summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/59353-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '59353-0.txt')
-rw-r--r--59353-0.txt4863
1 files changed, 4863 insertions, 0 deletions
diff --git a/59353-0.txt b/59353-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..55f2d71
--- /dev/null
+++ b/59353-0.txt
@@ -0,0 +1,4863 @@
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 59353 ***
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+ KLIMOP
+
+ DRIE VERHALEN VOOR JONGENS EN MEISJES
+
+
+ DOOR
+
+ SUZE ANDRIESSEN
+
+ Met Zes Platen naar Teekeningen van C. Koppenol
+
+
+ DERDE DRUK
+ AMSTERDAM
+ H. J. W. BECHT
+
+
+
+
+
+
+
+
+EEN BRUTAAL MEISJE.
+
+
+I.
+
+HET SCHOOLFEEST.
+
+
+'t Was heerlijk zomerweder. De lucht was zoo blauw als de korenbloemen
+die verscholen stonden tusschen het graan, en waarvan men zulke mooie
+kransen kan vlechten; het zonnetje maakte het bijna wat al te bont,
+want het zond zijn stralen zóó brandend warm naar beneden, dat de
+menschen die op het land werkten telkens eens moesten ophouden om
+de zweetdruppels van hun gezicht te vegen;--maar onder de boomen,
+daar was het lekker!
+
+Onder de boomen had dan ook een elfjarig meisje een plaatsje gezocht,
+en zat daar met haar hoofdje geleund tegen een ouden beuk. Heel
+vroolijk zag zij er niet uit, want waarlijk nu en dan druppelde er een
+traan uit haar oogen en vloeide langs haar wangen naar beneden. Zij
+dacht zeker niet aan het vlechten van kransen, de bedroefde Nanni;
+integendeel, zij had een gevoel, alsof de vriendelijke zon haar en
+haar smart bespotte en al de bloemen haar uitlachten.
+
+Werkelijk hoorde zij in haar onmiddellijke nabijheid iemand lachen
+en haastig droogde zij haar oogen af en trachtte zoo onverschillig
+mogelijk te kijken.
+
+"Zoo, ben je bedroefd?" klonk het van achter den boom, en meteen kwam
+de twaalfjarige Gustaaf te voorschijn. Hij ging voor Nanni staan en
+keek haar aan met een paar oogen die van ondeugendheid schitterden.
+
+"Ben je stom geworden?" vroeg hij, toen hij geen antwoord van het
+meisje kreeg.
+
+"Ik wou, dat jij stom waart!" klonk het scherp van Nanni's lippen
+terug.
+
+"Erg vriendelijk van je," hernam Gustaaf spottend. "En wat wou je
+nog meer, poesje?"
+
+"Dat je weg gingt en me met rust liet," riep Nanni uit.
+
+"Ik dacht nog al dat je zoo op me gesteld waart," zeide Gustaaf
+lachend, want hij wist heel goed dat het juist omgekeerd was. "Ik
+wou juist eens met je praten over de pret die wij morgen zullen
+hebben,--maar 't is waar ook, je gaat niet mee, hé!"
+
+"'t Staat je al heel gemeen om me nu nog te komen plagen," barstte
+Nanni uit, en wierp zich voorover in het gras, terwijl zij haar best
+deed om haar snikken te smoren.
+
+Gustaaf stond een oogenblik overbluft bij deze uitbarsting, die hij
+volstrekt niet verwacht had, en wist niet goed hoe hij zich moest
+houden. Nanni zelf hielp hem echter gauw uit de verlegenheid.
+
+'t Scheen dat zij zich schaamde, dat zij zich zoo aan haar verdriet
+had overgegeven, ten minste zij richtte zich eensklaps op en keek
+haar plaaggeest ferm aan.
+
+"Zeg, zou je nu niet weggaan?" zeide zij, terwijl de tranen nog op
+haar wangen glinsterden. "Heb je er nog niet genoeg van?"
+
+"Ik mag hier evengoed zijn als jij," antwoordde Gustaaf
+tartend. "Iedereen mag hier loopen!"
+
+Nanni zeide niets meer, maar greep den ronden hoed die naast haar
+in het gras lag en sprong overeind, terwijl zij de verwarde haren,
+die over haar voorhoofd hingen, wat naar achteren streek. Zonder
+Gustaaf meer aan te zien, keerde zij hem den rug toe en liep haastig
+een tegenovergestelden kant op.
+
+Verbaasd keek onze jongeheer haar na, zonder evenwel een poging te
+doen om haar te volgen of in te halen; Nanni's gedrag scheen hem erg te
+verwonderen, en om zich te verzetten begon hij een deuntje te fluiten.
+
+"Hé, Gus, wat doe jij hier zoo alleen?" hoorde hij een oogenblik
+later iemand zeggen; en omziende van waar die stem kwam, zag hij een
+allerliefst jong meisje naar hem toekomen, dat hem verwonderd aankeek.
+
+"Ik doe niets zooals je ziet," antwoordde Gustaaf.
+
+"Maar hoe kom je hier zoo?" vervolgde Rosa. "Moet je niet naar huis
+om te eten?"
+
+"Wel zeker," antwoordde Gustaaf, "maar 't is nog te vroeg. Ga jij
+al eten?"
+
+"Ja, heel gauw; maar ik denk, dat ik niet veel trek zal
+hebben!" antwoordde Rosa.
+
+"Hé, waarom niet?" vroeg Gustaaf verwonderd, want hij had altijd trek
+in eten.
+
+"Wel, om het pleizier dat wij morgen zullen hebben!" riep Rosa uit,
+terwijl zij vol verrukking de handjes in elkaar sloeg. "Ik denk
+bepaald, dat ik niet zal kunnen eten!"
+
+"Gek van je," meende Gustaaf. "Kun je morgen dan ook niet eten? Dan
+moet je mij je portie maar geven!"
+
+"Schrok!" riep Rosa verontwaardigd uit. "Jij denkt om niets anders
+dan om maar te eten!"
+
+"Dat is niet waar," stoof Gustaaf op, "jij bent er nu over begonnen,
+ik dacht er niet over. Zorg maar dat je morgenochtend op je tijd
+klaar bent, anders gaan we nog weg zonder dat je er bij bent."
+
+"Nu, daar kun je op aan," beloofde Rosa, "ik weet zeker dat ik
+morgenochtend al om vijf uren op sta!"
+
+"Om zeven uren gaan we weg, anders zijn wij te laat in Amsterdam,"
+zeide Gustaaf. "Ben jij er wel eens geweest?"
+
+"Neen, nooit," riep Rosa uit. "O, je weet niet hoe ik er naar verlang!"
+
+"Ik ook, maar ik vind toch nog het allerpleizierigste dat wij naar
+den dierentuin gaan," zeide Gustaaf. "De Artis moet zoo mooi zijn!"
+
+"Je moet niet "De Artis" zeggen;" onderrichtte Rosa hem, "mama heeft
+mij verteld dat het zoo niet behoort."
+
+"Hemel, wat een wijsheid!" riep Gustaaf minachtend uit.
+
+"De tuin heet "Natura Artis Magistra," vervolgde Rosa, wat blij dat
+zij die moeilijke woorden zoo goed onthouden had. "En ik weet ook
+wat het beduidt!"
+
+"Wat beduidt het dan?" vroeg Gustaaf, niet in staat zijn
+nieuwsgierigheid te bedwingen.
+
+"Natuur overtreft kunst," zeide Rosa met veel deftigheid. "Luister
+eens: Natura is natuurlijk natuur..."
+
+"Wat ben je aan 't naturen," riep Gustaaf uit, "Natura beduidt
+natuurlijk natuur. Weet je er nog wat bij?"
+
+"Nu, wil je het niet verder weten?" vroeg Rosa pruilend.
+
+"Och jawel, vertel maar op," hernam Gustaaf.
+
+"Artis beduidt kunst, en Magistra is overtreft," vertelde Rosa.
+
+"Zoo, en nu noemen ze dien tuin maar de Artis..."
+
+"Niet de Artis!" viel Rosa hem in de rede.
+
+"Zanik niet, kind!" riep Gustaaf uit. "Zeker omdat Artis het kortste
+woord is, niet waar?"
+
+"Dat weet ik niet," hernam Rosa schouderophalend, "daar heeft ma mij
+niets van gezegd."
+
+Gustaaf dacht even na.
+
+"Maar dat vind ik toch gek!" riep hij eensklaps uit.
+
+"Wat?" vroeg Rosa, verwonderd rondziende.
+
+"Wel, dien tuin moesten ze dan liever Natura noemen," meende Gustaaf.
+
+"Waarom?" vroeg Rosa.
+
+"Begrijp je dat niet?" zeide Gustaaf eenigszins minachtend. "Och,
+dat komt omdat je een meisje bent."
+
+"Meisjes zijn volstrekt niet dommer dan jongens!" riep Rosa ijverig
+uit. "Jan Henkes en Willem Levelt zijn een jaar ouder dan ik en veel
+dommer, hoor! Meester heeft het zelf gezegd!"
+
+"Maak je maar niet zoo dik," zeide Gustaaf, "je bent zoo wijs als
+Salomo's kat. Is 't nu goed?"
+
+"En jij bent een flauwe jongen," hernam Rosa, terwijl zij aanstalten
+maakte om weg te gaan. "Ga jij maar eten!"
+
+"Maar wil je niet eens hooren wat ik daar straks bedoelde, voordat
+je zoo boos werd?" vroeg Gustaaf, die graag een toehoorster had om
+nu en dan zijn wijsheid te laten luchten.
+
+"Nu, wat dan?" vroeg Rosa, die toch wel eens wilde hooren wat hij te
+vertellen had.
+
+"Wel, die tuin heet "Natuur overtreft kunst," en ze noemen hem "Kunst",
+legde Gustaaf deftig uit. "Dat vind ik erg gek, 't is nu net alsof
+ze de kunst boven de natuur stellen en...."
+
+"Och, ik geloof, dat je over allerlei dingen praat, waarvan je
+evenmin verstand hebt als ik!" riep Rosa lachend uit. "En ik vind
+je erg vervelend ook! Je moet het maar eens in Amsterdam aan de
+menschen vragen!"
+
+"Ga je weg?" vroeg Gustaaf, een weinig bedremmeld dat zijn fraaie
+uitlegging aldus werd opgenomen.
+
+"Zeker, 't is vast al lang over vieren; jij moet ook naar huis."
+
+"Zeg eens, Roos, waarom mag Nanni toch niet mee?" vroeg hij terwijl
+hij een eindje met haar meeliep.
+
+"Och, Nanni is altijd zoo vreemd," zeide Rosa schouderophalend,
+"ze wou mij niets zeggen."
+
+"O, ik dacht, dat ze op school wat uit had gevoerd," hernam
+Gustaaf. "Dus is ze thuis weer bezig geweest?"
+
+"Ik weet het niet," zeide Rosa ongeduldig, "wat kan het je eigenlijk
+schelen wat Nanni gedaan heeft. Je vindt haar toch niet aardig en
+plaagt haar altijd."
+
+Hierop antwoordde Gustaaf haar niet veel, maar keerde zich fluitende
+om en haastte zich naar huis, daar hij de klok hoorde slaan en wel
+wist dat er niet op hem gewacht werd. Rosa volgde zijn voorbeeld,
+want ook haar maag begon te jeuken.
+
+Zeker zult ge wel eens iets naders willen hooren omtrent de drie
+kinderen, die wij hebben hooren praten, mijn lieve lezeressen! En
+vooral over hetgeen zij met elkaar bepraten, niet waar? Nu, gelukkig
+kan ik aan uw nieuwsgierigheid voldoen, want toevallig weet ik er
+alles van.
+
+Ge hebt natuurlijk reeds begrepen, dat Nanni, Rosa en Gustaaf op
+een dorp wonen, en wel op een mooi dorp dat Frankendaal genoemd
+wordt. Er was een flinke, groote school, waar de jongens en meisjes
+samen op gingen en doorgaans vrij wat pret maakten, vooral in de
+speeluren. Maar al de pret die zij ooit gemaakt hadden was niets
+vergeleken bij het genot dat hen thans wachtte. Er zou namelijk een
+schoolfeest zijn, en dat zou daarin bestaan dat de hoogste klasse
+een dag in Amsterdam zou gaan doorbrengen en wel voornamelijk om
+den dierentuin te bezoeken. Nu begrijpt ge wel dat zoo iets voor de
+jongens en meisjes van Frankendaal een zaak was, die hun reeds bijna
+acht dagen lang opgewonden van blijdschap maakte. De meeste hunner
+waren nooit in Amsterdam geweest, want het dorp lag er tamelijk ver van
+verwijderd, en bovendien was die uitgang een belooning voor diegenen,
+die zich gedurende het afgeloopen schooljaar goed gedragen hadden.
+
+En nu mocht Nanni niet mee! Nanni die er zich bijna nog meer in
+verheugd had dan de anderen samen! Die arme Nanni! ik moet u vertellen
+dat het .... maar neen laten wij liever eens gaan zien waar zij henen
+was gegaan, toen zij voor Gustaaf wegliep; misschien hooren wij dan
+wel hoe 't kwam dat zij niet mee mocht.
+
+
+
+"Och, baker, och ik heb zoo'n verdriet!" riep Nanni uit, terwijl zij
+snikkend het kamertje binnen kwam loopen, waarin de oude vrouw aan
+een grove kous zat te breien. Deze keek eenigszins verschrikt op,
+legde haar breiwerk op haar knie en schoof den grooten, schildpadden
+bril op haar voorhoofd, zonder evenwel het meisje antwoord te geven.
+
+Toen Nanni echter haar hoofd onzacht op de tafel liet vallen, beide
+armen er omheen sloeg en niets deed dan snikken zeide de oude vrouw:
+
+"Maar Nan, kind wat scheelt er dan toch aan? Hebben ze je weer
+geplaagd?"
+
+"Daarom huil ik niet!" riep Nanni eensklaps haar kopje oplichtend uit,
+terwijl zij haar bruine krullen driftig naar achteren schudde. "Als
+ze me plagen, plaag ik weerom!"
+
+"Ja maar, kindlief, dat is de manier niet om te maken dat de kinderen
+van je zullen houden," antwoordde de oude vrouw hoofdschuddend. "Je
+bent en blijft altijd maar een driftkopje."
+
+"Maar 't kan me niets schelen of de kinderen van me houden," zeide zij
+uitdagend; "ik houd ook niet van hen. Ik vind hen allemaal leelijke
+hanepooten!"
+
+"Wat is dat nu weer voor een scheldwoord," hernam de oude vrouw
+afkeurend. "Nanni, als je wilt dat ik van je blijf houden, dan moet
+je zoo niet praten!"
+
+"Och, baker, houd je ook al niet meer van me?" riep Nanni uit. "O,
+ik wou dat ik maar dood was!"
+
+"Hoor eens, kind, zoo moog je volstrekt niet praten en denken, dat
+staat heel leelijk," zeide de oude vrouw nu zeer ernstig. "Vertel
+mij nu eens bedaard wat er eigenlijk gebeurd is!"
+
+Zij was opgestaan en had het meisje met zachten dwang naar zich
+toegehaald, terwijl zij haar aanmoedigde om haar hart uit te
+storten. 't Scheen echter dat de woorden zoo spoedig niet wilden
+komen. Nanni zeide ten minste nog niets, maar bleef aan de linten
+van haar hoed plukkende stilzwijgend naar den grond staren.
+
+"Komaan, Nanni, of wil je 't niet zeggen?" vroeg de oude vrouw.
+
+Nog zweeg het meisje en staarde besluiteloos voor zich uit; eensklaps
+echter keek zij de oude vrouw aan en riep uit:
+
+"Ik mag morgen niet mee naar Amsterdam omdat ik een brutale, koppige
+meid ben!"
+
+"Dat ziet er mooi uit!" zeide de oude vrouw ontsteld. "Arm kind,
+niet mee, en je hebt er nog al zoo op gehoopt!"
+
+"Je hoeft me niet te beklagen, baker," riep Nanni driftig uit. "Ze
+hebben gelijk dat ze me niet meenemen, want ik zou het pleizier van
+de anderen maar bederven; dat heeft mijnheer Ebels zelf gezegd."
+
+"Stil kind, dat heeft hij zeker zoo erg niet bedoeld...."
+
+"Ik ben ook een naar kribbig kind," viel Nanni haar in de rede,
+"dat weet ik heel goed en 't kan me niets schelen ook!"
+
+"Vertel me eens wat je uitgevoerd hebt," zeide vrouw Berens, die wel
+merkte dat er niet veel met dat stijfhoofdje aan te vangen was.
+
+"Ik ben brutaal geweest tegen mijnheer Struis, ik heb gezegd dat hij
+een leelijke mosterdjongen was, en..."
+
+"Mosterdjongen!" herhaalde vrouw Berens verwonderd. "Ze noemen de
+palfreniers wel zoo, maar waarom zeg jij dat tegen je onderwijzer?"
+
+"Och daarom!" riep Nanni blozend uit. "De jas die hij draagt, heeft
+precies dezelfde kleur als de mosterd dien wij 's middags op tafel
+hebben!"
+
+"Maar Nanni, dan is 't weer je eigen schuld," hernam de oude vrouw
+hoofdschuddend.
+
+"Juist, baker, mijn eigen schuld," herhaalde Nanni zuchtend, "maar
+daarom spijt het mij toch. Ik zou zoo graag eens naar Amsterdam gaan,
+maar dat zal wel nooit gebeuren, want ik zal altijd wel brutaal zijn
+als er zoo iets op til is."
+
+"Maar je hoeft toch niet brutaal te wezen, kindlief," zeide vrouw
+Berens. "Je weet toch wel dat het heel leelijk staat!"
+
+"O, jawel baker," antwoordde Nanni half glimlachende door haar tranen,
+"ten minste ik moest wel doof en blind zijn als ik het nog niet wist,
+want ik heb het vandaag honderdmaal moeten schrijven."
+
+"En wat zullen ze thuis wel zeggen?" vroeg de oude vrouw.
+
+"Ik durf het niet zeggen. O, wat zal ik knorren krijgen, als Tante
+Net het hoort!"
+
+"En geen wonder," zeide vrouw Berens, "en de andere tantes zullen
+ook boos zijn. Nu, je verdient het wel."
+
+"Ben jij ook boos, baker?" vroeg Nanni, terwijl zij haar armpjes
+om den hals der oude vrouw sloeg en deze met haar bruine kijkers
+smeekend aankeek.
+
+"Kind, kijk me niet zoo aan," zeide vrouw Berens haperend, "jij lijkt
+sprekend op je lieve moeder, als je zoo doet. Je weet wel, dat ik
+niet boos op je worden kan al heb je het ook dubbel en dwars verdiend."
+
+"Mag ik morgen dan bij je komen, als de tantes het willen
+hebben?" vroeg zij smeekend.
+
+"Wat graag; maar luister eens. Als de tantes het niet goedvinden,
+moet je er niet om dwingen en niet brutaal zijn hoor, want dat is
+heel verkeerd!"
+
+"En waarom zouden de tantes het niet willen hebben!" stoof Nanni
+op. "'t Is erg genoeg dat ik niet mee mag! Als zij 't niet willen,
+dan zal ik zeggen dat ik haar oude draken vind!"
+
+"Nanni!" Meer dan dit eene woord zeide vrouw Berens niet, maar het
+meisje begreep best wat zij er mee bedoelde. Zij sloeg blozend de
+oogen neer en zuchtte diep.
+
+"Och, zie je nu wel, baker, dat ik het niet kan helpen als ik brutaal
+ben," stotterde Nanni. "Ik dacht er heusch niet om."
+
+"Allemaal gekheid, kind," zeide de oude vrouw streng, "je zult het
+nog zóó maken, dat niemand meer van je houdt, en dan is het alleen
+je eigen schuld."
+
+"Maar wat moet ik dan doen om anders te worden," vroeg Nanni
+onderworpen, want dat baker, die haar anders altijd troostte en wat
+bedierf, streng was, dat werd haar toch al te erg.
+
+"Als je merkt, dat je driftig of boos wordt, moet je altijd eerst even
+naar dit ringetje kijken," zeide vrouw Berens, terwijl zij uit een
+lade een eenvoudig, glad, gouden ringetje te voorschijn kreeg en dat
+aan Nanni gaf. "'t Is een ringetje dat je moeder mij gegeven heeft,
+toen ik bij haar vandaan ging. Als je nu naar dat ringetje kijkt,
+dan zul je meteen aan je moeder denken en je herinneren hoe bedroefd
+zij zou zijn, als zij hoorde, dat je brutaal of onaardig waart."
+
+Nanni bekeek het ringetje en 't paste gelukkig aan den middenvinger.
+
+"Ik hoop, dat ik er aan denken zal, baker; maar als ze me dan maar
+niet al te erg plagen, want dan word ik zoo driftig, dat ik nergens
+aan kan denken," zeide zij zuchtend.
+
+"Ga nu naar huis, want 't zal nu bijna etenstijd wezen, hernam vrouw
+Berens; "je moet er voor zorgen niet te laat te komen, want 't is
+voor groote menschen niet prettig om op kinderen te moeten wachten."
+
+"En jij wacht altijd, goede baker," riep Nanni haar omhelzend uit. "O,
+ik wou dat ik bij jou kon wonen in plaats van bij die...."
+
+Vrouw Berens keek haar waarschuwend aan.
+
+"In plaats van bij die tantes," voltooide zij den volzin halfluid.
+
+"Nu, als je moogt, moet je morgen maar zoo vroeg mogelijk komen,"
+zeide vrouw Berens, in de voordeur staande, "maar denk aan den ring."
+
+Nanni zeide haar nogmaals goedendag en verliet toen haastig het huisje
+om te zorgen, dat zij op haar tijd thuis zou komen.
+
+Nanni was een wees, en woonde sedert den dood harer ouders in huis
+bij drie tamelijk bejaarde tantes, zusters van haar papa. 't Waren
+goede, maar stijve dames, die er niet veel verstand van hadden om met
+kinderen om te gaan en wenschten, dat de kleine Nanni even geregeld en
+ordelijk was als zij. 't Was nu maar ongelukkig, dat ons meisje zoo'n
+lastig dametje was, anders had zij 't heel prettig thuis kunnen hebben,
+want de tantes hielden van haar, al lieten zij het dan ook niet blijken
+zooals een mama dat doet; maar Nanni was driftig en ten gevolge daarvan
+brutaal,--en dit waren twee zaken, die de tantes al erg leelijk vonden
+in haar nichtje. Nu, daar hadden de tantes geen ongelijk aan, want wie
+zou daar ook wel van houden; ik ten minste vind het dan ook al heel
+onaangenaam als een kind dadelijk boos en op den koop toe brutaal is!
+
+Nu meende Nanni het wel zoo erg niet! O, hemel neen, als zij eens goed
+driftig was geweest, had zij er altijd dadelijk spijt van en had die
+leelijke tong wel af willen bijten,--maar dat ging natuurlijk niet! In
+plaats echter dat Nanni dan aan haar tantes of haar onderwijzers zeide,
+dat het haar speet, en zij het zoo kwaad niet gemeend had, zweeg zij
+dan en zat met een heel boos gezicht voor zich uit te kijken. Voor
+vrouw Berens was zij anders, en die was dan ook de eenige, die wat
+van haar gedaan krijgen kon, en voor wie zij haar hart uitstortte.
+
+Rosa was ook naar huis gegaan, maar zij kwam wat pleizieriger bij haar
+ouders aan; natuurlijk was zij vol van het genot, dat haar te wachten
+stond, en haar ouders en broertjes en zusjes, die niet meegingen,
+praatten er even druk over. Allen beklaagden Nanni, en toen er 's
+avonds nog een paar schoolvriendinnetjes eens even over kwamen wippen
+om het een en ander te bepraten, kwam het ook uit, waarom Nanni niet
+mee mocht.
+
+"Zeg eens, Rosa, we moeten allerlei dingen meenemen voor de wilde
+dieren!" riep Mina opgewonden uit.
+
+"Voor de wilde dieren!" herhaalde Cato. "Maar, Mina, die durf ik
+niets te geven!"
+
+"Och, ik meen voor de olifanten; die zijn zoo mak, dat ze ons hun
+langen snuit toe zullen steken," hernam Mina, "en dan moeten we er
+amandelen in leggen."
+
+"Of steentjes," merkte Gustaaf aan, die er ook bij was gekomen.
+
+"Hé, hoe flauw!" riep Mina uit, "dan wordt hij immers boos!"
+
+"Juist, ik wou hem zoo graag eens hooren brullen," bekende Gustaaf.
+
+"Ik niet, ik zou mooi bang worden als ze brulden!" bekende Cato
+huiverend.
+
+"En dan voor de apen!" riep Cato. "Die eten alles; dat zijn zulke
+aardige diertjes."
+
+"Ik zie toch liever echte, wilde dieren," hernam Gustaaf. "Die apen
+kunnen mij al heel weinig schelen."
+
+"Dat komt omdat jij elken morgen een aap ziet!" zeide Mina ondeugend.
+
+"Hoe zoo?" vroeg Gustaaf zonder erg.
+
+"Wel, als je in den spiegel kijkt, om de scheiding in je haar te
+maken," riep Mina uit, terwijl ze meteen opsprong en zich achter
+Rosa's stoel verschanste, daar zij wel begreep, dat Gustaaf haar niet
+met rust zou laten na die uitlegging.
+
+"Kom, ga nu niet vechten," zeide Rosa, als vrede-stichtster optredend;
+"doe dat maar op een anderen keer, Gus, anders moet je maar naar
+huis gaan!"
+
+"Maar die Mina moet toch een pak hebben!" riep hij.
+
+"Jongens mogen meisjes niet slaan," zeide Cato nu. "Kom, je weet
+immers dat ze je plaagt; je bent een veel te aardig ventje, dan dat
+ze je voor een aap aan zou zien."
+
+"Jij houdt me ook al voor den gek," hernam Gus, "maar wacht, morgen
+zul je wel anders piepen, als ik mijn zakken vol amandelen en rozijnen
+heb; maar dan..."
+
+"Ik heb niets gezegd, Gus," riep Rosa nu uit.
+
+"Neen, maar Mina en Cato krijgen niets!"
+
+"Och hoe naar!" riep Mina vroolijk uit. "Gelukkig gaat Ko ook mee, en
+die heeft mij beloofd allerlei lekkers mee te nemen, en dan zullen wij
+zelf maar voor de wilde dieren spelen, want Gus zal hun genoeg geven!"
+
+"Ik wou dat de nacht al om was!" bekende Cato. "Ik denk dat ik van
+pleizier niet kan slapen!"
+
+"Wat zal die arme Nanni bedroefd zijn," hernam Rosa peinzend. "Och,
+ik wou toch, dat ze ook meeging!"
+
+"Ik niet!" riep Gustaaf uit.
+
+"Hé, waarom niet?" vroeg Rosa verwonderd.
+
+"Omdat ze altijd even driftig en onaardig is," zeide Gustaaf bedaard;
+"ze zou zeker elk oogenblik boos worden."
+
+"Nu ja, maar ik vind het toch jammer, dat ze er niet bij is," zeide
+Mina; "ik zou heel Frankendaal wel mee willen nemen, zoo ben ik in
+mijn schik!"
+
+"Hoeveel wagens zouden er dan achter de locomotief moeten!" riep
+Gustaaf uit. "Dan moest jij maar in den steenkolenwagen gaan zitten,
+Mina!"
+
+"En jij op den schoorsteen van de locomotief!" riep Mina lachend
+uit. "Wat zou dat mooi staan; je zaagt zeker zoo zwart als een neger,
+als je in Amsterdam kwaamt."
+
+"En dan sloten ze hem op in het apenhok, zoodra zij hem in Artis
+zagen!" voegde Cato er vroolijk bij.
+
+Zij bleven nog een poosje met elkaar praten, totdat het tijd werd
+naar huis en naar bed te gaan; en ik kan u verzekeren, dat zij dien
+nacht over niets anders droomden dan over het genot dat hen te wachten
+stond, en den volgenden morgen opstonden, toen de zon nog maar korten
+tijd geschenen had.
+
+
+
+
+
+
+II.
+
+DE FEESTDAG.
+
+
+En 't was mooi weer!
+
+Hoe vroeg de meeste meisjes en jongens, die mee zouden gaan, opgestaan
+waren, zou ik niet kunnen zeggen, maar tot groot verdriet hunner
+ouders was 't op een onbetamelijk uur. In al de woningen, waaruit
+jeugdige Frankendalers mee zouden gaan, was 't geducht rumoerig; de
+meisjes en jongens liepen de huizen in en uit, en 't was slechts de
+vreeselijke bedreiging dat zij nog ten laatste thuis zouden moeten
+blijven, die hen kon overhalen om een stukje brood te gebruiken. De
+meesten smeekten of zij een enkel glas melk mochten hebben, omdat
+dat gemakkelijker naar binnen ging, taschjes en mandjes werden
+meegenomen--kortom 't was alsof er een opstand in het dorp was.
+
+Ook Nanni was op en stond gekleed en wel op haar slaapkamertje tusschen
+de franjes der gordijnen door naar buiten te kijken, want zij wist dat
+de stoet voorbij moest komen, en kon toch niet nalaten het droevige
+genot te smaken haar makkertjes na te kijken. Zij zorgde er echter
+wel voor dat zij niet van buiten af gezien kon worden, want haar
+hartje zat veel te hoog dan dat zij zich zou willen laten beklagen,
+en zij begreep dat Rosa, Mina, Cato en nog wel anderen medelijden
+met haar zouden hebben.
+
+Maar, zult gij vragen, hoe hadden de tantes het wel opgenomen, toen
+zij thuis kwam met de boodschap dat zij niet mee mocht gaan? Ja, wat
+zal ik u daarvan zeggen! 't Spijt mij wel, maar 't moet er uit: Nanni
+had er niets van verteld! Zij was van plan den geheelen dag maar uit
+te blijven en 's avonds naar huis te gaan, als de trein was aangekomen
+waarmee de anderen terugkwamen! In haar onnoozelheid meende zij dat de
+tantes er dan niets van zouden bemerken, en zij dus de berisping en de
+straf ontliep die zij anders bepaald zou krijgen. Zij was al heel vroeg
+de deur uitgegaan, schijnbaar om zich naar 't schoolgebouw te begeven,
+maar spoedig daarna de achterdeur binnengekomen en weer stilletjes
+naar haar kamertje geloopen. De tantes lagen nog lekker in bed.
+
+Hoor!! Wat was dat? O ja, daar kwamen ze aan! Hoe vroolijk zag Rosa
+er uit, en wat stond dat blauwe hoedje lief op haar blonde haren;
+Mina en Cato liepen gearmd naast haar, en zorgden er voor dat zij Ko
+niet uit het oog verloren, die een groote tasch over zijn schouder
+had hangen, zeker gevuld met het lekkers waarover Mina gisteravond
+had gesproken! Wat was die Ko toch een dikke jongen, 't leek wel
+of hij nu al niet meer voort kon! Neen, dan was Gus veel aardiger;
+hij kon wel erg plagen, en Nanni hield eigenlijk niet van hem, maar
+hij was soms zoo erg grappig dat iedereen om hem lachen moest.
+
+Ja, daar gingen ze, nog een stuk of tien andere jongens en meisjes,
+alles even jolig en levendig en achteraan mijnheer Ebels, en--meester
+Struis! O, die meester Struis, was die er gisteren niet geweest,
+dan.... Och, dan had zij zeker wel wat anders gedaan, waarvoor zij
+straf had gekregen, dacht onze arme Nanni.
+
+Een paar van de jongens die het laatste liepen hadden de tong
+uitgestoken en een langen neus getrokken, toen zij voorbij Nanni's
+woning kwamen. Zij had het wel gezien, maar wat die flauwerts deden
+kon haar niets schelen, want zij zouden het niet wagen, als zij haar
+zagen! Neen, ze waren bang voor haar, want ze kon het best tegen
+hen opnemen, als 't er op aan kwam! Niet erg jongejuffrouwachtig,
+niet waar? Maar dat komt er van, als men zoo weinig bemind en zoo'n
+baasje is!
+
+Toen zij goed en wel uit het oog verdwenen waren nam Nanni haar
+kans waar en sloop op haar teenen de trappen af, haastig de gang en
+de achterdeur uit, en daar stond zij buiten juist toen Trijntje,
+de meid der tantes, de keukendeur opende om de kachel aan te gaan
+maken. Nanni haastte zich door den tuin, het hek uit, en weldra
+was zij, den tegenovergestelden kant die haar vriendinnetjes gegaan
+waren, het dorp uitgeloopen. Zij snelde het bosch in en hield niet op,
+voordat zij haar lievelingsplekje onder den grooten boom bereikt had.
+
+Daar viel zij op het zachte mos neder en bleef een poosje voor zich
+uit zitten staren. Niet, dat zij iets zag van hetgeen haar omringde,
+o neen, haar gedachten waren bij haar schoolmakkers; zij meende
+dat zij nu al weggereden zouden wezen, en onwillekeurig kwamen de
+waterlanders voor den dag. Langzamerhand bedaarde zij echter, en
+begon zij eens te bedenken wat zij doen zou. Daar blijven dat ging ook
+niet, want zij wilde niet dat iemand haar zou zien. Zij stond dus op
+en liep dieper het bosch in, totdat zij op een afgelegen plek kwam,
+waar bijna nooit de bewoners van Frankendaal kwamen. Daar ging zij
+op een omgewaaiden boom zitten en haalde een boek uit den zak, dat
+zij opensloeg en waarin zij aanstonds begon te lezen. 't Was een boek
+vol mooie sprookjes dat zij op haar laatsten verjaardag had gekregen,
+en dat haar altijd opnieuw aantrok en boeide.
+
+Zij was niet voornemens naar vrouw Berens te gaan, want dan zou zij
+moeten vertellen, dat zij haar tantes in den waan had gelaten dat
+zij mee naar Amsterdam ging, en zij wist niet recht waarom, maar zij
+begreep dat baker dat niet goed zou vinden;--kortom, zij zou het maar
+eens probeeren het dien dag zonder eten te doen en in het bosch te
+blijven ronddwalen.
+
+Maar nu wil ik u toch in gedachten eens laten meegaan met het vroolijke
+troepje dat feest ging vieren! We moeten ons wel haasten, want ze zijn
+ons een heel eind vooruit, maar gelukkig halen we hen juist in nu zij
+uit de Tram stappen die te Amsterdam naar de Plantage rijdt,--en in
+die Plantage is de dierentuin.
+
+Mijnheer Ebels zorgde er voor, dat het jonge goedje goed en wel den
+tuin inkwam, en meester Struis hield hen in orde.
+
+"Waar eerst naar toe, meneer?" vroeg de laatste.
+
+"Naar de apen!" riep Gus.
+
+"Naar de olifanten!" zeide Cato.
+
+"Naar de nijlpaarden?" vroeg Ko.
+
+"Volgt mij maar," zeide de heer Ebels, zonder op al die uitroepen
+acht te slaan. "Ik weet hier den weg, en jullie zult alles zien, dat
+beloof ik je. Maar niet op je eigen houtje wegloopen of dieren plagen,
+dan breng ik je bij den portier en moet je daar wachten totdat wij
+gereed zijn."
+
+Zij gingen eerst links af een laan in, waar zij aanstonds kameelen
+en dromedarissen in 't oog kregen.
+
+"Op dat beest zou ik wel eens willen rijden!" riep Gus uit. "Tusschen
+die twee bulten zou ik wat gemakkelijk zitten."
+
+"Je meent den kameel" zeide mijnheer Ebels "maar 't zou je niet
+meevallen voor iemand die het niet gewend is; in de woestijnen, die..."
+
+"Wat zijn woestijnen?" vroeg Ko.
+
+"Groote, dorre zandvlakten, waar niets groeit en ook geen water te
+krijgen is," vertelde mijnheer Ebels. "In ons land vindt men ze niet,
+maar in warme landen, zooals Afrika; daar zijn woestijnen, die zoo
+groot zijn, dat men er weken achtereen reizen moet om er uit te komen."
+
+"Zijn daar ook spoortreinen?" vroeg Rosa.
+
+"Wel neen, kind, en er wonen geen menschen ook in."
+
+"Maar waarom gaan de menschen er dan naar toe?" vroeg Cato,
+
+"Vooreerst omdat zij er door moeten trekken om van de eene stad naar de
+andere te komen, en ten tweede zijn er van die zwervende volksstammen,
+die er zich veel ophouden. Als zij nu in de woestijn gaan, nemen zij
+kameelen mee, daar die dieren heel taai en sterk zijn en bovendien
+zeer weinig drinken noodig hebben. Zij krijgen volop water voor zij
+de reis aanvaarden, en dit bewaren zij in een zak onder aan hun keel,
+zoodat als de reizigers gebrek aan water krijgen, zij slechts een
+kameel behoeven te dooden en weer drinkwater hebben."
+
+"Dat zal ook niet lekker smaken," meende Rosa, haar neusje optrekkend.
+
+"Als je maar eens goed dorst hebt, dan zie je zoo nauw niet," hernam
+mijnheer Ebels. "Maar komaan, ziet eens hier, dat zijn lama's, die
+zeer goede wol geven."
+
+"O, dat zijn die spuwbeesten!" riep Mina uit, terwijl zij haar
+vriendinnetjes achteruit trok.
+
+"Dat loopt zoo'n vaart niet," zeide meester Struis lachend; "maak ze
+niet boos, dan zul je er geen last van hebben!"
+
+Zij kwamen nu ook bij de herten, en daarna bracht mijnheer Ebels hen
+bij de struisvogels en kasuarissen.
+
+"Waarom gaan we nu niet verder?" vroeg Ko, toen de heer Ebels bij de
+struisvogels bleef staan en daar 't een en ander van vertelde.
+
+"Luister liever," beet Gustaaf hem toe.
+
+"Och ik weet wel, dat de veeren van die beesten op de hoeden worden
+gedragen," bromde Ko.
+
+"Weet je dan ook hoe zij doen, als zij in gevaar verkeeren?" vroeg
+de heer Ebels, die hem verstaan had.
+
+"Dan loopen ze zeker weg." pruttelde Ko; "ik wou dat ik ook weg mocht
+loopen!" dit laatste zeide hij zeer zacht.
+
+"Neen, jongetje, dan blijven zij staan en verbergen hun kop tusschen
+het gras," vertelde de onderwijzer. "Zij meenen, dat als zij hun
+vervolgers niet zien, dezen hen ook niet in het oog kunnen krijgen!"
+
+"Doen de apen dat ook?" vroeg een andere, die erg naar de apenkooi
+verlangde.
+
+"Wel neen," riep meester Struis uit. "Waarom vraag je dat?"
+
+"Och, ik dacht dat zij alles nadeden wat andere dieren doen, en dat
+er daarom van naäpen gesproken wordt," verklaarde deze kleine geleerde.
+
+"Mij dunkt, we moesten nu maar naar de apenkooi gaan," hernam de heer
+Ebels, na op zijn horloge gekeken te hebben; "daarna zullen wij een
+broodje eten."
+
+"En wanneer dan naar de wilde dieren?" vroeg Gustaaf teleurgesteld. "Ik
+verlang zoo naar de leeuwen en tijgers."
+
+"Die loopen niet weg," zeide de heer Ebels; "straks."
+
+"'t Zou er ook gek uitzien, als zij wegliepen," fluisterde Mina haar
+vriendin Cato in; "dan zouden zij ons allen wel opeten."
+
+Schertsend en joelend bereikte ons troepje de apenkooi. Reeds een
+eind er vandaan hoorden zij de groote bel luiden, die midden in
+het hok hing, en zij begrepen natuurlijk eerst niet, waar dat gelui
+vandaan kwam. Dat was een gekrioel daar achter die traliën! 't Leek
+onze vriendinnetjes en vriendjes toe, alsof er wel honderd, of zooals
+Ko beweerde, duizend van die aardige, kleine springers in waren! Zij
+waren als water zoo vlug. Daar hing er één met zijn achterpooten te
+slingeren aan een ketting, die van het eene naar het andere einde
+was gespannen. Verbazend, wat ging dat vlug! Wip! Daar duikelde hij
+om, greep ook met zijn voorpooten den ketting en liep er zoo vlug
+overheen, alsof hij een koordedanser was. Waar naar toe? Ha, ja naar
+de bel! Dat was dus de aap, die den post van klokkeluider waarnam,
+en hij zat met zulk een ambitie te luiden, dat hij niet bemerkte,
+dat er een ander achter hem aankwam en hem onverwacht achteroverhaalde.
+
+"Die leelijkerd!" riep Cato uit, die met ingespannen aandacht had
+staan kijken. "Nu zal dat aardige aapje vallen!"
+
+Maar neen hoor, de sinjeur tuimelde wel achterover, maar greep tevens
+met een zijner handen den boomstam, die in het midden der kooi stond,
+bleef daar hangen en trok met de andere hand zijn vijand zoo geducht
+aan zijn staart, dat deze luid begon te schreeuwen, de klok in den
+steek liet en de ander na ging loopen. Met bewondering zagen zij naar
+de vlugge en kluchtige sprongen, die de vroolijke dieren maakten,
+en telkens barstten zij in een hartelijk gelach uit.
+
+"Pas op, Ko," riep meester Struis waarschuwend uit, "achteruit!"
+
+'t Was maar waarlijk goed, dat ons Kootje vlug achteruitsprong, want
+hij zag eensklaps den ruigen arm van een allerliefst zwart aapje
+naast zich verschijnen. Haastig stak hij den schelm een noot toe,
+en had het genoegen te zien, dat deze hem heel netjes kraakte en
+begon op te peuzelen, toen een andere, zoo vlug als een matroos,
+die uit den mast glijdt, langs de traliën naar beneden kwam, heel
+handig de noot wegpakte en er in een ommezien mee verdwenen was. Het
+kleine, zwarte aapje zat den dief een oogenblik verbaasd na te kijken,
+maar zeker bemerkte hij wel, dat deze te groot en te sterk was, om
+een gevecht te durven beginnen en daarom krabde hij zich maar eens
+achter de ooren en keek de meisjes en jongens smeekend aan.
+
+"Die leelijke dief!" had Rosa aanstonds uitgeroepen. "Toe, Gus,
+geef een paar amandelen aan dat kleine aapje!"
+
+"Wil jij ze hem geven?" vroeg Gustaaf heel galant, "of ben je soms
+bang dat hij je vinger ook beetpakt?"
+
+"Wel neen, geef maar op!" riep Rosa ongeduldig uit. "Daar arm, klein
+ventje, pas nu op, dat ze 't je niet weer afnemen! Ko, geef jij nu
+aan dien grooten een noot als hij er weer bijkomt!"
+
+'t Aapje nam de amandelen heel voorzichtig en netjes aan, stopte degene
+die hij nog niet opat, tusschen zijn achterpootjes en begon er een
+te kraken, terwijl hij Rosa met zijn slimme, heldere oogjes aankeek.
+
+"Ik zou hier wel willen blijven!" riep Mina uit, "de apen vind ik
+het alleraardigst!"
+
+"Ik ook," zeide Cato. "Zie eens die met die lange staarten, wat hangen
+die er kluchtig aan!"
+
+"Dat zijn zeker slingerapen," voegde Ko er bij.
+
+"En wat koesteren en vertroetelen zij die jongen," zeide Rosa. "Zie
+daar eens... O wee, nu gaan ze vechten!"
+
+"'t Is nog al gauw gedaan," riep Ko uit; "ze toffelen elkaar niet
+zooals wij dat doen, als we vechten."
+
+"Die apen zijn ook veel aardiger dan jullie!" antwoordde Mina
+minachtend. "Om jullie moeten we nooit zoo lachen!"
+
+"Dan zal ik je maar niets meer uit mijn tasch geven," zeide Ko
+beleedigd, "en...."
+
+"Kom, kom, Ko, je moet zoo gauw niet boos worden," riep Cato sussend;
+"jullie zijn weer op een andere manier aardig, niet zoo aardig als
+de apen, maar je bent ook geen aap!"
+
+"Dat zou ik ook niet graag wezen," antwoordde Ko tevredengesteld en
+met een hooge borst. "Een aap is maar een aap!"
+
+Mina wilde iets ondeugends zeggen en opende haar lippen reeds, maar
+Cato trok haar aan haar arm en fluisterde haar in om te zwijgen,
+want dat Ko haar anders bepaald niets meer van de rozijnen zou geven.
+
+"Kom aan, jongelui, nu een tafeltje om ons broodje te kunnen eten;
+ieder krijgt een glas melk," riep de heer Ebels. "Is iedereen
+present? Ja? Neen! Waar is Gustaaf?"
+
+Allen keken rond, maar Gustaaf was er niet bij. Rosa wist het ook
+niet, en juist wilde meester Struis een laantje inloopen om te zien of
+hij het verloren schaap daar ook kon vinden, toen een angstig gegil,
+dat uit het winterhok der apen kwam, hun in de ooren klonk. Er in te
+vliegen was het werk van een oogenblik; allen meester Struis na, en wat
+zij zagen, deed hen eerst ontstellen, en daarna in lachen uitbarsten.
+
+Gustaaf stond midden in den smallen doorloop tusschen de kooien, die
+zich aan weerszijden bevonden, of juister gezegd, hij stond niet in het
+midden, maar vlak bij een der kooien, en daar stond hij niet vrijwillig
+ook. Een groote aap had met de eene hand zijn arm vastgepakt, terwijl
+hij met de andere zijn oor stevig beet had. Gustaaf die zich niet
+verroeren kon, of zijn oor deed hem vreeselijk pijn, stond daar als
+'t beeld der radeloosheid en gilde en riep zoo hard hij kon om hulp.
+
+'t Was wezenlijk zoo gemakkelijk niet om hem van zijn aanvaller te
+verlossen, dat ondervond meester Struis, en ook mijnheer Ebels kon
+bitter weinig uitrichten, want als zij de handen van het dier los
+wilden maken, kneep het Gustaaf hoe langer hoe harder en begon te
+brommen, zoodat Gustaaf de tranen uit de oogen liepen van pijn. Ko
+echter kreeg een inval! Hij zeide evenwel niets, en ondanks het geroep
+van den heer Ebels, snelde hij weg en kwam een oogenblik daarna met
+den oppasser terug.
+
+"Wat is dat?" zeide de oppasser, terwijl hij naderbij kwam. "Laat los,
+Cesar!" en hij dreigde het dier met een rieten stok.
+
+Langzaam week de groote aap achteruit, met de oogen strak op zijn
+oppasser gericht. Eindelijk voelde Gustaaf dat de greep aan zijn
+arm en oor losser werd, en hij meende reeds dat hij vrij was, toen
+hij een onbedachte beweging maakte en het nijdige dier eensklaps
+luid brommend zijn nagels nogmaals diep in het oor drukte en daarna
+losliet en achter in het hok vluchtte.
+
+Gustaaf voelde zich niet bevrijd of hij sprong aanstonds een heel
+eind terug en kwam tegen het tegenovergestelde hok terecht, waar een
+klein aapje hem spottend zat aan te kijken.
+
+"Pas toch wat op, jongeheer, je bent pas verlost, of daar spring je
+alweer naar een anderen snuiter toe," waarschuwde de oppasser. "Dat
+kleintje is ook een rakker als hij begint!"
+
+Haastig verwijderde Gustaaf zich, zijn zakdoek stijf tegen het
+mishandelde oor gedrukt en snelde den tuin in. Natuurlijk liepen
+allen hem achterna, en verlangde de heer Ebels eerst eens te weten
+hoe zijn oor er uitzag, en daarna hoe hij zoo in de klem geraakt was.
+
+Het oor bloedde geducht want er waren verscheidene leelijke krabbels
+op, maar gelukkig waren dat de ergste wonden; in de mouw van zijn kiel
+was een winkelhaak maar dat was van zoo weinig belang dat toen die
+met een paar spelden gerepareerd was, niemand er notitie van nam. Een
+natgemaakte zakdoek deed het bloeden van het oor spoedig bedaren,
+en toen Gustaaf genoegzaam van den schrik hersteld was, vertelde hij
+hoe het gekomen was dat hij zoo geducht in 't nauw was geraakt.
+
+"Ik was even naar binnengeloopen, mijnheer," zeide hij, "om te zien
+of er nog dieren waren, en toen zag ik zulke aardige, kleine aapjes en
+bleef staan kijken; zeker ben ik te ver achteruitgegaan, want eensklaps
+voelde ik mij beetgepakt door een aap dien ik niet gezien had. O,
+ik was zoo geschrikt! Eerst hield ik mij stil, want ik was bang dat
+u knorren zoudt, als u zag dat ik stilletjes naar binnen was gegaan,
+en ik dacht dat die aap het maar voor de grap deed!"
+
+"Hij zag je zeker voor familie aan," kon Mina niet nalaten aan te
+merken, "en hij meende dat je bij hem in het hok behoordet!"
+
+"Plaag hem nu niet, Mina," zeide Rosa, die erg medelijden met haar
+vriendje had en medelijdende blikken op het gehavende oor wierp. "Hij
+heeft nu narigheid genoeg."
+
+"Och, die stumper!" riep Mina halfluid uit; maar zij meende het zoo
+kwaad niet, want zij was eerst erg geschrikt toen zij het bloedende
+oor zag, maar zij hield veel van plagen, die ondeugd!
+
+"En ben je toen gaan schreeuwen?" informeerde Cato.
+
+"Jij zoudt ook wel geschreeuwd hebben," antwoordde Gustaaf pijnlijk
+glimlachend. "Hè, ik voel die nagels nog!"
+
+"Ik vind dat je niet eens erg geschreeuwd hebt," bekende Cato
+openhartig, "ik zou zeker een keel op hebben gezet, alsof ik vermoord
+werd. Was maar dadelijk gaan schreeuwen, des te eerder waren wij bij
+je geweest!"
+
+"Dat hielp niet veel of wij er al bij waren," zeide nu de heer Ebels,
+die hen maar onder elkaar had laten praten, "als Ko niet zoo flink bij
+de hand was geweest en den oppasser had gehaald, dan weet ik niet of
+Gustaaf nog wel twee ooren zou hebben. Je hebt een pluimpje verdiend,
+Ko! Ik hoop dat je altijd, ook in latere jaren zooveel tegenwoordigheid
+van geest zult hebben!"
+
+Ko keek erg verlegen en stak uit verbouwereerdheid een handvol
+rozijnen in zijn mond, zoodat hij geen woord kon zeggen, en Mina hem
+waarschuwend aan den arm trok, daar zij bang was dat hij alles op
+zou eten.
+
+Weldra zaten allen onder de heerlijke boomen, aan drie aan elkander
+gezette tafeltjes smakelijk te eten,--maar lang rust hadden zij niet,
+want er was nog zooveel te zien, dat zij bang waren dat de dag niet
+lang genoeg zou zijn.
+
+"Goed, wij zullen nu verder gaan," zeide de heer Ebels die wel
+bemerkte waar de schoen wrong, "maar nu allen bij mij blijven! Je
+hebt aan Gustaaf gemerkt hoe 't je bekomt als je op je eigen houtje
+uitstapjes maakt!"
+
+In een oogwenk waren allen opgestaan, en nu ging men het keurig nette
+bruggetje over naar den overtuin.
+
+De pelikanen, zwanen, eenden enz. die in de vijvers zwommen trokken
+al dadelijk de aandacht der meisjes, die aanstonds brood en beschuit
+begonnen te kruimelen en dat in het water wierpen. Maar lang konden
+zij daar niet blijven, de heer Ebels maakte wat haast. Eerst naar
+de leeuwen en tijgers had hij gezegd, en zoo gingen zij dan ook. O,
+welke prachtige wilde dieren zagen zij daar! Wel vonden de meisjes dat
+brullen niet erg pleizierig en schrikten zij terug toen een groote,
+gestreepte tijger haar met zijn glinsterende, groenachtige oogen zoo
+valsch aankeek, maar toch genoten zij er in dat zij nu die dieren,
+die zij maar alleen op prentjes hadden gezien, zoo voor zich zagen. En
+die leeuwen! Daar kon Mina haast niet vandaan komen; de leeuwin kon
+haar minder schelen, maar die leeuw met zijn prachtige lange manen
+betooverde haar.
+
+"Hoe raar dat de leeuw zooveel mooier is dan de leeuwin," zeide Mina
+die gearmd met haar stond.
+
+"Ja, jammer," beaamde Cato; "ik zou het aardiger vinden als het wijfje
+mooier was."
+
+"Zeker!" riep Mina uit. "Dan zou 't net zijn als bij de menschen!"
+
+"Hoezoo?" vroeg Gustaaf.
+
+"Wel, meisjes zijn veel mooier dan jongens," antwoordde zij zonder erg.
+
+"'t Zou wat!" riep Ko. "Jullie denkt zeker, dat je zoo mooi bent,
+als... als..." een geschikte vergelijking wilde onzen jongen held niet
+invallen; hij zweeg ook maar, want hij zag dat de oogen van Cato zóó
+spottend op hem gericht waren, dat hij wel begreep dat hij geducht
+door de meisjes zou geplaagd worden, als hij iets zeide.
+
+"Nu naar den olifant!" werd er geroepen, en daar die zijn hok er vlak
+naast had werd er geen tijd verloren. De oppasser van het groote dier
+was er bij, en toen deze zag hoeveel schik de jongelieden er in hadden,
+als hij zijn langen snuit door de traliën stak om amandelen en noten
+aan te nemen, die hem gegeven werden, besloot hij het dier nog meer
+kunsten te laten vertoonen.
+
+"Kijk eens, Rosa, haalt de oppasser daar niet een koffiemolen voor
+den dag?" fluisterde Cato deze in; zij durfde het niet hardop zeggen,
+daar zij bang was dat de jongens er haar mee voor den gek zouden
+houden als zij zich vergiste.
+
+"Wel zeker," zeide Rosa aanstonds; "wat zou hij daarmee doen?"
+
+Ook de oppasser had haar hooren fluisteren, en zeide nu glimlachend:
+"Ja, jongejuffrouwen, nu moet u eens kijken, dan zult u zien, dat de
+olifant evengoed koffie kan malen als een keukenmeid!"
+
+En waarlijk op een paar bevelende woorden van den man, nam het groote,
+logge dier met zijn snuit den slinger beet, en draaide dien in het
+rond dat het een lust was het te zien. Daarna moest hij met zijn
+voorpooten knielen, en ten laatste moest hij op een rond stuk hout
+met alle vier zijn pooten gaan staan.
+
+Toen die kunsten afgeloopen waren, waarnaar allen in stomme verbazing
+hadden staan kijken, stak de olifant zijn snuit weer door de traliën,
+en nu legde de heer Ebels er een dubbeltje in, dat het dier heel
+netjes in 't bakje deed, dat aan den muur hing, nadat hij eerst het
+dekseltje had opgelicht.
+
+"Nu moet ik hem nog wat geven om op te eten!" riep Mina uit, "dat
+heeft hij wel verdiend. Kom, Ko, geeft wat amandelen!"
+
+"Er zijn er nog zoo weinig," zeide Ko, die wel graag iets voor zich
+zelf bewaarde.
+
+"Kom, wees nu niet zoo schrokkig, jongen!" antwoordde Mina
+verwijtend. "De olifant krijgt het ook niet alle dagen."
+
+"Ik ook niet," pruttelde Ko.
+
+"Hij krijgt anders dikwijls wat lekkers, jongejuffrouw," zeide nu de
+oppasser, "want als hij zijn kunsten vertoont, geven de kinderen hem
+bijna altijd wat."
+
+Mina echter stoorde er zich niet aan en grabbelde eenige mangelen
+uit Ko's tasch, die zij het dier toereikte.
+
+Daarna kwamen zij bij de giraffen, de mooie dieren met hun lange
+halzen en hooge pooten.
+
+"Wat zijn ze mooi bruin gevlekt!" riep Gustaaf uit, "maar wat is hun
+lijf kort in vergelijking met hun hals en pooten!"
+
+"Ja, dat is zoo," zeide de heer Ebels, "maar 't zijn sierlijke beesten;
+jammer dat ze zoo erg teer zijn. Ze kunnen volstrekt niet tegen koude
+of tocht, en ze moeten heel zorgvuldig opgepast worden, anders sterven
+ze. Er zijn er hier al verscheidene gestorven!"
+
+"Wat hoor ik daar toch raar schreeuwen!" zeide Ko, toen zij den tuin
+een eind verder ingewandeld waren.
+
+"'t Is een akelig geluid."
+
+"O, dat zullen de zeeleeuwen zijn," meende meester Struis; "daar
+komen wij straks, wij gaan nu eerst naar de nijlpaarden."
+
+"Zeeleeuwen!" riep Mina verwonderd uit. "Zien die er ook zoo uit als
+de leeuwen die wij straks gezien hebben?"
+
+"Zouden ze ook zoo mooi zijn?" vroeg Cato. "Maar wat zullen die mooie
+manen nat worden, als ze in de zee leven!"
+
+"Geduld maar," vermaande de heer Ebels glimlachend. "Je moet je echter
+niet verbeelden, dat ze er uitzien als landleeuwen."
+
+"Hoe dan? Hoe dan?" riepen allen door elkaar.
+
+"Dat zul je wel zien," antwoordde de heer Ebels, terwijl hij voor
+een groot gebouw bleef staan. "Hierin, jongelui; dat is het paleis
+van de nijlpaarden."
+
+"Wat een groot huis!" riep Rosa verwonderd uit. "'t Is veel grooter
+dan het huisje van vrouw Berens bij ons op 't dorp!"
+
+"De nijlpaarden zijn ook veel grooter dan vrouw Berens," zeide de
+heer Ebels vroolijk. "Kijk maar eens; wat zeg je van zulk een mondje!"
+
+Juist opende een der dieren den bek en onwillekeurig traden de kinderen
+een paar schreden achteruit, toen zij dien opengesperden muil boven
+het water zagen uitkomen.
+
+"Hè, hoe akelig," zeide Rosa huiverend.
+
+"Ik zou ze wel eens uit het water willen zien," zeide Gustaaf aan
+meester Struis. "Zouden ze er niet eens uitkomen?"
+
+De oppasser, die in het hok bezig was, beloofde dat hij ze er eens
+zou laten uitkomen, en 't duurde dan ook niet lang of het mannetje
+kwam langzaam uit het water en liep het hok binnen.
+
+"Wat is dat dier groot!" riep Ko uit.
+
+"En wat heeft het korte pooten!" voegde Gustaaf er bij.
+
+"'t Lijkt wel een groot, heel groot varken," meende Mina.
+
+De oppasser vertelde dat het eene dier 3000 ponden woog, iets waarover
+zij zich braaf verwonderden.
+
+Daarna gingen zij naar de zeeleeuwen, en--toen zag Mina tot haar
+verbazing, dat zij hoegenaamd niets op landleeuwen geleken. Zij vonden
+ze lang zoo mooi niet.
+
+"Waarom noemen ze die glibberige beesten leeuwen?" riep Gustaaf
+verontwaardigd uit. "'t Lijken wel zeehonden!"
+
+"Ja, ik vind ze leelijk en akelig," voegde Ko er bij, "en dan
+schreeuwen ze als magere speenvarkens!"
+
+"'t Spijt mij, dat ze jullie goedkeuring niet wegdragen," zeide de heer
+Ebels, die braaf pret had in hun uitroepen. "Maar zij kunnen er niets
+aan doen en moeten zoo glibberig en wel maar voort blijven leven."
+
+"Wat plassen ze in dat water!" zeide Cato. "Komen ze er nooit uit?"
+
+"Jawel," antwoordde de heer Ebels. "Kijk daar komt hun oppasser met
+een mandvol visch; misschien komen zij nu wel voor den dag."
+
+En 't was zoo. De man ging de kunstig gemaakte rots op en aanstonds
+ging een der zeeleeuwen hem achterna, en toen hij een handvol vischjes
+naar beneden in de waterkom wierp, sprong het dier ook naar beneden
+en hapte gretig naar het voedsel.
+
+"Hoe aardig is dat!" riep Mina opgetogen uit. "Hoe slim van dat dier
+om den oppasser achterna te springen!"
+
+"Ja, dat is nog al aardig," zeide Ko, "maar ik vind het toch akelige
+dieren. Gaan we nu weer verder, mijnheer?"
+
+En zij gingen verder, den geheelen tuin door, keken naar alle beesten
+en lieten zich alles haarfijn uitleggen.--Maar hoe graag ik hen ook met
+u zou willen volgen, waarlijk ik kan 't nu niet doen, want wij moeten
+eens naar Frankendaal terug, waar de arme Nanni is achtergebleven,
+die, in plaats van zooveel pleizier te hebben, met een hongerige maag
+in het bosch ronddwaalde.
+
+
+
+
+
+
+III.
+
+HOE NANNI DEN DAG DOORBRACHT.
+
+
+"Trijntje! vraag eens aan de dames of ik haar eens eventjes mag
+spreken,--maar een oogenblikje," zeide vrouw Berens aan de dienstmaagd
+van Nanni's tantes.
+
+"Wel, vrouw Berens, hoe maak jij het?" antwoordde Trijntje, haar
+armen in de zijde zettende en blijde dat zij eens een praatje kon
+maken. "Menschlief, 't gebeurt ook niet vaak, dat jij zoo uit wandelen
+gaat; ga maar rechtuit den tuin in, de dames zitten achter onder den
+lindeboom thee te drinken."
+
+Vrouw Berens strompelde de gang door, den tuin in en was weldra bij
+den boom, waaronder de dames zaten.
+
+"Wel, baker, daar doe je goed aan, dat je eens komt praten," zeide
+de oudste juffrouw vriendelijk; "ga zitten, dan zal ik je een kopje
+thee inschenken."
+
+"Heel graag, juffrouw!" antwoordde vrouw Berens. "Wat is 't vandaag
+mooi weer. Ik hoef niet te vragen of de juffrouwen gezond zijn,
+want ze zien er uit als rozen."
+
+"Kom, kom, baker, nu zet je ons in het zonnetje!" schertste de
+middelste. "Wat treffen die kinderen het vandaag, vind je niet? Je
+weet toch dat ze naar Amsterdam zijn?"
+
+"Wel zeker weet ik het," zeide de oude vrouw, haar kopje opnemende;
+"ik heb maar zoo'n verdriet er van, dat Nanni er niet bij is."
+
+"Er niet bij is!" herhaalde een der dames. "Kom, baker, nu ben je in
+de war; ze is vanmorgen al om halfzeven weggegaan."
+
+"Mocht ze dan toch mee? Wel dat doet me pleizier!" hernam vrouw Berens
+vergenoegd. "Dan begrijp ik ook, waarom ze vandaag niet bij mij kwam,
+zooals zij gisteren beloofd had!"
+
+De tantes keken ernstig, want zij begrepen dat er iets niet in den
+haak was, hoewel zij niet wisten wat er aan haperde.
+
+"Luister eens, baker," zeide de oudste juffrouw nu: "wij weten er niets
+van, dat Nanni niet mee zou gaan; vertel ons eens wat er gebeurd is."
+
+"Och, als de zaak toch in orde is gekomen, moesten wij er maar niet
+meer over spreken," zeide vrouw Berens goedhartig.
+
+"Wij zullen er niet over spreken, baker; maar wees zoo goed en vertel
+het ons."
+
+"Nu, dan is het wat anders," begon vrouw Berens. "Gisteren kwam Nanni
+schreiend bij mij en vertelde mij, dat zij niet mee mocht, omdat zij
+brutaal tegen meester Struis was geweest; maar zeker heeft mijnheer
+Ebels medelijden met haar gehad, en is zij toch meegegaan. Toen zei
+ik, dat zij aan u moest vragen of zij dan een poosje bij mij mocht
+komen, en daar zij niet kwam meende ik, dat de dames boos op haar
+waren en haar thuis hielden. Nu kwam ik eigenlijk een goed woordje
+voor haar doen, want och, ze had er zoo'n spijt van, dat ze ondeugend
+was geweest."
+
+"Ik begrijp er niets van!" zeide tante Net, na een oogenblik gezwegen
+te hebben, "maar ik denk dat ze toch nog mee is mogen gaan; want waar
+zou ze anders zitten?"
+
+"Nu, dat doet me recht veel pleizier voor haar," zeide vrouw Berens
+opstaande. "'t Ging me zoo aan mijn hart dat ze niet mee was, dat ik
+mijn middagdutje niet heb kunnen doen."
+
+Vrouw Berens ging nu weg en liep op haar gemak naar het huisje,
+innig blijde dat haar lieveling zoo'n aangenamen dag had.
+
+Zooals wij weten, was Nanni naar het bosch gegaan en niet van zins bij
+vrouw Berens te komen, zooals zij deze beloofd had. Een poosje ging het
+haar heel naar den zin. Zij werd vroolijk, begon zachtjes een liedje
+te neuriën en was gelukkig; want er was niemand die haar plaagde of
+onaardig tegen haar was. Zij behoefde zich boos noch driftig te maken,
+en als zij den ring, dien zij van baker gekregen had, niet aan haar
+vinger had gevoeld, dan zou zij zich hebben kunnen verbeelden dat
+zij al de narigheid van den vorigen dag gedroomd had.
+
+Zij had een poosje zoo gezeten en zij dacht dat het nu wel twaalf
+uur zou zijn; zij kreeg wat honger, maar zij besloot zich goed te
+houden. Eigenlijk vond zij in haar hart, dat die honger een straf voor
+haar was, omdat zij haar tantes niet had gezegd wat er gebeurd was, en
+dapper wilde zij die straf dragen. Zij zocht en vond wat boschbessen,
+en daar die haar hielpen haar dorst te lesschen, was zij erg in haar
+schik en dwaalde nog wat verder af het bosch in. Nu hoorde zij niets
+meer van het dorp; hè, dáár zou zij wel willen wonen in een klein,
+lief huisje met vrouw Berens om het eten te koken. Zij moest maar
+niet aan eten denken, want dan kwam het water haar in den mond! Zij
+had sedert gisterenmiddag vier uren niets gebruikt: 's avonds had
+zij geen boterham kunnen eten, "van pleizier" dachten de tantes, van
+"verdriet" zei Nanni; en nu vanmorgen had zij er in het geheel niet
+aan gedacht, zoodat ze zoo'n akelig gevoel in haar maag kreeg.
+
+Zij wilde verder gaan, toen zij eensklaps een paar schitterende
+oogen door het struikgewas zag glinsteren, die haar oplettend
+aanstaarden. Natuurlijk schrikte Nanni. Wie zou ook niet geschrikt
+zijn?
+
+Vóór zij het echter nog met zichzelf eens was, welken kant zij op zou
+loopen, kwam er eensklaps een kolossaal groote hond te voorschijn
+springen, die haar met zijn verstandige oogen smeekend aankeek en
+haar bij haar jurk trok.
+
+Nanni begreep er niets van. Eensklaps begon de hond klagend te blaffen
+en al snuffelend om haar heen te loopen.
+
+"Wat scheelt er aan?" vroeg zij, hem over den kop streelend. "Kon je
+maar praten, dan kon je 't mij vertellen, hé! Heb je honger? Ik kan
+je niets geven, want ik heb ook honger, en bessen lust je niet!"
+
+Zoo babbelend met den hond was zij langzaam voortgeloopen en
+onwillekeurig volgde zij den weg dien het dier insloeg.
+
+"Hector! Hector!" hoorde zij eensklaps roepen en verwonderd keek zij
+om, ten einde te zien waar die stem vandaan kwam.
+
+Hector was echter bij haar vandaan gesprongen, naar een boom, waarbij
+Nanni nu een man zag liggen. Aarzelend ging zij naar hem toe.
+
+"Zoo, Hec! heb je iemand bij me gehaald; dat is goed oude jongen;"
+zeide hij. "Ik geloof dat ik een vlerk gebroken heb, juffie," vervolgde
+de man op zijn been wijzende.
+
+"Hoe akelig," riep Nanni uit; "en moet je nu hier maar blijven liggen?"
+
+"Als 't kan, liefst niet," antwoordde de man, terwijl hij een pijnlijk
+gezicht trok. "Ik zou wel graag naar het dorp toe willen."
+
+"Maar hoe kun je daar komen?" vroeg Nanni. "Je kunt immers niet
+loopen!"
+
+"Neen, loopen kan ik niet, maar ze zullen mij wel willen komen halen,
+als ze op 't dorp maar weten, dat ik hier lig," antwoordde de man.
+
+"Zoo? Nu dan zal ik iemand gaan halen," zeide Nanni. "Naar wien zal
+ik gaan?"
+
+"'t Is waar, iedereen is op het land aan het werk," hernam de
+man teleurgesteld; "dan zou 't je niet helpen of je naar het dorp
+gingt. Maar blijf wat bij mij, ik lig hier al zoo lang moederziel
+alleen."
+
+"Maar hoe komt het, dat je je zoo bezeerd hebt?" vroeg Nanni, terwijl
+zij op het zachte mos ging zitten.
+
+"Wel, zie je dien tak daar liggen?" vroeg hij naar een tamelijk dikken
+tak wijzend, die op den grond lag. "Ja! Nu, ik ben met dien tak en
+al uit dezen boom gevallen."
+
+"Maar waarom klom je in den boom?" vroeg Nanni. "Of wist je den
+weg niet?"
+
+"En zou ik daarom in een boom klimmen?" zeide de man verbaasd. "Wat
+zou mij dat helpen?"
+
+"Klein Duimpje klom ook wel in een boom, omdat hij verdwaald was,"
+zeide Nanni halfluid, "maar die was klein."
+
+"Juist, en ik niet precies," antwoordde de man lachend. "Neen, zoo
+was het niet; ik wou eenvoudig een stevigen tak afbreken om er een
+stok van te snijden."
+
+"Zoo," zeide Nanni; "maar je moogt geen takken van de boomen breken;
+als de boschwachter het ziet, dan word je in den kelder onder het
+raadhuis gesloten."
+
+"Wel, wel, wat leest dat kleine ding mij daar de les!" hernam de man
+lachend. "Nu 't zou zoo'n vaart wel niet zijn geloopen, denk ik! Je
+bent zeker zelf een heel gehoorzaam en lief meisje!"
+
+Nanni kreeg een kleur tot over haar ooren en had wel onder den grond
+willen kruipen.
+
+"Neen," zeide zij, "ik ben erg brutaal en ondeugend en.... en...."
+
+"Komaan, nog meer?" riep de man uit. "Mij dunkt het zondenregister
+is groot genoeg. Oprecht ben je ten minste wel!"
+
+"Ach ook niet," zuchtte Nanni beschaamd; "ik heb vandaag heel leelijk
+gedaan."
+
+"Zoo zoo, en wat heb je zoo al voor kattenkwaad uitgevoerd?" vroeg hij.
+
+Nanni, die anders niet licht spraakzaam was tegen iemand dien zij niet
+kende, vertelde met horten en stooten welk verdriet zij had en hoe
+zij haar tantes in den waan had gelaten dat zij mede naar Amsterdam
+was gegaan.
+
+"Dat is wezenlijk allesbehalve mooi van je," zeide de man, terwijl
+hij bedenkelijk het hoofd schudde. "En waar wilde je naar toe gaan,
+toen mijn hond je vond?"
+
+"Naar baker, ik meen naar vrouw Berens," verbeterde Nanni zich zelf,
+daar zij wel begreep dat de man niet zou weten wie baker was.
+
+"Kijk eens aan, dat treft aardig!" riep hij uit. "Vrouw Berens is
+mijn moeder. Je hebt haar zeker wel eens hooren praten van haar zoon,
+die ver hier vandaan woont? Nu die ben ik, en ik kwam haar juist eens
+opzoeken om te vragen of zij bij mij wilde wonen."
+
+"O, wat zal ze blij zijn!" riep Nanni uit. "Ze heeft me zoo dikwijls
+verteld, dat zij nog een zoon had, en ze verlangde zoo hem nog eens
+te zien."
+
+"Zoo, dat doet me pleizier," zeide de man opgeruimd; "'t is nu maar
+jammer, dat ik met een gebroken been aankom, maar daar is niets aan
+te doen.... Gelukkig dat de boschwachter mij niet in den kelder heeft
+gesloten!" Dit laatste zeide hij, terwijl hij haar lachend aankeek.
+
+"Wil ik eens naar het huisje van baker loopen?" stelde Nanni voor. "Dan
+kan zij misschien wel iemand opzoeken die je helpen kan."
+
+"Ja, dat was niet kwaad," meende de man. "Er zullen nu misschien wel
+eenige mannen weerom zijn; 't is al wel een uur of zes."
+
+Nanni liep zoo snel ze kon; nu en dan moest zij zelfs even stil
+blijven staan om adem te halen, maar zij was dan ook heel gauw aan het
+welbekende huisje. Driftig stiet zij de deur open en kwam.... in een
+leege kamer! Dat viel haar tegen! Zij had er zoo stellig op gerekend
+de oude vrouw thuis te vinden; zij ging immers bijna nooit uit. Weinig
+dacht zij, dat vrouw Berens naar haar tantes was gegaan en daar nu
+heel bedaard onder den lindeboom een kopje thee zat te drinken.
+
+Wat moest zij nu doen? 't Beste vond zij om maar te wachten totdat de
+oude vrouw terugkwam, want lang zou zij zeker niet wegblijven. Zij
+ging dus op den drempel van de huisdeur zitten, en nam de groote
+poes op haar schoot, die naar buiten was komen loopen, toen Nanni de
+kamerdeur had geopend.
+
+'t Duurde niet lang of zij zag vrouw Berens aankomen; poes werd op
+den grond gezet, en Nanni liep de oude vrouw te gemoet, die niet wist
+of zij haar oogen durfde vertrouwen.
+
+"Ben jij toch hier kind?" riep zij uit, vóórdat Nanni nog iets kon
+zeggen. "Foei wat ben je een ondeugende meid!"
+
+"Och, baker, wees nu niet zoo boos," smeekte Nanni; "ik heb een
+boodschap voor je!"
+
+"Wat boodschap! Ik wil niets van je weten," riep vrouw Berens, die
+werkelijk boos en bedroefd was over Nanni's gedrag. "Ik wil je niet
+meer zien; ga aanstonds naar de tantes!"
+
+Zij deed de deur achter zich dicht en liet Nanni buiten staan. Ge
+begrijpt, dat het schreien haar nader stond dan het lachen, en hoewel
+anders zoo'n driftkopje, vergat zij thans boos te worden, daar zij
+zich herinnerde, dat de zoon van vrouw Berens daar al zoo lang buiten
+lag en nog al geen hulp zou krijgen.
+
+"Doe open, baker, doe open!" gilde zij, op de deur slaande. "Ik moet
+er in, ik moet!"
+
+Er kwam geen antwoord van binnen, en Nanni werd zoo doldriftig,
+dat zij met haar voeten tegen de deur begon te schoppen.
+
+"Ga naar je tantes, kind; ik wil je vandaag niet zien!" klonk nu de
+stem van vrouw Berens.
+
+"Luister dan toch even, leelijke baker!" riep Nanni half snikkend. "In
+het bosch daar ligt je zoon, en hij heeft zijn been gebroken!"
+
+"Wat praatje nu kind?" vroeg vrouw Berens, de deur weer opendoende.
+
+"Je zoon is gevallen, en heeft mij naar je toe gestuurd," snikte
+Nanni. "Wil je me nu nog niet gelooven? Ik heb toch nog nooit gejokt!"
+
+"Je hebt mij gisteren wat voorgejokt, toen je me beloofdet alles aan
+de tantes te vertellen," zeide de oude vrouw ernstig. "En de tantes
+heb je wel niet voorgejokt, maar je hebt haar toch wel laten denken,
+dat je mee met de kinderen waart, en dat is even leelijk als jokken!"
+
+"Ach, baker, 't is waar," riep Nanni bitter bedroefd, "maar wezenlijk
+je zoon ligt onder een boom; hij is gevallen en gelooft dat hij zijn
+been heeft gebroken."
+
+Toen vrouw Berens dit eindelijk geloofde, wist zij niet wat zij moest
+beginnen. Gelukkig kwam er juist een buurman met zijn wagen van het
+land, en nu vroeg zij of die hem wilde gaan afhalen. Nanni zou meegaan
+om hem te wijzen waar het was, en de oude vrouw zou thuis blijven,
+een bed klaar maken, en zorgen dat er iemand naar den dokter ging om
+naar het been te komen kijken.
+
+Heel gauw was de wagen bij de plek waar de man lag, die recht in zijn
+schik was toen hij bemerkte, dat hij uit zijn lastige positie zou
+verlost worden. Hij werd er op geladen, Hector sprong hem achterna,
+en voort reden zij naar het huisje van vrouw Berens.
+
+Spoedig hield de wagen nu stil. De oude vrouw stond met een gelaat
+glinsterend van genot hen op te wachten en had oogen noch ooren voor
+iemand behalve voor den zoon, dien zij in geen tien jaren gezien had.
+
+"Dat is een treurige aankomst, moedertje," zeide hij opgewekt toen
+hij haar zag. "Ik had nog al gedacht u zoo te verrassen!"
+
+"Wel jongen ('t was een man van veertig jaren, maar de oude vrouw
+beschouwde hem nog als een kind), ik ben veel te blij dat ik je zie,
+om aan iets anders te kunnen denken! Wel, wel, wat heb ik naar je
+verlangd!"
+
+'t Was een heele drukte in het kleine huisje; de buren kwamen in en
+uit loopen en deden vrouw Berens honderd vragen, die deze echter
+niet kon beantwoorden, want zij had haren zoon nog niet verder
+kunnen spreken. Maar Nanni zou misschien meer kunnen vertellen. Waar
+was Nanni?
+
+Niemand wist het, niemand had haar gezien, niemand wist waar zij
+gebleven was!
+
+'s Avonds om halftien kwam de trein aan, waarmee de kinderen uit
+Amsterdam terug zouden komen.
+
+"Mij dunkt, Nanni moest nu toch al hier zijn," meende de oudste tante
+eenigszins wrevelig.
+
+"Ze is misschien even bij een der vriendinnetjes ingeloopen," zeide
+haar zuster vergoelijkend; "na zoo'n heerlijken dag praten zij graag
+nog een oogenblik!"
+
+Daar sloeg de klok tien.
+
+"Neen maar, nu kan 't niet langer," zeide tante Net. "Trijntje! loop
+eens even naar Rosa en vraag of de jongejuffrouw thuis komt als ze
+er is."
+
+Trijntje deed haar boodschap, maar kwam natuurlijk onverrichter zake
+terug. De tantes wisten niet, wat zij er van moesten denken en zonden
+de meid nu naar den onderwijzer. Maar de boodschap die zij van hem
+kregen bracht haar nog meer in de war. Nanni was niet mee geweest!
+
+De tantes waren nu wezenlijk ongerust, en 't gekste was dat zij niet
+wisten, waar zij het meisje moesten zoeken.
+
+Zij wilden naar vrouw Berens zenden, maar herinnerden zich, dat deze
+niet beter wist of Nanni was met de kinderen mee geweest.
+
+Ge kunt begrijpen, dat de tantes dien nacht niet naar bed gingen,
+zoo angstig waren zij; zij konden zich maar niet begrijpen wat er
+van het meisje geworden was.
+
+Den volgenden morgen vroeg kwam er iemand om haar te spreken.
+
+"Wel Teunis, wat is er?" vroeg de oudste tante.
+
+"Juffrouw, neem mij niet kwalijk, dat ik maar zoo brutaal ben om
+binnen te komen," begon de man, terwijl hij zijn pet in zijn handen
+ronddraaide, "maar vrouw Berens stuurt mij en laat vragen of de
+jongejuffrouw eens bij haar zoon mag komen; hij wou haar zoo graag
+eens bedanken!"
+
+"Mijn nichtje?" zeide een der tantes. "Maar waar is zij gisteren
+dan geweest?"
+
+"Wel, zij heeft gezorgd dat Berens bij zijn oude moeder kwam," zeide
+Teunis verwonderd. "Ik zelf heb haar gereden, en nu kom ik even die
+boodschap doen."
+
+Uit dien man kon men niet wijs worden, begrepen de tantes, en zij
+besloten zelf naar het huisje van vrouw Berens te gaan.
+
+Zoodra zij bij vrouw Berens kwamen, was haar eerste vraag, wat deze
+van Nanni afwist. De oude vrouw vertelde alles en bejammerde het,
+dat zij den vorigen dag zoo hard voor het kind was geweest en haar
+niets te eten had gegeven; zij meende echter, dat ze naar huis was
+gegaan en daar haar scha wel zou hebben ingehaald.
+
+"Wat! is Nanni den geheelen dag zonder eten geweest?" riep tante Net
+verschrikt uit. "Waar is zij dan toch?"
+
+"Ik dacht bij u," stamelde vrouw Berens bedremmeld.
+
+"Aanstonds het bosch in en haar zoeken," riepen de dames uit. "Maar
+hoe vinden wij haar?"
+
+"Neemt den hond mee, dames; die kent haar nu," zeide Berens, "en dan
+wat melk en brood! O, wat spijt het mij, dat ik niet mee kan gaan!"
+
+Haastig gingen de dames, vergezeld van Hector op weg, en zie,
+'t duurde niet lang of de hond draafde blaffend een laan in, en
+daar vonden zij het kleine meisje, doodsbleek met gesloten oogen op
+den grond liggen. Hector likte haar de wangen, maar zij bleef stil
+liggen, en eerst na een geruimen tijd gelukte het, haar door eau de
+cologne bij te krijgen. Zij gaven haar een weinig melk te drinken,
+(niet te veel, want dat zou niet goed zijn) en langzamerhand kwam er
+weer wat kleur op die bleeke wangen.
+
+"Maar, kind! heb je hier den geheelen nacht gelegen?" vroeg tante
+Net medelijdend.
+
+"Ja, neen, ik weet het niet," zeide Nanni. "Is u niet erg boos?"
+
+"Neen, ik ben veel te blij, dat ik je gevonden heb," riep zij uit. "O
+wat hebben wij van nacht in ongerustheid gezeten!"
+
+"Dus houdt u toch nog van mij?" vroeg Nanni, terwijl zij haar
+schitterende oogen opsloeg.
+
+"Wij houden allen van je; hou jij maar wat meer van ons, dan zul je
+vrij wat gelukkiger zijn," zeide tante Net half schreiend.
+
+"Dan beloof ik u, dat ik veel liever zal wezen, dan ik geweest ben,"
+antwoordde Nanni met een gelukkig lachje. "O, tantes, u weet niet
+wat een akelige dag het gisteren voor mij was, en dat nog wel op:
+
+
+ HET SCHOOLFEEST."
+
+
+
+
+
+
+
+
+OP DE KOSTSCHOOL.
+
+
+I.
+
+LUILEKKERLAND.
+
+
+"Ze heeft weer een trommel vol van huis gekregen,--ik heb het zelf
+gezien!"
+
+"Die schrok, ze eet alles weer alleen op!"
+
+"Ik wou dat ze er zich zóó in verslikte, dat ze in geen acht dagen
+kon eten!"
+
+"Zoo'n gulzigaard!"
+
+Deze uitroepen vlogen als vuurpijlen uit de monden van eenige jonge
+meisjes, die op de speelplaats van een kostschool bijeen waren. Allen
+zagen er opgewonden en tamelijk boos uit, terwijl zij de uitgezochtste
+scheldwoorden bedachten en die op de schuldige toepasten.
+
+"Uitschelden helpt niet," zeide thans een meisje, dat tot dusverre
+gezwegen had, en op een laag muurtje, dat de speelplaats van den
+moestuin scheidde, zat, terwijl zij haar beenen heen en weder liet
+slingeren.
+
+"Neen, dat weten we ook wel!" riep een ander.
+
+"Wij moesten haar eens een poets spelen," zeide een derde.
+
+"Juist Kee; daar heb ik ook over zitten denken, terwijl jullie zoo
+door elkaar schreeuwdet," antwoordde Jet, goedkeurend knikkend.
+
+"En weet je al wat?" vroeg Jeanne, terwijl zij Jet aan haar beenen
+trok om haar van het muurtje af te krijgen.
+
+"Laat staan, Jeanne!" riep Jet uit, die zich uit alle macht aan
+haar zitplaats vastklemde om haar evenwicht te bewaren en niet te
+vallen. "Doen jullie allemaal mee, als we iets doen?"
+
+"Wel zeker, wat graag!" riepen allen dooreen, en dansten al door
+elkander van de pret.
+
+"Als 't wat grappigs is, anders niet!" zeide Jeanne.
+
+"Bedenk jij dan maar wat grappigs!" riep Kee uit, "je bent zoo'n
+slimmerd!"
+
+"Wat zou er wel in die trommel zitten?" vroeg Mies nu.
+
+"Allerlei snoepgoed," verzekerde Jo, die er alles van wist; "ik zag
+dat zij een vuilen mond had, en dus waren er zeker bolussen ook in,
+want die zijn zoo stroperig."
+
+"Heerlijk, bolussen!" riep Jet watertandend uit. "En eet dat spook
+nu zoo alles alleen op?"
+
+"We moeten er vanavond eens over spreken, als we naar bed gaan,"
+zeide Jeanne.
+
+"Waarover? Over bolussen?" vroeg Kee. "Die eet ik liever."
+
+"Och neen, ik meen hoe we Nora beet zullen nemen," zeide Jeanne. "Wees
+toch niet zoo flauw, kind, om te doen alsof je mij niet begrijpt!"
+
+"Maak nu geen ruzie, Jeanne," riep Mies; "je kunt ook volstrekt niet
+tegen plagen!"
+
+"Jij zeker wel, hè wijsneus!" riep Jeanne uit, terwijl zij Mies eens
+flink aan haar lange vlecht trok, waarvoor deze haar tot straf in
+haar kuiten kneep.
+
+"Ai, dat's gemeen!" riep Jeanne, naar haar been voelend.
+
+"Die kaatst, moet den bal verwachten!" riep Jet, van haar hooge
+zitplaats, "'t Helpt niet of we die spreekwoorden al moeten schrijven,
+Jeanne, als je ze zoo gauw vergeet!"
+
+"Ga maar niet preeken," zeide Jeanne nu weder lachend; "ik zal Mies
+wel vinden, ze kan niet tegen kriebelen!"
+
+"O genade," gilde Mies, als een kakkerlak in het rond springend,
+zoodat haar lange haarvlecht in het gezicht van een dame vloog,
+die juist om den hoek en haastig naar het groepje toekwam.
+
+"Komaan, meisjes, 't is tijd om in huis te komen!" riep zij, in de
+handen klappend, uit. "De andere klassen zijn al binnen!"
+
+"Hoe zonde om met dit mooie weer in huis te zijn, juffrouw!" zeide
+Jet. "Zoudt u ons hier geen les kunnen geven?"
+
+"Geen dwaasheid, meisjes," antwoordde deze. "Komaan Jet, kom van het
+muurtje af; je zult je mooi vuil hebben gemaakt."
+
+"Daar is de wasch goed voor," mompelde Jet, van haar zitplaats
+afspringend en naar huis snellende.
+
+"Is Nora al binnen?" vroeg de juffrouw aan Jeanne.
+
+"Die is niet buiten geweest, juf," antwoordde deze; "dat kind zit
+boven snoepgoed te eten."
+
+"Wat zegt ge dat verachtelijk, Jeanne," merkte de juffrouw aan. "Jij
+zoudt het ook wel lusten, als 't je gestuurd werd!"
+
+"Ze heeft er juf zeker wat van gegeven," fluisterde Jet Mies in
+het oor, waarop deze, die goedlachs was, in een vreeselijke lachbui
+uitbarstte.
+
+"Wat is er, Mies?" vroeg de juffrouw verwonderd.
+
+"Och niets, juf," antwoordde Kee onnoozel; "ze heeft wel eens meer
+zoo'n lachstuip."
+
+Nu moet ge weten, dat de klasse der meisjes die wij ontmoet hebben,
+niet groot was, en dat zij daardoor nog al erg op elkander gesteld
+waren,--al kibbelden zij soms ook geducht.
+
+Zij hadden, vóór Nora op school kwam, met elkander afgesproken, dat
+elk die van huis wat lekkers gestuurd kreeg, appelen, koek, of wat
+dan ook, dat getrouw met de anderen zou deelen, en niets stilletjes
+opeten. De onderwijzeres die dit wist, keurde het zeer goed, daar
+ze op die manier, vooreerst mededeelzaam leerden zijn en ten tweede
+haar maag niet overlaadden, hetgeen anders het geval wel eens had
+kunnen wezen. Getrouw hadden de meisjes die bepaling opgevolgd,
+en als er met Sinterklaas of bij een verjaardag een trommel kwam,
+lokte dat een luid gejuich bij ons clubje uit, en werd die in de
+tegenwoordigheid van allen ontpakt en de inhoud eerlijk verdeeld.
+
+Nora werd aanstonds ingewijd in deze bepaling, en hoewel zij er in
+den beginne niet veel op zeide, merkten zij wel aan haar gezicht, dat
+het haar niet te best beviel. Nu moet gij weten, dat Nora een eenig,
+wel wat vertroeteld meisje was, en daar zij broertjes, noch zusjes had,
+natuurlijk niet gewend om van het hare mee te deelen aan anderen.
+
+Niet dat zij wezenlijk zoo schrokkig was, als de andere meisjes
+dachten, maar zij vond het hard, dat zij zich aan een bepaling zou
+moeten onderwerpen, die zij niet mee verzonnen had; bovendien meende
+zij, dat haar mama dat lekkers voor haar, haar alléén stuurde en niet
+om er anderen het grootste gedeelte van te laten opsmullen.
+
+Op die manier had onze Nora gedacht, en langzamerhand was zij tot
+het vaste besluit gekomen om zich niet aan de bepaling der andere
+meisjes te storen, en juist te doen zooals zij zelf het prettigste
+vond. Zij besloot er echter voorloopig niets van te zeggen, maar te
+wachten totdat haar iets gestuurd werd. Dat duurde niet lang! Haar
+moeder had al heel gauw een trommel klaargemaakt, en op een goeden
+dag bracht de besteller het pak, dat met een luid gejuich door Kee
+en Jeanne, die het de dienstmaagd afhandig hadden gemaakt, naar de
+slaapzaal van ons zestal werd gebracht, waar Nora zich bevond.
+
+"Doe gauw open, Nora!" riep Jeanne brandende van nieuwsgierigheid uit.
+
+"Daar is een schaar," voegde Kee er bij, terwijl zij er haar een
+met één punt overreikte; "zij knipt goed, als je er maar voorzichtig
+mee bent!"
+
+"Mies! Jet!" riep Jeanne aan de deur gaande staan. "Komt gauw hier,
+Nora heeft een trommel gekregen!"
+
+Van alle kanten waren de geroepenen aan komen vliegen en weldra
+stonden zij in gespannen verwachting in een nauw kringetje om Nora
+met de trommel, die nog geen enkel woord gesproken had, maar haar
+schat krampachtig vasthield.
+
+"Doe dan toch open, Nora!" riep Mies ongeduldig.
+
+"Ze kan zich bijna niet bewegen, je hangt heelemaal tegen haar aan,"
+waarschuwde Jet Mies op zijde trekkend.
+
+"Doe je 't nu, of doe je het niet?" vroeg Jeanne verwonderd.
+
+Nora antwoordde niet, maar nam de schaar en begon de touwtjes door
+te knippen waarmee het papier om de trommel vastgemaakt was. Zij
+haastte zich niet bijzonder met dat werk, maar eindelijk was het toch
+gereed, en nu werd het deksel opengeslagen en vertoonde zich al de
+heerlijkheid, die er in verborgen was, aan de oogen der verlangende
+meisjes.
+
+"Daar is de brief," zeide Mies, terwijl zij het papier opnam, en het
+edelmoedig aan Nora overreikte.
+
+"'t Ziet er lekker uit," meende Jeanne, met haar neus snuffelend.
+
+"Niet aankomen!" riep Jet, terwijl zij Kee terugtrok.
+
+"Ik wees er alleen maar naar!" verontschuldigde deze zich.
+
+"Komaan dan, Nora," riep Jo.
+
+"Wat voer je nu uit?" vroeg Jeanne verbaasd, toen zij zag dat Nora
+doodbedaard de trommel dichtdeed en er haar hand op legde. "Verdeel
+je nu niet?"
+
+"Doe je 't liever vanavond, ga dan je gang," zeide Jet edelmoedig.
+
+"Ik ben niet van plan om mijn lekkers (zij drukte op dat woordje mijn)
+te verdeelen," zeide Nora langzaam.
+
+"Hé, waarom niet?" riep Mies verwonderd uit.
+
+"Daarom niet," zeide Nora; "ik wil van jullie lekkers ook niets hebben,
+en geef jullie niets van het mijne!"
+
+"Dat's gemeen!" riep Jeanne driftig uit. "En je hebt het beloofd!"
+
+"Dat is niet waar," hernam Nora. "Vraag maar aan Jet, of ik het wel
+beloofd heb! Ik heb niets geantwoord."
+
+"Ze heeft gelijk," zeide Jet, "beloofd heeft ze 't niet. Maar ik
+dacht niet, dat je zoo gniepig zoudt doen!"
+
+"Is dat gniepig! Omdat ik niet wil, dat jullie opeten wat mijn Mama
+mij stuurt, daarom schelden jullie me uit!" riep Nora uit. "Ik weet
+zeker dat ik veel meer van huis krijgen zal dan jullie, en dan zou
+ik er bij te kort komen!"
+
+"Weet je wat, spook van een meid," zeide Jeanne nu, "houdt jij je
+lekkers; al gaf je me nu de geheele trommel, dan zou ik niets van je
+willen hebben."
+
+"Dat zou je wel willen," antwoordde Nora plagend, "maar ik doe het
+niet. Laat mij maar met rust."
+
+"Komt, meisjes, gaat mede," zeide Jet nu. "Laat haar maar loopen,
+we zullen haar wel vinden!"
+
+Hoewel Mies, Jo, Kee en Jeanne het wel jammer vonden om den buit in
+den steek te laten, volgden zij den raad van Jet toch op, na nog een
+begeerigen blik op de weggesloten lekkernijen geworpen te hebben,
+terwijl Nora met het air van een overwinnaar en de hand op haar schat
+haar glimlachend na stond te kijken.
+
+Zoodra zij weg waren, haalde zij verruimd adem en opende de trommel
+weer, om eens op haar gemak te onderzoeken, wat er al zoo in was. Zij
+had gevreesd, dat het een veel harder strijd zou wezen om haar goed
+recht te handhaven, en gevoelde zich nu bovenmate verlicht dat het
+zoo gemakkelijk was gegaan.
+
+Deze laatste gebeurtenis had plaats gehad, toen Nora ongeveer veertien
+dagen op de kostschool was geweest, en gedurende den tijd, die er
+op volgde, had zij zich streng aan haar voornemen gehouden, hetgeen
+aanleiding had gegeven dat zij geen vriendinnetje had gekregen en
+alleen stond tegenover ons vijftal.
+
+Of Nora dit prettig vond? Ik durf u wel verzekeren, dat het haar
+volstrekt niet beviel. Zij was gewend, toen zij thuis was, dat allen
+even lief voor haar waren en alles voor haar inschikten, maar daar
+kwam op de school, ten minste wat haar aanging, niets van in. In het
+binnenste van haar hartje speet het haar nu wel wat, dat zij de zaak
+zoo ruw had aangepakt, en zij had gaarne een klein gedeelte van haar
+lekkers gemist, als zij op goeden voet met de meisjes was. Maar berouw
+kwam te laat!
+
+En dus had Nora weer "luilekkerland" thuis gekregen, en wij hoorden
+aan de verontwaardigde uitroepen aan het begin van dit hoofdstuk,
+dat het weer het oude liedje was.
+
+'s Avonds, alvorens zij naar bed gingen, beraadslaagden de meisjes
+lang en breed, wat zij zouden doen om Nora eens geducht te plagen,
+en het duurde niet lang of zij hadden volgens haar meening, een
+kostelijk plannetje bedacht.
+
+"Wie zal de boodschap doen?" vroeg Kee.
+
+"Ik wil 't wel doen," riep Jeanne uit.
+
+"Dan ga ik met je mee," zeide Mies, die er dol op was om eens buiten
+het hek van "Landlust" (zoo heette de kostschool) te komen.
+
+"Maar niet meer," zeide Jet, die eigenlijk ook wel lust zou hebben
+gehad om mee te gaan, maar 't nu niet wilde zeggen.
+
+"Waarom mogen we niet allemaal mee?" vroeg Jo.
+
+"Wel, begrijp je niet, dat ze 't dan zouden merken?" riep Kee
+uit. "Verbeeld je eens, de heele klasse naar den drogist!"
+
+"Maar wanneer zullen we gaan?" vroeg Mies. "Wij moeten niet te lang
+wachten, anders heeft zij luilekkerland leeg gesnoept, voordat wij
+haar beet kunnen hebben."
+
+"Vanavond, zou 't dan niet gaan?" vroeg Jeanne, terwijl zij Jet als
+raadgeefster aankeek.
+
+"Dat kan niet, want je zult bepaald nu niet meer uit mogen," zeide Jet.
+
+"Maar ik ben niet van plan het te vragen!" riep Mies vol vuur uit. "Als
+wij 't aan juf vragen, dan moeten wij precies vertellen, waar wij
+naar toe willen en wat wij gaan doen, en dan is de pret uit. Want ik
+jok niet om dat kind!"
+
+"We moeten stilletjes maken, dat wij wegkomen," zeide Jeanne;
+"we klimmen eerst over het muurtje den moestuin in en kruipen dan
+door de schutting, je weet wel waar die oude plank zoo vermolmd is;
+wij zijn dan buiten, en er kraait geen haan naar!"
+
+"Ja, juist!" juichte Mies. "Laten wij nu dadelijk maar gaan!"
+
+"Domme meid!" zeide Kee, "en straks moeten wij allen in de eetzaal
+komen om een boterham te eten. 't Zou wat moois zijn, als Mies en
+Jeanne dan weg waren."
+
+"Kee heeft gelijk," zeide Jet; "jullie kunt zoo gauw niet terug
+wezen. Hoe zou je 't vinden, als je morgenvroeg eens gingt?"
+
+"Ik vind het 's avonds veel aardiger," pruttelde Mies.
+
+"Als je niet wilt, dan ga ik mee," zeide Jet.
+
+"Neen, ik wil wel," riep Mies; "maar is de drogist zoo vroeg al op?"
+
+"Dan schellen we net zoolang totdat hij zijn slaapmuts buiten het raam
+steekt!" zeide Jeanne opgewonden, "O, wat zullen we een pret hebben!"
+
+"Maakt het maar niet te erg, anders komt hij nog klagen," waarschuwde
+Jet.
+
+"O, neen, daar zullen we wel op passen," beloofde Mies.
+
+"Luister eens, Jeanne: heb je geld genoeg?" vroeg Jet.
+
+"'t Zal zoo'n schat wel niet kosten," meende deze, terwijl zij in
+haar zak naar haar beursje voelde. "Zie eens, ik heb twee dubbeltjes
+en drie centen!"
+
+"Ik heb ook een kwartje," zeide Mies, "maar we betalen het met mekaar,
+hoor; anders dan kan ik in geen vier weken jullie en me zelf op
+balletjes trakteeren!"
+
+"Als je terugkomt, rekenen wij wel af," beloofde Jet; "ik heb geld
+en Kee en Jo ook, niet waar?"
+
+"O hemel ja, ik ben zoo rijk als... als... Salomo!" riep Kee uit,
+die niets anders kon bedenken.
+
+"Salomo was wijs," zeide Jeanne deftig. "Als je dus zei: zoo wijs
+als Salomo, dan was 't beter."
+
+"Kom, hij was rijk ook," hield Kee vol; "hij was immers een koning
+en koningen zijn altijd rijk!"
+
+"Nu ja," beaamde Jeanne schoorvoetend, "maar..."
+
+"Zij denkt aan Salomo's kat, die van wijsheid van de trappen rolde,"
+riep Jo lachend uit.
+
+"Ik wou, dat ik ook zoo wijs was," zuchtte Jo.
+
+"Om ook van de trappen te rollen?" vroeg Mies lachend.
+
+"Och neen, om de sommen die ik morgen moet maken," bekende Jo;
+"'t zal weer een tranendag voor mij zijn!"
+
+"Je moet ze mij, voor wij naar bed gaan, nog maar eens laten zien,"
+zeide Kee goedhartig, "dan zal ik ze je zoo'n beetje uitleggen."
+
+"Graag!" riep Jo uit, wier gezichtje ophelderde. "O, ik wou dat er
+geen sommen bestonden!"
+
+"Hoe laat zullen wij morgen weggaan?" vroeg Mies nu.
+
+"Natuurlijk moeten we terug zijn, voordat juf op de slaapzaal komt,"
+zeide Jeanne, "anders merken ze het."
+
+"Om zeven uren komt juf ons roepen; dus jullie mogen wel om zes
+uren opstaan," antwoordde Jet. "In een kwartier kun jullie je wel
+aankleeden; dan een half uur voor de boodschap en een kwartier om je
+weer uit te kleeden en in bed te kruipen."
+
+"Goed, dat's afgesproken!" riepen allen uit.
+
+"Laten wij er nu maar niet meer over spreken, anders verklappen wij
+ons zelf nog!"
+
+Zoo gezegd zoo gedaan! Wel konden zij onderwijl zij haar avondboterham
+aten niet nalaten elkander steelsgewijze aan te kijken, te knipoogen
+en te lachen, maar zij praatten er niet over. Haar vroolijkheid
+vermeerderde niet weinig, toen Nora voor haar boterham bedankte en
+zeide dat zij geen honger had.
+
+"Geen honger, Nora; je bent toch niet ziek?" vroeg de juffrouw bezorgd.
+
+"Aha, Luilekkerland! Luilekkerland! Luilekkerland!" neuriede Jeanne
+ondeugend.
+
+De juffrouw, die wel wist wat het meisje hiermede bedoelde, glimlachte
+dan ook gerustgesteld, toen Nora haar stotterend antwoordde, dat zij
+niet ziek was, maar alleen geen eetlust had.
+
+Kort daarop gingen allen naar bed; gelukkig sliep Nora niet op de
+groote slaapzaal, maar in een kabinetje dat er in uitliep en waar
+ook een secondante sliep, anders had het er gek met het plan der
+meisjes uitgezien. Ze sliepen al heel gauw, de meisjes, vooral Mies,
+die een heel, heel klein beetje begon te snurken, waarop zij door al
+de anderen zonder complimenten wakker werd geroepen en moest beloven
+dat zij 't nooit weer zou doen.
+
+"Maar ik weet niet, wanneer ik het doe," zeide Mies klagend; "ik kan
+'t toch niet helpen, als ik het in mijn slaap doe."
+
+"Slaap dan met je mond toe," zeide Jet.
+
+"Hij gaat zeker open, als ik slaap," zeide Mies berouwvol, "want als
+ik naar bed ga, houd ik mijn tanden stijf op elkaar."
+
+"Ik zal een stuk van een grauw velletje met een touw voor je mond
+binden," beloofde Kee.
+
+"Maar dan stik ik," klaagde Mies, "dan vindt jullie me 's morgens
+dood in bed."
+
+"Dat 's niet waar," zeide Jet. "Je kunt immers ademhalen door je neus,
+en als je nog eens zoo snurkt, krijgt je het voor! Ga nu maar weer
+slapen, anders ben je morgenochtend niet vroeg genoeg wakker!" Mies,
+die haar oogen niet open kon houden, liet zich dit geen tweemaal
+zeggen, maar zonk weer op het kussen en was geen halve minuut later
+weer ingeslapen, nu echter zonder te snurken.
+
+Gerustgesteld sliepen ook de anderen weldra in en wel zoo lekker dat
+men er jaloersch op zou worden.
+
+Den volgenden morgen scheen de zon zoo vroolijk en ondeugend in de
+slaapzaal, dat Jet, die al een poosje gewoeld had, er wakker van
+werd. Een oogenblik bleef zij nog soezend liggen, toen zij zich
+eensklaps herinnerde wat er dien ochtend moest gebeuren.
+
+"Ik hoop, dat het maar niet te laat is," dacht zij, terwijl zij hals
+over kop uit bed sprong. "Wacht, daar slaat een klok! Een slag! Zou
+dat halfzes zijn? Zeker wel, want er is nog niemand op!" Zij had door
+haar raam gekeken en bespeurd, dat alles nog in diepe rust was.
+
+"Jeanne," zeide zij nu, nadat zij eerst heel voorzichtig de deur van
+het kabinetje aangezet had. "Jeanne, sta op; 't is tijd!"
+
+Jeanne, die ook niet erg rustig geslapen had, was in een oogenblik
+wakker en zat rechtop in bed, terwijl zij Jet met verbaasde oogen
+aankeek.
+
+"Wat is er?" vroeg zij.
+
+"'t Is tijd, om naar den drogist te gaan," zeide Jet, om haar geheugen
+te hulp te komen.
+
+"O, ja," riep Jeanne uit, "heerlijk dat je mij roept!" en in een
+oogwenk was Jeanne uit bed. "Roep je Mies even?"
+
+"Mies," fluisterde Jet, terwijl zij voor het bed van het meisje stond,
+en haar hand nam.
+
+Geen antwoord volgde, maar Mies keerde zich om en verborg haar gezicht
+geheel en al in het kussen.
+
+"Mies, 't is tijd," zeide Jet nu wat harder, terwijl zij haar aan
+heur arm trok.
+
+"Hm..." bromde Mies. "W..at?"
+
+"Mies, wil je wakker worden," zeide Jet, terwijl zij haar duchtig
+heen en weder trok.
+
+"O foei, ai, ach! Je doet me pijn!" pruttelde Mies, met de oogen dicht.
+
+"Slaapkop!" riep Jet verontwaardigd, "wil je dan nooit wakker
+worden! Jeanne is al bijna klaar, om naar den drogist te gaan. Als
+je niet wakker wordt, ga ik!"
+
+Nu opende Mies haar oogen, keek een oogenblik zoo onnoozel als een
+kalf in het rond, maar toen zij Jeanne zag veranderde haar gezicht
+eensklaps, en wreef zij haar oogen uit. "O, ik sliep zoo heerlijk,"
+zeide zij luid gapend; "ik droomde dat wij de trommel van Nora onder
+elkaar leeg aten."
+
+"Eet me niet op!" riep Jet, schijnbaar verschrikt achteruitgaande
+voor den grooten mond, dien Mies opzette.
+
+"Neen, nu is 't over," verzekerde Mies. "Heb ik nog gesnurkt?"
+
+"Hoe kan ik dat weten; ik heb van nacht geslapen," zeide Jet; "daar
+straks snurkte je niet."
+
+Mies was onderwijl uit bed gekomen en had zich gehaast om zich zoo
+gauw zij kon aan te kleeden.
+
+"Ik zal me nu maar niet wasschen, en mijn haar ook niet opmaken,"
+zeide zij; "straks moet ik mij toch weer over aankleeden."
+
+"'t Is niet erg frisch," vond Jet, die weer in haar bed gesprongen
+was en vandaar uit op haar gemak lag te redeneeren.
+
+"O, als ik buiten kom, word ik frisch genoeg," meende Mies.
+
+"Ben je nu klaar?" vroeg Jeanne, haar hoed opzettende.
+
+"Ja, even mijn laars... Ziezoo, die zit. Waar is mijn hoed?" vroeg
+Mies.
+
+"Hier; ga nu gauw mee," zeide Jeanne hem haar overreikende.
+
+"Denk er aan, om achter uit te gaan," ried Jet haar; "het zijdeurtje
+is vroeg open, anders kom je de meiden tegen." Mies en Jeanne liepen
+op haar teenen de trap af, en hoewel zij de meiden voor aan de deur
+hoorden, bereikten zij ongemerkt het zijdeurtje en stonden spoedig
+aan het muurtje. In een oogenblik waren zij er over en weldra hadden
+zij ook de vermolmde plank in de schutting verder stuk geslagen en
+bevonden zich op den weg.
+
+Jet was niet weer in slaap gevallen, maar had het weldra niet kunnen
+nalaten om ook Kee en Jo wakker te roepen, om wat te praten. Zij
+vertelde, dat Jeanne en Mies weg waren en allen verheugden zich reeds
+op de pret die zij hebben zouden.
+
+"Gelukkig, dat je zoo vroeg wakker werdt," zeide Kee. "Ik kan nooit
+uit mezelf wakker worden."
+
+"Toen ik gisterenavond in slaap viel heb ik onophoudelijk gezegd:
+"Zes uur wakker! Zes uur wakker!" en dat heeft geholpen," vertelde Jet.
+
+"Maar ik slaap altijd, zoodra ik op mijn kussen lig," zeide Kee;
+"dus heb ik geen tijd om zoo iets te zeggen."
+
+"Dan moet jij je altijd maar laten roepen," zeide Jo.
+
+"Ik hoop maar, dat ze vroeg genoeg terug zijn," zeide Jet, nadat er
+een kwartier voorbij was gegaan.
+
+"Natuurlijk," zeide Kee, "ze hebben immers tijd genoeg."
+
+"Hoor eens, staat de juffrouw hiernaast niet op?" vroeg Jo eensklaps.
+
+"Ja zeker!" riep Jet uit. "O, wat zullen we beginnen, als zij hier
+komt om ons te roepen!"
+
+"Ze ziet dadelijk, dat er twee bedden leeg zijn," zeide Jo.
+
+"Wacht eens, laten wij een kussen aankleeden en dat zoo'n beetje onder
+het dek duwen," zeide Kee. "We moeten het een nachtjapon aan doen,
+dan is 't net alsof er iemand in bed ligt."
+
+"Gauw dan maar, riep Jet, en sprong uit bed, om een der kussens aan
+te kleeden. Kee en Jo namen het andere voor haar rekening, en weldra
+lagen de poppen onder de dekens.
+
+"Hoe jammer, dat ik geen vlecht heb om die op Mies haar kussen te
+leggen," zeide Kee.
+
+"Knip je eigen vlecht af, en leg die er op," zeide Jet.
+
+"Ik zou je bedanken," zeide Kee, "maar ik ben wel bang, dat juf het
+zal merken: de poppen hebben eigenlijk geen hoofden."
+
+"Weet je wat," riep Jo uit, "laten wij zoowat op den rand van haar
+bedden gaan zitten, net alsof we met haar praten, dan merkt juf
+'t misschien niet. Ga jij dan in bed, Jo, en doe alsof je slaapt."
+
+Jo sprong er in, en Jet en Jeanne hadden juist tijd om op den rand
+te gaan zitten, toen de deur van het kabinetje open werd geduwd en
+de juffrouw binnenkwam.
+
+"Hé, meisjes, al op!" zeide zij verwonderd... "Hoe kom jullie zoo
+vlug?"
+
+"Och, juffrouw, de zon heeft ons uit bed geschenen," zeide Jet.
+
+"Nu, dat's goed, maar 't schijnt dat de drie anderen nog stevig in
+de rust zijn," hernam de juffrouw.
+
+"Ja ze slapen als ossen!" riep Jeanne onrustig uit.
+
+"Ik zou je raden niet op dien rand te gaan zitten," zeide de juffrouw,
+terwijl zij naar de bedden ging, waarin de poppen lagen.
+
+"Ai! O! Ach!" riep Jo eensklaps uit, die dit door haar ooghaartjes
+had gezien, en zij begon eensklaps met haar armen te zwaaien.
+
+Aanstonds ging de juffrouw naar het ledikant van Jo en vroeg wat er
+aan scheelde?
+
+"Och, juf, ik droomde van... muizen... neen van ratten! En ik dacht
+dat ze aan mijn grooten teen knabbelden," riep Jo uit.
+
+"Kom kind, wees verstandig; er zijn hier geen ratten," zeide de
+juffrouw geruststellend.
+
+"Maar toch wel muizen," jammerde Jo.
+
+"Hoe kom je aan die gekheden?" vroeg de juffrouw verwonderd. "Er zijn
+evenmin muizen, en dan zijn er immers twee katten."
+
+"Heusch niet, juf?" vroeg Jo.
+
+"Wees maar gerust, Jo," antwoordde de juffrouw. "En sta nu maar gauw
+op, want 't is tijd; en ik moet op de andere zaal ook nog wezen. Jet
+en Kee, jullie zult Mies en Jeanne wel roepen, niet waar?"
+
+"O ja, juffrouw!" riepen beiden vroolijk uit. "Ik zal haar in haar
+neus bijten, als ze niet wakker worden;" voegde Kee er bij, toen de
+juffrouw weg was.
+
+"Ik maak je mijn compliment, Jo, je hebt je kranig gehouden," zeide
+Jet nu.
+
+"Niet waar?" vroeg deze vergenoegd. "Ja, ik heb mijn best gedaan;
+'t was benauwend, toen ze daar zoo naar jullie toekwam."
+
+"Als ik prijsjes ga geven, krijg jij een eerste voor slimheid,"
+zeide Kee.
+
+"Ik hoop, dat ze maar gauw terugkomen," hernam Jet, "want als we
+moeten ontbijten, ziet het er gekker uit."
+
+"Ja, want dan kunnen we geen aangekleed kussen mee naar beneden nemen,"
+riep Kee lachend uit.
+
+De meisjes begonnen zich onderwijl te wasschen en te kleeden, en
+nauwelijks waren zij daarmee gereed of de schel van het ontbijt begon
+te luiden.
+
+
+
+
+
+
+II.
+
+ONDEUGENDE MEISJES.
+
+
+De meisjes zagen elkander vragend aan, toen juist Nora in het vertrek
+kwam om haar boeken uit een kastje te halen en daarna naar beneden
+te gaan.
+
+Aanstonds begonnen de drie vriendinnen als razenden door het vertrek
+te springen om haar te beletten naar Mies en Jeanne te vragen, en haar
+afwezigheid op te merken. Nora keek dan ook wat vreemd in het rond
+en wist niet hoe gauw zij maken zou, dat zij uit het vertrek kwam,
+want zij had het niets op die buitengewone vroolijkheid begrepen!
+
+"Wat moeten wij nu beginnen?" vroeg Kee eenigszins angstig. "Daar luidt
+de bel voor den tweeden keer, en nu zijn Jeanne en Mies er nog niet!"
+
+"Wij moeten maar naar beneden gaan en ons wat achteraf houden;
+misschien komen ze juist bijtijds," zeide Jet.
+
+"En wat moet ik zeggen, als juf mij vraagt, waar ze zijn?" riep Jo
+met een benauwde stem uit.
+
+"Kom, het zal jou niet gevraagd worden, ten minste als je maar niet
+zoo'n gek gezicht zet," meende Kee.
+
+"Anders ga je maar weer hardop droomen van muizen en ratten!" riep
+Jet haar. "Maar komt nu toch mee, anders krijgen wij nog straf."
+
+De meisjes stormden als losgelaten veulens de trappen af en stonden
+weldra in de deur der eetzaal, terwijl zij oplettend naar binnen keken
+om te zien, of Jeanne en Mies er soms waren. Zij zagen echter niemand
+en gingen met bedrukte gezichten zitten, toen de twee afwezigen,
+die er tamelijk verwaaid uitzagen en een hoogroode kleur hadden,
+onverwacht binnentraden. Zij schoven onbemerkt naar haar plaatsen en
+knikten de vriendinnen vriendelijk toe.
+
+"Kom, Mies en Jeanne, gaat zitten, blijft niet zoo aan de tafel staan,"
+zeide de juffrouw; "je weet wel dat er orde moet wezen."
+
+"Ja, juffrouw, ik zal gaan zitten," zeide Mies terwijl zij zoo
+voorzichtig als zij kon op de tabouret plaats nam.
+
+"'t Is alsof je op eieren gaat zitten," fluisterde Jet haar in.
+
+"St!" antwoordde Mies, "ik zal je straks wel zeggen, waarom ik
+zoo doe."
+
+Allen begonnen te ontbijten, en er heerschte nu een diepe stilte,
+want onder het eten mocht er niet gesproken worden.
+
+"Mies, hoe kom je aan zooveel inktvlekken aan je handen?" zeide de
+juffrouw eensklaps. "Je hebt je toch wel gewasschen?"
+
+Allen keken naar onze jongejuffrouw, die een kleur als vuur kreeg en
+niet wist wat zij zou zeggen en maar wat stotterde.
+
+"Ja,... neen; ja, juffrouw," zeide zij haar vingers bekijkende.
+
+"Ja, neen! Wat moet ik daarvan gelooven?" antwoordde de juffrouw
+gestreng. "Ga dadelijk naar boven en wasch je handen schoon; je
+gezicht schijnt ook geen goede beurt gehad te hebben. Je zorgt,
+dat alles in orde is, als je weer beneden komt."
+
+Erg beschaamd stond Mies op en liep naar de deur, maar nu barstten
+allen in een luid gelach uit, want de rok van haar jurk stond van
+achteren zoo'n eind uit, alsof er een Noord-hollandsch kaasje onder
+verborgen was. Mies, die dit gelach wel hoorde, liep zoo gauw zij
+kon de kamer uit en gooide de deur achter zich dicht. Zij snelde
+de trap op en was boven, alvorens de juffrouw haar kon volgen om te
+onderzoeken, wat zij toch uit had gevoerd. Op de slaapzaal gekomen
+haalde zij haastig haar grooten hoed onder haar jurk vandaan en wierp
+dien op een stoel, waarna zij snel haar jurk uitdeed en zich frisch
+begon te wasschen en haar haar op te maken.
+
+Zij was juist thuis gekomen, toen de meisjes naar de eetzaal kwamen,
+en had geen tijd gehad haar hoed weg te leggen, waarom zij hem maar
+met de linten om haar middel had gebonden.
+
+Terwijl zij daar zoo bezig was hoorde zij de vriendinnetjes naar boven
+komen, en weldra werd zij zoowel als Jeanne, die mee was gekomen,
+ondervraagd.
+
+"Maar wat zijn jullie lang weggebleven!" riep Jet uit.
+
+"Dat komt, omdat die drogist maar niet wakker wilde worden!" antwoordde
+Jeanne.
+
+"En dan zijn wij eerst om halfzeven weggegaan," zeide Mies; "'t sloeg
+juist, toen wij door de schutting waren gekropen."
+
+"En hebt je wat?" vroeg Kee nieuwsgierig.
+
+"Wel zeker, een zakje vol," antwoordde Jeanne triomfeerend. "Wij
+moeten vóór het speeluur zien, dat we naar boven komen en dan een
+van allen Nora aan den praat houden."
+
+"Dat zal ik wel doen," riep Jo uit: "ik zal haar vragen, of ze mij
+wat aan mijn sommen wil helpen; dat doet ze graag, want ze is er zoo
+grootsch op dat ze zoo goed kan rekenen."
+
+"Dat zou jij ook wel wezen, als je 't zoo goed kondt," kreeg zij van
+Kee ten antwoord, "maar houdt jij haar dan maar aan den praat."
+
+"Wou hij het geven?" vroeg Jo nu.
+
+"Wie?" hernam Mies.
+
+"Wel, die drogist!" riep Jo uit.
+
+"O, zijn bediende heeft ons geholpen," zeide Jeanne. "Hij zelf kwam
+maar even om het hoekje kijken, en hij had een blauwe slaapmuts op!"
+
+"Je had eens moeten zien, hoe gek hij er uitzag!" riep Mies, hartelijk
+lachende bij de herinnering; "ik dacht dat ik een stuip kreeg van
+het lachen!"
+
+"Ja, daarom keek hij ook als een oorwurm," zeide Jeanne. "Ze lachte
+zoo erg, dat de bediende ook mee ging lachen, en toen grauwde hij
+hem vreeselijk af, en keek ons aan alsof hij ons op wou eten."
+
+"De bediende vroeg, of de geheele kostschool last van verstoppingen
+had," vertelde Mies weer; "maar toen hebben wij hem heel verachtelijk
+aangekeken, niet waar, Jeanne? Zulke vieze praatjes houden wij niet."
+
+"Ja, jij keekt al erg verachtelijk," zeide Jeanne, haar schouders
+ophalend; "je stondt maar te proesten!"
+
+"Maar ik heb toch wat netjes betaald," riep Mies uit. "Hoor eens,
+straks moeten wij afrekenen."
+
+"Is 't veel?" vroeg Jo nieuwsgierig.
+
+Jeanne noch Mies hadden tijd om op deze vraag te antwoorden, want
+de bel luidde weer, wat het sein was dat de lessen begonnen. Allen
+haastten zich naar het lokaal en verwachtten met ongeduld het
+twaalfuursklokje, daar zij dan een uur vrijaf hadden.
+
+Of die ochtend de meisjes ook lang duurde! Maar eindelijk sloeg
+het klokje van twaalven, en aanstonds ging ons viertal naar boven,
+terwijl Jo Nora aanklampte, die dit niet erg prettig scheen te vinden.
+
+"Waar is het nu?" vroeg Jet, nog buiten adem van het ophollen der trap.
+
+"En wat is het?" voegde Kee er bij.
+
+"Sjalappenpoeder!" zeide Mies. "Kom, Jeanne geef het zakje."
+
+Haastig haalde deze het voor den dag, en nu gingen de meisjes naar
+het kabinetje, waar Nora sliep.
+
+"Een moet op wacht bij de deur gaan staan," riep Jet uit. "Wie
+doet dat?"
+
+"Ik wel," zeide Jeanne. "Mies maakt te veel gekheid en lacht altijd
+te erg."
+
+Daar stonden nu Jet, Mies en Kee om "luilekkerland" geschaard,
+brandende van verlangen om te zien wat er in was.
+
+"Doe jij het deksel open," zeide Kee tot Jet.
+
+Aanstonds voldeed deze aan het verzoek.
+
+"O, wat een lekkere appelbol!" riep Mies uit, terwijl het water in
+haar mond kwam.
+
+"Afblijven!" beval Kee. "Je moogt niet snoepen, hoor!"
+
+"Ik wijs er maar naar," stelde Mies haar gerust, "maar ik zou er wel
+eens van mee willen smullen!"
+
+"Wat ligt daar?" vroeg Jet.
+
+"Dat zijn bolussen!" riep Mies uit. "Daarvan had ze gisteren de stroop
+nog om haar mond zitten, die schrok!"
+
+"En wat is er een suikergoed in dien zak," zeide Kee, terwijl zij er
+nieuwsgierig inkeek.
+
+"Snoep jij nu ook maar niet," riep Mies uit.
+
+"Zijn jullie haast klaar!" riep Jeanne uit. "Ik ben bang als de dood,
+dat er iemand komt."
+
+"Ja, ja, dadelijk!" riepen de meisjes.
+
+"Kijk, die appelbol is open," zeide Jet eensklaps; "laten wij het
+daar ingooien, zoowat tusschen den appel die er inzit."
+
+"In meer dan een!" riep Mies uit. "Anders geeft het niet!"
+
+"Nu dan in twee," zeide Jet, en begon met Kee haastig poeder tusschen
+den appel te strooien en toen den bol weer dicht te maken.
+
+"Hier is nog zoo'n mooie," zeide Mies. "Kom, doe hier nu nog wat in,
+'t zou jammer zijn als je het niet deedt."
+
+"Maar dan niet meer," riep Jet uit.
+
+"Strooi wat over de bolussen," zeide Kee lachend.
+
+"Gauw, meisjes, daar komt juf!" riep Jeanne, het kabinetje
+binnenstormende; "ze is midden op de trap."
+
+"Hier, luilekkerland!" riep Mies, sloeg het deksel van de trommel dicht
+en gooide haar in den hoek van de kast, waaruit zij haar te voorschijn
+had gehaald. Door de woestheid, waarmede zij dit deed, scheurde het
+zakje van de sjalappenpoeder, en vloog het overschot in het rond.
+
+"Dat akelige goed!" riep Kee, terwijl zij een paar keeren niesde.
+
+"Komt toch mee," zeide Jeanne, Jet en Mies naar de andere kamer
+trekkend; "juf zal anders vragen, wat of je in het kabinetje doet."
+
+"Kee, nies toch niet zoo," waarschuwde Jet haar; "ze kunnen je buiten
+wel hooren."
+
+"Ik kan het niet helpen," klaagde Kee; "dat akelige goed is in mijn
+neus gevlogen."
+
+"Zwijg er dan toch over," riep Jeanne half luid, "daar is juf!"
+
+De juffrouw kwam de slaapzaal binnen, terwijl Kee nog steeds stond
+te niezen.
+
+"Je bent erg verkouden, Kee," zeide zij bezorgd. "Je moet vanavond
+maar eens vroeg naar bed gaan."
+
+"Als je blieft niet, juffrouw!" riep Kee verschrikt uit. "Ik moet
+alleen maar niezen, maar dat is niets."
+
+"Neen, neen, jij kruipt vanavond maar eens om halfacht onder de wol,"
+zeide zij beslist, en verliet het vertrek weer nadat zij iets uit
+een lade had gekregen.
+
+"Dat is nu jouw akelige schuld," zeide Kee, terwijl zij Mies een
+por gaf.
+
+"Kan ik het helpen, dat het in jouw neus vloog," riep Mies
+verontwaardigd uit. "Had je neus dan dichtgehouden!"
+
+"Je bent altijd zoo wild," pruttelde Kee; "nu moet ik vroeg naar bed."
+
+"Dan kun je meteen eens lekker uitslapen," meende Jet.
+
+"Ik heb geen slaap," bromde Kee.
+
+"Laten we nu naar beneden gaan, anders gaat het speeluur voorbij,
+zonder dat wij gespeeld hebben," riep Jeanne uit. "Dan kan Jo ook
+meegaan."
+
+"Nora komt nu zeker boven snoepen," zeide Mies, terwijl zij in een
+hartelijk gelach uitbarstte.
+
+"Houdt je dan toch stil, lachebek!" duwde Jet haar toe.
+
+Weldra was ons clubje met Jo buiten en speelde krijgertje, dat het
+een lust was om aan te zien.
+
+Nora was, zoodra als Jo haar los had gelaten naar boven gesneld,
+waar zij zich braaf aan de lekkernijen te goed deed, weinig denkende
+wat haar boven het hoofd hing.
+
+'s Avonds om halfacht werd Kee door de juffrouw er aan herinnerd, dat
+zij vroeg naar bed zou gaan, en hoe smeekend zij de dame ook aankeek,
+er hielp niets aan, zij was zoo goed niet of zij moest naar boven
+gaan, en tot overmaat van verdriet ging een der secondantes mee om
+er haar lekker warm onder te stoppen.
+
+"Maar, juf, ik zal stikken, als u het dek zoo instopt," klaagde Kee,
+terwijl zij alle moeite deed om haar handen boven te krijgen.
+
+"Luister eens, Kee," zeide de juffrouw overredend, "als je er nu goed
+onderkruipt, ben je zeker morgen weer beter; je moet uitwasemen."
+
+"Maar ik ben niet ziek, en dus hoef ik niet beter te worden," bromde
+Kee, onrustig heen en weder draaiend.
+
+"Je schijnt wel wat koortsig te wezen," zeide de juffrouw haar hand
+op Kee's voorhoofd leggend. "Nu, ik zal wat voor je halen; blijf maar
+stil liggen."
+
+De juffrouw verliet haastig de zaal en liet Kee alleen met haar
+gebrom en verdriet. Aanstonds ging deze nu overeind in bed zitten en
+gooide de dekens zoo ver van zich af, als zij kon: 't was warm weder,
+en dus begrijpt ge, dat zij niets op dat dek gesteld was. Uit bed
+durfde zij echter niet komen, want zij vreesde dat de juffrouw nog
+wel eens boven zou komen kijken. Zuchtend en pruttelend zat zij dus
+met de knieën tegen haar kin gedrukt en haar armen er omheen.
+
+"Maar, Kee, ben je nu niet verstandiger om zoo te woelen!" riep de
+juffrouw, die terugkwam met een kopje warme lindebloesemthee in de
+hand. "Gauw, drink dit eens leeg; dat zal je goeddoen!"
+
+"Och, juf, ik zal smelten, als ik dit gloeiende goed moet drinken,"
+jammerde Kee. "U vindt morgenochtend niets dan een plas in bed."
+
+"Kom, kom, geen gekheid, drink dit maar eens gauw leeg," zeide de
+zorgzame dame, terwijl zij Kee het kopje aan den mond zette en haar
+dwong het leeg te drinken.
+
+"En nu er onder. Ziezoo, blijf nu stil liggen en probeer maar of je
+in slaap kunt komen."
+
+Met deze woorden verliet de juffrouw haar, en Kee bleef alleen
+achter. De zon scheen nog zoo heerlijk en zij hoorde, hoe de meisjes
+op de speelplaats lachten en pret hadden, terwijl zij daar zoo in
+bed lag... en groote tranen vloeiden langs haar wangen. Zij snikte
+uit overmaat van droefheid en had niet gemerkt, dat iemand uit het
+kabinetje in de slaapzaal was gekomen, en haar medelijdend stond aan
+te kijken.
+
+"Ben je ziek, Kee?" vroeg een stem.
+
+"Neen, niet ziek, maar... o.. maar, ..." snikte Kee.
+
+"Waarom lig je dan in bed?"
+
+Nu keek Kee op en zag, dat het Nora was, die haar toegesproken had
+en nu naderbij kwam.
+
+"O, ben jij het," riep Kee uit.
+
+"Nu, ja, ik mag je toch wel wat vragen," zeide Nora beschroomd.
+
+"Eet jij je lekkers maar op," hernam Kee, en barstte, terwijl de tranen
+van verdriet nog aan haar wimpers hingen, in een luid gelach uit.
+
+Verwonderd keek Nora haar aan en begreep niet waarom Kee nu zoo
+ging lachen.
+
+"Wil je er ook wat van?" vroeg zij op fluisterenden toon.
+
+"Dank je, eet jij je lekkers maar alleen op," zeide Kee; "jij behoeft
+niet mee te deelen!"
+
+"O, maar ik heb er zoo'n spijt van," bekende Nora nederig. "Als je
+maar een klein stukje wildet nemen, zou ik het prettig vinden!"
+
+"Maar ik niet!" riep Kee uit, denkende aan de sjalappenpoeder. "Eet
+jij zelf je appelbollen maar op!"
+
+"Hé, hoe weet je, dat er appelbollen bij waren?" vroeg Nora verwonderd.
+
+"Och, dat denk ik maar zoo," zeide Kee verlegen, omdat zij zich zoo
+verpraat had. "Waren er dan geen appelbollen bij?"
+
+"Jawel, en die heb ik al opgegeten," zeide Nora, "want die worden zoo
+gauw oudbakken. Maar de bolussen zijn er nog. Wil je er een? Och toe,
+doe het maar!"
+
+"Dank je wel, ik mag ze niet eten, want de juffrouw zegt dat ik ziek
+ben," antwoordde Kee.
+
+"Zou je het anders wel doen?" vroeg Nora.
+
+"Misschien," zeide Kee aarzelend.
+
+"Neem dan een halven bolus," drong Nora, terwijl zij de trommel haastig
+uit het kabinetje haalde en op den stoel naast het bed nederzette.
+
+"Neen... neen..." riep Kee, toen Nora haar een bolus in den mond
+stopte, "ik... ik..." maar zij kon niets meer zeggen, want Nora hield
+niet op en duwde net zoolang aan den bolus, totdat Kee, om niet te
+stikken, begon te kauwen.
+
+"Smaakt hij lekker?" vroeg Nora, haar met zelfvoldoening aanziende.
+
+Kee had haar mond veel te vol om op deze vraag te kunnen antwoorden,
+maar knikte even.
+
+"Wil je er nog een?" vroeg Nora.
+
+"Neen, neen... ik wil niets meer hebben!" riep Kee uit.
+
+"Wil je aan Jet en Jeanne, en Mies, en Jo ook zeggen, dat het mij
+zoo spijt dat ik zoo onaardig ben geweest?" vroeg Nora nu. "En wil
+je nu ook weer goed op mij zijn?"
+
+Kee wist niet goed, wat zij zeggen zou, en zweeg dus.
+
+"Wil je het niet zeggen?" vroeg Nora bedroefd.
+
+"Waarom zeg je het zelf niet?" vroeg Kee op haar beurt.
+
+"Och, ze loopen altijd weg, als ik ze aan wil spreken," vertelde Nora.
+
+"Dat is je eigen schuld," zeide Kee.
+
+"Jawel, maar als Jo aan haar sommen geholpen moet worden, dan spreekt
+ze wel," riep Nora uit. "Vanmiddag nog was ze heel goed op me en
+vroeg ze mij of ik haar wou helpen."
+
+"Dan zal ik haar zeggen, dat ze 't je niet meer moet vragen,"
+antwoordde Kee, na zich even bedacht te hebben.
+
+"Och neen, neen, doe dat niet!" riep Nora verschrikt uit; "ik wou,
+dat jullie allemaal goed op mij werd!"
+
+Kee zat nu wel een weinig in den brand, want 't was op het oogenblik
+toch al te gek om vrede te sluiten. Het antwoord werd haar echter
+bespaard, want de juffrouw kwam weer boven om eens te zien hoe 't
+met Kee was.
+
+"O, Nora, doe de trommel met lekkers weg," zeide zij berispend,
+"je zult er Kee toch wel niets van willen geven; het staat niet mooi
+haar er mee te plagen."
+
+Nora kreeg een vuurroode kleur van schaamte en maakte zoo gauw
+mogelijk, dat zij met haar schat in het kabinetje kwam. Toen de
+juffrouw zag, dat Kee stil was blijven liggen ging zij tevreden heen,
+en riep Nora nog toe, dat zij over een kwartiertje beneden moest komen,
+want dat zij dan haar avondboterham moest eten.
+
+"En die krijg ik ook niet," zuchtte Kee, toen de juffrouw vertrokken
+was.
+
+"O, dat is niets!" riep Nora, die dezen uitroep gehoord had. "Je moogt
+al de bolussen opeten; er zijn er nog vier in!" Zij kwam weer met de
+trommel aansjouwen en zette haar op den stoel naast het bed van Kee.
+
+Kee, hoeveel zij anders van bolussen hield, was nu met het vooruitzicht
+op deze smulpartij volstrekt niet gediend, want ze herinnerde zich met
+schrik dat Mies de rest uit het zakje over de bolussen had gestrooid.
+
+"Neen, ik heb nu geen trek in de bolussen," zeide zij; "ik zou ze
+maar weggooien!"
+
+"Weggooien!" riep Nora uit, terwijl zij Kee aankeek, alsof zij meende,
+dat deze gek was geworden.
+
+"Wel ja, weggooien," herhaalde Kee; "je eet je anders nog ziek aan
+al die snoeperij."
+
+"Kom, jij lust het ook wel!" riep Nora ongeloovig uit. "Zoo gek zal
+ik niet zijn!"
+
+"Nu, ik wil ze niet hebben," hernam Kee; "ik heb er aan één genoeg!"
+
+"Dan zal ik vragen, of Jet, Mies, Jeanne en Jo er ieder een willen
+hebben!" riep Nora eensklaps uit. "Als we naar bed gaan, zal ik
+het doen!"
+
+"Och, ze houden er zoo erg veel niet van," zeide Kee, "en.."
+
+Daar luidde de schel, en Nora had nog even tijd om de trommel weg te
+brengen, toen er al voor de tweede maal gescheld werd.
+
+Natuurlijk kon Nora weer niet eten, want waar een paar appelbollen
+zitten, daar is geen plaats voor een boterham. Ditmaal echter bedankte
+zij niet, zooals anders, maar trachtte haar ongemerkt onder haar
+boezelaar te verbergen.
+
+"Wat gaat Nora nu uitrichten?" vroeg Mies fluisterend aan Jeanne,
+die ook met verwondering Nora's handeling gezien had.
+
+"Ik weet niet; zou ze die in bed op willen eten?" vroeg Jeanne
+halfluid.
+
+"Wat voer je uit?" vroeg Jo haar halfluid.
+
+"St!" verzocht Nora, terwijl zij haar smeekend aanzag, "'t is voor
+Kee!"
+
+"Waar komt die lievigheid zoo in eens vandaan?" pruttelde Jeanne.
+
+"Kom wees nu stil," verzocht Jo haar; "wat kan 't je schelen!"
+
+"Ja, ze heeft jou aan je sommen geholpen, en daarom ben je nu goed
+op haar," bromde Mies.
+
+"Wel, dat vond jullie immers allemaal goed," zeide Jo driftig terug,
+"en..."
+
+"Meisjes, niet zoo fluisteren onder elkaar," riep de onderwijzeres nu;
+"als je wat te vertellen hebt, zegt het dan hardop."
+
+Nu zwegen zij en aten in vrede haar boterhammen op, waarna het
+bedtijd werd. Nora ontsnapte het eerst en snelde naar boven, waar
+zij Kee reeds half in slaap vond, die niet wist wat haar overkwam,
+toen Nora haar een reepje brood in den mond stak.
+
+"He... e... wat is dat?" vroeg Kee slaperig.
+
+"Eet maar op," antwoordde Nora, die zich gereed maakte om een tweede
+reepje in Kee's mond te doen verhuizen.
+
+Nu kwamen ook anderen boven en stormden de slaapzaal in.
+
+"Wat doe jij hier?" was het eerste wat Mies zeide, zoodra zij Nora
+zag. "Blijf jij in het kabinetje!"
+
+"Ja, we kunnen je missen als kiespijn," voegde Jet er bij.
+
+"Ik gaf dit maar even aan Kee," zeide Nora aarzelend.
+
+"Niet noodig," meende Jeanne, "als ze wat wil hebben zullen wij het
+haar wel geven!"
+
+"Ik zou het zoo prettig vinden als jullie goed op mij wildet zijn,
+en ik met jullie mee mocht spelen," hernam Nora.
+
+"Dat wil ik wel gelooven," zeide Mies snibbig, "je vindt het zeker
+erg vervelend om zoo alleen te zijn; 't is je verdiende loon."
+
+"Maar als Nora goede vrienden wil worden, dan behoef jij niet zoo
+bijdehand te zijn," meende Jo. "Jij bent ook zoo'n heilig boontje
+niet."
+
+"Dat is best mogelijk, maar ik ben toch nooit zoo'n schrok geweest
+als Nora," verdedigde Mies zich.
+
+"Omdat je nooit zulke groote trommels met lekkers hebt gekregen,"
+zeide Kee die aldoor gezwegen had.
+
+Nora ging dien avond naar bed, wel in haar schik dat zij nu op weg
+was om met de andere meisjes goede vrienden te worden, ja zij neuriede
+onderwijl, en had van pleizier wel willen dansen.
+
+
+
+
+
+
+III.
+
+WAT DE BEDIENDE VAN DEN DROGIST VERTELDE.
+
+
+'t Was nog heel vroeg in den morgen toen Kee ontwaakte door een verward
+gedruisch van stemmen, en het heen en weer loopen van menschen. Haastig
+sprong zij uit het bed en toen zij om het hoekje der kamerdeur keek,
+zag zij hoe de juffrouw over het ledikant van Nora stond heengebogen.
+
+"Wat een spektakel," dacht Kee, "om zoo'n lawaai te maken over wat
+pijn in het lijf!"
+
+Toen zij echter nog even bleef luisteren bleek het haar dat het iets
+anders was, waarover Nora klaagde, en zij zag het gezicht van het
+meisje dat doodsbleek en angstig stond.
+
+"Wat zou haar toch schelen?" zeide Kee halfluid.
+
+"O, Kee, ben jij daar," riep de juffrouw uit, "ga eens naar beneden
+en vraag of mevrouw eens boven komt, want dat Nora zoo ziek is."
+
+"Dadelijk juf," riep Kee uit, en snelde naar de slaapzaal, waar zij de
+andere meisjes wakker schudde, en zoo gauw mogelijk naar beneden liep.
+
+Heel spoedig kwam Kee met mevrouw boven die aanstonds in het kabinet
+ging.
+
+"'t Beste is dat de dokter eens naar haar komt kijken," zeide mevrouw,
+nadat zij een oogenblik had gezwegen. "Zeg eens Nora, wil je ook
+iets hebben?"
+
+"Neen... neen... O, ik ben zoo naar," fluisterde het meisje.
+
+"Als u nu zoolang bij haar blijft, juffrouw, dan zal ik iemand naar
+dokter van Beek sturen," hernam mevrouw.
+
+Dokter van Beek kwam al, toen de overige leerlingen nog aan het
+ontbijt zaten, en had de patiënte oplettend waargenomen en verscheidene
+vragen gedaan.
+
+Op de groote slaapzaal gekomen, zeide mevrouw Beerman:
+
+"Wat denkt u van de zieke, dokter? Het is toch niet gevaarlijk?"
+
+"Gevaarlijk juist niet, mevrouw, maar ik zou wel eens willen weten
+of zij ook 't een of ander gebruikt kan hebben dat schadelijk is,"
+antwoordde dokter van Beek.
+
+"Zij heeft gegeten wat de andere meisjes ook gebruikt hebben, dokter,"
+zeide mevrouw Beerman.
+
+"Anders niets?"
+
+"Wacht, daar herinner ik mij dat zij van huis een trommel met lekkers
+heeft gekregen!" riep mevrouw Beerman uit. "Wilt u het zien?" Zonder
+het antwoord af te wachten ging zij naar het kabinetje om den schat
+te halen.
+
+"Bolussen en suikergoed," zeide de dokter, toen de trommel voor hem
+stond. "Misschien is het suikergoed wel gekleurd, en heeft ze verf
+binnen gekregen!"
+
+Hij schudde de zak leeg maar zag dat het best fijn suikergoed was
+zonder kleuren.
+
+"Neen, dat is het niet," zeide mevrouw Beerman, "maar kan er ook
+iets in die bolussen zijn? Misschien heeft er nog wel meer lekkers
+ingezeten. Juf! juf!" riep zij halfluid, "weet u ook wat er nog meer
+in de trommel was?"
+
+"Ja, mevrouw, er waren ook appelbollen in, maar die heeft zij het
+eerst opgegeten."
+
+"Dan was er zeker 't een of ander in die appelbollen," meende
+Mevrouw Beerman, terwijl zij den dokter vragend aankeek, die den
+bolus oplettend bekeek.
+
+"Best mogelijk, mevrouw, maar hier op dien bolus is ook iets gestrooid
+dat er niet ophoort," antwoordde dokter van Beek. "Ik neem dien bolus
+mee, en zal onderzoeken wat er op ligt."
+
+Toen mevrouw Beerman beneden kwam vroegen al de meisjes om strijd hoe
+'t met Nora was.
+
+"Zij is volstrekt niet goed," antwoordde zij ernstig, "gaat nu naar
+school, want de lessen beginnen."
+
+Jet, Kee, Mies, Jeanne en Jo keken elkander aan, en zij begrepen
+volstrekt maar niet hoe 't kwam dat Nora zoo ziek was en maakten
+zich niet ongerust, want zij dachten dat het wel gauw weer in orde
+zou komen.
+
+"Wel ja, wat pijn in 't lijf enzoovoorts! zooals die jongen bij den
+drogist zei," riep Mies lachend uit.
+
+"Maar ze ziet zoo wit als een laken en kijkt volstrekt niet op,"
+merkte Jo aan.
+
+"Kom, maak jij je werk maar," beet Kee haar toe, die wel wat ongerust
+was, en ook zoo'n vreemd gevoel bij haar maag had. Zeker van dien
+bolus, dacht zij.
+
+Terwijl de lessen druk aan den gang waren werd mevrouw Beerman
+onverwacht geroepen, in 't eerst schrikte zij niet weinig, want zij
+dacht ook niet anders of Nora was erger geworden, maar toen zij
+hoorde dat er een jongmensch was om haar te spreken was zij weer
+gerustgesteld, en ging zij gauw naar beneden.
+
+"Wat is er van uw dienst?" vroeg zij, toen zij de spreekkamer
+binnenkwam.
+
+"Och mevrouw, 't was heusch niet exprès, en 't was erg dom van mij,"
+begon hij stotterend, "maar..."
+
+"Wat dan?" vroeg mevrouw Beerman verwonderd.
+
+"Toen de jongejuffrouwen zoo vroeg in den winkel kwamen, en... en..."
+
+"Welke jongejuffrouwen? En wie ben je dan toch?"
+
+"Och mevrouw, ik ben bediende bij den drogist, weet u. De drogist hier
+op 't dorp," zeide hij verlegen, "maar ik ben er eerst acht dagen,
+en dan kunt u wel begrijpen dat ik niet precies weet waar alles staat,
+niet waar? Zou u dat zoo gauw kunnen weten?"
+
+"Zeg nu liever wat de jongejuffrouwen hier bij te pas komen,"
+zeide mevrouw Beerman ongeduldig, "want je spreekt toch zeker over
+kostleerlingen van mij!"
+
+"Juist, mevrouw," antwoordde hij, "en 't eene meisje vooral was erg
+vroolijk, want zij lachte aldoor. Misschien lachte zij mij wel uit,
+denkt u ook niet, mevrouw? Of 't kon ook om den patroon zijn, die met
+de slaapmuts op om den hoek kwam kijken! Dat was erg gek van hem, hé?"
+
+"Als je me nu niet gauw zegt, wat je te vertellen hebt dan verzoek
+ik je vriendelijk mij niet langer op te houden," riep mevrouw Beerman
+boos wordend uit, en keerde zich half om.
+
+"Een oogenblikje, mevrouw, wij zijn nu zoo mooi op weg," zeide hij
+smeekend, "een vergissing kan iedereen overkomen, en dus is 't zoo
+erg niet dat 't mij gebeurd is, en dat ik in plaats van sjalappen,
+een ander poeder gegeven heb. 't Ziet er precies eender uit! Zie maar
+eens mevrouw," en hij haalde twee opgevouwen papiertjes uit zijn zak
+die hij opendeed en op de tafel neerlegde.
+
+"En dus hebben een paar van de meisjes sjalappenpoeder bij je
+gehaald?" vroeg mevrouw Beerman verwonderd.
+
+"Excuseer, mevrouw, zij hebben er wel om gevraagd, maar ik heb haar
+bij ongeluk dit gegeven," zeide het jongemensch.
+
+"En wanneer is dat gebeurd?" vroeg mevrouw Beerman belangstellend.
+
+"Gisterenochtend, om zeven uur al," antwoordde hij. "Toen kwamen de
+twee jongejuffrouwen de boodschap doen, en 't spijt mij erg dat ik
+de verkeerde poeder gaf!"
+
+"Zoo... zoo..." antwoordde mevrouw Beerman langzaam. "En zou je mij
+kunnen aanwijzen wie het zijn geweest?"
+
+"Als ik ze zag zeker," riep de angstige jongen aanstonds uit.
+
+"Wacht dan even," zeide mevrouw Beerman, "straks gaan ze naar een
+ander lokaal en dan komen ze allemaal hier voorbij. Hoe oud denk je
+dat ze waren?"
+
+"Een jaar of elf," antwoordde hij na zich even bedacht te hebben.
+
+Mevrouw Beerman trok aan een schel en aanstonds hoorde men een
+getrappel en kwamen de meisjes naar beneden.
+
+Heel spoedig wees hij Jeanne en Mies aan, die niet vermoedden wie
+haar zag.
+
+Nadat het jongemensch, onder veel verontschuldigingen, was weggegaan,
+liet mevrouw Beerman Mies en Jeanne roepen. Deze, die niet begrepen
+wat mevrouw haar te zeggen kon hebben, stonden weldra in de kamer.
+
+"Meisjes, ik zou wel eens willen weten wat jullie gisterenmorgen om
+zeven uur bij den drogist hebt gedaan?" zeide zij haar doordringend
+aanziende.
+
+Geen van beiden gaf antwoord.
+
+"Nu, weest zoo beleefd om mij te antwoorden," zeide de onderwijzeres
+streng. "Wat deed je bij den drogist?"
+
+"Een boodschap, mevrouw," antwoordde Mies gevat.
+
+"Juist, je haaldet sjalappenpoeder," zeide mevrouw Beerman, "en nu
+zul je mij dadelijk vertellen, waarom je dat deedt."
+
+Nu zeide Mies ook geen woord en zweeg evenals Jeanne.
+
+"Jeanne, waarom haalde je dat poeder?" vroeg mevrouw nogmaals. "Als
+je niet antwoordt zal ik je voorbeeldig straffen."
+
+"Om in te nemen," zeide Mies weer.
+
+"Zelf hebt je het niet ingenomen," hernam mevrouw Beerman, "dus
+was 't voor iemand anders. Waarom heb je het over Nora's bolussen
+gestrooid?" dit zeide zij eensklaps en keek de meisjes strak aan.
+
+"Om... ik... ja.." stotterde Jeanne, die erg schrikte.
+
+"En jullie hebt het ook in de appelbollen gedaan," hernam mevrouw
+Beerman bepaald.
+
+"Nu ja, mevrouw," riep Mies uit, "dat hebben wij gedaan, omdat ze
+zoo'n schrok was!"
+
+"Hoe vreeselijk ondeugend," zeide mevrouw Beerman het hoofd
+schuddend. "Je weet zeker niet dat het geen sjalappenpoeder was dat
+je gekocht hebt."
+
+"Neen, mevrouw, 't was sjalappenpoeder!" riep Mies uit, "de jongen
+in den winkel zei het zelf."
+
+"Ik heb hem zoo juist hier gehad, en hij zeide dat hij zich vergist
+had, en je iets anders gegeven had," zeide mevrouw Beerman, "en dat
+andere is zeer schadelijk; 't is iets waar Nora nu zeker ziek van is!"
+
+De meisjes keken erg bedrukt. Zoo hadden zij het niet bedoeld, zij
+hadden alleen Nora maar eens een onpleizierigen nacht willen bezorgen,
+maar haar geen nadeel willen toebrengen.
+
+"Nu, meisjes, je begrijpt wel, dat je in het speeluur niet naar buiten
+behoeft te gaan," zeide mevrouw Beerman. "Ik zal jullie later wel
+zeggen welke straf je zult krijgen."
+
+Zij ging uit de kamer en liet de meisjes alleen.
+
+"Wat een nare flauwe, akelige jongen!" riep Mies uit die het eerst
+weer op het verhaal kwam. "Om hier bij mevrouw zoo'n wit voetje te
+willen hebben en alles te komen vertellen! Ik wou dat ik hem hier had!"
+
+"Ik vind dat de anderen ook gestraft moeten worden," meende Jeanne
+knorrig. "Ze hebben er evenveel schuld aan als wij!"
+
+"Wat helpt ons dat?" vroeg Mies schouderophalend, "als jij gaat klikken
+ben je net zoo flauw als die jongen! En wij hebben er toch het meeste
+schuld aan en wij hebben er ook het meeste pleizier van gehad!"
+
+"Omdat we nu toevallig naar dien winkel zijn gegaan," zeide Jeanne
+pruilend, "als we allemaal straf kregen kon 't mij niet schelen,
+maar nu zoo wij alleen!"
+
+"Je valt me erg tegen, Jeanne," riep Mies verontwaardigd uit, "maar
+als je het klikt dat de anderen ook mee hebben gedaan dan zul je je
+pleizier in het vervolg wel aankunnen!"
+
+Weldra kwam de dokter, die den bolus onderzocht had en wist wat er
+aan scheelde, nog eens kijken.
+
+"U moogt wel naar haar mama schrijven, mevrouw," zeide hij, "dat
+zij niets meer bij dien banketbakker laat halen, want ze zijn daar
+erg onvoorzichtig."
+
+"Veroordeel dien banketbakker niet, dokter!" antwoordde mevrouw
+Beerman. "Die man heeft er geen schuld aan!"
+
+"Dat is vreemd, mevrouw, want Nora is bepaald ziek geworden van het
+poeder, dat er over de bolussen en in de appelbollen gestrooid was,"
+zeide dokter van Beek.
+
+"Ik weet het al, dokter," zeide mevrouw Beerman, en verhaalde het
+bezoek van den bediende van den drogist en hetgeen Mies en Jeanne
+gezegd hadden.
+
+"Ondeugende meisjes, mevrouw," riep dokter van Beek hoofdschuddend uit,
+"ze konden elkander op die manier wel vergeven."
+
+"Ze zullen ook voorbeeldig gestraft worden, dokter," zeide mevrouw
+Beerman vastberaden. "En wat zegt u nu van de zieke?"
+
+"Ik hoop dat zij weer over een paar dagen hersteld zal wezen, mevrouw,
+maar haar geheele gestel is in de war en vooral haar maag, dus zal
+zij zich zeer in acht moeten nemen en geen snoeperij eten," hernam
+dokter van Beek. "Zij gevoelt zich nu erg ziek en geen wonder!"
+
+De dokter vertrok en even daarna kwam mevrouw Beerman in de kamer waar
+Jeanne en Mies waren, die met treurige gezichten voor de ramen stonden
+te kijken waar de vriendinnetjes druk speelden. Jet, Kee en Jo begrepen
+maar volstrekt niet waarom Mies en Jeanne niet beneden mochten komen,
+en verdiepten zich in allerlei gissingen wat of er gebeurd kon wezen.
+
+"Luistert, meisjes," zeide mevrouw Beerman, toen zij de kamer
+binnenkwam, "ik moet eens ernstig met je spreken. Hetgeen je gedaan
+hebt is zoo ondeugend, zoo ongeloofelijk stout, dat ik van plan ben
+een brief aan je ouders te sturen, en hun te melden dat ik je niet
+langer op school wil hebben!"
+
+"O, mevrouw!" riep Jeanne vreeselijk geschrikt uit, "asjeblieft geen
+brief naar huis!"
+
+"Welzeker Jeanne, hoe durf je zoo iets vragen," zeide mevrouw Beerman
+streng. "Denk eens hoe je ouders het zouden vinden als andere meisjes
+jou hadden gedaan wat jij aan Nora hebt bezorgd!"
+
+Jeanne barstte in tranen uit, en snikte als zou haar hart breken.
+
+"Jou treft hetzelfde lot, Mies," zeide mevrouw Beerman tot haar.
+
+"Dat begrijp ik, mevrouw," antwoordde deze, "'t spijt mij erg dat
+Nora zoo ziek is geworden, dat hadden wij niet bedoeld. Ik mag haar
+zeker nog wel eens spreken voor wij weggaan?"
+
+"Jawel, daar heb ik niets tegen als de dokter het goed vindt," zeide
+mevrouw Beerman, die erg verwonderd was dat de vroolijke, onnadenkende
+Mies, de zaak zoo geheel anders opnam dan Jeanne, Jeanne toch bezielde
+alleen de vrees voor de straf, en den angst dat haar ouders er achter
+zouden komen, terwijl zij duidelijk bemerkte dat Mies het meeste
+spijt had dat Nora zoo ziek was geworden, en de straf rechtvaardig
+scheen te vinden.
+
+Zij verliet hierop het vertrek, en vertelde aan al de schoolmeisjes
+hetgeen er gebeurd was en wie er schuldig aan waren.
+
+Jet, Kee en Jo waren er natuurlijk ook bij, en keken niet weinig vreemd
+op, toen zij hoorden welk lot Jeanne en Mies boven het hoofd hing.
+
+"Ja maar, mevrouw, dat is niet eerlijk!" riep Jet uit die het eerst
+woorden bij de hand had.
+
+"Neen, neen, Jeanne en Mies hebben niet alleen de schuld," voegde
+Kee er aanstonds bij.
+
+"Maar, meisjes, wat bezielt jullie toch?" vroeg mevrouw Beerman
+ongeloovig, "hoe durf je zeggen dat ik niet eerlijk handel?"
+
+"Omdat het onze schuld even goed is," zeide Jet, terwijl zij Kee en
+Jo naar voren trok, "wij hebben het met elkaar afgesproken, alleen
+hebben Jeanne en Mies de boodschap gedaan!"
+
+Mevrouw Beerman zweeg een oogenblik en zeide toen tot de meisjes,
+dat zij bij Mies en Jeanne in de kamer moesten gaan.
+
+Nora's mama kwam den volgenden dag over. Zij was erg geschrikt toen
+zij hoorde, dat haar dochtertje ziek was, en door de komst dier
+dame werd mevrouw Beerman verhinderd de brieven naar de ouders der
+meisjes te sturen, want zij moest nu bij Nora's mama blijven en deze
+wat gezelschap houden.
+
+Hierdoor had zij gelegenheid, om nog eens over de zaak na te denken
+en er met Nora's mama over te spreken.
+
+Nu moet gij weten, dat dit een erge lieve dame was, die toen zij
+zag dat haar dochtertje weer beter werd, erg medelijden met de vijf
+meisjes had, hoewel zij het niet zoo liet blijken. Zij zat zoo aan
+Nora's bed, twee dagen nadat deze ziek was geworden.
+
+"Mama, waar zijn die vijf meisjes toch, die altijd hiernaast
+slapen?" vroeg zij eensklaps.
+
+"Die mogen niet boven komen, Noralief," antwoordde haar mama.
+
+"Maar waar zijn ze dan?"
+
+"Zij slapen zoo lang op een achterkamer."
+
+"En wanneer komen ze weer hier?" vroeg Nora. "'t Is zoo gezellig als
+ze er zijn."
+
+"Ik vrees dat mevrouw Beerman ze niet langer op school wil houden,
+Nora," zeide haar mama.
+
+"Waarom niet, ma, wat hebben ze dan gedaan?"
+
+"Ja, ik zal 't je nu maar vertellen, Nora," zeide haar mama, "ze zijn
+heel ondeugend geweest; 't is eigenlijk haar schuld dat je ziek bent."
+
+"Haar schuld, ma!" riep Nora verwonderd uit. "Wat hebben ze dan
+toch gedaan?"
+
+"Ze hebben in de appelbollen en over de bolussen, die ik je gestuurd
+heb, iets gestrooid, dat heel nadeelig is," zeide de dame. "Wel
+waren ze niet van plan om 't zoo erg te maken als 't nu geworden is,
+maar toch...."
+
+"Dus zouden ze om mij worden weggestuurd?" vroeg Nora verschrikt.
+
+"Ja, Nora, dat heeft mevrouw Beerman gezegd."
+
+"Maar dat vind ik erg, heel erg akelig, ma!" riep Nora uit. "Nu zullen
+ze mij nog akeliger vinden."
+
+"Vinden de meisjes je dan zoo akelig?" vroeg haar mama verwonderd.
+
+"Ja, ma, ze hebben allemaal een hekel aan mij," zij zweeg een
+oogenblik.... "en ze hebben eigenlijk wel gelijk."
+
+"Maar wat heb je dan gedaan, dat ze een hekel aan je hebben?" vroeg
+haar mama, die er niets van begreep.
+
+Nu kwam het verhaal. Nora vertelde getrouw en naar waarheid alles
+zooals het gebeurd was, en vooral de scène, toen de trommel voor
+'t eerst was gekomen. Haar mama zette groote oogen op, en kon in
+'t eerst maar niet gelooven, dat haar dochtertje zoo onaardig was
+geweest. 't Speet haar erg, daar kunt gij op aan!
+
+"Dan hebt je 't eigenlijk je zelf op den hals gehaald," zeide zij
+eindelijk.
+
+"Ja ma, maar ik heb op den avond voor ik ziek werd juist aan de
+meisjes gevraagd of zij weer goed op mij wilden zijn, want dat het
+mij erg speet," vertelde Nora. "Ik heb haar gezegd, dat ik voortaan
+alles wilde deelen. En moeten de meisjes nu heusch van school af?"
+
+"Ja, mevrouw Beerman is nu juist bezig om brieven naar haar ouders
+te schrijven," zeide Nora's mama.
+
+"Maar wat zullen ze dan een knorren thuis krijgen!" riep Nora ontsteld
+uit. "O ma, ik zal aan mevrouw vragen of zij nog mogen blijven. Zou
+mevrouw het goed vinden?"
+
+"Dat moet je afwachten kindlief," zeide haar mama, "maar ik beloof je,
+dat ik ook een goed woordje voor die ondeugenden zal doen. Kijk eens
+aan, daar is mevrouw net; vraag nu maar wat je wilt."
+
+Mevrouw Beerman begreep niet wat Nora bedoelde, toen deze vroeg,
+of zij de brieven toch niet weg wilde sturen, want dat zij het zoo
+kwaad niet bedoeld hadden.
+
+"Wat meen je, Nora?" vroeg zij.
+
+"Och, mevrouw, u zult de meisjes toch niet wegsturen," smeekte zij,
+"we zullen juist nu goede vrienden worden, en ma zegt dat het eigenlijk
+mijn eigen schuld is, dat..."
+
+"Ho, ho, Nora, zulke ondeugendheid kan zoo maar niet door de vingers
+worden gezien," zeide mevrouw Beerman ernstig, "bovendien heb ik aan
+de meid de brieven al gegeven om op de post te brengen, en...."
+
+"O mevrouw, mag ik ze dan terughalen!" en Nora sprong waarlijk uit
+haar bed en liep naar de deur.
+
+"Nora, kind, kom hier!" riep mama verschrikt uit, "je zult zoo toch
+niet naar beneden gaan."
+
+"Maar de brieven!" zeide Nora onrustig.
+
+"Wacht maar, wacht maar," zeide mevrouw Beerman, de deur
+openende. "Mies (het meisje was juist op de gang), ga eens naar de
+meid en vraag om de vijf brieven die ik haar gegeven heb, en kom dan
+hier met Jet, Kee, Jeanne en Jo!"
+
+Mies zette een heel gek gezicht, maar zij begreep dat die boodschap
+niets kwaads beduidde en liep als een haas de gang en de trap af eerst
+naar de meid, die zij zonder complimenten de brieven uit de hand rukte,
+en daarna naar de kamer waar de vriendinnen waren.
+
+"Victorie! Hoera! Leve ons Beertje!" riep zij, terwijl zij met de
+brieven in de hoogte door de kamer danste.
+
+"Wat scheelt jou?" vroeg Jeanne, die alles behalve vroolijk was.
+
+"Ik heb de brieven! Zie je wel de brieven van Beertje naar huis!" riep
+Mies juichend uit.
+
+"Heb je die weggenomen?" riep Jo ontsteld uit.
+
+"Neen, lieve onschuld, op bevel van ons dierbaar Beertje, heb ik ze
+Kaatje afgenomen en kom jullie halen, om mee naar het kabinetje te
+gaan. Ik weet het niet, maar heb er zoo'n voorgevoel van, dat ons
+iets goeds wacht!"
+
+"Wezenlijk, Mies!" riep Jet uit.
+
+"Zouden wij niet weggestuurd worden?" vroeg Kee.
+
+"Komt maar mee, schatjes, dan zullen wij gauw het naadje van de kous
+weten," zeide Mies.
+
+Gij kunt begrijpen dat allen Mies achterna de trap op naar boven
+stormden, maar voor de deur van het kabinetje stilhielden.
+
+Mevrouw Beerman had haar echter hooren aankomen en deed de deur open.
+
+Schoorvoetend kwamen zij naar binnen; Mies met de brieven
+voorop. Mevrouw Beerman nam ze aan en legde ze naast zich op de tafel.
+
+"Meisjes," zeide zij, "Nora heeft gevraagd of jullie voor je
+ondeugendheid niet gestraft zoudt worden door naar huis te worden
+gezonden, en ik heb haar verzoek toegestaan. Maar een straf hebt
+jullie toch verdiend, vindt je zelf niet?"
+
+"We hebben al straf gehad door den angst, dien wij hebben uitgestaan,"
+waagde die brutale Mies te zeggen, "en die akelige domme jongen van
+den drogist moest eigenlijk ook straf hebben!"
+
+Ondanks zich zelf moest mevrouw Beerman glimlachen, en zij deed maar
+alsof zij Mies niet verstond; want zij wilde nu ernstig blijven.
+
+"Nu, meisjes, blijven moog je dan en de brieven zullen niet weggestuurd
+worden," vervolgde mevrouw Beerman, "maar jullie moet plechtig beloven
+nooit weer zulke ondeugende streken uit te halen."
+
+Natuurlijk beloofden allen het en waren niet weinig in haar schik,
+dat het zoo goed afliep.
+
+Zij sloten nu vrede met Nora, die erg blij was, dat zij nu "echte,
+goede vrienden" waren, zooals zij zeide; haar mama had er ook schik
+in en zeide dat als zij weer lekkers stuurde de trommel eens zoo
+groot zou wezen, en de meisjes dan eerlijk moesten deelen.
+
+"Wat graag, mevrouw!" riep Mies vroolijk uit, "wat zal dat dan een
+blijdschap wezen als er zoo'n trommel komt, zullen wij met recht in
+
+
+ LUILEKKERLAND ZIJN!"
+
+
+
+
+
+
+
+
+DE SAVOYAARD EN ZIJN AAPJE.
+
+
+I.
+
+PAUL EN LENA.
+
+
+"Kom, Cesar, doe je best nu eens, en leer dit kunstje; dat
+vinden de menschen zeker aardig en dan krijg jij een appel of
+een vijg, en ik wat centen! Je lust immers zoo graag allerlei
+snoeperij, kleine schelm! Komaan dan... één.. twee.. drie,--nu
+er over en dan 't stukje hout als een geweer onder je armen;
+bravo... marcheeren... marcheeren... Zoo gaat het goed, Cesar; ga nu
+maar in de zon uitrusten; morgen gaan we er op uit!"
+
+Paul zelf ging ook zitten, en haalde uit een oude kist een stuk brood,
+waarvan hij Cesar de helft gaf en de rest zelf ging opeten... Maar
+foei, daar bedenk ik, dat ik vergeten heb u te vertellen, wie
+Paul en Cesar waren. Kunt ge het raden? Neen? dan zal ik 't u maar
+vertellen. Cesar was een klein, allerliefst aapje; o zoo'n snoeperig,
+ondeugend diertje, en Paul was de meester van het aapje.
+
+Een poosje geleden was Paul heel uit Zwitserland naar hier
+gekomen. Toen hij op reis ging, had hij een marmotje bij zich, maar
+tot zijn groote spijt was het diertje onderweg gestorven, en toen had
+hij, omdat hij daarover zoo bedroefd was, van den eigenaar van een
+beestenspel Cesar cadeau gekregen. 't Duurde niet lang of Paul hield
+van Cesar nog veel meer, dan hij ooit van zijn marmotje had gehouden,
+want het aapje was een lief, aanhankelijk diertje en volstrekt niet
+valsch, zooals anders apen wel eens zijn.
+
+De ouders van Paul, die in Zwitserland ergens op de bergen gewoond
+hadden, waren gestorven, en daar hij geen familie meer had, was hij
+er toen al heel ongelukkig aan toe.
+
+Gelukkig echter herinnerde hij zich, dat zijn moeder hem dikwijls
+verteld had dat er in Amsterdam een oom van hem woonde, die reeds
+jaren geleden naar Holland was gegaan, omdat hij dacht dat hij het
+daar beter zou hebben. Nu wist Paul wel dat Amsterdam heel ver van
+Zwitserland af lag, en hij er moeielijk kon komen, omdat het reizen
+met den spoortrein zooveel geld kostte,--maar dat telde hij niet. Hij
+begreep, dat hij er op zijn voeten ook wel kon komen, al duurde het wat
+langer, en nadat hij goed gevraagd had, welken kant hij op moest gaan,
+vertrok hij, de kleine twaalfjarige jongen, en ging naar het onbekende
+land toe. Hij had echter wel wat geld bij zich, want anders had hij
+niet ver kunnen komen. De menschen van het dorp, waar hij woonde,
+hadden onder elkander de meubelen van zijn ouders gekocht en hem
+het geld in een leeren zakje gegeven, en er bij gezegd dat hij heel,
+heel zuinig moest wezen.
+
+Zijn oom had hij nog niet gevonden, want niemand dien hij er naar
+vroeg, wist hem te zeggen, waar hij woonde, maar hij had al gemerkt
+dat Amsterdam heel groot was en dus verloor hij de hoop niet, dat
+hij hem nog wel vinden zou.
+
+Om nu den kost te verdienen ging hij met Cesar langs de huizen en liet
+het diertje allerlei kunsten maken en sprongen doen. Menigmaal riep
+men dan het aardige Savoyaardje met zijn aap binnen, waar beiden wat
+eten kregen en geld bovendien. Als Paul de menschen dan heel lief
+vond, zong hij met zijn heldere, frissche stem een paar liederen,
+die hij vroeger op de bergen zong, en als hij dan soms tranen kreeg in
+zijn lieve, zwarte kijkers,--want hij moest dan altijd aan zijn moeder
+denken, die ze hem geleerd had,--gebeurde het menigmaal, dat de een of
+andere vriendelijke dame hem een kus op het voorhoofd drukte en hem
+verlof gaf eens weerom te komen. Hij was echter te bescheiden en ook
+te verlegen om zoo iets te durven doen, hoe hij er ook naar verlangde.
+
+Hij zat nog heel bedaard boven op de kist het stuk brood op te eten en
+Cesar keek heel nieuwsgierig door het kleine dakraampje naar buiten,
+toen de deur van het zolderkamertje zachtjes werd opengeduwd, en een
+meisje van een jaar of elf naar binnen kwam.
+
+"Paul," zeide zij halfluid.
+
+"Ha, Lena, ben jij daar!" antwoordde Paul, aanstonds van de kist
+afspringende en haar tegemoet gaande. "Kom, Cesar, zeg Lena goedendag,
+anders wordt ze nog boos op je."
+
+"Dat meent je baas niet, Cesar," zeide Lena, die naar het aapje was
+toegegaan en het over den kop streek. "Geef me maar eens een hand!"
+
+Cesar stak, zooals hem geleerd was, een zijner voorpooten aan Lena toe,
+en Paul stond er glimlachend bij.
+
+"Hij kan al zoo mooi doodliggen en exerceeren," zeide Paul vol
+blijdschap. "We gaan er morgenochtend op uit."
+
+"O, wat zullen de menschen je dan veel geld geven," riep Lena
+opgetogen uit.
+
+"Ik hoop het," antwoordde Paul, "want ik heb nog maar weinig van het
+geld, dat ik heb meegebracht, en ik moet er mee toekomen, totdat ik
+mijn oom heb gevonden."
+
+"Maar zeg eens Paul, hoe heet die oom en waar woont hij
+eigenlijk?" hernam Lena, een nadenkend gezichtje zettend.
+
+"Hij heet Laurent, zoo heette mijn moeder ook, en hij woont--ja,
+als ik dat wist..." hij haalde de schouders op.
+
+"Och hoe dom van mij!" riep Lena knorrig uit. "Als je het wist,
+dan behoefde je immers niet naar hem te zoeken."
+
+"Ga je eens mee met mij zoeken?" vroeg Paul.
+
+"Ik zal het vragen," antwoordde Lena, "en moeder zal 't wel willen
+hebben. Kom nu mee naar beneden; moeder heeft gevraagd of je mee
+wilt eten."
+
+Paul nam deze uitnoodiging van zijn vriendinnetje wat graag aan,
+want het gebeurde maar zelden dat hij goed warm eten kreeg.
+
+Een paar dagen gingen voorbij; Paul ging met Cesar op straat en de
+menschen hadden waarlijk veel plezier in de aardige kunstjes, die
+het aapje vertoonde; Paul was daardoor recht in zijn schik en ging
+op een middag vroolijk met Lena er op uit.
+
+Zij liepen hand aan hand nog een heelen tijd rond, maar zij werden
+er niet wijzer door, want hoe oplettend ze ook rondkeken, zij zagen
+nergens den naam van Pauls oom staan. Lena werd eindelijk moede en
+kon bijna niet meer voortkomen, zoodat Paul haar mee moest trekken.
+
+"Zeg eens, Paul, laten wij hier even op deze stoep gaan uitrusten,"
+zeide zij. "'t Is hier zoo'n mooi huis, en we kunnen juist naar
+binnen kijken, want het gaslicht is op;--als ze de gordijnen maar
+niet nederlaten!"
+
+"Wat een mooie kamer!" riep Paul opgetogen uit. "Kijk eens, Lena,
+wat een lief meisje daar staat aan de tafel."
+
+"Wat krult heur haar mooi," zeide Lena bewonderend; "'t mijne gaat
+er altijd zoo gauw uit."
+
+"En wat heeft ze zwart haar; heel anders dan jij, Lena," zeide Paul.
+
+"Ja, ik ben blond; de jongens roepen mij altijd na, dat ik zuurkoolhaar
+heb."
+
+"Dat 's niet waar," riep Paul vol vuur uit. "Dat doet zeker die nare
+Jan Dekker. Ik vind je haar ook wàt mooi."
+
+"Dat vind ik prettig," hernam Lena, met een zucht van genoegen;
+"dan kan 't mij ook niets schelen, wat de anderen zeggen."
+
+"Kijk eens, Lena, daar komt nog een klein meisje de kamer in," hernam
+Paul een oogenblikje daarna.
+
+"O, wat een dotje," riep Lena uit; "ik wou dat ik haar eens mocht
+knuffelen!"
+
+"Wat wou je haar doen?" vroeg Paul verwonderd, want hoewel hij al
+zeer goed Hollandsch kon spreken, was dat toch een woord, hetwelk
+hij nog nooit gehoord had.
+
+"Wel, knuffelen!" riep Lena uit. "O, weet je niet, wat of dat
+beduidt? Nu, dan zal ik het je eens vertellen. Het is iemand eens
+flink pakken en zoenen. Begrijp je het nu?"
+
+"Jawel," zeide Paul, "zooals moeder mij wel deed, toen zij nog
+leefde." Hij zuchtte, en tranen schoten hem in de oogen. "Nu doet
+niemand het mij meer."
+
+"Nu, dan zal ik het wel eens doen," zeide Lena meelijdend, "en anders
+zal ik het aan moeder vragen."
+
+Ondanks zichzelf moest Paul lachen, en zeide dat hij het heel lief
+vond van Lena, maar dat het toch zijn eigen moeder niet was.
+
+"Laten wij nu maar naar huis gaan," zeide hij opstaande; "jij bent
+nu zeker wel wat uitgerust, en anders wordt het zoo laat en dan krijg
+je knorren."
+
+"Ja dadelijk," antwoordde Lena; "nog eventjes naar binnen kijken naar
+die mooie kinderen. Ik zou wel eens willen weten of ze even lief zijn
+als mooi!"
+
+"Misschien wel," zeide Paul, haar weer bij de hand vattende. "Kom,
+ga nu mee!"
+
+"Ja!--Dag, lief kindje," riep Lena, een kushand naar het raam
+makend. "O, ze ziet me en ze knikt. Kijk eens, Paul, zeg ook eens
+goedendag."
+
+"Laten we toch weggaan," hield Paul aan; "anders jagen ze ons nog
+van de stoep."
+
+"Ja, aanstonds, Paul!" riep Lena, terwijl zij een trede lager van de
+stoep ging en maar steeds in de kamer keek. Paul lette nu niet meer
+op haar en stond reeds op de kleine steentjes, toen hij eensklaps
+een gil hoorde en verschrikt omkijkende Lena onder aan de stoep zag
+liggen. Zij was achteruit naar beneden gegaan, had bij ongeluk op
+haar jurk getrapt en zoo haar evenwicht verloren.
+
+"Kom, Lena, sta gauw op," zeide Paul angstig; "of heb je je bezeerd?"
+
+Lena antwoordde hem niet en was doodsbleek geworden, maar zij keek
+haar vriendje smeekend aan.
+
+"Ik ben niet boos op je, Lena," verzekerde Paul haar, "maar je hebt
+me doen schrikken."
+
+"O, Paul, ik kan niet," kermde Lena. "Help me toch eens; ik weet niet
+hoe ik overeind moet komen."
+
+Aanstonds deed Paul zijn best om het meisje te helpen, maar nauwelijks
+had hij haar even aangeraakt, of zij gilde het uit.
+
+"Daar niet, daar niet!" kreunde zij, toen hij haar om het middel
+wilde vatten om haar zoo overeind te zetten.
+
+"Wacht geef me dan je handen," zeide Paul uit het veld geslagen, want
+'t speet hem dat hij haar bezeerd had.
+
+Hij nam haar handen en wilde haar zoo overeind trekken. Nu schreeuwde
+Lena het uit, en liepen de tranen langs haar wangen. Paul wist nu
+waarlijk niet, wat hij beginnen moest en ook hem sprongen de tranen
+in de oogen. Langzamerhand waren er wat menschen om hen heen komen
+staan, die niet wisten, waarom dat kleine meisje daar zoo op de stoep
+bleef liggen.
+
+"Wel, kinderen, wat scheelt er aan?" vroeg een goedhartige dikke
+juffrouw, die een hengselmand aan den arm had. "Jullie moest naar
+huis gaan, 't wordt bedtijd."
+
+"Jawel, juffrouw, dat willen we ook wel," zeide Paul verlegen,
+"maar Lena is gevallen en kan niet opstaan."
+
+"Lieve goedheid, heeft het kind een ongeluk gekregen!" riep een andere
+vrouw ontsteld uit. "Wat moet je nu beginnen?"
+
+"Arme schapen," zeide de dikke juffrouw, medelijdend haar
+hoofdschuddend. "Waar woon je?"
+
+Paul noemde de straat.
+
+"Dat is een heel eind hier vandaan," hernam zij. "Hoe kom je thuis?"
+
+Dat was iets hetwelk Paul evenmin wist, en hij was op 't punt om in
+tranen uit te barsten, toen de deur der mooie woning geopend werd,
+en een deftige knecht naar buiten kwam om te vragen, wat er toch te
+doen was.
+
+De dikke juffrouw vertelde hoe ongelukkig de kinderen er aan toe waren,
+en terstond daarop verdween de knecht weer.
+
+"Die leelijkerd," riep een schoenmakersjongen uit, die er ook naar
+stond te kijken, in plaats dat hij de boodschappen voor zijn baas
+deed. "Waarom gaat hij nu weer weg?"
+
+"Stil, jongen, hij zal het nu aan zijn mijnheer en mevrouw gaan
+vertellen," vermaande de juffrouw. "Hij is toch de baas niet en kan
+ze op zijn eigen houtje niet helpen."
+
+'t Was juist, zooals de juffrouw dacht. De kinderen, die Lena zoo
+bewonderd had, hadden het troepje menschen gezien en het aan hun mama
+verteld; deze had nu aan Teunis den knecht gezegd eens te gaan kijken
+wat er gebeurd was; en toen hij vertelde, dat een meisje zich zoo erg
+bezeerd had, dat het niet op kon staan, riep het jongste dochtertje:
+
+"Och, ma, mag ze hier in huis komen; hoe akelig om daar op de stoep
+te liggen, als ze zoo'n pijn heeft!"
+
+"Wel zeker, Elsa," antwoordde mevrouw Doornhof vriendelijk. "Teunis
+moet maar vragen of Betje hem helpt; dan kunnen ze het arme kind naar
+binnen brengen."
+
+Heel gauw ging de huisdeur weer open en verschenen Teunis en Betje
+op de stoep.
+
+"Kom, jongen, ga jij eens op zijde," zeide Betje tot Paul, "we zullen
+je zusje eens naar binnen brengen."
+
+"Neen, neen!" riep Lena angstig. "Laat me hier maar liggen, want je
+doet me zeker ook pijn! O, was ik maar bij moeder!"
+
+"Hoor eens, kind, geen gekheid," zeide Teunis nu, terwijl hij een heel
+boos gezicht zette. "Als mijn mevrouw zegt dat ik je naar binnen moet
+brengen, dan breng ik je naar binnen, al kwamen je moeder, vader en
+al je ooms en tantes er aan te pas!"
+
+Lena keek Teunis heel verschrikt aan en durfde niets meer zeggen.
+
+"Och, kind, maak je maar niet benauwd," zeide Betje nu om haar te
+troosten; "je zult het wel aardig vinden, als je binnen bent."
+
+Voorzichtig pakten beiden het meisje nu op en droegen haar zoo
+handig de stoep op en de deur in, dat zij waarlijk bijna geen pijn
+gevoelde. Een oogenblik later lag zij op een gemakkelijke canapé
+in de kamer, waar mevrouw Doornhof en haar dochtertjes waren, en
+bemerkte nu dat zij 't veel beter had, dan wanneer zij op de stoep
+was blijven liggen.
+
+"Hoe is 't nu? Lig je wel gemakkelijk, kindlief?" vroeg mevrouw
+Doornhof. "Straks komt de dokter; ik heb er Teunis al naar toegestuurd,
+die zal dan wel vertellen wat er aan scheelt."
+
+"O, ik lig hier heerlijk, mevrouw," zeide Lena fluisterend, "maar
+waar is Paul?"
+
+"Wie is Paul?" vroeg mevrouw Doornhof verwonderd.
+
+"Paul is mijn vriendje," vertelde Lena; "hij woont bij ons in huis."
+
+"O, die jongen, die naast je op de stoep zat?" riep Elsa uit. "O,
+Maatje, dat is de jongen met den aap!"
+
+"Wat voor jongen?" vroeg mevrouw Doornhof, die er niets van
+begreep. "Een aap?"
+
+"Ja, Maatje; hij komt hier wel voorbij en dan laat hij een lief
+klein aapje allerlei kunsten doen," vertelde Elsa opgewonden. "O,
+'t is zoo'n aardige jongen en zoo'n aardige aap!"
+
+"En waar is hij nu?" vroeg mevrouw Doornhof.
+
+"Zeker weggegaan," zeide Elsa, terwijl zij naar het raam liep. "'t
+Is al erg donker op straat; ik kan niets meer zien."
+
+"Hij is zeker aan je moeder gaan vertellen, wat er gebeurd is,"
+zeide mevrouw Doornhof tot Lena; "anders zou zij te erg schrikken,
+als je zoo thuis kwaamt."
+
+"Wanneer mag ik naar moeder toe?" vroeg Lena verlangend.
+
+"Dat zullen we aan den dokter vragen," zeide mevrouw Doornhof; en
+daar deze juist binnenkwam, durfde Lena niets meer zeggen.
+
+De dokter onderzocht het meisje, vroeg hoe zij gevallen was en keek
+heel ernstig.
+
+"Wel, dokter, hoe denkt u er over?" vroeg mevrouw Doornhof.
+
+"Ja, mevrouw, de kleine is erg te land gekomen," antwoordde hij
+ernstig: "ze mag vooreerst niet vervoerd worden!"
+
+"Welzoo, dat ziet er gek uit," zeide mevrouw Doornhof, "dan moet ze
+maar bij ons blijven, totdat ze beter is."
+
+"Ja, mevrouw, ze heeft haar rug ernstig bezeerd; maar als er goed
+voor haar gezorgd wordt, dan kan het geen kwaad," antwoordde de dokter.
+
+"Ik wou zoo graag naar moeder," snikte Lena.
+
+"Hoor eens, beste meid, als je nu gauw beter wilt worden, dan moet
+je niet bedroefd zijn," zeide mevrouw Doornhof. "Je moeder mag hier
+dikwijls komen, en zij zal het wel heel goed vinden."
+
+"En Paul en Cesar!" snikte Lena weder.
+
+"Die mogen ook komen," verzekerde mevrouw Doornhof haar. "Schrei nu
+maar niet zoo."
+
+Bij deze woorden helderde het bedroefde gezichtje van Lena wat op,
+en nu nam de dokter afscheid en werd door mevrouw uitgelaten.
+
+Toen de goedhartige dame weer in de kamer kwam, zag zij, dat Elsa
+haar best deed om Lena wat op te vroolijken. Zij liet heur poppen
+zien, die zoo mooi waren dat Lena er bijna niet durfde aankomen,
+en babbelde zoo aardig, dat mevrouw Doornhof er zelf schik in had.
+
+"'t Is bedtijd, Elsa," zeide zij echter. "Morgen komt er weer een dag,
+en dan kun je met.... Ja, kindlief, hoe heet je toch?"
+
+"Ik heet Lena," zeide deze vriendelijk.
+
+"Nu, dan kun je met Lena zooveel praten als je wilt."
+
+"En hoef ik dan niet naar school!" riep Elsa uit, terwijl zij van
+verrukking heen en weder danste.
+
+"Eerst naar school, en dan met Lena praten," zeide mevrouw Doornhof
+glimlachend. "Wel, kleintje, ik dacht, dat je zoo graag naar school
+gingt."
+
+"O, jawel, maar zoo elken dag is wel wat veel," bekende Elsa, die
+erg graag met de poppen speelde.
+
+Lena werd nu naar een achterkamer gebracht, uitgekleed (het nachtgoed
+van Elsa's zusje Lina paste haar precies) en in een ledikantje plat
+op de matras gelegd.
+
+Toen dit alles gedaan was en het meisje ondanks het verlangen naar
+haar moeder gerust was ingeslapen, keerde mevrouw Doornhof naar de
+zijkamer terug, waar haar ander dochtertje, de twaalfjarige Lina aan
+de tafel haar les zat te leeren.
+
+"Lina!" zeide mevrouw Doornhof.
+
+"Wat is het, ma?"
+
+"Vind je, dat je van avond lief bent geweest?"
+
+"Ik heb toch mijn schoolwerk af en ken mijn les bijna, ma. Wat... heb
+ik... dan gedaan?" vroeg Lina onrustig.
+
+"Waarom heb je dat arme meisje in het geheel niet eens
+toegesproken?" zeide haar mama.
+
+"Och, ma, dat arme kind!" riep Lina uit. "Waarom moet ik mij met zoo'n
+kind bemoeien?" En waarlijk daar trok ons nufje haar klein neusje op,
+zoo hoog als zij kon.
+
+"Denk je, dat je zooveel beter bent dan dat arme kind?" vroeg mevrouw
+Doornhof.
+
+"Ik ben toch heel anders," zeide Lina koppig. "Ik ben netjes aangekleed
+en..." Zij durfde niet voortgaan.
+
+"Maar, Lina: weet je wel hoe het komt, dat jij altijd mooie jurken
+aan kunt hebben?" vroeg mevrouw Doornhof ernstig. "Als wij eens arm
+werden, en dat kan heel best gebeuren, zou je ook eenvoudig gekleed
+moeten gaan. En hoe zou je het dan vinden, als je vriendinnetjes
+even zoo tegen je deden als jij tegen Lena? Ga nu naar bed, Lina;
+'t spijt me dat je zoo onhartelijk bent."
+
+Een uur later kwam de moeder van Lena heel verschrikt bij mevrouw
+Doornhof aan. Toen zij hoorde, dat Lena gerust sliep, had zij zich
+tevredengesteld met mevrouw Doornhof even in de kamer te gaan, waar
+haar dochtertje lag, en was zij, zonder het meisje wakker te maken
+weggegaan. Zij vroeg verlof om den volgenden dag weerom te komen,
+en mevrouw Doornhof zeide haar dat zij zoo dikwijls mocht komen,
+als zij wilde, totdat het meisje beter was.
+
+
+
+
+
+
+II.
+
+PAUL ZOEKT LENA OP.
+
+
+Of Lena ook raar opkeek, toen zij den volgenden morgen wakker
+werd! Eerst begreep zij maar niet, waar zij was, en herinnerde zij
+zich niet dadelijk wat er met haar gebeurd was; maar toen zij overeind
+wilde gaan zitten, en zij dat niet kon, omdat haar rug haar zulk een
+pijn deed, schoot alles haar te binnen.
+
+Zoo stil als een muisje bleef zij daar liggen en oplettend keek zij
+eens in het rond, en langzamerhand herinnerde zij zich, wat de dokter
+en mevrouw Doornhof haar gezegd hadden. Zij moest langen tijd rechtuit
+liggen, had de dokter gisteravond bevolen. Juist! En zij mocht niet
+naar haar moeder gaan, dat herinnerde zij zich duidelijk!
+
+Aanstonds sprongen de tranen haar in de oogen, en werd zij bitter
+bedroefd. Zij lag zachtjes te snikken en gevoelde zich heel, heel
+ongelukkig, toen zij eensklaps een klein handje voelde, dat haar over
+haar wang streelde.
+
+"Je moet niet schreien, Lena," zeide Elsa, die op haar teentjes naast
+het ledikantje stond. "Maatje komt dadelijk hier. Wil ik de gordijnen
+al vast ophalen?"
+
+"Ja," antwoordde Lena, en greep het vriendelijke handje, om er een
+kus op te drukken. "'t Is hier erg donker, niet waar?"
+
+"Akelig donker!" riep Elsa uit, "en buiten schijnt de zon zoo lekker,
+'t Is zulk een mooi weer!"
+
+Zij trippelde vlug naar de ramen en haalde de gordijnen heel netjes op.
+
+"Zie eens aan, Lena, er is geen enkele verkeerde plooi in," zeide
+zij met zelfvoldoening. "Kun jij de gordijnen ook zoo netjes ophalen?"
+
+"Dat weet ik niet," antwoordde Lena. "Maar o, wat is dat een mooie
+tuin!"
+
+"Vindt je niet!" riep Elsa vroolijk uit. "En dat perkje daar ginds is
+mijn tuintje; daar staan reseda's, die ik allemaal zelf gezaaid heb."
+
+"O, hoe aardig," zeide Lena bewonderend. "Je vindt het zeker erg
+prettig?"
+
+"O, zoo prettig!" hernam Elsa, in haar handjes klappend, "en die
+reseda's ruiken zoo lekker; ik zal er je straks een paar brengen."
+
+"Wezenlijk, wil je dat doen!" riep Lena uit, wier oogen van genoegen
+schitterden. "O, ik ruik zoo graag lekkere bloemen."
+
+Op dit oogenblik kwam mevrouw Doornhof de kamer binnen, en Elsa snelde
+haar te gemoet om gekust te worden. Daarna kwam de vriendelijke dame
+naar het bed.
+
+"Heb je van nacht goed geslapen, Lena?" vroeg zij belangstellend.
+
+"O jawel, mevrouw," antwoordde Lena.
+
+"Gisteravond is je moeder nog hier geweest," vervolgde mevrouw
+Doornhof, "maar je sliept zoo lekker, dat we je maar niet wakker
+hebben gemaakt; van morgen komt je moeder terug. Je verlangt zeker
+erg naar haar?"
+
+Lena knikte toestemmend en stak mevrouw Doornhof aarzelend haar hand
+toe. Deze nam het handje en drukte het meisje een kus op het voorhoofd.
+
+"Daar je moeder je nu geen morgenkus kan geven, zal ik het maar
+zoolang doen," zeide zij vriendelijk. "Vertel mij nu eens, of je veel
+pijn hebt?"
+
+Lena zeide wat zij gevoelde, en daarna verliet mevrouw Doornhof de
+kamer en zeide dat zij haar ontbijt zou sturen.
+
+'t Duurde dan ook niet lang, of Betje kwam met Elsa de kamer binnen. De
+meid droeg een boterham en een eitje, en de kleine Elsa liep er met
+een ernstig gezichtje bij en wijdde al haar attentie aan een groot
+glas melk, dat zij in de hand droeg. Triomfeerend bereikte zij er
+eindelijk het bed mee.
+
+"Zie je nu wel, Betje, dat ik het best zonder morsen kan dragen!" riep
+zij juichend uit. "Kom, Lena, drink er gauw eens van."
+
+Maar o jammer! Juist op het oogenblik dat zij Lena het glas overreikte,
+kantelde het, en meer dan de helft stortte over het bed en de arme
+Lena. Elsa uitte een kreet van teleurstelling en dronk in haar
+ontsteltenis haastig de overgebleven helft leeg. Daarna had zij wel
+weg willen kruipen, zoo schaamde zij zich.
+
+"Maar, Elsa, wat voer je nu uit?" riep Betje, die zich even
+omgekeerd had, om de boterham op tafel te zetten, en nu plotseling
+de overstrooming bemerkte. "En drink je nu het glas nog leeg op den
+koop toe!"
+
+"Och, ze kon het niet helpen," zeide Lena, die niet kon hooren, dat
+haar aardig, klein vriendinnetje beknord werd. "Ik pakte het glas
+niet stevig genoeg vast."
+
+"'t Is me een nat boeltje," pruttelde Betje; "ik zal maar gauw andere
+lakens en dekens halen," en zij verliet al brommende de kamer.
+
+"Hoe jammer, Lena!" riep Elsa uit, zoodra de deur achter Betje dicht
+was. "Ik zal een ander glas melk halen,--ten minste als ze 't mij nu
+nog zelf willen laten dragen!"
+
+"Och, 't is niets," zeide Lena; "een glaasje water is immers evengoed;
+dan hoeven ze het niet te weten."
+
+"Daar komen ze toch achter," hernam Elsa. "want Betje zal het
+natuurlijk wel vertellen."
+
+Alvorens Betje nog terugkwam, had Elsa reeds een ander glas melk
+gehaald, en toen de meid met de schoone lakens kwam, was heel gauw
+ieder spoor van het ongeluk verdwenen. Elsa haalde nu de reseda's,
+die zij Lena beloofd had, en werd daarop de kamer uitgestuurd, daar
+het tijd was om naar school te gaan. Even daarna kwam de dokter binnen,
+gevolgd door mevrouw Doornhof.
+
+Toen de dokter vertrokken was, kwam Betje weer binnen.
+
+"Mevrouw," zeide zij, "Teunis zegt, dat hij de jongejuffrouw Lina
+alleen naar school heeft gebracht, want Elsa kon hij nergens vinden,
+en Lina zei, dat het te laat zou worden, als zij nog langer wachtte."
+
+"Waar is Elsa dan?" vroeg mevrouw Doornhof verwonderd opziende. "Zij
+weet heel goed, dat zij naar school moet!"
+
+"Ik heb al overal gezocht," zeide Betje, "maar kon haar nergens
+vinden. Misschien is ze wel in den tuin."
+
+"Ga daar eens kijken," antwoordde mevrouw Doornhof nu. "'t Is ondeugend
+van haar om weg te loopen!"
+
+Betje ging weg, maar kwam weldra terug met de tijding, dat in den
+geheelen tuin geen spoor van Elsa te zien was.
+
+"Waar kan die kleine ondeugd dan zitten?" riep mevrouw Doornhof
+eenigszins angstig uit. "Ze zal toch geen ongeluk hebben gekregen!"
+
+"Misschien is ze in de kamer bij dat zieke meisje," zeide Betje. "Wil
+ik er eens gaan kijken?"
+
+"Neen, dat zal ik zelf wel doen," hernam mevrouw Doornhof. "Toen ik
+daar straks met den dokter was, heb ik haar niet gezien."
+
+Aanstonds ging mevrouw Doornhof naar de ziekenkamer, en keek in alle
+hoeken en kasten, maar tevergeefs.
+
+"Zeg eens, Lena, heb jij Elsa ook gezien?" vroeg zij. "Is zij hier
+ook geweest, nadat de dokter vertrokken is?"
+
+"Neen, mevrouw, ik heb haar niet gezien, nadat ze mij die takjes
+reseda heeft gebracht," zeide Lena.
+
+"Waar kan dat stoute kind dan zitten!" riep mevrouw Doornhof ongerust
+uit.
+
+"Hier, Maatje," klonk eensklaps een benauwd stemmetje.
+
+"Waar?" riep mevrouw Doornhof rondziende uit.
+
+"Is u niet boos, Maatje?" klonk het weer.
+
+"Wel zeker ben ik boos," zeide haar mama. "Kom maar eens gauw voor
+den dag."
+
+"Neen, als Maatje boos is, komt Elsa niet," zeide de kleine weer.
+
+"Geen gekheid, Elsa! Waar ben je?" riep mevrouw Doornhof.
+
+"De toovergodin wil Elisa niet laten gaan, als Maatje nog boos is,"
+hernam de kleine.
+
+"Waar kan dat kind zitten," zeide mevrouw Doornhof halfluid.
+
+Eensklaps vloog er een glimlach over Lena's gelaat; zij wenkte mevrouw
+Doornhof en fluisterde haar toe: "Zij zit onder het ledekantje,
+mevrouw."
+
+"Dan zal ik er haar wel gauw vandaan krijgen," antwoordde mevrouw
+Doornhof op denzelfden toon, maar zij deed alsof zij er niets van
+begreep, waar het kleine ding kon zitten.
+
+"Betje," zeide zij hardop, toen de dienstmaagd binnenkwam, "er zit
+hier ergens een muis. Ga jij nu de groote, roode poes van hiernaast
+eens halen, dan zullen we haar eens laten snuffelen."
+
+"O, alsjeblieft niet, Maatje," smeekte Elsa doodelijk benauwd.
+
+"Wil je dan voor den dag komen?" vroeg mevrouw Doornhof.
+
+"Ja, Maatje, de toovergodin vindt het nu goed," zeide Elsa, en weldra
+kwam het donkere krulkopje van onder het bed uitkijken. Maar verder
+kwam zij nog niet.
+
+"Komaan, Elsa, er heelemaal onder vandaan," zeide mevrouw Doornhof.
+
+"Ik kom al, Maatje. U is toch niet boos?" zeide het vleiende stemmetje;
+en nu kwam onze jongejuffrouw er heelemaal onderuit.
+
+"Maar Elsa, waarom ben je zoo ondeugend geweest om onder het bed te
+kruipen, in plaats van naar school te gaan?"
+
+"Och, Maatje, ik wou zoo graag vandaag bij Lena blijven," zeide Elsa
+verlegen. "Anders is zij den geheelen dag zoo alleen."
+
+"Maar Lena zal hier nog dagen genoeg zijn," hernam mevrouw Doornhof
+afkeurend. "Je bent erg ongehoorzaam geweest."
+
+"Ja, Maatje, ik zal 't ook nooit weer doen," beloofde Elsa
+berouwvol. "Moet ik nu nog naar school gaan?"
+
+"Neen, je moet nu maar thuis blijven," hernam mevrouw Doornhof;
+"maar morgen helpen die kunsten je niets, hoor meisje! Haal nu je
+breikous, dan zal ik je een taak opgeven."
+
+O hemel, die breikous! Daaraan had Elsa volstrekt niet gedacht! Dat
+akelige breien! Hoe 't kwam, wist zij niet, maar altijd gleden de
+steken van haar naald af en dan zag het werk er zoo onoogelijk uit,
+dat zij er geen raad mee wist.
+
+Haar Mama, die heel goed wist, hoe zij over het breien dacht, liet
+haar juist de breikous halen om haar te straffen voor haar verzuim.
+
+"Nu moog je naast Lena's bed gaan zitten en moet je zorgen dat je om
+twaalf uren zes naadjes gedaan hebt," zeide haar mama, toen zij met
+haar werk binnenkwam.
+
+"En mag Lena mijn poppen niet eens zien?" vroeg Elsa bedrukt.
+
+"Zoodra je taak af is, kun je ze halen," zeide mevrouw
+Doornhof. "Straks komt Lena's moeder, en als die er is, kom jij
+bij mij."
+
+Mevrouw Doornhof verliet nu de kamer, en Elsa bleef bij Lena zitten
+breien. In het begin zei ze geen woord, maar breide ijverig door;
+heel gauw verveelde haar dat zwijgen echter.
+
+"Zeg eens, Lena, zou die jongen met zijn aap weer eens
+voorbijkomen?" vroeg zij.
+
+"Zeker wel," antwoordde deze. "O die Paul is zoo'n goede jongen,
+zoo aardig en vriendelijk, en dan Cesar..."
+
+"Wie is Cesar?" vroeg Lena verwonderd.
+
+"Cesar is de aap," antwoordde Lena; "dat is zoo'n grappig diertje,
+en hij kan zoo mooi exerceeren en doodliggen!"
+
+"Zou hij wel eens hier willen komen met Cesar?" vroeg Elsa met
+schitterende oogen. "O, ik zou zoo graag..."
+
+"Mijn taak af willen breien," zeide mevrouw Doornhof, die ongemerkt
+de kamer in was gekomen. "Kom nu mee, Elsa; Lena's moeder is er."
+
+Of Lena ook in haar schik was, toen haar moeder binnenkwam. En de
+goede vrouw zette groote oogen op, toen zij zag hoe keurig netjes
+haar dochtertje daar in dat lieve ledekantje in die mooie kamer lag.
+
+"Wel, Lena-lief, kind, hoe ongelukkig om zoo te vallen!" riep zij uit,
+haar hartelijk kussende. "Heb je veel pijn?"
+
+"Ja, moe, mijn rug doet erg zeer; ik kan niet overeind zitten en
+dat mag ik ook niet zegt de dokter," antwoordde Lena. "O, moe, die
+mevrouw is zoo lief voor mij, en dat kleine meisje ook; 't is precies
+een engeltje!"
+
+"Foei wat ben ik geschrikt, toen Paul gisteravond alleen thuis kwam en
+vertelde wat er gebeurd was," zeide vrouw Wenzel, naast het ledekantje
+gaande zitten. "Nu, ik zal je dikwijls op komen zoeken, kindlief;
+mevrouw heeft gezegd dat ik mocht komen, zoo dikwijls als ik wilde."
+
+"Hè dat is heerlijk, moedertje," zeide Lena, met een zucht van
+verlichting, want zij was erg bang geweest dat zij haar moeder bijna
+nooit zou zien.
+
+Vrouw Wenzel praatte nog een poosje met haar dochtertje en verliet
+haar daarop, en Lena was erg opgevroolijkt door dat bezoek. Toen zij
+weg was, kwam Elsa weer binnen.
+
+"Nu moet ik straks naar school, Lena," zeide zij zuchtend; "en als
+ik mijn taak niet af heb, dan moet ik haar na het eten af breien."
+
+"Moet je nog veel, Elsa?" vroeg Lena.
+
+"Nog drie heele naadjes," riep Elsa uit. "O, dat akelige breien!"
+
+"Geef mij de kous maar, dan zal ik het wel voor je afmaken," zeide
+Lena goedhartig.
+
+"Wil je dat doen, lieve Lena?" riep Elsa vroolijk uit. "O, dat is
+heerlijk; ik heb zoo'n hekel aan breien!"
+
+"Als je naar school bent, zal ik het afmaken," beloofde Lena.
+
+"Och, die akelige school!" zuchtte Elsa weer.
+
+"Vind je dat schoolgaan zoo akelig?" vroeg Lena.
+
+"Erg akelig," zeide Elsa. "Ik zou graag thuis blijven bij maatje en
+met mijn poppen spelen. Ik heb er wel acht! En dan wat in den tuin
+rondloopen en de bloemen begieten!"
+
+"Wat moet je dan wel op school doen?" vroeg Lena. "Ik vind het zoo
+akelig niet!"
+
+"Ik moet letters en woorden schrijven en spellen," zuchtte Elsa,
+"en ik speel veel liever!"
+
+Tegen een uur of zes kreeg Lena weer een bezoek, en nu van niemand
+anders dan van Paul, die met Cesar op zijn arm aan het mooie huis
+aanschelde.
+
+"Jongen, wat moet jij hebben? We geven niet aan de deur!" grauwde
+Betje hem toe, die hem opendeed.
+
+"Ik wil niets hebben," stotterde Paul verlegen. "Ik wou naar Lena..."
+
+"Wat! wou je met dat vuile dier door de mooie, marmeren gang?" riep
+Betje uit, terwijl zij de handen in haar zijde zette.
+
+"Hij zit immers op mijn arm," merkte Paul bescheiden aan; "hij zal
+niets vuil maken, en ik zal mijn laarzen wel uittrekken, als je denkt
+dat ik den boel zal bemorsen."
+
+"En moeten die vuile laarzen hier dan blijven staan?" riep Betje
+verontwaardigd uit. "Een mooi gezicht, als er iemand inkomt! Ik zal
+ze maar in het vuilnisgat gooien."
+
+"Alsjeblieft niet," verzocht Paul, terwijl er tranen in zijn oogen
+sprongen. "Ik heb geen andere laarzen."
+
+"Dan ben je een echte schooier," zeide Betje onbarmhartig. "Weet
+je wat! maak als de drommel, dat je met dat beest de stoep weer
+afkomt. Wat kijkt het mij kwaadaardig aan!"
+
+De arme Paul wilde juist aan dit bevel gehoor geven, toen een stem
+in de gang zeide:
+
+"Kom maar binnen, mijn jongen! Betje, doe de deur open en wijs hem
+den weg naar Lena's kamer!"
+
+Of Betje ook schrikte! Mevrouw Doornhof was stilletjes in de gang
+gekomen en had het geheele gesprek aangehoord, en toen Betje Paul
+weg wou sturen, had zij er zich mee bemoeid. Paul was erg blijde,
+dat hij nu binnen mocht komen, veegde heel netjes zijne voeten af en
+liep op zijn teenen achter Betje aan.
+
+"Dag, Lena; hoe gaat het je?" vroeg Paul toen hij in de kamer kwam.
+
+"Paul!" riep Lena overgelukkig uit. "O, hoe prettig, dat je komt."
+
+Paul stond bedremmeld te kijken, want hij zag Elsa ook, die hem met
+groote oogen aanzag.
+
+"De jongen met den aap!" riep zij eensklaps uit. Eerst had zij het
+aapje niet gezien, want het was een klein diertje, dat zich schuw onder
+het buisje van Paul verscholen had. "O, dat is prettig!" en zij klapte
+in haar handen van pleizier. "Nu moet hij allerlei kunsten maken en
+dan krijgt hij van mij een klontje suiker of wat ander lekkers!"
+
+"Zou hij willen, Paul?" vroeg Lena.
+
+"Ik weet het niet," antwoordde Paul verlegen; "straks misschien wel;
+hij is nu nog te schuw."
+
+"Mag ik hem eens over zijn kopje aaien?" vroeg Elsa.
+
+"Jawel, jongejuffrouw," zeide Paul; "dat vindt hij wel prettig."
+
+"Ik heet Elsa," antwoordde het kleine meisje, terwijl zij Paul
+vertrouwelijk aankeek, en met haar vingertjes over den kop van Cesar
+streek. "Kom je eens naar Lena kijken?"
+
+"Ja jongejuf... ik meen, Elsa," antwoordde Paul; "ik houd zooveel
+van Lena, zij is altijd zoo lief voor mij."
+
+"Tralala, Tralala!" zong Lena tegelijkertijd zoo luid zij kon. "Ik
+vind het heel prettig, Paul. Tralala!"
+
+"Kom wees nu eens stil; ik wil Paul nog wat vragen," zeide Elsa.
+
+Maar Lena, die het niet prettig vond om zoo in haar gezicht geprezen
+te worden, zong zoo dapper en onvermoeid voort, dat men waarlijk niet
+zou denken dat zij een zieke was; en eindelijk gingen de twee anderen
+ook meezingen, zoodat toen mevrouw Doornhof, die in de gang het leven
+had gehoord, binnenkwam, zij haar handen ineensloeg van verbazing.
+
+"Kinderen, is dat nu een geweld, dat in een ziekenkamer te pas
+komt!" riep zij uit, naar het ledekant van Lena gaande. "'t Is goed,
+om de patiënte de koorts te doen krijgen."
+
+"Lena begon zelf te zingen," verdedigde Elsa zich, "en toen zijn wij
+voor de gezelligheid mee gaan doen."
+
+"Nu, 't doet mij plezier dat Lena lust in zingen heeft," antwoordde
+mevrouw Doornhof glimlachend, "maar ik zal toch maar een einde aan het
+concert maken. Lena moet nu wat gaan slapen, en jij gaat met mij mede."
+
+"En Paul?" vroeg Lena beschroomd.
+
+"Je wilt hem straks zeker nog wel eens spreken," zeide mevrouw
+Doornhof vriendelijk. "Dus gaat Paul ook zoolang met mij naar binnen,
+of hij kan met Elsa in de speelkamer gaan. Ga nu gauw slapen, Lena;
+des te eerder spreek je je vriendje."
+
+Lena gehoorzaamde en sloot haar oogen, terwijl mevrouw met Elsa en
+Paul de kamer uitging.
+
+"Nu naar de speelkamer," riep Elsa, "en dan moet Cesar kunsten
+maken. Hoor eens, Maatje: mag ik wat lekkers voor hem?"
+
+"Wie is Cesar?" vroeg haar mama.
+
+"O, de aap, Ma. Wil u hem ook eens zien? Zeg eens, Paul, wat lust
+hij het liefste?"
+
+"Hij is niet verwend en eet van alles," antwoordde deze.
+
+"Kom maar mede, Elsa," zeide haar mama, "maar wijs Paul eerst even
+de speelkamer. Ik zal ondertusschen binnen wat noten en amandelen
+klaar leggen."
+
+Elsa huppelde Paul vooruit de trap op naar een ruime voorkamer waar
+geen kleed op den grond lag, en waar de kinderen altijd naar hartelust
+mochten ravotten, omdat er niets te bederven was. Zij duwde de deur
+open en zeide Paul, dat hij maar binnen moest gaan, terwijl zij even
+naar beneden ging om lekkers voor Cesar te halen.
+
+"Ik heb nog een kwartje, Paul, en zal daarvoor ook wat vijgen laten
+halen. Daar houdt het lieve diertje immers wel van?" zeide zij onder
+het weggaan. "Hij moet eens lekker smullen, als hij zijn kunstjes
+mooi gedaan heeft."
+
+"Hij moet een stok hebben, als hij exerceert," riep Paul haar nog
+na. "Breng dien dan mee!"
+
+Paul duwde de deur verder open en trad de kamer binnen, terwijl Cesar
+heel nieuwsgierig zijn kopje boven Pauls schouder uitstak om eens
+rond te kijken. Paul liep langzaam, zonder in het rond te kijken,
+naar het raam en zag naar beneden op de drukke gracht. Eensklaps
+schrikte hij hevig, daar hij een vrij harden stomp in zijn rug kreeg,
+en omziende een twaalfjarigen knaap ontdekte, die hem donker aankeek.
+
+"Wat moet jij hier, ezel! Kun je niet spreken, als je binnenkomt?"
+
+Paul was veel te ontsteld en te verbaasd, om een woord te kunnen
+uiten, en keek den knaap met groote oogen aan. Hij ontwaarde nu ook
+een meisje van ongeveer denzelfden leeftijd dat achter hem stond.
+
+"Zeg eens, Lina, wat moet die jongen? Is hij stom?" vroeg hij weer.
+
+"Misschien wel, Tom," antwoordde Lina, het zusje van Elsa, haar
+neefje Tom.
+
+"Ruk uit!" riep Tom, en wilde Paul bij den arm trekken. Maar nu kwam
+het kopje van Cesar te voorschijn, die zijn kleine, witte tandjes
+liet zien. "Neen, je blijft en laat dien aap zijn kunsten vertoonen!"
+
+"Laat mij maar weggaan," zeide Paul nu verlegen. "Elsa komt, en..."
+
+"Wat Elsa!" riep Tom ruw uit. "Je kunt wel zeggen jongejuffrouw
+Elsa! Zoo'n bedeljongen moet mijn nichtjes niet bij den naam noemen!"
+
+"Ze heeft het zelf gezegd," zeide Paul nu.
+
+"Die Elsa is altijd zoo mal," zeide Lina haar neusje optrekkend. "Ze
+zit voortdurend bij dat armelui's kind, dat gevallen is."
+
+Paul wilde ongemerkt naar de deur sluipen, want hij begreep dat hij
+tegen twee niet opgewassen was; maar Tom voorkwam hem, sloot de deur
+af en stak sarrend den sleutel in zijn zak.
+
+"Laat je aap dansen!" riep hij ruw, en nam een rietje dat in een hoek
+op den grond lag.
+
+Paul deed zijn best om Cesar kunstjes te laten vertoonen, maar 't
+scheen dat deze bang was voor Tom, want hij kroop onder Pauls arm.
+
+"Zeg eens, jongen, begint je aap nu haast, of ik ransel je met dit
+rietje," dreigde Tom.
+
+"Als ik maar een stukje suiker of een vijg voor hem had, dan zou hij
+wel willen," zeide Paul, die alle moeite deed om Cesars koppigheid
+te overwinnen.
+
+"Wel ja, we zullen dat mormel nog lekkers geven," riep Tom verachtelijk
+uit. "Jij zoudt zeker het meeste er van opeten!"
+
+"Maar je ziet, dat hij niet wil," hernam Paul smeekend. "Plaag hem
+nu niet; hij is goedig!"
+
+"Het zal er ook wat op aankomen," zeide Tom. "Allo, hij moet dansen
+of je krijgt met het riet!"
+
+Wat Paul ook probeerde of deed, Cesar wilde niet van zijn arm afkomen
+en drukte zich hoe langer hoe meer tegen hem aan.
+
+Eensklaps voelde hij het rietje onzacht op zijn rug neerkomen en
+uitte hij een gil van schrik zoowel als van pijn.
+
+"Kom, sla niet, Tom," zeide Lina, die 't nu toch te erg vond. Wel
+had zij haar neefje erg tegen de kinderen opgestookt, maar nu werd
+zij toch angstig.
+
+"Hij en zijn aap zullen nog meer hebben, als hij hem geen kunsten
+laat maken!" riep Tom driftig uit. "Dansen zal hij!"
+
+Nog eens probeerde Paul, of hij Cesar niet over kon halen, maar
+tevergeefs en wederom voelde hij een slag op zijn arm. Hij deed nu
+maar zooveel mogelijk zijn best om zijn armen Cesar voor de slagen
+te behoeden, maar daar Tom juist op het diertje mikte, gelukte het
+hem niet altijd.
+
+Daar trof een goed geraakte slag Cesar op den kop; het dier ging luid
+krijschen en bedekte het kopje met zijn beide handen.
+
+Nu werd het Paul toch te erg. Dat hij zelf door Tom geslagen werd
+kon hem niet schelen, en als hij niet voor Cesar had moeten zorgen,
+zou hij wel weerom geslagen hebben, maar dat een groote jongen een
+arm, klein diertje sloeg, dat zich niet kon verdedigen, dat kon hij
+niet verdragen. Hij werd vuurrood. "Weet je wat je bent? Een laffe,
+gemeene jongen!" riep hij trillend van drift en verontwaardiging
+uit. "Als je bij mij woondet, zou ik niet eens met je willen vechten,
+en al de jongens zouden je najouwen! Daar, Cesar ga in dien hoek;"
+hij zette het diertje neer, "en kom nu op, dan zul je eens ondervinden
+hoe een pak ransel smaakt!"
+
+"Met jou vechten!" sarde Tom. "Met zoo'n bedeljongen! Laat je aap
+dansen of hij krijgt nog meer smeer. Lina, hou dien jongen vast!"
+
+"Raak me niet aan!" waarschuwde Paul met gesmoorde stem vol woede. "En
+als je Cesar durft slaan, vlieg ik op je aan!"
+
+Lina deed een vreesachtige poging om Paul vast te grijpen, en dat
+oogenblik nam Tom te baat om Cesar weer een striem met het rietje te
+geven. Aan het gejammer, dat het diertje uitstiet, bemerkte Paul wat
+er gebeurd was, en nu wierp hij zich zonder bedenken op Tom, die in
+een ommezien op den grond lag, met Paul boven op hem.
+
+Lina begon luid te schreien, en Cesar was op een kast gesprongen en
+zat in een hoekje gedoken rillend in elkaar.
+
+De jongens klopten elkaar af, dat het een lust was. Toen, volgens Pauls
+idee, de jongeheer Tom genoeg afgeranseld was, sprong hij overeind,
+riep zijn aap, die aanstonds op zijn arm sprong, en zeide tot Lina:
+
+"Doe de deur open!"
+
+Deze, die nu ontzag voor hem had gekregen, nam den sleutel, dien Tom op
+de tafel had neergelegd, en draaide het slot open. Paul ging haastig
+de kamer uit, voordat Tom nog van den schrik bekomen was. Maar nu
+wist hij niet recht welken kant hij op moest; hij was nooit in zulk
+een groot huis geweest, en nu zag hij zooveel deuren dat hij verlegen
+stond. 't Leek wel of de trap verdwenen was, waarmee hij naar boven was
+gekomen. Hij kon niet weten, dat die door een deur afgesloten was; en
+hij zag tot overmaat van smart dat Tom eensklaps uit de kamerdeur kwam.
+
+Haastig opende hij een der deuren, wierp die achter zich toe en was
+verdwenen, voordat Tom bij hem kwam.
+
+Op dit oogenblik kwam Elsa vroolijk naar boven, zij had allerlei
+lekkers voor Cesar, weinig denkende, dat het arme dier slaag had gehad.
+
+"Hé, Tom en Lina, dat tref je!" riep zij uit. "Paul is er met zijn
+aap en zal hem kunsten laten doen."
+
+"Loop naar de maan!" bromde Tom, en wilde haar voorbij dringen en de
+trap naar beneden afloopen.
+
+"Wat zie je rood, en hoe vuil is je buis!" ging Elsa verwonderd
+voort. "Wat scheelt je?"
+
+"Niks, laat me door," grauwde Tom, terwijl hij het kleine meisje
+tegen den muur drong.
+
+"Nare jongen, ga heen," riep Elsa. "Ga jij mee naar binnen, Lina?"
+
+"Neen, n..een," stotterde Lina.
+
+Elsa ging de kamer in en deed de deur achter zich toe, zoodat Lina
+en Tom samen alleen op het portaal waren.
+
+Verwonderd keek Elsa de kamer rond, daar zij Paul maar volstrekt
+niet zag. Zij riep en zocht in alle hoeken, maar toen zij geen gehoor
+kreeg, besloot zij Lina er eens naar te vragen. Zij deed de deur open,
+maar zag niemand op het portaal.
+
+Daar begreep Elsa niets van. Waar kon Paul zijn?
+
+"'t Heeft hem zeker verveeld, en toen is hij naar beneden gegaan,"
+dacht zij, "maar dan had ik hem toch moeten zien! 't Is niets aardig
+van hem: ik had zoo graag de kunsten van Cesar gezien; mijn heel
+kwartje is op aan vijgen!... Ik zal ze maar eens proeven!" Zij ging
+zitten en vergat voor een oogenblik, onder het genot van een groote
+vijg, haar boosheid op Paul.
+
+"Lekkere vijgen," zeide zij halfluid, nadat zij het steeltje zoover
+mogelijk had afgeknabbeld. "Eigenlijk jammer voor een aap! Maar
+neen, 't is zoo'n lief diertje! Ik zal Lena straks een paar vijgen
+brengen. Zij zal ze wel lusten; Paul is zeker bij haar! O ja, Ma
+heeft hem zeker laten roepen; Betje bleef ook zoo lang weg om die
+vijgen te halen!"
+
+Met deze gedachte stelde zij zich gerust en begon haar poppen uit en
+aan te kleeden, terwijl zij het lekkers dat zij bij zich had zorgvuldig
+op zijde legde, om het bij gelegenheid aan Cesar te geven.
+
+Weldra was het tijd voor Elsa om naar bed te gaan. Zij mocht niet meer
+bij Lena komen, daar de dokter er juist nog eens was, en kon haar Mama
+maar heel eventjes goeden nacht zeggen. Aan Paul dacht zij niet meer,
+en ook mevrouw Doornhof was geheel en al vergeten dat hij bestond. Lena
+was erg vermoeid en koortsig en vergat den armen Paul ook.
+
+
+
+
+
+
+III.
+
+WAAR PAUL WAS.
+
+
+'t Was den volgenden dag mooi weer, en al heel vroeg wreef Elsa haar
+oogen uit en sprong uit bed. Zij kleedde zich zoo wat aan en ging
+toen op haar teentjes naar Lena's kamer. Lena was wakker en lag rond
+te kijken.
+
+"O, ik ben blij, dat je komt!" riep zij uit. "Ik ben al lang wakker
+en heb zoo'n dorst!"
+
+Elsa ging haastig naar de tafel en schonk een glas water in dat zij
+Lena toereikte.
+
+"Is Paul gisteren nog lang bij je gebleven?" vroeg Lena toen zij
+gedronken had.
+
+"Paul is een nare jongen en Cesar een nare aap!" riep Elsa uit.
+
+"Hé, hoe komt het, dat je ze naar vindt?" vroeg Lena verwonderd.
+
+"Hij is stilletjes weggegaan," vertelde Elsa verontwaardigd, "en ik
+had mijn eigen kwartje nog al gegeven om vijgen voor Cesar te koopen!"
+
+"Stilletjes weggegaan?" herhaalde Lena. "Och kom, je houdt me voor
+den gek, Elsa!"
+
+"Neen 't is waar," hield Elsa vol. "Hier zijn de vijgen; je moet er
+maar een paar opeten, want Cesar krijgt ze toch niet meer!"
+
+"Maar waarom is Paul niet gebleven? Hij zou immers nog bij mij zijn
+gekomen ook!" hernam Lena.
+
+"Eet dan eens een vijg!" drong Elsa.
+
+"Komt Paul vandaag?" vroeg Lena.
+
+Elsa klom zonder complimenten op het ledikant en duwde Lena een groote
+vijg in den mond. Tegen wil en dank moest Lena nu eten, en Elsa keek
+met het grootste genoegen glimlachend toe.
+
+Toen Elsa weer weg was, lag Lena in gedachten verdiept, waarom Paul
+zoo raar zou hebben gedaan!
+
+De dag ging verder voorbij, zonder dat er iets bijzonders
+gebeurde. Lena's moeder kwam weer aan, maar ook zij wist niet waar
+Paul kon wezen: hij was gisteravond niet thuis gekomen, maar zij
+maakte zich niet erg ongerust.
+
+"Och," zeide zij, "jongens zijn precies als het kwade geld: zij komen
+altijd weer te voorschijn!"
+
+"Ja maar, moe, Paul kent niemand hier. Waar zou hij vannacht dan
+geweest zijn?" vroeg Lena.
+
+"Zeker wel ergens onder dak," antwoordde vrouw Wenzel lachend. "Ik
+zal het je komen zeggen, als hij weer boven water komt."
+
+Toen de familie 's avonds om elf uren naar bed zou gaan, gebeurde er
+evenwel iets bijzonders.
+
+Mevrouw en mijnheer Doornhof zaten nog de courant te lezen, en de
+beide meiden waren juist naar boven gegaan, toen er aan de kamerdeur
+werd getikt.
+
+"Binnen!" riep mijnheer, en daar stond de ons reeds bekende Betje op
+den drempel.
+
+"Wat is er, Betje?" vroeg mevrouw. "Ben je ziek?"
+
+"Heere neen, mevrouw," antwoordde Betje, die echter erg bleek zag,
+"maar als ik zoo vrij mag zijn, wil ik u wel zeggen, dat ik erg
+geschrikt ben."
+
+"Nu, drink dan maar wat," zeide mijnheer, "en kruip maar gauw onder
+de dekens."
+
+"Ja maar, mijnheer, dat durf ik juist niet," hernam Betje.
+
+"Durf je niet drinken?" vroeg mijnheer verwonderd.
+
+"Jawel, mijnheer, wèl drinken," zeide Betje verontwaardigd, "maar
+niet naar bed gaan!"
+
+"Kom, Betje, vertel mij dan eens, wat er gebeurd is," zeide mevrouw,
+die wel bemerkte dat mijnheer niet veel verder kwam. "Heb je iets
+gezien of gehoord?"
+
+"Ja, mevrouw, gehoord!" fluisterde Betje.
+
+"Zeker ratten of muizen," meende mijnheer lachend. "Nu we zullen een
+kat opdoen."
+
+"Neen, mijnheer, geen ratten of muizen," hernam Betje, "maar ik
+denk... dieven!"
+
+"Zoo, en hoeveel?" vroeg mijnheer plagend.
+
+"Laat mij maar met haar praten," fluisterde mevrouw haar echtgenoot in,
+"anders maak je haar boos."
+
+Mijnheer haalde glimlachend zijn schouders op en verdiepte zich weer
+in de courant.
+
+"Zou je heusch denken, dat het dieven zijn?" vroeg mevrouw nu
+weer. "Heb je je niet vergist?"
+
+"Neen, mevrouw, 't is zoo; Antje zegt het ook. Als u eens even mee
+naar boven wilt gaan, zult u 't ook hooren," zeide Betje.
+
+"'t Is eene heele reis," zeide mevrouw Doornhof, die niet veel lust
+had om al de trappen op te klimmen. "Zou je 't nog niet eens kunnen
+probeeren om te gaan slapen? Ik weet haast zeker, dat je je vergist
+hebt."
+
+"Als mevrouw niet wil komen, moet mevrouw het weten;" hernam Betje
+teleurgesteld, "maar als mevrouw morgenochtend het huis leeggestolen
+en ons vermoord in ons bed wil zien liggen, dan moet mevrouw het
+ook weten."
+
+"Kom, kom, zoo erg zal 't niet wezen," zeide mevrouw bedarend;
+"er mocht wel een heel regiment dieven wezen, als zij 't huis leeg
+wilden stelen."
+
+"Dus mevrouw gaat niet mee?" vroeg Betje treurig, terwijl zij den
+knop van de deur in haar hand nam. "Nu mevrouw moet het zelf weten,
+maar Antje en ik willen ons niet zoo maar dood laten steken! Wij
+blijven in de keuken op stoelen zitten."
+
+"Nu, als 't er zoo mee staat, dan zal ik even mee gaan," zeide mevrouw
+Doornhof. "Jullie moeten fatsoenlijk in je bed slapen."
+
+Mevrouw ging met Betje naar boven. Antje stond haar al aan
+de trap op te wachten met een licht, en nu gingen zij naar het
+zolderkamertje. Mevrouw Doornhof luisterde... luisterde nog eens..,
+maar hoe zij zich ook inspande, zij kon niets van de dieven hooren.
+
+"Geef mij dat licht eens, Antje," zeide zij, na een kwartier geduldig
+gewacht te hebben; "dan zal ik eens kijken, of er op zolder iemand is."
+
+"Goede hemel, mevrouw; en als hij u dan vermoordt!" riep Antje
+ontsteld uit.
+
+"Zoo'n vaart zal 't wel niet loopen," meende mevrouw Doornhof bedaard,
+"en anders moeten jullie maar goed gaan schreeuwen; dan worden de
+dieven bang."
+
+"Maar ik ga niet mee met mevrouw," zeide Antje.
+
+"Mijn leven is mij te lief!" voegde Betje er bij.
+
+Zonder een woord te spreken nam mevrouw Doornhof het licht op en ging
+naar de deur.
+
+"Neemt u het licht mee, mevrouw?" riep Antje angstig.
+
+"Wel zeker, Antje; hoe zou ik anders kunnen zien?" zeide mevrouw
+Doornhof, terwijl zij den zolder opging en in alle hoeken rondkeek.
+
+Maar hoe zij ook zocht en keek, zij vond geen enkelen dief, en toen
+eerst Betje en daarna Antje ook op den zolder kwamen, moesten dezen
+zich wel overtuigen, dat zij zich noodeloos ongerust hadden gemaakt.
+
+"'t Zijn ratten of muizen geweest," zeide mevrouw Doornhof
+eindelijk. "Gaat nu naar bed, en grendelt de deur dan, als je nog
+niet gerust bent."
+
+"Maar 't was toch zoo'n raar geluid, mevrouw," zeide Betje nu op
+verontschuldigenden toon, "precies alsof er iemand tegen een ander
+sprak."
+
+"Je bent nu toch overtuigd," hernam mevrouw Doornhof, terwijl zij
+naar de trap ging, die naar beneden leidde.
+
+De volgende morgen brak aan, en tot groote geruststelling van mevrouw
+Doornhof zag zij zoowel Antje als Betje, die het hoofd om de deur
+harer kamer staken, om haar goeden morgen te zeggen.
+
+Vrouw Wenzel kwam dien dag ook weer haar dochtertje bezoeken en vond
+haar beter dan te voren.
+
+"Moe, wat zei Paul wel?" vroeg Lena.
+
+"Ik begin mij nu wel wat ongerust te maken over den armen jongen,"
+zeide vrouw Wenzel, "want hij is nog niet bij mij geweest."
+
+"Hoe! Is Paul gisteren avond niet thuis gekomen?" riep Lena verwonderd
+uit. "En Cesar ook niet?"
+
+"Wel neen, kindlief, Cesar blijft bij zijn baas. Als Paul maar geen
+ongeluk heeft gekregen," zeide vrouw Wenzel.
+
+"Och, moe, hoe akelig! Kunt u niets doen, om hem op te zoeken?" zeide
+Lena.
+
+"Ik ben al naar een politiebureau geweest," antwoordde vrouw Wenzel,
+"maar daar wisten ze er niets van. Als hij maar niet verdronken is."
+
+Lena begon te schreien.
+
+"Kom, Lena, trek het je niet zoo aan; misschien komt hij nog wel
+terecht," troostte vrouw Wenzel. "Hij is misschien verdwaald en komt
+vandaag thuis."
+
+"Ik houd zooveel van Paul en van Cesar," snikte Lena, "en ik zou
+'t zoo akelig vinden als hij d... d... dood was."
+
+"Hij is misschien niet dood," troostte vrouw Wenzel haar; "ik zal
+nog eens goed onderzoek doen. Kom Lena, wees nu niet zoo bedroefd;
+dan mocht je eens koorts krijgen."
+
+Maar Lena was niet tot bedaren te brengen; en toen mevrouw Doornhof
+en Elsa de kamer inkwamen, hadden zij veel moeite het meisje in
+wat kalmer stemming te brengen. Eindelijk gelukte het Elsa; en toen
+mevrouw Doornhof bemerkte dat Lena wat bedaarder werd, nam zij vrouw
+Wenzel mee uit de kamer en liet alleen haar dochtertje bij Lena.
+
+Natuurlijk hoorde Lina van de verdwijning van Paul en van de dieven,
+die Antje en Betje den vorigen avond op den zolder meenden gehoord
+te hebben. Zij zeide echter niets en grauwde Elsa af, toen deze haar
+het verhaal deed, hoe bedroefd Lena was geweest over de verdwijning
+van Paul.
+
+Na het eten kwam Tom weder bij zijn nichtjes om, vooral met Lina, wat
+te spelen. Elsa ging dan ook maar heen, want zij wist wel, dat zij er
+haar toch niet graag bij wilden hebben; maar zij bleef op het portaal,
+daar zij in de speelkamer de ledikantjes harer poppen had staan. Zij
+kleedde ze dus op een trede zittende uit en vermaakte zich in stilte.
+
+Lina en Tom speelden samen wat, en daar zij nog al op elkaar gesteld
+waren, ging het ook doorgaans zonder haspelen; maar eensklaps hoorde
+Elsa, dat zij begonnen te twisten.
+
+'t Scheen, dat Lina hem iets zeide, en daarna hem verwijtingen
+ging doen.
+
+"En jij hebt het gedaan," riep Lina driftig uit. "Je hoeft de schuld
+niet op een ander te gooien."
+
+"Jij waart er evengoed bij," antwoordde Tom, "en 't is flauw, dat je
+mij alleen de schuld wilt geven."
+
+"Een jongen moet altijd de schuld op zich nemen," verklaarde Lina
+deftig.
+
+"Ik zou je bedanken," riep Tom uit. "Je bent een echte kat."
+
+"Waarom kom je dan hier?" hernam Lina scherp. "Met katten zou ik niet
+willen spelen, als ik jou was!"
+
+"Met apen ook niet, hé!" sarde Tom.
+
+"Als je me nog langer plaagt dan zal ik aan ma vertellen, wat je
+gedaan hebt," gilde Lina.
+
+"Dan zal ik zorgen, dat jij ook je portie krijgt," riep Tom uit. "Je
+hebt me opgestookt om dien jongen te plagen, omdat je zoo'n nest bent
+en je neus ophaalt voor dat zieke kind."
+
+"Ik wou, dat ik je nooit weer zag," zeide Lina bevend van drift.
+
+"Heel goed; je verveelt me mooi, 't kan me niets schelen," antwoordde
+Tom. "Maar als die jongen doodgaat, dan is 't jouw schuld, en dan
+kom jij in de gevangenis."
+
+Tom liep Elsa bijna omver en holde zoo gauw hij kon de trappen af
+en de voordeur uit. Lina stond nog roerloos in de kamer, toen Elsa,
+met haar pop in den arm, binnenkwam.
+
+"Wat meende Tom toch, Lina?" vroeg zij. "Waarom ga je naar de
+gevangenis?"
+
+"Och, Tom is gek," antwoordde Lina ruw. "Kind bemoei je met je poppen
+en niet met mij!"
+
+"Waarom heb je toch zoo gekibbeld met Tom?" vroeg Elsa weer. "En jullie
+hebt mekaar zoo uitgescholden; als maatje het hoort, krijg je knorren."
+
+"Als jij 't ma niet vertelt, hoort zij het niet, langtong," grauwde
+Lina haar toe.
+
+Nu had Elsa er genoeg van en besloot maar naar beneden te gaan en
+Lena wat op te vroolijken, die erg treurig was, daar zij naar Paul
+verlangde en die maar niet kwam opdagen.
+
+Lina bleef nu alleen in de kamer en stond in gedachten verzonken voor
+het raam.
+
+"Als ik maar wist, waar Tom dien sleutel had gelaten," zeide zei
+zachtjes, "dan zou ik de deur open kunnen doen, en... Als hij eens
+dood was gegaan!"
+
+Zij huiverde op deze gedachte en werd zoo angstig, dat zij, ondanks de
+kibbelarij die zij met Tom had gehad, besloot om na den middag aan haar
+mama te vragen, of zij eens naar haar tante, Tom's mama mocht gaan.
+
+Toen zij zich dit voorgenomen had, gevoelde zij zich geruster, hoewel
+zij erg verlangde naar het oogenblik dat zij uit mocht gaan. Nauwelijks
+had zij de helft van den weg afgelegd, of zij ontmoette Tom, die van
+plan was naar haar toe te gaan.
+
+"Tom, waar is de sleutel?" was het eerste, wat zij tegen hem zeide.
+
+"Ik kan hem nergens vinden," antwoordde deze, die er erg verschrikt
+uitzag; "ik heb overal thuis gezocht. Misschien ligt hij bij jullie,
+of anders heb ik hem verloren!"
+
+"O, Tom, wat moeten wij dan beginnen?" riep Lina uit, terwijl zij in
+tranen uitbarstte.
+
+"Stil, schrei zoo niet: de menschen kijken naar je," waarschuwde Tom.
+
+"Maar, Tom, als die jongen heusch eens doodgaat van honger, of
+opgegeten wordt door de ratten," jammerde Lina. "Wat moet ik beginnen!"
+
+"Zijn er dan ratten bij je op de vliering?" vroeg Tom verschrikt.
+
+"Ja, Betje en Antje hebben ze zelf gehoord; ze durfden niet naar bed
+gaan. Gebeurt het niet wel eens, dat ze kleine jongens opeten?" vroeg
+Lina.
+
+"Ik weet het niet," antwoordde Tom angstig. "Waarom hebben wij er
+hem ook niet eerder afgelaten?"
+
+"Maar als de sleutel weg is."
+
+"Kan de smid geen nieuwen maken?" vroeg Tom.
+
+"Ik durf den smid niet halen," zeide Lina; "anders kon hij die deur
+opensteken."
+
+"Ik zou mijn horloge wel willen geven, als ik dien sleutel vond!" zeide
+Tom.
+
+"Wat zal die jongen een honger en dorst hebben,--en dat kleine
+aapje!" riep Lina. "O, Tom, wat zijn we vreeselijk ondeugend geweest!"
+
+"En hoe kan hij er afkomen," peinsde Tom.
+
+"Als ik het eens aan mama of papa zeide," stelde Lina aarzelend voor.
+
+"Maar dan zul je ook geducht knorren krijgen!" riep Tom uit. "Neen,
+zeg het maar niet!"
+
+"Maar we moeten misschien naar de gevangenis, als hij doodgaat,"
+hernam Lina. "Denk je dat?"
+
+"Misschien wel," zeide Tom aarzelend.
+
+Zij waren nu weer aan de woning van den heer Doornhof gekomen en
+gingen naar binnen.
+
+"Wel, Lina, wat ben je gauw terug," zeide haar mama, verwonderd. "Was
+tante niet thuis?"
+
+"Ik ben Tom op straat tegengekomen," antwoordde Lina eenigszins
+verlegen.
+
+"Nu, gaat dan maar naar binnen; er staat een lekker stuk taart voor
+allebei klaar," zeide mevrouw Doornhof.
+
+Lina en Tom haastten zich naar binnen, terwijl mevrouw naar de kamer
+van Lena ging. De eerste hap smaakte erg lekker, maar 't was alsof
+Lina het niet over zich kon verkrijgen er aan voort te eten; zij
+keek Tom even aan en zag, dat deze voor zich keek en de taart nog
+niet geproefd had.
+
+"Ik weet niet hoe 't komt," zeide zij eensklaps, "maar ik kan het
+niet door mijn keel krijgen, ik ben zoo angstig."
+
+"Ik ook, Lina," antwoordde Tom; "ik kan niet slikken."
+
+"Hoe, de taart nog niet op, kinderen!" riep mevrouw Doornhof, die
+een oogenblik later binnenkwam. "Je bent toch niet ziek?"
+
+"Wel neen, ma," antwoordde Lina benauwd.
+
+"En jij, Tom?"
+
+"Ik ben heel wel, Tante."
+
+"Nu, eet dan gauw je portie op; anders loopen de ratten er nog mee
+weg," zeide mevrouw Doornhof lachend.
+
+"De ratten! O, o de ratten!" riep Lina eensklaps schreiend uit.
+
+"Stil dan toch," fluisterde Tom haar in.
+
+"Wat is dat?" vroeg mevrouw Doornhof verwonderd, die wel bemerkte,
+dat er iets aan haperde. "Wat is er gebeurd, Lina?"
+
+"Och, ma ik durf niet..." stotterde Lina snikkend.
+
+"Tom, wat scheelt Lina?" vroeg mevrouw Doornhof ernstig.
+
+"Ze... ze.. is wat.. angstig," prevelde Tom.
+
+"En waarvoor?" vroeg mevrouw. "Toch niet voor ratten! Die loopen hier
+niet in de kamer."
+
+"Neen, maar op de vliering. Antje.. en Betje.. hebben het zelf
+gehoord," zeide Lina afgebroken.
+
+"Maar, kind, wat komt er dat op aan; is dat nu een reden om zoo vreemd
+te zijn? We zullen een kat nemen. Jij hoeft immers niet op de vliering
+te komen."
+
+"Ik niet, ma; maar die jongen zit er op," fluisterde Lina.
+
+"Welke jongen?" vroeg mevrouw Doornhof, die begreep dat er iets ergs
+gebeurd was.
+
+"Met den aap," zeide Lina.
+
+"Hoe komt die op de vliering?" vroeg mevrouw. "Hij wilde toch niet
+stelen!"
+
+"O, neen, ma," riep Lina. "Wij, Tom en ik, hebben er hem opgesloten."
+
+"Waarom dan toch? En wanneer? Daarstraks?"
+
+"Neen, ma, eergisterenavond," zeide Lina doodelijk benauwd, "toen
+hij Lena op kwam zoeken."
+
+"Lina, moet ik dat gelooven!" riep mevrouw Doornhof buiten zichzelf
+van schrik uit. "Heeft dat kind daar al dien tijd gezeten, terwijl
+vrouw Wenzel dacht, dat hij misschien verdronken was! Ondeugend,
+meer dan ondeugend meisje! En jij, Tom, ga heen en kom in de eerste
+veertien dagen hier niet aan huis! Ik zal er met je mama over spreken!"
+
+Tom droop af, en mevrouw snelde de kamer uit, naar boven, totdat zij
+voor de deur stond, die de vliering afsloot en haastig den sleutel
+om wilde draaien. Geen sleutel was er te vinden, hoe zij ook zocht;
+en Lina, die haar stil was nageslopen, vertelde nu dat de sleutel
+nergens te vinden was.
+
+"Stuur aanstonds een van de meiden naar den smid," beval haar mama,
+"en laat haar zeggen, dat hij dadelijk met gereedschap moet komen om
+een deur open te steken!"
+
+Onderwijl probeerde mevrouw Doornhof om door het sleutelgat naar binnen
+te zien, maar 't was pikdonker; en nu herinnerde zij zich, dat er
+alleen maar een houten luik was, dat zeer moeilijk openging. De arme
+jongen was al dien tijd dus in het donker geweest. Nu probeerde zij
+op de deur te bonzen en te roepen, maar de deur was zoo dik en zwaar,
+dat het haar niets hielp en men er op de vliering niets van hoorde.
+
+"Zouden er ratten zijn, ma?" waagde Lina eindelijk te vragen.
+
+"Ik weet het niet," antwoordde deze stroef. "Ga naar beneden op de
+kinderkamer, Lina; dan kom ik straks met je spreken."
+
+"Mag ik niet blijven, ma? Ik wou zoo graag!"
+
+"Je hebt mij verstaan, niet waar? Ik begrijp niet, hoe zulk een
+ondeugend kind nog iets durft vragen," zeide haar mama streng.
+
+Lina ging zwijgend naar beneden, en nu kwam gelukkig de smid heel
+gauw aan. Hij probeerde een paar sleutels; en gelukkig paste er een
+van op het slot, de deur sprong open en mevrouw Doornhof snelde de
+vliering op.
+
+"Zeg eens, smid, help mij dat luik eens open doen; maar 't gaat stroef,
+wees voorzichtig," zeide zij waarschuwend.
+
+"Jawel, mevrouw, zulke akefietjes hebben wij wel meer," zeide de smid;
+en weldra was het luik open, en vertrok de zwarte man.
+
+Haastig keek mevrouw Doornhof nu in het rond, en spoedig zag zij Paul
+slapend op een hoop oude kleeden liggen, met Cesar in zijn arm.
+
+"Goddank!" riep de dame uit, toen zij bemerkte, dat hij sliep.
+
+"Kom, wordt wakker, mijn jongen, en ga mee!"
+
+Paul sloeg de oogen op en keek, verblind door het licht, onzeker
+rondom zich; daarna sloot hij ze weer.
+
+"Kom, probeer eens om op te staan," hernam mevrouw Doornhof weer,
+"en kom mee naar beneden."
+
+Cesar werd wakker en begon zachtjes te jammeren, terwijl hij zich
+tegen Paul aandrong.
+
+Nu werd deze geheel wakker en richtte zich op.
+
+"O, mevrouw, hebt u wat drinken voor Cesar?" vroeg hij zacht.
+
+"Wel zeker, wel zeker: jij en je arm aapje kunt eten en drinken,
+zooveel als je wilt," verzekerde zij, "maar kom dan mee."
+
+Paul stond op en ging achter mevrouw Doornhof naar beneden; hij moest
+zich telkens aan de leuning van de trap vasthouden, want hij was erg
+duizelig door het licht en flauw, daar hij in zulk een tijd niets
+gegeten had.
+
+Eindelijk waren zij beneden, en nu zorgde mevrouw Doornhof allereerst,
+dat Paul en Cesar flink eten en drinken kregen. Of dat ons aapje ook
+beviel! 't Deed Paul bijna nog meer plezier, dat Cesar het zoo goed
+had, dan dat hij zelf zoo genoot, en weldra waren beiden verzadigd.
+
+"Maar arme jongen, hoe kwam je op die vliering?" vroeg mevrouw
+Doornhof meelijdend.
+
+Paul bemerkte, dat zij niet wist, hoe Tom hem mishandeld had, en
+dus zeide hij eenvoudig, dat hij een verkeerde trap was opgeloopen;
+want hij wilde geen aanbrenger zijn.
+
+"En vond je het niet allerakeligst op die donkere vliering?"
+
+"Ja, mevrouw, ik was eerst erg angstig en heb zooveel leven gemaakt,
+als ik maar kon, maar later gewende ik er aan. Hoeveel dagen ben ik
+er wel geweest?"
+
+"Twee dagen en een nacht!"
+
+"Zoo kort? O! ik dacht, dat ik er wel een week was geweest," hernam
+Paul peinzend.
+
+"Wil je nu eens naar je vriendinnetje Lena?" vroeg mevrouw, die
+hem graag pleizier wilde doen. "Zij heeft evenals Elsa zoo naar
+je verlangd."
+
+Of Paul dat graag wou! Gij kunt begrijpen, hoe blij Lena en Elsa
+waren, en zij moest alles haarfijn weten. Aan Lena vertelde hij alles,
+toen Elsa even uit de kamer was. Hij vertelde hoe Tom en Lina hem
+behandeld hadden, en Lena maakte zich zoo boos op hem, dat de tranen
+haar in de oogen sprongen.
+
+"Je moet het maar niet vertellen, Lena," ried hij; "die mevrouw is
+zoo lief en vriendelijk voor ons, en 't zou haar zoo'n verdriet doen!"
+
+Den volgenden dag kwam Tom, met zijn mama, en vertelde evenals Lina
+openhartig, hoe slecht zij Paul behandeld hadden. Mevrouw Doornhof
+was bitter bedroefd over het gedrag van Lina en haar zuster over dat
+van Tom.
+
+"Zeker heeft hij u alles ook al verteld, tante?" zeide deze jongeheer.
+
+"Neen, Tom; hij zeide alleen, dat hij een verkeerde trap op was
+geloopen; hij is zoo edelmoedig geweest om jullie te willen sparen,"
+zeide mevrouw Doornhof treurig. "Ik zal hem vertellen, dat jullie zelf
+schuld hebt bekend; dan zal hij ten minste hooren, dat je oprecht bent
+geweest. Neemt beiden een voorbeeld aan dien armen jongen. Ik wou,
+dat mijn Lina zoo was!"
+
+"En mijn Tom!" zeide haar zuster.
+
+Tom en Lina keken beschaamd voor zich en zeiden geen woord.
+
+Zij vergaten dit voorval nimmer, te meer daar mevrouw en mijnheer
+Doornhof aan Paul (die nimmer zijn oom heeft gevonden) een goede
+opvoeding lieten geven en hem eindelijk bij zich in huis namen,
+daar zij zelf geen zoon hadden.
+
+Lena werd langzamerhand beter; maar toen zij weer bij haar moeder was,
+kwam zij elke week een dag bij de familie Doornhof, en bleef altijd
+dol veel van haar klein vriendinnetje Elsa houden. Tom en Lina werden
+langzamerhand veel liever en aardiger, en ook zij hadden weldra veel
+pleizier in
+
+
+ "DEN SAVOYAARD MET ZIJN AAPJE."
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Klimop, by Suzanna Maria Andriessen
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 59353 ***