diff options
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 4 | ||||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 | ||||
| -rw-r--r-- | old/60224-8.txt | 3444 | ||||
| -rw-r--r-- | old/60224-8.zip | bin | 73918 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60224-h.zip | bin | 1154008 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60224-h/60224-h.htm | 4020 | ||||
| -rw-r--r-- | old/60224-h/images/back.jpg | bin | 78516 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60224-h/images/book.png | bin | 218 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60224-h/images/card.png | bin | 230 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60224-h/images/cover.jpg | bin | 108327 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60224-h/images/external.png | bin | 159 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60224-h/images/frontispiece.jpg | bin | 96769 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60224-h/images/label.jpg | bin | 5060 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60224-h/images/logo.png | bin | 4023 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60224-h/images/p021.png | bin | 2782 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60224-h/images/p026.png | bin | 2141 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60224-h/images/p030.png | bin | 4802 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60224-h/images/p033.png | bin | 45183 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60224-h/images/p035.png | bin | 16161 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60224-h/images/p039.png | bin | 18782 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60224-h/images/p046.png | bin | 23136 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60224-h/images/p050.jpg | bin | 77149 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60224-h/images/p058.png | bin | 12516 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60224-h/images/p065.jpg | bin | 82304 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60224-h/images/p070.png | bin | 8644 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60224-h/images/p078.png | bin | 7673 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60224-h/images/p081.png | bin | 728 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60224-h/images/p089.png | bin | 15573 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60224-h/images/p091.png | bin | 44530 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60224-h/images/p094.png | bin | 13243 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60224-h/images/p101.png | bin | 44139 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60224-h/images/p103.jpg | bin | 73854 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60224-h/images/p104.png | bin | 40069 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60224-h/images/p108.jpg | bin | 68460 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60224-h/images/p111.png | bin | 7959 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60224-h/images/p117.png | bin | 36699 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60224-h/images/p120.png | bin | 30371 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60224-h/images/rbrace2.png | bin | 166 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60224-h/images/schutblad.jpg | bin | 70615 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60224-h/images/spine.jpg | bin | 13332 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/60224-h/images/titlepage.png | bin | 15432 -> 0 bytes |
42 files changed, 17 insertions, 7464 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..d7b82bc --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,4 @@ +*.txt text eol=lf +*.htm text eol=lf +*.html text eol=lf +*.md text eol=lf diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..9004317 --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #60224 (https://www.gutenberg.org/ebooks/60224) diff --git a/old/60224-8.txt b/old/60224-8.txt deleted file mode 100644 index 40db650..0000000 --- a/old/60224-8.txt +++ /dev/null @@ -1,3444 +0,0 @@ -The Project Gutenberg EBook of Boschgeheimen, by William J. Long - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most -other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of -the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have -to check the laws of the country where you are located before using this ebook. - -Title: Boschgeheimen - -Author: William J. Long - -Illustrator: Charles Copeland - -Translator: Cilia Stoffel - -Release Date: September 2, 2019 [EBook #60224] - -Language: Dutch - -Character set encoding: ISO-8859-1 - -*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK BOSCHGEHEIMEN *** - - - - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg - - - - - - - - - - BOSCHGEHEIMEN - - MET TOESTEMMING VAN DEN SCHRIJVER - WILLIAM J. LONG UIT HET ENGELSCH - VERTAALD DOOR CILIA STOFFEL - TEEKENINGEN VAN CHARLES COPELAND - - - ROTTERDAM MCMXXI - W. L. & J. BRUSSE'S UITGEVERSMAATSCHAPPIJ - - - - - - - - - VAN WILLIAM J. LONG VERSCHIJNEN - IN DE VERTALING VAN CILIA STOFFEL - MET TEEKENINGEN VAN CHARLES COPELAND: - - - 1 DIERENLEVEN IN DE WILDERNIS (3de druk) - 2 KIJKJES IN HET DIERENLEVEN (2de druk) - 3 HET BOSCHVOLKJE - 4 OP EENZAME ZWERFTOCHTEN - 5 BOSCHGEHEIMEN - 6 EEN BROERTJE VAN DEN BEER - 7 OP HERTEN UIT - 8 ZONDER GEWEER OP JACHT - 9 DE WITTE WOLF - 10 LANGS DIERENPADEN IN HET HOOGE NOORDEN - - - - - - - - -INHOUD - - - Inleiding Bladz. 7 - De Boschmuis ,, 11 - Een Verborgen Paadje in de Wildernis ,, 31 - Keeonekh, de Visscher ,, 37 - Koskomenos, de Verstooteling ,, 61 - De oude Beukenpatrijs ,, 80 - Wolkvleugel, de Adelaar ,, 107 - De Indiaansche Namen ,, 129 - - - - - - - - - AAN CH'GEEGEE-LOKH-SIS, - "MIJN VRIENDJE CH'GEEGEE", WIENS - KOMST DEN WINTER BLIJ MAAKT. - - - - - - - - -INLEIDING. - - -Dit boekje is slechts een nieuw hoofdstuk uit het schuwe, wilde leven -in bosch en veld, waarvan "Het Boschvolkje", "Op Eenzame zwerftochten", -"Dierenleven in de Wildernis", "Kijkjes in het Dierenleven" het begin -vormden. Het wordt gaarne gegeven als antwoord op dien roep om meer -van hen, die de vorige deeltjes gelezen hebben en wier brieven vol -vriendelijkheid en waardeering waren. - -Allerlei vragen zijn in den laatsten tijd in diezelfde brieven -opgeworpen; van welke de voornaamste deze is: Hoe kan men zulke -dingen zelf ontdekken? Hoe kunnen ook wij de geheimen ontcijferen -van het Boschvolkje? - -Er is hier geen plaats om te antwoorden, om den langen oefentijd -te beschrijven, zelfs al zou ik precies kunnen verklaren wat min of -meer onbewust geschiedt. Ik wilde slechts vragen of de ware oorzaak, -waardoor wij zoo weinig in de bosschen zien, misschien ook schuilt in -de wijze, waarop wij er ons gedragen--wij praten, lachen, ritselen, -trappen takjes kapot, verstoren den vrede der eenzaamheid door wat de -kleine, wilde wezentjes wonderlijke en barbaarsche geluiden moeten -toeschijnen. Zij, aan den anderen kant, glippen met geruischloozen -gang door de dichte dekking, waar ze thuis zijn, schuw, zwijgend, -luisterend, er meer op uit te hooren dan gehoord te worden; zij houden -van de stilte, haten gerucht en zijn er bang voor, evenals ze hun -natuurlijke vijanden vreezen en haten. - -Wij zouden niet op ons gemak zijn, als een groote wildeman in -ons vreedzame huis kwam, de deur inrammeide, met zijn strijdknots -op meubels hieuw en zijn strijdkreet galmde. We zouden onder die -omstandigheden niet heel natuurlijk zijn. We zouden onze eigenlijke -gezindheid verbergen. Het zou zelfs wel eens kunnen wezen dat we -het huis maar uittrokken. Zoo doet het Boschvolkje ook. Slechts -als we hun gewoonten aannemen, kunnen we verwachten in hun leven en -geheimen te deelen. En het is om verbaasd over te zijn, hoe weinig -bang de schuwste van hen voor ons is, als we maar stil blijven en -alle opwinding vermijden, zelfs van ons gevoel; want ze begrijpen -ons gevoel evenzeer als onze handelingen. - -Een hond weet het wanneer ge bang voor hem zijt, wanneer vijandig, -wanneer vriendschappelijk gezind. Een beer net eender. Raak het hoofd -kwijt, en het paard, waar ge op rijdt, zal er onmiddellijk vandoor -gaan. Verraad eens iets van onderdrukte opwinding, en het hert, -dat ginds sierlijk den oever aftript naar uw kano in 't riet, zal -stampen en brieschen en wegspringen, zonder ooit te weten wat hem -verschrikte. Maar wees rustig, vriendelijk, innerlijk vreedzaam in -diezelfde omstandigheid, en het hert zal, zelfs als het u ontdekt -heeft, nader komen en zijn nieuwsgierigheid op allerlei aardige -manieren toonen, eer het wegdraaft, en nog over zijn schouder kijken -of ge niets meer te zeggen hebt. Wees dan edelmoedig--laat hem 't -geflonker op een kijker zien, 't wapperen van een kleurigen zakdoek, -een tinnen fluitje of een ander prul, dat de herinnering aan een -jongenszak u aan de hand kan doen--en ge loopt kans, dat hij terug -zal komen, daar nieuwsgierigheid zoo rijkelijk beloond werd. - -Dit is nog een punt om te onthouden: alle boschbewoners zijn -nieuwsgieriger naar ons, dan wij naar hen. Ga eens rustig in het -bosch zitten, waar ge wilt, dan zal uw komst dezelfde opschudding -veroorzaken, als een vreemdeling in een stadje tusschen de heuvels -van Nieuw-Engeland. Bedwing uw nieuwsgierigheid, en weldra kunnen -zij de hunne niet meer bedwingen; ze moeten komen onderzoeken wie ge -zijt en wat ge uitvoert. Dan is 't voordeel aan uw kant; want terwijl -hun nieuwsgierigheid bevredigd wordt, vergeten ze vrees en geven u -allerlei aardige kijkjes in hun leven, die ge nooit op een andere -manier zult te zien krijgen. - -Wat den oorsprong van deze schetsen betreft: hij is dezelfde als bij -de vorige--jaren van rustige waarneming in bosschen en velden, en -een paar oude opschrijfboekjes, die de verslagen bevatten van zomer- -en winterkampen in de groote wildernis. - - - WILLIAM J. LONG. - - Stamford, Connecticut, Juni 1901. - - - - - - - - -DE BOSCHMUIS. - - -Kleine Tookhees, de boschmuis [1]--"de bangerd", zooals Simmo haar -noemt--komt altijd twee keer voor den dag, wanneer je piept om haar -te voorschijn te brengen. Na een heele poos rondgegluurd te hebben -schiet zij eerst haar gang uit; gaat dan op haar achterpootjes zitten; -wrijft zich de oogen met haar pootjes uit; kijkt naar boven voor den -uil en achter zich voor den vos, en recht voor zich naar de tent, -waar de man woont; dan duikt zij weer halsoverkop haar tunnel in met -bladgeritsel en een verschrikt gepiep, alsof Kupkawis, het uiltje, haar -gezien had. Dat dient om zichzelf gerust te stellen. Een oogenblik -later komt ze stilletjes weer voor den dag om te kijken wat voor -kruimeltjes je haar gegeven hebt. - -Geen wonder dat Tookhees zoo schuw is, want er bestaat geen plekje op -aarde, of in de lucht, of in 't water, behalve haar eigen holletje -onder den bemosten steen, waar zij veilig is. Boven haar loeren -'s nachts de uilen, en de haviken overdag; in de wildernis is er -rondom haar heen geen rondsluipende roover, van Mooween, den beer, -langs een heele reeks van overgangen af, tot Kagax de wezel toe, of -hij zal onder elken ouden tak of boomstam snuffelen in de hoop er een -boschmuis te vinden; en als zij eens uit zwemmen gaat, wat zij zoo -graag doet, is er geen dikke forel in de rivier, die haar draaikolk -niet in den steek zal laten om op het kleine, kleine rimpeltje af te -schieten, dat dapper op den overkant van den stroom aanhoudt. Met al -die vijanden, die er op loeren haar te vangen, zoodra zij zich maar -buiten waagt, moet ze wel eens schijnbewegingen maken als ze uitgaat, -om te onderzoeken waar de kust vrij is. - -Dit is de reden waarom ze altijd terugschiet, wanneer ze den eersten -keer te voorschijn is gekomen, waarom je wel twee- of driemaal een -snellen glimp van haar opvangt, nu hier, dan daar, voordat zij in -het licht verschijnt. Ze weet dat haar vijanden zoo hongerig zijn, -zoo bang dat ze ontsnappen zal of dat iemand anders haar zal vangen, -dat ze al op haar afspringen zoodra ze maar een snor vertoont. Zoo -belust zijn ze op haar vleesch en zoo overtuigd, wanneer ze haar gemist -hebben, dat het neersuizen van vlerken of het dichtklappen van roode -kaken haar van schrik wel voor goed hebben doen wegschuilen, dat ze -een ander spoor gaan volgen. En als een rondsluipend dier achter een -boomstomp om zit te loeren en Tookhees vliegensvlug weg ziet glippen -en haar verschrikt gepiep hoort, dan denkt het heel natuurlijk dat die -scherpe oogjes den staart gezien hebben, dien het verzuimde om zich -heen te rollen; dus druipt het af, alsof het zich schaamde. Zelfs de -vos, die een onuitputtelijk geduld heeft, is niet zoo leep geworden, -dat hij Tookhees' tweede verschijning leerde afwachten. En dat is -'t behoud voor de kleine "bangerd". - -Eén toevlucht voor al deze vijanden heeft Tookhees: het uitgeholde -nestje achter het aardige holletje onder den bemosten steen. Weliswaar -kunnen de meeste van haar vijanden graven, maar haar gang kronkelt -zich zóo, dat ze van buiten aan den ingang nooit kunnen nagaan waar -ze heenleidt, en in de wildernis zijn geen slangen om haar achterna -te gaan en het te onderzoeken. Ik heb wel een paar maal de plek -gezien, waar Mooween den steen omgekeerd had en de aarde er onder -uitgekrabbeld, maar gewoonlijk zit er wel een taaie wortel in den -weg en komt Mooween tot de slotsom, dat hij zich veel te veel moeite -geeft voor zoo'n mondjevol, en hij sjokt weg naar de boomstomp, -waar de roode mieren wonen. - -Op haar tochten door het bosch vergeet Tookhees nooit de mogelijke -gevaren. Ze beweegt zich voort in een opeenvolging van schokken, -plotselinge wendingen, al springend, al wegschuilend. Na lang -rondspeuren komt ze haar holletje uit en schiet als een vischje door -'t mos naar een opgewipten boomwortel. Daar gaat ze overeind zitten -luisteren, terwijl ze zenuwachtig over haar snorren strijkt. Dan glipt -ze een paar voet langs den wortel, valt op den grond en verdwijnt. Ze -verstopt zich daar onder een dor blad. Een oogenblik stilte en--ze -springt op als een duiveltje-uit-een-doosje. Nu zit ze boven op het -blad, dat haar bedekte, weer haar snorren te wrijven, terwijl ze -omkijkt naar haar spoor, alsof ze voetstappen achter zich hoorde. Dan -weer een zenuwachtig vooruitschieten, een gepiep om tegelijk haar -ontvluchting en haar aankomst aan te kondigen, en ze verdwijnt onder -den ouden, met mos begroeiden stam, waar haar makkers huizen, een -heele kolonie. - -Dit alles en nog veel meer ontdekte ik in die eerste vacantie, toen ik -het wilde volkje begon te bestudeeren, dat binnen den gezichtskring -van mijn tent woonde. Ik had lange tochten gemaakt achter beer en -bever aan, ik had vergeefsche jachten gehouden op den ouden Witkop den -adelaar, en Kakagos den uil, op de boschraaf [2], om tot de simpele -ontdekking te komen, dat er zich in den warmen kring van mijn kampvuur -een wild volkje schuilhield, wiens leven nog onbekender en minstens -even merkwaardig was als van de grootere dieren, die ik was gevolgd. - -Op een dag, toen ik bedaard naar het kamp terugkeerde, zag ik Simmo -geheel verdiept in de beschouwing van iets bij mijn tent. Hij stond -naast een hoogen berk met een hand tegen den bast, dien hij den -komenden winter voor zijn nieuwe kano wilde nemen; de andere hand -omklemde zijn bijl nog, die hij een oogenblik te voren opgeraapt had -om het tempo, waarin de ketel met boonen zong, te versnellen. Zijn -bruine gezicht, waar een uitdrukking van kinderlijke aandacht op -te lezen stond, gluurde achter den boom. Ik sloop nader zonder -dat hij me hoorde, maar ik kon niets zien. Het was doodstil in het -bosch. Killooleet zat te dommelen bij zijn nest; de meesjes waren -verdwenen, wel wetend dat het geen etenstijd was, en Meeko, de roode -eekhoorn, had zoo dikwijls van den sparretop naar den grond moeten -springen, dat hij nu mistroostig in zijn eigen spar zijn pijnlijke -zolen bleef likken en als een bezetene aan 't schelden ging, zoodra -ik maar naderde. Nog steeds tuurde Simmo, alsof er een beer op zijn -aas afkwam, tot ik fluisterde: "Quiie, Simmo, wat is het?" - -"Nodwar k'chee Toquis; ik zie de bangerd," zei hij, onbewust in zijn -eigen dialect vervallend, dat de zoetste taal ter wereld is, zoo zacht, -dat het wilde goedje niet verontrust wordt, wanneer het die hoort, -en niet anders meent dan dat het een sterker ruischen in de dennen, -of een zachter frutselen van den stroom tegen de rotsen is.--"O, -sapperloot, kijk eens! Hij zijn snuit wasschen in je kopje." En toen -ik op de teenen aansloop en naast hem kwam staan, zat Tookhees daar -op den rand van mijn kopje, waar ik een nieuw toplijntje in had staan -weeken, om 's avonds mee te visschen, ijverig bezig haar snuitje -te poetsen, als een jongen met iemand achter zich om toe te kijken, -dat hij ooren of nek niet overslaat. - -Koude morgens uit mijn eigen jongenstijd schoten me te binnen en ik -keek achter haar om te zien, of het bij haar ook gedwongen gebeurde, -maar er was geen andere muis te zien. Twee handjesvol water schepte zij -op, wreef ze haastig over neus en oogen en dan achter haar ooren--op de -plekjes die je 't gauwst wakker maken, wanneer je slaperig bent--toen -nog een handvol water en nog een flinken veeg, die net als den eersten -keer achter haar oor eindigde. - -Simmo was een en al verbazing, want een Indiaan merkt weinig in het -bosch op, behalve wat bij zijn vallen-zetten en jagen te pas komt; en -een muis haar snuitje te zien wasschen was hem even onbegrijpelijk, als -mij een boek te zien lezen. Maar alle boschmuizen zijn heel zindelijk -en hebben niets van die sterke luchtjes van onze huismuizen. Later, -toen ik haar leerde kennen, zag ik dikwijls hoe ze zich waschte in -het bord met water, dat ik voor haar holletje gezet had en steeds vol -hield; zij waschte echter nooit meer dan haar snuitje en 't gevoelige -plekje achter haar ooren. Als ik haar dan echter weer eens in het -meer of in de rivier zag zwemmen, heb ik me soms afgevraagd of ze op -reis was, of alleen baadde omdat ze 't zoo prettig vond, net als ze -haar snuitje in mijn kopje waschte. - -Ik liet het kopje staan waar 't stond, en strooide een feestmaaltijd -voor de kleine gast: beschuitkruimels en een stuk van een -kaarsstompje. Den volgenden morgen waren ze verdwenen; de sporen van -verscheiden muizen verrieden duidelijk wie er aangelokt waren uit de -verscholen paadjes der wildernis. Dat was de eerste kennismaking van -mensch en dier. Weldra kwamen ze geregeld. Ik hoefde maar kruimeltjes -te strooien en een paar keer als een muis te piepen, of schichten en -glimpen verschenen op 't mos of tusschen het verbleekte goud van het -tapijt der oude berkeblaren, en de schuwe wezentjes kwamen aan mijn -disch, met oogjes die glommen als git, met hun fijne pootjes opgeheven -om hun snorren te poetsen of om zich te beschermen tegen den angst, -waarin ze voortdurend leefden. - -Ze waren niet allemaal gelijk; integendeel juist. Een, dezelfde -die zich in mijn kopje gewasschen had, was grauw en oud, en wijs -doordat zij haar vijanden zoo dikwijls ontdoken was. Haar linkeroor -was gespleten tengevolge van een vechtpartij, of door den klauw van -een uil, die haar net gemist had toen zij onder een wortel ontglipte. - -Zij was de schuwste en tegelijk de brutaalste van het troepje. Een -paar dagen lang naderde zij met wonderlijke behoedzaamheid; van elk -dor blad, van elk wortelkluwen maakte zij gebruik om haar nadering te -verbergen, en over de open plaatsen schoot zij zoo snel, dat je niet -wist wat er gebeurd was--slechts een donker veegje, dat eindigde in -niets. En het bruine blad verried niets van wat het verborg. Maar -eenmaal zeker van haar zaak, kwam zij brutaal. Voor dat groote -mensch-dier, met zijn gezicht dicht bij de muizentafel, doodstil, -behalve zijn oogen, met een hand die voorzichtig bewoog, als ze bewoog, -hoefde zij niet bang te wezen--dat voelde Tookhees instinctmatig. En -dat vreemde vuur met die hongerig-makende geuren, de witte tent, het -komen en gaan van menschen, die heer en meester in de bosschen waren, -hielden vos en lynx en uil op een grooten afstand--dat merkte zij na -een paar dagen. Alleen de "mink" [3], die 's nachts aan kwam sluipen -om de visch van den man te stelen, dat was er een om bang voor te -zijn. Dus gaf Tookhees voorloopig haar nachtelijke gewoonten op en -kwam zij brutaal in 't zonlicht voor den dag. Gewoonlijk komen de -beestjes in de schemering te voorschijn, als hun snelle bewegingen -te loor gaan in de kruipende, bevende schaduwen. Maar als hun vrees -gevlogen is, zijn ze maar wat blij in 't daglicht rond te kunnen -draven, vooral wanneer allerlei lekker eten hen lokt. - -Behalve de oudgediende was er een muizenmoedertje, wier kleine, -grijze jasje toch wel groot genoeg was om een heerlijke moederliefde -te bergen, zooals ik later merkte. Ze at nooit aan mijn disch, maar -droeg haar deel weg om 't ergens te verstoppen, niet om 't aan haar -kleintjes te voeren--daar waren ze nog te jong voor--; maar achter -de heldere oogjes zeiden haar gedachten zeker onbewust, dat zij haar -noodig hadden en dat ze om hunnentwil met grooter voorzorg voor haar -leven moest waken. Ze sloop dus schuw naar mijn disch; altijd verscheen -ze van onder een grijzen bastreep op een gevallen berk, nam denzelfden -weg: eerst naar een bemosten steen, dan naar een donkere holte onder -een wortel, vervolgens naar een lage varen en langs den onderkant -van een stuk hout naar de muizentafel. Daar stopte ze haastig beide -wangen vol, tot ze zoo dik waren alsof ze kiespijn had en glipte langs -denzelfden weg weer heen, om eindelijk onder den grijzen bastflard -te verdwijnen. Langen tijd was 't me een raadsel, hoe 'k haar nest -moest ontdekken, dat niet ver af kon zijn, zooals ik wist. Het was -niet in den berkestam, waar ze in verdween--die was hol over de heele -lengte,--ook niet daar ergens onder. Op eenigen afstand lag een groote -steen, half door het groene mos bedekt, dat er aan alle kanten tegen -opstond. Het zorgvuldigste onderzoek had hier gefaald, geen spoor van -Tookhees' holletje had ik kunnen ontdekken. Zoo nam ik op een dag, -toen het een halven storm woei en ik in mijn eentje het meer op wilde, -dien steen op, om hem in den boeg van mijn kano te leggen. Dat was om -het bootje vaster te doen liggen; dan zakte de neus zoo ver, dat ze -'t water kon pakken. Toen kwam 't geheim aan den dag; daar was het, in -een koepeltje van dor gras tusschen wat dennewortels onder den steen. - -De moeder was op voedsel uit, maar een zwak sissend gepiep verried -me, dat de jongen thuis waren en hongerig als gewoonlijk. Terwijl -ik stond te kijken, was er een snelle beweging in een gang tusschen -de wortels en kwam moeder muis terugsnellen. Ze stond even stil -met haar voorpootjes tegen een wortel, om lucht te nemen van 't -gevaar dat er dreigde. Toen zag ze mijn gelaat over de opening -gebogen--Et tu Brute!--en ze schoot het nest in. In een oogwenk -was ze er weer uit en verdwenen in haar gang, terwijl de kleintjes -onder 't voortsnellen aan haar flanken hingen, zoo stijf, dat ze er -niet af konden vallen--allemaal, op één na, een teer, rose diertje, -dat je in een vingerhoed kon verstoppen en dat zich vol vertrouwen -in het donkerste hoekje van mijn hand nestelde. Het duurde tien -minuten, voordat het moedertje terugkwam en angstig naar 't verloren -kleintje zocht. Toen ze 't veilig in zijn eigen nest ontdekte, met -dat mannengezicht, dat nog steeds keek, was ze half gerustgesteld; -maar toen ze zich neerwierp en het jong begon te drinken, werd ze -weer bang en draafde haar gangetje in, terwijl het kleintje zich aan -haar flank vastklemde, maar dezen keer stevig. - -Ik legde den steen weer op zijn plaats en trok er het mos zorgvuldig -omheen. Een paar dagen later was de muizenmoeder weer aan mijn -disch. Ik sloop weg naar den steen, hield mijn oor er dicht tegenaan -en hoorde met innige voldoening kleine piepgeluidjes, die me verrieden -dat het huis weer bewoond was. Daarna bleef ik spieden om te zien -langs welk paadje moeder muis de haren bereikte. Toen ze haar wangen -vol had, verdween ze langs haar gewonen weg onder den bastreep. Deze -leidde haar naar het holle binnenste van den berkestam, dien ze ten -einde toe volgde; daar hield ze even op, oogen, ooren, neusgaten -in de weer. Dan sprong ze naar een wirwar van wortels en dor blad, -waar beneden een gang was, die diep onder het mos recht naar haar -nest onder den steen voerde. - -Behalve deze oudere muizen waren er vijf of zes jongere, alle schuw, -op één na, die van den beginne af niet de minste vrees toonde, maar -recht op mijn hand afkwam, haar kruimeltjes opat en tegen mijn mouw -opkroop, waar zij zich een warm nestje begon te maken door wol van -mijn flanellen hemd af te knabbelen. - -Een groote tegenstelling met dit kereltje vormde een ander, dat maar -al te wel wist wat vrees beteekende. Het hoorde tot een anderen stam, -die nog niet gewend was geraakt aan de menschelijke gewoonten. Ik -merkte te laat hoe zorgvuldig je met die wezentjes om moet gaan, -die voortdurend in 't land leven waar de vrees regeert. - -Een eindje achter mijn tent lag een gevallen boomstam, vermolmd en met -mos begroeid, waarover tweeling-bloemen [4] haar klokjes wiegelden -over zijn heele lengte en waar een heele kolonie boschmuizen onder -woonden. Ze aten de kruimels, die ik bij den boom strooide, maar -ze waren nooit naar mijn disch te lokken. Was het omdat ze geen -oudgediende met gespleten oor bezaten om de gewoonten van den mensch -te bespieden, of omdat mijn eigen kolonie ze verjoeg? Ik heb het nooit -kunnen uitmaken. Eens zag ik Tookhees onder den zwaren stam wegduiken -toen ik naderde, en omdat ik niets belangrijkers te doen had, legde -ik een grooten kruimel bij haar gaatje, strekte me uit op het mos, -verstopte mijn hand in een dorre varen dicht bij het verleidelijke -beetje en piepte den lokroep. In een oogwenk verschenen Tookhees' -neus en oogen in haar deurtje, terwijl haar snorren zenuwachtig trilden -toen zij het kaarsvet rook. Maar zij voelde achterdocht voor het groote -ding; of misschien rook zij den mensch en was bang, want na herhaalde -keeren schuilevinkje te hebben gespeeld, verdween zij heelemaal. - -Ik vroeg me af hoe lang haar honger met haar voorzichtigheid zou -strijden, toen ik het mos bij mijn lokaas van onderen in beweging -zag komen. Een kleine golving van de mosbloemetjes, en Tookhees' -neus en oogen kwamen een oogenblik uit den grond te voorschijn, -terwijl zij alle richtingen uit snuffelde. Haar bedoeling was nu -duidelijk genoeg; zij was bezig een gang te graven om bij het beetje -te komen dat zij openlijk niet durfde te nemen. Ik zat met ademlooze -belangstelling toe te kijken, toen er een zwakke trilling, dichter bij -mijn lokaas, verried waar zij met haar werk vorderde. Daarna werd het -mos behoedzaam bewogen, dicht bij haar doel; een holletje opende zich, -het stukje viel er in en Tookhees was verdwenen met haar buit. - -Ik legde nog meer kruimeltjes uit mijn zak op dezelfde plek en weldra -waren drie of vier muizen bezig er aan te knabbelen. Eén zat op, -vlak bij de dorre varen, met een stukje brood in haar voorpooten, -als een eekhoorn. Plotseling bewoog de varen; voordat zij springen -kon, sloot mijn hand zich over haar en terwijl 'k mijn andere hand -onder haar liet glijden, bracht ik haar bij mijn gezicht om haar -tusschen mijn vingers door gade te slaan. Zij maakte geen beweging -om te ontkomen, maar trilde hevig. Haar pootjes schenen nu te zwak -om haar gewicht te dragen; zij ging liggen; haar oogjes vielen toe; -een stuiptrekking--en zij was dood--van angst gestorven in een hand -die haar niets gedaan had. - -Bij deze kolonie, wier leden me alle vreemd waren, leerde ik op -een eigenaardige manier de gewoonte van de boschmuizen kennen om -bezoeken af te leggen, en tegelijkertijd kreeg ik nog een les, die ik -niet gauw vergeten zal. Dagenlang had ik op elke geoorloofde manier -tevergeefs gepoogd een groote forel te vangen, een monster in haar -soort, die in een draaikolk achter een rots hoogerop, waar 't water -het meer instroomde, woonde. Forellen waren schaarsch in dat meer en -'s zomers zijn de groote visschen altijd lui en moeilijk te snappen. Ik -had het grootste deel van den tijd zin in forel, want de visch die -ik gevangen had was klein en 't was niet veel, en het ging met lange -tusschenpoozen. Maar verscheiden keer als ik van den oever af, daar -waar 't andere water binnenstroomde, ingooide om vischjes te vangen, -had ik wielingen in een groote draaikolk dicht bij den tegenovergelegen -oever gezien, die me duidelijk groote visch daaronder verrieden; en -eens, toen een reusachtige forel over haar halve lengte boven water -achter mijn vlieg aanschoot, verloor de katvisch alle bekoring en -beloofde ik mezelf het genot, dat 'k mijn hengel zou voelen buigen -en sidderen onder het voortjagen van die groote forel, al moest de -heele zomer er mee gaan. - -Vliegen gaven niets. Ik bood er haar een boekvol van aan in alle -verscheidenheid van vorm en kleur, bij 't uchtendkrieken en in de -schemering, zonder haar in verzoeking te brengen. Ik probeerde larven, -waar baars van houdt, een kikkerpoot, dien geen snoek kan weerstaan, -en kikkertjes, zulke waarop groote forellen tusschen licht en donker -te midden der leliebladen jagen--maar niets kon haar bekoren. En -toen watertorren en 't staartpuntje van een rooden eekhoorn, wat -'t beste vischaas ter wereld is, en spartelende sprinkhanen en een -"zilveren-lepel" [5] met een leelijk "stel" haken, die ik verafschuw, -en ik herinner me dankbaar dat de forellen die ook verafschuwden. Daar -lagen ze in hun groote, koele draaikolk en namen lui wat de stroom -hun aan voedsel toevoerde en hadden geen aandacht voor eenigerlei -list. Daarop ving ik stroomop een roodvin [6], haakte haar zorgvuldig -aan, legde haar op een grooten houtspaander, wikkelde mijn snoer er -omheen en liet dien stroomaf drijven, terwijl het snoer zachtjes -naar achteren afwikkelde bij 't wegdrijven. Toen hij de draaikolk -bereikt had, beurde ik het tipje van mijn hengel op; het snoer ging -strak staan; de roodvin sprong overboord en een forel van twee pond, -die zeker dacht dat het kleine ding verscholen had gezeten onder -den spaander, dook op en slikte het in. Dat was de eenige die ik -ving. Haar worsteling had het diepe water in beroering gebracht en -de andere forellen gaven verder niet meer om roodvinnen. - -Later, terwijl ik eens bij dageraad op een groot rotsblok zat te -prakkizeeren over nieuwe lokmiddelen en krijgslisten, trof een beweging -in een elzestruik aan den overkant van den stroom mijn oog. Daar glipte -Tookhees de boschmuis langs de takjes; 't was haar klaarblijkelijk om -de zwarte katjes te doen, die nog aan de uiteinden hingen. Terwijl ik -naar haar stond te kijken, viel of sprong zij van haar twijgje in het -stille water onder zich en nadat zij een oogenblik rondgekringd had, -begon zij dapper den stroom over te zwemmen. Ik kon haar neus niet -zien terwijl zij zwom, een rimpelende wig tegen het zwarte water, -die een steeds wijder wordende V als een sleep achter zich liet. De -trek duwde haar stroomaf; zij raakte den rand van de groote draaikolk; -een wieling, een harde plons van onder op, en Tookhees was verdwenen -zonder een spoor achter te laten, behalve een snellen kring van -rimpels, die verzwolgen werden door de draaiingen en kolken achter -de groote rots.--Ik had ontdekt welk aas de groote forel graag had. - -Terwijl 'k me naar het kamp terughaastte, laadde ik een patroon luchtig -met wat fijnen hagel, strooide een paar kruimeltjes in de buurt van -den dikken stam achter mijn tent, piepte een paar keer den lokroep -en ging zitten wachten. "Die muizen zijn eigenlijk vreemdelingen -voor me," vertelde ik mijn geweten, dat een beetje protesteerde, -"en de bosschen zijn er vol van en ik wou die forel graag hebben." - -Even later ontstond er een geritsel in het mossige holletje en kwam -Tookhees te voorschijn. Zij schoot over het open terrein, greep -een kruimel in haar bekje, ging op haar achterpootjes zitten, nam -den kruimel in haar voorpootjes en begon te eten. Ik had het geweer -opgeheven in de meening dat zij wel een keer of wat zou schuilen, -voordat 'k haar onder schot kreeg. Haar brutaliteit verbaasde me, maar -ik herkende haar niet. Nog steeds ging mijn oog langs de loopen en over -de korrel, tot waar Tookhees haar kruimel zat op te eten. Mijn vinger -drukte den trekker.--"O, jou leelijke moordenaar," zei het geweten, -"bedenk toch hoe klein zij is en wat een groot spektakel je geweer -zal maken! Schaam je je niet?" - -"Maar ik wou die forel graag hebben," wierp ik tegen. - -"Vang ze dan zonder dit kleine, onschuldige ding," zei 't geweten -onverbiddelijk. - -"Maar zij is me heelemaal vreemd; ik heb nooit--" - -"Zij eet je brood en je zout," zei het geweten. Dat gaf den doorslag; -en warempel, terwijl ik nog naar haar keek over de korrel, eindigde -Tookhees haar kruimel, kwam naar mijn voet toe, glipte langs mijn been -op mijn schoot en keek me vol verwachting aan. Het grijze velletje en -'t gespleten oor toonden de welkome gast aan mijn tafel van een week -geleden. Zij was op bezoek bij de vreemde kolonie, zooals boschmuizen -zoo graag doen, en trachtte ze door haar voorbeeld te overreden, -dat ze me net zoo konden vertrouwen als zij. Beschaamder dan alsof -'k er op betrapt was een kwartel op den grond te schieten, gooide ik -de huls weg die bijna mijn vriendinnetje gedood had, en keerde naar -het kamp terug. - -Daar maakte ik een muis uit een stukje vacht van een muskusrat, met een -stuk van mijn leeren veter er als staart aangenaaid. Zij beantwoordde -prachtig aan haar doel, want binnen het uur mocht ik grootte en pracht -van een reusachtige forel, die in haar volle lengte op de rots naast me -lag uitgestrekt, bewonderen. Maar toen 'k den volgenden keer ingooide, -verloor 'k mijn lokmuis; ze bleef met een stuk van mijn toplijntje -in den bek van een tweede forel achter, die naar boven schoot, op -'t zelfde oogenblik dat zij haar draaikolk aanraakte. - -Daarna waren de boschmuizen veilig, wat mij betrof. Geen forel, -al was ze zoo groot als een zalm, zou ze ooit proeven, tenzij ze -lust hadden om te gaan zwemmen; en ik hield hun disch beter voorzien -dan vroeger. Ik heb veel van hun bezoeken heen en weer gezien, en ik -heb beter begrepen wat die gangen toch te beteekenen hebben, die in -'t voorjaar te zien zijn als de laatste sneeuw wegsmelt. In een hoek -van het bosch, waar de driftsneeuw hoog ligt, zal men dikwijls een -menigte gangen vinden, die uit alle richtingen in een kamer middenin -uitmonden. Ze spreken van Tookhees' gezellige natuur, van haar lange -bezoeken bij haar makkers, niet gestoord door sprong of knauw, als de -opeengepakte sneeuw daarboven den angst van 's zomers heeft weggevaagd -en haar beveiligt voor havik en uil en vos en wilde kat, en als geen -open water haar er toe verleidt te gaan zwemmen waar Skooktum, de -groote forel, hongerig op muizen onder haar draaikolk ligt te wachten. - - - -De weken vloden maar al te snel, zooals het geval is met weken in -de wildernis, en de droevige taak van ons kamp op te breken lag -vlak voor ons. Eén ding baarde me echter zorg--de kleine Tookhees, -die geen vrees kende, maar een nestje probeerde te maken in de mouw -van mijn flanellen hemd. Haar argeloos vertrouwen trof me meer dan -de eigenaardige gewoonten van alle andere muizen. Elken dag kwam -zij om haar kruimeltjes te halen, niet van mijn disch, maar uit mijn -hand. Zij genoot er klaarblijkelijk van de warmte onder 't eten en -zij kreeg altijd de uitgezochtste beetjes. Ik wist echter dat zij, -wanneer ik heengegaan was, de eerste zou zijn die door den uil werd -gegrepen, want alleen de vrees redt het wilde volkje. - -Zoo nu en dan treft men dieren aan, onder allerlei soort, die het -instinct van de vrees missen--een kikker, een jonge patrijs, een -elandenkalf--en dan vraagt ge u verbaasd af welke gouden eeuw, die de -vrees niet kende, of welk heerlijk visioen van Jesaja, waarin de leeuw -bij het lam nederligt, daar werkelijkheid is geworden. Ik heb zelfs -een jonge zwarte eend, wier natuurlijke geaardheid zoo wild is als -de wildernis zelf, gezien, die niets van haar moeders noodsignalen -en haar voortdurende lessen in 't wegschuilen had geleerd, maar op -mijn kano kwam aandobberen tusschen de waterplanten van een meer -in de wildernis, terwijl haar makkers onzichtbaar wegdoken in hun -schuilplaatsen van overbuigend riet en haar moeder er klapwiekend -van doorging met geplas en gekwaak, en een vlerk liet slepen om me -van haar jongen weg te lokken. - -Het jong, dat geen vrees kent, wordt gewoonlijk door zijn moeder in -den steek gelaten, of wel hij zal de eerste zijn, die in den strijd -tegen den sterke valt, voordat ze hem als hopeloos opgeeft. Kleine -Tookhees behoorde klaarblijkelijk tot deze klasse; dus vóór mijn -vertrek stelde ik het mijzelf tot taak haar de vrees te leeren kennen, -wat blijkbaar voor de Natuur en voor haar eigen moeder te veel was -geweest. Ik kneep haar een paar keer, en terwijl ik dat deed, kraste -ik als een uil--een schrikwekkend optreden, dat de andere muizen -als bruine schichten halsoverkop naar een schuilplaats joeg. Daarna -zwaaide ik met een tak boven haar, alsof 't de vleugel van een havik -was, terwijl 'k er haar tegelijkertijd pardoes een klap mee gaf, -zoodat zij een doodschrik kreeg. En dan weer, als zij voor den dag -kwam, terwijl er een nieuw licht in haar oogjes daagde: het licht -van de vrees, maakte 'k met een stok een schuifelende beweging in -de varens als van een sluipenden vos en gaf haar een flinken tik -met een sparretwijg. Het was een harde les, maar zij kende ze na een -dag of wat. En nog eer ik mijn onderwijs staakte, was er geen muis, -die aan mijn disch wilde komen, hoe overredend ik ook piepte. In de -schemering schoten ze rond als eertijds, maar het eerste suizen van -mijn tak joeg ze in een ommezien naar haar schuilplaats terug. - -Dat was haar hardhandige, maar afdoende voorbereiding tegen de -rooverbende, die weldra over mijn kampplaats zou rondsluipen. Dan zou -een heimelijke beweging in de varens, of een neerschietende schaduw -tusschen de schaduwen der schemering heel wat anders beteekenen dan -een schuifelende tak en een wuivende sparretwijg. Een hap, een greep, -en tanden en klauwen--loop wat je loopen kunt en kijk pas naderhand -waarom! Zoo hoort het voor een verstandige boschmuis. Ik groette ze -dus en liet ze achter om op zichzelf te passen in de wildernis. - - - - - - - - -EEN VERBORGEN PAADJE IN DE WILDERNIS. - - -Op een dag in de wildernis, toen mijn kano een prachtig gedeelte van -een rivier afgleed, merkte ik een paadje op dat door riet en biezen -ging, in een rechten hoek op de richting van den stroom. Nadat ik mijn -kano er heengewend had, ontdekte ik iets, dat een aanlegplaats voor -het boschvolkje op hun riviertochtjes scheen te zijn. Het moerasgras, -dat rondom dicht stond, was hier naar binnen gebogen en maakte een -glimmend groen kanaal van de rivier uit. - -Op den modderigen oever stonden veel prenten van "mink" en muskusrat en -otter. Hier had een groote eland staan drinken; en daar had een bever -het gras afgeknaagd en een moddertaartje gemaakt, waar middenin een -beetje muskus de geheele buurt doorgeurde. Het was den vorigen avond -gebeurd, want de indrukken van zijn voorpoot toonden nog duidelijk -waar hij zijn taartje glad geklopt had, eer hij heenging. Maar de -plek was meer dan een landingsplaats; een paadje ging den oever op, -het bosch in, even vaag als het groene waterweggetje tusschen de -biezen. Hooge varens bogen er zich overheen om het te verstoppen, -ranke grassen, die zachtjes op zij geduwd waren, trachtten er zoo -goed als 't ging natuurlijk uit te zien; de elzen wuifden hun takken -dicht opeen en zeiden: "Hier is geen weg." Maar daar was hij, een -pad voor 't boschvolkje. En toen ik het volgde, de schaduw en stilte -der bosschen binnen, was de eerste mossige stam, die er over lag, -glad gesleten door 't gaan van veel kleine pootjes. - -Bij mijn terugkomst gleed Simmo's kano in 't zicht, en ik wenkte hem -naar den oever. De lichte boot van berkebast kwam met een zwenk naast -de mijne, met een diepe waterplooi juist onder de kromming van haar -boeg en een welluidend geklater, als 't gorgelen van water tegen een -mossigen steen--dat was het eenige geluid. - -"Wat beteekent dit paadje, Simmo?" - -Zijn scherpe oogen namen met een oogopslag alles in zich op: den -wuivenden waterweg, de prenten, het vage paadje naar de elzen. Er -stond verbazing op zijn gezicht te lezen, dat ik maar zoo toevallig -een ontdekking had gedaan, waar hij menigmaal tevergeefs naar had -uitgekeken met zijn vallen op den rug. - -"Dat om af te snijden," zei hij gewoonweg. - -"Om af te snijden! Maar wie moest er hier afsnijden?" - -"Nou, Musquash waarschijnlijk 't eerst doen dat. Toen bever, toen -otter, toen iedereen die haast, doen dat. Kijk, de rivier hier maken -groote bocht. Pad rechtuit gaan, tijd sparen, net precies als Indiaan -die afsnijden." - -Dat was het eerste van wel twaalf zulke paden die ik sindsdien aantrof -en die de bochten van rivieren in de wildernis doorsneden,--de manier -die 't boschvolkje er op nahoudt om op reis tijd uit te sparen. Ik -liet Simmo verder gaan, de rivier af, terwijl ik het verscholen paadje -nieuwsgierig volgde. Er is niets zoo verleidelijk in de bosschen, -als het wilde goedje na te prenten en te zien wat ze uitgevoerd hebben. - -Maar helaas, mijn voeten waren de eerste menschelijke voeten niet, -die den tocht ondernomen hadden! Halverwege, op het punt waar het -pad over een beekje leidde, vond ik een val dwars over den weg van -argelooze pootjes. Ze verschilde van elke andere die ik ooit gezien -had en was zoo gemaakt: - -Die kleine stok (trekker noemen de "trappers" hem), waarvan het eind -een centimeter of vijf boven den ondersten stam in de lucht steekt, -net zoo hoog dat een bever of een otter er heel gewoon zijn poot -op zou zetten als hij er overheen ging, ziet er onschuldig genoeg -uit. Maar als ge goed toekijkt, zult ge zien dat het, bij den minsten -of geringsten druk die er op uitgeoefend werd, onmiddellijk den krommen -tak, die het valblok vasthoudt, los zou maken en het doodelijke ding -met verpletterend gewicht op den rug van eenig dier er onder terecht -zou doen komen. - -Dat zijn de valstrikken, die Keeonekh, den otter, in den weg liggen, -als hij uit vrijen gaat en Musquash's dwarspad gebruikt om zijn tocht -te bekorten. - -Aan den anderen kant van het dwarspad wachtte ik af, tot Simmo om de -bocht kwam en nam hem mee terug om het werk te bekijken, terwijl ik -de hartelooze zorgeloosheid van den "trapper" veroordeelde, die in 't -voorjaar weg was gegaan en een niet ontspannen val had achtergelaten -als een bedreiging voor 't wilde goedje. Op 't eerste gezicht maakte -hij uit dat 't een otterval was. Toen kwamen er plotseling vrees en -verbazing op zijn gezicht en vragen op het mijne. - -"Dat Noel Waby's val. Niemand anders valtrekker maken zoo," zei -hij eindelijk. - -Toen begreep ik het. Noel Waby was in 't voorjaar de rivier opgegaan -om vallen te zetten en nooit teruggekomen; en niemand wist ooit te -vertellen hoe hij aan zijn eind kwam. - -Ik boog me neer om de val met grooter belangstelling te bekijken. Aan -den onderkant van het valblok vond ik nog wat lange haren kleven in de -spleten van de ruwe schors. Ze hoorden tot de buitenste waterdichte -vacht, waarmee Keeonekh zijn bont droog houdt. Minstens éen otter -was hier gevangen, en de val was daarna weer opgesteld. Maar -een gewaarwording van gevaar, een oude geur van bloed, of een -onnaspeurlijke waarschuwing hing nog aan die plek, en geen ander -schepsel was over den ondersten balk gegaan, ofschoon er honderden -langs dien weg moeten zijn gekomen, sinds de oude Indiaan zijn val -weer opstelde en wegstapte met den dooden otter over zijn schouders. - -Wat was dat in de lucht? Welk angstgevoel broeide hier en fluisterde in -de elzebladen en tinkelde in de beek? Simmo werd onrustig en haastte -zich weg. Hij was als 't boschvolkje. Maar ik ging op een dikken -boomstam zitten, dien het hooge water in 't voorjaar tusschen de elzen -had gedreven, om wellicht de beteekenis van die plaats te voelen en een -poosje de wijde, lieflijke eenzaamheid geheel voor mezelf te hebben. - -Een flauw geritsel aan mijn linkerhand, en nog weer! Toen kwam -kronkelend en glijdend Keeonekh het pad op, de eerste otter dien ik -ooit in de wildernis zag. Waar de zon door de elzebladen naar binnen -flikkerde, glom ze vroolijk op de glanzende buitenste haren van zijn -ruwe vacht. Onder 't gaan werkte zijn neus voortdurend en was zijn -heldere oogjes ver vooruit, om hem te vertellen wat er zich op zijn -pad bevond. - -Ik zat heel stil een eind op zij en hij zag me niet. Dicht bij de -val van den ouden Noel hield hij even stil met opgeheven kop, in die -eigenaardige slangachtige houding, die alle wezels aannemen als ze -acht geven. Daarop glipte hij om het uiteinde van de val en verdween, -het pad af. - -Toen hij weg was, sloop ik te voorschijn om zijn prent te -onderzoeken. Daar viel het me voor 't eerst op dat het oude pad -bij de val langzamerhand met mos begroeide; een flauw nieuw pad -begon zich tusschen de elzen af te teekenen. Er school de een of -andere waarschuwing in die val en met listig instinct waren alle -boschbewoners op zij gegaan en hadden goed de ruimte gegeven aan wat -ze voelden dat gevaarlijk was, maar wat ze niet konden begrijpen. Het -nieuwe pad voegde zich weer bij het oude achter de beek en volgde -het recht naar de rivier. - -Weer onderzocht ik zorgvuldig de val, maar 'k vond natuurlijk -niets. Dat is een zaak van instinct, niet van oogen of ooren, en kan -niet opgelost worden. Toen ging ik voorgoed heen, nadat ik een kring -van dikke staken rondom de val geslagen had, om er argelooze pootjes -buiten te houden. Maar ik liet de val onaangeroerd, net zooals ze was, -een ruw gedenkteeken voor Keeonekh en den verdwenen Indiaan. - - - - - - - - -KEEONEKH, DE VISSCHER. - - -Waar ge Keeonekh, den otter, ook aantreft, daar vindt ge nog drie -andere dingen: de wildernis, schoonheid en stroomend water, dat geen -winter bevriezen kan. Daar is 't ook goed om te visschen; maar 't -zal u weinig baten, want als Keeonekh een water geplunderd heeft, -geeft het niets daar vlieg of voorntje in te gooien. De grootste -visch is verdwenen--ge zult zijn graten en een paar vinnen op het -ijs of den naasten oever vinden, en de kleine vischjes houden zich -nog gedekt na hun schrik. - -En omgekeerd: waar ge de drie genoemde factoren aantreft, zult ge -Keeonekh ook vinden, als uw oogen goed de teekens kunnen lezen. Zelfs -op plaatsen bij de steden, waar heele geslachten lang geen otter gezien -is, worden ze toch gespeurd, zijn ze in hun schuwe, wilde leven, -zóo vertrouwd met al wat te zien is, met elk geluid van gevaar, dat -geen oog van de velen die voorbijgaan hen ooit waarneemt. Er is op -geen beest zoo hardnekkig jacht gemaakt, om het kostbare bont dat hij -draagt, maar Keeonekh is moeilijk te krijgen en snel van begrip. Als -een heele familie gepakt is, of verdreven van een geliefkoosde rivier, -vindt een andere otter weldra de plek, op een van zijn wintersche -zwerftochten naar beter vischwater; en daar hij uit de teekens wel -begrepen heeft dat anderen van zijn ras helaas geboet hebben voor -zorgeloosheid, vestigt hij er zich met grooter waakzaamheid en geniet -van zijn geluk als visscher. - -In 't voorjaar brengt hij een wijfje mee om zijn rijke inkomsten te -deelen. Weldra gaat een troepje jonge otters in de beste vischwaters -visschen en de rivier mijlen ver stroomop en -af onderzoeken. Maar -zóo schuw en wild en snel in 't wegschuilen zijn ze, dat de -forellenvisschers, die de rivier volgen, en de ijsvisschers, die -hun toestel in het meer stroomaf zetten, en de kinderen, die in de -lente sleutelbloemen plukken, er geen vermoeden van hebben, dat de -eigenlijke eigenaars van den stroom nog ter plaatse zijn, naijverig -elk indringen gadeslaan en kwalijk nemen. - -'t Gebeurt wel, dat de houthakkers een onbekend spoor in de sneeuw -kruisen, een zwaar sleepspoor, van lange, glijdende sprongen heuvelaf, -die er uitzien, alsof er een blok hout voortgetrokken was. Maar zij -ook gaan huns weegs, verbazen zich even over de rare beesten, die in -de bosschen huizen, begrijpen echter het duidelijke getuigenis niet, -dat de rare beesten achterlaten. Waren ze het maar ver genoeg gevolgd, -dan zouden ze het eind van het spoor in open water gevonden hebben, en -op het ijs aan den anderen kant de bewijzen van Keeonekh's vischvangst. - -Ik herinner me een ottergezin, waarvan ik het hol vond, toen 'k nog -een jongen was, aan een stroomend water, tusschen twee meertjes, -geen drie mijlen van het stadhuis af. Toch kon de oudste jager zich -nauwelijks den tijd herinneren, dat de laatste otter gevangen of -gezien was in de streek. - -Op een lentedag zat ik heel stil in 't kreupelhout aan den oever -naar een boscheend [7] te kijken. Er zaten daar boscheenden, -maar het struikgewas groeide zóo dicht, dat ik ze nooit verrassen -kon. Ze hoorden me altijd komen en maakten zich uit de voeten, -gaven me slechts verdwijnend een glimp tusschen de boomen, of wel -ze verscholen zich kalmpjes, tot ik voorbij was. De eenige manier om -ze te zien te krijgen--het was een mooi gezicht--was, stilletjes in -een schuilplaats te zitten, uren lang als 't moest, tot ze daar aan -kwamen glijden vlakbij, geheel onbewust van den bespieder. - -Terwijl ik zat te wachten, kwam er een groot dier snel tegen den -stroom op, met niets dan zijn kop zichtbaar en een langen staart, -die hem nasleepte. Hij zwom krachtig, gestadig, zoo recht als een -boogpees; maar, zooals ik met verbazing opmerkte, hij maakte niet het -minste rimpeltje, gleed door het water, alsof hij van 't puntje van -zijn neus tot dat van zijn staart was ingevet. Even stroomop van me -dook hij en ik zag hem niet weer, ofschoon ik ademloos stroomop en -stroomaf keek, of hij ook weer tevoorschijn kwam. - -Ik had nog nooit te voren zoo'n dier gezien, maar ik wist op de -een of andere manier dat het een otter was, en ik trok me nog beter -verscholen terug, in de hoop het zeldzame beest weer te zien. Weldra -verscheen er nog een otter, die stroomop kwam en op precies dezelfde -wijze verdween als de eerste. Maar ofschoon ik den heelen middag -bleef, ik zag niets meer. Na dien tijd was ik elk oogenblikje, dat -'k weg kon komen, op die plek, kroop beneden naar den rivieroever en -lag uren lang aan éen stuk verscholen; want ik wist nu dat de otters -daar woonden, en ze gaven me menigmaal vluchtig een blik in een leven, -dat ik nooit eerder gezien had. - -Weldra ontdekte ik hun hol. Het was in den hoogen oever tegenover -mijn schuilplaats, en de ingang lag tusschen de wortels van een -dikken boom onder water, waar niemand hem met mogelijkheid zou hebben -kunnen vinden, als de otters zelf den weg niet hadden gewezen. Bij hun -nadering doken ze altijd, als ze nog een goed eind weg in den stroom -waren, en kwamen dus ongemerkt hun hol binnen. Als ze er uit gingen, -waren ze net zoo zorgvuldig, zwommen steeds een eind onder water, -voordat ze aan de oppervlakte kwamen. Het duurde verscheiden dagen, -eer mijn oog met zekerheid de flauwe golving van het water boven hen -kon nagaan en hun tocht naar hun ingang op die wijze volgen. Als het -water niet laag was geweest, zou ik het nooit gevonden hebben, want -ze zijn de wonderbaarlijkste zwemmers, veroorzaken geen plooitje aan -de oppervlakte, en niet half zooveel beroering daar beneden als een -visch van 't zelfde gewicht maakt. - -Dat waren mee van de gelukkigste uren, die ik ooit al spiedend in de -bosschen heb doorgebracht. Het wild was zoo groot, kwam zoo volkomen -onverwacht; en ik had die prachtige ontdekking geheel voor mezelf. Niet -éen van de vijf of zes jongens en mannen, die af en toe, als de koorts -hen te pakken kreeg, muskusratten in de groote wei een mijl stroomaf -met klemmen vingen, of den zeldzamen "mink", die op kikkers jaagde in -de beek, hadden er ook maar een vermoeden van, dat er zulk prachtig -bont te krijgen zou zijn voor de moeite van 't jagen alleen. - -Soms verstreek er traag een heele middag, gevuld met de geluiden en -lieflijke geuren van de bosschen, en geen plooi verbrak de kabbelingen -van den stroom vóor me. Maar toen op een laten middag, juist als -de dennen aan den overkant van de rivier zwart begonnen te worden -tegen het westelijke licht, een reeks van zilveren bellen over den -stroom schoot en een groote otter naar de oppervlakte steeg met een -fermen snoek in den bek, telde al het vruchtelooze wachten eensklaps -niet meer mee. Hij kwam snel op me toe, zette zijn voorpooten tegen -den oever, deed een kronkelenden sprong--en daar was hij, op geen -twintig voet afstands, en hield den snoek met zijn voorpooten neer, -zijn rug gekromd als een verschrikte kat; er druppelde een straaltje -water uit den tip van zijn zwaren, puntigen staart, terwijl hij echt -met smaak zijn visch verorberde. - -Jaren later, honderden mijlen ver weg, kwam aan de Dungarvon, in het -hartje van de wildernis, dat tooneel tot in de kleinste bijzonderheden -me weer voor oogen. Ik stond op sneeuwschoenen over de bevroren rivier -uit te zien, toen Keeonekh in een open plek water verscheen met een -forel in zijn bek. Hij baande zich, met een klaterend getinkel, als -van klokjes in de winterlucht, een weg door den dunnen ijsrand, zette -zijn pooten tegen het zware sneeuwijs, gooide er zich met denzelfden -kronkelenden sprong uit en at met zijn rug gekromd--net als 'k hem -jaren geleden had zien doen. - -Deze eigenaardige manier van eten is, dunkt me, kenmerkend voor alle -otters, stellig voor die ik zoo gelukkig ben geweest te zien. Waarom -ze het doen gaat boven mijn verstand; maar het moet ongemakkelijk -zijn elken hap--ook nog vol graten--heuvel-op naar de maag te laten -glijden. Misschien is 't slechts een gewoonte, in de gekromde ruggen -van de heele wezelfamilie te zien. Misschien is het om iederen vijand -te verschrikken, die ongemerkt mocht naderen, als Keeonekh zit te -eten; evenals een uil, wanneer hij voedsel op den grond heeft, al -zijn veeren overeind zet om er zoo groot mogelijk uit te zien. - -Maar mijn eerste otter was te scherp van reuk, om lang zoo dicht -bij een verborgen vijand te blijven. Plotseling hield hij met eten -op en keerde zijn kop mijn kant uit. Ik kon zijn neusvleugels zien -trekken, als de wind hem zijn boodschap gaf. Toen liet hij zijn visch -in den steek, glipte den stroom in, zoo geluidloos als de beek daar -stroomaf van hem binnenkwam, en verdween zonder ook maar een golfje -achter te laten, om te verraden waar hij heen was gegaan. Bij het -verschijnen van de jonge otters, was er een van de merkwaardigste -lessen in de bosschen te zien. Ofschoon Keeonekh van water houdt en -er meer dan de helft van den tijd in woont, zijn zijn jongen er zoo -bang voor als poesjes. Wanneer ze aan zichzelf werden overgelaten, -zouden ze ongetwijfeld weer een jagersbestaan gaan leiden volgens het -oude familie-instinct; want visschen is een aangeleerde gewoonte van -de otters en het visschersinstinct kan dus nog niet tot de jongen -zijn doorgedrongen. Daartoe zullen verscheiden geslachten noodig -zijn. Ondertusschen moeten de kleine Keeonekhs leeren zwemmen. - -Op een dag verscheen de ottermoeder op den oever tusschen de wortels -van den grooten boom, waaronder hun geheime toegang zich bevond. Dat -was een verrassing, want tot nog toe waren beide otters er altijd -van de rivier uit naar toegegaan, en nooit op den oever bij hun -hol gezien. Ze scheen te graven, maar deed het met de grootste -omzichtigheid, keek, luisterde, snuffelde onophoudelijk. Ik was nooit -in de buurt van die plek gekomen, uit angst ze te zullen verjagen; -en pas maanden later, toen het hol verlaten was, onderzocht ik het, -om er achter te komen wat ze eigenlijk precies uitvoerde. Toen ontdekte -ik dat ze nog een uitgang van haar hol naar den oever gemaakt had. Ze -had de plaats met wonderbaarlijke geslepenheid uitgezocht--een hol -onder een dikken wortel, dat nooit opgemerkt zou worden--en ze had -van binnen uit gegraven, de aarde weggedragen naar den bodem van de -rivier, zoodat er bij dien boom niets zou zijn om te verraden dat er -zich een dier ophield. - -Veel later, toen ik door heel wat spieden beter bekend was geraakt met -Keeonekh's gewoonten, begreep ik wat dit alles beteekende. Ze maakte -eenvoudig een veiligen in- en uitgang voor de jongen, die bang voor -'t water waren. Had zij ze meegenomen, uit haar eigen doorgang naar -buiten gedreven, dan zouden ze licht verdronken zijn, eer ze de -oppervlakte bereikt hadden. - -Toen de ingang heelemaal klaar was, verdween ze; maar ik twijfel er -niet aan, of ze zat er vlak onder te loeren, om zeker te zijn dat de -kust vrij was. Langzaam verschenen kop en hals, tot ze geheel tusschen -de zwarte wortels zichtbaar waren. Ze keerde haar neus stroomop--niets -in den wind. Oogen en ooren zochten stroomaf--niets kwaads daar. Toen -kwam ze naar buiten en achter haar aan waggelden twee ottertjes, vol -verbazing over de groote, vroolijke wereld, vol angst voor de rivier. - -Geen gespeel in 't eerst, slechts verbazing en -onderzoek. Behoedzaamheid was hun aangeboren; ze zetten hun pootjes -neer, alsof ze op eieren liepen, en ze besnuffelden elken struik, -eer ze er achter gingen. En de oude moeder nam hun listigheid met -voldoening waar, terwijl haar eigen neus en ooren wacht hielden voor -gevaar in de verte. - -Het uitgangetje was veel te kort; er scheen iets in de lucht stroomaf -niet in orde te zijn. Plotseling rees ze uit haar liggende houding -overeind, en de jongen, alsof 't hun bevolen was, tuimelden in -het hol terug. In een oogwenk was zij ze nageglipt en de oever lag -verlaten. Het duurde een volle tien minuten, eer mijn ongeoefende -ooren zwakke geluiden opvingen, die niet bij het bosch hoorden en -stroomop kwamen; en nog langer, eer twee mannen met vischgarden -verschenen, langzaam op weg naar het meer boven. Ze gingen bijna -over het hol heen en verdwenen, geheel onbewust van dier of mensch, -die hen ergens anders wenschten en wien hun luidruchtig gaan door de -eenzaamheid hinderde. Maar de otters kwamen niet meer naar buiten, -ofschoon ik tot 't bijna donker was op de loer lag. - -Het duurde een week, eer ik ze terugzag en in dien tusschentijd was -er klaarblijkelijk flink les gegeven, want alle vrees voor de rivier -was verdwenen. Ze waggelden nog net als vroeger naar buiten, op 't -zelfde middaguur, en gingen regelrecht naar den oever. Daar ging de -moeder liggen, en de jongen, alsof ze pret hadden in 't spelletje, -klommen haar op den rug. Daarop gleed ze den stroom in en zwom langzaam -rond, terwijl de kleine Keeonekhs zich wanhopig aan haar vastklemden, -alsof er al eerder hummeltje-tummeltje met ze gespeeld was en dit -elk oogenblik herhaald kon worden. - -Ik begreep hun voorkomen van angstige verwachting een oogenblik later, -toen moeder otter bliksemsnel onder hen uitdook en ze zelf den weg in -het water liet zoeken. Ze begonnen wel heel natuurlijk te zwemmen, maar -de angst voor het nieuwe element zat er bij hen nog in. Zoodra de oude -ottermoeder verscheen, trokken ze jammerend op haar af; maar deze dook -nog eens en nog eens, of week langzaam en hield ze zoo zwemmend. Na een -poosje schenen ze moe te worden en den moed te verliezen. Haar oogen -zagen het gauwer dan de mijne en ze gleed tusschen hen in. De beide -jongen draaiden op hetzelfde oogenblik bij en vonden een rustplaatsje -op haar rug. Zoo bracht zij ze weer zorgvuldig aan land en binnen -een paar minuten rolden ze alle door de dorre bladen als jonge honden. - -Ik moet hier opbiechten, dat behalve de bewonderende verbazing van -een jongen bij 't bespieden van het wilde goedje, nog een belang me -naar den rivieroever bracht en me op den uitkijk hield voor Keeonekhs -gewoonten. Vader otter was een groote baas--reusachtig leek hij mij, -als ik aan mijn minkhuiden dacht--en soms, als zijn rijke vacht in -den zonneschijn glansde, dacht ik er over wat een prachtige muts die -zijn zou voor 's winters in de bosschen, of om in maanlichte nachten -mee sleetje te rijden. Vaker nog dacht ik aan al het heerlijks, -dat een jongen voor de vijfendertig gulden zou kunnen koopen, die -zijn vacht minstens in den vrijen handel zou opbrengen. Den eersten -Zaterdag nadat ik hem gezien had maakte ik een plank klaar, tienmaal -zoo groot als die, waar het vel van een mink op gespannen werd, -en rondde één eind van boven af, en spleet haar, en sneed een wig, -en maakte het geheel mooi glad en verstopte het--om er de huid van -den grooten otter op te spannen, als ik hem kreeg. - -Toen 't November werd en het bont op z'n mooist was, droeg ik een -halve-schepels-mand vol koppen en afval van de vischmarkt naar de -plaats en hoopte ze verleidelijk op den oever, boven een waterweggetje -op een eenzame plek aan de rivier. Onder aan dat weggetje, waar het -uit het water kwam, zette ik een klem, mijn grootste met ronde tanden, -voor stinkdieren [8] en marmotten [9]. Maar de visch verrotte, evenals -een tweede mandvol op een andere plaats. Wat er van werd gegeten was -het deel van de kraaien en den mink. Keeonekh versmaadde het. - -Toen zette ik de klem in een plas, om er den geur aan te ontnemen, -op een wildpad tusschen wat moeras-elzen, bij een bocht van de -rivier, waar nooit iemand kwam en waar ik Keeonekh geprent had. Den -volgenden avond liep hij er op. Maar de klem, die vast genoeg greep -voor marmotten, was een peulschilletje voor Keeonekh's kracht. Hij -wrong er zijn poot uit en liet niets dan een paar glimmende haren -voor mij over--dat was al wat ik ooit van hem ving. - -Jaren later, toen ik de val van den ouden Noel op Keeonekh's dwarspad -vond, vroeg ik Simmo waarom er geen aas gebruikt was. - -"Dat toch niks geven," zei hij, "Keeonekh houden van versche visch, en -vangen zelf al wat hij noodig." En dat is waar. Behalve in tijden van -hongersnood, als zelfs het allerdiepste water bevroren is, of wanneer -de visschen doodgaan aan een van hun geheimzinnige epidemieën, trekt -Keeonekh zijn neus op voor elk soort van aas. Als ge wat bevergeil in -een gespleten stok hebt gedaan, zal hij van zijn weg afwijken, evenals -alle pelsdragers, om te onderzoeken wat dat voor vreemde geur is. Maar -wanneer ge hem met aas wilt lokken, moet ge een visch zoo in 't water -vastmaken, dat hij levend lijkt als de stroom hem heen en weer beweegt; -anders zal Keeonekh het nooit de moeite waard achten hem te vangen. - -Het hol in den rivieroever werd nooit verstoord en het volgende -jaar werd er weer een nestvol grootgebracht. Met merkwaardige -geslepenheid--een geslepenheid, die hoe langer hoe scherper wordt -in de buurt van de bewoonde wereld--vulde de ottermoeder den ingang -over land tusschen de wortels met aarde en driftgoed en ze gebruikte -alleen den toegang onder water, tot het weer tijd voor de jongen was -om de wereld in te gaan. - -Van alle dieren der wildernis is Keeonekh het rijkstbegaafd, en -zijn gewoonten, als we ze maar konden leeren kennen, zouden een -allermerkwaardigst hoofdstuk vormen. Elke tocht, dien hij maakt, te -land zoowel als te water, is vol onbekende trekjes en eigenaardigheden; -maar ongelukkigerwijze ziet niemand ooit hoe hij te werk gaat en de -meeste van zijn gewoonten moeten nog nagevorscht worden. Ge ziet een -kop, die snel op den overkant van een meer in de wildernis aanhoudt, -of die op de rivier een kano tegemoet komt; en dan, als ge gretig -volgt, een wieling--en verdwenen is hij. Wanneer hij weer bovenkomt, -zal hij u zooveel scherper bespieden dan gij het hem met mogelijkheid -kunt doen, dat ge weinig van hem gewaarwordt, tenzij hoe schuw hij -is. Zelfs de "trappers", die er hun bedrijf van maken hem te vangen en -met wie ik dikwijls gepraat heb, weten zoo goed als niets van Keeonekh, -behalve waar ze hun vallen voor hem moeten opstellen bij zijn leven, -en hoe ze zijn huid moeten behandelen als hij dood is. - -Eens zag ik hem op een eigenaardige manier visschen. Het was winter, -op een rivier in de wildernis, die in den Dungarvon uitloopt. Er -was droge sneeuw gevallen (en alle bosschen lagen er nu nog diep en -poeierig in), te licht om te plakken of te korsten. Bij elken stap -moest ik een schepvol van dat goed op de punt van mijn sneeuwschoenen -opbeuren en ik was uitgeput door 't achtervolgen van wat rendieren, -die rondzwierven als plevieren in den regen. - -Vlak onder me was een diep open water, door dubbele ijsboorden -omgeven. In den vroegen winter, toen de rivier hooger was, had er -zich dik wit ijs op het water gevormd, overal waar de stroom niet te -snel ging om te bevriezen. Toen was 't water gevallen en een boord van -nieuw zwart ijs had zich aan de oppervlakte gevormd, een centimeter of -veertig, of meer onder het eerste ijs, waarvan nog wat aan de oevers -hechtte, op een paar plaatsen een voet of twee, drie naar voren stak -en met het laagste ijs donkere holen vormde. Beide lagen helden naar -het water, zoodat ze een rechte glooiing vormden rondom de randen -van de open plekken. - -Een zilveren bellenbaan, die over het zwarte water aan mijn voeten -schoot, wekte me uit een dommelige moeheid. Daar was ze weer, een -rimpelgolf over het water, die een oogenblik later in wel honderd -blazen naar de oppervlakte steeg, als klokjes tinkelend wanneer ze -in de ijle lucht braken. Twee of drie keer zag ik dat met groeiende -verbazing. Toen bewoog er zich iets onder de ijslaag aan den overkant -van de kolk. Een otter glipte 't water in. Weer schoot de rimpelgolf -er over; de bellen braken aan de oppervlakte, en ik wist dat hij -beneden me onder het witte ijs zat, op geen twintig voet afstands. - -Een heele otterfamilie, een stuk of drie, vier, waren daar aan mijn -voeten in de grootste argeloosheid aan 't visschen. Die ontdekking deed -mijn adem stokken. Elk oogenblik schoten de bellen naar de overzijde, -van mijn kant uit, en als 'k scherp toekeek, zag ik Keeonekh op de -onderste laag aan den overkant uit 't water glippen en daar in de -duisternis neergehurkt, met zijn rug tegen het ijs boven zich gekromd, -zijn vangst oppeuzelen. De visschen die ze vingen, waren alle klein -klaarblijkelijk, want na een paar minuten liet hij zich plat op -'t ijs vallen, gleed de helling af het water in, zonder geplas of -beroering teweeg te brengen, wanneer hij er inviel, en de bellenbaan -schoot weer naar mijn kant over 't water. - -Meer dan een uur sloeg ik ze ademloos gade en verbaasde me over hun -handigheid. Een vischje is een rappe prooi om te achtervolgen en in -zijn eigen element te vangen. Maar telkens als Keeonekh gleed, lukte -het hem. Soms schoot de waterrimpel het heele vlak over, en braken -de bellen in een wilde warreling, als de visch sprong en kriskras -keerde en wendde daar beneden, met den otter achter zich aan. Maar -het eindigde altijd op dezelfde manier. Keeonekh gleed voor den dag -op de ijslaag, kromde zijn rug en begon te eten, nog bijna eer de -laatste waterbel achter hem had getinkeld. - -Eigenaardig genoeg, de wet van de zalmvisschers gold hier in de -wildernis: nooit twee tegelijk in 't zelfde water. Ik zag een otter -klaar liggen op 't ijs, die klaarblijkelijk wachtte tot de jacht -afgeloopen was. Dan, als er een andere otter naast hem met zijn visch -te voorschijn gleed, glipte hij er op zijn beurt bliksemsnel in. Een -poos lang was het levendig in de kolk, hadden de bellen geen rust. Toen -werden de duikpartijen hoe langer hoe zeldzamer en verdwenen de otters -alle in de ijsholen. - -Wat er van hen werd kon ik niet uitmaken en ik was te verkleumd -om langer toe te kijken. Stroomop en stroomaf was de rivier over -een afstand bevroren; dan was er nog meer open water en meer -vischgelegenheid. - -Of ze langs den oever gingen onder dekking van het ijs naar andere -open plaatsen, of gewoon sliepen waar ze waren tot ze weer honger -hadden, ben ik nooit te weten gekomen. Dat is zeker, ze hadden hun -verblijf gekozen op een ideaal plekje en zouden er niet vrijwillig -vandaan gaan. De open plaatsen leverden prachtig vischwater op en de -bovenste ijslaag beschermde ze volmaakt tegen alle vijanden. - -Eens, een week later, liet ik de rendieren wat ze waren en kwam -naar de plek terug om een poosje toe te kijken; maar de plaats was -verlaten. Het zwarte water gorgelde en fronselde over het diep en -glipte geluidloos onder de onderste ijslaag, niet gebroken door -zilveren bellenbanen. De ijsholen waren volkomen donker en stil. De -mink had de vischkoppen gestolen en er vertoonde zich nergens een -spoor in de sneeuw om te verraden dat het Keeonekhs eetzaal was. - -De zwemkunst van een otter, die daar zoo duidelijk bleek in 't open -winterwater, is een van de merkwaardigste dingen in de natuur. Alle -andere dieren, vogels ook, en zelfs de best gevormde moderne booten, -laten min of meer zog na, als ze zich door 't water bewegen. Maar -Keeonekh laat net zoo min een spoor na als een visch. Dit komt -gedeeltelijk, doordat hij zijn lichaam goed onderhoudt met zwemmen, -gedeeltelijk door den sterken, diepen, gelijkmatigen slag, die hem -voortstuwt. Soms heb ik me afgevraagd, of de buitenste haren van -zijn vacht--de waterdichte bedekking, die zijn bont droog houdt, -het doet er niet toe hoe lang hij zwemt--niet beter ingevet zijn dan -bij andere dieren, wat het ontbreken van een waterrimpel zou kunnen -verklaren. Ik heb hem plotseling onder zien duiken, zonder eenige breuk -in de watervlakte om te verraden waar hij was. Ook als hij glijdt, -neerschiet van een twintig voet hoogen kleioever, komt hij 't water -in met zoo heelemaal geen leven of stoornis, dat het verwonderlijk is. - -Bij 't zwemmen aan de oppervlakte schijnt hij alle vier pooten te -gebruiken, zooals andere dieren. Maar onder water, als hij op visch -jaagt, gebruikt hij alleen de voorpooten. De achterpooten steken dan -recht naar achteren en worden mèt den zwaren staart als een groot roer -gebruikt. Door middel hiervan zwenkt en wendt hij zich bliksemsnel, -volgt hij met zekerheid het vlugge wegschieten van verschrikte forellen -en wint hij 't van haar, louter door spoed en rapheid. - -Wanneer hij in diep water vischt, jaagt hij altijd van het middelpunt -uit naar buiten, zoodat hij de visch naar den oever drijft, zelf binnen -in hun kringen blijft en dientengevolge 't heel groote voordeel heeft -van het kortste eind, wanneer hij zijn prooi den pas afsnijdt. De -visschen worden gegrepen, als ze tegen den oever wegkruipen om -bescherming, of langs hem heen trachten te ontkomen. Groote visschen -grijpt hij herhaaldelijk van achteren, als ze in hun loerholen liggen -te rusten. Zoo snel en geruischloos is zijn nadering, dat ze gepakt -worden eer ze zich van gevaar bewust zijn. - -Deze zwemkunst van Keeonekh is des te verbazingwekkender, wanneer -men bedenkt, dat hij duidelijk als landdier te onderscheiden is, met -niets van de bijzondere gaven van den zeehond, zijn eenigen mededinger -als visscher. De natuur bedoelde stellig, dat hij aan den kost zou -komen, zooals de andere leden van zijn groote familie dat doen, door -te jagen in de bosschen, en schonk hem daarnaar zijn gaven. Hij is -een kranig hardlooper, een goed klimmer, een geduldig, onvermoeid -jager en zijn reuk is uiterst scherp. Met een beetje oefening zou -hij weer door jagen in zijn onderhoud kunnen voorzien, zooals zijn -voorouders deden. Als eekhoorns en ratten en konijnen in 't eerst te -vlug mochten wezen, zijn er muskusratten in overvloed om te vangen, -en hij hoeft niet voor een hertje of een lam te staan, want hij is -geweldig sterk en wat zijn kaken eenmaal vasthebben laten ze niet los. - -In strenge winters, als de visch schaarsch is, of zijn diepe water -bevroren, trekt hij brutaal naar de bosschen en toont zich een meester -in 't jagersbedrijf. Maar hij houdt van visch en hij houdt van water -en hij is nu al vele geslachten door visscher geweest, met veel van -de rustige, aantrekkelijke eigenaardigheden, die den visschers in -'t algemeen eigen zijn. - -Er is éen ding dat ons dadelijk voor Keeonekh doet voelen--hij is zoo -geheel verschillend van, zoo ver verheven boven alle andere leden van -zijn stam. Hij is heel zachtzinnig van nature, zonder een spoor van de -wreedheid die de zwarte kat, of van de bloeddorstigheid die de wezel -kenmerkt. Hij is makkelijk te temmen, en er is het handelbaarste en -aanhankelijkste huisdier van hem te maken van 't heele boschvolkje. Hij -doodt nooit om te dooden alleen, maar leeft in vrede, voor zoover -dat kan, met alle schepselen. En hij laat het visschen, als hij zijn -middagmaal gevangen heeft. Hij is ook heel netjes in zijn gewoonten, -heeft niets wat denken doet aan de leelijke luchtjes die den mink -aankleven en de heele omgeving van een stinkdier verpesten. We -moeten ons wel afvragen of dat uit-visschen-gaan alleen dit wonder in -Keeonekh's geaardheid misschien niet gewrocht heeft. Als dit zoo is, -dan is 't jammer dat zijn heele stam niet visscher wordt. - -Zijn eenige vijand onder het boschvolkje, voor zoover ik heb nagegaan, -is de bever. Daar de laatste ook een vreedzaam dier is, valt het -moeilijk een oorzaak voor die vijandschap op te geven. Ik heb hooren -zeggen, of ergens gelezen, dat Keeonekh veel van jonge bevers houdt -en er af en toe jacht op maakt om een afwisseling in zijn vischdiëet -te brengen; maar ik heb in de wildernis nooit eenig feit gevonden om -dit te bewijzen. Ik geloof in plaats daarvan, dat het eenvoudig de -dam en het meer van den bever zijn, die de moeilijkheid veroorzaken. - -Als de dam gebouwd is, graven de bevers dikwijls een gracht om de -uiteinden, ten einde het overtollige water af te voeren en het werk -hunner handen op die wijze er tegen te beveiligen, dat het bij hoog -water weggespoeld wordt. En dan, de bevers bewaken hun beschutting -naijverig, jagen elken boschbewoner, die hun dam over durft steken of -hun meren binnen dringen, weg, vooral de muskusrat, die graag holen -graaft en ze eindeloos veel last geeft. Maar Keeonekh, vertrouwend -op zijn kracht, gaat rechtaan-rechtuit door het meer, bemoeit zich -slechts met zijn eigen zaken en snapt zelfs een paar visschen in de -diepe plaatsen bij den dam. Hij vindt stroomend water ook heerlijk, -vooral 's winters als meren en rivieren meerendeels bevroren zijn, -en op zijn tochten maakt hij gebruik van de open grachten, die het -werk van den bever beschermen. Maar zoodra de bevers daar geplas -hooren of beroering in het diepe merken, waar Keeonekh op visch jaagt, -komen ze woedend beneden. En er is gewoonlijk een wanhopig gevecht, -eer het zaakje in orde is. - -Eens zag ik aan een meertje een hevig gevecht gaande, middenin, en ik -pagaaide haastig om eens te zien wat er was. Twee bevers en een groote -otter hielden elkaar in een doodelijke worsteling omklemd, doken, -plonsden, gooiden zich op uit het water en hapten naar elkaars keel. - -Toen mijn kano stil lag, greep de otter een van zijn tegenstanders en -dook met hem onder. Er was een poosje een vreeselijke opstand onder -den waterspiegel. Toen 't uit was, duikelde de bever dood voor den -dag en schoot Keeonekh onder den tweeden bever op om zijn aanval te -herhalen. Onmiddellijk grepen ze elkander beet, maar de tweede bever, -een reusachtige baas, weigerde onder te duiken, waar hij in zijn nadeel -zou zijn geweest. In mijn ijver liet ik de kano bijna boven op ze -drijven en deed ze wild uit elkaar stuiven voor het gemeenschappelijke -gevaar. De otter vervolgde zijn weg het meer op; de bever wendde zich -naar den oever, waar ik voor het eerst een paar beverhutten opmerkte. - -In dit geval was er geen sprake van indringerigheid, wat Keeonekh -betreft. Hij was waarschijnlijk aangevallen, toen hij vreedzaam zijns -weegs ging door het meer. Het is echter heel goed mogelijk, dat er -een oude grief bestond van den kant van de bevers, die ze zochten te -vereffenen toen ze Keeonekh in het meer snapten. Als bevers hun hutten -aan den oever van een meer bouwen, zonder dat 't noodig is om een dam -te maken, graven ze gewoonlijk een tunnel schuin van den bodem van het -meer naar hun hol of hut op den oever. Nu vischt Keeonekh 's winters -vaker onder het ijs, dan gewoonlijk aangenomen wordt. Daar hij na elke -jacht moet ademhalen, is het noodig dat hij alle luchtgaten en holen op -'t heele meer kent. Het doet er niet toe, hoe hij ook keert en wendt op -jacht achter een forel, hij verliest nooit zijn oriënteeringsvermogen, -vergeet nooit waar de plaatsen om uit te blazen zijn. Wanneer hij zijn -visch gepakt heeft, neemt hij den kortsten weg onder het ijs naar de -naaste plek waar hij adem kan scheppen en eten. Soms brengt hem dit -buiten adem in den tunnel van den bever te land; en de bever moet -zich boven in zijn eigen huis van woede zitten verknijpen, terwijl -Keeonekh visch eet in zijn gang, want voor beiden tegelijk is er -geen plaats in den tunnel en een gevecht daar of onder het ijs is -buitengesloten. Daar de bever slechts bast eet--de witte binnenste -laag van peppelbast is zijn voornaamste lekkernij--kan hij dezen -barbaar, die rauwe visch eet en graten en vinnen, en den geur van -slijm in zijn gang achterlaat, niet begrijpen en niet uitstaan. De -bever is voorbeeldig in zijn netheid, heeft een afkeer van al wat -stinkt en vuil is; en dit geeft misschien gedeeltelijk een verklaring -voor zijn vijandigheid en zijn kwaadaardige aanvallen op Keeonekh, -als hij hem op een geschikte plaats te pakken krijgt. - -Niet de minst merkwaardige van Keeonekhs eigenaardigheden is zijn -gewoonte om van een heuvel af te glijden; dat legt een band van -sympathie tusschen hem en wie hem kennen, en brengt hem dicht bij de -herinneringen uit hun jongenstijd. - -Ik herinner me hoe een paar otters, die ik het grootste deel -van een zonnigen middag bespiedde, met een pret zonder einde een -kleiigen oever afgleden. De baan was klaarblijkelijk met veel zorg -aangelegd aan den steilen kant van een kleine kaap, die in de rivier -vooruitsprong. Ze was heel steil, ongeveer twintig voet hoog en was -prachtig glad geworden door veel naar beneden glijden en glibberen. Een -otter verscheen boven op den oever, gooide zich op zijn buik vooruit, -schoot bliksemsnel naar beneden, dook diep onder water en kwam dan weer -op eenigen afstand van den voet der baan te voorschijn. En dat alles -onder een merkwaardige stilte, alsof de bosschen zelf ooren hadden -en luisterden om de schuwe dieren bij hun pret te betrappen. Want -het was een echte, onschuldige pret, een pret waar fut in zat, en -van een opwinding waar geen eind aankwam, vooral wanneer de een den -ander trachtte te krijgen en 't water inschoot hem vlak op de hielen. - -Deze glijbaan was in uitstekenden staat en de otters waakten er voor -haar niet ruw te maken. Ze krabbelden er nooit over naar boven, maar -gingen den hoek om en klommen tegen den anderen kant op; of anders -klauterden ze evenwijdig met de baan omhoog, een eindje verder, waar -de bestijging makkelijker was en geen gevaar bestond van steenen of -takken op het glijvlak te storten, die de gladheid zouden bederven. - -'s Winters op sneeuw gaat 't glijden nog beter dan op klei. Daarenboven -wordt die gauw hard en glazig, doordat het water bevriest, dat 't -lichaam van den otter achterlaat, en na een paar dagen is de baan -spiegelglad. Dan gaat het glijden volmaakt en iedere otter, oud of -jong, heeft zijn geliefkoosde glijbaan en brengt een deel van elken -heerlijken dag door met van die pret te genieten. - -Als Keeonekh door de bosschen trekt in de dikke sneeuw, maakt hij -gebruik van zijn glijkunst om hem voort te helpen, vooral wanneer 't -de helling afgaat. Hij loopt een eindje hard en gooit zich vooruit -op zijn buik, terwijl hij verscheiden voet door de sneeuw glijdt, -eer hij weer hard loopt. Deze manier van zich voort te bewegen is -een onophoudelijk baantje-glijden, dat veel heeft van de manier, -waarop een mensch zich voorthaast met gladdigheid. - -Ik heb over de zilveren bellen gesproken, die het eerst mijn aandacht -vestigden op de visschende otters, op zekeren dag in de wildernis. Van -de enkele zeldzame gelegenheden, die ik gehad heb, om ze te bespieden, -komt het mij voor, dat die bellen alleen te zien zijn, nadat Keeonekh -snel den stroom is ingeschoten. De lucht hecht zich aan de buitenste -ruige haren van zijn vacht en wordt er afgeveegd, als hij door het -water schiet. Wie hem zoo gadeslaat, als hij de lange glijbaan afsuist -halsoverkop het zwarte winterwater in, met een keten van zilveren -bellen, die boven hem breken en tinkelen, beseft allicht iets van -de verandering in het hart van den jager door de aanraking met de -natuur, die ons allen tot verwanten maakt. Na zooiets vermijdt hij -'t vallen zetten--tenminste ge zult zijn stalen klem niet meer onder -aan Keeonekhs glijbaan aantreffen, om de vreugde van het schuwe dier -in een treurspel te veranderen--en hij wenscht zijn medevisscher -hartelijk een goede vangst toe, hetzij hij hem ontmoet op de meren -in de wildernis of in de rustige plaatsen aan de rivieren thuis, -waar nooit iemand komt. - - - - - - - - -KOSKOMENOS, DE VERSTOOTELING. - - -Koskomenos, de ijsvogel [10], is eenigszins een verstooteling -onder de vogels. Ik denk dat ze hem half en half als een kruipend -dier beschouwen, dat nog niet hoog genoeg voor een vogel gestegen -is om erkenning te verdienen. Ze laten hem dus met opzet aan zijn -lot over. Zelfs de zwartkophavik [11] aarzelt eer hij op hem stoot, -omdat hij niet recht weet of dat opzichtige beest ook gevaarlijk is, -of alleen maar geheimzinnig. Ik zag eens een grooten havik als een -bliksemflits neerstorten op een ijsvogel, die op trillende wieken -zachtjes ratelend voor zijn hol in den oever hing. Maar de roover -raakte van de wijs, op 't oogenblik dat hij zijn klauwen had moeten -uitslaan om toe te grijpen. Hij zwenkte op zij en schoot in een -lange, schuine lijn naar een dooden spar, waar hij aandachtig zat te -kijken, tot de donkere bek van een broedenden ijsvogel uit het gat -reikte om den visch in ontvangst te nemen, dien het mannetje gebracht -had. Daarop zwierde Koskomenos naar zijn uitkijktoren boven 't water, -waar de voorntjes huisden en nam de havik zijn vlucht naar de plaats, -waar het water uit het meer stroomde en een broedsel jonge zaagbekken -hun eerste onderricht in 't open water kregen. - -Geen wonder dat de vogels Koskomenos met een schuin oogje -aankijken. Zijn kop is belachelijk groot, zijn pooten zijn belachelijk -klein. In de lucht is hij een gedicht van sierlijkheid; maar hij -kruipt als een hagedis, of waggelt zóo, dat een eend zich over -hem zou schamen, bij de zeldzame gelegenheden, dat hij zijn pooten -gebruikt. Zijn bek is zoo groot dat er een heele voorn in gaat; zijn -tong zoo klein dat hij geen stem heeft, maar niets dan een heesch -klr-r-r-r-ik-ik-ik, als de ratel van den nachtwacht. Hij bouwt geen -nest, maar maakt een soort van hol in den oever, waar hij den halven -dag allervuilst huishoudt; toch is hij het verdere gedeelte een helder, -mooi beestje, dat ook geen oogenblik aan de aarde doet denken, maar -in zijn feestelijken tooi slechts aan den blauwen hemel omhoog en het -van kleuren verzadigde water beneden. Water zal hem niet nat maken, -al duikt hij ook twintig keer onder de oppervlakte. Zijn geratel is -schor, lawaaierig, duivelachtig; maar zijn neerschieten in den stroom, -met zijn kleurschicht, zijn zilveren schuim en zijn getinkel van 't -opgezweepte water, is het welluidendste dat er in de wildernis bestaat. - -Als visscher heeft hij zijnsgelijke niet. Zijn visschig oog zonder -uitdrukking is toch het scherpste dat spiedend over het water gaat, -en zijn stooten maakt zelfs den vischarend te schande, zóo zeker en -bliksemsnel gebeurt het. - -Behalve al deze tegenstrijdigheden is hij eenzelvig, onbekend, -ongenaakbaar. Hij heeft geen jeugd, geen spel, geen vreugde dan eten; -hij sluit zich bij niemand aan, zelfs niet bij zijn eigen verwanten; en -als hij een visch vangt en diens kop tegen een tak slaat tot hij dood -is en met zijn eigen kop achterover zijn prooi zit door te slikken, -met een ratelend geklok diep onder in zijn keel, maakt hij denzelfden -indruk als een papegaai, die fluisterend allergemeenst zit te vloeken, -terwijl hij zijn kop krabt, en op wien ge graag met een steen zoudt -mikken, als de eigenaar maar eens eventjes zijn hielen gelicht had. - -Het is het onbekende, deze geheimzinnige mengeling van vogel en -kruipend dier, die den ijsvogel tot een voorwerp van bijgeloof bij alle -wilde volken heeft gemaakt. De legenden omtrent hem zijn legio; zijn -gekuifde kop wordt door de wilden boven alle andere als toovermiddel -of fetisj op prijs gesteld, en zelfs bij beschaafde volken kan men -zijn gedroogde lichaam nog soms aan een stok zien hangen, in de hoop -dat zijn snavel de richting uitwijst, waar de wind vandaan zal komen. - -Maar Koskomenos heeft nog een anderen kant, ofschoon de wereld er -tot nog toe maar weinig van bespeurd heeft. Eens in de wildernis heb -ik hem, geheel zonder dat ik het wilde, toegejuicht. Het was laat -op den middag; het visschen was gedaan en ik zat bij een grazige -landtong in mijn kano te kijken wat er vervolgens zou gebeuren. Aan -den overkant van de rivier was een kleioever, waar een paar ijsvogels -heel bovenaan hun lange gang gegraven hadden. "Er is daar niets -voor hen om op te staan; hoe zijn ze dat hol begonnen," soesde ik, -"en hoe kunnen ze ooit jongen grootbrengen met de deur zoo maar open, -dat mink en wezel binnen kunnen komen?" Dat waren weer twee nieuwe -vraagstukken om bij de vele onopgeloste te voegen, die zich bij elke -wending van de boschpaadjes voor ons opdoen. - -Een beweging onder den oever maakte een eind aan mijn vragen, en de -lange, lenige gedaante van een jagenden mink schoot snel tegen den -stroom in. Onder het hol hield hij op, richtte zich met zijn voorpooten -tegen den oever op, terwijl hij zijn kop links en rechts keerde en -zenuwachtig snuffelde. "Wat lekkers daarboven," dacht hij en begon te -klimmen. Maar de oever was steil en week; hij slipte herhaaldelijk -terug zonder een paar voet hooger te komen. Toen ging hij stroomaf, -naar een punt waar wat wortels hem een houvast gaven, en snelde luchtig -naar boven, tot onder den donkeren, overhangenden rand, waarvan de -wortels in de schaduw over den kleiigen oever staken. Daar sloop hij -behoedzaam voort, tot zijn neus het nest ontdekte, en toen gleed hij -naar beneden, tot zijn voorpooten op den drempel rustten. Een lang, -hongerig opsnuiven van de ranzige, visschige lucht, die uit het hol van -een ijsvogel stroomt, een scherpen blik om zich heen om zeker te zijn -dat de oude vogels niet terugkwamen, en hij verdween als een schim. - -"Dat is een broedsel ijsvogels minder," dacht ik, met mijn kijker op -het gat gericht. Maar nauwelijks was die gedachte ontstaan, of een -hevig rommelend geratel klonk in den oever. De mink schoot er uit met -een rooden streep duidelijk over zijn bruine snuit zichtbaar. Achter -hem aan kwam een ijsvogel, die een stroom van scheldwoorden uitratelde -en hem voorthielp door kwaadaardige steken naar zijn achterlijf. Dien -keer had hij zich misrekend; de oude vogelmoeder had hem thuis zitten -afwachten en met haar krachtigen snavel naar zijn booze oog gehakt, -zoodra het van binnen uit den tunnel verscheen. Dat ontnam Cheokhes den -lust naar jonge ijsvogels heelendal. Hij stortte zich halsoverkop den -oever af, terwijl de vogel achter hem aanschoot, telkens stootend en -met een ratelend noodsignaal, dat onmiddellijk nog een ijsvogel voor -den dag riep. De mink dook, maar het was nutteloos om op die manier -een poging tot ontvluchting te wagen; de scherpe oogen omhoog volgden -zijn vlucht geheel. Toen hij twintig voet verder aan de oppervlakte -verscheen, waren beide vogels boven hem en vielen hem als lood op -den kop. Zoo dreven ze hem stroomaf uit het gezicht. - -Jaren later loste ik het tweede vraagstuk, dat het hol van den ijsvogel -had doen ontstaan, op, toen ik het geluk had eens te zien hoe een -paar hun tunnel begon. Ieder, die ooit de vogels heeft gadegeslagen, -heeft ongetwijfeld hun merkwaardige bedrevenheid opgemerkt, om in volle -vaart plotseling op te houden en midden in de lucht te blijven hangen -voor een onbepaalden tijd, terwijl zij de bewegingen bespieden van een -voorn onder zich. Ze maken van deze bedrevenheid gebruik, als ze met -hun nest beginnen in een oever, zoo steil dat hij geen steunpunt biedt. - -Toen ik het bewuste paar gadesloeg, zweefde eerst de eene, dan -de andere vogel voor het gekozen punt, zooals een kolibri zich een -oogenblik voor den ingang van een trompetbloem [12] in evenwicht houdt, -om er zeker van te zijn, dat niemand op hem let, eer hij binnengaat, -boorde daarna zijn snavel met snelle slagen in den oever, waardoor -er een voortdurende kleiregen in de rivier daalde. Als hij moe was, -ging hij op een uitkijktak zitten rusten, terwijl zijn wijfje als -stormram optrad en 't werk gaande hield. In een merkwaardig korten -tijd hadden ze een steunpunt voor hun pootjes en gingen zich toen -verder ingraven, tot ze aan 't oog waren onttrokken. - -De gang van den ijsvogel is zoo nauw, dat hij er zich niet in -kan omkeeren. Zijn rechte, sterke snavel werkt de aarde los; zijn -kleine pootjes gooien die achter zich naar buiten. Ik zag dan een -stortregen van modder en mogelijk heel even Koskomenos' staart; -daarna een poosje wachten--en weer een stortregen. Dat duurde zoo, -tot de tunnel misschien twee voet diep geboord was; toen maakten ze -stellig een scherpe bocht, zooals hun gewoonte is. Daarna brachten ze -de meeste aarde er in den bek uit. Als de eene werkte, was de ander -aan 't rondspieden en visschen op de diepe plek waar de voorn zat, -zoodat het voortdurend vorderde, zoolang ik ze waarnam. - -Jaren lang had ik Koskomenos beschouwd, zooals de vogels en de rest -van de wereld hem beschouwen: als een luidruchtig, half-duivelsch -wezen, tusschen vogel en hagedis in, waar men met achterdocht -aan voorbij moet gaan. Maar dat geval met den mink wijzigde mijn -opvatting eenigszins. Het mocht dan zijn, dat Koskomenos' wijfje -haar eieren legde als een kruipend dier, maar ze kon ze verdedigen -als elke heldhaftige vogel. Ik ging dus nauwkeuriger opletten, wat -de eenige manier is om iets te leeren kennen. - -Het eerste wat me van de vogels trof--een waarneming, die later aan -heel wat wateren bevestigd werd--was, dat elk paar ijsvogels zijn -eigen watergebied heeft, waar het een onbetwiste heerschappij over -voert. Er kunnen wel twaalf paar vogels op een enkele rivier zijn, -maar, voor zoover ik in staat ben geweest waar te nemen, elk gezin -heeft een bepaald watervak, waar 't geen andere ijsvogels geoorloofd -is te visschen. Ze mogen vrij er over vliegen, stroomop en stroomaf, -maar ze houden nooit stil bij de plaatsen waar voorn zit; of, als -ze betrapt worden dat ze er in de buurt loeren, dan worden ze netjes -door de rechtmatige eigenaars verdreven. - -Hetzelfde geldt ook aan de meeroevers. Of er een geheime overeenkomst -en verdeeling onder hen bestaat, of dat (wat waarschijnlijker is) -hun recht geldt krachtens ontdekking of eerste aankomst, daar is -onmogelijk achter te komen. - -Daarom is het iets eigenaardigs, dat, terwijl een ijsvogel niemand -van zijn soort toe zal staan op zijn gebied te stroopen, hij in vrede -leeft met het zaagbekkengezin, dat hetzelfde riviervak bewoont. En -de zaagbek eet een dozijn visschen tegen hij éen. Hetzelfde valt -ook bij de zaagbekken op te merken, en wel, dat elk paar, of liever -elke moeder met haar broedsel, hun eigen stuk van meer of rivier -hebben, waar geen andere mogen visschen. Ondertusschen zijn de -mannetjes-zaagbekken ver weg aan 't visschen in hun eigen vischwater. - -Ik had deze quaestie van 't verdeelen der forellenwateren nog -niet half opgelost, toen 'k alweer een waarneming deed, volkomen -onverwacht. Koskomenos, al schijnt hij dan half en half een kruipend -dier, erkent niet alleen oeverrechten, maar is ook tot vriendschap -in staat--en dat nog wel voor een brompot, die in de wildernis -rondzwerft en om wien niemand anders zich iets bekommert. Hier is -'t bewijs. Ik was er alleen in mijn kano op uit om het nest van een -duiker te vinden, op een dag midden in den zomer, toen de versche -prent van een mannetjes-rendier me naar den oever lokte. Het spoor -leidde recht van het water uit naar een breeden rand van elzen, -waarachter ik op de heuvelhelling misschien het groote monster kon -vinden, bezig zijn tijd te verbeuzelen tot het avond zou worden, -en hem bespieden om te zien wat hij met zichzelf zou uitvoeren. - -Toen ik naar den oever wendde, liet een ijsvogel zijn ratel hooren -en kwam over de monding van de baai schieten, waar Hukweem de duiker -haar twee eieren verstopt had. Ik keek naar hem, bewonderde het -deinend zwieren van zijn vlucht, alsof een briesje even over een -slapend meer schoot, en naar het helder blauw van zijn kuif tegen het -diepere blauw van den zomerhemel. Onder hem schoot zijn spiegelbeeld in -kabbelingen voort, alsof een prachtige visch door het kristalheldere -water joeg. Tegenover mijn kano hield hij plotseling stil, bleef een -oogenblik zoo maar in de lucht hangen, om op de voorntjes te loeren, -die mijn pagaai in beroering gebracht had, en viel met den snavel -vooruit--plats! met een zilverachtig getinkel in 't geluid, alsof -verscholen klokjes daarbeneden tusschen de groene waterplanten door -dezen geest van de lucht aan 't luiden waren gebracht. Een regen van -schuim hield heel even den regenboog vast; de waterrimpels verzamelden -zich en begonnen te dansen boven de plek waar Koskomenos ondergedoken -was, tot ze ruw uiteengedreven werden, toen hij tusschen hen in weer -met zijn visch voor den dag kwam. Hij zwierde naar de boomstomp terug -vanwaar hij gekomen was, al kokkelend onderweg. Daar kwakte hij zijn -visch goed tegen 't hout, gooide zijn kop achterover, en door mijn -kijker zag ik den staart van een voorn langzaam den weg af kronkelen, -vanwaar voor hem geen terugkeer mogelijk is. Daarna volgde ik het -rendierspoor. - -Ik was de elzen bijna door, de richting van het beekje houdend -en geluidloos voortsluipend, toen ik achter me boven de elzen -den ijsvogel hoorde komen, die als bezeten ratelde: klrrr, klrrr, -klrrt-ik-ik-ik! Onmiddellijk klonk een zware sprong en hevig geplas -vlak boven me, en het haastig wegsnellen van een groot dier de helling -op. Boven me hing de ijsvogel, keek eerst omlaag naar mij en dan voor -zich uit naar het onbekende dier, tot het gekraak in een zwak geritsel -heel in de verte verstierf en hij naar zijn vischzetel terugzwierde, -onder een uitbundig geklak en gegichel. - -Ik drong behoedzaam voort en kwam weldra aan een mooi, diep water -onder een rots, waar de helling langzaam naar de elzen opliep. Uit de -tallooze sporen en het voorkomen van de plek, wist ik dadelijk dat -'k toevallig aan een badplaats van een beer was gekomen. Het water -was nog troebel en modderig; reusachtige indrukken leidden sopperig -en geheel afgebrokkeld in groote sprongen den heuvel op; het mos -was losgescheurd, het kreupelhout met glinsterende waterdroppels -bespat. "Je hoeft hier niet te twijfelen," dacht ik, "Mooween lag -hier in 't water te slapen en de ijsvogel maakte hem wakker.--Maar -waarom? En deed hij het met opzet?" - -Ik herinnerde me plotseling een aanteekening uit een oud -opschrijfboekje: "Sugarloaf Lake, 26 Juli.--Getracht van middag een -beer te besluipen. Bofte niet. Hij liep langs den oever te snuffelen en -ik had een prachtige kans; maar een ijsvogel maakte hem verschrikt." Ik -begon me af te vragen hoe 't geratel van een ijsvogel, een van de -gewoonste geluiden aan 't water in de wildernis, een beer verschrikt -kon maken, die met alle geluiden daar volkomen bekend is. Misschien -heeft Koskomenos een noodsein en gebruikt hij dat voor een vriend als -'t noodig is, evenals zeemeeuwen van hun weg afwijken om een koppel -slapende eenden te wekken, wanneer er gevaar nadert. - -Dit was een nieuwe trek, iets menschelijks in dezen onbekenden, -verdachten ratelaar van het vischwater. Ik besloot aandachtiger op -hem te letten. - -Ergens boven me, diep in de ruigte van de zomersche wildernis, stond -Mooween naar zijn spoor te loeren, oogen, ooren en neus op hun hoede -om uit te maken wat dat toch voor een wezen was, dat hem uit zijn -middagbad had opgeschrikt. Het zou onzinnig zijn nu te trachten hem -te verrassen; bovendien, ik had geenerlei wapen.--"Morgen om dezen -tijd zal ik terugkomen; kijk dan goed uit, Mooween," dacht ik, terwijl -'k de plek goed in me opnam en naar mijn kano sloop. - -Maar toen ik den volgenden dag naar de plek kwam gekropen langs -den hoogsten rand van de elzen, om geen gerucht te maken, was 't -diepe water helder en kalm, alsof er niets dan de forelletjes -die zich onder de schuimblazen verstopt hielden ooit den -vrede had verstoord. Koskomenos ratelde als gewoonlijk boven de -baai. Niettegenstaande mijn omzichtigheid had hij me de elzen zien -binnengaan, maar hij schonk niet de minste aandacht aan me. Hij ging -door met zijn visscherij, alsof hij heel best wist dat de beer zijn -badplaats verlaten had. - -Het duurde bijna een maand, eer ik weer aan het mooie meer -kampeerde. De zomer was voorbij. Al zijn warmte en meer dan zijn -geurige schoonheid waarden nog over bosch en rivier; maar de loomheid -was weg uit de atmosfeer en het wazige was er binnengeslopen. Hier en -daar lieten berken en eschdoorns hun schitterende najaarsbanieren -uitwaaien over het stille water. Er kwam iets tintelends in de -avondlucht; de adem van het meer lag zwaar en wit in de stilte van -de schemering; de dieren werden plotseling anders, toen ze het korte -tijdperk ingingen van spel en volop eten. - -Ik dreef in mijn kano over een kleine baai, waar 't vol riet stond, -(dezelfde baai waar de bijna vergeten ijsvogel me beetgenomen had -met dien beer, nadat hij een voorn opgegeten had, die mijn pagaai -er voor hem had uitgeschept), bezig kikkers voor mijn disch te -schieten met een klein geweer. Wat was het hier toch anders, peinsde -ik, dan in de bosschen bij huis. Daar was het wild al schichtig; -het knallen van een geweer joeg elk dier een schuilhoek in. Hier -werd er op 't afgaan van mijn kleine buks niet meer gelet, dan op -'t neerplonzen van een vischarend of 't kreunen van een beladen -iepetak. Een koppel vette houtsnippen lag zorgeloos ginder in dat -stukje elzenruigte, waar de grond doorboord was als een vergiettest, -na hun nachtelijk voedsel-zoeken. Boven op de verbrande heuvelhelling -zeiden de patrijzen: kwit, kwit! toen ik verscheen en sprongen naar -een boom en rekten hun halzen uit om te zien wat ik was. De zwarte -eenden doken weg in het riet. Ze waren nu volwassen en sterk van wiek, -maar aan hun vroegere gewoonte om zich te verstoppen was nog geen -einde gekomen door het schieten. Ze gleden door riet en biezen, en -doorkruisten de poeltjes en doken neer in de ruigte, tot de kano bijna -over hen heenvoer; dan schoten ze halsoverkop en met een verschrikt -haark-aark! de lucht in en maakten dat ze wegkwamen naar de rivier. De -mink was veranderd van bruin in zwart, en had het uithalen van nestjes -gestaakt om fatsoenlijk te gaan jagen, zonder dat klem of val hem af -konden schrikken; en waar 't water in 't meer stroomde, kon ik de -grazige koepels boven het brons en goud van 't moeras zien rijzen, -waar Musquash stevig en hoog, voor winterkou en voorjaarsvloeden, aan -'t bouwen was. Ja, het was goed daar te zijn en een korte wijl het -schuwe, wilde, maar zorgelooze leven van het boschvolkje mee te leven. - -Een groote stierkikker vertoonde zijn kop tusschen de waterleliebladen, -en mijn buks, die zich niet bekommerde om de vreugden van een zorgeloos -bestaan, rees langzaam naar haar plaats. Mijn oog loerde langs de -korrel, toen een plotselinge beweging in de elzen aan den oever -stroomop en achter zijn niets kwaads vermoedenden kop, Chigwooltz, -den kikker, nog een poosje spaarde voor zijn leliebladen en zijn -voornvisscherij. Op 't zelfde oogenblik kwam er een ijsvogel ratelend -voorbij en vloog naar zijn ouden uitkijktak boven 't diepe water van -de voorntjes. Weer zwaaiden de elzen, alsof er tegen geslagen werd; -een reusachtige beer kwam er uitsjokken, den oever op, met een knorrig: -woef! naar een takje, dat hem te hard tegen zijn oor gezwiept was. - -Ik liet me dieper in de kano glijden, tot alleen mijn hoofd en -schouder zichtbaar waren. Mooween liep langs den oever te snuffelen, -tot iets--een doode visch of een mosselbank--zijn eetlust wekte, -waarop hij stilstond en begon te eten, op een afstand van nog geen -tweehonderd meters. Ik reikte eerst naar mijn zware geweer, toen -naar mijn pagaai en "waaierde" de kano behoedzaam naar den oever, -tot een oude boomstomp op een vooruitstekende landtong mijn nadering -dekte. Toen schoot het bootje vooruit, alsof 't leefde. Maar ik -was nauwelijks op weg, of--klrrr! klrrr! ik-ik-ik! Boven mijn hoofd -zwierde Koskomenos met een wiekgeruisch en een noodkreet, die slechts -van haast en gevaar getuigden. Ik ving nog net iets van den beer op, -toen hij de elzen inschoot, alsof hij er met een katapult gegooid was; -de ijsvogel draaide in een grooten, ratelenden kring om de kano, -eer hij op de oude boomstomp ging zitten, met wippenden staart en -ratelend in de grootste opgewondenheid. - -Ik zwenkte geruischloos het meer in, waar ik de elzen kon bespieden. Ze -bleven tien minuten lang doodstil; maar Mooween stond daar, dat wist -ik, te snuffelen en te luisteren. Toen leek het, alsof een groote -slang zich door de boschjes kronkelde, zonder geluid te geven, maar -al gaande vertoonde ze een golvende lijn van trillende toppen. - -Een eindje stroomaf was er een hooger punt aan den oever met een -omgevallen boom, die uitzicht op het halve meer gaf. Ik had daar -een paar dagen te voren staan turen om de luchtpaden en lijnen te -bepalen, die zaagbekken in 't vliegen gebruiken, als ze boven het -meer op en neer vliegen; want vogels hebben vaste paden, net als -vossen. Mooween kende de plek klaarblijkelijk; de elzen toonden dat -hij er recht op aantrok, om uit te kijken over het meer en te zien waar -dat alarm voor noodig was. Hij had er tot nog toe geen denkbeeld van, -wat voor gevaar hem bedreigd had; ofschoon hij, als alle in 't wild -levende dieren, onmiddellijk gehoorzaamd had aan den eersten klank -van een noodsignaal. Er leeft geen dier in de bosschen, van Mooween -af tot Tookhees de boschmuis toe, of het heeft uit ervaring geleerd, -dat het, in gevallen als dit, goed is eerst naar een schuilplaats te -springen en daarna te onderzoeken. - -Ik pagaaide haastig naar de landtong, ging aan wal en kroop naar -een rots, vanwaar ik juist den gevallen boom kon zien. Mooween kwam -aan. "Nu is 't mijn beer," dacht ik, toen er zachtjes een takje -knapte. Daar kwam Koskomenos het bosch inzwieren, terwijl hij over -het kreupelhout aan den voet van den ouden boom, naar beneden zag en -ratelde--klrrr-ik, ruk in! klrrr-ik, ruk in! Er was een zwaar geruisch -van iets dat wegliep, zooals een beer altijd veroorzaakt, als hij -opgeschrikt wordt; Koskomenos zwierde naar zijn tronk terug; en ik -zocht den oever op, half en half geneigd om de kansen een volgend keer -dat ik jaagde, meer gelijk te maken door een bemoeierigen factor te -verwijderen. "Jou akelige, lawaaierige, ratelende bemoeial!" mompelde -ik, terwijl de korrel van mijn buks als 't ware vlak op den blauwen -rug van Koskomenos rustte, "dat is de derde keer dat je mijn schot -bedorven hebt, en je zult de kans niet weer hebben.... Maar wacht eens; -wie is hier de bemoeial?" - -Langzaam ontspande zich de gebogen vinger om den haan. Een duikereend -dreef de landtong voorbij, zich van geen gevaar bewust, met een -rimpelend spoor, dat een zilveren weerschijn sparkelen liet over -het diepe blauw van het meer. Hoog in de lucht wiekte een adelaar -op de bries gedragen in wijde kringen en keek neer op zijn eigen -uitgestrekt gebied, zonder er acht op te slaan dat er een mensch -was binnengedrongen. - -Dichterbij zat een roode eekhoorn zijn verbolgenheid uit te snateren -in een reusachtigen sparretronk. Stroomaf aan mijn linkerhand -verried een zwaar geplas en een wild, vrij gekwaak de plaats waar -de zwarte eenden neerstreken, zooals ze ongestoord geslachten lang -gedaan hadden. Achter me weerschalde een lang geroffel door de -bosschen--een jong patrijzenmannetje, door de warme zon verlokt -zijn lente-minnezang te "trommelen". Van de berghelling liet een -wijfjeseland een schrikaanjagend antwoord terugbolderen. Vlakbij, en -toch leek het mijlen ver weg, zat een aardeekhoorn slaperig te tsjunken -in den zonneschijn, terwijl een nest jonge boschmuizen om haar moeder -riepen in het gras aan mijn voeten. En elk natuurlijk geluid maakte -de wijde, wonderbaarlijke stilte van de wildernis des te dieper. - -"Welbeschouwd, wat heeft 't knallen van een geweer of de lucht van -kruit te midden van deze gezegende rust rondom hier te maken?" vroeg -ik een beetje treurig. Als tot antwoord liet de ijsvogel zich vallen -met zijn welluidend geklater en zwierde met zegevierend geratel naar -zijn uitkijktoren terug.--"Ratel en visch jij maar door. "De wildernis -zal zich nog verheugen" voor jou en Mooween, en het forellenwater -zou eenzaam zijn zonder je. Maar ik wou dat je wist, hoe je leven -een oogenblik geleden in de kromming van mijn vinger lag, en dat er -nog iemand anders dan de beer je kranige waarschuwing op prijs stelt." - -Toen ging ik naar de landtong terug om de prenten te meten, en te -schatten hoe groot de beer wel was, en om mezelf met de gedachte te -troosten dat ik hem vast en zeker gehad zou hebben, als er niet wat -tusschenbeide gekomen was--zooals alle jagers van Ezau af filosofeeren. - -Het was een paar dagen later, dat de kans zich voordeed om het -Koskomenos met kolen vuurs te vergelden. De oppervlakte van 't meer was -nog warm; stormen noch vorst hadden ze afgekoeld. De groote forellen -waren uit de diepe plaatsen opgestegen, maar waren nog niet levendig -genoeg om mijn vliegen aan te nemen; daarom was ik met een voorn naar -ze gaan hengelen, belust op forel. Ik had twee mooie visschen gevangen -en voer langzaam bij de monding van den inham, met Simmo aan de pagaai, -toen een verdachte beweging aan den oever mijn aandacht trok. Ik gaf -Simmo het snoer over om mijn kijker beter te kunnen hanteeren en zocht -scherp de elzen af, toen de Indiaan een kreet van verbazing uitte. "O, -sapperloot, kijk eens. Da's tweede keer ik vangen Koskomenos." En -daar, een twintig voet boven het meer, spartelde wild een jonge -ijsvogel--een van Koskomenos' ragebollige, wildoogige zonen--aan het -eind van mijn lijn. Hij had de voorn een honderd voet achter de boot -aan zien slepen en was er met meer honger dan overleg onmiddellijk op -neergeschoten. Toen Simmo den ruk voelde, maar niets achter zich zag, -had hij dadelijk opgehaald en de angel was vastgeslagen. - -Ik greep de lijn en begon zachtjes op te halen. De ijsvogel kwam -zeer tegen zijn zin onder een protest van voortdurend geratel, dat -al gauw Koskomenos en haar mannetje en twee of drie broertjes van den -gevangene in een wilden, luidruchtigen kring om de kano heenbracht. Ze -toonden geen gebrek aan moed, maar stootten telkens en telkens weer -naar de lijn en zelfs naar den man, die haar vasthield. Spoedig hield -ik den kleinen baas in mijn hand en had den angel losgemaakt. Hij was -heelemaal niet gewond, maar doodsbang; zoo hield ik hem een poosje -vast en genoot van de opwinding der andere, die door het alarmgeratel -van den gevangene maar wild om de kano bleven kringen. Het was -opmerkelijk dat niet éen andere vogel acht sloeg op den kreet of -naderbij kwam. Zelfs in nood weigerden ze den verstooteling te -erkennen. Terwijl Koskomenos toen op trillende vlerken vlak boven -mijn hoofd zweefde, wierp ik den gevangene dicht naast hem de lucht in. - -"Daar, Koskomenos, pak aan dien kleinen domoor van je, en maak hem -wijzer. Als je me den volgenden keer een beer ziet besluipen, ga dan -alsjeblieft met visschen door." - -Maar er klonk geen toon van dankbaarheid in het luidruchtige, verwarde -getier, dat de ijsvogels achternagalmde de baai stroomop. Toen ik ze -weer zag, zaten ze op een dooden tak, met z'n vijven op een rijtje, -alle tegelijk te klokken en te ratelen, zonder aandacht te schenken -aan de voorntjes, die onder hen speelden. Ik twijfel er niet aan of -op hun manier vertelden ze er mekaar alles van. - - - - - - - - -DE OUDE BEUKENPATRIJS. - - -Van alle vogels, die nog veel voorkomen in wat ons van ongerepte -plekjes overblijft, is het gekraagde hazelhoen--de "patrijs" uit -onze jonge jaren--misschien de schuwste, de waakzaamste, doet ons het -meest denken aan de oerwildernis, die we verloren hebben. Ge komt de -bosschen binnen van de weide op de heuvelhelling uit en leunt even -over de oude, grijze heining om naar 't spel van licht en schaduw -op de berkeknoesten te kijken. Uw oogen rusten op de verrukkelijke -mengeling van zachte kleuren, zooals geen penseel nog ooit nagebootst -heeft: het rijke oude goud van 't najaarsbekleedsel, het schemerig -grauwgroen van de vermolmde stomp, die de zwammen getint hebben. Wat -een reusachtige boom moet dat geweest zijn, geslachten geleden, -in zijn dagen van kracht; hoe onderkómen de berken, die nu uit zijn -wortels groeien! Ge herinnert u de groote berken aan de rivier in de -wildernis--waar kano's uit gemaakt worden--witter dan het tentje dat -er onder nestelde, terwijl hun wijde banieren in den wind wuifden, -zachter dan 't geruisch van uilevleugels, die er in de schemering als -schimmen tusschen zweefden. Een vaag gevoel van verdriet besluipt u, -dat uw eigen wildernis verdwenen is, en met haar de meeste van het -schuwe volkje, dat hield van haar eenzaamheid. Plotseling ontstaat -er geritsel in de bladeren. Er beweegt iets bij de oude stomp. Zoo -pas meendet ge dat het slechts een bruine wortel was; nu snelt het -heen, verstopt zich, richt zich op--kwit-kwit-kwit! en met gonzend -wiekgeruisch en een warrelende wieling van dorre blaren vliegt er een -hazelhoen op en schiet weg, als een stompe pijl met keisteen-punt en -grijs beveerd, tusschen de verschrikte berkestammen. Wanneer ge hem -stilletjes volgt om hem weer op te jagen, en te rillen en te schrikken -bij zijn onverwacht wegsnorren, is er vanzelf iets Indiaansch in uw -behoedzamen tred gekomen. Alle weemoed over de verloren wildernis -is verdwenen; ge zijt eenvoudig blij dat er nog zooveel wildernis -overblijft om welsprekend te getuigen van den goeden, ouden tijd. - -Het is deze trek van onoverkomelijke schuwheid in het hazelhoen, -gepaard met een zwerm van half-angstige indrukken uit mijn jeugd, -die mijn hart altijd doen kloppen als op een oude wijs, elken keer -dat er een patrijs aan mijn voeten opstuift. Ik herinner me goed een -jongetje, dat stilletjes de rustige bosschen insloop die hem met een -onweerstaanbare kracht trokken, toen hun schemerige bogen en stille -paden vol geheimenis en beangstigende griezeligheden waren. Voetje -voor voetje ging het kind de schaduwen binnen, behoedzaam als een -boschmuis, schuw als een konijntje. Plotseling een haastig geritsel -en een bolderend geweld, waarmee iets van den grond opschoot; eerst -klopte het kinderhart er hevig van, daarna sloeg hem de schrik in -de beenen en joeg hem het bosch uit, zoodat hij halsoverkop over -de oude, grijze heining tuimelde en halverwege de wei was gerend, -eer hij halt durfde houden voor dat vreeselijke achter zich. En dan, -eindelijk een andere drang, die het kind altijd weer naar de bosschen -deed sluipen, schuw, op zijn hoede, in spanning als een loerende vos, -om te onderzoeken wat dat voor vreeselijks was, dat zoo'n beroering -in de rustige bosschen te weeg kon brengen. - -En toen hij 't eindelijk ontdekte--dat was een ontdekking waar die -van de panterwelpen [13] nog maar niets bij was, als ik dat zoo -eens naga. Op een dag in de bosschen, dicht bij de plek waar het -gewoonlijk met vreeselijk geraas wegstoof, hoorde hij een geklok en een -kwit-kwit, en zag een mooien vogel in het kreupelhout wijken, glippen, -stilhouden, wegschuilen en elke beweging van het kind opnemen. En toen -dat vooruitschoot om zijn pet over den vogel te gooien, stoof hij weg, -en toen--wirr! wirr! wirr! bruiste er een heele koppel hazelhoenders -om hem heen op. De ontzetting daarover sloeg hem zoo in de beenen, -dat hij in de warrelende blaren neerviel en zich de ooren bedekte. Maar -dezen keer wist hij ten langen leste wat het was, en in een wip stond -hij overeind en draafde niet heen, maar zoo gauw als zijn beentjes -hem dragen konden achter den laatsten vogel aan, dien hij tusschen -de boomen zag wegscharrelen, terwijl een berketak, waar hij met zijn -vleugels tegen had gestooten, hem een goedendag naknikte. - -Er is nog meer aan dienzelfden vogel verbonden, dat altijd nog iets -bijzonder opwindends geeft aan het wegbruisen van zijn vleugels door de -opgeschrikte bosschen. Het was in de oude school aan den viersprong, op -een slaperigen Septembermiddag. Een klas aan 't spellen, groote jongens -en kleine meisjes, stond met de schoenneuzen voor dezelfde reet in den -vloer, in een rij tegenover den lessenaar van den meester. De rest van -de school dutte onderwijl dommelig in over de opgegeven taak. De dikke -jongen sliep openlijk op zijn armen; zelfs de deugniet was rustig, -en dacht soezerig aan voorbije zomerdagen. Plotseling klonk er een -vreeselijk gekraak, een kletterend gerinkel van gebroken glas, een -gekrijsch van een jongen bij het raam. Twintig knieën stootten van -onderen tegen de lessenaars, daar twintig jongens opsprongen. Toen, -eer een van ons zijn zinnen weer bij elkaar had, was Jimmy Jenkins, -een roodharige jongen, dien geen ramp uit zijn evenwicht kon brengen -en wien nooit een gelegenheid ontging, over twee schoolbanken -heengesprongen en zat in de meisjesafdeeling op den grond met iets -tusschen de knieën geklemd. - -"Ik heb hem," kondigde hij aan met het air van een veldheer. - -"Wat heb je?" bulderde de meester. - -"Een patrijs; 't is een ouwe, een kokkerd," zei Jimmy. En hij -richtte zich op, terwijl hij een mooi patrijzenmannetje bij de pooten -hield, wiens verstijvende vlerken nog krampachtig tegen zijn flanken -sloegen. Hij was in de naburige bosschen opgejaagd, door den een of -anderen jager uit zijn natuurlijke dekking verschrikt. Toen hij het -onbekende open veld bereikte, was hij nog ontstelder, en daar een -verschrikt hazelhoen altijd rechtuit vliegt, was hij als een kogel -door het schoolraam geschoten en had zichzelf door den schok gedood. - -De regel van drieën, de derdemachtswortel en de woestijn van andere -rekenkundige moeilijkheden hebben maar een flauwen indruk nagelaten -op minstens één van die leerlingen; maar een vogel, die een slaperige -klasse kon opwekken, en een levendige les, vol pit en belangstelling en -waaruit iets sprak van den onnaspeurlijk teeren lokroep der bosschen, -aan een suffen leeraar kon ontlokken--een leeraar, die 's nachts de -rechtswetenschap bestudeerde, maar overdag zijn jongens nooit--dat -was een vogel om eerbied voor te hebben. Ik heb hem sindsdien altijd -met aandachtiger belangstelling bestudeerd. - -Maar toch, hoeveel werk we ook van het hazelhoen maken, we komen weinig -anders te weten, dan hoe schuw hij is. Soms, als ge stil zijt in het -bosch en een hazelhoen tot bij uw schuilplaats komt gewandeld, vangt -ge goed wat van hem op en kunt ge u omtrent hem van sommige dingen -een denkbeeld vormen; maar hij ontdekt u al gauw en richt zich op zoo -recht als een paal en staart u wel vijf minuten aan zonder te bewegen -of een ooglid te verroeren. Dan, overtroffen in zijn eigen kunstje, -glipt hij weg. Een geritsel van kleine pootjes op bladeren, een zwak -kwit-kwit met een vraag er in--en hij is verdwenen. En hij zal niet, -als de vos, terugkeeren om van den anderen kant te komen kijken en -te trachten gewaar te worden wat ge zijt. - -De nog maar pas doorgedrongen beschaving is goed voor het hazelhoen, -want ze voorziet hem van een overvloed van voedsel en verjaagt zijn -vijanden. Hazelhoenders zijn altijd talrijker om de nederzettingen heen -dan in de wildernis. Anders dan andere vogels echter, wordt hij hoe -langer hoe schuwer, naarmate hij dichter bij de menschelijke woningen -is. Ik veronderstel dat het komt, doordat de tegenwoordigheid van den -mensch zoo dikwijls vergezeld gaat met een toeschietenden hond en -'t knallen van een geweer, en misschien met hagel in zijn veeren, -die hem kwetst en pijn doet als hij wegsnort. Eens in de wildernis, -toen 'k ergen honger had, ving ik twee patrijzen door over hun kop -een touwlus aan 't eind van een stok te gooien. Hier zou men even -goed kunnen trachten een vleermuis in de schemering te vangen, als -de hoop te koesteren een onzer patrijzen van de heuvelhellingen door -zoo'n uitvinding te strikken of er ook maar dicht genoeg bij te kunnen -komen om over zoo'n poging te denken. - -Maar er was éen hazelhoen--en nog wel het schuwste van alle, die -'k ooit in de bosschen ontmoet heb--dat me, zonder dat hij 't wist, -allerlei trekjes uit zijn leven toonde en dat ik langzamerhand goed -leerde kennen, na de waarnemingen van een paar seizoenen. Alle jagers -uit het dorp kenden hem best; en een stuk of wat jongens, die geweren -bezaten en begeerig waren zich in de gelederen der jagers te scharen, -hadden jachtavonturen met hem beleefd. Hij stond wijd en zijd bekend -als "de oude beukenpatrijs." Dat hij oud was kon niemand ontkennen, van -zijn doen en laten op de hoogte; en hij werd herhaaldelijk opgejaagd -in een beukenbosch bij een beek, een paar mijlen buiten het dorp. - -Niettegenstaande veel geleerde discussies over de vele soorten van -hazelhoenders tengevolge van duidelijke kleurverschillen, geloof -ik voor mij, dat we maar één soort hebben, en dat kleurverschillen -grootendeels komen van de verschillende omgevingen waarin ze leven. Van -alle vogels is het hazelhoen het onzichtbaarst in rust; zijn kleur -is zoo volkomen in overeenstemming met de wortels en bladeren en -boomstammen, waar hij zich tusschen verschuilt. Deze verwonderlijke -onzichtbaarheid wordt nog verhoogd door het feit, dat hij gemakkelijk -van kleur verandert. Hij is 's zomers donkerder en 's winters lichter, -net als het konijn. Wanneer hij in donkere bosschen woont, wordt hij -glanzend roodbruin; en als hij zijn verblijf tusschen de berken houdt, -is hij vaak bepaald grijs. - -Zoo was het stellig met den ouden patrijs. Als hij zijn staart wijd -uitspreidde en tusschen de beuken wegschoot, was zijn kleur zoo -volkomen in overeenstemming met de grijze boomstammen, dat slechts -een scherp oog hem kon onderscheiden. - -'t Was een gladde vogel, die alle knepen kende. Als hij opvloog, -had hij binnen een seconde een grooten boom tusschen ons en zich -gebracht, om zijn vlucht te dekken. Ik weet niet hoe vaak er wel op hem -geschoten was in de vlucht. Elke jager, dien ik ken, had het menigmaal -geprobeerd; en elke jongen, die in 't najaar door de bosschen zwierf, -had hem schandelijk op den grond trachten te raken. Maar hij was nooit -een veer kwijtgeraakt; en hij wou nooit zoo lang stilzitten voor een -staanden hond, dat de handigsten in ons gilde goed konden aanleggen. - -Wanneer een broedsel jonge patrijzen een hond door de bosschen hoort -rennen, fladderen zij gewoonlijk op de onderste takken van een boom en -kwit-kwitten nieuwsgierig naar hem. Ze hebben het verschil tusschen hem -en den vos nog niet geleerd, die de aartsvijand van hun geslacht is, en -aan wien hun voorouders in de wildernis op dezelfde manier ontkwamen, -dien ze net zoo tantaliseerden. Maar als 't een oude vogel is, waar -uw setter 't spoor van volgt, dan is zijn handelwijze een grappige -mengeling van geslepenheid en onweerstaanbare nieuwsgierigheid. Zoodra -de oude Don staat, richt de patrijs zich stokstijf op bij een boomstomp -en slaat den hond gade. Zoo staan ze als een paar beelden; de hond -in toom gehouden door het vreemde instinct, dat hem doet "staan", -weg voor gezicht, voor geluid, voor alles, behalve voor de geuren -in zijn neus; de patrijs in de grootste spanning, met elken zin -op den vijand gericht, dien hij meent te misleiden door zijn goed -verstoppen. Gedurende een kort oogenblik zijn ze roerloos; dan deinst -de patrijs achteruit en glipt weg naar een betere schuilplaats. Als -de sterke geur voor Dons neus vervliegt, staat hij niet langer, maar -volgt. De patrijs hoort hem en verschuilt zich weer door zich op te -richten tegen een boomstomp, waar hij onzichtbaar is; weer verstijft -Don en staat met een poot in de lucht, neus en staart in een rechte -lijn, alsof hij versteend was en zich niet kon roeren. - -Zoo gaat het voort, nu eens door de struiken glippend, dan onbeweeglijk -als een steen, tot de patrijs ontdekt, dat zoolang hij zich stilhoudt -de hond wel verlamd lijkt, niet in staat zich te bewegen of te -voelen. Dan zet hij zich in postuur pal tegen een wortel of een -boomknoest; en daar staan ze geen twintig voet van elkaar af, zonder -een vin te verroeren, tot de hond uitgeput door inspanning neerzijgt, -of er een eind aan maakt door vooruit te springen, of tot de stap -van den jager over de bladeren den patrijs opnieuw van ontzetting -vervult en hem door de Octoberbosschen wegjaagt naar eenzamer plekjes. - -Op een middag zag ik den ouden Ben, een beroemden hond, prachtig -"staan". Vlak vóór hem, in een ruigte van bruine varens, kon ik kop -en hals van een patrijs zien, die den hond scherp gadesloeg. De baas -van den ouden Ben stelde voor daar op die plaats koffie te drinken, -om het meesterlijk africhten van zijn hond op de proef te stellen. We -trokken ons een eindje terug en gingen op ons gemak eten, terwijl we -vogel en hond gadesloegen met een belangstelling, die hoe langer hoe -grooter werd, naarmate de maaltijd vorderde, terwijl de oude Ben stond -als een muur en het oog van den patrijs onbeweeglijk in de varenruigte -glom. En geen van beide verroerde een vin, terwijl wij aten en Bens -baas in kalm vertrouwen zijn pijp rookte. Eindelijk, na een vol uur, -klopte hij zijn pijp op de hak van zijn laars uit en stond op om -zijn geweer te krijgen. Dat beteekende den dood voor den patrijs; -maar ik dankte hem te veel echt genot om het aan te zien, dat hij in -zijn snelle vlucht zou worden neergeschoten. In het oogenblik, dat de -baas zich omkeerde, gooide ik een stuk hout naar de varenruigte. De -patrijs stoof de lucht in en weg, en de oude Ben, door 't wiekgeruisch -uit zijn bedwelming wakker geschud, liet zich gehoorzaam vallen op het -sein en keerde zijn kop om, om verwijtend met zijn oogen te zeggen: -"Wat ter wereld scheelt jou daar achter--heb ik hem niet lang genoeg -in bedwang gehouden?" - -Het brave oude beest beefde als een riet na de lange inspanning, -toen ik naar hem toeging om hem op zijn kop te kloppen en zijn -standvastigheid te loven, en hem 't grootste deel van mijn maaltijd te -geven. Maar tot op dezen dag weet Bens baas niet wat den patrijs zoo -plotseling heeft opgeschrikt; en als hij u van die gebeurtenis vertelt, -zal hij er nog spijtig aan toevoegen: "Ik had net een oogenblik eerder -moeten beginnen, voordat hij moe werd. Dan zou 'k hem gehad hebben." - -"De oude beukenpatrijs" was echter een anders geaarde vogel. Geen -hond kon hem langer dan een seconde doen stilstaan; hij had maar al -te goed geleerd wat dat beteekende. Zoodra hij 't trippen van een -hondepoot op de blaren hoorde, snelde hij weg en verschool zich, -trok zich terug en repte zich weer, zoodat hij hond en jager op de -been hield, tot hij de dekking vond naar zijn gading,--dikke boomen, -of een warreling van wilden wingerd--waar hij dan aan den anderen kant -uit kwam breken. En geen oog, hoe scherp ook, kon méér opvangen dan -een tipje van een grijzen staart, voordat hij verdwenen was. Andere -patrijzen vliegen in korte, rechte einden en kunnen gevolgd worden en -weergevonden, maar hij ging er altijd op krachtige vlerken vandoor, -over een ongelooflijken afstand, en zwenkte een heel eind naar rechts -of links af; zoodat het tijdverspillen was om achter hem aan te -gaan. Eer ge hem weer hadt, zouden zijn vleugels uitgerust zijn en -was hij gereed voor nog een vlucht; en als ge hem dan vondt, schoot -hij als een pijl uit den boog weg uit den top van een denneboom en -er was ook niets meer van hem te zien. - -Hij huisde den meesten tijd op een heuvelrug achter een verlaten hoeve -oostelijk van den ouden postweg. Dit was zijn middelste verblijfplaats, -een plek met dicht struikgewas, doornboschjes [14] en zonnige open -stukjes tusschen de rotsrichels, waar ge hem als 't u meeliep op -speciale dagen in alle jaargetijden kondt vinden. Maar hij had echt -het zwerversinstinct van een Newfoundlandsch rendier. 's Winters trok -hij naar 't Zuiden, met twintig andere patrijzen, naar den voet van -den bergrug, die uiteenviel in een reeks van heuveltjes en ravijnen -en zonnige, goedbeschermde valleitjes, waar volop te eten was. Hier -was vijftig jaar geleden weiland, dat bij een boerderij hoorde; maar -nu was het overal volgegroeid met kreupelhout en frambozenvelden -en wilde appelboomen, die de vogels er gezaaid hadden. Alle vogels -waren er graag op z'n tijd; kwartels nestelden er aan de zoomen; -en men kon een bruin konijn opkloppen uit bijna elk van de vergane -hoopen takken of holle, met mos begroeide stammen die er lagen. - -In het voorjaar stak hij den kam weer naar het Noorden over en trok -de stille, donkere bosschen in, waar hij twee of drie wijfjes had met -evenzooveel broedsels jonge patrijzen; die hij alle, laat me dat even -zeggen, met verwonderlijke onverschilligheid beschouwde. - -Door het heele gebied stroomde--stil uit de groote bosschen -tevoorschijn sluipend, kabbelend langs den voet van den bergrug en -zingend door de oude weide--een beek, waar de oude beukenpatrijs -van scheen te houden. Wel honderd keer heb ik hem daar aan de oevers -opgeschrikt. Ik hoefde er maar langs te loopen op eiken willekeurigen -Novembermorgen vóor acht, en ik kon er zeker van zijn, dat ik hem -vond. Maar waarom hij er altijd zat op dit bepaalde uur, in dit -jaargetijde, heb ik nooit kunnen uitmaken. - -Ik verwonderde me er dan soms over, waarom ik hem nooit zag -drinken. Andere vogels hadden daar vaste drink- en baadplaatsen, -en ik heb ze herhaaldelijk van mijn schuilhoek uit waargenomen, -maar ofschoon ik hem dikwijls zag, nadat ik er achter was gekomen -waar hij zat, hij raakte nooit het water aan. - -Op een vroegen zomerochtend deed zich een aannemelijke verklaring -voor. Ik zat rustig bij de beek, aan den rand van het groote bosch, te -wachten tot het diepe water weer kalm zou zijn geworden, waar ik juist -een forel uit had opgehaald en waar ik vermoedde dat een nog grootere -zich schuilhield. Terwijl ik wachtte, kwam een patrijzenmoeder met haar -broedsel--een van de tallooze gezinnen van den ouden beukenpatrijs, -waar hij niet naar omkeek--langs den rand van het bosch glijden. Ze -waren klaarblijkelijk komen drinken, maar niet uit de beek. Een -zoeter dronk dan daaruit wachtte op hun komst. De dauw lag nog -op de grassprieten; hier en daar hing een droppel aan de punt van -een blad als een diamant in 't vroege licht te schitteren. En dan -hieven de patrijsjes, die tjilpten en glipten en floten tusschen de -neerbuigende halmen, hun bekjes op naar elken glanzenden dauwdroppel, -die hen lokte, en dronken hem in en haastten zich met vroolijk gepiep -en gorgelgeluidjes naar den volgenden droppel, die een uitnoodiging -flonkerde van zijn neigenden grasspriet. De oude moeder wandelde -bezadigd in hun midden, maakte zich nu eens druk om een achterblijver, -dan weer klokte zij ze alle bij elkaar tot een begeerig, tsjilpend, -hippend troepje, terwijl ieder vocht de eerste te zijn om een vette -slak te dooden, die ze aan den onderkant van een blad had ontdekt; -en straks rekte ze zich zelf uit naar een dauwdroppel, die voor hen -te hoog hing om te drinken. Zoo trokken ze voorbij op nog geen paar -meter afstands, een schuw, wild, gelukkig gezinnetje, en verdwenen -in de schaduw van het groote bosch. - -Misschien is dit de reden, waarom ik den ouden beukenpatrijs nooit -uit de beek heb zien drinken. De natuur heeft frisscher dronk, dien -ze zelf bereid heeft, en die nog meer naar zijn smaak is. - -Eerder in 't seizoen had ik nog een van zijn gezinnen daar ook in -de buurt gevonden. Ik sloop langs een boschpad, toen ik ze plots -verraste, op een zonnig open plaatsje, waar ze uit alle macht aan -'t krabbelen waren in een mierenhoop. Een wild geflodder, alsof een -warrelwind over den mierenhoop gevaren was; maar het was slechts de -wind der vleugels van den moedervogel, die de stof opjoegen om mijn -oogen te verblinden en den haastigen terugtocht te dekken van haar -donzige broedsel. Nog eens sloegen haar vlerken op den grond en joegen -een warreling van dorre blaren op, temidden waarvan de patrijsjes -weghipten en -scharrelden, zóo precies de bladen, dat geen oog ze -van elkaar kon onderscheiden. Toen zegen de blaren langzaam neer -en het broedsel was verdwenen, alsof de grond het verzwolgen had; -terwijl moeder patrijs juist buiten mijn bereik wegflodderde, met een -vleugel sleepte alsof die gebroken was, plat op den grond viel, klokte -en kwit-kwit riep, en de blaren opjoeg om mijn aandacht te trekken, -me weg te krijgen van de plaats waar de jongen zich verstopt hadden. - -Ik knielde juist binnen den boschzoom neer, waar ik den achterblijver -van het broedsel als een bruine schicht had zien verdwijnen -en begon zorgvuldig naar ze te zoeken. Na een poosje vond ik er -een. Hij zat plat op een dor eikeblad gedoken, vlak voor mijn neus, -wonderlijk gedekt door zijn kleur. Er glinsterde iets in een donker -wortelkluwen. Het was een oog, en weldra kon 'k daar een kopje -onderscheiden. Dat was al wat ik van 't gezin vermocht te ontdekken, -ofschoon er nog wel twaalf vlak bij me, de meeste onder de bladen, -waren. Toen ik achteruitkroop, legde ik mijn hand er op een voordat -'k hem zag, en 't had geen haar gescheeld of 'k zou dien kleinen -slimmerd bezeerd hebben, die geen vin verroerde, niet eens toen ik -het blad wegnam, dat hem bedekte en 't voorzichtig weer neerlegde. - -Aan den overkant van 't pad stond een dikke dwergeik, waar ik onder -ging zitten loeren. Het duurde tien lange minuten, waarin zich niets -verroerde, eer moeder patrijs terug kwam sluipen. Ze klokte eens--"pas -op!" scheen 't wel te beteekenen, en er bewoog geen blad. Ze klokte -weer--opende de grond zich? Daar had je ze, wel meer dan een dozijn, -die uit het niet waren opgesprongen en haastig aankwamen om haar er -met een eindeloos gepiep alles van te vertellen. Ze verzamelde ze zoo -alle dicht om zich heen en ze verdwenen, door de schaduwen geholpen. - -Het was grappig zoo ijverzuchtig als de oude beukenpatrijs over -de eenzaamheid waakte, waar deze merkwaardige kleine families -rondzwierven. Ofschoon het leek dat hij geen zier om ze gaf, en men -hem nooit in de buurt van een zijner gezinnen waarnam, hij duldde 't -niet dat een andere mannetjespatrijs in zijn bosschen kwam of ook maar -binnen gehoorsafstand trommelde, 's Winters deelde hij het zuidelijke -weiland vreedzaam met wel twintig andere patrijzen; en op bepaalde -dagen kon men, na veel gekruip, een heel gezelschap van die dieren -op een zonnige zuidelijke helling verrassen, waar ze deftig stapten -en in- en uit- en rondglipten met uitgespreiden staart en hangende -vlerken, alle bewegingen uitvoerend van een patrijzenmenuet. Eens, op -een laten, warmen najaarsdag, was ik naar een twaalf of vijftien van -die prachtige vogels toegekropen, die hun merkwaardige vertooning ten -beste gaven in een kleine opening tusschen de wilde frambozen; en in -hun midden--trotscher, pralender, verwaander stappend en aanmatigender -klokkend dan een van de andere--was de oude beukenpatrijs. - -Maar toen 't voorjaar werd en de lange, rollende trommelklanken door -de uitbottende bosschen begonnen te roffelen, trok hij zich terug naar -zijn middelste gebied op den bergrug en wandelde van 't eene eind naar -'t andere, dreef elken anderen mannetjespatrijs uit zijn gehoor en -nam hem geducht onderhanden als hij 't waagde hem te weerstaan. Dan -hoorde men na een overwinning zijn luid getrommel door de Meische -heerlijkheid rollen, om zooveel wijfjes als hij maar kon te verlokken -zijn weelde met hem te deelen. - -Hij had twee trommelstammen in zijn gebied liggen, zooals ik al spoedig -ontdekte; en eens, terwijl hij op den eenen stam stond te trommelen, -verschool ik me bij den anderen en bootste zijn kreet vrij goed na -door met mijn handen op een met lucht gevulde blaas te slaan, die ik -onder mijn jas geknoopt had. Het roffelen van een patrijzen getrommel -is een eigenaardig gedempt geluid; het valt dikwijls moeilijk plaats -of zelfs richting van herkomst te bepalen; en het klinkt altijd veel -verder weg dan het werkelijk is. Dit heeft den ouden beukenpatrijs in -'t eerst misschien misleid om te denken, dat hij een anderen vogel heel -in de verte hoorde, op een heuvelkam aan den overkant van de vallei -waar hij niets te maken had; want al gauw trommelde hij weer op zijn -eigen stam. Ik antwoordde er onmiddellijk op, door een uitdaging terug -te roffelen en vertelde zoo ook elke wijfjespatrijs in het gebied, -dat er nog een candidaat was, geneigd tot pronken en zijn staart uit -te spreiden en den schitterenden kraag om zijn hals op te zetten, -om zich een plaatsje te veroveren in haar gunsten, als ze hem maar -op zijn trommelstam wou komen kijken. - -Er moet eenige argwaan, dat er een mededinger in zijn gebied gedrongen -was, in den kop van den ouden patrijs zijn opgekomen, want er was een -lange stilte, waarin ik me hem kon voorstellen, hoe hij recht en stijf -op zijn stam aandachtig stond te luisteren om de plaats te bepalen waar -die brutale indringer zat, en zijn ziedenden toorn met moeite bedwong. - -Zonder te wachten tot hij weer trommelde, roffelde ik een -uitdaging. Ternauwernood was 't trommelen opgehouden, of daar kwam -hij den heuvel opschieten, als een bliksemschicht tusschen de dikke -takken door, en plofte bij zijn eigen stam neer, waar hij zich met -wonderbaarlijke gezwindheid oprichtte, om luisterend naar den indringer -te spieden. - -Het scheen hem te verlichten, dat de stam niet bezet was, maar -hij was nog vol opgekropten toorn en achterdochtigheid. Hij gleed -en dook, de heele plek over rondziend en luisterend; toen sprong -hij op zijn stam en zonder als gewoonlijk den tijd te nemen om te -pronken en zijn schitterende veeren uit te spreiden, liet hij den -langen roffel hooren, richtte zich onmiddellijk op toen 't gebeurd -was, wendde zijn kop naar alle kanten om het eerste geluid van het -antwoord van zijn mededinger op te vangen,--"Kom eens voor den dag -als je durft,--rrom!--als je durft. O jou, lafaard!" En hij hipte, -in vijf of zes hooge, opgewonden sprongen, als een haan vóór den -storm, naar 't andere einde van den stam, en weer rolde zijn snelle, -kloppende trommelslag door de bosschen. - -Ofschoon ik dicht genoeg bij was om hem zonder kijker duidelijk -te onderscheiden, kon ik zelfs toen niet (en andere keeren dat -ik een patrijs heb zien trommelen evenmin) precies nagaan hoe dat -geluid gemaakt wordt. Na een poosje bedaarde de opwinding over een -vermoedelijken mededinger, en werd hij verrukt, omdat hij meende -den schelm uit zijn bosch te hebben verdreven. Hij wandelde statig -op den stam heen en weer, liet zijn vleugels slepen, spreidde zijn -prachtigen staart wijd uit, zette zijn borst en zijn schitterenden -kraag op. Plotseling richtte hij zich dan in de hoogte; een zwiepen -van zijn vleugels op en neer, dat geen oog kon volgen, en ik hoorde -een enkelen slag van zijn roffel. Weer een zwiepen en weer een slag; -dan hoe langer hoe gauwer, tot het leek alsof hij twee of drie paar -vlerken had, die suisden en wentelden beide als de spaken van een -sneldraaiend wiel, en de trommelslagen rolden samen tot een langen -roffel en verstierven in de bosschen. - -Gewoonlijk stond hij op zijn teenen, zooals een haan doet, wanneer hij -met zijn vleugels klept eer hij kraait; zelden dook hij op den stam -neer; maar ik twijfel er aan of hij met zijn vlerken op 't hout slaat, -zooals dikwijls beweerd wordt. Toch verschilden de beide stammen van -elkaar; de eene was droog en hard, de andere vermolmd en bemost; -en de roffels waren even verschillend als de beide stammen. Na -een tijdje kon ik na den eersten wiekslag aan 't geluid zeggen, -welken stam hij gebruikte; maar dat was dunkt mij een quaestie van -weerklank, de uitwerking van een soort klankbord, en niet doordat ze -beide verschillend klonken als hij er op sloeg. Het getrommel wordt -ongetwijfeld veroorzaakt, of doordat hij de vlerken boven zijn rug -samenslaat, of, zooals ik geneigd ben te gelooven, doordat hij ze bij -'t neergaan tegen zijn eigen flanken klapt. - -Eens hoorde ik een gewonden vogel drie of vier slagen van zijn roffel -geven en toen ik het wingerdboschje inging, waar hij neergestort was, -vond ik hem plat op zijn rug liggen, terwijl hij zich met zijn vleugels -op de flanken sloeg. - -Altijd als hij trommelt stapt hij eerst als een pauw, omdat hij -niet weet hoeveel heldere oogen hem schuw uit het struikgewas -bespieden. Eens toen ik hem een paar keer statig had zien wandelen -en trommelen, ritselde 't in de bladeren en verschenen er twee -wijfjespatrijzen van weerskanten op de open plek waar zijn stam zich -bevond. Toen paradeerde hij met nog grooter ijdelheid dan tevoren, -terwijl de twee wijfjespatrijzen over de plek gleden: naar den schijn -zochten ze zaadjes, maar in werkelijkheid bespiedden ze elke van -zijn bewegingen met een schuin oogje en bewonderden hem, tot zijn -innige voldoening. - -'s Winters volgde ik zijn spoor gewoonlijk in de sneeuw, om er achter -te komen wat hij uitgevoerd had en wat voor voedsel hij gevonden -had, als er schaarschte in de natuur was. Voor zijn ergste vijanden, -den mensch en zijn hond, hoefde hij niet bang meer te zijn, want ze -werden in bedwang gehouden door de wet, en hij zwierf nog vrijer -door de bosschen dan ooit. Hij scheen te weten dat hij veilig was -gedurende dezen tijd, en meer dan eens speurde ik hem na tot in zijn -schuilplaats en zag hem wegfladderen door de open bosschen, terwijl -hij een regen van sneeuw achter zich neerjoeg, alsof hij het op die -eigenaardige wijze deed, om de richting van zijn vlucht voor mijn -oogen te verbergen. - -Er waren echter andere vijanden, door geen wet in bedwang gehouden, -behalve de algemeene boschwetten van vrees en honger. Dikwijls vond -ik het spoor van een vos, dat het zijne in de sneeuw kruiste, en eens -volgde ik een dubbel spoor, den vos een patrijs naspeurend, bijna wel -een halve mijl ver. De vos was hem laat in den vorigen middag op 't -spoor gekomen en was hem naar een doornboschje gevolgd, waar middenin -een groote ceder stond waarin de oude beukenpatrijs op stok ging. De -vos was twee keer om den boom heengegaan, had stilgestaan en opgekeken -en zich toen regelrecht naar 't moeras begeven, alsof hij wel wist, dat -'t nergens toe diende nog langer te loeren. Als er veel sneeuw lag, -vond ik zelden de plek waar hij of een andere patrijs op den grond -waren gaan slapen. Hij plofte gewoonlijk uit een boom in de zachte -sneeuw neer, en dook er halsoverkop wel drie of vier voet in, keerde -zich dan rond en nestelde zich in zijn witte, warme kamertje voor den -nacht. Ik vond dan het holletje, waar hij 's avonds in was geschoten, -en er dichtbij het groote gat, waar hij er uitgebroken was toen het -licht hem wekte. Als ik mijn richting dan bepaald had naar den indruk -van zijn vleugels in de sneeuw, volgde ik die, om na te gaan waar -hij neergestreken was en hem op zijn vroege zwerftochten na te speuren. - -Men zou meenen dat het een gevaarlijke manier van doen was, zoo zonder -andere beschutting dan sneeuw op den grond te slapen, met allerlei -hongerige vijanden, die in 't bosch rondsluipen; maar de patrijs -weet wel dat als 't sneeuwt zijn vijanden stilletjes thuis blijven, -omdat ze niet in staat zijn te zien of te ruiken, en dientengevolge -allemaal zelf voor hun eigen vijanden bang zijn. Gedurende een -sneeuwstorm is er altijd wapenstilstand in het bosch, en dat is -de reden waarom een patrijs in de sneeuw dan alleen gaat slapen, -als de vlokken nog neervallen. Wanneer dit ophoudt en de sneeuw een -beetje bezonken is, zal de vos weer op de been zijn; en dan slaapt -de patrijs in het naaldhout. - -Eens echter rekende de oude beukenpatrijs buiten den waard. 't Was -vroeg in den avond met sneeuwen opgehouden en de honger dreef den -vos naar buiten, in een nacht, dat hij zich anders gedekt zou hebben -gehouden. Om en bij 't aanbreken van den dag, voordat het licht nog was -doorgedrongen tot waar de oude beukenpatrijs lag te slapen, vond de vos -een gat in de sneeuw, dat hem verried hoe vlak voor zijn hongerigen -neus een patrijs verscholen zat, die zich van geen gevaar bewust -was. Ik vond de plek, toen ik het spoor van den vos een paar uren -later volgde. Wat was hij omzichtig! Het sluwe spoor sprak boekdeelen -van honger en verwachting. Een paar voet van 't veelbelovende gat -af had hij stil gestaan en scherp over de sneeuw uitgekeken, om een -verraderlijke ronding op de gladde oppervlakte te ontdekken. Aha! daar -was ze, net aan den zoom van een boschje jeneverbessen. Hij dook neer, -sloop vooruit, zoodat hij een diep spoor met zijn lichaam groef, -plantte zich stevig vast en sprong toe. En daar, vlak naast het gat -dat zijn pooten in de sneeuw gemaakt hadden, was nog een gat, waar de -patrijs uitgebroken was, zoodat hij zijn heelen vijand, die zich een -voet verrekend had, vol sneeuw gestrooid had, en met oorverdoovend -lawaai naar de veilige beschutting van de dennen was gevlogen. - -Er was nog een vijand, die verstandiger had moeten zijn en die den -ouden beukenpatrijs een heel vroeg voorjaar lang achtervolgd had, -toen er veel sneeuw lag en 't voedsel karig was. Op een dag dat ik -het zuidelijk gebied van den patrijs doorkruiste, ontmoette ik een -jongetje,--een pienter kereltje met het jagersinstinct van een vos. Hij -had altijd wat merkwaardigs--otters, of muskusratten, of een bunzing, -of een grooten uil,--zoodat ik hem met vreugde begroette. - -"Hallo, Jantje! Wat speur jij vandaag--beren?" - -Maar hij schudde zijn hoofd slechts--een beetje sullig, leek het mij -toe--en praatte over alles behalve over datgene waaraan hij dacht; -en weldra verdween hij in het oude pad. Een van zijn jaszakken puilde -meer uit dan de andere en ik wist dat er een klem in zat. - -Laat op dien middag stootte ik op zijn spoor en aangezien 'k niets -belangrijkers te doen had, ging ik het volgen. Het leidde regelrecht -naar het doornboschje waar de oude beukenpatrijs op stok ging. Ik had -er dikwijls tevergeefs naar gezocht, eer de vos mij er bracht; maar -Jantje had op een van zijn zwerftochten prenten en een paar veeren -onder een cedertak gevonden en wist best wat dat zeggen wilde. Daar -was zijn klem, precies op de plek, waar de oude patrijs den vorigen -avond gestaan had, toen hij zijn sprong nam naar den ondersten tak. Er -was volop koren uitgestrooid en een blauwe gaai, die Jan achterna -gegaan was, zat al stevig in de klem; bij den wortel van zijn snavel -net onder de oogen was hij gegrepen. Hij had de klem doen toeklappen, -toen hij naar wat koren pikte, dat listig met een dun ijzerdraadje aan -de pan was vastgemaakt. Toen ik de gaai zorgvuldig uit de klem nam, -hield zij zich dood en slap in mijn hand, tot mijn greep ontspande -en zij naar een tak boven mijn hoofd vloog, waar zij me bekeef en -uitschold, omdat ik me inliet met zulke afschuwelijke uitvindingen. - -Ik hing de klem aan een lagen tak van den ceder, met een briefje -tusschen haar tanden, om Jan te vragen of hij den volgenden dag eens -bij me wou komen. Hij kwam met een beschaamd gezicht toen 't donker -werd, en ik nam hem onderhanden over onridderlijkheid en 't verschil -tusschen een diefachtigen otter en een eerlijken patrijs. Maar hij -grinnikte om de blauwe gaai en ik twijfelde er aan of zoo'n berisping -alleen wel een blijvende uitwerking zou hebben. Om het hem dus wat -gemakkelijker te maken, liet ik iets los over de glijbaan van een -otter, die ik ontdekt had en over een gezamenlijken zwerftocht op een -Zaterdagmiddag. Hij vertelde me, dat hij wel twintig keer dien ouden -beukenpatrijs had trachten te verschalken. Toen hij de glijbaan van den -otter zag, zwoer hij klemmen en strikken voor vogels af, en ik verliet -kort daarna de streek, zeer hoopvol wat den patrijs aangaat, want ik -wist dat 'k de kanonnen vernageld had van zijn gevaarlijksten vijand. - -Jaren later kwam ik door de oude wei en ging regelrecht naar de -wildernis van doornstruiken. Er waren prenten van een patrijs in -de sneeuw,--korte sporen, die licht rustten op het zachte blank, en -toonden dat de Natuur gedachtig was aan zijn behoeften en gezorgd had -dat zijn nieuwe sneeuwschoenen prachtig gegroeid waren. Ik haastte me -naar de beek, terwijl tallooze herinneringen aan gelukkige dagen en -zeldzame ontdekkingen, als het boschvolkje me zijn kleine geheimen -openbaarde, zich aan me opdrongen. Toen 'k er heelemaal in verdiept -was--kwit-kwit! en met luidruchtig wiekgeruisch suisde er een patrijs -weg, wild en grijs als de bijzondere vogel, die daar jaren te voren -geleefd had. En toen ik er een jager naar vroeg, zei hij: "Die oude -beukenpatrijs? O ja, die zit daar. Daar zal hij wel blijven ook, -tot hij van ouderdom doodgaat, want, ziet u, mijnheer, d'r is hier -in de buurt niemand gewikst genoeg om hem te vangen." - - - - - - - - -WOLKVLEUGEL, DE ADELAAR. - - -"Daar heb je hem weer! Daar is die Witkop bezig den vischarend te -bestelen." - -Ik schoot op uit mijn kleine commoosie achter 't vuur bij Gillie's -opgewonden kreet en snelde op 't strand naar hem toe. Een blik over -de Rendier-kaap heen naar de groote baai, waar ontelbare witvisschen -schoolden, gaf me weer een hoofdstuk van een lange, maar altijd -merkwaardige geschiedenis. Ismaques, de vischarend, was met een dikken -visch uit het meer gestegen en deed zijn best om naar zijn nest te -komen, waar zijn jongen om eten riepen. Boven hem zweefde de adelaar, -zoo onbeweeglijk en onverbiddelijk als het noodlot, liet zich nu eens -neervallen om Ismaques met een wiek in 't gezicht te flappen, raakte -hem dan weer zachtjes met zijn groote klauwen aan, alsof hij wilde -zeggen: "Voel je dat, Ismaques? Als ik maar éen keer goed toegrijp, -zal 't uit zijn met jou èn je visch. En wat zullen de jongen dan -beginnen daar boven in 't nest in den ouden den? Laat hem nu liever -kalm vallen; jij kunt een anderen vangen.--Laat vallen! zeg ik." - -Tot dat oogenblik had de adelaar het den grooten vischarend nog alleen -wat lastig gemaakt onder 't vliegen, met af en toe een zachten wenk, -dat hij geen kwaad bedoelde, maar dien visch wilde hebben, dien hij -zelf niet vangen kon. Nu kwam er verandering; 's konings humeur toonde -zich even. Met ruischende wieken zwierde hij als een wervelwind om den -vischarend heen en hield plotseling dreigend stand midden in de lijn -van zijn vlucht. Daar bleef hij op breede, donkere vlerken zweven; -zijn gele oogen tuurden fel in de ineenkrimpende ziel van Ismaques, -zijn klauwen waren ver teruggetrokken voor een doodelijken stoot. En -Simmo, de Indiaan, die beneden naar me toe was komen draven, mompelde: -"Nu Cheplahgan woedend; dat Ismaques zoo dadelijk merken." - -Maar Ismaques wist precies hoever hij gaan kon. Met een kreet van woede -liet hij zijn visch vallen, of liever, hij gooide hem neer, in de hoop -dat hij in 't water terecht zou komen en verloren gaan. Op hetzelfde -oogenblik wielde de adelaar hem uit den weg en boog bliksemsnel -zijn kop. Ik had hem wel eerder zijn vleugels zien samenvouwen en -neervallen, en mijn adem ingehouden bij zoo'n vaart. Maar vallen hielp -nu niet, want de visch viel sneller. In plaats daarvan schoot hij -naar beneden en vermeerderde 't gewicht van zijn val door 't stuwen -van zijn forsche wieken, terwijl hij neersuisde als een bliksemflits, -om den visch te grijpen voor deze 't water raakte, en steeg hij met -een groote bocht weer op--gestadig hooger en verder weg, gelijkmatig -als 't een koning betaamt te vliegen, naar zijn eigen jongen, heel -ginds op den berg. - -Weken tevoren had ik den Ouden Witkop, zooals Gillie hem noemde, al -leeren kennen op den Madawaska. We voeren de rivier op, op weg naar -de wildernis, toen luide kreten en 't gepang van een geweer vlak voor -ons weerklonken. Als we haastig een bocht tusschen de beboschte oevers -om kwamen schieten, troffen we een man aan met een rookend geweer, -een jongen tot aan zijn middel in de rivier, die hij over trachtte -te komen, en aan den anderen kant een zwart schaap, dat ronddraafde -en bij elken sprong blaatte. - -"Hij heeft het lam meegenomen; hij heeft het lam meegenomen!" riep de -jongen. Toen ik de richting van zijn vinger volgde, zag ik den Ouden -Witkop, een prachtigen vogel, zwaar boven de boomtoppen aan den anderen -kant van het open veld uitstijgen. Bijna instinctmatig reikte ik achter -me, greep het zware geweer, dat Gillie me in handen gaf, en sprong uit -de kano; want met een geweer heb je een stevigen voetsteun noodig. Het -was een ver schot, maar niet zoo heel moeilijk; de Oude Witkop had -zijn draai genomen en bewoog zich gestadig al verder weg. Een seconde -nadat het schot gevallen was zagen we hem stilhouden en afwijken in -de lucht; toen kwamen er twee witte slagpennen neerzijgen en terwijl -hij zich wendde, zagen we de breuk in zijn breeden, witten staart. En -dat was het teeken waar we hem later altijd aan herkenden. - -Dit gebeurde bijna tachtig mijlen per kano vanwaar we nu stonden, -ofschoon nauwelijks tien hemelsbreed over de bergen; want de rivieren -en meren, die we volgden, kronkelen tot bijna aan 't punt van uitgang -terug; en de geheele wilde, prachtige streek was het jachtgebied van -den adelaar. Waar ik ook ging, zag ik hem; ik zag hoe hij de groote -rivieren volgde om aan land gespoelde forel en zalm, of hoog in de -lucht dreef, waar hij twee of drie meren der wildernis overzien kon, -hij met evenveel brave vischarenden, die er hun maaltijd vingen. Ik -had een museum-beheerder beloofd dat ik hem dien zomer een adelaar zou -bezorgen, en begon dus naarstig op dien grooten vogel te jagen. Maar -dat jagen gaf niet veel, behalve dat het me heel wat van zijn zeden -en gewoonten leerde, want 't leek, alsof hij oogen en ooren over zijn -geheele lichaam had; en al kroop ik als een slang door de bosschen, of -al dreef ik als een wilde eend in mijn kano over het water, hij zag of -hoorde me altijd en was verdwenen eer ik hem onder schot kon krijgen. - -Toen poogde ik hem in een stap [15] te lokken. Ik legde twee groote -forellen met een stalen klem er tusschen in, op een ondiepe plaats -in de rivier, die ik van mijn kamp uit op een steilen oever, een -halve mijl stroomaf, kon gadeslaan. Den volgenden dag hief Gillie, -die begeeriger was dan ik, een geschreeuw aan, en toen ik te voorschijn -kwam snellen, zag ik den Ouden Witkop in 't ondiepe water bij den stap -staan, waar hij omheen klapwiekte. We sprongen in een kano en roeiden -spoorslags de rivier op, terwijl we juichten van verrukking, dat we -den fellen, ouden vogel eindelijk hadden. Toen we de laatste landtong -omkwamen, die de ondiepte verborg, stond de Oude Witkop daar, geen -dertig meters van ons af, nog aan een visch te rukken en in 't water -te plassen. Ik zal niet spoedig zijn houding en uitdrukking vergeten, -als wij de landtong omschoten: zijn lijf rechtop en stijf, zijn wieken -half ontplooid, zijn kop naar voren, de oogleden rechtgetrokken en -een krachtige, felle glans van vrijheid en ongetemde wildheid in zijn -heldere oogen. Zoo stond hij daar, een heerlijk wezen, tot we bijna -bij hem waren,--toen steeg hij rustig op en nam een van de forellen -mee. De andere had hij al in zijn maag. Hij zat in 't geheel niet -in de klem, maar was er zorgvuldig om heengestapt. Het geplas was -veroorzaakt, doordat hij den eenen visch met zijn klauwen stuk had -gereten en den anderen van een paal waar hij op stak had losgemaakt. - -Daarna kwam hij niet meer bij het ondiepe water, want hij had een -nieuwe ondervinding opgedaan in zijn leven, die een donkere schaduw -achterliet. Hij, die de koning was van alles wat hij van den ouden, -door den bliksem getroffen den op den top van de klip overzag, die -tot nog toe steeds de jager geweest was, wist nu wat het beteekende -gejaagd te worden. En de angst er voor was, dunkt me, in zijn oogen en -verzachtte hun fellen gloed, toen ik weken later hem er weer in keek, -bij zijn eigen nest op den berg. - -Simmo nam ook aan onze jacht deel, maar zonder geestdrift of -vertrouwen. Hij had al eerder op denzelfden adelaar gejaagd--een -heelen zomer, om de waarheid te zeggen, toen een toerist, dien hij -als gids diende, hem twintig dollars beloofd had voor de veeren van -den koninklijken vogel. Maar de Oude Witkop droeg ze nog zegevierend -en Simmo voorspelde hem een lang leven en een natuurlijken dood. "Toch -niks geven op dien arend jagen," zei hij eenvoudig. "Ik eens probeeren -en hem niet kunnen besluipen. Hij alles zien; en hij niet zien, dan -hij hooren. En dan, gevaar hij voelen aankomen. Daarom hij bouwen zijn -nest zoo ver weg, einden weg, o, ik niet weten waar wel." Dit laatste -met een armzwaai om 't heelal er onder te begrijpen. Cheplahgan, -den Ouden Wolkvleugel, noemde hij trots den vogel, die hem een heelen -zomer op jacht getart had. - -In 't begin had ik op hem gejaagd als ieder andere barbaar; natuurlijk -gedeeltelijk om zijn veeren voor den museumman; gedeeltelijk misschien -om de lammeren van de kolonisten te beschermen; maar voornamelijk om -hem te dooden, om te genieten van zijn klappende wieken als hij lag te -sterven, en de bosschen te bevrijden van een wreeden dwingeland. Onder -'t jagen kwam er echter geleidelijk een verandering over me; ik zocht -hem hoe langer hoe minder om zijn veeren en om zijn leven, en hoe -langer hoe meer om hem zelf, om alles van hem te weten te komen. Ik -placht hem urenlang gade te slaan van mijn kamp aan 't groote meer -uit, zooals hij daar rustig over de Rendier-kaap zeilde, nadat hij -met zijn jongen gegeten had, en in een stemming was om Ismaques in -vrede zijn gang te laten gaan met visschen. - -Dan zette hij zijn groote wieken naar de bries en stond als een vlieger -in den wind, terwijl hij geleidelijk naar boven klom in een eindelooze -spiraal, hooger en hooger, zonder een zweem van inspanning, tot het -oog duizelig werd onder 't volgen. En ik hield er van om hem gade -te slaan, zoo krachtig, zoo vrij, zoo zeker van zichzelf--om en om, -hooger, al hooger, zonder haast, zonder moeite, en elke wending vond -den hemel nader en de aarde verder onder zich uitgebreid. Nu glimmen -kop en staart zilverwit in den zonneschijn; nu hangt hij roerloos, -een kruis van git, als een vrouw om den hals zou kunnen dragen, -tegen het klare, peillooze blauw van den Junihemel--daar! hij is in -'t blauw verloren, zoo hoog, dat ik hem niet meer kan zien. Maar juist -als ik me afwend, duikt hij weer binnen 't bereik van mijn blik, laat -zich met opgevouwen vleugels als een zinklood neervallen, al sneller -en sneller, al grooter en grooter, door een ontzettenden luchtstroom, -tot ik opspring en mijn adem inhoud, alsof ik zelf neerkwam. En vlak -voordat hij zich te pletter valt, zwenkt hij om in de lucht, met zijn -kop naar beneden en half open wieken, en schiet in snelle glijvlucht -naar het meer, dan in een groote bocht omhoog naar de boomtoppen, -waar hij beter kan zien wat Kakagos, de zeldzame boschraaf, uitvoert, -en op welk wild hij jaagt. Want om dat te ontdekken kwam Cheplahgan -zoo haastig naar beneden. - -Dan weer kwam hij vroeg in den morgen stroomop zwieren, alsof hij -al een lange dagreis achter den rug had, met iets van heel, heel -ginds en nog-zóó-ver in zijn snelle voortwieken. En als ik dan aan -'t forellenwater stond en heel stil was, hoorde ik het krachtige -zijdegeritsel van zijn vlerken onder 't voorbijvliegen. 's Middags -zag ik hem boven den hoogsten bergtop in 't Noorden hangen, op een -ontzaglijke hoogte, waar de verbeelding zelfs de heerlijke vlucht van -zijn uitzicht niet volgen kon; en 's avonds vloog hij het meer over, -als hij zich naar 't Westen voortbewoog, naar den zonsondergang toe -op onvermoeide wieken--altijd sterk, edel, prachtig in zijn kracht -en eenzaamheid, een volmaakt zinnebeeld van de groote, verlaten, -heerlijke wildernis. - -Eens dat ik hem gadesloeg, overviel het me plotseling, dat bosch en -rivier onvolmaakt zouden zijn zonder hem. De gedachte hieraan kwam -bij me terug en spaarde hem voor de wildernis, dien laatsten keer -toen ik hem op leven of dood ging jagen. - -Dat was vlak nadat we het groote meer bereikt hadden, waar ik -hem den vischarend had zien berooven. Na lang zoeken en rondloeren -ontdekte ik een grooten boomstam aan den uitgang, waar de oude Witkop -dikwijls zat. Er dicht bij was een groote draaikolk, op den rand van -een ondiep gedeelte, en hij placht op den stam te zitten wachten -tot er visch kwam, daar waar hij in 't water kon waden om ze te -vangen. Er heerschte dat jaar een ziekte onder de zuigvisschen [16] -(die geregeld om de paar jaar heerscht, evenals onder de konijnen) -en dan kwamen ze uit het diepe water naar boven kronkelen om op 't -zand uit te rusten--en werden door otters en vischarenden en beren -en den ouden Witkop gegrepen, die alle hongerig op visch wachtten. - -Verscheiden dagen legde ik een mooi lokaas van forel en witvisch aan -den rand van het ondiepe. De twee eerste keeren werd 't aas laat in -den middag uitgelegd en beide keeren kreeg een beer het den volgenden -nacht. Toen legde ik het vroeg in den morgen, en voor den middag -had Cheplahgan het ontdekt. Hij kwam recht als een pijl uit den boog -van zijn uitkijk aan den anderen kant van den berg, van mijlen ver, -en bracht me in groote verwondering, welk vreemd zesde zintuig hem -leidde; want gezicht en reuk schenen beide evenzeer buitengesloten. Den -volgenden dag kwam hij weer. Toen legde ik het allerbeste aas in -'t ondiepe en verborg me met mijn geweer in 't dichte kreupelhout in -de buurt. - -Hij kwam eindelijk, na uren wachtens, en viel met een zwaar -wiekgeruisch van boven de boomtoppen neer. En toen hij op den ouden -stam neerstreek en zijn breeden, witten staart uitspreidde, zag ik -vol trots het gat dat mijn kogel weken te voren had gemaakt. Hij -stond daar een oogenblik prachtig opgericht, kop, hals en staart -glanzend wit; zelfs de donkerbruine veeren van zijn lichaam glommen -in den helderen zonneschijn. En hij keerde langzaam zijn kop van den -eenen kant naar den anderen, terwijl zijn scherpe oogen fonkelden, -alsof hij zeggen wilde: "Aanschouwt, een koning!" tegen Chigwooltz, -den kikvorsch, en Tookhees, de boschmuis, en tegen elk ander levend -wezen, dat hem toevallig uit het kreupelhout zou kunnen gadeslaan -bij zijn onkoninklijke daad van op doode visch te azen. Toen hupte -hij naar beneden--vrij onhandig, moet ik bekennen; want hij is een -dier van de hemelsche diepten, die de aanraking met de aarde niet -verdragen kan--greep een visch, dien hij met zijn klauwen aan stukken -trok en gulzig verslond. Twee keer trachtte ik hem te schieten, -maar de gedachte aan de wildernis zonder hem wilde me niet uit het -hoofd en weerhield me. En dan kwam het me zoo min voor, hem van een -hinderlaag uit te betrekken, als hij naar beneden op den grond was -gekomen, waar hij in 't nadeel was; en toen hij wat van de grootere -visschen in zijn klauwen greep, er snel mee omhoog rees en ze naar -'t Westen wegdroeg, was elke begeerte om hem te dooden vergaan. Er -waren blijkbaar jonge Wolkvleugels, die ik ook moest opsporen en -gadeslaan. Daarna jaagde ik nog ijveriger dan te voren op hem, maar -zonder geweer. En een eigenaardig verlangen, waar ik geen rekenschap -van geven kon, maakte zich van me meester: om dit ongetemde, ongerepte -dier van wolken en bergen aan te raken. - -Den volgenden dag deed ik het. Er groeiden dichte struiken langs den -eenen kant van den ouden stam, waar de adelaar op ging zitten. Hier -hakte ik met mijn jachtmes een tunnel in en schikte de toppen zoo, -dat ze me beter verborgen. Toen legde ik mijn aas uit, een goede twee -uur voordat de oude Witkop op zijn vroegst kon komen, en kroop mijn -hol in om te wachten. - -Nauwelijks had ik me in mijn plaatsje genesteld en me afgevraagd -hoe lang menschelijk geduld het steken van insecten en de heete, -benauwde lucht zou kunnen uithouden zonder zich te verroeren of een -blad te bewegen, of het zware zijgeruisch klonk vlakbij en ik hoorde -den greep van zijn klauwen op den stam. - -Daar stond hij op een armslengte afstands, terwijl hij onrustig met -zijn kop draaide en het licht op zijn witte borst blikkerde, met de -felle, ongetemde fonkeling in zijn heldere oog. Nooit te voren had -hij zoo groot, zoo sterk, zoo prachtig geleken; mijn hart sprong op, -toen ik me hem dacht als het zinnebeeld van mijn volk. Ik ben er -nog blij om, dat ik eenmaal dat zinnebeeld aanschouwd heb en er de -ontroering over heb gevoeld. - -Maar ik had weinig tijd om te denken, want Cheplahgan was -rusteloos. Het een of andere instinct scheen hem voor een gevaar te -waarschuwen, dat hij niet zien kon. Op hetzelfde oogenblik dat zijn -kop was afgewend strekte ik mijn arm uit. Er verroerde zich nauwelijks -een blad door die beweging; toch draaide hij zich bliksemsnel om en -dook om toe te springen. Zijn oogen staarden recht in de mijne, zoo -fel, dat ik het bijna niet uithouden kon. Misschien vergiste ik me, -maar in dat korte oogenblik was het, of de harde glinstering zijner -oogen van vrees verzachtte, toen hij mij herkende als het eenige -in de wildernis dat op hem durfde jagen, op hem, den koning. Mijn -hand raakte hem vol op den schouder; toen schoot hij de lucht in, en -zwierde in groote kringen boven de boomtoppen, nog steeds neerziend -op den mensch, zich angstig afvragend op welke wijze hij toch in dien -man zijn macht was gekomen. - -Maar éen ding begreep hij niet. Terwijl ik op den stam stond, -hoogopgericht, en naar hem opkeek, zooals hij boven me zwierde, dacht -ik niet anders dan: "Ik heb het gedaan, ik heb het gedaan, Cheplahgan, -Wolkvleugel. En ik zou je bij je pooten hebben kunnen grijpen en je -hebben vastgebonden, en in een zak gepakt naar het kamp hebben kunnen -brengen, als ik je niet liever vrij had laten gaan. En dat is beter -dan je te schieten. Nu zal ik je jongen zoeken en die ook aanraken." - -Dagenlang had ik Witkops vluchtlijnen gevolgd en ik was tot het besluit -gekomen dat zijn nest zich ergens in de bergen ten noord-westen van -het groote meer bevond. Daar ging ik op een middag heen, en terwijl -'k verdwaald was in het hooge hout, dat nergens naar eenige richting -een uitkijk gaf, zag ik niet Witkop, maar een grooter adelaar, zijn -wijfje ongetwijfeld, die met voedsel recht het Westen invloog naar -een hooge klip, die ik eens met mijn verrekijker, van een berg aan -de overzij van het meer af, gezien had. - -Terwijl ik er den volgenden morgen vroeg heentoog, was het Cheplahgan -zelf, die me wees waar zijn nest zich bevond. Ik liep langs den voet -van de klip te jagen, toen ik omkeek naar het meer, waar ik hem heel -uit de verte aan zag komen, en verstopte me in het kreupelhout. Hij -kwam vlak langs me heen en toen 'k hem naging, zag 'k hem op een -vooruitstekend gedeelte bij den top van de klip zitten. Vlak onder -hem, boven in een verwrongen boom, die uit het rotsvlak groeide, -vormde een reusachtige hoop takken het nest, terwijl er een groote -moederadelaar bij zat, die de jongen voerde. Beide vogels schrokken -op en maakten dat ze wegkwamen bij mijn nadering, maar keerden al -gauw terug en zwierden boven mijn hoofd af en aan, toen ik het nest -en het rotsvlak door mijn verrekijker op zat te nemen. Ze hoefden nu -niet voorzichtig te zijn. Beide vogels schenen bij instinct te weten -waarom ik gekomen was, en dat het lot van de adelaarsjongen in mijn -handen lag, als ik de klip maar kon beklimmen. - -Het was een benauwend karweitje, die klimpartij van een driehonderd -voet tegen den steilen rotswand op. Gelukkig was de rots vol naden en -reten door eeuwenlang verweren; struiken en dwergboomen groeiden uit -ontelbare spleten, die me een vast steunpunt voor mijn voeten gaven en -me soms wel meer dan twaalf voet naar boven hielpen. Terwijl ik klom, -kringden de vogels al lager en lager; het sterke ruischen van hun -wieken was nu voortdurend om mijn hoofd; 't leek of ze elk oogenblik -grooter, feller werden, terwijl mijn houvast hoe langer hoe onzekerder -werd en de aarde en de spitse boomtoppen ver wegzonken. Er zat een -goede revolver in mijn zak, om in geval van nood te dienen; maar als de -groote vogels me hadden aangevallen, zou 't me leelijk vergaan zijn, -want van tijd tot tijd was ik verplicht me stevig met beide handen -vast te grijpen, met mijn gezicht naar de klip, zoodoende de adelaars -vrij latend om van boven en van achteren te stooten. Ik geloof nu, -dat, wanneer ik op zoo'n plek angst had getoond, of geschreeuwd had, -of ze weg had trachten te jagen, ze als furiën met wiek en klauw op me -af zouden zijn geschoten. Ik kon 't in hun felle oogen zien wanneer -ik opkeek; maar de gedachte aan de keeren dat ik op ze gejaagd had, -en vooral de herinnering aan dien keer toen ik uit de struiken reikte -en hem had aangeraakt, was Witkop bij en maakte hem bevreesd. Ik ging -dus gestaag mijn gang, zonder schijnbaar een gedachte aan de adelaars -te schenken, ofschoon ik diep in mijn binnenste bang genoeg was, -en bereikte den voet van den boom waarin het nest was gemaakt. - -Daar stond ik langen tijd, met mijn arm om den gedraaiden, ouden -tronk geslagen, uit te kijken over het bosch dat zich uitbreidde in -de diepte, gedeeltelijk om weer moed te verzamelen, gedeeltelijk om -de adelaars gerust te stellen, die vlak bij me kringden met een zekere -ingespannen verbazing in hun oogen, maar voornamelijk om te overleggen -wat me nu te doen stond. In den boom kon ik makkelijk klimmen, maar het -nest--een reusachtige geschiedenis, waar jaarin, jaaruit bij aangebouwd -was--vulde de kruin van den boom geheel, en ik kon geen steunpunt voor -mijn voet vinden, vanwaar ik over den rand kon zien en de arendsjongen -bekijken, zonder het nest stuk te maken. Dat wilde ik niet doen, -en ik twijfelde er aan of de moeder-adelaar het toe zou laten. Wel -twaalf keer scheen ze op het punt zich op mijn hoofd neer te storten, -om het met haar klauwen stuk te rijten; maar steeds zwenkte ze weg als -ik kalm opkeek, en de oude Witkop, die heel duidelijk het teeken van -mijn kogel droeg, zwierde tusschen haar en mij en scheen te zeggen: -"Wacht, wacht. Ik begrijp het niet; maar hij kan ons dooden als hij -het wil--en de jongen zijn in zijn macht." Hij was nu dichter bij me -dan ooit en de schuwheid verdween gaandeweg. Maar de felheid eveneens. - -Van den voet van den boom ging de spleet waar deze in groeide rechts -naar boven en dan weer terug naar de richel boven het nest, waar -Cheplahgan stond toen ik hem ontdekte. De rand van die spleet bood een -duizelingwekkend pad, dat men gaan kon door zich als een kreeft voort -te bewegen, met het gezicht naar de klip en niets dan de struiken daar, -om zich met de vingers aan vast te grijpen. Ten leste probeerde ik het, -kroop twintig voet schuin naar boven en tien weer terug en liet me met -een diepen zucht van verlichting op een breede richel vallen, bedekt -met botten en vischschubben, overblijfselen van menige barbaarsche -smulpartij. Onder me, bijna binnen mijn bereik, was het nest met twee -donkere, rimpelige jonge vogels, die op twijgen en hooi rustten, met -visch, vleesch en gevogelte in een bloederigen, velligen, schubbigen -kring om zich heen--het zag er uit als het allerbloeddorstigste -huishouden, waar 'k ooit ongevraagd naar binnen had gekeken. - -Maar terwijl ik nog zat te kijken en me verbaasde, en uit trachtte te -maken wat voor ander wild ze die jeugdige kannibalen, die ik had helpen -voeren, gebracht hadden, gebeurde er iets vreemds, dat me zoo trof -als weinig dingen onder de dieren der natuur ooit gedaan hebben. De -adelaars waren dicht bij me, toen ze me langs den laatsten rotshoek -volgden en ongetwijfeld in hun hart hoopten dat ik uit zou glijden, en -een eind maken aan hun zorg, en mijn lichaam als voedsel voor de jongen -geven. Terwijl ik nu op de richel aandachtig in het nest zat te turen, -verliet de groote vogelmoeder me en zweefde boven haar adelaarsjongen, -alsof ze hen met haar vlerken zelfs voor 't gezicht van mijn oogen -wilde beschermen. Maar de oude Witkop bleef om me heenkringen. Lager -kwam hij, steeds lager, tot hij, met een uiterste poging van koenheid, -zijn wieken opvouwde en naast me op de richel neerstreek, nog geen -tien voet van me af, waar hij zich omwendde en me aankeek. "Kijk," -scheen hij te zeggen, "we zijn weer in elkaars bereik. Je hebt me -eens aangeraakt; ik weet niet hoe of waarom. Hier ben ik nu om me -aan te raken of te dooden, zooals je verkiest; maar spaar de jongen." - -Een oogenblik later streek de moeder neer op den rand van het nest. En -daar zaten we, met z'n drieën, allen evenzeer in verwondering, met de -jonge adelaars aan onze voeten, de klip boven ons, en driehonderd voet -beneden ons de sparretoppen van de wildernis, die zich uitbreidde om -zich in de bergen te verliezen, aan den overkant van het groote meer. - -Ik zat doodstil, wat de eenige manier is om een dier in de natuur -gerust te stellen; en weldra had Cheplahgan, dunkt me, zijn vrees -en zijn zorg voor de jongen vergeten. Maar zoodra stond ik niet op, -of hij was de lucht weer in en kringde rusteloos boven mijn hoofd met -zijn wijfje, en dezelfde wilde felheid was weer in zijn oogen als hij -neerkeek. Een half uur later had ik den top van de klip bereikt en -toog ik oostelijk naar het meer, langs een heel wat gemakkelijker weg -afdalend, dan die waar ik mee naar boven was gegaan. Daarna kwam ik er -nog herhaaldelijk terug en zag van op een afstand hoe de adelaarsjongen -gevoerd werden. Maar ik ben nooit meer naar het nest toegeklommen. - -Eens, toen ik bij het boschje kwam op de klip, waar ik gewoonlijk -het nest door mijn kijker lag op te nemen, merkte ik, dat er een -adelaarsjong weg was. Het andere stond op den rand van het nest -angstig naar beneden in den afgrond te kijken, waar zijn dapperder -kameraadje zeker heen was gevlogen, en van tijd tot tijd troosteloos te -roepen. Zijn heele houding gaf duidelijk te kennen, dat hij honger had -en boos en verlaten was. Weldra kwam de moeder-adelaar snel uit het -dal met voedsel in haar klauwen. Ze kwam tot den rand van het nest, -zweefde er even boven, als om het hongerige adelaarsjong het voedsel -te laten zien en ruiken, daalde toen langzaam naar het dal, terwijl ze -'t voedsel meenam en het jong op haar manier aanmaande te komen; dan -zou hij het hebben. Hij riep haar hard na van den rand van het nest en -breidde herhaaldelijk zijn vleugels uit om haar te volgen. Maar dat -neerduiken was te griezelig; zijn moed begaf hem; en hij trok zich -veilig weer in het nest terug, trok zijn kop in de schouders, sloot -zijn oogen en trachtte te vergeten dat hij honger had. De beteekenis -van dit tooneeltje was duidelijk genoeg. Ze poogde hem te leeren -vliegen, door hem te verstaan te geven, dat zijn vleugels volwassen -waren en dat de tijd gekomen was om ze te gebruiken; maar hij was bang. - -Na een poosje kwam ze terug; zonder voedsel dezen keer, en zweefde -boven het nest, terwijl ze het jong op alle manieren probeerde -te bewegen er uit te komen. Ze slaagde eindelijk, toen het met een -wanhopige poging opsprong en naar de richel er boven klapwiekte, waar -ik hem met den ouden Witkop had zitten bekijken. Toen, nadat hij de -wereld ernstig van zijn nieuwe plaats had overzien, flodderde hij weer -naar het nest terug en hield zich doof voor alle verzekeringen van -zijn moeder, dat hij net zoo gemakkelijk naar de boomtoppen beneden -kon vliegen, als hij maar wilde. - -Plotseling, alsof ze ontmoedigd was, steeg ze hoog boven hem op. Ik -hield mijn adem in, want ik wist wat er zou gebeuren. Het kleine ding -stond op den rand van het nest den sprong te overwegen, dien hij niet -nemen dorst. Achter hem klonk een scherpe kreet, die maakte dat hij -op zijn hoede was, in de grootste spanning. Het volgende oogenblik -was de moeder-adelaar neergeschoten en had het nest bij zijn pooten -een klap gegeven, zoodat hij met zijn steunpunt van takken samen de -lucht invloog. - -Nu dreef hij, dreef hij in de blauwe lucht, ondanks zichzelf, en -klapwiekte zoo hard hij kon om zich 't leven te redden. Boven hem, -onder hem, naast hem zweefde de moeder op onvermoeide wieken, terwijl -ze hem zachtjes toeriep dat ze daar was. Maar de vreeselijke angst -voor de diepten en de speertoppen van de sparren had het jonge dier -bevangen; zijn wiekgeklepper werd hoe langer hoe wilder; al sneller -en sneller viel hij. Plotseling--meer uit angst leek het mij, dan dat -zijn kracht ten einde was--verloor hij zijn evenwicht en keukelde -halsoverkop de ruimte in. Nu scheen het wel dat 't met hem gedaan -was; hij vouwde zijn vleugels op om tusschen de boomen te pletter -te vallen. Toen schoot de oude moeder-adelaar als een bliksemschicht -onder hem; zijn radelooze pooten raakten haar breede schouders tusschen -haar wieken. Hij richtte zich op, rustte een poosje, kwam weer tot -bezinning; daarna schoot ze plotseling onder hem weg en liet hem op -zijn eigen vlerken neerkomen. Een handvol veeren, door zijn klauwen -er uitgerukt, zegen langzaam achter hem neer. - -Het was alles het werk van een oogenblik, eer ik ze tusschen de boomen -heel in de diepte uit 't oog verloor; als ik ze weer in mijn kijker -kreeg, zat het adelaarsjong in den top van een grooten den en was de -moeder hem aan 't voeren. - -En toen ik daar alleen in de groote wildernis stond, drong het -plotseling voor het eerst duidelijk tot me door, wat de wijze, oude -profeet bedoelde; ofschoon hij het langgeleden schreef, in een ver -verwijderd land en een ander dan Wolkvleugel haar jongen geleerd had, -geheel onbewust van de welgezinde oogen, die het uit een boschje -gadesloegen: "Gelijk een arend zijn nest opwekt, over zijne jongen -zweeft, zijne vleugelen uitbreidt, ze neemt en ze draagt op zijne -vlerken--zoo de Heere." - - - - - - - - -DE INDIAANSCHE NAMEN. - - -Cheokhes, kie-ok-ez', de Amerikaansche "mink", een ottersoort. - -Cheplahgan, tsjep-la'-guan, de Canadeesche arend. - -Ch'geegee-lokh-sis, tsj-dsjie-dsjie'-lok-siz, de zwartkopmees: -parus atricapillus. - -Chigwooltz, tsjigg-woelts', de stierkikvorsch. - -Clote Scarpe, Kloot Skaarp, een fabelachtige held van de Noordelijke -Indianen, zooals Hiawatha. - -Commoossie, kom-moe-sie', een kleine schuilplaats of hut van bast en -takken gemaakt. - -Deedeeaskh, die-die'-ask, de Vlaamsche gaai. - -Eleemos, el-ie'mos, de vos. - -Hawahak, ha-wa-hek', de havik. - -Hukweem, huk-wiem', de groote Noordelijke duiker, of ijsduiker. - -Ismaques, is-ma-kwez', de vischarend. - -Kagax, ke'-guaks, de wezel. - -Kakagos, ka-ka-guoz, de raaf. - -K'dunk, k'dunk', de pad. - -Keeokuskh, kie-o-kusk', de muskusrat. - -Keeonekh, kie'-o-nek, de otter. - -Killoleet, kil'-loe-liet, de witkeel-musch. - -Kookooskoos, koe-koes-koes', de groote oehoe. - -Koskomenos, kos'-kom-ie-nos', de ijsvogel. - -Kupkawis, kup-kee'-wiz, syrnium nebulosum, een gestreepte uil. - -Kwaseekho, kwa-ziek'o, de bergeend. - -Lhoks, loks, de panter. - -Malsun, mel'-sun, de wolf. - -Meeko, mie'-ko, de roode eekhoorn. - -Megaleep, meg'-a-liep, de caribou of 't N.-Amerikaansche rendier. - -Milicete, mil'-i-siet, de naam van een Indiaanschen stam, ook Malicete -geschreven. - -Mitches, mit'-sjes, het gekraagde hazelhoen, een soort "grouse": -bonasia umbellis of Amerikaansche patrijs. - -Moktaques, mok-ta'-kwes, de haas. - -Mooween, moe-wien', de zwarte beer. - -Masquash, mus'kwosj, de muskusrat. - -Nemox, nem'-moks, } - } de vischmarter uit N.-Amer. -Pekquam, pek-wem, } - -Quoskh, kwosk, de blauwe reiger. - -Seksagadagee, sek'-sa-guee-da'-guie, het Canadeesche hazelhoen, -ook een soort "grouse". - -Skooktum, skoek'-tum, de forel. - -Tookhees, tok'-ies, de boschmuis. - -Umquenawis, um-kwie-na'-wiz, de eland. - -Unkwunk, unk'-wunk, het stekelvarken. - -Upweekis, up-wiek'-is, de Canadeesche lynx. - - - - - - - - -AANTEEKENINGEN - - -[1] Hesperomys Leucopus. - -[2] Corvus Corax Principalis. - -[3] Een ottersoort. - -[4] Linnaea Borealis. - -[5] Een vischtuig, waarbij een glimmend, lepelvormig voorwerp achter -de haken is bevestigd. - -[6] Notropis Cornutus. - -[7] Aix Sponsa. - -[8] Mephitis Mephitis. - -[9] Marmota Monax. - -[10] Ceryle Alcyon. - -[11] Astur Atricapillus. - -[12] Tecoma Radicans. - -[13] Felis Concolor. - -[14] Smilax. - -[15] Gewestelijk voor klem. - -[16] Genus Catostomidae. - - - - - - -End of the Project Gutenberg EBook of Boschgeheimen, by William J. Long - -*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK BOSCHGEHEIMEN *** - -***** This file should be named 60224-8.txt or 60224-8.zip ***** -This and all associated files of various formats will be found in: - http://www.gutenberg.org/6/0/2/2/60224/ - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United -States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive -specific permission. If you do not charge anything for copies of this -eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook -for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports, -performances and research. They may be modified and printed and given -away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks -not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the -trademark license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country outside the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you'll have to check the laws of the country where you - are located before using this ebook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm web site -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The -Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm -trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - - - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the -mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its -volunteers and employees are scattered throughout numerous -locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt -Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to -date contact information can be found at the Foundation's web site and -official page at www.gutenberg.org/contact - -For additional contact information: - - Dr. Gregory B. Newby - Chief Executive and Director - gbnewby@pglaf.org - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide -spread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works. - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our Web site which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. - diff --git a/old/60224-8.zip b/old/60224-8.zip Binary files differdeleted file mode 100644 index e06982d..0000000 --- a/old/60224-8.zip +++ /dev/null diff --git a/old/60224-h.zip b/old/60224-h.zip Binary files differdeleted file mode 100644 index a62e8a9..0000000 --- a/old/60224-h.zip +++ /dev/null diff --git a/old/60224-h/60224-h.htm b/old/60224-h/60224-h.htm deleted file mode 100644 index af6d9c7..0000000 --- a/old/60224-h/60224-h.htm +++ /dev/null @@ -1,4020 +0,0 @@ -<!DOCTYPE html -PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd"> -<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2019-08-23T20:39:48Z using SAXON HE 9.9.0.1 . --> -<html lang="nl"> -<head> -<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=iso-8859-1"> -<title>Boschgeheimen</title> -<meta name="generator" content="tei2html.xsl, see https://github.com/jhellingman/tei2html"> -<meta name="author" content="William Joseph Long (1866–1952)"> -<link rel="coverpage" href="images/cover.jpg"> -<link rel="schema.DC" href="http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/"> -<meta name="DC.Creator" content="William Joseph Long (1866–1952)"> -<meta name="DC.Title" content="Boschgeheimen"> -<meta name="DC.Language" content="nl-1900"> -<meta name="DC.Format" content="text/html"> -<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg"> -<meta name="DC:Subject" content="#####"> -<style type="text/css"> -body { -font-family: "Times New Roman", Times, serif; -font-size: 100%; -line-height: 1.2em; -text-align: left; -} -.div0 { -padding-top: 5.6em; -} -.div1 { -padding-top: 4.8em; -} -.div2 { -padding-top: 3.6em; -} -.div3, .div4, .div5 { -padding-top: 2.4em; -} -h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4 { -clear: both; -font-style: normal; -text-transform: none; -} -h3, .h3 { -font-size: 1.2em; -line-height: 1.2em; -} -h3.label { -font-size: 1em; -line-height: 1.2em; -margin-bottom: 0; -} -h4, .h4 { -font-size: 1em; -line-height: 1.2em; -} -.alignleft { -text-align: left; -} -.alignright { -text-align: right; -} -.alignblock { -text-align: justify; -} -p.tb, hr.tb, .par.tb { -margin-top: 1.6em; -margin-bottom: 1.6em; -margin-left: auto; -margin-right: auto; -text-align: center; -} -p.argument, p.note, p.tocArgument, .par.argument, .par.note, .par.tocArgument { -font-size: 0.9em; -line-height: 1.2em; -text-indent: 0; -} -p.argument, p.tocArgument, .par.argument, .par.tocArgument { -margin: 1.58em 10%; -} -.opener, .address { -margin-top: 1.6em; -margin-bottom: 1.6em; -} -.addrline { -margin-top: 0; -margin-bottom: 0; -} -.dateline { -margin-top: 1.6em; -margin-bottom: 1.6em; -text-align: right; -} -.salute { -margin-top: 1.6em; -margin-left: 3.58em; -text-indent: -2em; -} -.signed { -margin-top: 1.6em; -margin-left: 3.58em; -text-indent: -2em; -} -.epigraph { -font-size: 0.9em; -line-height: 1.2em; -width: 60%; -margin-left: auto; -} -.epigraph span.bibl { -display: block; -text-align: right; -} -.trailer { -clear: both; -padding-top: 2.4em; -padding-bottom: 1.6em; -} -span.abbr, abbr { -white-space: nowrap; -} -span.parnum { -font-weight: bold; -} -span.corr, span.gap { -border-bottom: 1px dotted red; -} -span.num, span.trans, span.trans { -border-bottom: 1px dotted gray; -} -span.measure { -border-bottom: 1px dotted green; -} -.ex { -letter-spacing: 0.2em; -} -.sc { -font-variant: small-caps; -} -.asc { -font-variant: small-caps; -text-transform: lowercase; -} -.uc { -text-transform: uppercase; -} -.tt { -font-family: monospace; -} -.underline { -text-decoration: underline; -} -sup { -line-height: 6pt; -} -.overline, .overtilde { -text-decoration: overline; -} -.rm { -font-style: normal; -} -.red { -color: red; -} -hr { -clear: both; -height: 1px; -margin-left: auto; -margin-right: auto; -margin-top: 1em; -text-align: center; -width: 45%; -} -.aligncenter { -text-align: center; -} -h1, h2, .h1, .h2 { -font-size: 1.44em; -line-height: 1.5em; -} -h1.label, h2.label { -font-size: 1.2em; -line-height: 1.2em; -margin-bottom: 0; -} -h5, h6 { -font-size: 1em; -font-style: italic; -line-height: 1em; -} -p, .par { -text-indent: 0; -} -p.firstlinecaps:first-line, .par.firstlinecaps:first-line { -text-transform: uppercase; -} -.hangq { -text-indent: -0.32em; -} -.hangqq { -text-indent: -0.40em; -} -.hangqqq { -text-indent: -0.71em; -} -p.dropcap:first-letter, .par.dropcap:first-letter { -float: left; -clear: left; -margin: 0em 0.05em 0 0; -padding: 0px; -line-height: 0.8em; -font-size: 420%; -vertical-align: super; -} -blockquote, p.quote, div.blockquote, div.argument, .par.quote { -font-size: 0.9em; -line-height: 1.2em; -margin: 1.58em 5%; -} -.pagenum a, a.noteref:hover, a.pseudonoteref:hover, a.hidden:hover, a.hidden { -text-decoration: none; -} -.advertisement, .advertisements { -background-color: #FFFEE0; -border: black 1px dotted; -color: #000; -margin: 2em 5%; -padding: 1em; -} -.footnotes .body, .footnotes .div1 { -padding: 0; -} -.fnarrow { -color: #AAAAAA; -font-weight: bold; -text-decoration: none; -} -a.noteref, a.pseudonoteref { -font-size: 80%; -text-decoration: none; -vertical-align: 0.25em; -} -.displayfootnote { -display: none; -} -div.footnotes { -font-size: 80%; -margin-top: 1em; -padding: 0; -} -hr.fnsep { -margin-left: 0; -margin-right: 0; -text-align: left; -width: 25%; -} -p.footnote, .par.footnote { -margin-bottom: 0.5em; -margin-top: 0.5em; -} -p.footnote .label, .par.footnote .label { -float: left; -width: 2em; -height: 12pt; -display: block; -} -.apparatusnote { -text-decoration: none; -} -table.tocList { -width: 100%; -margin-left: auto; -margin-right: auto; -border-width: 0; -border-collapse: collapse; -} -td.tocPageNum, td.tocDivNum { -text-align: right; -min-width: 10%; -border-width: 0; -} -td.tocDivNum { -padding-left: 0; -padding-right: 0.5em; -} -td.tocPageNum { -padding-left: 0.5em; -padding-right: 0; -} -td.tocDivTitle { -width: auto; -} -p.tocPart, .par.tocPart { -margin: 1.58em 0%; -font-variant: small-caps; -} -p.tocChapter, .par.tocChapter { -margin: 1.58em 0%; -} -p.tocSection, .par.tocSection { -margin: 0.7em 5%; -} -table.tocList td { -vertical-align: top; -} -table.tocList td.tocPageNum { -vertical-align: bottom; -} -table.inner { -display: inline-table; -border-collapse: collapse; -width: 100%; -} -td.itemNum { -text-align: right; -min-width: 5%; -padding-right: 0.8em; -} -td.innerContainer { -padding: 0; -margin: 0; -} -.index { -font-size: 80%; -} -.indextoc { -text-align: center; -} -.transcribernote { -background-color: #DDE; -border: black 1px dotted; -color: #000; -font-family: sans-serif; -font-size: 80%; -margin: 2em 5%; -padding: 1em; -} -.correctiontable { -width: 75%; -} -.width20 { -width: 20%; -} -.width40 { -width: 40%; -} -p.smallprint, li.smallprint, .par.smallprint { -color: #666666; -font-size: 80%; -} -span.musictime { -vertical-align: middle; -display: inline-block; -text-align: center; -} -span.musictime, span.musictime span.top, span.musictime span.bottom { -padding: 1px 0.5px; -font-size: xx-small; -font-weight: bold; -line-height: 0.7em; -} -span.musictime span.bottom { -display: block; -} -ul { -list-style-type: none; -} -.splitListTable { -margin-left: 0; -} -li.numberedItem, td.numberedItem { -text-indent: -3em; -} -li span.itemNumber { -float: left; -position: relative; -left: -3.5em; -width: 3em; -display: inline-block; -text-align: right; -} -.itemGroupTable { -border-collapse: collapse; -margin-left: 0; -} -.itemGroupTable td { -padding: 0; -margin: 0; -vertical-align: middle; -} -.itemGroupBrace { -padding: 0 0.5em !important; -} -.titlePage { -border: #DDDDDD 2px solid; -margin: 3em 0% 7em 0%; -padding: 5em 10% 6em 10%; -text-align: center; -} -.titlePage .docTitle { -line-height: 3.5em; -margin: 2em 0% 2em 0%; -font-weight: bold; -} -.titlePage .docTitle .mainTitle { -font-size: 1.8em; -} -.titlePage .docTitle .subTitle, .titlePage .docTitle .seriesTitle, -.titlePage .docTitle .volumeTitle { -font-size: 1.44em; -} -.titlePage .byline { -margin: 2em 0% 2em 0%; -font-size: 1.2em; -line-height: 1.72em; -} -.titlePage .byline .docAuthor { -font-size: 1.2em; -font-weight: bold; -} -.titlePage .figure { -margin: 2em 0% 2em 0%; -margin-left: auto; -margin-right: auto; -} -.titlePage .docImprint { -margin: 4em 0% 0em 0%; -font-size: 1.2em; -line-height: 1.72em; -} -.titlePage .docImprint .docDate { -font-size: 1.2em; -font-weight: bold; -} -div.figure { -text-align: center; -} -.figure { -margin-left: auto; -margin-right: auto; -} -.floatLeft { -float: left; -margin: 10px 10px 10px 0; -} -.floatRight { -float: right; -margin: 10px 0 10px 10px; -} -p.figureHead, .par.figureHead { -font-size: 100%; -text-align: center; -} -.figAnnotation { -font-size: 80%; -position: relative; -margin: 0 auto; -} -.figTopLeft, .figBottomLeft { -float: left; -} -.figTop, .figBottom { -} -.figTopRight, .figBottomRight { -float: right; -} -.figure p, .figure .par { -font-size: 80%; -margin-top: 0; -text-align: center; -} -img { -border-width: 0; -} -td.galleryFigure { -text-align: center; -vertical-align: middle; -} -td.galleryCaption { -text-align: center; -vertical-align: top; -} -tr, td, th { -vertical-align: top; -} -tr.bottom, td.bottom, th.bottom { -vertical-align: bottom; -} -td.label, tr.label td { -font-weight: bold; -} -td.unit, tr.unit td { -font-style: italic; -} -td.leftbrace, td.rightbrace { -vertical-align: middle; -} -span.sum { -padding-top: 2px; -border-top: solid black 1px; -} -table.borderOutside { -border-collapse: collapse; -} -table.borderOutside td { -padding-left: 4px; -padding-right: 4px; -} -table.borderOutside .cellHeadTop, table.borderOutside .cellTop { -border-top: 2px solid black; -} -table.borderOutside .cellHeadBottom { -border-bottom: 1px solid black; -} -table.borderOutside .cellBottom { -border-bottom: 2px solid black; -} -table.borderOutside .cellLeft, table.borderOutside .cellHeadLeft { -border-left: 2px solid black; -} -table.borderOutside .cellRight, table.borderOutside .cellHeadRight { -border-right: 2px solid black; -} -table.verticalBorderInside { -border-collapse: collapse; -} -table.verticalBorderInside td { -padding-left: 4px; -padding-right: 4px; -border-left: 1px solid black; -} -table.verticalBorderInside .cellHeadTop, table.verticalBorderInside .cellTop { -border-top: 2px solid black; -} -table.verticalBorderInside .cellHeadBottom { -border-bottom: 1px solid black; -} -table.verticalBorderInside .cellBottom { -border-bottom: 2px solid black; -} -table.verticalBorderInside .cellLeft, table.verticalBorderInside .cellHeadLeft { -border-left: 0px solid black; -} -table.borderAll { -border-collapse: collapse; -} -table.borderAll td { -padding-left: 4px; -padding-right: 4px; -border: 1px solid black; -} -table.borderAll .cellHeadTop, table.borderAll .cellTop { -border-top: 2px solid black; -} -table.borderAll .cellHeadBottom { -border-bottom: 1px solid black; -} -table.borderAll .cellBottom { -border-bottom: 2px solid black; -} -table.borderAll .cellLeft, table.borderAll .cellHeadLeft { -border-left: 2px solid black; -} -table.borderAll .cellRight, table.borderAll .cellHeadRight { -border-right: 2px solid black; -} -tr.borderTop td, tr.borderTop th, th.borderTop, td.borderTop { -border-top: 1px solid black !important; -} -tr.borderRight td, tr.borderRight th, th.borderRight, td.borderRight { -border-right: 1px solid black !important; -} -tr.borderLeft td, tr.borderLeft th, th.borderLeft, td.borderLeft { -border-left: 1px solid black !important; -} -tr.borderBottom td, tr.borderBottom th, th.borderBottom, td.borderBottom { -border-bottom: 1px solid black !important; -} -tr.borderHorizontal td, tr.borderHorizontal th, th.borderHorizontal, td.borderHorizontal { -border-top: 1px solid black !important; -border-bottom: 1px solid black !important; -} -tr.borderVertical td, tr.borderVertical th, th.borderVertical, td.borderVertical { -border-right: 1px solid black !important; -border-left: 1px solid black !important; -} -tr.borderAll td, tr.borderAll th, th.borderAll, td.borderAll { -border: 1px solid black !important; -} -tr.noBorderTop td, tr.noBorderTop th, th.noBorderTop, td.noBorderTop { -border-top: none !important; -} -tr.noBorderRight td, tr.noBorderRight th, th.noBorderRight, td.noBorderRight { -border-right: none !important; -} -tr.noBorderLeft td, tr.noBorderLeft th, th.noBorderLeft, td.noBorderLeft { -border-left: none !important; -} -tr.noBorderBottom td, tr.noBorderBottom th, th.noBorderBottom, td.noBorderBottom { -border-bottom: none !important; -} -tr.noBorderHorizontal td, tr.noBorderHorizontal th, th.noBorderHorizontal, td.noBorderHorizontal { -border-top: none !important; -border-bottom: none !important; -} -tr.noBorderVertical td, tr.noBorderVertical th, th.noBorderVertical, td.noBorderVertical { -border-right: none !important; -border-left: none !important; -} -tr.borderAll td, tr.borderAll th, th.borderAll, td.noBorderAll { -border: none !important; -} -.cellDoubleUp { -border: 0px solid black !important; -width: 1em; -} -td.alignDecimalIntegerPart { -text-align: right; -border-right: none !important; -padding-right: 0 !important; -margin-right: 0 !important; -} -td.alignDecimalFractionPart { -text-align: left; -border-left: none !important; -padding-left: 0 !important; -margin-left: 0 !important; -} -td.alignDecimalNotNumber { -text-align: center; -} -span.ditto { -display: inline-block; -vertical-align: middle; -text-align: center; -} -span.ditto span.s { -height: 0; -visibility: hidden; -line-height: 0; -} -span.ditto span.d { -display: block; -text-align: center; -line-height: 8pt; -} -span.ditto span.i { -position: relative; -top: -2px; -} -body { -padding: 1.58em 16%; -} -.pagenum { -display: inline; -font-size: 70%; -font-style: normal; -margin: 0; -padding: 0; -position: absolute; -right: 1%; -text-align: right; -} -.marginnote { -font-size: 0.8em; -height: 0; -left: 1%; -line-height: 1.2em; -position: absolute; -text-indent: 0; -width: 14%; -text-align: left; -} -.cut-in-left-note { -font-size: 0.8em; -left: 1%; -line-height: 1.2em; -float: left; -text-indent: 0; -width: 14%; -text-align: left; -padding: 0.8em; -padding-left: 0; -} -.cut-in-right-note { -font-size: 0.8em; -left: 1%; -line-height: 1.2em; -float: right; -text-indent: 0; -width: 14%; -text-align: right; -padding: 0.8em; -padding-right: 0; -} -span.tocPageNum, span.flushright { -position: absolute; -right: 16%; -top: auto; -} -.pglink, .catlink, .exlink, .wplink, .biblink, .seclink { -background-repeat: no-repeat; -background-position: right center; -} -.pglink { -background-image: url(images/book.png); -padding-right: 18px; -} -.catlink { -background-image: url(images/card.png); -padding-right: 17px; -} -.exlink, .wplink, .biblink, .seclink { -background-image: url(images/external.png); -padding-right: 13px; -} -.pglink:hover { -background-color: #DCFFDC; -} -.catlink:hover { -background-color: #FFFFDC; -} -.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover { -background-color: #FFDCDC; -} -body { -background: #FFFFFF; -font-family: "Times New Roman", Times, serif; -} -body, a.hidden { -color: black; -} -h1, .h1 { -padding-bottom: 5em; -} -h1, h2, .h1, .h2 { -text-align: center; -font-variant: small-caps; -font-weight: normal; -} -p.byline { -text-align: center; -font-style: italic; -margin-bottom: 2em; -} -.figureHead, .noteref, .pseudonoteref, .marginnote, p.legend, .verseNum { -color: #660000; -} -.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a { -color: #AAAAAA; -} -a.hidden:hover, a.noteref:hover, a.pseudonoteref:hover { -color: red; -} -h1, h2, h3, h4, h5, h6 { -font-weight: normal; -} -table { -margin-left: auto; -margin-right: auto; -} -.tablecaption { -text-align: center; -} -.arab { font-family: Scheherazade, serif; } -.aran { font-family: 'Awami Nastaliq', serif; } -.grek { font-family: 'Galatia SIL', serif; } -.hebr { font-family: Shlomo, 'Ezra SIL', serif; } -.syrc { font-family: 'Serto Jerusalem', serif; } -.pagenum, .linenum { -speak: none; -}</style> -<style type="text/css"> -/* CSS rules generated from rendition elements in TEI file */ -.floatRight { -margin-right: -20%; -} -.floatLeft { -margin-left: -20%; -} -.listTable { -margin-left: 0; border-collapse: collapse; -} -/* CSS rules generated from @rend attributes in TEI file */ -.xd29e138 { -text-align:right; -} -.cover-imagewidth { -width:560px; -} -.xd29e108 { -font-size:large; text-align:center; -} -.frontispiecewidth { -width:503px; -} -.titlepage-imagewidth { -width:545px; -} -.logowidth { -width:153px; -} -.xd29e135 { -text-align:center; -} -.p021width { -width:120px; -} -.p026width { -width:171px; -} -.p030width { -width:179px; -} -.p033width { -width:543px; -} -.p035width { -width:190px; -} -.p039width { -width:483px; -} -.p046width { -width:515px; -} -.p050width { -width:499px; -} -.p058width { -width:522px; -} -.p065width { -width:502px; -} -.p070width { -width:336px; -} -.p078width { -width:468px; -} -.p081width { -width:61px; -} -.p089width { -width:560px; -} -.p091width { -width:661px; -} -.p094width { -width:188px; -} -.p101width { -width:694px; -} -.p103width { -width:502px; -} -.p104width { -width:537px; -} -.p108width { -width:511px; -} -.p111width { -width:364px; -} -.p117width { -width:481px; -} -.p120width { -width:474px; -} -.xd29e1182 { -width:2em; text-align:center; -} -.xd29e1184 { -vertical-align:middle; -} -.xd29e1187 { -padding-top:10pt; -} -.schutbladwidth { -width:537px; -} -.spinewidth { -width:720px; -} -.backwidth { -width:554px; -} -@media handheld { -} -/* CSS rules copied from @style attributes in TEI file */ -</style> -</head> -<body> - - -<pre> - -The Project Gutenberg EBook of Boschgeheimen, by William J. Long - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most -other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of -the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have -to check the laws of the country where you are located before using this ebook. - -Title: Boschgeheimen - -Author: William J. Long - -Illustrator: Charles Copeland - -Translator: Cilia Stoffel - -Release Date: September 2, 2019 [EBook #60224] - -Language: Dutch - -Character set encoding: ISO-8859-1 - -*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK BOSCHGEHEIMEN *** - - - - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg - - - - - - -</pre> - -<div class="front"> -<div class="div1 cover"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first"></p> -<div class="figure cover-imagewidth"><img src="images/cover.jpg" alt="Oorspronkelijke voorkant." width="560" height="720"></div><p> -</p> -</div> -</div> -<div class="div1 frenchtitle"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first xd29e108">BOSCHGEHEIMEN -</p> -</div> -</div> -<div class="div1 frontispiece"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first"></p> -<div class="figure frontispiecewidth"><img src="images/frontispiece.jpg" alt="zat Tookhees daar op den rand van mijn kopje" width="503" height="720"><p class="figureHead">zat Tookhees daar op den rand van mijn kopje</p> -<p class="first">bl. 15 V.</p> -</div><p> -</p> -</div> -</div> -<div class="div1 titlepage"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first"></p> -<div class="figure titlepage-imagewidth"><img src="images/titlepage.png" alt="Oorspronkelijke titelpagina." width="545" height="720"></div><p> -</p> -</div> -</div> -<div class="titlePage"> -<div class="docTitle"> -<div class="mainTitle">BOSCHGEHEIMEN</div> -</div> -<div class="byline">MET TOESTEMMING VAN DEN SCHRIJVER -WILLIAM J. LONG UIT HET ENGELSCH -VERTAALD DOOR CILIA STOFFEL -TEEKENINGEN VAN CHARLES COPELAND</div> -<div class="figure logowidth"><img src="images/logo.png" alt="" width="153" height="151"></div> -<div class="docImprint">ROTTERDAM MCMXXI<br> -W. L. & J. BRUSSE’S UITGEVERSMAATSCHAPPIJ</div> -</div> -<p><span class="pagenum">[<a id="xd29e133" href="#xd29e133">IV</a>]</span></p> -<div class="div1 advertisement"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first xd29e135">VAN WILLIAM J. LONG VERSCHIJNEN IN DE VERTALING VAN CILIA STOFFEL MET TEEKENINGEN -VAN CHARLES COPELAND: -</p> -<div class="table"> -<table> -<tr> -<td class="xd29e138 cellLeft cellTop"> 1 </td> -<td class="cellRight cellTop"><a class="pglink xd29e46" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href="https://www.gutenberg.org/ebooks/18072">DIERENLEVEN IN DE WILDERNIS</a> (3<sup>de</sup> druk) -</td> -</tr> -<tr> -<td class="xd29e138 cellLeft"> 2 </td> -<td class="cellRight">KIJKJES IN HET DIERENLEVEN (2<sup>de</sup> druk) -</td> -</tr> -<tr> -<td class="xd29e138 cellLeft"> 3 </td> -<td class="cellRight">HET BOSCHVOLKJE -</td> -</tr> -<tr> -<td class="xd29e138 cellLeft"> 4 </td> -<td class="cellRight">OP EENZAME ZWERFTOCHTEN -</td> -</tr> -<tr> -<td class="xd29e138 cellLeft"> 5 </td> -<td class="cellRight">BOSCHGEHEIMEN -</td> -</tr> -<tr> -<td class="xd29e138 cellLeft"> 6 </td> -<td class="cellRight"><a class="pglink xd29e46" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href="https://www.gutenberg.org/ebooks/20957">EEN BROERTJE VAN DEN BEER</a> -</td> -</tr> -<tr> -<td class="xd29e138 cellLeft"> 7 </td> -<td class="cellRight">OP HERTEN UIT -</td> -</tr> -<tr> -<td class="xd29e138 cellLeft"> 8 </td> -<td class="cellRight">ZONDER GEWEER OP JACHT -</td> -</tr> -<tr> -<td class="xd29e138 cellLeft"> 9 </td> -<td class="cellRight">DE WITTE WOLF -</td> -</tr> -<tr> -<td class="xd29e138 cellLeft cellBottom">10 </td> -<td class="cellRight cellBottom">LANGS DIERENPADEN IN HET HOOGE NOORDEN</td> -</tr> -</table> -</div><p> -<span class="pagenum">[<a id="xd29e202" href="#xd29e202">V</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="toc" class="div1 contents"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">INHOUD</h2> -<ul> -<li><a href="#inleiding" id="xd29e207">Inleiding</a> <span class="tocPageNum"><span class="seg">Bladz.</span> 7</span> -</li> -<li><a href="#ch1" id="xd29e216">De Boschmuis</a> <span class="tocPageNum"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Bladz.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 11</span> -</li> -<li><a href="#ch2" id="xd29e225">Een Verborgen Paadje in de Wildernis</a> <span class="tocPageNum"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Bladz.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 31</span> -</li> -<li><a href="#ch3" id="xd29e234">Keeonekh, de Visscher</a> <span class="tocPageNum"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Bladz.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 37</span> -</li> -<li><a href="#ch4" id="xd29e243">Koskomenos, de Verstooteling</a> <span class="tocPageNum"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Bladz.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 61</span> -</li> -<li><a href="#ch5" id="xd29e252">De oude Beukenpatrijs</a> <span class="tocPageNum"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Bladz.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 80</span> -</li> -<li><a href="#ch6" id="xd29e261">Wolkvleugel, de Adelaar</a> <span class="tocPageNum"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Bladz.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span>107</span> -</li> -<li><a href="#namen" id="xd29e270">De Indiaansche Namen</a> <span class="tocPageNum"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Bladz.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span>129</span></li> -</ul> -<p><span class="pagenum">[<a id="xd29e277" href="#xd29e277">VI</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div class="div1 dedication"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first xd29e135">AAN CH’GEEGEE-LOKH-SIS<span class="corr" id="xd29e281" title="Bron: .">,</span><br> -„MIJN VRIENDJE CH’GEEGEE”, WIENS<br> -KOMST DEN WINTER BLIJ MAAKT. -<span class="pagenum">[<a id="pb7" href="#pb7">7</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="inleiding" class="div1 introduction"><span class="pagenum">[<a href="#xd29e207">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">INLEIDING.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Dit boekje is slechts een nieuw hoofdstuk uit het schuwe, wilde leven in bosch en -veld, waarvan „Het Boschvolkje”, „Op Eenzame zwerftochten”, „Dierenleven in de Wildernis”, -„Kijkjes in het Dierenleven” het begin vormden. Het wordt gaarne gegeven als antwoord -op dien roep om meer van hen, die de vorige deeltjes gelezen hebben en wier brieven -vol vriendelijkheid en waardeering waren. -</p> -<p>Allerlei vragen zijn in den laatsten tijd in diezelfde brieven opgeworpen; van welke -de voornaamste deze is: Hoe kan men zulke dingen zelf ontdekken? Hoe kunnen ook wij -de geheimen ontcijferen van het Boschvolkje? -</p> -<p>Er is hier geen plaats om te antwoorden, om den langen oefentijd te beschrijven, zelfs -al zou ik precies kunnen verklaren wat min of meer onbewust geschiedt. Ik wilde slechts -vragen of de ware oorzaak, waardoor wij zoo weinig in de bosschen zien, misschien -ook schuilt in de wijze, waarop wij er ons gedragen—wij praten, lachen, ritselen, -trappen takjes kapot, verstoren den vrede der eenzaamheid door wat de kleine, wilde -wezentjes wonderlijke en barbaarsche geluiden moeten toeschijnen. Zij, aan den anderen -kant, glippen met geruischloozen gang door de dichte dekking, waar ze thuis zijn, -schuw, zwijgend, luisterend, er meer op uit te hooren dan gehoord te worden; zij houden -van de <span class="pagenum">[<a id="pb8" href="#pb8">8</a>]</span>stilte, haten gerucht en zijn er bang voor, evenals ze hun natuurlijke vijanden vreezen -en haten. -</p> -<p>Wij zouden niet op ons gemak zijn, als een groote wildeman in ons vreedzame huis kwam, -de deur inrammeide, met zijn strijdknots op meubels hieuw en zijn strijdkreet galmde. -We zouden onder die omstandigheden niet heel natuurlijk zijn. We zouden onze eigenlijke -gezindheid verbergen. Het zou zelfs wel eens kunnen wezen dat we het huis maar uittrokken. -Zoo doet het Boschvolkje ook. Slechts als we hun gewoonten aannemen, kunnen we verwachten -in hun leven en geheimen te deelen. En het is om verbaasd over te zijn, hoe weinig -bang de schuwste van hen voor ons is, als we maar stil blijven en alle opwinding vermijden, -zelfs van ons gevoel; want ze begrijpen ons gevoel evenzeer als onze handelingen. -</p> -<p>Een hond weet het wanneer ge bang voor hem zijt, wanneer vijandig, wanneer vriendschappelijk -gezind. Een beer net eender. Raak het hoofd kwijt, en het paard, waar ge op rijdt, -zal er onmiddellijk vandoor gaan. Verraad eens iets van onderdrukte opwinding, en -het hert, dat ginds sierlijk den oever aftript naar uw kano in ’t riet, zal stampen -en brieschen en wegspringen, zonder ooit te weten wat hem verschrikte. Maar wees rustig, -vriendelijk, innerlijk vreedzaam in diezelfde omstandigheid, en het hert zal, zelfs -als het u ontdekt heeft, nader komen en zijn nieuwsgierigheid op allerlei aardige -manieren toonen, eer het wegdraaft, en nog over zijn schouder kijken of ge niets <span class="pagenum">[<a id="pb9" href="#pb9">9</a>]</span>meer te zeggen hebt. Wees dan edelmoedig—laat hem ’t geflonker op een kijker zien, -’t wapperen van een kleurigen zakdoek, een tinnen fluitje of een ander prul, dat de -herinnering aan een jongenszak u aan de hand kan doen—en ge loopt kans, dat hij terug -zal komen, daar nieuwsgierigheid zoo rijkelijk beloond werd. -</p> -<p>Dit is nog een punt om te onthouden: alle boschbewoners zijn nieuwsgieriger naar ons, -dan wij naar hen. Ga eens rustig in het bosch zitten, waar ge wilt, dan zal uw komst -dezelfde opschudding veroorzaken, als een vreemdeling in een stadje tusschen de heuvels -van Nieuw-Engeland. Bedwing uw nieuwsgierigheid, en weldra kunnen zij de hunne niet -meer bedwingen; ze moeten komen onderzoeken wie ge zijt en wat ge uitvoert. Dan is -’t voordeel aan uw kant; want terwijl hun nieuwsgierigheid bevredigd wordt, vergeten -ze vrees en geven u allerlei aardige kijkjes in hun leven, die ge nooit op een andere -manier zult te zien krijgen. -</p> -<p>Wat den oorsprong van deze schetsen betreft: hij is dezelfde als bij de vorige—jaren -van rustige waarneming in bosschen en velden, en een paar oude opschrijfboekjes, die -de verslagen bevatten van zomer- en winterkampen in de groote wildernis. -</p> -<p class="signed">WILLIAM J. LONG. -</p> -<p class="dateline">Stamford, Connecticut, Juni 1901. -<span class="pagenum">[<a id="pb11" href="#pb11">11</a>]</span></p> -</div> -</div> -</div> -<div class="body"> -<div id="ch1" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd29e216">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">DE BOSCHMUIS.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Kleine Tookhees, de boschmuis<a class="noteref" id="xd29e313src" href="#xd29e313">1</a>—„de bangerd”, zooals Simmo haar noemt—komt altijd twee keer voor den dag, wanneer -je piept om haar te voorschijn te brengen. Na een heele poos rondgegluurd te hebben -schiet zij eerst haar gang uit; gaat dan op haar achterpootjes zitten; wrijft zich -de oogen met haar pootjes uit; kijkt naar boven voor den uil en achter zich voor den -vos, en recht voor zich naar de tent, waar de man woont; dan duikt zij weer halsoverkop -haar tunnel in met bladgeritsel en een verschrikt gepiep, alsof Kupkawis, het uiltje, -haar gezien had. Dat dient om zichzelf gerust te stellen. Een oogenblik later komt -ze stilletjes weer voor den dag om te kijken wat voor kruimeltjes je haar gegeven -hebt. -</p> -<p>Geen wonder dat Tookhees zoo schuw is, want er bestaat geen plekje op aarde, of in -de lucht, of in ’t water, behalve haar eigen holletje onder den bemosten steen, waar -zij veilig is. Boven haar loeren ’s nachts de uilen, en de haviken overdag; in de -wildernis is er rondom haar heen geen rondsluipende roover, van Mooween, den beer, -langs een heele reeks van overgangen af, tot Kagax de wezel toe, of hij zal onder -elken ouden tak of boomstam snuffelen in de hoop er een boschmuis te vinden; en als -zij eens <span class="pagenum">[<a id="pb12" href="#pb12">12</a>]</span>uit zwemmen gaat, wat zij zoo graag doet, is er geen dikke forel in de rivier, die -haar draaikolk niet in den steek zal laten om op het kleine, kleine rimpeltje af te -schieten, dat dapper op den overkant van den stroom aanhoudt. Met al die vijanden, -die er op loeren haar te vangen, zoodra zij zich maar buiten waagt, moet ze wel eens -schijnbewegingen maken als ze uitgaat, om te onderzoeken waar de kust vrij is. -</p> -<p>Dit is de reden waarom ze altijd terugschiet, wanneer ze den eersten keer te voorschijn -is gekomen, waarom je wel twee- of driemaal een snellen glimp van haar opvangt, nu -hier, dan daar, voordat zij in het licht verschijnt. Ze weet dat haar vijanden zoo -hongerig zijn, zoo bang dat ze ontsnappen zal of dat iemand anders haar zal vangen, -dat ze al op haar afspringen zoodra ze maar een snor vertoont. Zoo belust zijn ze -op haar vleesch en zoo overtuigd, wanneer ze haar gemist hebben, dat het neersuizen -van vlerken of het dichtklappen van roode kaken haar van schrik wel voor goed hebben -doen wegschuilen, dat ze een ander spoor gaan volgen. En als een rondsluipend dier -achter een boomstomp om zit te loeren en Tookhees vliegensvlug weg ziet glippen en -haar verschrikt gepiep hoort, dan denkt het heel natuurlijk dat die scherpe oogjes -den staart gezien hebben, dien het verzuimde om zich heen te rollen; dus druipt het -af, alsof het zich schaamde. Zelfs de vos, die een onuitputtelijk geduld heeft, is -niet zoo leep geworden, dat hij Tookhees’ tweede verschijning leerde <span class="pagenum">[<a id="pb13" href="#pb13">13</a>]</span>afwachten. En dat is ’t behoud voor de kleine „bangerd”. -</p> -<p>Eén toevlucht voor al deze vijanden heeft Tookhees: het uitgeholde nestje achter het -aardige holletje onder den bemosten steen. Weliswaar kunnen de meeste van haar vijanden -graven, maar haar gang kronkelt zich zóo, dat ze van buiten aan den ingang nooit kunnen -nagaan waar ze heenleidt, en in de wildernis zijn geen slangen om haar achterna te -gaan en het te onderzoeken. Ik heb wel een paar maal de plek gezien, waar Mooween -den steen omgekeerd had en de aarde <span class="corr" id="xd29e326" title="Bron: en">er</span> onder uitgekrabbeld, maar gewoonlijk zit er wel een taaie wortel in den weg en komt -Mooween tot de slotsom, dat hij zich veel te veel moeite geeft voor zoo’n mondjevol, -en hij sjokt weg naar de boomstomp, waar de roode mieren wonen. -</p> -<p>Op haar tochten door het bosch vergeet Tookhees nooit de mogelijke gevaren. Ze beweegt -zich voort in een opeenvolging van schokken, plotselinge wendingen, al springend, -al wegschuilend. Na lang rondspeuren komt ze haar holletje uit en schiet als een vischje -door ’t mos naar een opgewipten boomwortel. Daar gaat ze overeind zitten luisteren, -terwijl ze zenuwachtig over haar snorren strijkt. Dan glipt ze een paar voet langs -den wortel, valt op den grond en verdwijnt. Ze verstopt zich daar onder een dor blad. -Een oogenblik stilte en—ze springt op als een duiveltje-uit-een-doosje. Nu zit ze -boven op het blad, dat haar bedekte, weer haar snorren te wrijven, terwijl ze <span class="pagenum">[<a id="pb14" href="#pb14">14</a>]</span>omkijkt naar haar spoor, alsof ze voetstappen achter zich hoorde. Dan weer een zenuwachtig -vooruitschieten, een gepiep om tegelijk haar ontvluchting en haar aankomst aan te -kondigen, en ze verdwijnt onder den ouden, met mos begroeiden stam, waar haar makkers -huizen, een heele kolonie. -</p> -<p>Dit alles en nog veel meer ontdekte ik in die eerste vacantie, toen ik het wilde volkje -begon te bestudeeren, dat binnen den gezichtskring van mijn tent woonde. Ik had lange -tochten gemaakt achter beer en bever aan, ik had vergeefsche jachten gehouden op den -ouden Witkop den adelaar, en Kakagos den uil, op de boschraaf<a class="noteref" id="xd29e335src" href="#xd29e335">2</a>, om tot de simpele ontdekking te komen, dat er zich in den warmen kring van mijn -kampvuur een wild volkje schuilhield, wiens leven nog onbekender en minstens even -merkwaardig was als van de grootere dieren, die ik was gevolgd. -</p> -<p>Op een dag, toen ik bedaard naar het kamp terugkeerde, zag ik Simmo geheel verdiept -in de beschouwing van iets bij mijn tent. Hij stond naast een hoogen berk met een -hand tegen den bast, dien hij den komenden winter voor zijn nieuwe kano wilde nemen; -de andere hand omklemde zijn bijl nog, die hij een oogenblik te voren opgeraapt had -om het tempo, waarin de ketel met boonen zong, te versnellen. Zijn bruine gezicht, -waar een uitdrukking van kinderlijke aandacht op te lezen stond, gluurde achter den -boom. Ik sloop nader zonder dat hij me hoorde, maar ik kon <span class="pagenum">[<a id="pb15" href="#pb15">15</a>]</span>niets zien. Het was doodstil in het bosch. Killooleet zat te dommelen bij zijn nest; -de meesjes waren verdwenen, wel wetend dat het geen etenstijd was, en Meeko, de roode -eekhoorn, had zoo dikwijls van den sparretop naar den grond moeten springen, dat hij -nu mistroostig in zijn eigen spar zijn pijnlijke zolen bleef likken en als een bezetene -aan ’t schelden ging, zoodra ik maar naderde. Nog steeds tuurde Simmo, alsof er een -beer op zijn aas afkwam, tot ik fluisterde: „Quiie, Simmo, wat is het?” -</p> -<p>„Nodwar k’chee Toquis; ik zie de bangerd,” zei hij, onbewust in zijn eigen dialect -vervallend, dat de zoetste taal ter wereld is, zoo zacht, dat het wilde goedje niet -verontrust wordt, wanneer het die hoort, en niet anders meent dan dat het een sterker -ruischen in de dennen, of een zachter frutselen van den stroom tegen de rotsen is.—„O, -sapperloot, kijk eens! Hij zijn snuit wasschen in je kopje.” En toen ik op de teenen -aansloop en naast hem kwam staan, zat Tookhees daar op den rand van mijn kopje, waar -ik een nieuw toplijntje in had staan weeken, om ’s avonds mee te visschen, ijverig -bezig haar snuitje te poetsen, als een jongen met iemand achter zich om toe te kijken, -dat hij ooren of nek niet overslaat. -</p> -<p>Koude morgens uit mijn eigen jongenstijd schoten me te binnen en ik keek achter haar -om te zien, of het bij haar ook gedwongen gebeurde, maar er was geen andere muis te -zien. Twee handjesvol water schepte zij op, wreef ze haastig over neus en oogen en -dan <span class="pagenum">[<a id="pb16" href="#pb16">16</a>]</span>achter haar ooren—op de plekjes die je ’t gauwst wakker maken, wanneer je slaperig -bent—toen nog een handvol water en nog een flinken veeg, die net als den eersten keer -achter haar oor eindigde. -</p> -<p>Simmo was een en al verbazing, want een Indiaan merkt weinig in het bosch op, behalve -wat bij zijn vallen-zetten en jagen te pas komt; en een muis haar snuitje te zien -wasschen was hem even onbegrijpelijk, als mij een boek te zien lezen. Maar alle boschmuizen -zijn heel zindelijk en hebben niets van die sterke luchtjes van onze huismuizen. Later, -toen ik haar leerde kennen, zag ik dikwijls hoe ze zich waschte in het bord met water, -dat ik voor haar holletje gezet had en steeds vol hield; zij waschte echter nooit -meer dan haar snuitje en ’t gevoelige plekje achter haar ooren. Als ik haar dan echter -weer eens in het meer of in de rivier zag zwemmen, heb ik me soms afgevraagd of ze -op reis was, of alleen baadde omdat ze ’t zoo prettig vond, net als ze haar snuitje -in mijn kopje waschte. -</p> -<p>Ik liet het kopje staan waar ’t stond, en strooide een feestmaaltijd voor de kleine -gast: beschuitkruimels en een stuk van een kaarsstompje. Den volgenden morgen waren -ze verdwenen; de sporen van verscheiden muizen verrieden duidelijk wie er aangelokt -waren uit de verscholen paadjes der wildernis. Dat was de eerste kennismaking van -mensch en dier. Weldra kwamen ze geregeld. Ik hoefde maar kruimeltjes te strooien -en een paar keer als een muis te <span class="pagenum">[<a id="pb17" href="#pb17">17</a>]</span>piepen, of schichten en glimpen verschenen op ’t mos of tusschen het verbleekte goud -van het tapijt der oude berkeblaren, en de schuwe wezentjes kwamen aan mijn disch, -met oogjes die glommen als git, met hun fijne pootjes opgeheven om hun snorren te -poetsen of om zich te beschermen tegen den angst, waarin ze voortdurend leefden. -</p> -<p>Ze waren niet allemaal gelijk; integendeel juist. Een, dezelfde die zich in mijn kopje -gewasschen had, was grauw en oud, en wijs doordat zij haar vijanden zoo dikwijls ontdoken -was. Haar linkeroor was gespleten tengevolge van een vechtpartij, of door den klauw -van een uil, die haar net gemist had toen zij onder een wortel ontglipte. -</p> -<p>Zij was de schuwste en tegelijk de brutaalste van het troepje. Een paar dagen lang -naderde zij met wonderlijke behoedzaamheid; van elk dor blad, van elk wortelkluwen -maakte zij gebruik om haar nadering te verbergen, en over de open plaatsen schoot -zij zoo snel, dat je niet wist wat er gebeurd was—slechts een donker veegje, dat eindigde -in niets. En het bruine blad verried niets van wat het verborg. Maar eenmaal zeker -van haar zaak, kwam zij brutaal. Voor dat groote mensch-dier, met zijn gezicht dicht -bij de muizentafel, doodstil, behalve zijn oogen, met een hand die voorzichtig bewoog, -als ze bewoog, hoefde zij niet bang te wezen—dat voelde Tookhees instinctmatig. En -dat vreemde vuur met die hongerig-makende geuren, de witte tent, het komen en gaan -van <span class="pagenum">[<a id="pb18" href="#pb18">18</a>]</span>menschen, die heer en meester in de bosschen waren, hielden vos en lynx en uil op -een grooten afstand—dat merkte zij na een paar dagen. Alleen de „mink”<a class="noteref" id="xd29e358src" href="#xd29e358">3</a>, die ’s nachts aan kwam sluipen om de visch van den man te stelen, dat was er een -om bang voor te zijn. Dus gaf Tookhees voorloopig haar nachtelijke gewoonten op en -kwam zij brutaal in ’t zonlicht voor den dag. Gewoonlijk komen de beestjes in de schemering -te voorschijn, als hun snelle bewegingen te loor gaan in de kruipende, bevende schaduwen. -Maar als hun vrees gevlogen is, zijn ze maar wat blij in ’t daglicht rond te kunnen -draven, vooral wanneer allerlei lekker eten hen lokt. -</p> -<p>Behalve de oudgediende was er een muizenmoedertje, wier kleine, grijze jasje toch -wel groot genoeg was om een heerlijke moederliefde te bergen, zooals ik later merkte. -Ze at nooit aan mijn disch, maar droeg haar deel weg om ’t ergens te verstoppen, niet -om ’t aan haar kleintjes te voeren—daar waren ze nog te jong voor—; maar achter de -heldere oogjes zeiden haar gedachten zeker onbewust, dat zij haar noodig hadden en -dat ze om hunnentwil met grooter voorzorg voor haar leven moest waken. Ze sloop dus -schuw naar mijn disch; altijd verscheen ze van onder een grijzen bastreep op een gevallen -berk, nam denzelfden weg: eerst naar een bemosten steen, dan naar een donkere holte -onder een wortel, vervolgens naar een lage varen en langs den onderkant van een <span class="pagenum">[<a id="pb19" href="#pb19">19</a>]</span>stuk hout naar de muizentafel. Daar stopte ze haastig beide wangen vol, tot ze zoo -dik waren alsof ze kiespijn had en glipte langs denzelfden weg weer heen, om eindelijk -onder den grijzen bastflard te verdwijnen. Langen tijd was ’t me een raadsel, hoe -’k haar nest moest ontdekken, dat niet ver af kon zijn, zooals ik wist. Het was niet -in den berkestam, waar ze in verdween—die was hol over de heele lengte,—ook niet daar -ergens onder. Op eenigen afstand lag een groote steen, half door het groene mos bedekt, -dat er aan alle kanten tegen opstond. Het zorgvuldigste onderzoek had hier gefaald, -geen spoor van Tookhees’ holletje had ik kunnen ontdekken. Zoo nam ik op een dag, -toen het een halven storm woei en ik in mijn eentje het meer op wilde, dien steen -op, om hem in den boeg van mijn kano te leggen. Dat was om het bootje vaster te doen -liggen; dan zakte de neus zoo ver, dat ze ’t water kon pakken. Toen kwam ’t geheim -aan den dag; daar was het, in een koepeltje van dor gras tusschen wat dennewortels -onder den steen. -</p> -<p>De moeder was op voedsel uit, maar een zwak sissend gepiep verried me, dat de jongen -thuis waren en hongerig als gewoonlijk. Terwijl ik stond te kijken, was er een snelle -beweging in een gang tusschen de wortels en kwam moeder muis terugsnellen. Ze stond -even stil met haar voorpootjes tegen een wortel, om lucht te nemen van ’t gevaar dat -er dreigde. Toen zag ze mijn gelaat over de opening gebogen—Et tu <span class="pagenum">[<a id="pb20" href="#pb20">20</a>]</span>Brute!—en ze schoot het nest in. In een oogwenk was ze er weer uit en verdwenen in -haar gang, terwijl de kleintjes onder ’t voortsnellen aan haar flanken hingen, zoo -stijf, dat ze er niet af konden vallen—allemaal, op één na, een teer, rose diertje, -dat je in een vingerhoed kon verstoppen en dat zich vol vertrouwen in het donkerste -hoekje van mijn hand nestelde. Het duurde tien minuten, voordat het moedertje terugkwam -en angstig naar ’t verloren kleintje zocht. Toen ze ’t veilig in zijn eigen nest ontdekte, -met dat mannengezicht, dat nog steeds keek, was ze half gerustgesteld; maar toen ze -zich neerwierp en het jong begon te drinken, werd ze weer bang en draafde haar gangetje -in, terwijl het kleintje zich aan haar flank vastklemde, maar dezen keer stevig. -</p> -<p>Ik legde den steen weer op zijn plaats en trok er het mos zorgvuldig omheen. Een paar -dagen later was de muizenmoeder weer aan mijn disch. Ik sloop weg naar den steen, -hield mijn oor er dicht tegenaan en hoorde met innige voldoening kleine piepgeluidjes, -die me verrieden dat het huis weer bewoond was. Daarna bleef ik spieden om te zien -langs welk paadje moeder muis de haren bereikte. Toen ze haar wangen vol had, verdween -ze langs haar gewonen weg onder den bastreep. Deze leidde haar naar het holle binnenste -van den berkestam, dien ze ten einde toe volgde; daar hield ze even op, oogen, ooren, -neusgaten in de weer. Dan sprong ze naar een wirwar van wortels en dor blad, waar -beneden een gang was, <span class="pagenum">[<a id="pb21" href="#pb21">21</a>]</span>die diep onder het mos recht naar haar nest onder den steen voerde. -</p> -<p>Behalve deze oudere muizen waren er vijf of zes jongere, alle schuw, op één na, die -van den beginne af niet de minste vrees toonde, maar recht op mijn hand afkwam, haar -kruimeltjes opat en tegen mijn mouw opkroop, waar zij zich een warm nestje begon te -maken door wol van mijn flanellen hemd af te knabbelen. -</p> -<div class="figure floatRight p021width"><img src="images/p021.png" alt="" width="120" height="277"></div><p> -</p> -<p>Een groote tegenstelling met dit kereltje vormde een ander, dat maar al te wel wist -wat vrees beteekende. Het hoorde tot een anderen stam, die nog niet gewend was geraakt -aan de menschelijke gewoonten. Ik merkte te laat hoe zorgvuldig je met die wezentjes -om moet gaan, die voortdurend in ’t land leven waar de vrees regeert. -</p> -<p>Een eindje achter mijn tent lag een gevallen boomstam, vermolmd en met mos begroeid, -waarover tweeling-bloemen<a class="noteref" id="xd29e380src" href="#xd29e380">4</a> haar klokjes wiegelden over zijn heele lengte en waar een heele kolonie boschmuizen -onder woonden. Ze aten de kruimels, die ik bij den boom strooide, maar ze waren nooit -naar mijn disch te lokken. Was het omdat ze geen oudgediende met gespleten oor bezaten -om de gewoonten van den mensch te bespieden, of omdat mijn eigen kolonie ze verjoeg? -Ik heb het nooit kunnen uitmaken. Eens zag ik Tookhees onder den zwaren stam wegduiken -toen ik naderde, en omdat ik niets belangrijkers te doen <span class="pagenum">[<a id="pb22" href="#pb22">22</a>]</span>had, legde ik een grooten kruimel bij haar gaatje, strekte me uit op het mos, verstopte -mijn hand in een dorre varen dicht bij het verleidelijke beetje en piepte den lokroep. -In een oogwenk verschenen Tookhees’ neus en oogen in haar deurtje, terwijl haar snorren -zenuwachtig trilden toen zij het kaarsvet rook. Maar zij voelde achterdocht voor het -groote ding; of misschien rook zij den mensch en was bang, want na herhaalde keeren -schuilevinkje te hebben gespeeld, verdween zij heelemaal. -</p> -<p>Ik vroeg me af hoe lang haar honger met haar voorzichtigheid zou strijden, toen ik -het mos bij mijn lokaas van onderen in beweging zag komen. Een kleine golving van -de mosbloemetjes, en Tookhees’ neus en oogen kwamen een oogenblik uit den grond te -voorschijn, terwijl zij alle richtingen uit snuffelde. Haar bedoeling was nu duidelijk -genoeg; zij was bezig een gang te graven om bij het beetje te komen dat zij openlijk -niet durfde te nemen. Ik zat met ademlooze belangstelling toe te kijken, toen er een -zwakke trilling, dichter bij mijn lokaas, verried waar zij met haar werk vorderde. -Daarna werd het mos behoedzaam bewogen, dicht bij haar doel; een holletje opende zich, -het stukje viel er in en Tookhees was verdwenen met haar buit. -</p> -<p>Ik legde nog meer kruimeltjes uit mijn zak op dezelfde plek en weldra waren drie of -vier muizen bezig er aan te knabbelen. Eén zat op, vlak bij de dorre varen, met een -stukje brood in haar voorpooten, als een <span class="pagenum">[<a id="pb23" href="#pb23">23</a>]</span>eekhoorn. Plotseling bewoog de varen; voordat zij springen kon, sloot mijn hand zich -over haar en terwijl ’k mijn andere hand onder haar liet glijden, bracht ik haar bij -mijn gezicht om haar tusschen mijn vingers door gade te slaan. Zij maakte geen beweging -om te ontkomen, maar trilde hevig. Haar pootjes schenen nu te zwak om haar gewicht -te dragen; zij ging liggen; haar oogjes vielen toe; een stuiptrekking—en zij was dood—van -angst gestorven in een hand die haar niets gedaan had. -</p> -<p>Bij deze kolonie, wier leden me alle vreemd waren, leerde ik op een eigenaardige manier -de gewoonte van de boschmuizen kennen om bezoeken af te leggen, en tegelijkertijd -kreeg ik nog een les, die ik niet gauw vergeten zal. Dagenlang had ik op elke geoorloofde -manier tevergeefs gepoogd een groote forel te vangen, een monster in haar soort, die -in een draaikolk achter een rots hoogerop, waar ’t water het meer instroomde, woonde. -Forellen waren schaarsch in dat meer en ’s zomers zijn de groote visschen altijd lui -en moeilijk te snappen. Ik had het grootste deel van den tijd zin in forel, want de -visch die ik gevangen had was klein en ’t was niet veel, en het ging met lange tusschenpoozen. -Maar verscheiden keer als ik van den oever af, daar waar ’t andere water binnenstroomde, -ingooide om vischjes te vangen, had ik wielingen in een groote draaikolk dicht bij -den tegenovergelegen oever gezien, die me duidelijk groote visch daaronder verrieden; -en eens, toen een reusachtige <span class="pagenum">[<a id="pb24" href="#pb24">24</a>]</span>forel over haar halve lengte boven water achter mijn vlieg aanschoot, verloor de katvisch -alle bekoring en beloofde ik mezelf het genot, dat ’k mijn hengel zou voelen buigen -en sidderen onder het voortjagen van die groote forel, al moest de heele zomer er -mee gaan. -</p> -<p>Vliegen gaven niets. Ik bood er haar een boekvol van aan in alle verscheidenheid van -vorm en kleur, bij ’t uchtendkrieken en in de schemering, zonder haar in verzoeking te brengen. Ik probeerde larven, waar -baars van houdt, een kikkerpoot, dien geen snoek kan weerstaan, en kikkertjes, zulke -waarop groote forellen tusschen licht en donker te midden der leliebladen jagen—maar -niets kon haar bekoren. En toen watertorren en ’t staartpuntje van een rooden eekhoorn, -wat ’t beste vischaas ter wereld is, en spartelende sprinkhanen en een „zilveren-lepel”<a class="noteref" id="xd29e399src" href="#xd29e399">5</a> met een leelijk „stel” haken, die ik verafschuw, en ik herinner me dankbaar dat de -forellen die ook verafschuwden. Daar lagen ze in hun groote, koele draaikolk en namen -lui wat de stroom hun aan voedsel toevoerde en hadden geen aandacht voor eenigerlei -list. Daarop ving ik stroomop een roodvin<a class="noteref" id="xd29e402src" href="#xd29e402">6</a>, haakte haar zorgvuldig aan, legde haar op een grooten houtspaander, wikkelde mijn -snoer er omheen en liet dien stroomaf drijven, terwijl het snoer zachtjes naar achteren -<span class="pagenum">[<a id="pb25" href="#pb25">25</a>]</span>afwikkelde bij ’t wegdrijven. Toen hij de draaikolk bereikt had, beurde ik het tipje -van mijn hengel op; het snoer ging strak staan; de roodvin sprong overboord en een -forel van twee pond, die zeker dacht dat het kleine ding verscholen had gezeten onder -den spaander, dook op en slikte het in. Dat was de eenige die ik ving. Haar worsteling -had het diepe water in beroering gebracht en de andere forellen gaven verder niet -meer om roodvinnen. -</p> -<p>Later, terwijl ik eens bij dageraad op een groot rotsblok zat te prakkizeeren over -nieuwe lokmiddelen en krijgslisten, trof een beweging in een elzestruik aan den overkant -van den stroom mijn oog. Daar glipte Tookhees de boschmuis langs de takjes; ’t was -haar klaarblijkelijk om de zwarte katjes te doen, die nog aan de uiteinden hingen. -Terwijl ik naar haar stond te kijken, viel of sprong zij van haar twijgje in het stille -water onder zich en nadat zij een oogenblik rondgekringd had, begon zij dapper den -stroom over te zwemmen. Ik kon haar neus niet zien terwijl zij zwom, een rimpelende -wig tegen het zwarte water, die een steeds wijder wordende V als een sleep achter -zich liet. De trek duwde haar stroomaf; zij raakte den rand van de groote draaikolk; -een wieling, een harde plons van onder op, en Tookhees was verdwenen zonder een spoor -achter te laten, behalve een snellen kring van rimpels, die verzwolgen werden door -de draaiingen en kolken achter de groote rots.—Ik had ontdekt welk aas de groote forel -graag had. -<span class="pagenum">[<a id="pb26" href="#pb26">26</a>]</span></p> -<p>Terwijl ’k me naar het kamp terughaastte, laadde ik een patroon luchtig met wat fijnen -hagel, strooide een paar kruimeltjes in de buurt van den dikken stam achter mijn tent, -piepte een paar keer den lokroep en ging zitten wachten. „Die muizen zijn eigenlijk -vreemdelingen voor me,” vertelde ik mijn geweten, dat een beetje protesteerde, „en -de bosschen zijn er vol van en ik wou die forel graag hebben.” -</p> -<p></p> -<div class="figure floatLeft p026width"><img src="images/p026.png" alt="" width="171" height="184"></div><p> -</p> -<p>Even later ontstond er een geritsel in het mossige holletje en kwam Tookhees te voorschijn. -Zij schoot over het open terrein, greep een kruimel in haar bekje, ging op haar achterpootjes -zitten, nam den kruimel in haar voorpootjes en begon te eten. Ik had het geweer opgeheven -in de meening dat zij wel een keer of wat zou schuilen, voordat ’k haar onder schot -kreeg. Haar brutaliteit verbaasde me, maar ik herkende haar niet. Nog steeds ging -mijn oog langs de loopen en over de korrel, tot waar Tookhees haar kruimel zat op -te eten. Mijn vinger drukte den trekker.—„O, jou leelijke moordenaar,” zei het geweten, -„bedenk toch hoe klein zij is en wat een groot spektakel je geweer zal maken! Schaam -je je niet?” -</p> -<p>„Maar ik wou die forel graag hebben,” wierp ik tegen. -</p> -<p>„Vang ze dan zonder dit kleine, onschuldige ding,” zei ’t geweten onverbiddelijk. -</p> -<p>„Maar zij is me heelemaal vreemd; ik heb nooit—” -</p> -<p>„Zij eet je brood en je zout,” zei het geweten. Dat gaf den doorslag; en warempel, -terwijl ik nog naar haar keek over de korrel, eindigde Tookhees haar <span class="pagenum">[<a id="pb27" href="#pb27">27</a>]</span>kruimel, kwam naar mijn voet toe, glipte langs mijn been op mijn schoot en keek me -vol verwachting aan. Het grijze velletje en ’t gespleten oor toonden de welkome gast -aan mijn tafel van een week geleden. Zij was op bezoek bij de vreemde kolonie, zooals -boschmuizen zoo graag doen, en trachtte ze door haar voorbeeld te overreden, dat ze -me net zoo konden vertrouwen als zij. Beschaamder dan alsof ’k er op betrapt was een -kwartel op den grond te schieten, gooide ik de huls weg die bijna mijn vriendinnetje -gedood had, en keerde naar het kamp terug. -</p> -<p>Daar maakte ik een muis uit een stukje vacht van een muskusrat, met een stuk van mijn -leeren veter er als staart aangenaaid. Zij beantwoordde prachtig aan haar doel, want -binnen het uur mocht ik grootte en pracht van een reusachtige forel, die in haar volle -lengte op de rots naast me lag uitgestrekt, bewonderen. Maar toen ’k den volgenden -keer ingooide, verloor ’k mijn lokmuis; ze bleef met een stuk van mijn toplijntje -in den bek van een tweede forel achter, die naar boven schoot, op ’t zelfde oogenblik -dat zij haar draaikolk aanraakte. -</p> -<p>Daarna waren de boschmuizen veilig, wat mij betrof. Geen forel, al was ze zoo groot -als een zalm, zou ze ooit proeven, tenzij ze lust hadden om te gaan zwemmen; en ik -hield hun disch beter voorzien dan vroeger. Ik heb veel van hun bezoeken heen en weer -gezien, en ik heb beter begrepen wat die gangen toch te beteekenen hebben, die in -’t voorjaar te zien zijn als de <span class="pagenum">[<a id="pb28" href="#pb28">28</a>]</span>laatste sneeuw wegsmelt. In een hoek van het bosch, waar de driftsneeuw hoog ligt, -zal men dikwijls een menigte gangen vinden, die uit alle richtingen in een kamer middenin -uitmonden. Ze spreken van Tookhees’ gezellige natuur, van haar lange bezoeken bij -haar makkers, niet gestoord door sprong of knauw, als de opeengepakte sneeuw daarboven -den angst van ’s zomers heeft weggevaagd en haar beveiligt voor havik en uil en vos -en wilde kat, en als geen open water haar er toe verleidt te gaan zwemmen waar Skooktum, -de groote forel, hongerig op muizen onder haar draaikolk ligt te wachten. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De weken vloden maar al te snel, zooals het geval is met weken in de wildernis, en -de droevige taak van ons kamp op te breken lag vlak voor ons. Eén ding baarde me echter -zorg—de kleine Tookhees, die geen vrees kende, maar een nestje probeerde te maken -in de mouw van mijn flanellen hemd. Haar argeloos vertrouwen trof me meer dan de eigenaardige -gewoonten van alle andere muizen. Elken dag kwam zij om haar kruimeltjes te halen, -niet van mijn disch, maar uit mijn hand. Zij genoot er klaarblijkelijk van de warmte -onder ’t eten en zij kreeg altijd de uitgezochtste beetjes. Ik wist echter dat zij, -wanneer ik heengegaan was, de eerste zou zijn die door den uil werd gegrepen, want -alleen de vrees redt het wilde volkje. -</p> -<p>Zoo nu en dan treft men dieren aan, onder allerlei soort, die het instinct van de -vrees missen—een kikker, <span class="pagenum">[<a id="pb29" href="#pb29">29</a>]</span>een jonge patrijs, een elandenkalf—en dan vraagt ge u verbaasd af welke gouden eeuw, -die de vrees niet kende, of welk heerlijk visioen van Jesaja, waarin de leeuw bij -het lam nederligt, daar werkelijkheid is geworden. Ik heb zelfs een jonge zwarte eend, -wier natuurlijke geaardheid zoo wild is als de wildernis zelf, gezien, die niets van -haar moeders noodsignalen en haar voortdurende lessen in ’t wegschuilen had geleerd, -maar op mijn kano kwam aandobberen tusschen de waterplanten van een meer in de wildernis, -terwijl haar makkers onzichtbaar wegdoken in hun schuilplaatsen van overbuigend riet -en haar moeder er klapwiekend van doorging met geplas en gekwaak, en een vlerk liet -slepen om me van haar jongen weg te lokken. -</p> -<p>Het jong, dat geen vrees kent, wordt gewoonlijk door zijn moeder in den steek gelaten, -of wel hij zal de eerste zijn, die in den strijd tegen den sterke valt, voordat ze -hem als hopeloos opgeeft. Kleine Tookhees behoorde klaarblijkelijk tot deze klasse; -dus vóór mijn vertrek stelde ik het mijzelf tot taak haar de vrees te leeren kennen, -wat blijkbaar voor de Natuur en voor haar eigen moeder te veel was geweest. Ik kneep -haar een paar keer, en terwijl ik dat deed, kraste ik als een uil—een schrikwekkend -optreden, dat de andere muizen als bruine schichten halsoverkop naar een schuilplaats -joeg. Daarna zwaaide ik met een tak boven haar, alsof ’t de vleugel van een havik -was, terwijl ’k er haar tegelijkertijd pardoes een <span class="pagenum">[<a id="pb30" href="#pb30">30</a>]</span>klap mee gaf, zoodat zij een doodschrik kreeg. En dan weer, als zij voor den dag kwam, -terwijl er een nieuw licht in haar oogjes daagde: het licht van de vrees, maakte ’k -met een stok een schuifelende beweging in de varens als van een sluipenden vos en -gaf haar een flinken tik met een sparretwijg. Het was een harde les, maar zij kende -ze na een dag of wat. En nog eer ik mijn onderwijs staakte, was er geen muis, die -aan mijn disch wilde komen, hoe overredend ik ook piepte. In de schemering schoten -ze rond als eertijds, maar het eerste suizen van mijn tak joeg ze in een ommezien -naar haar schuilplaats terug. -</p> -<p>Dat was haar hardhandige, maar afdoende voorbereiding tegen de rooverbende, die weldra -over mijn kampplaats zou rondsluipen. Dan zou een heimelijke beweging in de varens, -of een neerschietende schaduw tusschen de schaduwen der schemering heel wat anders -beteekenen dan een schuifelende tak en een wuivende sparretwijg. Een hap, een greep, -en tanden en klauwen—loop wat je loopen kunt en kijk pas naderhand waarom! Zoo hoort -het voor een verstandige boschmuis. Ik groette ze dus en liet ze achter om op zichzelf -te passen in de wildernis. -</p> -<div class="figure p030width"><img src="images/p030.png" alt="" width="179" height="126"></div><p> -<span class="pagenum">[<a id="pb31" href="#pb31">31</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd29e313" href="#xd29e313src">1</a></span> Hesperomys Leucopus. <a class="fnarrow" href="#xd29e313src">↑</a></p> -<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd29e335" href="#xd29e335src">2</a></span> Corvus Corax Principalis. <a class="fnarrow" href="#xd29e335src">↑</a></p> -<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd29e358" href="#xd29e358src">3</a></span> Een ottersoort. <a class="fnarrow" href="#xd29e358src">↑</a></p> -<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd29e380" href="#xd29e380src">4</a></span> Linnaea Borealis. <a class="fnarrow" href="#xd29e380src">↑</a></p> -<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd29e399" href="#xd29e399src">5</a></span> Een vischtuig, waarbij een glimmend, lepelvormig voorwerp achter de haken is bevestigd. <a class="fnarrow" href="#xd29e399src">↑</a></p> -<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd29e402" href="#xd29e402src">6</a></span> Notropis Cornutus. <a class="fnarrow" href="#xd29e402src">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch2" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd29e225">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">EEN VERBORGEN PAADJE IN DE WILDERNIS.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Op een dag in de wildernis, toen mijn kano een prachtig gedeelte van een rivier afgleed, -merkte ik een paadje op dat door riet en biezen ging, in een rechten hoek op de richting -van den stroom. Nadat ik mijn kano er heengewend had, ontdekte ik iets, dat een aanlegplaats -voor het boschvolkje op hun riviertochtjes scheen te zijn. Het moerasgras, dat rondom -dicht stond, was hier naar binnen gebogen en maakte een glimmend groen kanaal van -de rivier uit. -</p> -<p>Op den modderigen oever stonden veel prenten van „mink” en muskusrat en otter. Hier -had een groote eland staan drinken; en daar had een bever het gras afgeknaagd en een -moddertaartje gemaakt, waar middenin een beetje muskus de geheele buurt doorgeurde. -Het was den vorigen avond gebeurd, want de indrukken van zijn voorpoot toonden nog -duidelijk waar hij zijn taartje glad geklopt had, eer hij heenging. Maar de plek was -meer dan een landingsplaats; een paadje ging den oever op, het bosch in, even vaag -als het groene waterweggetje tusschen de biezen. Hooge varens bogen er zich overheen -om het te verstoppen, ranke grassen, die zachtjes op zij geduwd waren, trachtten er -zoo goed als ’t ging natuurlijk uit te zien; de elzen wuifden hun takken dicht opeen -en zeiden: „Hier is geen weg.” Maar daar was hij, een <span class="pagenum">[<a id="pb32" href="#pb32">32</a>]</span>pad voor ’t boschvolkje. En toen ik het volgde, de schaduw en stilte der bosschen -binnen, was de eerste mossige stam, die er over lag, glad gesleten door ’t gaan van -veel kleine pootjes. -</p> -<p>Bij mijn terugkomst gleed Simmo’s kano in ’t zicht, en ik wenkte hem naar den oever. -De lichte boot van berkebast kwam met een zwenk naast de mijne, met een diepe waterplooi -juist onder de kromming van haar boeg en een welluidend geklater, als ’t gorgelen -van water tegen een mossigen steen—dat was het eenige geluid. -</p> -<p>„Wat beteekent dit paadje, Simmo?” -</p> -<p>Zijn scherpe oogen namen met een oogopslag alles in zich op: den wuivenden waterweg, -de prenten, het vage paadje naar de elzen. Er stond verbazing op zijn gezicht te lezen, -dat ik maar zoo toevallig een ontdekking had gedaan, waar hij menigmaal tevergeefs -naar had uitgekeken met zijn vallen op den rug. -</p> -<p>„Dat om af te snijden,” zei hij gewoonweg. -</p> -<p>„Om af te snijden! Maar wie moest er hier afsnijden?” -</p> -<p>„Nou, Musquash waarschijnlijk ’t eerst doen dat. Toen bever, toen otter, toen iedereen -die haast, doen dat. Kijk, de rivier hier maken groote bocht. Pad rechtuit gaan, tijd -sparen, net precies als Indiaan die afsnijden.” -</p> -<p>Dat was het eerste van wel twaalf zulke paden die ik sindsdien aantrof en die de bochten -van rivieren in de wildernis doorsneden,—de manier die ’t boschvolkje er op nahoudt -om op reis tijd uit te sparen. Ik <span class="pagenum">[<a id="pb33" href="#pb33">33</a>]</span>liet Simmo verder gaan, de rivier af, terwijl ik het verscholen paadje nieuwsgierig -volgde. Er is niets zoo verleidelijk in de bosschen, als het wilde goedje na te prenten -en te zien wat ze uitgevoerd hebben. -</p> -<p>Maar helaas, mijn voeten waren de eerste menschelijke voeten niet, die den tocht ondernomen -hadden! Halverwege, op het punt waar het pad over een beekje leidde, vond ik een val -dwars over den weg van argelooze pootjes. Ze verschilde van elke andere die ik ooit -gezien had en was zoo gemaakt: -</p> -<div class="figure p033width"><img src="images/p033.png" alt="" width="543" height="331"></div><p> -</p> -<p>Die kleine stok (trekker noemen de „trappers” hem), waarvan het eind een centimeter -of vijf boven den ondersten stam in de lucht steekt, net zoo hoog dat een bever of -een otter er heel gewoon zijn poot op zou zetten als hij er overheen ging, ziet er -onschuldig <span class="pagenum">[<a id="pb34" href="#pb34">34</a>]</span>genoeg uit. Maar als ge goed toekijkt, zult ge zien dat het, bij den minsten of geringsten -druk die er op uitgeoefend werd, onmiddellijk den krommen tak, die het valblok vasthoudt, -los zou maken en het doodelijke ding met verpletterend gewicht op den rug van eenig -dier er onder terecht zou doen komen. -</p> -<p>Dat zijn de valstrikken, die Keeonekh, den otter, in den weg liggen, als hij uit vrijen -gaat en Musquash’s dwarspad gebruikt om zijn tocht te bekorten. -</p> -<p>Aan den anderen kant van het dwarspad wachtte ik af, tot Simmo om de bocht kwam en -nam hem mee terug om het werk te bekijken, terwijl ik de hartelooze zorgeloosheid -van den „trapper” veroordeelde, die in ’t voorjaar weg was gegaan en een niet ontspannen -val had achtergelaten als een bedreiging voor ’t wilde goedje. Op ’t eerste gezicht -maakte hij uit dat ’t een otterval was. Toen kwamen er plotseling vrees en verbazing -op zijn gezicht en vragen op het mijne. -</p> -<p>„Dat Noel Waby’s val. Niemand anders valtrekker maken zoo,” zei hij eindelijk. -</p> -<p>Toen begreep ik het. Noel Waby was in ’t voorjaar de rivier opgegaan om vallen te -zetten en nooit teruggekomen; en niemand wist ooit te vertellen hoe hij aan zijn eind -kwam. -</p> -<p>Ik boog me neer om de val met grooter belangstelling te bekijken. Aan den onderkant -van het valblok vond ik nog wat lange haren kleven in de spleten van de ruwe schors. -Ze hoorden tot de buitenste waterdichte vacht, waarmee Keeonekh zijn bont droog <span class="pagenum">[<a id="pb35" href="#pb35">35</a>]</span>houdt. Minstens éen otter was hier gevangen, en de val was daarna weer opgesteld. -Maar een gewaarwording van gevaar, een oude geur van bloed, of een onnaspeurlijke -waarschuwing hing nog aan die plek, en geen ander schepsel was over den ondersten -balk gegaan, ofschoon er honderden langs dien weg moeten zijn gekomen, sinds de oude -Indiaan zijn val weer opstelde en wegstapte met den dooden otter over zijn schouders. -</p> -<p></p> -<div class="figure floatRight p035width"><img src="images/p035.png" alt="" width="190" height="405"></div><p> -</p> -<p>Wat was dat in de lucht? Welk angstgevoel broeide hier en fluisterde in de elzebladen -en tinkelde in de beek? Simmo werd onrustig en haastte zich weg. Hij was als ’t boschvolkje. -Maar ik ging op een dikken boomstam zitten, dien het hooge water in ’t voorjaar tusschen -de elzen had gedreven, om wellicht de beteekenis van die plaats te voelen en een poosje -de wijde, lieflijke eenzaamheid geheel voor mezelf te hebben. -</p> -<p>Een flauw geritsel aan mijn linkerhand, en nog weer! Toen kwam kronkelend en glijdend -Keeonekh het pad op, de eerste otter dien ik ooit in de wildernis zag. Waar de zon -door de elzebladen naar binnen flikkerde, glom ze vroolijk op de glanzende buitenste -haren van zijn ruwe vacht. Onder ’t gaan werkte zijn neus voortdurend en was zijn -heldere oogjes ver vooruit, om hem te vertellen wat er zich op zijn pad bevond. -</p> -<p>Ik zat heel stil een eind op zij en hij zag me niet. Dicht bij de val van den ouden -Noel hield hij even <span class="pagenum">[<a id="pb36" href="#pb36">36</a>]</span>stil met opgeheven kop, in die eigenaardige slangachtige houding, die alle wezels -aannemen als ze acht geven. Daarop glipte hij om het uiteinde van de val en verdween, -het pad af. -</p> -<p>Toen hij weg was, sloop ik te voorschijn om zijn prent te onderzoeken. Daar viel het -me voor ’t eerst op dat het oude pad bij de val langzamerhand met mos begroeide; een -flauw nieuw pad begon zich tusschen de elzen af te teekenen. Er school de een of andere -waarschuwing in die val en met listig instinct waren alle boschbewoners op zij gegaan -en hadden goed de ruimte gegeven aan wat ze voelden dat gevaarlijk was, maar wat ze -niet konden begrijpen. Het nieuwe pad voegde zich weer bij het oude achter de beek -en volgde het recht naar de rivier. -</p> -<p>Weer onderzocht ik zorgvuldig de val, maar ’k vond natuurlijk niets. Dat is een zaak -van instinct, niet van oogen of ooren, en kan niet opgelost worden. Toen ging ik voorgoed -heen, nadat ik een kring van dikke staken rondom de val geslagen had, om er argelooze -pootjes buiten te houden. Maar ik liet de val onaangeroerd, net zooals ze was, een -ruw gedenkteeken voor Keeonekh en den verdwenen Indiaan. -<span class="pagenum">[<a id="pb37" href="#pb37">37</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch3" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd29e234">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">KEEONEKH, DE VISSCHER.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Waar ge Keeonekh, den otter, ook aantreft, daar vindt ge nog drie andere dingen: de -wildernis, schoonheid en stroomend water, dat geen winter bevriezen kan. Daar is ’t -ook goed om te visschen; maar ’t zal u weinig baten, want als Keeonekh een water geplunderd -heeft, geeft het niets daar vlieg of voorntje in te gooien. De grootste visch is verdwenen—ge -zult zijn graten en een paar vinnen op het ijs of den naasten oever vinden, en de -kleine vischjes houden zich nog gedekt na hun schrik. -</p> -<p>En omgekeerd: waar ge de drie genoemde factoren aantreft, zult ge Keeonekh ook vinden, -als uw oogen goed de teekens kunnen lezen. Zelfs op plaatsen bij de steden, waar heele -geslachten lang geen otter gezien is, worden ze toch gespeurd, zijn ze in hun schuwe, -wilde leven, zóo vertrouwd met al wat te zien is, met elk geluid van gevaar, dat geen -oog van de velen die voorbijgaan hen ooit waarneemt. Er is op geen beest zoo hardnekkig -jacht gemaakt, om het kostbare bont dat hij draagt, maar Keeonekh is moeilijk te krijgen -en snel van begrip. Als een heele familie gepakt is, of verdreven van een geliefkoosde -rivier, vindt een andere otter weldra de plek, op een van zijn wintersche zwerftochten -naar beter vischwater; en daar hij uit de teekens wel begrepen heeft dat anderen van -zijn ras helaas geboet hebben voor <span class="pagenum">[<a id="pb38" href="#pb38">38</a>]</span>zorgeloosheid, vestigt hij er zich met grooter waakzaamheid en geniet van zijn geluk -als visscher. -</p> -<p>In ’t voorjaar brengt hij een wijfje mee om zijn rijke inkomsten te deelen. Weldra -gaat een troepje jonge otters in de beste vischwaters visschen en de rivier mijlen -ver stroomop en -af onderzoeken. Maar zóo schuw en wild en snel in ’t wegschuilen -zijn ze, dat de forellenvisschers, die de rivier volgen, en de ijsvisschers, die hun -toestel in het meer stroomaf zetten, en de kinderen, die in de lente sleutelbloemen -plukken, er geen vermoeden van hebben, dat de eigenlijke eigenaars van den stroom -nog ter plaatse zijn, naijverig elk indringen gadeslaan en kwalijk nemen. -</p> -<p>’t Gebeurt wel, dat de houthakkers een onbekend spoor in de sneeuw kruisen, een zwaar -sleepspoor, van lange, glijdende sprongen heuvelaf, die er uitzien, alsof er een blok -hout voortgetrokken was. Maar zij ook gaan huns weegs, verbazen zich even over de -rare beesten, die in de bosschen huizen, begrijpen echter het duidelijke getuigenis -niet, dat de rare beesten achterlaten. Waren ze het maar ver genoeg gevolgd, dan zouden -ze het eind van het spoor in open water gevonden hebben, en op het ijs aan den anderen -kant de bewijzen van Keeonekh’s vischvangst. -</p> -<p>Ik herinner me een ottergezin, waarvan ik het hol vond, toen ’k nog een jongen was, -aan een stroomend water, tusschen twee meertjes, geen drie mijlen van het stadhuis -af. Toch kon de oudste jager zich nauwelijks <span class="pagenum">[<a id="pb39" href="#pb39">39</a>]</span>den tijd herinneren, dat de laatste otter gevangen of gezien was in de streek. -</p> -<p>Op een lentedag zat ik heel stil in ’t kreupelhout aan den oever naar een boscheend<a class="noteref" id="xd29e507src" href="#xd29e507">1</a> te kijken. Er zaten daar boscheenden, maar het struikgewas groeide zóo dicht, dat -ik ze nooit verrassen kon. Ze hoorden me altijd komen en maakten zich uit de voeten, -gaven me slechts verdwijnend een glimp tusschen de boomen, of wel ze verscholen zich -kalmpjes, tot ik voorbij was. De eenige manier om ze te zien te krijgen—het was een -mooi gezicht—was, stilletjes in een schuilplaats te zitten, uren lang als ’t moest, -tot ze daar aan kwamen glijden vlakbij, geheel onbewust van den bespieder. -</p> -<p></p> -<div class="figure p039width"><img src="images/p039.png" alt="" width="483" height="720"></div><p> -</p> -<p>Terwijl ik zat te wachten, kwam er een groot dier snel tegen den stroom op, met niets -dan zijn kop zichtbaar en een langen staart, die hem nasleepte. Hij zwom krachtig, -gestadig, zoo recht als een boogpees; maar, zooals ik met verbazing opmerkte, hij -maakte niet het minste rimpeltje, gleed door het water, alsof hij van ’t puntje van -zijn neus tot dat van zijn staart was ingevet. Even stroomop van me dook hij en ik -zag hem niet weer, ofschoon ik ademloos stroomop en stroomaf keek, of hij ook weer -tevoorschijn kwam. -</p> -<p>Ik had nog nooit te voren zoo’n dier gezien, maar ik wist op de een of andere manier -dat het een otter was, en ik trok me nog beter verscholen terug, in de hoop het zeldzame -beest weer te zien. Weldra verscheen er nog een otter, die stroomop kwam en op <span class="pagenum">[<a id="pb40" href="#pb40">40</a>]</span>precies dezelfde wijze verdween als de eerste. Maar ofschoon ik den heelen middag -bleef, ik zag niets meer. Na dien tijd was ik elk oogenblikje, dat ’k weg kon komen, -op die plek, kroop beneden naar den rivieroever en lag uren lang aan éen stuk verscholen; -want ik wist nu dat de otters daar woonden, en ze gaven me menigmaal vluchtig een -blik in een leven, dat ik nooit eerder gezien had. -</p> -<p>Weldra ontdekte ik hun hol. Het was in den hoogen oever tegenover mijn schuilplaats, -en de ingang lag tusschen de wortels van een dikken boom onder water, waar niemand -hem met mogelijkheid zou hebben kunnen vinden, als de otters zelf den weg niet hadden -gewezen. Bij hun nadering doken ze altijd, als ze nog een goed eind weg in den stroom -waren, en kwamen dus ongemerkt hun hol binnen. Als ze er uit gingen, waren ze net -zoo zorgvuldig, zwommen steeds een eind onder water, voordat ze aan de oppervlakte -kwamen. Het duurde verscheiden dagen, eer mijn oog met zekerheid de flauwe golving -van het water boven hen kon nagaan en hun tocht naar hun ingang op die wijze volgen. -Als het water niet laag was geweest, zou ik het nooit gevonden hebben, want ze zijn -de wonderbaarlijkste zwemmers, veroorzaken geen plooitje aan de oppervlakte, en niet -half zooveel beroering daar beneden als een visch van ’t zelfde gewicht maakt. -</p> -<p>Dat waren mee van de gelukkigste uren, die ik ooit al spiedend in de bosschen heb -doorgebracht. Het <span class="pagenum">[<a id="pb41" href="#pb41">41</a>]</span>wild was zoo groot, kwam zoo volkomen onverwacht; en ik had die prachtige ontdekking -geheel voor mezelf. Niet éen van de vijf of zes jongens en mannen, die af en toe, -als de koorts hen te pakken kreeg, muskusratten in de groote wei een mijl stroomaf -met klemmen vingen, of den zeldzamen „mink”, die op kikkers jaagde in de beek, hadden -er ook maar een vermoeden van, dat er zulk prachtig bont te krijgen zou zijn voor -de moeite van ’t jagen alleen. -</p> -<p>Soms verstreek er traag een heele middag, gevuld met de geluiden en lieflijke geuren -van de bosschen, en geen plooi verbrak de kabbelingen van den stroom vóor me. Maar -toen op een laten middag, juist als de dennen aan den overkant van de rivier zwart -begonnen te worden tegen het westelijke licht, een reeks van zilveren bellen over -den stroom schoot en een groote otter naar de oppervlakte steeg met een fermen snoek -in den bek, telde al het vruchtelooze wachten eensklaps niet meer mee. Hij kwam snel -op me toe, zette zijn voorpooten tegen den oever, deed een kronkelenden sprong—en -daar was hij, op geen twintig voet afstands, en hield den snoek met zijn voorpooten -neer, zijn rug gekromd als een verschrikte kat; er druppelde een straaltje water uit -den tip van zijn zwaren, puntigen staart, terwijl hij echt met smaak zijn visch verorberde. -</p> -<p>Jaren later, honderden mijlen ver weg, kwam aan de Dungarvon, in het hartje van de -wildernis, dat tooneel tot in de kleinste bijzonderheden me weer voor <span class="pagenum">[<a id="pb42" href="#pb42">42</a>]</span>oogen. Ik stond op sneeuwschoenen over de bevroren rivier uit te zien, toen Keeonekh -in een open plek water verscheen met een forel in zijn bek. Hij baande zich, met een -klaterend getinkel, als van klokjes in de winterlucht, een weg door den dunnen ijsrand, -zette zijn pooten tegen het zware sneeuwijs, gooide er zich met denzelfden kronkelenden -sprong uit en at met zijn rug gekromd—net als ’k hem jaren geleden had zien doen. -</p> -<p>Deze eigenaardige manier van eten is, dunkt me, kenmerkend voor alle otters, stellig -voor die ik zoo gelukkig ben geweest te zien. Waarom ze het doen gaat boven mijn verstand; -maar het moet ongemakkelijk zijn elken hap—ook nog vol graten—heuvel-op naar de maag -te laten glijden. Misschien is ’t slechts een gewoonte, in de gekromde ruggen van -de heele wezelfamilie te zien. Misschien is het om iederen vijand te verschrikken, -die ongemerkt mocht naderen, als Keeonekh zit te eten; evenals een uil, wanneer hij -voedsel op den grond heeft, al zijn veeren overeind zet om er zoo groot mogelijk uit -te zien. -</p> -<p>Maar mijn eerste otter was te scherp van reuk, om lang zoo dicht bij een verborgen -vijand te blijven. Plotseling hield hij met eten op en keerde zijn kop mijn kant uit. -Ik kon zijn neusvleugels zien trekken, als de wind hem zijn boodschap gaf. Toen liet -hij zijn visch in den steek, glipte den stroom in, zoo geluidloos als de beek daar -stroomaf van hem binnenkwam, en verdween zonder ook maar een golfje achter te <span class="pagenum">[<a id="pb43" href="#pb43">43</a>]</span>laten, om te verraden waar hij heen was gegaan. Bij het verschijnen van de jonge otters, -was er een van de merkwaardigste lessen in de bosschen te zien. Ofschoon Keeonekh -van water houdt en er meer dan de helft van den tijd in woont, zijn zijn jongen er -zoo bang voor als poesjes. Wanneer ze aan zichzelf werden overgelaten, zouden ze ongetwijfeld -weer een jagersbestaan gaan leiden volgens het oude familie-instinct; want visschen -is een aangeleerde gewoonte van de otters en het visschersinstinct kan dus nog niet -tot de jongen zijn doorgedrongen. Daartoe zullen verscheiden geslachten noodig zijn. -Ondertusschen moeten de kleine Keeonekhs leeren zwemmen. -</p> -<p>Op een dag verscheen de ottermoeder op den oever tusschen de wortels van den grooten -boom, waaronder hun geheime toegang zich bevond. Dat was een verrassing, want tot -nog toe waren beide otters er altijd van de rivier uit naar toegegaan, en nooit op -den oever bij hun hol gezien. Ze scheen te graven, maar deed het met de grootste omzichtigheid, -keek, luisterde, snuffelde onophoudelijk. Ik was nooit in de buurt van die plek gekomen, -uit angst ze te zullen verjagen; en pas maanden later, toen het hol verlaten was, -onderzocht ik het, om er achter te komen wat ze eigenlijk precies uitvoerde. Toen -ontdekte ik dat ze nog een uitgang van haar hol naar den oever gemaakt had. Ze had -de plaats met wonderbaarlijke geslepenheid uitgezocht—een hol onder een dikken wortel, -dat nooit opgemerkt zou worden—en ze had <span class="pagenum">[<a id="pb44" href="#pb44">44</a>]</span>van binnen uit gegraven, de aarde weggedragen naar den bodem van de rivier, zoodat -er bij dien boom niets zou zijn om te verraden dat er zich een dier ophield. -</p> -<p>Veel later, toen ik door heel wat spieden beter bekend was geraakt met Keeonekh’s -gewoonten, begreep ik wat dit alles beteekende. Ze maakte eenvoudig een veiligen in- -en uitgang voor de jongen, die bang voor ’t water waren. Had zij ze meegenomen, uit -haar eigen doorgang naar buiten gedreven, dan zouden ze licht verdronken zijn, eer -ze de oppervlakte bereikt hadden. -</p> -<p>Toen de ingang heelemaal klaar was, verdween ze; maar ik twijfel er niet aan, of ze -zat er vlak onder te loeren, om zeker te zijn dat de kust vrij was. Langzaam verschenen -kop en hals, tot ze geheel tusschen de zwarte wortels zichtbaar waren. Ze keerde haar -neus stroomop—niets in den wind. Oogen en ooren zochten stroomaf—niets kwaads daar. -Toen kwam ze naar buiten en achter haar aan waggelden twee ottertjes, vol verbazing -over de groote, vroolijke wereld, vol angst voor de rivier. -</p> -<p>Geen gespeel in ’t eerst, slechts verbazing en onderzoek. Behoedzaamheid was hun aangeboren; -ze zetten hun pootjes neer, alsof ze op eieren liepen, en ze besnuffelden elken struik, -eer ze er achter gingen. En de oude moeder nam hun listigheid met voldoening waar, -terwijl haar eigen neus en ooren wacht hielden voor gevaar in de verte. -</p> -<p>Het uitgangetje was veel te kort; er scheen iets in de <span class="pagenum">[<a id="pb45" href="#pb45">45</a>]</span>lucht stroomaf niet in orde te zijn. Plotseling rees ze uit haar liggende houding -overeind, en de jongen, alsof ’t hun bevolen was, tuimelden in het hol terug. In een -oogwenk was zij ze nageglipt en de oever lag verlaten. Het duurde een volle tien minuten, -eer mijn ongeoefende ooren zwakke geluiden opvingen, die niet bij het bosch hoorden -en stroomop kwamen; en nog langer, eer twee mannen met vischgarden verschenen, langzaam -op weg naar het meer boven. Ze gingen bijna over het hol heen en verdwenen, geheel -onbewust van dier of mensch, die hen ergens anders wenschten en wien hun luidruchtig -gaan door de eenzaamheid hinderde. Maar de otters kwamen niet meer naar buiten, ofschoon -ik tot ’t bijna donker was op de loer lag. -</p> -<p>Het duurde een week, eer ik ze terugzag en in dien tusschentijd was er klaarblijkelijk -flink les gegeven, want alle vrees voor de rivier was verdwenen. Ze waggelden nog -net als vroeger naar buiten, op ’t zelfde middaguur, en gingen regelrecht naar den -oever. Daar ging de moeder liggen, en de jongen, alsof ze pret hadden in ’t spelletje, -klommen haar op den rug. Daarop gleed ze den stroom in en zwom langzaam rond, terwijl -de kleine Keeonekhs zich wanhopig aan haar vastklemden, alsof er al eerder hummeltje-tummeltje -met ze gespeeld was en dit elk oogenblik herhaald kon worden. -</p> -<p>Ik begreep hun voorkomen van angstige verwachting een oogenblik later, toen moeder -otter bliksemsnel <span class="pagenum">[<a id="pb46" href="#pb46">46</a>]</span>onder hen uitdook en ze zelf den weg in het water liet zoeken. Ze begonnen wel heel -natuurlijk te zwemmen, maar de angst voor het nieuwe element zat er bij hen nog in. -Zoodra de oude ottermoeder verscheen, trokken ze jammerend op haar af; maar deze dook -nog eens en nog eens, of week langzaam en hield ze zoo zwemmend. Na een poosje schenen -ze moe te worden en den moed te verliezen. Haar oogen zagen het gauwer dan de mijne -en ze gleed tusschen hen in. De beide jongen draaiden op hetzelfde oogenblik bij en -vonden een rustplaatsje op haar rug. Zoo bracht zij ze weer zorgvuldig aan land en -binnen een paar minuten rolden ze alle door de dorre bladen als jonge honden. -</p> -<p></p> -<div class="figure p046width"><img src="images/p046.png" alt="" width="515" height="677"></div><p> -</p> -<p>Ik moet hier opbiechten, dat behalve de bewonderende verbazing van een jongen bij -’t bespieden van het wilde goedje, nog een belang me naar den rivieroever bracht en -me op den uitkijk hield voor Keeonekhs gewoonten. Vader otter was een groote baas—reusachtig -leek hij mij, als ik aan mijn minkhuiden dacht—en soms, als zijn rijke vacht in den -zonneschijn glansde, dacht ik er over wat een prachtige muts die zijn zou voor ’s -winters in de bosschen, of om in maanlichte nachten mee sleetje te rijden. Vaker nog -dacht ik aan al het heerlijks, dat een jongen voor de vijfendertig gulden zou kunnen -koopen, die zijn vacht minstens in den vrijen handel zou opbrengen. Den eersten Zaterdag -nadat ik hem gezien had maakte ik een plank klaar, tienmaal zoo groot als die, waar -<span class="pagenum">[<a id="pb47" href="#pb47">47</a>]</span>het vel van een mink op gespannen werd, en rondde één eind van boven af, en spleet -haar, en sneed een wig, en maakte het geheel mooi glad en verstopte het—om er de huid -van den grooten otter op te spannen, als ik hem kreeg. -</p> -<p>Toen ’t November werd en het bont op z’n mooist was, droeg ik een halve-schepels-mand -vol koppen en afval van de vischmarkt naar de plaats en hoopte ze verleidelijk op -den oever, boven een waterweggetje op een eenzame plek aan de rivier. Onder aan dat -weggetje, waar het uit het water kwam, zette ik een klem, mijn grootste met ronde -tanden, voor stinkdieren<a class="noteref" id="xd29e560src" href="#xd29e560">2</a> en marmotten<a class="noteref" id="xd29e563src" href="#xd29e563">3</a>. Maar de visch verrotte, evenals een tweede mandvol op een andere plaats. Wat er -van werd gegeten was het deel van de kraaien en den mink. Keeonekh versmaadde het. -</p> -<p>Toen zette ik de klem in een plas, om er den geur aan te ontnemen, op een wildpad -tusschen wat moeras-elzen, bij een bocht van de rivier, waar nooit iemand kwam en -waar ik Keeonekh geprent had. Den volgenden avond liep hij er op. Maar de klem, die -vast genoeg greep voor marmotten, was een peulschilletje voor Keeonekh’s kracht. Hij -wrong er zijn poot uit en liet niets dan een paar glimmende haren voor mij over—dat -was al wat ik ooit van hem ving. -</p> -<p>Jaren later, toen ik de val van den ouden Noel op Keeonekh’s dwarspad vond, vroeg -ik Simmo waarom er geen aas gebruikt was. -<span class="pagenum">[<a id="pb48" href="#pb48">48</a>]</span></p> -<p>„Dat toch niks geven,” zei hij, „Keeonekh houden van versche visch, en vangen zelf -al wat hij noodig.” En dat is waar. Behalve in tijden van hongersnood, als zelfs het -allerdiepste water bevroren is, of wanneer de visschen doodgaan aan een van hun geheimzinnige -epidemieën, trekt Keeonekh zijn neus op voor elk soort van aas. Als ge wat bevergeil -in een gespleten stok hebt gedaan, zal hij van zijn weg afwijken, evenals alle pelsdragers, -om te onderzoeken wat dat voor vreemde geur is. Maar wanneer ge hem met aas wilt lokken, -moet ge een visch zoo in ’t water vastmaken, dat hij levend lijkt als de stroom hem -heen en weer beweegt; anders zal Keeonekh het nooit de moeite waard achten hem te -vangen. -</p> -<p>Het hol in den rivieroever werd nooit verstoord en het volgende jaar werd er weer -een nestvol grootgebracht. Met merkwaardige geslepenheid—een geslepenheid, die hoe -langer hoe scherper wordt in de buurt van de bewoonde wereld—vulde de ottermoeder -den ingang over land tusschen de wortels met aarde en driftgoed en ze gebruikte alleen -den toegang onder water, tot het weer tijd voor de jongen was om de wereld in te gaan. -</p> -<p>Van alle dieren der wildernis is Keeonekh het rijkstbegaafd, en zijn gewoonten, als -we ze maar konden leeren kennen, zouden een allermerkwaardigst hoofdstuk vormen. Elke -tocht, dien hij maakt, te land zoowel als te water, is vol onbekende trekjes en eigenaardigheden; -maar ongelukkigerwijze ziet niemand <span class="pagenum">[<a id="pb49" href="#pb49">49</a>]</span>ooit hoe hij te werk gaat en de meeste van zijn gewoonten moeten nog nagevorscht worden. -Ge ziet een kop, die snel op den overkant van een meer in de wildernis aanhoudt, of -die op de rivier een kano tegemoet komt; en dan, als ge gretig volgt, een wieling—en -verdwenen is hij. Wanneer hij weer bovenkomt, zal hij u zooveel scherper bespieden -dan gij het hem met mogelijkheid kunt doen, dat ge weinig van hem gewaarwordt, tenzij -hoe schuw hij is. Zelfs de „trappers”, die er hun bedrijf van maken hem te vangen -en met wie ik dikwijls gepraat heb, weten zoo goed als niets van Keeonekh, behalve -waar ze hun vallen voor hem moeten opstellen bij zijn leven, en hoe ze zijn huid moeten -behandelen als hij dood is. -</p> -<p>Eens zag ik hem op een eigenaardige manier visschen. Het was winter, op een rivier -in de wildernis, die in den Dungarvon uitloopt. Er was droge sneeuw gevallen (en alle -bosschen lagen er nu nog diep en poeierig in), te licht om te plakken of te korsten. -Bij elken stap moest ik een schepvol van dat goed op de punt van mijn sneeuwschoenen -opbeuren en ik was uitgeput door ’t achtervolgen van wat rendieren, die rondzwierven -als plevieren in den regen. -</p> -<p>Vlak onder me was een diep open water, door dubbele ijsboorden omgeven. In den vroegen -winter, toen de rivier hooger was, had er zich dik wit ijs op het water gevormd, overal -waar de stroom niet te snel ging om te bevriezen. Toen was ’t water gevallen en een -boord van nieuw zwart ijs had zich aan de <span class="pagenum">[<a id="pb50" href="#pb50">50</a>]</span>oppervlakte gevormd, een centimeter of veertig, of meer onder het eerste ijs, waarvan -nog wat aan de oevers hechtte, op een paar plaatsen een voet of twee, drie naar voren -stak en met het laagste ijs donkere holen vormde. Beide lagen helden naar het water, -zoodat ze een rechte glooiing vormden rondom de randen van de open plekken. -</p> -<div class="figure p050width"><img src="images/p050.jpg" alt="... met zijn rug tegen het ijs boven zich gekromd, zijn vangst oppeuzelen...." width="499" height="720"><p class="figureHead">… met zijn rug tegen het ijs boven zich gekromd, zijn vangst oppeuzelen.…</p> -<p class="first">bl. 50 V.</p> -</div><p> -</p> -<p>Een zilveren bellenbaan, die over het zwarte water aan mijn voeten schoot, wekte me -uit een dommelige moeheid. Daar was ze weer, een rimpelgolf over het water, die een -oogenblik later in wel honderd blazen naar de oppervlakte steeg, als klokjes tinkelend -wanneer ze in de ijle lucht braken. Twee of drie keer zag ik dat met groeiende verbazing. -Toen bewoog er zich iets onder de ijslaag aan den overkant van de kolk. Een otter -glipte ’t water in. Weer schoot de rimpelgolf er over; de bellen braken aan de oppervlakte, -en ik wist dat hij beneden me onder het witte ijs zat, op geen twintig voet afstands. -</p> -<p>Een heele otterfamilie, een stuk of drie, vier, waren daar aan mijn voeten in de grootste -argeloosheid aan ’t visschen. Die ontdekking deed mijn adem stokken. Elk oogenblik -schoten de bellen naar de overzijde, van mijn kant uit, en als ’k scherp toekeek, -zag ik Keeonekh op de onderste laag aan den overkant uit ’t water glippen en daar -in de duisternis neergehurkt, met zijn rug tegen het ijs boven zich gekromd, zijn -vangst oppeuzelen. De visschen die ze vingen, waren alle klein klaarblijkelijk, want -na een paar minuten <span class="pagenum">[<a id="pb51" href="#pb51">51</a>]</span>liet hij zich plat op ’t ijs vallen, gleed de helling af het water in, zonder geplas -of beroering teweeg te brengen, wanneer hij er inviel, en de bellenbaan schoot weer -naar mijn kant over ’t water. -</p> -<p>Meer dan een uur sloeg ik ze ademloos gade en verbaasde me over hun handigheid. Een -vischje is een rappe prooi om te achtervolgen en in zijn eigen element te vangen. -Maar telkens als Keeonekh gleed, lukte het hem. Soms schoot de waterrimpel het heele -vlak over, en braken de bellen in een wilde warreling, als de visch sprong en kriskras -keerde en wendde daar beneden, met den otter achter zich aan. Maar het eindigde altijd -op dezelfde manier. Keeonekh gleed voor den dag op de ijslaag, kromde zijn rug en -begon te eten, nog bijna eer de laatste waterbel achter hem had getinkeld. -</p> -<p>Eigenaardig genoeg, de wet van de zalmvisschers gold hier in de wildernis: nooit twee -tegelijk in ’t zelfde water. Ik zag een otter klaar liggen op ’t ijs, die klaarblijkelijk -wachtte tot de jacht afgeloopen was. Dan, als er een andere otter naast hem met zijn -visch te voorschijn gleed, glipte hij er op zijn beurt bliksemsnel in. Een poos lang -was het levendig in de kolk, hadden de bellen geen rust. Toen werden de duikpartijen -hoe langer hoe zeldzamer en verdwenen de otters alle in de ijsholen. -</p> -<p>Wat er van hen werd kon ik niet uitmaken en ik was te verkleumd om langer toe te kijken. -Stroomop en stroomaf was de rivier over een afstand bevroren; <span class="pagenum">[<a id="pb52" href="#pb52">52</a>]</span>dan was er nog meer open water en meer vischgelegenheid. -</p> -<p>Of ze langs den oever gingen onder dekking van het ijs naar andere open plaatsen, -of gewoon sliepen waar ze waren tot ze weer honger hadden, ben ik nooit te weten gekomen. -Dat is zeker, ze hadden hun verblijf gekozen op een ideaal plekje en zouden er niet -vrijwillig vandaan gaan. De open plaatsen leverden prachtig vischwater op en de bovenste -ijslaag beschermde ze volmaakt tegen alle vijanden. -</p> -<p>Eens, een week later, liet ik de rendieren wat ze waren en kwam naar de plek terug -om een poosje toe te kijken; maar de plaats was verlaten. Het zwarte water gorgelde -en fronselde over het diep en glipte geluidloos onder de onderste ijslaag, niet gebroken -door zilveren bellenbanen. De ijsholen waren volkomen donker en stil. De mink had -de vischkoppen gestolen en er vertoonde zich nergens een spoor in de sneeuw om te -verraden dat het Keeonekhs eetzaal was. -</p> -<p>De zwemkunst van een otter, die daar zoo duidelijk bleek in ’t open winterwater, is -een van de merkwaardigste dingen in de natuur. Alle andere dieren, vogels ook, en -zelfs de best gevormde moderne booten, laten min of meer zog na, als ze zich door -’t water bewegen. Maar Keeonekh laat net zoo min een spoor na als een visch. Dit komt -gedeeltelijk, doordat hij zijn lichaam goed onderhoudt met zwemmen, gedeeltelijk door -den sterken, diepen, gelijkmatigen slag, die hem voortstuwt. Soms heb ik me afgevraagd, -of <span class="pagenum">[<a id="pb53" href="#pb53">53</a>]</span>de buitenste haren van zijn vacht—de waterdichte bedekking, die zijn bont droog houdt, -het doet er niet toe hoe lang hij zwemt—niet beter ingevet zijn dan bij andere dieren, -wat het ontbreken van een waterrimpel zou kunnen verklaren. Ik heb hem plotseling -onder zien duiken, zonder eenige breuk in de watervlakte om te verraden waar hij was. -Ook als hij glijdt, neerschiet van een twintig voet hoogen kleioever, komt hij ’t -water in met zoo heelemaal geen leven of stoornis, dat het verwonderlijk is. -</p> -<p>Bij ’t zwemmen aan de oppervlakte schijnt hij alle vier pooten te gebruiken, zooals -andere dieren. Maar onder water, als hij op visch jaagt, gebruikt hij alleen de voorpooten. -De achterpooten steken dan recht naar achteren en worden mèt den zwaren staart als -een groot roer gebruikt. Door middel hiervan zwenkt en wendt hij zich bliksemsnel, -volgt hij met zekerheid het vlugge wegschieten van verschrikte forellen en wint hij -’t van haar, louter door spoed en rapheid. -</p> -<p>Wanneer hij in diep water vischt, jaagt hij altijd van het middelpunt uit naar buiten, -zoodat hij de visch naar den oever drijft, zelf binnen in hun kringen blijft en dientengevolge -’t heel groote voordeel heeft van het kortste eind, wanneer hij zijn prooi den pas -afsnijdt. De visschen worden gegrepen, als ze tegen den oever wegkruipen om bescherming, -of langs hem heen trachten te ontkomen. Groote visschen grijpt hij herhaaldelijk van -achteren, als ze in hun loerholen liggen te rusten. Zoo snel en geruischloos is zijn -nadering, <span class="pagenum">[<a id="pb54" href="#pb54">54</a>]</span>dat ze gepakt worden eer ze zich van gevaar bewust zijn. -</p> -<p>Deze zwemkunst van <span class="corr" id="xd29e610" title="Bron: Keeonehk">Keeonekh</span> is des te verbazingwekkender, wanneer men bedenkt, dat hij duidelijk als landdier -te onderscheiden is, met niets van de bijzondere gaven van den zeehond, zijn eenigen -mededinger als visscher. De natuur bedoelde stellig, dat hij aan den kost zou komen, -zooals de andere leden van zijn groote familie dat doen, door te jagen in de bosschen, -en schonk hem daarnaar zijn gaven. Hij is een kranig hardlooper, een goed klimmer, -een geduldig, onvermoeid jager en zijn reuk is uiterst scherp. Met een beetje oefening -zou hij weer door jagen in zijn onderhoud kunnen voorzien, zooals zijn voorouders -deden. Als eekhoorns en ratten en konijnen in ’t eerst te vlug mochten wezen, zijn -er muskusratten in overvloed om te vangen, en hij hoeft niet voor een hertje of een -lam te staan, want hij is geweldig sterk en wat zijn kaken eenmaal vasthebben laten -ze niet los. -</p> -<p>In strenge winters, als de visch schaarsch is, of zijn diepe water bevroren, trekt -hij brutaal naar de bosschen en toont zich een meester in ’t jagersbedrijf. Maar hij -houdt van visch en hij houdt van water en hij is nu al vele geslachten door visscher -geweest, met veel van de rustige, aantrekkelijke eigenaardigheden, die den visschers -in ’t algemeen eigen zijn. -</p> -<p>Er is éen ding dat ons dadelijk voor Keeonekh doet voelen—hij is zoo geheel verschillend -van, zoo ver verheven boven alle andere leden van zijn stam. Hij <span class="pagenum">[<a id="pb55" href="#pb55">55</a>]</span>is heel zachtzinnig van nature, zonder een spoor van de wreedheid die de zwarte kat, -of van de bloeddorstigheid die de wezel kenmerkt. Hij is makkelijk te temmen, en er -is het handelbaarste en aanhankelijkste huisdier van hem te maken van ’t heele boschvolkje. -Hij doodt nooit om te dooden alleen, maar leeft in vrede, voor zoover dat kan, met -alle schepselen. En hij laat het visschen, als hij zijn middagmaal gevangen heeft. -Hij is ook heel netjes in zijn gewoonten, heeft niets wat denken doet aan de leelijke -luchtjes die den mink aankleven en de heele omgeving van een stinkdier verpesten. -We moeten ons wel afvragen of dat uit-visschen-gaan alleen dit wonder in Keeonekh’s -geaardheid misschien niet gewrocht heeft. Als dit zoo is, dan is ’t jammer dat zijn -heele stam niet visscher wordt. -</p> -<p>Zijn eenige vijand onder het boschvolkje, voor zoover ik heb nagegaan, is de bever. -Daar de laatste ook een vreedzaam dier is, valt het moeilijk een oorzaak voor die -vijandschap op te geven. Ik heb hooren zeggen, of ergens gelezen, dat Keeonekh veel -van jonge bevers houdt en er af en toe jacht op maakt om een afwisseling in zijn vischdiëet -te brengen; maar ik heb in de wildernis nooit eenig feit gevonden om dit te bewijzen. -Ik geloof in plaats daarvan, dat het eenvoudig de dam en het meer van den bever zijn, -die de moeilijkheid veroorzaken. -</p> -<p>Als de dam gebouwd is, graven de bevers dikwijls een gracht om de uiteinden, ten einde -het overtollige <span class="pagenum">[<a id="pb56" href="#pb56">56</a>]</span>water af te voeren en het werk hunner handen op die wijze er tegen te beveiligen, -dat het bij hoog water weggespoeld wordt. En dan, de bevers bewaken hun beschutting -naijverig, jagen elken boschbewoner, die hun dam over durft steken of hun meren binnen -dringen, weg, vooral de muskusrat, die graag holen graaft en ze eindeloos veel last -geeft. Maar Keeonekh, vertrouwend op zijn kracht, gaat rechtaan-rechtuit door het -meer, bemoeit zich slechts met zijn eigen zaken en snapt zelfs een paar visschen in -de diepe plaatsen bij den dam. Hij vindt stroomend water ook heerlijk, vooral ’s winters -als meren en rivieren meerendeels bevroren zijn, en op zijn tochten maakt hij gebruik -van de open grachten, die het werk van den bever beschermen. Maar zoodra de bevers -daar geplas hooren of beroering in het diepe merken, waar Keeonekh op visch jaagt, -komen ze woedend beneden. En er is gewoonlijk een wanhopig gevecht, eer het zaakje -in orde is. -</p> -<p>Eens zag ik aan een meertje een hevig gevecht gaande, middenin, en ik pagaaide haastig -om eens te zien wat er was. Twee bevers en een groote otter hielden elkaar in een -doodelijke worsteling omklemd, doken, plonsden, gooiden zich op uit het water en hapten -naar elkaars keel. -</p> -<p>Toen mijn kano stil lag, greep de otter een van zijn tegenstanders en dook met hem -onder. Er was een poosje een vreeselijke opstand onder den waterspiegel. Toen ’t uit -was, duikelde de bever dood voor den <span class="pagenum">[<a id="pb57" href="#pb57">57</a>]</span>dag en schoot Keeonekh onder den tweeden bever op om zijn aanval te herhalen. Onmiddellijk -grepen ze elkander beet, maar de tweede bever, een reusachtige baas, weigerde onder -te duiken, waar hij in zijn nadeel zou zijn geweest. In mijn ijver liet ik de kano -bijna boven op ze drijven en deed ze wild uit elkaar stuiven voor het gemeenschappelijke -gevaar. De otter vervolgde zijn weg het meer op; de bever wendde zich naar den oever, -waar ik voor het eerst een paar beverhutten opmerkte. -</p> -<p>In dit geval was er geen sprake van indringerigheid, wat Keeonekh betreft. Hij was -waarschijnlijk aangevallen, toen hij vreedzaam zijns weegs ging door het meer. Het -is echter heel goed mogelijk, dat er een oude grief bestond van den kant van de bevers, -die ze zochten te vereffenen toen ze Keeonekh in het meer snapten. Als bevers hun -hutten aan den oever van een meer bouwen, zonder dat ’t noodig is om een dam te maken, -graven ze gewoonlijk een tunnel schuin van den bodem van het meer naar hun hol of -hut op den oever. Nu vischt Keeonekh ’s winters vaker onder het ijs, dan gewoonlijk -aangenomen wordt. Daar hij na elke jacht moet ademhalen, is het noodig dat hij alle -luchtgaten en holen op ’t heele meer kent. Het doet er niet toe, hoe hij ook keert -en wendt op jacht achter een forel, hij verliest nooit zijn oriënteeringsvermogen, -vergeet nooit waar de plaatsen om uit te blazen zijn. Wanneer hij zijn visch gepakt -heeft, neemt hij den kortsten weg onder het ijs naar de naaste plek waar <span class="pagenum">[<a id="pb58" href="#pb58">58</a>]</span>hij adem kan scheppen en eten. Soms brengt hem dit buiten adem in den tunnel van den -bever te land; en de bever moet zich boven in zijn eigen huis van woede zitten verknijpen, -terwijl Keeonekh visch eet in zijn gang, want voor beiden tegelijk is er geen plaats -in den tunnel en een gevecht daar of onder het ijs is buitengesloten. Daar de bever -slechts bast eet—de witte binnenste laag van peppelbast is zijn voornaamste lekkernij—kan -hij dezen barbaar, die rauwe visch eet en graten en vinnen, en den geur van slijm -in zijn gang achterlaat, niet begrijpen en niet uitstaan. De bever is voorbeeldig -in zijn netheid, heeft een afkeer van al wat stinkt en vuil is; en dit geeft misschien -gedeeltelijk een verklaring voor zijn vijandigheid en zijn kwaadaardige aanvallen -op Keeonekh, als hij hem op een geschikte plaats te pakken krijgt. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<div class="figure p058width"><img src="images/p058.png" alt="" width="522" height="720"></div><p> -</p> -<p>Niet de minst merkwaardige van Keeonekhs eigenaardigheden is zijn gewoonte om van -een heuvel af te glijden; dat legt een band van sympathie tusschen hem en wie hem -kennen, en brengt hem dicht bij de herinneringen uit hun jongenstijd. -</p> -<p>Ik herinner me hoe een paar otters, die ik het grootste deel van een zonnigen middag -bespiedde, met een pret zonder einde een kleiigen oever afgleden. De baan was klaarblijkelijk -met veel zorg aangelegd aan den steilen kant van een kleine kaap, die in de rivier -vooruitsprong. Ze was heel steil, ongeveer twintig voet hoog en was prachtig glad -geworden door veel <span class="pagenum">[<a id="pb59" href="#pb59">59</a>]</span>naar beneden glijden en glibberen. Een otter verscheen boven op den oever, gooide -zich op zijn buik vooruit, schoot bliksemsnel naar beneden, dook diep onder water -en kwam dan weer op eenigen afstand van den voet der baan te voorschijn. En dat alles -onder een merkwaardige stilte, alsof de bosschen zelf ooren hadden en luisterden om -de schuwe dieren bij hun pret te betrappen. Want het was een echte, onschuldige pret, -een pret waar fut in zat, en van een opwinding waar geen eind aankwam, vooral wanneer -de een den ander trachtte te krijgen en ’t water inschoot hem vlak op de hielen. -</p> -<p>Deze glijbaan was in uitstekenden staat en de otters waakten er voor haar niet ruw -te maken. Ze krabbelden er nooit over naar boven, maar gingen den hoek om en klommen -tegen den anderen kant op; of anders klauterden ze evenwijdig met de baan omhoog, -een eindje verder, waar de bestijging makkelijker was en geen gevaar bestond van steenen -of takken op het glijvlak te storten, die de gladheid zouden bederven. -</p> -<p>’s Winters op sneeuw gaat ’t glijden nog beter dan op klei. Daarenboven wordt die -gauw hard en glazig, doordat het water bevriest, dat ’t lichaam van den otter achterlaat, -en na een paar dagen is de baan spiegelglad. Dan gaat het glijden volmaakt en iedere -otter, oud of jong, heeft zijn geliefkoosde glijbaan en brengt een deel van elken -heerlijken dag door met van die pret te genieten. -</p> -<p>Als Keeonekh door de bosschen trekt in de dikke <span class="pagenum">[<a id="pb60" href="#pb60">60</a>]</span>sneeuw, maakt hij gebruik van zijn glijkunst om hem voort te helpen, vooral wanneer -’t de helling afgaat. Hij loopt een eindje hard en gooit zich vooruit op zijn buik, -terwijl hij verscheiden voet door de sneeuw glijdt, eer hij weer hard loopt. Deze -manier van zich voort te bewegen is een onophoudelijk baantje-glijden, dat veel heeft -van de manier, waarop een mensch zich voorthaast met gladdigheid. -</p> -<p>Ik heb over de zilveren bellen gesproken, die het eerst mijn aandacht vestigden op -de visschende otters, op zekeren dag in de wildernis. Van de enkele zeldzame gelegenheden, -die ik gehad heb, om ze te bespieden, komt het mij voor, dat die bellen alleen te -zien zijn, nadat Keeonekh snel den stroom is ingeschoten. De lucht hecht zich aan -de buitenste ruige haren van zijn vacht en wordt er afgeveegd, als hij door het water -schiet. Wie hem zoo gadeslaat, als hij de lange glijbaan afsuist halsoverkop het zwarte -winterwater in, met een keten van zilveren bellen, die boven hem breken en tinkelen, -beseft allicht iets van de verandering in het hart van den jager door de aanraking -met de natuur, die ons allen tot verwanten maakt. Na zooiets vermijdt hij ’t vallen -zetten—tenminste ge zult zijn stalen klem niet meer onder aan Keeonekhs glijbaan aantreffen, -om de vreugde van het schuwe dier in een treurspel te veranderen—en hij wenscht zijn -medevisscher hartelijk een goede vangst toe, hetzij hij hem ontmoet op de meren in -de wildernis of in de rustige plaatsen aan de rivieren thuis, waar nooit iemand komt. -<span class="pagenum">[<a id="pb61" href="#pb61">61</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd29e507" href="#xd29e507src">1</a></span> Aix Sponsa. <a class="fnarrow" href="#xd29e507src">↑</a></p> -<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd29e560" href="#xd29e560src">2</a></span> Mephitis Mephitis. <a class="fnarrow" href="#xd29e560src">↑</a></p> -<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd29e563" href="#xd29e563src">3</a></span> Marmota Monax. <a class="fnarrow" href="#xd29e563src">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch4" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd29e243">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">KOSKOMENOS, DE VERSTOOTELING.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Koskomenos, de ijsvogel<a class="noteref" id="xd29e656src" href="#xd29e656">1</a>, is eenigszins een verstooteling onder de vogels. Ik denk dat ze hem half en half -als een kruipend dier beschouwen, dat nog niet hoog genoeg voor een vogel gestegen -is om erkenning te verdienen. Ze laten hem dus met opzet aan zijn lot over. Zelfs -de zwartkophavik<a class="noteref" id="xd29e659src" href="#xd29e659">2</a> aarzelt eer hij op hem stoot, omdat hij niet recht weet of dat opzichtige beest ook -gevaarlijk is, of alleen maar geheimzinnig. Ik zag eens een grooten havik als een -bliksemflits neerstorten op een ijsvogel, die op trillende wieken zachtjes ratelend -voor zijn hol in den oever hing. Maar de roover raakte van de wijs, op ’t oogenblik -dat hij zijn klauwen had moeten uitslaan om toe te grijpen. Hij zwenkte op zij en -schoot in een lange, schuine lijn naar een dooden spar, waar hij aandachtig zat te -kijken, tot de donkere bek van een broedenden ijsvogel uit het gat reikte om den visch -in ontvangst te nemen, dien het mannetje gebracht had. Daarop zwierde Koskomenos naar -zijn uitkijktoren boven ’t water, waar de voorntjes huisden en nam de havik zijn vlucht -naar de plaats, waar het water uit het meer stroomde en een broedsel jonge zaagbekken -hun eerste onderricht in ’t open water kregen. -</p> -<p>Geen wonder dat de vogels Koskomenos met een schuin oogje aankijken. Zijn kop is belachelijk -groot, <span class="pagenum">[<a id="pb62" href="#pb62">62</a>]</span>zijn pooten zijn belachelijk klein. In de lucht is hij een gedicht van sierlijkheid; -maar hij kruipt als een hagedis, of waggelt zóo, dat een eend zich over hem zou schamen, -bij de zeldzame gelegenheden, dat hij zijn pooten gebruikt. Zijn bek is zoo groot -dat er een heele voorn in gaat; zijn tong zoo klein dat hij geen stem heeft, maar -niets dan een heesch <i>klr-r-r-r-ik-ik-ik</i>, als de ratel van den nachtwacht. Hij bouwt geen nest, maar maakt een soort van hol -in den oever, waar hij den halven dag allervuilst huishoudt; toch is hij het verdere -gedeelte een helder, mooi beestje, dat ook geen oogenblik aan de aarde doet denken, -maar in zijn feestelijken tooi slechts aan den blauwen hemel omhoog en het van kleuren -verzadigde water beneden. Water zal hem niet nat maken, al duikt hij ook twintig keer -onder de oppervlakte. Zijn geratel is schor, lawaaierig, duivelachtig; maar zijn neerschieten -in den stroom, met zijn kleurschicht, zijn zilveren schuim en zijn getinkel van ’t -opgezweepte water, is het welluidendste dat er in de wildernis bestaat. -</p> -<p>Als visscher heeft hij zijnsgelijke niet. Zijn visschig oog zonder uitdrukking is -toch het scherpste dat spiedend over het water gaat, en zijn stooten maakt zelfs den -vischarend te schande, zóo zeker en bliksemsnel gebeurt het. -</p> -<p>Behalve al deze tegenstrijdigheden is hij eenzelvig, onbekend, ongenaakbaar. Hij heeft -geen jeugd, geen spel, geen vreugde dan eten; hij sluit zich bij niemand aan, zelfs -niet bij zijn eigen verwanten; en als hij een <span class="pagenum">[<a id="pb63" href="#pb63">63</a>]</span>visch vangt en diens kop tegen een tak slaat tot hij dood is en met zijn eigen kop -achterover zijn prooi zit door te slikken, met een ratelend geklok diep onder in zijn -keel, maakt hij denzelfden indruk als een papegaai, die fluisterend allergemeenst -zit te vloeken, terwijl hij zijn kop krabt, en op wien ge graag met een steen zoudt -mikken, als de eigenaar maar eens eventjes zijn hielen gelicht had. -</p> -<p>Het is het onbekende, deze geheimzinnige mengeling van vogel en kruipend dier, die -den ijsvogel tot een voorwerp van bijgeloof bij alle wilde volken heeft gemaakt. De -legenden omtrent hem zijn legio; zijn gekuifde kop wordt door de wilden boven alle -andere als toovermiddel of fetisj op prijs gesteld, en zelfs bij beschaafde volken -kan men zijn gedroogde lichaam nog soms aan een stok zien hangen, in de hoop dat zijn -snavel de richting uitwijst, waar de wind vandaan zal komen. -</p> -<p>Maar Koskomenos heeft nog een anderen kant, ofschoon de wereld er tot nog toe maar -weinig van bespeurd heeft. Eens in de wildernis heb ik hem, geheel zonder dat ik het -wilde, toegejuicht. Het was laat op den middag; het visschen was gedaan en ik zat -bij een grazige landtong in mijn kano te kijken wat er vervolgens zou gebeuren. Aan -den overkant van de rivier was een kleioever, waar een paar ijsvogels heel bovenaan -hun lange gang gegraven hadden. „Er is daar niets voor hen om op te staan; hoe zijn -ze dat hol begonnen,” soesde ik, „en hoe kunnen ze ooit <span class="pagenum">[<a id="pb64" href="#pb64">64</a>]</span>jongen grootbrengen met de deur zoo maar open, dat mink en wezel binnen kunnen komen?” -Dat waren weer twee nieuwe vraagstukken om bij de vele onopgeloste te voegen, die -zich bij elke wending van de boschpaadjes voor ons opdoen. -</p> -<p>Een beweging onder den oever maakte een eind aan mijn vragen, en de lange, lenige -gedaante van een jagenden mink schoot snel tegen den stroom in. Onder het hol hield -hij op, richtte zich met zijn voorpooten tegen den oever op, terwijl hij zijn kop -links en rechts keerde en zenuwachtig snuffelde. „Wat lekkers daarboven,” dacht hij -en begon te klimmen. Maar de oever was steil en week; hij slipte herhaaldelijk terug -zonder een paar voet hooger te komen. Toen ging hij stroomaf, naar een punt waar wat -wortels hem een houvast gaven, en snelde luchtig naar boven, tot onder den donkeren, -overhangenden rand, waarvan de wortels in de schaduw over den kleiigen oever staken. -Daar sloop hij behoedzaam voort, tot zijn neus het nest ontdekte, en toen gleed hij -naar beneden, tot zijn voorpooten op den drempel rustten. Een lang, hongerig opsnuiven -van de ranzige, visschige lucht, die uit het hol van een ijsvogel stroomt, een scherpen -blik om zich heen om zeker te zijn dat de oude vogels niet terugkwamen, en hij verdween -als een schim. -</p> -<p>„Dat is een broedsel ijsvogels minder,” dacht ik, met mijn kijker op het gat gericht. -Maar nauwelijks was die gedachte ontstaan, of een hevig rommelend geratel <span class="pagenum">[<a id="pb65" href="#pb65">65</a>]</span>klonk in den oever. De mink schoot er uit met een rooden streep duidelijk over zijn -bruine snuit zichtbaar. Achter hem aan kwam een ijsvogel, die een stroom van scheldwoorden -uitratelde en hem voorthielp door kwaadaardige steken naar zijn achterlijf. Dien keer -had hij zich misrekend; de oude vogelmoeder had hem thuis zitten afwachten en met -haar krachtigen snavel naar zijn booze oog gehakt, zoodra het van binnen uit den tunnel -verscheen. Dat ontnam Cheokhes den lust naar jonge ijsvogels heelendal. Hij stortte -zich halsoverkop den oever af, terwijl de vogel achter hem aanschoot, telkens stootend -en met een ratelend noodsignaal, dat onmiddellijk nog een ijsvogel voor den dag riep. -De mink dook, maar het was nutteloos om op die manier een poging tot ontvluchting -te wagen; de scherpe oogen omhoog volgden zijn vlucht geheel. Toen hij twintig voet -verder aan de oppervlakte verscheen, waren beide vogels boven hem en vielen hem als -lood op den kop. Zoo dreven ze hem stroomaf uit het gezicht. -</p> -<div class="figure p065width"><img src="images/p065.jpg" alt="... zoo dreven ze hem stroomaf uit het gezicht...." width="502" height="720"><p class="figureHead">… zoo dreven ze hem stroomaf uit het gezicht.…</p> -<p class="first">bl. 65 V.</p> -</div><p> -</p> -<p>Jaren later loste ik het tweede vraagstuk, dat het hol van den ijsvogel had doen ontstaan, -op, toen ik het geluk had eens te zien hoe een paar hun tunnel begon. Ieder, die ooit -de vogels heeft gadegeslagen, heeft ongetwijfeld hun merkwaardige bedrevenheid opgemerkt, -om in volle vaart plotseling op te houden en midden in de lucht te blijven hangen -voor een onbepaalden tijd, terwijl zij de bewegingen bespieden van een voorn onder -zich. Ze maken van deze bedrevenheid <span class="pagenum">[<a id="pb66" href="#pb66">66</a>]</span>gebruik, als ze met hun nest beginnen in een oever, zoo steil dat hij geen steunpunt -biedt. -</p> -<p>Toen ik het bewuste paar gadesloeg, zweefde eerst de eene, dan de andere vogel voor -het gekozen punt, zooals een kolibri zich een oogenblik voor den ingang van een trompetbloem<a class="noteref" id="xd29e693src" href="#xd29e693">3</a> in evenwicht houdt, om er zeker van te zijn, dat niemand op hem let, eer hij binnengaat, -boorde daarna zijn snavel met snelle slagen in den oever, waardoor er een voortdurende -kleiregen in de rivier daalde. Als hij moe was, ging hij op een uitkijktak zitten -rusten, terwijl zijn wijfje als stormram optrad en ’t werk gaande hield. In een merkwaardig -korten tijd hadden ze een steunpunt voor hun pootjes en gingen zich toen verder ingraven, -tot ze aan ’t oog waren onttrokken. -</p> -<p>De gang van den ijsvogel is zoo nauw, dat hij er zich niet in kan omkeeren. Zijn rechte, -sterke snavel werkt de aarde los; zijn kleine pootjes gooien die achter zich naar -buiten. Ik zag dan een stortregen van modder en mogelijk heel even Koskomenos’ staart; -daarna een poosje wachten—en weer een stortregen. Dat duurde zoo, tot de tunnel misschien -twee voet diep geboord was; toen maakten ze stellig een scherpe bocht, zooals hun -gewoonte is. Daarna brachten ze de meeste aarde er in den bek uit. Als de eene werkte, -was de ander aan ’t rondspieden en visschen op de diepe plek waar de voorn zat, zoodat -het voortdurend vorderde, zoolang ik ze waarnam. -<span class="pagenum">[<a id="pb67" href="#pb67">67</a>]</span></p> -<p>Jaren lang had ik Koskomenos beschouwd, zooals de vogels en de rest van de wereld -hem beschouwen: als een luidruchtig, half-duivelsch wezen, tusschen vogel en hagedis -in, waar men met achterdocht aan voorbij moet gaan. Maar dat geval met den mink wijzigde -mijn opvatting eenigszins. Het mocht dan zijn, dat Koskomenos’ wijfje haar eieren -legde als een kruipend dier, maar ze kon ze verdedigen als elke heldhaftige vogel. -Ik ging dus nauwkeuriger opletten, wat de eenige manier is om iets te leeren kennen. -</p> -<p>Het eerste wat me van de vogels trof—een waarneming, die later aan heel wat wateren -bevestigd werd—was, dat elk paar ijsvogels zijn eigen watergebied heeft, waar het -een onbetwiste heerschappij over voert. Er kunnen wel twaalf paar vogels op een enkele -rivier zijn, maar, voor zoover ik in staat ben geweest waar te nemen, elk gezin heeft -een bepaald watervak, waar ’t geen andere ijsvogels geoorloofd is te visschen. Ze -mogen vrij er over vliegen, stroomop en stroomaf, maar ze houden nooit stil bij de -plaatsen waar voorn zit; of, als ze betrapt worden dat ze er in de buurt loeren, dan -worden ze netjes door de rechtmatige eigenaars verdreven. -</p> -<p>Hetzelfde geldt ook aan de meeroevers. Of er een geheime overeenkomst en verdeeling -onder hen bestaat, of dat (wat waarschijnlijker is) hun recht geldt krachtens ontdekking -of eerste aankomst, daar is onmogelijk achter te komen. -</p> -<p>Daarom is het iets eigenaardigs, dat, terwijl een ijsvogel <span class="pagenum">[<a id="pb68" href="#pb68">68</a>]</span>niemand van zijn soort toe zal staan op zijn gebied te stroopen, hij in vrede leeft -met het zaagbekkengezin, dat hetzelfde riviervak bewoont. En de zaagbek eet een dozijn -visschen tegen hij éen. Hetzelfde valt ook bij de zaagbekken op te merken, en wel, -dat elk paar, of liever elke moeder met haar broedsel, hun eigen stuk van meer of -rivier hebben, waar geen andere mogen visschen. Ondertusschen zijn de mannetjes-zaagbekken -ver weg aan ’t visschen in hun eigen vischwater. -</p> -<p>Ik had deze quaestie van ’t verdeelen der forellenwateren nog niet half opgelost, -toen ’k alweer een waarneming deed, volkomen onverwacht. Koskomenos, al schijnt hij -dan half en half een kruipend dier, erkent niet alleen oeverrechten, maar is ook tot -vriendschap in staat—en dat nog wel voor een brompot, die in de wildernis rondzwerft -en om wien niemand anders zich iets bekommert. Hier is ’t bewijs. Ik was er alleen -in mijn kano op uit om het nest van een duiker te vinden, op een dag midden in den -zomer, toen de versche prent van een mannetjes-rendier me naar den oever lokte. Het -spoor leidde recht van het water uit naar een breeden rand van elzen, waarachter ik -op de heuvelhelling misschien het groote monster kon vinden, bezig zijn tijd te verbeuzelen -tot het avond zou worden, en hem bespieden om te zien wat hij met zichzelf zou uitvoeren. -</p> -<p>Toen ik naar den oever wendde, liet een ijsvogel zijn ratel hooren en kwam over de -monding van de <span class="pagenum">[<a id="pb69" href="#pb69">69</a>]</span>baai schieten, waar Hukweem de duiker haar twee eieren verstopt had. Ik keek naar -hem, bewonderde het deinend zwieren van zijn vlucht, alsof een briesje even over een -slapend meer schoot, en naar het helder blauw van zijn kuif tegen het diepere blauw -van den zomerhemel. Onder hem schoot zijn spiegelbeeld in kabbelingen voort, alsof -een prachtige visch door het kristalheldere water joeg. Tegenover mijn kano hield -hij plotseling stil, bleef een oogenblik zoo maar in de lucht hangen, om op de voorntjes -te loeren, die mijn pagaai in beroering gebracht had, en viel met den snavel vooruit—<i>plats!</i> met een zilverachtig getinkel in ’t geluid, alsof verscholen klokjes daarbeneden -tusschen de groene waterplanten door dezen geest van de lucht aan ’t luiden waren -gebracht. Een regen van schuim hield heel even den regenboog vast; de waterrimpels -verzamelden zich en begonnen te dansen boven de plek waar Koskomenos ondergedoken -was, tot ze ruw uiteengedreven werden, toen hij tusschen hen in weer met zijn visch -voor den dag kwam. Hij zwierde naar de boomstomp terug vanwaar hij gekomen was, al -kokkelend onderweg. Daar kwakte hij zijn visch goed tegen ’t hout, gooide zijn kop -achterover, en door mijn kijker zag ik den staart van een voorn langzaam den weg af -kronkelen, vanwaar voor hem geen terugkeer mogelijk is. Daarna volgde ik het rendierspoor. -</p> -<p>Ik was de elzen bijna door, de richting van het beekje houdend en geluidloos voortsluipend, -toen ik achter <span class="pagenum">[<a id="pb70" href="#pb70">70</a>]</span>me boven de elzen den ijsvogel hoorde komen, die als bezeten ratelde: <i>klrrr, klrrr, klrrt-ik-ik-ik!</i> Onmiddellijk klonk een zware sprong en hevig geplas vlak boven me, en het haastig -wegsnellen van een groot dier de helling op. Boven me hing de ijsvogel, keek eerst -omlaag naar mij en dan voor zich uit naar het onbekende dier, tot het gekraak in een -zwak geritsel heel in de verte verstierf en hij naar zijn vischzetel terugzwierde, -onder een uitbundig geklak en gegichel. -</p> -<p>Ik drong behoedzaam voort en kwam weldra aan een mooi, diep water onder een rots, -waar de helling langzaam naar de elzen opliep. Uit de tallooze sporen en het voorkomen -van de plek, wist ik dadelijk dat ’k toevallig aan een badplaats van een beer was -gekomen. Het water was nog troebel en modderig; reusachtige indrukken leidden sopperig -en geheel afgebrokkeld in groote sprongen den heuvel op; het mos was losgescheurd, -het kreupelhout met glinsterende waterdroppels bespat. „Je hoeft hier niet te twijfelen,” -dacht ik, „Mooween lag hier in ’t water te slapen en de ijsvogel maakte hem wakker.—Maar -waarom? En deed hij het met opzet?” -</p> -<div class="figure floatLeft p070width"><img src="images/p070.png" alt="" width="336" height="180"></div><p> -</p> -<p>Ik herinnerde me plotseling een aanteekening uit een oud opschrijfboekje: „Sugarloaf -Lake, 26 Juli.—Getracht van middag een beer te besluipen. Bofte niet. Hij liep langs -den oever te snuffelen en ik had een prachtige kans; maar een ijsvogel maakte hem -verschrikt.” Ik begon me af te vragen hoe ’t geratel <span class="pagenum">[<a id="pb71" href="#pb71">71</a>]</span>van een ijsvogel, een van de gewoonste geluiden aan ’t water in de wildernis, een -beer verschrikt kon maken, die met alle geluiden daar volkomen bekend is. Misschien -heeft Koskomenos een noodsein en gebruikt hij dat voor een vriend als ’t noodig is, -evenals zeemeeuwen van hun weg afwijken om een koppel slapende eenden te wekken, wanneer -er gevaar nadert. -</p> -<p>Dit was een nieuwe trek, iets menschelijks in dezen onbekenden, verdachten ratelaar -van het vischwater. Ik besloot aandachtiger op hem te letten. -</p> -<p>Ergens boven me, diep in de ruigte van de zomersche wildernis, stond Mooween naar -zijn spoor te loeren, oogen, ooren en neus op hun hoede om uit te maken wat dat toch -voor een wezen was, dat hem uit zijn middagbad had opgeschrikt. Het zou onzinnig zijn -nu te trachten hem te verrassen; bovendien, ik had geenerlei wapen.—„Morgen om dezen -tijd zal ik terugkomen; kijk dan goed uit, Mooween,” dacht ik, terwijl ’k de plek -goed in me opnam en naar mijn kano sloop. -</p> -<p>Maar toen ik den volgenden dag naar de plek kwam gekropen langs den hoogsten rand -van de elzen, om geen gerucht te maken, was ’t diepe water helder en kalm, alsof er -niets dan de forelletjes die zich onder de schuimblazen verstopt hielden ooit den -vrede had verstoord. Koskomenos ratelde als gewoonlijk boven de baai. Niettegenstaande -mijn omzichtigheid had hij me de elzen zien binnengaan, maar hij schonk niet <span class="pagenum">[<a id="pb72" href="#pb72">72</a>]</span>de minste aandacht aan me. Hij ging door met zijn visscherij, alsof hij heel best -wist dat de beer zijn badplaats verlaten had. -</p> -<p>Het duurde bijna een maand, eer ik weer aan het mooie meer kampeerde. De zomer was -voorbij. Al zijn warmte en meer dan zijn geurige schoonheid waarden nog over bosch -en rivier; maar de loomheid was weg uit de atmosfeer en het wazige was er binnengeslopen. -Hier en daar lieten berken en eschdoorns hun schitterende najaarsbanieren uitwaaien -over het stille water. Er kwam iets tintelends in de avondlucht; de adem van het meer -lag zwaar en wit in de stilte van de schemering; de dieren werden plotseling anders, -toen ze het korte tijdperk ingingen van spel en volop eten. -</p> -<p>Ik dreef in mijn kano over een kleine baai, waar ’t vol riet stond, (dezelfde baai -waar de bijna vergeten ijsvogel me beetgenomen had met dien beer, nadat hij een voorn -opgegeten had, die mijn pagaai er voor hem had uitgeschept), bezig kikkers voor mijn -disch te schieten met een klein geweer. Wat was het hier toch anders, peinsde ik, -dan in de bosschen bij huis. Daar was het wild al schichtig; het knallen van een geweer -joeg elk dier een schuilhoek in. Hier werd er op ’t afgaan van mijn kleine buks niet -meer gelet, dan op ’t neerplonzen van een vischarend of ’t kreunen van een beladen -iepetak. Een koppel vette houtsnippen lag zorgeloos ginder in dat stukje elzenruigte, -waar de grond doorboord was als een vergiettest, na <span class="pagenum">[<a id="pb73" href="#pb73">73</a>]</span>hun nachtelijk voedsel-zoeken. Boven op de verbrande heuvelhelling zeiden de patrijzen: -<i>kwit, kwit!</i> toen ik verscheen en sprongen naar een boom en rekten hun halzen uit om te zien wat -ik was. De zwarte eenden doken weg in het riet. Ze waren nu volwassen en sterk van -wiek, maar aan hun vroegere gewoonte om zich te verstoppen was nog geen einde gekomen -door het schieten. Ze gleden door riet en biezen, en doorkruisten de poeltjes en doken -neer in de ruigte, tot de kano bijna over hen heenvoer; dan schoten ze halsoverkop -en met een verschrikt <i>haark-aark!</i> de lucht in en maakten dat ze wegkwamen naar de rivier. De mink was veranderd van -bruin in zwart, en had het uithalen van nestjes gestaakt om fatsoenlijk te gaan jagen, -zonder dat klem of val hem af konden schrikken; en waar ’t water in ’t meer stroomde, -kon ik de grazige koepels boven het brons en goud van ’t moeras zien rijzen, waar -Musquash stevig en hoog, voor winterkou en voorjaarsvloeden, aan ’t bouwen was. Ja, -het was goed daar te zijn en een korte wijl het schuwe, wilde, maar zorgelooze leven -van het boschvolkje mee te leven. -</p> -<p>Een groote stierkikker vertoonde zijn kop tusschen de waterleliebladen, en mijn buks, -die zich niet bekommerde om de vreugden van een zorgeloos bestaan, rees langzaam naar -haar plaats. Mijn oog loerde langs de korrel, toen een plotselinge beweging in de -elzen aan den oever stroomop en achter zijn niets kwaads vermoedenden kop, Chigwooltz, -<span class="pagenum">[<a id="pb74" href="#pb74">74</a>]</span>den kikker, nog een poosje spaarde voor zijn leliebladen en zijn voornvisscherij. -Op ’t zelfde oogenblik kwam er een ijsvogel ratelend voorbij en vloog naar zijn ouden -uitkijktak boven ’t diepe water van de voorntjes. Weer zwaaiden de elzen, alsof er -tegen geslagen werd; een reusachtige beer kwam er uitsjokken, den oever op, met een -knorrig: <i>woef!</i> naar een takje, dat hem te hard tegen zijn oor gezwiept was. -</p> -<p>Ik liet me dieper in de kano glijden, tot alleen mijn hoofd en schouder zichtbaar -waren. Mooween liep langs den oever te snuffelen, tot iets—een doode visch of een -mosselbank—zijn eetlust wekte, waarop hij stilstond en begon te eten, op een afstand -van nog geen tweehonderd meters. Ik reikte eerst naar mijn zware geweer, toen naar -mijn pagaai en „waaierde” de kano behoedzaam naar den oever, tot een oude boomstomp -op een vooruitstekende landtong mijn nadering dekte. Toen schoot het bootje vooruit, -alsof ’t leefde. Maar ik was nauwelijks op weg, of—<i>klrrr! klrrr! ik-ik-ik!</i> Boven mijn hoofd zwierde Koskomenos met een wiekgeruisch en een noodkreet, die slechts -van haast en gevaar getuigden. Ik ving nog net iets van den beer op, toen hij de elzen -inschoot, alsof hij er met een katapult gegooid was; de ijsvogel draaide in een grooten, -ratelenden kring om de kano, eer hij op de oude boomstomp ging zitten, met wippenden -staart en ratelend in de grootste opgewondenheid. -<span class="pagenum">[<a id="pb75" href="#pb75">75</a>]</span></p> -<p>Ik zwenkte geruischloos het meer in, waar ik de elzen kon bespieden. Ze bleven tien -minuten lang doodstil; maar Mooween stond daar, dat wist ik, te snuffelen en te luisteren. -Toen leek het, alsof een groote slang zich door de boschjes kronkelde, zonder geluid -te geven, maar al gaande vertoonde ze een golvende lijn van trillende toppen. -</p> -<p>Een eindje stroomaf was er een hooger punt aan den oever met een omgevallen boom, -die uitzicht op het halve meer gaf. Ik had daar een paar dagen te voren staan turen -om de luchtpaden en lijnen te bepalen, die zaagbekken in ’t vliegen gebruiken, als -ze boven het meer op en neer vliegen; want vogels hebben vaste paden, net als vossen. -Mooween kende de plek klaarblijkelijk; de elzen toonden dat hij er recht op aantrok, -om uit te kijken over het meer en te zien waar dat alarm voor noodig was. Hij had -er tot nog toe geen denkbeeld van, wat voor gevaar hem bedreigd had; ofschoon hij, -als alle in ’t wild levende dieren, onmiddellijk gehoorzaamd had aan den eersten klank -van een noodsignaal. Er leeft geen dier in de bosschen, van Mooween af tot Tookhees -de boschmuis toe, of het heeft uit ervaring geleerd, dat het, in gevallen als dit, -goed is eerst naar een schuilplaats te springen en daarna te onderzoeken. -</p> -<p>Ik pagaaide haastig naar de landtong, ging aan wal en kroop naar een rots, vanwaar -ik juist den gevallen boom kon zien. Mooween kwam aan. „Nu is ’t mijn beer,” dacht -ik, toen er zachtjes een takje knapte. <span class="pagenum">[<a id="pb76" href="#pb76">76</a>]</span>Daar kwam Koskomenos het bosch inzwieren, terwijl hij over het kreupelhout aan den -voet van den ouden boom, naar beneden zag en ratelde—<i>klrrr-ik, ruk in! klrrr-ik, ruk in!</i> Er was een zwaar geruisch van iets dat wegliep, zooals een beer altijd veroorzaakt, -als hij opgeschrikt wordt; Koskomenos zwierde naar zijn tronk terug; en ik zocht den -oever op, half en half geneigd om de kansen een volgend keer dat ik jaagde, meer gelijk -te maken door een bemoeierigen factor te verwijderen. „Jou akelige, lawaaierige, ratelende -bemoeial!” mompelde ik, terwijl de korrel van mijn buks als ’t ware vlak op den blauwen -rug van Koskomenos rustte, „dat is de derde keer dat je mijn schot bedorven hebt, -en je zult de kans niet weer hebben.… Maar wacht eens; wie is hier de bemoeial?” -</p> -<p>Langzaam ontspande zich de gebogen vinger om den haan. Een duikereend dreef de landtong -voorbij, zich van geen gevaar bewust, met een rimpelend spoor, dat een zilveren weerschijn -sparkelen liet over het diepe blauw van het meer. Hoog in de lucht wiekte een adelaar -op de bries gedragen in wijde kringen en keek neer op zijn eigen uitgestrekt gebied, -zonder er acht op te slaan dat er een mensch was binnengedrongen. -</p> -<p>Dichterbij zat een roode eekhoorn zijn verbolgenheid uit te snateren in een reusachtigen -sparretronk. Stroomaf aan mijn linkerhand verried een zwaar geplas en een wild, vrij -gekwaak de plaats waar de zwarte eenden neerstreken, zooals ze ongestoord geslachten -<span class="pagenum">[<a id="pb77" href="#pb77">77</a>]</span>lang gedaan hadden. Achter me weerschalde een lang geroffel door de bosschen—een jong -patrijzenmannetje, door de warme zon verlokt zijn lente-minnezang te „trommelen”. -Van de berghelling liet een wijfjeseland een schrikaanjagend antwoord terugbolderen. -Vlakbij, en toch leek het mijlen ver weg, zat een aardeekhoorn slaperig te <i>tsjunken</i> in den zonneschijn, terwijl een nest jonge boschmuizen om haar moeder riepen in het -gras aan mijn voeten. En elk natuurlijk geluid maakte de wijde, wonderbaarlijke stilte -van de wildernis des te dieper. -</p> -<p>„Welbeschouwd, wat heeft ’t knallen van een geweer of de lucht van kruit te midden -van deze gezegende rust rondom hier te maken?” vroeg ik een beetje treurig. Als tot -antwoord liet de ijsvogel zich vallen met zijn welluidend geklater en zwierde met -zegevierend geratel naar zijn uitkijktoren terug.—„Ratel en visch jij maar door. „De -wildernis zal zich nog verheugen” voor jou en Mooween, en het forellenwater zou eenzaam -zijn zonder je. Maar ik wou dat je wist, hoe je leven een oogenblik geleden in de -kromming van mijn vinger lag, en dat er nog iemand anders dan de beer je kranige waarschuwing -op prijs stelt.” -</p> -<p>Toen ging ik naar de landtong terug om de prenten te meten, en te schatten hoe groot -de beer wel was, en om mezelf met de gedachte te troosten dat ik hem vast en zeker -gehad zou hebben, als er niet wat tusschenbeide gekomen was—zooals alle jagers van -Ezau af filosofeeren. -<span class="pagenum">[<a id="pb78" href="#pb78">78</a>]</span></p> -<p>Het was een paar dagen later, dat de kans zich voordeed om het Koskomenos met kolen -vuurs te vergelden. De oppervlakte van ’t meer was nog warm; stormen noch vorst hadden -ze afgekoeld. De groote forellen waren uit de diepe plaatsen opgestegen, maar waren -nog niet levendig genoeg om mijn vliegen aan te nemen; daarom was ik met een voorn -naar ze gaan hengelen, belust op forel. Ik had twee mooie visschen gevangen en voer -langzaam bij de monding van den inham, met Simmo aan de pagaai, toen een verdachte -beweging aan den oever mijn aandacht trok. Ik gaf Simmo het snoer over om mijn kijker -beter te kunnen hanteeren en zocht scherp de elzen af, toen de Indiaan een kreet van -verbazing uitte. „O, sapperloot, kijk eens. Da’s tweede keer ik vangen Koskomenos.” -En daar, een twintig voet boven het meer, spartelde wild een jonge ijsvogel—een van -Koskomenos’ ragebollige, wildoogige zonen—aan het eind van mijn lijn. Hij had de voorn -een honderd voet achter de boot aan zien slepen en was er met meer honger dan overleg -onmiddellijk op neergeschoten. Toen Simmo den ruk voelde, maar niets achter zich zag, -had hij dadelijk opgehaald en de angel was vastgeslagen. -</p> -<div class="figure p078width"><img src="images/p078.png" alt="" width="468" height="457"></div><p> -</p> -<p>Ik greep de lijn en begon zachtjes op te halen. De ijsvogel kwam zeer tegen zijn zin -onder een protest van voortdurend geratel, dat al gauw Koskomenos en haar mannetje -en twee of drie broertjes van den gevangene in een wilden, luidruchtigen kring om -de <span class="pagenum">[<a id="pb79" href="#pb79">79</a>]</span>kano heenbracht. Ze toonden geen gebrek aan moed, maar stootten telkens en telkens -weer naar de lijn en zelfs naar den man, die haar vasthield. Spoedig hield ik den -kleinen baas in mijn hand en had den angel losgemaakt. Hij was heelemaal niet gewond, -maar doodsbang; zoo hield ik hem een poosje vast en genoot van de opwinding der andere, -die door het alarmgeratel van den gevangene maar wild om de kano bleven kringen. Het -was opmerkelijk dat niet éen andere vogel acht sloeg op den kreet of naderbij kwam. -Zelfs in nood weigerden ze den verstooteling te erkennen. Terwijl Koskomenos toen -op trillende vlerken vlak boven mijn hoofd zweefde, wierp ik den gevangene dicht naast -hem de lucht in. -</p> -<p>„Daar, Koskomenos, pak aan dien kleinen domoor van je, en maak hem wijzer. Als je -me den volgenden keer een beer ziet besluipen, ga dan alsjeblieft met visschen door.” -</p> -<p>Maar er klonk geen toon van dankbaarheid in het luidruchtige, verwarde getier, dat -de ijsvogels achternagalmde de baai stroomop. Toen ik ze weer zag, zaten ze op een -dooden tak, met z’n vijven op een rijtje, alle tegelijk te klokken en te ratelen, -zonder aandacht te schenken aan de voorntjes, die onder hen speelden. Ik twijfel er -niet aan of op hun manier vertelden ze er mekaar alles van. -<span class="pagenum">[<a id="pb80" href="#pb80">80</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd29e656" href="#xd29e656src">1</a></span> Ceryle Alcyon. <a class="fnarrow" href="#xd29e656src">↑</a></p> -<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd29e659" href="#xd29e659src">2</a></span> Astur Atricapillus. <a class="fnarrow" href="#xd29e659src">↑</a></p> -<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd29e693" href="#xd29e693src">3</a></span> Tecoma Radicans. <a class="fnarrow" href="#xd29e693src">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch5" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd29e252">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">DE OUDE BEUKENPATRIJS.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Van alle vogels, die nog veel voorkomen in wat ons van ongerepte plekjes overblijft, -is het gekraagde hazelhoen—de „patrijs” uit onze jonge jaren—misschien de schuwste, -de waakzaamste, doet ons het meest denken aan de oerwildernis, die we verloren hebben. -Ge komt de bosschen binnen van de weide op de heuvelhelling uit en leunt even over -de oude, grijze heining om naar ’t spel van licht en schaduw op de berkeknoesten te -kijken. Uw oogen rusten op de verrukkelijke mengeling van zachte kleuren, zooals geen -penseel nog ooit nagebootst heeft: het rijke oude goud van ’t najaarsbekleedsel, het -schemerig grauwgroen van de vermolmde stomp, die de zwammen getint hebben. Wat een -reusachtige boom moet dat geweest zijn, geslachten geleden, in zijn dagen van kracht; -hoe onderkómen de berken, die nu uit zijn wortels groeien! Ge herinnert u de groote -berken aan de rivier in de wildernis—waar kano’s uit gemaakt worden—witter dan het -tentje dat er onder nestelde, terwijl hun wijde banieren in den wind wuifden, zachter -dan ’t geruisch van uilevleugels, die er in de schemering als schimmen tusschen zweefden. -Een vaag gevoel van verdriet besluipt u, dat uw eigen wildernis verdwenen is, en met -haar de meeste van het schuwe volkje, dat hield van haar eenzaamheid. Plotseling ontstaat -er geritsel in de bladeren. Er beweegt <span class="pagenum">[<a id="pb81" href="#pb81">81</a>]</span>iets bij de oude stomp. Zoo pas meendet ge dat het slechts een bruine wortel was; -nu snelt het heen, verstopt zich, richt zich op—<i>kwit-kwit-kwit!</i> en met gonzend wiekgeruisch en een warrelende wieling van dorre blaren vliegt er -een hazelhoen op en schiet weg, als een stompe pijl met keisteen-punt en grijs beveerd, -tusschen de verschrikte berkestammen. Wanneer ge hem stilletjes volgt om hem weer -op te jagen, en te rillen en te schrikken bij zijn onverwacht wegsnorren, is er vanzelf -iets Indiaansch in uw behoedzamen tred gekomen. Alle weemoed over de verloren wildernis -is verdwenen; ge zijt eenvoudig blij dat er nog zooveel wildernis overblijft om welsprekend -te getuigen van den goeden, ouden tijd. -</p> -<div class="figure floatRight p081width"><img src="images/p081.png" alt="" width="61" height="70"></div><p> -</p> -<p>Het is deze trek van onoverkomelijke schuwheid in het hazelhoen, gepaard met een zwerm -van half-angstige indrukken uit mijn jeugd, die mijn hart altijd doen kloppen als -op een oude wijs, elken keer dat er een patrijs aan mijn voeten opstuift. Ik herinner -me goed een jongetje, dat stilletjes de rustige bosschen insloop die hem met een onweerstaanbare -kracht trokken, toen hun schemerige bogen en stille paden vol geheimenis en beangstigende -griezeligheden waren. Voetje voor voetje ging het kind de schaduwen binnen, behoedzaam -als een boschmuis, schuw als een konijntje. Plotseling een haastig geritsel en een -bolderend geweld, waarmee iets van den grond opschoot; eerst klopte het kinderhart -er hevig van, daarna sloeg hem de schrik in de beenen en joeg hem <span class="pagenum">[<a id="pb82" href="#pb82">82</a>]</span>het bosch uit, zoodat hij halsoverkop over de oude, grijze heining tuimelde en halverwege -de wei was gerend, eer hij halt durfde houden voor dat vreeselijke achter zich. En -dan, eindelijk een andere drang, die het kind altijd weer naar de bosschen deed sluipen, -schuw, op zijn hoede, in spanning als een loerende vos, om te onderzoeken wat dat -voor vreeselijks was, dat zoo’n beroering in de rustige bosschen te weeg kon brengen. -</p> -<p>En toen hij ’t eindelijk ontdekte—dat was een ontdekking waar die van de panterwelpen<a class="noteref" id="xd29e803src" href="#xd29e803">1</a> nog maar niets bij was, als ik dat zoo eens naga. Op een dag in de bosschen, dicht -bij de plek waar het gewoonlijk met vreeselijk geraas wegstoof, hoorde hij een geklok -en een <i>kwit-kwit</i>, en zag een mooien vogel in het kreupelhout wijken, glippen, stilhouden, wegschuilen -en elke beweging van het kind opnemen. En toen dat vooruitschoot om zijn pet over -den vogel te gooien, stoof hij weg, en toen—<i>wirr! wirr! wirr!</i> bruiste er een heele koppel hazelhoenders om hem heen op. De ontzetting daarover -sloeg hem zoo in de beenen, dat hij in de warrelende blaren neerviel en zich de ooren -bedekte. Maar dezen keer wist hij ten langen leste wat het was, en in een wip stond -hij overeind en draafde niet heen, maar zoo gauw als zijn beentjes hem dragen konden -achter den laatsten vogel aan, dien hij tusschen de boomen zag wegscharrelen, terwijl -een berketak, waar hij met zijn <span class="pagenum">[<a id="pb83" href="#pb83">83</a>]</span>vleugels tegen had gestooten, hem een goedendag naknikte. -</p> -<p>Er is nog meer aan dienzelfden vogel verbonden, dat altijd nog iets bijzonder opwindends -geeft aan het wegbruisen van zijn vleugels door de opgeschrikte bosschen. Het was -in de oude school aan den viersprong, op een slaperigen Septembermiddag. Een klas -aan ’t spellen, groote jongens en kleine meisjes, stond met de schoenneuzen voor dezelfde -reet in den vloer, in een rij tegenover den lessenaar van den meester. De rest van -de school dutte onderwijl dommelig in over de opgegeven taak. De dikke jongen sliep -openlijk op zijn armen; zelfs de deugniet was rustig, en dacht soezerig aan voorbije -zomerdagen. Plotseling klonk er een vreeselijk gekraak, een kletterend gerinkel van -gebroken glas, een gekrijsch van een jongen bij het raam. Twintig knieën stootten -van onderen tegen de lessenaars, daar twintig jongens opsprongen. Toen, eer een van -ons zijn zinnen weer bij elkaar had, was Jimmy Jenkins, een roodharige jongen, dien -geen ramp uit zijn evenwicht kon brengen en wien nooit een gelegenheid ontging, over -twee schoolbanken heengesprongen en zat in de meisjesafdeeling op den grond met iets -tusschen de knieën geklemd. -</p> -<p>„Ik heb hem,” kondigde hij aan met het air van een veldheer. -</p> -<p>„Wat heb je?” bulderde de meester. -</p> -<p>„Een patrijs; ’t is een ouwe, een kokkerd,” zei Jimmy. <span class="pagenum">[<a id="pb84" href="#pb84">84</a>]</span>En hij richtte zich op, terwijl hij een mooi patrijzenmannetje bij de pooten hield, -wiens verstijvende vlerken nog krampachtig tegen zijn flanken sloegen. Hij was in -de naburige bosschen opgejaagd, door den een of anderen jager uit zijn natuurlijke -dekking verschrikt. Toen hij het onbekende open veld bereikte, was hij nog ontstelder, -en daar een verschrikt hazelhoen altijd rechtuit vliegt, was hij als een kogel door -het schoolraam geschoten en had zichzelf door den schok gedood. -</p> -<p>De regel van drieën, de derdemachtswortel en de woestijn van andere rekenkundige moeilijkheden -hebben maar een flauwen indruk nagelaten op minstens één van die leerlingen; maar -een vogel, die een slaperige klasse kon opwekken, en een levendige les, vol pit en -belangstelling en waaruit iets sprak van den onnaspeurlijk teeren lokroep der bosschen, -aan een suffen leeraar kon ontlokken—een leeraar, die ’s nachts de rechtswetenschap -bestudeerde, maar overdag zijn jongens nooit—dat was een vogel om eerbied voor te -hebben. Ik heb hem sindsdien altijd met aandachtiger belangstelling bestudeerd. -</p> -<p>Maar toch, hoeveel werk we ook van het hazelhoen maken, we komen weinig anders te -weten, dan hoe schuw hij is. Soms, als ge stil zijt in het bosch en een hazelhoen -tot bij uw schuilplaats komt gewandeld, vangt ge goed wat van hem op en kunt ge u -omtrent hem van sommige dingen een denkbeeld vormen; maar hij ontdekt u al gauw en -richt zich op zoo recht <span class="pagenum">[<a id="pb85" href="#pb85">85</a>]</span>als een paal en staart u wel vijf minuten aan zonder te bewegen of een ooglid te verroeren. -Dan, overtroffen in zijn eigen kunstje, glipt hij weg. Een geritsel van kleine pootjes -op bladeren, een zwak <i>kwit-kwit</i> met een vraag er in—en hij is verdwenen. En hij zal niet, als de vos, terugkeeren -om van den anderen kant te komen kijken en te trachten gewaar te worden wat ge zijt. -</p> -<p>De nog maar pas doorgedrongen beschaving is goed voor het hazelhoen, want ze voorziet -hem van een overvloed van voedsel en verjaagt zijn vijanden. Hazelhoenders zijn altijd -talrijker om de nederzettingen heen dan in de wildernis. Anders dan andere vogels -echter, wordt hij hoe langer hoe schuwer, naarmate hij dichter bij de menschelijke -woningen is. Ik veronderstel dat het komt, doordat de tegenwoordigheid van den mensch -zoo dikwijls vergezeld gaat met een toeschietenden hond en ’t knallen van een geweer, -en misschien met hagel in zijn veeren, die hem kwetst en pijn doet als hij wegsnort. -Eens in de wildernis, toen ’k ergen honger had, ving ik twee patrijzen door over hun -kop een touwlus aan ’t eind van een stok te gooien. Hier zou men even goed kunnen -trachten een vleermuis in de schemering te vangen, als de hoop te koesteren een onzer -patrijzen van de heuvelhellingen door zoo’n uitvinding te strikken of er ook maar -dicht genoeg bij te kunnen komen om over zoo’n poging te denken. -</p> -<p>Maar er was éen hazelhoen—en nog wel het schuwste <span class="pagenum">[<a id="pb86" href="#pb86">86</a>]</span>van alle, die ’k ooit in de bosschen ontmoet heb—dat me, zonder dat hij ’t wist, allerlei -trekjes uit zijn leven toonde en dat ik langzamerhand goed leerde kennen, na de waarnemingen -van een paar seizoenen. Alle jagers uit het dorp kenden hem best; en een stuk of wat -jongens, die geweren bezaten en begeerig waren zich in de gelederen der jagers te -scharen, hadden jachtavonturen met hem beleefd. Hij stond wijd en zijd bekend als -„de oude beukenpatrijs.” Dat hij oud was kon niemand ontkennen, van zijn doen en laten -op de hoogte; en hij werd herhaaldelijk opgejaagd in een beukenbosch bij een beek, -een paar mijlen buiten het dorp. -</p> -<p>Niettegenstaande veel geleerde discussies over de vele soorten van hazelhoenders tengevolge -van duidelijke kleurverschillen, geloof ik voor mij, dat we maar één soort hebben, -en dat kleurverschillen grootendeels komen van de verschillende omgevingen waarin -ze leven. Van alle vogels is het hazelhoen het onzichtbaarst in rust; zijn kleur is -zoo volkomen in overeenstemming met de wortels en bladeren en boomstammen, waar hij -zich tusschen verschuilt. Deze verwonderlijke onzichtbaarheid wordt nog verhoogd door -het feit, dat hij gemakkelijk van kleur verandert. Hij is ’s zomers donkerder en ’s -winters lichter, net als het konijn. Wanneer hij in donkere bosschen woont, wordt -hij glanzend roodbruin; en als hij zijn verblijf tusschen de berken houdt, is hij -vaak bepaald grijs. -</p> -<p>Zoo was het stellig met den ouden patrijs. Als hij zijn <span class="pagenum">[<a id="pb87" href="#pb87">87</a>]</span>staart wijd uitspreidde en tusschen de beuken wegschoot, was zijn kleur zoo volkomen -in overeenstemming met de grijze boomstammen, dat slechts een scherp oog hem kon onderscheiden. -</p> -<p>’t Was een gladde vogel, die alle knepen kende. Als hij opvloog, had hij binnen een -seconde een grooten boom tusschen ons en zich gebracht, om zijn vlucht te dekken. -Ik weet niet hoe vaak er wel op hem geschoten was in de vlucht. Elke jager, dien ik -ken, had het menigmaal geprobeerd; en elke jongen, die in ’t najaar door de bosschen -zwierf, had hem schandelijk op den grond trachten te raken. Maar hij was nooit een -veer kwijtgeraakt; en hij wou nooit zoo lang stilzitten voor een staanden hond, dat -de handigsten in ons gilde goed konden aanleggen. -</p> -<p>Wanneer een broedsel jonge patrijzen een hond door de bosschen hoort rennen, fladderen -zij gewoonlijk op de onderste takken van een boom en <i>kwit-kwitten</i> nieuwsgierig naar hem. Ze hebben het verschil tusschen hem en den vos nog niet geleerd, -die de aartsvijand van hun geslacht is, en aan wien hun voorouders in de wildernis -op dezelfde manier ontkwamen, dien ze net zoo tantaliseerden. Maar als ’t een oude -vogel is, waar uw setter ’t spoor van volgt, dan is zijn handelwijze een grappige -mengeling van geslepenheid en onweerstaanbare nieuwsgierigheid. Zoodra de oude Don -staat, richt de patrijs zich stokstijf op bij een boomstomp en slaat den hond gade. -Zoo staan ze als een paar beelden; de hond in toom <span class="pagenum">[<a id="pb88" href="#pb88">88</a>]</span>gehouden door het vreemde instinct, dat hem doet „staan”, weg voor gezicht, voor geluid, -voor alles, behalve voor de geuren in zijn neus; de patrijs in de grootste spanning, -met elken zin op den vijand gericht, dien hij meent te misleiden door zijn goed verstoppen. -Gedurende een kort oogenblik zijn ze roerloos; dan deinst de patrijs achteruit en -glipt weg naar een betere schuilplaats. Als de sterke geur voor Dons neus vervliegt, -staat hij niet langer, maar volgt. De patrijs hoort hem en verschuilt zich weer door -zich op te richten tegen een boomstomp, waar hij onzichtbaar is; weer verstijft Don -en staat met een poot in de lucht, neus en staart in een rechte lijn, alsof hij versteend -was en zich niet kon roeren. -</p> -<p>Zoo gaat het voort, nu eens door de struiken glippend, dan onbeweeglijk als een steen, -tot de patrijs ontdekt, dat zoolang hij zich stilhoudt de hond wel verlamd lijkt, -niet in staat zich te bewegen of te voelen. Dan zet hij zich in postuur pal tegen -een wortel of een boomknoest; en daar staan ze geen twintig voet van elkaar af, zonder -een vin te verroeren, tot de hond uitgeput door inspanning neerzijgt, of er een eind -aan maakt door vooruit te springen, of tot de stap van den jager over de bladeren -den patrijs opnieuw van ontzetting vervult en hem door de Octoberbosschen wegjaagt -naar eenzamer plekjes. -</p> -<p>Op een middag zag ik den ouden Ben, een beroemden hond, prachtig „staan”. Vlak vóór -hem, in een ruigte van bruine varens, kon ik kop en hals van een patrijs <span class="pagenum">[<a id="pb89" href="#pb89">89</a>]</span>zien, die den hond scherp gadesloeg. De baas van den ouden Ben stelde voor daar op -die plaats koffie te drinken, om het meesterlijk africhten van zijn hond op de proef -te stellen. We trokken ons een eindje terug en gingen op ons gemak eten, terwijl we -vogel en hond gadesloegen met een belangstelling, die hoe langer hoe grooter werd, -naarmate de maaltijd vorderde, terwijl de oude Ben stond als een muur en het oog van -den patrijs onbeweeglijk in de varenruigte glom. En geen van beide verroerde een vin, -terwijl wij aten en Bens baas in kalm vertrouwen zijn pijp rookte. Eindelijk, na een -vol uur, klopte hij zijn pijp op de hak van zijn laars uit en stond op om zijn geweer -te krijgen. Dat beteekende den dood voor den patrijs; maar ik dankte hem te veel echt -genot om het aan te zien, dat hij in zijn snelle vlucht zou worden neergeschoten. -In het oogenblik, dat de baas zich omkeerde, gooide ik een stuk hout naar de varenruigte. -De patrijs stoof de lucht in en weg, en de oude Ben, door ’t wiekgeruisch uit zijn -bedwelming wakker geschud, liet zich gehoorzaam vallen op het sein en keerde zijn -kop om, om verwijtend met zijn oogen te zeggen: „Wat ter wereld scheelt jou daar achter—heb -ik hem niet lang genoeg in bedwang gehouden?” -</p> -<div class="figure p089width"><img src="images/p089.png" alt="" width="560" height="257"></div><p> -</p> -<p>Het brave oude beest beefde als een riet na de lange inspanning, toen ik naar hem -toeging om hem op zijn kop te kloppen en zijn standvastigheid te loven, en hem ’t -grootste deel van mijn maaltijd te geven. Maar tot op dezen dag weet Bens baas niet -wat den patrijs <span class="pagenum">[<a id="pb90" href="#pb90">90</a>]</span>zoo plotseling heeft opgeschrikt; en als hij u van die gebeurtenis vertelt, zal hij -er nog spijtig aan toevoegen: „Ik had net een oogenblik eerder moeten beginnen, voordat -hij moe werd. Dan zou ’k hem gehad hebben.” -</p> -<p>„De oude beukenpatrijs” was echter een anders geaarde vogel. Geen hond kon hem langer -dan een seconde doen stilstaan; hij had maar al te goed geleerd wat dat beteekende. -Zoodra hij ’t trippen van een hondepoot op de blaren hoorde, snelde hij weg en verschool -zich, trok zich terug en repte zich weer, zoodat hij hond en jager op de been hield, -tot hij de dekking vond naar zijn gading,—dikke boomen, of een warreling van wilden -wingerd—waar hij dan aan den anderen kant uit kwam breken. En geen oog, hoe scherp -ook, kon méér opvangen dan een tipje van een grijzen staart, voordat hij verdwenen -was. Andere patrijzen vliegen in korte, rechte einden en kunnen gevolgd worden en -weergevonden, maar hij ging er altijd op krachtige vlerken vandoor, over een ongelooflijken -afstand, en zwenkte een heel eind naar rechts of links af; zoodat het tijdverspillen -was om achter hem aan te gaan. Eer ge hem weer hadt, zouden zijn vleugels uitgerust -zijn en was hij gereed voor nog een vlucht; en als ge hem dan vondt, schoot hij als -een pijl uit den boog weg uit den top van een denneboom en er was ook niets meer van -hem te zien. -</p> -<p>Hij huisde den meesten tijd op een heuvelrug achter <span class="pagenum">[<a id="pb91" href="#pb91">91</a>]</span>een verlaten hoeve oostelijk van den ouden postweg. Dit was zijn middelste verblijfplaats, -een plek met dicht struikgewas, doornboschjes<a class="noteref" id="xd29e860src" href="#xd29e860">2</a> en zonnige open stukjes tusschen de rotsrichels, waar ge hem als ’t u meeliep op -speciale dagen in alle jaargetijden kondt vinden. Maar hij had echt het zwerversinstinct -van een Newfoundlandsch rendier. ’s Winters trok hij naar ’t Zuiden, met twintig andere -patrijzen, naar den voet van den bergrug, die uiteenviel in een reeks van heuveltjes -en ravijnen en zonnige, goedbeschermde valleitjes, waar volop te eten was. Hier was -vijftig jaar geleden weiland, dat bij een boerderij hoorde; maar nu was het overal -volgegroeid met kreupelhout en frambozenvelden en wilde appelboomen, die de vogels -er gezaaid hadden. Alle vogels waren er graag op z’n tijd; kwartels nestelden er aan -de zoomen; en men kon een bruin konijn opkloppen uit bijna elk van de vergane hoopen -takken of holle, met mos begroeide stammen die er lagen. -</p> -<div class="figure p091width"><img src="images/p091.png" alt="" width="661" height="626"></div><p> -</p> -<p>In het voorjaar stak hij den kam weer naar het Noorden over en trok de stille, donkere -bosschen in, waar hij twee of drie <span class="pagenum">[<a id="pb92" href="#pb92">92</a>]</span>wijfjes had met evenzooveel broedsels jonge patrijzen; die hij alle, laat me dat even -zeggen, met verwonderlijke onverschilligheid beschouwde. -</p> -<p>Door het heele gebied stroomde—stil uit de groote bosschen tevoorschijn sluipend, -kabbelend langs den voet van den bergrug en zingend door de oude weide—een beek, waar -de oude beukenpatrijs van scheen te houden. Wel honderd keer heb ik hem daar aan de -oevers opgeschrikt. Ik hoefde er maar langs te loopen op eiken willekeurigen Novembermorgen -vóor acht, en ik kon er zeker van zijn, dat ik hem vond. Maar waarom hij er altijd -zat op dit bepaalde uur, in dit jaargetijde, heb ik nooit kunnen uitmaken. -</p> -<p>Ik verwonderde me er dan soms over, waarom ik hem nooit zag drinken. Andere vogels -hadden daar vaste drink- en baadplaatsen, en ik heb ze herhaaldelijk van mijn schuilhoek -uit waargenomen, maar ofschoon ik hem dikwijls zag, nadat ik er achter was gekomen -waar hij zat, hij raakte nooit het water aan. -</p> -<p>Op een vroegen zomerochtend deed zich een aannemelijke verklaring voor. Ik zat rustig -bij de beek, aan den rand van het groote bosch, te wachten tot het diepe water weer -kalm zou zijn geworden, waar ik juist een forel uit had opgehaald en waar ik vermoedde -dat een nog grootere zich schuilhield. Terwijl ik wachtte, kwam een patrijzenmoeder -met haar broedsel—een van de tallooze gezinnen van den ouden beukenpatrijs, waar hij -niet naar omkeek—langs den rand van het bosch glijden. Ze waren klaarblijkelijk <span class="pagenum">[<a id="pb93" href="#pb93">93</a>]</span>komen drinken, maar niet uit de beek. Een zoeter dronk dan daaruit wachtte op hun -komst. De dauw lag nog op de grassprieten; hier en daar hing een droppel aan de punt -van een blad als een diamant in ’t vroege licht te schitteren. En dan hieven de patrijsjes, -die tjilpten en glipten en floten tusschen de neerbuigende halmen, hun bekjes op naar -elken glanzenden dauwdroppel, die hen lokte, en dronken hem in en haastten zich met -vroolijk gepiep en gorgelgeluidjes naar den volgenden droppel, die een uitnoodiging -flonkerde van zijn neigenden grasspriet. De oude moeder wandelde bezadigd in hun midden, -maakte zich nu eens druk om een achterblijver, dan weer klokte zij ze alle bij elkaar -tot een begeerig, tsjilpend, hippend troepje, terwijl ieder vocht de eerste te zijn -om een vette slak te dooden, die ze aan den onderkant van een blad had ontdekt; en -straks rekte ze zich zelf uit naar een dauwdroppel, die voor hen te hoog hing om te -drinken. Zoo trokken ze voorbij op nog geen paar meter afstands, een schuw, wild, -gelukkig gezinnetje, en verdwenen in de schaduw van het groote bosch. -</p> -<p>Misschien is dit de reden, waarom ik den ouden beukenpatrijs nooit uit de beek heb -zien drinken. De natuur heeft frisscher dronk, dien ze zelf bereid heeft, en die nog -meer naar zijn smaak is. -</p> -<p>Eerder in ’t seizoen had ik nog een van zijn gezinnen daar ook in de buurt gevonden. -Ik sloop langs een boschpad, toen ik ze plots verraste, op een zonnig <span class="pagenum">[<a id="pb94" href="#pb94">94</a>]</span>open plaatsje, waar ze uit alle macht aan ’t krabbelen waren in een mierenhoop. Een -wild geflodder, alsof een warrelwind over den mierenhoop gevaren was; maar het was -slechts de wind der vleugels van den moedervogel, die de stof opjoegen om mijn oogen -te verblinden en den haastigen terugtocht te dekken van haar donzige broedsel. Nog -eens sloegen haar vlerken op den grond en joegen een warreling van dorre blaren op, -temidden waarvan de patrijsjes weghipten en -scharrelden, zóo precies de bladen, dat -geen oog ze van elkaar kon onderscheiden. Toen zegen de blaren langzaam neer en het -broedsel was verdwenen, alsof de grond het verzwolgen had; terwijl moeder patrijs -juist buiten mijn bereik wegflodderde, met een vleugel sleepte alsof die gebroken -was, plat op den grond viel, klokte en <i>kwit-kwit</i> riep, en de blaren opjoeg om mijn aandacht te trekken, me weg te krijgen van de plaats -waar de jongen zich verstopt hadden. -</p> -<div class="figure floatLeft p094width"><img src="images/p094.png" alt="" width="188" height="349"></div><p> -</p> -<p>Ik knielde juist binnen den boschzoom neer, waar ik den achterblijver van het broedsel -als een bruine schicht had zien verdwijnen en begon zorgvuldig naar ze te zoeken. -Na een poosje vond ik er een. Hij zat plat op een dor eikeblad gedoken, vlak voor -mijn neus, wonderlijk gedekt door zijn kleur. Er glinsterde iets in een donker wortelkluwen. -Het was een oog, en weldra kon ’k daar een kopje onderscheiden. Dat was al wat ik -van ’t gezin vermocht te ontdekken, ofschoon er nog wel twaalf vlak bij me, de meeste -<span class="pagenum">[<a id="pb95" href="#pb95">95</a>]</span>onder de bladen, waren. Toen ik achteruitkroop, legde ik mijn hand er op een voordat -’k hem zag, en ’t had geen haar gescheeld of ’k zou dien kleinen slimmerd bezeerd -hebben, die geen vin verroerde, niet eens toen ik het blad wegnam, dat hem bedekte -en ’t voorzichtig weer neerlegde. -</p> -<p>Aan den overkant van ’t pad stond een dikke dwergeik, waar ik onder ging zitten loeren. -Het duurde tien lange minuten, waarin zich niets verroerde, eer moeder patrijs terug -kwam sluipen. Ze klokte eens—„pas op!” scheen ’t wel te beteekenen, en er bewoog geen -blad. Ze klokte weer—opende de grond zich? Daar had je ze, wel meer dan een dozijn, -die uit het niet waren opgesprongen en haastig aankwamen om haar er met een eindeloos -gepiep alles van te vertellen. Ze verzamelde ze zoo alle dicht om zich heen en ze -verdwenen, door de schaduwen geholpen. -</p> -<p>Het was grappig zoo ijverzuchtig als de oude beukenpatrijs over de eenzaamheid waakte, -waar deze merkwaardige kleine families rondzwierven. Ofschoon het leek dat hij geen -zier om ze gaf, en men hem nooit in de buurt van een zijner gezinnen waarnam, hij -duldde ’t niet dat een andere mannetjespatrijs in zijn bosschen kwam of ook maar binnen -gehoorsafstand trommelde, ’s Winters deelde hij het zuidelijke weiland vreedzaam met -wel twintig andere patrijzen; en op bepaalde dagen kon men, na veel gekruip, een heel -gezelschap van die dieren op een zonnige zuidelijke helling verrassen, waar ze deftig -stapten en in- en uit- <span class="pagenum">[<a id="pb96" href="#pb96">96</a>]</span>en rondglipten met uitgespreiden staart en hangende vlerken, alle bewegingen uitvoerend -van een patrijzenmenuet. Eens, op een laten, warmen najaarsdag, was ik naar een twaalf -of vijftien van die prachtige vogels toegekropen, die hun merkwaardige vertooning -ten beste gaven in een kleine opening tusschen de wilde frambozen; en in hun midden—trotscher, -pralender, verwaander stappend en aanmatigender klokkend dan een van de andere—was -de oude beukenpatrijs. -</p> -<p>Maar toen ’t voorjaar werd en de lange, rollende trommelklanken door de uitbottende -bosschen begonnen te roffelen, trok hij zich terug naar zijn middelste gebied op den -bergrug en wandelde van ’t eene eind naar ’t andere, dreef elken anderen mannetjespatrijs -uit zijn gehoor en nam hem geducht onderhanden als hij ’t waagde hem te weerstaan. -Dan hoorde men na een overwinning zijn luid getrommel door de Meische heerlijkheid -rollen, om zooveel wijfjes als hij maar kon te verlokken zijn weelde met hem te deelen. -</p> -<p>Hij had twee trommelstammen in zijn gebied liggen, zooals ik al spoedig ontdekte; -en eens, terwijl hij op den eenen stam stond te trommelen, verschool ik me bij den -anderen en bootste zijn kreet vrij goed na door met mijn handen op een met lucht gevulde -blaas te slaan, die ik onder mijn jas geknoopt had. Het roffelen van een patrijzen -getrommel is een eigenaardig gedempt geluid; het valt dikwijls moeilijk plaats of -zelfs <span class="pagenum">[<a id="pb97" href="#pb97">97</a>]</span>richting van herkomst te bepalen; en het klinkt altijd veel verder weg dan het werkelijk -is. Dit heeft den ouden beukenpatrijs in ’t eerst misschien misleid om te denken, -dat hij een anderen vogel heel in de verte hoorde, op een heuvelkam aan den overkant -van de vallei waar hij niets te maken had; want al gauw trommelde hij weer op zijn -eigen stam. Ik antwoordde er onmiddellijk op, door een uitdaging terug te roffelen -en vertelde zoo ook elke wijfjespatrijs in het gebied, dat er nog een candidaat was, -geneigd tot pronken en zijn staart uit te spreiden en den schitterenden kraag om zijn -hals op te zetten, om zich een plaatsje te veroveren in haar gunsten, als ze hem maar -op zijn trommelstam wou komen kijken. -</p> -<p>Er moet eenige argwaan, dat er een mededinger in zijn gebied gedrongen was, in den -kop van den ouden patrijs zijn opgekomen, want er was een lange stilte, waarin ik -me hem kon voorstellen, hoe hij recht en stijf op zijn stam aandachtig stond te luisteren -om de plaats te bepalen waar die brutale indringer zat, en zijn ziedenden toorn met -moeite bedwong. -</p> -<p>Zonder te wachten tot hij weer trommelde, roffelde ik een uitdaging. Ternauwernood -was ’t trommelen opgehouden, of daar kwam hij den heuvel opschieten, als een bliksemschicht -tusschen de dikke takken door, en plofte bij zijn eigen stam neer, waar hij zich met -wonderbaarlijke gezwindheid oprichtte, om luisterend naar den indringer te spieden. -</p> -<p>Het scheen hem te verlichten, dat de stam niet bezet <span class="pagenum">[<a id="pb98" href="#pb98">98</a>]</span>was, maar hij was nog vol opgekropten toorn en achterdochtigheid. Hij gleed en dook, -de heele plek over rondziend en luisterend; toen sprong hij op zijn stam en zonder -als gewoonlijk den tijd te nemen om te pronken en zijn schitterende veeren uit te -spreiden, liet hij den langen roffel hooren, richtte zich onmiddellijk op toen ’t -gebeurd was, wendde zijn kop naar alle kanten om het eerste geluid van het antwoord -van zijn mededinger op te vangen,—„Kom eens voor den dag als je durft,—rrom!—als je -durft. O jou, lafaard!” En hij hipte, in vijf of zes hooge, opgewonden sprongen, als -een haan vóór den storm, naar ’t andere einde van den stam, en weer rolde zijn snelle, -kloppende trommelslag door de bosschen. -</p> -<p>Ofschoon ik dicht genoeg bij was om hem zonder kijker duidelijk te onderscheiden, -kon ik zelfs toen niet (en andere keeren dat ik een patrijs heb zien trommelen evenmin) -precies nagaan hoe dat geluid gemaakt wordt. Na een poosje bedaarde de opwinding over -een vermoedelijken mededinger, en werd hij verrukt, omdat hij meende den schelm uit -zijn bosch te hebben verdreven. Hij wandelde statig op den stam heen en weer, liet -zijn vleugels slepen, spreidde zijn prachtigen staart wijd uit, zette zijn borst en -zijn schitterenden kraag op. Plotseling richtte hij zich dan in de hoogte; een zwiepen -van zijn vleugels op en neer, dat geen oog kon volgen, en ik hoorde een enkelen slag -van zijn roffel. Weer een zwiepen <span class="pagenum">[<a id="pb99" href="#pb99">99</a>]</span>en weer een slag; dan hoe langer hoe gauwer, tot het leek alsof hij twee of drie paar -vlerken had, die suisden en wentelden beide als de spaken van een sneldraaiend wiel, -en de trommelslagen rolden samen tot een langen roffel en verstierven in de bosschen. -</p> -<p>Gewoonlijk stond hij op zijn teenen, zooals een haan doet, wanneer hij met zijn vleugels -klept eer hij kraait; zelden dook hij op den stam neer; maar ik twijfel er aan of -hij met zijn vlerken op ’t hout slaat, zooals dikwijls beweerd wordt. Toch verschilden -de beide stammen van elkaar; de eene was droog en hard, de andere vermolmd en bemost; -en de roffels waren even verschillend als de beide stammen. Na een tijdje kon ik na -den eersten wiekslag aan ’t geluid zeggen, welken stam hij gebruikte; maar dat was -dunkt mij een quaestie van weerklank, de uitwerking van een soort klankbord, en niet -doordat ze beide verschillend klonken als hij er op sloeg. Het getrommel wordt ongetwijfeld -veroorzaakt, of doordat hij de vlerken boven zijn rug samenslaat, of, zooals ik geneigd -ben te gelooven, doordat hij ze bij ’t neergaan tegen zijn eigen flanken klapt. -</p> -<p>Eens hoorde ik een gewonden vogel drie of vier slagen van zijn roffel geven en toen -ik het wingerdboschje inging, waar hij neergestort was, vond ik hem plat op zijn rug -liggen, terwijl hij zich met zijn vleugels op de flanken sloeg. -</p> -<p>Altijd als hij trommelt stapt hij eerst als een pauw, omdat hij niet weet hoeveel -heldere oogen hem schuw <span class="pagenum">[<a id="pb100" href="#pb100">100</a>]</span>uit het struikgewas bespieden. Eens toen ik hem een paar keer statig had zien wandelen -en trommelen, ritselde ’t in de bladeren en verschenen er twee wijfjespatrijzen van -weerskanten op de open plek waar zijn stam zich bevond. Toen paradeerde hij met nog -grooter ijdelheid dan tevoren, terwijl de twee wijfjespatrijzen over de plek gleden: -naar den schijn zochten ze zaadjes, maar in werkelijkheid bespiedden ze elke van zijn -bewegingen met een schuin oogje en bewonderden hem, tot zijn innige voldoening. -</p> -<p>’s Winters volgde ik zijn spoor gewoonlijk in de sneeuw, om er achter te komen wat -hij uitgevoerd had en wat voor voedsel hij gevonden had, als er schaarschte in de -natuur was. Voor zijn ergste vijanden, den mensch en zijn hond, hoefde hij niet bang -meer te zijn, want ze werden in bedwang gehouden door de wet, en hij zwierf nog vrijer -door de bosschen dan ooit. Hij scheen te weten dat hij veilig was gedurende dezen -tijd, en meer dan eens speurde ik hem na tot in zijn schuilplaats en zag hem wegfladderen -door de open bosschen, terwijl hij een regen van sneeuw achter zich neerjoeg, alsof -hij het op die eigenaardige wijze deed, om de richting van zijn vlucht voor mijn oogen -te verbergen. -</p> -<p></p> -<div class="figure p101width"><img src="images/p101.png" alt="" width="694" height="664"></div><p> -</p> -<p>Er waren echter andere vijanden, door geen wet in bedwang gehouden, behalve de algemeene -boschwetten van vrees en honger. Dikwijls vond ik het spoor van een vos, dat het zijne -in de sneeuw kruiste, en eens volgde ik een dubbel spoor, den vos een patrijs <span class="pagenum">[<a id="pb101" href="#pb101">101</a>]</span>naspeurend, bijna wel een halve mijl ver. De vos was hem laat in den vorigen middag -op ’t spoor gekomen en was hem naar een doornboschje gevolgd, waar middenin een groote -ceder stond waarin de oude beukenpatrijs op stok ging. De vos was twee keer om den -boom heengegaan, had stilgestaan en opgekeken en zich toen regelrecht naar ’t moeras -begeven, alsof hij wel wist, dat ’t nergens toe diende nog langer te loeren. Als er -veel sneeuw lag, vond ik zelden de plek waar hij of een andere patrijs op den grond -waren gaan slapen. Hij plofte gewoonlijk uit een boom in de zachte sneeuw neer, en -dook er halsoverkop wel drie of vier voet in, keerde zich dan rond en nestelde zich -in zijn witte, warme kamertje voor den nacht. Ik vond dan het holletje, waar hij ’s -avonds <span class="pagenum">[<a id="pb102" href="#pb102">102</a>]</span>in was geschoten, en er dichtbij het groote gat, waar hij er uitgebroken was toen -het licht hem wekte. Als ik mijn richting dan bepaald had naar den indruk van zijn -vleugels in de sneeuw, volgde ik die, om na te gaan waar hij neergestreken was en -hem op zijn vroege zwerftochten na te speuren. -</p> -<p>Men zou meenen dat het een gevaarlijke manier van doen was, zoo zonder andere beschutting -dan sneeuw op den grond te slapen, met allerlei hongerige vijanden, die in ’t bosch -rondsluipen; maar de patrijs weet wel dat als ’t sneeuwt zijn vijanden stilletjes -thuis blijven, omdat ze niet in staat zijn te zien of te ruiken, en dientengevolge -allemaal zelf voor hun eigen vijanden bang zijn. Gedurende een sneeuwstorm is er altijd -wapenstilstand in het bosch, en dat is de reden waarom een patrijs in de sneeuw dan -alleen gaat slapen, als de vlokken nog neervallen. Wanneer dit ophoudt en de sneeuw -een beetje bezonken is, zal de vos weer op de been zijn; en dan slaapt de patrijs -in het naaldhout. -</p> -<p>Eens echter rekende de oude beukenpatrijs buiten den waard. ’t Was vroeg in den avond -met sneeuwen opgehouden en de honger dreef den vos naar buiten, in een nacht, dat -hij zich anders gedekt zou hebben gehouden. Om en bij ’t aanbreken van den dag, voordat -het licht nog was doorgedrongen tot waar de oude beukenpatrijs lag te slapen, vond -de vos een gat in de sneeuw, dat hem verried hoe vlak voor zijn hongerigen neus een -patrijs verscholen zat, <span class="pagenum">[<a id="pb103" href="#pb103">103</a>]</span>die zich van geen gevaar bewust was. Ik vond de plek, toen ik het spoor van den vos -een paar uren later volgde. Wat was hij omzichtig! Het sluwe spoor sprak boekdeelen -van honger en verwachting. Een paar voet van ’t veelbelovende gat af had hij stil -gestaan en scherp over de sneeuw uitgekeken, om een verraderlijke ronding op de gladde -oppervlakte te ontdekken. Aha! daar was ze, net aan den zoom van een boschje jeneverbessen. -Hij dook neer, sloop vooruit, zoodat hij een diep spoor met zijn lichaam groef, plantte -zich stevig vast en sprong toe. En daar, vlak naast het gat dat zijn pooten in de -sneeuw gemaakt hadden, was nog een gat, waar de patrijs uitgebroken was, zoodat hij -zijn heelen vijand, die zich een voet verrekend had, vol sneeuw gestrooid had, en -met oorverdoovend lawaai naar de veilige beschutting van de dennen was gevlogen. -</p> -<div class="figure p103width"><img src="images/p103.jpg" alt="... en met oorverdoovend lawaai naar de veilige beschutting van de
dennen was gevlogen...." width="502" height="720"><p class="figureHead">… en met oorverdoovend lawaai naar de veilige beschutting van de -dennen was gevlogen.…</p> -<p class="first">bl. 103 V.</p> -</div><p> -</p> -<p>Er was nog een vijand, die verstandiger had moeten zijn en die den ouden beukenpatrijs -een heel vroeg voorjaar lang achtervolgd had, toen er veel sneeuw lag en ’t voedsel -karig was. Op een dag dat ik het zuidelijk gebied van den patrijs doorkruiste, ontmoette -ik een jongetje,—een pienter kereltje met het jagersinstinct van een vos. Hij had -altijd wat merkwaardigs—otters, of muskusratten, of een bunzing, of een grooten uil,—zoodat -ik hem met vreugde begroette. -</p> -<p>„Hallo, Jantje! Wat speur jij vandaag—beren?” -</p> -<p>Maar hij schudde zijn hoofd slechts—een beetje <span class="pagenum">[<a id="pb104" href="#pb104">104</a>]</span>sullig, leek het mij toe—en praatte over alles behalve over datgene waaraan hij dacht; -en weldra verdween hij in het oude pad. Een van zijn jaszakken puilde meer uit dan -de andere en ik wist dat er een klem in zat. -</p> -<div class="figure p104width"><img src="images/p104.png" alt="" width="537" height="634"></div><p> -</p> -<p>Laat op dien middag stootte ik op zijn spoor en aangezien ’k niets belangrijkers te -doen had, ging ik het volgen. Het leidde regelrecht naar het doornboschje waar de -oude beukenpatrijs op stok ging. Ik had er dikwijls tevergeefs naar gezocht, eer de -vos mij er bracht; maar Jantje had op een van zijn zwerftochten prenten en een paar -veeren onder een cedertak gevonden en wist best wat dat zeggen wilde. Daar was zijn -klem, precies op de plek, waar de oude patrijs den vorigen avond gestaan had, toen -hij zijn sprong nam naar den ondersten tak. Er was volop koren uitgestrooid en een -blauwe gaai, die Jan achterna gegaan was, zat al stevig in de klem; bij den wortel -van zijn snavel net onder de oogen was hij gegrepen. Hij had de klem doen toeklappen, -toen hij naar wat koren pikte, dat listig met een dun ijzerdraadje aan de pan was -vastgemaakt. <span class="pagenum">[<a id="pb105" href="#pb105">105</a>]</span>Toen ik de gaai zorgvuldig uit de klem nam, hield zij zich dood en slap in mijn hand, -tot mijn greep ontspande en zij naar een tak boven mijn hoofd vloog, waar zij me bekeef -en uitschold, omdat ik me inliet met zulke afschuwelijke uitvindingen. -</p> -<p>Ik hing de klem aan een lagen tak van den ceder, met een briefje tusschen haar tanden, -om Jan te vragen of hij den volgenden dag eens bij me wou komen. Hij kwam met een -beschaamd gezicht toen ’t donker werd, en ik nam hem onderhanden over onridderlijkheid -en ’t verschil tusschen een diefachtigen otter en een eerlijken patrijs. Maar hij -grinnikte om de blauwe gaai en ik twijfelde er aan of zoo’n berisping alleen wel een -blijvende uitwerking zou hebben. Om het hem dus wat gemakkelijker te maken, liet ik -iets los over de glijbaan van een otter, die ik ontdekt had en over een gezamenlijken -zwerftocht op een Zaterdagmiddag. Hij vertelde me, dat hij wel twintig keer dien ouden -beukenpatrijs had trachten te verschalken. Toen hij de glijbaan van den otter zag, -zwoer hij klemmen en strikken voor vogels af, en ik verliet kort daarna de streek, -zeer hoopvol wat den patrijs aangaat, want ik wist dat ’k de kanonnen vernageld had -van zijn gevaarlijksten vijand. -</p> -<p>Jaren later kwam ik door de oude wei en ging regelrecht naar de wildernis van doornstruiken. -Er waren prenten van een patrijs in de sneeuw,—korte sporen, die licht rustten op -het zachte blank, en toonden dat de Natuur gedachtig was aan zijn behoeften en gezorgd -<span class="pagenum">[<a id="pb106" href="#pb106">106</a>]</span>had dat zijn nieuwe sneeuwschoenen prachtig gegroeid waren. Ik haastte me naar de -beek, terwijl tallooze herinneringen aan gelukkige dagen en zeldzame ontdekkingen, -als het boschvolkje me zijn kleine geheimen openbaarde, zich aan me opdrongen. Toen -’k er heelemaal in verdiept was—<i>kwit-kwit!</i> en met luidruchtig wiekgeruisch suisde er een patrijs weg, wild en grijs als de bijzondere -vogel, die daar jaren te voren geleefd had. En toen ik er een jager naar vroeg, zei -hij: „Die oude beukenpatrijs? O ja, die zit daar. Daar zal hij wel blijven ook, tot -hij van ouderdom doodgaat, want, ziet u, mijnheer, d’r is hier in de buurt niemand -gewikst genoeg om hem te vangen.” -<span class="pagenum">[<a id="pb107" href="#pb107">107</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd29e803" href="#xd29e803src">1</a></span> Felis Concolor. <a class="fnarrow" href="#xd29e803src">↑</a></p> -<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd29e860" href="#xd29e860src">2</a></span> Smilax. <a class="fnarrow" href="#xd29e860src">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch6" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#xd29e261">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">WOLKVLEUGEL, DE ADELAAR.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">„Daar heb je hem weer! Daar is die Witkop bezig den vischarend te bestelen.” -</p> -<p>Ik schoot op uit mijn kleine <i>commoosie</i> achter ’t vuur bij Gillie’s opgewonden kreet en snelde op ’t strand naar hem toe. -Een blik over de Rendier-kaap heen naar de groote baai, waar ontelbare witvisschen -schoolden, gaf me weer een hoofdstuk van een lange, maar altijd merkwaardige geschiedenis. -Ismaques, de vischarend, was met een dikken visch uit het meer gestegen en deed zijn -best om naar zijn nest te komen, waar zijn jongen om eten riepen. Boven hem zweefde -de adelaar, zoo onbeweeglijk en onverbiddelijk als het noodlot, liet zich nu eens -neervallen om Ismaques met een wiek in ’t gezicht te flappen, raakte hem dan weer -zachtjes met zijn groote klauwen aan, alsof hij wilde zeggen: „Voel je dat, Ismaques? -Als ik maar éen keer goed toegrijp, zal ’t uit zijn met jou èn je visch. En wat zullen -de jongen dan beginnen daar boven in ’t nest in den ouden den? Laat hem nu liever -kalm vallen; jij kunt een anderen vangen.—<i>Laat vallen!</i> zeg ik.” -</p> -<p>Tot dat oogenblik had de adelaar het den grooten vischarend nog alleen wat lastig -gemaakt onder ’t vliegen, met af en toe een zachten wenk, dat hij geen kwaad bedoelde, -maar dien visch wilde hebben, dien hij zelf niet vangen kon. Nu kwam er verandering; -’s konings humeur toonde zich even. Met ruischende <span class="pagenum">[<a id="pb108" href="#pb108">108</a>]</span>wieken zwierde hij als een wervelwind om den vischarend heen en hield plotseling dreigend -stand midden in de lijn van zijn vlucht. Daar bleef hij op breede, donkere vlerken -zweven; zijn gele oogen tuurden fel in de ineenkrimpende ziel van Ismaques, zijn klauwen -waren ver teruggetrokken voor een doodelijken stoot. En Simmo, de Indiaan, die beneden -naar me toe was komen draven, mompelde: „Nu Cheplahgan woedend; dat Ismaques zoo dadelijk -merken.” -</p> -<div class="figure p108width"><img src="images/p108.jpg" alt="Daar bleef hij op breede, donkere vlerken zweven...." width="511" height="720"><p class="figureHead">Daar bleef hij op breede, donkere vlerken zweven.…</p> -<p class="first">bl. 108 V.</p> -</div><p> -</p> -<p>Maar Ismaques wist precies hoever hij gaan kon. Met een kreet van woede liet hij zijn -visch vallen, of liever, hij gooide hem neer, in de hoop dat hij in ’t water terecht -zou komen en verloren gaan. Op hetzelfde oogenblik wielde de adelaar hem uit den weg -en boog bliksemsnel zijn kop. Ik had hem wel eerder zijn vleugels zien samenvouwen -en neervallen, en mijn adem ingehouden bij zoo’n vaart. Maar vallen hielp nu niet, -want de visch viel sneller. In plaats daarvan schoot hij naar beneden en vermeerderde -’t gewicht van zijn val door ’t stuwen van zijn forsche wieken, terwijl hij neersuisde -als een bliksemflits, om den visch te grijpen voor deze ’t water raakte, en steeg -hij met een groote bocht weer op—gestadig hooger en verder weg, gelijkmatig als ’t -een koning betaamt te vliegen, naar zijn eigen jongen, heel ginds op den berg. -</p> -<p>Weken tevoren had ik den Ouden Witkop, zooals Gillie hem noemde, al leeren kennen -op den Madawaska. <span class="pagenum">[<a id="pb109" href="#pb109">109</a>]</span>We voeren de rivier op, op weg naar de wildernis, toen luide kreten en ’t gepang van -een geweer vlak voor ons weerklonken. Als we haastig een bocht tusschen de beboschte -oevers om kwamen schieten, troffen we een man aan met een rookend geweer, een jongen -tot aan zijn middel in de rivier, die hij over trachtte te komen, en aan den anderen -kant een zwart schaap, dat ronddraafde en bij elken sprong blaatte. -</p> -<p>„Hij heeft het lam meegenomen; hij heeft het lam meegenomen!” riep de jongen. Toen -ik de richting van zijn vinger volgde, zag ik den Ouden Witkop, een prachtigen vogel, -zwaar boven de boomtoppen aan den anderen kant van het open veld uitstijgen. Bijna -instinctmatig reikte ik achter me, greep het zware geweer, dat Gillie me in handen -gaf, en sprong uit de kano; want met een geweer heb je een stevigen voetsteun noodig. -Het was een ver schot, maar niet zoo heel moeilijk; de Oude Witkop had zijn draai -genomen en bewoog zich gestadig al verder weg. Een seconde nadat het schot gevallen -was zagen we hem stilhouden en afwijken in de lucht; toen kwamen er twee witte slagpennen -neerzijgen en terwijl hij zich wendde, zagen we de breuk in zijn breeden, witten staart. -En dat was het teeken waar we hem later altijd aan herkenden. -</p> -<p>Dit gebeurde bijna tachtig mijlen per kano vanwaar we nu stonden, ofschoon nauwelijks -tien hemelsbreed over de bergen; want de rivieren en meren, die <span class="pagenum">[<a id="pb110" href="#pb110">110</a>]</span>we volgden, kronkelen tot bijna aan ’t punt van uitgang terug; en de geheele wilde, -prachtige streek was het jachtgebied van den adelaar. Waar ik ook ging, zag ik hem; -ik zag hoe hij de groote rivieren volgde om aan land gespoelde forel en zalm, of hoog -in de lucht dreef, waar hij twee of drie meren der wildernis overzien kon, hij met -evenveel brave vischarenden, die er hun maaltijd vingen. Ik had een museum-beheerder -beloofd dat ik hem dien zomer een adelaar zou bezorgen, en begon dus naarstig op dien -grooten vogel te jagen. Maar dat jagen gaf niet veel, behalve dat het me heel wat -van zijn zeden en gewoonten leerde, want ’t leek, alsof hij oogen en ooren over zijn -geheele lichaam had; en al kroop ik als een slang door de bosschen, of al dreef ik -als een wilde eend in mijn kano over het water, hij zag of hoorde me altijd en was -verdwenen eer ik hem onder schot kon krijgen. -</p> -<p>Toen poogde ik hem in een stap<a class="noteref" id="xd29e985src" href="#xd29e985">1</a> te lokken. Ik legde twee groote forellen met een stalen klem er tusschen in, op een -ondiepe plaats in de rivier, die ik van mijn kamp uit op een steilen oever, een halve -mijl stroomaf, kon gadeslaan. Den volgenden dag hief Gillie, die begeeriger was dan -ik, een geschreeuw aan, en toen ik te voorschijn kwam snellen, zag ik den Ouden Witkop -in ’t ondiepe water bij den stap staan, waar hij omheen klapwiekte. We sprongen in -een kano en roeiden spoorslags de rivier op, terwijl we juichten <span class="pagenum">[<a id="pb111" href="#pb111">111</a>]</span>van verrukking, dat we den fellen, ouden vogel eindelijk hadden. Toen we de laatste -landtong omkwamen, die de ondiepte verborg, stond de Oude Witkop daar, geen dertig -meters van ons af, nog aan een visch te rukken en in ’t water te plassen. Ik zal niet -spoedig zijn houding en uitdrukking vergeten, als wij de landtong omschoten: zijn -lijf rechtop en stijf, zijn wieken half ontplooid, zijn kop naar voren, de oogleden -rechtgetrokken en een krachtige, felle glans van vrijheid en ongetemde wildheid in -zijn heldere oogen. Zoo stond hij daar, een heerlijk wezen, tot we bijna bij hem waren,—toen -steeg hij rustig op en nam een van de forellen mee. De andere had hij al in zijn maag. -Hij zat in ’t geheel niet in de klem, maar was er zorgvuldig om heengestapt. Het geplas -was veroorzaakt, doordat hij den eenen visch met zijn klauwen stuk had gereten en -den anderen van een paal waar hij op stak had losgemaakt. -</p> -<p>Daarna kwam hij niet meer bij het ondiepe water, want hij had een nieuwe ondervinding -opgedaan in zijn leven, die een donkere schaduw achterliet. Hij, die de koning was -van alles wat hij van den ouden, door den bliksem getroffen den op den top van de -klip overzag, die tot nog toe steeds de jager geweest was, wist nu wat het beteekende -gejaagd te worden. En de angst er voor was, dunkt me, in zijn oogen en verzachtte -hun fellen gloed, toen ik weken later hem er weer in keek, bij zijn eigen nest op -den berg. -</p> -<p></p> -<div class="figure floatRight p111width"><img src="images/p111.png" alt="" width="364" height="154"></div><p> -</p> -<p>Simmo nam ook aan onze jacht deel, maar zonder <span class="pagenum">[<a id="pb112" href="#pb112">112</a>]</span>geestdrift of vertrouwen. Hij had al eerder op denzelfden adelaar gejaagd—een heelen -zomer, om de waarheid te zeggen, toen een toerist, dien hij als gids diende, hem twintig -dollars beloofd had voor de veeren van den koninklijken vogel. Maar de Oude Witkop -droeg ze nog zegevierend en Simmo voorspelde hem een lang leven en een natuurlijken -dood. „Toch niks geven op dien arend jagen,” zei hij eenvoudig. „Ik eens probeeren -en hem niet kunnen besluipen. Hij alles zien; en hij niet zien, dan hij hooren. En -dan, gevaar hij voelen aankomen. Daarom hij bouwen zijn nest zoo ver weg, einden weg, -o, ik niet weten waar wel.” Dit laatste met een armzwaai om ’t heelal er onder te -begrijpen. Cheplahgan, den Ouden Wolkvleugel, noemde hij trots den vogel, die hem -een heelen zomer op jacht getart had. -</p> -<p>In ’t begin had ik op hem gejaagd als ieder andere barbaar; natuurlijk gedeeltelijk -om zijn veeren voor den museumman; gedeeltelijk misschien om de lammeren van de kolonisten -te beschermen; maar voornamelijk om hem te dooden, om te genieten van zijn klappende -wieken als hij lag te sterven, en de bosschen te bevrijden van een wreeden dwingeland. -Onder ’t jagen kwam er echter geleidelijk een verandering over me; ik zocht hem hoe -langer hoe minder om zijn veeren en om zijn leven, en hoe langer hoe meer om hem zelf, -om alles van hem te weten te komen. Ik placht hem urenlang gade te slaan van mijn -kamp aan ’t groote meer uit, zooals hij daar rustig over de <span class="pagenum">[<a id="pb113" href="#pb113">113</a>]</span>Rendier-kaap zeilde, nadat hij met zijn jongen gegeten had, en in een stemming was -om Ismaques in vrede zijn gang te laten gaan met visschen. -</p> -<p>Dan zette hij zijn groote wieken naar de bries en stond als een vlieger in den wind, -terwijl hij geleidelijk naar boven klom in een eindelooze spiraal, hooger en hooger, -zonder een zweem van inspanning, tot het oog duizelig werd onder ’t volgen. En ik -hield er van om hem gade te slaan, zoo krachtig, zoo vrij, zoo zeker van zichzelf—om -en om, hooger, al hooger, zonder haast, zonder moeite, en elke wending vond den hemel -nader en de aarde verder onder zich uitgebreid. Nu glimmen kop en staart zilverwit -in den zonneschijn; nu hangt hij roerloos, een kruis van git, als een vrouw om den -hals zou kunnen dragen, tegen het klare, peillooze blauw van den Junihemel—daar! hij -is in ’t blauw verloren, zoo hoog, dat ik hem niet meer kan zien. Maar juist als ik -me afwend, duikt hij weer binnen ’t bereik van mijn blik, laat zich met opgevouwen -vleugels als een zinklood neervallen, al sneller en sneller, al grooter en grooter, -door een ontzettenden luchtstroom, tot ik opspring en mijn adem inhoud, alsof ik zelf -neerkwam. En vlak voordat hij zich te pletter valt, zwenkt hij om in de lucht, met -zijn kop naar beneden en half open wieken, en schiet in snelle glijvlucht naar het -meer, dan in een groote bocht omhoog naar de boomtoppen, waar hij beter kan zien wat -Kakagos, de zeldzame boschraaf, uitvoert, en op welk wild hij <span class="pagenum">[<a id="pb114" href="#pb114">114</a>]</span>jaagt. Want om dat te ontdekken kwam Cheplahgan zoo haastig naar beneden. -</p> -<p>Dan weer kwam hij vroeg in den morgen stroomop zwieren, alsof hij al een lange dagreis -achter den rug had, met iets van heel, heel ginds en nog-zóó-ver in zijn snelle voortwieken. -En als ik dan aan ’t forellenwater stond en heel stil was, hoorde ik het krachtige -zijdegeritsel van zijn vlerken onder ’t voorbijvliegen. ’s Middags zag ik hem boven -den hoogsten bergtop in ’t Noorden hangen, op een ontzaglijke hoogte, waar de verbeelding -zelfs de heerlijke vlucht van zijn uitzicht niet volgen kon; en ’s avonds vloog hij -het meer over, als hij zich naar ’t Westen voortbewoog, naar den zonsondergang toe -op onvermoeide wieken—altijd sterk, edel, prachtig in zijn kracht en eenzaamheid, -een volmaakt zinnebeeld van de groote, verlaten, heerlijke wildernis. -</p> -<p>Eens dat ik hem gadesloeg, overviel het me plotseling, dat bosch en rivier onvolmaakt -zouden zijn zonder hem. De gedachte hieraan kwam bij me terug en spaarde hem voor -de wildernis, dien laatsten keer toen ik hem op leven of dood ging jagen. -</p> -<p>Dat was vlak nadat we het groote meer bereikt hadden, waar ik hem den vischarend had -zien berooven. Na lang zoeken en rondloeren ontdekte ik een grooten boomstam aan den -uitgang, waar de oude Witkop dikwijls zat. Er dicht bij was een groote draaikolk, -op den rand van een ondiep gedeelte, en hij placht op den stam te zitten wachten tot -er visch <span class="pagenum">[<a id="pb115" href="#pb115">115</a>]</span>kwam, daar waar hij in ’t water kon waden om ze te vangen. Er heerschte dat jaar een -ziekte onder de zuigvisschen<a class="noteref" id="xd29e1013src" href="#xd29e1013">2</a> (die geregeld om de paar jaar heerscht, evenals onder de konijnen) en dan kwamen -ze uit het diepe water naar boven kronkelen om op ’t zand uit te rusten—en werden -door otters en vischarenden en beren en den ouden Witkop gegrepen, die alle hongerig -op visch wachtten. -</p> -<p>Verscheiden dagen legde ik een mooi lokaas van forel en witvisch aan den rand van -het ondiepe. De twee eerste keeren werd ’t aas laat in den middag uitgelegd en beide -keeren kreeg een beer het den volgenden nacht. Toen legde ik het vroeg in den morgen, -en voor den middag had Cheplahgan het ontdekt. Hij kwam recht als een pijl uit den -boog van zijn uitkijk aan den anderen kant van den berg, van mijlen ver, en bracht -me in groote verwondering, welk vreemd zesde zintuig hem leidde; want gezicht en reuk -schenen beide evenzeer buitengesloten. Den volgenden dag kwam hij weer. Toen legde -ik het allerbeste aas in ’t ondiepe en verborg me met mijn geweer in ’t dichte kreupelhout -in de buurt. -</p> -<p>Hij kwam eindelijk, na uren wachtens, en viel met een zwaar wiekgeruisch van boven -de boomtoppen neer. En toen hij op den ouden stam neerstreek en zijn breeden, witten -staart uitspreidde, zag ik vol trots het gat dat mijn kogel weken te voren had gemaakt. -<span class="pagenum">[<a id="pb116" href="#pb116">116</a>]</span>Hij stond daar een oogenblik prachtig opgericht, kop, hals en staart glanzend wit; -zelfs de donkerbruine veeren van zijn lichaam glommen in den helderen zonneschijn. -En hij keerde langzaam zijn kop van den eenen kant naar den anderen, terwijl zijn -scherpe oogen fonkelden, alsof hij zeggen wilde: „Aanschouwt, een koning!” tegen Chigwooltz, -den kikvorsch, en Tookhees, de boschmuis, en tegen elk ander levend wezen, dat hem -toevallig uit het kreupelhout zou kunnen gadeslaan bij zijn onkoninklijke daad van -op doode visch te azen. Toen hupte hij naar beneden—vrij onhandig, moet ik bekennen; -want hij is een dier van de hemelsche diepten, die de aanraking met de aarde niet -verdragen kan—greep een visch, dien hij met zijn klauwen aan stukken trok en gulzig -verslond. Twee keer trachtte ik hem te schieten, maar de gedachte aan de wildernis -zonder hem wilde me niet uit het hoofd en weerhield me. En dan kwam het me zoo min -voor, hem van een hinderlaag uit te betrekken, als hij naar beneden op den grond was -gekomen, waar hij in ’t nadeel was; en toen hij wat van de grootere visschen in zijn -klauwen greep, er snel mee omhoog rees en ze naar ’t Westen wegdroeg, was elke begeerte -om hem te dooden vergaan. Er waren blijkbaar jonge Wolkvleugels, die ik ook moest -opsporen en gadeslaan. Daarna jaagde ik nog ijveriger dan te voren op hem, maar zonder -geweer. En een eigenaardig verlangen, waar ik geen rekenschap van geven kon, maakte -zich van me <span class="pagenum">[<a id="pb117" href="#pb117">117</a>]</span>meester: om dit ongetemde, ongerepte dier van wolken en bergen aan te raken. -</p> -<p>Den volgenden dag deed ik het. Er groeiden dichte struiken langs den eenen kant van -den ouden stam, waar de adelaar op ging zitten. Hier hakte ik met mijn jachtmes een -tunnel in en schikte de toppen zoo, dat ze me beter verborgen. Toen legde ik mijn -aas uit, een goede twee uur voordat de oude Witkop op zijn vroegst kon komen, en kroop -mijn hol in om te wachten. -</p> -<p></p> -<div class="figure floatRight p117width"><img src="images/p117.png" alt="" width="481" height="720"></div><p> -</p> -<p>Nauwelijks had ik me in mijn plaatsje genesteld en me afgevraagd hoe lang menschelijk -geduld het steken van insecten en de heete, benauwde lucht zou kunnen uithouden zonder -zich te verroeren of een blad te bewegen, of het zware zijgeruisch klonk vlakbij en -ik hoorde den greep van zijn klauwen op den stam. -</p> -<p>Daar stond hij op een armslengte afstands, terwijl hij onrustig met zijn kop draaide -en het licht op zijn witte borst blikkerde, met de felle, ongetemde fonkeling in zijn -heldere oog. Nooit te voren had hij <span class="pagenum">[<a id="pb118" href="#pb118">118</a>]</span>zoo groot, zoo sterk, zoo prachtig geleken; mijn hart sprong op, toen ik me hem dacht -als het zinnebeeld van mijn volk. Ik ben er nog blij om, dat ik eenmaal dat zinnebeeld -aanschouwd heb en er de ontroering over heb gevoeld. -</p> -<p>Maar ik had weinig tijd om te denken, want Cheplahgan was rusteloos. Het een of andere -instinct scheen hem voor een gevaar te waarschuwen, dat hij niet zien kon. Op hetzelfde -oogenblik dat zijn kop was afgewend strekte ik mijn arm uit. Er verroerde zich nauwelijks -een blad door die beweging; toch draaide hij zich bliksemsnel om en dook om toe te -springen. Zijn oogen staarden recht in de mijne, zoo fel, dat ik het bijna niet uithouden -kon. Misschien vergiste ik me, maar in dat korte oogenblik was het, of de harde glinstering -zijner oogen van vrees verzachtte, toen hij mij herkende als het eenige in de wildernis -dat op hem durfde jagen, op hem, den koning. Mijn hand raakte hem vol op den schouder; -toen schoot hij de lucht in, en zwierde in groote kringen boven de boomtoppen, nog -steeds neerziend op den mensch, zich angstig afvragend op welke wijze hij toch in -dien man zijn macht was gekomen. -</p> -<p>Maar éen ding begreep hij niet. Terwijl ik op den stam stond, hoogopgericht, en naar -hem opkeek, zooals hij boven me zwierde, dacht ik niet anders dan: „Ik heb het gedaan, -ik heb het gedaan, Cheplahgan, Wolkvleugel. En ik zou je bij je pooten hebben kunnen -grijpen en je hebben vastgebonden, en in een <span class="pagenum">[<a id="pb119" href="#pb119">119</a>]</span>zak gepakt naar het kamp hebben kunnen brengen, als ik je niet liever vrij had laten -gaan. En dat is beter dan je te schieten. Nu zal ik je jongen zoeken en die ook aanraken.” -</p> -<p>Dagenlang had ik Witkops vluchtlijnen gevolgd en ik was tot het besluit gekomen dat -zijn nest zich ergens in de bergen ten noord-westen van het groote meer bevond. Daar -ging ik op een middag heen, en terwijl ’k verdwaald was in het hooge hout, dat nergens -naar eenige richting een uitkijk gaf, zag ik niet Witkop, maar een grooter adelaar, -zijn wijfje ongetwijfeld, die met voedsel recht het Westen invloog naar een hooge -klip, die ik eens met mijn verrekijker, van een berg aan de overzij van het meer af, -gezien had. -</p> -<p>Terwijl ik er den volgenden morgen vroeg heentoog, was het Cheplahgan zelf, die me -wees waar zijn nest zich bevond. Ik liep langs den voet van de klip te jagen, toen -ik omkeek naar het meer, waar ik hem heel uit de verte aan zag komen, en verstopte -me in het kreupelhout. Hij kwam vlak langs me heen en toen ’k hem naging, zag ’k hem -op een vooruitstekend gedeelte bij den top van de klip zitten. Vlak onder hem, boven -in een verwrongen boom, die uit het rotsvlak groeide, vormde een reusachtige hoop -takken het nest, terwijl er een groote moederadelaar bij zat, die de jongen voerde. -Beide vogels schrokken op en maakten dat ze wegkwamen bij mijn nadering, maar keerden -al gauw terug en zwierden boven mijn hoofd af en aan, toen ik het nest en het rotsvlak -door mijn <span class="pagenum">[<a id="pb120" href="#pb120">120</a>]</span>verrekijker op zat te nemen. Ze hoefden nu niet voorzichtig te zijn. Beide vogels -schenen bij instinct te weten waarom ik gekomen was, en dat het lot van de adelaarsjongen -in mijn handen lag, als ik de klip maar kon beklimmen. -</p> -<div class="figure p120width"><img src="images/p120.png" alt="" width="474" height="720"></div><p> -</p> -<p>Het was een benauwend karweitje, die klimpartij van een driehonderd voet tegen den -steilen rotswand op. Gelukkig was de rots vol naden en reten door eeuwenlang verweren; -struiken en dwergboomen groeiden uit ontelbare spleten, die me een vast steunpunt -voor mijn voeten gaven en me soms wel meer dan twaalf voet naar boven hielpen. Terwijl -ik klom, kringden de vogels al lager en lager; het sterke ruischen van hun wieken -was nu voortdurend om mijn hoofd; ’t leek of ze elk oogenblik grooter, feller werden, -terwijl mijn houvast hoe langer hoe onzekerder werd en de aarde en de spitse boomtoppen -ver wegzonken. Er zat een goede revolver in mijn zak, om in geval van nood te dienen; -maar als de groote vogels me hadden aangevallen, zou ’t me leelijk vergaan zijn, want -van tijd tot tijd was ik verplicht me stevig met <span class="pagenum">[<a id="pb121" href="#pb121">121</a>]</span>beide handen vast te grijpen, met mijn gezicht naar de klip, zoodoende de adelaars -vrij latend om van boven en van achteren te stooten. Ik geloof nu, dat, wanneer ik -op zoo’n plek angst had getoond, of geschreeuwd had, of ze weg had trachten te jagen, -ze als furiën met wiek en klauw op me af zouden zijn geschoten. Ik kon ’t in hun felle -oogen zien wanneer ik opkeek; maar de gedachte aan de keeren dat ik op ze gejaagd -had, en vooral de herinnering aan dien keer toen ik uit de struiken reikte en hem -had aangeraakt, was Witkop bij en maakte hem bevreesd. Ik ging dus gestaag mijn gang, -zonder schijnbaar een gedachte aan de adelaars te schenken, ofschoon ik diep in mijn -binnenste bang genoeg was, en bereikte den voet van den boom waarin het nest was gemaakt. -</p> -<p>Daar stond ik langen tijd, met mijn arm om den gedraaiden, ouden tronk geslagen, uit -te kijken over het bosch dat zich uitbreidde in de diepte, gedeeltelijk om weer moed -te verzamelen, gedeeltelijk om de adelaars gerust te stellen, die vlak bij me kringden -met een zekere ingespannen verbazing in hun oogen, maar voornamelijk om te overleggen -wat me nu te doen stond. In den boom kon ik makkelijk klimmen, maar het nest—een reusachtige -geschiedenis, waar jaarin, jaaruit bij aangebouwd was—vulde de kruin van den boom -geheel, en ik kon geen steunpunt voor mijn voet vinden, vanwaar ik over den rand kon -zien en de arendsjongen bekijken, zonder <span class="pagenum">[<a id="pb122" href="#pb122">122</a>]</span>het nest stuk te maken. Dat wilde ik niet doen, en ik twijfelde er aan of de moeder-adelaar -het toe zou laten. Wel twaalf keer scheen ze op het punt zich op mijn hoofd neer te -storten, om het met haar klauwen stuk te rijten; maar steeds zwenkte ze weg als ik -kalm opkeek, en de oude Witkop, die heel duidelijk het teeken van mijn kogel droeg, -zwierde tusschen haar en mij en scheen te zeggen: „Wacht, wacht. Ik begrijp het niet; -maar hij kan ons dooden als hij het wil—en de jongen zijn in zijn macht.” Hij was -nu dichter bij me dan ooit en de schuwheid verdween gaandeweg. Maar de felheid eveneens. -</p> -<p>Van den voet van den boom ging de spleet waar deze in groeide rechts naar boven en -dan weer terug naar de richel boven het nest, waar Cheplahgan stond toen ik hem ontdekte. -De rand van die spleet bood een duizelingwekkend pad, dat men gaan kon door zich als -een kreeft voort te bewegen, met het gezicht naar de klip en niets dan de struiken -daar, om zich met de vingers aan vast te grijpen. Ten leste probeerde ik het, kroop -twintig voet schuin naar boven en tien weer terug en liet me met een diepen zucht -van verlichting op een breede richel vallen, bedekt met botten en vischschubben, overblijfselen -van menige barbaarsche smulpartij. Onder me, bijna binnen mijn bereik, was het nest -met twee donkere, rimpelige jonge vogels, die op twijgen en hooi rustten, met visch, -vleesch en gevogelte in een bloederigen, velligen, schubbigen kring om zich heen—het -zag er <span class="pagenum">[<a id="pb123" href="#pb123">123</a>]</span>uit als het allerbloeddorstigste huishouden, waar ’k ooit ongevraagd naar binnen had -gekeken. -</p> -<p>Maar terwijl ik nog zat te kijken en me verbaasde, en uit trachtte te maken wat voor -ander wild ze die jeugdige kannibalen, die ik had helpen voeren, gebracht hadden, -gebeurde er iets vreemds, dat me zoo trof als weinig dingen onder de dieren der natuur -ooit gedaan hebben. De adelaars waren dicht bij me, toen ze me langs den laatsten -rotshoek volgden en ongetwijfeld in hun hart hoopten dat ik uit zou glijden, en een -eind maken aan hun zorg, en mijn lichaam als voedsel voor de jongen geven. Terwijl -ik nu op de richel aandachtig in het nest zat te turen, verliet de groote vogelmoeder -me en zweefde boven haar adelaarsjongen, alsof ze hen met haar vlerken zelfs voor -’t gezicht van mijn oogen wilde beschermen. Maar de oude Witkop bleef om me heenkringen. -Lager kwam hij, steeds lager, tot hij, met een uiterste poging van koenheid, zijn -wieken opvouwde en naast me op de richel neerstreek, nog geen tien voet van me af, -waar hij zich omwendde en me aankeek. „Kijk,” scheen hij te zeggen, „we zijn weer -in elkaars bereik. Je hebt me eens aangeraakt; ik weet niet hoe of waarom. Hier ben -ik nu om me aan te raken of te dooden, zooals je verkiest; maar spaar de jongen.” -</p> -<p>Een oogenblik later streek de moeder neer op den rand van het nest. En daar zaten -we, met z’n drieën, allen evenzeer in verwondering, met de jonge adelaars aan onze -voeten, de klip boven ons, en driehonderd <span class="pagenum">[<a id="pb124" href="#pb124">124</a>]</span>voet beneden ons de sparretoppen van de wildernis, die zich uitbreidde om zich in -de bergen te verliezen, aan den overkant van het groote meer. -</p> -<p>Ik zat doodstil, wat de eenige manier is om een dier in de natuur gerust te stellen; -en weldra had Cheplahgan, dunkt me, zijn vrees en zijn zorg voor de jongen vergeten. -Maar zoodra stond ik niet op, of hij was de lucht weer in en kringde rusteloos boven -mijn hoofd met zijn wijfje, en dezelfde wilde felheid was weer in zijn oogen als hij -neerkeek. Een half uur later had ik den top van de klip bereikt en toog ik oostelijk -naar het meer, langs een heel wat gemakkelijker weg afdalend, dan die waar ik mee -naar boven was gegaan. Daarna kwam ik er nog herhaaldelijk terug en zag van op een -afstand hoe de adelaarsjongen gevoerd werden. Maar ik ben nooit meer naar het nest -toegeklommen. -</p> -<p>Eens, toen ik bij het boschje kwam op de klip, waar ik gewoonlijk het nest door mijn -kijker lag op te nemen, merkte ik, dat er een adelaarsjong weg was. Het andere stond -op den rand van het nest angstig naar beneden in den afgrond te kijken, waar zijn -dapperder kameraadje zeker heen was gevlogen, en van tijd tot tijd troosteloos te -roepen. Zijn heele houding gaf duidelijk te kennen, dat hij honger had en boos en -verlaten was. Weldra kwam de moeder-adelaar snel uit het dal met voedsel in haar klauwen. -Ze kwam tot den rand van het nest, zweefde er even boven, als om het hongerige adelaarsjong -het voedsel <span class="pagenum">[<a id="pb125" href="#pb125">125</a>]</span>te laten zien en ruiken, daalde toen langzaam naar het dal, terwijl ze ’t voedsel -meenam en het jong op haar manier aanmaande te komen; dan zou hij het hebben. Hij -riep haar hard na van den rand van het nest en breidde herhaaldelijk zijn vleugels -uit om haar te volgen. Maar dat neerduiken was te griezelig; zijn moed begaf hem; -en hij trok zich veilig weer in het nest terug, trok zijn kop in de schouders, sloot -zijn oogen en trachtte te vergeten dat hij honger had. De beteekenis van dit tooneeltje -was duidelijk genoeg. Ze poogde hem te leeren vliegen, door hem te verstaan te geven, -dat zijn vleugels volwassen waren en dat de tijd gekomen was om ze te gebruiken; maar -hij was bang. -</p> -<p>Na een poosje kwam ze terug; zonder voedsel dezen keer, en zweefde boven het nest, -terwijl ze het jong op alle manieren probeerde te bewegen er uit te komen. Ze slaagde -eindelijk, toen het met een wanhopige poging opsprong en naar de richel er boven klapwiekte, -waar ik hem met den ouden Witkop had zitten bekijken. Toen, nadat hij de wereld ernstig -van zijn nieuwe plaats had overzien, flodderde hij weer naar het nest terug en hield -zich doof voor alle verzekeringen van zijn moeder, dat hij net zoo gemakkelijk naar -de boomtoppen beneden kon vliegen, als hij maar wilde. -</p> -<p>Plotseling, alsof ze ontmoedigd was, steeg ze hoog boven hem op. Ik hield mijn adem -in, want ik wist wat er zou gebeuren. Het kleine ding stond op den <span class="pagenum">[<a id="pb126" href="#pb126">126</a>]</span>rand van het nest den sprong te overwegen, dien hij niet nemen dorst. Achter hem klonk -een scherpe kreet, die maakte dat hij op zijn hoede was, in de grootste spanning. -Het volgende oogenblik was de moeder-adelaar neergeschoten en had het nest bij zijn -pooten een klap gegeven, zoodat hij met zijn steunpunt van takken samen de lucht invloog. -</p> -<p>Nu dreef hij, dreef hij in de blauwe lucht, ondanks zichzelf, en klapwiekte zoo hard -hij kon om zich ’t leven te redden. Boven hem, onder hem, naast hem zweefde de moeder -op onvermoeide wieken, terwijl ze hem zachtjes toeriep dat ze daar was. Maar de vreeselijke -angst voor de diepten en de speertoppen van de sparren had het jonge dier bevangen; -zijn wiekgeklepper werd hoe langer hoe wilder; al sneller en sneller viel hij. Plotseling—meer -uit angst leek het mij, dan dat zijn kracht ten einde was—verloor hij zijn evenwicht -en keukelde halsoverkop de ruimte in. Nu scheen het wel dat ’t met hem gedaan was; -hij vouwde zijn vleugels op om tusschen de boomen te pletter te vallen. Toen schoot -de oude moeder-adelaar als een bliksemschicht onder hem; zijn radelooze pooten raakten -haar breede schouders tusschen haar wieken. Hij richtte zich op, rustte een poosje, -kwam weer tot bezinning; daarna schoot ze plotseling onder hem weg en liet hem op -zijn eigen vlerken neerkomen. Een handvol veeren, door zijn klauwen er uitgerukt, -zegen langzaam achter hem neer. -<span class="pagenum">[<a id="pb127" href="#pb127">127</a>]</span></p> -<p>Het was alles het werk van een oogenblik, eer ik ze tusschen de boomen heel in de -diepte uit ’t oog verloor; als ik ze weer in mijn kijker kreeg, zat het adelaarsjong -in den top van een grooten den en was de moeder hem aan ’t voeren. -</p> -<p>En toen ik daar alleen in de groote wildernis stond, drong het plotseling voor het -eerst duidelijk tot me door, wat de wijze, oude profeet bedoelde; ofschoon hij het -langgeleden schreef, in een ver verwijderd land en een ander dan Wolkvleugel haar -jongen geleerd had, geheel onbewust van de welgezinde oogen, die het uit een boschje -gadesloegen: „Gelijk een arend zijn nest opwekt, over zijne jongen zweeft, zijne vleugelen -uitbreidt, ze neemt en ze draagt op zijne vlerken—zoo de Heere.” -<span class="pagenum">[<a id="pb129" href="#pb129">129</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd29e985" href="#xd29e985src">1</a></span> Gewestelijk voor klem. <a class="fnarrow" href="#xd29e985src">↑</a></p> -<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd29e1013" href="#xd29e1013src">2</a></span> Genus Catostomidae. <a class="fnarrow" href="#xd29e1013src">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div class="back"> -<div id="namen" class="div1 glossary"><span class="pagenum">[<a href="#xd29e270">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">DE INDIAANSCHE NAMEN.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first"><i>Cheokhes</i>, kie-ok-ez’, de Amerikaansche „mink”, een ottersoort. -</p> -<p><i>Cheplahgan</i>, tsjep-la’-guan, de Canadeesche arend. -</p> -<p><i>Ch’geegee-lokh-sis</i>, tsj-dsjie-dsjie’-lok-siz, de zwartkopmees: parus atricapillus. -</p> -<p><i>Chigwooltz</i>, tsjigg-woelts’, de stierkikvorsch. -</p> -<p><i>Clote Scarpe</i>, Kloot Skaarp, een fabelachtige held van de Noordelijke Indianen, zooals Hiawatha. -</p> -<p><i>Commoossie</i>, kom-moe-sie’, een kleine schuilplaats of hut van bast en takken gemaakt. -</p> -<p><i>Deedeeaskh</i>, die-die’-ask, de Vlaamsche gaai. -</p> -<p><i>Eleemos</i>, el-ie’mos, de vos. -</p> -<p><i>Hawahak</i>, ha-wa-hek’, de havik. -</p> -<p><i>Hukweem</i>, huk-wiem’, de groote Noordelijke duiker, of ijsduiker. -</p> -<p><i>Ismaques</i>, is-ma-kwez’, de vischarend. -</p> -<p><i>Kagax</i>, ke’-guaks, de wezel. -</p> -<p><i>Kakagos</i>, ka-ka-guoz, de raaf. -</p> -<p><i>K’dunk</i>, k’dunk’, de pad. -</p> -<p><i>Keeokuskh</i>, kie-o-kusk’, de muskusrat. -</p> -<p><i>Keeonekh</i>, kie’-o-nek, de otter. -</p> -<p><i>Killoleet</i>, kil’-loe-liet, de witkeel-musch. -</p> -<p><i>Kookooskoos</i>, koe-koes-koes’, de groote oehoe. -</p> -<p><i>Koskomenos</i>, kos’-kom-ie-nos’, de ijsvogel. -</p> -<p><i>Kupkawis</i>, kup-kee’-wiz, syrnium nebulosum, een gestreepte uil. -</p> -<p><i>Kwaseekho</i>, kwa-ziek’o, de bergeend. -<span class="pagenum">[<a id="pb130" href="#pb130">130</a>]</span></p> -<p><i>Lhoks</i>, loks, de panter. -</p> -<p><i>Malsun</i>, mel’-sun, de wolf. -</p> -<p><i>Meeko</i>, mie’-ko, de roode eekhoorn. -</p> -<p><i>Megaleep</i>, meg’-a-liep, de caribou of ’t N.-Amerikaansche rendier. -</p> -<p><i>Milicete</i>, mil’-i-siet, de naam van een Indiaanschen stam, ook Malicete geschreven. -</p> -<p><i>Mitches</i>, mit’-sjes, het gekraagde hazelhoen, een soort „grouse”: bonasia umbellis of Amerikaansche -patrijs. -</p> -<p><i>Moktaques</i>, mok-ta’-kwes, de haas. -</p> -<p><i>Mooween</i>, moe-wien’, de zwarte beer. -</p> -<p><i>Masquash</i>, mus’kwosj, de muskusrat. -</p> -<p></p> -<div class="table"> -<table class="listTable"> -<tr> -<td class="cellLeft cellTop"><i>Nemox</i>, nem’-moks, </td> -<td rowspan="2" class="rowspan rightbrace cellTop cellBottom xd29e1182"><img src="images/rbrace2.png" alt="}" width="12" height="40"></td> -<td rowspan="2" class="rowspan cellRight cellTop cellBottom xd29e1184">de vischmarter uit N.-Amer.</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft cellBottom xd29e1187"><i>Pekquam</i>, pek-wem,</td> -</tr> -</table> -</div><p> -</p> -<p><i>Quoskh</i>, kwosk, de blauwe reiger. -</p> -<p><i>Seksagadagee</i>, sek’-sa-guee-da’-guie, het Canadeesche hazelhoen, ook een soort „grouse”. -</p> -<p><i>Skooktum</i>, skoek’-tum, de forel. -</p> -<p><i>Tookhees</i>, tok’-ies, de boschmuis. -</p> -<p><i>Umquenawis</i>, um-kwie-na’-wiz, de eland. -</p> -<p><i>Unkwunk</i>, unk’-wunk, het stekelvarken. -</p> -<p><i>Upweekis</i>, up-wiek’-is, de Canadeesche lynx. -</p> -</div> -</div> -<div class="div1 cover"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first"></p> -<div class="figure schutbladwidth"><img src="images/schutblad.jpg" alt="Oorspronkelijk schutblad." width="537" height="720"></div><p> -</p> -<p> -</p> -<p></p> -<div class="figure spinewidth"><img src="images/spine.jpg" alt="Oorspronkelijke rug." width="720" height="78"></div><p> -</p> -<p> -</p> -<p></p> -<div class="figure backwidth"><img src="images/back.jpg" alt="Oorspronkelijke achterkant." width="554" height="720"></div><p> -</p> -</div> -</div> -<div class="transcribernote"> -<h2 class="main">Colofon</h2> -<h3 class="main">Beschikbaarheid</h3> -<p class="first">Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen -van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden -van de <a class="seclink xd29e46" title="Externe link" href="https://www.gutenberg.org/license" rel="license">Project Gutenberg Licentie</a> bij dit eBoek of on-line op <a class="seclink xd29e46" title="Externe link" href="https://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>. -</p> -<p>Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctieteam op <a class="seclink xd29e46" title="Externe link" href="https://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>. -</p> -<p>Vertaling van <i lang="en">Secrets of the Woods</i>, beschikbaar bij Project Gutenberg als ebook <a class="pglink xd29e46" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href="https://www.gutenberg.org/ebooks/1901">1901</a>. -</p> -<h3 class="main">Metadata</h3> -<table class="colophonMetadata"> -<tr> -<td><b>Titel:</b></td> -<td>Boschgeheimen</td> -<td></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Auteur:</b></td> -<td>William Joseph Long (1866–1952)</td> -<td><a href="https://viaf.org/viaf/15260441/" class="seclink">Info</a></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Illustrator:</b></td> -<td>Charles Copeland (1858–1945)</td> -<td><a href="https://viaf.org/viaf/56202685/" class="seclink">Info</a></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Vertaler:</b></td> -<td>Cilia Stoffel</td> -<td><a href="https://viaf.org/viaf/220708761/" class="seclink">Info</a></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Taal:</b></td> -<td>Nederlands (Spelling De Vries-Te Winkel)</td> -<td></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Oorspronkelijke uitgiftedatum:</b></td> -<td>1921</td> -<td></td> -</tr> -</table> -<h3 class="main">Codering</h3> -<p class="first">Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het -einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel -zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van -dit boek.</p> -<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3> -<ul> -<li>2019-08-16 Begonnen. -</li> -</ul> -<h3 class="main">Externe Referenties</h3> -<p>Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links -voor u niet werken.</p> -<h3 class="main">Verbeteringen</h3> -<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p> -<table class="correctiontable" summary="Overzicht van verbeteringen aangebracht in de tekst."> -<tr> -<th>Bladzijde</th> -<th>Bron</th> -<th>Verbetering</th> -<th>Bewerkingsafstand</th> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e281">VI</a></td> -<td class="width40 bottom">.</td> -<td class="width40 bottom">,</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e326">13</a></td> -<td class="width40 bottom">en</td> -<td class="width40 bottom">er</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e610">54</a></td> -<td class="width40 bottom">Keeonehk</td> -<td class="width40 bottom">Keeonekh</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -</table> -</div> -</div> - - - - - - - -<pre> - - - - - -End of the Project Gutenberg EBook of Boschgeheimen, by William J. Long - -*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK BOSCHGEHEIMEN *** - -***** This file should be named 60224-h.htm or 60224-h.zip ***** -This and all associated files of various formats will be found in: - http://www.gutenberg.org/6/0/2/2/60224/ - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United -States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive -specific permission. If you do not charge anything for copies of this -eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook -for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports, -performances and research. They may be modified and printed and given -away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks -not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the -trademark license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country outside the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you'll have to check the laws of the country where you - are located before using this ebook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm web site -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The -Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm -trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - - - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the -mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its -volunteers and employees are scattered throughout numerous -locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt -Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to -date contact information can be found at the Foundation's web site and -official page at www.gutenberg.org/contact - -For additional contact information: - - Dr. Gregory B. Newby - Chief Executive and Director - gbnewby@pglaf.org - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide -spread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works. - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our Web site which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. - - - -</pre> - -</body> -</html> diff --git a/old/60224-h/images/back.jpg b/old/60224-h/images/back.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 18f23fe..0000000 --- a/old/60224-h/images/back.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/60224-h/images/book.png b/old/60224-h/images/book.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 8c9ee4f..0000000 --- a/old/60224-h/images/book.png +++ /dev/null diff --git a/old/60224-h/images/card.png b/old/60224-h/images/card.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 784a984..0000000 --- a/old/60224-h/images/card.png +++ /dev/null diff --git a/old/60224-h/images/cover.jpg b/old/60224-h/images/cover.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 842b1e6..0000000 --- a/old/60224-h/images/cover.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/60224-h/images/external.png b/old/60224-h/images/external.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 8300122..0000000 --- a/old/60224-h/images/external.png +++ /dev/null diff --git a/old/60224-h/images/frontispiece.jpg b/old/60224-h/images/frontispiece.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index c495b8a..0000000 --- a/old/60224-h/images/frontispiece.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/60224-h/images/label.jpg b/old/60224-h/images/label.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index a064838..0000000 --- a/old/60224-h/images/label.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/60224-h/images/logo.png b/old/60224-h/images/logo.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 71ab263..0000000 --- a/old/60224-h/images/logo.png +++ /dev/null diff --git a/old/60224-h/images/p021.png b/old/60224-h/images/p021.png Binary files differdeleted file mode 100644 index f3f7b35..0000000 --- a/old/60224-h/images/p021.png +++ /dev/null diff --git a/old/60224-h/images/p026.png b/old/60224-h/images/p026.png Binary files differdeleted file mode 100644 index e1aa3de..0000000 --- a/old/60224-h/images/p026.png +++ /dev/null diff --git a/old/60224-h/images/p030.png b/old/60224-h/images/p030.png Binary files differdeleted file mode 100644 index df0ea17..0000000 --- a/old/60224-h/images/p030.png +++ /dev/null diff --git a/old/60224-h/images/p033.png b/old/60224-h/images/p033.png Binary files differdeleted file mode 100644 index b62eeb4..0000000 --- a/old/60224-h/images/p033.png +++ /dev/null diff --git a/old/60224-h/images/p035.png b/old/60224-h/images/p035.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 6453244..0000000 --- a/old/60224-h/images/p035.png +++ /dev/null diff --git a/old/60224-h/images/p039.png b/old/60224-h/images/p039.png Binary files differdeleted file mode 100644 index f29b64c..0000000 --- a/old/60224-h/images/p039.png +++ /dev/null diff --git a/old/60224-h/images/p046.png b/old/60224-h/images/p046.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 9e616b5..0000000 --- a/old/60224-h/images/p046.png +++ /dev/null diff --git a/old/60224-h/images/p050.jpg b/old/60224-h/images/p050.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index f131f62..0000000 --- a/old/60224-h/images/p050.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/60224-h/images/p058.png b/old/60224-h/images/p058.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 2060879..0000000 --- a/old/60224-h/images/p058.png +++ /dev/null diff --git a/old/60224-h/images/p065.jpg b/old/60224-h/images/p065.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index ece7a4a..0000000 --- a/old/60224-h/images/p065.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/60224-h/images/p070.png b/old/60224-h/images/p070.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 0b9aced..0000000 --- a/old/60224-h/images/p070.png +++ /dev/null diff --git a/old/60224-h/images/p078.png b/old/60224-h/images/p078.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 985622d..0000000 --- a/old/60224-h/images/p078.png +++ /dev/null diff --git a/old/60224-h/images/p081.png b/old/60224-h/images/p081.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 8be8679..0000000 --- a/old/60224-h/images/p081.png +++ /dev/null diff --git a/old/60224-h/images/p089.png b/old/60224-h/images/p089.png Binary files differdeleted file mode 100644 index fd9599d..0000000 --- a/old/60224-h/images/p089.png +++ /dev/null diff --git a/old/60224-h/images/p091.png b/old/60224-h/images/p091.png Binary files differdeleted file mode 100644 index bb82783..0000000 --- a/old/60224-h/images/p091.png +++ /dev/null diff --git a/old/60224-h/images/p094.png b/old/60224-h/images/p094.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 1e6b39e..0000000 --- a/old/60224-h/images/p094.png +++ /dev/null diff --git a/old/60224-h/images/p101.png b/old/60224-h/images/p101.png Binary files differdeleted file mode 100644 index f54a88a..0000000 --- a/old/60224-h/images/p101.png +++ /dev/null diff --git a/old/60224-h/images/p103.jpg b/old/60224-h/images/p103.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index b8f0660..0000000 --- a/old/60224-h/images/p103.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/60224-h/images/p104.png b/old/60224-h/images/p104.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 9523579..0000000 --- a/old/60224-h/images/p104.png +++ /dev/null diff --git a/old/60224-h/images/p108.jpg b/old/60224-h/images/p108.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 2ec4151..0000000 --- a/old/60224-h/images/p108.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/60224-h/images/p111.png b/old/60224-h/images/p111.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 163e5fa..0000000 --- a/old/60224-h/images/p111.png +++ /dev/null diff --git a/old/60224-h/images/p117.png b/old/60224-h/images/p117.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 36a3d84..0000000 --- a/old/60224-h/images/p117.png +++ /dev/null diff --git a/old/60224-h/images/p120.png b/old/60224-h/images/p120.png Binary files differdeleted file mode 100644 index d876892..0000000 --- a/old/60224-h/images/p120.png +++ /dev/null diff --git a/old/60224-h/images/rbrace2.png b/old/60224-h/images/rbrace2.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 26c84e5..0000000 --- a/old/60224-h/images/rbrace2.png +++ /dev/null diff --git a/old/60224-h/images/schutblad.jpg b/old/60224-h/images/schutblad.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 2dbe6c7..0000000 --- a/old/60224-h/images/schutblad.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/60224-h/images/spine.jpg b/old/60224-h/images/spine.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index d013358..0000000 --- a/old/60224-h/images/spine.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/60224-h/images/titlepage.png b/old/60224-h/images/titlepage.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 260e727..0000000 --- a/old/60224-h/images/titlepage.png +++ /dev/null |
