summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
-rw-r--r--.gitattributes4
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
-rw-r--r--old/60777-8.txt7358
-rw-r--r--old/60777-8.zipbin125522 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/60777-h.zipbin2240542 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/60777-h/60777-h.htm7606
-rw-r--r--old/60777-h/images/back.jpgbin52232 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/60777-h/images/book.pngbin219 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/60777-h/images/card.pngbin230 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/60777-h/images/external.pngbin151 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/60777-h/images/front.jpgbin96799 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/60777-h/images/frontispiece.jpgbin120255 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/60777-h/images/p003.pngbin46000 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/60777-h/images/p005.pngbin36976 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/60777-h/images/p011.pngbin50507 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/60777-h/images/p020.pngbin56622 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/60777-h/images/p024.pngbin50431 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/60777-h/images/p033.jpgbin119333 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/60777-h/images/p036.pngbin35163 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/60777-h/images/p038.pngbin75476 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/60777-h/images/p043.pngbin75600 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/60777-h/images/p050.pngbin48046 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/60777-h/images/p059.pngbin78813 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/60777-h/images/p061.pngbin79170 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/60777-h/images/p065.jpgbin119945 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/60777-h/images/p071.pngbin86893 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/60777-h/images/p073.pngbin23345 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/60777-h/images/p079.pngbin75378 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/60777-h/images/p081.pngbin2742 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/60777-h/images/p083.pngbin8967 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/60777-h/images/p087.pngbin29479 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/60777-h/images/p099.pngbin66424 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/60777-h/images/p103.pngbin50483 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/60777-h/images/p110.pngbin38871 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/60777-h/images/p116.pngbin71313 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/60777-h/images/p123.pngbin81545 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/60777-h/images/p126.pngbin68525 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/60777-h/images/p128.jpgbin115191 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/60777-h/images/p134.pngbin39296 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/60777-h/images/p147.pngbin16015 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/60777-h/images/p149.pngbin73470 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/60777-h/images/p153.pngbin6289 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/60777-h/images/p162.pngbin6053 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/60777-h/images/p165.pngbin69049 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/60777-h/images/spine.jpgbin22217 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/60777-h/images/titlepage.pngbin10343 -> 0 bytes
47 files changed, 17 insertions, 14964 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..d7b82bc
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,4 @@
+*.txt text eol=lf
+*.htm text eol=lf
+*.html text eol=lf
+*.md text eol=lf
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..f0a24f2
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #60777 (https://www.gutenberg.org/ebooks/60777)
diff --git a/old/60777-8.txt b/old/60777-8.txt
deleted file mode 100644
index fa8bae8..0000000
--- a/old/60777-8.txt
+++ /dev/null
@@ -1,7358 +0,0 @@
-The Project Gutenberg EBook of De zilveren schaatsen, by Mary Mapes Dodge
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
-other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of
-the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have
-to check the laws of the country where you are located before using this ebook.
-
-Title: De zilveren schaatsen
-
-Author: Mary Mapes Dodge
-
-Illustrator: Johan Coenraad Braakensiek
- Johannes Carolus Bernardus Sluijters
-
-Translator: Pieter Jacob Andriessen
-
-Release Date: November 24, 2019 [EBook #60777]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: ISO-8859-1
-
-*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ZILVEREN SCHAATSEN ***
-
-
-
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg
-
-
-
-
-
-
-
-
-
- DE ZILVEREN SCHAATSEN
-
- NAVERTELD DOOR
-
- P. J. ANDRIESSEN
-
- GEÏLLUSTREERD DOOR
-
- JOH. BRAAKENSIEK EN J. SLUYTERS
-
- TIENDE DRUK
-
-
-
-
-
-
-
-
- A. W. SIJTHOFF'S UITGEVERSMAATSCHAPPIJ--LEIDEN
-
-
-
-
-
-
-
-
-INHOUD.
-
-
-EERSTE HOOFDSTUK. Bladz.
-
-Waarin verhaald wordt, hoe men, ook zonder schaatsen, toch het
-ijsvermaak genieten kan 1
-
-TWEEDE HOOFDSTUK.
-
-Waarin wij verscheidene nieuwe kennissen ontmoeten 9
-
-DERDE HOOFDSTUK.
-
-Hoe een paar schaatsen en een dokter in één hoofdstuk kunnen
-vereenigd worden 15
-
-VIERDE HOOFDSTUK.
-
-Hoe echt Hollandsche jongens zich goed houden onder tegenspoed 22
-
-VIJFDE HOOFDSTUK.
-
-Ongelukken in de hut van Rolf Brinker 35
-
-ZESDE HOOFDSTUK.
-
-Wat de jongens zoo al in Haarlem zagen 45
-
-ZEVENDE HOOFDSTUK.
-
-Hoe goed het kan zijn, als men in een kouden winternacht zonder
-dek ligt 57
-
-ACHTSTE HOOFDSTUK.
-
-Wat onze knapen al zoo in Leiden zagen 74
-
-NEGENDE HOOFDSTUK.
-
-Hoe onze reizigers in den Haag ontvangen werden 83
-
-TIENDE HOOFDSTUK.
-
-De gevaarlijke operatie 96
-
-ELFDE HOOFDSTUK.
-
-De verborgen schat 106
-
-TWAALFDE HOOFDSTUK.
-
-De toovergodin 118
-
-DERTIENDE HOOFDSTUK.
-
-Het geheimzinnige horloge 128
-
-VEERTIENDE HOOFDSTUK.
-
-De hardrijderij 142
-
-VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
-
-Wat de zilveren schaatsen al uitwerken 152
-
-ZESTIENDE HOOFDSTUK.
-
-Besluit 163
-
-
-
-
-
-
-
-
-VOORBERICHT.
-
-
-Toen de geachte Uitgever mij eenige jaren geleden dit boek ter hand
-stelde, om daarover een oordeel te vellen, beviel het mij zoodanig,
-dat ik er volgaarne in toestemde, het voor de Nederlandsche jeugd om
-te werken. Ik zeg omwerken, want er is van het oorspronkelijke weinig
-meer overgebleven dan het geraamte. Had ik het boek van Mary Mapes
-Dodge vertaald, ik zou tal van dwaasheden hebben moeten debiteeren,
-waarvoor mijn jeugdige lezeressen en lezers mij zeker op de vingers
-zouden hebben getikt en die men in den vreemde voor goede munt
-opneemt, daar men 't natuurlijk niet beter weet. En toch is er veel in,
-waardoor de Schrijfster haar landgenooten met vrij wat bijzonderheden
-van ons land en ons volk bekendmaakt. Ik twijfel er ook geenszins aan,
-of deze zilveren schaatsen zullen mijn jongen vriendinnen en vrienden
-wèl bevallen. Het werk kan hun tot een aangename afwisseling strekken
-van de meer ernstige lectuur mijner historische verhalen.
-
-Dat dit boek in zoo betrekkelijk korten tijd telken male herdrukt moest
-worden, heeft mij niet verwonderd. De goede manier van uitgeven, het
-echt nationale, dat er in het schaatsenrijden is, en de vriendelijke
-inhoud van het verhaal stonden mij daarvoor borg.
-
-
-P. J. Andriessen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-EERSTE HOOFDSTUK.
-
-WAARIN VERHAALD WORDT, HOE MEN, OOK ZONDER SCHAATSEN, TOCH HET
-IJSVERMAAK GENIETEN KAN.
-
-
-Wanneer gij, mijn lieve lezeressen en lezers, eenige jaren geleden
-op een helderen December-ochtend de vaart van 't Schouw naar het
-Noordhollandsche dorp Broek waart opgewandeld, dan zoudt gij aan den
-kant van het bevroren water twee dun gekleede kinderen op hun knieën
-hebben zien liggen.
-
-'t Was heel vroeg in den morgen: de zon was zooeven eerst opgegaan en
-de horizon zag rood door den nevel, die nog moest optrekken voor den
-gloed van haar stralen. De meeste bewoners van Broek en zijn omtrek
-waren nog warm in het dons hunner bedden gedoken en schrikten er
-voor om uit de veeren te komen: want het was aardig koud en had dien
-nacht geducht gevroren. Slechts een enkele boer of boerin, die naar de
-stad ging, of een werkman, die wat ver van huis op karwei moest zijn,
-reed op de gladde spiegelvlakte en wierp een vriendelijken blik op het
-tweetal, dat daar aan den kant geknield lag en zich bezighield met iets
-aan te binden, hetwelk schaatsen moesten verbeelden en dat bestond
-uit stukken hard hout, die naar onderen spits toeliepen en waarin
-gaten waren geboord, om ze met touwen aan de voeten te bevestigen.
-
-Die schaatsen waren het fabrikaat van Hans, den oudste der twee: want
-zijn moeder was een arme boerenvrouw, die geen schaatsen bekostigen
-kon; en daarom had onze knaap, die zeer behendig in het snijden van
-hout was, er een paar voor zich en zijn zuster Griete vervaardigd, op
-welke zij reeds menig gelukkig uurtje op het ijs hadden gesleten. Met
-hun van de kou roode vingers trokken zij aan de touwen, terwijl hun
-gezichten zoo ernstig stonden, als moesten zij zich het beste paar
-Friesche schaatsen aanbinden.
-
-"Kom, Griete," zei Hans, toen hij opstond en een prachtige streek op
-de vaart maakte, niet zonder beide armen geducht te bewegen.
-
-"Ach, Hans!" riep Griete op verdrietigen toon. "De touwen hebben
-mij gisteren zoo geducht gekneld, en nu kan ik ze niet op dezelfde
-plaats velen."
-
-"Bind ze dan wat hooger," gaf Hans ten antwoord, terwijl hij op zijn
-manier een sierlijken zwaai maakte.
-
-"Dat kan ik niet doen: want het touw is te kort."
-
-Hans had toch deernis met zijn zusje en reed naar haar toe.
-
-"Waarom heb je ook die dunne schoenen aan je voeten, malle meid?" zeide
-hij. "Wie trekt zulk dun schoeisel aan, als hij er dikker heeft? Had
-dan liever je klompen aangehouden."
-
-"Maar, Hans! Weet je dan niet, dat vader mijn beste schoenen in 't
-vuur heeft gegooid? Eer ik nog wist, wat hij gedaan had, waren ze al
-heelemaal omgekruld en bedorven. Met die schoenen kon ik wel rijden,
-maar niet met mijn klompen."
-
-Hans had intusschen een touw uit zijn zak gehaald en knielde voor
-Griete, terwijl hij zijn best deed om haar schaats vast te maken.
-
-"O, je doet me zeer!" riep zij uit.
-
-Hans werd bijna boos, maar hij zag een traan in Griete's oog en
-bedwong zijn toorn. Integendeel hernam hij op vriendelijken toon:
-
-"Ik kan 't niet helpen, Griete. Maar ik moet de schaats toch
-vastmaken. En je weet zelf, dat we weinig tijd hebben: want moeder
-zal ons wel gauw roepen."
-
-Hierop keek hij rond of hij niets zag, waarmede hij zijn zuster kon
-helpen, bedacht zich even, nam zijn pet af, haalde uit de gescheurde
-voering een dotje watten, legde dat op de plaats, waar hij het touw
-moest binden, en bond toen de schaats vast, zoo schielijk als hij
-'t met zijn van kou verstijfde vingers doen kon.
-
-"Kijk, nu zal 't je geen pijn meer doen, Griete," zeide hij, "want
-nu zal je wel eenige drukking kunnen velen."
-
-Griete beet zich op de lippen, als wilde zij zeggen: "'t doet mij
-toch nog zeer," maar zij zweeg en liet hem begaan.
-
-Eenige oogenblikken later reden zij lachend en vroolijk, hand aan hand
-over de vaart, zonder zich er over te bekommeren, of hun schaatsen
-al dan niet met ijzer beslagen waren. Maar eensklaps begonnen de
-schaatsen van Hans een raar soort van geluid te geven, zijn streken
-werden al korter en korter, flap! daar lag hij zoo lang als hij was
-op het ijs te spartelen.
-
-"Ha, ha," riep Griete lachend. "Daar ben je mooi te land gekomen." Maar
-even snel kwam het liefderijke zusterhart weer boven, en met een
-fikschen omzwaai stond zij, ofschoon nog altijd lachend, vóór haar
-gevallen broeder.
-
-"Je hebt je toch niet bezeerd, Hans?" vroeg zij medelijdend. "O, je
-lacht. Dan is 't niets." En terwijl zij weer voortreed met wangen,
-gloeiend van de warmte, die de beweging haar had gegeven, en oogen,
-schitterend van genoegen, riep zij: "Hans je kunt mij niet krijgen!"
-
-Hans sprong weer op de beenen, maar 't was geen gemakkelijke zaak om
-Griete in te halen: want zij was hem reeds een heel eind vooruit. Toch
-was zij nog niet ver, toen zij voelde, dat ook haar schaatsen begonnen
-te krassen. Daar zij nu de eer aan zich wilde houden, keerde zij zich
-om en reed haar vervolger in de armen.
-
-"Gevangen!" riep Hans, terwijl hij haar stevig in zijn armen pakte.
-
-"Ik heb jou gevangen," antwoordde Griete, die poogde zich uit zijn
-armen los te maken.
-
-Juist op dit oogenblik klonk er een luide stem over de vaart:
-"Hans! Griete!"
-
-"Moeder roept ons," zeide Hans, terwijl hij zijn zusje losliet.
-
-Op dat oogenblik werd de vaart door de nu geheel en al opgekomen
-zon beschenen en begonnen er al meer schaatsenrijders te komen. 't
-Was een hard gelag, om nu juist te moeten uitscheiden. Maar Hans en
-Griete waren gehoorzame kinderen. Terstond bonden zij hun schaatsen af
-en lieten de vaart aan de liefhebbers over. Statig liep Hans met zijn
-breede schouders en zijn weerbarstig blond haar naast zijn blauwoogige
-zuster voort, terwijl zij huiswaarts togen. Hij was vijftien en
-Griete twaalf jaar. Hij was een stevige, vriendelijke jongen met een
-hart van goud en een paar oogen, die hij nooit neersloeg, als hij u
-aankeek. Griete was een klein, tenger ding, met een paar levendige
-blauwe oogen, die u zoo vriendelijk konden aankijken, en zulk een
-lief gezichtje, dat gij, als gij haar aanzaagt, heur armoedig en
-verschoten gewaad schier vergeten zoudt hebben.
-
-Toen de kinderen thuis kwamen, was moeder Brinker weer binnen en zat
-hun vader bij het vlammende vuur. Die vader was in vroegeren tijd een
-stevig werkman geweest, die voor vrouw en kinderen een eerlijk stuk
-brood verdiende. Maar jaren geleden, toen er midden in den nacht gevaar
-voor overstrooming was en de man zich aan het werk had bevonden aan
-den dijk, die dreigde te bezwijken, was hij gevallen, en bewusteloos
-thuis gebracht. Sedert dat oogenblik had hij niet meer gewerkt, en,
-ofschoon hij nog leefde, waren zijn verstand en geheugen weg.
-
-Griete kende hem niet anders dan als "den zonderlingen, stillen man",
-wiens oogen haar volgden, waar zij ook ging; maar Hans herinnerde
-zich nog een hartelijken, vroolijken vader, die hem zoo pleizierig
-op zijn schouder kon dragen en die zoo mooi kon zingen, als hij
-'s avonds wakker lag en naar hem luisterde.
-
-De arme vrouw Brinker had sedert dien tijd hard gewerkt. Zij toch
-moest den kost verdienen voor haar zelf, haar hulpeloozen man en haar
-niet minder hulpelooze kinderen. Met spinnen en breien trachtte zij
-daarin te voorzien, zelfs had zij zich tusschenbeide verhuurd, om
-in het zeel te loopen voor een schuit; maar sedert Hans sterk genoeg
-was geworden, had hij haar plaats vervuld. En het was ook wel noodig,
-dat vrouw Brinker thuis bleef: want, hoe hulpbehoevend Brinker ook was,
-hoewel hij niet meer verstand bezat dan een kind van drie of vier jaar,
-had hij toch de kracht van een man, en het kostte der arme vrouw vrij
-wat moeite, om hem in bedwang te houden.
-
-"Ach, kinderen," zeide zij somtijds, "hij was zoo goed en zoo
-verstandig! Zoo knap als een advocaat! Zou je wel willen gelooven,
-dat de burgemeester hem soms staande hield, om hem het een of ander te
-vragen. En nu, ach, lieve Hemel! nu kent hij zijn vrouw en kinderen
-niet meer! Jij kunt je uw vader nog wel voorstellen, niet waar,
-Hans, toen hij nog de goede Rolf Brinker was, hè? Wat een ferm,
-knap man! Weet je 't nog wel?"
-
-"Ja, moeder," antwoordde Hans. "En wat wist hij alles, en wat kon
-hij mooi zingen! Ik weet het nog best, hoe gij wel eens zeidet,
-dat hij door zijn stem alleen al de windmolens aan het draaien zou
-hebben gemaakt."
-
-"Ja, dat heb ik dikwerf gezegd. Wat die jongen toch een geheugen
-heeft! Griete, kindlief, neem je vader die breinaald af, anders steekt
-hij er mee in zijn oog. Doe hem zijn slof aan, want zijn voeten zijn
-zoo koud als ijs, en ik kan ze niet warm houden," en dan liet vrouw
-Brinker haar spinnewiel weer snorren, als gaf dat geluid afleiding
-aan haar smart.
-
-Hans en Griete deden al wat zij konden, om hun arme moeder in haar
-zware taak te ondersteunen. Waar het lieve kind in het huishouden
-hielp en den kleinen moestuin bebouwde, die bij het huisje lag,
-waar zij reeds menig paar sokken breide en al de boodschappen deed,
-die er noodig waren, verdiende Hans geld met het jagen der paarden
-voor de pakschuiten en kleine vrachtschepen, die door de vaart kwamen;
-ook was hij vrij bekwaam in het houtsnijden, in hetwelk hij, als men
-de slechte werktuigen, welke hij bezat, en het volslagen gemis aan
-onderricht daarbij in aanmerking neemt, al een heel aardige hoogte
-bereikt had. En niet alleen in deze werktuigelijke kunst muntte Hans
-uit. Ook op de school kon geen enkele hem bijhouden. Hoe hard hij soms
-moest blokken, eer hij iets wist, hij rustte niet, vóór hij het onder
-de knie had, en menigeen, die zijn neus optrok voor zijn armoedige
-plunje en zijn gelapte broek, moest voor hem de vlag strijken en
-aan den jongen uit de hut de hoogste plaats afstaan. Jammer genoeg,
-dat hij nu sedert een jaar niet meer had kunnen schoolgaan, daar,
-bij de verergering van Brinker's toestand, de behoeften van het gezin
-waren toegenomen en Hans geld moest verdienen om in die behoeften te
-voorzien. Griete was zoo vlug niet in het leeren. Als 't op zingen
-aankwam, kon zeker niemand haar overtreffen, en als zij een liedje
-tweemaal hoorde, zong zij het zonder fout; maar--boeken waren haar
-een gruwel, het schoolbord een verdriet en de school zelf een soort
-van gevangenis, die zij met looden schoenen betrad. Des te meer
-jammer voor het lieve kind, dat moeder ook haar moest thuis houden:
-want wat moest er van haar worden, als zij op lateren leeftijd niet
-zou kunnen lezen of schrijven?
-
-Terwijl onze beide kinderen druk bezig waren, hun moeder binnenshuis
-te helpen, kwam er een vroolijke hoop meisjes en jongens over de
-vaart rijden. Daar waren goede rijdsters en rijders onder, en als
-men hen in hun bonte kleeding op een afstand zag komen aanrijden,
-dan zou men zich verbeeld hebben, dat het ijs eensklaps gesmolten
-was en er een veelkleurig bed met tulpen op den stroom kwam aandrijven.
-
-Voorop rijdt Hilda, de dochter van burgemeester De Bruyn, in haar
-fluweelen, met bont omzet jacketje en haar met pels omboorde jurk,
-en naast haar Annie Bouman, de dochter van een rijken boer, met haar
-scharlaken rood jacketje, van stevige wol gebreid, en haar keurig
-blauw rokje, kort genoeg om haar nette voetjes te doen zien. Verder de
-trotsche Truida Korbes, de dochter van den rijken aannemer te Broek,
-Karel Schimmel, Peter en Lodewijk van den Helm, Jacob Poot en een heel
-kleine jongen, die den naam van Frans van Bree voert. Er waren ruim
-twintig jongens en meisjes bij elkander, en zij maakten vrij wat pret,
-dat kan ik u verzekeren.
-
-Zij reden herhaalde malen de vaart op en neder, en het was wèl te zien,
-dat er flinke schaatsenrijders onder hen waren. Menigen vriendelijken
-groet wisselden zij met andere dorpelingen, die hen voorbijreden, om
-zich naar Amsterdam of elders te begeven, en ook diegenen, aan wie zij
-ten eenen male onbekend waren, konden niet nalaten, met genoegen naar
-het vroolijke troepje te zien en het een groet toe te werpen. Ook van
-den wal af hadden zij bekijks genoeg van de kinderen, die te voet naar
-school gingen, en bij wie zich de meesten van hen straks zouden voegen.
-
-Eensklaps echter scheen hen iets in hun vaart te belemmeren en allen
-bleven stilstaan rondom een klein aardig meisje, dat er allerliefst
-uitzag en van den kant van Monnikendam was komen aanrijden.
-
-"Waar moet jij zoo vroeg reeds heen, Kato?" riep de een.
-
-"Wat kom je hier jagen?" vraagde de ander.
-
-"Je doet toch ook mee met den wedstrijd op den dertigsten?" zeide
-een derde.
-
-"Je moet stellig meedoen, Kato," bevestigde een vierde.
-
-"Maar, lieve vrienden," zeide de aardige Kato. "Je brengt me heelemaal
-in de war. Spreekt als het u belieft één voor één: want als je allen
-te gelijk praat, kan ik je onmogelijk antwoorden."
-
-"Je doet toch mee met den wedren op den dertigsten?" herhaalde Truida
-Korbes, die 't eerst het woord nam.
-
-"Een wedren? Denk je, dat ik paard kan rijden, Truida?" vroeg Kato
-glimlachend.
-
-"Nu, dat begrijp je toch wel beter, Kato."
-
-"Kom, zij weet er even goed van als wij," zeide Annie Bouman. "Zoo
-ver woont ze niet van Broek af, dat ze het niet zou weten."
-
-"Inderdaad, ik heb niets van een wedren gehoord," verzekerde Kato
-met het onnoozelste gezicht ter wereld.
-
-"Welnu," hernam Truida, "als je 't dan werkelijk niet weet, zal ik 't
-zeggen. Mevrouw De Bruyn van Broek is op den dertigsten van deze maand
-veertig jaar en heeft besloten dien dag feestelijk te vieren. Daartoe
-zal zij een wedren op schaatsen geven, waaraan al de kinderen van
-Broek en den omtrek, mits ze beneden de zestien jaren zijn, mogen
-deelnemen. Dat is alles het werk van Hilda."
-
-"En zullen er mooie prijzen zijn?"
-
-"Een paar beeldige mooie Engelsche schaatsen," riepen wel zes stemmen
-te gelijk.
-
-"Met zilver ingelegd," voegde een ander er bij.
-
-"En met zilveren neuzen en hielstukken," vervolgde een derde.
-
-"En er zijn zilveren belletjes ook aan," voegde Frans van Bree er bij.
-
-"Hoor me zoo'n kleinen betweter eens aan!" riep Jacob Poot uit. "Bellen
-aan schaatsen! Dan zou een mensch veel van een paard voor een
-Narreslede hebben."
-
-"Of van een katje, dat men niet wil trappen," meende Truida.
-
-"Je hebt je wat laten wijsmaken, Frans," zeide Lodewijk van den Helm,
-terwijl hij het kleine kereltje medelijdend aanzag.
-
-"Hij heeft het toch zoo geheel en al niet mis," verzekerde
-Hilda. "Er zijn twee paren schaatsen, één voor de meisjes en één
-voor de jongens. Het paar van de meisjes is met zilveren plaatjes
-aan de hielstukken, die bij het stampen een rammelend geluid maken
-als belletjes."
-
-"En wie zullen er rijden?" vroeg Kato.
-
-"Wel, wij allen," gaf Truida ten antwoord. "'t Zal een pret zijn! Je
-doet toch ook mee, Kato? Maar het is nu tijd, om naar school te
-gaan. Kom, ga mee, dan zal ik 't je onderweg verder vertellen."
-
-En zonder zich om de overigen te bekommeren, maakte zij een sierlijken
-zwaai en reed, door Kato vergezeld, naar de school met een vlugheid,
-dat de anderen werk hadden om haar te volgen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-TWEEDE HOOFDSTUK.
-
-WAARIN WIJ VERSCHEIDENE NIEUWE KENNISSEN ONTMOETEN.
-
-
-'t Was op den namiddag van dien zelfden dag, dat onze jongelieden,
-na afgeloopen arbeid, weder een uurtje op het ijs reden.
-
-"Kijk eens," riep Karel Schimmel spottend tegen Hilda, die vlak
-naast hem stond. "Kijk eens, welk een mooi paar daar over het ijs komt
-aanrijden. 't Zijn zeker de voddenrapers uit de hut. Hun schaatsen zijn
-zeker een geschenk van Hare Majesteit de Koningin in eigen persoon."
-
-"Foei, Karel," zeide Hilda. "Je moest je schamen, dat je zoo over hen
-spreekt. 't Zijn arme kinderen en de schaatsen, op welke zij rijden,
-heeft de knaap misschien zelf gemaakt."
-
-Karel keek mal op zijn neus.
-
-"Ik weet niet wat zij met zulk tuig op de baan doen," bromde hij,
-terwijl Hilda naar de beide kinderen toereed, "maar ik zou, dunkt
-mij, even goed op een oud verroest mes kunnen rijden als op zoo'n
-paar schaatsen."
-
-Deze uitval wekte het gelach van verscheidene andere der rijders. Hilda
-stoorde zich daaraan niet en vroeg aan Griete:
-
-"Hoe heet je, kindlief?"
-
-"Griete, juffrouw," antwoordde het kind, min of meer verlegen, dat
-de juffrouw van den burgemeester haar aansprak, al was die dan ook
-nog geen twee jaar ouder dan zij.
-
-"En hoe heet je broer?"
-
-"Hans, juffrouw!"
-
-"Nu, 't is een ferme jongen, die Hans. Die heeft zeker een warm
-kacheltje in zijn lijf; want hij ziet er zoo gezond uit als een
-visch. Maar jij bent koud. Waarom kleed je je ook niet wat warmer,
-klein ding?"
-
-Griete deed haar best om te glimlachen.
-
-"Ik ben zoo klein niet als u wel denkt," zeide zij. "Ik ben ruim
-twaalf jaar oud."
-
-"Nu, je zult wel grooter worden," hervatte Hilda, meesmuilende
-over het antwoord van Griete. "Maar dan moet je je ook wat warmer
-kleeden. Meisjes, die kou lijden, worden nooit groot."
-
-Hans kreeg een kleur als bloed, toen hij zag, dat er waterlanders in
-Griete's oogen kwamen.
-
-"Hoor eens, juffrouw! Mijn zuster heeft nog nooit over de kou
-geklaagd. Maar 't vriest nu ook zoo hard."
-
-"O," zeide Griete. "Ik ben dikwijls heel warm, dikwijls al te warm,
-als ik schaatsen rijd. 't Is al heel lief van u, juffrouw, om daaraan
-te denken."
-
-"Ik wou je wat anders vragen, Griete," zeide Hilda, min of meer boos
-op zich zelf, omdat zij vreesde de arme kinderen beleedigd te hebben.
-
-"Kan ik de juffrouw van dienst zijn?" vroeg Hans.
-
-"O neen, ik wou je alleen iets vragen over den grooten wedstrijd. Je
-zult toch meedoen, niet waar? Je kunt allebei aardig rijden en iedereen
-mag meedingen."
-
-Griete zag Hans zwijgend aan; deze trok verlegen aan zijn buis en
-antwoordde op eerbiedigen toon:
-
-"Ach! juffrouw, al konden wij ook meedingen, dan nog zouden wij geen
-tien slagen met de overigen doen. Zie maar," en hij liet haar een
-zijner schaatsen zien, "onze schaatsen zijn slechts van hard hout, zij
-worden gauw vochtig en dan willen zij niet meer voort, of wij rollen."
-
-Griete kon niet nalaten te lachen, toen zij om het ongeval van Hans
-van dien morgen dacht, en zeide:
-
-"Neen, juffrouw, meerijden kunnen wij niet; maar wij zullen er wel
-bij zijn om te kijken."
-
-"Natuurlijk," antwoordde Hilda. "Maar je moet meedoen ook."
-
-Zij haalde haar beursje uit en zag, dat er nog een gulden en twee
-kwartjes in waren. 't Speet haar, dat zij niet wat zuiniger op haar
-weekgeld was geweest, en daarom keek zij met een zucht naar de twee
-paar voeten, die zoo ongelijk van grootte waren.
-
-"Zeg, wie van je beiden is de beste rijder?"
-
-"Griete," antwoordde Hans snel.
-
-"Hans," was het antwoord van Griete.
-
-Hilda glimlachte.
-
-"Hoort eens," hernam zij. "Ik kan voor jelui elk geen paar
-schaatsen koopen, zelfs niet enkel een goed paar. Maar hier heb je
-een daalder. Maak 't nu onder je beiden uit, wie 't best kan rijden
-en de meeste kans heeft om bij den wedstrijd te winnen, en koop dan
-voor die een paar schaatsen, zoo goed als je ze voor een daalder kunt
-krijgen. 'k Wou, dat ik geld genoeg had om je ieder een paar betere
-te koopen."
-
-En terwijl zij hen vriendelijk toeknikte en den verwezen Hans het geld
-in de hand stopte, reed zij snel weg om zich weer bij haar gezelschap
-te voegen, dat in dien tijd een heel eind vooruitgereden was.
-
-"Juffrouw! Juffrouw De Bruyn," riep Hans, terwijl hij haar achterna
-strompelde, want hij had een zijner schaatsen losgebonden, om haar
-die te laten zien.
-
-Hilda keerde zich om en was in een oogenblik weer bij hen.
-
-"Wat is het?" vroeg zij.
-
-"Wij mogen dit geld niet behouden, juffrouw," zeide hij. "Ofschoon
-wij u hoogst dankbaar zijn voor uw goedheid."
-
-"Kom, waarom niet?"
-
-"Omdat wij 't niet verdiend hebben."
-
-Hilda's snelle bevatting wist terstond raad.
-
-"Welnu, snijd voor mij dan zoo'n ketting als je zuster draagt."
-
-"Heel gaarne, juffrouw," antwoordde Hans. "Wij hebben beeldig wit
-hout in huis en gij zult er morgen een hebben, zoo wit als ivoor." Dit
-zeggende, wilde hij haar het geld teruggeven.
-
-"Neen, zoo is 't niet gemeend," antwoordde Hilda. "Dat geld is voor
-den ketting. 't Is wel wat weinig zelfs." En zonder verder een woord te
-spreken, snelde zij weg en was spoedig bij de andere schaatsenrijders.
-
-Hans keek haar met tranen in de oogen na.
-
-"Een edel meisje, Griete," zeide hij. "En zij zal den ketting morgen
-hebben, al moet ik er ook den halven nacht voor opzitten; als moeder
-ten minste wil hebben, dat ik zoo lang licht brand. Morgen is de
-ketting af en dan mogen wij het geld houden."
-
-"En dan ga je naar Amsterdam om de schaatsen te koopen," zeide
-Griete. "Daar kun je ze zeker beter en goedkooper krijgen dan in
-Monnikendam."
-
-Hans schudde zijn hoofd.
-
-"De juffrouw wilde ons het geld geven om schaatsen voor te koopen. Dit
-hadden wij ook moeten doen. Maar nu ik het verdien, zal ik er wol
-voor koopen. Je moet een warm jacketje hebben, Griete."
-
-"Hé!" riep Griete treurig uit. "En je zoudt er geen schaatsen voor
-koopen? Kom, ik heb 't zoo koud niet als je denkt. Ik ben jong
-en gezond."
-
-En er stonden haar tranen in de oogen bij de gedachte, dat Hans de
-schaatsen niet zou koopen.
-
-Hans zag haar zwijgend aan. Tranen kon hij niet zien, vooral niet in
-de blauwe kijkers van zijn zuster. Griete bemerkte haar voordeel.
-
-"Begrijp eens," ging zij voort, "hoe jammer zou 't zijn, zoo'n schoone
-gelegenheid te verzuimen. 't Zou me zoo spijten, als je de schaatsen
-niet kocht. Niet voor mij; ik wil ze niet eens hebben. Maar voor
-jou; dan kun je er nu op rijden, en als ik grooter ben, dan zijn ze
-voor mij."
-
-Hans klemde het geld krampachtig in zijn hand. Nooit in zijn leven
-had hij zoo vurig naar een paar schaatsen verlangd; want ook hij had
-van den wedstrijd gehoord en zoo gaarne een kans mede gewaagd. En dat
-wist hij, als hij maar een paar goede schaatsen had, dan zou hij een
-menigte van jongens, die op de vaart reden, de loef afsteken. En dan
-Griete's aanbod! Maar als zij, dat vlugge ding, zich eens een week op
-een paar goede schaatsen oefende, dan zou zij Truida Korbes en zelfs
-Kato Lammers gemakkelijk voorbijhalen. Zoodra die laatste gedachte
-bij hem opkwam, stond zijn besluit vast. Als Griete het jacketje niet
-wilde hebben, zou hij haar een paar schaatsen geven.
-
-"Neen, Griete," antwoordde hij eindelijk. "Ik kan wel wachten. Ik
-zal geld opsparen, en dan zal 't zoo lang niet duren, of ik kan er
-ook een paar koopen. Deze zullen voor jou zijn."
-
-Griete's oogen schitterden bij dit aanbod; maar toch zeide zij,
-misschien wel wat minder krachtig:
-
-"De jonge juffrouw heeft het geld aan jou gegeven, Hans. 't Zou mij
-leelijk staan, als ik ze nam."
-
-Hans schudde vastberaden het hoofd, en zij gingen naar de hut hunner
-moeder: want bij de gedachte aan betere schaatsen, hadden zij de
-hunne afgebonden.
-
-"Weet je wat, Hans," zeide Griete onderweg. "Ik weet goeden raad. Als
-je eens een paar schaatsen kocht, die te klein voor jou en te groot
-voor mij waren, dan konden we ze om beurten gebruiken."
-
-Het voorstel scheen Hans zoo aanlokkelijk toe. 't Was een heele
-verzoeking; maar hij wierp die van zich.
-
-"Dwaasheid, Griete!" riep hij uit. "Op een paar, die je te groot zijn,
-kun je niet voortkomen. Weet je nog wel, hoe je net als een blind
-kuiken voortstrompelde, toen deze schaatsen je te groot waren. Eerst
-toen ik ze aan beide einden wat korter had gemaakt, kon je er op
-rijden. Neen, je moet er een paar hebben, die je net van pas zijn,
-dan kan je je elk vrij oogenblik oefenen, tot de dertigste komt,
-en dan zal mijn kleine Griete de zilveren schaatsen winnen."
-
-Griete kon zich niet bedwingen om te glimlachen bij het denkbeeld,
-dat Hans haar voor oogen stelde.
-
-"Hans! Griete!" riep moeder Brinker.
-
-"Wij komen, moeder!" antwoordde Hans.
-
-
-
-Den volgenden dag was er geen trotscher en gelukkiger knaap in geheel
-Broek dan Hans Brinker, als hij naar zijn zuster keek, zoo flink
-als ze daar reed te midden van de schaatsenrijders, die de vaart op
-en neder zwierden. De goedhartige Hilda had haar een warm jacketje
-gegeven en moeder Brinker had de uitgebarsten schoenen weder in hun
-fatsoen gebracht.
-
-Terwijl het kleine ding over het ijs snelde, was 't haar, of die
-blinkende schaatsen onder haar voeten haar eensklaps in het land der
-feeën verplaatst hadden, en in haar dankbaar hartje weerklonk het:
-"Hans, lieve goede Hans!"
-
-"Wel, sakkerloot!" zei Peter van den Helm tegen Karel Schimmel. "Kijk
-dat kleine ding eens met haar roode jacketje en haar gelapten rok. Zij
-rijdt drommels goed! En wat heeft zij een paar oogen in haar hoofd! 't
-Zou wel aardig zijn, als zij Kato Lammers eens de loef afstak bij
-den wedstrijd."
-
-"Praat niet zoo luid, Piet," zeide Karel. "Dat kleine meisje met
-haar gelapten rok is de verklaarde gunsteling van Hilda de Bruyn. Die
-schaatsen heeft zij haar gegeven."
-
-"Ei, ei!" riep Peter van den Helm uit: want hij hield veel van
-Hilda. "Dan heeft zij weer een goed werk verricht."
-
-En hij reed naar Hilda. Wat echter wonderlijk was: nadat hij eenigen
-tijd met haar gereden had, stond het bij hem vast, dat zijn zusje
-ook zoo'n ketting moest hebben als Hilda.
-
-En drie dagen later was Hans Brinker op het pad, om, nadat hij drie
-eindjes kaars verbrand en zich tot slot van rekening in den duim
-gesneden had, ook een paar schaatsen in Amsterdam te koopen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-DERDE HOOFDSTUK.
-
-HOE EEN PAAR SCHAATSEN EN EEN DOKTER IN ÉÉN HOOFDSTUK KUNNEN
-VEREENIGD WORDEN.
-
-
-"Kom, Hans! Maak je nu klaar en ga naar Amsterdam, om een paar
-schaatsen te koopen," zei vrouw Brinker, toen men den dag vóór Kerstmis
-het sober middagmaal genuttigd had.
-
-"Neen, moeder," gaf hij ten antwoord. "Gij hebt nog zooveel
-noodig. Waarom zou ik nieuwe schaatsen koopen?"
-
-"Welk een dwaasheid, kind! Je hebt het geld gekregen, om er schaatsen
-voor te koopen. Al heb je het nu eerlijk verdiend, dan blijft het
-toch hetzelfde. Ga nu, dan ben je nog vóór den donker terug."
-
-"Ja, en dan kunnen wij van avond nog op de vaart rijden, als moeder
-het ten minste wil hebben," voegde Griete er bij.
-
-"Maar moeder, gij hebt nog wol noodig, en meel, en ...."
-
-"Kom, kom! Voor dat geld kan je niet alles koopen," hernam vrouw
-Brinker. "Ach! als ons gestolen geld maar terug was!" zuchtte zij. "Dan
-konden wij alles koopen en waren op eens uit allen nood."
-
-"Gestolen geld?" zeide Hans op vragenden toon. "Meent u dat geld,
-waarvoor u jaren geleden de geheele hut hebt doorzocht!"
-
-"Juist, Hans. Maar dat zal wel nooit terechtkomen."
-
-"Misschien, als vader 't maar zeggen kon," hernam Hans.
-
-"Ja, als die spreken kon," zuchtte de arme vrouw. "Ik ben altijd
-bang, dat hij voor dat geld het mooie gouden horloge heeft gekocht,
-dat wij sedert dien dag bewaren."
-
-"Maar dat horloge was nog geen tiende part van de som waard, moeder!"
-
-"Dat is waar. Daarenboven was je vader veel te zuinig en te verstandig
-om zoo iets te doen."
-
-"Waar dat horloge toch vandaan is gekomen?" zeide Hans halfluid.
-
-"Dat zullen wij wel nimmer te weten komen, Hans! Ik heb het je vader
-reeds zoo menigmaal laten zien, maar hij kan het niet onderscheiden
-van een aardappel. Toen hij dien vreeselijken avond thuis kwam om
-te eten, kort vóór hij werd opgeroepen om aan den dijk te werken,
-heeft hij het mij gegeven, en bevolen er goed zorg voor te dragen,
-totdat hij het terug zou eischen. Juist toen hij er nog meer van
-wilde zeggen, kwam Jan Belderbos hem roepen om terstond te komen,
-want dat de dijk gevaar liep. Je vader stond dadelijk op en snelde
-naar de plaats des gevaars. 't Was voor 't laatst, dat ik hem bij zijn
-verstand zag. Midden in den nacht werd hij thuisgebracht, bijna dood:
-want hij was op zijn achterhoofd neergekomen. Hij ontwaakte wel uit
-den bewusteloozen toestand, waarin hij nederlag, maar tot eigenlijk
-bewustzijn--nooit. Wij zullen wel nimmer van hem hooren, wat er van
-dat horloge is en waar het gespaarde geld is gebleven."
-
-Wat vrouw Brinker vertelde, was voor Hans niet nieuw meer. Hoe dikwerf
-toch had hij zijn moeder, als de nood wat hoog steeg, het horloge van
-de plaats zien nemen, waar het verborgen lag, terwijl zij er reeds
-naar overhelde, om het te gelde te maken; maar ook telken male had
-hij haar de verzoeking zien overwinnen. "Neen Hans," had zij dan
-gezegd. "Liever willen wij van honger sterven, dan ontrouw worden
-aan de belofte, die wij vader gedaan hebben."
-
-Dat alles kwam hem nu voor den geest; en daarom zeide hij, ofschoon
-hij een diepen zucht loosde:
-
-"Ja moeder, u hebt er goed aan gedaan, dat u het niet verkocht
-hebt--menigeen, die in uw geval was, zou er klein geld van gemaakt
-hebben."
-
-"Die dat had gedaan, zou weinig gevoel van eer hebben gehad, Hans! Ik
-ten minste heb 't nooit van mij kunnen verkrijgen. Daarenboven--wat
-zou men van ons gedacht hebben, als men zoo iets in onze handen had
-gezien. Al hadden wij alles verteld, men zou zeker gezegd hebben,
-dat uw vader ...."
-
-Hans kreeg een kleur als bloed en balde zijn vuisten.
-
-"Dat hadden ze eens moeten wagen. Ik geloof, dat ik ...."
-
-Vrouw Brinker moest onder haar tranen glimlachen.
-
-"Je bent een brave jongen, Hans," zeide zij, terwijl zij hem op het
-hoofd klopte. "Neen, wij zullen het horloge nimmer verkoopen. Vader
-mocht op zijn doodbed eens weer tot bezinning komen, en als hij er
-dan naar vroeg ...."
-
-"Tot bezinning komen, moeder, en ons herkennen?" vroeg Hans.
-
-"Dat is wel meer gebeurd, mijn jongen."
-
-Hans had met al dat spreken bijna vergeten, dat hij naar Amsterdam
-zou gaan. 't Was zelden gebeurd, dat moeder zoo vertrouwelijk met hem
-sprak. 't Was hem, alsof hij niet alleen haar eenige zoon, maar haar
-vriend, haar raadgever was.
-
-"Ja, moeder, wij moeten het horloge nimmer verkoopen," zeide hij
-nogmaals. "Om den wil van vader zullen wij het altijd bewaren. Het
-geld kan nog wel eens terechtkomen, als wij dat het minst verwachten."
-
-"Nooit!" riep vrouw Brinker uit, terwijl zij de kous afkampte, die
-zij in dien tusschentijd had afgebreid. "Er is geen kans, dat dit geld
-ooit zal terechtkomen. Duizend gulden! En die alle weg in één enkelen
-dag! Duizend gulden! O, waar zijn ze gebleven! Als ze gestolen zijn,
-kan de dief geen gerust uur meer gehad hebben--dan heeft hij niet in
-vrede kunnen sterven met die schuld op zijn ziel."
-
-"Hij kan nog wel niet dood zijn, moeder," zeide Hans
-vertroostend. "Misschien hooren wij nog wel te eeniger tijd iets
-van hem."
-
-"Ach kind," antwoordde vrouw Brinker op treurigen toon. "Als ik alles
-goed overweeg, dan vraag ik mij zelf wel eens af, of het een dief is
-geweest. Wie toch zou het ooit in de gedachten gekomen zijn, om hier
-te stelen? 't Zag er hier altijd wel zindelijk en netjes uit, maar
-niet om de begeerlijkheid van een dief op te wekken. Vader en ik waren
-zuinig en dachten: alle kleine beetjes helpen. Als vader wat extra's
-verdiende, kwam er wat meer bij en, daar hij goed geld won, werd er
-wekelijks ten minste een gulden bijgevoegd. Alleen toen jij de koorts
-had en toen Griete kwam, kon er niets overgelegd worden. Eindelijk werd
-de buidel zóó groot, dat ik weer een oude kous stopte, die reeds binnen
-een paar maanden vol zat tot aan de hiel. 't Was niet alleen zilver,
-mijn jongen, er was goud ook bij. Want vader had toen goede dagen,
-dat verzeker ik je. Ja, Griete, je mag wel groote oogen opzetten. En
-als ik toen mijn oude kleeren droeg en vader wilde, dat ik eens een
-nieuw stuk zou koopen, dan antwoordde ik hem lachend: "'t Is immers
-niet uit armoede, dat ik er zoo sjofel uitzie,"--en intusschen werd
-de nieuwe kous al voller en voller, en mijn hoogste wensch was,
-dat je beiden braaf en knap mocht worden en vader eens op zijn ouden
-dag van den arbeid mocht uitrusten. En dan konden wij zoo aangenaam
-praten over den nieuwen stal, dien vader zou timmeren voor de koe,
-welke wij zouden koopen, en dan een nieuwen schoorsteen. Maar vader
-had veel schooner plannen dan ik. Een ferm schip met een fiksch zeil,
-dat veel wind vat, en dan .... terwijl ik den boel afwiesch, begonnen
-wij te zingen. En alle weken nam vader de kousen van de beddeplank en
-dan werd het geld nageteld en dan lachte hij en kuste mij, terwijl
-wij de kousen weer toebonden .... Maar Hans, je zit me daar aan te
-gapen en vergeet, dat je naar Amsterdam moet. De dag verloopt. 't Is
-hoog tijd, dat je op weg gaat."
-
-Hans stond op, keek zijn moeder ernstig aan en zeide:
-
-"Maar moeder, hebt gij 't vader wel eens goed gevraagd?"
-
-"Ach kind, zoo menigmaal! Maar dan begint hij zóó akelig te lachen en
-kijkt mij zóó verwezen aan, dat ik niets meer durf vragen. Toen jij
-en Griete verleden winter de koorts hadt en al ons brood bijna op
-was en ik niets kon verdienen, toen heb ik 't nog eens op allerlei
-manieren geprobeerd. Maar dan kon hij zoo akelig aan mijn mouw
-trekken en zulke onverstaanbare brabbeltaal te voorschijn brengen,
-dat het bloed in mijn aderen stolde. Eindelijk, toen Griete daar
-doodsbleek nederlag en jij ijlde in de hitte der koorts, heb ik hem
-toegeschreeuwd: Rolf, waar is ons geld? Weet je niets van ons geld,
-Rolf? Dat geld in de kousen? Maar ik had evengoed tegen een stuk
-steen kunnen schreeuwen--de arme man verstond mij niet."
-
-Hans zag, dat zijn moeder vreeselijk ontroerd was; daarom zeide hij:
-
-"Kom, moeder! laat ons trachten het geld te vergeten. Ik ben groot
-en sterk--Griete is ook heel vlug en gewillig. Hoor eens, wij zien
-u liever gelukkig en vroolijk, dan dat wij al het zilver der wereld
-hadden, niet waar, Griete?"
-
-"Dat weet moeder wel," zeide Griete snikkend.
-
-"Maar 't wordt nu tijd, dat je naar Amsterdam gaat, anders kom je
-waarlijk niet vóór den donker thuis. Hier, neem die twee paar kousen
-mee voor den manufacturier in de Warmoesstraat, dan breng je nog geld
-terug ook."
-
-Hans talmde nog een oogenblik.
-
-"Wat sta je daar nog te talmen, jongen?" ging vrouw Brinker voort.
-
-"Hoor eens, moeder," zeide hij verlegen. "Waarom zal ik mijn geld
-aan schaatsen uitgeven, terwijl... terwijl..." en hij keek met een
-schuwen blik naar een vreemde gedaante, die bij de vuurplaat nederzat,
-"terwijl dat geld een dokter uit Amsterdam zou kunnen hier brengen,
-om vader eens te bezoeken--misschien dat die er wat aan doen kon."
-
-"Voor geen tweemaal zooveel geld als je daar hebt, zou een dokter
-uit Amsterdam hier komen; en dat zou toch niet helpen. Ach! ik heb
-er al zoo menigen gulden aan gespendeerd, maar uw arme vader wilde
-niet wakker worden. Het is Gods wil. Ga dus maar naar Amsterdam,
-om een paar schaatsen te koopen, hoor!"
-
-Met een bezwaard hart reed Hans van huis; maar de frissche lucht,
-de beweging en vooral het vooruitzicht van een paar nieuwe schaatsen
-deden het jonge hart weldra alle zorg vergeten, en 't duurde dan
-ook niet lang, nadat hij 't Schouw voorbij was, of hij dacht bijna
-niet meer aan vader, horloge, geld, aan alles, hij dacht alleen om
-de schoone schaatsen, welke hij reeds aan zijn voeten voelde.
-
-Fluitend reed hij voort langs het Noordhollandsche kanaal, tot aan
-Buiksloot, waar hij zijn schaatsen moest afbinden, omdat ze te vochtig
-waren geworden. Hij trad dus den weg op en ging voorbij de herberg
-van Fuik, toen hij den kastelein tegen den knecht hoorde zeggen:
-
-"'t Rijtuig van dokter Broekman voor!"
-
-"Dokter Broekman!" zeide Hans bij zich zelf. "Dat is de knapste
-dokter uit geheel Holland. Is dat niet een beschikking van God,
-dat je dien hier moet aantreffen? Nu koop je geen schaatsen, Hans,
-maar besteed je geld om je vader te helpen."
-
-"Is dat het rijtuig van dokter Broekman van Amsterdam?" vroeg hij
-aan den knecht, die juist uit den stal terugkwam.
-
-"Voor wien anders?" vroeg de man. "Als er ijs is, komt hij altijd met
-zijn eigen rijtuig het IJ over en rijden wij hem verder Noord-Holland
-in."
-
-"Ik dank je," zeide de knaap en terstond begaf hij zich naar de
-herberg.
-
-"Mag ik dokter Broekman wel eens spreken?" vroeg hij aan den kastelein.
-
-"Die zal voor jou wel niet te spreken zijn, mannetje," antwoordde
-deze. "Diens tijd is veel te kostbaar."
-
-"Maar ik zal hem niet lang ophouden, mijnheer!"
-
-"Wat is daar, Fuik?" vroeg een heer met een tamelijk onvriendelijk
-uitzicht, die aan een tafeltje zat met een glas madera voor zich.
-
-"Die knaap wenscht u te spreken, dokter," antwoordde de
-kastelein. "Maar ik heb hem gezegd, dat u wel wat anders te doen hebt,
-dan zulk klein bedelvolk te spreken."
-
-"Ik kom niet bedelen," zeide Hans trotsch. "Dat is een leugen."
-
-"Laat den knaap hier komen, Fuik," zeide de dokter, die, hoe bar hij
-er ook uitzag, toch in 't geheel geen kwaad hart bezat.
-
-Hans ging naar den dokter toe; maar toen hij dat strenge en
-onvriendelijke gelaat zag, werd hij wel wat verlegen.
-
-"Wat wou je, mannetje?" vroeg de dokter op een allesbehalve innemenden
-toon.
-
-"Mijnheer," begon Hans met een weifelende stem, die echter onder
-het spreken hoe langer hoe vaster werd. "UE. is de beroemde dokter
-Broekman. Ik heb u een groote gunst te vragen."
-
-"Hoor eens, knaap," antwoordde de dokter. "Maak het wat kort: want
-mijn paarden kunnen niet lang in de kou staan. Zeg dus zonder omwegen:
-wat wil je?"
-
-"Mijnheer, ik kwam u om hulp vragen voor mijn vader. De man leeft,
-maar hij zit als een doode. Hij kan niet denken. Al wat hij zegt zijn
-onsamenhangende woorden. Maar hij is niet ziek; jaren geleden is hij
-bij een watervloed van den dijk gevallen."
-
-De dokter luisterde nu met meer aandacht dan in het begin.
-
-"Vertel er mij wat meer van," zeide hij, alsof zijn paarden nu de
-koude niet meer voelden.
-
-Hans vertelde hem de geheele historie, zonder echter van geld of
-horloge te spreken, terwijl hem de tranen in de oogen stonden, en
-eindigde met vollen ernst:
-
-"En nu, mijnheer de dokter! Ik was op reis naar Amsterdam, om een
-paar nieuwe schaatsen te koopen, waarmede ik aan den wedstrijd zou
-kunnen deelnemen, die den 30sten door mevrouw De Bruyn, de vrouw van
-den burgemeester van Broek, zal worden gegeven. Maar dat geld kan
-ik veel nuttiger gebruiken, als ik er vader mede kan helpen. Hier
-is 't, mijnheer," en hij telde het geld op de tafel uit. "Ik weet
-wel, dat het voor u veel te weinig is; maar ik zal meer trachten te
-verdienen. Nacht en dag zal ik werken, als u maar mee wilt komen om
-vader te bezoeken. Want u zult hem zeker genezen."
-
-De oude dokter wist niet wat hem scheelde, want hij werd zoo raar
-in zijn oogen: 't was net alsof er tranen in stonden. Hij was toch
-anders zoo gevoelig niet. Hij veegde ze met zijn vingers weg, klopte
-Hans goedhartig op den schouder en zeide:
-
-"Strijk je geld maar weer op, knaap! Ik heb 't niet noodig. Maar je
-vader zal ik komen zien. Evenwel, je moet je niet te zeer vleien--'t
-is een hopeloos geval. Tien jaren geleden, zei je, niet waar?"
-
-"Ja, mijnheer, tien jaren," zeide Hans, die den dokter wel om den
-hals had willen vallen.
-
-"'t Is bedenkelijk. Maar kortom, ik kom bij hem. Doch nu niet. Ik
-moet vandaag naar Leiden, waar ik eenige dagen blijf. Na dien tijd
-kom ik stellig. Waar woon je?"
-
-"Ongeveer een kwartier van Broek, aan de vaart, in een armoedig
-hutje. Als u maar vraagt naar de hut van Rolf Brinker, kan het kleinste
-kind u terechtwijzen."
-
-De dokter schreef het in zijn zakboekje.
-
-"En weet je wat je doet?" zei de dokter. "Nu rij je terstond naar
-Amsterdam om een paar nieuwe schaatsen te koopen in plaats van die
-vodden, die je daar in de hand hebt en die veel op een paar roeispanen
-gelijken. En dan zorg je maar, dat je ferm kunt rijden en me den
-prijs laten zien, als ik te Broek kom."
-
-Hans vertrok vroolijk en boog zich heel diep, toen de dokter hem een
-oogenblik later voorbijreed en hem vriendelijk groette, terwijl hij
-mompelde: "Wat gelijkt die knaap op mijn armen Frits, toen die zoo
-oud was. Net zijn oogen! Maar voor den drommel! zal ik dien onverlaat
-dan nooit vergeten!"
-
-En het oog van den dokter, dat straks zoo vriendelijk gestaan had,
-stond nu weder strenger. Hans echter kuierde onbezorgd den dijk
-langs en het IJ over: want hij had zijn houten schaatsen even buiten
-Buiksloot in den Ham gesmeten. Hoe snel hij op zijn nieuwe schaatsen
-terugreed en welke blijde gezichten de tijding van hetgeen dokter
-Broekman hem gezegd had, thuis veroorzaakte, behoef ik u wel niet
-te zeggen.
-
-In de hut van Rolf Brinker was 't een heerlijke Kerstavond.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VIERDE HOOFDSTUK.
-
-HOE ECHT HOLLANDSCHE JONGENS ZICH GOED HOUDEN ONDER TEGENSPOED.
-
-
-Den eersten Kerstdag was 't schoon vriezend weer en 's avonds scheen
-de maan zóó helder op de trekvaart, die langs Broek loopt, dat men
-een stuivertje op den grond had kunnen zien liggen. Moeder Brinker
-was dien dag heel gelukkig geweest en had zich in haar beste gewaad
-getooid: haar bruidspakje, dat zij vroeger altijd bij feestelijke
-aangelegenheden droeg, doch dat sedert het ongeluk van haar man
-ongebruikt in de kast had gelegen. Hoezeer zij weinig van het bezoek
-van dokter Broekman verwachtte, maakte haar toch het denkbeeld, dat
-de beroemde en kundige man haar Rolf bezoeken zou, reeds gelukkig,
-omdat zij zich niet kon weerhouden, eenige hoop te voeden, al was
-die ook nog zoo gering; zoo houdt zich de ongelukkige, die op 't punt
-is van te verdrinken, nog aan een stroohalm vast. Daarom ook had zij
-haar kinderen verlof gegeven, nog een uurtje in den maneschijn op de
-vaart te gaan rijden, eer zij naar bed gingen.
-
-Hans was recht in zijn schik met zijn nieuwe schaatsen en in zijn
-ijver, om Griete te laten zien hoe goed hij er op voort kon, maakte
-hij toeren op het ijs, die het kleine meisje in de handen deed klappen
-van bewondering. Zij waren echter niet alleen op de baan.
-
-De twee Van den Helms en Karel Schimmel waren er onder anderen ook en
-reden om 't hardst. Van vier wedrennen had Peter er drie gewonnen. Dat
-had Karel, die toch al niet heel aangenaam van humeur was, geheel
-en al in een kwade luim gebracht. Hij had die luim bot gevierd,
-door Frans van Bree te plagen; maar toen hij daar niet veel eer bij
-inlegde, daar de kleine Frans zich weinig aan zijn plagerijen stoorde,
-kwam er een nieuwe gedachte bij hem op.
-
-"Hoort eens, jongens," riep hij uit. "Wij moeten er voor zorgen,
-dat die voddenrapers uit de hut niet met den wedstrijd meedoen. 't
-Is of Hilda mal is, dat zij daaraan denkt. Kato Lammers en Truida
-Korbes zijn woedend alleen bij het denkbeeld, om met zulk een meid
-te rijden; en wat mij aangaat, ik kan 't haar niet kwalijk nemen. Wat
-den jongen aangaat, als wij een vonkje eergevoel in onze borst hebben,
-zullen wij terugdeinzen bij het denkbeeld van ...."
-
-"Voorzeker," viel Pieter van den Helm hem in de rede, terwijl hij
-Karels meening verkeerd begreep, "wie twijfelt daaraan? Geen jongen,
-die een vonkje eergevoel in zijn borst heeft, zal weigeren, twee
-goede schaatsenrijders bij den wedstrijd toe te laten, alleen omdat
-zij arm zijn."
-
-"Hoor eens, Piet!" riep Karel toornig uit. "Ik bedank je vriendelijk,
-dat je eens anders woorden in mijn mond gelieft te leggen. Dat waag
-je niet weer, hoor!"
-
-"Ha, ha!" riep de kleine Frans van Bree, die al in zijn handen wreef
-van de pret om een gevecht te aanschouwen en verzekerd was, dat, als
-'t op ranselen aankwam, Karel een duchtig pak slaag zou beloopen.
-
-'t Scheen dat Karel niet veel lust had den strijd met Peter te wagen
-en daarom keerde hij zijn toorn op een zwakkeren: op Frans van Bree.
-
-"Zeg eens, waarover heb jij zoo'n plezier, kleine rekel? Je bent niks
-dan een kleine aap zonder staart!"
-
-Een half dozijn der omstanders op schaatsen moest om dien uitval
-van Karel Schimmel lachen, en deze, die nu meende, dat hij al zijn
-tegenstanders ridderlijk had overwonnen, was weder in een goed humeur
-gebracht. Hij besloot echter wijselijk, om zijn complot tegen Hans
-en Griete uit te stellen, tot Peter er niet bij was.
-
-Op dit oogenblik zagen zij hun vriend Jacob Poot komen aanrijden. Daar
-hij de dikste knaap uit de buurt was, konden zij hem reeds op eenigen
-afstand aan zijn gestalte onderscheiden, al herkende zij zijn trekken
-nog niet.
-
-"Ha, daar komt de dikzak!" riep Karel uit, "en hij heeft er een bij
-hem ook, een kleinen, slanken knaap, een vreemden."
-
-"Dat is Jacobs Engelsche neef," zeide Frans van Bree, recht in zijn
-schik, dat hij iets kon vertellen, wat de anderen niet wisten. "Die
-heeft zulk een grappigen naam: Ben Dobbs. Hij is wel eens meer in
-Holland geweest en zal bij Jacob blijven tot na den grooten wedstrijd."
-
-Op dit oogenblik waren Jacob Poot en diens neef Ben Dobbs bij hen.
-
-"Goeden avond, jongens," zei de dikke Jacob op vroolijken toon. "Dit
-is mijn neef, Ben Dobbs. Hij is een John Bull [1]."
-
-Allen drongen zich, volgens jongensgewoonte, om de nieuw komenden
-heen. Ben, die het Hollandsch vrij wel verstond, maar in het spreken
-de Engelsche constructie behield en er tusschenbeide een vreemd woord
-tusschen gooide, zeide "dat hij would maken heel gaarne kennis mit
-de Holland boys."
-
-"Jongens," vervolgde Jacob, na de eerste begroeting. "Wij, mijn neef
-en ik, hebben een aardig plannetje gevormd. We hebben nu vacantie
-tot na Nieuwjaar, zooals je weet. Nu heeft Ben nog nooit Den Haag
-gezien en zou dol graag daar eens wezen. Wat zou je er van denken,
-om met ons beiden den tocht mee te maken?"
-
-"Naar Den Haag! Wat een eind!" zei Karel.
-
-"Welnu we behoeven 't niet in één dag te doen. We moeten geld bij
-elkander leggen en dan een nacht in Leiden of Haarlem logeeren."
-
-"Uitmuntend!" riep Lodewijk van den Helm uit. "Dat zal een pret zijn."
-
-"Hoe meer zieltjes hoe meer vreugd," zeide Jacob. "Dus jongens! Wie
-van jelui gaat er mee, natuurlijk als je ouders 't willen toestaan?"
-
-"Ik, ik, ik!" riepen allen te gelijk.
-
-"Ik ook!" riep Frans van Bree.
-
-"Maar kereltje," zeide Jacob, terwijl zijn dikke buik van lachen
-schudde. "Jij mee! Je hebt je valhoed nog niet eens voorgoed afgezet."
-
-"Pas op je woorden, Jacob," zeide Frans, die geducht op zijn teenen
-getrapt was. "Voor jou is 't gelukkig, dat je 'm kunt aflaten: want
-je heele lichaam lijkt wel een valhoed."
-
-Allen lachten om dit snedige antwoord en boven allen klonk de
-goedhartige lach van Jacob uit.
-
-"Nu moet hij mee!" riep hij. "Iemand, die zoo snedig kan antwoorden,
-is een prettig gezelschap."
-
-"Hoort eens," zei Peter van den Helm. "We moeten te Haarlem en te
-Leiden stilhouden, om je neef daar het merkwaardigste te laten zien,
-en wat Den Haag aangaat, daar kunnen wij bij mijn getrouwde zuster
-logeeren. Die zal heel blij zijn, als zij ons ziet."
-
-"Maar Piet," zeide Jacob. "Met ons zoo velen!"
-
-"O, ze is zulk een hartelijke meid en haar man zulk een gulle kerel. Ze
-hebben een groot huis. En wat kwaad--kunnen ze ons niet logeeren,
-dan gaan we in een logement. Maar ik zal haar vanavond nog schrijven."
-
-"Nu, dan is 't mij goed. Maar wij moeten wat geld bij elkander leggen,"
-hernam Jacob.
-
-"Natuurlijk," antwoordde Peter. "Mij dunkt, vijf gulden ieder."
-
-"Dat is goed," zeiden de anderen.
-
-"En wie zal de beurs bewaren?" vroeg Peter.
-
-"Niemand anders dan jij. Jij zult onze kapitein zijn! Niet waar
-jongens?" zeide Karel Schimmel, die weer wilde goedmaken wat hij
-straks bedorven had, omdat hij het uitzicht had, in Den Haag bij
-Peter's zuster te logeeren.
-
-"Hoezee! voor Peter! Peter zal onze kapitein zijn!" riepen allen.
-
-"Welnu, ik neem 't aan, mits mijn volk mij gehoorzaamt. En hoe laat
-zal morgen de tocht beginnen?"
-
-"Om acht uur," riepen allen.
-
-"Goed, en de verzamelplaats vóór de hut van Rolf Brinker. Ieder brenge
-gepast geld mee en dan--met moed op het ijs."
-
-"Nu mama zal maar niet in haar schik zijn, als zij hoort, dat
-wij zuster Van Gent gaan opzoeken," zeide Lodewijk tegen zijn
-broeder. "Maar we moesten naar huis gaan; anders bevriest mijn neus
-nog aan mijn aangezicht."
-
-"Koukleum!" riep Karel Schimmel uit.
-
-"Dat dankje den drommel, als je hier zoo stilstaat," zeide
-Lodewijk. "Ik heb het tenminste koud gekregen."
-
-"'t Is dan ook buitengemeen koud," merkte Jacob Poot op. "En 't zal
-nog wel eenigen tijd aanhouden: want wij hebben wassende maan."
-
-"Des te beter voor onze reis," zeide Frans van Bree.
-
-"Nu, jongens! Tot morgen om acht uren. Goeden nacht."
-
-Met deze woorden stoven zij uit elkander--ieder naar zijn huis met
-de blijde gedachte aan de aanstaande pret, die hen nog in den droom
-bezighield.
-
-En waar waren Hans en Griete?
-
-Die hadden ongeveer een uur gereden, terwijl zij zich op een afstand
-van de anderen hielden en zich met elkanders bijzijn vergenoegden. "O,
-hoe heerlijk is toch het denkbeeld, dat wij nu beiden schaatsen
-hebben!" riep Griete uit.--Daar hoorden zij iets.
-
-'t Was een gil, een akelige gil. Niemand op de vaart had dien gil
-opgemerkt; maar Hans voelde er de beteekenis van. Hij werd zoo bleek
-als een lijk, deed zoo spoedig hij kon zijn schaatsen af en snelde
-naar huis.
-
-"'t Is vader," zeide hij tegen Griete. "Hij heeft moeder doen
-schrikken."
-
-En Griete bond ook haar schaatsen los en volgde Hans naar binnen.
-
-
-
-"Allen present?" riep Peter van den Helm, toen men zich den volgenden
-morgen om acht uren, geheel uitgerust tot den grooten tocht, dien
-men wilde ondernemen, op de vaart verzamelde. "Ik zal de namen
-oproepen. Ieder antwoorde op zijn beurt en stelle mij het geld ter
-hand. Hier zijn vijf gulden voor mij en vijf voor Lodewijk."
-
-Dit zeggende, legde hij een muntje van tien gulden op zijn vlakke
-hand en stak dat daarop in zijn portemonnaie.
-
-"Karel Schimmel!"
-
-"Present!" antwoordde deze, terwijl hij den kapitein twee blanke
-rijksdaalders ter hand stelde.
-
-"Jacob Poot!"
-
-"Present! Tien gulden voor mij en mijn neef."
-
-"Benjamin Dobbs!"
-
-"Present!"
-
-"Frits Verdam!"
-
-"Present!"
-
-"Gelukkig, dat jij er bent," hernam Peter. "Jij bent zoo'n halve
-Engelschman en jij kunt dus onzen vriend Ben wat voorthelpen."
-
-"But ik doe kennen wel een beetje Hollandsch!" riep Benjamin.
-
-"Ferrie koed," hernam Peter. "Lodewijk van den Helm"
-
-"Present!"
-
-"Jij hebt al betaald."
-
-"Frans van Bree!"
-
-Geen antwoord.
-
-"Dat 's jammer. De kleine schelm mag zeker niet mee. Zijn moeder is
-vast bang, dat hij kou zal vatten. Nu jongens! Allen klaar! Daar slaat
-de klok van Broek acht! Ferm er op los, dan zijn we in een half uur
-te Amsterdam! Eén, twee, drie, vooruit!"
-
-En voort ging ons zestal, met oogen schitterend van genoegen.
-
-Binnen het half uur waren zij aan de Nieuwe Stads-Herberg te Amsterdam,
-waar zij hun schaatsen afbonden en zoolang ter bewaring gaven aan den
-kastelein. Ofschoon de meeste jongens reeds meer van Amsterdam gezien
-hadden, had men toch besloten, ter wille van Benjamin de stad eens door
-te wandelen en het paleis op den Dam en het museum van schilderijen in
-het Trippenhuis te bezichtigen. Daar het voor laatstgenoemd gebouw nog
-wat te vroeg was, stapte men de Martelaarsgracht op, den Nieuwendijk
-over en bewonderde intusschen de mooie winkels, vooral dien van Sinkel,
-Wille en Bahlman.
-
-"O, die moest je 's avonds eens zien bij het electrische licht!" zeide
-Peter, die wel eens op dien tijd in Amsterdam was geweest.
-
-"Dat ik kan gelooven," zeide Ben. "But bij ons in Londen daar zijn
-still grooter shops!"
-
-"Zoo, ben je wel eens in Londen geweest?" vroeg Lodewijk.
-
-"Certainly. Dat is een groot stad, much grooter dan Amsterdam."
-
-"Daar heb je nu 't paleis," zeide Jacob Poot tot zijn neef. "Vind je
-dat geen mooi gebouw?"
-
-"Voor een paleis, neen," antwoordde Ben. "Bij ons in Londen je heb
-meer schoone paleizen."
-
-"Dat wil ik wel gelooven," antwoordde Jacob. "Dit huis werd gebouwd
-voor een stadhuis."
-
-"Voor een stadhuis? Wat doe je meen?"
-
-"A townhuis," verbeterde Peter, die het Engelsch, zooals wij reeds
-gezien hebben, zeer slecht uitsprak. "'t Is gebouwd op 13659 palen,
-die alle in den grond geheid zijn."
-
-"Ik doe 't niet begrijpen," antwoordde Ben.
-
-Frits Verdam vertolkte 't hem.
-
-"En als je het paleis zien wilt, dan is daar wel de gelegenheid toe,"
-voegde hij er bij. "Ik ken den zoon van den concierge en die heeft mij
-al zoo lang uitgenoodigd, om het eens te komen zien. Je moet echter
-niet denken, dat je er een machtig mooi ameublement zult vinden. Het
-stadhuis werd in den tijd van Koning Lodewijk van Holland voor 't
-eerst tot paleis ingericht, en sedert dien tijd geloof ik, dat er
-niet veel aan veranderd is, zoodat alles er zeer ouderwetsch uitziet."
-
-"En dat voor een koninklijk paleis!" riep Ben uit.
-
-"Maar de koninklijke familie logeert slechts eenige dagen in het jaar
-in de hoofdstad," hernam Frits.
-
-"Is dan bij u het hoofdstad geen residence?" vroeg Ben met verbazing.
-
-"Neen, Ben! En hierop maakt ons land een uitzondering op andere
-landen. Londen, Parijs, Brussel, Berlijn, Weenen, Petersburg, Madrid,
-ja, zelfs Konstantinopel--alle hoofdsteden in Europa zijn te gelijk
-hoofd- en residentiesteden: hier alleen geniet de hoofdstad slechts
-een vijftigste gedeelte van het jaar de eer, de vorstelijke residentie
-te zijn."
-
-"O, ja, nu ik herinner, The Hague is het residence."
-
-Intusschen was men het gebouw omgegaan en stonden onze vrienden achter
-het paleis, vlak tegenover het postkantoor.
-
-"Our postoffice," zeide Frits Verdam.
-
-"Niet zoo groot als dat van Londen," verzekerde Ben. "Dat moest je
-eens zien."
-
-'t Kostte Frits Verdam niet veel moeite, voor hem en zijn makkers
-den toegang tot het paleis te krijgen. Recht veel schik hadden onze
-knapen in de groote danszaal met haar mahoniehouten vloer, onder
-welken een keurige marmeren ligt, waarin kunstig een aard- en een halve
-hemelglobe zijn ingelegd. De zaal zelf is 34 ellen lang, 15.6 el breed
-en 28 ellen hoog, zonder dat het dak door een enkelen pilaar wordt
-gesteund. Aardig lieten zij zich verschalken door de twee fresco's
-boven de deuren der voorzaal, welken men den naam van "grauwtjes"
-geeft. Jacob Poot wilde maar niet gelooven, dat zij geschilderd waren,
-totdat hij er vlak onder stond en zag, dat het geen beeldhouwwerk was.
-
-Ook het ruime uitzicht op den toren boeide hen allen zeer, en daar het
-helder weer was, konden zij met hun jonge oogen den Dom van Utrecht
-zien schemeren en ....
-
-"Bless me!" riep Ben uit, toen eensklaps de klok haar negen slagen
-begon te brommen.
-
-"Ben je verschrikt?" vroeg Jacob, die nog hijgde van het trappen
-klimmen.
-
-"Ik was niet verdacht op het," hernam Ben.
-
-"Dat komt, omdat het speelwerk gerepareerd wordt," zeide Karel
-Schimmel. "Anders waarschuwt je dat."
-
-Van het paleis wandelden zij de Kalverstraat door tot op de Botermarkt,
-waar zij het standbeeld van Rembrandt van Rhijn beschouwden.
-
-"Dat was een groot schilder," zeide Peter tegen Ben. "Je zult straks
-een schilderij van hem op het Trippenhuis zien, dat de Nachtwacht
-heet."
-
-Door de Halvemaansteeg gingen zij den Kloveniersburgwal over tot
-aan het Trippenhuis, waar zij de heerlijke schilderijen bezagen,
-daar ten toon gesteld.
-
-"Er zijn hier, behalve dit museum, nog twee schoone verzamelingen
-van schilderijen," zeide Frits Verdam tot Ben, "een museum Van der
-Hoop en een museum Fodor, beide door genoemde heeren aan de stad
-per legaat vermaakt. Dit is echter het voornaamste en oudste, en,
-daar wij geen tijd hebben ze alle drie te bezien, zullen we ons met
-het bekijken van dit vergenoegen."
-
-"Kijk eens hier, Ben," zeide Peter. "Dit kleine stukje, de Avondschool
-van Gerard Dou, is in het jaar 1808 te Rotterdam voor f17.500
-verkocht."
-
-"Ontzaglijk!" riepen verscheidene jongens te gelijk uit.
-
-Toen onze knapen genoeg naar hun zin van het museum hadden gezien,
-begaven zij zich terug naar de Nieuwe Stads-Herberg, waar zij zich de
-schaatsen weder onderbonden en het IJ opreden tot aan halfweg Haarlem,
-alwaar zij den dijk overklommen om langs de trekvaart hun weg naar
-de Spaarnestad te vervolgen.
-
-Juist toen zij eenige oogenblikken op die vaart waren, kwam de
-spoortrein van Amsterdam aanrijden.
-
-"Wie van ons kan de locomotief bijhouden?" riep Peter.
-
-Allen beproefden het; doch spoedig zagen zij de vruchteloosheid hunner
-pogingen in. Zij reden dus wat meer op hun gemak.
-
-"Vertel Ben wat van de tulpen, Frits," zeide Peter.
-
-"Van de tulips?" vraagde Ben. "O, ja, Haarlem is het groot kweekplaats
-van tulips. Men zendt every year duizend to England."
-
-"Juist," antwoordde Frits. "En daar is een tijd geweest, 't was in
-1632, dat hier te lande een dwaze handel in tulpen werd gedreven. Men
-had menschen, die er zóóveel goud voor betaalden als zij op de
-schaal wogen."
-
-"De menschen?" vroeg Ben.
-
-"Wel neen, de tulpen. De eerste kwam hier uit Konstantinopel, omtrent
-het jaar 1560. Men vond die zoo mooi, dat de rijken kooplieden naar
-Turkije zonden om er meer te halen. Langzamerhand werd de liefhebberij
-in tulpen een ware woede. Enkele bollen werden voor drie à vier
-duizend gulden verkocht; één bol zelfs, de Semper Augustus, bracht
-vijf duizend vijfhonderd gulden op."
-
-"Nu, dat is geld genoeg," vond Jacob Poot. "Ik heb mij wel eens
-laten vertellen, dat de kerk te Sassenheim van de opbrengst van twee
-tulpebollen gebouwd is."
-
-"Ik herinner," zeide Ben in zijn gebroken Hollandsch, "dat ik een
-duizend six honderd en dertig six een Maniabol is verkocht geweest
-voor seventy pound, d.i. achthonderd veertig guldens."
-
-"'t Moet een rare tijd zijn geweest," merkte Lodewijk van den
-Helm aan. "Iedereen speculeerde in tulpen: de rijke koopman en de
-voddenraper, de echtgenoote van den Burgemeester en haar waschvrouw,
-de molenaar en de schoorsteenveger. Land, vee, juweelen, niets was te
-goed om tulpen voor te koopen. Eindelijk bemoeiden de Staten-Generaal
-er zich mede. Nu begonnen de prijzen te dalen. Duizenden werden in
-weinige dagen doodarm."
-
-"Maar, jelui Hollanders doet nog beminnen de tulips very much,"
-zeide Ben, "zooals ik heb gehoord."
-
-"Zeker. Geen tuin, of wij moeten er tulpen in hebben," zeide Karel
-Schimmel. "Maar heb je de historie wel eens gehoord van dien matroos?"
-
-"Vertel ons die," riepen allen.
-
-"Wel, een matroos, die niet wist van den tulpenhandel, was met zijn
-schip te Amsterdam aangekomen en had een boodschap aan een der heeren
-van de Oostindische Compagnie te doen. Toen hij daar kwam, was er
-niemand op het kantoor; maar mijnheer zou dadelijk bij hem komen,
-zeide de dienstmaagd. Nu lag daar een tulpebol van groote waarde op
-den lessenaar. De matroos, meenende dat het een ui was, nam dien op,
-rook er aan en zeide: die is zeker voos. Daarop nam hij zijn mes,
-sneed den bol door, proefde er van en spoog hem uit, zeggende:
-"Gemeene uien!" Denk eens, hoe raar de eigenaar van den bol opkeek,
-toen hij dien vernield vond."
-
-"Dat ik wil geloof willingly," zeide Ben. "But onze Mr. Mackay
-verhaalt still een ander historie, dat ik wil u mededeelen, als gij
-kunt mij understand. Een Englisch botanist kwam in een trekkas van een
-rich Hollander, waar hij zag een tulp van groot value. Niet weting
-zijn prijs, hij nam uit zijn pennemes en snijding het bol in twee,
-hij wilde dat examineer. Eensklaps de eigenaar entered en vroeg hem,
-of hij wist, wat hij deed? Ik schil een meest buitengewoon ajuin,
-hij antwoordde. Maar bij hemel, 't is een admiraal Van der Eyk. Dank
-je, hernam de botanist, en schreef het naam in zijn zakboekje; zeg,
-zijn ze zeer gewoon in jouw country? Maar voor den duivel! riep uit
-de Hollander, komt voor schout en schepens en dan zult je zien. Tot
-zijn verdriet werd de arme man geplaatst in gevangenis en niet gelaten
-los, vóór hij had gesteld borgen, tot schadevergoeding van de vier
-duizend guldens."
-
-Zoo pratende, waren zij in het gezicht van Haarlem gekomen, en de
-jongens voelden nog niet, dat zij schaatsen hadden gereden. Van den
-jongsten, Lodewijk van den Helm, die eerst veertien jaar oud was,
-tot den oudsten, die geen ander persoon was dan de kapitein zelf en
-naar de zeventien liep, waren ze allen zoo moedig en ferm als jonge
-arenden. Alleen de dikke Jacob Poot hijgde wat naar zijn adem en zag
-met welgevallen naar den toren van het oude Haarlem, bij het denkbeeld,
-dat hij nu eens een paar uurtjes rusten kon. Iedere jongen had, bij
-het van-huis-gaan, een paar broodjes meegenomen en die broodjes waren
-reddeloos achter de kiezen der schaatsenrijders verdwenen. Maar zulk
-een inspanning bij zulk koud weder had de jonge magen hongerig gemaakt,
-en met een luid hoezee begroetten zij de grijze wallen van Haarlem,
-waar zij zich aan een stevig ontbijt te goed hoopten te doen.
-
-"Sakkerloot! Ik heb een honger als een paard!" riep Frits Verdam uit.
-
-"Ik val haast flauw, zoo jeukt mijn maag," voegde Jacob Poot er bij.
-
-"Nu jongens," zeide de kapitein. "Dan is 't goed, dat we straks voet
-aan vasten wal zetten. Wij rijden nu het Buitenspaarne over, dan het
-Binnenspaarne langs, daar binden we onze schaatsen af en willen een
-frisch ontbijt bestellen, zoo'n Engelschen luncheon, hé, Ben!"
-
-En dit zeggende, tastte hij in den zak, om met het geld der
-Compagnieschap te rammelen, toen hij eensklaps zoo bleek werd als een
-doek. Met beide handen klopte hij op zijn broekzakken, op zijn borst;
-maar 't scheen, dat hem die manoeuvre niet baatte.
-
-"Wat scheelt je, Piet?" vroeg Lodewijk.
-
-"Hij is ziek," meende Ben.
-
-"Neen, hij heeft wat verloren," verzekerde Lodewijk.
-
-"Ik ben mijn portemonnaie met al ons geld kwijt!" riep Peter wanhopig
-uit.
-
-"Dat komt er van, als één al het geld heeft," zeide Karel, mooi
-knorrig. "Voel nog eens in je anderen zak."
-
-Peter voelde en voelde alweer; maar hoe hij zocht of niet zocht,
-hij kon de verloren portemonnaie niet vinden.
-
-"'t Is weg, jongens!" riep hij met bitter verdriet uit. "Had ik het
-maar alles in zilvergeld meegenomen, dan zou ik 't wel gemerkt hebben,
-toen ik het verloor. Nu kan je geen ontbijt, geen diner hebben! Wat
-nu te doen? 't Best zal wezen, dat ik naar Amsterdam terugrijd; daar
-ken ik wel menschen, die mij zooveel kunnen leenen als ik noodig
-heb. Maar in dien tijd vallen we allen flauw van den honger."
-
-"'t Is wat te zeggen," riep Karel Schimmel uit. "Hoe kun je ook zoo
-dom zijn, Piet!"
-
-"Ja, of je daar nu al over maalt, dat helpt niemendal," hernam
-Peter van den Helm. "Je zult er geen van allen een cent bij te kort
-komen. Maar 't malst is, dat je dit op 't oogenblik niet helpt. Is er
-niemand onder jelui, die hier in Haarlem iemand kent, die ons dertig
-gulden zou willen leenen?"
-
-Ieder van de jongens zag vijf verlegen gezichten.
-
-"Ik ken in Haarlem wel een paar menschen, die rijk zijn," zeide Karel
-Schimmel: "maar vader zou ongenadig boos zijn, als ik een cent van
-hen durfde leenen."
-
-"'t Is jammer, dat Frans van Bree niet hier is," zeide Jacob Poot
-zuchtend. "Die zou wel raad weten."
-
-"Hij was misschien een beter kapitein geweest dan ik," zuchtte
-Peter. "Maar hoe nu?"
-
-"Als je je gouden horloge eens verkocht, Piet," zeide Karel
-Schimmel. "Daar zal je geld genoeg voor krijgen."
-
-"Ik dank je," antwoordde Peter. "Dat kan ik niet doen. Mijn horloge
-verkoopen, dat ik van mijn vader op mijn verjaardag heb gekregen? Dat
-nooit! Dan verkoop ik liever mijn jas."
-
-"Kom, kom, spreek niet van verkoopen," zeide Jacob Poot. "We hebben
-nog wel zooveel klein geld op zak, om bij een bakker een paar broodjes
-te koopen; daarmee stillen we onzen honger, dan rijden we naar Broek
-terug en stellen den verderen tocht tot morgen uit."
-
-"Jij hebt goed praten," bromde Karel. "Je zult wel weer tien gulden
-krijgen, maar mijn vader is zoo scheutig niet. 't Zal bij mij wel
-thuis blijven zijn."
-
-"Ik heb je immers al gezegd, dat je er geen cent aan zult te kort
-komen," hernam Peter. "Ik heb thuis nog wel tweemaal dertig gulden
-in mijn spaarpot."
-
-"En dan, na al het pleizier, dat wij ons voorgesteld hebben, met
-hangende pootjes terug te komen," zeide Karel knorrig. "'t Is een
-mooie pret."
-
-"Komt, jongens!" riep Peter, "'t Geval ligt er nu toe en gedane zaken
-hebben geen keer. Ik heb een goed plan."
-
-"En dat is?" riepen allen te gelijk.
-
-"Om ons mannelijk te houden en met een vroolijk gezicht huiswaarts
-te keeren."
-
-"Leve de kapitein!" riepen de jongens, behalve Karel, die in zich
-zelf bromde van: "stommiteit, belabberd," enz.
-
-"Kom dan, met nieuwen moed! Eén, twee, drie, voorwaarts!"
-
-En, met even vroolijke gezichten als de knapen Haarlem begroet hadden,
-verlieten zij de stad van Laurens Koster.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VIJFDE HOOFDSTUK.
-
-ONGELUKKEN IN DE HUT VAN ROLF BRINKER.
-
-
-"Voor den drommel!" riep Karel toornig uit, toen zij een twintig
-ellen waren voortgereden. "Daar heb je dien voddenraper ook al met
-zijn houten schaatsen en zijn gelapte broek. Die ellendige knaap is
-overal, 'k wou de drommel hem haalde! Er ontbreekt nu nog maar aan,"
-zeide hij tegen Jacob Poot, die bij hem reed, "dat onze kapitein ons
-laat stilhouden, om hem de hand te geven."
-
-"Dat zou wel kunnen gebeuren, Karel," riep Peter, die de laatste
-opmerking gehoord had. "Maar je behoeft er niet bang voor te zijn,
-man; want ik zie den armen knaap nergens."
-
-"De blindheid komt het eerst aan de oogen," merkte Jacob op. "Kijk dan,
-daar ginds komt hij aan!"
-
-"Inderdaad, je hebt gelijk," hernam Peter. "Hij is 't. Maar wat scheelt
-hem. Hij ziet doodsbleek. Zijn lippen zijn op elkander geklemd."
-
-Op 't oogenblik, dat Hans hem wilde voorbijrijden, want hij had hem
-niet gezien, riep Peter:
-
-"Dag, Hans Brinker! Wou je mij zoo voorbijgaan?"
-
-"Jongeheer Van den Helm!" riep Hans uit, terwijl een blos van vreugde
-zijn gelaat verhelderde. "Hoe gelukkig, dat ik u ontmoet!"
-
-"Wat een onbeschaamde vlegel!" mompelde Karel tegen Jacob.
-
-"En ik ben blij, dat ik jou zie, Hans," antwoordde de kapitein. "Maar
-wat scheelt je? Kan ik je van dienst zijn?"
-
-"Ach, jongeheer! Er is zooveel gebeurd," zeide Hans. "Maar kunt u
-mij niet helpen, ik kan u wel van dienst zijn?"
-
-"Jij?" riep Peter uit.
-
-"Ja, jongeheer! Door u dit te geven."
-
-Dit zeggende, haalde Hans de verloren portemonnaie uit den zak en
-reikte ze Peter over.
-
-"Hoezee! hoezee!" riepen de jongens, toen zij den verloren schat
-terugzagen. Maar Peter drukte Hans de hand en zeide met bewogen stem:
-"Hartelijk dank, goede Hans Brinker!"
-
-En dat "goede Hans Brinker" en die handdruk deden den armen knaap goed.
-
-"Hoe wist je, dat het mijn portemonnaie was?" vroeg Peter verder.
-
-"Gij hebt mij uit die zelfde portemonnaie het geld betaald voor den
-withouten ketting, dien ik voor uw zuster gemaakt had, op voorwaarde,
-dat ik er schaatsen voor zou koopen. Ik herkende ze dadelijk."
-
-"En waar heb je ze gevonden?"
-
-"Niet ver van ons huis."
-
-"Ja, nu herinner ik 't mij. Ik heb ze zeker verloren, toen ik mijn
-zakdoek uit den zak haalde. Je redt ons uit groote verlegenheid, Hans,"
-vervolgde hij, terwijl hij de portemonnaie opendeed. "We zullen het
-geld deelen."
-
-"In 't geheel niet, jongeheer!" antwoordde Hans, terwijl hij de hand
-terugtrok. Peter deed de portemonnaie weder toe, terwijl hij mompelde:
-
-"Die jongen bevalt mij al is hij nog zoo arm. "Maar," vervolgde hij,
-"wat scheelt je, Hans?"
-
-"Ach, jongeheer," antwoordde Hans. "'t Is een treurig geval. Maar
-ik heb mij hier reeds te lang opgehouden. Ik ben op weg naar Leiden,
-om dokter Broekman op te zoeken.
-
-"Dokter Broekman!" riep Peter verbaasd uit.
-
-"Ja, jongeheer, en ik heb geen oogenblik te verliezen. Goeden dag!"
-
-"Wacht een oogenblik! Ik ga naar Leiden. Komt, jongens! we zullen
-naar Haarlem terugkeeren."
-
-"Uitmuntend!" riepen de jongens vroolijk uit, en zij keerden zich om
-en reden weder naar de Spaarnestad.
-
-"Welnu," zeide Peter, terwijl hij naast Hans ging rijden, beiden
-zóó netjes en zóó licht, dat men haast niet kon zien, dat zij zich
-voortbewogen. "Wij zullen van nacht te Leiden logeeren, en als je
-slechts een boodschap aan dokter Broekman hebt, kan ik die wel voor
-je doen. En mochten de jongens te moede zijn, om het nog vandaag tot
-Leiden te brengen, dan beloof ik je, dat ik hem toch morgenochtend
-vroeg zal opzoeken."
-
-"O, jongeheer! Daar zoudt u mij een grooten dienst mee bewijzen. 't
-Is niet om het eind, maar alleen omdat ik bang ben, moeder zoo lang
-alleen te laten."
-
-"Is zij dan ziek?"
-
-"Neen, jongeheer! Maar 't is erger met vader. U zult wel gehoord
-hebben, hoe vader sinds jaar en dag niet goed is. Dat is al sedert
-dien zwaren storm, toen hij van den dijk is gestort en door een val
-op zijn achterhoofd zijn verstand is kwijtgeraakt. Maar zijn lichaam
-is nog sterk. Nu lag moeder gisteravond voor den haard geknield,
-om het vuur wat op te rakelen: want hij ziet het zoo graag ferm
-branden. Eensklaps springt vader op haar af, en, eer zij in staat
-is zich te bewegen, houdt hij haar met een reusachtige hand vast,
-terwijl hij niets deed dan lachen en het hoofd schudden. Wij waren
-juist aan het schaatsenrijden op de vaart, toen ik moeder hoorde
-gillen. Ik liep zoo snel ik kon huiswaarts en zag daar een vreeselijk
-tooneel. Vader hield moeder vast en wilde haar niet loslaten. Haar
-goed rookte al en was op 't punt in vlam te raken, en als dat gebeurd
-ware, was mijn arme moeder verloren. Ik trachtte het vuur te blusschen,
-maar hij duwde mij met zijn eene hand terug, terwijl hij moeder met de
-andere vasthield. Er was op 't oogenblik geen water in de hut. Ik was
-wanhopig, terwijl vader al dien tijd lachte--o, zulk een ijselijken
-lach, niet luid, maar akelig. Ik poogde moeder weg te trekken; maar
-hij hield haar te sterk vast. Toen nam ik een stoel op en sloeg er
-vader mee; maar hij stiet mij van zich af. Wat er verder gebeurd is,
-kan ik mij niet herinneren. Ik zag moeders rok in vlam en--later, toen
-ik uit mijn bezwijming ontwaakte, lag ik in een hoek van het vertrek,
-waar vader mij had geworpen; vader zat weer op zijn plaats met een bord
-met eten vóór zich en moeder knielde bij mij neder. Griete heeft mij
-later verteld, hoe 't gegaan was. Vader had mij met reuzenkracht tegen
-een kast geworpen en bleef altijd moeder bij het vuur houden. Nog tien
-tellens en onze arme moeder ware verloren geweest. Daar schoot Griete
-een denkbeeld in. Snel liep zij naar de kast, waarbij ik lag, haalde
-er een bord met eten uit en liet het vader zien. Als een klein kind
-liet hij moeder los en kroop naar zijn stoel. Gelukkig had moeder
-zich niet gebrand. Maar vader was afgemat door de buitengewone
-inspanning. Den geheelen nacht heeft hij in een brandende koorts
-gelegen en heeft moeder voor zijn bed gezeten en hem opgepast. Hij
-sliep vast en snurkte akelig, terwijl hij tusschenbeide zijn hand
-tegen zijn hoofd drukte. Moeder zegt, dat hij dat vroeger meer deed,
-alsof hij daar pijn voelde. Ach, jongeheer, ik had u dat alles liever
-niet verteld! Toen vader nog bij zijn verstand was, zou hij geen dier
-kwaad gedaan hebben...."
-
-Beiden zwegen eenige oogenblikken stil.
-
-"'t Is vreeselijk!" riep Peter uit. "En hoe is je vader vandaag?"
-
-"Doodziek, jongeheer!"
-
-"Maar waarom ga je naar dokter Broekman, Hans? Daar zijn dokters
-genoeg in Amsterdam, die hem misschien even goed konden helpen. Dokter
-Broekman is een beroemd man, die slechts bij de rijken praktiseert,
-en dan gebeurt het nog dikwijls, dat hij geen tijd heeft om hen
-te helpen."
-
-"Dokter Broekman heeft mij gisteren beloofd, dat hij vader binnen
-acht dagen zou komen bezoeken. Maar nu die verandering is gekomen,
-kan het niet wachten, anders sterft mijn arme vader. O, jongeheer,
-vraag hem toch, of hij niet de geheele week wil wegblijven, want dat
-vader op sterven ligt! Hij is zoo'n vriendelijk man!"
-
-"Vriendelijk!" zeide Peter lachend. "Er is geen grooter brompot in
-het gansche land."
-
-"Dat schijnt maar zoo, jongeheer! En dat komt, omdat hij altijd zooveel
-aan zijn hoofd heeft. Maar hij heeft een goed hart, dat weet ik. Vertel
-hem, als 't u belieft, wat ik u verteld heb en ik ben er zeker van,
-dat hij komen zal."
-
-"Ik mag 't hopen, Hans, om jouwentwil. Maar ik zie, dat je haast
-hebt om naar huis te keeren. Beloof me, dat je, als je iemand noodig
-hebt, naar mijn moeder te Broek zult gaan. Zeg haar, dat ik 't je heb
-gezegd. En Hans, neem deze guldens aan, niet als belooning, maar als
-een geschenk."
-
-Hans schudde vastberaden het hoofd.
-
-"Neen, jongeheer, dat kan ik niet aannemen," antwoordde hij. "Als
-ik werk kon vinden in Broek of ergens op een molen, zou ik gelukkig
-zijn. Maar overal, waar ik kom, is het dezelfde historie: "wacht tot
-het voorjaar."
-
-"'t Is goed dat je er van spreekt," gaf Peter ten antwoord. "Vader
-zal je terstond helpen. Je mooie ketting beviel hem zeer. "Die jongen
-snijdt machtig mooi in hout," zeide hij. Vader wil van den winter
-onzen nieuwen koepel van snijwerk voorzien; misschien durft hij 't
-jou wel opdragen: er is geld aan te verdienen. De teekeningen liggen
-bij ons aan huis."
-
-"God is goed!" riep Hans opgetogen uit. "O, jongeheer.... dat zou
-al te veel geluk zijn! Ik heb nog wel nooit groot werk onder handen
-gehad--maar ik zou 't gerust durven wagen, en ben ik er zeker van,
-dat het mij gelukken zal."
-
-"Nu, ik zal mijn vader zeggen, dat hij 't jou moet laten doen. Hij
-zal je zeker gaarne helpen."
-
-Hans keek Peter aan.
-
-"Ik dank u, jongeheer," zeide hij.
-
-"Kom, kapitein," riep Karel. "Hier zijn we nu midden in Haarlem,
-en we hebben nog geen woord uit je mond vernomen. We wachten allen
-ongeduldig op je bevelen."
-
-"Goed, jongens! Dan de schaatsen maar afgebonden!" riep Peter. "Jij
-zult toch meegaan, om iets te eten, Hans," ging hij voort, zich tot
-den knaap wendende, "daarna zal ik je niet langer ophouden."
-
-Een oogenblik flikkerden de oogen des knapen van genoegen en Peter was
-verwonderd, dat hij er niet eer aan had gedacht, dat de arme jongen
-wel honger moest hebben. Maar 't was ook slechts een oogenblik,
-dat Hans er zich in verheugde, het andere hernam hij op treurigen toon:
-
-"Ach, jongeheer! hoe gaarne ik uw vriendelijk aanbod zou willen
-aannemen, ik mag mij niet langer ophouden. Moeder mocht mij noodig
-hebben. Vaarwel! God zegene u!"
-
-Dit zeggende, knikte hij Peter vriendelijk toe en--verdween.
-
-Wij willen onze vroolijke knapen een oogenblik verlaten en met Hans
-naar Broek terugkeeren. Wij moeten daar, vooral ten gevalle onzer
-lieve lezeressen, eens een kijkje nemen bij de meisjes, die wij
-reeds vroeger ontmoet hebben, een kijkje in de jeugdige hartjes,
-die zoo warm en zoo snel onder de nauwe keursjes klopten.
-
-Hilda de Bruyn--haar kent gij reeds, met haar warm, edel hart. Truida
-Korbes was vrij wat mooier dan Hilda, veel aanvalliger en zelfs
-meer gezocht, maar toch niet half zoo zonnig van binnen. In dat
-jonge hart hingen wolken van trots, ontevredenheid en wangunst,
-die dagelijks donkerder warden. 't Was natuurlijk, dat die wolken
-zich nu en dan evenals die aan den hemel ontlastten. Maar wie zag die
-tranen? Slechts haar dienstmaagd, haar ouders, haar jongere broeder,
-die haar zoo hartelijk liefhadden. Anderen bespeurden weinig van
-hetgeen er in dat jeugdige hart omging. In haar oog was het arme
-boerenkind Griete geen menschelijk wezen, niet evengoed een schepsel
-van God als zij--het was een onding, waaronder men niets dan armoede,
-lompen en morsigheid verstond. Zoo'n kind als Griete had geen recht om
-te gevoelen of te hopen; bovenal moest zij haar meerderen nooit in den
-weg komen, ten minste niet op een onaangename manier. Zulk volk mocht
-voor haar en haar gelijken werken en zwoegen, maar op een eerbiedigen
-afstand; zij mochten haar bewonderen, als zij 't met gepasten eerbied
-deden--meer niet. Verheffen zij zich--dan sla ik ze neer; lijden zij,
-wat gaat mij dat aan--dat was de leer van Truida Korbes. En toch--hoe
-mooi zij altijd gekleed was en hoe lief zij zich voordeed, jongens met
-een echt Nederlandsch hart, zooals Frits Verdam en Peter en Lodewijk
-van den Helm, konden haar niet velen.
-
-Hoezeer Karel Schimmel 't meest in karakter met haar overeenkwam,
-hield die toch veel meer van de levendige Kato Lammers, wier aard
-veel had van de rinkelende bellen eener narreslede. Reeds als kind
-was Kato een coquette, als schoolmeisje was zij zoo coquet als
-ooit. Zij was coquet op haar moeder, op haar kleine broertje, zelfs
-op haar blonde krullen, die zij verachtelijk in den hals wierp, als
-ze haar verveelden. Iedereen mocht haar graag lijden, niemand hield
-van haar. Nooit kwam er een ernstig woord over haar lippen. De arme
-Kato! Met haar lief gezichtje, haar vroolijk hartje, haar aangename
-manieren, kon zij slechts een uur boeien. Wat zou er later van haar
-worden, als het werkelijke leven vol ernst kwam en de rinkelende
-bellen één voor één dof zou maken!
-
-Karel Schimmel had dus wel gelijk, toen hij gezegd had, dat Kato en
-Truida woedend waren, omdat Griete mee zou doen in de harddraverij
-op schaatsen. Hij had Truida hooren zeggen, dat het "schandelijk,
-onteerend, gemeen" was. Kato had haar lieve kopje geschud en zachtkens
-nagepraat, dat het "schandelijk, onteerend, gemeen" was, ofschoon met
-zulk een lief stemmetje, dat men het nauwelijks met den naam van toorn
-zou mogen bestempelen. Dat was voor hem genoeg. Hij bedacht niet, dat,
-als Hilda en niet Truida haar 't eerst over de zaak had gesproken,
-dat zelfde stemmetje zou gezegd hebben: "zeer goed, opperbest,
-allerliefst". Maar nu oordeelde Kato, dat een boerenkind als Griete
-in staat was, de geheele pret te bederven. Daar Truida rijk was en
-machtig (altijd in den zin van een schoolmeisje) had zij een menigte
-volgelingen onder haar schoolkameraden, die òf te laf òf te zorgeloos
-waren, om voor zich zelf te denken.
-
-Arme Griete! Zij en Hans hadden de geheele schaatsenpartij reeds
-uit hun hoofd gezet. Zij hadden wel aan wat anders te denken dan
-aan zilveren schaatsen! Ach! de hut van Rolf Brinker was tegenwoordig
-treurig en somber genoeg. De arme krankzinnige lag kermend op zijn hard
-bed en zijn vrouw bette zijn brandend voorhoofd en zijn droge lippen
-met koud water, weenend en biddend, dat hij niet mocht sterven. Hans
-was, zooals wij weten, in wanhoop naar Leiden gereden, om daar dokter
-Broekman op te zoeken en hem te smeeken, als 't kon, terstond bij
-zijn vader te komen. Griete, door een zonderlingen angst bevangen,
-had haar werk zoo goed verricht als zij kon, zij had de steenen vloer
-opgedaan, brandstof gehaald om het vuur te onderhouden, en zat nu
-op een laag stoeltje naast het bed, terwijl zij haar moeder smeekte,
-om toch een uur of wat te gaan slapen.
-
-"Gij zijt zoo vermoeid, moeder," zeide zij. "Den geheelen nacht hebt
-gij geen oog geloken. Ik heb mijn bed voor u opgemaakt. Hier is uw
-jak. Doe die mooie japon uit, dan zal ik ze opvouwen en in de kast
-bergen, vóór gij gaat slapen."
-
-Vrouw Brinker schudde treurig het hoofd, zonder heur oogen van haar
-man af te wenden.
-
-"Ik kan immers wel op vader passen," hernam Griete, "en ik zal u
-dadelijk wakker maken, als hij zich beweegt. Gij ziet zoo bleek en
-uw oogen zijn zoo rood. Toe, moeder! doe 't maar!"
-
-Het kind smeekte tevergeefs. Vrouw Brinker wilde haar post niet
-verlaten.
-
-Griete keek haar aan met een onrustig stilzwijgen, terwijl zij dacht,
-dat het toch heel slecht van haar was, dat zij meer van haar moeder
-hield dan van haar vader, voor wien zij bang was.
-
-"En Hans houdt zoo veel van vader," zuchtte zij.
-
-"Waarom kan ik 't niet doen? Toch was ik zoo bedroefd, toen hij
-verleden week dat mes beetpakte en zich zoo vreeselijk sneed
-en zoo bloedde. En 't gaat mij door de ziel, nu ik hem zoo hoor
-steunen. Misschien houd ik toch veel van hem en ben ik niet zulk een
-slecht kind als ik dacht. Ja, ik houd van mijn armen vader--bijna
-zooveel als Hans; want Hans is sterker en is niet bang voor hem. O,
-zal dat gesteun dan nooit ophouden! Arme moeder! Wat is zij
-geduldig! Nooit mort zij over het geld, dat op zoo'n zonderlinge
-manier is weggeraakt. O, kon vader maar eens voor een oogenblik
-zijn oogen opslaan en ons aanzien zooals Hans doet, en zeggen,
-waar de guldens gebleven zijn--dan kon mij de rest niet schelen--de
-rest.... ja toch. Ik zou niet graag zien, dat mijn arme vader stierf."
-
-Diep in gedachten staarde zij naar de zonderlinge figuren, welke de
-vlammen aan den haard vormden, daarop telde zij de gebroken en geplakte
-ruiten van het bouwvallige raam, eindelijk bleven haar oogen rusten op
-een fraai gesneden plank, waarop de quarto-bijbel met koperen sloten
-stond, nog een erfstuk van vrouw Brinker's vader.
-
-"Wat is die Hans toch knap!" zeide zij. "En zoo sterk! Als hij
-hier was, kon hij vader eens omkeeren en dan hield het gesteun
-op. Ach! Ach! Als vader zoo ziek blijft, zal ik nooit meer schaatsen
-rijden. Ik zal mijn schaatsen maar teruggeven aan die mooie jonge
-dame. Hans en ik zullen de harddraverij wel niet zien."
-
-En Griete's oogen vulden zich met tranen.
-
-"Huil maar niet, Griete," zeide vrouw Brinker. "Je vader is wel eens
-meer zoo ziek geweest."
-
-Griete barstte in tranen uit.
-
-"O moeder, dat is het niet alleen! Gij weet nog niet alles--ik ben
-zeer slecht en goddeloos!"
-
-"Jij Griete, jij, die zoo geduldig en zoet zijt? Maar huil zoo hard
-niet, kindlief, of je zoudt vader wakker maken."
-
-Griete verborg haar gelaat in den schoot harer moeder en poogde niet
-hard te schreien.
-
-Zij legde haar klein, mager bruin handje in de ruwe hand harer
-moeder. Kort daarna keek zij op met een vriendelijken, rustigen blik
-en zeide met een bevende stem:
-
-"Vader heeft u willen verbranden--ik heb het gezien en hij lachte
-er om."
-
-"Zwijg, kind!"
-
-Vrouw Brinker zeide die woorden op zulk een snellen en scherpen toon,
-dat Rolf Brinker, levenloos als hij was voor al wat om hem voorviel,
-zich zacht op zijn bed bewoog.
-
-Griete sprak geen woord meer, maar plukte treurig aan het brandgat
-in haar moeders japon. Gelukkig, dat de japon van wollen stof was!
-
-
-
-
-
-
-
-
-ZESDE HOOFDSTUK.
-
-WAT DE JONGENS ZOO AL IN HAARLEM ZAGEN.
-
-
-Verzadigd en verkwikt kwamen onze knapen uit het koffiehuis, waar
-zij zich van het noodige voorzien hadden, juist toen de klok twee
-uren sloeg.
-
-"Heb je je slaapmuts niet vergeten, grootvader?" riep Lodewijk van
-den Helm tot den kapitein, die in gedachten verzonken was over de
-treurige historie, welke Hans Brinker hem had medegedeeld, en daardoor
-half droomend medeliep.
-
-"Volstrekt niet, Lodewijk," antwoordde Peter, en zich tot de anderen
-richtende, commandeerde hij: "Vooruit, jongens! Deze straat in!"
-
-"Zie je dat aardige, roode speldenkussentje daar wel aan die deur
-hangen?" vroeg Frits Verdam aan Ben.
-
-"Ik doe het zien. Maar wat is de meening van het?" vroeg de
-aangesprokene.
-
-"Wel, dat zal ik je zeggen. Zoo'n ding noemen ze een klopper, en die
-beteekent, dat daar een kind geboren is. Is het kussentje geheel en
-al effen, zooals dit, dan wil 't zeggen, dat het een jongetje is. Is
-er daarentegen een wit papiertje ingeschoven, dan kan men er op aan,
-dat er een dochter is geboren."
-
-"Very vreemd!" riep Ben uit, terwijl hij naar den klopper bleef kijken,
-die rijk met kant omzoomd was. "En doet gij kennen den oorsprong van
-dat gebruik?"
-
-"Ieder Haarlemmer," zeide Frits Verdam, die er bij was gekomen, "zal
-u kunnen vertellen, dat dit afstamt van het jaar 1573, toen Haarlem,
-na een hardnekkige en moedige verdediging van zeven maanden, zich
-eindelijk aan den Spanjaard moest overgeven. De Spaansche bevelhebber,
-Frederik van Toledo, zou, naar men zegt, aan de bewoners van elk huis,
-waar zich een kraamvrouw bevond, veroorloofd hebben om een lint aan hun
-klopper te winden, welk huis daardoor van plundering zou verschoond
-blijven. Dat is echter slechts een sprookje: 't is niets anders dan
-een gewoonte, die, eenigszins gewijzigd, in geheel Noord-Holland in
-zwang is."
-
-"Komt, jongens!" riep nu de kapitein. "Je weet wat de kastelein gezegd
-heeft: dat het groote orgel vandaag bespeeld wordt en dat wij daar
-naar toe moeten. Verkijkt je tijd dus niet aan wat anders."
-
-"Je hebt deugdelijk gelijk," antwoordde Frits. "'t Is maar jammer,
-dat we de damiaatjes ook niet kunnen hooren."
-
-"De damiaatjes, wat zijn zij?" vroeg Benjamin.
-
-"Dat zijn kleine klokjes, die in den toren hangen en elken avond van
-halftien tot tien uren geluid worden, 't Is een akelig gerinkinkel,
-dat tinge, tinge, tinge. 't Heeft mij wat verveeld, toen ik van den
-zomer hier logeerde. Maar de Haarlemmers zijn er zeer grootsch op en
-weten u te vertellen, dat de stad die klokjes present heeft gekregen
-van Graaf Willem I, die in 1219 Damiate, aan den Nijl gelegen, op
-Sultan Saladijn veroverde, bij welke verovering hun voorvaderen zich
-zoo dapper moeten hebben gedragen."
-
-"Niet minder dan de Dokkumers," viel Jacob Poot hem in de
-rede. "Daarboven heb ik altijd gehoord, dat de tegenwoordige damiaatjes
-niet meer die zijn, welke de Haarlemmers van Graaf Willem hebben
-gekregen, maar nog overblijfsels van de zilvervloot van Piet Hein."
-
-"Van Piet Hein?" vroeg Ben.
-
-"Een onzer grootste zeehelden, die in 1628 de Spaansche zilvervloot
-veroverde en het volgende jaar in een gevecht tegen de Duinkerkers
-sneuvelde," zeide Peter van den Helm. "En wat die verovering van
-Damiate aangaat, daar hangen nog kleine scheepjes tot gedachtenis
-van dat feit in de kerk, die modellen moeten zijn van de bij deze
-verovering gebruikte vaartuigen. Over 't geheel zijn de Haarlemmers
-zeer trotsch op hun stad en weten u verscheidene bijzonderheden te
-vertellen, van welke er eenige slechts op overleveringen berusten."
-
-"Nu, de Haarlemmers hebben wel recht om trotsch op hun stad te zijn,"
-meende Lodewijk. "Voor zulk een kleine plaats is zij waarlijk rijk
-aan bijzonderheden."
-
-"Ha! wiens beeld is dat?" riep Benjamin uit, toen zij op de Groote
-Markt kwamen.
-
-"Dat is het standbeeld van den uitvinder der boekdrukkunst, Laurens
-Janszoon Koster, die in 1423 of 1425 deze nuttige kunst voor 't
-eerst uitoefende. Behalve dit standbeeld heeft men een gedenkteeken
-voor hem in den Hout opgericht, dat echter door leelijkheid uitmunt,
-ofschoon de Haarlemmers het fraai noemen om zijn eenvoudigheid."
-
-"Wij Engelschen willen gaarne toegeven u, dat uw Koster heeft uitgevind
-drukkunst," zeide Benjamin. "Maar de Duitschers doen betwisten die
-eer aan u."
-
-"Zij zeggen, dat Gutenberg de uitvinder was, en hebben hem te Mainz
-een metalen standbeeld opgericht," antwoordde Frits. "De Franschen
-daarentegen geven die eer aan hun Faust, dien ze te Straatsburg door
-een standbeeld vereerd hebben. Doch wij Hollanders houden er onzen
-Laurens Janszoon Koster voor, ofschoon 't wel jammer is, dat het eerste
-werk, hetwelk hij gedrukt heeft, "de Spiegel onzer behoudenis", van
-geen jaartal voorzien is. Kijk, daar, waar dat borstbeeld in den gevel
-staat, zegt men, dat zijn huis is geweest. Volgens de overlevering
-was hij koster van deze kerk en een aanzienlijk man."
-
-"En wat is dat voor een antiek gebouw?" hernam Ben.
-
-"Dat is het oude stadhuis van Haarlem, thans tot hoofdwacht gebruikt,"
-zeide Lodewijk. "Zie maar, daar staat nog het opschrift in den gevel:
-
-
- "Wanneer de graef hierop het sant,
- Syn princenwoning had geplant,
- Soo was dit loflick out gesticht,
- Tot Haerlems raethuis ingericht."
-
-
-"Het zand is de tegenwoordige Groote Markt, die toen door een smal
-watertje, de Beek genaamd, werd doorsneden en op hetwelk menig tornooi
-is gehouden."
-
-"En welk gebouw is dat, met die groote hardsteenen trap?"
-
-"Dat is het tegenwoordige stadhuis," antwoordde Frits, "vroeger
-het paleis der graven, in de dertiende eeuw door Graaf Willem II
-gesticht. Er zijn mooie schilderijen in, van groote meesters en van
-hooge waarde."
-
-Thans traden zij de Groote Kerk in, waar het orgel reeds aan den
-gang was.
-
-"Dit orgel," zeide Karel Schimmel, die nu toch ook eens wat vertellen
-wilde, "heeft een Europeesche vermaardheid. Het is dertig meters
-lang en veertien breed. In 1735 door den Amsterdamschen orgelmaker
-Christiaan Muller vervaardigd, munt het door zijn grootte en zijn
-rijkdom van tonen boven alle andere uit. Het moet 8000 pijpen hebben,
-van welke er sommige zóó dik zijn, dat er wel een man kan doorkruipen,
-andere zoo dun als het fluitje aan de zilveren bel van een klein
-kind. Er zijn niet minder dan zestig registers op."
-
-"Vooral de vox humana (een nabootsing van de menschelijke stem)
-is mooi," zeide Frits. "Maar laat ons intusschen de kerk eens
-rondwandelen. Ik ben hier nogal bekend en zal dus maar voor cicerone
-[2] spelen."
-
-"Dat is goed," zeiden Lodewijk en Peter.
-
-"Als je 't mij niet kwalijk neemt, ga ik een beetje in die bank
-rusten," zeide Jacob Poot. "We hebben nog een heelen tocht te doen
-en ik wou me niet graag te veel vermoeien. Daarenboven, ik heb de
-St. Bavo [3] al meermalen gezien."
-
-"Hier heb je nu de scheepjes," begon Frits, "opgehangen ter herinnering
-aan de verovering van Damiate. Ziet gij op die geelkoperen grafplaat
-wel dat roode spijkertje?" vroeg hij een oogenblik later.
-
-"Welnu, wat zou dat?"
-
-"Dat spijkertje wijzen alle oprechte Haarlemmers aan hun jonge kinderen
-en vertellen daarbij, dat onder dit graf een kindje begraven is,
-hetwelk zijn moeder geslagen heeft, en dat nu tot straf het vingertje,
-waarmede het haar heeft aangeraakt, niet is kunnen verrotten, maar
-door het koper is heengekomen.--Hier op den muur ziet gij een steen,
-aan onzen grootsten dichter, Willem Bilderdijk, gewijd; die twee
-afmetingen daar zijn van den grootsten en den kleinsten man, die
-Haarlem heeft opgeleverd: den grootsten, langsten, namelijk Cajanus en
-den kleinsten, Simon Jane Paap, die echter te Zandvoort geboren was."
-
-"Papa heeft mij wel eens verteld, dat hier in vroeger tijd ook een
-Sparenwouder reus rondgewandeld heeft, die Klaas van Kieten heette
-en familiaar zijn pijp aan de stadlantaarns aanstak," zeide Peter.
-
-"Ik doe niet recht verstaan dat woord," zeide Ben. "Wat is dat voor
-een soort van reus, een Sparrewou?"
-
-"Dat wil zeggen een bewoner van het naburige dorp Sparenwoude, hetwelk
-wij in de verte aan onze rechterhand zagen liggen, toen wij over de
-vaart reden."
-
-"Die kogel daar in den muur is nog van den tijd van het beleg in
-1573," zeide Frits. "De Haarlemmers vertellen u, dat de Spanjaards,
-die hun kanonnen op het huis te Kleef geplant hadden, aan een boer
-vroegen, waar de preekstoel was, omdat zij dan zoo den dominee konden
-doodschieten. De boer wees opzettelijk een pilaar te ver en daardoor
-schoten zij mis. Gij begrijpt echter wel, dat het een sprookje is:
-het huis te Kleef is veel te ver, om hier te raken. De kogel is
-echter wel van den tijd van het beleg, maar tot gedachtenis hier in
-den muur gemetseld."
-
-Intusschen bespeelde de organist het orgel, terwijl de knapen,
-evenals het Haarlemsche publiek, door de voetpaden wandelden en naar
-de muziek luisterden.
-
-'t Was een schoon stuk, dat de kunstenaar uitvoerde: een heerlijken
-zomermorgen moest het voorstellen, waarbij het orgel zijn liefelijkste
-tonen deed hooren, afgewisseld door het gefluit der vogelen en
-de zuiverste akkoorden, die vriendelijk door de kerkgewelven
-rolden en waarbij de wandelaars als onwillekeurig stilstonden,
-om door het geslijfer hunner voetstappen zich zelf en anderen niet
-te hinderen. Maar eensklaps veranderde dat tooneel. 't Was of de
-stormwind door het kerkgebouw begon te loeien, de vogels zwegen, luider
-en luider werd de storm, vreeselijk rommelde de donder en daarbij
-hoorde men duidelijk het luiden der noodklok. De knapen hielden hun
-adem in en staarden elkander verbaasd aan. Want daar klonken op eens
-de stemmen der vox humana, en 't was of duizend angstkreten door de
-St. Bavo weergalmden.--Maar--daar ruischt een zacht geluid, als een
-stem des engels--de storm bedaart--de liefelijke tonen zwellen als
-op de vleugelen der zefirs--de vogelen beginnen weder te zingen en
-alles wordt besloten met een psalm van lof en dank, die de harten
-tot aanbidden stemt.
-
-Het orgel zweeg--en nog stonden de knapen daar beweging- en
-sprakeloos. 't Was alsof zij aan den grond genageld waren. Karel
-Schimmel was de eerste, die het stilzwijgen afbrak.
-
-"Hoe lang zul je daar nog staan kijken, kapitein?" vroeg hij, terwijl
-hij Peter aanstiet, "'t Wordt hoog tijd, om op te stappen."
-
-"Je hebt gelijk," antwoordde de aangesprokene, terwijl hij op zijn
-horloge keek. "Laat ons Jacob dan in het voorbijgaan aanroepen."
-
-De dikke Jacob Poot echter was niet meer op de plaats, waar zij hem
-gelaten hadden. De bank, waarin hij was gaan zitten, was hem niet
-gemakkelijk genoeg en hij had een andere, meer afgezonderde opgezocht,
-waar zijn kameraads hem vonden, in de armen van Morpheus gezonken.
-
-"Slaapkop!" riep Peter, terwijl hij hem wakker schudde. "Hoe kun je
-bij zulke heerlijke muziek snurken, Jacob?"
-
-"Algemeen zelfstandig naamwoord, vrouwelijk enkelvoud eersten naamval,"
-antwoordde Jacob, die gedroomd had, dat hij op school bezig was aan
-het grammaticaal analyseeren.
-
-"Als aangesprokene," voleindigde Peter, "behalve, dat Jacob een eigen
-naamwoord en mannelijk is."
-
-Jacob was nu geheel wakker geworden en moest lachen om zijn eigen
-dwazen praat.
-
-Benjamin was zóó verrukt over hetgeen hij gehoord had, dat hij niets
-kon zeggen dan: "Glorious! Glorious!"
-
-"Ja, Ben," hernam Peter, terwijl zij de kerk verlieten, "'t is
-inderdaad heerlijk. Je hebt zeker wel eens gehoord van Händel,
-den grooten componist. Nu, die bezocht Haarlem eens en wenschte
-natuurlijk het orgel te bespelen. Hij kreeg daartoe vergunning en was
-druk aan den gang, toen de gewone organist, die verre van onbekwaam
-was in zijn vak, de kerk binnentrad. Zulke muziek had hij nog in zijn
-leven niet gehoord. "Wie is daar op het orgel?" riep hij uit. "Als 't
-geen engel of duivel is, dan moet het Händel zijn." En toen hij zag,
-dat het Händel was, stond hij nog meer verwonderd.
-
-"Hoe heb ik het toch?" vroeg hij, "gij hebt het onmogelijke
-gedaan. Tien vingers en twee voeten kunnen de passages niet spelen,
-welke gij hebt laten hooren."--"Gij hebt gelijk," gaf Händel bedaard
-ten antwoord, "en daarom ben ik tusschenbeide verplicht geweest,
-toetsen met de punt van mijn neus in beweging te brengen."--"Je kunt
-begrijpen, hoe de organist stond te kijken." [4]
-
-"Dat laat zich hooren," zeide Frits. "Maar waar zullen wij nu heen?"
-
-"Hoort eens, jongens!" hernam Peter. "Wij moeten nu even
-raadsvergadering houden omtrent onze verdere plannen."
-
-"Heel goed," antwoordde Karel Schimmel. "Wat is hier nog meer te
-kijken?"
-
-"O, heel veel," gaf Frits ten antwoord. "Vooreerst de schilderijen
-hier op het stadhuis, ten tweede niet minder dan acht en twintig
-liefdadige hofjes, waar oude vrouwen het eind van haar leven rustig
-doorbrengen en van welke het Teylers- en Staats-zen-hofje de mooiste,
-en zoo ik meen, de rijkste zijn; ten derde, het physisch museum van
-Teyler, waar men onder andere zulk een groot electriseermachine vindt,
-dat men met één vonk een paling kan doodslaan; ten vierde, het huis
-van Jan de Lapper, op het Spaarne bij de melkbrug."
-
-"Jan de Lapper? Wie was dat?"--vroeg Ben.
-
-"Een schoenlapper, die hier in 1652 woonde, en toen het land in nood
-was, doordien wij oorlog met uw volk gekregen hadden, ter zee ging
-varen en zulk een heldenmoed toonde dat de Staat hem een gouden keten
-en 500 gulden vereerde. En toen het land uit den nood was, ging onze
-Jan weer even bedaard aan 't schoenflikken als te voren. Later weer in
-dienst getreden, stierf hij den heldendood. Een zijner nakomelingen
-heeft in het huis, vroeger door den dapperen schoenlapper bewoond,
-een blauwen steen met een opschrift doen plaatsen. Ten vijfde kunnen
-wij naar Kraantje-Lek gaan en den Blinkert beklimmen, op welken Witte
-van Haamstede [5] eens den Hollandschen liebaard plantte en van welks
-top wij een heerlijk gezicht over de blauwe Noordzee hebben. Ten
-zesde kunnen wij den Hout bezoeken."
-
-"Den Hout? Wat is dat?" vroeg Ben.
-
-"Een fraai bosch, dat met het Haagsche en Alkmaarder waarschijnlijk
-één geheel heeft uitgemaakt. Het is in 1822 door den architect Zocher
-in den bevalligen toestand gebracht, waarin het nu is. Ten zevende
-kunnen wij in dien Hout het monument van Koster gaan kijken, of het
-fraaie paviljoen, nog door een landgenoot van u, den bankier Hope,
-gebouwd, later door Koning Lodewijk voor drie ton gekocht en, na het
-vertrek der Franschen, domeingoed geworden. Er bevindt zich thans
-een heerlijk museum van schilderijen; ten achtste...."
-
-"Houd op!" riep Peter. "Als wij alles zouden willen bezien, dan
-mochten we nog wel een dag langer hier blijven. Wij zullen ons maar
-bepalen tot twee zaken: den Hout en den Blinkert, of Leiden?"
-
-"Leiden!" riepen allen, behalve Ben, die wel lust zou gehad hebben,
-om den Blinkert te beklimmen en van daar een kijkje op de zee te nemen.
-
-"'t Is zoo maar 't best ook," zeide Frits Verdam tegen Benjamin. "Want
-als je Haarlem op zijn mooist wil zien, dan moet je er in den zomer
-komen, wanneer 't een groote bloemtuin is."
-
-"Komt dan, op reis!" riep Peter uit. En men wandelde de Zijlstraat
-door, het Zijlhek uit en naar de Leidsche vaart, waar zij hun schaatsen
-aanbonden en den tocht naar de stad van Van der Werf aanvingen.
-
-"Jongens! Wie weet er nu wat van Haarlem te vertellen?" zeide
-Peter. "Dat kort den weg op."
-
-"Ik wil wat mededeelen," zeide Frits Verdam. "Laat ons dan wat langzaam
-en naast elkander rijden."
-
-"Dat is goed," riepen allen en Frits begon:
-
-"In heel veel vroeger tijden stond bij Haarlem een oud, sterk
-kasteel, welks slotheer een ware tiran was voor de poorters der stad
-en de omliggende dorpers, die allen van hem afhingen. Dit werd zóó
-geweldig, dat deze in opstand kwamen, zijn kasteel omringden en het
-belegerden. De nood op het slot steeg dermate, dat de wreedaard geen
-ander uitzicht had, dan zich aan het woedende volk over te geven,
-hetwelk hem in stukken zou hebben gescheurd. Daar verscheen op een
-der kanteelen een liefelijke gestalte, de vrouw van den slotheer. Was
-haar echtgenoot slecht voor zijn onderdanen, zij daarentegen was
-steeds een moeder voor hen geweest; geen arme, die haar om hulp had
-gevraagd, zou zij weggezonden hebben; zieken en nooddruftigen had zij
-verzorgd. Zoodra het volk haar zag, liet het de armen slap hangen,
-die het reeds had opgeheven, om den pijl te richten, welke het hart van
-den krijgsknecht moest doorboren, die 't wagen durfde, op den trans te
-verschijnen. "Ik ben altijd goed voor u geweest," zeide zij. "Welnu,
-veroorloof mij een vrijen uittocht en sta mij toe, zooveel van mijn
-kostbaarheden mede te nemen als ik op mijn schouders kan dragen." "Dat
-is u toegestaan," riep men haar toe.--De poort gaat open, en daaruit
-komt de burchtvrouw, die op haar schouders torst.... Wat denkt gij?"
-
-"Wel, haar juweelen en beste kleederen," zeide Karel.
-
-"Neen--haar snooden echtgenoot, den wreeden burchtheer," hervatte
-Frits. "En haar daad was des te mooier, daar de wreedaard ook voor
-haar steeds een tiran geweest was."
-
-"En wat deed het volk nu?" vroeg Peter.
-
-"'t Was getroffen door die edele daad en liet den burchtheer vrij;
-maar het kasteel werd vernield."
-
-"Kom, dat is nooit gebeurd!" riep Karel Schimmel uit. "Hoe zou een
-zwakke vrouw zoo'n grooten kerel hebben kunnen dragen!"
-
-"Nu, de vrouwen van Weinsberg hebben het toch ook wel gedaan,"
-verzekerde Frits.
-
-"Ik geloof het wèl," zeide Jacob Poot. "Ik ten minste zou geen vrouw
-willen hebben, die niet hetzelfde voor mij zou doen."
-
-"Ik zou haar beklagen, Jacob," antwoordde Peter lachend, "indien zij
-zulk een vracht moest dragen als jij bent. Drie man zouden werk hebben
-om je voort te sjouwen."
-
-"Nu dan, 't zou mij genoeg zijn, als zij 't wilde doen," hervatte
-Jacob.
-
-"Dus zou je den wil voor de daad nemen?" vroeg Peter. "Doch wie weet
-er nog een historie, Haarlem betreffende?"
-
-"Meen je van het beleg?" zeide Lodewijk.
-
-"O, neen, daar hebben we in het boekje van Andriessen [6] reeds
-zooveel van gelezen, dat het voor ons geen nieuws meer is."
-
-"Ik weet nog iets, dat ik eens in een boek gelezen heb," zeide
-Jacob. "'t Is een heel mooie historie."
-
-"Nu vertel dan!" riepen allen te gelijk.
-
-"Goed, maar dan moeten we nog wat zachter rijden," antwoordde de
-dikkerd. "Anders kan ik onmogelijk vertellen."
-
-"Best," antwoordde Peter. "Jongens! Wat meer piano aan."
-
-"Jaren geleden woonde in Haarlem een blondharige knaap, wiens vader
-den post van sluiswachter vervulde. Op zekeren schoonen namiddag in
-den herfst nu, toen het knaapje omtrent acht jaren oud was, kreeg
-hij verlof van zijn ouders om pannekoeken te brengen aan een blinden
-grijsaard, die in den polder woonde aan den kant van den dijk. Het
-knaapje bracht een uur bij zijn dankbaren ouden vriend door en ging,
-nadat hij afscheid van hem genomen had, vroolijk naar huis terug.
-
-"Terwijl hij zoo over den dijk ging, bemerkte hij, hoezeer het water
-daar langs gezwollen was, en dacht hij aan de stevige sluisdeuren van
-zijn vader en hoe boos het water op dezen moest zijn, dat hij het zoo
-tegenhield. O, als het eens losbrak en den dijk vernielde of de sluizen
-doorbrak, en dat schoone vruchtbare land overstroomde; hoe zou 't dan
-met vader of moeder gaan? Vreeselijk zou het dan wraak nemen op zijn
-vader, die het zoo lang in toom had gehouden. Nu eens hield hij stil,
-om een paar bloempjes te plukken, die daar in het wild groeiden, dan
-weder plukte hij een kaars, die hij in de lucht blies, dan bleef hij
-stilstaan, om nog eens terug te zien naar het hutje van zijn ouden
-vriend, waarvan de glazen gloeiden in het rood der ondergaande zon,
-alsof het in lichtelaaie stond.
-
-"Eensklaps bemerkte ons knaapje tot zijn verdriet, dat hij zich te lang
-had opgehouden en dat de zon op het punt was van onder te gaan. Hij
-was nog een heel eind van huis verwijderd en reeds werden de blauwe
-bloempjes op den dijk grauw en zag hij, dat zijn lange schaduw niet
-meer op het gras viel. Hij verhaastte dus zijn stap, om gauwer thuis
-te zijn. Op eens echter bleef hij weder staan, daar hij iets gehoord
-had, dat hem het bloed in de aderen deed stollen. 't Was het geluid
-van neersijpelend water. Waar kwam dat vandaan? Hij onderzocht het en
-zag een klein gat in den dijk, waardoor het water als door een smal
-gootje liep. Men moest het kind van een sluiswachter zijn, om te weten,
-wat er in dat woord lag opgesloten: een gat in den dijk! Als het water
-bleef doorsijpelen, dan zou het gat grooter en grooter worden en een
-vreeselijke overstrooming ten gevolge hebben.
-
-"Dadelijk begreep de achtjarige knaap wat hem te doen stond. Hij
-wierp zijn bloemen weg en klom van den eenen steen op den anderen,
-totdat hij aan het gaatje kwam. Bijna onwillekeurig stopte hij er zijn
-vingertje in. Het sijpelen hield op. "Ha!" riep hij met kinderlijke
-vroolijkheid uit. "Dat booze water kan er nu niet door. Haarlem zal
-niet overstroomd worden, zoolang ik hier ben."
-
-"Dit ging in 't eerst wel goed; maar de nacht viel al meer en meer,
-er kwam een vochtige damp op. Onze kleine held begon van koude en
-angst te beven. Hij schreeuwde luid: "Komt hier, komt hier!" maar
-niemand kwam. Hij werd hoe langer hoe kouder, een verstijving,
-beginnende met zijn vinger en voortgaande over zijn hand en arm,
-maakte dat hij spoedig pijn over zijn gansche lichaam voelde. Hij
-riep nogmaals: "zal er dan niemand komen? Moeder! Moeder!" Helaas,
-zijn moeder, zijn goede lieve moeder, had de deur reeds gesloten en
-besloten, haar zoon morgen braaf te beknorren, omdat hij den nacht
-bij den ouden blindeman was gebleven. Hij wilde fluiten--misschien
-zou de een of andere rondzwervende knaap het teeken hooren, maar zijn
-tanden klapperden zoo, dat het hem niet doenlijk was. Toen bad hij
-God om hulp en nam het vaste besluit: "Ik wil hier tot morgen blijven."
-
-"De maan kwam op en bescheen de kleine gedaante, die daar eenzaam
-en verlaten op een steen zat, halfweg de glooiing van den dijk. Zijn
-hoofdje hing hem op de borst, doch hij sliep niet; want nu en dan wreef
-hij den uitgestrekten arm, die als vastgeketend was aan den dijk--en
-meermalen keerde zich het bleeke, betraande gelaat plotseling om,
-bij een wezenlijk of denkbeeldig geluid.
-
-"O, wat leed de knaap in dien langen en vreeselijken nacht. Hoe
-dikwijls wankelde hij in zijn voornemen, als hij aan het warme bedje
-bij zijn ouders dacht, aan zijn broertjes en zusjes, die al gerust
-sliepen, en daarbij aan den kouden treurigen nacht! Maar als hij
-zijn vinger wegtrok, dan zou het verbolgen water, dat hoe langer
-hoe toorniger werd, weer doorsijpelen, het gat zou grooter worden en
-niet tevreden zijn, vóór het de stad overstroomd had! Neen, hij zou
-het tegenhouden, tot het daglicht aankwam, indien hij ten minste zoo
-lang leefde. Hij was er niet zeker van, of dat zoo lang zou duren;
-want wat beteekende dat vreemde gesuis in zijn ooren? En was 't niet
-of hij van hoofd tot voeten met messen werd geprikt?
-
-"Met het aanbreken van den dag kwam er een geestelijke, die dien
-nacht aan het bed van een stervende gewaakt had, den dijk langs en
-meende een zacht gekerm te hooren. Hij boog zich voorover om te zien
-wat het was en zag een kind, dat van pijn in elkander kromp.
-
-"In 's Hemels naam, jongen! Wat doe je daar?" riep hij uit.
-
-"Ik houd het water tegen, dat door den dijk sijpelt," antwoordde het
-kind met flauwe stem. "Zeg, dat zij gauw komen." [7]
-
-"Ik behoef u niet te zeggen, dat er spoedig hulp kwam en dat Haarlem
-zoo door een kleinen knaap gered was," eindigde Jacob.
-
-
-
-
-
-
-
-
-ZEVENDE HOOFDSTUK.
-
-HOE GOED HET KAN ZIJN, ALS MEN IN EEN KOUDEN WINTERNACHT
-ZONDER DEK LIGT.
-
-
-Nadat Jacob Poot zijn verhaal geëindigd had, gaf de kapitein bevel om
-harder te rijden, en voort ging het langs de gladde baan als hadden
-zij de vleugels van Mercurius onder de voeten gebonden. Hoe verder
-zij van Haarlem zich verwijderden, hoe minder het ijs bevolkt was;
-doch toen zij de Piet-Gijzenbrug waren doorgereden, bemerkten zij
-door het meer en meer aanwassend aantal schaatsenrijders, dat zij
-langzamerhand Leiden naderden. Onder vroolijke gesprekken, nu eens
-twee aan twee dan tusschen drie, dan door alle zes te gelijk gevoerd,
-kwamen ze al dichter en dichter bij de stad, toen er iets gebeurde,
-dat de pret in treurigheid dreigde te veranderen. Jacob Poot, die
-zeker eenige ponden meer had mee te dragen dan zijn makkers, had
-reeds een paar malen in stilte aan zijn neef geklaagd, dat hij zoo
-moe werd, en om zijnentwil hadden de anderen ook al eens hun vaart
-ingekort. Maar zooals het gaat met jongens, die schaatsen rijden en
-nog geen vermoeienis gevoelen, zoolang zij ten minste op het ijs zijn,
-telkenmale waren zij weer vlugger aan 't rijden gegaan, toen op eens
-Frits Verdam, die zich onwillekeurig omkeerde, uitriep:
-
-"Goede Hemel! Daar gaat Jacob van zijn stokje."
-
-Bij dien kreet hielden al de jongens eensklaps op en snelden naar
-Jacob toe, die bleek en roerloos als een lijk op het harde ijs was
-neergevallen.
-
-"Jacob! Jacob! Wat scheelt je?" riep Ben in 't Engelsch.
-
-"Wat scheelt je, Jacob?" herhaalde Peter in 't Nederlandsch.
-
-"Maar, al hadden ze Sanskritsch gesproken, de arme Jacob Poot zou
-het evenmin verstaan hebben als hij het Engelsch of Nederlandsch
-deed. Peter en Karel trachtten den bezwijmde op te helpen, maar hij
-was nu nog zwaarder dan anders. Tal van menschen verzamelden zich
-om hen. De een zeide dit, de ander dat; ieder wist raad, zooals het
-trouwens altijd in zulke gevallen gebeurt.
-
-"Wrijf zijn handen," riep een vrouw op schaatsen.
-
-"Zet hem op zijn beenen," zeide een ander.
-
-"Geef hem een slok brandewijn," riep een man. "De kou zal hem bevangen
-hebben!"
-
-"Ja, ja, geef hem wat brandewijn!" riepen wel twintig stemmen te
-gelijk.
-
-"Ja, brandewijn! brandewijn," schreeuwden Peter en Karel.
-
-"Heeft niemand hier wat brandewijn?"
-
-"Maakt toch maar zoo'n leven niet, jongeheeren," zeide een dikke
-Leidenaar, die de hand in zijn jaszak stak als om er wat uit te
-halen. "Wat doet die jongen zoo mal te zijn, om flauw te vallen als
-een meissie?"
-
-"Brandewijn!" riep Lodewijk smeekend. "Anders sterft hij nog."
-
-"Hij is al dood!" zeide een van de omstanders.
-
-Benjamin lag bij zijn neef neergeknield en ondersteunde met tranen
-in de oogen diens hoofd.
-
-'t Was akelig om te zien hoe doodsbleek dat anders zoo blozende
-gelaat was en hoe pijnlijk die straks nog zoo vriendelijke en goedige
-trekken stonden.
-
-"Hier," zeide de dikke Leidenaar, die eindelijk zijn veldflesch met
-brandewijn had gevonden. "Giet hem daarvan wat tusschen de lippen."
-
-Dankbaar nam Peter de veldflesch aan en deed wat de man zeide. En
-die brandewijn deed goede uitwerking. Jacob loosde een diepen zucht,
-deed de oogen open en keek verwilderd rond. Toen hij echter Ben zag,
-die hem met tranen in de oogen aanstaarde, en zijn makkers, die rondom
-hem stonden, scheen hij te begrijpen, wat er met hem gebeurd was. Met
-behulp van Peter en Karel richtte hij zich op.
-
-"'t Was de vermoeienis," zeide hij flauw.
-
-"We moeten zien, dat we hem in een dier groote sleden krijgen, die
-hier telkens voorbijrijden," zeide Karel.
-
-Over 't algemeen is onze natie een hulpvaardig volk. Vooral vindt men
-onder de geringere burgerklasse een medelijden, dat inderdaad treffend
-is. Laat iemand op straat wat overkomen, terstond zijn er tien, twintig
-handen gereed, om hem bij te springen, al is ook de ongelukkige in
-lompen gewikkeld--en 't is aardig om te zien, hoe ieder volgaarne zich
-inspant, om toch maar te helpen of om raad te geven. Nauwelijks had
-Karel den wensch geuit, of reeds waren er drie sleden aangehouden,
-van welke een ledig en groot genoeg was, om ons zestal te bevatten:
-want zij wilden hun makker niet alleen laten--en, om u de waarheid te
-zeggen, "zij waren niet moede, behalve in hun beenen," en vonden 't
-dus niet onaardig, op zulk een gemakkelijke wijze in Leiden te komen.
-
-Zij lieten dus hun Spartaansch besluit, om Leiden op schaatsen te
-bereiken, varen, om een ander Spartaansch besluit uit te voeren, dat
-zij wel eenigszins hoog opvijzelden: "hun makker niet verlaten". Zij
-bedankten dus den dikken Leidenaar, die voor zijn brandewijn geen geld
-wilde aannemen, vriendelijk, en stapten in de slede, een kales, waarvan
-de wielen waren afgenomen en die op twee met ijzer beslagen balken
-was bevestigd. Zooals zij vernamen, had de voerman er eenige heeren
-en dames mee naar een buitenplaats gebracht en keerde hij ledig naar
-Leiden terug. Voor een gulden zou hij de knapen naar de stad brengen.
-
-"Hoe is 't nu, Jacob?" vroeg Benjamin, toen men eenige oogenblikken
-zat en de paarden in vollen draf waren.
-
-"O, veel beter," antwoordde deze met een paar oogen, zoo lodderig
-als van een kabeljauw, die op een warme stoof zijn testament maakt.
-
-"Je moet niet gaan slapen, Jacob," zei Frits. "'t Is te koud om in
-de open lucht te slapen. Je weet zelf zoo goed als ik, hoe gevaarlijk
-dat is."
-
-"Ik denk aan geen slapen," antwoordde Jacob op goedigen toon, en twee
-minuten later sliep hij als een os.
-
-Peter en Lodewijk moesten er om lachen.
-
-"We moeten wakker maken hem," zeide Ben, terwijl hij den dikkerd aan
-den arm schudde. "Jacob! Jacob!"
-
-Daar drie van de jongens Ben hielpen om Jacob wakker te schudden,
-begreep kapitein Peter, dat hij er zich mee bemoeien moest.
-
-"Laat hem slapen, jongens! Ben je mal, om hem zoo te schudden. Zóó
-snurkt men niet, als men doodvriest. Bedekt hem met iets
-warms. Koetsier," zeide hij, "geef den pijjakker eens waar je op zit,
-om dien jongeheer voor de kou te beschutten."
-
-Deze voldeed hieraan.
-
-Peter bedekte Jacob met den pijjakker.
-
-"Ziezoo," zeide hij, "laat hem nu maar slapen. Als hij wakker wordt,
-zal hij geheel en al beter zijn. Hoever zijn wij nog van Leiden?"
-
-"Een klein half uurtje," antwoordde de voerman.
-
-Toen zij Leiden's toren in 't gezicht kregen, werd Jacob wakker.
-
-"Hoe is 't nu, Jacob?" vroeg Ben.
-
-"O, ik ben weer beter, maar doodmoe," antwoordde hij.
-
-"Nu, dat zijn wij ook," zeide Frits openhartig. "Zoolang wij op
-schaatsen waren, voelden wij geen vermoeienis; maar nu wij gezeten
-hebben, voelen wij onze beenen."
-
-"Weet je een goed logement, niet te duur, koetsier?" vroeg Peter.
-
-"In "De Roode Leeuw," gaf de voerman ten antwoord. "Daar heeft men
-'t goed en ze halen je het vel niet over de ooren."
-
-"Kun je ons tot zoover brengen?"
-
-"Tot bijna voor de deur."
-
-"Goed zoo, dan zul je een fooi extra hebben."
-
-Het duurde niet lang, of de knapen stapten de slede uit en het hotel
-in, waar "De Roode Leeuw" uithing.
-
-De kastelein, een klein, dik mannetje, stond met zijn lange pijp in
-de deur van zijn logement en groette onze jonge reizigers beleefd,
-die zulk een grooten honger hadden, dat hun eerste vraag was:
-
-"Kastelein, heb je wat voor ons te eten?"
-
-"Om de heeren te dienen. Wat zullen de heeren gebruiken?"
-
-"Maak maar wat klaar," antwoordde Peter, die vrij wat in zijn schik
-was, dat zij heeren genoemd werden.
-
-"Mag ik dan den heeren maar verzoeken binnen te gaan," hernam de
-kastelein, terwijl hij de gelagkamer opendeed, waar de kachel lekker
-gloeiend stond.
-
-"Ik kan niet zeggen, dat de koetsier ons juist een fijn logement
-heeft aangewezen," zei Peter, toen de kastelein vertrokken was. "'t
-Lijkt hier wel zoo'n voermanslogies."
-
-"Wanneer wij gegeten hebben, kunnen wij hem betalen en een ander
-logement opzoeken," meende Lodewijk.
-
-"Laat ons maar hier blijven," zeide Jacob, die weinig lust gevoelde,
-om over de straatsteenen te gaan en een ander logement op te zoeken.
-
-"'t Is misschien een aardig avontuur op onzen tocht," zeide Frits.
-
-"'t Is juist niet altijd het aardigst, als men alles zoo tout-à-fait
-heeft."
-
-"Kom, laat ons dan de stemmen opnemen," zeide Peter. "Waarvoor stem
-jij, Lodewijk?"
-
-"Voor hier blijven."
-
-"Jacob Poot?"
-
-"Vóór, sterk vóór!"
-
-"Benjamin Dobbs?"
-
-"Buiten stemming."
-
-"Frits Verdam?"
-
-"Vóór!"
-
-"Karel Schimmel?"
-
-"Tegen."
-
-"En ik ben er vóór. Alzoo vier stemmen vóór, één tegen, één buiten
-stemming. Dus blijven we hier."
-
-"Uitmuntend," zei Frits. "Jammer echter, dat wij niet aan het
-spreekwoord gedacht hebben, hetwelk hier inderdaad te pas komt, dat
-men niet buiten den waard moet rekenen. Wij hebben buiten den waard
-gerekend en zullen dus eerst moeten wachten, of hij ons logeeren kan."
-
-Frits schelde.
-
-"Zeg eens, kastelein," zeide Peter. "Kunnen wij hier van nacht
-logeeren?"
-
-"Indien de heeren zich met drie bedden willen vergenoegen, dan heb
-ik een mooie kamer voor hen."
-
-Peter keek een weinig bedenkelijk en zeide:
-
-"Hoor eens, kastelein, op voorwaarde, dat we je kamer eerst eens zien
-en de bedden inspecteeren mogen."
-
-"Als de heeren eerst willen eten, dan zal mijn vrouw in dien tijd de
-bedden opmaken, antwoordde de kastelein.
-
-"Heel goed," antwoordde Peter.
-
-De kastelein vertrok met een buiging.
-
-"Daar heb je verstandig aan gedaan, Peter, dat je de conditie maaktet
-om eerst de kamer te zien en de bedden te inspecteeren," zeide Frits.
-
-"Wel zeker; al zijn we 't beter gewend, is 't niet onaardig om ons
-eens te behelpen. Maar zij moeten ons in geen smerige bedden stoppen,
-daar zou ik voor bedanken," antwoordde Peter.
-
-"En ik," hernam Frits. "Maar de waardin zal er nu wel op passen dat
-alles in orde is."
-
-Het eten was niet slecht, en de jongens deden den maaltijd
-eer aan. Koud rundvleesch, ham en warme karbonade met goede
-zandaardappelen, appelmoes en andijviesla deden zich goed smaken
-door ons zestal, dat sedert twee uren niets had genuttigd en hetwelk
-de koude lucht en de meer dan gewone inspanning geducht hongerig
-hadden gemaakt.
-
-Toen de maaltijd gedaan was, zeide Peter:
-
-"Nu ga ik dokter Broekman opzoeken.--Weet je ook, kastelein, waar
-die logeert?"
-
-"In "De Gouden Engel" op de Breestraat," antwoordde de kastelein. "Ik
-zal mijnheer iemand meegeven; anders mocht hij den weg niet vinden."
-
-"Dat is goed," antwoordde Peter. "Wie van jelui heeft lust, mij te
-vergezellen? Dan kunnen wij Leiden eens bij den avond zien."
-
-"Ik ga mee," zeide Ben. "Ik ben begeerig om te zien Leiden."
-
-"Ik blijf Jacob gezelschap houden," zeide Lodewijk.
-
-"En ik ben te lui, om nu over de straatsteenen te gaan loopen,"
-voegde Karel Schimmel er bij.
-
-"En jij, Frits?" vroeg Peter.
-
-"Wel, laat ons deelen. Drie blijven er thuis, dan gaan er drie naar
-dokter Broekman. Ik zal de derde wezen."
-
-"Zorgt dan, dat jelui ons met een kopje thee wacht," zeide
-Peter. "Schaatsenrijders zijn altijd dorstig, vooral wanneer zij zulk
-een goed middagmaal hebben genoten."
-
-"Willen de heeren niet eerst de kamer zien?" vroeg de kastelein.
-
-"Dat is waar ook," zeide Peter. "Wie gaat er mee op dien tocht?"
-
-Allen, behalve Jacob, vergezelden hem op de expeditie, die zeer wel
-ten genoegen van het vijftal afliep.
-
-Peter vertrok nu met Frits en Benjamin, onder het geleide van
-een kleinen jongen uit de herberg, die afschuwelijk plat Leidsch
-sprak en hem tot vervelens toe "menhair" noemde, maar hen toch
-goed terechtbracht. Zij vonden dokter Broekman niet in "De Gouden
-Engel". Hij was dien namiddag naar 's-Gravenhage vertrokken en zou
-eerst den volgenden dag tegen den middag terugkomen. Peter zei den
-kastelein, dat hij een brief voor den dokter zou bezorgen, dien de
-logementhouder hem beloofde, dezen terstond bij zijn aankomst ter hand
-te zullen stellen, wandelde met zijn makkers de Breestraat op en keerde
-daarna in "De Roode Leeuw" terug, waar Jacob een tukje zat te doen
-en de beide anderen hen met een lekker kopje thee zaten te wachten.
-
-Intusschen waren onze drie jongelieden niet meer de eenigen, die zich
-in de gelagkamer bevonden. Er waren twee mannen gekomen, blijkbaar
-voerlieden, hetgeen men bemerkte aan de lange zweepen, die tegen
-den schoorsteenmantel stonden. Peter kon niet zeggen, dat hij dit
-gezelschap heel pleizierig vond, en hij zag wel aan het gelaat van
-zijn makkers, dat zij er ook zoo over dachten. Frits Verdam, die
-bij een boekverkooper op de Breestraat een plaat gezien had, waarop
-eenige struikroovers bezig waren, een reisgezelschap uit te plunderen,
-fluisterde Peter in het oor: "Die eene kerel lijkt net op den roover,
-die op de Breestraat de arme dame het pistool op de borst zette." Karel
-Schimmel, die dat hoorde, keek angstig naar den hoek van den haard,
-waar de mannen half zaten te slapen. En inderdaad, een van de beide
-nieuw aangekomenen had wel iets in zich, om vrees te boezemen. Naar
-het scheen was hij de knecht van den andere, die een rond, vriendelijk
-gelaat had en dapper snurkte. Of hij echter werkelijk sliep, dan of hij
-zijn loerende oogen tusschenbeide op de welgekleede knapen wierp, durf
-ik niet verzekeren; wel, dat zijn verwilderd haar, zijn ongeschoren
-baard, zijn mager beenig gelaat, gevoegd bij zijn haveloozen pijjakker,
-zijn gelapte broek en smerige klompen, bijzonder geschikt waren, de
-vroolijke gesprekken der knapen te doen verstommen, zoodat zij op
-'t laatst bijna fluisterend spraken. Gelukkig dat beiden, na een
-drietal glazen jenever gedronken, een paar pijpen stinkende tabak
-gerookt en hun avondeten gebruikt te hebben, den kastelein bevalen,
-hun hun slaapplaats te wijzen, en met hem de gelagkamer verlieten.
-
-"Goddank, dat zij weg zijn!" riep Karel Schimmel uit, toen de deur
-achter hen dicht ging. "Als 't zoo laat niet was en wij hadden
-ons logies niet reeds betaald, dan zou ik er wel vóór zijn, om een
-ander logement op te zoeken. Die eene kerel is in staat, ons allen
-te vermoorden."
-
-"Ik zou je bedanken," zeide Jacob, die zijn laarzen sedert lang had
-uitgetrokken en een paar pantoffels aangeschoten, welke hij van de
-dochter van den kastelein geleend had. "Ik ben waarlijk reeds blij,
-dat ik niet verder dan van hier naar onze slaapkamer behoef te gaan,
-en er dan nu nog op uit te snijden, om een logement te zoeken! Ik ben
-zoo bang niet voor dien man. Hij is misschien niet zoo kwaad als hij
-er wel uitziet."
-
-"We moesten den kastelein, dunkt mij, maar zeggen, dat hij het
-avondeten op tafel zet," zeide Peter, "ofschoon ik er niet veel van
-gebruiken zal: want ik heb van middag copieus gegeten."
-
-"Ja, dat is goed," zeide Jacob. "Ik begin mooi slaap te krijgen en
-naar bed te verlangen."
-
-"Jij slaap te krijgen!" riep Frits lachend uit. "Je hebt den ganschen
-dag nog niets anders gedaan dan slapen. 't Is jammer, dat de tijd der
-toovernimfen over is; anders kon je naar de schoone slaapster in het
-bosch gaan en honderd jaren lang slapen."
-
-"En dan zou ik wel de prins willen zijn, die in het bosch jaagde,"
-zeide Frits.
-
-"Om onzen dikken vrind wakker te maken," schertste Lodewijk. "Waarlijk,
-daar zou niet veel eer aan te behalen zijn."
-
-"Neen, om de schoone prinses te doen ontwaken (want er moest natuurlijk
-een schoone prinses bij zijn) en dan met haar te trouwen."
-
-"Ei, ei, je bent ook niet mal!" riep Lodewijk lachend uit. "'t Is
-maar jammer, dat er op Broek geen andere prinsessen zijn dan Hilda
-en Truida."
-
-"Of Kato," voegde Peter er bij. "Maar daar komt de kastelein.--Wees
-zoo goed, ons avondeten klaar te zetten, hospes!" zeide hij tot dezen.
-
-Onder vroolijke gesprekken ging de avondmaaltijd voorbij, en, ofschoon
-Peter niet veel honger had, deed hij dien toch tamelijk eer aan.
-
-Onze knapen bleven, na het gebruik van het avondeten, niet lang
-meer zitten, maar lieten zich, zoodra zij gedaan hadden, naar hun
-slaapkamer brengen. Het was gansch geen vriendelijk vertrek, waar
-zij hun nachtverblijf zouden houden; een donker, smerig behangsel
-en een houten, lichtbruin geverfde vloer, terwijl de neteldoeksche
-gordijnen voor de ramen met kleine vuile ruiten, die het licht der
-maan, welke zoo pas opgekomen was, doorlieten, het kille van het
-vertrek nog kouder maakten. Maar onze jongens hadden te veel slaap,
-om zich lang uit te kleeden. Het duurde dan ook niet lang, of Peter,
-die 't laatst was opgebleven, deed den domper op zijn kaars en stapte
-in zijn bed, waarin Jacob zich reeds lekker in de dekens gerold had.
-
-"Nacht, jongens!" zeide de kapitein, toen hij in het bed stapte.
-
-Slechts vier stemmen antwoordden--Jacob alleen gaf antwoord door
-zijn snurken.
-
-"Hoort eens, jongens," zeide Karel, die naast Lodewijk lag. "Je moogt
-wel niet snurken: want Lodewijk ligt al te beven van angst."
-
-"Ja, van kou; ik zou niet weten, waarvoor ik bang zou zijn."
-
-"Hou je nu maar goed, man," antwoordde Karel. "Ik weet toch, dat je
-benauwd bent voor dien roover van hedenavond."
-
-"Nu, dan ben ik maar bang. Gelukkig, dat ik achteraan lig. Als hij
-ons dan vermoorden wil, pakt hij jou 't eerst bij de keel."
-
-"Slapen gaan, jongens!" riep de kapitein. "We moeten morgen niet te
-laat op. Goeden nacht dus!"
-
-Om de waarheid te zeggen, had Lodewijk te veel slaap om te disputeeren,
-en het duurde niet veel langer dan vijf minuten, of men hoorde uit
-de drie ledikanten slechts het gesnurk der schaatsenrijders.
-
-
-
-'t Was in 't holst van den nacht. De maan scheen helder op den vloer
-der kamer, op welken zich iets zwarts bewoog, dat de jongens geen van
-allen vermoedden of zagen. Slapende jongens denken aan geen gevaar. De
-dikke Jacob had zich intusschen al eens in zijn slaap omgedraaid en,
-ongelukkig voor Peter, juist naar die zijde, dat hij zich als een
-Egyptische mummie in de dekens rolde en daardoor het deel, dat zijn
-buurman in het dek toekwam, met zich nam. De mummie lag nu warm en
-wel naast den bevrozen Peter, die natuurlijk in zijn droom uit al
-zijn macht over de ontoegankelijkste ijsbergen schaatsen reed.
-
-Zooals ik u reeds zeide, bewoog zich in het maanlicht een zwarte
-gedaante over den bruin geverfden vloer--langzaam en behoedzaam als
-een tijger, die zijn prooi beloert.
-
-"Word toch wakker, Lodewijk! Dat is de roover, voor wien Karel zeide,
-dat gij bang waart."
-
-Maar Lodewijk wordt niet wakker.--Hij snurkte, alsof hij nooit wakker
-moest worden.
-
-Hoort Karel 't dan niet? Die dappere Karel, die zooveel pleizier had,
-omdat hij meende, dat Lodewijk bang was?
-
-Wel neen, Karel droomt van de hardrijderij.
-
-En Jacob, Frits of Ben?
-
-Ook zij hooren 't niet. Ook zij droomen van den wedloop. Kato
-zingt in hun droomen en Truida is boos, omdat Griete zal meedoen,
-en Ben hoort het groote orgel weer spelen, waarop de dikke Jacob als
-organist ageert.
-
-En toch beweegt de zwarte gedaante zich, langzaam, behoedzaam, al
-nader en nader.
-
-Peter! Kapitein Peter! Word toch wakker! Daar is gevaar!
-
-
-
-Peter hoort ons roepen niet. Maar in zijn droom glijdt hij eensklaps
-van een ijsberg van ruim duizend voet in de diepte en wordt wakker
-door den schok.
-
-Brr! Wat is dat koud! Hij trekt met wanhopige kracht aan de
-mummie. Tevergeefs. Laken, katoenen sprei en wollen deken, alles is
-als een muur om Jacob's dikke en slapende gestalte gewikkeld. Peter
-werpt een treurigen blik naar het door het maanlicht beschenen venster,
-daarna op den vloer.
-
-"Heldere maneschijn!" denkt hij. "We zullen morgen mooi weer hebben
-op onze reis naar Den Haag. Sakkerloot! Wat is dat?"
-
-Hij ziet de zwarte gedaante, die zich over den vloer beweegt of
-liever nu stilhoudt; want toen Peter zich bewoog, was zij onbeweeglijk
-gebleven.
-
-Peter houdt zich doodstil en staart onafgewend op de donkere gedaante.
-
-Weder beweegt zij zich, al nader en nader. Door het maanlicht kan de
-knaap haar duidelijk onderscheiden.
-
-'t Is een man, die op handen en voeten kruipt.
-
-De kapitein wil een luid geschreeuw aanheffen; doch hij bedenkt
-zich bijtijds.
-
-De kerel heeft een blinkend mes in de hand. Dat is een leelijke zaak;
-maar onze Peter verliest zijn tegenwoordigheid van geest niet. Als
-de vent zijn hoofd naar hen wendt, heeft hij de oogen gesloten; maar
-zoodra hij gevoelt, dat hij niet bespied wordt, is zijn blik scherp
-op elke beweging van den kruipende gericht.
-
-Al dichter en dichter kruipt de dief naar het bed, waarop Jacob
-en Peter liggen. Op 't oogenblik is zijn rug naar den kapitein
-gericht. Zachtkens legt hij het mes op den vloer neder en strekt zijn
-arm behoedzaam uit, om de kleeren van den stoel bij Peter's bed naar
-zich toe te trekken.
-
-Nu is 't Peter's tijd. Terwijl hij zijn adem inhoudt, springt hij
-op en werpt zich op den rug des roovers, die door het onverwachte
-en geweldige van den sprong voorover op den grond neervalt. Te
-gelijk grijpt hij het mes van den kerel, dat op den grond ligt. De
-roover begint tegen te worstelen, maar als een reus zit Peter op de
-neergestreken gedaante.
-
-"Als je 't hart hebt, je te bewegen, schoelje," zegt de dappere
-jongen met zulk een barsche stem, als hij maar kon voortbrengen,
-"als je je maar een duim verroert, dan steek ik je het mes in je
-nek. Jongens! jongens! wordt wakker!" riep hij, terwijl hij den
-zwarten kop naar de laagte drukte en het scherpe mes vlak op den nek
-des roovers hield. "Helpt een handje! Ik heb den kerel! Ik heb hem!"
-
-De mummie keerde zich om, maar gaf geen ander teeken van leven.
-
-"Op, jongens!" schreeuwde Peter nog luider, terwijl hij
-den kerel, die begon te worstelen, met zijn mes in den nek
-prikte. "Lodewijk! Karel! Frits! Ben! Jacob! Ben je dan allemaal dood?"
-
-Dood! dat waren ze in 't geheel niet.
-
-Frits en Ben waren reeds uit het bed gesprongen.
-
-"Wat schreeuw je toch?" riep Frits. "'t Is of het huis in brand staat."
-
-"Wel, ik heb hier een roover gevangen," zeide Peter koel. "Lig stil,
-schurk of het mes gaat er in!--Jelui ledikant is met een touw aan
-elkander gebonden. Haalt dat er af, om den schelm te binden. Doe 't
-maar op je dooie gemak; want als de kerel het hart heeft, om spul te
-maken, is hij een kind des doods."
-
-Dat Peter zoo kordaat was, kwam, omdat hij gevoelde, dat hij, met dat
-mes in zijn hand, voor den kerel op 't oogenblik meer dan duizend pond
-woog. De vent bromde en vloekte, maar bewegen durfde hij zich niet.
-
-Op dit oogenblik sprong ook Lodewijk uit zijn bed. Hij had een ferm
-knipmes in zijn broekzak. Dat kon nu goeden dienst doen. In een
-oogenblik waren de gordijnen van het ledikant omhooggeslagen en zagen
-zij het touw, dat van voren en van achteren aangeknoopt was.
-
-"Ik zal het lossnijden," zeide Lodewijk, terwijl hij met zijn mes
-den knoop doorzaagde. "Hou hem maar goed vast, Peter!"
-
-"Heb daar maar geen vrees voor," antwoordde de kapitein, terwijl hij
-den roover de punt van zijn mes liet voelen.
-
-'t Duurde niet lang, of het touw was van het ledikant; het was een
-mooi lang eind.
-
-"Nu, jongens!" beval de kapitein. "Licht nu de armen van den schurk
-op. Bindt hem de handen op den rug. Zoo is 't goed--neemt mij niet
-kwalijk, dat ik zoo in den weg zit--bindt hem maar stevig vast."
-
-"Ja, en zijn voeten ook, den schurk!" riep Lodewijk. En zij bonden
-hem zóó stevig, dat de kerel van pijn kermde.
-
-Thans veranderde de man van toon.
-
-"Ach, lieve jongeheeren!" smeekte hij. "Spaart toch een armen,
-kranken man, die een slaapwandelaar is."
-
-"Zoo, mannetje!" zei Frits, die nog bezig was om een knoop in het
-koord aan 's mans been te leggen. "Was je in slaap? Nu, dan zullen
-we je wel wakker maken."
-
-De kerel mompelde een paar voermansvloeken; toen riep hij
-op deerniswekkenden toon: "Maakt die touwen los, lieve, beste
-jongeheeren! Ik heb vijf kleine kinderen thuis. Bij al wat heilig is,
-ik zal u ieder vier rijksdaalders geven, als gij mij loslaat!
-
-"Niet onaardig," riep Peter lachend uit.
-
-Toen begon de kerel te dreigen en wel zóó verschrikkelijk, dat Lodewijk
-er bang voor werd. Maar zij bleven hem toch maar dapper binden.
-
-"Houd je mond, mijnheer de huisbreker," zeide Frits. "Bedenk, dat
-je mes vlak op je hals is. Als je onzen kapitein zenuwachtig maakt,
-dan sta ik er niet voor in, wat er gebeuren kan."
-
-'t Scheen, dat de roover die bedreiging ter harte nam; hij zweeg
-ten minste.
-
-Juist op het oogenblik bewoog zich de mummie in Peter's bed en richtte
-hij zich op. "Wat voer jelui toch uit?" riep hij, zonder zijn oogen
-open te doen.
-
-"Wat we uitvoeren, Jacob?" zeide Lodewijk. "Kom, sta op! Daar is werk
-voor je aan den winkel. Ga jij eens op den rug van dien kerel zitten,
-totdat wij onze kleederen hebben aangeschoten; want we bevriezen
-bijna van de kou."
-
-"Welken kerel?"
-
-"Leve Poot!" riepen de jongens, toen de dikzak met dek en al het bed
-uitkwam, met een enkelen blik de zaken overzag en nu met zijn zware
-lichaam naast Peter op den rug des roovers ging zitten.
-
-Nu eerst kermde de kerel terdeeg.
-
-"Ziezoo, blijf jij nu maar op hem zitten," zei Peter.
-
-"Je zult toch geen kou vatten met je dekens om 't lijf. Intusschen zal
-ik mij aankleeden en met Frits naar de politie gaan. Sakkerloot! Ik
-ben zoo koud als een visch geworden."
-
-"Waar is Karel?" vroeg Lodewijk, die zijn slaapkameraad miste.
-
-Allen keken rond--Karel was nergens te zien.
-
-"Lieve Hemel!" riep Frits. "Misschien heeft hij den kerel op de trap
-ontmoet en heeft die hem doodgestoken. Er was toch geen bloed aan
-het mes?"
-
-"Hij lag nog in het bed, toen ik er uitsprong," zei Lodewijk.
-
-"Maak je maar niet ongerust over hem," zeide Peter lachend, terwijl
-hij zijn dikken pijjakker vastknoopte. "Kijk maar eens onder de
-ledikanten."
-
-Dit deden zij; maar Karel was er niet.
-
-Op dit oogenblik hoorden zij een beweging op de trap en een paar
-seconden later kwam de waard, gewapend met een zwaren ijzeren
-pook. Zijn dochter volgde hem met de blaaspijp in de eene hand en
-een brandende kaars in de andere, en daarachter--zoo bleek als een
-doode en met het angstigste gezicht, dat men zich kan voorstellen--de
-dappere Karel in zijn hemd.
-
-"Daar is de kerel al, kastelein," zeide Peter, terwijl hij op den
-gevangene wees.
-
-De kastelein hief zijn pook op om den kerel een slag te geven en
-de dochter gaf een gil, terwijl Jacob, vlugger dan men van hem zou
-verwacht hebben, van den rug des gevangenen afsprong.
-
-"Sla hem niet," zeide Peter. "Hij is aan handen en voeten
-gebonden. Laat ons hem op den rug draaien en zien, wie hij is."
-
-Karel stapte moedig voorwaarts en zeide op dapperen toon:
-
-"Ja, laat ons hem omdraaien, of 't hem bevalt of niet. Gelukkig,
-dat we hem gesnapt hebben."
-
-"Hé, ben jij daar, Karel? zeide Lodewijk spottend. "Waar heb je toch
-gezeten, man?"
-
-"Waar ik gezeten heb? Wel, ik heb alarm gemaakt. Mij dunkt, dat dit
-noodig was."
-
-De jongens keken elkander glimlachend aan; maar zij waren veel te
-blij en te opgewonden, om Karel verder te plagen. Karel was moedig
-genoeg. Hij hielp dapper mede aan het omkeeren van den kerel.
-
-Toen de roover nu met het gezicht naar boven lag, nam Lodewijk de
-kaars uit de hand van het meisje en hield die vlak bij het gelaat
-van den gevangene.
-
-"Nu moet ik hem toch eens goed zien," zeide hij. "Inderdaad--het is
-de kerel, die van avond achter de kachel zat."
-
-"Waarlijk, hij is het!" zeide Peter.
-
-Intusschen was de dochter van den kastelein de kamer uitgegaan. Zij
-kwam een oogenblik daarna weer binnen met een paar smerige klompen.
-
-"Kijk, vader," zeide zij, "'t is dezelfde kerel, die van avond zoo
-laat met zijn baas hier kwam. 't Was heel onvoorzichtig van ons,
-dat wij hem zoo dicht bij de jongeheeren lieten slapen."
-
-"Die schurk!" kreet de kastelein. "Hij heeft mijn logement in
-miskrediet gebracht. Ik ga terstond om de politie."
-
-In minder dan een kwartier waren er twee stevige nachtwachts in de
-kamer. Nadat zij den kastelein gezegd hadden, dat hij den volgenden
-morgen vroeg met de zes jongeheeren op het politiebureau moest komen,
-om hun getuigenis af te leggen, gingen zij met den gevangene heen.
-
-Nu zoudt gij misschien denken, dat de kapitein en zijn volk het
-verdere van dien nacht geen oog meer loken. Dat weten mijn lezers wel
-beter. Het kruid is nog niet uitgevonden, dat een jongen, die een goed
-geweten heeft en vermoeid is, kan beletten om te slapen. 't Duurde niet
-lang of zij waren allen te bed (dat van Lodewijk en Karel, waarvan
-de onderlagen waren losgeschoten, lag op den vloer), hadden roover,
-politie, wedloop, alles vergeten en sliepen allen behalve Karel,
-die 't maar niet kon vergeten, dat hij zich zoo laf had aangesteld,
-doch ook spoedig het voorbeeld der anderen volgde en in slaap viel.
-
-
-
-
-
-
-
-
-ACHTSTE HOOFDSTUK.
-
-WAT ONZE KNAPEN AL ZOO IN LEIDEN ZAGEN.
-
-
-'t Was tien uren, vóór ons zestal den volgenden morgen beneden kwam.
-
-"Laat hen maar slapen," had de dochter van den kastelein tegen haar
-vader gezegd. "De moedige jongens mogen hun rust wel hebben na de
-vermoeienissen van gisteren en den schrik van dezen nacht. En als
-zij beneden komen, zullen zij een goed ontbijt hebben--daar kunnen
-zij op rekenen. En wat warms ook."
-
-Nu, zij hadden dan ook ruimschoots gebruik van de gelegenheid tot
-slapen gemaakt en gevoelden zich recht verfrischt, ja, zelfs Jacob
-Poot kon niet begrijpen, dat hij den vorigen dag een tocht van Broek
-naar Leiden had gemaakt. Over 't geheel konden de jongens zich niet
-voorstellen, dat zij gisterochtend nog in het hartje van Noord-Holland
-waren; er was dan ook zóóveel gebeurd, dat het hun was, als waren
-zij reeds een week op reis geweest.
-
-"Goeden morgen, heeren!" zeide de kastelein, toen zij beneden
-kwamen. "Nu, dat noem ik een gat in den dag slapen. Maar
-'t is de schuld van mijn Betje. Zij wilde niet, dat Gerrit u
-riep. Intusschen--gaat nu maar spoedig aan het ontbijt, en, als gij
-daarmede klaar zijt, dan gaan we naar het politiebureau: want het is
-hoog tijd, om ons daar heen te begeven.--'t Is waarachtig een mooi
-geval voor een fatsoenlijk logement. Gij zult echter wel naar waarheid
-getuigen, heeren, dat gij goed logies en fatsoenlijke behandeling in
-"De Roode Leeuw" gehad hebt, niet waar?"
-
-"Dat zullen wij," antwoordde Karel. "En tevens, welk aangenaam
-gezelschap wij er gevonden hebben ook. Jammer dat het op zoo'n
-ongelegen uur kwam."
-
-De kastelein keek mooi beteuterd toen Karel dat zoo zeide; maar zijn
-dochter nam het woord en voegde er tamelijk scherp bij:
-
-"Zoo aangenaam was 't u toch niet, jongeheer, als ik bedenk, hoe hard
-en in welk toilet gij zijt weggeloopen."
-
-Karel Schimmel beet zich op de lippen en mompelde iets, dat niemand
-verstond; maar hij wachtte zich wel, een woord meer te zeggen.
-
-Na het ontbijt wandelden onze zes jongens, in gezelschap van den
-kastelein en zijn dochter, naar het bureau van politie. De getuigenis
-van den kastelein kwam hierop neer, dat een roover, zooals er den
-afgeloopen nacht een in de kamer zijner loges was binnengedrongen,
-een ongehoorde zaak voor "De Roode Leeuw" was; dat zijn logement een
-respectabel logement was, zoo goed als een in Leiden tusschen zijn
-vier muren stond. Ieder van de jongens legde op zijn beurt getuigenis
-af en bevestigde, dat de kerel, die werd voorgebracht, dezelfde was,
-die dezen nacht op hun kamer was geweest. Toen Karel hem zag, sloeg hij
-de handen ineen, dat de man niet grooter was dan een gewoon mensch;
-want in zijn getuigenis had hij een reus van hem gemaakt met breede
-schouders en een vreeselijk uitzicht. Jacob had getuigd, dat hij wakker
-geworden was door het stampen, dat de roover deed op den houten vloer;
-maar Peter en de overigen hadden medegedeeld, dat de kerel geen vin
-verroerd had van het oogenblik, dat hij de punt van het mes op zijn
-nek voelde, totdat men hem had omgekeerd, om hem van aangezicht tot
-aangezicht te zien. De dochter van den kastelein dwong den commissaris
-een glimlach en een der knapen een blos af, toen zij verklaarde,
-dat, als die knappe jongeheer er niet geweest was, zij allen in hun
-bed zouden zijn vermoord geworden: "want de schurk had een groot,
-blinkend mes, bijna zoo lang als uwés arm," en zij geloofde, dat "de
-knappe jongeheer werk genoeg had gehad om hem onder zich te krijgen;
-maar de jongeheer was te zedig, om er zich op te beroemen."
-
-Nadat er proces-verbaal was opgemaakt van het getuigenverhoor en dit
-door den kastelein en zijn dochter, als de eenige mondige getuigen,
-was onderteekend, werd de schuldige weggebracht en konden onze knapen
-naar huis gaan.
-
-"De schurk!" riep Karel. "'t Is ferm, dat hij naar de gevangenis
-gaat. Ze moeten hem maar een jaar of wat geven. Als ik in jouw plaats
-geweest was, Peter, zou ik den kerel het mes door den hals gejaagd
-hebben."
-
-"Gelukkig, dat hij dan niet in jouw handen gevallen is, Karel,"
-antwoordde Peter kalm. "Die arme kerel zal er waarschijnlijk slecht
-genoeg afkomen, daar 't mij uit het verhoor is gebleken, dat hij al
-vroeger in handen der justitie is geweest, en de omstandigheid, dat
-hij van nacht een mes bij zich gehad heeft, nogal verzwarend schijnt
-te wezen."
-
-"Arme kerel!" mompelde Karel luid genoeg, om door Peter verstaan te
-worden. "Je praat er warempel over alsof 't je broer was."
-
-"Is hij dan mijn broer niet?" vroeg Peter. "Hij is 't net zoo
-goed van jou als van mij. En kun jij zeggen wat wij onder gelijke
-omstandigheden zouden gedaan hebben? Schier van onze geboorte af aan,
-hebben onze ouders ons van het kwade teruggehouden. Was die man in
-een goed huisgezin en door zorgvuldige ouders opgevoed, wie weet,
-welk een braaf mensch er van hem geworden was."
-
-"Dat is nobel van je gesproken, Piet," zeide Frits Verdam, terwijl
-hij hem de hand drukte. "Maar Karel heeft het zoo kwaad niet gemeend."
-
-"Ik was hardvochtig," zeide Karel, terwijl hij Peter de hand
-reikte. "Je bent beter dan ik, Piet!"
-
-"Kom, laat ons daar maar niet over twisten. Waar zullen we 't eerst
-heengaan? Laat Ben dat nu eens beslissen."
-
-"Naar het Egyptian museum," antwoordde deze.
-
-"Dat is op de Breestraat," zeide Peter. "Dan gaan wij de ruïne over."
-
-"De ruïne? Wat is dat?" vroeg Ben, die niets anders dacht, dan dat
-hij een steenklomp zou zien, zooals bijvoorbeeld de ruïne van het
-huis te Brederode.
-
-"Daar heb je haar reeds," zeide Jacob, toen zij een prachtig met
-boomen beplant en tot wandelplaats ingericht plein overgingen.
-
-"Maar dat in 't geheel niet doet gelijken op een ruïne," zeide Ben
-met een gezicht, als meende hij, dat zijn neef hem voor den gek hield.
-
-"En toch is de naam zeer juist. Want hier en aan den overkant der
-gracht, stonden, in den morgen van den 12den Januari 1807, tal van
-huizen die alle in een enkel oogenblik tot puin vielen," antwoordde
-Peter. "Papa was toen juist in Leiden en hij heeft het mij dikwijls
-verteld."
-
-"Hé, dan moest je 't ook eens vertellen," zeiden de andere
-jongens. "Dat zou aardig wezen, net dat we op de plaats zelf zijn."
-
-"Met veel genoegen," hervatte Peter. "Weet dan, dat hier, evenals
-op het andere gedeelte van het Rapenburg tal van aanzienlijke huizen
-stonden met geringere buurten er achter."
-
-"Daar kunnen er nogal wat gestaan hebben," merkte Frits op. "'t Is
-hier een ruimte."
-
-"Zoo wat van driehonderd, en de ledige oppervlakte is ver over de vijf
-bunders groot," hernam Peter. "Nu was er, door welke onvoorzichtigheid
-weet ik niet, een schip met veertig duizend pond buskruit op den morgen
-van den 12den Januari door de stad gekomen en hier op het fraaiste
-gedeelte blijven liggen--ook al een ongehoorde zaak. Eensklaps--door
-welke oorzaak weet natuurlijk niemand--barst het schip met een
-donderenden slag uiteen en storten door de plotselinge uitzetting
-der lucht, drie honderd huizen in puin."
-
-"Vreeselijk!" riep Ben uit.
-
-"Ja, wèl vreeselijk. In geheel Leiden zelf bleef er geen glas heel,
-en 't was zelfs zóó erg, dat men uit Den Haag en andere plaatsen
-brood moest aanvoeren, omdat de Leidsche bakkers niet konden bakken,
-daar al hun meel vol glas zat. De slag deed in 's-Gravenhage en Gouda
-de glazen dreunen en de deuren openspringen en werd zelfs te Arnhem
-gehoord. Maar ook hier toonde zich de Nederlandsche weldadigheid weder
-schitterend: meer dan een millioen guldens werd er ingezameld tot
-leniging van de ramp. En wat ik niet mag verzwijgen, Ben, en wat je
-zeker machtig veel pleizier zal doen als je 't hoort: in Engeland,
-dat te dien tijde met ons in zekeren zin in oorlog was, werd een
-collecte voor Leiden gedaan, die vrij wat opbracht."
-
-Ben's gelaat blonk van genoegen over de lofspraak, die Peter aan zijn
-volk bracht; want onder de deugden der Engelsche natie is er een, die
-zij somtijds zóó ver drijft, dat het een ondeugd wordt: nationaliteit.
-
-"En heeft je papa je geen bijzonderheden van die ramp verteld?" vroeg
-Frits.
-
-"O ja, en ik wil er je wel een paar van meedeelen, die ik nog onthouden
-heb, als ik de namen nog maar weet," antwoordde Peter. "Zekere
-mijnheer Van Staveren, bij wien papa dikwijls aan huis kwam, zat in
-zijn woonvertrek te schrijven, terwijl zijn vrouw met haar eenig
-kindje bij hem in de kamer was. Eensklaps ziet papa's vriend een
-licht, sneller dan dat van den bliksem, en op hetzelfde oogenblik
-is hij met al zijn huisgenooten onder het puin bedolven. Vreeselijk
-gekwetst worden zij er onder vandaan gehaald; doch het arme kind
-is verpletterd. Dominee Broes, bij wien papa op de catechisatie
-ging, en diens echtgenoote werden ook onder de puinhoopen van hun
-huis begraven: zij werden gered, maar hun dienstboden verloren het
-leven. Gelukkig, dat de departementale school juist uit was; anders
-had een menigte schoolkinderen het aantal slachtoffers aanzienlijk
-vermeerderd. Toch waren er nog een twaalftal die tusschen de morgen- en
-middagschooltijden overbleven, onder wie een zoontje van professor Van
-der Palm. Al die twaalf kinderen, benevens twee van den onderwijzer
-zelf, werden levenloos onder het puin vandaan gehaald. Onder de
-vreeselijke gevallen, welke papa zich nog herinnert, is ook dat van
-een gezelschap van veertien personen, dien morgen met een pleizierjacht
-uit Den Haag gekomen. Zij zaten juist aan een vroolijken maaltijd bij
-den heer Struick, toen eensklaps het huis boven hun hoofden instortte
-en ze allen in een oogenblik een prooi des doods werden. Gelukkig was
-de vacantie der academie nog niet uit en werd er geen student gemist:
-twee professoren echter, de heeren Luzac en Kluit, lieten bij het
-ongeval hun leven."
-
-"Vreeselijk!" riepen Ben en Frits uit. "En hoeveel menschen kwamen
-er wel bij om?"
-
-"Honderd en vijftig, en ongeveer twee duizend werden er gekwetst. Maar
-daar zijn wij aan het museum van oudheden."
-
-Welke groote oogen zetten zij op bij het zien van die verzameling
-van mummies, van welke sommige wel drie duizend jaren oud waren!
-
-"Zonderling denkbeeld!" riep Frits uit. "Die menschen hebben vóór
-drie duizend jaren door Thebe's straten gewandeld, hebben gesproken,
-gedacht, bemind en gehaat...."
-
-"En hun gelijken onderdrukt, die voor hen in 't stof bogen...." voegde
-Peter er bij.
-
-"En ze hebben thans geen macht, om een vlieg weg te jagen, die over
-hun neus loopt," zeide Lodewijk.
-
-Behalve de mummies der volwassenen, zagen zij er van kinderen, katten,
-ibissen en andere dieren. Ook de mummie van de dochter van Koningin
-Cleopatra in haar groote kist. Verder allerlei huishoudelijke zaken,
-kleederen, sieraden, wapenen, muziek-instrumenten, kortom, allerlei
-dingen, die hun een klaar denkbeeld gaven van de zeden en gebruiken
-der oude Egyptenaren. Ook bezagen zij er verschillende overblijfselen
-van het oude Rome en Griekenland; ook enkele, die niet ver van Den
-Haag zijn opgedolven op Arentsburch, waar de Romeinen een legerplaats
-hebben gehad; daarna nog de afgietsels in gips van de schoonste
-voortbrengselen der Grieksche en Romeinsche beeldhouwkunst.
-
-Van het museum van oudheden begaven zij zich naar dat van natuurlijke
-historie, waar zij zich vermaakten met het zien van de opgezette dieren
-en geraamten, der delfstoffen en fossiliën of overblijfselen uit de
-voorwereld. Daarna bezagen zij den plantentuin, waar zij gewassen uit
-alle oorden der wereld vonden, maar zich 't meest voelden aangetrokken
-door een boom, dien men zeide, dat Boerhaave zelf had geplant.
-
-"Is dat die zelfde Boerhaave, die zoo'n groot dokter was?" vroeg Ben.
-
-"Dezelfde," antwoordde Peter. "Hij had zulk een Europeesche
-beroemdheid, dat er eens een brief uit China kwam met het adres:
-aan Hermanus Boerhaave in Europa."
-
-"En kwam die terecht?"
-
-"Wel zeker. En wat het mooiste van alles was: uit alle oorden kwamen
-rijken en aanzienlijken hem als arts raadplegen; maar zij moesten
-steeds wachten, tot hij zijn armen-praktijk had bediend: want, zeide
-hij, dat zijn mijn beste klanten, omdat God voor hen betaalt."
-
-Daar 't in het kortst van de dagen was en zij dus niet veel tijd te
-verliezen hadden, indien zij nog dien avond in Den Haag wilden zijn,
-begrepen zij, dat zij hun verder bezichtigen van Leiden tot nog twee
-zaken moesten beperken: het Stadhuis en "Den Burcht".
-
-Het eerste, op de Breestraat staande en vooral beroemd door den tijd
-van het beleg, is een statig gebouw, uit Bentheimer steen opgetrokken,
-met een hooge steenen trap van twintig treden aan elke zijde, en
-bevatte, behalve de beroemde schilderij van den vermaarden Lucas
-van Leyden, voor welke Keizer Rudolf II eens zooveel dukaten heeft
-geboden als er noodig waren om haar te bedekken, nog een van den
-hongersnood gedurende het beleg, en een andere, waar Van der Werf
-wordt voorgesteld op het oogenblik, dat hij zijn heldhaftige taal tot
-de Leidsche burgerij richt. Ook bezagen zij daar met belangstelling
-overblijfselen van het beleg: den pot van Schaak, twee opgezette
-duiven, die als briefposten hebben gediend, het zwaard van Van der
-Does, alsook verschillende noodmunten, gedurende de belegering
-geslagen, zaken die thans meerendeels naar het Stedelijk Museum
-zijn verhuisd.
-
-Na alles bezichtigd te hebben en een oogenblik te hebben stilgestaan
-bij de schilderij, voorstellende een moeder, die aan de pest sterft,
-begaven zij zich naar "Den Burcht", destijds een logement.
-
-"Wij zullen hier koffie drinken," zeide Peter.
-
-"En wat eten ook," zeide Jacob. "Want van al dat ronddrentelen heb
-ik mooi honger gekregen."
-
-"Mij is 't goed," antwoordde Peter. "Alleen geef ik je in bedenking,
-of we ons maal niet zullen bederven, daar ze ons in "De Roode Leeuw"
-met het middagmaal wachten."
-
-"Nu, een broodje met ossenvleesch zal ons maal niet bederven," zeide
-Karel, die ook zijn maag geducht voelde jeuken.
-
-"Je hebt gelijk," hernam Peter, en dit zeggende, stapte hij met zijn
-makkers het hek van het zich aan den voet van "Den Burcht" bevindende
-logement in.
-
-Hoe ferm onze jongens ook tegen de kou konden praten--het rondwandelen
-door de kille zalen der museums had hen koud gemaakt, en, al waren
-zij in de trekkassen van den plantentuin een weinig bekomen, zij waren
-weer door en door koud geworden bij het bezoek op het Stadhuis. Recht
-aangenaam was hun dus de ferm gestookte kachel in het logement
-"Den Burcht", en met volle teugen genoten zij de dampende koffie,
-die hen, in vereeniging met de broodjes met vleesch, geheel en al
-restaureerde. Intusschen hadden zij 't gezicht op "Den Burcht".
-
-"'t Schijnt te zijn een oud gebouw, die burcht," zeide Ben.
-
-"Dat zou ik meenen," antwoordde Lodewijk. "Hij moet nog uit den
-tijd der Romeinen zijn, die hem gebouwd hebben, zooals zij 't andere
-dergelijke gebouwen deden, om het volk des lands van uit die burchten
-te onderdrukken. Tevens heeft hij nog een historische waarde: want
-het was op hem, dat Gravin Ada, de dochter van Dirk VII en Aleid van
-Cleef, belegerd is geworden."
-
-"Dat was tijdens de Hoeksche en Kabeljauwsche twisten, niet
-waar?" zeide Ben.
-
-"Wel neen, mijn Engelsche vriend," zeide Lodewijk lachend. "Nu heb je
-'t heel en al mis. Onze gravin Ada leefde evenmin tijdens de Hoeksche
-en Kabeljauwsche twisten als jelui Koningin Elisabeth tijdens den
-twist tusschen de Roode en Witte Roos. Gravin Ada werd hier in 1203
-belegerd en de Hoeksche en Kabeljauwsche twisten begonnen in 1349."
-
-"En duurden tot 1493; dus bijna honderd en vijftig jaren," voegde
-Frits er bij, die ook eens zijn historische kennis wilde laten
-luchten. Daar ik vertrouw, dat mijn lezeressen en lezers wel wat op
-de hoogte zijn der geschiedenis van ons vaderland, zal ik hun het
-verhaal niet mededeelen, dat Lodewijk aan Ben deed van de korte,
-maar rampspoedige regeering der ongelukkige gravin.
-
-Toen onze knapen genoegzaam gerestaureerd waren, beklommen zij de
-acht en zestig treden, langs welke men aan den zes ellen hoogen muur
-komt. Daarop traden zij door de met gebeeldhouwde wapens voorziene
-poort binnen en bestegen de hoogte, die langs den met zes en dertig
-kanteelen bezetten muur loopt, en van waar zij een uitlokkend gezicht
-over de stad Leiden hadden. Daarna bezagen zij den put, waarin door
-een machine het water werd gepompt, hetwelk door onderaardsche pijpen
-werd geleid naar de in 1691 gebouwde fontein op de Vischmarkt, die
-alle Zaterdagen springt.
-
-"Van dezen put wordt nog een aardige bijzonderheid verteld, die
-gedurende het beleg in 1203 plaats had," zeide Lodewijk. "Toen
-genoegzaam alle leeftocht was uitgeput, ving een der soldaten in dien
-put een levenden visch, dien men den belegeraars toewierp, opdat zij
-mochten denken, dat de belegerden nog toevloed van buiten hadden en
-dan het beleg zouden opbreken. Maar 't hielp hun niet; een paar dagen
-later moesten zij zich toch overgeven."
-
-"Er zijn allerlei dwaze vertelsels van dezen put," merkte Frits aan,
-"die echter geen van alle den minsten schijn van waarheid hebben. Zoo
-heb ik mij onder andere eens laten verhalen, dat deze put met een
-onderaardsche gang in verband stond, die tot Katwijk doorliep."
-
-"Als dat was waar," zeide Ben, "Gravin Ada zou zich niet gevangen
-hebben laten nemen, zooals zij deed."
-
-"Natuurlijk niet," hernam Frits.
-
-Nadat zij "Den Burcht" genoegzaam bezien en hun vertering betaald
-hadden, wandelden zij naar "De Roode Leeuw" terug, waar zij, na het
-door de dochter van den kastelein lekker gereedgemaakte diner, nog een
-uurtje uitrustten en met hun waard afrekenden. Kort daarna stonden zij,
-met hun schaatsen ondergebonden, op de trekvaart, die van Leiden naar
-'s-Gravenhage loopt en den naam van "Vliet" draagt.
-
-
-
-
-
-
-
-
-NEGENDE HOOFDSTUK.
-
-HOE ONZE REIZIGERS IN DEN HAAG ONTVANGEN WERDEN.
-
-
-"Ik dacht, dat je de reis hadt uitgesteld," zeide mevrouw Van Gent,
-de zuster van Peter en Lodewijk, toen de zes knapen door de dienstmaagd
-in de woonkamer waren gelaten. "Ik had je al voor den eten gewacht en
-stellig op je gerekend. En daar kom je me nu in den donker aanzetten."
-
-"Wat zal ik je zeggen, Marie," zeide Peter. "We hebben den dag besteed,
-om Leiden eens te zien. Je bent er toch niet boos om?"
-
-"Boos?--In 't geheel niet. Integendeel, ik ben heel blij dat je gekomen
-zijt. Maar gaat zitten. En zijn dat je kameraads? Nu, jongens, je
-moet je tijd maar goed besteden in ons mooi Haagje. Daar is ook wat
-te zien, dat verzeker ik je."
-
-Nadat onze knapen waren gezeten en Peter alle vragen naar de familie
-had beantwoord, zeide mevrouw Van Gent:
-
-"En nu zul je wel honger hebben ook. Ik zal zorgen, dat je binnen
-een half uur je middagmaal hebt."
-
-"Doe maar geen moeite, Marie," antwoordde Peter. "We hebben te Leiden
-reeds gedineerd en dus geen behoefte aan middageten. Je zoudt ons
-meer pleizier doen met een paar boterhammen en een kop thee."
-
-"Die zul je hebben," antwoordde mevrouw Van Gent, terwijl zij de meid
-schelde, om het noodige te brengen.
-
-Toen onze jongens nu rondom de tafel zaten, bij de gezellige carcellamp
-en den niet minder gezellig vlammenden haard, kwam mijnheer Van
-Gent thuis.
-
-"Welzoo, ben jelui toch gekomen?" zeide hij, terwijl hij ieder der
-knapen hartelijk de hand reikte. "Kom, dat is goed. Marie had je al
-uitgeschrapt. Toch niet van morgen pas van Broek gegaan, denk ik?"
-
-"Gistermorgen, François," zeide Peter. "En wel vóór dag en dauw."
-
-"Dan hadt je ook wel wat vroeger hier kunnen zijn, dunkt mij."
-
-"Als er geen bijzonderheden te zien waren geweest in Haarlem en
-Leiden," zeide Lodewijk.
-
-"Ha, zoo! Heb je daar je tijd aan besteed? Kijk, dat bevalt me. Nu,
-dan zal ik zorgen, dat je hier ook al het merkwaardige ziet. Je blijft
-toch zeker tot na Nieuwjaar?"
-
-"Wij zijn van plan, om overmorgen vroeg weer te vertrekken," zeide
-Peter.
-
-"Dat kun je begrijpen. Overmorgen! Daar komt niets van, beste vriend!"
-
-"Maar ze wachten ons thuis," hervatte Peter.
-
-"Dat doet niets tot de zaak. Je schrijft morgen een brief naar Broek
-en meldt daarin, dat je tot na Nieuwjaar hier blijft."
-
-"Dat zouden we niet kunnen," hernam Peter. "We moeten den dertigsten
-te Broek zijn: want dan is er een groote wedren op schaatsen, en dien
-kunnen we niet verzuimen."
-
-"Dat spijt me. In vredesnaam! Dan moeten we morgen onzen tijd maar
-goed besteden. Doch verhaal me nu eens, hoe je 't op je reis van
-Broek hierheen gehad hebt?"
-
-De jongens verhaalden nu de lotgevallen, welke zij op hun tochtje
-gehad hadden. Toen zij aan hun nachtelijk avontuur kwamen, zeide
-mevrouw Van Gent:
-
-"Maar hoe kon je ook zoo dwaas zijn, om in zulk een logement te
-kruipen?"
-
-"Wat zal ik zeggen," antwoordde Peter. "We hadden ons door den voerman
-om den tuin laten leiden, en toen wij er eenmaal in waren...."
-
-"Had Jacob geen lust om verder te zoeken," voegde Karel er bij.
-
-"Alsof ik 't alleen was," zeide Jacob. "Er waren nog wel anderen,
-die even moe waren als ik."
-
-"Nu, hou je maar niet groot, vriendlief," zeide Frits. "Trouwens,
-'t is je niet kwalijk te nemen. Je hebt vrij wat meer mee te sleepen
-dan wij."
-
-"Dat heeft hij," bevestigde mevrouw Van Gent. "En nu--wat zijn de
-plannen voor morgen?"
-
-Mijnheer Van Gent ontwikkelde zijn plan voor den volgenden dag. Daar
-wij echter ons zestal op de uitvoering daarvan zullen vergezellen, wil
-ik dat niet mededeelen en zullen wij ook de verdere gesprekken van dien
-avond niet beluisteren, maar laten wij liever de jongens wat tijdig
-naar bed gaan, om den volgenden morgen vroeg bij de hand te zijn.
-
-"Je zult je wat moeten behelpen, jongens," zeide mevrouw Van Gent. "Ik
-ben niet ingericht op zes logés en dus zul je twee aan twee moeten
-slapen. Ik heb gedacht, als Peter en Lodewijk, Jacob en Ben, Karel
-en Frits samen wilden slapen, dan zou dat heel goed gaan."
-
-"Opperbest!" zeide Peter, die den hemel dankte, dat hij niet weer
-naast de mummie zou behoeven te liggen en van een ijsberg van duizend
-voet zou droomen.
-
-Ook de anderen vonden die schikking goed, en zoo trok men reeds om tien
-uur naar bed. Dat was een ander logies dan den vorigen nacht. Ieder
-tweetal had een afzonderlijke kamer, keurig gemeubeld en van een
-ledikant voorzien, zóó ruim, dat er wel drie jongens naast elkander
-hadden kunnen liggen, zonder elkander te hinderen. En dan zulke
-heerlijke bedden en zoo'n lekker dek! En op elke kamer een brandend
-nachtlicht--hetgeen den jongens trouwens niet kon schelen, daar zij
-toch met hun oogen toe sliepen en in het donker net zoo goed konden
-zien als zonder licht. 't Duurde dan ook niet lang, of zij lagen te
-slapen als rozen en droomden.... doch hoe zal ik u de droomen van
-zes levenslustige knapen vertellen? Daarenboven--droomen is bedrog.
-
-'t Was nog niet geheel en al licht, toen mijnheer Van Gent onze knapen
-kwam wekken. En ofschoon zij zich nog gaarne eens hadden omgekeerd en
-Jacob wel een weinig bromde, toen Ben hem een paar fiksche stompen gaf
-om hem geheel en al wakker te maken, waren zij toch spoedig uit hun
-bed en deed het hun veel genoegen, dat de kachels op hun logeerkamers
-reeds ferm snorden en zij zich op geen koude vertrekken behoefden
-aan te kleeden.
-
-"Wel, hoe hebt jelui geslapen?" vroeg mevrouw Van Gent, die hen reeds
-aan de ontbijttafel zat te wachten, toen zij al heel spoedig, nadat
-ze geroepen waren, beneden kwamen.
-
-"O, uitmuntend," antwoordde Frits. "Alsof we thuis waren."
-
-"En heeft Jacob u niet bloot gewoeld, Ben?"
-
-"Neen, hij heeft gedragen zich fashionably" antwoordde Benjamin.
-
-"En jij bent van geen ijsberg van duizend voet gevallen, Peter?"
-
-"Ik heb veel te warm gelegen, Marie, om van ijsbergen te droomen,"
-antwoordde de aangesprokene.
-
-Onder vroolijke gesprekken ging het ontbijt voort. Toen men geëindigd
-had, keek mijnheer Van Gent op zijn horloge.
-
-"'t Wordt onze tijd," zeide hij. "Komt, jongens, maakt je klaar! Het
-rijtuig zal wel dadelijk voorkomen en we moeten zorgen, dat de
-paarden geen koude voeten krijgen; anders mochten ze wel elk vier
-stoven onder hun beenen hebben."
-
-Er behoefde geen tweede sein te worden gegeven. Als een troep wilde
-ganzen stormden de jongens naar hun kamers en kwamen kort daarop
-gekleed en gereed binnen, waar zij ook mijnheer en mevrouw Van Gent
-in de kleeren vonden.
-
-'t Was dan ook hoog tijd: want op hetzelfde oogenblik kwam er een
-heerlijke barouchette voor, waarvan de glazen natuurlijk alle toe
-waren. De tocht ging naar Scheveningen.
-
-"Wij zullen eerst den nieuwen weg nemen, die langs 't Kanaal is
-aangelegd," zeide mijnheer van Gent.
-
-En zoo deden zij en reden den over de duinen gebaanden weg op,
-die langs het groote kerkhof loopt en recht tegenover het badhuis
-uitkomt. Hier gebruikten zij wat en wandelden langs het strand tot
-aan het dorp Scheveningen, waarheen het rijtuig vooruitgezonden was.
-
-Al de jongens waren opgetogen over de zee, die op dat oogenblik
-echter al te kalm naar hun zin was, en het speet Ben, dat hij geen
-verrekijker bij zich had, die vèr genoeg droeg, om Engeland aan de
-overzijde te zien, waarover allen hartelijk lachten.
-
-"Dat is het paviljoen, in 1826 door Koning Willem I voor zijn gemalin
-gesticht," zeide mijnheer Van Gent. "'t Is in Toskaanschen stijl
-gebouwd."
-
-Veel pret had ons zestal in de kleeding der Scheveningers, vooral in
-die der kleine meisjes, die volmaakte miniatuur-Scheveningsters waren.
-
-"In vroegere eeuwen," zeide mevrouw Van Gent, "hadden de Scheveningers
-er pret in, hun vrijsters te doopen en in te zouten."
-
-"In te zouten!" herhaalden vier stemmen te gelijk.
-
-"Ja, in te zouten. In de maand Mei, als wanneer men nog op Scheveningen
-een feest houdt voor het verhuizen van de eene pink op de andere,
-noodigden de jonge knapen hun vrijsters uit, om met hen naar het strand
-te gaan en een zeeluchtje te scheppen. Dan was het strand gezaaid met
-menschen. Op 't onverwachts echter nam iedere knaap zijn meisje op de
-armen en droeg haar, ondanks haar tegenspartelen, een geheel eind in
-zee. Daar gekomen, doopte hij haar in het water, zoodat zij droop, en
-droeg haar vervolgens naar de duinen, waar hij haar in het zand rolde."
-
-"Die meisjes zullen er fraai hebben uitgezien", zeide Jacob. "Maar
-die gewoonte bestaat nog in Zeeland; ten minste zij bestond nog ten
-tijde van Bellamy."
-
-"Die 't ons in zijn "Roosje" zoo naïef beschrijft," voegde Peter
-er bij.
-
-"Daar is echter het inzouten, voor zoover mij bewust is, niet in
-de mode," zeide mijnheer Van Gent. "Ook geloof ik niet, dat zij er
-hun vrijsters doopen. Dit gebruik hier echter, dat al zeer oud moet
-zijn en niet meer in zwang is, kostte eens een adellijke dame van
-een onzer eerste geslachten het leven."
-
-"Inderdaad," zeide Ben. "O, pray, doe vertellen dat eens."
-
-"'t Was een jonge gravin van Egmond. Met haar verloofde, een
-Duitschen Graaf, aan het strand wandelende, had zij veel vermaak
-in die Meipret. Op eens neemt de graaf, die zeker wilde toonen,
-hoe weinig bang hij voor het groote water was, en wel te galant zal
-geweest zijn, om zijn adellijke beminde den zeedoop te doen ondergaan,
-de gravin op en draagt haar in zee. Door haar tegenspartelen bezeert
-zij zich aan zijn degen--en deze wond, waarin het koud vuur kwam,
-kostte haar het leven."
-
-Aan het dorp gekomen, stapte men weer in het rijtuig.
-
-"Die kerk," zeide mevrouw Van Gent, "stond vroeger midden in het dorp."
-
-"Is zij dan verzet?" vroeg Frits.
-
-"Wel neen, maar bij de verschillende hooge vloeden, door welke
-Scheveningen geteisterd is, zijn al de huizen, die aan den zeekant
-stonden, weggespoeld."
-
-"Vreeselijk!" riep Jacob uit.
-
-Men reed nu den schoonen, met boomen beplanten weg langs, naar het plan
-van Constantijn Huijgens aangelegd, en gedacht bij het voorbijrijden
-van "Zorgvliet" aan onzen volksdichter Jacob Cats, die deze plaats
-heeft aangelegd, wiens gedichten bij onze voorouders in huis- en
-pronkvertrek een plaats hadden naast den Staten-Bijbel en van wiens
-zinrijke spreuken er nog ten huidigen dage in den mond van het volk
-leven. Daarna reden zij het schoone Willemspark met zijn prachtige
-villa's door, bewonderden de Alexanderstraat en de Mauritskade,
-en lieten zich brengen tot aan het oude paleis in het Noordeinde,
-waar zij uit het rijtuig stapten, dat mevrouw Van Gent naar huis zou
-brengen, nadat deze haar man wèl op 't hart gedrukt had, om toch tegen
-het koffiedrinken thuis te zijn, daar de jongens anders flauw zouden
-vallen van den honger.
-
-"Hier staan wij nu tusschen twee paleizen," zeide mijnheer Van Gent,
-nadat het rijtuig was weggereden. "Dat aan uw linkerhand is het oude
-huis van Van Wassenaar Obdam en heeft zijn front op den Kneuterdijk."
-
-"Is dat van den admiraal Van Wassenaar Obdam, die in den tweeden
-Engelschen oorlog in de lucht vloog?" vroeg Peter.
-
-"Van denzelfden. Een graftombe is voor hem opgericht in het koor der
-Groote Kerk."
-
-"Daar hij wel toch zelf niet ligt onder," zeide Ben.
-
-"Natuurlijk niet. Het paleis aan onze rechterhand is dat van onze
-tegenwoordige koningin. Jammer, dat H. M. thans in Den Haag is; anders
-zou ik het u laten zien. Het is prachtig en vorstelijk gemeubileerd,
-dat kan ik u verzekeren. Dat ruiterstandbeeld is van Willem den
-Eersten, den grondlegger onzer vrijheid. Het werd hier geplaatst
-door Koning Willem II en munt uit door zijn schoone vormen en stoute
-conceptie."
-
-Toen zij het Heulstraatje doorgewandeld waren, bleef mijnheer Van
-Gent staan.
-
-"Ziet nu aan uw linkerhand, daar in den hoek staat het voormalig
-paleis van Willem II; een paar huizen verder ziet gij het huis,
-waarin Oldenbarneveld gewoond heeft; die kerk op den hoek van dat
-straatje is de Kloosterkerk, waarin Prins Maurits ging om de voorkeur
-te doen zien, welke hij den contra-remonstranten wilde betoonen, en
-verder op is een schoon hardsteenen gebouw met breede trap, waarin
-eens een beruchte prefect van het Departement der Zuiderzee, baron
-De Stassart, woonde en dat tegenwoordig is ingericht tot koninklijke
-bibliotheek en bewaarplaats van een aanzienlijke verzameling gouden,
-zilveren, bronzen en koperen munten. Als gij langer bleeft, zou ik èn
-de bibliotheek èn het penningkabinet eens met u bezoeken; nu echter
-gaan wij den Kneuterdijk op."
-
-"Is hier niet het huis van den Raadpensionaris Jan de Witt?" vroeg
-Peter. "Ik meen ten minste te hebben gelezen, dat dit op den
-Kneuterdijk stond" [8].
-
-"En ik herinner mij, dat Gijsbert Karel van Hogendorp ook op den
-Kneuterdijk gewoond heeft," voegde Frits er bij.
-
-"Dan moeten we ook kort bij de Gevangenpoort en 't Groene Zoodje zijn,"
-zeide Karel.
-
-"Wacht maar, ik zal je alles wijzen. En misschien nog meer dan je wel
-weet," antwoordde de heer Van Gent, die er recht schik in had, dat
-de jongens zooveel historische kennis en zooveel lust tot onderzoeken
-hadden. "Hier aan onze rechterhand heb je het huis van Van Hogendorp,
-en daarnaast is de woning van onzen onsterfelijken Jan de Witt,
-waarin ook zijn zwager Van Swijndrecht woonde."
-
-Met aandoening beschouwden onze knapen het huis, waarin eens zulk een
-groot man geleefd, gedacht en gewerkt had. Zoo ging men voort tot op
-de Plaats.
-
-"Hier bij dezen lantaarnpaal," vervolgde mijnheer Van Gent, "is 't
-Groene Zoodje. Hier stond het schavot, waarop Reinier van Groeneveld,
-Buat en Van der Graaff zijn onthoofd en de gebroeders de Witt zijn
-opgehangen en mishandeld. En daar, die groote keisteen met zeven
-strepen is er ter gedachtenis gelegd van den vreeselijken moord,
-aan Aleida van Poelgeest gepleegd, omdat zij graaf Albrecht tot de
-partij der Kabeljauwen had overgehaald."
-
-"Maar kijkt nu eens recht uit," vervolgde hij na een poos. "Deze
-poort is de Gevangenpoort, vroeger Voorpoort van den Hove, en dit
-venster dat van den kerker van Cornelis de Witt."
-
-"Zouden wij dien niet kunnen zien?" vroeg Peter.
-
-"We zullen 't vragen. Zeggen ze neen, dan zijn we nog even ver."
-
-Men ging de Gevangenpoort door en schelde aan. Het verzoek, om de
-vroegere gevangenis te zien, werd volgaarne ingewilligd. Met aandoening
-klommen zij de trap op, welke de gebroeders De Witt door het opgeruide
-gemeen waren afgesleept; met niet minder aandoening aanschouwden zij
-de kamer, waar beiden de laatste en vreeselijkste oogenblikken huns
-levens doorbrachten. En toen zij daarna in den kelder afdaalden en
-hun de pijnbank gewezen werd, op welke de Ruwaard van Putten werd
-gepijnigd, toen stond er in het oog van Lodewijk een traan, die hem
-waarlijk niet tot schande was.
-
-Nadat mijnheer Van Gent de vriendelijke dienstmaagd, die hun een en
-ander had laten zien, met een ruime fooi beloond had, wandelde men
-naar het Buitenhof.
-
-"Kijk nu eens recht voor u," zeide mijnheer Van Gent. "Uit deze ramen
-hield eens de snoode Tichelaar zijn redevoering tot het volk. En nu
-linksom. Dit standbeeld is dat van den ridderlijksten onzer vorsten,
-van den edelen Koning Willem II, die bij Quatre-Bras voor onze
-onafhankelijkheid streed en bij Waterloo zijn bloed voor ons veil had."
-
-"'t Staat daar al heel mooi," zeide Frits. "En hoe sierlijk zijn die
-beelden aan den voet!"
-
-"Dat zijn ze," hernam mijnheer Van Gent. "En nu slaan we linksom
-en gaan naar het Binnenhof, het oudste gedeelte van Den Haag en
-dat door drie poorten kan worden gesloten. Vroeger hingen hier
-de vaandels, in verschillende veldslagen op de vijanden des lands
-behaald. Doch die zijn tijdens Koning Lodewijk weggenomen en naar
-Amsterdam gezonden. Die, welke wij nu doorgaan en boven welke de
-appartementen der vroegere Prinsen van Oranje zich uitstrekten,
-heet de Stadhouderspoort."
-
-"Die is, in het laatst der achttiende eeuw, tegen alle bepalingen
-aan doorgereden door Cornelis de Gijzelaar," zeide Peter. "En daar
-vandaan hebben de tegenstanders van het Huis van Oranje in dien tijd
-den naam van Keezen gekregen."
-
-"Juist. En hier vlak over ons hebben wij het oudste gebouw van Den
-Haag: de Loterijzaal of liever de groote ridderzaal, door Willem II,
-graaf van Holland en Zeeland, in 1270 gesticht, en den oorsprong van
-Den Haag."
-
-Zij bezichtigden nu de groote ridderzaal, toen nog niet herbouwd of
-liever gedeconstrueerd; verder de vergaderzaal van de Eerste Kamer
-der Staten-Generaal, waar het Twaalfjarig Bestand werd gesloten
-en die daarom vroeger den naam van Trèves-kamer droeg. Zij is
-vooral bezienswaardig om haar schoone schilderijen, voornamelijk
-het schoorsteenstuk, hetwelk Prins Willem III ten voeten uit in
-koninklijk gewaad voorstelt;--en het gebouw, dat tot vergaderplaats
-dient van de Tweede Kamer, vroeger gebruikt tot danszaal voor de
-Prinsen van Oranje, maar onder Prins Willem V van hardsteen herbouwd
-en tot vergaderzaal voor de Staten-Generaal ingericht. Hier werd in
-1796 de eerste Nationale Vergadering gehouden.
-
-"Dat torentje aan de linkerzijde der groote ridderzaal,"
-vervolgde mijnheer Van Gent, toen zij uit de troonzaal kwamen,
-"is ook nog merkwaardig. Hier stond het schavot, waarop de grijze
-Oldenbarneveld het leven verloor onder beulshanden. En daar vlak
-over ons is een merkwaardige kapel, de oudste kerk van Den Haag,
-tegenwoordig in gebruik bij de Roomsen-Katholieken, onder den naam
-van Hofkerk. Zij heette vroeger de "kapel van Maria ten Hove" en is
-waarschijnlijk door Graaf Willem II gebouwd en door diens zoon Floris
-V voltrokken. In deze kapel woonden de vroegere graven van Holland en
-Zeeland de godsdienstoefeningen bij. Na de Hervorming werd zij tot een
-Gereformeerde kerk ingericht, waar, op last der Staten van Holland, in
-de landtaal en, sedert 1592 vooral ten genoegen van Louise de Coligny,
-ook in het Fransch werd gepredikt. Toen men bij het verbouwen in 1769,
-de fondamenten van den muur aan de zijde van het Binnenhof opbrak,
-vond men daar verscheidene houten en looden grafkisten, waarin zich
-het gebeente der Oudhollandsche graven bevond."
-
-"En heeft men die beenderen bewaard?" vroeg Frits.
-
-"Men kon 't niet. Zoodra zij met de buitenlucht in aanraking kwamen,
-vielen zij in elkander. Een der lijken echter, dat in een looden
-kist lag, was door een sterk vocht vrij wel bewaard. Uit de wonden,
-welke het aan den hals en in het gezicht had, veronderstelde men,
-dat dit het lijk van Willem IV moet zijn geweest, die in 1345 in den
-slag bij Warns tegen de Friezen is gesneuveld. In de kist van Jacoba
-van Beieren was het hoofdhaar nog ongeschonden bewaard; men heeft
-dat naar het museum gebracht en daar zullen wij het straks zien."
-
-Daar het te koud was om lang stil te staan, waren zij tot genoemd
-huis doorgewandeld en beschouwden hier eerst het museum van Japansche,
-Chineesche en andere curiositeiten en eindelijk, in de laatste zaal,
-de historische overblijfselen. 't Meest werd de aandacht onzer knapen
-geboeid door het gewaad, dat Prins Willem I had aangehad, toen hij
-te Delft door Balthazar Gerards vermoord werd. Duidelijk kon men de
-plaats zien, waar de kogel was doorgegaan. Daar lag ook het hemd van
-den grooten man, nog gekleurd van het edel bloed, dat hij voor ons
-land veil had gehad, de uitgesneden kogel met een paar beentjes, die
-door het vuurwapen verbrijzeld waren, de pistolen van den moordenaar
-met zijn sententie, zooals die binnen Delft is uitgevoerd. Verder
-zagen zij er geuzennappen, geuzenpenningen, zilveren schotels, aan
-onze grootste zeehelden ten geschenke gegeven, groote haakbussen,
-oude pieken; ook uit later tijd, den stoel, waarop Chassé in de
-citadel heeft gezeten, en een geweer, afkomstig van het in de lucht
-gesprongen schip van Van Speyk.
-
-Maar wat vooral Ben het meest belang inboezemde, was het Oudhollandsche
-huis in schildpadden kast, eens voor Czaar Peter van Rusland
-vervaardigd, en dat zulk een duidelijke voorstelling bevat van het
-ameublement onzer voorouders.
-
-Daarna begaf men zich de trap op naar het schoone museum van
-schilderijen door oude meesters. Als de tijd niet gedrongen had, zouden
-de knapen gaarne langer hebben vertoefd voor de ontleedkundige les
-van Rembrandt, voor den stier van Potter, den veldslag van Wouwerman,
-en zoo menig stuk dat niet alleen groote kunstwaarde bezit, maar ook
-zelfs den oppervlakkigen beschouwer door zijn meesterlijk navolgen
-van de natuur boeit.
-
-"Wij moeten naar huis, jongens," zeide mijnheer Van Gent, "anders
-krijgen wij knorren van mijn vrouw en--wat erger is--koude koffie."
-
-"Is dit huis gebouwd door Prins Maurits, die vocht in het slag at
-Newpoort?" vroeg Ben, toen zij de trappen van het museum afgingen.
-
-"Neen, Ben. Het is gesticht door Johan Maurits van Nassau, den held
-van Brazilië, en gebouwd door den beroemden Jacob van Kampen, den
-bouwmeester van het paleis van Amsterdam, en Daniël Stalpert. Maar
-zie nu eens hier. Dit is het standbeeld van Willem den Zwijger,
-denzelfden, wiens ruiterstandbeeld gij in het Noordeinde hebt gezien."
-
-"En wiens kleeren op het Prins-Maurits-huis waren," zeide Jacob.
-
-Toen zij bij mevrouw Van Gent kwamen, zat deze hen reeds met de
-koffie te wachten, of liever, ter eere van Benjamin en ten genoegen
-van den eetlust der vijf andere jongens, met een soort van luncheon
-of Engelsch ochtenddiner. Onder het vertellen van wat men gezien had,
-werden verdere plannen voor dien dag besproken. De jongens, zeide
-mijnheer Van Gent, moesten hun schaatsen medenemen, dan zou men,
-na eerst de kanongieterij te hebben bezien, een wandeling door het
-Bosch doen en vervolgens, te midden van de beaumonde van Den Haag,
-op de vijvers schaatsen rijden. Daarna zou men een bezoek brengen
-aan het Huis ten Bosch en vervolgens naar huis rijden om te dineeren,
-terwijl mevrouw Van Gent als voorwaarde stelde, dat zij het verdere van
-den avond zouden uitrusten en in den huiselijken kring slijten, als
-wanneer zij ze op een glas warmen wijn met bisschop en wentelteefjes
-zou trakteeren.
-
-"En dan gaan jelui morgen per spoortrein naar Amsterdam terug,"
-eindigde zij.
-
-"Per spoortrein, Marie?" vroeg Peter. "Dan zal men ons in Broek
-uitlachen."
-
-"Laat men lachen," zeide Jacob, die alweer meer trek had om rust te
-nemen, dan zich in te spannen. "Ik vind het voorstel van mevrouw Van
-Gent lumineus."
-
-"'t Zou een schandelijk eind van onzen tocht zijn," zeide Frits.
-
-"Mevrouw Van Gent is in 't gelijk," zeide Ben. "Wij moeten gaan
-per railway. Otherwise wij zullen niet zijn in staat om overmorgen
-te rijden."
-
-"'t Best is, dat wij er ons op beslapen," hernam Lodewijk.
-
-"Ik ben verzekerd, dat mijn voorstel wel zal worden aangenomen, als
-de jongens van middag gedineerd hebben," hernam mevrouw Van Gent,
-die berekende, dat ons zestal na den tocht naar het Bosch wel van
-idee veranderen zou.
-
-"Als mevrouw Van Gent het mij veroorlooft, dan zou ik haar gaarne
-gezelschap houden, in plaats van mede naar het Bosch te gaan," zeide
-Jacob, die tamelijk vermoeid was van de morgenwandeling.
-
-"Geneer je niet, Jacob," antwoordde mevrouw Van Gent, die zeer goed
-begreep wat de reden van Jacobs wellevendheid was. "Ik mag je niet van
-je fortuin afhouden. Ga gerust mee. Kanongieten heb je nog nooit gezien
-en een partijtje op de vijvers in het Bosch is ook niet te verwerpen."
-
-"Maar dan zit Mevrouw den geheelen namiddag alleen," hervatte Jacob.
-
-"Inderdaad, geneer je niet," hernam mevrouw Van Gent. "Ik ben wel
-gewoon aan de eenzaamheid. Mijn man is een groot deel van den dag uit."
-
-Jacob zat er geducht in, toen zijn gewaande beleefdheid zoo werd
-gerefuseerd. Gelukkig dat Ben hem uit den nood hielp. "Mijn neef is
-zoo vermoeid," zeide hij. "En daarom hij wenscht te profiteeren van
-het gezelschap van Mevrouw, because het hem behaagt veel."
-
-"Je slaat den spijker op den kop," hervatte Jacob, die nu maar
-ruiterlijk voor de waarheid uitkwam.
-
-"'t Mocht je anders weer eens zoo gaan als eergisteren," zeide
-Karel. "En dan zou je een mal figuur maken op de vijvers in het Bosch."
-
-Toen de knapen het luncheon gebruikt hadden en wat uitgerust waren,
-gingen zij, behalve Jacob die thuis bleef, met hun schaatsen in de hand
-naar de kanongieterij, waar mijnheer Van Gent toegang had gekregen en
-waar men juist aan het gieten was. Daarna wandelden zij het Bosch in,
-dat, ofschoon van zijn groen beroofd en dus vrij wat minder schoon
-dan in den zomer, er toch statig genoeg uitzag, om hun bewondering
-te wekken.
-
-Nadat zij langen tijd in dat heerlijke gedenkstuk van den ouden tijd
-gewandeld hadden, welks westelijk gedeelte nog eenig denkbeeld geeft,
-hoe 't er in den tijd van de Batavieren en Kaninefaten uitzag, bonden
-zij de schaatsen aan en vermaakten zich te midden van een talrijk
-en uitgezocht publiek van schaatsenrijders, waarbij zij hun oogen
-uitkeken naar de bonte rij van wandelaars uit de eerste standen des
-lands, die zich langs de vijvers bewogen.
-
-Daarop bezichtigden zij het Huis ten Bosch, door Amalia van Solms, de
-weduwe van Prins Frederik Hendrik, ter eere van haar gemaal gesticht:
-een mausoleum uit den nieuweren tijd. Vooral de Oranjezaal boeide
-hen lang. Het is een achthoekige zaal met een rond koepeltje in
-het dak, hetwelk haar een eigenaardig licht schenkt. Terstond bij
-het binnentreden wordt men getroffen door de heerlijke voorstelling
-van Frederik Hendrik op zijn triomfwagen met vier witte paarden door
-Pallas en Mercurius gemend; terwijl de overwinning zijn hoofd met een
-lauwerkrans kroont en de faam de pijlen afweert, waarmede de dood
-den held bedreigt. Niet minder trof hun het beeld van den grijzen
-tijd en de afbeelding van de stichtster zelf met haar dochters,
-levensgroot en ten voeten uit. Al had men geen andere overblijfselen
-der Oudnederlandsche schilderschool dan die heerlijke schilderijen
-uit de Oranjezaal, dan nog zouden deze genoegzaam zijn om den naam
-onzer oude kunstenaars te vereeuwigen.
-
-Maar 't wordt tijd, dat wij met de jongens naar huis gaan. Ik laat
-aan de verbeelding mijner lezeressen en lezers over, hoe het diner
-hun smaakte, hoe genoeglijk zij den avond bij de familie Van Gent
-doorbrachten, hoe zij naar Amsterdam spoorden en hoe zij toch op
-schaatsen van de hoofdstad naar Broek reden. Ook wij keeren derwaarts
-terug.
-
-
-
-
-
-
-
-
-TIENDE HOOFDSTUK.
-
-DE GEVAARLIJKE OPERATIE.
-
-
-'t Wordt tijd, dat we weder eens een kijkje nemen in de hut van Rolf
-Brinker, van wien we 't laatst hebben gehoord, toen Hans op weg naar
-Leiden was.
-
-Wij vinden er dokter Broekman, die, toen hij het briefje van Peter
-ontvangen had, nog denzelfden dag naar Amsterdam was vertrokken om
-hulp toe te brengen, waar hij die zoo hartelijk beloofd had. Wij zien
-hem in een hoek van het vertrek zacht spreken met een jongmensch,
-student in de medicijnen en zijn assistent. Hans is ook in het
-vertrek, eerbiedig wachtende, totdat hij zou worden aangesproken. Van
-hun gesprek verstond hij niets, daar het eensdeels fluisterend werd
-gevoerd, anderdeels zoo met Latijnsche woorden doorspekt was, dat het
-toch voor hem geheel onverstaanbaar zou zijn geweest, al hadden zij
-ook luide gesproken. Maar zooveel begreep hij wel aan hun ernstig
-gelaat, dat er van iets zeer gewichtigs sprake was, en daarin werd
-hij versterkt door de woorden van den student:
-
-"Indien er iemand in Holland den armen man kan redden, dokter, dan
-zijt gij het."
-
-De dokter keek min of meer knorrig over dien lof; want hij wist maar al
-te wel en had het in zijn langdurige praktijk slechts al te dikwijls
-ondervonden, dat de kunst wel kan te gemoet komen, wel kan helpen,
-maar dat er slechts één is die kan redden, en dat is God. Hij wenkte
-dus Hans, om nader te komen.
-
-"Hoor eens, mannetje," zeide hij op denzelfden vriendelijken toon,
-als hij vroeger te Buiksloot tegen hem had aangeslagen. "Daar is
-maar één middel om je vader te helpen, maar ik moet je vooraf zeggen,
-dat hij onder de handen kan dood blijven; 't is een operatie."
-
-Hans keek den dokter angstig aan.
-
-"En u zegt, dat vader onder uw handen kan sterven," zeide hij met
-sidderende stem.
-
-"Ja, 't is er op of er onder. Maar ik heb alle hoop, dat de operatie
-zal gelukken. Intusschen, jij en je moeder moeten decideeren. De
-operatie is te gevaarlijk, dan dat ik die zonder uw beslissing zou
-willen ondernemen. Vraag jij dus aan je moeder, hoe zij er over
-denkt. Want er moet spoedig een besluit genomen worden, daar mijn
-tijd kostbaar is."
-
-Hans ging naar zijn moeder, vertelde haar wat de dokter hem gezegd had,
-en eindigde:
-
-"En nu moeder, hoe wilt gij? De dokter wacht op antwoord."
-
-"Ach, Hans, ik weet het niet," zeide zij met bewogen stem. "Beslis
-jij voor mij en voor jou."
-
-"Maar moeder, hoe kan ik dat?"
-
-"Ach kind! Wat zal ik antwoorden? Je zegt, dat vader onder de handen
-kan dood blijven."
-
-"Dat kan hij. Maar hij kan ook beter worden."
-
-"Ik weet het niet, Hans, ik weet het waarlijk niet."
-
-"Welnu, antwoord dan, zooals God u dat in 't hart geeft, moeder."
-
-Vrouw Brinker sloeg het betraande oog naar boven, als vroeg zij God om
-raad. Uit het binnenste van haar ziel steeg een gebed naar den troon
-des Almachtigen. Een oogenblik later wendde zij zich tot den dokter.
-
-"Gods wil geschiede, mijnheer!" zeide zij. "Ga uw gang!"
-
-Met kalme bedaardheid deed nu dokter Broekman een lederen étui open,
-waaruit hij verschillende scherpe, blinkende instrumenten haalde,
-terwijl hij Hans beval, een kom met frisch koud water en eenige doeken
-te brengen.
-
-Griete had al wat er gebeurde met angstig stilzwijgen
-gadegeslagen. Toen zij nu den dokter die scherpe instrumenten voor
-den dag zag halen, vloog zij naar haar moeder toe, sloeg haar armen
-om den hals der reeds zoo geschokte vrouw en riep uit:
-
-"Ach moeder! ze zullen vader gaan vermoorden--dat zullen ze."
-
-"Ik weet het niet, kind!" schreide vrouw Brinker. "'t Is wel mogelijk!"
-
-"Hoor eens, vrouwtje," zeide dokter Broekman ernstig, terwijl hij
-tevens een doordringenden blik op Hans wierp, "dat kan zoo niet
-gaan. Jij en het meisje moeten het huis uit. De jongen kan blijven."
-
-'t Was, of er in vrouw Brinker eensklaps een andere geest voer. Zij
-droogde haar tranen, hief het hoofd fier op en zeide op vasten toon:
-
-"Neen, mijnheer, ik verlaat mijn man niet. Ik blijf bij hem in de
-ure des gevaars."
-
-Dokter Broekman keek vreemd op. Hij was niet gewoon, dat zijn bevelen
-in den wind werden geslagen. Maar toen hij de vrouw aanzag en haar
-vasten, beslissenden blik opmerkte, toen zeide hij kalm:
-
-"Je kunt blijven, vrouw Brinker."
-
-Griete was al verdwenen. Verborgen achter een kist, die in een donkeren
-hoek van het vertrek stond, bevend over al haar leden, bespiedde zij
-al wat er in de hut voorviel.
-
-Dokter Broekman en zijn assistent trokken hun overjassen uit. Hans
-bracht een kom vol water, welke hij op bevel van den geneesheer naast
-het bed plaatste, en vrouw Brinker kreeg een paar beddelakens uit de
-kast, overblijfsels van vroegere tijden en braaf versleten, doch voor
-het gebruik, dat er van gemaakt moest worden, des te beter geschikt.
-
-"Nu Hans, kan ik op je rekenen?" vroeg de dokter.
-
-"Dat kunt u, dokter."
-
-"Zeer goed. Ga jij nu daar staan, dan kan je moeder naast je zitten."
-
-"Hoor eens, vrouwtje," ging hij tot vrouw Brinker voort. "Ik moet je
-verzoeken, geen kik te geven en niet flauw te vallen."
-
-Vrouw Brinker antwoordde hem slechts met een blik. Hij was tevreden.
-
-Hij wenkte den student. Deze nam de vreeselijke instrumenten van de
-tafel af en ging er mede naar het bed van den zieke.
-
-Nu kon Griete 't niet langer uithouden. Zij kwam uit haar schuilplaats
-te voorschijn en snelde de hut uit.
-
-'t Was vol op het ijs van de vaart. Waarom ook zouden de kinderen
-van Broek hun vacantietijd laten voorbijgaan, zonder ruimschoots hun
-geliefd wintervermaak te genieten? Daar waren er een aantal, al waren
-onze zes jongens er ook niet bij, en onder deze ook Frans van Bree,
-de dappere aap zonder staart, zooals Jacob hem genoemd had.
-
-"Wat is dat daar ginds?" riep Frans eensklaps uit, terwijl hij
-stilstond.
-
-"Wat? Waar? Wat bedoel je?" riepen een dozijn stemmen te gelijk.
-
-"Wel, dat zwarte ding daar bij de hut van den gekken Rolf," hernam
-Frans.
-
-"Ik zie niets," zeide een der kinderen.
-
-"Ik wel," antwoordde een andere, "'t Lijkt wel een hond."
-
-"Ben je mal? Een hond? 't Is niets dan een hoop oude lorren,"
-hernam Frans.
-
-"Een hoop oude lorren?" herhaalde een ander.
-
-"Je hebt warempel gelijk, Frans, en als ik mij niet bedrieg, is
-'t die meid uit de hut."
-
-"Ze is het," bevestigde Frans. "Heb ik dus geen gelijk gehad, dat
-het maar een hoop oude lorren is?"
-
-"'t Is goed, dat haar broer Hans er niet bij is," meende een ander
-lachende, "anders zou je zoo niet spreken, Fransje."
-
-"'k Ben nog al bang voor hem!" riep Frans dapper uit, daar hij Hans
-in geen velden of wegen zag. "Zoo'n voddenraper! Hij moest me eens
-durven aanraken, 'k Ben nog niet bang voor een dozijn zooals hij en
-voor jou ook niet."
-
-"'k Hou je aan je woord!" riep de andere en reed op Frans toe; maar
-deze, die zich in zijn bluf wat vergaloppeerd had, koos, tot groot
-pleizier van de anderen, het hazenpad gevolgd door den vroolijken
-troep, die de harddraverij wel eens wilde zien.
-
-Eén echter van deze gelukkige kinderen dacht aan die zwarte kleine
-gedaante daar bij de hut van Rolf Brinker, aan de arme, kleine
-Griete. De arme Griete! Zij dacht niet aan hen, ofschoon hun vroolijk
-gelach haar in de ooren drong en haar door de ziel moest snijden:
-ach! zij hoorde die schaterende tonen slechts als in een droom. Zij
-hoorde slechts het gekerm daar achter het donkere venster. Hoe! als
-die vreemde mannen haar vader eens doodden!
-
-Die gedachte deed haar van afgrijzen opstaan.
-
-"Neen, neen," riep zij snikkend uit. "Moeder is er immers, en
-Hans ook. Zij zullen er wel op passen! Maar wat zagen ze allebei
-verschrikkelijk bleek! Zelfs Hans stonden de tranen in de oogen."
-
-Een oogenblik later vervolgde zij, terwijl zij schuw naar de hut keek:
-
-"Waarom heeft die oude, knorrige dokter hem laten blijven en mij
-weggezonden! Ik zou moeder hebben kunnen kussen en haar troosten. Zij
-houdt zooveel van mij, meer.... Maar wat is 't nu stil in huis. O,
-als vader sterft, dan gaat moeder ook dood en Hans misschien ook,
-en wat moet er dan van mij worden!"
-
-En zij verborg haar schreiend gelaat in haar handjes.
-
-Toen kwamen er nieuwe gedachten in haar op.
-
-Waarom had Hans 't alleen aan moeder gezegd, wat de dokter ging
-doen en niet aan haar? 't Was toch haar vader, net zoo goed als de
-zijne. Zij was geen klein kind meer. Zij had haar vader eens een scherp
-mes afgenomen, waarmee hij zich een ongeluk zou hebben toegebracht,
-als zij het niet belet had. En op dien akeligen avond, toen Hans, zoo
-groot als hij was, daar bewusteloos in een hoek van het vertrek lag,
-toen had zij vader van het vuur gelokt en 't was door haar toedoen,
-dat moeder niet in brand gevlogen was. Waarom moest zij nu behandeld
-worden, alsof zij er niet bij hoorde?--Ach! wat was het koud! hoe
-bitter koud! Haar voeten waren als steenen!
-
-Toen ging Griete weer zitten op de plaats, van welke zij was opgestaan,
-en keek rondom zich en verwonderde zich, dat de lucht zoo helder
-blauw was en dat het zoo stil in de hut bleef en....
-
-"Wat heeft die dokter een rare lip!" zeide zij eensklaps. "'t Lijkt
-net een schaats! En wat blonken die messen, welke hij uit dien leeren
-zak haalde. Misschien nog mooier dan de zilveren schaatsen. Had
-ik mijn nieuw jacketje maar aangedaan, dan zou ik 't zoo koud niet
-hebben! Dat nieuwe jacketje is zoo mooi, 'k heb nog nooit zoo iets
-moois gehad!--God heeft zoo lang voor mijn vader gezorgd; Hij zal
-'t nu ook wel doen, als die twee mannen maar weg waren.--Kijk, daar
-staan ze allebei op het dak van ons huis!--Neen, 't zijn moeder en
-Hans. O, neen! 't zijn maar een paar vogels."
-
-En weder hield Griete beide handjes voor haar oogjes en schreide zóó
-luid, dat men 't wel in de hut had kunnen hooren.
-
-Eensklaps voelde zij een vreemde hand op haar schouder leggen.
-
-"Sta op, Griete," zeide een vreemde stem. "Sta op kind! Anders heb
-je nog kans om te bevriezen."
-
-Griete keek verschrikt op. 't Was de lieve Hilda de Bruyn.
-
-"Sta op, Griete, en ga in de hut," vervolgde het lieve meisje. "Is
-dat nu weer, om buiten op de steenen te zitten?"
-
-"O, neen, juffrouw," zeide het kind, terwijl zij opstond en tegen
-Hilda aanleunde, "ik ga niet in de hut, want de dokter is er in en
-hij heeft mij weggestuurd."
-
-"Zoo, welnu, dan moet je wat gaan loopen, Griete. Want je bent
-verkleumd van de kou. Ik zag je daar straks wel zitten, maar ik
-dacht, dat je aan 't spelen waart. Waarom heb je ook je jacketje
-niet aangedaan?"
-
-"Daar had ik geen tijd voor, juffrouw, want ik ben zoo hard als ik
-kon de hut uitgeloopen."
-
-"Kom hier, doe mijn jacketje zoo lang aan, totdat je weer in de hut
-kunt komen," hervatte Hilda, die reeds pogingen deed, om zich van
-haar eigen winterkleed te berooven. "Als de dokter wist, hoe koud je
-'t hier hebt, zou hij je wel weer in de hut laten."
-
-"O, juffrouw," riep Griete smeekend uit, "doe als 't u belieft uw
-jacketje niet uit. Ik ben wel koud, maar zal wel weer warm worden,
-als ik maar wat beweging neem."
-
-"Nu, 't is goed, Griete. Sla je armen dan maar over elkaar. Maar zeg
-me, is er een dokter bij je in huis? Is je vader dan erger?"
-
-"Ach, juffrouw! Ik geloof, dat hij sterft!" riep Griete weenend
-uit. "Er zijn op 't oogenblik twee dokters bij hem, die hem zullen
-vermoorden. Kunt u hem hier niet hooren kermen? Ik kan 't niet hooren,
-door het fluiten van den wind."
-
-Hilda luisterde, maar vernam niets.
-
-"We zullen eens door het venster zien, hoe 't met uw vader is,"
-hernam zij. Dit zeggende, ging ze met Griete naar het raam der
-hut. Maar eensklaps bedacht zij zich.
-
-"Ik mag niet door eens anders raam kijken," zeide zij bij zich
-zelve. "Kijk jij er eens door, Griete," vervolgde zij, "en zeg me
-dan wat je ziet."
-
-Griete ging op haar teenen staan en keek.
-
-"Kind, je bent zelf ziek," hernam Hilda, die haar ondersteunde en
-voelde hoe het arme meisje over haar geheele lichaam beefde.
-
-"Neen, juffrouw, ik ben niet ziek," antwoordde Griete, "maar mijn
-hart schreit, al zijn mijn oogen ook zoo droog als de uwe.--Hé,
-juffrouw! U schreit ook. Schreit u om ons? O, dat is wel goed, en
-als onze lieve Heer dat ziet, zal hij vader zeker beter maken."
-
-"Wat zie je, Griete?" vroeg Hilda. "Of kun je niets zien?"
-
-"Vader ligt heel stil, juffrouw, met een doek om zijn hoofd en
-allen kijken naar hem. Ik moet naar binnen, naar moeder. Gaat u mee,
-juffrouw?"
-
-"Nu niet, maar later kom ik eens hooren, hoe 't met je vader is."
-
-En Griete hoorde de laatste woorden niet meer: want snel liep zij
-den hoek om en trad, zoo zacht als zij kon, de hut binnen.
-
-In de kamer was 't stil. 't Was, of zij den ouden dokter kon hooren
-ademhalen, ja, als hoorde zij de asch op de plaat van den haard
-vallen. De hand van haar moeder was ijskoud, maar haar wangen gloeiden
-en haar oogen stonden glazig helder.
-
-Eindelijk kwam er beweging op het bed, wel zeer zacht, maar genoeg om
-hen allen hun oogen naar dien kant te doen richten; dokter Broekman
-boog zich oplettend voorover. Brinker trok zijn groote hand, zoo bleek
-en zoo zwak voor die van zulk een stevig man, onder het dek vandaan
-en voelde er mee naar zijn voorhoofd. Hij scheen daar het verband
-te voelen, doch deed dat niet op die rustelooze, onbewuste manier,
-maar alsof hij met bewustheid onderzocht, wat men hem toch om het
-hoofd had gebonden. Zelfs dokter Broekman hield zijn adem in. Daarop
-sloeg de patiënt zijn oogen langzaam op.
-
-"Wat gauw, jongens," zeide hij met een stem, die in Griete's ooren
-zeer vreemd klonk. "Haalt die kribben wat hooger en werpt er aarde
-op. Het water rijst zoo snel--er is geen tijd...."
-
-Vrouw Brinker vloog naar het bed, greep beide handen van haar man
-en zeide:
-
-"Rolf, Rolf! ouwe jongen! Praat eens tegen me."
-
-"Ben jij 't, Mietje?" vroeg hij met een zwakke stem. "Ik heb zoo
-lang geslapen en geloof zelfs, dat ik mij bezeerd heb. Waar is de
-kleine Hans?"
-
-"Hier ben ik, vader!" riep Hans, half dol van vreugde. Maar de dokter
-hield hem terug.
-
-"Hij kent ons!" riep vrouw Brinker uit. "Hij kent ons,
-Griete! Griete! kom eens bij je vader!"
-
-Tevergeefs beval dokter Broekman stilte en trachtte hij hen met
-geweld van het bed te houden. Hij kon er niets tegen doen. Hans en
-zijn moeder lachten en weenden te gelijk. Griete liet geen geluid
-hooren, maar stond hen met blijde en toch verschrikte oogen aan te
-kijken. Haar vader vroeg met zwakke stem:
-
-"Slaapt het kleine kind, Mietje?"
-
-"Het kleine kind!" herhaalde vrouw Brinker. "O, Griete, dat ben
-jij! En hij noemt onzen Hans "den kleinen Hans"! Tien jaren heeft
-hij geslapen! O, mijnheer, gij hebt ons allen gered! Van al die tien
-jaren weet hij niets af. Kinderen, dankt toch dien goeden dokter."
-
-De arme vrouw was buiten zich zelve van vreugde. Dokter Broekman
-zeide niets, maar toen hij zijn oogen, die vochtig waren, op de hare
-vestigde, sloeg hij ze opwaarts. Zij begreep, wat hij meende. Ook Hans
-en Griete begrepen het. Alsof zij 't hadden afgesproken, knielden
-ze alle drie in de hut neder, zonder dat vrouw Brinker echter haar
-mans hand losliet. Dokter Broekman stond bij hen en boog eerbiedig
-het hoofd.
-
-"Waarom bid je?" mompelde de vader. "Is 't vandaag Zondag?"
-
-Vrouw Brinker knikte, maar kon niet spreken.
-
-"Lees dan een hoofdstuk uit den Bijbel," hervatte Rolf, terwijl hij
-langzaam en met moeite sprak. "Ik weet niet, hoe 't met mij is. Ik
-ben zoo zwak. Misschien wil de dominee het ons voorlezen."
-
-Griete kreeg den zwaren bijbel van de gebeeldhouwde plank. Dokter
-Broekman, die er om meesmuilde, dat Rolf hem een dominee noemde,
-reikte het boek aan zijn assistent over.
-
-"Lees," mompelde hij. "Die menschen moeten tot rust gebracht worden,
-anders sterft de man nog."
-
-Toen het hoofdstuk uit was, wenkte vrouw Brinker geheimzinnig, dat
-allen stil moesten zijn, want dat haar man sliep.
-
-"Hoor eens, vrouwtje," zeide de dokter met gedempte stem, terwijl
-hij zijn overjas aantrok. "Er moet hier de grootste stilte zijn,
-versta je. Morgen kom ik terug. Geef den patiënt vandaag geen eten,"
-en zonder verder een woord te zeggen, ging hij de hut uit, de bevroren
-vaart over en naar het rijtuig, dat den ganschen tijd, dien de dokter
-in de hut had doorgebracht, den weg langzaam op en neer gereden had,
-om de paarden in beweging te houden.
-
-Hans ging ook de deur uit.
-
-"Moge God u zegenen, mijnheer," zeide hij blozend en met een stem,
-die van aandoening beefde. "Ik kan u nooit beloonen. Doch, als...."
-
-"Ja, dat kun je wel," antwoordde de dokter vrij stroef. "Je kunt je
-verstand gebruiken, als de patiënt weer wakker wordt. Als je wilt,
-dat je vader beter zal worden, dan moet je allemaal je stilhouden."
-
-Hilda was aan de hut blijven staan, totdat zij Hans had hooren zeggen:
-"Hier ben ik, vader!" Toen was zij heengegaan, terwijl zij in zich
-zelf mompelde: "O, wat ben ik blij! Wat ben ik blij!"
-
-'t Duurde niet lang, of het nieuws, dat de krankzinnige Brinker weer
-tot zijn verstand was gekomen, was met de noodige vergrootingen door
-geheel Broek verspreid. Nog dien zelfden avond werd er verhaald, dat
-dokter Broekman hem een groote hoeveelheid medicijnen had ingegeven
-en dat er zes mannen waren noodig geweest om den patiënt vast te
-houden, terwijl de dokter hem die in de keel goot. Terstond daarop
-was de krankzinnige van zijn bed gesprongen en had, in het volle
-bezit zijner geestvermogens, zich op den dokter geworpen en hem een
-pak slaag gegeven; daarop was hij gaan zitten en had al de omstanders
-aangesproken, alsof hij een advocaat was. Toen had hij zich omgekeerd
-en heel vriendelijk met zijn vrouw en kinderen gepraat. Vrouw Brinker
-had het daarna op haar zenuwen gekregen, en Hans had gezegd: "Hier
-ben ik, vader!" En Griete had gezegd: "Hier ben ik, vader!" En de
-dokter was zoo bleek als een lijk in zijn rijtuig gekropen en naar
-Amsterdam teruggereden.
-
-
-
-
-
-
-
-
-ELFDE HOOFDSTUK.
-
-DE VERBORGEN SCHAT.
-
-
-Toen dokter Broekman den volgenden dag in de hut van Rolf Brinker kwam,
-was 't hem alsof een atmosfeer van geluk hem tegenwoei. Vrouw Brinker
-zat met een vergenoegd gezicht te breien aan het bed van haar man,
-die rustig sliep, terwijl Griete in een hoek van het vertrek bezig
-was met het kneden van roggebrood.
-
-De dokter bleef niet lang. Hij deed eenige vragen, scheen tevreden
-over de antwoorden, voelde den pols van zijn patiënt en zeide:
-
-"Je man is geducht zwak, vrouw Brinker! Hij moet wat versterkends
-hebben. Je kunt er gerust mee beginnen, maar niet te veel op eens,
-en wat je hem geeft, het moet van het krachtigste en beste zijn."
-
-"Wij hebben niets dan roggebrood en aardappelen, mijnheer," antwoordde
-vrouw Brinker, "en die zijn hem altijd heel goed bekomen."
-
-"Ho, ho! vrouwtje," hernam de dokter, terwijl hij zijn wenkbrauwen
-fronste. "Dat deugt niemendal voor hem. Hij moet krachtigen bouillon
-hebben, met oudbakken wittebrood, dat je kan roosteren, dan goede
-Malaga, en .... de man lijdt kou .... je moet hem beter dek geven. Waar
-is je zoon?"
-
-"Hij is het dorp ingegaan, om te zien of hij werk kan krijgen,
-mijnheer! Maar hij zal wel gauw terug zijn. Wil u niet gaan zitten?"
-
-Hetzij de harde stoel, dien vrouw Brinker hem aanbood, niet bijzonder
-uitlokkend scheen, of dat de dokter haast had--hij nam het aanbod
-van vrouw Brinker niet aan, maar zette zijn hoed op en vertrok.
-
-Dokter Broekman's bezoek had ditmaal geen aangenamen indruk
-achtergelaten. Griete kneedde haar roggebrood met een zenuwachtige
-gejaagdheid en vrouw Brinker ging naar het bed van haar man en barstte
-in bittere tranen uit.
-
-Op dit oogenblik kwam Hans binnen.
-
-"Wat scheelt er aan, moeder?" vroeg hij, toen hij haar zag weenen. "Is
-vader soms erger?"
-
-Zij wendde haar gelaat naar Hans, en zonder eenige poging om voor
-hem de reden van haar verdriet verborgen te houden, gaf zij hem
-ten antwoord:
-
-"Ja Hans! je arme vader lijdt honger en kou--dat heeft de dokter
-gezegd."
-
-Hans werd bleek.
-
-"Dan moet ge hem wat eten geven, moeder, en hem wat warmer toedekken,"
-zeide hij.
-
-"Eten? Roggebrood en aardappelen? Dan vermoorden wij hem. Ons eten
-is te zwaar voor hem. Ach! hij zal sterven, je arme vader, als we hem
-dat geven. Hij moet vleesch hebben, wijn en een zacht, warm bed. Wat
-moeten wij beginnen? Wat zullen wij doen? Er is geen stuiver in huis!"
-
-"Heeft de dokter dan gezegd, dat hij al die dingen moest hebben?" vroeg
-Hans.
-
-"Ja, dat heeft hij gezegd."
-
-"Welnu, moeder! Droog dan uw tranen. Hij zal ze hebben. Nog vóór den
-avond breng ik hem vleesch en wijn. En wat het dek aangaat, neem
-het maar van het mijne af. Ik ben jong en sterk en kan wel zonder
-dek slapen!"
-
-"En dan, wat er tot overmaat van ramp nog bij komt, Hans, we hebben
-geen brandstof meer. Je vader is er wat ruw mee omgegaan, als ik het
-niet zag."
-
-"Zorg daar maar niet voor, moeder! Als de nood dringt, dan kan ik
-den wilgeboom wel omhakken; maar van avond zal ik wat brandstof
-medebrengen. Al is er te Broek geen werk te vinden, in Amsterdam
-moet er zijn. Maak u maar niet ongerust. Het ergste van alles is
-geleden. Nu vader weer bij zijn verstand is, kunnen wij allen dingen
-het hoofd bieden."
-
-"Je hebt gelijk, Hans," antwoordde vrouw Brinker, terwijl zij haar
-tranen afdroogde.
-
-"Kijk hem nu eens, moeder, hoe rustig hij slaapt. Zou God hem
-nu door gebrek aan voedsel doen omkomen, nu Hij hem ons heeft
-teruggeschonken? Treur dus niet."
-
-Dit zeggende, nam Hans zijn schaatsen onder den arm, gaf zijn
-moeder een kus en ging de deur uit. De arme jongen, moedeloos door
-het mislukken van al zijn pogingen om in Broek werk te krijgen, in
-bittere smart over de mededeelingen zijner moeder, hield zich groot,
-grooter dan hij 't wel in zijn hart was, ja, poogde te fluiten,
-terwijl hij naar de vaart ging.
-
-Nooit was bij de Brinkers de nood zoo hoog geweest. Hun voorraad van
-brandhout was zoo goed als op en Griete was bezig met het laatste meel
-tot brood te kneden. En geld--dat was een soort van ding, dat er in
-de hut aan de vaart weinig, thans in 't geheel niet te vinden was.
-
-'t Speet Hans, dat hij den koetsier niet had verzocht, om stil te
-houden, toen de dokter hem daar straks voorbijreed. Misschien had
-moeder het verkeerd verstaan. De dokter kon toch wel begrijpen, dat
-het buiten hun macht was om vader bouillon en wijn te verschaffen. En
-toch--hij was er wel zeker van, dat de arme man het noodig had,
-want hij zag er zoo zwak uit.
-
-"Kon ik maar werk krijgen, dan zou men mij misschien wat op voorschot
-geven. Ik moet werk hebben. Was mijnheer Van den Helm maar niet juist
-naar Rotterdam, dan zou hij mij wel werk verschaffen. Maar de jonge
-heer Peter heeft mij gezegd, dat ik maar naar zijn moeder moest gaan,
-als ik hulp noodig had. Weet je wat, ik doe 't: baat het niet, dan
-schaadt het niet. O, als 't maar zomer was!"
-
-Onder dit zelfgesprek had Hans zijn schaatsen ondergebonden en reed
-hij naar de woning van mijnheer Van den Helm.
-
-"Vader moet wijn en vleesch hebben," mompelde hij. "Maar hoe kom ik
-vandaag nog aan het geld, om het voor hem te koopen? Er is geen ander
-middel op, dan de belofte te vervullen, die ik stilzwijgend aan den
-jongen heer Peter gedaan heb. Een beetje wijn en vleesch beteekent
-niets voor de familie Van den Helm. Als vader maar voedsel heeft,
-dan rij ik naar Amsterdam en zie daar wat te verdienen."
-
-Toen kwamen er andere gedachten bij hem op, gedachten, die zijn hart
-heviger deden kloppen en het schaamrood op zijn wangen joegen.
-
-"Dat zou bedelen zijn," zeide hij. "Op zijn zachtst genomen
-bedelen. Nooit heeft een van de Brinkers gebedeld! Zal ik dan de
-eerste zijn? En zou mijn arme vader daartoe uit zijn tienjarigen
-doodslaap ontwaakt zijn, opdat hij moet hooren, dat zijn huisgezin om
-een aalmoes gevraagd heeft, hij die altijd zoo fier werkzaam was? Neen,
-dan is 't nog duizendmaal beter om het horloge te verkoopen."
-
-Hij stond peinzend stil.
-
-"Verkoopen?" vervolgde hij, als beantwoordde hij zich zelf. "Wel,
-dat behoeft niet. Ik kan het te Amsterdam beleenen. Dat is toch geen
-schande. En als ik dan werk krijg, dan los ik het weer, en vader
-is geholpen."
-
-Die laatste gedachte deed hem opspringen van vreugde.
-
-"Ik behoef 't niet stil te doen ook," vervolgde hij in het
-naar-huis-rijden. "Wel neen, in 't geheel niet. Ik kan er vader
-zelfs naar vragen. Hij is nu weer bij zijn volle verstand. Misschien
-is hij al wakker. Dan kan hij ons vertellen wat er van dat horloge
-is. Misschien zegt hij, dat het van niet het minste belang is."
-
-Sneller dan hij van huis gereden was, reed hij terug. Hij ontmoette
-zijn moeder juist in de deur.
-
-"O, Hans!" riep zij met een gelaat, dat van vreugde straalde, uit:
-"Daar is de jonge dame geweest met haar dienstmaagd. Zij heeft alles
-meegebracht, wat wij noodig hebben: vleesch, soep, wijn en brood--een
-mand vol brood. En de dokter heeft een mand gestuurd met een paar
-flesschen wijn, een zacht bed en warme dekens voor vader. O, nu zal
-hij wel weer beter worden. God zegene die edele juffrouw Hilda en
-den braven dokter!"
-
-"God zegene hen!" herhaalde Hans en de tranen kwamen hem in de oogen.
-
-Dien avond gevoelde Rolf Brinker zich zooveel beter, dat hij er op
-aandrong, om een weinig in zijn ruwen stoel met hooge leuning op
-te zitten. Het gaf wel een weinig verlegenheid in de hut. Wat Hans
-aangaat, die kon, ofschoon zijn vader een zwaar man was, hem best
-aan de eene zijde ondersteunen, maar vrouw Brinker, ofschoon ze in
-'t geheel niet zwak was, beefde zoozeer vooral bij het denkbeeld,
-dat zij iets zou doen, wat de dokter niet geordonneerd had, dat het
-weinig scheelde of zij was onder den last bezweken.
-
-"Hou je goed, vrouw! hou je goed," zeide Rolf. "Ben ik dan zóó oud
-en zóó zwak geworden, dat ik niet meer op mijn beenen staan kan. Of
-is het de koorts?"
-
-"Hoor me dien man eens aan!" riep vrouw Brinker zenuwachtig lachend
-uit. "Spreekt hij niet als een gezond christenmensch! 't Is de koorts,
-die je zoo zwak maakt, Rolf. Hier is je stoel. Ga nu maar zitten!"
-
-Met deze woorden liet vrouw Brinker haar man zachtjes op zijn stoel
-nederzakken, op welken zij een donzig kussen had gelegd. Hans deed
-hetzelfde. Intusschen bracht Griete alles aan, wat tot gemak van haar
-vader kon dienen, en stookte het vuur ferm op.
-
-Eindelijk zat Rolf Brinker op zijn gemak. Geen wonder, dat hij
-vreemd rondkeek. "De kleine Hans" had niet veel minder gedaan dan
-hem ondersteund. Het "kleine kind" was meer dan vier voet lang en
-stookte den haard zoo goed, alsof haar moeder 't gedaan had. Mietje,
-zijn vrouw, was nog wel even mooi als vroeger, maar heel wat dikker
-geworden, en dat alles--naar 't hem voorkwam, in weinige uren. De
-eenige welbekende dingen, welke hij om zich zag, waren de grenenhouten
-tafel, welke hij zelf had gemaakt, de Bijbel op de plank en de kast
-in den hoek.
-
-Wat wonder, dat de oogen van Rolf Brinker zich met tranen vulden,
-zelfs bij het zien van de vroolijke gezichten, die hem omringden. Tien
-jaren toch van een menschenleven is geen gering verlies! Tien jaren
-van mannelijken leeftijd, van huiselijk geluk en huiselijke zorg,
-tien jaren van eerlijken arbeid, genieting van zonneschijn, van een
-leven in dankbaarheid gesleten. En die tien jaren als een enkele nacht
-voorbijgegaan! Was 't wonder, dat er bittere tranen over zijn wangen
-vloeiden, toen hij begreep, wat er met hem gebeurd was?
-
-Die tranen--'t was of zij in het hart van Griete drongen en daar de
-ijskorst deden smelten, die dat jeugdige hart bedekte. Thans had zij
-haar vader lief, snelde op hem toe en sloeg de armen om zijn hals.
-
-"Vader, lieve vader!" fluisterde zij, terwijl zij haar wangetje dicht
-aan de eene zijde drukte. "O, lieve vader, schrei zoo niet! Wij zijn
-allen hier."
-
-"God zegene u, kind!" snikte Rolf, terwijl hij haar herhaalde malen
-kuste. "Ik had dat waarlijk vergeten!"
-
-Hans en vrouw Brinker hadden zwijgend en met aandoening Griete
-gadegeslagen. Zij waren zóó blijde, dat het kind, hetwelk haar
-vader eigenlijk nooit gekend had, zich thans zoo lief jegens hem
-gedroeg. Rolf Brinker nam het hoofd van zijn dochtertje tusschen zijn
-beide handen, keek haar vriendelijk in het gelaat, wendde zich toen
-tot zijn vrouw en zeide:
-
-"Ik geloof, dat ik haar ken, Mietje. Dezelfde blauwe oogjes, dezelfde
-lippen, 't is het lieve kind, dat al kon zingen, vóór ze nog kon
-loopen. Maar dat is al lang geleden, heel lang," voegde hij er bij,
-terwijl hij met een droomerig gelaat opkeek, "en al die tijd is
-nu voorbij."
-
-"In 't geheel niet, Rolf!" riep zijn vrouw haastig uit. "Denk je dan,
-dat ik er niet voor gezorgd heb, dat ze jou niet vergat? Griete,
-kind! zing eens het oude liedje, dat je zoo lang gekend hebt."
-
-Rolf Brinker liet zijn handen zwaar naast zich hangen en sloot zijn
-oogen, maar er speelde een glimlach om zijn lippen, toen Griete met
-haar heldere stem dat oude, welbekende liedje zong.
-
-Het was een eenvoudig wijsje; de woorden had zij nooit gekend.
-
-En als uit instinct zong zij de noten zóó zacht, dat Rolf zich bijna
-verbeeldde, dat zijn tweejarig kindje weer naast hem zat.
-
-Zoodra het gezang gedaan was, klom Hans op een bankje en begon boven
-in de kast te rommelen.
-
-"Wees voorzichtig, Hans," zeide vrouw Brinker, die, hoe arm zij ook
-was, steeds een zorgvuldige huismoeder bleef. "Wees voorzichtig,
-dat je den wijn niet omgooit, en pas op het brood, dat er naast staat."
-
-"Wees maar niet bang, moeder," antwoordde Hans, die ver boven de
-hoogste plank uitstak. "Ik zal niets omgooien."
-
-Toen sprong hij van het bankje af en ging naar zijn vader, voor wien
-hij een langwerpig stuk grenenhout op tafel zette. Eén van de einden
-was schuin afgerond, en het bovengedeelte was uitgehold.
-
-"Weet gij wel, wat dat is, vader?" vroeg hij.
-
-Rolf Brinker's gelaat helderde op.
-
-"Of ik het weet. Wel ja, mijn jongen, dat is de boot, waaraan ik
-giste.... neen, niet gisteren, maar jaren geleden bezig was."
-
-"Ik heb haar altijd bewaard, vader. Als uw handen weer sterker zijn,
-kunt gij haar afmaken."
-
-"Dat is goed, mijn jongen. Maar niet voor jou, hoor. 'k Moet nu
-maar wachten, tot ik kleinkinderen heb. Wel kerel, je bent bijna een
-man. Heb je je moeder al die jaren trouw geholpen?"
-
-"Ja, dat heeft hij gedaan," zeide vrouw Brinker.
-
-"Laat me eens bedenken," prevelde de vader. "Hoe lang is 't sinds
-dien nacht, dat het water zoo hoog was? Dat is 't laatst, wat ik
-mij herinner."
-
-"We hebben je de waarheid gezegd, Rolf. 't Is al over de tien jaren."
-
-"Tien jaren--en toen ben ik gevallen, niet waar? En heb ik sedert al
-dien tijd in de koorts gelegen?"
-
-Vrouw Brinker wist niet, wat zij moest antwoorden. Zou ze hem alles
-vertellen? Dokter Broekman had haar volstrekt verboden, om hem bekend
-te maken, dat hij krankzinnig, idioot geweest was. Hans en Griete
-stonden verbaasd te kijken, toen hun moeder antwoordde:
-
-"Dat heeft er veel van, Rolf. Je begrijpt, als zoo'n zwaar man als
-jij op zijn hoofd valt, dan loopt dat zoo gemakkelijk niet af. Maar
-nu ben je weer beter, Goddank!"
-
-Rolf liet zijn hoofd zakken.
-
-"'t Is goed, vrouw," hernam hij, na een oogenblik gezwegen te
-hebben. "'t Is me tusschenbeide of mij de hersens in het hoofd
-draaien. Dat zal wel niet beter worden, vóór ik op den dijk ga
-werken. Wanneer denk je, dat ik weer aan den arbeid kan gaan?"
-
-"Hoor me zoo'n man eens aan!" riep vrouw Brinker verheugd en toch
-verschrikt. "We moeten hem te bed brengen, Hans! Dat wou nu al gaan
-werken!"
-
-Zij poogden hem nu van zijn stoel op te richten, maar hij was nog
-niet van zins om naar bed te gaan.
-
-"Schei toch uit," zeide hij met zijn ouden glimlach, een glimlach dien
-Griete nog nooit op zijn gelaat had gezien. "Moet je een man oplichten
-als een blok hout. 't Duurt geen drie dagen of ik ben weer op den dijk
-aan 't werk. Daar zal ik weer mijn oude, goeie jongens vinden! Wat
-zullen ze in hun schik zijn, als ze mij weer zien verschijnen! Daar heb
-je Jan Kamphuijzen en den jongen Hoogvliet. 't Waren trouwe kameraads,
-Hans, daar kan je op aan!"
-
-Hans keek zijn moeder aan. De jonge Hoogvliet was al vijf jaren
-geleden gestorven en Jan Kamphuijzen zat in de cellulaire gevangenis
-te Amsterdam.
-
-"Ze zullen 't nog wel goed maken, denk ik," zeide vrouw Brinker
-ontwijkend. "Maar je begrijpt wel, Rolf, dat we geen tijd hebben gehad
-om ons met hen te bemoeien. Hans had het te druk met leeren en werken,
-dan dat hij kameraden zou hebben kunnen zoeken."
-
-"Leeren en werken!" herhaalde Rolf op peinzenden toon. "Kan de jongen
-dan lezen en schrijven, Mietje?"
-
-"Dat zou ik meenen," antwoordde zij trotsch. "Je zult het hooren,
-Rolf. In den tijd, dat ik den vloer doe, leest de jongen een heel
-boek uit. Hij is net zoo blij met een blaadje gedrukt schrift als
-een konijn met een koolstronk. En cijferen dat hij kan...."
-
-"Hans, help mij een handje," viel Rolf zijn vrouw in de rede. "Ik
-wou weer naar bed."
-
-
-
-Wie dien avond vrouw Brinker en haar beide kinderen had zien soupeeren,
-zou niet gedacht hebben, dat er zooveel fijns in de kast daar aan
-den muur verborgen was. Vroolijk gebruikten zij hun grof brood met
-helder water: "het wittebrood, de wijn en het vleesch moesten voor
-vader blijven," had vrouw Brinker gezegd. "Als men daar een stukje
-van at, zou men het den armen man ontstelen."
-
-"Wat zit je daar te kijken, Griete?" vroeg vrouw Brinker, toen ze
-gedaan hadden. "Heeft je het eten van avond niet gesmaakt, nu je wat
-beters gezien hebt?"
-
-"Neen, moeder," antwoordde Griete verschrikt, dat ze zoo eensklaps
-in haar droomerijen gestoord werd. "Daar heb ik geen oogenblik over
-gedacht. Maar ik...."
-
-"Nu, wat dan, kind?" herhaalde vrouw Brinker ongeduldig.
-
-"Ik dacht, we konden vader nu wel eens naar de duizend gulden
-vragen.--Misschien weet hij er iets van."
-
-"Duizend gulden!" herhaalde eensklaps een stem uit het bed, en zoowel
-vrouw Brinker als Hans sprongen verschrikt op. "De duizend gulden
-zullen je ook wel te pas gekomen zijn, Mietje, al dien langen tijd,
-dat je man geen slag werk deed."
-
-"Ben je wel wakker, Rolf?" vroeg zij.
-
-"Ja, kind. En ik gevoel mij veel beter. Wat een geluk, dat we dit
-geld hadden gespaard! Heeft het gedurende al die tien jaren gestrekt,
-Mietje?"
-
-"Ik .... ik heb er geen cent van gezien, Rolf." En zij was op het punt,
-om hem de geheele waarheid mede te deelen, toen Hans zijn vinger op
-den mond legde en zijn moeder toefluisterde:
-
-"Denk er aan, moeder, wat de dokter gezegd heeft, dat we vaders hoofd
-niet vermoeien mogen."
-
-"Spreek jij dan met hem, kind," antwoordde zij.
-
-Hans voldeed hieraan.
-
-"Ik ben blij, dat ge wat beter zijt, vader," begon hij. "Als 't zoo
-voortgaat, zult gij wel spoedig sterk zijn."
-
-"Ja, jongen, dat willen we hopen. Maar hoe lang heeft dat geld geduurd,
-Hans? Ik kon je moeder niet recht verstaan. Wat zeide zij?"
-
-"Ik heb gezegd, Rolf," antwoordde vrouw Brinker op treurigen toon,
-"dat alles weg is."
-
-"Nu, vrouwtje, wees daar maar niet bedroefd om. Duizend, gulden is
-waarlijk niet zooveel voor tien jaren, vooral als men er een paar
-kinderen bij groot te brengen heeft; maar ze hebben toch gemaakt,
-dat je geen armoede hebt behoeven te lijden. Ben je allen dien tijd
-nogal gezond geweest?"
-
-"Ja," snikte vrouw Brinker, terwijl zij haar voorschoot voor de
-oogen hield.
-
-"Kom, kom, vrouw! Waarom schrei je?" hernam Rolf vriendelijk. "Als
-ik maar weer op de been ben, zullen we wel gauw weer een nieuwe kous
-vullen. Gelukkig, dat ik je alles verteld heb, eer ik ziek werd."
-
-"Verteld? Wat heb je me verteld?"
-
-"Wel, dat ik 't je gezegd heb, dat ik het geld begraven had."
-
-Vrouw Brinker wilde naar het bed vliegen; maar Hans hield haar bij
-den arm vast.
-
-"Stil, moeder," fluisterde hij, terwijl hij haar tegenhield. "Wij
-moeten heel voorzichtig zijn."
-
-Toen zij daar nu zoo handenwringend stond, naderde hij nog eens
-zijn vader.
-
-"Herinnert gij u nog, vader, wanneer gij het geld begraven hebt?"
-
-"Wel zeker, 't Was vóór dag en dauw, op denzelfden dag, dat ik van den
-dijk viel. Jan Kamphuijzen had den avond te voren iets ten opzichte van
-dat geld gezegd, dat mij zijn eerlijkheid deed wantrouwen. Hij was de
-eenige, die met moeder en mij wat van dat geld wist. Ik stond 's nachts
-op en begroef het. Dwaas, die ik was, om een vriend te wantrouwen!"
-
-"Ik wed om al wat gij wilt, vader," hernam Hans lachend, terwijl hij
-zijn moeder en Griete wenkte, om zich stil te houden, "dat gij niet
-meer weet, waar gij het begraven hebt."
-
-"Ha! Ha! Ha! Je hebt gelijk. Maar goeden nacht, Hans! Ik heb slaap."
-
-Hans wilde zijn vader met rust laten en van het bed afgaan, maar
-zijn moeder wenkte hem en hij mocht haar niet ongehoorzaam zijn;
-daarom vervolgde hij:
-
-"Goeden nacht, vader! Waar hebt gij het geld begraven? Ik was toen
-nog heel klein."
-
-"Vlak bij den wilgeboom achter de hut," antwoordde Brinker slaperig.
-
-"O, ja. Aan den noordkant van den boom, niet waar, vader!"
-
-"Neen, aan de zuidzijde. Kom, je weet de plaats net zoo goed als ik,
-kleine schelm! Je bent er toch zeker bij geweest, toen je moeder het
-geld opgroef. Wees nu stil, Hans, en schud mijn kussen wat op. Ik
-heb zoo'n slaap. Goeden nacht!"
-
-"Goeden nacht, vader!" antwoordde Hans, die wel van vreugd had
-willen dansen.
-
-
-
-Dien nacht kwam de maan vrij laat op en wierp haar schijnsel vol en
-helder door het venster in de hut; maar haar licht stoorde den slaap
-van Rolf Brinker niet. Hij sliep rustig evenals Griete. Niet zoo Hans
-en zijn moeder; zij hadden wel wat anders te doen.
-
-Na eenige toebereidselen gemaakt te hebben, slopen zij de hut uit,
-gewapend met een spade en een houweel, beide braaf verroest, daar
-het werktuigen waren, vroeger door Rolf bij het dijkwerk gebezigd.
-
-'t Was buiten helder licht en zij konden den wilgeboom duidelijk
-zien. De bevroren grond was zoo hard als een steen, maar Hans en zijn
-moeder waren niet bang voor een beetje moeite. Het eenige, wat zij
-vreesden, was, dat zij de slapers in de hut zouden wakker maken.
-
-"Gelukkig, dat wij het houweel hebben, moeder," zeide Hans, terwijl
-hij uit al zijn macht sloeg; "maar de grond is zóó hard, dat we moeite
-zullen hebben, om er door te komen."
-
-"Wat zal dat een heuglijke tijding voor hem zijn," zeide vrouw Brinker
-glimlachend, "als hij sterk genoeg is om haar te dragen. Ik zou er
-wel lust in hebben, beide kousen, zoo vol met geld, net zooals wij
-ze vinden, naast hem neer te leggen. Wat zou de brave man dan raar
-opkijken, als hij wakker werd!"
-
-"Dan moeten we ze eerst vinden, moeder!"
-
-"Daar is geen twijfel aan, mijn jongen! Ze kunnen ons nu niet
-ontgaan. Waarschijnlijk zitten ze in den ouden koekepot, dien ik
-jarenlang gemist heb."
-
-Maar hoe diep Hans ook groef, er kwam geen teeken van den schat terug.
-
-"'t Is vreemd, dat vader het geld zoo vreeselijk diep in den grond
-heeft gespit," zeide vrouw Brinker op knorrigen toon. "De grond was
-toen nog zacht genoeg. Hoe verstandig van hem dat hij Jan Kamphuijzen
-niet vertrouwd heeft, en toch stelde hij toen nog zijn volle vertrouwen
-op hem. Wie had ook ooit kunnen denken, dat die vroolijke jongen,
-die altijd zoo aardig was, nog naar de gevangenis zou gaan! Nu, Hans,
-geef mij nu de spade eens. 't Zou toch jammer zijn, als wij den boom
-er mee doodden. Zou 't hem geen kwaad doen?"
-
-"Ik weet het niet," antwoordde Hans ernstig.
-
-Uur op uur gingen moeder en zoon voort met hun werk. Het gat werd
-hoe langer hoe dieper. Eindelijk moesten zij 't wel opgeven. Zij
-hadden bezuiden, benoorden, beoosten, bewesten den boom gegraven;
-maar de verborgen schat was er niet.
-
-
-
-
-
-
-
-
-TWAALFDE HOOFDSTUK.
-
-DE TOOVERGODIN.
-
-
-"Goeden morgen, Annie Bouman," zeide Hans, toen het meisje hem den
-volgenden morgen op het ijs ontmoette.
-
-"Goeden morgen, Hans," antwoordde zij vriendelijk. "Ik ben blij,
-dat ik je eens zie. Hoe is 't met je vader?"
-
-"Daar is een groote verandering mee voorgevallen, Annie!"
-
-"Ik heb er zoo wat van gehoord, Hans. Je moet het mij eens vertellen."
-
-En hij vertelde haar al wat er gebeurd was, terwijl hij natuurlijk
-van het begraven geld zweeg.
-
-"Maar nu moet ik weg, Annie," eindigde hij. "Ik moet naar Amsterdam,
-om mijn schaatsen te verkoopen. Moeder heeft geld noodig."
-
-"Je nieuwe schaatsen, Hans?" riep Annie uit. "Jij, de beste rijder
-uit Broek! En hoe wil je dan meedoen aan den wedren?"
-
-"Dat zal niet gaan, Annie! Maar ik moet weg. Goeden dag!"
-
-En hij was reeds heen.
-
-"Hans!" riep Annie.
-
-Hans kwam terug.
-
-"Ben je wezenlijk van zins, om je schaatsen van de hand te doen,
-als je er een kooper voor kunt vinden?"
-
-"Natuurlijk," antwoordde hij, terwijl hij een paar groote oogen
-opzette. "Waarom zou ik anders naar Amsterdam rijden?"
-
-"Nu, Hans, als je dan je schaatsen wilt verkoopen, dan weet ik wel
-iemand, die ze van je wil overnemen."
-
-"Mijn schaatsen koopen?" hernam Hans.
-
-"Waarom niet die zoo goed als een ander?" zeide zij vriendelijk. "Wat
-zal je er in Amsterdam voor krijgen? Je moet ze daar voor een appel
-en een ei geven. 't Is altijd veel voordeeliger, om ze uit de hand
-te verkoopen."
-
-Hans kon èn aan het argument èn aan het lieve, vriendelijke gezichtje
-van het meisje geen weerstand bieden.
-
-Hij zette zich neder, bond zijn schaatsen af en overhandigde ze
-aan Annie:
-
-"Hoor eens, Annie," zeide hij, "als je kennis de schaatsen
-niet wil hebben, dan moet je me beloven, dat je ze me van middag
-terugbrengt. Want moeder heeft hout en meel noodig en dan ga ik nog
-vóór den avond naar Amsterdam."
-
-"Mijn vriend heeft ze noodig," antwoordde zij, terwijl zij hem
-vriendelijk toeknikte en met de schaatsen wegreed, terwijl zij bij
-zich zelf zeide:
-
-"Wat is die Hans toch een goede, brave jongen!"
-
-Hans vervolgde intusschen, en nu te voet, zijn reis naar Amsterdam.
-
-"'k Hoop maar niet, dat moeder boos zal zijn," zeide hij in zich zelf,
-"dat ik de schaatsen verkocht heb, zonder haar verlof te hebben
-gevraagd. Zij heeft al verdriet genoeg. 't Zal tijds genoeg zijn,
-'t haar te vertellen, als ik het geld heb."
-
-"Hé, waar moet jij naar toe?" hoorde Hans eensklaps roepen, toen hij
-nog niet tot aan het Noordhollandsche kanaal genaderd was.
-
-Hans, die met de oogen naar den grond geslagen geloopen had (want hij
-was heel verdrietig, omdat hij in Broek geen werk had kunnen krijgen,
-en vreesde er terecht voor dat hij wel een vergeefschen tocht naar
-Amsterdam zou doen), keek op en zag Peter van den Helm, die zijn vijf
-makkers een oogenblik verliet en naar den kant der vaart reed.
-
-"O, zijt gij het, jongeheer!" zeide Hans min of meer beteuterd door
-de onverwachte verschijning.
-
-"Wij komen zoo juist van onze reis terug. Hoe is 't met je vader? Is
-dokter Broekman er al geweest?"
-
-"O, mijnheer, dokter Broekman is er niet alleen geweest, maar met
-Gods hulp heeft hij vader gered."
-
-"Wat je zegt! Nu, Hans, dat is een goede tijding. En waar ging je nu
-naar toe?"
-
-"Naar Amsterdam, om werk te zoeken, jongeheer!"
-
-"Naar Amsterdam? Daar zul je geen werk krijgen. Waarom zoek je het
-niet in Broek?"
-
-"Ik heb 't gepoogd, jongeheer, maar er is geen werk."
-
-"En zou je zoo op je voetjes naar Amsterdam kuieren? Dat zou je niet
-meevallen: want het is een heel eind. Waar zijn je nieuwe schaatsen?"
-
-"Ach, jongeheer," zeide Hans, terwijl hij verlegen aan zijn mouw
-plukte, "die heb ik verkocht."
-
-"Verkocht? En hoe moet je dan morgen aan de hardrijderij meedoen?"
-
-"Dat zal ik niet kunnen. Ach, ik heb wel aan wat anders te denken
-dan aan hardrijderijen."
-
-"Maar waarom heb je je schaatsen verkocht, Hans? Je was er zoo blij
-mee en jij kondt er zoo goed op voort."
-
-"Omdat er meel en brandstof in huis moest zijn," hernam Hans. "Als
-ik maar werk had kunnen krijgen, zou ik er geen oogenblik aan gedacht
-hebben."
-
-"Werk? Heb ik niet gezegd, dat je maar naar mijn papa moest gaan om
-werk. Die zou het je wel gegeven hebben."
-
-"Hij is naar Rotterdam, jongeheer!"
-
-"Hoor eens, je ziet, dat mijn kameraads reeds met ongeduld op mij
-wachten. Kom dadelijk bij mij, dan zal ik er met mama over spreken."
-
-Dit zeggende, vloog Peter als een pijl uit een boog voort en was binnen
-weinige minuten weder bij zijn reisgenooten, die hem braaf berispten,
-dat hij zich zoo gemeenzaam met dien voddenraper aanstelde. Maar Peter
-antwoordde niets, ofschoon hij bij zich zelf dacht: die voddenraper
-is honderd percent beter dan een van ons allen. Hij antwoordde niet,
-omdat hij de laatste seconden van hun vroolijk samenzijn niet wilde
-verbitteren door een twist, waarin zij hem toch nooit gelijk zouden
-geven. Hans intusschen wandelde getroost terug en kwam aan het huis
-van mijnheer Van den Helm, toen Peter en Lodewijk reeds lang en breed
-thuis zaten en al hun wedervaren verteld hadden.
-
-"Kom maar binnen, Hans!" zeide Peter. "Ik heb mama reeds over je
-gesproken."
-
-"Dat is heel vriendelijk van u, jongeheer!" antwoordde Hans.
-
-"En zij is heel boos op je, omdat je niet gedaan hebt, wat ik je
-gezegd had en bij haar bent gekomen om hulp."
-
-"Ik bij haar komen om hulp, jongeheer?" zeide Hans, terwijl hij een
-kleur kreeg als bloed. "Neem mij niet kwalijk," vervolgde hij op
-fieren toon, "'t is misschien een beetje trotsch van mij, maar nooit
-heeft een der Brinkers zich verlaagd tot het vragen om een aalmoes!"
-
-"En daar heb je braaf aan gedaan, Brinker," zeide een deftige dame,
-die het vertrek binnentrad. "Toch spijt het mij, dat je niet bij mij
-gekomen bent; ik had je graag wat voorgeschoten op het werk, dat je
-hier zult verrichten."
-
-Hans keek mevrouw Van den Helm met een paar oogen aan, glinsterend
-van vreugde. En hij sloeg die oogen zóó bescheiden en toch zóó open
-tot haar op, dat hij haar ondanks zijn versleten plunje beviel.
-
-"Je bent een gunsteling van mijn zoon Peter," hernam zij. "Hij
-heeft mij verteld, hoe je hem te Haarlem uit de verlegenheid gered
-hebt. Maar waarom hield je dat geld niet voor je zelf, daar je het
-toch zoo noodig hebt?"
-
-"Dat kan Mevrouw niet meenen," zeide Hans, terwijl hij een ongeloovigen
-blik op mevrouw Van den Helm sloeg. "Als ik het gehouden had, was ik
-immers een dief geweest."
-
-"Maar dan had je toch wel een paar gulden voor je moeite kunnen
-aannemen," hervatte mevrouw Van den Helm.
-
-"Geld, dat ik niet verdiend heb, is een aalmoes, Mevrouw. En wat mijn
-moeite aangaat, de jongeheer heeft mij waarlijk nog grooter dienst
-bewezen met dokter Broekman te gaan spreken."
-
-"'t Is waar, Brinker. Dokter Broekman heeft je vader zoo gelukkig
-genezen. Vertel me dat eens!"
-
-Hans verhaalde wat dokter Broekman gedaan had en weidde zeer uit over
-'s mans vriendelijkheid.
-
-"Hoe kun je toch zeggen, dat dokter Broekman vriendelijk is?" zeide
-Peter. "Ik heb nooit grooter bok gezien."
-
-"'t Kan wezen, jongeheer! En ik wil heel gaarne gelooven, dat andere
-menschen geen reden hebben, om op zijn vriendelijkheid te roemen. Maar
-dat belet toch niet, dat ik hem voor een lief, goed man houd en dat
-ik mijn leven zou opofferen, om hem een dienst te doen."
-
-"Je hebt gelijk, Brinker," zeide mevrouw Van den Helm. "En ik vind het
-nobel van je, dat je zoo ferm voor je gevoelen durft uitkomen. Dokter
-Broekman is een braaf man en een knap geneesheer. Dat hij gewoonlijk
-zoo ernstig en streng is, daar heeft hij wel reden voor, de arme
-man. 't Zal zoowat tien jaren geleden zijn, dat hij zijn eenig kind,
-een zoon van veel verwachting, op een zeer ongelukkige manier verloren
-heeft. En dat verlies heeft den vader vrij wat verdriet veroorzaakt."
-
-Peter zweeg uit achting voor zijn moeder, en op het gelaat van Hans
-stond innig medelijden te lezen; terwijl hij in zijn hart den wensch
-voedde, dat hij den dokter diens zoon mocht kunnen wedergeven. Nadat
-onze knaap het werk in den koepel had opgenomen, hetwelk hij bij den
-aankoop van de noodige gereedschappen, niet boven zijn bereik vond,
-gaf mevrouw Van den Helm hem een rolletje met tien rijksdaalders.
-
-"Ziedaar, Brinker," zeide zij vriendelijk, "hier heb je al vast vijf
-en twintig gulden op voorschot! Daar kun je het noodige gereedschap
-en hout voor koopen. En dan wachten we je den tweeden Januari om
-te beginnen. Morgen is de groote wedren, overmorgen Oudejaarsdag
-en Nieuwjaarsdag kun je toch ook niet werken. Al dien tijd kunnen
-je ouders niet van den wind leven, en als het werk goed uitvalt,
-dan zijn de vijf en twintig gulden nog maar een kleinigheid."
-
-Hans keek met glinsterende oogen naar de blinkende rijksdaalders,
-die hij zou verdienen, en dacht aan de vreugde, die er in de hut
-zou heerschen, als hij met zooveel geld thuis kwam. Want als hij
-tien gulden voor hout en gereedschap noodig had, was 't veel en
-het andere geld kon dienen voor de noodigste levensbehoeften en
-voor brandstof. Als hij zijn zin gehad had, dan zou hij reeds den
-volgenden dag zijn begonnen, maar daarvan wilde mevrouw Van den Helm
-niets hooren en hij durfde er niet op aandringen.
-
-"Je bent toch niet boos op me, Hans," zeide Peter, toen hij hem
-uitliet, "dat ik zoo over dokter Broekman gesproken heb? Ik wist niet,
-dat de man verdriet had."
-
-"Wel neen jongeheer! Hoe zou ik boos kunnen zijn op u, die mij als
-een weldoener verschenen zijt? Ik dank u integendeel hartelijk."
-
-"En nu koop je je schaatsen terug, hoor, en doe je morgen mee met
-de hardrijderij."
-
-"Dat zal moeilijk gaan, jongeheer! Maar we zullen zien."
-
-En met deze woorden verliet hij het huis van de familie Van den Helm.
-
-
-
-Vroolijk kwam Hans in de hut aan. Vader Brinker was juist ontwaakt
-en wenschte wat op te zitten; maar vrouw Brinker had hem beduid, dat
-hij moest wachten tot Hans thuis kwam. Hij zat dus maar in het bed op.
-
-"Ben je daar al, Hans?" zeide zijn moeder. "Ik dacht, dat je naar
-Amsterdam waart."
-
-"Zooals u ziet, moeder! Ik ben niet naar Amsterdam geweest. Ha,
-vader! al wakker? en hoe gaat het?"
-
-"Veel beter jongen, veel beter. Ik wachtte al op jou om op te staan:
-want een mensch zou wel lui worden, als hij zoo lang in de veeren
-bleef liggen. Maar je kijkt zoo vroolijk als een meidag. Er is je
-zeker wat goeds bejegend."
-
-"Dat zou ik zeggen, vader," antwoordde Hans, terwijl hij de tien
-blanke rijksdaalders op tafel wierp. "Ik heb werk gekregen en geld
-op voorschot."
-
-En hij vertelde zijn ontmoeting met Peter en de vriendelijke ontvangst
-bij mevrouw Van den Helm.
-
-"En zal jij dat werk durven avonturen, Hans?" vroeg Brinker.
-
-"Met Gods hulp, ja vader," antwoordde Hans. "En we zien reeds
-duidelijk, dat de goede God met mij geweest is."
-
-"Maar hoe zul je...."
-
-"Hij kan zoo mooi in hout snijden, Rolf," zeide vrouw Brinker. "Hans,
-krijg daar de plank eens vandaan en laat je vader die eens zien."
-
-Hans voldeed aan het verlangen zijner moeder en reikte zijn vader de
-plank toe. Deze bekeek het werk met oplettendheid en zeide:
-
-"Dat is goed werk; wie heeft je dat geleerd, Hans?"
-
-"Niemand vader; ik heb het door eigen oefening zoo ver gebracht."
-
-"En hoe kwam je aan het gereedschap?"
-
-"Een oud mes, anders heb ik niet gebruikt."
-
-"Nu, dan zul je den koepel wel in orde brengen, als je maar goed
-gereedschap hebt, jongen! Doch help mij nu op! Ik verlang om uit het
-bed te komen en je moeder durfde me alleen niet aan."
-
-Dien namiddag kwam Annie Bouman.
-
-"Hans," zeide zij, "ik heb goede zaken voor je gedaan! Ik heb vijf
-gulden voor je schaatsen gekregen."
-
-"Heb je je schaatsen verkocht, Hans?" vroeg zijn moeder.
-
-"Ik heb 't van morgen gedaan, moeder, éér ik naar mevrouw Van den Helm
-ben geweest. Maar vijf gulden is te veel, Annie. Ik heb er zooveel
-niet voor gegeven."
-
-"En als nu de liefhebber er zooveel voor geven wil."
-
-"Ik kan het niet gelooven, Annie," zeide Hans.
-
-"Dat staat je niet mooi, Hans, dat je mij niet gelooft," zeide Annie.
-
-"'t Is wel mogelijk Annie! Maar ik geloof...."
-
-"Je moet die schaatsen weerom koopen, Hans," zeide vrouw Brinker. "Je
-bent een brave jongen, dat je je grootste genoegen voor je ouders
-hebt opgeofferd. Maar nu we geld hebben en jij werk--wil ik niet,
-dat je zonder schaatsen blijft. Begrijp eens, dat je wel een enkele
-maal naar Amsterdam zult moeten, en als je 't dan op je voeten zoudt
-moeten doen, dan zou je er te veel tijd mee verliezen."
-
-"Heb je geld gekregen, Hans?" vroeg Annie.
-
-"Ja, Annie, van mevrouw Van den Helm, op afrekening van het werk,
-dat ik er doen zal. Ik zal er den koepel van snijwerk voorzien."
-
-"Jij, Hans? Wel, dat doet mij genoegen. En dus wil je nu de schaatsen
-niet verkoopen?"
-
-"Je moet ze weerom halen, Hans," zeide zijn moeder.
-
-"Ik zal met je meegaan, Annie," hernam Hans. "Ik kan ze toch nog
-wel terugkrijgen?"
-
-"Wel zeker. Maar laat Griete dan met me meerijden, dan kan zij
-ze halen."
-
-Op dit oogenblik schoot de zon haar laatste stralen, bloedrood,
-door het venster in de hut en bescheen de liefelijke gestalte met
-een tooverachtig licht. Vrouw Brinker beschouwde de jeugdige gedaante.
-
-"Kijk me nu dat lieve meisje eens aan!" riep zij uit. "Zou men niet
-zeggen, dat daar een toovergodin staat, van wie ik vroeger wel eens
-in de boeken gelezen heb?"
-
-"Vindt gij 't, vrouw Brinker?" zeide Annie lachend.
-
-"Inderdaad," antwoordde zij.
-
-Hans keek haar met vriendelijken blik aan; Griete kreeg haar schaatsen.
-
-"Ik ga gauw naar huis; kom, Griete, ben je klaar?"
-
-"Ja, Annie!" antwoordde Griete.
-
-"Dag, vrouw Brinker," zeide Annie. "'t Beste met je man!"
-
-Hans ging mede de deur uit, om de meisjes tot aan de vaart te
-vergezellen. Even buiten de deur stond Annie stil. Weder scheen de
-zon tooverachtig op het gelaat van het meisje. Was het een weinig
-coquetterie, dat ze daar zoo bleef stilstaan? Ik durf 't niet
-zeggen--wel weet ik dat Hans haar met een soort van eerbied aanstaarde.
-
-"Moeder heeft wel gelijk," zeide hij bewonderend. "Je lijkt net
-zoo'n toovergodin."
-
-Annie had er pleizier in, dat Hans haar zoo aankeek. Zij zette een
-ernstig gezichtje en zeide:
-
-"Welnu, Hans en Griete! Ik ben de goede toovergodin uit Broek,
-die je een bezoek komt brengen. Je kunt ieder een wensch doen,
-die zal je worden toegestaan." Griete begon te lachen om den ernst,
-waarmede zij sprak; maar Hans, die in zijn hart wenschte, dat Annie
-werkelijk een toovergodin was en dat haar belofte mocht uitkomen,
-lachte niet en zeide ernstig:
-
-"Welnu, goede toovergodin, ik wenschte, dat ik kon vinden wat ik van
-nacht tevergeefs gezocht heb!"
-
-Annie bleef haar rol uitmuntend doorspelen. Zij stampte driemaal op
-den grond, haalde plechtig een glazen kraal uit haar zak, reikte die
-Hans over en zeide:
-
-"Begraaf die kraal daar ginds bij de oude vermolmde wilgestomp,
-en eer de maan hedenavond opkomt, zal je wensch vervuld zijn."
-
-Griete vond dit zoo koddig, dat zij nog harder begon te lachen.
-
-"Ondeugend kind," zeide Annie, terwijl zij een streng gezicht
-zette. "Omdat je een toovergodin bespot, zal jouw wensch niet vervuld
-worden."
-
-"'t Is jammer, dat je je beurt niet hebt afgewacht, toovergodin!" zeide
-Griete. "Nu kun je me niets weigeren: want ik heb niets gevraagd."
-
-Annie bleef haar rol goed spelen. Met waardigheid wendde zij zich om,
-drukte Hans genadig de hand en wandelde naar de vaart. Toen zij daar
-was, was zij weder Annie.
-
-"Kom, Griete!" riep zij tegen het nog steeds lachende kind. "Ga nu
-mee; anders zou je de schaatsen van je broer niet voor morgen thuis
-brengen. En je weet, dat hij dan op de harddraverij moet."
-
-Hans keek de meisjes na, zoolang hij ze zien kon. Maar hij staarde
-ze na met een droomerig gelaat.
-
-"Bij die wilgestomp, zeide zij," mompelde hij. "Hoe dom, dat wij
-daaraan niet gedacht hebben! O, 't is zeker waar! Doch ik zal er
-moeder niets van zeggen, eer ik weet of 't waar is. Zij was van nacht
-zoo teleurgesteld."
-
-En hij ging met langzame schreden in huis, waar zijn vader gerust
-lag te slapen.
-
-"Wat moet je hebben, Hans?" vroeg vrouw Brinker, die aan het bed van
-haar man zat te breien.
-
-"Ik ga de oude stomp omhakken om een lekker brandje te hebben,
-als vader van nacht wakker wordt. Hij staat daar toch maar als
-een doeniet. En dan word ik warm van den arbeid; want ik ben koud
-geworden."
-
-"Sla dan niet te hard, anders mocht je je vader wakker maken."
-
-"Wees maar niet bang, moeder!" antwoordde hij, terwijl hij met spade
-en houweel de hut verliet.
-
-Toen Griete kort daarop met de schaatsen thuis kwam, vroeg zij Hans,
-terwijl zij haar schaatsen afbond:
-
-"Wat voer je daar toch uit?"
-
-"Ik begraaf mijn tooverkraal," antwoordde hij.
-
-"Malle jongen, hier zijn je schaatsen!"
-
-"Hang ze maar binnen op! En waar heb je ze gehaald?"
-
-"Wel, ze lagen bij Annie aan huis."
-
-"Dat dacht ik wel. Lieve, lieve Annie! Je zult zien, Griete, dat ze
-ons nog meer geluk aanbrengt!"
-
-"'t Zal wat zijn, als het voor de heeren komt. Maar ik ga in huis. 't
-Is me te koud om stil te staan."
-
-Vijf minuten later kwam Hans half dansende de deur in met een vuilen
-koekepot.
-
-"Moeder!" riep hij. "Het geld is terug! We hebben er van nacht niet
-aan gedacht, dat de wilg, welken vader bedoelde, al voor jaren is
-omgewaaid en dat de andere nog jong was, toen het ongeluk op den
-dijk voorviel. Annie heeft mij, zonder het te weten, op de gedachte
-gebracht, dat het die was. Hier is de pot met geld!"
-
-Vrouw Brinker kon niet spreken: maar zij trok den ouden vuilen pot,
-dien Hans op tafel had gezet, naar zich toe en haalde de beide kousen
-er uit, die ze aan haar hart drukte. Eindelijk riep zij:
-
-"O, kinderen! Welk een geluk! God zegene de lieve Annie voor haar
-wenk! Nu zal vader het eerst goed hebben."
-
-Dien nacht droomde Annie van een knipmes, dat Hans verloren had en
-op haar tooverspreuk terugvond.
-
-
-
-
-
-
-
-
-DERTIENDE HOOFDSTUK.
-
-HET GEHEIMZINNIGE HORLOGE.
-
-
-Terwijl Hans dien dag werk had gezocht en Griete bezig was geweest,
-om waar zij kon langs de vaart eenig hout te sprokkelen, om het vuur
-aan den haard te onderhouden, had er in de hut van Rolf Brinker een
-vrij langdurig gesprek plaats gehad tusschen den zieke en zijn vrouw,
-waarvan ik den inhoud aan mijn lezeressen en lezers wil mededeelen,
-niet twijfelende, of zij zullen een levendig belang stellen in hetgeen
-er tusschen de beide echtgenooten verhandeld werd.
-
-Gij herinnert u nog wel het gouden horloge, dat Rolf's trouwe
-vrouw zoo zorgvuldig had bewaard. Zoo menig uur van bitteren nood
-en nijpende armoede was er voorbijgegaan, waarin moeder Brinker
-het niet zou gewaagd hebben, dit horloge voor den dag te halen,
-uit vrees dat de verleiding haar te zwaar zou zijn en zij er voor
-mocht bezwijken en ontrouw worden aan het laatste verzoek van haar
-man. 't Was zoo menigmaal hard geweest, de bleeke, vervallen wangen
-harer lievelingen te zien en daarbij te denken, dat het geld, hetwelk
-zij voor dit horloge kon krijgen, de rozen op die wangen had kunnen
-terugbrengen. Maar vrouw Brinker kon de laatste woorden van haar man
-niet vergeten, zij zou er trouw aan blijven, er mocht van komen wat
-er wilde.
-
-"Pas er goed op, Mietje," dat waren zijn woorden geweest, toen hij haar
-het horloge ter hand stelde. Meer had hij er niet kunnen bijvoegen:
-want toen was men hem komen roepen, omdat de dijk gevaar liep. En na
-dien tijd, tien jaren lang, was Rolf buiten staat geweest, haar iets
-naders aangaande het haar in bewaring gegeven kleinood mede te deelen.
-
-Nu echter begreep zij, dat het oogenblik gekomen was, waarin zij
-van haar man iets meer ten aanzien van het geheimzinnige horloge zou
-kunnen vernemen. Zij legde het dus in de hand van den zieke.
-
-Rolf Brinker draaide het gladde, blinkende voorwerp herhaalde
-malen in zijn hand om; daarna onderzocht hij het kleine zwart moiré
-lintje, dat er aan vastzat; hij scheen echter een en ander niet te
-herkennen. Eindelijk toch zeide hij:
-
-"Hé, ja. Nu herinner ik 't mij. Vrouw, wat heb je dat ding mooi
-opgewreven! Het ziet er uit of het zoo nieuw uit den winkel komt!"
-
-"Vindt je 't?" vroeg vrouw Brinker.
-
-Rolf bekeek het horloge nogmaals.
-
-"Arme jongen!" mompelde hij; toen verzonk hij in diep gepeins.
-
-Vrouw Brinker kon haar ongeduld niet langer bedwingen. Min of meer
-knorrig, herhaalde zij haars mans woorden: "Arme jongen!" Daarop
-vervolgde zij: "Hoe is 't nu met je Rolf? Denk je, dat ik niets anders
-te doen heb, dan hier bij je te staan en mijn boel te laten wachten, om
-ten slotte van alles niets anders van je te hooren dan: arme jongen?"
-
-"Maar ik heb je immers alles reeds sedert lang verteld," zeide Rolf
-op bevestigenden toon, terwijl hij zijn vrouw verwonderd aankeek.
-
-"Wel neen, Rolf, je hebt me er nooit een enkel woord van gezegd."
-
-"Nu, als dat het geval is, en daar 't een zaak betreft, die ons
-in 't geheel niet aangaat--zoo zullen wij er maar over zwijgen,"
-hervatte Rolf, terwijl hij zijn hoofd treurig schudde. "'t Is
-allerwaarschijnlijkst, dat in den tijd, welken ik dood ben geweest
-voor de aarde, de arme gestorven en reeds in den hemel is. Hij zag
-er wel naar uit, die arme knaap!"
-
-"Rolf, als je me op die manier gaat behandelen, die je heb verzorgd
-en verpleegd van mijn twee-en-twintigste jaar af, dan moet ik zeggen
-dat het schande, meer dan erg is."
-
-En vrouw Brinker's geheele gezicht was rood van toorn en zij sprak
-die woorden op vlijmenden toon uit. Rolf vroeg met zwakke stem:
-
-"Je behandelen, Mietje? Op welke manier? Wat bedoel je daarmee?"
-
-"Op welke manier? Wat bedoel je daarmee?" herhaalde vrouw Brinker,
-terwijl zij zijn stem en gebaren nadeed. "Wel op die manier, als
-elke vrouw wordt behandeld, als zij haar man, toen hij zoo erg was,
-trouw heeft opgepast, als een...."
-
-"Mietje!"
-
-Dit zeide Rolf op een gevoeligen toon, terwijl hij beide armen naar
-zijn vrouw uitstrekte en begon te weenen als een kind. Terstond
-bedaarde vrouw Brinker's drift. Zij snelde op haar man af, sloot zijn
-beide handen in de hare en riep uit:
-
-"Ach! Wat heb ik gedaan! Ik heb mijn goeden man aan 't weenen gemaakt,
-mijn goeden man, dien ik nog geen vier dagen terug heb! Kijk me eens
-aan, Rolf, goede jongen! kijk me eens aan! Ach, ik heb er zoo'n spijt
-van, dat ik je zeer gedaan heb! 't Is ook zoo hard, als je tien jaren
-gewacht hebt om wat naders van dat horloge te vernemen, en je kunt
-er niets van te weten komen.... Maar ik zal je er geen woord meer
-over vragen, Rolf! Geen enkel woord meer! Geef het ding maar hier,
-dan zullen we het wegbrengen. Dat zulk een ellendig horloge de oorzaak
-moet zijn van ongenoegen tusschen ons, en dat zoo kort, nadat God je
-me weergeschonken heeft!"
-
-"Ach, Mietje, ik ben heel kinderachtig geweest, dat ik geschreid
-heb," hervatte Rolf, terwijl hij haar kuste. "'t Is ook niet meer dan
-billijk, dat je de waarheid verneemt. Maar 't was mij, alsof ik door
-'t je te vertellen, de geheimen van een afgestorvene aan den dag
-zou brengen."
-
-"Denk je dan, dat de man--de jongen, van wien je spraakt, dood
-is?" vroeg vrouw Brinker, terwijl zij het horloge in haar hand verborg.
-
-"Dat kan ik niet zeggen," antwoordde hij.
-
-"Was hij dan zoo ziek, Rolf?"
-
-"Neen niet ziek, maar gejaagd, heel gejaagd."
-
-"Had hij dan wat kwaads uitgevoerd, denk je?" vroeg zij half
-fluisterend.
-
-Rolf knikte.
-
-"Een moord gedaan?" fluisterde de vrouw, zonder te durven opkijken.
-
-"Hij zeide, dat het er wel iets van had."
-
-"O, Rolf, je doet mij schrikken--vertel mij meer--je spreekt zoo
-raadselachtig--en je beeft. Ik moet alles weten."
-
-"Als ik beef, vrouw, dan moet het van de koorts zijn. Daar rust,
-Goddank, geen schuld op mijn ziel."
-
-"Daar Rolf, neem een slokje wijn; dat zal je goed doen. Ziezoo nu
-ben je beter. 't Had veel van een moord, zei je?"
-
-"Ja, Mietje, van een moord; dat heeft hij mij zelf verteld. Maar ik
-geloof het niet. Een knappe, frissche, aardige knaap, die er net zoo
-uitzag als onze Hans...."
-
-"Ja, ik begrijp je," hervatte vrouw Brinker, om de historie niet af
-te breken.
-
-"Hij kwam heel onverwachts op mij af," ging Rolf voort. "Ik had hem
-nooit te voren gezien, met zijn bleek en angstig gelaat. Hij greep mij
-bij den arm. "Je schijnt me een eerlijke kerel te zijn," zeide hij."
-
-"Daar had hij ook deugdelijk gelijk in," viel de vrouw haar man met
-geestdrift in de rede.
-
-Rolf keek een weinig verward.
-
-"Waar was ik ook weer, vrouw?" vroeg hij.
-
-"De knaap greep je bij den arm," antwoordde zij, terwijl zij hem
-nieuwsgierig aanzag.
-
-"Juist, zoo was 't. 't Komt me alles zoo moeilijk voor den geest,
-net alsof 't een droom is, weet je."
-
-"Geen wonder, arme man," hervatte vrouw Brinker, terwijl zij hem de
-hand drukte. "Als jij geen verstand voor een dozijn anderen gehad
-hadt, dan zou je nooit weer bij je positieven zijn gekomen. Welnu,
-hij greep je bij je arm en zei, dat je een eerlijke kerel scheen te
-zijn. Waar was dat?"
-
-"Wel, je weet, dat ik het dagveer aan het Schouw bediende voor
-Piet van Dieren, die toen ziek lag. Nu stond ik bij de schuit;
-want de stoomboot naar het Nieuwediep zou binnen weinige minuten in
-'t gezicht komen en dan moest ik klaar zijn, als er passagiers waren
-af te zetten of aan te brengen."
-
-"O, was 't daar? Nu--hij greep je bij den arm, Rolf."
-
-"Ja, dat deed hij. En 't is of ik nog dat bleeke, angstige gelaat
-zie. "Breng mij naar de stoomboot, die naar het Nieuwediep vaart."--Met
-deze woorden sprong hij in de boot, waarin ik reeds gestapt was.--"Hoor
-eens," zei hij, terwijl ik de riemen in het water legde; want het was
-nog te vroeg en de boot had nog niet eens gefloten. "Hoor eens, kan
-ik je vertrouwen?"--"Als u zelf, mijnheer," antwoordde ik.--"Ik heb
-een verkeerd stuk begaan--God weet, dat ik het zonder opzet deed--maar
-de man is dood--en ik moet uit het land vluchten." Dat zei hij."
-
-"Goede Hemel! En zei hij dat, Rolf? Had hij iemand doodgestoken of
-doodgeschoten?"
-
-"Dat herinner ik mij niet meer. Misschien heeft hij 't mij verteld;
-maar 't is me alles als een droom. Eigenlijk mocht ik hem niet
-behulpzaam zijn om de wraak der wetten te ontvluchten. Maar hij
-betuigde zoo plechtig zijn onschuld en daarenboven zag hij zoo
-trouwhartig uit zijn oogen, net als onze Hans kan doen. Hoe meer ik
-'t mij herinner--hoe meer ik vind, dat hij op onzen jongen geleek."
-
-"En was dat de knaap, die u het horloge gaf? Wel, Rolf, als hij daar
-maar eerlijk aan gekomen was."
-
-"Foei, vrouw!" riep Rolf uit, op een toon alsof hij zich beleedigd
-gevoelde. "De jongen was zoo mooi en zoo fijn gekleed alsof hij een
-prins was. Het horloge was het zijne, daar kun je staat op maken."
-
-"Hoe kwam hij er dan toe, om het jou te geven?" hernam vrouw Brinker.
-
-"Wel, dat heb ik je zooeven verteld," antwoordde hij min of meer
-verward.
-
-"Vertel 't me dan nog eens, beste Rolf!"
-
-"Wel, juist toen de boot zich in de verte liet hooren en ik de riemen
-in het water sloeg om er heen te roeien, haalde de knaap het horloge
-uit zijn zak. "Ik moet uit mijn land vluchten, zooals ik nooit
-gedacht had, dat ik zou moeten doen," zeide hij. "Jou vertrouw ik,
-omdat je een eerlijk gezicht hebt.--Wil je dit horloge aan mijn vader
-brengen, niet vandaag, maar vandaag over acht dagen, en hem zeggen,
-dat zijn ongelukkige zoon het hem zendt. Zeg hem dan, dat, als hij
-er behoefte aan heeft, om mij bij zich te hebben, ik alle gevaren
-zal trotseeren en terug zal komen. Zeg hem, dat hij een brief moet
-schrijven aan...." ja, verder ben ik alles vergeten. Ik kan mij
-niet herinneren, waar de brief naar toe moest. Arme jongen! arme
-jongen!" herhaalde Rolf op smartvollen toon, terwijl hij het horloge
-van zijn vrouws schoot nam. "En dat dit horloge sedert al dien tijd
-niet naar zijn vader is gezonden!"
-
-"Ik zal het hem brengen, Rolf; ik zal het hem brengen, beste jongen,
-zoodra Griete weer thuis is," zeide vrouw Brinker, om haar man gerust
-te stellen. "Griete zal wel gauw weerom komen. Hoe heette de vader
-van den knaap? Waar moest je hem opzoeken?"
-
-"Helaas!" antwoordde Rolf, terwijl hij langzaam sprak. "'t Is me alles
-ontgaan. 't Is me net, alsof ik het gezicht van den jongen nog vóór mij
-heb, met zijn groote oogen, die me zoo trouwhartig aankeken--ik zie hem
-nog het horloge opendoen, er iets uitscheuren en dat kussen.... Meer
-echter kan ik mij niet te binnen brengen. Al het overige wentelt
-zich als in een kring om mij rond, en als ik tracht te denken, dan is
-'t net of het geluid van opkomend water mij in de ooren ruischt."
-
-"Dat is heel natuurlijk. Dat gesuis in mijn ooren heb ik vroeger zoo
-dikwijls gehoord, als ik de koorts had gehad. Je bent nu moe en moet
-naar bed. Waar of het kind toch blijft?"
-
-En zij opende de deur en riep: "Griete, Griete!"
-
-"Blijf daar staan, vrouw," zeide Rolf zwak, terwijl hij zich
-vooroverboog en poogde naar buiten te kijken naar het ontheisterde
-landschap. "Ik zou zoo'n lust hebben, om eens even aan de deur
-te staan."
-
-"Volstrekt niet, Rolf," antwoordde zij glimlachend. "Ik zal 't den
-dokter eens vertellen, hoe je zanikt en maalt en me het hoofd warm
-maakt, om eens in de open lucht te gaan; en als hij 't permitteert,
-dan zal ik je morgen warmpjes toestoppen en de hut eens met je
-omwandelen. Maar ik zou wel maken, dat je 't koud kreegt met die open
-deur. Als ik mij niet vergis, dan komt Griete daar in de verte aan
-met haar voorschoot vol hout en spaanders; zij rijdt als een wildeman
-over de vaart."
-
-"Foei, Rolf," vervolgde zij, op luiden toon, want zij schrikte er
-van. "Loop je daar zelf naar je bed, zonder dat ik je vasthoud? Je
-zult vallen."
-
-Maar Rolf was niet gevallen, en toch hielp zijn vrouw hem te bed en
-dekte hem zóó warmpjes toe, dat de goede man recht op zijn gemak lag
-en zeide, dat het vandaag wel voor 't laatst zou zijn, dat hij op
-klaarlichten dag naar bed ging.
-
-"In een dag of wat zal dat wel gaan, Rolf," antwoordde zijn vrouw,
-"vooral als je zoo in krachten toeneemt."
-
-Daarop stookte zij het vuur wat aan, ridderde den boedel wat op en
-ging, met haar breiwerk in de hand, naast het bed zitten.
-
-"Hoor eens, Rolf, je moest toch eens probeeren, of je je den naam
-van dien vader niet kunt herinneren. Griete is straks thuis en dan
-kan ik het horloge naar hem toebrengen, terwijl jij slaapt."
-
-Rolf dacht na, maar te vergeefs.
-
-"Kan het ook Boomheuvel zijn?" vroeg zij. "Ik heb wel eens gehoord,
-dat zij twee zoons hadden, die niet hebben willen oppassen--Gerard
-en Lambert."
-
-"'t Kan wel zijn. Kijk eens, of er ook letters op het horloge staan,
-die ons den weg kunnen wijzen."
-
-"Hemel, Rolf!" riep vrouw Brinker uit, terwijl zij het horloge
-bekeek. "Je bent verstandiger dan ooit! 't Kan niet anders. Hier
-staan de letters: L. J. B. Dat is zeker Lambert Boomheuvel. Wat die
-J. beteekent, begrijp ik niet. Maar die Boomheuvels waren indertijd
-rijke lui, die 't goed konden stellen. En zulk soort van menschen
-geven hun kinderen altijd dubbele namen."
-
-"Dat laat zich best hooren, vrouw! 't Is zeker die Lambert Boomkert
-geweest. Neem dus het horloge en breng het terstond naar de Boomkerts."
-
-"Neen, geen Boomkert, die naam bestaat er niet, voor zoover mij bekend
-is. Maar Boomheuvel."
-
-"Nu breng het dan naar de Boomheuvels!"
-
-"Dat geef ik jou te doen, om het daar naar toe te brengen. Die heele
-familie is al vier jaren geleden naar Amerika vertrokken. Maar ga jij
-nu slapen; je ziet er bleek en afgemat uit. Als je uitgerust bent,
-dan zullen we er wel eens nader over beraadslagen.--Zoo, Griete! Ben
-je daar eindelijk? Je bent tamelijk lang weggebleven."
-
-
-
-Rolf Brinker deed een langen en gerusten slaap, waaruit wij hem
-zagen wakker worden, juist toen Hans met het door mevrouw Van den
-Helm voorgeschoten geld de hut binnentrad. Hoe sterk de goede Rolf
-ook meende te zijn, hij was dien namiddag weder naar bed gegaan en
-had niets gehoord van het gesprek met Annie Bouman, en was evenmin
-wakker geworden door het slaan van Hans op de bevroren aarde. Maar toen
-Hans den pot binnenbracht en moeder Brinker 't uitgilde van vreugd,
-toen werd Rolf wakker, keek half dommelig het bed uit en zeide:
-"Wat is er, Mietje?"
-
-Maar Mietje danste als een zottin door het vertrek met de beide
-kousen in haar armen en Hans stond daar met tranen in de oogen,
-en Griete schaterde 't uit van lachen.
-
-"Vader roept, moeder!" zeide Hans.
-
-In een oogenblik was vrouw Brinker's uitgelaten blijdschap bedaard.
-
-"Ik had den goeden man wel een toeval op zijn lijf kunnen jagen,"
-zeide zij verschrikt. "Maar ik ben ook zoo uitermate gelukkig!"
-
-"Wat is er toch gebeurd, Mietje?" herhaalde Brinker, met een minder
-slaperige stem dan zooeven.
-
-"Wel, de duizend gulden zijn terug, die je begraven hadt, den nacht
-voordat je het ongeluk op den dijk kreegt," zeide vrouw Brinker, en zij
-verhaalde hem omstandig, hoe zij reeds den vorigen nacht vergeefs naar
-het geld gezocht hadden, en hoe Hans, op een toevallige aanwijzing
-van Annie Bouman, die er geweest was, terwijl hij geslapen had, op
-het denkbeeld was gekomen om bij de stomp van den ouden wilgestam te
-graven en -- -- -- het geld ongeschonden voor den dag had gebracht.
-
-"En nu zul je 't eerst goed hebben, Rolf," eindigde zij. "Hans en ik
-gaan straks naar Monnikendam, om ons van het noodige te voorzien. En
-jij, Hans en Griete, zult nu ook vleesch bij je brood hebben en worst
-ook. Je hebt lang genoeg honger geleden."
-
-Ik zal u de vroolijke gesprekken niet mededeelen, die er gevoerd,
-noch de schitterende luchtkasteelen, welke er gebouwd werden en die
-zich gelukkigerwijs maar tot plannen en ontwerpen bepaalden. Zij
-werden in hot midden van al die vroolijkheid gestoord door het gerol
-van een rijtuig aan den overkant der vaart.
-
-"Zou daar de dokter zijn?" vroeg Hans.
-
-"Hij is er vandaag nog niet geweest. Ik dacht, dat hij maar eens zou
-hebben overgeslagen."
-
-"Het rijtuig houdt stil," zeide Griete.
-
-"Hier, Hans, neem de lamp! Als 't de dokter is, mocht hij eens
-struikelen."
-
-Hans was reeds met de lamp de hut uit en zag inderdaad den goeden
-dokter Broekman over het ijs komen aanstrompelen.
-
-"Is u 't, mijnheer?" riep hij hem toe. "Wacht, laat mij u bijlichten! U
-zoudt een ongeluk kunnen krijgen."
-
-En Hans snelde met zijn lamp naar den dokter toe en bood hem de hand,
-om hem langs veilige plaatsen te geleiden.
-
-"Een satansch ellendig pad in den donker," bromde de dokter. "'t Is
-goed, dat je gekomen bent, Hans; anders had ik hals en beenen kunnen
-breken. Hoe is 't met je vader?"
-
-"O uitmuntend, mijnheer! Vader wordt bij den dag sterker. Hij is op
-'t oogenblik wakker."
-
-"Goede Hemel, mijnheer de dokter!" riep vrouw Brinker uit. "Komt u
-zoo laat in den avond! O, dat is lief van u! Hoe licht hadt u een
-ongeluk kunnen krijgen!"
-
-Dokter Broekman scheen haast te hebben. Hij antwoordde niet op den
-uitroep van vrouw Brinker, maar ging terstond naar het bed, zette
-zich daar neder en voelde Brinker's pols. Hij knikte goedkeurend.
-
-"Dat gaat vooruit met den patiënt," zeide hij. "Had ik geweten, dat
-het zoo goed was, dan was ik doorgereden. Ik ben den geheelen dag
-Noord-Holland in geweest en kwam nu, in het naar-huis-gaan, even aan."
-
-"Geen wonder, dat Rolf zooveel beter is, dokter," zeide vrouw
-Brinker. "Zooeven hebben wij duizend gulden weergevonden, welke mijn
-man, tien jaren geleden, uit voorzorg begraven had en die wij meenden,
-dat gestolen waren."
-
-De dokter zette oogen op.
-
-"Ja, mijnheer," zeide de zieke. "Zoo is 't geval, ofschoon we het
-aan niemand meedeelen. Maar u maakt een onderscheid, en daarboven,
-u zal het wel niet oververtellen."
-
-De dokter bromde. Hij hield niet van zulke persoonlijke opmerkingen.
-
-"En nu, mijnheer, kan u ook een behoorlijke rekening inleveren. God
-weet, hoe dubbel gij het verdiend hebt door zulk een ellendig werktuig
-weder als mensch in de wereld te brengen, en welk een onbetaalbaren
-dienst gij daardoor aan hem en zijn gezin bewezen hebt. Zeg dus maar
-aan mijn vrouw, hoeveel wij u schuldig zijn, en zij zal u terstond
-betalen."
-
-"Kom, kom," zei de dokter vriendelijk. "Praat toch niet van
-betalen. Geld kan ik zooveel krijgen als ik maar wil, maar dankbaarheid
-niet. Het "dank u" van dien jongen," ging hij voort, terwijl hij naar
-Hans wees, "heeft mij reeds genoegzaam betaald."
-
-"U heeft zeker een zoon die veel op Hans gelijkt," zeide vrouw Brinker,
-die heel blijde was, dat de groote man zoo familiaar werd.
-
-Bij deze woorden verdween eensklaps elke vroolijke trek van des
-dokters gelaat. Hij bromde iets, maar antwoordde geen woord.
-
-"O, mijnheer, mijn vrouw is wel wat bemoeizuchtig, niet waar? Maar
-u moet het haar niet kwalijk nemen; want ik heb haar van middag
-verteld van een jongen, die zooveel op onzen Hans geleek en die mij
-een boodschap aan zijn vader heeft achtergelaten. En nu--nu ik de
-boodschap kan doen, is de geheele familie vertrokken."
-
-"Ze heeten Boomheuvel, mijnheer," zeide vrouw Brinker haastig. "Weet
-u ook iets van die familie?"
-
-De dokter antwoordde kortaf en knorrig:
-
-"Ja. Dat 's een malle zaak. Ze zijn sedert lang naar Amerika
-vertrokken."
-
-"Misschien, Rolf," zeide vrouw Brinker bedeesd, "kent de dokter
-wel iemand in dat land, ofschoon ik mij wel heb laten vertellen,
-dat er niets dan wilden in wonen. Als hij het horloge eens aan de
-Boomheuvels wilde sturen met de boodschap van den armen jongen;
-dat zou een heerlijke zaak zijn."
-
-"Ben je dwaas, vrouw? Waarom zouden wij den goeden dokter
-lastig vallen, die overal genoeg te doen heeft met zieke
-menschen? Daarenboven--hoe weet je, dat je den rechten naam hebt?"
-
-"Wel, ik ben er zeker van," antwoordde zij. "Zij hadden een zoon
-Lambert en daar is een L voor Lambert en een B voor Boomheuvel op
-de achterzijde van het horloge; ofschoon er die malle J bij is;
-maar laat den dokter zelf maar zien."
-
-Dit zeggende, reikte zij dokter Broekman het horloge over.
-
-"L. J. B.!" riep de dokter uit, terwijl hij het horloge aangreep.
-
-Ik zie geen kans om u het tooneel te beschrijven, dat nu volgde;
-ik wil alleen mededeelen, dat de boodschap van den jongen eindelijk
-aan zijn vader werd overgebracht en dat de groote dokter daar zat te
-schreien als een kind.
-
-"Laurens, mijn lieve Laurens!" snikte de dokter, terwijl hij als
-bewegingloos het horloge aanstaarde. "O, had ik het maar vroeger
-geweten! Laurens een zwerveling zonder huisvesting! Misschien al
-van ellende en kommer gestorven! Bedenk je toch eens, man, waar
-is hij? Waar heeft mijn jongen gezegd, dat de brief moest worden
-heengezonden?"
-
-Rolf schudde treurig het hoofd.
-
-"Denk maar eens goed na!" smeekte de dokter. O, het geheugen, dat door
-zijn kunst eerst zoo kort geleden ontwaakt was, moest hem dienen in
-een oogenblik als dit.
-
-"Ik ben het alles kwijt, geheel en al kwijt, mijnheer!" zuchtte Rolf.
-
-Hans, die allen afstand van rang en stand vergat en alleen zag, dat
-zijn goede vriend verdriet had, sloeg den arm om den hals des dokters.
-
-"Ik kan uw zoon terugvinden, mijnheer," zeide hij. "Als hij nog
-leeft, dan bevindt hij zich ergens. De aarde is zoo groot niet: ik
-wil alle dagen mijn best doen, om hem uit te vinden. Moeder kan mij
-nu missen. Gij zijt rijk, mijnheer, zend mij, waarheen gij wilt!"
-
-Griete begon te schreien. Wel vond zij het goed, dat Hans ging. Maar
-hoe zouden ze het maken zonder hem?
-
-Dokter Broekman antwoordde Hans niet, ook deed hij geen poging,
-om hem van zich af te stooten. Zijn oogen waren angstig op Rolf
-Brinker gevestigd. Eensklaps nam hij het horloge en poogde het
-open te doen springen. De verstijfde veer gehoorzaamde eindelijk;
-de horlogekas vloog open--en het gelaat van den dokter toonde bittere
-teleurstelling. Rolf zag dit en haastte zich te zeggen:
-
-"Daar was een papier in, mijnheer, maar de jongeheer scheurde het er
-uit, vóór hij mij het horloge overhandigde. Hij kuste het, eer hij
-het wegstak."
-
-"Dat was het portret zijner moeder," zuchtte de dokter. "Zij stierf,
-toen hij nog eerst tien jaren oud was. Goddank, dat de jongen haar
-niet vergeten heeft! En zij zouden beiden dood zijn! Neen, dat is
-onmogelijk!" riep hij uit, terwijl hij van zijn stoel opsprong. "Mijn
-jongen leeft nog; daar ben ik zeker van. Ik zal u vertellen, wat er met
-hem gebeurd is. Laurens was mijn helper en tevens in een apotheek om
-het recepteeren te leeren. Bij vergissing maakte hij voor een mijner
-patiënten een verkeerd geneesmiddel gereed--hij had zich in de flesch
-vergist en gaf een zwaar vergif. Maar gelukkig bemerkte ik den misslag
-nog bijtijds en gaf het geneesmiddel niet in. Diens ondanks stierf
-de patiënt nog vóór den avond. Ik werd dien dag door verschillende
-zieken opgehouden. Toen ik 's avonds thuis kwam, was mijn arme jongen
-verdwenen. Arme Laurens!" snikte hij, "en al die jaren niets van u
-te hooren! Zijn boodschap niet gedaan! O, wat moet hij geleden hebben!"
-
-Vrouw Brinker verstoutte zich om te spreken. Zij kon den braven dokter
-zoo niet zien schreien.
-
-"Hoe gelukkig voor u, dokter, te weten, dat de jongeheer onschuldig
-was. Ach! hij was angstig en zoo bedroefd. Aan Rolf zeide hij,
-dat zijn misdaad gelijk stond met een moord! Hij meende zeker het
-zenden van het verkeerde geneesmiddel. Als dat een misdaad was, dan
-weet ik het niet! Onze kleine Griete zou hetzelfde hebben kunnen
-doen. Waarschijnlijk heeft de arme jongeheer gehoord, dat de man
-dood was--daarom heeft hij de vlucht genomen, mijnheer! Tegen jou
-zei hij, niet waar, Rolf, dat hij nooit in het land kon terugkomen,
-indien...." zij weifelde om meer te zeggen en vervolgde: "Ach,
-mijnheer! tien jaren is een vreeselijk lange tijd om te wachten op
-tijding van...."
-
-"Zwijg, vrouw!" zeide Rolf op scherpen toon.
-
-"Op tijding te wachten!" snikte de dokter. "En ik thuis zittende
-te brommen en mij te verbeelden, dat hij mij verlaten had! In
-de verste verte heb ik er niet aan gedacht, dat de knaap zijn
-misslag ontdekt had. Ik verbeeldde mij, dat het jeugdige dwaasheid
-was--ondankbaarheid--zucht naar avonturen, die hem hebben doen
-wegloopen. Mijn arme, arme Laurens!"
-
-"Maar u weet nu alles, mijnheer," fluisterde Hans. "U weet nu, dat hij
-onschuldig was aan alle kwaad; dat hij u en zijn afgestorven moeder
-liefhad. Wij zullen hem uitvinden. U zult hem wederzien, lieve dokter!"
-
-"God zegen' je, mijn jongen," zeide dokter Broekman, terwijl hij de
-hand van den knaap in de zijne drukte. "'t Moge uitkomen, zooals je
-'t voorspelt. Ik zal mijn best doen, dat zal ik. En Brinker, het
-minste woord, dat je je herinnert omtrent mijn ongelukkig kind,
-moet je me terstond laten weten."
-
-"Dat beloof ik u, dokter," riep Hans uit, en de dokter was tevreden
-met die belofte. Hij wist, dat Hans haar zou houden.
-
-"De oogen van je jongen," hervatte de dokter tot vrouw Brinker,
-"lijken sprekend op die van mijn zoon. De eerste maal, toen hij bij
-mij kwam, was 't of Laurens zelf voor mij stond."
-
-Eenige minuten scheen de dokter in gedachten verzonken; daarna stond
-hij op en zeide op vriendelijken toon:
-
-"Neem mij niet kwalijk, Brinker, dat ik 't je van avond zoo druk
-gemaakt heb. Bedroef je maar niet om mijnentwil. Ik verlaat je huis
-veel gelukkiger dan ik in jaren geweest ben. Zal ik het horloge
-maar meenemen?"
-
-"Natuurlijk, mijnheer! 't Was immers de wensch van uw zoon."
-
-"Je hebt gelijk," hernam de dokter, terwijl hij het horloge
-wegstak. "En nu moet ik gaan. Mijn patiënt heeft geen andere
-medicijnen noodig dan rust en een vroolijke omgeving; beide zijn hier
-in overvloed. De Hemel zegene u, mijn goede vrienden! Ik zal je altijd
-dankbaar zijn!"
-
-"Moge de Hemel ook u zegenen, mijnheer!" zeide vrouw Blinker, "en u
-spoedig dien lieven jongenheer doen terugvinden."
-
-Hans lichtte den dokter weder met de lamp voor.
-
-"Als ik u van dienst kan zijn, mijnheer," zeide hij trouwhartig,
-"dan ben ik ten allen tijde gereed."
-
-"Zeer goed, mijn jongen. Zeg aan je vader en je moeder, dat ze zich
-tegen niemand een enkel woord laten ontvallen over hetgeen er van
-avond is gebeurd. Intusschen, Hans, als je bij vader bent, moet je op
-hem letten. Jij hebt er den tact van. 't Kan zijn, dat er oogenblikken
-komen, waarop hij wat meer kan zeggen."
-
-"Vertrouw daarop, mijnheer."
-
-"En nu, goeden dag, mijn jongen," riep de dokter, toen hij deftig in
-zijn koets steeg.
-
-"Aha!" zeide Hans in zich zelf, terwijl hij het rijtuig nakeek. "Daar
-zit vrij wat meer leven in den dokter, dan ik dacht."
-
-
-
-
-
-
-
-
-VEERTIENDE HOOFDSTUK.
-
-DE HARDRIJDERIJ.
-
-
-Zoo brak de dertigste December aan en het weer was heerlijk dien
-dag. Het geheele vlakke landschap werd vroolijk door de winterzon
-beschenen. Zij beproefde haar kracht wel op het ijs in de vaart, maar
-het vroor te sterk, dan dat de ijskorst ook in 't minst zou gesmolten
-zijn. En bij dat alles was er zoo weinig wind, dat de weerhanen op de
-torens en de gebouwen stilstonden, als wenschten zij eens te kijken
-naar het feest, dat er dien dag zou worden gehouden. Die windstilte
-maakte, dat de molens een dag vacantie hielden, als wilden ook zij
-de algemeene vreugde mee genieten. Nu, ze hadden die week hard genoeg
-gewerkt, om eens een dag rust te hebben.
-
-'t Was al vroeg in den morgen van dien dag levendig om en bij
-Broek. Van verschillende omliggende plaatsen kwamen er liefhebbers
-aanrijden, om den wedren te zien; want een hardrijderij op schaatsen is
-een feest voor al wat Noord-Hollander heet. Ik zal u de bonte menigte
-niet beschrijven, die zich in den omtrek der ijsbaan ophoopte,
-om welke men tenten had opgeslagen, opdat de toeschouwers zich
-behoorlijk van drank en spijs konden voorzien. Aan het eind van
-de renbaan, die aan beide zijden met dikke touwen is afgesloten,
-welke door palen heengaan, reeds een paar dagen te voren in het ijs
-gehakt en door het volgieten der opening stevig vastgevroren--staat
-een sierlijke tent met een kleine tribune aan weerszijden. De tent
-is bestemd voor de familie De Bruyn met eenige genoodigden, onder
-anderen de Van den Helms en mijnheer Korbes en zijn vrouw, terwijl
-de tribune moet dienen voor andere inwoners van Broek, daartoe door
-mevrouw De Bruyn van toegangskaartjes voorzien. Van de tent en de
-tribune wapperen de driekleurige vlaggen. Aan de tent van mevrouw De
-Bruyn hangen twee paar met zilver beslagen schaatsen, een voor den
-winnenden jongen, een voor het gelukkigste onder de meisjes. In de
-tent zelf brandt een kachel en staan allerlei ververschingen op een
-tafel gereed. De familie en de genoodigden zullen op stoelen zitten,
-terwijl de dames een warme stoof onder de voeten zullen hebben, zoodat
-ze zeer gemakkelijk den winter zouden kunnen vergeten, indien niet
-het landschap vóór haar al te duidelijk deed zien, dat de wintervorst
-nog duchtig zijn schepter zwaait.
-
-Naast een der tribunes is een andere tent opgericht, alleen van
-boven gedekt en aan alle zijden, behalve aan den achterkant open;
-daar moeten de muzikanten zitten, die van tijd tot tijd muziekstukken
-zullen uitvoeren. En al zullen die muziekstukken vrij middelmatig
-worden voortgebracht, daar 't gansch geen virtuozen zijn die hier
-hun gaven zullen doen hooren, zij zullen de feestvreugde ruimschoots
-verhoogen. De ooren der toehoorders zijn trouwens over 't geheel zoo
-kieschkeurig niet; daarenboven zal er gedruisch en gebabbel genoeg
-zijn, en zou men 't slechts bejammeren, indien er beter muziek werd
-opgevoerd. Aan het andere einde der renbaan staat een tent, voor hen,
-die belast zijn, er het oog op te houden, dat de schaatsenrijders en
--rijdsters den witten, met groene linten omwonden paal, van welks top
-een oranjevlag wappert, omrijden; hetgeen zij trouwens wel moeten doen,
-daar ook in het midden der renbaan dubbele touwen zijn gespannen;
-want al de schaatsenrijders moeten bij de tent van de familie De
-Bruyn beginnen en er hun ren eindigen ook.
-
-Daar begint de muziek. De tribune vult zich, de geheele renbaan staat
-langs beide zijden opgepropt met nieuwsgierigen, die hun best doen,
-een goed plaatsje te vinden. 't Volst is het echter dicht bij de
-tribune. En geen wonder: want daar staan de veertig rijderessen en
-rijders, die zich vermaken met heen en weer te rijden, zóó zacht
-evenwel, dat zij zich niet vermoeien, maar ook niet koud worden. Het
-zijn twintig meisjes en twintig jongens. Frits Verdam, Peter en
-Lodewijk van den Helm zijn er ook bij, allen weer frisch en geheel
-uitgerust van de vermoeienissen der Haagsche reis. Hans is niet ver
-van hen; hij heeft zijn schaatsen weer onder de voeten, die de goede
-Annie Bouman van een goede kennis had gekocht voor vijf gulden! Alsof
-hij niet wist, dat die goede kennis niemand anders dan Annie Bouman
-zelf was geweest, die haar zuur bespaard weekgeld er geheel aan had
-opgeofferd! Nu, hij had ze dan ook eerlijk teruggekocht; maar de
-kiesche manier, waarop Annie hem in den nood had willen helpen, had
-hij niet teruggekocht: die lag diep in zijn hart begraven. En dan--hoe
-onwillekeurig ook--die lieve, lieve Annie was de oorzaak geweest van
-het terugvinden der duizend gulden--van de duizend gulden, die, al was
-'t ook avond geweest, zulk een gloed van zonneschijn hadden geworpen
-in zijner ouders armoedige stulp. Karel Schimmel is zoo nijdig als
-ooit, nu hij Hans bij de rijders ziet; maar daar er nog eenige andere
-boerenknapen bij zijn en Hans dus niet alleen is, troost hij zich.
-
-Aan den anderen kant der tent staan de twintig meisjes. Nu, dat behoeft
-ge wel niet te vragen, al ziet ge hen niet; gij hoort het wel aan het
-vroolijk gesnater en gekakel, dat die twintig lieve mondjes maken. 't
-Is of er een heele troep jonge eenden aan het kwaken zijn. Nu en
-dan hoort gij er een paar schateren van lachen: want vroolijk zijn
-ze, die aardige nufjes. Hilda, Kato en Truida hebben zich juist de
-schaatsen aangebonden en stampen met de lieve voetjes, om te voelen
-of de ijzers wel stevig zitten: want bij een hardrijderij moet er
-niets aan ontbreken. Hilda spreekt met een klein boerenmeisje in een
-rood jacketje en met een splinternieuw rokje aan. 't Is Griete. Ook
-Annie Bouman is er.
-
-Nu houdt de muziek even op. Al de meisjes en jongens moeten vóór de
-tent komen, om de voorwaarden te hooren. De omroeper van het dorp
-leest met luide stem voor:
-
-"De meisjes en jongens zullen om beurten rijden, allen te gelijk
-en wel zóó lang, tot één meisje en één jongen het tweemaal gewonnen
-hebben. Zij moeten zich op één lijn scharen bij de twee paaltjes vóór
-de tribune rechts, den eindpaal omrijden en dezen tocht twee malen
-volbrengen. Het meisje en de jongen, die twee malen gewonnen hebben,
-zijn overwinnaars!"
-
-De rijderessen scharen zich. Mevrouw de Bruyn wuift met haar
-zakdoek. Een van de heeren, die zich aan den eindpaal bevinden, waait
-met een vlaggetje. Al de rijdsters begeven zich op weg. Eensklaps
-wuift het vlaggetje weer, zij moeten terugkeeren--ze waren niet
-te gelijk afgereden. Ten tweeden male wuift de zakdoek en waait het
-vlaggetje. Ditmaal is alles in orde. Wat rijden zij snel! Hoe doodstil
-is de menigte! Men hoort niets dan het krassen der schaatsen, men
-ziet niets dan de fladderende rokjes! De paal is omgereden. Een luid
-hoezee doet zich hooren. Vijf meisjes zijn vooruit. Kato is de eerste,
-daarop volgt Hilda. Als zij de tent harer mama voorbijrijdt, wuift
-zij met de hand, en het volgend oogenblik is zij Kato vooruit. De
-anderen zijn haar dicht op de hielen. Daaronder is Griete. Ook zij
-wuift met de hand, maar niet naar de tent van mevrouw De Bruyn,
-maar naar een vrouw, die met ingehouden adem onder het volk staat:
-haar moeder. Rolf, die dezen morgen zoo volkomen wel was, heeft haar
-gesmeekt, om naar den wedren te gaan, en zij heeft aan de verzoeking
-geen weerstand kunnen bieden; zij is gegaan en heeft een heerlijke
-plaats gekregen. Daar schiet haar kind onder het luid hoezee der
-toeschouwers ze allen vooruit. Ook Kato wint het weer van Hilda. Maar
-niemand kan Griete inhalen. Ten tweeden male wordt de paal omgereden,
-maar Griete is en blijft de voorste. Eindelijk zijn ze aan de tent:
-
-"Griete Brinker eenmaal gewonnen!" schreeuwt de uitroeper.
-
-Nu begint de muziek opnieuw, terwijl de jongens zich gereedmaken en
-zich op één lijn scharen. Verscheidene meisjes scharen zich om Griete
-en wenschen haar voorloopig geluk; andere trekken trotsch haar lipje
-op en kunnen 't niet verdragen, dat de voddenraapster uit de hut het
-hun allen heeft afgewonnen.
-
-Op een wenk van den heer De Bruyn zwijgt de muziek. Hij treedt
-voorwaarts, wuift met zijn zakdoek, het vlaggetje wordt aan de
-overzijde gezwaaid. De twintig jongens rijden af.
-
-Wat reppen zich de beenen; er is geen oog op te houden! 't Is of ze
-nog sneller rijden dan de meisjes. Maar waarom gaat er zulk een gelach
-op onder het volk? 't Is om dien dikken knaap in de achterhoede, die
-daar zoo ongelukkig voortsukkelt. Kijk hij eens krabbelen! Straks rolt
-hij van de beenen! Ach, wat hijgt hij! Hij had ook wel thuis mogen
-blijven. Hij staat stil. Hij veegt zijn voorhoofd af. Hij neemt zijn
-pet af en waait zich koelte toe. Hij kijkt eens rond en begint zelf
-hartelijk te lachen. Die lach maakt hem honderden vrienden. Die goede
-Jacob Poot! Hij bedenkt zich niet lang, maar rijdt terug en begeeft
-zich rustig onder de toeschouwers.
-
-De jongens komen aansnellen, zij hebben den paal omgereden. Maar
-'t is één zwarte massa, niet zoo gemakkelijk te onderscheiden als
-de meisjes met haar verschillende kleeding. Nu kan men 't al beter
-zien. Drie zijn er vooruit. Eerst Ben--dan Peter--dan Hans.
-
-Dan schiet Hans de beide anderen vooruit. Op Hilda's gelaat staat
-teleurstelling te lezen; sommigen zeggen zelfs, dat er een traan in
-haar oog parelt. Peter moet overwinnaar zijn. Annie's oog glinstert
-van genoegen. Griete klapt van vreugde in de handen.
-
-Zoo rijden zij ten tweeden male naar den eindpaal, Hans altijd vooruit,
-dan Karel Schimmel, dan Ben, daarna Peter en eindelijk de anderen. Daar
-rijden zij den paal om en Peter is weer de voorste. Hilda juicht. Maar
-op hetzelfde oogenblik schiet Karel ze allebei vooruit--'t scheelt
-maar één seconde--maar de uitroeper schreeuwt:
-
-"Karel Schimmel eenmaal gewonnen!"
-
-De muziek valt weder in, terwijl de meisjes zich opnieuw tot den
-wedren scharen. Mevrouw De Bruyn staat weder op, wenkt de muziek,
-wuift met haar zakdoek en 't is of er twintig pijlen uit twintig
-bogen losschieten--zoo snellen zij over de spiegelgladde baan.
-
-Maar niet lang blijven zij gelijk; al heel spoedig zijn ze
-verdeeld. Toch schelen zij al heel weinig. Maar daar rijden zij den
-paal om. Dat is altijd het gevaarlijkste punt. Eenige andere gloeiende
-gezichtjes, met oogen schitterend van vreugd, komen vooruit. Kato
-is de eerste, op haar volgt Hilda, maar Griete en Truida zijn meer
-in de achterhoede. 't Is of Griete verslapt. Zou ze straks al haar
-krachten verspild hebben? Daar schiet Truida haar vooruit en zij
-neemt een nieuwen, geweldigen zet, vliegt Truida en Hilda voorbij
-en is reeds vlak bij Kato. Zoo rijden zij de tent voorbij en weder
-naar den paal. Een oogenblik blijft Hilda achter; ze verzamelt nieuwe
-krachten. Maar bij het omzwaaien van den paal schiet zij eensklaps
-vooruit. Honderden stemmen moedigen haar aan door een luid "hoezee!" 't
-Is of haar dit nog meer vaart geeft. Truida, Kato en Griete zijn haar
-vlak op de hielen: maar Hilda vliegt steeds voort--reeds ziet zij
-de tent--Peter van den Helm staat met ingehouden adem te staren--nog
-een enkele seconde:
-
-"Hilda de Bruyn eenmaal gewonnen!" krijscht de stem van den omroeper.
-
-Een luid "hoezee!" klinkt uit duizenden monden en overschreeuwt de
-muziek, die zich daverend doet hooren.
-
-Allen wenschen Hilda geluk en onder die allen ook Griete, die 't
-niemand liever gunt dan de lieve juffrouw De Bruyn of--Annie Bouman.
-
-Nu is 't weer de beurt aan de jongens. Lang blijven deze niet gelijk;
-want reeds bij het eerste omrijden van den paal zijn er drie vooruit:
-Hans, Peter en Frits. Dat kan Karel Schimmel niet verdragen. Hij neemt
-een geweldigen zet, vliegt over het ijs en komt Frits vooruit. Maar
-Hans en Peter laten zich zoo spoedig niet verslaan. 't Is of zij
-vliegen--'t is geen rijden meer. Met ingehouden adem volgt de menigte
-hen met de oogen. Hans en Peter blijven vooruit. Hilda, Annie en
-Griete springen op van de met rood katoen bekleede bank, op welke zij
-gedurende de rustpoos gezeten hebben. Met vlammende oogen kijken zij
-naar de rijders. Hans en Peter blijven aldoor gelijk. Reeds zijn ze
-vlak bij de tent. Daar schiet Peter eensklaps vooruit en de stem van
-den uitroeper klinkt:
-
-"Peter van den Helm eenmaal gewonnen!"
-
-Weer dezelfde toejuichingen, weer dezelfde daverende muziek: de menigte
-en de muzikanten vragen niet wie er wint; ieder, die overwint, heeft
-hun sympathie. Aan het einde der renbaan, dicht bij den grenspaal,
-echter heeft een oploopje plaats. Mevrouw De Bruyn kijkt angstig wat
-het moge wezen. Peter en Hans snellen derwaarts; de eerste komt met
-de tijding terug, dat Karel Schimmel bij het omrijden van den paal
-gevallen is, doch zich niet bezeerd heeft. Hij was maar eenigszins
-bedwelmd door den val, doch kwam daar al aan, gesteund door Hans, die
-veel te veel Hollandsche jongen is, om niet terstond alle vijandschap
-te vergeten en zijn vijand, die hem altijd zoo diep verachtte, te
-helpen. Met een glas seltzerwater, dat mevrouw De Bruyn hem laat
-drinken, is hij spoedig weder beter. Gelukkig echter, dat de muziek
-zich aldoor heeft doen hooren; anders had dit ongeval de vreugde wel
-eenigszins kunnen verstoord hebben. Onder de schaatsenrijders echter
-veroorzaakt het geval weinig deelneming; er is niemand, die van Karel
-Schimmel houdt.
-
-De meisjes zijn voor de derde maal geschaard. Wat staan ze daar
-moedig, die jonge deernen! Op dit oogenblik ligt er diepe ernst op al
-die lieve gezichtjes: want deze rit is die, welke beslist. Ofschoon,
-als Griete noch Hilda 't winnen, is er ook voor de overigen nog kans
-op het winnen der zilveren schaatsen. En dat maakt, dat ieder meisje
-nog moed heeft, dat ieder van haar hoop voedt, om ditmaal beter te
-slagen. Sommigen stampen met de voetjes, als paarden die gereedstaan
-tot den wedloop. Daar wuift de zakdoek van mevrouw De Bruyn, en
-de rijdsters steken af. Wie is daar reeds zoo spoedig vooraan? 't
-Is Hilda--of Kato--of Truida--of Annie-- --neen, 't is de kleine
-Griete. Bij den vorigen ren heeft zij 't bedaard aangelegd; maar nu is
-'t haar ernst: zij heeft besloten, dat zij winnen zal. En toch, wanneer
-men haar ziet rijden, is 't alsof 't haar niet de minste inspanning
-kost--zij glijdt maar voort, altijd vooruit en--hoe de anderen zich
-inspannen--zij kunnen Griete niet inhalen. Reeds is de paal ten tweeden
-male omgereden--nog altijd is zij vooruit--daar is zij aan het doel....
-
-Of de uitroeper al schreeuwt, 't helpt hem niet: het donderend gejuich
-der toeschouwers belet zijn stem te hooren. 't Behoeft dan ook niet;
-want duizenden stemmen roepen:
-
-"Griete Brinker heeft de zilveren schaatsen gewonnen!"
-
-Als een vogel is zij over het ijs heengevlogen, als een vogel staat zij
-om zich heen te kijken, zoo schuchter en zoo verschrikt; zij wenscht
-zoo hartelijk eens naar de plaats heen te vliegen, waar haar moeder
-staat. Maar Hans is naast haar en al de meisjes omringen haar. En
-wie haar onder allen 't hartelijkst gelukwenscht, is de lieve Hilda,
-die geen de minste jaloezie in haar hart voedt, maar zoo gelukkig is
-met den triomf van haar beschermeling, alsof zij zelf dien behaald
-had. Nu zal niemand het kind meer minachten. De voddenraapster uit
-de hut is ze nu niet meer, 't is Griete Brinker, koningin van alle
-schaatsenrijdsters.
-
-Hans is trotsch op de zegepraal zijner zuster. Hij kijkt met zijn
-heldere oogen rond, om te zien of Peter van den Helm er deel in
-neemt. Maar Peter kijkt noch naar den een, noch naar den ander. Peter
-ligt op zijn ééne knie, de onrust staat op zijn voorovergebogen
-gelaat te lezen. Hij is met haastige gejaagdheid aan zijn schaatsriem
-bezig. Hetzelfde oogenblik is Hans bij hem.
-
-"Ach Hans, ben jij daar? Al mijn genoegen is gedaan. Ik wou mijn riem
-vaster snoeren en er met mijn mes een nieuw gat in maken en door de
-haast snijd ik hem genoegzaam in tweeën."
-
-"Jongeheer," zeide Hans, terwijl hij zijn eene schaats afdoet. "U
-moet mijn riem gebruiken."
-
-"Neen, beste Hans, neen, voor geen geld!" roept Peter opspringend
-uit. "Doe gauw je schaats weer aan, mijn vriend, en maak, dat je er
-bij komt. Ze scharen zich reeds. In een minuut wuift het sein."
-
-"Jongeheer!" smeekt Hans. "U heeft mij uw vriend genoemd. Neem als u
-blieft dezen riem. Gauw! Er is geen oogenblik te verliezen. Ik rijd
-ditmaal niet mee. Gij hebt reeds ééns gewonnen, gij moet nu winnen. Ik
-ben er immers toch niet bij. Jongeheer, gij moet den riem aannemen,"
-en doof voor elke tegenwerping, steekt Hans den riem door Peters
-schaats heen en smeekt hem die aan te binden.
-
-"Kom, Peter!" roept Frits uit de lijn, "de wacht is op jou."
-
-"Kom, jongeheer! om den wil van mevrouw De Bruyn en juffrouw
-Hilda!" smeekt Hans. "Spoed u toch! Daar, de schaats is al haast aan;
-maak haar nu maar gauw vast! Ik kan het toch niet winnen. De strijd
-is tusschen den jongeheer Schimmel en u."
-
-"Gij zijt een edelmoedige jongen!" zegt Peter, die eindelijk
-toegeeft. Hij heeft dan ook spoedig de schaats vast en is op zijn post,
-als de muziek en het sein wordt gegeven.
-
-Voort gaan de jongens. 't Is of de stilte nu nog grooter is; men hoort
-niets dan het krassen der ijzers. Peter van den Helm is vooruit. 't
-Is of hij Mercurius is en of de anderen allen goden van den Olympus
-zijn, die hem in volle vaart volgen. Karel komt vooruit--daar schiet
-Ben voort en is aan 't hoofd. Reeds is de paal voor de tweede maal
-omgereden. Karel en Ben wedijveren om de eerste te zijn. Maar daar
-neemt Peter zijn vaart--hij snelt beiden ver vooruit. De tent is
-bereikt en onder het donderend hoezee! hoort men duizenden stemmen,
-die den uitroeper overschreeuwen:
-
-"Peter van den Helm heeft de zilveren schaatsen gewonnen! Hoezee!
-Hoezee! voor Peter van den Helm!"
-
-En donderend valt de muziek in en dit en het geschreeuw klinken
-verward dooreen: want Peter van den Helm is in Broek bemind en ieder
-verheugt zich in zijn zegepraal. Eindelijk bedaart het gejubel, en
-is men in staat om de muziek te hooren. Zij speelt een vroolijk air,
-een levendigen marsch. Intusschen scharen zich, op bevel van mevrouw
-De Bruyn, al de schaatsenrijders en -rijdsters in een kring vóór de
-tent. Aan den eenen kant staat Peter als de grootste, aan den anderen
-kant Griete als de kleinste. Hans, die zoo goed hij kon zijn schaats
-met Peter's versneden riem had vastgemaakt, staat tusschen dezen en
-Jacob Poot, die zich ook bij de rijders gevoegd heeft. Eerst worden
-aan allen ververschingen rondgediend; daarop rijden zij, in statige
-processie, achter elkander de baan nog eens af, tot aan den paal,
-waar zij zich in twee rijen, jongens en meisjes, scharen, en op de
-maat der muziek naar de tent van mevrouw De Bruyn rijden. Hier vormen
-zij een dubbelen halven kring, in welks midden zich Peter van den
-Helm en Griete bevinden.
-
-Nu zwijgt de muziek. Mijnheer en mevrouw De Bruyn staan op, de eerste
-houdt een aanspraak, daarop reiken zij de zilveren schaatsen uit,
-mijnheer het eene paar aan Peter van den Helm, mevrouw het andere
-aan Griete Brinker.
-
-Het lieve kind! Zij beeft als een riet en slaat schuchter de oogen
-naar mevrouw De Bruyn op. Zij hoort niet wat mijnheer De Bruyn zegt,
-want het is, of om haar heen alles ruischt. Zij ziet even naar
-Peter, die iets heel moois bekijkt, o zoo iets schoons, zoo iets
-prachtigs! Zij ziet ook zoo iets moois in de handen van mevrouw
-De Bruyn, onwillekeurig strekt zij de hare uit.... geeft een kreet
-van verrukking en tracht te nijgen--woorden kan zij niet spreken;
-zij vliegt naar haar moeder en hangt schier bewusteloos in de armen
-der goede vrouw, wie de tranen van vreugde uit de oogen stroomen.
-
-"Griete! Griete! Wat zal je vader blij zijn," roept vrouw Brinker,
-en op die woorden is Griete niet meer te houden; zij kruipt onder
-het touw door, neemt haar moeder bij de hand--allen maken plaats voor
-haar--en spoedig ligt zij in de armen van haar vader, die zijn kleine
-Griete met kussen bedekt.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
-
-WAT DE ZILVEREN SCHAATSEN AL UITWERKEN.
-
-
-'t Was of de vreugde over de overwinning zijner kleine Griete de
-zinnen van Rolf Brinker verlevendigd had, want eensklaps riep hij uit:
-
-"Hans! Hans! Daar schiet mij de naam te binnen. Schrijf hem gauw op,
-eer ik hem vergeet. Het is Thomas Higgs."
-
-Hans schreef den naam terstond op een leitje. Op hetzelfde oogenblik
-werd er aan de deur geklopt.
-
-"Zou het de dokter zijn?" zeide vrouw Brinker, terwijl zij opstond
-om open te doen. "Dat zou al heel toevallig wezen."
-
-'t Was echter niet de dokter, maar 't waren drie jongeheeren: Peter
-van den Helm, Frits Verdam en Benjamin Dobbs.
-
-"Goeden dag, jongeheeren," zeide vrouw Brinker, terwijl zij zoo diep
-neeg als zij 't geleerd had. "Wel, waaraan hebben wij de eer van uw
-bezoek te danken?"
-
-"Goeden dag, vrouw Brinker! Hartelijk gefeliciteerd met de eer,
-die je dochtertje te beurt is gevallen," zeide Peter van den Helm.
-
-"Nu, als 't op feliciteeren aankomt, jongeheer," antwoordde vrouw
-Brinker, "dan mag ik 't u ook wel doen. 't Was een heele toer, om die
-vlugge jongens tweemaal te overwinnen. Daar waren me rijders onder,
-hoor! Ik heb het alles met mijn eigen oogen aanschouwd. Want Rolf was
-zoo wèl, en toen zei hij: "Nou moest je eens gaan kijken, Mietje. Je
-hebt al lang geen uitspanning gehad." En toen ben ik gegaan en heb
-alles wat goed gezien: want ik had een drieguldensplaats. Maar toen
-Griete de schaatsen had, kwam ze bij mij en toen moest ik naar vader;
-dat begrijpt u. Want de goede man wachtte al met ongeduld. En hij
-was zoo blij, o zoo blij!"
-
-"Dat laat zich hooren," zeide Peter van den Helm. "Daardoor was ze
-zoo gauw weg. Ze had nog eens met mij de baan moeten afrijden om den
-prijs te vertoonen."
-
-"Gaat toch zitten, jongeheeren!" zeide Rolf Brinker. "Wel zijn onze
-stoelen hard, maar ze zijn rein en zindelijk."
-
-De drie jongens voldeden aan het verzoek van Rolf en zetten zich op
-de stoelen, welke vrouw Brinker en Hans bij de tafel plaatsten.
-
-"Goede Hans," zeide Peter van den Helm. "Ik kom je in dank je riem
-terugbrengen, aan welken ik mijn overwinning verschuldigd ben. Ik
-moet je er nog eens voor bedanken. 't Was een heele opoffering voor
-je. Want je hadt het best dezen keer kunnen winnen, en dan...."
-
-"Laat ons daarover niet spreken, jongeheer. Ik heb zooveel verplichting
-aan u: want toen wij in den nood zaten...."
-
-"Kom, kom, zwijg daarvan," hernam Peter. "Ik twijfel niet, of je zult
-het werk met eere volbrengen. En een werkman is zijns loons waardig."
-
-"Nu ben ik den naam weer vergeten, Hans," zeide Brinker. "'t Was
-Higgs of Wiggs! Ik weet het waarlijk niet meer."
-
-"Maak er u maar niet ongerust over, vader," antwoordde Hans. "'t Is
-Thomas Higgs. Ik heb het al opgeschreven."
-
-"O ja," hervatte Brinker. "'t Is waar ook. Als ik me nu ook de plaats
-kan te binnen brengen, dan is alles in orde."
-
-"Hier, Hans, is de riem," zeide Peter, die van dat gesprek niets
-begreep. "Dat kleine ding heeft mij een grooten dienst gedaan."
-
-"En nu heb ik wat meegebracht ook," zeide Ben, terwijl hij een keurig
-net bewerkt kistje op tafel zette. "Uw Griete was weg zóó gauw,
-dat mevrouw De Bruyn niet had den tijd, om haar te geven dit."
-
-"'t Is het kistje, dat bij de schaatsen behoort," zeide Peter,
-"en waarin Griete ze kan bewaren. Mevrouw De Bruyn hoorde, dat we
-hier aangingen, en heeft ons verzocht, het mede te nemen."
-
-Vader, moeder en kinderen bekeken met alle aandacht het fraaie
-foedraal, dat van binnen met roode zijde gevoerd en zeer elegant
-gemaakt was.
-
-"O, hoe mooi! Hoe prachtig! Nooit heb ik zoo iets gezien!" waren de
-verschillende uitroepen.
-
-Griete echter sprak geen woord. Het lieve kind kon maar niet begrijpen,
-dat al dat moois voor haar was. Het kistje was van mahoniehout met
-een prachtig koperen plaatje er op, waarop de naam van den fabrikant
-en zijn woonplaats stonden. "Nu, Griete, je mag de jongeheeren wel
-bedanken voor de moeite, welke zij zich hebben gegeven, om dat hier te
-brengen, en hun verzoeken, of zij ook mevrouw De Bruyn je dankbaarheid
-willen betuigen; ofschoon--dat zul je later zelve nog wel gaan doen,"
-zeide vrouw Brinker.
-
-Griete was heel verlegen, maar toch lispte zij:
-
-"Ik dank u wel, jongeheeren, voor uw moeite."
-
-"'t Schijnt mij door mijnheer Birmingham gemaakt te zijn," zei Hans,
-die het op het koperen plaatje gelezen had.
-
-"Birmingham?" zeide Frits Verdam. "Dat is de plaats, waar de fabrikant
-woont. Kijk, daar staat zijn naam met kleiner letters. Ik kan ze
-niet lezen."
-
-"Nu, ze zijn toch duidelijk genoeg," zeide Peter. "Zie maar, dat is
-een T. en dit is een H. Dus T. H."
-
-"Nu ben je nog even wijs," hernam Frits lachend. "Wat beteekent nu
-die T. H.?"
-
-"Wel, Thomas Higgs," antwoordde Peter schertsend. "Hans noemde straks
-dien naam en als men van den drommel spreekt, is hij meestal dicht
-bij ons."
-
-Eensklaps zweeg hij; want hij wist niet, wat er met de familie Brinker
-voorviel. Hans en zijn moeder waren beiden op Rolf toegesneld.
-
-"Hoort gij 't, Rolf?" zeide vrouw Brinker. "Thomas Higgs te
-Birmingham."
-
-"Birmingham!" herhaalde Brinker op suffen toon.
-
-"Kan dat de plaats ook zijn, vader? Bedenk u eens," smeekte
-Hans. "Birmingham? Was het soms Birmingham?"
-
-"Ja.... a .... Birmingham! Zoo was 't," antwoordde Brinker eindelijk.
-
-"Daar Hans, zet je pet op en rijd terstond naar Amsterdam," zeide
-zijn moeder.
-
-De drie jongeheeren stonden op en wilden heengaan. Vrouw Brinker
-bemerkte haar onbeleefdheid.
-
-"Neemt ons niet kwalijk, jongeheeren," zeide zij, "dat we daar zoo
-onbeleefd waren. Maar die Thomas Higgs is een kennis van ons--dien--ja,
-dien wij dachten, dat al gestorven was."
-
-"Ja, we dachten dat hij dood was," zeide Rolf Brinker. "Ligt dat
-Birmingham in Engeland, als ik u vragen mag?"
-
-"Ja wel, in Engeland," antwoordde Peter, "'t Moet zeker Birmingham
-in Engeland zijn."
-
-"Ik doe dien man kennen," zeide Benjamin. "Zijn fabriek is niet
-vier mijlen van ons verwijderd. Een rare fellow hij is--stil als
-een oester--doet niet gelijken een Englishman. Ik dikwijls heb
-gezien hem--een deftig uitzicht--en mooie oogen. Hij heeft gemaakt
-een prachtige schrijfkist voor mij, om te geven aan Jenny op haar
-geboortedag.--O, hij maakt allerhande mooie dingen en heeft veel te
-doen ook."
-
-Gelukkig, dat Hans nog niet weg was; want nu kon hij den dokter ook
-dat vertellen.
-
-Wat wonder, dat nog vóór de avond gevallen was, dokter Broekman met
-Hans in de hut terugkeerde, om nadere bijzonderheden te vernemen. Wat
-wonder, dat hij, altijd met Hans bij zich, weder in het rijtuig stapte
-en den koetsier beval naar mijnheer Poot te rijden, waar hij verzocht
-om Benjamin Dobbs te spreken, dien hij gelukkig thuis vond. Van dezen
-vernam hij nog een menigte bijzonderheden omtrent zijn zoon, welke
-hem in de zekerheid bevestigden, dat het zijn eigen Laurens was,
-en welke bijzonderheden wij u willen mededeelen, zonder dat wij Ben
-sprekend invoeren, met wien de dokter, om den knaap te gemoet te komen,
-Engelsch sprak. 't Meeste, wat Ben vertelde, had deze bij overlevering.
-
-"Ongeveer tien jaren geleden, toen Ben nog een kleine jongen was,
-woonde er, op ongeveer een uur afstands van de woning zijner ouders,
-een zeer knap werkman en fabrikant, Thomas Higgs, die goede zaken
-op Holland deed, vooral in chirurgijnsinstrumenten. (De dokter
-herinnerde zich dien naam wel en 't was hem nu duidelijk, waarom
-Laurens op het denkbeeld was gekomen, zich naar Higgs te begeven,
-daar de knaap dien naam verscheidene malen op de foedralen zijner
-instrumenten had kunnen lezen.) Nu tien jaren geleden was er op zekeren
-avond bij dien Thomas Higgs, die ongetrouwd was en slechts met een
-huishoudster leefde, een jongmensch als leerling gekomen. Niet, dat
-het zoo'n wonder was dat er een leerling bij Thomas Higgs kwam; maar
-die jongeling had spoedig de oplettendheid der buren gaande gemaakt,
-omdat hij zoo stil en afgetrokken was, nooit lachte en altijd even
-stroef voor zich keek. Daarenboven--en dat was een opmerking, die
-de dames maakten--kon hij geen Engelschman zijn, dat zagen zij wel,
-als hij Zondags met zijn patroon en juffrouw Todd, de huishoudster,
-in de kerk zat. En ofschoon men de laatste al eens gepolst had,
-liet zij zich nooit iets over hem ontvallen, dan dat hij een braaf
-oppassend mensch en waarschijnlijk een neef van mijnheer Higgs was,
-die ontzaglijk veel van hem scheen te houden. Zooveel is ten minste
-waar, dat de oude man den jongeling, nadat hij een jaar of vier in de
-zaak geweest was, tot zijn compagnon had aangenomen en hem, toen hij
-vier jaar later stierf, tot universeelen erfgenaam had benoemd. Sedert
-dreef de jonge man de zaken voor eigen rekening. Wat voor een landsman
-hij was, had men echter nooit kunnen gewaarworden. Sommigen hielden
-hem voor een Amerikaan, anderen voor een Duitscher, maar noch voor
-'t een noch voor 't ander had men eenigen grond. Hij sprak zuiver
-Engelsch, dat hij evenwel van den ouden heer Higgs had kunnen leeren,
-en behandelde zijn volk goed, ofschoon ze nooit een vriendelijk woord
-van hem hoorden, daar hij altijd even somber en afgetrokken bleef."
-
-Wat het wonderlijkst was, 't scheen dat de jongeheer geen familie had:
-"want, hoeveel brieven hij ook uit den vreemde ontving, 't waren
-altijd brieven over zaken," zeide zijn boekhouder. "Kennis hield hij
-met niemand: noch met zijne buren, noch met andere fabrikanten. Hij
-scheen geheel voor zijn zaak te leven en zijn voorganger te willen
-navolgen, die nooit getrouwd was geweest. Maar overigens was zijn
-levensgedrag onberispelijk."
-
-Verder gaf Benjamin dokter Broekman een beschrijving van den jongeheer
-Higgs en de dokter kon er niet meer aan twijfelen of 't was zijn
-verloren zoon. Hij bedankte dan ook Benjamin hartelijk voor zijn
-mededeeling, zeide hem, dat de heer Higgs een bloedverwant van hem
-was, in wien hij belang stelde, en reed met Hans naar de woning van
-Brinker terug, waar hij dezen afzette, om alleen, in aangenaam gepeins,
-den weg naar Amsterdam te vervolgen.
-
-'t Was een sneeuwachtige dag in 't midden van Januari. Rolf Brinker was
-nu geheel en al hersteld en juist van zijn werk thuis gekomen. Hans had
-den koepel van mijnheer Van den Helm tot diens genoegen afgewerkt, en
-was evenals Griete, op vader Brinker's uitdrukkelijk verlangen, weder
-naar school gegaan. Wat hem aangaat, hij vond dat recht pleizierig;
-want hij leefde slechts, als hij in de boeken kon snuffelen; doch
-Griete kon haar weerzin tegen de schoolbanken maar niet overwinnen,
-ofschoon zij zich gedwee aan vaders wensch onderwierp en aanvankelijk
-zeer haar best deed.
-
-Beiden waren zooeven van school thuis gekomen en Hans zat alweer te
-lezen in een boek, dat hij van een der jongens ter leen had gekregen;
-terwijl Griete vaders pijp stopte--want zij was onuitputtelijk in
-kleine diensten voor den goeden man, als poogde zij te vergoeden,
-wat zij vroeger verzuimd had ten aanzien van den vader, voor wien
-ze toen bang was. Vrouw Brinker was druk bezig aan den pot: want er
-waren vier hongerige magen, die naar eten verlangden.
-
-Eensklaps kijkt Hans op. Het geratel van een rijtuig wekt zijn
-aandacht.
-
-"Daar is de dokter!" roept hij en vliegt naar de deur.
-
-"De dokter! Wel, wat komt die hier doen!" zegt vrouw Brinker, terwijl
-zij door het raam kijkt. "Ik geloof, dat je gelijk hebt, Hans."
-
-Maar Hans hoorde 't niet meer--hij was reeds de deur uitgesneld en
-naar den overkant der vaart.
-
-"Die Hans, die Hans!" riep vrouw Brinker, glimlachend het hoofd
-schuddende. "Zou men niet denken, dat de dokter zijn tweede vader
-was? Als de jongen maar den naam. van dokter Broekman hoort, komt er
-al een lach van vreugde op zijn gelaat. Nu, hij mag dan ook wel veel
-van hem houden."
-
-"En wij allen, Mietje," zeide Rolf Brinker, terwijl hij zijn pijp
-aanstak. "Naast God hebben wij aan dien goeden man ons tegenwoordig
-geluk te danken."
-
-"De dokter is niet alleen," vervolgde vrouw Brinker vroolijk.
-
-"Hij heeft een jongmensch van vijf of zes en twintig jaren bij
-zich. Dat is vast zijn Laurens. O, dat is lief, om met hem ons te
-komen bezoeken. Kijk, daar geeft hij Hans de hand. Wat schudt hij
-die vriendelijk! 't Is waarlijk of de jongen zijn gelijke is."
-
-'t Duurde niet lang, of de dokter trad met den jongen man de woning
-binnen. Wat zag hij er thans vroolijk en vriendelijk uit! 't Was,
-of hij een geheel ander mensch was geworden--niemand ten minste zou
-in hem den vroeger onaangenamen, strengen dokter herkend hebben.
-
-"Ziezoo, Brinker," begon hij opgeruimd. "Nu kom ik je mijn kwaden
-jongen eens laten zien. Zou je hem nog wel herkennen?"
-
-Rolf Brinker was opgestaan.
-
-"Wel ouder geworden," zeide hij, terwijl hij de aangeboden hand van
-Laurens aannam. "Maar toch nog dezelfde oogen. Ach, mijnheer! dat ik
-zoo buiten mijn schuld de oorzaak ben geweest van uw verdriet en dat
-van uw braven vader. God weet, hoe ik 't anders gewild had."
-
-"Spreek daar niet van, brave man," zeide Laurens. "Wat je gewild hadt,
-dat toont de aanbeveling, die je aan je vrouw hadt gegeven. Ook jou,
-brave vrouw, moet ik mijn dank zeggen, dat je zoo trouw je woord
-gehouden hebt, en, ondanks de nijpendste armoede, het horloge niet
-van de hand hebt gedaan. Had je het verkocht,--nooit had ik mijn
-goeden vader weergezien. Daarom kun je op mijn dankbaarheid rekenen."
-
-"Spreek van geen dankbaarheid, mijnheer," zeide vrouw Brinker. "'t
-Is waar, dikwijls heb ik het horloge in de hand gehad en mij zelve
-afgevraagd, of ik wel goed deed, om mijn arme kinderen honger te laten
-lijden, terwijl ik voor dat horloge brood had kunnen krijgen. Eens
-vooral, toen zij ziek waren, was de verzoeking sterk. Maar toen borg
-ik het zóó diep weg, dat ik het haast niet meer vinden kon; want ik
-dacht altijd om de laatste woorden van mijn braven man, die mij had
-aanbevolen, om voor dat horloge te zorgen."
-
-"En daarom heeft God ook gewild, dat ik weer in het leven ben gekomen,"
-zeide Rolf met bewogen stem. "En daarom heeft Hij uw braven vader hier
-gezonden, die mij zoo belangeloos geholpen heeft. Waarlijk, mijnheer,
-als gij iemand te danken hebt voor het geluk, dat gij thans geniet,
-dan is 't uw brave vader...."
-
-Veel, heel veel werd er nog gesproken en de dokter vertelde hoe
-hij geschreven had, en Laurens, hoe blij hij met zijns vaders brief
-geweest was. 't Was of de dokter en zijn zoon oude vrienden waren,
-zoo gaven zij hun harten lucht.
-
-"En nu, Rolf Brinker," zei de dokter eindelijk. "Ben ik nu geen
-gelukkig man? Begrijp eens, mijn zoon zal zijn fabriek te Birmingham
-verkoopen en een magazijn in Amsterdam openen. Dan heb ik altijd mijn
-brillenhuisjes voor niemendal. Dat zal een profijt zijn, hè?"
-
-"Hoe! een magazijn!" riep Hans uit, die in stil genoegen daar
-had neergezeten en al die vroolijke gesprekken zwijgend had
-aangehoord. "Een magazijn, mijnheer? En zal mijnheer uw zoon dan niet
-weder uw helper, en eens uw opvolger zijn?"
-
-Een oogenblik betrok het gelaat van den dokter; maar hij bedwong zich.
-
-"Neen, Hans. Laurens heeft er zijn buik vol van. Hij is liever
-koopman."
-
-Hans scheen verbaasd en teleurgesteld. Hij zweeg.
-
-"Waarom zwijg je, mijn jongen?" zeide de dokter vriendelijk. "Vindt
-ge er iets vernederends in, om koopman te zijn?"
-
-"O, neen, mijnheer!" stamelde Hans. "Niets, maar--maar--."
-
-"Maar wat?"
-
-"Wel, het andere beroep is zooveel beter," antwoordde hij nog steeds
-aarzelend, "zooveel edeler. Wat mij aangaat, mijnheer," voegde hij er
-met vuur bij, "ik vind uw vak zoo schoon, zoo heerlijk.... om de zieken
-en gebrekkigen te genezen, menschenlevens te behouden, in staat te zijn
-om te doen wat gij voor mijn vader gedaan hebt--dat is het grootste,
-het schoonste, het verhevenste, wat er op aarde is!" De dokter zag
-hem ernstig aan. Hans scheen teleurgesteld. Een paar heldere tranen
-stonden in zijn oogen.
-
-"'t Is een zware taak, het beroep van arts, knaap," hervatte de
-dokter met gefronste wenkbrauwen. "'t Vereischt groot geduld, veel
-zelfopoffering en volharding."
-
-"Daarvan ben ik zeker," antwoordde Hans opnieuw in vuur. "Het vereischt
-ook veel wijsheid en achting voor Gods werk. O, mijnheer, het moge zijn
-moeilijkheden en teleurstellingen hebben, maar u meent niet wat u zegt:
-het is niet zoo zwaar--maar het is groot en edel. Vergeef mij echter,
-mijnheer! 't Past niet, u zoo in 't gezicht tegen te spreken."
-
-Dokter Broekman was blijkbaar uit zijn humeur geraakt. Hij keerde
-Hans den rug toe en sprak zacht met Laurens. Vrouw Brinker keek Hans
-heel boos aan. Zij wist maar al te goed, dat zulke groote lui als de
-dokter niet konden velen, dat geringe menschen hen tegenspraken.
-
-Eensklaps wendde de dokter zich om.
-
-"Hoe oud ben je, Hans Brinker?" vroeg hij.
-
-"Vijftien jaren, mijnheer," was het verschrikte antwoord.
-
-"Zou je graag een dokter willen worden?"
-
-"Ja, mijnheer!" antwoordde de knaap, terwijl hij over zijn gansche
-lichaam beefde.
-
-"Zou je, als je ouders 't je toestaan, er lust in hebben, je op de
-studie toe te leggen, naar de hoogeschool te gaan en tevens mijn
-assistent te wezen?"
-
-"Ja, mijnheer."
-
-"Zou je, denk je, niet ongeduldig worden en niet van zin veranderen,
-juist op 't oogenblik misschien, als ik er mijn hart op gezet had,
-om je tot mijn opvolger te maken?"
-
-Hans' oogen schitterden.
-
-"Neen, mijnheer! Ik zal nooit veranderen."
-
-"U moogt hem op dat punt gelooven, mijnheer de dokter," zeide vrouw
-Brinker, die zich niet langer bedwingen kon. "Hans is als een rots,
-als hij eens iets besloten heeft, en, wat de studie aangaat, eten,
-drinken, slapen, alles zou hij vergeten voor zijn boeken."
-
-"Nu, Hans," vervolgde de dokter vriendelijk. "Dan zie ik niet, dat
-er iets ons plan in den weg staat en dat ik je gerust kan meenemen,
-als je vader er in toestemt."
-
-"Hoor eens, mijnheer," zeide Rolf. "Om u de waarheid te zeggen,
-had ik liever gezien, dat mijn zoon een werkman was geworden. Maar
-als hij nu graag voor dokter studeert, en het geluk heeft van uw
-recommandatie om hem in de wereld voort te schoppen, dan is 't mij
-ook goed. Het eenige is, dat het misschien wat veel geld zal kosten;
-maar 't zal mogelijk zoo heel lang niet meer duren en ik heb, Goddank,
-weer een paar fiksche, stevige armen om...."
-
-"Ho, ho, vriend! als ik je rechterhand wegneem, dan moet ik ook den
-kost voor hem betalen en dat zal mij pleizier doen ook. 't Zal mij
-nu zijn, alsof ik twee zoons heb, niet waar, Laurens? De een een
-koopman en de andere een dokter--ik zal de gelukkigste man in geheel
-Nederland zijn! Morgen kom je bij me, Hans, en dan zullen wij de zaak
-verder bespreken."
-
-Hans boog. 't Was hem onmogelijk een woord uit te brengen.
-
-"Hoor eens, Brinker," hernam de dokter tot Rolf. "Mijn zoon Laurens
-heeft een vertrouwd, ferm man noodig, als hij zijn magazijn in
-Amsterdam opent, iemand die het opzicht over de zaken houdt en maakt
-dat de wagen recht rijdt. Iemand die-- --maar, waarom zeg jij 't hem
-zelf niet, Laurens."
-
-Laurens nam nu het woord en het duurde niet lang, of zij waren de
-zaak volkomen eens.
-
-"'t Zal me wel aandoen, als ik de dijken moet verlaten," zeide Rolf
-Brinker. "Maar uw aanbod is zoo aanlokkelijk, mijnheer, dat ik zou
-meenen, mijn huisgezin te kort te doen, als ik het afsloeg."
-
-
-
-
-
-
-
-
-ZESTIENDE HOOFDSTUK.
-
-BESLUIT.
-
-
-Mijn vertelling is zoo goed als geëindigd. Alleen zien mijn lezeressen
-en mijn lezers mij nog vragend aan. En ik weet het, er zijn nog zoo
-enkele zaken, die moeten verteld worden, zullen zij mijn boek niet
-eenigszins onvoldaan uit hun handen leggen. En dat zou mij spijten:
-want niets is mij aangenamer, dan anderen genoegen te geven, en
-wel vooral u, die al wat uit mijn pen komt, met zooveel graagte
-ontvangt. Daartoe diene dan dit laatste Hoofdstuk.
-
-Er is een heele tijd voorbijgegaan, sedert Laurens met zijn vader
-een bezoek in de hut aan de Broeker vaart aflegde. Die tijd heeft
-groote veranderingen opgeleverd voor de familie Brinker. Hans heeft
-zijn studiejaren goed besteed, alle moeilijkheden, die hem in den
-weg kwamen, weten te overwinnen en met al de geestkracht, die hem
-eigen was, naar het doel gestreefd, dat hij zich voor oogen had
-gesteld. Ofschoon de weg wel eens hobbelig was, nooit heeft hij een
-enkel oogenblik in zijn besluit gewankeld. Somtijds herhaalde hij
-met zijn goeden ouden vriend de woorden, die deze lang geleden in
-de hut te Broek sprak: "'t Is een zware taak, het beroep van arts,"
-maar dan klonk het ook altijd in zijn hart: "het beroep van arts is
-groot en edel! Het vereischt veel wijsheid en achting voor Gods werk!"
-
-Wanneer gij heden ten dage Amsterdam bezoekt, dan kunt gij den
-beroemden dokter Brinker in zijn koetsje zien rijden om zijn patiënten
-te bezoeken, of als er 's winters goed ijs is, hem met zijn jongens
-en meisjes op het IJ of den Amstel met de schaatsen onder de voeten
-vinden. En dat hij dan geen van de minste rijders op de baan is,
-durf ik u verzekeren. Als gij soms te Broek kwaamt en gij vroegt daar
-naar zekere Annie Bouman, dan zou men u schouderophalend aanzien en
-u zeggen, dat er wel eens van zijn leven een meisje van dien naam
-bestaan heeft, maar dat die al sedert jaar en dag mevrouw Brinker
-heet en de vrouw is van dien knappen dokter Brinker, die zooveel
-patiënten over het IJ heeft. En als gij er Hans naar vroegt, dan zou
-hij u zeggen: "Mijn Annie is nog altijd dezelfde--behalve dat zij als
-'t kan nog liever, nog wijzer en nog meer gelijk aan de toovergodin
-van vroeger is."
-
-Ook Peter van den Helm is sinds lang getrouwd. Met wie? Nu, dat behoef
-ik niet te zeggen. Maar dikwijls, als hij met zijn lieve Hilda in
-het koepeltje zit, dat hij van zijn ouders heeft geërfd, beschouwt
-hij met genoegen het fraaie beeldhouwwerk, dat Hans gemaakt heeft en
-dan zegt hij: "'t Is toch jammer voor de kunst, dat onze goede Hans
-geen beeldhouwer is geworden; hij zou 't ver in die kunst gebracht
-hebben en een beroemd man zijn geworden." Maar dan antwoordt Hilda:
-"Jammer voor de kunst, maar niet voor de menschheid, want als dokter
-Brinker is hij voor haar tot grooter zegen, dan hij als beeldhouwer
-zou zijn geweest."
-
-Een tijd lang geleden hoorde ik, dat Karel Schimmel en Kato Lammers
-geëngageerd waren. Gelukkig echter voor onze Kato is dit engagement
-verbroken en is zij tot heden toe ongehuwd. Wat Kato zelf aangaat,
-zij is in 't geheel zoo vroolijk niet meer als voorheen en sommige
-klokjes hebben reeds al hun klank verloren. Toch is zij nog altijd
-de ziel van hen, die met haar omgaan. Het ware te wenschen, dat zij
-van tijd tot tijd wat ernstiger ware, maar dat ligt niet in haar
-aard. Heeft zij smarten en zorgen, dan wordt het geluid der klokjes
-voor eenige oogenblikken gestoord; dieper en ernstiger muziek doen
-zij nooit hooren.
-
-Truida Korbes is in al die jaren ernstig geworden. Ook zij is ongehuwd
-gebleven en houdt zich met letterkundigen arbeid bezig. Men wil, dat
-zij onder een aangenomen naam zeer goede verhalen in een onzer eerste
-maandwerken schrijft. En inderdaad, wanneer men die verhalen leest,
-zoo vol geest en gevoel, maar ook zoo vol godsdienstige beginselen,
-dan zou men er weinig onze vroegere Truida in herkennen, die zoo
-trotsch haar neusje optrok voor de arme Griete.
-
-Frits Verdam en Lodewijk van den Helm hebben samen een compagnieschap
-aangegaan en zijn bewoners der hoofdstad geworden. Frits Verdam, die
-een prachtig huis op de Keizersgracht bewoont, denkt nog dikwijls
-aan Kato Lammers, die hij eens ten huwelijk heeft gevraagd, maar
-die hem een blauwtje heeft doen loopen. En hij is er heel blij om,
-dat de zaak zich zoo gekeerd heeft, want hij heeft een allerliefst
-vrouwtje in Ben's zuster Jenny, die hij op een reis naar Birmingham
-heeft leeren kennen en met wie hij recht gelukkig is.
-
-Karel Schimmel is niet vooruitgegaan in de wereld. Zijn vader heeft,
-door een opeenhooping van tegenspoeden, bankroet geslagen en niets
-uit de puinhoopen zijner fortuin kunnen redden. Karel is tegenwoordig
-boekhouder bij de firma Verdam en Van den Helm, en mag zich gelukkig
-rekenen, dat zijn patroons hem altijd met achting behandelen en veel
-voor hem over hebben.
-
-Onze kleine Frans van Bree is een deftig Broeksch heer geworden,
-die wat goede zaken doet en sedert eenige jaren aanzoek gedaan heeft
-om de hand van Griete Brinker, welke deze niet geweigerd heeft. 't
-Kostte vader en moeder heel wat, om zich van het vroolijke, altijd
-zingende vogeltje te scheiden, en dokter Brinker en zijn vrouw
-waren in 't eerst wat boos op Frans, dat hij de lieve Griete van
-hen weghaalde. Maar die boosheid moest vanzelf overgaan en wie er
-nu wel eens boos is, is de koetsier, die dokter Brinker rijdt, als
-hij in den omtrek van Broek moet wezen: want als de dokter daar is,
-rijdt hij bij zwager Van Bree aan, en, of 't koud is of niet, laat
-hij de paarden zoo ongehoord lang wachten, dat de koetsier wel eens
-de vrees geuit heeft, dat zij met hun pooten aan den grond mochten
-vastvriezen. En als Griete eens met haar kindertjes in Amsterdam komt
-logeeren, dan is 't een feest bij de oude lui aan huis, dan is 't of
-vader Rolf weer jong is, dan speelt hij met die kleinen en dan zegt
-moeder, terwijl zij in de handen slaat: "Zie me zoo'n man eens aan!"
-
-Van al onze Broeksche vrienden is er slechts één, die het tooneel
-dezer wereld verlaten heeft: 't is Jacob Poot. Tot zijn dood toe even
-goedhartig en onbaatzuchtig, wordt hij nog even hartelijk betreurd,
-als hij bemind was, toen hij op aarde beminde en lachte. Vóór hij
-stierf, was hij broodmager geworden, nog magerder dan Benjamin Dobbs,
-die nu een gezeten Engelschman is.
-
-En wanneer gij ooit te Broek komt en gij krijgt er toegang tot de
-familie De Bruyn, spreek dan eens over de hardrijderij van den 30sten
-December, dan zal de oude mevrouw u met glinsterende oogen verhalen,
-hoe heerlijk die was en hoe er onder de rijderessen zich een klein
-meisje bevond, dat zóó snel reed en zóó verlegen was, dat ze niet
-eens het foedraal meenam van den prijs, dien zij gewonnen had, van
-
-
- "DE ZILVEREN SCHAATSEN."
-
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN
-
-
-[1] John Bull, de scheldnaam dien de Amerikanen aan de Engelschen
-geven--dezen noemen daarentegen hun overzeesche naburen: Brother
-Jonathan.
-
-[2] Gids, geleider.
-
-[3] De naam van de kerk, of liever van den heilige, aan wien zij
-gewijd was.
-
-[4] Ik laat deze anekdote voor rekening van de schrijfster van wie
-ik haar heb overgenomen.
-
-[5] Zie mijn "Schildknaap van Gijsbrecht van Amstel".
-
-[6] Adolf en Clara.
-
-[7] Ik laat deze lieve legende voor rekening van de Schrijfster.
-
-[8] Zie mijn "Huisgezin van den Raadpensionaris."
-
-
-
-
-
-
-End of Project Gutenberg's De zilveren schaatsen, by Mary Mapes Dodge
-
-*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ZILVEREN SCHAATSEN ***
-
-***** This file should be named 60777-8.txt or 60777-8.zip *****
-This and all associated files of various formats will be found in:
- http://www.gutenberg.org/6/0/7/7/60777/
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
-States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive
-specific permission. If you do not charge anything for copies of this
-eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook
-for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports,
-performances and research. They may be modified and printed and given
-away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks
-not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the
-trademark license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country outside the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you'll have to check the laws of the country where you
- are located before using this ebook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm web site
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The
-Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm
-trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the
-mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its
-volunteers and employees are scattered throughout numerous
-locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt
-Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to
-date contact information can be found at the Foundation's web site and
-official page at www.gutenberg.org/contact
-
-For additional contact information:
-
- Dr. Gregory B. Newby
- Chief Executive and Director
- gbnewby@pglaf.org
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
-spread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works.
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our Web site which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
-
diff --git a/old/60777-8.zip b/old/60777-8.zip
deleted file mode 100644
index 2beebef..0000000
--- a/old/60777-8.zip
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/60777-h.zip b/old/60777-h.zip
deleted file mode 100644
index c2f5836..0000000
--- a/old/60777-h.zip
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/60777-h/60777-h.htm b/old/60777-h/60777-h.htm
deleted file mode 100644
index 9f8a775..0000000
--- a/old/60777-h/60777-h.htm
+++ /dev/null
@@ -1,7606 +0,0 @@
-<!DOCTYPE html
-PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd">
-<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2019-11-24T11:15:18Z using SAXON HE 9.9.0.1 . -->
-<html lang="nl">
-<head>
-<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=iso-8859-1">
-<title>De zilveren schaatsen</title>
-<meta name="generator" content="tei2html.xsl, see https://github.com/jhellingman/tei2html">
-<meta name="author" content="Mary Mapes Dodge (1831&#x2013;1905)">
-<link rel="coverpage" href="images/front.jpg">
-<link rel="schema.DC" href="http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/">
-<meta name="DC.Creator" content="Mary Mapes Dodge (1831&#x2013;1905)">
-<meta name="DC.Title" content="De zilveren schaatsen">
-<meta name="DC.Language" content="nl-1900">
-<meta name="DC.Format" content="text/html">
-<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg">
-<meta name="DC:Subject" content="Kinderverhalen (teksten)">
-<style type="text/css">
-body {
-font-family: "Times New Roman", Times, serif;
-font-size: 100%;
-line-height: 1.2em;
-text-align: left;
-}
-.div0 {
-padding-top: 5.6em;
-}
-.div1 {
-padding-top: 4.8em;
-}
-.div2 {
-padding-top: 3.6em;
-}
-.div3, .div4, .div5 {
-padding-top: 2.4em;
-}
-h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4 {
-clear: both;
-font-style: normal;
-text-transform: none;
-}
-h3, .h3 {
-font-size: 1.2em;
-line-height: 1.2em;
-}
-h3.label {
-font-size: 1em;
-line-height: 1.2em;
-margin-bottom: 0;
-}
-h4, .h4 {
-font-size: 1em;
-line-height: 1.2em;
-}
-.alignleft {
-text-align: left;
-}
-.alignright {
-text-align: right;
-}
-.alignblock {
-text-align: justify;
-}
-p.tb, hr.tb, .par.tb {
-margin: 1.6em auto;
-text-align: center;
-}
-p.argument, p.note, p.tocArgument, .par.argument, .par.note, .par.tocArgument {
-font-size: 0.9em;
-line-height: 1.2em;
-text-indent: 0;
-}
-p.argument, p.tocArgument, .par.argument, .par.tocArgument {
-margin: 1.58em 10%;
-}
-td.tocDivNum {
-vertical-align: top;
-}
-td.tocPageNum {
-vertical-align: bottom;
-}
-.opener, .address {
-margin-top: 1.6em;
-margin-bottom: 1.6em;
-}
-.addrline {
-margin-top: 0;
-margin-bottom: 0;
-}
-.dateline {
-margin-top: 1.6em;
-margin-bottom: 1.6em;
-text-align: right;
-}
-.salute {
-margin-top: 1.6em;
-margin-left: 3.58em;
-text-indent: -2em;
-}
-.signed {
-margin-top: 1.6em;
-margin-left: 3.58em;
-text-indent: -2em;
-}
-.epigraph {
-font-size: 0.9em;
-line-height: 1.2em;
-width: 60%;
-margin-left: auto;
-}
-.epigraph span.bibl {
-display: block;
-text-align: right;
-}
-.trailer {
-clear: both;
-padding-top: 2.4em;
-padding-bottom: 1.6em;
-}
-span.abbr, abbr {
-white-space: nowrap;
-}
-span.parnum {
-font-weight: bold;
-}
-span.corr, span.gap {
-border-bottom: 1px dotted red;
-}
-span.num, span.trans, span.trans {
-border-bottom: 1px dotted gray;
-}
-span.measure {
-border-bottom: 1px dotted green;
-}
-.ex {
-letter-spacing: 0.2em;
-}
-.sc {
-font-variant: small-caps;
-}
-.asc {
-font-variant: small-caps;
-text-transform: lowercase;
-}
-.uc {
-text-transform: uppercase;
-}
-.tt {
-font-family: monospace;
-}
-.underline {
-text-decoration: underline;
-}
-sup {
-line-height: 6pt;
-}
-.overline, .overtilde {
-text-decoration: overline;
-}
-.rm {
-font-style: normal;
-}
-.red {
-color: red;
-}
-hr {
-clear: both;
-height: 1px;
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-margin-top: 1em;
-text-align: center;
-width: 45%;
-}
-.aligncenter {
-text-align: center;
-}
-h1, h2, .h1, .h2 {
-font-size: 1.44em;
-line-height: 1.5em;
-}
-h1.label, h2.label {
-font-size: 1.2em;
-line-height: 1.2em;
-margin-bottom: 0;
-}
-h5, h6 {
-font-size: 1em;
-font-style: italic;
-line-height: 1em;
-}
-p, .par {
-text-indent: 0;
-}
-p.firstlinecaps:first-line, .par.firstlinecaps:first-line {
-text-transform: uppercase;
-}
-.hangq {
-text-indent: -0.32em;
-}
-.hangqq {
-text-indent: -0.40em;
-}
-.hangqqq {
-text-indent: -0.71em;
-}
-p.dropcap:first-letter, .par.dropcap:first-letter {
-float: left;
-clear: left;
-margin: 0 0.05em 0 0;
-padding: 0;
-line-height: 0.8em;
-font-size: 420%;
-vertical-align: super;
-}
-blockquote, p.quote, div.blockquote, div.argument, .par.quote {
-font-size: 0.9em;
-line-height: 1.2em;
-margin: 1.58em 5%;
-}
-.pagenum a, a.noteref:hover, a.pseudonoteref:hover, a.hidden:hover, a.hidden {
-text-decoration: none;
-}
-.advertisement, .advertisements {
-background-color: #FFFEE0;
-border: black 1px dotted;
-color: #000;
-margin: 2em 5%;
-padding: 1em;
-}
-.footnotes .body, .footnotes .div1 {
-padding: 0;
-}
-.fnarrow {
-color: #AAAAAA;
-font-weight: bold;
-text-decoration: none;
-}
-a.noteref, a.pseudonoteref {
-font-size: 80%;
-text-decoration: none;
-vertical-align: 0.25em;
-}
-.displayfootnote {
-display: none;
-}
-div.footnotes {
-font-size: 80%;
-margin-top: 1em;
-padding: 0;
-}
-hr.fnsep {
-margin-left: 0;
-margin-right: 0;
-text-align: left;
-width: 25%;
-}
-p.footnote, .par.footnote {
-margin-bottom: 0.5em;
-margin-top: 0.5em;
-}
-p.footnote .label, .par.footnote .label {
-float: left;
-width: 2em;
-height: 12pt;
-display: block;
-}
-.apparatusnote {
-text-decoration: none;
-}
-table.tocList {
-width: 100%;
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-border-width: 0;
-border-collapse: collapse;
-}
-td.tocPageNum, td.tocDivNum {
-text-align: right;
-min-width: 10%;
-border-width: 0;
-}
-td.tocDivNum {
-padding-left: 0;
-padding-right: 0.5em;
-}
-td.tocPageNum {
-padding-left: 0.5em;
-padding-right: 0;
-}
-td.tocDivTitle {
-width: auto;
-}
-p.tocPart, .par.tocPart {
-margin: 1.58em 0;
-font-variant: small-caps;
-}
-p.tocChapter, .par.tocChapter {
-margin: 1.58em 0;
-}
-p.tocSection, .par.tocSection {
-margin: 0.7em 5%;
-}
-table.tocList td {
-vertical-align: top;
-}
-table.tocList td.tocPageNum {
-vertical-align: bottom;
-}
-table.inner {
-display: inline-table;
-border-collapse: collapse;
-width: 100%;
-}
-td.itemNum {
-text-align: right;
-min-width: 5%;
-padding-right: 0.8em;
-}
-td.innerContainer {
-padding: 0;
-margin: 0;
-}
-.index {
-font-size: 80%;
-}
-.indexToc {
-text-align: center;
-}
-.transcriberNote {
-background-color: #DDE;
-border: black 1px dotted;
-color: #000;
-font-family: sans-serif;
-font-size: 80%;
-margin: 2em 5%;
-padding: 1em;
-}
-.missingTarget {
-text-decoration: line-through;
-color: red;
-}
-.correctionTable {
-width: 75%;
-}
-.width20 {
-width: 20%;
-}
-.width40 {
-width: 40%;
-}
-p.smallprint, li.smallprint, .par.smallprint {
-color: #666666;
-font-size: 80%;
-}
-span.musictime {
-vertical-align: middle;
-display: inline-block;
-text-align: center;
-}
-span.musictime, span.musictime span.top, span.musictime span.bottom {
-padding: 1px 0.5px;
-font-size: xx-small;
-font-weight: bold;
-line-height: 0.7em;
-}
-span.musictime span.bottom {
-display: block;
-}
-ul {
-list-style-type: none;
-}
-.splitListTable {
-margin-left: 0;
-}
-.numberedItem {
-text-indent: -3em;
-margin-left: 3em;
-}
-.numberedItem .itemNumber {
-float: left;
-position: relative;
-left: -3.5em;
-width: 3em;
-display: inline-block;
-text-align: right;
-}
-.itemGroupTable {
-border-collapse: collapse;
-margin-left: 0;
-}
-.itemGroupTable td {
-padding: 0;
-margin: 0;
-vertical-align: middle;
-}
-.itemGroupBrace {
-padding: 0 0.5em !important;
-}
-.titlePage {
-border: #DDDDDD 2px solid;
-margin: 3em 0 7em 0;
-padding: 5em 10% 6em 10%;
-text-align: center;
-}
-.titlePage .docTitle {
-line-height: 3.5em;
-margin: 2em 0 2em 0;
-font-weight: bold;
-}
-.titlePage .docTitle .mainTitle {
-font-size: 1.8em;
-}
-.titlePage .docTitle .subTitle, .titlePage .docTitle .seriesTitle,
-.titlePage .docTitle .volumeTitle {
-font-size: 1.44em;
-}
-.titlePage .byline {
-margin: 2em 0 2em 0;
-font-size: 1.2em;
-line-height: 1.72em;
-}
-.titlePage .byline .docAuthor {
-font-size: 1.2em;
-font-weight: bold;
-}
-.titlePage .figure {
-margin: 2em auto;
-}
-.titlePage .docImprint {
-margin: 4em 0 0 0;
-font-size: 1.2em;
-line-height: 1.72em;
-}
-.titlePage .docImprint .docDate {
-font-size: 1.2em;
-font-weight: bold;
-}
-div.figure {
-text-align: center;
-}
-.figure {
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-}
-.floatLeft {
-float: left;
-margin: 10px 10px 10px 0;
-}
-.floatRight {
-float: right;
-margin: 10px 0 10px 10px;
-}
-p.figureHead, .par.figureHead {
-font-size: 100%;
-text-align: center;
-}
-.figAnnotation {
-font-size: 80%;
-position: relative;
-margin: 0 auto;
-}
-.figTopLeft, .figBottomLeft {
-float: left;
-}
-.figTop, .figBottom {
-}
-.figTopRight, .figBottomRight {
-float: right;
-}
-.figure p, .figure .par {
-font-size: 80%;
-margin-top: 0;
-text-align: center;
-}
-img {
-border-width: 0;
-}
-td.galleryFigure {
-text-align: center;
-vertical-align: middle;
-}
-td.galleryCaption {
-text-align: center;
-vertical-align: top;
-}
-.lgouter {
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-display: table;
-}
-.lg {
-text-align: left;
-padding: .5em 0 .5em 0;
-}
-.lg h4, .lgouter h4 {
-font-weight: normal;
-}
-.lg .lineNum, .sp .lineNum, .lgouter .lineNum {
-color: #777;
-font-size: 90%;
-left: 16%;
-margin: 0;
-position: absolute;
-text-align: center;
-text-indent: 0;
-top: auto;
-width: 1.75em;
-}
-p.line, .par.line {
-margin: 0 0 0 0;
-}
-span.hemistich {
-visibility: hidden;
-}
-.verseNum {
-font-weight: bold;
-}
-.speaker {
-font-weight: bold;
-margin-bottom: 0.4em;
-}
-.sp .line {
-margin: 0 10%;
-text-align: left;
-}
-.castlist, .castitem {
-list-style-type: none;
-}
-.castGroupTable {
-border-collapse: collapse;
-margin-left: 0;
-}
-.castGroupTable td {
-padding: 0;
-margin: 0;
-vertical-align: middle;
-}
-.castGroupBrace {
-padding: 0 0.5em !important;
-}
-body {
-padding: 1.58em 16%;
-}
-.pagenum {
-display: inline;
-font-size: 70%;
-font-style: normal;
-margin: 0;
-padding: 0;
-position: absolute;
-right: 1%;
-text-align: right;
-}
-.marginnote {
-font-size: 0.8em;
-height: 0;
-left: 1%;
-line-height: 1.2em;
-position: absolute;
-text-indent: 0;
-width: 14%;
-text-align: left;
-}
-.cut-in-left-note {
-font-size: 0.8em;
-left: 1%;
-line-height: 1.2em;
-float: left;
-text-indent: 0;
-width: 14%;
-text-align: left;
-padding: 0.8em 0.8em 0.8em 0;
-}
-.cut-in-right-note {
-font-size: 0.8em;
-left: 1%;
-line-height: 1.2em;
-float: right;
-text-indent: 0;
-width: 14%;
-text-align: right;
-padding: 0.8em 0 0.8em 0.8em;
-}
-span.tocPageNum, span.flushright {
-position: absolute;
-right: 16%;
-top: auto;
-text-indent: 0;
-}
-.pglink, .catlink, .exlink, .wplink, .biblink, .qurlink, .seclink {
-background-repeat: no-repeat;
-background-position: right center;
-}
-.pglink {
-background-image: url(images/book.png);
-padding-right: 18px;
-}
-.catlink {
-background-image: url(images/card.png);
-padding-right: 17px;
-}
-.exlink, .wplink, .biblink, .qurlink, .seclink {
-background-image: url(images/external.png);
-padding-right: 13px;
-}
-.pglink:hover {
-background-color: #DCFFDC;
-}
-.catlink:hover {
-background-color: #FFFFDC;
-}
-.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover, .qurlink:hover {
-background-color: #FFDCDC;
-}
-body {
-background: #FFFFFF;
-font-family: "Times New Roman", Times, serif;
-}
-body, a.hidden {
-color: black;
-}
-h1, .h1 {
-padding-bottom: 5em;
-}
-h1, h2, .h1, .h2 {
-text-align: center;
-font-variant: small-caps;
-font-weight: normal;
-}
-p.byline {
-text-align: center;
-font-style: italic;
-margin-bottom: 2em;
-}
-.figureHead, .noteref, .pseudonoteref, .marginnote, p.legend, .verseNum {
-color: #660000;
-}
-.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a {
-color: #AAAAAA;
-}
-a.hidden:hover, a.noteref:hover, a.pseudonoteref:hover {
-color: red;
-}
-h1, h2, h3, h4, h5, h6 {
-font-weight: normal;
-}
-table {
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-}
-.tablecaption {
-text-align: center;
-}
-.arab { font-family: Scheherazade, serif; }
-.aran { font-family: 'Awami Nastaliq', serif; }
-.grek { font-family: 'Charis SIL', serif; }
-.hebr { font-family: Shlomo, 'Ezra SIL', serif; }
-.syrc { font-family: 'Serto Jerusalem', serif; }
-.pagenum, .linenum {
-speak: none;
-}</style>
-<style type="text/css">
-/* CSS rules generated from @rend attributes in TEI file */
-.cover-imagewidth {
-width:510px;
-}
-.xd29e96 {
-text-align:center; font-size:large;
-}
-.frontispiecewidth {
-width:473px;
-}
-.titlepage-imagewidth {
-width:508px;
-}
-.p003width {
-width:500px;
-}
-.p005width {
-width:472px;
-}
-.p011width {
-width:576px;
-}
-.p020width {
-width:518px;
-}
-.p024width {
-width:575px;
-}
-.p033width {
-width:720px;
-}
-.p036width {
-width:259px;
-}
-.p038width {
-width:463px;
-}
-.p043width {
-width:583px;
-}
-.p050width {
-width:413px;
-}
-.p059width {
-width:543px;
-}
-.p061width {
-width:539px;
-}
-.p065width {
-width:720px;
-}
-.p071width {
-width:524px;
-}
-.p073width {
-width:472px;
-}
-.p079width {
-width:574px;
-}
-.p081width {
-width:138px;
-}
-.p083width {
-width:236px;
-}
-.p087width {
-width:418px;
-}
-.p099width {
-width:510px;
-}
-.p1030width {
-width:586px;
-}
-.p110width {
-width:412px;
-}
-.p116width {
-width:506px;
-}
-.p123width {
-width:492px;
-}
-.p126width {
-width:532px;
-}
-.p128width {
-width:720px;
-}
-.p134width {
-width:521px;
-}
-.p147width {
-width:454px;
-}
-.p149width {
-width:506px;
-}
-.p153width {
-width:169px;
-}
-.p162width {
-width:263px;
-}
-.p165width {
-width:507px;
-}
-.xd29e2713 {
-text-align:center;
-}
-.spinewidth {
-width:105px;
-}
-.backwidth {
-width:498px;
-}
-@media handheld {
-}
-/* CSS rules copied from @style attributes in TEI file */
-</style>
-</head>
-<body>
-
-
-<pre>
-
-The Project Gutenberg EBook of De zilveren schaatsen, by Mary Mapes Dodge
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
-other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of
-the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have
-to check the laws of the country where you are located before using this ebook.
-
-Title: De zilveren schaatsen
-
-Author: Mary Mapes Dodge
-
-Illustrator: Johan Coenraad Braakensiek
- Johannes Carolus Bernardus Sluijters
-
-Translator: Pieter Jacob Andriessen
-
-Release Date: November 24, 2019 [EBook #60777]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: ISO-8859-1
-
-*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ZILVEREN SCHAATSEN ***
-
-
-
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg
-
-
-
-
-
-
-</pre>
-
-<div class="front">
-<div class="div1 cover"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first"></p>
-<div class="figure cover-imagewidth"><img src="images/front.jpg" alt="Oorspronkelijke voorkant." width="510" height="720"></div><p>
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 frenchtitle"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first xd29e96">DE ZILVEREN SCHAATSEN
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 frontispiece"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first"></p>
-<div class="figure frontispiecewidth"><img src="images/frontispiece.jpg" alt="" width="473" height="720"></div><p>
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 titlepage"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first"></p>
-<div class="figure titlepage-imagewidth"><img src="images/titlepage.png" alt="Oorspronkelijke titelpagina." width="508" height="720"></div><p>
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="titlePage">
-<div class="docTitle">
-<div class="mainTitle">DE ZILVEREN SCHAATSEN</div>
-</div>
-<div class="byline">NAVERTELD DOOR
-<br>
-<span class="docAuthor">P. J. ANDRIESSEN</span>
-<br>
-GEÏLLUSTREERD DOOR
-<br>
-<span class="docAuthor">JOH. BRAAKENSIEK</span> <span class="sc">EN</span> <span class="docAuthor">J. SLUYTERS</span>
-<br>
-TIENDE DRUK</div>
-<div class="docImprint">A. W. SIJTHOFF&#x2019;S UITGEVERSMAATSCHAPPIJ&#x2014;LEIDEN</div>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="xd29e134" href="#xd29e134">iii</a>]</span></p>
-<div id="toc" class="div1 contents"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">INHOUD.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">EERSTE HOOFDSTUK.
-</p>
-<p> &nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum">Bladz.</span>
-</p>
-<p><a href="#ch1" id="xd29e144">Waarin verhaald wordt, hoe men, ook zonder schaatsen, toch het ijsvermaak genieten
-kan</a> &nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum">1</span>
-</p>
-<p>TWEEDE HOOFDSTUK.
-</p>
-<p><a href="#ch2" id="xd29e152">Waarin wij verscheidene nieuwe kennissen ontmoeten</a> &nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum">9</span>
-</p>
-<p>DERDE HOOFDSTUK.
-</p>
-<p><a href="#ch3" id="xd29e160">Hoe een paar schaatsen en een dokter in één hoofdstuk kunnen vereenigd worden</a> &nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum">15</span>
-</p>
-<p>VIERDE HOOFDSTUK.
-</p>
-<p><a href="#ch4" id="xd29e168">Hoe echt Hollandsche jongens zich goed houden onder tegenspoed</a> &nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum">22</span>
-</p>
-<p>VIJFDE HOOFDSTUK.
-</p>
-<p><a href="#ch5" id="xd29e177">Ongelukken in de hut van Rolf Brinker</a> &nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum">35</span>
-</p>
-<p>ZESDE HOOFDSTUK.
-</p>
-<p><a href="#ch6" id="xd29e185">Wat de jongens zoo al in Haarlem zagen</a> &nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum">45</span>
-</p>
-<p>ZEVENDE HOOFDSTUK.
-</p>
-<p><a href="#ch7" id="xd29e193">Hoe goed het kan zijn, als men in een kouden winternacht zonder dek ligt</a> &nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum">57</span>
-<span class="pagenum">[<a id="xd29e199" href="#xd29e199">iv</a>]</span></p>
-<p>ACHTSTE HOOFDSTUK.
-</p>
-<p><a href="#ch8" id="xd29e202">Wat onze knapen al zoo in Leiden zagen</a> &nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum">74</span>
-</p>
-<p>NEGENDE HOOFDSTUK.
-</p>
-<p><a href="#ch9" id="xd29e210">Hoe onze reizigers in den Haag ontvangen werden</a> &nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum">83</span>
-</p>
-<p>TIENDE HOOFDSTUK.
-</p>
-<p><a href="#ch10" id="xd29e218">De gevaarlijke operatie</a> &nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum">96</span>
-</p>
-<p>ELFDE HOOFDSTUK.
-</p>
-<p><a href="#ch11" id="xd29e227">De verborgen schat</a> &nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum">106</span>
-</p>
-<p>TWAALFDE HOOFDSTUK.
-</p>
-<p><a href="#ch12" id="xd29e235">De toovergodin</a> &nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum">118</span>
-</p>
-<p>DERTIENDE HOOFDSTUK.
-</p>
-<p><a href="#ch13" id="xd29e243">Het geheimzinnige horloge</a> &nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum">128</span>
-</p>
-<p>VEERTIENDE HOOFDSTUK.
-</p>
-<p><a href="#ch14" id="xd29e251">De hardrijderij</a> &nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum">142</span>
-</p>
-<p>VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
-</p>
-<p><a href="#ch15" id="xd29e259">Wat de zilveren schaatsen al uitwerken</a> &nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum">152</span>
-</p>
-<p>ZESTIENDE HOOFDSTUK.
-</p>
-<p><a href="#ch16" id="xd29e268">Besluit</a> &nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum">163</span>
-<span class="pagenum">[<a id="xd29e274" href="#xd29e274">v</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="voorbericht" class="div1 preface"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">VOORBERICHT.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Toen de geachte Uitgever mij eenige jaren geleden dit boek ter hand stelde, om daarover
-een oordeel te vellen, beviel het mij zoodanig, dat ik er volgaarne in toestemde,
-het voor de Nederlandsche jeugd om te werken. Ik zeg omwerken, want er is van het
-oorspronkelijke weinig meer overgebleven dan het geraamte. Had ik het boek van Mary
-Mapes Dodge vertaald, ik zou tal van dwaasheden hebben moeten debiteeren, waarvoor
-mijn jeugdige lezeressen en lezers mij zeker op de vingers zouden hebben getikt en
-die men in den vreemde voor goede munt opneemt, daar men &#x2019;t natuurlijk niet beter
-weet. En toch is er veel in, waardoor de Schrijfster haar landgenooten met vrij wat
-bijzonderheden van ons land en ons volk bekendmaakt. Ik twijfel er ook geenszins aan,
-of deze zilveren schaatsen zullen mijn jongen vriendinnen en vrienden wèl bevallen.
-Het werk kan hun tot een aangename afwisseling strekken van de meer ernstige lectuur
-mijner historische verhalen.
-</p>
-<p>Dat dit boek in zoo betrekkelijk korten tijd telken male herdrukt moest worden, heeft
-mij niet verwonderd. De goede manier van uitgeven, het echt nationale, dat er in het
-schaatsenrijden is, en de vriendelijke inhoud van het verhaal stonden mij daarvoor
-borg.
-</p>
-<p class="signed">P.&nbsp;J. Andriessen.
-<span class="pagenum">[<a id="pb1" href="#pb1">1</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="body">
-<div id="ch1" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd29e144">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">EERSTE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">Waarin verhaald wordt, hoe men, ook zonder schaatsen, toch het ijsvermaak genieten
-kan.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Wanneer gij, mijn lieve lezeressen en lezers, eenige jaren geleden op een helderen
-December-ochtend de vaart van &#x2019;t Schouw naar het Noordhollandsche dorp Broek waart
-opgewandeld, dan zoudt gij aan den kant van het bevroren water twee dun gekleede kinderen
-op hun knieën hebben zien liggen.
-</p>
-<p>&#x2019;t Was heel vroeg in den morgen: de zon was zooeven eerst opgegaan en de horizon zag
-rood door den nevel, die nog moest optrekken voor den gloed van haar stralen. De meeste
-bewoners van Broek en zijn omtrek waren nog warm in het dons hunner bedden gedoken
-en schrikten er voor om uit de veeren te komen: want het was aardig koud en had dien
-nacht geducht gevroren. Slechts een enkele boer of boerin, die naar de stad ging,
-of een werkman, die wat ver van huis op karwei moest zijn, reed op de gladde spiegelvlakte
-en wierp een vriendelijken blik op het tweetal, dat daar aan den kant geknield lag
-en zich bezighield met iets aan te binden, hetwelk schaatsen moesten verbeelden en
-dat bestond uit stukken hard hout, die naar onderen spits toeliepen en waarin gaten
-waren geboord, om ze met touwen aan de voeten te bevestigen.
-</p>
-<p>Die schaatsen waren het fabrikaat van Hans, den oudste der twee: want zijn moeder
-was een arme boerenvrouw, die geen schaatsen bekostigen kon; en daarom had onze knaap,
-die <span class="pagenum">[<a id="pb2" href="#pb2">2</a>]</span>zeer behendig in het snijden van hout was, er een paar voor zich en zijn zuster Griete
-vervaardigd, op welke zij reeds menig gelukkig uurtje op het ijs hadden gesleten.
-Met hun van de kou roode vingers trokken zij aan de touwen, terwijl hun gezichten
-zoo ernstig stonden, als moesten zij zich het beste paar Friesche schaatsen aanbinden.
-</p>
-<p>&#x201e;Kom, Griete,&#x201d; zei Hans, toen hij opstond en een prachtige streek op de vaart maakte,
-niet zonder beide armen geducht te bewegen.
-</p>
-<p>&#x201e;Ach, Hans!&#x201d; riep Griete op verdrietigen toon. &#x201e;De touwen hebben mij gisteren zoo
-geducht gekneld, en nu kan ik ze niet op dezelfde plaats velen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Bind ze dan wat hooger,&#x201d; gaf Hans ten antwoord, terwijl hij op zijn manier een sierlijken
-zwaai maakte.
-</p>
-<p>&#x201e;Dat kan ik niet doen: want het touw is te kort.&#x201d;
-</p>
-<p>Hans had toch deernis met zijn zusje en reed naar haar toe.
-</p>
-<p>&#x201e;Waarom heb je ook die dunne schoenen aan je voeten, malle meid?&#x201d; zeide hij. &#x201e;Wie
-trekt zulk dun schoeisel aan, als hij er dikker heeft? Had dan liever je klompen aangehouden.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Maar, Hans! Weet je dan niet, dat vader mijn beste schoenen in &#x2019;t vuur heeft gegooid?
-Eer ik nog wist, wat hij gedaan had, waren ze al heelemaal omgekruld en bedorven.
-Met die schoenen kon ik wel rijden, maar niet met mijn klompen.&#x201d;
-</p>
-<p>Hans had intusschen een touw uit zijn zak gehaald en knielde voor Griete, terwijl
-hij zijn best deed om haar schaats vast te maken.
-</p>
-<p>&#x201e;O, je doet me zeer!&#x201d; riep zij uit.
-</p>
-<p>Hans werd bijna boos, maar hij zag een traan in Griete&#x2019;s oog en bedwong zijn toorn.
-Integendeel hernam hij op vriendelijken toon:
-</p>
-<p>&#x201e;Ik kan &#x2019;t niet helpen, Griete. Maar ik moet de schaats toch vastmaken. En je weet
-zelf, dat we weinig tijd hebben: want moeder zal ons wel gauw roepen.&#x201d;
-</p>
-<p>Hierop keek hij rond of hij niets zag, waarmede hij zijn zuster kon helpen, bedacht
-zich even, nam zijn pet af, haalde uit de gescheurde voering een dotje watten, legde
-dat op de plaats, waar hij het touw moest binden, en bond toen de schaats vast, zoo
-schielijk als hij &#x2019;t met zijn van kou verstijfde vingers doen kon.
-<span class="pagenum">[<a id="pb3" href="#pb3">3</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Kijk, nu zal &#x2019;t je geen pijn meer doen, Griete,&#x201d; zeide hij, &#x201e;want nu zal je wel eenige
-drukking kunnen velen.&#x201d;
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure floatLeft p003width"><img src="images/p003.png" alt="" width="500" height="582"></div><p>
-</p>
-<p>Griete beet zich op de lippen, als wilde zij zeggen: &#x201e;&#x2019;t doet mij toch nog zeer,&#x201d;
-maar zij zweeg en liet hem begaan.
-</p>
-<p>Eenige oogenblikken later reden zij lachend en vroolijk, hand aan hand over de vaart,
-zonder zich er over te bekommeren, of hun schaatsen al dan niet met ijzer beslagen
-waren. Maar eensklaps begonnen de schaatsen van Hans een raar soort van geluid te
-geven, zijn streken werden al korter en korter, flap! daar lag hij zoo lang als hij
-was op het ijs te spartelen.
-</p>
-<p>&#x201e;Ha, ha,&#x201d; riep Griete lachend. &#x201e;Daar ben je mooi te land gekomen.&#x201d; Maar even snel
-kwam het liefderijke zusterhart weer boven, en met een fikschen omzwaai stond zij,
-ofschoon nog altijd lachend, vóór haar gevallen broeder.
-</p>
-<p>&#x201e;Je hebt je toch niet bezeerd, Hans?&#x201d; vroeg zij medelijdend. &#x201e;O, je lacht. Dan is
-&#x2019;t niets.&#x201d; En terwijl zij weer voortreed met wangen, gloeiend van de warmte, die de
-beweging haar had gegeven, en oogen, schitterend van genoegen, riep zij: &#x201e;Hans je
-kunt mij niet krijgen!&#x201d;
-</p>
-<p>Hans sprong weer op de beenen, maar &#x2019;t was geen gemakkelijke zaak om Griete in te
-halen: want zij was hem reeds een heel eind vooruit. Toch was zij nog niet ver, toen
-zij voelde, <span class="pagenum">[<a id="pb4" href="#pb4">4</a>]</span>dat ook haar schaatsen begonnen te krassen. Daar zij nu de eer aan zich wilde houden,
-keerde zij zich om en reed haar vervolger in de armen.
-</p>
-<p>&#x201e;Gevangen!&#x201d; riep Hans, terwijl hij haar stevig in zijn armen pakte.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik heb jou gevangen,&#x201d; antwoordde Griete, die poogde zich uit zijn armen los te maken.
-</p>
-<p>Juist op dit oogenblik klonk er een luide stem over de vaart: &#x201e;Hans! Griete!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Moeder roept ons,&#x201d; zeide Hans, terwijl hij zijn zusje losliet.
-</p>
-<p>Op dat oogenblik werd de vaart door de nu geheel en al opgekomen zon beschenen en
-begonnen er al meer schaatsenrijders te komen. &#x2019;t Was een hard gelag, om nu juist
-te moeten uitscheiden. Maar Hans en Griete waren gehoorzame kinderen. Terstond bonden
-zij hun schaatsen af en lieten de vaart aan de liefhebbers over. Statig liep Hans
-met zijn breede schouders en zijn weerbarstig blond haar naast zijn blauwoogige zuster
-voort, terwijl zij huiswaarts togen. Hij was vijftien en Griete twaalf jaar. Hij was
-een stevige, vriendelijke jongen met een hart van goud en een paar oogen, die hij
-nooit neersloeg, als hij u aankeek. Griete was een klein, tenger ding, met een paar
-levendige blauwe oogen, die u zoo vriendelijk konden aankijken, en zulk een lief gezichtje,
-dat gij, als gij haar aanzaagt, heur armoedig en verschoten gewaad schier vergeten
-zoudt hebben.
-</p>
-<p>Toen de kinderen thuis kwamen, was moeder Brinker weer binnen en zat hun vader bij
-het vlammende vuur. Die vader was in vroegeren tijd een stevig werkman geweest, die
-voor vrouw en kinderen een eerlijk stuk brood verdiende. Maar jaren geleden, toen
-er midden in den nacht gevaar voor overstrooming was en de man zich aan het werk had
-bevonden aan den dijk, die dreigde te bezwijken, was hij gevallen, en bewusteloos
-thuis gebracht. Sedert dat oogenblik had hij niet meer gewerkt, en, ofschoon hij nog
-leefde, waren zijn verstand en geheugen weg.
-</p>
-<p>Griete kende hem niet anders dan als &#x201e;den zonderlingen, stillen man&#x201d;, wiens oogen
-haar volgden, waar zij ook ging; maar Hans herinnerde zich nog een hartelijken, vroolijken
-vader, die hem zoo pleizierig op zijn schouder kon dragen en die zoo mooi kon zingen,
-als hij &#x2019;s avonds wakker lag en naar hem luisterde.
-<span class="pagenum">[<a id="pb5" href="#pb5">5</a>]</span></p>
-<p>De arme vrouw Brinker had sedert dien tijd hard gewerkt. Zij toch moest den kost verdienen
-voor haar zelf, haar hulpeloozen man en haar niet minder hulpelooze kinderen. Met
-spinnen en breien trachtte zij daarin te voorzien, zelfs had zij zich tusschenbeide
-verhuurd, om in het zeel te loopen voor een schuit; maar sedert Hans sterk genoeg
-was geworden, had hij haar plaats vervuld. En het was ook wel noodig, dat vrouw Brinker
-thuis bleef: want, hoe hulpbehoevend Brinker ook was, hoewel hij niet meer verstand
-bezat dan een kind van drie of vier jaar, had hij toch de kracht van een man, en het
-kostte der arme vrouw vrij wat moeite, om hem in bedwang te houden.
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure floatLeft p005width"><img src="images/p005.png" alt="" width="472" height="641"></div><p>
-</p>
-<p>&#x201e;Ach, kinderen,&#x201d; zeide zij somtijds, &#x201e;hij was zoo goed en zoo verstandig! Zoo knap
-als een advocaat! Zou je wel willen gelooven, dat de burgemeester hem soms staande
-hield, om hem het een of ander te vragen. En nu, ach, lieve Hemel! nu kent hij zijn
-vrouw en kinderen niet meer! Jij kunt je uw vader nog wel voorstellen, niet waar,
-Hans, toen hij nog de goede Rolf Brinker was, hè? Wat een ferm, knap man! Weet je
-&#x2019;t nog wel?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ja, moeder,&#x201d; antwoordde Hans. &#x201e;En wat wist hij alles, en wat kon hij mooi zingen!
-Ik weet het nog best, hoe gij wel eens zeidet, dat hij door zijn stem alleen al de
-windmolens aan het draaien zou hebben gemaakt.&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb6" href="#pb6">6</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Ja, dat heb ik dikwerf gezegd. Wat die jongen toch een geheugen heeft! Griete, kindlief,
-neem je vader die breinaald af, anders steekt hij er mee in zijn oog. Doe hem zijn
-slof aan, want zijn voeten zijn zoo koud als ijs, en ik kan ze niet warm houden,&#x201d;
-en dan liet vrouw Brinker haar spinnewiel weer snorren, als gaf dat geluid afleiding
-aan haar smart.
-</p>
-<p>Hans en Griete deden al wat zij konden, om hun arme moeder in haar zware taak te ondersteunen.
-Waar het lieve kind in het huishouden hielp en den kleinen moestuin bebouwde, die
-bij het huisje lag, waar zij reeds menig paar sokken breide en al de boodschappen
-deed, die er noodig waren, verdiende Hans geld met het jagen der paarden voor de pakschuiten
-en kleine vrachtschepen, die door de vaart kwamen; ook was hij vrij bekwaam in het
-houtsnijden, in hetwelk hij, als men de slechte werktuigen, welke hij bezat, en het
-volslagen gemis aan onderricht daarbij in aanmerking neemt, al een heel aardige hoogte
-bereikt had. En niet alleen in deze werktuigelijke kunst muntte Hans uit. Ook op de
-school kon geen enkele hem bijhouden. Hoe hard hij soms moest blokken, eer hij iets
-wist, hij rustte niet, vóór hij het onder de knie had, en menigeen, die zijn neus
-optrok voor zijn armoedige plunje en zijn gelapte broek, moest voor hem de vlag strijken
-en aan den jongen uit de hut de hoogste plaats afstaan. Jammer genoeg, dat hij nu
-sedert een jaar niet meer had kunnen schoolgaan, daar, bij de verergering van Brinker&#x2019;s
-toestand, de behoeften van het gezin waren toegenomen en Hans geld moest verdienen
-om in die behoeften te voorzien. Griete was zoo vlug niet in het leeren. Als &#x2019;t op
-zingen aankwam, kon zeker niemand haar overtreffen, en als zij een liedje tweemaal
-hoorde, zong zij het zonder fout; maar&#x2014;boeken waren haar een gruwel, het schoolbord
-een verdriet en de school zelf een soort van gevangenis, die zij met looden schoenen
-betrad. Des te meer jammer voor het lieve kind, dat moeder ook haar moest thuis houden:
-want wat moest er van haar worden, als zij op lateren leeftijd niet zou kunnen lezen
-of schrijven?
-</p>
-<p>Terwijl onze beide kinderen druk bezig waren, hun moeder binnenshuis te helpen, kwam
-er een vroolijke hoop meisjes en jongens over de vaart rijden. Daar waren goede rijdsters
-en rijders onder, en als men hen in hun bonte kleeding op een <span class="pagenum">[<a id="pb7" href="#pb7">7</a>]</span>afstand zag komen aanrijden, dan zou men zich verbeeld hebben, dat het ijs eensklaps
-gesmolten was en er een veelkleurig bed met tulpen op den stroom kwam aandrijven.
-</p>
-<p>Voorop rijdt Hilda, de dochter van burgemeester De Bruyn, in haar fluweelen, met bont
-omzet jacketje en haar met pels omboorde jurk, en naast haar Annie Bouman, de dochter
-van een rijken boer, met haar scharlaken rood jacketje, van stevige wol gebreid, en
-haar keurig blauw rokje, kort genoeg om haar nette voetjes te doen zien. Verder de
-trotsche Truida Korbes, de dochter van den rijken aannemer te Broek, Karel Schimmel,
-Peter en Lodewijk van den Helm, Jacob Poot en een heel kleine jongen, die den naam
-van Frans van Bree voert. Er waren ruim twintig jongens en meisjes bij elkander, en
-zij maakten vrij wat pret, dat kan ik u verzekeren.
-</p>
-<p>Zij reden herhaalde malen de vaart op en neder, en het was wèl te zien, dat er flinke
-schaatsenrijders onder hen waren. Menigen vriendelijken groet wisselden zij met andere
-dorpelingen, die hen voorbijreden, om zich naar Amsterdam of elders te begeven, en
-ook diegenen, aan wie zij ten eenen male onbekend waren, konden niet nalaten, met
-genoegen naar het vroolijke troepje te zien en het een groet toe te werpen. Ook van
-den wal af hadden zij bekijks genoeg van de kinderen, die te voet naar school gingen,
-en bij wie zich de meesten van hen straks zouden voegen.
-</p>
-<p>Eensklaps echter scheen hen iets in hun vaart te belemmeren en allen bleven stilstaan
-rondom een klein aardig meisje, dat er allerliefst uitzag en van den kant van Monnikendam
-was komen aanrijden.
-</p>
-<p>&#x201e;Waar moet jij zoo vroeg reeds heen, Kato?&#x201d; riep de een.
-</p>
-<p>&#x201e;Wat kom je hier jagen?&#x201d; vraagde de ander.
-</p>
-<p>&#x201e;Je doet toch ook mee met den wedstrijd op den dertigsten?&#x201d; zeide een derde.
-</p>
-<p>&#x201e;Je moet stellig meedoen, Kato,&#x201d; bevestigde een vierde.
-</p>
-<p>&#x201e;Maar, lieve vrienden,&#x201d; zeide de aardige Kato. &#x201e;Je brengt me heelemaal in de war.
-Spreekt als het u belieft één voor één: want als je allen te gelijk praat, kan ik
-je onmogelijk antwoorden.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Je doet toch mee met den wedren op den dertigsten?&#x201d; herhaalde Truida Korbes, die
-&#x2019;t eerst het woord nam.
-<span class="pagenum">[<a id="pb8" href="#pb8">8</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Een wedren? Denk je, dat ik paard kan rijden, Truida?&#x201d; vroeg Kato glimlachend.
-</p>
-<p>&#x201e;Nu, dat begrijp je toch wel beter, Kato.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Kom, zij weet er even goed van als wij,&#x201d; zeide Annie Bouman. &#x201e;Zoo ver woont ze niet
-van Broek af, dat ze het niet zou weten.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Inderdaad, ik heb niets van een wedren gehoord,&#x201d; verzekerde Kato met het onnoozelste
-gezicht ter wereld.
-</p>
-<p>&#x201e;Welnu,&#x201d; hernam Truida, &#x201e;als je &#x2019;t dan werkelijk niet weet, zal ik &#x2019;t zeggen. Mevrouw
-De Bruyn van Broek is op den dertigsten van deze maand veertig jaar en heeft besloten
-dien dag feestelijk te vieren. Daartoe zal zij een wedren op schaatsen geven, waaraan
-al de kinderen van Broek en den omtrek, mits ze beneden de zestien jaren zijn, mogen
-deelnemen. Dat is alles het werk van Hilda.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En zullen er mooie prijzen zijn?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Een paar beeldige mooie Engelsche schaatsen,&#x201d; riepen wel zes stemmen te gelijk.
-</p>
-<p>&#x201e;Met zilver ingelegd,&#x201d; voegde een ander er bij.
-</p>
-<p>&#x201e;En met zilveren neuzen en hielstukken,&#x201d; vervolgde een derde.
-</p>
-<p>&#x201e;En er zijn zilveren belletjes ook aan,&#x201d; voegde Frans van Bree er bij.
-</p>
-<p>&#x201e;Hoor me zoo&#x2019;n kleinen betweter eens aan!&#x201d; riep Jacob Poot uit. &#x201e;Bellen aan schaatsen!
-Dan zou een mensch veel van een paard voor een Narreslede hebben.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Of van een katje, dat men niet wil trappen,&#x201d; meende Truida.
-</p>
-<p>&#x201e;Je hebt je wat laten wijsmaken, Frans,&#x201d; zeide Lodewijk van den Helm, terwijl hij
-het kleine kereltje medelijdend aanzag.
-</p>
-<p>&#x201e;Hij heeft het toch zoo geheel en al niet mis,&#x201d; verzekerde Hilda. &#x201e;Er zijn twee paren
-schaatsen, één voor de meisjes en één voor de jongens. Het paar van de meisjes is
-met zilveren plaatjes aan de hielstukken, die bij het stampen een rammelend geluid
-maken als belletjes.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En wie zullen er rijden?&#x201d; vroeg Kato.
-</p>
-<p>&#x201e;Wel, wij allen,&#x201d; gaf Truida ten antwoord. <span class="corr" id="xd29e375" title="Niet in bron">&#x201e;</span>&#x2019;t Zal een pret zijn! Je doet toch ook mee, Kato? Maar het is nu tijd, om naar school
-te gaan. Kom, ga mee, dan zal ik &#x2019;t je onderweg verder vertellen.&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb9" href="#pb9">9</a>]</span></p>
-<p>En zonder zich om de overigen te bekommeren, maakte zij een sierlijken zwaai en reed,
-door Kato vergezeld, naar de school met een vlugheid, dat de anderen werk hadden om
-haar te volgen.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch2" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd29e152">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">TWEEDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">Waarin wij verscheidene nieuwe kennissen ontmoeten.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">&#x2019;t Was op den namiddag van dien zelfden dag, dat onze jongelieden, na afgeloopen arbeid,
-weder een uurtje op het ijs reden.
-</p>
-<p>&#x201e;Kijk eens,&#x201d; riep Karel Schimmel spottend tegen Hilda, die vlak naast hem stond. &#x201e;Kijk
-eens, welk een mooi paar daar over het ijs komt aanrijden. &#x2019;t Zijn zeker de voddenrapers
-uit de hut. Hun schaatsen zijn zeker een geschenk van Hare Majesteit de Koningin in
-eigen persoon.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Foei, Karel,&#x201d; zeide Hilda. &#x201e;Je moest je schamen, dat je zoo over hen spreekt. &#x2019;t
-Zijn arme kinderen en de schaatsen, op welke zij rijden, heeft de knaap misschien
-zelf gemaakt.&#x201d;
-</p>
-<p>Karel keek mal op zijn neus.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik weet niet wat zij met zulk tuig op de baan doen,&#x201d; bromde hij, terwijl Hilda naar
-de beide kinderen toereed, &#x201e;maar ik zou, dunkt mij, even goed op een oud verroest
-mes kunnen rijden als op zoo&#x2019;n paar schaatsen.&#x201d;
-</p>
-<p>Deze uitval wekte het gelach van verscheidene andere der rijders. Hilda stoorde zich
-daaraan niet en vroeg aan Griete:
-</p>
-<p>&#x201e;Hoe heet je, kindlief?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Griete, juffrouw,&#x201d; antwoordde het kind, min of meer verlegen, dat de juffrouw van
-den burgemeester haar aansprak, al was die dan ook nog geen twee jaar ouder dan zij.
-</p>
-<p>&#x201e;En hoe heet je broer?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Hans, juffrouw!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Nu, &#x2019;t is een ferme jongen, die Hans. Die heeft zeker een warm kacheltje in zijn
-lijf; want hij ziet er zoo gezond uit als <span class="pagenum">[<a id="pb10" href="#pb10">10</a>]</span>een visch. Maar jij bent koud. Waarom kleed je je ook niet wat warmer, klein ding?&#x201d;
-</p>
-<p>Griete deed haar best om te glimlachen.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik ben zoo klein niet als u wel denkt,&#x201d; zeide zij. &#x201e;Ik ben ruim twaalf jaar oud.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Nu, je zult wel grooter worden,&#x201d; hervatte Hilda, meesmuilende over het antwoord van
-Griete. &#x201e;Maar dan moet je je ook wat warmer kleeden. Meisjes, die kou lijden, worden
-nooit groot.&#x201d;
-</p>
-<p>Hans kreeg een kleur als bloed, toen hij zag, dat er waterlanders in Griete&#x2019;s oogen
-kwamen.
-</p>
-<p>&#x201e;Hoor eens, juffrouw! Mijn zuster heeft nog nooit over de kou geklaagd. Maar &#x2019;t vriest
-nu ook zoo hard.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;O,&#x201d; zeide Griete. &#x201e;Ik ben dikwijls heel warm, dikwijls al te warm, als ik schaatsen
-rijd. &#x2019;t Is al heel lief van u, juffrouw, om daaraan te denken.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik wou je wat anders vragen, Griete,&#x201d; zeide Hilda, min of meer boos op zich zelf,
-omdat zij vreesde de arme kinderen beleedigd te hebben.
-</p>
-<p>&#x201e;Kan ik de juffrouw van dienst zijn?&#x201d; vroeg Hans.
-</p>
-<p>&#x201e;O neen, ik wou je alleen iets vragen over den grooten wedstrijd. Je zult toch meedoen,
-niet waar? Je kunt allebei aardig rijden en iedereen mag meedingen.&#x201d;
-</p>
-<p>Griete zag Hans zwijgend aan; deze trok verlegen aan zijn buis en antwoordde op eerbiedigen
-toon:
-</p>
-<p>&#x201e;Ach! juffrouw, al konden wij ook meedingen, dan nog zouden wij geen tien slagen met
-de overigen doen. Zie maar,&#x201d; en hij liet haar een zijner schaatsen zien, &#x201e;onze schaatsen
-zijn slechts van hard hout, zij worden gauw vochtig en dan willen zij niet meer voort,
-of wij rollen.&#x201d;
-</p>
-<p>Griete kon niet nalaten te lachen, toen zij om het ongeval van Hans van dien morgen
-dacht, en zeide:
-</p>
-<p>&#x201e;Neen, juffrouw, meerijden kunnen wij niet; maar wij zullen er wel bij zijn om te
-kijken.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Natuurlijk,&#x201d; antwoordde Hilda. &#x201e;Maar je moet meedoen ook.&#x201d;
-</p>
-<p>Zij haalde haar beursje uit en zag, dat er nog een gulden en twee kwartjes in waren.
-&#x2019;t Speet haar, dat zij niet wat zuiniger op haar weekgeld was geweest, en daarom keek
-zij met een zucht naar de twee paar voeten, die zoo ongelijk van grootte waren.
-<span class="pagenum">[<a id="pb11" href="#pb11">11</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Zeg, wie van je beiden is de beste rijder?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Griete,&#x201d; antwoordde Hans snel.
-</p>
-<p>&#x201e;Hans,&#x201d; was het antwoord van Griete.
-</p>
-<p>Hilda glimlachte.
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure p011width"><img src="images/p011.png" alt="" width="576" height="632"></div><p>
-</p>
-<p>&#x201e;Hoort eens,&#x201d; hernam zij. &#x201e;Ik kan voor jelui elk geen paar schaatsen koopen, zelfs
-niet enkel een goed paar. Maar hier heb je een daalder. Maak &#x2019;t nu onder je beiden
-uit, wie &#x2019;t best kan rijden en de meeste kans heeft om bij den wedstrijd te winnen,
-en koop dan voor die een paar schaatsen, zoo goed als je ze voor een daalder kunt
-krijgen. &#x2019;k Wou, dat ik geld genoeg had om je ieder een paar betere te koopen.&#x201d;
-</p>
-<p>En terwijl zij hen vriendelijk toeknikte en den verwezen Hans het geld in de hand
-stopte, reed zij snel weg om zich weer bij haar gezelschap te voegen, dat in dien
-tijd een heel eind vooruitgereden was.
-<span class="pagenum">[<a id="pb12" href="#pb12">12</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Juffrouw! Juffrouw De Bruyn,&#x201d; riep Hans, terwijl hij haar achterna strompelde, want
-hij had een zijner schaatsen losgebonden, om haar die te laten zien.
-</p>
-<p>Hilda keerde zich om en was in een oogenblik weer bij hen.
-</p>
-<p>&#x201e;Wat is het?&#x201d; vroeg zij.
-</p>
-<p>&#x201e;Wij mogen dit geld niet behouden, juffrouw,&#x201d; zeide hij. &#x201e;Ofschoon wij u hoogst dankbaar
-zijn voor uw goedheid.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Kom, waarom niet?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Omdat wij &#x2019;t niet verdiend hebben.&#x201d;
-</p>
-<p>Hilda&#x2019;s snelle bevatting wist terstond raad.
-</p>
-<p>&#x201e;Welnu, snijd voor mij dan zoo&#x2019;n ketting als je zuster draagt.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Heel gaarne, juffrouw,&#x201d; antwoordde Hans. &#x201e;Wij hebben beeldig wit hout in huis en
-gij zult er morgen een hebben, zoo wit als ivoor.&#x201d; Dit zeggende, wilde hij haar het
-geld teruggeven.
-</p>
-<p>&#x201e;Neen, zoo is &#x2019;t niet gemeend,&#x201d; antwoordde Hilda. &#x201e;Dat geld is voor den ketting. &#x2019;t
-Is wel wat weinig zelfs.&#x201d; En zonder verder een woord te spreken, snelde zij weg en
-was spoedig bij de andere schaatsenrijders.
-</p>
-<p>Hans keek haar met tranen in de oogen na.
-</p>
-<p>&#x201e;Een edel meisje, Griete,&#x201d; zeide hij. &#x201e;En zij zal den ketting morgen hebben, al moet
-ik er ook den halven nacht voor opzitten; als moeder ten minste wil hebben, dat ik
-zoo lang licht brand. Morgen is de ketting af en dan mogen wij het geld houden.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En dan ga je naar Amsterdam om de schaatsen te koopen,&#x201d; zeide Griete. &#x201e;Daar kun je
-ze zeker beter en goedkooper krijgen dan in Monnikendam.&#x201d;
-</p>
-<p>Hans schudde zijn hoofd.
-</p>
-<p>&#x201e;De juffrouw wilde ons het geld geven om schaatsen voor te koopen. Dit hadden wij
-ook moeten doen. Maar nu ik het verdien, zal ik er wol voor koopen. Je moet een warm
-jacketje hebben, Griete.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Hé!&#x201d; riep Griete treurig uit. &#x201e;En je zoudt er geen schaatsen voor koopen? Kom, ik
-heb &#x2019;t zoo koud niet als je denkt. Ik ben jong en gezond.&#x201d;
-</p>
-<p>En er stonden haar tranen in de oogen bij de gedachte, dat Hans de schaatsen niet
-zou koopen.
-</p>
-<p>Hans zag haar zwijgend aan. Tranen kon hij niet zien, vooral <span class="pagenum">[<a id="pb13" href="#pb13">13</a>]</span>niet in de blauwe kijkers van zijn zuster. Griete bemerkte haar voordeel.
-</p>
-<p>&#x201e;Begrijp eens,&#x201d; ging zij voort, &#x201e;hoe jammer zou &#x2019;t zijn, zoo&#x2019;n schoone gelegenheid
-te verzuimen. &#x2019;t Zou me zoo spijten, als je de schaatsen niet kocht. Niet voor mij;
-ik wil ze niet eens hebben. Maar voor jou; dan kun je er nu op rijden, en als ik grooter
-ben, dan zijn ze voor mij.&#x201d;
-</p>
-<p>Hans klemde het geld krampachtig in zijn hand. Nooit in zijn leven had hij zoo vurig
-naar een paar schaatsen verlangd; want ook hij had van den wedstrijd gehoord en zoo
-gaarne een kans mede gewaagd. En dat wist hij, als hij maar een paar goede schaatsen
-had, dan zou hij een menigte van jongens, die op de vaart reden, de loef afsteken.
-En dan Griete&#x2019;s aanbod! Maar als zij, dat vlugge ding, zich eens een week op een paar
-goede schaatsen oefende, dan zou zij Truida Korbes en zelfs Kato Lammers gemakkelijk
-voorbijhalen. Zoodra die laatste gedachte bij hem opkwam, stond zijn besluit vast.
-Als Griete het jacketje niet wilde hebben, zou hij haar een paar schaatsen geven.
-</p>
-<p>&#x201e;Neen, Griete,&#x201d; antwoordde hij eindelijk. &#x201e;Ik kan wel wachten. Ik zal geld opsparen,
-en dan zal &#x2019;t zoo lang niet duren, of ik kan er ook een paar koopen. Deze zullen voor
-jou zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>Griete&#x2019;s oogen schitterden bij dit aanbod; maar toch zeide zij, misschien wel wat
-minder krachtig:
-</p>
-<p>&#x201e;De jonge juffrouw heeft het geld aan jou gegeven, Hans. &#x2019;t Zou mij leelijk staan,
-als ik ze nam.&#x201d;
-</p>
-<p>Hans schudde vastberaden het hoofd, en zij gingen naar de hut hunner moeder: want
-bij de gedachte aan betere schaatsen, hadden zij de hunne afgebonden.
-</p>
-<p>&#x201e;Weet je wat, Hans,&#x201d; zeide Griete onderweg. &#x201e;Ik weet goeden raad. Als je eens een
-paar schaatsen kocht, die te klein voor jou en te groot voor mij waren, dan konden
-we ze om beurten gebruiken.&#x201d;
-</p>
-<p>Het voorstel scheen Hans zoo aanlokkelijk toe. &#x2019;t Was een heele verzoeking; maar hij
-wierp die van zich.
-</p>
-<p>&#x201e;Dwaasheid, Griete!&#x201d; riep hij uit. &#x201e;Op een paar, die je te groot zijn, kun je niet
-voortkomen. Weet je nog wel, hoe je net als een blind kuiken <span class="corr" id="xd29e461" title="Bron: voortstrompeldet">voortstrompelde</span>, toen deze schaatsen je te groot waren. Eerst toen ik ze aan beide einden wat <span class="pagenum">[<a id="pb14" href="#pb14">14</a>]</span>korter <span class="corr" id="xd29e466" title="Bron: heb">had</span> gemaakt, kon je er op rijden. Neen, je moet er een paar hebben, die je net van pas
-zijn, dan kan je je elk vrij oogenblik oefenen, tot de dertigste komt, en dan zal
-mijn kleine Griete de zilveren schaatsen winnen.&#x201d;
-</p>
-<p>Griete kon zich niet bedwingen om te glimlachen bij het denkbeeld, dat Hans<span class="corr" id="xd29e471" title="Niet in bron"> haar</span> voor oogen stelde.
-</p>
-<p>&#x201e;Hans! Griete!&#x201d; riep moeder Brinker.
-</p>
-<p>&#x201e;Wij komen, moeder!&#x201d; antwoordde Hans.
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>Den volgenden dag was er geen trotscher en gelukkiger knaap in geheel Broek dan Hans
-Brinker, als hij naar zijn zuster keek, zoo flink als ze daar reed te midden van de
-schaatsenrijders, die de vaart op en neder zwierden. De goedhartige Hilda had haar
-een warm jacketje gegeven en moeder Brinker had de uitgebarsten schoenen weder in
-hun fatsoen gebracht.
-</p>
-<p>Terwijl het kleine ding over het ijs snelde, was &#x2019;t haar, of die blinkende schaatsen
-onder haar voeten haar eensklaps in het land der feeën verplaatst hadden, en in haar
-dankbaar hartje weerklonk het: &#x201e;Hans, lieve goede Hans!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wel, sakkerloot!&#x201d; zei Peter van den Helm tegen Karel Schimmel. &#x201e;Kijk dat kleine ding
-eens met haar roode jacketje en haar gelapten rok. Zij rijdt drommels goed! En wat
-heeft zij een paar oogen in haar hoofd! &#x2019;t Zou wel aardig zijn, als zij Kato Lammers
-eens de loef afstak bij den wedstrijd.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Praat niet zoo luid, Piet,&#x201d; zeide Karel. &#x201e;Dat kleine meisje met haar gelapten rok
-is de verklaarde gunsteling van Hilda de Bruyn. Die schaatsen heeft zij haar gegeven.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ei, ei!&#x201d; riep Peter van den Helm uit: want hij hield veel van Hilda. &#x201e;Dan heeft zij
-weer een goed werk verricht.&#x201d;
-</p>
-<p>En hij reed naar Hilda. Wat echter wonderlijk was: nadat hij eenigen tijd met haar
-gereden had, stond het bij hem vast, dat zijn zusje ook zoo&#x2019;n ketting moest hebben
-als Hilda.
-</p>
-<p>En drie dagen later was Hans Brinker op het pad, om, nadat hij drie eindjes kaars
-verbrand en zich tot slot van rekening in den duim gesneden had, ook een paar schaatsen
-in Amsterdam te koopen.
-<span class="pagenum">[<a id="pb15" href="#pb15">15</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch3" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd29e160">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">DERDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">Hoe een paar schaatsen en een dokter in één hoofdstuk kunnen vereenigd worden.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">&#x201e;Kom, Hans! Maak je nu klaar en ga naar Amsterdam, om een paar schaatsen te koopen,&#x201d;
-zei vrouw Brinker, toen men den dag vóór Kerstmis het sober middagmaal genuttigd had.
-</p>
-<p>&#x201e;Neen, moeder,&#x201d; gaf hij ten antwoord. &#x201e;Gij hebt nog zooveel noodig. Waarom zou ik
-nieuwe schaatsen koopen?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Welk een dwaasheid, kind! Je hebt het geld gekregen, om er schaatsen voor te koopen.
-Al heb je het nu eerlijk verdiend, dan blijft het toch hetzelfde. Ga nu, dan ben je
-nog vóór den donker terug.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ja, en dan kunnen wij van avond nog op de vaart rijden, als moeder het ten minste
-wil hebben,&#x201d; voegde Griete er bij.
-</p>
-<p>&#x201e;Maar moeder, gij hebt nog wol noodig, en meel, en .&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Kom, kom! Voor dat geld kan je niet alles koopen,&#x201d; hernam vrouw Brinker. &#x201e;Ach! als
-ons gestolen geld maar terug was!&#x201d; zuchtte zij. &#x201e;Dan konden wij alles koopen en waren
-op eens uit allen nood.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Gestolen geld?&#x201d; zeide Hans op vragenden toon. &#x201e;Meent u dat geld, waarvoor u jaren
-geleden de geheele hut hebt doorzocht!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Juist, Hans. Maar dat zal wel nooit terechtkomen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Misschien, als vader &#x2019;t maar zeggen kon,&#x201d; hernam Hans.
-</p>
-<p>&#x201e;Ja, als die spreken kon,&#x201d; zuchtte de arme vrouw. &#x201e;Ik ben altijd bang, dat hij voor
-dat geld het mooie gouden horloge heeft gekocht, dat wij sedert dien dag bewaren.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Maar dat horloge was nog geen tiende part van de som waard, moeder!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dat is waar. Daarenboven was je vader veel te zuinig en te verstandig om zoo iets
-te doen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Waar dat horloge toch vandaan is gekomen?&#x201d; zeide Hans halfluid.
-</p>
-<p>&#x201e;Dat zullen wij wel nimmer te weten komen, Hans! Ik heb het je vader reeds zoo menigmaal
-laten zien, maar hij kan het niet onderscheiden van een aardappel. Toen hij dien vreeselijken
-avond thuis kwam om te eten, kort vóór hij werd opgeroepen om aan den dijk te werken,
-heeft hij het mij gegeven, <span class="pagenum">[<a id="pb16" href="#pb16">16</a>]</span>en bevolen er goed zorg voor te dragen, totdat hij het terug zou eischen. Juist toen
-hij er nog meer van wilde zeggen, kwam Jan Belderbos hem roepen om terstond te komen,
-want dat de dijk gevaar liep. Je vader stond dadelijk op en snelde naar de plaats
-des gevaars. &#x2019;t Was voor &#x2019;t laatst, dat ik hem bij zijn verstand zag. Midden in den
-nacht werd hij thuisgebracht, bijna dood: want hij was op zijn achterhoofd neergekomen.
-Hij ontwaakte wel uit den bewusteloozen toestand, waarin hij nederlag, maar tot eigenlijk
-bewustzijn&#x2014;nooit. Wij zullen wel nimmer van hem hooren, wat er van dat horloge is
-en waar het gespaarde geld is gebleven.&#x201d;
-</p>
-<p>Wat vrouw Brinker vertelde, was voor Hans niet nieuw meer. Hoe dikwerf toch had hij
-zijn moeder, als de nood wat hoog steeg, het horloge van de plaats zien nemen, waar
-het verborgen lag, terwijl zij er reeds naar overhelde, om het te gelde te maken;
-maar ook telken male had hij haar de verzoeking zien overwinnen. &#x201e;Neen Hans,&#x201d; had
-zij dan gezegd. &#x201e;Liever willen wij van honger sterven, dan ontrouw worden aan de belofte,
-die wij vader gedaan hebben.&#x201d;
-</p>
-<p>Dat alles kwam hem nu voor den geest; en daarom zeide hij, ofschoon hij een diepen
-zucht loosde:
-</p>
-<p>&#x201e;Ja moeder, u hebt er goed aan gedaan, dat u het niet verkocht hebt&#x2014;menigeen, die
-in uw geval was, zou er klein geld van gemaakt hebben.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Die dat had gedaan, zou weinig gevoel van eer hebben gehad, Hans! Ik ten minste heb
-&#x2019;t nooit van mij kunnen verkrijgen. Daarenboven&#x2014;wat zou men van ons gedacht hebben,
-als men zoo iets in onze handen had gezien. Al hadden wij alles verteld, men zou zeker
-gezegd hebben, dat uw vader .&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>Hans kreeg een kleur als bloed en balde zijn vuisten.
-</p>
-<p>&#x201e;Dat hadden ze eens moeten wagen. Ik geloof, dat ik .&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>Vrouw Brinker moest onder haar tranen glimlachen.
-</p>
-<p>&#x201e;Je bent een brave jongen, Hans,&#x201d; zeide zij, terwijl zij hem op het hoofd klopte.
-&#x201e;Neen, wij zullen het horloge nimmer verkoopen. Vader mocht op zijn doodbed eens weer
-tot bezinning komen, en als hij er dan naar vroeg .&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Tot bezinning komen, moeder, en ons herkennen?&#x201d; vroeg Hans.
-</p>
-<p>&#x201e;Dat is wel meer gebeurd, mijn jongen.&#x201d;
-</p>
-<p>Hans had met al dat spreken bijna vergeten, dat hij naar <span class="pagenum">[<a id="pb17" href="#pb17">17</a>]</span>Amsterdam zou gaan. &#x2019;t Was zelden gebeurd, dat moeder zoo vertrouwelijk met hem sprak.
-&#x2019;t Was hem, alsof hij niet alleen haar eenige zoon, maar haar vriend, haar raadgever
-was.
-</p>
-<p>&#x201e;Ja, moeder, wij moeten het horloge nimmer verkoopen,&#x201d; zeide hij nogmaals. &#x201e;Om den
-wil van vader zullen wij het altijd bewaren. Het geld kan nog wel eens terechtkomen,
-als wij dat het minst verwachten.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Nooit!&#x201d; riep vrouw Brinker uit, terwijl zij de kous afkampte, die zij in dien tusschentijd
-had afgebreid. &#x201e;Er is geen kans, dat dit geld ooit zal terechtkomen. Duizend gulden!
-En die alle weg in één enkelen dag! Duizend gulden! O, waar zijn ze gebleven! Als
-ze gestolen zijn, kan de dief geen gerust uur meer gehad hebben&#x2014;dan heeft hij niet
-in vrede kunnen sterven met die schuld op zijn ziel.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Hij kan nog wel niet dood zijn, moeder,&#x201d; zeide Hans vertroostend. &#x201e;Misschien hooren
-wij nog wel te eeniger tijd iets van hem.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ach kind,&#x201d; antwoordde vrouw Brinker op treurigen toon. &#x201e;Als ik alles goed overweeg,
-dan vraag ik mij zelf wel eens af, of het een dief is geweest. Wie toch zou het ooit
-in de gedachten gekomen zijn, om hier te stelen? &#x2019;t Zag er hier altijd wel zindelijk
-en netjes uit, maar niet om de begeerlijkheid van een dief op te wekken. Vader en
-ik waren zuinig en dachten: alle kleine beetjes helpen. Als vader wat extra&#x2019;s verdiende,
-kwam er wat meer bij en, daar hij goed geld won, werd er wekelijks ten minste een
-gulden bijgevoegd. Alleen toen jij de koorts had en toen Griete kwam, kon er niets
-overgelegd worden. Eindelijk werd de buidel zóó groot, dat ik weer een oude kous stopte,
-die reeds binnen een paar maanden vol zat tot aan de hiel. &#x2019;t Was niet alleen zilver,
-mijn jongen, er was goud ook bij. Want vader had toen goede dagen, dat verzeker ik
-je. Ja, Griete, je mag wel groote oogen opzetten. En als ik toen mijn oude kleeren
-droeg en vader wilde, dat ik eens een nieuw stuk zou koopen, dan antwoordde ik hem
-lachend: &#x201e;&#x2019;t Is immers niet uit armoede, dat ik er zoo sjofel uitzie,&#x201d;&#x2014;en intusschen
-werd de nieuwe kous al voller en voller, en mijn hoogste wensch was, dat je beiden
-braaf en knap mocht worden en vader eens op zijn ouden dag van den arbeid mocht uitrusten.
-En dan konden wij zoo aangenaam praten over den nieuwen <span class="pagenum">[<a id="pb18" href="#pb18">18</a>]</span>stal, dien vader zou timmeren voor de koe, welke wij zouden koopen, en dan een nieuwen
-schoorsteen. Maar vader had veel schooner plannen dan ik. Een ferm schip met een fiksch
-zeil, dat veel wind vat, en dan .&#x2026; terwijl ik den boel afwiesch, begonnen wij te zingen.
-En alle weken nam vader de kousen van de beddeplank en dan werd het geld nageteld
-en dan lachte hij en kuste mij, terwijl wij de kousen weer toebonden .&#x2026; Maar Hans,
-je zit me daar aan te gapen en vergeet, dat je naar Amsterdam moet. De dag verloopt.
-&#x2019;t Is hoog tijd, dat je op weg gaat.&#x201d;
-</p>
-<p>Hans stond op, keek zijn moeder ernstig aan en zeide:
-</p>
-<p>&#x201e;Maar moeder, hebt gij &#x2019;t vader wel eens goed gevraagd?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ach kind, zoo menigmaal! Maar dan begint hij zóó akelig te lachen en kijkt mij zóó
-verwezen aan, dat ik niets meer durf vragen. Toen jij en Griete verleden winter de
-koorts hadt en al ons brood bijna op was en ik niets kon verdienen, toen heb ik &#x2019;t
-nog eens op allerlei manieren geprobeerd. Maar dan kon hij zoo akelig aan mijn mouw
-trekken en zulke onverstaanbare brabbeltaal te voorschijn brengen, dat het bloed in
-mijn aderen stolde. Eindelijk, toen Griete daar doodsbleek nederlag en jij <span class="corr" id="xd29e537" title="Bron: ijldet">ijlde</span> in de hitte der koorts, heb ik hem toegeschreeuwd: Rolf, waar is ons geld? Weet je
-niets van ons geld, Rolf? Dat geld in de kousen? Maar ik had evengoed tegen een stuk
-steen kunnen schreeuwen&#x2014;de arme man verstond mij niet.&#x201d;
-</p>
-<p>Hans zag, dat zijn moeder vreeselijk ontroerd was; daarom zeide hij:
-</p>
-<p>&#x201e;Kom, moeder! laat ons trachten het geld te vergeten. Ik ben groot en sterk&#x2014;Griete
-is ook heel vlug en gewillig. Hoor eens, wij zien u liever gelukkig en vroolijk, dan
-dat wij al het zilver der wereld hadden, niet waar, Griete?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dat weet moeder wel,&#x201d; zeide Griete snikkend.
-</p>
-<p>&#x201e;Maar &#x2019;t wordt nu tijd, dat je naar Amsterdam gaat, anders kom je waarlijk niet vóór
-den donker thuis. Hier, neem die twee paar kousen mee voor den manufacturier in de
-Warmoesstraat, dan breng je nog geld terug ook.&#x201d;
-</p>
-<p>Hans talmde nog een oogenblik.
-</p>
-<p>&#x201e;Wat sta je daar nog te talmen, jongen?&#x201d; ging vrouw Brinker voort.
-</p>
-<p>&#x201e;Hoor eens, moeder,&#x201d; zeide hij verlegen. &#x201e;Waarom zal ik mijn geld aan schaatsen uitgeven,
-terwijl&#x200a;&#x2026; terwijl&#x200a;&#x2026;&#x201d; en hij <span class="pagenum">[<a id="pb19" href="#pb19">19</a>]</span>keek met een schuwen blik naar een vreemde gedaante, die bij de vuurplaat nederzat,
-&#x201e;terwijl dat geld een dokter uit Amsterdam zou kunnen hier brengen, om vader eens
-te bezoeken&#x2014;misschien dat die er wat aan doen kon.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Voor geen tweemaal zooveel geld als je daar hebt, zou een dokter uit Amsterdam hier
-komen; en dat zou toch niet helpen. Ach! ik heb er al zoo menigen gulden aan gespendeerd,
-maar uw arme vader wilde niet wakker worden. Het is Gods wil. Ga dus maar naar Amsterdam,
-om een paar schaatsen te koopen, hoor!&#x201d;
-</p>
-<p>Met een bezwaard hart reed Hans van huis; maar de frissche lucht, de beweging en vooral
-het vooruitzicht van een paar nieuwe schaatsen deden het jonge hart weldra alle zorg
-vergeten, en &#x2019;t duurde dan ook niet lang, nadat hij &#x2019;t Schouw voorbij was, of hij
-dacht bijna niet meer aan vader, horloge, geld, aan alles, hij dacht alleen om de
-schoone schaatsen, welke hij reeds aan zijn voeten voelde.
-</p>
-<p>Fluitend reed hij voort langs het Noordhollandsche kanaal, tot aan Buiksloot, waar
-hij zijn schaatsen moest afbinden, omdat ze te vochtig waren geworden. Hij trad dus
-den weg op en ging voorbij de herberg van Fuik, toen hij den kastelein tegen den knecht
-hoorde zeggen:
-</p>
-<p>&#x201e;&#x2019;t Rijtuig van dokter Broekman voor!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dokter Broekman!&#x201d; zeide Hans bij zich zelf. &#x201e;Dat is de knapste dokter uit geheel
-Holland. Is dat niet een beschikking van God, dat je dien hier moet aantreffen? Nu
-koop je geen schaatsen, Hans, maar besteed je geld om je vader te helpen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Is dat het rijtuig van dokter Broekman van Amsterdam?&#x201d; vroeg hij aan den knecht,
-die juist uit den stal terugkwam.
-</p>
-<p>&#x201e;Voor wien anders?&#x201d; vroeg de man. &#x201e;Als er ijs is, komt hij altijd met zijn eigen rijtuig
-het IJ over en rijden wij hem verder Noord-Holland in.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik dank je,&#x201d; zeide de knaap en terstond begaf hij zich naar de herberg.
-</p>
-<p>&#x201e;Mag ik dokter Broekman wel eens spreken?&#x201d; vroeg hij aan den kastelein.
-</p>
-<p>&#x201e;Die zal voor jou wel niet te spreken zijn, mannetje,&#x201d; antwoordde deze. &#x201e;Diens tijd
-is veel te kostbaar.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Maar ik zal hem niet lang ophouden, mijnheer!&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb20" href="#pb20">20</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Wat is daar, Fuik?&#x201d; vroeg een heer met een tamelijk onvriendelijk uitzicht, die aan
-een tafeltje zat met een glas madera voor zich.
-</p>
-<p>&#x201e;Die knaap wenscht u te spreken, dokter,&#x201d; antwoordde de kastelein. &#x201e;Maar ik heb hem
-gezegd, dat u wel wat anders te doen hebt, dan zulk klein bedelvolk te spreken.&#x201d;
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure floatLeft p020width"><img src="images/p020.png" alt="" width="518" height="592"></div><p>
-</p>
-<p>&#x201e;Ik kom niet bedelen,&#x201d; zeide Hans trotsch. &#x201e;Dat is een leugen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Laat den knaap hier komen, Fuik,&#x201d; zeide de dokter, die, hoe bar hij er ook uitzag,
-toch in &#x2019;t geheel geen kwaad hart bezat.
-</p>
-<p>Hans ging naar den dokter toe; maar toen hij dat strenge en onvriendelijke gelaat
-zag, werd hij wel wat verlegen.
-</p>
-<p>&#x201e;Wat wou je, mannetje?&#x201d; vroeg de dokter op een allesbehalve innemenden toon.
-</p>
-<p>&#x201e;Mijnheer,&#x201d; begon Hans met een weifelende stem, die echter onder het spreken hoe langer
-hoe vaster werd. &#x201e;UE. is de beroemde dokter Broekman. Ik heb u een groote gunst te
-vragen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Hoor eens, knaap,&#x201d; antwoordde de dokter. &#x201e;Maak het wat kort: want mijn paarden kunnen
-niet lang in de kou staan. Zeg dus zonder omwegen: wat wil je?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Mijnheer, ik kwam u om hulp vragen voor mijn vader. De man leeft, maar hij zit als
-een doode. Hij kan niet denken. Al wat hij zegt zijn onsamenhangende woorden. Maar
-hij is niet ziek; jaren geleden is hij bij een watervloed van den dijk gevallen.&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb21" href="#pb21">21</a>]</span></p>
-<p>De dokter luisterde nu met meer aandacht dan in het begin.
-</p>
-<p>&#x201e;Vertel er mij wat meer van,&#x201d; zeide hij, alsof zijn paarden nu de koude niet meer
-voelden.
-</p>
-<p>Hans vertelde hem de geheele historie, zonder echter van geld of horloge te spreken,
-terwijl hem de tranen in de oogen stonden, en eindigde met vollen ernst:
-</p>
-<p>&#x201e;En nu, mijnheer de dokter! Ik was op reis naar Amsterdam, om een paar nieuwe schaatsen
-te koopen, waarmede ik aan den wedstrijd zou kunnen deelnemen, die den 30sten door
-mevrouw De Bruyn, de vrouw van den burgemeester van Broek, zal worden gegeven. Maar
-dat geld kan ik veel nuttiger gebruiken, als ik er vader mede kan helpen. Hier is
-&#x2019;t, mijnheer,&#x201d; en hij telde het geld op de tafel uit. &#x201e;Ik weet wel, dat het voor u
-veel te weinig is; maar ik zal meer trachten te verdienen. Nacht en dag zal ik werken,
-als u maar mee wilt komen om vader te bezoeken. Want u zult hem zeker genezen.&#x201d;
-</p>
-<p>De oude dokter wist niet wat hem scheelde, want hij werd zoo raar in zijn oogen: &#x2019;t
-was net alsof er tranen in stonden. Hij was toch anders zoo gevoelig niet. Hij veegde
-ze met zijn vingers weg, klopte Hans goedhartig op den schouder en zeide:
-</p>
-<p>&#x201e;Strijk je geld maar weer op, knaap! Ik heb &#x2019;t niet noodig<span class="corr" id="xd29e587" title="Bron: ,">.</span> Maar je vader zal ik komen zien. Evenwel, je moet je niet te zeer vleien&#x2014;&#x2019;t is een
-hopeloos geval. Tien jaren geleden, zei je, niet waar?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ja, mijnheer, tien jaren,&#x201d; zeide Hans, die den dokter wel om den hals had willen
-vallen.
-</p>
-<p>&#x201e;&#x2019;t Is bedenkelijk. Maar kortom, ik kom bij hem. Doch nu niet. Ik moet vandaag naar
-Leiden, waar ik eenige dagen blijf. Na dien tijd kom ik stellig. Waar woon je?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ongeveer een kwartier van Broek, aan de vaart, in een armoedig hutje. Als u maar
-vraagt naar de hut van Rolf Brinker, kan het kleinste kind u terechtwijzen.&#x201d;
-</p>
-<p>De dokter schreef het in zijn zakboekje.
-</p>
-<p>&#x201e;En weet je wat je doet?&#x201d; zei de dokter. &#x201e;Nu rij je terstond naar Amsterdam om een
-paar nieuwe schaatsen te koopen in plaats van die vodden, die je daar in de hand hebt
-en die veel op een paar roeispanen gelijken. En dan zorg je maar, <span class="pagenum">[<a id="pb22" href="#pb22">22</a>]</span>dat je ferm kunt rijden en me den prijs laten zien, als ik te Broek kom.&#x201d;
-</p>
-<p>Hans vertrok vroolijk en boog zich heel diep, toen de dokter hem een oogenblik later
-voorbijreed en hem vriendelijk groette, terwijl hij mompelde: &#x201e;Wat gelijkt die knaap
-op mijn armen Frits, toen die zoo oud was. Net zijn oogen! Maar voor den drommel!
-zal ik dien onverlaat dan nooit vergeten!&#x201d;
-</p>
-<p>En het oog van den dokter, dat straks zoo vriendelijk gestaan had, stond nu weder
-strenger. Hans echter kuierde onbezorgd den dijk langs en het IJ over: want hij had
-zijn houten schaatsen even buiten Buiksloot in den Ham gesmeten. Hoe snel hij op zijn
-nieuwe schaatsen terugreed en welke blijde gezichten de tijding van hetgeen dokter
-Broekman hem gezegd had, thuis veroorzaakte, behoef ik u wel niet te zeggen.
-</p>
-<p>In de hut van Rolf Brinker was &#x2019;t een heerlijke Kerstavond.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch4" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd29e168">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">VIERDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">Hoe echt Hollandsche jongens zich goed houden onder tegenspoed.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Den eersten Kerstdag was &#x2019;t schoon vriezend weer en &#x2019;s avonds scheen de maan zóó helder
-op de trekvaart, die langs Broek loopt, dat men een stuivertje op den grond had kunnen
-zien liggen. Moeder <span class="corr" id="xd29e607" title="Bron: Brink">Brinker</span> was dien dag heel gelukkig geweest en had zich in haar beste gewaad getooid: haar
-bruidspakje, dat zij vroeger altijd bij feestelijke aangelegenheden droeg, doch dat
-sedert het ongeluk van haar man ongebruikt in de kast had gelegen. Hoezeer zij weinig
-van het bezoek van dokter Broekman verwachtte, maakte haar toch het denkbeeld, dat
-de beroemde en kundige man haar Rolf bezoeken zou, reeds gelukkig, omdat zij zich
-niet kon weerhouden, eenige hoop te voeden, al was die ook nog zoo gering; zoo houdt
-zich de ongelukkige, die op &#x2019;t punt is van te verdrinken, nog aan een stroohalm vast.
-Daarom ook had <span class="pagenum">[<a id="pb23" href="#pb23">23</a>]</span>zij haar kinderen verlof gegeven, nog een uurtje in den maneschijn op de vaart te
-gaan rijden, eer zij naar bed gingen.
-</p>
-<p>Hans was recht in zijn schik met zijn nieuwe schaatsen en in zijn ijver, om Griete
-te laten zien hoe goed hij er op voort kon, maakte hij toeren op het ijs, die het
-kleine meisje in de handen deed klappen van bewondering. Zij waren echter niet alleen
-op de baan.
-</p>
-<p>De twee Van den Helms en Karel Schimmel waren er onder anderen ook en reden om &#x2019;t
-hardst. Van vier wedrennen had Peter er drie gewonnen. Dat had Karel, die toch al
-niet heel aangenaam van humeur was, geheel en al in een kwade luim gebracht. Hij had
-die luim bot gevierd, door Frans van Bree te plagen; maar toen hij daar niet veel
-eer bij inlegde, daar de kleine Frans zich weinig aan zijn plagerijen stoorde, kwam
-er een nieuwe gedachte bij hem op.
-</p>
-<p>&#x201e;Hoort eens, jongens,&#x201d; riep hij uit. &#x201e;Wij moeten er voor zorgen, dat die voddenrapers
-uit de hut niet met den wedstrijd meedoen. &#x2019;t Is of Hilda mal is, dat zij daaraan
-denkt. Kato Lammers en Truida Korbes zijn woedend alleen bij het denkbeeld, om met
-zulk een meid te rijden; en wat mij aangaat, ik kan &#x2019;t haar niet kwalijk nemen. Wat
-den jongen aangaat, als wij een vonkje eergevoel in onze borst hebben, zullen wij
-terugdeinzen bij het denkbeeld van .&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Voorzeker,&#x201d; viel Pieter van den Helm hem in de rede, terwijl hij Karels meening verkeerd
-begreep, &#x201e;wie twijfelt daaraan? Geen jongen, die een vonkje eergevoel in zijn borst
-heeft, zal weigeren, twee goede schaatsenrijders bij den wedstrijd toe te laten, alleen
-omdat zij arm zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Hoor eens, Piet!&#x201d; riep Karel toornig uit. &#x201e;Ik bedank je vriendelijk, dat je eens
-anders woorden in mijn mond gelieft te leggen. Dat waag je niet weer, hoor!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ha, ha!&#x201d; riep de kleine Frans van Bree, die al in zijn handen wreef van de pret om
-een gevecht te aanschouwen en verzekerd was, dat, als &#x2019;t op ranselen aankwam, Karel
-een duchtig pak slaag zou beloopen.
-</p>
-<p>&#x2019;t Scheen dat Karel niet veel lust had den strijd met Peter te wagen en daarom keerde
-hij zijn toorn op een zwakkeren: op Frans van Bree.
-<span class="pagenum">[<a id="pb24" href="#pb24">24</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Zeg eens, waarover heb jij zoo&#x2019;n plezier, kleine rekel? Je bent niks dan een kleine
-aap zonder staart!&#x201d;
-</p>
-<p>Een half dozijn der omstanders op schaatsen moest om dien uitval van Karel Schimmel
-lachen, en deze, die nu meende, dat hij al zijn tegenstanders ridderlijk had overwonnen,
-was weder in een goed humeur gebracht. Hij besloot echter wijselijk, om zijn complot
-tegen Hans en Griete uit te stellen, tot Peter er niet bij was.
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure p024width"><img src="images/p024.png" alt="" width="575" height="490"></div><p>
-</p>
-<p>Op dit oogenblik zagen zij hun vriend Jacob Poot komen aanrijden. Daar hij de dikste
-knaap uit de buurt was, konden zij hem reeds op eenigen afstand aan zijn gestalte
-onderscheiden, al herkende zij zijn trekken nog niet.
-</p>
-<p>&#x201e;Ha, daar komt de dikzak!&#x201d; riep Karel uit, &#x201e;en hij heeft er een bij hem ook, een kleinen,
-slanken knaap, een vreemden.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dat is Jacobs Engelsche neef,&#x201d; zeide Frans van Bree, recht in zijn schik, dat hij
-iets kon vertellen, wat de anderen niet wisten. &#x201e;Die heeft zulk een grappigen naam:
-Ben Dobbs. Hij is wel eens meer in Holland geweest en zal bij Jacob blijven tot na
-den grooten wedstrijd.&#x201d;
-</p>
-<p>Op dit oogenblik waren Jacob Poot en diens neef Ben Dobbs bij hen.
-<span class="pagenum">[<a id="pb25" href="#pb25">25</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Goeden avond, jongens,&#x201d; zei de dikke Jacob op vroolijken toon. &#x201e;Dit is mijn neef,
-Ben Dobbs. Hij is een John Bull<a class="noteref" id="xd29e635src" href="#xd29e635">1</a>.&#x201d;
-</p>
-<p>Allen drongen zich, volgens jongensgewoonte, om de nieuw komenden heen. Ben, die het
-Hollandsch vrij wel verstond, maar in het spreken de Engelsche constructie behield
-en er tusschenbeide een vreemd woord tusschen gooide, zeide &#x201e;dat hij would maken heel
-gaarne kennis mit de Holland boys.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Jongens,&#x201d; vervolgde Jacob, na de eerste begroeting. &#x201e;Wij, mijn neef en ik, hebben
-een aardig plannetje gevormd. We hebben nu vacantie tot na Nieuwjaar, zooals je weet.
-Nu heeft Ben nog nooit Den Haag gezien en zou dol graag daar eens wezen. Wat zou je
-er van denken, om met ons beiden den tocht mee te maken?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Naar Den Haag! Wat een eind!&#x201d; zei Karel.
-</p>
-<p>&#x201e;Welnu we behoeven &#x2019;t niet in één dag te doen. We moeten geld bij elkander leggen
-en dan een nacht in Leiden of Haarlem logeeren.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Uitmuntend!&#x201d; riep Lodewijk van den Helm uit. &#x201e;Dat zal een pret zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Hoe meer zieltjes hoe meer vreugd,&#x201d; zeide Jacob. &#x201e;Dus jongens! Wie van jelui gaat
-er mee, natuurlijk als je ouders &#x2019;t willen toestaan?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik, ik, ik!&#x201d; riepen allen te gelijk.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik ook!&#x201d; riep Frans van Bree.
-</p>
-<p>&#x201e;Maar kereltje,&#x201d; zeide Jacob, terwijl zijn dikke buik van lachen schudde. &#x201e;Jij mee!
-Je hebt je valhoed nog niet eens voorgoed afgezet.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Pas op je woorden, Jacob,&#x201d; zeide Frans, die geducht op zijn teenen getrapt was. &#x201e;Voor
-jou is &#x2019;t gelukkig, dat je &#x2019;m kunt aflaten: want je heele lichaam lijkt wel een valhoed.&#x201d;
-</p>
-<p>Allen lachten om dit snedige antwoord en boven allen klonk de goedhartige lach van
-Jacob uit.
-</p>
-<p>&#x201e;Nu moet hij mee!&#x201d; riep hij. &#x201e;Iemand, die zoo snedig kan antwoorden, is een prettig
-gezelschap.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Hoort eens,&#x201d; zei Peter van den Helm. &#x201e;We moeten te Haarlem en te Leiden stilhouden,
-om je neef daar het merkwaardigste <span class="pagenum">[<a id="pb26" href="#pb26">26</a>]</span>te laten zien, en wat Den Haag aangaat, daar kunnen wij bij mijn getrouwde zuster
-logeeren. Die zal heel blij zijn, als zij ons ziet.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Maar Piet,&#x201d; zeide Jacob. &#x201e;Met ons zoo velen!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;O, ze is zulk een hartelijke meid en haar man zulk een gulle kerel. Ze hebben een
-groot huis. En wat kwaad&#x2014;kunnen ze ons niet logeeren, dan gaan we in een logement.
-Maar ik zal haar vanavond nog schrijven.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Nu, dan is &#x2019;t mij goed. Maar wij moeten wat geld bij elkander leggen,&#x201d; hernam Jacob.
-</p>
-<p>&#x201e;Natuurlijk,&#x201d; antwoordde Peter. &#x201e;Mij dunkt, vijf gulden ieder.<span class="corr" id="xd29e661" title="Niet in bron">&#x201d;</span>
-</p>
-<p>&#x201e;Dat is goed,&#x201d; zeiden de anderen.
-</p>
-<p>&#x201e;En wie zal de beurs bewaren?&#x201d; vroeg Peter.
-</p>
-<p>&#x201e;Niemand anders dan jij. Jij zult onze kapitein zijn! Niet waar jongens?&#x201d; zeide Karel
-Schimmel, die weer wilde goedmaken wat hij straks bedorven had, omdat hij het uitzicht
-had, in Den Haag bij Peter&#x2019;s zuster te logeeren.
-</p>
-<p>&#x201e;Hoezee! voor Peter! Peter zal onze kapitein zijn!&#x201d; riepen allen.
-</p>
-<p>&#x201e;Welnu, ik neem &#x2019;t aan, mits mijn volk mij gehoorzaamt. En hoe laat zal morgen de
-tocht beginnen?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Om acht uur,&#x201d; riepen allen.
-</p>
-<p>&#x201e;Goed, en de verzamelplaats vóór de hut van Rolf Brinker. Ieder brenge gepast geld
-mee en dan&#x2014;met moed op het ijs.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Nu mama zal maar niet in haar schik zijn, als zij hoort, dat wij zuster Van Gent
-gaan opzoeken,&#x201d; zeide Lodewijk tegen zijn broeder. &#x201e;Maar we moesten naar huis gaan;
-anders bevriest mijn neus nog aan mijn aangezicht.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Koukleum!&#x201d; riep Karel Schimmel uit.
-</p>
-<p>&#x201e;Dat dankje den drommel, als je hier zoo stilstaat,&#x201d; zeide Lodewijk. &#x201e;Ik heb het tenminste
-koud gekregen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;&#x2019;t Is dan ook buitengemeen koud,&#x201d; merkte Jacob Poot op. &#x201e;En &#x2019;t zal nog wel eenigen
-tijd aanhouden: want wij hebben wassende maan.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Des te beter voor onze reis,&#x201d; zeide Frans van Bree.
-</p>
-<p>&#x201e;Nu, jongens! Tot morgen om acht uren. Goeden nacht.&#x201d;
-</p>
-<p>Met deze woorden stoven zij uit elkander&#x2014;ieder naar zijn huis met de blijde gedachte
-aan de aanstaande pret, die hen nog in den droom bezighield.
-</p>
-<p>En waar waren Hans en Griete?
-<span class="pagenum">[<a id="pb27" href="#pb27">27</a>]</span></p>
-<p>Die hadden ongeveer een uur gereden, terwijl zij zich op een afstand van de anderen
-hielden en zich met elkanders bijzijn vergenoegden. &#x201e;O, hoe heerlijk is toch het denkbeeld,
-dat wij nu beiden schaatsen hebben!&#x201d; riep Griete uit.&#x2014;Daar hoorden zij iets.
-</p>
-<p>&#x2019;t Was een gil, een akelige gil. Niemand op de vaart had dien gil opgemerkt; maar
-Hans voelde er de beteekenis van. Hij werd zoo bleek als een lijk, deed zoo spoedig
-hij kon zijn schaatsen af en snelde naar huis.
-</p>
-<p>&#x201e;&#x2019;t Is vader,&#x201d; zeide hij tegen Griete. &#x201e;Hij heeft moeder doen schrikken.&#x201d;
-</p>
-<p>En Griete bond ook haar schaatsen los en volgde Hans naar binnen.
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>&#x201e;Allen present?&#x201d; riep Peter van den Helm, toen men zich den volgenden morgen om acht
-uren, geheel uitgerust tot den grooten tocht, dien men wilde ondernemen, op de vaart
-verzamelde. &#x201e;Ik zal de namen oproepen. Ieder antwoorde op zijn beurt en stelle mij
-het geld ter hand. Hier zijn vijf gulden voor mij en vijf voor Lodewijk.&#x201d;
-</p>
-<p>Dit zeggende, legde hij een muntje van tien gulden op zijn vlakke hand en stak dat
-daarop in zijn portemonnaie.
-</p>
-<p>&#x201e;Karel Schimmel!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Present!&#x201d; antwoordde deze, terwijl hij den kapitein twee blanke rijksdaalders ter
-hand stelde.
-</p>
-<p>&#x201e;Jacob Poot!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Present! Tien gulden voor mij en mijn neef.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Benjamin Dobbs!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Present!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Frits Verdam!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Present!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Gelukkig, dat jij er bent,&#x201d; hernam Peter. &#x201e;Jij bent zoo&#x2019;n halve Engelschman en jij
-kunt dus onzen vriend Ben wat voorthelpen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;But ik doe kennen wel een beetje Hollandsch!&#x201d; riep Benjamin.
-</p>
-<p>&#x201e;Ferrie koed,&#x201d; hernam Peter. &#x201e;Lodewijk van den Helm&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Present!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Jij hebt al betaald.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Frans van Bree!&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb28" href="#pb28">28</a>]</span></p>
-<p>Geen antwoord.
-</p>
-<p>&#x201e;Dat &#x2019;s jammer. De kleine schelm mag zeker niet mee. Zijn moeder is vast bang, dat
-hij kou zal vatten. Nu jongens! Allen klaar! Daar slaat de klok van Broek acht! Ferm
-er op los, dan zijn we in een half uur te Amsterdam! Eén, twee, drie, vooruit!&#x201d;
-</p>
-<p>En voort ging ons zestal, met oogen schitterend van genoegen.
-</p>
-<p>Binnen het half uur waren zij aan de Nieuwe Stads-Herberg te Amsterdam, waar zij hun
-schaatsen afbonden en zoolang ter bewaring gaven aan den kastelein. Ofschoon de meeste
-jongens reeds meer van Amsterdam gezien hadden, had men toch besloten, ter wille van
-Benjamin de stad eens door te wandelen en het paleis op den Dam en het museum van
-schilderijen in het Trippenhuis te bezichtigen. Daar het voor laatstgenoemd gebouw
-nog wat te vroeg was, stapte men de Martelaarsgracht op, den Nieuwendijk over en bewonderde
-intusschen de mooie winkels, vooral dien van Sinkel, Wille en Bahlman.
-</p>
-<p>&#x201e;O, die moest je &#x2019;s avonds eens zien bij het electrische licht!&#x201d; zeide Peter, die
-wel eens op dien tijd in Amsterdam was geweest.
-</p>
-<p>&#x201e;Dat ik kan gelooven,&#x201d; zeide Ben. &#x201e;But bij ons in Londen daar zijn still grooter shops!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Zoo, ben je wel eens in Londen geweest?&#x201d; vroeg Lodewijk.
-</p>
-<p>&#x201e;Certainly. Dat is een groot stad, much grooter dan Amsterdam.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Daar heb je nu &#x2019;t paleis,&#x201d; zeide Jacob Poot tot zijn neef. &#x201e;Vind je dat geen mooi
-gebouw?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Voor een paleis, neen,&#x201d; antwoordde Ben. &#x201e;Bij ons in Londen je heb meer schoone paleizen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dat wil ik wel gelooven,&#x201d; antwoordde Jacob. &#x201e;Dit huis werd gebouwd voor een stadhuis.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Voor een stadhuis? Wat doe je meen?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;A townhuis,&#x201d; verbeterde Peter, die het Engelsch, zooals wij reeds gezien hebben,
-zeer slecht uitsprak. &#x201e;&#x2019;t Is gebouwd op 13659 palen, die alle in den grond geheid
-zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik doe &#x2019;t niet begrijpen,&#x201d; antwoordde Ben.
-</p>
-<p>Frits Verdam vertolkte &#x2019;t hem.
-</p>
-<p>&#x201e;En als je het paleis zien wilt, dan is daar wel de gelegenheid toe,&#x201d; voegde hij er
-bij. &#x201e;Ik ken den zoon van den concierge en die heeft mij al zoo lang uitgenoodigd,
-om het eens <span class="pagenum">[<a id="pb29" href="#pb29">29</a>]</span>te komen zien. Je moet echter niet denken, dat je er een machtig mooi ameublement
-zult vinden. Het stadhuis werd in den tijd van Koning Lodewijk van Holland voor &#x2019;t
-eerst tot paleis ingericht, en sedert dien tijd geloof ik, dat er niet veel aan veranderd
-is, zoodat alles er zeer ouderwetsch uitziet.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En dat voor een koninklijk paleis!&#x201d; riep Ben uit.
-</p>
-<p>&#x201e;Maar de koninklijke familie logeert slechts eenige dagen in het jaar in de hoofdstad,&#x201d;
-hernam Frits.
-</p>
-<p>&#x201e;Is dan bij u het hoofdstad geen residence?&#x201d; vroeg Ben met verbazing.
-</p>
-<p>&#x201e;Neen, Ben! En hierop maakt ons land een uitzondering op andere landen. Londen, Parijs,
-Brussel, Berlijn, Weenen, Petersburg, Madrid, ja, zelfs Konstantinopel&#x2014;alle hoofdsteden
-in Europa zijn te gelijk hoofd- en residentiesteden: hier alleen geniet de hoofdstad
-slechts een vijftigste gedeelte van het jaar de eer, de vorstelijke residentie te
-zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;O, ja, nu ik herinner, The Hague is het residence.&#x201d;
-</p>
-<p>Intusschen was men het gebouw omgegaan en stonden onze vrienden achter het paleis,
-vlak tegenover het postkantoor.
-</p>
-<p>&#x201e;Our postoffice,&#x201d; zeide Frits Verdam.
-</p>
-<p>&#x201e;Niet zoo groot als dat van Londen,&#x201d; verzekerde Ben. &#x201e;Dat moest je eens zien.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x2019;t Kostte Frits Verdam niet veel moeite, voor hem en zijn makkers den toegang tot
-het paleis te krijgen. Recht veel schik hadden onze knapen in de groote danszaal met
-haar mahoniehouten vloer, onder welken een keurige marmeren ligt, waarin kunstig een
-aard- en een halve hemelglobe zijn ingelegd. De zaal zelf is 34 ellen lang, 15.6 el
-breed en 28 ellen hoog, zonder dat het dak door een enkelen pilaar wordt gesteund.
-Aardig lieten zij zich verschalken door de twee fresco&#x2019;s boven de deuren der voorzaal,
-welken men den naam van &#x201e;grauwtjes&#x201d; geeft. Jacob Poot wilde maar niet gelooven, dat
-zij geschilderd waren, totdat hij er vlak onder stond en zag, dat het geen beeldhouwwerk
-was.
-</p>
-<p>Ook het ruime uitzicht op den toren boeide hen allen zeer, en daar het helder weer
-was, konden zij met hun jonge oogen den Dom van Utrecht zien schemeren en .&#x2026;
-</p>
-<p>&#x201e;Bless me!&#x201d; riep Ben uit, toen eensklaps de klok haar negen slagen begon te brommen.
-<span class="pagenum">[<a id="pb30" href="#pb30">30</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Ben je verschrikt?&#x201d; vroeg Jacob, die nog hijgde van het trappen klimmen.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik was niet verdacht op het,&#x201d; hernam Ben.
-</p>
-<p>&#x201e;Dat komt, omdat het speelwerk gerepareerd wordt,&#x201d; zeide Karel Schimmel. &#x201e;Anders waarschuwt
-je dat.&#x201d;
-</p>
-<p>Van het paleis wandelden zij de Kalverstraat door tot op de Botermarkt, waar zij het
-standbeeld van Rembrandt van Rhijn beschouwden.
-</p>
-<p>&#x201e;Dat was een groot schilder,&#x201d; zeide Peter tegen Ben. &#x201e;Je zult straks een schilderij
-van hem op het Trippenhuis zien, dat de Nachtwacht heet.&#x201d;
-</p>
-<p>Door de Halvemaansteeg gingen zij den Kloveniersburgwal over tot aan het Trippenhuis,
-waar zij de heerlijke schilderijen bezagen, daar ten toon gesteld.
-</p>
-<p>&#x201e;Er zijn hier, behalve dit museum, nog twee schoone verzamelingen van schilderijen,&#x201d;
-zeide Frits Verdam tot Ben, &#x201e;een museum Van der Hoop en een museum Fodor, beide door
-genoemde heeren aan de stad per legaat vermaakt. Dit is echter het voornaamste en
-oudste, en, daar wij geen tijd hebben ze alle drie te bezien, zullen we ons met het
-bekijken van dit vergenoegen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Kijk eens hier, Ben,&#x201d; zeide Peter. &#x201e;Dit kleine stukje, de Avondschool van Gerard
-Dou, is in het jaar 1808 te Rotterdam voor &#x192;17.500 verkocht.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ontzaglijk!&#x201d; riepen verscheidene jongens te gelijk uit.
-</p>
-<p>Toen onze knapen genoeg naar hun zin van het museum hadden gezien, begaven zij zich
-terug naar de Nieuwe Stads-Herberg, waar zij zich de schaatsen weder onderbonden en
-het IJ opreden tot aan halfweg Haarlem, alwaar zij den dijk overklommen om langs de
-trekvaart hun weg naar de Spaarnestad te vervolgen.
-</p>
-<p>Juist toen zij eenige oogenblikken op die vaart waren, kwam de spoortrein van Amsterdam
-aanrijden.
-</p>
-<p>&#x201e;Wie van ons kan de locomotief bijhouden?&#x201d; riep Peter.
-</p>
-<p>Allen beproefden het; doch spoedig zagen zij de vruchteloosheid hunner pogingen in.
-Zij reden dus wat meer op hun gemak.
-</p>
-<p>&#x201e;Vertel Ben wat van de tulpen, Frits,&#x201d; zeide Peter.
-</p>
-<p>&#x201e;Van de tulips?&#x201d; vraagde Ben. &#x201e;O, ja, Haarlem is het groot kweekplaats van tulips.
-Men zendt every year duizend to England.&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb31" href="#pb31">31</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Juist,&#x201d; antwoordde Frits. &#x201e;En daar is een tijd geweest, &#x2019;t was in 1632, dat hier
-te lande een dwaze handel in tulpen werd gedreven. Men had menschen, die er zóóveel
-goud voor betaalden als zij op de schaal wogen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;De menschen?&#x201d; vroeg Ben.
-</p>
-<p>&#x201e;Wel neen, de tulpen. De eerste kwam hier uit Konstantinopel, omtrent het jaar 1560.
-Men vond die zoo mooi, dat de <span class="corr" id="xd29e765" title="Bron: rijke">rijken</span> kooplieden naar Turkije zonden om er meer te halen. Langzamerhand werd de liefhebberij
-in tulpen een ware woede. Enkele bollen werden voor drie à vier duizend gulden verkocht;
-één bol zelfs, de Semper Augustus, bracht vijf duizend vijfhonderd gulden op.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Nu, dat is geld genoeg,&#x201d; vond Jacob Poot. &#x201e;Ik heb mij wel eens laten vertellen, dat
-de kerk te Sassenheim van de opbrengst van twee tulpebollen gebouwd is.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik herinner,&#x201d; zeide Ben in zijn gebroken Hollandsch, &#x201e;dat ik een duizend six honderd
-en dertig six een Maniabol is verkocht geweest voor seventy pound, d.i. achthonderd
-veertig guldens.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;&#x2019;t Moet een rare tijd zijn geweest,&#x201d; merkte Lodewijk van den Helm aan. &#x201e;Iedereen
-speculeerde in tulpen: de rijke koopman en de voddenraper, de echtgenoote van den
-Burgemeester en haar waschvrouw, de molenaar en de schoorsteenveger. Land, vee, juweelen,
-niets was te goed om tulpen voor te koopen. Eindelijk bemoeiden de Staten-Generaal
-er zich mede. Nu begonnen de prijzen te dalen. Duizenden werden in weinige dagen doodarm.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Maar, jelui Hollanders doet nog beminnen de tulips very much,&#x201d; zeide Ben, &#x201e;zooals
-ik heb gehoord.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Zeker. Geen tuin, of wij moeten er tulpen in hebben,&#x201d; zeide Karel Schimmel. &#x201e;Maar
-heb je de historie wel eens gehoord van dien matroos?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Vertel ons die,&#x201d; riepen allen.
-</p>
-<p>&#x201e;Wel, een matroos, die niet wist van den tulpenhandel, was met zijn schip te Amsterdam
-aangekomen en had een boodschap aan een der heeren van de Oostindische Compagnie te
-doen. Toen hij daar kwam, was er niemand op het kantoor; maar mijnheer zou dadelijk
-bij hem komen, zeide de dienstmaagd. Nu lag daar een tulpebol van groote waarde op
-den <span class="pagenum">[<a id="pb32" href="#pb32">32</a>]</span>lessenaar. De matroos, meenende dat het een ui was, nam dien op, rook er aan en zeide:
-die is zeker voos. Daarop nam hij zijn mes, sneed den bol door, proefde er van en
-spoog hem uit, zeggende: &#x201e;Gemeene uien!&#x201d; Denk eens, hoe raar de eigenaar van den bol
-opkeek, toen hij dien vernield vond.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dat ik wil geloof willingly,&#x201d; zeide Ben. &#x201e;But onze Mr. Mackay verhaalt still een
-ander historie, dat ik wil u mededeelen, als gij kunt mij understand. Een Englisch
-botanist kwam in een trekkas van een rich Hollander, waar hij zag een tulp van groot
-value. Niet weting zijn prijs, hij nam uit zijn pennemes en snijding het bol in twee,
-hij wilde dat examineer. Eensklaps de eigenaar entered en vroeg hem, of hij wist,
-wat hij deed? Ik schil een meest buitengewoon ajuin, hij antwoordde. Maar bij hemel,
-&#x2019;t is een admiraal Van der Eyk. Dank je, hernam de botanist, en schreef het naam in
-zijn zakboekje; zeg, zijn ze zeer gewoon in jouw country? Maar voor den duivel! riep
-uit de Hollander, komt voor schout en schepens en dan zult je zien. Tot zijn verdriet
-werd de arme man geplaatst in gevangenis en niet gelaten los, vóór hij had gesteld
-borgen, tot schadevergoeding van de vier duizend guldens.&#x201d;
-</p>
-<p>Zoo pratende, waren zij in het gezicht van Haarlem gekomen, en de jongens voelden
-nog niet, dat zij schaatsen hadden gereden. Van den jongsten, Lodewijk van den Helm,
-die eerst veertien jaar oud was, tot den oudsten, die geen ander persoon was dan de
-kapitein zelf en naar de zeventien liep, waren ze allen zoo moedig en ferm als jonge
-arenden. Alleen de dikke Jacob Poot hijgde wat naar zijn adem en zag met welgevallen
-naar den toren van het oude Haarlem, bij het denkbeeld, dat hij nu eens een paar uurtjes
-rusten kon. Iedere jongen had, bij het van-huis-gaan, een paar broodjes meegenomen
-en die broodjes waren reddeloos achter de kiezen der schaatsenrijders verdwenen. Maar
-zulk een inspanning bij zulk koud weder had de jonge magen hongerig gemaakt, en met
-een luid hoezee begroetten zij de grijze wallen van Haarlem, waar zij zich aan een
-stevig ontbijt te goed hoopten te doen.
-</p>
-<p>&#x201e;Sakkerloot! Ik heb een honger als een paard!&#x201d; riep Frits Verdam uit.
-<span class="pagenum">[<a id="pb33" href="#pb33">33</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Ik val haast flauw, zoo jeukt mijn maag,&#x201d; voegde Jacob Poot er bij.
-</p>
-<p>&#x201e;Nu jongens,&#x201d; zeide de kapitein. &#x201e;Dan is &#x2019;t goed, dat we straks voet aan vasten wal
-zetten. Wij rijden nu het Buitenspaarne over, dan het Binnenspaarne langs, daar binden
-we onze schaatsen af en willen een frisch ontbijt bestellen, zoo&#x2019;n Engelschen luncheon,
-hé, Ben!&#x201d;
-</p>
-<p>En dit zeggende, tastte hij in den zak, om met het geld der Compagnieschap te rammelen,
-toen hij eensklaps zoo bleek werd als een doek. Met beide handen klopte hij op zijn
-broekzakken, op zijn borst; maar &#x2019;t scheen, dat hem die manoeuvre niet baatte.
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure p033width"><img src="images/p033.jpg" alt="" width="720" height="469"></div><p>
-</p>
-<p>&#x201e;Wat scheelt je, Piet?&#x201d; vroeg Lodewijk.
-</p>
-<p>&#x201e;Hij is ziek,&#x201d; meende Ben.
-</p>
-<p>&#x201e;Neen, hij heeft wat verloren,&#x201d; verzekerde Lodewijk.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik ben mijn portemonnaie met al ons geld kwijt!&#x201d; riep Peter wanhopig uit.
-</p>
-<p>&#x201e;Dat komt er van, als één al het geld heeft,&#x201d; zeide Karel, mooi knorrig. &#x201e;Voel nog
-eens in je anderen zak.&#x201d;
-</p>
-<p>Peter voelde en voelde alweer; maar hoe hij zocht of niet zocht, hij kon de verloren
-portemonnaie niet vinden.
-</p>
-<p>&#x201e;&#x2019;t Is weg, jongens!&#x201d; riep hij met bitter verdriet uit. &#x201e;Had ik het maar alles in
-zilvergeld meegenomen, dan zou ik &#x2019;t wel gemerkt hebben, toen ik het verloor. Nu kan
-je geen ontbijt, geen diner hebben! Wat nu te doen? &#x2019;t Best zal wezen, dat ik naar
-Amsterdam terugrijd; daar ken ik wel menschen, die mij zooveel kunnen leenen als ik
-noodig heb. Maar in dien tijd vallen we allen flauw van den honger.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;&#x2019;t Is wat te zeggen,&#x201d; riep Karel Schimmel uit. &#x201e;Hoe kun je ook zoo dom zijn, Piet!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ja, of je daar nu al over maalt, dat helpt niemendal,&#x201d; hernam Peter van den Helm.
-&#x201e;Je zult er geen van allen een cent bij te kort komen. Maar &#x2019;t malst is, dat je dit
-op &#x2019;t oogenblik niet helpt. Is er niemand onder jelui, die hier in Haarlem iemand
-kent, die ons dertig gulden zou willen leenen?&#x201d;
-</p>
-<p>Ieder van de jongens zag vijf verlegen gezichten.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik ken in Haarlem wel een paar menschen, die rijk zijn,&#x201d; zeide Karel Schimmel: &#x201e;maar
-vader zou ongenadig boos zijn, als ik een cent van hen durfde leenen.&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb34" href="#pb34">34</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;&#x2019;t Is jammer, dat Frans van Bree niet hier is,&#x201d; zeide Jacob Poot zuchtend. &#x201e;Die zou
-wel raad weten.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Hij was misschien een beter kapitein geweest dan ik,&#x201d; zuchtte Peter. &#x201e;Maar hoe nu?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Als je je gouden horloge eens verkocht, Piet,&#x201d; zeide Karel Schimmel. &#x201e;Daar zal je
-geld genoeg voor krijgen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik dank je,&#x201d; antwoordde Peter. &#x201e;Dat kan ik niet doen. Mijn horloge verkoopen, dat
-ik van mijn vader op mijn verjaardag heb gekregen? Dat nooit! Dan verkoop ik liever
-mijn jas.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Kom, kom, spreek niet van verkoopen,&#x201d; zeide Jacob Poot. &#x201e;We hebben nog wel zooveel
-klein geld op zak, om bij een bakker een paar broodjes te koopen; daarmee stillen
-we onzen honger, dan rijden we naar Broek terug en stellen den verderen tocht tot
-morgen uit.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Jij hebt goed praten,&#x201d; bromde Karel. &#x201e;Je zult wel weer tien gulden krijgen, maar
-mijn vader is zoo scheutig niet. &#x2019;t Zal bij mij wel thuis blijven zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik heb je immers al gezegd, dat je er geen cent aan zult te kort komen,&#x201d; hernam Peter.
-&#x201e;Ik heb thuis nog wel tweemaal dertig gulden in mijn spaarpot.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En dan, na al het pleizier, dat wij ons voorgesteld hebben, met hangende pootjes
-terug te komen,&#x201d; zeide Karel knorrig. &#x201e;&#x2019;t Is een mooie pret.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Komt, jongens!&#x201d; riep Peter, &#x201e;&#x2019;t Geval ligt er nu toe en gedane zaken hebben geen
-keer. Ik heb een goed plan.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En dat is?&#x201d; riepen allen te gelijk.
-</p>
-<p>&#x201e;Om ons mannelijk te houden en met een vroolijk gezicht huiswaarts te keeren.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Leve de kapitein!&#x201d; riepen de jongens, behalve Karel, die in zich zelf bromde van:
-&#x201e;stommiteit, belabberd,&#x201d; enz.
-</p>
-<p>&#x201e;Kom dan, met nieuwen moed! Eén, twee, drie, voorwaarts!&#x201d;
-</p>
-<p>En, met even vroolijke gezichten als de knapen Haarlem begroet hadden, verlieten zij
-de stad van Laurens Koster.
-<span class="pagenum">[<a id="pb35" href="#pb35">35</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd29e635" href="#xd29e635src">1</a></span> John Bull, de scheldnaam dien de Amerikanen aan de Engelschen geven&#x2014;dezen noemen daarentegen
-hun overzeesche naburen: Brother Jonathan.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd29e635src">&#x2191;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch5" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd29e177">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">VIJFDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">Ongelukken in de hut van Rolf Brinker.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">&#x201e;Voor den drommel!&#x201d; riep Karel toornig uit, toen zij een twintig ellen waren voortgereden.
-&#x201e;Daar heb je dien voddenraper ook al met zijn houten schaatsen en zijn gelapte broek.
-Die ellendige knaap is overal, &#x2019;k wou de drommel hem haalde! Er ontbreekt nu nog maar
-aan,&#x201d; zeide hij tegen Jacob Poot, die bij hem reed, &#x201e;dat onze kapitein ons laat stilhouden,
-om hem de hand te geven.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dat zou wel kunnen gebeuren, Karel,&#x201d; riep Peter, die de laatste opmerking gehoord
-had. &#x201e;Maar je behoeft er niet bang voor te zijn, man; want ik zie den armen knaap
-nergens.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;De blindheid komt het eerst aan de oogen,&#x201d; merkte Jacob op. &#x201e;Kijk dan, daar ginds
-komt hij aan!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Inderdaad, je hebt gelijk,&#x201d; hernam Peter. &#x201e;Hij is &#x2019;t. Maar wat scheelt hem. Hij ziet
-doodsbleek. Zijn lippen zijn op elkander geklemd.&#x201d;
-</p>
-<p>Op &#x2019;t oogenblik, dat Hans hem wilde voorbijrijden, want hij had hem niet gezien, riep
-Peter:
-</p>
-<p>&#x201e;Dag, Hans Brinker! Wou je mij zoo voorbijgaan?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Jongeheer Van den Helm!&#x201d; riep Hans uit, terwijl een blos van vreugde zijn gelaat
-verhelderde. &#x201e;Hoe gelukkig, dat ik u ontmoet!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wat een onbeschaamde vlegel!&#x201d; mompelde Karel tegen Jacob.
-</p>
-<p>&#x201e;En ik ben blij, dat ik jou zie, Hans,&#x201d; antwoordde de kapitein. &#x201e;Maar wat scheelt
-je? Kan ik je van dienst zijn?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ach, jongeheer! Er is zooveel gebeurd,&#x201d; zeide Hans. &#x201e;Maar kunt u mij niet helpen,
-ik kan u wel van dienst zijn?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Jij?&#x201d; riep Peter uit.
-</p>
-<p>&#x201e;Ja, jongeheer! Door u dit te geven.&#x201d;
-</p>
-<p>Dit zeggende, haalde Hans de verloren portemonnaie uit den zak en reikte ze Peter
-over.
-</p>
-<p>&#x201e;Hoezee! hoezee!&#x201d; riepen de jongens, toen zij den verloren <span class="pagenum">[<a id="pb36" href="#pb36">36</a>]</span>schat terugzagen. Maar Peter drukte Hans de hand en zeide met bewogen stem: &#x201e;Hartelijk
-dank, goede Hans Brinker!&#x201d;
-</p>
-<p>En dat &#x201e;goede Hans Brinker&#x201d; en die handdruk deden den armen knaap goed.
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure floatLeft p036width"><img src="images/p036.png" alt="" width="259" height="720"></div><p>
-</p>
-<p>&#x201e;Hoe wist je, dat het mijn portemonnaie was?&#x201d; vroeg Peter verder.
-</p>
-<p>&#x201e;Gij hebt mij uit die zelfde portemonnaie het geld betaald voor den withouten ketting,
-dien ik voor uw zuster gemaakt had, op voorwaarde, dat ik er schaatsen voor zou koopen.
-Ik herkende ze dadelijk.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En waar heb je ze gevonden?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Niet ver van ons huis.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ja, nu herinner ik &#x2019;t mij. Ik heb ze zeker verloren, toen ik mijn zakdoek uit den
-zak haalde. Je redt ons uit groote verlegenheid, Hans,&#x201d; vervolgde hij, terwijl hij
-de portemonnaie opendeed. &#x201e;We zullen het geld deelen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;In &#x2019;t geheel niet, jongeheer!<span class="corr" id="xd29e855" title="Bron: &#x2019;">&#x201d;</span> antwoordde Hans, terwijl hij de hand terugtrok. Peter deed de portemonnaie weder
-toe, terwijl hij mompelde:
-</p>
-<p>&#x201e;Die jongen bevalt mij al is hij nog zoo arm. &#x201e;Maar,&#x201d; vervolgde hij, &#x201e;wat scheelt
-je, Hans?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ach, jongeheer,&#x201d; antwoordde Hans. &#x201e;&#x2019;t Is een treurig geval. Maar ik heb mij hier
-reeds te lang opgehouden. Ik ben op weg naar Leiden, om dokter Broekman op te zoeken.
-</p>
-<p>&#x201e;Dokter Broekman!&#x201d; riep Peter verbaasd uit.
-</p>
-<p>&#x201e;Ja, jongeheer, en ik heb geen oogenblik te verliezen. Goeden dag!&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb37" href="#pb37">37</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Wacht een oogenblik! Ik ga naar Leiden. Komt, jongens! we zullen naar Haarlem terugkeeren.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Uitmuntend!&#x201d; riepen de jongens vroolijk uit, en zij keerden zich om en reden weder
-naar de Spaarnestad.
-</p>
-<p>&#x201e;Welnu,&#x201d; zeide Peter, terwijl hij naast Hans ging rijden, beiden zóó netjes en zóó
-licht, dat men haast niet kon zien, dat zij zich voortbewogen. &#x201e;Wij zullen van nacht
-te Leiden logeeren, en als je slechts een boodschap aan dokter Broekman hebt, kan
-<span class="ex">ik</span> die wel voor je doen. En mochten de jongens te moede zijn, om het nog vandaag tot
-Leiden te brengen, dan beloof ik je, dat ik hem toch morgenochtend vroeg zal opzoeken.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;O, jongeheer! Daar zoudt u mij een grooten dienst mee bewijzen. &#x2019;t Is niet om het
-eind, maar alleen omdat ik bang ben, moeder zoo lang alleen te laten.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Is zij dan ziek?&#x201d;
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure floatLeft p038width"><img src="images/p038.png" alt="" width="463" height="720"></div><p>
-</p>
-<p>&#x201e;Neen, jongeheer! Maar &#x2019;t is erger met vader. U zult wel gehoord hebben, hoe vader
-sinds jaar en dag niet goed is. Dat is al sedert dien zwaren storm, toen hij van den
-dijk is gestort en door een val op zijn achterhoofd zijn verstand is kwijtgeraakt.
-Maar zijn lichaam is nog sterk. Nu lag moeder gisteravond voor den haard geknield,
-om het vuur wat op te rakelen: want hij ziet het zoo graag ferm branden. Eensklaps
-springt vader op haar af, en, eer zij in staat is zich te bewegen, houdt hij haar
-met een reusachtige hand vast, terwijl hij niets deed dan lachen en het hoofd schudden.
-Wij waren juist aan het schaatsenrijden op de vaart, toen ik moeder hoorde gillen.
-Ik liep zoo snel ik kon huiswaarts en zag daar een vreeselijk tooneel. Vader hield
-moeder vast en wilde haar niet loslaten. Haar goed rookte al en was op &#x2019;t punt in
-vlam te raken, en als dat gebeurd ware, was mijn arme moeder verloren. Ik trachtte
-het vuur te blusschen, maar hij duwde mij met zijn eene hand terug, terwijl hij moeder
-met de andere vasthield. Er was op &#x2019;t oogenblik geen water in de hut. Ik was wanhopig,
-terwijl vader al dien tijd lachte&#x2014;o, zulk een ijselijken lach, niet luid, maar akelig.
-Ik poogde moeder weg te trekken; maar hij hield haar te sterk vast. Toen nam ik een
-stoel op en sloeg er vader mee; maar hij stiet mij van <span class="pagenum">[<a id="pb38" href="#pb38">38</a>]</span>zich af. Wat er verder gebeurd is, kan ik mij niet herinneren. Ik zag moeders rok
-in vlam en&#x2014;later, toen ik uit mijn bezwijming ontwaakte, lag ik in een hoek van het
-vertrek, waar vader mij had geworpen; vader zat weer op zijn plaats met een bord met
-eten vóór zich en moeder knielde bij mij neder. Griete heeft mij later verteld, hoe
-&#x2019;t gegaan was. Vader had mij met reuzenkracht tegen een kast geworpen en bleef altijd
-moeder bij het vuur houden. Nog tien tellens en onze arme moeder ware verloren geweest.
-Daar schoot Griete een denkbeeld in. Snel liep zij naar de kast, waarbij ik lag, haalde
-er een bord met eten uit en liet het vader zien. Als een klein kind liet hij moeder
-los en kroop naar zijn stoel. Gelukkig had moeder zich niet gebrand. Maar vader was
-afgemat door de buitengewone inspanning. Den geheelen nacht heeft hij in een brandende
-koorts gelegen en heeft moeder voor zijn bed gezeten en hem opgepast. Hij sliep vast
-en snurkte akelig, terwijl hij tusschenbeide zijn hand tegen zijn hoofd drukte. Moeder
-zegt, dat hij dat vroeger meer deed, alsof hij daar pijn voelde. Ach, jongeheer, ik
-had u dat alles liever niet verteld! Toen <span class="pagenum">[<a id="pb39" href="#pb39">39</a>]</span>vader nog bij zijn verstand was, zou hij geen dier kwaad gedaan hebben.&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>Beiden zwegen eenige oogenblikken stil.
-</p>
-<p>&#x201e;&#x2019;t Is vreeselijk!&#x201d; riep Peter uit. &#x201e;En hoe is je vader vandaag?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Doodziek, jongeheer!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Maar waarom ga je naar dokter Broekman, Hans? Daar zijn dokters genoeg in Amsterdam,
-die hem misschien even goed konden helpen. Dokter Broekman is een beroemd man, die
-slechts bij de rijken praktiseert, en dan gebeurt het nog dikwijls, dat hij geen tijd
-heeft om hen te helpen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dokter Broekman heeft mij gisteren beloofd, dat hij vader binnen acht dagen zou komen
-bezoeken. Maar nu die verandering is gekomen, kan het niet wachten, anders sterft
-mijn arme vader. O, jongeheer, vraag hem toch, of hij niet de geheele week wil wegblijven,
-want dat vader op sterven ligt! Hij is zoo&#x2019;n vriendelijk man!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Vriendelijk!&#x201d; zeide Peter lachend. &#x201e;Er is geen grooter brompot in het gansche land.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dat schijnt maar zoo, jongeheer! En dat komt, omdat hij altijd zooveel aan zijn hoofd
-heeft. Maar hij heeft een goed hart, dat weet ik. Vertel hem, als &#x2019;t u belieft, wat
-ik u verteld heb en ik ben er zeker van, dat hij komen zal.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik mag &#x2019;t hopen, Hans, om jouwentwil. Maar ik zie, dat je haast hebt om naar huis
-te keeren. Beloof me, dat je, als je iemand noodig hebt, naar mijn moeder te Broek
-zult gaan. Zeg haar, dat ik &#x2019;t je heb gezegd. En Hans, neem deze guldens aan, niet
-als belooning, maar als een geschenk.&#x201d;
-</p>
-<p>Hans schudde vastberaden het hoofd.
-</p>
-<p>&#x201e;Neen, jongeheer, dat kan ik niet aannemen,&#x201d; antwoordde hij. &#x201e;Als ik werk kon vinden
-in Broek of ergens op een molen, zou ik gelukkig zijn. Maar overal, waar ik kom, is
-het dezelfde historie: &#x201e;wacht tot het voorjaar.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;&#x2019;t Is goed dat je er van spreekt,&#x201d; gaf Peter ten antwoord. &#x201e;Vader zal je terstond
-helpen. Je mooie ketting beviel hem zeer. &#x201e;Die jongen snijdt machtig mooi in hout,&#x201d;
-zeide hij. Vader wil van den winter onzen nieuwen koepel van snijwerk voorzien; misschien
-durft hij &#x2019;t jou wel opdragen: <span class="pagenum">[<a id="pb40" href="#pb40">40</a>]</span>er is geld aan te verdienen. De teekeningen liggen bij ons aan huis.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;God is goed!&#x201d; riep Hans opgetogen uit. &#x201e;O, jongeheer.&#x2026; dat zou al te veel geluk zijn!
-Ik heb nog wel nooit groot werk onder handen gehad&#x2014;maar ik zou &#x2019;t gerust durven wagen,
-en ben ik er zeker van, dat het mij gelukken zal.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Nu, ik zal mijn vader zeggen, dat hij &#x2019;t jou moet laten doen. Hij zal je zeker gaarne
-helpen.&#x201d;
-</p>
-<p>Hans keek Peter aan.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik dank u, jongeheer,&#x201d; zeide hij.
-</p>
-<p>&#x201e;Kom, kapitein,&#x201d; riep Karel. &#x201e;Hier zijn we nu midden in Haarlem, en we hebben nog
-geen woord uit je mond vernomen. We wachten allen ongeduldig op je bevelen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Goed, jongens! Dan de schaatsen maar afgebonden!&#x201d; riep Peter. &#x201e;Jij zult toch meegaan,
-om iets te eten, Hans,&#x201d; ging hij voort, zich tot den knaap wendende, &#x201e;daarna zal ik
-je niet langer ophouden.&#x201d;
-</p>
-<p>Een oogenblik flikkerden de oogen des knapen van genoegen en Peter was verwonderd,
-dat hij er niet eer aan had gedacht, dat de arme jongen wel honger moest hebben. Maar
-&#x2019;t was ook slechts een oogenblik, dat Hans er zich in verheugde, het andere hernam
-hij op treurigen toon:
-</p>
-<p>&#x201e;Ach, jongeheer! hoe gaarne ik uw vriendelijk aanbod zou willen aannemen, ik mag mij
-niet langer ophouden. Moeder mocht mij noodig hebben. Vaarwel! God zegene u!&#x201d;
-</p>
-<p>Dit zeggende, knikte hij Peter vriendelijk toe en&#x2014;verdween.
-</p>
-<p>Wij willen onze vroolijke knapen een oogenblik verlaten en met Hans naar Broek terugkeeren.
-Wij moeten daar, vooral ten gevalle onzer lieve lezeressen, eens een kijkje nemen
-bij de meisjes, die wij reeds vroeger ontmoet hebben, een kijkje in de jeugdige hartjes,
-die zoo warm en zoo snel onder de nauwe keursjes klopten.
-</p>
-<p><a id="xd29e910"></a>Hilda de Bruyn&#x2014;haar kent gij reeds, met haar warm, edel hart. Truida Korbes was vrij
-wat mooier dan Hilda, veel aanvalliger en zelfs meer gezocht, maar toch niet half
-zoo zonnig van binnen. In dat jonge hart hingen wolken van <span class="pagenum">[<a id="pb41" href="#pb41">41</a>]</span>trots, ontevredenheid en wangunst, die dagelijks donkerder warden. &#x2019;t Was natuurlijk,
-dat die wolken zich nu en dan evenals die aan den hemel ontlastten. Maar wie zag die
-tranen? Slechts haar dienstmaagd, haar ouders, haar jongere broeder, die haar zoo
-hartelijk liefhadden. Anderen bespeurden weinig van hetgeen er in dat jeugdige hart
-omging. In haar oog was het arme boerenkind Griete geen menschelijk wezen, niet evengoed
-een schepsel van God als zij&#x2014;het was een onding, waaronder men niets dan armoede,
-lompen en morsigheid verstond. Zoo&#x2019;n kind als Griete had geen recht om te gevoelen
-of te hopen; bovenal moest zij haar meerderen nooit in den weg komen, ten minste niet
-op een onaangename manier. Zulk volk mocht voor haar en haar gelijken werken en zwoegen,
-maar op een eerbiedigen afstand; zij mochten haar bewonderen, als zij &#x2019;t met gepasten
-eerbied deden&#x2014;meer niet. Verheffen zij zich&#x2014;dan sla ik ze neer; lijden zij, wat gaat
-mij dat aan&#x2014;dat was de leer van Truida Korbes. En toch&#x2014;hoe mooi zij altijd gekleed
-was en hoe lief zij zich voordeed, jongens met een echt Nederlandsch hart, zooals
-Frits Verdam en Peter en Lodewijk van den Helm, konden haar niet velen.
-</p>
-<p>Hoezeer Karel Schimmel &#x2019;t meest in karakter met haar overeenkwam, hield die toch veel
-meer van de levendige Kato Lammers, wier aard veel had van de rinkelende bellen eener
-narreslede. Reeds als kind was Kato een coquette, als schoolmeisje was zij zoo coquet
-als ooit. Zij was coquet op haar moeder, op haar kleine broertje, zelfs op haar blonde
-krullen, die zij verachtelijk in den hals wierp, als ze haar verveelden. Iedereen
-mocht haar graag lijden, niemand hield van haar. Nooit kwam er een ernstig woord over
-haar lippen. De arme Kato! Met haar lief gezichtje, haar vroolijk hartje, haar aangename
-manieren, kon zij slechts een uur boeien. Wat zou er later van haar worden, als het
-werkelijke leven vol ernst kwam en de rinkelende bellen één voor één dof zou maken!
-</p>
-<p>Karel Schimmel had dus wel gelijk, toen hij gezegd had, dat Kato en Truida woedend
-waren, omdat Griete mee zou doen in de harddraverij op schaatsen. Hij had Truida hooren
-<span class="pagenum">[<a id="pb42" href="#pb42">42</a>]</span>zeggen, dat het &#x201e;schandelijk, onteerend, gemeen&#x201d; was. Kato had haar lieve kopje geschud
-en zachtkens nagepraat, dat het &#x201e;schandelijk, onteerend, gemeen&#x201d; was, ofschoon met
-zulk een lief stemmetje, dat men het nauwelijks met den naam van toorn zou mogen bestempelen.
-Dat was voor hem genoeg. Hij bedacht niet, dat, als Hilda en niet Truida haar &#x2019;t eerst
-over de zaak had gesproken, dat zelfde stemmetje zou gezegd hebben: &#x201e;zeer goed, opperbest,
-allerliefst&#x201d;. Maar nu oordeelde Kato, dat een boerenkind als Griete in staat was,
-de geheele pret te bederven. Daar Truida rijk was en machtig (altijd in den zin van
-een schoolmeisje) had zij een menigte volgelingen onder haar schoolkameraden, die
-òf te laf òf te zorgeloos waren, om voor zich zelf te denken.
-</p>
-<p>Arme Griete! Zij en Hans hadden de geheele schaatsenpartij reeds uit hun hoofd gezet.
-Zij hadden wel aan wat anders te denken dan aan zilveren schaatsen! Ach! de hut van
-Rolf Brinker was tegenwoordig treurig en somber genoeg. De arme krankzinnige lag kermend
-op zijn hard bed en zijn vrouw bette zijn brandend voorhoofd en zijn droge lippen
-met koud water, weenend en biddend, dat hij niet mocht sterven. Hans was, zooals wij
-weten, in wanhoop naar Leiden gereden, om daar dokter Broekman op te zoeken en hem
-te smeeken, als &#x2019;t kon, terstond bij zijn vader te komen. Griete, door een zonderlingen
-angst bevangen, had haar werk zoo goed verricht als zij kon, zij had de steenen vloer
-opgedaan, brandstof gehaald om het vuur te onderhouden, en zat nu op een laag stoeltje
-naast het bed, terwijl zij haar moeder smeekte, om toch een uur of wat te gaan slapen.
-</p>
-<p>&#x201e;Gij zijt zoo vermoeid, moeder,&#x201d; zeide zij. &#x201e;Den geheelen nacht hebt gij geen oog
-geloken. Ik heb mijn bed voor u opgemaakt. Hier is uw jak. Doe die mooie japon uit,
-dan zal ik ze opvouwen en in de kast bergen, vóór gij gaat slapen.&#x201d;
-</p>
-<p>Vrouw Brinker schudde treurig het hoofd, zonder heur oogen van haar man af te wenden.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik kan immers wel op vader passen,&#x201d; hernam Griete, &#x201e;en ik zal u dadelijk wakker maken,
-als hij zich beweegt. Gij ziet zoo bleek en uw oogen zijn zoo rood. Toe, moeder! doe
-&#x2019;t maar!&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb43" href="#pb43">43</a>]</span></p>
-<p>Het kind smeekte tevergeefs. Vrouw Brinker wilde haar post niet verlaten.
-</p>
-<p>Griete keek haar aan met een onrustig stilzwijgen, terwijl zij dacht, dat het toch
-heel slecht van haar was, dat zij meer van haar moeder hield dan van haar vader, voor
-wien zij bang was.
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure p043width"><img src="images/p043.png" alt="" width="583" height="607"></div><p>
-</p>
-<p>&#x201e;En Hans houdt zoo veel van vader,&#x201d; zuchtte zij.
-</p>
-<p>&#x201e;Waarom kan ik &#x2019;t niet doen? Toch was ik zoo bedroefd, toen hij verleden week dat
-mes beetpakte en zich zoo vreeselijk sneed en zoo bloedde. En &#x2019;t gaat mij door de
-ziel, nu ik hem zoo hoor steunen. Misschien houd ik toch veel van hem en ben ik niet
-zulk een slecht kind als ik dacht. Ja, ik houd van mijn armen vader&#x2014;bijna zooveel
-als Hans; want Hans is sterker en is niet bang voor hem. O, zal dat gesteun dan nooit
-ophouden! Arme moeder! Wat is zij geduldig! Nooit mort zij over het geld, dat op zoo&#x2019;n
-zonderlinge manier is weggeraakt. O, kon vader maar eens voor een oogenblik zijn oogen
-opslaan en ons aanzien zooals Hans doet, en zeggen, waar de guldens gebleven zijn&#x2014;dan
-kon mij de rest niet schelen&#x2014;de <span class="pagenum">[<a id="pb44" href="#pb44">44</a>]</span>rest.&#x2026; ja toch. Ik zou niet graag zien, dat mijn arme vader stierf.&#x201d;
-</p>
-<p>Diep in gedachten staarde zij naar de zonderlinge figuren, welke de vlammen aan den
-haard vormden, daarop telde zij de gebroken en geplakte ruiten van het bouwvallige
-raam, eindelijk bleven haar oogen rusten op een fraai gesneden plank, waarop de quarto-bijbel
-met koperen sloten stond, nog een erfstuk van vrouw Brinker&#x2019;s vader.
-</p>
-<p>&#x201e;Wat is die Hans toch knap!&#x201d; zeide zij. &#x201e;En zoo sterk! Als hij hier was, kon hij vader
-eens omkeeren en dan hield het gesteun op. Ach! Ach! Als vader zoo ziek blijft, zal
-ik nooit meer schaatsen rijden. Ik zal mijn schaatsen maar teruggeven aan die mooie
-jonge dame. Hans en ik zullen de harddraverij wel niet zien.&#x201d;
-</p>
-<p>En Griete&#x2019;s oogen vulden zich met tranen.
-</p>
-<p>&#x201e;Huil maar niet, Griete,&#x201d; zeide vrouw Brinker. &#x201e;Je vader is wel eens meer zoo ziek
-geweest.&#x201d;
-</p>
-<p>Griete barstte in tranen uit.
-</p>
-<p>&#x201e;O moeder, dat is het niet alleen! Gij weet nog niet alles&#x2014;ik ben zeer slecht en goddeloos!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Jij Griete, jij, die zoo geduldig en zoet zijt? Maar huil zoo hard niet, kindlief,
-of je zoudt vader wakker maken.&#x201d;
-</p>
-<p>Griete verborg haar gelaat in den schoot harer moeder en poogde niet hard te schreien.
-</p>
-<p>Zij legde haar klein, mager bruin handje in de ruwe hand harer moeder. Kort daarna
-keek zij op met een vriendelijken, rustigen blik en zeide met een bevende stem:
-</p>
-<p>&#x201e;Vader heeft u willen verbranden&#x2014;ik heb het gezien en hij lachte er om.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Zwijg, kind!&#x201d;
-</p>
-<p>Vrouw Brinker zeide die woorden op zulk een snellen en scherpen toon, dat Rolf Brinker,
-levenloos als hij was voor al wat om hem voorviel, zich zacht op zijn bed bewoog.
-</p>
-<p>Griete sprak geen woord meer, maar plukte treurig aan het brandgat in haar moeders
-japon. Gelukkig, dat de japon van wollen stof was!
-<span class="pagenum">[<a id="pb45" href="#pb45">45</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch6" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd29e185">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">ZESDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">Wat de jongens zoo al in Haarlem zagen.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Verzadigd en verkwikt kwamen onze knapen uit het koffiehuis, waar zij zich van het
-noodige voorzien hadden, juist toen de klok twee uren sloeg.
-</p>
-<p>&#x201e;Heb je je slaapmuts niet vergeten, grootvader?&#x201d; riep Lodewijk van den Helm tot den
-kapitein, die in gedachten verzonken was over de treurige historie, welke Hans Brinker
-hem had medegedeeld, en daardoor half droomend medeliep.
-</p>
-<p>&#x201e;Volstrekt niet, Lodewijk,&#x201d; antwoordde Peter, en zich tot de anderen richtende, commandeerde
-hij: &#x201e;Vooruit, jongens! Deze straat in!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Zie je dat aardige, roode speldenkussentje daar wel aan die deur hangen?&#x201d; vroeg Frits
-Verdam aan Ben.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik doe het zien. Maar wat is de meening van het?&#x201d; vroeg de aangesprokene.
-</p>
-<p>&#x201e;Wel, dat zal ik je zeggen. Zoo&#x2019;n ding noemen ze een klopper, en die beteekent, dat
-daar een kind geboren is. Is het kussentje geheel en al effen, zooals dit, dan wil
-&#x2019;t zeggen, dat het een jongetje is. Is er daarentegen een wit papiertje ingeschoven,
-dan kan men er op aan, dat er een dochter is geboren.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Very vreemd!&#x201d; riep Ben uit, terwijl hij naar den klopper bleef kijken, die rijk met
-kant omzoomd was. &#x201e;En doet gij kennen den oorsprong van dat gebruik?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ieder Haarlemmer,&#x201d; zeide Frits Verdam, die er bij was gekomen, &#x201e;zal u kunnen vertellen,
-dat dit afstamt van het jaar 1573, toen Haarlem, na een hardnekkige en moedige verdediging
-van zeven maanden, zich eindelijk aan den Spanjaard moest overgeven. De Spaansche
-bevelhebber, Frederik van Toledo, zou, naar men zegt, aan de bewoners van elk huis,
-waar zich een kraamvrouw bevond, veroorloofd hebben om een lint aan hun klopper te
-winden, welk huis daardoor van plundering zou verschoond blijven. Dat is echter slechts
-een sprookje: &#x2019;t is niets anders dan een gewoonte, die, eenigszins gewijzigd, in geheel
-Noord-Holland in zwang is.&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb46" href="#pb46">46</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Komt, jongens!&#x201d; riep nu de kapitein. &#x201e;Je weet wat de kastelein gezegd heeft: dat
-het groote orgel vandaag bespeeld wordt en dat wij daar naar toe moeten. Verkijkt
-je tijd dus niet aan wat anders.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Je hebt deugdelijk gelijk,&#x201d; antwoordde Frits. &#x201e;&#x2019;t Is maar jammer, dat we de damiaatjes
-ook niet kunnen hooren.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;De damiaatjes, wat zijn zij?&#x201d; vroeg Benjamin.
-</p>
-<p>&#x201e;Dat zijn kleine klokjes, die in den toren hangen en elken avond van halftien tot
-tien uren geluid worden, &#x2019;t Is een akelig gerinkinkel, dat tinge, tinge, tinge. &#x2019;t
-Heeft mij wat verveeld, toen ik van den zomer hier logeerde. Maar de Haarlemmers zijn
-er zeer grootsch op en weten u te vertellen, dat de stad die klokjes present heeft
-gekregen van Graaf Willem I, die in 1219 Damiate, aan den Nijl gelegen, op Sultan
-Saladijn veroverde, bij welke verovering hun voorvaderen zich zoo dapper moeten hebben
-gedragen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Niet minder dan de Dokkumers,&#x201d; viel Jacob Poot hem in de rede. &#x201e;Daarboven heb ik
-altijd gehoord, dat de tegenwoordige damiaatjes niet meer die zijn, welke de Haarlemmers
-van Graaf Willem hebben gekregen, maar nog overblijfsels van de zilvervloot van Piet
-Hein.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Van Piet Hein?&#x201d; vroeg Ben.
-</p>
-<p>&#x201e;Een onzer grootste zeehelden, die in 1628 de Spaansche zilvervloot veroverde en het
-volgende jaar in een gevecht tegen de Duinkerkers sneuvelde,&#x201d; zeide Peter van den
-Helm. &#x201e;En wat die verovering van Damiate aangaat, daar hangen nog kleine scheepjes
-tot gedachtenis van dat feit in de kerk, die modellen moeten zijn van de bij deze
-verovering gebruikte vaartuigen. Over &#x2019;t geheel zijn de Haarlemmers zeer trotsch op
-hun stad en weten u verscheidene bijzonderheden te vertellen, van welke er eenige
-slechts op overleveringen berusten.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Nu, de Haarlemmers hebben wel recht om trotsch op hun stad te zijn,&#x201d; meende Lodewijk.
-&#x201e;Voor zulk een kleine plaats is zij waarlijk rijk aan bijzonderheden.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ha! wiens beeld is dat?&#x201d; riep Benjamin uit, toen zij op de Groote Markt kwamen.
-</p>
-<p>&#x201e;Dat is het standbeeld van den uitvinder der boekdrukkunst, <span class="pagenum">[<a id="pb47" href="#pb47">47</a>]</span>Laurens Janszoon Koster, die in 1423 of 1425 deze nuttige kunst voor &#x2019;t eerst uitoefende.
-Behalve dit standbeeld heeft men een gedenkteeken voor hem in den Hout opgericht,
-dat echter door leelijkheid uitmunt, ofschoon de Haarlemmers het fraai noemen om zijn
-eenvoudigheid.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wij Engelschen willen gaarne toegeven u, dat uw Koster heeft uitgevind drukkunst,&#x201d;
-zeide Benjamin. &#x201e;Maar de Duitschers doen betwisten die eer aan u.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Zij zeggen, dat Gutenberg de uitvinder was, en hebben hem te Mainz een metalen standbeeld
-opgericht,&#x201d; antwoordde Frits. &#x201e;De Franschen daarentegen geven die eer aan hun Faust,
-dien ze te Straatsburg door een standbeeld vereerd hebben. Doch wij Hollanders houden
-er onzen Laurens Janszoon Koster voor, ofschoon &#x2019;t wel jammer is, dat het eerste werk,
-hetwelk hij gedrukt heeft, &#x201e;de Spiegel onzer behoudenis&#x201d;, van geen jaartal voorzien
-is. Kijk, daar, waar dat borstbeeld in den gevel staat, zegt men, dat zijn huis is
-geweest. Volgens de overlevering was hij koster van deze kerk en een aanzienlijk man.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En wat is dat voor een antiek gebouw?&#x201d; hernam Ben.
-</p>
-<p>&#x201e;Dat is het oude stadhuis van Haarlem, thans tot hoofdwacht gebruikt,&#x201d; zeide Lodewijk.
-&#x201e;Zie maar, daar staat nog het opschrift in den gevel:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">&#x201e;Wanneer de graef hierop het sant,
-</p>
-<p class="line">Syn princenwoning had geplant,
-</p>
-<p class="line">Soo was dit loflick out gesticht,
-</p>
-<p class="line">Tot Haerlems raethuis ingericht.&#x201d;</p>
-</div>
-<p class="first">&#x201e;Het zand is de tegenwoordige Groote Markt, die toen door een smal watertje, de Beek
-genaamd, werd doorsneden en op hetwelk menig tornooi is gehouden.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En welk gebouw is dat, met die groote hardsteenen trap?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dat is het tegenwoordige stadhuis,&#x201d; antwoordde Frits, &#x201e;vroeger het paleis der graven,
-in de dertiende eeuw door Graaf Willem II gesticht. Er zijn mooie schilderijen in,
-van groote meesters en van hooge waarde.&#x201d;
-</p>
-<p>Thans traden zij de Groote Kerk in, waar het orgel reeds aan den gang was.
-<span class="pagenum">[<a id="pb48" href="#pb48">48</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Dit orgel,&#x201d; zeide Karel Schimmel, die nu toch ook eens wat vertellen wilde, &#x201e;heeft
-een Europeesche vermaardheid. Het is dertig meters lang en veertien breed. In 1735
-door den Amsterdamschen orgelmaker Christiaan Muller vervaardigd, munt het door zijn
-grootte en zijn rijkdom van tonen boven alle andere uit. Het moet 8000 pijpen hebben,
-van welke er sommige zóó dik zijn, dat er wel een man kan doorkruipen, andere zoo
-dun als het fluitje aan de zilveren bel van een klein kind. Er zijn niet minder dan
-zestig registers op.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Vooral de vox humana (een nabootsing van de menschelijke stem) is mooi,&#x201d; zeide Frits.
-&#x201e;Maar laat ons intusschen de kerk eens rondwandelen. Ik ben hier nogal bekend en zal
-dus maar voor cicerone<a class="noteref" id="xd29e999src" href="#xd29e999">1</a> spelen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dat is goed,&#x201d; zeiden Lodewijk en Peter.
-</p>
-<p>&#x201e;Als je &#x2019;t mij niet kwalijk neemt, ga ik een beetje in die bank rusten,&#x201d; zeide Jacob
-Poot. &#x201e;We hebben nog een heelen tocht te doen en ik wou me niet graag te veel vermoeien.
-Daarenboven, ik heb de St. Bavo<a class="noteref" id="xd29e1005src" href="#xd29e1005">2</a> al meermalen gezien.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Hier heb je nu de scheepjes,&#x201d; begon Frits, &#x201e;opgehangen ter herinnering aan de verovering
-van Damiate. Ziet gij op die geelkoperen grafplaat wel dat roode spijkertje?&#x201d; vroeg
-hij een oogenblik later.
-</p>
-<p>&#x201e;Welnu, wat zou dat?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dat spijkertje wijzen alle oprechte Haarlemmers aan hun jonge kinderen en vertellen
-daarbij, dat onder dit graf een kindje begraven is, hetwelk zijn moeder geslagen heeft,
-en dat nu tot straf het vingertje, waarmede het haar heeft aangeraakt, niet is kunnen
-verrotten, maar door het koper is heengekomen.&#x2014;Hier op den muur ziet gij een steen,
-aan onzen grootsten dichter, Willem Bilderdijk, gewijd; die twee afmetingen daar zijn
-van den grootsten en den kleinsten man, die Haarlem heeft opgeleverd: den grootsten,
-langsten, namelijk Cajanus en den kleinsten, Simon Jane Paap, die echter te Zandvoort
-geboren was.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Papa heeft mij wel eens verteld, dat hier in vroeger <span class="pagenum">[<a id="pb49" href="#pb49">49</a>]</span>tijd ook een Sparenwouder reus rondgewandeld heeft, die Klaas van Kieten heette en
-familiaar zijn pijp aan de stadlantaarns aanstak,&#x201d; zeide Peter.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik doe niet recht verstaan dat woord,&#x201d; zeide Ben. &#x201e;Wat is dat voor een soort van
-reus, een Sparrewou?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dat wil zeggen een bewoner van het naburige dorp Sparenwoude, hetwelk wij in de verte
-aan onze rechterhand zagen liggen, toen wij over de vaart reden.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Die kogel daar in den muur is nog van den tijd van het beleg in 1573,&#x201d; zeide Frits.
-&#x201e;De Haarlemmers vertellen u, dat de Spanjaards, die hun kanonnen op het huis te Kleef
-geplant hadden, aan een boer vroegen, waar de preekstoel was, omdat zij dan zoo den
-dominee konden doodschieten. De boer wees opzettelijk een pilaar te ver en daardoor
-schoten zij mis. Gij begrijpt echter wel, dat het een sprookje is: het huis te Kleef
-is veel te ver, om hier te raken. De kogel is echter wel van den tijd van het beleg,
-maar tot gedachtenis hier in den muur gemetseld.&#x201d;
-</p>
-<p>Intusschen bespeelde de organist het orgel, terwijl de knapen, evenals het Haarlemsche
-publiek, door de voetpaden wandelden en naar de muziek luisterden.
-</p>
-<p>&#x2019;t Was een schoon stuk, dat de kunstenaar uitvoerde: een heerlijken zomermorgen moest
-het voorstellen, waarbij het orgel zijn liefelijkste tonen deed hooren, afgewisseld
-door het gefluit der vogelen en de zuiverste akkoorden, die vriendelijk door de kerkgewelven
-rolden en waarbij de wandelaars als onwillekeurig stilstonden, om door het geslijfer
-hunner voetstappen zich zelf en anderen niet te hinderen. Maar eensklaps veranderde
-dat tooneel. &#x2019;t Was of de stormwind door het kerkgebouw begon te loeien, de vogels
-zwegen, luider en luider werd de storm, vreeselijk rommelde de donder en daarbij hoorde
-men duidelijk het luiden der noodklok. De knapen hielden hun adem in en staarden elkander
-verbaasd aan. Want daar klonken op eens de stemmen der vox humana, en &#x2019;t was of duizend
-angstkreten door de St. Bavo weergalmden.&#x2014;Maar&#x2014;daar ruischt een zacht geluid, als
-een stem des engels&#x2014;de storm bedaart&#x2014;de liefelijke tonen zwellen als op de vleugelen
-der zefirs&#x2014;de vogelen beginnen weder te zingen en alles wordt besloten met <span class="pagenum">[<a id="pb50" href="#pb50">50</a>]</span>een psalm van lof en dank, die de harten tot aanbidden stemt.
-</p>
-<p>Het orgel zweeg&#x2014;en nog stonden de knapen daar beweging- en sprakeloos. &#x2019;t Was alsof
-zij aan den grond genageld waren. Karel Schimmel was de eerste, die het stilzwijgen
-afbrak.
-</p>
-<p>&#x201e;Hoe lang zul je daar nog staan kijken, kapitein?&#x201d; vroeg hij, terwijl hij Peter aanstiet,
-&#x201e;&#x2019;t Wordt hoog tijd, om op te stappen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Je hebt gelijk,&#x201d; antwoordde de aangesprokene, terwijl hij op zijn horloge keek. &#x201e;Laat
-ons Jacob dan in het voorbijgaan aanroepen.&#x201d;
-</p>
-<p>De dikke Jacob Poot echter was niet meer op de plaats, waar zij hem gelaten hadden.
-De bank, waarin hij was gaan zitten, was hem niet gemakkelijk genoeg en hij had een
-andere, meer afgezonderde opgezocht, waar zijn kameraads hem vonden, in de armen van
-Morpheus gezonken.
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure floatLeft p050width"><img src="images/p050.png" alt="" width="413" height="648"></div><p>
-</p>
-<p>&#x201e;Slaapkop!&#x201d; riep Peter, terwijl hij hem wakker schudde. &#x201e;Hoe kun je bij zulke heerlijke
-muziek snurken, Jacob?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Algemeen zelfstandig naamwoord, vrouwelijk enkelvoud eersten naamval,&#x201d; antwoordde
-Jacob, die gedroomd had, dat hij op school bezig was aan het grammaticaal analyseeren.
-<span class="pagenum">[<a id="pb51" href="#pb51">51</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Als aangesprokene,&#x201d; voleindigde Peter, &#x201e;behalve, dat Jacob een eigen naamwoord en
-mannelijk is.&#x201d;
-</p>
-<p>Jacob was nu geheel wakker geworden en moest lachen om zijn eigen dwazen praat.
-</p>
-<p>Benjamin was zóó verrukt over hetgeen hij gehoord had, dat hij niets kon zeggen dan:
-&#x201e;Glorious! Glorious!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ja, Ben,&#x201d; hernam Peter, terwijl zij de kerk verlieten, &#x201e;&#x2019;t is inderdaad heerlijk.
-Je hebt zeker wel eens gehoord van Händel, den grooten componist. Nu, die bezocht
-Haarlem eens en wenschte natuurlijk het orgel te bespelen. Hij kreeg daartoe vergunning
-en was druk aan den gang, toen de gewone organist, die verre van onbekwaam was in
-zijn vak, de kerk binnentrad. Zulke muziek had hij nog in zijn leven niet gehoord.
-&#x201e;Wie is daar op het orgel?&#x201d; riep hij uit. &#x201e;Als &#x2019;t geen engel of duivel is, dan moet
-het Händel zijn.&#x201d; En toen hij zag, dat het Händel was, stond hij nog meer verwonderd.
-</p>
-<p>&#x201e;Hoe heb ik het toch?&#x201d; vroeg hij, &#x201e;gij hebt het onmogelijke gedaan. Tien vingers en
-twee voeten kunnen de passages niet spelen, welke gij hebt laten hooren.&#x201d;&#x2014;&#x201e;Gij hebt
-gelijk,&#x201d; gaf Händel bedaard ten antwoord, &#x201e;en daarom ben ik tusschenbeide verplicht
-geweest, toetsen met de punt van mijn neus in beweging te brengen.&#x201d;&#x2014;&#x201e;Je kunt begrijpen,
-hoe de organist stond te kijken.&#x201d;<a class="noteref" id="xd29e1042src" href="#xd29e1042">3</a>
-</p>
-<p>&#x201e;Dat laat zich hooren,&#x201d; zeide Frits. &#x201e;Maar waar zullen wij nu heen?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Hoort eens, jongens!&#x201d; hernam Peter. &#x201e;Wij moeten nu even raadsvergadering houden omtrent
-onze verdere plannen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Heel goed,&#x201d; antwoordde Karel Schimmel. &#x201e;Wat is hier nog meer te kijken?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;O, heel veel,&#x201d; gaf Frits ten antwoord. &#x201e;Vooreerst de schilderijen hier op het stadhuis,
-ten tweede niet minder dan acht en twintig liefdadige hofjes, waar oude vrouwen het
-eind van haar leven rustig doorbrengen en van welke het Teylers- en Staats-zen-hofje de mooiste, en zoo ik meen, de rijkste <span class="pagenum">[<a id="pb52" href="#pb52">52</a>]</span>zijn; ten derde, het physisch museum van Teyler, waar men onder andere zulk een groot
-electriseermachine vindt, dat men met één vonk een paling kan doodslaan; ten vierde,
-het huis van Jan de Lapper, op het Spaarne bij de melkbrug.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Jan de Lapper? Wie was dat?&#x201d;&#x2014;vroeg Ben.
-</p>
-<p>&#x201e;Een schoenlapper, die hier in 1652 woonde, en toen het land in nood was, doordien
-wij oorlog met uw volk gekregen hadden, ter zee ging varen en zulk een heldenmoed
-toonde dat de Staat hem een gouden keten en 500 gulden vereerde. En toen het land
-uit den nood was, ging onze Jan weer even bedaard aan &#x2019;t schoenflikken als te voren.
-Later weer in dienst getreden, stierf hij den heldendood. Een zijner nakomelingen
-heeft in het huis, vroeger door den dapperen schoenlapper bewoond, een blauwen steen
-met een opschrift doen plaatsen. Ten vijfde kunnen wij naar Kraantje-Lek gaan en den
-Blinkert beklimmen, op welken Witte van Haamstede<a class="noteref" id="xd29e1058src" href="#xd29e1058">4</a> eens den Hollandschen liebaard plantte en van welks top wij een heerlijk gezicht
-over de blauwe Noordzee hebben. Ten zesde kunnen wij den Hout bezoeken.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Den Hout? Wat is dat?&#x201d; vroeg Ben.
-</p>
-<p>&#x201e;Een fraai bosch, dat met het Haagsche en Alkmaarder waarschijnlijk één geheel heeft
-uitgemaakt. Het is in 1822 door den architect Zocher in den bevalligen toestand gebracht,
-waarin het nu is. Ten zevende kunnen wij in dien Hout het monument van Koster gaan
-kijken, of het fraaie paviljoen, nog door een landgenoot van u, den bankier Hope,
-gebouwd, later door Koning Lodewijk voor drie ton gekocht en, na het vertrek der Franschen,
-domeingoed geworden. Er bevindt zich thans een heerlijk museum van schilderijen; ten
-achtste.&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Houd op!&#x201d; riep Peter. &#x201e;Als wij alles zouden willen bezien, dan mochten we nog wel
-een dag langer hier blijven. Wij zullen ons maar bepalen tot twee zaken: den Hout
-en den Blinkert, of Leiden?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Leiden!&#x201d; riepen allen, behalve Ben, die wel lust zou gehad hebben, om den Blinkert
-te beklimmen en van daar een kijkje op de zee te nemen.
-<span class="pagenum">[<a id="pb53" href="#pb53">53</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;&#x2019;t Is zoo maar &#x2019;t best ook,&#x201d; zeide Frits Verdam tegen Benjamin. &#x201e;Want als je Haarlem
-op zijn mooist wil zien, dan moet je er in den zomer komen, wanneer &#x2019;t een groote
-bloemtuin is.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Komt dan, op reis!&#x201d; riep Peter uit. En men wandelde de Zijlstraat door, het Zijlhek
-uit en naar de Leidsche vaart, waar zij hun schaatsen aanbonden en den tocht naar
-de stad van Van der Werf aanvingen.
-</p>
-<p>&#x201e;Jongens! Wie weet er nu wat van Haarlem te vertellen?&#x201d; zeide Peter. &#x201e;Dat kort den
-weg op.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik wil wat mededeelen,&#x201d; zeide Frits Verdam. &#x201e;Laat ons dan wat langzaam en naast elkander
-rijden.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dat is goed,&#x201d; riepen allen en Frits begon:
-</p>
-<p>&#x201e;In heel veel vroeger tijden stond bij Haarlem een oud, sterk kasteel, welks slotheer
-een ware tiran was voor de poorters der stad en de omliggende dorpers, die allen van
-hem afhingen. Dit werd zóó geweldig, dat deze in opstand kwamen, zijn kasteel omringden
-en het belegerden. De nood op het slot steeg dermate, dat de wreedaard geen ander
-uitzicht had, dan zich aan het woedende volk over te geven, hetwelk hem in stukken
-zou hebben gescheurd. Daar verscheen op een der kanteelen een liefelijke gestalte,
-de vrouw van den slotheer. Was <span class="ex">haar</span> echtgenoot slecht voor zijn onderdanen, zij daarentegen was steeds een moeder voor
-hen geweest; geen arme, die haar om hulp had gevraagd, zou zij weggezonden hebben;
-zieken en nooddruftigen had zij verzorgd. Zoodra het volk haar zag, liet het de armen
-slap hangen, die het reeds had opgeheven, om den pijl te richten, welke het hart van
-den krijgsknecht moest doorboren, die &#x2019;t wagen durfde, op den trans te verschijnen.
-&#x201e;Ik ben altijd goed voor u geweest,&#x201d; zeide zij. &#x201e;Welnu, veroorloof mij een vrijen
-uittocht en sta mij toe, zooveel van mijn kostbaarheden mede te nemen als ik op mijn
-schouders kan dragen.&#x201d; &#x201e;Dat is u toegestaan,&#x201d; riep men haar toe.&#x2014;De poort gaat open,
-en daaruit komt de burchtvrouw, die op haar schouders torst.&#x2026; Wat denkt gij?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wel, haar juweelen en beste kleederen,&#x201d; zeide Karel.
-</p>
-<p>&#x201e;Neen&#x2014;haar snooden echtgenoot, den wreeden burchtheer,&#x201d; hervatte Frits. &#x201e;En haar daad
-was des te mooier, <span class="pagenum">[<a id="pb54" href="#pb54">54</a>]</span>daar de wreedaard ook voor haar steeds een tiran geweest was.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En wat deed het volk nu?&#x201d; vroeg Peter.
-</p>
-<p>&#x201e;&#x2019;t Was getroffen door die edele daad en liet den burchtheer vrij; maar het kasteel
-werd vernield.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Kom, dat is nooit gebeurd!&#x201d; riep Karel Schimmel uit. &#x201e;Hoe zou een zwakke vrouw zoo&#x2019;n
-grooten kerel hebben kunnen dragen!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Nu, de vrouwen van Weinsberg hebben het toch ook wel gedaan,&#x201d; verzekerde Frits.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik geloof het wèl,&#x201d; zeide Jacob Poot. &#x201e;Ik ten minste zou geen vrouw willen hebben,
-die niet hetzelfde voor mij zou doen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik zou haar beklagen, Jacob,&#x201d; antwoordde Peter lachend, &#x201e;indien zij zulk een vracht
-moest dragen als jij bent. Drie man zouden werk hebben om je voort te sjouwen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Nu dan, &#x2019;t zou mij genoeg zijn, als zij &#x2019;t <span class="ex">wilde</span> doen,&#x201d; hervatte Jacob.
-</p>
-<p>&#x201e;Dus zou je den wil voor de daad nemen?&#x201d; vroeg Peter. &#x201e;Doch wie weet er nog een historie,
-Haarlem betreffende?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Meen je van het beleg?&#x201d; zeide Lodewijk.
-</p>
-<p>&#x201e;O, neen, daar hebben we in het boekje van Andriessen<a class="noteref" id="xd29e1099src" href="#xd29e1099">5</a> reeds zooveel van gelezen, dat het voor ons geen nieuws meer is.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik weet nog iets, dat ik eens in een boek gelezen heb,&#x201d; zeide Jacob. &#x201e;&#x2019;t Is een heel
-mooie historie.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Nu vertel dan!&#x201d; riepen allen te gelijk.
-</p>
-<p>&#x201e;Goed, maar dan moeten we nog wat zachter rijden,&#x201d; antwoordde de dikkerd. &#x201e;Anders
-kan ik onmogelijk vertellen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Best,&#x201d; antwoordde Peter. &#x201e;Jongens! Wat meer piano aan.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Jaren geleden woonde in Haarlem een blondharige knaap, wiens vader den post van sluiswachter
-vervulde. Op zekeren schoonen namiddag in den herfst nu, toen het knaapje omtrent
-acht jaren oud was, kreeg hij verlof van zijn ouders om pannekoeken te brengen aan
-een blinden grijsaard, die in den polder woonde aan den kant van den dijk. Het knaapje
-bracht een <span class="pagenum">[<a id="pb55" href="#pb55">55</a>]</span>uur bij zijn dankbaren ouden vriend door en ging, nadat hij afscheid van hem genomen
-had, vroolijk naar huis terug.
-</p>
-<p>&#x201e;Terwijl hij zoo over den dijk ging, bemerkte hij, hoezeer het water daar langs gezwollen
-was, en dacht hij aan de stevige sluisdeuren van zijn vader en hoe boos het water
-op dezen moest zijn, dat hij het zoo tegenhield. O, als het eens losbrak en den dijk
-vernielde of de sluizen doorbrak, en dat schoone vruchtbare land overstroomde; hoe
-zou &#x2019;t dan met vader of moeder gaan? Vreeselijk zou het dan wraak nemen op zijn vader,
-die het zoo lang in toom had gehouden. Nu eens hield hij stil, om een paar bloempjes
-te plukken, die daar in het wild groeiden, dan weder plukte hij een kaars, die hij
-in de lucht blies, dan bleef hij stilstaan, om nog eens terug te zien naar het hutje
-van zijn ouden vriend, waarvan de glazen gloeiden in het rood der ondergaande zon,
-alsof het in lichtelaaie stond.
-</p>
-<p>&#x201e;Eensklaps bemerkte ons knaapje tot zijn verdriet, dat hij zich te lang had opgehouden
-en dat de zon op het punt was van onder te gaan. Hij was nog een heel eind van huis
-verwijderd en reeds werden de blauwe bloempjes op den dijk grauw en zag hij, dat zijn
-lange schaduw niet meer op het gras viel. Hij verhaastte dus zijn stap, om gauwer
-thuis te zijn. Op eens echter bleef hij weder staan, daar hij iets gehoord had, dat
-hem het bloed in de aderen deed stollen. &#x2019;t Was het geluid van neersijpelend water.
-Waar kwam dat vandaan? Hij onderzocht het en zag een klein gat in den dijk, waardoor
-het water als door een smal gootje liep. Men moest het kind van een sluiswachter zijn,
-om te weten, wat er in dat woord lag opgesloten: een gat in den dijk! Als het water
-bleef doorsijpelen, dan zou het gat grooter en grooter worden en een vreeselijke overstrooming
-ten gevolge hebben.
-</p>
-<p>&#x201e;Dadelijk begreep de achtjarige knaap wat hem te doen stond. Hij wierp zijn bloemen
-weg en klom van den eenen steen op den anderen, totdat hij aan het gaatje kwam. Bijna
-onwillekeurig stopte hij er zijn vingertje in. Het sijpelen hield op. &#x201e;Ha!&#x201d; riep hij
-met kinderlijke vroolijkheid uit. &#x201e;Dat booze water kan er nu niet door. Haarlem zal
-niet overstroomd worden, zoolang ik hier ben.&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb56" href="#pb56">56</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Dit ging in &#x2019;t eerst wel goed; maar de nacht viel al meer en meer, er kwam een vochtige
-damp op. Onze kleine held begon van koude en angst te beven. Hij schreeuwde luid:
-&#x201e;Komt hier, komt hier!&#x201d; maar niemand kwam. Hij werd hoe langer hoe kouder, een verstijving,
-beginnende met zijn vinger en voortgaande over zijn hand en arm, maakte dat hij spoedig
-pijn over zijn gansche lichaam voelde. Hij riep nogmaals: &#x201e;zal er dan niemand komen?
-Moeder! Moeder!&#x201d; Helaas, zijn moeder, zijn goede lieve moeder, had de deur reeds gesloten
-en besloten, haar zoon morgen braaf te beknorren, omdat hij den nacht bij den ouden
-blindeman was gebleven. Hij wilde fluiten&#x2014;misschien zou de een of andere rondzwervende
-knaap het teeken hooren, maar zijn tanden klapperden zoo, dat het hem niet doenlijk
-was. Toen bad hij God om hulp en nam het vaste besluit: &#x201e;Ik wil hier tot morgen blijven.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;De maan kwam op en bescheen de kleine gedaante, die daar eenzaam en verlaten op een
-steen zat, halfweg de glooiing van den dijk. Zijn hoofdje hing hem op de borst, doch
-hij sliep niet; want nu en dan wreef hij den uitgestrekten arm, die als vastgeketend
-was aan den dijk&#x2014;en meermalen keerde zich het bleeke, betraande gelaat plotseling
-om, bij een wezenlijk of denkbeeldig geluid.
-</p>
-<p>&#x201e;O, wat leed de knaap in dien langen en vreeselijken nacht. Hoe dikwijls wankelde
-hij in zijn voornemen, als hij aan het warme bedje bij zijn ouders dacht, aan zijn
-broertjes en zusjes, die al gerust sliepen, en daarbij aan den kouden treurigen nacht!
-Maar als hij zijn vinger wegtrok, dan zou het verbolgen water, dat hoe langer hoe
-toorniger werd, weer doorsijpelen, het gat zou grooter worden en niet tevreden zijn,
-vóór het de stad overstroomd had! Neen, hij zou het tegenhouden, tot het daglicht
-aankwam, indien hij ten minste zoo lang leefde. Hij was er niet zeker van, of dat
-zoo lang zou duren; want wat beteekende dat vreemde gesuis in zijn ooren? En was &#x2019;t
-niet of hij van hoofd tot voeten met messen werd geprikt?
-</p>
-<p>&#x201e;Met het aanbreken van den dag kwam er een geestelijke, die dien nacht aan het bed
-van een stervende gewaakt had, den dijk langs en meende een zacht gekerm te hooren.
-<span class="pagenum">[<a id="pb57" href="#pb57">57</a>]</span>Hij boog zich voorover om te zien wat het was en zag een kind, dat van pijn in elkander
-kromp.
-</p>
-<p>&#x201e;In &#x2019;s Hemels naam, jongen! Wat doe je daar?&#x201d; riep hij uit.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik houd het water tegen, dat door den dijk sijpelt,&#x201d; antwoordde het kind met flauwe
-stem. &#x201e;Zeg, dat zij gauw komen.&#x201d;<a class="noteref" id="xd29e1126src" href="#xd29e1126">6</a>
-</p>
-<p>&#x201e;Ik behoef u niet te zeggen, dat er spoedig hulp kwam en dat Haarlem zoo door een
-kleinen knaap gered was,&#x201d; eindigde Jacob.
-</p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd29e999" href="#xd29e999src">1</a></span> Gids, geleider.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd29e999src">&#x2191;</a></p>
-<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd29e1005" href="#xd29e1005src">2</a></span> De naam van de kerk, of liever van den heilige, aan wien zij gewijd was.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd29e1005src">&#x2191;</a></p>
-<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd29e1042" href="#xd29e1042src">3</a></span> Ik laat deze anekdote voor rekening van de schrijfster van wie ik haar heb overgenomen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd29e1042src">&#x2191;</a></p>
-<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd29e1058" href="#xd29e1058src">4</a></span> Zie mijn &#x201e;Schildknaap van Gijsbrecht van Amstel&#x201d;.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd29e1058src">&#x2191;</a></p>
-<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd29e1099" href="#xd29e1099src">5</a></span> Adolf en Clara.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd29e1099src">&#x2191;</a></p>
-<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd29e1126" href="#xd29e1126src">6</a></span> Ik laat deze lieve legende voor rekening van de Schrijfster.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd29e1126src">&#x2191;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch7" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd29e193">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">ZEVENDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">Hoe goed het kan zijn, als men in een kouden winternacht zonder dek ligt.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Nadat Jacob Poot zijn verhaal geëindigd had, gaf de kapitein bevel om harder te rijden,
-en voort ging het langs de gladde baan als hadden zij de vleugels van Mercurius onder
-de voeten gebonden. Hoe verder zij van Haarlem zich verwijderden, hoe minder het ijs
-bevolkt was; doch toen zij de Piet-Gijzenbrug waren doorgereden, bemerkten zij door
-het meer en meer aanwassend aantal schaatsenrijders, dat zij langzamerhand Leiden
-naderden. Onder vroolijke gesprekken, nu eens twee aan twee dan tusschen drie, dan
-door alle zes te gelijk gevoerd, kwamen ze al dichter en dichter bij de stad, toen
-er iets gebeurde, dat de pret in treurigheid dreigde te veranderen. Jacob Poot, die
-zeker eenige ponden meer had mee te dragen dan zijn makkers, had reeds een paar malen
-in stilte aan zijn neef geklaagd, dat hij zoo moe werd, en om zijnentwil hadden de
-anderen ook al eens hun vaart ingekort. Maar zooals het gaat met jongens, die schaatsen
-rijden en nog geen vermoeienis gevoelen, zoolang zij ten minste op het ijs zijn, telkenmale
-waren zij weer vlugger aan &#x2019;t rijden gegaan, toen op eens Frits Verdam, die zich onwillekeurig
-omkeerde, uitriep:
-<span class="pagenum">[<a id="pb58" href="#pb58">58</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Goede Hemel! Daar gaat Jacob van zijn stokje.&#x201d;
-</p>
-<p>Bij dien kreet hielden al de jongens eensklaps op en snelden naar Jacob toe, die bleek
-en roerloos als een lijk op het harde ijs was neergevallen.
-</p>
-<p>&#x201e;Jacob! Jacob! Wat scheelt je?&#x201d; riep Ben in &#x2019;t Engelsch.
-</p>
-<p>&#x201e;Wat scheelt je, Jacob?&#x201d; herhaalde Peter in &#x2019;t Nederlandsch.
-</p>
-<p>&#x201e;Maar, al hadden ze Sanskritsch gesproken, de arme Jacob Poot zou het evenmin verstaan
-hebben als hij het Engelsch of Nederlandsch deed. Peter en Karel trachtten den bezwijmde
-op te helpen, maar hij was nu nog zwaarder dan anders. Tal van menschen verzamelden
-zich om hen. De een zeide dit, de ander dat; ieder wist raad, zooals het trouwens
-altijd in zulke gevallen gebeurt.
-</p>
-<p>&#x201e;Wrijf zijn handen,&#x201d; riep een vrouw op schaatsen.
-</p>
-<p>&#x201e;Zet hem op zijn beenen,&#x201d; zeide een ander.
-</p>
-<p>&#x201e;Geef hem een slok brandewijn,&#x201d; riep een man. &#x201e;De kou zal hem bevangen hebben!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ja, ja, geef hem wat brandewijn!&#x201d; riepen wel twintig stemmen te gelijk.
-</p>
-<p>&#x201e;Ja, brandewijn! brandewijn,&#x201d; schreeuwden Peter en Karel.
-</p>
-<p>&#x201e;Heeft niemand hier wat brandewijn?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Maakt toch maar zoo&#x2019;n leven niet, jongeheeren,&#x201d; zeide een dikke Leidenaar, die de
-hand in zijn jaszak stak als om er wat uit te halen. &#x201e;Wat doet die jongen zoo mal
-te zijn, om flauw te vallen als een meissie?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Brandewijn!&#x201d; riep Lodewijk smeekend. &#x201e;Anders sterft hij nog.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Hij is al dood!&#x201d; zeide een van de omstanders.
-</p>
-<p>Benjamin lag bij zijn neef neergeknield en ondersteunde met tranen in de oogen diens
-hoofd.
-</p>
-<p>&#x2019;t Was akelig om te zien hoe doodsbleek dat anders zoo blozende gelaat was en hoe
-pijnlijk die straks nog zoo vriendelijke en goedige trekken stonden.
-</p>
-<p>&#x201e;Hier,&#x201d; zeide de dikke Leidenaar, die eindelijk zijn veldflesch met brandewijn had
-gevonden. &#x201e;Giet hem daarvan wat tusschen de lippen.&#x201d;
-</p>
-<p>Dankbaar nam Peter de veldflesch aan en deed wat de man zeide. En die brandewijn deed
-goede uitwerking. Jacob loosde een diepen zucht, deed de oogen open en keek verwilderd
-rond. <span class="pagenum">[<a id="pb59" href="#pb59">59</a>]</span>Toen hij echter Ben zag, die hem met tranen in de oogen aanstaarde, en zijn makkers,
-die rondom hem stonden, scheen hij te begrijpen, wat er met hem gebeurd was. Met behulp
-van Peter en Karel richtte hij zich op.
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure floatLeft p059width"><img src="images/p059.png" alt="" width="543" height="693"></div><p>
-</p>
-<p>&#x201e;&#x2019;t Was de vermoeienis,&#x201d; zeide hij flauw.
-</p>
-<p>&#x201e;We moeten zien, dat we hem in een dier groote sleden krijgen, die hier telkens voorbijrijden,&#x201d;
-zeide Karel.
-</p>
-<p>Over &#x2019;t algemeen is onze natie een hulpvaardig volk. Vooral vindt men onder de geringere
-burgerklasse een medelijden, dat inderdaad treffend is. Laat iemand op straat wat
-overkomen, terstond zijn er tien, twintig handen gereed, om hem bij te springen, al
-is ook de ongelukkige in lompen gewikkeld&#x2014;en &#x2019;t is aardig om te zien, hoe ieder volgaarne
-zich inspant, om toch maar te helpen of om raad te geven. Nauwelijks had Karel den
-wensch geuit, of reeds waren er drie sleden aangehouden, van welke een ledig en groot
-genoeg was, om ons zestal te bevatten: want zij wilden hun makker niet alleen laten&#x2014;en,
-om u de waarheid te zeggen,<span class="corr" id="xd29e1167" title="Bron: &#x201d; "> &#x201e;</span>zij waren niet moede, behalve in hun beenen,&#x201d; en vonden &#x2019;t dus niet onaardig, op zulk
-een gemakkelijke wijze in Leiden te komen.
-<span class="pagenum">[<a id="pb60" href="#pb60">60</a>]</span></p>
-<p>Zij lieten dus hun Spartaansch besluit, om Leiden op schaatsen te bereiken, varen,
-om een ander Spartaansch besluit uit te voeren, dat zij wel eenigszins hoog opvijzelden:
-&#x201e;hun makker niet verlaten&#x201d;. Zij bedankten dus den dikken Leidenaar, die voor zijn
-brandewijn geen geld wilde aannemen, vriendelijk, en stapten in de slede, een kales,
-waarvan de wielen waren afgenomen en die op twee met ijzer beslagen balken was bevestigd.
-Zooals zij vernamen, had de voerman er eenige heeren en dames mee naar een buitenplaats
-gebracht en keerde hij ledig naar Leiden terug. Voor een gulden zou hij de knapen
-naar de stad brengen.
-</p>
-<p>&#x201e;Hoe is &#x2019;t nu, Jacob?&#x201d; vroeg Benjamin, toen men eenige oogenblikken zat en de paarden
-in vollen draf waren.
-</p>
-<p>&#x201e;O, veel beter,&#x201d; antwoordde deze met een paar oogen, zoo lodderig als van een kabeljauw,
-die op een warme stoof zijn testament maakt.
-</p>
-<p>&#x201e;Je moet niet gaan slapen, Jacob,&#x201d; zei Frits. &#x201e;&#x2019;t Is te koud om in de open lucht te
-slapen. Je weet zelf zoo goed als ik, hoe gevaarlijk dat is.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik denk aan geen slapen,&#x201d; antwoordde Jacob op goedigen toon, en twee minuten later
-sliep hij als een os.
-</p>
-<p>Peter en Lodewijk moesten er om lachen.
-</p>
-<p>&#x201e;We moeten wakker maken hem,&#x201d; zeide Ben, terwijl hij den dikkerd aan den arm schudde.
-&#x201e;Jacob! Jacob!&#x201d;
-</p>
-<p>Daar drie van de jongens Ben hielpen om Jacob wakker te schudden, begreep kapitein
-Peter, dat hij er zich mee bemoeien moest.
-</p>
-<p>&#x201e;Laat hem slapen, jongens! Ben je mal, om hem zoo te schudden. Zóó snurkt men niet,
-als men doodvriest. Bedekt hem met iets warms. Koetsier,&#x201d; zeide hij, &#x201e;geef den pijjakker
-eens waar je op zit, om dien jongeheer voor de kou te beschutten.&#x201d;
-</p>
-<p>Deze voldeed hieraan.
-</p>
-<p>Peter bedekte Jacob met den pijjakker.
-</p>
-<p>&#x201e;Ziezoo,&#x201d; zeide hij, &#x201e;laat hem nu maar slapen. Als hij wakker wordt, zal hij geheel
-en al beter zijn. Hoever zijn wij nog van Leiden?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Een klein half uurtje,&#x201d; antwoordde de voerman.
-</p>
-<p>Toen zij Leiden&#x2019;s toren in &#x2019;t gezicht kregen, werd Jacob wakker.
-<span class="pagenum">[<a id="pb61" href="#pb61">61</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Hoe is &#x2019;t nu, Jacob?&#x201d; vroeg Ben.
-</p>
-<p>&#x201e;O, ik ben weer beter, maar doodmoe,&#x201d; antwoordde hij.
-</p>
-<p>&#x201e;Nu, dat zijn wij ook,&#x201d; zeide Frits openhartig. &#x201e;Zoolang wij op schaatsen waren, voelden
-wij geen vermoeienis; maar nu wij gezeten hebben, voelen wij onze beenen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Weet je een goed logement, niet te duur, koetsier?&#x201d; vroeg Peter.
-</p>
-<p>&#x201e;In &#x201e;De Roode Leeuw,&#x201d; gaf de voerman ten antwoord. &#x201e;Daar heeft men &#x2019;t goed en ze halen
-je het vel niet over de ooren.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Kun je ons tot zoover brengen?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Tot bijna voor de deur.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Goed zoo, dan zul je een fooi extra hebben.&#x201d;
-</p>
-<p>Het duurde niet lang, of de knapen stapten de slede uit en het hotel in, waar &#x201e;De
-Roode Leeuw&#x201d; uithing.
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure floatLeft p061width"><img src="images/p061.png" alt="" width="539" height="720"></div><p>
-</p>
-<p>De kastelein, een klein, dik mannetje, stond met zijn lange <span class="pagenum">[<a id="pb62" href="#pb62">62</a>]</span>pijp in de deur van zijn logement en groette onze jonge reizigers beleefd, die zulk
-een grooten honger hadden, dat hun eerste vraag was:
-</p>
-<p>&#x201e;Kastelein, heb je wat voor ons te eten?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Om de heeren te dienen. Wat zullen de heeren gebruiken?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Maak maar wat klaar,&#x201d; antwoordde Peter, die vrij wat in zijn schik was, dat zij heeren
-genoemd werden.
-</p>
-<p>&#x201e;Mag ik dan den heeren maar verzoeken binnen te gaan,&#x201d; hernam de kastelein, terwijl
-hij de gelagkamer opendeed, waar de kachel lekker gloeiend stond.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik kan niet zeggen, dat de koetsier ons juist een fijn logement heeft aangewezen,&#x201d;
-zei Peter, toen de kastelein vertrokken was. &#x201e;&#x2019;t Lijkt hier wel zoo&#x2019;n voermanslogies.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wanneer wij gegeten hebben, kunnen wij hem betalen en een ander logement opzoeken,&#x201d;
-meende Lodewijk.
-</p>
-<p>&#x201e;Laat ons maar hier blijven,&#x201d; zeide Jacob, die weinig lust gevoelde, om over de straatsteenen
-te gaan en een ander logement op te zoeken.
-</p>
-<p>&#x201e;&#x2019;t Is misschien een aardig avontuur op onzen tocht,&#x201d; zeide Frits.
-</p>
-<p>&#x201e;&#x2019;t Is juist niet altijd het aardigst, als men alles zoo tout-à-fait heeft.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Kom, laat ons dan de stemmen opnemen,&#x201d; zeide Peter. &#x201e;Waarvoor stem jij, Lodewijk?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Voor hier blijven.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Jacob Poot?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Vóór, sterk vóór!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Benjamin Dobbs?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Buiten stemming.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Frits Verdam?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Vóór!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Karel Schimmel?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Tegen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En ik ben er vóór. Alzoo vier stemmen vóór, één tegen, één buiten stemming. Dus blijven
-we hier.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Uitmuntend,&#x201d; zei Frits. &#x201e;Jammer echter, dat wij niet aan het spreekwoord gedacht
-hebben, hetwelk hier inderdaad te pas komt, dat men niet <span class="ex">buiten</span> den waard moet rekenen. <span class="pagenum">[<a id="pb63" href="#pb63">63</a>]</span>Wij <span class="ex">hebben</span> buiten den waard gerekend en zullen dus eerst moeten wachten, of hij ons logeeren
-kan.&#x201d;
-</p>
-<p>Frits schelde.
-</p>
-<p>&#x201e;Zeg eens, kastelein,&#x201d; zeide Peter. &#x201e;Kunnen wij hier van nacht logeeren?<span class="corr" id="xd29e1240" title="Niet in bron">&#x201d;</span>
-</p>
-<p>&#x201e;Indien de heeren zich met drie bedden willen vergenoegen, dan heb ik een mooie kamer
-voor hen.&#x201d;
-</p>
-<p>Peter keek een weinig bedenkelijk en zeide:
-</p>
-<p>&#x201e;Hoor eens, kastelein, op voorwaarde, dat we je kamer eerst eens zien en de bedden
-inspecteeren mogen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Als de heeren eerst willen eten, dan zal mijn vrouw in dien tijd de bedden opmaken,
-antwoordde de kastelein.
-</p>
-<p>&#x201e;Heel goed,&#x201d; antwoordde Peter.
-</p>
-<p>De kastelein vertrok met een buiging.
-</p>
-<p>&#x201e;Daar heb je verstandig aan gedaan, Peter, dat je de conditie maaktet om eerst de
-kamer te zien en de bedden te inspecteeren,&#x201d; zeide Frits.
-</p>
-<p>&#x201e;Wel zeker; al zijn we &#x2019;t beter gewend, is &#x2019;t niet onaardig om ons eens te behelpen.
-Maar zij moeten ons in geen smerige bedden stoppen, daar zou ik voor bedanken,&#x201d; antwoordde
-Peter.
-</p>
-<p>&#x201e;En ik,&#x201d; hernam Frits. &#x201e;Maar de waardin zal er nu wel op passen dat alles in orde
-is.&#x201d;
-</p>
-<p>Het eten was niet slecht, en de jongens deden den maaltijd eer aan. Koud rundvleesch,
-ham en warme karbonade met goede zandaardappelen, appelmoes en andijviesla deden zich
-goed smaken door ons zestal, dat sedert twee uren niets had genuttigd en hetwelk de
-koude lucht en de meer dan gewone inspanning geducht hongerig hadden gemaakt.
-</p>
-<p>Toen de maaltijd gedaan was, zeide Peter:
-</p>
-<p>&#x201e;Nu ga ik dokter Broekman opzoeken.&#x2014;Weet je ook, kastelein, waar die logeert?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;In &#x201e;De Gouden Engel&#x201d; op de Breestraat,&#x201d; antwoordde de kastelein. &#x201e;Ik zal mijnheer
-iemand meegeven; anders mocht hij den weg niet vinden.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dat is goed,&#x201d; antwoordde Peter. &#x201e;Wie van jelui heeft lust, mij te vergezellen? Dan
-kunnen wij Leiden eens bij den avond zien.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik ga mee,&#x201d; zeide Ben. &#x201e;Ik ben begeerig om te zien Leiden.&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb64" href="#pb64">64</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Ik blijf Jacob gezelschap houden,&#x201d; zeide Lodewijk.
-</p>
-<p>&#x201e;En ik ben te lui, om nu over de straatsteenen te gaan loopen,&#x201d; voegde Karel Schimmel
-er bij.
-</p>
-<p>&#x201e;En jij, Frits?&#x201d; vroeg Peter.
-</p>
-<p>&#x201e;Wel, laat ons deelen. Drie blijven er thuis, dan gaan er drie naar dokter Broekman.
-Ik zal de derde wezen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Zorgt dan, dat jelui ons met een kopje thee wacht,&#x201d; zeide Peter. &#x201e;Schaatsenrijders
-zijn altijd dorstig, vooral wanneer zij zulk een goed middagmaal hebben genoten.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Willen de heeren niet eerst de kamer zien?&#x201d; vroeg de kastelein.
-</p>
-<p>&#x201e;Dat is waar ook,&#x201d; zeide Peter. &#x201e;Wie gaat er mee op dien tocht?&#x201d;
-</p>
-<p>Allen, behalve Jacob, vergezelden hem op de expeditie, die zeer wel ten genoegen van
-het vijftal afliep.
-</p>
-<p>Peter vertrok nu met Frits en Benjamin, onder het geleide van een kleinen jongen uit
-de herberg, die afschuwelijk plat Leidsch sprak en hem tot vervelens toe &#x201e;menhair&#x201d;
-noemde, maar hen toch goed terechtbracht. Zij vonden dokter Broekman niet in &#x201e;De Gouden
-Engel&#x201d;. Hij was dien namiddag naar &#x2019;s-Gravenhage vertrokken en zou eerst den volgenden
-dag tegen den middag terugkomen. Peter zei den kastelein, dat hij een brief voor den
-dokter zou bezorgen, dien de logementhouder hem beloofde, dezen terstond bij zijn
-aankomst ter hand te zullen stellen, wandelde met zijn makkers de Breestraat op en
-keerde daarna in &#x201e;De Roode Leeuw&#x201d; terug, waar Jacob een tukje zat te doen en de beide
-anderen hen met een lekker kopje thee zaten te wachten.
-</p>
-<p>Intusschen waren onze drie jongelieden niet meer de eenigen, die zich in de gelagkamer
-bevonden. Er waren twee mannen gekomen, blijkbaar voerlieden, hetgeen men bemerkte
-aan de lange zweepen, die tegen den schoorsteenmantel stonden. Peter kon niet zeggen,
-dat hij dit gezelschap heel pleizierig vond, en hij zag wel aan het gelaat van zijn
-makkers, dat zij er ook zoo over dachten. Frits Verdam, die bij een boekverkooper
-op de Breestraat een plaat gezien had, waarop eenige struikroovers bezig waren, een
-reisgezelschap uit te plunderen, fluisterde Peter in het oor: <span class="pagenum">[<a id="pb65" href="#pb65">65</a>]</span>&#x201e;Die eene kerel lijkt net op den roover, die op de Breestraat de arme dame het pistool
-op de borst zette.&#x201d; Karel Schimmel, die dat hoorde, keek angstig naar den hoek van
-den haard, waar de mannen half zaten te slapen. En inderdaad, een van de beide nieuw
-aangekomenen had wel iets in zich, om vrees te boezemen. Naar het scheen was hij de
-knecht van den andere, die een rond, vriendelijk gelaat had en dapper snurkte. Of
-hij echter werkelijk sliep, dan of hij zijn loerende oogen tusschenbeide op de welgekleede
-knapen wierp, durf ik niet verzekeren; wel, dat zijn verwilderd haar, zijn ongeschoren
-baard, zijn mager beenig gelaat, gevoegd bij zijn haveloozen pijjakker, zijn gelapte
-broek en smerige klompen, bijzonder geschikt waren, de vroolijke gesprekken der knapen
-te doen verstommen, zoodat zij op &#x2019;t laatst bijna fluisterend spraken. Gelukkig dat
-beiden, na een drietal glazen jenever gedronken, een paar pijpen stinkende tabak gerookt
-en hun avondeten gebruikt te hebben, den kastelein bevalen, hun hun slaapplaats te
-wijzen, en met hem de gelagkamer verlieten.
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure p065width"><img src="images/p065.jpg" alt="" width="720" height="475"></div><p>
-</p>
-<p>&#x201e;Goddank, dat zij weg zijn!&#x201d; riep Karel Schimmel uit, toen de deur achter hen dicht
-ging. &#x201e;Als &#x2019;t zoo laat niet was en wij hadden ons logies niet reeds betaald, dan zou
-ik er wel vóór zijn, om een ander logement op te zoeken. Die eene kerel is in staat,
-ons allen te vermoorden.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik zou je bedanken,&#x201d; zeide Jacob, die zijn laarzen sedert lang had uitgetrokken en
-een paar pantoffels aangeschoten, welke hij van de dochter van den kastelein geleend
-had. &#x201e;Ik ben waarlijk reeds blij, dat ik niet verder dan van hier naar onze slaapkamer
-behoef te gaan, en er dan nu nog op uit te snijden, om een logement te zoeken! Ik
-ben zoo bang niet voor dien man. Hij is misschien niet zoo kwaad als hij er wel uitziet.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;We moesten den kastelein, dunkt mij, maar zeggen, dat hij het avondeten op tafel
-zet,&#x201d; zeide Peter, &#x201e;ofschoon ik er niet veel van gebruiken zal: want ik heb van middag
-copieus gegeten.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ja, dat is goed,&#x201d; zeide Jacob. &#x201e;Ik begin mooi slaap te krijgen en naar bed te verlangen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Jij slaap te krijgen!&#x201d; riep Frits lachend uit. &#x201e;Je hebt den <span class="pagenum">[<a id="pb66" href="#pb66">66</a>]</span>ganschen dag nog niets anders gedaan dan slapen. &#x2019;t Is jammer, dat de tijd der toovernimfen
-over is; anders kon je naar de schoone slaapster in het bosch gaan en honderd jaren
-lang slapen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En dan zou ik wel de prins willen zijn, die in het bosch jaagde,&#x201d; zeide Frits.
-</p>
-<p>&#x201e;Om onzen dikken vrind wakker te maken,&#x201d; schertste Lodewijk. &#x201e;Waarlijk, daar zou niet
-veel eer aan te behalen zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Neen, om de schoone prinses te doen ontwaken (want er moest natuurlijk een schoone
-prinses bij zijn) en dan met haar te trouwen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ei, ei, je bent ook niet mal!&#x201d; riep Lodewijk lachend uit. &#x201e;&#x2019;t Is maar jammer, dat
-er op Broek geen andere prinsessen zijn dan Hilda en Truida.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Of Kato,&#x201d; voegde Peter er bij. &#x201e;Maar daar komt de kastelein.&#x2014;Wees zoo goed, ons avondeten
-klaar te zetten, hospes!&#x201d; zeide hij tot dezen.
-</p>
-<p>Onder vroolijke gesprekken ging de avondmaaltijd voorbij, en, ofschoon Peter niet
-veel honger had, deed hij dien toch tamelijk eer aan.
-</p>
-<p>Onze knapen bleven, na het gebruik van het avondeten, niet lang meer zitten, maar
-lieten zich, zoodra zij gedaan hadden, naar hun slaapkamer brengen. Het was gansch
-geen vriendelijk vertrek, waar zij hun nachtverblijf zouden houden; een donker, smerig
-behangsel en een houten, lichtbruin geverfde vloer, terwijl de neteldoeksche gordijnen
-voor de ramen met kleine vuile ruiten, die het licht der maan, welke zoo pas opgekomen
-was, doorlieten, het kille van het vertrek nog kouder maakten. Maar onze jongens hadden
-te veel slaap, om zich lang uit te kleeden. Het duurde dan ook niet lang, of Peter,
-die &#x2019;t laatst was opgebleven, deed den domper op zijn kaars en stapte in zijn bed,
-waarin Jacob zich reeds lekker in de dekens gerold had.
-</p>
-<p>&#x201e;Nacht, jongens!&#x201d; zeide de kapitein, toen hij in het bed stapte.
-</p>
-<p>Slechts vier stemmen antwoordden&#x2014;Jacob alleen gaf antwoord door zijn snurken.
-</p>
-<p>&#x201e;Hoort eens, jongens,&#x201d; zeide Karel, die naast Lodewijk <span class="pagenum">[<a id="pb67" href="#pb67">67</a>]</span>lag. &#x201e;Je moogt wel niet snurken: want Lodewijk ligt al te beven van angst.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ja, van kou; ik zou niet weten, waarvoor ik bang zou zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Hou je nu maar goed, man,&#x201d; antwoordde Karel. &#x201e;Ik weet toch, dat je benauwd bent voor
-dien roover van hedenavond.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Nu, dan <span class="ex">ben</span> ik maar bang. Gelukkig, dat ik achteraan lig. Als hij ons dan vermoorden wil, pakt
-hij jou &#x2019;t eerst bij de keel.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Slapen gaan, jongens!&#x201d; riep de kapitein. &#x201e;We moeten morgen niet te laat op. Goeden
-nacht dus!&#x201d;
-</p>
-<p>Om de waarheid te zeggen, had Lodewijk te veel slaap om te disputeeren, en het duurde
-niet veel langer dan vijf minuten, of men hoorde uit de drie ledikanten slechts het
-gesnurk der schaatsenrijders.
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>&#x2019;t Was in &#x2019;t holst van den nacht. De maan scheen helder op den vloer der kamer, op
-welken zich iets zwarts bewoog, dat de jongens geen van allen vermoedden of zagen.
-Slapende jongens denken aan geen gevaar. De dikke Jacob had zich intusschen al eens
-in zijn slaap omgedraaid en, ongelukkig voor Peter, juist naar die zijde, dat hij
-zich als een Egyptische mummie in de dekens rolde en daardoor het deel, dat zijn buurman
-in het dek toekwam, met zich nam. De mummie lag nu warm en wel naast den bevrozen
-Peter, die natuurlijk in zijn droom uit al zijn macht over de ontoegankelijkste ijsbergen
-schaatsen reed.
-</p>
-<p>Zooals ik u reeds zeide, bewoog zich in het maanlicht een zwarte gedaante over den
-bruin geverfden vloer&#x2014;langzaam en behoedzaam als een tijger, die zijn prooi beloert.
-</p>
-<p>&#x201e;Word toch wakker, Lodewijk! Dat is de roover, voor wien Karel zeide, dat gij bang
-waart.&#x201d;
-</p>
-<p>Maar Lodewijk wordt niet wakker.&#x2014;Hij snurkte, alsof hij nooit wakker moest worden.
-</p>
-<p>Hoort Karel &#x2019;t dan niet? Die dappere Karel, die zooveel pleizier had, omdat hij meende,
-dat Lodewijk bang was?
-</p>
-<p>Wel neen, Karel droomt van de hardrijderij.
-</p>
-<p>En Jacob, Frits of Ben?
-<span class="pagenum">[<a id="pb68" href="#pb68">68</a>]</span></p>
-<p>Ook zij hooren &#x2019;t niet. Ook zij droomen van den wedloop. Kato zingt in hun droomen
-en Truida is boos, omdat Griete zal meedoen, en Ben hoort het groote orgel weer spelen,
-waarop de dikke Jacob als organist ageert.
-</p>
-<p>En toch beweegt de zwarte gedaante zich, langzaam, behoedzaam, al nader en nader.
-</p>
-<p>Peter! <span class="corr" id="xd29e1326" title="Bron: kapitein">Kapitein</span> Peter! Word toch wakker! Daar is gevaar!
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>Peter hoort ons roepen niet. Maar in zijn droom glijdt hij eensklaps van een ijsberg
-van ruim duizend voet in de diepte en wordt wakker door den schok.
-</p>
-<p>Brr! Wat is dat koud! Hij trekt met wanhopige kracht aan de mummie. Tevergeefs. Laken,
-katoenen sprei en wollen deken, alles is als een muur om Jacob&#x2019;s dikke en slapende
-gestalte gewikkeld. Peter werpt een treurigen blik naar het door het maanlicht beschenen
-venster, daarna op den vloer.
-</p>
-<p>&#x201e;Heldere maneschijn!&#x201d; denkt hij. &#x201e;We zullen morgen mooi weer hebben op onze reis naar
-Den Haag. Sakkerloot! Wat is dat?&#x201d;
-</p>
-<p>Hij ziet de zwarte gedaante, die zich over den vloer beweegt of liever nu stilhoudt;
-want toen Peter zich bewoog, was zij onbeweeglijk gebleven.
-</p>
-<p>Peter houdt zich doodstil en staart onafgewend op de donkere gedaante.
-</p>
-<p>Weder beweegt zij zich, al nader en nader. Door het maanlicht kan de knaap haar duidelijk
-onderscheiden.
-</p>
-<p>&#x2019;t Is een man, die op handen en voeten kruipt.
-</p>
-<p>De kapitein wil een luid geschreeuw aanheffen; doch hij bedenkt zich bijtijds.
-</p>
-<p>De kerel heeft een blinkend mes in de hand. Dat is een leelijke zaak; maar onze Peter
-verliest zijn tegenwoordigheid van geest niet. Als de vent zijn hoofd naar hen wendt,
-heeft hij de oogen gesloten; maar zoodra hij gevoelt, dat hij niet bespied wordt,
-is zijn blik scherp op elke beweging van den kruipende gericht.
-</p>
-<p>Al dichter en dichter kruipt de dief naar het bed, waarop Jacob en Peter liggen. Op
-&#x2019;t oogenblik is zijn rug naar den kapitein gericht. Zachtkens legt hij het mes op
-den vloer <span class="pagenum">[<a id="pb69" href="#pb69">69</a>]</span>neder en strekt zijn arm behoedzaam uit, om de kleeren van den stoel bij Peter&#x2019;s bed
-naar zich toe te trekken.
-</p>
-<p>Nu is &#x2019;t Peter&#x2019;s tijd. Terwijl hij zijn adem inhoudt, springt hij op en werpt zich
-op den rug des roovers, die door het onverwachte en geweldige van den sprong voorover
-op den grond neervalt. Te gelijk grijpt hij het mes van den kerel, dat op den grond
-ligt. De roover begint tegen te worstelen, maar als een reus zit Peter op de neergestreken
-gedaante.
-</p>
-<p>&#x201e;Als je &#x2019;t hart hebt, je te bewegen, schoelje,&#x201d; zegt de dappere jongen met zulk een
-barsche stem, als hij maar kon voortbrengen, &#x201e;als je je maar een duim verroert, dan
-steek ik je het mes in je nek. Jongens! jongens! wordt wakker!&#x201d; riep hij, terwijl
-hij den zwarten kop naar de laagte drukte en het scherpe mes vlak op den nek des roovers
-hield. &#x201e;Helpt een handje! Ik heb den kerel! Ik heb hem!&#x201d;
-</p>
-<p>De mummie keerde zich om, maar gaf geen ander teeken van leven.
-</p>
-<p>&#x201e;Op, jongens!&#x201d; schreeuwde Peter nog luider, terwijl hij den kerel, die begon te worstelen,
-met zijn mes in den nek prikte. &#x201e;Lodewijk! Karel! Frits! Ben! Jacob! Ben je dan allemaal
-dood?&#x201d;
-</p>
-<p>Dood! dat waren ze in &#x2019;t geheel niet.
-</p>
-<p>Frits en Ben waren reeds uit het bed gesprongen.
-</p>
-<p>&#x201e;Wat schreeuw je toch?&#x201d; riep Frits. &#x201e;&#x2019;t Is of het huis in brand staat.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wel, ik heb hier een roover gevangen,&#x201d; zeide Peter koel. &#x201e;Lig stil, schurk of het
-mes gaat er in!&#x2014;Jelui ledikant is met een touw aan elkander gebonden. Haalt dat er
-af, om den schelm te binden. Doe &#x2019;t maar op je dooie gemak; want als de kerel het
-hart heeft, om spul te maken, is hij een kind des doods.&#x201d;
-</p>
-<p>Dat Peter zoo kordaat was, kwam, omdat hij gevoelde, dat hij, met dat mes in zijn
-hand, voor den kerel op &#x2019;t oogenblik meer dan duizend pond woog. De vent bromde en
-vloekte, maar bewegen durfde hij zich niet.
-</p>
-<p>Op dit oogenblik sprong ook Lodewijk uit zijn bed. Hij had een ferm knipmes in zijn
-broekzak. Dat kon nu goeden <span class="pagenum">[<a id="pb70" href="#pb70">70</a>]</span>dienst doen. In een oogenblik waren de gordijnen van het ledikant omhooggeslagen en
-zagen zij het touw, dat van voren en van achteren aangeknoopt was.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik zal het lossnijden,&#x201d; zeide Lodewijk, terwijl hij met zijn mes den knoop doorzaagde.
-&#x201e;Hou hem maar goed vast, Peter!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Heb daar maar geen vrees voor,&#x201d; antwoordde de kapitein, terwijl hij den roover de
-punt van zijn mes liet voelen.
-</p>
-<p>&#x2019;t Duurde niet lang, of het touw was van het ledikant; het was een mooi lang eind.
-</p>
-<p>&#x201e;Nu, jongens!&#x201d; beval de kapitein. &#x201e;Licht nu de armen van den schurk op. Bindt hem
-de handen op den rug. Zoo is &#x2019;t goed&#x2014;neemt mij niet kwalijk, dat ik zoo in den weg
-zit&#x2014;bindt hem maar stevig vast.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ja, en zijn voeten ook, den schurk!&#x201d; riep Lodewijk. En zij bonden hem zóó stevig,
-dat de kerel van pijn kermde.
-</p>
-<p>Thans veranderde de man van toon.
-</p>
-<p>&#x201e;Ach, lieve jongeheeren!&#x201d; smeekte hij. &#x201e;Spaart toch een armen, kranken man, die een
-slaapwandelaar is.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Zoo, mannetje!&#x201d; zei Frits, die nog bezig was om een knoop in het koord aan &#x2019;s mans
-been te leggen. &#x201e;Was je in slaap? Nu, dan zullen we je wel wakker maken.&#x201d;
-</p>
-<p>De kerel mompelde een paar voermansvloeken; toen riep hij op deerniswekkenden toon:
-&#x201e;Maakt die touwen los, lieve, beste jongeheeren! Ik heb vijf kleine kinderen thuis.
-Bij al wat heilig is, ik zal u ieder vier rijksdaalders geven, als gij mij loslaat!
-</p>
-<p>&#x201e;Niet onaardig,&#x201d; riep Peter lachend uit.
-</p>
-<p>Toen begon de kerel te dreigen en wel zóó verschrikkelijk, dat Lodewijk er bang voor
-werd. Maar zij bleven hem toch maar dapper binden.
-</p>
-<p>&#x201e;Houd je mond, mijnheer de huisbreker,&#x201d; zeide Frits. &#x201e;Bedenk, dat je mes vlak op je
-hals is. Als je onzen kapitein zenuwachtig maakt, dan sta ik er niet voor in, wat
-er gebeuren kan.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x2019;t Scheen, dat de roover die bedreiging ter harte nam; hij zweeg ten minste.
-</p>
-<p>Juist op het oogenblik bewoog zich de mummie in Peter&#x2019;s <span class="pagenum">[<a id="pb71" href="#pb71">71</a>]</span>bed en richtte hij zich op. &#x201e;Wat voer jelui toch uit?&#x201d; riep hij, zonder zijn oogen
-open te doen.
-</p>
-<p>&#x201e;Wat we uitvoeren, Jacob?&#x201d; zeide Lodewijk. &#x201e;Kom, sta op! Daar is werk voor je aan
-den winkel. Ga jij eens op den rug van dien kerel zitten, totdat wij onze kleederen
-hebben aangeschoten; want we bevriezen bijna van de kou.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Welken kerel?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Leve Poot!&#x201d; riepen de jongens, toen de dikzak met dek en al het bed uitkwam, met
-een enkelen blik de zaken overzag en nu met zijn zware lichaam naast Peter op den
-rug des roovers ging zitten.
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure floatRight p071width"><img src="images/p071.png" alt="" width="524" height="662"></div><p>
-</p>
-<p>Nu eerst kermde de kerel terdeeg.
-</p>
-<p>&#x201e;Ziezoo, blijf jij nu maar op hem zitten,&#x201d; zei Peter.
-</p>
-<p>&#x201e;Je zult toch geen kou vatten met je dekens om &#x2019;t lijf. Intusschen zal ik mij aankleeden
-en met Frits naar de politie gaan. Sakkerloot! Ik ben zoo koud als een visch geworden.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Waar is Karel?&#x201d; vroeg Lodewijk, die zijn slaapkameraad miste.
-</p>
-<p>Allen keken rond&#x2014;Karel was nergens te zien.
-</p>
-<p>&#x201e;Lieve Hemel!&#x201d; riep Frits. &#x201e;Misschien heeft hij den kerel <span class="pagenum">[<a id="pb72" href="#pb72">72</a>]</span>op de trap ontmoet en heeft die hem doodgestoken. Er was toch geen bloed aan het mes?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Hij lag nog in het bed, toen ik er uitsprong,&#x201d; zei Lodewijk.
-</p>
-<p>&#x201e;Maak je maar niet ongerust over hem,&#x201d; zeide Peter lachend, terwijl hij zijn dikken
-pijjakker vastknoopte. &#x201e;Kijk maar eens onder de ledikanten.&#x201d;
-</p>
-<p>Dit deden zij; maar Karel was er niet.
-</p>
-<p>Op dit oogenblik hoorden zij een beweging op de trap en een paar seconden later kwam
-de waard, gewapend met een zwaren ijzeren pook. Zijn dochter volgde hem met de blaaspijp
-in de eene hand en een brandende kaars in de andere, en daarachter&#x2014;zoo bleek als een
-doode en met het angstigste gezicht, dat men zich kan voorstellen&#x2014;de dappere Karel
-in zijn hemd.
-</p>
-<p>&#x201e;Daar is de kerel al, kastelein,&#x201d; zeide Peter, terwijl hij op den gevangene wees.
-</p>
-<p>De kastelein hief zijn pook op om den kerel een slag te geven en de dochter gaf een
-gil, terwijl Jacob, vlugger dan men van hem zou verwacht hebben, van den rug des gevangenen
-afsprong.
-</p>
-<p>&#x201e;Sla hem niet,&#x201d; zeide Peter. &#x201e;Hij is aan handen en voeten gebonden. Laat ons hem op
-den rug draaien en zien, wie hij is.<span class="corr" id="xd29e1402" title="Niet in bron">&#x201d;</span>
-</p>
-<p>Karel stapte moedig voorwaarts en zeide op dapperen toon:
-</p>
-<p>&#x201e;Ja, laat ons hem omdraaien, of &#x2019;t hem bevalt of niet. Gelukkig, dat we hem gesnapt
-hebben.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Hé, ben jij daar, Karel? zeide Lodewijk spottend. &#x201e;Waar heb je toch gezeten, man?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Waar ik gezeten heb? Wel, ik heb alarm gemaakt. Mij dunkt, dat dit noodig was.&#x201d;
-</p>
-<p>De jongens keken elkander glimlachend aan; maar zij waren veel te blij en te opgewonden,
-om Karel verder te plagen. Karel was moedig genoeg. Hij hielp dapper mede aan het
-omkeeren van den kerel.
-</p>
-<p>Toen de roover nu met het gezicht naar boven lag, nam Lodewijk de kaars uit de hand
-van het meisje en hield die vlak bij het gelaat van den gevangene.
-<span class="pagenum">[<a id="pb73" href="#pb73">73</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Nu moet ik hem toch eens goed zien,&#x201d; zeide hij. &#x201e;Inderdaad&#x2014;het is de kerel, die van
-avond achter de kachel zat.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Waarlijk, hij is het!&#x201d; zeide Peter.
-</p>
-<p>Intusschen was de dochter van den kastelein de kamer uitgegaan. Zij kwam een oogenblik
-daarna weer binnen met een paar smerige klompen.
-</p>
-<p>&#x201e;Kijk, vader,&#x201d; zeide zij, &#x201e;&#x2019;t is dezelfde kerel, die van avond zoo laat met zijn baas
-hier kwam. &#x2019;t Was heel onvoorzichtig van ons, dat wij hem zoo dicht bij de jongeheeren
-lieten slapen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Die schurk!&#x201d; kreet de kastelein. &#x201e;Hij heeft mijn logement in miskrediet gebracht.
-Ik ga terstond om de politie.&#x201d;
-</p>
-<p>In minder dan een kwartier waren er twee stevige nachtwachts in de kamer. Nadat zij
-den kastelein gezegd hadden, dat hij den volgenden morgen vroeg met de zes jongeheeren
-op het politiebureau moest komen, om hun getuigenis af te leggen, gingen zij met den
-gevangene heen.
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure floatRight p073width"><img src="images/p073.png" alt="" width="472" height="302"></div><p>
-</p>
-<p>Nu zoudt gij misschien denken, dat de kapitein en zijn volk het verdere van dien nacht
-geen oog meer loken. Dat weten mijn lezers wel beter. Het kruid is nog niet uitgevonden,
-dat een jongen, die een goed geweten heeft en vermoeid is, kan beletten om te slapen.
-&#x2019;t Duurde niet lang of zij waren allen te bed (dat van Lodewijk en Karel, waarvan
-de onderlagen waren losgeschoten, lag op den vloer), hadden roover, politie, wedloop,
-alles vergeten en sliepen allen behalve Karel, die &#x2019;t maar niet kon vergeten, dat
-hij zich zoo laf had aangesteld, doch ook spoedig het voorbeeld der anderen volgde
-en in slaap viel.
-<span class="pagenum">[<a id="pb74" href="#pb74">74</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch8" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd29e202">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">ACHTSTE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">Wat onze knapen al zoo in Leiden zagen.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">&#x2019;t Was tien uren, vóór ons zestal den volgenden morgen beneden kwam.
-</p>
-<p>&#x201e;Laat hen maar slapen,&#x201d; had de dochter van den kastelein tegen haar vader gezegd.
-&#x201e;De moedige jongens mogen hun rust wel hebben na de vermoeienissen van gisteren en
-den schrik van dezen nacht. En als zij beneden komen, zullen zij een goed ontbijt
-hebben&#x2014;daar kunnen zij op rekenen. En wat warms ook.&#x201d;
-</p>
-<p>Nu, zij hadden dan ook ruimschoots gebruik van de gelegenheid tot slapen gemaakt en
-gevoelden zich recht verfrischt, ja, zelfs Jacob Poot kon niet begrijpen, dat hij
-den vorigen dag een tocht van Broek naar Leiden had gemaakt. Over &#x2019;t geheel konden
-de jongens zich niet voorstellen, dat zij gisterochtend nog in het hartje van Noord-Holland
-waren; er was dan ook zóóveel gebeurd, dat het hun was, als waren zij reeds een week
-op reis geweest.
-</p>
-<p>&#x201e;Goeden morgen, heeren!&#x201d; zeide de kastelein, toen zij beneden kwamen. &#x201e;Nu, dat noem
-ik een gat in den dag slapen. Maar &#x2019;t is de schuld van mijn Betje. Zij wilde niet,
-dat Gerrit u riep. Intusschen&#x2014;gaat nu maar spoedig aan het ontbijt, en, als gij daarmede
-klaar zijt, dan gaan we naar het politiebureau: want het is hoog tijd, om ons daar
-heen te begeven.&#x2014;&#x2019;t Is waarachtig een mooi geval voor een fatsoenlijk logement. Gij
-zult echter wel naar waarheid getuigen, heeren, dat gij goed logies en fatsoenlijke
-behandeling in &#x201e;De Roode Leeuw&#x201d; gehad hebt, niet waar?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dat zullen wij,&#x201d; antwoordde Karel. &#x201e;En tevens, welk aangenaam gezelschap wij er gevonden
-hebben ook. Jammer dat het op zoo&#x2019;n ongelegen uur kwam.&#x201d;
-</p>
-<p>De kastelein keek mooi beteuterd toen Karel dat zoo zeide; maar zijn dochter nam het
-woord en voegde er tamelijk scherp bij:
-</p>
-<p>&#x201e;Zoo aangenaam was &#x2019;t u toch niet, jongeheer, als ik bedenk, hoe hard en in welk toilet
-gij zijt weggeloopen.&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb75" href="#pb75">75</a>]</span></p>
-<p>Karel Schimmel beet zich op de lippen en mompelde iets, dat niemand verstond; maar
-hij wachtte zich wel, een woord meer te zeggen.
-</p>
-<p>Na het ontbijt wandelden onze zes jongens, in gezelschap van den kastelein en zijn
-dochter, naar het bureau van politie. De getuigenis van den kastelein kwam hierop
-neer, dat een roover, zooals er den afgeloopen nacht een in de kamer zijner loges
-was binnengedrongen, een ongehoorde zaak voor &#x201e;De Roode Leeuw&#x201d; was; dat zijn logement
-een respectabel logement was, zoo goed als een in Leiden tusschen zijn vier muren
-stond. Ieder van de jongens legde op zijn beurt getuigenis af en bevestigde, dat de
-kerel, die werd voorgebracht, dezelfde was, die dezen nacht op hun kamer was geweest.
-Toen Karel hem zag, sloeg hij de handen ineen, dat de man niet grooter was dan een
-gewoon mensch; want in zijn getuigenis had hij een reus van hem gemaakt met breede
-schouders en een vreeselijk uitzicht. Jacob had getuigd, dat hij wakker geworden was
-door het stampen, dat de roover deed op den houten vloer; maar Peter en de overigen
-hadden medegedeeld, dat de kerel geen vin verroerd had van het oogenblik, dat hij
-de punt van het mes op zijn nek voelde, totdat men hem had omgekeerd, om hem van aangezicht
-tot aangezicht te zien. De dochter van den kastelein dwong den commissaris een glimlach
-en een der knapen een blos af, toen zij verklaarde, dat, als die knappe jongeheer
-er niet geweest was, zij allen in hun bed zouden zijn vermoord geworden: &#x201e;want de
-schurk had een groot, blinkend mes, bijna zoo lang als uwés arm,&#x201d; en zij geloofde,
-dat &#x201e;de knappe jongeheer werk genoeg had gehad om hem onder zich te krijgen; maar
-de jongeheer was te zedig, om er zich op te beroemen.&#x201d;
-</p>
-<p>Nadat er proces-verbaal was opgemaakt van het getuigenverhoor en dit door den kastelein
-en zijn dochter, als de eenige mondige getuigen, was onderteekend, werd de schuldige
-weggebracht en konden onze knapen naar huis gaan.
-</p>
-<p>&#x201e;De schurk!&#x201d; riep Karel. &#x201e;&#x2019;t Is ferm, dat hij naar de gevangenis gaat. Ze moeten hem
-maar een jaar of wat geven. Als ik in jouw plaats geweest was, Peter, zou ik den kerel
-het mes door den hals gejaagd hebben.&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb76" href="#pb76">76</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Gelukkig, dat hij dan niet in jouw handen gevallen is, Karel,&#x201d; antwoordde Peter kalm.
-&#x201e;Die arme kerel zal er waarschijnlijk slecht genoeg afkomen, daar &#x2019;t mij uit het verhoor
-is gebleken, dat hij al vroeger in handen der justitie is geweest, en de omstandigheid,
-dat hij van nacht een mes bij zich gehad heeft, nogal verzwarend schijnt te wezen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Arme kerel!&#x201d; mompelde Karel luid genoeg, om door Peter verstaan te worden. &#x201e;Je praat
-er warempel over alsof &#x2019;t je broer was.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Is hij dan mijn broer niet?&#x201d; vroeg Peter. &#x201e;Hij is &#x2019;t net zoo goed van jou als van
-mij. En kun jij zeggen wat wij onder gelijke omstandigheden zouden gedaan hebben?
-Schier van onze geboorte af aan, hebben onze ouders ons van het kwade teruggehouden.
-Was die man in een goed huisgezin en door zorgvuldige ouders opgevoed, wie weet, welk
-een braaf mensch er van hem geworden was.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dat is nobel van je gesproken, Piet,&#x201d; zeide Frits Verdam, terwijl hij hem de hand
-drukte. &#x201e;Maar Karel heeft het zoo kwaad niet gemeend.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik was hardvochtig,&#x201d; zeide Karel, terwijl hij Peter de hand reikte. &#x201e;Je bent beter
-dan ik, Piet!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Kom, laat ons daar maar niet over twisten. Waar zullen we &#x2019;t eerst heengaan? Laat
-Ben dat nu eens beslissen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Naar het Egyptian museum,&#x201d; antwoordde deze.
-</p>
-<p>&#x201e;Dat is op de Breestraat,&#x201d; zeide Peter. &#x201e;Dan gaan wij de ruïne over.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;De ruïne? Wat is dat?&#x201d; vroeg Ben, die niets anders dacht, dan dat hij een steenklomp
-zou zien, zooals bijvoorbeeld de ruïne van het huis te Brederode.
-</p>
-<p>&#x201e;Daar heb je haar reeds,&#x201d; zeide Jacob, toen zij een prachtig met boomen beplant en
-tot wandelplaats ingericht plein overgingen.
-</p>
-<p>&#x201e;Maar dat in &#x2019;t geheel niet doet gelijken op een ruïne,&#x201d; zeide Ben met een gezicht,
-als meende hij, dat zijn neef hem voor den gek hield.
-</p>
-<p>&#x201e;En toch is de naam zeer juist. Want hier en aan den overkant der gracht, stonden,
-in den morgen van den 12den Januari 1807, tal van huizen die alle in een enkel oogenblik
-tot puin vielen,&#x201d; antwoordde Peter. &#x201e;Papa was toen juist in Leiden en hij heeft het
-mij dikwijls verteld.&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb77" href="#pb77">77</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Hé, dan moest je &#x2019;t ook eens vertellen,&#x201d; zeiden de andere jongens. &#x201e;Dat zou aardig
-wezen, net dat we op de plaats zelf zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Met veel genoegen,&#x201d; hervatte Peter. &#x201e;Weet dan, dat hier, evenals op het andere gedeelte
-van het Rapenburg tal van aanzienlijke huizen stonden met geringere buurten er achter.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Daar kunnen er nogal wat gestaan hebben,&#x201d; merkte Frits op. &#x201e;&#x2019;t Is hier een ruimte.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Zoo wat van driehonderd, en de ledige oppervlakte is ver over de vijf bunders groot,&#x201d;
-hernam Peter. &#x201e;Nu was er, door welke onvoorzichtigheid weet ik niet, een schip met
-veertig duizend pond buskruit op den morgen van den 12den Januari door de stad gekomen
-en hier op het fraaiste gedeelte blijven liggen&#x2014;ook al een ongehoorde zaak. Eensklaps&#x2014;door
-welke oorzaak weet natuurlijk niemand&#x2014;barst het schip met een donderenden slag uiteen
-en storten door de plotselinge uitzetting der lucht, drie honderd huizen in puin.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Vreeselijk!&#x201d; riep Ben uit.
-</p>
-<p>&#x201e;Ja, wèl vreeselijk. In geheel Leiden zelf bleef er geen glas heel, en &#x2019;t was zelfs
-zóó erg, dat men uit Den Haag en andere plaatsen brood moest aanvoeren, omdat de Leidsche
-bakkers niet konden bakken, daar al hun meel vol glas zat. De slag deed in &#x2019;s-Gravenhage
-en Gouda de glazen dreunen en de deuren openspringen en werd zelfs te Arnhem gehoord.
-Maar ook hier toonde zich de Nederlandsche weldadigheid weder schitterend: meer dan
-een millioen guldens werd er ingezameld tot leniging van de ramp. En wat ik niet mag
-verzwijgen, Ben, en wat je zeker machtig veel pleizier zal doen als je &#x2019;t hoort: in
-Engeland, dat te dien tijde met ons in zekeren zin in oorlog was, werd een collecte
-voor Leiden gedaan, die vrij wat opbracht.&#x201d;
-</p>
-<p>Ben&#x2019;s gelaat blonk van genoegen over de lofspraak, die Peter aan zijn volk bracht;
-want onder de deugden der Engelsche natie is er een, die zij somtijds zóó ver drijft,
-dat het een ondeugd wordt: nationaliteit.
-</p>
-<p>&#x201e;En heeft je papa je geen bijzonderheden van die ramp verteld?&#x201d; vroeg Frits.
-</p>
-<p>&#x201e;O ja, en ik wil er je wel een paar van meedeelen, die ik nog onthouden heb, als ik
-de namen nog maar weet,&#x201d; antwoordde Peter. &#x201e;Zekere mijnheer Van Staveren, bij wien
-<span class="pagenum">[<a id="pb78" href="#pb78">78</a>]</span>papa dikwijls aan huis kwam, zat in zijn woonvertrek te schrijven, terwijl zijn vrouw
-met haar eenig kindje bij hem in de kamer was. Eensklaps ziet papa&#x2019;s vriend een licht,
-sneller dan dat van den bliksem, en op hetzelfde oogenblik is hij met al zijn huisgenooten
-onder het puin bedolven. Vreeselijk gekwetst worden zij er onder vandaan gehaald;
-doch het arme kind is verpletterd. Dominee Broes, bij wien papa op de catechisatie
-ging, en diens echtgenoote werden ook onder de puinhoopen van hun huis begraven: zij
-werden gered, maar hun dienstboden verloren het leven. Gelukkig, dat de departementale
-school juist uit was; anders had een menigte schoolkinderen het aantal slachtoffers
-aanzienlijk vermeerderd. Toch waren er nog een twaalftal die tusschen de morgen- en
-middagschooltijden overbleven, onder wie een zoontje van professor Van der Palm. Al
-die twaalf kinderen, benevens twee van den onderwijzer zelf, werden levenloos onder
-het puin vandaan gehaald. Onder de vreeselijke gevallen, welke papa zich nog herinnert,
-is ook dat van een gezelschap van veertien personen, dien morgen met een pleizierjacht
-uit Den Haag gekomen. Zij zaten juist aan een vroolijken maaltijd bij den heer Struick,
-toen eensklaps het huis boven hun hoofden instortte en ze allen in een oogenblik een
-prooi des doods werden. Gelukkig was de vacantie der academie nog niet uit en werd
-er geen student gemist: twee professoren echter, de heeren Luzac en Kluit, lieten
-bij het ongeval hun leven.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Vreeselijk!&#x201d; riepen Ben en Frits uit. &#x201e;En hoeveel menschen kwamen er wel bij om?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Honderd en vijftig, en ongeveer twee duizend werden er gekwetst. Maar daar zijn wij
-aan het museum van oudheden.&#x201d;
-</p>
-<p>Welke groote oogen zetten zij op bij het zien van die verzameling van mummies, van
-welke sommige wel drie duizend jaren oud waren!
-</p>
-<p>&#x201e;Zonderling denkbeeld!&#x201d; riep Frits uit. &#x201e;Die menschen hebben vóór drie duizend jaren
-door Thebe&#x2019;s straten gewandeld, hebben gesproken, gedacht, bemind en gehaat.&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En hun gelijken onderdrukt, die voor hen in &#x2019;t stof bogen.&#x2026;&#x201d; voegde Peter er bij.
-<span class="pagenum">[<a id="pb79" href="#pb79">79</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;En ze hebben thans geen macht, om een vlieg weg te jagen, die over hun neus loopt,&#x201d;
-zeide Lodewijk.
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure p079width"><img src="images/p079.png" alt="" width="574" height="582"></div><p>
-</p>
-<p>Behalve de mummies der volwassenen, zagen zij er van kinderen, katten, ibissen en
-andere dieren. Ook de mummie van de dochter van Koningin Cleopatra in haar groote
-kist. Verder allerlei huishoudelijke zaken, kleederen, sieraden, wapenen, muziek-instrumenten,
-kortom, allerlei dingen, die hun een klaar denkbeeld gaven van de zeden en gebruiken
-der oude Egyptenaren. Ook bezagen zij er verschillende overblijfselen van het oude
-Rome en Griekenland; ook enkele, die niet ver van Den Haag zijn opgedolven op Arentsburch,
-waar de Romeinen een legerplaats hebben gehad; daarna nog de afgietsels in gips van
-de schoonste voortbrengselen der Grieksche en Romeinsche beeldhouwkunst.
-</p>
-<p>Van het museum van oudheden begaven zij zich naar dat van natuurlijke historie, waar
-zij zich vermaakten met het zien van de opgezette dieren en geraamten, der delfstoffen
-en fossiliën of overblijfselen uit de voorwereld. Daarna bezagen <span class="pagenum">[<a id="pb80" href="#pb80">80</a>]</span>zij den plantentuin, waar zij gewassen uit alle oorden der wereld vonden, maar zich
-&#x2019;t meest voelden aangetrokken door een boom, dien men zeide, dat Boerhaave zelf had
-geplant.
-</p>
-<p>&#x201e;Is dat die zelfde Boerhaave, die zoo&#x2019;n groot dokter was?&#x201d; vroeg Ben.
-</p>
-<p>&#x201e;Dezelfde,&#x201d; antwoordde Peter. &#x201e;Hij had zulk een Europeesche beroemdheid, dat er eens
-een brief uit China kwam met het adres: aan Hermanus Boerhaave in Europa.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En kwam die terecht?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wel zeker. En wat het mooiste van alles was: uit alle oorden kwamen rijken en aanzienlijken
-hem als arts raadplegen; maar zij moesten steeds wachten, tot hij zijn armen-praktijk
-had bediend: want, zeide hij, dat zijn mijn beste klanten, omdat God voor hen betaalt.&#x201d;
-</p>
-<p>Daar &#x2019;t in het kortst van de dagen was en zij dus niet veel tijd te verliezen hadden,
-indien zij nog dien avond in Den Haag wilden zijn, begrepen zij, dat zij hun verder
-bezichtigen van Leiden tot nog twee zaken moesten beperken: het Stadhuis en &#x201e;Den Burcht&#x201d;.
-</p>
-<p>Het eerste, op de Breestraat staande en vooral beroemd door den tijd van het beleg,
-is een statig gebouw, uit Bentheimer steen opgetrokken, met een hooge steenen trap
-van twintig treden aan elke zijde, en bevatte, behalve de beroemde schilderij van
-den vermaarden Lucas van Leyden, voor welke Keizer Rudolf II eens zooveel dukaten
-heeft geboden als er noodig waren om haar te bedekken, nog een van den hongersnood
-gedurende het beleg, en een andere, waar Van der Werf wordt voorgesteld op het oogenblik,
-dat hij zijn heldhaftige taal tot de Leidsche burgerij richt. Ook bezagen zij daar
-met belangstelling overblijfselen van het beleg: den pot van Schaak, twee opgezette
-duiven, die als briefposten hebben gediend, het zwaard van Van der Does, alsook verschillende
-noodmunten, gedurende de belegering geslagen, zaken die thans meerendeels naar het
-Stedelijk Museum zijn verhuisd.
-</p>
-<p>Na alles bezichtigd te hebben en een oogenblik te hebben stilgestaan bij de schilderij,
-voorstellende een moeder, die aan de pest sterft, begaven zij zich naar &#x201e;Den Burcht&#x201d;,
-destijds een logement.
-<span class="pagenum">[<a id="pb81" href="#pb81">81</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Wij zullen hier koffie drinken,&#x201d; zeide Peter.
-</p>
-<p>&#x201e;En wat eten ook,&#x201d; zeide Jacob. &#x201e;Want van al dat ronddrentelen heb ik mooi honger
-gekregen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Mij is &#x2019;t goed,&#x201d; antwoordde Peter. &#x201e;Alleen geef ik je in bedenking, of we ons maal
-niet zullen bederven, daar ze ons in &#x201e;De Roode Leeuw&#x201d; met het middagmaal wachten.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Nu, een broodje met ossenvleesch zal ons maal niet bederven,&#x201d; zeide Karel, die ook
-zijn maag geducht voelde jeuken.
-</p>
-<p>&#x201e;Je hebt gelijk,&#x201d; hernam Peter, en dit zeggende, stapte hij met zijn makkers het hek
-van het zich aan den voet van &#x201e;Den Burcht&#x201d; bevindende logement in.
-</p>
-<p>Hoe ferm onze jongens ook tegen de kou konden praten&#x2014;het rondwandelen door de kille
-zalen der museums had hen koud gemaakt, en, al waren zij in de trekkassen van den
-plantentuin een weinig bekomen, zij waren weer door en door koud geworden bij het
-bezoek op het Stadhuis. Recht aangenaam was hun dus de ferm gestookte kachel in het
-logement &#x201e;Den Burcht&#x201d;, en met volle teugen genoten zij de dampende koffie, die hen,
-in vereeniging met de broodjes met vleesch, geheel en al restaureerde. Intusschen
-hadden zij &#x2019;t gezicht op &#x201e;Den Burcht&#x201d;.
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure floatRight p081width"><img src="images/p081.png" alt="" width="138" height="109"></div><p>
-</p>
-<p>&#x201e;&#x2019;t Schijnt te zijn een oud gebouw, die burcht,&#x201d; zeide Ben.
-</p>
-<p>&#x201e;Dat zou ik meenen,&#x201d; antwoordde Lodewijk. &#x201e;Hij moet nog uit den tijd der Romeinen
-zijn, die hem gebouwd hebben, zooals zij &#x2019;t andere dergelijke gebouwen deden, om het
-volk des lands van uit die burchten te onderdrukken. Tevens heeft hij nog een historische
-waarde: want het was op hem, dat Gravin Ada, de dochter van Dirk VII en Aleid van
-Cleef, belegerd is geworden.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dat was tijdens de Hoeksche en Kabeljauwsche twisten, niet waar?&#x201d; zeide Ben.
-</p>
-<p>&#x201e;Wel neen, mijn Engelsche vriend,&#x201d; zeide Lodewijk lachend. &#x201e;Nu heb je &#x2019;t heel en al
-mis. Onze gravin Ada leefde evenmin tijdens de Hoeksche en Kabeljauwsche twisten als
-jelui Koningin Elisabeth tijdens den twist tusschen de Roode en Witte Roos. Gravin
-Ada werd hier in 1203 belegerd en de Hoeksche en Kabeljauwsche twisten begonnen in
-1349.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En duurden tot 1493; dus bijna honderd en vijftig jaren,&#x201d; voegde Frits er bij, die
-ook eens zijn historische kennis wilde <span class="pagenum">[<a id="pb82" href="#pb82">82</a>]</span>laten luchten. Daar ik vertrouw, dat mijn lezeressen en lezers wel wat op de hoogte
-zijn der geschiedenis van ons vaderland, zal ik hun het verhaal niet mededeelen, dat
-Lodewijk aan Ben deed van de korte, maar rampspoedige regeering der ongelukkige gravin.
-</p>
-<p>Toen onze knapen genoegzaam gerestaureerd waren, beklommen zij de acht en zestig treden,
-langs welke men aan den zes ellen hoogen muur komt. Daarop traden zij door de met
-gebeeldhouwde wapens voorziene poort binnen en bestegen de hoogte, die langs den met
-zes en dertig kanteelen bezetten muur loopt, en van waar zij een uitlokkend gezicht
-over de stad Leiden hadden. Daarna bezagen zij den put, waarin door een machine het
-water werd gepompt, hetwelk door onderaardsche pijpen werd geleid naar de in 1691
-gebouwde fontein op de Vischmarkt, die alle Zaterdagen springt.
-</p>
-<p>&#x201e;Van dezen put wordt nog een aardige bijzonderheid verteld, die gedurende het beleg
-in 1203 plaats had,&#x201d; zeide Lodewijk. &#x201e;Toen genoegzaam alle leeftocht was uitgeput,
-ving een der soldaten in dien put een levenden visch, dien men den belegeraars toewierp,
-opdat zij mochten denken, dat de belegerden nog toevloed van buiten hadden en dan
-het beleg zouden opbreken. Maar &#x2019;t hielp hun niet; een paar dagen later moesten zij
-zich toch overgeven.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Er zijn allerlei dwaze vertelsels van dezen put,&#x201d; merkte Frits aan, &#x201e;die echter geen
-van alle den minsten schijn van waarheid hebben. Zoo heb ik mij onder andere eens
-laten verhalen, dat deze put met een onderaardsche gang in verband stond, die tot
-Katwijk doorliep.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Als dat was waar,&#x201d; zeide Ben, &#x201e;Gravin Ada zou zich niet gevangen hebben laten nemen,
-zooals zij deed.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Natuurlijk niet,&#x201d; hernam Frits.
-</p>
-<p>Nadat zij &#x201e;Den Burcht&#x201d; genoegzaam bezien en hun vertering betaald hadden, wandelden
-zij naar &#x201e;De Roode Leeuw&#x201d; terug, waar zij, na het door de dochter van den kastelein
-lekker gereedgemaakte diner, nog een uurtje uitrustten en met hun waard afrekenden.
-Kort daarna stonden zij, met hun schaatsen ondergebonden, op de trekvaart, die van
-Leiden naar &#x2019;s-Gravenhage loopt en den naam van &#x201e;Vliet&#x201d; draagt.
-<span class="pagenum">[<a id="pb83" href="#pb83">83</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch9" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd29e210">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">NEGENDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">Hoe onze reizigers in Den Haag ontvangen werden.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">&#x201e;Ik dacht, dat je de reis hadt uitgesteld,&#x201d; zeide mevrouw Van Gent, de zuster van
-Peter en Lodewijk, toen de zes knapen door de dienstmaagd in de woonkamer waren gelaten.
-&#x201e;Ik had je al voor den eten gewacht en stellig op je gerekend. En daar kom je me nu
-in den donker aanzetten.&#x201d;
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure floatRight p083width"><img src="images/p083.png" alt="" width="236" height="180"></div><p>
-</p>
-<p>&#x201e;Wat zal ik je zeggen, Marie,&#x201d; zeide Peter. &#x201e;We hebben den dag besteed, om Leiden
-eens te zien. Je bent er toch niet boos om?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Boos?&#x2014;In &#x2019;t geheel niet. Integendeel, ik ben heel blij dat je gekomen zijt. Maar
-gaat zitten. En zijn dat je kameraads? Nu, jongens, je moet je tijd maar goed besteden
-in ons mooi Haagje. Daar is ook wat te zien, dat verzeker ik je.&#x201d;
-</p>
-<p>Nadat onze knapen waren gezeten en Peter alle vragen naar de familie had beantwoord,
-zeide mevrouw Van Gent:
-</p>
-<p>&#x201e;En nu zul je wel honger hebben ook. Ik zal zorgen, dat je binnen een half uur je
-middagmaal hebt.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Doe maar geen moeite, Marie,&#x201d; antwoordde Peter. &#x201e;We hebben te Leiden reeds gedineerd
-en dus geen behoefte aan middageten. Je zoudt ons meer pleizier doen met een paar
-boterhammen en een kop thee.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Die zul je hebben,&#x201d; antwoordde mevrouw Van Gent, terwijl zij de meid schelde, om
-het noodige te brengen.
-</p>
-<p>Toen onze jongens nu rondom de tafel zaten, bij de gezellige carcellamp en den niet
-minder gezellig vlammenden haard, kwam mijnheer Van Gent thuis.
-</p>
-<p>&#x201e;Welzoo, ben jelui toch gekomen?&#x201d; zeide hij, terwijl hij ieder der knapen hartelijk
-de hand reikte. &#x201e;Kom, dat is goed. Marie had je al uitgeschrapt. Toch niet van morgen
-pas van Broek gegaan, denk ik?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Gistermorgen, François,&#x201d; zeide Peter. &#x201e;En wel vóór dag en dauw.&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb84" href="#pb84">84</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Dan hadt je ook wel wat vroeger hier kunnen zijn, dunkt mij.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Als er geen bijzonderheden te zien waren geweest in Haarlem en Leiden,&#x201d; zeide Lodewijk.
-</p>
-<p>&#x201e;Ha, zoo! Heb je daar je tijd aan besteed? Kijk, dat bevalt me. Nu, dan zal ik zorgen,
-dat je hier ook al het merkwaardige ziet. Je blijft toch zeker tot na Nieuwjaar?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wij zijn van plan, om overmorgen vroeg weer te vertrekken,&#x201d; zeide Peter.
-</p>
-<p>&#x201e;Dat kun je begrijpen. Overmorgen! Daar komt niets van, beste vriend!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Maar ze wachten ons thuis,&#x201d; hervatte Peter.
-</p>
-<p>&#x201e;Dat doet niets tot de zaak. Je schrijft morgen een brief naar Broek en meldt daarin,
-dat je tot na Nieuwjaar hier blijft.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dat zouden we niet kunnen,&#x201d; hernam Peter. &#x201e;We moeten den dertigsten te Broek zijn:
-want dan is er een groote wedren op schaatsen, en dien kunnen we niet verzuimen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dat spijt me. In vredesnaam! Dan moeten we morgen onzen tijd maar goed besteden.
-Doch verhaal me nu eens, hoe je &#x2019;t op je reis van Broek hierheen gehad hebt?&#x201d;
-</p>
-<p>De jongens verhaalden nu de lotgevallen, welke zij op hun tochtje gehad hadden. Toen
-zij aan hun nachtelijk avontuur kwamen, zeide mevrouw Van Gent:
-</p>
-<p>&#x201e;Maar hoe kon je ook zoo dwaas zijn, om in zulk een logement te kruipen?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wat zal ik zeggen,&#x201d; antwoordde Peter. &#x201e;We hadden ons door den voerman om den tuin
-laten leiden, en toen wij er eenmaal in waren.&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Had Jacob geen lust om verder te zoeken,&#x201d; voegde Karel er bij.
-</p>
-<p>&#x201e;Alsof ik &#x2019;t alleen was,&#x201d; zeide Jacob. &#x201e;Er waren nog wel anderen, die even moe waren
-als ik.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Nu, hou je maar niet groot, vriendlief,&#x201d; zeide Frits. &#x201e;Trouwens, &#x2019;t is je niet kwalijk
-te nemen. Je hebt vrij wat meer mee te sleepen dan wij.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dat heeft hij,&#x201d; bevestigde mevrouw Van Gent. &#x201e;En nu&#x2014;wat zijn de plannen voor morgen?&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb85" href="#pb85">85</a>]</span></p>
-<p>Mijnheer Van Gent ontwikkelde zijn plan voor den volgenden dag. Daar wij echter ons
-zestal op de uitvoering daarvan zullen vergezellen, wil ik dat niet mededeelen en
-zullen wij ook de verdere gesprekken van dien avond niet beluisteren, maar laten wij
-liever de jongens wat tijdig naar bed gaan, om den volgenden morgen vroeg bij de hand
-te zijn.
-</p>
-<p>&#x201e;Je zult je wat moeten behelpen, jongens,&#x201d; zeide mevrouw Van Gent. &#x201e;Ik ben niet ingericht
-op zes logés en dus zul je twee aan twee moeten slapen. Ik heb gedacht, als Peter
-en Lodewijk, Jacob en Ben, Karel en Frits samen wilden slapen, dan zou dat heel goed
-gaan.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Opperbest!&#x201d; zeide Peter, die den hemel dankte, dat hij niet weer naast de mummie
-zou behoeven te liggen en van een ijsberg van duizend voet zou droomen.
-</p>
-<p>Ook de anderen vonden die schikking goed, en zoo trok men reeds om tien uur naar bed.
-Dat was een ander logies dan den vorigen nacht. Ieder tweetal had een afzonderlijke
-kamer, keurig gemeubeld en van een ledikant voorzien, zóó ruim, dat er wel drie jongens
-naast elkander hadden kunnen liggen, zonder elkander te hinderen. En dan zulke heerlijke
-bedden en zoo&#x2019;n lekker dek! En op elke kamer een brandend nachtlicht&#x2014;hetgeen den jongens
-trouwens niet kon schelen, daar zij toch met hun oogen toe sliepen en in het donker
-net zoo goed konden zien als zonder licht. &#x2019;t Duurde dan ook niet lang, of zij lagen
-te slapen als rozen en droomden.&#x2026; doch hoe zal ik u de droomen van zes levenslustige
-knapen vertellen? Daarenboven&#x2014;droomen is bedrog.
-</p>
-<p>&#x2019;t Was nog niet geheel en al licht, toen mijnheer Van Gent onze knapen kwam wekken.
-En ofschoon zij zich nog gaarne eens hadden omgekeerd en Jacob wel een weinig bromde,
-toen Ben hem een paar fiksche stompen gaf om hem geheel en al wakker te maken, waren
-zij toch spoedig uit hun bed en deed het hun veel genoegen, dat de kachels op hun
-logeerkamers reeds ferm snorden en zij zich op geen koude vertrekken behoefden aan
-te kleeden.
-</p>
-<p>&#x201e;Wel, hoe hebt jelui geslapen?&#x201d; vroeg mevrouw Van Gent, die hen reeds aan de ontbijttafel
-zat te wachten, toen <span class="pagenum">[<a id="pb86" href="#pb86">86</a>]</span>zij al heel spoedig, nadat ze geroepen waren, beneden kwamen.
-</p>
-<p>&#x201e;O, uitmuntend,&#x201d; antwoordde Frits. &#x201e;Alsof we thuis waren.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En heeft Jacob u niet bloot gewoeld, Ben?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Neen, hij heeft gedragen zich fashionably&#x201d; antwoordde Benjamin.
-</p>
-<p>&#x201e;En jij bent van geen ijsberg van duizend voet gevallen, Peter?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik heb veel te warm gelegen, Marie, om van ijsbergen te droomen,&#x201d; antwoordde de aangesprokene.
-</p>
-<p>Onder vroolijke gesprekken ging het ontbijt voort. Toen men geëindigd had, keek mijnheer
-Van Gent op zijn horloge.
-</p>
-<p>&#x201e;&#x2019;t Wordt onze tijd,&#x201d; zeide <span class="corr" id="xd29e1583" title="Bron: zij">hij</span>. &#x201e;Komt, jongens, maakt je klaar! Het rijtuig zal wel dadelijk voorkomen en we moeten
-zorgen, dat de paarden geen koude voeten krijgen; anders mochten ze wel elk vier stoven
-onder hun beenen hebben.&#x201d;
-</p>
-<p>Er behoefde geen tweede sein te worden gegeven. Als een troep wilde ganzen stormden
-de jongens naar hun kamers en kwamen kort daarop gekleed en gereed binnen, waar zij
-ook mijnheer en mevrouw Van Gent in de kleeren vonden.
-</p>
-<p>&#x2019;t Was dan ook hoog tijd: want op hetzelfde oogenblik kwam er een heerlijke barouchette
-voor, waarvan de glazen natuurlijk alle toe waren. De tocht ging naar Scheveningen.
-</p>
-<p>&#x201e;Wij zullen eerst den nieuwen weg nemen, die langs &#x2019;t Kanaal is aangelegd,&#x201d; zeide
-mijnheer van Gent.
-</p>
-<p>En zoo deden zij en reden den over de duinen gebaanden weg op, die langs het groote
-kerkhof loopt en recht tegenover het badhuis uitkomt. Hier gebruikten zij wat en wandelden
-langs het strand tot aan het dorp Scheveningen, waarheen het rijtuig vooruitgezonden
-was.
-</p>
-<p>Al de jongens waren opgetogen over de zee, die op dat oogenblik echter al te kalm
-naar hun zin was, en het speet Ben, dat hij geen verrekijker bij zich had, die vèr
-genoeg droeg, om Engeland aan de overzijde te zien, waarover allen hartelijk lachten.
-</p>
-<p>&#x201e;Dat is het paviljoen, in 1826 door Koning Willem I voor zijn gemalin gesticht,&#x201d; zeide
-mijnheer Van Gent. &#x201e;&#x2019;t Is in Toskaanschen stijl gebouwd.&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb87" href="#pb87">87</a>]</span></p>
-<p>Veel pret had ons zestal in de kleeding der Scheveningers, vooral in die der kleine
-meisjes, die volmaakte miniatuur-Scheveningsters waren.
-</p>
-<p>&#x201e;In vroegere eeuwen,&#x201d; zeide mevrouw Van Gent, &#x201e;hadden de Scheveningers er pret in,
-hun vrijsters te doopen en in te zouten.&#x201d;
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure floatRight p087width"><img src="images/p087.png" alt="" width="418" height="613"></div><p>
-</p>
-<p>&#x201e;In te zouten!&#x201d; herhaalden vier stemmen te gelijk.
-</p>
-<p>&#x201e;Ja, in te zouten. In de maand Mei, als wanneer men nog op Scheveningen een feest
-houdt voor het verhuizen van de eene pink op de andere, noodigden de jonge knapen
-hun vrijsters uit, om met hen naar het strand te gaan en een zeeluchtje te scheppen.
-Dan was het strand gezaaid met menschen. Op &#x2019;t onverwachts echter nam iedere knaap
-zijn meisje op de armen en droeg haar, ondanks haar tegenspartelen, een geheel eind
-in zee. Daar gekomen, doopte hij haar in het water, zoodat zij droop, en droeg haar
-vervolgens naar de duinen, waar hij haar in het zand rolde.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Die meisjes zullen er fraai hebben uitgezien&#x201d;, zeide Jacob. &#x201e;Maar die gewoonte bestaat
-nog in Zeeland; ten minste zij bestond nog ten tijde van Bellamy.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Die &#x2019;t ons in zijn &#x201e;Roosje&#x201d; zoo naïef beschrijft,&#x201d; voegde Peter er bij.
-</p>
-<p>&#x201e;Daar is echter het inzouten, voor zoover mij bewust is, <span class="pagenum">[<a id="pb88" href="#pb88">88</a>]</span>niet in de mode,&#x201d; zeide mijnheer Van Gent. &#x201e;Ook geloof ik niet, dat zij er hun vrijsters
-doopen. Dit gebruik hier echter, dat al zeer oud moet zijn en niet meer in zwang is,
-kostte eens een adellijke dame van een onzer eerste geslachten het leven.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Inderdaad,&#x201d; zeide Ben. &#x201e;O, pray, doe vertellen dat eens.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;&#x2019;t Was een jonge gravin van Egmond. Met haar verloofde, een Duitschen Graaf, aan
-het strand wandelende, had zij veel vermaak in die Meipret. Op eens neemt de graaf,
-die zeker wilde toonen, hoe weinig bang hij voor het groote water was, en wel te galant
-zal geweest zijn, om zijn adellijke beminde den zeedoop te doen ondergaan, de gravin
-op en draagt haar in zee. Door haar tegenspartelen bezeert zij zich aan zijn degen&#x2014;en
-deze wond, waarin het koud vuur kwam, kostte haar het leven.&#x201d;
-</p>
-<p>Aan het dorp gekomen, stapte men weer in het rijtuig.
-</p>
-<p>&#x201e;Die kerk,&#x201d; zeide mevrouw Van Gent, &#x201e;stond vroeger midden in het dorp.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Is zij dan verzet?&#x201d; vroeg Frits.
-</p>
-<p>&#x201e;Wel neen, maar bij de verschillende hooge vloeden, door welke Scheveningen geteisterd
-is, zijn al de huizen, die aan den zeekant stonden, weggespoeld.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Vreeselijk!&#x201d; riep Jacob uit.
-</p>
-<p>Men reed nu den schoonen, met boomen beplanten weg langs, naar het plan van Constantijn
-Huijgens aangelegd, en gedacht bij het voorbijrijden van &#x201e;Zorgvliet&#x201d; aan onzen volksdichter
-Jacob Cats, die deze plaats heeft aangelegd, wiens gedichten bij onze voorouders in
-huis- en pronkvertrek een plaats hadden naast den Staten-Bijbel en van wiens zinrijke
-spreuken er nog ten huidigen dage in den mond van het volk leven. Daarna reden zij
-het schoone Willemspark met zijn prachtige villa&#x2019;s door, bewonderden de Alexanderstraat
-en de Mauritskade, en lieten zich brengen tot aan het oude paleis in het Noordeinde,
-waar zij uit het rijtuig stapten, dat mevrouw Van Gent naar huis zou brengen, nadat
-deze haar man wèl op &#x2019;t hart gedrukt had, om toch tegen het koffiedrinken thuis te
-zijn, daar de jongens anders flauw zouden vallen van den honger.
-</p>
-<p>&#x201e;Hier staan wij nu tusschen twee paleizen,&#x201d; zeide mijnheer <span class="pagenum">[<a id="pb89" href="#pb89">89</a>]</span>Van Gent, nadat het rijtuig was weggereden<span class="corr" id="xd29e1621" title="Bron: ,">.</span> &#x201e;Dat aan uw linkerhand is het oude huis van Van Wassenaar Obdam en heeft zijn front
-op den Kneuterdijk.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Is dat van den admiraal Van Wassenaar Obdam, die in den tweeden Engelschen oorlog
-in de lucht vloog?&#x201d; vroeg Peter.
-</p>
-<p>&#x201e;Van denzelfden. Een graftombe is voor hem opgericht in het koor der Groote Kerk.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Daar hij wel toch zelf niet ligt onder,&#x201d; zeide Ben.
-</p>
-<p>&#x201e;Natuurlijk niet. Het paleis aan onze rechterhand is dat van onze tegenwoordige koningin.
-Jammer, dat H.&nbsp;M. thans in Den Haag is; anders zou ik het u laten zien. Het is prachtig
-en vorstelijk gemeubileerd, dat kan ik u verzekeren. Dat ruiterstandbeeld is van Willem
-den Eersten, den grondlegger onzer vrijheid. Het werd hier geplaatst door Koning Willem
-II en munt uit door zijn schoone vormen en stoute conceptie.&#x201d;
-</p>
-<p>Toen zij het Heulstraatje doorgewandeld waren, bleef mijnheer Van Gent staan.
-</p>
-<p>&#x201e;Ziet nu aan uw linkerhand, daar in den hoek staat het voormalig paleis van Willem
-II; een paar huizen verder ziet gij het huis, waarin Oldenbarneveld gewoond heeft;
-die kerk op den hoek van dat straatje is de Kloosterkerk, waarin Prins Maurits ging
-om de voorkeur te doen zien, welke hij den contra-remonstranten wilde betoonen, en
-verder op is een schoon hardsteenen gebouw met breede trap, waarin eens een beruchte
-prefect van het Departement der Zuiderzee, baron De Stassart, woonde en dat tegenwoordig
-is ingericht tot koninklijke bibliotheek en bewaarplaats van een aanzienlijke verzameling
-gouden, zilveren, bronzen en koperen munten. Als gij langer bleeft, zou ik èn de bibliotheek
-èn het penningkabinet eens met u bezoeken; nu echter gaan wij den Kneuterdijk op.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Is hier niet het huis van den Raadpensionaris Jan de Witt?&#x201d; vroeg Peter. &#x201e;Ik meen
-ten minste te hebben gelezen, dat dit op den Kneuterdijk stond&#x201d;<a class="noteref" id="xd29e1633src" href="#xd29e1633">1</a>.
-</p>
-<p>&#x201e;En ik herinner mij, dat Gijsbert Karel van Hogendorp ook op den Kneuterdijk gewoond
-heeft,&#x201d; voegde Frits er bij.
-<span class="pagenum">[<a id="pb90" href="#pb90">90</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Dan moeten we ook kort bij de Gevangenpoort en &#x2019;t Groene Zoodje zijn,&#x201d; zeide Karel.
-</p>
-<p>&#x201e;Wacht maar, ik zal je alles wijzen. En misschien nog meer dan je wel weet,&#x201d; antwoordde
-de heer Van Gent, die er recht schik in had, dat de jongens zooveel historische kennis
-en zooveel lust tot onderzoeken hadden. &#x201e;Hier aan onze rechterhand heb je het huis
-van Van Hogendorp, en daarnaast is de woning van onzen onsterfelijken Jan de Witt,
-waarin ook zijn zwager Van Swijndrecht woonde.&#x201d;
-</p>
-<p>Met aandoening beschouwden onze knapen het huis, waarin eens zulk een groot man geleefd,
-gedacht en gewerkt had. Zoo ging men voort tot op de Plaats.
-</p>
-<p>&#x201e;Hier bij dezen lantaarnpaal,&#x201d; vervolgde mijnheer Van Gent, &#x201e;is &#x2019;t Groene Zoodje.
-Hier stond het schavot, waarop Reinier van Groeneveld, Buat en Van der Graaff zijn
-onthoofd en de gebroeders de Witt zijn opgehangen en mishandeld. En daar, die groote
-keisteen met zeven strepen is er ter gedachtenis gelegd van den vreeselijken moord,
-aan Aleida van Poelgeest gepleegd, omdat zij graaf Albrecht tot de partij der Kabeljauwen
-had overgehaald.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Maar kijkt nu eens recht uit,&#x201d; vervolgde hij na een poos. &#x201e;Deze poort is de Gevangenpoort,
-vroeger Voorpoort van den Hove, en dit venster dat van den kerker van Cornelis de
-Witt.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Zouden wij dien niet kunnen zien?&#x201d; vroeg Peter.
-</p>
-<p>&#x201e;We zullen &#x2019;t vragen. Zeggen ze neen, dan zijn we nog even ver.&#x201d;
-</p>
-<p>Men ging de Gevangenpoort door en schelde aan. Het verzoek, om de vroegere gevangenis
-te zien, werd volgaarne ingewilligd. Met aandoening klommen zij de trap op, welke
-de gebroeders De Witt door het opgeruide gemeen waren afgesleept; met niet minder
-aandoening aanschouwden zij de kamer, waar beiden de laatste en vreeselijkste oogenblikken
-huns levens doorbrachten. En toen zij daarna in den kelder afdaalden en hun de pijnbank
-gewezen werd, op welke de Ruwaard van Putten werd gepijnigd, toen stond er in het
-oog van Lodewijk een traan, die hem waarlijk niet tot schande was.
-</p>
-<p>Nadat mijnheer Van Gent de vriendelijke dienstmaagd, die <span class="pagenum">[<a id="pb91" href="#pb91">91</a>]</span>hun een en ander had laten zien, met een ruime fooi beloond had, wandelde men naar
-het Buitenhof.
-</p>
-<p>&#x201e;Kijk nu eens recht voor u,&#x201d; zeide mijnheer Van Gent. &#x201e;Uit deze ramen hield eens de
-snoode Tichelaar zijn redevoering tot het volk. En nu linksom. Dit standbeeld is dat
-van den ridderlijksten onzer vorsten, van den edelen Koning Willem II, die bij Quatre-Bras
-voor onze onafhankelijkheid streed en bij Waterloo zijn bloed voor ons veil had.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;&#x2019;t Staat daar al heel mooi,&#x201d; zeide Frits. &#x201e;En hoe sierlijk zijn die beelden aan den
-voet!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dat zijn ze,&#x201d; hernam mijnheer Van Gent. &#x201e;En nu slaan we linksom en gaan naar het
-Binnenhof, het oudste gedeelte van Den Haag en dat door drie poorten kan worden gesloten.
-Vroeger hingen hier de vaandels, in verschillende veldslagen op de vijanden des lands
-behaald. Doch die zijn tijdens Koning Lodewijk weggenomen en naar Amsterdam gezonden.
-Die, welke wij nu doorgaan en boven welke de appartementen der vroegere Prinsen van
-Oranje zich uitstrekten, heet de Stadhouderspoort.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Die is, in het laatst der achttiende eeuw, tegen alle bepalingen aan doorgereden
-door Cornelis de Gijzelaar,&#x201d; zeide Peter. &#x201e;En daar vandaan hebben de tegenstanders
-van het Huis van Oranje in dien tijd den naam van Keezen gekregen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Juist. En hier vlak over ons hebben wij het oudste gebouw van Den Haag: de Loterijzaal
-of liever de groote ridderzaal, door Willem II, graaf van Holland en Zeeland, in 1270
-gesticht, en den oorsprong van Den Haag.&#x201d;
-</p>
-<p>Zij bezichtigden nu de groote ridderzaal, toen nog niet herbouwd of liever gedeconstrueerd;
-verder de vergaderzaal van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, waar het Twaalfjarig
-Bestand werd gesloten en die daarom vroeger den naam van Trèves-kamer droeg. Zij is
-vooral bezienswaardig om haar schoone schilderijen, voornamelijk het schoorsteenstuk,
-hetwelk Prins Willem III ten voeten uit in koninklijk gewaad voorstelt;&#x2014;en het gebouw,
-dat tot vergaderplaats dient van de Tweede Kamer, vroeger gebruikt tot danszaal voor
-de Prinsen van Oranje, maar onder Prins Willem V van hardsteen herbouwd en tot vergaderzaal
-voor de Staten-Generaal ingericht. Hier werd in 1796 de eerste Nationale Vergadering
-gehouden.
-<span class="pagenum">[<a id="pb92" href="#pb92">92</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Dat torentje aan de linkerzijde der groote ridderzaal,&#x201d; vervolgde mijnheer Van Gent,
-toen zij uit de troonzaal kwamen, &#x201e;is ook nog merkwaardig. Hier stond het schavot,
-waarop de grijze Oldenbarneveld het leven verloor onder beulshanden. En daar vlak
-over ons is een merkwaardige kapel, de oudste kerk van Den Haag, tegenwoordig in gebruik
-bij de Roomsen-Katholieken, onder den naam van Hofkerk. Zij heette vroeger de &#x201e;kapel
-van Maria ten Hove&#x201d; en is waarschijnlijk door Graaf Willem II gebouwd en door diens
-zoon Floris V voltrokken. In deze kapel woonden de vroegere graven van Holland en
-Zeeland de godsdienstoefeningen bij. Na de Hervorming werd zij tot een Gereformeerde
-kerk ingericht, waar, op last der Staten van Holland, in de landtaal en, sedert 1592
-vooral ten genoegen van Louise de Coligny, ook in het Fransch werd gepredikt. Toen
-men bij het verbouwen in 1769, de fondamenten van den muur aan de zijde van het Binnenhof
-opbrak, vond men daar verscheidene houten en looden grafkisten, waarin zich het gebeente
-der Oudhollandsche graven bevond.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En heeft men die beenderen bewaard?&#x201d; vroeg Frits.
-</p>
-<p>&#x201e;Men kon &#x2019;t niet. Zoodra zij met de buitenlucht in aanraking kwamen, vielen zij in
-elkander. Een der lijken echter, dat in een looden kist lag, was door een sterk vocht
-vrij wel bewaard. Uit de wonden, welke het aan den hals en in het gezicht had, veronderstelde
-men, dat dit het lijk van Willem IV moet zijn geweest, die in 1345 in den slag bij
-Warns tegen de Friezen is gesneuveld. In de kist van Jacoba van Beieren was het hoofdhaar
-nog ongeschonden bewaard; men heeft dat naar het museum gebracht en daar zullen wij
-het straks zien.&#x201d;
-</p>
-<p>Daar het te koud was om lang stil te staan, waren zij tot genoemd huis doorgewandeld
-en beschouwden hier eerst het museum van Japansche, Chineesche en andere curiositeiten
-en eindelijk, in de laatste zaal, de historische overblijfselen. &#x2019;t Meest werd de
-aandacht onzer knapen geboeid door het gewaad, dat Prins Willem I had aangehad, toen
-hij te Delft door Balthazar Gerards vermoord werd. Duidelijk kon men de plaats zien,
-waar de kogel was doorgegaan. Daar lag ook het hemd van den grooten man, nog gekleurd
-van het edel bloed, dat hij voor ons land veil had gehad, de uitgesneden kogel met
-<span class="pagenum">[<a id="pb93" href="#pb93">93</a>]</span>een paar beentjes, die door het vuurwapen verbrijzeld waren, de pistolen van den moordenaar
-met zijn sententie, zooals die binnen Delft is uitgevoerd. Verder zagen zij er geuzennappen,
-geuzenpenningen, zilveren schotels, aan onze grootste zeehelden ten geschenke gegeven,
-groote haakbussen, oude pieken; ook uit later tijd, den stoel, waarop Chassé in de
-citadel heeft gezeten, en een geweer, afkomstig van het in de lucht gesprongen schip
-van Van Speyk.
-</p>
-<p>Maar wat vooral Ben het meest belang inboezemde, was het Oudhollandsche huis in schildpadden
-kast, eens voor Czaar Peter van Rusland vervaardigd, en dat zulk een duidelijke voorstelling
-bevat van het ameublement onzer voorouders.
-</p>
-<p>Daarna begaf men zich de trap op naar het schoone museum van schilderijen door oude
-meesters. Als de tijd niet gedrongen had, zouden de knapen gaarne langer hebben vertoefd
-voor de ontleedkundige les van Rembrandt, voor den stier van Potter, den veldslag
-van Wouwerman, en zoo menig stuk dat niet alleen groote kunstwaarde bezit, maar ook
-zelfs den oppervlakkigen beschouwer door zijn meesterlijk navolgen van de natuur boeit.
-</p>
-<p>&#x201e;Wij moeten naar huis, jongens,&#x201d; zeide mijnheer Van Gent, &#x201e;anders krijgen wij knorren
-van mijn vrouw en&#x2014;wat erger is&#x2014;koude koffie.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Is dit huis gebouwd door Prins Maurits, die vocht in het slag at Newpoort?&#x201d; vroeg
-Ben, toen zij de trappen van het museum afgingen.
-</p>
-<p>&#x201e;Neen, Ben. Het is gesticht door Johan Maurits van Nassau, den held van Brazilië,
-en gebouwd door den beroemden Jacob van Kampen, den bouwmeester van het paleis van
-Amsterdam, en Daniël Stalpert. Maar zie nu eens hier. Dit is het standbeeld van Willem
-den Zwijger, denzelfden, wiens ruiterstandbeeld gij in het Noordeinde hebt gezien.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En wiens kleeren op het Prins-Maurits-huis waren,&#x201d; zeide Jacob.
-</p>
-<p>Toen zij bij mevrouw Van Gent kwamen, zat deze hen reeds met de koffie te wachten,
-of liever, ter eere van Benjamin en ten genoegen van den eetlust der vijf andere jongens,
-met een soort van luncheon of Engelsch ochtenddiner. Onder het vertellen van wat men
-gezien had, werden verdere plannen <span class="pagenum">[<a id="pb94" href="#pb94">94</a>]</span>voor dien dag besproken. De jongens, zeide mijnheer Van Gent, moesten hun schaatsen
-medenemen, dan zou men, na eerst de kanongieterij te hebben bezien, een wandeling
-door het Bosch doen en vervolgens, te midden van de beaumonde van Den Haag, op de
-vijvers schaatsen rijden. Daarna zou men een bezoek brengen aan het Huis ten Bosch
-en vervolgens naar huis rijden om te dineeren, terwijl mevrouw Van Gent als voorwaarde
-stelde, dat zij het verdere van den avond zouden uitrusten en in den huiselijken kring
-slijten, als wanneer zij ze op een glas warmen wijn met bisschop en wentelteefjes
-zou trakteeren.
-</p>
-<p>&#x201e;En dan gaan jelui morgen per spoortrein naar Amsterdam terug,&#x201d; eindigde zij.
-</p>
-<p>&#x201e;Per spoortrein, Marie?&#x201d; vroeg Peter. &#x201e;Dan zal men ons in Broek uitlachen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Laat men lachen,&#x201d; zeide Jacob, die alweer meer trek had om rust te nemen, dan zich
-in te spannen. &#x201e;Ik vind het voorstel van mevrouw Van Gent lumineus.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;&#x2019;t Zou een schandelijk eind van onzen tocht zijn,&#x201d; zeide Frits.
-</p>
-<p>&#x201e;Mevrouw Van Gent is in &#x2019;t gelijk,&#x201d; zeide Ben. &#x201e;Wij moeten gaan per railway. Otherwise
-wij zullen niet zijn in staat om overmorgen te rijden.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;&#x2019;t Best is, dat wij er ons op beslapen,&#x201d; hernam Lodewijk.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik ben verzekerd, dat mijn voorstel wel zal worden aangenomen, als de jongens van
-middag gedineerd hebben,&#x201d; hernam mevrouw Van Gent, die berekende, dat ons zestal na
-den tocht naar het Bosch wel van idee veranderen zou.
-</p>
-<p>&#x201e;Als mevrouw Van Gent het mij veroorlooft, dan zou ik haar gaarne gezelschap houden,
-in plaats van mede naar het Bosch te gaan,&#x201d; zeide Jacob, die tamelijk vermoeid was
-van de morgenwandeling.
-</p>
-<p>&#x201e;Geneer je niet, Jacob,&#x201d; antwoordde mevrouw Van Gent, die zeer goed begreep wat de
-reden van Jacobs wellevendheid was. &#x201e;Ik mag je niet van je fortuin afhouden. Ga gerust
-mee. Kanongieten heb je nog nooit gezien en een partijtje op de vijvers in het Bosch
-is ook niet te verwerpen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Maar dan zit Mevrouw den geheelen namiddag alleen,&#x201d; hervatte Jacob.
-<span class="pagenum">[<a id="pb95" href="#pb95">95</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Inderdaad, geneer je niet,&#x201d; hernam mevrouw Van Gent. &#x201e;Ik ben wel gewoon aan de eenzaamheid.
-Mijn man is een groot deel van den dag uit.&#x201d;
-</p>
-<p>Jacob zat er geducht in, toen zijn gewaande beleefdheid zoo werd gerefuseerd. Gelukkig
-dat Ben hem uit den nood hielp. &#x201e;Mijn neef is zoo vermoeid,&#x201d; zeide hij. &#x201e;En daarom
-hij wenscht te profiteeren van het gezelschap van Mevrouw, because het hem behaagt
-veel.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Je slaat den spijker op den kop,&#x201d; hervatte Jacob, die nu maar ruiterlijk voor de
-waarheid uitkwam.
-</p>
-<p>&#x201e;&#x2019;t Mocht je anders weer eens zoo gaan als eergisteren,&#x201d; zeide Karel. &#x201e;En dan zou
-je een mal figuur maken op de vijvers in het Bosch.&#x201d;
-</p>
-<p>Toen de knapen het luncheon gebruikt hadden en wat uitgerust waren, gingen zij, behalve
-Jacob die thuis bleef, met hun schaatsen in de hand naar de kanongieterij, waar mijnheer
-Van Gent toegang had gekregen en waar men juist aan het gieten was. Daarna wandelden
-zij het Bosch in, dat, ofschoon van zijn groen beroofd en dus vrij wat minder schoon
-dan in den zomer, er toch statig genoeg uitzag, om hun bewondering te wekken.
-</p>
-<p>Nadat zij langen tijd in dat heerlijke gedenkstuk van den ouden tijd gewandeld hadden,
-welks westelijk gedeelte nog eenig denkbeeld geeft, hoe &#x2019;t er in den tijd van de Batavieren
-en Kaninefaten uitzag, bonden zij de schaatsen aan en vermaakten zich te midden van
-een talrijk en uitgezocht publiek van schaatsenrijders, waarbij zij hun oogen uitkeken
-naar de bonte rij van wandelaars uit de eerste standen des lands, die zich langs de
-vijvers bewogen.
-</p>
-<p>Daarop bezichtigden zij het Huis ten Bosch, door Amalia van Solms, de weduwe van Prins
-Frederik Hendrik, ter eere van haar gemaal gesticht: een mausoleum uit den nieuweren
-tijd. Vooral de Oranjezaal boeide hen lang. Het is een achthoekige zaal met een rond
-koepeltje in het dak, hetwelk haar een eigenaardig licht schenkt. Terstond bij het
-binnentreden wordt men getroffen door de heerlijke voorstelling van Frederik Hendrik
-op zijn triomfwagen met vier witte paarden door Pallas en Mercurius gemend; terwijl
-de overwinning zijn hoofd met een lauwerkrans kroont en de faam de pijlen <span class="pagenum">[<a id="pb96" href="#pb96">96</a>]</span>afweert, waarmede de dood den held bedreigt. Niet minder trof hun het beeld van den
-grijzen tijd en de afbeelding van de stichtster zelf met haar dochters, levensgroot
-en ten voeten uit. Al had men geen andere overblijfselen der Oudnederlandsche schilderschool
-dan die heerlijke schilderijen uit de Oranjezaal, dan nog zouden deze genoegzaam zijn
-om den naam onzer oude kunstenaars te vereeuwigen.
-</p>
-<p>Maar &#x2019;t wordt tijd, dat wij met de jongens naar huis gaan. Ik laat aan de verbeelding
-mijner lezeressen en lezers over, hoe het diner hun smaakte, hoe genoeglijk zij den
-avond bij de familie Van Gent doorbrachten, hoe zij naar Amsterdam spoorden en hoe
-zij toch op schaatsen van de hoofdstad naar Broek reden. Ook wij keeren derwaarts
-terug.
-</p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd29e1633" href="#xd29e1633src">1</a></span> Zie mijn &#x201e;Huisgezin van den Raadpensionaris.&#x201d;&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd29e1633src">&#x2191;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch10" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd29e218">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">TIENDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">De gevaarlijke operatie.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">&#x2019;t Wordt tijd, dat we weder eens een kijkje nemen in de hut van Rolf Brinker, van
-wien we &#x2019;t laatst hebben gehoord, toen Hans op weg naar Leiden was.
-</p>
-<p>Wij vinden er dokter Broekman, die, toen hij het briefje van Peter ontvangen had,
-nog denzelfden dag naar Amsterdam was vertrokken om hulp toe te brengen, waar hij
-die zoo hartelijk beloofd had. Wij zien hem in een hoek van het vertrek zacht spreken
-met een jongmensch, student in de medicijnen en zijn assistent. Hans is ook in het
-vertrek, eerbiedig wachtende, totdat hij zou worden aangesproken. Van hun gesprek
-verstond hij niets, daar het eensdeels fluisterend werd gevoerd, anderdeels zoo met
-Latijnsche woorden doorspekt was, dat het toch voor hem geheel onverstaanbaar zou
-zijn geweest, al hadden zij ook luide gesproken. Maar zooveel begreep hij wel aan
-hun ernstig gelaat, dat er van iets zeer gewichtigs sprake was, en daarin werd hij
-versterkt door de woorden van den student:
-<span class="pagenum">[<a id="pb97" href="#pb97">97</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Indien er iemand in Holland den armen man kan redden, dokter, dan zijt gij het.&#x201d;
-</p>
-<p>De dokter keek min of meer knorrig over dien lof; want hij wist maar al te wel en
-had het in zijn langdurige praktijk slechts al te dikwijls ondervonden, dat de kunst
-wel kan te gemoet komen, wel kan helpen, maar dat er slechts één is die kan redden,
-en dat is God. Hij wenkte dus Hans, om nader te komen.
-</p>
-<p>&#x201e;Hoor eens, mannetje,&#x201d; zeide hij op denzelfden vriendelijken toon, als hij vroeger
-te Buiksloot tegen hem had aangeslagen. &#x201e;Daar is maar één middel om je vader te helpen,
-maar ik moet je vooraf zeggen, dat hij onder de handen kan dood blijven; &#x2019;t is een
-operatie.&#x201d;
-</p>
-<p>Hans keek den dokter angstig aan.
-</p>
-<p>&#x201e;En u zegt, dat vader onder uw handen kan sterven,&#x201d; zeide hij met sidderende stem.
-</p>
-<p>&#x201e;Ja, &#x2019;t is er op of er onder. Maar ik heb alle hoop, dat de operatie zal gelukken.
-Intusschen, jij en je moeder moeten decideeren. De operatie is te gevaarlijk, dan
-dat ik die zonder uw beslissing zou willen ondernemen. Vraag jij dus aan je moeder,
-hoe zij er over denkt. Want er moet spoedig een besluit genomen worden, daar mijn
-tijd kostbaar is.&#x201d;
-</p>
-<p>Hans ging naar zijn moeder, vertelde haar wat de dokter hem gezegd had, en eindigde:
-</p>
-<p>&#x201e;En nu moeder, hoe wilt gij? De dokter wacht op antwoord.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ach, Hans, ik weet het niet,&#x201d; zeide zij met bewogen stem. &#x201e;Beslis jij voor mij en
-voor jou.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Maar moeder, hoe kan ik dat?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ach kind! Wat zal ik antwoorden? Je zegt, dat vader onder de handen kan dood blijven.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dat kan hij. Maar hij kan ook beter worden.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik weet het niet, Hans, ik weet het waarlijk niet.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Welnu, antwoord dan, zooals God u dat in &#x2019;t hart geeft, moeder.&#x201d;
-</p>
-<p>Vrouw Brinker sloeg het betraande oog naar boven, als vroeg zij God om raad. Uit het
-binnenste van haar ziel steeg een gebed naar den troon des Almachtigen. Een oogenblik
-later wendde zij zich tot den dokter.
-</p>
-<p>&#x201e;Gods wil geschiede, mijnheer!&#x201d; zeide zij. &#x201e;Ga uw gang!&#x201d;
-</p>
-<p>Met kalme bedaardheid deed nu dokter Broekman een lederen <span class="pagenum">[<a id="pb98" href="#pb98">98</a>]</span>étui open, waaruit hij verschillende scherpe, blinkende instrumenten haalde, terwijl
-hij Hans beval, een kom met frisch koud water en eenige doeken te brengen.
-</p>
-<p>Griete had al wat er gebeurde met angstig stilzwijgen gadegeslagen. Toen zij nu den
-dokter die scherpe instrumenten voor den dag zag halen, vloog zij naar haar moeder
-toe, sloeg haar armen om den hals der reeds zoo geschokte vrouw en riep uit:
-</p>
-<p>&#x201e;Ach moeder! ze zullen vader gaan vermoorden&#x2014;dat zullen ze.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik weet het niet, kind!&#x201d; schreide vrouw Brinker. &#x201e;&#x2019;t Is wel mogelijk!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Hoor eens, vrouwtje,&#x201d; zeide dokter Broekman ernstig, terwijl hij tevens een doordringenden
-blik op Hans wierp, &#x201e;dat kan zoo niet gaan. Jij en het meisje moeten het huis uit.
-De jongen kan blijven.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x2019;t Was, of er in vrouw Brinker eensklaps een andere geest voer. Zij droogde haar tranen,
-hief het hoofd fier op en zeide op vasten toon:
-</p>
-<p>&#x201e;Neen, mijnheer, ik verlaat mijn man niet. Ik blijf bij hem in de ure des gevaars.&#x201d;
-</p>
-<p>Dokter Broekman keek vreemd op. Hij was niet gewoon, dat zijn bevelen in den wind
-werden geslagen. Maar toen hij de vrouw aanzag en haar vasten, beslissenden blik opmerkte,
-toen zeide hij kalm:
-</p>
-<p>&#x201e;Je kunt blijven, vrouw Brinker.&#x201d;
-</p>
-<p>Griete was al verdwenen. Verborgen achter een kist, die in een donkeren hoek van het
-vertrek stond, bevend over al haar leden, bespiedde zij al wat er in de hut voorviel.
-</p>
-<p>Dokter Broekman en zijn assistent trokken hun overjassen uit. Hans bracht een kom
-vol water, welke hij op bevel van den geneesheer naast het bed plaatste, en vrouw
-Brinker kreeg een paar beddelakens uit de kast, overblijfsels van vroegere tijden
-en braaf versleten, doch voor het gebruik, dat er van gemaakt moest worden, des te
-beter geschikt.
-</p>
-<p>&#x201e;Nu Hans, kan ik op je rekenen?&#x201d; vroeg de dokter.
-</p>
-<p>&#x201e;Dat kunt u, dokter.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Zeer goed. Ga jij nu daar staan, dan kan je moeder naast je zitten.&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb99" href="#pb99">99</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Hoor eens, vrouwtje,&#x201d; ging hij tot vrouw Brinker voort. &#x201e;Ik moet je verzoeken, geen
-kik te geven en niet flauw te vallen.&#x201d;
-</p>
-<p>Vrouw Brinker antwoordde hem slechts met een blik. Hij was tevreden.
-</p>
-<p>Hij wenkte den student. Deze nam de vreeselijke instrumenten van de tafel af en ging
-er mede naar het bed van den zieke.
-</p>
-<p>Nu kon Griete &#x2019;t niet langer uithouden. Zij kwam uit haar schuilplaats te voorschijn
-en snelde de hut uit.
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure floatLeft p099width"><img src="images/p099.png" alt="" width="510" height="471"></div><p>
-</p>
-<p>&#x2019;t Was vol op het ijs van de vaart. Waarom ook zouden de kinderen van Broek hun vacantietijd
-laten voorbijgaan, zonder ruimschoots hun geliefd wintervermaak te genieten? Daar
-waren er een aantal, al waren onze zes jongens er ook niet bij, en onder deze ook
-Frans van Bree, de dappere aap zonder staart, zooals Jacob hem genoemd had.
-</p>
-<p>&#x201e;Wat is dat daar ginds?&#x201d; riep Frans eensklaps uit, terwijl hij stilstond.
-</p>
-<p>&#x201e;Wat? Waar? Wat bedoel je?&#x201d; riepen een dozijn stemmen te gelijk.
-</p>
-<p>&#x201e;Wel, dat zwarte ding daar bij de hut van den gekken Rolf,&#x201d; hernam Frans.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik zie niets,&#x201d; zeide een der kinderen.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik wel,&#x201d; antwoordde een andere, &#x201e;&#x2019;t Lijkt wel een hond.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ben je mal? Een hond? &#x2019;t Is niets dan een hoop oude lorren,&#x201d; hernam Frans.
-</p>
-<p>&#x201e;Een hoop oude lorren?&#x201d; herhaalde een ander.
-<span class="pagenum">[<a id="pb100" href="#pb100">100</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Je hebt warempel gelijk, Frans, en als ik mij niet bedrieg, is &#x2019;t die meid uit de
-hut.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ze is het,&#x201d; bevestigde Frans. &#x201e;Heb ik dus geen gelijk gehad, dat het maar een hoop
-oude lorren is?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;&#x2019;t Is goed, dat haar broer Hans er niet bij is,&#x201d; meende een ander lachende, &#x201e;anders
-zou je zoo niet spreken, Fransje.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;&#x2019;k Ben nog al bang voor hem!&#x201d; riep Frans dapper uit, daar hij Hans in geen velden
-of wegen zag. &#x201e;Zoo&#x2019;n voddenraper! Hij moest me eens durven aanraken, &#x2019;k Ben nog niet
-bang voor een dozijn zooals hij en voor jou ook niet.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;&#x2019;k Hou je aan je woord!&#x201d; riep de andere en reed op Frans toe; maar deze, die zich
-in zijn bluf wat vergaloppeerd had, koos, tot groot pleizier van de anderen, het hazenpad
-gevolgd door den vroolijken troep, die de harddraverij wel eens wilde zien.
-</p>
-<p>Eén echter van deze gelukkige kinderen dacht aan die zwarte kleine gedaante daar bij
-de hut van Rolf Brinker, aan de arme, kleine Griete. De arme Griete! Zij dacht niet
-aan hen, ofschoon hun vroolijk gelach haar in de ooren drong en haar door de ziel
-moest snijden: ach! zij hoorde die schaterende tonen slechts als in een droom. Zij
-hoorde slechts het gekerm daar achter het donkere venster. Hoe! als die vreemde mannen
-haar vader eens doodden!
-</p>
-<p>Die gedachte deed haar van afgrijzen opstaan.
-</p>
-<p>&#x201e;Neen, neen,&#x201d; riep zij snikkend uit. &#x201e;Moeder is er immers, en Hans ook. Zij zullen
-er wel op passen! Maar wat zagen ze allebei verschrikkelijk bleek! Zelfs Hans stonden
-de tranen in de oogen.&#x201d;
-</p>
-<p>Een oogenblik later vervolgde zij, terwijl zij schuw naar de hut keek:
-</p>
-<p>&#x201e;Waarom heeft die oude, knorrige dokter hem laten blijven en mij weggezonden! Ik zou
-moeder hebben kunnen kussen en haar troosten. Zij houdt zooveel van mij, meer.&#x2026; Maar
-wat is &#x2019;t nu stil in huis. O, als vader sterft, dan gaat moeder ook dood en Hans misschien
-ook, en wat moet er dan van mij worden!&#x201d;
-</p>
-<p>En zij verborg haar schreiend gelaat in haar handjes.
-</p>
-<p>Toen kwamen er nieuwe gedachten in haar op.
-</p>
-<p>Waarom had Hans &#x2019;t alleen aan moeder gezegd, wat de dokter <span class="pagenum">[<a id="pb101" href="#pb101">101</a>]</span>ging doen en niet aan haar? &#x2019;t Was toch <span class="ex">haar</span> vader, net zoo goed als de zijne. Zij was geen klein kind meer. Zij had haar vader
-eens een scherp mes afgenomen, waarmee hij zich een ongeluk zou hebben toegebracht,
-als zij het niet belet had. En op dien akeligen avond, toen Hans, zoo groot als hij
-was, daar bewusteloos in een hoek van het vertrek lag, toen had zij vader van het
-vuur gelokt en &#x2019;t was door <span class="ex">haar</span> toedoen, dat moeder niet in brand gevlogen was. Waarom moest zij nu behandeld worden,
-alsof zij er niet bij hoorde?&#x2014;Ach! wat was het koud! hoe bitter koud! Haar voeten
-waren als steenen!
-</p>
-<p>Toen ging Griete weer zitten op de plaats, van welke zij was opgestaan, en keek rondom
-zich en verwonderde zich, dat de lucht zoo helder blauw was en dat het zoo stil in
-de hut bleef en.&#x2026;
-</p>
-<p>&#x201e;Wat heeft die dokter een rare lip!&#x201d; zeide zij eensklaps. &#x201e;&#x2019;t Lijkt net een schaats!
-En wat blonken die messen, welke hij uit dien leeren zak haalde. Misschien nog mooier
-dan de zilveren schaatsen. Had ik mijn nieuw jacketje maar aangedaan, dan zou ik &#x2019;t
-zoo koud niet hebben! Dat nieuwe jacketje is zoo mooi, &#x2019;k heb nog nooit zoo iets moois
-gehad!&#x2014;God heeft zoo lang voor mijn vader gezorgd; Hij zal &#x2019;t nu ook wel doen, als
-die twee mannen maar weg waren.&#x2014;Kijk, daar staan ze allebei op het dak van ons huis!&#x2014;Neen,
-&#x2019;t zijn moeder en Hans. O, neen! &#x2019;t zijn maar een paar vogels.&#x201d;
-</p>
-<p>En weder hield Griete beide handjes voor haar oogjes en schreide zóó luid, dat men
-&#x2019;t wel in de hut had kunnen hooren.
-</p>
-<p>Eensklaps voelde zij een vreemde hand op haar schouder leggen.
-</p>
-<p>&#x201e;Sta op, Griete,&#x201d; zeide een vreemde stem. &#x201e;Sta op kind! Anders heb je nog kans om
-te bevriezen.&#x201d;
-</p>
-<p>Griete keek verschrikt op. &#x2019;t Was de lieve Hilda de Bruyn.
-</p>
-<p>&#x201e;Sta op, Griete, en ga in de hut,&#x201d; vervolgde het lieve meisje. &#x201e;Is dat nu weer, om
-buiten op de steenen te zitten?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;O, neen, juffrouw,&#x201d; zeide het kind, terwijl zij opstond en tegen Hilda aanleunde,
-&#x201e;ik ga niet in de hut, want de dokter is er in en hij heeft mij weggestuurd.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Zoo, welnu, dan moet je wat gaan loopen, Griete. Want je bent verkleumd van de kou.
-Ik zag je daar straks wel zitten, maar ik dacht, dat je aan &#x2019;t spelen waart. Waarom
-heb je ook je jacketje niet aangedaan?&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb102" href="#pb102">102</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Daar had ik geen tijd voor, juffrouw, want ik ben zoo hard als ik kon de hut uitgeloopen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Kom hier, doe mijn jacketje zoo lang aan, totdat je weer in de hut kunt komen,&#x201d; hervatte
-Hilda, die reeds pogingen deed, om zich van haar eigen winterkleed te berooven. &#x201e;Als
-de dokter wist, hoe koud je &#x2019;t hier hebt, zou hij je wel weer in de hut laten.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;O, juffrouw,&#x201d; riep Griete smeekend uit, &#x201e;doe als &#x2019;t u belieft uw jacketje niet uit.
-Ik ben wel koud, maar zal wel weer warm worden, als ik maar wat beweging neem.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Nu, &#x2019;t is goed, Griete. Sla je armen dan maar over elkaar. Maar zeg me, is er een
-dokter bij je in huis? Is je vader dan erger?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ach, juffrouw! Ik geloof, dat hij sterft!&#x201d; riep Griete weenend uit. &#x201e;Er zijn op &#x2019;t
-oogenblik twee dokters bij hem, die hem zullen vermoorden. Kunt u hem hier niet hooren
-kermen? Ik kan &#x2019;t niet hooren, door het fluiten van den wind.&#x201d;
-</p>
-<p>Hilda luisterde, maar vernam niets.
-</p>
-<p>&#x201e;We zullen eens door het venster zien, hoe &#x2019;t met uw vader is,&#x201d; hernam zij. Dit zeggende,
-ging ze met Griete naar het raam der hut. Maar eensklaps bedacht zij zich.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik mag niet door eens anders raam kijken,&#x201d; zeide zij bij zich zelve. &#x201e;Kijk jij er
-eens door, Griete,&#x201d; vervolgde zij, &#x201e;en zeg me dan wat je ziet.&#x201d;
-</p>
-<p>Griete ging op haar teenen staan en keek.
-</p>
-<p>&#x201e;Kind, je bent zelf ziek,&#x201d; hernam Hilda, die haar ondersteunde en voelde hoe het arme
-meisje over haar geheele lichaam beefde.
-</p>
-<p>&#x201e;Neen, juffrouw, ik ben niet ziek,&#x201d; antwoordde Griete, &#x201e;maar mijn hart schreit, al
-zijn mijn oogen ook zoo droog als de uwe.&#x2014;Hé, juffrouw! U schreit ook. Schreit u om
-ons? O, dat is wel goed, en als onze lieve Heer dat ziet, zal hij vader zeker beter
-maken.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wat zie je, Griete?&#x201d; vroeg Hilda. &#x201e;Of kun je niets zien?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Vader ligt heel stil, juffrouw, met een doek om zijn hoofd en allen kijken naar hem.
-Ik moet naar binnen, naar moeder. Gaat u mee, juffrouw?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Nu niet, maar later kom ik eens hooren, hoe &#x2019;t met je vader is.&#x201d;
-</p>
-<p>En Griete hoorde de laatste woorden niet meer: want snel <span class="pagenum">[<a id="pb103" href="#pb103">103</a>]</span>liep zij den hoek om en trad, zoo zacht als zij kon, de hut binnen.
-</p>
-<p>In de kamer was &#x2019;t stil. &#x2019;t Was, of zij den ouden dokter kon hooren ademhalen, ja,
-als hoorde zij de asch op de plaat van den haard vallen. De hand van haar moeder was
-ijskoud, maar haar wangen gloeiden en haar oogen stonden glazig helder.
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure p1030width"><img src="images/p103.png" alt="" width="586" height="570"></div><p>
-</p>
-<p>Eindelijk kwam er beweging op het bed, wel zeer zacht, maar genoeg om hen allen hun
-oogen naar dien kant te doen richten; dokter Broekman boog zich oplettend voorover.
-Brinker trok zijn groote hand, zoo bleek en zoo zwak voor die van zulk een stevig
-man, onder het dek vandaan en voelde er mee naar zijn voorhoofd. Hij scheen daar het
-verband te voelen, doch deed dat niet op die rustelooze, onbewuste manier, maar alsof
-hij met bewustheid onderzocht, wat men hem toch om het hoofd had gebonden. Zelfs dokter
-Broekman hield zijn adem in. Daarop sloeg de patiënt zijn oogen langzaam op.
-</p>
-<p>&#x201e;Wat gauw, jongens,&#x201d; zeide hij met een stem, die in Griete&#x2019;s ooren zeer vreemd klonk.
-&#x201e;Haalt die kribben wat hooger en werpt er aarde op. Het water rijst zoo snel&#x2014;er is
-geen tijd.&#x2026;&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb104" href="#pb104">104</a>]</span></p>
-<p>Vrouw Brinker vloog naar het bed, greep beide handen van haar man en zeide:
-</p>
-<p>&#x201e;Rolf, Rolf! ouwe jongen! Praat eens tegen me.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ben jij &#x2019;t, Mietje?&#x201d; vroeg hij met een zwakke stem. &#x201e;Ik heb zoo lang geslapen en
-geloof zelfs, dat ik mij bezeerd heb. Waar is de kleine Hans?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Hier ben ik, vader!&#x201d; riep Hans, half dol van vreugde. Maar de dokter hield hem terug.
-</p>
-<p>&#x201e;Hij kent ons!&#x201d; riep vrouw Brinker uit. &#x201e;Hij kent ons, Griete! Griete! kom eens bij
-je vader!&#x201d;
-</p>
-<p>Tevergeefs beval dokter Broekman stilte en trachtte hij hen met geweld van het bed
-te houden. Hij kon er niets tegen doen. Hans en zijn moeder lachten en weenden te
-gelijk. Griete liet geen geluid hooren, maar stond hen met blijde en toch verschrikte
-oogen aan te kijken. Haar vader vroeg met zwakke stem:
-</p>
-<p>&#x201e;Slaapt het kleine kind, Mietje?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Het kleine kind!&#x201d; herhaalde vrouw Brinker. &#x201e;O, Griete, dat ben jij! En hij noemt
-onzen Hans &#x201e;den kleinen Hans&#x201d;! Tien jaren heeft hij geslapen! O, mijnheer, gij hebt
-ons allen gered! Van al die tien jaren weet hij niets af. Kinderen, dankt toch dien
-goeden dokter.&#x201d;
-</p>
-<p>De arme vrouw was buiten zich zelve van vreugde. Dokter Broekman zeide niets, maar
-toen hij zijn oogen, die vochtig waren, op de hare vestigde, sloeg hij ze opwaarts.
-Zij begreep, wat hij meende. Ook Hans en Griete begrepen het. Alsof zij &#x2019;t hadden
-afgesproken, knielden ze alle drie in de hut neder, zonder dat vrouw Brinker echter
-haar mans hand losliet. Dokter Broekman stond bij hen en boog eerbiedig het hoofd.
-</p>
-<p>&#x201e;Waarom bid je?&#x201d; mompelde de vader. &#x201e;Is &#x2019;t vandaag Zondag?&#x201d;
-</p>
-<p>Vrouw Brinker knikte, maar kon niet spreken.
-</p>
-<p>&#x201e;Lees dan een hoofdstuk uit den Bijbel,&#x201d; hervatte Rolf, terwijl hij langzaam en met
-moeite sprak. &#x201e;Ik weet niet, hoe &#x2019;t met mij is. Ik ben zoo zwak. Misschien wil de
-dominee het ons voorlezen.&#x201d;
-</p>
-<p>Griete kreeg den zwaren bijbel van de gebeeldhouwde plank. Dokter Broekman, die er
-om meesmuilde, dat Rolf hem een dominee noemde, reikte het boek aan zijn assistent
-over.
-<span class="pagenum">[<a id="pb105" href="#pb105">105</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Lees,&#x201d; mompelde hij. &#x201e;Die menschen moeten tot rust gebracht worden, anders sterft
-de man nog.&#x201d;
-</p>
-<p>Toen het hoofdstuk uit was, wenkte vrouw Brinker geheimzinnig, dat allen stil moesten
-zijn, want dat haar man sliep.
-</p>
-<p>&#x201e;Hoor eens, vrouwtje,&#x201d; zeide de dokter met gedempte stem, terwijl hij zijn overjas
-aantrok. &#x201e;Er moet hier de grootste stilte zijn, versta je. Morgen kom ik terug. Geef
-den patiënt vandaag geen eten,&#x201d; en zonder verder een woord te zeggen, ging hij de
-hut uit, de bevroren vaart over en naar het rijtuig, dat den ganschen tijd, dien de
-dokter in de hut had doorgebracht, den weg langzaam op en neer gereden had, om de
-paarden in beweging te houden.
-</p>
-<p>Hans ging ook de deur uit.
-</p>
-<p>&#x201e;Moge God u zegenen, mijnheer,&#x201d; zeide hij blozend en met een stem, die van aandoening
-beefde. &#x201e;Ik kan u nooit beloonen. Doch, als.&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ja, dat kun je wel,&#x201d; antwoordde de dokter vrij stroef. &#x201e;Je kunt je verstand gebruiken,
-als de patiënt weer wakker wordt. Als je wilt, dat je vader beter zal worden, dan
-moet je allemaal je stilhouden.&#x201d;
-</p>
-<p>Hilda was aan de hut blijven staan, totdat zij Hans had hooren zeggen: &#x201e;Hier ben ik,
-vader!&#x201d; Toen was zij heengegaan, terwijl zij in zich zelf mompelde: &#x201e;O, wat ben ik
-blij! Wat ben ik blij!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x2019;t Duurde niet lang, of het nieuws, dat de krankzinnige Brinker weer tot zijn verstand
-was gekomen, was met de noodige vergrootingen door geheel Broek verspreid. Nog dien
-zelfden avond werd er verhaald, dat dokter Broekman hem een groote hoeveelheid medicijnen
-had ingegeven en dat er zes mannen waren noodig geweest om den patiënt vast te houden,
-terwijl de dokter hem die in de keel goot. Terstond daarop was de krankzinnige van
-zijn bed gesprongen en had, in het volle bezit zijner geestvermogens, zich op den
-dokter geworpen en hem een pak slaag gegeven; daarop was hij gaan zitten en had al
-de omstanders aangesproken, alsof hij een advocaat was. Toen had hij zich omgekeerd
-en heel vriendelijk met zijn vrouw en kinderen gepraat. Vrouw Brinker had het daarna
-op haar zenuwen gekregen, en Hans had gezegd: &#x201e;Hier ben ik, vader!&#x201d; En Griete <span class="pagenum">[<a id="pb106" href="#pb106">106</a>]</span>had gezegd: &#x201e;Hier ben ik, vader!&#x201d; En de dokter was zoo bleek als een lijk in zijn
-rijtuig gekropen en naar Amsterdam teruggereden.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch11" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd29e227">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">ELFDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">De verborgen schat.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Toen dokter Broekman den volgenden dag in de hut van Rolf Brinker kwam, was &#x2019;t hem
-alsof een atmosfeer van geluk hem tegenwoei. Vrouw Brinker zat met een vergenoegd
-gezicht te breien aan het bed van haar man, die rustig sliep, terwijl Griete in een
-hoek van het vertrek bezig was met het kneden van roggebrood.
-</p>
-<p>De dokter bleef niet lang. Hij deed eenige vragen, scheen tevreden over de antwoorden,
-voelde den pols van zijn patiënt en zeide:
-</p>
-<p>&#x201e;Je man is geducht zwak, vrouw Brinker! Hij moet wat versterkends hebben. Je kunt
-er gerust mee beginnen, maar niet te veel op eens, en wat je hem geeft, het moet van
-het krachtigste en beste zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wij hebben niets dan roggebrood en aardappelen, mijnheer,&#x201d; antwoordde vrouw Brinker,
-&#x201e;en die zijn hem altijd heel goed bekomen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ho, ho! vrouwtje,&#x201d; hernam de dokter, terwijl hij zijn wenkbrauwen fronste. &#x201e;Dat deugt
-niemendal voor hem. Hij moet krachtigen bouillon hebben, met oudbakken wittebrood,
-dat je kan roosteren, dan goede Malaga, en .&#x2026; de man lijdt kou .&#x2026; je moet hem beter
-dek geven. Waar is je zoon?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Hij is het dorp ingegaan, om te zien of hij werk kan krijgen, mijnheer! Maar hij
-zal wel gauw terug zijn. Wil u niet gaan zitten?&#x201d;
-</p>
-<p>Hetzij de harde stoel, dien vrouw Brinker hem aanbood, niet bijzonder uitlokkend scheen,
-of dat de dokter haast had&#x2014;hij nam het aanbod van vrouw Brinker niet aan, maar zette
-zijn hoed op en vertrok.
-</p>
-<p>Dokter Broekman&#x2019;s bezoek had ditmaal geen aangenamen <span class="pagenum">[<a id="pb107" href="#pb107">107</a>]</span>indruk achtergelaten. Griete kneedde haar roggebrood met een zenuwachtige gejaagdheid
-en vrouw Brinker ging naar het bed van haar man en barstte in bittere tranen uit.
-</p>
-<p>Op dit oogenblik kwam Hans binnen.
-</p>
-<p>&#x201e;Wat scheelt er aan, moeder?&#x201d; vroeg hij, toen hij haar zag weenen. &#x201e;Is vader soms
-erger?&#x201d;
-</p>
-<p>Zij wendde haar gelaat naar Hans, en zonder eenige poging om voor hem de reden van
-haar verdriet verborgen te houden, gaf zij hem ten antwoord:
-</p>
-<p>&#x201e;Ja Hans! je arme vader lijdt honger en kou&#x2014;dat heeft de dokter gezegd.&#x201d;
-</p>
-<p>Hans werd bleek.
-</p>
-<p>&#x201e;Dan moet ge hem wat eten geven, moeder, en hem wat warmer toedekken,&#x201d; zeide hij.
-</p>
-<p>&#x201e;Eten? Roggebrood en aardappelen? Dan vermoorden wij hem. Ons eten is te zwaar voor
-hem. Ach! hij zal sterven, je arme vader, als we hem dat geven. Hij moet vleesch hebben,
-wijn en een zacht, warm bed. Wat moeten wij beginnen? Wat zullen wij doen? Er is geen
-stuiver in huis!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Heeft de dokter dan gezegd, dat hij al die dingen moest hebben?&#x201d; vroeg Hans.
-</p>
-<p>&#x201e;Ja, dat heeft hij gezegd.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Welnu, moeder! Droog dan uw tranen. Hij <span class="ex">zal</span> ze hebben. Nog vóór den avond breng ik hem vleesch en wijn. En wat het dek aangaat,
-neem het maar van het mijne af. Ik ben jong en sterk en kan wel zonder dek slapen!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En dan, wat er tot overmaat van ramp nog bij komt, Hans, we hebben geen brandstof
-meer. Je vader is er wat ruw mee omgegaan, als ik het niet zag.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Zorg daar maar niet voor, moeder! Als de nood dringt, dan kan ik den wilgeboom wel
-omhakken; maar van avond zal ik wat brandstof medebrengen. Al is er te Broek geen
-werk te vinden, in Amsterdam moet er zijn. Maak u maar niet ongerust. Het ergste van
-alles is geleden. Nu vader weer bij zijn verstand is, kunnen wij allen dingen het
-hoofd bieden.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Je hebt gelijk, Hans,&#x201d; antwoordde vrouw Brinker, terwijl zij haar tranen afdroogde.
-</p>
-<p>&#x201e;Kijk hem nu eens, moeder, hoe rustig hij slaapt. Zou God <span class="pagenum">[<a id="pb108" href="#pb108">108</a>]</span>hem nu door gebrek aan voedsel doen omkomen, nu Hij hem ons heeft teruggeschonken?
-Treur dus niet.&#x201d;
-</p>
-<p>Dit zeggende, nam Hans zijn schaatsen onder den arm, gaf zijn moeder een kus en ging
-de deur uit. De arme jongen, moedeloos door het mislukken van al zijn pogingen om
-in Broek werk te krijgen, in bittere smart over de mededeelingen zijner moeder, hield
-zich groot, grooter dan hij &#x2019;t wel in zijn hart was, ja, poogde te fluiten, terwijl
-hij naar de vaart ging.
-</p>
-<p>Nooit was bij de Brinkers de nood zoo hoog geweest. Hun voorraad van brandhout was
-zoo goed als op en Griete was bezig met het laatste meel tot brood te kneden. En geld&#x2014;dat
-was een soort van ding, dat er in de hut aan de vaart weinig, thans in &#x2019;t geheel niet
-te vinden was.
-</p>
-<p>&#x2019;t Speet Hans, dat hij den koetsier niet had verzocht, om stil te houden, toen de
-dokter hem daar straks voorbijreed. Misschien had moeder het verkeerd verstaan. De
-dokter kon toch wel begrijpen, dat het buiten hun macht was om vader bouillon en wijn
-te verschaffen. En toch&#x2014;hij was er wel zeker van, dat de arme man het noodig had,
-want hij zag er zoo zwak uit.
-</p>
-<p>&#x201e;Kon ik maar werk krijgen, dan zou men mij misschien wat op voorschot geven. Ik <span class="ex">moet</span> werk hebben. Was mijnheer Van den Helm maar niet juist naar Rotterdam, dan zou hij
-mij wel werk verschaffen. Maar de jonge heer Peter heeft mij gezegd, dat ik maar naar
-zijn moeder moest gaan, als ik hulp noodig had. Weet je wat, ik doe &#x2019;t: baat het niet,
-dan schaadt het niet. O, als &#x2019;t maar zomer was!&#x201d;
-</p>
-<p>Onder dit zelfgesprek had Hans zijn schaatsen ondergebonden en reed hij naar de woning
-van mijnheer Van den Helm.
-</p>
-<p>&#x201e;Vader moet wijn en vleesch hebben,&#x201d; mompelde hij. &#x201e;Maar hoe kom ik vandaag nog aan
-het geld, om het voor hem te koopen? Er is geen ander middel op, dan de belofte te
-vervullen, die ik stilzwijgend aan den jongen heer Peter gedaan heb. Een beetje wijn
-en vleesch beteekent niets voor de familie Van den Helm. Als vader maar voedsel heeft,
-dan rij ik naar Amsterdam en zie daar wat te verdienen.&#x201d;
-</p>
-<p>Toen kwamen er andere gedachten bij hem op, gedachten, <span class="pagenum">[<a id="pb109" href="#pb109">109</a>]</span>die zijn hart heviger deden kloppen en het schaamrood op zijn wangen joegen.
-</p>
-<p>&#x201e;Dat zou <span class="ex">bedelen</span> zijn,&#x201d; zeide hij. &#x201e;Op zijn zachtst genomen <span class="ex">bedelen</span>. Nooit heeft een van de Brinkers gebedeld! Zal ik dan de eerste zijn? En zou mijn
-arme vader daartoe uit zijn tienjarigen doodslaap ontwaakt zijn, opdat hij moet hooren,
-dat zijn huisgezin om een aalmoes gevraagd heeft, hij die altijd zoo fier werkzaam
-was? Neen, dan is &#x2019;t nog duizendmaal beter om het horloge te verkoopen.&#x201d;
-</p>
-<p>Hij stond peinzend stil.
-</p>
-<p>&#x201e;Verkoopen?&#x201d; vervolgde hij, als beantwoordde hij zich zelf. &#x201e;Wel, dat behoeft niet.
-Ik kan het te Amsterdam beleenen. Dat is toch geen schande. En als ik dan werk krijg,
-dan los ik het weer, en vader is geholpen.&#x201d;
-</p>
-<p>Die laatste gedachte deed hem opspringen van vreugde.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik behoef &#x2019;t niet stil te doen ook,&#x201d; vervolgde hij in het naar-huis-rijden. &#x201e;Wel
-neen, in &#x2019;t geheel niet. Ik kan er vader zelfs naar vragen. Hij is nu weer bij zijn
-volle verstand. Misschien is hij al wakker. Dan kan hij ons vertellen wat er van dat
-horloge is. Misschien zegt hij, dat het van niet het minste belang is.&#x201d;
-</p>
-<p>Sneller dan hij van huis gereden was, reed hij terug. Hij ontmoette zijn moeder juist
-in de deur.
-</p>
-<p>&#x201e;O, Hans!&#x201d; riep zij met een gelaat, dat van vreugde straalde, uit: &#x201e;Daar is de jonge
-dame geweest met haar dienstmaagd. Zij heeft alles meegebracht, wat wij noodig hebben:
-vleesch, soep, wijn en brood&#x2014;een mand vol brood. En de dokter heeft een mand gestuurd
-met een paar flesschen wijn, een zacht bed en warme dekens voor vader. O, nu zal hij
-wel weer beter worden. God zegene die edele juffrouw Hilda en den braven dokter!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;God zegene hen!&#x201d; herhaalde Hans en de tranen kwamen hem in de oogen.
-</p>
-<p>Dien avond gevoelde Rolf Brinker zich zooveel beter, dat hij er op aandrong, om een
-weinig in zijn ruwen stoel met hooge leuning op te zitten. Het gaf wel een weinig
-verlegenheid in de hut. Wat Hans aangaat, die kon, ofschoon zijn vader een zwaar man
-was, hem best aan de eene zijde ondersteunen, maar vrouw Brinker, ofschoon ze in &#x2019;t
-geheel niet zwak <span class="pagenum">[<a id="pb110" href="#pb110">110</a>]</span>was, beefde zoozeer vooral bij het denkbeeld, dat zij iets zou doen, wat de dokter
-niet geordonneerd had, dat het weinig scheelde of zij was onder den last bezweken.
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure floatLeft p110width"><img src="images/p110.png" alt="" width="412" height="616"></div><p>
-</p>
-<p>&#x201e;Hou je goed, vrouw! hou je goed,&#x201d; zeide Rolf. &#x201e;Ben ik dan zóó oud en zóó zwak geworden,
-dat ik niet meer op mijn beenen staan kan. Of is het de koorts?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Hoor me dien man eens aan!&#x201d; riep vrouw Brinker zenuwachtig lachend uit. &#x201e;Spreekt
-hij niet als een gezond christenmensch! &#x2019;t Is de koorts, die je zoo zwak maakt, Rolf.
-Hier is je stoel. Ga nu maar zitten!&#x201d;
-</p>
-<p>Met deze woorden liet vrouw Brinker haar man zachtjes op zijn stoel nederzakken, op
-welken zij een donzig kussen had gelegd. Hans deed hetzelfde. Intusschen bracht Griete
-alles aan, wat tot gemak van haar vader kon dienen, en stookte het vuur ferm op.
-</p>
-<p>Eindelijk zat Rolf Brinker op zijn gemak. Geen wonder, dat hij vreemd rondkeek. &#x201e;De
-kleine Hans&#x201d; had niet veel minder gedaan dan hem ondersteund. Het &#x201e;kleine kind&#x201d; was
-meer dan vier voet lang en stookte den haard zoo goed, alsof haar moeder &#x2019;t gedaan
-had. Mietje, zijn vrouw, was nog wel even mooi als vroeger, maar heel wat dikker geworden,
-en dat alles&#x2014;naar &#x2019;t hem voorkwam, in weinige uren. De eenige welbekende dingen, welke
-hij om zich zag, waren de grenenhouten tafel, welke hij zelf had gemaakt, de Bijbel
-op de plank en de kast in den hoek.
-</p>
-<p>Wat wonder, dat de oogen van Rolf Brinker zich met tranen vulden, zelfs bij het zien
-van de vroolijke gezichten, die hem <span class="pagenum">[<a id="pb111" href="#pb111">111</a>]</span>omringden. Tien jaren toch van een menschenleven is geen gering verlies! Tien jaren
-van mannelijken leeftijd, van huiselijk geluk en huiselijke zorg, tien jaren van eerlijken
-arbeid, genieting van zonneschijn, van een leven in dankbaarheid gesleten. En die
-tien jaren als een enkele nacht voorbijgegaan! Was &#x2019;t wonder, dat er bittere tranen
-over zijn wangen vloeiden, toen hij begreep, wat er met hem gebeurd was?
-</p>
-<p>Die tranen&#x2014;&#x2019;t was of zij in het hart van Griete drongen en daar de ijskorst deden
-smelten, die dat jeugdige hart bedekte. Thans had zij haar vader lief, snelde op hem
-toe en sloeg de armen om zijn hals.
-</p>
-<p>&#x201e;Vader, lieve vader!&#x201d; fluisterde zij, terwijl zij haar wangetje dicht aan de eene
-zijde drukte. &#x201e;O, lieve vader, schrei zoo niet! Wij zijn allen hier.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;God zegene u, kind!&#x201d; snikte Rolf, terwijl hij haar herhaalde malen kuste. &#x201e;Ik had
-dat waarlijk vergeten!&#x201d;
-</p>
-<p>Hans en vrouw Brinker hadden zwijgend en met aandoening Griete gadegeslagen. Zij waren
-zóó blijde, dat het kind, hetwelk haar vader eigenlijk nooit gekend had, zich thans
-zoo lief jegens hem gedroeg. Rolf Brinker nam het hoofd van zijn dochtertje tusschen
-zijn beide handen, keek haar vriendelijk in het gelaat, wendde zich toen tot zijn
-vrouw en zeide:
-</p>
-<p>&#x201e;Ik geloof, dat ik haar ken, Mietje. Dezelfde blauwe oogjes, dezelfde lippen, &#x2019;t is
-het lieve kind, dat al kon zingen, vóór ze nog kon loopen. Maar dat is al lang geleden,
-heel lang,&#x201d; voegde hij er bij, terwijl hij met een droomerig gelaat opkeek, &#x201e;en al
-die tijd is nu voorbij.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;In &#x2019;t geheel niet, Rolf!&#x201d; riep zijn vrouw haastig uit. &#x201e;Denk je dan, dat ik er niet
-voor gezorgd heb, dat ze jou niet vergat? Griete, kind! zing eens het oude liedje,
-dat je zoo lang gekend hebt.&#x201d;
-</p>
-<p>Rolf Brinker liet zijn handen zwaar naast zich hangen en sloot zijn oogen, maar er
-speelde een glimlach om zijn lippen, toen Griete met haar heldere stem dat oude, welbekende
-liedje zong.
-</p>
-<p>Het was een eenvoudig wijsje; de woorden had zij nooit gekend.
-</p>
-<p>En als uit instinct zong zij de noten zóó zacht, dat Rolf zich bijna verbeeldde, dat
-zijn tweejarig kindje weer naast hem zat.
-<span class="pagenum">[<a id="pb112" href="#pb112">112</a>]</span></p>
-<p>Zoodra het gezang gedaan was, klom Hans op een bankje en begon boven in de kast te
-<span class="corr" id="xd29e1955" title="Bron: schommelen">rommelen</span>.
-</p>
-<p>&#x201e;Wees voorzichtig, Hans,&#x201d; zeide vrouw Brinker, die, hoe arm zij ook was, steeds een
-zorgvuldige huismoeder bleef. &#x201e;Wees voorzichtig, dat je den wijn niet omgooit, en
-pas op het brood, dat er naast staat.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wees maar niet bang, moeder,&#x201d; antwoordde Hans, die ver boven de hoogste plank uitstak.
-&#x201e;Ik zal niets omgooien.&#x201d;
-</p>
-<p>Toen sprong hij van het bankje af en ging naar zijn vader, voor wien hij een langwerpig
-stuk grenenhout op tafel zette. Eén van de einden was schuin afgerond, en het bovengedeelte
-was uitgehold.
-</p>
-<p>&#x201e;Weet gij wel, wat dat is, vader?&#x201d; vroeg hij.
-</p>
-<p>Rolf Brinker&#x2019;s gelaat helderde op.
-</p>
-<p>&#x201e;Of ik het weet. Wel ja, mijn jongen, dat is de boot, waaraan ik giste.&#x2026; neen, niet
-gisteren, maar jaren geleden bezig was.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik heb haar altijd bewaard, vader. Als uw handen weer sterker zijn, kunt gij haar
-afmaken.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dat is goed, mijn jongen. Maar niet voor jou, hoor. &#x2019;k Moet nu maar wachten, tot
-ik kleinkinderen heb. Wel kerel, je bent bijna een man. Heb je je moeder al die jaren
-trouw geholpen?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ja, dat heeft hij gedaan,&#x201d; zeide vrouw Brinker.
-</p>
-<p>&#x201e;Laat me eens bedenken,&#x201d; prevelde de vader. &#x201e;Hoe lang is &#x2019;t sinds dien nacht, dat
-het water zoo hoog was? Dat is &#x2019;t laatst, wat ik mij herinner.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;We hebben je de waarheid gezegd, Rolf. &#x2019;t Is al over de tien jaren.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Tien jaren&#x2014;en toen ben ik gevallen, niet waar? En heb ik sedert al dien tijd in de
-koorts gelegen?&#x201d;
-</p>
-<p>Vrouw Brinker wist niet, wat zij moest antwoorden. Zou ze hem alles vertellen? Dokter
-Broekman had haar volstrekt verboden, om hem bekend te maken, dat hij krankzinnig,
-idioot geweest was. Hans en Griete stonden verbaasd te kijken, toen hun moeder antwoordde:
-</p>
-<p>&#x201e;Dat heeft er veel van, Rolf. Je begrijpt, als zoo&#x2019;n zwaar man als jij op zijn hoofd
-valt, dan loopt dat zoo gemakkelijk niet af. Maar nu ben je weer beter, Goddank!&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb113" href="#pb113">113</a>]</span></p>
-<p>Rolf liet zijn hoofd zakken.
-</p>
-<p>&#x201e;&#x2019;t Is goed, vrouw,&#x201d; hernam hij, na een oogenblik gezwegen te hebben. &#x201e;&#x2019;t Is me tusschenbeide
-of mij de hersens in het hoofd draaien. Dat zal wel niet beter worden, vóór ik op
-den dijk ga werken. Wanneer denk je, dat ik weer aan den arbeid kan gaan?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Hoor me zoo&#x2019;n man eens aan!&#x201d; riep vrouw Brinker verheugd en toch verschrikt. &#x201e;We
-moeten hem te bed brengen, Hans! Dat wou nu al gaan werken!&#x201d;
-</p>
-<p>Zij poogden hem nu van zijn stoel op te richten, maar hij was nog niet van zins om
-naar bed te gaan.
-</p>
-<p>&#x201e;Schei toch uit,&#x201d; zeide hij met zijn ouden glimlach, een glimlach dien Griete nog
-nooit op zijn gelaat had gezien. &#x201e;Moet je een man oplichten als een blok hout. &#x2019;t
-Duurt geen drie dagen of ik ben weer op den dijk aan &#x2019;t werk. Daar zal ik weer mijn
-oude, goeie jongens vinden! Wat zullen ze in hun schik zijn, als ze mij weer zien
-verschijnen! Daar heb je Jan Kamphuijzen en den jongen Hoogvliet. &#x2019;t Waren trouwe
-kameraads, Hans, daar kan je op aan!&#x201d;
-</p>
-<p>Hans keek zijn moeder aan. De jonge Hoogvliet was al vijf jaren geleden gestorven
-en Jan Kamphuijzen zat in de cellulaire gevangenis te Amsterdam.
-</p>
-<p>&#x201e;Ze zullen &#x2019;t nog wel goed maken, denk ik,&#x201d; zeide vrouw Brinker ontwijkend. &#x201e;Maar
-je begrijpt wel, Rolf, dat we geen tijd hebben gehad om ons met hen te bemoeien. Hans
-had het te druk met leeren en werken, dan dat hij kameraden zou hebben kunnen zoeken.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Leeren en werken!&#x201d; herhaalde Rolf op peinzenden toon. &#x201e;Kan de jongen dan lezen en
-schrijven, Mietje?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dat zou ik meenen,&#x201d; antwoordde zij trotsch. &#x201e;Je zult het hooren, Rolf. In den tijd,
-dat ik den vloer doe, leest de jongen een heel boek uit. Hij is net zoo blij met een
-blaadje gedrukt schrift als een konijn met een koolstronk. En cijferen dat hij kan.&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Hans, help mij een handje,&#x201d; viel Rolf zijn vrouw in de rede. &#x201e;Ik wou weer naar bed.&#x201d;
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>Wie dien avond vrouw Brinker en haar beide kinderen <span class="pagenum">[<a id="pb114" href="#pb114">114</a>]</span>had zien soupeeren, zou niet gedacht hebben, dat er zooveel fijns in de kast daar
-aan den muur verborgen was. Vroolijk gebruikten zij hun grof brood met helder water:
-&#x201e;het wittebrood, de wijn en het vleesch moesten voor vader blijven,&#x201d; had vrouw Brinker
-gezegd. &#x201e;Als men daar een stukje van at, zou men het den armen man ontstelen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wat zit je daar te kijken, Griete?&#x201d; vroeg vrouw Brinker, toen ze gedaan hadden. &#x201e;Heeft
-je het eten van avond niet gesmaakt, nu je wat beters gezien hebt?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Neen, moeder,&#x201d; antwoordde Griete verschrikt, dat ze zoo eensklaps in haar droomerijen
-gestoord werd. &#x201e;Daar heb ik geen oogenblik over gedacht. Maar ik.&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Nu, wat dan, kind?&#x201d; herhaalde vrouw Brinker ongeduldig.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik dacht, we konden vader nu wel eens naar de duizend gulden vragen.&#x2014;Misschien weet
-hij er iets van.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Duizend gulden!&#x201d; herhaalde eensklaps een stem uit het bed, en zoowel vrouw Brinker
-als Hans sprongen verschrikt op. &#x201e;De duizend gulden zullen je ook wel te pas gekomen
-zijn, Mietje, al dien langen tijd, dat je man geen slag werk deed.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ben je wel wakker, Rolf?&#x201d; vroeg zij.
-</p>
-<p>&#x201e;Ja, kind. En ik gevoel mij veel beter. Wat een geluk, dat we dit geld hadden gespaard!
-Heeft het gedurende al die tien jaren gestrekt, Mietje?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik .&#x2026; ik heb er geen cent van gezien, Rolf.&#x201d; En zij was op het punt, om hem de geheele
-waarheid mede te deelen, toen Hans zijn vinger op den mond legde en zijn moeder toefluisterde:
-</p>
-<p>&#x201e;Denk er aan, moeder, wat de dokter gezegd heeft, dat we vaders hoofd niet vermoeien
-mogen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Spreek jij dan met hem, kind,&#x201d; antwoordde zij.
-</p>
-<p>Hans voldeed hieraan.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik ben blij, dat ge wat beter zijt, vader,&#x201d; begon hij. &#x201e;Als &#x2019;t zoo voortgaat, zult
-gij wel spoedig sterk zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ja, jongen, dat willen we hopen. Maar hoe lang heeft dat geld geduurd, Hans? Ik kon
-je moeder niet recht verstaan. Wat zeide zij?&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb115" href="#pb115">115</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Ik heb gezegd, Rolf,&#x201d; antwoordde vrouw Brinker op treurigen toon, &#x201e;dat alles weg
-is.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Nu, vrouwtje, wees daar maar niet bedroefd om. Duizend, gulden is waarlijk niet zooveel
-voor tien jaren, vooral als men er een paar kinderen bij groot te brengen heeft; maar
-ze hebben toch gemaakt, dat je geen armoede hebt behoeven te lijden. Ben je allen
-dien tijd nogal gezond geweest?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ja,&#x201d; snikte vrouw Brinker, terwijl zij haar voorschoot voor de oogen hield.
-</p>
-<p>&#x201e;Kom, kom, vrouw! Waarom schrei je?&#x201d; hernam Rolf vriendelijk. &#x201e;Als ik maar weer op
-de been ben, zullen we wel gauw weer een nieuwe kous vullen. Gelukkig, dat ik je alles
-verteld heb, eer ik ziek werd.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Verteld? Wat heb je me verteld?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wel, dat ik &#x2019;t je gezegd heb, dat ik het geld begraven had.&#x201d;
-</p>
-<p>Vrouw Brinker wilde naar het bed vliegen; maar Hans hield haar bij den arm vast.
-</p>
-<p>&#x201e;Stil, moeder,&#x201d; fluisterde hij, terwijl hij haar tegenhield. &#x201e;Wij moeten heel voorzichtig
-zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>Toen zij daar nu zoo handenwringend stond, naderde hij nog eens zijn vader.
-</p>
-<p>&#x201e;Herinnert gij u nog, vader, wanneer gij het geld begraven hebt?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wel zeker, &#x2019;t Was vóór dag en dauw, op denzelfden dag, dat ik van den dijk viel.
-Jan Kamphuijzen had den avond te voren iets ten opzichte van dat geld gezegd, dat
-mij zijn eerlijkheid deed wantrouwen. Hij was de eenige, die met moeder en mij wat
-van dat geld wist. Ik stond &#x2019;s nachts op en begroef het. Dwaas, die ik was, om een
-vriend te wantrouwen!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik wed om al wat gij wilt, vader,&#x201d; hernam Hans lachend, terwijl hij zijn moeder en
-Griete wenkte, om zich stil te houden, &#x201e;dat gij niet meer weet, waar gij het begraven
-hebt.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ha! Ha! Ha! Je hebt gelijk. Maar goeden nacht, Hans! Ik heb slaap.&#x201d;
-</p>
-<p>Hans wilde zijn vader met rust laten en van het bed afgaan, maar zijn moeder wenkte
-hem en hij mocht haar niet ongehoorzaam zijn; daarom vervolgde hij:
-<span class="pagenum">[<a id="pb116" href="#pb116">116</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Goeden nacht, vader! Waar hebt gij het geld begraven? Ik was toen nog heel klein.&#x201d;
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure floatLeft p116width"><img src="images/p116.png" alt="" width="506" height="708"></div><p>
-</p>
-<p>&#x201e;Vlak bij den wilgeboom achter de hut,&#x201d; antwoordde Brinker slaperig.
-</p>
-<p>&#x201e;O, ja. Aan den noordkant van den boom, niet waar, vader!&#x201d;
-</p>
-<p><span class="corr" id="xd29e2034" title="Niet in bron">&#x201e;</span>Neen, aan de zuidzijde. Kom, je weet de plaats net zoo goed als ik, kleine schelm!
-Je bent er toch zeker bij geweest, toen je moeder het geld opgroef. Wees nu stil,
-Hans, en schud mijn kussen wat op. Ik heb zoo&#x2019;n slaap. Goeden nacht!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Goeden nacht, vader!&#x201d; antwoordde Hans, die wel van vreugd had willen dansen.
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>Dien nacht kwam de maan vrij laat op en wierp haar schijnsel vol en helder door het
-venster in de hut; maar haar licht stoorde den slaap van Rolf Brinker niet. Hij sliep
-rustig evenals Griete. Niet zoo Hans en zijn moeder; zij hadden wel wat anders te
-doen.
-</p>
-<p>Na eenige toebereidselen gemaakt te hebben, slopen zij de hut uit, gewapend met een
-spade en een houweel, beide braaf verroest, daar het werktuigen waren, vroeger door
-Rolf bij het dijkwerk gebezigd.
-</p>
-<p>&#x2019;t Was buiten helder licht en zij konden den wilgeboom duidelijk zien. De bevroren
-grond was zoo hard als een steen, <span class="pagenum">[<a id="pb117" href="#pb117">117</a>]</span>maar Hans en zijn moeder waren niet bang voor een beetje moeite. Het eenige, wat zij
-vreesden, was, dat zij de slapers in de hut zouden wakker maken.
-</p>
-<p>&#x201e;Gelukkig, dat wij het houweel hebben, moeder,&#x201d; zeide Hans, terwijl hij uit al zijn
-macht sloeg; &#x201e;maar de grond is zóó hard, dat we moeite zullen hebben, om er door te
-komen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wat zal dat een heuglijke tijding voor hem zijn,&#x201d; zeide vrouw Brinker glimlachend,
-&#x201e;als hij sterk genoeg is om haar te dragen. Ik zou er wel lust in hebben, beide kousen,
-zoo vol met geld, net zooals wij ze vinden, naast hem neer te leggen. Wat zou de brave
-man dan raar opkijken, als hij wakker werd!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dan moeten we ze eerst vinden, moeder!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Daar is geen twijfel aan, mijn jongen! Ze kunnen ons nu niet ontgaan. Waarschijnlijk
-zitten ze in den ouden koekepot, dien ik jarenlang gemist heb.&#x201d;
-</p>
-<p>Maar hoe diep Hans ook groef, er kwam geen teeken van den schat terug.
-</p>
-<p>&#x201e;&#x2019;t Is vreemd, dat vader het geld zoo vreeselijk diep in den grond heeft gespit,&#x201d;
-zeide vrouw Brinker op knorrigen toon. &#x201e;De grond was toen nog zacht genoeg. Hoe verstandig
-van hem dat hij Jan Kamphuijzen niet vertrouwd heeft, en toch stelde hij toen nog
-zijn volle vertrouwen op hem. Wie had ook ooit kunnen denken, dat die vroolijke jongen,
-die altijd zoo aardig was, nog naar de gevangenis zou gaan! Nu, Hans, geef mij nu
-de spade eens. &#x2019;t Zou toch jammer zijn, als wij den boom er mee doodden. Zou &#x2019;t hem
-geen kwaad doen?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik weet het niet,&#x201d; antwoordde Hans ernstig.
-</p>
-<p>Uur op uur gingen moeder en zoon voort met hun werk. Het gat werd hoe langer hoe dieper.
-Eindelijk moesten zij &#x2019;t wel opgeven. Zij hadden bezuiden, benoorden, beoosten, bewesten
-den boom gegraven; maar de verborgen schat was er niet.
-<span class="pagenum">[<a id="pb118" href="#pb118">118</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch12" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd29e235">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">TWAALFDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">De toovergodin.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">&#x201e;Goeden morgen, Annie Bouman,&#x201d; zeide Hans, toen het meisje hem den volgenden morgen
-op het ijs ontmoette.
-</p>
-<p>&#x201e;Goeden morgen, Hans,&#x201d; antwoordde zij vriendelijk. &#x201e;Ik ben blij, dat ik je eens zie.
-Hoe is &#x2019;t met je vader?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Daar is een groote verandering mee voorgevallen, Annie!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik heb er zoo wat van gehoord, Hans. Je moet het mij eens vertellen.&#x201d;
-</p>
-<p>En hij vertelde haar al wat er gebeurd was, terwijl hij natuurlijk van het begraven
-geld zweeg.
-</p>
-<p>&#x201e;Maar nu moet ik weg, Annie,&#x201d; eindigde hij. &#x201e;Ik moet naar Amsterdam, om mijn schaatsen
-te verkoopen. Moeder heeft geld noodig.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Je nieuwe schaatsen, Hans?&#x201d; riep Annie uit. &#x201e;Jij, de beste rijder uit Broek! En hoe
-wil je dan meedoen aan den wedren?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dat zal niet gaan, Annie! Maar ik moet weg. Goeden dag!&#x201d;
-</p>
-<p>En hij was reeds heen.
-</p>
-<p>&#x201e;Hans!&#x201d; riep Annie.
-</p>
-<p>Hans kwam terug.
-</p>
-<p>&#x201e;Ben je wezenlijk van zins, om je schaatsen van de hand te doen, als je er een kooper
-voor kunt vinden?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Natuurlijk,&#x201d; antwoordde hij, terwijl hij een paar groote oogen opzette. &#x201e;Waarom zou
-ik anders naar Amsterdam rijden?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Nu, Hans, als je dan je schaatsen wilt verkoopen, dan weet ik wel iemand, die ze
-van je wil overnemen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Mijn schaatsen koopen?&#x201d; hernam Hans.
-</p>
-<p>&#x201e;Waarom niet die zoo goed als een ander?&#x201d; zeide zij vriendelijk. &#x201e;Wat zal je er in
-Amsterdam voor krijgen? Je moet ze daar voor een appel en een ei geven. &#x2019;t Is altijd
-veel voordeeliger, om ze uit de hand te verkoopen.&#x201d;
-</p>
-<p>Hans kon èn aan het argument èn aan het lieve, vriendelijke gezichtje van het meisje
-geen weerstand bieden.
-<span class="pagenum">[<a id="pb119" href="#pb119">119</a>]</span></p>
-<p>Hij zette zich neder, bond zijn schaatsen af en overhandigde ze aan Annie:
-</p>
-<p>&#x201e;Hoor eens, Annie,&#x201d; zeide hij, &#x201e;als je kennis de schaatsen niet wil hebben, dan moet
-je me beloven, dat je ze me van middag terugbrengt. Want moeder heeft hout en meel
-noodig en dan ga ik nog vóór den avond naar Amsterdam.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Mijn vriend heeft ze noodig,&#x201d; antwoordde zij, terwijl zij hem vriendelijk toeknikte
-en met de schaatsen wegreed, terwijl zij bij zich zelf zeide:
-</p>
-<p>&#x201e;Wat is die Hans toch een goede, brave jongen!&#x201d;
-</p>
-<p>Hans vervolgde intusschen, en nu te voet, zijn reis naar Amsterdam.
-</p>
-<p>&#x201e;&#x2019;k Hoop maar niet, dat moeder boos zal zijn,&#x201d; zeide hij in zich zelf, &#x201e;dat ik de
-schaatsen verkocht heb, zonder haar verlof te hebben gevraagd. Zij heeft al verdriet
-genoeg. &#x2019;t Zal tijds genoeg zijn, &#x2019;t haar te vertellen, als ik het geld heb.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Hé, waar moet jij naar toe?&#x201d; hoorde Hans eensklaps roepen, toen hij nog niet tot
-aan het Noordhollandsche kanaal genaderd was.
-</p>
-<p>Hans, die met de oogen naar den grond geslagen geloopen had (want hij was heel verdrietig,
-omdat hij in Broek geen werk had kunnen krijgen, en vreesde er terecht voor dat hij
-wel een vergeefschen tocht naar Amsterdam zou doen), keek op en zag Peter van den
-Helm, die zijn vijf makkers een oogenblik verliet en naar den kant der vaart reed.
-</p>
-<p>&#x201e;O, zijt gij het, jongeheer!&#x201d; zeide Hans min of meer beteuterd door de onverwachte
-verschijning.
-</p>
-<p>&#x201e;Wij komen zoo juist van onze reis terug. Hoe is &#x2019;t met je vader? Is dokter Broekman
-er al geweest?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;O, mijnheer, dokter Broekman is er niet alleen geweest, maar met Gods hulp heeft
-hij vader gered.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wat je zegt! Nu, Hans, dat is een goede tijding. En waar ging je nu naar toe?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Naar Amsterdam, om werk te zoeken, jongeheer!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Naar Amsterdam? Daar zul je geen werk krijgen. Waarom zoek je het niet in Broek?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik heb &#x2019;t gepoogd, jongeheer, maar er is geen werk.&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb120" href="#pb120">120</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;En zou je zoo op je voetjes naar Amsterdam kuieren? Dat zou je niet meevallen: want
-het is een heel eind. Waar zijn je nieuwe schaatsen?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ach, jongeheer,&#x201d; zeide Hans, terwijl hij verlegen aan zijn mouw plukte, &#x201e;die heb
-ik verkocht.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Verkocht? En hoe moet je dan morgen aan de hardrijderij meedoen?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dat zal ik niet kunnen. Ach, ik heb wel aan wat anders te denken dan aan hardrijderijen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Maar waarom heb je je schaatsen verkocht, Hans? Je was er zoo blij mee en jij kondt
-er zoo goed op voort.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Omdat er meel en brandstof in huis moest zijn,&#x201d; hernam Hans. &#x201e;Als ik maar werk had
-kunnen krijgen, zou ik er geen oogenblik aan gedacht hebben.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Werk? Heb ik niet gezegd, dat je maar naar mijn papa moest gaan om werk. Die zou
-het je wel gegeven hebben.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Hij is naar Rotterdam, jongeheer!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Hoor eens, je ziet, dat mijn kameraads reeds met ongeduld op mij wachten. Kom dadelijk
-bij mij, dan zal ik er met mama over spreken.&#x201d;
-</p>
-<p>Dit zeggende, vloog Peter als een pijl uit een boog voort en was binnen weinige minuten
-weder bij zijn reisgenooten, die hem braaf berispten, dat hij zich zoo gemeenzaam
-met dien voddenraper aanstelde. Maar Peter antwoordde niets, ofschoon hij bij zich
-zelf dacht: die voddenraper is honderd percent beter dan een van ons allen. Hij antwoordde
-niet, omdat hij de laatste seconden van hun vroolijk samenzijn niet wilde verbitteren
-door een twist, waarin zij hem toch nooit gelijk zouden geven. Hans intusschen wandelde
-getroost terug en kwam aan het huis van mijnheer Van den Helm, toen Peter en Lodewijk
-reeds lang en breed thuis zaten en al hun wedervaren verteld hadden.
-</p>
-<p>&#x201e;Kom maar binnen, Hans!&#x201d; zeide Peter. &#x201e;Ik heb mama reeds over je gesproken.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dat is heel vriendelijk van u, jongeheer!&#x201d; antwoordde Hans.
-</p>
-<p>&#x201e;En zij is heel boos op je, omdat je niet gedaan hebt, wat ik je gezegd had en bij
-haar bent gekomen om hulp.&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb121" href="#pb121">121</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Ik bij haar komen om hulp, jongeheer?&#x201d; zeide Hans, terwijl hij een kleur kreeg als
-bloed. &#x201e;Neem mij niet kwalijk,&#x201d; vervolgde hij op fieren toon, &#x201e;&#x2019;t is misschien een
-beetje trotsch van mij, maar nooit heeft een der Brinkers zich verlaagd tot het vragen
-om een aalmoes!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En daar heb je braaf aan gedaan, Brinker,&#x201d; zeide een deftige dame, die het vertrek
-binnentrad. &#x201e;Toch spijt het mij, dat je niet bij mij gekomen bent; ik had je graag
-wat voorgeschoten op het werk, dat je hier zult verrichten.&#x201d;
-</p>
-<p>Hans keek mevrouw Van den Helm met een paar oogen aan, glinsterend van vreugde. En
-hij sloeg die oogen zóó bescheiden en toch zóó open tot haar op, dat hij haar ondanks
-zijn versleten plunje beviel.
-</p>
-<p>&#x201e;Je bent een gunsteling van mijn zoon Peter,&#x201d; hernam zij. &#x201e;Hij heeft mij verteld,
-hoe je hem te Haarlem uit de verlegenheid gered hebt. Maar waarom hield je dat geld
-niet voor je zelf, daar je het toch zoo noodig hebt?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dat kan Mevrouw niet meenen,&#x201d; zeide Hans, terwijl hij een ongeloovigen blik op mevrouw
-Van den Helm sloeg. &#x201e;Als ik het gehouden had, was ik immers een dief geweest.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Maar dan had je toch wel een paar gulden voor je moeite kunnen aannemen,&#x201d; hervatte
-mevrouw Van den Helm.
-</p>
-<p>&#x201e;Geld, dat ik niet verdiend heb, is een aalmoes, Mevrouw. En wat mijn moeite aangaat,
-de jongeheer heeft mij waarlijk nog grooter dienst bewezen met dokter Broekman te
-gaan spreken.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;&#x2019;t Is waar, Brinker. Dokter Broekman heeft je vader zoo gelukkig genezen. Vertel
-me dat eens!&#x201d;
-</p>
-<p>Hans verhaalde wat dokter Broekman gedaan had en weidde zeer uit over &#x2019;s mans vriendelijkheid.
-</p>
-<p>&#x201e;Hoe kun je toch zeggen, dat dokter Broekman vriendelijk is?&#x201d; zeide Peter. &#x201e;Ik heb
-nooit grooter bok gezien.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;&#x2019;t Kan wezen, jongeheer! En ik wil heel gaarne gelooven, dat andere menschen geen
-reden hebben, om op zijn vriendelijkheid te roemen. Maar dat belet toch niet, dat
-ik hem voor een lief, goed man houd en dat ik mijn leven zou opofferen, om hem een
-dienst te doen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Je hebt gelijk, Brinker,&#x201d; zeide mevrouw Van den Helm. &#x201e;En ik vind het nobel van je,
-dat je zoo ferm voor je gevoelen <span class="pagenum">[<a id="pb122" href="#pb122">122</a>]</span>durft uitkomen. Dokter Broekman is een braaf man en een knap geneesheer. Dat hij gewoonlijk
-zoo ernstig en streng is, daar heeft hij wel reden voor, de arme man. &#x2019;t Zal zoowat
-tien jaren geleden zijn, dat hij zijn eenig kind, een zoon van veel verwachting, op
-een zeer ongelukkige manier verloren heeft. En dat verlies heeft den vader vrij wat
-verdriet veroorzaakt.&#x201d;
-</p>
-<p>Peter zweeg uit achting voor zijn moeder, en op het gelaat van Hans stond innig medelijden
-te lezen; terwijl hij in zijn hart den wensch voedde, dat hij den dokter diens zoon
-mocht kunnen wedergeven. Nadat onze knaap het werk in den koepel had opgenomen, hetwelk
-hij bij den aankoop van de noodige gereedschappen, niet boven zijn bereik vond, gaf
-mevrouw Van den Helm hem een rolletje met tien rijksdaalders.
-</p>
-<p>&#x201e;Ziedaar, Brinker,&#x201d; zeide zij vriendelijk, &#x201e;hier heb je al vast vijf en twintig gulden
-op voorschot! Daar kun je het noodige gereedschap en hout voor koopen. En dan wachten
-we je den tweeden Januari om te beginnen. Morgen is de groote wedren, overmorgen Oudejaarsdag
-en Nieuwjaarsdag kun je toch ook niet werken. Al dien tijd kunnen je ouders niet van
-den wind leven, en als het werk goed uitvalt, dan zijn de vijf en twintig gulden nog
-maar een kleinigheid.&#x201d;
-</p>
-<p>Hans keek met glinsterende oogen naar de blinkende rijksdaalders, die hij zou verdienen,
-en dacht aan de vreugde, die er in de hut zou heerschen, als hij met zooveel geld
-thuis kwam. Want als hij tien gulden voor hout en gereedschap noodig had, was &#x2019;t veel
-en het andere geld kon dienen voor de noodigste levensbehoeften en voor <span class="corr" id="xd29e2137" title="Bron: brand">brandstof</span>. Als hij zijn zin gehad had, dan zou hij reeds den volgenden dag zijn begonnen, maar
-daarvan wilde mevrouw Van den Helm niets hooren en hij durfde er niet op aandringen.
-</p>
-<p>&#x201e;Je bent toch niet boos op me, Hans,&#x201d; zeide Peter, toen hij hem uitliet, &#x201e;dat ik zoo
-over dokter Broekman gesproken heb? Ik wist niet, dat de man verdriet had.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wel neen jongeheer! Hoe zou ik boos kunnen zijn op u, die mij als een weldoener verschenen
-zijt? Ik dank u integendeel hartelijk.&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb123" href="#pb123">123</a>]</span>
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure floatRight p123width"><img src="images/p123.png" alt="" width="492" height="720"></div><p>
-</p>
-<p>&#x201e;En nu koop je je schaatsen terug, hoor, en doe je morgen mee met de hardrijderij.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dat zal moeilijk gaan, jongeheer! Maar we zullen zien.&#x201d;
-</p>
-<p>En met deze woorden verliet hij het huis van de familie Van den Helm.
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>Vroolijk kwam Hans in de hut aan. Vader Brinker was juist ontwaakt en wenschte wat
-op te zitten; maar vrouw Brinker had hem beduid, dat hij moest wachten tot Hans thuis
-kwam. Hij zat dus maar in het bed op.
-</p>
-<p>&#x201e;Ben je daar al, Hans?&#x201d; zeide zijn moeder. &#x201e;Ik dacht, dat je naar Amsterdam waart.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Zooals u ziet, moeder! Ik ben niet naar Amsterdam geweest. Ha, vader! al wakker?
-en hoe gaat het?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Veel beter jongen, veel beter. Ik wachtte al op jou om op te staan: want een mensch
-zou wel lui worden, als hij zoo lang in de veeren bleef liggen. Maar je kijkt zoo
-vroolijk als een meidag. Er is je zeker wat goeds bejegend.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dat zou ik zeggen, vader,&#x201d; antwoordde Hans, terwijl hij <span class="pagenum">[<a id="pb124" href="#pb124">124</a>]</span>de tien blanke rijksdaalders op tafel wierp. &#x201e;Ik heb werk gekregen en geld op voorschot.&#x201d;
-</p>
-<p>En hij vertelde zijn ontmoeting met Peter en de vriendelijke ontvangst bij mevrouw
-Van den Helm.
-</p>
-<p>&#x201e;En zal jij dat werk durven avonturen, Hans?&#x201d; vroeg Brinker.
-</p>
-<p>&#x201e;Met Gods hulp, ja vader,&#x201d; antwoordde Hans. &#x201e;En we zien reeds duidelijk, dat de goede
-God met mij geweest is.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Maar hoe zul je.&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Hij kan zoo mooi in hout snijden, Rolf,&#x201d; zeide vrouw Brinker. &#x201e;Hans, krijg daar de
-plank eens vandaan en laat je vader die eens zien.&#x201d;
-</p>
-<p>Hans voldeed aan het verlangen zijner moeder en reikte zijn vader de plank toe. Deze
-bekeek het werk met oplettendheid en zeide:
-</p>
-<p>&#x201e;Dat is goed werk; wie heeft je dat geleerd, Hans?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Niemand vader; ik heb het door eigen oefening zoo ver gebracht.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En hoe kwam je aan het gereedschap?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Een oud mes, anders heb ik niet gebruikt.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Nu, dan zul je den koepel wel in orde brengen, als je maar goed gereedschap hebt,
-jongen! Doch help mij nu op! Ik verlang om uit het bed te komen en je moeder durfde
-me alleen niet aan.&#x201d;
-</p>
-<p>Dien namiddag kwam Annie Bouman.
-</p>
-<p>&#x201e;Hans,&#x201d; zeide zij, &#x201e;ik heb goede zaken voor je gedaan! Ik heb vijf gulden voor je
-schaatsen gekregen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Heb je je schaatsen verkocht, Hans?&#x201d; vroeg zijn moeder.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik heb &#x2019;t van morgen gedaan, moeder, éér ik naar mevrouw Van den Helm ben geweest.
-Maar vijf gulden is te veel, Annie. Ik heb er zooveel niet voor gegeven.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En als nu de liefhebber er zooveel voor geven wil.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik kan het niet gelooven, Annie,&#x201d; zeide Hans.
-</p>
-<p>&#x201e;Dat staat je niet mooi, Hans, dat je mij niet gelooft,&#x201d; zeide Annie.
-</p>
-<p>&#x201e;&#x2019;t Is wel mogelijk Annie! Maar ik geloof.&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Je moet die schaatsen weerom koopen, Hans,&#x201d; zeide vrouw Brinker. &#x201e;Je bent een brave
-jongen, dat je je grootste genoegen voor je ouders hebt opgeofferd. Maar nu we geld
-hebben en <span class="pagenum">[<a id="pb125" href="#pb125">125</a>]</span>jij werk&#x2014;wil ik niet, dat je zonder schaatsen blijft. Begrijp eens, dat je wel een
-enkele maal naar Amsterdam zult moeten, en als je &#x2019;t dan op je voeten zoudt moeten
-doen, dan zou je er te veel tijd mee verliezen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Heb je geld gekregen, Hans?&#x201d; vroeg Annie.
-</p>
-<p>&#x201e;Ja, Annie, van mevrouw Van den Helm, op afrekening van het werk, dat ik er doen zal.
-Ik zal er den koepel van snijwerk voorzien.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Jij, Hans? Wel, dat doet mij genoegen. En dus wil je nu de schaatsen niet verkoopen?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Je moet ze weerom halen, Hans,&#x201d; zeide zijn moeder.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik zal met je meegaan, Annie,&#x201d; hernam Hans. &#x201e;Ik kan ze toch nog wel terugkrijgen?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wel zeker. Maar laat Griete dan met me meerijden, dan kan zij ze halen.&#x201d;
-</p>
-<p>Op dit oogenblik schoot de zon haar laatste stralen, bloedrood, door het venster in
-de hut en bescheen de liefelijke gestalte met een tooverachtig licht. Vrouw Brinker
-beschouwde de jeugdige gedaante.
-</p>
-<p>&#x201e;Kijk me nu dat lieve meisje eens aan!&#x201d; riep zij uit. &#x201e;Zou men niet zeggen, dat daar
-een toovergodin staat, van wie ik vroeger wel eens in de boeken gelezen heb?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Vindt gij &#x2019;t, vrouw Brinker?&#x201d; zeide Annie lachend.
-</p>
-<p>&#x201e;Inderdaad,&#x201d; antwoordde zij.
-</p>
-<p>Hans keek haar met vriendelijken blik aan; Griete kreeg haar schaatsen.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik ga gauw naar huis; kom, Griete, ben je klaar?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ja, Annie!&#x201d; antwoordde Griete.
-</p>
-<p>&#x201e;Dag, vrouw Brinker,&#x201d; zeide Annie. &#x201e;&#x2019;t Beste met je man!&#x201d;
-</p>
-<p>Hans ging mede de deur uit, om de meisjes tot aan de vaart te vergezellen. Even buiten
-de deur stond Annie stil. Weder scheen de zon tooverachtig op het gelaat van het meisje.
-Was het een weinig coquetterie, dat ze daar zoo bleef stilstaan? Ik durf &#x2019;t niet zeggen&#x2014;wel
-weet ik dat Hans haar met een soort van eerbied aanstaarde.
-</p>
-<p>&#x201e;Moeder heeft wel gelijk,&#x201d; zeide hij bewonderend. &#x201e;Je lijkt net zoo&#x2019;n toovergodin.&#x201d;
-</p>
-<p>Annie had er pleizier in, dat Hans haar zoo aankeek. Zij zette een ernstig gezichtje
-en zeide:
-<span class="pagenum">[<a id="pb126" href="#pb126">126</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Welnu, Hans en Griete! Ik ben de goede toovergodin uit Broek, die je een bezoek komt
-brengen. Je kunt ieder een wensch doen, die zal je worden toegestaan.&#x201d; Griete begon
-te lachen om den ernst, waarmede zij sprak; maar Hans, die in zijn hart wenschte,
-dat Annie werkelijk een toovergodin was en dat haar belofte mocht uitkomen, lachte
-niet en zeide ernstig:
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure floatRight p126width"><img src="images/p126.png" alt="" width="532" height="647"></div><p>
-</p>
-<p>&#x201e;Welnu, goede toovergodin, ik wenschte, dat ik kon vinden wat ik van nacht tevergeefs
-gezocht heb!&#x201d;
-</p>
-<p>Annie bleef haar rol uitmuntend doorspelen. Zij stampte driemaal op den grond, haalde
-plechtig een glazen kraal uit haar zak, reikte die Hans over en zeide:
-</p>
-<p>&#x201e;Begraaf die kraal daar ginds bij de oude vermolmde wilgestomp, en eer de maan hedenavond
-opkomt, zal je wensch vervuld zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>Griete vond dit zoo koddig, dat zij nog harder begon te lachen.
-</p>
-<p>&#x201e;Ondeugend kind,&#x201d; zeide Annie, terwijl zij een streng gezicht zette. &#x201e;Omdat je een
-toovergodin bespot, zal jouw wensch niet vervuld worden.&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb127" href="#pb127">127</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;&#x2019;t Is jammer, dat je je beurt niet hebt afgewacht, toovergodin!&#x201d; zeide Griete. &#x201e;Nu
-kun je me niets weigeren: want ik heb niets gevraagd.&#x201d;
-</p>
-<p>Annie bleef haar rol goed spelen. Met waardigheid wendde zij zich om, drukte Hans
-genadig de hand en wandelde naar de vaart. Toen zij daar was, was zij weder Annie.
-</p>
-<p>&#x201e;Kom, Griete!&#x201d; riep zij tegen het nog steeds lachende kind. &#x201e;Ga nu mee; anders zou
-je de schaatsen van je broer niet voor morgen thuis brengen. En je weet, dat hij dan
-op de harddraverij moet.&#x201d;
-</p>
-<p>Hans keek de meisjes na, zoolang hij ze zien kon. Maar hij staarde ze na met een droomerig
-gelaat.
-</p>
-<p>&#x201e;Bij die wilgestomp, zeide zij,&#x201d; mompelde hij. &#x201e;Hoe dom, dat wij daaraan niet gedacht
-hebben! O, &#x2019;t is zeker waar! Doch ik zal er moeder niets van zeggen, eer ik weet of
-&#x2019;t waar is. Zij was van nacht zoo teleurgesteld.&#x201d;
-</p>
-<p>En hij ging met langzame schreden in huis, waar zijn vader gerust lag te slapen.
-</p>
-<p>&#x201e;Wat moet je hebben, Hans?&#x201d; vroeg vrouw Brinker, die aan het bed van haar man zat
-te breien.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik ga de oude stomp omhakken om een lekker brandje te hebben, als vader van nacht
-wakker wordt. Hij staat daar toch maar als een doeniet. En dan word ik warm van den
-arbeid; want ik ben koud geworden.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Sla dan niet te hard, anders mocht je je vader wakker maken.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wees maar niet bang, moeder!&#x201d; antwoordde hij, terwijl hij met spade en houweel de
-hut verliet.
-</p>
-<p>Toen Griete kort daarop met de schaatsen thuis kwam, vroeg zij Hans, terwijl zij haar
-schaatsen afbond:
-</p>
-<p>&#x201e;Wat voer je daar toch uit?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik begraaf mijn tooverkraal,&#x201d; antwoordde hij.
-</p>
-<p>&#x201e;Malle jongen, hier zijn je schaatsen!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Hang ze maar binnen op! En waar heb je ze gehaald?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wel, ze lagen bij Annie aan huis.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dat dacht ik wel. Lieve, lieve Annie! Je zult zien, Griete, dat ze ons nog meer geluk
-aanbrengt!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;&#x2019;t Zal wat zijn, als het voor de heeren komt. Maar ik ga in huis. &#x2019;t Is me te koud
-om stil te staan.&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb128" href="#pb128">128</a>]</span></p>
-<p>Vijf minuten later kwam Hans half dansende de deur in met een vuilen koekepot.
-</p>
-<p>&#x201e;Moeder!&#x201d; riep hij. &#x201e;Het geld is terug! We hebben er van nacht niet aan gedacht, dat
-de wilg, welken vader bedoelde, al voor jaren is omgewaaid en dat de andere nog jong
-was, toen het ongeluk op den dijk voorviel. Annie heeft mij, zonder het te weten,
-op de gedachte gebracht, dat het die was. Hier is de pot met geld!&#x201d;
-</p>
-<p>Vrouw Brinker kon niet spreken: maar zij trok den ouden vuilen pot, dien Hans op tafel
-had gezet, naar zich toe en haalde de beide kousen er uit, die ze aan haar hart drukte.
-Eindelijk riep zij:
-</p>
-<p>&#x201e;O, kinderen! Welk een geluk! God zegene de lieve Annie voor haar wenk! Nu zal vader
-het eerst goed hebben.&#x201d;
-</p>
-<p>Dien nacht droomde Annie van een knipmes, dat Hans verloren had en op haar tooverspreuk
-terugvond.
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure p128width"><img src="images/p128.jpg" alt="" width="720" height="480"></div><p>
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch13" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd29e243">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">DERTIENDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">Het geheimzinnige horloge.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Terwijl Hans dien dag werk had gezocht en Griete bezig was geweest, om waar zij kon
-langs de vaart eenig hout te sprokkelen, om het vuur aan den haard te onderhouden,
-had er in de hut van Rolf Brinker een vrij langdurig gesprek plaats gehad tusschen
-den zieke en zijn vrouw, waarvan ik den inhoud aan mijn lezeressen en lezers wil mededeelen,
-niet twijfelende, of zij zullen een levendig belang stellen in hetgeen er tusschen
-de beide echtgenooten verhandeld werd.
-</p>
-<p>Gij herinnert u nog wel het gouden horloge, dat Rolf&#x2019;s trouwe vrouw zoo zorgvuldig
-had bewaard. Zoo menig uur van bitteren nood en nijpende armoede was er voorbijgegaan,
-waarin moeder Brinker het niet zou gewaagd hebben, dit horloge voor den dag te halen,
-uit vrees dat de verleiding haar te zwaar zou zijn en zij er voor mocht bezwijken
-en <span class="pagenum">[<a id="pb129" href="#pb129">129</a>]</span>ontrouw worden aan het laatste verzoek van haar man. &#x2019;t Was zoo menigmaal hard geweest,
-de bleeke, vervallen wangen harer lievelingen te zien en daarbij te denken, dat het
-geld, hetwelk zij voor dit horloge kon krijgen, de rozen op die wangen had kunnen
-terugbrengen. Maar vrouw Brinker kon de laatste woorden van haar man niet vergeten,
-zij zou er trouw aan blijven, er mocht van komen wat er wilde.
-</p>
-<p>&#x201e;Pas er goed op, Mietje,&#x201d; dat waren zijn woorden geweest, toen hij haar het horloge
-ter hand stelde. Meer had hij er niet kunnen bijvoegen: want toen was men hem komen
-roepen, omdat de dijk gevaar liep. En na dien tijd, tien jaren lang, was Rolf buiten
-staat geweest, haar iets naders aangaande het haar in bewaring gegeven kleinood mede
-te deelen.
-</p>
-<p>Nu echter begreep zij, dat het oogenblik gekomen was, waarin zij van haar man iets
-meer ten aanzien van het geheimzinnige horloge zou kunnen vernemen. Zij legde het
-dus in de hand van den zieke.
-</p>
-<p>Rolf Brinker draaide het gladde, blinkende voorwerp herhaalde malen in zijn hand om;
-daarna onderzocht hij het kleine zwart moiré lintje, dat er aan vastzat; hij scheen
-echter een en ander niet te herkennen. Eindelijk toch zeide hij:
-</p>
-<p>&#x201e;Hé, ja. Nu herinner ik &#x2019;t mij. Vrouw, wat heb je dat ding mooi opgewreven! Het ziet
-er uit of het zoo nieuw uit den winkel komt!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Vindt je &#x2019;t?&#x201d; vroeg vrouw Brinker.
-</p>
-<p>Rolf bekeek het horloge nogmaals.
-</p>
-<p>&#x201e;Arme jongen!&#x201d; mompelde hij; toen verzonk hij in diep gepeins.
-</p>
-<p>Vrouw Brinker kon haar ongeduld niet langer bedwingen. Min of meer knorrig, herhaalde
-zij haars mans woorden: &#x201e;Arme jongen!&#x201d; Daarop vervolgde zij: &#x201e;Hoe is &#x2019;t nu met je
-Rolf? Denk je, dat ik niets anders te doen heb, dan hier bij je te staan en mijn boel
-te laten wachten, om ten slotte van alles niets anders van je te hooren dan: arme
-jongen?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Maar ik heb je immers alles reeds sedert lang verteld,&#x201d; zeide Rolf op bevestigenden
-toon, terwijl hij zijn vrouw verwonderd aankeek.
-<span class="pagenum">[<a id="pb130" href="#pb130">130</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Wel neen, Rolf, je hebt me er nooit een enkel woord van gezegd.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Nu, als dat het geval is, en daar &#x2019;t een zaak betreft, die ons in &#x2019;t geheel niet
-aangaat&#x2014;zoo zullen wij er maar over zwijgen,&#x201d; hervatte Rolf, terwijl hij zijn hoofd
-treurig schudde. &#x201e;&#x2019;t Is allerwaarschijnlijkst, dat in den tijd, welken ik dood ben
-geweest voor de aarde, de arme gestorven en reeds in den hemel is. Hij zag er wel
-naar uit, die arme knaap!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Rolf, als je me op die manier gaat behandelen, die je heb verzorgd en verpleegd van
-mijn twee-en-twintigste jaar af, dan moet ik zeggen dat het schande, meer dan erg
-is.&#x201d;
-</p>
-<p>En vrouw Brinker&#x2019;s geheele gezicht was rood van toorn en zij sprak die woorden op
-vlijmenden toon uit. Rolf vroeg met zwakke stem:
-</p>
-<p>&#x201e;Je behandelen, Mietje? Op welke manier? Wat bedoel je daarmee?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Op welke manier? Wat bedoel je daarmee?&#x201d; herhaalde vrouw Brinker, terwijl zij zijn
-stem en gebaren nadeed. &#x201e;Wel op die manier, als elke vrouw wordt behandeld, als zij
-haar man, toen hij zoo erg was, trouw heeft opgepast, als een.&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Mietje!&#x201d;
-</p>
-<p>Dit zeide Rolf op een gevoeligen toon, terwijl hij beide armen naar zijn vrouw uitstrekte
-en begon te weenen als een kind. Terstond bedaarde vrouw Brinker&#x2019;s drift. Zij snelde
-op haar man af, sloot zijn beide handen in de hare en riep uit:
-</p>
-<p>&#x201e;Ach! Wat heb ik gedaan! Ik heb mijn goeden man aan &#x2019;t weenen gemaakt, mijn goeden
-man, dien ik nog geen vier dagen terug heb! Kijk me eens aan, Rolf, goede jongen!
-kijk me eens aan! Ach, ik heb er zoo&#x2019;n spijt van, dat ik je zeer gedaan heb! &#x2019;t Is
-ook zoo hard, als je tien jaren gewacht hebt om wat naders van dat horloge te vernemen,
-en je kunt er niets van te weten komen.&#x2026; Maar ik zal je er geen woord meer over vragen,
-Rolf! Geen enkel woord meer! Geef het ding maar hier, dan zullen we het wegbrengen.
-Dat zulk een ellendig horloge de oorzaak moet zijn van ongenoegen tusschen ons, en
-dat zoo kort, nadat God je me weergeschonken heeft!&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb131" href="#pb131">131</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Ach, Mietje, ik ben heel kinderachtig geweest, dat ik geschreid heb,&#x201d; hervatte Rolf,
-terwijl hij haar kuste. &#x201e;&#x2019;t Is ook niet meer dan billijk, dat je de waarheid verneemt.
-Maar &#x2019;t was mij, alsof ik door &#x2019;t je te vertellen, de geheimen van een afgestorvene
-aan den dag zou brengen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Denk je dan, dat de man&#x2014;de jongen, van wien je spraakt, dood is?&#x201d; vroeg vrouw Brinker,
-terwijl zij het horloge in haar hand verborg.
-</p>
-<p>&#x201e;Dat kan ik niet zeggen,&#x201d; antwoordde hij.
-</p>
-<p>&#x201e;Was hij dan zoo ziek, Rolf?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Neen niet ziek, maar gejaagd, heel gejaagd.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Had hij dan wat kwaads uitgevoerd, denk je?&#x201d; vroeg zij half fluisterend.
-</p>
-<p>Rolf knikte.
-</p>
-<p>&#x201e;Een moord gedaan?&#x201d; fluisterde de vrouw, zonder te durven opkijken.
-</p>
-<p>&#x201e;Hij zeide, dat het er wel iets van had.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;O, Rolf, je doet mij schrikken&#x2014;vertel mij meer&#x2014;je spreekt zoo raadselachtig&#x2014;en je
-beeft. Ik moet alles weten.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Als ik beef, vrouw, dan moet het van de koorts zijn. Daar rust, Goddank, geen schuld
-op mijn ziel.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Daar Rolf, neem een slokje wijn; dat zal je goed doen. Ziezoo nu ben je beter. &#x2019;t
-Had veel van een moord, zei je?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ja, Mietje, van een moord; dat heeft hij mij zelf verteld. Maar ik geloof het niet.
-Een knappe, frissche, aardige knaap, die er net zoo uitzag als onze Hans.&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ja, ik begrijp je,&#x201d; hervatte vrouw Brinker, om de historie niet af te breken.
-</p>
-<p>&#x201e;Hij kwam heel onverwachts op mij af,&#x201d; ging Rolf voort. &#x201e;Ik had hem nooit te voren
-gezien, met zijn bleek en angstig gelaat. Hij greep mij bij den arm. &#x201e;Je schijnt me
-een eerlijke kerel te zijn,&#x201d; zeide hij.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Daar had hij ook deugdelijk gelijk in,&#x201d; viel de vrouw haar man met geestdrift in
-de rede.
-</p>
-<p>Rolf keek een weinig verward.
-</p>
-<p>&#x201e;Waar was ik ook weer, vrouw?&#x201d; vroeg hij.
-</p>
-<p>&#x201e;De knaap greep je bij den arm,&#x201d; antwoordde zij, terwijl zij hem nieuwsgierig aanzag.
-<span class="pagenum">[<a id="pb132" href="#pb132">132</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Juist, zoo was &#x2019;t. &#x2019;t Komt me alles zoo moeilijk voor den geest, net alsof &#x2019;t een
-droom is, weet je.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Geen wonder, arme man,&#x201d; hervatte vrouw Brinker, terwijl zij hem de hand drukte. &#x201e;Als
-jij geen verstand voor een dozijn anderen gehad hadt, dan zou je nooit weer bij je
-positieven zijn gekomen. Welnu, hij greep je bij je arm en zei, dat je een eerlijke
-kerel scheen te zijn. Waar was dat?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wel, je weet, dat ik het dagveer aan het Schouw bediende voor Piet van Dieren, die
-toen ziek lag. Nu stond ik bij de schuit; want de stoomboot naar het Nieuwediep zou
-binnen weinige minuten in &#x2019;t gezicht komen en dan moest ik klaar zijn, als er passagiers
-waren af te zetten of aan te brengen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;O, was &#x2019;t daar? Nu&#x2014;hij greep je bij den arm, Rolf.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ja, dat deed hij. En &#x2019;t is of ik nog dat bleeke, angstige gelaat zie. &#x201e;Breng mij
-naar de stoomboot, die naar het Nieuwediep vaart.&#x201d;&#x2014;Met deze woorden sprong hij in
-de boot, waarin ik reeds gestapt was.&#x2014;&#x201e;Hoor eens,&#x201d; zei hij, terwijl ik de riemen in
-het water legde; want het was nog te vroeg en de boot had nog niet eens gefloten.
-&#x201e;Hoor eens, kan ik je vertrouwen?&#x201d;&#x2014;&#x201e;Als u zelf, mijnheer,&#x201d; antwoordde ik.&#x2014;&#x201e;Ik heb
-een verkeerd stuk begaan&#x2014;God weet, dat ik het zonder opzet deed&#x2014;maar de man is dood&#x2014;en
-ik moet uit het land vluchten.&#x201d; Dat zei hij.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Goede Hemel! En zei hij dat, Rolf? Had hij iemand doodgestoken of doodgeschoten?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dat herinner ik mij niet meer. Misschien heeft hij &#x2019;t mij verteld; maar &#x2019;t is me
-alles als een droom. Eigenlijk mocht ik hem niet behulpzaam zijn om de wraak der wetten
-te ontvluchten. Maar hij betuigde zoo plechtig zijn onschuld en daarenboven zag hij
-zoo trouwhartig uit zijn oogen, net als onze Hans kan doen. Hoe meer ik &#x2019;t mij herinner&#x2014;hoe
-meer ik vind, dat hij op onzen jongen geleek.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En was dat de knaap, die u het horloge gaf? Wel, Rolf, als hij daar maar eerlijk
-aan gekomen was.&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb133" href="#pb133">133</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Foei, vrouw!&#x201d; riep Rolf uit, op een toon alsof hij zich beleedigd gevoelde. &#x201e;De jongen
-was zoo mooi en zoo fijn gekleed alsof hij een prins was. Het horloge was het zijne,
-daar kun je staat op maken.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Hoe kwam hij er dan toe, om het jou te geven?&#x201d; hernam vrouw Brinker.
-</p>
-<p>&#x201e;Wel, dat heb ik je zooeven verteld,&#x201d; antwoordde hij min of meer verward.
-</p>
-<p>&#x201e;Vertel &#x2019;t me dan nog eens, beste Rolf!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wel, juist toen de boot zich in de verte liet hooren en ik de riemen in het water
-sloeg om er heen te roeien, haalde de knaap het horloge uit zijn zak. &#x201e;Ik moet uit
-mijn land vluchten, zooals ik nooit gedacht had, dat ik zou moeten doen,&#x201d; zeide hij.
-&#x201e;Jou vertrouw ik, omdat je een eerlijk gezicht hebt.&#x2014;Wil je dit horloge aan mijn vader
-brengen, niet vandaag, maar vandaag over acht dagen, en hem zeggen, dat zijn ongelukkige
-zoon het hem zendt. Zeg hem dan, dat, als hij er behoefte aan heeft, om mij bij zich
-te hebben, ik alle gevaren zal trotseeren en terug zal komen. Zeg hem, dat hij een
-brief moet schrijven aan.&#x2026;&#x201d; ja, verder ben ik alles vergeten. Ik kan mij niet herinneren,
-waar de brief naar toe moest. Arme jongen! arme jongen!&#x201d; herhaalde Rolf op smartvollen
-toon, terwijl hij het horloge van zijn vrouws schoot nam. &#x201e;En dat dit horloge sedert
-al dien tijd niet naar zijn vader is gezonden!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik zal het hem brengen, Rolf; ik zal het hem brengen, beste jongen, zoodra Griete
-weer thuis is,&#x201d; zeide vrouw Brinker, om haar man gerust te stellen. &#x201e;Griete zal wel
-gauw weerom komen. Hoe heette de vader van den knaap? Waar moest je hem opzoeken?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Helaas!&#x201d; antwoordde Rolf, terwijl hij langzaam sprak. &#x201e;&#x2019;t Is me alles ontgaan. &#x2019;t
-Is me net, alsof ik het gezicht van den jongen nog vóór mij heb, met zijn groote oogen,
-die me zoo trouwhartig aankeken&#x2014;ik zie hem nog het horloge opendoen, er iets uitscheuren
-en dat kussen.&#x2026; Meer echter kan ik mij niet te binnen brengen. Al het overige wentelt
-zich als in een kring om mij rond, en als ik tracht te denken, dan is &#x2019;t net of het
-geluid van opkomend water mij in de ooren ruischt.&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb134" href="#pb134">134</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Dat is heel natuurlijk. Dat gesuis in mijn ooren heb ik vroeger zoo dikwijls gehoord,
-als ik de koorts had gehad. Je bent nu moe en moet naar bed. Waar of het kind toch
-blijft?&#x201d;
-</p>
-<p>En zij opende de deur en riep: &#x201e;Griete, Griete!&#x201d;
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure floatRight p134width"><img src="images/p134.png" alt="" width="521" height="552"></div><p>
-</p>
-<p>&#x201e;Blijf daar staan, vrouw,&#x201d; zeide Rolf zwak, terwijl hij zich vooroverboog en poogde
-naar buiten te kijken naar het ontheisterde landschap. &#x201e;Ik zou zoo&#x2019;n lust hebben,
-om eens even aan de deur te staan.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Volstrekt niet, Rolf,&#x201d; antwoordde zij glimlachend. &#x201e;Ik zal &#x2019;t den dokter eens vertellen,
-hoe je zanikt en maalt en me het hoofd warm maakt, om eens in de open lucht te gaan;
-en als hij &#x2019;t permitteert, dan zal ik je morgen warmpjes toestoppen en de hut eens
-met je omwandelen. Maar ik zou wel maken, dat je &#x2019;t koud kreegt met die open deur.
-Als ik mij niet vergis, dan komt Griete daar in de verte aan met haar voorschoot vol
-hout en spaanders; zij rijdt als een wildeman over de vaart.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Foei, Rolf,&#x201d; vervolgde zij, op luiden toon, want zij schrikte er van. &#x201e;Loop je daar
-zelf naar je bed, zonder dat ik je vasthoud? Je zult vallen.&#x201d;
-</p>
-<p>Maar Rolf was niet gevallen, en toch hielp zijn vrouw hem te bed en dekte hem zóó
-warmpjes toe, dat de goede man recht op zijn gemak lag en zeide, dat het vandaag wel
-voor &#x2019;t laatst zou zijn, dat hij op klaarlichten dag naar bed ging.
-<span class="pagenum">[<a id="pb135" href="#pb135">135</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;In een dag of wat zal dat wel gaan, Rolf,&#x201d; antwoordde zijn vrouw, &#x201e;vooral als je
-zoo in krachten toeneemt.&#x201d;
-</p>
-<p>Daarop stookte zij het vuur wat aan, ridderde den boedel wat op en ging, met haar breiwerk in de hand, naast het bed zitten.
-</p>
-<p>&#x201e;Hoor eens, Rolf, je moest toch eens probeeren, of je je den naam van dien vader niet
-kunt herinneren. Griete is straks thuis en dan kan ik het horloge naar hem toebrengen,
-terwijl jij slaapt.&#x201d;
-</p>
-<p>Rolf dacht na, maar te vergeefs.
-</p>
-<p>&#x201e;Kan het ook Boomheuvel zijn?&#x201d; vroeg zij. &#x201e;Ik heb wel eens gehoord, dat zij twee zoons
-hadden, die niet hebben willen oppassen&#x2014;Gerard en Lambert.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;&#x2019;t Kan wel zijn. Kijk eens, of er ook letters op het horloge staan, die ons den weg
-kunnen wijzen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Hemel, Rolf!&#x201d; riep vrouw Brinker uit, terwijl zij het horloge bekeek. &#x201e;Je bent verstandiger
-dan ooit! &#x2019;t Kan niet anders. Hier staan de letters: L.&nbsp;J.&nbsp;B. Dat is zeker Lambert
-Boomheuvel. Wat die J. beteekent, begrijp ik niet. Maar die Boomheuvels waren indertijd
-rijke lui, die &#x2019;t goed konden stellen. En zulk soort van menschen geven hun kinderen
-altijd dubbele namen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dat laat zich best hooren, vrouw! &#x2019;t Is zeker die Lambert Boomkert geweest. Neem
-dus het horloge en breng het terstond naar de Boomkerts.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Neen, geen Boomkert, die naam bestaat er niet, voor zoover mij bekend is. Maar Boomheuvel.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Nu breng het dan naar de Boomheuvels!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dat geef ik jou te doen, om het daar naar toe te brengen. Die heele familie is al
-vier jaren geleden naar Amerika vertrokken. Maar ga jij nu slapen; je ziet er bleek
-en afgemat uit. Als je uitgerust bent, dan zullen we er wel eens nader over beraadslagen.&#x2014;Zoo,
-Griete! Ben je daar eindelijk? Je bent tamelijk lang weggebleven.&#x201d;
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>Rolf Brinker deed een langen en gerusten slaap, waaruit wij hem zagen wakker worden,
-juist toen Hans met het door mevrouw Van den Helm voorgeschoten geld de hut binnentrad.
-Hoe sterk de goede Rolf ook meende te zijn, <span class="pagenum">[<a id="pb136" href="#pb136">136</a>]</span>hij was dien namiddag weder naar bed gegaan en had niets gehoord van het gesprek met
-Annie Bouman, en was evenmin wakker geworden door het slaan van Hans op de bevroren
-aarde. Maar toen Hans den pot binnenbracht en moeder Brinker &#x2019;t uitgilde van vreugd,
-toen werd Rolf wakker, keek half dommelig het bed uit en zeide: &#x201e;Wat is er, Mietje?&#x201d;
-</p>
-<p>Maar Mietje danste als een zottin door het vertrek met de beide kousen in haar armen
-en Hans stond daar met tranen in de oogen, en Griete schaterde &#x2019;t uit van lachen.
-</p>
-<p>&#x201e;Vader roept, moeder!&#x201d; zeide Hans.
-</p>
-<p>In een oogenblik was vrouw Brinker&#x2019;s uitgelaten blijdschap bedaard.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik had den goeden man wel een toeval op zijn lijf kunnen jagen,&#x201d; zeide zij verschrikt.
-&#x201e;Maar ik ben ook zoo uitermate gelukkig!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wat is er toch gebeurd, Mietje?&#x201d; herhaalde Brinker, met een minder slaperige stem
-dan zooeven.
-</p>
-<p>&#x201e;Wel, de duizend gulden zijn terug, die je begraven hadt, den nacht voordat je het
-ongeluk op den dijk kreegt,&#x201d; zeide vrouw Brinker, en zij verhaalde hem omstandig,
-hoe zij reeds den vorigen nacht vergeefs naar het geld gezocht hadden, en hoe Hans,
-op een toevallige aanwijzing van Annie Bouman, die er geweest was, terwijl hij geslapen
-had, op het denkbeeld was gekomen om bij de stomp van den ouden wilgestam te graven
-en &#x2014; &#x2014; &#x2014; het geld ongeschonden voor den dag had gebracht.
-</p>
-<p>&#x201e;En nu zul je &#x2019;t eerst goed hebben, Rolf,&#x201d; eindigde zij. &#x201e;Hans en ik gaan straks naar
-Monnikendam, om ons van het noodige te voorzien. En jij, Hans en Griete, zult nu ook
-vleesch bij je brood hebben en worst ook. Je hebt lang genoeg honger geleden.&#x201d;
-</p>
-<p>Ik zal u de vroolijke gesprekken niet mededeelen, die er gevoerd, noch de schitterende
-luchtkasteelen, welke er gebouwd werden en die zich gelukkigerwijs maar tot plannen
-en ontwerpen bepaalden. Zij werden in hot midden van al die vroolijkheid gestoord
-door het gerol van een rijtuig aan den overkant der vaart.
-</p>
-<p>&#x201e;Zou daar de dokter zijn?&#x201d; vroeg Hans.
-<span class="pagenum">[<a id="pb137" href="#pb137">137</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Hij is er vandaag nog niet geweest. Ik dacht, dat hij maar eens zou hebben overgeslagen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Het rijtuig houdt stil,&#x201d; zeide Griete.
-</p>
-<p>&#x201e;Hier, Hans, neem de lamp! Als &#x2019;t de dokter is, mocht hij eens struikelen.&#x201d;
-</p>
-<p>Hans was reeds met de lamp de hut uit en zag inderdaad den goeden dokter Broekman
-over het ijs komen aanstrompelen.
-</p>
-<p>&#x201e;Is u &#x2019;t, mijnheer?&#x201d; riep hij hem toe. &#x201e;Wacht, laat mij u bijlichten! U zoudt een
-ongeluk kunnen krijgen.&#x201d;
-</p>
-<p>En Hans snelde met zijn lamp naar den dokter toe en bood hem de hand, om hem langs
-veilige plaatsen te geleiden.
-</p>
-<p>&#x201e;Een satansch ellendig pad in den donker,&#x201d; bromde de dokter. &#x201e;&#x2019;t Is goed, dat je gekomen
-bent, Hans; anders had ik hals en beenen kunnen breken. Hoe is &#x2019;t met je vader?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;O uitmuntend, mijnheer! Vader wordt bij den dag sterker. Hij is op &#x2019;t oogenblik wakker.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Goede Hemel, mijnheer de dokter!&#x201d; riep vrouw Brinker uit. &#x201e;Komt u zoo laat in den
-avond! O, dat is lief van u! Hoe licht hadt u een ongeluk kunnen krijgen!&#x201d;
-</p>
-<p>Dokter Broekman scheen haast te hebben. Hij antwoordde niet op den uitroep van vrouw
-Brinker, maar ging terstond naar het bed, zette zich daar neder en voelde Brinker&#x2019;s
-pols. Hij knikte goedkeurend.
-</p>
-<p>&#x201e;Dat gaat vooruit met den patiënt,&#x201d; zeide hij. &#x201e;Had ik geweten, dat het zoo goed was,
-dan was ik doorgereden. Ik ben den geheelen dag Noord-Holland in geweest en kwam nu,
-in het naar-huis-gaan, even aan.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Geen wonder, dat Rolf zooveel beter is, dokter,&#x201d; zeide vrouw Brinker. &#x201e;Zooeven hebben
-wij duizend gulden weergevonden, welke mijn man, tien jaren geleden, uit voorzorg
-begraven had en die wij meenden, dat gestolen waren.&#x201d;
-</p>
-<p>De dokter zette oogen op.
-</p>
-<p>&#x201e;Ja, mijnheer,&#x201d; zeide de zieke. &#x201e;Zoo is &#x2019;t geval, ofschoon we het aan niemand meedeelen.
-Maar u maakt een onderscheid, en daarboven, u zal het wel niet oververtellen.&#x201d;
-</p>
-<p>De dokter bromde. Hij hield niet van zulke persoonlijke opmerkingen.
-<span class="pagenum">[<a id="pb138" href="#pb138">138</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;En nu, mijnheer, kan u ook een behoorlijke rekening inleveren. God weet, hoe dubbel
-gij het verdiend hebt door zulk een ellendig werktuig weder als mensch in de wereld
-te brengen, en welk een onbetaalbaren dienst gij daardoor aan hem en zijn gezin bewezen
-hebt. Zeg dus maar aan mijn vrouw, hoeveel wij u schuldig zijn, en zij zal u terstond
-betalen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Kom, kom,&#x201d; zei de dokter vriendelijk. &#x201e;Praat toch niet van betalen. Geld kan ik zooveel
-krijgen als ik maar wil, maar dankbaarheid niet. Het &#x201e;dank u&#x201d; van dien jongen,&#x201d; ging
-hij voort, terwijl hij naar Hans wees, &#x201e;heeft mij reeds genoegzaam betaald.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;U heeft zeker een zoon die veel op Hans gelijkt,&#x201d; zeide vrouw Brinker, die heel blijde
-was, dat de groote man zoo familiaar werd.
-</p>
-<p>Bij deze woorden verdween eensklaps elke vroolijke trek van des dokters gelaat. Hij
-bromde iets, maar antwoordde geen woord.
-</p>
-<p>&#x201e;O, mijnheer, mijn vrouw is wel wat bemoeizuchtig, niet waar? Maar u moet het haar
-niet kwalijk nemen; want ik heb haar van middag verteld van een jongen, die zooveel
-op onzen Hans geleek en die mij een boodschap aan zijn vader heeft achtergelaten.
-En nu&#x2014;nu ik de boodschap kan doen, is de geheele familie vertrokken.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ze heeten Boomheuvel, mijnheer,&#x201d; zeide vrouw Brinker haastig. &#x201e;Weet u ook iets van
-die familie?&#x201d;
-</p>
-<p>De dokter antwoordde kortaf en knorrig:
-</p>
-<p>&#x201e;Ja. Dat &#x2019;s een malle zaak. Ze zijn sedert lang naar Amerika vertrokken.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Misschien, Rolf,&#x201d; zeide vrouw Brinker bedeesd, &#x201e;kent de dokter wel iemand in dat
-land, ofschoon ik mij wel heb laten vertellen, dat er niets dan wilden in wonen. Als
-hij het horloge eens aan de Boomheuvels wilde sturen met de boodschap van den armen
-jongen; dat zou een heerlijke zaak zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ben je dwaas, vrouw? Waarom zouden wij den goeden dokter lastig vallen, die overal
-genoeg te doen heeft met zieke menschen? Daarenboven&#x2014;hoe weet je, dat je den rechten
-naam hebt?&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb139" href="#pb139">139</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Wel, ik ben er zeker van,&#x201d; antwoordde zij. &#x201e;Zij hadden een zoon Lambert en daar is
-een L voor Lambert en een B voor Boomheuvel op de achterzijde van het horloge; ofschoon
-er die malle J bij is; maar laat den dokter zelf maar zien.&#x201d;
-</p>
-<p>Dit zeggende, reikte zij dokter Broekman het horloge over.
-</p>
-<p>&#x201e;L.&nbsp;J. B.!&#x201d; riep de dokter uit, terwijl hij het horloge aangreep.
-</p>
-<p>Ik zie geen kans om u het tooneel te beschrijven, dat nu volgde; ik wil alleen mededeelen,
-dat de boodschap van den jongen eindelijk aan zijn vader werd overgebracht en dat
-de groote dokter daar zat te schreien als een kind.
-</p>
-<p>&#x201e;Laurens, mijn lieve Laurens!&#x201d; snikte de dokter, terwijl hij als bewegingloos het
-horloge aanstaarde. &#x201e;O, had ik het maar vroeger geweten! Laurens een zwerveling zonder
-huisvesting! Misschien al van ellende en kommer gestorven! Bedenk je toch eens, man,
-waar is hij? Waar heeft mijn jongen gezegd, dat de brief moest worden heengezonden?&#x201d;
-</p>
-<p>Rolf schudde treurig het hoofd.
-</p>
-<p>&#x201e;Denk maar eens goed na!&#x201d; smeekte de dokter. O, het geheugen, dat door zijn kunst
-eerst zoo kort geleden ontwaakt was, <span class="ex">moest</span> hem dienen in een oogenblik als dit.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik ben het alles kwijt, geheel en al kwijt, mijnheer!&#x201d; zuchtte Rolf.
-</p>
-<p>Hans, die allen afstand van rang en stand vergat en alleen zag, dat zijn goede vriend
-verdriet had, sloeg den arm om den hals des dokters.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik kan uw zoon terugvinden, mijnheer,&#x201d; zeide hij. &#x201e;Als hij nog leeft, dan bevindt
-hij zich ergens. De aarde is zoo groot niet: ik wil alle dagen mijn best doen, om
-hem uit te vinden. Moeder kan mij nu missen. Gij zijt rijk, mijnheer, zend mij, waarheen
-gij wilt!&#x201d;
-</p>
-<p>Griete begon te schreien. Wel vond zij het goed, dat Hans ging. Maar hoe zouden ze
-het maken zonder hem?
-</p>
-<p>Dokter Broekman antwoordde Hans niet, ook deed hij geen poging, om hem van zich af
-te stooten. Zijn oogen waren angstig op Rolf Brinker gevestigd. Eensklaps nam hij
-het horloge en poogde het open te doen springen. De verstijfde veer <span class="pagenum">[<a id="pb140" href="#pb140">140</a>]</span>gehoorzaamde eindelijk; de horlogekas vloog open&#x2014;en het gelaat van den dokter toonde
-bittere teleurstelling. Rolf zag dit en haastte zich te zeggen:
-</p>
-<p>&#x201e;Daar was een papier in, mijnheer, maar de jongeheer scheurde het er uit, vóór hij
-mij het horloge overhandigde. Hij kuste het, eer hij het wegstak.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dat was het portret zijner moeder,&#x201d; zuchtte de dokter. &#x201e;Zij stierf, toen hij nog
-eerst tien jaren oud was. Goddank, dat de jongen haar niet vergeten heeft! En zij
-zouden beiden dood zijn! Neen, dat is onmogelijk!&#x201d; riep hij uit, terwijl hij van zijn
-stoel opsprong. &#x201e;Mijn jongen leeft nog; daar ben ik zeker van. Ik zal u vertellen,
-wat er met hem gebeurd is. Laurens was mijn helper en tevens in een apotheek om het
-recepteeren te leeren. Bij vergissing maakte hij voor een mijner patiënten een verkeerd
-geneesmiddel gereed&#x2014;hij had zich in de flesch vergist en gaf een zwaar vergif. Maar
-gelukkig bemerkte ik den misslag nog bijtijds en gaf het geneesmiddel niet in. Diens
-ondanks stierf de patiënt nog vóór den avond. Ik werd dien dag door verschillende
-zieken opgehouden. Toen ik &#x2019;s avonds thuis kwam, was mijn arme jongen verdwenen. Arme
-Laurens!&#x201d; snikte hij, &#x201e;en al die jaren niets van u te hooren! Zijn boodschap niet
-gedaan! O, wat moet hij geleden hebben!&#x201d;
-</p>
-<p>Vrouw Brinker verstoutte zich om te spreken. Zij kon den braven dokter zoo niet zien
-schreien.
-</p>
-<p>&#x201e;Hoe gelukkig voor u, dokter, te weten, dat de jongeheer onschuldig was. Ach! hij
-was angstig en zoo bedroefd. Aan Rolf zeide hij, dat zijn misdaad gelijk stond met
-een moord! Hij meende zeker het zenden van het verkeerde geneesmiddel. Als dat een
-misdaad was, dan weet ik het niet! Onze kleine Griete zou hetzelfde hebben kunnen
-doen. Waarschijnlijk heeft de arme jongeheer gehoord, dat de man dood was&#x2014;daarom heeft
-hij de vlucht genomen, mijnheer! Tegen jou zei hij, niet waar, Rolf, dat hij nooit
-in het land kon terugkomen, indien.&#x2026;&#x201d; zij weifelde om meer te zeggen en vervolgde:
-&#x201e;Ach, mijnheer! tien jaren is een vreeselijk lange tijd om te wachten op tijding van.&#x2026;&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb141" href="#pb141">141</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Zwijg, vrouw!&#x201d; zeide Rolf op scherpen toon.
-</p>
-<p>&#x201e;Op tijding te wachten!&#x201d; snikte de dokter. &#x201e;En ik thuis zittende te brommen en mij
-te verbeelden, dat hij mij verlaten had! In de verste verte heb ik er niet aan gedacht,
-dat de knaap zijn misslag ontdekt had. Ik verbeeldde mij, dat het jeugdige dwaasheid
-was&#x2014;ondankbaarheid&#x2014;zucht naar avonturen, die hem hebben doen wegloopen. Mijn arme,
-arme Laurens!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Maar u weet nu alles, mijnheer,&#x201d; fluisterde Hans. &#x201e;U weet nu, dat hij onschuldig
-was aan alle kwaad; dat hij u en zijn afgestorven moeder liefhad. Wij zullen hem uitvinden.
-U zult hem wederzien, lieve dokter!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;God zegen&#x2019; je, mijn jongen,&#x201d; zeide dokter Broekman, terwijl hij de hand van den knaap
-in de zijne drukte. &#x201e;&#x2019;t Moge uitkomen, zooals je &#x2019;t voorspelt. Ik zal mijn best doen,
-dat zal ik. En Brinker, het minste woord, dat je je herinnert omtrent mijn ongelukkig
-kind, moet je me terstond laten weten.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dat beloof ik u, dokter,&#x201d; riep Hans uit, en de dokter was tevreden met die belofte.
-Hij wist, dat Hans haar zou houden.
-</p>
-<p>&#x201e;De oogen van je jongen,&#x201d; hervatte de dokter tot vrouw Brinker, &#x201e;lijken sprekend op
-die van mijn zoon. De eerste maal, toen hij bij mij kwam, was &#x2019;t of Laurens zelf voor
-mij stond.&#x201d;
-</p>
-<p>Eenige minuten scheen de dokter in gedachten verzonken; daarna stond hij op en zeide
-op vriendelijken toon:
-</p>
-<p>&#x201e;Neem mij niet kwalijk, Brinker, dat ik &#x2019;t je van avond zoo druk gemaakt heb. Bedroef
-je maar niet om mijnentwil. Ik verlaat je huis veel gelukkiger dan ik in jaren geweest
-ben. Zal ik het horloge maar meenemen?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Natuurlijk, mijnheer! &#x2019;t Was immers de wensch van uw zoon.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Je hebt gelijk,&#x201d; hernam de dokter, terwijl hij het horloge wegstak. &#x201e;En nu moet ik
-gaan. Mijn patiënt heeft geen andere medicijnen noodig dan rust en een vroolijke omgeving;
-beide zijn hier in overvloed. De Hemel zegene u, mijn goede vrienden! Ik zal je altijd
-dankbaar zijn!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Moge de Hemel ook u zegenen, mijnheer!&#x201d; zeide vrouw <span class="pagenum">[<a id="pb142" href="#pb142">142</a>]</span>Blinker, &#x201e;en u spoedig dien lieven jongenheer doen terugvinden.&#x201d;
-</p>
-<p>Hans lichtte den dokter weder met de lamp voor.
-</p>
-<p>&#x201e;Als ik u van dienst kan zijn, mijnheer,&#x201d; zeide hij trouwhartig, &#x201e;dan ben ik ten allen
-tijde gereed.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Zeer goed, mijn jongen. Zeg aan je vader en je moeder, dat ze zich tegen niemand
-een enkel woord laten ontvallen over hetgeen er van avond is gebeurd. Intusschen,
-Hans, als je bij vader bent, moet je op hem letten. Jij hebt er den tact van. &#x2019;t Kan
-zijn, dat er oogenblikken komen, waarop hij wat meer kan zeggen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Vertrouw daarop, mijnheer.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En nu, goeden dag, mijn jongen,&#x201d; riep de dokter, toen hij deftig in zijn koets steeg.
-</p>
-<p>&#x201e;Aha!&#x201d; zeide Hans in zich zelf, terwijl hij het rijtuig nakeek. &#x201e;Daar zit vrij wat
-meer leven in den dokter, dan ik dacht.&#x201d;
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch14" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd29e251">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">VEERTIENDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">De hardrijderij.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Zoo brak de dertigste December aan en het weer was heerlijk dien dag. Het geheele
-vlakke landschap werd vroolijk door de winterzon beschenen. Zij beproefde haar kracht
-wel op het ijs in de vaart, maar het vroor te sterk, dan dat de ijskorst ook in &#x2019;t
-minst zou gesmolten zijn. En bij dat alles was er zoo weinig wind, dat de weerhanen
-op de torens en de gebouwen stilstonden, als wenschten zij eens te kijken naar het
-feest, dat er dien dag zou worden gehouden. Die windstilte maakte, dat de molens een
-dag vacantie hielden, als wilden ook zij de algemeene vreugde mee genieten. Nu, ze
-hadden die week hard genoeg gewerkt, om eens een dag rust te hebben.
-</p>
-<p>&#x2019;t Was al vroeg in den morgen van dien dag levendig om en bij Broek. Van verschillende
-omliggende plaatsen kwamen er liefhebbers aanrijden, om den wedren te zien; <span class="pagenum">[<a id="pb143" href="#pb143">143</a>]</span>want een hardrijderij op schaatsen is een feest voor al wat Noord-Hollander heet.
-Ik zal u de bonte menigte niet beschrijven, die zich in den omtrek der ijsbaan ophoopte,
-om welke men tenten had opgeslagen, opdat de toeschouwers zich behoorlijk van drank
-en spijs konden voorzien. Aan het eind van de renbaan, die aan beide zijden met dikke
-touwen is afgesloten, welke door palen heengaan, reeds een paar dagen te voren in
-het ijs gehakt en door het volgieten der opening stevig vastgevroren&#x2014;staat een sierlijke
-tent met een kleine tribune aan weerszijden. De tent is bestemd voor de familie De
-Bruyn met eenige genoodigden, onder anderen de Van den Helms en mijnheer Korbes en
-zijn vrouw, terwijl de tribune moet dienen voor andere inwoners van Broek, daartoe
-door mevrouw De Bruyn van toegangskaartjes voorzien. Van de tent en de tribune wapperen
-de driekleurige vlaggen. Aan de tent van mevrouw De Bruyn hangen twee paar met zilver
-beslagen schaatsen, een voor den winnenden jongen, een voor het gelukkigste onder
-de meisjes. In de tent zelf brandt een kachel en staan allerlei ververschingen op
-een tafel gereed. De familie en de genoodigden zullen op stoelen zitten, terwijl de
-dames een warme stoof onder de voeten zullen hebben, zoodat ze zeer gemakkelijk den
-winter zouden kunnen vergeten, indien niet het landschap vóór haar al te duidelijk
-deed zien, dat de wintervorst nog duchtig zijn schepter zwaait.
-</p>
-<p>Naast een der tribunes is een andere tent opgericht, alleen van boven gedekt en aan
-alle zijden, behalve aan den achterkant open; daar moeten de muzikanten zitten, die
-van tijd tot tijd muziekstukken zullen uitvoeren. En al zullen die muziekstukken vrij
-middelmatig worden voortgebracht, daar &#x2019;t gansch geen virtuozen zijn die hier hun
-gaven zullen doen hooren, zij zullen de feestvreugde ruimschoots verhoogen. De ooren
-der toehoorders zijn trouwens over &#x2019;t geheel zoo kieschkeurig niet; daarenboven zal
-er gedruisch en gebabbel genoeg zijn, en zou men &#x2019;t slechts bejammeren, indien er
-beter muziek werd opgevoerd. Aan het andere einde der renbaan staat een tent, voor
-hen, die belast zijn, er het oog op te houden, dat de schaatsenrijders <span class="pagenum">[<a id="pb144" href="#pb144">144</a>]</span>en -rijdsters den witten, met groene linten omwonden paal, van welks top een oranjevlag
-wappert, omrijden; hetgeen zij trouwens wel moeten doen, daar ook in het midden der
-renbaan dubbele touwen zijn gespannen; want al de schaatsenrijders moeten bij de tent
-van de familie De Bruyn beginnen en er hun ren eindigen ook.
-</p>
-<p>Daar begint de muziek. De tribune vult zich, de geheele renbaan staat langs beide
-zijden opgepropt met nieuwsgierigen, die hun best doen, een goed plaatsje te vinden.
-&#x2019;t Volst is het echter dicht bij de tribune. En geen wonder: want daar staan de veertig
-rijderessen en rijders, die zich vermaken met heen en weer te rijden, zóó zacht evenwel,
-dat zij zich niet vermoeien, maar ook niet koud worden. Het zijn twintig meisjes en
-twintig jongens. Frits Verdam, Peter en Lodewijk van den Helm zijn er ook bij, allen
-weer frisch en geheel uitgerust van de vermoeienissen der Haagsche reis. Hans is niet
-ver van hen; hij heeft zijn schaatsen weer onder de voeten, die de goede Annie Bouman
-van een goede kennis had gekocht voor vijf gulden! Alsof hij niet wist, dat die goede
-kennis niemand anders dan Annie Bouman zelf was geweest, die haar zuur bespaard weekgeld
-er geheel aan had opgeofferd! Nu, hij had ze dan ook eerlijk teruggekocht; maar de
-kiesche manier, waarop Annie hem in den nood had willen helpen, had hij niet teruggekocht:
-die lag diep in zijn hart begraven. En dan&#x2014;hoe onwillekeurig ook&#x2014;die lieve, lieve
-Annie was de oorzaak geweest van het terugvinden der duizend gulden&#x2014;van de duizend
-gulden, die, al was &#x2019;t ook avond geweest, zulk een gloed van zonneschijn hadden geworpen
-in zijner ouders armoedige stulp. Karel Schimmel is zoo nijdig als ooit, nu hij Hans
-bij de rijders ziet; maar daar er nog eenige andere boerenknapen bij zijn en Hans
-dus niet alleen is, troost hij zich.
-</p>
-<p>Aan den anderen kant der tent staan de twintig meisjes. Nu, dat behoeft ge wel niet
-te vragen, al ziet ge hen niet; gij hoort het wel aan het vroolijk gesnater en gekakel,
-dat die twintig lieve mondjes maken. &#x2019;t Is of er een heele troep jonge eenden aan
-het kwaken zijn. Nu en dan hoort gij er een paar schateren van lachen: want vroolijk
-<span class="pagenum">[<a id="pb145" href="#pb145">145</a>]</span>zijn ze, die aardige nufjes. Hilda, Kato en Truida hebben zich juist de schaatsen
-aangebonden en stampen met de lieve voetjes, om te voelen of de ijzers wel stevig
-zitten: want bij een hardrijderij moet er niets aan ontbreken. Hilda spreekt met een
-klein boerenmeisje in een rood jacketje en met een splinternieuw rokje aan. &#x2019;t Is
-Griete. Ook Annie Bouman is er.
-</p>
-<p>Nu houdt de muziek even op. Al de meisjes en jongens moeten vóór de tent komen, om
-de voorwaarden te hooren. De omroeper van het dorp leest met luide stem voor:
-</p>
-<p>&#x201e;De meisjes en jongens zullen om beurten rijden, allen te gelijk en wel zóó lang,
-tot één meisje en één jongen het tweemaal gewonnen hebben. Zij moeten zich op één
-lijn scharen bij de twee paaltjes vóór de tribune rechts, den eindpaal omrijden en
-dezen tocht twee malen volbrengen. Het meisje en de jongen, die twee malen gewonnen
-hebben, zijn overwinnaars!&#x201d;
-</p>
-<p>De rijderessen scharen zich. Mevrouw de Bruyn wuift met haar zakdoek. Een van de heeren,
-die zich aan den eindpaal bevinden, waait met een vlaggetje. Al de rijdsters begeven
-zich op weg. Eensklaps wuift het vlaggetje weer, zij moeten terugkeeren&#x2014;ze waren niet
-te gelijk afgereden. Ten tweeden male wuift de zakdoek en waait het vlaggetje. Ditmaal
-is alles in orde. Wat rijden zij snel! Hoe doodstil is de menigte! Men hoort niets
-dan het krassen der schaatsen, men ziet niets dan de fladderende rokjes! De paal is
-omgereden. Een luid hoezee doet zich hooren. Vijf meisjes zijn vooruit. Kato is de
-eerste, daarop volgt Hilda. Als zij de tent harer mama voorbijrijdt, wuift zij met
-de hand, en het volgend oogenblik is zij Kato vooruit. De anderen zijn haar dicht
-op de hielen. Daaronder is Griete. Ook zij wuift met de hand, maar niet naar de tent
-van mevrouw De Bruyn, maar naar een vrouw, die met ingehouden adem onder het volk
-staat: haar moeder. Rolf, die dezen morgen zoo volkomen wel was, heeft haar gesmeekt,
-om naar den wedren te gaan, en zij heeft aan de verzoeking geen weerstand kunnen bieden;
-zij is gegaan en heeft een heerlijke plaats gekregen. Daar schiet haar kind onder
-het luid hoezee der toeschouwers ze allen vooruit. <span class="pagenum">[<a id="pb146" href="#pb146">146</a>]</span>Ook Kato wint het weer van Hilda. Maar niemand kan Griete inhalen. Ten tweeden male
-wordt de paal omgereden, maar Griete is en blijft de voorste. Eindelijk zijn ze aan
-de tent:
-</p>
-<p>&#x201e;Griete Brinker eenmaal gewonnen!&#x201d; schreeuwt de uitroeper.
-</p>
-<p>Nu begint de muziek opnieuw, terwijl de jongens zich gereedmaken en zich op één lijn
-scharen. Verscheidene meisjes scharen zich om Griete en wenschen haar voorloopig geluk;
-andere trekken trotsch haar lipje op en kunnen &#x2019;t niet verdragen, dat de voddenraapster
-uit de hut het hun allen heeft afgewonnen.
-</p>
-<p>Op een wenk van den heer De Bruyn zwijgt de muziek. Hij treedt voorwaarts, wuift met
-zijn zakdoek, het vlaggetje wordt aan de overzijde gezwaaid. De twintig jongens rijden
-af.
-</p>
-<p>Wat reppen zich de beenen; er is geen oog op te houden! &#x2019;t Is of ze nog sneller rijden
-dan de meisjes. Maar waarom gaat er zulk een gelach op onder het volk? &#x2019;t Is om dien
-dikken knaap in de achterhoede, die daar zoo ongelukkig voortsukkelt. Kijk hij eens
-krabbelen! Straks rolt hij van de beenen! Ach, wat hijgt hij! Hij had ook wel thuis
-mogen blijven. Hij staat stil. Hij veegt zijn voorhoofd af. Hij neemt zijn pet af
-en waait zich koelte toe. Hij kijkt eens rond en begint zelf hartelijk te lachen.
-Die lach maakt hem honderden vrienden. Die goede Jacob Poot! Hij bedenkt zich niet
-lang, maar rijdt terug en begeeft zich rustig onder de toeschouwers.
-</p>
-<p>De jongens komen aansnellen, zij hebben den paal omgereden. Maar &#x2019;t is één zwarte
-massa, niet zoo gemakkelijk te onderscheiden als de meisjes met haar verschillende
-kleeding. Nu kan men &#x2019;t al beter zien. Drie zijn er vooruit. Eerst Ben&#x2014;dan Peter&#x2014;dan
-Hans.
-</p>
-<p>Dan schiet Hans de beide anderen vooruit. Op Hilda&#x2019;s gelaat staat teleurstelling te
-lezen; sommigen zeggen zelfs, dat er een traan in haar oog parelt. Peter moet overwinnaar
-zijn. Annie&#x2019;s oog glinstert van genoegen. Griete klapt van vreugde in de handen.
-</p>
-<p>Zoo rijden zij ten tweeden male naar den eindpaal, Hans <span class="pagenum">[<a id="pb147" href="#pb147">147</a>]</span>altijd vooruit, dan Karel Schimmel, dan Ben, daarna Peter en eindelijk de anderen.
-Daar rijden zij den paal om en Peter is weer de voorste. Hilda juicht. Maar op hetzelfde
-oogenblik schiet Karel ze allebei vooruit&#x2014;&#x2019;t scheelt maar één seconde&#x2014;maar de uitroeper
-schreeuwt:
-</p>
-<p>&#x201e;Karel Schimmel eenmaal gewonnen!&#x201d;
-</p>
-<p>De muziek valt weder in, terwijl de meisjes zich opnieuw tot den wedren scharen. Mevrouw
-De Bruyn staat weder op, wenkt de muziek, wuift met haar zakdoek en &#x2019;t is of er twintig
-pijlen uit twintig bogen losschieten&#x2014;zoo snellen zij over de spiegelgladde baan.
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure floatRight p147width"><img src="images/p147.png" alt="" width="454" height="242"></div><p>
-</p>
-<p>Maar niet lang blijven zij gelijk; al heel spoedig zijn ze verdeeld. Toch schelen
-zij al heel weinig. Maar daar rijden zij den paal om. Dat is altijd het gevaarlijkste
-punt. Eenige andere gloeiende gezichtjes, met oogen schitterend van vreugd, komen
-vooruit. Kato is de eerste, op haar volgt Hilda, maar Griete en Truida zijn meer in
-de achterhoede. &#x2019;t Is of Griete verslapt. Zou ze straks al haar krachten verspild
-hebben? Daar schiet Truida haar vooruit en zij neemt een nieuwen, geweldigen zet,
-vliegt Truida en Hilda voorbij en is reeds vlak bij Kato. Zoo rijden zij de tent voorbij
-en weder naar den paal. Een oogenblik blijft Hilda achter; ze verzamelt nieuwe krachten.
-Maar bij het omzwaaien van den paal schiet zij eensklaps vooruit. Honderden stemmen
-moedigen haar aan door een luid &#x201e;hoezee!&#x201d; &#x2019;t Is of haar dit nog meer vaart geeft.
-Truida, Kato en Griete zijn haar vlak op de hielen: maar Hilda vliegt steeds voort&#x2014;reeds
-ziet zij de tent&#x2014;Peter van den Helm staat met ingehouden adem te staren&#x2014;nog een enkele
-seconde:
-</p>
-<p>&#x201e;Hilda de Bruyn eenmaal gewonnen!&#x201d; krijscht de stem van den omroeper.
-<span class="pagenum">[<a id="pb148" href="#pb148">148</a>]</span></p>
-<p>Een luid &#x201e;hoezee!&#x201d; klinkt uit duizenden monden en overschreeuwt de muziek, die zich
-daverend doet hooren.
-</p>
-<p>Allen wenschen Hilda geluk en onder die allen ook Griete, die &#x2019;t niemand liever gunt
-dan de lieve juffrouw De Bruyn of&#x2014;Annie Bouman.
-</p>
-<p>Nu is &#x2019;t weer de beurt aan de jongens. Lang blijven deze niet gelijk; want reeds bij
-het eerste omrijden van den paal zijn er drie vooruit: Hans, Peter en Frits. Dat kan
-Karel Schimmel niet verdragen. Hij neemt een geweldigen zet, vliegt over het ijs en
-komt Frits vooruit. Maar Hans en Peter laten zich zoo spoedig niet verslaan. &#x2019;t Is
-of zij vliegen&#x2014;&#x2019;t is geen rijden meer. Met ingehouden adem volgt de menigte hen met
-de oogen. Hans en Peter blijven vooruit. Hilda, Annie en Griete springen op van de
-met rood katoen bekleede bank, op welke zij gedurende de rustpoos gezeten hebben.
-Met vlammende oogen kijken zij naar de rijders. Hans en Peter blijven aldoor gelijk.
-Reeds zijn ze vlak bij de tent. Daar schiet Peter eensklaps vooruit en de stem van
-den uitroeper klinkt:
-</p>
-<p>&#x201e;Peter van den Helm eenmaal gewonnen!&#x201d;
-</p>
-<p>Weer dezelfde toejuichingen, weer dezelfde daverende muziek: de menigte en de muzikanten
-vragen niet wie er wint; ieder, die overwint, heeft hun sympathie. Aan het einde der
-renbaan, dicht bij den grenspaal, echter heeft een oploopje plaats. Mevrouw De Bruyn
-kijkt angstig wat het moge wezen. Peter en Hans snellen derwaarts; de eerste komt
-met de tijding terug, dat Karel Schimmel bij het omrijden van den paal gevallen is,
-doch zich niet bezeerd heeft. Hij was maar eenigszins bedwelmd door den val, doch
-kwam daar al aan, gesteund door Hans, die veel te veel Hollandsche jongen is, om niet
-terstond alle vijandschap te vergeten en zijn vijand, die hem altijd zoo diep verachtte,
-te helpen. Met een glas seltzerwater, dat mevrouw De Bruyn hem laat drinken, is hij
-spoedig weder beter. Gelukkig echter, dat de muziek zich aldoor heeft doen hooren;
-anders had dit ongeval de vreugde wel eenigszins kunnen verstoord hebben. Onder de
-schaatsenrijders echter veroorzaakt het geval weinig deelneming; er is niemand, die
-van Karel Schimmel houdt.
-<span class="pagenum">[<a id="pb149" href="#pb149">149</a>]</span>
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure floatLeft p149width"><img src="images/p149.png" alt="" width="506" height="711"></div><p>
-</p>
-<p>De meisjes zijn voor de derde maal geschaard. Wat staan ze daar moedig, die jonge
-deernen! Op dit oogenblik ligt er diepe ernst op al die lieve gezichtjes: want deze
-rit is die, welke beslist. Ofschoon, als Griete noch Hilda &#x2019;t winnen, is er ook voor
-de overigen nog kans op het winnen der zilveren schaatsen. En dat maakt, dat ieder
-meisje nog moed heeft, dat ieder van haar hoop voedt, om ditmaal beter te slagen.
-Sommigen stampen met de voetjes, als paarden die gereedstaan tot den wedloop. Daar
-wuift de zakdoek van mevrouw De Bruyn, en de rijdsters steken af. Wie is daar reeds
-zoo spoedig vooraan? &#x2019;t Is Hilda&#x2014;of Kato&#x2014;of Truida&#x2014;of Annie&#x2014; &#x2014;neen, &#x2019;t is de kleine
-Griete. Bij den vorigen ren heeft zij &#x2019;t bedaard aangelegd; maar nu is &#x2019;t haar ernst:
-zij heeft besloten, dat zij winnen zal. En toch, wanneer men haar ziet rijden, is
-&#x2019;t alsof &#x2019;t haar niet de minste inspanning kost&#x2014;zij glijdt maar voort, altijd vooruit
-en&#x2014;hoe de anderen zich inspannen&#x2014;zij kunnen Griete niet inhalen. Reeds is <span class="pagenum">[<a id="pb150" href="#pb150">150</a>]</span>de paal ten tweeden male omgereden&#x2014;nog altijd is zij vooruit&#x2014;daar is zij aan het doel.&#x2026;
-</p>
-<p>Of de uitroeper al schreeuwt, &#x2019;t helpt hem niet: het donderend gejuich der toeschouwers
-belet zijn stem te hooren. &#x2019;t Behoeft dan ook niet; want duizenden stemmen roepen:
-</p>
-<p>&#x201e;Griete Brinker heeft de zilveren schaatsen gewonnen!&#x201d;
-</p>
-<p>Als een vogel is zij over het ijs heengevlogen, als een vogel staat zij om zich heen
-te kijken, zoo schuchter en zoo verschrikt; zij wenscht zoo hartelijk eens naar de
-plaats heen te vliegen, waar haar moeder staat. Maar Hans is naast haar en al de meisjes
-omringen haar. En wie haar onder allen &#x2019;t hartelijkst gelukwenscht, is de lieve Hilda,
-die geen de minste jaloezie in haar hart voedt, maar zoo gelukkig is met den triomf
-van haar beschermeling, alsof zij zelf dien behaald had. Nu zal niemand het kind meer
-minachten. De voddenraapster uit de hut is ze nu niet meer, &#x2019;t is Griete Brinker,
-koningin van alle schaatsenrijdsters.
-</p>
-<p>Hans is trotsch op de zegepraal zijner zuster. Hij kijkt met zijn heldere oogen rond,
-om te zien of Peter van den Helm er deel in neemt. Maar Peter kijkt noch naar den
-een, noch naar den ander. Peter ligt op zijn ééne knie, de onrust staat op zijn voorovergebogen
-gelaat te lezen. Hij is met haastige gejaagdheid aan zijn schaatsriem bezig. Hetzelfde
-oogenblik is Hans bij hem.
-</p>
-<p>&#x201e;Ach Hans, ben jij daar? Al mijn genoegen is gedaan. Ik wou mijn riem vaster snoeren
-en er met mijn mes een nieuw gat in maken en door de haast snijd ik hem genoegzaam
-in tweeën.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Jongeheer,&#x201d; zeide Hans, terwijl hij zijn eene schaats afdoet. &#x201e;U moet mijn riem gebruiken.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Neen, beste Hans, neen, voor geen geld!&#x201d; roept Peter opspringend uit. &#x201e;Doe gauw je
-schaats weer aan, mijn vriend, en maak, dat je er bij komt. Ze scharen zich reeds.
-In een minuut wuift het sein.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Jongeheer!&#x201d; smeekt Hans. &#x201e;U heeft mij uw vriend genoemd. Neem als u blieft dezen
-riem. Gauw! Er is geen oogenblik te verliezen. Ik rijd ditmaal niet mee. Gij hebt
-reeds ééns <span class="pagenum">[<a id="pb151" href="#pb151">151</a>]</span>gewonnen, gij moet nu winnen. Ik ben er immers toch niet bij. Jongeheer, gij moet
-den riem aannemen,&#x201d; en doof voor elke tegenwerping, steekt Hans den riem door Peters
-schaats heen en smeekt hem die aan te binden.
-</p>
-<p>&#x201e;Kom, Peter!&#x201d; roept Frits uit de lijn, &#x201e;de wacht is op jou.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Kom, jongeheer! om den wil van mevrouw De Bruyn en juffrouw Hilda!&#x201d; smeekt Hans.
-&#x201e;Spoed u toch! Daar, de schaats is al haast aan; maak haar nu maar gauw vast! Ik kan
-het toch niet winnen. De strijd is tusschen den jongeheer Schimmel en u.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Gij zijt een edelmoedige jongen!&#x201d; zegt Peter, die eindelijk toegeeft. Hij heeft dan
-ook spoedig de schaats vast en is op zijn post, als de muziek en het sein wordt gegeven.
-</p>
-<p>Voort gaan de jongens. &#x2019;t Is of de stilte nu nog grooter is; men hoort niets dan het
-krassen der ijzers. Peter van den Helm is vooruit. &#x2019;t Is of hij Mercurius is en of
-de anderen allen goden van den Olympus zijn, die hem in volle vaart volgen. Karel
-komt vooruit&#x2014;daar schiet Ben voort en is aan &#x2019;t hoofd. Reeds is de paal voor de tweede
-maal omgereden. Karel en Ben wedijveren om de eerste te zijn. Maar daar neemt Peter
-zijn vaart&#x2014;hij snelt beiden ver vooruit. De tent is bereikt en onder het donderend
-hoezee! hoort men duizenden stemmen, die den uitroeper overschreeuwen:
-</p>
-<p>&#x201e;Peter van den Helm heeft de zilveren schaatsen gewonnen! Hoezee! Hoezee! voor Peter
-van den Helm!&#x201d;
-</p>
-<p>En donderend valt de muziek in en dit en het geschreeuw klinken verward dooreen: want
-Peter van den Helm is in Broek bemind en ieder verheugt zich in zijn zegepraal. Eindelijk
-bedaart het gejubel, en is men in staat om de muziek te hooren. Zij speelt een vroolijk
-air, een levendigen marsch. Intusschen scharen zich, op bevel van mevrouw De Bruyn,
-al de schaatsenrijders en -rijdsters in een kring vóór de tent. Aan den eenen kant
-staat Peter als de grootste, aan den anderen kant Griete als de kleinste. Hans, die
-zoo goed hij kon zijn schaats met Peter&#x2019;s versneden riem had vastgemaakt, staat tusschen
-dezen en Jacob Poot, <span class="pagenum">[<a id="pb152" href="#pb152">152</a>]</span>die zich ook bij de rijders gevoegd heeft. Eerst worden aan allen ververschingen rondgediend;
-daarop rijden zij, in statige processie, achter elkander de baan nog eens af, tot
-aan den paal, waar zij zich in twee rijen, jongens en meisjes, scharen, en op de maat
-der muziek naar de tent van mevrouw De Bruyn rijden. Hier vormen zij een dubbelen
-halven kring, in welks midden zich Peter van den Helm en Griete bevinden.
-</p>
-<p>Nu zwijgt de muziek. Mijnheer en mevrouw De Bruyn staan op, de eerste houdt een aanspraak,
-daarop reiken zij de zilveren schaatsen uit, mijnheer het eene paar aan Peter van
-den Helm, mevrouw het andere aan Griete Brinker.
-</p>
-<p>Het lieve kind! Zij beeft als een riet en slaat schuchter de oogen naar mevrouw De
-Bruyn op. Zij hoort niet wat mijnheer De Bruyn zegt, want het is, of om haar heen
-alles ruischt. Zij ziet even naar Peter, die iets heel moois bekijkt, o zoo iets schoons,
-zoo iets prachtigs! Zij ziet ook zoo iets moois in de handen van mevrouw De Bruyn,
-onwillekeurig strekt zij de hare uit.&#x2026; geeft een kreet van verrukking en tracht te
-nijgen&#x2014;woorden kan zij niet spreken; zij vliegt naar haar moeder en hangt schier bewusteloos
-in de armen der goede vrouw, wie de tranen van vreugde uit de oogen stroomen.
-</p>
-<p>&#x201e;Griete! Griete! Wat zal je vader blij zijn,&#x201d; roept vrouw Brinker, en op die woorden
-is Griete niet meer te houden; zij kruipt onder het touw door, neemt haar moeder bij
-de hand&#x2014;allen maken plaats voor haar&#x2014;en spoedig ligt zij in de armen van haar vader,
-die zijn kleine Griete met kussen bedekt.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch15" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd29e259">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">VIJFTIENDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">Wat de zilveren schaatsen al uitwerken.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">&#x2019;t Was of de vreugde over de overwinning zijner kleine Griete de zinnen van Rolf Brinker
-verlevendigd had, want eensklaps riep hij uit:
-<span class="pagenum">[<a id="pb153" href="#pb153">153</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Hans! Hans! Daar schiet mij de naam te binnen. Schrijf hem gauw op, eer ik hem vergeet.
-Het is Thomas Higgs.&#x201d;
-</p>
-<p>Hans schreef den naam terstond op een leitje. Op hetzelfde oogenblik werd er aan de
-deur geklopt.
-</p>
-<p>&#x201e;Zou het de dokter zijn?&#x201d; zeide vrouw Brinker, terwijl zij opstond om open te doen.
-&#x201e;Dat zou al heel toevallig wezen.&#x201d;
-</p>
-<p><a id="xd29e2546"></a>&#x2019;t Was echter niet de dokter, maar &#x2019;t waren drie jongeheeren: Peter van den Helm,
-Frits Verdam en Benjamin Dobbs.
-</p>
-<p>&#x201e;Goeden dag, jongeheeren,&#x201d; zeide vrouw Brinker, terwijl zij zoo diep neeg als zij
-&#x2019;t geleerd had. &#x201e;Wel, waaraan hebben wij de eer van uw bezoek te danken?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Goeden dag, vrouw Brinker! Hartelijk gefeliciteerd met de eer, die je dochtertje
-te beurt is gevallen,&#x201d; zeide Peter van den Helm.
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure floatRight p153width"><img src="images/p153.png" alt="" width="169" height="203"></div><p>
-</p>
-<p>&#x201e;Nu, als &#x2019;t op feliciteeren aankomt, jongeheer,&#x201d; antwoordde vrouw Brinker, &#x201e;dan mag
-ik &#x2019;t u ook wel doen. &#x2019;t Was een heele toer, om die vlugge jongens tweemaal te overwinnen.
-Daar waren me rijders onder, hoor! Ik heb het alles met mijn eigen oogen aanschouwd.
-Want Rolf was zoo wèl, en toen zei hij: &#x201e;Nou moest je eens gaan kijken, Mietje. Je
-hebt al lang geen uitspanning gehad.&#x201d; En toen ben ik gegaan en heb alles wat goed
-gezien: want ik had een drieguldensplaats. Maar toen Griete de schaatsen had, kwam
-ze bij mij en toen moest ik naar vader; dat begrijpt u. Want de goede man wachtte
-al met ongeduld. En hij was zoo blij, o zoo blij!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dat laat zich hooren,&#x201d; zeide Peter van den Helm. &#x201e;Daardoor was ze zoo gauw weg. Ze
-had nog eens met mij de baan moeten afrijden om den prijs te vertoonen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Gaat toch zitten, jongeheeren!&#x201d; zeide Rolf Brinker. &#x201e;Wel zijn onze stoelen hard,
-maar ze zijn rein en zindelijk.&#x201d;
-</p>
-<p>De drie jongens voldeden aan het verzoek van Rolf en zetten zich op de stoelen, welke
-vrouw Brinker en Hans bij de tafel plaatsten.
-<span class="pagenum">[<a id="pb154" href="#pb154">154</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Goede Hans,&#x201d; zeide Peter van den Helm. &#x201e;Ik kom je in dank je riem terugbrengen, aan
-welken ik mijn overwinning verschuldigd ben. Ik moet je er nog eens voor bedanken.
-&#x2019;t Was een heele opoffering voor je. Want je hadt het best dezen keer kunnen winnen,
-en dan.&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Laat ons daarover niet spreken, jongeheer. Ik heb zooveel verplichting aan u: want
-toen wij in den nood zaten.&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Kom, kom, zwijg daarvan,&#x201d; hernam Peter. &#x201e;Ik twijfel niet, of je zult het werk met
-eere volbrengen. En een werkman is zijns loons waardig.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Nu ben ik den naam weer vergeten, Hans,&#x201d; zeide Brinker. &#x201e;&#x2019;t Was Higgs of Wiggs! Ik
-weet het waarlijk niet meer.&#x201d;
-</p>
-<p><span class="corr" id="xd29e2565" title="Bron: ,">&#x201e;</span>Maak er u maar niet ongerust over, vader,&#x201d; antwoordde Hans. &#x201e;&#x2019;t Is Thomas Higgs. Ik
-heb het al opgeschreven.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;O ja,&#x201d; hervatte Brinker. &#x201e;&#x2019;t Is waar ook. Als ik me nu ook de plaats kan te binnen
-brengen, dan is alles in orde.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Hier, Hans, is de riem,&#x201d; zeide Peter, die van dat gesprek niets begreep. &#x201e;Dat kleine
-ding heeft mij een grooten dienst gedaan.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En nu heb ik wat meegebracht ook,&#x201d; zeide Ben, terwijl hij een keurig net bewerkt
-kistje op tafel zette. &#x201e;Uw Griete was weg zóó gauw, dat mevrouw De Bruyn niet had
-den tijd, om haar te geven dit.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;&#x2019;t Is het kistje, dat bij de schaatsen behoort,&#x201d; zeide Peter, &#x201e;en waarin Griete ze
-kan bewaren. Mevrouw De Bruyn hoorde, dat we hier aangingen, en heeft ons verzocht,
-het mede te nemen.&#x201d;
-</p>
-<p>Vader, moeder en kinderen bekeken met alle aandacht het fraaie foedraal, dat van binnen
-met roode zijde gevoerd en zeer elegant gemaakt was.
-</p>
-<p>&#x201e;O, hoe mooi! Hoe prachtig! Nooit heb ik zoo iets gezien!&#x201d; waren de verschillende
-uitroepen.
-</p>
-<p>Griete echter sprak geen woord. Het lieve kind kon maar niet begrijpen, dat al dat
-moois voor haar was. Het kistje was van mahoniehout met een prachtig koperen plaatje
-er op, waarop de naam van den fabrikant en zijn woonplaats stonden. &#x201e;Nu, Griete, je
-mag de jongeheeren wel bedanken <span class="pagenum">[<a id="pb155" href="#pb155">155</a>]</span>voor de moeite, welke zij zich hebben gegeven, om dat hier te brengen, en hun verzoeken,
-of zij ook mevrouw De Bruyn je dankbaarheid willen betuigen; ofschoon&#x2014;dat zul je later
-zelve nog wel gaan doen,&#x201d; zeide vrouw Brinker.
-</p>
-<p>Griete was heel verlegen, maar toch lispte zij:
-</p>
-<p>&#x201e;Ik dank u wel, jongeheeren, voor uw moeite.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;&#x2019;t Schijnt mij door mijnheer Birmingham gemaakt te zijn,&#x201d; zei Hans, die het op het
-koperen plaatje gelezen had.
-</p>
-<p>&#x201e;Birmingham?&#x201d; zeide Frits Verdam. &#x201e;Dat is de plaats, waar de fabrikant woont. Kijk,
-daar staat zijn naam met kleiner letters. Ik kan ze niet lezen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Nu, ze zijn toch duidelijk genoeg,&#x201d; zeide Peter. &#x201e;Zie maar, dat is een T. en dit
-is een H. Dus T. H.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Nu ben je nog even wijs,&#x201d; hernam Frits lachend. &#x201e;Wat beteekent nu die T. H.?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wel, Thomas Higgs,&#x201d; antwoordde Peter schertsend. &#x201e;Hans noemde straks dien naam en
-als men van den drommel spreekt, is hij meestal dicht bij ons.&#x201d;
-</p>
-<p>Eensklaps zweeg hij; want hij wist niet, wat er met de familie Brinker voorviel. Hans
-en zijn moeder waren beiden op Rolf toegesneld.
-</p>
-<p>&#x201e;Hoort gij &#x2019;t, Rolf?&#x201d; zeide vrouw Brinker. &#x201e;Thomas Higgs te Birmingham.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Birmingham!&#x201d; herhaalde Brinker op suffen toon.
-</p>
-<p>&#x201e;Kan dat de plaats ook zijn, vader? Bedenk u eens,&#x201d; smeekte Hans. &#x201e;Birmingham? Was
-het soms Birmingham?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ja.&#x2026; a .&#x2026; Birmingham! Zoo was &#x2019;t,&#x201d; antwoordde Brinker eindelijk.
-</p>
-<p>&#x201e;Daar Hans, zet je pet op en rijd terstond naar Amsterdam,&#x201d; zeide zijn moeder.
-</p>
-<p>De drie jongeheeren stonden op en wilden heengaan. Vrouw Brinker bemerkte haar onbeleefdheid.
-</p>
-<p>&#x201e;Neemt ons niet kwalijk, jongeheeren,&#x201d; zeide zij, &#x201e;dat we daar zoo onbeleefd waren.
-Maar die Thomas Higgs is een kennis van ons&#x2014;dien&#x2014;ja, dien wij dachten, dat al gestorven
-was.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ja, we dachten dat hij dood was,&#x201d; zeide Rolf Brinker. &#x201e;Ligt dat Birmingham in Engeland,
-als ik u vragen mag?&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb156" href="#pb156">156</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Ja wel, in Engeland,&#x201d; antwoordde Peter, &#x201e;&#x2019;t Moet zeker Birmingham in Engeland zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik doe dien man kennen,&#x201d; zeide Benjamin. &#x201e;Zijn fabriek is niet vier mijlen van ons
-verwijderd. Een rare fellow hij is&#x2014;stil als een oester&#x2014;doet niet gelijken een Englishman.
-Ik dikwijls heb gezien hem&#x2014;een deftig uitzicht&#x2014;en mooie oogen. Hij heeft gemaakt een
-prachtige schrijfkist voor mij, om te geven aan Jenny op haar geboortedag.&#x2014;O, hij
-maakt allerhande mooie dingen en heeft veel te doen ook.&#x201d;
-</p>
-<p>Gelukkig, dat Hans nog niet weg was; want nu kon hij den dokter ook dat vertellen.
-</p>
-<p>Wat wonder, dat nog vóór de avond gevallen was, dokter Broekman met Hans in de hut
-terugkeerde, om nadere bijzonderheden te vernemen. Wat wonder, dat hij, altijd met
-Hans bij zich, weder in het rijtuig stapte en den koetsier beval naar mijnheer Poot
-te rijden, waar hij verzocht om Benjamin Dobbs te spreken, dien hij gelukkig thuis
-vond. Van dezen vernam hij nog een menigte bijzonderheden omtrent zijn zoon, welke
-hem in de zekerheid bevestigden, dat het zijn eigen Laurens was, en welke bijzonderheden
-wij u willen mededeelen, zonder dat wij Ben sprekend invoeren, met wien de dokter,
-om den knaap te gemoet te komen, Engelsch sprak. &#x2019;t Meeste, wat Ben vertelde, had
-deze bij overlevering.
-</p>
-<p>&#x201e;Ongeveer tien jaren geleden, toen Ben nog een kleine jongen was, woonde er, op ongeveer
-een uur afstands van de woning zijner ouders, een zeer knap werkman en fabrikant,
-Thomas Higgs, die goede zaken op Holland deed, vooral in chirurgijnsinstrumenten.
-(De dokter herinnerde zich dien naam wel en &#x2019;t was hem nu duidelijk, waarom Laurens
-op het denkbeeld was gekomen, zich naar Higgs te begeven, daar de knaap dien naam
-verscheidene malen op de foedralen zijner instrumenten had kunnen lezen.) Nu tien
-jaren geleden was er op zekeren avond bij dien Thomas Higgs, die ongetrouwd was en
-slechts met een huishoudster leefde, een jongmensch als leerling gekomen. Niet, dat
-het zoo&#x2019;n wonder was dat er een leerling bij Thomas Higgs kwam; maar die jongeling
-had spoedig de oplettendheid <span class="pagenum">[<a id="pb157" href="#pb157">157</a>]</span>der buren gaande gemaakt, omdat hij zoo stil en afgetrokken was, nooit lachte en altijd
-even stroef voor zich keek. Daarenboven&#x2014;en dat was een opmerking, die de dames maakten&#x2014;kon
-hij geen Engelschman zijn, dat zagen zij wel, als hij Zondags met zijn patroon en
-juffrouw Todd, de huishoudster, in de kerk zat. En ofschoon men de laatste al eens
-gepolst had, liet zij zich nooit iets over hem ontvallen, dan dat hij een braaf oppassend
-mensch en waarschijnlijk een neef van mijnheer Higgs was, die ontzaglijk veel van
-hem scheen te houden. Zooveel is ten minste waar, dat de oude man den jongeling, nadat
-hij een jaar of vier in de zaak geweest was, tot zijn compagnon had aangenomen en
-hem, toen hij vier jaar later stierf, tot universeelen erfgenaam had benoemd. Sedert
-dreef de jonge man de zaken voor eigen rekening. Wat voor een landsman hij was, had
-men echter nooit kunnen gewaarworden. Sommigen hielden hem voor een Amerikaan, anderen
-voor een Duitscher, maar noch voor &#x2019;t een noch voor &#x2019;t ander had men eenigen grond.
-Hij sprak zuiver Engelsch, dat hij evenwel van den ouden heer Higgs had kunnen leeren,
-en behandelde zijn volk goed, ofschoon ze nooit een vriendelijk woord van hem hoorden,
-daar hij altijd even somber en afgetrokken bleef.<span class="corr" id="xd29e2607" title="Niet in bron">&#x201d;</span>
-</p>
-<p>Wat het wonderlijkst was, &#x2019;t scheen dat de jongeheer geen familie had: &#x201e;want, hoeveel
-brieven hij ook uit den vreemde ontving, &#x2019;t waren altijd brieven over zaken,&#x201d; zeide
-zijn boekhouder. <span class="corr" id="xd29e2611" title="Niet in bron">&#x201e;</span>Kennis hield hij met niemand: noch met zijne buren, noch met andere fabrikanten. Hij
-scheen geheel voor zijn zaak te leven en zijn voorganger te willen navolgen, die nooit
-getrouwd was geweest. Maar overigens was zijn levensgedrag onberispelijk.&#x201d;
-</p>
-<p>Verder gaf Benjamin dokter Broekman een beschrijving van den jongeheer Higgs en de
-dokter kon er niet meer aan twijfelen of &#x2019;t was zijn verloren zoon. Hij bedankte dan
-ook Benjamin hartelijk voor zijn mededeeling, zeide hem, dat de heer Higgs een bloedverwant
-van hem was, in wien hij belang stelde, en reed met Hans naar de woning van Brinker
-terug, waar hij dezen afzette, om alleen, in aangenaam gepeins, den weg naar Amsterdam
-te vervolgen.
-<span class="pagenum">[<a id="pb158" href="#pb158">158</a>]</span></p>
-<p>&#x2019;t Was een sneeuwachtige dag in &#x2019;t midden van Januari. Rolf Brinker was nu geheel
-en al hersteld en juist van zijn werk thuis gekomen. Hans had den koepel van mijnheer
-Van den Helm tot diens genoegen afgewerkt, en was evenals Griete, op vader Brinker&#x2019;s
-uitdrukkelijk verlangen, weder naar school gegaan. Wat hem aangaat, hij vond dat recht
-pleizierig; want hij leefde slechts, als hij in de boeken kon snuffelen; doch Griete
-kon haar weerzin tegen de schoolbanken maar niet overwinnen, ofschoon zij zich gedwee
-aan vaders wensch onderwierp en aanvankelijk zeer haar best deed.
-</p>
-<p>Beiden waren zooeven van school thuis gekomen en Hans zat alweer te lezen in een boek,
-dat hij van een der jongens ter leen had gekregen; terwijl Griete vaders pijp stopte&#x2014;want
-zij was onuitputtelijk in kleine diensten voor den goeden man, als poogde zij te vergoeden,
-wat zij vroeger verzuimd had ten aanzien van den vader, voor wien ze toen bang was.
-Vrouw Brinker was druk bezig aan den pot: want er waren vier hongerige magen, die
-naar eten verlangden.
-</p>
-<p>Eensklaps kijkt Hans op. Het geratel van een rijtuig wekt zijn aandacht.
-</p>
-<p>&#x201e;Daar is de dokter!&#x201d; roept hij en vliegt naar de deur.
-</p>
-<p>&#x201e;De dokter! Wel, wat komt die hier doen!&#x201d; zegt vrouw Brinker, terwijl zij door het
-raam kijkt. &#x201e;Ik geloof, dat je gelijk hebt, Hans.&#x201d;
-</p>
-<p>Maar Hans hoorde &#x2019;t niet meer&#x2014;hij was reeds de deur uitgesneld en naar den overkant
-der vaart.
-</p>
-<p>&#x201e;Die Hans, die Hans!&#x201d; riep vrouw Brinker, glimlachend het hoofd schuddende. &#x201e;Zou men
-niet denken, dat de dokter zijn tweede vader was? Als de jongen maar den naam. van
-dokter Broekman hoort, komt er al een lach van vreugde op zijn gelaat. Nu, hij mag
-dan ook wel veel van hem houden.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En wij allen, Mietje,&#x201d; zeide Rolf Brinker, terwijl hij zijn pijp aanstak. &#x201e;Naast
-God hebben wij aan dien goeden man ons tegenwoordig geluk te danken.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;De dokter is niet alleen,&#x201d; vervolgde vrouw Brinker vroolijk.
-<span class="pagenum">[<a id="pb159" href="#pb159">159</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Hij heeft een jongmensch van vijf of zes en twintig jaren bij zich. Dat is vast zijn
-Laurens. O, dat is lief, om met hem ons te komen bezoeken. Kijk, daar geeft hij Hans
-de hand. Wat schudt hij die vriendelijk! &#x2019;t Is waarlijk of de jongen zijn gelijke
-is.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x2019;t Duurde niet lang, of de dokter trad met den jongen man de woning binnen. Wat zag
-hij er thans vroolijk en vriendelijk uit! &#x2019;t Was, of hij een geheel ander mensch was
-geworden&#x2014;niemand ten minste zou in hem den vroeger onaangenamen, strengen dokter herkend
-hebben.
-</p>
-<p>&#x201e;Ziezoo, Brinker,&#x201d; begon hij opgeruimd. &#x201e;Nu kom ik je mijn kwaden jongen eens laten
-zien. Zou je hem nog wel herkennen?&#x201d;
-</p>
-<p>Rolf Brinker was opgestaan.
-</p>
-<p>&#x201e;Wel ouder geworden,&#x201d; zeide hij, terwijl hij de aangeboden hand van Laurens aannam.
-&#x201e;Maar toch nog dezelfde oogen. Ach, mijnheer! dat ik zoo buiten mijn schuld de oorzaak
-ben geweest van uw verdriet en dat van uw braven vader. God weet, hoe ik &#x2019;t anders
-gewild had.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Spreek daar niet van, brave man,&#x201d; zeide Laurens. &#x201e;Wat je gewild hadt, dat toont de
-aanbeveling, die je aan je vrouw hadt gegeven. Ook jou, brave vrouw, moet ik mijn
-dank zeggen, dat je zoo trouw je woord gehouden hebt, en, ondanks de nijpendste armoede,
-het horloge niet van de hand hebt gedaan. Had je het verkocht,&#x2014;nooit had ik mijn goeden
-vader weergezien. Daarom kun je op mijn dankbaarheid rekenen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Spreek van geen dankbaarheid, mijnheer,&#x201d; zeide vrouw Brinker. &#x201e;&#x2019;t Is waar, dikwijls
-heb ik het horloge in de hand gehad en mij zelve afgevraagd, of ik wel goed deed,
-om mijn arme kinderen honger te laten lijden, terwijl ik voor dat horloge brood had
-kunnen krijgen. Eens vooral, toen zij ziek waren, was de verzoeking sterk. Maar toen
-borg ik het zóó diep weg, dat ik het haast niet meer vinden kon; want ik dacht altijd
-om de laatste woorden van mijn braven man, die mij had aanbevolen, om voor dat horloge
-te zorgen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En daarom heeft God ook gewild, dat ik weer in het leven ben gekomen,&#x201d; zeide Rolf
-met bewogen stem. &#x201e;En daarom <span class="pagenum">[<a id="pb160" href="#pb160">160</a>]</span>heeft Hij uw braven vader hier gezonden, die mij zoo belangeloos geholpen heeft. Waarlijk,
-mijnheer, als gij iemand te danken hebt voor het geluk, dat gij thans geniet, dan
-is &#x2019;t uw brave vader.&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>Veel, heel veel werd er nog gesproken en de dokter vertelde hoe hij geschreven had,
-en Laurens, hoe blij hij met zijns vaders brief geweest was. &#x2019;t Was of de dokter en
-zijn zoon oude vrienden waren, zoo gaven zij hun harten lucht.
-</p>
-<p>&#x201e;En nu, Rolf Brinker,&#x201d; zei de dokter eindelijk. &#x201e;Ben ik nu geen gelukkig man? Begrijp
-eens, mijn zoon zal zijn fabriek te Birmingham verkoopen en een magazijn in Amsterdam
-openen. Dan heb ik altijd mijn brillenhuisjes voor niemendal. Dat zal een profijt
-zijn, hè?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Hoe! een magazijn!&#x201d; riep Hans uit, die in stil genoegen daar had neergezeten en al
-die vroolijke gesprekken zwijgend had aangehoord. &#x201e;Een magazijn, mijnheer? En zal
-mijnheer uw zoon dan niet weder uw helper, en eens uw opvolger zijn?&#x201d;
-</p>
-<p>Een oogenblik betrok het gelaat van den dokter; maar hij bedwong zich.
-</p>
-<p>&#x201e;Neen, Hans. Laurens heeft er zijn buik vol van. Hij is liever koopman.&#x201d;
-</p>
-<p>Hans scheen verbaasd en teleurgesteld. Hij zweeg.
-</p>
-<p>&#x201e;Waarom zwijg je, mijn jongen?&#x201d; zeide de dokter vriendelijk. &#x201e;Vindt ge er iets vernederends
-in, om koopman te zijn?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;O, neen, mijnheer!&#x201d; stamelde Hans. &#x201e;Niets, maar&#x2014;maar&#x2014;.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Maar wat?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wel, het andere beroep is zooveel beter,&#x201d; antwoordde hij nog steeds aarzelend, &#x201e;zooveel
-edeler. Wat mij aangaat, mijnheer,&#x201d; voegde hij er met vuur bij, &#x201e;ik vind uw vak zoo
-schoon, zoo heerlijk.&#x2026; om de zieken en gebrekkigen te genezen, menschenlevens te behouden,
-in staat te zijn om te doen wat gij voor mijn vader gedaan hebt&#x2014;dat is het grootste,
-het schoonste, het verhevenste, wat er op aarde is!&#x201d; De dokter zag hem ernstig aan.
-Hans scheen teleurgesteld. Een paar heldere tranen stonden in zijn oogen.
-<span class="pagenum">[<a id="pb161" href="#pb161">161</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;&#x2019;t Is een zware taak, het beroep van arts, knaap,&#x201d; hervatte de dokter met gefronste
-wenkbrauwen. &#x201e;&#x2019;t Vereischt groot geduld, veel zelfopoffering en volharding.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Daarvan ben ik zeker,&#x201d; antwoordde Hans opnieuw in vuur. &#x201e;Het vereischt ook veel wijsheid
-en achting voor Gods werk. O, mijnheer, het moge zijn moeilijkheden en teleurstellingen
-hebben, maar u meent niet wat u zegt: het is niet zoo zwaar&#x2014;maar het is groot en edel.
-Vergeef mij echter, mijnheer! &#x2019;t Past niet, u zoo in &#x2019;t gezicht tegen te spreken.&#x201d;
-</p>
-<p>Dokter Broekman was blijkbaar uit zijn humeur geraakt. Hij keerde Hans den rug toe
-en sprak zacht met Laurens. Vrouw Brinker keek Hans heel boos aan. Zij wist maar al
-te goed, dat zulke groote lui als de dokter niet konden velen, dat geringe menschen
-hen tegenspraken.
-</p>
-<p>Eensklaps wendde de dokter zich om.
-</p>
-<p>&#x201e;Hoe oud ben je, Hans Brinker?&#x201d; vroeg hij.
-</p>
-<p>&#x201e;Vijftien jaren, mijnheer,&#x201d; was het verschrikte antwoord.
-</p>
-<p>&#x201e;Zou je graag een dokter willen worden?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ja, mijnheer!&#x201d; antwoordde de knaap, terwijl hij over zijn gansche lichaam beefde.
-</p>
-<p>&#x201e;Zou je, als je ouders &#x2019;t je toestaan, er lust in hebben, je op de studie toe te leggen,
-naar de hoogeschool te gaan en tevens mijn assistent te wezen?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ja, mijnheer.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Zou je, denk je, niet ongeduldig worden en niet van zin veranderen, juist op &#x2019;t oogenblik
-misschien, als ik er mijn hart op gezet had, om je tot mijn opvolger te maken?&#x201d;
-</p>
-<p>Hans&#x2019; oogen schitterden.
-</p>
-<p>&#x201e;Neen, mijnheer! Ik zal nooit veranderen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;U moogt hem op dat punt gelooven, mijnheer de dokter,&#x201d; zeide vrouw Brinker, die zich
-niet langer bedwingen kon. &#x201e;Hans is als een rots, als hij eens iets besloten heeft,
-en, wat de studie aangaat, eten, drinken, slapen, alles zou hij vergeten voor zijn
-boeken.<span class="corr" id="xd29e2669" title="Niet in bron">&#x201d;</span>
-</p>
-<p>&#x201e;Nu, Hans,&#x201d; vervolgde de dokter vriendelijk. &#x201e;Dan zie ik niet, dat er iets ons plan
-in den weg staat en dat ik je gerust kan meenemen, als je vader er in toestemt.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Hoor eens, mijnheer,&#x201d; zeide Rolf. &#x201e;Om u de waarheid <span class="pagenum">[<a id="pb162" href="#pb162">162</a>]</span>te zeggen, had ik liever gezien, dat mijn zoon een werkman was geworden. Maar als
-hij nu graag voor dokter studeert, en het geluk heeft van uw recommandatie om hem
-in de wereld voort te schoppen, dan is &#x2019;t mij ook goed. Het eenige is, dat het misschien
-wat veel geld zal kosten; maar &#x2019;t zal mogelijk zoo heel lang niet meer duren en ik
-heb, Goddank, weer een paar fiksche, stevige armen om.&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ho, ho, vriend! als ik je rechterhand wegneem, dan moet ik ook den kost voor hem
-betalen en dat zal mij pleizier doen ook. &#x2019;t Zal mij nu zijn, alsof ik twee zoons
-heb, niet waar, Laurens? De een een koopman en de andere een dokter&#x2014;ik zal de gelukkigste
-man in geheel Nederland zijn! Morgen kom je bij me, Hans, en dan zullen wij de zaak
-verder bespreken.&#x201d;
-</p>
-<p>Hans boog. &#x2019;t Was hem onmogelijk een woord uit te brengen.
-</p>
-<p>&#x201e;Hoor eens, Brinker,&#x201d; hernam de dokter tot Rolf. &#x201e;Mijn zoon Laurens heeft een vertrouwd,
-ferm man noodig, als hij zijn magazijn in Amsterdam opent, iemand die het opzicht
-over de zaken houdt en maakt dat de wagen recht rijdt. Iemand die&#x2014; &#x2014;maar, waarom zeg
-jij &#x2019;t hem zelf niet, Laurens.&#x201d;
-</p>
-<p>Laurens nam nu het woord en het duurde niet lang, of zij waren de zaak volkomen eens.
-</p>
-<p>&#x201e;&#x2019;t Zal me wel aandoen, als ik de dijken moet verlaten,&#x201d; zeide Rolf Brinker. &#x201e;Maar
-uw aanbod is zoo aanlokkelijk, mijnheer, dat ik zou meenen, mijn huisgezin te kort
-te doen, als ik het afsloeg.&#x201d;
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure p162width"><img src="images/p162.png" alt="" width="263" height="118"></div><p>
-<span class="pagenum">[<a id="pb163" href="#pb163">163</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch16" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd29e268">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">ZESTIENDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">Besluit.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Mijn vertelling is zoo goed als geëindigd. Alleen zien mijn lezeressen en mijn lezers
-mij nog vragend aan. En ik weet het, er zijn nog zoo enkele zaken, die moeten verteld
-worden, zullen zij mijn boek niet eenigszins onvoldaan uit hun handen leggen. En dat
-zou mij spijten: want niets is mij aangenamer, dan anderen genoegen te geven, en wel
-vooral u, die al wat uit mijn pen komt, met zooveel graagte ontvangt. Daartoe diene
-dan dit laatste Hoofdstuk.
-</p>
-<p>Er is een heele tijd voorbijgegaan, sedert Laurens met zijn vader een bezoek in de
-hut aan de Broeker vaart aflegde. Die tijd heeft groote veranderingen opgeleverd voor
-de familie Brinker. Hans heeft zijn studiejaren goed besteed, alle moeilijkheden,
-die hem in den weg kwamen, weten te overwinnen en met al de geestkracht, die hem eigen
-was, naar het doel gestreefd, dat hij zich voor oogen had gesteld. Ofschoon de weg
-wel eens hobbelig was, nooit heeft hij een enkel oogenblik in zijn besluit gewankeld.
-Somtijds herhaalde hij met zijn goeden ouden vriend de woorden, die deze lang geleden
-in de hut te Broek sprak: &#x201e;&#x2019;t Is een zware taak, het beroep van arts,&#x201d; maar dan klonk
-het ook altijd in zijn hart: &#x201e;het beroep van arts is groot en edel! Het vereischt
-veel wijsheid en achting voor Gods werk!&#x201d;
-</p>
-<p>Wanneer gij heden ten dage Amsterdam bezoekt, dan kunt gij den beroemden dokter Brinker
-in zijn koetsje zien rijden om zijn patiënten te bezoeken, of als er &#x2019;s winters goed
-ijs is, hem met zijn jongens en meisjes op het IJ of den Amstel met de schaatsen onder
-de voeten vinden. En dat hij dan geen van de minste rijders op de baan is, durf ik
-u verzekeren. Als gij soms te Broek kwaamt en gij vroegt daar naar zekere Annie Bouman,
-dan zou men u schouderophalend aanzien en u zeggen, dat er wel eens van zijn leven
-een meisje van dien naam bestaan heeft, maar dat die al sedert jaar en dag mevrouw
-Brinker heet en de vrouw is van dien knappen dokter Brinker, die zooveel <span class="pagenum">[<a id="pb164" href="#pb164">164</a>]</span>patiënten over het IJ heeft. En als gij er Hans naar vroegt, dan zou hij u zeggen:
-&#x201e;Mijn Annie is nog altijd dezelfde&#x2014;behalve dat zij als &#x2019;t kan nog liever, nog wijzer
-en nog meer gelijk aan de toovergodin van vroeger is.&#x201d;
-</p>
-<p>Ook Peter van den Helm is sinds lang getrouwd. Met wie? Nu, dat behoef ik niet te
-zeggen. Maar dikwijls, als hij met zijn lieve Hilda in het koepeltje zit, dat hij
-van zijn ouders heeft geërfd, beschouwt hij met genoegen het fraaie beeldhouwwerk,
-dat Hans gemaakt heeft en dan zegt hij: &#x201e;&#x2019;t Is toch jammer voor de kunst, dat onze
-goede Hans geen beeldhouwer is geworden; hij zou &#x2019;t ver in die kunst gebracht hebben
-en een beroemd man zijn geworden.&#x201d; Maar dan antwoordt Hilda: &#x201e;Jammer voor de kunst,
-maar niet voor de menschheid, want als dokter Brinker is hij voor haar tot grooter
-zegen, dan hij als beeldhouwer zou zijn geweest.&#x201d;
-</p>
-<p>Een tijd lang geleden hoorde ik, dat Karel Schimmel en Kato Lammers geëngageerd waren.
-Gelukkig echter voor onze Kato is dit engagement verbroken en is zij tot heden toe
-ongehuwd. Wat Kato zelf aangaat, zij is in &#x2019;t geheel zoo vroolijk niet meer als voorheen
-en sommige klokjes hebben reeds al hun klank verloren. Toch is zij nog altijd de ziel
-van hen, die met haar omgaan. Het ware te wenschen, dat zij van tijd tot tijd wat
-ernstiger ware, maar dat ligt niet in haar aard. Heeft zij smarten en zorgen, dan
-wordt het geluid der klokjes voor eenige oogenblikken gestoord; dieper en ernstiger
-muziek doen zij nooit hooren.
-</p>
-<p>Truida Korbes is in al die jaren ernstig geworden. Ook zij is ongehuwd gebleven en
-houdt zich met letterkundigen arbeid bezig. Men wil, dat zij onder een aangenomen
-naam zeer goede verhalen in een onzer eerste maandwerken schrijft. En inderdaad, wanneer
-men die verhalen leest, zoo vol geest en gevoel, maar ook zoo vol godsdienstige beginselen,
-dan zou men er weinig onze vroegere Truida in herkennen, die zoo trotsch haar neusje
-optrok voor de arme Griete.
-</p>
-<p>Frits Verdam en Lodewijk van den Helm hebben samen een compagnieschap aangegaan en
-zijn bewoners der <span class="pagenum">[<a id="pb165" href="#pb165">165</a>]</span>hoofdstad geworden. Frits Verdam, die een prachtig huis op de Keizersgracht bewoont,
-denkt nog dikwijls aan Kato Lammers, die hij eens ten huwelijk heeft gevraagd, maar
-die hem een blauwtje heeft doen loopen. En hij is er heel blij om, dat de zaak zich
-zoo gekeerd heeft, want hij heeft een allerliefst vrouwtje in Ben&#x2019;s zuster Jenny,
-die hij op een reis naar Birmingham heeft leeren kennen en met wie hij recht gelukkig
-is.
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure floatLeft p165width"><img src="images/p165.png" alt="" width="507" height="697"></div><p>
-</p>
-<p>Karel Schimmel is niet vooruitgegaan in de wereld. Zijn vader heeft, door een opeenhooping
-van tegenspoeden, bankroet geslagen en niets uit de puinhoopen zijner fortuin kunnen
-redden. Karel is tegenwoordig boekhouder bij de firma Verdam en Van den Helm, en mag
-zich gelukkig rekenen, dat zijn patroons hem altijd met achting behandelen en veel
-voor hem over hebben.
-</p>
-<p>Onze kleine Frans van Bree is een deftig Broeksch heer geworden, die wat goede zaken
-doet en sedert eenige jaren aanzoek gedaan heeft om de hand van Griete Brinker, <span class="pagenum">[<a id="pb166" href="#pb166">166</a>]</span>welke deze niet geweigerd heeft. &#x2019;t Kostte vader en moeder heel wat, om zich van het
-vroolijke, altijd zingende vogeltje te scheiden, en dokter Brinker en zijn vrouw waren
-in &#x2019;t eerst wat boos op Frans, dat hij de lieve Griete van hen weghaalde. Maar die
-boosheid moest vanzelf overgaan en wie er nu wel eens boos is, is de koetsier, die
-dokter Brinker rijdt, als hij in den omtrek van Broek moet wezen: want als de dokter
-daar is, rijdt hij bij zwager Van Bree aan, en, of &#x2019;t koud is of niet, laat hij de
-paarden zoo ongehoord lang wachten, dat de koetsier wel eens de vrees geuit heeft,
-dat zij met hun pooten aan den grond mochten vastvriezen. En als Griete eens met haar
-kindertjes in Amsterdam komt logeeren, dan is &#x2019;t een feest bij de oude lui aan huis,
-dan is &#x2019;t of vader Rolf weer jong is, dan speelt hij met die kleinen en dan zegt moeder,
-terwijl zij in de handen slaat: &#x201e;Zie me zoo&#x2019;n man eens aan!&#x201d;
-</p>
-<p>Van al onze Broeksche vrienden is er slechts één, die het tooneel dezer wereld verlaten
-heeft: &#x2019;t is Jacob Poot. Tot zijn dood toe even goedhartig en onbaatzuchtig, wordt
-hij nog even hartelijk betreurd, als hij bemind was, toen hij op aarde beminde en
-lachte. Vóór hij stierf, was hij broodmager geworden, nog magerder dan Benjamin Dobbs,
-die nu een gezeten Engelschman is.
-</p>
-<p>En wanneer gij ooit te Broek komt en gij krijgt er toegang tot de familie De Bruyn,
-spreek dan eens over de hardrijderij van den 30sten December, dan zal de oude mevrouw
-u met glinsterende oogen verhalen, hoe heerlijk die was en hoe er onder de rijderessen
-zich een klein meisje bevond, dat zóó snel reed en zóó verlegen was, dat ze niet eens
-het foedraal meenam van den prijs, dien zij gewonnen had, van
-</p>
-<p class="xd29e2713">&#x201e;DE ZILVEREN SCHAATSEN.&#x201d;
-</p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="back">
-<div class="div1 cover"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first"></p>
-<div class="figure spinewidth"><img src="images/spine.jpg" alt="Oorspronkelijke rug." width="105" height="720"></div><p>
-</p>
-<p>&nbsp;
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure backwidth"><img src="images/back.jpg" alt="Oorspronkelijke achterkant." width="498" height="720"></div><p>
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1">
-<h2 class="main">Inhoudsopgave</h2>
-<table>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#toc">INHOUD.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#toc">iii</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#voorbericht">VOORBERICHT.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#voorbericht">v</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch1">Waarin verhaald wordt, hoe men, ook zonder schaatsen, toch het ijsvermaak genieten
-kan.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch1">1</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch2">Waarin wij verscheidene nieuwe kennissen ontmoeten.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch2">9</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch3">Hoe een paar schaatsen en een dokter in één hoofdstuk kunnen vereenigd worden.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch3">15</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch4">Hoe echt Hollandsche jongens zich goed houden onder tegenspoed.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch4">22</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch5">Ongelukken in de hut van Rolf Brinker.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch5">35</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch6">Wat de jongens zoo al in Haarlem zagen.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch6">45</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch7">Hoe goed het kan zijn, als men in een kouden winternacht zonder dek ligt.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch7">57</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch8">Wat onze knapen al zoo in Leiden zagen.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch8">74</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch9">Hoe onze reizigers in Den Haag ontvangen werden.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch9">83</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch10">De gevaarlijke operatie.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch10">96</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch11">De verborgen schat.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch11">106</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch12">De toovergodin.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch12">118</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch13">Het geheimzinnige horloge.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch13">128</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch14">De hardrijderij.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch14">142</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch15">Wat de zilveren schaatsen al uitwerken.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch15">152</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch16">Besluit.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch16">163</a></td>
-</tr>
-</table>
-</div>
-<div class="transcriberNote">
-<h2 class="main">Colofon</h2>
-<h3 class="main">Beschikbaarheid</h3>
-<p class="first">Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen
-van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden
-van de Project Gutenberg Licentie in dit eBoek of on-line op <a class="seclink xd29e52" title="Externe link" href="https://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>.
-</p>
-<p>Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctieteam op <a class="seclink xd29e52" title="Externe link" href="https://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>.
-</p>
-<h3 class="main">Metadata</h3>
-<table class="colophonMetadata">
-<tr>
-<td><b>Titel:</b></td>
-<td>De zilveren schaatsen</td>
-<td></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Auteur:</b></td>
-<td>Mary Mapes Dodge (1831&#x2013;1905)</td>
-<td><a href="https://viaf.org/viaf/2469452/" class="seclink">Info</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Vertaler:</b></td>
-<td>Pieter Jacob Andriessen (1815&#x2013;1877)</td>
-<td><a href="https://viaf.org/viaf/58603370/" class="seclink">Info</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Illustrator:</b></td>
-<td>Johan Coenraad Braakensiek (1858&#x2013;1940)</td>
-<td><a href="https://viaf.org/viaf/12577695/" class="seclink">Info</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Illustrator:</b></td>
-<td>Jan Sluijters (1881&#x2013;1957)</td>
-<td><a href="https://viaf.org/viaf/35252023/" class="seclink">Info</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Taal:</b></td>
-<td>Nederlands (Spelling De Vries-Te Winkel)</td>
-<td></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Oorspronkelijke uitgiftedatum:</b></td>
-<td>[1923]</td>
-<td></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Trefwoorden:</b></td>
-<td>Kinderverhalen (teksten)</td>
-<td></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>OCLC/WorldCat:</b></td>
-<td><a href="https://www.worldcat.org/oclc/63900525" class="seclink">63900525</a></td>
-<td></td>
-</tr>
-</table>
-<h3 class="main">Codering</h3>
-<p class="first">Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het
-einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel
-zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van
-dit boek.
-</p>
-<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3>
-<ul>
-<li>2019-11-18 Begonnen.
-</li>
-</ul>
-<h3 class="main">Externe Referenties</h3>
-<p>Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links
-voor u niet werken.</p>
-<h3 class="main">Verbeteringen</h3>
-<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p>
-<table class="correctionTable" summary="Overzicht van verbeteringen aangebracht in de tekst.">
-<tr>
-<th>Bladzijde</th>
-<th>Bron</th>
-<th>Verbetering</th>
-<th>Bewerkingsafstand</th>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e375">8</a>, <a class="pageref" href="#xd29e2034">116</a>, <a class="pageref" href="#xd29e2611">157</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">&#x201e;</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e461">13</a></td>
-<td class="width40 bottom">voortstrompeldet</td>
-<td class="width40 bottom">voortstrompelde</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e466">14</a></td>
-<td class="width40 bottom">heb</td>
-<td class="width40 bottom">had</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e471">14</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom"> haar</td>
-<td class="bottom">5</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e537">18</a></td>
-<td class="width40 bottom">ijldet</td>
-<td class="width40 bottom">ijlde</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e587">21</a>, <a class="pageref" href="#xd29e1621">89</a></td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e607">22</a></td>
-<td class="width40 bottom">Brink</td>
-<td class="width40 bottom">Brinker</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e661">26</a>, <a class="pageref" href="#xd29e1240">63</a>, <a class="pageref" href="#xd29e1402">72</a>, <a class="pageref" href="#xd29e2607">157</a>, <a class="pageref" href="#xd29e2669">161</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">&#x201d;</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e765">31</a></td>
-<td class="width40 bottom">rijke</td>
-<td class="width40 bottom">rijken</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e855">36</a></td>
-<td class="width40 bottom">&#x2019;</td>
-<td class="width40 bottom">&#x201d;</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e910">40</a>, <a class="pageref" href="#xd29e2546">153</a></td>
-<td class="width40 bottom">&#x201e;</td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e1167">59</a></td>
-<td class="width40 bottom">&#x201d; </td>
-<td class="width40 bottom"> &#x201e;</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e1326">68</a></td>
-<td class="width40 bottom">kapitein</td>
-<td class="width40 bottom">Kapitein</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e1583">86</a></td>
-<td class="width40 bottom">zij</td>
-<td class="width40 bottom">hij</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e1955">112</a></td>
-<td class="width40 bottom">schommelen</td>
-<td class="width40 bottom">rommelen</td>
-<td class="bottom">3</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e2137">122</a></td>
-<td class="width40 bottom">brand</td>
-<td class="width40 bottom">brandstof</td>
-<td class="bottom">4</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e2565">154</a></td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="width40 bottom">&#x201e;</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-</table>
-</div>
-</div>
-
-
-
-
-
-
-
-<pre>
-
-
-
-
-
-End of Project Gutenberg's De zilveren schaatsen, by Mary Mapes Dodge
-
-*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ZILVEREN SCHAATSEN ***
-
-***** This file should be named 60777-h.htm or 60777-h.zip *****
-This and all associated files of various formats will be found in:
- http://www.gutenberg.org/6/0/7/7/60777/
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
-States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive
-specific permission. If you do not charge anything for copies of this
-eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook
-for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports,
-performances and research. They may be modified and printed and given
-away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks
-not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the
-trademark license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country outside the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you'll have to check the laws of the country where you
- are located before using this ebook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm web site
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The
-Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm
-trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the
-mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its
-volunteers and employees are scattered throughout numerous
-locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt
-Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to
-date contact information can be found at the Foundation's web site and
-official page at www.gutenberg.org/contact
-
-For additional contact information:
-
- Dr. Gregory B. Newby
- Chief Executive and Director
- gbnewby@pglaf.org
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
-spread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works.
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our Web site which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
-
-
-
-</pre>
-
-</body>
-</html>
diff --git a/old/60777-h/images/back.jpg b/old/60777-h/images/back.jpg
deleted file mode 100644
index 0f4b758..0000000
--- a/old/60777-h/images/back.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/60777-h/images/book.png b/old/60777-h/images/book.png
deleted file mode 100644
index 1825ce0..0000000
--- a/old/60777-h/images/book.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/60777-h/images/card.png b/old/60777-h/images/card.png
deleted file mode 100644
index 784a984..0000000
--- a/old/60777-h/images/card.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/60777-h/images/external.png b/old/60777-h/images/external.png
deleted file mode 100644
index 1434642..0000000
--- a/old/60777-h/images/external.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/60777-h/images/front.jpg b/old/60777-h/images/front.jpg
deleted file mode 100644
index 4c92212..0000000
--- a/old/60777-h/images/front.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/60777-h/images/frontispiece.jpg b/old/60777-h/images/frontispiece.jpg
deleted file mode 100644
index d4fea53..0000000
--- a/old/60777-h/images/frontispiece.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/60777-h/images/p003.png b/old/60777-h/images/p003.png
deleted file mode 100644
index 9524341..0000000
--- a/old/60777-h/images/p003.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/60777-h/images/p005.png b/old/60777-h/images/p005.png
deleted file mode 100644
index 490ad18..0000000
--- a/old/60777-h/images/p005.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/60777-h/images/p011.png b/old/60777-h/images/p011.png
deleted file mode 100644
index 8b44fee..0000000
--- a/old/60777-h/images/p011.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/60777-h/images/p020.png b/old/60777-h/images/p020.png
deleted file mode 100644
index fb188dc..0000000
--- a/old/60777-h/images/p020.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/60777-h/images/p024.png b/old/60777-h/images/p024.png
deleted file mode 100644
index fa5b7d1..0000000
--- a/old/60777-h/images/p024.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/60777-h/images/p033.jpg b/old/60777-h/images/p033.jpg
deleted file mode 100644
index 6da6fec..0000000
--- a/old/60777-h/images/p033.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/60777-h/images/p036.png b/old/60777-h/images/p036.png
deleted file mode 100644
index bb29695..0000000
--- a/old/60777-h/images/p036.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/60777-h/images/p038.png b/old/60777-h/images/p038.png
deleted file mode 100644
index ffbdbe6..0000000
--- a/old/60777-h/images/p038.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/60777-h/images/p043.png b/old/60777-h/images/p043.png
deleted file mode 100644
index f3680d9..0000000
--- a/old/60777-h/images/p043.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/60777-h/images/p050.png b/old/60777-h/images/p050.png
deleted file mode 100644
index 4bae6eb..0000000
--- a/old/60777-h/images/p050.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/60777-h/images/p059.png b/old/60777-h/images/p059.png
deleted file mode 100644
index f912c34..0000000
--- a/old/60777-h/images/p059.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/60777-h/images/p061.png b/old/60777-h/images/p061.png
deleted file mode 100644
index ae7db9c..0000000
--- a/old/60777-h/images/p061.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/60777-h/images/p065.jpg b/old/60777-h/images/p065.jpg
deleted file mode 100644
index c56e27f..0000000
--- a/old/60777-h/images/p065.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/60777-h/images/p071.png b/old/60777-h/images/p071.png
deleted file mode 100644
index c86b997..0000000
--- a/old/60777-h/images/p071.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/60777-h/images/p073.png b/old/60777-h/images/p073.png
deleted file mode 100644
index 18ac34c..0000000
--- a/old/60777-h/images/p073.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/60777-h/images/p079.png b/old/60777-h/images/p079.png
deleted file mode 100644
index 0bd4163..0000000
--- a/old/60777-h/images/p079.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/60777-h/images/p081.png b/old/60777-h/images/p081.png
deleted file mode 100644
index bff12d6..0000000
--- a/old/60777-h/images/p081.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/60777-h/images/p083.png b/old/60777-h/images/p083.png
deleted file mode 100644
index 7e158a1..0000000
--- a/old/60777-h/images/p083.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/60777-h/images/p087.png b/old/60777-h/images/p087.png
deleted file mode 100644
index 27a1cbf..0000000
--- a/old/60777-h/images/p087.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/60777-h/images/p099.png b/old/60777-h/images/p099.png
deleted file mode 100644
index 006e225..0000000
--- a/old/60777-h/images/p099.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/60777-h/images/p103.png b/old/60777-h/images/p103.png
deleted file mode 100644
index 1dffae7..0000000
--- a/old/60777-h/images/p103.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/60777-h/images/p110.png b/old/60777-h/images/p110.png
deleted file mode 100644
index 8dc6d39..0000000
--- a/old/60777-h/images/p110.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/60777-h/images/p116.png b/old/60777-h/images/p116.png
deleted file mode 100644
index 9288f98..0000000
--- a/old/60777-h/images/p116.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/60777-h/images/p123.png b/old/60777-h/images/p123.png
deleted file mode 100644
index 3506b26..0000000
--- a/old/60777-h/images/p123.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/60777-h/images/p126.png b/old/60777-h/images/p126.png
deleted file mode 100644
index 91aa53c..0000000
--- a/old/60777-h/images/p126.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/60777-h/images/p128.jpg b/old/60777-h/images/p128.jpg
deleted file mode 100644
index b7c57b1..0000000
--- a/old/60777-h/images/p128.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/60777-h/images/p134.png b/old/60777-h/images/p134.png
deleted file mode 100644
index 0860967..0000000
--- a/old/60777-h/images/p134.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/60777-h/images/p147.png b/old/60777-h/images/p147.png
deleted file mode 100644
index a9b3a4c..0000000
--- a/old/60777-h/images/p147.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/60777-h/images/p149.png b/old/60777-h/images/p149.png
deleted file mode 100644
index 0129706..0000000
--- a/old/60777-h/images/p149.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/60777-h/images/p153.png b/old/60777-h/images/p153.png
deleted file mode 100644
index d2b7ffc..0000000
--- a/old/60777-h/images/p153.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/60777-h/images/p162.png b/old/60777-h/images/p162.png
deleted file mode 100644
index c5da227..0000000
--- a/old/60777-h/images/p162.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/60777-h/images/p165.png b/old/60777-h/images/p165.png
deleted file mode 100644
index 2a31062..0000000
--- a/old/60777-h/images/p165.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/60777-h/images/spine.jpg b/old/60777-h/images/spine.jpg
deleted file mode 100644
index 8926653..0000000
--- a/old/60777-h/images/spine.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/60777-h/images/titlepage.png b/old/60777-h/images/titlepage.png
deleted file mode 100644
index 6f6af57..0000000
--- a/old/60777-h/images/titlepage.png
+++ /dev/null
Binary files differ