diff options
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 4 | ||||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 | ||||
| -rw-r--r-- | old/60777-8.txt | 7358 | ||||
| -rw-r--r-- | old/60777-8.zip | bin | 125522 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60777-h.zip | bin | 2240542 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60777-h/60777-h.htm | 7606 | ||||
| -rw-r--r-- | old/60777-h/images/back.jpg | bin | 52232 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60777-h/images/book.png | bin | 219 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60777-h/images/card.png | bin | 230 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60777-h/images/external.png | bin | 151 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60777-h/images/front.jpg | bin | 96799 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60777-h/images/frontispiece.jpg | bin | 120255 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60777-h/images/p003.png | bin | 46000 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60777-h/images/p005.png | bin | 36976 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60777-h/images/p011.png | bin | 50507 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60777-h/images/p020.png | bin | 56622 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60777-h/images/p024.png | bin | 50431 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60777-h/images/p033.jpg | bin | 119333 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60777-h/images/p036.png | bin | 35163 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60777-h/images/p038.png | bin | 75476 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60777-h/images/p043.png | bin | 75600 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60777-h/images/p050.png | bin | 48046 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60777-h/images/p059.png | bin | 78813 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60777-h/images/p061.png | bin | 79170 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60777-h/images/p065.jpg | bin | 119945 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60777-h/images/p071.png | bin | 86893 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60777-h/images/p073.png | bin | 23345 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60777-h/images/p079.png | bin | 75378 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60777-h/images/p081.png | bin | 2742 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60777-h/images/p083.png | bin | 8967 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60777-h/images/p087.png | bin | 29479 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60777-h/images/p099.png | bin | 66424 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60777-h/images/p103.png | bin | 50483 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60777-h/images/p110.png | bin | 38871 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60777-h/images/p116.png | bin | 71313 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60777-h/images/p123.png | bin | 81545 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60777-h/images/p126.png | bin | 68525 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60777-h/images/p128.jpg | bin | 115191 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60777-h/images/p134.png | bin | 39296 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60777-h/images/p147.png | bin | 16015 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60777-h/images/p149.png | bin | 73470 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60777-h/images/p153.png | bin | 6289 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60777-h/images/p162.png | bin | 6053 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60777-h/images/p165.png | bin | 69049 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60777-h/images/spine.jpg | bin | 22217 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60777-h/images/titlepage.png | bin | 10343 -> 0 bytes |
47 files changed, 17 insertions, 14964 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..d7b82bc --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,4 @@ +*.txt text eol=lf +*.htm text eol=lf +*.html text eol=lf +*.md text eol=lf diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..f0a24f2 --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #60777 (https://www.gutenberg.org/ebooks/60777) diff --git a/old/60777-8.txt b/old/60777-8.txt deleted file mode 100644 index fa8bae8..0000000 --- a/old/60777-8.txt +++ /dev/null @@ -1,7358 +0,0 @@ -The Project Gutenberg EBook of De zilveren schaatsen, by Mary Mapes Dodge - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most -other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of -the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have -to check the laws of the country where you are located before using this ebook. - -Title: De zilveren schaatsen - -Author: Mary Mapes Dodge - -Illustrator: Johan Coenraad Braakensiek - Johannes Carolus Bernardus Sluijters - -Translator: Pieter Jacob Andriessen - -Release Date: November 24, 2019 [EBook #60777] - -Language: Dutch - -Character set encoding: ISO-8859-1 - -*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ZILVEREN SCHAATSEN *** - - - - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg - - - - - - - - - - DE ZILVEREN SCHAATSEN - - NAVERTELD DOOR - - P. J. ANDRIESSEN - - GEÏLLUSTREERD DOOR - - JOH. BRAAKENSIEK EN J. SLUYTERS - - TIENDE DRUK - - - - - - - - - A. W. SIJTHOFF'S UITGEVERSMAATSCHAPPIJ--LEIDEN - - - - - - - - -INHOUD. - - -EERSTE HOOFDSTUK. Bladz. - -Waarin verhaald wordt, hoe men, ook zonder schaatsen, toch het -ijsvermaak genieten kan 1 - -TWEEDE HOOFDSTUK. - -Waarin wij verscheidene nieuwe kennissen ontmoeten 9 - -DERDE HOOFDSTUK. - -Hoe een paar schaatsen en een dokter in één hoofdstuk kunnen -vereenigd worden 15 - -VIERDE HOOFDSTUK. - -Hoe echt Hollandsche jongens zich goed houden onder tegenspoed 22 - -VIJFDE HOOFDSTUK. - -Ongelukken in de hut van Rolf Brinker 35 - -ZESDE HOOFDSTUK. - -Wat de jongens zoo al in Haarlem zagen 45 - -ZEVENDE HOOFDSTUK. - -Hoe goed het kan zijn, als men in een kouden winternacht zonder -dek ligt 57 - -ACHTSTE HOOFDSTUK. - -Wat onze knapen al zoo in Leiden zagen 74 - -NEGENDE HOOFDSTUK. - -Hoe onze reizigers in den Haag ontvangen werden 83 - -TIENDE HOOFDSTUK. - -De gevaarlijke operatie 96 - -ELFDE HOOFDSTUK. - -De verborgen schat 106 - -TWAALFDE HOOFDSTUK. - -De toovergodin 118 - -DERTIENDE HOOFDSTUK. - -Het geheimzinnige horloge 128 - -VEERTIENDE HOOFDSTUK. - -De hardrijderij 142 - -VIJFTIENDE HOOFDSTUK. - -Wat de zilveren schaatsen al uitwerken 152 - -ZESTIENDE HOOFDSTUK. - -Besluit 163 - - - - - - - - -VOORBERICHT. - - -Toen de geachte Uitgever mij eenige jaren geleden dit boek ter hand -stelde, om daarover een oordeel te vellen, beviel het mij zoodanig, -dat ik er volgaarne in toestemde, het voor de Nederlandsche jeugd om -te werken. Ik zeg omwerken, want er is van het oorspronkelijke weinig -meer overgebleven dan het geraamte. Had ik het boek van Mary Mapes -Dodge vertaald, ik zou tal van dwaasheden hebben moeten debiteeren, -waarvoor mijn jeugdige lezeressen en lezers mij zeker op de vingers -zouden hebben getikt en die men in den vreemde voor goede munt -opneemt, daar men 't natuurlijk niet beter weet. En toch is er veel in, -waardoor de Schrijfster haar landgenooten met vrij wat bijzonderheden -van ons land en ons volk bekendmaakt. Ik twijfel er ook geenszins aan, -of deze zilveren schaatsen zullen mijn jongen vriendinnen en vrienden -wèl bevallen. Het werk kan hun tot een aangename afwisseling strekken -van de meer ernstige lectuur mijner historische verhalen. - -Dat dit boek in zoo betrekkelijk korten tijd telken male herdrukt moest -worden, heeft mij niet verwonderd. De goede manier van uitgeven, het -echt nationale, dat er in het schaatsenrijden is, en de vriendelijke -inhoud van het verhaal stonden mij daarvoor borg. - - -P. J. Andriessen. - - - - - - - - -EERSTE HOOFDSTUK. - -WAARIN VERHAALD WORDT, HOE MEN, OOK ZONDER SCHAATSEN, TOCH HET -IJSVERMAAK GENIETEN KAN. - - -Wanneer gij, mijn lieve lezeressen en lezers, eenige jaren geleden -op een helderen December-ochtend de vaart van 't Schouw naar het -Noordhollandsche dorp Broek waart opgewandeld, dan zoudt gij aan den -kant van het bevroren water twee dun gekleede kinderen op hun knieën -hebben zien liggen. - -'t Was heel vroeg in den morgen: de zon was zooeven eerst opgegaan en -de horizon zag rood door den nevel, die nog moest optrekken voor den -gloed van haar stralen. De meeste bewoners van Broek en zijn omtrek -waren nog warm in het dons hunner bedden gedoken en schrikten er -voor om uit de veeren te komen: want het was aardig koud en had dien -nacht geducht gevroren. Slechts een enkele boer of boerin, die naar de -stad ging, of een werkman, die wat ver van huis op karwei moest zijn, -reed op de gladde spiegelvlakte en wierp een vriendelijken blik op het -tweetal, dat daar aan den kant geknield lag en zich bezighield met iets -aan te binden, hetwelk schaatsen moesten verbeelden en dat bestond -uit stukken hard hout, die naar onderen spits toeliepen en waarin -gaten waren geboord, om ze met touwen aan de voeten te bevestigen. - -Die schaatsen waren het fabrikaat van Hans, den oudste der twee: want -zijn moeder was een arme boerenvrouw, die geen schaatsen bekostigen -kon; en daarom had onze knaap, die zeer behendig in het snijden van -hout was, er een paar voor zich en zijn zuster Griete vervaardigd, op -welke zij reeds menig gelukkig uurtje op het ijs hadden gesleten. Met -hun van de kou roode vingers trokken zij aan de touwen, terwijl hun -gezichten zoo ernstig stonden, als moesten zij zich het beste paar -Friesche schaatsen aanbinden. - -"Kom, Griete," zei Hans, toen hij opstond en een prachtige streek op -de vaart maakte, niet zonder beide armen geducht te bewegen. - -"Ach, Hans!" riep Griete op verdrietigen toon. "De touwen hebben -mij gisteren zoo geducht gekneld, en nu kan ik ze niet op dezelfde -plaats velen." - -"Bind ze dan wat hooger," gaf Hans ten antwoord, terwijl hij op zijn -manier een sierlijken zwaai maakte. - -"Dat kan ik niet doen: want het touw is te kort." - -Hans had toch deernis met zijn zusje en reed naar haar toe. - -"Waarom heb je ook die dunne schoenen aan je voeten, malle meid?" zeide -hij. "Wie trekt zulk dun schoeisel aan, als hij er dikker heeft? Had -dan liever je klompen aangehouden." - -"Maar, Hans! Weet je dan niet, dat vader mijn beste schoenen in 't -vuur heeft gegooid? Eer ik nog wist, wat hij gedaan had, waren ze al -heelemaal omgekruld en bedorven. Met die schoenen kon ik wel rijden, -maar niet met mijn klompen." - -Hans had intusschen een touw uit zijn zak gehaald en knielde voor -Griete, terwijl hij zijn best deed om haar schaats vast te maken. - -"O, je doet me zeer!" riep zij uit. - -Hans werd bijna boos, maar hij zag een traan in Griete's oog en -bedwong zijn toorn. Integendeel hernam hij op vriendelijken toon: - -"Ik kan 't niet helpen, Griete. Maar ik moet de schaats toch -vastmaken. En je weet zelf, dat we weinig tijd hebben: want moeder -zal ons wel gauw roepen." - -Hierop keek hij rond of hij niets zag, waarmede hij zijn zuster kon -helpen, bedacht zich even, nam zijn pet af, haalde uit de gescheurde -voering een dotje watten, legde dat op de plaats, waar hij het touw -moest binden, en bond toen de schaats vast, zoo schielijk als hij -'t met zijn van kou verstijfde vingers doen kon. - -"Kijk, nu zal 't je geen pijn meer doen, Griete," zeide hij, "want -nu zal je wel eenige drukking kunnen velen." - -Griete beet zich op de lippen, als wilde zij zeggen: "'t doet mij -toch nog zeer," maar zij zweeg en liet hem begaan. - -Eenige oogenblikken later reden zij lachend en vroolijk, hand aan hand -over de vaart, zonder zich er over te bekommeren, of hun schaatsen -al dan niet met ijzer beslagen waren. Maar eensklaps begonnen de -schaatsen van Hans een raar soort van geluid te geven, zijn streken -werden al korter en korter, flap! daar lag hij zoo lang als hij was -op het ijs te spartelen. - -"Ha, ha," riep Griete lachend. "Daar ben je mooi te land gekomen." Maar -even snel kwam het liefderijke zusterhart weer boven, en met een -fikschen omzwaai stond zij, ofschoon nog altijd lachend, vóór haar -gevallen broeder. - -"Je hebt je toch niet bezeerd, Hans?" vroeg zij medelijdend. "O, je -lacht. Dan is 't niets." En terwijl zij weer voortreed met wangen, -gloeiend van de warmte, die de beweging haar had gegeven, en oogen, -schitterend van genoegen, riep zij: "Hans je kunt mij niet krijgen!" - -Hans sprong weer op de beenen, maar 't was geen gemakkelijke zaak om -Griete in te halen: want zij was hem reeds een heel eind vooruit. Toch -was zij nog niet ver, toen zij voelde, dat ook haar schaatsen begonnen -te krassen. Daar zij nu de eer aan zich wilde houden, keerde zij zich -om en reed haar vervolger in de armen. - -"Gevangen!" riep Hans, terwijl hij haar stevig in zijn armen pakte. - -"Ik heb jou gevangen," antwoordde Griete, die poogde zich uit zijn -armen los te maken. - -Juist op dit oogenblik klonk er een luide stem over de vaart: -"Hans! Griete!" - -"Moeder roept ons," zeide Hans, terwijl hij zijn zusje losliet. - -Op dat oogenblik werd de vaart door de nu geheel en al opgekomen -zon beschenen en begonnen er al meer schaatsenrijders te komen. 't -Was een hard gelag, om nu juist te moeten uitscheiden. Maar Hans en -Griete waren gehoorzame kinderen. Terstond bonden zij hun schaatsen af -en lieten de vaart aan de liefhebbers over. Statig liep Hans met zijn -breede schouders en zijn weerbarstig blond haar naast zijn blauwoogige -zuster voort, terwijl zij huiswaarts togen. Hij was vijftien en -Griete twaalf jaar. Hij was een stevige, vriendelijke jongen met een -hart van goud en een paar oogen, die hij nooit neersloeg, als hij u -aankeek. Griete was een klein, tenger ding, met een paar levendige -blauwe oogen, die u zoo vriendelijk konden aankijken, en zulk een -lief gezichtje, dat gij, als gij haar aanzaagt, heur armoedig en -verschoten gewaad schier vergeten zoudt hebben. - -Toen de kinderen thuis kwamen, was moeder Brinker weer binnen en zat -hun vader bij het vlammende vuur. Die vader was in vroegeren tijd een -stevig werkman geweest, die voor vrouw en kinderen een eerlijk stuk -brood verdiende. Maar jaren geleden, toen er midden in den nacht gevaar -voor overstrooming was en de man zich aan het werk had bevonden aan -den dijk, die dreigde te bezwijken, was hij gevallen, en bewusteloos -thuis gebracht. Sedert dat oogenblik had hij niet meer gewerkt, en, -ofschoon hij nog leefde, waren zijn verstand en geheugen weg. - -Griete kende hem niet anders dan als "den zonderlingen, stillen man", -wiens oogen haar volgden, waar zij ook ging; maar Hans herinnerde -zich nog een hartelijken, vroolijken vader, die hem zoo pleizierig -op zijn schouder kon dragen en die zoo mooi kon zingen, als hij -'s avonds wakker lag en naar hem luisterde. - -De arme vrouw Brinker had sedert dien tijd hard gewerkt. Zij toch -moest den kost verdienen voor haar zelf, haar hulpeloozen man en haar -niet minder hulpelooze kinderen. Met spinnen en breien trachtte zij -daarin te voorzien, zelfs had zij zich tusschenbeide verhuurd, om -in het zeel te loopen voor een schuit; maar sedert Hans sterk genoeg -was geworden, had hij haar plaats vervuld. En het was ook wel noodig, -dat vrouw Brinker thuis bleef: want, hoe hulpbehoevend Brinker ook was, -hoewel hij niet meer verstand bezat dan een kind van drie of vier jaar, -had hij toch de kracht van een man, en het kostte der arme vrouw vrij -wat moeite, om hem in bedwang te houden. - -"Ach, kinderen," zeide zij somtijds, "hij was zoo goed en zoo -verstandig! Zoo knap als een advocaat! Zou je wel willen gelooven, -dat de burgemeester hem soms staande hield, om hem het een of ander te -vragen. En nu, ach, lieve Hemel! nu kent hij zijn vrouw en kinderen -niet meer! Jij kunt je uw vader nog wel voorstellen, niet waar, -Hans, toen hij nog de goede Rolf Brinker was, hè? Wat een ferm, -knap man! Weet je 't nog wel?" - -"Ja, moeder," antwoordde Hans. "En wat wist hij alles, en wat kon -hij mooi zingen! Ik weet het nog best, hoe gij wel eens zeidet, -dat hij door zijn stem alleen al de windmolens aan het draaien zou -hebben gemaakt." - -"Ja, dat heb ik dikwerf gezegd. Wat die jongen toch een geheugen -heeft! Griete, kindlief, neem je vader die breinaald af, anders steekt -hij er mee in zijn oog. Doe hem zijn slof aan, want zijn voeten zijn -zoo koud als ijs, en ik kan ze niet warm houden," en dan liet vrouw -Brinker haar spinnewiel weer snorren, als gaf dat geluid afleiding -aan haar smart. - -Hans en Griete deden al wat zij konden, om hun arme moeder in haar -zware taak te ondersteunen. Waar het lieve kind in het huishouden -hielp en den kleinen moestuin bebouwde, die bij het huisje lag, -waar zij reeds menig paar sokken breide en al de boodschappen deed, -die er noodig waren, verdiende Hans geld met het jagen der paarden -voor de pakschuiten en kleine vrachtschepen, die door de vaart kwamen; -ook was hij vrij bekwaam in het houtsnijden, in hetwelk hij, als men -de slechte werktuigen, welke hij bezat, en het volslagen gemis aan -onderricht daarbij in aanmerking neemt, al een heel aardige hoogte -bereikt had. En niet alleen in deze werktuigelijke kunst muntte Hans -uit. Ook op de school kon geen enkele hem bijhouden. Hoe hard hij soms -moest blokken, eer hij iets wist, hij rustte niet, vóór hij het onder -de knie had, en menigeen, die zijn neus optrok voor zijn armoedige -plunje en zijn gelapte broek, moest voor hem de vlag strijken en -aan den jongen uit de hut de hoogste plaats afstaan. Jammer genoeg, -dat hij nu sedert een jaar niet meer had kunnen schoolgaan, daar, -bij de verergering van Brinker's toestand, de behoeften van het gezin -waren toegenomen en Hans geld moest verdienen om in die behoeften te -voorzien. Griete was zoo vlug niet in het leeren. Als 't op zingen -aankwam, kon zeker niemand haar overtreffen, en als zij een liedje -tweemaal hoorde, zong zij het zonder fout; maar--boeken waren haar -een gruwel, het schoolbord een verdriet en de school zelf een soort -van gevangenis, die zij met looden schoenen betrad. Des te meer -jammer voor het lieve kind, dat moeder ook haar moest thuis houden: -want wat moest er van haar worden, als zij op lateren leeftijd niet -zou kunnen lezen of schrijven? - -Terwijl onze beide kinderen druk bezig waren, hun moeder binnenshuis -te helpen, kwam er een vroolijke hoop meisjes en jongens over de -vaart rijden. Daar waren goede rijdsters en rijders onder, en als -men hen in hun bonte kleeding op een afstand zag komen aanrijden, -dan zou men zich verbeeld hebben, dat het ijs eensklaps gesmolten -was en er een veelkleurig bed met tulpen op den stroom kwam aandrijven. - -Voorop rijdt Hilda, de dochter van burgemeester De Bruyn, in haar -fluweelen, met bont omzet jacketje en haar met pels omboorde jurk, -en naast haar Annie Bouman, de dochter van een rijken boer, met haar -scharlaken rood jacketje, van stevige wol gebreid, en haar keurig -blauw rokje, kort genoeg om haar nette voetjes te doen zien. Verder de -trotsche Truida Korbes, de dochter van den rijken aannemer te Broek, -Karel Schimmel, Peter en Lodewijk van den Helm, Jacob Poot en een heel -kleine jongen, die den naam van Frans van Bree voert. Er waren ruim -twintig jongens en meisjes bij elkander, en zij maakten vrij wat pret, -dat kan ik u verzekeren. - -Zij reden herhaalde malen de vaart op en neder, en het was wèl te zien, -dat er flinke schaatsenrijders onder hen waren. Menigen vriendelijken -groet wisselden zij met andere dorpelingen, die hen voorbijreden, om -zich naar Amsterdam of elders te begeven, en ook diegenen, aan wie zij -ten eenen male onbekend waren, konden niet nalaten, met genoegen naar -het vroolijke troepje te zien en het een groet toe te werpen. Ook van -den wal af hadden zij bekijks genoeg van de kinderen, die te voet naar -school gingen, en bij wie zich de meesten van hen straks zouden voegen. - -Eensklaps echter scheen hen iets in hun vaart te belemmeren en allen -bleven stilstaan rondom een klein aardig meisje, dat er allerliefst -uitzag en van den kant van Monnikendam was komen aanrijden. - -"Waar moet jij zoo vroeg reeds heen, Kato?" riep de een. - -"Wat kom je hier jagen?" vraagde de ander. - -"Je doet toch ook mee met den wedstrijd op den dertigsten?" zeide -een derde. - -"Je moet stellig meedoen, Kato," bevestigde een vierde. - -"Maar, lieve vrienden," zeide de aardige Kato. "Je brengt me heelemaal -in de war. Spreekt als het u belieft één voor één: want als je allen -te gelijk praat, kan ik je onmogelijk antwoorden." - -"Je doet toch mee met den wedren op den dertigsten?" herhaalde Truida -Korbes, die 't eerst het woord nam. - -"Een wedren? Denk je, dat ik paard kan rijden, Truida?" vroeg Kato -glimlachend. - -"Nu, dat begrijp je toch wel beter, Kato." - -"Kom, zij weet er even goed van als wij," zeide Annie Bouman. "Zoo -ver woont ze niet van Broek af, dat ze het niet zou weten." - -"Inderdaad, ik heb niets van een wedren gehoord," verzekerde Kato -met het onnoozelste gezicht ter wereld. - -"Welnu," hernam Truida, "als je 't dan werkelijk niet weet, zal ik 't -zeggen. Mevrouw De Bruyn van Broek is op den dertigsten van deze maand -veertig jaar en heeft besloten dien dag feestelijk te vieren. Daartoe -zal zij een wedren op schaatsen geven, waaraan al de kinderen van -Broek en den omtrek, mits ze beneden de zestien jaren zijn, mogen -deelnemen. Dat is alles het werk van Hilda." - -"En zullen er mooie prijzen zijn?" - -"Een paar beeldige mooie Engelsche schaatsen," riepen wel zes stemmen -te gelijk. - -"Met zilver ingelegd," voegde een ander er bij. - -"En met zilveren neuzen en hielstukken," vervolgde een derde. - -"En er zijn zilveren belletjes ook aan," voegde Frans van Bree er bij. - -"Hoor me zoo'n kleinen betweter eens aan!" riep Jacob Poot uit. "Bellen -aan schaatsen! Dan zou een mensch veel van een paard voor een -Narreslede hebben." - -"Of van een katje, dat men niet wil trappen," meende Truida. - -"Je hebt je wat laten wijsmaken, Frans," zeide Lodewijk van den Helm, -terwijl hij het kleine kereltje medelijdend aanzag. - -"Hij heeft het toch zoo geheel en al niet mis," verzekerde -Hilda. "Er zijn twee paren schaatsen, één voor de meisjes en één -voor de jongens. Het paar van de meisjes is met zilveren plaatjes -aan de hielstukken, die bij het stampen een rammelend geluid maken -als belletjes." - -"En wie zullen er rijden?" vroeg Kato. - -"Wel, wij allen," gaf Truida ten antwoord. "'t Zal een pret zijn! Je -doet toch ook mee, Kato? Maar het is nu tijd, om naar school te -gaan. Kom, ga mee, dan zal ik 't je onderweg verder vertellen." - -En zonder zich om de overigen te bekommeren, maakte zij een sierlijken -zwaai en reed, door Kato vergezeld, naar de school met een vlugheid, -dat de anderen werk hadden om haar te volgen. - - - - - - - - -TWEEDE HOOFDSTUK. - -WAARIN WIJ VERSCHEIDENE NIEUWE KENNISSEN ONTMOETEN. - - -'t Was op den namiddag van dien zelfden dag, dat onze jongelieden, -na afgeloopen arbeid, weder een uurtje op het ijs reden. - -"Kijk eens," riep Karel Schimmel spottend tegen Hilda, die vlak -naast hem stond. "Kijk eens, welk een mooi paar daar over het ijs komt -aanrijden. 't Zijn zeker de voddenrapers uit de hut. Hun schaatsen zijn -zeker een geschenk van Hare Majesteit de Koningin in eigen persoon." - -"Foei, Karel," zeide Hilda. "Je moest je schamen, dat je zoo over hen -spreekt. 't Zijn arme kinderen en de schaatsen, op welke zij rijden, -heeft de knaap misschien zelf gemaakt." - -Karel keek mal op zijn neus. - -"Ik weet niet wat zij met zulk tuig op de baan doen," bromde hij, -terwijl Hilda naar de beide kinderen toereed, "maar ik zou, dunkt -mij, even goed op een oud verroest mes kunnen rijden als op zoo'n -paar schaatsen." - -Deze uitval wekte het gelach van verscheidene andere der rijders. Hilda -stoorde zich daaraan niet en vroeg aan Griete: - -"Hoe heet je, kindlief?" - -"Griete, juffrouw," antwoordde het kind, min of meer verlegen, dat -de juffrouw van den burgemeester haar aansprak, al was die dan ook -nog geen twee jaar ouder dan zij. - -"En hoe heet je broer?" - -"Hans, juffrouw!" - -"Nu, 't is een ferme jongen, die Hans. Die heeft zeker een warm -kacheltje in zijn lijf; want hij ziet er zoo gezond uit als een -visch. Maar jij bent koud. Waarom kleed je je ook niet wat warmer, -klein ding?" - -Griete deed haar best om te glimlachen. - -"Ik ben zoo klein niet als u wel denkt," zeide zij. "Ik ben ruim -twaalf jaar oud." - -"Nu, je zult wel grooter worden," hervatte Hilda, meesmuilende -over het antwoord van Griete. "Maar dan moet je je ook wat warmer -kleeden. Meisjes, die kou lijden, worden nooit groot." - -Hans kreeg een kleur als bloed, toen hij zag, dat er waterlanders in -Griete's oogen kwamen. - -"Hoor eens, juffrouw! Mijn zuster heeft nog nooit over de kou -geklaagd. Maar 't vriest nu ook zoo hard." - -"O," zeide Griete. "Ik ben dikwijls heel warm, dikwijls al te warm, -als ik schaatsen rijd. 't Is al heel lief van u, juffrouw, om daaraan -te denken." - -"Ik wou je wat anders vragen, Griete," zeide Hilda, min of meer boos -op zich zelf, omdat zij vreesde de arme kinderen beleedigd te hebben. - -"Kan ik de juffrouw van dienst zijn?" vroeg Hans. - -"O neen, ik wou je alleen iets vragen over den grooten wedstrijd. Je -zult toch meedoen, niet waar? Je kunt allebei aardig rijden en iedereen -mag meedingen." - -Griete zag Hans zwijgend aan; deze trok verlegen aan zijn buis en -antwoordde op eerbiedigen toon: - -"Ach! juffrouw, al konden wij ook meedingen, dan nog zouden wij geen -tien slagen met de overigen doen. Zie maar," en hij liet haar een -zijner schaatsen zien, "onze schaatsen zijn slechts van hard hout, zij -worden gauw vochtig en dan willen zij niet meer voort, of wij rollen." - -Griete kon niet nalaten te lachen, toen zij om het ongeval van Hans -van dien morgen dacht, en zeide: - -"Neen, juffrouw, meerijden kunnen wij niet; maar wij zullen er wel -bij zijn om te kijken." - -"Natuurlijk," antwoordde Hilda. "Maar je moet meedoen ook." - -Zij haalde haar beursje uit en zag, dat er nog een gulden en twee -kwartjes in waren. 't Speet haar, dat zij niet wat zuiniger op haar -weekgeld was geweest, en daarom keek zij met een zucht naar de twee -paar voeten, die zoo ongelijk van grootte waren. - -"Zeg, wie van je beiden is de beste rijder?" - -"Griete," antwoordde Hans snel. - -"Hans," was het antwoord van Griete. - -Hilda glimlachte. - -"Hoort eens," hernam zij. "Ik kan voor jelui elk geen paar -schaatsen koopen, zelfs niet enkel een goed paar. Maar hier heb je -een daalder. Maak 't nu onder je beiden uit, wie 't best kan rijden -en de meeste kans heeft om bij den wedstrijd te winnen, en koop dan -voor die een paar schaatsen, zoo goed als je ze voor een daalder kunt -krijgen. 'k Wou, dat ik geld genoeg had om je ieder een paar betere -te koopen." - -En terwijl zij hen vriendelijk toeknikte en den verwezen Hans het geld -in de hand stopte, reed zij snel weg om zich weer bij haar gezelschap -te voegen, dat in dien tijd een heel eind vooruitgereden was. - -"Juffrouw! Juffrouw De Bruyn," riep Hans, terwijl hij haar achterna -strompelde, want hij had een zijner schaatsen losgebonden, om haar -die te laten zien. - -Hilda keerde zich om en was in een oogenblik weer bij hen. - -"Wat is het?" vroeg zij. - -"Wij mogen dit geld niet behouden, juffrouw," zeide hij. "Ofschoon -wij u hoogst dankbaar zijn voor uw goedheid." - -"Kom, waarom niet?" - -"Omdat wij 't niet verdiend hebben." - -Hilda's snelle bevatting wist terstond raad. - -"Welnu, snijd voor mij dan zoo'n ketting als je zuster draagt." - -"Heel gaarne, juffrouw," antwoordde Hans. "Wij hebben beeldig wit -hout in huis en gij zult er morgen een hebben, zoo wit als ivoor." Dit -zeggende, wilde hij haar het geld teruggeven. - -"Neen, zoo is 't niet gemeend," antwoordde Hilda. "Dat geld is voor -den ketting. 't Is wel wat weinig zelfs." En zonder verder een woord te -spreken, snelde zij weg en was spoedig bij de andere schaatsenrijders. - -Hans keek haar met tranen in de oogen na. - -"Een edel meisje, Griete," zeide hij. "En zij zal den ketting morgen -hebben, al moet ik er ook den halven nacht voor opzitten; als moeder -ten minste wil hebben, dat ik zoo lang licht brand. Morgen is de -ketting af en dan mogen wij het geld houden." - -"En dan ga je naar Amsterdam om de schaatsen te koopen," zeide -Griete. "Daar kun je ze zeker beter en goedkooper krijgen dan in -Monnikendam." - -Hans schudde zijn hoofd. - -"De juffrouw wilde ons het geld geven om schaatsen voor te koopen. Dit -hadden wij ook moeten doen. Maar nu ik het verdien, zal ik er wol -voor koopen. Je moet een warm jacketje hebben, Griete." - -"Hé!" riep Griete treurig uit. "En je zoudt er geen schaatsen voor -koopen? Kom, ik heb 't zoo koud niet als je denkt. Ik ben jong -en gezond." - -En er stonden haar tranen in de oogen bij de gedachte, dat Hans de -schaatsen niet zou koopen. - -Hans zag haar zwijgend aan. Tranen kon hij niet zien, vooral niet in -de blauwe kijkers van zijn zuster. Griete bemerkte haar voordeel. - -"Begrijp eens," ging zij voort, "hoe jammer zou 't zijn, zoo'n schoone -gelegenheid te verzuimen. 't Zou me zoo spijten, als je de schaatsen -niet kocht. Niet voor mij; ik wil ze niet eens hebben. Maar voor -jou; dan kun je er nu op rijden, en als ik grooter ben, dan zijn ze -voor mij." - -Hans klemde het geld krampachtig in zijn hand. Nooit in zijn leven -had hij zoo vurig naar een paar schaatsen verlangd; want ook hij had -van den wedstrijd gehoord en zoo gaarne een kans mede gewaagd. En dat -wist hij, als hij maar een paar goede schaatsen had, dan zou hij een -menigte van jongens, die op de vaart reden, de loef afsteken. En dan -Griete's aanbod! Maar als zij, dat vlugge ding, zich eens een week op -een paar goede schaatsen oefende, dan zou zij Truida Korbes en zelfs -Kato Lammers gemakkelijk voorbijhalen. Zoodra die laatste gedachte -bij hem opkwam, stond zijn besluit vast. Als Griete het jacketje niet -wilde hebben, zou hij haar een paar schaatsen geven. - -"Neen, Griete," antwoordde hij eindelijk. "Ik kan wel wachten. Ik -zal geld opsparen, en dan zal 't zoo lang niet duren, of ik kan er -ook een paar koopen. Deze zullen voor jou zijn." - -Griete's oogen schitterden bij dit aanbod; maar toch zeide zij, -misschien wel wat minder krachtig: - -"De jonge juffrouw heeft het geld aan jou gegeven, Hans. 't Zou mij -leelijk staan, als ik ze nam." - -Hans schudde vastberaden het hoofd, en zij gingen naar de hut hunner -moeder: want bij de gedachte aan betere schaatsen, hadden zij de -hunne afgebonden. - -"Weet je wat, Hans," zeide Griete onderweg. "Ik weet goeden raad. Als -je eens een paar schaatsen kocht, die te klein voor jou en te groot -voor mij waren, dan konden we ze om beurten gebruiken." - -Het voorstel scheen Hans zoo aanlokkelijk toe. 't Was een heele -verzoeking; maar hij wierp die van zich. - -"Dwaasheid, Griete!" riep hij uit. "Op een paar, die je te groot zijn, -kun je niet voortkomen. Weet je nog wel, hoe je net als een blind -kuiken voortstrompelde, toen deze schaatsen je te groot waren. Eerst -toen ik ze aan beide einden wat korter had gemaakt, kon je er op -rijden. Neen, je moet er een paar hebben, die je net van pas zijn, -dan kan je je elk vrij oogenblik oefenen, tot de dertigste komt, -en dan zal mijn kleine Griete de zilveren schaatsen winnen." - -Griete kon zich niet bedwingen om te glimlachen bij het denkbeeld, -dat Hans haar voor oogen stelde. - -"Hans! Griete!" riep moeder Brinker. - -"Wij komen, moeder!" antwoordde Hans. - - - -Den volgenden dag was er geen trotscher en gelukkiger knaap in geheel -Broek dan Hans Brinker, als hij naar zijn zuster keek, zoo flink -als ze daar reed te midden van de schaatsenrijders, die de vaart op -en neder zwierden. De goedhartige Hilda had haar een warm jacketje -gegeven en moeder Brinker had de uitgebarsten schoenen weder in hun -fatsoen gebracht. - -Terwijl het kleine ding over het ijs snelde, was 't haar, of die -blinkende schaatsen onder haar voeten haar eensklaps in het land der -feeën verplaatst hadden, en in haar dankbaar hartje weerklonk het: -"Hans, lieve goede Hans!" - -"Wel, sakkerloot!" zei Peter van den Helm tegen Karel Schimmel. "Kijk -dat kleine ding eens met haar roode jacketje en haar gelapten rok. Zij -rijdt drommels goed! En wat heeft zij een paar oogen in haar hoofd! 't -Zou wel aardig zijn, als zij Kato Lammers eens de loef afstak bij -den wedstrijd." - -"Praat niet zoo luid, Piet," zeide Karel. "Dat kleine meisje met -haar gelapten rok is de verklaarde gunsteling van Hilda de Bruyn. Die -schaatsen heeft zij haar gegeven." - -"Ei, ei!" riep Peter van den Helm uit: want hij hield veel van -Hilda. "Dan heeft zij weer een goed werk verricht." - -En hij reed naar Hilda. Wat echter wonderlijk was: nadat hij eenigen -tijd met haar gereden had, stond het bij hem vast, dat zijn zusje -ook zoo'n ketting moest hebben als Hilda. - -En drie dagen later was Hans Brinker op het pad, om, nadat hij drie -eindjes kaars verbrand en zich tot slot van rekening in den duim -gesneden had, ook een paar schaatsen in Amsterdam te koopen. - - - - - - - - -DERDE HOOFDSTUK. - -HOE EEN PAAR SCHAATSEN EN EEN DOKTER IN ÉÉN HOOFDSTUK KUNNEN -VEREENIGD WORDEN. - - -"Kom, Hans! Maak je nu klaar en ga naar Amsterdam, om een paar -schaatsen te koopen," zei vrouw Brinker, toen men den dag vóór Kerstmis -het sober middagmaal genuttigd had. - -"Neen, moeder," gaf hij ten antwoord. "Gij hebt nog zooveel -noodig. Waarom zou ik nieuwe schaatsen koopen?" - -"Welk een dwaasheid, kind! Je hebt het geld gekregen, om er schaatsen -voor te koopen. Al heb je het nu eerlijk verdiend, dan blijft het -toch hetzelfde. Ga nu, dan ben je nog vóór den donker terug." - -"Ja, en dan kunnen wij van avond nog op de vaart rijden, als moeder -het ten minste wil hebben," voegde Griete er bij. - -"Maar moeder, gij hebt nog wol noodig, en meel, en ...." - -"Kom, kom! Voor dat geld kan je niet alles koopen," hernam vrouw -Brinker. "Ach! als ons gestolen geld maar terug was!" zuchtte zij. "Dan -konden wij alles koopen en waren op eens uit allen nood." - -"Gestolen geld?" zeide Hans op vragenden toon. "Meent u dat geld, -waarvoor u jaren geleden de geheele hut hebt doorzocht!" - -"Juist, Hans. Maar dat zal wel nooit terechtkomen." - -"Misschien, als vader 't maar zeggen kon," hernam Hans. - -"Ja, als die spreken kon," zuchtte de arme vrouw. "Ik ben altijd -bang, dat hij voor dat geld het mooie gouden horloge heeft gekocht, -dat wij sedert dien dag bewaren." - -"Maar dat horloge was nog geen tiende part van de som waard, moeder!" - -"Dat is waar. Daarenboven was je vader veel te zuinig en te verstandig -om zoo iets te doen." - -"Waar dat horloge toch vandaan is gekomen?" zeide Hans halfluid. - -"Dat zullen wij wel nimmer te weten komen, Hans! Ik heb het je vader -reeds zoo menigmaal laten zien, maar hij kan het niet onderscheiden -van een aardappel. Toen hij dien vreeselijken avond thuis kwam om -te eten, kort vóór hij werd opgeroepen om aan den dijk te werken, -heeft hij het mij gegeven, en bevolen er goed zorg voor te dragen, -totdat hij het terug zou eischen. Juist toen hij er nog meer van -wilde zeggen, kwam Jan Belderbos hem roepen om terstond te komen, -want dat de dijk gevaar liep. Je vader stond dadelijk op en snelde -naar de plaats des gevaars. 't Was voor 't laatst, dat ik hem bij zijn -verstand zag. Midden in den nacht werd hij thuisgebracht, bijna dood: -want hij was op zijn achterhoofd neergekomen. Hij ontwaakte wel uit -den bewusteloozen toestand, waarin hij nederlag, maar tot eigenlijk -bewustzijn--nooit. Wij zullen wel nimmer van hem hooren, wat er van -dat horloge is en waar het gespaarde geld is gebleven." - -Wat vrouw Brinker vertelde, was voor Hans niet nieuw meer. Hoe dikwerf -toch had hij zijn moeder, als de nood wat hoog steeg, het horloge van -de plaats zien nemen, waar het verborgen lag, terwijl zij er reeds -naar overhelde, om het te gelde te maken; maar ook telken male had -hij haar de verzoeking zien overwinnen. "Neen Hans," had zij dan -gezegd. "Liever willen wij van honger sterven, dan ontrouw worden -aan de belofte, die wij vader gedaan hebben." - -Dat alles kwam hem nu voor den geest; en daarom zeide hij, ofschoon -hij een diepen zucht loosde: - -"Ja moeder, u hebt er goed aan gedaan, dat u het niet verkocht -hebt--menigeen, die in uw geval was, zou er klein geld van gemaakt -hebben." - -"Die dat had gedaan, zou weinig gevoel van eer hebben gehad, Hans! Ik -ten minste heb 't nooit van mij kunnen verkrijgen. Daarenboven--wat -zou men van ons gedacht hebben, als men zoo iets in onze handen had -gezien. Al hadden wij alles verteld, men zou zeker gezegd hebben, -dat uw vader ...." - -Hans kreeg een kleur als bloed en balde zijn vuisten. - -"Dat hadden ze eens moeten wagen. Ik geloof, dat ik ...." - -Vrouw Brinker moest onder haar tranen glimlachen. - -"Je bent een brave jongen, Hans," zeide zij, terwijl zij hem op het -hoofd klopte. "Neen, wij zullen het horloge nimmer verkoopen. Vader -mocht op zijn doodbed eens weer tot bezinning komen, en als hij er -dan naar vroeg ...." - -"Tot bezinning komen, moeder, en ons herkennen?" vroeg Hans. - -"Dat is wel meer gebeurd, mijn jongen." - -Hans had met al dat spreken bijna vergeten, dat hij naar Amsterdam -zou gaan. 't Was zelden gebeurd, dat moeder zoo vertrouwelijk met hem -sprak. 't Was hem, alsof hij niet alleen haar eenige zoon, maar haar -vriend, haar raadgever was. - -"Ja, moeder, wij moeten het horloge nimmer verkoopen," zeide hij -nogmaals. "Om den wil van vader zullen wij het altijd bewaren. Het -geld kan nog wel eens terechtkomen, als wij dat het minst verwachten." - -"Nooit!" riep vrouw Brinker uit, terwijl zij de kous afkampte, die -zij in dien tusschentijd had afgebreid. "Er is geen kans, dat dit geld -ooit zal terechtkomen. Duizend gulden! En die alle weg in één enkelen -dag! Duizend gulden! O, waar zijn ze gebleven! Als ze gestolen zijn, -kan de dief geen gerust uur meer gehad hebben--dan heeft hij niet in -vrede kunnen sterven met die schuld op zijn ziel." - -"Hij kan nog wel niet dood zijn, moeder," zeide Hans -vertroostend. "Misschien hooren wij nog wel te eeniger tijd iets -van hem." - -"Ach kind," antwoordde vrouw Brinker op treurigen toon. "Als ik alles -goed overweeg, dan vraag ik mij zelf wel eens af, of het een dief is -geweest. Wie toch zou het ooit in de gedachten gekomen zijn, om hier -te stelen? 't Zag er hier altijd wel zindelijk en netjes uit, maar -niet om de begeerlijkheid van een dief op te wekken. Vader en ik waren -zuinig en dachten: alle kleine beetjes helpen. Als vader wat extra's -verdiende, kwam er wat meer bij en, daar hij goed geld won, werd er -wekelijks ten minste een gulden bijgevoegd. Alleen toen jij de koorts -had en toen Griete kwam, kon er niets overgelegd worden. Eindelijk werd -de buidel zóó groot, dat ik weer een oude kous stopte, die reeds binnen -een paar maanden vol zat tot aan de hiel. 't Was niet alleen zilver, -mijn jongen, er was goud ook bij. Want vader had toen goede dagen, -dat verzeker ik je. Ja, Griete, je mag wel groote oogen opzetten. En -als ik toen mijn oude kleeren droeg en vader wilde, dat ik eens een -nieuw stuk zou koopen, dan antwoordde ik hem lachend: "'t Is immers -niet uit armoede, dat ik er zoo sjofel uitzie,"--en intusschen werd -de nieuwe kous al voller en voller, en mijn hoogste wensch was, -dat je beiden braaf en knap mocht worden en vader eens op zijn ouden -dag van den arbeid mocht uitrusten. En dan konden wij zoo aangenaam -praten over den nieuwen stal, dien vader zou timmeren voor de koe, -welke wij zouden koopen, en dan een nieuwen schoorsteen. Maar vader -had veel schooner plannen dan ik. Een ferm schip met een fiksch zeil, -dat veel wind vat, en dan .... terwijl ik den boel afwiesch, begonnen -wij te zingen. En alle weken nam vader de kousen van de beddeplank en -dan werd het geld nageteld en dan lachte hij en kuste mij, terwijl -wij de kousen weer toebonden .... Maar Hans, je zit me daar aan te -gapen en vergeet, dat je naar Amsterdam moet. De dag verloopt. 't Is -hoog tijd, dat je op weg gaat." - -Hans stond op, keek zijn moeder ernstig aan en zeide: - -"Maar moeder, hebt gij 't vader wel eens goed gevraagd?" - -"Ach kind, zoo menigmaal! Maar dan begint hij zóó akelig te lachen en -kijkt mij zóó verwezen aan, dat ik niets meer durf vragen. Toen jij -en Griete verleden winter de koorts hadt en al ons brood bijna op -was en ik niets kon verdienen, toen heb ik 't nog eens op allerlei -manieren geprobeerd. Maar dan kon hij zoo akelig aan mijn mouw -trekken en zulke onverstaanbare brabbeltaal te voorschijn brengen, -dat het bloed in mijn aderen stolde. Eindelijk, toen Griete daar -doodsbleek nederlag en jij ijlde in de hitte der koorts, heb ik hem -toegeschreeuwd: Rolf, waar is ons geld? Weet je niets van ons geld, -Rolf? Dat geld in de kousen? Maar ik had evengoed tegen een stuk -steen kunnen schreeuwen--de arme man verstond mij niet." - -Hans zag, dat zijn moeder vreeselijk ontroerd was; daarom zeide hij: - -"Kom, moeder! laat ons trachten het geld te vergeten. Ik ben groot -en sterk--Griete is ook heel vlug en gewillig. Hoor eens, wij zien -u liever gelukkig en vroolijk, dan dat wij al het zilver der wereld -hadden, niet waar, Griete?" - -"Dat weet moeder wel," zeide Griete snikkend. - -"Maar 't wordt nu tijd, dat je naar Amsterdam gaat, anders kom je -waarlijk niet vóór den donker thuis. Hier, neem die twee paar kousen -mee voor den manufacturier in de Warmoesstraat, dan breng je nog geld -terug ook." - -Hans talmde nog een oogenblik. - -"Wat sta je daar nog te talmen, jongen?" ging vrouw Brinker voort. - -"Hoor eens, moeder," zeide hij verlegen. "Waarom zal ik mijn geld -aan schaatsen uitgeven, terwijl... terwijl..." en hij keek met een -schuwen blik naar een vreemde gedaante, die bij de vuurplaat nederzat, -"terwijl dat geld een dokter uit Amsterdam zou kunnen hier brengen, -om vader eens te bezoeken--misschien dat die er wat aan doen kon." - -"Voor geen tweemaal zooveel geld als je daar hebt, zou een dokter -uit Amsterdam hier komen; en dat zou toch niet helpen. Ach! ik heb -er al zoo menigen gulden aan gespendeerd, maar uw arme vader wilde -niet wakker worden. Het is Gods wil. Ga dus maar naar Amsterdam, -om een paar schaatsen te koopen, hoor!" - -Met een bezwaard hart reed Hans van huis; maar de frissche lucht, -de beweging en vooral het vooruitzicht van een paar nieuwe schaatsen -deden het jonge hart weldra alle zorg vergeten, en 't duurde dan -ook niet lang, nadat hij 't Schouw voorbij was, of hij dacht bijna -niet meer aan vader, horloge, geld, aan alles, hij dacht alleen om -de schoone schaatsen, welke hij reeds aan zijn voeten voelde. - -Fluitend reed hij voort langs het Noordhollandsche kanaal, tot aan -Buiksloot, waar hij zijn schaatsen moest afbinden, omdat ze te vochtig -waren geworden. Hij trad dus den weg op en ging voorbij de herberg -van Fuik, toen hij den kastelein tegen den knecht hoorde zeggen: - -"'t Rijtuig van dokter Broekman voor!" - -"Dokter Broekman!" zeide Hans bij zich zelf. "Dat is de knapste -dokter uit geheel Holland. Is dat niet een beschikking van God, -dat je dien hier moet aantreffen? Nu koop je geen schaatsen, Hans, -maar besteed je geld om je vader te helpen." - -"Is dat het rijtuig van dokter Broekman van Amsterdam?" vroeg hij -aan den knecht, die juist uit den stal terugkwam. - -"Voor wien anders?" vroeg de man. "Als er ijs is, komt hij altijd met -zijn eigen rijtuig het IJ over en rijden wij hem verder Noord-Holland -in." - -"Ik dank je," zeide de knaap en terstond begaf hij zich naar de -herberg. - -"Mag ik dokter Broekman wel eens spreken?" vroeg hij aan den kastelein. - -"Die zal voor jou wel niet te spreken zijn, mannetje," antwoordde -deze. "Diens tijd is veel te kostbaar." - -"Maar ik zal hem niet lang ophouden, mijnheer!" - -"Wat is daar, Fuik?" vroeg een heer met een tamelijk onvriendelijk -uitzicht, die aan een tafeltje zat met een glas madera voor zich. - -"Die knaap wenscht u te spreken, dokter," antwoordde de -kastelein. "Maar ik heb hem gezegd, dat u wel wat anders te doen hebt, -dan zulk klein bedelvolk te spreken." - -"Ik kom niet bedelen," zeide Hans trotsch. "Dat is een leugen." - -"Laat den knaap hier komen, Fuik," zeide de dokter, die, hoe bar hij -er ook uitzag, toch in 't geheel geen kwaad hart bezat. - -Hans ging naar den dokter toe; maar toen hij dat strenge en -onvriendelijke gelaat zag, werd hij wel wat verlegen. - -"Wat wou je, mannetje?" vroeg de dokter op een allesbehalve innemenden -toon. - -"Mijnheer," begon Hans met een weifelende stem, die echter onder -het spreken hoe langer hoe vaster werd. "UE. is de beroemde dokter -Broekman. Ik heb u een groote gunst te vragen." - -"Hoor eens, knaap," antwoordde de dokter. "Maak het wat kort: want -mijn paarden kunnen niet lang in de kou staan. Zeg dus zonder omwegen: -wat wil je?" - -"Mijnheer, ik kwam u om hulp vragen voor mijn vader. De man leeft, -maar hij zit als een doode. Hij kan niet denken. Al wat hij zegt zijn -onsamenhangende woorden. Maar hij is niet ziek; jaren geleden is hij -bij een watervloed van den dijk gevallen." - -De dokter luisterde nu met meer aandacht dan in het begin. - -"Vertel er mij wat meer van," zeide hij, alsof zijn paarden nu de -koude niet meer voelden. - -Hans vertelde hem de geheele historie, zonder echter van geld of -horloge te spreken, terwijl hem de tranen in de oogen stonden, en -eindigde met vollen ernst: - -"En nu, mijnheer de dokter! Ik was op reis naar Amsterdam, om een -paar nieuwe schaatsen te koopen, waarmede ik aan den wedstrijd zou -kunnen deelnemen, die den 30sten door mevrouw De Bruyn, de vrouw van -den burgemeester van Broek, zal worden gegeven. Maar dat geld kan -ik veel nuttiger gebruiken, als ik er vader mede kan helpen. Hier -is 't, mijnheer," en hij telde het geld op de tafel uit. "Ik weet -wel, dat het voor u veel te weinig is; maar ik zal meer trachten te -verdienen. Nacht en dag zal ik werken, als u maar mee wilt komen om -vader te bezoeken. Want u zult hem zeker genezen." - -De oude dokter wist niet wat hem scheelde, want hij werd zoo raar -in zijn oogen: 't was net alsof er tranen in stonden. Hij was toch -anders zoo gevoelig niet. Hij veegde ze met zijn vingers weg, klopte -Hans goedhartig op den schouder en zeide: - -"Strijk je geld maar weer op, knaap! Ik heb 't niet noodig. Maar je -vader zal ik komen zien. Evenwel, je moet je niet te zeer vleien--'t -is een hopeloos geval. Tien jaren geleden, zei je, niet waar?" - -"Ja, mijnheer, tien jaren," zeide Hans, die den dokter wel om den -hals had willen vallen. - -"'t Is bedenkelijk. Maar kortom, ik kom bij hem. Doch nu niet. Ik -moet vandaag naar Leiden, waar ik eenige dagen blijf. Na dien tijd -kom ik stellig. Waar woon je?" - -"Ongeveer een kwartier van Broek, aan de vaart, in een armoedig -hutje. Als u maar vraagt naar de hut van Rolf Brinker, kan het kleinste -kind u terechtwijzen." - -De dokter schreef het in zijn zakboekje. - -"En weet je wat je doet?" zei de dokter. "Nu rij je terstond naar -Amsterdam om een paar nieuwe schaatsen te koopen in plaats van die -vodden, die je daar in de hand hebt en die veel op een paar roeispanen -gelijken. En dan zorg je maar, dat je ferm kunt rijden en me den -prijs laten zien, als ik te Broek kom." - -Hans vertrok vroolijk en boog zich heel diep, toen de dokter hem een -oogenblik later voorbijreed en hem vriendelijk groette, terwijl hij -mompelde: "Wat gelijkt die knaap op mijn armen Frits, toen die zoo -oud was. Net zijn oogen! Maar voor den drommel! zal ik dien onverlaat -dan nooit vergeten!" - -En het oog van den dokter, dat straks zoo vriendelijk gestaan had, -stond nu weder strenger. Hans echter kuierde onbezorgd den dijk -langs en het IJ over: want hij had zijn houten schaatsen even buiten -Buiksloot in den Ham gesmeten. Hoe snel hij op zijn nieuwe schaatsen -terugreed en welke blijde gezichten de tijding van hetgeen dokter -Broekman hem gezegd had, thuis veroorzaakte, behoef ik u wel niet -te zeggen. - -In de hut van Rolf Brinker was 't een heerlijke Kerstavond. - - - - - - - - -VIERDE HOOFDSTUK. - -HOE ECHT HOLLANDSCHE JONGENS ZICH GOED HOUDEN ONDER TEGENSPOED. - - -Den eersten Kerstdag was 't schoon vriezend weer en 's avonds scheen -de maan zóó helder op de trekvaart, die langs Broek loopt, dat men -een stuivertje op den grond had kunnen zien liggen. Moeder Brinker -was dien dag heel gelukkig geweest en had zich in haar beste gewaad -getooid: haar bruidspakje, dat zij vroeger altijd bij feestelijke -aangelegenheden droeg, doch dat sedert het ongeluk van haar man -ongebruikt in de kast had gelegen. Hoezeer zij weinig van het bezoek -van dokter Broekman verwachtte, maakte haar toch het denkbeeld, dat -de beroemde en kundige man haar Rolf bezoeken zou, reeds gelukkig, -omdat zij zich niet kon weerhouden, eenige hoop te voeden, al was -die ook nog zoo gering; zoo houdt zich de ongelukkige, die op 't punt -is van te verdrinken, nog aan een stroohalm vast. Daarom ook had zij -haar kinderen verlof gegeven, nog een uurtje in den maneschijn op de -vaart te gaan rijden, eer zij naar bed gingen. - -Hans was recht in zijn schik met zijn nieuwe schaatsen en in zijn -ijver, om Griete te laten zien hoe goed hij er op voort kon, maakte -hij toeren op het ijs, die het kleine meisje in de handen deed klappen -van bewondering. Zij waren echter niet alleen op de baan. - -De twee Van den Helms en Karel Schimmel waren er onder anderen ook en -reden om 't hardst. Van vier wedrennen had Peter er drie gewonnen. Dat -had Karel, die toch al niet heel aangenaam van humeur was, geheel -en al in een kwade luim gebracht. Hij had die luim bot gevierd, -door Frans van Bree te plagen; maar toen hij daar niet veel eer bij -inlegde, daar de kleine Frans zich weinig aan zijn plagerijen stoorde, -kwam er een nieuwe gedachte bij hem op. - -"Hoort eens, jongens," riep hij uit. "Wij moeten er voor zorgen, -dat die voddenrapers uit de hut niet met den wedstrijd meedoen. 't -Is of Hilda mal is, dat zij daaraan denkt. Kato Lammers en Truida -Korbes zijn woedend alleen bij het denkbeeld, om met zulk een meid -te rijden; en wat mij aangaat, ik kan 't haar niet kwalijk nemen. Wat -den jongen aangaat, als wij een vonkje eergevoel in onze borst hebben, -zullen wij terugdeinzen bij het denkbeeld van ...." - -"Voorzeker," viel Pieter van den Helm hem in de rede, terwijl hij -Karels meening verkeerd begreep, "wie twijfelt daaraan? Geen jongen, -die een vonkje eergevoel in zijn borst heeft, zal weigeren, twee -goede schaatsenrijders bij den wedstrijd toe te laten, alleen omdat -zij arm zijn." - -"Hoor eens, Piet!" riep Karel toornig uit. "Ik bedank je vriendelijk, -dat je eens anders woorden in mijn mond gelieft te leggen. Dat waag -je niet weer, hoor!" - -"Ha, ha!" riep de kleine Frans van Bree, die al in zijn handen wreef -van de pret om een gevecht te aanschouwen en verzekerd was, dat, als -'t op ranselen aankwam, Karel een duchtig pak slaag zou beloopen. - -'t Scheen dat Karel niet veel lust had den strijd met Peter te wagen -en daarom keerde hij zijn toorn op een zwakkeren: op Frans van Bree. - -"Zeg eens, waarover heb jij zoo'n plezier, kleine rekel? Je bent niks -dan een kleine aap zonder staart!" - -Een half dozijn der omstanders op schaatsen moest om dien uitval -van Karel Schimmel lachen, en deze, die nu meende, dat hij al zijn -tegenstanders ridderlijk had overwonnen, was weder in een goed humeur -gebracht. Hij besloot echter wijselijk, om zijn complot tegen Hans -en Griete uit te stellen, tot Peter er niet bij was. - -Op dit oogenblik zagen zij hun vriend Jacob Poot komen aanrijden. Daar -hij de dikste knaap uit de buurt was, konden zij hem reeds op eenigen -afstand aan zijn gestalte onderscheiden, al herkende zij zijn trekken -nog niet. - -"Ha, daar komt de dikzak!" riep Karel uit, "en hij heeft er een bij -hem ook, een kleinen, slanken knaap, een vreemden." - -"Dat is Jacobs Engelsche neef," zeide Frans van Bree, recht in zijn -schik, dat hij iets kon vertellen, wat de anderen niet wisten. "Die -heeft zulk een grappigen naam: Ben Dobbs. Hij is wel eens meer in -Holland geweest en zal bij Jacob blijven tot na den grooten wedstrijd." - -Op dit oogenblik waren Jacob Poot en diens neef Ben Dobbs bij hen. - -"Goeden avond, jongens," zei de dikke Jacob op vroolijken toon. "Dit -is mijn neef, Ben Dobbs. Hij is een John Bull [1]." - -Allen drongen zich, volgens jongensgewoonte, om de nieuw komenden -heen. Ben, die het Hollandsch vrij wel verstond, maar in het spreken -de Engelsche constructie behield en er tusschenbeide een vreemd woord -tusschen gooide, zeide "dat hij would maken heel gaarne kennis mit -de Holland boys." - -"Jongens," vervolgde Jacob, na de eerste begroeting. "Wij, mijn neef -en ik, hebben een aardig plannetje gevormd. We hebben nu vacantie -tot na Nieuwjaar, zooals je weet. Nu heeft Ben nog nooit Den Haag -gezien en zou dol graag daar eens wezen. Wat zou je er van denken, -om met ons beiden den tocht mee te maken?" - -"Naar Den Haag! Wat een eind!" zei Karel. - -"Welnu we behoeven 't niet in één dag te doen. We moeten geld bij -elkander leggen en dan een nacht in Leiden of Haarlem logeeren." - -"Uitmuntend!" riep Lodewijk van den Helm uit. "Dat zal een pret zijn." - -"Hoe meer zieltjes hoe meer vreugd," zeide Jacob. "Dus jongens! Wie -van jelui gaat er mee, natuurlijk als je ouders 't willen toestaan?" - -"Ik, ik, ik!" riepen allen te gelijk. - -"Ik ook!" riep Frans van Bree. - -"Maar kereltje," zeide Jacob, terwijl zijn dikke buik van lachen -schudde. "Jij mee! Je hebt je valhoed nog niet eens voorgoed afgezet." - -"Pas op je woorden, Jacob," zeide Frans, die geducht op zijn teenen -getrapt was. "Voor jou is 't gelukkig, dat je 'm kunt aflaten: want -je heele lichaam lijkt wel een valhoed." - -Allen lachten om dit snedige antwoord en boven allen klonk de -goedhartige lach van Jacob uit. - -"Nu moet hij mee!" riep hij. "Iemand, die zoo snedig kan antwoorden, -is een prettig gezelschap." - -"Hoort eens," zei Peter van den Helm. "We moeten te Haarlem en te -Leiden stilhouden, om je neef daar het merkwaardigste te laten zien, -en wat Den Haag aangaat, daar kunnen wij bij mijn getrouwde zuster -logeeren. Die zal heel blij zijn, als zij ons ziet." - -"Maar Piet," zeide Jacob. "Met ons zoo velen!" - -"O, ze is zulk een hartelijke meid en haar man zulk een gulle kerel. Ze -hebben een groot huis. En wat kwaad--kunnen ze ons niet logeeren, -dan gaan we in een logement. Maar ik zal haar vanavond nog schrijven." - -"Nu, dan is 't mij goed. Maar wij moeten wat geld bij elkander leggen," -hernam Jacob. - -"Natuurlijk," antwoordde Peter. "Mij dunkt, vijf gulden ieder." - -"Dat is goed," zeiden de anderen. - -"En wie zal de beurs bewaren?" vroeg Peter. - -"Niemand anders dan jij. Jij zult onze kapitein zijn! Niet waar -jongens?" zeide Karel Schimmel, die weer wilde goedmaken wat hij -straks bedorven had, omdat hij het uitzicht had, in Den Haag bij -Peter's zuster te logeeren. - -"Hoezee! voor Peter! Peter zal onze kapitein zijn!" riepen allen. - -"Welnu, ik neem 't aan, mits mijn volk mij gehoorzaamt. En hoe laat -zal morgen de tocht beginnen?" - -"Om acht uur," riepen allen. - -"Goed, en de verzamelplaats vóór de hut van Rolf Brinker. Ieder brenge -gepast geld mee en dan--met moed op het ijs." - -"Nu mama zal maar niet in haar schik zijn, als zij hoort, dat -wij zuster Van Gent gaan opzoeken," zeide Lodewijk tegen zijn -broeder. "Maar we moesten naar huis gaan; anders bevriest mijn neus -nog aan mijn aangezicht." - -"Koukleum!" riep Karel Schimmel uit. - -"Dat dankje den drommel, als je hier zoo stilstaat," zeide -Lodewijk. "Ik heb het tenminste koud gekregen." - -"'t Is dan ook buitengemeen koud," merkte Jacob Poot op. "En 't zal -nog wel eenigen tijd aanhouden: want wij hebben wassende maan." - -"Des te beter voor onze reis," zeide Frans van Bree. - -"Nu, jongens! Tot morgen om acht uren. Goeden nacht." - -Met deze woorden stoven zij uit elkander--ieder naar zijn huis met -de blijde gedachte aan de aanstaande pret, die hen nog in den droom -bezighield. - -En waar waren Hans en Griete? - -Die hadden ongeveer een uur gereden, terwijl zij zich op een afstand -van de anderen hielden en zich met elkanders bijzijn vergenoegden. "O, -hoe heerlijk is toch het denkbeeld, dat wij nu beiden schaatsen -hebben!" riep Griete uit.--Daar hoorden zij iets. - -'t Was een gil, een akelige gil. Niemand op de vaart had dien gil -opgemerkt; maar Hans voelde er de beteekenis van. Hij werd zoo bleek -als een lijk, deed zoo spoedig hij kon zijn schaatsen af en snelde -naar huis. - -"'t Is vader," zeide hij tegen Griete. "Hij heeft moeder doen -schrikken." - -En Griete bond ook haar schaatsen los en volgde Hans naar binnen. - - - -"Allen present?" riep Peter van den Helm, toen men zich den volgenden -morgen om acht uren, geheel uitgerust tot den grooten tocht, dien -men wilde ondernemen, op de vaart verzamelde. "Ik zal de namen -oproepen. Ieder antwoorde op zijn beurt en stelle mij het geld ter -hand. Hier zijn vijf gulden voor mij en vijf voor Lodewijk." - -Dit zeggende, legde hij een muntje van tien gulden op zijn vlakke -hand en stak dat daarop in zijn portemonnaie. - -"Karel Schimmel!" - -"Present!" antwoordde deze, terwijl hij den kapitein twee blanke -rijksdaalders ter hand stelde. - -"Jacob Poot!" - -"Present! Tien gulden voor mij en mijn neef." - -"Benjamin Dobbs!" - -"Present!" - -"Frits Verdam!" - -"Present!" - -"Gelukkig, dat jij er bent," hernam Peter. "Jij bent zoo'n halve -Engelschman en jij kunt dus onzen vriend Ben wat voorthelpen." - -"But ik doe kennen wel een beetje Hollandsch!" riep Benjamin. - -"Ferrie koed," hernam Peter. "Lodewijk van den Helm" - -"Present!" - -"Jij hebt al betaald." - -"Frans van Bree!" - -Geen antwoord. - -"Dat 's jammer. De kleine schelm mag zeker niet mee. Zijn moeder is -vast bang, dat hij kou zal vatten. Nu jongens! Allen klaar! Daar slaat -de klok van Broek acht! Ferm er op los, dan zijn we in een half uur -te Amsterdam! Eén, twee, drie, vooruit!" - -En voort ging ons zestal, met oogen schitterend van genoegen. - -Binnen het half uur waren zij aan de Nieuwe Stads-Herberg te Amsterdam, -waar zij hun schaatsen afbonden en zoolang ter bewaring gaven aan den -kastelein. Ofschoon de meeste jongens reeds meer van Amsterdam gezien -hadden, had men toch besloten, ter wille van Benjamin de stad eens door -te wandelen en het paleis op den Dam en het museum van schilderijen in -het Trippenhuis te bezichtigen. Daar het voor laatstgenoemd gebouw nog -wat te vroeg was, stapte men de Martelaarsgracht op, den Nieuwendijk -over en bewonderde intusschen de mooie winkels, vooral dien van Sinkel, -Wille en Bahlman. - -"O, die moest je 's avonds eens zien bij het electrische licht!" zeide -Peter, die wel eens op dien tijd in Amsterdam was geweest. - -"Dat ik kan gelooven," zeide Ben. "But bij ons in Londen daar zijn -still grooter shops!" - -"Zoo, ben je wel eens in Londen geweest?" vroeg Lodewijk. - -"Certainly. Dat is een groot stad, much grooter dan Amsterdam." - -"Daar heb je nu 't paleis," zeide Jacob Poot tot zijn neef. "Vind je -dat geen mooi gebouw?" - -"Voor een paleis, neen," antwoordde Ben. "Bij ons in Londen je heb -meer schoone paleizen." - -"Dat wil ik wel gelooven," antwoordde Jacob. "Dit huis werd gebouwd -voor een stadhuis." - -"Voor een stadhuis? Wat doe je meen?" - -"A townhuis," verbeterde Peter, die het Engelsch, zooals wij reeds -gezien hebben, zeer slecht uitsprak. "'t Is gebouwd op 13659 palen, -die alle in den grond geheid zijn." - -"Ik doe 't niet begrijpen," antwoordde Ben. - -Frits Verdam vertolkte 't hem. - -"En als je het paleis zien wilt, dan is daar wel de gelegenheid toe," -voegde hij er bij. "Ik ken den zoon van den concierge en die heeft mij -al zoo lang uitgenoodigd, om het eens te komen zien. Je moet echter -niet denken, dat je er een machtig mooi ameublement zult vinden. Het -stadhuis werd in den tijd van Koning Lodewijk van Holland voor 't -eerst tot paleis ingericht, en sedert dien tijd geloof ik, dat er -niet veel aan veranderd is, zoodat alles er zeer ouderwetsch uitziet." - -"En dat voor een koninklijk paleis!" riep Ben uit. - -"Maar de koninklijke familie logeert slechts eenige dagen in het jaar -in de hoofdstad," hernam Frits. - -"Is dan bij u het hoofdstad geen residence?" vroeg Ben met verbazing. - -"Neen, Ben! En hierop maakt ons land een uitzondering op andere -landen. Londen, Parijs, Brussel, Berlijn, Weenen, Petersburg, Madrid, -ja, zelfs Konstantinopel--alle hoofdsteden in Europa zijn te gelijk -hoofd- en residentiesteden: hier alleen geniet de hoofdstad slechts -een vijftigste gedeelte van het jaar de eer, de vorstelijke residentie -te zijn." - -"O, ja, nu ik herinner, The Hague is het residence." - -Intusschen was men het gebouw omgegaan en stonden onze vrienden achter -het paleis, vlak tegenover het postkantoor. - -"Our postoffice," zeide Frits Verdam. - -"Niet zoo groot als dat van Londen," verzekerde Ben. "Dat moest je -eens zien." - -'t Kostte Frits Verdam niet veel moeite, voor hem en zijn makkers -den toegang tot het paleis te krijgen. Recht veel schik hadden onze -knapen in de groote danszaal met haar mahoniehouten vloer, onder -welken een keurige marmeren ligt, waarin kunstig een aard- en een halve -hemelglobe zijn ingelegd. De zaal zelf is 34 ellen lang, 15.6 el breed -en 28 ellen hoog, zonder dat het dak door een enkelen pilaar wordt -gesteund. Aardig lieten zij zich verschalken door de twee fresco's -boven de deuren der voorzaal, welken men den naam van "grauwtjes" -geeft. Jacob Poot wilde maar niet gelooven, dat zij geschilderd waren, -totdat hij er vlak onder stond en zag, dat het geen beeldhouwwerk was. - -Ook het ruime uitzicht op den toren boeide hen allen zeer, en daar het -helder weer was, konden zij met hun jonge oogen den Dom van Utrecht -zien schemeren en .... - -"Bless me!" riep Ben uit, toen eensklaps de klok haar negen slagen -begon te brommen. - -"Ben je verschrikt?" vroeg Jacob, die nog hijgde van het trappen -klimmen. - -"Ik was niet verdacht op het," hernam Ben. - -"Dat komt, omdat het speelwerk gerepareerd wordt," zeide Karel -Schimmel. "Anders waarschuwt je dat." - -Van het paleis wandelden zij de Kalverstraat door tot op de Botermarkt, -waar zij het standbeeld van Rembrandt van Rhijn beschouwden. - -"Dat was een groot schilder," zeide Peter tegen Ben. "Je zult straks -een schilderij van hem op het Trippenhuis zien, dat de Nachtwacht -heet." - -Door de Halvemaansteeg gingen zij den Kloveniersburgwal over tot -aan het Trippenhuis, waar zij de heerlijke schilderijen bezagen, -daar ten toon gesteld. - -"Er zijn hier, behalve dit museum, nog twee schoone verzamelingen -van schilderijen," zeide Frits Verdam tot Ben, "een museum Van der -Hoop en een museum Fodor, beide door genoemde heeren aan de stad -per legaat vermaakt. Dit is echter het voornaamste en oudste, en, -daar wij geen tijd hebben ze alle drie te bezien, zullen we ons met -het bekijken van dit vergenoegen." - -"Kijk eens hier, Ben," zeide Peter. "Dit kleine stukje, de Avondschool -van Gerard Dou, is in het jaar 1808 te Rotterdam voor f17.500 -verkocht." - -"Ontzaglijk!" riepen verscheidene jongens te gelijk uit. - -Toen onze knapen genoeg naar hun zin van het museum hadden gezien, -begaven zij zich terug naar de Nieuwe Stads-Herberg, waar zij zich de -schaatsen weder onderbonden en het IJ opreden tot aan halfweg Haarlem, -alwaar zij den dijk overklommen om langs de trekvaart hun weg naar -de Spaarnestad te vervolgen. - -Juist toen zij eenige oogenblikken op die vaart waren, kwam de -spoortrein van Amsterdam aanrijden. - -"Wie van ons kan de locomotief bijhouden?" riep Peter. - -Allen beproefden het; doch spoedig zagen zij de vruchteloosheid hunner -pogingen in. Zij reden dus wat meer op hun gemak. - -"Vertel Ben wat van de tulpen, Frits," zeide Peter. - -"Van de tulips?" vraagde Ben. "O, ja, Haarlem is het groot kweekplaats -van tulips. Men zendt every year duizend to England." - -"Juist," antwoordde Frits. "En daar is een tijd geweest, 't was in -1632, dat hier te lande een dwaze handel in tulpen werd gedreven. Men -had menschen, die er zóóveel goud voor betaalden als zij op de -schaal wogen." - -"De menschen?" vroeg Ben. - -"Wel neen, de tulpen. De eerste kwam hier uit Konstantinopel, omtrent -het jaar 1560. Men vond die zoo mooi, dat de rijken kooplieden naar -Turkije zonden om er meer te halen. Langzamerhand werd de liefhebberij -in tulpen een ware woede. Enkele bollen werden voor drie à vier -duizend gulden verkocht; één bol zelfs, de Semper Augustus, bracht -vijf duizend vijfhonderd gulden op." - -"Nu, dat is geld genoeg," vond Jacob Poot. "Ik heb mij wel eens -laten vertellen, dat de kerk te Sassenheim van de opbrengst van twee -tulpebollen gebouwd is." - -"Ik herinner," zeide Ben in zijn gebroken Hollandsch, "dat ik een -duizend six honderd en dertig six een Maniabol is verkocht geweest -voor seventy pound, d.i. achthonderd veertig guldens." - -"'t Moet een rare tijd zijn geweest," merkte Lodewijk van den -Helm aan. "Iedereen speculeerde in tulpen: de rijke koopman en de -voddenraper, de echtgenoote van den Burgemeester en haar waschvrouw, -de molenaar en de schoorsteenveger. Land, vee, juweelen, niets was te -goed om tulpen voor te koopen. Eindelijk bemoeiden de Staten-Generaal -er zich mede. Nu begonnen de prijzen te dalen. Duizenden werden in -weinige dagen doodarm." - -"Maar, jelui Hollanders doet nog beminnen de tulips very much," -zeide Ben, "zooals ik heb gehoord." - -"Zeker. Geen tuin, of wij moeten er tulpen in hebben," zeide Karel -Schimmel. "Maar heb je de historie wel eens gehoord van dien matroos?" - -"Vertel ons die," riepen allen. - -"Wel, een matroos, die niet wist van den tulpenhandel, was met zijn -schip te Amsterdam aangekomen en had een boodschap aan een der heeren -van de Oostindische Compagnie te doen. Toen hij daar kwam, was er -niemand op het kantoor; maar mijnheer zou dadelijk bij hem komen, -zeide de dienstmaagd. Nu lag daar een tulpebol van groote waarde op -den lessenaar. De matroos, meenende dat het een ui was, nam dien op, -rook er aan en zeide: die is zeker voos. Daarop nam hij zijn mes, -sneed den bol door, proefde er van en spoog hem uit, zeggende: -"Gemeene uien!" Denk eens, hoe raar de eigenaar van den bol opkeek, -toen hij dien vernield vond." - -"Dat ik wil geloof willingly," zeide Ben. "But onze Mr. Mackay -verhaalt still een ander historie, dat ik wil u mededeelen, als gij -kunt mij understand. Een Englisch botanist kwam in een trekkas van een -rich Hollander, waar hij zag een tulp van groot value. Niet weting -zijn prijs, hij nam uit zijn pennemes en snijding het bol in twee, -hij wilde dat examineer. Eensklaps de eigenaar entered en vroeg hem, -of hij wist, wat hij deed? Ik schil een meest buitengewoon ajuin, -hij antwoordde. Maar bij hemel, 't is een admiraal Van der Eyk. Dank -je, hernam de botanist, en schreef het naam in zijn zakboekje; zeg, -zijn ze zeer gewoon in jouw country? Maar voor den duivel! riep uit -de Hollander, komt voor schout en schepens en dan zult je zien. Tot -zijn verdriet werd de arme man geplaatst in gevangenis en niet gelaten -los, vóór hij had gesteld borgen, tot schadevergoeding van de vier -duizend guldens." - -Zoo pratende, waren zij in het gezicht van Haarlem gekomen, en de -jongens voelden nog niet, dat zij schaatsen hadden gereden. Van den -jongsten, Lodewijk van den Helm, die eerst veertien jaar oud was, -tot den oudsten, die geen ander persoon was dan de kapitein zelf en -naar de zeventien liep, waren ze allen zoo moedig en ferm als jonge -arenden. Alleen de dikke Jacob Poot hijgde wat naar zijn adem en zag -met welgevallen naar den toren van het oude Haarlem, bij het denkbeeld, -dat hij nu eens een paar uurtjes rusten kon. Iedere jongen had, bij -het van-huis-gaan, een paar broodjes meegenomen en die broodjes waren -reddeloos achter de kiezen der schaatsenrijders verdwenen. Maar zulk -een inspanning bij zulk koud weder had de jonge magen hongerig gemaakt, -en met een luid hoezee begroetten zij de grijze wallen van Haarlem, -waar zij zich aan een stevig ontbijt te goed hoopten te doen. - -"Sakkerloot! Ik heb een honger als een paard!" riep Frits Verdam uit. - -"Ik val haast flauw, zoo jeukt mijn maag," voegde Jacob Poot er bij. - -"Nu jongens," zeide de kapitein. "Dan is 't goed, dat we straks voet -aan vasten wal zetten. Wij rijden nu het Buitenspaarne over, dan het -Binnenspaarne langs, daar binden we onze schaatsen af en willen een -frisch ontbijt bestellen, zoo'n Engelschen luncheon, hé, Ben!" - -En dit zeggende, tastte hij in den zak, om met het geld der -Compagnieschap te rammelen, toen hij eensklaps zoo bleek werd als een -doek. Met beide handen klopte hij op zijn broekzakken, op zijn borst; -maar 't scheen, dat hem die manoeuvre niet baatte. - -"Wat scheelt je, Piet?" vroeg Lodewijk. - -"Hij is ziek," meende Ben. - -"Neen, hij heeft wat verloren," verzekerde Lodewijk. - -"Ik ben mijn portemonnaie met al ons geld kwijt!" riep Peter wanhopig -uit. - -"Dat komt er van, als één al het geld heeft," zeide Karel, mooi -knorrig. "Voel nog eens in je anderen zak." - -Peter voelde en voelde alweer; maar hoe hij zocht of niet zocht, -hij kon de verloren portemonnaie niet vinden. - -"'t Is weg, jongens!" riep hij met bitter verdriet uit. "Had ik het -maar alles in zilvergeld meegenomen, dan zou ik 't wel gemerkt hebben, -toen ik het verloor. Nu kan je geen ontbijt, geen diner hebben! Wat -nu te doen? 't Best zal wezen, dat ik naar Amsterdam terugrijd; daar -ken ik wel menschen, die mij zooveel kunnen leenen als ik noodig -heb. Maar in dien tijd vallen we allen flauw van den honger." - -"'t Is wat te zeggen," riep Karel Schimmel uit. "Hoe kun je ook zoo -dom zijn, Piet!" - -"Ja, of je daar nu al over maalt, dat helpt niemendal," hernam -Peter van den Helm. "Je zult er geen van allen een cent bij te kort -komen. Maar 't malst is, dat je dit op 't oogenblik niet helpt. Is er -niemand onder jelui, die hier in Haarlem iemand kent, die ons dertig -gulden zou willen leenen?" - -Ieder van de jongens zag vijf verlegen gezichten. - -"Ik ken in Haarlem wel een paar menschen, die rijk zijn," zeide Karel -Schimmel: "maar vader zou ongenadig boos zijn, als ik een cent van -hen durfde leenen." - -"'t Is jammer, dat Frans van Bree niet hier is," zeide Jacob Poot -zuchtend. "Die zou wel raad weten." - -"Hij was misschien een beter kapitein geweest dan ik," zuchtte -Peter. "Maar hoe nu?" - -"Als je je gouden horloge eens verkocht, Piet," zeide Karel -Schimmel. "Daar zal je geld genoeg voor krijgen." - -"Ik dank je," antwoordde Peter. "Dat kan ik niet doen. Mijn horloge -verkoopen, dat ik van mijn vader op mijn verjaardag heb gekregen? Dat -nooit! Dan verkoop ik liever mijn jas." - -"Kom, kom, spreek niet van verkoopen," zeide Jacob Poot. "We hebben -nog wel zooveel klein geld op zak, om bij een bakker een paar broodjes -te koopen; daarmee stillen we onzen honger, dan rijden we naar Broek -terug en stellen den verderen tocht tot morgen uit." - -"Jij hebt goed praten," bromde Karel. "Je zult wel weer tien gulden -krijgen, maar mijn vader is zoo scheutig niet. 't Zal bij mij wel -thuis blijven zijn." - -"Ik heb je immers al gezegd, dat je er geen cent aan zult te kort -komen," hernam Peter. "Ik heb thuis nog wel tweemaal dertig gulden -in mijn spaarpot." - -"En dan, na al het pleizier, dat wij ons voorgesteld hebben, met -hangende pootjes terug te komen," zeide Karel knorrig. "'t Is een -mooie pret." - -"Komt, jongens!" riep Peter, "'t Geval ligt er nu toe en gedane zaken -hebben geen keer. Ik heb een goed plan." - -"En dat is?" riepen allen te gelijk. - -"Om ons mannelijk te houden en met een vroolijk gezicht huiswaarts -te keeren." - -"Leve de kapitein!" riepen de jongens, behalve Karel, die in zich -zelf bromde van: "stommiteit, belabberd," enz. - -"Kom dan, met nieuwen moed! Eén, twee, drie, voorwaarts!" - -En, met even vroolijke gezichten als de knapen Haarlem begroet hadden, -verlieten zij de stad van Laurens Koster. - - - - - - - - -VIJFDE HOOFDSTUK. - -ONGELUKKEN IN DE HUT VAN ROLF BRINKER. - - -"Voor den drommel!" riep Karel toornig uit, toen zij een twintig -ellen waren voortgereden. "Daar heb je dien voddenraper ook al met -zijn houten schaatsen en zijn gelapte broek. Die ellendige knaap is -overal, 'k wou de drommel hem haalde! Er ontbreekt nu nog maar aan," -zeide hij tegen Jacob Poot, die bij hem reed, "dat onze kapitein ons -laat stilhouden, om hem de hand te geven." - -"Dat zou wel kunnen gebeuren, Karel," riep Peter, die de laatste -opmerking gehoord had. "Maar je behoeft er niet bang voor te zijn, -man; want ik zie den armen knaap nergens." - -"De blindheid komt het eerst aan de oogen," merkte Jacob op. "Kijk dan, -daar ginds komt hij aan!" - -"Inderdaad, je hebt gelijk," hernam Peter. "Hij is 't. Maar wat scheelt -hem. Hij ziet doodsbleek. Zijn lippen zijn op elkander geklemd." - -Op 't oogenblik, dat Hans hem wilde voorbijrijden, want hij had hem -niet gezien, riep Peter: - -"Dag, Hans Brinker! Wou je mij zoo voorbijgaan?" - -"Jongeheer Van den Helm!" riep Hans uit, terwijl een blos van vreugde -zijn gelaat verhelderde. "Hoe gelukkig, dat ik u ontmoet!" - -"Wat een onbeschaamde vlegel!" mompelde Karel tegen Jacob. - -"En ik ben blij, dat ik jou zie, Hans," antwoordde de kapitein. "Maar -wat scheelt je? Kan ik je van dienst zijn?" - -"Ach, jongeheer! Er is zooveel gebeurd," zeide Hans. "Maar kunt u -mij niet helpen, ik kan u wel van dienst zijn?" - -"Jij?" riep Peter uit. - -"Ja, jongeheer! Door u dit te geven." - -Dit zeggende, haalde Hans de verloren portemonnaie uit den zak en -reikte ze Peter over. - -"Hoezee! hoezee!" riepen de jongens, toen zij den verloren schat -terugzagen. Maar Peter drukte Hans de hand en zeide met bewogen stem: -"Hartelijk dank, goede Hans Brinker!" - -En dat "goede Hans Brinker" en die handdruk deden den armen knaap goed. - -"Hoe wist je, dat het mijn portemonnaie was?" vroeg Peter verder. - -"Gij hebt mij uit die zelfde portemonnaie het geld betaald voor den -withouten ketting, dien ik voor uw zuster gemaakt had, op voorwaarde, -dat ik er schaatsen voor zou koopen. Ik herkende ze dadelijk." - -"En waar heb je ze gevonden?" - -"Niet ver van ons huis." - -"Ja, nu herinner ik 't mij. Ik heb ze zeker verloren, toen ik mijn -zakdoek uit den zak haalde. Je redt ons uit groote verlegenheid, Hans," -vervolgde hij, terwijl hij de portemonnaie opendeed. "We zullen het -geld deelen." - -"In 't geheel niet, jongeheer!" antwoordde Hans, terwijl hij de hand -terugtrok. Peter deed de portemonnaie weder toe, terwijl hij mompelde: - -"Die jongen bevalt mij al is hij nog zoo arm. "Maar," vervolgde hij, -"wat scheelt je, Hans?" - -"Ach, jongeheer," antwoordde Hans. "'t Is een treurig geval. Maar -ik heb mij hier reeds te lang opgehouden. Ik ben op weg naar Leiden, -om dokter Broekman op te zoeken. - -"Dokter Broekman!" riep Peter verbaasd uit. - -"Ja, jongeheer, en ik heb geen oogenblik te verliezen. Goeden dag!" - -"Wacht een oogenblik! Ik ga naar Leiden. Komt, jongens! we zullen -naar Haarlem terugkeeren." - -"Uitmuntend!" riepen de jongens vroolijk uit, en zij keerden zich om -en reden weder naar de Spaarnestad. - -"Welnu," zeide Peter, terwijl hij naast Hans ging rijden, beiden -zóó netjes en zóó licht, dat men haast niet kon zien, dat zij zich -voortbewogen. "Wij zullen van nacht te Leiden logeeren, en als je -slechts een boodschap aan dokter Broekman hebt, kan ik die wel voor -je doen. En mochten de jongens te moede zijn, om het nog vandaag tot -Leiden te brengen, dan beloof ik je, dat ik hem toch morgenochtend -vroeg zal opzoeken." - -"O, jongeheer! Daar zoudt u mij een grooten dienst mee bewijzen. 't -Is niet om het eind, maar alleen omdat ik bang ben, moeder zoo lang -alleen te laten." - -"Is zij dan ziek?" - -"Neen, jongeheer! Maar 't is erger met vader. U zult wel gehoord -hebben, hoe vader sinds jaar en dag niet goed is. Dat is al sedert -dien zwaren storm, toen hij van den dijk is gestort en door een val -op zijn achterhoofd zijn verstand is kwijtgeraakt. Maar zijn lichaam -is nog sterk. Nu lag moeder gisteravond voor den haard geknield, -om het vuur wat op te rakelen: want hij ziet het zoo graag ferm -branden. Eensklaps springt vader op haar af, en, eer zij in staat -is zich te bewegen, houdt hij haar met een reusachtige hand vast, -terwijl hij niets deed dan lachen en het hoofd schudden. Wij waren -juist aan het schaatsenrijden op de vaart, toen ik moeder hoorde -gillen. Ik liep zoo snel ik kon huiswaarts en zag daar een vreeselijk -tooneel. Vader hield moeder vast en wilde haar niet loslaten. Haar -goed rookte al en was op 't punt in vlam te raken, en als dat gebeurd -ware, was mijn arme moeder verloren. Ik trachtte het vuur te blusschen, -maar hij duwde mij met zijn eene hand terug, terwijl hij moeder met de -andere vasthield. Er was op 't oogenblik geen water in de hut. Ik was -wanhopig, terwijl vader al dien tijd lachte--o, zulk een ijselijken -lach, niet luid, maar akelig. Ik poogde moeder weg te trekken; maar -hij hield haar te sterk vast. Toen nam ik een stoel op en sloeg er -vader mee; maar hij stiet mij van zich af. Wat er verder gebeurd is, -kan ik mij niet herinneren. Ik zag moeders rok in vlam en--later, toen -ik uit mijn bezwijming ontwaakte, lag ik in een hoek van het vertrek, -waar vader mij had geworpen; vader zat weer op zijn plaats met een bord -met eten vóór zich en moeder knielde bij mij neder. Griete heeft mij -later verteld, hoe 't gegaan was. Vader had mij met reuzenkracht tegen -een kast geworpen en bleef altijd moeder bij het vuur houden. Nog tien -tellens en onze arme moeder ware verloren geweest. Daar schoot Griete -een denkbeeld in. Snel liep zij naar de kast, waarbij ik lag, haalde -er een bord met eten uit en liet het vader zien. Als een klein kind -liet hij moeder los en kroop naar zijn stoel. Gelukkig had moeder -zich niet gebrand. Maar vader was afgemat door de buitengewone -inspanning. Den geheelen nacht heeft hij in een brandende koorts -gelegen en heeft moeder voor zijn bed gezeten en hem opgepast. Hij -sliep vast en snurkte akelig, terwijl hij tusschenbeide zijn hand -tegen zijn hoofd drukte. Moeder zegt, dat hij dat vroeger meer deed, -alsof hij daar pijn voelde. Ach, jongeheer, ik had u dat alles liever -niet verteld! Toen vader nog bij zijn verstand was, zou hij geen dier -kwaad gedaan hebben...." - -Beiden zwegen eenige oogenblikken stil. - -"'t Is vreeselijk!" riep Peter uit. "En hoe is je vader vandaag?" - -"Doodziek, jongeheer!" - -"Maar waarom ga je naar dokter Broekman, Hans? Daar zijn dokters -genoeg in Amsterdam, die hem misschien even goed konden helpen. Dokter -Broekman is een beroemd man, die slechts bij de rijken praktiseert, -en dan gebeurt het nog dikwijls, dat hij geen tijd heeft om hen -te helpen." - -"Dokter Broekman heeft mij gisteren beloofd, dat hij vader binnen -acht dagen zou komen bezoeken. Maar nu die verandering is gekomen, -kan het niet wachten, anders sterft mijn arme vader. O, jongeheer, -vraag hem toch, of hij niet de geheele week wil wegblijven, want dat -vader op sterven ligt! Hij is zoo'n vriendelijk man!" - -"Vriendelijk!" zeide Peter lachend. "Er is geen grooter brompot in -het gansche land." - -"Dat schijnt maar zoo, jongeheer! En dat komt, omdat hij altijd zooveel -aan zijn hoofd heeft. Maar hij heeft een goed hart, dat weet ik. Vertel -hem, als 't u belieft, wat ik u verteld heb en ik ben er zeker van, -dat hij komen zal." - -"Ik mag 't hopen, Hans, om jouwentwil. Maar ik zie, dat je haast -hebt om naar huis te keeren. Beloof me, dat je, als je iemand noodig -hebt, naar mijn moeder te Broek zult gaan. Zeg haar, dat ik 't je heb -gezegd. En Hans, neem deze guldens aan, niet als belooning, maar als -een geschenk." - -Hans schudde vastberaden het hoofd. - -"Neen, jongeheer, dat kan ik niet aannemen," antwoordde hij. "Als -ik werk kon vinden in Broek of ergens op een molen, zou ik gelukkig -zijn. Maar overal, waar ik kom, is het dezelfde historie: "wacht tot -het voorjaar." - -"'t Is goed dat je er van spreekt," gaf Peter ten antwoord. "Vader -zal je terstond helpen. Je mooie ketting beviel hem zeer. "Die jongen -snijdt machtig mooi in hout," zeide hij. Vader wil van den winter -onzen nieuwen koepel van snijwerk voorzien; misschien durft hij 't -jou wel opdragen: er is geld aan te verdienen. De teekeningen liggen -bij ons aan huis." - -"God is goed!" riep Hans opgetogen uit. "O, jongeheer.... dat zou -al te veel geluk zijn! Ik heb nog wel nooit groot werk onder handen -gehad--maar ik zou 't gerust durven wagen, en ben ik er zeker van, -dat het mij gelukken zal." - -"Nu, ik zal mijn vader zeggen, dat hij 't jou moet laten doen. Hij -zal je zeker gaarne helpen." - -Hans keek Peter aan. - -"Ik dank u, jongeheer," zeide hij. - -"Kom, kapitein," riep Karel. "Hier zijn we nu midden in Haarlem, -en we hebben nog geen woord uit je mond vernomen. We wachten allen -ongeduldig op je bevelen." - -"Goed, jongens! Dan de schaatsen maar afgebonden!" riep Peter. "Jij -zult toch meegaan, om iets te eten, Hans," ging hij voort, zich tot -den knaap wendende, "daarna zal ik je niet langer ophouden." - -Een oogenblik flikkerden de oogen des knapen van genoegen en Peter was -verwonderd, dat hij er niet eer aan had gedacht, dat de arme jongen -wel honger moest hebben. Maar 't was ook slechts een oogenblik, -dat Hans er zich in verheugde, het andere hernam hij op treurigen toon: - -"Ach, jongeheer! hoe gaarne ik uw vriendelijk aanbod zou willen -aannemen, ik mag mij niet langer ophouden. Moeder mocht mij noodig -hebben. Vaarwel! God zegene u!" - -Dit zeggende, knikte hij Peter vriendelijk toe en--verdween. - -Wij willen onze vroolijke knapen een oogenblik verlaten en met Hans -naar Broek terugkeeren. Wij moeten daar, vooral ten gevalle onzer -lieve lezeressen, eens een kijkje nemen bij de meisjes, die wij -reeds vroeger ontmoet hebben, een kijkje in de jeugdige hartjes, -die zoo warm en zoo snel onder de nauwe keursjes klopten. - -Hilda de Bruyn--haar kent gij reeds, met haar warm, edel hart. Truida -Korbes was vrij wat mooier dan Hilda, veel aanvalliger en zelfs -meer gezocht, maar toch niet half zoo zonnig van binnen. In dat -jonge hart hingen wolken van trots, ontevredenheid en wangunst, -die dagelijks donkerder warden. 't Was natuurlijk, dat die wolken -zich nu en dan evenals die aan den hemel ontlastten. Maar wie zag die -tranen? Slechts haar dienstmaagd, haar ouders, haar jongere broeder, -die haar zoo hartelijk liefhadden. Anderen bespeurden weinig van -hetgeen er in dat jeugdige hart omging. In haar oog was het arme -boerenkind Griete geen menschelijk wezen, niet evengoed een schepsel -van God als zij--het was een onding, waaronder men niets dan armoede, -lompen en morsigheid verstond. Zoo'n kind als Griete had geen recht om -te gevoelen of te hopen; bovenal moest zij haar meerderen nooit in den -weg komen, ten minste niet op een onaangename manier. Zulk volk mocht -voor haar en haar gelijken werken en zwoegen, maar op een eerbiedigen -afstand; zij mochten haar bewonderen, als zij 't met gepasten eerbied -deden--meer niet. Verheffen zij zich--dan sla ik ze neer; lijden zij, -wat gaat mij dat aan--dat was de leer van Truida Korbes. En toch--hoe -mooi zij altijd gekleed was en hoe lief zij zich voordeed, jongens met -een echt Nederlandsch hart, zooals Frits Verdam en Peter en Lodewijk -van den Helm, konden haar niet velen. - -Hoezeer Karel Schimmel 't meest in karakter met haar overeenkwam, -hield die toch veel meer van de levendige Kato Lammers, wier aard -veel had van de rinkelende bellen eener narreslede. Reeds als kind -was Kato een coquette, als schoolmeisje was zij zoo coquet als -ooit. Zij was coquet op haar moeder, op haar kleine broertje, zelfs -op haar blonde krullen, die zij verachtelijk in den hals wierp, als -ze haar verveelden. Iedereen mocht haar graag lijden, niemand hield -van haar. Nooit kwam er een ernstig woord over haar lippen. De arme -Kato! Met haar lief gezichtje, haar vroolijk hartje, haar aangename -manieren, kon zij slechts een uur boeien. Wat zou er later van haar -worden, als het werkelijke leven vol ernst kwam en de rinkelende -bellen één voor één dof zou maken! - -Karel Schimmel had dus wel gelijk, toen hij gezegd had, dat Kato en -Truida woedend waren, omdat Griete mee zou doen in de harddraverij -op schaatsen. Hij had Truida hooren zeggen, dat het "schandelijk, -onteerend, gemeen" was. Kato had haar lieve kopje geschud en zachtkens -nagepraat, dat het "schandelijk, onteerend, gemeen" was, ofschoon met -zulk een lief stemmetje, dat men het nauwelijks met den naam van toorn -zou mogen bestempelen. Dat was voor hem genoeg. Hij bedacht niet, dat, -als Hilda en niet Truida haar 't eerst over de zaak had gesproken, -dat zelfde stemmetje zou gezegd hebben: "zeer goed, opperbest, -allerliefst". Maar nu oordeelde Kato, dat een boerenkind als Griete -in staat was, de geheele pret te bederven. Daar Truida rijk was en -machtig (altijd in den zin van een schoolmeisje) had zij een menigte -volgelingen onder haar schoolkameraden, die òf te laf òf te zorgeloos -waren, om voor zich zelf te denken. - -Arme Griete! Zij en Hans hadden de geheele schaatsenpartij reeds -uit hun hoofd gezet. Zij hadden wel aan wat anders te denken dan -aan zilveren schaatsen! Ach! de hut van Rolf Brinker was tegenwoordig -treurig en somber genoeg. De arme krankzinnige lag kermend op zijn hard -bed en zijn vrouw bette zijn brandend voorhoofd en zijn droge lippen -met koud water, weenend en biddend, dat hij niet mocht sterven. Hans -was, zooals wij weten, in wanhoop naar Leiden gereden, om daar dokter -Broekman op te zoeken en hem te smeeken, als 't kon, terstond bij -zijn vader te komen. Griete, door een zonderlingen angst bevangen, -had haar werk zoo goed verricht als zij kon, zij had de steenen vloer -opgedaan, brandstof gehaald om het vuur te onderhouden, en zat nu -op een laag stoeltje naast het bed, terwijl zij haar moeder smeekte, -om toch een uur of wat te gaan slapen. - -"Gij zijt zoo vermoeid, moeder," zeide zij. "Den geheelen nacht hebt -gij geen oog geloken. Ik heb mijn bed voor u opgemaakt. Hier is uw -jak. Doe die mooie japon uit, dan zal ik ze opvouwen en in de kast -bergen, vóór gij gaat slapen." - -Vrouw Brinker schudde treurig het hoofd, zonder heur oogen van haar -man af te wenden. - -"Ik kan immers wel op vader passen," hernam Griete, "en ik zal u -dadelijk wakker maken, als hij zich beweegt. Gij ziet zoo bleek en -uw oogen zijn zoo rood. Toe, moeder! doe 't maar!" - -Het kind smeekte tevergeefs. Vrouw Brinker wilde haar post niet -verlaten. - -Griete keek haar aan met een onrustig stilzwijgen, terwijl zij dacht, -dat het toch heel slecht van haar was, dat zij meer van haar moeder -hield dan van haar vader, voor wien zij bang was. - -"En Hans houdt zoo veel van vader," zuchtte zij. - -"Waarom kan ik 't niet doen? Toch was ik zoo bedroefd, toen hij -verleden week dat mes beetpakte en zich zoo vreeselijk sneed -en zoo bloedde. En 't gaat mij door de ziel, nu ik hem zoo hoor -steunen. Misschien houd ik toch veel van hem en ben ik niet zulk een -slecht kind als ik dacht. Ja, ik houd van mijn armen vader--bijna -zooveel als Hans; want Hans is sterker en is niet bang voor hem. O, -zal dat gesteun dan nooit ophouden! Arme moeder! Wat is zij -geduldig! Nooit mort zij over het geld, dat op zoo'n zonderlinge -manier is weggeraakt. O, kon vader maar eens voor een oogenblik -zijn oogen opslaan en ons aanzien zooals Hans doet, en zeggen, -waar de guldens gebleven zijn--dan kon mij de rest niet schelen--de -rest.... ja toch. Ik zou niet graag zien, dat mijn arme vader stierf." - -Diep in gedachten staarde zij naar de zonderlinge figuren, welke de -vlammen aan den haard vormden, daarop telde zij de gebroken en geplakte -ruiten van het bouwvallige raam, eindelijk bleven haar oogen rusten op -een fraai gesneden plank, waarop de quarto-bijbel met koperen sloten -stond, nog een erfstuk van vrouw Brinker's vader. - -"Wat is die Hans toch knap!" zeide zij. "En zoo sterk! Als hij -hier was, kon hij vader eens omkeeren en dan hield het gesteun -op. Ach! Ach! Als vader zoo ziek blijft, zal ik nooit meer schaatsen -rijden. Ik zal mijn schaatsen maar teruggeven aan die mooie jonge -dame. Hans en ik zullen de harddraverij wel niet zien." - -En Griete's oogen vulden zich met tranen. - -"Huil maar niet, Griete," zeide vrouw Brinker. "Je vader is wel eens -meer zoo ziek geweest." - -Griete barstte in tranen uit. - -"O moeder, dat is het niet alleen! Gij weet nog niet alles--ik ben -zeer slecht en goddeloos!" - -"Jij Griete, jij, die zoo geduldig en zoet zijt? Maar huil zoo hard -niet, kindlief, of je zoudt vader wakker maken." - -Griete verborg haar gelaat in den schoot harer moeder en poogde niet -hard te schreien. - -Zij legde haar klein, mager bruin handje in de ruwe hand harer -moeder. Kort daarna keek zij op met een vriendelijken, rustigen blik -en zeide met een bevende stem: - -"Vader heeft u willen verbranden--ik heb het gezien en hij lachte -er om." - -"Zwijg, kind!" - -Vrouw Brinker zeide die woorden op zulk een snellen en scherpen toon, -dat Rolf Brinker, levenloos als hij was voor al wat om hem voorviel, -zich zacht op zijn bed bewoog. - -Griete sprak geen woord meer, maar plukte treurig aan het brandgat -in haar moeders japon. Gelukkig, dat de japon van wollen stof was! - - - - - - - - -ZESDE HOOFDSTUK. - -WAT DE JONGENS ZOO AL IN HAARLEM ZAGEN. - - -Verzadigd en verkwikt kwamen onze knapen uit het koffiehuis, waar -zij zich van het noodige voorzien hadden, juist toen de klok twee -uren sloeg. - -"Heb je je slaapmuts niet vergeten, grootvader?" riep Lodewijk van -den Helm tot den kapitein, die in gedachten verzonken was over de -treurige historie, welke Hans Brinker hem had medegedeeld, en daardoor -half droomend medeliep. - -"Volstrekt niet, Lodewijk," antwoordde Peter, en zich tot de anderen -richtende, commandeerde hij: "Vooruit, jongens! Deze straat in!" - -"Zie je dat aardige, roode speldenkussentje daar wel aan die deur -hangen?" vroeg Frits Verdam aan Ben. - -"Ik doe het zien. Maar wat is de meening van het?" vroeg de -aangesprokene. - -"Wel, dat zal ik je zeggen. Zoo'n ding noemen ze een klopper, en die -beteekent, dat daar een kind geboren is. Is het kussentje geheel en -al effen, zooals dit, dan wil 't zeggen, dat het een jongetje is. Is -er daarentegen een wit papiertje ingeschoven, dan kan men er op aan, -dat er een dochter is geboren." - -"Very vreemd!" riep Ben uit, terwijl hij naar den klopper bleef kijken, -die rijk met kant omzoomd was. "En doet gij kennen den oorsprong van -dat gebruik?" - -"Ieder Haarlemmer," zeide Frits Verdam, die er bij was gekomen, "zal -u kunnen vertellen, dat dit afstamt van het jaar 1573, toen Haarlem, -na een hardnekkige en moedige verdediging van zeven maanden, zich -eindelijk aan den Spanjaard moest overgeven. De Spaansche bevelhebber, -Frederik van Toledo, zou, naar men zegt, aan de bewoners van elk huis, -waar zich een kraamvrouw bevond, veroorloofd hebben om een lint aan hun -klopper te winden, welk huis daardoor van plundering zou verschoond -blijven. Dat is echter slechts een sprookje: 't is niets anders dan -een gewoonte, die, eenigszins gewijzigd, in geheel Noord-Holland in -zwang is." - -"Komt, jongens!" riep nu de kapitein. "Je weet wat de kastelein gezegd -heeft: dat het groote orgel vandaag bespeeld wordt en dat wij daar -naar toe moeten. Verkijkt je tijd dus niet aan wat anders." - -"Je hebt deugdelijk gelijk," antwoordde Frits. "'t Is maar jammer, -dat we de damiaatjes ook niet kunnen hooren." - -"De damiaatjes, wat zijn zij?" vroeg Benjamin. - -"Dat zijn kleine klokjes, die in den toren hangen en elken avond van -halftien tot tien uren geluid worden, 't Is een akelig gerinkinkel, -dat tinge, tinge, tinge. 't Heeft mij wat verveeld, toen ik van den -zomer hier logeerde. Maar de Haarlemmers zijn er zeer grootsch op en -weten u te vertellen, dat de stad die klokjes present heeft gekregen -van Graaf Willem I, die in 1219 Damiate, aan den Nijl gelegen, op -Sultan Saladijn veroverde, bij welke verovering hun voorvaderen zich -zoo dapper moeten hebben gedragen." - -"Niet minder dan de Dokkumers," viel Jacob Poot hem in de -rede. "Daarboven heb ik altijd gehoord, dat de tegenwoordige damiaatjes -niet meer die zijn, welke de Haarlemmers van Graaf Willem hebben -gekregen, maar nog overblijfsels van de zilvervloot van Piet Hein." - -"Van Piet Hein?" vroeg Ben. - -"Een onzer grootste zeehelden, die in 1628 de Spaansche zilvervloot -veroverde en het volgende jaar in een gevecht tegen de Duinkerkers -sneuvelde," zeide Peter van den Helm. "En wat die verovering van -Damiate aangaat, daar hangen nog kleine scheepjes tot gedachtenis -van dat feit in de kerk, die modellen moeten zijn van de bij deze -verovering gebruikte vaartuigen. Over 't geheel zijn de Haarlemmers -zeer trotsch op hun stad en weten u verscheidene bijzonderheden te -vertellen, van welke er eenige slechts op overleveringen berusten." - -"Nu, de Haarlemmers hebben wel recht om trotsch op hun stad te zijn," -meende Lodewijk. "Voor zulk een kleine plaats is zij waarlijk rijk -aan bijzonderheden." - -"Ha! wiens beeld is dat?" riep Benjamin uit, toen zij op de Groote -Markt kwamen. - -"Dat is het standbeeld van den uitvinder der boekdrukkunst, Laurens -Janszoon Koster, die in 1423 of 1425 deze nuttige kunst voor 't -eerst uitoefende. Behalve dit standbeeld heeft men een gedenkteeken -voor hem in den Hout opgericht, dat echter door leelijkheid uitmunt, -ofschoon de Haarlemmers het fraai noemen om zijn eenvoudigheid." - -"Wij Engelschen willen gaarne toegeven u, dat uw Koster heeft uitgevind -drukkunst," zeide Benjamin. "Maar de Duitschers doen betwisten die -eer aan u." - -"Zij zeggen, dat Gutenberg de uitvinder was, en hebben hem te Mainz -een metalen standbeeld opgericht," antwoordde Frits. "De Franschen -daarentegen geven die eer aan hun Faust, dien ze te Straatsburg door -een standbeeld vereerd hebben. Doch wij Hollanders houden er onzen -Laurens Janszoon Koster voor, ofschoon 't wel jammer is, dat het eerste -werk, hetwelk hij gedrukt heeft, "de Spiegel onzer behoudenis", van -geen jaartal voorzien is. Kijk, daar, waar dat borstbeeld in den gevel -staat, zegt men, dat zijn huis is geweest. Volgens de overlevering -was hij koster van deze kerk en een aanzienlijk man." - -"En wat is dat voor een antiek gebouw?" hernam Ben. - -"Dat is het oude stadhuis van Haarlem, thans tot hoofdwacht gebruikt," -zeide Lodewijk. "Zie maar, daar staat nog het opschrift in den gevel: - - - "Wanneer de graef hierop het sant, - Syn princenwoning had geplant, - Soo was dit loflick out gesticht, - Tot Haerlems raethuis ingericht." - - -"Het zand is de tegenwoordige Groote Markt, die toen door een smal -watertje, de Beek genaamd, werd doorsneden en op hetwelk menig tornooi -is gehouden." - -"En welk gebouw is dat, met die groote hardsteenen trap?" - -"Dat is het tegenwoordige stadhuis," antwoordde Frits, "vroeger -het paleis der graven, in de dertiende eeuw door Graaf Willem II -gesticht. Er zijn mooie schilderijen in, van groote meesters en van -hooge waarde." - -Thans traden zij de Groote Kerk in, waar het orgel reeds aan den -gang was. - -"Dit orgel," zeide Karel Schimmel, die nu toch ook eens wat vertellen -wilde, "heeft een Europeesche vermaardheid. Het is dertig meters -lang en veertien breed. In 1735 door den Amsterdamschen orgelmaker -Christiaan Muller vervaardigd, munt het door zijn grootte en zijn -rijkdom van tonen boven alle andere uit. Het moet 8000 pijpen hebben, -van welke er sommige zóó dik zijn, dat er wel een man kan doorkruipen, -andere zoo dun als het fluitje aan de zilveren bel van een klein -kind. Er zijn niet minder dan zestig registers op." - -"Vooral de vox humana (een nabootsing van de menschelijke stem) -is mooi," zeide Frits. "Maar laat ons intusschen de kerk eens -rondwandelen. Ik ben hier nogal bekend en zal dus maar voor cicerone -[2] spelen." - -"Dat is goed," zeiden Lodewijk en Peter. - -"Als je 't mij niet kwalijk neemt, ga ik een beetje in die bank -rusten," zeide Jacob Poot. "We hebben nog een heelen tocht te doen -en ik wou me niet graag te veel vermoeien. Daarenboven, ik heb de -St. Bavo [3] al meermalen gezien." - -"Hier heb je nu de scheepjes," begon Frits, "opgehangen ter herinnering -aan de verovering van Damiate. Ziet gij op die geelkoperen grafplaat -wel dat roode spijkertje?" vroeg hij een oogenblik later. - -"Welnu, wat zou dat?" - -"Dat spijkertje wijzen alle oprechte Haarlemmers aan hun jonge kinderen -en vertellen daarbij, dat onder dit graf een kindje begraven is, -hetwelk zijn moeder geslagen heeft, en dat nu tot straf het vingertje, -waarmede het haar heeft aangeraakt, niet is kunnen verrotten, maar -door het koper is heengekomen.--Hier op den muur ziet gij een steen, -aan onzen grootsten dichter, Willem Bilderdijk, gewijd; die twee -afmetingen daar zijn van den grootsten en den kleinsten man, die -Haarlem heeft opgeleverd: den grootsten, langsten, namelijk Cajanus en -den kleinsten, Simon Jane Paap, die echter te Zandvoort geboren was." - -"Papa heeft mij wel eens verteld, dat hier in vroeger tijd ook een -Sparenwouder reus rondgewandeld heeft, die Klaas van Kieten heette -en familiaar zijn pijp aan de stadlantaarns aanstak," zeide Peter. - -"Ik doe niet recht verstaan dat woord," zeide Ben. "Wat is dat voor -een soort van reus, een Sparrewou?" - -"Dat wil zeggen een bewoner van het naburige dorp Sparenwoude, hetwelk -wij in de verte aan onze rechterhand zagen liggen, toen wij over de -vaart reden." - -"Die kogel daar in den muur is nog van den tijd van het beleg in -1573," zeide Frits. "De Haarlemmers vertellen u, dat de Spanjaards, -die hun kanonnen op het huis te Kleef geplant hadden, aan een boer -vroegen, waar de preekstoel was, omdat zij dan zoo den dominee konden -doodschieten. De boer wees opzettelijk een pilaar te ver en daardoor -schoten zij mis. Gij begrijpt echter wel, dat het een sprookje is: -het huis te Kleef is veel te ver, om hier te raken. De kogel is -echter wel van den tijd van het beleg, maar tot gedachtenis hier in -den muur gemetseld." - -Intusschen bespeelde de organist het orgel, terwijl de knapen, -evenals het Haarlemsche publiek, door de voetpaden wandelden en naar -de muziek luisterden. - -'t Was een schoon stuk, dat de kunstenaar uitvoerde: een heerlijken -zomermorgen moest het voorstellen, waarbij het orgel zijn liefelijkste -tonen deed hooren, afgewisseld door het gefluit der vogelen en -de zuiverste akkoorden, die vriendelijk door de kerkgewelven -rolden en waarbij de wandelaars als onwillekeurig stilstonden, -om door het geslijfer hunner voetstappen zich zelf en anderen niet -te hinderen. Maar eensklaps veranderde dat tooneel. 't Was of de -stormwind door het kerkgebouw begon te loeien, de vogels zwegen, luider -en luider werd de storm, vreeselijk rommelde de donder en daarbij -hoorde men duidelijk het luiden der noodklok. De knapen hielden hun -adem in en staarden elkander verbaasd aan. Want daar klonken op eens -de stemmen der vox humana, en 't was of duizend angstkreten door de -St. Bavo weergalmden.--Maar--daar ruischt een zacht geluid, als een -stem des engels--de storm bedaart--de liefelijke tonen zwellen als -op de vleugelen der zefirs--de vogelen beginnen weder te zingen en -alles wordt besloten met een psalm van lof en dank, die de harten -tot aanbidden stemt. - -Het orgel zweeg--en nog stonden de knapen daar beweging- en -sprakeloos. 't Was alsof zij aan den grond genageld waren. Karel -Schimmel was de eerste, die het stilzwijgen afbrak. - -"Hoe lang zul je daar nog staan kijken, kapitein?" vroeg hij, terwijl -hij Peter aanstiet, "'t Wordt hoog tijd, om op te stappen." - -"Je hebt gelijk," antwoordde de aangesprokene, terwijl hij op zijn -horloge keek. "Laat ons Jacob dan in het voorbijgaan aanroepen." - -De dikke Jacob Poot echter was niet meer op de plaats, waar zij hem -gelaten hadden. De bank, waarin hij was gaan zitten, was hem niet -gemakkelijk genoeg en hij had een andere, meer afgezonderde opgezocht, -waar zijn kameraads hem vonden, in de armen van Morpheus gezonken. - -"Slaapkop!" riep Peter, terwijl hij hem wakker schudde. "Hoe kun je -bij zulke heerlijke muziek snurken, Jacob?" - -"Algemeen zelfstandig naamwoord, vrouwelijk enkelvoud eersten naamval," -antwoordde Jacob, die gedroomd had, dat hij op school bezig was aan -het grammaticaal analyseeren. - -"Als aangesprokene," voleindigde Peter, "behalve, dat Jacob een eigen -naamwoord en mannelijk is." - -Jacob was nu geheel wakker geworden en moest lachen om zijn eigen -dwazen praat. - -Benjamin was zóó verrukt over hetgeen hij gehoord had, dat hij niets -kon zeggen dan: "Glorious! Glorious!" - -"Ja, Ben," hernam Peter, terwijl zij de kerk verlieten, "'t is -inderdaad heerlijk. Je hebt zeker wel eens gehoord van Händel, -den grooten componist. Nu, die bezocht Haarlem eens en wenschte -natuurlijk het orgel te bespelen. Hij kreeg daartoe vergunning en was -druk aan den gang, toen de gewone organist, die verre van onbekwaam -was in zijn vak, de kerk binnentrad. Zulke muziek had hij nog in zijn -leven niet gehoord. "Wie is daar op het orgel?" riep hij uit. "Als 't -geen engel of duivel is, dan moet het Händel zijn." En toen hij zag, -dat het Händel was, stond hij nog meer verwonderd. - -"Hoe heb ik het toch?" vroeg hij, "gij hebt het onmogelijke -gedaan. Tien vingers en twee voeten kunnen de passages niet spelen, -welke gij hebt laten hooren."--"Gij hebt gelijk," gaf Händel bedaard -ten antwoord, "en daarom ben ik tusschenbeide verplicht geweest, -toetsen met de punt van mijn neus in beweging te brengen."--"Je kunt -begrijpen, hoe de organist stond te kijken." [4] - -"Dat laat zich hooren," zeide Frits. "Maar waar zullen wij nu heen?" - -"Hoort eens, jongens!" hernam Peter. "Wij moeten nu even -raadsvergadering houden omtrent onze verdere plannen." - -"Heel goed," antwoordde Karel Schimmel. "Wat is hier nog meer te -kijken?" - -"O, heel veel," gaf Frits ten antwoord. "Vooreerst de schilderijen -hier op het stadhuis, ten tweede niet minder dan acht en twintig -liefdadige hofjes, waar oude vrouwen het eind van haar leven rustig -doorbrengen en van welke het Teylers- en Staats-zen-hofje de mooiste, -en zoo ik meen, de rijkste zijn; ten derde, het physisch museum van -Teyler, waar men onder andere zulk een groot electriseermachine vindt, -dat men met één vonk een paling kan doodslaan; ten vierde, het huis -van Jan de Lapper, op het Spaarne bij de melkbrug." - -"Jan de Lapper? Wie was dat?"--vroeg Ben. - -"Een schoenlapper, die hier in 1652 woonde, en toen het land in nood -was, doordien wij oorlog met uw volk gekregen hadden, ter zee ging -varen en zulk een heldenmoed toonde dat de Staat hem een gouden keten -en 500 gulden vereerde. En toen het land uit den nood was, ging onze -Jan weer even bedaard aan 't schoenflikken als te voren. Later weer in -dienst getreden, stierf hij den heldendood. Een zijner nakomelingen -heeft in het huis, vroeger door den dapperen schoenlapper bewoond, -een blauwen steen met een opschrift doen plaatsen. Ten vijfde kunnen -wij naar Kraantje-Lek gaan en den Blinkert beklimmen, op welken Witte -van Haamstede [5] eens den Hollandschen liebaard plantte en van welks -top wij een heerlijk gezicht over de blauwe Noordzee hebben. Ten -zesde kunnen wij den Hout bezoeken." - -"Den Hout? Wat is dat?" vroeg Ben. - -"Een fraai bosch, dat met het Haagsche en Alkmaarder waarschijnlijk -één geheel heeft uitgemaakt. Het is in 1822 door den architect Zocher -in den bevalligen toestand gebracht, waarin het nu is. Ten zevende -kunnen wij in dien Hout het monument van Koster gaan kijken, of het -fraaie paviljoen, nog door een landgenoot van u, den bankier Hope, -gebouwd, later door Koning Lodewijk voor drie ton gekocht en, na het -vertrek der Franschen, domeingoed geworden. Er bevindt zich thans -een heerlijk museum van schilderijen; ten achtste...." - -"Houd op!" riep Peter. "Als wij alles zouden willen bezien, dan -mochten we nog wel een dag langer hier blijven. Wij zullen ons maar -bepalen tot twee zaken: den Hout en den Blinkert, of Leiden?" - -"Leiden!" riepen allen, behalve Ben, die wel lust zou gehad hebben, -om den Blinkert te beklimmen en van daar een kijkje op de zee te nemen. - -"'t Is zoo maar 't best ook," zeide Frits Verdam tegen Benjamin. "Want -als je Haarlem op zijn mooist wil zien, dan moet je er in den zomer -komen, wanneer 't een groote bloemtuin is." - -"Komt dan, op reis!" riep Peter uit. En men wandelde de Zijlstraat -door, het Zijlhek uit en naar de Leidsche vaart, waar zij hun schaatsen -aanbonden en den tocht naar de stad van Van der Werf aanvingen. - -"Jongens! Wie weet er nu wat van Haarlem te vertellen?" zeide -Peter. "Dat kort den weg op." - -"Ik wil wat mededeelen," zeide Frits Verdam. "Laat ons dan wat langzaam -en naast elkander rijden." - -"Dat is goed," riepen allen en Frits begon: - -"In heel veel vroeger tijden stond bij Haarlem een oud, sterk -kasteel, welks slotheer een ware tiran was voor de poorters der stad -en de omliggende dorpers, die allen van hem afhingen. Dit werd zóó -geweldig, dat deze in opstand kwamen, zijn kasteel omringden en het -belegerden. De nood op het slot steeg dermate, dat de wreedaard geen -ander uitzicht had, dan zich aan het woedende volk over te geven, -hetwelk hem in stukken zou hebben gescheurd. Daar verscheen op een -der kanteelen een liefelijke gestalte, de vrouw van den slotheer. Was -haar echtgenoot slecht voor zijn onderdanen, zij daarentegen was -steeds een moeder voor hen geweest; geen arme, die haar om hulp had -gevraagd, zou zij weggezonden hebben; zieken en nooddruftigen had zij -verzorgd. Zoodra het volk haar zag, liet het de armen slap hangen, -die het reeds had opgeheven, om den pijl te richten, welke het hart van -den krijgsknecht moest doorboren, die 't wagen durfde, op den trans te -verschijnen. "Ik ben altijd goed voor u geweest," zeide zij. "Welnu, -veroorloof mij een vrijen uittocht en sta mij toe, zooveel van mijn -kostbaarheden mede te nemen als ik op mijn schouders kan dragen." "Dat -is u toegestaan," riep men haar toe.--De poort gaat open, en daaruit -komt de burchtvrouw, die op haar schouders torst.... Wat denkt gij?" - -"Wel, haar juweelen en beste kleederen," zeide Karel. - -"Neen--haar snooden echtgenoot, den wreeden burchtheer," hervatte -Frits. "En haar daad was des te mooier, daar de wreedaard ook voor -haar steeds een tiran geweest was." - -"En wat deed het volk nu?" vroeg Peter. - -"'t Was getroffen door die edele daad en liet den burchtheer vrij; -maar het kasteel werd vernield." - -"Kom, dat is nooit gebeurd!" riep Karel Schimmel uit. "Hoe zou een -zwakke vrouw zoo'n grooten kerel hebben kunnen dragen!" - -"Nu, de vrouwen van Weinsberg hebben het toch ook wel gedaan," -verzekerde Frits. - -"Ik geloof het wèl," zeide Jacob Poot. "Ik ten minste zou geen vrouw -willen hebben, die niet hetzelfde voor mij zou doen." - -"Ik zou haar beklagen, Jacob," antwoordde Peter lachend, "indien zij -zulk een vracht moest dragen als jij bent. Drie man zouden werk hebben -om je voort te sjouwen." - -"Nu dan, 't zou mij genoeg zijn, als zij 't wilde doen," hervatte -Jacob. - -"Dus zou je den wil voor de daad nemen?" vroeg Peter. "Doch wie weet -er nog een historie, Haarlem betreffende?" - -"Meen je van het beleg?" zeide Lodewijk. - -"O, neen, daar hebben we in het boekje van Andriessen [6] reeds -zooveel van gelezen, dat het voor ons geen nieuws meer is." - -"Ik weet nog iets, dat ik eens in een boek gelezen heb," zeide -Jacob. "'t Is een heel mooie historie." - -"Nu vertel dan!" riepen allen te gelijk. - -"Goed, maar dan moeten we nog wat zachter rijden," antwoordde de -dikkerd. "Anders kan ik onmogelijk vertellen." - -"Best," antwoordde Peter. "Jongens! Wat meer piano aan." - -"Jaren geleden woonde in Haarlem een blondharige knaap, wiens vader -den post van sluiswachter vervulde. Op zekeren schoonen namiddag in -den herfst nu, toen het knaapje omtrent acht jaren oud was, kreeg -hij verlof van zijn ouders om pannekoeken te brengen aan een blinden -grijsaard, die in den polder woonde aan den kant van den dijk. Het -knaapje bracht een uur bij zijn dankbaren ouden vriend door en ging, -nadat hij afscheid van hem genomen had, vroolijk naar huis terug. - -"Terwijl hij zoo over den dijk ging, bemerkte hij, hoezeer het water -daar langs gezwollen was, en dacht hij aan de stevige sluisdeuren van -zijn vader en hoe boos het water op dezen moest zijn, dat hij het zoo -tegenhield. O, als het eens losbrak en den dijk vernielde of de sluizen -doorbrak, en dat schoone vruchtbare land overstroomde; hoe zou 't dan -met vader of moeder gaan? Vreeselijk zou het dan wraak nemen op zijn -vader, die het zoo lang in toom had gehouden. Nu eens hield hij stil, -om een paar bloempjes te plukken, die daar in het wild groeiden, dan -weder plukte hij een kaars, die hij in de lucht blies, dan bleef hij -stilstaan, om nog eens terug te zien naar het hutje van zijn ouden -vriend, waarvan de glazen gloeiden in het rood der ondergaande zon, -alsof het in lichtelaaie stond. - -"Eensklaps bemerkte ons knaapje tot zijn verdriet, dat hij zich te lang -had opgehouden en dat de zon op het punt was van onder te gaan. Hij -was nog een heel eind van huis verwijderd en reeds werden de blauwe -bloempjes op den dijk grauw en zag hij, dat zijn lange schaduw niet -meer op het gras viel. Hij verhaastte dus zijn stap, om gauwer thuis -te zijn. Op eens echter bleef hij weder staan, daar hij iets gehoord -had, dat hem het bloed in de aderen deed stollen. 't Was het geluid -van neersijpelend water. Waar kwam dat vandaan? Hij onderzocht het en -zag een klein gat in den dijk, waardoor het water als door een smal -gootje liep. Men moest het kind van een sluiswachter zijn, om te weten, -wat er in dat woord lag opgesloten: een gat in den dijk! Als het water -bleef doorsijpelen, dan zou het gat grooter en grooter worden en een -vreeselijke overstrooming ten gevolge hebben. - -"Dadelijk begreep de achtjarige knaap wat hem te doen stond. Hij -wierp zijn bloemen weg en klom van den eenen steen op den anderen, -totdat hij aan het gaatje kwam. Bijna onwillekeurig stopte hij er zijn -vingertje in. Het sijpelen hield op. "Ha!" riep hij met kinderlijke -vroolijkheid uit. "Dat booze water kan er nu niet door. Haarlem zal -niet overstroomd worden, zoolang ik hier ben." - -"Dit ging in 't eerst wel goed; maar de nacht viel al meer en meer, -er kwam een vochtige damp op. Onze kleine held begon van koude en -angst te beven. Hij schreeuwde luid: "Komt hier, komt hier!" maar -niemand kwam. Hij werd hoe langer hoe kouder, een verstijving, -beginnende met zijn vinger en voortgaande over zijn hand en arm, -maakte dat hij spoedig pijn over zijn gansche lichaam voelde. Hij -riep nogmaals: "zal er dan niemand komen? Moeder! Moeder!" Helaas, -zijn moeder, zijn goede lieve moeder, had de deur reeds gesloten en -besloten, haar zoon morgen braaf te beknorren, omdat hij den nacht -bij den ouden blindeman was gebleven. Hij wilde fluiten--misschien -zou de een of andere rondzwervende knaap het teeken hooren, maar zijn -tanden klapperden zoo, dat het hem niet doenlijk was. Toen bad hij -God om hulp en nam het vaste besluit: "Ik wil hier tot morgen blijven." - -"De maan kwam op en bescheen de kleine gedaante, die daar eenzaam -en verlaten op een steen zat, halfweg de glooiing van den dijk. Zijn -hoofdje hing hem op de borst, doch hij sliep niet; want nu en dan wreef -hij den uitgestrekten arm, die als vastgeketend was aan den dijk--en -meermalen keerde zich het bleeke, betraande gelaat plotseling om, -bij een wezenlijk of denkbeeldig geluid. - -"O, wat leed de knaap in dien langen en vreeselijken nacht. Hoe -dikwijls wankelde hij in zijn voornemen, als hij aan het warme bedje -bij zijn ouders dacht, aan zijn broertjes en zusjes, die al gerust -sliepen, en daarbij aan den kouden treurigen nacht! Maar als hij -zijn vinger wegtrok, dan zou het verbolgen water, dat hoe langer -hoe toorniger werd, weer doorsijpelen, het gat zou grooter worden en -niet tevreden zijn, vóór het de stad overstroomd had! Neen, hij zou -het tegenhouden, tot het daglicht aankwam, indien hij ten minste zoo -lang leefde. Hij was er niet zeker van, of dat zoo lang zou duren; -want wat beteekende dat vreemde gesuis in zijn ooren? En was 't niet -of hij van hoofd tot voeten met messen werd geprikt? - -"Met het aanbreken van den dag kwam er een geestelijke, die dien -nacht aan het bed van een stervende gewaakt had, den dijk langs en -meende een zacht gekerm te hooren. Hij boog zich voorover om te zien -wat het was en zag een kind, dat van pijn in elkander kromp. - -"In 's Hemels naam, jongen! Wat doe je daar?" riep hij uit. - -"Ik houd het water tegen, dat door den dijk sijpelt," antwoordde het -kind met flauwe stem. "Zeg, dat zij gauw komen." [7] - -"Ik behoef u niet te zeggen, dat er spoedig hulp kwam en dat Haarlem -zoo door een kleinen knaap gered was," eindigde Jacob. - - - - - - - - -ZEVENDE HOOFDSTUK. - -HOE GOED HET KAN ZIJN, ALS MEN IN EEN KOUDEN WINTERNACHT -ZONDER DEK LIGT. - - -Nadat Jacob Poot zijn verhaal geëindigd had, gaf de kapitein bevel om -harder te rijden, en voort ging het langs de gladde baan als hadden -zij de vleugels van Mercurius onder de voeten gebonden. Hoe verder -zij van Haarlem zich verwijderden, hoe minder het ijs bevolkt was; -doch toen zij de Piet-Gijzenbrug waren doorgereden, bemerkten zij -door het meer en meer aanwassend aantal schaatsenrijders, dat zij -langzamerhand Leiden naderden. Onder vroolijke gesprekken, nu eens -twee aan twee dan tusschen drie, dan door alle zes te gelijk gevoerd, -kwamen ze al dichter en dichter bij de stad, toen er iets gebeurde, -dat de pret in treurigheid dreigde te veranderen. Jacob Poot, die -zeker eenige ponden meer had mee te dragen dan zijn makkers, had -reeds een paar malen in stilte aan zijn neef geklaagd, dat hij zoo -moe werd, en om zijnentwil hadden de anderen ook al eens hun vaart -ingekort. Maar zooals het gaat met jongens, die schaatsen rijden en -nog geen vermoeienis gevoelen, zoolang zij ten minste op het ijs zijn, -telkenmale waren zij weer vlugger aan 't rijden gegaan, toen op eens -Frits Verdam, die zich onwillekeurig omkeerde, uitriep: - -"Goede Hemel! Daar gaat Jacob van zijn stokje." - -Bij dien kreet hielden al de jongens eensklaps op en snelden naar -Jacob toe, die bleek en roerloos als een lijk op het harde ijs was -neergevallen. - -"Jacob! Jacob! Wat scheelt je?" riep Ben in 't Engelsch. - -"Wat scheelt je, Jacob?" herhaalde Peter in 't Nederlandsch. - -"Maar, al hadden ze Sanskritsch gesproken, de arme Jacob Poot zou -het evenmin verstaan hebben als hij het Engelsch of Nederlandsch -deed. Peter en Karel trachtten den bezwijmde op te helpen, maar hij -was nu nog zwaarder dan anders. Tal van menschen verzamelden zich -om hen. De een zeide dit, de ander dat; ieder wist raad, zooals het -trouwens altijd in zulke gevallen gebeurt. - -"Wrijf zijn handen," riep een vrouw op schaatsen. - -"Zet hem op zijn beenen," zeide een ander. - -"Geef hem een slok brandewijn," riep een man. "De kou zal hem bevangen -hebben!" - -"Ja, ja, geef hem wat brandewijn!" riepen wel twintig stemmen te -gelijk. - -"Ja, brandewijn! brandewijn," schreeuwden Peter en Karel. - -"Heeft niemand hier wat brandewijn?" - -"Maakt toch maar zoo'n leven niet, jongeheeren," zeide een dikke -Leidenaar, die de hand in zijn jaszak stak als om er wat uit te -halen. "Wat doet die jongen zoo mal te zijn, om flauw te vallen als -een meissie?" - -"Brandewijn!" riep Lodewijk smeekend. "Anders sterft hij nog." - -"Hij is al dood!" zeide een van de omstanders. - -Benjamin lag bij zijn neef neergeknield en ondersteunde met tranen -in de oogen diens hoofd. - -'t Was akelig om te zien hoe doodsbleek dat anders zoo blozende -gelaat was en hoe pijnlijk die straks nog zoo vriendelijke en goedige -trekken stonden. - -"Hier," zeide de dikke Leidenaar, die eindelijk zijn veldflesch met -brandewijn had gevonden. "Giet hem daarvan wat tusschen de lippen." - -Dankbaar nam Peter de veldflesch aan en deed wat de man zeide. En -die brandewijn deed goede uitwerking. Jacob loosde een diepen zucht, -deed de oogen open en keek verwilderd rond. Toen hij echter Ben zag, -die hem met tranen in de oogen aanstaarde, en zijn makkers, die rondom -hem stonden, scheen hij te begrijpen, wat er met hem gebeurd was. Met -behulp van Peter en Karel richtte hij zich op. - -"'t Was de vermoeienis," zeide hij flauw. - -"We moeten zien, dat we hem in een dier groote sleden krijgen, die -hier telkens voorbijrijden," zeide Karel. - -Over 't algemeen is onze natie een hulpvaardig volk. Vooral vindt men -onder de geringere burgerklasse een medelijden, dat inderdaad treffend -is. Laat iemand op straat wat overkomen, terstond zijn er tien, twintig -handen gereed, om hem bij te springen, al is ook de ongelukkige in -lompen gewikkeld--en 't is aardig om te zien, hoe ieder volgaarne zich -inspant, om toch maar te helpen of om raad te geven. Nauwelijks had -Karel den wensch geuit, of reeds waren er drie sleden aangehouden, -van welke een ledig en groot genoeg was, om ons zestal te bevatten: -want zij wilden hun makker niet alleen laten--en, om u de waarheid te -zeggen, "zij waren niet moede, behalve in hun beenen," en vonden 't -dus niet onaardig, op zulk een gemakkelijke wijze in Leiden te komen. - -Zij lieten dus hun Spartaansch besluit, om Leiden op schaatsen te -bereiken, varen, om een ander Spartaansch besluit uit te voeren, dat -zij wel eenigszins hoog opvijzelden: "hun makker niet verlaten". Zij -bedankten dus den dikken Leidenaar, die voor zijn brandewijn geen geld -wilde aannemen, vriendelijk, en stapten in de slede, een kales, waarvan -de wielen waren afgenomen en die op twee met ijzer beslagen balken -was bevestigd. Zooals zij vernamen, had de voerman er eenige heeren -en dames mee naar een buitenplaats gebracht en keerde hij ledig naar -Leiden terug. Voor een gulden zou hij de knapen naar de stad brengen. - -"Hoe is 't nu, Jacob?" vroeg Benjamin, toen men eenige oogenblikken -zat en de paarden in vollen draf waren. - -"O, veel beter," antwoordde deze met een paar oogen, zoo lodderig -als van een kabeljauw, die op een warme stoof zijn testament maakt. - -"Je moet niet gaan slapen, Jacob," zei Frits. "'t Is te koud om in -de open lucht te slapen. Je weet zelf zoo goed als ik, hoe gevaarlijk -dat is." - -"Ik denk aan geen slapen," antwoordde Jacob op goedigen toon, en twee -minuten later sliep hij als een os. - -Peter en Lodewijk moesten er om lachen. - -"We moeten wakker maken hem," zeide Ben, terwijl hij den dikkerd aan -den arm schudde. "Jacob! Jacob!" - -Daar drie van de jongens Ben hielpen om Jacob wakker te schudden, -begreep kapitein Peter, dat hij er zich mee bemoeien moest. - -"Laat hem slapen, jongens! Ben je mal, om hem zoo te schudden. Zóó -snurkt men niet, als men doodvriest. Bedekt hem met iets -warms. Koetsier," zeide hij, "geef den pijjakker eens waar je op zit, -om dien jongeheer voor de kou te beschutten." - -Deze voldeed hieraan. - -Peter bedekte Jacob met den pijjakker. - -"Ziezoo," zeide hij, "laat hem nu maar slapen. Als hij wakker wordt, -zal hij geheel en al beter zijn. Hoever zijn wij nog van Leiden?" - -"Een klein half uurtje," antwoordde de voerman. - -Toen zij Leiden's toren in 't gezicht kregen, werd Jacob wakker. - -"Hoe is 't nu, Jacob?" vroeg Ben. - -"O, ik ben weer beter, maar doodmoe," antwoordde hij. - -"Nu, dat zijn wij ook," zeide Frits openhartig. "Zoolang wij op -schaatsen waren, voelden wij geen vermoeienis; maar nu wij gezeten -hebben, voelen wij onze beenen." - -"Weet je een goed logement, niet te duur, koetsier?" vroeg Peter. - -"In "De Roode Leeuw," gaf de voerman ten antwoord. "Daar heeft men -'t goed en ze halen je het vel niet over de ooren." - -"Kun je ons tot zoover brengen?" - -"Tot bijna voor de deur." - -"Goed zoo, dan zul je een fooi extra hebben." - -Het duurde niet lang, of de knapen stapten de slede uit en het hotel -in, waar "De Roode Leeuw" uithing. - -De kastelein, een klein, dik mannetje, stond met zijn lange pijp in -de deur van zijn logement en groette onze jonge reizigers beleefd, -die zulk een grooten honger hadden, dat hun eerste vraag was: - -"Kastelein, heb je wat voor ons te eten?" - -"Om de heeren te dienen. Wat zullen de heeren gebruiken?" - -"Maak maar wat klaar," antwoordde Peter, die vrij wat in zijn schik -was, dat zij heeren genoemd werden. - -"Mag ik dan den heeren maar verzoeken binnen te gaan," hernam de -kastelein, terwijl hij de gelagkamer opendeed, waar de kachel lekker -gloeiend stond. - -"Ik kan niet zeggen, dat de koetsier ons juist een fijn logement -heeft aangewezen," zei Peter, toen de kastelein vertrokken was. "'t -Lijkt hier wel zoo'n voermanslogies." - -"Wanneer wij gegeten hebben, kunnen wij hem betalen en een ander -logement opzoeken," meende Lodewijk. - -"Laat ons maar hier blijven," zeide Jacob, die weinig lust gevoelde, -om over de straatsteenen te gaan en een ander logement op te zoeken. - -"'t Is misschien een aardig avontuur op onzen tocht," zeide Frits. - -"'t Is juist niet altijd het aardigst, als men alles zoo tout-à-fait -heeft." - -"Kom, laat ons dan de stemmen opnemen," zeide Peter. "Waarvoor stem -jij, Lodewijk?" - -"Voor hier blijven." - -"Jacob Poot?" - -"Vóór, sterk vóór!" - -"Benjamin Dobbs?" - -"Buiten stemming." - -"Frits Verdam?" - -"Vóór!" - -"Karel Schimmel?" - -"Tegen." - -"En ik ben er vóór. Alzoo vier stemmen vóór, één tegen, één buiten -stemming. Dus blijven we hier." - -"Uitmuntend," zei Frits. "Jammer echter, dat wij niet aan het -spreekwoord gedacht hebben, hetwelk hier inderdaad te pas komt, dat -men niet buiten den waard moet rekenen. Wij hebben buiten den waard -gerekend en zullen dus eerst moeten wachten, of hij ons logeeren kan." - -Frits schelde. - -"Zeg eens, kastelein," zeide Peter. "Kunnen wij hier van nacht -logeeren?" - -"Indien de heeren zich met drie bedden willen vergenoegen, dan heb -ik een mooie kamer voor hen." - -Peter keek een weinig bedenkelijk en zeide: - -"Hoor eens, kastelein, op voorwaarde, dat we je kamer eerst eens zien -en de bedden inspecteeren mogen." - -"Als de heeren eerst willen eten, dan zal mijn vrouw in dien tijd de -bedden opmaken, antwoordde de kastelein. - -"Heel goed," antwoordde Peter. - -De kastelein vertrok met een buiging. - -"Daar heb je verstandig aan gedaan, Peter, dat je de conditie maaktet -om eerst de kamer te zien en de bedden te inspecteeren," zeide Frits. - -"Wel zeker; al zijn we 't beter gewend, is 't niet onaardig om ons -eens te behelpen. Maar zij moeten ons in geen smerige bedden stoppen, -daar zou ik voor bedanken," antwoordde Peter. - -"En ik," hernam Frits. "Maar de waardin zal er nu wel op passen dat -alles in orde is." - -Het eten was niet slecht, en de jongens deden den maaltijd -eer aan. Koud rundvleesch, ham en warme karbonade met goede -zandaardappelen, appelmoes en andijviesla deden zich goed smaken -door ons zestal, dat sedert twee uren niets had genuttigd en hetwelk -de koude lucht en de meer dan gewone inspanning geducht hongerig -hadden gemaakt. - -Toen de maaltijd gedaan was, zeide Peter: - -"Nu ga ik dokter Broekman opzoeken.--Weet je ook, kastelein, waar -die logeert?" - -"In "De Gouden Engel" op de Breestraat," antwoordde de kastelein. "Ik -zal mijnheer iemand meegeven; anders mocht hij den weg niet vinden." - -"Dat is goed," antwoordde Peter. "Wie van jelui heeft lust, mij te -vergezellen? Dan kunnen wij Leiden eens bij den avond zien." - -"Ik ga mee," zeide Ben. "Ik ben begeerig om te zien Leiden." - -"Ik blijf Jacob gezelschap houden," zeide Lodewijk. - -"En ik ben te lui, om nu over de straatsteenen te gaan loopen," -voegde Karel Schimmel er bij. - -"En jij, Frits?" vroeg Peter. - -"Wel, laat ons deelen. Drie blijven er thuis, dan gaan er drie naar -dokter Broekman. Ik zal de derde wezen." - -"Zorgt dan, dat jelui ons met een kopje thee wacht," zeide -Peter. "Schaatsenrijders zijn altijd dorstig, vooral wanneer zij zulk -een goed middagmaal hebben genoten." - -"Willen de heeren niet eerst de kamer zien?" vroeg de kastelein. - -"Dat is waar ook," zeide Peter. "Wie gaat er mee op dien tocht?" - -Allen, behalve Jacob, vergezelden hem op de expeditie, die zeer wel -ten genoegen van het vijftal afliep. - -Peter vertrok nu met Frits en Benjamin, onder het geleide van -een kleinen jongen uit de herberg, die afschuwelijk plat Leidsch -sprak en hem tot vervelens toe "menhair" noemde, maar hen toch -goed terechtbracht. Zij vonden dokter Broekman niet in "De Gouden -Engel". Hij was dien namiddag naar 's-Gravenhage vertrokken en zou -eerst den volgenden dag tegen den middag terugkomen. Peter zei den -kastelein, dat hij een brief voor den dokter zou bezorgen, dien de -logementhouder hem beloofde, dezen terstond bij zijn aankomst ter hand -te zullen stellen, wandelde met zijn makkers de Breestraat op en keerde -daarna in "De Roode Leeuw" terug, waar Jacob een tukje zat te doen -en de beide anderen hen met een lekker kopje thee zaten te wachten. - -Intusschen waren onze drie jongelieden niet meer de eenigen, die zich -in de gelagkamer bevonden. Er waren twee mannen gekomen, blijkbaar -voerlieden, hetgeen men bemerkte aan de lange zweepen, die tegen -den schoorsteenmantel stonden. Peter kon niet zeggen, dat hij dit -gezelschap heel pleizierig vond, en hij zag wel aan het gelaat van -zijn makkers, dat zij er ook zoo over dachten. Frits Verdam, die -bij een boekverkooper op de Breestraat een plaat gezien had, waarop -eenige struikroovers bezig waren, een reisgezelschap uit te plunderen, -fluisterde Peter in het oor: "Die eene kerel lijkt net op den roover, -die op de Breestraat de arme dame het pistool op de borst zette." Karel -Schimmel, die dat hoorde, keek angstig naar den hoek van den haard, -waar de mannen half zaten te slapen. En inderdaad, een van de beide -nieuw aangekomenen had wel iets in zich, om vrees te boezemen. Naar -het scheen was hij de knecht van den andere, die een rond, vriendelijk -gelaat had en dapper snurkte. Of hij echter werkelijk sliep, dan of hij -zijn loerende oogen tusschenbeide op de welgekleede knapen wierp, durf -ik niet verzekeren; wel, dat zijn verwilderd haar, zijn ongeschoren -baard, zijn mager beenig gelaat, gevoegd bij zijn haveloozen pijjakker, -zijn gelapte broek en smerige klompen, bijzonder geschikt waren, de -vroolijke gesprekken der knapen te doen verstommen, zoodat zij op -'t laatst bijna fluisterend spraken. Gelukkig dat beiden, na een -drietal glazen jenever gedronken, een paar pijpen stinkende tabak -gerookt en hun avondeten gebruikt te hebben, den kastelein bevalen, -hun hun slaapplaats te wijzen, en met hem de gelagkamer verlieten. - -"Goddank, dat zij weg zijn!" riep Karel Schimmel uit, toen de deur -achter hen dicht ging. "Als 't zoo laat niet was en wij hadden -ons logies niet reeds betaald, dan zou ik er wel vóór zijn, om een -ander logement op te zoeken. Die eene kerel is in staat, ons allen -te vermoorden." - -"Ik zou je bedanken," zeide Jacob, die zijn laarzen sedert lang had -uitgetrokken en een paar pantoffels aangeschoten, welke hij van de -dochter van den kastelein geleend had. "Ik ben waarlijk reeds blij, -dat ik niet verder dan van hier naar onze slaapkamer behoef te gaan, -en er dan nu nog op uit te snijden, om een logement te zoeken! Ik ben -zoo bang niet voor dien man. Hij is misschien niet zoo kwaad als hij -er wel uitziet." - -"We moesten den kastelein, dunkt mij, maar zeggen, dat hij het -avondeten op tafel zet," zeide Peter, "ofschoon ik er niet veel van -gebruiken zal: want ik heb van middag copieus gegeten." - -"Ja, dat is goed," zeide Jacob. "Ik begin mooi slaap te krijgen en -naar bed te verlangen." - -"Jij slaap te krijgen!" riep Frits lachend uit. "Je hebt den ganschen -dag nog niets anders gedaan dan slapen. 't Is jammer, dat de tijd der -toovernimfen over is; anders kon je naar de schoone slaapster in het -bosch gaan en honderd jaren lang slapen." - -"En dan zou ik wel de prins willen zijn, die in het bosch jaagde," -zeide Frits. - -"Om onzen dikken vrind wakker te maken," schertste Lodewijk. "Waarlijk, -daar zou niet veel eer aan te behalen zijn." - -"Neen, om de schoone prinses te doen ontwaken (want er moest natuurlijk -een schoone prinses bij zijn) en dan met haar te trouwen." - -"Ei, ei, je bent ook niet mal!" riep Lodewijk lachend uit. "'t Is -maar jammer, dat er op Broek geen andere prinsessen zijn dan Hilda -en Truida." - -"Of Kato," voegde Peter er bij. "Maar daar komt de kastelein.--Wees -zoo goed, ons avondeten klaar te zetten, hospes!" zeide hij tot dezen. - -Onder vroolijke gesprekken ging de avondmaaltijd voorbij, en, ofschoon -Peter niet veel honger had, deed hij dien toch tamelijk eer aan. - -Onze knapen bleven, na het gebruik van het avondeten, niet lang -meer zitten, maar lieten zich, zoodra zij gedaan hadden, naar hun -slaapkamer brengen. Het was gansch geen vriendelijk vertrek, waar -zij hun nachtverblijf zouden houden; een donker, smerig behangsel -en een houten, lichtbruin geverfde vloer, terwijl de neteldoeksche -gordijnen voor de ramen met kleine vuile ruiten, die het licht der -maan, welke zoo pas opgekomen was, doorlieten, het kille van het -vertrek nog kouder maakten. Maar onze jongens hadden te veel slaap, -om zich lang uit te kleeden. Het duurde dan ook niet lang, of Peter, -die 't laatst was opgebleven, deed den domper op zijn kaars en stapte -in zijn bed, waarin Jacob zich reeds lekker in de dekens gerold had. - -"Nacht, jongens!" zeide de kapitein, toen hij in het bed stapte. - -Slechts vier stemmen antwoordden--Jacob alleen gaf antwoord door -zijn snurken. - -"Hoort eens, jongens," zeide Karel, die naast Lodewijk lag. "Je moogt -wel niet snurken: want Lodewijk ligt al te beven van angst." - -"Ja, van kou; ik zou niet weten, waarvoor ik bang zou zijn." - -"Hou je nu maar goed, man," antwoordde Karel. "Ik weet toch, dat je -benauwd bent voor dien roover van hedenavond." - -"Nu, dan ben ik maar bang. Gelukkig, dat ik achteraan lig. Als hij -ons dan vermoorden wil, pakt hij jou 't eerst bij de keel." - -"Slapen gaan, jongens!" riep de kapitein. "We moeten morgen niet te -laat op. Goeden nacht dus!" - -Om de waarheid te zeggen, had Lodewijk te veel slaap om te disputeeren, -en het duurde niet veel langer dan vijf minuten, of men hoorde uit -de drie ledikanten slechts het gesnurk der schaatsenrijders. - - - -'t Was in 't holst van den nacht. De maan scheen helder op den vloer -der kamer, op welken zich iets zwarts bewoog, dat de jongens geen van -allen vermoedden of zagen. Slapende jongens denken aan geen gevaar. De -dikke Jacob had zich intusschen al eens in zijn slaap omgedraaid en, -ongelukkig voor Peter, juist naar die zijde, dat hij zich als een -Egyptische mummie in de dekens rolde en daardoor het deel, dat zijn -buurman in het dek toekwam, met zich nam. De mummie lag nu warm en -wel naast den bevrozen Peter, die natuurlijk in zijn droom uit al -zijn macht over de ontoegankelijkste ijsbergen schaatsen reed. - -Zooals ik u reeds zeide, bewoog zich in het maanlicht een zwarte -gedaante over den bruin geverfden vloer--langzaam en behoedzaam als -een tijger, die zijn prooi beloert. - -"Word toch wakker, Lodewijk! Dat is de roover, voor wien Karel zeide, -dat gij bang waart." - -Maar Lodewijk wordt niet wakker.--Hij snurkte, alsof hij nooit wakker -moest worden. - -Hoort Karel 't dan niet? Die dappere Karel, die zooveel pleizier had, -omdat hij meende, dat Lodewijk bang was? - -Wel neen, Karel droomt van de hardrijderij. - -En Jacob, Frits of Ben? - -Ook zij hooren 't niet. Ook zij droomen van den wedloop. Kato -zingt in hun droomen en Truida is boos, omdat Griete zal meedoen, -en Ben hoort het groote orgel weer spelen, waarop de dikke Jacob als -organist ageert. - -En toch beweegt de zwarte gedaante zich, langzaam, behoedzaam, al -nader en nader. - -Peter! Kapitein Peter! Word toch wakker! Daar is gevaar! - - - -Peter hoort ons roepen niet. Maar in zijn droom glijdt hij eensklaps -van een ijsberg van ruim duizend voet in de diepte en wordt wakker -door den schok. - -Brr! Wat is dat koud! Hij trekt met wanhopige kracht aan de -mummie. Tevergeefs. Laken, katoenen sprei en wollen deken, alles is -als een muur om Jacob's dikke en slapende gestalte gewikkeld. Peter -werpt een treurigen blik naar het door het maanlicht beschenen venster, -daarna op den vloer. - -"Heldere maneschijn!" denkt hij. "We zullen morgen mooi weer hebben -op onze reis naar Den Haag. Sakkerloot! Wat is dat?" - -Hij ziet de zwarte gedaante, die zich over den vloer beweegt of -liever nu stilhoudt; want toen Peter zich bewoog, was zij onbeweeglijk -gebleven. - -Peter houdt zich doodstil en staart onafgewend op de donkere gedaante. - -Weder beweegt zij zich, al nader en nader. Door het maanlicht kan de -knaap haar duidelijk onderscheiden. - -'t Is een man, die op handen en voeten kruipt. - -De kapitein wil een luid geschreeuw aanheffen; doch hij bedenkt -zich bijtijds. - -De kerel heeft een blinkend mes in de hand. Dat is een leelijke zaak; -maar onze Peter verliest zijn tegenwoordigheid van geest niet. Als -de vent zijn hoofd naar hen wendt, heeft hij de oogen gesloten; maar -zoodra hij gevoelt, dat hij niet bespied wordt, is zijn blik scherp -op elke beweging van den kruipende gericht. - -Al dichter en dichter kruipt de dief naar het bed, waarop Jacob -en Peter liggen. Op 't oogenblik is zijn rug naar den kapitein -gericht. Zachtkens legt hij het mes op den vloer neder en strekt zijn -arm behoedzaam uit, om de kleeren van den stoel bij Peter's bed naar -zich toe te trekken. - -Nu is 't Peter's tijd. Terwijl hij zijn adem inhoudt, springt hij -op en werpt zich op den rug des roovers, die door het onverwachte -en geweldige van den sprong voorover op den grond neervalt. Te -gelijk grijpt hij het mes van den kerel, dat op den grond ligt. De -roover begint tegen te worstelen, maar als een reus zit Peter op de -neergestreken gedaante. - -"Als je 't hart hebt, je te bewegen, schoelje," zegt de dappere -jongen met zulk een barsche stem, als hij maar kon voortbrengen, -"als je je maar een duim verroert, dan steek ik je het mes in je -nek. Jongens! jongens! wordt wakker!" riep hij, terwijl hij den -zwarten kop naar de laagte drukte en het scherpe mes vlak op den nek -des roovers hield. "Helpt een handje! Ik heb den kerel! Ik heb hem!" - -De mummie keerde zich om, maar gaf geen ander teeken van leven. - -"Op, jongens!" schreeuwde Peter nog luider, terwijl hij -den kerel, die begon te worstelen, met zijn mes in den nek -prikte. "Lodewijk! Karel! Frits! Ben! Jacob! Ben je dan allemaal dood?" - -Dood! dat waren ze in 't geheel niet. - -Frits en Ben waren reeds uit het bed gesprongen. - -"Wat schreeuw je toch?" riep Frits. "'t Is of het huis in brand staat." - -"Wel, ik heb hier een roover gevangen," zeide Peter koel. "Lig stil, -schurk of het mes gaat er in!--Jelui ledikant is met een touw aan -elkander gebonden. Haalt dat er af, om den schelm te binden. Doe 't -maar op je dooie gemak; want als de kerel het hart heeft, om spul te -maken, is hij een kind des doods." - -Dat Peter zoo kordaat was, kwam, omdat hij gevoelde, dat hij, met dat -mes in zijn hand, voor den kerel op 't oogenblik meer dan duizend pond -woog. De vent bromde en vloekte, maar bewegen durfde hij zich niet. - -Op dit oogenblik sprong ook Lodewijk uit zijn bed. Hij had een ferm -knipmes in zijn broekzak. Dat kon nu goeden dienst doen. In een -oogenblik waren de gordijnen van het ledikant omhooggeslagen en zagen -zij het touw, dat van voren en van achteren aangeknoopt was. - -"Ik zal het lossnijden," zeide Lodewijk, terwijl hij met zijn mes -den knoop doorzaagde. "Hou hem maar goed vast, Peter!" - -"Heb daar maar geen vrees voor," antwoordde de kapitein, terwijl hij -den roover de punt van zijn mes liet voelen. - -'t Duurde niet lang, of het touw was van het ledikant; het was een -mooi lang eind. - -"Nu, jongens!" beval de kapitein. "Licht nu de armen van den schurk -op. Bindt hem de handen op den rug. Zoo is 't goed--neemt mij niet -kwalijk, dat ik zoo in den weg zit--bindt hem maar stevig vast." - -"Ja, en zijn voeten ook, den schurk!" riep Lodewijk. En zij bonden -hem zóó stevig, dat de kerel van pijn kermde. - -Thans veranderde de man van toon. - -"Ach, lieve jongeheeren!" smeekte hij. "Spaart toch een armen, -kranken man, die een slaapwandelaar is." - -"Zoo, mannetje!" zei Frits, die nog bezig was om een knoop in het -koord aan 's mans been te leggen. "Was je in slaap? Nu, dan zullen -we je wel wakker maken." - -De kerel mompelde een paar voermansvloeken; toen riep hij -op deerniswekkenden toon: "Maakt die touwen los, lieve, beste -jongeheeren! Ik heb vijf kleine kinderen thuis. Bij al wat heilig is, -ik zal u ieder vier rijksdaalders geven, als gij mij loslaat! - -"Niet onaardig," riep Peter lachend uit. - -Toen begon de kerel te dreigen en wel zóó verschrikkelijk, dat Lodewijk -er bang voor werd. Maar zij bleven hem toch maar dapper binden. - -"Houd je mond, mijnheer de huisbreker," zeide Frits. "Bedenk, dat -je mes vlak op je hals is. Als je onzen kapitein zenuwachtig maakt, -dan sta ik er niet voor in, wat er gebeuren kan." - -'t Scheen, dat de roover die bedreiging ter harte nam; hij zweeg -ten minste. - -Juist op het oogenblik bewoog zich de mummie in Peter's bed en richtte -hij zich op. "Wat voer jelui toch uit?" riep hij, zonder zijn oogen -open te doen. - -"Wat we uitvoeren, Jacob?" zeide Lodewijk. "Kom, sta op! Daar is werk -voor je aan den winkel. Ga jij eens op den rug van dien kerel zitten, -totdat wij onze kleederen hebben aangeschoten; want we bevriezen -bijna van de kou." - -"Welken kerel?" - -"Leve Poot!" riepen de jongens, toen de dikzak met dek en al het bed -uitkwam, met een enkelen blik de zaken overzag en nu met zijn zware -lichaam naast Peter op den rug des roovers ging zitten. - -Nu eerst kermde de kerel terdeeg. - -"Ziezoo, blijf jij nu maar op hem zitten," zei Peter. - -"Je zult toch geen kou vatten met je dekens om 't lijf. Intusschen zal -ik mij aankleeden en met Frits naar de politie gaan. Sakkerloot! Ik -ben zoo koud als een visch geworden." - -"Waar is Karel?" vroeg Lodewijk, die zijn slaapkameraad miste. - -Allen keken rond--Karel was nergens te zien. - -"Lieve Hemel!" riep Frits. "Misschien heeft hij den kerel op de trap -ontmoet en heeft die hem doodgestoken. Er was toch geen bloed aan -het mes?" - -"Hij lag nog in het bed, toen ik er uitsprong," zei Lodewijk. - -"Maak je maar niet ongerust over hem," zeide Peter lachend, terwijl -hij zijn dikken pijjakker vastknoopte. "Kijk maar eens onder de -ledikanten." - -Dit deden zij; maar Karel was er niet. - -Op dit oogenblik hoorden zij een beweging op de trap en een paar -seconden later kwam de waard, gewapend met een zwaren ijzeren -pook. Zijn dochter volgde hem met de blaaspijp in de eene hand en -een brandende kaars in de andere, en daarachter--zoo bleek als een -doode en met het angstigste gezicht, dat men zich kan voorstellen--de -dappere Karel in zijn hemd. - -"Daar is de kerel al, kastelein," zeide Peter, terwijl hij op den -gevangene wees. - -De kastelein hief zijn pook op om den kerel een slag te geven en -de dochter gaf een gil, terwijl Jacob, vlugger dan men van hem zou -verwacht hebben, van den rug des gevangenen afsprong. - -"Sla hem niet," zeide Peter. "Hij is aan handen en voeten -gebonden. Laat ons hem op den rug draaien en zien, wie hij is." - -Karel stapte moedig voorwaarts en zeide op dapperen toon: - -"Ja, laat ons hem omdraaien, of 't hem bevalt of niet. Gelukkig, -dat we hem gesnapt hebben." - -"Hé, ben jij daar, Karel? zeide Lodewijk spottend. "Waar heb je toch -gezeten, man?" - -"Waar ik gezeten heb? Wel, ik heb alarm gemaakt. Mij dunkt, dat dit -noodig was." - -De jongens keken elkander glimlachend aan; maar zij waren veel te -blij en te opgewonden, om Karel verder te plagen. Karel was moedig -genoeg. Hij hielp dapper mede aan het omkeeren van den kerel. - -Toen de roover nu met het gezicht naar boven lag, nam Lodewijk de -kaars uit de hand van het meisje en hield die vlak bij het gelaat -van den gevangene. - -"Nu moet ik hem toch eens goed zien," zeide hij. "Inderdaad--het is -de kerel, die van avond achter de kachel zat." - -"Waarlijk, hij is het!" zeide Peter. - -Intusschen was de dochter van den kastelein de kamer uitgegaan. Zij -kwam een oogenblik daarna weer binnen met een paar smerige klompen. - -"Kijk, vader," zeide zij, "'t is dezelfde kerel, die van avond zoo -laat met zijn baas hier kwam. 't Was heel onvoorzichtig van ons, -dat wij hem zoo dicht bij de jongeheeren lieten slapen." - -"Die schurk!" kreet de kastelein. "Hij heeft mijn logement in -miskrediet gebracht. Ik ga terstond om de politie." - -In minder dan een kwartier waren er twee stevige nachtwachts in de -kamer. Nadat zij den kastelein gezegd hadden, dat hij den volgenden -morgen vroeg met de zes jongeheeren op het politiebureau moest komen, -om hun getuigenis af te leggen, gingen zij met den gevangene heen. - -Nu zoudt gij misschien denken, dat de kapitein en zijn volk het -verdere van dien nacht geen oog meer loken. Dat weten mijn lezers wel -beter. Het kruid is nog niet uitgevonden, dat een jongen, die een goed -geweten heeft en vermoeid is, kan beletten om te slapen. 't Duurde niet -lang of zij waren allen te bed (dat van Lodewijk en Karel, waarvan -de onderlagen waren losgeschoten, lag op den vloer), hadden roover, -politie, wedloop, alles vergeten en sliepen allen behalve Karel, -die 't maar niet kon vergeten, dat hij zich zoo laf had aangesteld, -doch ook spoedig het voorbeeld der anderen volgde en in slaap viel. - - - - - - - - -ACHTSTE HOOFDSTUK. - -WAT ONZE KNAPEN AL ZOO IN LEIDEN ZAGEN. - - -'t Was tien uren, vóór ons zestal den volgenden morgen beneden kwam. - -"Laat hen maar slapen," had de dochter van den kastelein tegen haar -vader gezegd. "De moedige jongens mogen hun rust wel hebben na de -vermoeienissen van gisteren en den schrik van dezen nacht. En als -zij beneden komen, zullen zij een goed ontbijt hebben--daar kunnen -zij op rekenen. En wat warms ook." - -Nu, zij hadden dan ook ruimschoots gebruik van de gelegenheid tot -slapen gemaakt en gevoelden zich recht verfrischt, ja, zelfs Jacob -Poot kon niet begrijpen, dat hij den vorigen dag een tocht van Broek -naar Leiden had gemaakt. Over 't geheel konden de jongens zich niet -voorstellen, dat zij gisterochtend nog in het hartje van Noord-Holland -waren; er was dan ook zóóveel gebeurd, dat het hun was, als waren -zij reeds een week op reis geweest. - -"Goeden morgen, heeren!" zeide de kastelein, toen zij beneden -kwamen. "Nu, dat noem ik een gat in den dag slapen. Maar -'t is de schuld van mijn Betje. Zij wilde niet, dat Gerrit u -riep. Intusschen--gaat nu maar spoedig aan het ontbijt, en, als gij -daarmede klaar zijt, dan gaan we naar het politiebureau: want het is -hoog tijd, om ons daar heen te begeven.--'t Is waarachtig een mooi -geval voor een fatsoenlijk logement. Gij zult echter wel naar waarheid -getuigen, heeren, dat gij goed logies en fatsoenlijke behandeling in -"De Roode Leeuw" gehad hebt, niet waar?" - -"Dat zullen wij," antwoordde Karel. "En tevens, welk aangenaam -gezelschap wij er gevonden hebben ook. Jammer dat het op zoo'n -ongelegen uur kwam." - -De kastelein keek mooi beteuterd toen Karel dat zoo zeide; maar zijn -dochter nam het woord en voegde er tamelijk scherp bij: - -"Zoo aangenaam was 't u toch niet, jongeheer, als ik bedenk, hoe hard -en in welk toilet gij zijt weggeloopen." - -Karel Schimmel beet zich op de lippen en mompelde iets, dat niemand -verstond; maar hij wachtte zich wel, een woord meer te zeggen. - -Na het ontbijt wandelden onze zes jongens, in gezelschap van den -kastelein en zijn dochter, naar het bureau van politie. De getuigenis -van den kastelein kwam hierop neer, dat een roover, zooals er den -afgeloopen nacht een in de kamer zijner loges was binnengedrongen, -een ongehoorde zaak voor "De Roode Leeuw" was; dat zijn logement een -respectabel logement was, zoo goed als een in Leiden tusschen zijn -vier muren stond. Ieder van de jongens legde op zijn beurt getuigenis -af en bevestigde, dat de kerel, die werd voorgebracht, dezelfde was, -die dezen nacht op hun kamer was geweest. Toen Karel hem zag, sloeg hij -de handen ineen, dat de man niet grooter was dan een gewoon mensch; -want in zijn getuigenis had hij een reus van hem gemaakt met breede -schouders en een vreeselijk uitzicht. Jacob had getuigd, dat hij wakker -geworden was door het stampen, dat de roover deed op den houten vloer; -maar Peter en de overigen hadden medegedeeld, dat de kerel geen vin -verroerd had van het oogenblik, dat hij de punt van het mes op zijn -nek voelde, totdat men hem had omgekeerd, om hem van aangezicht tot -aangezicht te zien. De dochter van den kastelein dwong den commissaris -een glimlach en een der knapen een blos af, toen zij verklaarde, -dat, als die knappe jongeheer er niet geweest was, zij allen in hun -bed zouden zijn vermoord geworden: "want de schurk had een groot, -blinkend mes, bijna zoo lang als uwés arm," en zij geloofde, dat "de -knappe jongeheer werk genoeg had gehad om hem onder zich te krijgen; -maar de jongeheer was te zedig, om er zich op te beroemen." - -Nadat er proces-verbaal was opgemaakt van het getuigenverhoor en dit -door den kastelein en zijn dochter, als de eenige mondige getuigen, -was onderteekend, werd de schuldige weggebracht en konden onze knapen -naar huis gaan. - -"De schurk!" riep Karel. "'t Is ferm, dat hij naar de gevangenis -gaat. Ze moeten hem maar een jaar of wat geven. Als ik in jouw plaats -geweest was, Peter, zou ik den kerel het mes door den hals gejaagd -hebben." - -"Gelukkig, dat hij dan niet in jouw handen gevallen is, Karel," -antwoordde Peter kalm. "Die arme kerel zal er waarschijnlijk slecht -genoeg afkomen, daar 't mij uit het verhoor is gebleken, dat hij al -vroeger in handen der justitie is geweest, en de omstandigheid, dat -hij van nacht een mes bij zich gehad heeft, nogal verzwarend schijnt -te wezen." - -"Arme kerel!" mompelde Karel luid genoeg, om door Peter verstaan te -worden. "Je praat er warempel over alsof 't je broer was." - -"Is hij dan mijn broer niet?" vroeg Peter. "Hij is 't net zoo -goed van jou als van mij. En kun jij zeggen wat wij onder gelijke -omstandigheden zouden gedaan hebben? Schier van onze geboorte af aan, -hebben onze ouders ons van het kwade teruggehouden. Was die man in -een goed huisgezin en door zorgvuldige ouders opgevoed, wie weet, -welk een braaf mensch er van hem geworden was." - -"Dat is nobel van je gesproken, Piet," zeide Frits Verdam, terwijl -hij hem de hand drukte. "Maar Karel heeft het zoo kwaad niet gemeend." - -"Ik was hardvochtig," zeide Karel, terwijl hij Peter de hand -reikte. "Je bent beter dan ik, Piet!" - -"Kom, laat ons daar maar niet over twisten. Waar zullen we 't eerst -heengaan? Laat Ben dat nu eens beslissen." - -"Naar het Egyptian museum," antwoordde deze. - -"Dat is op de Breestraat," zeide Peter. "Dan gaan wij de ruïne over." - -"De ruïne? Wat is dat?" vroeg Ben, die niets anders dacht, dan dat -hij een steenklomp zou zien, zooals bijvoorbeeld de ruïne van het -huis te Brederode. - -"Daar heb je haar reeds," zeide Jacob, toen zij een prachtig met -boomen beplant en tot wandelplaats ingericht plein overgingen. - -"Maar dat in 't geheel niet doet gelijken op een ruïne," zeide Ben -met een gezicht, als meende hij, dat zijn neef hem voor den gek hield. - -"En toch is de naam zeer juist. Want hier en aan den overkant der -gracht, stonden, in den morgen van den 12den Januari 1807, tal van -huizen die alle in een enkel oogenblik tot puin vielen," antwoordde -Peter. "Papa was toen juist in Leiden en hij heeft het mij dikwijls -verteld." - -"Hé, dan moest je 't ook eens vertellen," zeiden de andere -jongens. "Dat zou aardig wezen, net dat we op de plaats zelf zijn." - -"Met veel genoegen," hervatte Peter. "Weet dan, dat hier, evenals -op het andere gedeelte van het Rapenburg tal van aanzienlijke huizen -stonden met geringere buurten er achter." - -"Daar kunnen er nogal wat gestaan hebben," merkte Frits op. "'t Is -hier een ruimte." - -"Zoo wat van driehonderd, en de ledige oppervlakte is ver over de vijf -bunders groot," hernam Peter. "Nu was er, door welke onvoorzichtigheid -weet ik niet, een schip met veertig duizend pond buskruit op den morgen -van den 12den Januari door de stad gekomen en hier op het fraaiste -gedeelte blijven liggen--ook al een ongehoorde zaak. Eensklaps--door -welke oorzaak weet natuurlijk niemand--barst het schip met een -donderenden slag uiteen en storten door de plotselinge uitzetting -der lucht, drie honderd huizen in puin." - -"Vreeselijk!" riep Ben uit. - -"Ja, wèl vreeselijk. In geheel Leiden zelf bleef er geen glas heel, -en 't was zelfs zóó erg, dat men uit Den Haag en andere plaatsen -brood moest aanvoeren, omdat de Leidsche bakkers niet konden bakken, -daar al hun meel vol glas zat. De slag deed in 's-Gravenhage en Gouda -de glazen dreunen en de deuren openspringen en werd zelfs te Arnhem -gehoord. Maar ook hier toonde zich de Nederlandsche weldadigheid weder -schitterend: meer dan een millioen guldens werd er ingezameld tot -leniging van de ramp. En wat ik niet mag verzwijgen, Ben, en wat je -zeker machtig veel pleizier zal doen als je 't hoort: in Engeland, -dat te dien tijde met ons in zekeren zin in oorlog was, werd een -collecte voor Leiden gedaan, die vrij wat opbracht." - -Ben's gelaat blonk van genoegen over de lofspraak, die Peter aan zijn -volk bracht; want onder de deugden der Engelsche natie is er een, die -zij somtijds zóó ver drijft, dat het een ondeugd wordt: nationaliteit. - -"En heeft je papa je geen bijzonderheden van die ramp verteld?" vroeg -Frits. - -"O ja, en ik wil er je wel een paar van meedeelen, die ik nog onthouden -heb, als ik de namen nog maar weet," antwoordde Peter. "Zekere -mijnheer Van Staveren, bij wien papa dikwijls aan huis kwam, zat in -zijn woonvertrek te schrijven, terwijl zijn vrouw met haar eenig -kindje bij hem in de kamer was. Eensklaps ziet papa's vriend een -licht, sneller dan dat van den bliksem, en op hetzelfde oogenblik -is hij met al zijn huisgenooten onder het puin bedolven. Vreeselijk -gekwetst worden zij er onder vandaan gehaald; doch het arme kind -is verpletterd. Dominee Broes, bij wien papa op de catechisatie -ging, en diens echtgenoote werden ook onder de puinhoopen van hun -huis begraven: zij werden gered, maar hun dienstboden verloren het -leven. Gelukkig, dat de departementale school juist uit was; anders -had een menigte schoolkinderen het aantal slachtoffers aanzienlijk -vermeerderd. Toch waren er nog een twaalftal die tusschen de morgen- en -middagschooltijden overbleven, onder wie een zoontje van professor Van -der Palm. Al die twaalf kinderen, benevens twee van den onderwijzer -zelf, werden levenloos onder het puin vandaan gehaald. Onder de -vreeselijke gevallen, welke papa zich nog herinnert, is ook dat van -een gezelschap van veertien personen, dien morgen met een pleizierjacht -uit Den Haag gekomen. Zij zaten juist aan een vroolijken maaltijd bij -den heer Struick, toen eensklaps het huis boven hun hoofden instortte -en ze allen in een oogenblik een prooi des doods werden. Gelukkig was -de vacantie der academie nog niet uit en werd er geen student gemist: -twee professoren echter, de heeren Luzac en Kluit, lieten bij het -ongeval hun leven." - -"Vreeselijk!" riepen Ben en Frits uit. "En hoeveel menschen kwamen -er wel bij om?" - -"Honderd en vijftig, en ongeveer twee duizend werden er gekwetst. Maar -daar zijn wij aan het museum van oudheden." - -Welke groote oogen zetten zij op bij het zien van die verzameling -van mummies, van welke sommige wel drie duizend jaren oud waren! - -"Zonderling denkbeeld!" riep Frits uit. "Die menschen hebben vóór -drie duizend jaren door Thebe's straten gewandeld, hebben gesproken, -gedacht, bemind en gehaat...." - -"En hun gelijken onderdrukt, die voor hen in 't stof bogen...." voegde -Peter er bij. - -"En ze hebben thans geen macht, om een vlieg weg te jagen, die over -hun neus loopt," zeide Lodewijk. - -Behalve de mummies der volwassenen, zagen zij er van kinderen, katten, -ibissen en andere dieren. Ook de mummie van de dochter van Koningin -Cleopatra in haar groote kist. Verder allerlei huishoudelijke zaken, -kleederen, sieraden, wapenen, muziek-instrumenten, kortom, allerlei -dingen, die hun een klaar denkbeeld gaven van de zeden en gebruiken -der oude Egyptenaren. Ook bezagen zij er verschillende overblijfselen -van het oude Rome en Griekenland; ook enkele, die niet ver van Den -Haag zijn opgedolven op Arentsburch, waar de Romeinen een legerplaats -hebben gehad; daarna nog de afgietsels in gips van de schoonste -voortbrengselen der Grieksche en Romeinsche beeldhouwkunst. - -Van het museum van oudheden begaven zij zich naar dat van natuurlijke -historie, waar zij zich vermaakten met het zien van de opgezette dieren -en geraamten, der delfstoffen en fossiliën of overblijfselen uit de -voorwereld. Daarna bezagen zij den plantentuin, waar zij gewassen uit -alle oorden der wereld vonden, maar zich 't meest voelden aangetrokken -door een boom, dien men zeide, dat Boerhaave zelf had geplant. - -"Is dat die zelfde Boerhaave, die zoo'n groot dokter was?" vroeg Ben. - -"Dezelfde," antwoordde Peter. "Hij had zulk een Europeesche -beroemdheid, dat er eens een brief uit China kwam met het adres: -aan Hermanus Boerhaave in Europa." - -"En kwam die terecht?" - -"Wel zeker. En wat het mooiste van alles was: uit alle oorden kwamen -rijken en aanzienlijken hem als arts raadplegen; maar zij moesten -steeds wachten, tot hij zijn armen-praktijk had bediend: want, zeide -hij, dat zijn mijn beste klanten, omdat God voor hen betaalt." - -Daar 't in het kortst van de dagen was en zij dus niet veel tijd te -verliezen hadden, indien zij nog dien avond in Den Haag wilden zijn, -begrepen zij, dat zij hun verder bezichtigen van Leiden tot nog twee -zaken moesten beperken: het Stadhuis en "Den Burcht". - -Het eerste, op de Breestraat staande en vooral beroemd door den tijd -van het beleg, is een statig gebouw, uit Bentheimer steen opgetrokken, -met een hooge steenen trap van twintig treden aan elke zijde, en -bevatte, behalve de beroemde schilderij van den vermaarden Lucas -van Leyden, voor welke Keizer Rudolf II eens zooveel dukaten heeft -geboden als er noodig waren om haar te bedekken, nog een van den -hongersnood gedurende het beleg, en een andere, waar Van der Werf -wordt voorgesteld op het oogenblik, dat hij zijn heldhaftige taal tot -de Leidsche burgerij richt. Ook bezagen zij daar met belangstelling -overblijfselen van het beleg: den pot van Schaak, twee opgezette -duiven, die als briefposten hebben gediend, het zwaard van Van der -Does, alsook verschillende noodmunten, gedurende de belegering -geslagen, zaken die thans meerendeels naar het Stedelijk Museum -zijn verhuisd. - -Na alles bezichtigd te hebben en een oogenblik te hebben stilgestaan -bij de schilderij, voorstellende een moeder, die aan de pest sterft, -begaven zij zich naar "Den Burcht", destijds een logement. - -"Wij zullen hier koffie drinken," zeide Peter. - -"En wat eten ook," zeide Jacob. "Want van al dat ronddrentelen heb -ik mooi honger gekregen." - -"Mij is 't goed," antwoordde Peter. "Alleen geef ik je in bedenking, -of we ons maal niet zullen bederven, daar ze ons in "De Roode Leeuw" -met het middagmaal wachten." - -"Nu, een broodje met ossenvleesch zal ons maal niet bederven," zeide -Karel, die ook zijn maag geducht voelde jeuken. - -"Je hebt gelijk," hernam Peter, en dit zeggende, stapte hij met zijn -makkers het hek van het zich aan den voet van "Den Burcht" bevindende -logement in. - -Hoe ferm onze jongens ook tegen de kou konden praten--het rondwandelen -door de kille zalen der museums had hen koud gemaakt, en, al waren -zij in de trekkassen van den plantentuin een weinig bekomen, zij waren -weer door en door koud geworden bij het bezoek op het Stadhuis. Recht -aangenaam was hun dus de ferm gestookte kachel in het logement -"Den Burcht", en met volle teugen genoten zij de dampende koffie, -die hen, in vereeniging met de broodjes met vleesch, geheel en al -restaureerde. Intusschen hadden zij 't gezicht op "Den Burcht". - -"'t Schijnt te zijn een oud gebouw, die burcht," zeide Ben. - -"Dat zou ik meenen," antwoordde Lodewijk. "Hij moet nog uit den -tijd der Romeinen zijn, die hem gebouwd hebben, zooals zij 't andere -dergelijke gebouwen deden, om het volk des lands van uit die burchten -te onderdrukken. Tevens heeft hij nog een historische waarde: want -het was op hem, dat Gravin Ada, de dochter van Dirk VII en Aleid van -Cleef, belegerd is geworden." - -"Dat was tijdens de Hoeksche en Kabeljauwsche twisten, niet -waar?" zeide Ben. - -"Wel neen, mijn Engelsche vriend," zeide Lodewijk lachend. "Nu heb je -'t heel en al mis. Onze gravin Ada leefde evenmin tijdens de Hoeksche -en Kabeljauwsche twisten als jelui Koningin Elisabeth tijdens den -twist tusschen de Roode en Witte Roos. Gravin Ada werd hier in 1203 -belegerd en de Hoeksche en Kabeljauwsche twisten begonnen in 1349." - -"En duurden tot 1493; dus bijna honderd en vijftig jaren," voegde -Frits er bij, die ook eens zijn historische kennis wilde laten -luchten. Daar ik vertrouw, dat mijn lezeressen en lezers wel wat op -de hoogte zijn der geschiedenis van ons vaderland, zal ik hun het -verhaal niet mededeelen, dat Lodewijk aan Ben deed van de korte, -maar rampspoedige regeering der ongelukkige gravin. - -Toen onze knapen genoegzaam gerestaureerd waren, beklommen zij de -acht en zestig treden, langs welke men aan den zes ellen hoogen muur -komt. Daarop traden zij door de met gebeeldhouwde wapens voorziene -poort binnen en bestegen de hoogte, die langs den met zes en dertig -kanteelen bezetten muur loopt, en van waar zij een uitlokkend gezicht -over de stad Leiden hadden. Daarna bezagen zij den put, waarin door -een machine het water werd gepompt, hetwelk door onderaardsche pijpen -werd geleid naar de in 1691 gebouwde fontein op de Vischmarkt, die -alle Zaterdagen springt. - -"Van dezen put wordt nog een aardige bijzonderheid verteld, die -gedurende het beleg in 1203 plaats had," zeide Lodewijk. "Toen -genoegzaam alle leeftocht was uitgeput, ving een der soldaten in dien -put een levenden visch, dien men den belegeraars toewierp, opdat zij -mochten denken, dat de belegerden nog toevloed van buiten hadden en -dan het beleg zouden opbreken. Maar 't hielp hun niet; een paar dagen -later moesten zij zich toch overgeven." - -"Er zijn allerlei dwaze vertelsels van dezen put," merkte Frits aan, -"die echter geen van alle den minsten schijn van waarheid hebben. Zoo -heb ik mij onder andere eens laten verhalen, dat deze put met een -onderaardsche gang in verband stond, die tot Katwijk doorliep." - -"Als dat was waar," zeide Ben, "Gravin Ada zou zich niet gevangen -hebben laten nemen, zooals zij deed." - -"Natuurlijk niet," hernam Frits. - -Nadat zij "Den Burcht" genoegzaam bezien en hun vertering betaald -hadden, wandelden zij naar "De Roode Leeuw" terug, waar zij, na het -door de dochter van den kastelein lekker gereedgemaakte diner, nog een -uurtje uitrustten en met hun waard afrekenden. Kort daarna stonden zij, -met hun schaatsen ondergebonden, op de trekvaart, die van Leiden naar -'s-Gravenhage loopt en den naam van "Vliet" draagt. - - - - - - - - -NEGENDE HOOFDSTUK. - -HOE ONZE REIZIGERS IN DEN HAAG ONTVANGEN WERDEN. - - -"Ik dacht, dat je de reis hadt uitgesteld," zeide mevrouw Van Gent, -de zuster van Peter en Lodewijk, toen de zes knapen door de dienstmaagd -in de woonkamer waren gelaten. "Ik had je al voor den eten gewacht en -stellig op je gerekend. En daar kom je me nu in den donker aanzetten." - -"Wat zal ik je zeggen, Marie," zeide Peter. "We hebben den dag besteed, -om Leiden eens te zien. Je bent er toch niet boos om?" - -"Boos?--In 't geheel niet. Integendeel, ik ben heel blij dat je gekomen -zijt. Maar gaat zitten. En zijn dat je kameraads? Nu, jongens, je -moet je tijd maar goed besteden in ons mooi Haagje. Daar is ook wat -te zien, dat verzeker ik je." - -Nadat onze knapen waren gezeten en Peter alle vragen naar de familie -had beantwoord, zeide mevrouw Van Gent: - -"En nu zul je wel honger hebben ook. Ik zal zorgen, dat je binnen -een half uur je middagmaal hebt." - -"Doe maar geen moeite, Marie," antwoordde Peter. "We hebben te Leiden -reeds gedineerd en dus geen behoefte aan middageten. Je zoudt ons -meer pleizier doen met een paar boterhammen en een kop thee." - -"Die zul je hebben," antwoordde mevrouw Van Gent, terwijl zij de meid -schelde, om het noodige te brengen. - -Toen onze jongens nu rondom de tafel zaten, bij de gezellige carcellamp -en den niet minder gezellig vlammenden haard, kwam mijnheer Van -Gent thuis. - -"Welzoo, ben jelui toch gekomen?" zeide hij, terwijl hij ieder der -knapen hartelijk de hand reikte. "Kom, dat is goed. Marie had je al -uitgeschrapt. Toch niet van morgen pas van Broek gegaan, denk ik?" - -"Gistermorgen, François," zeide Peter. "En wel vóór dag en dauw." - -"Dan hadt je ook wel wat vroeger hier kunnen zijn, dunkt mij." - -"Als er geen bijzonderheden te zien waren geweest in Haarlem en -Leiden," zeide Lodewijk. - -"Ha, zoo! Heb je daar je tijd aan besteed? Kijk, dat bevalt me. Nu, -dan zal ik zorgen, dat je hier ook al het merkwaardige ziet. Je blijft -toch zeker tot na Nieuwjaar?" - -"Wij zijn van plan, om overmorgen vroeg weer te vertrekken," zeide -Peter. - -"Dat kun je begrijpen. Overmorgen! Daar komt niets van, beste vriend!" - -"Maar ze wachten ons thuis," hervatte Peter. - -"Dat doet niets tot de zaak. Je schrijft morgen een brief naar Broek -en meldt daarin, dat je tot na Nieuwjaar hier blijft." - -"Dat zouden we niet kunnen," hernam Peter. "We moeten den dertigsten -te Broek zijn: want dan is er een groote wedren op schaatsen, en dien -kunnen we niet verzuimen." - -"Dat spijt me. In vredesnaam! Dan moeten we morgen onzen tijd maar -goed besteden. Doch verhaal me nu eens, hoe je 't op je reis van -Broek hierheen gehad hebt?" - -De jongens verhaalden nu de lotgevallen, welke zij op hun tochtje -gehad hadden. Toen zij aan hun nachtelijk avontuur kwamen, zeide -mevrouw Van Gent: - -"Maar hoe kon je ook zoo dwaas zijn, om in zulk een logement te -kruipen?" - -"Wat zal ik zeggen," antwoordde Peter. "We hadden ons door den voerman -om den tuin laten leiden, en toen wij er eenmaal in waren...." - -"Had Jacob geen lust om verder te zoeken," voegde Karel er bij. - -"Alsof ik 't alleen was," zeide Jacob. "Er waren nog wel anderen, -die even moe waren als ik." - -"Nu, hou je maar niet groot, vriendlief," zeide Frits. "Trouwens, -'t is je niet kwalijk te nemen. Je hebt vrij wat meer mee te sleepen -dan wij." - -"Dat heeft hij," bevestigde mevrouw Van Gent. "En nu--wat zijn de -plannen voor morgen?" - -Mijnheer Van Gent ontwikkelde zijn plan voor den volgenden dag. Daar -wij echter ons zestal op de uitvoering daarvan zullen vergezellen, wil -ik dat niet mededeelen en zullen wij ook de verdere gesprekken van dien -avond niet beluisteren, maar laten wij liever de jongens wat tijdig -naar bed gaan, om den volgenden morgen vroeg bij de hand te zijn. - -"Je zult je wat moeten behelpen, jongens," zeide mevrouw Van Gent. "Ik -ben niet ingericht op zes logés en dus zul je twee aan twee moeten -slapen. Ik heb gedacht, als Peter en Lodewijk, Jacob en Ben, Karel -en Frits samen wilden slapen, dan zou dat heel goed gaan." - -"Opperbest!" zeide Peter, die den hemel dankte, dat hij niet weer -naast de mummie zou behoeven te liggen en van een ijsberg van duizend -voet zou droomen. - -Ook de anderen vonden die schikking goed, en zoo trok men reeds om tien -uur naar bed. Dat was een ander logies dan den vorigen nacht. Ieder -tweetal had een afzonderlijke kamer, keurig gemeubeld en van een -ledikant voorzien, zóó ruim, dat er wel drie jongens naast elkander -hadden kunnen liggen, zonder elkander te hinderen. En dan zulke -heerlijke bedden en zoo'n lekker dek! En op elke kamer een brandend -nachtlicht--hetgeen den jongens trouwens niet kon schelen, daar zij -toch met hun oogen toe sliepen en in het donker net zoo goed konden -zien als zonder licht. 't Duurde dan ook niet lang, of zij lagen te -slapen als rozen en droomden.... doch hoe zal ik u de droomen van -zes levenslustige knapen vertellen? Daarenboven--droomen is bedrog. - -'t Was nog niet geheel en al licht, toen mijnheer Van Gent onze knapen -kwam wekken. En ofschoon zij zich nog gaarne eens hadden omgekeerd en -Jacob wel een weinig bromde, toen Ben hem een paar fiksche stompen gaf -om hem geheel en al wakker te maken, waren zij toch spoedig uit hun -bed en deed het hun veel genoegen, dat de kachels op hun logeerkamers -reeds ferm snorden en zij zich op geen koude vertrekken behoefden -aan te kleeden. - -"Wel, hoe hebt jelui geslapen?" vroeg mevrouw Van Gent, die hen reeds -aan de ontbijttafel zat te wachten, toen zij al heel spoedig, nadat -ze geroepen waren, beneden kwamen. - -"O, uitmuntend," antwoordde Frits. "Alsof we thuis waren." - -"En heeft Jacob u niet bloot gewoeld, Ben?" - -"Neen, hij heeft gedragen zich fashionably" antwoordde Benjamin. - -"En jij bent van geen ijsberg van duizend voet gevallen, Peter?" - -"Ik heb veel te warm gelegen, Marie, om van ijsbergen te droomen," -antwoordde de aangesprokene. - -Onder vroolijke gesprekken ging het ontbijt voort. Toen men geëindigd -had, keek mijnheer Van Gent op zijn horloge. - -"'t Wordt onze tijd," zeide hij. "Komt, jongens, maakt je klaar! Het -rijtuig zal wel dadelijk voorkomen en we moeten zorgen, dat de -paarden geen koude voeten krijgen; anders mochten ze wel elk vier -stoven onder hun beenen hebben." - -Er behoefde geen tweede sein te worden gegeven. Als een troep wilde -ganzen stormden de jongens naar hun kamers en kwamen kort daarop -gekleed en gereed binnen, waar zij ook mijnheer en mevrouw Van Gent -in de kleeren vonden. - -'t Was dan ook hoog tijd: want op hetzelfde oogenblik kwam er een -heerlijke barouchette voor, waarvan de glazen natuurlijk alle toe -waren. De tocht ging naar Scheveningen. - -"Wij zullen eerst den nieuwen weg nemen, die langs 't Kanaal is -aangelegd," zeide mijnheer van Gent. - -En zoo deden zij en reden den over de duinen gebaanden weg op, -die langs het groote kerkhof loopt en recht tegenover het badhuis -uitkomt. Hier gebruikten zij wat en wandelden langs het strand tot -aan het dorp Scheveningen, waarheen het rijtuig vooruitgezonden was. - -Al de jongens waren opgetogen over de zee, die op dat oogenblik -echter al te kalm naar hun zin was, en het speet Ben, dat hij geen -verrekijker bij zich had, die vèr genoeg droeg, om Engeland aan de -overzijde te zien, waarover allen hartelijk lachten. - -"Dat is het paviljoen, in 1826 door Koning Willem I voor zijn gemalin -gesticht," zeide mijnheer Van Gent. "'t Is in Toskaanschen stijl -gebouwd." - -Veel pret had ons zestal in de kleeding der Scheveningers, vooral in -die der kleine meisjes, die volmaakte miniatuur-Scheveningsters waren. - -"In vroegere eeuwen," zeide mevrouw Van Gent, "hadden de Scheveningers -er pret in, hun vrijsters te doopen en in te zouten." - -"In te zouten!" herhaalden vier stemmen te gelijk. - -"Ja, in te zouten. In de maand Mei, als wanneer men nog op Scheveningen -een feest houdt voor het verhuizen van de eene pink op de andere, -noodigden de jonge knapen hun vrijsters uit, om met hen naar het strand -te gaan en een zeeluchtje te scheppen. Dan was het strand gezaaid met -menschen. Op 't onverwachts echter nam iedere knaap zijn meisje op de -armen en droeg haar, ondanks haar tegenspartelen, een geheel eind in -zee. Daar gekomen, doopte hij haar in het water, zoodat zij droop, en -droeg haar vervolgens naar de duinen, waar hij haar in het zand rolde." - -"Die meisjes zullen er fraai hebben uitgezien", zeide Jacob. "Maar -die gewoonte bestaat nog in Zeeland; ten minste zij bestond nog ten -tijde van Bellamy." - -"Die 't ons in zijn "Roosje" zoo naïef beschrijft," voegde Peter -er bij. - -"Daar is echter het inzouten, voor zoover mij bewust is, niet in -de mode," zeide mijnheer Van Gent. "Ook geloof ik niet, dat zij er -hun vrijsters doopen. Dit gebruik hier echter, dat al zeer oud moet -zijn en niet meer in zwang is, kostte eens een adellijke dame van -een onzer eerste geslachten het leven." - -"Inderdaad," zeide Ben. "O, pray, doe vertellen dat eens." - -"'t Was een jonge gravin van Egmond. Met haar verloofde, een -Duitschen Graaf, aan het strand wandelende, had zij veel vermaak -in die Meipret. Op eens neemt de graaf, die zeker wilde toonen, -hoe weinig bang hij voor het groote water was, en wel te galant zal -geweest zijn, om zijn adellijke beminde den zeedoop te doen ondergaan, -de gravin op en draagt haar in zee. Door haar tegenspartelen bezeert -zij zich aan zijn degen--en deze wond, waarin het koud vuur kwam, -kostte haar het leven." - -Aan het dorp gekomen, stapte men weer in het rijtuig. - -"Die kerk," zeide mevrouw Van Gent, "stond vroeger midden in het dorp." - -"Is zij dan verzet?" vroeg Frits. - -"Wel neen, maar bij de verschillende hooge vloeden, door welke -Scheveningen geteisterd is, zijn al de huizen, die aan den zeekant -stonden, weggespoeld." - -"Vreeselijk!" riep Jacob uit. - -Men reed nu den schoonen, met boomen beplanten weg langs, naar het plan -van Constantijn Huijgens aangelegd, en gedacht bij het voorbijrijden -van "Zorgvliet" aan onzen volksdichter Jacob Cats, die deze plaats -heeft aangelegd, wiens gedichten bij onze voorouders in huis- en -pronkvertrek een plaats hadden naast den Staten-Bijbel en van wiens -zinrijke spreuken er nog ten huidigen dage in den mond van het volk -leven. Daarna reden zij het schoone Willemspark met zijn prachtige -villa's door, bewonderden de Alexanderstraat en de Mauritskade, -en lieten zich brengen tot aan het oude paleis in het Noordeinde, -waar zij uit het rijtuig stapten, dat mevrouw Van Gent naar huis zou -brengen, nadat deze haar man wèl op 't hart gedrukt had, om toch tegen -het koffiedrinken thuis te zijn, daar de jongens anders flauw zouden -vallen van den honger. - -"Hier staan wij nu tusschen twee paleizen," zeide mijnheer Van Gent, -nadat het rijtuig was weggereden. "Dat aan uw linkerhand is het oude -huis van Van Wassenaar Obdam en heeft zijn front op den Kneuterdijk." - -"Is dat van den admiraal Van Wassenaar Obdam, die in den tweeden -Engelschen oorlog in de lucht vloog?" vroeg Peter. - -"Van denzelfden. Een graftombe is voor hem opgericht in het koor der -Groote Kerk." - -"Daar hij wel toch zelf niet ligt onder," zeide Ben. - -"Natuurlijk niet. Het paleis aan onze rechterhand is dat van onze -tegenwoordige koningin. Jammer, dat H. M. thans in Den Haag is; anders -zou ik het u laten zien. Het is prachtig en vorstelijk gemeubileerd, -dat kan ik u verzekeren. Dat ruiterstandbeeld is van Willem den -Eersten, den grondlegger onzer vrijheid. Het werd hier geplaatst -door Koning Willem II en munt uit door zijn schoone vormen en stoute -conceptie." - -Toen zij het Heulstraatje doorgewandeld waren, bleef mijnheer Van -Gent staan. - -"Ziet nu aan uw linkerhand, daar in den hoek staat het voormalig -paleis van Willem II; een paar huizen verder ziet gij het huis, -waarin Oldenbarneveld gewoond heeft; die kerk op den hoek van dat -straatje is de Kloosterkerk, waarin Prins Maurits ging om de voorkeur -te doen zien, welke hij den contra-remonstranten wilde betoonen, en -verder op is een schoon hardsteenen gebouw met breede trap, waarin -eens een beruchte prefect van het Departement der Zuiderzee, baron -De Stassart, woonde en dat tegenwoordig is ingericht tot koninklijke -bibliotheek en bewaarplaats van een aanzienlijke verzameling gouden, -zilveren, bronzen en koperen munten. Als gij langer bleeft, zou ik èn -de bibliotheek èn het penningkabinet eens met u bezoeken; nu echter -gaan wij den Kneuterdijk op." - -"Is hier niet het huis van den Raadpensionaris Jan de Witt?" vroeg -Peter. "Ik meen ten minste te hebben gelezen, dat dit op den -Kneuterdijk stond" [8]. - -"En ik herinner mij, dat Gijsbert Karel van Hogendorp ook op den -Kneuterdijk gewoond heeft," voegde Frits er bij. - -"Dan moeten we ook kort bij de Gevangenpoort en 't Groene Zoodje zijn," -zeide Karel. - -"Wacht maar, ik zal je alles wijzen. En misschien nog meer dan je wel -weet," antwoordde de heer Van Gent, die er recht schik in had, dat -de jongens zooveel historische kennis en zooveel lust tot onderzoeken -hadden. "Hier aan onze rechterhand heb je het huis van Van Hogendorp, -en daarnaast is de woning van onzen onsterfelijken Jan de Witt, -waarin ook zijn zwager Van Swijndrecht woonde." - -Met aandoening beschouwden onze knapen het huis, waarin eens zulk een -groot man geleefd, gedacht en gewerkt had. Zoo ging men voort tot op -de Plaats. - -"Hier bij dezen lantaarnpaal," vervolgde mijnheer Van Gent, "is 't -Groene Zoodje. Hier stond het schavot, waarop Reinier van Groeneveld, -Buat en Van der Graaff zijn onthoofd en de gebroeders de Witt zijn -opgehangen en mishandeld. En daar, die groote keisteen met zeven -strepen is er ter gedachtenis gelegd van den vreeselijken moord, -aan Aleida van Poelgeest gepleegd, omdat zij graaf Albrecht tot de -partij der Kabeljauwen had overgehaald." - -"Maar kijkt nu eens recht uit," vervolgde hij na een poos. "Deze -poort is de Gevangenpoort, vroeger Voorpoort van den Hove, en dit -venster dat van den kerker van Cornelis de Witt." - -"Zouden wij dien niet kunnen zien?" vroeg Peter. - -"We zullen 't vragen. Zeggen ze neen, dan zijn we nog even ver." - -Men ging de Gevangenpoort door en schelde aan. Het verzoek, om de -vroegere gevangenis te zien, werd volgaarne ingewilligd. Met aandoening -klommen zij de trap op, welke de gebroeders De Witt door het opgeruide -gemeen waren afgesleept; met niet minder aandoening aanschouwden zij -de kamer, waar beiden de laatste en vreeselijkste oogenblikken huns -levens doorbrachten. En toen zij daarna in den kelder afdaalden en -hun de pijnbank gewezen werd, op welke de Ruwaard van Putten werd -gepijnigd, toen stond er in het oog van Lodewijk een traan, die hem -waarlijk niet tot schande was. - -Nadat mijnheer Van Gent de vriendelijke dienstmaagd, die hun een en -ander had laten zien, met een ruime fooi beloond had, wandelde men -naar het Buitenhof. - -"Kijk nu eens recht voor u," zeide mijnheer Van Gent. "Uit deze ramen -hield eens de snoode Tichelaar zijn redevoering tot het volk. En nu -linksom. Dit standbeeld is dat van den ridderlijksten onzer vorsten, -van den edelen Koning Willem II, die bij Quatre-Bras voor onze -onafhankelijkheid streed en bij Waterloo zijn bloed voor ons veil had." - -"'t Staat daar al heel mooi," zeide Frits. "En hoe sierlijk zijn die -beelden aan den voet!" - -"Dat zijn ze," hernam mijnheer Van Gent. "En nu slaan we linksom -en gaan naar het Binnenhof, het oudste gedeelte van Den Haag en -dat door drie poorten kan worden gesloten. Vroeger hingen hier -de vaandels, in verschillende veldslagen op de vijanden des lands -behaald. Doch die zijn tijdens Koning Lodewijk weggenomen en naar -Amsterdam gezonden. Die, welke wij nu doorgaan en boven welke de -appartementen der vroegere Prinsen van Oranje zich uitstrekten, -heet de Stadhouderspoort." - -"Die is, in het laatst der achttiende eeuw, tegen alle bepalingen -aan doorgereden door Cornelis de Gijzelaar," zeide Peter. "En daar -vandaan hebben de tegenstanders van het Huis van Oranje in dien tijd -den naam van Keezen gekregen." - -"Juist. En hier vlak over ons hebben wij het oudste gebouw van Den -Haag: de Loterijzaal of liever de groote ridderzaal, door Willem II, -graaf van Holland en Zeeland, in 1270 gesticht, en den oorsprong van -Den Haag." - -Zij bezichtigden nu de groote ridderzaal, toen nog niet herbouwd of -liever gedeconstrueerd; verder de vergaderzaal van de Eerste Kamer -der Staten-Generaal, waar het Twaalfjarig Bestand werd gesloten -en die daarom vroeger den naam van Trèves-kamer droeg. Zij is -vooral bezienswaardig om haar schoone schilderijen, voornamelijk -het schoorsteenstuk, hetwelk Prins Willem III ten voeten uit in -koninklijk gewaad voorstelt;--en het gebouw, dat tot vergaderplaats -dient van de Tweede Kamer, vroeger gebruikt tot danszaal voor de -Prinsen van Oranje, maar onder Prins Willem V van hardsteen herbouwd -en tot vergaderzaal voor de Staten-Generaal ingericht. Hier werd in -1796 de eerste Nationale Vergadering gehouden. - -"Dat torentje aan de linkerzijde der groote ridderzaal," -vervolgde mijnheer Van Gent, toen zij uit de troonzaal kwamen, -"is ook nog merkwaardig. Hier stond het schavot, waarop de grijze -Oldenbarneveld het leven verloor onder beulshanden. En daar vlak -over ons is een merkwaardige kapel, de oudste kerk van Den Haag, -tegenwoordig in gebruik bij de Roomsen-Katholieken, onder den naam -van Hofkerk. Zij heette vroeger de "kapel van Maria ten Hove" en is -waarschijnlijk door Graaf Willem II gebouwd en door diens zoon Floris -V voltrokken. In deze kapel woonden de vroegere graven van Holland en -Zeeland de godsdienstoefeningen bij. Na de Hervorming werd zij tot een -Gereformeerde kerk ingericht, waar, op last der Staten van Holland, in -de landtaal en, sedert 1592 vooral ten genoegen van Louise de Coligny, -ook in het Fransch werd gepredikt. Toen men bij het verbouwen in 1769, -de fondamenten van den muur aan de zijde van het Binnenhof opbrak, -vond men daar verscheidene houten en looden grafkisten, waarin zich -het gebeente der Oudhollandsche graven bevond." - -"En heeft men die beenderen bewaard?" vroeg Frits. - -"Men kon 't niet. Zoodra zij met de buitenlucht in aanraking kwamen, -vielen zij in elkander. Een der lijken echter, dat in een looden -kist lag, was door een sterk vocht vrij wel bewaard. Uit de wonden, -welke het aan den hals en in het gezicht had, veronderstelde men, -dat dit het lijk van Willem IV moet zijn geweest, die in 1345 in den -slag bij Warns tegen de Friezen is gesneuveld. In de kist van Jacoba -van Beieren was het hoofdhaar nog ongeschonden bewaard; men heeft -dat naar het museum gebracht en daar zullen wij het straks zien." - -Daar het te koud was om lang stil te staan, waren zij tot genoemd -huis doorgewandeld en beschouwden hier eerst het museum van Japansche, -Chineesche en andere curiositeiten en eindelijk, in de laatste zaal, -de historische overblijfselen. 't Meest werd de aandacht onzer knapen -geboeid door het gewaad, dat Prins Willem I had aangehad, toen hij -te Delft door Balthazar Gerards vermoord werd. Duidelijk kon men de -plaats zien, waar de kogel was doorgegaan. Daar lag ook het hemd van -den grooten man, nog gekleurd van het edel bloed, dat hij voor ons -land veil had gehad, de uitgesneden kogel met een paar beentjes, die -door het vuurwapen verbrijzeld waren, de pistolen van den moordenaar -met zijn sententie, zooals die binnen Delft is uitgevoerd. Verder -zagen zij er geuzennappen, geuzenpenningen, zilveren schotels, aan -onze grootste zeehelden ten geschenke gegeven, groote haakbussen, -oude pieken; ook uit later tijd, den stoel, waarop Chassé in de -citadel heeft gezeten, en een geweer, afkomstig van het in de lucht -gesprongen schip van Van Speyk. - -Maar wat vooral Ben het meest belang inboezemde, was het Oudhollandsche -huis in schildpadden kast, eens voor Czaar Peter van Rusland -vervaardigd, en dat zulk een duidelijke voorstelling bevat van het -ameublement onzer voorouders. - -Daarna begaf men zich de trap op naar het schoone museum van -schilderijen door oude meesters. Als de tijd niet gedrongen had, zouden -de knapen gaarne langer hebben vertoefd voor de ontleedkundige les -van Rembrandt, voor den stier van Potter, den veldslag van Wouwerman, -en zoo menig stuk dat niet alleen groote kunstwaarde bezit, maar ook -zelfs den oppervlakkigen beschouwer door zijn meesterlijk navolgen -van de natuur boeit. - -"Wij moeten naar huis, jongens," zeide mijnheer Van Gent, "anders -krijgen wij knorren van mijn vrouw en--wat erger is--koude koffie." - -"Is dit huis gebouwd door Prins Maurits, die vocht in het slag at -Newpoort?" vroeg Ben, toen zij de trappen van het museum afgingen. - -"Neen, Ben. Het is gesticht door Johan Maurits van Nassau, den held -van Brazilië, en gebouwd door den beroemden Jacob van Kampen, den -bouwmeester van het paleis van Amsterdam, en Daniël Stalpert. Maar -zie nu eens hier. Dit is het standbeeld van Willem den Zwijger, -denzelfden, wiens ruiterstandbeeld gij in het Noordeinde hebt gezien." - -"En wiens kleeren op het Prins-Maurits-huis waren," zeide Jacob. - -Toen zij bij mevrouw Van Gent kwamen, zat deze hen reeds met de -koffie te wachten, of liever, ter eere van Benjamin en ten genoegen -van den eetlust der vijf andere jongens, met een soort van luncheon -of Engelsch ochtenddiner. Onder het vertellen van wat men gezien had, -werden verdere plannen voor dien dag besproken. De jongens, zeide -mijnheer Van Gent, moesten hun schaatsen medenemen, dan zou men, -na eerst de kanongieterij te hebben bezien, een wandeling door het -Bosch doen en vervolgens, te midden van de beaumonde van Den Haag, -op de vijvers schaatsen rijden. Daarna zou men een bezoek brengen -aan het Huis ten Bosch en vervolgens naar huis rijden om te dineeren, -terwijl mevrouw Van Gent als voorwaarde stelde, dat zij het verdere van -den avond zouden uitrusten en in den huiselijken kring slijten, als -wanneer zij ze op een glas warmen wijn met bisschop en wentelteefjes -zou trakteeren. - -"En dan gaan jelui morgen per spoortrein naar Amsterdam terug," -eindigde zij. - -"Per spoortrein, Marie?" vroeg Peter. "Dan zal men ons in Broek -uitlachen." - -"Laat men lachen," zeide Jacob, die alweer meer trek had om rust te -nemen, dan zich in te spannen. "Ik vind het voorstel van mevrouw Van -Gent lumineus." - -"'t Zou een schandelijk eind van onzen tocht zijn," zeide Frits. - -"Mevrouw Van Gent is in 't gelijk," zeide Ben. "Wij moeten gaan -per railway. Otherwise wij zullen niet zijn in staat om overmorgen -te rijden." - -"'t Best is, dat wij er ons op beslapen," hernam Lodewijk. - -"Ik ben verzekerd, dat mijn voorstel wel zal worden aangenomen, als -de jongens van middag gedineerd hebben," hernam mevrouw Van Gent, -die berekende, dat ons zestal na den tocht naar het Bosch wel van -idee veranderen zou. - -"Als mevrouw Van Gent het mij veroorlooft, dan zou ik haar gaarne -gezelschap houden, in plaats van mede naar het Bosch te gaan," zeide -Jacob, die tamelijk vermoeid was van de morgenwandeling. - -"Geneer je niet, Jacob," antwoordde mevrouw Van Gent, die zeer goed -begreep wat de reden van Jacobs wellevendheid was. "Ik mag je niet van -je fortuin afhouden. Ga gerust mee. Kanongieten heb je nog nooit gezien -en een partijtje op de vijvers in het Bosch is ook niet te verwerpen." - -"Maar dan zit Mevrouw den geheelen namiddag alleen," hervatte Jacob. - -"Inderdaad, geneer je niet," hernam mevrouw Van Gent. "Ik ben wel -gewoon aan de eenzaamheid. Mijn man is een groot deel van den dag uit." - -Jacob zat er geducht in, toen zijn gewaande beleefdheid zoo werd -gerefuseerd. Gelukkig dat Ben hem uit den nood hielp. "Mijn neef is -zoo vermoeid," zeide hij. "En daarom hij wenscht te profiteeren van -het gezelschap van Mevrouw, because het hem behaagt veel." - -"Je slaat den spijker op den kop," hervatte Jacob, die nu maar -ruiterlijk voor de waarheid uitkwam. - -"'t Mocht je anders weer eens zoo gaan als eergisteren," zeide -Karel. "En dan zou je een mal figuur maken op de vijvers in het Bosch." - -Toen de knapen het luncheon gebruikt hadden en wat uitgerust waren, -gingen zij, behalve Jacob die thuis bleef, met hun schaatsen in de hand -naar de kanongieterij, waar mijnheer Van Gent toegang had gekregen en -waar men juist aan het gieten was. Daarna wandelden zij het Bosch in, -dat, ofschoon van zijn groen beroofd en dus vrij wat minder schoon -dan in den zomer, er toch statig genoeg uitzag, om hun bewondering -te wekken. - -Nadat zij langen tijd in dat heerlijke gedenkstuk van den ouden tijd -gewandeld hadden, welks westelijk gedeelte nog eenig denkbeeld geeft, -hoe 't er in den tijd van de Batavieren en Kaninefaten uitzag, bonden -zij de schaatsen aan en vermaakten zich te midden van een talrijk -en uitgezocht publiek van schaatsenrijders, waarbij zij hun oogen -uitkeken naar de bonte rij van wandelaars uit de eerste standen des -lands, die zich langs de vijvers bewogen. - -Daarop bezichtigden zij het Huis ten Bosch, door Amalia van Solms, de -weduwe van Prins Frederik Hendrik, ter eere van haar gemaal gesticht: -een mausoleum uit den nieuweren tijd. Vooral de Oranjezaal boeide -hen lang. Het is een achthoekige zaal met een rond koepeltje in -het dak, hetwelk haar een eigenaardig licht schenkt. Terstond bij -het binnentreden wordt men getroffen door de heerlijke voorstelling -van Frederik Hendrik op zijn triomfwagen met vier witte paarden door -Pallas en Mercurius gemend; terwijl de overwinning zijn hoofd met een -lauwerkrans kroont en de faam de pijlen afweert, waarmede de dood -den held bedreigt. Niet minder trof hun het beeld van den grijzen -tijd en de afbeelding van de stichtster zelf met haar dochters, -levensgroot en ten voeten uit. Al had men geen andere overblijfselen -der Oudnederlandsche schilderschool dan die heerlijke schilderijen -uit de Oranjezaal, dan nog zouden deze genoegzaam zijn om den naam -onzer oude kunstenaars te vereeuwigen. - -Maar 't wordt tijd, dat wij met de jongens naar huis gaan. Ik laat -aan de verbeelding mijner lezeressen en lezers over, hoe het diner -hun smaakte, hoe genoeglijk zij den avond bij de familie Van Gent -doorbrachten, hoe zij naar Amsterdam spoorden en hoe zij toch op -schaatsen van de hoofdstad naar Broek reden. Ook wij keeren derwaarts -terug. - - - - - - - - -TIENDE HOOFDSTUK. - -DE GEVAARLIJKE OPERATIE. - - -'t Wordt tijd, dat we weder eens een kijkje nemen in de hut van Rolf -Brinker, van wien we 't laatst hebben gehoord, toen Hans op weg naar -Leiden was. - -Wij vinden er dokter Broekman, die, toen hij het briefje van Peter -ontvangen had, nog denzelfden dag naar Amsterdam was vertrokken om -hulp toe te brengen, waar hij die zoo hartelijk beloofd had. Wij zien -hem in een hoek van het vertrek zacht spreken met een jongmensch, -student in de medicijnen en zijn assistent. Hans is ook in het -vertrek, eerbiedig wachtende, totdat hij zou worden aangesproken. Van -hun gesprek verstond hij niets, daar het eensdeels fluisterend werd -gevoerd, anderdeels zoo met Latijnsche woorden doorspekt was, dat het -toch voor hem geheel onverstaanbaar zou zijn geweest, al hadden zij -ook luide gesproken. Maar zooveel begreep hij wel aan hun ernstig -gelaat, dat er van iets zeer gewichtigs sprake was, en daarin werd -hij versterkt door de woorden van den student: - -"Indien er iemand in Holland den armen man kan redden, dokter, dan -zijt gij het." - -De dokter keek min of meer knorrig over dien lof; want hij wist maar al -te wel en had het in zijn langdurige praktijk slechts al te dikwijls -ondervonden, dat de kunst wel kan te gemoet komen, wel kan helpen, -maar dat er slechts één is die kan redden, en dat is God. Hij wenkte -dus Hans, om nader te komen. - -"Hoor eens, mannetje," zeide hij op denzelfden vriendelijken toon, -als hij vroeger te Buiksloot tegen hem had aangeslagen. "Daar is -maar één middel om je vader te helpen, maar ik moet je vooraf zeggen, -dat hij onder de handen kan dood blijven; 't is een operatie." - -Hans keek den dokter angstig aan. - -"En u zegt, dat vader onder uw handen kan sterven," zeide hij met -sidderende stem. - -"Ja, 't is er op of er onder. Maar ik heb alle hoop, dat de operatie -zal gelukken. Intusschen, jij en je moeder moeten decideeren. De -operatie is te gevaarlijk, dan dat ik die zonder uw beslissing zou -willen ondernemen. Vraag jij dus aan je moeder, hoe zij er over -denkt. Want er moet spoedig een besluit genomen worden, daar mijn -tijd kostbaar is." - -Hans ging naar zijn moeder, vertelde haar wat de dokter hem gezegd had, -en eindigde: - -"En nu moeder, hoe wilt gij? De dokter wacht op antwoord." - -"Ach, Hans, ik weet het niet," zeide zij met bewogen stem. "Beslis -jij voor mij en voor jou." - -"Maar moeder, hoe kan ik dat?" - -"Ach kind! Wat zal ik antwoorden? Je zegt, dat vader onder de handen -kan dood blijven." - -"Dat kan hij. Maar hij kan ook beter worden." - -"Ik weet het niet, Hans, ik weet het waarlijk niet." - -"Welnu, antwoord dan, zooals God u dat in 't hart geeft, moeder." - -Vrouw Brinker sloeg het betraande oog naar boven, als vroeg zij God om -raad. Uit het binnenste van haar ziel steeg een gebed naar den troon -des Almachtigen. Een oogenblik later wendde zij zich tot den dokter. - -"Gods wil geschiede, mijnheer!" zeide zij. "Ga uw gang!" - -Met kalme bedaardheid deed nu dokter Broekman een lederen étui open, -waaruit hij verschillende scherpe, blinkende instrumenten haalde, -terwijl hij Hans beval, een kom met frisch koud water en eenige doeken -te brengen. - -Griete had al wat er gebeurde met angstig stilzwijgen -gadegeslagen. Toen zij nu den dokter die scherpe instrumenten voor -den dag zag halen, vloog zij naar haar moeder toe, sloeg haar armen -om den hals der reeds zoo geschokte vrouw en riep uit: - -"Ach moeder! ze zullen vader gaan vermoorden--dat zullen ze." - -"Ik weet het niet, kind!" schreide vrouw Brinker. "'t Is wel mogelijk!" - -"Hoor eens, vrouwtje," zeide dokter Broekman ernstig, terwijl hij -tevens een doordringenden blik op Hans wierp, "dat kan zoo niet -gaan. Jij en het meisje moeten het huis uit. De jongen kan blijven." - -'t Was, of er in vrouw Brinker eensklaps een andere geest voer. Zij -droogde haar tranen, hief het hoofd fier op en zeide op vasten toon: - -"Neen, mijnheer, ik verlaat mijn man niet. Ik blijf bij hem in de -ure des gevaars." - -Dokter Broekman keek vreemd op. Hij was niet gewoon, dat zijn bevelen -in den wind werden geslagen. Maar toen hij de vrouw aanzag en haar -vasten, beslissenden blik opmerkte, toen zeide hij kalm: - -"Je kunt blijven, vrouw Brinker." - -Griete was al verdwenen. Verborgen achter een kist, die in een donkeren -hoek van het vertrek stond, bevend over al haar leden, bespiedde zij -al wat er in de hut voorviel. - -Dokter Broekman en zijn assistent trokken hun overjassen uit. Hans -bracht een kom vol water, welke hij op bevel van den geneesheer naast -het bed plaatste, en vrouw Brinker kreeg een paar beddelakens uit de -kast, overblijfsels van vroegere tijden en braaf versleten, doch voor -het gebruik, dat er van gemaakt moest worden, des te beter geschikt. - -"Nu Hans, kan ik op je rekenen?" vroeg de dokter. - -"Dat kunt u, dokter." - -"Zeer goed. Ga jij nu daar staan, dan kan je moeder naast je zitten." - -"Hoor eens, vrouwtje," ging hij tot vrouw Brinker voort. "Ik moet je -verzoeken, geen kik te geven en niet flauw te vallen." - -Vrouw Brinker antwoordde hem slechts met een blik. Hij was tevreden. - -Hij wenkte den student. Deze nam de vreeselijke instrumenten van de -tafel af en ging er mede naar het bed van den zieke. - -Nu kon Griete 't niet langer uithouden. Zij kwam uit haar schuilplaats -te voorschijn en snelde de hut uit. - -'t Was vol op het ijs van de vaart. Waarom ook zouden de kinderen -van Broek hun vacantietijd laten voorbijgaan, zonder ruimschoots hun -geliefd wintervermaak te genieten? Daar waren er een aantal, al waren -onze zes jongens er ook niet bij, en onder deze ook Frans van Bree, -de dappere aap zonder staart, zooals Jacob hem genoemd had. - -"Wat is dat daar ginds?" riep Frans eensklaps uit, terwijl hij -stilstond. - -"Wat? Waar? Wat bedoel je?" riepen een dozijn stemmen te gelijk. - -"Wel, dat zwarte ding daar bij de hut van den gekken Rolf," hernam -Frans. - -"Ik zie niets," zeide een der kinderen. - -"Ik wel," antwoordde een andere, "'t Lijkt wel een hond." - -"Ben je mal? Een hond? 't Is niets dan een hoop oude lorren," -hernam Frans. - -"Een hoop oude lorren?" herhaalde een ander. - -"Je hebt warempel gelijk, Frans, en als ik mij niet bedrieg, is -'t die meid uit de hut." - -"Ze is het," bevestigde Frans. "Heb ik dus geen gelijk gehad, dat -het maar een hoop oude lorren is?" - -"'t Is goed, dat haar broer Hans er niet bij is," meende een ander -lachende, "anders zou je zoo niet spreken, Fransje." - -"'k Ben nog al bang voor hem!" riep Frans dapper uit, daar hij Hans -in geen velden of wegen zag. "Zoo'n voddenraper! Hij moest me eens -durven aanraken, 'k Ben nog niet bang voor een dozijn zooals hij en -voor jou ook niet." - -"'k Hou je aan je woord!" riep de andere en reed op Frans toe; maar -deze, die zich in zijn bluf wat vergaloppeerd had, koos, tot groot -pleizier van de anderen, het hazenpad gevolgd door den vroolijken -troep, die de harddraverij wel eens wilde zien. - -Eén echter van deze gelukkige kinderen dacht aan die zwarte kleine -gedaante daar bij de hut van Rolf Brinker, aan de arme, kleine -Griete. De arme Griete! Zij dacht niet aan hen, ofschoon hun vroolijk -gelach haar in de ooren drong en haar door de ziel moest snijden: -ach! zij hoorde die schaterende tonen slechts als in een droom. Zij -hoorde slechts het gekerm daar achter het donkere venster. Hoe! als -die vreemde mannen haar vader eens doodden! - -Die gedachte deed haar van afgrijzen opstaan. - -"Neen, neen," riep zij snikkend uit. "Moeder is er immers, en -Hans ook. Zij zullen er wel op passen! Maar wat zagen ze allebei -verschrikkelijk bleek! Zelfs Hans stonden de tranen in de oogen." - -Een oogenblik later vervolgde zij, terwijl zij schuw naar de hut keek: - -"Waarom heeft die oude, knorrige dokter hem laten blijven en mij -weggezonden! Ik zou moeder hebben kunnen kussen en haar troosten. Zij -houdt zooveel van mij, meer.... Maar wat is 't nu stil in huis. O, -als vader sterft, dan gaat moeder ook dood en Hans misschien ook, -en wat moet er dan van mij worden!" - -En zij verborg haar schreiend gelaat in haar handjes. - -Toen kwamen er nieuwe gedachten in haar op. - -Waarom had Hans 't alleen aan moeder gezegd, wat de dokter ging -doen en niet aan haar? 't Was toch haar vader, net zoo goed als de -zijne. Zij was geen klein kind meer. Zij had haar vader eens een scherp -mes afgenomen, waarmee hij zich een ongeluk zou hebben toegebracht, -als zij het niet belet had. En op dien akeligen avond, toen Hans, zoo -groot als hij was, daar bewusteloos in een hoek van het vertrek lag, -toen had zij vader van het vuur gelokt en 't was door haar toedoen, -dat moeder niet in brand gevlogen was. Waarom moest zij nu behandeld -worden, alsof zij er niet bij hoorde?--Ach! wat was het koud! hoe -bitter koud! Haar voeten waren als steenen! - -Toen ging Griete weer zitten op de plaats, van welke zij was opgestaan, -en keek rondom zich en verwonderde zich, dat de lucht zoo helder -blauw was en dat het zoo stil in de hut bleef en.... - -"Wat heeft die dokter een rare lip!" zeide zij eensklaps. "'t Lijkt -net een schaats! En wat blonken die messen, welke hij uit dien leeren -zak haalde. Misschien nog mooier dan de zilveren schaatsen. Had -ik mijn nieuw jacketje maar aangedaan, dan zou ik 't zoo koud niet -hebben! Dat nieuwe jacketje is zoo mooi, 'k heb nog nooit zoo iets -moois gehad!--God heeft zoo lang voor mijn vader gezorgd; Hij zal -'t nu ook wel doen, als die twee mannen maar weg waren.--Kijk, daar -staan ze allebei op het dak van ons huis!--Neen, 't zijn moeder en -Hans. O, neen! 't zijn maar een paar vogels." - -En weder hield Griete beide handjes voor haar oogjes en schreide zóó -luid, dat men 't wel in de hut had kunnen hooren. - -Eensklaps voelde zij een vreemde hand op haar schouder leggen. - -"Sta op, Griete," zeide een vreemde stem. "Sta op kind! Anders heb -je nog kans om te bevriezen." - -Griete keek verschrikt op. 't Was de lieve Hilda de Bruyn. - -"Sta op, Griete, en ga in de hut," vervolgde het lieve meisje. "Is -dat nu weer, om buiten op de steenen te zitten?" - -"O, neen, juffrouw," zeide het kind, terwijl zij opstond en tegen -Hilda aanleunde, "ik ga niet in de hut, want de dokter is er in en -hij heeft mij weggestuurd." - -"Zoo, welnu, dan moet je wat gaan loopen, Griete. Want je bent -verkleumd van de kou. Ik zag je daar straks wel zitten, maar ik -dacht, dat je aan 't spelen waart. Waarom heb je ook je jacketje -niet aangedaan?" - -"Daar had ik geen tijd voor, juffrouw, want ik ben zoo hard als ik -kon de hut uitgeloopen." - -"Kom hier, doe mijn jacketje zoo lang aan, totdat je weer in de hut -kunt komen," hervatte Hilda, die reeds pogingen deed, om zich van -haar eigen winterkleed te berooven. "Als de dokter wist, hoe koud je -'t hier hebt, zou hij je wel weer in de hut laten." - -"O, juffrouw," riep Griete smeekend uit, "doe als 't u belieft uw -jacketje niet uit. Ik ben wel koud, maar zal wel weer warm worden, -als ik maar wat beweging neem." - -"Nu, 't is goed, Griete. Sla je armen dan maar over elkaar. Maar zeg -me, is er een dokter bij je in huis? Is je vader dan erger?" - -"Ach, juffrouw! Ik geloof, dat hij sterft!" riep Griete weenend -uit. "Er zijn op 't oogenblik twee dokters bij hem, die hem zullen -vermoorden. Kunt u hem hier niet hooren kermen? Ik kan 't niet hooren, -door het fluiten van den wind." - -Hilda luisterde, maar vernam niets. - -"We zullen eens door het venster zien, hoe 't met uw vader is," -hernam zij. Dit zeggende, ging ze met Griete naar het raam der -hut. Maar eensklaps bedacht zij zich. - -"Ik mag niet door eens anders raam kijken," zeide zij bij zich -zelve. "Kijk jij er eens door, Griete," vervolgde zij, "en zeg me -dan wat je ziet." - -Griete ging op haar teenen staan en keek. - -"Kind, je bent zelf ziek," hernam Hilda, die haar ondersteunde en -voelde hoe het arme meisje over haar geheele lichaam beefde. - -"Neen, juffrouw, ik ben niet ziek," antwoordde Griete, "maar mijn -hart schreit, al zijn mijn oogen ook zoo droog als de uwe.--Hé, -juffrouw! U schreit ook. Schreit u om ons? O, dat is wel goed, en -als onze lieve Heer dat ziet, zal hij vader zeker beter maken." - -"Wat zie je, Griete?" vroeg Hilda. "Of kun je niets zien?" - -"Vader ligt heel stil, juffrouw, met een doek om zijn hoofd en -allen kijken naar hem. Ik moet naar binnen, naar moeder. Gaat u mee, -juffrouw?" - -"Nu niet, maar later kom ik eens hooren, hoe 't met je vader is." - -En Griete hoorde de laatste woorden niet meer: want snel liep zij -den hoek om en trad, zoo zacht als zij kon, de hut binnen. - -In de kamer was 't stil. 't Was, of zij den ouden dokter kon hooren -ademhalen, ja, als hoorde zij de asch op de plaat van den haard -vallen. De hand van haar moeder was ijskoud, maar haar wangen gloeiden -en haar oogen stonden glazig helder. - -Eindelijk kwam er beweging op het bed, wel zeer zacht, maar genoeg om -hen allen hun oogen naar dien kant te doen richten; dokter Broekman -boog zich oplettend voorover. Brinker trok zijn groote hand, zoo bleek -en zoo zwak voor die van zulk een stevig man, onder het dek vandaan -en voelde er mee naar zijn voorhoofd. Hij scheen daar het verband -te voelen, doch deed dat niet op die rustelooze, onbewuste manier, -maar alsof hij met bewustheid onderzocht, wat men hem toch om het -hoofd had gebonden. Zelfs dokter Broekman hield zijn adem in. Daarop -sloeg de patiënt zijn oogen langzaam op. - -"Wat gauw, jongens," zeide hij met een stem, die in Griete's ooren -zeer vreemd klonk. "Haalt die kribben wat hooger en werpt er aarde -op. Het water rijst zoo snel--er is geen tijd...." - -Vrouw Brinker vloog naar het bed, greep beide handen van haar man -en zeide: - -"Rolf, Rolf! ouwe jongen! Praat eens tegen me." - -"Ben jij 't, Mietje?" vroeg hij met een zwakke stem. "Ik heb zoo -lang geslapen en geloof zelfs, dat ik mij bezeerd heb. Waar is de -kleine Hans?" - -"Hier ben ik, vader!" riep Hans, half dol van vreugde. Maar de dokter -hield hem terug. - -"Hij kent ons!" riep vrouw Brinker uit. "Hij kent ons, -Griete! Griete! kom eens bij je vader!" - -Tevergeefs beval dokter Broekman stilte en trachtte hij hen met -geweld van het bed te houden. Hij kon er niets tegen doen. Hans en -zijn moeder lachten en weenden te gelijk. Griete liet geen geluid -hooren, maar stond hen met blijde en toch verschrikte oogen aan te -kijken. Haar vader vroeg met zwakke stem: - -"Slaapt het kleine kind, Mietje?" - -"Het kleine kind!" herhaalde vrouw Brinker. "O, Griete, dat ben -jij! En hij noemt onzen Hans "den kleinen Hans"! Tien jaren heeft -hij geslapen! O, mijnheer, gij hebt ons allen gered! Van al die tien -jaren weet hij niets af. Kinderen, dankt toch dien goeden dokter." - -De arme vrouw was buiten zich zelve van vreugde. Dokter Broekman -zeide niets, maar toen hij zijn oogen, die vochtig waren, op de hare -vestigde, sloeg hij ze opwaarts. Zij begreep, wat hij meende. Ook Hans -en Griete begrepen het. Alsof zij 't hadden afgesproken, knielden -ze alle drie in de hut neder, zonder dat vrouw Brinker echter haar -mans hand losliet. Dokter Broekman stond bij hen en boog eerbiedig -het hoofd. - -"Waarom bid je?" mompelde de vader. "Is 't vandaag Zondag?" - -Vrouw Brinker knikte, maar kon niet spreken. - -"Lees dan een hoofdstuk uit den Bijbel," hervatte Rolf, terwijl hij -langzaam en met moeite sprak. "Ik weet niet, hoe 't met mij is. Ik -ben zoo zwak. Misschien wil de dominee het ons voorlezen." - -Griete kreeg den zwaren bijbel van de gebeeldhouwde plank. Dokter -Broekman, die er om meesmuilde, dat Rolf hem een dominee noemde, -reikte het boek aan zijn assistent over. - -"Lees," mompelde hij. "Die menschen moeten tot rust gebracht worden, -anders sterft de man nog." - -Toen het hoofdstuk uit was, wenkte vrouw Brinker geheimzinnig, dat -allen stil moesten zijn, want dat haar man sliep. - -"Hoor eens, vrouwtje," zeide de dokter met gedempte stem, terwijl -hij zijn overjas aantrok. "Er moet hier de grootste stilte zijn, -versta je. Morgen kom ik terug. Geef den patiënt vandaag geen eten," -en zonder verder een woord te zeggen, ging hij de hut uit, de bevroren -vaart over en naar het rijtuig, dat den ganschen tijd, dien de dokter -in de hut had doorgebracht, den weg langzaam op en neer gereden had, -om de paarden in beweging te houden. - -Hans ging ook de deur uit. - -"Moge God u zegenen, mijnheer," zeide hij blozend en met een stem, -die van aandoening beefde. "Ik kan u nooit beloonen. Doch, als...." - -"Ja, dat kun je wel," antwoordde de dokter vrij stroef. "Je kunt je -verstand gebruiken, als de patiënt weer wakker wordt. Als je wilt, -dat je vader beter zal worden, dan moet je allemaal je stilhouden." - -Hilda was aan de hut blijven staan, totdat zij Hans had hooren zeggen: -"Hier ben ik, vader!" Toen was zij heengegaan, terwijl zij in zich -zelf mompelde: "O, wat ben ik blij! Wat ben ik blij!" - -'t Duurde niet lang, of het nieuws, dat de krankzinnige Brinker weer -tot zijn verstand was gekomen, was met de noodige vergrootingen door -geheel Broek verspreid. Nog dien zelfden avond werd er verhaald, dat -dokter Broekman hem een groote hoeveelheid medicijnen had ingegeven -en dat er zes mannen waren noodig geweest om den patiënt vast te -houden, terwijl de dokter hem die in de keel goot. Terstond daarop -was de krankzinnige van zijn bed gesprongen en had, in het volle -bezit zijner geestvermogens, zich op den dokter geworpen en hem een -pak slaag gegeven; daarop was hij gaan zitten en had al de omstanders -aangesproken, alsof hij een advocaat was. Toen had hij zich omgekeerd -en heel vriendelijk met zijn vrouw en kinderen gepraat. Vrouw Brinker -had het daarna op haar zenuwen gekregen, en Hans had gezegd: "Hier -ben ik, vader!" En Griete had gezegd: "Hier ben ik, vader!" En de -dokter was zoo bleek als een lijk in zijn rijtuig gekropen en naar -Amsterdam teruggereden. - - - - - - - - -ELFDE HOOFDSTUK. - -DE VERBORGEN SCHAT. - - -Toen dokter Broekman den volgenden dag in de hut van Rolf Brinker kwam, -was 't hem alsof een atmosfeer van geluk hem tegenwoei. Vrouw Brinker -zat met een vergenoegd gezicht te breien aan het bed van haar man, -die rustig sliep, terwijl Griete in een hoek van het vertrek bezig -was met het kneden van roggebrood. - -De dokter bleef niet lang. Hij deed eenige vragen, scheen tevreden -over de antwoorden, voelde den pols van zijn patiënt en zeide: - -"Je man is geducht zwak, vrouw Brinker! Hij moet wat versterkends -hebben. Je kunt er gerust mee beginnen, maar niet te veel op eens, -en wat je hem geeft, het moet van het krachtigste en beste zijn." - -"Wij hebben niets dan roggebrood en aardappelen, mijnheer," antwoordde -vrouw Brinker, "en die zijn hem altijd heel goed bekomen." - -"Ho, ho! vrouwtje," hernam de dokter, terwijl hij zijn wenkbrauwen -fronste. "Dat deugt niemendal voor hem. Hij moet krachtigen bouillon -hebben, met oudbakken wittebrood, dat je kan roosteren, dan goede -Malaga, en .... de man lijdt kou .... je moet hem beter dek geven. Waar -is je zoon?" - -"Hij is het dorp ingegaan, om te zien of hij werk kan krijgen, -mijnheer! Maar hij zal wel gauw terug zijn. Wil u niet gaan zitten?" - -Hetzij de harde stoel, dien vrouw Brinker hem aanbood, niet bijzonder -uitlokkend scheen, of dat de dokter haast had--hij nam het aanbod -van vrouw Brinker niet aan, maar zette zijn hoed op en vertrok. - -Dokter Broekman's bezoek had ditmaal geen aangenamen indruk -achtergelaten. Griete kneedde haar roggebrood met een zenuwachtige -gejaagdheid en vrouw Brinker ging naar het bed van haar man en barstte -in bittere tranen uit. - -Op dit oogenblik kwam Hans binnen. - -"Wat scheelt er aan, moeder?" vroeg hij, toen hij haar zag weenen. "Is -vader soms erger?" - -Zij wendde haar gelaat naar Hans, en zonder eenige poging om voor -hem de reden van haar verdriet verborgen te houden, gaf zij hem -ten antwoord: - -"Ja Hans! je arme vader lijdt honger en kou--dat heeft de dokter -gezegd." - -Hans werd bleek. - -"Dan moet ge hem wat eten geven, moeder, en hem wat warmer toedekken," -zeide hij. - -"Eten? Roggebrood en aardappelen? Dan vermoorden wij hem. Ons eten -is te zwaar voor hem. Ach! hij zal sterven, je arme vader, als we hem -dat geven. Hij moet vleesch hebben, wijn en een zacht, warm bed. Wat -moeten wij beginnen? Wat zullen wij doen? Er is geen stuiver in huis!" - -"Heeft de dokter dan gezegd, dat hij al die dingen moest hebben?" vroeg -Hans. - -"Ja, dat heeft hij gezegd." - -"Welnu, moeder! Droog dan uw tranen. Hij zal ze hebben. Nog vóór den -avond breng ik hem vleesch en wijn. En wat het dek aangaat, neem -het maar van het mijne af. Ik ben jong en sterk en kan wel zonder -dek slapen!" - -"En dan, wat er tot overmaat van ramp nog bij komt, Hans, we hebben -geen brandstof meer. Je vader is er wat ruw mee omgegaan, als ik het -niet zag." - -"Zorg daar maar niet voor, moeder! Als de nood dringt, dan kan ik -den wilgeboom wel omhakken; maar van avond zal ik wat brandstof -medebrengen. Al is er te Broek geen werk te vinden, in Amsterdam -moet er zijn. Maak u maar niet ongerust. Het ergste van alles is -geleden. Nu vader weer bij zijn verstand is, kunnen wij allen dingen -het hoofd bieden." - -"Je hebt gelijk, Hans," antwoordde vrouw Brinker, terwijl zij haar -tranen afdroogde. - -"Kijk hem nu eens, moeder, hoe rustig hij slaapt. Zou God hem -nu door gebrek aan voedsel doen omkomen, nu Hij hem ons heeft -teruggeschonken? Treur dus niet." - -Dit zeggende, nam Hans zijn schaatsen onder den arm, gaf zijn -moeder een kus en ging de deur uit. De arme jongen, moedeloos door -het mislukken van al zijn pogingen om in Broek werk te krijgen, in -bittere smart over de mededeelingen zijner moeder, hield zich groot, -grooter dan hij 't wel in zijn hart was, ja, poogde te fluiten, -terwijl hij naar de vaart ging. - -Nooit was bij de Brinkers de nood zoo hoog geweest. Hun voorraad van -brandhout was zoo goed als op en Griete was bezig met het laatste meel -tot brood te kneden. En geld--dat was een soort van ding, dat er in -de hut aan de vaart weinig, thans in 't geheel niet te vinden was. - -'t Speet Hans, dat hij den koetsier niet had verzocht, om stil te -houden, toen de dokter hem daar straks voorbijreed. Misschien had -moeder het verkeerd verstaan. De dokter kon toch wel begrijpen, dat -het buiten hun macht was om vader bouillon en wijn te verschaffen. En -toch--hij was er wel zeker van, dat de arme man het noodig had, -want hij zag er zoo zwak uit. - -"Kon ik maar werk krijgen, dan zou men mij misschien wat op voorschot -geven. Ik moet werk hebben. Was mijnheer Van den Helm maar niet juist -naar Rotterdam, dan zou hij mij wel werk verschaffen. Maar de jonge -heer Peter heeft mij gezegd, dat ik maar naar zijn moeder moest gaan, -als ik hulp noodig had. Weet je wat, ik doe 't: baat het niet, dan -schaadt het niet. O, als 't maar zomer was!" - -Onder dit zelfgesprek had Hans zijn schaatsen ondergebonden en reed -hij naar de woning van mijnheer Van den Helm. - -"Vader moet wijn en vleesch hebben," mompelde hij. "Maar hoe kom ik -vandaag nog aan het geld, om het voor hem te koopen? Er is geen ander -middel op, dan de belofte te vervullen, die ik stilzwijgend aan den -jongen heer Peter gedaan heb. Een beetje wijn en vleesch beteekent -niets voor de familie Van den Helm. Als vader maar voedsel heeft, -dan rij ik naar Amsterdam en zie daar wat te verdienen." - -Toen kwamen er andere gedachten bij hem op, gedachten, die zijn hart -heviger deden kloppen en het schaamrood op zijn wangen joegen. - -"Dat zou bedelen zijn," zeide hij. "Op zijn zachtst genomen -bedelen. Nooit heeft een van de Brinkers gebedeld! Zal ik dan de -eerste zijn? En zou mijn arme vader daartoe uit zijn tienjarigen -doodslaap ontwaakt zijn, opdat hij moet hooren, dat zijn huisgezin om -een aalmoes gevraagd heeft, hij die altijd zoo fier werkzaam was? Neen, -dan is 't nog duizendmaal beter om het horloge te verkoopen." - -Hij stond peinzend stil. - -"Verkoopen?" vervolgde hij, als beantwoordde hij zich zelf. "Wel, -dat behoeft niet. Ik kan het te Amsterdam beleenen. Dat is toch geen -schande. En als ik dan werk krijg, dan los ik het weer, en vader -is geholpen." - -Die laatste gedachte deed hem opspringen van vreugde. - -"Ik behoef 't niet stil te doen ook," vervolgde hij in het -naar-huis-rijden. "Wel neen, in 't geheel niet. Ik kan er vader -zelfs naar vragen. Hij is nu weer bij zijn volle verstand. Misschien -is hij al wakker. Dan kan hij ons vertellen wat er van dat horloge -is. Misschien zegt hij, dat het van niet het minste belang is." - -Sneller dan hij van huis gereden was, reed hij terug. Hij ontmoette -zijn moeder juist in de deur. - -"O, Hans!" riep zij met een gelaat, dat van vreugde straalde, uit: -"Daar is de jonge dame geweest met haar dienstmaagd. Zij heeft alles -meegebracht, wat wij noodig hebben: vleesch, soep, wijn en brood--een -mand vol brood. En de dokter heeft een mand gestuurd met een paar -flesschen wijn, een zacht bed en warme dekens voor vader. O, nu zal -hij wel weer beter worden. God zegene die edele juffrouw Hilda en -den braven dokter!" - -"God zegene hen!" herhaalde Hans en de tranen kwamen hem in de oogen. - -Dien avond gevoelde Rolf Brinker zich zooveel beter, dat hij er op -aandrong, om een weinig in zijn ruwen stoel met hooge leuning op -te zitten. Het gaf wel een weinig verlegenheid in de hut. Wat Hans -aangaat, die kon, ofschoon zijn vader een zwaar man was, hem best -aan de eene zijde ondersteunen, maar vrouw Brinker, ofschoon ze in -'t geheel niet zwak was, beefde zoozeer vooral bij het denkbeeld, -dat zij iets zou doen, wat de dokter niet geordonneerd had, dat het -weinig scheelde of zij was onder den last bezweken. - -"Hou je goed, vrouw! hou je goed," zeide Rolf. "Ben ik dan zóó oud -en zóó zwak geworden, dat ik niet meer op mijn beenen staan kan. Of -is het de koorts?" - -"Hoor me dien man eens aan!" riep vrouw Brinker zenuwachtig lachend -uit. "Spreekt hij niet als een gezond christenmensch! 't Is de koorts, -die je zoo zwak maakt, Rolf. Hier is je stoel. Ga nu maar zitten!" - -Met deze woorden liet vrouw Brinker haar man zachtjes op zijn stoel -nederzakken, op welken zij een donzig kussen had gelegd. Hans deed -hetzelfde. Intusschen bracht Griete alles aan, wat tot gemak van haar -vader kon dienen, en stookte het vuur ferm op. - -Eindelijk zat Rolf Brinker op zijn gemak. Geen wonder, dat hij -vreemd rondkeek. "De kleine Hans" had niet veel minder gedaan dan -hem ondersteund. Het "kleine kind" was meer dan vier voet lang en -stookte den haard zoo goed, alsof haar moeder 't gedaan had. Mietje, -zijn vrouw, was nog wel even mooi als vroeger, maar heel wat dikker -geworden, en dat alles--naar 't hem voorkwam, in weinige uren. De -eenige welbekende dingen, welke hij om zich zag, waren de grenenhouten -tafel, welke hij zelf had gemaakt, de Bijbel op de plank en de kast -in den hoek. - -Wat wonder, dat de oogen van Rolf Brinker zich met tranen vulden, -zelfs bij het zien van de vroolijke gezichten, die hem omringden. Tien -jaren toch van een menschenleven is geen gering verlies! Tien jaren -van mannelijken leeftijd, van huiselijk geluk en huiselijke zorg, -tien jaren van eerlijken arbeid, genieting van zonneschijn, van een -leven in dankbaarheid gesleten. En die tien jaren als een enkele nacht -voorbijgegaan! Was 't wonder, dat er bittere tranen over zijn wangen -vloeiden, toen hij begreep, wat er met hem gebeurd was? - -Die tranen--'t was of zij in het hart van Griete drongen en daar de -ijskorst deden smelten, die dat jeugdige hart bedekte. Thans had zij -haar vader lief, snelde op hem toe en sloeg de armen om zijn hals. - -"Vader, lieve vader!" fluisterde zij, terwijl zij haar wangetje dicht -aan de eene zijde drukte. "O, lieve vader, schrei zoo niet! Wij zijn -allen hier." - -"God zegene u, kind!" snikte Rolf, terwijl hij haar herhaalde malen -kuste. "Ik had dat waarlijk vergeten!" - -Hans en vrouw Brinker hadden zwijgend en met aandoening Griete -gadegeslagen. Zij waren zóó blijde, dat het kind, hetwelk haar -vader eigenlijk nooit gekend had, zich thans zoo lief jegens hem -gedroeg. Rolf Brinker nam het hoofd van zijn dochtertje tusschen zijn -beide handen, keek haar vriendelijk in het gelaat, wendde zich toen -tot zijn vrouw en zeide: - -"Ik geloof, dat ik haar ken, Mietje. Dezelfde blauwe oogjes, dezelfde -lippen, 't is het lieve kind, dat al kon zingen, vóór ze nog kon -loopen. Maar dat is al lang geleden, heel lang," voegde hij er bij, -terwijl hij met een droomerig gelaat opkeek, "en al die tijd is -nu voorbij." - -"In 't geheel niet, Rolf!" riep zijn vrouw haastig uit. "Denk je dan, -dat ik er niet voor gezorgd heb, dat ze jou niet vergat? Griete, -kind! zing eens het oude liedje, dat je zoo lang gekend hebt." - -Rolf Brinker liet zijn handen zwaar naast zich hangen en sloot zijn -oogen, maar er speelde een glimlach om zijn lippen, toen Griete met -haar heldere stem dat oude, welbekende liedje zong. - -Het was een eenvoudig wijsje; de woorden had zij nooit gekend. - -En als uit instinct zong zij de noten zóó zacht, dat Rolf zich bijna -verbeeldde, dat zijn tweejarig kindje weer naast hem zat. - -Zoodra het gezang gedaan was, klom Hans op een bankje en begon boven -in de kast te rommelen. - -"Wees voorzichtig, Hans," zeide vrouw Brinker, die, hoe arm zij ook -was, steeds een zorgvuldige huismoeder bleef. "Wees voorzichtig, -dat je den wijn niet omgooit, en pas op het brood, dat er naast staat." - -"Wees maar niet bang, moeder," antwoordde Hans, die ver boven de -hoogste plank uitstak. "Ik zal niets omgooien." - -Toen sprong hij van het bankje af en ging naar zijn vader, voor wien -hij een langwerpig stuk grenenhout op tafel zette. Eén van de einden -was schuin afgerond, en het bovengedeelte was uitgehold. - -"Weet gij wel, wat dat is, vader?" vroeg hij. - -Rolf Brinker's gelaat helderde op. - -"Of ik het weet. Wel ja, mijn jongen, dat is de boot, waaraan ik -giste.... neen, niet gisteren, maar jaren geleden bezig was." - -"Ik heb haar altijd bewaard, vader. Als uw handen weer sterker zijn, -kunt gij haar afmaken." - -"Dat is goed, mijn jongen. Maar niet voor jou, hoor. 'k Moet nu -maar wachten, tot ik kleinkinderen heb. Wel kerel, je bent bijna een -man. Heb je je moeder al die jaren trouw geholpen?" - -"Ja, dat heeft hij gedaan," zeide vrouw Brinker. - -"Laat me eens bedenken," prevelde de vader. "Hoe lang is 't sinds -dien nacht, dat het water zoo hoog was? Dat is 't laatst, wat ik -mij herinner." - -"We hebben je de waarheid gezegd, Rolf. 't Is al over de tien jaren." - -"Tien jaren--en toen ben ik gevallen, niet waar? En heb ik sedert al -dien tijd in de koorts gelegen?" - -Vrouw Brinker wist niet, wat zij moest antwoorden. Zou ze hem alles -vertellen? Dokter Broekman had haar volstrekt verboden, om hem bekend -te maken, dat hij krankzinnig, idioot geweest was. Hans en Griete -stonden verbaasd te kijken, toen hun moeder antwoordde: - -"Dat heeft er veel van, Rolf. Je begrijpt, als zoo'n zwaar man als -jij op zijn hoofd valt, dan loopt dat zoo gemakkelijk niet af. Maar -nu ben je weer beter, Goddank!" - -Rolf liet zijn hoofd zakken. - -"'t Is goed, vrouw," hernam hij, na een oogenblik gezwegen te -hebben. "'t Is me tusschenbeide of mij de hersens in het hoofd -draaien. Dat zal wel niet beter worden, vóór ik op den dijk ga -werken. Wanneer denk je, dat ik weer aan den arbeid kan gaan?" - -"Hoor me zoo'n man eens aan!" riep vrouw Brinker verheugd en toch -verschrikt. "We moeten hem te bed brengen, Hans! Dat wou nu al gaan -werken!" - -Zij poogden hem nu van zijn stoel op te richten, maar hij was nog -niet van zins om naar bed te gaan. - -"Schei toch uit," zeide hij met zijn ouden glimlach, een glimlach dien -Griete nog nooit op zijn gelaat had gezien. "Moet je een man oplichten -als een blok hout. 't Duurt geen drie dagen of ik ben weer op den dijk -aan 't werk. Daar zal ik weer mijn oude, goeie jongens vinden! Wat -zullen ze in hun schik zijn, als ze mij weer zien verschijnen! Daar heb -je Jan Kamphuijzen en den jongen Hoogvliet. 't Waren trouwe kameraads, -Hans, daar kan je op aan!" - -Hans keek zijn moeder aan. De jonge Hoogvliet was al vijf jaren -geleden gestorven en Jan Kamphuijzen zat in de cellulaire gevangenis -te Amsterdam. - -"Ze zullen 't nog wel goed maken, denk ik," zeide vrouw Brinker -ontwijkend. "Maar je begrijpt wel, Rolf, dat we geen tijd hebben gehad -om ons met hen te bemoeien. Hans had het te druk met leeren en werken, -dan dat hij kameraden zou hebben kunnen zoeken." - -"Leeren en werken!" herhaalde Rolf op peinzenden toon. "Kan de jongen -dan lezen en schrijven, Mietje?" - -"Dat zou ik meenen," antwoordde zij trotsch. "Je zult het hooren, -Rolf. In den tijd, dat ik den vloer doe, leest de jongen een heel -boek uit. Hij is net zoo blij met een blaadje gedrukt schrift als -een konijn met een koolstronk. En cijferen dat hij kan...." - -"Hans, help mij een handje," viel Rolf zijn vrouw in de rede. "Ik -wou weer naar bed." - - - -Wie dien avond vrouw Brinker en haar beide kinderen had zien soupeeren, -zou niet gedacht hebben, dat er zooveel fijns in de kast daar aan -den muur verborgen was. Vroolijk gebruikten zij hun grof brood met -helder water: "het wittebrood, de wijn en het vleesch moesten voor -vader blijven," had vrouw Brinker gezegd. "Als men daar een stukje -van at, zou men het den armen man ontstelen." - -"Wat zit je daar te kijken, Griete?" vroeg vrouw Brinker, toen ze -gedaan hadden. "Heeft je het eten van avond niet gesmaakt, nu je wat -beters gezien hebt?" - -"Neen, moeder," antwoordde Griete verschrikt, dat ze zoo eensklaps -in haar droomerijen gestoord werd. "Daar heb ik geen oogenblik over -gedacht. Maar ik...." - -"Nu, wat dan, kind?" herhaalde vrouw Brinker ongeduldig. - -"Ik dacht, we konden vader nu wel eens naar de duizend gulden -vragen.--Misschien weet hij er iets van." - -"Duizend gulden!" herhaalde eensklaps een stem uit het bed, en zoowel -vrouw Brinker als Hans sprongen verschrikt op. "De duizend gulden -zullen je ook wel te pas gekomen zijn, Mietje, al dien langen tijd, -dat je man geen slag werk deed." - -"Ben je wel wakker, Rolf?" vroeg zij. - -"Ja, kind. En ik gevoel mij veel beter. Wat een geluk, dat we dit -geld hadden gespaard! Heeft het gedurende al die tien jaren gestrekt, -Mietje?" - -"Ik .... ik heb er geen cent van gezien, Rolf." En zij was op het punt, -om hem de geheele waarheid mede te deelen, toen Hans zijn vinger op -den mond legde en zijn moeder toefluisterde: - -"Denk er aan, moeder, wat de dokter gezegd heeft, dat we vaders hoofd -niet vermoeien mogen." - -"Spreek jij dan met hem, kind," antwoordde zij. - -Hans voldeed hieraan. - -"Ik ben blij, dat ge wat beter zijt, vader," begon hij. "Als 't zoo -voortgaat, zult gij wel spoedig sterk zijn." - -"Ja, jongen, dat willen we hopen. Maar hoe lang heeft dat geld geduurd, -Hans? Ik kon je moeder niet recht verstaan. Wat zeide zij?" - -"Ik heb gezegd, Rolf," antwoordde vrouw Brinker op treurigen toon, -"dat alles weg is." - -"Nu, vrouwtje, wees daar maar niet bedroefd om. Duizend, gulden is -waarlijk niet zooveel voor tien jaren, vooral als men er een paar -kinderen bij groot te brengen heeft; maar ze hebben toch gemaakt, -dat je geen armoede hebt behoeven te lijden. Ben je allen dien tijd -nogal gezond geweest?" - -"Ja," snikte vrouw Brinker, terwijl zij haar voorschoot voor de -oogen hield. - -"Kom, kom, vrouw! Waarom schrei je?" hernam Rolf vriendelijk. "Als -ik maar weer op de been ben, zullen we wel gauw weer een nieuwe kous -vullen. Gelukkig, dat ik je alles verteld heb, eer ik ziek werd." - -"Verteld? Wat heb je me verteld?" - -"Wel, dat ik 't je gezegd heb, dat ik het geld begraven had." - -Vrouw Brinker wilde naar het bed vliegen; maar Hans hield haar bij -den arm vast. - -"Stil, moeder," fluisterde hij, terwijl hij haar tegenhield. "Wij -moeten heel voorzichtig zijn." - -Toen zij daar nu zoo handenwringend stond, naderde hij nog eens -zijn vader. - -"Herinnert gij u nog, vader, wanneer gij het geld begraven hebt?" - -"Wel zeker, 't Was vóór dag en dauw, op denzelfden dag, dat ik van den -dijk viel. Jan Kamphuijzen had den avond te voren iets ten opzichte van -dat geld gezegd, dat mij zijn eerlijkheid deed wantrouwen. Hij was de -eenige, die met moeder en mij wat van dat geld wist. Ik stond 's nachts -op en begroef het. Dwaas, die ik was, om een vriend te wantrouwen!" - -"Ik wed om al wat gij wilt, vader," hernam Hans lachend, terwijl hij -zijn moeder en Griete wenkte, om zich stil te houden, "dat gij niet -meer weet, waar gij het begraven hebt." - -"Ha! Ha! Ha! Je hebt gelijk. Maar goeden nacht, Hans! Ik heb slaap." - -Hans wilde zijn vader met rust laten en van het bed afgaan, maar -zijn moeder wenkte hem en hij mocht haar niet ongehoorzaam zijn; -daarom vervolgde hij: - -"Goeden nacht, vader! Waar hebt gij het geld begraven? Ik was toen -nog heel klein." - -"Vlak bij den wilgeboom achter de hut," antwoordde Brinker slaperig. - -"O, ja. Aan den noordkant van den boom, niet waar, vader!" - -"Neen, aan de zuidzijde. Kom, je weet de plaats net zoo goed als ik, -kleine schelm! Je bent er toch zeker bij geweest, toen je moeder het -geld opgroef. Wees nu stil, Hans, en schud mijn kussen wat op. Ik -heb zoo'n slaap. Goeden nacht!" - -"Goeden nacht, vader!" antwoordde Hans, die wel van vreugd had -willen dansen. - - - -Dien nacht kwam de maan vrij laat op en wierp haar schijnsel vol en -helder door het venster in de hut; maar haar licht stoorde den slaap -van Rolf Brinker niet. Hij sliep rustig evenals Griete. Niet zoo Hans -en zijn moeder; zij hadden wel wat anders te doen. - -Na eenige toebereidselen gemaakt te hebben, slopen zij de hut uit, -gewapend met een spade en een houweel, beide braaf verroest, daar -het werktuigen waren, vroeger door Rolf bij het dijkwerk gebezigd. - -'t Was buiten helder licht en zij konden den wilgeboom duidelijk -zien. De bevroren grond was zoo hard als een steen, maar Hans en zijn -moeder waren niet bang voor een beetje moeite. Het eenige, wat zij -vreesden, was, dat zij de slapers in de hut zouden wakker maken. - -"Gelukkig, dat wij het houweel hebben, moeder," zeide Hans, terwijl -hij uit al zijn macht sloeg; "maar de grond is zóó hard, dat we moeite -zullen hebben, om er door te komen." - -"Wat zal dat een heuglijke tijding voor hem zijn," zeide vrouw Brinker -glimlachend, "als hij sterk genoeg is om haar te dragen. Ik zou er -wel lust in hebben, beide kousen, zoo vol met geld, net zooals wij -ze vinden, naast hem neer te leggen. Wat zou de brave man dan raar -opkijken, als hij wakker werd!" - -"Dan moeten we ze eerst vinden, moeder!" - -"Daar is geen twijfel aan, mijn jongen! Ze kunnen ons nu niet -ontgaan. Waarschijnlijk zitten ze in den ouden koekepot, dien ik -jarenlang gemist heb." - -Maar hoe diep Hans ook groef, er kwam geen teeken van den schat terug. - -"'t Is vreemd, dat vader het geld zoo vreeselijk diep in den grond -heeft gespit," zeide vrouw Brinker op knorrigen toon. "De grond was -toen nog zacht genoeg. Hoe verstandig van hem dat hij Jan Kamphuijzen -niet vertrouwd heeft, en toch stelde hij toen nog zijn volle vertrouwen -op hem. Wie had ook ooit kunnen denken, dat die vroolijke jongen, -die altijd zoo aardig was, nog naar de gevangenis zou gaan! Nu, Hans, -geef mij nu de spade eens. 't Zou toch jammer zijn, als wij den boom -er mee doodden. Zou 't hem geen kwaad doen?" - -"Ik weet het niet," antwoordde Hans ernstig. - -Uur op uur gingen moeder en zoon voort met hun werk. Het gat werd -hoe langer hoe dieper. Eindelijk moesten zij 't wel opgeven. Zij -hadden bezuiden, benoorden, beoosten, bewesten den boom gegraven; -maar de verborgen schat was er niet. - - - - - - - - -TWAALFDE HOOFDSTUK. - -DE TOOVERGODIN. - - -"Goeden morgen, Annie Bouman," zeide Hans, toen het meisje hem den -volgenden morgen op het ijs ontmoette. - -"Goeden morgen, Hans," antwoordde zij vriendelijk. "Ik ben blij, -dat ik je eens zie. Hoe is 't met je vader?" - -"Daar is een groote verandering mee voorgevallen, Annie!" - -"Ik heb er zoo wat van gehoord, Hans. Je moet het mij eens vertellen." - -En hij vertelde haar al wat er gebeurd was, terwijl hij natuurlijk -van het begraven geld zweeg. - -"Maar nu moet ik weg, Annie," eindigde hij. "Ik moet naar Amsterdam, -om mijn schaatsen te verkoopen. Moeder heeft geld noodig." - -"Je nieuwe schaatsen, Hans?" riep Annie uit. "Jij, de beste rijder -uit Broek! En hoe wil je dan meedoen aan den wedren?" - -"Dat zal niet gaan, Annie! Maar ik moet weg. Goeden dag!" - -En hij was reeds heen. - -"Hans!" riep Annie. - -Hans kwam terug. - -"Ben je wezenlijk van zins, om je schaatsen van de hand te doen, -als je er een kooper voor kunt vinden?" - -"Natuurlijk," antwoordde hij, terwijl hij een paar groote oogen -opzette. "Waarom zou ik anders naar Amsterdam rijden?" - -"Nu, Hans, als je dan je schaatsen wilt verkoopen, dan weet ik wel -iemand, die ze van je wil overnemen." - -"Mijn schaatsen koopen?" hernam Hans. - -"Waarom niet die zoo goed als een ander?" zeide zij vriendelijk. "Wat -zal je er in Amsterdam voor krijgen? Je moet ze daar voor een appel -en een ei geven. 't Is altijd veel voordeeliger, om ze uit de hand -te verkoopen." - -Hans kon èn aan het argument èn aan het lieve, vriendelijke gezichtje -van het meisje geen weerstand bieden. - -Hij zette zich neder, bond zijn schaatsen af en overhandigde ze -aan Annie: - -"Hoor eens, Annie," zeide hij, "als je kennis de schaatsen -niet wil hebben, dan moet je me beloven, dat je ze me van middag -terugbrengt. Want moeder heeft hout en meel noodig en dan ga ik nog -vóór den avond naar Amsterdam." - -"Mijn vriend heeft ze noodig," antwoordde zij, terwijl zij hem -vriendelijk toeknikte en met de schaatsen wegreed, terwijl zij bij -zich zelf zeide: - -"Wat is die Hans toch een goede, brave jongen!" - -Hans vervolgde intusschen, en nu te voet, zijn reis naar Amsterdam. - -"'k Hoop maar niet, dat moeder boos zal zijn," zeide hij in zich zelf, -"dat ik de schaatsen verkocht heb, zonder haar verlof te hebben -gevraagd. Zij heeft al verdriet genoeg. 't Zal tijds genoeg zijn, -'t haar te vertellen, als ik het geld heb." - -"Hé, waar moet jij naar toe?" hoorde Hans eensklaps roepen, toen hij -nog niet tot aan het Noordhollandsche kanaal genaderd was. - -Hans, die met de oogen naar den grond geslagen geloopen had (want hij -was heel verdrietig, omdat hij in Broek geen werk had kunnen krijgen, -en vreesde er terecht voor dat hij wel een vergeefschen tocht naar -Amsterdam zou doen), keek op en zag Peter van den Helm, die zijn vijf -makkers een oogenblik verliet en naar den kant der vaart reed. - -"O, zijt gij het, jongeheer!" zeide Hans min of meer beteuterd door -de onverwachte verschijning. - -"Wij komen zoo juist van onze reis terug. Hoe is 't met je vader? Is -dokter Broekman er al geweest?" - -"O, mijnheer, dokter Broekman is er niet alleen geweest, maar met -Gods hulp heeft hij vader gered." - -"Wat je zegt! Nu, Hans, dat is een goede tijding. En waar ging je nu -naar toe?" - -"Naar Amsterdam, om werk te zoeken, jongeheer!" - -"Naar Amsterdam? Daar zul je geen werk krijgen. Waarom zoek je het -niet in Broek?" - -"Ik heb 't gepoogd, jongeheer, maar er is geen werk." - -"En zou je zoo op je voetjes naar Amsterdam kuieren? Dat zou je niet -meevallen: want het is een heel eind. Waar zijn je nieuwe schaatsen?" - -"Ach, jongeheer," zeide Hans, terwijl hij verlegen aan zijn mouw -plukte, "die heb ik verkocht." - -"Verkocht? En hoe moet je dan morgen aan de hardrijderij meedoen?" - -"Dat zal ik niet kunnen. Ach, ik heb wel aan wat anders te denken -dan aan hardrijderijen." - -"Maar waarom heb je je schaatsen verkocht, Hans? Je was er zoo blij -mee en jij kondt er zoo goed op voort." - -"Omdat er meel en brandstof in huis moest zijn," hernam Hans. "Als -ik maar werk had kunnen krijgen, zou ik er geen oogenblik aan gedacht -hebben." - -"Werk? Heb ik niet gezegd, dat je maar naar mijn papa moest gaan om -werk. Die zou het je wel gegeven hebben." - -"Hij is naar Rotterdam, jongeheer!" - -"Hoor eens, je ziet, dat mijn kameraads reeds met ongeduld op mij -wachten. Kom dadelijk bij mij, dan zal ik er met mama over spreken." - -Dit zeggende, vloog Peter als een pijl uit een boog voort en was binnen -weinige minuten weder bij zijn reisgenooten, die hem braaf berispten, -dat hij zich zoo gemeenzaam met dien voddenraper aanstelde. Maar Peter -antwoordde niets, ofschoon hij bij zich zelf dacht: die voddenraper -is honderd percent beter dan een van ons allen. Hij antwoordde niet, -omdat hij de laatste seconden van hun vroolijk samenzijn niet wilde -verbitteren door een twist, waarin zij hem toch nooit gelijk zouden -geven. Hans intusschen wandelde getroost terug en kwam aan het huis -van mijnheer Van den Helm, toen Peter en Lodewijk reeds lang en breed -thuis zaten en al hun wedervaren verteld hadden. - -"Kom maar binnen, Hans!" zeide Peter. "Ik heb mama reeds over je -gesproken." - -"Dat is heel vriendelijk van u, jongeheer!" antwoordde Hans. - -"En zij is heel boos op je, omdat je niet gedaan hebt, wat ik je -gezegd had en bij haar bent gekomen om hulp." - -"Ik bij haar komen om hulp, jongeheer?" zeide Hans, terwijl hij een -kleur kreeg als bloed. "Neem mij niet kwalijk," vervolgde hij op -fieren toon, "'t is misschien een beetje trotsch van mij, maar nooit -heeft een der Brinkers zich verlaagd tot het vragen om een aalmoes!" - -"En daar heb je braaf aan gedaan, Brinker," zeide een deftige dame, -die het vertrek binnentrad. "Toch spijt het mij, dat je niet bij mij -gekomen bent; ik had je graag wat voorgeschoten op het werk, dat je -hier zult verrichten." - -Hans keek mevrouw Van den Helm met een paar oogen aan, glinsterend -van vreugde. En hij sloeg die oogen zóó bescheiden en toch zóó open -tot haar op, dat hij haar ondanks zijn versleten plunje beviel. - -"Je bent een gunsteling van mijn zoon Peter," hernam zij. "Hij -heeft mij verteld, hoe je hem te Haarlem uit de verlegenheid gered -hebt. Maar waarom hield je dat geld niet voor je zelf, daar je het -toch zoo noodig hebt?" - -"Dat kan Mevrouw niet meenen," zeide Hans, terwijl hij een ongeloovigen -blik op mevrouw Van den Helm sloeg. "Als ik het gehouden had, was ik -immers een dief geweest." - -"Maar dan had je toch wel een paar gulden voor je moeite kunnen -aannemen," hervatte mevrouw Van den Helm. - -"Geld, dat ik niet verdiend heb, is een aalmoes, Mevrouw. En wat mijn -moeite aangaat, de jongeheer heeft mij waarlijk nog grooter dienst -bewezen met dokter Broekman te gaan spreken." - -"'t Is waar, Brinker. Dokter Broekman heeft je vader zoo gelukkig -genezen. Vertel me dat eens!" - -Hans verhaalde wat dokter Broekman gedaan had en weidde zeer uit over -'s mans vriendelijkheid. - -"Hoe kun je toch zeggen, dat dokter Broekman vriendelijk is?" zeide -Peter. "Ik heb nooit grooter bok gezien." - -"'t Kan wezen, jongeheer! En ik wil heel gaarne gelooven, dat andere -menschen geen reden hebben, om op zijn vriendelijkheid te roemen. Maar -dat belet toch niet, dat ik hem voor een lief, goed man houd en dat -ik mijn leven zou opofferen, om hem een dienst te doen." - -"Je hebt gelijk, Brinker," zeide mevrouw Van den Helm. "En ik vind het -nobel van je, dat je zoo ferm voor je gevoelen durft uitkomen. Dokter -Broekman is een braaf man en een knap geneesheer. Dat hij gewoonlijk -zoo ernstig en streng is, daar heeft hij wel reden voor, de arme -man. 't Zal zoowat tien jaren geleden zijn, dat hij zijn eenig kind, -een zoon van veel verwachting, op een zeer ongelukkige manier verloren -heeft. En dat verlies heeft den vader vrij wat verdriet veroorzaakt." - -Peter zweeg uit achting voor zijn moeder, en op het gelaat van Hans -stond innig medelijden te lezen; terwijl hij in zijn hart den wensch -voedde, dat hij den dokter diens zoon mocht kunnen wedergeven. Nadat -onze knaap het werk in den koepel had opgenomen, hetwelk hij bij den -aankoop van de noodige gereedschappen, niet boven zijn bereik vond, -gaf mevrouw Van den Helm hem een rolletje met tien rijksdaalders. - -"Ziedaar, Brinker," zeide zij vriendelijk, "hier heb je al vast vijf -en twintig gulden op voorschot! Daar kun je het noodige gereedschap -en hout voor koopen. En dan wachten we je den tweeden Januari om -te beginnen. Morgen is de groote wedren, overmorgen Oudejaarsdag -en Nieuwjaarsdag kun je toch ook niet werken. Al dien tijd kunnen -je ouders niet van den wind leven, en als het werk goed uitvalt, -dan zijn de vijf en twintig gulden nog maar een kleinigheid." - -Hans keek met glinsterende oogen naar de blinkende rijksdaalders, -die hij zou verdienen, en dacht aan de vreugde, die er in de hut -zou heerschen, als hij met zooveel geld thuis kwam. Want als hij -tien gulden voor hout en gereedschap noodig had, was 't veel en -het andere geld kon dienen voor de noodigste levensbehoeften en -voor brandstof. Als hij zijn zin gehad had, dan zou hij reeds den -volgenden dag zijn begonnen, maar daarvan wilde mevrouw Van den Helm -niets hooren en hij durfde er niet op aandringen. - -"Je bent toch niet boos op me, Hans," zeide Peter, toen hij hem -uitliet, "dat ik zoo over dokter Broekman gesproken heb? Ik wist niet, -dat de man verdriet had." - -"Wel neen jongeheer! Hoe zou ik boos kunnen zijn op u, die mij als -een weldoener verschenen zijt? Ik dank u integendeel hartelijk." - -"En nu koop je je schaatsen terug, hoor, en doe je morgen mee met -de hardrijderij." - -"Dat zal moeilijk gaan, jongeheer! Maar we zullen zien." - -En met deze woorden verliet hij het huis van de familie Van den Helm. - - - -Vroolijk kwam Hans in de hut aan. Vader Brinker was juist ontwaakt -en wenschte wat op te zitten; maar vrouw Brinker had hem beduid, dat -hij moest wachten tot Hans thuis kwam. Hij zat dus maar in het bed op. - -"Ben je daar al, Hans?" zeide zijn moeder. "Ik dacht, dat je naar -Amsterdam waart." - -"Zooals u ziet, moeder! Ik ben niet naar Amsterdam geweest. Ha, -vader! al wakker? en hoe gaat het?" - -"Veel beter jongen, veel beter. Ik wachtte al op jou om op te staan: -want een mensch zou wel lui worden, als hij zoo lang in de veeren -bleef liggen. Maar je kijkt zoo vroolijk als een meidag. Er is je -zeker wat goeds bejegend." - -"Dat zou ik zeggen, vader," antwoordde Hans, terwijl hij de tien -blanke rijksdaalders op tafel wierp. "Ik heb werk gekregen en geld -op voorschot." - -En hij vertelde zijn ontmoeting met Peter en de vriendelijke ontvangst -bij mevrouw Van den Helm. - -"En zal jij dat werk durven avonturen, Hans?" vroeg Brinker. - -"Met Gods hulp, ja vader," antwoordde Hans. "En we zien reeds -duidelijk, dat de goede God met mij geweest is." - -"Maar hoe zul je...." - -"Hij kan zoo mooi in hout snijden, Rolf," zeide vrouw Brinker. "Hans, -krijg daar de plank eens vandaan en laat je vader die eens zien." - -Hans voldeed aan het verlangen zijner moeder en reikte zijn vader de -plank toe. Deze bekeek het werk met oplettendheid en zeide: - -"Dat is goed werk; wie heeft je dat geleerd, Hans?" - -"Niemand vader; ik heb het door eigen oefening zoo ver gebracht." - -"En hoe kwam je aan het gereedschap?" - -"Een oud mes, anders heb ik niet gebruikt." - -"Nu, dan zul je den koepel wel in orde brengen, als je maar goed -gereedschap hebt, jongen! Doch help mij nu op! Ik verlang om uit het -bed te komen en je moeder durfde me alleen niet aan." - -Dien namiddag kwam Annie Bouman. - -"Hans," zeide zij, "ik heb goede zaken voor je gedaan! Ik heb vijf -gulden voor je schaatsen gekregen." - -"Heb je je schaatsen verkocht, Hans?" vroeg zijn moeder. - -"Ik heb 't van morgen gedaan, moeder, éér ik naar mevrouw Van den Helm -ben geweest. Maar vijf gulden is te veel, Annie. Ik heb er zooveel -niet voor gegeven." - -"En als nu de liefhebber er zooveel voor geven wil." - -"Ik kan het niet gelooven, Annie," zeide Hans. - -"Dat staat je niet mooi, Hans, dat je mij niet gelooft," zeide Annie. - -"'t Is wel mogelijk Annie! Maar ik geloof...." - -"Je moet die schaatsen weerom koopen, Hans," zeide vrouw Brinker. "Je -bent een brave jongen, dat je je grootste genoegen voor je ouders -hebt opgeofferd. Maar nu we geld hebben en jij werk--wil ik niet, -dat je zonder schaatsen blijft. Begrijp eens, dat je wel een enkele -maal naar Amsterdam zult moeten, en als je 't dan op je voeten zoudt -moeten doen, dan zou je er te veel tijd mee verliezen." - -"Heb je geld gekregen, Hans?" vroeg Annie. - -"Ja, Annie, van mevrouw Van den Helm, op afrekening van het werk, -dat ik er doen zal. Ik zal er den koepel van snijwerk voorzien." - -"Jij, Hans? Wel, dat doet mij genoegen. En dus wil je nu de schaatsen -niet verkoopen?" - -"Je moet ze weerom halen, Hans," zeide zijn moeder. - -"Ik zal met je meegaan, Annie," hernam Hans. "Ik kan ze toch nog -wel terugkrijgen?" - -"Wel zeker. Maar laat Griete dan met me meerijden, dan kan zij -ze halen." - -Op dit oogenblik schoot de zon haar laatste stralen, bloedrood, -door het venster in de hut en bescheen de liefelijke gestalte met -een tooverachtig licht. Vrouw Brinker beschouwde de jeugdige gedaante. - -"Kijk me nu dat lieve meisje eens aan!" riep zij uit. "Zou men niet -zeggen, dat daar een toovergodin staat, van wie ik vroeger wel eens -in de boeken gelezen heb?" - -"Vindt gij 't, vrouw Brinker?" zeide Annie lachend. - -"Inderdaad," antwoordde zij. - -Hans keek haar met vriendelijken blik aan; Griete kreeg haar schaatsen. - -"Ik ga gauw naar huis; kom, Griete, ben je klaar?" - -"Ja, Annie!" antwoordde Griete. - -"Dag, vrouw Brinker," zeide Annie. "'t Beste met je man!" - -Hans ging mede de deur uit, om de meisjes tot aan de vaart te -vergezellen. Even buiten de deur stond Annie stil. Weder scheen de -zon tooverachtig op het gelaat van het meisje. Was het een weinig -coquetterie, dat ze daar zoo bleef stilstaan? Ik durf 't niet -zeggen--wel weet ik dat Hans haar met een soort van eerbied aanstaarde. - -"Moeder heeft wel gelijk," zeide hij bewonderend. "Je lijkt net -zoo'n toovergodin." - -Annie had er pleizier in, dat Hans haar zoo aankeek. Zij zette een -ernstig gezichtje en zeide: - -"Welnu, Hans en Griete! Ik ben de goede toovergodin uit Broek, -die je een bezoek komt brengen. Je kunt ieder een wensch doen, -die zal je worden toegestaan." Griete begon te lachen om den ernst, -waarmede zij sprak; maar Hans, die in zijn hart wenschte, dat Annie -werkelijk een toovergodin was en dat haar belofte mocht uitkomen, -lachte niet en zeide ernstig: - -"Welnu, goede toovergodin, ik wenschte, dat ik kon vinden wat ik van -nacht tevergeefs gezocht heb!" - -Annie bleef haar rol uitmuntend doorspelen. Zij stampte driemaal op -den grond, haalde plechtig een glazen kraal uit haar zak, reikte die -Hans over en zeide: - -"Begraaf die kraal daar ginds bij de oude vermolmde wilgestomp, -en eer de maan hedenavond opkomt, zal je wensch vervuld zijn." - -Griete vond dit zoo koddig, dat zij nog harder begon te lachen. - -"Ondeugend kind," zeide Annie, terwijl zij een streng gezicht -zette. "Omdat je een toovergodin bespot, zal jouw wensch niet vervuld -worden." - -"'t Is jammer, dat je je beurt niet hebt afgewacht, toovergodin!" zeide -Griete. "Nu kun je me niets weigeren: want ik heb niets gevraagd." - -Annie bleef haar rol goed spelen. Met waardigheid wendde zij zich om, -drukte Hans genadig de hand en wandelde naar de vaart. Toen zij daar -was, was zij weder Annie. - -"Kom, Griete!" riep zij tegen het nog steeds lachende kind. "Ga nu -mee; anders zou je de schaatsen van je broer niet voor morgen thuis -brengen. En je weet, dat hij dan op de harddraverij moet." - -Hans keek de meisjes na, zoolang hij ze zien kon. Maar hij staarde -ze na met een droomerig gelaat. - -"Bij die wilgestomp, zeide zij," mompelde hij. "Hoe dom, dat wij -daaraan niet gedacht hebben! O, 't is zeker waar! Doch ik zal er -moeder niets van zeggen, eer ik weet of 't waar is. Zij was van nacht -zoo teleurgesteld." - -En hij ging met langzame schreden in huis, waar zijn vader gerust -lag te slapen. - -"Wat moet je hebben, Hans?" vroeg vrouw Brinker, die aan het bed van -haar man zat te breien. - -"Ik ga de oude stomp omhakken om een lekker brandje te hebben, -als vader van nacht wakker wordt. Hij staat daar toch maar als -een doeniet. En dan word ik warm van den arbeid; want ik ben koud -geworden." - -"Sla dan niet te hard, anders mocht je je vader wakker maken." - -"Wees maar niet bang, moeder!" antwoordde hij, terwijl hij met spade -en houweel de hut verliet. - -Toen Griete kort daarop met de schaatsen thuis kwam, vroeg zij Hans, -terwijl zij haar schaatsen afbond: - -"Wat voer je daar toch uit?" - -"Ik begraaf mijn tooverkraal," antwoordde hij. - -"Malle jongen, hier zijn je schaatsen!" - -"Hang ze maar binnen op! En waar heb je ze gehaald?" - -"Wel, ze lagen bij Annie aan huis." - -"Dat dacht ik wel. Lieve, lieve Annie! Je zult zien, Griete, dat ze -ons nog meer geluk aanbrengt!" - -"'t Zal wat zijn, als het voor de heeren komt. Maar ik ga in huis. 't -Is me te koud om stil te staan." - -Vijf minuten later kwam Hans half dansende de deur in met een vuilen -koekepot. - -"Moeder!" riep hij. "Het geld is terug! We hebben er van nacht niet -aan gedacht, dat de wilg, welken vader bedoelde, al voor jaren is -omgewaaid en dat de andere nog jong was, toen het ongeluk op den -dijk voorviel. Annie heeft mij, zonder het te weten, op de gedachte -gebracht, dat het die was. Hier is de pot met geld!" - -Vrouw Brinker kon niet spreken: maar zij trok den ouden vuilen pot, -dien Hans op tafel had gezet, naar zich toe en haalde de beide kousen -er uit, die ze aan haar hart drukte. Eindelijk riep zij: - -"O, kinderen! Welk een geluk! God zegene de lieve Annie voor haar -wenk! Nu zal vader het eerst goed hebben." - -Dien nacht droomde Annie van een knipmes, dat Hans verloren had en -op haar tooverspreuk terugvond. - - - - - - - - -DERTIENDE HOOFDSTUK. - -HET GEHEIMZINNIGE HORLOGE. - - -Terwijl Hans dien dag werk had gezocht en Griete bezig was geweest, -om waar zij kon langs de vaart eenig hout te sprokkelen, om het vuur -aan den haard te onderhouden, had er in de hut van Rolf Brinker een -vrij langdurig gesprek plaats gehad tusschen den zieke en zijn vrouw, -waarvan ik den inhoud aan mijn lezeressen en lezers wil mededeelen, -niet twijfelende, of zij zullen een levendig belang stellen in hetgeen -er tusschen de beide echtgenooten verhandeld werd. - -Gij herinnert u nog wel het gouden horloge, dat Rolf's trouwe -vrouw zoo zorgvuldig had bewaard. Zoo menig uur van bitteren nood -en nijpende armoede was er voorbijgegaan, waarin moeder Brinker -het niet zou gewaagd hebben, dit horloge voor den dag te halen, -uit vrees dat de verleiding haar te zwaar zou zijn en zij er voor -mocht bezwijken en ontrouw worden aan het laatste verzoek van haar -man. 't Was zoo menigmaal hard geweest, de bleeke, vervallen wangen -harer lievelingen te zien en daarbij te denken, dat het geld, hetwelk -zij voor dit horloge kon krijgen, de rozen op die wangen had kunnen -terugbrengen. Maar vrouw Brinker kon de laatste woorden van haar man -niet vergeten, zij zou er trouw aan blijven, er mocht van komen wat -er wilde. - -"Pas er goed op, Mietje," dat waren zijn woorden geweest, toen hij haar -het horloge ter hand stelde. Meer had hij er niet kunnen bijvoegen: -want toen was men hem komen roepen, omdat de dijk gevaar liep. En na -dien tijd, tien jaren lang, was Rolf buiten staat geweest, haar iets -naders aangaande het haar in bewaring gegeven kleinood mede te deelen. - -Nu echter begreep zij, dat het oogenblik gekomen was, waarin zij -van haar man iets meer ten aanzien van het geheimzinnige horloge zou -kunnen vernemen. Zij legde het dus in de hand van den zieke. - -Rolf Brinker draaide het gladde, blinkende voorwerp herhaalde -malen in zijn hand om; daarna onderzocht hij het kleine zwart moiré -lintje, dat er aan vastzat; hij scheen echter een en ander niet te -herkennen. Eindelijk toch zeide hij: - -"Hé, ja. Nu herinner ik 't mij. Vrouw, wat heb je dat ding mooi -opgewreven! Het ziet er uit of het zoo nieuw uit den winkel komt!" - -"Vindt je 't?" vroeg vrouw Brinker. - -Rolf bekeek het horloge nogmaals. - -"Arme jongen!" mompelde hij; toen verzonk hij in diep gepeins. - -Vrouw Brinker kon haar ongeduld niet langer bedwingen. Min of meer -knorrig, herhaalde zij haars mans woorden: "Arme jongen!" Daarop -vervolgde zij: "Hoe is 't nu met je Rolf? Denk je, dat ik niets anders -te doen heb, dan hier bij je te staan en mijn boel te laten wachten, om -ten slotte van alles niets anders van je te hooren dan: arme jongen?" - -"Maar ik heb je immers alles reeds sedert lang verteld," zeide Rolf -op bevestigenden toon, terwijl hij zijn vrouw verwonderd aankeek. - -"Wel neen, Rolf, je hebt me er nooit een enkel woord van gezegd." - -"Nu, als dat het geval is, en daar 't een zaak betreft, die ons -in 't geheel niet aangaat--zoo zullen wij er maar over zwijgen," -hervatte Rolf, terwijl hij zijn hoofd treurig schudde. "'t Is -allerwaarschijnlijkst, dat in den tijd, welken ik dood ben geweest -voor de aarde, de arme gestorven en reeds in den hemel is. Hij zag -er wel naar uit, die arme knaap!" - -"Rolf, als je me op die manier gaat behandelen, die je heb verzorgd -en verpleegd van mijn twee-en-twintigste jaar af, dan moet ik zeggen -dat het schande, meer dan erg is." - -En vrouw Brinker's geheele gezicht was rood van toorn en zij sprak -die woorden op vlijmenden toon uit. Rolf vroeg met zwakke stem: - -"Je behandelen, Mietje? Op welke manier? Wat bedoel je daarmee?" - -"Op welke manier? Wat bedoel je daarmee?" herhaalde vrouw Brinker, -terwijl zij zijn stem en gebaren nadeed. "Wel op die manier, als -elke vrouw wordt behandeld, als zij haar man, toen hij zoo erg was, -trouw heeft opgepast, als een...." - -"Mietje!" - -Dit zeide Rolf op een gevoeligen toon, terwijl hij beide armen naar -zijn vrouw uitstrekte en begon te weenen als een kind. Terstond -bedaarde vrouw Brinker's drift. Zij snelde op haar man af, sloot zijn -beide handen in de hare en riep uit: - -"Ach! Wat heb ik gedaan! Ik heb mijn goeden man aan 't weenen gemaakt, -mijn goeden man, dien ik nog geen vier dagen terug heb! Kijk me eens -aan, Rolf, goede jongen! kijk me eens aan! Ach, ik heb er zoo'n spijt -van, dat ik je zeer gedaan heb! 't Is ook zoo hard, als je tien jaren -gewacht hebt om wat naders van dat horloge te vernemen, en je kunt -er niets van te weten komen.... Maar ik zal je er geen woord meer -over vragen, Rolf! Geen enkel woord meer! Geef het ding maar hier, -dan zullen we het wegbrengen. Dat zulk een ellendig horloge de oorzaak -moet zijn van ongenoegen tusschen ons, en dat zoo kort, nadat God je -me weergeschonken heeft!" - -"Ach, Mietje, ik ben heel kinderachtig geweest, dat ik geschreid -heb," hervatte Rolf, terwijl hij haar kuste. "'t Is ook niet meer dan -billijk, dat je de waarheid verneemt. Maar 't was mij, alsof ik door -'t je te vertellen, de geheimen van een afgestorvene aan den dag -zou brengen." - -"Denk je dan, dat de man--de jongen, van wien je spraakt, dood -is?" vroeg vrouw Brinker, terwijl zij het horloge in haar hand verborg. - -"Dat kan ik niet zeggen," antwoordde hij. - -"Was hij dan zoo ziek, Rolf?" - -"Neen niet ziek, maar gejaagd, heel gejaagd." - -"Had hij dan wat kwaads uitgevoerd, denk je?" vroeg zij half -fluisterend. - -Rolf knikte. - -"Een moord gedaan?" fluisterde de vrouw, zonder te durven opkijken. - -"Hij zeide, dat het er wel iets van had." - -"O, Rolf, je doet mij schrikken--vertel mij meer--je spreekt zoo -raadselachtig--en je beeft. Ik moet alles weten." - -"Als ik beef, vrouw, dan moet het van de koorts zijn. Daar rust, -Goddank, geen schuld op mijn ziel." - -"Daar Rolf, neem een slokje wijn; dat zal je goed doen. Ziezoo nu -ben je beter. 't Had veel van een moord, zei je?" - -"Ja, Mietje, van een moord; dat heeft hij mij zelf verteld. Maar ik -geloof het niet. Een knappe, frissche, aardige knaap, die er net zoo -uitzag als onze Hans...." - -"Ja, ik begrijp je," hervatte vrouw Brinker, om de historie niet af -te breken. - -"Hij kwam heel onverwachts op mij af," ging Rolf voort. "Ik had hem -nooit te voren gezien, met zijn bleek en angstig gelaat. Hij greep mij -bij den arm. "Je schijnt me een eerlijke kerel te zijn," zeide hij." - -"Daar had hij ook deugdelijk gelijk in," viel de vrouw haar man met -geestdrift in de rede. - -Rolf keek een weinig verward. - -"Waar was ik ook weer, vrouw?" vroeg hij. - -"De knaap greep je bij den arm," antwoordde zij, terwijl zij hem -nieuwsgierig aanzag. - -"Juist, zoo was 't. 't Komt me alles zoo moeilijk voor den geest, -net alsof 't een droom is, weet je." - -"Geen wonder, arme man," hervatte vrouw Brinker, terwijl zij hem de -hand drukte. "Als jij geen verstand voor een dozijn anderen gehad -hadt, dan zou je nooit weer bij je positieven zijn gekomen. Welnu, -hij greep je bij je arm en zei, dat je een eerlijke kerel scheen te -zijn. Waar was dat?" - -"Wel, je weet, dat ik het dagveer aan het Schouw bediende voor -Piet van Dieren, die toen ziek lag. Nu stond ik bij de schuit; -want de stoomboot naar het Nieuwediep zou binnen weinige minuten in -'t gezicht komen en dan moest ik klaar zijn, als er passagiers waren -af te zetten of aan te brengen." - -"O, was 't daar? Nu--hij greep je bij den arm, Rolf." - -"Ja, dat deed hij. En 't is of ik nog dat bleeke, angstige gelaat -zie. "Breng mij naar de stoomboot, die naar het Nieuwediep vaart."--Met -deze woorden sprong hij in de boot, waarin ik reeds gestapt was.--"Hoor -eens," zei hij, terwijl ik de riemen in het water legde; want het was -nog te vroeg en de boot had nog niet eens gefloten. "Hoor eens, kan -ik je vertrouwen?"--"Als u zelf, mijnheer," antwoordde ik.--"Ik heb -een verkeerd stuk begaan--God weet, dat ik het zonder opzet deed--maar -de man is dood--en ik moet uit het land vluchten." Dat zei hij." - -"Goede Hemel! En zei hij dat, Rolf? Had hij iemand doodgestoken of -doodgeschoten?" - -"Dat herinner ik mij niet meer. Misschien heeft hij 't mij verteld; -maar 't is me alles als een droom. Eigenlijk mocht ik hem niet -behulpzaam zijn om de wraak der wetten te ontvluchten. Maar hij -betuigde zoo plechtig zijn onschuld en daarenboven zag hij zoo -trouwhartig uit zijn oogen, net als onze Hans kan doen. Hoe meer ik -'t mij herinner--hoe meer ik vind, dat hij op onzen jongen geleek." - -"En was dat de knaap, die u het horloge gaf? Wel, Rolf, als hij daar -maar eerlijk aan gekomen was." - -"Foei, vrouw!" riep Rolf uit, op een toon alsof hij zich beleedigd -gevoelde. "De jongen was zoo mooi en zoo fijn gekleed alsof hij een -prins was. Het horloge was het zijne, daar kun je staat op maken." - -"Hoe kwam hij er dan toe, om het jou te geven?" hernam vrouw Brinker. - -"Wel, dat heb ik je zooeven verteld," antwoordde hij min of meer -verward. - -"Vertel 't me dan nog eens, beste Rolf!" - -"Wel, juist toen de boot zich in de verte liet hooren en ik de riemen -in het water sloeg om er heen te roeien, haalde de knaap het horloge -uit zijn zak. "Ik moet uit mijn land vluchten, zooals ik nooit -gedacht had, dat ik zou moeten doen," zeide hij. "Jou vertrouw ik, -omdat je een eerlijk gezicht hebt.--Wil je dit horloge aan mijn vader -brengen, niet vandaag, maar vandaag over acht dagen, en hem zeggen, -dat zijn ongelukkige zoon het hem zendt. Zeg hem dan, dat, als hij -er behoefte aan heeft, om mij bij zich te hebben, ik alle gevaren -zal trotseeren en terug zal komen. Zeg hem, dat hij een brief moet -schrijven aan...." ja, verder ben ik alles vergeten. Ik kan mij -niet herinneren, waar de brief naar toe moest. Arme jongen! arme -jongen!" herhaalde Rolf op smartvollen toon, terwijl hij het horloge -van zijn vrouws schoot nam. "En dat dit horloge sedert al dien tijd -niet naar zijn vader is gezonden!" - -"Ik zal het hem brengen, Rolf; ik zal het hem brengen, beste jongen, -zoodra Griete weer thuis is," zeide vrouw Brinker, om haar man gerust -te stellen. "Griete zal wel gauw weerom komen. Hoe heette de vader -van den knaap? Waar moest je hem opzoeken?" - -"Helaas!" antwoordde Rolf, terwijl hij langzaam sprak. "'t Is me alles -ontgaan. 't Is me net, alsof ik het gezicht van den jongen nog vóór mij -heb, met zijn groote oogen, die me zoo trouwhartig aankeken--ik zie hem -nog het horloge opendoen, er iets uitscheuren en dat kussen.... Meer -echter kan ik mij niet te binnen brengen. Al het overige wentelt -zich als in een kring om mij rond, en als ik tracht te denken, dan is -'t net of het geluid van opkomend water mij in de ooren ruischt." - -"Dat is heel natuurlijk. Dat gesuis in mijn ooren heb ik vroeger zoo -dikwijls gehoord, als ik de koorts had gehad. Je bent nu moe en moet -naar bed. Waar of het kind toch blijft?" - -En zij opende de deur en riep: "Griete, Griete!" - -"Blijf daar staan, vrouw," zeide Rolf zwak, terwijl hij zich -vooroverboog en poogde naar buiten te kijken naar het ontheisterde -landschap. "Ik zou zoo'n lust hebben, om eens even aan de deur -te staan." - -"Volstrekt niet, Rolf," antwoordde zij glimlachend. "Ik zal 't den -dokter eens vertellen, hoe je zanikt en maalt en me het hoofd warm -maakt, om eens in de open lucht te gaan; en als hij 't permitteert, -dan zal ik je morgen warmpjes toestoppen en de hut eens met je -omwandelen. Maar ik zou wel maken, dat je 't koud kreegt met die open -deur. Als ik mij niet vergis, dan komt Griete daar in de verte aan -met haar voorschoot vol hout en spaanders; zij rijdt als een wildeman -over de vaart." - -"Foei, Rolf," vervolgde zij, op luiden toon, want zij schrikte er -van. "Loop je daar zelf naar je bed, zonder dat ik je vasthoud? Je -zult vallen." - -Maar Rolf was niet gevallen, en toch hielp zijn vrouw hem te bed en -dekte hem zóó warmpjes toe, dat de goede man recht op zijn gemak lag -en zeide, dat het vandaag wel voor 't laatst zou zijn, dat hij op -klaarlichten dag naar bed ging. - -"In een dag of wat zal dat wel gaan, Rolf," antwoordde zijn vrouw, -"vooral als je zoo in krachten toeneemt." - -Daarop stookte zij het vuur wat aan, ridderde den boedel wat op en -ging, met haar breiwerk in de hand, naast het bed zitten. - -"Hoor eens, Rolf, je moest toch eens probeeren, of je je den naam -van dien vader niet kunt herinneren. Griete is straks thuis en dan -kan ik het horloge naar hem toebrengen, terwijl jij slaapt." - -Rolf dacht na, maar te vergeefs. - -"Kan het ook Boomheuvel zijn?" vroeg zij. "Ik heb wel eens gehoord, -dat zij twee zoons hadden, die niet hebben willen oppassen--Gerard -en Lambert." - -"'t Kan wel zijn. Kijk eens, of er ook letters op het horloge staan, -die ons den weg kunnen wijzen." - -"Hemel, Rolf!" riep vrouw Brinker uit, terwijl zij het horloge -bekeek. "Je bent verstandiger dan ooit! 't Kan niet anders. Hier -staan de letters: L. J. B. Dat is zeker Lambert Boomheuvel. Wat die -J. beteekent, begrijp ik niet. Maar die Boomheuvels waren indertijd -rijke lui, die 't goed konden stellen. En zulk soort van menschen -geven hun kinderen altijd dubbele namen." - -"Dat laat zich best hooren, vrouw! 't Is zeker die Lambert Boomkert -geweest. Neem dus het horloge en breng het terstond naar de Boomkerts." - -"Neen, geen Boomkert, die naam bestaat er niet, voor zoover mij bekend -is. Maar Boomheuvel." - -"Nu breng het dan naar de Boomheuvels!" - -"Dat geef ik jou te doen, om het daar naar toe te brengen. Die heele -familie is al vier jaren geleden naar Amerika vertrokken. Maar ga jij -nu slapen; je ziet er bleek en afgemat uit. Als je uitgerust bent, -dan zullen we er wel eens nader over beraadslagen.--Zoo, Griete! Ben -je daar eindelijk? Je bent tamelijk lang weggebleven." - - - -Rolf Brinker deed een langen en gerusten slaap, waaruit wij hem -zagen wakker worden, juist toen Hans met het door mevrouw Van den -Helm voorgeschoten geld de hut binnentrad. Hoe sterk de goede Rolf -ook meende te zijn, hij was dien namiddag weder naar bed gegaan en -had niets gehoord van het gesprek met Annie Bouman, en was evenmin -wakker geworden door het slaan van Hans op de bevroren aarde. Maar toen -Hans den pot binnenbracht en moeder Brinker 't uitgilde van vreugd, -toen werd Rolf wakker, keek half dommelig het bed uit en zeide: -"Wat is er, Mietje?" - -Maar Mietje danste als een zottin door het vertrek met de beide -kousen in haar armen en Hans stond daar met tranen in de oogen, -en Griete schaterde 't uit van lachen. - -"Vader roept, moeder!" zeide Hans. - -In een oogenblik was vrouw Brinker's uitgelaten blijdschap bedaard. - -"Ik had den goeden man wel een toeval op zijn lijf kunnen jagen," -zeide zij verschrikt. "Maar ik ben ook zoo uitermate gelukkig!" - -"Wat is er toch gebeurd, Mietje?" herhaalde Brinker, met een minder -slaperige stem dan zooeven. - -"Wel, de duizend gulden zijn terug, die je begraven hadt, den nacht -voordat je het ongeluk op den dijk kreegt," zeide vrouw Brinker, en zij -verhaalde hem omstandig, hoe zij reeds den vorigen nacht vergeefs naar -het geld gezocht hadden, en hoe Hans, op een toevallige aanwijzing -van Annie Bouman, die er geweest was, terwijl hij geslapen had, op -het denkbeeld was gekomen om bij de stomp van den ouden wilgestam te -graven en -- -- -- het geld ongeschonden voor den dag had gebracht. - -"En nu zul je 't eerst goed hebben, Rolf," eindigde zij. "Hans en ik -gaan straks naar Monnikendam, om ons van het noodige te voorzien. En -jij, Hans en Griete, zult nu ook vleesch bij je brood hebben en worst -ook. Je hebt lang genoeg honger geleden." - -Ik zal u de vroolijke gesprekken niet mededeelen, die er gevoerd, -noch de schitterende luchtkasteelen, welke er gebouwd werden en die -zich gelukkigerwijs maar tot plannen en ontwerpen bepaalden. Zij -werden in hot midden van al die vroolijkheid gestoord door het gerol -van een rijtuig aan den overkant der vaart. - -"Zou daar de dokter zijn?" vroeg Hans. - -"Hij is er vandaag nog niet geweest. Ik dacht, dat hij maar eens zou -hebben overgeslagen." - -"Het rijtuig houdt stil," zeide Griete. - -"Hier, Hans, neem de lamp! Als 't de dokter is, mocht hij eens -struikelen." - -Hans was reeds met de lamp de hut uit en zag inderdaad den goeden -dokter Broekman over het ijs komen aanstrompelen. - -"Is u 't, mijnheer?" riep hij hem toe. "Wacht, laat mij u bijlichten! U -zoudt een ongeluk kunnen krijgen." - -En Hans snelde met zijn lamp naar den dokter toe en bood hem de hand, -om hem langs veilige plaatsen te geleiden. - -"Een satansch ellendig pad in den donker," bromde de dokter. "'t Is -goed, dat je gekomen bent, Hans; anders had ik hals en beenen kunnen -breken. Hoe is 't met je vader?" - -"O uitmuntend, mijnheer! Vader wordt bij den dag sterker. Hij is op -'t oogenblik wakker." - -"Goede Hemel, mijnheer de dokter!" riep vrouw Brinker uit. "Komt u -zoo laat in den avond! O, dat is lief van u! Hoe licht hadt u een -ongeluk kunnen krijgen!" - -Dokter Broekman scheen haast te hebben. Hij antwoordde niet op den -uitroep van vrouw Brinker, maar ging terstond naar het bed, zette -zich daar neder en voelde Brinker's pols. Hij knikte goedkeurend. - -"Dat gaat vooruit met den patiënt," zeide hij. "Had ik geweten, dat -het zoo goed was, dan was ik doorgereden. Ik ben den geheelen dag -Noord-Holland in geweest en kwam nu, in het naar-huis-gaan, even aan." - -"Geen wonder, dat Rolf zooveel beter is, dokter," zeide vrouw -Brinker. "Zooeven hebben wij duizend gulden weergevonden, welke mijn -man, tien jaren geleden, uit voorzorg begraven had en die wij meenden, -dat gestolen waren." - -De dokter zette oogen op. - -"Ja, mijnheer," zeide de zieke. "Zoo is 't geval, ofschoon we het -aan niemand meedeelen. Maar u maakt een onderscheid, en daarboven, -u zal het wel niet oververtellen." - -De dokter bromde. Hij hield niet van zulke persoonlijke opmerkingen. - -"En nu, mijnheer, kan u ook een behoorlijke rekening inleveren. God -weet, hoe dubbel gij het verdiend hebt door zulk een ellendig werktuig -weder als mensch in de wereld te brengen, en welk een onbetaalbaren -dienst gij daardoor aan hem en zijn gezin bewezen hebt. Zeg dus maar -aan mijn vrouw, hoeveel wij u schuldig zijn, en zij zal u terstond -betalen." - -"Kom, kom," zei de dokter vriendelijk. "Praat toch niet van -betalen. Geld kan ik zooveel krijgen als ik maar wil, maar dankbaarheid -niet. Het "dank u" van dien jongen," ging hij voort, terwijl hij naar -Hans wees, "heeft mij reeds genoegzaam betaald." - -"U heeft zeker een zoon die veel op Hans gelijkt," zeide vrouw Brinker, -die heel blijde was, dat de groote man zoo familiaar werd. - -Bij deze woorden verdween eensklaps elke vroolijke trek van des -dokters gelaat. Hij bromde iets, maar antwoordde geen woord. - -"O, mijnheer, mijn vrouw is wel wat bemoeizuchtig, niet waar? Maar -u moet het haar niet kwalijk nemen; want ik heb haar van middag -verteld van een jongen, die zooveel op onzen Hans geleek en die mij -een boodschap aan zijn vader heeft achtergelaten. En nu--nu ik de -boodschap kan doen, is de geheele familie vertrokken." - -"Ze heeten Boomheuvel, mijnheer," zeide vrouw Brinker haastig. "Weet -u ook iets van die familie?" - -De dokter antwoordde kortaf en knorrig: - -"Ja. Dat 's een malle zaak. Ze zijn sedert lang naar Amerika -vertrokken." - -"Misschien, Rolf," zeide vrouw Brinker bedeesd, "kent de dokter -wel iemand in dat land, ofschoon ik mij wel heb laten vertellen, -dat er niets dan wilden in wonen. Als hij het horloge eens aan de -Boomheuvels wilde sturen met de boodschap van den armen jongen; -dat zou een heerlijke zaak zijn." - -"Ben je dwaas, vrouw? Waarom zouden wij den goeden dokter -lastig vallen, die overal genoeg te doen heeft met zieke -menschen? Daarenboven--hoe weet je, dat je den rechten naam hebt?" - -"Wel, ik ben er zeker van," antwoordde zij. "Zij hadden een zoon -Lambert en daar is een L voor Lambert en een B voor Boomheuvel op -de achterzijde van het horloge; ofschoon er die malle J bij is; -maar laat den dokter zelf maar zien." - -Dit zeggende, reikte zij dokter Broekman het horloge over. - -"L. J. B.!" riep de dokter uit, terwijl hij het horloge aangreep. - -Ik zie geen kans om u het tooneel te beschrijven, dat nu volgde; -ik wil alleen mededeelen, dat de boodschap van den jongen eindelijk -aan zijn vader werd overgebracht en dat de groote dokter daar zat te -schreien als een kind. - -"Laurens, mijn lieve Laurens!" snikte de dokter, terwijl hij als -bewegingloos het horloge aanstaarde. "O, had ik het maar vroeger -geweten! Laurens een zwerveling zonder huisvesting! Misschien al -van ellende en kommer gestorven! Bedenk je toch eens, man, waar -is hij? Waar heeft mijn jongen gezegd, dat de brief moest worden -heengezonden?" - -Rolf schudde treurig het hoofd. - -"Denk maar eens goed na!" smeekte de dokter. O, het geheugen, dat door -zijn kunst eerst zoo kort geleden ontwaakt was, moest hem dienen in -een oogenblik als dit. - -"Ik ben het alles kwijt, geheel en al kwijt, mijnheer!" zuchtte Rolf. - -Hans, die allen afstand van rang en stand vergat en alleen zag, dat -zijn goede vriend verdriet had, sloeg den arm om den hals des dokters. - -"Ik kan uw zoon terugvinden, mijnheer," zeide hij. "Als hij nog -leeft, dan bevindt hij zich ergens. De aarde is zoo groot niet: ik -wil alle dagen mijn best doen, om hem uit te vinden. Moeder kan mij -nu missen. Gij zijt rijk, mijnheer, zend mij, waarheen gij wilt!" - -Griete begon te schreien. Wel vond zij het goed, dat Hans ging. Maar -hoe zouden ze het maken zonder hem? - -Dokter Broekman antwoordde Hans niet, ook deed hij geen poging, -om hem van zich af te stooten. Zijn oogen waren angstig op Rolf -Brinker gevestigd. Eensklaps nam hij het horloge en poogde het -open te doen springen. De verstijfde veer gehoorzaamde eindelijk; -de horlogekas vloog open--en het gelaat van den dokter toonde bittere -teleurstelling. Rolf zag dit en haastte zich te zeggen: - -"Daar was een papier in, mijnheer, maar de jongeheer scheurde het er -uit, vóór hij mij het horloge overhandigde. Hij kuste het, eer hij -het wegstak." - -"Dat was het portret zijner moeder," zuchtte de dokter. "Zij stierf, -toen hij nog eerst tien jaren oud was. Goddank, dat de jongen haar -niet vergeten heeft! En zij zouden beiden dood zijn! Neen, dat is -onmogelijk!" riep hij uit, terwijl hij van zijn stoel opsprong. "Mijn -jongen leeft nog; daar ben ik zeker van. Ik zal u vertellen, wat er met -hem gebeurd is. Laurens was mijn helper en tevens in een apotheek om -het recepteeren te leeren. Bij vergissing maakte hij voor een mijner -patiënten een verkeerd geneesmiddel gereed--hij had zich in de flesch -vergist en gaf een zwaar vergif. Maar gelukkig bemerkte ik den misslag -nog bijtijds en gaf het geneesmiddel niet in. Diens ondanks stierf -de patiënt nog vóór den avond. Ik werd dien dag door verschillende -zieken opgehouden. Toen ik 's avonds thuis kwam, was mijn arme jongen -verdwenen. Arme Laurens!" snikte hij, "en al die jaren niets van u -te hooren! Zijn boodschap niet gedaan! O, wat moet hij geleden hebben!" - -Vrouw Brinker verstoutte zich om te spreken. Zij kon den braven dokter -zoo niet zien schreien. - -"Hoe gelukkig voor u, dokter, te weten, dat de jongeheer onschuldig -was. Ach! hij was angstig en zoo bedroefd. Aan Rolf zeide hij, -dat zijn misdaad gelijk stond met een moord! Hij meende zeker het -zenden van het verkeerde geneesmiddel. Als dat een misdaad was, dan -weet ik het niet! Onze kleine Griete zou hetzelfde hebben kunnen -doen. Waarschijnlijk heeft de arme jongeheer gehoord, dat de man -dood was--daarom heeft hij de vlucht genomen, mijnheer! Tegen jou -zei hij, niet waar, Rolf, dat hij nooit in het land kon terugkomen, -indien...." zij weifelde om meer te zeggen en vervolgde: "Ach, -mijnheer! tien jaren is een vreeselijk lange tijd om te wachten op -tijding van...." - -"Zwijg, vrouw!" zeide Rolf op scherpen toon. - -"Op tijding te wachten!" snikte de dokter. "En ik thuis zittende -te brommen en mij te verbeelden, dat hij mij verlaten had! In -de verste verte heb ik er niet aan gedacht, dat de knaap zijn -misslag ontdekt had. Ik verbeeldde mij, dat het jeugdige dwaasheid -was--ondankbaarheid--zucht naar avonturen, die hem hebben doen -wegloopen. Mijn arme, arme Laurens!" - -"Maar u weet nu alles, mijnheer," fluisterde Hans. "U weet nu, dat hij -onschuldig was aan alle kwaad; dat hij u en zijn afgestorven moeder -liefhad. Wij zullen hem uitvinden. U zult hem wederzien, lieve dokter!" - -"God zegen' je, mijn jongen," zeide dokter Broekman, terwijl hij de -hand van den knaap in de zijne drukte. "'t Moge uitkomen, zooals je -'t voorspelt. Ik zal mijn best doen, dat zal ik. En Brinker, het -minste woord, dat je je herinnert omtrent mijn ongelukkig kind, -moet je me terstond laten weten." - -"Dat beloof ik u, dokter," riep Hans uit, en de dokter was tevreden -met die belofte. Hij wist, dat Hans haar zou houden. - -"De oogen van je jongen," hervatte de dokter tot vrouw Brinker, -"lijken sprekend op die van mijn zoon. De eerste maal, toen hij bij -mij kwam, was 't of Laurens zelf voor mij stond." - -Eenige minuten scheen de dokter in gedachten verzonken; daarna stond -hij op en zeide op vriendelijken toon: - -"Neem mij niet kwalijk, Brinker, dat ik 't je van avond zoo druk -gemaakt heb. Bedroef je maar niet om mijnentwil. Ik verlaat je huis -veel gelukkiger dan ik in jaren geweest ben. Zal ik het horloge -maar meenemen?" - -"Natuurlijk, mijnheer! 't Was immers de wensch van uw zoon." - -"Je hebt gelijk," hernam de dokter, terwijl hij het horloge -wegstak. "En nu moet ik gaan. Mijn patiënt heeft geen andere -medicijnen noodig dan rust en een vroolijke omgeving; beide zijn hier -in overvloed. De Hemel zegene u, mijn goede vrienden! Ik zal je altijd -dankbaar zijn!" - -"Moge de Hemel ook u zegenen, mijnheer!" zeide vrouw Blinker, "en u -spoedig dien lieven jongenheer doen terugvinden." - -Hans lichtte den dokter weder met de lamp voor. - -"Als ik u van dienst kan zijn, mijnheer," zeide hij trouwhartig, -"dan ben ik ten allen tijde gereed." - -"Zeer goed, mijn jongen. Zeg aan je vader en je moeder, dat ze zich -tegen niemand een enkel woord laten ontvallen over hetgeen er van -avond is gebeurd. Intusschen, Hans, als je bij vader bent, moet je op -hem letten. Jij hebt er den tact van. 't Kan zijn, dat er oogenblikken -komen, waarop hij wat meer kan zeggen." - -"Vertrouw daarop, mijnheer." - -"En nu, goeden dag, mijn jongen," riep de dokter, toen hij deftig in -zijn koets steeg. - -"Aha!" zeide Hans in zich zelf, terwijl hij het rijtuig nakeek. "Daar -zit vrij wat meer leven in den dokter, dan ik dacht." - - - - - - - - -VEERTIENDE HOOFDSTUK. - -DE HARDRIJDERIJ. - - -Zoo brak de dertigste December aan en het weer was heerlijk dien -dag. Het geheele vlakke landschap werd vroolijk door de winterzon -beschenen. Zij beproefde haar kracht wel op het ijs in de vaart, maar -het vroor te sterk, dan dat de ijskorst ook in 't minst zou gesmolten -zijn. En bij dat alles was er zoo weinig wind, dat de weerhanen op de -torens en de gebouwen stilstonden, als wenschten zij eens te kijken -naar het feest, dat er dien dag zou worden gehouden. Die windstilte -maakte, dat de molens een dag vacantie hielden, als wilden ook zij -de algemeene vreugde mee genieten. Nu, ze hadden die week hard genoeg -gewerkt, om eens een dag rust te hebben. - -'t Was al vroeg in den morgen van dien dag levendig om en bij -Broek. Van verschillende omliggende plaatsen kwamen er liefhebbers -aanrijden, om den wedren te zien; want een hardrijderij op schaatsen is -een feest voor al wat Noord-Hollander heet. Ik zal u de bonte menigte -niet beschrijven, die zich in den omtrek der ijsbaan ophoopte, -om welke men tenten had opgeslagen, opdat de toeschouwers zich -behoorlijk van drank en spijs konden voorzien. Aan het eind van -de renbaan, die aan beide zijden met dikke touwen is afgesloten, -welke door palen heengaan, reeds een paar dagen te voren in het ijs -gehakt en door het volgieten der opening stevig vastgevroren--staat -een sierlijke tent met een kleine tribune aan weerszijden. De tent -is bestemd voor de familie De Bruyn met eenige genoodigden, onder -anderen de Van den Helms en mijnheer Korbes en zijn vrouw, terwijl -de tribune moet dienen voor andere inwoners van Broek, daartoe door -mevrouw De Bruyn van toegangskaartjes voorzien. Van de tent en de -tribune wapperen de driekleurige vlaggen. Aan de tent van mevrouw De -Bruyn hangen twee paar met zilver beslagen schaatsen, een voor den -winnenden jongen, een voor het gelukkigste onder de meisjes. In de -tent zelf brandt een kachel en staan allerlei ververschingen op een -tafel gereed. De familie en de genoodigden zullen op stoelen zitten, -terwijl de dames een warme stoof onder de voeten zullen hebben, zoodat -ze zeer gemakkelijk den winter zouden kunnen vergeten, indien niet -het landschap vóór haar al te duidelijk deed zien, dat de wintervorst -nog duchtig zijn schepter zwaait. - -Naast een der tribunes is een andere tent opgericht, alleen van -boven gedekt en aan alle zijden, behalve aan den achterkant open; -daar moeten de muzikanten zitten, die van tijd tot tijd muziekstukken -zullen uitvoeren. En al zullen die muziekstukken vrij middelmatig -worden voortgebracht, daar 't gansch geen virtuozen zijn die hier -hun gaven zullen doen hooren, zij zullen de feestvreugde ruimschoots -verhoogen. De ooren der toehoorders zijn trouwens over 't geheel zoo -kieschkeurig niet; daarenboven zal er gedruisch en gebabbel genoeg -zijn, en zou men 't slechts bejammeren, indien er beter muziek werd -opgevoerd. Aan het andere einde der renbaan staat een tent, voor hen, -die belast zijn, er het oog op te houden, dat de schaatsenrijders en --rijdsters den witten, met groene linten omwonden paal, van welks top -een oranjevlag wappert, omrijden; hetgeen zij trouwens wel moeten doen, -daar ook in het midden der renbaan dubbele touwen zijn gespannen; -want al de schaatsenrijders moeten bij de tent van de familie De -Bruyn beginnen en er hun ren eindigen ook. - -Daar begint de muziek. De tribune vult zich, de geheele renbaan staat -langs beide zijden opgepropt met nieuwsgierigen, die hun best doen, -een goed plaatsje te vinden. 't Volst is het echter dicht bij de -tribune. En geen wonder: want daar staan de veertig rijderessen en -rijders, die zich vermaken met heen en weer te rijden, zóó zacht -evenwel, dat zij zich niet vermoeien, maar ook niet koud worden. Het -zijn twintig meisjes en twintig jongens. Frits Verdam, Peter en -Lodewijk van den Helm zijn er ook bij, allen weer frisch en geheel -uitgerust van de vermoeienissen der Haagsche reis. Hans is niet ver -van hen; hij heeft zijn schaatsen weer onder de voeten, die de goede -Annie Bouman van een goede kennis had gekocht voor vijf gulden! Alsof -hij niet wist, dat die goede kennis niemand anders dan Annie Bouman -zelf was geweest, die haar zuur bespaard weekgeld er geheel aan had -opgeofferd! Nu, hij had ze dan ook eerlijk teruggekocht; maar de -kiesche manier, waarop Annie hem in den nood had willen helpen, had -hij niet teruggekocht: die lag diep in zijn hart begraven. En dan--hoe -onwillekeurig ook--die lieve, lieve Annie was de oorzaak geweest van -het terugvinden der duizend gulden--van de duizend gulden, die, al was -'t ook avond geweest, zulk een gloed van zonneschijn hadden geworpen -in zijner ouders armoedige stulp. Karel Schimmel is zoo nijdig als -ooit, nu hij Hans bij de rijders ziet; maar daar er nog eenige andere -boerenknapen bij zijn en Hans dus niet alleen is, troost hij zich. - -Aan den anderen kant der tent staan de twintig meisjes. Nu, dat behoeft -ge wel niet te vragen, al ziet ge hen niet; gij hoort het wel aan het -vroolijk gesnater en gekakel, dat die twintig lieve mondjes maken. 't -Is of er een heele troep jonge eenden aan het kwaken zijn. Nu en -dan hoort gij er een paar schateren van lachen: want vroolijk zijn -ze, die aardige nufjes. Hilda, Kato en Truida hebben zich juist de -schaatsen aangebonden en stampen met de lieve voetjes, om te voelen -of de ijzers wel stevig zitten: want bij een hardrijderij moet er -niets aan ontbreken. Hilda spreekt met een klein boerenmeisje in een -rood jacketje en met een splinternieuw rokje aan. 't Is Griete. Ook -Annie Bouman is er. - -Nu houdt de muziek even op. Al de meisjes en jongens moeten vóór de -tent komen, om de voorwaarden te hooren. De omroeper van het dorp -leest met luide stem voor: - -"De meisjes en jongens zullen om beurten rijden, allen te gelijk -en wel zóó lang, tot één meisje en één jongen het tweemaal gewonnen -hebben. Zij moeten zich op één lijn scharen bij de twee paaltjes vóór -de tribune rechts, den eindpaal omrijden en dezen tocht twee malen -volbrengen. Het meisje en de jongen, die twee malen gewonnen hebben, -zijn overwinnaars!" - -De rijderessen scharen zich. Mevrouw de Bruyn wuift met haar -zakdoek. Een van de heeren, die zich aan den eindpaal bevinden, waait -met een vlaggetje. Al de rijdsters begeven zich op weg. Eensklaps -wuift het vlaggetje weer, zij moeten terugkeeren--ze waren niet -te gelijk afgereden. Ten tweeden male wuift de zakdoek en waait het -vlaggetje. Ditmaal is alles in orde. Wat rijden zij snel! Hoe doodstil -is de menigte! Men hoort niets dan het krassen der schaatsen, men -ziet niets dan de fladderende rokjes! De paal is omgereden. Een luid -hoezee doet zich hooren. Vijf meisjes zijn vooruit. Kato is de eerste, -daarop volgt Hilda. Als zij de tent harer mama voorbijrijdt, wuift -zij met de hand, en het volgend oogenblik is zij Kato vooruit. De -anderen zijn haar dicht op de hielen. Daaronder is Griete. Ook zij -wuift met de hand, maar niet naar de tent van mevrouw De Bruyn, -maar naar een vrouw, die met ingehouden adem onder het volk staat: -haar moeder. Rolf, die dezen morgen zoo volkomen wel was, heeft haar -gesmeekt, om naar den wedren te gaan, en zij heeft aan de verzoeking -geen weerstand kunnen bieden; zij is gegaan en heeft een heerlijke -plaats gekregen. Daar schiet haar kind onder het luid hoezee der -toeschouwers ze allen vooruit. Ook Kato wint het weer van Hilda. Maar -niemand kan Griete inhalen. Ten tweeden male wordt de paal omgereden, -maar Griete is en blijft de voorste. Eindelijk zijn ze aan de tent: - -"Griete Brinker eenmaal gewonnen!" schreeuwt de uitroeper. - -Nu begint de muziek opnieuw, terwijl de jongens zich gereedmaken en -zich op één lijn scharen. Verscheidene meisjes scharen zich om Griete -en wenschen haar voorloopig geluk; andere trekken trotsch haar lipje -op en kunnen 't niet verdragen, dat de voddenraapster uit de hut het -hun allen heeft afgewonnen. - -Op een wenk van den heer De Bruyn zwijgt de muziek. Hij treedt -voorwaarts, wuift met zijn zakdoek, het vlaggetje wordt aan de -overzijde gezwaaid. De twintig jongens rijden af. - -Wat reppen zich de beenen; er is geen oog op te houden! 't Is of ze -nog sneller rijden dan de meisjes. Maar waarom gaat er zulk een gelach -op onder het volk? 't Is om dien dikken knaap in de achterhoede, die -daar zoo ongelukkig voortsukkelt. Kijk hij eens krabbelen! Straks rolt -hij van de beenen! Ach, wat hijgt hij! Hij had ook wel thuis mogen -blijven. Hij staat stil. Hij veegt zijn voorhoofd af. Hij neemt zijn -pet af en waait zich koelte toe. Hij kijkt eens rond en begint zelf -hartelijk te lachen. Die lach maakt hem honderden vrienden. Die goede -Jacob Poot! Hij bedenkt zich niet lang, maar rijdt terug en begeeft -zich rustig onder de toeschouwers. - -De jongens komen aansnellen, zij hebben den paal omgereden. Maar -'t is één zwarte massa, niet zoo gemakkelijk te onderscheiden als -de meisjes met haar verschillende kleeding. Nu kan men 't al beter -zien. Drie zijn er vooruit. Eerst Ben--dan Peter--dan Hans. - -Dan schiet Hans de beide anderen vooruit. Op Hilda's gelaat staat -teleurstelling te lezen; sommigen zeggen zelfs, dat er een traan in -haar oog parelt. Peter moet overwinnaar zijn. Annie's oog glinstert -van genoegen. Griete klapt van vreugde in de handen. - -Zoo rijden zij ten tweeden male naar den eindpaal, Hans altijd vooruit, -dan Karel Schimmel, dan Ben, daarna Peter en eindelijk de anderen. Daar -rijden zij den paal om en Peter is weer de voorste. Hilda juicht. Maar -op hetzelfde oogenblik schiet Karel ze allebei vooruit--'t scheelt -maar één seconde--maar de uitroeper schreeuwt: - -"Karel Schimmel eenmaal gewonnen!" - -De muziek valt weder in, terwijl de meisjes zich opnieuw tot den -wedren scharen. Mevrouw De Bruyn staat weder op, wenkt de muziek, -wuift met haar zakdoek en 't is of er twintig pijlen uit twintig -bogen losschieten--zoo snellen zij over de spiegelgladde baan. - -Maar niet lang blijven zij gelijk; al heel spoedig zijn ze -verdeeld. Toch schelen zij al heel weinig. Maar daar rijden zij den -paal om. Dat is altijd het gevaarlijkste punt. Eenige andere gloeiende -gezichtjes, met oogen schitterend van vreugd, komen vooruit. Kato -is de eerste, op haar volgt Hilda, maar Griete en Truida zijn meer -in de achterhoede. 't Is of Griete verslapt. Zou ze straks al haar -krachten verspild hebben? Daar schiet Truida haar vooruit en zij -neemt een nieuwen, geweldigen zet, vliegt Truida en Hilda voorbij -en is reeds vlak bij Kato. Zoo rijden zij de tent voorbij en weder -naar den paal. Een oogenblik blijft Hilda achter; ze verzamelt nieuwe -krachten. Maar bij het omzwaaien van den paal schiet zij eensklaps -vooruit. Honderden stemmen moedigen haar aan door een luid "hoezee!" 't -Is of haar dit nog meer vaart geeft. Truida, Kato en Griete zijn haar -vlak op de hielen: maar Hilda vliegt steeds voort--reeds ziet zij -de tent--Peter van den Helm staat met ingehouden adem te staren--nog -een enkele seconde: - -"Hilda de Bruyn eenmaal gewonnen!" krijscht de stem van den omroeper. - -Een luid "hoezee!" klinkt uit duizenden monden en overschreeuwt de -muziek, die zich daverend doet hooren. - -Allen wenschen Hilda geluk en onder die allen ook Griete, die 't -niemand liever gunt dan de lieve juffrouw De Bruyn of--Annie Bouman. - -Nu is 't weer de beurt aan de jongens. Lang blijven deze niet gelijk; -want reeds bij het eerste omrijden van den paal zijn er drie vooruit: -Hans, Peter en Frits. Dat kan Karel Schimmel niet verdragen. Hij neemt -een geweldigen zet, vliegt over het ijs en komt Frits vooruit. Maar -Hans en Peter laten zich zoo spoedig niet verslaan. 't Is of zij -vliegen--'t is geen rijden meer. Met ingehouden adem volgt de menigte -hen met de oogen. Hans en Peter blijven vooruit. Hilda, Annie en -Griete springen op van de met rood katoen bekleede bank, op welke zij -gedurende de rustpoos gezeten hebben. Met vlammende oogen kijken zij -naar de rijders. Hans en Peter blijven aldoor gelijk. Reeds zijn ze -vlak bij de tent. Daar schiet Peter eensklaps vooruit en de stem van -den uitroeper klinkt: - -"Peter van den Helm eenmaal gewonnen!" - -Weer dezelfde toejuichingen, weer dezelfde daverende muziek: de menigte -en de muzikanten vragen niet wie er wint; ieder, die overwint, heeft -hun sympathie. Aan het einde der renbaan, dicht bij den grenspaal, -echter heeft een oploopje plaats. Mevrouw De Bruyn kijkt angstig wat -het moge wezen. Peter en Hans snellen derwaarts; de eerste komt met -de tijding terug, dat Karel Schimmel bij het omrijden van den paal -gevallen is, doch zich niet bezeerd heeft. Hij was maar eenigszins -bedwelmd door den val, doch kwam daar al aan, gesteund door Hans, die -veel te veel Hollandsche jongen is, om niet terstond alle vijandschap -te vergeten en zijn vijand, die hem altijd zoo diep verachtte, te -helpen. Met een glas seltzerwater, dat mevrouw De Bruyn hem laat -drinken, is hij spoedig weder beter. Gelukkig echter, dat de muziek -zich aldoor heeft doen hooren; anders had dit ongeval de vreugde wel -eenigszins kunnen verstoord hebben. Onder de schaatsenrijders echter -veroorzaakt het geval weinig deelneming; er is niemand, die van Karel -Schimmel houdt. - -De meisjes zijn voor de derde maal geschaard. Wat staan ze daar -moedig, die jonge deernen! Op dit oogenblik ligt er diepe ernst op al -die lieve gezichtjes: want deze rit is die, welke beslist. Ofschoon, -als Griete noch Hilda 't winnen, is er ook voor de overigen nog kans -op het winnen der zilveren schaatsen. En dat maakt, dat ieder meisje -nog moed heeft, dat ieder van haar hoop voedt, om ditmaal beter te -slagen. Sommigen stampen met de voetjes, als paarden die gereedstaan -tot den wedloop. Daar wuift de zakdoek van mevrouw De Bruyn, en -de rijdsters steken af. Wie is daar reeds zoo spoedig vooraan? 't -Is Hilda--of Kato--of Truida--of Annie-- --neen, 't is de kleine -Griete. Bij den vorigen ren heeft zij 't bedaard aangelegd; maar nu is -'t haar ernst: zij heeft besloten, dat zij winnen zal. En toch, wanneer -men haar ziet rijden, is 't alsof 't haar niet de minste inspanning -kost--zij glijdt maar voort, altijd vooruit en--hoe de anderen zich -inspannen--zij kunnen Griete niet inhalen. Reeds is de paal ten tweeden -male omgereden--nog altijd is zij vooruit--daar is zij aan het doel.... - -Of de uitroeper al schreeuwt, 't helpt hem niet: het donderend gejuich -der toeschouwers belet zijn stem te hooren. 't Behoeft dan ook niet; -want duizenden stemmen roepen: - -"Griete Brinker heeft de zilveren schaatsen gewonnen!" - -Als een vogel is zij over het ijs heengevlogen, als een vogel staat zij -om zich heen te kijken, zoo schuchter en zoo verschrikt; zij wenscht -zoo hartelijk eens naar de plaats heen te vliegen, waar haar moeder -staat. Maar Hans is naast haar en al de meisjes omringen haar. En -wie haar onder allen 't hartelijkst gelukwenscht, is de lieve Hilda, -die geen de minste jaloezie in haar hart voedt, maar zoo gelukkig is -met den triomf van haar beschermeling, alsof zij zelf dien behaald -had. Nu zal niemand het kind meer minachten. De voddenraapster uit -de hut is ze nu niet meer, 't is Griete Brinker, koningin van alle -schaatsenrijdsters. - -Hans is trotsch op de zegepraal zijner zuster. Hij kijkt met zijn -heldere oogen rond, om te zien of Peter van den Helm er deel in -neemt. Maar Peter kijkt noch naar den een, noch naar den ander. Peter -ligt op zijn ééne knie, de onrust staat op zijn voorovergebogen -gelaat te lezen. Hij is met haastige gejaagdheid aan zijn schaatsriem -bezig. Hetzelfde oogenblik is Hans bij hem. - -"Ach Hans, ben jij daar? Al mijn genoegen is gedaan. Ik wou mijn riem -vaster snoeren en er met mijn mes een nieuw gat in maken en door de -haast snijd ik hem genoegzaam in tweeën." - -"Jongeheer," zeide Hans, terwijl hij zijn eene schaats afdoet. "U -moet mijn riem gebruiken." - -"Neen, beste Hans, neen, voor geen geld!" roept Peter opspringend -uit. "Doe gauw je schaats weer aan, mijn vriend, en maak, dat je er -bij komt. Ze scharen zich reeds. In een minuut wuift het sein." - -"Jongeheer!" smeekt Hans. "U heeft mij uw vriend genoemd. Neem als u -blieft dezen riem. Gauw! Er is geen oogenblik te verliezen. Ik rijd -ditmaal niet mee. Gij hebt reeds ééns gewonnen, gij moet nu winnen. Ik -ben er immers toch niet bij. Jongeheer, gij moet den riem aannemen," -en doof voor elke tegenwerping, steekt Hans den riem door Peters -schaats heen en smeekt hem die aan te binden. - -"Kom, Peter!" roept Frits uit de lijn, "de wacht is op jou." - -"Kom, jongeheer! om den wil van mevrouw De Bruyn en juffrouw -Hilda!" smeekt Hans. "Spoed u toch! Daar, de schaats is al haast aan; -maak haar nu maar gauw vast! Ik kan het toch niet winnen. De strijd -is tusschen den jongeheer Schimmel en u." - -"Gij zijt een edelmoedige jongen!" zegt Peter, die eindelijk -toegeeft. Hij heeft dan ook spoedig de schaats vast en is op zijn post, -als de muziek en het sein wordt gegeven. - -Voort gaan de jongens. 't Is of de stilte nu nog grooter is; men hoort -niets dan het krassen der ijzers. Peter van den Helm is vooruit. 't -Is of hij Mercurius is en of de anderen allen goden van den Olympus -zijn, die hem in volle vaart volgen. Karel komt vooruit--daar schiet -Ben voort en is aan 't hoofd. Reeds is de paal voor de tweede maal -omgereden. Karel en Ben wedijveren om de eerste te zijn. Maar daar -neemt Peter zijn vaart--hij snelt beiden ver vooruit. De tent is -bereikt en onder het donderend hoezee! hoort men duizenden stemmen, -die den uitroeper overschreeuwen: - -"Peter van den Helm heeft de zilveren schaatsen gewonnen! Hoezee! -Hoezee! voor Peter van den Helm!" - -En donderend valt de muziek in en dit en het geschreeuw klinken -verward dooreen: want Peter van den Helm is in Broek bemind en ieder -verheugt zich in zijn zegepraal. Eindelijk bedaart het gejubel, en -is men in staat om de muziek te hooren. Zij speelt een vroolijk air, -een levendigen marsch. Intusschen scharen zich, op bevel van mevrouw -De Bruyn, al de schaatsenrijders en -rijdsters in een kring vóór de -tent. Aan den eenen kant staat Peter als de grootste, aan den anderen -kant Griete als de kleinste. Hans, die zoo goed hij kon zijn schaats -met Peter's versneden riem had vastgemaakt, staat tusschen dezen en -Jacob Poot, die zich ook bij de rijders gevoegd heeft. Eerst worden -aan allen ververschingen rondgediend; daarop rijden zij, in statige -processie, achter elkander de baan nog eens af, tot aan den paal, -waar zij zich in twee rijen, jongens en meisjes, scharen, en op de -maat der muziek naar de tent van mevrouw De Bruyn rijden. Hier vormen -zij een dubbelen halven kring, in welks midden zich Peter van den -Helm en Griete bevinden. - -Nu zwijgt de muziek. Mijnheer en mevrouw De Bruyn staan op, de eerste -houdt een aanspraak, daarop reiken zij de zilveren schaatsen uit, -mijnheer het eene paar aan Peter van den Helm, mevrouw het andere -aan Griete Brinker. - -Het lieve kind! Zij beeft als een riet en slaat schuchter de oogen -naar mevrouw De Bruyn op. Zij hoort niet wat mijnheer De Bruyn zegt, -want het is, of om haar heen alles ruischt. Zij ziet even naar -Peter, die iets heel moois bekijkt, o zoo iets schoons, zoo iets -prachtigs! Zij ziet ook zoo iets moois in de handen van mevrouw -De Bruyn, onwillekeurig strekt zij de hare uit.... geeft een kreet -van verrukking en tracht te nijgen--woorden kan zij niet spreken; -zij vliegt naar haar moeder en hangt schier bewusteloos in de armen -der goede vrouw, wie de tranen van vreugde uit de oogen stroomen. - -"Griete! Griete! Wat zal je vader blij zijn," roept vrouw Brinker, -en op die woorden is Griete niet meer te houden; zij kruipt onder -het touw door, neemt haar moeder bij de hand--allen maken plaats voor -haar--en spoedig ligt zij in de armen van haar vader, die zijn kleine -Griete met kussen bedekt. - - - - - - - - -VIJFTIENDE HOOFDSTUK. - -WAT DE ZILVEREN SCHAATSEN AL UITWERKEN. - - -'t Was of de vreugde over de overwinning zijner kleine Griete de -zinnen van Rolf Brinker verlevendigd had, want eensklaps riep hij uit: - -"Hans! Hans! Daar schiet mij de naam te binnen. Schrijf hem gauw op, -eer ik hem vergeet. Het is Thomas Higgs." - -Hans schreef den naam terstond op een leitje. Op hetzelfde oogenblik -werd er aan de deur geklopt. - -"Zou het de dokter zijn?" zeide vrouw Brinker, terwijl zij opstond -om open te doen. "Dat zou al heel toevallig wezen." - -'t Was echter niet de dokter, maar 't waren drie jongeheeren: Peter -van den Helm, Frits Verdam en Benjamin Dobbs. - -"Goeden dag, jongeheeren," zeide vrouw Brinker, terwijl zij zoo diep -neeg als zij 't geleerd had. "Wel, waaraan hebben wij de eer van uw -bezoek te danken?" - -"Goeden dag, vrouw Brinker! Hartelijk gefeliciteerd met de eer, -die je dochtertje te beurt is gevallen," zeide Peter van den Helm. - -"Nu, als 't op feliciteeren aankomt, jongeheer," antwoordde vrouw -Brinker, "dan mag ik 't u ook wel doen. 't Was een heele toer, om die -vlugge jongens tweemaal te overwinnen. Daar waren me rijders onder, -hoor! Ik heb het alles met mijn eigen oogen aanschouwd. Want Rolf was -zoo wèl, en toen zei hij: "Nou moest je eens gaan kijken, Mietje. Je -hebt al lang geen uitspanning gehad." En toen ben ik gegaan en heb -alles wat goed gezien: want ik had een drieguldensplaats. Maar toen -Griete de schaatsen had, kwam ze bij mij en toen moest ik naar vader; -dat begrijpt u. Want de goede man wachtte al met ongeduld. En hij -was zoo blij, o zoo blij!" - -"Dat laat zich hooren," zeide Peter van den Helm. "Daardoor was ze -zoo gauw weg. Ze had nog eens met mij de baan moeten afrijden om den -prijs te vertoonen." - -"Gaat toch zitten, jongeheeren!" zeide Rolf Brinker. "Wel zijn onze -stoelen hard, maar ze zijn rein en zindelijk." - -De drie jongens voldeden aan het verzoek van Rolf en zetten zich op -de stoelen, welke vrouw Brinker en Hans bij de tafel plaatsten. - -"Goede Hans," zeide Peter van den Helm. "Ik kom je in dank je riem -terugbrengen, aan welken ik mijn overwinning verschuldigd ben. Ik -moet je er nog eens voor bedanken. 't Was een heele opoffering voor -je. Want je hadt het best dezen keer kunnen winnen, en dan...." - -"Laat ons daarover niet spreken, jongeheer. Ik heb zooveel verplichting -aan u: want toen wij in den nood zaten...." - -"Kom, kom, zwijg daarvan," hernam Peter. "Ik twijfel niet, of je zult -het werk met eere volbrengen. En een werkman is zijns loons waardig." - -"Nu ben ik den naam weer vergeten, Hans," zeide Brinker. "'t Was -Higgs of Wiggs! Ik weet het waarlijk niet meer." - -"Maak er u maar niet ongerust over, vader," antwoordde Hans. "'t Is -Thomas Higgs. Ik heb het al opgeschreven." - -"O ja," hervatte Brinker. "'t Is waar ook. Als ik me nu ook de plaats -kan te binnen brengen, dan is alles in orde." - -"Hier, Hans, is de riem," zeide Peter, die van dat gesprek niets -begreep. "Dat kleine ding heeft mij een grooten dienst gedaan." - -"En nu heb ik wat meegebracht ook," zeide Ben, terwijl hij een keurig -net bewerkt kistje op tafel zette. "Uw Griete was weg zóó gauw, -dat mevrouw De Bruyn niet had den tijd, om haar te geven dit." - -"'t Is het kistje, dat bij de schaatsen behoort," zeide Peter, -"en waarin Griete ze kan bewaren. Mevrouw De Bruyn hoorde, dat we -hier aangingen, en heeft ons verzocht, het mede te nemen." - -Vader, moeder en kinderen bekeken met alle aandacht het fraaie -foedraal, dat van binnen met roode zijde gevoerd en zeer elegant -gemaakt was. - -"O, hoe mooi! Hoe prachtig! Nooit heb ik zoo iets gezien!" waren de -verschillende uitroepen. - -Griete echter sprak geen woord. Het lieve kind kon maar niet begrijpen, -dat al dat moois voor haar was. Het kistje was van mahoniehout met -een prachtig koperen plaatje er op, waarop de naam van den fabrikant -en zijn woonplaats stonden. "Nu, Griete, je mag de jongeheeren wel -bedanken voor de moeite, welke zij zich hebben gegeven, om dat hier te -brengen, en hun verzoeken, of zij ook mevrouw De Bruyn je dankbaarheid -willen betuigen; ofschoon--dat zul je later zelve nog wel gaan doen," -zeide vrouw Brinker. - -Griete was heel verlegen, maar toch lispte zij: - -"Ik dank u wel, jongeheeren, voor uw moeite." - -"'t Schijnt mij door mijnheer Birmingham gemaakt te zijn," zei Hans, -die het op het koperen plaatje gelezen had. - -"Birmingham?" zeide Frits Verdam. "Dat is de plaats, waar de fabrikant -woont. Kijk, daar staat zijn naam met kleiner letters. Ik kan ze -niet lezen." - -"Nu, ze zijn toch duidelijk genoeg," zeide Peter. "Zie maar, dat is -een T. en dit is een H. Dus T. H." - -"Nu ben je nog even wijs," hernam Frits lachend. "Wat beteekent nu -die T. H.?" - -"Wel, Thomas Higgs," antwoordde Peter schertsend. "Hans noemde straks -dien naam en als men van den drommel spreekt, is hij meestal dicht -bij ons." - -Eensklaps zweeg hij; want hij wist niet, wat er met de familie Brinker -voorviel. Hans en zijn moeder waren beiden op Rolf toegesneld. - -"Hoort gij 't, Rolf?" zeide vrouw Brinker. "Thomas Higgs te -Birmingham." - -"Birmingham!" herhaalde Brinker op suffen toon. - -"Kan dat de plaats ook zijn, vader? Bedenk u eens," smeekte -Hans. "Birmingham? Was het soms Birmingham?" - -"Ja.... a .... Birmingham! Zoo was 't," antwoordde Brinker eindelijk. - -"Daar Hans, zet je pet op en rijd terstond naar Amsterdam," zeide -zijn moeder. - -De drie jongeheeren stonden op en wilden heengaan. Vrouw Brinker -bemerkte haar onbeleefdheid. - -"Neemt ons niet kwalijk, jongeheeren," zeide zij, "dat we daar zoo -onbeleefd waren. Maar die Thomas Higgs is een kennis van ons--dien--ja, -dien wij dachten, dat al gestorven was." - -"Ja, we dachten dat hij dood was," zeide Rolf Brinker. "Ligt dat -Birmingham in Engeland, als ik u vragen mag?" - -"Ja wel, in Engeland," antwoordde Peter, "'t Moet zeker Birmingham -in Engeland zijn." - -"Ik doe dien man kennen," zeide Benjamin. "Zijn fabriek is niet -vier mijlen van ons verwijderd. Een rare fellow hij is--stil als -een oester--doet niet gelijken een Englishman. Ik dikwijls heb -gezien hem--een deftig uitzicht--en mooie oogen. Hij heeft gemaakt -een prachtige schrijfkist voor mij, om te geven aan Jenny op haar -geboortedag.--O, hij maakt allerhande mooie dingen en heeft veel te -doen ook." - -Gelukkig, dat Hans nog niet weg was; want nu kon hij den dokter ook -dat vertellen. - -Wat wonder, dat nog vóór de avond gevallen was, dokter Broekman met -Hans in de hut terugkeerde, om nadere bijzonderheden te vernemen. Wat -wonder, dat hij, altijd met Hans bij zich, weder in het rijtuig stapte -en den koetsier beval naar mijnheer Poot te rijden, waar hij verzocht -om Benjamin Dobbs te spreken, dien hij gelukkig thuis vond. Van dezen -vernam hij nog een menigte bijzonderheden omtrent zijn zoon, welke -hem in de zekerheid bevestigden, dat het zijn eigen Laurens was, -en welke bijzonderheden wij u willen mededeelen, zonder dat wij Ben -sprekend invoeren, met wien de dokter, om den knaap te gemoet te komen, -Engelsch sprak. 't Meeste, wat Ben vertelde, had deze bij overlevering. - -"Ongeveer tien jaren geleden, toen Ben nog een kleine jongen was, -woonde er, op ongeveer een uur afstands van de woning zijner ouders, -een zeer knap werkman en fabrikant, Thomas Higgs, die goede zaken -op Holland deed, vooral in chirurgijnsinstrumenten. (De dokter -herinnerde zich dien naam wel en 't was hem nu duidelijk, waarom -Laurens op het denkbeeld was gekomen, zich naar Higgs te begeven, -daar de knaap dien naam verscheidene malen op de foedralen zijner -instrumenten had kunnen lezen.) Nu tien jaren geleden was er op zekeren -avond bij dien Thomas Higgs, die ongetrouwd was en slechts met een -huishoudster leefde, een jongmensch als leerling gekomen. Niet, dat -het zoo'n wonder was dat er een leerling bij Thomas Higgs kwam; maar -die jongeling had spoedig de oplettendheid der buren gaande gemaakt, -omdat hij zoo stil en afgetrokken was, nooit lachte en altijd even -stroef voor zich keek. Daarenboven--en dat was een opmerking, die -de dames maakten--kon hij geen Engelschman zijn, dat zagen zij wel, -als hij Zondags met zijn patroon en juffrouw Todd, de huishoudster, -in de kerk zat. En ofschoon men de laatste al eens gepolst had, -liet zij zich nooit iets over hem ontvallen, dan dat hij een braaf -oppassend mensch en waarschijnlijk een neef van mijnheer Higgs was, -die ontzaglijk veel van hem scheen te houden. Zooveel is ten minste -waar, dat de oude man den jongeling, nadat hij een jaar of vier in de -zaak geweest was, tot zijn compagnon had aangenomen en hem, toen hij -vier jaar later stierf, tot universeelen erfgenaam had benoemd. Sedert -dreef de jonge man de zaken voor eigen rekening. Wat voor een landsman -hij was, had men echter nooit kunnen gewaarworden. Sommigen hielden -hem voor een Amerikaan, anderen voor een Duitscher, maar noch voor -'t een noch voor 't ander had men eenigen grond. Hij sprak zuiver -Engelsch, dat hij evenwel van den ouden heer Higgs had kunnen leeren, -en behandelde zijn volk goed, ofschoon ze nooit een vriendelijk woord -van hem hoorden, daar hij altijd even somber en afgetrokken bleef." - -Wat het wonderlijkst was, 't scheen dat de jongeheer geen familie had: -"want, hoeveel brieven hij ook uit den vreemde ontving, 't waren -altijd brieven over zaken," zeide zijn boekhouder. "Kennis hield hij -met niemand: noch met zijne buren, noch met andere fabrikanten. Hij -scheen geheel voor zijn zaak te leven en zijn voorganger te willen -navolgen, die nooit getrouwd was geweest. Maar overigens was zijn -levensgedrag onberispelijk." - -Verder gaf Benjamin dokter Broekman een beschrijving van den jongeheer -Higgs en de dokter kon er niet meer aan twijfelen of 't was zijn -verloren zoon. Hij bedankte dan ook Benjamin hartelijk voor zijn -mededeeling, zeide hem, dat de heer Higgs een bloedverwant van hem -was, in wien hij belang stelde, en reed met Hans naar de woning van -Brinker terug, waar hij dezen afzette, om alleen, in aangenaam gepeins, -den weg naar Amsterdam te vervolgen. - -'t Was een sneeuwachtige dag in 't midden van Januari. Rolf Brinker was -nu geheel en al hersteld en juist van zijn werk thuis gekomen. Hans had -den koepel van mijnheer Van den Helm tot diens genoegen afgewerkt, en -was evenals Griete, op vader Brinker's uitdrukkelijk verlangen, weder -naar school gegaan. Wat hem aangaat, hij vond dat recht pleizierig; -want hij leefde slechts, als hij in de boeken kon snuffelen; doch -Griete kon haar weerzin tegen de schoolbanken maar niet overwinnen, -ofschoon zij zich gedwee aan vaders wensch onderwierp en aanvankelijk -zeer haar best deed. - -Beiden waren zooeven van school thuis gekomen en Hans zat alweer te -lezen in een boek, dat hij van een der jongens ter leen had gekregen; -terwijl Griete vaders pijp stopte--want zij was onuitputtelijk in -kleine diensten voor den goeden man, als poogde zij te vergoeden, -wat zij vroeger verzuimd had ten aanzien van den vader, voor wien -ze toen bang was. Vrouw Brinker was druk bezig aan den pot: want er -waren vier hongerige magen, die naar eten verlangden. - -Eensklaps kijkt Hans op. Het geratel van een rijtuig wekt zijn -aandacht. - -"Daar is de dokter!" roept hij en vliegt naar de deur. - -"De dokter! Wel, wat komt die hier doen!" zegt vrouw Brinker, terwijl -zij door het raam kijkt. "Ik geloof, dat je gelijk hebt, Hans." - -Maar Hans hoorde 't niet meer--hij was reeds de deur uitgesneld en -naar den overkant der vaart. - -"Die Hans, die Hans!" riep vrouw Brinker, glimlachend het hoofd -schuddende. "Zou men niet denken, dat de dokter zijn tweede vader -was? Als de jongen maar den naam. van dokter Broekman hoort, komt er -al een lach van vreugde op zijn gelaat. Nu, hij mag dan ook wel veel -van hem houden." - -"En wij allen, Mietje," zeide Rolf Brinker, terwijl hij zijn pijp -aanstak. "Naast God hebben wij aan dien goeden man ons tegenwoordig -geluk te danken." - -"De dokter is niet alleen," vervolgde vrouw Brinker vroolijk. - -"Hij heeft een jongmensch van vijf of zes en twintig jaren bij -zich. Dat is vast zijn Laurens. O, dat is lief, om met hem ons te -komen bezoeken. Kijk, daar geeft hij Hans de hand. Wat schudt hij -die vriendelijk! 't Is waarlijk of de jongen zijn gelijke is." - -'t Duurde niet lang, of de dokter trad met den jongen man de woning -binnen. Wat zag hij er thans vroolijk en vriendelijk uit! 't Was, -of hij een geheel ander mensch was geworden--niemand ten minste zou -in hem den vroeger onaangenamen, strengen dokter herkend hebben. - -"Ziezoo, Brinker," begon hij opgeruimd. "Nu kom ik je mijn kwaden -jongen eens laten zien. Zou je hem nog wel herkennen?" - -Rolf Brinker was opgestaan. - -"Wel ouder geworden," zeide hij, terwijl hij de aangeboden hand van -Laurens aannam. "Maar toch nog dezelfde oogen. Ach, mijnheer! dat ik -zoo buiten mijn schuld de oorzaak ben geweest van uw verdriet en dat -van uw braven vader. God weet, hoe ik 't anders gewild had." - -"Spreek daar niet van, brave man," zeide Laurens. "Wat je gewild hadt, -dat toont de aanbeveling, die je aan je vrouw hadt gegeven. Ook jou, -brave vrouw, moet ik mijn dank zeggen, dat je zoo trouw je woord -gehouden hebt, en, ondanks de nijpendste armoede, het horloge niet -van de hand hebt gedaan. Had je het verkocht,--nooit had ik mijn -goeden vader weergezien. Daarom kun je op mijn dankbaarheid rekenen." - -"Spreek van geen dankbaarheid, mijnheer," zeide vrouw Brinker. "'t -Is waar, dikwijls heb ik het horloge in de hand gehad en mij zelve -afgevraagd, of ik wel goed deed, om mijn arme kinderen honger te laten -lijden, terwijl ik voor dat horloge brood had kunnen krijgen. Eens -vooral, toen zij ziek waren, was de verzoeking sterk. Maar toen borg -ik het zóó diep weg, dat ik het haast niet meer vinden kon; want ik -dacht altijd om de laatste woorden van mijn braven man, die mij had -aanbevolen, om voor dat horloge te zorgen." - -"En daarom heeft God ook gewild, dat ik weer in het leven ben gekomen," -zeide Rolf met bewogen stem. "En daarom heeft Hij uw braven vader hier -gezonden, die mij zoo belangeloos geholpen heeft. Waarlijk, mijnheer, -als gij iemand te danken hebt voor het geluk, dat gij thans geniet, -dan is 't uw brave vader...." - -Veel, heel veel werd er nog gesproken en de dokter vertelde hoe -hij geschreven had, en Laurens, hoe blij hij met zijns vaders brief -geweest was. 't Was of de dokter en zijn zoon oude vrienden waren, -zoo gaven zij hun harten lucht. - -"En nu, Rolf Brinker," zei de dokter eindelijk. "Ben ik nu geen -gelukkig man? Begrijp eens, mijn zoon zal zijn fabriek te Birmingham -verkoopen en een magazijn in Amsterdam openen. Dan heb ik altijd mijn -brillenhuisjes voor niemendal. Dat zal een profijt zijn, hè?" - -"Hoe! een magazijn!" riep Hans uit, die in stil genoegen daar -had neergezeten en al die vroolijke gesprekken zwijgend had -aangehoord. "Een magazijn, mijnheer? En zal mijnheer uw zoon dan niet -weder uw helper, en eens uw opvolger zijn?" - -Een oogenblik betrok het gelaat van den dokter; maar hij bedwong zich. - -"Neen, Hans. Laurens heeft er zijn buik vol van. Hij is liever -koopman." - -Hans scheen verbaasd en teleurgesteld. Hij zweeg. - -"Waarom zwijg je, mijn jongen?" zeide de dokter vriendelijk. "Vindt -ge er iets vernederends in, om koopman te zijn?" - -"O, neen, mijnheer!" stamelde Hans. "Niets, maar--maar--." - -"Maar wat?" - -"Wel, het andere beroep is zooveel beter," antwoordde hij nog steeds -aarzelend, "zooveel edeler. Wat mij aangaat, mijnheer," voegde hij er -met vuur bij, "ik vind uw vak zoo schoon, zoo heerlijk.... om de zieken -en gebrekkigen te genezen, menschenlevens te behouden, in staat te zijn -om te doen wat gij voor mijn vader gedaan hebt--dat is het grootste, -het schoonste, het verhevenste, wat er op aarde is!" De dokter zag -hem ernstig aan. Hans scheen teleurgesteld. Een paar heldere tranen -stonden in zijn oogen. - -"'t Is een zware taak, het beroep van arts, knaap," hervatte de -dokter met gefronste wenkbrauwen. "'t Vereischt groot geduld, veel -zelfopoffering en volharding." - -"Daarvan ben ik zeker," antwoordde Hans opnieuw in vuur. "Het vereischt -ook veel wijsheid en achting voor Gods werk. O, mijnheer, het moge zijn -moeilijkheden en teleurstellingen hebben, maar u meent niet wat u zegt: -het is niet zoo zwaar--maar het is groot en edel. Vergeef mij echter, -mijnheer! 't Past niet, u zoo in 't gezicht tegen te spreken." - -Dokter Broekman was blijkbaar uit zijn humeur geraakt. Hij keerde -Hans den rug toe en sprak zacht met Laurens. Vrouw Brinker keek Hans -heel boos aan. Zij wist maar al te goed, dat zulke groote lui als de -dokter niet konden velen, dat geringe menschen hen tegenspraken. - -Eensklaps wendde de dokter zich om. - -"Hoe oud ben je, Hans Brinker?" vroeg hij. - -"Vijftien jaren, mijnheer," was het verschrikte antwoord. - -"Zou je graag een dokter willen worden?" - -"Ja, mijnheer!" antwoordde de knaap, terwijl hij over zijn gansche -lichaam beefde. - -"Zou je, als je ouders 't je toestaan, er lust in hebben, je op de -studie toe te leggen, naar de hoogeschool te gaan en tevens mijn -assistent te wezen?" - -"Ja, mijnheer." - -"Zou je, denk je, niet ongeduldig worden en niet van zin veranderen, -juist op 't oogenblik misschien, als ik er mijn hart op gezet had, -om je tot mijn opvolger te maken?" - -Hans' oogen schitterden. - -"Neen, mijnheer! Ik zal nooit veranderen." - -"U moogt hem op dat punt gelooven, mijnheer de dokter," zeide vrouw -Brinker, die zich niet langer bedwingen kon. "Hans is als een rots, -als hij eens iets besloten heeft, en, wat de studie aangaat, eten, -drinken, slapen, alles zou hij vergeten voor zijn boeken." - -"Nu, Hans," vervolgde de dokter vriendelijk. "Dan zie ik niet, dat -er iets ons plan in den weg staat en dat ik je gerust kan meenemen, -als je vader er in toestemt." - -"Hoor eens, mijnheer," zeide Rolf. "Om u de waarheid te zeggen, -had ik liever gezien, dat mijn zoon een werkman was geworden. Maar -als hij nu graag voor dokter studeert, en het geluk heeft van uw -recommandatie om hem in de wereld voort te schoppen, dan is 't mij -ook goed. Het eenige is, dat het misschien wat veel geld zal kosten; -maar 't zal mogelijk zoo heel lang niet meer duren en ik heb, Goddank, -weer een paar fiksche, stevige armen om...." - -"Ho, ho, vriend! als ik je rechterhand wegneem, dan moet ik ook den -kost voor hem betalen en dat zal mij pleizier doen ook. 't Zal mij -nu zijn, alsof ik twee zoons heb, niet waar, Laurens? De een een -koopman en de andere een dokter--ik zal de gelukkigste man in geheel -Nederland zijn! Morgen kom je bij me, Hans, en dan zullen wij de zaak -verder bespreken." - -Hans boog. 't Was hem onmogelijk een woord uit te brengen. - -"Hoor eens, Brinker," hernam de dokter tot Rolf. "Mijn zoon Laurens -heeft een vertrouwd, ferm man noodig, als hij zijn magazijn in -Amsterdam opent, iemand die het opzicht over de zaken houdt en maakt -dat de wagen recht rijdt. Iemand die-- --maar, waarom zeg jij 't hem -zelf niet, Laurens." - -Laurens nam nu het woord en het duurde niet lang, of zij waren de -zaak volkomen eens. - -"'t Zal me wel aandoen, als ik de dijken moet verlaten," zeide Rolf -Brinker. "Maar uw aanbod is zoo aanlokkelijk, mijnheer, dat ik zou -meenen, mijn huisgezin te kort te doen, als ik het afsloeg." - - - - - - - - -ZESTIENDE HOOFDSTUK. - -BESLUIT. - - -Mijn vertelling is zoo goed als geëindigd. Alleen zien mijn lezeressen -en mijn lezers mij nog vragend aan. En ik weet het, er zijn nog zoo -enkele zaken, die moeten verteld worden, zullen zij mijn boek niet -eenigszins onvoldaan uit hun handen leggen. En dat zou mij spijten: -want niets is mij aangenamer, dan anderen genoegen te geven, en -wel vooral u, die al wat uit mijn pen komt, met zooveel graagte -ontvangt. Daartoe diene dan dit laatste Hoofdstuk. - -Er is een heele tijd voorbijgegaan, sedert Laurens met zijn vader -een bezoek in de hut aan de Broeker vaart aflegde. Die tijd heeft -groote veranderingen opgeleverd voor de familie Brinker. Hans heeft -zijn studiejaren goed besteed, alle moeilijkheden, die hem in den -weg kwamen, weten te overwinnen en met al de geestkracht, die hem -eigen was, naar het doel gestreefd, dat hij zich voor oogen had -gesteld. Ofschoon de weg wel eens hobbelig was, nooit heeft hij een -enkel oogenblik in zijn besluit gewankeld. Somtijds herhaalde hij -met zijn goeden ouden vriend de woorden, die deze lang geleden in -de hut te Broek sprak: "'t Is een zware taak, het beroep van arts," -maar dan klonk het ook altijd in zijn hart: "het beroep van arts is -groot en edel! Het vereischt veel wijsheid en achting voor Gods werk!" - -Wanneer gij heden ten dage Amsterdam bezoekt, dan kunt gij den -beroemden dokter Brinker in zijn koetsje zien rijden om zijn patiënten -te bezoeken, of als er 's winters goed ijs is, hem met zijn jongens -en meisjes op het IJ of den Amstel met de schaatsen onder de voeten -vinden. En dat hij dan geen van de minste rijders op de baan is, -durf ik u verzekeren. Als gij soms te Broek kwaamt en gij vroegt daar -naar zekere Annie Bouman, dan zou men u schouderophalend aanzien en -u zeggen, dat er wel eens van zijn leven een meisje van dien naam -bestaan heeft, maar dat die al sedert jaar en dag mevrouw Brinker -heet en de vrouw is van dien knappen dokter Brinker, die zooveel -patiënten over het IJ heeft. En als gij er Hans naar vroegt, dan zou -hij u zeggen: "Mijn Annie is nog altijd dezelfde--behalve dat zij als -'t kan nog liever, nog wijzer en nog meer gelijk aan de toovergodin -van vroeger is." - -Ook Peter van den Helm is sinds lang getrouwd. Met wie? Nu, dat behoef -ik niet te zeggen. Maar dikwijls, als hij met zijn lieve Hilda in -het koepeltje zit, dat hij van zijn ouders heeft geërfd, beschouwt -hij met genoegen het fraaie beeldhouwwerk, dat Hans gemaakt heeft en -dan zegt hij: "'t Is toch jammer voor de kunst, dat onze goede Hans -geen beeldhouwer is geworden; hij zou 't ver in die kunst gebracht -hebben en een beroemd man zijn geworden." Maar dan antwoordt Hilda: -"Jammer voor de kunst, maar niet voor de menschheid, want als dokter -Brinker is hij voor haar tot grooter zegen, dan hij als beeldhouwer -zou zijn geweest." - -Een tijd lang geleden hoorde ik, dat Karel Schimmel en Kato Lammers -geëngageerd waren. Gelukkig echter voor onze Kato is dit engagement -verbroken en is zij tot heden toe ongehuwd. Wat Kato zelf aangaat, -zij is in 't geheel zoo vroolijk niet meer als voorheen en sommige -klokjes hebben reeds al hun klank verloren. Toch is zij nog altijd -de ziel van hen, die met haar omgaan. Het ware te wenschen, dat zij -van tijd tot tijd wat ernstiger ware, maar dat ligt niet in haar -aard. Heeft zij smarten en zorgen, dan wordt het geluid der klokjes -voor eenige oogenblikken gestoord; dieper en ernstiger muziek doen -zij nooit hooren. - -Truida Korbes is in al die jaren ernstig geworden. Ook zij is ongehuwd -gebleven en houdt zich met letterkundigen arbeid bezig. Men wil, dat -zij onder een aangenomen naam zeer goede verhalen in een onzer eerste -maandwerken schrijft. En inderdaad, wanneer men die verhalen leest, -zoo vol geest en gevoel, maar ook zoo vol godsdienstige beginselen, -dan zou men er weinig onze vroegere Truida in herkennen, die zoo -trotsch haar neusje optrok voor de arme Griete. - -Frits Verdam en Lodewijk van den Helm hebben samen een compagnieschap -aangegaan en zijn bewoners der hoofdstad geworden. Frits Verdam, die -een prachtig huis op de Keizersgracht bewoont, denkt nog dikwijls -aan Kato Lammers, die hij eens ten huwelijk heeft gevraagd, maar -die hem een blauwtje heeft doen loopen. En hij is er heel blij om, -dat de zaak zich zoo gekeerd heeft, want hij heeft een allerliefst -vrouwtje in Ben's zuster Jenny, die hij op een reis naar Birmingham -heeft leeren kennen en met wie hij recht gelukkig is. - -Karel Schimmel is niet vooruitgegaan in de wereld. Zijn vader heeft, -door een opeenhooping van tegenspoeden, bankroet geslagen en niets -uit de puinhoopen zijner fortuin kunnen redden. Karel is tegenwoordig -boekhouder bij de firma Verdam en Van den Helm, en mag zich gelukkig -rekenen, dat zijn patroons hem altijd met achting behandelen en veel -voor hem over hebben. - -Onze kleine Frans van Bree is een deftig Broeksch heer geworden, -die wat goede zaken doet en sedert eenige jaren aanzoek gedaan heeft -om de hand van Griete Brinker, welke deze niet geweigerd heeft. 't -Kostte vader en moeder heel wat, om zich van het vroolijke, altijd -zingende vogeltje te scheiden, en dokter Brinker en zijn vrouw -waren in 't eerst wat boos op Frans, dat hij de lieve Griete van -hen weghaalde. Maar die boosheid moest vanzelf overgaan en wie er -nu wel eens boos is, is de koetsier, die dokter Brinker rijdt, als -hij in den omtrek van Broek moet wezen: want als de dokter daar is, -rijdt hij bij zwager Van Bree aan, en, of 't koud is of niet, laat -hij de paarden zoo ongehoord lang wachten, dat de koetsier wel eens -de vrees geuit heeft, dat zij met hun pooten aan den grond mochten -vastvriezen. En als Griete eens met haar kindertjes in Amsterdam komt -logeeren, dan is 't een feest bij de oude lui aan huis, dan is 't of -vader Rolf weer jong is, dan speelt hij met die kleinen en dan zegt -moeder, terwijl zij in de handen slaat: "Zie me zoo'n man eens aan!" - -Van al onze Broeksche vrienden is er slechts één, die het tooneel -dezer wereld verlaten heeft: 't is Jacob Poot. Tot zijn dood toe even -goedhartig en onbaatzuchtig, wordt hij nog even hartelijk betreurd, -als hij bemind was, toen hij op aarde beminde en lachte. Vóór hij -stierf, was hij broodmager geworden, nog magerder dan Benjamin Dobbs, -die nu een gezeten Engelschman is. - -En wanneer gij ooit te Broek komt en gij krijgt er toegang tot de -familie De Bruyn, spreek dan eens over de hardrijderij van den 30sten -December, dan zal de oude mevrouw u met glinsterende oogen verhalen, -hoe heerlijk die was en hoe er onder de rijderessen zich een klein -meisje bevond, dat zóó snel reed en zóó verlegen was, dat ze niet -eens het foedraal meenam van den prijs, dien zij gewonnen had, van - - - "DE ZILVEREN SCHAATSEN." - - - - - - - - -AANTEEKENINGEN - - -[1] John Bull, de scheldnaam dien de Amerikanen aan de Engelschen -geven--dezen noemen daarentegen hun overzeesche naburen: Brother -Jonathan. - -[2] Gids, geleider. - -[3] De naam van de kerk, of liever van den heilige, aan wien zij -gewijd was. - -[4] Ik laat deze anekdote voor rekening van de schrijfster van wie -ik haar heb overgenomen. - -[5] Zie mijn "Schildknaap van Gijsbrecht van Amstel". - -[6] Adolf en Clara. - -[7] Ik laat deze lieve legende voor rekening van de Schrijfster. - -[8] Zie mijn "Huisgezin van den Raadpensionaris." - - - - - - -End of Project Gutenberg's De zilveren schaatsen, by Mary Mapes Dodge - -*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ZILVEREN SCHAATSEN *** - -***** This file should be named 60777-8.txt or 60777-8.zip ***** -This and all associated files of various formats will be found in: - http://www.gutenberg.org/6/0/7/7/60777/ - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United -States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive -specific permission. If you do not charge anything for copies of this -eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook -for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports, -performances and research. They may be modified and printed and given -away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks -not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the -trademark license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country outside the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you'll have to check the laws of the country where you - are located before using this ebook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm web site -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The -Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm -trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - - - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the -mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its -volunteers and employees are scattered throughout numerous -locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt -Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to -date contact information can be found at the Foundation's web site and -official page at www.gutenberg.org/contact - -For additional contact information: - - Dr. Gregory B. Newby - Chief Executive and Director - gbnewby@pglaf.org - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide -spread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works. - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our Web site which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. - diff --git a/old/60777-8.zip b/old/60777-8.zip Binary files differdeleted file mode 100644 index 2beebef..0000000 --- a/old/60777-8.zip +++ /dev/null diff --git a/old/60777-h.zip b/old/60777-h.zip Binary files differdeleted file mode 100644 index c2f5836..0000000 --- a/old/60777-h.zip +++ /dev/null diff --git a/old/60777-h/60777-h.htm b/old/60777-h/60777-h.htm deleted file mode 100644 index 9f8a775..0000000 --- a/old/60777-h/60777-h.htm +++ /dev/null @@ -1,7606 +0,0 @@ -<!DOCTYPE html -PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd"> -<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2019-11-24T11:15:18Z using SAXON HE 9.9.0.1 . --> -<html lang="nl"> -<head> -<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=iso-8859-1"> -<title>De zilveren schaatsen</title> -<meta name="generator" content="tei2html.xsl, see https://github.com/jhellingman/tei2html"> -<meta name="author" content="Mary Mapes Dodge (1831–1905)"> -<link rel="coverpage" href="images/front.jpg"> -<link rel="schema.DC" href="http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/"> -<meta name="DC.Creator" content="Mary Mapes Dodge (1831–1905)"> -<meta name="DC.Title" content="De zilveren schaatsen"> -<meta name="DC.Language" content="nl-1900"> -<meta name="DC.Format" content="text/html"> -<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg"> -<meta name="DC:Subject" content="Kinderverhalen (teksten)"> -<style type="text/css"> -body { -font-family: "Times New Roman", Times, serif; -font-size: 100%; -line-height: 1.2em; -text-align: left; -} -.div0 { -padding-top: 5.6em; -} -.div1 { -padding-top: 4.8em; -} -.div2 { -padding-top: 3.6em; -} -.div3, .div4, .div5 { -padding-top: 2.4em; -} -h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4 { -clear: both; -font-style: normal; -text-transform: none; -} -h3, .h3 { -font-size: 1.2em; -line-height: 1.2em; -} -h3.label { -font-size: 1em; -line-height: 1.2em; -margin-bottom: 0; -} -h4, .h4 { -font-size: 1em; -line-height: 1.2em; -} -.alignleft { -text-align: left; -} -.alignright { -text-align: right; -} -.alignblock { -text-align: justify; -} -p.tb, hr.tb, .par.tb { -margin: 1.6em auto; -text-align: center; -} -p.argument, p.note, p.tocArgument, .par.argument, .par.note, .par.tocArgument { -font-size: 0.9em; -line-height: 1.2em; -text-indent: 0; -} -p.argument, p.tocArgument, .par.argument, .par.tocArgument { -margin: 1.58em 10%; -} -td.tocDivNum { -vertical-align: top; -} -td.tocPageNum { -vertical-align: bottom; -} -.opener, .address { -margin-top: 1.6em; -margin-bottom: 1.6em; -} -.addrline { -margin-top: 0; -margin-bottom: 0; -} -.dateline { -margin-top: 1.6em; -margin-bottom: 1.6em; -text-align: right; -} -.salute { -margin-top: 1.6em; -margin-left: 3.58em; -text-indent: -2em; -} -.signed { -margin-top: 1.6em; -margin-left: 3.58em; -text-indent: -2em; -} -.epigraph { -font-size: 0.9em; -line-height: 1.2em; -width: 60%; -margin-left: auto; -} -.epigraph span.bibl { -display: block; -text-align: right; -} -.trailer { -clear: both; -padding-top: 2.4em; -padding-bottom: 1.6em; -} -span.abbr, abbr { -white-space: nowrap; -} -span.parnum { -font-weight: bold; -} -span.corr, span.gap { -border-bottom: 1px dotted red; -} -span.num, span.trans, span.trans { -border-bottom: 1px dotted gray; -} -span.measure { -border-bottom: 1px dotted green; -} -.ex { -letter-spacing: 0.2em; -} -.sc { -font-variant: small-caps; -} -.asc { -font-variant: small-caps; -text-transform: lowercase; -} -.uc { -text-transform: uppercase; -} -.tt { -font-family: monospace; -} -.underline { -text-decoration: underline; -} -sup { -line-height: 6pt; -} -.overline, .overtilde { -text-decoration: overline; -} -.rm { -font-style: normal; -} -.red { -color: red; -} -hr { -clear: both; -height: 1px; -margin-left: auto; -margin-right: auto; -margin-top: 1em; -text-align: center; -width: 45%; -} -.aligncenter { -text-align: center; -} -h1, h2, .h1, .h2 { -font-size: 1.44em; -line-height: 1.5em; -} -h1.label, h2.label { -font-size: 1.2em; -line-height: 1.2em; -margin-bottom: 0; -} -h5, h6 { -font-size: 1em; -font-style: italic; -line-height: 1em; -} -p, .par { -text-indent: 0; -} -p.firstlinecaps:first-line, .par.firstlinecaps:first-line { -text-transform: uppercase; -} -.hangq { -text-indent: -0.32em; -} -.hangqq { -text-indent: -0.40em; -} -.hangqqq { -text-indent: -0.71em; -} -p.dropcap:first-letter, .par.dropcap:first-letter { -float: left; -clear: left; -margin: 0 0.05em 0 0; -padding: 0; -line-height: 0.8em; -font-size: 420%; -vertical-align: super; -} -blockquote, p.quote, div.blockquote, div.argument, .par.quote { -font-size: 0.9em; -line-height: 1.2em; -margin: 1.58em 5%; -} -.pagenum a, a.noteref:hover, a.pseudonoteref:hover, a.hidden:hover, a.hidden { -text-decoration: none; -} -.advertisement, .advertisements { -background-color: #FFFEE0; -border: black 1px dotted; -color: #000; -margin: 2em 5%; -padding: 1em; -} -.footnotes .body, .footnotes .div1 { -padding: 0; -} -.fnarrow { -color: #AAAAAA; -font-weight: bold; -text-decoration: none; -} -a.noteref, a.pseudonoteref { -font-size: 80%; -text-decoration: none; -vertical-align: 0.25em; -} -.displayfootnote { -display: none; -} -div.footnotes { -font-size: 80%; -margin-top: 1em; -padding: 0; -} -hr.fnsep { -margin-left: 0; -margin-right: 0; -text-align: left; -width: 25%; -} -p.footnote, .par.footnote { -margin-bottom: 0.5em; -margin-top: 0.5em; -} -p.footnote .label, .par.footnote .label { -float: left; -width: 2em; -height: 12pt; -display: block; -} -.apparatusnote { -text-decoration: none; -} -table.tocList { -width: 100%; -margin-left: auto; -margin-right: auto; -border-width: 0; -border-collapse: collapse; -} -td.tocPageNum, td.tocDivNum { -text-align: right; -min-width: 10%; -border-width: 0; -} -td.tocDivNum { -padding-left: 0; -padding-right: 0.5em; -} -td.tocPageNum { -padding-left: 0.5em; -padding-right: 0; -} -td.tocDivTitle { -width: auto; -} -p.tocPart, .par.tocPart { -margin: 1.58em 0; -font-variant: small-caps; -} -p.tocChapter, .par.tocChapter { -margin: 1.58em 0; -} -p.tocSection, .par.tocSection { -margin: 0.7em 5%; -} -table.tocList td { -vertical-align: top; -} -table.tocList td.tocPageNum { -vertical-align: bottom; -} -table.inner { -display: inline-table; -border-collapse: collapse; -width: 100%; -} -td.itemNum { -text-align: right; -min-width: 5%; -padding-right: 0.8em; -} -td.innerContainer { -padding: 0; -margin: 0; -} -.index { -font-size: 80%; -} -.indexToc { -text-align: center; -} -.transcriberNote { -background-color: #DDE; -border: black 1px dotted; -color: #000; -font-family: sans-serif; -font-size: 80%; -margin: 2em 5%; -padding: 1em; -} -.missingTarget { -text-decoration: line-through; -color: red; -} -.correctionTable { -width: 75%; -} -.width20 { -width: 20%; -} -.width40 { -width: 40%; -} -p.smallprint, li.smallprint, .par.smallprint { -color: #666666; -font-size: 80%; -} -span.musictime { -vertical-align: middle; -display: inline-block; -text-align: center; -} -span.musictime, span.musictime span.top, span.musictime span.bottom { -padding: 1px 0.5px; -font-size: xx-small; -font-weight: bold; -line-height: 0.7em; -} -span.musictime span.bottom { -display: block; -} -ul { -list-style-type: none; -} -.splitListTable { -margin-left: 0; -} -.numberedItem { -text-indent: -3em; -margin-left: 3em; -} -.numberedItem .itemNumber { -float: left; -position: relative; -left: -3.5em; -width: 3em; -display: inline-block; -text-align: right; -} -.itemGroupTable { -border-collapse: collapse; -margin-left: 0; -} -.itemGroupTable td { -padding: 0; -margin: 0; -vertical-align: middle; -} -.itemGroupBrace { -padding: 0 0.5em !important; -} -.titlePage { -border: #DDDDDD 2px solid; -margin: 3em 0 7em 0; -padding: 5em 10% 6em 10%; -text-align: center; -} -.titlePage .docTitle { -line-height: 3.5em; -margin: 2em 0 2em 0; -font-weight: bold; -} -.titlePage .docTitle .mainTitle { -font-size: 1.8em; -} -.titlePage .docTitle .subTitle, .titlePage .docTitle .seriesTitle, -.titlePage .docTitle .volumeTitle { -font-size: 1.44em; -} -.titlePage .byline { -margin: 2em 0 2em 0; -font-size: 1.2em; -line-height: 1.72em; -} -.titlePage .byline .docAuthor { -font-size: 1.2em; -font-weight: bold; -} -.titlePage .figure { -margin: 2em auto; -} -.titlePage .docImprint { -margin: 4em 0 0 0; -font-size: 1.2em; -line-height: 1.72em; -} -.titlePage .docImprint .docDate { -font-size: 1.2em; -font-weight: bold; -} -div.figure { -text-align: center; -} -.figure { -margin-left: auto; -margin-right: auto; -} -.floatLeft { -float: left; -margin: 10px 10px 10px 0; -} -.floatRight { -float: right; -margin: 10px 0 10px 10px; -} -p.figureHead, .par.figureHead { -font-size: 100%; -text-align: center; -} -.figAnnotation { -font-size: 80%; -position: relative; -margin: 0 auto; -} -.figTopLeft, .figBottomLeft { -float: left; -} -.figTop, .figBottom { -} -.figTopRight, .figBottomRight { -float: right; -} -.figure p, .figure .par { -font-size: 80%; -margin-top: 0; -text-align: center; -} -img { -border-width: 0; -} -td.galleryFigure { -text-align: center; -vertical-align: middle; -} -td.galleryCaption { -text-align: center; -vertical-align: top; -} -.lgouter { -margin-left: auto; -margin-right: auto; -display: table; -} -.lg { -text-align: left; -padding: .5em 0 .5em 0; -} -.lg h4, .lgouter h4 { -font-weight: normal; -} -.lg .lineNum, .sp .lineNum, .lgouter .lineNum { -color: #777; -font-size: 90%; -left: 16%; -margin: 0; -position: absolute; -text-align: center; -text-indent: 0; -top: auto; -width: 1.75em; -} -p.line, .par.line { -margin: 0 0 0 0; -} -span.hemistich { -visibility: hidden; -} -.verseNum { -font-weight: bold; -} -.speaker { -font-weight: bold; -margin-bottom: 0.4em; -} -.sp .line { -margin: 0 10%; -text-align: left; -} -.castlist, .castitem { -list-style-type: none; -} -.castGroupTable { -border-collapse: collapse; -margin-left: 0; -} -.castGroupTable td { -padding: 0; -margin: 0; -vertical-align: middle; -} -.castGroupBrace { -padding: 0 0.5em !important; -} -body { -padding: 1.58em 16%; -} -.pagenum { -display: inline; -font-size: 70%; -font-style: normal; -margin: 0; -padding: 0; -position: absolute; -right: 1%; -text-align: right; -} -.marginnote { -font-size: 0.8em; -height: 0; -left: 1%; -line-height: 1.2em; -position: absolute; -text-indent: 0; -width: 14%; -text-align: left; -} -.cut-in-left-note { -font-size: 0.8em; -left: 1%; -line-height: 1.2em; -float: left; -text-indent: 0; -width: 14%; -text-align: left; -padding: 0.8em 0.8em 0.8em 0; -} -.cut-in-right-note { -font-size: 0.8em; -left: 1%; -line-height: 1.2em; -float: right; -text-indent: 0; -width: 14%; -text-align: right; -padding: 0.8em 0 0.8em 0.8em; -} -span.tocPageNum, span.flushright { -position: absolute; -right: 16%; -top: auto; -text-indent: 0; -} -.pglink, .catlink, .exlink, .wplink, .biblink, .qurlink, .seclink { -background-repeat: no-repeat; -background-position: right center; -} -.pglink { -background-image: url(images/book.png); -padding-right: 18px; -} -.catlink { -background-image: url(images/card.png); -padding-right: 17px; -} -.exlink, .wplink, .biblink, .qurlink, .seclink { -background-image: url(images/external.png); -padding-right: 13px; -} -.pglink:hover { -background-color: #DCFFDC; -} -.catlink:hover { -background-color: #FFFFDC; -} -.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover, .qurlink:hover { -background-color: #FFDCDC; -} -body { -background: #FFFFFF; -font-family: "Times New Roman", Times, serif; -} -body, a.hidden { -color: black; -} -h1, .h1 { -padding-bottom: 5em; -} -h1, h2, .h1, .h2 { -text-align: center; -font-variant: small-caps; -font-weight: normal; -} -p.byline { -text-align: center; -font-style: italic; -margin-bottom: 2em; -} -.figureHead, .noteref, .pseudonoteref, .marginnote, p.legend, .verseNum { -color: #660000; -} -.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a { -color: #AAAAAA; -} -a.hidden:hover, a.noteref:hover, a.pseudonoteref:hover { -color: red; -} -h1, h2, h3, h4, h5, h6 { -font-weight: normal; -} -table { -margin-left: auto; -margin-right: auto; -} -.tablecaption { -text-align: center; -} -.arab { font-family: Scheherazade, serif; } -.aran { font-family: 'Awami Nastaliq', serif; } -.grek { font-family: 'Charis SIL', serif; } -.hebr { font-family: Shlomo, 'Ezra SIL', serif; } -.syrc { font-family: 'Serto Jerusalem', serif; } -.pagenum, .linenum { -speak: none; -}</style> -<style type="text/css"> -/* CSS rules generated from @rend attributes in TEI file */ -.cover-imagewidth { -width:510px; -} -.xd29e96 { -text-align:center; font-size:large; -} -.frontispiecewidth { -width:473px; -} -.titlepage-imagewidth { -width:508px; -} -.p003width { -width:500px; -} -.p005width { -width:472px; -} -.p011width { -width:576px; -} -.p020width { -width:518px; -} -.p024width { -width:575px; -} -.p033width { -width:720px; -} -.p036width { -width:259px; -} -.p038width { -width:463px; -} -.p043width { -width:583px; -} -.p050width { -width:413px; -} -.p059width { -width:543px; -} -.p061width { -width:539px; -} -.p065width { -width:720px; -} -.p071width { -width:524px; -} -.p073width { -width:472px; -} -.p079width { -width:574px; -} -.p081width { -width:138px; -} -.p083width { -width:236px; -} -.p087width { -width:418px; -} -.p099width { -width:510px; -} -.p1030width { -width:586px; -} -.p110width { -width:412px; -} -.p116width { -width:506px; -} -.p123width { -width:492px; -} -.p126width { -width:532px; -} -.p128width { -width:720px; -} -.p134width { -width:521px; -} -.p147width { -width:454px; -} -.p149width { -width:506px; -} -.p153width { -width:169px; -} -.p162width { -width:263px; -} -.p165width { -width:507px; -} -.xd29e2713 { -text-align:center; -} -.spinewidth { -width:105px; -} -.backwidth { -width:498px; -} -@media handheld { -} -/* CSS rules copied from @style attributes in TEI file */ -</style> -</head> -<body> - - -<pre> - -The Project Gutenberg EBook of De zilveren schaatsen, by Mary Mapes Dodge - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most -other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of -the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have -to check the laws of the country where you are located before using this ebook. - -Title: De zilveren schaatsen - -Author: Mary Mapes Dodge - -Illustrator: Johan Coenraad Braakensiek - Johannes Carolus Bernardus Sluijters - -Translator: Pieter Jacob Andriessen - -Release Date: November 24, 2019 [EBook #60777] - -Language: Dutch - -Character set encoding: ISO-8859-1 - -*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ZILVEREN SCHAATSEN *** - - - - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg - - - - - - -</pre> - -<div class="front"> -<div class="div1 cover"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first"></p> -<div class="figure cover-imagewidth"><img src="images/front.jpg" alt="Oorspronkelijke voorkant." width="510" height="720"></div><p> -</p> -</div> -</div> -<div class="div1 frenchtitle"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first xd29e96">DE ZILVEREN SCHAATSEN -</p> -</div> -</div> -<div class="div1 frontispiece"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first"></p> -<div class="figure frontispiecewidth"><img src="images/frontispiece.jpg" alt="" width="473" height="720"></div><p> -</p> -</div> -</div> -<div class="div1 titlepage"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first"></p> -<div class="figure titlepage-imagewidth"><img src="images/titlepage.png" alt="Oorspronkelijke titelpagina." width="508" height="720"></div><p> -</p> -</div> -</div> -<div class="titlePage"> -<div class="docTitle"> -<div class="mainTitle">DE ZILVEREN SCHAATSEN</div> -</div> -<div class="byline">NAVERTELD DOOR -<br> -<span class="docAuthor">P. J. ANDRIESSEN</span> -<br> -GEÏLLUSTREERD DOOR -<br> -<span class="docAuthor">JOH. BRAAKENSIEK</span> <span class="sc">EN</span> <span class="docAuthor">J. SLUYTERS</span> -<br> -TIENDE DRUK</div> -<div class="docImprint">A. W. SIJTHOFF’S UITGEVERSMAATSCHAPPIJ—LEIDEN</div> -</div> -<p><span class="pagenum">[<a id="xd29e134" href="#xd29e134">iii</a>]</span></p> -<div id="toc" class="div1 contents"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">INHOUD.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">EERSTE HOOFDSTUK. -</p> -<p> <span class="tocPageNum">Bladz.</span> -</p> -<p><a href="#ch1" id="xd29e144">Waarin verhaald wordt, hoe men, ook zonder schaatsen, toch het ijsvermaak genieten -kan</a> <span class="tocPageNum">1</span> -</p> -<p>TWEEDE HOOFDSTUK. -</p> -<p><a href="#ch2" id="xd29e152">Waarin wij verscheidene nieuwe kennissen ontmoeten</a> <span class="tocPageNum">9</span> -</p> -<p>DERDE HOOFDSTUK. -</p> -<p><a href="#ch3" id="xd29e160">Hoe een paar schaatsen en een dokter in één hoofdstuk kunnen vereenigd worden</a> <span class="tocPageNum">15</span> -</p> -<p>VIERDE HOOFDSTUK. -</p> -<p><a href="#ch4" id="xd29e168">Hoe echt Hollandsche jongens zich goed houden onder tegenspoed</a> <span class="tocPageNum">22</span> -</p> -<p>VIJFDE HOOFDSTUK. -</p> -<p><a href="#ch5" id="xd29e177">Ongelukken in de hut van Rolf Brinker</a> <span class="tocPageNum">35</span> -</p> -<p>ZESDE HOOFDSTUK. -</p> -<p><a href="#ch6" id="xd29e185">Wat de jongens zoo al in Haarlem zagen</a> <span class="tocPageNum">45</span> -</p> -<p>ZEVENDE HOOFDSTUK. -</p> -<p><a href="#ch7" id="xd29e193">Hoe goed het kan zijn, als men in een kouden winternacht zonder dek ligt</a> <span class="tocPageNum">57</span> -<span class="pagenum">[<a id="xd29e199" href="#xd29e199">iv</a>]</span></p> -<p>ACHTSTE HOOFDSTUK. -</p> -<p><a href="#ch8" id="xd29e202">Wat onze knapen al zoo in Leiden zagen</a> <span class="tocPageNum">74</span> -</p> -<p>NEGENDE HOOFDSTUK. -</p> -<p><a href="#ch9" id="xd29e210">Hoe onze reizigers in den Haag ontvangen werden</a> <span class="tocPageNum">83</span> -</p> -<p>TIENDE HOOFDSTUK. -</p> -<p><a href="#ch10" id="xd29e218">De gevaarlijke operatie</a> <span class="tocPageNum">96</span> -</p> -<p>ELFDE HOOFDSTUK. -</p> -<p><a href="#ch11" id="xd29e227">De verborgen schat</a> <span class="tocPageNum">106</span> -</p> -<p>TWAALFDE HOOFDSTUK. -</p> -<p><a href="#ch12" id="xd29e235">De toovergodin</a> <span class="tocPageNum">118</span> -</p> -<p>DERTIENDE HOOFDSTUK. -</p> -<p><a href="#ch13" id="xd29e243">Het geheimzinnige horloge</a> <span class="tocPageNum">128</span> -</p> -<p>VEERTIENDE HOOFDSTUK. -</p> -<p><a href="#ch14" id="xd29e251">De hardrijderij</a> <span class="tocPageNum">142</span> -</p> -<p>VIJFTIENDE HOOFDSTUK. -</p> -<p><a href="#ch15" id="xd29e259">Wat de zilveren schaatsen al uitwerken</a> <span class="tocPageNum">152</span> -</p> -<p>ZESTIENDE HOOFDSTUK. -</p> -<p><a href="#ch16" id="xd29e268">Besluit</a> <span class="tocPageNum">163</span> -<span class="pagenum">[<a id="xd29e274" href="#xd29e274">v</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="voorbericht" class="div1 preface"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">VOORBERICHT.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Toen de geachte Uitgever mij eenige jaren geleden dit boek ter hand stelde, om daarover -een oordeel te vellen, beviel het mij zoodanig, dat ik er volgaarne in toestemde, -het voor de Nederlandsche jeugd om te werken. Ik zeg omwerken, want er is van het -oorspronkelijke weinig meer overgebleven dan het geraamte. Had ik het boek van Mary -Mapes Dodge vertaald, ik zou tal van dwaasheden hebben moeten debiteeren, waarvoor -mijn jeugdige lezeressen en lezers mij zeker op de vingers zouden hebben getikt en -die men in den vreemde voor goede munt opneemt, daar men ’t natuurlijk niet beter -weet. En toch is er veel in, waardoor de Schrijfster haar landgenooten met vrij wat -bijzonderheden van ons land en ons volk bekendmaakt. Ik twijfel er ook geenszins aan, -of deze zilveren schaatsen zullen mijn jongen vriendinnen en vrienden wèl bevallen. -Het werk kan hun tot een aangename afwisseling strekken van de meer ernstige lectuur -mijner historische verhalen. -</p> -<p>Dat dit boek in zoo betrekkelijk korten tijd telken male herdrukt moest worden, heeft -mij niet verwonderd. De goede manier van uitgeven, het echt nationale, dat er in het -schaatsenrijden is, en de vriendelijke inhoud van het verhaal stonden mij daarvoor -borg. -</p> -<p class="signed">P. J. Andriessen. -<span class="pagenum">[<a id="pb1" href="#pb1">1</a>]</span></p> -</div> -</div> -</div> -<div class="body"> -<div id="ch1" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd29e144">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">EERSTE HOOFDSTUK.</h2> -<h2 class="main">Waarin verhaald wordt, hoe men, ook zonder schaatsen, toch het ijsvermaak genieten -kan.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Wanneer gij, mijn lieve lezeressen en lezers, eenige jaren geleden op een helderen -December-ochtend de vaart van ’t Schouw naar het Noordhollandsche dorp Broek waart -opgewandeld, dan zoudt gij aan den kant van het bevroren water twee dun gekleede kinderen -op hun knieën hebben zien liggen. -</p> -<p>’t Was heel vroeg in den morgen: de zon was zooeven eerst opgegaan en de horizon zag -rood door den nevel, die nog moest optrekken voor den gloed van haar stralen. De meeste -bewoners van Broek en zijn omtrek waren nog warm in het dons hunner bedden gedoken -en schrikten er voor om uit de veeren te komen: want het was aardig koud en had dien -nacht geducht gevroren. Slechts een enkele boer of boerin, die naar de stad ging, -of een werkman, die wat ver van huis op karwei moest zijn, reed op de gladde spiegelvlakte -en wierp een vriendelijken blik op het tweetal, dat daar aan den kant geknield lag -en zich bezighield met iets aan te binden, hetwelk schaatsen moesten verbeelden en -dat bestond uit stukken hard hout, die naar onderen spits toeliepen en waarin gaten -waren geboord, om ze met touwen aan de voeten te bevestigen. -</p> -<p>Die schaatsen waren het fabrikaat van Hans, den oudste der twee: want zijn moeder -was een arme boerenvrouw, die geen schaatsen bekostigen kon; en daarom had onze knaap, -die <span class="pagenum">[<a id="pb2" href="#pb2">2</a>]</span>zeer behendig in het snijden van hout was, er een paar voor zich en zijn zuster Griete -vervaardigd, op welke zij reeds menig gelukkig uurtje op het ijs hadden gesleten. -Met hun van de kou roode vingers trokken zij aan de touwen, terwijl hun gezichten -zoo ernstig stonden, als moesten zij zich het beste paar Friesche schaatsen aanbinden. -</p> -<p>„Kom, Griete,” zei Hans, toen hij opstond en een prachtige streek op de vaart maakte, -niet zonder beide armen geducht te bewegen. -</p> -<p>„Ach, Hans!” riep Griete op verdrietigen toon. „De touwen hebben mij gisteren zoo -geducht gekneld, en nu kan ik ze niet op dezelfde plaats velen.” -</p> -<p>„Bind ze dan wat hooger,” gaf Hans ten antwoord, terwijl hij op zijn manier een sierlijken -zwaai maakte. -</p> -<p>„Dat kan ik niet doen: want het touw is te kort.” -</p> -<p>Hans had toch deernis met zijn zusje en reed naar haar toe. -</p> -<p>„Waarom heb je ook die dunne schoenen aan je voeten, malle meid?” zeide hij. „Wie -trekt zulk dun schoeisel aan, als hij er dikker heeft? Had dan liever je klompen aangehouden.” -</p> -<p>„Maar, Hans! Weet je dan niet, dat vader mijn beste schoenen in ’t vuur heeft gegooid? -Eer ik nog wist, wat hij gedaan had, waren ze al heelemaal omgekruld en bedorven. -Met die schoenen kon ik wel rijden, maar niet met mijn klompen.” -</p> -<p>Hans had intusschen een touw uit zijn zak gehaald en knielde voor Griete, terwijl -hij zijn best deed om haar schaats vast te maken. -</p> -<p>„O, je doet me zeer!” riep zij uit. -</p> -<p>Hans werd bijna boos, maar hij zag een traan in Griete’s oog en bedwong zijn toorn. -Integendeel hernam hij op vriendelijken toon: -</p> -<p>„Ik kan ’t niet helpen, Griete. Maar ik moet de schaats toch vastmaken. En je weet -zelf, dat we weinig tijd hebben: want moeder zal ons wel gauw roepen.” -</p> -<p>Hierop keek hij rond of hij niets zag, waarmede hij zijn zuster kon helpen, bedacht -zich even, nam zijn pet af, haalde uit de gescheurde voering een dotje watten, legde -dat op de plaats, waar hij het touw moest binden, en bond toen de schaats vast, zoo -schielijk als hij ’t met zijn van kou verstijfde vingers doen kon. -<span class="pagenum">[<a id="pb3" href="#pb3">3</a>]</span></p> -<p>„Kijk, nu zal ’t je geen pijn meer doen, Griete,” zeide hij, „want nu zal je wel eenige -drukking kunnen velen.” -</p> -<p></p> -<div class="figure floatLeft p003width"><img src="images/p003.png" alt="" width="500" height="582"></div><p> -</p> -<p>Griete beet zich op de lippen, als wilde zij zeggen: „’t doet mij toch nog zeer,” -maar zij zweeg en liet hem begaan. -</p> -<p>Eenige oogenblikken later reden zij lachend en vroolijk, hand aan hand over de vaart, -zonder zich er over te bekommeren, of hun schaatsen al dan niet met ijzer beslagen -waren. Maar eensklaps begonnen de schaatsen van Hans een raar soort van geluid te -geven, zijn streken werden al korter en korter, flap! daar lag hij zoo lang als hij -was op het ijs te spartelen. -</p> -<p>„Ha, ha,” riep Griete lachend. „Daar ben je mooi te land gekomen.” Maar even snel -kwam het liefderijke zusterhart weer boven, en met een fikschen omzwaai stond zij, -ofschoon nog altijd lachend, vóór haar gevallen broeder. -</p> -<p>„Je hebt je toch niet bezeerd, Hans?” vroeg zij medelijdend. „O, je lacht. Dan is -’t niets.” En terwijl zij weer voortreed met wangen, gloeiend van de warmte, die de -beweging haar had gegeven, en oogen, schitterend van genoegen, riep zij: „Hans je -kunt mij niet krijgen!” -</p> -<p>Hans sprong weer op de beenen, maar ’t was geen gemakkelijke zaak om Griete in te -halen: want zij was hem reeds een heel eind vooruit. Toch was zij nog niet ver, toen -zij voelde, <span class="pagenum">[<a id="pb4" href="#pb4">4</a>]</span>dat ook haar schaatsen begonnen te krassen. Daar zij nu de eer aan zich wilde houden, -keerde zij zich om en reed haar vervolger in de armen. -</p> -<p>„Gevangen!” riep Hans, terwijl hij haar stevig in zijn armen pakte. -</p> -<p>„Ik heb jou gevangen,” antwoordde Griete, die poogde zich uit zijn armen los te maken. -</p> -<p>Juist op dit oogenblik klonk er een luide stem over de vaart: „Hans! Griete!” -</p> -<p>„Moeder roept ons,” zeide Hans, terwijl hij zijn zusje losliet. -</p> -<p>Op dat oogenblik werd de vaart door de nu geheel en al opgekomen zon beschenen en -begonnen er al meer schaatsenrijders te komen. ’t Was een hard gelag, om nu juist -te moeten uitscheiden. Maar Hans en Griete waren gehoorzame kinderen. Terstond bonden -zij hun schaatsen af en lieten de vaart aan de liefhebbers over. Statig liep Hans -met zijn breede schouders en zijn weerbarstig blond haar naast zijn blauwoogige zuster -voort, terwijl zij huiswaarts togen. Hij was vijftien en Griete twaalf jaar. Hij was -een stevige, vriendelijke jongen met een hart van goud en een paar oogen, die hij -nooit neersloeg, als hij u aankeek. Griete was een klein, tenger ding, met een paar -levendige blauwe oogen, die u zoo vriendelijk konden aankijken, en zulk een lief gezichtje, -dat gij, als gij haar aanzaagt, heur armoedig en verschoten gewaad schier vergeten -zoudt hebben. -</p> -<p>Toen de kinderen thuis kwamen, was moeder Brinker weer binnen en zat hun vader bij -het vlammende vuur. Die vader was in vroegeren tijd een stevig werkman geweest, die -voor vrouw en kinderen een eerlijk stuk brood verdiende. Maar jaren geleden, toen -er midden in den nacht gevaar voor overstrooming was en de man zich aan het werk had -bevonden aan den dijk, die dreigde te bezwijken, was hij gevallen, en bewusteloos -thuis gebracht. Sedert dat oogenblik had hij niet meer gewerkt, en, ofschoon hij nog -leefde, waren zijn verstand en geheugen weg. -</p> -<p>Griete kende hem niet anders dan als „den zonderlingen, stillen man”, wiens oogen -haar volgden, waar zij ook ging; maar Hans herinnerde zich nog een hartelijken, vroolijken -vader, die hem zoo pleizierig op zijn schouder kon dragen en die zoo mooi kon zingen, -als hij ’s avonds wakker lag en naar hem luisterde. -<span class="pagenum">[<a id="pb5" href="#pb5">5</a>]</span></p> -<p>De arme vrouw Brinker had sedert dien tijd hard gewerkt. Zij toch moest den kost verdienen -voor haar zelf, haar hulpeloozen man en haar niet minder hulpelooze kinderen. Met -spinnen en breien trachtte zij daarin te voorzien, zelfs had zij zich tusschenbeide -verhuurd, om in het zeel te loopen voor een schuit; maar sedert Hans sterk genoeg -was geworden, had hij haar plaats vervuld. En het was ook wel noodig, dat vrouw Brinker -thuis bleef: want, hoe hulpbehoevend Brinker ook was, hoewel hij niet meer verstand -bezat dan een kind van drie of vier jaar, had hij toch de kracht van een man, en het -kostte der arme vrouw vrij wat moeite, om hem in bedwang te houden. -</p> -<p></p> -<div class="figure floatLeft p005width"><img src="images/p005.png" alt="" width="472" height="641"></div><p> -</p> -<p>„Ach, kinderen,” zeide zij somtijds, „hij was zoo goed en zoo verstandig! Zoo knap -als een advocaat! Zou je wel willen gelooven, dat de burgemeester hem soms staande -hield, om hem het een of ander te vragen. En nu, ach, lieve Hemel! nu kent hij zijn -vrouw en kinderen niet meer! Jij kunt je uw vader nog wel voorstellen, niet waar, -Hans, toen hij nog de goede Rolf Brinker was, hè? Wat een ferm, knap man! Weet je -’t nog wel?” -</p> -<p>„Ja, moeder,” antwoordde Hans. „En wat wist hij alles, en wat kon hij mooi zingen! -Ik weet het nog best, hoe gij wel eens zeidet, dat hij door zijn stem alleen al de -windmolens aan het draaien zou hebben gemaakt.” -<span class="pagenum">[<a id="pb6" href="#pb6">6</a>]</span></p> -<p>„Ja, dat heb ik dikwerf gezegd. Wat die jongen toch een geheugen heeft! Griete, kindlief, -neem je vader die breinaald af, anders steekt hij er mee in zijn oog. Doe hem zijn -slof aan, want zijn voeten zijn zoo koud als ijs, en ik kan ze niet warm houden,” -en dan liet vrouw Brinker haar spinnewiel weer snorren, als gaf dat geluid afleiding -aan haar smart. -</p> -<p>Hans en Griete deden al wat zij konden, om hun arme moeder in haar zware taak te ondersteunen. -Waar het lieve kind in het huishouden hielp en den kleinen moestuin bebouwde, die -bij het huisje lag, waar zij reeds menig paar sokken breide en al de boodschappen -deed, die er noodig waren, verdiende Hans geld met het jagen der paarden voor de pakschuiten -en kleine vrachtschepen, die door de vaart kwamen; ook was hij vrij bekwaam in het -houtsnijden, in hetwelk hij, als men de slechte werktuigen, welke hij bezat, en het -volslagen gemis aan onderricht daarbij in aanmerking neemt, al een heel aardige hoogte -bereikt had. En niet alleen in deze werktuigelijke kunst muntte Hans uit. Ook op de -school kon geen enkele hem bijhouden. Hoe hard hij soms moest blokken, eer hij iets -wist, hij rustte niet, vóór hij het onder de knie had, en menigeen, die zijn neus -optrok voor zijn armoedige plunje en zijn gelapte broek, moest voor hem de vlag strijken -en aan den jongen uit de hut de hoogste plaats afstaan. Jammer genoeg, dat hij nu -sedert een jaar niet meer had kunnen schoolgaan, daar, bij de verergering van Brinker’s -toestand, de behoeften van het gezin waren toegenomen en Hans geld moest verdienen -om in die behoeften te voorzien. Griete was zoo vlug niet in het leeren. Als ’t op -zingen aankwam, kon zeker niemand haar overtreffen, en als zij een liedje tweemaal -hoorde, zong zij het zonder fout; maar—boeken waren haar een gruwel, het schoolbord -een verdriet en de school zelf een soort van gevangenis, die zij met looden schoenen -betrad. Des te meer jammer voor het lieve kind, dat moeder ook haar moest thuis houden: -want wat moest er van haar worden, als zij op lateren leeftijd niet zou kunnen lezen -of schrijven? -</p> -<p>Terwijl onze beide kinderen druk bezig waren, hun moeder binnenshuis te helpen, kwam -er een vroolijke hoop meisjes en jongens over de vaart rijden. Daar waren goede rijdsters -en rijders onder, en als men hen in hun bonte kleeding op een <span class="pagenum">[<a id="pb7" href="#pb7">7</a>]</span>afstand zag komen aanrijden, dan zou men zich verbeeld hebben, dat het ijs eensklaps -gesmolten was en er een veelkleurig bed met tulpen op den stroom kwam aandrijven. -</p> -<p>Voorop rijdt Hilda, de dochter van burgemeester De Bruyn, in haar fluweelen, met bont -omzet jacketje en haar met pels omboorde jurk, en naast haar Annie Bouman, de dochter -van een rijken boer, met haar scharlaken rood jacketje, van stevige wol gebreid, en -haar keurig blauw rokje, kort genoeg om haar nette voetjes te doen zien. Verder de -trotsche Truida Korbes, de dochter van den rijken aannemer te Broek, Karel Schimmel, -Peter en Lodewijk van den Helm, Jacob Poot en een heel kleine jongen, die den naam -van Frans van Bree voert. Er waren ruim twintig jongens en meisjes bij elkander, en -zij maakten vrij wat pret, dat kan ik u verzekeren. -</p> -<p>Zij reden herhaalde malen de vaart op en neder, en het was wèl te zien, dat er flinke -schaatsenrijders onder hen waren. Menigen vriendelijken groet wisselden zij met andere -dorpelingen, die hen voorbijreden, om zich naar Amsterdam of elders te begeven, en -ook diegenen, aan wie zij ten eenen male onbekend waren, konden niet nalaten, met -genoegen naar het vroolijke troepje te zien en het een groet toe te werpen. Ook van -den wal af hadden zij bekijks genoeg van de kinderen, die te voet naar school gingen, -en bij wie zich de meesten van hen straks zouden voegen. -</p> -<p>Eensklaps echter scheen hen iets in hun vaart te belemmeren en allen bleven stilstaan -rondom een klein aardig meisje, dat er allerliefst uitzag en van den kant van Monnikendam -was komen aanrijden. -</p> -<p>„Waar moet jij zoo vroeg reeds heen, Kato?” riep de een. -</p> -<p>„Wat kom je hier jagen?” vraagde de ander. -</p> -<p>„Je doet toch ook mee met den wedstrijd op den dertigsten?” zeide een derde. -</p> -<p>„Je moet stellig meedoen, Kato,” bevestigde een vierde. -</p> -<p>„Maar, lieve vrienden,” zeide de aardige Kato. „Je brengt me heelemaal in de war. -Spreekt als het u belieft één voor één: want als je allen te gelijk praat, kan ik -je onmogelijk antwoorden.” -</p> -<p>„Je doet toch mee met den wedren op den dertigsten?” herhaalde Truida Korbes, die -’t eerst het woord nam. -<span class="pagenum">[<a id="pb8" href="#pb8">8</a>]</span></p> -<p>„Een wedren? Denk je, dat ik paard kan rijden, Truida?” vroeg Kato glimlachend. -</p> -<p>„Nu, dat begrijp je toch wel beter, Kato.” -</p> -<p>„Kom, zij weet er even goed van als wij,” zeide Annie Bouman. „Zoo ver woont ze niet -van Broek af, dat ze het niet zou weten.” -</p> -<p>„Inderdaad, ik heb niets van een wedren gehoord,” verzekerde Kato met het onnoozelste -gezicht ter wereld. -</p> -<p>„Welnu,” hernam Truida, „als je ’t dan werkelijk niet weet, zal ik ’t zeggen. Mevrouw -De Bruyn van Broek is op den dertigsten van deze maand veertig jaar en heeft besloten -dien dag feestelijk te vieren. Daartoe zal zij een wedren op schaatsen geven, waaraan -al de kinderen van Broek en den omtrek, mits ze beneden de zestien jaren zijn, mogen -deelnemen. Dat is alles het werk van Hilda.” -</p> -<p>„En zullen er mooie prijzen zijn?” -</p> -<p>„Een paar beeldige mooie Engelsche schaatsen,” riepen wel zes stemmen te gelijk. -</p> -<p>„Met zilver ingelegd,” voegde een ander er bij. -</p> -<p>„En met zilveren neuzen en hielstukken,” vervolgde een derde. -</p> -<p>„En er zijn zilveren belletjes ook aan,” voegde Frans van Bree er bij. -</p> -<p>„Hoor me zoo’n kleinen betweter eens aan!” riep Jacob Poot uit. „Bellen aan schaatsen! -Dan zou een mensch veel van een paard voor een Narreslede hebben.” -</p> -<p>„Of van een katje, dat men niet wil trappen,” meende Truida. -</p> -<p>„Je hebt je wat laten wijsmaken, Frans,” zeide Lodewijk van den Helm, terwijl hij -het kleine kereltje medelijdend aanzag. -</p> -<p>„Hij heeft het toch zoo geheel en al niet mis,” verzekerde Hilda. „Er zijn twee paren -schaatsen, één voor de meisjes en één voor de jongens. Het paar van de meisjes is -met zilveren plaatjes aan de hielstukken, die bij het stampen een rammelend geluid -maken als belletjes.” -</p> -<p>„En wie zullen er rijden?” vroeg Kato. -</p> -<p>„Wel, wij allen,” gaf Truida ten antwoord. <span class="corr" id="xd29e375" title="Niet in bron">„</span>’t Zal een pret zijn! Je doet toch ook mee, Kato? Maar het is nu tijd, om naar school -te gaan. Kom, ga mee, dan zal ik ’t je onderweg verder vertellen.” -<span class="pagenum">[<a id="pb9" href="#pb9">9</a>]</span></p> -<p>En zonder zich om de overigen te bekommeren, maakte zij een sierlijken zwaai en reed, -door Kato vergezeld, naar de school met een vlugheid, dat de anderen werk hadden om -haar te volgen. -</p> -</div> -</div> -<div id="ch2" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd29e152">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">TWEEDE HOOFDSTUK.</h2> -<h2 class="main">Waarin wij verscheidene nieuwe kennissen ontmoeten.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">’t Was op den namiddag van dien zelfden dag, dat onze jongelieden, na afgeloopen arbeid, -weder een uurtje op het ijs reden. -</p> -<p>„Kijk eens,” riep Karel Schimmel spottend tegen Hilda, die vlak naast hem stond. „Kijk -eens, welk een mooi paar daar over het ijs komt aanrijden. ’t Zijn zeker de voddenrapers -uit de hut. Hun schaatsen zijn zeker een geschenk van Hare Majesteit de Koningin in -eigen persoon.” -</p> -<p>„Foei, Karel,” zeide Hilda. „Je moest je schamen, dat je zoo over hen spreekt. ’t -Zijn arme kinderen en de schaatsen, op welke zij rijden, heeft de knaap misschien -zelf gemaakt.” -</p> -<p>Karel keek mal op zijn neus. -</p> -<p>„Ik weet niet wat zij met zulk tuig op de baan doen,” bromde hij, terwijl Hilda naar -de beide kinderen toereed, „maar ik zou, dunkt mij, even goed op een oud verroest -mes kunnen rijden als op zoo’n paar schaatsen.” -</p> -<p>Deze uitval wekte het gelach van verscheidene andere der rijders. Hilda stoorde zich -daaraan niet en vroeg aan Griete: -</p> -<p>„Hoe heet je, kindlief?” -</p> -<p>„Griete, juffrouw,” antwoordde het kind, min of meer verlegen, dat de juffrouw van -den burgemeester haar aansprak, al was die dan ook nog geen twee jaar ouder dan zij. -</p> -<p>„En hoe heet je broer?” -</p> -<p>„Hans, juffrouw!” -</p> -<p>„Nu, ’t is een ferme jongen, die Hans. Die heeft zeker een warm kacheltje in zijn -lijf; want hij ziet er zoo gezond uit als <span class="pagenum">[<a id="pb10" href="#pb10">10</a>]</span>een visch. Maar jij bent koud. Waarom kleed je je ook niet wat warmer, klein ding?” -</p> -<p>Griete deed haar best om te glimlachen. -</p> -<p>„Ik ben zoo klein niet als u wel denkt,” zeide zij. „Ik ben ruim twaalf jaar oud.” -</p> -<p>„Nu, je zult wel grooter worden,” hervatte Hilda, meesmuilende over het antwoord van -Griete. „Maar dan moet je je ook wat warmer kleeden. Meisjes, die kou lijden, worden -nooit groot.” -</p> -<p>Hans kreeg een kleur als bloed, toen hij zag, dat er waterlanders in Griete’s oogen -kwamen. -</p> -<p>„Hoor eens, juffrouw! Mijn zuster heeft nog nooit over de kou geklaagd. Maar ’t vriest -nu ook zoo hard.” -</p> -<p>„O,” zeide Griete. „Ik ben dikwijls heel warm, dikwijls al te warm, als ik schaatsen -rijd. ’t Is al heel lief van u, juffrouw, om daaraan te denken.” -</p> -<p>„Ik wou je wat anders vragen, Griete,” zeide Hilda, min of meer boos op zich zelf, -omdat zij vreesde de arme kinderen beleedigd te hebben. -</p> -<p>„Kan ik de juffrouw van dienst zijn?” vroeg Hans. -</p> -<p>„O neen, ik wou je alleen iets vragen over den grooten wedstrijd. Je zult toch meedoen, -niet waar? Je kunt allebei aardig rijden en iedereen mag meedingen.” -</p> -<p>Griete zag Hans zwijgend aan; deze trok verlegen aan zijn buis en antwoordde op eerbiedigen -toon: -</p> -<p>„Ach! juffrouw, al konden wij ook meedingen, dan nog zouden wij geen tien slagen met -de overigen doen. Zie maar,” en hij liet haar een zijner schaatsen zien, „onze schaatsen -zijn slechts van hard hout, zij worden gauw vochtig en dan willen zij niet meer voort, -of wij rollen.” -</p> -<p>Griete kon niet nalaten te lachen, toen zij om het ongeval van Hans van dien morgen -dacht, en zeide: -</p> -<p>„Neen, juffrouw, meerijden kunnen wij niet; maar wij zullen er wel bij zijn om te -kijken.” -</p> -<p>„Natuurlijk,” antwoordde Hilda. „Maar je moet meedoen ook.” -</p> -<p>Zij haalde haar beursje uit en zag, dat er nog een gulden en twee kwartjes in waren. -’t Speet haar, dat zij niet wat zuiniger op haar weekgeld was geweest, en daarom keek -zij met een zucht naar de twee paar voeten, die zoo ongelijk van grootte waren. -<span class="pagenum">[<a id="pb11" href="#pb11">11</a>]</span></p> -<p>„Zeg, wie van je beiden is de beste rijder?” -</p> -<p>„Griete,” antwoordde Hans snel. -</p> -<p>„Hans,” was het antwoord van Griete. -</p> -<p>Hilda glimlachte. -</p> -<p></p> -<div class="figure p011width"><img src="images/p011.png" alt="" width="576" height="632"></div><p> -</p> -<p>„Hoort eens,” hernam zij. „Ik kan voor jelui elk geen paar schaatsen koopen, zelfs -niet enkel een goed paar. Maar hier heb je een daalder. Maak ’t nu onder je beiden -uit, wie ’t best kan rijden en de meeste kans heeft om bij den wedstrijd te winnen, -en koop dan voor die een paar schaatsen, zoo goed als je ze voor een daalder kunt -krijgen. ’k Wou, dat ik geld genoeg had om je ieder een paar betere te koopen.” -</p> -<p>En terwijl zij hen vriendelijk toeknikte en den verwezen Hans het geld in de hand -stopte, reed zij snel weg om zich weer bij haar gezelschap te voegen, dat in dien -tijd een heel eind vooruitgereden was. -<span class="pagenum">[<a id="pb12" href="#pb12">12</a>]</span></p> -<p>„Juffrouw! Juffrouw De Bruyn,” riep Hans, terwijl hij haar achterna strompelde, want -hij had een zijner schaatsen losgebonden, om haar die te laten zien. -</p> -<p>Hilda keerde zich om en was in een oogenblik weer bij hen. -</p> -<p>„Wat is het?” vroeg zij. -</p> -<p>„Wij mogen dit geld niet behouden, juffrouw,” zeide hij. „Ofschoon wij u hoogst dankbaar -zijn voor uw goedheid.” -</p> -<p>„Kom, waarom niet?” -</p> -<p>„Omdat wij ’t niet verdiend hebben.” -</p> -<p>Hilda’s snelle bevatting wist terstond raad. -</p> -<p>„Welnu, snijd voor mij dan zoo’n ketting als je zuster draagt.” -</p> -<p>„Heel gaarne, juffrouw,” antwoordde Hans. „Wij hebben beeldig wit hout in huis en -gij zult er morgen een hebben, zoo wit als ivoor.” Dit zeggende, wilde hij haar het -geld teruggeven. -</p> -<p>„Neen, zoo is ’t niet gemeend,” antwoordde Hilda. „Dat geld is voor den ketting. ’t -Is wel wat weinig zelfs.” En zonder verder een woord te spreken, snelde zij weg en -was spoedig bij de andere schaatsenrijders. -</p> -<p>Hans keek haar met tranen in de oogen na. -</p> -<p>„Een edel meisje, Griete,” zeide hij. „En zij zal den ketting morgen hebben, al moet -ik er ook den halven nacht voor opzitten; als moeder ten minste wil hebben, dat ik -zoo lang licht brand. Morgen is de ketting af en dan mogen wij het geld houden.” -</p> -<p>„En dan ga je naar Amsterdam om de schaatsen te koopen,” zeide Griete. „Daar kun je -ze zeker beter en goedkooper krijgen dan in Monnikendam.” -</p> -<p>Hans schudde zijn hoofd. -</p> -<p>„De juffrouw wilde ons het geld geven om schaatsen voor te koopen. Dit hadden wij -ook moeten doen. Maar nu ik het verdien, zal ik er wol voor koopen. Je moet een warm -jacketje hebben, Griete.” -</p> -<p>„Hé!” riep Griete treurig uit. „En je zoudt er geen schaatsen voor koopen? Kom, ik -heb ’t zoo koud niet als je denkt. Ik ben jong en gezond.” -</p> -<p>En er stonden haar tranen in de oogen bij de gedachte, dat Hans de schaatsen niet -zou koopen. -</p> -<p>Hans zag haar zwijgend aan. Tranen kon hij niet zien, vooral <span class="pagenum">[<a id="pb13" href="#pb13">13</a>]</span>niet in de blauwe kijkers van zijn zuster. Griete bemerkte haar voordeel. -</p> -<p>„Begrijp eens,” ging zij voort, „hoe jammer zou ’t zijn, zoo’n schoone gelegenheid -te verzuimen. ’t Zou me zoo spijten, als je de schaatsen niet kocht. Niet voor mij; -ik wil ze niet eens hebben. Maar voor jou; dan kun je er nu op rijden, en als ik grooter -ben, dan zijn ze voor mij.” -</p> -<p>Hans klemde het geld krampachtig in zijn hand. Nooit in zijn leven had hij zoo vurig -naar een paar schaatsen verlangd; want ook hij had van den wedstrijd gehoord en zoo -gaarne een kans mede gewaagd. En dat wist hij, als hij maar een paar goede schaatsen -had, dan zou hij een menigte van jongens, die op de vaart reden, de loef afsteken. -En dan Griete’s aanbod! Maar als zij, dat vlugge ding, zich eens een week op een paar -goede schaatsen oefende, dan zou zij Truida Korbes en zelfs Kato Lammers gemakkelijk -voorbijhalen. Zoodra die laatste gedachte bij hem opkwam, stond zijn besluit vast. -Als Griete het jacketje niet wilde hebben, zou hij haar een paar schaatsen geven. -</p> -<p>„Neen, Griete,” antwoordde hij eindelijk. „Ik kan wel wachten. Ik zal geld opsparen, -en dan zal ’t zoo lang niet duren, of ik kan er ook een paar koopen. Deze zullen voor -jou zijn.” -</p> -<p>Griete’s oogen schitterden bij dit aanbod; maar toch zeide zij, misschien wel wat -minder krachtig: -</p> -<p>„De jonge juffrouw heeft het geld aan jou gegeven, Hans. ’t Zou mij leelijk staan, -als ik ze nam.” -</p> -<p>Hans schudde vastberaden het hoofd, en zij gingen naar de hut hunner moeder: want -bij de gedachte aan betere schaatsen, hadden zij de hunne afgebonden. -</p> -<p>„Weet je wat, Hans,” zeide Griete onderweg. „Ik weet goeden raad. Als je eens een -paar schaatsen kocht, die te klein voor jou en te groot voor mij waren, dan konden -we ze om beurten gebruiken.” -</p> -<p>Het voorstel scheen Hans zoo aanlokkelijk toe. ’t Was een heele verzoeking; maar hij -wierp die van zich. -</p> -<p>„Dwaasheid, Griete!” riep hij uit. „Op een paar, die je te groot zijn, kun je niet -voortkomen. Weet je nog wel, hoe je net als een blind kuiken <span class="corr" id="xd29e461" title="Bron: voortstrompeldet">voortstrompelde</span>, toen deze schaatsen je te groot waren. Eerst toen ik ze aan beide einden wat <span class="pagenum">[<a id="pb14" href="#pb14">14</a>]</span>korter <span class="corr" id="xd29e466" title="Bron: heb">had</span> gemaakt, kon je er op rijden. Neen, je moet er een paar hebben, die je net van pas -zijn, dan kan je je elk vrij oogenblik oefenen, tot de dertigste komt, en dan zal -mijn kleine Griete de zilveren schaatsen winnen.” -</p> -<p>Griete kon zich niet bedwingen om te glimlachen bij het denkbeeld, dat Hans<span class="corr" id="xd29e471" title="Niet in bron"> haar</span> voor oogen stelde. -</p> -<p>„Hans! Griete!” riep moeder Brinker. -</p> -<p>„Wij komen, moeder!” antwoordde Hans. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Den volgenden dag was er geen trotscher en gelukkiger knaap in geheel Broek dan Hans -Brinker, als hij naar zijn zuster keek, zoo flink als ze daar reed te midden van de -schaatsenrijders, die de vaart op en neder zwierden. De goedhartige Hilda had haar -een warm jacketje gegeven en moeder Brinker had de uitgebarsten schoenen weder in -hun fatsoen gebracht. -</p> -<p>Terwijl het kleine ding over het ijs snelde, was ’t haar, of die blinkende schaatsen -onder haar voeten haar eensklaps in het land der feeën verplaatst hadden, en in haar -dankbaar hartje weerklonk het: „Hans, lieve goede Hans!” -</p> -<p>„Wel, sakkerloot!” zei Peter van den Helm tegen Karel Schimmel. „Kijk dat kleine ding -eens met haar roode jacketje en haar gelapten rok. Zij rijdt drommels goed! En wat -heeft zij een paar oogen in haar hoofd! ’t Zou wel aardig zijn, als zij Kato Lammers -eens de loef afstak bij den wedstrijd.” -</p> -<p>„Praat niet zoo luid, Piet,” zeide Karel. „Dat kleine meisje met haar gelapten rok -is de verklaarde gunsteling van Hilda de Bruyn. Die schaatsen heeft zij haar gegeven.” -</p> -<p>„Ei, ei!” riep Peter van den Helm uit: want hij hield veel van Hilda. „Dan heeft zij -weer een goed werk verricht.” -</p> -<p>En hij reed naar Hilda. Wat echter wonderlijk was: nadat hij eenigen tijd met haar -gereden had, stond het bij hem vast, dat zijn zusje ook zoo’n ketting moest hebben -als Hilda. -</p> -<p>En drie dagen later was Hans Brinker op het pad, om, nadat hij drie eindjes kaars -verbrand en zich tot slot van rekening in den duim gesneden had, ook een paar schaatsen -in Amsterdam te koopen. -<span class="pagenum">[<a id="pb15" href="#pb15">15</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch3" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd29e160">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">DERDE HOOFDSTUK.</h2> -<h2 class="main">Hoe een paar schaatsen en een dokter in één hoofdstuk kunnen vereenigd worden.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">„Kom, Hans! Maak je nu klaar en ga naar Amsterdam, om een paar schaatsen te koopen,” -zei vrouw Brinker, toen men den dag vóór Kerstmis het sober middagmaal genuttigd had. -</p> -<p>„Neen, moeder,” gaf hij ten antwoord. „Gij hebt nog zooveel noodig. Waarom zou ik -nieuwe schaatsen koopen?” -</p> -<p>„Welk een dwaasheid, kind! Je hebt het geld gekregen, om er schaatsen voor te koopen. -Al heb je het nu eerlijk verdiend, dan blijft het toch hetzelfde. Ga nu, dan ben je -nog vóór den donker terug.” -</p> -<p>„Ja, en dan kunnen wij van avond nog op de vaart rijden, als moeder het ten minste -wil hebben,” voegde Griete er bij. -</p> -<p>„Maar moeder, gij hebt nog wol noodig, en meel, en .…” -</p> -<p>„Kom, kom! Voor dat geld kan je niet alles koopen,” hernam vrouw Brinker. „Ach! als -ons gestolen geld maar terug was!” zuchtte zij. „Dan konden wij alles koopen en waren -op eens uit allen nood.” -</p> -<p>„Gestolen geld?” zeide Hans op vragenden toon. „Meent u dat geld, waarvoor u jaren -geleden de geheele hut hebt doorzocht!” -</p> -<p>„Juist, Hans. Maar dat zal wel nooit terechtkomen.” -</p> -<p>„Misschien, als vader ’t maar zeggen kon,” hernam Hans. -</p> -<p>„Ja, als die spreken kon,” zuchtte de arme vrouw. „Ik ben altijd bang, dat hij voor -dat geld het mooie gouden horloge heeft gekocht, dat wij sedert dien dag bewaren.” -</p> -<p>„Maar dat horloge was nog geen tiende part van de som waard, moeder!” -</p> -<p>„Dat is waar. Daarenboven was je vader veel te zuinig en te verstandig om zoo iets -te doen.” -</p> -<p>„Waar dat horloge toch vandaan is gekomen?” zeide Hans halfluid. -</p> -<p>„Dat zullen wij wel nimmer te weten komen, Hans! Ik heb het je vader reeds zoo menigmaal -laten zien, maar hij kan het niet onderscheiden van een aardappel. Toen hij dien vreeselijken -avond thuis kwam om te eten, kort vóór hij werd opgeroepen om aan den dijk te werken, -heeft hij het mij gegeven, <span class="pagenum">[<a id="pb16" href="#pb16">16</a>]</span>en bevolen er goed zorg voor te dragen, totdat hij het terug zou eischen. Juist toen -hij er nog meer van wilde zeggen, kwam Jan Belderbos hem roepen om terstond te komen, -want dat de dijk gevaar liep. Je vader stond dadelijk op en snelde naar de plaats -des gevaars. ’t Was voor ’t laatst, dat ik hem bij zijn verstand zag. Midden in den -nacht werd hij thuisgebracht, bijna dood: want hij was op zijn achterhoofd neergekomen. -Hij ontwaakte wel uit den bewusteloozen toestand, waarin hij nederlag, maar tot eigenlijk -bewustzijn—nooit. Wij zullen wel nimmer van hem hooren, wat er van dat horloge is -en waar het gespaarde geld is gebleven.” -</p> -<p>Wat vrouw Brinker vertelde, was voor Hans niet nieuw meer. Hoe dikwerf toch had hij -zijn moeder, als de nood wat hoog steeg, het horloge van de plaats zien nemen, waar -het verborgen lag, terwijl zij er reeds naar overhelde, om het te gelde te maken; -maar ook telken male had hij haar de verzoeking zien overwinnen. „Neen Hans,” had -zij dan gezegd. „Liever willen wij van honger sterven, dan ontrouw worden aan de belofte, -die wij vader gedaan hebben.” -</p> -<p>Dat alles kwam hem nu voor den geest; en daarom zeide hij, ofschoon hij een diepen -zucht loosde: -</p> -<p>„Ja moeder, u hebt er goed aan gedaan, dat u het niet verkocht hebt—menigeen, die -in uw geval was, zou er klein geld van gemaakt hebben.” -</p> -<p>„Die dat had gedaan, zou weinig gevoel van eer hebben gehad, Hans! Ik ten minste heb -’t nooit van mij kunnen verkrijgen. Daarenboven—wat zou men van ons gedacht hebben, -als men zoo iets in onze handen had gezien. Al hadden wij alles verteld, men zou zeker -gezegd hebben, dat uw vader .…” -</p> -<p>Hans kreeg een kleur als bloed en balde zijn vuisten. -</p> -<p>„Dat hadden ze eens moeten wagen. Ik geloof, dat ik .…” -</p> -<p>Vrouw Brinker moest onder haar tranen glimlachen. -</p> -<p>„Je bent een brave jongen, Hans,” zeide zij, terwijl zij hem op het hoofd klopte. -„Neen, wij zullen het horloge nimmer verkoopen. Vader mocht op zijn doodbed eens weer -tot bezinning komen, en als hij er dan naar vroeg .…” -</p> -<p>„Tot bezinning komen, moeder, en ons herkennen?” vroeg Hans. -</p> -<p>„Dat is wel meer gebeurd, mijn jongen.” -</p> -<p>Hans had met al dat spreken bijna vergeten, dat hij naar <span class="pagenum">[<a id="pb17" href="#pb17">17</a>]</span>Amsterdam zou gaan. ’t Was zelden gebeurd, dat moeder zoo vertrouwelijk met hem sprak. -’t Was hem, alsof hij niet alleen haar eenige zoon, maar haar vriend, haar raadgever -was. -</p> -<p>„Ja, moeder, wij moeten het horloge nimmer verkoopen,” zeide hij nogmaals. „Om den -wil van vader zullen wij het altijd bewaren. Het geld kan nog wel eens terechtkomen, -als wij dat het minst verwachten.” -</p> -<p>„Nooit!” riep vrouw Brinker uit, terwijl zij de kous afkampte, die zij in dien tusschentijd -had afgebreid. „Er is geen kans, dat dit geld ooit zal terechtkomen. Duizend gulden! -En die alle weg in één enkelen dag! Duizend gulden! O, waar zijn ze gebleven! Als -ze gestolen zijn, kan de dief geen gerust uur meer gehad hebben—dan heeft hij niet -in vrede kunnen sterven met die schuld op zijn ziel.” -</p> -<p>„Hij kan nog wel niet dood zijn, moeder,” zeide Hans vertroostend. „Misschien hooren -wij nog wel te eeniger tijd iets van hem.” -</p> -<p>„Ach kind,” antwoordde vrouw Brinker op treurigen toon. „Als ik alles goed overweeg, -dan vraag ik mij zelf wel eens af, of het een dief is geweest. Wie toch zou het ooit -in de gedachten gekomen zijn, om hier te stelen? ’t Zag er hier altijd wel zindelijk -en netjes uit, maar niet om de begeerlijkheid van een dief op te wekken. Vader en -ik waren zuinig en dachten: alle kleine beetjes helpen. Als vader wat extra’s verdiende, -kwam er wat meer bij en, daar hij goed geld won, werd er wekelijks ten minste een -gulden bijgevoegd. Alleen toen jij de koorts had en toen Griete kwam, kon er niets -overgelegd worden. Eindelijk werd de buidel zóó groot, dat ik weer een oude kous stopte, -die reeds binnen een paar maanden vol zat tot aan de hiel. ’t Was niet alleen zilver, -mijn jongen, er was goud ook bij. Want vader had toen goede dagen, dat verzeker ik -je. Ja, Griete, je mag wel groote oogen opzetten. En als ik toen mijn oude kleeren -droeg en vader wilde, dat ik eens een nieuw stuk zou koopen, dan antwoordde ik hem -lachend: „’t Is immers niet uit armoede, dat ik er zoo sjofel uitzie,”—en intusschen -werd de nieuwe kous al voller en voller, en mijn hoogste wensch was, dat je beiden -braaf en knap mocht worden en vader eens op zijn ouden dag van den arbeid mocht uitrusten. -En dan konden wij zoo aangenaam praten over den nieuwen <span class="pagenum">[<a id="pb18" href="#pb18">18</a>]</span>stal, dien vader zou timmeren voor de koe, welke wij zouden koopen, en dan een nieuwen -schoorsteen. Maar vader had veel schooner plannen dan ik. Een ferm schip met een fiksch -zeil, dat veel wind vat, en dan .… terwijl ik den boel afwiesch, begonnen wij te zingen. -En alle weken nam vader de kousen van de beddeplank en dan werd het geld nageteld -en dan lachte hij en kuste mij, terwijl wij de kousen weer toebonden .… Maar Hans, -je zit me daar aan te gapen en vergeet, dat je naar Amsterdam moet. De dag verloopt. -’t Is hoog tijd, dat je op weg gaat.” -</p> -<p>Hans stond op, keek zijn moeder ernstig aan en zeide: -</p> -<p>„Maar moeder, hebt gij ’t vader wel eens goed gevraagd?” -</p> -<p>„Ach kind, zoo menigmaal! Maar dan begint hij zóó akelig te lachen en kijkt mij zóó -verwezen aan, dat ik niets meer durf vragen. Toen jij en Griete verleden winter de -koorts hadt en al ons brood bijna op was en ik niets kon verdienen, toen heb ik ’t -nog eens op allerlei manieren geprobeerd. Maar dan kon hij zoo akelig aan mijn mouw -trekken en zulke onverstaanbare brabbeltaal te voorschijn brengen, dat het bloed in -mijn aderen stolde. Eindelijk, toen Griete daar doodsbleek nederlag en jij <span class="corr" id="xd29e537" title="Bron: ijldet">ijlde</span> in de hitte der koorts, heb ik hem toegeschreeuwd: Rolf, waar is ons geld? Weet je -niets van ons geld, Rolf? Dat geld in de kousen? Maar ik had evengoed tegen een stuk -steen kunnen schreeuwen—de arme man verstond mij niet.” -</p> -<p>Hans zag, dat zijn moeder vreeselijk ontroerd was; daarom zeide hij: -</p> -<p>„Kom, moeder! laat ons trachten het geld te vergeten. Ik ben groot en sterk—Griete -is ook heel vlug en gewillig. Hoor eens, wij zien u liever gelukkig en vroolijk, dan -dat wij al het zilver der wereld hadden, niet waar, Griete?” -</p> -<p>„Dat weet moeder wel,” zeide Griete snikkend. -</p> -<p>„Maar ’t wordt nu tijd, dat je naar Amsterdam gaat, anders kom je waarlijk niet vóór -den donker thuis. Hier, neem die twee paar kousen mee voor den manufacturier in de -Warmoesstraat, dan breng je nog geld terug ook.” -</p> -<p>Hans talmde nog een oogenblik. -</p> -<p>„Wat sta je daar nog te talmen, jongen?” ging vrouw Brinker voort. -</p> -<p>„Hoor eens, moeder,” zeide hij verlegen. „Waarom zal ik mijn geld aan schaatsen uitgeven, -terwijl … terwijl …” en hij <span class="pagenum">[<a id="pb19" href="#pb19">19</a>]</span>keek met een schuwen blik naar een vreemde gedaante, die bij de vuurplaat nederzat, -„terwijl dat geld een dokter uit Amsterdam zou kunnen hier brengen, om vader eens -te bezoeken—misschien dat die er wat aan doen kon.” -</p> -<p>„Voor geen tweemaal zooveel geld als je daar hebt, zou een dokter uit Amsterdam hier -komen; en dat zou toch niet helpen. Ach! ik heb er al zoo menigen gulden aan gespendeerd, -maar uw arme vader wilde niet wakker worden. Het is Gods wil. Ga dus maar naar Amsterdam, -om een paar schaatsen te koopen, hoor!” -</p> -<p>Met een bezwaard hart reed Hans van huis; maar de frissche lucht, de beweging en vooral -het vooruitzicht van een paar nieuwe schaatsen deden het jonge hart weldra alle zorg -vergeten, en ’t duurde dan ook niet lang, nadat hij ’t Schouw voorbij was, of hij -dacht bijna niet meer aan vader, horloge, geld, aan alles, hij dacht alleen om de -schoone schaatsen, welke hij reeds aan zijn voeten voelde. -</p> -<p>Fluitend reed hij voort langs het Noordhollandsche kanaal, tot aan Buiksloot, waar -hij zijn schaatsen moest afbinden, omdat ze te vochtig waren geworden. Hij trad dus -den weg op en ging voorbij de herberg van Fuik, toen hij den kastelein tegen den knecht -hoorde zeggen: -</p> -<p>„’t Rijtuig van dokter Broekman voor!” -</p> -<p>„Dokter Broekman!” zeide Hans bij zich zelf. „Dat is de knapste dokter uit geheel -Holland. Is dat niet een beschikking van God, dat je dien hier moet aantreffen? Nu -koop je geen schaatsen, Hans, maar besteed je geld om je vader te helpen.” -</p> -<p>„Is dat het rijtuig van dokter Broekman van Amsterdam?” vroeg hij aan den knecht, -die juist uit den stal terugkwam. -</p> -<p>„Voor wien anders?” vroeg de man. „Als er ijs is, komt hij altijd met zijn eigen rijtuig -het IJ over en rijden wij hem verder Noord-Holland in.” -</p> -<p>„Ik dank je,” zeide de knaap en terstond begaf hij zich naar de herberg. -</p> -<p>„Mag ik dokter Broekman wel eens spreken?” vroeg hij aan den kastelein. -</p> -<p>„Die zal voor jou wel niet te spreken zijn, mannetje,” antwoordde deze. „Diens tijd -is veel te kostbaar.” -</p> -<p>„Maar ik zal hem niet lang ophouden, mijnheer!” -<span class="pagenum">[<a id="pb20" href="#pb20">20</a>]</span></p> -<p>„Wat is daar, Fuik?” vroeg een heer met een tamelijk onvriendelijk uitzicht, die aan -een tafeltje zat met een glas madera voor zich. -</p> -<p>„Die knaap wenscht u te spreken, dokter,” antwoordde de kastelein. „Maar ik heb hem -gezegd, dat u wel wat anders te doen hebt, dan zulk klein bedelvolk te spreken.” -</p> -<p></p> -<div class="figure floatLeft p020width"><img src="images/p020.png" alt="" width="518" height="592"></div><p> -</p> -<p>„Ik kom niet bedelen,” zeide Hans trotsch. „Dat is een leugen.” -</p> -<p>„Laat den knaap hier komen, Fuik,” zeide de dokter, die, hoe bar hij er ook uitzag, -toch in ’t geheel geen kwaad hart bezat. -</p> -<p>Hans ging naar den dokter toe; maar toen hij dat strenge en onvriendelijke gelaat -zag, werd hij wel wat verlegen. -</p> -<p>„Wat wou je, mannetje?” vroeg de dokter op een allesbehalve innemenden toon. -</p> -<p>„Mijnheer,” begon Hans met een weifelende stem, die echter onder het spreken hoe langer -hoe vaster werd. „UE. is de beroemde dokter Broekman. Ik heb u een groote gunst te -vragen.” -</p> -<p>„Hoor eens, knaap,” antwoordde de dokter. „Maak het wat kort: want mijn paarden kunnen -niet lang in de kou staan. Zeg dus zonder omwegen: wat wil je?” -</p> -<p>„Mijnheer, ik kwam u om hulp vragen voor mijn vader. De man leeft, maar hij zit als -een doode. Hij kan niet denken. Al wat hij zegt zijn onsamenhangende woorden. Maar -hij is niet ziek; jaren geleden is hij bij een watervloed van den dijk gevallen.” -<span class="pagenum">[<a id="pb21" href="#pb21">21</a>]</span></p> -<p>De dokter luisterde nu met meer aandacht dan in het begin. -</p> -<p>„Vertel er mij wat meer van,” zeide hij, alsof zijn paarden nu de koude niet meer -voelden. -</p> -<p>Hans vertelde hem de geheele historie, zonder echter van geld of horloge te spreken, -terwijl hem de tranen in de oogen stonden, en eindigde met vollen ernst: -</p> -<p>„En nu, mijnheer de dokter! Ik was op reis naar Amsterdam, om een paar nieuwe schaatsen -te koopen, waarmede ik aan den wedstrijd zou kunnen deelnemen, die den 30sten door -mevrouw De Bruyn, de vrouw van den burgemeester van Broek, zal worden gegeven. Maar -dat geld kan ik veel nuttiger gebruiken, als ik er vader mede kan helpen. Hier is -’t, mijnheer,” en hij telde het geld op de tafel uit. „Ik weet wel, dat het voor u -veel te weinig is; maar ik zal meer trachten te verdienen. Nacht en dag zal ik werken, -als u maar mee wilt komen om vader te bezoeken. Want u zult hem zeker genezen.” -</p> -<p>De oude dokter wist niet wat hem scheelde, want hij werd zoo raar in zijn oogen: ’t -was net alsof er tranen in stonden. Hij was toch anders zoo gevoelig niet. Hij veegde -ze met zijn vingers weg, klopte Hans goedhartig op den schouder en zeide: -</p> -<p>„Strijk je geld maar weer op, knaap! Ik heb ’t niet noodig<span class="corr" id="xd29e587" title="Bron: ,">.</span> Maar je vader zal ik komen zien. Evenwel, je moet je niet te zeer vleien—’t is een -hopeloos geval. Tien jaren geleden, zei je, niet waar?” -</p> -<p>„Ja, mijnheer, tien jaren,” zeide Hans, die den dokter wel om den hals had willen -vallen. -</p> -<p>„’t Is bedenkelijk. Maar kortom, ik kom bij hem. Doch nu niet. Ik moet vandaag naar -Leiden, waar ik eenige dagen blijf. Na dien tijd kom ik stellig. Waar woon je?” -</p> -<p>„Ongeveer een kwartier van Broek, aan de vaart, in een armoedig hutje. Als u maar -vraagt naar de hut van Rolf Brinker, kan het kleinste kind u terechtwijzen.” -</p> -<p>De dokter schreef het in zijn zakboekje. -</p> -<p>„En weet je wat je doet?” zei de dokter. „Nu rij je terstond naar Amsterdam om een -paar nieuwe schaatsen te koopen in plaats van die vodden, die je daar in de hand hebt -en die veel op een paar roeispanen gelijken. En dan zorg je maar, <span class="pagenum">[<a id="pb22" href="#pb22">22</a>]</span>dat je ferm kunt rijden en me den prijs laten zien, als ik te Broek kom.” -</p> -<p>Hans vertrok vroolijk en boog zich heel diep, toen de dokter hem een oogenblik later -voorbijreed en hem vriendelijk groette, terwijl hij mompelde: „Wat gelijkt die knaap -op mijn armen Frits, toen die zoo oud was. Net zijn oogen! Maar voor den drommel! -zal ik dien onverlaat dan nooit vergeten!” -</p> -<p>En het oog van den dokter, dat straks zoo vriendelijk gestaan had, stond nu weder -strenger. Hans echter kuierde onbezorgd den dijk langs en het IJ over: want hij had -zijn houten schaatsen even buiten Buiksloot in den Ham gesmeten. Hoe snel hij op zijn -nieuwe schaatsen terugreed en welke blijde gezichten de tijding van hetgeen dokter -Broekman hem gezegd had, thuis veroorzaakte, behoef ik u wel niet te zeggen. -</p> -<p>In de hut van Rolf Brinker was ’t een heerlijke Kerstavond. -</p> -</div> -</div> -<div id="ch4" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd29e168">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">VIERDE HOOFDSTUK.</h2> -<h2 class="main">Hoe echt Hollandsche jongens zich goed houden onder tegenspoed.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Den eersten Kerstdag was ’t schoon vriezend weer en ’s avonds scheen de maan zóó helder -op de trekvaart, die langs Broek loopt, dat men een stuivertje op den grond had kunnen -zien liggen. Moeder <span class="corr" id="xd29e607" title="Bron: Brink">Brinker</span> was dien dag heel gelukkig geweest en had zich in haar beste gewaad getooid: haar -bruidspakje, dat zij vroeger altijd bij feestelijke aangelegenheden droeg, doch dat -sedert het ongeluk van haar man ongebruikt in de kast had gelegen. Hoezeer zij weinig -van het bezoek van dokter Broekman verwachtte, maakte haar toch het denkbeeld, dat -de beroemde en kundige man haar Rolf bezoeken zou, reeds gelukkig, omdat zij zich -niet kon weerhouden, eenige hoop te voeden, al was die ook nog zoo gering; zoo houdt -zich de ongelukkige, die op ’t punt is van te verdrinken, nog aan een stroohalm vast. -Daarom ook had <span class="pagenum">[<a id="pb23" href="#pb23">23</a>]</span>zij haar kinderen verlof gegeven, nog een uurtje in den maneschijn op de vaart te -gaan rijden, eer zij naar bed gingen. -</p> -<p>Hans was recht in zijn schik met zijn nieuwe schaatsen en in zijn ijver, om Griete -te laten zien hoe goed hij er op voort kon, maakte hij toeren op het ijs, die het -kleine meisje in de handen deed klappen van bewondering. Zij waren echter niet alleen -op de baan. -</p> -<p>De twee Van den Helms en Karel Schimmel waren er onder anderen ook en reden om ’t -hardst. Van vier wedrennen had Peter er drie gewonnen. Dat had Karel, die toch al -niet heel aangenaam van humeur was, geheel en al in een kwade luim gebracht. Hij had -die luim bot gevierd, door Frans van Bree te plagen; maar toen hij daar niet veel -eer bij inlegde, daar de kleine Frans zich weinig aan zijn plagerijen stoorde, kwam -er een nieuwe gedachte bij hem op. -</p> -<p>„Hoort eens, jongens,” riep hij uit. „Wij moeten er voor zorgen, dat die voddenrapers -uit de hut niet met den wedstrijd meedoen. ’t Is of Hilda mal is, dat zij daaraan -denkt. Kato Lammers en Truida Korbes zijn woedend alleen bij het denkbeeld, om met -zulk een meid te rijden; en wat mij aangaat, ik kan ’t haar niet kwalijk nemen. Wat -den jongen aangaat, als wij een vonkje eergevoel in onze borst hebben, zullen wij -terugdeinzen bij het denkbeeld van .…” -</p> -<p>„Voorzeker,” viel Pieter van den Helm hem in de rede, terwijl hij Karels meening verkeerd -begreep, „wie twijfelt daaraan? Geen jongen, die een vonkje eergevoel in zijn borst -heeft, zal weigeren, twee goede schaatsenrijders bij den wedstrijd toe te laten, alleen -omdat zij arm zijn.” -</p> -<p>„Hoor eens, Piet!” riep Karel toornig uit. „Ik bedank je vriendelijk, dat je eens -anders woorden in mijn mond gelieft te leggen. Dat waag je niet weer, hoor!” -</p> -<p>„Ha, ha!” riep de kleine Frans van Bree, die al in zijn handen wreef van de pret om -een gevecht te aanschouwen en verzekerd was, dat, als ’t op ranselen aankwam, Karel -een duchtig pak slaag zou beloopen. -</p> -<p>’t Scheen dat Karel niet veel lust had den strijd met Peter te wagen en daarom keerde -hij zijn toorn op een zwakkeren: op Frans van Bree. -<span class="pagenum">[<a id="pb24" href="#pb24">24</a>]</span></p> -<p>„Zeg eens, waarover heb jij zoo’n plezier, kleine rekel? Je bent niks dan een kleine -aap zonder staart!” -</p> -<p>Een half dozijn der omstanders op schaatsen moest om dien uitval van Karel Schimmel -lachen, en deze, die nu meende, dat hij al zijn tegenstanders ridderlijk had overwonnen, -was weder in een goed humeur gebracht. Hij besloot echter wijselijk, om zijn complot -tegen Hans en Griete uit te stellen, tot Peter er niet bij was. -</p> -<p></p> -<div class="figure p024width"><img src="images/p024.png" alt="" width="575" height="490"></div><p> -</p> -<p>Op dit oogenblik zagen zij hun vriend Jacob Poot komen aanrijden. Daar hij de dikste -knaap uit de buurt was, konden zij hem reeds op eenigen afstand aan zijn gestalte -onderscheiden, al herkende zij zijn trekken nog niet. -</p> -<p>„Ha, daar komt de dikzak!” riep Karel uit, „en hij heeft er een bij hem ook, een kleinen, -slanken knaap, een vreemden.” -</p> -<p>„Dat is Jacobs Engelsche neef,” zeide Frans van Bree, recht in zijn schik, dat hij -iets kon vertellen, wat de anderen niet wisten. „Die heeft zulk een grappigen naam: -Ben Dobbs. Hij is wel eens meer in Holland geweest en zal bij Jacob blijven tot na -den grooten wedstrijd.” -</p> -<p>Op dit oogenblik waren Jacob Poot en diens neef Ben Dobbs bij hen. -<span class="pagenum">[<a id="pb25" href="#pb25">25</a>]</span></p> -<p>„Goeden avond, jongens,” zei de dikke Jacob op vroolijken toon. „Dit is mijn neef, -Ben Dobbs. Hij is een John Bull<a class="noteref" id="xd29e635src" href="#xd29e635">1</a>.” -</p> -<p>Allen drongen zich, volgens jongensgewoonte, om de nieuw komenden heen. Ben, die het -Hollandsch vrij wel verstond, maar in het spreken de Engelsche constructie behield -en er tusschenbeide een vreemd woord tusschen gooide, zeide „dat hij would maken heel -gaarne kennis mit de Holland boys.” -</p> -<p>„Jongens,” vervolgde Jacob, na de eerste begroeting. „Wij, mijn neef en ik, hebben -een aardig plannetje gevormd. We hebben nu vacantie tot na Nieuwjaar, zooals je weet. -Nu heeft Ben nog nooit Den Haag gezien en zou dol graag daar eens wezen. Wat zou je -er van denken, om met ons beiden den tocht mee te maken?” -</p> -<p>„Naar Den Haag! Wat een eind!” zei Karel. -</p> -<p>„Welnu we behoeven ’t niet in één dag te doen. We moeten geld bij elkander leggen -en dan een nacht in Leiden of Haarlem logeeren.” -</p> -<p>„Uitmuntend!” riep Lodewijk van den Helm uit. „Dat zal een pret zijn.” -</p> -<p>„Hoe meer zieltjes hoe meer vreugd,” zeide Jacob. „Dus jongens! Wie van jelui gaat -er mee, natuurlijk als je ouders ’t willen toestaan?” -</p> -<p>„Ik, ik, ik!” riepen allen te gelijk. -</p> -<p>„Ik ook!” riep Frans van Bree. -</p> -<p>„Maar kereltje,” zeide Jacob, terwijl zijn dikke buik van lachen schudde. „Jij mee! -Je hebt je valhoed nog niet eens voorgoed afgezet.” -</p> -<p>„Pas op je woorden, Jacob,” zeide Frans, die geducht op zijn teenen getrapt was. „Voor -jou is ’t gelukkig, dat je ’m kunt aflaten: want je heele lichaam lijkt wel een valhoed.” -</p> -<p>Allen lachten om dit snedige antwoord en boven allen klonk de goedhartige lach van -Jacob uit. -</p> -<p>„Nu moet hij mee!” riep hij. „Iemand, die zoo snedig kan antwoorden, is een prettig -gezelschap.” -</p> -<p>„Hoort eens,” zei Peter van den Helm. „We moeten te Haarlem en te Leiden stilhouden, -om je neef daar het merkwaardigste <span class="pagenum">[<a id="pb26" href="#pb26">26</a>]</span>te laten zien, en wat Den Haag aangaat, daar kunnen wij bij mijn getrouwde zuster -logeeren. Die zal heel blij zijn, als zij ons ziet.” -</p> -<p>„Maar Piet,” zeide Jacob. „Met ons zoo velen!” -</p> -<p>„O, ze is zulk een hartelijke meid en haar man zulk een gulle kerel. Ze hebben een -groot huis. En wat kwaad—kunnen ze ons niet logeeren, dan gaan we in een logement. -Maar ik zal haar vanavond nog schrijven.” -</p> -<p>„Nu, dan is ’t mij goed. Maar wij moeten wat geld bij elkander leggen,” hernam Jacob. -</p> -<p>„Natuurlijk,” antwoordde Peter. „Mij dunkt, vijf gulden ieder.<span class="corr" id="xd29e661" title="Niet in bron">”</span> -</p> -<p>„Dat is goed,” zeiden de anderen. -</p> -<p>„En wie zal de beurs bewaren?” vroeg Peter. -</p> -<p>„Niemand anders dan jij. Jij zult onze kapitein zijn! Niet waar jongens?” zeide Karel -Schimmel, die weer wilde goedmaken wat hij straks bedorven had, omdat hij het uitzicht -had, in Den Haag bij Peter’s zuster te logeeren. -</p> -<p>„Hoezee! voor Peter! Peter zal onze kapitein zijn!” riepen allen. -</p> -<p>„Welnu, ik neem ’t aan, mits mijn volk mij gehoorzaamt. En hoe laat zal morgen de -tocht beginnen?” -</p> -<p>„Om acht uur,” riepen allen. -</p> -<p>„Goed, en de verzamelplaats vóór de hut van Rolf Brinker. Ieder brenge gepast geld -mee en dan—met moed op het ijs.” -</p> -<p>„Nu mama zal maar niet in haar schik zijn, als zij hoort, dat wij zuster Van Gent -gaan opzoeken,” zeide Lodewijk tegen zijn broeder. „Maar we moesten naar huis gaan; -anders bevriest mijn neus nog aan mijn aangezicht.” -</p> -<p>„Koukleum!” riep Karel Schimmel uit. -</p> -<p>„Dat dankje den drommel, als je hier zoo stilstaat,” zeide Lodewijk. „Ik heb het tenminste -koud gekregen.” -</p> -<p>„’t Is dan ook buitengemeen koud,” merkte Jacob Poot op. „En ’t zal nog wel eenigen -tijd aanhouden: want wij hebben wassende maan.” -</p> -<p>„Des te beter voor onze reis,” zeide Frans van Bree. -</p> -<p>„Nu, jongens! Tot morgen om acht uren. Goeden nacht.” -</p> -<p>Met deze woorden stoven zij uit elkander—ieder naar zijn huis met de blijde gedachte -aan de aanstaande pret, die hen nog in den droom bezighield. -</p> -<p>En waar waren Hans en Griete? -<span class="pagenum">[<a id="pb27" href="#pb27">27</a>]</span></p> -<p>Die hadden ongeveer een uur gereden, terwijl zij zich op een afstand van de anderen -hielden en zich met elkanders bijzijn vergenoegden. „O, hoe heerlijk is toch het denkbeeld, -dat wij nu beiden schaatsen hebben!” riep Griete uit.—Daar hoorden zij iets. -</p> -<p>’t Was een gil, een akelige gil. Niemand op de vaart had dien gil opgemerkt; maar -Hans voelde er de beteekenis van. Hij werd zoo bleek als een lijk, deed zoo spoedig -hij kon zijn schaatsen af en snelde naar huis. -</p> -<p>„’t Is vader,” zeide hij tegen Griete. „Hij heeft moeder doen schrikken.” -</p> -<p>En Griete bond ook haar schaatsen los en volgde Hans naar binnen. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>„Allen present?” riep Peter van den Helm, toen men zich den volgenden morgen om acht -uren, geheel uitgerust tot den grooten tocht, dien men wilde ondernemen, op de vaart -verzamelde. „Ik zal de namen oproepen. Ieder antwoorde op zijn beurt en stelle mij -het geld ter hand. Hier zijn vijf gulden voor mij en vijf voor Lodewijk.” -</p> -<p>Dit zeggende, legde hij een muntje van tien gulden op zijn vlakke hand en stak dat -daarop in zijn portemonnaie. -</p> -<p>„Karel Schimmel!” -</p> -<p>„Present!” antwoordde deze, terwijl hij den kapitein twee blanke rijksdaalders ter -hand stelde. -</p> -<p>„Jacob Poot!” -</p> -<p>„Present! Tien gulden voor mij en mijn neef.” -</p> -<p>„Benjamin Dobbs!” -</p> -<p>„Present!” -</p> -<p>„Frits Verdam!” -</p> -<p>„Present!” -</p> -<p>„Gelukkig, dat jij er bent,” hernam Peter. „Jij bent zoo’n halve Engelschman en jij -kunt dus onzen vriend Ben wat voorthelpen.” -</p> -<p>„But ik doe kennen wel een beetje Hollandsch!” riep Benjamin. -</p> -<p>„Ferrie koed,” hernam Peter. „Lodewijk van den Helm” -</p> -<p>„Present!” -</p> -<p>„Jij hebt al betaald.” -</p> -<p>„Frans van Bree!” -<span class="pagenum">[<a id="pb28" href="#pb28">28</a>]</span></p> -<p>Geen antwoord. -</p> -<p>„Dat ’s jammer. De kleine schelm mag zeker niet mee. Zijn moeder is vast bang, dat -hij kou zal vatten. Nu jongens! Allen klaar! Daar slaat de klok van Broek acht! Ferm -er op los, dan zijn we in een half uur te Amsterdam! Eén, twee, drie, vooruit!” -</p> -<p>En voort ging ons zestal, met oogen schitterend van genoegen. -</p> -<p>Binnen het half uur waren zij aan de Nieuwe Stads-Herberg te Amsterdam, waar zij hun -schaatsen afbonden en zoolang ter bewaring gaven aan den kastelein. Ofschoon de meeste -jongens reeds meer van Amsterdam gezien hadden, had men toch besloten, ter wille van -Benjamin de stad eens door te wandelen en het paleis op den Dam en het museum van -schilderijen in het Trippenhuis te bezichtigen. Daar het voor laatstgenoemd gebouw -nog wat te vroeg was, stapte men de Martelaarsgracht op, den Nieuwendijk over en bewonderde -intusschen de mooie winkels, vooral dien van Sinkel, Wille en Bahlman. -</p> -<p>„O, die moest je ’s avonds eens zien bij het electrische licht!” zeide Peter, die -wel eens op dien tijd in Amsterdam was geweest. -</p> -<p>„Dat ik kan gelooven,” zeide Ben. „But bij ons in Londen daar zijn still grooter shops!” -</p> -<p>„Zoo, ben je wel eens in Londen geweest?” vroeg Lodewijk. -</p> -<p>„Certainly. Dat is een groot stad, much grooter dan Amsterdam.” -</p> -<p>„Daar heb je nu ’t paleis,” zeide Jacob Poot tot zijn neef. „Vind je dat geen mooi -gebouw?” -</p> -<p>„Voor een paleis, neen,” antwoordde Ben. „Bij ons in Londen je heb meer schoone paleizen.” -</p> -<p>„Dat wil ik wel gelooven,” antwoordde Jacob. „Dit huis werd gebouwd voor een stadhuis.” -</p> -<p>„Voor een stadhuis? Wat doe je meen?” -</p> -<p>„A townhuis,” verbeterde Peter, die het Engelsch, zooals wij reeds gezien hebben, -zeer slecht uitsprak. „’t Is gebouwd op 13659 palen, die alle in den grond geheid -zijn.” -</p> -<p>„Ik doe ’t niet begrijpen,” antwoordde Ben. -</p> -<p>Frits Verdam vertolkte ’t hem. -</p> -<p>„En als je het paleis zien wilt, dan is daar wel de gelegenheid toe,” voegde hij er -bij. „Ik ken den zoon van den concierge en die heeft mij al zoo lang uitgenoodigd, -om het eens <span class="pagenum">[<a id="pb29" href="#pb29">29</a>]</span>te komen zien. Je moet echter niet denken, dat je er een machtig mooi ameublement -zult vinden. Het stadhuis werd in den tijd van Koning Lodewijk van Holland voor ’t -eerst tot paleis ingericht, en sedert dien tijd geloof ik, dat er niet veel aan veranderd -is, zoodat alles er zeer ouderwetsch uitziet.” -</p> -<p>„En dat voor een koninklijk paleis!” riep Ben uit. -</p> -<p>„Maar de koninklijke familie logeert slechts eenige dagen in het jaar in de hoofdstad,” -hernam Frits. -</p> -<p>„Is dan bij u het hoofdstad geen residence?” vroeg Ben met verbazing. -</p> -<p>„Neen, Ben! En hierop maakt ons land een uitzondering op andere landen. Londen, Parijs, -Brussel, Berlijn, Weenen, Petersburg, Madrid, ja, zelfs Konstantinopel—alle hoofdsteden -in Europa zijn te gelijk hoofd- en residentiesteden: hier alleen geniet de hoofdstad -slechts een vijftigste gedeelte van het jaar de eer, de vorstelijke residentie te -zijn.” -</p> -<p>„O, ja, nu ik herinner, The Hague is het residence.” -</p> -<p>Intusschen was men het gebouw omgegaan en stonden onze vrienden achter het paleis, -vlak tegenover het postkantoor. -</p> -<p>„Our postoffice,” zeide Frits Verdam. -</p> -<p>„Niet zoo groot als dat van Londen,” verzekerde Ben. „Dat moest je eens zien.” -</p> -<p>’t Kostte Frits Verdam niet veel moeite, voor hem en zijn makkers den toegang tot -het paleis te krijgen. Recht veel schik hadden onze knapen in de groote danszaal met -haar mahoniehouten vloer, onder welken een keurige marmeren ligt, waarin kunstig een -aard- en een halve hemelglobe zijn ingelegd. De zaal zelf is 34 ellen lang, 15.6 el -breed en 28 ellen hoog, zonder dat het dak door een enkelen pilaar wordt gesteund. -Aardig lieten zij zich verschalken door de twee fresco’s boven de deuren der voorzaal, -welken men den naam van „grauwtjes” geeft. Jacob Poot wilde maar niet gelooven, dat -zij geschilderd waren, totdat hij er vlak onder stond en zag, dat het geen beeldhouwwerk -was. -</p> -<p>Ook het ruime uitzicht op den toren boeide hen allen zeer, en daar het helder weer -was, konden zij met hun jonge oogen den Dom van Utrecht zien schemeren en .… -</p> -<p>„Bless me!” riep Ben uit, toen eensklaps de klok haar negen slagen begon te brommen. -<span class="pagenum">[<a id="pb30" href="#pb30">30</a>]</span></p> -<p>„Ben je verschrikt?” vroeg Jacob, die nog hijgde van het trappen klimmen. -</p> -<p>„Ik was niet verdacht op het,” hernam Ben. -</p> -<p>„Dat komt, omdat het speelwerk gerepareerd wordt,” zeide Karel Schimmel. „Anders waarschuwt -je dat.” -</p> -<p>Van het paleis wandelden zij de Kalverstraat door tot op de Botermarkt, waar zij het -standbeeld van Rembrandt van Rhijn beschouwden. -</p> -<p>„Dat was een groot schilder,” zeide Peter tegen Ben. „Je zult straks een schilderij -van hem op het Trippenhuis zien, dat de Nachtwacht heet.” -</p> -<p>Door de Halvemaansteeg gingen zij den Kloveniersburgwal over tot aan het Trippenhuis, -waar zij de heerlijke schilderijen bezagen, daar ten toon gesteld. -</p> -<p>„Er zijn hier, behalve dit museum, nog twee schoone verzamelingen van schilderijen,” -zeide Frits Verdam tot Ben, „een museum Van der Hoop en een museum Fodor, beide door -genoemde heeren aan de stad per legaat vermaakt. Dit is echter het voornaamste en -oudste, en, daar wij geen tijd hebben ze alle drie te bezien, zullen we ons met het -bekijken van dit vergenoegen.” -</p> -<p>„Kijk eens hier, Ben,” zeide Peter. „Dit kleine stukje, de Avondschool van Gerard -Dou, is in het jaar 1808 te Rotterdam voor ƒ17.500 verkocht.” -</p> -<p>„Ontzaglijk!” riepen verscheidene jongens te gelijk uit. -</p> -<p>Toen onze knapen genoeg naar hun zin van het museum hadden gezien, begaven zij zich -terug naar de Nieuwe Stads-Herberg, waar zij zich de schaatsen weder onderbonden en -het IJ opreden tot aan halfweg Haarlem, alwaar zij den dijk overklommen om langs de -trekvaart hun weg naar de Spaarnestad te vervolgen. -</p> -<p>Juist toen zij eenige oogenblikken op die vaart waren, kwam de spoortrein van Amsterdam -aanrijden. -</p> -<p>„Wie van ons kan de locomotief bijhouden?” riep Peter. -</p> -<p>Allen beproefden het; doch spoedig zagen zij de vruchteloosheid hunner pogingen in. -Zij reden dus wat meer op hun gemak. -</p> -<p>„Vertel Ben wat van de tulpen, Frits,” zeide Peter. -</p> -<p>„Van de tulips?” vraagde Ben. „O, ja, Haarlem is het groot kweekplaats van tulips. -Men zendt every year duizend to England.” -<span class="pagenum">[<a id="pb31" href="#pb31">31</a>]</span></p> -<p>„Juist,” antwoordde Frits. „En daar is een tijd geweest, ’t was in 1632, dat hier -te lande een dwaze handel in tulpen werd gedreven. Men had menschen, die er zóóveel -goud voor betaalden als zij op de schaal wogen.” -</p> -<p>„De menschen?” vroeg Ben. -</p> -<p>„Wel neen, de tulpen. De eerste kwam hier uit Konstantinopel, omtrent het jaar 1560. -Men vond die zoo mooi, dat de <span class="corr" id="xd29e765" title="Bron: rijke">rijken</span> kooplieden naar Turkije zonden om er meer te halen. Langzamerhand werd de liefhebberij -in tulpen een ware woede. Enkele bollen werden voor drie à vier duizend gulden verkocht; -één bol zelfs, de Semper Augustus, bracht vijf duizend vijfhonderd gulden op.” -</p> -<p>„Nu, dat is geld genoeg,” vond Jacob Poot. „Ik heb mij wel eens laten vertellen, dat -de kerk te Sassenheim van de opbrengst van twee tulpebollen gebouwd is.” -</p> -<p>„Ik herinner,” zeide Ben in zijn gebroken Hollandsch, „dat ik een duizend six honderd -en dertig six een Maniabol is verkocht geweest voor seventy pound, d.i. achthonderd -veertig guldens.” -</p> -<p>„’t Moet een rare tijd zijn geweest,” merkte Lodewijk van den Helm aan. „Iedereen -speculeerde in tulpen: de rijke koopman en de voddenraper, de echtgenoote van den -Burgemeester en haar waschvrouw, de molenaar en de schoorsteenveger. Land, vee, juweelen, -niets was te goed om tulpen voor te koopen. Eindelijk bemoeiden de Staten-Generaal -er zich mede. Nu begonnen de prijzen te dalen. Duizenden werden in weinige dagen doodarm.” -</p> -<p>„Maar, jelui Hollanders doet nog beminnen de tulips very much,” zeide Ben, „zooals -ik heb gehoord.” -</p> -<p>„Zeker. Geen tuin, of wij moeten er tulpen in hebben,” zeide Karel Schimmel. „Maar -heb je de historie wel eens gehoord van dien matroos?” -</p> -<p>„Vertel ons die,” riepen allen. -</p> -<p>„Wel, een matroos, die niet wist van den tulpenhandel, was met zijn schip te Amsterdam -aangekomen en had een boodschap aan een der heeren van de Oostindische Compagnie te -doen. Toen hij daar kwam, was er niemand op het kantoor; maar mijnheer zou dadelijk -bij hem komen, zeide de dienstmaagd. Nu lag daar een tulpebol van groote waarde op -den <span class="pagenum">[<a id="pb32" href="#pb32">32</a>]</span>lessenaar. De matroos, meenende dat het een ui was, nam dien op, rook er aan en zeide: -die is zeker voos. Daarop nam hij zijn mes, sneed den bol door, proefde er van en -spoog hem uit, zeggende: „Gemeene uien!” Denk eens, hoe raar de eigenaar van den bol -opkeek, toen hij dien vernield vond.” -</p> -<p>„Dat ik wil geloof willingly,” zeide Ben. „But onze Mr. Mackay verhaalt still een -ander historie, dat ik wil u mededeelen, als gij kunt mij understand. Een Englisch -botanist kwam in een trekkas van een rich Hollander, waar hij zag een tulp van groot -value. Niet weting zijn prijs, hij nam uit zijn pennemes en snijding het bol in twee, -hij wilde dat examineer. Eensklaps de eigenaar entered en vroeg hem, of hij wist, -wat hij deed? Ik schil een meest buitengewoon ajuin, hij antwoordde. Maar bij hemel, -’t is een admiraal Van der Eyk. Dank je, hernam de botanist, en schreef het naam in -zijn zakboekje; zeg, zijn ze zeer gewoon in jouw country? Maar voor den duivel! riep -uit de Hollander, komt voor schout en schepens en dan zult je zien. Tot zijn verdriet -werd de arme man geplaatst in gevangenis en niet gelaten los, vóór hij had gesteld -borgen, tot schadevergoeding van de vier duizend guldens.” -</p> -<p>Zoo pratende, waren zij in het gezicht van Haarlem gekomen, en de jongens voelden -nog niet, dat zij schaatsen hadden gereden. Van den jongsten, Lodewijk van den Helm, -die eerst veertien jaar oud was, tot den oudsten, die geen ander persoon was dan de -kapitein zelf en naar de zeventien liep, waren ze allen zoo moedig en ferm als jonge -arenden. Alleen de dikke Jacob Poot hijgde wat naar zijn adem en zag met welgevallen -naar den toren van het oude Haarlem, bij het denkbeeld, dat hij nu eens een paar uurtjes -rusten kon. Iedere jongen had, bij het van-huis-gaan, een paar broodjes meegenomen -en die broodjes waren reddeloos achter de kiezen der schaatsenrijders verdwenen. Maar -zulk een inspanning bij zulk koud weder had de jonge magen hongerig gemaakt, en met -een luid hoezee begroetten zij de grijze wallen van Haarlem, waar zij zich aan een -stevig ontbijt te goed hoopten te doen. -</p> -<p>„Sakkerloot! Ik heb een honger als een paard!” riep Frits Verdam uit. -<span class="pagenum">[<a id="pb33" href="#pb33">33</a>]</span></p> -<p>„Ik val haast flauw, zoo jeukt mijn maag,” voegde Jacob Poot er bij. -</p> -<p>„Nu jongens,” zeide de kapitein. „Dan is ’t goed, dat we straks voet aan vasten wal -zetten. Wij rijden nu het Buitenspaarne over, dan het Binnenspaarne langs, daar binden -we onze schaatsen af en willen een frisch ontbijt bestellen, zoo’n Engelschen luncheon, -hé, Ben!” -</p> -<p>En dit zeggende, tastte hij in den zak, om met het geld der Compagnieschap te rammelen, -toen hij eensklaps zoo bleek werd als een doek. Met beide handen klopte hij op zijn -broekzakken, op zijn borst; maar ’t scheen, dat hem die manoeuvre niet baatte. -</p> -<p></p> -<div class="figure p033width"><img src="images/p033.jpg" alt="" width="720" height="469"></div><p> -</p> -<p>„Wat scheelt je, Piet?” vroeg Lodewijk. -</p> -<p>„Hij is ziek,” meende Ben. -</p> -<p>„Neen, hij heeft wat verloren,” verzekerde Lodewijk. -</p> -<p>„Ik ben mijn portemonnaie met al ons geld kwijt!” riep Peter wanhopig uit. -</p> -<p>„Dat komt er van, als één al het geld heeft,” zeide Karel, mooi knorrig. „Voel nog -eens in je anderen zak.” -</p> -<p>Peter voelde en voelde alweer; maar hoe hij zocht of niet zocht, hij kon de verloren -portemonnaie niet vinden. -</p> -<p>„’t Is weg, jongens!” riep hij met bitter verdriet uit. „Had ik het maar alles in -zilvergeld meegenomen, dan zou ik ’t wel gemerkt hebben, toen ik het verloor. Nu kan -je geen ontbijt, geen diner hebben! Wat nu te doen? ’t Best zal wezen, dat ik naar -Amsterdam terugrijd; daar ken ik wel menschen, die mij zooveel kunnen leenen als ik -noodig heb. Maar in dien tijd vallen we allen flauw van den honger.” -</p> -<p>„’t Is wat te zeggen,” riep Karel Schimmel uit. „Hoe kun je ook zoo dom zijn, Piet!” -</p> -<p>„Ja, of je daar nu al over maalt, dat helpt niemendal,” hernam Peter van den Helm. -„Je zult er geen van allen een cent bij te kort komen. Maar ’t malst is, dat je dit -op ’t oogenblik niet helpt. Is er niemand onder jelui, die hier in Haarlem iemand -kent, die ons dertig gulden zou willen leenen?” -</p> -<p>Ieder van de jongens zag vijf verlegen gezichten. -</p> -<p>„Ik ken in Haarlem wel een paar menschen, die rijk zijn,” zeide Karel Schimmel: „maar -vader zou ongenadig boos zijn, als ik een cent van hen durfde leenen.” -<span class="pagenum">[<a id="pb34" href="#pb34">34</a>]</span></p> -<p>„’t Is jammer, dat Frans van Bree niet hier is,” zeide Jacob Poot zuchtend. „Die zou -wel raad weten.” -</p> -<p>„Hij was misschien een beter kapitein geweest dan ik,” zuchtte Peter. „Maar hoe nu?” -</p> -<p>„Als je je gouden horloge eens verkocht, Piet,” zeide Karel Schimmel. „Daar zal je -geld genoeg voor krijgen.” -</p> -<p>„Ik dank je,” antwoordde Peter. „Dat kan ik niet doen. Mijn horloge verkoopen, dat -ik van mijn vader op mijn verjaardag heb gekregen? Dat nooit! Dan verkoop ik liever -mijn jas.” -</p> -<p>„Kom, kom, spreek niet van verkoopen,” zeide Jacob Poot. „We hebben nog wel zooveel -klein geld op zak, om bij een bakker een paar broodjes te koopen; daarmee stillen -we onzen honger, dan rijden we naar Broek terug en stellen den verderen tocht tot -morgen uit.” -</p> -<p>„Jij hebt goed praten,” bromde Karel. „Je zult wel weer tien gulden krijgen, maar -mijn vader is zoo scheutig niet. ’t Zal bij mij wel thuis blijven zijn.” -</p> -<p>„Ik heb je immers al gezegd, dat je er geen cent aan zult te kort komen,” hernam Peter. -„Ik heb thuis nog wel tweemaal dertig gulden in mijn spaarpot.” -</p> -<p>„En dan, na al het pleizier, dat wij ons voorgesteld hebben, met hangende pootjes -terug te komen,” zeide Karel knorrig. „’t Is een mooie pret.” -</p> -<p>„Komt, jongens!” riep Peter, „’t Geval ligt er nu toe en gedane zaken hebben geen -keer. Ik heb een goed plan.” -</p> -<p>„En dat is?” riepen allen te gelijk. -</p> -<p>„Om ons mannelijk te houden en met een vroolijk gezicht huiswaarts te keeren.” -</p> -<p>„Leve de kapitein!” riepen de jongens, behalve Karel, die in zich zelf bromde van: -„stommiteit, belabberd,” enz. -</p> -<p>„Kom dan, met nieuwen moed! Eén, twee, drie, voorwaarts!” -</p> -<p>En, met even vroolijke gezichten als de knapen Haarlem begroet hadden, verlieten zij -de stad van Laurens Koster. -<span class="pagenum">[<a id="pb35" href="#pb35">35</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd29e635" href="#xd29e635src">1</a></span> John Bull, de scheldnaam dien de Amerikanen aan de Engelschen geven—dezen noemen daarentegen -hun overzeesche naburen: Brother Jonathan. <a class="fnarrow" href="#xd29e635src">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch5" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd29e177">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">VIJFDE HOOFDSTUK.</h2> -<h2 class="main">Ongelukken in de hut van Rolf Brinker.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">„Voor den drommel!” riep Karel toornig uit, toen zij een twintig ellen waren voortgereden. -„Daar heb je dien voddenraper ook al met zijn houten schaatsen en zijn gelapte broek. -Die ellendige knaap is overal, ’k wou de drommel hem haalde! Er ontbreekt nu nog maar -aan,” zeide hij tegen Jacob Poot, die bij hem reed, „dat onze kapitein ons laat stilhouden, -om hem de hand te geven.” -</p> -<p>„Dat zou wel kunnen gebeuren, Karel,” riep Peter, die de laatste opmerking gehoord -had. „Maar je behoeft er niet bang voor te zijn, man; want ik zie den armen knaap -nergens.” -</p> -<p>„De blindheid komt het eerst aan de oogen,” merkte Jacob op. „Kijk dan, daar ginds -komt hij aan!” -</p> -<p>„Inderdaad, je hebt gelijk,” hernam Peter. „Hij is ’t. Maar wat scheelt hem. Hij ziet -doodsbleek. Zijn lippen zijn op elkander geklemd.” -</p> -<p>Op ’t oogenblik, dat Hans hem wilde voorbijrijden, want hij had hem niet gezien, riep -Peter: -</p> -<p>„Dag, Hans Brinker! Wou je mij zoo voorbijgaan?” -</p> -<p>„Jongeheer Van den Helm!” riep Hans uit, terwijl een blos van vreugde zijn gelaat -verhelderde. „Hoe gelukkig, dat ik u ontmoet!” -</p> -<p>„Wat een onbeschaamde vlegel!” mompelde Karel tegen Jacob. -</p> -<p>„En ik ben blij, dat ik jou zie, Hans,” antwoordde de kapitein. „Maar wat scheelt -je? Kan ik je van dienst zijn?” -</p> -<p>„Ach, jongeheer! Er is zooveel gebeurd,” zeide Hans. „Maar kunt u mij niet helpen, -ik kan u wel van dienst zijn?” -</p> -<p>„Jij?” riep Peter uit. -</p> -<p>„Ja, jongeheer! Door u dit te geven.” -</p> -<p>Dit zeggende, haalde Hans de verloren portemonnaie uit den zak en reikte ze Peter -over. -</p> -<p>„Hoezee! hoezee!” riepen de jongens, toen zij den verloren <span class="pagenum">[<a id="pb36" href="#pb36">36</a>]</span>schat terugzagen. Maar Peter drukte Hans de hand en zeide met bewogen stem: „Hartelijk -dank, goede Hans Brinker!” -</p> -<p>En dat „goede Hans Brinker” en die handdruk deden den armen knaap goed. -</p> -<p></p> -<div class="figure floatLeft p036width"><img src="images/p036.png" alt="" width="259" height="720"></div><p> -</p> -<p>„Hoe wist je, dat het mijn portemonnaie was?” vroeg Peter verder. -</p> -<p>„Gij hebt mij uit die zelfde portemonnaie het geld betaald voor den withouten ketting, -dien ik voor uw zuster gemaakt had, op voorwaarde, dat ik er schaatsen voor zou koopen. -Ik herkende ze dadelijk.” -</p> -<p>„En waar heb je ze gevonden?” -</p> -<p>„Niet ver van ons huis.” -</p> -<p>„Ja, nu herinner ik ’t mij. Ik heb ze zeker verloren, toen ik mijn zakdoek uit den -zak haalde. Je redt ons uit groote verlegenheid, Hans,” vervolgde hij, terwijl hij -de portemonnaie opendeed. „We zullen het geld deelen.” -</p> -<p>„In ’t geheel niet, jongeheer!<span class="corr" id="xd29e855" title="Bron: ’">”</span> antwoordde Hans, terwijl hij de hand terugtrok. Peter deed de portemonnaie weder -toe, terwijl hij mompelde: -</p> -<p>„Die jongen bevalt mij al is hij nog zoo arm. „Maar,” vervolgde hij, „wat scheelt -je, Hans?” -</p> -<p>„Ach, jongeheer,” antwoordde Hans. „’t Is een treurig geval. Maar ik heb mij hier -reeds te lang opgehouden. Ik ben op weg naar Leiden, om dokter Broekman op te zoeken. -</p> -<p>„Dokter Broekman!” riep Peter verbaasd uit. -</p> -<p>„Ja, jongeheer, en ik heb geen oogenblik te verliezen. Goeden dag!” -<span class="pagenum">[<a id="pb37" href="#pb37">37</a>]</span></p> -<p>„Wacht een oogenblik! Ik ga naar Leiden. Komt, jongens! we zullen naar Haarlem terugkeeren.” -</p> -<p>„Uitmuntend!” riepen de jongens vroolijk uit, en zij keerden zich om en reden weder -naar de Spaarnestad. -</p> -<p>„Welnu,” zeide Peter, terwijl hij naast Hans ging rijden, beiden zóó netjes en zóó -licht, dat men haast niet kon zien, dat zij zich voortbewogen. „Wij zullen van nacht -te Leiden logeeren, en als je slechts een boodschap aan dokter Broekman hebt, kan -<span class="ex">ik</span> die wel voor je doen. En mochten de jongens te moede zijn, om het nog vandaag tot -Leiden te brengen, dan beloof ik je, dat ik hem toch morgenochtend vroeg zal opzoeken.” -</p> -<p>„O, jongeheer! Daar zoudt u mij een grooten dienst mee bewijzen. ’t Is niet om het -eind, maar alleen omdat ik bang ben, moeder zoo lang alleen te laten.” -</p> -<p>„Is zij dan ziek?” -</p> -<p></p> -<div class="figure floatLeft p038width"><img src="images/p038.png" alt="" width="463" height="720"></div><p> -</p> -<p>„Neen, jongeheer! Maar ’t is erger met vader. U zult wel gehoord hebben, hoe vader -sinds jaar en dag niet goed is. Dat is al sedert dien zwaren storm, toen hij van den -dijk is gestort en door een val op zijn achterhoofd zijn verstand is kwijtgeraakt. -Maar zijn lichaam is nog sterk. Nu lag moeder gisteravond voor den haard geknield, -om het vuur wat op te rakelen: want hij ziet het zoo graag ferm branden. Eensklaps -springt vader op haar af, en, eer zij in staat is zich te bewegen, houdt hij haar -met een reusachtige hand vast, terwijl hij niets deed dan lachen en het hoofd schudden. -Wij waren juist aan het schaatsenrijden op de vaart, toen ik moeder hoorde gillen. -Ik liep zoo snel ik kon huiswaarts en zag daar een vreeselijk tooneel. Vader hield -moeder vast en wilde haar niet loslaten. Haar goed rookte al en was op ’t punt in -vlam te raken, en als dat gebeurd ware, was mijn arme moeder verloren. Ik trachtte -het vuur te blusschen, maar hij duwde mij met zijn eene hand terug, terwijl hij moeder -met de andere vasthield. Er was op ’t oogenblik geen water in de hut. Ik was wanhopig, -terwijl vader al dien tijd lachte—o, zulk een ijselijken lach, niet luid, maar akelig. -Ik poogde moeder weg te trekken; maar hij hield haar te sterk vast. Toen nam ik een -stoel op en sloeg er vader mee; maar hij stiet mij van <span class="pagenum">[<a id="pb38" href="#pb38">38</a>]</span>zich af. Wat er verder gebeurd is, kan ik mij niet herinneren. Ik zag moeders rok -in vlam en—later, toen ik uit mijn bezwijming ontwaakte, lag ik in een hoek van het -vertrek, waar vader mij had geworpen; vader zat weer op zijn plaats met een bord met -eten vóór zich en moeder knielde bij mij neder. Griete heeft mij later verteld, hoe -’t gegaan was. Vader had mij met reuzenkracht tegen een kast geworpen en bleef altijd -moeder bij het vuur houden. Nog tien tellens en onze arme moeder ware verloren geweest. -Daar schoot Griete een denkbeeld in. Snel liep zij naar de kast, waarbij ik lag, haalde -er een bord met eten uit en liet het vader zien. Als een klein kind liet hij moeder -los en kroop naar zijn stoel. Gelukkig had moeder zich niet gebrand. Maar vader was -afgemat door de buitengewone inspanning. Den geheelen nacht heeft hij in een brandende -koorts gelegen en heeft moeder voor zijn bed gezeten en hem opgepast. Hij sliep vast -en snurkte akelig, terwijl hij tusschenbeide zijn hand tegen zijn hoofd drukte. Moeder -zegt, dat hij dat vroeger meer deed, alsof hij daar pijn voelde. Ach, jongeheer, ik -had u dat alles liever niet verteld! Toen <span class="pagenum">[<a id="pb39" href="#pb39">39</a>]</span>vader nog bij zijn verstand was, zou hij geen dier kwaad gedaan hebben.…” -</p> -<p>Beiden zwegen eenige oogenblikken stil. -</p> -<p>„’t Is vreeselijk!” riep Peter uit. „En hoe is je vader vandaag?” -</p> -<p>„Doodziek, jongeheer!” -</p> -<p>„Maar waarom ga je naar dokter Broekman, Hans? Daar zijn dokters genoeg in Amsterdam, -die hem misschien even goed konden helpen. Dokter Broekman is een beroemd man, die -slechts bij de rijken praktiseert, en dan gebeurt het nog dikwijls, dat hij geen tijd -heeft om hen te helpen.” -</p> -<p>„Dokter Broekman heeft mij gisteren beloofd, dat hij vader binnen acht dagen zou komen -bezoeken. Maar nu die verandering is gekomen, kan het niet wachten, anders sterft -mijn arme vader. O, jongeheer, vraag hem toch, of hij niet de geheele week wil wegblijven, -want dat vader op sterven ligt! Hij is zoo’n vriendelijk man!” -</p> -<p>„Vriendelijk!” zeide Peter lachend. „Er is geen grooter brompot in het gansche land.” -</p> -<p>„Dat schijnt maar zoo, jongeheer! En dat komt, omdat hij altijd zooveel aan zijn hoofd -heeft. Maar hij heeft een goed hart, dat weet ik. Vertel hem, als ’t u belieft, wat -ik u verteld heb en ik ben er zeker van, dat hij komen zal.” -</p> -<p>„Ik mag ’t hopen, Hans, om jouwentwil. Maar ik zie, dat je haast hebt om naar huis -te keeren. Beloof me, dat je, als je iemand noodig hebt, naar mijn moeder te Broek -zult gaan. Zeg haar, dat ik ’t je heb gezegd. En Hans, neem deze guldens aan, niet -als belooning, maar als een geschenk.” -</p> -<p>Hans schudde vastberaden het hoofd. -</p> -<p>„Neen, jongeheer, dat kan ik niet aannemen,” antwoordde hij. „Als ik werk kon vinden -in Broek of ergens op een molen, zou ik gelukkig zijn. Maar overal, waar ik kom, is -het dezelfde historie: „wacht tot het voorjaar.” -</p> -<p>„’t Is goed dat je er van spreekt,” gaf Peter ten antwoord. „Vader zal je terstond -helpen. Je mooie ketting beviel hem zeer. „Die jongen snijdt machtig mooi in hout,” -zeide hij. Vader wil van den winter onzen nieuwen koepel van snijwerk voorzien; misschien -durft hij ’t jou wel opdragen: <span class="pagenum">[<a id="pb40" href="#pb40">40</a>]</span>er is geld aan te verdienen. De teekeningen liggen bij ons aan huis.” -</p> -<p>„God is goed!” riep Hans opgetogen uit. „O, jongeheer.… dat zou al te veel geluk zijn! -Ik heb nog wel nooit groot werk onder handen gehad—maar ik zou ’t gerust durven wagen, -en ben ik er zeker van, dat het mij gelukken zal.” -</p> -<p>„Nu, ik zal mijn vader zeggen, dat hij ’t jou moet laten doen. Hij zal je zeker gaarne -helpen.” -</p> -<p>Hans keek Peter aan. -</p> -<p>„Ik dank u, jongeheer,” zeide hij. -</p> -<p>„Kom, kapitein,” riep Karel. „Hier zijn we nu midden in Haarlem, en we hebben nog -geen woord uit je mond vernomen. We wachten allen ongeduldig op je bevelen.” -</p> -<p>„Goed, jongens! Dan de schaatsen maar afgebonden!” riep Peter. „Jij zult toch meegaan, -om iets te eten, Hans,” ging hij voort, zich tot den knaap wendende, „daarna zal ik -je niet langer ophouden.” -</p> -<p>Een oogenblik flikkerden de oogen des knapen van genoegen en Peter was verwonderd, -dat hij er niet eer aan had gedacht, dat de arme jongen wel honger moest hebben. Maar -’t was ook slechts een oogenblik, dat Hans er zich in verheugde, het andere hernam -hij op treurigen toon: -</p> -<p>„Ach, jongeheer! hoe gaarne ik uw vriendelijk aanbod zou willen aannemen, ik mag mij -niet langer ophouden. Moeder mocht mij noodig hebben. Vaarwel! God zegene u!” -</p> -<p>Dit zeggende, knikte hij Peter vriendelijk toe en—verdween. -</p> -<p>Wij willen onze vroolijke knapen een oogenblik verlaten en met Hans naar Broek terugkeeren. -Wij moeten daar, vooral ten gevalle onzer lieve lezeressen, eens een kijkje nemen -bij de meisjes, die wij reeds vroeger ontmoet hebben, een kijkje in de jeugdige hartjes, -die zoo warm en zoo snel onder de nauwe keursjes klopten. -</p> -<p><a id="xd29e910"></a>Hilda de Bruyn—haar kent gij reeds, met haar warm, edel hart. Truida Korbes was vrij -wat mooier dan Hilda, veel aanvalliger en zelfs meer gezocht, maar toch niet half -zoo zonnig van binnen. In dat jonge hart hingen wolken van <span class="pagenum">[<a id="pb41" href="#pb41">41</a>]</span>trots, ontevredenheid en wangunst, die dagelijks donkerder warden. ’t Was natuurlijk, -dat die wolken zich nu en dan evenals die aan den hemel ontlastten. Maar wie zag die -tranen? Slechts haar dienstmaagd, haar ouders, haar jongere broeder, die haar zoo -hartelijk liefhadden. Anderen bespeurden weinig van hetgeen er in dat jeugdige hart -omging. In haar oog was het arme boerenkind Griete geen menschelijk wezen, niet evengoed -een schepsel van God als zij—het was een onding, waaronder men niets dan armoede, -lompen en morsigheid verstond. Zoo’n kind als Griete had geen recht om te gevoelen -of te hopen; bovenal moest zij haar meerderen nooit in den weg komen, ten minste niet -op een onaangename manier. Zulk volk mocht voor haar en haar gelijken werken en zwoegen, -maar op een eerbiedigen afstand; zij mochten haar bewonderen, als zij ’t met gepasten -eerbied deden—meer niet. Verheffen zij zich—dan sla ik ze neer; lijden zij, wat gaat -mij dat aan—dat was de leer van Truida Korbes. En toch—hoe mooi zij altijd gekleed -was en hoe lief zij zich voordeed, jongens met een echt Nederlandsch hart, zooals -Frits Verdam en Peter en Lodewijk van den Helm, konden haar niet velen. -</p> -<p>Hoezeer Karel Schimmel ’t meest in karakter met haar overeenkwam, hield die toch veel -meer van de levendige Kato Lammers, wier aard veel had van de rinkelende bellen eener -narreslede. Reeds als kind was Kato een coquette, als schoolmeisje was zij zoo coquet -als ooit. Zij was coquet op haar moeder, op haar kleine broertje, zelfs op haar blonde -krullen, die zij verachtelijk in den hals wierp, als ze haar verveelden. Iedereen -mocht haar graag lijden, niemand hield van haar. Nooit kwam er een ernstig woord over -haar lippen. De arme Kato! Met haar lief gezichtje, haar vroolijk hartje, haar aangename -manieren, kon zij slechts een uur boeien. Wat zou er later van haar worden, als het -werkelijke leven vol ernst kwam en de rinkelende bellen één voor één dof zou maken! -</p> -<p>Karel Schimmel had dus wel gelijk, toen hij gezegd had, dat Kato en Truida woedend -waren, omdat Griete mee zou doen in de harddraverij op schaatsen. Hij had Truida hooren -<span class="pagenum">[<a id="pb42" href="#pb42">42</a>]</span>zeggen, dat het „schandelijk, onteerend, gemeen” was. Kato had haar lieve kopje geschud -en zachtkens nagepraat, dat het „schandelijk, onteerend, gemeen” was, ofschoon met -zulk een lief stemmetje, dat men het nauwelijks met den naam van toorn zou mogen bestempelen. -Dat was voor hem genoeg. Hij bedacht niet, dat, als Hilda en niet Truida haar ’t eerst -over de zaak had gesproken, dat zelfde stemmetje zou gezegd hebben: „zeer goed, opperbest, -allerliefst”. Maar nu oordeelde Kato, dat een boerenkind als Griete in staat was, -de geheele pret te bederven. Daar Truida rijk was en machtig (altijd in den zin van -een schoolmeisje) had zij een menigte volgelingen onder haar schoolkameraden, die -òf te laf òf te zorgeloos waren, om voor zich zelf te denken. -</p> -<p>Arme Griete! Zij en Hans hadden de geheele schaatsenpartij reeds uit hun hoofd gezet. -Zij hadden wel aan wat anders te denken dan aan zilveren schaatsen! Ach! de hut van -Rolf Brinker was tegenwoordig treurig en somber genoeg. De arme krankzinnige lag kermend -op zijn hard bed en zijn vrouw bette zijn brandend voorhoofd en zijn droge lippen -met koud water, weenend en biddend, dat hij niet mocht sterven. Hans was, zooals wij -weten, in wanhoop naar Leiden gereden, om daar dokter Broekman op te zoeken en hem -te smeeken, als ’t kon, terstond bij zijn vader te komen. Griete, door een zonderlingen -angst bevangen, had haar werk zoo goed verricht als zij kon, zij had de steenen vloer -opgedaan, brandstof gehaald om het vuur te onderhouden, en zat nu op een laag stoeltje -naast het bed, terwijl zij haar moeder smeekte, om toch een uur of wat te gaan slapen. -</p> -<p>„Gij zijt zoo vermoeid, moeder,” zeide zij. „Den geheelen nacht hebt gij geen oog -geloken. Ik heb mijn bed voor u opgemaakt. Hier is uw jak. Doe die mooie japon uit, -dan zal ik ze opvouwen en in de kast bergen, vóór gij gaat slapen.” -</p> -<p>Vrouw Brinker schudde treurig het hoofd, zonder heur oogen van haar man af te wenden. -</p> -<p>„Ik kan immers wel op vader passen,” hernam Griete, „en ik zal u dadelijk wakker maken, -als hij zich beweegt. Gij ziet zoo bleek en uw oogen zijn zoo rood. Toe, moeder! doe -’t maar!” -<span class="pagenum">[<a id="pb43" href="#pb43">43</a>]</span></p> -<p>Het kind smeekte tevergeefs. Vrouw Brinker wilde haar post niet verlaten. -</p> -<p>Griete keek haar aan met een onrustig stilzwijgen, terwijl zij dacht, dat het toch -heel slecht van haar was, dat zij meer van haar moeder hield dan van haar vader, voor -wien zij bang was. -</p> -<p></p> -<div class="figure p043width"><img src="images/p043.png" alt="" width="583" height="607"></div><p> -</p> -<p>„En Hans houdt zoo veel van vader,” zuchtte zij. -</p> -<p>„Waarom kan ik ’t niet doen? Toch was ik zoo bedroefd, toen hij verleden week dat -mes beetpakte en zich zoo vreeselijk sneed en zoo bloedde. En ’t gaat mij door de -ziel, nu ik hem zoo hoor steunen. Misschien houd ik toch veel van hem en ben ik niet -zulk een slecht kind als ik dacht. Ja, ik houd van mijn armen vader—bijna zooveel -als Hans; want Hans is sterker en is niet bang voor hem. O, zal dat gesteun dan nooit -ophouden! Arme moeder! Wat is zij geduldig! Nooit mort zij over het geld, dat op zoo’n -zonderlinge manier is weggeraakt. O, kon vader maar eens voor een oogenblik zijn oogen -opslaan en ons aanzien zooals Hans doet, en zeggen, waar de guldens gebleven zijn—dan -kon mij de rest niet schelen—de <span class="pagenum">[<a id="pb44" href="#pb44">44</a>]</span>rest.… ja toch. Ik zou niet graag zien, dat mijn arme vader stierf.” -</p> -<p>Diep in gedachten staarde zij naar de zonderlinge figuren, welke de vlammen aan den -haard vormden, daarop telde zij de gebroken en geplakte ruiten van het bouwvallige -raam, eindelijk bleven haar oogen rusten op een fraai gesneden plank, waarop de quarto-bijbel -met koperen sloten stond, nog een erfstuk van vrouw Brinker’s vader. -</p> -<p>„Wat is die Hans toch knap!” zeide zij. „En zoo sterk! Als hij hier was, kon hij vader -eens omkeeren en dan hield het gesteun op. Ach! Ach! Als vader zoo ziek blijft, zal -ik nooit meer schaatsen rijden. Ik zal mijn schaatsen maar teruggeven aan die mooie -jonge dame. Hans en ik zullen de harddraverij wel niet zien.” -</p> -<p>En Griete’s oogen vulden zich met tranen. -</p> -<p>„Huil maar niet, Griete,” zeide vrouw Brinker. „Je vader is wel eens meer zoo ziek -geweest.” -</p> -<p>Griete barstte in tranen uit. -</p> -<p>„O moeder, dat is het niet alleen! Gij weet nog niet alles—ik ben zeer slecht en goddeloos!” -</p> -<p>„Jij Griete, jij, die zoo geduldig en zoet zijt? Maar huil zoo hard niet, kindlief, -of je zoudt vader wakker maken.” -</p> -<p>Griete verborg haar gelaat in den schoot harer moeder en poogde niet hard te schreien. -</p> -<p>Zij legde haar klein, mager bruin handje in de ruwe hand harer moeder. Kort daarna -keek zij op met een vriendelijken, rustigen blik en zeide met een bevende stem: -</p> -<p>„Vader heeft u willen verbranden—ik heb het gezien en hij lachte er om.” -</p> -<p>„Zwijg, kind!” -</p> -<p>Vrouw Brinker zeide die woorden op zulk een snellen en scherpen toon, dat Rolf Brinker, -levenloos als hij was voor al wat om hem voorviel, zich zacht op zijn bed bewoog. -</p> -<p>Griete sprak geen woord meer, maar plukte treurig aan het brandgat in haar moeders -japon. Gelukkig, dat de japon van wollen stof was! -<span class="pagenum">[<a id="pb45" href="#pb45">45</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch6" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd29e185">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">ZESDE HOOFDSTUK.</h2> -<h2 class="main">Wat de jongens zoo al in Haarlem zagen.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Verzadigd en verkwikt kwamen onze knapen uit het koffiehuis, waar zij zich van het -noodige voorzien hadden, juist toen de klok twee uren sloeg. -</p> -<p>„Heb je je slaapmuts niet vergeten, grootvader?” riep Lodewijk van den Helm tot den -kapitein, die in gedachten verzonken was over de treurige historie, welke Hans Brinker -hem had medegedeeld, en daardoor half droomend medeliep. -</p> -<p>„Volstrekt niet, Lodewijk,” antwoordde Peter, en zich tot de anderen richtende, commandeerde -hij: „Vooruit, jongens! Deze straat in!” -</p> -<p>„Zie je dat aardige, roode speldenkussentje daar wel aan die deur hangen?” vroeg Frits -Verdam aan Ben. -</p> -<p>„Ik doe het zien. Maar wat is de meening van het?” vroeg de aangesprokene. -</p> -<p>„Wel, dat zal ik je zeggen. Zoo’n ding noemen ze een klopper, en die beteekent, dat -daar een kind geboren is. Is het kussentje geheel en al effen, zooals dit, dan wil -’t zeggen, dat het een jongetje is. Is er daarentegen een wit papiertje ingeschoven, -dan kan men er op aan, dat er een dochter is geboren.” -</p> -<p>„Very vreemd!” riep Ben uit, terwijl hij naar den klopper bleef kijken, die rijk met -kant omzoomd was. „En doet gij kennen den oorsprong van dat gebruik?” -</p> -<p>„Ieder Haarlemmer,” zeide Frits Verdam, die er bij was gekomen, „zal u kunnen vertellen, -dat dit afstamt van het jaar 1573, toen Haarlem, na een hardnekkige en moedige verdediging -van zeven maanden, zich eindelijk aan den Spanjaard moest overgeven. De Spaansche -bevelhebber, Frederik van Toledo, zou, naar men zegt, aan de bewoners van elk huis, -waar zich een kraamvrouw bevond, veroorloofd hebben om een lint aan hun klopper te -winden, welk huis daardoor van plundering zou verschoond blijven. Dat is echter slechts -een sprookje: ’t is niets anders dan een gewoonte, die, eenigszins gewijzigd, in geheel -Noord-Holland in zwang is.” -<span class="pagenum">[<a id="pb46" href="#pb46">46</a>]</span></p> -<p>„Komt, jongens!” riep nu de kapitein. „Je weet wat de kastelein gezegd heeft: dat -het groote orgel vandaag bespeeld wordt en dat wij daar naar toe moeten. Verkijkt -je tijd dus niet aan wat anders.” -</p> -<p>„Je hebt deugdelijk gelijk,” antwoordde Frits. „’t Is maar jammer, dat we de damiaatjes -ook niet kunnen hooren.” -</p> -<p>„De damiaatjes, wat zijn zij?” vroeg Benjamin. -</p> -<p>„Dat zijn kleine klokjes, die in den toren hangen en elken avond van halftien tot -tien uren geluid worden, ’t Is een akelig gerinkinkel, dat tinge, tinge, tinge. ’t -Heeft mij wat verveeld, toen ik van den zomer hier logeerde. Maar de Haarlemmers zijn -er zeer grootsch op en weten u te vertellen, dat de stad die klokjes present heeft -gekregen van Graaf Willem I, die in 1219 Damiate, aan den Nijl gelegen, op Sultan -Saladijn veroverde, bij welke verovering hun voorvaderen zich zoo dapper moeten hebben -gedragen.” -</p> -<p>„Niet minder dan de Dokkumers,” viel Jacob Poot hem in de rede. „Daarboven heb ik -altijd gehoord, dat de tegenwoordige damiaatjes niet meer die zijn, welke de Haarlemmers -van Graaf Willem hebben gekregen, maar nog overblijfsels van de zilvervloot van Piet -Hein.” -</p> -<p>„Van Piet Hein?” vroeg Ben. -</p> -<p>„Een onzer grootste zeehelden, die in 1628 de Spaansche zilvervloot veroverde en het -volgende jaar in een gevecht tegen de Duinkerkers sneuvelde,” zeide Peter van den -Helm. „En wat die verovering van Damiate aangaat, daar hangen nog kleine scheepjes -tot gedachtenis van dat feit in de kerk, die modellen moeten zijn van de bij deze -verovering gebruikte vaartuigen. Over ’t geheel zijn de Haarlemmers zeer trotsch op -hun stad en weten u verscheidene bijzonderheden te vertellen, van welke er eenige -slechts op overleveringen berusten.” -</p> -<p>„Nu, de Haarlemmers hebben wel recht om trotsch op hun stad te zijn,” meende Lodewijk. -„Voor zulk een kleine plaats is zij waarlijk rijk aan bijzonderheden.” -</p> -<p>„Ha! wiens beeld is dat?” riep Benjamin uit, toen zij op de Groote Markt kwamen. -</p> -<p>„Dat is het standbeeld van den uitvinder der boekdrukkunst, <span class="pagenum">[<a id="pb47" href="#pb47">47</a>]</span>Laurens Janszoon Koster, die in 1423 of 1425 deze nuttige kunst voor ’t eerst uitoefende. -Behalve dit standbeeld heeft men een gedenkteeken voor hem in den Hout opgericht, -dat echter door leelijkheid uitmunt, ofschoon de Haarlemmers het fraai noemen om zijn -eenvoudigheid.” -</p> -<p>„Wij Engelschen willen gaarne toegeven u, dat uw Koster heeft uitgevind drukkunst,” -zeide Benjamin. „Maar de Duitschers doen betwisten die eer aan u.” -</p> -<p>„Zij zeggen, dat Gutenberg de uitvinder was, en hebben hem te Mainz een metalen standbeeld -opgericht,” antwoordde Frits. „De Franschen daarentegen geven die eer aan hun Faust, -dien ze te Straatsburg door een standbeeld vereerd hebben. Doch wij Hollanders houden -er onzen Laurens Janszoon Koster voor, ofschoon ’t wel jammer is, dat het eerste werk, -hetwelk hij gedrukt heeft, „de Spiegel onzer behoudenis”, van geen jaartal voorzien -is. Kijk, daar, waar dat borstbeeld in den gevel staat, zegt men, dat zijn huis is -geweest. Volgens de overlevering was hij koster van deze kerk en een aanzienlijk man.” -</p> -<p>„En wat is dat voor een antiek gebouw?” hernam Ben. -</p> -<p>„Dat is het oude stadhuis van Haarlem, thans tot hoofdwacht gebruikt,” zeide Lodewijk. -„Zie maar, daar staat nog het opschrift in den gevel: -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">„Wanneer de graef hierop het sant, -</p> -<p class="line">Syn princenwoning had geplant, -</p> -<p class="line">Soo was dit loflick out gesticht, -</p> -<p class="line">Tot Haerlems raethuis ingericht.”</p> -</div> -<p class="first">„Het zand is de tegenwoordige Groote Markt, die toen door een smal watertje, de Beek -genaamd, werd doorsneden en op hetwelk menig tornooi is gehouden.” -</p> -<p>„En welk gebouw is dat, met die groote hardsteenen trap?” -</p> -<p>„Dat is het tegenwoordige stadhuis,” antwoordde Frits, „vroeger het paleis der graven, -in de dertiende eeuw door Graaf Willem II gesticht. Er zijn mooie schilderijen in, -van groote meesters en van hooge waarde.” -</p> -<p>Thans traden zij de Groote Kerk in, waar het orgel reeds aan den gang was. -<span class="pagenum">[<a id="pb48" href="#pb48">48</a>]</span></p> -<p>„Dit orgel,” zeide Karel Schimmel, die nu toch ook eens wat vertellen wilde, „heeft -een Europeesche vermaardheid. Het is dertig meters lang en veertien breed. In 1735 -door den Amsterdamschen orgelmaker Christiaan Muller vervaardigd, munt het door zijn -grootte en zijn rijkdom van tonen boven alle andere uit. Het moet 8000 pijpen hebben, -van welke er sommige zóó dik zijn, dat er wel een man kan doorkruipen, andere zoo -dun als het fluitje aan de zilveren bel van een klein kind. Er zijn niet minder dan -zestig registers op.” -</p> -<p>„Vooral de vox humana (een nabootsing van de menschelijke stem) is mooi,” zeide Frits. -„Maar laat ons intusschen de kerk eens rondwandelen. Ik ben hier nogal bekend en zal -dus maar voor cicerone<a class="noteref" id="xd29e999src" href="#xd29e999">1</a> spelen.” -</p> -<p>„Dat is goed,” zeiden Lodewijk en Peter. -</p> -<p>„Als je ’t mij niet kwalijk neemt, ga ik een beetje in die bank rusten,” zeide Jacob -Poot. „We hebben nog een heelen tocht te doen en ik wou me niet graag te veel vermoeien. -Daarenboven, ik heb de St. Bavo<a class="noteref" id="xd29e1005src" href="#xd29e1005">2</a> al meermalen gezien.” -</p> -<p>„Hier heb je nu de scheepjes,” begon Frits, „opgehangen ter herinnering aan de verovering -van Damiate. Ziet gij op die geelkoperen grafplaat wel dat roode spijkertje?” vroeg -hij een oogenblik later. -</p> -<p>„Welnu, wat zou dat?” -</p> -<p>„Dat spijkertje wijzen alle oprechte Haarlemmers aan hun jonge kinderen en vertellen -daarbij, dat onder dit graf een kindje begraven is, hetwelk zijn moeder geslagen heeft, -en dat nu tot straf het vingertje, waarmede het haar heeft aangeraakt, niet is kunnen -verrotten, maar door het koper is heengekomen.—Hier op den muur ziet gij een steen, -aan onzen grootsten dichter, Willem Bilderdijk, gewijd; die twee afmetingen daar zijn -van den grootsten en den kleinsten man, die Haarlem heeft opgeleverd: den grootsten, -langsten, namelijk Cajanus en den kleinsten, Simon Jane Paap, die echter te Zandvoort -geboren was.” -</p> -<p>„Papa heeft mij wel eens verteld, dat hier in vroeger <span class="pagenum">[<a id="pb49" href="#pb49">49</a>]</span>tijd ook een Sparenwouder reus rondgewandeld heeft, die Klaas van Kieten heette en -familiaar zijn pijp aan de stadlantaarns aanstak,” zeide Peter. -</p> -<p>„Ik doe niet recht verstaan dat woord,” zeide Ben. „Wat is dat voor een soort van -reus, een Sparrewou?” -</p> -<p>„Dat wil zeggen een bewoner van het naburige dorp Sparenwoude, hetwelk wij in de verte -aan onze rechterhand zagen liggen, toen wij over de vaart reden.” -</p> -<p>„Die kogel daar in den muur is nog van den tijd van het beleg in 1573,” zeide Frits. -„De Haarlemmers vertellen u, dat de Spanjaards, die hun kanonnen op het huis te Kleef -geplant hadden, aan een boer vroegen, waar de preekstoel was, omdat zij dan zoo den -dominee konden doodschieten. De boer wees opzettelijk een pilaar te ver en daardoor -schoten zij mis. Gij begrijpt echter wel, dat het een sprookje is: het huis te Kleef -is veel te ver, om hier te raken. De kogel is echter wel van den tijd van het beleg, -maar tot gedachtenis hier in den muur gemetseld.” -</p> -<p>Intusschen bespeelde de organist het orgel, terwijl de knapen, evenals het Haarlemsche -publiek, door de voetpaden wandelden en naar de muziek luisterden. -</p> -<p>’t Was een schoon stuk, dat de kunstenaar uitvoerde: een heerlijken zomermorgen moest -het voorstellen, waarbij het orgel zijn liefelijkste tonen deed hooren, afgewisseld -door het gefluit der vogelen en de zuiverste akkoorden, die vriendelijk door de kerkgewelven -rolden en waarbij de wandelaars als onwillekeurig stilstonden, om door het geslijfer -hunner voetstappen zich zelf en anderen niet te hinderen. Maar eensklaps veranderde -dat tooneel. ’t Was of de stormwind door het kerkgebouw begon te loeien, de vogels -zwegen, luider en luider werd de storm, vreeselijk rommelde de donder en daarbij hoorde -men duidelijk het luiden der noodklok. De knapen hielden hun adem in en staarden elkander -verbaasd aan. Want daar klonken op eens de stemmen der vox humana, en ’t was of duizend -angstkreten door de St. Bavo weergalmden.—Maar—daar ruischt een zacht geluid, als -een stem des engels—de storm bedaart—de liefelijke tonen zwellen als op de vleugelen -der zefirs—de vogelen beginnen weder te zingen en alles wordt besloten met <span class="pagenum">[<a id="pb50" href="#pb50">50</a>]</span>een psalm van lof en dank, die de harten tot aanbidden stemt. -</p> -<p>Het orgel zweeg—en nog stonden de knapen daar beweging- en sprakeloos. ’t Was alsof -zij aan den grond genageld waren. Karel Schimmel was de eerste, die het stilzwijgen -afbrak. -</p> -<p>„Hoe lang zul je daar nog staan kijken, kapitein?” vroeg hij, terwijl hij Peter aanstiet, -„’t Wordt hoog tijd, om op te stappen.” -</p> -<p>„Je hebt gelijk,” antwoordde de aangesprokene, terwijl hij op zijn horloge keek. „Laat -ons Jacob dan in het voorbijgaan aanroepen.” -</p> -<p>De dikke Jacob Poot echter was niet meer op de plaats, waar zij hem gelaten hadden. -De bank, waarin hij was gaan zitten, was hem niet gemakkelijk genoeg en hij had een -andere, meer afgezonderde opgezocht, waar zijn kameraads hem vonden, in de armen van -Morpheus gezonken. -</p> -<p></p> -<div class="figure floatLeft p050width"><img src="images/p050.png" alt="" width="413" height="648"></div><p> -</p> -<p>„Slaapkop!” riep Peter, terwijl hij hem wakker schudde. „Hoe kun je bij zulke heerlijke -muziek snurken, Jacob?” -</p> -<p>„Algemeen zelfstandig naamwoord, vrouwelijk enkelvoud eersten naamval,” antwoordde -Jacob, die gedroomd had, dat hij op school bezig was aan het grammaticaal analyseeren. -<span class="pagenum">[<a id="pb51" href="#pb51">51</a>]</span></p> -<p>„Als aangesprokene,” voleindigde Peter, „behalve, dat Jacob een eigen naamwoord en -mannelijk is.” -</p> -<p>Jacob was nu geheel wakker geworden en moest lachen om zijn eigen dwazen praat. -</p> -<p>Benjamin was zóó verrukt over hetgeen hij gehoord had, dat hij niets kon zeggen dan: -„Glorious! Glorious!” -</p> -<p>„Ja, Ben,” hernam Peter, terwijl zij de kerk verlieten, „’t is inderdaad heerlijk. -Je hebt zeker wel eens gehoord van Händel, den grooten componist. Nu, die bezocht -Haarlem eens en wenschte natuurlijk het orgel te bespelen. Hij kreeg daartoe vergunning -en was druk aan den gang, toen de gewone organist, die verre van onbekwaam was in -zijn vak, de kerk binnentrad. Zulke muziek had hij nog in zijn leven niet gehoord. -„Wie is daar op het orgel?” riep hij uit. „Als ’t geen engel of duivel is, dan moet -het Händel zijn.” En toen hij zag, dat het Händel was, stond hij nog meer verwonderd. -</p> -<p>„Hoe heb ik het toch?” vroeg hij, „gij hebt het onmogelijke gedaan. Tien vingers en -twee voeten kunnen de passages niet spelen, welke gij hebt laten hooren.”—„Gij hebt -gelijk,” gaf Händel bedaard ten antwoord, „en daarom ben ik tusschenbeide verplicht -geweest, toetsen met de punt van mijn neus in beweging te brengen.”—„Je kunt begrijpen, -hoe de organist stond te kijken.”<a class="noteref" id="xd29e1042src" href="#xd29e1042">3</a> -</p> -<p>„Dat laat zich hooren,” zeide Frits. „Maar waar zullen wij nu heen?” -</p> -<p>„Hoort eens, jongens!” hernam Peter. „Wij moeten nu even raadsvergadering houden omtrent -onze verdere plannen.” -</p> -<p>„Heel goed,” antwoordde Karel Schimmel. „Wat is hier nog meer te kijken?” -</p> -<p>„O, heel veel,” gaf Frits ten antwoord. „Vooreerst de schilderijen hier op het stadhuis, -ten tweede niet minder dan acht en twintig liefdadige hofjes, waar oude vrouwen het -eind van haar leven rustig doorbrengen en van welke het Teylers- en Staats-zen-hofje de mooiste, en zoo ik meen, de rijkste <span class="pagenum">[<a id="pb52" href="#pb52">52</a>]</span>zijn; ten derde, het physisch museum van Teyler, waar men onder andere zulk een groot -electriseermachine vindt, dat men met één vonk een paling kan doodslaan; ten vierde, -het huis van Jan de Lapper, op het Spaarne bij de melkbrug.” -</p> -<p>„Jan de Lapper? Wie was dat?”—vroeg Ben. -</p> -<p>„Een schoenlapper, die hier in 1652 woonde, en toen het land in nood was, doordien -wij oorlog met uw volk gekregen hadden, ter zee ging varen en zulk een heldenmoed -toonde dat de Staat hem een gouden keten en 500 gulden vereerde. En toen het land -uit den nood was, ging onze Jan weer even bedaard aan ’t schoenflikken als te voren. -Later weer in dienst getreden, stierf hij den heldendood. Een zijner nakomelingen -heeft in het huis, vroeger door den dapperen schoenlapper bewoond, een blauwen steen -met een opschrift doen plaatsen. Ten vijfde kunnen wij naar Kraantje-Lek gaan en den -Blinkert beklimmen, op welken Witte van Haamstede<a class="noteref" id="xd29e1058src" href="#xd29e1058">4</a> eens den Hollandschen liebaard plantte en van welks top wij een heerlijk gezicht -over de blauwe Noordzee hebben. Ten zesde kunnen wij den Hout bezoeken.” -</p> -<p>„Den Hout? Wat is dat?” vroeg Ben. -</p> -<p>„Een fraai bosch, dat met het Haagsche en Alkmaarder waarschijnlijk één geheel heeft -uitgemaakt. Het is in 1822 door den architect Zocher in den bevalligen toestand gebracht, -waarin het nu is. Ten zevende kunnen wij in dien Hout het monument van Koster gaan -kijken, of het fraaie paviljoen, nog door een landgenoot van u, den bankier Hope, -gebouwd, later door Koning Lodewijk voor drie ton gekocht en, na het vertrek der Franschen, -domeingoed geworden. Er bevindt zich thans een heerlijk museum van schilderijen; ten -achtste.…” -</p> -<p>„Houd op!” riep Peter. „Als wij alles zouden willen bezien, dan mochten we nog wel -een dag langer hier blijven. Wij zullen ons maar bepalen tot twee zaken: den Hout -en den Blinkert, of Leiden?” -</p> -<p>„Leiden!” riepen allen, behalve Ben, die wel lust zou gehad hebben, om den Blinkert -te beklimmen en van daar een kijkje op de zee te nemen. -<span class="pagenum">[<a id="pb53" href="#pb53">53</a>]</span></p> -<p>„’t Is zoo maar ’t best ook,” zeide Frits Verdam tegen Benjamin. „Want als je Haarlem -op zijn mooist wil zien, dan moet je er in den zomer komen, wanneer ’t een groote -bloemtuin is.” -</p> -<p>„Komt dan, op reis!” riep Peter uit. En men wandelde de Zijlstraat door, het Zijlhek -uit en naar de Leidsche vaart, waar zij hun schaatsen aanbonden en den tocht naar -de stad van Van der Werf aanvingen. -</p> -<p>„Jongens! Wie weet er nu wat van Haarlem te vertellen?” zeide Peter. „Dat kort den -weg op.” -</p> -<p>„Ik wil wat mededeelen,” zeide Frits Verdam. „Laat ons dan wat langzaam en naast elkander -rijden.” -</p> -<p>„Dat is goed,” riepen allen en Frits begon: -</p> -<p>„In heel veel vroeger tijden stond bij Haarlem een oud, sterk kasteel, welks slotheer -een ware tiran was voor de poorters der stad en de omliggende dorpers, die allen van -hem afhingen. Dit werd zóó geweldig, dat deze in opstand kwamen, zijn kasteel omringden -en het belegerden. De nood op het slot steeg dermate, dat de wreedaard geen ander -uitzicht had, dan zich aan het woedende volk over te geven, hetwelk hem in stukken -zou hebben gescheurd. Daar verscheen op een der kanteelen een liefelijke gestalte, -de vrouw van den slotheer. Was <span class="ex">haar</span> echtgenoot slecht voor zijn onderdanen, zij daarentegen was steeds een moeder voor -hen geweest; geen arme, die haar om hulp had gevraagd, zou zij weggezonden hebben; -zieken en nooddruftigen had zij verzorgd. Zoodra het volk haar zag, liet het de armen -slap hangen, die het reeds had opgeheven, om den pijl te richten, welke het hart van -den krijgsknecht moest doorboren, die ’t wagen durfde, op den trans te verschijnen. -„Ik ben altijd goed voor u geweest,” zeide zij. „Welnu, veroorloof mij een vrijen -uittocht en sta mij toe, zooveel van mijn kostbaarheden mede te nemen als ik op mijn -schouders kan dragen.” „Dat is u toegestaan,” riep men haar toe.—De poort gaat open, -en daaruit komt de burchtvrouw, die op haar schouders torst.… Wat denkt gij?” -</p> -<p>„Wel, haar juweelen en beste kleederen,” zeide Karel. -</p> -<p>„Neen—haar snooden echtgenoot, den wreeden burchtheer,” hervatte Frits. „En haar daad -was des te mooier, <span class="pagenum">[<a id="pb54" href="#pb54">54</a>]</span>daar de wreedaard ook voor haar steeds een tiran geweest was.” -</p> -<p>„En wat deed het volk nu?” vroeg Peter. -</p> -<p>„’t Was getroffen door die edele daad en liet den burchtheer vrij; maar het kasteel -werd vernield.” -</p> -<p>„Kom, dat is nooit gebeurd!” riep Karel Schimmel uit. „Hoe zou een zwakke vrouw zoo’n -grooten kerel hebben kunnen dragen!” -</p> -<p>„Nu, de vrouwen van Weinsberg hebben het toch ook wel gedaan,” verzekerde Frits. -</p> -<p>„Ik geloof het wèl,” zeide Jacob Poot. „Ik ten minste zou geen vrouw willen hebben, -die niet hetzelfde voor mij zou doen.” -</p> -<p>„Ik zou haar beklagen, Jacob,” antwoordde Peter lachend, „indien zij zulk een vracht -moest dragen als jij bent. Drie man zouden werk hebben om je voort te sjouwen.” -</p> -<p>„Nu dan, ’t zou mij genoeg zijn, als zij ’t <span class="ex">wilde</span> doen,” hervatte Jacob. -</p> -<p>„Dus zou je den wil voor de daad nemen?” vroeg Peter. „Doch wie weet er nog een historie, -Haarlem betreffende?” -</p> -<p>„Meen je van het beleg?” zeide Lodewijk. -</p> -<p>„O, neen, daar hebben we in het boekje van Andriessen<a class="noteref" id="xd29e1099src" href="#xd29e1099">5</a> reeds zooveel van gelezen, dat het voor ons geen nieuws meer is.” -</p> -<p>„Ik weet nog iets, dat ik eens in een boek gelezen heb,” zeide Jacob. „’t Is een heel -mooie historie.” -</p> -<p>„Nu vertel dan!” riepen allen te gelijk. -</p> -<p>„Goed, maar dan moeten we nog wat zachter rijden,” antwoordde de dikkerd. „Anders -kan ik onmogelijk vertellen.” -</p> -<p>„Best,” antwoordde Peter. „Jongens! Wat meer piano aan.” -</p> -<p>„Jaren geleden woonde in Haarlem een blondharige knaap, wiens vader den post van sluiswachter -vervulde. Op zekeren schoonen namiddag in den herfst nu, toen het knaapje omtrent -acht jaren oud was, kreeg hij verlof van zijn ouders om pannekoeken te brengen aan -een blinden grijsaard, die in den polder woonde aan den kant van den dijk. Het knaapje -bracht een <span class="pagenum">[<a id="pb55" href="#pb55">55</a>]</span>uur bij zijn dankbaren ouden vriend door en ging, nadat hij afscheid van hem genomen -had, vroolijk naar huis terug. -</p> -<p>„Terwijl hij zoo over den dijk ging, bemerkte hij, hoezeer het water daar langs gezwollen -was, en dacht hij aan de stevige sluisdeuren van zijn vader en hoe boos het water -op dezen moest zijn, dat hij het zoo tegenhield. O, als het eens losbrak en den dijk -vernielde of de sluizen doorbrak, en dat schoone vruchtbare land overstroomde; hoe -zou ’t dan met vader of moeder gaan? Vreeselijk zou het dan wraak nemen op zijn vader, -die het zoo lang in toom had gehouden. Nu eens hield hij stil, om een paar bloempjes -te plukken, die daar in het wild groeiden, dan weder plukte hij een kaars, die hij -in de lucht blies, dan bleef hij stilstaan, om nog eens terug te zien naar het hutje -van zijn ouden vriend, waarvan de glazen gloeiden in het rood der ondergaande zon, -alsof het in lichtelaaie stond. -</p> -<p>„Eensklaps bemerkte ons knaapje tot zijn verdriet, dat hij zich te lang had opgehouden -en dat de zon op het punt was van onder te gaan. Hij was nog een heel eind van huis -verwijderd en reeds werden de blauwe bloempjes op den dijk grauw en zag hij, dat zijn -lange schaduw niet meer op het gras viel. Hij verhaastte dus zijn stap, om gauwer -thuis te zijn. Op eens echter bleef hij weder staan, daar hij iets gehoord had, dat -hem het bloed in de aderen deed stollen. ’t Was het geluid van neersijpelend water. -Waar kwam dat vandaan? Hij onderzocht het en zag een klein gat in den dijk, waardoor -het water als door een smal gootje liep. Men moest het kind van een sluiswachter zijn, -om te weten, wat er in dat woord lag opgesloten: een gat in den dijk! Als het water -bleef doorsijpelen, dan zou het gat grooter en grooter worden en een vreeselijke overstrooming -ten gevolge hebben. -</p> -<p>„Dadelijk begreep de achtjarige knaap wat hem te doen stond. Hij wierp zijn bloemen -weg en klom van den eenen steen op den anderen, totdat hij aan het gaatje kwam. Bijna -onwillekeurig stopte hij er zijn vingertje in. Het sijpelen hield op. „Ha!” riep hij -met kinderlijke vroolijkheid uit. „Dat booze water kan er nu niet door. Haarlem zal -niet overstroomd worden, zoolang ik hier ben.” -<span class="pagenum">[<a id="pb56" href="#pb56">56</a>]</span></p> -<p>„Dit ging in ’t eerst wel goed; maar de nacht viel al meer en meer, er kwam een vochtige -damp op. Onze kleine held begon van koude en angst te beven. Hij schreeuwde luid: -„Komt hier, komt hier!” maar niemand kwam. Hij werd hoe langer hoe kouder, een verstijving, -beginnende met zijn vinger en voortgaande over zijn hand en arm, maakte dat hij spoedig -pijn over zijn gansche lichaam voelde. Hij riep nogmaals: „zal er dan niemand komen? -Moeder! Moeder!” Helaas, zijn moeder, zijn goede lieve moeder, had de deur reeds gesloten -en besloten, haar zoon morgen braaf te beknorren, omdat hij den nacht bij den ouden -blindeman was gebleven. Hij wilde fluiten—misschien zou de een of andere rondzwervende -knaap het teeken hooren, maar zijn tanden klapperden zoo, dat het hem niet doenlijk -was. Toen bad hij God om hulp en nam het vaste besluit: „Ik wil hier tot morgen blijven.” -</p> -<p>„De maan kwam op en bescheen de kleine gedaante, die daar eenzaam en verlaten op een -steen zat, halfweg de glooiing van den dijk. Zijn hoofdje hing hem op de borst, doch -hij sliep niet; want nu en dan wreef hij den uitgestrekten arm, die als vastgeketend -was aan den dijk—en meermalen keerde zich het bleeke, betraande gelaat plotseling -om, bij een wezenlijk of denkbeeldig geluid. -</p> -<p>„O, wat leed de knaap in dien langen en vreeselijken nacht. Hoe dikwijls wankelde -hij in zijn voornemen, als hij aan het warme bedje bij zijn ouders dacht, aan zijn -broertjes en zusjes, die al gerust sliepen, en daarbij aan den kouden treurigen nacht! -Maar als hij zijn vinger wegtrok, dan zou het verbolgen water, dat hoe langer hoe -toorniger werd, weer doorsijpelen, het gat zou grooter worden en niet tevreden zijn, -vóór het de stad overstroomd had! Neen, hij zou het tegenhouden, tot het daglicht -aankwam, indien hij ten minste zoo lang leefde. Hij was er niet zeker van, of dat -zoo lang zou duren; want wat beteekende dat vreemde gesuis in zijn ooren? En was ’t -niet of hij van hoofd tot voeten met messen werd geprikt? -</p> -<p>„Met het aanbreken van den dag kwam er een geestelijke, die dien nacht aan het bed -van een stervende gewaakt had, den dijk langs en meende een zacht gekerm te hooren. -<span class="pagenum">[<a id="pb57" href="#pb57">57</a>]</span>Hij boog zich voorover om te zien wat het was en zag een kind, dat van pijn in elkander -kromp. -</p> -<p>„In ’s Hemels naam, jongen! Wat doe je daar?” riep hij uit. -</p> -<p>„Ik houd het water tegen, dat door den dijk sijpelt,” antwoordde het kind met flauwe -stem. „Zeg, dat zij gauw komen.”<a class="noteref" id="xd29e1126src" href="#xd29e1126">6</a> -</p> -<p>„Ik behoef u niet te zeggen, dat er spoedig hulp kwam en dat Haarlem zoo door een -kleinen knaap gered was,” eindigde Jacob. -</p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd29e999" href="#xd29e999src">1</a></span> Gids, geleider. <a class="fnarrow" href="#xd29e999src">↑</a></p> -<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd29e1005" href="#xd29e1005src">2</a></span> De naam van de kerk, of liever van den heilige, aan wien zij gewijd was. <a class="fnarrow" href="#xd29e1005src">↑</a></p> -<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd29e1042" href="#xd29e1042src">3</a></span> Ik laat deze anekdote voor rekening van de schrijfster van wie ik haar heb overgenomen. <a class="fnarrow" href="#xd29e1042src">↑</a></p> -<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd29e1058" href="#xd29e1058src">4</a></span> Zie mijn „Schildknaap van Gijsbrecht van Amstel”. <a class="fnarrow" href="#xd29e1058src">↑</a></p> -<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd29e1099" href="#xd29e1099src">5</a></span> Adolf en Clara. <a class="fnarrow" href="#xd29e1099src">↑</a></p> -<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd29e1126" href="#xd29e1126src">6</a></span> Ik laat deze lieve legende voor rekening van de Schrijfster. <a class="fnarrow" href="#xd29e1126src">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch7" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd29e193">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">ZEVENDE HOOFDSTUK.</h2> -<h2 class="main">Hoe goed het kan zijn, als men in een kouden winternacht zonder dek ligt.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Nadat Jacob Poot zijn verhaal geëindigd had, gaf de kapitein bevel om harder te rijden, -en voort ging het langs de gladde baan als hadden zij de vleugels van Mercurius onder -de voeten gebonden. Hoe verder zij van Haarlem zich verwijderden, hoe minder het ijs -bevolkt was; doch toen zij de Piet-Gijzenbrug waren doorgereden, bemerkten zij door -het meer en meer aanwassend aantal schaatsenrijders, dat zij langzamerhand Leiden -naderden. Onder vroolijke gesprekken, nu eens twee aan twee dan tusschen drie, dan -door alle zes te gelijk gevoerd, kwamen ze al dichter en dichter bij de stad, toen -er iets gebeurde, dat de pret in treurigheid dreigde te veranderen. Jacob Poot, die -zeker eenige ponden meer had mee te dragen dan zijn makkers, had reeds een paar malen -in stilte aan zijn neef geklaagd, dat hij zoo moe werd, en om zijnentwil hadden de -anderen ook al eens hun vaart ingekort. Maar zooals het gaat met jongens, die schaatsen -rijden en nog geen vermoeienis gevoelen, zoolang zij ten minste op het ijs zijn, telkenmale -waren zij weer vlugger aan ’t rijden gegaan, toen op eens Frits Verdam, die zich onwillekeurig -omkeerde, uitriep: -<span class="pagenum">[<a id="pb58" href="#pb58">58</a>]</span></p> -<p>„Goede Hemel! Daar gaat Jacob van zijn stokje.” -</p> -<p>Bij dien kreet hielden al de jongens eensklaps op en snelden naar Jacob toe, die bleek -en roerloos als een lijk op het harde ijs was neergevallen. -</p> -<p>„Jacob! Jacob! Wat scheelt je?” riep Ben in ’t Engelsch. -</p> -<p>„Wat scheelt je, Jacob?” herhaalde Peter in ’t Nederlandsch. -</p> -<p>„Maar, al hadden ze Sanskritsch gesproken, de arme Jacob Poot zou het evenmin verstaan -hebben als hij het Engelsch of Nederlandsch deed. Peter en Karel trachtten den bezwijmde -op te helpen, maar hij was nu nog zwaarder dan anders. Tal van menschen verzamelden -zich om hen. De een zeide dit, de ander dat; ieder wist raad, zooals het trouwens -altijd in zulke gevallen gebeurt. -</p> -<p>„Wrijf zijn handen,” riep een vrouw op schaatsen. -</p> -<p>„Zet hem op zijn beenen,” zeide een ander. -</p> -<p>„Geef hem een slok brandewijn,” riep een man. „De kou zal hem bevangen hebben!” -</p> -<p>„Ja, ja, geef hem wat brandewijn!” riepen wel twintig stemmen te gelijk. -</p> -<p>„Ja, brandewijn! brandewijn,” schreeuwden Peter en Karel. -</p> -<p>„Heeft niemand hier wat brandewijn?” -</p> -<p>„Maakt toch maar zoo’n leven niet, jongeheeren,” zeide een dikke Leidenaar, die de -hand in zijn jaszak stak als om er wat uit te halen. „Wat doet die jongen zoo mal -te zijn, om flauw te vallen als een meissie?” -</p> -<p>„Brandewijn!” riep Lodewijk smeekend. „Anders sterft hij nog.” -</p> -<p>„Hij is al dood!” zeide een van de omstanders. -</p> -<p>Benjamin lag bij zijn neef neergeknield en ondersteunde met tranen in de oogen diens -hoofd. -</p> -<p>’t Was akelig om te zien hoe doodsbleek dat anders zoo blozende gelaat was en hoe -pijnlijk die straks nog zoo vriendelijke en goedige trekken stonden. -</p> -<p>„Hier,” zeide de dikke Leidenaar, die eindelijk zijn veldflesch met brandewijn had -gevonden. „Giet hem daarvan wat tusschen de lippen.” -</p> -<p>Dankbaar nam Peter de veldflesch aan en deed wat de man zeide. En die brandewijn deed -goede uitwerking. Jacob loosde een diepen zucht, deed de oogen open en keek verwilderd -rond. <span class="pagenum">[<a id="pb59" href="#pb59">59</a>]</span>Toen hij echter Ben zag, die hem met tranen in de oogen aanstaarde, en zijn makkers, -die rondom hem stonden, scheen hij te begrijpen, wat er met hem gebeurd was. Met behulp -van Peter en Karel richtte hij zich op. -</p> -<p></p> -<div class="figure floatLeft p059width"><img src="images/p059.png" alt="" width="543" height="693"></div><p> -</p> -<p>„’t Was de vermoeienis,” zeide hij flauw. -</p> -<p>„We moeten zien, dat we hem in een dier groote sleden krijgen, die hier telkens voorbijrijden,” -zeide Karel. -</p> -<p>Over ’t algemeen is onze natie een hulpvaardig volk. Vooral vindt men onder de geringere -burgerklasse een medelijden, dat inderdaad treffend is. Laat iemand op straat wat -overkomen, terstond zijn er tien, twintig handen gereed, om hem bij te springen, al -is ook de ongelukkige in lompen gewikkeld—en ’t is aardig om te zien, hoe ieder volgaarne -zich inspant, om toch maar te helpen of om raad te geven. Nauwelijks had Karel den -wensch geuit, of reeds waren er drie sleden aangehouden, van welke een ledig en groot -genoeg was, om ons zestal te bevatten: want zij wilden hun makker niet alleen laten—en, -om u de waarheid te zeggen,<span class="corr" id="xd29e1167" title="Bron: ” "> „</span>zij waren niet moede, behalve in hun beenen,” en vonden ’t dus niet onaardig, op zulk -een gemakkelijke wijze in Leiden te komen. -<span class="pagenum">[<a id="pb60" href="#pb60">60</a>]</span></p> -<p>Zij lieten dus hun Spartaansch besluit, om Leiden op schaatsen te bereiken, varen, -om een ander Spartaansch besluit uit te voeren, dat zij wel eenigszins hoog opvijzelden: -„hun makker niet verlaten”. Zij bedankten dus den dikken Leidenaar, die voor zijn -brandewijn geen geld wilde aannemen, vriendelijk, en stapten in de slede, een kales, -waarvan de wielen waren afgenomen en die op twee met ijzer beslagen balken was bevestigd. -Zooals zij vernamen, had de voerman er eenige heeren en dames mee naar een buitenplaats -gebracht en keerde hij ledig naar Leiden terug. Voor een gulden zou hij de knapen -naar de stad brengen. -</p> -<p>„Hoe is ’t nu, Jacob?” vroeg Benjamin, toen men eenige oogenblikken zat en de paarden -in vollen draf waren. -</p> -<p>„O, veel beter,” antwoordde deze met een paar oogen, zoo lodderig als van een kabeljauw, -die op een warme stoof zijn testament maakt. -</p> -<p>„Je moet niet gaan slapen, Jacob,” zei Frits. „’t Is te koud om in de open lucht te -slapen. Je weet zelf zoo goed als ik, hoe gevaarlijk dat is.” -</p> -<p>„Ik denk aan geen slapen,” antwoordde Jacob op goedigen toon, en twee minuten later -sliep hij als een os. -</p> -<p>Peter en Lodewijk moesten er om lachen. -</p> -<p>„We moeten wakker maken hem,” zeide Ben, terwijl hij den dikkerd aan den arm schudde. -„Jacob! Jacob!” -</p> -<p>Daar drie van de jongens Ben hielpen om Jacob wakker te schudden, begreep kapitein -Peter, dat hij er zich mee bemoeien moest. -</p> -<p>„Laat hem slapen, jongens! Ben je mal, om hem zoo te schudden. Zóó snurkt men niet, -als men doodvriest. Bedekt hem met iets warms. Koetsier,” zeide hij, „geef den pijjakker -eens waar je op zit, om dien jongeheer voor de kou te beschutten.” -</p> -<p>Deze voldeed hieraan. -</p> -<p>Peter bedekte Jacob met den pijjakker. -</p> -<p>„Ziezoo,” zeide hij, „laat hem nu maar slapen. Als hij wakker wordt, zal hij geheel -en al beter zijn. Hoever zijn wij nog van Leiden?” -</p> -<p>„Een klein half uurtje,” antwoordde de voerman. -</p> -<p>Toen zij Leiden’s toren in ’t gezicht kregen, werd Jacob wakker. -<span class="pagenum">[<a id="pb61" href="#pb61">61</a>]</span></p> -<p>„Hoe is ’t nu, Jacob?” vroeg Ben. -</p> -<p>„O, ik ben weer beter, maar doodmoe,” antwoordde hij. -</p> -<p>„Nu, dat zijn wij ook,” zeide Frits openhartig. „Zoolang wij op schaatsen waren, voelden -wij geen vermoeienis; maar nu wij gezeten hebben, voelen wij onze beenen.” -</p> -<p>„Weet je een goed logement, niet te duur, koetsier?” vroeg Peter. -</p> -<p>„In „De Roode Leeuw,” gaf de voerman ten antwoord. „Daar heeft men ’t goed en ze halen -je het vel niet over de ooren.” -</p> -<p>„Kun je ons tot zoover brengen?” -</p> -<p>„Tot bijna voor de deur.” -</p> -<p>„Goed zoo, dan zul je een fooi extra hebben.” -</p> -<p>Het duurde niet lang, of de knapen stapten de slede uit en het hotel in, waar „De -Roode Leeuw” uithing. -</p> -<p></p> -<div class="figure floatLeft p061width"><img src="images/p061.png" alt="" width="539" height="720"></div><p> -</p> -<p>De kastelein, een klein, dik mannetje, stond met zijn lange <span class="pagenum">[<a id="pb62" href="#pb62">62</a>]</span>pijp in de deur van zijn logement en groette onze jonge reizigers beleefd, die zulk -een grooten honger hadden, dat hun eerste vraag was: -</p> -<p>„Kastelein, heb je wat voor ons te eten?” -</p> -<p>„Om de heeren te dienen. Wat zullen de heeren gebruiken?” -</p> -<p>„Maak maar wat klaar,” antwoordde Peter, die vrij wat in zijn schik was, dat zij heeren -genoemd werden. -</p> -<p>„Mag ik dan den heeren maar verzoeken binnen te gaan,” hernam de kastelein, terwijl -hij de gelagkamer opendeed, waar de kachel lekker gloeiend stond. -</p> -<p>„Ik kan niet zeggen, dat de koetsier ons juist een fijn logement heeft aangewezen,” -zei Peter, toen de kastelein vertrokken was. „’t Lijkt hier wel zoo’n voermanslogies.” -</p> -<p>„Wanneer wij gegeten hebben, kunnen wij hem betalen en een ander logement opzoeken,” -meende Lodewijk. -</p> -<p>„Laat ons maar hier blijven,” zeide Jacob, die weinig lust gevoelde, om over de straatsteenen -te gaan en een ander logement op te zoeken. -</p> -<p>„’t Is misschien een aardig avontuur op onzen tocht,” zeide Frits. -</p> -<p>„’t Is juist niet altijd het aardigst, als men alles zoo tout-à-fait heeft.” -</p> -<p>„Kom, laat ons dan de stemmen opnemen,” zeide Peter. „Waarvoor stem jij, Lodewijk?” -</p> -<p>„Voor hier blijven.” -</p> -<p>„Jacob Poot?” -</p> -<p>„Vóór, sterk vóór!” -</p> -<p>„Benjamin Dobbs?” -</p> -<p>„Buiten stemming.” -</p> -<p>„Frits Verdam?” -</p> -<p>„Vóór!” -</p> -<p>„Karel Schimmel?” -</p> -<p>„Tegen.” -</p> -<p>„En ik ben er vóór. Alzoo vier stemmen vóór, één tegen, één buiten stemming. Dus blijven -we hier.” -</p> -<p>„Uitmuntend,” zei Frits. „Jammer echter, dat wij niet aan het spreekwoord gedacht -hebben, hetwelk hier inderdaad te pas komt, dat men niet <span class="ex">buiten</span> den waard moet rekenen. <span class="pagenum">[<a id="pb63" href="#pb63">63</a>]</span>Wij <span class="ex">hebben</span> buiten den waard gerekend en zullen dus eerst moeten wachten, of hij ons logeeren -kan.” -</p> -<p>Frits schelde. -</p> -<p>„Zeg eens, kastelein,” zeide Peter. „Kunnen wij hier van nacht logeeren?<span class="corr" id="xd29e1240" title="Niet in bron">”</span> -</p> -<p>„Indien de heeren zich met drie bedden willen vergenoegen, dan heb ik een mooie kamer -voor hen.” -</p> -<p>Peter keek een weinig bedenkelijk en zeide: -</p> -<p>„Hoor eens, kastelein, op voorwaarde, dat we je kamer eerst eens zien en de bedden -inspecteeren mogen.” -</p> -<p>„Als de heeren eerst willen eten, dan zal mijn vrouw in dien tijd de bedden opmaken, -antwoordde de kastelein. -</p> -<p>„Heel goed,” antwoordde Peter. -</p> -<p>De kastelein vertrok met een buiging. -</p> -<p>„Daar heb je verstandig aan gedaan, Peter, dat je de conditie maaktet om eerst de -kamer te zien en de bedden te inspecteeren,” zeide Frits. -</p> -<p>„Wel zeker; al zijn we ’t beter gewend, is ’t niet onaardig om ons eens te behelpen. -Maar zij moeten ons in geen smerige bedden stoppen, daar zou ik voor bedanken,” antwoordde -Peter. -</p> -<p>„En ik,” hernam Frits. „Maar de waardin zal er nu wel op passen dat alles in orde -is.” -</p> -<p>Het eten was niet slecht, en de jongens deden den maaltijd eer aan. Koud rundvleesch, -ham en warme karbonade met goede zandaardappelen, appelmoes en andijviesla deden zich -goed smaken door ons zestal, dat sedert twee uren niets had genuttigd en hetwelk de -koude lucht en de meer dan gewone inspanning geducht hongerig hadden gemaakt. -</p> -<p>Toen de maaltijd gedaan was, zeide Peter: -</p> -<p>„Nu ga ik dokter Broekman opzoeken.—Weet je ook, kastelein, waar die logeert?” -</p> -<p>„In „De Gouden Engel” op de Breestraat,” antwoordde de kastelein. „Ik zal mijnheer -iemand meegeven; anders mocht hij den weg niet vinden.” -</p> -<p>„Dat is goed,” antwoordde Peter. „Wie van jelui heeft lust, mij te vergezellen? Dan -kunnen wij Leiden eens bij den avond zien.” -</p> -<p>„Ik ga mee,” zeide Ben. „Ik ben begeerig om te zien Leiden.” -<span class="pagenum">[<a id="pb64" href="#pb64">64</a>]</span></p> -<p>„Ik blijf Jacob gezelschap houden,” zeide Lodewijk. -</p> -<p>„En ik ben te lui, om nu over de straatsteenen te gaan loopen,” voegde Karel Schimmel -er bij. -</p> -<p>„En jij, Frits?” vroeg Peter. -</p> -<p>„Wel, laat ons deelen. Drie blijven er thuis, dan gaan er drie naar dokter Broekman. -Ik zal de derde wezen.” -</p> -<p>„Zorgt dan, dat jelui ons met een kopje thee wacht,” zeide Peter. „Schaatsenrijders -zijn altijd dorstig, vooral wanneer zij zulk een goed middagmaal hebben genoten.” -</p> -<p>„Willen de heeren niet eerst de kamer zien?” vroeg de kastelein. -</p> -<p>„Dat is waar ook,” zeide Peter. „Wie gaat er mee op dien tocht?” -</p> -<p>Allen, behalve Jacob, vergezelden hem op de expeditie, die zeer wel ten genoegen van -het vijftal afliep. -</p> -<p>Peter vertrok nu met Frits en Benjamin, onder het geleide van een kleinen jongen uit -de herberg, die afschuwelijk plat Leidsch sprak en hem tot vervelens toe „menhair” -noemde, maar hen toch goed terechtbracht. Zij vonden dokter Broekman niet in „De Gouden -Engel”. Hij was dien namiddag naar ’s-Gravenhage vertrokken en zou eerst den volgenden -dag tegen den middag terugkomen. Peter zei den kastelein, dat hij een brief voor den -dokter zou bezorgen, dien de logementhouder hem beloofde, dezen terstond bij zijn -aankomst ter hand te zullen stellen, wandelde met zijn makkers de Breestraat op en -keerde daarna in „De Roode Leeuw” terug, waar Jacob een tukje zat te doen en de beide -anderen hen met een lekker kopje thee zaten te wachten. -</p> -<p>Intusschen waren onze drie jongelieden niet meer de eenigen, die zich in de gelagkamer -bevonden. Er waren twee mannen gekomen, blijkbaar voerlieden, hetgeen men bemerkte -aan de lange zweepen, die tegen den schoorsteenmantel stonden. Peter kon niet zeggen, -dat hij dit gezelschap heel pleizierig vond, en hij zag wel aan het gelaat van zijn -makkers, dat zij er ook zoo over dachten. Frits Verdam, die bij een boekverkooper -op de Breestraat een plaat gezien had, waarop eenige struikroovers bezig waren, een -reisgezelschap uit te plunderen, fluisterde Peter in het oor: <span class="pagenum">[<a id="pb65" href="#pb65">65</a>]</span>„Die eene kerel lijkt net op den roover, die op de Breestraat de arme dame het pistool -op de borst zette.” Karel Schimmel, die dat hoorde, keek angstig naar den hoek van -den haard, waar de mannen half zaten te slapen. En inderdaad, een van de beide nieuw -aangekomenen had wel iets in zich, om vrees te boezemen. Naar het scheen was hij de -knecht van den andere, die een rond, vriendelijk gelaat had en dapper snurkte. Of -hij echter werkelijk sliep, dan of hij zijn loerende oogen tusschenbeide op de welgekleede -knapen wierp, durf ik niet verzekeren; wel, dat zijn verwilderd haar, zijn ongeschoren -baard, zijn mager beenig gelaat, gevoegd bij zijn haveloozen pijjakker, zijn gelapte -broek en smerige klompen, bijzonder geschikt waren, de vroolijke gesprekken der knapen -te doen verstommen, zoodat zij op ’t laatst bijna fluisterend spraken. Gelukkig dat -beiden, na een drietal glazen jenever gedronken, een paar pijpen stinkende tabak gerookt -en hun avondeten gebruikt te hebben, den kastelein bevalen, hun hun slaapplaats te -wijzen, en met hem de gelagkamer verlieten. -</p> -<p></p> -<div class="figure p065width"><img src="images/p065.jpg" alt="" width="720" height="475"></div><p> -</p> -<p>„Goddank, dat zij weg zijn!” riep Karel Schimmel uit, toen de deur achter hen dicht -ging. „Als ’t zoo laat niet was en wij hadden ons logies niet reeds betaald, dan zou -ik er wel vóór zijn, om een ander logement op te zoeken. Die eene kerel is in staat, -ons allen te vermoorden.” -</p> -<p>„Ik zou je bedanken,” zeide Jacob, die zijn laarzen sedert lang had uitgetrokken en -een paar pantoffels aangeschoten, welke hij van de dochter van den kastelein geleend -had. „Ik ben waarlijk reeds blij, dat ik niet verder dan van hier naar onze slaapkamer -behoef te gaan, en er dan nu nog op uit te snijden, om een logement te zoeken! Ik -ben zoo bang niet voor dien man. Hij is misschien niet zoo kwaad als hij er wel uitziet.” -</p> -<p>„We moesten den kastelein, dunkt mij, maar zeggen, dat hij het avondeten op tafel -zet,” zeide Peter, „ofschoon ik er niet veel van gebruiken zal: want ik heb van middag -copieus gegeten.” -</p> -<p>„Ja, dat is goed,” zeide Jacob. „Ik begin mooi slaap te krijgen en naar bed te verlangen.” -</p> -<p>„Jij slaap te krijgen!” riep Frits lachend uit. „Je hebt den <span class="pagenum">[<a id="pb66" href="#pb66">66</a>]</span>ganschen dag nog niets anders gedaan dan slapen. ’t Is jammer, dat de tijd der toovernimfen -over is; anders kon je naar de schoone slaapster in het bosch gaan en honderd jaren -lang slapen.” -</p> -<p>„En dan zou ik wel de prins willen zijn, die in het bosch jaagde,” zeide Frits. -</p> -<p>„Om onzen dikken vrind wakker te maken,” schertste Lodewijk. „Waarlijk, daar zou niet -veel eer aan te behalen zijn.” -</p> -<p>„Neen, om de schoone prinses te doen ontwaken (want er moest natuurlijk een schoone -prinses bij zijn) en dan met haar te trouwen.” -</p> -<p>„Ei, ei, je bent ook niet mal!” riep Lodewijk lachend uit. „’t Is maar jammer, dat -er op Broek geen andere prinsessen zijn dan Hilda en Truida.” -</p> -<p>„Of Kato,” voegde Peter er bij. „Maar daar komt de kastelein.—Wees zoo goed, ons avondeten -klaar te zetten, hospes!” zeide hij tot dezen. -</p> -<p>Onder vroolijke gesprekken ging de avondmaaltijd voorbij, en, ofschoon Peter niet -veel honger had, deed hij dien toch tamelijk eer aan. -</p> -<p>Onze knapen bleven, na het gebruik van het avondeten, niet lang meer zitten, maar -lieten zich, zoodra zij gedaan hadden, naar hun slaapkamer brengen. Het was gansch -geen vriendelijk vertrek, waar zij hun nachtverblijf zouden houden; een donker, smerig -behangsel en een houten, lichtbruin geverfde vloer, terwijl de neteldoeksche gordijnen -voor de ramen met kleine vuile ruiten, die het licht der maan, welke zoo pas opgekomen -was, doorlieten, het kille van het vertrek nog kouder maakten. Maar onze jongens hadden -te veel slaap, om zich lang uit te kleeden. Het duurde dan ook niet lang, of Peter, -die ’t laatst was opgebleven, deed den domper op zijn kaars en stapte in zijn bed, -waarin Jacob zich reeds lekker in de dekens gerold had. -</p> -<p>„Nacht, jongens!” zeide de kapitein, toen hij in het bed stapte. -</p> -<p>Slechts vier stemmen antwoordden—Jacob alleen gaf antwoord door zijn snurken. -</p> -<p>„Hoort eens, jongens,” zeide Karel, die naast Lodewijk <span class="pagenum">[<a id="pb67" href="#pb67">67</a>]</span>lag. „Je moogt wel niet snurken: want Lodewijk ligt al te beven van angst.” -</p> -<p>„Ja, van kou; ik zou niet weten, waarvoor ik bang zou zijn.” -</p> -<p>„Hou je nu maar goed, man,” antwoordde Karel. „Ik weet toch, dat je benauwd bent voor -dien roover van hedenavond.” -</p> -<p>„Nu, dan <span class="ex">ben</span> ik maar bang. Gelukkig, dat ik achteraan lig. Als hij ons dan vermoorden wil, pakt -hij jou ’t eerst bij de keel.” -</p> -<p>„Slapen gaan, jongens!” riep de kapitein. „We moeten morgen niet te laat op. Goeden -nacht dus!” -</p> -<p>Om de waarheid te zeggen, had Lodewijk te veel slaap om te disputeeren, en het duurde -niet veel langer dan vijf minuten, of men hoorde uit de drie ledikanten slechts het -gesnurk der schaatsenrijders. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>’t Was in ’t holst van den nacht. De maan scheen helder op den vloer der kamer, op -welken zich iets zwarts bewoog, dat de jongens geen van allen vermoedden of zagen. -Slapende jongens denken aan geen gevaar. De dikke Jacob had zich intusschen al eens -in zijn slaap omgedraaid en, ongelukkig voor Peter, juist naar die zijde, dat hij -zich als een Egyptische mummie in de dekens rolde en daardoor het deel, dat zijn buurman -in het dek toekwam, met zich nam. De mummie lag nu warm en wel naast den bevrozen -Peter, die natuurlijk in zijn droom uit al zijn macht over de ontoegankelijkste ijsbergen -schaatsen reed. -</p> -<p>Zooals ik u reeds zeide, bewoog zich in het maanlicht een zwarte gedaante over den -bruin geverfden vloer—langzaam en behoedzaam als een tijger, die zijn prooi beloert. -</p> -<p>„Word toch wakker, Lodewijk! Dat is de roover, voor wien Karel zeide, dat gij bang -waart.” -</p> -<p>Maar Lodewijk wordt niet wakker.—Hij snurkte, alsof hij nooit wakker moest worden. -</p> -<p>Hoort Karel ’t dan niet? Die dappere Karel, die zooveel pleizier had, omdat hij meende, -dat Lodewijk bang was? -</p> -<p>Wel neen, Karel droomt van de hardrijderij. -</p> -<p>En Jacob, Frits of Ben? -<span class="pagenum">[<a id="pb68" href="#pb68">68</a>]</span></p> -<p>Ook zij hooren ’t niet. Ook zij droomen van den wedloop. Kato zingt in hun droomen -en Truida is boos, omdat Griete zal meedoen, en Ben hoort het groote orgel weer spelen, -waarop de dikke Jacob als organist ageert. -</p> -<p>En toch beweegt de zwarte gedaante zich, langzaam, behoedzaam, al nader en nader. -</p> -<p>Peter! <span class="corr" id="xd29e1326" title="Bron: kapitein">Kapitein</span> Peter! Word toch wakker! Daar is gevaar! -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Peter hoort ons roepen niet. Maar in zijn droom glijdt hij eensklaps van een ijsberg -van ruim duizend voet in de diepte en wordt wakker door den schok. -</p> -<p>Brr! Wat is dat koud! Hij trekt met wanhopige kracht aan de mummie. Tevergeefs. Laken, -katoenen sprei en wollen deken, alles is als een muur om Jacob’s dikke en slapende -gestalte gewikkeld. Peter werpt een treurigen blik naar het door het maanlicht beschenen -venster, daarna op den vloer. -</p> -<p>„Heldere maneschijn!” denkt hij. „We zullen morgen mooi weer hebben op onze reis naar -Den Haag. Sakkerloot! Wat is dat?” -</p> -<p>Hij ziet de zwarte gedaante, die zich over den vloer beweegt of liever nu stilhoudt; -want toen Peter zich bewoog, was zij onbeweeglijk gebleven. -</p> -<p>Peter houdt zich doodstil en staart onafgewend op de donkere gedaante. -</p> -<p>Weder beweegt zij zich, al nader en nader. Door het maanlicht kan de knaap haar duidelijk -onderscheiden. -</p> -<p>’t Is een man, die op handen en voeten kruipt. -</p> -<p>De kapitein wil een luid geschreeuw aanheffen; doch hij bedenkt zich bijtijds. -</p> -<p>De kerel heeft een blinkend mes in de hand. Dat is een leelijke zaak; maar onze Peter -verliest zijn tegenwoordigheid van geest niet. Als de vent zijn hoofd naar hen wendt, -heeft hij de oogen gesloten; maar zoodra hij gevoelt, dat hij niet bespied wordt, -is zijn blik scherp op elke beweging van den kruipende gericht. -</p> -<p>Al dichter en dichter kruipt de dief naar het bed, waarop Jacob en Peter liggen. Op -’t oogenblik is zijn rug naar den kapitein gericht. Zachtkens legt hij het mes op -den vloer <span class="pagenum">[<a id="pb69" href="#pb69">69</a>]</span>neder en strekt zijn arm behoedzaam uit, om de kleeren van den stoel bij Peter’s bed -naar zich toe te trekken. -</p> -<p>Nu is ’t Peter’s tijd. Terwijl hij zijn adem inhoudt, springt hij op en werpt zich -op den rug des roovers, die door het onverwachte en geweldige van den sprong voorover -op den grond neervalt. Te gelijk grijpt hij het mes van den kerel, dat op den grond -ligt. De roover begint tegen te worstelen, maar als een reus zit Peter op de neergestreken -gedaante. -</p> -<p>„Als je ’t hart hebt, je te bewegen, schoelje,” zegt de dappere jongen met zulk een -barsche stem, als hij maar kon voortbrengen, „als je je maar een duim verroert, dan -steek ik je het mes in je nek. Jongens! jongens! wordt wakker!” riep hij, terwijl -hij den zwarten kop naar de laagte drukte en het scherpe mes vlak op den nek des roovers -hield. „Helpt een handje! Ik heb den kerel! Ik heb hem!” -</p> -<p>De mummie keerde zich om, maar gaf geen ander teeken van leven. -</p> -<p>„Op, jongens!” schreeuwde Peter nog luider, terwijl hij den kerel, die begon te worstelen, -met zijn mes in den nek prikte. „Lodewijk! Karel! Frits! Ben! Jacob! Ben je dan allemaal -dood?” -</p> -<p>Dood! dat waren ze in ’t geheel niet. -</p> -<p>Frits en Ben waren reeds uit het bed gesprongen. -</p> -<p>„Wat schreeuw je toch?” riep Frits. „’t Is of het huis in brand staat.” -</p> -<p>„Wel, ik heb hier een roover gevangen,” zeide Peter koel. „Lig stil, schurk of het -mes gaat er in!—Jelui ledikant is met een touw aan elkander gebonden. Haalt dat er -af, om den schelm te binden. Doe ’t maar op je dooie gemak; want als de kerel het -hart heeft, om spul te maken, is hij een kind des doods.” -</p> -<p>Dat Peter zoo kordaat was, kwam, omdat hij gevoelde, dat hij, met dat mes in zijn -hand, voor den kerel op ’t oogenblik meer dan duizend pond woog. De vent bromde en -vloekte, maar bewegen durfde hij zich niet. -</p> -<p>Op dit oogenblik sprong ook Lodewijk uit zijn bed. Hij had een ferm knipmes in zijn -broekzak. Dat kon nu goeden <span class="pagenum">[<a id="pb70" href="#pb70">70</a>]</span>dienst doen. In een oogenblik waren de gordijnen van het ledikant omhooggeslagen en -zagen zij het touw, dat van voren en van achteren aangeknoopt was. -</p> -<p>„Ik zal het lossnijden,” zeide Lodewijk, terwijl hij met zijn mes den knoop doorzaagde. -„Hou hem maar goed vast, Peter!” -</p> -<p>„Heb daar maar geen vrees voor,” antwoordde de kapitein, terwijl hij den roover de -punt van zijn mes liet voelen. -</p> -<p>’t Duurde niet lang, of het touw was van het ledikant; het was een mooi lang eind. -</p> -<p>„Nu, jongens!” beval de kapitein. „Licht nu de armen van den schurk op. Bindt hem -de handen op den rug. Zoo is ’t goed—neemt mij niet kwalijk, dat ik zoo in den weg -zit—bindt hem maar stevig vast.” -</p> -<p>„Ja, en zijn voeten ook, den schurk!” riep Lodewijk. En zij bonden hem zóó stevig, -dat de kerel van pijn kermde. -</p> -<p>Thans veranderde de man van toon. -</p> -<p>„Ach, lieve jongeheeren!” smeekte hij. „Spaart toch een armen, kranken man, die een -slaapwandelaar is.” -</p> -<p>„Zoo, mannetje!” zei Frits, die nog bezig was om een knoop in het koord aan ’s mans -been te leggen. „Was je in slaap? Nu, dan zullen we je wel wakker maken.” -</p> -<p>De kerel mompelde een paar voermansvloeken; toen riep hij op deerniswekkenden toon: -„Maakt die touwen los, lieve, beste jongeheeren! Ik heb vijf kleine kinderen thuis. -Bij al wat heilig is, ik zal u ieder vier rijksdaalders geven, als gij mij loslaat! -</p> -<p>„Niet onaardig,” riep Peter lachend uit. -</p> -<p>Toen begon de kerel te dreigen en wel zóó verschrikkelijk, dat Lodewijk er bang voor -werd. Maar zij bleven hem toch maar dapper binden. -</p> -<p>„Houd je mond, mijnheer de huisbreker,” zeide Frits. „Bedenk, dat je mes vlak op je -hals is. Als je onzen kapitein zenuwachtig maakt, dan sta ik er niet voor in, wat -er gebeuren kan.” -</p> -<p>’t Scheen, dat de roover die bedreiging ter harte nam; hij zweeg ten minste. -</p> -<p>Juist op het oogenblik bewoog zich de mummie in Peter’s <span class="pagenum">[<a id="pb71" href="#pb71">71</a>]</span>bed en richtte hij zich op. „Wat voer jelui toch uit?” riep hij, zonder zijn oogen -open te doen. -</p> -<p>„Wat we uitvoeren, Jacob?” zeide Lodewijk. „Kom, sta op! Daar is werk voor je aan -den winkel. Ga jij eens op den rug van dien kerel zitten, totdat wij onze kleederen -hebben aangeschoten; want we bevriezen bijna van de kou.” -</p> -<p>„Welken kerel?” -</p> -<p>„Leve Poot!” riepen de jongens, toen de dikzak met dek en al het bed uitkwam, met -een enkelen blik de zaken overzag en nu met zijn zware lichaam naast Peter op den -rug des roovers ging zitten. -</p> -<p></p> -<div class="figure floatRight p071width"><img src="images/p071.png" alt="" width="524" height="662"></div><p> -</p> -<p>Nu eerst kermde de kerel terdeeg. -</p> -<p>„Ziezoo, blijf jij nu maar op hem zitten,” zei Peter. -</p> -<p>„Je zult toch geen kou vatten met je dekens om ’t lijf. Intusschen zal ik mij aankleeden -en met Frits naar de politie gaan. Sakkerloot! Ik ben zoo koud als een visch geworden.” -</p> -<p>„Waar is Karel?” vroeg Lodewijk, die zijn slaapkameraad miste. -</p> -<p>Allen keken rond—Karel was nergens te zien. -</p> -<p>„Lieve Hemel!” riep Frits. „Misschien heeft hij den kerel <span class="pagenum">[<a id="pb72" href="#pb72">72</a>]</span>op de trap ontmoet en heeft die hem doodgestoken. Er was toch geen bloed aan het mes?” -</p> -<p>„Hij lag nog in het bed, toen ik er uitsprong,” zei Lodewijk. -</p> -<p>„Maak je maar niet ongerust over hem,” zeide Peter lachend, terwijl hij zijn dikken -pijjakker vastknoopte. „Kijk maar eens onder de ledikanten.” -</p> -<p>Dit deden zij; maar Karel was er niet. -</p> -<p>Op dit oogenblik hoorden zij een beweging op de trap en een paar seconden later kwam -de waard, gewapend met een zwaren ijzeren pook. Zijn dochter volgde hem met de blaaspijp -in de eene hand en een brandende kaars in de andere, en daarachter—zoo bleek als een -doode en met het angstigste gezicht, dat men zich kan voorstellen—de dappere Karel -in zijn hemd. -</p> -<p>„Daar is de kerel al, kastelein,” zeide Peter, terwijl hij op den gevangene wees. -</p> -<p>De kastelein hief zijn pook op om den kerel een slag te geven en de dochter gaf een -gil, terwijl Jacob, vlugger dan men van hem zou verwacht hebben, van den rug des gevangenen -afsprong. -</p> -<p>„Sla hem niet,” zeide Peter. „Hij is aan handen en voeten gebonden. Laat ons hem op -den rug draaien en zien, wie hij is.<span class="corr" id="xd29e1402" title="Niet in bron">”</span> -</p> -<p>Karel stapte moedig voorwaarts en zeide op dapperen toon: -</p> -<p>„Ja, laat ons hem omdraaien, of ’t hem bevalt of niet. Gelukkig, dat we hem gesnapt -hebben.” -</p> -<p>„Hé, ben jij daar, Karel? zeide Lodewijk spottend. „Waar heb je toch gezeten, man?” -</p> -<p>„Waar ik gezeten heb? Wel, ik heb alarm gemaakt. Mij dunkt, dat dit noodig was.” -</p> -<p>De jongens keken elkander glimlachend aan; maar zij waren veel te blij en te opgewonden, -om Karel verder te plagen. Karel was moedig genoeg. Hij hielp dapper mede aan het -omkeeren van den kerel. -</p> -<p>Toen de roover nu met het gezicht naar boven lag, nam Lodewijk de kaars uit de hand -van het meisje en hield die vlak bij het gelaat van den gevangene. -<span class="pagenum">[<a id="pb73" href="#pb73">73</a>]</span></p> -<p>„Nu moet ik hem toch eens goed zien,” zeide hij. „Inderdaad—het is de kerel, die van -avond achter de kachel zat.” -</p> -<p>„Waarlijk, hij is het!” zeide Peter. -</p> -<p>Intusschen was de dochter van den kastelein de kamer uitgegaan. Zij kwam een oogenblik -daarna weer binnen met een paar smerige klompen. -</p> -<p>„Kijk, vader,” zeide zij, „’t is dezelfde kerel, die van avond zoo laat met zijn baas -hier kwam. ’t Was heel onvoorzichtig van ons, dat wij hem zoo dicht bij de jongeheeren -lieten slapen.” -</p> -<p>„Die schurk!” kreet de kastelein. „Hij heeft mijn logement in miskrediet gebracht. -Ik ga terstond om de politie.” -</p> -<p>In minder dan een kwartier waren er twee stevige nachtwachts in de kamer. Nadat zij -den kastelein gezegd hadden, dat hij den volgenden morgen vroeg met de zes jongeheeren -op het politiebureau moest komen, om hun getuigenis af te leggen, gingen zij met den -gevangene heen. -</p> -<p></p> -<div class="figure floatRight p073width"><img src="images/p073.png" alt="" width="472" height="302"></div><p> -</p> -<p>Nu zoudt gij misschien denken, dat de kapitein en zijn volk het verdere van dien nacht -geen oog meer loken. Dat weten mijn lezers wel beter. Het kruid is nog niet uitgevonden, -dat een jongen, die een goed geweten heeft en vermoeid is, kan beletten om te slapen. -’t Duurde niet lang of zij waren allen te bed (dat van Lodewijk en Karel, waarvan -de onderlagen waren losgeschoten, lag op den vloer), hadden roover, politie, wedloop, -alles vergeten en sliepen allen behalve Karel, die ’t maar niet kon vergeten, dat -hij zich zoo laf had aangesteld, doch ook spoedig het voorbeeld der anderen volgde -en in slaap viel. -<span class="pagenum">[<a id="pb74" href="#pb74">74</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch8" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd29e202">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">ACHTSTE HOOFDSTUK.</h2> -<h2 class="main">Wat onze knapen al zoo in Leiden zagen.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">’t Was tien uren, vóór ons zestal den volgenden morgen beneden kwam. -</p> -<p>„Laat hen maar slapen,” had de dochter van den kastelein tegen haar vader gezegd. -„De moedige jongens mogen hun rust wel hebben na de vermoeienissen van gisteren en -den schrik van dezen nacht. En als zij beneden komen, zullen zij een goed ontbijt -hebben—daar kunnen zij op rekenen. En wat warms ook.” -</p> -<p>Nu, zij hadden dan ook ruimschoots gebruik van de gelegenheid tot slapen gemaakt en -gevoelden zich recht verfrischt, ja, zelfs Jacob Poot kon niet begrijpen, dat hij -den vorigen dag een tocht van Broek naar Leiden had gemaakt. Over ’t geheel konden -de jongens zich niet voorstellen, dat zij gisterochtend nog in het hartje van Noord-Holland -waren; er was dan ook zóóveel gebeurd, dat het hun was, als waren zij reeds een week -op reis geweest. -</p> -<p>„Goeden morgen, heeren!” zeide de kastelein, toen zij beneden kwamen. „Nu, dat noem -ik een gat in den dag slapen. Maar ’t is de schuld van mijn Betje. Zij wilde niet, -dat Gerrit u riep. Intusschen—gaat nu maar spoedig aan het ontbijt, en, als gij daarmede -klaar zijt, dan gaan we naar het politiebureau: want het is hoog tijd, om ons daar -heen te begeven.—’t Is waarachtig een mooi geval voor een fatsoenlijk logement. Gij -zult echter wel naar waarheid getuigen, heeren, dat gij goed logies en fatsoenlijke -behandeling in „De Roode Leeuw” gehad hebt, niet waar?” -</p> -<p>„Dat zullen wij,” antwoordde Karel. „En tevens, welk aangenaam gezelschap wij er gevonden -hebben ook. Jammer dat het op zoo’n ongelegen uur kwam.” -</p> -<p>De kastelein keek mooi beteuterd toen Karel dat zoo zeide; maar zijn dochter nam het -woord en voegde er tamelijk scherp bij: -</p> -<p>„Zoo aangenaam was ’t u toch niet, jongeheer, als ik bedenk, hoe hard en in welk toilet -gij zijt weggeloopen.” -<span class="pagenum">[<a id="pb75" href="#pb75">75</a>]</span></p> -<p>Karel Schimmel beet zich op de lippen en mompelde iets, dat niemand verstond; maar -hij wachtte zich wel, een woord meer te zeggen. -</p> -<p>Na het ontbijt wandelden onze zes jongens, in gezelschap van den kastelein en zijn -dochter, naar het bureau van politie. De getuigenis van den kastelein kwam hierop -neer, dat een roover, zooals er den afgeloopen nacht een in de kamer zijner loges -was binnengedrongen, een ongehoorde zaak voor „De Roode Leeuw” was; dat zijn logement -een respectabel logement was, zoo goed als een in Leiden tusschen zijn vier muren -stond. Ieder van de jongens legde op zijn beurt getuigenis af en bevestigde, dat de -kerel, die werd voorgebracht, dezelfde was, die dezen nacht op hun kamer was geweest. -Toen Karel hem zag, sloeg hij de handen ineen, dat de man niet grooter was dan een -gewoon mensch; want in zijn getuigenis had hij een reus van hem gemaakt met breede -schouders en een vreeselijk uitzicht. Jacob had getuigd, dat hij wakker geworden was -door het stampen, dat de roover deed op den houten vloer; maar Peter en de overigen -hadden medegedeeld, dat de kerel geen vin verroerd had van het oogenblik, dat hij -de punt van het mes op zijn nek voelde, totdat men hem had omgekeerd, om hem van aangezicht -tot aangezicht te zien. De dochter van den kastelein dwong den commissaris een glimlach -en een der knapen een blos af, toen zij verklaarde, dat, als die knappe jongeheer -er niet geweest was, zij allen in hun bed zouden zijn vermoord geworden: „want de -schurk had een groot, blinkend mes, bijna zoo lang als uwés arm,” en zij geloofde, -dat „de knappe jongeheer werk genoeg had gehad om hem onder zich te krijgen; maar -de jongeheer was te zedig, om er zich op te beroemen.” -</p> -<p>Nadat er proces-verbaal was opgemaakt van het getuigenverhoor en dit door den kastelein -en zijn dochter, als de eenige mondige getuigen, was onderteekend, werd de schuldige -weggebracht en konden onze knapen naar huis gaan. -</p> -<p>„De schurk!” riep Karel. „’t Is ferm, dat hij naar de gevangenis gaat. Ze moeten hem -maar een jaar of wat geven. Als ik in jouw plaats geweest was, Peter, zou ik den kerel -het mes door den hals gejaagd hebben.” -<span class="pagenum">[<a id="pb76" href="#pb76">76</a>]</span></p> -<p>„Gelukkig, dat hij dan niet in jouw handen gevallen is, Karel,” antwoordde Peter kalm. -„Die arme kerel zal er waarschijnlijk slecht genoeg afkomen, daar ’t mij uit het verhoor -is gebleken, dat hij al vroeger in handen der justitie is geweest, en de omstandigheid, -dat hij van nacht een mes bij zich gehad heeft, nogal verzwarend schijnt te wezen.” -</p> -<p>„Arme kerel!” mompelde Karel luid genoeg, om door Peter verstaan te worden. „Je praat -er warempel over alsof ’t je broer was.” -</p> -<p>„Is hij dan mijn broer niet?” vroeg Peter. „Hij is ’t net zoo goed van jou als van -mij. En kun jij zeggen wat wij onder gelijke omstandigheden zouden gedaan hebben? -Schier van onze geboorte af aan, hebben onze ouders ons van het kwade teruggehouden. -Was die man in een goed huisgezin en door zorgvuldige ouders opgevoed, wie weet, welk -een braaf mensch er van hem geworden was.” -</p> -<p>„Dat is nobel van je gesproken, Piet,” zeide Frits Verdam, terwijl hij hem de hand -drukte. „Maar Karel heeft het zoo kwaad niet gemeend.” -</p> -<p>„Ik was hardvochtig,” zeide Karel, terwijl hij Peter de hand reikte. „Je bent beter -dan ik, Piet!” -</p> -<p>„Kom, laat ons daar maar niet over twisten. Waar zullen we ’t eerst heengaan? Laat -Ben dat nu eens beslissen.” -</p> -<p>„Naar het Egyptian museum,” antwoordde deze. -</p> -<p>„Dat is op de Breestraat,” zeide Peter. „Dan gaan wij de ruïne over.” -</p> -<p>„De ruïne? Wat is dat?” vroeg Ben, die niets anders dacht, dan dat hij een steenklomp -zou zien, zooals bijvoorbeeld de ruïne van het huis te Brederode. -</p> -<p>„Daar heb je haar reeds,” zeide Jacob, toen zij een prachtig met boomen beplant en -tot wandelplaats ingericht plein overgingen. -</p> -<p>„Maar dat in ’t geheel niet doet gelijken op een ruïne,” zeide Ben met een gezicht, -als meende hij, dat zijn neef hem voor den gek hield. -</p> -<p>„En toch is de naam zeer juist. Want hier en aan den overkant der gracht, stonden, -in den morgen van den 12den Januari 1807, tal van huizen die alle in een enkel oogenblik -tot puin vielen,” antwoordde Peter. „Papa was toen juist in Leiden en hij heeft het -mij dikwijls verteld.” -<span class="pagenum">[<a id="pb77" href="#pb77">77</a>]</span></p> -<p>„Hé, dan moest je ’t ook eens vertellen,” zeiden de andere jongens. „Dat zou aardig -wezen, net dat we op de plaats zelf zijn.” -</p> -<p>„Met veel genoegen,” hervatte Peter. „Weet dan, dat hier, evenals op het andere gedeelte -van het Rapenburg tal van aanzienlijke huizen stonden met geringere buurten er achter.” -</p> -<p>„Daar kunnen er nogal wat gestaan hebben,” merkte Frits op. „’t Is hier een ruimte.” -</p> -<p>„Zoo wat van driehonderd, en de ledige oppervlakte is ver over de vijf bunders groot,” -hernam Peter. „Nu was er, door welke onvoorzichtigheid weet ik niet, een schip met -veertig duizend pond buskruit op den morgen van den 12den Januari door de stad gekomen -en hier op het fraaiste gedeelte blijven liggen—ook al een ongehoorde zaak. Eensklaps—door -welke oorzaak weet natuurlijk niemand—barst het schip met een donderenden slag uiteen -en storten door de plotselinge uitzetting der lucht, drie honderd huizen in puin.” -</p> -<p>„Vreeselijk!” riep Ben uit. -</p> -<p>„Ja, wèl vreeselijk. In geheel Leiden zelf bleef er geen glas heel, en ’t was zelfs -zóó erg, dat men uit Den Haag en andere plaatsen brood moest aanvoeren, omdat de Leidsche -bakkers niet konden bakken, daar al hun meel vol glas zat. De slag deed in ’s-Gravenhage -en Gouda de glazen dreunen en de deuren openspringen en werd zelfs te Arnhem gehoord. -Maar ook hier toonde zich de Nederlandsche weldadigheid weder schitterend: meer dan -een millioen guldens werd er ingezameld tot leniging van de ramp. En wat ik niet mag -verzwijgen, Ben, en wat je zeker machtig veel pleizier zal doen als je ’t hoort: in -Engeland, dat te dien tijde met ons in zekeren zin in oorlog was, werd een collecte -voor Leiden gedaan, die vrij wat opbracht.” -</p> -<p>Ben’s gelaat blonk van genoegen over de lofspraak, die Peter aan zijn volk bracht; -want onder de deugden der Engelsche natie is er een, die zij somtijds zóó ver drijft, -dat het een ondeugd wordt: nationaliteit. -</p> -<p>„En heeft je papa je geen bijzonderheden van die ramp verteld?” vroeg Frits. -</p> -<p>„O ja, en ik wil er je wel een paar van meedeelen, die ik nog onthouden heb, als ik -de namen nog maar weet,” antwoordde Peter. „Zekere mijnheer Van Staveren, bij wien -<span class="pagenum">[<a id="pb78" href="#pb78">78</a>]</span>papa dikwijls aan huis kwam, zat in zijn woonvertrek te schrijven, terwijl zijn vrouw -met haar eenig kindje bij hem in de kamer was. Eensklaps ziet papa’s vriend een licht, -sneller dan dat van den bliksem, en op hetzelfde oogenblik is hij met al zijn huisgenooten -onder het puin bedolven. Vreeselijk gekwetst worden zij er onder vandaan gehaald; -doch het arme kind is verpletterd. Dominee Broes, bij wien papa op de catechisatie -ging, en diens echtgenoote werden ook onder de puinhoopen van hun huis begraven: zij -werden gered, maar hun dienstboden verloren het leven. Gelukkig, dat de departementale -school juist uit was; anders had een menigte schoolkinderen het aantal slachtoffers -aanzienlijk vermeerderd. Toch waren er nog een twaalftal die tusschen de morgen- en -middagschooltijden overbleven, onder wie een zoontje van professor Van der Palm. Al -die twaalf kinderen, benevens twee van den onderwijzer zelf, werden levenloos onder -het puin vandaan gehaald. Onder de vreeselijke gevallen, welke papa zich nog herinnert, -is ook dat van een gezelschap van veertien personen, dien morgen met een pleizierjacht -uit Den Haag gekomen. Zij zaten juist aan een vroolijken maaltijd bij den heer Struick, -toen eensklaps het huis boven hun hoofden instortte en ze allen in een oogenblik een -prooi des doods werden. Gelukkig was de vacantie der academie nog niet uit en werd -er geen student gemist: twee professoren echter, de heeren Luzac en Kluit, lieten -bij het ongeval hun leven.” -</p> -<p>„Vreeselijk!” riepen Ben en Frits uit. „En hoeveel menschen kwamen er wel bij om?” -</p> -<p>„Honderd en vijftig, en ongeveer twee duizend werden er gekwetst. Maar daar zijn wij -aan het museum van oudheden.” -</p> -<p>Welke groote oogen zetten zij op bij het zien van die verzameling van mummies, van -welke sommige wel drie duizend jaren oud waren! -</p> -<p>„Zonderling denkbeeld!” riep Frits uit. „Die menschen hebben vóór drie duizend jaren -door Thebe’s straten gewandeld, hebben gesproken, gedacht, bemind en gehaat.…” -</p> -<p>„En hun gelijken onderdrukt, die voor hen in ’t stof bogen.…” voegde Peter er bij. -<span class="pagenum">[<a id="pb79" href="#pb79">79</a>]</span></p> -<p>„En ze hebben thans geen macht, om een vlieg weg te jagen, die over hun neus loopt,” -zeide Lodewijk. -</p> -<p></p> -<div class="figure p079width"><img src="images/p079.png" alt="" width="574" height="582"></div><p> -</p> -<p>Behalve de mummies der volwassenen, zagen zij er van kinderen, katten, ibissen en -andere dieren. Ook de mummie van de dochter van Koningin Cleopatra in haar groote -kist. Verder allerlei huishoudelijke zaken, kleederen, sieraden, wapenen, muziek-instrumenten, -kortom, allerlei dingen, die hun een klaar denkbeeld gaven van de zeden en gebruiken -der oude Egyptenaren. Ook bezagen zij er verschillende overblijfselen van het oude -Rome en Griekenland; ook enkele, die niet ver van Den Haag zijn opgedolven op Arentsburch, -waar de Romeinen een legerplaats hebben gehad; daarna nog de afgietsels in gips van -de schoonste voortbrengselen der Grieksche en Romeinsche beeldhouwkunst. -</p> -<p>Van het museum van oudheden begaven zij zich naar dat van natuurlijke historie, waar -zij zich vermaakten met het zien van de opgezette dieren en geraamten, der delfstoffen -en fossiliën of overblijfselen uit de voorwereld. Daarna bezagen <span class="pagenum">[<a id="pb80" href="#pb80">80</a>]</span>zij den plantentuin, waar zij gewassen uit alle oorden der wereld vonden, maar zich -’t meest voelden aangetrokken door een boom, dien men zeide, dat Boerhaave zelf had -geplant. -</p> -<p>„Is dat die zelfde Boerhaave, die zoo’n groot dokter was?” vroeg Ben. -</p> -<p>„Dezelfde,” antwoordde Peter. „Hij had zulk een Europeesche beroemdheid, dat er eens -een brief uit China kwam met het adres: aan Hermanus Boerhaave in Europa.” -</p> -<p>„En kwam die terecht?” -</p> -<p>„Wel zeker. En wat het mooiste van alles was: uit alle oorden kwamen rijken en aanzienlijken -hem als arts raadplegen; maar zij moesten steeds wachten, tot hij zijn armen-praktijk -had bediend: want, zeide hij, dat zijn mijn beste klanten, omdat God voor hen betaalt.” -</p> -<p>Daar ’t in het kortst van de dagen was en zij dus niet veel tijd te verliezen hadden, -indien zij nog dien avond in Den Haag wilden zijn, begrepen zij, dat zij hun verder -bezichtigen van Leiden tot nog twee zaken moesten beperken: het Stadhuis en „Den Burcht”. -</p> -<p>Het eerste, op de Breestraat staande en vooral beroemd door den tijd van het beleg, -is een statig gebouw, uit Bentheimer steen opgetrokken, met een hooge steenen trap -van twintig treden aan elke zijde, en bevatte, behalve de beroemde schilderij van -den vermaarden Lucas van Leyden, voor welke Keizer Rudolf II eens zooveel dukaten -heeft geboden als er noodig waren om haar te bedekken, nog een van den hongersnood -gedurende het beleg, en een andere, waar Van der Werf wordt voorgesteld op het oogenblik, -dat hij zijn heldhaftige taal tot de Leidsche burgerij richt. Ook bezagen zij daar -met belangstelling overblijfselen van het beleg: den pot van Schaak, twee opgezette -duiven, die als briefposten hebben gediend, het zwaard van Van der Does, alsook verschillende -noodmunten, gedurende de belegering geslagen, zaken die thans meerendeels naar het -Stedelijk Museum zijn verhuisd. -</p> -<p>Na alles bezichtigd te hebben en een oogenblik te hebben stilgestaan bij de schilderij, -voorstellende een moeder, die aan de pest sterft, begaven zij zich naar „Den Burcht”, -destijds een logement. -<span class="pagenum">[<a id="pb81" href="#pb81">81</a>]</span></p> -<p>„Wij zullen hier koffie drinken,” zeide Peter. -</p> -<p>„En wat eten ook,” zeide Jacob. „Want van al dat ronddrentelen heb ik mooi honger -gekregen.” -</p> -<p>„Mij is ’t goed,” antwoordde Peter. „Alleen geef ik je in bedenking, of we ons maal -niet zullen bederven, daar ze ons in „De Roode Leeuw” met het middagmaal wachten.” -</p> -<p>„Nu, een broodje met ossenvleesch zal ons maal niet bederven,” zeide Karel, die ook -zijn maag geducht voelde jeuken. -</p> -<p>„Je hebt gelijk,” hernam Peter, en dit zeggende, stapte hij met zijn makkers het hek -van het zich aan den voet van „Den Burcht” bevindende logement in. -</p> -<p>Hoe ferm onze jongens ook tegen de kou konden praten—het rondwandelen door de kille -zalen der museums had hen koud gemaakt, en, al waren zij in de trekkassen van den -plantentuin een weinig bekomen, zij waren weer door en door koud geworden bij het -bezoek op het Stadhuis. Recht aangenaam was hun dus de ferm gestookte kachel in het -logement „Den Burcht”, en met volle teugen genoten zij de dampende koffie, die hen, -in vereeniging met de broodjes met vleesch, geheel en al restaureerde. Intusschen -hadden zij ’t gezicht op „Den Burcht”. -</p> -<p></p> -<div class="figure floatRight p081width"><img src="images/p081.png" alt="" width="138" height="109"></div><p> -</p> -<p>„’t Schijnt te zijn een oud gebouw, die burcht,” zeide Ben. -</p> -<p>„Dat zou ik meenen,” antwoordde Lodewijk. „Hij moet nog uit den tijd der Romeinen -zijn, die hem gebouwd hebben, zooals zij ’t andere dergelijke gebouwen deden, om het -volk des lands van uit die burchten te onderdrukken. Tevens heeft hij nog een historische -waarde: want het was op hem, dat Gravin Ada, de dochter van Dirk VII en Aleid van -Cleef, belegerd is geworden.” -</p> -<p>„Dat was tijdens de Hoeksche en Kabeljauwsche twisten, niet waar?” zeide Ben. -</p> -<p>„Wel neen, mijn Engelsche vriend,” zeide Lodewijk lachend. „Nu heb je ’t heel en al -mis. Onze gravin Ada leefde evenmin tijdens de Hoeksche en Kabeljauwsche twisten als -jelui Koningin Elisabeth tijdens den twist tusschen de Roode en Witte Roos. Gravin -Ada werd hier in 1203 belegerd en de Hoeksche en Kabeljauwsche twisten begonnen in -1349.” -</p> -<p>„En duurden tot 1493; dus bijna honderd en vijftig jaren,” voegde Frits er bij, die -ook eens zijn historische kennis wilde <span class="pagenum">[<a id="pb82" href="#pb82">82</a>]</span>laten luchten. Daar ik vertrouw, dat mijn lezeressen en lezers wel wat op de hoogte -zijn der geschiedenis van ons vaderland, zal ik hun het verhaal niet mededeelen, dat -Lodewijk aan Ben deed van de korte, maar rampspoedige regeering der ongelukkige gravin. -</p> -<p>Toen onze knapen genoegzaam gerestaureerd waren, beklommen zij de acht en zestig treden, -langs welke men aan den zes ellen hoogen muur komt. Daarop traden zij door de met -gebeeldhouwde wapens voorziene poort binnen en bestegen de hoogte, die langs den met -zes en dertig kanteelen bezetten muur loopt, en van waar zij een uitlokkend gezicht -over de stad Leiden hadden. Daarna bezagen zij den put, waarin door een machine het -water werd gepompt, hetwelk door onderaardsche pijpen werd geleid naar de in 1691 -gebouwde fontein op de Vischmarkt, die alle Zaterdagen springt. -</p> -<p>„Van dezen put wordt nog een aardige bijzonderheid verteld, die gedurende het beleg -in 1203 plaats had,” zeide Lodewijk. „Toen genoegzaam alle leeftocht was uitgeput, -ving een der soldaten in dien put een levenden visch, dien men den belegeraars toewierp, -opdat zij mochten denken, dat de belegerden nog toevloed van buiten hadden en dan -het beleg zouden opbreken. Maar ’t hielp hun niet; een paar dagen later moesten zij -zich toch overgeven.” -</p> -<p>„Er zijn allerlei dwaze vertelsels van dezen put,” merkte Frits aan, „die echter geen -van alle den minsten schijn van waarheid hebben. Zoo heb ik mij onder andere eens -laten verhalen, dat deze put met een onderaardsche gang in verband stond, die tot -Katwijk doorliep.” -</p> -<p>„Als dat was waar,” zeide Ben, „Gravin Ada zou zich niet gevangen hebben laten nemen, -zooals zij deed.” -</p> -<p>„Natuurlijk niet,” hernam Frits. -</p> -<p>Nadat zij „Den Burcht” genoegzaam bezien en hun vertering betaald hadden, wandelden -zij naar „De Roode Leeuw” terug, waar zij, na het door de dochter van den kastelein -lekker gereedgemaakte diner, nog een uurtje uitrustten en met hun waard afrekenden. -Kort daarna stonden zij, met hun schaatsen ondergebonden, op de trekvaart, die van -Leiden naar ’s-Gravenhage loopt en den naam van „Vliet” draagt. -<span class="pagenum">[<a id="pb83" href="#pb83">83</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch9" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd29e210">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">NEGENDE HOOFDSTUK.</h2> -<h2 class="main">Hoe onze reizigers in Den Haag ontvangen werden.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">„Ik dacht, dat je de reis hadt uitgesteld,” zeide mevrouw Van Gent, de zuster van -Peter en Lodewijk, toen de zes knapen door de dienstmaagd in de woonkamer waren gelaten. -„Ik had je al voor den eten gewacht en stellig op je gerekend. En daar kom je me nu -in den donker aanzetten.” -</p> -<p></p> -<div class="figure floatRight p083width"><img src="images/p083.png" alt="" width="236" height="180"></div><p> -</p> -<p>„Wat zal ik je zeggen, Marie,” zeide Peter. „We hebben den dag besteed, om Leiden -eens te zien. Je bent er toch niet boos om?” -</p> -<p>„Boos?—In ’t geheel niet. Integendeel, ik ben heel blij dat je gekomen zijt. Maar -gaat zitten. En zijn dat je kameraads? Nu, jongens, je moet je tijd maar goed besteden -in ons mooi Haagje. Daar is ook wat te zien, dat verzeker ik je.” -</p> -<p>Nadat onze knapen waren gezeten en Peter alle vragen naar de familie had beantwoord, -zeide mevrouw Van Gent: -</p> -<p>„En nu zul je wel honger hebben ook. Ik zal zorgen, dat je binnen een half uur je -middagmaal hebt.” -</p> -<p>„Doe maar geen moeite, Marie,” antwoordde Peter. „We hebben te Leiden reeds gedineerd -en dus geen behoefte aan middageten. Je zoudt ons meer pleizier doen met een paar -boterhammen en een kop thee.” -</p> -<p>„Die zul je hebben,” antwoordde mevrouw Van Gent, terwijl zij de meid schelde, om -het noodige te brengen. -</p> -<p>Toen onze jongens nu rondom de tafel zaten, bij de gezellige carcellamp en den niet -minder gezellig vlammenden haard, kwam mijnheer Van Gent thuis. -</p> -<p>„Welzoo, ben jelui toch gekomen?” zeide hij, terwijl hij ieder der knapen hartelijk -de hand reikte. „Kom, dat is goed. Marie had je al uitgeschrapt. Toch niet van morgen -pas van Broek gegaan, denk ik?” -</p> -<p>„Gistermorgen, François,” zeide Peter. „En wel vóór dag en dauw.” -<span class="pagenum">[<a id="pb84" href="#pb84">84</a>]</span></p> -<p>„Dan hadt je ook wel wat vroeger hier kunnen zijn, dunkt mij.” -</p> -<p>„Als er geen bijzonderheden te zien waren geweest in Haarlem en Leiden,” zeide Lodewijk. -</p> -<p>„Ha, zoo! Heb je daar je tijd aan besteed? Kijk, dat bevalt me. Nu, dan zal ik zorgen, -dat je hier ook al het merkwaardige ziet. Je blijft toch zeker tot na Nieuwjaar?” -</p> -<p>„Wij zijn van plan, om overmorgen vroeg weer te vertrekken,” zeide Peter. -</p> -<p>„Dat kun je begrijpen. Overmorgen! Daar komt niets van, beste vriend!” -</p> -<p>„Maar ze wachten ons thuis,” hervatte Peter. -</p> -<p>„Dat doet niets tot de zaak. Je schrijft morgen een brief naar Broek en meldt daarin, -dat je tot na Nieuwjaar hier blijft.” -</p> -<p>„Dat zouden we niet kunnen,” hernam Peter. „We moeten den dertigsten te Broek zijn: -want dan is er een groote wedren op schaatsen, en dien kunnen we niet verzuimen.” -</p> -<p>„Dat spijt me. In vredesnaam! Dan moeten we morgen onzen tijd maar goed besteden. -Doch verhaal me nu eens, hoe je ’t op je reis van Broek hierheen gehad hebt?” -</p> -<p>De jongens verhaalden nu de lotgevallen, welke zij op hun tochtje gehad hadden. Toen -zij aan hun nachtelijk avontuur kwamen, zeide mevrouw Van Gent: -</p> -<p>„Maar hoe kon je ook zoo dwaas zijn, om in zulk een logement te kruipen?” -</p> -<p>„Wat zal ik zeggen,” antwoordde Peter. „We hadden ons door den voerman om den tuin -laten leiden, en toen wij er eenmaal in waren.…” -</p> -<p>„Had Jacob geen lust om verder te zoeken,” voegde Karel er bij. -</p> -<p>„Alsof ik ’t alleen was,” zeide Jacob. „Er waren nog wel anderen, die even moe waren -als ik.” -</p> -<p>„Nu, hou je maar niet groot, vriendlief,” zeide Frits. „Trouwens, ’t is je niet kwalijk -te nemen. Je hebt vrij wat meer mee te sleepen dan wij.” -</p> -<p>„Dat heeft hij,” bevestigde mevrouw Van Gent. „En nu—wat zijn de plannen voor morgen?” -<span class="pagenum">[<a id="pb85" href="#pb85">85</a>]</span></p> -<p>Mijnheer Van Gent ontwikkelde zijn plan voor den volgenden dag. Daar wij echter ons -zestal op de uitvoering daarvan zullen vergezellen, wil ik dat niet mededeelen en -zullen wij ook de verdere gesprekken van dien avond niet beluisteren, maar laten wij -liever de jongens wat tijdig naar bed gaan, om den volgenden morgen vroeg bij de hand -te zijn. -</p> -<p>„Je zult je wat moeten behelpen, jongens,” zeide mevrouw Van Gent. „Ik ben niet ingericht -op zes logés en dus zul je twee aan twee moeten slapen. Ik heb gedacht, als Peter -en Lodewijk, Jacob en Ben, Karel en Frits samen wilden slapen, dan zou dat heel goed -gaan.” -</p> -<p>„Opperbest!” zeide Peter, die den hemel dankte, dat hij niet weer naast de mummie -zou behoeven te liggen en van een ijsberg van duizend voet zou droomen. -</p> -<p>Ook de anderen vonden die schikking goed, en zoo trok men reeds om tien uur naar bed. -Dat was een ander logies dan den vorigen nacht. Ieder tweetal had een afzonderlijke -kamer, keurig gemeubeld en van een ledikant voorzien, zóó ruim, dat er wel drie jongens -naast elkander hadden kunnen liggen, zonder elkander te hinderen. En dan zulke heerlijke -bedden en zoo’n lekker dek! En op elke kamer een brandend nachtlicht—hetgeen den jongens -trouwens niet kon schelen, daar zij toch met hun oogen toe sliepen en in het donker -net zoo goed konden zien als zonder licht. ’t Duurde dan ook niet lang, of zij lagen -te slapen als rozen en droomden.… doch hoe zal ik u de droomen van zes levenslustige -knapen vertellen? Daarenboven—droomen is bedrog. -</p> -<p>’t Was nog niet geheel en al licht, toen mijnheer Van Gent onze knapen kwam wekken. -En ofschoon zij zich nog gaarne eens hadden omgekeerd en Jacob wel een weinig bromde, -toen Ben hem een paar fiksche stompen gaf om hem geheel en al wakker te maken, waren -zij toch spoedig uit hun bed en deed het hun veel genoegen, dat de kachels op hun -logeerkamers reeds ferm snorden en zij zich op geen koude vertrekken behoefden aan -te kleeden. -</p> -<p>„Wel, hoe hebt jelui geslapen?” vroeg mevrouw Van Gent, die hen reeds aan de ontbijttafel -zat te wachten, toen <span class="pagenum">[<a id="pb86" href="#pb86">86</a>]</span>zij al heel spoedig, nadat ze geroepen waren, beneden kwamen. -</p> -<p>„O, uitmuntend,” antwoordde Frits. „Alsof we thuis waren.” -</p> -<p>„En heeft Jacob u niet bloot gewoeld, Ben?” -</p> -<p>„Neen, hij heeft gedragen zich fashionably” antwoordde Benjamin. -</p> -<p>„En jij bent van geen ijsberg van duizend voet gevallen, Peter?” -</p> -<p>„Ik heb veel te warm gelegen, Marie, om van ijsbergen te droomen,” antwoordde de aangesprokene. -</p> -<p>Onder vroolijke gesprekken ging het ontbijt voort. Toen men geëindigd had, keek mijnheer -Van Gent op zijn horloge. -</p> -<p>„’t Wordt onze tijd,” zeide <span class="corr" id="xd29e1583" title="Bron: zij">hij</span>. „Komt, jongens, maakt je klaar! Het rijtuig zal wel dadelijk voorkomen en we moeten -zorgen, dat de paarden geen koude voeten krijgen; anders mochten ze wel elk vier stoven -onder hun beenen hebben.” -</p> -<p>Er behoefde geen tweede sein te worden gegeven. Als een troep wilde ganzen stormden -de jongens naar hun kamers en kwamen kort daarop gekleed en gereed binnen, waar zij -ook mijnheer en mevrouw Van Gent in de kleeren vonden. -</p> -<p>’t Was dan ook hoog tijd: want op hetzelfde oogenblik kwam er een heerlijke barouchette -voor, waarvan de glazen natuurlijk alle toe waren. De tocht ging naar Scheveningen. -</p> -<p>„Wij zullen eerst den nieuwen weg nemen, die langs ’t Kanaal is aangelegd,” zeide -mijnheer van Gent. -</p> -<p>En zoo deden zij en reden den over de duinen gebaanden weg op, die langs het groote -kerkhof loopt en recht tegenover het badhuis uitkomt. Hier gebruikten zij wat en wandelden -langs het strand tot aan het dorp Scheveningen, waarheen het rijtuig vooruitgezonden -was. -</p> -<p>Al de jongens waren opgetogen over de zee, die op dat oogenblik echter al te kalm -naar hun zin was, en het speet Ben, dat hij geen verrekijker bij zich had, die vèr -genoeg droeg, om Engeland aan de overzijde te zien, waarover allen hartelijk lachten. -</p> -<p>„Dat is het paviljoen, in 1826 door Koning Willem I voor zijn gemalin gesticht,” zeide -mijnheer Van Gent. „’t Is in Toskaanschen stijl gebouwd.” -<span class="pagenum">[<a id="pb87" href="#pb87">87</a>]</span></p> -<p>Veel pret had ons zestal in de kleeding der Scheveningers, vooral in die der kleine -meisjes, die volmaakte miniatuur-Scheveningsters waren. -</p> -<p>„In vroegere eeuwen,” zeide mevrouw Van Gent, „hadden de Scheveningers er pret in, -hun vrijsters te doopen en in te zouten.” -</p> -<p></p> -<div class="figure floatRight p087width"><img src="images/p087.png" alt="" width="418" height="613"></div><p> -</p> -<p>„In te zouten!” herhaalden vier stemmen te gelijk. -</p> -<p>„Ja, in te zouten. In de maand Mei, als wanneer men nog op Scheveningen een feest -houdt voor het verhuizen van de eene pink op de andere, noodigden de jonge knapen -hun vrijsters uit, om met hen naar het strand te gaan en een zeeluchtje te scheppen. -Dan was het strand gezaaid met menschen. Op ’t onverwachts echter nam iedere knaap -zijn meisje op de armen en droeg haar, ondanks haar tegenspartelen, een geheel eind -in zee. Daar gekomen, doopte hij haar in het water, zoodat zij droop, en droeg haar -vervolgens naar de duinen, waar hij haar in het zand rolde.” -</p> -<p>„Die meisjes zullen er fraai hebben uitgezien”, zeide Jacob. „Maar die gewoonte bestaat -nog in Zeeland; ten minste zij bestond nog ten tijde van Bellamy.” -</p> -<p>„Die ’t ons in zijn „Roosje” zoo naïef beschrijft,” voegde Peter er bij. -</p> -<p>„Daar is echter het inzouten, voor zoover mij bewust is, <span class="pagenum">[<a id="pb88" href="#pb88">88</a>]</span>niet in de mode,” zeide mijnheer Van Gent. „Ook geloof ik niet, dat zij er hun vrijsters -doopen. Dit gebruik hier echter, dat al zeer oud moet zijn en niet meer in zwang is, -kostte eens een adellijke dame van een onzer eerste geslachten het leven.” -</p> -<p>„Inderdaad,” zeide Ben. „O, pray, doe vertellen dat eens.” -</p> -<p>„’t Was een jonge gravin van Egmond. Met haar verloofde, een Duitschen Graaf, aan -het strand wandelende, had zij veel vermaak in die Meipret. Op eens neemt de graaf, -die zeker wilde toonen, hoe weinig bang hij voor het groote water was, en wel te galant -zal geweest zijn, om zijn adellijke beminde den zeedoop te doen ondergaan, de gravin -op en draagt haar in zee. Door haar tegenspartelen bezeert zij zich aan zijn degen—en -deze wond, waarin het koud vuur kwam, kostte haar het leven.” -</p> -<p>Aan het dorp gekomen, stapte men weer in het rijtuig. -</p> -<p>„Die kerk,” zeide mevrouw Van Gent, „stond vroeger midden in het dorp.” -</p> -<p>„Is zij dan verzet?” vroeg Frits. -</p> -<p>„Wel neen, maar bij de verschillende hooge vloeden, door welke Scheveningen geteisterd -is, zijn al de huizen, die aan den zeekant stonden, weggespoeld.” -</p> -<p>„Vreeselijk!” riep Jacob uit. -</p> -<p>Men reed nu den schoonen, met boomen beplanten weg langs, naar het plan van Constantijn -Huijgens aangelegd, en gedacht bij het voorbijrijden van „Zorgvliet” aan onzen volksdichter -Jacob Cats, die deze plaats heeft aangelegd, wiens gedichten bij onze voorouders in -huis- en pronkvertrek een plaats hadden naast den Staten-Bijbel en van wiens zinrijke -spreuken er nog ten huidigen dage in den mond van het volk leven. Daarna reden zij -het schoone Willemspark met zijn prachtige villa’s door, bewonderden de Alexanderstraat -en de Mauritskade, en lieten zich brengen tot aan het oude paleis in het Noordeinde, -waar zij uit het rijtuig stapten, dat mevrouw Van Gent naar huis zou brengen, nadat -deze haar man wèl op ’t hart gedrukt had, om toch tegen het koffiedrinken thuis te -zijn, daar de jongens anders flauw zouden vallen van den honger. -</p> -<p>„Hier staan wij nu tusschen twee paleizen,” zeide mijnheer <span class="pagenum">[<a id="pb89" href="#pb89">89</a>]</span>Van Gent, nadat het rijtuig was weggereden<span class="corr" id="xd29e1621" title="Bron: ,">.</span> „Dat aan uw linkerhand is het oude huis van Van Wassenaar Obdam en heeft zijn front -op den Kneuterdijk.” -</p> -<p>„Is dat van den admiraal Van Wassenaar Obdam, die in den tweeden Engelschen oorlog -in de lucht vloog?” vroeg Peter. -</p> -<p>„Van denzelfden. Een graftombe is voor hem opgericht in het koor der Groote Kerk.” -</p> -<p>„Daar hij wel toch zelf niet ligt onder,” zeide Ben. -</p> -<p>„Natuurlijk niet. Het paleis aan onze rechterhand is dat van onze tegenwoordige koningin. -Jammer, dat H. M. thans in Den Haag is; anders zou ik het u laten zien. Het is prachtig -en vorstelijk gemeubileerd, dat kan ik u verzekeren. Dat ruiterstandbeeld is van Willem -den Eersten, den grondlegger onzer vrijheid. Het werd hier geplaatst door Koning Willem -II en munt uit door zijn schoone vormen en stoute conceptie.” -</p> -<p>Toen zij het Heulstraatje doorgewandeld waren, bleef mijnheer Van Gent staan. -</p> -<p>„Ziet nu aan uw linkerhand, daar in den hoek staat het voormalig paleis van Willem -II; een paar huizen verder ziet gij het huis, waarin Oldenbarneveld gewoond heeft; -die kerk op den hoek van dat straatje is de Kloosterkerk, waarin Prins Maurits ging -om de voorkeur te doen zien, welke hij den contra-remonstranten wilde betoonen, en -verder op is een schoon hardsteenen gebouw met breede trap, waarin eens een beruchte -prefect van het Departement der Zuiderzee, baron De Stassart, woonde en dat tegenwoordig -is ingericht tot koninklijke bibliotheek en bewaarplaats van een aanzienlijke verzameling -gouden, zilveren, bronzen en koperen munten. Als gij langer bleeft, zou ik èn de bibliotheek -èn het penningkabinet eens met u bezoeken; nu echter gaan wij den Kneuterdijk op.” -</p> -<p>„Is hier niet het huis van den Raadpensionaris Jan de Witt?” vroeg Peter. „Ik meen -ten minste te hebben gelezen, dat dit op den Kneuterdijk stond”<a class="noteref" id="xd29e1633src" href="#xd29e1633">1</a>. -</p> -<p>„En ik herinner mij, dat Gijsbert Karel van Hogendorp ook op den Kneuterdijk gewoond -heeft,” voegde Frits er bij. -<span class="pagenum">[<a id="pb90" href="#pb90">90</a>]</span></p> -<p>„Dan moeten we ook kort bij de Gevangenpoort en ’t Groene Zoodje zijn,” zeide Karel. -</p> -<p>„Wacht maar, ik zal je alles wijzen. En misschien nog meer dan je wel weet,” antwoordde -de heer Van Gent, die er recht schik in had, dat de jongens zooveel historische kennis -en zooveel lust tot onderzoeken hadden. „Hier aan onze rechterhand heb je het huis -van Van Hogendorp, en daarnaast is de woning van onzen onsterfelijken Jan de Witt, -waarin ook zijn zwager Van Swijndrecht woonde.” -</p> -<p>Met aandoening beschouwden onze knapen het huis, waarin eens zulk een groot man geleefd, -gedacht en gewerkt had. Zoo ging men voort tot op de Plaats. -</p> -<p>„Hier bij dezen lantaarnpaal,” vervolgde mijnheer Van Gent, „is ’t Groene Zoodje. -Hier stond het schavot, waarop Reinier van Groeneveld, Buat en Van der Graaff zijn -onthoofd en de gebroeders de Witt zijn opgehangen en mishandeld. En daar, die groote -keisteen met zeven strepen is er ter gedachtenis gelegd van den vreeselijken moord, -aan Aleida van Poelgeest gepleegd, omdat zij graaf Albrecht tot de partij der Kabeljauwen -had overgehaald.” -</p> -<p>„Maar kijkt nu eens recht uit,” vervolgde hij na een poos. „Deze poort is de Gevangenpoort, -vroeger Voorpoort van den Hove, en dit venster dat van den kerker van Cornelis de -Witt.” -</p> -<p>„Zouden wij dien niet kunnen zien?” vroeg Peter. -</p> -<p>„We zullen ’t vragen. Zeggen ze neen, dan zijn we nog even ver.” -</p> -<p>Men ging de Gevangenpoort door en schelde aan. Het verzoek, om de vroegere gevangenis -te zien, werd volgaarne ingewilligd. Met aandoening klommen zij de trap op, welke -de gebroeders De Witt door het opgeruide gemeen waren afgesleept; met niet minder -aandoening aanschouwden zij de kamer, waar beiden de laatste en vreeselijkste oogenblikken -huns levens doorbrachten. En toen zij daarna in den kelder afdaalden en hun de pijnbank -gewezen werd, op welke de Ruwaard van Putten werd gepijnigd, toen stond er in het -oog van Lodewijk een traan, die hem waarlijk niet tot schande was. -</p> -<p>Nadat mijnheer Van Gent de vriendelijke dienstmaagd, die <span class="pagenum">[<a id="pb91" href="#pb91">91</a>]</span>hun een en ander had laten zien, met een ruime fooi beloond had, wandelde men naar -het Buitenhof. -</p> -<p>„Kijk nu eens recht voor u,” zeide mijnheer Van Gent. „Uit deze ramen hield eens de -snoode Tichelaar zijn redevoering tot het volk. En nu linksom. Dit standbeeld is dat -van den ridderlijksten onzer vorsten, van den edelen Koning Willem II, die bij Quatre-Bras -voor onze onafhankelijkheid streed en bij Waterloo zijn bloed voor ons veil had.” -</p> -<p>„’t Staat daar al heel mooi,” zeide Frits. „En hoe sierlijk zijn die beelden aan den -voet!” -</p> -<p>„Dat zijn ze,” hernam mijnheer Van Gent. „En nu slaan we linksom en gaan naar het -Binnenhof, het oudste gedeelte van Den Haag en dat door drie poorten kan worden gesloten. -Vroeger hingen hier de vaandels, in verschillende veldslagen op de vijanden des lands -behaald. Doch die zijn tijdens Koning Lodewijk weggenomen en naar Amsterdam gezonden. -Die, welke wij nu doorgaan en boven welke de appartementen der vroegere Prinsen van -Oranje zich uitstrekten, heet de Stadhouderspoort.” -</p> -<p>„Die is, in het laatst der achttiende eeuw, tegen alle bepalingen aan doorgereden -door Cornelis de Gijzelaar,” zeide Peter. „En daar vandaan hebben de tegenstanders -van het Huis van Oranje in dien tijd den naam van Keezen gekregen.” -</p> -<p>„Juist. En hier vlak over ons hebben wij het oudste gebouw van Den Haag: de Loterijzaal -of liever de groote ridderzaal, door Willem II, graaf van Holland en Zeeland, in 1270 -gesticht, en den oorsprong van Den Haag.” -</p> -<p>Zij bezichtigden nu de groote ridderzaal, toen nog niet herbouwd of liever gedeconstrueerd; -verder de vergaderzaal van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, waar het Twaalfjarig -Bestand werd gesloten en die daarom vroeger den naam van Trèves-kamer droeg. Zij is -vooral bezienswaardig om haar schoone schilderijen, voornamelijk het schoorsteenstuk, -hetwelk Prins Willem III ten voeten uit in koninklijk gewaad voorstelt;—en het gebouw, -dat tot vergaderplaats dient van de Tweede Kamer, vroeger gebruikt tot danszaal voor -de Prinsen van Oranje, maar onder Prins Willem V van hardsteen herbouwd en tot vergaderzaal -voor de Staten-Generaal ingericht. Hier werd in 1796 de eerste Nationale Vergadering -gehouden. -<span class="pagenum">[<a id="pb92" href="#pb92">92</a>]</span></p> -<p>„Dat torentje aan de linkerzijde der groote ridderzaal,” vervolgde mijnheer Van Gent, -toen zij uit de troonzaal kwamen, „is ook nog merkwaardig. Hier stond het schavot, -waarop de grijze Oldenbarneveld het leven verloor onder beulshanden. En daar vlak -over ons is een merkwaardige kapel, de oudste kerk van Den Haag, tegenwoordig in gebruik -bij de Roomsen-Katholieken, onder den naam van Hofkerk. Zij heette vroeger de „kapel -van Maria ten Hove” en is waarschijnlijk door Graaf Willem II gebouwd en door diens -zoon Floris V voltrokken. In deze kapel woonden de vroegere graven van Holland en -Zeeland de godsdienstoefeningen bij. Na de Hervorming werd zij tot een Gereformeerde -kerk ingericht, waar, op last der Staten van Holland, in de landtaal en, sedert 1592 -vooral ten genoegen van Louise de Coligny, ook in het Fransch werd gepredikt. Toen -men bij het verbouwen in 1769, de fondamenten van den muur aan de zijde van het Binnenhof -opbrak, vond men daar verscheidene houten en looden grafkisten, waarin zich het gebeente -der Oudhollandsche graven bevond.” -</p> -<p>„En heeft men die beenderen bewaard?” vroeg Frits. -</p> -<p>„Men kon ’t niet. Zoodra zij met de buitenlucht in aanraking kwamen, vielen zij in -elkander. Een der lijken echter, dat in een looden kist lag, was door een sterk vocht -vrij wel bewaard. Uit de wonden, welke het aan den hals en in het gezicht had, veronderstelde -men, dat dit het lijk van Willem IV moet zijn geweest, die in 1345 in den slag bij -Warns tegen de Friezen is gesneuveld. In de kist van Jacoba van Beieren was het hoofdhaar -nog ongeschonden bewaard; men heeft dat naar het museum gebracht en daar zullen wij -het straks zien.” -</p> -<p>Daar het te koud was om lang stil te staan, waren zij tot genoemd huis doorgewandeld -en beschouwden hier eerst het museum van Japansche, Chineesche en andere curiositeiten -en eindelijk, in de laatste zaal, de historische overblijfselen. ’t Meest werd de -aandacht onzer knapen geboeid door het gewaad, dat Prins Willem I had aangehad, toen -hij te Delft door Balthazar Gerards vermoord werd. Duidelijk kon men de plaats zien, -waar de kogel was doorgegaan. Daar lag ook het hemd van den grooten man, nog gekleurd -van het edel bloed, dat hij voor ons land veil had gehad, de uitgesneden kogel met -<span class="pagenum">[<a id="pb93" href="#pb93">93</a>]</span>een paar beentjes, die door het vuurwapen verbrijzeld waren, de pistolen van den moordenaar -met zijn sententie, zooals die binnen Delft is uitgevoerd. Verder zagen zij er geuzennappen, -geuzenpenningen, zilveren schotels, aan onze grootste zeehelden ten geschenke gegeven, -groote haakbussen, oude pieken; ook uit later tijd, den stoel, waarop Chassé in de -citadel heeft gezeten, en een geweer, afkomstig van het in de lucht gesprongen schip -van Van Speyk. -</p> -<p>Maar wat vooral Ben het meest belang inboezemde, was het Oudhollandsche huis in schildpadden -kast, eens voor Czaar Peter van Rusland vervaardigd, en dat zulk een duidelijke voorstelling -bevat van het ameublement onzer voorouders. -</p> -<p>Daarna begaf men zich de trap op naar het schoone museum van schilderijen door oude -meesters. Als de tijd niet gedrongen had, zouden de knapen gaarne langer hebben vertoefd -voor de ontleedkundige les van Rembrandt, voor den stier van Potter, den veldslag -van Wouwerman, en zoo menig stuk dat niet alleen groote kunstwaarde bezit, maar ook -zelfs den oppervlakkigen beschouwer door zijn meesterlijk navolgen van de natuur boeit. -</p> -<p>„Wij moeten naar huis, jongens,” zeide mijnheer Van Gent, „anders krijgen wij knorren -van mijn vrouw en—wat erger is—koude koffie.” -</p> -<p>„Is dit huis gebouwd door Prins Maurits, die vocht in het slag at Newpoort?” vroeg -Ben, toen zij de trappen van het museum afgingen. -</p> -<p>„Neen, Ben. Het is gesticht door Johan Maurits van Nassau, den held van Brazilië, -en gebouwd door den beroemden Jacob van Kampen, den bouwmeester van het paleis van -Amsterdam, en Daniël Stalpert. Maar zie nu eens hier. Dit is het standbeeld van Willem -den Zwijger, denzelfden, wiens ruiterstandbeeld gij in het Noordeinde hebt gezien.” -</p> -<p>„En wiens kleeren op het Prins-Maurits-huis waren,” zeide Jacob. -</p> -<p>Toen zij bij mevrouw Van Gent kwamen, zat deze hen reeds met de koffie te wachten, -of liever, ter eere van Benjamin en ten genoegen van den eetlust der vijf andere jongens, -met een soort van luncheon of Engelsch ochtenddiner. Onder het vertellen van wat men -gezien had, werden verdere plannen <span class="pagenum">[<a id="pb94" href="#pb94">94</a>]</span>voor dien dag besproken. De jongens, zeide mijnheer Van Gent, moesten hun schaatsen -medenemen, dan zou men, na eerst de kanongieterij te hebben bezien, een wandeling -door het Bosch doen en vervolgens, te midden van de beaumonde van Den Haag, op de -vijvers schaatsen rijden. Daarna zou men een bezoek brengen aan het Huis ten Bosch -en vervolgens naar huis rijden om te dineeren, terwijl mevrouw Van Gent als voorwaarde -stelde, dat zij het verdere van den avond zouden uitrusten en in den huiselijken kring -slijten, als wanneer zij ze op een glas warmen wijn met bisschop en wentelteefjes -zou trakteeren. -</p> -<p>„En dan gaan jelui morgen per spoortrein naar Amsterdam terug,” eindigde zij. -</p> -<p>„Per spoortrein, Marie?” vroeg Peter. „Dan zal men ons in Broek uitlachen.” -</p> -<p>„Laat men lachen,” zeide Jacob, die alweer meer trek had om rust te nemen, dan zich -in te spannen. „Ik vind het voorstel van mevrouw Van Gent lumineus.” -</p> -<p>„’t Zou een schandelijk eind van onzen tocht zijn,” zeide Frits. -</p> -<p>„Mevrouw Van Gent is in ’t gelijk,” zeide Ben. „Wij moeten gaan per railway. Otherwise -wij zullen niet zijn in staat om overmorgen te rijden.” -</p> -<p>„’t Best is, dat wij er ons op beslapen,” hernam Lodewijk. -</p> -<p>„Ik ben verzekerd, dat mijn voorstel wel zal worden aangenomen, als de jongens van -middag gedineerd hebben,” hernam mevrouw Van Gent, die berekende, dat ons zestal na -den tocht naar het Bosch wel van idee veranderen zou. -</p> -<p>„Als mevrouw Van Gent het mij veroorlooft, dan zou ik haar gaarne gezelschap houden, -in plaats van mede naar het Bosch te gaan,” zeide Jacob, die tamelijk vermoeid was -van de morgenwandeling. -</p> -<p>„Geneer je niet, Jacob,” antwoordde mevrouw Van Gent, die zeer goed begreep wat de -reden van Jacobs wellevendheid was. „Ik mag je niet van je fortuin afhouden. Ga gerust -mee. Kanongieten heb je nog nooit gezien en een partijtje op de vijvers in het Bosch -is ook niet te verwerpen.” -</p> -<p>„Maar dan zit Mevrouw den geheelen namiddag alleen,” hervatte Jacob. -<span class="pagenum">[<a id="pb95" href="#pb95">95</a>]</span></p> -<p>„Inderdaad, geneer je niet,” hernam mevrouw Van Gent. „Ik ben wel gewoon aan de eenzaamheid. -Mijn man is een groot deel van den dag uit.” -</p> -<p>Jacob zat er geducht in, toen zijn gewaande beleefdheid zoo werd gerefuseerd. Gelukkig -dat Ben hem uit den nood hielp. „Mijn neef is zoo vermoeid,” zeide hij. „En daarom -hij wenscht te profiteeren van het gezelschap van Mevrouw, because het hem behaagt -veel.” -</p> -<p>„Je slaat den spijker op den kop,” hervatte Jacob, die nu maar ruiterlijk voor de -waarheid uitkwam. -</p> -<p>„’t Mocht je anders weer eens zoo gaan als eergisteren,” zeide Karel. „En dan zou -je een mal figuur maken op de vijvers in het Bosch.” -</p> -<p>Toen de knapen het luncheon gebruikt hadden en wat uitgerust waren, gingen zij, behalve -Jacob die thuis bleef, met hun schaatsen in de hand naar de kanongieterij, waar mijnheer -Van Gent toegang had gekregen en waar men juist aan het gieten was. Daarna wandelden -zij het Bosch in, dat, ofschoon van zijn groen beroofd en dus vrij wat minder schoon -dan in den zomer, er toch statig genoeg uitzag, om hun bewondering te wekken. -</p> -<p>Nadat zij langen tijd in dat heerlijke gedenkstuk van den ouden tijd gewandeld hadden, -welks westelijk gedeelte nog eenig denkbeeld geeft, hoe ’t er in den tijd van de Batavieren -en Kaninefaten uitzag, bonden zij de schaatsen aan en vermaakten zich te midden van -een talrijk en uitgezocht publiek van schaatsenrijders, waarbij zij hun oogen uitkeken -naar de bonte rij van wandelaars uit de eerste standen des lands, die zich langs de -vijvers bewogen. -</p> -<p>Daarop bezichtigden zij het Huis ten Bosch, door Amalia van Solms, de weduwe van Prins -Frederik Hendrik, ter eere van haar gemaal gesticht: een mausoleum uit den nieuweren -tijd. Vooral de Oranjezaal boeide hen lang. Het is een achthoekige zaal met een rond -koepeltje in het dak, hetwelk haar een eigenaardig licht schenkt. Terstond bij het -binnentreden wordt men getroffen door de heerlijke voorstelling van Frederik Hendrik -op zijn triomfwagen met vier witte paarden door Pallas en Mercurius gemend; terwijl -de overwinning zijn hoofd met een lauwerkrans kroont en de faam de pijlen <span class="pagenum">[<a id="pb96" href="#pb96">96</a>]</span>afweert, waarmede de dood den held bedreigt. Niet minder trof hun het beeld van den -grijzen tijd en de afbeelding van de stichtster zelf met haar dochters, levensgroot -en ten voeten uit. Al had men geen andere overblijfselen der Oudnederlandsche schilderschool -dan die heerlijke schilderijen uit de Oranjezaal, dan nog zouden deze genoegzaam zijn -om den naam onzer oude kunstenaars te vereeuwigen. -</p> -<p>Maar ’t wordt tijd, dat wij met de jongens naar huis gaan. Ik laat aan de verbeelding -mijner lezeressen en lezers over, hoe het diner hun smaakte, hoe genoeglijk zij den -avond bij de familie Van Gent doorbrachten, hoe zij naar Amsterdam spoorden en hoe -zij toch op schaatsen van de hoofdstad naar Broek reden. Ook wij keeren derwaarts -terug. -</p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd29e1633" href="#xd29e1633src">1</a></span> Zie mijn „Huisgezin van den Raadpensionaris.” <a class="fnarrow" href="#xd29e1633src">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch10" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd29e218">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">TIENDE HOOFDSTUK.</h2> -<h2 class="main">De gevaarlijke operatie.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">’t Wordt tijd, dat we weder eens een kijkje nemen in de hut van Rolf Brinker, van -wien we ’t laatst hebben gehoord, toen Hans op weg naar Leiden was. -</p> -<p>Wij vinden er dokter Broekman, die, toen hij het briefje van Peter ontvangen had, -nog denzelfden dag naar Amsterdam was vertrokken om hulp toe te brengen, waar hij -die zoo hartelijk beloofd had. Wij zien hem in een hoek van het vertrek zacht spreken -met een jongmensch, student in de medicijnen en zijn assistent. Hans is ook in het -vertrek, eerbiedig wachtende, totdat hij zou worden aangesproken. Van hun gesprek -verstond hij niets, daar het eensdeels fluisterend werd gevoerd, anderdeels zoo met -Latijnsche woorden doorspekt was, dat het toch voor hem geheel onverstaanbaar zou -zijn geweest, al hadden zij ook luide gesproken. Maar zooveel begreep hij wel aan -hun ernstig gelaat, dat er van iets zeer gewichtigs sprake was, en daarin werd hij -versterkt door de woorden van den student: -<span class="pagenum">[<a id="pb97" href="#pb97">97</a>]</span></p> -<p>„Indien er iemand in Holland den armen man kan redden, dokter, dan zijt gij het.” -</p> -<p>De dokter keek min of meer knorrig over dien lof; want hij wist maar al te wel en -had het in zijn langdurige praktijk slechts al te dikwijls ondervonden, dat de kunst -wel kan te gemoet komen, wel kan helpen, maar dat er slechts één is die kan redden, -en dat is God. Hij wenkte dus Hans, om nader te komen. -</p> -<p>„Hoor eens, mannetje,” zeide hij op denzelfden vriendelijken toon, als hij vroeger -te Buiksloot tegen hem had aangeslagen. „Daar is maar één middel om je vader te helpen, -maar ik moet je vooraf zeggen, dat hij onder de handen kan dood blijven; ’t is een -operatie.” -</p> -<p>Hans keek den dokter angstig aan. -</p> -<p>„En u zegt, dat vader onder uw handen kan sterven,” zeide hij met sidderende stem. -</p> -<p>„Ja, ’t is er op of er onder. Maar ik heb alle hoop, dat de operatie zal gelukken. -Intusschen, jij en je moeder moeten decideeren. De operatie is te gevaarlijk, dan -dat ik die zonder uw beslissing zou willen ondernemen. Vraag jij dus aan je moeder, -hoe zij er over denkt. Want er moet spoedig een besluit genomen worden, daar mijn -tijd kostbaar is.” -</p> -<p>Hans ging naar zijn moeder, vertelde haar wat de dokter hem gezegd had, en eindigde: -</p> -<p>„En nu moeder, hoe wilt gij? De dokter wacht op antwoord.” -</p> -<p>„Ach, Hans, ik weet het niet,” zeide zij met bewogen stem. „Beslis jij voor mij en -voor jou.” -</p> -<p>„Maar moeder, hoe kan ik dat?” -</p> -<p>„Ach kind! Wat zal ik antwoorden? Je zegt, dat vader onder de handen kan dood blijven.” -</p> -<p>„Dat kan hij. Maar hij kan ook beter worden.” -</p> -<p>„Ik weet het niet, Hans, ik weet het waarlijk niet.” -</p> -<p>„Welnu, antwoord dan, zooals God u dat in ’t hart geeft, moeder.” -</p> -<p>Vrouw Brinker sloeg het betraande oog naar boven, als vroeg zij God om raad. Uit het -binnenste van haar ziel steeg een gebed naar den troon des Almachtigen. Een oogenblik -later wendde zij zich tot den dokter. -</p> -<p>„Gods wil geschiede, mijnheer!” zeide zij. „Ga uw gang!” -</p> -<p>Met kalme bedaardheid deed nu dokter Broekman een lederen <span class="pagenum">[<a id="pb98" href="#pb98">98</a>]</span>étui open, waaruit hij verschillende scherpe, blinkende instrumenten haalde, terwijl -hij Hans beval, een kom met frisch koud water en eenige doeken te brengen. -</p> -<p>Griete had al wat er gebeurde met angstig stilzwijgen gadegeslagen. Toen zij nu den -dokter die scherpe instrumenten voor den dag zag halen, vloog zij naar haar moeder -toe, sloeg haar armen om den hals der reeds zoo geschokte vrouw en riep uit: -</p> -<p>„Ach moeder! ze zullen vader gaan vermoorden—dat zullen ze.” -</p> -<p>„Ik weet het niet, kind!” schreide vrouw Brinker. „’t Is wel mogelijk!” -</p> -<p>„Hoor eens, vrouwtje,” zeide dokter Broekman ernstig, terwijl hij tevens een doordringenden -blik op Hans wierp, „dat kan zoo niet gaan. Jij en het meisje moeten het huis uit. -De jongen kan blijven.” -</p> -<p>’t Was, of er in vrouw Brinker eensklaps een andere geest voer. Zij droogde haar tranen, -hief het hoofd fier op en zeide op vasten toon: -</p> -<p>„Neen, mijnheer, ik verlaat mijn man niet. Ik blijf bij hem in de ure des gevaars.” -</p> -<p>Dokter Broekman keek vreemd op. Hij was niet gewoon, dat zijn bevelen in den wind -werden geslagen. Maar toen hij de vrouw aanzag en haar vasten, beslissenden blik opmerkte, -toen zeide hij kalm: -</p> -<p>„Je kunt blijven, vrouw Brinker.” -</p> -<p>Griete was al verdwenen. Verborgen achter een kist, die in een donkeren hoek van het -vertrek stond, bevend over al haar leden, bespiedde zij al wat er in de hut voorviel. -</p> -<p>Dokter Broekman en zijn assistent trokken hun overjassen uit. Hans bracht een kom -vol water, welke hij op bevel van den geneesheer naast het bed plaatste, en vrouw -Brinker kreeg een paar beddelakens uit de kast, overblijfsels van vroegere tijden -en braaf versleten, doch voor het gebruik, dat er van gemaakt moest worden, des te -beter geschikt. -</p> -<p>„Nu Hans, kan ik op je rekenen?” vroeg de dokter. -</p> -<p>„Dat kunt u, dokter.” -</p> -<p>„Zeer goed. Ga jij nu daar staan, dan kan je moeder naast je zitten.” -<span class="pagenum">[<a id="pb99" href="#pb99">99</a>]</span></p> -<p>„Hoor eens, vrouwtje,” ging hij tot vrouw Brinker voort. „Ik moet je verzoeken, geen -kik te geven en niet flauw te vallen.” -</p> -<p>Vrouw Brinker antwoordde hem slechts met een blik. Hij was tevreden. -</p> -<p>Hij wenkte den student. Deze nam de vreeselijke instrumenten van de tafel af en ging -er mede naar het bed van den zieke. -</p> -<p>Nu kon Griete ’t niet langer uithouden. Zij kwam uit haar schuilplaats te voorschijn -en snelde de hut uit. -</p> -<p></p> -<div class="figure floatLeft p099width"><img src="images/p099.png" alt="" width="510" height="471"></div><p> -</p> -<p>’t Was vol op het ijs van de vaart. Waarom ook zouden de kinderen van Broek hun vacantietijd -laten voorbijgaan, zonder ruimschoots hun geliefd wintervermaak te genieten? Daar -waren er een aantal, al waren onze zes jongens er ook niet bij, en onder deze ook -Frans van Bree, de dappere aap zonder staart, zooals Jacob hem genoemd had. -</p> -<p>„Wat is dat daar ginds?” riep Frans eensklaps uit, terwijl hij stilstond. -</p> -<p>„Wat? Waar? Wat bedoel je?” riepen een dozijn stemmen te gelijk. -</p> -<p>„Wel, dat zwarte ding daar bij de hut van den gekken Rolf,” hernam Frans. -</p> -<p>„Ik zie niets,” zeide een der kinderen. -</p> -<p>„Ik wel,” antwoordde een andere, „’t Lijkt wel een hond.” -</p> -<p>„Ben je mal? Een hond? ’t Is niets dan een hoop oude lorren,” hernam Frans. -</p> -<p>„Een hoop oude lorren?” herhaalde een ander. -<span class="pagenum">[<a id="pb100" href="#pb100">100</a>]</span></p> -<p>„Je hebt warempel gelijk, Frans, en als ik mij niet bedrieg, is ’t die meid uit de -hut.” -</p> -<p>„Ze is het,” bevestigde Frans. „Heb ik dus geen gelijk gehad, dat het maar een hoop -oude lorren is?” -</p> -<p>„’t Is goed, dat haar broer Hans er niet bij is,” meende een ander lachende, „anders -zou je zoo niet spreken, Fransje.” -</p> -<p>„’k Ben nog al bang voor hem!” riep Frans dapper uit, daar hij Hans in geen velden -of wegen zag. „Zoo’n voddenraper! Hij moest me eens durven aanraken, ’k Ben nog niet -bang voor een dozijn zooals hij en voor jou ook niet.” -</p> -<p>„’k Hou je aan je woord!” riep de andere en reed op Frans toe; maar deze, die zich -in zijn bluf wat vergaloppeerd had, koos, tot groot pleizier van de anderen, het hazenpad -gevolgd door den vroolijken troep, die de harddraverij wel eens wilde zien. -</p> -<p>Eén echter van deze gelukkige kinderen dacht aan die zwarte kleine gedaante daar bij -de hut van Rolf Brinker, aan de arme, kleine Griete. De arme Griete! Zij dacht niet -aan hen, ofschoon hun vroolijk gelach haar in de ooren drong en haar door de ziel -moest snijden: ach! zij hoorde die schaterende tonen slechts als in een droom. Zij -hoorde slechts het gekerm daar achter het donkere venster. Hoe! als die vreemde mannen -haar vader eens doodden! -</p> -<p>Die gedachte deed haar van afgrijzen opstaan. -</p> -<p>„Neen, neen,” riep zij snikkend uit. „Moeder is er immers, en Hans ook. Zij zullen -er wel op passen! Maar wat zagen ze allebei verschrikkelijk bleek! Zelfs Hans stonden -de tranen in de oogen.” -</p> -<p>Een oogenblik later vervolgde zij, terwijl zij schuw naar de hut keek: -</p> -<p>„Waarom heeft die oude, knorrige dokter hem laten blijven en mij weggezonden! Ik zou -moeder hebben kunnen kussen en haar troosten. Zij houdt zooveel van mij, meer.… Maar -wat is ’t nu stil in huis. O, als vader sterft, dan gaat moeder ook dood en Hans misschien -ook, en wat moet er dan van mij worden!” -</p> -<p>En zij verborg haar schreiend gelaat in haar handjes. -</p> -<p>Toen kwamen er nieuwe gedachten in haar op. -</p> -<p>Waarom had Hans ’t alleen aan moeder gezegd, wat de dokter <span class="pagenum">[<a id="pb101" href="#pb101">101</a>]</span>ging doen en niet aan haar? ’t Was toch <span class="ex">haar</span> vader, net zoo goed als de zijne. Zij was geen klein kind meer. Zij had haar vader -eens een scherp mes afgenomen, waarmee hij zich een ongeluk zou hebben toegebracht, -als zij het niet belet had. En op dien akeligen avond, toen Hans, zoo groot als hij -was, daar bewusteloos in een hoek van het vertrek lag, toen had zij vader van het -vuur gelokt en ’t was door <span class="ex">haar</span> toedoen, dat moeder niet in brand gevlogen was. Waarom moest zij nu behandeld worden, -alsof zij er niet bij hoorde?—Ach! wat was het koud! hoe bitter koud! Haar voeten -waren als steenen! -</p> -<p>Toen ging Griete weer zitten op de plaats, van welke zij was opgestaan, en keek rondom -zich en verwonderde zich, dat de lucht zoo helder blauw was en dat het zoo stil in -de hut bleef en.… -</p> -<p>„Wat heeft die dokter een rare lip!” zeide zij eensklaps. „’t Lijkt net een schaats! -En wat blonken die messen, welke hij uit dien leeren zak haalde. Misschien nog mooier -dan de zilveren schaatsen. Had ik mijn nieuw jacketje maar aangedaan, dan zou ik ’t -zoo koud niet hebben! Dat nieuwe jacketje is zoo mooi, ’k heb nog nooit zoo iets moois -gehad!—God heeft zoo lang voor mijn vader gezorgd; Hij zal ’t nu ook wel doen, als -die twee mannen maar weg waren.—Kijk, daar staan ze allebei op het dak van ons huis!—Neen, -’t zijn moeder en Hans. O, neen! ’t zijn maar een paar vogels.” -</p> -<p>En weder hield Griete beide handjes voor haar oogjes en schreide zóó luid, dat men -’t wel in de hut had kunnen hooren. -</p> -<p>Eensklaps voelde zij een vreemde hand op haar schouder leggen. -</p> -<p>„Sta op, Griete,” zeide een vreemde stem. „Sta op kind! Anders heb je nog kans om -te bevriezen.” -</p> -<p>Griete keek verschrikt op. ’t Was de lieve Hilda de Bruyn. -</p> -<p>„Sta op, Griete, en ga in de hut,” vervolgde het lieve meisje. „Is dat nu weer, om -buiten op de steenen te zitten?” -</p> -<p>„O, neen, juffrouw,” zeide het kind, terwijl zij opstond en tegen Hilda aanleunde, -„ik ga niet in de hut, want de dokter is er in en hij heeft mij weggestuurd.” -</p> -<p>„Zoo, welnu, dan moet je wat gaan loopen, Griete. Want je bent verkleumd van de kou. -Ik zag je daar straks wel zitten, maar ik dacht, dat je aan ’t spelen waart. Waarom -heb je ook je jacketje niet aangedaan?” -<span class="pagenum">[<a id="pb102" href="#pb102">102</a>]</span></p> -<p>„Daar had ik geen tijd voor, juffrouw, want ik ben zoo hard als ik kon de hut uitgeloopen.” -</p> -<p>„Kom hier, doe mijn jacketje zoo lang aan, totdat je weer in de hut kunt komen,” hervatte -Hilda, die reeds pogingen deed, om zich van haar eigen winterkleed te berooven. „Als -de dokter wist, hoe koud je ’t hier hebt, zou hij je wel weer in de hut laten.” -</p> -<p>„O, juffrouw,” riep Griete smeekend uit, „doe als ’t u belieft uw jacketje niet uit. -Ik ben wel koud, maar zal wel weer warm worden, als ik maar wat beweging neem.” -</p> -<p>„Nu, ’t is goed, Griete. Sla je armen dan maar over elkaar. Maar zeg me, is er een -dokter bij je in huis? Is je vader dan erger?” -</p> -<p>„Ach, juffrouw! Ik geloof, dat hij sterft!” riep Griete weenend uit. „Er zijn op ’t -oogenblik twee dokters bij hem, die hem zullen vermoorden. Kunt u hem hier niet hooren -kermen? Ik kan ’t niet hooren, door het fluiten van den wind.” -</p> -<p>Hilda luisterde, maar vernam niets. -</p> -<p>„We zullen eens door het venster zien, hoe ’t met uw vader is,” hernam zij. Dit zeggende, -ging ze met Griete naar het raam der hut. Maar eensklaps bedacht zij zich. -</p> -<p>„Ik mag niet door eens anders raam kijken,” zeide zij bij zich zelve. „Kijk jij er -eens door, Griete,” vervolgde zij, „en zeg me dan wat je ziet.” -</p> -<p>Griete ging op haar teenen staan en keek. -</p> -<p>„Kind, je bent zelf ziek,” hernam Hilda, die haar ondersteunde en voelde hoe het arme -meisje over haar geheele lichaam beefde. -</p> -<p>„Neen, juffrouw, ik ben niet ziek,” antwoordde Griete, „maar mijn hart schreit, al -zijn mijn oogen ook zoo droog als de uwe.—Hé, juffrouw! U schreit ook. Schreit u om -ons? O, dat is wel goed, en als onze lieve Heer dat ziet, zal hij vader zeker beter -maken.” -</p> -<p>„Wat zie je, Griete?” vroeg Hilda. „Of kun je niets zien?” -</p> -<p>„Vader ligt heel stil, juffrouw, met een doek om zijn hoofd en allen kijken naar hem. -Ik moet naar binnen, naar moeder. Gaat u mee, juffrouw?” -</p> -<p>„Nu niet, maar later kom ik eens hooren, hoe ’t met je vader is.” -</p> -<p>En Griete hoorde de laatste woorden niet meer: want snel <span class="pagenum">[<a id="pb103" href="#pb103">103</a>]</span>liep zij den hoek om en trad, zoo zacht als zij kon, de hut binnen. -</p> -<p>In de kamer was ’t stil. ’t Was, of zij den ouden dokter kon hooren ademhalen, ja, -als hoorde zij de asch op de plaat van den haard vallen. De hand van haar moeder was -ijskoud, maar haar wangen gloeiden en haar oogen stonden glazig helder. -</p> -<p></p> -<div class="figure p1030width"><img src="images/p103.png" alt="" width="586" height="570"></div><p> -</p> -<p>Eindelijk kwam er beweging op het bed, wel zeer zacht, maar genoeg om hen allen hun -oogen naar dien kant te doen richten; dokter Broekman boog zich oplettend voorover. -Brinker trok zijn groote hand, zoo bleek en zoo zwak voor die van zulk een stevig -man, onder het dek vandaan en voelde er mee naar zijn voorhoofd. Hij scheen daar het -verband te voelen, doch deed dat niet op die rustelooze, onbewuste manier, maar alsof -hij met bewustheid onderzocht, wat men hem toch om het hoofd had gebonden. Zelfs dokter -Broekman hield zijn adem in. Daarop sloeg de patiënt zijn oogen langzaam op. -</p> -<p>„Wat gauw, jongens,” zeide hij met een stem, die in Griete’s ooren zeer vreemd klonk. -„Haalt die kribben wat hooger en werpt er aarde op. Het water rijst zoo snel—er is -geen tijd.…” -<span class="pagenum">[<a id="pb104" href="#pb104">104</a>]</span></p> -<p>Vrouw Brinker vloog naar het bed, greep beide handen van haar man en zeide: -</p> -<p>„Rolf, Rolf! ouwe jongen! Praat eens tegen me.” -</p> -<p>„Ben jij ’t, Mietje?” vroeg hij met een zwakke stem. „Ik heb zoo lang geslapen en -geloof zelfs, dat ik mij bezeerd heb. Waar is de kleine Hans?” -</p> -<p>„Hier ben ik, vader!” riep Hans, half dol van vreugde. Maar de dokter hield hem terug. -</p> -<p>„Hij kent ons!” riep vrouw Brinker uit. „Hij kent ons, Griete! Griete! kom eens bij -je vader!” -</p> -<p>Tevergeefs beval dokter Broekman stilte en trachtte hij hen met geweld van het bed -te houden. Hij kon er niets tegen doen. Hans en zijn moeder lachten en weenden te -gelijk. Griete liet geen geluid hooren, maar stond hen met blijde en toch verschrikte -oogen aan te kijken. Haar vader vroeg met zwakke stem: -</p> -<p>„Slaapt het kleine kind, Mietje?” -</p> -<p>„Het kleine kind!” herhaalde vrouw Brinker. „O, Griete, dat ben jij! En hij noemt -onzen Hans „den kleinen Hans”! Tien jaren heeft hij geslapen! O, mijnheer, gij hebt -ons allen gered! Van al die tien jaren weet hij niets af. Kinderen, dankt toch dien -goeden dokter.” -</p> -<p>De arme vrouw was buiten zich zelve van vreugde. Dokter Broekman zeide niets, maar -toen hij zijn oogen, die vochtig waren, op de hare vestigde, sloeg hij ze opwaarts. -Zij begreep, wat hij meende. Ook Hans en Griete begrepen het. Alsof zij ’t hadden -afgesproken, knielden ze alle drie in de hut neder, zonder dat vrouw Brinker echter -haar mans hand losliet. Dokter Broekman stond bij hen en boog eerbiedig het hoofd. -</p> -<p>„Waarom bid je?” mompelde de vader. „Is ’t vandaag Zondag?” -</p> -<p>Vrouw Brinker knikte, maar kon niet spreken. -</p> -<p>„Lees dan een hoofdstuk uit den Bijbel,” hervatte Rolf, terwijl hij langzaam en met -moeite sprak. „Ik weet niet, hoe ’t met mij is. Ik ben zoo zwak. Misschien wil de -dominee het ons voorlezen.” -</p> -<p>Griete kreeg den zwaren bijbel van de gebeeldhouwde plank. Dokter Broekman, die er -om meesmuilde, dat Rolf hem een dominee noemde, reikte het boek aan zijn assistent -over. -<span class="pagenum">[<a id="pb105" href="#pb105">105</a>]</span></p> -<p>„Lees,” mompelde hij. „Die menschen moeten tot rust gebracht worden, anders sterft -de man nog.” -</p> -<p>Toen het hoofdstuk uit was, wenkte vrouw Brinker geheimzinnig, dat allen stil moesten -zijn, want dat haar man sliep. -</p> -<p>„Hoor eens, vrouwtje,” zeide de dokter met gedempte stem, terwijl hij zijn overjas -aantrok. „Er moet hier de grootste stilte zijn, versta je. Morgen kom ik terug. Geef -den patiënt vandaag geen eten,” en zonder verder een woord te zeggen, ging hij de -hut uit, de bevroren vaart over en naar het rijtuig, dat den ganschen tijd, dien de -dokter in de hut had doorgebracht, den weg langzaam op en neer gereden had, om de -paarden in beweging te houden. -</p> -<p>Hans ging ook de deur uit. -</p> -<p>„Moge God u zegenen, mijnheer,” zeide hij blozend en met een stem, die van aandoening -beefde. „Ik kan u nooit beloonen. Doch, als.…” -</p> -<p>„Ja, dat kun je wel,” antwoordde de dokter vrij stroef. „Je kunt je verstand gebruiken, -als de patiënt weer wakker wordt. Als je wilt, dat je vader beter zal worden, dan -moet je allemaal je stilhouden.” -</p> -<p>Hilda was aan de hut blijven staan, totdat zij Hans had hooren zeggen: „Hier ben ik, -vader!” Toen was zij heengegaan, terwijl zij in zich zelf mompelde: „O, wat ben ik -blij! Wat ben ik blij!” -</p> -<p>’t Duurde niet lang, of het nieuws, dat de krankzinnige Brinker weer tot zijn verstand -was gekomen, was met de noodige vergrootingen door geheel Broek verspreid. Nog dien -zelfden avond werd er verhaald, dat dokter Broekman hem een groote hoeveelheid medicijnen -had ingegeven en dat er zes mannen waren noodig geweest om den patiënt vast te houden, -terwijl de dokter hem die in de keel goot. Terstond daarop was de krankzinnige van -zijn bed gesprongen en had, in het volle bezit zijner geestvermogens, zich op den -dokter geworpen en hem een pak slaag gegeven; daarop was hij gaan zitten en had al -de omstanders aangesproken, alsof hij een advocaat was. Toen had hij zich omgekeerd -en heel vriendelijk met zijn vrouw en kinderen gepraat. Vrouw Brinker had het daarna -op haar zenuwen gekregen, en Hans had gezegd: „Hier ben ik, vader!” En Griete <span class="pagenum">[<a id="pb106" href="#pb106">106</a>]</span>had gezegd: „Hier ben ik, vader!” En de dokter was zoo bleek als een lijk in zijn -rijtuig gekropen en naar Amsterdam teruggereden. -</p> -</div> -</div> -<div id="ch11" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd29e227">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">ELFDE HOOFDSTUK.</h2> -<h2 class="main">De verborgen schat.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Toen dokter Broekman den volgenden dag in de hut van Rolf Brinker kwam, was ’t hem -alsof een atmosfeer van geluk hem tegenwoei. Vrouw Brinker zat met een vergenoegd -gezicht te breien aan het bed van haar man, die rustig sliep, terwijl Griete in een -hoek van het vertrek bezig was met het kneden van roggebrood. -</p> -<p>De dokter bleef niet lang. Hij deed eenige vragen, scheen tevreden over de antwoorden, -voelde den pols van zijn patiënt en zeide: -</p> -<p>„Je man is geducht zwak, vrouw Brinker! Hij moet wat versterkends hebben. Je kunt -er gerust mee beginnen, maar niet te veel op eens, en wat je hem geeft, het moet van -het krachtigste en beste zijn.” -</p> -<p>„Wij hebben niets dan roggebrood en aardappelen, mijnheer,” antwoordde vrouw Brinker, -„en die zijn hem altijd heel goed bekomen.” -</p> -<p>„Ho, ho! vrouwtje,” hernam de dokter, terwijl hij zijn wenkbrauwen fronste. „Dat deugt -niemendal voor hem. Hij moet krachtigen bouillon hebben, met oudbakken wittebrood, -dat je kan roosteren, dan goede Malaga, en .… de man lijdt kou .… je moet hem beter -dek geven. Waar is je zoon?” -</p> -<p>„Hij is het dorp ingegaan, om te zien of hij werk kan krijgen, mijnheer! Maar hij -zal wel gauw terug zijn. Wil u niet gaan zitten?” -</p> -<p>Hetzij de harde stoel, dien vrouw Brinker hem aanbood, niet bijzonder uitlokkend scheen, -of dat de dokter haast had—hij nam het aanbod van vrouw Brinker niet aan, maar zette -zijn hoed op en vertrok. -</p> -<p>Dokter Broekman’s bezoek had ditmaal geen aangenamen <span class="pagenum">[<a id="pb107" href="#pb107">107</a>]</span>indruk achtergelaten. Griete kneedde haar roggebrood met een zenuwachtige gejaagdheid -en vrouw Brinker ging naar het bed van haar man en barstte in bittere tranen uit. -</p> -<p>Op dit oogenblik kwam Hans binnen. -</p> -<p>„Wat scheelt er aan, moeder?” vroeg hij, toen hij haar zag weenen. „Is vader soms -erger?” -</p> -<p>Zij wendde haar gelaat naar Hans, en zonder eenige poging om voor hem de reden van -haar verdriet verborgen te houden, gaf zij hem ten antwoord: -</p> -<p>„Ja Hans! je arme vader lijdt honger en kou—dat heeft de dokter gezegd.” -</p> -<p>Hans werd bleek. -</p> -<p>„Dan moet ge hem wat eten geven, moeder, en hem wat warmer toedekken,” zeide hij. -</p> -<p>„Eten? Roggebrood en aardappelen? Dan vermoorden wij hem. Ons eten is te zwaar voor -hem. Ach! hij zal sterven, je arme vader, als we hem dat geven. Hij moet vleesch hebben, -wijn en een zacht, warm bed. Wat moeten wij beginnen? Wat zullen wij doen? Er is geen -stuiver in huis!” -</p> -<p>„Heeft de dokter dan gezegd, dat hij al die dingen moest hebben?” vroeg Hans. -</p> -<p>„Ja, dat heeft hij gezegd.” -</p> -<p>„Welnu, moeder! Droog dan uw tranen. Hij <span class="ex">zal</span> ze hebben. Nog vóór den avond breng ik hem vleesch en wijn. En wat het dek aangaat, -neem het maar van het mijne af. Ik ben jong en sterk en kan wel zonder dek slapen!” -</p> -<p>„En dan, wat er tot overmaat van ramp nog bij komt, Hans, we hebben geen brandstof -meer. Je vader is er wat ruw mee omgegaan, als ik het niet zag.” -</p> -<p>„Zorg daar maar niet voor, moeder! Als de nood dringt, dan kan ik den wilgeboom wel -omhakken; maar van avond zal ik wat brandstof medebrengen. Al is er te Broek geen -werk te vinden, in Amsterdam moet er zijn. Maak u maar niet ongerust. Het ergste van -alles is geleden. Nu vader weer bij zijn verstand is, kunnen wij allen dingen het -hoofd bieden.” -</p> -<p>„Je hebt gelijk, Hans,” antwoordde vrouw Brinker, terwijl zij haar tranen afdroogde. -</p> -<p>„Kijk hem nu eens, moeder, hoe rustig hij slaapt. Zou God <span class="pagenum">[<a id="pb108" href="#pb108">108</a>]</span>hem nu door gebrek aan voedsel doen omkomen, nu Hij hem ons heeft teruggeschonken? -Treur dus niet.” -</p> -<p>Dit zeggende, nam Hans zijn schaatsen onder den arm, gaf zijn moeder een kus en ging -de deur uit. De arme jongen, moedeloos door het mislukken van al zijn pogingen om -in Broek werk te krijgen, in bittere smart over de mededeelingen zijner moeder, hield -zich groot, grooter dan hij ’t wel in zijn hart was, ja, poogde te fluiten, terwijl -hij naar de vaart ging. -</p> -<p>Nooit was bij de Brinkers de nood zoo hoog geweest. Hun voorraad van brandhout was -zoo goed als op en Griete was bezig met het laatste meel tot brood te kneden. En geld—dat -was een soort van ding, dat er in de hut aan de vaart weinig, thans in ’t geheel niet -te vinden was. -</p> -<p>’t Speet Hans, dat hij den koetsier niet had verzocht, om stil te houden, toen de -dokter hem daar straks voorbijreed. Misschien had moeder het verkeerd verstaan. De -dokter kon toch wel begrijpen, dat het buiten hun macht was om vader bouillon en wijn -te verschaffen. En toch—hij was er wel zeker van, dat de arme man het noodig had, -want hij zag er zoo zwak uit. -</p> -<p>„Kon ik maar werk krijgen, dan zou men mij misschien wat op voorschot geven. Ik <span class="ex">moet</span> werk hebben. Was mijnheer Van den Helm maar niet juist naar Rotterdam, dan zou hij -mij wel werk verschaffen. Maar de jonge heer Peter heeft mij gezegd, dat ik maar naar -zijn moeder moest gaan, als ik hulp noodig had. Weet je wat, ik doe ’t: baat het niet, -dan schaadt het niet. O, als ’t maar zomer was!” -</p> -<p>Onder dit zelfgesprek had Hans zijn schaatsen ondergebonden en reed hij naar de woning -van mijnheer Van den Helm. -</p> -<p>„Vader moet wijn en vleesch hebben,” mompelde hij. „Maar hoe kom ik vandaag nog aan -het geld, om het voor hem te koopen? Er is geen ander middel op, dan de belofte te -vervullen, die ik stilzwijgend aan den jongen heer Peter gedaan heb. Een beetje wijn -en vleesch beteekent niets voor de familie Van den Helm. Als vader maar voedsel heeft, -dan rij ik naar Amsterdam en zie daar wat te verdienen.” -</p> -<p>Toen kwamen er andere gedachten bij hem op, gedachten, <span class="pagenum">[<a id="pb109" href="#pb109">109</a>]</span>die zijn hart heviger deden kloppen en het schaamrood op zijn wangen joegen. -</p> -<p>„Dat zou <span class="ex">bedelen</span> zijn,” zeide hij. „Op zijn zachtst genomen <span class="ex">bedelen</span>. Nooit heeft een van de Brinkers gebedeld! Zal ik dan de eerste zijn? En zou mijn -arme vader daartoe uit zijn tienjarigen doodslaap ontwaakt zijn, opdat hij moet hooren, -dat zijn huisgezin om een aalmoes gevraagd heeft, hij die altijd zoo fier werkzaam -was? Neen, dan is ’t nog duizendmaal beter om het horloge te verkoopen.” -</p> -<p>Hij stond peinzend stil. -</p> -<p>„Verkoopen?” vervolgde hij, als beantwoordde hij zich zelf. „Wel, dat behoeft niet. -Ik kan het te Amsterdam beleenen. Dat is toch geen schande. En als ik dan werk krijg, -dan los ik het weer, en vader is geholpen.” -</p> -<p>Die laatste gedachte deed hem opspringen van vreugde. -</p> -<p>„Ik behoef ’t niet stil te doen ook,” vervolgde hij in het naar-huis-rijden. „Wel -neen, in ’t geheel niet. Ik kan er vader zelfs naar vragen. Hij is nu weer bij zijn -volle verstand. Misschien is hij al wakker. Dan kan hij ons vertellen wat er van dat -horloge is. Misschien zegt hij, dat het van niet het minste belang is.” -</p> -<p>Sneller dan hij van huis gereden was, reed hij terug. Hij ontmoette zijn moeder juist -in de deur. -</p> -<p>„O, Hans!” riep zij met een gelaat, dat van vreugde straalde, uit: „Daar is de jonge -dame geweest met haar dienstmaagd. Zij heeft alles meegebracht, wat wij noodig hebben: -vleesch, soep, wijn en brood—een mand vol brood. En de dokter heeft een mand gestuurd -met een paar flesschen wijn, een zacht bed en warme dekens voor vader. O, nu zal hij -wel weer beter worden. God zegene die edele juffrouw Hilda en den braven dokter!” -</p> -<p>„God zegene hen!” herhaalde Hans en de tranen kwamen hem in de oogen. -</p> -<p>Dien avond gevoelde Rolf Brinker zich zooveel beter, dat hij er op aandrong, om een -weinig in zijn ruwen stoel met hooge leuning op te zitten. Het gaf wel een weinig -verlegenheid in de hut. Wat Hans aangaat, die kon, ofschoon zijn vader een zwaar man -was, hem best aan de eene zijde ondersteunen, maar vrouw Brinker, ofschoon ze in ’t -geheel niet zwak <span class="pagenum">[<a id="pb110" href="#pb110">110</a>]</span>was, beefde zoozeer vooral bij het denkbeeld, dat zij iets zou doen, wat de dokter -niet geordonneerd had, dat het weinig scheelde of zij was onder den last bezweken. -</p> -<p></p> -<div class="figure floatLeft p110width"><img src="images/p110.png" alt="" width="412" height="616"></div><p> -</p> -<p>„Hou je goed, vrouw! hou je goed,” zeide Rolf. „Ben ik dan zóó oud en zóó zwak geworden, -dat ik niet meer op mijn beenen staan kan. Of is het de koorts?” -</p> -<p>„Hoor me dien man eens aan!” riep vrouw Brinker zenuwachtig lachend uit. „Spreekt -hij niet als een gezond christenmensch! ’t Is de koorts, die je zoo zwak maakt, Rolf. -Hier is je stoel. Ga nu maar zitten!” -</p> -<p>Met deze woorden liet vrouw Brinker haar man zachtjes op zijn stoel nederzakken, op -welken zij een donzig kussen had gelegd. Hans deed hetzelfde. Intusschen bracht Griete -alles aan, wat tot gemak van haar vader kon dienen, en stookte het vuur ferm op. -</p> -<p>Eindelijk zat Rolf Brinker op zijn gemak. Geen wonder, dat hij vreemd rondkeek. „De -kleine Hans” had niet veel minder gedaan dan hem ondersteund. Het „kleine kind” was -meer dan vier voet lang en stookte den haard zoo goed, alsof haar moeder ’t gedaan -had. Mietje, zijn vrouw, was nog wel even mooi als vroeger, maar heel wat dikker geworden, -en dat alles—naar ’t hem voorkwam, in weinige uren. De eenige welbekende dingen, welke -hij om zich zag, waren de grenenhouten tafel, welke hij zelf had gemaakt, de Bijbel -op de plank en de kast in den hoek. -</p> -<p>Wat wonder, dat de oogen van Rolf Brinker zich met tranen vulden, zelfs bij het zien -van de vroolijke gezichten, die hem <span class="pagenum">[<a id="pb111" href="#pb111">111</a>]</span>omringden. Tien jaren toch van een menschenleven is geen gering verlies! Tien jaren -van mannelijken leeftijd, van huiselijk geluk en huiselijke zorg, tien jaren van eerlijken -arbeid, genieting van zonneschijn, van een leven in dankbaarheid gesleten. En die -tien jaren als een enkele nacht voorbijgegaan! Was ’t wonder, dat er bittere tranen -over zijn wangen vloeiden, toen hij begreep, wat er met hem gebeurd was? -</p> -<p>Die tranen—’t was of zij in het hart van Griete drongen en daar de ijskorst deden -smelten, die dat jeugdige hart bedekte. Thans had zij haar vader lief, snelde op hem -toe en sloeg de armen om zijn hals. -</p> -<p>„Vader, lieve vader!” fluisterde zij, terwijl zij haar wangetje dicht aan de eene -zijde drukte. „O, lieve vader, schrei zoo niet! Wij zijn allen hier.” -</p> -<p>„God zegene u, kind!” snikte Rolf, terwijl hij haar herhaalde malen kuste. „Ik had -dat waarlijk vergeten!” -</p> -<p>Hans en vrouw Brinker hadden zwijgend en met aandoening Griete gadegeslagen. Zij waren -zóó blijde, dat het kind, hetwelk haar vader eigenlijk nooit gekend had, zich thans -zoo lief jegens hem gedroeg. Rolf Brinker nam het hoofd van zijn dochtertje tusschen -zijn beide handen, keek haar vriendelijk in het gelaat, wendde zich toen tot zijn -vrouw en zeide: -</p> -<p>„Ik geloof, dat ik haar ken, Mietje. Dezelfde blauwe oogjes, dezelfde lippen, ’t is -het lieve kind, dat al kon zingen, vóór ze nog kon loopen. Maar dat is al lang geleden, -heel lang,” voegde hij er bij, terwijl hij met een droomerig gelaat opkeek, „en al -die tijd is nu voorbij.” -</p> -<p>„In ’t geheel niet, Rolf!” riep zijn vrouw haastig uit. „Denk je dan, dat ik er niet -voor gezorgd heb, dat ze jou niet vergat? Griete, kind! zing eens het oude liedje, -dat je zoo lang gekend hebt.” -</p> -<p>Rolf Brinker liet zijn handen zwaar naast zich hangen en sloot zijn oogen, maar er -speelde een glimlach om zijn lippen, toen Griete met haar heldere stem dat oude, welbekende -liedje zong. -</p> -<p>Het was een eenvoudig wijsje; de woorden had zij nooit gekend. -</p> -<p>En als uit instinct zong zij de noten zóó zacht, dat Rolf zich bijna verbeeldde, dat -zijn tweejarig kindje weer naast hem zat. -<span class="pagenum">[<a id="pb112" href="#pb112">112</a>]</span></p> -<p>Zoodra het gezang gedaan was, klom Hans op een bankje en begon boven in de kast te -<span class="corr" id="xd29e1955" title="Bron: schommelen">rommelen</span>. -</p> -<p>„Wees voorzichtig, Hans,” zeide vrouw Brinker, die, hoe arm zij ook was, steeds een -zorgvuldige huismoeder bleef. „Wees voorzichtig, dat je den wijn niet omgooit, en -pas op het brood, dat er naast staat.” -</p> -<p>„Wees maar niet bang, moeder,” antwoordde Hans, die ver boven de hoogste plank uitstak. -„Ik zal niets omgooien.” -</p> -<p>Toen sprong hij van het bankje af en ging naar zijn vader, voor wien hij een langwerpig -stuk grenenhout op tafel zette. Eén van de einden was schuin afgerond, en het bovengedeelte -was uitgehold. -</p> -<p>„Weet gij wel, wat dat is, vader?” vroeg hij. -</p> -<p>Rolf Brinker’s gelaat helderde op. -</p> -<p>„Of ik het weet. Wel ja, mijn jongen, dat is de boot, waaraan ik giste.… neen, niet -gisteren, maar jaren geleden bezig was.” -</p> -<p>„Ik heb haar altijd bewaard, vader. Als uw handen weer sterker zijn, kunt gij haar -afmaken.” -</p> -<p>„Dat is goed, mijn jongen. Maar niet voor jou, hoor. ’k Moet nu maar wachten, tot -ik kleinkinderen heb. Wel kerel, je bent bijna een man. Heb je je moeder al die jaren -trouw geholpen?” -</p> -<p>„Ja, dat heeft hij gedaan,” zeide vrouw Brinker. -</p> -<p>„Laat me eens bedenken,” prevelde de vader. „Hoe lang is ’t sinds dien nacht, dat -het water zoo hoog was? Dat is ’t laatst, wat ik mij herinner.” -</p> -<p>„We hebben je de waarheid gezegd, Rolf. ’t Is al over de tien jaren.” -</p> -<p>„Tien jaren—en toen ben ik gevallen, niet waar? En heb ik sedert al dien tijd in de -koorts gelegen?” -</p> -<p>Vrouw Brinker wist niet, wat zij moest antwoorden. Zou ze hem alles vertellen? Dokter -Broekman had haar volstrekt verboden, om hem bekend te maken, dat hij krankzinnig, -idioot geweest was. Hans en Griete stonden verbaasd te kijken, toen hun moeder antwoordde: -</p> -<p>„Dat heeft er veel van, Rolf. Je begrijpt, als zoo’n zwaar man als jij op zijn hoofd -valt, dan loopt dat zoo gemakkelijk niet af. Maar nu ben je weer beter, Goddank!” -<span class="pagenum">[<a id="pb113" href="#pb113">113</a>]</span></p> -<p>Rolf liet zijn hoofd zakken. -</p> -<p>„’t Is goed, vrouw,” hernam hij, na een oogenblik gezwegen te hebben. „’t Is me tusschenbeide -of mij de hersens in het hoofd draaien. Dat zal wel niet beter worden, vóór ik op -den dijk ga werken. Wanneer denk je, dat ik weer aan den arbeid kan gaan?” -</p> -<p>„Hoor me zoo’n man eens aan!” riep vrouw Brinker verheugd en toch verschrikt. „We -moeten hem te bed brengen, Hans! Dat wou nu al gaan werken!” -</p> -<p>Zij poogden hem nu van zijn stoel op te richten, maar hij was nog niet van zins om -naar bed te gaan. -</p> -<p>„Schei toch uit,” zeide hij met zijn ouden glimlach, een glimlach dien Griete nog -nooit op zijn gelaat had gezien. „Moet je een man oplichten als een blok hout. ’t -Duurt geen drie dagen of ik ben weer op den dijk aan ’t werk. Daar zal ik weer mijn -oude, goeie jongens vinden! Wat zullen ze in hun schik zijn, als ze mij weer zien -verschijnen! Daar heb je Jan Kamphuijzen en den jongen Hoogvliet. ’t Waren trouwe -kameraads, Hans, daar kan je op aan!” -</p> -<p>Hans keek zijn moeder aan. De jonge Hoogvliet was al vijf jaren geleden gestorven -en Jan Kamphuijzen zat in de cellulaire gevangenis te Amsterdam. -</p> -<p>„Ze zullen ’t nog wel goed maken, denk ik,” zeide vrouw Brinker ontwijkend. „Maar -je begrijpt wel, Rolf, dat we geen tijd hebben gehad om ons met hen te bemoeien. Hans -had het te druk met leeren en werken, dan dat hij kameraden zou hebben kunnen zoeken.” -</p> -<p>„Leeren en werken!” herhaalde Rolf op peinzenden toon. „Kan de jongen dan lezen en -schrijven, Mietje?” -</p> -<p>„Dat zou ik meenen,” antwoordde zij trotsch. „Je zult het hooren, Rolf. In den tijd, -dat ik den vloer doe, leest de jongen een heel boek uit. Hij is net zoo blij met een -blaadje gedrukt schrift als een konijn met een koolstronk. En cijferen dat hij kan.…” -</p> -<p>„Hans, help mij een handje,” viel Rolf zijn vrouw in de rede. „Ik wou weer naar bed.” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Wie dien avond vrouw Brinker en haar beide kinderen <span class="pagenum">[<a id="pb114" href="#pb114">114</a>]</span>had zien soupeeren, zou niet gedacht hebben, dat er zooveel fijns in de kast daar -aan den muur verborgen was. Vroolijk gebruikten zij hun grof brood met helder water: -„het wittebrood, de wijn en het vleesch moesten voor vader blijven,” had vrouw Brinker -gezegd. „Als men daar een stukje van at, zou men het den armen man ontstelen.” -</p> -<p>„Wat zit je daar te kijken, Griete?” vroeg vrouw Brinker, toen ze gedaan hadden. „Heeft -je het eten van avond niet gesmaakt, nu je wat beters gezien hebt?” -</p> -<p>„Neen, moeder,” antwoordde Griete verschrikt, dat ze zoo eensklaps in haar droomerijen -gestoord werd. „Daar heb ik geen oogenblik over gedacht. Maar ik.…” -</p> -<p>„Nu, wat dan, kind?” herhaalde vrouw Brinker ongeduldig. -</p> -<p>„Ik dacht, we konden vader nu wel eens naar de duizend gulden vragen.—Misschien weet -hij er iets van.” -</p> -<p>„Duizend gulden!” herhaalde eensklaps een stem uit het bed, en zoowel vrouw Brinker -als Hans sprongen verschrikt op. „De duizend gulden zullen je ook wel te pas gekomen -zijn, Mietje, al dien langen tijd, dat je man geen slag werk deed.” -</p> -<p>„Ben je wel wakker, Rolf?” vroeg zij. -</p> -<p>„Ja, kind. En ik gevoel mij veel beter. Wat een geluk, dat we dit geld hadden gespaard! -Heeft het gedurende al die tien jaren gestrekt, Mietje?” -</p> -<p>„Ik .… ik heb er geen cent van gezien, Rolf.” En zij was op het punt, om hem de geheele -waarheid mede te deelen, toen Hans zijn vinger op den mond legde en zijn moeder toefluisterde: -</p> -<p>„Denk er aan, moeder, wat de dokter gezegd heeft, dat we vaders hoofd niet vermoeien -mogen.” -</p> -<p>„Spreek jij dan met hem, kind,” antwoordde zij. -</p> -<p>Hans voldeed hieraan. -</p> -<p>„Ik ben blij, dat ge wat beter zijt, vader,” begon hij. „Als ’t zoo voortgaat, zult -gij wel spoedig sterk zijn.” -</p> -<p>„Ja, jongen, dat willen we hopen. Maar hoe lang heeft dat geld geduurd, Hans? Ik kon -je moeder niet recht verstaan. Wat zeide zij?” -<span class="pagenum">[<a id="pb115" href="#pb115">115</a>]</span></p> -<p>„Ik heb gezegd, Rolf,” antwoordde vrouw Brinker op treurigen toon, „dat alles weg -is.” -</p> -<p>„Nu, vrouwtje, wees daar maar niet bedroefd om. Duizend, gulden is waarlijk niet zooveel -voor tien jaren, vooral als men er een paar kinderen bij groot te brengen heeft; maar -ze hebben toch gemaakt, dat je geen armoede hebt behoeven te lijden. Ben je allen -dien tijd nogal gezond geweest?” -</p> -<p>„Ja,” snikte vrouw Brinker, terwijl zij haar voorschoot voor de oogen hield. -</p> -<p>„Kom, kom, vrouw! Waarom schrei je?” hernam Rolf vriendelijk. „Als ik maar weer op -de been ben, zullen we wel gauw weer een nieuwe kous vullen. Gelukkig, dat ik je alles -verteld heb, eer ik ziek werd.” -</p> -<p>„Verteld? Wat heb je me verteld?” -</p> -<p>„Wel, dat ik ’t je gezegd heb, dat ik het geld begraven had.” -</p> -<p>Vrouw Brinker wilde naar het bed vliegen; maar Hans hield haar bij den arm vast. -</p> -<p>„Stil, moeder,” fluisterde hij, terwijl hij haar tegenhield. „Wij moeten heel voorzichtig -zijn.” -</p> -<p>Toen zij daar nu zoo handenwringend stond, naderde hij nog eens zijn vader. -</p> -<p>„Herinnert gij u nog, vader, wanneer gij het geld begraven hebt?” -</p> -<p>„Wel zeker, ’t Was vóór dag en dauw, op denzelfden dag, dat ik van den dijk viel. -Jan Kamphuijzen had den avond te voren iets ten opzichte van dat geld gezegd, dat -mij zijn eerlijkheid deed wantrouwen. Hij was de eenige, die met moeder en mij wat -van dat geld wist. Ik stond ’s nachts op en begroef het. Dwaas, die ik was, om een -vriend te wantrouwen!” -</p> -<p>„Ik wed om al wat gij wilt, vader,” hernam Hans lachend, terwijl hij zijn moeder en -Griete wenkte, om zich stil te houden, „dat gij niet meer weet, waar gij het begraven -hebt.” -</p> -<p>„Ha! Ha! Ha! Je hebt gelijk. Maar goeden nacht, Hans! Ik heb slaap.” -</p> -<p>Hans wilde zijn vader met rust laten en van het bed afgaan, maar zijn moeder wenkte -hem en hij mocht haar niet ongehoorzaam zijn; daarom vervolgde hij: -<span class="pagenum">[<a id="pb116" href="#pb116">116</a>]</span></p> -<p>„Goeden nacht, vader! Waar hebt gij het geld begraven? Ik was toen nog heel klein.” -</p> -<p></p> -<div class="figure floatLeft p116width"><img src="images/p116.png" alt="" width="506" height="708"></div><p> -</p> -<p>„Vlak bij den wilgeboom achter de hut,” antwoordde Brinker slaperig. -</p> -<p>„O, ja. Aan den noordkant van den boom, niet waar, vader!” -</p> -<p><span class="corr" id="xd29e2034" title="Niet in bron">„</span>Neen, aan de zuidzijde. Kom, je weet de plaats net zoo goed als ik, kleine schelm! -Je bent er toch zeker bij geweest, toen je moeder het geld opgroef. Wees nu stil, -Hans, en schud mijn kussen wat op. Ik heb zoo’n slaap. Goeden nacht!” -</p> -<p>„Goeden nacht, vader!” antwoordde Hans, die wel van vreugd had willen dansen. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Dien nacht kwam de maan vrij laat op en wierp haar schijnsel vol en helder door het -venster in de hut; maar haar licht stoorde den slaap van Rolf Brinker niet. Hij sliep -rustig evenals Griete. Niet zoo Hans en zijn moeder; zij hadden wel wat anders te -doen. -</p> -<p>Na eenige toebereidselen gemaakt te hebben, slopen zij de hut uit, gewapend met een -spade en een houweel, beide braaf verroest, daar het werktuigen waren, vroeger door -Rolf bij het dijkwerk gebezigd. -</p> -<p>’t Was buiten helder licht en zij konden den wilgeboom duidelijk zien. De bevroren -grond was zoo hard als een steen, <span class="pagenum">[<a id="pb117" href="#pb117">117</a>]</span>maar Hans en zijn moeder waren niet bang voor een beetje moeite. Het eenige, wat zij -vreesden, was, dat zij de slapers in de hut zouden wakker maken. -</p> -<p>„Gelukkig, dat wij het houweel hebben, moeder,” zeide Hans, terwijl hij uit al zijn -macht sloeg; „maar de grond is zóó hard, dat we moeite zullen hebben, om er door te -komen.” -</p> -<p>„Wat zal dat een heuglijke tijding voor hem zijn,” zeide vrouw Brinker glimlachend, -„als hij sterk genoeg is om haar te dragen. Ik zou er wel lust in hebben, beide kousen, -zoo vol met geld, net zooals wij ze vinden, naast hem neer te leggen. Wat zou de brave -man dan raar opkijken, als hij wakker werd!” -</p> -<p>„Dan moeten we ze eerst vinden, moeder!” -</p> -<p>„Daar is geen twijfel aan, mijn jongen! Ze kunnen ons nu niet ontgaan. Waarschijnlijk -zitten ze in den ouden koekepot, dien ik jarenlang gemist heb.” -</p> -<p>Maar hoe diep Hans ook groef, er kwam geen teeken van den schat terug. -</p> -<p>„’t Is vreemd, dat vader het geld zoo vreeselijk diep in den grond heeft gespit,” -zeide vrouw Brinker op knorrigen toon. „De grond was toen nog zacht genoeg. Hoe verstandig -van hem dat hij Jan Kamphuijzen niet vertrouwd heeft, en toch stelde hij toen nog -zijn volle vertrouwen op hem. Wie had ook ooit kunnen denken, dat die vroolijke jongen, -die altijd zoo aardig was, nog naar de gevangenis zou gaan! Nu, Hans, geef mij nu -de spade eens. ’t Zou toch jammer zijn, als wij den boom er mee doodden. Zou ’t hem -geen kwaad doen?” -</p> -<p>„Ik weet het niet,” antwoordde Hans ernstig. -</p> -<p>Uur op uur gingen moeder en zoon voort met hun werk. Het gat werd hoe langer hoe dieper. -Eindelijk moesten zij ’t wel opgeven. Zij hadden bezuiden, benoorden, beoosten, bewesten -den boom gegraven; maar de verborgen schat was er niet. -<span class="pagenum">[<a id="pb118" href="#pb118">118</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch12" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd29e235">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">TWAALFDE HOOFDSTUK.</h2> -<h2 class="main">De toovergodin.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">„Goeden morgen, Annie Bouman,” zeide Hans, toen het meisje hem den volgenden morgen -op het ijs ontmoette. -</p> -<p>„Goeden morgen, Hans,” antwoordde zij vriendelijk. „Ik ben blij, dat ik je eens zie. -Hoe is ’t met je vader?” -</p> -<p>„Daar is een groote verandering mee voorgevallen, Annie!” -</p> -<p>„Ik heb er zoo wat van gehoord, Hans. Je moet het mij eens vertellen.” -</p> -<p>En hij vertelde haar al wat er gebeurd was, terwijl hij natuurlijk van het begraven -geld zweeg. -</p> -<p>„Maar nu moet ik weg, Annie,” eindigde hij. „Ik moet naar Amsterdam, om mijn schaatsen -te verkoopen. Moeder heeft geld noodig.” -</p> -<p>„Je nieuwe schaatsen, Hans?” riep Annie uit. „Jij, de beste rijder uit Broek! En hoe -wil je dan meedoen aan den wedren?” -</p> -<p>„Dat zal niet gaan, Annie! Maar ik moet weg. Goeden dag!” -</p> -<p>En hij was reeds heen. -</p> -<p>„Hans!” riep Annie. -</p> -<p>Hans kwam terug. -</p> -<p>„Ben je wezenlijk van zins, om je schaatsen van de hand te doen, als je er een kooper -voor kunt vinden?” -</p> -<p>„Natuurlijk,” antwoordde hij, terwijl hij een paar groote oogen opzette. „Waarom zou -ik anders naar Amsterdam rijden?” -</p> -<p>„Nu, Hans, als je dan je schaatsen wilt verkoopen, dan weet ik wel iemand, die ze -van je wil overnemen.” -</p> -<p>„Mijn schaatsen koopen?” hernam Hans. -</p> -<p>„Waarom niet die zoo goed als een ander?” zeide zij vriendelijk. „Wat zal je er in -Amsterdam voor krijgen? Je moet ze daar voor een appel en een ei geven. ’t Is altijd -veel voordeeliger, om ze uit de hand te verkoopen.” -</p> -<p>Hans kon èn aan het argument èn aan het lieve, vriendelijke gezichtje van het meisje -geen weerstand bieden. -<span class="pagenum">[<a id="pb119" href="#pb119">119</a>]</span></p> -<p>Hij zette zich neder, bond zijn schaatsen af en overhandigde ze aan Annie: -</p> -<p>„Hoor eens, Annie,” zeide hij, „als je kennis de schaatsen niet wil hebben, dan moet -je me beloven, dat je ze me van middag terugbrengt. Want moeder heeft hout en meel -noodig en dan ga ik nog vóór den avond naar Amsterdam.” -</p> -<p>„Mijn vriend heeft ze noodig,” antwoordde zij, terwijl zij hem vriendelijk toeknikte -en met de schaatsen wegreed, terwijl zij bij zich zelf zeide: -</p> -<p>„Wat is die Hans toch een goede, brave jongen!” -</p> -<p>Hans vervolgde intusschen, en nu te voet, zijn reis naar Amsterdam. -</p> -<p>„’k Hoop maar niet, dat moeder boos zal zijn,” zeide hij in zich zelf, „dat ik de -schaatsen verkocht heb, zonder haar verlof te hebben gevraagd. Zij heeft al verdriet -genoeg. ’t Zal tijds genoeg zijn, ’t haar te vertellen, als ik het geld heb.” -</p> -<p>„Hé, waar moet jij naar toe?” hoorde Hans eensklaps roepen, toen hij nog niet tot -aan het Noordhollandsche kanaal genaderd was. -</p> -<p>Hans, die met de oogen naar den grond geslagen geloopen had (want hij was heel verdrietig, -omdat hij in Broek geen werk had kunnen krijgen, en vreesde er terecht voor dat hij -wel een vergeefschen tocht naar Amsterdam zou doen), keek op en zag Peter van den -Helm, die zijn vijf makkers een oogenblik verliet en naar den kant der vaart reed. -</p> -<p>„O, zijt gij het, jongeheer!” zeide Hans min of meer beteuterd door de onverwachte -verschijning. -</p> -<p>„Wij komen zoo juist van onze reis terug. Hoe is ’t met je vader? Is dokter Broekman -er al geweest?” -</p> -<p>„O, mijnheer, dokter Broekman is er niet alleen geweest, maar met Gods hulp heeft -hij vader gered.” -</p> -<p>„Wat je zegt! Nu, Hans, dat is een goede tijding. En waar ging je nu naar toe?” -</p> -<p>„Naar Amsterdam, om werk te zoeken, jongeheer!” -</p> -<p>„Naar Amsterdam? Daar zul je geen werk krijgen. Waarom zoek je het niet in Broek?” -</p> -<p>„Ik heb ’t gepoogd, jongeheer, maar er is geen werk.” -<span class="pagenum">[<a id="pb120" href="#pb120">120</a>]</span></p> -<p>„En zou je zoo op je voetjes naar Amsterdam kuieren? Dat zou je niet meevallen: want -het is een heel eind. Waar zijn je nieuwe schaatsen?” -</p> -<p>„Ach, jongeheer,” zeide Hans, terwijl hij verlegen aan zijn mouw plukte, „die heb -ik verkocht.” -</p> -<p>„Verkocht? En hoe moet je dan morgen aan de hardrijderij meedoen?” -</p> -<p>„Dat zal ik niet kunnen. Ach, ik heb wel aan wat anders te denken dan aan hardrijderijen.” -</p> -<p>„Maar waarom heb je je schaatsen verkocht, Hans? Je was er zoo blij mee en jij kondt -er zoo goed op voort.” -</p> -<p>„Omdat er meel en brandstof in huis moest zijn,” hernam Hans. „Als ik maar werk had -kunnen krijgen, zou ik er geen oogenblik aan gedacht hebben.” -</p> -<p>„Werk? Heb ik niet gezegd, dat je maar naar mijn papa moest gaan om werk. Die zou -het je wel gegeven hebben.” -</p> -<p>„Hij is naar Rotterdam, jongeheer!” -</p> -<p>„Hoor eens, je ziet, dat mijn kameraads reeds met ongeduld op mij wachten. Kom dadelijk -bij mij, dan zal ik er met mama over spreken.” -</p> -<p>Dit zeggende, vloog Peter als een pijl uit een boog voort en was binnen weinige minuten -weder bij zijn reisgenooten, die hem braaf berispten, dat hij zich zoo gemeenzaam -met dien voddenraper aanstelde. Maar Peter antwoordde niets, ofschoon hij bij zich -zelf dacht: die voddenraper is honderd percent beter dan een van ons allen. Hij antwoordde -niet, omdat hij de laatste seconden van hun vroolijk samenzijn niet wilde verbitteren -door een twist, waarin zij hem toch nooit gelijk zouden geven. Hans intusschen wandelde -getroost terug en kwam aan het huis van mijnheer Van den Helm, toen Peter en Lodewijk -reeds lang en breed thuis zaten en al hun wedervaren verteld hadden. -</p> -<p>„Kom maar binnen, Hans!” zeide Peter. „Ik heb mama reeds over je gesproken.” -</p> -<p>„Dat is heel vriendelijk van u, jongeheer!” antwoordde Hans. -</p> -<p>„En zij is heel boos op je, omdat je niet gedaan hebt, wat ik je gezegd had en bij -haar bent gekomen om hulp.” -<span class="pagenum">[<a id="pb121" href="#pb121">121</a>]</span></p> -<p>„Ik bij haar komen om hulp, jongeheer?” zeide Hans, terwijl hij een kleur kreeg als -bloed. „Neem mij niet kwalijk,” vervolgde hij op fieren toon, „’t is misschien een -beetje trotsch van mij, maar nooit heeft een der Brinkers zich verlaagd tot het vragen -om een aalmoes!” -</p> -<p>„En daar heb je braaf aan gedaan, Brinker,” zeide een deftige dame, die het vertrek -binnentrad. „Toch spijt het mij, dat je niet bij mij gekomen bent; ik had je graag -wat voorgeschoten op het werk, dat je hier zult verrichten.” -</p> -<p>Hans keek mevrouw Van den Helm met een paar oogen aan, glinsterend van vreugde. En -hij sloeg die oogen zóó bescheiden en toch zóó open tot haar op, dat hij haar ondanks -zijn versleten plunje beviel. -</p> -<p>„Je bent een gunsteling van mijn zoon Peter,” hernam zij. „Hij heeft mij verteld, -hoe je hem te Haarlem uit de verlegenheid gered hebt. Maar waarom hield je dat geld -niet voor je zelf, daar je het toch zoo noodig hebt?” -</p> -<p>„Dat kan Mevrouw niet meenen,” zeide Hans, terwijl hij een ongeloovigen blik op mevrouw -Van den Helm sloeg. „Als ik het gehouden had, was ik immers een dief geweest.” -</p> -<p>„Maar dan had je toch wel een paar gulden voor je moeite kunnen aannemen,” hervatte -mevrouw Van den Helm. -</p> -<p>„Geld, dat ik niet verdiend heb, is een aalmoes, Mevrouw. En wat mijn moeite aangaat, -de jongeheer heeft mij waarlijk nog grooter dienst bewezen met dokter Broekman te -gaan spreken.” -</p> -<p>„’t Is waar, Brinker. Dokter Broekman heeft je vader zoo gelukkig genezen. Vertel -me dat eens!” -</p> -<p>Hans verhaalde wat dokter Broekman gedaan had en weidde zeer uit over ’s mans vriendelijkheid. -</p> -<p>„Hoe kun je toch zeggen, dat dokter Broekman vriendelijk is?” zeide Peter. „Ik heb -nooit grooter bok gezien.” -</p> -<p>„’t Kan wezen, jongeheer! En ik wil heel gaarne gelooven, dat andere menschen geen -reden hebben, om op zijn vriendelijkheid te roemen. Maar dat belet toch niet, dat -ik hem voor een lief, goed man houd en dat ik mijn leven zou opofferen, om hem een -dienst te doen.” -</p> -<p>„Je hebt gelijk, Brinker,” zeide mevrouw Van den Helm. „En ik vind het nobel van je, -dat je zoo ferm voor je gevoelen <span class="pagenum">[<a id="pb122" href="#pb122">122</a>]</span>durft uitkomen. Dokter Broekman is een braaf man en een knap geneesheer. Dat hij gewoonlijk -zoo ernstig en streng is, daar heeft hij wel reden voor, de arme man. ’t Zal zoowat -tien jaren geleden zijn, dat hij zijn eenig kind, een zoon van veel verwachting, op -een zeer ongelukkige manier verloren heeft. En dat verlies heeft den vader vrij wat -verdriet veroorzaakt.” -</p> -<p>Peter zweeg uit achting voor zijn moeder, en op het gelaat van Hans stond innig medelijden -te lezen; terwijl hij in zijn hart den wensch voedde, dat hij den dokter diens zoon -mocht kunnen wedergeven. Nadat onze knaap het werk in den koepel had opgenomen, hetwelk -hij bij den aankoop van de noodige gereedschappen, niet boven zijn bereik vond, gaf -mevrouw Van den Helm hem een rolletje met tien rijksdaalders. -</p> -<p>„Ziedaar, Brinker,” zeide zij vriendelijk, „hier heb je al vast vijf en twintig gulden -op voorschot! Daar kun je het noodige gereedschap en hout voor koopen. En dan wachten -we je den tweeden Januari om te beginnen. Morgen is de groote wedren, overmorgen Oudejaarsdag -en Nieuwjaarsdag kun je toch ook niet werken. Al dien tijd kunnen je ouders niet van -den wind leven, en als het werk goed uitvalt, dan zijn de vijf en twintig gulden nog -maar een kleinigheid.” -</p> -<p>Hans keek met glinsterende oogen naar de blinkende rijksdaalders, die hij zou verdienen, -en dacht aan de vreugde, die er in de hut zou heerschen, als hij met zooveel geld -thuis kwam. Want als hij tien gulden voor hout en gereedschap noodig had, was ’t veel -en het andere geld kon dienen voor de noodigste levensbehoeften en voor <span class="corr" id="xd29e2137" title="Bron: brand">brandstof</span>. Als hij zijn zin gehad had, dan zou hij reeds den volgenden dag zijn begonnen, maar -daarvan wilde mevrouw Van den Helm niets hooren en hij durfde er niet op aandringen. -</p> -<p>„Je bent toch niet boos op me, Hans,” zeide Peter, toen hij hem uitliet, „dat ik zoo -over dokter Broekman gesproken heb? Ik wist niet, dat de man verdriet had.” -</p> -<p>„Wel neen jongeheer! Hoe zou ik boos kunnen zijn op u, die mij als een weldoener verschenen -zijt? Ik dank u integendeel hartelijk.” -<span class="pagenum">[<a id="pb123" href="#pb123">123</a>]</span> -</p> -<p></p> -<div class="figure floatRight p123width"><img src="images/p123.png" alt="" width="492" height="720"></div><p> -</p> -<p>„En nu koop je je schaatsen terug, hoor, en doe je morgen mee met de hardrijderij.” -</p> -<p>„Dat zal moeilijk gaan, jongeheer! Maar we zullen zien.” -</p> -<p>En met deze woorden verliet hij het huis van de familie Van den Helm. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Vroolijk kwam Hans in de hut aan. Vader Brinker was juist ontwaakt en wenschte wat -op te zitten; maar vrouw Brinker had hem beduid, dat hij moest wachten tot Hans thuis -kwam. Hij zat dus maar in het bed op. -</p> -<p>„Ben je daar al, Hans?” zeide zijn moeder. „Ik dacht, dat je naar Amsterdam waart.” -</p> -<p>„Zooals u ziet, moeder! Ik ben niet naar Amsterdam geweest. Ha, vader! al wakker? -en hoe gaat het?” -</p> -<p>„Veel beter jongen, veel beter. Ik wachtte al op jou om op te staan: want een mensch -zou wel lui worden, als hij zoo lang in de veeren bleef liggen. Maar je kijkt zoo -vroolijk als een meidag. Er is je zeker wat goeds bejegend.” -</p> -<p>„Dat zou ik zeggen, vader,” antwoordde Hans, terwijl hij <span class="pagenum">[<a id="pb124" href="#pb124">124</a>]</span>de tien blanke rijksdaalders op tafel wierp. „Ik heb werk gekregen en geld op voorschot.” -</p> -<p>En hij vertelde zijn ontmoeting met Peter en de vriendelijke ontvangst bij mevrouw -Van den Helm. -</p> -<p>„En zal jij dat werk durven avonturen, Hans?” vroeg Brinker. -</p> -<p>„Met Gods hulp, ja vader,” antwoordde Hans. „En we zien reeds duidelijk, dat de goede -God met mij geweest is.” -</p> -<p>„Maar hoe zul je.…” -</p> -<p>„Hij kan zoo mooi in hout snijden, Rolf,” zeide vrouw Brinker. „Hans, krijg daar de -plank eens vandaan en laat je vader die eens zien.” -</p> -<p>Hans voldeed aan het verlangen zijner moeder en reikte zijn vader de plank toe. Deze -bekeek het werk met oplettendheid en zeide: -</p> -<p>„Dat is goed werk; wie heeft je dat geleerd, Hans?” -</p> -<p>„Niemand vader; ik heb het door eigen oefening zoo ver gebracht.” -</p> -<p>„En hoe kwam je aan het gereedschap?” -</p> -<p>„Een oud mes, anders heb ik niet gebruikt.” -</p> -<p>„Nu, dan zul je den koepel wel in orde brengen, als je maar goed gereedschap hebt, -jongen! Doch help mij nu op! Ik verlang om uit het bed te komen en je moeder durfde -me alleen niet aan.” -</p> -<p>Dien namiddag kwam Annie Bouman. -</p> -<p>„Hans,” zeide zij, „ik heb goede zaken voor je gedaan! Ik heb vijf gulden voor je -schaatsen gekregen.” -</p> -<p>„Heb je je schaatsen verkocht, Hans?” vroeg zijn moeder. -</p> -<p>„Ik heb ’t van morgen gedaan, moeder, éér ik naar mevrouw Van den Helm ben geweest. -Maar vijf gulden is te veel, Annie. Ik heb er zooveel niet voor gegeven.” -</p> -<p>„En als nu de liefhebber er zooveel voor geven wil.” -</p> -<p>„Ik kan het niet gelooven, Annie,” zeide Hans. -</p> -<p>„Dat staat je niet mooi, Hans, dat je mij niet gelooft,” zeide Annie. -</p> -<p>„’t Is wel mogelijk Annie! Maar ik geloof.…” -</p> -<p>„Je moet die schaatsen weerom koopen, Hans,” zeide vrouw Brinker. „Je bent een brave -jongen, dat je je grootste genoegen voor je ouders hebt opgeofferd. Maar nu we geld -hebben en <span class="pagenum">[<a id="pb125" href="#pb125">125</a>]</span>jij werk—wil ik niet, dat je zonder schaatsen blijft. Begrijp eens, dat je wel een -enkele maal naar Amsterdam zult moeten, en als je ’t dan op je voeten zoudt moeten -doen, dan zou je er te veel tijd mee verliezen.” -</p> -<p>„Heb je geld gekregen, Hans?” vroeg Annie. -</p> -<p>„Ja, Annie, van mevrouw Van den Helm, op afrekening van het werk, dat ik er doen zal. -Ik zal er den koepel van snijwerk voorzien.” -</p> -<p>„Jij, Hans? Wel, dat doet mij genoegen. En dus wil je nu de schaatsen niet verkoopen?” -</p> -<p>„Je moet ze weerom halen, Hans,” zeide zijn moeder. -</p> -<p>„Ik zal met je meegaan, Annie,” hernam Hans. „Ik kan ze toch nog wel terugkrijgen?” -</p> -<p>„Wel zeker. Maar laat Griete dan met me meerijden, dan kan zij ze halen.” -</p> -<p>Op dit oogenblik schoot de zon haar laatste stralen, bloedrood, door het venster in -de hut en bescheen de liefelijke gestalte met een tooverachtig licht. Vrouw Brinker -beschouwde de jeugdige gedaante. -</p> -<p>„Kijk me nu dat lieve meisje eens aan!” riep zij uit. „Zou men niet zeggen, dat daar -een toovergodin staat, van wie ik vroeger wel eens in de boeken gelezen heb?” -</p> -<p>„Vindt gij ’t, vrouw Brinker?” zeide Annie lachend. -</p> -<p>„Inderdaad,” antwoordde zij. -</p> -<p>Hans keek haar met vriendelijken blik aan; Griete kreeg haar schaatsen. -</p> -<p>„Ik ga gauw naar huis; kom, Griete, ben je klaar?” -</p> -<p>„Ja, Annie!” antwoordde Griete. -</p> -<p>„Dag, vrouw Brinker,” zeide Annie. „’t Beste met je man!” -</p> -<p>Hans ging mede de deur uit, om de meisjes tot aan de vaart te vergezellen. Even buiten -de deur stond Annie stil. Weder scheen de zon tooverachtig op het gelaat van het meisje. -Was het een weinig coquetterie, dat ze daar zoo bleef stilstaan? Ik durf ’t niet zeggen—wel -weet ik dat Hans haar met een soort van eerbied aanstaarde. -</p> -<p>„Moeder heeft wel gelijk,” zeide hij bewonderend. „Je lijkt net zoo’n toovergodin.” -</p> -<p>Annie had er pleizier in, dat Hans haar zoo aankeek. Zij zette een ernstig gezichtje -en zeide: -<span class="pagenum">[<a id="pb126" href="#pb126">126</a>]</span></p> -<p>„Welnu, Hans en Griete! Ik ben de goede toovergodin uit Broek, die je een bezoek komt -brengen. Je kunt ieder een wensch doen, die zal je worden toegestaan.” Griete begon -te lachen om den ernst, waarmede zij sprak; maar Hans, die in zijn hart wenschte, -dat Annie werkelijk een toovergodin was en dat haar belofte mocht uitkomen, lachte -niet en zeide ernstig: -</p> -<p></p> -<div class="figure floatRight p126width"><img src="images/p126.png" alt="" width="532" height="647"></div><p> -</p> -<p>„Welnu, goede toovergodin, ik wenschte, dat ik kon vinden wat ik van nacht tevergeefs -gezocht heb!” -</p> -<p>Annie bleef haar rol uitmuntend doorspelen. Zij stampte driemaal op den grond, haalde -plechtig een glazen kraal uit haar zak, reikte die Hans over en zeide: -</p> -<p>„Begraaf die kraal daar ginds bij de oude vermolmde wilgestomp, en eer de maan hedenavond -opkomt, zal je wensch vervuld zijn.” -</p> -<p>Griete vond dit zoo koddig, dat zij nog harder begon te lachen. -</p> -<p>„Ondeugend kind,” zeide Annie, terwijl zij een streng gezicht zette. „Omdat je een -toovergodin bespot, zal jouw wensch niet vervuld worden.” -<span class="pagenum">[<a id="pb127" href="#pb127">127</a>]</span></p> -<p>„’t Is jammer, dat je je beurt niet hebt afgewacht, toovergodin!” zeide Griete. „Nu -kun je me niets weigeren: want ik heb niets gevraagd.” -</p> -<p>Annie bleef haar rol goed spelen. Met waardigheid wendde zij zich om, drukte Hans -genadig de hand en wandelde naar de vaart. Toen zij daar was, was zij weder Annie. -</p> -<p>„Kom, Griete!” riep zij tegen het nog steeds lachende kind. „Ga nu mee; anders zou -je de schaatsen van je broer niet voor morgen thuis brengen. En je weet, dat hij dan -op de harddraverij moet.” -</p> -<p>Hans keek de meisjes na, zoolang hij ze zien kon. Maar hij staarde ze na met een droomerig -gelaat. -</p> -<p>„Bij die wilgestomp, zeide zij,” mompelde hij. „Hoe dom, dat wij daaraan niet gedacht -hebben! O, ’t is zeker waar! Doch ik zal er moeder niets van zeggen, eer ik weet of -’t waar is. Zij was van nacht zoo teleurgesteld.” -</p> -<p>En hij ging met langzame schreden in huis, waar zijn vader gerust lag te slapen. -</p> -<p>„Wat moet je hebben, Hans?” vroeg vrouw Brinker, die aan het bed van haar man zat -te breien. -</p> -<p>„Ik ga de oude stomp omhakken om een lekker brandje te hebben, als vader van nacht -wakker wordt. Hij staat daar toch maar als een doeniet. En dan word ik warm van den -arbeid; want ik ben koud geworden.” -</p> -<p>„Sla dan niet te hard, anders mocht je je vader wakker maken.” -</p> -<p>„Wees maar niet bang, moeder!” antwoordde hij, terwijl hij met spade en houweel de -hut verliet. -</p> -<p>Toen Griete kort daarop met de schaatsen thuis kwam, vroeg zij Hans, terwijl zij haar -schaatsen afbond: -</p> -<p>„Wat voer je daar toch uit?” -</p> -<p>„Ik begraaf mijn tooverkraal,” antwoordde hij. -</p> -<p>„Malle jongen, hier zijn je schaatsen!” -</p> -<p>„Hang ze maar binnen op! En waar heb je ze gehaald?” -</p> -<p>„Wel, ze lagen bij Annie aan huis.” -</p> -<p>„Dat dacht ik wel. Lieve, lieve Annie! Je zult zien, Griete, dat ze ons nog meer geluk -aanbrengt!” -</p> -<p>„’t Zal wat zijn, als het voor de heeren komt. Maar ik ga in huis. ’t Is me te koud -om stil te staan.” -<span class="pagenum">[<a id="pb128" href="#pb128">128</a>]</span></p> -<p>Vijf minuten later kwam Hans half dansende de deur in met een vuilen koekepot. -</p> -<p>„Moeder!” riep hij. „Het geld is terug! We hebben er van nacht niet aan gedacht, dat -de wilg, welken vader bedoelde, al voor jaren is omgewaaid en dat de andere nog jong -was, toen het ongeluk op den dijk voorviel. Annie heeft mij, zonder het te weten, -op de gedachte gebracht, dat het die was. Hier is de pot met geld!” -</p> -<p>Vrouw Brinker kon niet spreken: maar zij trok den ouden vuilen pot, dien Hans op tafel -had gezet, naar zich toe en haalde de beide kousen er uit, die ze aan haar hart drukte. -Eindelijk riep zij: -</p> -<p>„O, kinderen! Welk een geluk! God zegene de lieve Annie voor haar wenk! Nu zal vader -het eerst goed hebben.” -</p> -<p>Dien nacht droomde Annie van een knipmes, dat Hans verloren had en op haar tooverspreuk -terugvond. -</p> -<p></p> -<div class="figure p128width"><img src="images/p128.jpg" alt="" width="720" height="480"></div><p> -</p> -</div> -</div> -<div id="ch13" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd29e243">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">DERTIENDE HOOFDSTUK.</h2> -<h2 class="main">Het geheimzinnige horloge.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Terwijl Hans dien dag werk had gezocht en Griete bezig was geweest, om waar zij kon -langs de vaart eenig hout te sprokkelen, om het vuur aan den haard te onderhouden, -had er in de hut van Rolf Brinker een vrij langdurig gesprek plaats gehad tusschen -den zieke en zijn vrouw, waarvan ik den inhoud aan mijn lezeressen en lezers wil mededeelen, -niet twijfelende, of zij zullen een levendig belang stellen in hetgeen er tusschen -de beide echtgenooten verhandeld werd. -</p> -<p>Gij herinnert u nog wel het gouden horloge, dat Rolf’s trouwe vrouw zoo zorgvuldig -had bewaard. Zoo menig uur van bitteren nood en nijpende armoede was er voorbijgegaan, -waarin moeder Brinker het niet zou gewaagd hebben, dit horloge voor den dag te halen, -uit vrees dat de verleiding haar te zwaar zou zijn en zij er voor mocht bezwijken -en <span class="pagenum">[<a id="pb129" href="#pb129">129</a>]</span>ontrouw worden aan het laatste verzoek van haar man. ’t Was zoo menigmaal hard geweest, -de bleeke, vervallen wangen harer lievelingen te zien en daarbij te denken, dat het -geld, hetwelk zij voor dit horloge kon krijgen, de rozen op die wangen had kunnen -terugbrengen. Maar vrouw Brinker kon de laatste woorden van haar man niet vergeten, -zij zou er trouw aan blijven, er mocht van komen wat er wilde. -</p> -<p>„Pas er goed op, Mietje,” dat waren zijn woorden geweest, toen hij haar het horloge -ter hand stelde. Meer had hij er niet kunnen bijvoegen: want toen was men hem komen -roepen, omdat de dijk gevaar liep. En na dien tijd, tien jaren lang, was Rolf buiten -staat geweest, haar iets naders aangaande het haar in bewaring gegeven kleinood mede -te deelen. -</p> -<p>Nu echter begreep zij, dat het oogenblik gekomen was, waarin zij van haar man iets -meer ten aanzien van het geheimzinnige horloge zou kunnen vernemen. Zij legde het -dus in de hand van den zieke. -</p> -<p>Rolf Brinker draaide het gladde, blinkende voorwerp herhaalde malen in zijn hand om; -daarna onderzocht hij het kleine zwart moiré lintje, dat er aan vastzat; hij scheen -echter een en ander niet te herkennen. Eindelijk toch zeide hij: -</p> -<p>„Hé, ja. Nu herinner ik ’t mij. Vrouw, wat heb je dat ding mooi opgewreven! Het ziet -er uit of het zoo nieuw uit den winkel komt!” -</p> -<p>„Vindt je ’t?” vroeg vrouw Brinker. -</p> -<p>Rolf bekeek het horloge nogmaals. -</p> -<p>„Arme jongen!” mompelde hij; toen verzonk hij in diep gepeins. -</p> -<p>Vrouw Brinker kon haar ongeduld niet langer bedwingen. Min of meer knorrig, herhaalde -zij haars mans woorden: „Arme jongen!” Daarop vervolgde zij: „Hoe is ’t nu met je -Rolf? Denk je, dat ik niets anders te doen heb, dan hier bij je te staan en mijn boel -te laten wachten, om ten slotte van alles niets anders van je te hooren dan: arme -jongen?” -</p> -<p>„Maar ik heb je immers alles reeds sedert lang verteld,” zeide Rolf op bevestigenden -toon, terwijl hij zijn vrouw verwonderd aankeek. -<span class="pagenum">[<a id="pb130" href="#pb130">130</a>]</span></p> -<p>„Wel neen, Rolf, je hebt me er nooit een enkel woord van gezegd.” -</p> -<p>„Nu, als dat het geval is, en daar ’t een zaak betreft, die ons in ’t geheel niet -aangaat—zoo zullen wij er maar over zwijgen,” hervatte Rolf, terwijl hij zijn hoofd -treurig schudde. „’t Is allerwaarschijnlijkst, dat in den tijd, welken ik dood ben -geweest voor de aarde, de arme gestorven en reeds in den hemel is. Hij zag er wel -naar uit, die arme knaap!” -</p> -<p>„Rolf, als je me op die manier gaat behandelen, die je heb verzorgd en verpleegd van -mijn twee-en-twintigste jaar af, dan moet ik zeggen dat het schande, meer dan erg -is.” -</p> -<p>En vrouw Brinker’s geheele gezicht was rood van toorn en zij sprak die woorden op -vlijmenden toon uit. Rolf vroeg met zwakke stem: -</p> -<p>„Je behandelen, Mietje? Op welke manier? Wat bedoel je daarmee?” -</p> -<p>„Op welke manier? Wat bedoel je daarmee?” herhaalde vrouw Brinker, terwijl zij zijn -stem en gebaren nadeed. „Wel op die manier, als elke vrouw wordt behandeld, als zij -haar man, toen hij zoo erg was, trouw heeft opgepast, als een.…” -</p> -<p>„Mietje!” -</p> -<p>Dit zeide Rolf op een gevoeligen toon, terwijl hij beide armen naar zijn vrouw uitstrekte -en begon te weenen als een kind. Terstond bedaarde vrouw Brinker’s drift. Zij snelde -op haar man af, sloot zijn beide handen in de hare en riep uit: -</p> -<p>„Ach! Wat heb ik gedaan! Ik heb mijn goeden man aan ’t weenen gemaakt, mijn goeden -man, dien ik nog geen vier dagen terug heb! Kijk me eens aan, Rolf, goede jongen! -kijk me eens aan! Ach, ik heb er zoo’n spijt van, dat ik je zeer gedaan heb! ’t Is -ook zoo hard, als je tien jaren gewacht hebt om wat naders van dat horloge te vernemen, -en je kunt er niets van te weten komen.… Maar ik zal je er geen woord meer over vragen, -Rolf! Geen enkel woord meer! Geef het ding maar hier, dan zullen we het wegbrengen. -Dat zulk een ellendig horloge de oorzaak moet zijn van ongenoegen tusschen ons, en -dat zoo kort, nadat God je me weergeschonken heeft!” -<span class="pagenum">[<a id="pb131" href="#pb131">131</a>]</span></p> -<p>„Ach, Mietje, ik ben heel kinderachtig geweest, dat ik geschreid heb,” hervatte Rolf, -terwijl hij haar kuste. „’t Is ook niet meer dan billijk, dat je de waarheid verneemt. -Maar ’t was mij, alsof ik door ’t je te vertellen, de geheimen van een afgestorvene -aan den dag zou brengen.” -</p> -<p>„Denk je dan, dat de man—de jongen, van wien je spraakt, dood is?” vroeg vrouw Brinker, -terwijl zij het horloge in haar hand verborg. -</p> -<p>„Dat kan ik niet zeggen,” antwoordde hij. -</p> -<p>„Was hij dan zoo ziek, Rolf?” -</p> -<p>„Neen niet ziek, maar gejaagd, heel gejaagd.” -</p> -<p>„Had hij dan wat kwaads uitgevoerd, denk je?” vroeg zij half fluisterend. -</p> -<p>Rolf knikte. -</p> -<p>„Een moord gedaan?” fluisterde de vrouw, zonder te durven opkijken. -</p> -<p>„Hij zeide, dat het er wel iets van had.” -</p> -<p>„O, Rolf, je doet mij schrikken—vertel mij meer—je spreekt zoo raadselachtig—en je -beeft. Ik moet alles weten.” -</p> -<p>„Als ik beef, vrouw, dan moet het van de koorts zijn. Daar rust, Goddank, geen schuld -op mijn ziel.” -</p> -<p>„Daar Rolf, neem een slokje wijn; dat zal je goed doen. Ziezoo nu ben je beter. ’t -Had veel van een moord, zei je?” -</p> -<p>„Ja, Mietje, van een moord; dat heeft hij mij zelf verteld. Maar ik geloof het niet. -Een knappe, frissche, aardige knaap, die er net zoo uitzag als onze Hans.…” -</p> -<p>„Ja, ik begrijp je,” hervatte vrouw Brinker, om de historie niet af te breken. -</p> -<p>„Hij kwam heel onverwachts op mij af,” ging Rolf voort. „Ik had hem nooit te voren -gezien, met zijn bleek en angstig gelaat. Hij greep mij bij den arm. „Je schijnt me -een eerlijke kerel te zijn,” zeide hij.” -</p> -<p>„Daar had hij ook deugdelijk gelijk in,” viel de vrouw haar man met geestdrift in -de rede. -</p> -<p>Rolf keek een weinig verward. -</p> -<p>„Waar was ik ook weer, vrouw?” vroeg hij. -</p> -<p>„De knaap greep je bij den arm,” antwoordde zij, terwijl zij hem nieuwsgierig aanzag. -<span class="pagenum">[<a id="pb132" href="#pb132">132</a>]</span></p> -<p>„Juist, zoo was ’t. ’t Komt me alles zoo moeilijk voor den geest, net alsof ’t een -droom is, weet je.” -</p> -<p>„Geen wonder, arme man,” hervatte vrouw Brinker, terwijl zij hem de hand drukte. „Als -jij geen verstand voor een dozijn anderen gehad hadt, dan zou je nooit weer bij je -positieven zijn gekomen. Welnu, hij greep je bij je arm en zei, dat je een eerlijke -kerel scheen te zijn. Waar was dat?” -</p> -<p>„Wel, je weet, dat ik het dagveer aan het Schouw bediende voor Piet van Dieren, die -toen ziek lag. Nu stond ik bij de schuit; want de stoomboot naar het Nieuwediep zou -binnen weinige minuten in ’t gezicht komen en dan moest ik klaar zijn, als er passagiers -waren af te zetten of aan te brengen.” -</p> -<p>„O, was ’t daar? Nu—hij greep je bij den arm, Rolf.” -</p> -<p>„Ja, dat deed hij. En ’t is of ik nog dat bleeke, angstige gelaat zie. „Breng mij -naar de stoomboot, die naar het Nieuwediep vaart.”—Met deze woorden sprong hij in -de boot, waarin ik reeds gestapt was.—„Hoor eens,” zei hij, terwijl ik de riemen in -het water legde; want het was nog te vroeg en de boot had nog niet eens gefloten. -„Hoor eens, kan ik je vertrouwen?”—„Als u zelf, mijnheer,” antwoordde ik.—„Ik heb -een verkeerd stuk begaan—God weet, dat ik het zonder opzet deed—maar de man is dood—en -ik moet uit het land vluchten.” Dat zei hij.” -</p> -<p>„Goede Hemel! En zei hij dat, Rolf? Had hij iemand doodgestoken of doodgeschoten?” -</p> -<p>„Dat herinner ik mij niet meer. Misschien heeft hij ’t mij verteld; maar ’t is me -alles als een droom. Eigenlijk mocht ik hem niet behulpzaam zijn om de wraak der wetten -te ontvluchten. Maar hij betuigde zoo plechtig zijn onschuld en daarenboven zag hij -zoo trouwhartig uit zijn oogen, net als onze Hans kan doen. Hoe meer ik ’t mij herinner—hoe -meer ik vind, dat hij op onzen jongen geleek.” -</p> -<p>„En was dat de knaap, die u het horloge gaf? Wel, Rolf, als hij daar maar eerlijk -aan gekomen was.” -<span class="pagenum">[<a id="pb133" href="#pb133">133</a>]</span></p> -<p>„Foei, vrouw!” riep Rolf uit, op een toon alsof hij zich beleedigd gevoelde. „De jongen -was zoo mooi en zoo fijn gekleed alsof hij een prins was. Het horloge was het zijne, -daar kun je staat op maken.” -</p> -<p>„Hoe kwam hij er dan toe, om het jou te geven?” hernam vrouw Brinker. -</p> -<p>„Wel, dat heb ik je zooeven verteld,” antwoordde hij min of meer verward. -</p> -<p>„Vertel ’t me dan nog eens, beste Rolf!” -</p> -<p>„Wel, juist toen de boot zich in de verte liet hooren en ik de riemen in het water -sloeg om er heen te roeien, haalde de knaap het horloge uit zijn zak. „Ik moet uit -mijn land vluchten, zooals ik nooit gedacht had, dat ik zou moeten doen,” zeide hij. -„Jou vertrouw ik, omdat je een eerlijk gezicht hebt.—Wil je dit horloge aan mijn vader -brengen, niet vandaag, maar vandaag over acht dagen, en hem zeggen, dat zijn ongelukkige -zoon het hem zendt. Zeg hem dan, dat, als hij er behoefte aan heeft, om mij bij zich -te hebben, ik alle gevaren zal trotseeren en terug zal komen. Zeg hem, dat hij een -brief moet schrijven aan.…” ja, verder ben ik alles vergeten. Ik kan mij niet herinneren, -waar de brief naar toe moest. Arme jongen! arme jongen!” herhaalde Rolf op smartvollen -toon, terwijl hij het horloge van zijn vrouws schoot nam. „En dat dit horloge sedert -al dien tijd niet naar zijn vader is gezonden!” -</p> -<p>„Ik zal het hem brengen, Rolf; ik zal het hem brengen, beste jongen, zoodra Griete -weer thuis is,” zeide vrouw Brinker, om haar man gerust te stellen. „Griete zal wel -gauw weerom komen. Hoe heette de vader van den knaap? Waar moest je hem opzoeken?” -</p> -<p>„Helaas!” antwoordde Rolf, terwijl hij langzaam sprak. „’t Is me alles ontgaan. ’t -Is me net, alsof ik het gezicht van den jongen nog vóór mij heb, met zijn groote oogen, -die me zoo trouwhartig aankeken—ik zie hem nog het horloge opendoen, er iets uitscheuren -en dat kussen.… Meer echter kan ik mij niet te binnen brengen. Al het overige wentelt -zich als in een kring om mij rond, en als ik tracht te denken, dan is ’t net of het -geluid van opkomend water mij in de ooren ruischt.” -<span class="pagenum">[<a id="pb134" href="#pb134">134</a>]</span></p> -<p>„Dat is heel natuurlijk. Dat gesuis in mijn ooren heb ik vroeger zoo dikwijls gehoord, -als ik de koorts had gehad. Je bent nu moe en moet naar bed. Waar of het kind toch -blijft?” -</p> -<p>En zij opende de deur en riep: „Griete, Griete!” -</p> -<p></p> -<div class="figure floatRight p134width"><img src="images/p134.png" alt="" width="521" height="552"></div><p> -</p> -<p>„Blijf daar staan, vrouw,” zeide Rolf zwak, terwijl hij zich vooroverboog en poogde -naar buiten te kijken naar het ontheisterde landschap. „Ik zou zoo’n lust hebben, -om eens even aan de deur te staan.” -</p> -<p>„Volstrekt niet, Rolf,” antwoordde zij glimlachend. „Ik zal ’t den dokter eens vertellen, -hoe je zanikt en maalt en me het hoofd warm maakt, om eens in de open lucht te gaan; -en als hij ’t permitteert, dan zal ik je morgen warmpjes toestoppen en de hut eens -met je omwandelen. Maar ik zou wel maken, dat je ’t koud kreegt met die open deur. -Als ik mij niet vergis, dan komt Griete daar in de verte aan met haar voorschoot vol -hout en spaanders; zij rijdt als een wildeman over de vaart.” -</p> -<p>„Foei, Rolf,” vervolgde zij, op luiden toon, want zij schrikte er van. „Loop je daar -zelf naar je bed, zonder dat ik je vasthoud? Je zult vallen.” -</p> -<p>Maar Rolf was niet gevallen, en toch hielp zijn vrouw hem te bed en dekte hem zóó -warmpjes toe, dat de goede man recht op zijn gemak lag en zeide, dat het vandaag wel -voor ’t laatst zou zijn, dat hij op klaarlichten dag naar bed ging. -<span class="pagenum">[<a id="pb135" href="#pb135">135</a>]</span></p> -<p>„In een dag of wat zal dat wel gaan, Rolf,” antwoordde zijn vrouw, „vooral als je -zoo in krachten toeneemt.” -</p> -<p>Daarop stookte zij het vuur wat aan, ridderde den boedel wat op en ging, met haar breiwerk in de hand, naast het bed zitten. -</p> -<p>„Hoor eens, Rolf, je moest toch eens probeeren, of je je den naam van dien vader niet -kunt herinneren. Griete is straks thuis en dan kan ik het horloge naar hem toebrengen, -terwijl jij slaapt.” -</p> -<p>Rolf dacht na, maar te vergeefs. -</p> -<p>„Kan het ook Boomheuvel zijn?” vroeg zij. „Ik heb wel eens gehoord, dat zij twee zoons -hadden, die niet hebben willen oppassen—Gerard en Lambert.” -</p> -<p>„’t Kan wel zijn. Kijk eens, of er ook letters op het horloge staan, die ons den weg -kunnen wijzen.” -</p> -<p>„Hemel, Rolf!” riep vrouw Brinker uit, terwijl zij het horloge bekeek. „Je bent verstandiger -dan ooit! ’t Kan niet anders. Hier staan de letters: L. J. B. Dat is zeker Lambert -Boomheuvel. Wat die J. beteekent, begrijp ik niet. Maar die Boomheuvels waren indertijd -rijke lui, die ’t goed konden stellen. En zulk soort van menschen geven hun kinderen -altijd dubbele namen.” -</p> -<p>„Dat laat zich best hooren, vrouw! ’t Is zeker die Lambert Boomkert geweest. Neem -dus het horloge en breng het terstond naar de Boomkerts.” -</p> -<p>„Neen, geen Boomkert, die naam bestaat er niet, voor zoover mij bekend is. Maar Boomheuvel.” -</p> -<p>„Nu breng het dan naar de Boomheuvels!” -</p> -<p>„Dat geef ik jou te doen, om het daar naar toe te brengen. Die heele familie is al -vier jaren geleden naar Amerika vertrokken. Maar ga jij nu slapen; je ziet er bleek -en afgemat uit. Als je uitgerust bent, dan zullen we er wel eens nader over beraadslagen.—Zoo, -Griete! Ben je daar eindelijk? Je bent tamelijk lang weggebleven.” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Rolf Brinker deed een langen en gerusten slaap, waaruit wij hem zagen wakker worden, -juist toen Hans met het door mevrouw Van den Helm voorgeschoten geld de hut binnentrad. -Hoe sterk de goede Rolf ook meende te zijn, <span class="pagenum">[<a id="pb136" href="#pb136">136</a>]</span>hij was dien namiddag weder naar bed gegaan en had niets gehoord van het gesprek met -Annie Bouman, en was evenmin wakker geworden door het slaan van Hans op de bevroren -aarde. Maar toen Hans den pot binnenbracht en moeder Brinker ’t uitgilde van vreugd, -toen werd Rolf wakker, keek half dommelig het bed uit en zeide: „Wat is er, Mietje?” -</p> -<p>Maar Mietje danste als een zottin door het vertrek met de beide kousen in haar armen -en Hans stond daar met tranen in de oogen, en Griete schaterde ’t uit van lachen. -</p> -<p>„Vader roept, moeder!” zeide Hans. -</p> -<p>In een oogenblik was vrouw Brinker’s uitgelaten blijdschap bedaard. -</p> -<p>„Ik had den goeden man wel een toeval op zijn lijf kunnen jagen,” zeide zij verschrikt. -„Maar ik ben ook zoo uitermate gelukkig!” -</p> -<p>„Wat is er toch gebeurd, Mietje?” herhaalde Brinker, met een minder slaperige stem -dan zooeven. -</p> -<p>„Wel, de duizend gulden zijn terug, die je begraven hadt, den nacht voordat je het -ongeluk op den dijk kreegt,” zeide vrouw Brinker, en zij verhaalde hem omstandig, -hoe zij reeds den vorigen nacht vergeefs naar het geld gezocht hadden, en hoe Hans, -op een toevallige aanwijzing van Annie Bouman, die er geweest was, terwijl hij geslapen -had, op het denkbeeld was gekomen om bij de stomp van den ouden wilgestam te graven -en — — — het geld ongeschonden voor den dag had gebracht. -</p> -<p>„En nu zul je ’t eerst goed hebben, Rolf,” eindigde zij. „Hans en ik gaan straks naar -Monnikendam, om ons van het noodige te voorzien. En jij, Hans en Griete, zult nu ook -vleesch bij je brood hebben en worst ook. Je hebt lang genoeg honger geleden.” -</p> -<p>Ik zal u de vroolijke gesprekken niet mededeelen, die er gevoerd, noch de schitterende -luchtkasteelen, welke er gebouwd werden en die zich gelukkigerwijs maar tot plannen -en ontwerpen bepaalden. Zij werden in hot midden van al die vroolijkheid gestoord -door het gerol van een rijtuig aan den overkant der vaart. -</p> -<p>„Zou daar de dokter zijn?” vroeg Hans. -<span class="pagenum">[<a id="pb137" href="#pb137">137</a>]</span></p> -<p>„Hij is er vandaag nog niet geweest. Ik dacht, dat hij maar eens zou hebben overgeslagen.” -</p> -<p>„Het rijtuig houdt stil,” zeide Griete. -</p> -<p>„Hier, Hans, neem de lamp! Als ’t de dokter is, mocht hij eens struikelen.” -</p> -<p>Hans was reeds met de lamp de hut uit en zag inderdaad den goeden dokter Broekman -over het ijs komen aanstrompelen. -</p> -<p>„Is u ’t, mijnheer?” riep hij hem toe. „Wacht, laat mij u bijlichten! U zoudt een -ongeluk kunnen krijgen.” -</p> -<p>En Hans snelde met zijn lamp naar den dokter toe en bood hem de hand, om hem langs -veilige plaatsen te geleiden. -</p> -<p>„Een satansch ellendig pad in den donker,” bromde de dokter. „’t Is goed, dat je gekomen -bent, Hans; anders had ik hals en beenen kunnen breken. Hoe is ’t met je vader?” -</p> -<p>„O uitmuntend, mijnheer! Vader wordt bij den dag sterker. Hij is op ’t oogenblik wakker.” -</p> -<p>„Goede Hemel, mijnheer de dokter!” riep vrouw Brinker uit. „Komt u zoo laat in den -avond! O, dat is lief van u! Hoe licht hadt u een ongeluk kunnen krijgen!” -</p> -<p>Dokter Broekman scheen haast te hebben. Hij antwoordde niet op den uitroep van vrouw -Brinker, maar ging terstond naar het bed, zette zich daar neder en voelde Brinker’s -pols. Hij knikte goedkeurend. -</p> -<p>„Dat gaat vooruit met den patiënt,” zeide hij. „Had ik geweten, dat het zoo goed was, -dan was ik doorgereden. Ik ben den geheelen dag Noord-Holland in geweest en kwam nu, -in het naar-huis-gaan, even aan.” -</p> -<p>„Geen wonder, dat Rolf zooveel beter is, dokter,” zeide vrouw Brinker. „Zooeven hebben -wij duizend gulden weergevonden, welke mijn man, tien jaren geleden, uit voorzorg -begraven had en die wij meenden, dat gestolen waren.” -</p> -<p>De dokter zette oogen op. -</p> -<p>„Ja, mijnheer,” zeide de zieke. „Zoo is ’t geval, ofschoon we het aan niemand meedeelen. -Maar u maakt een onderscheid, en daarboven, u zal het wel niet oververtellen.” -</p> -<p>De dokter bromde. Hij hield niet van zulke persoonlijke opmerkingen. -<span class="pagenum">[<a id="pb138" href="#pb138">138</a>]</span></p> -<p>„En nu, mijnheer, kan u ook een behoorlijke rekening inleveren. God weet, hoe dubbel -gij het verdiend hebt door zulk een ellendig werktuig weder als mensch in de wereld -te brengen, en welk een onbetaalbaren dienst gij daardoor aan hem en zijn gezin bewezen -hebt. Zeg dus maar aan mijn vrouw, hoeveel wij u schuldig zijn, en zij zal u terstond -betalen.” -</p> -<p>„Kom, kom,” zei de dokter vriendelijk. „Praat toch niet van betalen. Geld kan ik zooveel -krijgen als ik maar wil, maar dankbaarheid niet. Het „dank u” van dien jongen,” ging -hij voort, terwijl hij naar Hans wees, „heeft mij reeds genoegzaam betaald.” -</p> -<p>„U heeft zeker een zoon die veel op Hans gelijkt,” zeide vrouw Brinker, die heel blijde -was, dat de groote man zoo familiaar werd. -</p> -<p>Bij deze woorden verdween eensklaps elke vroolijke trek van des dokters gelaat. Hij -bromde iets, maar antwoordde geen woord. -</p> -<p>„O, mijnheer, mijn vrouw is wel wat bemoeizuchtig, niet waar? Maar u moet het haar -niet kwalijk nemen; want ik heb haar van middag verteld van een jongen, die zooveel -op onzen Hans geleek en die mij een boodschap aan zijn vader heeft achtergelaten. -En nu—nu ik de boodschap kan doen, is de geheele familie vertrokken.” -</p> -<p>„Ze heeten Boomheuvel, mijnheer,” zeide vrouw Brinker haastig. „Weet u ook iets van -die familie?” -</p> -<p>De dokter antwoordde kortaf en knorrig: -</p> -<p>„Ja. Dat ’s een malle zaak. Ze zijn sedert lang naar Amerika vertrokken.” -</p> -<p>„Misschien, Rolf,” zeide vrouw Brinker bedeesd, „kent de dokter wel iemand in dat -land, ofschoon ik mij wel heb laten vertellen, dat er niets dan wilden in wonen. Als -hij het horloge eens aan de Boomheuvels wilde sturen met de boodschap van den armen -jongen; dat zou een heerlijke zaak zijn.” -</p> -<p>„Ben je dwaas, vrouw? Waarom zouden wij den goeden dokter lastig vallen, die overal -genoeg te doen heeft met zieke menschen? Daarenboven—hoe weet je, dat je den rechten -naam hebt?” -<span class="pagenum">[<a id="pb139" href="#pb139">139</a>]</span></p> -<p>„Wel, ik ben er zeker van,” antwoordde zij. „Zij hadden een zoon Lambert en daar is -een L voor Lambert en een B voor Boomheuvel op de achterzijde van het horloge; ofschoon -er die malle J bij is; maar laat den dokter zelf maar zien.” -</p> -<p>Dit zeggende, reikte zij dokter Broekman het horloge over. -</p> -<p>„L. J. B.!” riep de dokter uit, terwijl hij het horloge aangreep. -</p> -<p>Ik zie geen kans om u het tooneel te beschrijven, dat nu volgde; ik wil alleen mededeelen, -dat de boodschap van den jongen eindelijk aan zijn vader werd overgebracht en dat -de groote dokter daar zat te schreien als een kind. -</p> -<p>„Laurens, mijn lieve Laurens!” snikte de dokter, terwijl hij als bewegingloos het -horloge aanstaarde. „O, had ik het maar vroeger geweten! Laurens een zwerveling zonder -huisvesting! Misschien al van ellende en kommer gestorven! Bedenk je toch eens, man, -waar is hij? Waar heeft mijn jongen gezegd, dat de brief moest worden heengezonden?” -</p> -<p>Rolf schudde treurig het hoofd. -</p> -<p>„Denk maar eens goed na!” smeekte de dokter. O, het geheugen, dat door zijn kunst -eerst zoo kort geleden ontwaakt was, <span class="ex">moest</span> hem dienen in een oogenblik als dit. -</p> -<p>„Ik ben het alles kwijt, geheel en al kwijt, mijnheer!” zuchtte Rolf. -</p> -<p>Hans, die allen afstand van rang en stand vergat en alleen zag, dat zijn goede vriend -verdriet had, sloeg den arm om den hals des dokters. -</p> -<p>„Ik kan uw zoon terugvinden, mijnheer,” zeide hij. „Als hij nog leeft, dan bevindt -hij zich ergens. De aarde is zoo groot niet: ik wil alle dagen mijn best doen, om -hem uit te vinden. Moeder kan mij nu missen. Gij zijt rijk, mijnheer, zend mij, waarheen -gij wilt!” -</p> -<p>Griete begon te schreien. Wel vond zij het goed, dat Hans ging. Maar hoe zouden ze -het maken zonder hem? -</p> -<p>Dokter Broekman antwoordde Hans niet, ook deed hij geen poging, om hem van zich af -te stooten. Zijn oogen waren angstig op Rolf Brinker gevestigd. Eensklaps nam hij -het horloge en poogde het open te doen springen. De verstijfde veer <span class="pagenum">[<a id="pb140" href="#pb140">140</a>]</span>gehoorzaamde eindelijk; de horlogekas vloog open—en het gelaat van den dokter toonde -bittere teleurstelling. Rolf zag dit en haastte zich te zeggen: -</p> -<p>„Daar was een papier in, mijnheer, maar de jongeheer scheurde het er uit, vóór hij -mij het horloge overhandigde. Hij kuste het, eer hij het wegstak.” -</p> -<p>„Dat was het portret zijner moeder,” zuchtte de dokter. „Zij stierf, toen hij nog -eerst tien jaren oud was. Goddank, dat de jongen haar niet vergeten heeft! En zij -zouden beiden dood zijn! Neen, dat is onmogelijk!” riep hij uit, terwijl hij van zijn -stoel opsprong. „Mijn jongen leeft nog; daar ben ik zeker van. Ik zal u vertellen, -wat er met hem gebeurd is. Laurens was mijn helper en tevens in een apotheek om het -recepteeren te leeren. Bij vergissing maakte hij voor een mijner patiënten een verkeerd -geneesmiddel gereed—hij had zich in de flesch vergist en gaf een zwaar vergif. Maar -gelukkig bemerkte ik den misslag nog bijtijds en gaf het geneesmiddel niet in. Diens -ondanks stierf de patiënt nog vóór den avond. Ik werd dien dag door verschillende -zieken opgehouden. Toen ik ’s avonds thuis kwam, was mijn arme jongen verdwenen. Arme -Laurens!” snikte hij, „en al die jaren niets van u te hooren! Zijn boodschap niet -gedaan! O, wat moet hij geleden hebben!” -</p> -<p>Vrouw Brinker verstoutte zich om te spreken. Zij kon den braven dokter zoo niet zien -schreien. -</p> -<p>„Hoe gelukkig voor u, dokter, te weten, dat de jongeheer onschuldig was. Ach! hij -was angstig en zoo bedroefd. Aan Rolf zeide hij, dat zijn misdaad gelijk stond met -een moord! Hij meende zeker het zenden van het verkeerde geneesmiddel. Als dat een -misdaad was, dan weet ik het niet! Onze kleine Griete zou hetzelfde hebben kunnen -doen. Waarschijnlijk heeft de arme jongeheer gehoord, dat de man dood was—daarom heeft -hij de vlucht genomen, mijnheer! Tegen jou zei hij, niet waar, Rolf, dat hij nooit -in het land kon terugkomen, indien.…” zij weifelde om meer te zeggen en vervolgde: -„Ach, mijnheer! tien jaren is een vreeselijk lange tijd om te wachten op tijding van.…” -<span class="pagenum">[<a id="pb141" href="#pb141">141</a>]</span></p> -<p>„Zwijg, vrouw!” zeide Rolf op scherpen toon. -</p> -<p>„Op tijding te wachten!” snikte de dokter. „En ik thuis zittende te brommen en mij -te verbeelden, dat hij mij verlaten had! In de verste verte heb ik er niet aan gedacht, -dat de knaap zijn misslag ontdekt had. Ik verbeeldde mij, dat het jeugdige dwaasheid -was—ondankbaarheid—zucht naar avonturen, die hem hebben doen wegloopen. Mijn arme, -arme Laurens!” -</p> -<p>„Maar u weet nu alles, mijnheer,” fluisterde Hans. „U weet nu, dat hij onschuldig -was aan alle kwaad; dat hij u en zijn afgestorven moeder liefhad. Wij zullen hem uitvinden. -U zult hem wederzien, lieve dokter!” -</p> -<p>„God zegen’ je, mijn jongen,” zeide dokter Broekman, terwijl hij de hand van den knaap -in de zijne drukte. „’t Moge uitkomen, zooals je ’t voorspelt. Ik zal mijn best doen, -dat zal ik. En Brinker, het minste woord, dat je je herinnert omtrent mijn ongelukkig -kind, moet je me terstond laten weten.” -</p> -<p>„Dat beloof ik u, dokter,” riep Hans uit, en de dokter was tevreden met die belofte. -Hij wist, dat Hans haar zou houden. -</p> -<p>„De oogen van je jongen,” hervatte de dokter tot vrouw Brinker, „lijken sprekend op -die van mijn zoon. De eerste maal, toen hij bij mij kwam, was ’t of Laurens zelf voor -mij stond.” -</p> -<p>Eenige minuten scheen de dokter in gedachten verzonken; daarna stond hij op en zeide -op vriendelijken toon: -</p> -<p>„Neem mij niet kwalijk, Brinker, dat ik ’t je van avond zoo druk gemaakt heb. Bedroef -je maar niet om mijnentwil. Ik verlaat je huis veel gelukkiger dan ik in jaren geweest -ben. Zal ik het horloge maar meenemen?” -</p> -<p>„Natuurlijk, mijnheer! ’t Was immers de wensch van uw zoon.” -</p> -<p>„Je hebt gelijk,” hernam de dokter, terwijl hij het horloge wegstak. „En nu moet ik -gaan. Mijn patiënt heeft geen andere medicijnen noodig dan rust en een vroolijke omgeving; -beide zijn hier in overvloed. De Hemel zegene u, mijn goede vrienden! Ik zal je altijd -dankbaar zijn!” -</p> -<p>„Moge de Hemel ook u zegenen, mijnheer!” zeide vrouw <span class="pagenum">[<a id="pb142" href="#pb142">142</a>]</span>Blinker, „en u spoedig dien lieven jongenheer doen terugvinden.” -</p> -<p>Hans lichtte den dokter weder met de lamp voor. -</p> -<p>„Als ik u van dienst kan zijn, mijnheer,” zeide hij trouwhartig, „dan ben ik ten allen -tijde gereed.” -</p> -<p>„Zeer goed, mijn jongen. Zeg aan je vader en je moeder, dat ze zich tegen niemand -een enkel woord laten ontvallen over hetgeen er van avond is gebeurd. Intusschen, -Hans, als je bij vader bent, moet je op hem letten. Jij hebt er den tact van. ’t Kan -zijn, dat er oogenblikken komen, waarop hij wat meer kan zeggen.” -</p> -<p>„Vertrouw daarop, mijnheer.” -</p> -<p>„En nu, goeden dag, mijn jongen,” riep de dokter, toen hij deftig in zijn koets steeg. -</p> -<p>„Aha!” zeide Hans in zich zelf, terwijl hij het rijtuig nakeek. „Daar zit vrij wat -meer leven in den dokter, dan ik dacht.” -</p> -</div> -</div> -<div id="ch14" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd29e251">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">VEERTIENDE HOOFDSTUK.</h2> -<h2 class="main">De hardrijderij.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Zoo brak de dertigste December aan en het weer was heerlijk dien dag. Het geheele -vlakke landschap werd vroolijk door de winterzon beschenen. Zij beproefde haar kracht -wel op het ijs in de vaart, maar het vroor te sterk, dan dat de ijskorst ook in ’t -minst zou gesmolten zijn. En bij dat alles was er zoo weinig wind, dat de weerhanen -op de torens en de gebouwen stilstonden, als wenschten zij eens te kijken naar het -feest, dat er dien dag zou worden gehouden. Die windstilte maakte, dat de molens een -dag vacantie hielden, als wilden ook zij de algemeene vreugde mee genieten. Nu, ze -hadden die week hard genoeg gewerkt, om eens een dag rust te hebben. -</p> -<p>’t Was al vroeg in den morgen van dien dag levendig om en bij Broek. Van verschillende -omliggende plaatsen kwamen er liefhebbers aanrijden, om den wedren te zien; <span class="pagenum">[<a id="pb143" href="#pb143">143</a>]</span>want een hardrijderij op schaatsen is een feest voor al wat Noord-Hollander heet. -Ik zal u de bonte menigte niet beschrijven, die zich in den omtrek der ijsbaan ophoopte, -om welke men tenten had opgeslagen, opdat de toeschouwers zich behoorlijk van drank -en spijs konden voorzien. Aan het eind van de renbaan, die aan beide zijden met dikke -touwen is afgesloten, welke door palen heengaan, reeds een paar dagen te voren in -het ijs gehakt en door het volgieten der opening stevig vastgevroren—staat een sierlijke -tent met een kleine tribune aan weerszijden. De tent is bestemd voor de familie De -Bruyn met eenige genoodigden, onder anderen de Van den Helms en mijnheer Korbes en -zijn vrouw, terwijl de tribune moet dienen voor andere inwoners van Broek, daartoe -door mevrouw De Bruyn van toegangskaartjes voorzien. Van de tent en de tribune wapperen -de driekleurige vlaggen. Aan de tent van mevrouw De Bruyn hangen twee paar met zilver -beslagen schaatsen, een voor den winnenden jongen, een voor het gelukkigste onder -de meisjes. In de tent zelf brandt een kachel en staan allerlei ververschingen op -een tafel gereed. De familie en de genoodigden zullen op stoelen zitten, terwijl de -dames een warme stoof onder de voeten zullen hebben, zoodat ze zeer gemakkelijk den -winter zouden kunnen vergeten, indien niet het landschap vóór haar al te duidelijk -deed zien, dat de wintervorst nog duchtig zijn schepter zwaait. -</p> -<p>Naast een der tribunes is een andere tent opgericht, alleen van boven gedekt en aan -alle zijden, behalve aan den achterkant open; daar moeten de muzikanten zitten, die -van tijd tot tijd muziekstukken zullen uitvoeren. En al zullen die muziekstukken vrij -middelmatig worden voortgebracht, daar ’t gansch geen virtuozen zijn die hier hun -gaven zullen doen hooren, zij zullen de feestvreugde ruimschoots verhoogen. De ooren -der toehoorders zijn trouwens over ’t geheel zoo kieschkeurig niet; daarenboven zal -er gedruisch en gebabbel genoeg zijn, en zou men ’t slechts bejammeren, indien er -beter muziek werd opgevoerd. Aan het andere einde der renbaan staat een tent, voor -hen, die belast zijn, er het oog op te houden, dat de schaatsenrijders <span class="pagenum">[<a id="pb144" href="#pb144">144</a>]</span>en -rijdsters den witten, met groene linten omwonden paal, van welks top een oranjevlag -wappert, omrijden; hetgeen zij trouwens wel moeten doen, daar ook in het midden der -renbaan dubbele touwen zijn gespannen; want al de schaatsenrijders moeten bij de tent -van de familie De Bruyn beginnen en er hun ren eindigen ook. -</p> -<p>Daar begint de muziek. De tribune vult zich, de geheele renbaan staat langs beide -zijden opgepropt met nieuwsgierigen, die hun best doen, een goed plaatsje te vinden. -’t Volst is het echter dicht bij de tribune. En geen wonder: want daar staan de veertig -rijderessen en rijders, die zich vermaken met heen en weer te rijden, zóó zacht evenwel, -dat zij zich niet vermoeien, maar ook niet koud worden. Het zijn twintig meisjes en -twintig jongens. Frits Verdam, Peter en Lodewijk van den Helm zijn er ook bij, allen -weer frisch en geheel uitgerust van de vermoeienissen der Haagsche reis. Hans is niet -ver van hen; hij heeft zijn schaatsen weer onder de voeten, die de goede Annie Bouman -van een goede kennis had gekocht voor vijf gulden! Alsof hij niet wist, dat die goede -kennis niemand anders dan Annie Bouman zelf was geweest, die haar zuur bespaard weekgeld -er geheel aan had opgeofferd! Nu, hij had ze dan ook eerlijk teruggekocht; maar de -kiesche manier, waarop Annie hem in den nood had willen helpen, had hij niet teruggekocht: -die lag diep in zijn hart begraven. En dan—hoe onwillekeurig ook—die lieve, lieve -Annie was de oorzaak geweest van het terugvinden der duizend gulden—van de duizend -gulden, die, al was ’t ook avond geweest, zulk een gloed van zonneschijn hadden geworpen -in zijner ouders armoedige stulp. Karel Schimmel is zoo nijdig als ooit, nu hij Hans -bij de rijders ziet; maar daar er nog eenige andere boerenknapen bij zijn en Hans -dus niet alleen is, troost hij zich. -</p> -<p>Aan den anderen kant der tent staan de twintig meisjes. Nu, dat behoeft ge wel niet -te vragen, al ziet ge hen niet; gij hoort het wel aan het vroolijk gesnater en gekakel, -dat die twintig lieve mondjes maken. ’t Is of er een heele troep jonge eenden aan -het kwaken zijn. Nu en dan hoort gij er een paar schateren van lachen: want vroolijk -<span class="pagenum">[<a id="pb145" href="#pb145">145</a>]</span>zijn ze, die aardige nufjes. Hilda, Kato en Truida hebben zich juist de schaatsen -aangebonden en stampen met de lieve voetjes, om te voelen of de ijzers wel stevig -zitten: want bij een hardrijderij moet er niets aan ontbreken. Hilda spreekt met een -klein boerenmeisje in een rood jacketje en met een splinternieuw rokje aan. ’t Is -Griete. Ook Annie Bouman is er. -</p> -<p>Nu houdt de muziek even op. Al de meisjes en jongens moeten vóór de tent komen, om -de voorwaarden te hooren. De omroeper van het dorp leest met luide stem voor: -</p> -<p>„De meisjes en jongens zullen om beurten rijden, allen te gelijk en wel zóó lang, -tot één meisje en één jongen het tweemaal gewonnen hebben. Zij moeten zich op één -lijn scharen bij de twee paaltjes vóór de tribune rechts, den eindpaal omrijden en -dezen tocht twee malen volbrengen. Het meisje en de jongen, die twee malen gewonnen -hebben, zijn overwinnaars!” -</p> -<p>De rijderessen scharen zich. Mevrouw de Bruyn wuift met haar zakdoek. Een van de heeren, -die zich aan den eindpaal bevinden, waait met een vlaggetje. Al de rijdsters begeven -zich op weg. Eensklaps wuift het vlaggetje weer, zij moeten terugkeeren—ze waren niet -te gelijk afgereden. Ten tweeden male wuift de zakdoek en waait het vlaggetje. Ditmaal -is alles in orde. Wat rijden zij snel! Hoe doodstil is de menigte! Men hoort niets -dan het krassen der schaatsen, men ziet niets dan de fladderende rokjes! De paal is -omgereden. Een luid hoezee doet zich hooren. Vijf meisjes zijn vooruit. Kato is de -eerste, daarop volgt Hilda. Als zij de tent harer mama voorbijrijdt, wuift zij met -de hand, en het volgend oogenblik is zij Kato vooruit. De anderen zijn haar dicht -op de hielen. Daaronder is Griete. Ook zij wuift met de hand, maar niet naar de tent -van mevrouw De Bruyn, maar naar een vrouw, die met ingehouden adem onder het volk -staat: haar moeder. Rolf, die dezen morgen zoo volkomen wel was, heeft haar gesmeekt, -om naar den wedren te gaan, en zij heeft aan de verzoeking geen weerstand kunnen bieden; -zij is gegaan en heeft een heerlijke plaats gekregen. Daar schiet haar kind onder -het luid hoezee der toeschouwers ze allen vooruit. <span class="pagenum">[<a id="pb146" href="#pb146">146</a>]</span>Ook Kato wint het weer van Hilda. Maar niemand kan Griete inhalen. Ten tweeden male -wordt de paal omgereden, maar Griete is en blijft de voorste. Eindelijk zijn ze aan -de tent: -</p> -<p>„Griete Brinker eenmaal gewonnen!” schreeuwt de uitroeper. -</p> -<p>Nu begint de muziek opnieuw, terwijl de jongens zich gereedmaken en zich op één lijn -scharen. Verscheidene meisjes scharen zich om Griete en wenschen haar voorloopig geluk; -andere trekken trotsch haar lipje op en kunnen ’t niet verdragen, dat de voddenraapster -uit de hut het hun allen heeft afgewonnen. -</p> -<p>Op een wenk van den heer De Bruyn zwijgt de muziek. Hij treedt voorwaarts, wuift met -zijn zakdoek, het vlaggetje wordt aan de overzijde gezwaaid. De twintig jongens rijden -af. -</p> -<p>Wat reppen zich de beenen; er is geen oog op te houden! ’t Is of ze nog sneller rijden -dan de meisjes. Maar waarom gaat er zulk een gelach op onder het volk? ’t Is om dien -dikken knaap in de achterhoede, die daar zoo ongelukkig voortsukkelt. Kijk hij eens -krabbelen! Straks rolt hij van de beenen! Ach, wat hijgt hij! Hij had ook wel thuis -mogen blijven. Hij staat stil. Hij veegt zijn voorhoofd af. Hij neemt zijn pet af -en waait zich koelte toe. Hij kijkt eens rond en begint zelf hartelijk te lachen. -Die lach maakt hem honderden vrienden. Die goede Jacob Poot! Hij bedenkt zich niet -lang, maar rijdt terug en begeeft zich rustig onder de toeschouwers. -</p> -<p>De jongens komen aansnellen, zij hebben den paal omgereden. Maar ’t is één zwarte -massa, niet zoo gemakkelijk te onderscheiden als de meisjes met haar verschillende -kleeding. Nu kan men ’t al beter zien. Drie zijn er vooruit. Eerst Ben—dan Peter—dan -Hans. -</p> -<p>Dan schiet Hans de beide anderen vooruit. Op Hilda’s gelaat staat teleurstelling te -lezen; sommigen zeggen zelfs, dat er een traan in haar oog parelt. Peter moet overwinnaar -zijn. Annie’s oog glinstert van genoegen. Griete klapt van vreugde in de handen. -</p> -<p>Zoo rijden zij ten tweeden male naar den eindpaal, Hans <span class="pagenum">[<a id="pb147" href="#pb147">147</a>]</span>altijd vooruit, dan Karel Schimmel, dan Ben, daarna Peter en eindelijk de anderen. -Daar rijden zij den paal om en Peter is weer de voorste. Hilda juicht. Maar op hetzelfde -oogenblik schiet Karel ze allebei vooruit—’t scheelt maar één seconde—maar de uitroeper -schreeuwt: -</p> -<p>„Karel Schimmel eenmaal gewonnen!” -</p> -<p>De muziek valt weder in, terwijl de meisjes zich opnieuw tot den wedren scharen. Mevrouw -De Bruyn staat weder op, wenkt de muziek, wuift met haar zakdoek en ’t is of er twintig -pijlen uit twintig bogen losschieten—zoo snellen zij over de spiegelgladde baan. -</p> -<p></p> -<div class="figure floatRight p147width"><img src="images/p147.png" alt="" width="454" height="242"></div><p> -</p> -<p>Maar niet lang blijven zij gelijk; al heel spoedig zijn ze verdeeld. Toch schelen -zij al heel weinig. Maar daar rijden zij den paal om. Dat is altijd het gevaarlijkste -punt. Eenige andere gloeiende gezichtjes, met oogen schitterend van vreugd, komen -vooruit. Kato is de eerste, op haar volgt Hilda, maar Griete en Truida zijn meer in -de achterhoede. ’t Is of Griete verslapt. Zou ze straks al haar krachten verspild -hebben? Daar schiet Truida haar vooruit en zij neemt een nieuwen, geweldigen zet, -vliegt Truida en Hilda voorbij en is reeds vlak bij Kato. Zoo rijden zij de tent voorbij -en weder naar den paal. Een oogenblik blijft Hilda achter; ze verzamelt nieuwe krachten. -Maar bij het omzwaaien van den paal schiet zij eensklaps vooruit. Honderden stemmen -moedigen haar aan door een luid „hoezee!” ’t Is of haar dit nog meer vaart geeft. -Truida, Kato en Griete zijn haar vlak op de hielen: maar Hilda vliegt steeds voort—reeds -ziet zij de tent—Peter van den Helm staat met ingehouden adem te staren—nog een enkele -seconde: -</p> -<p>„Hilda de Bruyn eenmaal gewonnen!” krijscht de stem van den omroeper. -<span class="pagenum">[<a id="pb148" href="#pb148">148</a>]</span></p> -<p>Een luid „hoezee!” klinkt uit duizenden monden en overschreeuwt de muziek, die zich -daverend doet hooren. -</p> -<p>Allen wenschen Hilda geluk en onder die allen ook Griete, die ’t niemand liever gunt -dan de lieve juffrouw De Bruyn of—Annie Bouman. -</p> -<p>Nu is ’t weer de beurt aan de jongens. Lang blijven deze niet gelijk; want reeds bij -het eerste omrijden van den paal zijn er drie vooruit: Hans, Peter en Frits. Dat kan -Karel Schimmel niet verdragen. Hij neemt een geweldigen zet, vliegt over het ijs en -komt Frits vooruit. Maar Hans en Peter laten zich zoo spoedig niet verslaan. ’t Is -of zij vliegen—’t is geen rijden meer. Met ingehouden adem volgt de menigte hen met -de oogen. Hans en Peter blijven vooruit. Hilda, Annie en Griete springen op van de -met rood katoen bekleede bank, op welke zij gedurende de rustpoos gezeten hebben. -Met vlammende oogen kijken zij naar de rijders. Hans en Peter blijven aldoor gelijk. -Reeds zijn ze vlak bij de tent. Daar schiet Peter eensklaps vooruit en de stem van -den uitroeper klinkt: -</p> -<p>„Peter van den Helm eenmaal gewonnen!” -</p> -<p>Weer dezelfde toejuichingen, weer dezelfde daverende muziek: de menigte en de muzikanten -vragen niet wie er wint; ieder, die overwint, heeft hun sympathie. Aan het einde der -renbaan, dicht bij den grenspaal, echter heeft een oploopje plaats. Mevrouw De Bruyn -kijkt angstig wat het moge wezen. Peter en Hans snellen derwaarts; de eerste komt -met de tijding terug, dat Karel Schimmel bij het omrijden van den paal gevallen is, -doch zich niet bezeerd heeft. Hij was maar eenigszins bedwelmd door den val, doch -kwam daar al aan, gesteund door Hans, die veel te veel Hollandsche jongen is, om niet -terstond alle vijandschap te vergeten en zijn vijand, die hem altijd zoo diep verachtte, -te helpen. Met een glas seltzerwater, dat mevrouw De Bruyn hem laat drinken, is hij -spoedig weder beter. Gelukkig echter, dat de muziek zich aldoor heeft doen hooren; -anders had dit ongeval de vreugde wel eenigszins kunnen verstoord hebben. Onder de -schaatsenrijders echter veroorzaakt het geval weinig deelneming; er is niemand, die -van Karel Schimmel houdt. -<span class="pagenum">[<a id="pb149" href="#pb149">149</a>]</span> -</p> -<p></p> -<div class="figure floatLeft p149width"><img src="images/p149.png" alt="" width="506" height="711"></div><p> -</p> -<p>De meisjes zijn voor de derde maal geschaard. Wat staan ze daar moedig, die jonge -deernen! Op dit oogenblik ligt er diepe ernst op al die lieve gezichtjes: want deze -rit is die, welke beslist. Ofschoon, als Griete noch Hilda ’t winnen, is er ook voor -de overigen nog kans op het winnen der zilveren schaatsen. En dat maakt, dat ieder -meisje nog moed heeft, dat ieder van haar hoop voedt, om ditmaal beter te slagen. -Sommigen stampen met de voetjes, als paarden die gereedstaan tot den wedloop. Daar -wuift de zakdoek van mevrouw De Bruyn, en de rijdsters steken af. Wie is daar reeds -zoo spoedig vooraan? ’t Is Hilda—of Kato—of Truida—of Annie— —neen, ’t is de kleine -Griete. Bij den vorigen ren heeft zij ’t bedaard aangelegd; maar nu is ’t haar ernst: -zij heeft besloten, dat zij winnen zal. En toch, wanneer men haar ziet rijden, is -’t alsof ’t haar niet de minste inspanning kost—zij glijdt maar voort, altijd vooruit -en—hoe de anderen zich inspannen—zij kunnen Griete niet inhalen. Reeds is <span class="pagenum">[<a id="pb150" href="#pb150">150</a>]</span>de paal ten tweeden male omgereden—nog altijd is zij vooruit—daar is zij aan het doel.… -</p> -<p>Of de uitroeper al schreeuwt, ’t helpt hem niet: het donderend gejuich der toeschouwers -belet zijn stem te hooren. ’t Behoeft dan ook niet; want duizenden stemmen roepen: -</p> -<p>„Griete Brinker heeft de zilveren schaatsen gewonnen!” -</p> -<p>Als een vogel is zij over het ijs heengevlogen, als een vogel staat zij om zich heen -te kijken, zoo schuchter en zoo verschrikt; zij wenscht zoo hartelijk eens naar de -plaats heen te vliegen, waar haar moeder staat. Maar Hans is naast haar en al de meisjes -omringen haar. En wie haar onder allen ’t hartelijkst gelukwenscht, is de lieve Hilda, -die geen de minste jaloezie in haar hart voedt, maar zoo gelukkig is met den triomf -van haar beschermeling, alsof zij zelf dien behaald had. Nu zal niemand het kind meer -minachten. De voddenraapster uit de hut is ze nu niet meer, ’t is Griete Brinker, -koningin van alle schaatsenrijdsters. -</p> -<p>Hans is trotsch op de zegepraal zijner zuster. Hij kijkt met zijn heldere oogen rond, -om te zien of Peter van den Helm er deel in neemt. Maar Peter kijkt noch naar den -een, noch naar den ander. Peter ligt op zijn ééne knie, de onrust staat op zijn voorovergebogen -gelaat te lezen. Hij is met haastige gejaagdheid aan zijn schaatsriem bezig. Hetzelfde -oogenblik is Hans bij hem. -</p> -<p>„Ach Hans, ben jij daar? Al mijn genoegen is gedaan. Ik wou mijn riem vaster snoeren -en er met mijn mes een nieuw gat in maken en door de haast snijd ik hem genoegzaam -in tweeën.” -</p> -<p>„Jongeheer,” zeide Hans, terwijl hij zijn eene schaats afdoet. „U moet mijn riem gebruiken.” -</p> -<p>„Neen, beste Hans, neen, voor geen geld!” roept Peter opspringend uit. „Doe gauw je -schaats weer aan, mijn vriend, en maak, dat je er bij komt. Ze scharen zich reeds. -In een minuut wuift het sein.” -</p> -<p>„Jongeheer!” smeekt Hans. „U heeft mij uw vriend genoemd. Neem als u blieft dezen -riem. Gauw! Er is geen oogenblik te verliezen. Ik rijd ditmaal niet mee. Gij hebt -reeds ééns <span class="pagenum">[<a id="pb151" href="#pb151">151</a>]</span>gewonnen, gij moet nu winnen. Ik ben er immers toch niet bij. Jongeheer, gij moet -den riem aannemen,” en doof voor elke tegenwerping, steekt Hans den riem door Peters -schaats heen en smeekt hem die aan te binden. -</p> -<p>„Kom, Peter!” roept Frits uit de lijn, „de wacht is op jou.” -</p> -<p>„Kom, jongeheer! om den wil van mevrouw De Bruyn en juffrouw Hilda!” smeekt Hans. -„Spoed u toch! Daar, de schaats is al haast aan; maak haar nu maar gauw vast! Ik kan -het toch niet winnen. De strijd is tusschen den jongeheer Schimmel en u.” -</p> -<p>„Gij zijt een edelmoedige jongen!” zegt Peter, die eindelijk toegeeft. Hij heeft dan -ook spoedig de schaats vast en is op zijn post, als de muziek en het sein wordt gegeven. -</p> -<p>Voort gaan de jongens. ’t Is of de stilte nu nog grooter is; men hoort niets dan het -krassen der ijzers. Peter van den Helm is vooruit. ’t Is of hij Mercurius is en of -de anderen allen goden van den Olympus zijn, die hem in volle vaart volgen. Karel -komt vooruit—daar schiet Ben voort en is aan ’t hoofd. Reeds is de paal voor de tweede -maal omgereden. Karel en Ben wedijveren om de eerste te zijn. Maar daar neemt Peter -zijn vaart—hij snelt beiden ver vooruit. De tent is bereikt en onder het donderend -hoezee! hoort men duizenden stemmen, die den uitroeper overschreeuwen: -</p> -<p>„Peter van den Helm heeft de zilveren schaatsen gewonnen! Hoezee! Hoezee! voor Peter -van den Helm!” -</p> -<p>En donderend valt de muziek in en dit en het geschreeuw klinken verward dooreen: want -Peter van den Helm is in Broek bemind en ieder verheugt zich in zijn zegepraal. Eindelijk -bedaart het gejubel, en is men in staat om de muziek te hooren. Zij speelt een vroolijk -air, een levendigen marsch. Intusschen scharen zich, op bevel van mevrouw De Bruyn, -al de schaatsenrijders en -rijdsters in een kring vóór de tent. Aan den eenen kant -staat Peter als de grootste, aan den anderen kant Griete als de kleinste. Hans, die -zoo goed hij kon zijn schaats met Peter’s versneden riem had vastgemaakt, staat tusschen -dezen en Jacob Poot, <span class="pagenum">[<a id="pb152" href="#pb152">152</a>]</span>die zich ook bij de rijders gevoegd heeft. Eerst worden aan allen ververschingen rondgediend; -daarop rijden zij, in statige processie, achter elkander de baan nog eens af, tot -aan den paal, waar zij zich in twee rijen, jongens en meisjes, scharen, en op de maat -der muziek naar de tent van mevrouw De Bruyn rijden. Hier vormen zij een dubbelen -halven kring, in welks midden zich Peter van den Helm en Griete bevinden. -</p> -<p>Nu zwijgt de muziek. Mijnheer en mevrouw De Bruyn staan op, de eerste houdt een aanspraak, -daarop reiken zij de zilveren schaatsen uit, mijnheer het eene paar aan Peter van -den Helm, mevrouw het andere aan Griete Brinker. -</p> -<p>Het lieve kind! Zij beeft als een riet en slaat schuchter de oogen naar mevrouw De -Bruyn op. Zij hoort niet wat mijnheer De Bruyn zegt, want het is, of om haar heen -alles ruischt. Zij ziet even naar Peter, die iets heel moois bekijkt, o zoo iets schoons, -zoo iets prachtigs! Zij ziet ook zoo iets moois in de handen van mevrouw De Bruyn, -onwillekeurig strekt zij de hare uit.… geeft een kreet van verrukking en tracht te -nijgen—woorden kan zij niet spreken; zij vliegt naar haar moeder en hangt schier bewusteloos -in de armen der goede vrouw, wie de tranen van vreugde uit de oogen stroomen. -</p> -<p>„Griete! Griete! Wat zal je vader blij zijn,” roept vrouw Brinker, en op die woorden -is Griete niet meer te houden; zij kruipt onder het touw door, neemt haar moeder bij -de hand—allen maken plaats voor haar—en spoedig ligt zij in de armen van haar vader, -die zijn kleine Griete met kussen bedekt. -</p> -</div> -</div> -<div id="ch15" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd29e259">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">VIJFTIENDE HOOFDSTUK.</h2> -<h2 class="main">Wat de zilveren schaatsen al uitwerken.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">’t Was of de vreugde over de overwinning zijner kleine Griete de zinnen van Rolf Brinker -verlevendigd had, want eensklaps riep hij uit: -<span class="pagenum">[<a id="pb153" href="#pb153">153</a>]</span></p> -<p>„Hans! Hans! Daar schiet mij de naam te binnen. Schrijf hem gauw op, eer ik hem vergeet. -Het is Thomas Higgs.” -</p> -<p>Hans schreef den naam terstond op een leitje. Op hetzelfde oogenblik werd er aan de -deur geklopt. -</p> -<p>„Zou het de dokter zijn?” zeide vrouw Brinker, terwijl zij opstond om open te doen. -„Dat zou al heel toevallig wezen.” -</p> -<p><a id="xd29e2546"></a>’t Was echter niet de dokter, maar ’t waren drie jongeheeren: Peter van den Helm, -Frits Verdam en Benjamin Dobbs. -</p> -<p>„Goeden dag, jongeheeren,” zeide vrouw Brinker, terwijl zij zoo diep neeg als zij -’t geleerd had. „Wel, waaraan hebben wij de eer van uw bezoek te danken?” -</p> -<p>„Goeden dag, vrouw Brinker! Hartelijk gefeliciteerd met de eer, die je dochtertje -te beurt is gevallen,” zeide Peter van den Helm. -</p> -<p></p> -<div class="figure floatRight p153width"><img src="images/p153.png" alt="" width="169" height="203"></div><p> -</p> -<p>„Nu, als ’t op feliciteeren aankomt, jongeheer,” antwoordde vrouw Brinker, „dan mag -ik ’t u ook wel doen. ’t Was een heele toer, om die vlugge jongens tweemaal te overwinnen. -Daar waren me rijders onder, hoor! Ik heb het alles met mijn eigen oogen aanschouwd. -Want Rolf was zoo wèl, en toen zei hij: „Nou moest je eens gaan kijken, Mietje. Je -hebt al lang geen uitspanning gehad.” En toen ben ik gegaan en heb alles wat goed -gezien: want ik had een drieguldensplaats. Maar toen Griete de schaatsen had, kwam -ze bij mij en toen moest ik naar vader; dat begrijpt u. Want de goede man wachtte -al met ongeduld. En hij was zoo blij, o zoo blij!” -</p> -<p>„Dat laat zich hooren,” zeide Peter van den Helm. „Daardoor was ze zoo gauw weg. Ze -had nog eens met mij de baan moeten afrijden om den prijs te vertoonen.” -</p> -<p>„Gaat toch zitten, jongeheeren!” zeide Rolf Brinker. „Wel zijn onze stoelen hard, -maar ze zijn rein en zindelijk.” -</p> -<p>De drie jongens voldeden aan het verzoek van Rolf en zetten zich op de stoelen, welke -vrouw Brinker en Hans bij de tafel plaatsten. -<span class="pagenum">[<a id="pb154" href="#pb154">154</a>]</span></p> -<p>„Goede Hans,” zeide Peter van den Helm. „Ik kom je in dank je riem terugbrengen, aan -welken ik mijn overwinning verschuldigd ben. Ik moet je er nog eens voor bedanken. -’t Was een heele opoffering voor je. Want je hadt het best dezen keer kunnen winnen, -en dan.…” -</p> -<p>„Laat ons daarover niet spreken, jongeheer. Ik heb zooveel verplichting aan u: want -toen wij in den nood zaten.…” -</p> -<p>„Kom, kom, zwijg daarvan,” hernam Peter. „Ik twijfel niet, of je zult het werk met -eere volbrengen. En een werkman is zijns loons waardig.” -</p> -<p>„Nu ben ik den naam weer vergeten, Hans,” zeide Brinker. „’t Was Higgs of Wiggs! Ik -weet het waarlijk niet meer.” -</p> -<p><span class="corr" id="xd29e2565" title="Bron: ,">„</span>Maak er u maar niet ongerust over, vader,” antwoordde Hans. „’t Is Thomas Higgs. Ik -heb het al opgeschreven.” -</p> -<p>„O ja,” hervatte Brinker. „’t Is waar ook. Als ik me nu ook de plaats kan te binnen -brengen, dan is alles in orde.” -</p> -<p>„Hier, Hans, is de riem,” zeide Peter, die van dat gesprek niets begreep. „Dat kleine -ding heeft mij een grooten dienst gedaan.” -</p> -<p>„En nu heb ik wat meegebracht ook,” zeide Ben, terwijl hij een keurig net bewerkt -kistje op tafel zette. „Uw Griete was weg zóó gauw, dat mevrouw De Bruyn niet had -den tijd, om haar te geven dit.” -</p> -<p>„’t Is het kistje, dat bij de schaatsen behoort,” zeide Peter, „en waarin Griete ze -kan bewaren. Mevrouw De Bruyn hoorde, dat we hier aangingen, en heeft ons verzocht, -het mede te nemen.” -</p> -<p>Vader, moeder en kinderen bekeken met alle aandacht het fraaie foedraal, dat van binnen -met roode zijde gevoerd en zeer elegant gemaakt was. -</p> -<p>„O, hoe mooi! Hoe prachtig! Nooit heb ik zoo iets gezien!” waren de verschillende -uitroepen. -</p> -<p>Griete echter sprak geen woord. Het lieve kind kon maar niet begrijpen, dat al dat -moois voor haar was. Het kistje was van mahoniehout met een prachtig koperen plaatje -er op, waarop de naam van den fabrikant en zijn woonplaats stonden. „Nu, Griete, je -mag de jongeheeren wel bedanken <span class="pagenum">[<a id="pb155" href="#pb155">155</a>]</span>voor de moeite, welke zij zich hebben gegeven, om dat hier te brengen, en hun verzoeken, -of zij ook mevrouw De Bruyn je dankbaarheid willen betuigen; ofschoon—dat zul je later -zelve nog wel gaan doen,” zeide vrouw Brinker. -</p> -<p>Griete was heel verlegen, maar toch lispte zij: -</p> -<p>„Ik dank u wel, jongeheeren, voor uw moeite.” -</p> -<p>„’t Schijnt mij door mijnheer Birmingham gemaakt te zijn,” zei Hans, die het op het -koperen plaatje gelezen had. -</p> -<p>„Birmingham?” zeide Frits Verdam. „Dat is de plaats, waar de fabrikant woont. Kijk, -daar staat zijn naam met kleiner letters. Ik kan ze niet lezen.” -</p> -<p>„Nu, ze zijn toch duidelijk genoeg,” zeide Peter. „Zie maar, dat is een T. en dit -is een H. Dus T. H.” -</p> -<p>„Nu ben je nog even wijs,” hernam Frits lachend. „Wat beteekent nu die T. H.?” -</p> -<p>„Wel, Thomas Higgs,” antwoordde Peter schertsend. „Hans noemde straks dien naam en -als men van den drommel spreekt, is hij meestal dicht bij ons.” -</p> -<p>Eensklaps zweeg hij; want hij wist niet, wat er met de familie Brinker voorviel. Hans -en zijn moeder waren beiden op Rolf toegesneld. -</p> -<p>„Hoort gij ’t, Rolf?” zeide vrouw Brinker. „Thomas Higgs te Birmingham.” -</p> -<p>„Birmingham!” herhaalde Brinker op suffen toon. -</p> -<p>„Kan dat de plaats ook zijn, vader? Bedenk u eens,” smeekte Hans. „Birmingham? Was -het soms Birmingham?” -</p> -<p>„Ja.… a .… Birmingham! Zoo was ’t,” antwoordde Brinker eindelijk. -</p> -<p>„Daar Hans, zet je pet op en rijd terstond naar Amsterdam,” zeide zijn moeder. -</p> -<p>De drie jongeheeren stonden op en wilden heengaan. Vrouw Brinker bemerkte haar onbeleefdheid. -</p> -<p>„Neemt ons niet kwalijk, jongeheeren,” zeide zij, „dat we daar zoo onbeleefd waren. -Maar die Thomas Higgs is een kennis van ons—dien—ja, dien wij dachten, dat al gestorven -was.” -</p> -<p>„Ja, we dachten dat hij dood was,” zeide Rolf Brinker. „Ligt dat Birmingham in Engeland, -als ik u vragen mag?” -<span class="pagenum">[<a id="pb156" href="#pb156">156</a>]</span></p> -<p>„Ja wel, in Engeland,” antwoordde Peter, „’t Moet zeker Birmingham in Engeland zijn.” -</p> -<p>„Ik doe dien man kennen,” zeide Benjamin. „Zijn fabriek is niet vier mijlen van ons -verwijderd. Een rare fellow hij is—stil als een oester—doet niet gelijken een Englishman. -Ik dikwijls heb gezien hem—een deftig uitzicht—en mooie oogen. Hij heeft gemaakt een -prachtige schrijfkist voor mij, om te geven aan Jenny op haar geboortedag.—O, hij -maakt allerhande mooie dingen en heeft veel te doen ook.” -</p> -<p>Gelukkig, dat Hans nog niet weg was; want nu kon hij den dokter ook dat vertellen. -</p> -<p>Wat wonder, dat nog vóór de avond gevallen was, dokter Broekman met Hans in de hut -terugkeerde, om nadere bijzonderheden te vernemen. Wat wonder, dat hij, altijd met -Hans bij zich, weder in het rijtuig stapte en den koetsier beval naar mijnheer Poot -te rijden, waar hij verzocht om Benjamin Dobbs te spreken, dien hij gelukkig thuis -vond. Van dezen vernam hij nog een menigte bijzonderheden omtrent zijn zoon, welke -hem in de zekerheid bevestigden, dat het zijn eigen Laurens was, en welke bijzonderheden -wij u willen mededeelen, zonder dat wij Ben sprekend invoeren, met wien de dokter, -om den knaap te gemoet te komen, Engelsch sprak. ’t Meeste, wat Ben vertelde, had -deze bij overlevering. -</p> -<p>„Ongeveer tien jaren geleden, toen Ben nog een kleine jongen was, woonde er, op ongeveer -een uur afstands van de woning zijner ouders, een zeer knap werkman en fabrikant, -Thomas Higgs, die goede zaken op Holland deed, vooral in chirurgijnsinstrumenten. -(De dokter herinnerde zich dien naam wel en ’t was hem nu duidelijk, waarom Laurens -op het denkbeeld was gekomen, zich naar Higgs te begeven, daar de knaap dien naam -verscheidene malen op de foedralen zijner instrumenten had kunnen lezen.) Nu tien -jaren geleden was er op zekeren avond bij dien Thomas Higgs, die ongetrouwd was en -slechts met een huishoudster leefde, een jongmensch als leerling gekomen. Niet, dat -het zoo’n wonder was dat er een leerling bij Thomas Higgs kwam; maar die jongeling -had spoedig de oplettendheid <span class="pagenum">[<a id="pb157" href="#pb157">157</a>]</span>der buren gaande gemaakt, omdat hij zoo stil en afgetrokken was, nooit lachte en altijd -even stroef voor zich keek. Daarenboven—en dat was een opmerking, die de dames maakten—kon -hij geen Engelschman zijn, dat zagen zij wel, als hij Zondags met zijn patroon en -juffrouw Todd, de huishoudster, in de kerk zat. En ofschoon men de laatste al eens -gepolst had, liet zij zich nooit iets over hem ontvallen, dan dat hij een braaf oppassend -mensch en waarschijnlijk een neef van mijnheer Higgs was, die ontzaglijk veel van -hem scheen te houden. Zooveel is ten minste waar, dat de oude man den jongeling, nadat -hij een jaar of vier in de zaak geweest was, tot zijn compagnon had aangenomen en -hem, toen hij vier jaar later stierf, tot universeelen erfgenaam had benoemd. Sedert -dreef de jonge man de zaken voor eigen rekening. Wat voor een landsman hij was, had -men echter nooit kunnen gewaarworden. Sommigen hielden hem voor een Amerikaan, anderen -voor een Duitscher, maar noch voor ’t een noch voor ’t ander had men eenigen grond. -Hij sprak zuiver Engelsch, dat hij evenwel van den ouden heer Higgs had kunnen leeren, -en behandelde zijn volk goed, ofschoon ze nooit een vriendelijk woord van hem hoorden, -daar hij altijd even somber en afgetrokken bleef.<span class="corr" id="xd29e2607" title="Niet in bron">”</span> -</p> -<p>Wat het wonderlijkst was, ’t scheen dat de jongeheer geen familie had: „want, hoeveel -brieven hij ook uit den vreemde ontving, ’t waren altijd brieven over zaken,” zeide -zijn boekhouder. <span class="corr" id="xd29e2611" title="Niet in bron">„</span>Kennis hield hij met niemand: noch met zijne buren, noch met andere fabrikanten. Hij -scheen geheel voor zijn zaak te leven en zijn voorganger te willen navolgen, die nooit -getrouwd was geweest. Maar overigens was zijn levensgedrag onberispelijk.” -</p> -<p>Verder gaf Benjamin dokter Broekman een beschrijving van den jongeheer Higgs en de -dokter kon er niet meer aan twijfelen of ’t was zijn verloren zoon. Hij bedankte dan -ook Benjamin hartelijk voor zijn mededeeling, zeide hem, dat de heer Higgs een bloedverwant -van hem was, in wien hij belang stelde, en reed met Hans naar de woning van Brinker -terug, waar hij dezen afzette, om alleen, in aangenaam gepeins, den weg naar Amsterdam -te vervolgen. -<span class="pagenum">[<a id="pb158" href="#pb158">158</a>]</span></p> -<p>’t Was een sneeuwachtige dag in ’t midden van Januari. Rolf Brinker was nu geheel -en al hersteld en juist van zijn werk thuis gekomen. Hans had den koepel van mijnheer -Van den Helm tot diens genoegen afgewerkt, en was evenals Griete, op vader Brinker’s -uitdrukkelijk verlangen, weder naar school gegaan. Wat hem aangaat, hij vond dat recht -pleizierig; want hij leefde slechts, als hij in de boeken kon snuffelen; doch Griete -kon haar weerzin tegen de schoolbanken maar niet overwinnen, ofschoon zij zich gedwee -aan vaders wensch onderwierp en aanvankelijk zeer haar best deed. -</p> -<p>Beiden waren zooeven van school thuis gekomen en Hans zat alweer te lezen in een boek, -dat hij van een der jongens ter leen had gekregen; terwijl Griete vaders pijp stopte—want -zij was onuitputtelijk in kleine diensten voor den goeden man, als poogde zij te vergoeden, -wat zij vroeger verzuimd had ten aanzien van den vader, voor wien ze toen bang was. -Vrouw Brinker was druk bezig aan den pot: want er waren vier hongerige magen, die -naar eten verlangden. -</p> -<p>Eensklaps kijkt Hans op. Het geratel van een rijtuig wekt zijn aandacht. -</p> -<p>„Daar is de dokter!” roept hij en vliegt naar de deur. -</p> -<p>„De dokter! Wel, wat komt die hier doen!” zegt vrouw Brinker, terwijl zij door het -raam kijkt. „Ik geloof, dat je gelijk hebt, Hans.” -</p> -<p>Maar Hans hoorde ’t niet meer—hij was reeds de deur uitgesneld en naar den overkant -der vaart. -</p> -<p>„Die Hans, die Hans!” riep vrouw Brinker, glimlachend het hoofd schuddende. „Zou men -niet denken, dat de dokter zijn tweede vader was? Als de jongen maar den naam. van -dokter Broekman hoort, komt er al een lach van vreugde op zijn gelaat. Nu, hij mag -dan ook wel veel van hem houden.” -</p> -<p>„En wij allen, Mietje,” zeide Rolf Brinker, terwijl hij zijn pijp aanstak. „Naast -God hebben wij aan dien goeden man ons tegenwoordig geluk te danken.” -</p> -<p>„De dokter is niet alleen,” vervolgde vrouw Brinker vroolijk. -<span class="pagenum">[<a id="pb159" href="#pb159">159</a>]</span></p> -<p>„Hij heeft een jongmensch van vijf of zes en twintig jaren bij zich. Dat is vast zijn -Laurens. O, dat is lief, om met hem ons te komen bezoeken. Kijk, daar geeft hij Hans -de hand. Wat schudt hij die vriendelijk! ’t Is waarlijk of de jongen zijn gelijke -is.” -</p> -<p>’t Duurde niet lang, of de dokter trad met den jongen man de woning binnen. Wat zag -hij er thans vroolijk en vriendelijk uit! ’t Was, of hij een geheel ander mensch was -geworden—niemand ten minste zou in hem den vroeger onaangenamen, strengen dokter herkend -hebben. -</p> -<p>„Ziezoo, Brinker,” begon hij opgeruimd. „Nu kom ik je mijn kwaden jongen eens laten -zien. Zou je hem nog wel herkennen?” -</p> -<p>Rolf Brinker was opgestaan. -</p> -<p>„Wel ouder geworden,” zeide hij, terwijl hij de aangeboden hand van Laurens aannam. -„Maar toch nog dezelfde oogen. Ach, mijnheer! dat ik zoo buiten mijn schuld de oorzaak -ben geweest van uw verdriet en dat van uw braven vader. God weet, hoe ik ’t anders -gewild had.” -</p> -<p>„Spreek daar niet van, brave man,” zeide Laurens. „Wat je gewild hadt, dat toont de -aanbeveling, die je aan je vrouw hadt gegeven. Ook jou, brave vrouw, moet ik mijn -dank zeggen, dat je zoo trouw je woord gehouden hebt, en, ondanks de nijpendste armoede, -het horloge niet van de hand hebt gedaan. Had je het verkocht,—nooit had ik mijn goeden -vader weergezien. Daarom kun je op mijn dankbaarheid rekenen.” -</p> -<p>„Spreek van geen dankbaarheid, mijnheer,” zeide vrouw Brinker. „’t Is waar, dikwijls -heb ik het horloge in de hand gehad en mij zelve afgevraagd, of ik wel goed deed, -om mijn arme kinderen honger te laten lijden, terwijl ik voor dat horloge brood had -kunnen krijgen. Eens vooral, toen zij ziek waren, was de verzoeking sterk. Maar toen -borg ik het zóó diep weg, dat ik het haast niet meer vinden kon; want ik dacht altijd -om de laatste woorden van mijn braven man, die mij had aanbevolen, om voor dat horloge -te zorgen.” -</p> -<p>„En daarom heeft God ook gewild, dat ik weer in het leven ben gekomen,” zeide Rolf -met bewogen stem. „En daarom <span class="pagenum">[<a id="pb160" href="#pb160">160</a>]</span>heeft Hij uw braven vader hier gezonden, die mij zoo belangeloos geholpen heeft. Waarlijk, -mijnheer, als gij iemand te danken hebt voor het geluk, dat gij thans geniet, dan -is ’t uw brave vader.…” -</p> -<p>Veel, heel veel werd er nog gesproken en de dokter vertelde hoe hij geschreven had, -en Laurens, hoe blij hij met zijns vaders brief geweest was. ’t Was of de dokter en -zijn zoon oude vrienden waren, zoo gaven zij hun harten lucht. -</p> -<p>„En nu, Rolf Brinker,” zei de dokter eindelijk. „Ben ik nu geen gelukkig man? Begrijp -eens, mijn zoon zal zijn fabriek te Birmingham verkoopen en een magazijn in Amsterdam -openen. Dan heb ik altijd mijn brillenhuisjes voor niemendal. Dat zal een profijt -zijn, hè?” -</p> -<p>„Hoe! een magazijn!” riep Hans uit, die in stil genoegen daar had neergezeten en al -die vroolijke gesprekken zwijgend had aangehoord. „Een magazijn, mijnheer? En zal -mijnheer uw zoon dan niet weder uw helper, en eens uw opvolger zijn?” -</p> -<p>Een oogenblik betrok het gelaat van den dokter; maar hij bedwong zich. -</p> -<p>„Neen, Hans. Laurens heeft er zijn buik vol van. Hij is liever koopman.” -</p> -<p>Hans scheen verbaasd en teleurgesteld. Hij zweeg. -</p> -<p>„Waarom zwijg je, mijn jongen?” zeide de dokter vriendelijk. „Vindt ge er iets vernederends -in, om koopman te zijn?” -</p> -<p>„O, neen, mijnheer!” stamelde Hans. „Niets, maar—maar—.” -</p> -<p>„Maar wat?” -</p> -<p>„Wel, het andere beroep is zooveel beter,” antwoordde hij nog steeds aarzelend, „zooveel -edeler. Wat mij aangaat, mijnheer,” voegde hij er met vuur bij, „ik vind uw vak zoo -schoon, zoo heerlijk.… om de zieken en gebrekkigen te genezen, menschenlevens te behouden, -in staat te zijn om te doen wat gij voor mijn vader gedaan hebt—dat is het grootste, -het schoonste, het verhevenste, wat er op aarde is!” De dokter zag hem ernstig aan. -Hans scheen teleurgesteld. Een paar heldere tranen stonden in zijn oogen. -<span class="pagenum">[<a id="pb161" href="#pb161">161</a>]</span></p> -<p>„’t Is een zware taak, het beroep van arts, knaap,” hervatte de dokter met gefronste -wenkbrauwen. „’t Vereischt groot geduld, veel zelfopoffering en volharding.” -</p> -<p>„Daarvan ben ik zeker,” antwoordde Hans opnieuw in vuur. „Het vereischt ook veel wijsheid -en achting voor Gods werk. O, mijnheer, het moge zijn moeilijkheden en teleurstellingen -hebben, maar u meent niet wat u zegt: het is niet zoo zwaar—maar het is groot en edel. -Vergeef mij echter, mijnheer! ’t Past niet, u zoo in ’t gezicht tegen te spreken.” -</p> -<p>Dokter Broekman was blijkbaar uit zijn humeur geraakt. Hij keerde Hans den rug toe -en sprak zacht met Laurens. Vrouw Brinker keek Hans heel boos aan. Zij wist maar al -te goed, dat zulke groote lui als de dokter niet konden velen, dat geringe menschen -hen tegenspraken. -</p> -<p>Eensklaps wendde de dokter zich om. -</p> -<p>„Hoe oud ben je, Hans Brinker?” vroeg hij. -</p> -<p>„Vijftien jaren, mijnheer,” was het verschrikte antwoord. -</p> -<p>„Zou je graag een dokter willen worden?” -</p> -<p>„Ja, mijnheer!” antwoordde de knaap, terwijl hij over zijn gansche lichaam beefde. -</p> -<p>„Zou je, als je ouders ’t je toestaan, er lust in hebben, je op de studie toe te leggen, -naar de hoogeschool te gaan en tevens mijn assistent te wezen?” -</p> -<p>„Ja, mijnheer.” -</p> -<p>„Zou je, denk je, niet ongeduldig worden en niet van zin veranderen, juist op ’t oogenblik -misschien, als ik er mijn hart op gezet had, om je tot mijn opvolger te maken?” -</p> -<p>Hans’ oogen schitterden. -</p> -<p>„Neen, mijnheer! Ik zal nooit veranderen.” -</p> -<p>„U moogt hem op dat punt gelooven, mijnheer de dokter,” zeide vrouw Brinker, die zich -niet langer bedwingen kon. „Hans is als een rots, als hij eens iets besloten heeft, -en, wat de studie aangaat, eten, drinken, slapen, alles zou hij vergeten voor zijn -boeken.<span class="corr" id="xd29e2669" title="Niet in bron">”</span> -</p> -<p>„Nu, Hans,” vervolgde de dokter vriendelijk. „Dan zie ik niet, dat er iets ons plan -in den weg staat en dat ik je gerust kan meenemen, als je vader er in toestemt.” -</p> -<p>„Hoor eens, mijnheer,” zeide Rolf. „Om u de waarheid <span class="pagenum">[<a id="pb162" href="#pb162">162</a>]</span>te zeggen, had ik liever gezien, dat mijn zoon een werkman was geworden. Maar als -hij nu graag voor dokter studeert, en het geluk heeft van uw recommandatie om hem -in de wereld voort te schoppen, dan is ’t mij ook goed. Het eenige is, dat het misschien -wat veel geld zal kosten; maar ’t zal mogelijk zoo heel lang niet meer duren en ik -heb, Goddank, weer een paar fiksche, stevige armen om.…” -</p> -<p>„Ho, ho, vriend! als ik je rechterhand wegneem, dan moet ik ook den kost voor hem -betalen en dat zal mij pleizier doen ook. ’t Zal mij nu zijn, alsof ik twee zoons -heb, niet waar, Laurens? De een een koopman en de andere een dokter—ik zal de gelukkigste -man in geheel Nederland zijn! Morgen kom je bij me, Hans, en dan zullen wij de zaak -verder bespreken.” -</p> -<p>Hans boog. ’t Was hem onmogelijk een woord uit te brengen. -</p> -<p>„Hoor eens, Brinker,” hernam de dokter tot Rolf. „Mijn zoon Laurens heeft een vertrouwd, -ferm man noodig, als hij zijn magazijn in Amsterdam opent, iemand die het opzicht -over de zaken houdt en maakt dat de wagen recht rijdt. Iemand die— —maar, waarom zeg -jij ’t hem zelf niet, Laurens.” -</p> -<p>Laurens nam nu het woord en het duurde niet lang, of zij waren de zaak volkomen eens. -</p> -<p>„’t Zal me wel aandoen, als ik de dijken moet verlaten,” zeide Rolf Brinker. „Maar -uw aanbod is zoo aanlokkelijk, mijnheer, dat ik zou meenen, mijn huisgezin te kort -te doen, als ik het afsloeg.” -</p> -<p></p> -<div class="figure p162width"><img src="images/p162.png" alt="" width="263" height="118"></div><p> -<span class="pagenum">[<a id="pb163" href="#pb163">163</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch16" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd29e268">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">ZESTIENDE HOOFDSTUK.</h2> -<h2 class="main">Besluit.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Mijn vertelling is zoo goed als geëindigd. Alleen zien mijn lezeressen en mijn lezers -mij nog vragend aan. En ik weet het, er zijn nog zoo enkele zaken, die moeten verteld -worden, zullen zij mijn boek niet eenigszins onvoldaan uit hun handen leggen. En dat -zou mij spijten: want niets is mij aangenamer, dan anderen genoegen te geven, en wel -vooral u, die al wat uit mijn pen komt, met zooveel graagte ontvangt. Daartoe diene -dan dit laatste Hoofdstuk. -</p> -<p>Er is een heele tijd voorbijgegaan, sedert Laurens met zijn vader een bezoek in de -hut aan de Broeker vaart aflegde. Die tijd heeft groote veranderingen opgeleverd voor -de familie Brinker. Hans heeft zijn studiejaren goed besteed, alle moeilijkheden, -die hem in den weg kwamen, weten te overwinnen en met al de geestkracht, die hem eigen -was, naar het doel gestreefd, dat hij zich voor oogen had gesteld. Ofschoon de weg -wel eens hobbelig was, nooit heeft hij een enkel oogenblik in zijn besluit gewankeld. -Somtijds herhaalde hij met zijn goeden ouden vriend de woorden, die deze lang geleden -in de hut te Broek sprak: „’t Is een zware taak, het beroep van arts,” maar dan klonk -het ook altijd in zijn hart: „het beroep van arts is groot en edel! Het vereischt -veel wijsheid en achting voor Gods werk!” -</p> -<p>Wanneer gij heden ten dage Amsterdam bezoekt, dan kunt gij den beroemden dokter Brinker -in zijn koetsje zien rijden om zijn patiënten te bezoeken, of als er ’s winters goed -ijs is, hem met zijn jongens en meisjes op het IJ of den Amstel met de schaatsen onder -de voeten vinden. En dat hij dan geen van de minste rijders op de baan is, durf ik -u verzekeren. Als gij soms te Broek kwaamt en gij vroegt daar naar zekere Annie Bouman, -dan zou men u schouderophalend aanzien en u zeggen, dat er wel eens van zijn leven -een meisje van dien naam bestaan heeft, maar dat die al sedert jaar en dag mevrouw -Brinker heet en de vrouw is van dien knappen dokter Brinker, die zooveel <span class="pagenum">[<a id="pb164" href="#pb164">164</a>]</span>patiënten over het IJ heeft. En als gij er Hans naar vroegt, dan zou hij u zeggen: -„Mijn Annie is nog altijd dezelfde—behalve dat zij als ’t kan nog liever, nog wijzer -en nog meer gelijk aan de toovergodin van vroeger is.” -</p> -<p>Ook Peter van den Helm is sinds lang getrouwd. Met wie? Nu, dat behoef ik niet te -zeggen. Maar dikwijls, als hij met zijn lieve Hilda in het koepeltje zit, dat hij -van zijn ouders heeft geërfd, beschouwt hij met genoegen het fraaie beeldhouwwerk, -dat Hans gemaakt heeft en dan zegt hij: „’t Is toch jammer voor de kunst, dat onze -goede Hans geen beeldhouwer is geworden; hij zou ’t ver in die kunst gebracht hebben -en een beroemd man zijn geworden.” Maar dan antwoordt Hilda: „Jammer voor de kunst, -maar niet voor de menschheid, want als dokter Brinker is hij voor haar tot grooter -zegen, dan hij als beeldhouwer zou zijn geweest.” -</p> -<p>Een tijd lang geleden hoorde ik, dat Karel Schimmel en Kato Lammers geëngageerd waren. -Gelukkig echter voor onze Kato is dit engagement verbroken en is zij tot heden toe -ongehuwd. Wat Kato zelf aangaat, zij is in ’t geheel zoo vroolijk niet meer als voorheen -en sommige klokjes hebben reeds al hun klank verloren. Toch is zij nog altijd de ziel -van hen, die met haar omgaan. Het ware te wenschen, dat zij van tijd tot tijd wat -ernstiger ware, maar dat ligt niet in haar aard. Heeft zij smarten en zorgen, dan -wordt het geluid der klokjes voor eenige oogenblikken gestoord; dieper en ernstiger -muziek doen zij nooit hooren. -</p> -<p>Truida Korbes is in al die jaren ernstig geworden. Ook zij is ongehuwd gebleven en -houdt zich met letterkundigen arbeid bezig. Men wil, dat zij onder een aangenomen -naam zeer goede verhalen in een onzer eerste maandwerken schrijft. En inderdaad, wanneer -men die verhalen leest, zoo vol geest en gevoel, maar ook zoo vol godsdienstige beginselen, -dan zou men er weinig onze vroegere Truida in herkennen, die zoo trotsch haar neusje -optrok voor de arme Griete. -</p> -<p>Frits Verdam en Lodewijk van den Helm hebben samen een compagnieschap aangegaan en -zijn bewoners der <span class="pagenum">[<a id="pb165" href="#pb165">165</a>]</span>hoofdstad geworden. Frits Verdam, die een prachtig huis op de Keizersgracht bewoont, -denkt nog dikwijls aan Kato Lammers, die hij eens ten huwelijk heeft gevraagd, maar -die hem een blauwtje heeft doen loopen. En hij is er heel blij om, dat de zaak zich -zoo gekeerd heeft, want hij heeft een allerliefst vrouwtje in Ben’s zuster Jenny, -die hij op een reis naar Birmingham heeft leeren kennen en met wie hij recht gelukkig -is. -</p> -<p></p> -<div class="figure floatLeft p165width"><img src="images/p165.png" alt="" width="507" height="697"></div><p> -</p> -<p>Karel Schimmel is niet vooruitgegaan in de wereld. Zijn vader heeft, door een opeenhooping -van tegenspoeden, bankroet geslagen en niets uit de puinhoopen zijner fortuin kunnen -redden. Karel is tegenwoordig boekhouder bij de firma Verdam en Van den Helm, en mag -zich gelukkig rekenen, dat zijn patroons hem altijd met achting behandelen en veel -voor hem over hebben. -</p> -<p>Onze kleine Frans van Bree is een deftig Broeksch heer geworden, die wat goede zaken -doet en sedert eenige jaren aanzoek gedaan heeft om de hand van Griete Brinker, <span class="pagenum">[<a id="pb166" href="#pb166">166</a>]</span>welke deze niet geweigerd heeft. ’t Kostte vader en moeder heel wat, om zich van het -vroolijke, altijd zingende vogeltje te scheiden, en dokter Brinker en zijn vrouw waren -in ’t eerst wat boos op Frans, dat hij de lieve Griete van hen weghaalde. Maar die -boosheid moest vanzelf overgaan en wie er nu wel eens boos is, is de koetsier, die -dokter Brinker rijdt, als hij in den omtrek van Broek moet wezen: want als de dokter -daar is, rijdt hij bij zwager Van Bree aan, en, of ’t koud is of niet, laat hij de -paarden zoo ongehoord lang wachten, dat de koetsier wel eens de vrees geuit heeft, -dat zij met hun pooten aan den grond mochten vastvriezen. En als Griete eens met haar -kindertjes in Amsterdam komt logeeren, dan is ’t een feest bij de oude lui aan huis, -dan is ’t of vader Rolf weer jong is, dan speelt hij met die kleinen en dan zegt moeder, -terwijl zij in de handen slaat: „Zie me zoo’n man eens aan!” -</p> -<p>Van al onze Broeksche vrienden is er slechts één, die het tooneel dezer wereld verlaten -heeft: ’t is Jacob Poot. Tot zijn dood toe even goedhartig en onbaatzuchtig, wordt -hij nog even hartelijk betreurd, als hij bemind was, toen hij op aarde beminde en -lachte. Vóór hij stierf, was hij broodmager geworden, nog magerder dan Benjamin Dobbs, -die nu een gezeten Engelschman is. -</p> -<p>En wanneer gij ooit te Broek komt en gij krijgt er toegang tot de familie De Bruyn, -spreek dan eens over de hardrijderij van den 30sten December, dan zal de oude mevrouw -u met glinsterende oogen verhalen, hoe heerlijk die was en hoe er onder de rijderessen -zich een klein meisje bevond, dat zóó snel reed en zóó verlegen was, dat ze niet eens -het foedraal meenam van den prijs, dien zij gewonnen had, van -</p> -<p class="xd29e2713">„DE ZILVEREN SCHAATSEN.” -</p> -</div> -</div> -</div> -<div class="back"> -<div class="div1 cover"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first"></p> -<div class="figure spinewidth"><img src="images/spine.jpg" alt="Oorspronkelijke rug." width="105" height="720"></div><p> -</p> -<p> -</p> -<p></p> -<div class="figure backwidth"><img src="images/back.jpg" alt="Oorspronkelijke achterkant." width="498" height="720"></div><p> -</p> -</div> -</div> -<div class="div1"> -<h2 class="main">Inhoudsopgave</h2> -<table> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#toc">INHOUD.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#toc">iii</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#voorbericht">VOORBERICHT.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#voorbericht">v</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch1">Waarin verhaald wordt, hoe men, ook zonder schaatsen, toch het ijsvermaak genieten -kan.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch1">1</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch2">Waarin wij verscheidene nieuwe kennissen ontmoeten.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch2">9</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch3">Hoe een paar schaatsen en een dokter in één hoofdstuk kunnen vereenigd worden.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch3">15</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch4">Hoe echt Hollandsche jongens zich goed houden onder tegenspoed.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch4">22</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch5">Ongelukken in de hut van Rolf Brinker.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch5">35</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch6">Wat de jongens zoo al in Haarlem zagen.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch6">45</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch7">Hoe goed het kan zijn, als men in een kouden winternacht zonder dek ligt.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch7">57</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch8">Wat onze knapen al zoo in Leiden zagen.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch8">74</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch9">Hoe onze reizigers in Den Haag ontvangen werden.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch9">83</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch10">De gevaarlijke operatie.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch10">96</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch11">De verborgen schat.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch11">106</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch12">De toovergodin.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch12">118</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch13">Het geheimzinnige horloge.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch13">128</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch14">De hardrijderij.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch14">142</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch15">Wat de zilveren schaatsen al uitwerken.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch15">152</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch16">Besluit.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch16">163</a></td> -</tr> -</table> -</div> -<div class="transcriberNote"> -<h2 class="main">Colofon</h2> -<h3 class="main">Beschikbaarheid</h3> -<p class="first">Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen -van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden -van de Project Gutenberg Licentie in dit eBoek of on-line op <a class="seclink xd29e52" title="Externe link" href="https://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>. -</p> -<p>Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctieteam op <a class="seclink xd29e52" title="Externe link" href="https://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>. -</p> -<h3 class="main">Metadata</h3> -<table class="colophonMetadata"> -<tr> -<td><b>Titel:</b></td> -<td>De zilveren schaatsen</td> -<td></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Auteur:</b></td> -<td>Mary Mapes Dodge (1831–1905)</td> -<td><a href="https://viaf.org/viaf/2469452/" class="seclink">Info</a></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Vertaler:</b></td> -<td>Pieter Jacob Andriessen (1815–1877)</td> -<td><a href="https://viaf.org/viaf/58603370/" class="seclink">Info</a></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Illustrator:</b></td> -<td>Johan Coenraad Braakensiek (1858–1940)</td> -<td><a href="https://viaf.org/viaf/12577695/" class="seclink">Info</a></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Illustrator:</b></td> -<td>Jan Sluijters (1881–1957)</td> -<td><a href="https://viaf.org/viaf/35252023/" class="seclink">Info</a></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Taal:</b></td> -<td>Nederlands (Spelling De Vries-Te Winkel)</td> -<td></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Oorspronkelijke uitgiftedatum:</b></td> -<td>[1923]</td> -<td></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Trefwoorden:</b></td> -<td>Kinderverhalen (teksten)</td> -<td></td> -</tr> -<tr> -<td><b>OCLC/WorldCat:</b></td> -<td><a href="https://www.worldcat.org/oclc/63900525" class="seclink">63900525</a></td> -<td></td> -</tr> -</table> -<h3 class="main">Codering</h3> -<p class="first">Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het -einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel -zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van -dit boek. -</p> -<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3> -<ul> -<li>2019-11-18 Begonnen. -</li> -</ul> -<h3 class="main">Externe Referenties</h3> -<p>Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links -voor u niet werken.</p> -<h3 class="main">Verbeteringen</h3> -<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p> -<table class="correctionTable" summary="Overzicht van verbeteringen aangebracht in de tekst."> -<tr> -<th>Bladzijde</th> -<th>Bron</th> -<th>Verbetering</th> -<th>Bewerkingsafstand</th> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e375">8</a>, <a class="pageref" href="#xd29e2034">116</a>, <a class="pageref" href="#xd29e2611">157</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">„</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e461">13</a></td> -<td class="width40 bottom">voortstrompeldet</td> -<td class="width40 bottom">voortstrompelde</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e466">14</a></td> -<td class="width40 bottom">heb</td> -<td class="width40 bottom">had</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e471">14</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom"> haar</td> -<td class="bottom">5</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e537">18</a></td> -<td class="width40 bottom">ijldet</td> -<td class="width40 bottom">ijlde</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e587">21</a>, <a class="pageref" href="#xd29e1621">89</a></td> -<td class="width40 bottom">,</td> -<td class="width40 bottom">.</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e607">22</a></td> -<td class="width40 bottom">Brink</td> -<td class="width40 bottom">Brinker</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e661">26</a>, <a class="pageref" href="#xd29e1240">63</a>, <a class="pageref" href="#xd29e1402">72</a>, <a class="pageref" href="#xd29e2607">157</a>, <a class="pageref" href="#xd29e2669">161</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">”</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e765">31</a></td> -<td class="width40 bottom">rijke</td> -<td class="width40 bottom">rijken</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e855">36</a></td> -<td class="width40 bottom">’</td> -<td class="width40 bottom">”</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e910">40</a>, <a class="pageref" href="#xd29e2546">153</a></td> -<td class="width40 bottom">„</td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Verwijderd</i>] -</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e1167">59</a></td> -<td class="width40 bottom">” </td> -<td class="width40 bottom"> „</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e1326">68</a></td> -<td class="width40 bottom">kapitein</td> -<td class="width40 bottom">Kapitein</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e1583">86</a></td> -<td class="width40 bottom">zij</td> -<td class="width40 bottom">hij</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e1955">112</a></td> -<td class="width40 bottom">schommelen</td> -<td class="width40 bottom">rommelen</td> -<td class="bottom">3</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e2137">122</a></td> -<td class="width40 bottom">brand</td> -<td class="width40 bottom">brandstof</td> -<td class="bottom">4</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e2565">154</a></td> -<td class="width40 bottom">,</td> -<td class="width40 bottom">„</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -</table> -</div> -</div> - - - - - - - -<pre> - - - - - -End of Project Gutenberg's De zilveren schaatsen, by Mary Mapes Dodge - -*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ZILVEREN SCHAATSEN *** - -***** This file should be named 60777-h.htm or 60777-h.zip ***** -This and all associated files of various formats will be found in: - http://www.gutenberg.org/6/0/7/7/60777/ - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United -States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive -specific permission. If you do not charge anything for copies of this -eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook -for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports, -performances and research. They may be modified and printed and given -away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks -not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the -trademark license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country outside the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you'll have to check the laws of the country where you - are located before using this ebook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm web site -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The -Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm -trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - - - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the -mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its -volunteers and employees are scattered throughout numerous -locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt -Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to -date contact information can be found at the Foundation's web site and -official page at www.gutenberg.org/contact - -For additional contact information: - - Dr. Gregory B. Newby - Chief Executive and Director - gbnewby@pglaf.org - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide -spread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works. - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our Web site which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. - - - -</pre> - -</body> -</html> diff --git a/old/60777-h/images/back.jpg b/old/60777-h/images/back.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 0f4b758..0000000 --- a/old/60777-h/images/back.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/60777-h/images/book.png b/old/60777-h/images/book.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 1825ce0..0000000 --- a/old/60777-h/images/book.png +++ /dev/null diff --git a/old/60777-h/images/card.png b/old/60777-h/images/card.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 784a984..0000000 --- a/old/60777-h/images/card.png +++ /dev/null diff --git a/old/60777-h/images/external.png b/old/60777-h/images/external.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 1434642..0000000 --- a/old/60777-h/images/external.png +++ /dev/null diff --git a/old/60777-h/images/front.jpg b/old/60777-h/images/front.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 4c92212..0000000 --- a/old/60777-h/images/front.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/60777-h/images/frontispiece.jpg b/old/60777-h/images/frontispiece.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index d4fea53..0000000 --- a/old/60777-h/images/frontispiece.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/60777-h/images/p003.png b/old/60777-h/images/p003.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 9524341..0000000 --- a/old/60777-h/images/p003.png +++ /dev/null diff --git a/old/60777-h/images/p005.png b/old/60777-h/images/p005.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 490ad18..0000000 --- a/old/60777-h/images/p005.png +++ /dev/null diff --git a/old/60777-h/images/p011.png b/old/60777-h/images/p011.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 8b44fee..0000000 --- a/old/60777-h/images/p011.png +++ /dev/null diff --git a/old/60777-h/images/p020.png b/old/60777-h/images/p020.png Binary files differdeleted file mode 100644 index fb188dc..0000000 --- a/old/60777-h/images/p020.png +++ /dev/null diff --git a/old/60777-h/images/p024.png b/old/60777-h/images/p024.png Binary files differdeleted file mode 100644 index fa5b7d1..0000000 --- a/old/60777-h/images/p024.png +++ /dev/null diff --git a/old/60777-h/images/p033.jpg b/old/60777-h/images/p033.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 6da6fec..0000000 --- a/old/60777-h/images/p033.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/60777-h/images/p036.png b/old/60777-h/images/p036.png Binary files differdeleted file mode 100644 index bb29695..0000000 --- a/old/60777-h/images/p036.png +++ /dev/null diff --git a/old/60777-h/images/p038.png b/old/60777-h/images/p038.png Binary files differdeleted file mode 100644 index ffbdbe6..0000000 --- a/old/60777-h/images/p038.png +++ /dev/null diff --git a/old/60777-h/images/p043.png b/old/60777-h/images/p043.png Binary files differdeleted file mode 100644 index f3680d9..0000000 --- a/old/60777-h/images/p043.png +++ /dev/null diff --git a/old/60777-h/images/p050.png b/old/60777-h/images/p050.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 4bae6eb..0000000 --- a/old/60777-h/images/p050.png +++ /dev/null diff --git a/old/60777-h/images/p059.png b/old/60777-h/images/p059.png Binary files differdeleted file mode 100644 index f912c34..0000000 --- a/old/60777-h/images/p059.png +++ /dev/null diff --git a/old/60777-h/images/p061.png b/old/60777-h/images/p061.png Binary files differdeleted file mode 100644 index ae7db9c..0000000 --- a/old/60777-h/images/p061.png +++ /dev/null diff --git a/old/60777-h/images/p065.jpg b/old/60777-h/images/p065.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index c56e27f..0000000 --- a/old/60777-h/images/p065.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/60777-h/images/p071.png b/old/60777-h/images/p071.png Binary files differdeleted file mode 100644 index c86b997..0000000 --- a/old/60777-h/images/p071.png +++ /dev/null diff --git a/old/60777-h/images/p073.png b/old/60777-h/images/p073.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 18ac34c..0000000 --- a/old/60777-h/images/p073.png +++ /dev/null diff --git a/old/60777-h/images/p079.png b/old/60777-h/images/p079.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 0bd4163..0000000 --- a/old/60777-h/images/p079.png +++ /dev/null diff --git a/old/60777-h/images/p081.png b/old/60777-h/images/p081.png Binary files differdeleted file mode 100644 index bff12d6..0000000 --- a/old/60777-h/images/p081.png +++ /dev/null diff --git a/old/60777-h/images/p083.png b/old/60777-h/images/p083.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 7e158a1..0000000 --- a/old/60777-h/images/p083.png +++ /dev/null diff --git a/old/60777-h/images/p087.png b/old/60777-h/images/p087.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 27a1cbf..0000000 --- a/old/60777-h/images/p087.png +++ /dev/null diff --git a/old/60777-h/images/p099.png b/old/60777-h/images/p099.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 006e225..0000000 --- a/old/60777-h/images/p099.png +++ /dev/null diff --git a/old/60777-h/images/p103.png b/old/60777-h/images/p103.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 1dffae7..0000000 --- a/old/60777-h/images/p103.png +++ /dev/null diff --git a/old/60777-h/images/p110.png b/old/60777-h/images/p110.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 8dc6d39..0000000 --- a/old/60777-h/images/p110.png +++ /dev/null diff --git a/old/60777-h/images/p116.png b/old/60777-h/images/p116.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 9288f98..0000000 --- a/old/60777-h/images/p116.png +++ /dev/null diff --git a/old/60777-h/images/p123.png b/old/60777-h/images/p123.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 3506b26..0000000 --- a/old/60777-h/images/p123.png +++ /dev/null diff --git a/old/60777-h/images/p126.png b/old/60777-h/images/p126.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 91aa53c..0000000 --- a/old/60777-h/images/p126.png +++ /dev/null diff --git a/old/60777-h/images/p128.jpg b/old/60777-h/images/p128.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index b7c57b1..0000000 --- a/old/60777-h/images/p128.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/60777-h/images/p134.png b/old/60777-h/images/p134.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 0860967..0000000 --- a/old/60777-h/images/p134.png +++ /dev/null diff --git a/old/60777-h/images/p147.png b/old/60777-h/images/p147.png Binary files differdeleted file mode 100644 index a9b3a4c..0000000 --- a/old/60777-h/images/p147.png +++ /dev/null diff --git a/old/60777-h/images/p149.png b/old/60777-h/images/p149.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 0129706..0000000 --- a/old/60777-h/images/p149.png +++ /dev/null diff --git a/old/60777-h/images/p153.png b/old/60777-h/images/p153.png Binary files differdeleted file mode 100644 index d2b7ffc..0000000 --- a/old/60777-h/images/p153.png +++ /dev/null diff --git a/old/60777-h/images/p162.png b/old/60777-h/images/p162.png Binary files differdeleted file mode 100644 index c5da227..0000000 --- a/old/60777-h/images/p162.png +++ /dev/null diff --git a/old/60777-h/images/p165.png b/old/60777-h/images/p165.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 2a31062..0000000 --- a/old/60777-h/images/p165.png +++ /dev/null diff --git a/old/60777-h/images/spine.jpg b/old/60777-h/images/spine.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 8926653..0000000 --- a/old/60777-h/images/spine.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/60777-h/images/titlepage.png b/old/60777-h/images/titlepage.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 6f6af57..0000000 --- a/old/60777-h/images/titlepage.png +++ /dev/null |
