren geleden zijn, dat hij zijn eenig kind,
-een zoon van veel verwachting, op een zeer ongelukkige manier verloren
-heeft. En dat verlies heeft den vader vrij wat verdriet veroorzaakt."
-
-Peter zweeg uit achting voor zijn moeder, en op het gelaat van Hans
-stond innig medelijden te lezen; terwijl hij in zijn hart den wensch
-voedde, dat hij den dokter diens zoon mocht kunnen wedergeven. Nadat
-onze knaap het werk in den koepel had opgenomen, hetwelk hij bij den
-aankoop van de noodige gereedschappen, niet boven zijn bereik vond,
-gaf mevrouw Van den Helm hem een rolletje met tien rijksdaalders.
-
-"Ziedaar, Brinker," zeide zij vriendelijk, "hier heb je al vast vijf
-en twintig gulden op voorschot! Daar kun je het noodige gereedschap
-en hout voor koopen. En dan wachten we je den tweeden Januari om
-te beginnen. Morgen is de groote wedren, overmorgen Oudejaarsdag
-en Nieuwjaarsdag kun je toch ook niet werken. Al dien tijd kunnen
-je ouders niet van den wind leven, en als het werk goed uitvalt,
-dan zijn de vijf en twintig gulden nog maar een kleinigheid."
-
-Hans keek met glinsterende oogen naar de blinkende rijksdaalders,
-die hij zou verdienen, en dacht aan de vreugde, die er in de hut
-zou heerschen, als hij met zooveel geld thuis kwam. Want als hij
-tien gulden voor hout en gereedschap noodig had, was 't veel en
-het andere geld kon dienen voor de noodigste levensbehoeften en
-voor brandstof. Als hij zijn zin gehad had, dan zou hij reeds den
-volgenden dag zijn begonnen, maar daarvan wilde mevrouw Van den Helm
-niets hooren en hij durfde er niet op aandringen.
-
-"Je bent toch niet boos op me, Hans," zeide Peter, toen hij hem
-uitliet, "dat ik zoo over dokter Broekman gesproken heb? Ik wist niet,
-dat de man verdriet had."
-
-"Wel neen jongeheer! Hoe zou ik boos kunnen zijn op u, die mij als
-een weldoener verschenen zijt? Ik dank u integendeel hartelijk."
-
-"En nu koop je je schaatsen terug, hoor, en doe je morgen mee met
-de hardrijderij."
-
-"Dat zal moeilijk gaan, jongeheer! Maar we zullen zien."
-
-En met deze woorden verliet hij het huis van de familie Van den Helm.
-
-
-
-Vroolijk kwam Hans in de hut aan. Vader Brinker was juist ontwaakt
-en wenschte wat op te zitten; maar vrouw Brinker had hem beduid, dat
-hij moest wachten tot Hans thuis kwam. Hij zat dus maar in het bed op.
-
-"Ben je daar al, Hans?" zeide zijn moeder. "Ik dacht, dat je naar
-Amsterdam waart."
-
-"Zooals u ziet, moeder! Ik ben niet naar Amsterdam geweest. Ha,
-vader! al wakker? en hoe gaat het?"
-
-"Veel beter jongen, veel beter. Ik wachtte al op jou om op te staan:
-want een mensch zou wel lui worden, als hij zoo lang in de veeren
-bleef liggen. Maar je kijkt zoo vroolijk als een meidag. Er is je
-zeker wat goeds bejegend."
-
-"Dat zou ik zeggen, vader," antwoordde Hans, terwijl hij de tien
-blanke rijksdaalders op tafel wierp. "Ik heb werk gekregen en geld
-op voorschot."
-
-En hij vertelde zijn ontmoeting met Peter en de vriendelijke ontvangst
-bij mevrouw Van den Helm.
-
-"En zal jij dat werk durven avonturen, Hans?" vroeg Brinker.
-
-"Met Gods hulp, ja vader," antwoordde Hans. "En we zien reeds
-duidelijk, dat de goede God met mij geweest is."
-
-"Maar hoe zul je...."
-
-"Hij kan zoo mooi in hout snijden, Rolf," zeide vrouw Brinker. "Hans,
-krijg daar de plank eens vandaan en laat je vader die eens zien."
-
-Hans voldeed aan het verlangen zijner moeder en reikte zijn vader de
-plank toe. Deze bekeek het werk met oplettendheid en zeide:
-
-"Dat is goed werk; wie heeft je dat geleerd, Hans?"
-
-"Niemand vader; ik heb het door eigen oefening zoo ver gebracht."
-
-"En hoe kwam je aan het gereedschap?"
-
-"Een oud mes, anders heb ik niet gebruikt."
-
-"Nu, dan zul je den koepel wel in orde brengen, als je maar goed
-gereedschap hebt, jongen! Doch help mij nu op! Ik verlang om uit het
-bed te komen en je moeder durfde me alleen niet aan."
-
-Dien namiddag kwam Annie Bouman.
-
-"Hans," zeide zij, "ik heb goede zaken voor je gedaan! Ik heb vijf
-gulden voor je schaatsen gekregen."
-
-"Heb je je schaatsen verkocht, Hans?" vroeg zijn moeder.
-
-"Ik heb 't van morgen gedaan, moeder, éér ik naar mevrouw Van den Helm
-ben geweest. Maar vijf gulden is te veel, Annie. Ik heb er zooveel
-niet voor gegeven."
-
-"En als nu de liefhebber er zooveel voor geven wil."
-
-"Ik kan het niet gelooven, Annie," zeide Hans.
-
-"Dat staat je niet mooi, Hans, dat je mij niet gelooft," zeide Annie.
-
-"'t Is wel mogelijk Annie! Maar ik geloof...."
-
-"Je moet die schaatsen weerom koopen, Hans," zeide vrouw Brinker. "Je
-bent een brave jongen, dat je je grootste genoegen voor je ouders
-hebt opgeofferd. Maar nu we geld hebben en jij werk--wil ik niet,
-dat je zonder schaatsen blijft. Begrijp eens, dat je wel een enkele
-maal naar Amsterdam zult moeten, en als je 't dan op je voeten zoudt
-moeten doen, dan zou je er te veel tijd mee verliezen."
-
-"Heb je geld gekregen, Hans?" vroeg Annie.
-
-"Ja, Annie, van mevrouw Van den Helm, op afrekening van het werk,
-dat ik er doen zal. Ik zal er den koepel van snijwerk voorzien."
-
-"Jij, Hans? Wel, dat doet mij genoegen. En dus wil je nu de schaatsen
-niet verkoopen?"
-
-"Je moet ze weerom halen, Hans," zeide zijn moeder.
-
-"Ik zal met je meegaan, Annie," hernam Hans. "Ik kan ze toch nog
-wel terugkrijgen?"
-
-"Wel zeker. Maar laat Griete dan met me meerijden, dan kan zij
-ze halen."
-
-Op dit oogenblik schoot de zon haar laatste stralen, bloedrood,
-door het venster in de hut en bescheen de liefelijke gestalte met
-een tooverachtig licht. Vrouw Brinker beschouwde de jeugdige gedaante.
-
-"Kijk me nu dat lieve meisje eens aan!" riep zij uit. "Zou men niet
-zeggen, dat daar een toovergodin staat, van wie ik vroeger wel eens
-in de boeken gelezen heb?"
-
-"Vindt gij 't, vrouw Brinker?" zeide Annie lachend.
-
-"Inderdaad," antwoordde zij.
-
-Hans keek haar met vriendelijken blik aan; Griete kreeg haar schaatsen.
-
-"Ik ga gauw naar huis; kom, Griete, ben je klaar?"
-
-"Ja, Annie!" antwoordde Griete.
-
-"Dag, vrouw Brinker," zeide Annie. "'t Beste met je man!"
-
-Hans ging mede de deur uit, om de meisjes tot aan de vaart te
-vergezellen. Even buiten de deur stond Annie stil. Weder scheen de
-zon tooverachtig op het gelaat van het meisje. Was het een weinig
-coquetterie, dat ze daar zoo bleef stilstaan? Ik durf 't niet
-zeggen--wel weet ik dat Hans haar met een soort van eerbied aanstaarde.
-
-"Moeder heeft wel gelijk," zeide hij bewonderend. "Je lijkt net
-zoo'n toovergodin."
-
-Annie had er pleizier in, dat Hans haar zoo aankeek. Zij zette een
-ernstig gezichtje en zeide:
-
-"Welnu, Hans en Griete! Ik ben de goede toovergodin uit Broek,
-die je een bezoek komt brengen. Je kunt ieder een wensch doen,
-die zal je worden toegestaan." Griete begon te lachen om den ernst,
-waarmede zij sprak; maar Hans, die in zijn hart wenschte, dat Annie
-werkelijk een toovergodin was en dat haar belofte mocht uitkomen,
-lachte niet en zeide ernstig:
-
-"Welnu, goede toovergodin, ik wenschte, dat ik kon vinden wat ik van
-nacht tevergeefs gezocht heb!"
-
-Annie bleef haar rol uitmuntend doorspelen. Zij stampte driemaal op
-den grond, haalde plechtig een glazen kraal uit haar zak, reikte die
-Hans over en zeide:
-
-"Begraaf die kraal daar ginds bij de oude vermolmde wilgestomp,
-en eer de maan hedenavond opkomt, zal je wensch vervuld zijn."
-
-Griete vond dit zoo koddig, dat zij nog harder begon te lachen.
-
-"Ondeugend kind," zeide Annie, terwijl zij een streng gezicht
-zette. "Omdat je een toovergodin bespot, zal jouw wensch niet vervuld
-worden."
-
-"'t Is jammer, dat je je beurt niet hebt afgewacht, toovergodin!" zeide
-Griete. "Nu kun je me niets weigeren: want ik heb niets gevraagd."
-
-Annie bleef haar rol goed spelen. Met waardigheid wendde zij zich om,
-drukte Hans genadig de hand en wandelde naar de vaart. Toen zij daar
-was, was zij weder Annie.
-
-"Kom, Griete!" riep zij tegen het nog steeds lachende kind. "Ga nu
-mee; anders zou je de schaatsen van je broer niet voor morgen thuis
-brengen. En je weet, dat hij dan op de harddraverij moet."
-
-Hans keek de meisjes na, zoolang hij ze zien kon. Maar hij staarde
-ze na met een droomerig gelaat.
-
-"Bij die wilgestomp, zeide zij," mompelde hij. "Hoe dom, dat wij
-daaraan niet gedacht hebben! O, 't is zeker waar! Doch ik zal er
-moeder niets van zeggen, eer ik weet of 't waar is. Zij was van nacht
-zoo teleurgesteld."
-
-En hij ging met langzame schreden in huis, waar zijn vader gerust
-lag te slapen.
-
-"Wat moet je hebben, Hans?" vroeg vrouw Brinker, die aan het bed van
-haar man zat te breien.
-
-"Ik ga de oude stomp omhakken om een lekker brandje te hebben,
-als vader van nacht wakker wordt. Hij staat daar toch maar als
-een doeniet. En dan word ik warm van den arbeid; want ik ben koud
-geworden."
-
-"Sla dan niet te hard, anders mocht je je vader wakker maken."
-
-"Wees maar niet bang, moeder!" antwoordde hij, terwijl hij met spade
-en houweel de hut verliet.
-
-Toen Griete kort daarop met de schaatsen thuis kwam, vroeg zij Hans,
-terwijl zij haar schaatsen afbond:
-
-"Wat voer je daar toch uit?"
-
-"Ik begraaf mijn tooverkraal," antwoordde hij.
-
-"Malle jongen, hier zijn je schaatsen!"
-
-"Hang ze maar binnen op! En waar heb je ze gehaald?"
-
-"Wel, ze lagen bij Annie aan huis."
-
-"Dat dacht ik wel. Lieve, lieve Annie! Je zult zien, Griete, dat ze
-ons nog meer geluk aanbrengt!"
-
-"'t Zal wat zijn, als het voor de heeren komt. Maar ik ga in huis. 't
-Is me te koud om stil te staan."
-
-Vijf minuten later kwam Hans half dansende de deur in met een vuilen
-koekepot.
-
-"Moeder!" riep hij. "Het geld is terug! We hebben er van nacht niet
-aan gedacht, dat de wilg, welken vader bedoelde, al voor jaren is
-omgewaaid en dat de andere nog jong was, toen het ongeluk op den
-dijk voorviel. Annie heeft mij, zonder het te weten, op de gedachte
-gebracht, dat het die was. Hier is de pot met geld!"
-
-Vrouw Brinker kon niet spreken: maar zij trok den ouden vuilen pot,
-dien Hans op tafel had gezet, naar zich toe en haalde de beide kousen
-er uit, die ze aan haar hart drukte. Eindelijk riep zij:
-
-"O, kinderen! Welk een geluk! God zegene de lieve Annie voor haar
-wenk! Nu zal vader het eerst goed hebben."
-
-Dien nacht droomde Annie van een knipmes, dat Hans verloren had en
-op haar tooverspreuk terugvond.
-
-
-
-
-
-
-
-
-DERTIENDE HOOFDSTUK.
-
-HET GEHEIMZINNIGE HORLOGE.
-
-
-Terwijl Hans dien dag werk had gezocht en Griete bezig was geweest,
-om waar zij kon langs de vaart eenig hout te sprokkelen, om het vuur
-aan den haard te onderhouden, had er in de hut van Rolf Brinker een
-vrij langdurig gesprek plaats gehad tusschen den zieke en zijn vrouw,
-waarvan ik den inhoud aan mijn lezeressen en lezers wil mededeelen,
-niet twijfelende, of zij zullen een levendig belang stellen in hetgeen
-er tusschen de beide echtgenooten verhandeld werd.
-
-Gij herinnert u nog wel het gouden horloge, dat Rolf's trouwe
-vrouw zoo zorgvuldig had bewaard. Zoo menig uur van bitteren nood
-en nijpende armoede was er voorbijgegaan, waarin moeder Brinker
-het niet zou gewaagd hebben, dit horloge voor den dag te halen,
-uit vrees dat de verleiding haar te zwaar zou zijn en zij er voor
-mocht bezwijken en ontrouw worden aan het laatste verzoek van haar
-man. 't Was zoo menigmaal hard geweest, de bleeke, vervallen wangen
-harer lievelingen te zien en daarbij te denken, dat het geld, hetwelk
-zij voor dit horloge kon krijgen, de rozen op die wangen had kunnen
-terugbrengen. Maar vrouw Brinker kon de laatste woorden van haar man
-niet vergeten, zij zou er trouw aan blijven, er mocht van komen wat
-er wilde.
-
-"Pas er goed op, Mietje," dat waren zijn woorden geweest, toen hij haar
-het horloge ter hand stelde. Meer had hij er niet kunnen bijvoegen:
-want toen was men hem komen roepen, omdat de dijk gevaar liep. En na
-dien tijd, tien jaren lang, was Rolf buiten staat geweest, haar iets
-naders aangaande het haar in bewaring gegeven kleinood mede te deelen.
-
-Nu echter begreep zij, dat het oogenblik gekomen was, waarin zij
-van haar man iets meer ten aanzien van het geheimzinnige horloge zou
-kunnen vernemen. Zij legde het dus in de hand van den zieke.
-
-Rolf Brinker draaide het gladde, blinkende voorwerp herhaalde
-malen in zijn hand om; daarna onderzocht hij het kleine zwart moiré
-lintje, dat er aan vastzat; hij scheen echter een en ander niet te
-herkennen. Eindelijk toch zeide hij:
-
-"Hé, ja. Nu herinner ik 't mij. Vrouw, wat heb je dat ding mooi
-opgewreven! Het ziet er uit of het zoo nieuw uit den winkel komt!"
-
-"Vindt je 't?" vroeg vrouw Brinker.
-
-Rolf bekeek het horloge nogmaals.
-
-"Arme jongen!" mompelde hij; toen verzonk hij in diep gepeins.
-
-Vrouw Brinker kon haar ongeduld niet langer bedwingen. Min of meer
-knorrig, herhaalde zij haars mans woorden: "Arme jongen!" Daarop
-vervolgde zij: "Hoe is 't nu met je Rolf? Denk je, dat ik niets anders
-te doen heb, dan hier bij je te staan en mijn boel te laten wachten, om
-ten slotte van alles niets anders van je te hooren dan: arme jongen?"
-
-"Maar ik heb je immers alles reeds sedert lang verteld," zeide Rolf
-op bevestigenden toon, terwijl hij zijn vrouw verwonderd aankeek.
-
-"Wel neen, Rolf, je hebt me er nooit een enkel woord van gezegd."
-
-"Nu, als dat het geval is, en daar 't een zaak betreft, die ons
-in 't geheel niet aangaat--zoo zullen wij er maar over zwijgen,"
-hervatte Rolf, terwijl hij zijn hoofd treurig schudde. "'t Is
-allerwaarschijnlijkst, dat in den tijd, welken ik dood ben geweest
-voor de aarde, de arme gestorven en reeds in den hemel is. Hij zag
-er wel naar uit, die arme knaap!"
-
-"Rolf, als je me op die manier gaat behandelen, die je heb verzorgd
-en verpleegd van mijn twee-en-twintigste jaar af, dan moet ik zeggen
-dat het schande, meer dan erg is."
-
-En vrouw Brinker's geheele gezicht was rood van toorn en zij sprak
-die woorden op vlijmenden toon uit. Rolf vroeg met zwakke stem:
-
-"Je behandelen, Mietje? Op welke manier? Wat bedoel je daarmee?"
-
-"Op welke manier? Wat bedoel je daarmee?" herhaalde vrouw Brinker,
-terwijl zij zijn stem en gebaren nadeed. "Wel op die manier, als
-elke vrouw wordt behandeld, als zij haar man, toen hij zoo erg was,
-trouw heeft opgepast, als een...."
-
-"Mietje!"
-
-Dit zeide Rolf op een gevoeligen toon, terwijl hij beide armen naar
-zijn vrouw uitstrekte en begon te weenen als een kind. Terstond
-bedaarde vrouw Brinker's drift. Zij snelde op haar man af, sloot zijn
-beide handen in de hare en riep uit:
-
-"Ach! Wat heb ik gedaan! Ik heb mijn goeden man aan 't weenen gemaakt,
-mijn goeden man, dien ik nog geen vier dagen terug heb! Kijk me eens
-aan, Rolf, goede jongen! kijk me eens aan! Ach, ik heb er zoo'n spijt
-van, dat ik je zeer gedaan heb! 't Is ook zoo hard, als je tien jaren
-gewacht hebt om wat naders van dat horloge te vernemen, en je kunt
-er niets van te weten komen.... Maar ik zal je er geen woord meer
-over vragen, Rolf! Geen enkel woord meer! Geef het ding maar hier,
-dan zullen we het wegbrengen. Dat zulk een ellendig horloge de oorzaak
-moet zijn van ongenoegen tusschen ons, en dat zoo kort, nadat God je
-me weergeschonken heeft!"
-
-"Ach, Mietje, ik ben heel kinderachtig geweest, dat ik geschreid
-heb," hervatte Rolf, terwijl hij haar kuste. "'t Is ook niet meer dan
-billijk, dat je de waarheid verneemt. Maar 't was mij, alsof ik door
-'t je te vertellen, de geheimen van een afgestorvene aan den dag
-zou brengen."
-
-"Denk je dan, dat de man--de jongen, van wien je spraakt, dood
-is?" vroeg vrouw Brinker, terwijl zij het horloge in haar hand verborg.
-
-"Dat kan ik niet zeggen," antwoordde hij.
-
-"Was hij dan zoo ziek, Rolf?"
-
-"Neen niet ziek, maar gejaagd, heel gejaagd."
-
-"Had hij dan wat kwaads uitgevoerd, denk je?" vroeg zij half
-fluisterend.
-
-Rolf knikte.
-
-"Een moord gedaan?" fluisterde de vrouw, zonder te durven opkijken.
-
-"Hij zeide, dat het er wel iets van had."
-
-"O, Rolf, je doet mij schrikken--vertel mij meer--je spreekt zoo
-raadselachtig--en je beeft. Ik moet alles weten."
-
-"Als ik beef, vrouw, dan moet het van de koorts zijn. Daar rust,
-Goddank, geen schuld op mijn ziel."
-
-"Daar Rolf, neem een slokje wijn; dat zal je goed doen. Ziezoo nu
-ben je beter. 't Had veel van een moord, zei je?"
-
-"Ja, Mietje, van een moord; dat heeft hij mij zelf verteld. Maar ik
-geloof het niet. Een knappe, frissche, aardige knaap, die er net zoo
-uitzag als onze Hans...."
-
-"Ja, ik begrijp je," hervatte vrouw Brinker, om de historie niet af
-te breken.
-
-"Hij kwam heel onverwachts op mij af," ging Rolf voort. "Ik had hem
-nooit te voren gezien, met zijn bleek en angstig gelaat. Hij greep mij
-bij den arm. "Je schijnt me een eerlijke kerel te zijn," zeide hij."
-
-"Daar had hij ook deugdelijk gelijk in," viel de vrouw haar man met
-geestdrift in de rede.
-
-Rolf keek een weinig verward.
-
-"Waar was ik ook weer, vrouw?" vroeg hij.
-
-"De knaap greep je bij den arm," antwoordde zij, terwijl zij hem
-nieuwsgierig aanzag.
-
-"Juist, zoo was 't. 't Komt me alles zoo moeilijk voor den geest,
-net alsof 't een droom is, weet je."
-
-"Geen wonder, arme man," hervatte vrouw Brinker, terwijl zij hem de
-hand drukte. "Als jij geen verstand voor een dozijn anderen gehad
-hadt, dan zou je nooit weer bij je positieven zijn gekomen. Welnu,
-hij greep je bij je arm en zei, dat je een eerlijke kerel scheen te
-zijn. Waar was dat?"
-
-"Wel, je weet, dat ik het dagveer aan het Schouw bediende voor
-Piet van Dieren, die toen ziek lag. Nu stond ik bij de schuit;
-want de stoomboot naar het Nieuwediep zou binnen weinige minuten in
-'t gezicht komen en dan moest ik klaar zijn, als er passagiers waren
-af te zetten of aan te brengen."
-
-"O, was 't daar? Nu--hij greep je bij den arm, Rolf."
-
-"Ja, dat deed hij. En 't is of ik nog dat bleeke, angstige gelaat
-zie. "Breng mij naar de stoomboot, die naar het Nieuwediep vaart."--Met
-deze woorden sprong hij in de boot, waarin ik reeds gestapt was.--"Hoor
-eens," zei hij, terwijl ik de riemen in het water legde; want het was
-nog te vroeg en de boot had nog niet eens gefloten. "Hoor eens, kan
-ik je vertrouwen?"--"Als u zelf, mijnheer," antwoordde ik.--"Ik heb
-een verkeerd stuk begaan--God weet, dat ik het zonder opzet deed--maar
-de man is dood--en ik moet uit het land vluchten." Dat zei hij."
-
-"Goede Hemel! En zei hij dat, Rolf? Had hij iemand doodgestoken of
-doodgeschoten?"
-
-"Dat herinner ik mij niet meer. Misschien heeft hij 't mij verteld;
-maar 't is me alles als een droom. Eigenlijk mocht ik hem niet
-behulpzaam zijn om de wraak der wetten te ontvluchten. Maar hij
-betuigde zoo plechtig zijn onschuld en daarenboven zag hij zoo
-trouwhartig uit zijn oogen, net als onze Hans kan doen. Hoe meer ik
-'t mij herinner--hoe meer ik vind, dat hij op onzen jongen geleek."
-
-"En was dat de knaap, die u het horloge gaf? Wel, Rolf, als hij daar
-maar eerlijk aan gekomen was."
-
-"Foei, vrouw!" riep Rolf uit, op een toon alsof hij zich beleedigd
-gevoelde. "De jongen was zoo mooi en zoo fijn gekleed alsof hij een
-prins was. Het horloge was het zijne, daar kun je staat op maken."
-
-"Hoe kwam hij er dan toe, om het jou te geven?" hernam vrouw Brinker.
-
-"Wel, dat heb ik je zooeven verteld," antwoordde hij min of meer
-verward.
-
-"Vertel 't me dan nog eens, beste Rolf!"
-
-"Wel, juist toen de boot zich in de verte liet hooren en ik de riemen
-in het water sloeg om er heen te roeien, haalde de knaap het horloge
-uit zijn zak. "Ik moet uit mijn land vluchten, zooals ik nooit
-gedacht had, dat ik zou moeten doen," zeide hij. "Jou vertrouw ik,
-omdat je een eerlijk gezicht hebt.--Wil je dit horloge aan mijn vader
-brengen, niet vandaag, maar vandaag over acht dagen, en hem zeggen,
-dat zijn ongelukkige zoon het hem zendt. Zeg hem dan, dat, als hij
-er behoefte aan heeft, om mij bij zich te hebben, ik alle gevaren
-zal trotseeren en terug zal komen. Zeg hem, dat hij een brief moet
-schrijven aan...." ja, verder ben ik alles vergeten. Ik kan mij
-niet herinneren, waar de brief naar toe moest. Arme jongen! arme
-jongen!" herhaalde Rolf op smartvollen toon, terwijl hij het horloge
-van zijn vrouws schoot nam. "En dat dit horloge sedert al dien tijd
-niet naar zijn vader is gezonden!"
-
-"Ik zal het hem brengen, Rolf; ik zal het hem brengen, beste jongen,
-zoodra Griete weer thuis is," zeide vrouw Brinker, om haar man gerust
-te stellen. "Griete zal wel gauw weerom komen. Hoe heette de vader
-van den knaap? Waar moest je hem opzoeken?"
-
-"Helaas!" antwoordde Rolf, terwijl hij langzaam sprak. "'t Is me alles
-ontgaan. 't Is me net, alsof ik het gezicht van den jongen nog vóór mij
-heb, met zijn groote oogen, die me zoo trouwhartig aankeken--ik zie hem
-nog het horloge opendoen, er iets uitscheuren en dat kussen.... Meer
-echter kan ik mij niet te binnen brengen. Al het overige wentelt
-zich als in een kring om mij rond, en als ik tracht te denken, dan is
-'t net of het geluid van opkomend water mij in de ooren ruischt."
-
-"Dat is heel natuurlijk. Dat gesuis in mijn ooren heb ik vroeger zoo
-dikwijls gehoord, als ik de koorts had gehad. Je bent nu moe en moet
-naar bed. Waar of het kind toch blijft?"
-
-En zij opende de deur en riep: "Griete, Griete!"
-
-"Blijf daar staan, vrouw," zeide Rolf zwak, terwijl hij zich
-vooroverboog en poogde naar buiten te kijken naar het ontheisterde
-landschap. "Ik zou zoo'n lust hebben, om eens even aan de deur
-te staan."
-
-"Volstrekt niet, Rolf," antwoordde zij glimlachend. "Ik zal 't den
-dokter eens vertellen, hoe je zanikt en maalt en me het hoofd warm
-maakt, om eens in de open lucht te gaan; en als hij 't permitteert,
-dan zal ik je morgen warmpjes toestoppen en de hut eens met je
-omwandelen. Maar ik zou wel maken, dat je 't koud kreegt met die open
-deur. Als ik mij niet vergis, dan komt Griete daar in de verte aan
-met haar voorschoot vol hout en spaanders; zij rijdt als een wildeman
-over de vaart."
-
-"Foei, Rolf," vervolgde zij, op luiden toon, want zij schrikte er
-van. "Loop je daar zelf naar je bed, zonder dat ik je vasthoud? Je
-zult vallen."
-
-Maar Rolf was niet gevallen, en toch hielp zijn vrouw hem te bed en
-dekte hem zóó warmpjes toe, dat de goede man recht op zijn gemak lag
-en zeide, dat het vandaag wel voor 't laatst zou zijn, dat hij op
-klaarlichten dag naar bed ging.
-
-"In een dag of wat zal dat wel gaan, Rolf," antwoordde zijn vrouw,
-"vooral als je zoo in krachten toeneemt."
-
-Daarop stookte zij het vuur wat aan, ridderde den boedel wat op en
-ging, met haar breiwerk in de hand, naast het bed zitten.
-
-"Hoor eens, Rolf, je moest toch eens probeeren, of je je den naam
-van dien vader niet kunt herinneren. Griete is straks thuis en dan
-kan ik het horloge naar hem toebrengen, terwijl jij slaapt."
-
-Rolf dacht na, maar te vergeefs.
-
-"Kan het ook Boomheuvel zijn?" vroeg zij. "Ik heb wel eens gehoord,
-dat zij twee zoons hadden, die niet hebben willen oppassen--Gerard
-en Lambert."
-
-"'t Kan wel zijn. Kijk eens, of er ook letters op het horloge staan,
-die ons den weg kunnen wijzen."
-
-"Hemel, Rolf!" riep vrouw Brinker uit, terwijl zij het horloge
-bekeek. "Je bent verstandiger dan ooit! 't Kan niet anders. Hier
-staan de letters: L. J. B. Dat is zeker Lambert Boomheuvel. Wat die
-J. beteekent, begrijp ik niet. Maar die Boomheuvels waren indertijd
-rijke lui, die 't goed konden stellen. En zulk soort van menschen
-geven hun kinderen altijd dubbele namen."
-
-"Dat laat zich best hooren, vrouw! 't Is zeker die Lambert Boomkert
-geweest. Neem dus het horloge en breng het terstond naar de Boomkerts."
-
-"Neen, geen Boomkert, die naam bestaat er niet, voor zoover mij bekend
-is. Maar Boomheuvel."
-
-"Nu breng het dan naar de Boomheuvels!"
-
-"Dat geef ik jou te doen, om het daar naar toe te brengen. Die heele
-familie is al vier jaren geleden naar Amerika vertrokken. Maar ga jij
-nu slapen; je ziet er bleek en afgemat uit. Als je uitgerust bent,
-dan zullen we er wel eens nader over beraadslagen.--Zoo, Griete! Ben
-je daar eindelijk? Je bent tamelijk lang weggebleven."
-
-
-
-Rolf Brinker deed een langen en gerusten slaap, waaruit wij hem
-zagen wakker worden, juist toen Hans met het door mevrouw Van den
-Helm voorgeschoten geld de hut binnentrad. Hoe sterk de goede Rolf
-ook meende te zijn, hij was dien namiddag weder naar bed gegaan en
-had niets gehoord van het gesprek met Annie Bouman, en was evenmin
-wakker geworden door het slaan van Hans op de bevroren aarde. Maar toen
-Hans den pot binnenbracht en moeder Brinker 't uitgilde van vreugd,
-toen werd Rolf wakker, keek half dommelig het bed uit en zeide:
-"Wat is er, Mietje?"
-
-Maar Mietje danste als een zottin door het vertrek met de beide
-kousen in haar armen en Hans stond daar met tranen in de oogen,
-en Griete schaterde 't uit van lachen.
-
-"Vader roept, moeder!" zeide Hans.
-
-In een oogenblik was vrouw Brinker's uitgelaten blijdschap bedaard.
-
-"Ik had den goeden man wel een toeval op zijn lijf kunnen jagen,"
-zeide zij verschrikt. "Maar ik ben ook zoo uitermate gelukkig!"
-
-"Wat is er toch gebeurd, Mietje?" herhaalde Brinker, met een minder
-slaperige stem dan zooeven.
-
-"Wel, de duizend gulden zijn terug, die je begraven hadt, den nacht
-voordat je het ongeluk op den dijk kreegt," zeide vrouw Brinker, en zij
-verhaalde hem omstandig, hoe zij reeds den vorigen nacht vergeefs naar
-het geld gezocht hadden, en hoe Hans, op een toevallige aanwijzing
-van Annie Bouman, die er geweest was, terwijl hij geslapen had, op
-het denkbeeld was gekomen om bij de stomp van den ouden wilgestam te
-graven en -- -- -- het geld ongeschonden voor den dag had gebracht.
-
-"En nu zul je 't eerst goed hebben, Rolf," eindigde zij. "Hans en ik
-gaan straks naar Monnikendam, om ons van het noodige te voorzien. En
-jij, Hans en Griete, zult nu ook vleesch bij je brood hebben en worst
-ook. Je hebt lang genoeg honger geleden."
-
-Ik zal u de vroolijke gesprekken niet mededeelen, die er gevoerd,
-noch de schitterende luchtkasteelen, welke er gebouwd werden en die
-zich gelukkigerwijs maar tot plannen en ontwerpen bepaalden. Zij
-werden in hot midden van al die vroolijkheid gestoord door het gerol
-van een rijtuig aan den overkant der vaart.
-
-"Zou daar de dokter zijn?" vroeg Hans.
-
-"Hij is er vandaag nog niet geweest. Ik dacht, dat hij maar eens zou
-hebben overgeslagen."
-
-"Het rijtuig houdt stil," zeide Griete.
-
-"Hier, Hans, neem de lamp! Als 't de dokter is, mocht hij eens
-struikelen."
-
-Hans was reeds met de lamp de hut uit en zag inderdaad den goeden
-dokter Broekman over het ijs komen aanstrompelen.
-
-"Is u 't, mijnheer?" riep hij hem toe. "Wacht, laat mij u bijlichten! U
-zoudt een ongeluk kunnen krijgen."
-
-En Hans snelde met zijn lamp naar den dokter toe en bood hem de hand,
-om hem langs veilige plaatsen te geleiden.
-
-"Een satansch ellendig pad in den donker," bromde de dokter. "'t Is
-goed, dat je gekomen bent, Hans; anders had ik hals en beenen kunnen
-breken. Hoe is 't met je vader?"
-
-"O uitmuntend, mijnheer! Vader wordt bij den dag sterker. Hij is op
-'t oogenblik wakker."
-
-"Goede Hemel, mijnheer de dokter!" riep vrouw Brinker uit. "Komt u
-zoo laat in den avond! O, dat is lief van u! Hoe licht hadt u een
-ongeluk kunnen krijgen!"
-
-Dokter Broekman scheen haast te hebben. Hij antwoordde niet op den
-uitroep van vrouw Brinker, maar ging terstond naar het bed, zette
-zich daar neder en voelde Brinker's pols. Hij knikte goedkeurend.
-
-"Dat gaat vooruit met den patiënt," zeide hij. "Had ik geweten, dat
-het zoo goed was, dan was ik doorgereden. Ik ben den geheelen dag
-Noord-Holland in geweest en kwam nu, in het naar-huis-gaan, even aan."
-
-"Geen wonder, dat Rolf zooveel beter is, dokter," zeide vrouw
-Brinker. "Zooeven hebben wij duizend gulden weergevonden, welke mijn
-man, tien jaren geleden, uit voorzorg begraven had en die wij meenden,
-dat gestolen waren."
-
-De dokter zette oogen op.
-
-"Ja, mijnheer," zeide de zieke. "Zoo is 't geval, ofschoon we het
-aan niemand meedeelen. Maar u maakt een onderscheid, en daarboven,
-u zal het wel niet oververtellen."
-
-De dokter bromde. Hij hield niet van zulke persoonlijke opmerkingen.
-
-"En nu, mijnheer, kan u ook een behoorlijke rekening inleveren. God
-weet, hoe dubbel gij het verdiend hebt door zulk een ellendig werktuig
-weder als mensch in de wereld te brengen, en welk een onbetaalbaren
-dienst gij daardoor aan hem en zijn gezin bewezen hebt. Zeg dus maar
-aan mijn vrouw, hoeveel wij u schuldig zijn, en zij zal u terstond
-betalen."
-
-"Kom, kom," zei de dokter vriendelijk. "Praat toch niet van
-betalen. Geld kan ik zooveel krijgen als ik maar wil, maar dankbaarheid
-niet. Het "dank u" van dien jongen," ging hij voort, terwijl hij naar
-Hans wees, "heeft mij reeds genoegzaam betaald."
-
-"U heeft zeker een zoon die veel op Hans gelijkt," zeide vrouw Brinker,
-die heel blijde was, dat de groote man zoo familiaar werd.
-
-Bij deze woorden verdween eensklaps elke vroolijke trek van des
-dokters gelaat. Hij bromde iets, maar antwoordde geen woord.
-
-"O, mijnheer, mijn vrouw is wel wat bemoeizuchtig, niet waar? Maar
-u moet het haar niet kwalijk nemen; want ik heb haar van middag
-verteld van een jongen, die zooveel op onzen Hans geleek en die mij
-een boodschap aan zijn vader heeft achtergelaten. En nu--nu ik de
-boodschap kan doen, is de geheele familie vertrokken."
-
-"Ze heeten Boomheuvel, mijnheer," zeide vrouw Brinker haastig. "Weet
-u ook iets van die familie?"
-
-De dokter antwoordde kortaf en knorrig:
-
-"Ja. Dat 's een malle zaak. Ze zijn sedert lang naar Amerika
-vertrokken."
-
-"Misschien, Rolf," zeide vrouw Brinker bedeesd, "kent de dokter
-wel iemand in dat land, ofschoon ik mij wel heb laten vertellen,
-dat er niets dan wilden in wonen. Als hij het horloge eens aan de
-Boomheuvels wilde sturen met de boodschap van den armen jongen;
-dat zou een heerlijke zaak zijn."
-
-"Ben je dwaas, vrouw? Waarom zouden wij den goeden dokter
-lastig vallen, die overal genoeg te doen heeft met zieke
-menschen? Daarenboven--hoe weet je, dat je den rechten naam hebt?"
-
-"Wel, ik ben er zeker van," antwoordde zij. "Zij hadden een zoon
-Lambert en daar is een L voor Lambert en een B voor Boomheuvel op
-de achterzijde van het horloge; ofschoon er die malle J bij is;
-maar laat den dokter zelf maar zien."
-
-Dit zeggende, reikte zij dokter Broekman het horloge over.
-
-"L. J. B.!" riep de dokter uit, terwijl hij het horloge aangreep.
-
-Ik zie geen kans om u het tooneel te beschrijven, dat nu volgde;
-ik wil alleen mededeelen, dat de boodschap van den jongen eindelijk
-aan zijn vader werd overgebracht en dat de groote dokter daar zat te
-schreien als een kind.
-
-"Laurens, mijn lieve Laurens!" snikte de dokter, terwijl hij als
-bewegingloos het horloge aanstaarde. "O, had ik het maar vroeger
-geweten! Laurens een zwerveling zonder huisvesting! Misschien al
-van ellende en kommer gestorven! Bedenk je toch eens, man, waar
-is hij? Waar heeft mijn jongen gezegd, dat de brief moest worden
-heengezonden?"
-
-Rolf schudde treurig het hoofd.
-
-"Denk maar eens goed na!" smeekte de dokter. O, het geheugen, dat door
-zijn kunst eerst zoo kort geleden ontwaakt was, moest hem dienen in
-een oogenblik als dit.
-
-"Ik ben het alles kwijt, geheel en al kwijt, mijnheer!" zuchtte Rolf.
-
-Hans, die allen afstand van rang en stand vergat en alleen zag, dat
-zijn goede vriend verdriet had, sloeg den arm om den hals des dokters.
-
-"Ik kan uw zoon terugvinden, mijnheer," zeide hij. "Als hij nog
-leeft, dan bevindt hij zich ergens. De aarde is zoo groot niet: ik
-wil alle dagen mijn best doen, om hem uit te vinden. Moeder kan mij
-nu missen. Gij zijt rijk, mijnheer, zend mij, waarheen gij wilt!"
-
-Griete begon te schreien. Wel vond zij het goed, dat Hans ging. Maar
-hoe zouden ze het maken zonder hem?
-
-Dokter Broekman antwoordde Hans niet, ook deed hij geen poging,
-om hem van zich af te stooten. Zijn oogen waren angstig op Rolf
-Brinker gevestigd. Eensklaps nam hij het horloge en poogde het
-open te doen springen. De verstijfde veer gehoorzaamde eindelijk;
-de horlogekas vloog open--en het gelaat van den dokter toonde bittere
-teleurstelling. Rolf zag dit en haastte zich te zeggen:
-
-"Daar was een papier in, mijnheer, maar de jongeheer scheurde het er
-uit, vóór hij mij het horloge overhandigde. Hij kuste het, eer hij
-het wegstak."
-
-"Dat was het portret zijner moeder," zuchtte de dokter. "Zij stierf,
-toen hij nog eerst tien jaren oud was. Goddank, dat de jongen haar
-niet vergeten heeft! En zij zouden beiden dood zijn! Neen, dat is
-onmogelijk!" riep hij uit, terwijl hij van zijn stoel opsprong. "Mijn
-jongen leeft nog; daar ben ik zeker van. Ik zal u vertellen, wat er met
-hem gebeurd is. Laurens was mijn helper en tevens in een apotheek om
-het recepteeren te leeren. Bij vergissing maakte hij voor een mijner
-patiënten een verkeerd geneesmiddel gereed--hij had zich in de flesch
-vergist en gaf een zwaar vergif. Maar gelukkig bemerkte ik den misslag
-nog bijtijds en gaf het geneesmiddel niet in. Diens ondanks stierf
-de patiënt nog vóór den avond. Ik werd dien dag door verschillende
-zieken opgehouden. Toen ik 's avonds thuis kwam, was mijn arme jongen
-verdwenen. Arme Laurens!" snikte hij, "en al die jaren niets van u
-te hooren! Zijn boodschap niet gedaan! O, wat moet hij geleden hebben!"
-
-Vrouw Brinker verstoutte zich om te spreken. Zij kon den braven dokter
-zoo niet zien schreien.
-
-"Hoe gelukkig voor u, dokter, te weten, dat de jongeheer onschuldig
-was. Ach! hij was angstig en zoo bedroefd. Aan Rolf zeide hij,
-dat zijn misdaad gelijk stond met een moord! Hij meende zeker het
-zenden van het verkeerde geneesmiddel. Als dat een misdaad was, dan
-weet ik het niet! Onze kleine Griete zou hetzelfde hebben kunnen
-doen. Waarschijnlijk heeft de arme jongeheer gehoord, dat de man
-dood was--daarom heeft hij de vlucht genomen, mijnheer! Tegen jou
-zei hij, niet waar, Rolf, dat hij nooit in het land kon terugkomen,
-indien...." zij weifelde om meer te zeggen en vervolgde: "Ach,
-mijnheer! tien jaren is een vreeselijk lange tijd om te wachten op
-tijding van...."
-
-"Zwijg, vrouw!" zeide Rolf op scherpen toon.
-
-"Op tijding te wachten!" snikte de dokter. "En ik thuis zittende
-te brommen en mij te verbeelden, dat hij mij verlaten had! In
-de verste verte heb ik er niet aan gedacht, dat de knaap zijn
-misslag ontdekt had. Ik verbeeldde mij, dat het jeugdige dwaasheid
-was--ondankbaarheid--zucht naar avonturen, die hem hebben doen
-wegloopen. Mijn arme, arme Laurens!"
-
-"Maar u weet nu alles, mijnheer," fluisterde Hans. "U weet nu, dat hij
-onschuldig was aan alle kwaad; dat hij u en zijn afgestorven moeder
-liefhad. Wij zullen hem uitvinden. U zult hem wederzien, lieve dokter!"
-
-"God zegen' je, mijn jongen," zeide dokter Broekman, terwijl hij de
-hand van den knaap in de zijne drukte. "'t Moge uitkomen, zooals je
-'t voorspelt. Ik zal mijn best doen, dat zal ik. En Brinker, het
-minste woord, dat je je herinnert omtrent mijn ongelukkig kind,
-moet je me terstond laten weten."
-
-"Dat beloof ik u, dokter," riep Hans uit, en de dokter was tevreden
-met die belofte. Hij wist, dat Hans haar zou houden.
-
-"De oogen van je jongen," hervatte de dokter tot vrouw Brinker,
-"lijken sprekend op die van mijn zoon. De eerste maal, toen hij bij
-mij kwam, was 't of Laurens zelf voor mij stond."
-
-Eenige minuten scheen de dokter in gedachten verzonken; daarna stond
-hij op en zeide op vriendelijken toon:
-
-"Neem mij niet kwalijk, Brinker, dat ik 't je van avond zoo druk
-gemaakt heb. Bedroef je maar niet om mijnentwil. Ik verlaat je huis
-veel gelukkiger dan ik in jaren geweest ben. Zal ik het horloge
-maar meenemen?"
-
-"Natuurlijk, mijnheer! 't Was immers de wensch van uw zoon."
-
-"Je hebt gelijk," hernam de dokter, terwijl hij het horloge
-wegstak. "En nu moet ik gaan. Mijn patiënt heeft geen andere
-medicijnen noodig dan rust en een vroolijke omgeving; beide zijn hier
-in overvloed. De Hemel zegene u, mijn goede vrienden! Ik zal je altijd
-dankbaar zijn!"
-
-"Moge de Hemel ook u zegenen, mijnheer!" zeide vrouw Blinker, "en u
-spoedig dien lieven jongenheer doen terugvinden."
-
-Hans lichtte den dokter weder met de lamp voor.
-
-"Als ik u van dienst kan zijn, mijnheer," zeide hij trouwhartig,
-"dan ben ik ten allen tijde gereed."
-
-"Zeer goed, mijn jongen. Zeg aan je vader en je moeder, dat ze zich
-tegen niemand een enkel woord laten ontvallen over hetgeen er van
-avond is gebeurd. Intusschen, Hans, als je bij vader bent, moet je op
-hem letten. Jij hebt er den tact van. 't Kan zijn, dat er oogenblikken
-komen, waarop hij wat meer kan zeggen."
-
-"Vertrouw daarop, mijnheer."
-
-"En nu, goeden dag, mijn jongen," riep de dokter, toen hij deftig in
-zijn koets steeg.
-
-"Aha!" zeide Hans in zich zelf, terwijl hij het rijtuig nakeek. "Daar
-zit vrij wat meer leven in den dokter, dan ik dacht."
-
-
-
-
-
-
-
-
-VEERTIENDE HOOFDSTUK.
-
-DE HARDRIJDERIJ.
-
-
-Zoo brak de dertigste December aan en het weer was heerlijk dien
-dag. Het geheele vlakke landschap werd vroolijk door de winterzon
-beschenen. Zij beproefde haar kracht wel op het ijs in de vaart, maar
-het vroor te sterk, dan dat de ijskorst ook in 't minst zou gesmolten
-zijn. En bij dat alles was er zoo weinig wind, dat de weerhanen op de
-torens en de gebouwen stilstonden, als wenschten zij eens te kijken
-naar het feest, dat er dien dag zou worden gehouden. Die windstilte
-maakte, dat de molens een dag vacantie hielden, als wilden ook zij
-de algemeene vreugde mee genieten. Nu, ze hadden die week hard genoeg
-gewerkt, om eens een dag rust te hebben.
-
-'t Was al vroeg in den morgen van dien dag levendig om en bij
-Broek. Van verschillende omliggende plaatsen kwamen er liefhebbers
-aanrijden, om den wedren te zien; want een hardrijderij op schaatsen is
-een feest voor al wat Noord-Hollander heet. Ik zal u de bonte menigte
-niet beschrijven, die zich in den omtrek der ijsbaan ophoopte,
-om welke men tenten had opgeslagen, opdat de toeschouwers zich
-behoorlijk van drank en spijs konden voorzien. Aan het eind van
-de renbaan, die aan beide zijden met dikke touwen is afgesloten,
-welke door palen heengaan, reeds een paar dagen te voren in het ijs
-gehakt en door het volgieten der opening stevig vastgevroren--staat
-een sierlijke tent met een kleine tribune aan weerszijden. De tent
-is bestemd voor de familie De Bruyn met eenige genoodigden, onder
-anderen de Van den Helms en mijnheer Korbes en zijn vrouw, terwijl
-de tribune moet dienen voor andere inwoners van Broek, daartoe door
-mevrouw De Bruyn van toegangskaartjes voorzien. Van de tent en de
-tribune wapperen de driekleurige vlaggen. Aan de tent van mevrouw De
-Bruyn hangen twee paar met zilver beslagen schaatsen, een voor den
-winnenden jongen, een voor het gelukkigste onder de meisjes. In de
-tent zelf brandt een kachel en staan allerlei ververschingen op een
-tafel gereed. De familie en de genoodigden zullen op stoelen zitten,
-terwijl de dames een warme stoof onder de voeten zullen hebben, zoodat
-ze zeer gemakkelijk den winter zouden kunnen vergeten, indien niet
-het landschap vóór haar al te duidelijk deed zien, dat de wintervorst
-nog duchtig zijn schepter zwaait.
-
-Naast een der tribunes is een andere tent opgericht, alleen van
-boven gedekt en aan alle zijden, behalve aan den achterkant open;
-daar moeten de muzikanten zitten, die van tijd tot tijd muziekstukken
-zullen uitvoeren. En al zullen die muziekstukken vrij middelmatig
-worden voortgebracht, daar 't gansch geen virtuozen zijn die hier
-hun gaven zullen doen hooren, zij zullen de feestvreugde ruimschoots
-verhoogen. De ooren der toehoorders zijn trouwens over 't geheel zoo
-kieschkeurig niet; daarenboven zal er gedruisch en gebabbel genoeg
-zijn, en zou men 't slechts bejammeren, indien er beter muziek werd
-opgevoerd. Aan het andere einde der renbaan staat een tent, voor hen,
-die belast zijn, er het oog op te houden, dat de schaatsenrijders en
--rijdsters den witten, met groene linten omwonden paal, van welks top
-een oranjevlag wappert, omrijden; hetgeen zij trouwens wel moeten doen,
-daar ook in het midden der renbaan dubbele touwen zijn gespannen;
-want al de schaatsenrijders moeten bij de tent van de familie De
-Bruyn beginnen en er hun ren eindigen ook.
-
-Daar begint de muziek. De tribune vult zich, de geheele renbaan staat
-langs beide zijden opgepropt met nieuwsgierigen, die hun best doen,
-een goed plaatsje te vinden. 't Volst is het echter dicht bij de
-tribune. En geen wonder: want daar staan de veertig rijderessen en
-rijders, die zich vermaken met heen en weer te rijden, zóó zacht
-evenwel, dat zij zich niet vermoeien, maar ook niet koud worden. Het
-zijn twintig meisjes en twintig jongens. Frits Verdam, Peter en
-Lodewijk van den Helm zijn er ook bij, allen weer frisch en geheel
-uitgerust van de vermoeienissen der Haagsche reis. Hans is niet ver
-van hen; hij heeft zijn schaatsen weer onder de voeten, die de goede
-Annie Bouman van een goede kennis had gekocht voor vijf gulden! Alsof
-hij niet wist, dat die goede kennis niemand anders dan Annie Bouman
-zelf was geweest, die haar zuur bespaard weekgeld er geheel aan had
-opgeofferd! Nu, hij had ze dan ook eerlijk teruggekocht; maar de
-kiesche manier, waarop Annie hem in den nood had willen helpen, had
-hij niet teruggekocht: die lag diep in zijn hart begraven. En dan--hoe
-onwillekeurig ook--die lieve, lieve Annie was de oorzaak geweest van
-het terugvinden der duizend gulden--van de duizend gulden, die, al was
-'t ook avond geweest, zulk een gloed van zonneschijn hadden geworpen
-in zijner ouders armoedige stulp. Karel Schimmel is zoo nijdig als
-ooit, nu hij Hans bij de rijders ziet; maar daar er nog eenige andere
-boerenknapen bij zijn en Hans dus niet alleen is, troost hij zich.
-
-Aan den anderen kant der tent staan de twintig meisjes. Nu, dat behoeft
-ge wel niet te vragen, al ziet ge hen niet; gij hoort het wel aan het
-vroolijk gesnater en gekakel, dat die twintig lieve mondjes maken. 't
-Is of er een heele troep jonge eenden aan het kwaken zijn. Nu en
-dan hoort gij er een paar schateren van lachen: want vroolijk zijn
-ze, die aardige nufjes. Hilda, Kato en Truida hebben zich juist de
-schaatsen aangebonden en stampen met de lieve voetjes, om te voelen
-of de ijzers wel stevig zitten: want bij een hardrijderij moet er
-niets aan ontbreken. Hilda spreekt met een klein boerenmeisje in een
-rood jacketje en met een splinternieuw rokje aan. 't Is Griete. Ook
-Annie Bouman is er.
-
-Nu houdt de muziek even op. Al de meisjes en jongens moeten vóór de
-tent komen, om de voorwaarden te hooren. De omroeper van het dorp
-leest met luide stem voor:
-
-"De meisjes en jongens zullen om beurten rijden, allen te gelijk
-en wel zóó lang, tot één meisje en één jongen het tweemaal gewonnen
-hebben. Zij moeten zich op één lijn scharen bij de twee paaltjes vóór
-de tribune rechts, den eindpaal omrijden en dezen tocht twee malen
-volbrengen. Het meisje en de jongen, die twee malen gewonnen hebben,
-zijn overwinnaars!"
-
-De rijderessen scharen zich. Mevrouw de Bruyn wuift met haar
-zakdoek. Een van de heeren, die zich aan den eindpaal bevinden, waait
-met een vlaggetje. Al de rijdsters begeven zich op weg. Eensklaps
-wuift het vlaggetje weer, zij moeten terugkeeren--ze waren niet
-te gelijk afgereden. Ten tweeden male wuift de zakdoek en waait het
-vlaggetje. Ditmaal is alles in orde. Wat rijden zij snel! Hoe doodstil
-is de menigte! Men hoort niets dan het krassen der schaatsen, men
-ziet niets dan de fladderende rokjes! De paal is omgereden. Een luid
-hoezee doet zich hooren. Vijf meisjes zijn vooruit. Kato is de eerste,
-daarop volgt Hilda. Als zij de tent harer mama voorbijrijdt, wuift
-zij met de hand, en het volgend oogenblik is zij Kato vooruit. De
-anderen zijn haar dicht op de hielen. Daaronder is Griete. Ook zij
-wuift met de hand, maar niet naar de tent van mevrouw De Bruyn,
-maar naar een vrouw, die met ingehouden adem onder het volk staat:
-haar moeder. Rolf, die dezen morgen zoo volkomen wel was, heeft haar
-gesmeekt, om naar den wedren te gaan, en zij heeft aan de verzoeking
-geen weerstand kunnen bieden; zij is gegaan en heeft een heerlijke
-plaats gekregen. Daar schiet haar kind onder het luid hoezee der
-toeschouwers ze allen vooruit. Ook Kato wint het weer van Hilda. Maar
-niemand kan Griete inhalen. Ten tweeden male wordt de paal omgereden,
-maar Griete is en blijft de voorste. Eindelijk zijn ze aan de tent:
-
-"Griete Brinker eenmaal gewonnen!" schreeuwt de uitroeper.
-
-Nu begint de muziek opnieuw, terwijl de jongens zich gereedmaken en
-zich op één lijn scharen. Verscheidene meisjes scharen zich om Griete
-en wenschen haar voorloopig geluk; andere trekken trotsch haar lipje
-op en kunnen 't niet verdragen, dat de voddenraapster uit de hut het
-hun allen heeft afgewonnen.
-
-Op een wenk van den heer De Bruyn zwijgt de muziek. Hij treedt
-voorwaarts, wuift met zijn zakdoek, het vlaggetje wordt aan de
-overzijde gezwaaid. De twintig jongens rijden af.
-
-Wat reppen zich de beenen; er is geen oog op te houden! 't Is of ze
-nog sneller rijden dan de meisjes. Maar waarom gaat er zulk een gelach
-op onder het volk? 't Is om dien dikken knaap in de achterhoede, die
-daar zoo ongelukkig voortsukkelt. Kijk hij eens krabbelen! Straks rolt
-hij van de beenen! Ach, wat hijgt hij! Hij had ook wel thuis mogen
-blijven. Hij staat stil. Hij veegt zijn voorhoofd af. Hij neemt zijn
-pet af en waait zich koelte toe. Hij kijkt eens rond en begint zelf
-hartelijk te lachen. Die lach maakt hem honderden vrienden. Die goede
-Jacob Poot! Hij bedenkt zich niet lang, maar rijdt terug en begeeft
-zich rustig onder de toeschouwers.
-
-De jongens komen aansnellen, zij hebben den paal omgereden. Maar
-'t is één zwarte massa, niet zoo gemakkelijk te onderscheiden als
-de meisjes met haar verschillende kleeding. Nu kan men 't al beter
-zien. Drie zijn er vooruit. Eerst Ben--dan Peter--dan Hans.
-
-Dan schiet Hans de beide anderen vooruit. Op Hilda's gelaat staat
-teleurstelling te lezen; sommigen zeggen zelfs, dat er een traan in
-haar oog parelt. Peter moet overwinnaar zijn. Annie's oog glinstert
-van genoegen. Griete klapt van vreugde in de handen.
-
-Zoo rijden zij ten tweeden male naar den eindpaal, Hans altijd vooruit,
-dan Karel Schimmel, dan Ben, daarna Peter en eindelijk de anderen. Daar
-rijden zij den paal om en Peter is weer de voorste. Hilda juicht. Maar
-op hetzelfde oogenblik schiet Karel ze allebei vooruit--'t scheelt
-maar één seconde--maar de uitroeper schreeuwt:
-
-"Karel Schimmel eenmaal gewonnen!"
-
-De muziek valt weder in, terwijl de meisjes zich opnieuw tot den
-wedren scharen. Mevrouw De Bruyn staat weder op, wenkt de muziek,
-wuift met haar zakdoek en 't is of er twintig pijlen uit twintig
-bogen losschieten--zoo snellen zij over de spiegelgladde baan.
-
-Maar niet lang blijven zij gelijk; al heel spoedig zijn ze
-verdeeld. Toch schelen zij al heel weinig. Maar daar rijden zij den
-paal om. Dat is altijd het gevaarlijkste punt. Eenige andere gloeiende
-gezichtjes, met oogen schitterend van vreugd, komen vooruit. Kato
-is de eerste, op haar volgt Hilda, maar Griete en Truida zijn meer
-in de achterhoede. 't Is of Griete verslapt. Zou ze straks al haar
-krachten verspild hebben? Daar schiet Truida haar vooruit en zij
-neemt een nieuwen, geweldigen zet, vliegt Truida en Hilda voorbij
-en is reeds vlak bij Kato. Zoo rijden zij de tent voorbij en weder
-naar den paal. Een oogenblik blijft Hilda achter; ze verzamelt nieuwe
-krachten. Maar bij het omzwaaien van den paal schiet zij eensklaps
-vooruit. Honderden stemmen moedigen haar aan door een luid "hoezee!" 't
-Is of haar dit nog meer vaart geeft. Truida, Kato en Griete zijn haar
-vlak op de hielen: maar Hilda vliegt steeds voort--reeds ziet zij
-de tent--Peter van den Helm staat met ingehouden adem te staren--nog
-een enkele seconde:
-
-"Hilda de Bruyn eenmaal gewonnen!" krijscht de stem van den omroeper.
-
-Een luid "hoezee!" klinkt uit duizenden monden en overschreeuwt de
-muziek, die zich daverend doet hooren.
-
-Allen wenschen Hilda geluk en onder die allen ook Griete, die 't
-niemand liever gunt dan de lieve juffrouw De Bruyn of--Annie Bouman.
-
-Nu is 't weer de beurt aan de jongens. Lang blijven deze niet gelijk;
-want reeds bij het eerste omrijden van den paal zijn er drie vooruit:
-Hans, Peter en Frits. Dat kan Karel Schimmel niet verdragen. Hij neemt
-een geweldigen zet, vliegt over het ijs en komt Frits vooruit. Maar
-Hans en Peter laten zich zoo spoedig niet verslaan. 't Is of zij
-vliegen--'t is geen rijden meer. Met ingehouden adem volgt de menigte
-hen met de oogen. Hans en Peter blijven vooruit. Hilda, Annie en
-Griete springen op van de met rood katoen bekleede bank, op welke zij
-gedurende de rustpoos gezeten hebben. Met vlammende oogen kijken zij
-naar de rijders. Hans en Peter blijven aldoor gelijk. Reeds zijn ze
-vlak bij de tent. Daar schiet Peter eensklaps vooruit en de stem van
-den uitroeper klinkt:
-
-"Peter van den Helm eenmaal gewonnen!"
-
-Weer dezelfde toejuichingen, weer dezelfde daverende muziek: de menigte
-en de muzikanten vragen niet wie er wint; ieder, die overwint, heeft
-hun sympathie. Aan het einde der renbaan, dicht bij den grenspaal,
-echter heeft een oploopje plaats. Mevrouw De Bruyn kijkt angstig wat
-het moge wezen. Peter en Hans snellen derwaarts; de eerste komt met
-de tijding terug, dat Karel Schimmel bij het omrijden van den paal
-gevallen is, doch zich niet bezeerd heeft. Hij was maar eenigszins
-bedwelmd door den val, doch kwam daar al aan, gesteund door Hans, die
-veel te veel Hollandsche jongen is, om niet terstond alle vijandschap
-te vergeten en zijn vijand, die hem altijd zoo diep verachtte, te
-helpen. Met een glas seltzerwater, dat mevrouw De Bruyn hem laat
-drinken, is hij spoedig weder beter. Gelukkig echter, dat de muziek
-zich aldoor heeft doen hooren; anders had dit ongeval de vreugde wel
-eenigszins kunnen verstoord hebben. Onder de schaatsenrijders echter
-veroorzaakt het geval weinig deelneming; er is niemand, die van Karel
-Schimmel houdt.
-
-De meisjes zijn voor de derde maal geschaard. Wat staan ze daar
-moedig, die jonge deernen! Op dit oogenblik ligt er diepe ernst op al
-die lieve gezichtjes: want deze rit is die, welke beslist. Ofschoon,
-als Griete noch Hilda 't winnen, is er ook voor de overigen nog kans
-op het winnen der zilveren schaatsen. En dat maakt, dat ieder meisje
-nog moed heeft, dat ieder van haar hoop voedt, om ditmaal beter te
-slagen. Sommigen stampen met de voetjes, als paarden die gereedstaan
-tot den wedloop. Daar wuift de zakdoek van mevrouw De Bruyn, en
-de rijdsters steken af. Wie is daar reeds zoo spoedig vooraan? 't
-Is Hilda--of Kato--of Truida--of Annie-- --neen, 't is de kleine
-Griete. Bij den vorigen ren heeft zij 't bedaard aangelegd; maar nu is
-'t haar ernst: zij heeft besloten, dat zij winnen zal. En toch, wanneer
-men haar ziet rijden, is 't alsof 't haar niet de minste inspanning
-kost--zij glijdt maar voort, altijd vooruit en--hoe de anderen zich
-inspannen--zij kunnen Griete niet inhalen. Reeds is de paal ten tweeden
-male omgereden--nog altijd is zij vooruit--daar is zij aan het doel....
-
-Of de uitroeper al schreeuwt, 't helpt hem niet: het donderend gejuich
-der toeschouwers belet zijn stem te hooren. 't Behoeft dan ook niet;
-want duizenden stemmen roepen:
-
-"Griete Brinker heeft de zilveren schaatsen gewonnen!"
-
-Als een vogel is zij over het ijs heengevlogen, als een vogel staat zij
-om zich heen te kijken, zoo schuchter en zoo verschrikt; zij wenscht
-zoo hartelijk eens naar de plaats heen te vliegen, waar haar moeder
-staat. Maar Hans is naast haar en al de meisjes omringen haar. En
-wie haar onder allen 't hartelijkst gelukwenscht, is de lieve Hilda,
-die geen de minste jaloezie in haar hart voedt, maar zoo gelukkig is
-met den triomf van haar beschermeling, alsof zij zelf dien behaald
-had. Nu zal niemand het kind meer minachten. De voddenraapster uit
-de hut is ze nu niet meer, 't is Griete Brinker, koningin van alle
-schaatsenrijdsters.
-
-Hans is trotsch op de zegepraal zijner zuster. Hij kijkt met zijn
-heldere oogen rond, om te zien of Peter van den Helm er deel in
-neemt. Maar Peter kijkt noch naar den een, noch naar den ander. Peter
-ligt op zijn ééne knie, de onrust staat op zijn voorovergebogen
-gelaat te lezen. Hij is met haastige gejaagdheid aan zijn schaatsriem
-bezig. Hetzelfde oogenblik is Hans bij hem.
-
-"Ach Hans, ben jij daar? Al mijn genoegen is gedaan. Ik wou mijn riem
-vaster snoeren en er met mijn mes een nieuw gat in maken en door de
-haast snijd ik hem genoegzaam in tweeën."
-
-"Jongeheer," zeide Hans, terwijl hij zijn eene schaats afdoet. "U
-moet mijn riem gebruiken."
-
-"Neen, beste Hans, neen, voor geen geld!" roept Peter opspringend
-uit. "Doe gauw je schaats weer aan, mijn vriend, en maak, dat je er
-bij komt. Ze scharen zich reeds. In een minuut wuift het sein."
-
-"Jongeheer!" smeekt Hans. "U heeft mij uw vriend genoemd. Neem als u
-blieft dezen riem. Gauw! Er is geen oogenblik te verliezen. Ik rijd
-ditmaal niet mee. Gij hebt reeds ééns gewonnen, gij moet nu winnen. Ik
-ben er immers toch niet bij. Jongeheer, gij moet den riem aannemen,"
-en doof voor elke tegenwerping, steekt Hans den riem door Peters
-schaats heen en smeekt hem die aan te binden.
-
-"Kom, Peter!" roept Frits uit de lijn, "de wacht is op jou."
-
-"Kom, jongeheer! om den wil van mevrouw De Bruyn en juffrouw
-Hilda!" smeekt Hans. "Spoed u toch! Daar, de schaats is al haast aan;
-maak haar nu maar gauw vast! Ik kan het toch niet winnen. De strijd
-is tusschen den jongeheer Schimmel en u."
-
-"Gij zijt een edelmoedige jongen!" zegt Peter, die eindelijk
-toegeeft. Hij heeft dan ook spoedig de schaats vast en is op zijn post,
-als de muziek en het sein wordt gegeven.
-
-Voort gaan de jongens. 't Is of de stilte nu nog grooter is; men hoort
-niets dan het krassen der ijzers. Peter van den Helm is vooruit. 't
-Is of hij Mercurius is en of de anderen allen goden van den Olympus
-zijn, die hem in volle vaart volgen. Karel komt vooruit--daar schiet
-Ben voort en is aan 't hoofd. Reeds is de paal voor de tweede maal
-omgereden. Karel en Ben wedijveren om de eerste te zijn. Maar daar
-neemt Peter zijn vaart--hij snelt beiden ver vooruit. De tent is
-bereikt en onder het donderend hoezee! hoort men duizenden stemmen,
-die den uitroeper overschreeuwen:
-
-"Peter van den Helm heeft de zilveren schaatsen gewonnen! Hoezee!
-Hoezee! voor Peter van den Helm!"
-
-En donderend valt de muziek in en dit en het geschreeuw klinken
-verward dooreen: want Peter van den Helm is in Broek bemind en ieder
-verheugt zich in zijn zegepraal. Eindelijk bedaart het gejubel, en
-is men in staat om de muziek te hooren. Zij speelt een vroolijk air,
-een levendigen marsch. Intusschen scharen zich, op bevel van mevrouw
-De Bruyn, al de schaatsenrijders en -rijdsters in een kring vóór de
-tent. Aan den eenen kant staat Peter als de grootste, aan den anderen
-kant Griete als de kleinste. Hans, die zoo goed hij kon zijn schaats
-met Peter's versneden riem had vastgemaakt, staat tusschen dezen en
-Jacob Poot, die zich ook bij de rijders gevoegd heeft. Eerst worden
-aan allen ververschingen rondgediend; daarop rijden zij, in statige
-processie, achter elkander de baan nog eens af, tot aan den paal,
-waar zij zich in twee rijen, jongens en meisjes, scharen, en op de
-maat der muziek naar de tent van mevrouw De Bruyn rijden. Hier vormen
-zij een dubbelen halven kring, in welks midden zich Peter van den
-Helm en Griete bevinden.
-
-Nu zwijgt de muziek. Mijnheer en mevrouw De Bruyn staan op, de eerste
-houdt een aanspraak, daarop reiken zij de zilveren schaatsen uit,
-mijnheer het eene paar aan Peter van den Helm, mevrouw het andere
-aan Griete Brinker.
-
-Het lieve kind! Zij beeft als een riet en slaat schuchter de oogen
-naar mevrouw De Bruyn op. Zij hoort niet wat mijnheer De Bruyn zegt,
-want het is, of om haar heen alles ruischt. Zij ziet even naar
-Peter, die iets heel moois bekijkt, o zoo iets schoons, zoo iets
-prachtigs! Zij ziet ook zoo iets moois in de handen van mevrouw
-De Bruyn, onwillekeurig strekt zij de hare uit.... geeft een kreet
-van verrukking en tracht te nijgen--woorden kan zij niet spreken;
-zij vliegt naar haar moeder en hangt schier bewusteloos in de armen
-der goede vrouw, wie de tranen van vreugde uit de oogen stroomen.
-
-"Griete! Griete! Wat zal je vader blij zijn," roept vrouw Brinker,
-en op die woorden is Griete niet meer te houden; zij kruipt onder
-het touw door, neemt haar moeder bij de hand--allen maken plaats voor
-haar--en spoedig ligt zij in de armen van haar vader, die zijn kleine
-Griete met kussen bedekt.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
-
-WAT DE ZILVEREN SCHAATSEN AL UITWERKEN.
-
-
-'t Was of de vreugde over de overwinning zijner kleine Griete de
-zinnen van Rolf Brinker verlevendigd had, want eensklaps riep hij uit:
-
-"Hans! Hans! Daar schiet mij de naam te binnen. Schrijf hem gauw op,
-eer ik hem vergeet. Het is Thomas Higgs."
-
-Hans schreef den naam terstond op een leitje. Op hetzelfde oogenblik
-werd er aan de deur geklopt.
-
-"Zou het de dokter zijn?" zeide vrouw Brinker, terwijl zij opstond
-om open te doen. "Dat zou al heel toevallig wezen."
-
-'t Was echter niet de dokter, maar 't waren drie jongeheeren: Peter
-van den Helm, Frits Verdam en Benjamin Dobbs.
-
-"Goeden dag, jongeheeren," zeide vrouw Brinker, terwijl zij zoo diep
-neeg als zij 't geleerd had. "Wel, waaraan hebben wij de eer van uw
-bezoek te danken?"
-
-"Goeden dag, vrouw Brinker! Hartelijk gefeliciteerd met de eer,
-die je dochtertje te beurt is gevallen," zeide Peter van den Helm.
-
-"Nu, als 't op feliciteeren aankomt, jongeheer," antwoordde vrouw
-Brinker, "dan mag ik 't u ook wel doen. 't Was een heele toer, om die
-vlugge jongens tweemaal te overwinnen. Daar waren me rijders onder,
-hoor! Ik heb het alles met mijn eigen oogen aanschouwd. Want Rolf was
-zoo wèl, en toen zei hij: "Nou moest je eens gaan kijken, Mietje. Je
-hebt al lang geen uitspanning gehad." En toen ben ik gegaan en heb
-alles wat goed gezien: want ik had een drieguldensplaats. Maar toen
-Griete de schaatsen had, kwam ze bij mij en toen moest ik naar vader;
-dat begrijpt u. Want de goede man wachtte al met ongeduld. En hij
-was zoo blij, o zoo blij!"
-
-"Dat laat zich hooren," zeide Peter van den Helm. "Daardoor was ze
-zoo gauw weg. Ze had nog eens met mij de baan moeten afrijden om den
-prijs te vertoonen."
-
-"Gaat toch zitten, jongeheeren!" zeide Rolf Brinker. "Wel zijn onze
-stoelen hard, maar ze zijn rein en zindelijk."
-
-De drie jongens voldeden aan het verzoek van Rolf en zetten zich op
-de stoelen, welke vrouw Brinker en Hans bij de tafel plaatsten.
-
-"Goede Hans," zeide Peter van den Helm. "Ik kom je in dank je riem
-terugbrengen, aan welken ik mijn overwinning verschuldigd ben. Ik
-moet je er nog eens voor bedanken. 't Was een heele opoffering voor
-je. Want je hadt het best dezen keer kunnen winnen, en dan...."
-
-"Laat ons daarover niet spreken, jongeheer. Ik heb zooveel verplichting
-aan u: want toen wij in den nood zaten...."
-
-"Kom, kom, zwijg daarvan," hernam Peter. "Ik twijfel niet, of je zult
-het werk met eere volbrengen. En een werkman is zijns loons waardig."
-
-"Nu ben ik den naam weer vergeten, Hans," zeide Brinker. "'t Was
-Higgs of Wiggs! Ik weet het waarlijk niet meer."
-
-"Maak er u maar niet ongerust over, vader," antwoordde Hans. "'t Is
-Thomas Higgs. Ik heb het al opgeschreven."
-
-"O ja," hervatte Brinker. "'t Is waar ook. Als ik me nu ook de plaats
-kan te binnen brengen, dan is alles in orde."
-
-"Hier, Hans, is de riem," zeide Peter, die van dat gesprek niets
-begreep. "Dat kleine ding heeft mij een grooten dienst gedaan."
-
-"En nu heb ik wat meegebracht ook," zeide Ben, terwijl hij een keurig
-net bewerkt kistje op tafel zette. "Uw Griete was weg zóó gauw,
-dat mevrouw De Bruyn niet had den tijd, om haar te geven dit."
-
-"'t Is het kistje, dat bij de schaatsen behoort," zeide Peter,
-"en waarin Griete ze kan bewaren. Mevrouw De Bruyn hoorde, dat we
-hier aangingen, en heeft ons verzocht, het mede te nemen."
-
-Vader, moeder en kinderen bekeken met alle aandacht het fraaie
-foedraal, dat van binnen met roode zijde gevoerd en zeer elegant
-gemaakt was.
-
-"O, hoe mooi! Hoe prachtig! Nooit heb ik zoo iets gezien!" waren de
-verschillende uitroepen.
-
-Griete echter sprak geen woord. Het lieve kind kon maar niet begrijpen,
-dat al dat moois voor haar was. Het kistje was van mahoniehout met
-een prachtig koperen plaatje er op, waarop de naam van den fabrikant
-en zijn woonplaats stonden. "Nu, Griete, je mag de jongeheeren wel
-bedanken voor de moeite, welke zij zich hebben gegeven, om dat hier te
-brengen, en hun verzoeken, of zij ook mevrouw De Bruyn je dankbaarheid
-willen betuigen; ofschoon--dat zul je later zelve nog wel gaan doen,"
-zeide vrouw Brinker.
-
-Griete was heel verlegen, maar toch lispte zij:
-
-"Ik dank u wel, jongeheeren, voor uw moeite."
-
-"'t Schijnt mij door mijnheer Birmingham gemaakt te zijn," zei Hans,
-die het op het koperen plaatje gelezen had.
-
-"Birmingham?" zeide Frits Verdam. "Dat is de plaats, waar de fabrikant
-woont. Kijk, daar staat zijn naam met kleiner letters. Ik kan ze
-niet lezen."
-
-"Nu, ze zijn toch duidelijk genoeg," zeide Peter. "Zie maar, dat is
-een T. en dit is een H. Dus T. H."
-
-"Nu ben je nog even wijs," hernam Frits lachend. "Wat beteekent nu
-die T. H.?"
-
-"Wel, Thomas Higgs," antwoordde Peter schertsend. "Hans noemde straks
-dien naam en als men van den drommel spreekt, is hij meestal dicht
-bij ons."
-
-Eensklaps zweeg hij; want hij wist niet, wat er met de familie Brinker
-voorviel. Hans en zijn moeder waren beiden op Rolf toegesneld.
-
-"Hoort gij 't, Rolf?" zeide vrouw Brinker. "Thomas Higgs te
-Birmingham."
-
-"Birmingham!" herhaalde Brinker op suffen toon.
-
-"Kan dat de plaats ook zijn, vader? Bedenk u eens," smeekte
-Hans. "Birmingham? Was het soms Birmingham?"
-
-"Ja.... a .... Birmingham! Zoo was 't," antwoordde Brinker eindelijk.
-
-"Daar Hans, zet je pet op en rijd terstond naar Amsterdam," zeide
-zijn moeder.
-
-De drie jongeheeren stonden op en wilden heengaan. Vrouw Brinker
-bemerkte haar onbeleefdheid.
-
-"Neemt ons niet kwalijk, jongeheeren," zeide zij, "dat we daar zoo
-onbeleefd waren. Maar die Thomas Higgs is een kennis van ons--dien--ja,
-dien wij dachten, dat al gestorven was."
-
-"Ja, we dachten dat hij dood was," zeide Rolf Brinker. "Ligt dat
-Birmingham in Engeland, als ik u vragen mag?"
-
-"Ja wel, in Engeland," antwoordde Peter, "'t Moet zeker Birmingham
-in Engeland zijn."
-
-"Ik doe dien man kennen," zeide Benjamin. "Zijn fabriek is niet
-vier mijlen van ons verwijderd. Een rare fellow hij is--stil als
-een oester--doet niet gelijken een Englishman. Ik dikwijls heb
-gezien hem--een deftig uitzicht--en mooie oogen. Hij heeft gemaakt
-een prachtige schrijfkist voor mij, om te geven aan Jenny op haar
-geboortedag.--O, hij maakt allerhande mooie dingen en heeft veel te
-doen ook."
-
-Gelukkig, dat Hans nog niet weg was; want nu kon hij den dokter ook
-dat vertellen.
-
-Wat wonder, dat nog vóór de avond gevallen was, dokter Broekman met
-Hans in de hut terugkeerde, om nadere bijzonderheden te vernemen. Wat
-wonder, dat hij, altijd met Hans bij zich, weder in het rijtuig stapte
-en den koetsier beval naar mijnheer Poot te rijden, waar hij verzocht
-om Benjamin Dobbs te spreken, dien hij gelukkig thuis vond. Van dezen
-vernam hij nog een menigte bijzonderheden omtrent zijn zoon, welke
-hem in de zekerheid bevestigden, dat het zijn eigen Laurens was,
-en welke bijzonderheden wij u willen mededeelen, zonder dat wij Ben
-sprekend invoeren, met wien de dokter, om den knaap te gemoet te komen,
-Engelsch sprak. 't Meeste, wat Ben vertelde, had deze bij overlevering.
-
-"Ongeveer tien jaren geleden, toen Ben nog een kleine jongen was,
-woonde er, op ongeveer een uur afstands van de woning zijner ouders,
-een zeer knap werkman en fabrikant, Thomas Higgs, die goede zaken
-op Holland deed, vooral in chirurgijnsinstrumenten. (De dokter
-herinnerde zich dien naam wel en 't was hem nu duidelijk, waarom
-Laurens op het denkbeeld was gekomen, zich naar Higgs te begeven,
-daar de knaap dien naam verscheidene malen op de foedralen zijner
-instrumenten had kunnen lezen.) Nu tien jaren geleden was er op zekeren
-avond bij dien Thomas Higgs, die ongetrouwd was en slechts met een
-huishoudster leefde, een jongmensch als leerling gekomen. Niet, dat
-het zoo'n wonder was dat er een leerling bij Thomas Higgs kwam; maar
-die jongeling had spoedig de oplettendheid der buren gaande gemaakt,
-omdat hij zoo stil en afgetrokken was, nooit lachte en altijd even
-stroef voor zich keek. Daarenboven--en dat was een opmerking, die
-de dames maakten--kon hij geen Engelschman zijn, dat zagen zij wel,
-als hij Zondags met zijn patroon en juffrouw Todd, de huishoudster,
-in de kerk zat. En ofschoon men de laatste al eens gepolst had,
-liet zij zich nooit iets over hem ontvallen, dan dat hij een braaf
-oppassend mensch en waarschijnlijk een neef van mijnheer Higgs was,
-die ontzaglijk veel van hem scheen te houden. Zooveel is ten minste
-waar, dat de oude man den jongeling, nadat hij een jaar of vier in de
-zaak geweest was, tot zijn compagnon had aangenomen en hem, toen hij
-vier jaar later stierf, tot universeelen erfgenaam had benoemd. Sedert
-dreef de jonge man de zaken voor eigen rekening. Wat voor een landsman
-hij was, had men echter nooit kunnen gewaarworden. Sommigen hielden
-hem voor een Amerikaan, anderen voor een Duitscher, maar noch voor
-'t een noch voor 't ander had men eenigen grond. Hij sprak zuiver
-Engelsch, dat hij evenwel van den ouden heer Higgs had kunnen leeren,
-en behandelde zijn volk goed, ofschoon ze nooit een vriendelijk woord
-van hem hoorden, daar hij altijd even somber en afgetrokken bleef."
-
-Wat het wonderlijkst was, 't scheen dat de jongeheer geen familie had:
-"want, hoeveel brieven hij ook uit den vreemde ontving, 't waren
-altijd brieven over zaken," zeide zijn boekhouder. "Kennis hield hij
-met niemand: noch met zijne buren, noch met andere fabrikanten. Hij
-scheen geheel voor zijn zaak te leven en zijn voorganger te willen
-navolgen, die nooit getrouwd was geweest. Maar overigens was zijn
-levensgedrag onberispelijk."
-
-Verder gaf Benjamin dokter Broekman een beschrijving van den jongeheer
-Higgs en de dokter kon er niet meer aan twijfelen of 't was zijn
-verloren zoon. Hij bedankte dan ook Benjamin hartelijk voor zijn
-mededeeling, zeide hem, dat de heer Higgs een bloedverwant van hem
-was, in wien hij belang stelde, en reed met Hans naar de woning van
-Brinker terug, waar hij dezen afzette, om alleen, in aangenaam gepeins,
-den weg naar Amsterdam te vervolgen.
-
-'t Was een sneeuwachtige dag in 't midden van Januari. Rolf Brinker was
-nu geheel en al hersteld en juist van zijn werk thuis gekomen. Hans had
-den koepel van mijnheer Van den Helm tot diens genoegen afgewerkt, en
-was evenals Griete, op vader Brinker's uitdrukkelijk verlangen, weder
-naar school gegaan. Wat hem aangaat, hij vond dat recht pleizierig;
-want hij leefde slechts, als hij in de boeken kon snuffelen; doch
-Griete kon haar weerzin tegen de schoolbanken maar niet overwinnen,
-ofschoon zij zich gedwee aan vaders wensch onderwierp en aanvankelijk
-zeer haar best deed.
-
-Beiden waren zooeven van school thuis gekomen en Hans zat alweer te
-lezen in een boek, dat hij van een der jongens ter leen had gekregen;
-terwijl Griete vaders pijp stopte--want zij was onuitputtelijk in
-kleine diensten voor den goeden man, als poogde zij te vergoeden,
-wat zij vroeger verzuimd had ten aanzien van den vader, voor wien
-ze toen bang was. Vrouw Brinker was druk bezig aan den pot: want er
-waren vier hongerige magen, die naar eten verlangden.
-
-Eensklaps kijkt Hans op. Het geratel van een rijtuig wekt zijn
-aandacht.
-
-"Daar is de dokter!" roept hij en vliegt naar de deur.
-
-"De dokter! Wel, wat komt die hier doen!" zegt vrouw Brinker, terwijl
-zij door het raam kijkt. "Ik geloof, dat je gelijk hebt, Hans."
-
-Maar Hans hoorde 't niet meer--hij was reeds de deur uitgesneld en
-naar den overkant der vaart.
-
-"Die Hans, die Hans!" riep vrouw Brinker, glimlachend het hoofd
-schuddende. "Zou men niet denken, dat de dokter zijn tweede vader
-was? Als de jongen maar den naam. van dokter Broekman hoort, komt er
-al een lach van vreugde op zijn gelaat. Nu, hij mag dan ook wel veel
-van hem houden."
-
-"En wij allen, Mietje," zeide Rolf Brinker, terwijl hij zijn pijp
-aanstak. "Naast God hebben wij aan dien goeden man ons tegenwoordig
-geluk te danken."
-
-"De dokter is niet alleen," vervolgde vrouw Brinker vroolijk.
-
-"Hij heeft een jongmensch van vijf of zes en twintig jaren bij
-zich. Dat is vast zijn Laurens. O, dat is lief, om met hem ons te
-komen bezoeken. Kijk, daar geeft hij Hans de hand. Wat schudt hij
-die vriendelijk! 't Is waarlijk of de jongen zijn gelijke is."
-
-'t Duurde niet lang, of de dokter trad met den jongen man de woning
-binnen. Wat zag hij er thans vroolijk en vriendelijk uit! 't Was,
-of hij een geheel ander mensch was geworden--niemand ten minste zou
-in hem den vroeger onaangenamen, strengen dokter herkend hebben.
-
-"Ziezoo, Brinker," begon hij opgeruimd. "Nu kom ik je mijn kwaden
-jongen eens laten zien. Zou je hem nog wel herkennen?"
-
-Rolf Brinker was opgestaan.
-
-"Wel ouder geworden," zeide hij, terwijl hij de aangeboden hand van
-Laurens aannam. "Maar toch nog dezelfde oogen. Ach, mijnheer! dat ik
-zoo buiten mijn schuld de oorzaak ben geweest van uw verdriet en dat
-van uw braven vader. God weet, hoe ik 't anders gewild had."
-
-"Spreek daar niet van, brave man," zeide Laurens. "Wat je gewild hadt,
-dat toont de aanbeveling, die je aan je vrouw hadt gegeven. Ook jou,
-brave vrouw, moet ik mijn dank zeggen, dat je zoo trouw je woord
-gehouden hebt, en, ondanks de nijpendste armoede, het horloge niet
-van de hand hebt gedaan. Had je het verkocht,--nooit had ik mijn
-goeden vader weergezien. Daarom kun je op mijn dankbaarheid rekenen."
-
-"Spreek van geen dankbaarheid, mijnheer," zeide vrouw Brinker. "'t
-Is waar, dikwijls heb ik het horloge in de hand gehad en mij zelve
-afgevraagd, of ik wel goed deed, om mijn arme kinderen honger te laten
-lijden, terwijl ik voor dat horloge brood had kunnen krijgen. Eens
-vooral, toen zij ziek waren, was de verzoeking sterk. Maar toen borg
-ik het zóó diep weg, dat ik het haast niet meer vinden kon; want ik
-dacht altijd om de laatste woorden van mijn braven man, die mij had
-aanbevolen, om voor dat horloge te zorgen."
-
-"En daarom heeft God ook gewild, dat ik weer in het leven ben gekomen,"
-zeide Rolf met bewogen stem. "En daarom heeft Hij uw braven vader hier
-gezonden, die mij zoo belangeloos geholpen heeft. Waarlijk, mijnheer,
-als gij iemand te danken hebt voor het geluk, dat gij thans geniet,
-dan is 't uw brave vader...."
-
-Veel, heel veel werd er nog gesproken en de dokter vertelde hoe
-hij geschreven had, en Laurens, hoe blij hij met zijns vaders brief
-geweest was. 't Was of de dokter en zijn zoon oude vrienden waren,
-zoo gaven zij hun harten lucht.
-
-"En nu, Rolf Brinker," zei de dokter eindelijk. "Ben ik nu geen
-gelukkig man? Begrijp eens, mijn zoon zal zijn fabriek te Birmingham
-verkoopen en een magazijn in Amsterdam openen. Dan heb ik altijd mijn
-brillenhuisjes voor niemendal. Dat zal een profijt zijn, hè?"
-
-"Hoe! een magazijn!" riep Hans uit, die in stil genoegen daar
-had neergezeten en al die vroolijke gesprekken zwijgend had
-aangehoord. "Een magazijn, mijnheer? En zal mijnheer uw zoon dan niet
-weder uw helper, en eens uw opvolger zijn?"
-
-Een oogenblik betrok het gelaat van den dokter; maar hij bedwong zich.
-
-"Neen, Hans. Laurens heeft er zijn buik vol van. Hij is liever
-koopman."
-
-Hans scheen verbaasd en teleurgesteld. Hij zweeg.
-
-"Waarom zwijg je, mijn jongen?" zeide de dokter vriendelijk. "Vindt
-ge er iets vernederends in, om koopman te zijn?"
-
-"O, neen, mijnheer!" stamelde Hans. "Niets, maar--maar--."
-
-"Maar wat?"
-
-"Wel, het andere beroep is zooveel beter," antwoordde hij nog steeds
-aarzelend, "zooveel edeler. Wat mij aangaat, mijnheer," voegde hij er
-met vuur bij, "ik vind uw vak zoo schoon, zoo heerlijk.... om de zieken
-en gebrekkigen te genezen, menschenlevens te behouden, in staat te zijn
-om te doen wat gij voor mijn vader gedaan hebt--dat is het grootste,
-het schoonste, het verhevenste, wat er op aarde is!" De dokter zag
-hem ernstig aan. Hans scheen teleurgesteld. Een paar heldere tranen
-stonden in zijn oogen.
-
-"'t Is een zware taak, het beroep van arts, knaap," hervatte de
-dokter met gefronste wenkbrauwen. "'t Vereischt groot geduld, veel
-zelfopoffering en volharding."
-
-"Daarvan ben ik zeker," antwoordde Hans opnieuw in vuur. "Het vereischt
-ook veel wijsheid en achting voor Gods werk. O, mijnheer, het moge zijn
-moeilijkheden en teleurstellingen hebben, maar u meent niet wat u zegt:
-het is niet zoo zwaar--maar het is groot en edel. Vergeef mij echter,
-mijnheer! 't Past niet, u zoo in 't gezicht tegen te spreken."
-
-Dokter Broekman was blijkbaar uit zijn humeur geraakt. Hij keerde
-Hans den rug toe en sprak zacht met Laurens. Vrouw Brinker keek Hans
-heel boos aan. Zij wist maar al te goed, dat zulke groote lui als de
-dokter niet konden velen, dat geringe menschen hen tegenspraken.
-
-Eensklaps wendde de dokter zich om.
-
-"Hoe oud ben je, Hans Brinker?" vroeg hij.
-
-"Vijftien jaren, mijnheer," was het verschrikte antwoord.
-
-"Zou je graag een dokter willen worden?"
-
-"Ja, mijnheer!" antwoordde de knaap, terwijl hij over zijn gansche
-lichaam beefde.
-
-"Zou je, als je ouders 't je toestaan, er lust in hebben, je op de
-studie toe te leggen, naar de hoogeschool te gaan en tevens mijn
-assistent te wezen?"
-
-"Ja, mijnheer."
-
-"Zou je, denk je, niet ongeduldig worden en niet van zin veranderen,
-juist op 't oogenblik misschien, als ik er mijn hart op gezet had,
-om je tot mijn opvolger te maken?"
-
-Hans' oogen schitterden.
-
-"Neen, mijnheer! Ik zal nooit veranderen."
-
-"U moogt hem op dat punt gelooven, mijnheer de dokter," zeide vrouw
-Brinker, die zich niet langer bedwingen kon. "Hans is als een rots,
-als hij eens iets besloten heeft, en, wat de studie aangaat, eten,
-drinken, slapen, alles zou hij vergeten voor zijn boeken."
-
-"Nu, Hans," vervolgde de dokter vriendelijk. "Dan zie ik niet, dat
-er iets ons plan in den weg staat en dat ik je gerust kan meenemen,
-als je vader er in toestemt."
-
-"Hoor eens, mijnheer," zeide Rolf. "Om u de waarheid te zeggen,
-had ik liever gezien, dat mijn zoon een werkman was geworden. Maar
-als hij nu graag voor dokter studeert, en het geluk heeft van uw
-recommandatie om hem in de wereld voort te schoppen, dan is 't mij
-ook goed. Het eenige is, dat het misschien wat veel geld zal kosten;
-maar 't zal mogelijk zoo heel lang niet meer duren en ik heb, Goddank,
-weer een paar fiksche, stevige armen om...."
-
-"Ho, ho, vriend! als ik je rechterhand wegneem, dan moet ik ook den
-kost voor hem betalen en dat zal mij pleizier doen ook. 't Zal mij
-nu zijn, alsof ik twee zoons heb, niet waar, Laurens? De een een
-koopman en de andere een dokter--ik zal de gelukkigste man in geheel
-Nederland zijn! Morgen kom je bij me, Hans, en dan zullen wij de zaak
-verder bespreken."
-
-Hans boog. 't Was hem onmogelijk een woord uit te brengen.
-
-"Hoor eens, Brinker," hernam de dokter tot Rolf. "Mijn zoon Laurens
-heeft een vertrouwd, ferm man noodig, als hij zijn magazijn in
-Amsterdam opent, iemand die het opzicht over de zaken houdt en maakt
-dat de wagen recht rijdt. Iemand die-- --maar, waarom zeg jij 't hem
-zelf niet, Laurens."
-
-Laurens nam nu het woord en het duurde niet lang, of zij waren de
-zaak volkomen eens.
-
-"'t Zal me wel aandoen, als ik de dijken moet verlaten," zeide Rolf
-Brinker. "Maar uw aanbod is zoo aanlokkelijk, mijnheer, dat ik zou
-meenen, mijn huisgezin te kort te doen, als ik het afsloeg."
-
-
-
-
-
-
-
-
-ZESTIENDE HOOFDSTUK.
-
-BESLUIT.
-
-
-Mijn vertelling is zoo goed als geëindigd. Alleen zien mijn lezeressen
-en mijn lezers mij nog vragend aan. En ik weet het, er zijn nog zoo
-enkele zaken, die moeten verteld worden, zullen zij mijn boek niet
-eenigszins onvoldaan uit hun handen leggen. En dat zou mij spijten:
-want niets is mij aangenamer, dan anderen genoegen te geven, en
-wel vooral u, die al wat uit mijn pen komt, met zooveel graagte
-ontvangt. Daartoe diene dan dit laatste Hoofdstuk.
-
-Er is een heele tijd voorbijgegaan, sedert Laurens met zijn vader
-een bezoek in de hut aan de Broeker vaart aflegde. Die tijd heeft
-groote veranderingen opgeleverd voor de familie Brinker. Hans heeft
-zijn studiejaren goed besteed, alle moeilijkheden, die hem in den
-weg kwamen, weten te overwinnen en met al de geestkracht, die hem
-eigen was, naar het doel gestreefd, dat hij zich voor oogen had
-gesteld. Ofschoon de weg wel eens hobbelig was, nooit heeft hij een
-enkel oogenblik in zijn besluit gewankeld. Somtijds herhaalde hij
-met zijn goeden ouden vriend de woorden, die deze lang geleden in
-de hut te Broek sprak: "'t Is een zware taak, het beroep van arts,"
-maar dan klonk het ook altijd in zijn hart: "het beroep van arts is
-groot en edel! Het vereischt veel wijsheid en achting voor Gods werk!"
-
-Wanneer gij heden ten dage Amsterdam bezoekt, dan kunt gij den
-beroemden dokter Brinker in zijn koetsje zien rijden om zijn patiënten
-te bezoeken, of als er 's winters goed ijs is, hem met zijn jongens
-en meisjes op het IJ of den Amstel met de schaatsen onder de voeten
-vinden. En dat hij dan geen van de minste rijders op de baan is,
-durf ik u verzekeren. Als gij soms te Broek kwaamt en gij vroegt daar
-naar zekere Annie Bouman, dan zou men u schouderophalend aanzien en
-u zeggen, dat er wel eens van zijn leven een meisje van dien naam
-bestaan heeft, maar dat die al sedert jaar en dag mevrouw Brinker
-heet en de vrouw is van dien knappen dokter Brinker, die zooveel
-patiënten over het IJ heeft. En als gij er Hans naar vroegt, dan zou
-hij u zeggen: "Mijn Annie is nog altijd dezelfde--behalve dat zij als
-'t kan nog liever, nog wijzer en nog meer gelijk aan de toovergodin
-van vroeger is."
-
-Ook Peter van den Helm is sinds lang getrouwd. Met wie? Nu, dat behoef
-ik niet te zeggen. Maar dikwijls, als hij met zijn lieve Hilda in
-het koepeltje zit, dat hij van zijn ouders heeft geërfd, beschouwt
-hij met genoegen het fraaie beeldhouwwerk, dat Hans gemaakt heeft en
-dan zegt hij: "'t Is toch jammer voor de kunst, dat onze goede Hans
-geen beeldhouwer is geworden; hij zou 't ver in die kunst gebracht
-hebben en een beroemd man zijn geworden." Maar dan antwoordt Hilda:
-"Jammer voor de kunst, maar niet voor de menschheid, want als dokter
-Brinker is hij voor haar tot grooter zegen, dan hij als beeldhouwer
-zou zijn geweest."
-
-Een tijd lang geleden hoorde ik, dat Karel Schimmel en Kato Lammers
-geëngageerd waren. Gelukkig echter voor onze Kato is dit engagement
-verbroken en is zij tot heden toe ongehuwd. Wat Kato zelf aangaat,
-zij is in 't geheel zoo vroolijk niet meer als voorheen en sommige
-klokjes hebben reeds al hun klank verloren. Toch is zij nog altijd
-de ziel van hen, die met haar omgaan. Het ware te wenschen, dat zij
-van tijd tot tijd wat ernstiger ware, maar dat ligt niet in haar
-aard. Heeft zij smarten en zorgen, dan wordt het geluid der klokjes
-voor eenige oogenblikken gestoord; dieper en ernstiger muziek doen
-zij nooit hooren.
-
-Truida Korbes is in al die jaren ernstig geworden. Ook zij is ongehuwd
-gebleven en houdt zich met letterkundigen arbeid bezig. Men wil, dat
-zij onder een aangenomen naam zeer goede verhalen in een onzer eerste
-maandwerken schrijft. En inderdaad, wanneer men die verhalen leest,
-zoo vol geest en gevoel, maar ook zoo vol godsdienstige beginselen,
-dan zou men er weinig onze vroegere Truida in herkennen, die zoo
-trotsch haar neusje optrok voor de arme Griete.
-
-Frits Verdam en Lodewijk van den Helm hebben samen een compagnieschap
-aangegaan en zijn bewoners der hoofdstad geworden. Frits Verdam, die
-een prachtig huis op de Keizersgracht bewoont, denkt nog dikwijls
-aan Kato Lammers, die hij eens ten huwelijk heeft gevraagd, maar
-die hem een blauwtje heeft doen loopen. En hij is er heel blij om,
-dat de zaak zich zoo gekeerd heeft, want hij heeft een allerliefst
-vrouwtje in Ben's zuster Jenny, die hij op een reis naar Birmingham
-heeft leeren kennen en met wie hij recht gelukkig is.
-
-Karel Schimmel is niet vooruitgegaan in de wereld. Zijn vader heeft,
-door een opeenhooping van tegenspoeden, bankroet geslagen en niets
-uit de puinhoopen zijner fortuin kunnen redden. Karel is tegenwoordig
-boekhouder bij de firma Verdam en Van den Helm, en mag zich gelukkig
-rekenen, dat zijn patroons hem altijd met achting behandelen en veel
-voor hem over hebben.
-
-Onze kleine Frans van Bree is een deftig Broeksch heer geworden,
-die wat goede zaken doet en sedert eenige jaren aanzoek gedaan heeft
-om de hand van Griete Brinker, welke deze niet geweigerd heeft. 't
-Kostte vader en moeder heel wat, om zich van het vroolijke, altijd
-zingende vogeltje te scheiden, en dokter Brinker en zijn vrouw
-waren in 't eerst wat boos op Frans, dat hij de lieve Griete van
-hen weghaalde. Maar die boosheid moest vanzelf overgaan en wie er
-nu wel eens boos is, is de koetsier, die dokter Brinker rijdt, als
-hij in den omtrek van Broek moet wezen: want als de dokter daar is,
-rijdt hij bij zwager Van Bree aan, en, of 't koud is of niet, laat
-hij de paarden zoo ongehoord lang wachten, dat de koetsier wel eens
-de vrees geuit heeft, dat zij met hun pooten aan den grond mochten
-vastvriezen. En als Griete eens met haar kindertjes in Amsterdam komt
-logeeren, dan is 't een feest bij de oude lui aan huis, dan is 't of
-vader Rolf weer jong is, dan speelt hij met die kleinen en dan zegt
-moeder, terwijl zij in de handen slaat: "Zie me zoo'n man eens aan!"
-
-Van al onze Broeksche vrienden is er slechts één, die het tooneel
-dezer wereld verlaten heeft: 't is Jacob Poot. Tot zijn dood toe even
-goedhartig en onbaatzuchtig, wordt hij nog even hartelijk betreurd,
-als hij bemind was, toen hij op aarde beminde en lachte. Vóór hij
-stierf, was hij broodmager geworden, nog magerder dan Benjamin Dobbs,
-die nu een gezeten Engelschman is.
-
-En wanneer gij ooit te Broek komt en gij krijgt er toegang tot de
-familie De Bruyn, spreek dan eens over de hardrijderij van den 30sten
-December, dan zal de oude mevrouw u met glinsterende oogen verhalen,
-hoe heerlijk die was en hoe er onder de rijderessen zich een klein
-meisje bevond, dat zóó snel reed en zóó verlegen was, dat ze niet
-eens het foedraal meenam van den prijs, dien zij gewonnen had, van
-
-
- "DE ZILVEREN SCHAATSEN."
-
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN
-
-
-[1] John Bull, de scheldnaam dien de Amerikanen aan de Engelschen
-geven--dezen noemen daarentegen hun overzeesche naburen: Brother
-Jonathan.
-
-[2] Gids, geleider.
-
-[3] De naam van de kerk, of liever van den heilige, aan wien zij
-gewijd was.
-
-[4] Ik laat deze anekdote voor rekening van de schrijfster van wie
-ik haar heb overgenomen.
-
-[5] Zie mijn "Schildknaap van Gijsbrecht van Amstel".
-
-[6] Adolf en Clara.
-
-[7] Ik laat deze lieve legende voor rekening van de Schrijfster.
-
-[8] Zie mijn "Huisgezin van den Raadpensionaris."
-
-
-
-
-
-
-End of Project Gutenberg's De zilveren schaatsen, by Mary Mapes Dodge
-
-*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ZILVEREN SCHAATSEN ***
-
-***** This file should be named 60777-8.txt or 60777-8.zip *****
-This and all associated files of various formats will be found in:
- http://www.gutenberg.org/6/0/7/7/60777/
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
-States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive
-specific permission. If you do not charge anything for copies of this
-eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook
-for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports,
-performances and research. They may be modified and printed and given
-away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks
-not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the
-trademark license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country outside the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you'll have to check the laws of the country where you
- are located before using this ebook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm web site
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The
-Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm
-trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the
-mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its
-volunteers and employees are scattered throughout numerous
-locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt
-Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to
-date contact information can be found at the Foundation's web site and
-official page at www.gutenberg.org/contact
-
-For additional contact information:
-
- Dr. Gregory B. Newby
- Chief Executive and Director
- gbnewby@pglaf.org
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
-spread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works.
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our Web site which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
-