diff options
Diffstat (limited to 'old/60224-8.txt')
| -rw-r--r-- | old/60224-8.txt | 3444 |
1 files changed, 0 insertions, 3444 deletions
diff --git a/old/60224-8.txt b/old/60224-8.txt deleted file mode 100644 index 40db650..0000000 --- a/old/60224-8.txt +++ /dev/null @@ -1,3444 +0,0 @@ -The Project Gutenberg EBook of Boschgeheimen, by William J. Long - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most -other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of -the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have -to check the laws of the country where you are located before using this ebook. - -Title: Boschgeheimen - -Author: William J. Long - -Illustrator: Charles Copeland - -Translator: Cilia Stoffel - -Release Date: September 2, 2019 [EBook #60224] - -Language: Dutch - -Character set encoding: ISO-8859-1 - -*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK BOSCHGEHEIMEN *** - - - - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg - - - - - - - - - - BOSCHGEHEIMEN - - MET TOESTEMMING VAN DEN SCHRIJVER - WILLIAM J. LONG UIT HET ENGELSCH - VERTAALD DOOR CILIA STOFFEL - TEEKENINGEN VAN CHARLES COPELAND - - - ROTTERDAM MCMXXI - W. L. & J. BRUSSE'S UITGEVERSMAATSCHAPPIJ - - - - - - - - - VAN WILLIAM J. LONG VERSCHIJNEN - IN DE VERTALING VAN CILIA STOFFEL - MET TEEKENINGEN VAN CHARLES COPELAND: - - - 1 DIERENLEVEN IN DE WILDERNIS (3de druk) - 2 KIJKJES IN HET DIERENLEVEN (2de druk) - 3 HET BOSCHVOLKJE - 4 OP EENZAME ZWERFTOCHTEN - 5 BOSCHGEHEIMEN - 6 EEN BROERTJE VAN DEN BEER - 7 OP HERTEN UIT - 8 ZONDER GEWEER OP JACHT - 9 DE WITTE WOLF - 10 LANGS DIERENPADEN IN HET HOOGE NOORDEN - - - - - - - - -INHOUD - - - Inleiding Bladz. 7 - De Boschmuis ,, 11 - Een Verborgen Paadje in de Wildernis ,, 31 - Keeonekh, de Visscher ,, 37 - Koskomenos, de Verstooteling ,, 61 - De oude Beukenpatrijs ,, 80 - Wolkvleugel, de Adelaar ,, 107 - De Indiaansche Namen ,, 129 - - - - - - - - - AAN CH'GEEGEE-LOKH-SIS, - "MIJN VRIENDJE CH'GEEGEE", WIENS - KOMST DEN WINTER BLIJ MAAKT. - - - - - - - - -INLEIDING. - - -Dit boekje is slechts een nieuw hoofdstuk uit het schuwe, wilde leven -in bosch en veld, waarvan "Het Boschvolkje", "Op Eenzame zwerftochten", -"Dierenleven in de Wildernis", "Kijkjes in het Dierenleven" het begin -vormden. Het wordt gaarne gegeven als antwoord op dien roep om meer -van hen, die de vorige deeltjes gelezen hebben en wier brieven vol -vriendelijkheid en waardeering waren. - -Allerlei vragen zijn in den laatsten tijd in diezelfde brieven -opgeworpen; van welke de voornaamste deze is: Hoe kan men zulke -dingen zelf ontdekken? Hoe kunnen ook wij de geheimen ontcijferen -van het Boschvolkje? - -Er is hier geen plaats om te antwoorden, om den langen oefentijd -te beschrijven, zelfs al zou ik precies kunnen verklaren wat min of -meer onbewust geschiedt. Ik wilde slechts vragen of de ware oorzaak, -waardoor wij zoo weinig in de bosschen zien, misschien ook schuilt in -de wijze, waarop wij er ons gedragen--wij praten, lachen, ritselen, -trappen takjes kapot, verstoren den vrede der eenzaamheid door wat de -kleine, wilde wezentjes wonderlijke en barbaarsche geluiden moeten -toeschijnen. Zij, aan den anderen kant, glippen met geruischloozen -gang door de dichte dekking, waar ze thuis zijn, schuw, zwijgend, -luisterend, er meer op uit te hooren dan gehoord te worden; zij houden -van de stilte, haten gerucht en zijn er bang voor, evenals ze hun -natuurlijke vijanden vreezen en haten. - -Wij zouden niet op ons gemak zijn, als een groote wildeman in -ons vreedzame huis kwam, de deur inrammeide, met zijn strijdknots -op meubels hieuw en zijn strijdkreet galmde. We zouden onder die -omstandigheden niet heel natuurlijk zijn. We zouden onze eigenlijke -gezindheid verbergen. Het zou zelfs wel eens kunnen wezen dat we -het huis maar uittrokken. Zoo doet het Boschvolkje ook. Slechts -als we hun gewoonten aannemen, kunnen we verwachten in hun leven en -geheimen te deelen. En het is om verbaasd over te zijn, hoe weinig -bang de schuwste van hen voor ons is, als we maar stil blijven en -alle opwinding vermijden, zelfs van ons gevoel; want ze begrijpen -ons gevoel evenzeer als onze handelingen. - -Een hond weet het wanneer ge bang voor hem zijt, wanneer vijandig, -wanneer vriendschappelijk gezind. Een beer net eender. Raak het hoofd -kwijt, en het paard, waar ge op rijdt, zal er onmiddellijk vandoor -gaan. Verraad eens iets van onderdrukte opwinding, en het hert, -dat ginds sierlijk den oever aftript naar uw kano in 't riet, zal -stampen en brieschen en wegspringen, zonder ooit te weten wat hem -verschrikte. Maar wees rustig, vriendelijk, innerlijk vreedzaam in -diezelfde omstandigheid, en het hert zal, zelfs als het u ontdekt -heeft, nader komen en zijn nieuwsgierigheid op allerlei aardige -manieren toonen, eer het wegdraaft, en nog over zijn schouder kijken -of ge niets meer te zeggen hebt. Wees dan edelmoedig--laat hem 't -geflonker op een kijker zien, 't wapperen van een kleurigen zakdoek, -een tinnen fluitje of een ander prul, dat de herinnering aan een -jongenszak u aan de hand kan doen--en ge loopt kans, dat hij terug -zal komen, daar nieuwsgierigheid zoo rijkelijk beloond werd. - -Dit is nog een punt om te onthouden: alle boschbewoners zijn -nieuwsgieriger naar ons, dan wij naar hen. Ga eens rustig in het -bosch zitten, waar ge wilt, dan zal uw komst dezelfde opschudding -veroorzaken, als een vreemdeling in een stadje tusschen de heuvels -van Nieuw-Engeland. Bedwing uw nieuwsgierigheid, en weldra kunnen -zij de hunne niet meer bedwingen; ze moeten komen onderzoeken wie ge -zijt en wat ge uitvoert. Dan is 't voordeel aan uw kant; want terwijl -hun nieuwsgierigheid bevredigd wordt, vergeten ze vrees en geven u -allerlei aardige kijkjes in hun leven, die ge nooit op een andere -manier zult te zien krijgen. - -Wat den oorsprong van deze schetsen betreft: hij is dezelfde als bij -de vorige--jaren van rustige waarneming in bosschen en velden, en -een paar oude opschrijfboekjes, die de verslagen bevatten van zomer- -en winterkampen in de groote wildernis. - - - WILLIAM J. LONG. - - Stamford, Connecticut, Juni 1901. - - - - - - - - -DE BOSCHMUIS. - - -Kleine Tookhees, de boschmuis [1]--"de bangerd", zooals Simmo haar -noemt--komt altijd twee keer voor den dag, wanneer je piept om haar -te voorschijn te brengen. Na een heele poos rondgegluurd te hebben -schiet zij eerst haar gang uit; gaat dan op haar achterpootjes zitten; -wrijft zich de oogen met haar pootjes uit; kijkt naar boven voor den -uil en achter zich voor den vos, en recht voor zich naar de tent, -waar de man woont; dan duikt zij weer halsoverkop haar tunnel in met -bladgeritsel en een verschrikt gepiep, alsof Kupkawis, het uiltje, haar -gezien had. Dat dient om zichzelf gerust te stellen. Een oogenblik -later komt ze stilletjes weer voor den dag om te kijken wat voor -kruimeltjes je haar gegeven hebt. - -Geen wonder dat Tookhees zoo schuw is, want er bestaat geen plekje op -aarde, of in de lucht, of in 't water, behalve haar eigen holletje -onder den bemosten steen, waar zij veilig is. Boven haar loeren -'s nachts de uilen, en de haviken overdag; in de wildernis is er -rondom haar heen geen rondsluipende roover, van Mooween, den beer, -langs een heele reeks van overgangen af, tot Kagax de wezel toe, of -hij zal onder elken ouden tak of boomstam snuffelen in de hoop er een -boschmuis te vinden; en als zij eens uit zwemmen gaat, wat zij zoo -graag doet, is er geen dikke forel in de rivier, die haar draaikolk -niet in den steek zal laten om op het kleine, kleine rimpeltje af te -schieten, dat dapper op den overkant van den stroom aanhoudt. Met al -die vijanden, die er op loeren haar te vangen, zoodra zij zich maar -buiten waagt, moet ze wel eens schijnbewegingen maken als ze uitgaat, -om te onderzoeken waar de kust vrij is. - -Dit is de reden waarom ze altijd terugschiet, wanneer ze den eersten -keer te voorschijn is gekomen, waarom je wel twee- of driemaal een -snellen glimp van haar opvangt, nu hier, dan daar, voordat zij in -het licht verschijnt. Ze weet dat haar vijanden zoo hongerig zijn, -zoo bang dat ze ontsnappen zal of dat iemand anders haar zal vangen, -dat ze al op haar afspringen zoodra ze maar een snor vertoont. Zoo -belust zijn ze op haar vleesch en zoo overtuigd, wanneer ze haar gemist -hebben, dat het neersuizen van vlerken of het dichtklappen van roode -kaken haar van schrik wel voor goed hebben doen wegschuilen, dat ze -een ander spoor gaan volgen. En als een rondsluipend dier achter een -boomstomp om zit te loeren en Tookhees vliegensvlug weg ziet glippen -en haar verschrikt gepiep hoort, dan denkt het heel natuurlijk dat die -scherpe oogjes den staart gezien hebben, dien het verzuimde om zich -heen te rollen; dus druipt het af, alsof het zich schaamde. Zelfs de -vos, die een onuitputtelijk geduld heeft, is niet zoo leep geworden, -dat hij Tookhees' tweede verschijning leerde afwachten. En dat is -'t behoud voor de kleine "bangerd". - -Eén toevlucht voor al deze vijanden heeft Tookhees: het uitgeholde -nestje achter het aardige holletje onder den bemosten steen. Weliswaar -kunnen de meeste van haar vijanden graven, maar haar gang kronkelt -zich zóo, dat ze van buiten aan den ingang nooit kunnen nagaan waar -ze heenleidt, en in de wildernis zijn geen slangen om haar achterna -te gaan en het te onderzoeken. Ik heb wel een paar maal de plek -gezien, waar Mooween den steen omgekeerd had en de aarde er onder -uitgekrabbeld, maar gewoonlijk zit er wel een taaie wortel in den -weg en komt Mooween tot de slotsom, dat hij zich veel te veel moeite -geeft voor zoo'n mondjevol, en hij sjokt weg naar de boomstomp, -waar de roode mieren wonen. - -Op haar tochten door het bosch vergeet Tookhees nooit de mogelijke -gevaren. Ze beweegt zich voort in een opeenvolging van schokken, -plotselinge wendingen, al springend, al wegschuilend. Na lang -rondspeuren komt ze haar holletje uit en schiet als een vischje door -'t mos naar een opgewipten boomwortel. Daar gaat ze overeind zitten -luisteren, terwijl ze zenuwachtig over haar snorren strijkt. Dan glipt -ze een paar voet langs den wortel, valt op den grond en verdwijnt. Ze -verstopt zich daar onder een dor blad. Een oogenblik stilte en--ze -springt op als een duiveltje-uit-een-doosje. Nu zit ze boven op het -blad, dat haar bedekte, weer haar snorren te wrijven, terwijl ze -omkijkt naar haar spoor, alsof ze voetstappen achter zich hoorde. Dan -weer een zenuwachtig vooruitschieten, een gepiep om tegelijk haar -ontvluchting en haar aankomst aan te kondigen, en ze verdwijnt onder -den ouden, met mos begroeiden stam, waar haar makkers huizen, een -heele kolonie. - -Dit alles en nog veel meer ontdekte ik in die eerste vacantie, toen ik -het wilde volkje begon te bestudeeren, dat binnen den gezichtskring -van mijn tent woonde. Ik had lange tochten gemaakt achter beer en -bever aan, ik had vergeefsche jachten gehouden op den ouden Witkop den -adelaar, en Kakagos den uil, op de boschraaf [2], om tot de simpele -ontdekking te komen, dat er zich in den warmen kring van mijn kampvuur -een wild volkje schuilhield, wiens leven nog onbekender en minstens -even merkwaardig was als van de grootere dieren, die ik was gevolgd. - -Op een dag, toen ik bedaard naar het kamp terugkeerde, zag ik Simmo -geheel verdiept in de beschouwing van iets bij mijn tent. Hij stond -naast een hoogen berk met een hand tegen den bast, dien hij den -komenden winter voor zijn nieuwe kano wilde nemen; de andere hand -omklemde zijn bijl nog, die hij een oogenblik te voren opgeraapt had -om het tempo, waarin de ketel met boonen zong, te versnellen. Zijn -bruine gezicht, waar een uitdrukking van kinderlijke aandacht op -te lezen stond, gluurde achter den boom. Ik sloop nader zonder -dat hij me hoorde, maar ik kon niets zien. Het was doodstil in het -bosch. Killooleet zat te dommelen bij zijn nest; de meesjes waren -verdwenen, wel wetend dat het geen etenstijd was, en Meeko, de roode -eekhoorn, had zoo dikwijls van den sparretop naar den grond moeten -springen, dat hij nu mistroostig in zijn eigen spar zijn pijnlijke -zolen bleef likken en als een bezetene aan 't schelden ging, zoodra -ik maar naderde. Nog steeds tuurde Simmo, alsof er een beer op zijn -aas afkwam, tot ik fluisterde: "Quiie, Simmo, wat is het?" - -"Nodwar k'chee Toquis; ik zie de bangerd," zei hij, onbewust in zijn -eigen dialect vervallend, dat de zoetste taal ter wereld is, zoo zacht, -dat het wilde goedje niet verontrust wordt, wanneer het die hoort, -en niet anders meent dan dat het een sterker ruischen in de dennen, -of een zachter frutselen van den stroom tegen de rotsen is.--"O, -sapperloot, kijk eens! Hij zijn snuit wasschen in je kopje." En toen -ik op de teenen aansloop en naast hem kwam staan, zat Tookhees daar -op den rand van mijn kopje, waar ik een nieuw toplijntje in had staan -weeken, om 's avonds mee te visschen, ijverig bezig haar snuitje -te poetsen, als een jongen met iemand achter zich om toe te kijken, -dat hij ooren of nek niet overslaat. - -Koude morgens uit mijn eigen jongenstijd schoten me te binnen en ik -keek achter haar om te zien, of het bij haar ook gedwongen gebeurde, -maar er was geen andere muis te zien. Twee handjesvol water schepte zij -op, wreef ze haastig over neus en oogen en dan achter haar ooren--op de -plekjes die je 't gauwst wakker maken, wanneer je slaperig bent--toen -nog een handvol water en nog een flinken veeg, die net als den eersten -keer achter haar oor eindigde. - -Simmo was een en al verbazing, want een Indiaan merkt weinig in het -bosch op, behalve wat bij zijn vallen-zetten en jagen te pas komt; en -een muis haar snuitje te zien wasschen was hem even onbegrijpelijk, als -mij een boek te zien lezen. Maar alle boschmuizen zijn heel zindelijk -en hebben niets van die sterke luchtjes van onze huismuizen. Later, -toen ik haar leerde kennen, zag ik dikwijls hoe ze zich waschte in -het bord met water, dat ik voor haar holletje gezet had en steeds vol -hield; zij waschte echter nooit meer dan haar snuitje en 't gevoelige -plekje achter haar ooren. Als ik haar dan echter weer eens in het -meer of in de rivier zag zwemmen, heb ik me soms afgevraagd of ze op -reis was, of alleen baadde omdat ze 't zoo prettig vond, net als ze -haar snuitje in mijn kopje waschte. - -Ik liet het kopje staan waar 't stond, en strooide een feestmaaltijd -voor de kleine gast: beschuitkruimels en een stuk van een -kaarsstompje. Den volgenden morgen waren ze verdwenen; de sporen van -verscheiden muizen verrieden duidelijk wie er aangelokt waren uit de -verscholen paadjes der wildernis. Dat was de eerste kennismaking van -mensch en dier. Weldra kwamen ze geregeld. Ik hoefde maar kruimeltjes -te strooien en een paar keer als een muis te piepen, of schichten en -glimpen verschenen op 't mos of tusschen het verbleekte goud van het -tapijt der oude berkeblaren, en de schuwe wezentjes kwamen aan mijn -disch, met oogjes die glommen als git, met hun fijne pootjes opgeheven -om hun snorren te poetsen of om zich te beschermen tegen den angst, -waarin ze voortdurend leefden. - -Ze waren niet allemaal gelijk; integendeel juist. Een, dezelfde -die zich in mijn kopje gewasschen had, was grauw en oud, en wijs -doordat zij haar vijanden zoo dikwijls ontdoken was. Haar linkeroor -was gespleten tengevolge van een vechtpartij, of door den klauw van -een uil, die haar net gemist had toen zij onder een wortel ontglipte. - -Zij was de schuwste en tegelijk de brutaalste van het troepje. Een -paar dagen lang naderde zij met wonderlijke behoedzaamheid; van elk -dor blad, van elk wortelkluwen maakte zij gebruik om haar nadering te -verbergen, en over de open plaatsen schoot zij zoo snel, dat je niet -wist wat er gebeurd was--slechts een donker veegje, dat eindigde in -niets. En het bruine blad verried niets van wat het verborg. Maar -eenmaal zeker van haar zaak, kwam zij brutaal. Voor dat groote -mensch-dier, met zijn gezicht dicht bij de muizentafel, doodstil, -behalve zijn oogen, met een hand die voorzichtig bewoog, als ze bewoog, -hoefde zij niet bang te wezen--dat voelde Tookhees instinctmatig. En -dat vreemde vuur met die hongerig-makende geuren, de witte tent, het -komen en gaan van menschen, die heer en meester in de bosschen waren, -hielden vos en lynx en uil op een grooten afstand--dat merkte zij na -een paar dagen. Alleen de "mink" [3], die 's nachts aan kwam sluipen -om de visch van den man te stelen, dat was er een om bang voor te -zijn. Dus gaf Tookhees voorloopig haar nachtelijke gewoonten op en -kwam zij brutaal in 't zonlicht voor den dag. Gewoonlijk komen de -beestjes in de schemering te voorschijn, als hun snelle bewegingen -te loor gaan in de kruipende, bevende schaduwen. Maar als hun vrees -gevlogen is, zijn ze maar wat blij in 't daglicht rond te kunnen -draven, vooral wanneer allerlei lekker eten hen lokt. - -Behalve de oudgediende was er een muizenmoedertje, wier kleine, -grijze jasje toch wel groot genoeg was om een heerlijke moederliefde -te bergen, zooals ik later merkte. Ze at nooit aan mijn disch, maar -droeg haar deel weg om 't ergens te verstoppen, niet om 't aan haar -kleintjes te voeren--daar waren ze nog te jong voor--; maar achter -de heldere oogjes zeiden haar gedachten zeker onbewust, dat zij haar -noodig hadden en dat ze om hunnentwil met grooter voorzorg voor haar -leven moest waken. Ze sloop dus schuw naar mijn disch; altijd verscheen -ze van onder een grijzen bastreep op een gevallen berk, nam denzelfden -weg: eerst naar een bemosten steen, dan naar een donkere holte onder -een wortel, vervolgens naar een lage varen en langs den onderkant -van een stuk hout naar de muizentafel. Daar stopte ze haastig beide -wangen vol, tot ze zoo dik waren alsof ze kiespijn had en glipte langs -denzelfden weg weer heen, om eindelijk onder den grijzen bastflard -te verdwijnen. Langen tijd was 't me een raadsel, hoe 'k haar nest -moest ontdekken, dat niet ver af kon zijn, zooals ik wist. Het was -niet in den berkestam, waar ze in verdween--die was hol over de heele -lengte,--ook niet daar ergens onder. Op eenigen afstand lag een groote -steen, half door het groene mos bedekt, dat er aan alle kanten tegen -opstond. Het zorgvuldigste onderzoek had hier gefaald, geen spoor van -Tookhees' holletje had ik kunnen ontdekken. Zoo nam ik op een dag, -toen het een halven storm woei en ik in mijn eentje het meer op wilde, -dien steen op, om hem in den boeg van mijn kano te leggen. Dat was om -het bootje vaster te doen liggen; dan zakte de neus zoo ver, dat ze -'t water kon pakken. Toen kwam 't geheim aan den dag; daar was het, in -een koepeltje van dor gras tusschen wat dennewortels onder den steen. - -De moeder was op voedsel uit, maar een zwak sissend gepiep verried -me, dat de jongen thuis waren en hongerig als gewoonlijk. Terwijl -ik stond te kijken, was er een snelle beweging in een gang tusschen -de wortels en kwam moeder muis terugsnellen. Ze stond even stil -met haar voorpootjes tegen een wortel, om lucht te nemen van 't -gevaar dat er dreigde. Toen zag ze mijn gelaat over de opening -gebogen--Et tu Brute!--en ze schoot het nest in. In een oogwenk -was ze er weer uit en verdwenen in haar gang, terwijl de kleintjes -onder 't voortsnellen aan haar flanken hingen, zoo stijf, dat ze er -niet af konden vallen--allemaal, op één na, een teer, rose diertje, -dat je in een vingerhoed kon verstoppen en dat zich vol vertrouwen -in het donkerste hoekje van mijn hand nestelde. Het duurde tien -minuten, voordat het moedertje terugkwam en angstig naar 't verloren -kleintje zocht. Toen ze 't veilig in zijn eigen nest ontdekte, met -dat mannengezicht, dat nog steeds keek, was ze half gerustgesteld; -maar toen ze zich neerwierp en het jong begon te drinken, werd ze -weer bang en draafde haar gangetje in, terwijl het kleintje zich aan -haar flank vastklemde, maar dezen keer stevig. - -Ik legde den steen weer op zijn plaats en trok er het mos zorgvuldig -omheen. Een paar dagen later was de muizenmoeder weer aan mijn -disch. Ik sloop weg naar den steen, hield mijn oor er dicht tegenaan -en hoorde met innige voldoening kleine piepgeluidjes, die me verrieden -dat het huis weer bewoond was. Daarna bleef ik spieden om te zien -langs welk paadje moeder muis de haren bereikte. Toen ze haar wangen -vol had, verdween ze langs haar gewonen weg onder den bastreep. Deze -leidde haar naar het holle binnenste van den berkestam, dien ze ten -einde toe volgde; daar hield ze even op, oogen, ooren, neusgaten -in de weer. Dan sprong ze naar een wirwar van wortels en dor blad, -waar beneden een gang was, die diep onder het mos recht naar haar -nest onder den steen voerde. - -Behalve deze oudere muizen waren er vijf of zes jongere, alle schuw, -op één na, die van den beginne af niet de minste vrees toonde, maar -recht op mijn hand afkwam, haar kruimeltjes opat en tegen mijn mouw -opkroop, waar zij zich een warm nestje begon te maken door wol van -mijn flanellen hemd af te knabbelen. - -Een groote tegenstelling met dit kereltje vormde een ander, dat maar -al te wel wist wat vrees beteekende. Het hoorde tot een anderen stam, -die nog niet gewend was geraakt aan de menschelijke gewoonten. Ik -merkte te laat hoe zorgvuldig je met die wezentjes om moet gaan, -die voortdurend in 't land leven waar de vrees regeert. - -Een eindje achter mijn tent lag een gevallen boomstam, vermolmd en met -mos begroeid, waarover tweeling-bloemen [4] haar klokjes wiegelden -over zijn heele lengte en waar een heele kolonie boschmuizen onder -woonden. Ze aten de kruimels, die ik bij den boom strooide, maar -ze waren nooit naar mijn disch te lokken. Was het omdat ze geen -oudgediende met gespleten oor bezaten om de gewoonten van den mensch -te bespieden, of omdat mijn eigen kolonie ze verjoeg? Ik heb het nooit -kunnen uitmaken. Eens zag ik Tookhees onder den zwaren stam wegduiken -toen ik naderde, en omdat ik niets belangrijkers te doen had, legde -ik een grooten kruimel bij haar gaatje, strekte me uit op het mos, -verstopte mijn hand in een dorre varen dicht bij het verleidelijke -beetje en piepte den lokroep. In een oogwenk verschenen Tookhees' -neus en oogen in haar deurtje, terwijl haar snorren zenuwachtig trilden -toen zij het kaarsvet rook. Maar zij voelde achterdocht voor het groote -ding; of misschien rook zij den mensch en was bang, want na herhaalde -keeren schuilevinkje te hebben gespeeld, verdween zij heelemaal. - -Ik vroeg me af hoe lang haar honger met haar voorzichtigheid zou -strijden, toen ik het mos bij mijn lokaas van onderen in beweging -zag komen. Een kleine golving van de mosbloemetjes, en Tookhees' -neus en oogen kwamen een oogenblik uit den grond te voorschijn, -terwijl zij alle richtingen uit snuffelde. Haar bedoeling was nu -duidelijk genoeg; zij was bezig een gang te graven om bij het beetje -te komen dat zij openlijk niet durfde te nemen. Ik zat met ademlooze -belangstelling toe te kijken, toen er een zwakke trilling, dichter bij -mijn lokaas, verried waar zij met haar werk vorderde. Daarna werd het -mos behoedzaam bewogen, dicht bij haar doel; een holletje opende zich, -het stukje viel er in en Tookhees was verdwenen met haar buit. - -Ik legde nog meer kruimeltjes uit mijn zak op dezelfde plek en weldra -waren drie of vier muizen bezig er aan te knabbelen. Eén zat op, -vlak bij de dorre varen, met een stukje brood in haar voorpooten, -als een eekhoorn. Plotseling bewoog de varen; voordat zij springen -kon, sloot mijn hand zich over haar en terwijl 'k mijn andere hand -onder haar liet glijden, bracht ik haar bij mijn gezicht om haar -tusschen mijn vingers door gade te slaan. Zij maakte geen beweging -om te ontkomen, maar trilde hevig. Haar pootjes schenen nu te zwak -om haar gewicht te dragen; zij ging liggen; haar oogjes vielen toe; -een stuiptrekking--en zij was dood--van angst gestorven in een hand -die haar niets gedaan had. - -Bij deze kolonie, wier leden me alle vreemd waren, leerde ik op -een eigenaardige manier de gewoonte van de boschmuizen kennen om -bezoeken af te leggen, en tegelijkertijd kreeg ik nog een les, die ik -niet gauw vergeten zal. Dagenlang had ik op elke geoorloofde manier -tevergeefs gepoogd een groote forel te vangen, een monster in haar -soort, die in een draaikolk achter een rots hoogerop, waar 't water -het meer instroomde, woonde. Forellen waren schaarsch in dat meer en -'s zomers zijn de groote visschen altijd lui en moeilijk te snappen. Ik -had het grootste deel van den tijd zin in forel, want de visch die -ik gevangen had was klein en 't was niet veel, en het ging met lange -tusschenpoozen. Maar verscheiden keer als ik van den oever af, daar -waar 't andere water binnenstroomde, ingooide om vischjes te vangen, -had ik wielingen in een groote draaikolk dicht bij den tegenovergelegen -oever gezien, die me duidelijk groote visch daaronder verrieden; en -eens, toen een reusachtige forel over haar halve lengte boven water -achter mijn vlieg aanschoot, verloor de katvisch alle bekoring en -beloofde ik mezelf het genot, dat 'k mijn hengel zou voelen buigen -en sidderen onder het voortjagen van die groote forel, al moest de -heele zomer er mee gaan. - -Vliegen gaven niets. Ik bood er haar een boekvol van aan in alle -verscheidenheid van vorm en kleur, bij 't uchtendkrieken en in de -schemering, zonder haar in verzoeking te brengen. Ik probeerde larven, -waar baars van houdt, een kikkerpoot, dien geen snoek kan weerstaan, -en kikkertjes, zulke waarop groote forellen tusschen licht en donker -te midden der leliebladen jagen--maar niets kon haar bekoren. En -toen watertorren en 't staartpuntje van een rooden eekhoorn, wat -'t beste vischaas ter wereld is, en spartelende sprinkhanen en een -"zilveren-lepel" [5] met een leelijk "stel" haken, die ik verafschuw, -en ik herinner me dankbaar dat de forellen die ook verafschuwden. Daar -lagen ze in hun groote, koele draaikolk en namen lui wat de stroom -hun aan voedsel toevoerde en hadden geen aandacht voor eenigerlei -list. Daarop ving ik stroomop een roodvin [6], haakte haar zorgvuldig -aan, legde haar op een grooten houtspaander, wikkelde mijn snoer er -omheen en liet dien stroomaf drijven, terwijl het snoer zachtjes -naar achteren afwikkelde bij 't wegdrijven. Toen hij de draaikolk -bereikt had, beurde ik het tipje van mijn hengel op; het snoer ging -strak staan; de roodvin sprong overboord en een forel van twee pond, -die zeker dacht dat het kleine ding verscholen had gezeten onder -den spaander, dook op en slikte het in. Dat was de eenige die ik -ving. Haar worsteling had het diepe water in beroering gebracht en -de andere forellen gaven verder niet meer om roodvinnen. - -Later, terwijl ik eens bij dageraad op een groot rotsblok zat te -prakkizeeren over nieuwe lokmiddelen en krijgslisten, trof een beweging -in een elzestruik aan den overkant van den stroom mijn oog. Daar glipte -Tookhees de boschmuis langs de takjes; 't was haar klaarblijkelijk om -de zwarte katjes te doen, die nog aan de uiteinden hingen. Terwijl ik -naar haar stond te kijken, viel of sprong zij van haar twijgje in het -stille water onder zich en nadat zij een oogenblik rondgekringd had, -begon zij dapper den stroom over te zwemmen. Ik kon haar neus niet -zien terwijl zij zwom, een rimpelende wig tegen het zwarte water, -die een steeds wijder wordende V als een sleep achter zich liet. De -trek duwde haar stroomaf; zij raakte den rand van de groote draaikolk; -een wieling, een harde plons van onder op, en Tookhees was verdwenen -zonder een spoor achter te laten, behalve een snellen kring van -rimpels, die verzwolgen werden door de draaiingen en kolken achter -de groote rots.--Ik had ontdekt welk aas de groote forel graag had. - -Terwijl 'k me naar het kamp terughaastte, laadde ik een patroon luchtig -met wat fijnen hagel, strooide een paar kruimeltjes in de buurt van -den dikken stam achter mijn tent, piepte een paar keer den lokroep -en ging zitten wachten. "Die muizen zijn eigenlijk vreemdelingen -voor me," vertelde ik mijn geweten, dat een beetje protesteerde, -"en de bosschen zijn er vol van en ik wou die forel graag hebben." - -Even later ontstond er een geritsel in het mossige holletje en kwam -Tookhees te voorschijn. Zij schoot over het open terrein, greep -een kruimel in haar bekje, ging op haar achterpootjes zitten, nam -den kruimel in haar voorpootjes en begon te eten. Ik had het geweer -opgeheven in de meening dat zij wel een keer of wat zou schuilen, -voordat 'k haar onder schot kreeg. Haar brutaliteit verbaasde me, maar -ik herkende haar niet. Nog steeds ging mijn oog langs de loopen en over -de korrel, tot waar Tookhees haar kruimel zat op te eten. Mijn vinger -drukte den trekker.--"O, jou leelijke moordenaar," zei het geweten, -"bedenk toch hoe klein zij is en wat een groot spektakel je geweer -zal maken! Schaam je je niet?" - -"Maar ik wou die forel graag hebben," wierp ik tegen. - -"Vang ze dan zonder dit kleine, onschuldige ding," zei 't geweten -onverbiddelijk. - -"Maar zij is me heelemaal vreemd; ik heb nooit--" - -"Zij eet je brood en je zout," zei het geweten. Dat gaf den doorslag; -en warempel, terwijl ik nog naar haar keek over de korrel, eindigde -Tookhees haar kruimel, kwam naar mijn voet toe, glipte langs mijn been -op mijn schoot en keek me vol verwachting aan. Het grijze velletje en -'t gespleten oor toonden de welkome gast aan mijn tafel van een week -geleden. Zij was op bezoek bij de vreemde kolonie, zooals boschmuizen -zoo graag doen, en trachtte ze door haar voorbeeld te overreden, -dat ze me net zoo konden vertrouwen als zij. Beschaamder dan alsof -'k er op betrapt was een kwartel op den grond te schieten, gooide ik -de huls weg die bijna mijn vriendinnetje gedood had, en keerde naar -het kamp terug. - -Daar maakte ik een muis uit een stukje vacht van een muskusrat, met een -stuk van mijn leeren veter er als staart aangenaaid. Zij beantwoordde -prachtig aan haar doel, want binnen het uur mocht ik grootte en pracht -van een reusachtige forel, die in haar volle lengte op de rots naast me -lag uitgestrekt, bewonderen. Maar toen 'k den volgenden keer ingooide, -verloor 'k mijn lokmuis; ze bleef met een stuk van mijn toplijntje -in den bek van een tweede forel achter, die naar boven schoot, op -'t zelfde oogenblik dat zij haar draaikolk aanraakte. - -Daarna waren de boschmuizen veilig, wat mij betrof. Geen forel, -al was ze zoo groot als een zalm, zou ze ooit proeven, tenzij ze -lust hadden om te gaan zwemmen; en ik hield hun disch beter voorzien -dan vroeger. Ik heb veel van hun bezoeken heen en weer gezien, en ik -heb beter begrepen wat die gangen toch te beteekenen hebben, die in -'t voorjaar te zien zijn als de laatste sneeuw wegsmelt. In een hoek -van het bosch, waar de driftsneeuw hoog ligt, zal men dikwijls een -menigte gangen vinden, die uit alle richtingen in een kamer middenin -uitmonden. Ze spreken van Tookhees' gezellige natuur, van haar lange -bezoeken bij haar makkers, niet gestoord door sprong of knauw, als de -opeengepakte sneeuw daarboven den angst van 's zomers heeft weggevaagd -en haar beveiligt voor havik en uil en vos en wilde kat, en als geen -open water haar er toe verleidt te gaan zwemmen waar Skooktum, de -groote forel, hongerig op muizen onder haar draaikolk ligt te wachten. - - - -De weken vloden maar al te snel, zooals het geval is met weken in -de wildernis, en de droevige taak van ons kamp op te breken lag -vlak voor ons. Eén ding baarde me echter zorg--de kleine Tookhees, -die geen vrees kende, maar een nestje probeerde te maken in de mouw -van mijn flanellen hemd. Haar argeloos vertrouwen trof me meer dan -de eigenaardige gewoonten van alle andere muizen. Elken dag kwam -zij om haar kruimeltjes te halen, niet van mijn disch, maar uit mijn -hand. Zij genoot er klaarblijkelijk van de warmte onder 't eten en -zij kreeg altijd de uitgezochtste beetjes. Ik wist echter dat zij, -wanneer ik heengegaan was, de eerste zou zijn die door den uil werd -gegrepen, want alleen de vrees redt het wilde volkje. - -Zoo nu en dan treft men dieren aan, onder allerlei soort, die het -instinct van de vrees missen--een kikker, een jonge patrijs, een -elandenkalf--en dan vraagt ge u verbaasd af welke gouden eeuw, die de -vrees niet kende, of welk heerlijk visioen van Jesaja, waarin de leeuw -bij het lam nederligt, daar werkelijkheid is geworden. Ik heb zelfs -een jonge zwarte eend, wier natuurlijke geaardheid zoo wild is als -de wildernis zelf, gezien, die niets van haar moeders noodsignalen -en haar voortdurende lessen in 't wegschuilen had geleerd, maar op -mijn kano kwam aandobberen tusschen de waterplanten van een meer -in de wildernis, terwijl haar makkers onzichtbaar wegdoken in hun -schuilplaatsen van overbuigend riet en haar moeder er klapwiekend -van doorging met geplas en gekwaak, en een vlerk liet slepen om me -van haar jongen weg te lokken. - -Het jong, dat geen vrees kent, wordt gewoonlijk door zijn moeder in -den steek gelaten, of wel hij zal de eerste zijn, die in den strijd -tegen den sterke valt, voordat ze hem als hopeloos opgeeft. Kleine -Tookhees behoorde klaarblijkelijk tot deze klasse; dus vóór mijn -vertrek stelde ik het mijzelf tot taak haar de vrees te leeren kennen, -wat blijkbaar voor de Natuur en voor haar eigen moeder te veel was -geweest. Ik kneep haar een paar keer, en terwijl ik dat deed, kraste -ik als een uil--een schrikwekkend optreden, dat de andere muizen -als bruine schichten halsoverkop naar een schuilplaats joeg. Daarna -zwaaide ik met een tak boven haar, alsof 't de vleugel van een havik -was, terwijl 'k er haar tegelijkertijd pardoes een klap mee gaf, -zoodat zij een doodschrik kreeg. En dan weer, als zij voor den dag -kwam, terwijl er een nieuw licht in haar oogjes daagde: het licht -van de vrees, maakte 'k met een stok een schuifelende beweging in -de varens als van een sluipenden vos en gaf haar een flinken tik -met een sparretwijg. Het was een harde les, maar zij kende ze na een -dag of wat. En nog eer ik mijn onderwijs staakte, was er geen muis, -die aan mijn disch wilde komen, hoe overredend ik ook piepte. In de -schemering schoten ze rond als eertijds, maar het eerste suizen van -mijn tak joeg ze in een ommezien naar haar schuilplaats terug. - -Dat was haar hardhandige, maar afdoende voorbereiding tegen de -rooverbende, die weldra over mijn kampplaats zou rondsluipen. Dan zou -een heimelijke beweging in de varens, of een neerschietende schaduw -tusschen de schaduwen der schemering heel wat anders beteekenen dan -een schuifelende tak en een wuivende sparretwijg. Een hap, een greep, -en tanden en klauwen--loop wat je loopen kunt en kijk pas naderhand -waarom! Zoo hoort het voor een verstandige boschmuis. Ik groette ze -dus en liet ze achter om op zichzelf te passen in de wildernis. - - - - - - - - -EEN VERBORGEN PAADJE IN DE WILDERNIS. - - -Op een dag in de wildernis, toen mijn kano een prachtig gedeelte van -een rivier afgleed, merkte ik een paadje op dat door riet en biezen -ging, in een rechten hoek op de richting van den stroom. Nadat ik mijn -kano er heengewend had, ontdekte ik iets, dat een aanlegplaats voor -het boschvolkje op hun riviertochtjes scheen te zijn. Het moerasgras, -dat rondom dicht stond, was hier naar binnen gebogen en maakte een -glimmend groen kanaal van de rivier uit. - -Op den modderigen oever stonden veel prenten van "mink" en muskusrat en -otter. Hier had een groote eland staan drinken; en daar had een bever -het gras afgeknaagd en een moddertaartje gemaakt, waar middenin een -beetje muskus de geheele buurt doorgeurde. Het was den vorigen avond -gebeurd, want de indrukken van zijn voorpoot toonden nog duidelijk -waar hij zijn taartje glad geklopt had, eer hij heenging. Maar de -plek was meer dan een landingsplaats; een paadje ging den oever op, -het bosch in, even vaag als het groene waterweggetje tusschen de -biezen. Hooge varens bogen er zich overheen om het te verstoppen, -ranke grassen, die zachtjes op zij geduwd waren, trachtten er zoo -goed als 't ging natuurlijk uit te zien; de elzen wuifden hun takken -dicht opeen en zeiden: "Hier is geen weg." Maar daar was hij, een -pad voor 't boschvolkje. En toen ik het volgde, de schaduw en stilte -der bosschen binnen, was de eerste mossige stam, die er over lag, -glad gesleten door 't gaan van veel kleine pootjes. - -Bij mijn terugkomst gleed Simmo's kano in 't zicht, en ik wenkte hem -naar den oever. De lichte boot van berkebast kwam met een zwenk naast -de mijne, met een diepe waterplooi juist onder de kromming van haar -boeg en een welluidend geklater, als 't gorgelen van water tegen een -mossigen steen--dat was het eenige geluid. - -"Wat beteekent dit paadje, Simmo?" - -Zijn scherpe oogen namen met een oogopslag alles in zich op: den -wuivenden waterweg, de prenten, het vage paadje naar de elzen. Er -stond verbazing op zijn gezicht te lezen, dat ik maar zoo toevallig -een ontdekking had gedaan, waar hij menigmaal tevergeefs naar had -uitgekeken met zijn vallen op den rug. - -"Dat om af te snijden," zei hij gewoonweg. - -"Om af te snijden! Maar wie moest er hier afsnijden?" - -"Nou, Musquash waarschijnlijk 't eerst doen dat. Toen bever, toen -otter, toen iedereen die haast, doen dat. Kijk, de rivier hier maken -groote bocht. Pad rechtuit gaan, tijd sparen, net precies als Indiaan -die afsnijden." - -Dat was het eerste van wel twaalf zulke paden die ik sindsdien aantrof -en die de bochten van rivieren in de wildernis doorsneden,--de manier -die 't boschvolkje er op nahoudt om op reis tijd uit te sparen. Ik -liet Simmo verder gaan, de rivier af, terwijl ik het verscholen paadje -nieuwsgierig volgde. Er is niets zoo verleidelijk in de bosschen, -als het wilde goedje na te prenten en te zien wat ze uitgevoerd hebben. - -Maar helaas, mijn voeten waren de eerste menschelijke voeten niet, -die den tocht ondernomen hadden! Halverwege, op het punt waar het -pad over een beekje leidde, vond ik een val dwars over den weg van -argelooze pootjes. Ze verschilde van elke andere die ik ooit gezien -had en was zoo gemaakt: - -Die kleine stok (trekker noemen de "trappers" hem), waarvan het eind -een centimeter of vijf boven den ondersten stam in de lucht steekt, -net zoo hoog dat een bever of een otter er heel gewoon zijn poot -op zou zetten als hij er overheen ging, ziet er onschuldig genoeg -uit. Maar als ge goed toekijkt, zult ge zien dat het, bij den minsten -of geringsten druk die er op uitgeoefend werd, onmiddellijk den krommen -tak, die het valblok vasthoudt, los zou maken en het doodelijke ding -met verpletterend gewicht op den rug van eenig dier er onder terecht -zou doen komen. - -Dat zijn de valstrikken, die Keeonekh, den otter, in den weg liggen, -als hij uit vrijen gaat en Musquash's dwarspad gebruikt om zijn tocht -te bekorten. - -Aan den anderen kant van het dwarspad wachtte ik af, tot Simmo om de -bocht kwam en nam hem mee terug om het werk te bekijken, terwijl ik -de hartelooze zorgeloosheid van den "trapper" veroordeelde, die in 't -voorjaar weg was gegaan en een niet ontspannen val had achtergelaten -als een bedreiging voor 't wilde goedje. Op 't eerste gezicht maakte -hij uit dat 't een otterval was. Toen kwamen er plotseling vrees en -verbazing op zijn gezicht en vragen op het mijne. - -"Dat Noel Waby's val. Niemand anders valtrekker maken zoo," zei -hij eindelijk. - -Toen begreep ik het. Noel Waby was in 't voorjaar de rivier opgegaan -om vallen te zetten en nooit teruggekomen; en niemand wist ooit te -vertellen hoe hij aan zijn eind kwam. - -Ik boog me neer om de val met grooter belangstelling te bekijken. Aan -den onderkant van het valblok vond ik nog wat lange haren kleven in de -spleten van de ruwe schors. Ze hoorden tot de buitenste waterdichte -vacht, waarmee Keeonekh zijn bont droog houdt. Minstens éen otter -was hier gevangen, en de val was daarna weer opgesteld. Maar -een gewaarwording van gevaar, een oude geur van bloed, of een -onnaspeurlijke waarschuwing hing nog aan die plek, en geen ander -schepsel was over den ondersten balk gegaan, ofschoon er honderden -langs dien weg moeten zijn gekomen, sinds de oude Indiaan zijn val -weer opstelde en wegstapte met den dooden otter over zijn schouders. - -Wat was dat in de lucht? Welk angstgevoel broeide hier en fluisterde in -de elzebladen en tinkelde in de beek? Simmo werd onrustig en haastte -zich weg. Hij was als 't boschvolkje. Maar ik ging op een dikken -boomstam zitten, dien het hooge water in 't voorjaar tusschen de elzen -had gedreven, om wellicht de beteekenis van die plaats te voelen en een -poosje de wijde, lieflijke eenzaamheid geheel voor mezelf te hebben. - -Een flauw geritsel aan mijn linkerhand, en nog weer! Toen kwam -kronkelend en glijdend Keeonekh het pad op, de eerste otter dien ik -ooit in de wildernis zag. Waar de zon door de elzebladen naar binnen -flikkerde, glom ze vroolijk op de glanzende buitenste haren van zijn -ruwe vacht. Onder 't gaan werkte zijn neus voortdurend en was zijn -heldere oogjes ver vooruit, om hem te vertellen wat er zich op zijn -pad bevond. - -Ik zat heel stil een eind op zij en hij zag me niet. Dicht bij de -val van den ouden Noel hield hij even stil met opgeheven kop, in die -eigenaardige slangachtige houding, die alle wezels aannemen als ze -acht geven. Daarop glipte hij om het uiteinde van de val en verdween, -het pad af. - -Toen hij weg was, sloop ik te voorschijn om zijn prent te -onderzoeken. Daar viel het me voor 't eerst op dat het oude pad -bij de val langzamerhand met mos begroeide; een flauw nieuw pad -begon zich tusschen de elzen af te teekenen. Er school de een of -andere waarschuwing in die val en met listig instinct waren alle -boschbewoners op zij gegaan en hadden goed de ruimte gegeven aan wat -ze voelden dat gevaarlijk was, maar wat ze niet konden begrijpen. Het -nieuwe pad voegde zich weer bij het oude achter de beek en volgde -het recht naar de rivier. - -Weer onderzocht ik zorgvuldig de val, maar 'k vond natuurlijk -niets. Dat is een zaak van instinct, niet van oogen of ooren, en kan -niet opgelost worden. Toen ging ik voorgoed heen, nadat ik een kring -van dikke staken rondom de val geslagen had, om er argelooze pootjes -buiten te houden. Maar ik liet de val onaangeroerd, net zooals ze was, -een ruw gedenkteeken voor Keeonekh en den verdwenen Indiaan. - - - - - - - - -KEEONEKH, DE VISSCHER. - - -Waar ge Keeonekh, den otter, ook aantreft, daar vindt ge nog drie -andere dingen: de wildernis, schoonheid en stroomend water, dat geen -winter bevriezen kan. Daar is 't ook goed om te visschen; maar 't -zal u weinig baten, want als Keeonekh een water geplunderd heeft, -geeft het niets daar vlieg of voorntje in te gooien. De grootste -visch is verdwenen--ge zult zijn graten en een paar vinnen op het -ijs of den naasten oever vinden, en de kleine vischjes houden zich -nog gedekt na hun schrik. - -En omgekeerd: waar ge de drie genoemde factoren aantreft, zult ge -Keeonekh ook vinden, als uw oogen goed de teekens kunnen lezen. Zelfs -op plaatsen bij de steden, waar heele geslachten lang geen otter gezien -is, worden ze toch gespeurd, zijn ze in hun schuwe, wilde leven, -zóo vertrouwd met al wat te zien is, met elk geluid van gevaar, dat -geen oog van de velen die voorbijgaan hen ooit waarneemt. Er is op -geen beest zoo hardnekkig jacht gemaakt, om het kostbare bont dat hij -draagt, maar Keeonekh is moeilijk te krijgen en snel van begrip. Als -een heele familie gepakt is, of verdreven van een geliefkoosde rivier, -vindt een andere otter weldra de plek, op een van zijn wintersche -zwerftochten naar beter vischwater; en daar hij uit de teekens wel -begrepen heeft dat anderen van zijn ras helaas geboet hebben voor -zorgeloosheid, vestigt hij er zich met grooter waakzaamheid en geniet -van zijn geluk als visscher. - -In 't voorjaar brengt hij een wijfje mee om zijn rijke inkomsten te -deelen. Weldra gaat een troepje jonge otters in de beste vischwaters -visschen en de rivier mijlen ver stroomop en -af onderzoeken. Maar -zóo schuw en wild en snel in 't wegschuilen zijn ze, dat de -forellenvisschers, die de rivier volgen, en de ijsvisschers, die -hun toestel in het meer stroomaf zetten, en de kinderen, die in de -lente sleutelbloemen plukken, er geen vermoeden van hebben, dat de -eigenlijke eigenaars van den stroom nog ter plaatse zijn, naijverig -elk indringen gadeslaan en kwalijk nemen. - -'t Gebeurt wel, dat de houthakkers een onbekend spoor in de sneeuw -kruisen, een zwaar sleepspoor, van lange, glijdende sprongen heuvelaf, -die er uitzien, alsof er een blok hout voortgetrokken was. Maar zij -ook gaan huns weegs, verbazen zich even over de rare beesten, die in -de bosschen huizen, begrijpen echter het duidelijke getuigenis niet, -dat de rare beesten achterlaten. Waren ze het maar ver genoeg gevolgd, -dan zouden ze het eind van het spoor in open water gevonden hebben, en -op het ijs aan den anderen kant de bewijzen van Keeonekh's vischvangst. - -Ik herinner me een ottergezin, waarvan ik het hol vond, toen 'k nog -een jongen was, aan een stroomend water, tusschen twee meertjes, -geen drie mijlen van het stadhuis af. Toch kon de oudste jager zich -nauwelijks den tijd herinneren, dat de laatste otter gevangen of -gezien was in de streek. - -Op een lentedag zat ik heel stil in 't kreupelhout aan den oever -naar een boscheend [7] te kijken. Er zaten daar boscheenden, -maar het struikgewas groeide zóo dicht, dat ik ze nooit verrassen -kon. Ze hoorden me altijd komen en maakten zich uit de voeten, -gaven me slechts verdwijnend een glimp tusschen de boomen, of wel -ze verscholen zich kalmpjes, tot ik voorbij was. De eenige manier om -ze te zien te krijgen--het was een mooi gezicht--was, stilletjes in -een schuilplaats te zitten, uren lang als 't moest, tot ze daar aan -kwamen glijden vlakbij, geheel onbewust van den bespieder. - -Terwijl ik zat te wachten, kwam er een groot dier snel tegen den -stroom op, met niets dan zijn kop zichtbaar en een langen staart, -die hem nasleepte. Hij zwom krachtig, gestadig, zoo recht als een -boogpees; maar, zooals ik met verbazing opmerkte, hij maakte niet het -minste rimpeltje, gleed door het water, alsof hij van 't puntje van -zijn neus tot dat van zijn staart was ingevet. Even stroomop van me -dook hij en ik zag hem niet weer, ofschoon ik ademloos stroomop en -stroomaf keek, of hij ook weer tevoorschijn kwam. - -Ik had nog nooit te voren zoo'n dier gezien, maar ik wist op de -een of andere manier dat het een otter was, en ik trok me nog beter -verscholen terug, in de hoop het zeldzame beest weer te zien. Weldra -verscheen er nog een otter, die stroomop kwam en op precies dezelfde -wijze verdween als de eerste. Maar ofschoon ik den heelen middag -bleef, ik zag niets meer. Na dien tijd was ik elk oogenblikje, dat -'k weg kon komen, op die plek, kroop beneden naar den rivieroever en -lag uren lang aan éen stuk verscholen; want ik wist nu dat de otters -daar woonden, en ze gaven me menigmaal vluchtig een blik in een leven, -dat ik nooit eerder gezien had. - -Weldra ontdekte ik hun hol. Het was in den hoogen oever tegenover -mijn schuilplaats, en de ingang lag tusschen de wortels van een -dikken boom onder water, waar niemand hem met mogelijkheid zou hebben -kunnen vinden, als de otters zelf den weg niet hadden gewezen. Bij hun -nadering doken ze altijd, als ze nog een goed eind weg in den stroom -waren, en kwamen dus ongemerkt hun hol binnen. Als ze er uit gingen, -waren ze net zoo zorgvuldig, zwommen steeds een eind onder water, -voordat ze aan de oppervlakte kwamen. Het duurde verscheiden dagen, -eer mijn oog met zekerheid de flauwe golving van het water boven hen -kon nagaan en hun tocht naar hun ingang op die wijze volgen. Als het -water niet laag was geweest, zou ik het nooit gevonden hebben, want -ze zijn de wonderbaarlijkste zwemmers, veroorzaken geen plooitje aan -de oppervlakte, en niet half zooveel beroering daar beneden als een -visch van 't zelfde gewicht maakt. - -Dat waren mee van de gelukkigste uren, die ik ooit al spiedend in de -bosschen heb doorgebracht. Het wild was zoo groot, kwam zoo volkomen -onverwacht; en ik had die prachtige ontdekking geheel voor mezelf. Niet -éen van de vijf of zes jongens en mannen, die af en toe, als de koorts -hen te pakken kreeg, muskusratten in de groote wei een mijl stroomaf -met klemmen vingen, of den zeldzamen "mink", die op kikkers jaagde in -de beek, hadden er ook maar een vermoeden van, dat er zulk prachtig -bont te krijgen zou zijn voor de moeite van 't jagen alleen. - -Soms verstreek er traag een heele middag, gevuld met de geluiden en -lieflijke geuren van de bosschen, en geen plooi verbrak de kabbelingen -van den stroom vóor me. Maar toen op een laten middag, juist als -de dennen aan den overkant van de rivier zwart begonnen te worden -tegen het westelijke licht, een reeks van zilveren bellen over den -stroom schoot en een groote otter naar de oppervlakte steeg met een -fermen snoek in den bek, telde al het vruchtelooze wachten eensklaps -niet meer mee. Hij kwam snel op me toe, zette zijn voorpooten tegen -den oever, deed een kronkelenden sprong--en daar was hij, op geen -twintig voet afstands, en hield den snoek met zijn voorpooten neer, -zijn rug gekromd als een verschrikte kat; er druppelde een straaltje -water uit den tip van zijn zwaren, puntigen staart, terwijl hij echt -met smaak zijn visch verorberde. - -Jaren later, honderden mijlen ver weg, kwam aan de Dungarvon, in het -hartje van de wildernis, dat tooneel tot in de kleinste bijzonderheden -me weer voor oogen. Ik stond op sneeuwschoenen over de bevroren rivier -uit te zien, toen Keeonekh in een open plek water verscheen met een -forel in zijn bek. Hij baande zich, met een klaterend getinkel, als -van klokjes in de winterlucht, een weg door den dunnen ijsrand, zette -zijn pooten tegen het zware sneeuwijs, gooide er zich met denzelfden -kronkelenden sprong uit en at met zijn rug gekromd--net als 'k hem -jaren geleden had zien doen. - -Deze eigenaardige manier van eten is, dunkt me, kenmerkend voor alle -otters, stellig voor die ik zoo gelukkig ben geweest te zien. Waarom -ze het doen gaat boven mijn verstand; maar het moet ongemakkelijk -zijn elken hap--ook nog vol graten--heuvel-op naar de maag te laten -glijden. Misschien is 't slechts een gewoonte, in de gekromde ruggen -van de heele wezelfamilie te zien. Misschien is het om iederen vijand -te verschrikken, die ongemerkt mocht naderen, als Keeonekh zit te -eten; evenals een uil, wanneer hij voedsel op den grond heeft, al -zijn veeren overeind zet om er zoo groot mogelijk uit te zien. - -Maar mijn eerste otter was te scherp van reuk, om lang zoo dicht -bij een verborgen vijand te blijven. Plotseling hield hij met eten -op en keerde zijn kop mijn kant uit. Ik kon zijn neusvleugels zien -trekken, als de wind hem zijn boodschap gaf. Toen liet hij zijn visch -in den steek, glipte den stroom in, zoo geluidloos als de beek daar -stroomaf van hem binnenkwam, en verdween zonder ook maar een golfje -achter te laten, om te verraden waar hij heen was gegaan. Bij het -verschijnen van de jonge otters, was er een van de merkwaardigste -lessen in de bosschen te zien. Ofschoon Keeonekh van water houdt en -er meer dan de helft van den tijd in woont, zijn zijn jongen er zoo -bang voor als poesjes. Wanneer ze aan zichzelf werden overgelaten, -zouden ze ongetwijfeld weer een jagersbestaan gaan leiden volgens het -oude familie-instinct; want visschen is een aangeleerde gewoonte van -de otters en het visschersinstinct kan dus nog niet tot de jongen -zijn doorgedrongen. Daartoe zullen verscheiden geslachten noodig -zijn. Ondertusschen moeten de kleine Keeonekhs leeren zwemmen. - -Op een dag verscheen de ottermoeder op den oever tusschen de wortels -van den grooten boom, waaronder hun geheime toegang zich bevond. Dat -was een verrassing, want tot nog toe waren beide otters er altijd -van de rivier uit naar toegegaan, en nooit op den oever bij hun -hol gezien. Ze scheen te graven, maar deed het met de grootste -omzichtigheid, keek, luisterde, snuffelde onophoudelijk. Ik was nooit -in de buurt van die plek gekomen, uit angst ze te zullen verjagen; -en pas maanden later, toen het hol verlaten was, onderzocht ik het, -om er achter te komen wat ze eigenlijk precies uitvoerde. Toen ontdekte -ik dat ze nog een uitgang van haar hol naar den oever gemaakt had. Ze -had de plaats met wonderbaarlijke geslepenheid uitgezocht--een hol -onder een dikken wortel, dat nooit opgemerkt zou worden--en ze had -van binnen uit gegraven, de aarde weggedragen naar den bodem van de -rivier, zoodat er bij dien boom niets zou zijn om te verraden dat er -zich een dier ophield. - -Veel later, toen ik door heel wat spieden beter bekend was geraakt met -Keeonekh's gewoonten, begreep ik wat dit alles beteekende. Ze maakte -eenvoudig een veiligen in- en uitgang voor de jongen, die bang voor -'t water waren. Had zij ze meegenomen, uit haar eigen doorgang naar -buiten gedreven, dan zouden ze licht verdronken zijn, eer ze de -oppervlakte bereikt hadden. - -Toen de ingang heelemaal klaar was, verdween ze; maar ik twijfel er -niet aan, of ze zat er vlak onder te loeren, om zeker te zijn dat de -kust vrij was. Langzaam verschenen kop en hals, tot ze geheel tusschen -de zwarte wortels zichtbaar waren. Ze keerde haar neus stroomop--niets -in den wind. Oogen en ooren zochten stroomaf--niets kwaads daar. Toen -kwam ze naar buiten en achter haar aan waggelden twee ottertjes, vol -verbazing over de groote, vroolijke wereld, vol angst voor de rivier. - -Geen gespeel in 't eerst, slechts verbazing en -onderzoek. Behoedzaamheid was hun aangeboren; ze zetten hun pootjes -neer, alsof ze op eieren liepen, en ze besnuffelden elken struik, -eer ze er achter gingen. En de oude moeder nam hun listigheid met -voldoening waar, terwijl haar eigen neus en ooren wacht hielden voor -gevaar in de verte. - -Het uitgangetje was veel te kort; er scheen iets in de lucht stroomaf -niet in orde te zijn. Plotseling rees ze uit haar liggende houding -overeind, en de jongen, alsof 't hun bevolen was, tuimelden in -het hol terug. In een oogwenk was zij ze nageglipt en de oever lag -verlaten. Het duurde een volle tien minuten, eer mijn ongeoefende -ooren zwakke geluiden opvingen, die niet bij het bosch hoorden en -stroomop kwamen; en nog langer, eer twee mannen met vischgarden -verschenen, langzaam op weg naar het meer boven. Ze gingen bijna -over het hol heen en verdwenen, geheel onbewust van dier of mensch, -die hen ergens anders wenschten en wien hun luidruchtig gaan door de -eenzaamheid hinderde. Maar de otters kwamen niet meer naar buiten, -ofschoon ik tot 't bijna donker was op de loer lag. - -Het duurde een week, eer ik ze terugzag en in dien tusschentijd was -er klaarblijkelijk flink les gegeven, want alle vrees voor de rivier -was verdwenen. Ze waggelden nog net als vroeger naar buiten, op 't -zelfde middaguur, en gingen regelrecht naar den oever. Daar ging de -moeder liggen, en de jongen, alsof ze pret hadden in 't spelletje, -klommen haar op den rug. Daarop gleed ze den stroom in en zwom langzaam -rond, terwijl de kleine Keeonekhs zich wanhopig aan haar vastklemden, -alsof er al eerder hummeltje-tummeltje met ze gespeeld was en dit -elk oogenblik herhaald kon worden. - -Ik begreep hun voorkomen van angstige verwachting een oogenblik later, -toen moeder otter bliksemsnel onder hen uitdook en ze zelf den weg in -het water liet zoeken. Ze begonnen wel heel natuurlijk te zwemmen, maar -de angst voor het nieuwe element zat er bij hen nog in. Zoodra de oude -ottermoeder verscheen, trokken ze jammerend op haar af; maar deze dook -nog eens en nog eens, of week langzaam en hield ze zoo zwemmend. Na een -poosje schenen ze moe te worden en den moed te verliezen. Haar oogen -zagen het gauwer dan de mijne en ze gleed tusschen hen in. De beide -jongen draaiden op hetzelfde oogenblik bij en vonden een rustplaatsje -op haar rug. Zoo bracht zij ze weer zorgvuldig aan land en binnen -een paar minuten rolden ze alle door de dorre bladen als jonge honden. - -Ik moet hier opbiechten, dat behalve de bewonderende verbazing van -een jongen bij 't bespieden van het wilde goedje, nog een belang me -naar den rivieroever bracht en me op den uitkijk hield voor Keeonekhs -gewoonten. Vader otter was een groote baas--reusachtig leek hij mij, -als ik aan mijn minkhuiden dacht--en soms, als zijn rijke vacht in -den zonneschijn glansde, dacht ik er over wat een prachtige muts die -zijn zou voor 's winters in de bosschen, of om in maanlichte nachten -mee sleetje te rijden. Vaker nog dacht ik aan al het heerlijks, -dat een jongen voor de vijfendertig gulden zou kunnen koopen, die -zijn vacht minstens in den vrijen handel zou opbrengen. Den eersten -Zaterdag nadat ik hem gezien had maakte ik een plank klaar, tienmaal -zoo groot als die, waar het vel van een mink op gespannen werd, -en rondde één eind van boven af, en spleet haar, en sneed een wig, -en maakte het geheel mooi glad en verstopte het--om er de huid van -den grooten otter op te spannen, als ik hem kreeg. - -Toen 't November werd en het bont op z'n mooist was, droeg ik een -halve-schepels-mand vol koppen en afval van de vischmarkt naar de -plaats en hoopte ze verleidelijk op den oever, boven een waterweggetje -op een eenzame plek aan de rivier. Onder aan dat weggetje, waar het -uit het water kwam, zette ik een klem, mijn grootste met ronde tanden, -voor stinkdieren [8] en marmotten [9]. Maar de visch verrotte, evenals -een tweede mandvol op een andere plaats. Wat er van werd gegeten was -het deel van de kraaien en den mink. Keeonekh versmaadde het. - -Toen zette ik de klem in een plas, om er den geur aan te ontnemen, -op een wildpad tusschen wat moeras-elzen, bij een bocht van de -rivier, waar nooit iemand kwam en waar ik Keeonekh geprent had. Den -volgenden avond liep hij er op. Maar de klem, die vast genoeg greep -voor marmotten, was een peulschilletje voor Keeonekh's kracht. Hij -wrong er zijn poot uit en liet niets dan een paar glimmende haren -voor mij over--dat was al wat ik ooit van hem ving. - -Jaren later, toen ik de val van den ouden Noel op Keeonekh's dwarspad -vond, vroeg ik Simmo waarom er geen aas gebruikt was. - -"Dat toch niks geven," zei hij, "Keeonekh houden van versche visch, en -vangen zelf al wat hij noodig." En dat is waar. Behalve in tijden van -hongersnood, als zelfs het allerdiepste water bevroren is, of wanneer -de visschen doodgaan aan een van hun geheimzinnige epidemieën, trekt -Keeonekh zijn neus op voor elk soort van aas. Als ge wat bevergeil in -een gespleten stok hebt gedaan, zal hij van zijn weg afwijken, evenals -alle pelsdragers, om te onderzoeken wat dat voor vreemde geur is. Maar -wanneer ge hem met aas wilt lokken, moet ge een visch zoo in 't water -vastmaken, dat hij levend lijkt als de stroom hem heen en weer beweegt; -anders zal Keeonekh het nooit de moeite waard achten hem te vangen. - -Het hol in den rivieroever werd nooit verstoord en het volgende -jaar werd er weer een nestvol grootgebracht. Met merkwaardige -geslepenheid--een geslepenheid, die hoe langer hoe scherper wordt -in de buurt van de bewoonde wereld--vulde de ottermoeder den ingang -over land tusschen de wortels met aarde en driftgoed en ze gebruikte -alleen den toegang onder water, tot het weer tijd voor de jongen was -om de wereld in te gaan. - -Van alle dieren der wildernis is Keeonekh het rijkstbegaafd, en -zijn gewoonten, als we ze maar konden leeren kennen, zouden een -allermerkwaardigst hoofdstuk vormen. Elke tocht, dien hij maakt, te -land zoowel als te water, is vol onbekende trekjes en eigenaardigheden; -maar ongelukkigerwijze ziet niemand ooit hoe hij te werk gaat en de -meeste van zijn gewoonten moeten nog nagevorscht worden. Ge ziet een -kop, die snel op den overkant van een meer in de wildernis aanhoudt, -of die op de rivier een kano tegemoet komt; en dan, als ge gretig -volgt, een wieling--en verdwenen is hij. Wanneer hij weer bovenkomt, -zal hij u zooveel scherper bespieden dan gij het hem met mogelijkheid -kunt doen, dat ge weinig van hem gewaarwordt, tenzij hoe schuw hij -is. Zelfs de "trappers", die er hun bedrijf van maken hem te vangen en -met wie ik dikwijls gepraat heb, weten zoo goed als niets van Keeonekh, -behalve waar ze hun vallen voor hem moeten opstellen bij zijn leven, -en hoe ze zijn huid moeten behandelen als hij dood is. - -Eens zag ik hem op een eigenaardige manier visschen. Het was winter, -op een rivier in de wildernis, die in den Dungarvon uitloopt. Er -was droge sneeuw gevallen (en alle bosschen lagen er nu nog diep en -poeierig in), te licht om te plakken of te korsten. Bij elken stap -moest ik een schepvol van dat goed op de punt van mijn sneeuwschoenen -opbeuren en ik was uitgeput door 't achtervolgen van wat rendieren, -die rondzwierven als plevieren in den regen. - -Vlak onder me was een diep open water, door dubbele ijsboorden -omgeven. In den vroegen winter, toen de rivier hooger was, had er -zich dik wit ijs op het water gevormd, overal waar de stroom niet te -snel ging om te bevriezen. Toen was 't water gevallen en een boord van -nieuw zwart ijs had zich aan de oppervlakte gevormd, een centimeter of -veertig, of meer onder het eerste ijs, waarvan nog wat aan de oevers -hechtte, op een paar plaatsen een voet of twee, drie naar voren stak -en met het laagste ijs donkere holen vormde. Beide lagen helden naar -het water, zoodat ze een rechte glooiing vormden rondom de randen -van de open plekken. - -Een zilveren bellenbaan, die over het zwarte water aan mijn voeten -schoot, wekte me uit een dommelige moeheid. Daar was ze weer, een -rimpelgolf over het water, die een oogenblik later in wel honderd -blazen naar de oppervlakte steeg, als klokjes tinkelend wanneer ze -in de ijle lucht braken. Twee of drie keer zag ik dat met groeiende -verbazing. Toen bewoog er zich iets onder de ijslaag aan den overkant -van de kolk. Een otter glipte 't water in. Weer schoot de rimpelgolf -er over; de bellen braken aan de oppervlakte, en ik wist dat hij -beneden me onder het witte ijs zat, op geen twintig voet afstands. - -Een heele otterfamilie, een stuk of drie, vier, waren daar aan mijn -voeten in de grootste argeloosheid aan 't visschen. Die ontdekking deed -mijn adem stokken. Elk oogenblik schoten de bellen naar de overzijde, -van mijn kant uit, en als 'k scherp toekeek, zag ik Keeonekh op de -onderste laag aan den overkant uit 't water glippen en daar in de -duisternis neergehurkt, met zijn rug tegen het ijs boven zich gekromd, -zijn vangst oppeuzelen. De visschen die ze vingen, waren alle klein -klaarblijkelijk, want na een paar minuten liet hij zich plat op -'t ijs vallen, gleed de helling af het water in, zonder geplas of -beroering teweeg te brengen, wanneer hij er inviel, en de bellenbaan -schoot weer naar mijn kant over 't water. - -Meer dan een uur sloeg ik ze ademloos gade en verbaasde me over hun -handigheid. Een vischje is een rappe prooi om te achtervolgen en in -zijn eigen element te vangen. Maar telkens als Keeonekh gleed, lukte -het hem. Soms schoot de waterrimpel het heele vlak over, en braken -de bellen in een wilde warreling, als de visch sprong en kriskras -keerde en wendde daar beneden, met den otter achter zich aan. Maar -het eindigde altijd op dezelfde manier. Keeonekh gleed voor den dag -op de ijslaag, kromde zijn rug en begon te eten, nog bijna eer de -laatste waterbel achter hem had getinkeld. - -Eigenaardig genoeg, de wet van de zalmvisschers gold hier in de -wildernis: nooit twee tegelijk in 't zelfde water. Ik zag een otter -klaar liggen op 't ijs, die klaarblijkelijk wachtte tot de jacht -afgeloopen was. Dan, als er een andere otter naast hem met zijn visch -te voorschijn gleed, glipte hij er op zijn beurt bliksemsnel in. Een -poos lang was het levendig in de kolk, hadden de bellen geen rust. Toen -werden de duikpartijen hoe langer hoe zeldzamer en verdwenen de otters -alle in de ijsholen. - -Wat er van hen werd kon ik niet uitmaken en ik was te verkleumd -om langer toe te kijken. Stroomop en stroomaf was de rivier over -een afstand bevroren; dan was er nog meer open water en meer -vischgelegenheid. - -Of ze langs den oever gingen onder dekking van het ijs naar andere -open plaatsen, of gewoon sliepen waar ze waren tot ze weer honger -hadden, ben ik nooit te weten gekomen. Dat is zeker, ze hadden hun -verblijf gekozen op een ideaal plekje en zouden er niet vrijwillig -vandaan gaan. De open plaatsen leverden prachtig vischwater op en de -bovenste ijslaag beschermde ze volmaakt tegen alle vijanden. - -Eens, een week later, liet ik de rendieren wat ze waren en kwam -naar de plek terug om een poosje toe te kijken; maar de plaats was -verlaten. Het zwarte water gorgelde en fronselde over het diep en -glipte geluidloos onder de onderste ijslaag, niet gebroken door -zilveren bellenbanen. De ijsholen waren volkomen donker en stil. De -mink had de vischkoppen gestolen en er vertoonde zich nergens een -spoor in de sneeuw om te verraden dat het Keeonekhs eetzaal was. - -De zwemkunst van een otter, die daar zoo duidelijk bleek in 't open -winterwater, is een van de merkwaardigste dingen in de natuur. Alle -andere dieren, vogels ook, en zelfs de best gevormde moderne booten, -laten min of meer zog na, als ze zich door 't water bewegen. Maar -Keeonekh laat net zoo min een spoor na als een visch. Dit komt -gedeeltelijk, doordat hij zijn lichaam goed onderhoudt met zwemmen, -gedeeltelijk door den sterken, diepen, gelijkmatigen slag, die hem -voortstuwt. Soms heb ik me afgevraagd, of de buitenste haren van -zijn vacht--de waterdichte bedekking, die zijn bont droog houdt, -het doet er niet toe hoe lang hij zwemt--niet beter ingevet zijn dan -bij andere dieren, wat het ontbreken van een waterrimpel zou kunnen -verklaren. Ik heb hem plotseling onder zien duiken, zonder eenige breuk -in de watervlakte om te verraden waar hij was. Ook als hij glijdt, -neerschiet van een twintig voet hoogen kleioever, komt hij 't water -in met zoo heelemaal geen leven of stoornis, dat het verwonderlijk is. - -Bij 't zwemmen aan de oppervlakte schijnt hij alle vier pooten te -gebruiken, zooals andere dieren. Maar onder water, als hij op visch -jaagt, gebruikt hij alleen de voorpooten. De achterpooten steken dan -recht naar achteren en worden mèt den zwaren staart als een groot roer -gebruikt. Door middel hiervan zwenkt en wendt hij zich bliksemsnel, -volgt hij met zekerheid het vlugge wegschieten van verschrikte forellen -en wint hij 't van haar, louter door spoed en rapheid. - -Wanneer hij in diep water vischt, jaagt hij altijd van het middelpunt -uit naar buiten, zoodat hij de visch naar den oever drijft, zelf binnen -in hun kringen blijft en dientengevolge 't heel groote voordeel heeft -van het kortste eind, wanneer hij zijn prooi den pas afsnijdt. De -visschen worden gegrepen, als ze tegen den oever wegkruipen om -bescherming, of langs hem heen trachten te ontkomen. Groote visschen -grijpt hij herhaaldelijk van achteren, als ze in hun loerholen liggen -te rusten. Zoo snel en geruischloos is zijn nadering, dat ze gepakt -worden eer ze zich van gevaar bewust zijn. - -Deze zwemkunst van Keeonekh is des te verbazingwekkender, wanneer -men bedenkt, dat hij duidelijk als landdier te onderscheiden is, met -niets van de bijzondere gaven van den zeehond, zijn eenigen mededinger -als visscher. De natuur bedoelde stellig, dat hij aan den kost zou -komen, zooals de andere leden van zijn groote familie dat doen, door -te jagen in de bosschen, en schonk hem daarnaar zijn gaven. Hij is -een kranig hardlooper, een goed klimmer, een geduldig, onvermoeid -jager en zijn reuk is uiterst scherp. Met een beetje oefening zou -hij weer door jagen in zijn onderhoud kunnen voorzien, zooals zijn -voorouders deden. Als eekhoorns en ratten en konijnen in 't eerst te -vlug mochten wezen, zijn er muskusratten in overvloed om te vangen, -en hij hoeft niet voor een hertje of een lam te staan, want hij is -geweldig sterk en wat zijn kaken eenmaal vasthebben laten ze niet los. - -In strenge winters, als de visch schaarsch is, of zijn diepe water -bevroren, trekt hij brutaal naar de bosschen en toont zich een meester -in 't jagersbedrijf. Maar hij houdt van visch en hij houdt van water -en hij is nu al vele geslachten door visscher geweest, met veel van -de rustige, aantrekkelijke eigenaardigheden, die den visschers in -'t algemeen eigen zijn. - -Er is éen ding dat ons dadelijk voor Keeonekh doet voelen--hij is zoo -geheel verschillend van, zoo ver verheven boven alle andere leden van -zijn stam. Hij is heel zachtzinnig van nature, zonder een spoor van de -wreedheid die de zwarte kat, of van de bloeddorstigheid die de wezel -kenmerkt. Hij is makkelijk te temmen, en er is het handelbaarste en -aanhankelijkste huisdier van hem te maken van 't heele boschvolkje. Hij -doodt nooit om te dooden alleen, maar leeft in vrede, voor zoover -dat kan, met alle schepselen. En hij laat het visschen, als hij zijn -middagmaal gevangen heeft. Hij is ook heel netjes in zijn gewoonten, -heeft niets wat denken doet aan de leelijke luchtjes die den mink -aankleven en de heele omgeving van een stinkdier verpesten. We -moeten ons wel afvragen of dat uit-visschen-gaan alleen dit wonder in -Keeonekh's geaardheid misschien niet gewrocht heeft. Als dit zoo is, -dan is 't jammer dat zijn heele stam niet visscher wordt. - -Zijn eenige vijand onder het boschvolkje, voor zoover ik heb nagegaan, -is de bever. Daar de laatste ook een vreedzaam dier is, valt het -moeilijk een oorzaak voor die vijandschap op te geven. Ik heb hooren -zeggen, of ergens gelezen, dat Keeonekh veel van jonge bevers houdt -en er af en toe jacht op maakt om een afwisseling in zijn vischdiëet -te brengen; maar ik heb in de wildernis nooit eenig feit gevonden om -dit te bewijzen. Ik geloof in plaats daarvan, dat het eenvoudig de -dam en het meer van den bever zijn, die de moeilijkheid veroorzaken. - -Als de dam gebouwd is, graven de bevers dikwijls een gracht om de -uiteinden, ten einde het overtollige water af te voeren en het werk -hunner handen op die wijze er tegen te beveiligen, dat het bij hoog -water weggespoeld wordt. En dan, de bevers bewaken hun beschutting -naijverig, jagen elken boschbewoner, die hun dam over durft steken of -hun meren binnen dringen, weg, vooral de muskusrat, die graag holen -graaft en ze eindeloos veel last geeft. Maar Keeonekh, vertrouwend -op zijn kracht, gaat rechtaan-rechtuit door het meer, bemoeit zich -slechts met zijn eigen zaken en snapt zelfs een paar visschen in de -diepe plaatsen bij den dam. Hij vindt stroomend water ook heerlijk, -vooral 's winters als meren en rivieren meerendeels bevroren zijn, -en op zijn tochten maakt hij gebruik van de open grachten, die het -werk van den bever beschermen. Maar zoodra de bevers daar geplas -hooren of beroering in het diepe merken, waar Keeonekh op visch jaagt, -komen ze woedend beneden. En er is gewoonlijk een wanhopig gevecht, -eer het zaakje in orde is. - -Eens zag ik aan een meertje een hevig gevecht gaande, middenin, en ik -pagaaide haastig om eens te zien wat er was. Twee bevers en een groote -otter hielden elkaar in een doodelijke worsteling omklemd, doken, -plonsden, gooiden zich op uit het water en hapten naar elkaars keel. - -Toen mijn kano stil lag, greep de otter een van zijn tegenstanders en -dook met hem onder. Er was een poosje een vreeselijke opstand onder -den waterspiegel. Toen 't uit was, duikelde de bever dood voor den -dag en schoot Keeonekh onder den tweeden bever op om zijn aanval te -herhalen. Onmiddellijk grepen ze elkander beet, maar de tweede bever, -een reusachtige baas, weigerde onder te duiken, waar hij in zijn nadeel -zou zijn geweest. In mijn ijver liet ik de kano bijna boven op ze -drijven en deed ze wild uit elkaar stuiven voor het gemeenschappelijke -gevaar. De otter vervolgde zijn weg het meer op; de bever wendde zich -naar den oever, waar ik voor het eerst een paar beverhutten opmerkte. - -In dit geval was er geen sprake van indringerigheid, wat Keeonekh -betreft. Hij was waarschijnlijk aangevallen, toen hij vreedzaam zijns -weegs ging door het meer. Het is echter heel goed mogelijk, dat er -een oude grief bestond van den kant van de bevers, die ze zochten te -vereffenen toen ze Keeonekh in het meer snapten. Als bevers hun hutten -aan den oever van een meer bouwen, zonder dat 't noodig is om een dam -te maken, graven ze gewoonlijk een tunnel schuin van den bodem van het -meer naar hun hol of hut op den oever. Nu vischt Keeonekh 's winters -vaker onder het ijs, dan gewoonlijk aangenomen wordt. Daar hij na elke -jacht moet ademhalen, is het noodig dat hij alle luchtgaten en holen op -'t heele meer kent. Het doet er niet toe, hoe hij ook keert en wendt op -jacht achter een forel, hij verliest nooit zijn oriënteeringsvermogen, -vergeet nooit waar de plaatsen om uit te blazen zijn. Wanneer hij zijn -visch gepakt heeft, neemt hij den kortsten weg onder het ijs naar de -naaste plek waar hij adem kan scheppen en eten. Soms brengt hem dit -buiten adem in den tunnel van den bever te land; en de bever moet -zich boven in zijn eigen huis van woede zitten verknijpen, terwijl -Keeonekh visch eet in zijn gang, want voor beiden tegelijk is er -geen plaats in den tunnel en een gevecht daar of onder het ijs is -buitengesloten. Daar de bever slechts bast eet--de witte binnenste -laag van peppelbast is zijn voornaamste lekkernij--kan hij dezen -barbaar, die rauwe visch eet en graten en vinnen, en den geur van -slijm in zijn gang achterlaat, niet begrijpen en niet uitstaan. De -bever is voorbeeldig in zijn netheid, heeft een afkeer van al wat -stinkt en vuil is; en dit geeft misschien gedeeltelijk een verklaring -voor zijn vijandigheid en zijn kwaadaardige aanvallen op Keeonekh, -als hij hem op een geschikte plaats te pakken krijgt. - -Niet de minst merkwaardige van Keeonekhs eigenaardigheden is zijn -gewoonte om van een heuvel af te glijden; dat legt een band van -sympathie tusschen hem en wie hem kennen, en brengt hem dicht bij de -herinneringen uit hun jongenstijd. - -Ik herinner me hoe een paar otters, die ik het grootste deel -van een zonnigen middag bespiedde, met een pret zonder einde een -kleiigen oever afgleden. De baan was klaarblijkelijk met veel zorg -aangelegd aan den steilen kant van een kleine kaap, die in de rivier -vooruitsprong. Ze was heel steil, ongeveer twintig voet hoog en was -prachtig glad geworden door veel naar beneden glijden en glibberen. Een -otter verscheen boven op den oever, gooide zich op zijn buik vooruit, -schoot bliksemsnel naar beneden, dook diep onder water en kwam dan weer -op eenigen afstand van den voet der baan te voorschijn. En dat alles -onder een merkwaardige stilte, alsof de bosschen zelf ooren hadden -en luisterden om de schuwe dieren bij hun pret te betrappen. Want -het was een echte, onschuldige pret, een pret waar fut in zat, en -van een opwinding waar geen eind aankwam, vooral wanneer de een den -ander trachtte te krijgen en 't water inschoot hem vlak op de hielen. - -Deze glijbaan was in uitstekenden staat en de otters waakten er voor -haar niet ruw te maken. Ze krabbelden er nooit over naar boven, maar -gingen den hoek om en klommen tegen den anderen kant op; of anders -klauterden ze evenwijdig met de baan omhoog, een eindje verder, waar -de bestijging makkelijker was en geen gevaar bestond van steenen of -takken op het glijvlak te storten, die de gladheid zouden bederven. - -'s Winters op sneeuw gaat 't glijden nog beter dan op klei. Daarenboven -wordt die gauw hard en glazig, doordat het water bevriest, dat 't -lichaam van den otter achterlaat, en na een paar dagen is de baan -spiegelglad. Dan gaat het glijden volmaakt en iedere otter, oud of -jong, heeft zijn geliefkoosde glijbaan en brengt een deel van elken -heerlijken dag door met van die pret te genieten. - -Als Keeonekh door de bosschen trekt in de dikke sneeuw, maakt hij -gebruik van zijn glijkunst om hem voort te helpen, vooral wanneer 't -de helling afgaat. Hij loopt een eindje hard en gooit zich vooruit -op zijn buik, terwijl hij verscheiden voet door de sneeuw glijdt, -eer hij weer hard loopt. Deze manier van zich voort te bewegen is -een onophoudelijk baantje-glijden, dat veel heeft van de manier, -waarop een mensch zich voorthaast met gladdigheid. - -Ik heb over de zilveren bellen gesproken, die het eerst mijn aandacht -vestigden op de visschende otters, op zekeren dag in de wildernis. Van -de enkele zeldzame gelegenheden, die ik gehad heb, om ze te bespieden, -komt het mij voor, dat die bellen alleen te zien zijn, nadat Keeonekh -snel den stroom is ingeschoten. De lucht hecht zich aan de buitenste -ruige haren van zijn vacht en wordt er afgeveegd, als hij door het -water schiet. Wie hem zoo gadeslaat, als hij de lange glijbaan afsuist -halsoverkop het zwarte winterwater in, met een keten van zilveren -bellen, die boven hem breken en tinkelen, beseft allicht iets van -de verandering in het hart van den jager door de aanraking met de -natuur, die ons allen tot verwanten maakt. Na zooiets vermijdt hij -'t vallen zetten--tenminste ge zult zijn stalen klem niet meer onder -aan Keeonekhs glijbaan aantreffen, om de vreugde van het schuwe dier -in een treurspel te veranderen--en hij wenscht zijn medevisscher -hartelijk een goede vangst toe, hetzij hij hem ontmoet op de meren -in de wildernis of in de rustige plaatsen aan de rivieren thuis, -waar nooit iemand komt. - - - - - - - - -KOSKOMENOS, DE VERSTOOTELING. - - -Koskomenos, de ijsvogel [10], is eenigszins een verstooteling -onder de vogels. Ik denk dat ze hem half en half als een kruipend -dier beschouwen, dat nog niet hoog genoeg voor een vogel gestegen -is om erkenning te verdienen. Ze laten hem dus met opzet aan zijn -lot over. Zelfs de zwartkophavik [11] aarzelt eer hij op hem stoot, -omdat hij niet recht weet of dat opzichtige beest ook gevaarlijk is, -of alleen maar geheimzinnig. Ik zag eens een grooten havik als een -bliksemflits neerstorten op een ijsvogel, die op trillende wieken -zachtjes ratelend voor zijn hol in den oever hing. Maar de roover -raakte van de wijs, op 't oogenblik dat hij zijn klauwen had moeten -uitslaan om toe te grijpen. Hij zwenkte op zij en schoot in een -lange, schuine lijn naar een dooden spar, waar hij aandachtig zat te -kijken, tot de donkere bek van een broedenden ijsvogel uit het gat -reikte om den visch in ontvangst te nemen, dien het mannetje gebracht -had. Daarop zwierde Koskomenos naar zijn uitkijktoren boven 't water, -waar de voorntjes huisden en nam de havik zijn vlucht naar de plaats, -waar het water uit het meer stroomde en een broedsel jonge zaagbekken -hun eerste onderricht in 't open water kregen. - -Geen wonder dat de vogels Koskomenos met een schuin oogje -aankijken. Zijn kop is belachelijk groot, zijn pooten zijn belachelijk -klein. In de lucht is hij een gedicht van sierlijkheid; maar hij -kruipt als een hagedis, of waggelt zóo, dat een eend zich over -hem zou schamen, bij de zeldzame gelegenheden, dat hij zijn pooten -gebruikt. Zijn bek is zoo groot dat er een heele voorn in gaat; zijn -tong zoo klein dat hij geen stem heeft, maar niets dan een heesch -klr-r-r-r-ik-ik-ik, als de ratel van den nachtwacht. Hij bouwt geen -nest, maar maakt een soort van hol in den oever, waar hij den halven -dag allervuilst huishoudt; toch is hij het verdere gedeelte een helder, -mooi beestje, dat ook geen oogenblik aan de aarde doet denken, maar -in zijn feestelijken tooi slechts aan den blauwen hemel omhoog en het -van kleuren verzadigde water beneden. Water zal hem niet nat maken, -al duikt hij ook twintig keer onder de oppervlakte. Zijn geratel is -schor, lawaaierig, duivelachtig; maar zijn neerschieten in den stroom, -met zijn kleurschicht, zijn zilveren schuim en zijn getinkel van 't -opgezweepte water, is het welluidendste dat er in de wildernis bestaat. - -Als visscher heeft hij zijnsgelijke niet. Zijn visschig oog zonder -uitdrukking is toch het scherpste dat spiedend over het water gaat, -en zijn stooten maakt zelfs den vischarend te schande, zóo zeker en -bliksemsnel gebeurt het. - -Behalve al deze tegenstrijdigheden is hij eenzelvig, onbekend, -ongenaakbaar. Hij heeft geen jeugd, geen spel, geen vreugde dan eten; -hij sluit zich bij niemand aan, zelfs niet bij zijn eigen verwanten; en -als hij een visch vangt en diens kop tegen een tak slaat tot hij dood -is en met zijn eigen kop achterover zijn prooi zit door te slikken, -met een ratelend geklok diep onder in zijn keel, maakt hij denzelfden -indruk als een papegaai, die fluisterend allergemeenst zit te vloeken, -terwijl hij zijn kop krabt, en op wien ge graag met een steen zoudt -mikken, als de eigenaar maar eens eventjes zijn hielen gelicht had. - -Het is het onbekende, deze geheimzinnige mengeling van vogel en -kruipend dier, die den ijsvogel tot een voorwerp van bijgeloof bij alle -wilde volken heeft gemaakt. De legenden omtrent hem zijn legio; zijn -gekuifde kop wordt door de wilden boven alle andere als toovermiddel -of fetisj op prijs gesteld, en zelfs bij beschaafde volken kan men -zijn gedroogde lichaam nog soms aan een stok zien hangen, in de hoop -dat zijn snavel de richting uitwijst, waar de wind vandaan zal komen. - -Maar Koskomenos heeft nog een anderen kant, ofschoon de wereld er -tot nog toe maar weinig van bespeurd heeft. Eens in de wildernis heb -ik hem, geheel zonder dat ik het wilde, toegejuicht. Het was laat -op den middag; het visschen was gedaan en ik zat bij een grazige -landtong in mijn kano te kijken wat er vervolgens zou gebeuren. Aan -den overkant van de rivier was een kleioever, waar een paar ijsvogels -heel bovenaan hun lange gang gegraven hadden. "Er is daar niets -voor hen om op te staan; hoe zijn ze dat hol begonnen," soesde ik, -"en hoe kunnen ze ooit jongen grootbrengen met de deur zoo maar open, -dat mink en wezel binnen kunnen komen?" Dat waren weer twee nieuwe -vraagstukken om bij de vele onopgeloste te voegen, die zich bij elke -wending van de boschpaadjes voor ons opdoen. - -Een beweging onder den oever maakte een eind aan mijn vragen, en de -lange, lenige gedaante van een jagenden mink schoot snel tegen den -stroom in. Onder het hol hield hij op, richtte zich met zijn voorpooten -tegen den oever op, terwijl hij zijn kop links en rechts keerde en -zenuwachtig snuffelde. "Wat lekkers daarboven," dacht hij en begon te -klimmen. Maar de oever was steil en week; hij slipte herhaaldelijk -terug zonder een paar voet hooger te komen. Toen ging hij stroomaf, -naar een punt waar wat wortels hem een houvast gaven, en snelde luchtig -naar boven, tot onder den donkeren, overhangenden rand, waarvan de -wortels in de schaduw over den kleiigen oever staken. Daar sloop hij -behoedzaam voort, tot zijn neus het nest ontdekte, en toen gleed hij -naar beneden, tot zijn voorpooten op den drempel rustten. Een lang, -hongerig opsnuiven van de ranzige, visschige lucht, die uit het hol van -een ijsvogel stroomt, een scherpen blik om zich heen om zeker te zijn -dat de oude vogels niet terugkwamen, en hij verdween als een schim. - -"Dat is een broedsel ijsvogels minder," dacht ik, met mijn kijker op -het gat gericht. Maar nauwelijks was die gedachte ontstaan, of een -hevig rommelend geratel klonk in den oever. De mink schoot er uit met -een rooden streep duidelijk over zijn bruine snuit zichtbaar. Achter -hem aan kwam een ijsvogel, die een stroom van scheldwoorden uitratelde -en hem voorthielp door kwaadaardige steken naar zijn achterlijf. Dien -keer had hij zich misrekend; de oude vogelmoeder had hem thuis zitten -afwachten en met haar krachtigen snavel naar zijn booze oog gehakt, -zoodra het van binnen uit den tunnel verscheen. Dat ontnam Cheokhes den -lust naar jonge ijsvogels heelendal. Hij stortte zich halsoverkop den -oever af, terwijl de vogel achter hem aanschoot, telkens stootend en -met een ratelend noodsignaal, dat onmiddellijk nog een ijsvogel voor -den dag riep. De mink dook, maar het was nutteloos om op die manier -een poging tot ontvluchting te wagen; de scherpe oogen omhoog volgden -zijn vlucht geheel. Toen hij twintig voet verder aan de oppervlakte -verscheen, waren beide vogels boven hem en vielen hem als lood op -den kop. Zoo dreven ze hem stroomaf uit het gezicht. - -Jaren later loste ik het tweede vraagstuk, dat het hol van den ijsvogel -had doen ontstaan, op, toen ik het geluk had eens te zien hoe een -paar hun tunnel begon. Ieder, die ooit de vogels heeft gadegeslagen, -heeft ongetwijfeld hun merkwaardige bedrevenheid opgemerkt, om in volle -vaart plotseling op te houden en midden in de lucht te blijven hangen -voor een onbepaalden tijd, terwijl zij de bewegingen bespieden van een -voorn onder zich. Ze maken van deze bedrevenheid gebruik, als ze met -hun nest beginnen in een oever, zoo steil dat hij geen steunpunt biedt. - -Toen ik het bewuste paar gadesloeg, zweefde eerst de eene, dan -de andere vogel voor het gekozen punt, zooals een kolibri zich een -oogenblik voor den ingang van een trompetbloem [12] in evenwicht houdt, -om er zeker van te zijn, dat niemand op hem let, eer hij binnengaat, -boorde daarna zijn snavel met snelle slagen in den oever, waardoor -er een voortdurende kleiregen in de rivier daalde. Als hij moe was, -ging hij op een uitkijktak zitten rusten, terwijl zijn wijfje als -stormram optrad en 't werk gaande hield. In een merkwaardig korten -tijd hadden ze een steunpunt voor hun pootjes en gingen zich toen -verder ingraven, tot ze aan 't oog waren onttrokken. - -De gang van den ijsvogel is zoo nauw, dat hij er zich niet in -kan omkeeren. Zijn rechte, sterke snavel werkt de aarde los; zijn -kleine pootjes gooien die achter zich naar buiten. Ik zag dan een -stortregen van modder en mogelijk heel even Koskomenos' staart; -daarna een poosje wachten--en weer een stortregen. Dat duurde zoo, -tot de tunnel misschien twee voet diep geboord was; toen maakten ze -stellig een scherpe bocht, zooals hun gewoonte is. Daarna brachten ze -de meeste aarde er in den bek uit. Als de eene werkte, was de ander -aan 't rondspieden en visschen op de diepe plek waar de voorn zat, -zoodat het voortdurend vorderde, zoolang ik ze waarnam. - -Jaren lang had ik Koskomenos beschouwd, zooals de vogels en de rest -van de wereld hem beschouwen: als een luidruchtig, half-duivelsch -wezen, tusschen vogel en hagedis in, waar men met achterdocht -aan voorbij moet gaan. Maar dat geval met den mink wijzigde mijn -opvatting eenigszins. Het mocht dan zijn, dat Koskomenos' wijfje -haar eieren legde als een kruipend dier, maar ze kon ze verdedigen -als elke heldhaftige vogel. Ik ging dus nauwkeuriger opletten, wat -de eenige manier is om iets te leeren kennen. - -Het eerste wat me van de vogels trof--een waarneming, die later aan -heel wat wateren bevestigd werd--was, dat elk paar ijsvogels zijn -eigen watergebied heeft, waar het een onbetwiste heerschappij over -voert. Er kunnen wel twaalf paar vogels op een enkele rivier zijn, -maar, voor zoover ik in staat ben geweest waar te nemen, elk gezin -heeft een bepaald watervak, waar 't geen andere ijsvogels geoorloofd -is te visschen. Ze mogen vrij er over vliegen, stroomop en stroomaf, -maar ze houden nooit stil bij de plaatsen waar voorn zit; of, als -ze betrapt worden dat ze er in de buurt loeren, dan worden ze netjes -door de rechtmatige eigenaars verdreven. - -Hetzelfde geldt ook aan de meeroevers. Of er een geheime overeenkomst -en verdeeling onder hen bestaat, of dat (wat waarschijnlijker is) -hun recht geldt krachtens ontdekking of eerste aankomst, daar is -onmogelijk achter te komen. - -Daarom is het iets eigenaardigs, dat, terwijl een ijsvogel niemand -van zijn soort toe zal staan op zijn gebied te stroopen, hij in vrede -leeft met het zaagbekkengezin, dat hetzelfde riviervak bewoont. En -de zaagbek eet een dozijn visschen tegen hij éen. Hetzelfde valt -ook bij de zaagbekken op te merken, en wel, dat elk paar, of liever -elke moeder met haar broedsel, hun eigen stuk van meer of rivier -hebben, waar geen andere mogen visschen. Ondertusschen zijn de -mannetjes-zaagbekken ver weg aan 't visschen in hun eigen vischwater. - -Ik had deze quaestie van 't verdeelen der forellenwateren nog -niet half opgelost, toen 'k alweer een waarneming deed, volkomen -onverwacht. Koskomenos, al schijnt hij dan half en half een kruipend -dier, erkent niet alleen oeverrechten, maar is ook tot vriendschap -in staat--en dat nog wel voor een brompot, die in de wildernis -rondzwerft en om wien niemand anders zich iets bekommert. Hier is -'t bewijs. Ik was er alleen in mijn kano op uit om het nest van een -duiker te vinden, op een dag midden in den zomer, toen de versche -prent van een mannetjes-rendier me naar den oever lokte. Het spoor -leidde recht van het water uit naar een breeden rand van elzen, -waarachter ik op de heuvelhelling misschien het groote monster kon -vinden, bezig zijn tijd te verbeuzelen tot het avond zou worden, -en hem bespieden om te zien wat hij met zichzelf zou uitvoeren. - -Toen ik naar den oever wendde, liet een ijsvogel zijn ratel hooren -en kwam over de monding van de baai schieten, waar Hukweem de duiker -haar twee eieren verstopt had. Ik keek naar hem, bewonderde het -deinend zwieren van zijn vlucht, alsof een briesje even over een -slapend meer schoot, en naar het helder blauw van zijn kuif tegen het -diepere blauw van den zomerhemel. Onder hem schoot zijn spiegelbeeld in -kabbelingen voort, alsof een prachtige visch door het kristalheldere -water joeg. Tegenover mijn kano hield hij plotseling stil, bleef een -oogenblik zoo maar in de lucht hangen, om op de voorntjes te loeren, -die mijn pagaai in beroering gebracht had, en viel met den snavel -vooruit--plats! met een zilverachtig getinkel in 't geluid, alsof -verscholen klokjes daarbeneden tusschen de groene waterplanten door -dezen geest van de lucht aan 't luiden waren gebracht. Een regen van -schuim hield heel even den regenboog vast; de waterrimpels verzamelden -zich en begonnen te dansen boven de plek waar Koskomenos ondergedoken -was, tot ze ruw uiteengedreven werden, toen hij tusschen hen in weer -met zijn visch voor den dag kwam. Hij zwierde naar de boomstomp terug -vanwaar hij gekomen was, al kokkelend onderweg. Daar kwakte hij zijn -visch goed tegen 't hout, gooide zijn kop achterover, en door mijn -kijker zag ik den staart van een voorn langzaam den weg af kronkelen, -vanwaar voor hem geen terugkeer mogelijk is. Daarna volgde ik het -rendierspoor. - -Ik was de elzen bijna door, de richting van het beekje houdend -en geluidloos voortsluipend, toen ik achter me boven de elzen -den ijsvogel hoorde komen, die als bezeten ratelde: klrrr, klrrr, -klrrt-ik-ik-ik! Onmiddellijk klonk een zware sprong en hevig geplas -vlak boven me, en het haastig wegsnellen van een groot dier de helling -op. Boven me hing de ijsvogel, keek eerst omlaag naar mij en dan voor -zich uit naar het onbekende dier, tot het gekraak in een zwak geritsel -heel in de verte verstierf en hij naar zijn vischzetel terugzwierde, -onder een uitbundig geklak en gegichel. - -Ik drong behoedzaam voort en kwam weldra aan een mooi, diep water -onder een rots, waar de helling langzaam naar de elzen opliep. Uit de -tallooze sporen en het voorkomen van de plek, wist ik dadelijk dat -'k toevallig aan een badplaats van een beer was gekomen. Het water -was nog troebel en modderig; reusachtige indrukken leidden sopperig -en geheel afgebrokkeld in groote sprongen den heuvel op; het mos -was losgescheurd, het kreupelhout met glinsterende waterdroppels -bespat. "Je hoeft hier niet te twijfelen," dacht ik, "Mooween lag -hier in 't water te slapen en de ijsvogel maakte hem wakker.--Maar -waarom? En deed hij het met opzet?" - -Ik herinnerde me plotseling een aanteekening uit een oud -opschrijfboekje: "Sugarloaf Lake, 26 Juli.--Getracht van middag een -beer te besluipen. Bofte niet. Hij liep langs den oever te snuffelen en -ik had een prachtige kans; maar een ijsvogel maakte hem verschrikt." Ik -begon me af te vragen hoe 't geratel van een ijsvogel, een van de -gewoonste geluiden aan 't water in de wildernis, een beer verschrikt -kon maken, die met alle geluiden daar volkomen bekend is. Misschien -heeft Koskomenos een noodsein en gebruikt hij dat voor een vriend als -'t noodig is, evenals zeemeeuwen van hun weg afwijken om een koppel -slapende eenden te wekken, wanneer er gevaar nadert. - -Dit was een nieuwe trek, iets menschelijks in dezen onbekenden, -verdachten ratelaar van het vischwater. Ik besloot aandachtiger op -hem te letten. - -Ergens boven me, diep in de ruigte van de zomersche wildernis, stond -Mooween naar zijn spoor te loeren, oogen, ooren en neus op hun hoede -om uit te maken wat dat toch voor een wezen was, dat hem uit zijn -middagbad had opgeschrikt. Het zou onzinnig zijn nu te trachten hem -te verrassen; bovendien, ik had geenerlei wapen.--"Morgen om dezen -tijd zal ik terugkomen; kijk dan goed uit, Mooween," dacht ik, terwijl -'k de plek goed in me opnam en naar mijn kano sloop. - -Maar toen ik den volgenden dag naar de plek kwam gekropen langs -den hoogsten rand van de elzen, om geen gerucht te maken, was 't -diepe water helder en kalm, alsof er niets dan de forelletjes -die zich onder de schuimblazen verstopt hielden ooit den -vrede had verstoord. Koskomenos ratelde als gewoonlijk boven de -baai. Niettegenstaande mijn omzichtigheid had hij me de elzen zien -binnengaan, maar hij schonk niet de minste aandacht aan me. Hij ging -door met zijn visscherij, alsof hij heel best wist dat de beer zijn -badplaats verlaten had. - -Het duurde bijna een maand, eer ik weer aan het mooie meer -kampeerde. De zomer was voorbij. Al zijn warmte en meer dan zijn -geurige schoonheid waarden nog over bosch en rivier; maar de loomheid -was weg uit de atmosfeer en het wazige was er binnengeslopen. Hier en -daar lieten berken en eschdoorns hun schitterende najaarsbanieren -uitwaaien over het stille water. Er kwam iets tintelends in de -avondlucht; de adem van het meer lag zwaar en wit in de stilte van -de schemering; de dieren werden plotseling anders, toen ze het korte -tijdperk ingingen van spel en volop eten. - -Ik dreef in mijn kano over een kleine baai, waar 't vol riet stond, -(dezelfde baai waar de bijna vergeten ijsvogel me beetgenomen had -met dien beer, nadat hij een voorn opgegeten had, die mijn pagaai -er voor hem had uitgeschept), bezig kikkers voor mijn disch te -schieten met een klein geweer. Wat was het hier toch anders, peinsde -ik, dan in de bosschen bij huis. Daar was het wild al schichtig; -het knallen van een geweer joeg elk dier een schuilhoek in. Hier -werd er op 't afgaan van mijn kleine buks niet meer gelet, dan op -'t neerplonzen van een vischarend of 't kreunen van een beladen -iepetak. Een koppel vette houtsnippen lag zorgeloos ginder in dat -stukje elzenruigte, waar de grond doorboord was als een vergiettest, -na hun nachtelijk voedsel-zoeken. Boven op de verbrande heuvelhelling -zeiden de patrijzen: kwit, kwit! toen ik verscheen en sprongen naar -een boom en rekten hun halzen uit om te zien wat ik was. De zwarte -eenden doken weg in het riet. Ze waren nu volwassen en sterk van wiek, -maar aan hun vroegere gewoonte om zich te verstoppen was nog geen -einde gekomen door het schieten. Ze gleden door riet en biezen, en -doorkruisten de poeltjes en doken neer in de ruigte, tot de kano bijna -over hen heenvoer; dan schoten ze halsoverkop en met een verschrikt -haark-aark! de lucht in en maakten dat ze wegkwamen naar de rivier. De -mink was veranderd van bruin in zwart, en had het uithalen van nestjes -gestaakt om fatsoenlijk te gaan jagen, zonder dat klem of val hem af -konden schrikken; en waar 't water in 't meer stroomde, kon ik de -grazige koepels boven het brons en goud van 't moeras zien rijzen, -waar Musquash stevig en hoog, voor winterkou en voorjaarsvloeden, aan -'t bouwen was. Ja, het was goed daar te zijn en een korte wijl het -schuwe, wilde, maar zorgelooze leven van het boschvolkje mee te leven. - -Een groote stierkikker vertoonde zijn kop tusschen de waterleliebladen, -en mijn buks, die zich niet bekommerde om de vreugden van een zorgeloos -bestaan, rees langzaam naar haar plaats. Mijn oog loerde langs de -korrel, toen een plotselinge beweging in de elzen aan den oever -stroomop en achter zijn niets kwaads vermoedenden kop, Chigwooltz, -den kikker, nog een poosje spaarde voor zijn leliebladen en zijn -voornvisscherij. Op 't zelfde oogenblik kwam er een ijsvogel ratelend -voorbij en vloog naar zijn ouden uitkijktak boven 't diepe water van -de voorntjes. Weer zwaaiden de elzen, alsof er tegen geslagen werd; -een reusachtige beer kwam er uitsjokken, den oever op, met een knorrig: -woef! naar een takje, dat hem te hard tegen zijn oor gezwiept was. - -Ik liet me dieper in de kano glijden, tot alleen mijn hoofd en -schouder zichtbaar waren. Mooween liep langs den oever te snuffelen, -tot iets--een doode visch of een mosselbank--zijn eetlust wekte, -waarop hij stilstond en begon te eten, op een afstand van nog geen -tweehonderd meters. Ik reikte eerst naar mijn zware geweer, toen -naar mijn pagaai en "waaierde" de kano behoedzaam naar den oever, -tot een oude boomstomp op een vooruitstekende landtong mijn nadering -dekte. Toen schoot het bootje vooruit, alsof 't leefde. Maar ik -was nauwelijks op weg, of--klrrr! klrrr! ik-ik-ik! Boven mijn hoofd -zwierde Koskomenos met een wiekgeruisch en een noodkreet, die slechts -van haast en gevaar getuigden. Ik ving nog net iets van den beer op, -toen hij de elzen inschoot, alsof hij er met een katapult gegooid was; -de ijsvogel draaide in een grooten, ratelenden kring om de kano, -eer hij op de oude boomstomp ging zitten, met wippenden staart en -ratelend in de grootste opgewondenheid. - -Ik zwenkte geruischloos het meer in, waar ik de elzen kon bespieden. Ze -bleven tien minuten lang doodstil; maar Mooween stond daar, dat wist -ik, te snuffelen en te luisteren. Toen leek het, alsof een groote -slang zich door de boschjes kronkelde, zonder geluid te geven, maar -al gaande vertoonde ze een golvende lijn van trillende toppen. - -Een eindje stroomaf was er een hooger punt aan den oever met een -omgevallen boom, die uitzicht op het halve meer gaf. Ik had daar -een paar dagen te voren staan turen om de luchtpaden en lijnen te -bepalen, die zaagbekken in 't vliegen gebruiken, als ze boven het -meer op en neer vliegen; want vogels hebben vaste paden, net als -vossen. Mooween kende de plek klaarblijkelijk; de elzen toonden dat -hij er recht op aantrok, om uit te kijken over het meer en te zien waar -dat alarm voor noodig was. Hij had er tot nog toe geen denkbeeld van, -wat voor gevaar hem bedreigd had; ofschoon hij, als alle in 't wild -levende dieren, onmiddellijk gehoorzaamd had aan den eersten klank -van een noodsignaal. Er leeft geen dier in de bosschen, van Mooween -af tot Tookhees de boschmuis toe, of het heeft uit ervaring geleerd, -dat het, in gevallen als dit, goed is eerst naar een schuilplaats te -springen en daarna te onderzoeken. - -Ik pagaaide haastig naar de landtong, ging aan wal en kroop naar -een rots, vanwaar ik juist den gevallen boom kon zien. Mooween kwam -aan. "Nu is 't mijn beer," dacht ik, toen er zachtjes een takje -knapte. Daar kwam Koskomenos het bosch inzwieren, terwijl hij over -het kreupelhout aan den voet van den ouden boom, naar beneden zag en -ratelde--klrrr-ik, ruk in! klrrr-ik, ruk in! Er was een zwaar geruisch -van iets dat wegliep, zooals een beer altijd veroorzaakt, als hij -opgeschrikt wordt; Koskomenos zwierde naar zijn tronk terug; en ik -zocht den oever op, half en half geneigd om de kansen een volgend keer -dat ik jaagde, meer gelijk te maken door een bemoeierigen factor te -verwijderen. "Jou akelige, lawaaierige, ratelende bemoeial!" mompelde -ik, terwijl de korrel van mijn buks als 't ware vlak op den blauwen -rug van Koskomenos rustte, "dat is de derde keer dat je mijn schot -bedorven hebt, en je zult de kans niet weer hebben.... Maar wacht eens; -wie is hier de bemoeial?" - -Langzaam ontspande zich de gebogen vinger om den haan. Een duikereend -dreef de landtong voorbij, zich van geen gevaar bewust, met een -rimpelend spoor, dat een zilveren weerschijn sparkelen liet over -het diepe blauw van het meer. Hoog in de lucht wiekte een adelaar -op de bries gedragen in wijde kringen en keek neer op zijn eigen -uitgestrekt gebied, zonder er acht op te slaan dat er een mensch -was binnengedrongen. - -Dichterbij zat een roode eekhoorn zijn verbolgenheid uit te snateren -in een reusachtigen sparretronk. Stroomaf aan mijn linkerhand -verried een zwaar geplas en een wild, vrij gekwaak de plaats waar -de zwarte eenden neerstreken, zooals ze ongestoord geslachten lang -gedaan hadden. Achter me weerschalde een lang geroffel door de -bosschen--een jong patrijzenmannetje, door de warme zon verlokt -zijn lente-minnezang te "trommelen". Van de berghelling liet een -wijfjeseland een schrikaanjagend antwoord terugbolderen. Vlakbij, en -toch leek het mijlen ver weg, zat een aardeekhoorn slaperig te tsjunken -in den zonneschijn, terwijl een nest jonge boschmuizen om haar moeder -riepen in het gras aan mijn voeten. En elk natuurlijk geluid maakte -de wijde, wonderbaarlijke stilte van de wildernis des te dieper. - -"Welbeschouwd, wat heeft 't knallen van een geweer of de lucht van -kruit te midden van deze gezegende rust rondom hier te maken?" vroeg -ik een beetje treurig. Als tot antwoord liet de ijsvogel zich vallen -met zijn welluidend geklater en zwierde met zegevierend geratel naar -zijn uitkijktoren terug.--"Ratel en visch jij maar door. "De wildernis -zal zich nog verheugen" voor jou en Mooween, en het forellenwater -zou eenzaam zijn zonder je. Maar ik wou dat je wist, hoe je leven -een oogenblik geleden in de kromming van mijn vinger lag, en dat er -nog iemand anders dan de beer je kranige waarschuwing op prijs stelt." - -Toen ging ik naar de landtong terug om de prenten te meten, en te -schatten hoe groot de beer wel was, en om mezelf met de gedachte te -troosten dat ik hem vast en zeker gehad zou hebben, als er niet wat -tusschenbeide gekomen was--zooals alle jagers van Ezau af filosofeeren. - -Het was een paar dagen later, dat de kans zich voordeed om het -Koskomenos met kolen vuurs te vergelden. De oppervlakte van 't meer was -nog warm; stormen noch vorst hadden ze afgekoeld. De groote forellen -waren uit de diepe plaatsen opgestegen, maar waren nog niet levendig -genoeg om mijn vliegen aan te nemen; daarom was ik met een voorn naar -ze gaan hengelen, belust op forel. Ik had twee mooie visschen gevangen -en voer langzaam bij de monding van den inham, met Simmo aan de pagaai, -toen een verdachte beweging aan den oever mijn aandacht trok. Ik gaf -Simmo het snoer over om mijn kijker beter te kunnen hanteeren en zocht -scherp de elzen af, toen de Indiaan een kreet van verbazing uitte. "O, -sapperloot, kijk eens. Da's tweede keer ik vangen Koskomenos." En -daar, een twintig voet boven het meer, spartelde wild een jonge -ijsvogel--een van Koskomenos' ragebollige, wildoogige zonen--aan het -eind van mijn lijn. Hij had de voorn een honderd voet achter de boot -aan zien slepen en was er met meer honger dan overleg onmiddellijk op -neergeschoten. Toen Simmo den ruk voelde, maar niets achter zich zag, -had hij dadelijk opgehaald en de angel was vastgeslagen. - -Ik greep de lijn en begon zachtjes op te halen. De ijsvogel kwam -zeer tegen zijn zin onder een protest van voortdurend geratel, dat -al gauw Koskomenos en haar mannetje en twee of drie broertjes van den -gevangene in een wilden, luidruchtigen kring om de kano heenbracht. Ze -toonden geen gebrek aan moed, maar stootten telkens en telkens weer -naar de lijn en zelfs naar den man, die haar vasthield. Spoedig hield -ik den kleinen baas in mijn hand en had den angel losgemaakt. Hij was -heelemaal niet gewond, maar doodsbang; zoo hield ik hem een poosje -vast en genoot van de opwinding der andere, die door het alarmgeratel -van den gevangene maar wild om de kano bleven kringen. Het was -opmerkelijk dat niet éen andere vogel acht sloeg op den kreet of -naderbij kwam. Zelfs in nood weigerden ze den verstooteling te -erkennen. Terwijl Koskomenos toen op trillende vlerken vlak boven -mijn hoofd zweefde, wierp ik den gevangene dicht naast hem de lucht in. - -"Daar, Koskomenos, pak aan dien kleinen domoor van je, en maak hem -wijzer. Als je me den volgenden keer een beer ziet besluipen, ga dan -alsjeblieft met visschen door." - -Maar er klonk geen toon van dankbaarheid in het luidruchtige, verwarde -getier, dat de ijsvogels achternagalmde de baai stroomop. Toen ik ze -weer zag, zaten ze op een dooden tak, met z'n vijven op een rijtje, -alle tegelijk te klokken en te ratelen, zonder aandacht te schenken -aan de voorntjes, die onder hen speelden. Ik twijfel er niet aan of -op hun manier vertelden ze er mekaar alles van. - - - - - - - - -DE OUDE BEUKENPATRIJS. - - -Van alle vogels, die nog veel voorkomen in wat ons van ongerepte -plekjes overblijft, is het gekraagde hazelhoen--de "patrijs" uit -onze jonge jaren--misschien de schuwste, de waakzaamste, doet ons het -meest denken aan de oerwildernis, die we verloren hebben. Ge komt de -bosschen binnen van de weide op de heuvelhelling uit en leunt even -over de oude, grijze heining om naar 't spel van licht en schaduw -op de berkeknoesten te kijken. Uw oogen rusten op de verrukkelijke -mengeling van zachte kleuren, zooals geen penseel nog ooit nagebootst -heeft: het rijke oude goud van 't najaarsbekleedsel, het schemerig -grauwgroen van de vermolmde stomp, die de zwammen getint hebben. Wat -een reusachtige boom moet dat geweest zijn, geslachten geleden, -in zijn dagen van kracht; hoe onderkómen de berken, die nu uit zijn -wortels groeien! Ge herinnert u de groote berken aan de rivier in de -wildernis--waar kano's uit gemaakt worden--witter dan het tentje dat -er onder nestelde, terwijl hun wijde banieren in den wind wuifden, -zachter dan 't geruisch van uilevleugels, die er in de schemering als -schimmen tusschen zweefden. Een vaag gevoel van verdriet besluipt u, -dat uw eigen wildernis verdwenen is, en met haar de meeste van het -schuwe volkje, dat hield van haar eenzaamheid. Plotseling ontstaat -er geritsel in de bladeren. Er beweegt iets bij de oude stomp. Zoo -pas meendet ge dat het slechts een bruine wortel was; nu snelt het -heen, verstopt zich, richt zich op--kwit-kwit-kwit! en met gonzend -wiekgeruisch en een warrelende wieling van dorre blaren vliegt er een -hazelhoen op en schiet weg, als een stompe pijl met keisteen-punt en -grijs beveerd, tusschen de verschrikte berkestammen. Wanneer ge hem -stilletjes volgt om hem weer op te jagen, en te rillen en te schrikken -bij zijn onverwacht wegsnorren, is er vanzelf iets Indiaansch in uw -behoedzamen tred gekomen. Alle weemoed over de verloren wildernis -is verdwenen; ge zijt eenvoudig blij dat er nog zooveel wildernis -overblijft om welsprekend te getuigen van den goeden, ouden tijd. - -Het is deze trek van onoverkomelijke schuwheid in het hazelhoen, -gepaard met een zwerm van half-angstige indrukken uit mijn jeugd, -die mijn hart altijd doen kloppen als op een oude wijs, elken keer -dat er een patrijs aan mijn voeten opstuift. Ik herinner me goed een -jongetje, dat stilletjes de rustige bosschen insloop die hem met een -onweerstaanbare kracht trokken, toen hun schemerige bogen en stille -paden vol geheimenis en beangstigende griezeligheden waren. Voetje -voor voetje ging het kind de schaduwen binnen, behoedzaam als een -boschmuis, schuw als een konijntje. Plotseling een haastig geritsel -en een bolderend geweld, waarmee iets van den grond opschoot; eerst -klopte het kinderhart er hevig van, daarna sloeg hem de schrik in -de beenen en joeg hem het bosch uit, zoodat hij halsoverkop over -de oude, grijze heining tuimelde en halverwege de wei was gerend, -eer hij halt durfde houden voor dat vreeselijke achter zich. En dan, -eindelijk een andere drang, die het kind altijd weer naar de bosschen -deed sluipen, schuw, op zijn hoede, in spanning als een loerende vos, -om te onderzoeken wat dat voor vreeselijks was, dat zoo'n beroering -in de rustige bosschen te weeg kon brengen. - -En toen hij 't eindelijk ontdekte--dat was een ontdekking waar die -van de panterwelpen [13] nog maar niets bij was, als ik dat zoo -eens naga. Op een dag in de bosschen, dicht bij de plek waar het -gewoonlijk met vreeselijk geraas wegstoof, hoorde hij een geklok en een -kwit-kwit, en zag een mooien vogel in het kreupelhout wijken, glippen, -stilhouden, wegschuilen en elke beweging van het kind opnemen. En toen -dat vooruitschoot om zijn pet over den vogel te gooien, stoof hij weg, -en toen--wirr! wirr! wirr! bruiste er een heele koppel hazelhoenders -om hem heen op. De ontzetting daarover sloeg hem zoo in de beenen, -dat hij in de warrelende blaren neerviel en zich de ooren bedekte. Maar -dezen keer wist hij ten langen leste wat het was, en in een wip stond -hij overeind en draafde niet heen, maar zoo gauw als zijn beentjes -hem dragen konden achter den laatsten vogel aan, dien hij tusschen -de boomen zag wegscharrelen, terwijl een berketak, waar hij met zijn -vleugels tegen had gestooten, hem een goedendag naknikte. - -Er is nog meer aan dienzelfden vogel verbonden, dat altijd nog iets -bijzonder opwindends geeft aan het wegbruisen van zijn vleugels door de -opgeschrikte bosschen. Het was in de oude school aan den viersprong, op -een slaperigen Septembermiddag. Een klas aan 't spellen, groote jongens -en kleine meisjes, stond met de schoenneuzen voor dezelfde reet in den -vloer, in een rij tegenover den lessenaar van den meester. De rest van -de school dutte onderwijl dommelig in over de opgegeven taak. De dikke -jongen sliep openlijk op zijn armen; zelfs de deugniet was rustig, -en dacht soezerig aan voorbije zomerdagen. Plotseling klonk er een -vreeselijk gekraak, een kletterend gerinkel van gebroken glas, een -gekrijsch van een jongen bij het raam. Twintig knieën stootten van -onderen tegen de lessenaars, daar twintig jongens opsprongen. Toen, -eer een van ons zijn zinnen weer bij elkaar had, was Jimmy Jenkins, -een roodharige jongen, dien geen ramp uit zijn evenwicht kon brengen -en wien nooit een gelegenheid ontging, over twee schoolbanken -heengesprongen en zat in de meisjesafdeeling op den grond met iets -tusschen de knieën geklemd. - -"Ik heb hem," kondigde hij aan met het air van een veldheer. - -"Wat heb je?" bulderde de meester. - -"Een patrijs; 't is een ouwe, een kokkerd," zei Jimmy. En hij -richtte zich op, terwijl hij een mooi patrijzenmannetje bij de pooten -hield, wiens verstijvende vlerken nog krampachtig tegen zijn flanken -sloegen. Hij was in de naburige bosschen opgejaagd, door den een of -anderen jager uit zijn natuurlijke dekking verschrikt. Toen hij het -onbekende open veld bereikte, was hij nog ontstelder, en daar een -verschrikt hazelhoen altijd rechtuit vliegt, was hij als een kogel -door het schoolraam geschoten en had zichzelf door den schok gedood. - -De regel van drieën, de derdemachtswortel en de woestijn van andere -rekenkundige moeilijkheden hebben maar een flauwen indruk nagelaten -op minstens één van die leerlingen; maar een vogel, die een slaperige -klasse kon opwekken, en een levendige les, vol pit en belangstelling en -waaruit iets sprak van den onnaspeurlijk teeren lokroep der bosschen, -aan een suffen leeraar kon ontlokken--een leeraar, die 's nachts de -rechtswetenschap bestudeerde, maar overdag zijn jongens nooit--dat -was een vogel om eerbied voor te hebben. Ik heb hem sindsdien altijd -met aandachtiger belangstelling bestudeerd. - -Maar toch, hoeveel werk we ook van het hazelhoen maken, we komen weinig -anders te weten, dan hoe schuw hij is. Soms, als ge stil zijt in het -bosch en een hazelhoen tot bij uw schuilplaats komt gewandeld, vangt -ge goed wat van hem op en kunt ge u omtrent hem van sommige dingen -een denkbeeld vormen; maar hij ontdekt u al gauw en richt zich op zoo -recht als een paal en staart u wel vijf minuten aan zonder te bewegen -of een ooglid te verroeren. Dan, overtroffen in zijn eigen kunstje, -glipt hij weg. Een geritsel van kleine pootjes op bladeren, een zwak -kwit-kwit met een vraag er in--en hij is verdwenen. En hij zal niet, -als de vos, terugkeeren om van den anderen kant te komen kijken en -te trachten gewaar te worden wat ge zijt. - -De nog maar pas doorgedrongen beschaving is goed voor het hazelhoen, -want ze voorziet hem van een overvloed van voedsel en verjaagt zijn -vijanden. Hazelhoenders zijn altijd talrijker om de nederzettingen heen -dan in de wildernis. Anders dan andere vogels echter, wordt hij hoe -langer hoe schuwer, naarmate hij dichter bij de menschelijke woningen -is. Ik veronderstel dat het komt, doordat de tegenwoordigheid van den -mensch zoo dikwijls vergezeld gaat met een toeschietenden hond en -'t knallen van een geweer, en misschien met hagel in zijn veeren, -die hem kwetst en pijn doet als hij wegsnort. Eens in de wildernis, -toen 'k ergen honger had, ving ik twee patrijzen door over hun kop -een touwlus aan 't eind van een stok te gooien. Hier zou men even -goed kunnen trachten een vleermuis in de schemering te vangen, als -de hoop te koesteren een onzer patrijzen van de heuvelhellingen door -zoo'n uitvinding te strikken of er ook maar dicht genoeg bij te kunnen -komen om over zoo'n poging te denken. - -Maar er was éen hazelhoen--en nog wel het schuwste van alle, die -'k ooit in de bosschen ontmoet heb--dat me, zonder dat hij 't wist, -allerlei trekjes uit zijn leven toonde en dat ik langzamerhand goed -leerde kennen, na de waarnemingen van een paar seizoenen. Alle jagers -uit het dorp kenden hem best; en een stuk of wat jongens, die geweren -bezaten en begeerig waren zich in de gelederen der jagers te scharen, -hadden jachtavonturen met hem beleefd. Hij stond wijd en zijd bekend -als "de oude beukenpatrijs." Dat hij oud was kon niemand ontkennen, van -zijn doen en laten op de hoogte; en hij werd herhaaldelijk opgejaagd -in een beukenbosch bij een beek, een paar mijlen buiten het dorp. - -Niettegenstaande veel geleerde discussies over de vele soorten van -hazelhoenders tengevolge van duidelijke kleurverschillen, geloof -ik voor mij, dat we maar één soort hebben, en dat kleurverschillen -grootendeels komen van de verschillende omgevingen waarin ze leven. Van -alle vogels is het hazelhoen het onzichtbaarst in rust; zijn kleur -is zoo volkomen in overeenstemming met de wortels en bladeren en -boomstammen, waar hij zich tusschen verschuilt. Deze verwonderlijke -onzichtbaarheid wordt nog verhoogd door het feit, dat hij gemakkelijk -van kleur verandert. Hij is 's zomers donkerder en 's winters lichter, -net als het konijn. Wanneer hij in donkere bosschen woont, wordt hij -glanzend roodbruin; en als hij zijn verblijf tusschen de berken houdt, -is hij vaak bepaald grijs. - -Zoo was het stellig met den ouden patrijs. Als hij zijn staart wijd -uitspreidde en tusschen de beuken wegschoot, was zijn kleur zoo -volkomen in overeenstemming met de grijze boomstammen, dat slechts -een scherp oog hem kon onderscheiden. - -'t Was een gladde vogel, die alle knepen kende. Als hij opvloog, -had hij binnen een seconde een grooten boom tusschen ons en zich -gebracht, om zijn vlucht te dekken. Ik weet niet hoe vaak er wel op hem -geschoten was in de vlucht. Elke jager, dien ik ken, had het menigmaal -geprobeerd; en elke jongen, die in 't najaar door de bosschen zwierf, -had hem schandelijk op den grond trachten te raken. Maar hij was nooit -een veer kwijtgeraakt; en hij wou nooit zoo lang stilzitten voor een -staanden hond, dat de handigsten in ons gilde goed konden aanleggen. - -Wanneer een broedsel jonge patrijzen een hond door de bosschen hoort -rennen, fladderen zij gewoonlijk op de onderste takken van een boom en -kwit-kwitten nieuwsgierig naar hem. Ze hebben het verschil tusschen hem -en den vos nog niet geleerd, die de aartsvijand van hun geslacht is, en -aan wien hun voorouders in de wildernis op dezelfde manier ontkwamen, -dien ze net zoo tantaliseerden. Maar als 't een oude vogel is, waar -uw setter 't spoor van volgt, dan is zijn handelwijze een grappige -mengeling van geslepenheid en onweerstaanbare nieuwsgierigheid. Zoodra -de oude Don staat, richt de patrijs zich stokstijf op bij een boomstomp -en slaat den hond gade. Zoo staan ze als een paar beelden; de hond -in toom gehouden door het vreemde instinct, dat hem doet "staan", -weg voor gezicht, voor geluid, voor alles, behalve voor de geuren -in zijn neus; de patrijs in de grootste spanning, met elken zin -op den vijand gericht, dien hij meent te misleiden door zijn goed -verstoppen. Gedurende een kort oogenblik zijn ze roerloos; dan deinst -de patrijs achteruit en glipt weg naar een betere schuilplaats. Als -de sterke geur voor Dons neus vervliegt, staat hij niet langer, maar -volgt. De patrijs hoort hem en verschuilt zich weer door zich op te -richten tegen een boomstomp, waar hij onzichtbaar is; weer verstijft -Don en staat met een poot in de lucht, neus en staart in een rechte -lijn, alsof hij versteend was en zich niet kon roeren. - -Zoo gaat het voort, nu eens door de struiken glippend, dan onbeweeglijk -als een steen, tot de patrijs ontdekt, dat zoolang hij zich stilhoudt -de hond wel verlamd lijkt, niet in staat zich te bewegen of te -voelen. Dan zet hij zich in postuur pal tegen een wortel of een -boomknoest; en daar staan ze geen twintig voet van elkaar af, zonder -een vin te verroeren, tot de hond uitgeput door inspanning neerzijgt, -of er een eind aan maakt door vooruit te springen, of tot de stap -van den jager over de bladeren den patrijs opnieuw van ontzetting -vervult en hem door de Octoberbosschen wegjaagt naar eenzamer plekjes. - -Op een middag zag ik den ouden Ben, een beroemden hond, prachtig -"staan". Vlak vóór hem, in een ruigte van bruine varens, kon ik kop -en hals van een patrijs zien, die den hond scherp gadesloeg. De baas -van den ouden Ben stelde voor daar op die plaats koffie te drinken, -om het meesterlijk africhten van zijn hond op de proef te stellen. We -trokken ons een eindje terug en gingen op ons gemak eten, terwijl we -vogel en hond gadesloegen met een belangstelling, die hoe langer hoe -grooter werd, naarmate de maaltijd vorderde, terwijl de oude Ben stond -als een muur en het oog van den patrijs onbeweeglijk in de varenruigte -glom. En geen van beide verroerde een vin, terwijl wij aten en Bens -baas in kalm vertrouwen zijn pijp rookte. Eindelijk, na een vol uur, -klopte hij zijn pijp op de hak van zijn laars uit en stond op om -zijn geweer te krijgen. Dat beteekende den dood voor den patrijs; -maar ik dankte hem te veel echt genot om het aan te zien, dat hij in -zijn snelle vlucht zou worden neergeschoten. In het oogenblik, dat de -baas zich omkeerde, gooide ik een stuk hout naar de varenruigte. De -patrijs stoof de lucht in en weg, en de oude Ben, door 't wiekgeruisch -uit zijn bedwelming wakker geschud, liet zich gehoorzaam vallen op het -sein en keerde zijn kop om, om verwijtend met zijn oogen te zeggen: -"Wat ter wereld scheelt jou daar achter--heb ik hem niet lang genoeg -in bedwang gehouden?" - -Het brave oude beest beefde als een riet na de lange inspanning, -toen ik naar hem toeging om hem op zijn kop te kloppen en zijn -standvastigheid te loven, en hem 't grootste deel van mijn maaltijd te -geven. Maar tot op dezen dag weet Bens baas niet wat den patrijs zoo -plotseling heeft opgeschrikt; en als hij u van die gebeurtenis vertelt, -zal hij er nog spijtig aan toevoegen: "Ik had net een oogenblik eerder -moeten beginnen, voordat hij moe werd. Dan zou 'k hem gehad hebben." - -"De oude beukenpatrijs" was echter een anders geaarde vogel. Geen -hond kon hem langer dan een seconde doen stilstaan; hij had maar al -te goed geleerd wat dat beteekende. Zoodra hij 't trippen van een -hondepoot op de blaren hoorde, snelde hij weg en verschool zich, -trok zich terug en repte zich weer, zoodat hij hond en jager op de -been hield, tot hij de dekking vond naar zijn gading,--dikke boomen, -of een warreling van wilden wingerd--waar hij dan aan den anderen kant -uit kwam breken. En geen oog, hoe scherp ook, kon méér opvangen dan -een tipje van een grijzen staart, voordat hij verdwenen was. Andere -patrijzen vliegen in korte, rechte einden en kunnen gevolgd worden en -weergevonden, maar hij ging er altijd op krachtige vlerken vandoor, -over een ongelooflijken afstand, en zwenkte een heel eind naar rechts -of links af; zoodat het tijdverspillen was om achter hem aan te -gaan. Eer ge hem weer hadt, zouden zijn vleugels uitgerust zijn en -was hij gereed voor nog een vlucht; en als ge hem dan vondt, schoot -hij als een pijl uit den boog weg uit den top van een denneboom en -er was ook niets meer van hem te zien. - -Hij huisde den meesten tijd op een heuvelrug achter een verlaten hoeve -oostelijk van den ouden postweg. Dit was zijn middelste verblijfplaats, -een plek met dicht struikgewas, doornboschjes [14] en zonnige open -stukjes tusschen de rotsrichels, waar ge hem als 't u meeliep op -speciale dagen in alle jaargetijden kondt vinden. Maar hij had echt -het zwerversinstinct van een Newfoundlandsch rendier. 's Winters trok -hij naar 't Zuiden, met twintig andere patrijzen, naar den voet van -den bergrug, die uiteenviel in een reeks van heuveltjes en ravijnen -en zonnige, goedbeschermde valleitjes, waar volop te eten was. Hier -was vijftig jaar geleden weiland, dat bij een boerderij hoorde; maar -nu was het overal volgegroeid met kreupelhout en frambozenvelden -en wilde appelboomen, die de vogels er gezaaid hadden. Alle vogels -waren er graag op z'n tijd; kwartels nestelden er aan de zoomen; -en men kon een bruin konijn opkloppen uit bijna elk van de vergane -hoopen takken of holle, met mos begroeide stammen die er lagen. - -In het voorjaar stak hij den kam weer naar het Noorden over en trok -de stille, donkere bosschen in, waar hij twee of drie wijfjes had met -evenzooveel broedsels jonge patrijzen; die hij alle, laat me dat even -zeggen, met verwonderlijke onverschilligheid beschouwde. - -Door het heele gebied stroomde--stil uit de groote bosschen -tevoorschijn sluipend, kabbelend langs den voet van den bergrug en -zingend door de oude weide--een beek, waar de oude beukenpatrijs -van scheen te houden. Wel honderd keer heb ik hem daar aan de oevers -opgeschrikt. Ik hoefde er maar langs te loopen op eiken willekeurigen -Novembermorgen vóor acht, en ik kon er zeker van zijn, dat ik hem -vond. Maar waarom hij er altijd zat op dit bepaalde uur, in dit -jaargetijde, heb ik nooit kunnen uitmaken. - -Ik verwonderde me er dan soms over, waarom ik hem nooit zag -drinken. Andere vogels hadden daar vaste drink- en baadplaatsen, -en ik heb ze herhaaldelijk van mijn schuilhoek uit waargenomen, -maar ofschoon ik hem dikwijls zag, nadat ik er achter was gekomen -waar hij zat, hij raakte nooit het water aan. - -Op een vroegen zomerochtend deed zich een aannemelijke verklaring -voor. Ik zat rustig bij de beek, aan den rand van het groote bosch, te -wachten tot het diepe water weer kalm zou zijn geworden, waar ik juist -een forel uit had opgehaald en waar ik vermoedde dat een nog grootere -zich schuilhield. Terwijl ik wachtte, kwam een patrijzenmoeder met haar -broedsel--een van de tallooze gezinnen van den ouden beukenpatrijs, -waar hij niet naar omkeek--langs den rand van het bosch glijden. Ze -waren klaarblijkelijk komen drinken, maar niet uit de beek. Een -zoeter dronk dan daaruit wachtte op hun komst. De dauw lag nog -op de grassprieten; hier en daar hing een droppel aan de punt van -een blad als een diamant in 't vroege licht te schitteren. En dan -hieven de patrijsjes, die tjilpten en glipten en floten tusschen de -neerbuigende halmen, hun bekjes op naar elken glanzenden dauwdroppel, -die hen lokte, en dronken hem in en haastten zich met vroolijk gepiep -en gorgelgeluidjes naar den volgenden droppel, die een uitnoodiging -flonkerde van zijn neigenden grasspriet. De oude moeder wandelde -bezadigd in hun midden, maakte zich nu eens druk om een achterblijver, -dan weer klokte zij ze alle bij elkaar tot een begeerig, tsjilpend, -hippend troepje, terwijl ieder vocht de eerste te zijn om een vette -slak te dooden, die ze aan den onderkant van een blad had ontdekt; -en straks rekte ze zich zelf uit naar een dauwdroppel, die voor hen -te hoog hing om te drinken. Zoo trokken ze voorbij op nog geen paar -meter afstands, een schuw, wild, gelukkig gezinnetje, en verdwenen -in de schaduw van het groote bosch. - -Misschien is dit de reden, waarom ik den ouden beukenpatrijs nooit -uit de beek heb zien drinken. De natuur heeft frisscher dronk, dien -ze zelf bereid heeft, en die nog meer naar zijn smaak is. - -Eerder in 't seizoen had ik nog een van zijn gezinnen daar ook in -de buurt gevonden. Ik sloop langs een boschpad, toen ik ze plots -verraste, op een zonnig open plaatsje, waar ze uit alle macht aan -'t krabbelen waren in een mierenhoop. Een wild geflodder, alsof een -warrelwind over den mierenhoop gevaren was; maar het was slechts de -wind der vleugels van den moedervogel, die de stof opjoegen om mijn -oogen te verblinden en den haastigen terugtocht te dekken van haar -donzige broedsel. Nog eens sloegen haar vlerken op den grond en joegen -een warreling van dorre blaren op, temidden waarvan de patrijsjes -weghipten en -scharrelden, zóo precies de bladen, dat geen oog ze -van elkaar kon onderscheiden. Toen zegen de blaren langzaam neer -en het broedsel was verdwenen, alsof de grond het verzwolgen had; -terwijl moeder patrijs juist buiten mijn bereik wegflodderde, met een -vleugel sleepte alsof die gebroken was, plat op den grond viel, klokte -en kwit-kwit riep, en de blaren opjoeg om mijn aandacht te trekken, -me weg te krijgen van de plaats waar de jongen zich verstopt hadden. - -Ik knielde juist binnen den boschzoom neer, waar ik den achterblijver -van het broedsel als een bruine schicht had zien verdwijnen -en begon zorgvuldig naar ze te zoeken. Na een poosje vond ik er -een. Hij zat plat op een dor eikeblad gedoken, vlak voor mijn neus, -wonderlijk gedekt door zijn kleur. Er glinsterde iets in een donker -wortelkluwen. Het was een oog, en weldra kon 'k daar een kopje -onderscheiden. Dat was al wat ik van 't gezin vermocht te ontdekken, -ofschoon er nog wel twaalf vlak bij me, de meeste onder de bladen, -waren. Toen ik achteruitkroop, legde ik mijn hand er op een voordat -'k hem zag, en 't had geen haar gescheeld of 'k zou dien kleinen -slimmerd bezeerd hebben, die geen vin verroerde, niet eens toen ik -het blad wegnam, dat hem bedekte en 't voorzichtig weer neerlegde. - -Aan den overkant van 't pad stond een dikke dwergeik, waar ik onder -ging zitten loeren. Het duurde tien lange minuten, waarin zich niets -verroerde, eer moeder patrijs terug kwam sluipen. Ze klokte eens--"pas -op!" scheen 't wel te beteekenen, en er bewoog geen blad. Ze klokte -weer--opende de grond zich? Daar had je ze, wel meer dan een dozijn, -die uit het niet waren opgesprongen en haastig aankwamen om haar er -met een eindeloos gepiep alles van te vertellen. Ze verzamelde ze zoo -alle dicht om zich heen en ze verdwenen, door de schaduwen geholpen. - -Het was grappig zoo ijverzuchtig als de oude beukenpatrijs over -de eenzaamheid waakte, waar deze merkwaardige kleine families -rondzwierven. Ofschoon het leek dat hij geen zier om ze gaf, en men -hem nooit in de buurt van een zijner gezinnen waarnam, hij duldde 't -niet dat een andere mannetjespatrijs in zijn bosschen kwam of ook maar -binnen gehoorsafstand trommelde, 's Winters deelde hij het zuidelijke -weiland vreedzaam met wel twintig andere patrijzen; en op bepaalde -dagen kon men, na veel gekruip, een heel gezelschap van die dieren -op een zonnige zuidelijke helling verrassen, waar ze deftig stapten -en in- en uit- en rondglipten met uitgespreiden staart en hangende -vlerken, alle bewegingen uitvoerend van een patrijzenmenuet. Eens, op -een laten, warmen najaarsdag, was ik naar een twaalf of vijftien van -die prachtige vogels toegekropen, die hun merkwaardige vertooning ten -beste gaven in een kleine opening tusschen de wilde frambozen; en in -hun midden--trotscher, pralender, verwaander stappend en aanmatigender -klokkend dan een van de andere--was de oude beukenpatrijs. - -Maar toen 't voorjaar werd en de lange, rollende trommelklanken door -de uitbottende bosschen begonnen te roffelen, trok hij zich terug naar -zijn middelste gebied op den bergrug en wandelde van 't eene eind naar -'t andere, dreef elken anderen mannetjespatrijs uit zijn gehoor en -nam hem geducht onderhanden als hij 't waagde hem te weerstaan. Dan -hoorde men na een overwinning zijn luid getrommel door de Meische -heerlijkheid rollen, om zooveel wijfjes als hij maar kon te verlokken -zijn weelde met hem te deelen. - -Hij had twee trommelstammen in zijn gebied liggen, zooals ik al spoedig -ontdekte; en eens, terwijl hij op den eenen stam stond te trommelen, -verschool ik me bij den anderen en bootste zijn kreet vrij goed na -door met mijn handen op een met lucht gevulde blaas te slaan, die ik -onder mijn jas geknoopt had. Het roffelen van een patrijzen getrommel -is een eigenaardig gedempt geluid; het valt dikwijls moeilijk plaats -of zelfs richting van herkomst te bepalen; en het klinkt altijd veel -verder weg dan het werkelijk is. Dit heeft den ouden beukenpatrijs in -'t eerst misschien misleid om te denken, dat hij een anderen vogel heel -in de verte hoorde, op een heuvelkam aan den overkant van de vallei -waar hij niets te maken had; want al gauw trommelde hij weer op zijn -eigen stam. Ik antwoordde er onmiddellijk op, door een uitdaging terug -te roffelen en vertelde zoo ook elke wijfjespatrijs in het gebied, -dat er nog een candidaat was, geneigd tot pronken en zijn staart uit -te spreiden en den schitterenden kraag om zijn hals op te zetten, -om zich een plaatsje te veroveren in haar gunsten, als ze hem maar -op zijn trommelstam wou komen kijken. - -Er moet eenige argwaan, dat er een mededinger in zijn gebied gedrongen -was, in den kop van den ouden patrijs zijn opgekomen, want er was een -lange stilte, waarin ik me hem kon voorstellen, hoe hij recht en stijf -op zijn stam aandachtig stond te luisteren om de plaats te bepalen waar -die brutale indringer zat, en zijn ziedenden toorn met moeite bedwong. - -Zonder te wachten tot hij weer trommelde, roffelde ik een -uitdaging. Ternauwernood was 't trommelen opgehouden, of daar kwam -hij den heuvel opschieten, als een bliksemschicht tusschen de dikke -takken door, en plofte bij zijn eigen stam neer, waar hij zich met -wonderbaarlijke gezwindheid oprichtte, om luisterend naar den indringer -te spieden. - -Het scheen hem te verlichten, dat de stam niet bezet was, maar -hij was nog vol opgekropten toorn en achterdochtigheid. Hij gleed -en dook, de heele plek over rondziend en luisterend; toen sprong -hij op zijn stam en zonder als gewoonlijk den tijd te nemen om te -pronken en zijn schitterende veeren uit te spreiden, liet hij den -langen roffel hooren, richtte zich onmiddellijk op toen 't gebeurd -was, wendde zijn kop naar alle kanten om het eerste geluid van het -antwoord van zijn mededinger op te vangen,--"Kom eens voor den dag -als je durft,--rrom!--als je durft. O jou, lafaard!" En hij hipte, -in vijf of zes hooge, opgewonden sprongen, als een haan vóór den -storm, naar 't andere einde van den stam, en weer rolde zijn snelle, -kloppende trommelslag door de bosschen. - -Ofschoon ik dicht genoeg bij was om hem zonder kijker duidelijk -te onderscheiden, kon ik zelfs toen niet (en andere keeren dat -ik een patrijs heb zien trommelen evenmin) precies nagaan hoe dat -geluid gemaakt wordt. Na een poosje bedaarde de opwinding over een -vermoedelijken mededinger, en werd hij verrukt, omdat hij meende -den schelm uit zijn bosch te hebben verdreven. Hij wandelde statig -op den stam heen en weer, liet zijn vleugels slepen, spreidde zijn -prachtigen staart wijd uit, zette zijn borst en zijn schitterenden -kraag op. Plotseling richtte hij zich dan in de hoogte; een zwiepen -van zijn vleugels op en neer, dat geen oog kon volgen, en ik hoorde -een enkelen slag van zijn roffel. Weer een zwiepen en weer een slag; -dan hoe langer hoe gauwer, tot het leek alsof hij twee of drie paar -vlerken had, die suisden en wentelden beide als de spaken van een -sneldraaiend wiel, en de trommelslagen rolden samen tot een langen -roffel en verstierven in de bosschen. - -Gewoonlijk stond hij op zijn teenen, zooals een haan doet, wanneer hij -met zijn vleugels klept eer hij kraait; zelden dook hij op den stam -neer; maar ik twijfel er aan of hij met zijn vlerken op 't hout slaat, -zooals dikwijls beweerd wordt. Toch verschilden de beide stammen van -elkaar; de eene was droog en hard, de andere vermolmd en bemost; -en de roffels waren even verschillend als de beide stammen. Na -een tijdje kon ik na den eersten wiekslag aan 't geluid zeggen, -welken stam hij gebruikte; maar dat was dunkt mij een quaestie van -weerklank, de uitwerking van een soort klankbord, en niet doordat ze -beide verschillend klonken als hij er op sloeg. Het getrommel wordt -ongetwijfeld veroorzaakt, of doordat hij de vlerken boven zijn rug -samenslaat, of, zooals ik geneigd ben te gelooven, doordat hij ze bij -'t neergaan tegen zijn eigen flanken klapt. - -Eens hoorde ik een gewonden vogel drie of vier slagen van zijn roffel -geven en toen ik het wingerdboschje inging, waar hij neergestort was, -vond ik hem plat op zijn rug liggen, terwijl hij zich met zijn vleugels -op de flanken sloeg. - -Altijd als hij trommelt stapt hij eerst als een pauw, omdat hij -niet weet hoeveel heldere oogen hem schuw uit het struikgewas -bespieden. Eens toen ik hem een paar keer statig had zien wandelen -en trommelen, ritselde 't in de bladeren en verschenen er twee -wijfjespatrijzen van weerskanten op de open plek waar zijn stam zich -bevond. Toen paradeerde hij met nog grooter ijdelheid dan tevoren, -terwijl de twee wijfjespatrijzen over de plek gleden: naar den schijn -zochten ze zaadjes, maar in werkelijkheid bespiedden ze elke van -zijn bewegingen met een schuin oogje en bewonderden hem, tot zijn -innige voldoening. - -'s Winters volgde ik zijn spoor gewoonlijk in de sneeuw, om er achter -te komen wat hij uitgevoerd had en wat voor voedsel hij gevonden -had, als er schaarschte in de natuur was. Voor zijn ergste vijanden, -den mensch en zijn hond, hoefde hij niet bang meer te zijn, want ze -werden in bedwang gehouden door de wet, en hij zwierf nog vrijer -door de bosschen dan ooit. Hij scheen te weten dat hij veilig was -gedurende dezen tijd, en meer dan eens speurde ik hem na tot in zijn -schuilplaats en zag hem wegfladderen door de open bosschen, terwijl -hij een regen van sneeuw achter zich neerjoeg, alsof hij het op die -eigenaardige wijze deed, om de richting van zijn vlucht voor mijn -oogen te verbergen. - -Er waren echter andere vijanden, door geen wet in bedwang gehouden, -behalve de algemeene boschwetten van vrees en honger. Dikwijls vond -ik het spoor van een vos, dat het zijne in de sneeuw kruiste, en eens -volgde ik een dubbel spoor, den vos een patrijs naspeurend, bijna wel -een halve mijl ver. De vos was hem laat in den vorigen middag op 't -spoor gekomen en was hem naar een doornboschje gevolgd, waar middenin -een groote ceder stond waarin de oude beukenpatrijs op stok ging. De -vos was twee keer om den boom heengegaan, had stilgestaan en opgekeken -en zich toen regelrecht naar 't moeras begeven, alsof hij wel wist, dat -'t nergens toe diende nog langer te loeren. Als er veel sneeuw lag, -vond ik zelden de plek waar hij of een andere patrijs op den grond -waren gaan slapen. Hij plofte gewoonlijk uit een boom in de zachte -sneeuw neer, en dook er halsoverkop wel drie of vier voet in, keerde -zich dan rond en nestelde zich in zijn witte, warme kamertje voor den -nacht. Ik vond dan het holletje, waar hij 's avonds in was geschoten, -en er dichtbij het groote gat, waar hij er uitgebroken was toen het -licht hem wekte. Als ik mijn richting dan bepaald had naar den indruk -van zijn vleugels in de sneeuw, volgde ik die, om na te gaan waar -hij neergestreken was en hem op zijn vroege zwerftochten na te speuren. - -Men zou meenen dat het een gevaarlijke manier van doen was, zoo zonder -andere beschutting dan sneeuw op den grond te slapen, met allerlei -hongerige vijanden, die in 't bosch rondsluipen; maar de patrijs -weet wel dat als 't sneeuwt zijn vijanden stilletjes thuis blijven, -omdat ze niet in staat zijn te zien of te ruiken, en dientengevolge -allemaal zelf voor hun eigen vijanden bang zijn. Gedurende een -sneeuwstorm is er altijd wapenstilstand in het bosch, en dat is -de reden waarom een patrijs in de sneeuw dan alleen gaat slapen, -als de vlokken nog neervallen. Wanneer dit ophoudt en de sneeuw een -beetje bezonken is, zal de vos weer op de been zijn; en dan slaapt -de patrijs in het naaldhout. - -Eens echter rekende de oude beukenpatrijs buiten den waard. 't Was -vroeg in den avond met sneeuwen opgehouden en de honger dreef den -vos naar buiten, in een nacht, dat hij zich anders gedekt zou hebben -gehouden. Om en bij 't aanbreken van den dag, voordat het licht nog was -doorgedrongen tot waar de oude beukenpatrijs lag te slapen, vond de vos -een gat in de sneeuw, dat hem verried hoe vlak voor zijn hongerigen -neus een patrijs verscholen zat, die zich van geen gevaar bewust -was. Ik vond de plek, toen ik het spoor van den vos een paar uren -later volgde. Wat was hij omzichtig! Het sluwe spoor sprak boekdeelen -van honger en verwachting. Een paar voet van 't veelbelovende gat -af had hij stil gestaan en scherp over de sneeuw uitgekeken, om een -verraderlijke ronding op de gladde oppervlakte te ontdekken. Aha! daar -was ze, net aan den zoom van een boschje jeneverbessen. Hij dook neer, -sloop vooruit, zoodat hij een diep spoor met zijn lichaam groef, -plantte zich stevig vast en sprong toe. En daar, vlak naast het gat -dat zijn pooten in de sneeuw gemaakt hadden, was nog een gat, waar de -patrijs uitgebroken was, zoodat hij zijn heelen vijand, die zich een -voet verrekend had, vol sneeuw gestrooid had, en met oorverdoovend -lawaai naar de veilige beschutting van de dennen was gevlogen. - -Er was nog een vijand, die verstandiger had moeten zijn en die den -ouden beukenpatrijs een heel vroeg voorjaar lang achtervolgd had, -toen er veel sneeuw lag en 't voedsel karig was. Op een dag dat ik -het zuidelijk gebied van den patrijs doorkruiste, ontmoette ik een -jongetje,--een pienter kereltje met het jagersinstinct van een vos. Hij -had altijd wat merkwaardigs--otters, of muskusratten, of een bunzing, -of een grooten uil,--zoodat ik hem met vreugde begroette. - -"Hallo, Jantje! Wat speur jij vandaag--beren?" - -Maar hij schudde zijn hoofd slechts--een beetje sullig, leek het mij -toe--en praatte over alles behalve over datgene waaraan hij dacht; -en weldra verdween hij in het oude pad. Een van zijn jaszakken puilde -meer uit dan de andere en ik wist dat er een klem in zat. - -Laat op dien middag stootte ik op zijn spoor en aangezien 'k niets -belangrijkers te doen had, ging ik het volgen. Het leidde regelrecht -naar het doornboschje waar de oude beukenpatrijs op stok ging. Ik had -er dikwijls tevergeefs naar gezocht, eer de vos mij er bracht; maar -Jantje had op een van zijn zwerftochten prenten en een paar veeren -onder een cedertak gevonden en wist best wat dat zeggen wilde. Daar -was zijn klem, precies op de plek, waar de oude patrijs den vorigen -avond gestaan had, toen hij zijn sprong nam naar den ondersten tak. Er -was volop koren uitgestrooid en een blauwe gaai, die Jan achterna -gegaan was, zat al stevig in de klem; bij den wortel van zijn snavel -net onder de oogen was hij gegrepen. Hij had de klem doen toeklappen, -toen hij naar wat koren pikte, dat listig met een dun ijzerdraadje aan -de pan was vastgemaakt. Toen ik de gaai zorgvuldig uit de klem nam, -hield zij zich dood en slap in mijn hand, tot mijn greep ontspande -en zij naar een tak boven mijn hoofd vloog, waar zij me bekeef en -uitschold, omdat ik me inliet met zulke afschuwelijke uitvindingen. - -Ik hing de klem aan een lagen tak van den ceder, met een briefje -tusschen haar tanden, om Jan te vragen of hij den volgenden dag eens -bij me wou komen. Hij kwam met een beschaamd gezicht toen 't donker -werd, en ik nam hem onderhanden over onridderlijkheid en 't verschil -tusschen een diefachtigen otter en een eerlijken patrijs. Maar hij -grinnikte om de blauwe gaai en ik twijfelde er aan of zoo'n berisping -alleen wel een blijvende uitwerking zou hebben. Om het hem dus wat -gemakkelijker te maken, liet ik iets los over de glijbaan van een -otter, die ik ontdekt had en over een gezamenlijken zwerftocht op een -Zaterdagmiddag. Hij vertelde me, dat hij wel twintig keer dien ouden -beukenpatrijs had trachten te verschalken. Toen hij de glijbaan van den -otter zag, zwoer hij klemmen en strikken voor vogels af, en ik verliet -kort daarna de streek, zeer hoopvol wat den patrijs aangaat, want ik -wist dat 'k de kanonnen vernageld had van zijn gevaarlijksten vijand. - -Jaren later kwam ik door de oude wei en ging regelrecht naar de -wildernis van doornstruiken. Er waren prenten van een patrijs in -de sneeuw,--korte sporen, die licht rustten op het zachte blank, en -toonden dat de Natuur gedachtig was aan zijn behoeften en gezorgd had -dat zijn nieuwe sneeuwschoenen prachtig gegroeid waren. Ik haastte me -naar de beek, terwijl tallooze herinneringen aan gelukkige dagen en -zeldzame ontdekkingen, als het boschvolkje me zijn kleine geheimen -openbaarde, zich aan me opdrongen. Toen 'k er heelemaal in verdiept -was--kwit-kwit! en met luidruchtig wiekgeruisch suisde er een patrijs -weg, wild en grijs als de bijzondere vogel, die daar jaren te voren -geleefd had. En toen ik er een jager naar vroeg, zei hij: "Die oude -beukenpatrijs? O ja, die zit daar. Daar zal hij wel blijven ook, -tot hij van ouderdom doodgaat, want, ziet u, mijnheer, d'r is hier -in de buurt niemand gewikst genoeg om hem te vangen." - - - - - - - - -WOLKVLEUGEL, DE ADELAAR. - - -"Daar heb je hem weer! Daar is die Witkop bezig den vischarend te -bestelen." - -Ik schoot op uit mijn kleine commoosie achter 't vuur bij Gillie's -opgewonden kreet en snelde op 't strand naar hem toe. Een blik over -de Rendier-kaap heen naar de groote baai, waar ontelbare witvisschen -schoolden, gaf me weer een hoofdstuk van een lange, maar altijd -merkwaardige geschiedenis. Ismaques, de vischarend, was met een dikken -visch uit het meer gestegen en deed zijn best om naar zijn nest te -komen, waar zijn jongen om eten riepen. Boven hem zweefde de adelaar, -zoo onbeweeglijk en onverbiddelijk als het noodlot, liet zich nu eens -neervallen om Ismaques met een wiek in 't gezicht te flappen, raakte -hem dan weer zachtjes met zijn groote klauwen aan, alsof hij wilde -zeggen: "Voel je dat, Ismaques? Als ik maar éen keer goed toegrijp, -zal 't uit zijn met jou èn je visch. En wat zullen de jongen dan -beginnen daar boven in 't nest in den ouden den? Laat hem nu liever -kalm vallen; jij kunt een anderen vangen.--Laat vallen! zeg ik." - -Tot dat oogenblik had de adelaar het den grooten vischarend nog alleen -wat lastig gemaakt onder 't vliegen, met af en toe een zachten wenk, -dat hij geen kwaad bedoelde, maar dien visch wilde hebben, dien hij -zelf niet vangen kon. Nu kwam er verandering; 's konings humeur toonde -zich even. Met ruischende wieken zwierde hij als een wervelwind om den -vischarend heen en hield plotseling dreigend stand midden in de lijn -van zijn vlucht. Daar bleef hij op breede, donkere vlerken zweven; -zijn gele oogen tuurden fel in de ineenkrimpende ziel van Ismaques, -zijn klauwen waren ver teruggetrokken voor een doodelijken stoot. En -Simmo, de Indiaan, die beneden naar me toe was komen draven, mompelde: -"Nu Cheplahgan woedend; dat Ismaques zoo dadelijk merken." - -Maar Ismaques wist precies hoever hij gaan kon. Met een kreet van woede -liet hij zijn visch vallen, of liever, hij gooide hem neer, in de hoop -dat hij in 't water terecht zou komen en verloren gaan. Op hetzelfde -oogenblik wielde de adelaar hem uit den weg en boog bliksemsnel -zijn kop. Ik had hem wel eerder zijn vleugels zien samenvouwen en -neervallen, en mijn adem ingehouden bij zoo'n vaart. Maar vallen hielp -nu niet, want de visch viel sneller. In plaats daarvan schoot hij -naar beneden en vermeerderde 't gewicht van zijn val door 't stuwen -van zijn forsche wieken, terwijl hij neersuisde als een bliksemflits, -om den visch te grijpen voor deze 't water raakte, en steeg hij met -een groote bocht weer op--gestadig hooger en verder weg, gelijkmatig -als 't een koning betaamt te vliegen, naar zijn eigen jongen, heel -ginds op den berg. - -Weken tevoren had ik den Ouden Witkop, zooals Gillie hem noemde, al -leeren kennen op den Madawaska. We voeren de rivier op, op weg naar -de wildernis, toen luide kreten en 't gepang van een geweer vlak voor -ons weerklonken. Als we haastig een bocht tusschen de beboschte oevers -om kwamen schieten, troffen we een man aan met een rookend geweer, -een jongen tot aan zijn middel in de rivier, die hij over trachtte -te komen, en aan den anderen kant een zwart schaap, dat ronddraafde -en bij elken sprong blaatte. - -"Hij heeft het lam meegenomen; hij heeft het lam meegenomen!" riep de -jongen. Toen ik de richting van zijn vinger volgde, zag ik den Ouden -Witkop, een prachtigen vogel, zwaar boven de boomtoppen aan den anderen -kant van het open veld uitstijgen. Bijna instinctmatig reikte ik achter -me, greep het zware geweer, dat Gillie me in handen gaf, en sprong uit -de kano; want met een geweer heb je een stevigen voetsteun noodig. Het -was een ver schot, maar niet zoo heel moeilijk; de Oude Witkop had -zijn draai genomen en bewoog zich gestadig al verder weg. Een seconde -nadat het schot gevallen was zagen we hem stilhouden en afwijken in -de lucht; toen kwamen er twee witte slagpennen neerzijgen en terwijl -hij zich wendde, zagen we de breuk in zijn breeden, witten staart. En -dat was het teeken waar we hem later altijd aan herkenden. - -Dit gebeurde bijna tachtig mijlen per kano vanwaar we nu stonden, -ofschoon nauwelijks tien hemelsbreed over de bergen; want de rivieren -en meren, die we volgden, kronkelen tot bijna aan 't punt van uitgang -terug; en de geheele wilde, prachtige streek was het jachtgebied van -den adelaar. Waar ik ook ging, zag ik hem; ik zag hoe hij de groote -rivieren volgde om aan land gespoelde forel en zalm, of hoog in de -lucht dreef, waar hij twee of drie meren der wildernis overzien kon, -hij met evenveel brave vischarenden, die er hun maaltijd vingen. Ik -had een museum-beheerder beloofd dat ik hem dien zomer een adelaar zou -bezorgen, en begon dus naarstig op dien grooten vogel te jagen. Maar -dat jagen gaf niet veel, behalve dat het me heel wat van zijn zeden -en gewoonten leerde, want 't leek, alsof hij oogen en ooren over zijn -geheele lichaam had; en al kroop ik als een slang door de bosschen, of -al dreef ik als een wilde eend in mijn kano over het water, hij zag of -hoorde me altijd en was verdwenen eer ik hem onder schot kon krijgen. - -Toen poogde ik hem in een stap [15] te lokken. Ik legde twee groote -forellen met een stalen klem er tusschen in, op een ondiepe plaats -in de rivier, die ik van mijn kamp uit op een steilen oever, een -halve mijl stroomaf, kon gadeslaan. Den volgenden dag hief Gillie, -die begeeriger was dan ik, een geschreeuw aan, en toen ik te voorschijn -kwam snellen, zag ik den Ouden Witkop in 't ondiepe water bij den stap -staan, waar hij omheen klapwiekte. We sprongen in een kano en roeiden -spoorslags de rivier op, terwijl we juichten van verrukking, dat we -den fellen, ouden vogel eindelijk hadden. Toen we de laatste landtong -omkwamen, die de ondiepte verborg, stond de Oude Witkop daar, geen -dertig meters van ons af, nog aan een visch te rukken en in 't water -te plassen. Ik zal niet spoedig zijn houding en uitdrukking vergeten, -als wij de landtong omschoten: zijn lijf rechtop en stijf, zijn wieken -half ontplooid, zijn kop naar voren, de oogleden rechtgetrokken en -een krachtige, felle glans van vrijheid en ongetemde wildheid in zijn -heldere oogen. Zoo stond hij daar, een heerlijk wezen, tot we bijna -bij hem waren,--toen steeg hij rustig op en nam een van de forellen -mee. De andere had hij al in zijn maag. Hij zat in 't geheel niet -in de klem, maar was er zorgvuldig om heengestapt. Het geplas was -veroorzaakt, doordat hij den eenen visch met zijn klauwen stuk had -gereten en den anderen van een paal waar hij op stak had losgemaakt. - -Daarna kwam hij niet meer bij het ondiepe water, want hij had een -nieuwe ondervinding opgedaan in zijn leven, die een donkere schaduw -achterliet. Hij, die de koning was van alles wat hij van den ouden, -door den bliksem getroffen den op den top van de klip overzag, die -tot nog toe steeds de jager geweest was, wist nu wat het beteekende -gejaagd te worden. En de angst er voor was, dunkt me, in zijn oogen en -verzachtte hun fellen gloed, toen ik weken later hem er weer in keek, -bij zijn eigen nest op den berg. - -Simmo nam ook aan onze jacht deel, maar zonder geestdrift of -vertrouwen. Hij had al eerder op denzelfden adelaar gejaagd--een -heelen zomer, om de waarheid te zeggen, toen een toerist, dien hij -als gids diende, hem twintig dollars beloofd had voor de veeren van -den koninklijken vogel. Maar de Oude Witkop droeg ze nog zegevierend -en Simmo voorspelde hem een lang leven en een natuurlijken dood. "Toch -niks geven op dien arend jagen," zei hij eenvoudig. "Ik eens probeeren -en hem niet kunnen besluipen. Hij alles zien; en hij niet zien, dan -hij hooren. En dan, gevaar hij voelen aankomen. Daarom hij bouwen zijn -nest zoo ver weg, einden weg, o, ik niet weten waar wel." Dit laatste -met een armzwaai om 't heelal er onder te begrijpen. Cheplahgan, -den Ouden Wolkvleugel, noemde hij trots den vogel, die hem een heelen -zomer op jacht getart had. - -In 't begin had ik op hem gejaagd als ieder andere barbaar; natuurlijk -gedeeltelijk om zijn veeren voor den museumman; gedeeltelijk misschien -om de lammeren van de kolonisten te beschermen; maar voornamelijk om -hem te dooden, om te genieten van zijn klappende wieken als hij lag te -sterven, en de bosschen te bevrijden van een wreeden dwingeland. Onder -'t jagen kwam er echter geleidelijk een verandering over me; ik zocht -hem hoe langer hoe minder om zijn veeren en om zijn leven, en hoe -langer hoe meer om hem zelf, om alles van hem te weten te komen. Ik -placht hem urenlang gade te slaan van mijn kamp aan 't groote meer -uit, zooals hij daar rustig over de Rendier-kaap zeilde, nadat hij -met zijn jongen gegeten had, en in een stemming was om Ismaques in -vrede zijn gang te laten gaan met visschen. - -Dan zette hij zijn groote wieken naar de bries en stond als een vlieger -in den wind, terwijl hij geleidelijk naar boven klom in een eindelooze -spiraal, hooger en hooger, zonder een zweem van inspanning, tot het -oog duizelig werd onder 't volgen. En ik hield er van om hem gade -te slaan, zoo krachtig, zoo vrij, zoo zeker van zichzelf--om en om, -hooger, al hooger, zonder haast, zonder moeite, en elke wending vond -den hemel nader en de aarde verder onder zich uitgebreid. Nu glimmen -kop en staart zilverwit in den zonneschijn; nu hangt hij roerloos, -een kruis van git, als een vrouw om den hals zou kunnen dragen, -tegen het klare, peillooze blauw van den Junihemel--daar! hij is in -'t blauw verloren, zoo hoog, dat ik hem niet meer kan zien. Maar juist -als ik me afwend, duikt hij weer binnen 't bereik van mijn blik, laat -zich met opgevouwen vleugels als een zinklood neervallen, al sneller -en sneller, al grooter en grooter, door een ontzettenden luchtstroom, -tot ik opspring en mijn adem inhoud, alsof ik zelf neerkwam. En vlak -voordat hij zich te pletter valt, zwenkt hij om in de lucht, met zijn -kop naar beneden en half open wieken, en schiet in snelle glijvlucht -naar het meer, dan in een groote bocht omhoog naar de boomtoppen, -waar hij beter kan zien wat Kakagos, de zeldzame boschraaf, uitvoert, -en op welk wild hij jaagt. Want om dat te ontdekken kwam Cheplahgan -zoo haastig naar beneden. - -Dan weer kwam hij vroeg in den morgen stroomop zwieren, alsof hij -al een lange dagreis achter den rug had, met iets van heel, heel -ginds en nog-zóó-ver in zijn snelle voortwieken. En als ik dan aan -'t forellenwater stond en heel stil was, hoorde ik het krachtige -zijdegeritsel van zijn vlerken onder 't voorbijvliegen. 's Middags -zag ik hem boven den hoogsten bergtop in 't Noorden hangen, op een -ontzaglijke hoogte, waar de verbeelding zelfs de heerlijke vlucht van -zijn uitzicht niet volgen kon; en 's avonds vloog hij het meer over, -als hij zich naar 't Westen voortbewoog, naar den zonsondergang toe -op onvermoeide wieken--altijd sterk, edel, prachtig in zijn kracht -en eenzaamheid, een volmaakt zinnebeeld van de groote, verlaten, -heerlijke wildernis. - -Eens dat ik hem gadesloeg, overviel het me plotseling, dat bosch en -rivier onvolmaakt zouden zijn zonder hem. De gedachte hieraan kwam -bij me terug en spaarde hem voor de wildernis, dien laatsten keer -toen ik hem op leven of dood ging jagen. - -Dat was vlak nadat we het groote meer bereikt hadden, waar ik -hem den vischarend had zien berooven. Na lang zoeken en rondloeren -ontdekte ik een grooten boomstam aan den uitgang, waar de oude Witkop -dikwijls zat. Er dicht bij was een groote draaikolk, op den rand van -een ondiep gedeelte, en hij placht op den stam te zitten wachten -tot er visch kwam, daar waar hij in 't water kon waden om ze te -vangen. Er heerschte dat jaar een ziekte onder de zuigvisschen [16] -(die geregeld om de paar jaar heerscht, evenals onder de konijnen) -en dan kwamen ze uit het diepe water naar boven kronkelen om op 't -zand uit te rusten--en werden door otters en vischarenden en beren -en den ouden Witkop gegrepen, die alle hongerig op visch wachtten. - -Verscheiden dagen legde ik een mooi lokaas van forel en witvisch aan -den rand van het ondiepe. De twee eerste keeren werd 't aas laat in -den middag uitgelegd en beide keeren kreeg een beer het den volgenden -nacht. Toen legde ik het vroeg in den morgen, en voor den middag -had Cheplahgan het ontdekt. Hij kwam recht als een pijl uit den boog -van zijn uitkijk aan den anderen kant van den berg, van mijlen ver, -en bracht me in groote verwondering, welk vreemd zesde zintuig hem -leidde; want gezicht en reuk schenen beide evenzeer buitengesloten. Den -volgenden dag kwam hij weer. Toen legde ik het allerbeste aas in -'t ondiepe en verborg me met mijn geweer in 't dichte kreupelhout in -de buurt. - -Hij kwam eindelijk, na uren wachtens, en viel met een zwaar -wiekgeruisch van boven de boomtoppen neer. En toen hij op den ouden -stam neerstreek en zijn breeden, witten staart uitspreidde, zag ik -vol trots het gat dat mijn kogel weken te voren had gemaakt. Hij -stond daar een oogenblik prachtig opgericht, kop, hals en staart -glanzend wit; zelfs de donkerbruine veeren van zijn lichaam glommen -in den helderen zonneschijn. En hij keerde langzaam zijn kop van den -eenen kant naar den anderen, terwijl zijn scherpe oogen fonkelden, -alsof hij zeggen wilde: "Aanschouwt, een koning!" tegen Chigwooltz, -den kikvorsch, en Tookhees, de boschmuis, en tegen elk ander levend -wezen, dat hem toevallig uit het kreupelhout zou kunnen gadeslaan -bij zijn onkoninklijke daad van op doode visch te azen. Toen hupte -hij naar beneden--vrij onhandig, moet ik bekennen; want hij is een -dier van de hemelsche diepten, die de aanraking met de aarde niet -verdragen kan--greep een visch, dien hij met zijn klauwen aan stukken -trok en gulzig verslond. Twee keer trachtte ik hem te schieten, -maar de gedachte aan de wildernis zonder hem wilde me niet uit het -hoofd en weerhield me. En dan kwam het me zoo min voor, hem van een -hinderlaag uit te betrekken, als hij naar beneden op den grond was -gekomen, waar hij in 't nadeel was; en toen hij wat van de grootere -visschen in zijn klauwen greep, er snel mee omhoog rees en ze naar -'t Westen wegdroeg, was elke begeerte om hem te dooden vergaan. Er -waren blijkbaar jonge Wolkvleugels, die ik ook moest opsporen en -gadeslaan. Daarna jaagde ik nog ijveriger dan te voren op hem, maar -zonder geweer. En een eigenaardig verlangen, waar ik geen rekenschap -van geven kon, maakte zich van me meester: om dit ongetemde, ongerepte -dier van wolken en bergen aan te raken. - -Den volgenden dag deed ik het. Er groeiden dichte struiken langs den -eenen kant van den ouden stam, waar de adelaar op ging zitten. Hier -hakte ik met mijn jachtmes een tunnel in en schikte de toppen zoo, -dat ze me beter verborgen. Toen legde ik mijn aas uit, een goede twee -uur voordat de oude Witkop op zijn vroegst kon komen, en kroop mijn -hol in om te wachten. - -Nauwelijks had ik me in mijn plaatsje genesteld en me afgevraagd -hoe lang menschelijk geduld het steken van insecten en de heete, -benauwde lucht zou kunnen uithouden zonder zich te verroeren of een -blad te bewegen, of het zware zijgeruisch klonk vlakbij en ik hoorde -den greep van zijn klauwen op den stam. - -Daar stond hij op een armslengte afstands, terwijl hij onrustig met -zijn kop draaide en het licht op zijn witte borst blikkerde, met de -felle, ongetemde fonkeling in zijn heldere oog. Nooit te voren had -hij zoo groot, zoo sterk, zoo prachtig geleken; mijn hart sprong op, -toen ik me hem dacht als het zinnebeeld van mijn volk. Ik ben er -nog blij om, dat ik eenmaal dat zinnebeeld aanschouwd heb en er de -ontroering over heb gevoeld. - -Maar ik had weinig tijd om te denken, want Cheplahgan was -rusteloos. Het een of andere instinct scheen hem voor een gevaar te -waarschuwen, dat hij niet zien kon. Op hetzelfde oogenblik dat zijn -kop was afgewend strekte ik mijn arm uit. Er verroerde zich nauwelijks -een blad door die beweging; toch draaide hij zich bliksemsnel om en -dook om toe te springen. Zijn oogen staarden recht in de mijne, zoo -fel, dat ik het bijna niet uithouden kon. Misschien vergiste ik me, -maar in dat korte oogenblik was het, of de harde glinstering zijner -oogen van vrees verzachtte, toen hij mij herkende als het eenige -in de wildernis dat op hem durfde jagen, op hem, den koning. Mijn -hand raakte hem vol op den schouder; toen schoot hij de lucht in, en -zwierde in groote kringen boven de boomtoppen, nog steeds neerziend -op den mensch, zich angstig afvragend op welke wijze hij toch in dien -man zijn macht was gekomen. - -Maar éen ding begreep hij niet. Terwijl ik op den stam stond, -hoogopgericht, en naar hem opkeek, zooals hij boven me zwierde, dacht -ik niet anders dan: "Ik heb het gedaan, ik heb het gedaan, Cheplahgan, -Wolkvleugel. En ik zou je bij je pooten hebben kunnen grijpen en je -hebben vastgebonden, en in een zak gepakt naar het kamp hebben kunnen -brengen, als ik je niet liever vrij had laten gaan. En dat is beter -dan je te schieten. Nu zal ik je jongen zoeken en die ook aanraken." - -Dagenlang had ik Witkops vluchtlijnen gevolgd en ik was tot het besluit -gekomen dat zijn nest zich ergens in de bergen ten noord-westen van -het groote meer bevond. Daar ging ik op een middag heen, en terwijl -'k verdwaald was in het hooge hout, dat nergens naar eenige richting -een uitkijk gaf, zag ik niet Witkop, maar een grooter adelaar, zijn -wijfje ongetwijfeld, die met voedsel recht het Westen invloog naar -een hooge klip, die ik eens met mijn verrekijker, van een berg aan -de overzij van het meer af, gezien had. - -Terwijl ik er den volgenden morgen vroeg heentoog, was het Cheplahgan -zelf, die me wees waar zijn nest zich bevond. Ik liep langs den voet -van de klip te jagen, toen ik omkeek naar het meer, waar ik hem heel -uit de verte aan zag komen, en verstopte me in het kreupelhout. Hij -kwam vlak langs me heen en toen 'k hem naging, zag 'k hem op een -vooruitstekend gedeelte bij den top van de klip zitten. Vlak onder -hem, boven in een verwrongen boom, die uit het rotsvlak groeide, -vormde een reusachtige hoop takken het nest, terwijl er een groote -moederadelaar bij zat, die de jongen voerde. Beide vogels schrokken -op en maakten dat ze wegkwamen bij mijn nadering, maar keerden al -gauw terug en zwierden boven mijn hoofd af en aan, toen ik het nest -en het rotsvlak door mijn verrekijker op zat te nemen. Ze hoefden nu -niet voorzichtig te zijn. Beide vogels schenen bij instinct te weten -waarom ik gekomen was, en dat het lot van de adelaarsjongen in mijn -handen lag, als ik de klip maar kon beklimmen. - -Het was een benauwend karweitje, die klimpartij van een driehonderd -voet tegen den steilen rotswand op. Gelukkig was de rots vol naden en -reten door eeuwenlang verweren; struiken en dwergboomen groeiden uit -ontelbare spleten, die me een vast steunpunt voor mijn voeten gaven en -me soms wel meer dan twaalf voet naar boven hielpen. Terwijl ik klom, -kringden de vogels al lager en lager; het sterke ruischen van hun -wieken was nu voortdurend om mijn hoofd; 't leek of ze elk oogenblik -grooter, feller werden, terwijl mijn houvast hoe langer hoe onzekerder -werd en de aarde en de spitse boomtoppen ver wegzonken. Er zat een -goede revolver in mijn zak, om in geval van nood te dienen; maar als de -groote vogels me hadden aangevallen, zou 't me leelijk vergaan zijn, -want van tijd tot tijd was ik verplicht me stevig met beide handen -vast te grijpen, met mijn gezicht naar de klip, zoodoende de adelaars -vrij latend om van boven en van achteren te stooten. Ik geloof nu, -dat, wanneer ik op zoo'n plek angst had getoond, of geschreeuwd had, -of ze weg had trachten te jagen, ze als furiën met wiek en klauw op me -af zouden zijn geschoten. Ik kon 't in hun felle oogen zien wanneer -ik opkeek; maar de gedachte aan de keeren dat ik op ze gejaagd had, -en vooral de herinnering aan dien keer toen ik uit de struiken reikte -en hem had aangeraakt, was Witkop bij en maakte hem bevreesd. Ik ging -dus gestaag mijn gang, zonder schijnbaar een gedachte aan de adelaars -te schenken, ofschoon ik diep in mijn binnenste bang genoeg was, -en bereikte den voet van den boom waarin het nest was gemaakt. - -Daar stond ik langen tijd, met mijn arm om den gedraaiden, ouden -tronk geslagen, uit te kijken over het bosch dat zich uitbreidde in -de diepte, gedeeltelijk om weer moed te verzamelen, gedeeltelijk om -de adelaars gerust te stellen, die vlak bij me kringden met een zekere -ingespannen verbazing in hun oogen, maar voornamelijk om te overleggen -wat me nu te doen stond. In den boom kon ik makkelijk klimmen, maar het -nest--een reusachtige geschiedenis, waar jaarin, jaaruit bij aangebouwd -was--vulde de kruin van den boom geheel, en ik kon geen steunpunt voor -mijn voet vinden, vanwaar ik over den rand kon zien en de arendsjongen -bekijken, zonder het nest stuk te maken. Dat wilde ik niet doen, -en ik twijfelde er aan of de moeder-adelaar het toe zou laten. Wel -twaalf keer scheen ze op het punt zich op mijn hoofd neer te storten, -om het met haar klauwen stuk te rijten; maar steeds zwenkte ze weg als -ik kalm opkeek, en de oude Witkop, die heel duidelijk het teeken van -mijn kogel droeg, zwierde tusschen haar en mij en scheen te zeggen: -"Wacht, wacht. Ik begrijp het niet; maar hij kan ons dooden als hij -het wil--en de jongen zijn in zijn macht." Hij was nu dichter bij me -dan ooit en de schuwheid verdween gaandeweg. Maar de felheid eveneens. - -Van den voet van den boom ging de spleet waar deze in groeide rechts -naar boven en dan weer terug naar de richel boven het nest, waar -Cheplahgan stond toen ik hem ontdekte. De rand van die spleet bood een -duizelingwekkend pad, dat men gaan kon door zich als een kreeft voort -te bewegen, met het gezicht naar de klip en niets dan de struiken daar, -om zich met de vingers aan vast te grijpen. Ten leste probeerde ik het, -kroop twintig voet schuin naar boven en tien weer terug en liet me met -een diepen zucht van verlichting op een breede richel vallen, bedekt -met botten en vischschubben, overblijfselen van menige barbaarsche -smulpartij. Onder me, bijna binnen mijn bereik, was het nest met twee -donkere, rimpelige jonge vogels, die op twijgen en hooi rustten, met -visch, vleesch en gevogelte in een bloederigen, velligen, schubbigen -kring om zich heen--het zag er uit als het allerbloeddorstigste -huishouden, waar 'k ooit ongevraagd naar binnen had gekeken. - -Maar terwijl ik nog zat te kijken en me verbaasde, en uit trachtte te -maken wat voor ander wild ze die jeugdige kannibalen, die ik had helpen -voeren, gebracht hadden, gebeurde er iets vreemds, dat me zoo trof -als weinig dingen onder de dieren der natuur ooit gedaan hebben. De -adelaars waren dicht bij me, toen ze me langs den laatsten rotshoek -volgden en ongetwijfeld in hun hart hoopten dat ik uit zou glijden, en -een eind maken aan hun zorg, en mijn lichaam als voedsel voor de jongen -geven. Terwijl ik nu op de richel aandachtig in het nest zat te turen, -verliet de groote vogelmoeder me en zweefde boven haar adelaarsjongen, -alsof ze hen met haar vlerken zelfs voor 't gezicht van mijn oogen -wilde beschermen. Maar de oude Witkop bleef om me heenkringen. Lager -kwam hij, steeds lager, tot hij, met een uiterste poging van koenheid, -zijn wieken opvouwde en naast me op de richel neerstreek, nog geen -tien voet van me af, waar hij zich omwendde en me aankeek. "Kijk," -scheen hij te zeggen, "we zijn weer in elkaars bereik. Je hebt me -eens aangeraakt; ik weet niet hoe of waarom. Hier ben ik nu om me -aan te raken of te dooden, zooals je verkiest; maar spaar de jongen." - -Een oogenblik later streek de moeder neer op den rand van het nest. En -daar zaten we, met z'n drieën, allen evenzeer in verwondering, met de -jonge adelaars aan onze voeten, de klip boven ons, en driehonderd voet -beneden ons de sparretoppen van de wildernis, die zich uitbreidde om -zich in de bergen te verliezen, aan den overkant van het groote meer. - -Ik zat doodstil, wat de eenige manier is om een dier in de natuur -gerust te stellen; en weldra had Cheplahgan, dunkt me, zijn vrees -en zijn zorg voor de jongen vergeten. Maar zoodra stond ik niet op, -of hij was de lucht weer in en kringde rusteloos boven mijn hoofd met -zijn wijfje, en dezelfde wilde felheid was weer in zijn oogen als hij -neerkeek. Een half uur later had ik den top van de klip bereikt en -toog ik oostelijk naar het meer, langs een heel wat gemakkelijker weg -afdalend, dan die waar ik mee naar boven was gegaan. Daarna kwam ik er -nog herhaaldelijk terug en zag van op een afstand hoe de adelaarsjongen -gevoerd werden. Maar ik ben nooit meer naar het nest toegeklommen. - -Eens, toen ik bij het boschje kwam op de klip, waar ik gewoonlijk -het nest door mijn kijker lag op te nemen, merkte ik, dat er een -adelaarsjong weg was. Het andere stond op den rand van het nest -angstig naar beneden in den afgrond te kijken, waar zijn dapperder -kameraadje zeker heen was gevlogen, en van tijd tot tijd troosteloos te -roepen. Zijn heele houding gaf duidelijk te kennen, dat hij honger had -en boos en verlaten was. Weldra kwam de moeder-adelaar snel uit het -dal met voedsel in haar klauwen. Ze kwam tot den rand van het nest, -zweefde er even boven, als om het hongerige adelaarsjong het voedsel -te laten zien en ruiken, daalde toen langzaam naar het dal, terwijl ze -'t voedsel meenam en het jong op haar manier aanmaande te komen; dan -zou hij het hebben. Hij riep haar hard na van den rand van het nest en -breidde herhaaldelijk zijn vleugels uit om haar te volgen. Maar dat -neerduiken was te griezelig; zijn moed begaf hem; en hij trok zich -veilig weer in het nest terug, trok zijn kop in de schouders, sloot -zijn oogen en trachtte te vergeten dat hij honger had. De beteekenis -van dit tooneeltje was duidelijk genoeg. Ze poogde hem te leeren -vliegen, door hem te verstaan te geven, dat zijn vleugels volwassen -waren en dat de tijd gekomen was om ze te gebruiken; maar hij was bang. - -Na een poosje kwam ze terug; zonder voedsel dezen keer, en zweefde -boven het nest, terwijl ze het jong op alle manieren probeerde -te bewegen er uit te komen. Ze slaagde eindelijk, toen het met een -wanhopige poging opsprong en naar de richel er boven klapwiekte, waar -ik hem met den ouden Witkop had zitten bekijken. Toen, nadat hij de -wereld ernstig van zijn nieuwe plaats had overzien, flodderde hij weer -naar het nest terug en hield zich doof voor alle verzekeringen van -zijn moeder, dat hij net zoo gemakkelijk naar de boomtoppen beneden -kon vliegen, als hij maar wilde. - -Plotseling, alsof ze ontmoedigd was, steeg ze hoog boven hem op. Ik -hield mijn adem in, want ik wist wat er zou gebeuren. Het kleine ding -stond op den rand van het nest den sprong te overwegen, dien hij niet -nemen dorst. Achter hem klonk een scherpe kreet, die maakte dat hij -op zijn hoede was, in de grootste spanning. Het volgende oogenblik -was de moeder-adelaar neergeschoten en had het nest bij zijn pooten -een klap gegeven, zoodat hij met zijn steunpunt van takken samen de -lucht invloog. - -Nu dreef hij, dreef hij in de blauwe lucht, ondanks zichzelf, en -klapwiekte zoo hard hij kon om zich 't leven te redden. Boven hem, -onder hem, naast hem zweefde de moeder op onvermoeide wieken, terwijl -ze hem zachtjes toeriep dat ze daar was. Maar de vreeselijke angst -voor de diepten en de speertoppen van de sparren had het jonge dier -bevangen; zijn wiekgeklepper werd hoe langer hoe wilder; al sneller -en sneller viel hij. Plotseling--meer uit angst leek het mij, dan dat -zijn kracht ten einde was--verloor hij zijn evenwicht en keukelde -halsoverkop de ruimte in. Nu scheen het wel dat 't met hem gedaan -was; hij vouwde zijn vleugels op om tusschen de boomen te pletter -te vallen. Toen schoot de oude moeder-adelaar als een bliksemschicht -onder hem; zijn radelooze pooten raakten haar breede schouders tusschen -haar wieken. Hij richtte zich op, rustte een poosje, kwam weer tot -bezinning; daarna schoot ze plotseling onder hem weg en liet hem op -zijn eigen vlerken neerkomen. Een handvol veeren, door zijn klauwen -er uitgerukt, zegen langzaam achter hem neer. - -Het was alles het werk van een oogenblik, eer ik ze tusschen de boomen -heel in de diepte uit 't oog verloor; als ik ze weer in mijn kijker -kreeg, zat het adelaarsjong in den top van een grooten den en was de -moeder hem aan 't voeren. - -En toen ik daar alleen in de groote wildernis stond, drong het -plotseling voor het eerst duidelijk tot me door, wat de wijze, oude -profeet bedoelde; ofschoon hij het langgeleden schreef, in een ver -verwijderd land en een ander dan Wolkvleugel haar jongen geleerd had, -geheel onbewust van de welgezinde oogen, die het uit een boschje -gadesloegen: "Gelijk een arend zijn nest opwekt, over zijne jongen -zweeft, zijne vleugelen uitbreidt, ze neemt en ze draagt op zijne -vlerken--zoo de Heere." - - - - - - - - -DE INDIAANSCHE NAMEN. - - -Cheokhes, kie-ok-ez', de Amerikaansche "mink", een ottersoort. - -Cheplahgan, tsjep-la'-guan, de Canadeesche arend. - -Ch'geegee-lokh-sis, tsj-dsjie-dsjie'-lok-siz, de zwartkopmees: -parus atricapillus. - -Chigwooltz, tsjigg-woelts', de stierkikvorsch. - -Clote Scarpe, Kloot Skaarp, een fabelachtige held van de Noordelijke -Indianen, zooals Hiawatha. - -Commoossie, kom-moe-sie', een kleine schuilplaats of hut van bast en -takken gemaakt. - -Deedeeaskh, die-die'-ask, de Vlaamsche gaai. - -Eleemos, el-ie'mos, de vos. - -Hawahak, ha-wa-hek', de havik. - -Hukweem, huk-wiem', de groote Noordelijke duiker, of ijsduiker. - -Ismaques, is-ma-kwez', de vischarend. - -Kagax, ke'-guaks, de wezel. - -Kakagos, ka-ka-guoz, de raaf. - -K'dunk, k'dunk', de pad. - -Keeokuskh, kie-o-kusk', de muskusrat. - -Keeonekh, kie'-o-nek, de otter. - -Killoleet, kil'-loe-liet, de witkeel-musch. - -Kookooskoos, koe-koes-koes', de groote oehoe. - -Koskomenos, kos'-kom-ie-nos', de ijsvogel. - -Kupkawis, kup-kee'-wiz, syrnium nebulosum, een gestreepte uil. - -Kwaseekho, kwa-ziek'o, de bergeend. - -Lhoks, loks, de panter. - -Malsun, mel'-sun, de wolf. - -Meeko, mie'-ko, de roode eekhoorn. - -Megaleep, meg'-a-liep, de caribou of 't N.-Amerikaansche rendier. - -Milicete, mil'-i-siet, de naam van een Indiaanschen stam, ook Malicete -geschreven. - -Mitches, mit'-sjes, het gekraagde hazelhoen, een soort "grouse": -bonasia umbellis of Amerikaansche patrijs. - -Moktaques, mok-ta'-kwes, de haas. - -Mooween, moe-wien', de zwarte beer. - -Masquash, mus'kwosj, de muskusrat. - -Nemox, nem'-moks, } - } de vischmarter uit N.-Amer. -Pekquam, pek-wem, } - -Quoskh, kwosk, de blauwe reiger. - -Seksagadagee, sek'-sa-guee-da'-guie, het Canadeesche hazelhoen, -ook een soort "grouse". - -Skooktum, skoek'-tum, de forel. - -Tookhees, tok'-ies, de boschmuis. - -Umquenawis, um-kwie-na'-wiz, de eland. - -Unkwunk, unk'-wunk, het stekelvarken. - -Upweekis, up-wiek'-is, de Canadeesche lynx. - - - - - - - - -AANTEEKENINGEN - - -[1] Hesperomys Leucopus. - -[2] Corvus Corax Principalis. - -[3] Een ottersoort. - -[4] Linnaea Borealis. - -[5] Een vischtuig, waarbij een glimmend, lepelvormig voorwerp achter -de haken is bevestigd. - -[6] Notropis Cornutus. - -[7] Aix Sponsa. - -[8] Mephitis Mephitis. - -[9] Marmota Monax. - -[10] Ceryle Alcyon. - -[11] Astur Atricapillus. - -[12] Tecoma Radicans. - -[13] Felis Concolor. - -[14] Smilax. - -[15] Gewestelijk voor klem. - -[16] Genus Catostomidae. - - - - - - -End of the Project Gutenberg EBook of Boschgeheimen, by William J. Long - -*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK BOSCHGEHEIMEN *** - -***** This file should be named 60224-8.txt or 60224-8.zip ***** -This and all associated files of various formats will be found in: - http://www.gutenberg.org/6/0/2/2/60224/ - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United -States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive -specific permission. If you do not charge anything for copies of this -eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook -for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports, -performances and research. They may be modified and printed and given -away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks -not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the -trademark license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country outside the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you'll have to check the laws of the country where you - are located before using this ebook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm web site -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The -Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm -trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - - - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the -mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its -volunteers and employees are scattered throughout numerous -locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt -Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to -date contact information can be found at the Foundation's web site and -official page at www.gutenberg.org/contact - -For additional contact information: - - Dr. Gregory B. Newby - Chief Executive and Director - gbnewby@pglaf.org - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide -spread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works. - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our Web site which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. - |
