diff options
Diffstat (limited to '59353-0.txt')
| -rw-r--r-- | 59353-0.txt | 4863 |
1 files changed, 4863 insertions, 0 deletions
diff --git a/59353-0.txt b/59353-0.txt new file mode 100644 index 0000000..55f2d71 --- /dev/null +++ b/59353-0.txt @@ -0,0 +1,4863 @@ +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 59353 *** + + + + + + + + + + + + + KLIMOP + + DRIE VERHALEN VOOR JONGENS EN MEISJES + + + DOOR + + SUZE ANDRIESSEN + + Met Zes Platen naar Teekeningen van C. Koppenol + + + DERDE DRUK + AMSTERDAM + H. J. W. BECHT + + + + + + + + +EEN BRUTAAL MEISJE. + + +I. + +HET SCHOOLFEEST. + + +'t Was heerlijk zomerweder. De lucht was zoo blauw als de korenbloemen +die verscholen stonden tusschen het graan, en waarvan men zulke mooie +kransen kan vlechten; het zonnetje maakte het bijna wat al te bont, +want het zond zijn stralen zóó brandend warm naar beneden, dat de +menschen die op het land werkten telkens eens moesten ophouden om +de zweetdruppels van hun gezicht te vegen;--maar onder de boomen, +daar was het lekker! + +Onder de boomen had dan ook een elfjarig meisje een plaatsje gezocht, +en zat daar met haar hoofdje geleund tegen een ouden beuk. Heel +vroolijk zag zij er niet uit, want waarlijk nu en dan druppelde er een +traan uit haar oogen en vloeide langs haar wangen naar beneden. Zij +dacht zeker niet aan het vlechten van kransen, de bedroefde Nanni; +integendeel, zij had een gevoel, alsof de vriendelijke zon haar en +haar smart bespotte en al de bloemen haar uitlachten. + +Werkelijk hoorde zij in haar onmiddellijke nabijheid iemand lachen +en haastig droogde zij haar oogen af en trachtte zoo onverschillig +mogelijk te kijken. + +"Zoo, ben je bedroefd?" klonk het van achter den boom, en meteen kwam +de twaalfjarige Gustaaf te voorschijn. Hij ging voor Nanni staan en +keek haar aan met een paar oogen die van ondeugendheid schitterden. + +"Ben je stom geworden?" vroeg hij, toen hij geen antwoord van het +meisje kreeg. + +"Ik wou, dat jij stom waart!" klonk het scherp van Nanni's lippen +terug. + +"Erg vriendelijk van je," hernam Gustaaf spottend. "En wat wou je +nog meer, poesje?" + +"Dat je weg gingt en me met rust liet," riep Nanni uit. + +"Ik dacht nog al dat je zoo op me gesteld waart," zeide Gustaaf +lachend, want hij wist heel goed dat het juist omgekeerd was. "Ik +wou juist eens met je praten over de pret die wij morgen zullen +hebben,--maar 't is waar ook, je gaat niet mee, hé!" + +"'t Staat je al heel gemeen om me nu nog te komen plagen," barstte +Nanni uit, en wierp zich voorover in het gras, terwijl zij haar best +deed om haar snikken te smoren. + +Gustaaf stond een oogenblik overbluft bij deze uitbarsting, die hij +volstrekt niet verwacht had, en wist niet goed hoe hij zich moest +houden. Nanni zelf hielp hem echter gauw uit de verlegenheid. + +'t Scheen dat zij zich schaamde, dat zij zich zoo aan haar verdriet +had overgegeven, ten minste zij richtte zich eensklaps op en keek +haar plaaggeest ferm aan. + +"Zeg, zou je nu niet weggaan?" zeide zij, terwijl de tranen nog op +haar wangen glinsterden. "Heb je er nog niet genoeg van?" + +"Ik mag hier evengoed zijn als jij," antwoordde Gustaaf +tartend. "Iedereen mag hier loopen!" + +Nanni zeide niets meer, maar greep den ronden hoed die naast haar +in het gras lag en sprong overeind, terwijl zij de verwarde haren, +die over haar voorhoofd hingen, wat naar achteren streek. Zonder +Gustaaf meer aan te zien, keerde zij hem den rug toe en liep haastig +een tegenovergestelden kant op. + +Verbaasd keek onze jongeheer haar na, zonder evenwel een poging te +doen om haar te volgen of in te halen; Nanni's gedrag scheen hem erg te +verwonderen, en om zich te verzetten begon hij een deuntje te fluiten. + +"Hé, Gus, wat doe jij hier zoo alleen?" hoorde hij een oogenblik +later iemand zeggen; en omziende van waar die stem kwam, zag hij een +allerliefst jong meisje naar hem toekomen, dat hem verwonderd aankeek. + +"Ik doe niets zooals je ziet," antwoordde Gustaaf. + +"Maar hoe kom je hier zoo?" vervolgde Rosa. "Moet je niet naar huis +om te eten?" + +"Wel zeker," antwoordde Gustaaf, "maar 't is nog te vroeg. Ga jij +al eten?" + +"Ja, heel gauw; maar ik denk, dat ik niet veel trek zal +hebben!" antwoordde Rosa. + +"Hé, waarom niet?" vroeg Gustaaf verwonderd, want hij had altijd trek +in eten. + +"Wel, om het pleizier dat wij morgen zullen hebben!" riep Rosa uit, +terwijl zij vol verrukking de handjes in elkaar sloeg. "Ik denk +bepaald, dat ik niet zal kunnen eten!" + +"Gek van je," meende Gustaaf. "Kun je morgen dan ook niet eten? Dan +moet je mij je portie maar geven!" + +"Schrok!" riep Rosa verontwaardigd uit. "Jij denkt om niets anders +dan om maar te eten!" + +"Dat is niet waar," stoof Gustaaf op, "jij bent er nu over begonnen, +ik dacht er niet over. Zorg maar dat je morgenochtend op je tijd +klaar bent, anders gaan we nog weg zonder dat je er bij bent." + +"Nu, daar kun je op aan," beloofde Rosa, "ik weet zeker dat ik +morgenochtend al om vijf uren op sta!" + +"Om zeven uren gaan we weg, anders zijn wij te laat in Amsterdam," +zeide Gustaaf. "Ben jij er wel eens geweest?" + +"Neen, nooit," riep Rosa uit. "O, je weet niet hoe ik er naar verlang!" + +"Ik ook, maar ik vind toch nog het allerpleizierigste dat wij naar +den dierentuin gaan," zeide Gustaaf. "De Artis moet zoo mooi zijn!" + +"Je moet niet "De Artis" zeggen;" onderrichtte Rosa hem, "mama heeft +mij verteld dat het zoo niet behoort." + +"Hemel, wat een wijsheid!" riep Gustaaf minachtend uit. + +"De tuin heet "Natura Artis Magistra," vervolgde Rosa, wat blij dat +zij die moeilijke woorden zoo goed onthouden had. "En ik weet ook +wat het beduidt!" + +"Wat beduidt het dan?" vroeg Gustaaf, niet in staat zijn +nieuwsgierigheid te bedwingen. + +"Natuur overtreft kunst," zeide Rosa met veel deftigheid. "Luister +eens: Natura is natuurlijk natuur..." + +"Wat ben je aan 't naturen," riep Gustaaf uit, "Natura beduidt +natuurlijk natuur. Weet je er nog wat bij?" + +"Nu, wil je het niet verder weten?" vroeg Rosa pruilend. + +"Och jawel, vertel maar op," hernam Gustaaf. + +"Artis beduidt kunst, en Magistra is overtreft," vertelde Rosa. + +"Zoo, en nu noemen ze dien tuin maar de Artis..." + +"Niet de Artis!" viel Rosa hem in de rede. + +"Zanik niet, kind!" riep Gustaaf uit. "Zeker omdat Artis het kortste +woord is, niet waar?" + +"Dat weet ik niet," hernam Rosa schouderophalend, "daar heeft ma mij +niets van gezegd." + +Gustaaf dacht even na. + +"Maar dat vind ik toch gek!" riep hij eensklaps uit. + +"Wat?" vroeg Rosa, verwonderd rondziende. + +"Wel, dien tuin moesten ze dan liever Natura noemen," meende Gustaaf. + +"Waarom?" vroeg Rosa. + +"Begrijp je dat niet?" zeide Gustaaf eenigszins minachtend. "Och, +dat komt omdat je een meisje bent." + +"Meisjes zijn volstrekt niet dommer dan jongens!" riep Rosa ijverig +uit. "Jan Henkes en Willem Levelt zijn een jaar ouder dan ik en veel +dommer, hoor! Meester heeft het zelf gezegd!" + +"Maak je maar niet zoo dik," zeide Gustaaf, "je bent zoo wijs als +Salomo's kat. Is 't nu goed?" + +"En jij bent een flauwe jongen," hernam Rosa, terwijl zij aanstalten +maakte om weg te gaan. "Ga jij maar eten!" + +"Maar wil je niet eens hooren wat ik daar straks bedoelde, voordat +je zoo boos werd?" vroeg Gustaaf, die graag een toehoorster had om +nu en dan zijn wijsheid te laten luchten. + +"Nu, wat dan?" vroeg Rosa, die toch wel eens wilde hooren wat hij te +vertellen had. + +"Wel, die tuin heet "Natuur overtreft kunst," en ze noemen hem "Kunst", +legde Gustaaf deftig uit. "Dat vind ik erg gek, 't is nu net alsof +ze de kunst boven de natuur stellen en...." + +"Och, ik geloof, dat je over allerlei dingen praat, waarvan je +evenmin verstand hebt als ik!" riep Rosa lachend uit. "En ik vind +je erg vervelend ook! Je moet het maar eens in Amsterdam aan de +menschen vragen!" + +"Ga je weg?" vroeg Gustaaf, een weinig bedremmeld dat zijn fraaie +uitlegging aldus werd opgenomen. + +"Zeker, 't is vast al lang over vieren; jij moet ook naar huis." + +"Zeg eens, Roos, waarom mag Nanni toch niet mee?" vroeg hij terwijl +hij een eindje met haar meeliep. + +"Och, Nanni is altijd zoo vreemd," zeide Rosa schouderophalend, +"ze wou mij niets zeggen." + +"O, ik dacht, dat ze op school wat uit had gevoerd," hernam +Gustaaf. "Dus is ze thuis weer bezig geweest?" + +"Ik weet het niet," zeide Rosa ongeduldig, "wat kan het je eigenlijk +schelen wat Nanni gedaan heeft. Je vindt haar toch niet aardig en +plaagt haar altijd." + +Hierop antwoordde Gustaaf haar niet veel, maar keerde zich fluitende +om en haastte zich naar huis, daar hij de klok hoorde slaan en wel +wist dat er niet op hem gewacht werd. Rosa volgde zijn voorbeeld, +want ook haar maag begon te jeuken. + +Zeker zult ge wel eens iets naders willen hooren omtrent de drie +kinderen, die wij hebben hooren praten, mijn lieve lezeressen! En +vooral over hetgeen zij met elkaar bepraten, niet waar? Nu, gelukkig +kan ik aan uw nieuwsgierigheid voldoen, want toevallig weet ik er +alles van. + +Ge hebt natuurlijk reeds begrepen, dat Nanni, Rosa en Gustaaf op +een dorp wonen, en wel op een mooi dorp dat Frankendaal genoemd +wordt. Er was een flinke, groote school, waar de jongens en meisjes +samen op gingen en doorgaans vrij wat pret maakten, vooral in de +speeluren. Maar al de pret die zij ooit gemaakt hadden was niets +vergeleken bij het genot dat hen thans wachtte. Er zou namelijk een +schoolfeest zijn, en dat zou daarin bestaan dat de hoogste klasse +een dag in Amsterdam zou gaan doorbrengen en wel voornamelijk om +den dierentuin te bezoeken. Nu begrijpt ge wel dat zoo iets voor de +jongens en meisjes van Frankendaal een zaak was, die hun reeds bijna +acht dagen lang opgewonden van blijdschap maakte. De meeste hunner +waren nooit in Amsterdam geweest, want het dorp lag er tamelijk ver van +verwijderd, en bovendien was die uitgang een belooning voor diegenen, +die zich gedurende het afgeloopen schooljaar goed gedragen hadden. + +En nu mocht Nanni niet mee! Nanni die er zich bijna nog meer in +verheugd had dan de anderen samen! Die arme Nanni! ik moet u vertellen +dat het .... maar neen laten wij liever eens gaan zien waar zij henen +was gegaan, toen zij voor Gustaaf wegliep; misschien hooren wij dan +wel hoe 't kwam dat zij niet mee mocht. + + + +"Och, baker, och ik heb zoo'n verdriet!" riep Nanni uit, terwijl zij +snikkend het kamertje binnen kwam loopen, waarin de oude vrouw aan +een grove kous zat te breien. Deze keek eenigszins verschrikt op, +legde haar breiwerk op haar knie en schoof den grooten, schildpadden +bril op haar voorhoofd, zonder evenwel het meisje antwoord te geven. + +Toen Nanni echter haar hoofd onzacht op de tafel liet vallen, beide +armen er omheen sloeg en niets deed dan snikken zeide de oude vrouw: + +"Maar Nan, kind wat scheelt er dan toch aan? Hebben ze je weer +geplaagd?" + +"Daarom huil ik niet!" riep Nanni eensklaps haar kopje oplichtend uit, +terwijl zij haar bruine krullen driftig naar achteren schudde. "Als +ze me plagen, plaag ik weerom!" + +"Ja maar, kindlief, dat is de manier niet om te maken dat de kinderen +van je zullen houden," antwoordde de oude vrouw hoofdschuddend. "Je +bent en blijft altijd maar een driftkopje." + +"Maar 't kan me niets schelen of de kinderen van me houden," zeide zij +uitdagend; "ik houd ook niet van hen. Ik vind hen allemaal leelijke +hanepooten!" + +"Wat is dat nu weer voor een scheldwoord," hernam de oude vrouw +afkeurend. "Nanni, als je wilt dat ik van je blijf houden, dan moet +je zoo niet praten!" + +"Och, baker, houd je ook al niet meer van me?" riep Nanni uit. "O, +ik wou dat ik maar dood was!" + +"Hoor eens, kind, zoo moog je volstrekt niet praten en denken, dat +staat heel leelijk," zeide de oude vrouw nu zeer ernstig. "Vertel +mij nu eens bedaard wat er eigenlijk gebeurd is!" + +Zij was opgestaan en had het meisje met zachten dwang naar zich +toegehaald, terwijl zij haar aanmoedigde om haar hart uit te +storten. 't Scheen echter dat de woorden zoo spoedig niet wilden +komen. Nanni zeide ten minste nog niets, maar bleef aan de linten +van haar hoed plukkende stilzwijgend naar den grond staren. + +"Komaan, Nanni, of wil je 't niet zeggen?" vroeg de oude vrouw. + +Nog zweeg het meisje en staarde besluiteloos voor zich uit; eensklaps +echter keek zij de oude vrouw aan en riep uit: + +"Ik mag morgen niet mee naar Amsterdam omdat ik een brutale, koppige +meid ben!" + +"Dat ziet er mooi uit!" zeide de oude vrouw ontsteld. "Arm kind, +niet mee, en je hebt er nog al zoo op gehoopt!" + +"Je hoeft me niet te beklagen, baker," riep Nanni driftig uit. "Ze +hebben gelijk dat ze me niet meenemen, want ik zou het pleizier van +de anderen maar bederven; dat heeft mijnheer Ebels zelf gezegd." + +"Stil kind, dat heeft hij zeker zoo erg niet bedoeld...." + +"Ik ben ook een naar kribbig kind," viel Nanni haar in de rede, +"dat weet ik heel goed en 't kan me niets schelen ook!" + +"Vertel me eens wat je uitgevoerd hebt," zeide vrouw Berens, die wel +merkte dat er niet veel met dat stijfhoofdje aan te vangen was. + +"Ik ben brutaal geweest tegen mijnheer Struis, ik heb gezegd dat hij +een leelijke mosterdjongen was, en..." + +"Mosterdjongen!" herhaalde vrouw Berens verwonderd. "Ze noemen de +palfreniers wel zoo, maar waarom zeg jij dat tegen je onderwijzer?" + +"Och daarom!" riep Nanni blozend uit. "De jas die hij draagt, heeft +precies dezelfde kleur als de mosterd dien wij 's middags op tafel +hebben!" + +"Maar Nanni, dan is 't weer je eigen schuld," hernam de oude vrouw +hoofdschuddend. + +"Juist, baker, mijn eigen schuld," herhaalde Nanni zuchtend, "maar +daarom spijt het mij toch. Ik zou zoo graag eens naar Amsterdam gaan, +maar dat zal wel nooit gebeuren, want ik zal altijd wel brutaal zijn +als er zoo iets op til is." + +"Maar je hoeft toch niet brutaal te wezen, kindlief," zeide vrouw +Berens. "Je weet toch wel dat het heel leelijk staat!" + +"O, jawel baker," antwoordde Nanni half glimlachende door haar tranen, +"ten minste ik moest wel doof en blind zijn als ik het nog niet wist, +want ik heb het vandaag honderdmaal moeten schrijven." + +"En wat zullen ze thuis wel zeggen?" vroeg de oude vrouw. + +"Ik durf het niet zeggen. O, wat zal ik knorren krijgen, als Tante +Net het hoort!" + +"En geen wonder," zeide vrouw Berens, "en de andere tantes zullen +ook boos zijn. Nu, je verdient het wel." + +"Ben jij ook boos, baker?" vroeg Nanni, terwijl zij haar armpjes +om den hals der oude vrouw sloeg en deze met haar bruine kijkers +smeekend aankeek. + +"Kind, kijk me niet zoo aan," zeide vrouw Berens haperend, "jij lijkt +sprekend op je lieve moeder, als je zoo doet. Je weet wel, dat ik +niet boos op je worden kan al heb je het ook dubbel en dwars verdiend." + +"Mag ik morgen dan bij je komen, als de tantes het willen +hebben?" vroeg zij smeekend. + +"Wat graag; maar luister eens. Als de tantes het niet goedvinden, +moet je er niet om dwingen en niet brutaal zijn hoor, want dat is +heel verkeerd!" + +"En waarom zouden de tantes het niet willen hebben!" stoof Nanni +op. "'t Is erg genoeg dat ik niet mee mag! Als zij 't niet willen, +dan zal ik zeggen dat ik haar oude draken vind!" + +"Nanni!" Meer dan dit eene woord zeide vrouw Berens niet, maar het +meisje begreep best wat zij er mee bedoelde. Zij sloeg blozend de +oogen neer en zuchtte diep. + +"Och, zie je nu wel, baker, dat ik het niet kan helpen als ik brutaal +ben," stotterde Nanni. "Ik dacht er heusch niet om." + +"Allemaal gekheid, kind," zeide de oude vrouw streng, "je zult het +nog zóó maken, dat niemand meer van je houdt, en dan is het alleen +je eigen schuld." + +"Maar wat moet ik dan doen om anders te worden," vroeg Nanni +onderworpen, want dat baker, die haar anders altijd troostte en wat +bedierf, streng was, dat werd haar toch al te erg. + +"Als je merkt, dat je driftig of boos wordt, moet je altijd eerst even +naar dit ringetje kijken," zeide vrouw Berens, terwijl zij uit een +lade een eenvoudig, glad, gouden ringetje te voorschijn kreeg en dat +aan Nanni gaf. "'t Is een ringetje dat je moeder mij gegeven heeft, +toen ik bij haar vandaan ging. Als je nu naar dat ringetje kijkt, +dan zul je meteen aan je moeder denken en je herinneren hoe bedroefd +zij zou zijn, als zij hoorde, dat je brutaal of onaardig waart." + +Nanni bekeek het ringetje en 't paste gelukkig aan den middenvinger. + +"Ik hoop, dat ik er aan denken zal, baker; maar als ze me dan maar +niet al te erg plagen, want dan word ik zoo driftig, dat ik nergens +aan kan denken," zeide zij zuchtend. + +"Ga nu naar huis, want 't zal nu bijna etenstijd wezen, hernam vrouw +Berens; "je moet er voor zorgen niet te laat te komen, want 't is +voor groote menschen niet prettig om op kinderen te moeten wachten." + +"En jij wacht altijd, goede baker," riep Nanni haar omhelzend uit. "O, +ik wou dat ik bij jou kon wonen in plaats van bij die...." + +Vrouw Berens keek haar waarschuwend aan. + +"In plaats van bij die tantes," voltooide zij den volzin halfluid. + +"Nu, als je moogt, moet je morgen maar zoo vroeg mogelijk komen," +zeide vrouw Berens, in de voordeur staande, "maar denk aan den ring." + +Nanni zeide haar nogmaals goedendag en verliet toen haastig het huisje +om te zorgen, dat zij op haar tijd thuis zou komen. + +Nanni was een wees, en woonde sedert den dood harer ouders in huis +bij drie tamelijk bejaarde tantes, zusters van haar papa. 't Waren +goede, maar stijve dames, die er niet veel verstand van hadden om met +kinderen om te gaan en wenschten, dat de kleine Nanni even geregeld en +ordelijk was als zij. 't Was nu maar ongelukkig, dat ons meisje zoo'n +lastig dametje was, anders had zij 't heel prettig thuis kunnen hebben, +want de tantes hielden van haar, al lieten zij het dan ook niet blijken +zooals een mama dat doet; maar Nanni was driftig en ten gevolge daarvan +brutaal,--en dit waren twee zaken, die de tantes al erg leelijk vonden +in haar nichtje. Nu, daar hadden de tantes geen ongelijk aan, want wie +zou daar ook wel van houden; ik ten minste vind het dan ook al heel +onaangenaam als een kind dadelijk boos en op den koop toe brutaal is! + +Nu meende Nanni het wel zoo erg niet! O, hemel neen, als zij eens goed +driftig was geweest, had zij er altijd dadelijk spijt van en had die +leelijke tong wel af willen bijten,--maar dat ging natuurlijk niet! In +plaats echter dat Nanni dan aan haar tantes of haar onderwijzers zeide, +dat het haar speet, en zij het zoo kwaad niet gemeend had, zweeg zij +dan en zat met een heel boos gezicht voor zich uit te kijken. Voor +vrouw Berens was zij anders, en die was dan ook de eenige, die wat +van haar gedaan krijgen kon, en voor wie zij haar hart uitstortte. + +Rosa was ook naar huis gegaan, maar zij kwam wat pleizieriger bij haar +ouders aan; natuurlijk was zij vol van het genot, dat haar te wachten +stond, en haar ouders en broertjes en zusjes, die niet meegingen, +praatten er even druk over. Allen beklaagden Nanni, en toen er 's +avonds nog een paar schoolvriendinnetjes eens even over kwamen wippen +om het een en ander te bepraten, kwam het ook uit, waarom Nanni niet +mee mocht. + +"Zeg eens, Rosa, we moeten allerlei dingen meenemen voor de wilde +dieren!" riep Mina opgewonden uit. + +"Voor de wilde dieren!" herhaalde Cato. "Maar, Mina, die durf ik +niets te geven!" + +"Och, ik meen voor de olifanten; die zijn zoo mak, dat ze ons hun +langen snuit toe zullen steken," hernam Mina, "en dan moeten we er +amandelen in leggen." + +"Of steentjes," merkte Gustaaf aan, die er ook bij was gekomen. + +"Hé, hoe flauw!" riep Mina uit, "dan wordt hij immers boos!" + +"Juist, ik wou hem zoo graag eens hooren brullen," bekende Gustaaf. + +"Ik niet, ik zou mooi bang worden als ze brulden!" bekende Cato +huiverend. + +"En dan voor de apen!" riep Cato. "Die eten alles; dat zijn zulke +aardige diertjes." + +"Ik zie toch liever echte, wilde dieren," hernam Gustaaf. "Die apen +kunnen mij al heel weinig schelen." + +"Dat komt omdat jij elken morgen een aap ziet!" zeide Mina ondeugend. + +"Hoe zoo?" vroeg Gustaaf zonder erg. + +"Wel, als je in den spiegel kijkt, om de scheiding in je haar te +maken," riep Mina uit, terwijl ze meteen opsprong en zich achter +Rosa's stoel verschanste, daar zij wel begreep, dat Gustaaf haar niet +met rust zou laten na die uitlegging. + +"Kom, ga nu niet vechten," zeide Rosa, als vrede-stichtster optredend; +"doe dat maar op een anderen keer, Gus, anders moet je maar naar +huis gaan!" + +"Maar die Mina moet toch een pak hebben!" riep hij. + +"Jongens mogen meisjes niet slaan," zeide Cato nu. "Kom, je weet +immers dat ze je plaagt; je bent een veel te aardig ventje, dan dat +ze je voor een aap aan zou zien." + +"Jij houdt me ook al voor den gek," hernam Gus, "maar wacht, morgen +zul je wel anders piepen, als ik mijn zakken vol amandelen en rozijnen +heb; maar dan..." + +"Ik heb niets gezegd, Gus," riep Rosa nu uit. + +"Neen, maar Mina en Cato krijgen niets!" + +"Och hoe naar!" riep Mina vroolijk uit. "Gelukkig gaat Ko ook mee, en +die heeft mij beloofd allerlei lekkers mee te nemen, en dan zullen wij +zelf maar voor de wilde dieren spelen, want Gus zal hun genoeg geven!" + +"Ik wou dat de nacht al om was!" bekende Cato. "Ik denk dat ik van +pleizier niet kan slapen!" + +"Wat zal die arme Nanni bedroefd zijn," hernam Rosa peinzend. "Och, +ik wou toch, dat ze ook meeging!" + +"Ik niet!" riep Gustaaf uit. + +"Hé, waarom niet?" vroeg Rosa verwonderd. + +"Omdat ze altijd even driftig en onaardig is," zeide Gustaaf bedaard; +"ze zou zeker elk oogenblik boos worden." + +"Nu ja, maar ik vind het toch jammer, dat ze er niet bij is," zeide +Mina; "ik zou heel Frankendaal wel mee willen nemen, zoo ben ik in +mijn schik!" + +"Hoeveel wagens zouden er dan achter de locomotief moeten!" riep +Gustaaf uit. "Dan moest jij maar in den steenkolenwagen gaan zitten, +Mina!" + +"En jij op den schoorsteen van de locomotief!" riep Mina lachend +uit. "Wat zou dat mooi staan; je zaagt zeker zoo zwart als een neger, +als je in Amsterdam kwaamt." + +"En dan sloten ze hem op in het apenhok, zoodra zij hem in Artis +zagen!" voegde Cato er vroolijk bij. + +Zij bleven nog een poosje met elkaar praten, totdat het tijd werd +naar huis en naar bed te gaan; en ik kan u verzekeren, dat zij dien +nacht over niets anders droomden dan over het genot dat hen te wachten +stond, en den volgenden morgen opstonden, toen de zon nog maar korten +tijd geschenen had. + + + + + + +II. + +DE FEESTDAG. + + +En 't was mooi weer! + +Hoe vroeg de meeste meisjes en jongens, die mee zouden gaan, opgestaan +waren, zou ik niet kunnen zeggen, maar tot groot verdriet hunner +ouders was 't op een onbetamelijk uur. In al de woningen, waaruit +jeugdige Frankendalers mee zouden gaan, was 't geducht rumoerig; de +meisjes en jongens liepen de huizen in en uit, en 't was slechts de +vreeselijke bedreiging dat zij nog ten laatste thuis zouden moeten +blijven, die hen kon overhalen om een stukje brood te gebruiken. De +meesten smeekten of zij een enkel glas melk mochten hebben, omdat +dat gemakkelijker naar binnen ging, taschjes en mandjes werden +meegenomen--kortom 't was alsof er een opstand in het dorp was. + +Ook Nanni was op en stond gekleed en wel op haar slaapkamertje tusschen +de franjes der gordijnen door naar buiten te kijken, want zij wist dat +de stoet voorbij moest komen, en kon toch niet nalaten het droevige +genot te smaken haar makkertjes na te kijken. Zij zorgde er echter +wel voor dat zij niet van buiten af gezien kon worden, want haar +hartje zat veel te hoog dan dat zij zich zou willen laten beklagen, +en zij begreep dat Rosa, Mina, Cato en nog wel anderen medelijden +met haar zouden hebben. + +Maar, zult gij vragen, hoe hadden de tantes het wel opgenomen, toen +zij thuis kwam met de boodschap dat zij niet mee mocht gaan? Ja, wat +zal ik u daarvan zeggen! 't Spijt mij wel, maar 't moet er uit: Nanni +had er niets van verteld! Zij was van plan den geheelen dag maar uit +te blijven en 's avonds naar huis te gaan, als de trein was aangekomen +waarmee de anderen terugkwamen! In haar onnoozelheid meende zij dat de +tantes er dan niets van zouden bemerken, en zij dus de berisping en de +straf ontliep die zij anders bepaald zou krijgen. Zij was al heel vroeg +de deur uitgegaan, schijnbaar om zich naar 't schoolgebouw te begeven, +maar spoedig daarna de achterdeur binnengekomen en weer stilletjes +naar haar kamertje geloopen. De tantes lagen nog lekker in bed. + +Hoor!! Wat was dat? O ja, daar kwamen ze aan! Hoe vroolijk zag Rosa +er uit, en wat stond dat blauwe hoedje lief op haar blonde haren; +Mina en Cato liepen gearmd naast haar, en zorgden er voor dat zij Ko +niet uit het oog verloren, die een groote tasch over zijn schouder +had hangen, zeker gevuld met het lekkers waarover Mina gisteravond +had gesproken! Wat was die Ko toch een dikke jongen, 't leek wel +of hij nu al niet meer voort kon! Neen, dan was Gus veel aardiger; +hij kon wel erg plagen, en Nanni hield eigenlijk niet van hem, maar +hij was soms zoo erg grappig dat iedereen om hem lachen moest. + +Ja, daar gingen ze, nog een stuk of tien andere jongens en meisjes, +alles even jolig en levendig en achteraan mijnheer Ebels, en--meester +Struis! O, die meester Struis, was die er gisteren niet geweest, +dan.... Och, dan had zij zeker wel wat anders gedaan, waarvoor zij +straf had gekregen, dacht onze arme Nanni. + +Een paar van de jongens die het laatste liepen hadden de tong +uitgestoken en een langen neus getrokken, toen zij voorbij Nanni's +woning kwamen. Zij had het wel gezien, maar wat die flauwerts deden +kon haar niets schelen, want zij zouden het niet wagen, als zij haar +zagen! Neen, ze waren bang voor haar, want ze kon het best tegen +hen opnemen, als 't er op aan kwam! Niet erg jongejuffrouwachtig, +niet waar? Maar dat komt er van, als men zoo weinig bemind en zoo'n +baasje is! + +Toen zij goed en wel uit het oog verdwenen waren nam Nanni haar +kans waar en sloop op haar teenen de trappen af, haastig de gang en +de achterdeur uit, en daar stond zij buiten juist toen Trijntje, +de meid der tantes, de keukendeur opende om de kachel aan te gaan +maken. Nanni haastte zich door den tuin, het hek uit, en weldra +was zij, den tegenovergestelden kant die haar vriendinnetjes gegaan +waren, het dorp uitgeloopen. Zij snelde het bosch in en hield niet op, +voordat zij haar lievelingsplekje onder den grooten boom bereikt had. + +Daar viel zij op het zachte mos neder en bleef een poosje voor zich +uit zitten staren. Niet, dat zij iets zag van hetgeen haar omringde, +o neen, haar gedachten waren bij haar schoolmakkers; zij meende +dat zij nu al weggereden zouden wezen, en onwillekeurig kwamen de +waterlanders voor den dag. Langzamerhand bedaarde zij echter, en +begon zij eens te bedenken wat zij doen zou. Daar blijven dat ging ook +niet, want zij wilde niet dat iemand haar zou zien. Zij stond dus op +en liep dieper het bosch in, totdat zij op een afgelegen plek kwam, +waar bijna nooit de bewoners van Frankendaal kwamen. Daar ging zij +op een omgewaaiden boom zitten en haalde een boek uit den zak, dat +zij opensloeg en waarin zij aanstonds begon te lezen. 't Was een boek +vol mooie sprookjes dat zij op haar laatsten verjaardag had gekregen, +en dat haar altijd opnieuw aantrok en boeide. + +Zij was niet voornemens naar vrouw Berens te gaan, want dan zou zij +moeten vertellen, dat zij haar tantes in den waan had gelaten dat +zij mee naar Amsterdam ging, en zij wist niet recht waarom, maar zij +begreep dat baker dat niet goed zou vinden;--kortom, zij zou het maar +eens probeeren het dien dag zonder eten te doen en in het bosch te +blijven ronddwalen. + +Maar nu wil ik u toch in gedachten eens laten meegaan met het vroolijke +troepje dat feest ging vieren! We moeten ons wel haasten, want ze zijn +ons een heel eind vooruit, maar gelukkig halen we hen juist in nu zij +uit de Tram stappen die te Amsterdam naar de Plantage rijdt,--en in +die Plantage is de dierentuin. + +Mijnheer Ebels zorgde er voor, dat het jonge goedje goed en wel den +tuin inkwam, en meester Struis hield hen in orde. + +"Waar eerst naar toe, meneer?" vroeg de laatste. + +"Naar de apen!" riep Gus. + +"Naar de olifanten!" zeide Cato. + +"Naar de nijlpaarden?" vroeg Ko. + +"Volgt mij maar," zeide de heer Ebels, zonder op al die uitroepen +acht te slaan. "Ik weet hier den weg, en jullie zult alles zien, dat +beloof ik je. Maar niet op je eigen houtje wegloopen of dieren plagen, +dan breng ik je bij den portier en moet je daar wachten totdat wij +gereed zijn." + +Zij gingen eerst links af een laan in, waar zij aanstonds kameelen +en dromedarissen in 't oog kregen. + +"Op dat beest zou ik wel eens willen rijden!" riep Gus uit. "Tusschen +die twee bulten zou ik wat gemakkelijk zitten." + +"Je meent den kameel" zeide mijnheer Ebels "maar 't zou je niet +meevallen voor iemand die het niet gewend is; in de woestijnen, die..." + +"Wat zijn woestijnen?" vroeg Ko. + +"Groote, dorre zandvlakten, waar niets groeit en ook geen water te +krijgen is," vertelde mijnheer Ebels. "In ons land vindt men ze niet, +maar in warme landen, zooals Afrika; daar zijn woestijnen, die zoo +groot zijn, dat men er weken achtereen reizen moet om er uit te komen." + +"Zijn daar ook spoortreinen?" vroeg Rosa. + +"Wel neen, kind, en er wonen geen menschen ook in." + +"Maar waarom gaan de menschen er dan naar toe?" vroeg Cato, + +"Vooreerst omdat zij er door moeten trekken om van de eene stad naar de +andere te komen, en ten tweede zijn er van die zwervende volksstammen, +die er zich veel ophouden. Als zij nu in de woestijn gaan, nemen zij +kameelen mee, daar die dieren heel taai en sterk zijn en bovendien +zeer weinig drinken noodig hebben. Zij krijgen volop water voor zij +de reis aanvaarden, en dit bewaren zij in een zak onder aan hun keel, +zoodat als de reizigers gebrek aan water krijgen, zij slechts een +kameel behoeven te dooden en weer drinkwater hebben." + +"Dat zal ook niet lekker smaken," meende Rosa, haar neusje optrekkend. + +"Als je maar eens goed dorst hebt, dan zie je zoo nauw niet," hernam +mijnheer Ebels. "Maar komaan, ziet eens hier, dat zijn lama's, die +zeer goede wol geven." + +"O, dat zijn die spuwbeesten!" riep Mina uit, terwijl zij haar +vriendinnetjes achteruit trok. + +"Dat loopt zoo'n vaart niet," zeide meester Struis lachend; "maak ze +niet boos, dan zul je er geen last van hebben!" + +Zij kwamen nu ook bij de herten, en daarna bracht mijnheer Ebels hen +bij de struisvogels en kasuarissen. + +"Waarom gaan we nu niet verder?" vroeg Ko, toen de heer Ebels bij de +struisvogels bleef staan en daar 't een en ander van vertelde. + +"Luister liever," beet Gustaaf hem toe. + +"Och ik weet wel, dat de veeren van die beesten op de hoeden worden +gedragen," bromde Ko. + +"Weet je dan ook hoe zij doen, als zij in gevaar verkeeren?" vroeg +de heer Ebels, die hem verstaan had. + +"Dan loopen ze zeker weg." pruttelde Ko; "ik wou dat ik ook weg mocht +loopen!" dit laatste zeide hij zeer zacht. + +"Neen, jongetje, dan blijven zij staan en verbergen hun kop tusschen +het gras," vertelde de onderwijzer. "Zij meenen, dat als zij hun +vervolgers niet zien, dezen hen ook niet in het oog kunnen krijgen!" + +"Doen de apen dat ook?" vroeg een andere, die erg naar de apenkooi +verlangde. + +"Wel neen," riep meester Struis uit. "Waarom vraag je dat?" + +"Och, ik dacht dat zij alles nadeden wat andere dieren doen, en dat +er daarom van naäpen gesproken wordt," verklaarde deze kleine geleerde. + +"Mij dunkt, we moesten nu maar naar de apenkooi gaan," hernam de heer +Ebels, na op zijn horloge gekeken te hebben; "daarna zullen wij een +broodje eten." + +"En wanneer dan naar de wilde dieren?" vroeg Gustaaf teleurgesteld. "Ik +verlang zoo naar de leeuwen en tijgers." + +"Die loopen niet weg," zeide de heer Ebels; "straks." + +"'t Zou er ook gek uitzien, als zij wegliepen," fluisterde Mina haar +vriendin Cato in; "dan zouden zij ons allen wel opeten." + +Schertsend en joelend bereikte ons troepje de apenkooi. Reeds een +eind er vandaan hoorden zij de groote bel luiden, die midden in +het hok hing, en zij begrepen natuurlijk eerst niet, waar dat gelui +vandaan kwam. Dat was een gekrioel daar achter die traliën! 't Leek +onze vriendinnetjes en vriendjes toe, alsof er wel honderd, of zooals +Ko beweerde, duizend van die aardige, kleine springers in waren! Zij +waren als water zoo vlug. Daar hing er één met zijn achterpooten te +slingeren aan een ketting, die van het eene naar het andere einde +was gespannen. Verbazend, wat ging dat vlug! Wip! Daar duikelde hij +om, greep ook met zijn voorpooten den ketting en liep er zoo vlug +overheen, alsof hij een koordedanser was. Waar naar toe? Ha, ja naar +de bel! Dat was dus de aap, die den post van klokkeluider waarnam, +en hij zat met zulk een ambitie te luiden, dat hij niet bemerkte, +dat er een ander achter hem aankwam en hem onverwacht achteroverhaalde. + +"Die leelijkerd!" riep Cato uit, die met ingespannen aandacht had +staan kijken. "Nu zal dat aardige aapje vallen!" + +Maar neen hoor, de sinjeur tuimelde wel achterover, maar greep tevens +met een zijner handen den boomstam, die in het midden der kooi stond, +bleef daar hangen en trok met de andere hand zijn vijand zoo geducht +aan zijn staart, dat deze luid begon te schreeuwen, de klok in den +steek liet en de ander na ging loopen. Met bewondering zagen zij naar +de vlugge en kluchtige sprongen, die de vroolijke dieren maakten, +en telkens barstten zij in een hartelijk gelach uit. + +"Pas op, Ko," riep meester Struis waarschuwend uit, "achteruit!" + +'t Was maar waarlijk goed, dat ons Kootje vlug achteruitsprong, want +hij zag eensklaps den ruigen arm van een allerliefst zwart aapje +naast zich verschijnen. Haastig stak hij den schelm een noot toe, +en had het genoegen te zien, dat deze hem heel netjes kraakte en +begon op te peuzelen, toen een andere, zoo vlug als een matroos, +die uit den mast glijdt, langs de traliën naar beneden kwam, heel +handig de noot wegpakte en er in een ommezien mee verdwenen was. Het +kleine, zwarte aapje zat den dief een oogenblik verbaasd na te kijken, +maar zeker bemerkte hij wel, dat deze te groot en te sterk was, om +een gevecht te durven beginnen en daarom krabde hij zich maar eens +achter de ooren en keek de meisjes en jongens smeekend aan. + +"Die leelijke dief!" had Rosa aanstonds uitgeroepen. "Toe, Gus, +geef een paar amandelen aan dat kleine aapje!" + +"Wil jij ze hem geven?" vroeg Gustaaf heel galant, "of ben je soms +bang dat hij je vinger ook beetpakt?" + +"Wel neen, geef maar op!" riep Rosa ongeduldig uit. "Daar arm, klein +ventje, pas nu op, dat ze 't je niet weer afnemen! Ko, geef jij nu +aan dien grooten een noot als hij er weer bijkomt!" + +'t Aapje nam de amandelen heel voorzichtig en netjes aan, stopte degene +die hij nog niet opat, tusschen zijn achterpootjes en begon er een +te kraken, terwijl hij Rosa met zijn slimme, heldere oogjes aankeek. + +"Ik zou hier wel willen blijven!" riep Mina uit, "de apen vind ik +het alleraardigst!" + +"Ik ook," zeide Cato. "Zie eens die met die lange staarten, wat hangen +die er kluchtig aan!" + +"Dat zijn zeker slingerapen," voegde Ko er bij. + +"En wat koesteren en vertroetelen zij die jongen," zeide Rosa. "Zie +daar eens... O wee, nu gaan ze vechten!" + +"'t Is nog al gauw gedaan," riep Ko uit; "ze toffelen elkaar niet +zooals wij dat doen, als we vechten." + +"Die apen zijn ook veel aardiger dan jullie!" antwoordde Mina +minachtend. "Om jullie moeten we nooit zoo lachen!" + +"Dan zal ik je maar niets meer uit mijn tasch geven," zeide Ko +beleedigd, "en...." + +"Kom, kom, Ko, je moet zoo gauw niet boos worden," riep Cato sussend; +"jullie zijn weer op een andere manier aardig, niet zoo aardig als +de apen, maar je bent ook geen aap!" + +"Dat zou ik ook niet graag wezen," antwoordde Ko tevredengesteld en +met een hooge borst. "Een aap is maar een aap!" + +Mina wilde iets ondeugends zeggen en opende haar lippen reeds, maar +Cato trok haar aan haar arm en fluisterde haar in om te zwijgen, +want dat Ko haar anders bepaald niets meer van de rozijnen zou geven. + +"Kom aan, jongelui, nu een tafeltje om ons broodje te kunnen eten; +ieder krijgt een glas melk," riep de heer Ebels. "Is iedereen +present? Ja? Neen! Waar is Gustaaf?" + +Allen keken rond, maar Gustaaf was er niet bij. Rosa wist het ook +niet, en juist wilde meester Struis een laantje inloopen om te zien of +hij het verloren schaap daar ook kon vinden, toen een angstig gegil, +dat uit het winterhok der apen kwam, hun in de ooren klonk. Er in te +vliegen was het werk van een oogenblik; allen meester Struis na, en wat +zij zagen, deed hen eerst ontstellen, en daarna in lachen uitbarsten. + +Gustaaf stond midden in den smallen doorloop tusschen de kooien, die +zich aan weerszijden bevonden, of juister gezegd, hij stond niet in het +midden, maar vlak bij een der kooien, en daar stond hij niet vrijwillig +ook. Een groote aap had met de eene hand zijn arm vastgepakt, terwijl +hij met de andere zijn oor stevig beet had. Gustaaf die zich niet +verroeren kon, of zijn oor deed hem vreeselijk pijn, stond daar als +'t beeld der radeloosheid en gilde en riep zoo hard hij kon om hulp. + +'t Was wezenlijk zoo gemakkelijk niet om hem van zijn aanvaller te +verlossen, dat ondervond meester Struis, en ook mijnheer Ebels kon +bitter weinig uitrichten, want als zij de handen van het dier los +wilden maken, kneep het Gustaaf hoe langer hoe harder en begon te +brommen, zoodat Gustaaf de tranen uit de oogen liepen van pijn. Ko +echter kreeg een inval! Hij zeide evenwel niets, en ondanks het geroep +van den heer Ebels, snelde hij weg en kwam een oogenblik daarna met +den oppasser terug. + +"Wat is dat?" zeide de oppasser, terwijl hij naderbij kwam. "Laat los, +Cesar!" en hij dreigde het dier met een rieten stok. + +Langzaam week de groote aap achteruit, met de oogen strak op zijn +oppasser gericht. Eindelijk voelde Gustaaf dat de greep aan zijn +arm en oor losser werd, en hij meende reeds dat hij vrij was, toen +hij een onbedachte beweging maakte en het nijdige dier eensklaps +luid brommend zijn nagels nogmaals diep in het oor drukte en daarna +losliet en achter in het hok vluchtte. + +Gustaaf voelde zich niet bevrijd of hij sprong aanstonds een heel +eind terug en kwam tegen het tegenovergestelde hok terecht, waar een +klein aapje hem spottend zat aan te kijken. + +"Pas toch wat op, jongeheer, je bent pas verlost, of daar spring je +alweer naar een anderen snuiter toe," waarschuwde de oppasser. "Dat +kleintje is ook een rakker als hij begint!" + +Haastig verwijderde Gustaaf zich, zijn zakdoek stijf tegen het +mishandelde oor gedrukt en snelde den tuin in. Natuurlijk liepen +allen hem achterna, en verlangde de heer Ebels eerst eens te weten +hoe zijn oor er uitzag, en daarna hoe hij zoo in de klem geraakt was. + +Het oor bloedde geducht want er waren verscheidene leelijke krabbels +op, maar gelukkig waren dat de ergste wonden; in de mouw van zijn kiel +was een winkelhaak maar dat was van zoo weinig belang dat toen die +met een paar spelden gerepareerd was, niemand er notitie van nam. Een +natgemaakte zakdoek deed het bloeden van het oor spoedig bedaren, +en toen Gustaaf genoegzaam van den schrik hersteld was, vertelde hij +hoe het gekomen was dat hij zoo geducht in 't nauw was geraakt. + +"Ik was even naar binnengeloopen, mijnheer," zeide hij, "om te zien +of er nog dieren waren, en toen zag ik zulke aardige, kleine aapjes en +bleef staan kijken; zeker ben ik te ver achteruitgegaan, want eensklaps +voelde ik mij beetgepakt door een aap dien ik niet gezien had. O, +ik was zoo geschrikt! Eerst hield ik mij stil, want ik was bang dat +u knorren zoudt, als u zag dat ik stilletjes naar binnen was gegaan, +en ik dacht dat die aap het maar voor de grap deed!" + +"Hij zag je zeker voor familie aan," kon Mina niet nalaten aan te +merken, "en hij meende dat je bij hem in het hok behoordet!" + +"Plaag hem nu niet, Mina," zeide Rosa, die erg medelijden met haar +vriendje had en medelijdende blikken op het gehavende oor wierp. "Hij +heeft nu narigheid genoeg." + +"Och, die stumper!" riep Mina halfluid uit; maar zij meende het zoo +kwaad niet, want zij was eerst erg geschrikt toen zij het bloedende +oor zag, maar zij hield veel van plagen, die ondeugd! + +"En ben je toen gaan schreeuwen?" informeerde Cato. + +"Jij zoudt ook wel geschreeuwd hebben," antwoordde Gustaaf pijnlijk +glimlachend. "Hè, ik voel die nagels nog!" + +"Ik vind dat je niet eens erg geschreeuwd hebt," bekende Cato +openhartig, "ik zou zeker een keel op hebben gezet, alsof ik vermoord +werd. Was maar dadelijk gaan schreeuwen, des te eerder waren wij bij +je geweest!" + +"Dat hielp niet veel of wij er al bij waren," zeide nu de heer Ebels, +die hen maar onder elkaar had laten praten, "als Ko niet zoo flink bij +de hand was geweest en den oppasser had gehaald, dan weet ik niet of +Gustaaf nog wel twee ooren zou hebben. Je hebt een pluimpje verdiend, +Ko! Ik hoop dat je altijd, ook in latere jaren zooveel tegenwoordigheid +van geest zult hebben!" + +Ko keek erg verlegen en stak uit verbouwereerdheid een handvol +rozijnen in zijn mond, zoodat hij geen woord kon zeggen, en Mina hem +waarschuwend aan den arm trok, daar zij bang was dat hij alles op +zou eten. + +Weldra zaten allen onder de heerlijke boomen, aan drie aan elkander +gezette tafeltjes smakelijk te eten,--maar lang rust hadden zij niet, +want er was nog zooveel te zien, dat zij bang waren dat de dag niet +lang genoeg zou zijn. + +"Goed, wij zullen nu verder gaan," zeide de heer Ebels die wel +bemerkte waar de schoen wrong, "maar nu allen bij mij blijven! Je +hebt aan Gustaaf gemerkt hoe 't je bekomt als je op je eigen houtje +uitstapjes maakt!" + +In een oogwenk waren allen opgestaan, en nu ging men het keurig nette +bruggetje over naar den overtuin. + +De pelikanen, zwanen, eenden enz. die in de vijvers zwommen trokken +al dadelijk de aandacht der meisjes, die aanstonds brood en beschuit +begonnen te kruimelen en dat in het water wierpen. Maar lang konden +zij daar niet blijven, de heer Ebels maakte wat haast. Eerst naar +de leeuwen en tijgers had hij gezegd, en zoo gingen zij dan ook. O, +welke prachtige wilde dieren zagen zij daar! Wel vonden de meisjes dat +brullen niet erg pleizierig en schrikten zij terug toen een groote, +gestreepte tijger haar met zijn glinsterende, groenachtige oogen zoo +valsch aankeek, maar toch genoten zij er in dat zij nu die dieren, +die zij maar alleen op prentjes hadden gezien, zoo voor zich zagen. En +die leeuwen! Daar kon Mina haast niet vandaan komen; de leeuwin kon +haar minder schelen, maar die leeuw met zijn prachtige lange manen +betooverde haar. + +"Hoe raar dat de leeuw zooveel mooier is dan de leeuwin," zeide Mina +die gearmd met haar stond. + +"Ja, jammer," beaamde Cato; "ik zou het aardiger vinden als het wijfje +mooier was." + +"Zeker!" riep Mina uit. "Dan zou 't net zijn als bij de menschen!" + +"Hoezoo?" vroeg Gustaaf. + +"Wel, meisjes zijn veel mooier dan jongens," antwoordde zij zonder erg. + +"'t Zou wat!" riep Ko. "Jullie denkt zeker, dat je zoo mooi bent, +als... als..." een geschikte vergelijking wilde onzen jongen held niet +invallen; hij zweeg ook maar, want hij zag dat de oogen van Cato zóó +spottend op hem gericht waren, dat hij wel begreep dat hij geducht +door de meisjes zou geplaagd worden, als hij iets zeide. + +"Nu naar den olifant!" werd er geroepen, en daar die zijn hok er vlak +naast had werd er geen tijd verloren. De oppasser van het groote dier +was er bij, en toen deze zag hoeveel schik de jongelieden er in hadden, +als hij zijn langen snuit door de traliën stak om amandelen en noten +aan te nemen, die hem gegeven werden, besloot hij het dier nog meer +kunsten te laten vertoonen. + +"Kijk eens, Rosa, haalt de oppasser daar niet een koffiemolen voor +den dag?" fluisterde Cato deze in; zij durfde het niet hardop zeggen, +daar zij bang was dat de jongens er haar mee voor den gek zouden +houden als zij zich vergiste. + +"Wel zeker," zeide Rosa aanstonds; "wat zou hij daarmee doen?" + +Ook de oppasser had haar hooren fluisteren, en zeide nu glimlachend: +"Ja, jongejuffrouwen, nu moet u eens kijken, dan zult u zien, dat de +olifant evengoed koffie kan malen als een keukenmeid!" + +En waarlijk op een paar bevelende woorden van den man, nam het groote, +logge dier met zijn snuit den slinger beet, en draaide dien in het +rond dat het een lust was het te zien. Daarna moest hij met zijn +voorpooten knielen, en ten laatste moest hij op een rond stuk hout +met alle vier zijn pooten gaan staan. + +Toen die kunsten afgeloopen waren, waarnaar allen in stomme verbazing +hadden staan kijken, stak de olifant zijn snuit weer door de traliën, +en nu legde de heer Ebels er een dubbeltje in, dat het dier heel +netjes in 't bakje deed, dat aan den muur hing, nadat hij eerst het +dekseltje had opgelicht. + +"Nu moet ik hem nog wat geven om op te eten!" riep Mina uit, "dat +heeft hij wel verdiend. Kom, Ko, geeft wat amandelen!" + +"Er zijn er nog zoo weinig," zeide Ko, die wel graag iets voor zich +zelf bewaarde. + +"Kom, wees nu niet zoo schrokkig, jongen!" antwoordde Mina +verwijtend. "De olifant krijgt het ook niet alle dagen." + +"Ik ook niet," pruttelde Ko. + +"Hij krijgt anders dikwijls wat lekkers, jongejuffrouw," zeide nu de +oppasser, "want als hij zijn kunsten vertoont, geven de kinderen hem +bijna altijd wat." + +Mina echter stoorde er zich niet aan en grabbelde eenige mangelen +uit Ko's tasch, die zij het dier toereikte. + +Daarna kwamen zij bij de giraffen, de mooie dieren met hun lange +halzen en hooge pooten. + +"Wat zijn ze mooi bruin gevlekt!" riep Gustaaf uit, "maar wat is hun +lijf kort in vergelijking met hun hals en pooten!" + +"Ja, dat is zoo," zeide de heer Ebels, "maar 't zijn sierlijke beesten; +jammer dat ze zoo erg teer zijn. Ze kunnen volstrekt niet tegen koude +of tocht, en ze moeten heel zorgvuldig opgepast worden, anders sterven +ze. Er zijn er hier al verscheidene gestorven!" + +"Wat hoor ik daar toch raar schreeuwen!" zeide Ko, toen zij den tuin +een eind verder ingewandeld waren. + +"'t Is een akelig geluid." + +"O, dat zullen de zeeleeuwen zijn," meende meester Struis; "daar +komen wij straks, wij gaan nu eerst naar de nijlpaarden." + +"Zeeleeuwen!" riep Mina verwonderd uit. "Zien die er ook zoo uit als +de leeuwen die wij straks gezien hebben?" + +"Zouden ze ook zoo mooi zijn?" vroeg Cato. "Maar wat zullen die mooie +manen nat worden, als ze in de zee leven!" + +"Geduld maar," vermaande de heer Ebels glimlachend. "Je moet je echter +niet verbeelden, dat ze er uitzien als landleeuwen." + +"Hoe dan? Hoe dan?" riepen allen door elkaar. + +"Dat zul je wel zien," antwoordde de heer Ebels, terwijl hij voor +een groot gebouw bleef staan. "Hierin, jongelui; dat is het paleis +van de nijlpaarden." + +"Wat een groot huis!" riep Rosa verwonderd uit. "'t Is veel grooter +dan het huisje van vrouw Berens bij ons op 't dorp!" + +"De nijlpaarden zijn ook veel grooter dan vrouw Berens," zeide de +heer Ebels vroolijk. "Kijk maar eens; wat zeg je van zulk een mondje!" + +Juist opende een der dieren den bek en onwillekeurig traden de kinderen +een paar schreden achteruit, toen zij dien opengesperden muil boven +het water zagen uitkomen. + +"Hè, hoe akelig," zeide Rosa huiverend. + +"Ik zou ze wel eens uit het water willen zien," zeide Gustaaf aan +meester Struis. "Zouden ze er niet eens uitkomen?" + +De oppasser, die in het hok bezig was, beloofde dat hij ze er eens +zou laten uitkomen, en 't duurde dan ook niet lang of het mannetje +kwam langzaam uit het water en liep het hok binnen. + +"Wat is dat dier groot!" riep Ko uit. + +"En wat heeft het korte pooten!" voegde Gustaaf er bij. + +"'t Lijkt wel een groot, heel groot varken," meende Mina. + +De oppasser vertelde dat het eene dier 3000 ponden woog, iets waarover +zij zich braaf verwonderden. + +Daarna gingen zij naar de zeeleeuwen, en--toen zag Mina tot haar +verbazing, dat zij hoegenaamd niets op landleeuwen geleken. Zij vonden +ze lang zoo mooi niet. + +"Waarom noemen ze die glibberige beesten leeuwen?" riep Gustaaf +verontwaardigd uit. "'t Lijken wel zeehonden!" + +"Ja, ik vind ze leelijk en akelig," voegde Ko er bij, "en dan +schreeuwen ze als magere speenvarkens!" + +"'t Spijt mij, dat ze jullie goedkeuring niet wegdragen," zeide de heer +Ebels, die braaf pret had in hun uitroepen. "Maar zij kunnen er niets +aan doen en moeten zoo glibberig en wel maar voort blijven leven." + +"Wat plassen ze in dat water!" zeide Cato. "Komen ze er nooit uit?" + +"Jawel," antwoordde de heer Ebels. "Kijk daar komt hun oppasser met +een mandvol visch; misschien komen zij nu wel voor den dag." + +En 't was zoo. De man ging de kunstig gemaakte rots op en aanstonds +ging een der zeeleeuwen hem achterna, en toen hij een handvol vischjes +naar beneden in de waterkom wierp, sprong het dier ook naar beneden +en hapte gretig naar het voedsel. + +"Hoe aardig is dat!" riep Mina opgetogen uit. "Hoe slim van dat dier +om den oppasser achterna te springen!" + +"Ja, dat is nog al aardig," zeide Ko, "maar ik vind het toch akelige +dieren. Gaan we nu weer verder, mijnheer?" + +En zij gingen verder, den geheelen tuin door, keken naar alle beesten +en lieten zich alles haarfijn uitleggen.--Maar hoe graag ik hen ook met +u zou willen volgen, waarlijk ik kan 't nu niet doen, want wij moeten +eens naar Frankendaal terug, waar de arme Nanni is achtergebleven, +die, in plaats van zooveel pleizier te hebben, met een hongerige maag +in het bosch ronddwaalde. + + + + + + +III. + +HOE NANNI DEN DAG DOORBRACHT. + + +"Trijntje! vraag eens aan de dames of ik haar eens eventjes mag +spreken,--maar een oogenblikje," zeide vrouw Berens aan de dienstmaagd +van Nanni's tantes. + +"Wel, vrouw Berens, hoe maak jij het?" antwoordde Trijntje, haar +armen in de zijde zettende en blijde dat zij eens een praatje kon +maken. "Menschlief, 't gebeurt ook niet vaak, dat jij zoo uit wandelen +gaat; ga maar rechtuit den tuin in, de dames zitten achter onder den +lindeboom thee te drinken." + +Vrouw Berens strompelde de gang door, den tuin in en was weldra bij +den boom, waaronder de dames zaten. + +"Wel, baker, daar doe je goed aan, dat je eens komt praten," zeide +de oudste juffrouw vriendelijk; "ga zitten, dan zal ik je een kopje +thee inschenken." + +"Heel graag, juffrouw!" antwoordde vrouw Berens. "Wat is 't vandaag +mooi weer. Ik hoef niet te vragen of de juffrouwen gezond zijn, +want ze zien er uit als rozen." + +"Kom, kom, baker, nu zet je ons in het zonnetje!" schertste de +middelste. "Wat treffen die kinderen het vandaag, vind je niet? Je +weet toch dat ze naar Amsterdam zijn?" + +"Wel zeker weet ik het," zeide de oude vrouw, haar kopje opnemende; +"ik heb maar zoo'n verdriet er van, dat Nanni er niet bij is." + +"Er niet bij is!" herhaalde een der dames. "Kom, baker, nu ben je in +de war; ze is vanmorgen al om halfzeven weggegaan." + +"Mocht ze dan toch mee? Wel dat doet me pleizier!" hernam vrouw Berens +vergenoegd. "Dan begrijp ik ook, waarom ze vandaag niet bij mij kwam, +zooals zij gisteren beloofd had!" + +De tantes keken ernstig, want zij begrepen dat er iets niet in den +haak was, hoewel zij niet wisten wat er aan haperde. + +"Luister eens, baker," zeide de oudste juffrouw nu: "wij weten er niets +van, dat Nanni niet mee zou gaan; vertel ons eens wat er gebeurd is." + +"Och, als de zaak toch in orde is gekomen, moesten wij er maar niet +meer over spreken," zeide vrouw Berens goedhartig. + +"Wij zullen er niet over spreken, baker; maar wees zoo goed en vertel +het ons." + +"Nu, dan is het wat anders," begon vrouw Berens. "Gisteren kwam Nanni +schreiend bij mij en vertelde mij, dat zij niet mee mocht, omdat zij +brutaal tegen meester Struis was geweest; maar zeker heeft mijnheer +Ebels medelijden met haar gehad, en is zij toch meegegaan. Toen zei +ik, dat zij aan u moest vragen of zij dan een poosje bij mij mocht +komen, en daar zij niet kwam meende ik, dat de dames boos op haar +waren en haar thuis hielden. Nu kwam ik eigenlijk een goed woordje +voor haar doen, want och, ze had er zoo'n spijt van, dat ze ondeugend +was geweest." + +"Ik begrijp er niets van!" zeide tante Net, na een oogenblik gezwegen +te hebben, "maar ik denk dat ze toch nog mee is mogen gaan; want waar +zou ze anders zitten?" + +"Nu, dat doet me recht veel pleizier voor haar," zeide vrouw Berens +opstaande. "'t Ging me zoo aan mijn hart dat ze niet mee was, dat ik +mijn middagdutje niet heb kunnen doen." + +Vrouw Berens ging nu weg en liep op haar gemak naar het huisje, +innig blijde dat haar lieveling zoo'n aangenamen dag had. + +Zooals wij weten, was Nanni naar het bosch gegaan en niet van zins bij +vrouw Berens te komen, zooals zij deze beloofd had. Een poosje ging het +haar heel naar den zin. Zij werd vroolijk, begon zachtjes een liedje +te neuriën en was gelukkig; want er was niemand die haar plaagde of +onaardig tegen haar was. Zij behoefde zich boos noch driftig te maken, +en als zij den ring, dien zij van baker gekregen had, niet aan haar +vinger had gevoeld, dan zou zij zich hebben kunnen verbeelden dat +zij al de narigheid van den vorigen dag gedroomd had. + +Zij had een poosje zoo gezeten en zij dacht dat het nu wel twaalf +uur zou zijn; zij kreeg wat honger, maar zij besloot zich goed te +houden. Eigenlijk vond zij in haar hart, dat die honger een straf voor +haar was, omdat zij haar tantes niet had gezegd wat er gebeurd was, en +dapper wilde zij die straf dragen. Zij zocht en vond wat boschbessen, +en daar die haar hielpen haar dorst te lesschen, was zij erg in haar +schik en dwaalde nog wat verder af het bosch in. Nu hoorde zij niets +meer van het dorp; hè, dáár zou zij wel willen wonen in een klein, +lief huisje met vrouw Berens om het eten te koken. Zij moest maar +niet aan eten denken, want dan kwam het water haar in den mond! Zij +had sedert gisterenmiddag vier uren niets gebruikt: 's avonds had +zij geen boterham kunnen eten, "van pleizier" dachten de tantes, van +"verdriet" zei Nanni; en nu vanmorgen had zij er in het geheel niet +aan gedacht, zoodat ze zoo'n akelig gevoel in haar maag kreeg. + +Zij wilde verder gaan, toen zij eensklaps een paar schitterende +oogen door het struikgewas zag glinsteren, die haar oplettend +aanstaarden. Natuurlijk schrikte Nanni. Wie zou ook niet geschrikt +zijn? + +Vóór zij het echter nog met zichzelf eens was, welken kant zij op zou +loopen, kwam er eensklaps een kolossaal groote hond te voorschijn +springen, die haar met zijn verstandige oogen smeekend aankeek en +haar bij haar jurk trok. + +Nanni begreep er niets van. Eensklaps begon de hond klagend te blaffen +en al snuffelend om haar heen te loopen. + +"Wat scheelt er aan?" vroeg zij, hem over den kop streelend. "Kon je +maar praten, dan kon je 't mij vertellen, hé! Heb je honger? Ik kan +je niets geven, want ik heb ook honger, en bessen lust je niet!" + +Zoo babbelend met den hond was zij langzaam voortgeloopen en +onwillekeurig volgde zij den weg dien het dier insloeg. + +"Hector! Hector!" hoorde zij eensklaps roepen en verwonderd keek zij +om, ten einde te zien waar die stem vandaan kwam. + +Hector was echter bij haar vandaan gesprongen, naar een boom, waarbij +Nanni nu een man zag liggen. Aarzelend ging zij naar hem toe. + +"Zoo, Hec! heb je iemand bij me gehaald; dat is goed oude jongen;" +zeide hij. "Ik geloof dat ik een vlerk gebroken heb, juffie," vervolgde +de man op zijn been wijzende. + +"Hoe akelig," riep Nanni uit; "en moet je nu hier maar blijven liggen?" + +"Als 't kan, liefst niet," antwoordde de man, terwijl hij een pijnlijk +gezicht trok. "Ik zou wel graag naar het dorp toe willen." + +"Maar hoe kun je daar komen?" vroeg Nanni. "Je kunt immers niet +loopen!" + +"Neen, loopen kan ik niet, maar ze zullen mij wel willen komen halen, +als ze op 't dorp maar weten, dat ik hier lig," antwoordde de man. + +"Zoo? Nu dan zal ik iemand gaan halen," zeide Nanni. "Naar wien zal +ik gaan?" + +"'t Is waar, iedereen is op het land aan het werk," hernam de +man teleurgesteld; "dan zou 't je niet helpen of je naar het dorp +gingt. Maar blijf wat bij mij, ik lig hier al zoo lang moederziel +alleen." + +"Maar hoe komt het, dat je je zoo bezeerd hebt?" vroeg Nanni, terwijl +zij op het zachte mos ging zitten. + +"Wel, zie je dien tak daar liggen?" vroeg hij naar een tamelijk dikken +tak wijzend, die op den grond lag. "Ja! Nu, ik ben met dien tak en +al uit dezen boom gevallen." + +"Maar waarom klom je in den boom?" vroeg Nanni. "Of wist je den +weg niet?" + +"En zou ik daarom in een boom klimmen?" zeide de man verbaasd. "Wat +zou mij dat helpen?" + +"Klein Duimpje klom ook wel in een boom, omdat hij verdwaald was," +zeide Nanni halfluid, "maar die was klein." + +"Juist, en ik niet precies," antwoordde de man lachend. "Neen, zoo +was het niet; ik wou eenvoudig een stevigen tak afbreken om er een +stok van te snijden." + +"Zoo," zeide Nanni; "maar je moogt geen takken van de boomen breken; +als de boschwachter het ziet, dan word je in den kelder onder het +raadhuis gesloten." + +"Wel, wel, wat leest dat kleine ding mij daar de les!" hernam de man +lachend. "Nu 't zou zoo'n vaart wel niet zijn geloopen, denk ik! Je +bent zeker zelf een heel gehoorzaam en lief meisje!" + +Nanni kreeg een kleur tot over haar ooren en had wel onder den grond +willen kruipen. + +"Neen," zeide zij, "ik ben erg brutaal en ondeugend en.... en...." + +"Komaan, nog meer?" riep de man uit. "Mij dunkt het zondenregister +is groot genoeg. Oprecht ben je ten minste wel!" + +"Ach ook niet," zuchtte Nanni beschaamd; "ik heb vandaag heel leelijk +gedaan." + +"Zoo zoo, en wat heb je zoo al voor kattenkwaad uitgevoerd?" vroeg hij. + +Nanni, die anders niet licht spraakzaam was tegen iemand dien zij niet +kende, vertelde met horten en stooten welk verdriet zij had en hoe +zij haar tantes in den waan had gelaten dat zij mede naar Amsterdam +was gegaan. + +"Dat is wezenlijk allesbehalve mooi van je," zeide de man, terwijl +hij bedenkelijk het hoofd schudde. "En waar wilde je naar toe gaan, +toen mijn hond je vond?" + +"Naar baker, ik meen naar vrouw Berens," verbeterde Nanni zich zelf, +daar zij wel begreep dat de man niet zou weten wie baker was. + +"Kijk eens aan, dat treft aardig!" riep hij uit. "Vrouw Berens is +mijn moeder. Je hebt haar zeker wel eens hooren praten van haar zoon, +die ver hier vandaan woont? Nu die ben ik, en ik kwam haar juist eens +opzoeken om te vragen of zij bij mij wilde wonen." + +"O, wat zal ze blij zijn!" riep Nanni uit. "Ze heeft me zoo dikwijls +verteld, dat zij nog een zoon had, en ze verlangde zoo hem nog eens +te zien." + +"Zoo, dat doet me pleizier," zeide de man opgeruimd; "'t is nu maar +jammer, dat ik met een gebroken been aankom, maar daar is niets aan +te doen.... Gelukkig dat de boschwachter mij niet in den kelder heeft +gesloten!" Dit laatste zeide hij, terwijl hij haar lachend aankeek. + +"Wil ik eens naar het huisje van baker loopen?" stelde Nanni voor. "Dan +kan zij misschien wel iemand opzoeken die je helpen kan." + +"Ja, dat was niet kwaad," meende de man. "Er zullen nu misschien wel +eenige mannen weerom zijn; 't is al wel een uur of zes." + +Nanni liep zoo snel ze kon; nu en dan moest zij zelfs even stil +blijven staan om adem te halen, maar zij was dan ook heel gauw aan het +welbekende huisje. Driftig stiet zij de deur open en kwam.... in een +leege kamer! Dat viel haar tegen! Zij had er zoo stellig op gerekend +de oude vrouw thuis te vinden; zij ging immers bijna nooit uit. Weinig +dacht zij, dat vrouw Berens naar haar tantes was gegaan en daar nu +heel bedaard onder den lindeboom een kopje thee zat te drinken. + +Wat moest zij nu doen? 't Beste vond zij om maar te wachten totdat de +oude vrouw terugkwam, want lang zou zij zeker niet wegblijven. Zij +ging dus op den drempel van de huisdeur zitten, en nam de groote +poes op haar schoot, die naar buiten was komen loopen, toen Nanni de +kamerdeur had geopend. + +'t Duurde niet lang of zij zag vrouw Berens aankomen; poes werd op +den grond gezet, en Nanni liep de oude vrouw te gemoet, die niet wist +of zij haar oogen durfde vertrouwen. + +"Ben jij toch hier kind?" riep zij uit, vóórdat Nanni nog iets kon +zeggen. "Foei wat ben je een ondeugende meid!" + +"Och, baker, wees nu niet zoo boos," smeekte Nanni; "ik heb een +boodschap voor je!" + +"Wat boodschap! Ik wil niets van je weten," riep vrouw Berens, die +werkelijk boos en bedroefd was over Nanni's gedrag. "Ik wil je niet +meer zien; ga aanstonds naar de tantes!" + +Zij deed de deur achter zich dicht en liet Nanni buiten staan. Ge +begrijpt, dat het schreien haar nader stond dan het lachen, en hoewel +anders zoo'n driftkopje, vergat zij thans boos te worden, daar zij +zich herinnerde, dat de zoon van vrouw Berens daar al zoo lang buiten +lag en nog al geen hulp zou krijgen. + +"Doe open, baker, doe open!" gilde zij, op de deur slaande. "Ik moet +er in, ik moet!" + +Er kwam geen antwoord van binnen, en Nanni werd zoo doldriftig, +dat zij met haar voeten tegen de deur begon te schoppen. + +"Ga naar je tantes, kind; ik wil je vandaag niet zien!" klonk nu de +stem van vrouw Berens. + +"Luister dan toch even, leelijke baker!" riep Nanni half snikkend. "In +het bosch daar ligt je zoon, en hij heeft zijn been gebroken!" + +"Wat praatje nu kind?" vroeg vrouw Berens, de deur weer opendoende. + +"Je zoon is gevallen, en heeft mij naar je toe gestuurd," snikte +Nanni. "Wil je me nu nog niet gelooven? Ik heb toch nog nooit gejokt!" + +"Je hebt mij gisteren wat voorgejokt, toen je me beloofdet alles aan +de tantes te vertellen," zeide de oude vrouw ernstig. "En de tantes +heb je wel niet voorgejokt, maar je hebt haar toch wel laten denken, +dat je mee met de kinderen waart, en dat is even leelijk als jokken!" + +"Ach, baker, 't is waar," riep Nanni bitter bedroefd, "maar wezenlijk +je zoon ligt onder een boom; hij is gevallen en gelooft dat hij zijn +been heeft gebroken." + +Toen vrouw Berens dit eindelijk geloofde, wist zij niet wat zij moest +beginnen. Gelukkig kwam er juist een buurman met zijn wagen van het +land, en nu vroeg zij of die hem wilde gaan afhalen. Nanni zou meegaan +om hem te wijzen waar het was, en de oude vrouw zou thuis blijven, +een bed klaar maken, en zorgen dat er iemand naar den dokter ging om +naar het been te komen kijken. + +Heel gauw was de wagen bij de plek waar de man lag, die recht in zijn +schik was toen hij bemerkte, dat hij uit zijn lastige positie zou +verlost worden. Hij werd er op geladen, Hector sprong hem achterna, +en voort reden zij naar het huisje van vrouw Berens. + +Spoedig hield de wagen nu stil. De oude vrouw stond met een gelaat +glinsterend van genot hen op te wachten en had oogen noch ooren voor +iemand behalve voor den zoon, dien zij in geen tien jaren gezien had. + +"Dat is een treurige aankomst, moedertje," zeide hij opgewekt toen +hij haar zag. "Ik had nog al gedacht u zoo te verrassen!" + +"Wel jongen ('t was een man van veertig jaren, maar de oude vrouw +beschouwde hem nog als een kind), ik ben veel te blij dat ik je zie, +om aan iets anders te kunnen denken! Wel, wel, wat heb ik naar je +verlangd!" + +'t Was een heele drukte in het kleine huisje; de buren kwamen in en +uit loopen en deden vrouw Berens honderd vragen, die deze echter +niet kon beantwoorden, want zij had haren zoon nog niet verder +kunnen spreken. Maar Nanni zou misschien meer kunnen vertellen. Waar +was Nanni? + +Niemand wist het, niemand had haar gezien, niemand wist waar zij +gebleven was! + +'s Avonds om halftien kwam de trein aan, waarmee de kinderen uit +Amsterdam terug zouden komen. + +"Mij dunkt, Nanni moest nu toch al hier zijn," meende de oudste tante +eenigszins wrevelig. + +"Ze is misschien even bij een der vriendinnetjes ingeloopen," zeide +haar zuster vergoelijkend; "na zoo'n heerlijken dag praten zij graag +nog een oogenblik!" + +Daar sloeg de klok tien. + +"Neen maar, nu kan 't niet langer," zeide tante Net. "Trijntje! loop +eens even naar Rosa en vraag of de jongejuffrouw thuis komt als ze +er is." + +Trijntje deed haar boodschap, maar kwam natuurlijk onverrichter zake +terug. De tantes wisten niet, wat zij er van moesten denken en zonden +de meid nu naar den onderwijzer. Maar de boodschap die zij van hem +kregen bracht haar nog meer in de war. Nanni was niet mee geweest! + +De tantes waren nu wezenlijk ongerust, en 't gekste was dat zij niet +wisten, waar zij het meisje moesten zoeken. + +Zij wilden naar vrouw Berens zenden, maar herinnerden zich, dat deze +niet beter wist of Nanni was met de kinderen mee geweest. + +Ge kunt begrijpen, dat de tantes dien nacht niet naar bed gingen, +zoo angstig waren zij; zij konden zich maar niet begrijpen wat er +van het meisje geworden was. + +Den volgenden morgen vroeg kwam er iemand om haar te spreken. + +"Wel Teunis, wat is er?" vroeg de oudste tante. + +"Juffrouw, neem mij niet kwalijk, dat ik maar zoo brutaal ben om +binnen te komen," begon de man, terwijl hij zijn pet in zijn handen +ronddraaide, "maar vrouw Berens stuurt mij en laat vragen of de +jongejuffrouw eens bij haar zoon mag komen; hij wou haar zoo graag +eens bedanken!" + +"Mijn nichtje?" zeide een der tantes. "Maar waar is zij gisteren +dan geweest?" + +"Wel, zij heeft gezorgd dat Berens bij zijn oude moeder kwam," zeide +Teunis verwonderd. "Ik zelf heb haar gereden, en nu kom ik even die +boodschap doen." + +Uit dien man kon men niet wijs worden, begrepen de tantes, en zij +besloten zelf naar het huisje van vrouw Berens te gaan. + +Zoodra zij bij vrouw Berens kwamen, was haar eerste vraag, wat deze +van Nanni afwist. De oude vrouw vertelde alles en bejammerde het, +dat zij den vorigen dag zoo hard voor het kind was geweest en haar +niets te eten had gegeven; zij meende echter, dat ze naar huis was +gegaan en daar haar scha wel zou hebben ingehaald. + +"Wat! is Nanni den geheelen dag zonder eten geweest?" riep tante Net +verschrikt uit. "Waar is zij dan toch?" + +"Ik dacht bij u," stamelde vrouw Berens bedremmeld. + +"Aanstonds het bosch in en haar zoeken," riepen de dames uit. "Maar +hoe vinden wij haar?" + +"Neemt den hond mee, dames; die kent haar nu," zeide Berens, "en dan +wat melk en brood! O, wat spijt het mij, dat ik niet mee kan gaan!" + +Haastig gingen de dames, vergezeld van Hector op weg, en zie, +'t duurde niet lang of de hond draafde blaffend een laan in, en +daar vonden zij het kleine meisje, doodsbleek met gesloten oogen op +den grond liggen. Hector likte haar de wangen, maar zij bleef stil +liggen, en eerst na een geruimen tijd gelukte het, haar door eau de +cologne bij te krijgen. Zij gaven haar een weinig melk te drinken, +(niet te veel, want dat zou niet goed zijn) en langzamerhand kwam er +weer wat kleur op die bleeke wangen. + +"Maar, kind! heb je hier den geheelen nacht gelegen?" vroeg tante +Net medelijdend. + +"Ja, neen, ik weet het niet," zeide Nanni. "Is u niet erg boos?" + +"Neen, ik ben veel te blij, dat ik je gevonden heb," riep zij uit. "O +wat hebben wij van nacht in ongerustheid gezeten!" + +"Dus houdt u toch nog van mij?" vroeg Nanni, terwijl zij haar +schitterende oogen opsloeg. + +"Wij houden allen van je; hou jij maar wat meer van ons, dan zul je +vrij wat gelukkiger zijn," zeide tante Net half schreiend. + +"Dan beloof ik u, dat ik veel liever zal wezen, dan ik geweest ben," +antwoordde Nanni met een gelukkig lachje. "O, tantes, u weet niet +wat een akelige dag het gisteren voor mij was, en dat nog wel op: + + + HET SCHOOLFEEST." + + + + + + + + +OP DE KOSTSCHOOL. + + +I. + +LUILEKKERLAND. + + +"Ze heeft weer een trommel vol van huis gekregen,--ik heb het zelf +gezien!" + +"Die schrok, ze eet alles weer alleen op!" + +"Ik wou dat ze er zich zóó in verslikte, dat ze in geen acht dagen +kon eten!" + +"Zoo'n gulzigaard!" + +Deze uitroepen vlogen als vuurpijlen uit de monden van eenige jonge +meisjes, die op de speelplaats van een kostschool bijeen waren. Allen +zagen er opgewonden en tamelijk boos uit, terwijl zij de uitgezochtste +scheldwoorden bedachten en die op de schuldige toepasten. + +"Uitschelden helpt niet," zeide thans een meisje, dat tot dusverre +gezwegen had, en op een laag muurtje, dat de speelplaats van den +moestuin scheidde, zat, terwijl zij haar beenen heen en weder liet +slingeren. + +"Neen, dat weten we ook wel!" riep een ander. + +"Wij moesten haar eens een poets spelen," zeide een derde. + +"Juist Kee; daar heb ik ook over zitten denken, terwijl jullie zoo +door elkaar schreeuwdet," antwoordde Jet, goedkeurend knikkend. + +"En weet je al wat?" vroeg Jeanne, terwijl zij Jet aan haar beenen +trok om haar van het muurtje af te krijgen. + +"Laat staan, Jeanne!" riep Jet uit, die zich uit alle macht aan +haar zitplaats vastklemde om haar evenwicht te bewaren en niet te +vallen. "Doen jullie allemaal mee, als we iets doen?" + +"Wel zeker, wat graag!" riepen allen dooreen, en dansten al door +elkander van de pret. + +"Als 't wat grappigs is, anders niet!" zeide Jeanne. + +"Bedenk jij dan maar wat grappigs!" riep Kee uit, "je bent zoo'n +slimmerd!" + +"Wat zou er wel in die trommel zitten?" vroeg Mies nu. + +"Allerlei snoepgoed," verzekerde Jo, die er alles van wist; "ik zag +dat zij een vuilen mond had, en dus waren er zeker bolussen ook in, +want die zijn zoo stroperig." + +"Heerlijk, bolussen!" riep Jet watertandend uit. "En eet dat spook +nu zoo alles alleen op?" + +"We moeten er vanavond eens over spreken, als we naar bed gaan," +zeide Jeanne. + +"Waarover? Over bolussen?" vroeg Kee. "Die eet ik liever." + +"Och neen, ik meen hoe we Nora beet zullen nemen," zeide Jeanne. "Wees +toch niet zoo flauw, kind, om te doen alsof je mij niet begrijpt!" + +"Maak nu geen ruzie, Jeanne," riep Mies; "je kunt ook volstrekt niet +tegen plagen!" + +"Jij zeker wel, hè wijsneus!" riep Jeanne uit, terwijl zij Mies eens +flink aan haar lange vlecht trok, waarvoor deze haar tot straf in +haar kuiten kneep. + +"Ai, dat's gemeen!" riep Jeanne, naar haar been voelend. + +"Die kaatst, moet den bal verwachten!" riep Jet, van haar hooge +zitplaats, "'t Helpt niet of we die spreekwoorden al moeten schrijven, +Jeanne, als je ze zoo gauw vergeet!" + +"Ga maar niet preeken," zeide Jeanne nu weder lachend; "ik zal Mies +wel vinden, ze kan niet tegen kriebelen!" + +"O genade," gilde Mies, als een kakkerlak in het rond springend, +zoodat haar lange haarvlecht in het gezicht van een dame vloog, +die juist om den hoek en haastig naar het groepje toekwam. + +"Komaan, meisjes, 't is tijd om in huis te komen!" riep zij, in de +handen klappend, uit. "De andere klassen zijn al binnen!" + +"Hoe zonde om met dit mooie weer in huis te zijn, juffrouw!" zeide +Jet. "Zoudt u ons hier geen les kunnen geven?" + +"Geen dwaasheid, meisjes," antwoordde deze. "Komaan Jet, kom van het +muurtje af; je zult je mooi vuil hebben gemaakt." + +"Daar is de wasch goed voor," mompelde Jet, van haar zitplaats +afspringend en naar huis snellende. + +"Is Nora al binnen?" vroeg de juffrouw aan Jeanne. + +"Die is niet buiten geweest, juf," antwoordde deze; "dat kind zit +boven snoepgoed te eten." + +"Wat zegt ge dat verachtelijk, Jeanne," merkte de juffrouw aan. "Jij +zoudt het ook wel lusten, als 't je gestuurd werd!" + +"Ze heeft er juf zeker wat van gegeven," fluisterde Jet Mies in +het oor, waarop deze, die goedlachs was, in een vreeselijke lachbui +uitbarstte. + +"Wat is er, Mies?" vroeg de juffrouw verwonderd. + +"Och niets, juf," antwoordde Kee onnoozel; "ze heeft wel eens meer +zoo'n lachstuip." + +Nu moet ge weten, dat de klasse der meisjes die wij ontmoet hebben, +niet groot was, en dat zij daardoor nog al erg op elkander gesteld +waren,--al kibbelden zij soms ook geducht. + +Zij hadden, vóór Nora op school kwam, met elkander afgesproken, dat +elk die van huis wat lekkers gestuurd kreeg, appelen, koek, of wat +dan ook, dat getrouw met de anderen zou deelen, en niets stilletjes +opeten. De onderwijzeres die dit wist, keurde het zeer goed, daar +ze op die manier, vooreerst mededeelzaam leerden zijn en ten tweede +haar maag niet overlaadden, hetgeen anders het geval wel eens had +kunnen wezen. Getrouw hadden de meisjes die bepaling opgevolgd, +en als er met Sinterklaas of bij een verjaardag een trommel kwam, +lokte dat een luid gejuich bij ons clubje uit, en werd die in de +tegenwoordigheid van allen ontpakt en de inhoud eerlijk verdeeld. + +Nora werd aanstonds ingewijd in deze bepaling, en hoewel zij er in +den beginne niet veel op zeide, merkten zij wel aan haar gezicht, dat +het haar niet te best beviel. Nu moet gij weten, dat Nora een eenig, +wel wat vertroeteld meisje was, en daar zij broertjes, noch zusjes had, +natuurlijk niet gewend om van het hare mee te deelen aan anderen. + +Niet dat zij wezenlijk zoo schrokkig was, als de andere meisjes +dachten, maar zij vond het hard, dat zij zich aan een bepaling zou +moeten onderwerpen, die zij niet mee verzonnen had; bovendien meende +zij, dat haar mama dat lekkers voor haar, haar alléén stuurde en niet +om er anderen het grootste gedeelte van te laten opsmullen. + +Op die manier had onze Nora gedacht, en langzamerhand was zij tot +het vaste besluit gekomen om zich niet aan de bepaling der andere +meisjes te storen, en juist te doen zooals zij zelf het prettigste +vond. Zij besloot er echter voorloopig niets van te zeggen, maar te +wachten totdat haar iets gestuurd werd. Dat duurde niet lang! Haar +moeder had al heel gauw een trommel klaargemaakt, en op een goeden +dag bracht de besteller het pak, dat met een luid gejuich door Kee +en Jeanne, die het de dienstmaagd afhandig hadden gemaakt, naar de +slaapzaal van ons zestal werd gebracht, waar Nora zich bevond. + +"Doe gauw open, Nora!" riep Jeanne brandende van nieuwsgierigheid uit. + +"Daar is een schaar," voegde Kee er bij, terwijl zij er haar een +met één punt overreikte; "zij knipt goed, als je er maar voorzichtig +mee bent!" + +"Mies! Jet!" riep Jeanne aan de deur gaande staan. "Komt gauw hier, +Nora heeft een trommel gekregen!" + +Van alle kanten waren de geroepenen aan komen vliegen en weldra +stonden zij in gespannen verwachting in een nauw kringetje om Nora +met de trommel, die nog geen enkel woord gesproken had, maar haar +schat krampachtig vasthield. + +"Doe dan toch open, Nora!" riep Mies ongeduldig. + +"Ze kan zich bijna niet bewegen, je hangt heelemaal tegen haar aan," +waarschuwde Jet Mies op zijde trekkend. + +"Doe je 't nu, of doe je het niet?" vroeg Jeanne verwonderd. + +Nora antwoordde niet, maar nam de schaar en begon de touwtjes door +te knippen waarmee het papier om de trommel vastgemaakt was. Zij +haastte zich niet bijzonder met dat werk, maar eindelijk was het toch +gereed, en nu werd het deksel opengeslagen en vertoonde zich al de +heerlijkheid, die er in verborgen was, aan de oogen der verlangende +meisjes. + +"Daar is de brief," zeide Mies, terwijl zij het papier opnam, en het +edelmoedig aan Nora overreikte. + +"'t Ziet er lekker uit," meende Jeanne, met haar neus snuffelend. + +"Niet aankomen!" riep Jet, terwijl zij Kee terugtrok. + +"Ik wees er alleen maar naar!" verontschuldigde deze zich. + +"Komaan dan, Nora," riep Jo. + +"Wat voer je nu uit?" vroeg Jeanne verbaasd, toen zij zag dat Nora +doodbedaard de trommel dichtdeed en er haar hand op legde. "Verdeel +je nu niet?" + +"Doe je 't liever vanavond, ga dan je gang," zeide Jet edelmoedig. + +"Ik ben niet van plan om mijn lekkers (zij drukte op dat woordje mijn) +te verdeelen," zeide Nora langzaam. + +"Hé, waarom niet?" riep Mies verwonderd uit. + +"Daarom niet," zeide Nora; "ik wil van jullie lekkers ook niets hebben, +en geef jullie niets van het mijne!" + +"Dat's gemeen!" riep Jeanne driftig uit. "En je hebt het beloofd!" + +"Dat is niet waar," hernam Nora. "Vraag maar aan Jet, of ik het wel +beloofd heb! Ik heb niets geantwoord." + +"Ze heeft gelijk," zeide Jet, "beloofd heeft ze 't niet. Maar ik +dacht niet, dat je zoo gniepig zoudt doen!" + +"Is dat gniepig! Omdat ik niet wil, dat jullie opeten wat mijn Mama +mij stuurt, daarom schelden jullie me uit!" riep Nora uit. "Ik weet +zeker dat ik veel meer van huis krijgen zal dan jullie, en dan zou +ik er bij te kort komen!" + +"Weet je wat, spook van een meid," zeide Jeanne nu, "houdt jij je +lekkers; al gaf je me nu de geheele trommel, dan zou ik niets van je +willen hebben." + +"Dat zou je wel willen," antwoordde Nora plagend, "maar ik doe het +niet. Laat mij maar met rust." + +"Komt, meisjes, gaat mede," zeide Jet nu. "Laat haar maar loopen, +we zullen haar wel vinden!" + +Hoewel Mies, Jo, Kee en Jeanne het wel jammer vonden om den buit in +den steek te laten, volgden zij den raad van Jet toch op, na nog een +begeerigen blik op de weggesloten lekkernijen geworpen te hebben, +terwijl Nora met het air van een overwinnaar en de hand op haar schat +haar glimlachend na stond te kijken. + +Zoodra zij weg waren, haalde zij verruimd adem en opende de trommel +weer, om eens op haar gemak te onderzoeken, wat er al zoo in was. Zij +had gevreesd, dat het een veel harder strijd zou wezen om haar goed +recht te handhaven, en gevoelde zich nu bovenmate verlicht dat het +zoo gemakkelijk was gegaan. + +Deze laatste gebeurtenis had plaats gehad, toen Nora ongeveer veertien +dagen op de kostschool was geweest, en gedurende den tijd, die er +op volgde, had zij zich streng aan haar voornemen gehouden, hetgeen +aanleiding had gegeven dat zij geen vriendinnetje had gekregen en +alleen stond tegenover ons vijftal. + +Of Nora dit prettig vond? Ik durf u wel verzekeren, dat het haar +volstrekt niet beviel. Zij was gewend, toen zij thuis was, dat allen +even lief voor haar waren en alles voor haar inschikten, maar daar +kwam op de school, ten minste wat haar aanging, niets van in. In het +binnenste van haar hartje speet het haar nu wel wat, dat zij de zaak +zoo ruw had aangepakt, en zij had gaarne een klein gedeelte van haar +lekkers gemist, als zij op goeden voet met de meisjes was. Maar berouw +kwam te laat! + +En dus had Nora weer "luilekkerland" thuis gekregen, en wij hoorden +aan de verontwaardigde uitroepen aan het begin van dit hoofdstuk, +dat het weer het oude liedje was. + +'s Avonds, alvorens zij naar bed gingen, beraadslaagden de meisjes +lang en breed, wat zij zouden doen om Nora eens geducht te plagen, +en het duurde niet lang of zij hadden volgens haar meening, een +kostelijk plannetje bedacht. + +"Wie zal de boodschap doen?" vroeg Kee. + +"Ik wil 't wel doen," riep Jeanne uit. + +"Dan ga ik met je mee," zeide Mies, die er dol op was om eens buiten +het hek van "Landlust" (zoo heette de kostschool) te komen. + +"Maar niet meer," zeide Jet, die eigenlijk ook wel lust zou hebben +gehad om mee te gaan, maar 't nu niet wilde zeggen. + +"Waarom mogen we niet allemaal mee?" vroeg Jo. + +"Wel, begrijp je niet, dat ze 't dan zouden merken?" riep Kee +uit. "Verbeeld je eens, de heele klasse naar den drogist!" + +"Maar wanneer zullen we gaan?" vroeg Mies. "Wij moeten niet te lang +wachten, anders heeft zij luilekkerland leeg gesnoept, voordat wij +haar beet kunnen hebben." + +"Vanavond, zou 't dan niet gaan?" vroeg Jeanne, terwijl zij Jet als +raadgeefster aankeek. + +"Dat kan niet, want je zult bepaald nu niet meer uit mogen," zeide Jet. + +"Maar ik ben niet van plan het te vragen!" riep Mies vol vuur uit. "Als +wij 't aan juf vragen, dan moeten wij precies vertellen, waar wij +naar toe willen en wat wij gaan doen, en dan is de pret uit. Want ik +jok niet om dat kind!" + +"We moeten stilletjes maken, dat wij wegkomen," zeide Jeanne; +"we klimmen eerst over het muurtje den moestuin in en kruipen dan +door de schutting, je weet wel waar die oude plank zoo vermolmd is; +wij zijn dan buiten, en er kraait geen haan naar!" + +"Ja, juist!" juichte Mies. "Laten wij nu dadelijk maar gaan!" + +"Domme meid!" zeide Kee, "en straks moeten wij allen in de eetzaal +komen om een boterham te eten. 't Zou wat moois zijn, als Mies en +Jeanne dan weg waren." + +"Kee heeft gelijk," zeide Jet; "jullie kunt zoo gauw niet terug +wezen. Hoe zou je 't vinden, als je morgenvroeg eens gingt?" + +"Ik vind het 's avonds veel aardiger," pruttelde Mies. + +"Als je niet wilt, dan ga ik mee," zeide Jet. + +"Neen, ik wil wel," riep Mies; "maar is de drogist zoo vroeg al op?" + +"Dan schellen we net zoolang totdat hij zijn slaapmuts buiten het raam +steekt!" zeide Jeanne opgewonden, "O, wat zullen we een pret hebben!" + +"Maakt het maar niet te erg, anders komt hij nog klagen," waarschuwde +Jet. + +"O, neen, daar zullen we wel op passen," beloofde Mies. + +"Luister eens, Jeanne: heb je geld genoeg?" vroeg Jet. + +"'t Zal zoo'n schat wel niet kosten," meende deze, terwijl zij in +haar zak naar haar beursje voelde. "Zie eens, ik heb twee dubbeltjes +en drie centen!" + +"Ik heb ook een kwartje," zeide Mies, "maar we betalen het met mekaar, +hoor; anders dan kan ik in geen vier weken jullie en me zelf op +balletjes trakteeren!" + +"Als je terugkomt, rekenen wij wel af," beloofde Jet; "ik heb geld +en Kee en Jo ook, niet waar?" + +"O hemel ja, ik ben zoo rijk als... als... Salomo!" riep Kee uit, +die niets anders kon bedenken. + +"Salomo was wijs," zeide Jeanne deftig. "Als je dus zei: zoo wijs +als Salomo, dan was 't beter." + +"Kom, hij was rijk ook," hield Kee vol; "hij was immers een koning +en koningen zijn altijd rijk!" + +"Nu ja," beaamde Jeanne schoorvoetend, "maar..." + +"Zij denkt aan Salomo's kat, die van wijsheid van de trappen rolde," +riep Jo lachend uit. + +"Ik wou, dat ik ook zoo wijs was," zuchtte Jo. + +"Om ook van de trappen te rollen?" vroeg Mies lachend. + +"Och neen, om de sommen die ik morgen moet maken," bekende Jo; +"'t zal weer een tranendag voor mij zijn!" + +"Je moet ze mij, voor wij naar bed gaan, nog maar eens laten zien," +zeide Kee goedhartig, "dan zal ik ze je zoo'n beetje uitleggen." + +"Graag!" riep Jo uit, wier gezichtje ophelderde. "O, ik wou dat er +geen sommen bestonden!" + +"Hoe laat zullen wij morgen weggaan?" vroeg Mies nu. + +"Natuurlijk moeten we terug zijn, voordat juf op de slaapzaal komt," +zeide Jeanne, "anders merken ze het." + +"Om zeven uren komt juf ons roepen; dus jullie mogen wel om zes +uren opstaan," antwoordde Jet. "In een kwartier kun jullie je wel +aankleeden; dan een half uur voor de boodschap en een kwartier om je +weer uit te kleeden en in bed te kruipen." + +"Goed, dat's afgesproken!" riepen allen uit. + +"Laten wij er nu maar niet meer over spreken, anders verklappen wij +ons zelf nog!" + +Zoo gezegd zoo gedaan! Wel konden zij onderwijl zij haar avondboterham +aten niet nalaten elkander steelsgewijze aan te kijken, te knipoogen +en te lachen, maar zij praatten er niet over. Haar vroolijkheid +vermeerderde niet weinig, toen Nora voor haar boterham bedankte en +zeide dat zij geen honger had. + +"Geen honger, Nora; je bent toch niet ziek?" vroeg de juffrouw bezorgd. + +"Aha, Luilekkerland! Luilekkerland! Luilekkerland!" neuriede Jeanne +ondeugend. + +De juffrouw, die wel wist wat het meisje hiermede bedoelde, glimlachte +dan ook gerustgesteld, toen Nora haar stotterend antwoordde, dat zij +niet ziek was, maar alleen geen eetlust had. + +Kort daarop gingen allen naar bed; gelukkig sliep Nora niet op de +groote slaapzaal, maar in een kabinetje dat er in uitliep en waar +ook een secondante sliep, anders had het er gek met het plan der +meisjes uitgezien. Ze sliepen al heel gauw, de meisjes, vooral Mies, +die een heel, heel klein beetje begon te snurken, waarop zij door al +de anderen zonder complimenten wakker werd geroepen en moest beloven +dat zij 't nooit weer zou doen. + +"Maar ik weet niet, wanneer ik het doe," zeide Mies klagend; "ik kan +'t toch niet helpen, als ik het in mijn slaap doe." + +"Slaap dan met je mond toe," zeide Jet. + +"Hij gaat zeker open, als ik slaap," zeide Mies berouwvol, "want als +ik naar bed ga, houd ik mijn tanden stijf op elkaar." + +"Ik zal een stuk van een grauw velletje met een touw voor je mond +binden," beloofde Kee. + +"Maar dan stik ik," klaagde Mies, "dan vindt jullie me 's morgens +dood in bed." + +"Dat 's niet waar," zeide Jet. "Je kunt immers ademhalen door je neus, +en als je nog eens zoo snurkt, krijgt je het voor! Ga nu maar weer +slapen, anders ben je morgenochtend niet vroeg genoeg wakker!" Mies, +die haar oogen niet open kon houden, liet zich dit geen tweemaal +zeggen, maar zonk weer op het kussen en was geen halve minuut later +weer ingeslapen, nu echter zonder te snurken. + +Gerustgesteld sliepen ook de anderen weldra in en wel zoo lekker dat +men er jaloersch op zou worden. + +Den volgenden morgen scheen de zon zoo vroolijk en ondeugend in de +slaapzaal, dat Jet, die al een poosje gewoeld had, er wakker van +werd. Een oogenblik bleef zij nog soezend liggen, toen zij zich +eensklaps herinnerde wat er dien ochtend moest gebeuren. + +"Ik hoop, dat het maar niet te laat is," dacht zij, terwijl zij hals +over kop uit bed sprong. "Wacht, daar slaat een klok! Een slag! Zou +dat halfzes zijn? Zeker wel, want er is nog niemand op!" Zij had door +haar raam gekeken en bespeurd, dat alles nog in diepe rust was. + +"Jeanne," zeide zij nu, nadat zij eerst heel voorzichtig de deur van +het kabinetje aangezet had. "Jeanne, sta op; 't is tijd!" + +Jeanne, die ook niet erg rustig geslapen had, was in een oogenblik +wakker en zat rechtop in bed, terwijl zij Jet met verbaasde oogen +aankeek. + +"Wat is er?" vroeg zij. + +"'t Is tijd, om naar den drogist te gaan," zeide Jet, om haar geheugen +te hulp te komen. + +"O, ja," riep Jeanne uit, "heerlijk dat je mij roept!" en in een +oogwenk was Jeanne uit bed. "Roep je Mies even?" + +"Mies," fluisterde Jet, terwijl zij voor het bed van het meisje stond, +en haar hand nam. + +Geen antwoord volgde, maar Mies keerde zich om en verborg haar gezicht +geheel en al in het kussen. + +"Mies, 't is tijd," zeide Jet nu wat harder, terwijl zij haar aan +heur arm trok. + +"Hm..." bromde Mies. "W..at?" + +"Mies, wil je wakker worden," zeide Jet, terwijl zij haar duchtig +heen en weder trok. + +"O foei, ai, ach! Je doet me pijn!" pruttelde Mies, met de oogen dicht. + +"Slaapkop!" riep Jet verontwaardigd, "wil je dan nooit wakker +worden! Jeanne is al bijna klaar, om naar den drogist te gaan. Als +je niet wakker wordt, ga ik!" + +Nu opende Mies haar oogen, keek een oogenblik zoo onnoozel als een +kalf in het rond, maar toen zij Jeanne zag veranderde haar gezicht +eensklaps, en wreef zij haar oogen uit. "O, ik sliep zoo heerlijk," +zeide zij luid gapend; "ik droomde dat wij de trommel van Nora onder +elkaar leeg aten." + +"Eet me niet op!" riep Jet, schijnbaar verschrikt achteruitgaande +voor den grooten mond, dien Mies opzette. + +"Neen, nu is 't over," verzekerde Mies. "Heb ik nog gesnurkt?" + +"Hoe kan ik dat weten; ik heb van nacht geslapen," zeide Jet; "daar +straks snurkte je niet." + +Mies was onderwijl uit bed gekomen en had zich gehaast om zich zoo +gauw zij kon aan te kleeden. + +"Ik zal me nu maar niet wasschen, en mijn haar ook niet opmaken," +zeide zij; "straks moet ik mij toch weer over aankleeden." + +"'t Is niet erg frisch," vond Jet, die weer in haar bed gesprongen +was en vandaar uit op haar gemak lag te redeneeren. + +"O, als ik buiten kom, word ik frisch genoeg," meende Mies. + +"Ben je nu klaar?" vroeg Jeanne, haar hoed opzettende. + +"Ja, even mijn laars... Ziezoo, die zit. Waar is mijn hoed?" vroeg +Mies. + +"Hier; ga nu gauw mee," zeide Jeanne hem haar overreikende. + +"Denk er aan, om achter uit te gaan," ried Jet haar; "het zijdeurtje +is vroeg open, anders kom je de meiden tegen." Mies en Jeanne liepen +op haar teenen de trap af, en hoewel zij de meiden voor aan de deur +hoorden, bereikten zij ongemerkt het zijdeurtje en stonden spoedig +aan het muurtje. In een oogenblik waren zij er over en weldra hadden +zij ook de vermolmde plank in de schutting verder stuk geslagen en +bevonden zich op den weg. + +Jet was niet weer in slaap gevallen, maar had het weldra niet kunnen +nalaten om ook Kee en Jo wakker te roepen, om wat te praten. Zij +vertelde, dat Jeanne en Mies weg waren en allen verheugden zich reeds +op de pret die zij hebben zouden. + +"Gelukkig, dat je zoo vroeg wakker werdt," zeide Kee. "Ik kan nooit +uit mezelf wakker worden." + +"Toen ik gisterenavond in slaap viel heb ik onophoudelijk gezegd: +"Zes uur wakker! Zes uur wakker!" en dat heeft geholpen," vertelde Jet. + +"Maar ik slaap altijd, zoodra ik op mijn kussen lig," zeide Kee; +"dus heb ik geen tijd om zoo iets te zeggen." + +"Dan moet jij je altijd maar laten roepen," zeide Jo. + +"Ik hoop maar, dat ze vroeg genoeg terug zijn," zeide Jet, nadat er +een kwartier voorbij was gegaan. + +"Natuurlijk," zeide Kee, "ze hebben immers tijd genoeg." + +"Hoor eens, staat de juffrouw hiernaast niet op?" vroeg Jo eensklaps. + +"Ja zeker!" riep Jet uit. "O, wat zullen we beginnen, als zij hier +komt om ons te roepen!" + +"Ze ziet dadelijk, dat er twee bedden leeg zijn," zeide Jo. + +"Wacht eens, laten wij een kussen aankleeden en dat zoo'n beetje onder +het dek duwen," zeide Kee. "We moeten het een nachtjapon aan doen, +dan is 't net alsof er iemand in bed ligt." + +"Gauw dan maar, riep Jet, en sprong uit bed, om een der kussens aan +te kleeden. Kee en Jo namen het andere voor haar rekening, en weldra +lagen de poppen onder de dekens. + +"Hoe jammer, dat ik geen vlecht heb om die op Mies haar kussen te +leggen," zeide Kee. + +"Knip je eigen vlecht af, en leg die er op," zeide Jet. + +"Ik zou je bedanken," zeide Kee, "maar ik ben wel bang, dat juf het +zal merken: de poppen hebben eigenlijk geen hoofden." + +"Weet je wat," riep Jo uit, "laten wij zoowat op den rand van haar +bedden gaan zitten, net alsof we met haar praten, dan merkt juf +'t misschien niet. Ga jij dan in bed, Jo, en doe alsof je slaapt." + +Jo sprong er in, en Jet en Jeanne hadden juist tijd om op den rand +te gaan zitten, toen de deur van het kabinetje open werd geduwd en +de juffrouw binnenkwam. + +"Hé, meisjes, al op!" zeide zij verwonderd... "Hoe kom jullie zoo +vlug?" + +"Och, juffrouw, de zon heeft ons uit bed geschenen," zeide Jet. + +"Nu, dat's goed, maar 't schijnt dat de drie anderen nog stevig in +de rust zijn," hernam de juffrouw. + +"Ja ze slapen als ossen!" riep Jeanne onrustig uit. + +"Ik zou je raden niet op dien rand te gaan zitten," zeide de juffrouw, +terwijl zij naar de bedden ging, waarin de poppen lagen. + +"Ai! O! Ach!" riep Jo eensklaps uit, die dit door haar ooghaartjes +had gezien, en zij begon eensklaps met haar armen te zwaaien. + +Aanstonds ging de juffrouw naar het ledikant van Jo en vroeg wat er +aan scheelde? + +"Och, juf, ik droomde van... muizen... neen van ratten! En ik dacht +dat ze aan mijn grooten teen knabbelden," riep Jo uit. + +"Kom kind, wees verstandig; er zijn hier geen ratten," zeide de +juffrouw geruststellend. + +"Maar toch wel muizen," jammerde Jo. + +"Hoe kom je aan die gekheden?" vroeg de juffrouw verwonderd. "Er zijn +evenmin muizen, en dan zijn er immers twee katten." + +"Heusch niet, juf?" vroeg Jo. + +"Wees maar gerust, Jo," antwoordde de juffrouw. "En sta nu maar gauw +op, want 't is tijd; en ik moet op de andere zaal ook nog wezen. Jet +en Kee, jullie zult Mies en Jeanne wel roepen, niet waar?" + +"O ja, juffrouw!" riepen beiden vroolijk uit. "Ik zal haar in haar +neus bijten, als ze niet wakker worden;" voegde Kee er bij, toen de +juffrouw weg was. + +"Ik maak je mijn compliment, Jo, je hebt je kranig gehouden," zeide +Jet nu. + +"Niet waar?" vroeg deze vergenoegd. "Ja, ik heb mijn best gedaan; +'t was benauwend, toen ze daar zoo naar jullie toekwam." + +"Als ik prijsjes ga geven, krijg jij een eerste voor slimheid," +zeide Kee. + +"Ik hoop, dat ze maar gauw terugkomen," hernam Jet, "want als we +moeten ontbijten, ziet het er gekker uit." + +"Ja, want dan kunnen we geen aangekleed kussen mee naar beneden nemen," +riep Kee lachend uit. + +De meisjes begonnen zich onderwijl te wasschen en te kleeden, en +nauwelijks waren zij daarmee gereed of de schel van het ontbijt begon +te luiden. + + + + + + +II. + +ONDEUGENDE MEISJES. + + +De meisjes zagen elkander vragend aan, toen juist Nora in het vertrek +kwam om haar boeken uit een kastje te halen en daarna naar beneden +te gaan. + +Aanstonds begonnen de drie vriendinnen als razenden door het vertrek +te springen om haar te beletten naar Mies en Jeanne te vragen, en haar +afwezigheid op te merken. Nora keek dan ook wat vreemd in het rond +en wist niet hoe gauw zij maken zou, dat zij uit het vertrek kwam, +want zij had het niets op die buitengewone vroolijkheid begrepen! + +"Wat moeten wij nu beginnen?" vroeg Kee eenigszins angstig. "Daar luidt +de bel voor den tweeden keer, en nu zijn Jeanne en Mies er nog niet!" + +"Wij moeten maar naar beneden gaan en ons wat achteraf houden; +misschien komen ze juist bijtijds," zeide Jet. + +"En wat moet ik zeggen, als juf mij vraagt, waar ze zijn?" riep Jo +met een benauwde stem uit. + +"Kom, het zal jou niet gevraagd worden, ten minste als je maar niet +zoo'n gek gezicht zet," meende Kee. + +"Anders ga je maar weer hardop droomen van muizen en ratten!" riep +Jet haar. "Maar komt nu toch mee, anders krijgen wij nog straf." + +De meisjes stormden als losgelaten veulens de trappen af en stonden +weldra in de deur der eetzaal, terwijl zij oplettend naar binnen keken +om te zien, of Jeanne en Mies er soms waren. Zij zagen echter niemand +en gingen met bedrukte gezichten zitten, toen de twee afwezigen, +die er tamelijk verwaaid uitzagen en een hoogroode kleur hadden, +onverwacht binnentraden. Zij schoven onbemerkt naar haar plaatsen en +knikten de vriendinnen vriendelijk toe. + +"Kom, Mies en Jeanne, gaat zitten, blijft niet zoo aan de tafel staan," +zeide de juffrouw; "je weet wel dat er orde moet wezen." + +"Ja, juffrouw, ik zal gaan zitten," zeide Mies terwijl zij zoo +voorzichtig als zij kon op de tabouret plaats nam. + +"'t Is alsof je op eieren gaat zitten," fluisterde Jet haar in. + +"St!" antwoordde Mies, "ik zal je straks wel zeggen, waarom ik +zoo doe." + +Allen begonnen te ontbijten, en er heerschte nu een diepe stilte, +want onder het eten mocht er niet gesproken worden. + +"Mies, hoe kom je aan zooveel inktvlekken aan je handen?" zeide de +juffrouw eensklaps. "Je hebt je toch wel gewasschen?" + +Allen keken naar onze jongejuffrouw, die een kleur als vuur kreeg en +niet wist wat zij zou zeggen en maar wat stotterde. + +"Ja,... neen; ja, juffrouw," zeide zij haar vingers bekijkende. + +"Ja, neen! Wat moet ik daarvan gelooven?" antwoordde de juffrouw +gestreng. "Ga dadelijk naar boven en wasch je handen schoon; je +gezicht schijnt ook geen goede beurt gehad te hebben. Je zorgt, +dat alles in orde is, als je weer beneden komt." + +Erg beschaamd stond Mies op en liep naar de deur, maar nu barstten +allen in een luid gelach uit, want de rok van haar jurk stond van +achteren zoo'n eind uit, alsof er een Noord-hollandsch kaasje onder +verborgen was. Mies, die dit gelach wel hoorde, liep zoo gauw zij +kon de kamer uit en gooide de deur achter zich dicht. Zij snelde +de trap op en was boven, alvorens de juffrouw haar kon volgen om te +onderzoeken, wat zij toch uit had gevoerd. Op de slaapzaal gekomen +haalde zij haastig haar grooten hoed onder haar jurk vandaan en wierp +dien op een stoel, waarna zij snel haar jurk uitdeed en zich frisch +begon te wasschen en haar haar op te maken. + +Zij was juist thuis gekomen, toen de meisjes naar de eetzaal kwamen, +en had geen tijd gehad haar hoed weg te leggen, waarom zij hem maar +met de linten om haar middel had gebonden. + +Terwijl zij daar zoo bezig was hoorde zij de vriendinnetjes naar boven +komen, en weldra werd zij zoowel als Jeanne, die mee was gekomen, +ondervraagd. + +"Maar wat zijn jullie lang weggebleven!" riep Jet uit. + +"Dat komt, omdat die drogist maar niet wakker wilde worden!" antwoordde +Jeanne. + +"En dan zijn wij eerst om halfzeven weggegaan," zeide Mies; "'t sloeg +juist, toen wij door de schutting waren gekropen." + +"En hebt je wat?" vroeg Kee nieuwsgierig. + +"Wel zeker, een zakje vol," antwoordde Jeanne triomfeerend. "Wij +moeten vóór het speeluur zien, dat we naar boven komen en dan een +van allen Nora aan den praat houden." + +"Dat zal ik wel doen," riep Jo uit: "ik zal haar vragen, of ze mij +wat aan mijn sommen wil helpen; dat doet ze graag, want ze is er zoo +grootsch op dat ze zoo goed kan rekenen." + +"Dat zou jij ook wel wezen, als je 't zoo goed kondt," kreeg zij van +Kee ten antwoord, "maar houdt jij haar dan maar aan den praat." + +"Wou hij het geven?" vroeg Jo nu. + +"Wie?" hernam Mies. + +"Wel, die drogist!" riep Jo uit. + +"O, zijn bediende heeft ons geholpen," zeide Jeanne. "Hij zelf kwam +maar even om het hoekje kijken, en hij had een blauwe slaapmuts op!" + +"Je had eens moeten zien, hoe gek hij er uitzag!" riep Mies, hartelijk +lachende bij de herinnering; "ik dacht dat ik een stuip kreeg van +het lachen!" + +"Ja, daarom keek hij ook als een oorwurm," zeide Jeanne. "Ze lachte +zoo erg, dat de bediende ook mee ging lachen, en toen grauwde hij +hem vreeselijk af, en keek ons aan alsof hij ons op wou eten." + +"De bediende vroeg, of de geheele kostschool last van verstoppingen +had," vertelde Mies weer; "maar toen hebben wij hem heel verachtelijk +aangekeken, niet waar, Jeanne? Zulke vieze praatjes houden wij niet." + +"Ja, jij keekt al erg verachtelijk," zeide Jeanne, haar schouders +ophalend; "je stondt maar te proesten!" + +"Maar ik heb toch wat netjes betaald," riep Mies uit. "Hoor eens, +straks moeten wij afrekenen." + +"Is 't veel?" vroeg Jo nieuwsgierig. + +Jeanne noch Mies hadden tijd om op deze vraag te antwoorden, want +de bel luidde weer, wat het sein was dat de lessen begonnen. Allen +haastten zich naar het lokaal en verwachtten met ongeduld het +twaalfuursklokje, daar zij dan een uur vrijaf hadden. + +Of die ochtend de meisjes ook lang duurde! Maar eindelijk sloeg +het klokje van twaalven, en aanstonds ging ons viertal naar boven, +terwijl Jo Nora aanklampte, die dit niet erg prettig scheen te vinden. + +"Waar is het nu?" vroeg Jet, nog buiten adem van het ophollen der trap. + +"En wat is het?" voegde Kee er bij. + +"Sjalappenpoeder!" zeide Mies. "Kom, Jeanne geef het zakje." + +Haastig haalde deze het voor den dag, en nu gingen de meisjes naar +het kabinetje, waar Nora sliep. + +"Een moet op wacht bij de deur gaan staan," riep Jet uit. "Wie +doet dat?" + +"Ik wel," zeide Jeanne. "Mies maakt te veel gekheid en lacht altijd +te erg." + +Daar stonden nu Jet, Mies en Kee om "luilekkerland" geschaard, +brandende van verlangen om te zien wat er in was. + +"Doe jij het deksel open," zeide Kee tot Jet. + +Aanstonds voldeed deze aan het verzoek. + +"O, wat een lekkere appelbol!" riep Mies uit, terwijl het water in +haar mond kwam. + +"Afblijven!" beval Kee. "Je moogt niet snoepen, hoor!" + +"Ik wijs er maar naar," stelde Mies haar gerust, "maar ik zou er wel +eens van mee willen smullen!" + +"Wat ligt daar?" vroeg Jet. + +"Dat zijn bolussen!" riep Mies uit. "Daarvan had ze gisteren de stroop +nog om haar mond zitten, die schrok!" + +"En wat is er een suikergoed in dien zak," zeide Kee, terwijl zij er +nieuwsgierig inkeek. + +"Snoep jij nu ook maar niet," riep Mies uit. + +"Zijn jullie haast klaar!" riep Jeanne uit. "Ik ben bang als de dood, +dat er iemand komt." + +"Ja, ja, dadelijk!" riepen de meisjes. + +"Kijk, die appelbol is open," zeide Jet eensklaps; "laten wij het +daar ingooien, zoowat tusschen den appel die er inzit." + +"In meer dan een!" riep Mies uit. "Anders geeft het niet!" + +"Nu dan in twee," zeide Jet, en begon met Kee haastig poeder tusschen +den appel te strooien en toen den bol weer dicht te maken. + +"Hier is nog zoo'n mooie," zeide Mies. "Kom, doe hier nu nog wat in, +'t zou jammer zijn als je het niet deedt." + +"Maar dan niet meer," riep Jet uit. + +"Strooi wat over de bolussen," zeide Kee lachend. + +"Gauw, meisjes, daar komt juf!" riep Jeanne, het kabinetje +binnenstormende; "ze is midden op de trap." + +"Hier, luilekkerland!" riep Mies, sloeg het deksel van de trommel dicht +en gooide haar in den hoek van de kast, waaruit zij haar te voorschijn +had gehaald. Door de woestheid, waarmede zij dit deed, scheurde het +zakje van de sjalappenpoeder, en vloog het overschot in het rond. + +"Dat akelige goed!" riep Kee, terwijl zij een paar keeren niesde. + +"Komt toch mee," zeide Jeanne, Jet en Mies naar de andere kamer +trekkend; "juf zal anders vragen, wat of je in het kabinetje doet." + +"Kee, nies toch niet zoo," waarschuwde Jet haar; "ze kunnen je buiten +wel hooren." + +"Ik kan het niet helpen," klaagde Kee; "dat akelige goed is in mijn +neus gevlogen." + +"Zwijg er dan toch over," riep Jeanne half luid, "daar is juf!" + +De juffrouw kwam de slaapzaal binnen, terwijl Kee nog steeds stond +te niezen. + +"Je bent erg verkouden, Kee," zeide zij bezorgd. "Je moet vanavond +maar eens vroeg naar bed gaan." + +"Als je blieft niet, juffrouw!" riep Kee verschrikt uit. "Ik moet +alleen maar niezen, maar dat is niets." + +"Neen, neen, jij kruipt vanavond maar eens om halfacht onder de wol," +zeide zij beslist, en verliet het vertrek weer nadat zij iets uit +een lade had gekregen. + +"Dat is nu jouw akelige schuld," zeide Kee, terwijl zij Mies een +por gaf. + +"Kan ik het helpen, dat het in jouw neus vloog," riep Mies +verontwaardigd uit. "Had je neus dan dichtgehouden!" + +"Je bent altijd zoo wild," pruttelde Kee; "nu moet ik vroeg naar bed." + +"Dan kun je meteen eens lekker uitslapen," meende Jet. + +"Ik heb geen slaap," bromde Kee. + +"Laten we nu naar beneden gaan, anders gaat het speeluur voorbij, +zonder dat wij gespeeld hebben," riep Jeanne uit. "Dan kan Jo ook +meegaan." + +"Nora komt nu zeker boven snoepen," zeide Mies, terwijl zij in een +hartelijk gelach uitbarstte. + +"Houdt je dan toch stil, lachebek!" duwde Jet haar toe. + +Weldra was ons clubje met Jo buiten en speelde krijgertje, dat het +een lust was om aan te zien. + +Nora was, zoodra als Jo haar los had gelaten naar boven gesneld, +waar zij zich braaf aan de lekkernijen te goed deed, weinig denkende +wat haar boven het hoofd hing. + +'s Avonds om halfacht werd Kee door de juffrouw er aan herinnerd, dat +zij vroeg naar bed zou gaan, en hoe smeekend zij de dame ook aankeek, +er hielp niets aan, zij was zoo goed niet of zij moest naar boven +gaan, en tot overmaat van verdriet ging een der secondantes mee om +er haar lekker warm onder te stoppen. + +"Maar, juf, ik zal stikken, als u het dek zoo instopt," klaagde Kee, +terwijl zij alle moeite deed om haar handen boven te krijgen. + +"Luister eens, Kee," zeide de juffrouw overredend, "als je er nu goed +onderkruipt, ben je zeker morgen weer beter; je moet uitwasemen." + +"Maar ik ben niet ziek, en dus hoef ik niet beter te worden," bromde +Kee, onrustig heen en weder draaiend. + +"Je schijnt wel wat koortsig te wezen," zeide de juffrouw haar hand +op Kee's voorhoofd leggend. "Nu, ik zal wat voor je halen; blijf maar +stil liggen." + +De juffrouw verliet haastig de zaal en liet Kee alleen met haar +gebrom en verdriet. Aanstonds ging deze nu overeind in bed zitten en +gooide de dekens zoo ver van zich af, als zij kon: 't was warm weder, +en dus begrijpt ge, dat zij niets op dat dek gesteld was. Uit bed +durfde zij echter niet komen, want zij vreesde dat de juffrouw nog +wel eens boven zou komen kijken. Zuchtend en pruttelend zat zij dus +met de knieën tegen haar kin gedrukt en haar armen er omheen. + +"Maar, Kee, ben je nu niet verstandiger om zoo te woelen!" riep de +juffrouw, die terugkwam met een kopje warme lindebloesemthee in de +hand. "Gauw, drink dit eens leeg; dat zal je goeddoen!" + +"Och, juf, ik zal smelten, als ik dit gloeiende goed moet drinken," +jammerde Kee. "U vindt morgenochtend niets dan een plas in bed." + +"Kom, kom, geen gekheid, drink dit maar eens gauw leeg," zeide de +zorgzame dame, terwijl zij Kee het kopje aan den mond zette en haar +dwong het leeg te drinken. + +"En nu er onder. Ziezoo, blijf nu stil liggen en probeer maar of je +in slaap kunt komen." + +Met deze woorden verliet de juffrouw haar, en Kee bleef alleen +achter. De zon scheen nog zoo heerlijk en zij hoorde, hoe de meisjes +op de speelplaats lachten en pret hadden, terwijl zij daar zoo in +bed lag... en groote tranen vloeiden langs haar wangen. Zij snikte +uit overmaat van droefheid en had niet gemerkt, dat iemand uit het +kabinetje in de slaapzaal was gekomen, en haar medelijdend stond aan +te kijken. + +"Ben je ziek, Kee?" vroeg een stem. + +"Neen, niet ziek, maar... o.. maar, ..." snikte Kee. + +"Waarom lig je dan in bed?" + +Nu keek Kee op en zag, dat het Nora was, die haar toegesproken had +en nu naderbij kwam. + +"O, ben jij het," riep Kee uit. + +"Nu, ja, ik mag je toch wel wat vragen," zeide Nora beschroomd. + +"Eet jij je lekkers maar op," hernam Kee, en barstte, terwijl de tranen +van verdriet nog aan haar wimpers hingen, in een luid gelach uit. + +Verwonderd keek Nora haar aan en begreep niet waarom Kee nu zoo +ging lachen. + +"Wil je er ook wat van?" vroeg zij op fluisterenden toon. + +"Dank je, eet jij je lekkers maar alleen op," zeide Kee; "jij behoeft +niet mee te deelen!" + +"O, maar ik heb er zoo'n spijt van," bekende Nora nederig. "Als je +maar een klein stukje wildet nemen, zou ik het prettig vinden!" + +"Maar ik niet!" riep Kee uit, denkende aan de sjalappenpoeder. "Eet +jij zelf je appelbollen maar op!" + +"Hé, hoe weet je, dat er appelbollen bij waren?" vroeg Nora verwonderd. + +"Och, dat denk ik maar zoo," zeide Kee verlegen, omdat zij zich zoo +verpraat had. "Waren er dan geen appelbollen bij?" + +"Jawel, en die heb ik al opgegeten," zeide Nora, "want die worden zoo +gauw oudbakken. Maar de bolussen zijn er nog. Wil je er een? Och toe, +doe het maar!" + +"Dank je wel, ik mag ze niet eten, want de juffrouw zegt dat ik ziek +ben," antwoordde Kee. + +"Zou je het anders wel doen?" vroeg Nora. + +"Misschien," zeide Kee aarzelend. + +"Neem dan een halven bolus," drong Nora, terwijl zij de trommel haastig +uit het kabinetje haalde en op den stoel naast het bed nederzette. + +"Neen... neen..." riep Kee, toen Nora haar een bolus in den mond +stopte, "ik... ik..." maar zij kon niets meer zeggen, want Nora hield +niet op en duwde net zoolang aan den bolus, totdat Kee, om niet te +stikken, begon te kauwen. + +"Smaakt hij lekker?" vroeg Nora, haar met zelfvoldoening aanziende. + +Kee had haar mond veel te vol om op deze vraag te kunnen antwoorden, +maar knikte even. + +"Wil je er nog een?" vroeg Nora. + +"Neen, neen... ik wil niets meer hebben!" riep Kee uit. + +"Wil je aan Jet en Jeanne, en Mies, en Jo ook zeggen, dat het mij +zoo spijt dat ik zoo onaardig ben geweest?" vroeg Nora nu. "En wil +je nu ook weer goed op mij zijn?" + +Kee wist niet goed, wat zij zeggen zou, en zweeg dus. + +"Wil je het niet zeggen?" vroeg Nora bedroefd. + +"Waarom zeg je het zelf niet?" vroeg Kee op haar beurt. + +"Och, ze loopen altijd weg, als ik ze aan wil spreken," vertelde Nora. + +"Dat is je eigen schuld," zeide Kee. + +"Jawel, maar als Jo aan haar sommen geholpen moet worden, dan spreekt +ze wel," riep Nora uit. "Vanmiddag nog was ze heel goed op me en +vroeg ze mij of ik haar wou helpen." + +"Dan zal ik haar zeggen, dat ze 't je niet meer moet vragen," +antwoordde Kee, na zich even bedacht te hebben. + +"Och neen, neen, doe dat niet!" riep Nora verschrikt uit; "ik wou, +dat jullie allemaal goed op mij werd!" + +Kee zat nu wel een weinig in den brand, want 't was op het oogenblik +toch al te gek om vrede te sluiten. Het antwoord werd haar echter +bespaard, want de juffrouw kwam weer boven om eens te zien hoe 't +met Kee was. + +"O, Nora, doe de trommel met lekkers weg," zeide zij berispend, +"je zult er Kee toch wel niets van willen geven; het staat niet mooi +haar er mee te plagen." + +Nora kreeg een vuurroode kleur van schaamte en maakte zoo gauw +mogelijk, dat zij met haar schat in het kabinetje kwam. Toen de +juffrouw zag, dat Kee stil was blijven liggen ging zij tevreden heen, +en riep Nora nog toe, dat zij over een kwartiertje beneden moest komen, +want dat zij dan haar avondboterham moest eten. + +"En die krijg ik ook niet," zuchtte Kee, toen de juffrouw vertrokken +was. + +"O, dat is niets!" riep Nora, die dezen uitroep gehoord had. "Je moogt +al de bolussen opeten; er zijn er nog vier in!" Zij kwam weer met de +trommel aansjouwen en zette haar op den stoel naast het bed van Kee. + +Kee, hoeveel zij anders van bolussen hield, was nu met het vooruitzicht +op deze smulpartij volstrekt niet gediend, want ze herinnerde zich met +schrik dat Mies de rest uit het zakje over de bolussen had gestrooid. + +"Neen, ik heb nu geen trek in de bolussen," zeide zij; "ik zou ze +maar weggooien!" + +"Weggooien!" riep Nora uit, terwijl zij Kee aankeek, alsof zij meende, +dat deze gek was geworden. + +"Wel ja, weggooien," herhaalde Kee; "je eet je anders nog ziek aan +al die snoeperij." + +"Kom, jij lust het ook wel!" riep Nora ongeloovig uit. "Zoo gek zal +ik niet zijn!" + +"Nu, ik wil ze niet hebben," hernam Kee; "ik heb er aan één genoeg!" + +"Dan zal ik vragen, of Jet, Mies, Jeanne en Jo er ieder een willen +hebben!" riep Nora eensklaps uit. "Als we naar bed gaan, zal ik +het doen!" + +"Och, ze houden er zoo erg veel niet van," zeide Kee, "en.." + +Daar luidde de schel, en Nora had nog even tijd om de trommel weg te +brengen, toen er al voor de tweede maal gescheld werd. + +Natuurlijk kon Nora weer niet eten, want waar een paar appelbollen +zitten, daar is geen plaats voor een boterham. Ditmaal echter bedankte +zij niet, zooals anders, maar trachtte haar ongemerkt onder haar +boezelaar te verbergen. + +"Wat gaat Nora nu uitrichten?" vroeg Mies fluisterend aan Jeanne, +die ook met verwondering Nora's handeling gezien had. + +"Ik weet niet; zou ze die in bed op willen eten?" vroeg Jeanne +halfluid. + +"Wat voer je uit?" vroeg Jo haar halfluid. + +"St!" verzocht Nora, terwijl zij haar smeekend aanzag, "'t is voor +Kee!" + +"Waar komt die lievigheid zoo in eens vandaan?" pruttelde Jeanne. + +"Kom wees nu stil," verzocht Jo haar; "wat kan 't je schelen!" + +"Ja, ze heeft jou aan je sommen geholpen, en daarom ben je nu goed +op haar," bromde Mies. + +"Wel, dat vond jullie immers allemaal goed," zeide Jo driftig terug, +"en..." + +"Meisjes, niet zoo fluisteren onder elkaar," riep de onderwijzeres nu; +"als je wat te vertellen hebt, zegt het dan hardop." + +Nu zwegen zij en aten in vrede haar boterhammen op, waarna het +bedtijd werd. Nora ontsnapte het eerst en snelde naar boven, waar +zij Kee reeds half in slaap vond, die niet wist wat haar overkwam, +toen Nora haar een reepje brood in den mond stak. + +"He... e... wat is dat?" vroeg Kee slaperig. + +"Eet maar op," antwoordde Nora, die zich gereed maakte om een tweede +reepje in Kee's mond te doen verhuizen. + +Nu kwamen ook anderen boven en stormden de slaapzaal in. + +"Wat doe jij hier?" was het eerste wat Mies zeide, zoodra zij Nora +zag. "Blijf jij in het kabinetje!" + +"Ja, we kunnen je missen als kiespijn," voegde Jet er bij. + +"Ik gaf dit maar even aan Kee," zeide Nora aarzelend. + +"Niet noodig," meende Jeanne, "als ze wat wil hebben zullen wij het +haar wel geven!" + +"Ik zou het zoo prettig vinden als jullie goed op mij wildet zijn, +en ik met jullie mee mocht spelen," hernam Nora. + +"Dat wil ik wel gelooven," zeide Mies snibbig, "je vindt het zeker +erg vervelend om zoo alleen te zijn; 't is je verdiende loon." + +"Maar als Nora goede vrienden wil worden, dan behoef jij niet zoo +bijdehand te zijn," meende Jo. "Jij bent ook zoo'n heilig boontje +niet." + +"Dat is best mogelijk, maar ik ben toch nooit zoo'n schrok geweest +als Nora," verdedigde Mies zich. + +"Omdat je nooit zulke groote trommels met lekkers hebt gekregen," +zeide Kee die aldoor gezwegen had. + +Nora ging dien avond naar bed, wel in haar schik dat zij nu op weg +was om met de andere meisjes goede vrienden te worden, ja zij neuriede +onderwijl, en had van pleizier wel willen dansen. + + + + + + +III. + +WAT DE BEDIENDE VAN DEN DROGIST VERTELDE. + + +'t Was nog heel vroeg in den morgen toen Kee ontwaakte door een verward +gedruisch van stemmen, en het heen en weer loopen van menschen. Haastig +sprong zij uit het bed en toen zij om het hoekje der kamerdeur keek, +zag zij hoe de juffrouw over het ledikant van Nora stond heengebogen. + +"Wat een spektakel," dacht Kee, "om zoo'n lawaai te maken over wat +pijn in het lijf!" + +Toen zij echter nog even bleef luisteren bleek het haar dat het iets +anders was, waarover Nora klaagde, en zij zag het gezicht van het +meisje dat doodsbleek en angstig stond. + +"Wat zou haar toch schelen?" zeide Kee halfluid. + +"O, Kee, ben jij daar," riep de juffrouw uit, "ga eens naar beneden +en vraag of mevrouw eens boven komt, want dat Nora zoo ziek is." + +"Dadelijk juf," riep Kee uit, en snelde naar de slaapzaal, waar zij de +andere meisjes wakker schudde, en zoo gauw mogelijk naar beneden liep. + +Heel spoedig kwam Kee met mevrouw boven die aanstonds in het kabinet +ging. + +"'t Beste is dat de dokter eens naar haar komt kijken," zeide mevrouw, +nadat zij een oogenblik had gezwegen. "Zeg eens Nora, wil je ook +iets hebben?" + +"Neen... neen... O, ik ben zoo naar," fluisterde het meisje. + +"Als u nu zoolang bij haar blijft, juffrouw, dan zal ik iemand naar +dokter van Beek sturen," hernam mevrouw. + +Dokter van Beek kwam al, toen de overige leerlingen nog aan het +ontbijt zaten, en had de patiënte oplettend waargenomen en verscheidene +vragen gedaan. + +Op de groote slaapzaal gekomen, zeide mevrouw Beerman: + +"Wat denkt u van de zieke, dokter? Het is toch niet gevaarlijk?" + +"Gevaarlijk juist niet, mevrouw, maar ik zou wel eens willen weten +of zij ook 't een of ander gebruikt kan hebben dat schadelijk is," +antwoordde dokter van Beek. + +"Zij heeft gegeten wat de andere meisjes ook gebruikt hebben, dokter," +zeide mevrouw Beerman. + +"Anders niets?" + +"Wacht, daar herinner ik mij dat zij van huis een trommel met lekkers +heeft gekregen!" riep mevrouw Beerman uit. "Wilt u het zien?" Zonder +het antwoord af te wachten ging zij naar het kabinetje om den schat +te halen. + +"Bolussen en suikergoed," zeide de dokter, toen de trommel voor hem +stond. "Misschien is het suikergoed wel gekleurd, en heeft ze verf +binnen gekregen!" + +Hij schudde de zak leeg maar zag dat het best fijn suikergoed was +zonder kleuren. + +"Neen, dat is het niet," zeide mevrouw Beerman, "maar kan er ook +iets in die bolussen zijn? Misschien heeft er nog wel meer lekkers +ingezeten. Juf! juf!" riep zij halfluid, "weet u ook wat er nog meer +in de trommel was?" + +"Ja, mevrouw, er waren ook appelbollen in, maar die heeft zij het +eerst opgegeten." + +"Dan was er zeker 't een of ander in die appelbollen," meende +Mevrouw Beerman, terwijl zij den dokter vragend aankeek, die den +bolus oplettend bekeek. + +"Best mogelijk, mevrouw, maar hier op dien bolus is ook iets gestrooid +dat er niet ophoort," antwoordde dokter van Beek. "Ik neem dien bolus +mee, en zal onderzoeken wat er op ligt." + +Toen mevrouw Beerman beneden kwam vroegen al de meisjes om strijd hoe +'t met Nora was. + +"Zij is volstrekt niet goed," antwoordde zij ernstig, "gaat nu naar +school, want de lessen beginnen." + +Jet, Kee, Mies, Jeanne en Jo keken elkander aan, en zij begrepen +volstrekt maar niet hoe 't kwam dat Nora zoo ziek was en maakten +zich niet ongerust, want zij dachten dat het wel gauw weer in orde +zou komen. + +"Wel ja, wat pijn in 't lijf enzoovoorts! zooals die jongen bij den +drogist zei," riep Mies lachend uit. + +"Maar ze ziet zoo wit als een laken en kijkt volstrekt niet op," +merkte Jo aan. + +"Kom, maak jij je werk maar," beet Kee haar toe, die wel wat ongerust +was, en ook zoo'n vreemd gevoel bij haar maag had. Zeker van dien +bolus, dacht zij. + +Terwijl de lessen druk aan den gang waren werd mevrouw Beerman +onverwacht geroepen, in 't eerst schrikte zij niet weinig, want zij +dacht ook niet anders of Nora was erger geworden, maar toen zij +hoorde dat er een jongmensch was om haar te spreken was zij weer +gerustgesteld, en ging zij gauw naar beneden. + +"Wat is er van uw dienst?" vroeg zij, toen zij de spreekkamer +binnenkwam. + +"Och mevrouw, 't was heusch niet exprès, en 't was erg dom van mij," +begon hij stotterend, "maar..." + +"Wat dan?" vroeg mevrouw Beerman verwonderd. + +"Toen de jongejuffrouwen zoo vroeg in den winkel kwamen, en... en..." + +"Welke jongejuffrouwen? En wie ben je dan toch?" + +"Och mevrouw, ik ben bediende bij den drogist, weet u. De drogist hier +op 't dorp," zeide hij verlegen, "maar ik ben er eerst acht dagen, +en dan kunt u wel begrijpen dat ik niet precies weet waar alles staat, +niet waar? Zou u dat zoo gauw kunnen weten?" + +"Zeg nu liever wat de jongejuffrouwen hier bij te pas komen," +zeide mevrouw Beerman ongeduldig, "want je spreekt toch zeker over +kostleerlingen van mij!" + +"Juist, mevrouw," antwoordde hij, "en 't eene meisje vooral was erg +vroolijk, want zij lachte aldoor. Misschien lachte zij mij wel uit, +denkt u ook niet, mevrouw? Of 't kon ook om den patroon zijn, die met +de slaapmuts op om den hoek kwam kijken! Dat was erg gek van hem, hé?" + +"Als je me nu niet gauw zegt, wat je te vertellen hebt dan verzoek +ik je vriendelijk mij niet langer op te houden," riep mevrouw Beerman +boos wordend uit, en keerde zich half om. + +"Een oogenblikje, mevrouw, wij zijn nu zoo mooi op weg," zeide hij +smeekend, "een vergissing kan iedereen overkomen, en dus is 't zoo +erg niet dat 't mij gebeurd is, en dat ik in plaats van sjalappen, +een ander poeder gegeven heb. 't Ziet er precies eender uit! Zie maar +eens mevrouw," en hij haalde twee opgevouwen papiertjes uit zijn zak +die hij opendeed en op de tafel neerlegde. + +"En dus hebben een paar van de meisjes sjalappenpoeder bij je +gehaald?" vroeg mevrouw Beerman verwonderd. + +"Excuseer, mevrouw, zij hebben er wel om gevraagd, maar ik heb haar +bij ongeluk dit gegeven," zeide het jongemensch. + +"En wanneer is dat gebeurd?" vroeg mevrouw Beerman belangstellend. + +"Gisterenochtend, om zeven uur al," antwoordde hij. "Toen kwamen de +twee jongejuffrouwen de boodschap doen, en 't spijt mij erg dat ik +de verkeerde poeder gaf!" + +"Zoo... zoo..." antwoordde mevrouw Beerman langzaam. "En zou je mij +kunnen aanwijzen wie het zijn geweest?" + +"Als ik ze zag zeker," riep de angstige jongen aanstonds uit. + +"Wacht dan even," zeide mevrouw Beerman, "straks gaan ze naar een +ander lokaal en dan komen ze allemaal hier voorbij. Hoe oud denk je +dat ze waren?" + +"Een jaar of elf," antwoordde hij na zich even bedacht te hebben. + +Mevrouw Beerman trok aan een schel en aanstonds hoorde men een +getrappel en kwamen de meisjes naar beneden. + +Heel spoedig wees hij Jeanne en Mies aan, die niet vermoedden wie +haar zag. + +Nadat het jongemensch, onder veel verontschuldigingen, was weggegaan, +liet mevrouw Beerman Mies en Jeanne roepen. Deze, die niet begrepen +wat mevrouw haar te zeggen kon hebben, stonden weldra in de kamer. + +"Meisjes, ik zou wel eens willen weten wat jullie gisterenmorgen om +zeven uur bij den drogist hebt gedaan?" zeide zij haar doordringend +aanziende. + +Geen van beiden gaf antwoord. + +"Nu, weest zoo beleefd om mij te antwoorden," zeide de onderwijzeres +streng. "Wat deed je bij den drogist?" + +"Een boodschap, mevrouw," antwoordde Mies gevat. + +"Juist, je haaldet sjalappenpoeder," zeide mevrouw Beerman, "en nu +zul je mij dadelijk vertellen, waarom je dat deedt." + +Nu zeide Mies ook geen woord en zweeg evenals Jeanne. + +"Jeanne, waarom haalde je dat poeder?" vroeg mevrouw nogmaals. "Als +je niet antwoordt zal ik je voorbeeldig straffen." + +"Om in te nemen," zeide Mies weer. + +"Zelf hebt je het niet ingenomen," hernam mevrouw Beerman, "dus +was 't voor iemand anders. Waarom heb je het over Nora's bolussen +gestrooid?" dit zeide zij eensklaps en keek de meisjes strak aan. + +"Om... ik... ja.." stotterde Jeanne, die erg schrikte. + +"En jullie hebt het ook in de appelbollen gedaan," hernam mevrouw +Beerman bepaald. + +"Nu ja, mevrouw," riep Mies uit, "dat hebben wij gedaan, omdat ze +zoo'n schrok was!" + +"Hoe vreeselijk ondeugend," zeide mevrouw Beerman het hoofd +schuddend. "Je weet zeker niet dat het geen sjalappenpoeder was dat +je gekocht hebt." + +"Neen, mevrouw, 't was sjalappenpoeder!" riep Mies uit, "de jongen +in den winkel zei het zelf." + +"Ik heb hem zoo juist hier gehad, en hij zeide dat hij zich vergist +had, en je iets anders gegeven had," zeide mevrouw Beerman, "en dat +andere is zeer schadelijk; 't is iets waar Nora nu zeker ziek van is!" + +De meisjes keken erg bedrukt. Zoo hadden zij het niet bedoeld, zij +hadden alleen Nora maar eens een onpleizierigen nacht willen bezorgen, +maar haar geen nadeel willen toebrengen. + +"Nu, meisjes, je begrijpt wel, dat je in het speeluur niet naar buiten +behoeft te gaan," zeide mevrouw Beerman. "Ik zal jullie later wel +zeggen welke straf je zult krijgen." + +Zij ging uit de kamer en liet de meisjes alleen. + +"Wat een nare flauwe, akelige jongen!" riep Mies uit die het eerst +weer op het verhaal kwam. "Om hier bij mevrouw zoo'n wit voetje te +willen hebben en alles te komen vertellen! Ik wou dat ik hem hier had!" + +"Ik vind dat de anderen ook gestraft moeten worden," meende Jeanne +knorrig. "Ze hebben er evenveel schuld aan als wij!" + +"Wat helpt ons dat?" vroeg Mies schouderophalend, "als jij gaat klikken +ben je net zoo flauw als die jongen! En wij hebben er toch het meeste +schuld aan en wij hebben er ook het meeste pleizier van gehad!" + +"Omdat we nu toevallig naar dien winkel zijn gegaan," zeide Jeanne +pruilend, "als we allemaal straf kregen kon 't mij niet schelen, +maar nu zoo wij alleen!" + +"Je valt me erg tegen, Jeanne," riep Mies verontwaardigd uit, "maar +als je het klikt dat de anderen ook mee hebben gedaan dan zul je je +pleizier in het vervolg wel aankunnen!" + +Weldra kwam de dokter, die den bolus onderzocht had en wist wat er +aan scheelde, nog eens kijken. + +"U moogt wel naar haar mama schrijven, mevrouw," zeide hij, "dat +zij niets meer bij dien banketbakker laat halen, want ze zijn daar +erg onvoorzichtig." + +"Veroordeel dien banketbakker niet, dokter!" antwoordde mevrouw +Beerman. "Die man heeft er geen schuld aan!" + +"Dat is vreemd, mevrouw, want Nora is bepaald ziek geworden van het +poeder, dat er over de bolussen en in de appelbollen gestrooid was," +zeide dokter van Beek. + +"Ik weet het al, dokter," zeide mevrouw Beerman, en verhaalde het +bezoek van den bediende van den drogist en hetgeen Mies en Jeanne +gezegd hadden. + +"Ondeugende meisjes, mevrouw," riep dokter van Beek hoofdschuddend uit, +"ze konden elkander op die manier wel vergeven." + +"Ze zullen ook voorbeeldig gestraft worden, dokter," zeide mevrouw +Beerman vastberaden. "En wat zegt u nu van de zieke?" + +"Ik hoop dat zij weer over een paar dagen hersteld zal wezen, mevrouw, +maar haar geheele gestel is in de war en vooral haar maag, dus zal +zij zich zeer in acht moeten nemen en geen snoeperij eten," hernam +dokter van Beek. "Zij gevoelt zich nu erg ziek en geen wonder!" + +De dokter vertrok en even daarna kwam mevrouw Beerman in de kamer waar +Jeanne en Mies waren, die met treurige gezichten voor de ramen stonden +te kijken waar de vriendinnetjes druk speelden. Jet, Kee en Jo begrepen +maar volstrekt niet waarom Mies en Jeanne niet beneden mochten komen, +en verdiepten zich in allerlei gissingen wat of er gebeurd kon wezen. + +"Luistert, meisjes," zeide mevrouw Beerman, toen zij de kamer +binnenkwam, "ik moet eens ernstig met je spreken. Hetgeen je gedaan +hebt is zoo ondeugend, zoo ongeloofelijk stout, dat ik van plan ben +een brief aan je ouders te sturen, en hun te melden dat ik je niet +langer op school wil hebben!" + +"O, mevrouw!" riep Jeanne vreeselijk geschrikt uit, "asjeblieft geen +brief naar huis!" + +"Welzeker Jeanne, hoe durf je zoo iets vragen," zeide mevrouw Beerman +streng. "Denk eens hoe je ouders het zouden vinden als andere meisjes +jou hadden gedaan wat jij aan Nora hebt bezorgd!" + +Jeanne barstte in tranen uit, en snikte als zou haar hart breken. + +"Jou treft hetzelfde lot, Mies," zeide mevrouw Beerman tot haar. + +"Dat begrijp ik, mevrouw," antwoordde deze, "'t spijt mij erg dat +Nora zoo ziek is geworden, dat hadden wij niet bedoeld. Ik mag haar +zeker nog wel eens spreken voor wij weggaan?" + +"Jawel, daar heb ik niets tegen als de dokter het goed vindt," zeide +mevrouw Beerman, die erg verwonderd was dat de vroolijke, onnadenkende +Mies, de zaak zoo geheel anders opnam dan Jeanne, Jeanne toch bezielde +alleen de vrees voor de straf, en den angst dat haar ouders er achter +zouden komen, terwijl zij duidelijk bemerkte dat Mies het meeste +spijt had dat Nora zoo ziek was geworden, en de straf rechtvaardig +scheen te vinden. + +Zij verliet hierop het vertrek, en vertelde aan al de schoolmeisjes +hetgeen er gebeurd was en wie er schuldig aan waren. + +Jet, Kee en Jo waren er natuurlijk ook bij, en keken niet weinig vreemd +op, toen zij hoorden welk lot Jeanne en Mies boven het hoofd hing. + +"Ja maar, mevrouw, dat is niet eerlijk!" riep Jet uit die het eerst +woorden bij de hand had. + +"Neen, neen, Jeanne en Mies hebben niet alleen de schuld," voegde +Kee er aanstonds bij. + +"Maar, meisjes, wat bezielt jullie toch?" vroeg mevrouw Beerman +ongeloovig, "hoe durf je zeggen dat ik niet eerlijk handel?" + +"Omdat het onze schuld even goed is," zeide Jet, terwijl zij Kee en +Jo naar voren trok, "wij hebben het met elkaar afgesproken, alleen +hebben Jeanne en Mies de boodschap gedaan!" + +Mevrouw Beerman zweeg een oogenblik en zeide toen tot de meisjes, +dat zij bij Mies en Jeanne in de kamer moesten gaan. + +Nora's mama kwam den volgenden dag over. Zij was erg geschrikt toen +zij hoorde, dat haar dochtertje ziek was, en door de komst dier +dame werd mevrouw Beerman verhinderd de brieven naar de ouders der +meisjes te sturen, want zij moest nu bij Nora's mama blijven en deze +wat gezelschap houden. + +Hierdoor had zij gelegenheid, om nog eens over de zaak na te denken +en er met Nora's mama over te spreken. + +Nu moet gij weten, dat dit een erge lieve dame was, die toen zij +zag dat haar dochtertje weer beter werd, erg medelijden met de vijf +meisjes had, hoewel zij het niet zoo liet blijken. Zij zat zoo aan +Nora's bed, twee dagen nadat deze ziek was geworden. + +"Mama, waar zijn die vijf meisjes toch, die altijd hiernaast +slapen?" vroeg zij eensklaps. + +"Die mogen niet boven komen, Noralief," antwoordde haar mama. + +"Maar waar zijn ze dan?" + +"Zij slapen zoo lang op een achterkamer." + +"En wanneer komen ze weer hier?" vroeg Nora. "'t Is zoo gezellig als +ze er zijn." + +"Ik vrees dat mevrouw Beerman ze niet langer op school wil houden, +Nora," zeide haar mama. + +"Waarom niet, ma, wat hebben ze dan gedaan?" + +"Ja, ik zal 't je nu maar vertellen, Nora," zeide haar mama, "ze zijn +heel ondeugend geweest; 't is eigenlijk haar schuld dat je ziek bent." + +"Haar schuld, ma!" riep Nora verwonderd uit. "Wat hebben ze dan +toch gedaan?" + +"Ze hebben in de appelbollen en over de bolussen, die ik je gestuurd +heb, iets gestrooid, dat heel nadeelig is," zeide de dame. "Wel +waren ze niet van plan om 't zoo erg te maken als 't nu geworden is, +maar toch...." + +"Dus zouden ze om mij worden weggestuurd?" vroeg Nora verschrikt. + +"Ja, Nora, dat heeft mevrouw Beerman gezegd." + +"Maar dat vind ik erg, heel erg akelig, ma!" riep Nora uit. "Nu zullen +ze mij nog akeliger vinden." + +"Vinden de meisjes je dan zoo akelig?" vroeg haar mama verwonderd. + +"Ja, ma, ze hebben allemaal een hekel aan mij," zij zweeg een +oogenblik.... "en ze hebben eigenlijk wel gelijk." + +"Maar wat heb je dan gedaan, dat ze een hekel aan je hebben?" vroeg +haar mama, die er niets van begreep. + +Nu kwam het verhaal. Nora vertelde getrouw en naar waarheid alles +zooals het gebeurd was, en vooral de scène, toen de trommel voor +'t eerst was gekomen. Haar mama zette groote oogen op, en kon in +'t eerst maar niet gelooven, dat haar dochtertje zoo onaardig was +geweest. 't Speet haar erg, daar kunt gij op aan! + +"Dan hebt je 't eigenlijk je zelf op den hals gehaald," zeide zij +eindelijk. + +"Ja ma, maar ik heb op den avond voor ik ziek werd juist aan de +meisjes gevraagd of zij weer goed op mij wilden zijn, want dat het +mij erg speet," vertelde Nora. "Ik heb haar gezegd, dat ik voortaan +alles wilde deelen. En moeten de meisjes nu heusch van school af?" + +"Ja, mevrouw Beerman is nu juist bezig om brieven naar haar ouders +te schrijven," zeide Nora's mama. + +"Maar wat zullen ze dan een knorren thuis krijgen!" riep Nora ontsteld +uit. "O ma, ik zal aan mevrouw vragen of zij nog mogen blijven. Zou +mevrouw het goed vinden?" + +"Dat moet je afwachten kindlief," zeide haar mama, "maar ik beloof je, +dat ik ook een goed woordje voor die ondeugenden zal doen. Kijk eens +aan, daar is mevrouw net; vraag nu maar wat je wilt." + +Mevrouw Beerman begreep niet wat Nora bedoelde, toen deze vroeg, +of zij de brieven toch niet weg wilde sturen, want dat zij het zoo +kwaad niet bedoeld hadden. + +"Wat meen je, Nora?" vroeg zij. + +"Och, mevrouw, u zult de meisjes toch niet wegsturen," smeekte zij, +"we zullen juist nu goede vrienden worden, en ma zegt dat het eigenlijk +mijn eigen schuld is, dat..." + +"Ho, ho, Nora, zulke ondeugendheid kan zoo maar niet door de vingers +worden gezien," zeide mevrouw Beerman ernstig, "bovendien heb ik aan +de meid de brieven al gegeven om op de post te brengen, en...." + +"O mevrouw, mag ik ze dan terughalen!" en Nora sprong waarlijk uit +haar bed en liep naar de deur. + +"Nora, kind, kom hier!" riep mama verschrikt uit, "je zult zoo toch +niet naar beneden gaan." + +"Maar de brieven!" zeide Nora onrustig. + +"Wacht maar, wacht maar," zeide mevrouw Beerman, de deur +openende. "Mies (het meisje was juist op de gang), ga eens naar de +meid en vraag om de vijf brieven die ik haar gegeven heb, en kom dan +hier met Jet, Kee, Jeanne en Jo!" + +Mies zette een heel gek gezicht, maar zij begreep dat die boodschap +niets kwaads beduidde en liep als een haas de gang en de trap af eerst +naar de meid, die zij zonder complimenten de brieven uit de hand rukte, +en daarna naar de kamer waar de vriendinnen waren. + +"Victorie! Hoera! Leve ons Beertje!" riep zij, terwijl zij met de +brieven in de hoogte door de kamer danste. + +"Wat scheelt jou?" vroeg Jeanne, die alles behalve vroolijk was. + +"Ik heb de brieven! Zie je wel de brieven van Beertje naar huis!" riep +Mies juichend uit. + +"Heb je die weggenomen?" riep Jo ontsteld uit. + +"Neen, lieve onschuld, op bevel van ons dierbaar Beertje, heb ik ze +Kaatje afgenomen en kom jullie halen, om mee naar het kabinetje te +gaan. Ik weet het niet, maar heb er zoo'n voorgevoel van, dat ons +iets goeds wacht!" + +"Wezenlijk, Mies!" riep Jet uit. + +"Zouden wij niet weggestuurd worden?" vroeg Kee. + +"Komt maar mee, schatjes, dan zullen wij gauw het naadje van de kous +weten," zeide Mies. + +Gij kunt begrijpen dat allen Mies achterna de trap op naar boven +stormden, maar voor de deur van het kabinetje stilhielden. + +Mevrouw Beerman had haar echter hooren aankomen en deed de deur open. + +Schoorvoetend kwamen zij naar binnen; Mies met de brieven +voorop. Mevrouw Beerman nam ze aan en legde ze naast zich op de tafel. + +"Meisjes," zeide zij, "Nora heeft gevraagd of jullie voor je +ondeugendheid niet gestraft zoudt worden door naar huis te worden +gezonden, en ik heb haar verzoek toegestaan. Maar een straf hebt +jullie toch verdiend, vindt je zelf niet?" + +"We hebben al straf gehad door den angst, dien wij hebben uitgestaan," +waagde die brutale Mies te zeggen, "en die akelige domme jongen van +den drogist moest eigenlijk ook straf hebben!" + +Ondanks zich zelf moest mevrouw Beerman glimlachen, en zij deed maar +alsof zij Mies niet verstond; want zij wilde nu ernstig blijven. + +"Nu, meisjes, blijven moog je dan en de brieven zullen niet weggestuurd +worden," vervolgde mevrouw Beerman, "maar jullie moet plechtig beloven +nooit weer zulke ondeugende streken uit te halen." + +Natuurlijk beloofden allen het en waren niet weinig in haar schik, +dat het zoo goed afliep. + +Zij sloten nu vrede met Nora, die erg blij was, dat zij nu "echte, +goede vrienden" waren, zooals zij zeide; haar mama had er ook schik +in en zeide dat als zij weer lekkers stuurde de trommel eens zoo +groot zou wezen, en de meisjes dan eerlijk moesten deelen. + +"Wat graag, mevrouw!" riep Mies vroolijk uit, "wat zal dat dan een +blijdschap wezen als er zoo'n trommel komt, zullen wij met recht in + + + LUILEKKERLAND ZIJN!" + + + + + + + + +DE SAVOYAARD EN ZIJN AAPJE. + + +I. + +PAUL EN LENA. + + +"Kom, Cesar, doe je best nu eens, en leer dit kunstje; dat +vinden de menschen zeker aardig en dan krijg jij een appel of +een vijg, en ik wat centen! Je lust immers zoo graag allerlei +snoeperij, kleine schelm! Komaan dan... één.. twee.. drie,--nu +er over en dan 't stukje hout als een geweer onder je armen; +bravo... marcheeren... marcheeren... Zoo gaat het goed, Cesar; ga nu +maar in de zon uitrusten; morgen gaan we er op uit!" + +Paul zelf ging ook zitten, en haalde uit een oude kist een stuk brood, +waarvan hij Cesar de helft gaf en de rest zelf ging opeten... Maar +foei, daar bedenk ik, dat ik vergeten heb u te vertellen, wie +Paul en Cesar waren. Kunt ge het raden? Neen? dan zal ik 't u maar +vertellen. Cesar was een klein, allerliefst aapje; o zoo'n snoeperig, +ondeugend diertje, en Paul was de meester van het aapje. + +Een poosje geleden was Paul heel uit Zwitserland naar hier +gekomen. Toen hij op reis ging, had hij een marmotje bij zich, maar +tot zijn groote spijt was het diertje onderweg gestorven, en toen had +hij, omdat hij daarover zoo bedroefd was, van den eigenaar van een +beestenspel Cesar cadeau gekregen. 't Duurde niet lang of Paul hield +van Cesar nog veel meer, dan hij ooit van zijn marmotje had gehouden, +want het aapje was een lief, aanhankelijk diertje en volstrekt niet +valsch, zooals anders apen wel eens zijn. + +De ouders van Paul, die in Zwitserland ergens op de bergen gewoond +hadden, waren gestorven, en daar hij geen familie meer had, was hij +er toen al heel ongelukkig aan toe. + +Gelukkig echter herinnerde hij zich, dat zijn moeder hem dikwijls +verteld had dat er in Amsterdam een oom van hem woonde, die reeds +jaren geleden naar Holland was gegaan, omdat hij dacht dat hij het +daar beter zou hebben. Nu wist Paul wel dat Amsterdam heel ver van +Zwitserland af lag, en hij er moeielijk kon komen, omdat het reizen +met den spoortrein zooveel geld kostte,--maar dat telde hij niet. Hij +begreep, dat hij er op zijn voeten ook wel kon komen, al duurde het wat +langer, en nadat hij goed gevraagd had, welken kant hij op moest gaan, +vertrok hij, de kleine twaalfjarige jongen, en ging naar het onbekende +land toe. Hij had echter wel wat geld bij zich, want anders had hij +niet ver kunnen komen. De menschen van het dorp, waar hij woonde, +hadden onder elkander de meubelen van zijn ouders gekocht en hem +het geld in een leeren zakje gegeven, en er bij gezegd dat hij heel, +heel zuinig moest wezen. + +Zijn oom had hij nog niet gevonden, want niemand dien hij er naar +vroeg, wist hem te zeggen, waar hij woonde, maar hij had al gemerkt +dat Amsterdam heel groot was en dus verloor hij de hoop niet, dat +hij hem nog wel vinden zou. + +Om nu den kost te verdienen ging hij met Cesar langs de huizen en liet +het diertje allerlei kunsten maken en sprongen doen. Menigmaal riep +men dan het aardige Savoyaardje met zijn aap binnen, waar beiden wat +eten kregen en geld bovendien. Als Paul de menschen dan heel lief +vond, zong hij met zijn heldere, frissche stem een paar liederen, +die hij vroeger op de bergen zong, en als hij dan soms tranen kreeg in +zijn lieve, zwarte kijkers,--want hij moest dan altijd aan zijn moeder +denken, die ze hem geleerd had,--gebeurde het menigmaal, dat de een of +andere vriendelijke dame hem een kus op het voorhoofd drukte en hem +verlof gaf eens weerom te komen. Hij was echter te bescheiden en ook +te verlegen om zoo iets te durven doen, hoe hij er ook naar verlangde. + +Hij zat nog heel bedaard boven op de kist het stuk brood op te eten en +Cesar keek heel nieuwsgierig door het kleine dakraampje naar buiten, +toen de deur van het zolderkamertje zachtjes werd opengeduwd, en een +meisje van een jaar of elf naar binnen kwam. + +"Paul," zeide zij halfluid. + +"Ha, Lena, ben jij daar!" antwoordde Paul, aanstonds van de kist +afspringende en haar tegemoet gaande. "Kom, Cesar, zeg Lena goedendag, +anders wordt ze nog boos op je." + +"Dat meent je baas niet, Cesar," zeide Lena, die naar het aapje was +toegegaan en het over den kop streek. "Geef me maar eens een hand!" + +Cesar stak, zooals hem geleerd was, een zijner voorpooten aan Lena toe, +en Paul stond er glimlachend bij. + +"Hij kan al zoo mooi doodliggen en exerceeren," zeide Paul vol +blijdschap. "We gaan er morgenochtend op uit." + +"O, wat zullen de menschen je dan veel geld geven," riep Lena +opgetogen uit. + +"Ik hoop het," antwoordde Paul, "want ik heb nog maar weinig van het +geld, dat ik heb meegebracht, en ik moet er mee toekomen, totdat ik +mijn oom heb gevonden." + +"Maar zeg eens Paul, hoe heet die oom en waar woont hij +eigenlijk?" hernam Lena, een nadenkend gezichtje zettend. + +"Hij heet Laurent, zoo heette mijn moeder ook, en hij woont--ja, +als ik dat wist..." hij haalde de schouders op. + +"Och hoe dom van mij!" riep Lena knorrig uit. "Als je het wist, +dan behoefde je immers niet naar hem te zoeken." + +"Ga je eens mee met mij zoeken?" vroeg Paul. + +"Ik zal het vragen," antwoordde Lena, "en moeder zal 't wel willen +hebben. Kom nu mee naar beneden; moeder heeft gevraagd of je mee +wilt eten." + +Paul nam deze uitnoodiging van zijn vriendinnetje wat graag aan, +want het gebeurde maar zelden dat hij goed warm eten kreeg. + +Een paar dagen gingen voorbij; Paul ging met Cesar op straat en de +menschen hadden waarlijk veel plezier in de aardige kunstjes, die +het aapje vertoonde; Paul was daardoor recht in zijn schik en ging +op een middag vroolijk met Lena er op uit. + +Zij liepen hand aan hand nog een heelen tijd rond, maar zij werden +er niet wijzer door, want hoe oplettend ze ook rondkeken, zij zagen +nergens den naam van Pauls oom staan. Lena werd eindelijk moede en +kon bijna niet meer voortkomen, zoodat Paul haar mee moest trekken. + +"Zeg eens, Paul, laten wij hier even op deze stoep gaan uitrusten," +zeide zij. "'t Is hier zoo'n mooi huis, en we kunnen juist naar +binnen kijken, want het gaslicht is op;--als ze de gordijnen maar +niet nederlaten!" + +"Wat een mooie kamer!" riep Paul opgetogen uit. "Kijk eens, Lena, +wat een lief meisje daar staat aan de tafel." + +"Wat krult heur haar mooi," zeide Lena bewonderend; "'t mijne gaat +er altijd zoo gauw uit." + +"En wat heeft ze zwart haar; heel anders dan jij, Lena," zeide Paul. + +"Ja, ik ben blond; de jongens roepen mij altijd na, dat ik zuurkoolhaar +heb." + +"Dat 's niet waar," riep Paul vol vuur uit. "Dat doet zeker die nare +Jan Dekker. Ik vind je haar ook wàt mooi." + +"Dat vind ik prettig," hernam Lena, met een zucht van genoegen; +"dan kan 't mij ook niets schelen, wat de anderen zeggen." + +"Kijk eens, Lena, daar komt nog een klein meisje de kamer in," hernam +Paul een oogenblikje daarna. + +"O, wat een dotje," riep Lena uit; "ik wou dat ik haar eens mocht +knuffelen!" + +"Wat wou je haar doen?" vroeg Paul verwonderd, want hoewel hij al +zeer goed Hollandsch kon spreken, was dat toch een woord, hetwelk +hij nog nooit gehoord had. + +"Wel, knuffelen!" riep Lena uit. "O, weet je niet, wat of dat +beduidt? Nu, dan zal ik het je eens vertellen. Het is iemand eens +flink pakken en zoenen. Begrijp je het nu?" + +"Jawel," zeide Paul, "zooals moeder mij wel deed, toen zij nog +leefde." Hij zuchtte, en tranen schoten hem in de oogen. "Nu doet +niemand het mij meer." + +"Nu, dan zal ik het wel eens doen," zeide Lena meelijdend, "en anders +zal ik het aan moeder vragen." + +Ondanks zichzelf moest Paul lachen, en zeide dat hij het heel lief +vond van Lena, maar dat het toch zijn eigen moeder niet was. + +"Laten wij nu maar naar huis gaan," zeide hij opstaande; "jij bent +nu zeker wel wat uitgerust, en anders wordt het zoo laat en dan krijg +je knorren." + +"Ja dadelijk," antwoordde Lena; "nog eventjes naar binnen kijken naar +die mooie kinderen. Ik zou wel eens willen weten of ze even lief zijn +als mooi!" + +"Misschien wel," zeide Paul, haar weer bij de hand vattende. "Kom, +ga nu mee!" + +"Ja!--Dag, lief kindje," riep Lena, een kushand naar het raam +makend. "O, ze ziet me en ze knikt. Kijk eens, Paul, zeg ook eens +goedendag." + +"Laten we toch weggaan," hield Paul aan; "anders jagen ze ons nog +van de stoep." + +"Ja, aanstonds, Paul!" riep Lena, terwijl zij een trede lager van de +stoep ging en maar steeds in de kamer keek. Paul lette nu niet meer +op haar en stond reeds op de kleine steentjes, toen hij eensklaps +een gil hoorde en verschrikt omkijkende Lena onder aan de stoep zag +liggen. Zij was achteruit naar beneden gegaan, had bij ongeluk op +haar jurk getrapt en zoo haar evenwicht verloren. + +"Kom, Lena, sta gauw op," zeide Paul angstig; "of heb je je bezeerd?" + +Lena antwoordde hem niet en was doodsbleek geworden, maar zij keek +haar vriendje smeekend aan. + +"Ik ben niet boos op je, Lena," verzekerde Paul haar, "maar je hebt +me doen schrikken." + +"O, Paul, ik kan niet," kermde Lena. "Help me toch eens; ik weet niet +hoe ik overeind moet komen." + +Aanstonds deed Paul zijn best om het meisje te helpen, maar nauwelijks +had hij haar even aangeraakt, of zij gilde het uit. + +"Daar niet, daar niet!" kreunde zij, toen hij haar om het middel +wilde vatten om haar zoo overeind te zetten. + +"Wacht geef me dan je handen," zeide Paul uit het veld geslagen, want +'t speet hem dat hij haar bezeerd had. + +Hij nam haar handen en wilde haar zoo overeind trekken. Nu schreeuwde +Lena het uit, en liepen de tranen langs haar wangen. Paul wist nu +waarlijk niet, wat hij beginnen moest en ook hem sprongen de tranen +in de oogen. Langzamerhand waren er wat menschen om hen heen komen +staan, die niet wisten, waarom dat kleine meisje daar zoo op de stoep +bleef liggen. + +"Wel, kinderen, wat scheelt er aan?" vroeg een goedhartige dikke +juffrouw, die een hengselmand aan den arm had. "Jullie moest naar +huis gaan, 't wordt bedtijd." + +"Jawel, juffrouw, dat willen we ook wel," zeide Paul verlegen, +"maar Lena is gevallen en kan niet opstaan." + +"Lieve goedheid, heeft het kind een ongeluk gekregen!" riep een andere +vrouw ontsteld uit. "Wat moet je nu beginnen?" + +"Arme schapen," zeide de dikke juffrouw, medelijdend haar +hoofdschuddend. "Waar woon je?" + +Paul noemde de straat. + +"Dat is een heel eind hier vandaan," hernam zij. "Hoe kom je thuis?" + +Dat was iets hetwelk Paul evenmin wist, en hij was op 't punt om in +tranen uit te barsten, toen de deur der mooie woning geopend werd, +en een deftige knecht naar buiten kwam om te vragen, wat er toch te +doen was. + +De dikke juffrouw vertelde hoe ongelukkig de kinderen er aan toe waren, +en terstond daarop verdween de knecht weer. + +"Die leelijkerd," riep een schoenmakersjongen uit, die er ook naar +stond te kijken, in plaats dat hij de boodschappen voor zijn baas +deed. "Waarom gaat hij nu weer weg?" + +"Stil, jongen, hij zal het nu aan zijn mijnheer en mevrouw gaan +vertellen," vermaande de juffrouw. "Hij is toch de baas niet en kan +ze op zijn eigen houtje niet helpen." + +'t Was juist, zooals de juffrouw dacht. De kinderen, die Lena zoo +bewonderd had, hadden het troepje menschen gezien en het aan hun mama +verteld; deze had nu aan Teunis den knecht gezegd eens te gaan kijken +wat er gebeurd was; en toen hij vertelde, dat een meisje zich zoo erg +bezeerd had, dat het niet op kon staan, riep het jongste dochtertje: + +"Och, ma, mag ze hier in huis komen; hoe akelig om daar op de stoep +te liggen, als ze zoo'n pijn heeft!" + +"Wel zeker, Elsa," antwoordde mevrouw Doornhof vriendelijk. "Teunis +moet maar vragen of Betje hem helpt; dan kunnen ze het arme kind naar +binnen brengen." + +Heel gauw ging de huisdeur weer open en verschenen Teunis en Betje +op de stoep. + +"Kom, jongen, ga jij eens op zijde," zeide Betje tot Paul, "we zullen +je zusje eens naar binnen brengen." + +"Neen, neen!" riep Lena angstig. "Laat me hier maar liggen, want je +doet me zeker ook pijn! O, was ik maar bij moeder!" + +"Hoor eens, kind, geen gekheid," zeide Teunis nu, terwijl hij een heel +boos gezicht zette. "Als mijn mevrouw zegt dat ik je naar binnen moet +brengen, dan breng ik je naar binnen, al kwamen je moeder, vader en +al je ooms en tantes er aan te pas!" + +Lena keek Teunis heel verschrikt aan en durfde niets meer zeggen. + +"Och, kind, maak je maar niet benauwd," zeide Betje nu om haar te +troosten; "je zult het wel aardig vinden, als je binnen bent." + +Voorzichtig pakten beiden het meisje nu op en droegen haar zoo +handig de stoep op en de deur in, dat zij waarlijk bijna geen pijn +gevoelde. Een oogenblik later lag zij op een gemakkelijke canapé +in de kamer, waar mevrouw Doornhof en haar dochtertjes waren, en +bemerkte nu dat zij 't veel beter had, dan wanneer zij op de stoep +was blijven liggen. + +"Hoe is 't nu? Lig je wel gemakkelijk, kindlief?" vroeg mevrouw +Doornhof. "Straks komt de dokter; ik heb er Teunis al naar toegestuurd, +die zal dan wel vertellen wat er aan scheelt." + +"O, ik lig hier heerlijk, mevrouw," zeide Lena fluisterend, "maar +waar is Paul?" + +"Wie is Paul?" vroeg mevrouw Doornhof verwonderd. + +"Paul is mijn vriendje," vertelde Lena; "hij woont bij ons in huis." + +"O, die jongen, die naast je op de stoep zat?" riep Elsa uit. "O, +Maatje, dat is de jongen met den aap!" + +"Wat voor jongen?" vroeg mevrouw Doornhof, die er niets van +begreep. "Een aap?" + +"Ja, Maatje; hij komt hier wel voorbij en dan laat hij een lief +klein aapje allerlei kunsten doen," vertelde Elsa opgewonden. "O, +'t is zoo'n aardige jongen en zoo'n aardige aap!" + +"En waar is hij nu?" vroeg mevrouw Doornhof. + +"Zeker weggegaan," zeide Elsa, terwijl zij naar het raam liep. "'t +Is al erg donker op straat; ik kan niets meer zien." + +"Hij is zeker aan je moeder gaan vertellen, wat er gebeurd is," +zeide mevrouw Doornhof tot Lena; "anders zou zij te erg schrikken, +als je zoo thuis kwaamt." + +"Wanneer mag ik naar moeder toe?" vroeg Lena verlangend. + +"Dat zullen we aan den dokter vragen," zeide mevrouw Doornhof; en +daar deze juist binnenkwam, durfde Lena niets meer zeggen. + +De dokter onderzocht het meisje, vroeg hoe zij gevallen was en keek +heel ernstig. + +"Wel, dokter, hoe denkt u er over?" vroeg mevrouw Doornhof. + +"Ja, mevrouw, de kleine is erg te land gekomen," antwoordde hij +ernstig: "ze mag vooreerst niet vervoerd worden!" + +"Welzoo, dat ziet er gek uit," zeide mevrouw Doornhof, "dan moet ze +maar bij ons blijven, totdat ze beter is." + +"Ja, mevrouw, ze heeft haar rug ernstig bezeerd; maar als er goed +voor haar gezorgd wordt, dan kan het geen kwaad," antwoordde de dokter. + +"Ik wou zoo graag naar moeder," snikte Lena. + +"Hoor eens, beste meid, als je nu gauw beter wilt worden, dan moet +je niet bedroefd zijn," zeide mevrouw Doornhof. "Je moeder mag hier +dikwijls komen, en zij zal het wel heel goed vinden." + +"En Paul en Cesar!" snikte Lena weder. + +"Die mogen ook komen," verzekerde mevrouw Doornhof haar. "Schrei nu +maar niet zoo." + +Bij deze woorden helderde het bedroefde gezichtje van Lena wat op, +en nu nam de dokter afscheid en werd door mevrouw uitgelaten. + +Toen de goedhartige dame weer in de kamer kwam, zag zij, dat Elsa +haar best deed om Lena wat op te vroolijken. Zij liet heur poppen +zien, die zoo mooi waren dat Lena er bijna niet durfde aankomen, +en babbelde zoo aardig, dat mevrouw Doornhof er zelf schik in had. + +"'t Is bedtijd, Elsa," zeide zij echter. "Morgen komt er weer een dag, +en dan kun je met.... Ja, kindlief, hoe heet je toch?" + +"Ik heet Lena," zeide deze vriendelijk. + +"Nu, dan kun je met Lena zooveel praten als je wilt." + +"En hoef ik dan niet naar school!" riep Elsa uit, terwijl zij van +verrukking heen en weder danste. + +"Eerst naar school, en dan met Lena praten," zeide mevrouw Doornhof +glimlachend. "Wel, kleintje, ik dacht, dat je zoo graag naar school +gingt." + +"O, jawel, maar zoo elken dag is wel wat veel," bekende Elsa, die +erg graag met de poppen speelde. + +Lena werd nu naar een achterkamer gebracht, uitgekleed (het nachtgoed +van Elsa's zusje Lina paste haar precies) en in een ledikantje plat +op de matras gelegd. + +Toen dit alles gedaan was en het meisje ondanks het verlangen naar +haar moeder gerust was ingeslapen, keerde mevrouw Doornhof naar de +zijkamer terug, waar haar ander dochtertje, de twaalfjarige Lina aan +de tafel haar les zat te leeren. + +"Lina!" zeide mevrouw Doornhof. + +"Wat is het, ma?" + +"Vind je, dat je van avond lief bent geweest?" + +"Ik heb toch mijn schoolwerk af en ken mijn les bijna, ma. Wat... heb +ik... dan gedaan?" vroeg Lina onrustig. + +"Waarom heb je dat arme meisje in het geheel niet eens +toegesproken?" zeide haar mama. + +"Och, ma, dat arme kind!" riep Lina uit. "Waarom moet ik mij met zoo'n +kind bemoeien?" En waarlijk daar trok ons nufje haar klein neusje op, +zoo hoog als zij kon. + +"Denk je, dat je zooveel beter bent dan dat arme kind?" vroeg mevrouw +Doornhof. + +"Ik ben toch heel anders," zeide Lina koppig. "Ik ben netjes aangekleed +en..." Zij durfde niet voortgaan. + +"Maar, Lina: weet je wel hoe het komt, dat jij altijd mooie jurken +aan kunt hebben?" vroeg mevrouw Doornhof ernstig. "Als wij eens arm +werden, en dat kan heel best gebeuren, zou je ook eenvoudig gekleed +moeten gaan. En hoe zou je het dan vinden, als je vriendinnetjes +even zoo tegen je deden als jij tegen Lena? Ga nu naar bed, Lina; +'t spijt me dat je zoo onhartelijk bent." + +Een uur later kwam de moeder van Lena heel verschrikt bij mevrouw +Doornhof aan. Toen zij hoorde, dat Lena gerust sliep, had zij zich +tevredengesteld met mevrouw Doornhof even in de kamer te gaan, waar +haar dochtertje lag, en was zij, zonder het meisje wakker te maken +weggegaan. Zij vroeg verlof om den volgenden dag weerom te komen, +en mevrouw Doornhof zeide haar dat zij zoo dikwijls mocht komen, +als zij wilde, totdat het meisje beter was. + + + + + + +II. + +PAUL ZOEKT LENA OP. + + +Of Lena ook raar opkeek, toen zij den volgenden morgen wakker +werd! Eerst begreep zij maar niet, waar zij was, en herinnerde zij +zich niet dadelijk wat er met haar gebeurd was; maar toen zij overeind +wilde gaan zitten, en zij dat niet kon, omdat haar rug haar zulk een +pijn deed, schoot alles haar te binnen. + +Zoo stil als een muisje bleef zij daar liggen en oplettend keek zij +eens in het rond, en langzamerhand herinnerde zij zich, wat de dokter +en mevrouw Doornhof haar gezegd hadden. Zij moest langen tijd rechtuit +liggen, had de dokter gisteravond bevolen. Juist! En zij mocht niet +naar haar moeder gaan, dat herinnerde zij zich duidelijk! + +Aanstonds sprongen de tranen haar in de oogen, en werd zij bitter +bedroefd. Zij lag zachtjes te snikken en gevoelde zich heel, heel +ongelukkig, toen zij eensklaps een klein handje voelde, dat haar over +haar wang streelde. + +"Je moet niet schreien, Lena," zeide Elsa, die op haar teentjes naast +het ledikantje stond. "Maatje komt dadelijk hier. Wil ik de gordijnen +al vast ophalen?" + +"Ja," antwoordde Lena, en greep het vriendelijke handje, om er een +kus op te drukken. "'t Is hier erg donker, niet waar?" + +"Akelig donker!" riep Elsa uit, "en buiten schijnt de zon zoo lekker, +'t Is zulk een mooi weer!" + +Zij trippelde vlug naar de ramen en haalde de gordijnen heel netjes op. + +"Zie eens aan, Lena, er is geen enkele verkeerde plooi in," zeide +zij met zelfvoldoening. "Kun jij de gordijnen ook zoo netjes ophalen?" + +"Dat weet ik niet," antwoordde Lena. "Maar o, wat is dat een mooie +tuin!" + +"Vindt je niet!" riep Elsa vroolijk uit. "En dat perkje daar ginds is +mijn tuintje; daar staan reseda's, die ik allemaal zelf gezaaid heb." + +"O, hoe aardig," zeide Lena bewonderend. "Je vindt het zeker erg +prettig?" + +"O, zoo prettig!" hernam Elsa, in haar handjes klappend, "en die +reseda's ruiken zoo lekker; ik zal er je straks een paar brengen." + +"Wezenlijk, wil je dat doen!" riep Lena uit, wier oogen van genoegen +schitterden. "O, ik ruik zoo graag lekkere bloemen." + +Op dit oogenblik kwam mevrouw Doornhof de kamer binnen, en Elsa snelde +haar te gemoet om gekust te worden. Daarna kwam de vriendelijke dame +naar het bed. + +"Heb je van nacht goed geslapen, Lena?" vroeg zij belangstellend. + +"O jawel, mevrouw," antwoordde Lena. + +"Gisteravond is je moeder nog hier geweest," vervolgde mevrouw +Doornhof, "maar je sliept zoo lekker, dat we je maar niet wakker +hebben gemaakt; van morgen komt je moeder terug. Je verlangt zeker +erg naar haar?" + +Lena knikte toestemmend en stak mevrouw Doornhof aarzelend haar hand +toe. Deze nam het handje en drukte het meisje een kus op het voorhoofd. + +"Daar je moeder je nu geen morgenkus kan geven, zal ik het maar +zoolang doen," zeide zij vriendelijk. "Vertel mij nu eens, of je veel +pijn hebt?" + +Lena zeide wat zij gevoelde, en daarna verliet mevrouw Doornhof de +kamer en zeide dat zij haar ontbijt zou sturen. + +'t Duurde dan ook niet lang, of Betje kwam met Elsa de kamer binnen. De +meid droeg een boterham en een eitje, en de kleine Elsa liep er met +een ernstig gezichtje bij en wijdde al haar attentie aan een groot +glas melk, dat zij in de hand droeg. Triomfeerend bereikte zij er +eindelijk het bed mee. + +"Zie je nu wel, Betje, dat ik het best zonder morsen kan dragen!" riep +zij juichend uit. "Kom, Lena, drink er gauw eens van." + +Maar o jammer! Juist op het oogenblik dat zij Lena het glas overreikte, +kantelde het, en meer dan de helft stortte over het bed en de arme +Lena. Elsa uitte een kreet van teleurstelling en dronk in haar +ontsteltenis haastig de overgebleven helft leeg. Daarna had zij wel +weg willen kruipen, zoo schaamde zij zich. + +"Maar, Elsa, wat voer je nu uit?" riep Betje, die zich even +omgekeerd had, om de boterham op tafel te zetten, en nu plotseling +de overstrooming bemerkte. "En drink je nu het glas nog leeg op den +koop toe!" + +"Och, ze kon het niet helpen," zeide Lena, die niet kon hooren, dat +haar aardig, klein vriendinnetje beknord werd. "Ik pakte het glas +niet stevig genoeg vast." + +"'t Is me een nat boeltje," pruttelde Betje; "ik zal maar gauw andere +lakens en dekens halen," en zij verliet al brommende de kamer. + +"Hoe jammer, Lena!" riep Elsa uit, zoodra de deur achter Betje dicht +was. "Ik zal een ander glas melk halen,--ten minste als ze 't mij nu +nog zelf willen laten dragen!" + +"Och, 't is niets," zeide Lena; "een glaasje water is immers evengoed; +dan hoeven ze het niet te weten." + +"Daar komen ze toch achter," hernam Elsa. "want Betje zal het +natuurlijk wel vertellen." + +Alvorens Betje nog terugkwam, had Elsa reeds een ander glas melk +gehaald, en toen de meid met de schoone lakens kwam, was heel gauw +ieder spoor van het ongeluk verdwenen. Elsa haalde nu de reseda's, +die zij Lena beloofd had, en werd daarop de kamer uitgestuurd, daar +het tijd was om naar school te gaan. Even daarna kwam de dokter binnen, +gevolgd door mevrouw Doornhof. + +Toen de dokter vertrokken was, kwam Betje weer binnen. + +"Mevrouw," zeide zij, "Teunis zegt, dat hij de jongejuffrouw Lina +alleen naar school heeft gebracht, want Elsa kon hij nergens vinden, +en Lina zei, dat het te laat zou worden, als zij nog langer wachtte." + +"Waar is Elsa dan?" vroeg mevrouw Doornhof verwonderd opziende. "Zij +weet heel goed, dat zij naar school moet!" + +"Ik heb al overal gezocht," zeide Betje, "maar kon haar nergens +vinden. Misschien is ze wel in den tuin." + +"Ga daar eens kijken," antwoordde mevrouw Doornhof nu. "'t Is ondeugend +van haar om weg te loopen!" + +Betje ging weg, maar kwam weldra terug met de tijding, dat in den +geheelen tuin geen spoor van Elsa te zien was. + +"Waar kan die kleine ondeugd dan zitten?" riep mevrouw Doornhof +eenigszins angstig uit. "Ze zal toch geen ongeluk hebben gekregen!" + +"Misschien is ze in de kamer bij dat zieke meisje," zeide Betje. "Wil +ik er eens gaan kijken?" + +"Neen, dat zal ik zelf wel doen," hernam mevrouw Doornhof. "Toen ik +daar straks met den dokter was, heb ik haar niet gezien." + +Aanstonds ging mevrouw Doornhof naar de ziekenkamer, en keek in alle +hoeken en kasten, maar tevergeefs. + +"Zeg eens, Lena, heb jij Elsa ook gezien?" vroeg zij. "Is zij hier +ook geweest, nadat de dokter vertrokken is?" + +"Neen, mevrouw, ik heb haar niet gezien, nadat ze mij die takjes +reseda heeft gebracht," zeide Lena. + +"Waar kan dat stoute kind dan zitten!" riep mevrouw Doornhof ongerust +uit. + +"Hier, Maatje," klonk eensklaps een benauwd stemmetje. + +"Waar?" riep mevrouw Doornhof rondziende uit. + +"Is u niet boos, Maatje?" klonk het weer. + +"Wel zeker ben ik boos," zeide haar mama. "Kom maar eens gauw voor +den dag." + +"Neen, als Maatje boos is, komt Elsa niet," zeide de kleine weer. + +"Geen gekheid, Elsa! Waar ben je?" riep mevrouw Doornhof. + +"De toovergodin wil Elisa niet laten gaan, als Maatje nog boos is," +hernam de kleine. + +"Waar kan dat kind zitten," zeide mevrouw Doornhof halfluid. + +Eensklaps vloog er een glimlach over Lena's gelaat; zij wenkte mevrouw +Doornhof en fluisterde haar toe: "Zij zit onder het ledekantje, +mevrouw." + +"Dan zal ik er haar wel gauw vandaan krijgen," antwoordde mevrouw +Doornhof op denzelfden toon, maar zij deed alsof zij er niets van +begreep, waar het kleine ding kon zitten. + +"Betje," zeide zij hardop, toen de dienstmaagd binnenkwam, "er zit +hier ergens een muis. Ga jij nu de groote, roode poes van hiernaast +eens halen, dan zullen we haar eens laten snuffelen." + +"O, alsjeblieft niet, Maatje," smeekte Elsa doodelijk benauwd. + +"Wil je dan voor den dag komen?" vroeg mevrouw Doornhof. + +"Ja, Maatje, de toovergodin vindt het nu goed," zeide Elsa, en weldra +kwam het donkere krulkopje van onder het bed uitkijken. Maar verder +kwam zij nog niet. + +"Komaan, Elsa, er heelemaal onder vandaan," zeide mevrouw Doornhof. + +"Ik kom al, Maatje. U is toch niet boos?" zeide het vleiende stemmetje; +en nu kwam onze jongejuffrouw er heelemaal onderuit. + +"Maar Elsa, waarom ben je zoo ondeugend geweest om onder het bed te +kruipen, in plaats van naar school te gaan?" + +"Och, Maatje, ik wou zoo graag vandaag bij Lena blijven," zeide Elsa +verlegen. "Anders is zij den geheelen dag zoo alleen." + +"Maar Lena zal hier nog dagen genoeg zijn," hernam mevrouw Doornhof +afkeurend. "Je bent erg ongehoorzaam geweest." + +"Ja, Maatje, ik zal 't ook nooit weer doen," beloofde Elsa +berouwvol. "Moet ik nu nog naar school gaan?" + +"Neen, je moet nu maar thuis blijven," hernam mevrouw Doornhof; +"maar morgen helpen die kunsten je niets, hoor meisje! Haal nu je +breikous, dan zal ik je een taak opgeven." + +O hemel, die breikous! Daaraan had Elsa volstrekt niet gedacht! Dat +akelige breien! Hoe 't kwam, wist zij niet, maar altijd gleden de +steken van haar naald af en dan zag het werk er zoo onoogelijk uit, +dat zij er geen raad mee wist. + +Haar Mama, die heel goed wist, hoe zij over het breien dacht, liet +haar juist de breikous halen om haar te straffen voor haar verzuim. + +"Nu moog je naast Lena's bed gaan zitten en moet je zorgen dat je om +twaalf uren zes naadjes gedaan hebt," zeide haar mama, toen zij met +haar werk binnenkwam. + +"En mag Lena mijn poppen niet eens zien?" vroeg Elsa bedrukt. + +"Zoodra je taak af is, kun je ze halen," zeide mevrouw +Doornhof. "Straks komt Lena's moeder, en als die er is, kom jij +bij mij." + +Mevrouw Doornhof verliet nu de kamer, en Elsa bleef bij Lena zitten +breien. In het begin zei ze geen woord, maar breide ijverig door; +heel gauw verveelde haar dat zwijgen echter. + +"Zeg eens, Lena, zou die jongen met zijn aap weer eens +voorbijkomen?" vroeg zij. + +"Zeker wel," antwoordde deze. "O die Paul is zoo'n goede jongen, +zoo aardig en vriendelijk, en dan Cesar..." + +"Wie is Cesar?" vroeg Lena verwonderd. + +"Cesar is de aap," antwoordde Lena; "dat is zoo'n grappig diertje, +en hij kan zoo mooi exerceeren en doodliggen!" + +"Zou hij wel eens hier willen komen met Cesar?" vroeg Elsa met +schitterende oogen. "O, ik zou zoo graag..." + +"Mijn taak af willen breien," zeide mevrouw Doornhof, die ongemerkt +de kamer in was gekomen. "Kom nu mee, Elsa; Lena's moeder is er." + +Of Lena ook in haar schik was, toen haar moeder binnenkwam. En de +goede vrouw zette groote oogen op, toen zij zag hoe keurig netjes +haar dochtertje daar in dat lieve ledekantje in die mooie kamer lag. + +"Wel, Lena-lief, kind, hoe ongelukkig om zoo te vallen!" riep zij uit, +haar hartelijk kussende. "Heb je veel pijn?" + +"Ja, moe, mijn rug doet erg zeer; ik kan niet overeind zitten en +dat mag ik ook niet zegt de dokter," antwoordde Lena. "O, moe, die +mevrouw is zoo lief voor mij, en dat kleine meisje ook; 't is precies +een engeltje!" + +"Foei wat ben ik geschrikt, toen Paul gisteravond alleen thuis kwam en +vertelde wat er gebeurd was," zeide vrouw Wenzel, naast het ledekantje +gaande zitten. "Nu, ik zal je dikwijls op komen zoeken, kindlief; +mevrouw heeft gezegd dat ik mocht komen, zoo dikwijls als ik wilde." + +"Hè dat is heerlijk, moedertje," zeide Lena, met een zucht van +verlichting, want zij was erg bang geweest dat zij haar moeder bijna +nooit zou zien. + +Vrouw Wenzel praatte nog een poosje met haar dochtertje en verliet +haar daarop, en Lena was erg opgevroolijkt door dat bezoek. Toen zij +weg was, kwam Elsa weer binnen. + +"Nu moet ik straks naar school, Lena," zeide zij zuchtend; "en als +ik mijn taak niet af heb, dan moet ik haar na het eten af breien." + +"Moet je nog veel, Elsa?" vroeg Lena. + +"Nog drie heele naadjes," riep Elsa uit. "O, dat akelige breien!" + +"Geef mij de kous maar, dan zal ik het wel voor je afmaken," zeide +Lena goedhartig. + +"Wil je dat doen, lieve Lena?" riep Elsa vroolijk uit. "O, dat is +heerlijk; ik heb zoo'n hekel aan breien!" + +"Als je naar school bent, zal ik het afmaken," beloofde Lena. + +"Och, die akelige school!" zuchtte Elsa weer. + +"Vind je dat schoolgaan zoo akelig?" vroeg Lena. + +"Erg akelig," zeide Elsa. "Ik zou graag thuis blijven bij maatje en +met mijn poppen spelen. Ik heb er wel acht! En dan wat in den tuin +rondloopen en de bloemen begieten!" + +"Wat moet je dan wel op school doen?" vroeg Lena. "Ik vind het zoo +akelig niet!" + +"Ik moet letters en woorden schrijven en spellen," zuchtte Elsa, +"en ik speel veel liever!" + +Tegen een uur of zes kreeg Lena weer een bezoek, en nu van niemand +anders dan van Paul, die met Cesar op zijn arm aan het mooie huis +aanschelde. + +"Jongen, wat moet jij hebben? We geven niet aan de deur!" grauwde +Betje hem toe, die hem opendeed. + +"Ik wil niets hebben," stotterde Paul verlegen. "Ik wou naar Lena..." + +"Wat! wou je met dat vuile dier door de mooie, marmeren gang?" riep +Betje uit, terwijl zij de handen in haar zijde zette. + +"Hij zit immers op mijn arm," merkte Paul bescheiden aan; "hij zal +niets vuil maken, en ik zal mijn laarzen wel uittrekken, als je denkt +dat ik den boel zal bemorsen." + +"En moeten die vuile laarzen hier dan blijven staan?" riep Betje +verontwaardigd uit. "Een mooi gezicht, als er iemand inkomt! Ik zal +ze maar in het vuilnisgat gooien." + +"Alsjeblieft niet," verzocht Paul, terwijl er tranen in zijn oogen +sprongen. "Ik heb geen andere laarzen." + +"Dan ben je een echte schooier," zeide Betje onbarmhartig. "Weet +je wat! maak als de drommel, dat je met dat beest de stoep weer +afkomt. Wat kijkt het mij kwaadaardig aan!" + +De arme Paul wilde juist aan dit bevel gehoor geven, toen een stem +in de gang zeide: + +"Kom maar binnen, mijn jongen! Betje, doe de deur open en wijs hem +den weg naar Lena's kamer!" + +Of Betje ook schrikte! Mevrouw Doornhof was stilletjes in de gang +gekomen en had het geheele gesprek aangehoord, en toen Betje Paul +weg wou sturen, had zij er zich mee bemoeid. Paul was erg blijde, +dat hij nu binnen mocht komen, veegde heel netjes zijne voeten af en +liep op zijn teenen achter Betje aan. + +"Dag, Lena; hoe gaat het je?" vroeg Paul toen hij in de kamer kwam. + +"Paul!" riep Lena overgelukkig uit. "O, hoe prettig, dat je komt." + +Paul stond bedremmeld te kijken, want hij zag Elsa ook, die hem met +groote oogen aanzag. + +"De jongen met den aap!" riep zij eensklaps uit. Eerst had zij het +aapje niet gezien, want het was een klein diertje, dat zich schuw onder +het buisje van Paul verscholen had. "O, dat is prettig!" en zij klapte +in haar handen van pleizier. "Nu moet hij allerlei kunsten maken en +dan krijgt hij van mij een klontje suiker of wat ander lekkers!" + +"Zou hij willen, Paul?" vroeg Lena. + +"Ik weet het niet," antwoordde Paul verlegen; "straks misschien wel; +hij is nu nog te schuw." + +"Mag ik hem eens over zijn kopje aaien?" vroeg Elsa. + +"Jawel, jongejuffrouw," zeide Paul; "dat vindt hij wel prettig." + +"Ik heet Elsa," antwoordde het kleine meisje, terwijl zij Paul +vertrouwelijk aankeek, en met haar vingertjes over den kop van Cesar +streek. "Kom je eens naar Lena kijken?" + +"Ja jongejuf... ik meen, Elsa," antwoordde Paul; "ik houd zooveel +van Lena, zij is altijd zoo lief voor mij." + +"Tralala, Tralala!" zong Lena tegelijkertijd zoo luid zij kon. "Ik +vind het heel prettig, Paul. Tralala!" + +"Kom wees nu eens stil; ik wil Paul nog wat vragen," zeide Elsa. + +Maar Lena, die het niet prettig vond om zoo in haar gezicht geprezen +te worden, zong zoo dapper en onvermoeid voort, dat men waarlijk niet +zou denken dat zij een zieke was; en eindelijk gingen de twee anderen +ook meezingen, zoodat toen mevrouw Doornhof, die in de gang het leven +had gehoord, binnenkwam, zij haar handen ineensloeg van verbazing. + +"Kinderen, is dat nu een geweld, dat in een ziekenkamer te pas +komt!" riep zij uit, naar het ledekant van Lena gaande. "'t Is goed, +om de patiënte de koorts te doen krijgen." + +"Lena begon zelf te zingen," verdedigde Elsa zich, "en toen zijn wij +voor de gezelligheid mee gaan doen." + +"Nu, 't doet mij plezier dat Lena lust in zingen heeft," antwoordde +mevrouw Doornhof glimlachend, "maar ik zal toch maar een einde aan het +concert maken. Lena moet nu wat gaan slapen, en jij gaat met mij mede." + +"En Paul?" vroeg Lena beschroomd. + +"Je wilt hem straks zeker nog wel eens spreken," zeide mevrouw +Doornhof vriendelijk. "Dus gaat Paul ook zoolang met mij naar binnen, +of hij kan met Elsa in de speelkamer gaan. Ga nu gauw slapen, Lena; +des te eerder spreek je je vriendje." + +Lena gehoorzaamde en sloot haar oogen, terwijl mevrouw met Elsa en +Paul de kamer uitging. + +"Nu naar de speelkamer," riep Elsa, "en dan moet Cesar kunsten +maken. Hoor eens, Maatje: mag ik wat lekkers voor hem?" + +"Wie is Cesar?" vroeg haar mama. + +"O, de aap, Ma. Wil u hem ook eens zien? Zeg eens, Paul, wat lust +hij het liefste?" + +"Hij is niet verwend en eet van alles," antwoordde deze. + +"Kom maar mede, Elsa," zeide haar mama, "maar wijs Paul eerst even +de speelkamer. Ik zal ondertusschen binnen wat noten en amandelen +klaar leggen." + +Elsa huppelde Paul vooruit de trap op naar een ruime voorkamer waar +geen kleed op den grond lag, en waar de kinderen altijd naar hartelust +mochten ravotten, omdat er niets te bederven was. Zij duwde de deur +open en zeide Paul, dat hij maar binnen moest gaan, terwijl zij even +naar beneden ging om lekkers voor Cesar te halen. + +"Ik heb nog een kwartje, Paul, en zal daarvoor ook wat vijgen laten +halen. Daar houdt het lieve diertje immers wel van?" zeide zij onder +het weggaan. "Hij moet eens lekker smullen, als hij zijn kunstjes +mooi gedaan heeft." + +"Hij moet een stok hebben, als hij exerceert," riep Paul haar nog +na. "Breng dien dan mee!" + +Paul duwde de deur verder open en trad de kamer binnen, terwijl Cesar +heel nieuwsgierig zijn kopje boven Pauls schouder uitstak om eens +rond te kijken. Paul liep langzaam, zonder in het rond te kijken, +naar het raam en zag naar beneden op de drukke gracht. Eensklaps +schrikte hij hevig, daar hij een vrij harden stomp in zijn rug kreeg, +en omziende een twaalfjarigen knaap ontdekte, die hem donker aankeek. + +"Wat moet jij hier, ezel! Kun je niet spreken, als je binnenkomt?" + +Paul was veel te ontsteld en te verbaasd, om een woord te kunnen +uiten, en keek den knaap met groote oogen aan. Hij ontwaarde nu ook +een meisje van ongeveer denzelfden leeftijd dat achter hem stond. + +"Zeg eens, Lina, wat moet die jongen? Is hij stom?" vroeg hij weer. + +"Misschien wel, Tom," antwoordde Lina, het zusje van Elsa, haar +neefje Tom. + +"Ruk uit!" riep Tom, en wilde Paul bij den arm trekken. Maar nu kwam +het kopje van Cesar te voorschijn, die zijn kleine, witte tandjes +liet zien. "Neen, je blijft en laat dien aap zijn kunsten vertoonen!" + +"Laat mij maar weggaan," zeide Paul nu verlegen. "Elsa komt, en..." + +"Wat Elsa!" riep Tom ruw uit. "Je kunt wel zeggen jongejuffrouw +Elsa! Zoo'n bedeljongen moet mijn nichtjes niet bij den naam noemen!" + +"Ze heeft het zelf gezegd," zeide Paul nu. + +"Die Elsa is altijd zoo mal," zeide Lina haar neusje optrekkend. "Ze +zit voortdurend bij dat armelui's kind, dat gevallen is." + +Paul wilde ongemerkt naar de deur sluipen, want hij begreep dat hij +tegen twee niet opgewassen was; maar Tom voorkwam hem, sloot de deur +af en stak sarrend den sleutel in zijn zak. + +"Laat je aap dansen!" riep hij ruw, en nam een rietje dat in een hoek +op den grond lag. + +Paul deed zijn best om Cesar kunstjes te laten vertoonen, maar 't +scheen dat deze bang was voor Tom, want hij kroop onder Pauls arm. + +"Zeg eens, jongen, begint je aap nu haast, of ik ransel je met dit +rietje," dreigde Tom. + +"Als ik maar een stukje suiker of een vijg voor hem had, dan zou hij +wel willen," zeide Paul, die alle moeite deed om Cesars koppigheid +te overwinnen. + +"Wel ja, we zullen dat mormel nog lekkers geven," riep Tom verachtelijk +uit. "Jij zoudt zeker het meeste er van opeten!" + +"Maar je ziet, dat hij niet wil," hernam Paul smeekend. "Plaag hem +nu niet; hij is goedig!" + +"Het zal er ook wat op aankomen," zeide Tom. "Allo, hij moet dansen +of je krijgt met het riet!" + +Wat Paul ook probeerde of deed, Cesar wilde niet van zijn arm afkomen +en drukte zich hoe langer hoe meer tegen hem aan. + +Eensklaps voelde hij het rietje onzacht op zijn rug neerkomen en +uitte hij een gil van schrik zoowel als van pijn. + +"Kom, sla niet, Tom," zeide Lina, die 't nu toch te erg vond. Wel +had zij haar neefje erg tegen de kinderen opgestookt, maar nu werd +zij toch angstig. + +"Hij en zijn aap zullen nog meer hebben, als hij hem geen kunsten +laat maken!" riep Tom driftig uit. "Dansen zal hij!" + +Nog eens probeerde Paul, of hij Cesar niet over kon halen, maar +tevergeefs en wederom voelde hij een slag op zijn arm. Hij deed nu +maar zooveel mogelijk zijn best om zijn armen Cesar voor de slagen +te behoeden, maar daar Tom juist op het diertje mikte, gelukte het +hem niet altijd. + +Daar trof een goed geraakte slag Cesar op den kop; het dier ging luid +krijschen en bedekte het kopje met zijn beide handen. + +Nu werd het Paul toch te erg. Dat hij zelf door Tom geslagen werd +kon hem niet schelen, en als hij niet voor Cesar had moeten zorgen, +zou hij wel weerom geslagen hebben, maar dat een groote jongen een +arm, klein diertje sloeg, dat zich niet kon verdedigen, dat kon hij +niet verdragen. Hij werd vuurrood. "Weet je wat je bent? Een laffe, +gemeene jongen!" riep hij trillend van drift en verontwaardiging +uit. "Als je bij mij woondet, zou ik niet eens met je willen vechten, +en al de jongens zouden je najouwen! Daar, Cesar ga in dien hoek;" +hij zette het diertje neer, "en kom nu op, dan zul je eens ondervinden +hoe een pak ransel smaakt!" + +"Met jou vechten!" sarde Tom. "Met zoo'n bedeljongen! Laat je aap +dansen of hij krijgt nog meer smeer. Lina, hou dien jongen vast!" + +"Raak me niet aan!" waarschuwde Paul met gesmoorde stem vol woede. "En +als je Cesar durft slaan, vlieg ik op je aan!" + +Lina deed een vreesachtige poging om Paul vast te grijpen, en dat +oogenblik nam Tom te baat om Cesar weer een striem met het rietje te +geven. Aan het gejammer, dat het diertje uitstiet, bemerkte Paul wat +er gebeurd was, en nu wierp hij zich zonder bedenken op Tom, die in +een ommezien op den grond lag, met Paul boven op hem. + +Lina begon luid te schreien, en Cesar was op een kast gesprongen en +zat in een hoekje gedoken rillend in elkaar. + +De jongens klopten elkaar af, dat het een lust was. Toen, volgens Pauls +idee, de jongeheer Tom genoeg afgeranseld was, sprong hij overeind, +riep zijn aap, die aanstonds op zijn arm sprong, en zeide tot Lina: + +"Doe de deur open!" + +Deze, die nu ontzag voor hem had gekregen, nam den sleutel, dien Tom op +de tafel had neergelegd, en draaide het slot open. Paul ging haastig +de kamer uit, voordat Tom nog van den schrik bekomen was. Maar nu +wist hij niet recht welken kant hij op moest; hij was nooit in zulk +een groot huis geweest, en nu zag hij zooveel deuren dat hij verlegen +stond. 't Leek wel of de trap verdwenen was, waarmee hij naar boven was +gekomen. Hij kon niet weten, dat die door een deur afgesloten was; en +hij zag tot overmaat van smart dat Tom eensklaps uit de kamerdeur kwam. + +Haastig opende hij een der deuren, wierp die achter zich toe en was +verdwenen, voordat Tom bij hem kwam. + +Op dit oogenblik kwam Elsa vroolijk naar boven, zij had allerlei +lekkers voor Cesar, weinig denkende, dat het arme dier slaag had gehad. + +"Hé, Tom en Lina, dat tref je!" riep zij uit. "Paul is er met zijn +aap en zal hem kunsten laten doen." + +"Loop naar de maan!" bromde Tom, en wilde haar voorbij dringen en de +trap naar beneden afloopen. + +"Wat zie je rood, en hoe vuil is je buis!" ging Elsa verwonderd +voort. "Wat scheelt je?" + +"Niks, laat me door," grauwde Tom, terwijl hij het kleine meisje +tegen den muur drong. + +"Nare jongen, ga heen," riep Elsa. "Ga jij mee naar binnen, Lina?" + +"Neen, n..een," stotterde Lina. + +Elsa ging de kamer in en deed de deur achter zich toe, zoodat Lina +en Tom samen alleen op het portaal waren. + +Verwonderd keek Elsa de kamer rond, daar zij Paul maar volstrekt +niet zag. Zij riep en zocht in alle hoeken, maar toen zij geen gehoor +kreeg, besloot zij Lina er eens naar te vragen. Zij deed de deur open, +maar zag niemand op het portaal. + +Daar begreep Elsa niets van. Waar kon Paul zijn? + +"'t Heeft hem zeker verveeld, en toen is hij naar beneden gegaan," +dacht zij, "maar dan had ik hem toch moeten zien! 't Is niets aardig +van hem: ik had zoo graag de kunsten van Cesar gezien; mijn heel +kwartje is op aan vijgen!... Ik zal ze maar eens proeven!" Zij ging +zitten en vergat voor een oogenblik, onder het genot van een groote +vijg, haar boosheid op Paul. + +"Lekkere vijgen," zeide zij halfluid, nadat zij het steeltje zoover +mogelijk had afgeknabbeld. "Eigenlijk jammer voor een aap! Maar +neen, 't is zoo'n lief diertje! Ik zal Lena straks een paar vijgen +brengen. Zij zal ze wel lusten; Paul is zeker bij haar! O ja, Ma +heeft hem zeker laten roepen; Betje bleef ook zoo lang weg om die +vijgen te halen!" + +Met deze gedachte stelde zij zich gerust en begon haar poppen uit en +aan te kleeden, terwijl zij het lekkers dat zij bij zich had zorgvuldig +op zijde legde, om het bij gelegenheid aan Cesar te geven. + +Weldra was het tijd voor Elsa om naar bed te gaan. Zij mocht niet meer +bij Lena komen, daar de dokter er juist nog eens was, en kon haar Mama +maar heel eventjes goeden nacht zeggen. Aan Paul dacht zij niet meer, +en ook mevrouw Doornhof was geheel en al vergeten dat hij bestond. Lena +was erg vermoeid en koortsig en vergat den armen Paul ook. + + + + + + +III. + +WAAR PAUL WAS. + + +'t Was den volgenden dag mooi weer, en al heel vroeg wreef Elsa haar +oogen uit en sprong uit bed. Zij kleedde zich zoo wat aan en ging +toen op haar teentjes naar Lena's kamer. Lena was wakker en lag rond +te kijken. + +"O, ik ben blij, dat je komt!" riep zij uit. "Ik ben al lang wakker +en heb zoo'n dorst!" + +Elsa ging haastig naar de tafel en schonk een glas water in dat zij +Lena toereikte. + +"Is Paul gisteren nog lang bij je gebleven?" vroeg Lena toen zij +gedronken had. + +"Paul is een nare jongen en Cesar een nare aap!" riep Elsa uit. + +"Hé, hoe komt het, dat je ze naar vindt?" vroeg Lena verwonderd. + +"Hij is stilletjes weggegaan," vertelde Elsa verontwaardigd, "en ik +had mijn eigen kwartje nog al gegeven om vijgen voor Cesar te koopen!" + +"Stilletjes weggegaan?" herhaalde Lena. "Och kom, je houdt me voor +den gek, Elsa!" + +"Neen 't is waar," hield Elsa vol. "Hier zijn de vijgen; je moet er +maar een paar opeten, want Cesar krijgt ze toch niet meer!" + +"Maar waarom is Paul niet gebleven? Hij zou immers nog bij mij zijn +gekomen ook!" hernam Lena. + +"Eet dan eens een vijg!" drong Elsa. + +"Komt Paul vandaag?" vroeg Lena. + +Elsa klom zonder complimenten op het ledikant en duwde Lena een groote +vijg in den mond. Tegen wil en dank moest Lena nu eten, en Elsa keek +met het grootste genoegen glimlachend toe. + +Toen Elsa weer weg was, lag Lena in gedachten verdiept, waarom Paul +zoo raar zou hebben gedaan! + +De dag ging verder voorbij, zonder dat er iets bijzonders +gebeurde. Lena's moeder kwam weer aan, maar ook zij wist niet waar +Paul kon wezen: hij was gisteravond niet thuis gekomen, maar zij +maakte zich niet erg ongerust. + +"Och," zeide zij, "jongens zijn precies als het kwade geld: zij komen +altijd weer te voorschijn!" + +"Ja maar, moe, Paul kent niemand hier. Waar zou hij vannacht dan +geweest zijn?" vroeg Lena. + +"Zeker wel ergens onder dak," antwoordde vrouw Wenzel lachend. "Ik +zal het je komen zeggen, als hij weer boven water komt." + +Toen de familie 's avonds om elf uren naar bed zou gaan, gebeurde er +evenwel iets bijzonders. + +Mevrouw en mijnheer Doornhof zaten nog de courant te lezen, en de +beide meiden waren juist naar boven gegaan, toen er aan de kamerdeur +werd getikt. + +"Binnen!" riep mijnheer, en daar stond de ons reeds bekende Betje op +den drempel. + +"Wat is er, Betje?" vroeg mevrouw. "Ben je ziek?" + +"Heere neen, mevrouw," antwoordde Betje, die echter erg bleek zag, +"maar als ik zoo vrij mag zijn, wil ik u wel zeggen, dat ik erg +geschrikt ben." + +"Nu, drink dan maar wat," zeide mijnheer, "en kruip maar gauw onder +de dekens." + +"Ja maar, mijnheer, dat durf ik juist niet," hernam Betje. + +"Durf je niet drinken?" vroeg mijnheer verwonderd. + +"Jawel, mijnheer, wèl drinken," zeide Betje verontwaardigd, "maar +niet naar bed gaan!" + +"Kom, Betje, vertel mij dan eens, wat er gebeurd is," zeide mevrouw, +die wel bemerkte dat mijnheer niet veel verder kwam. "Heb je iets +gezien of gehoord?" + +"Ja, mevrouw, gehoord!" fluisterde Betje. + +"Zeker ratten of muizen," meende mijnheer lachend. "Nu we zullen een +kat opdoen." + +"Neen, mijnheer, geen ratten of muizen," hernam Betje, "maar ik +denk... dieven!" + +"Zoo, en hoeveel?" vroeg mijnheer plagend. + +"Laat mij maar met haar praten," fluisterde mevrouw haar echtgenoot in, +"anders maak je haar boos." + +Mijnheer haalde glimlachend zijn schouders op en verdiepte zich weer +in de courant. + +"Zou je heusch denken, dat het dieven zijn?" vroeg mevrouw nu +weer. "Heb je je niet vergist?" + +"Neen, mevrouw, 't is zoo; Antje zegt het ook. Als u eens even mee +naar boven wilt gaan, zult u 't ook hooren," zeide Betje. + +"'t Is eene heele reis," zeide mevrouw Doornhof, die niet veel lust +had om al de trappen op te klimmen. "Zou je 't nog niet eens kunnen +probeeren om te gaan slapen? Ik weet haast zeker, dat je je vergist +hebt." + +"Als mevrouw niet wil komen, moet mevrouw het weten;" hernam Betje +teleurgesteld, "maar als mevrouw morgenochtend het huis leeggestolen +en ons vermoord in ons bed wil zien liggen, dan moet mevrouw het +ook weten." + +"Kom, kom, zoo erg zal 't niet wezen," zeide mevrouw bedarend; +"er mocht wel een heel regiment dieven wezen, als zij 't huis leeg +wilden stelen." + +"Dus mevrouw gaat niet mee?" vroeg Betje treurig, terwijl zij den +knop van de deur in haar hand nam. "Nu mevrouw moet het zelf weten, +maar Antje en ik willen ons niet zoo maar dood laten steken! Wij +blijven in de keuken op stoelen zitten." + +"Nu, als 't er zoo mee staat, dan zal ik even mee gaan," zeide mevrouw +Doornhof. "Jullie moeten fatsoenlijk in je bed slapen." + +Mevrouw ging met Betje naar boven. Antje stond haar al aan +de trap op te wachten met een licht, en nu gingen zij naar het +zolderkamertje. Mevrouw Doornhof luisterde... luisterde nog eens.., +maar hoe zij zich ook inspande, zij kon niets van de dieven hooren. + +"Geef mij dat licht eens, Antje," zeide zij, na een kwartier geduldig +gewacht te hebben; "dan zal ik eens kijken, of er op zolder iemand is." + +"Goede hemel, mevrouw; en als hij u dan vermoordt!" riep Antje +ontsteld uit. + +"Zoo'n vaart zal 't wel niet loopen," meende mevrouw Doornhof bedaard, +"en anders moeten jullie maar goed gaan schreeuwen; dan worden de +dieven bang." + +"Maar ik ga niet mee met mevrouw," zeide Antje. + +"Mijn leven is mij te lief!" voegde Betje er bij. + +Zonder een woord te spreken nam mevrouw Doornhof het licht op en ging +naar de deur. + +"Neemt u het licht mee, mevrouw?" riep Antje angstig. + +"Wel zeker, Antje; hoe zou ik anders kunnen zien?" zeide mevrouw +Doornhof, terwijl zij den zolder opging en in alle hoeken rondkeek. + +Maar hoe zij ook zocht en keek, zij vond geen enkelen dief, en toen +eerst Betje en daarna Antje ook op den zolder kwamen, moesten dezen +zich wel overtuigen, dat zij zich noodeloos ongerust hadden gemaakt. + +"'t Zijn ratten of muizen geweest," zeide mevrouw Doornhof +eindelijk. "Gaat nu naar bed, en grendelt de deur dan, als je nog +niet gerust bent." + +"Maar 't was toch zoo'n raar geluid, mevrouw," zeide Betje nu op +verontschuldigenden toon, "precies alsof er iemand tegen een ander +sprak." + +"Je bent nu toch overtuigd," hernam mevrouw Doornhof, terwijl zij +naar de trap ging, die naar beneden leidde. + +De volgende morgen brak aan, en tot groote geruststelling van mevrouw +Doornhof zag zij zoowel Antje als Betje, die het hoofd om de deur +harer kamer staken, om haar goeden morgen te zeggen. + +Vrouw Wenzel kwam dien dag ook weer haar dochtertje bezoeken en vond +haar beter dan te voren. + +"Moe, wat zei Paul wel?" vroeg Lena. + +"Ik begin mij nu wel wat ongerust te maken over den armen jongen," +zeide vrouw Wenzel, "want hij is nog niet bij mij geweest." + +"Hoe! Is Paul gisteren avond niet thuis gekomen?" riep Lena verwonderd +uit. "En Cesar ook niet?" + +"Wel neen, kindlief, Cesar blijft bij zijn baas. Als Paul maar geen +ongeluk heeft gekregen," zeide vrouw Wenzel. + +"Och, moe, hoe akelig! Kunt u niets doen, om hem op te zoeken?" zeide +Lena. + +"Ik ben al naar een politiebureau geweest," antwoordde vrouw Wenzel, +"maar daar wisten ze er niets van. Als hij maar niet verdronken is." + +Lena begon te schreien. + +"Kom, Lena, trek het je niet zoo aan; misschien komt hij nog wel +terecht," troostte vrouw Wenzel. "Hij is misschien verdwaald en komt +vandaag thuis." + +"Ik houd zooveel van Paul en van Cesar," snikte Lena, "en ik zou +'t zoo akelig vinden als hij d... d... dood was." + +"Hij is misschien niet dood," troostte vrouw Wenzel haar; "ik zal +nog eens goed onderzoek doen. Kom Lena, wees nu niet zoo bedroefd; +dan mocht je eens koorts krijgen." + +Maar Lena was niet tot bedaren te brengen; en toen mevrouw Doornhof +en Elsa de kamer inkwamen, hadden zij veel moeite het meisje in +wat kalmer stemming te brengen. Eindelijk gelukte het Elsa; en toen +mevrouw Doornhof bemerkte dat Lena wat bedaarder werd, nam zij vrouw +Wenzel mee uit de kamer en liet alleen haar dochtertje bij Lena. + +Natuurlijk hoorde Lina van de verdwijning van Paul en van de dieven, +die Antje en Betje den vorigen avond op den zolder meenden gehoord +te hebben. Zij zeide echter niets en grauwde Elsa af, toen deze haar +het verhaal deed, hoe bedroefd Lena was geweest over de verdwijning +van Paul. + +Na het eten kwam Tom weder bij zijn nichtjes om, vooral met Lina, wat +te spelen. Elsa ging dan ook maar heen, want zij wist wel, dat zij er +haar toch niet graag bij wilden hebben; maar zij bleef op het portaal, +daar zij in de speelkamer de ledikantjes harer poppen had staan. Zij +kleedde ze dus op een trede zittende uit en vermaakte zich in stilte. + +Lina en Tom speelden samen wat, en daar zij nog al op elkaar gesteld +waren, ging het ook doorgaans zonder haspelen; maar eensklaps hoorde +Elsa, dat zij begonnen te twisten. + +'t Scheen, dat Lina hem iets zeide, en daarna hem verwijtingen +ging doen. + +"En jij hebt het gedaan," riep Lina driftig uit. "Je hoeft de schuld +niet op een ander te gooien." + +"Jij waart er evengoed bij," antwoordde Tom, "en 't is flauw, dat je +mij alleen de schuld wilt geven." + +"Een jongen moet altijd de schuld op zich nemen," verklaarde Lina +deftig. + +"Ik zou je bedanken," riep Tom uit. "Je bent een echte kat." + +"Waarom kom je dan hier?" hernam Lina scherp. "Met katten zou ik niet +willen spelen, als ik jou was!" + +"Met apen ook niet, hé!" sarde Tom. + +"Als je me nog langer plaagt dan zal ik aan ma vertellen, wat je +gedaan hebt," gilde Lina. + +"Dan zal ik zorgen, dat jij ook je portie krijgt," riep Tom uit. "Je +hebt me opgestookt om dien jongen te plagen, omdat je zoo'n nest bent +en je neus ophaalt voor dat zieke kind." + +"Ik wou, dat ik je nooit weer zag," zeide Lina bevend van drift. + +"Heel goed; je verveelt me mooi, 't kan me niets schelen," antwoordde +Tom. "Maar als die jongen doodgaat, dan is 't jouw schuld, en dan +kom jij in de gevangenis." + +Tom liep Elsa bijna omver en holde zoo gauw hij kon de trappen af +en de voordeur uit. Lina stond nog roerloos in de kamer, toen Elsa, +met haar pop in den arm, binnenkwam. + +"Wat meende Tom toch, Lina?" vroeg zij. "Waarom ga je naar de +gevangenis?" + +"Och, Tom is gek," antwoordde Lina ruw. "Kind bemoei je met je poppen +en niet met mij!" + +"Waarom heb je toch zoo gekibbeld met Tom?" vroeg Elsa weer. "En jullie +hebt mekaar zoo uitgescholden; als maatje het hoort, krijg je knorren." + +"Als jij 't ma niet vertelt, hoort zij het niet, langtong," grauwde +Lina haar toe. + +Nu had Elsa er genoeg van en besloot maar naar beneden te gaan en +Lena wat op te vroolijken, die erg treurig was, daar zij naar Paul +verlangde en die maar niet kwam opdagen. + +Lina bleef nu alleen in de kamer en stond in gedachten verzonken voor +het raam. + +"Als ik maar wist, waar Tom dien sleutel had gelaten," zeide zei +zachtjes, "dan zou ik de deur open kunnen doen, en... Als hij eens +dood was gegaan!" + +Zij huiverde op deze gedachte en werd zoo angstig, dat zij, ondanks de +kibbelarij die zij met Tom had gehad, besloot om na den middag aan haar +mama te vragen, of zij eens naar haar tante, Tom's mama mocht gaan. + +Toen zij zich dit voorgenomen had, gevoelde zij zich geruster, hoewel +zij erg verlangde naar het oogenblik dat zij uit mocht gaan. Nauwelijks +had zij de helft van den weg afgelegd, of zij ontmoette Tom, die van +plan was naar haar toe te gaan. + +"Tom, waar is de sleutel?" was het eerste, wat zij tegen hem zeide. + +"Ik kan hem nergens vinden," antwoordde deze, die er erg verschrikt +uitzag; "ik heb overal thuis gezocht. Misschien ligt hij bij jullie, +of anders heb ik hem verloren!" + +"O, Tom, wat moeten wij dan beginnen?" riep Lina uit, terwijl zij in +tranen uitbarstte. + +"Stil, schrei zoo niet: de menschen kijken naar je," waarschuwde Tom. + +"Maar, Tom, als die jongen heusch eens doodgaat van honger, of +opgegeten wordt door de ratten," jammerde Lina. "Wat moet ik beginnen!" + +"Zijn er dan ratten bij je op de vliering?" vroeg Tom verschrikt. + +"Ja, Betje en Antje hebben ze zelf gehoord; ze durfden niet naar bed +gaan. Gebeurt het niet wel eens, dat ze kleine jongens opeten?" vroeg +Lina. + +"Ik weet het niet," antwoordde Tom angstig. "Waarom hebben wij er +hem ook niet eerder afgelaten?" + +"Maar als de sleutel weg is." + +"Kan de smid geen nieuwen maken?" vroeg Tom. + +"Ik durf den smid niet halen," zeide Lina; "anders kon hij die deur +opensteken." + +"Ik zou mijn horloge wel willen geven, als ik dien sleutel vond!" zeide +Tom. + +"Wat zal die jongen een honger en dorst hebben,--en dat kleine +aapje!" riep Lina. "O, Tom, wat zijn we vreeselijk ondeugend geweest!" + +"En hoe kan hij er afkomen," peinsde Tom. + +"Als ik het eens aan mama of papa zeide," stelde Lina aarzelend voor. + +"Maar dan zul je ook geducht knorren krijgen!" riep Tom uit. "Neen, +zeg het maar niet!" + +"Maar we moeten misschien naar de gevangenis, als hij doodgaat," +hernam Lina. "Denk je dat?" + +"Misschien wel," zeide Tom aarzelend. + +Zij waren nu weer aan de woning van den heer Doornhof gekomen en +gingen naar binnen. + +"Wel, Lina, wat ben je gauw terug," zeide haar mama, verwonderd. "Was +tante niet thuis?" + +"Ik ben Tom op straat tegengekomen," antwoordde Lina eenigszins +verlegen. + +"Nu, gaat dan maar naar binnen; er staat een lekker stuk taart voor +allebei klaar," zeide mevrouw Doornhof. + +Lina en Tom haastten zich naar binnen, terwijl mevrouw naar de kamer +van Lena ging. De eerste hap smaakte erg lekker, maar 't was alsof +Lina het niet over zich kon verkrijgen er aan voort te eten; zij +keek Tom even aan en zag, dat deze voor zich keek en de taart nog +niet geproefd had. + +"Ik weet niet hoe 't komt," zeide zij eensklaps, "maar ik kan het +niet door mijn keel krijgen, ik ben zoo angstig." + +"Ik ook, Lina," antwoordde Tom; "ik kan niet slikken." + +"Hoe, de taart nog niet op, kinderen!" riep mevrouw Doornhof, die +een oogenblik later binnenkwam. "Je bent toch niet ziek?" + +"Wel neen, ma," antwoordde Lina benauwd. + +"En jij, Tom?" + +"Ik ben heel wel, Tante." + +"Nu, eet dan gauw je portie op; anders loopen de ratten er nog mee +weg," zeide mevrouw Doornhof lachend. + +"De ratten! O, o de ratten!" riep Lina eensklaps schreiend uit. + +"Stil dan toch," fluisterde Tom haar in. + +"Wat is dat?" vroeg mevrouw Doornhof verwonderd, die wel bemerkte, +dat er iets aan haperde. "Wat is er gebeurd, Lina?" + +"Och, ma ik durf niet..." stotterde Lina snikkend. + +"Tom, wat scheelt Lina?" vroeg mevrouw Doornhof ernstig. + +"Ze... ze.. is wat.. angstig," prevelde Tom. + +"En waarvoor?" vroeg mevrouw. "Toch niet voor ratten! Die loopen hier +niet in de kamer." + +"Neen, maar op de vliering. Antje.. en Betje.. hebben het zelf +gehoord," zeide Lina afgebroken. + +"Maar, kind, wat komt er dat op aan; is dat nu een reden om zoo vreemd +te zijn? We zullen een kat nemen. Jij hoeft immers niet op de vliering +te komen." + +"Ik niet, ma; maar die jongen zit er op," fluisterde Lina. + +"Welke jongen?" vroeg mevrouw Doornhof, die begreep dat er iets ergs +gebeurd was. + +"Met den aap," zeide Lina. + +"Hoe komt die op de vliering?" vroeg mevrouw. "Hij wilde toch niet +stelen!" + +"O, neen, ma," riep Lina. "Wij, Tom en ik, hebben er hem opgesloten." + +"Waarom dan toch? En wanneer? Daarstraks?" + +"Neen, ma, eergisterenavond," zeide Lina doodelijk benauwd, "toen +hij Lena op kwam zoeken." + +"Lina, moet ik dat gelooven!" riep mevrouw Doornhof buiten zichzelf +van schrik uit. "Heeft dat kind daar al dien tijd gezeten, terwijl +vrouw Wenzel dacht, dat hij misschien verdronken was! Ondeugend, +meer dan ondeugend meisje! En jij, Tom, ga heen en kom in de eerste +veertien dagen hier niet aan huis! Ik zal er met je mama over spreken!" + +Tom droop af, en mevrouw snelde de kamer uit, naar boven, totdat zij +voor de deur stond, die de vliering afsloot en haastig den sleutel +om wilde draaien. Geen sleutel was er te vinden, hoe zij ook zocht; +en Lina, die haar stil was nageslopen, vertelde nu dat de sleutel +nergens te vinden was. + +"Stuur aanstonds een van de meiden naar den smid," beval haar mama, +"en laat haar zeggen, dat hij dadelijk met gereedschap moet komen om +een deur open te steken!" + +Onderwijl probeerde mevrouw Doornhof om door het sleutelgat naar binnen +te zien, maar 't was pikdonker; en nu herinnerde zij zich, dat er +alleen maar een houten luik was, dat zeer moeilijk openging. De arme +jongen was al dien tijd dus in het donker geweest. Nu probeerde zij +op de deur te bonzen en te roepen, maar de deur was zoo dik en zwaar, +dat het haar niets hielp en men er op de vliering niets van hoorde. + +"Zouden er ratten zijn, ma?" waagde Lina eindelijk te vragen. + +"Ik weet het niet," antwoordde deze stroef. "Ga naar beneden op de +kinderkamer, Lina; dan kom ik straks met je spreken." + +"Mag ik niet blijven, ma? Ik wou zoo graag!" + +"Je hebt mij verstaan, niet waar? Ik begrijp niet, hoe zulk een +ondeugend kind nog iets durft vragen," zeide haar mama streng. + +Lina ging zwijgend naar beneden, en nu kwam gelukkig de smid heel +gauw aan. Hij probeerde een paar sleutels; en gelukkig paste er een +van op het slot, de deur sprong open en mevrouw Doornhof snelde de +vliering op. + +"Zeg eens, smid, help mij dat luik eens open doen; maar 't gaat stroef, +wees voorzichtig," zeide zij waarschuwend. + +"Jawel, mevrouw, zulke akefietjes hebben wij wel meer," zeide de smid; +en weldra was het luik open, en vertrok de zwarte man. + +Haastig keek mevrouw Doornhof nu in het rond, en spoedig zag zij Paul +slapend op een hoop oude kleeden liggen, met Cesar in zijn arm. + +"Goddank!" riep de dame uit, toen zij bemerkte, dat hij sliep. + +"Kom, wordt wakker, mijn jongen, en ga mee!" + +Paul sloeg de oogen op en keek, verblind door het licht, onzeker +rondom zich; daarna sloot hij ze weer. + +"Kom, probeer eens om op te staan," hernam mevrouw Doornhof weer, +"en kom mee naar beneden." + +Cesar werd wakker en begon zachtjes te jammeren, terwijl hij zich +tegen Paul aandrong. + +Nu werd deze geheel wakker en richtte zich op. + +"O, mevrouw, hebt u wat drinken voor Cesar?" vroeg hij zacht. + +"Wel zeker, wel zeker: jij en je arm aapje kunt eten en drinken, +zooveel als je wilt," verzekerde zij, "maar kom dan mee." + +Paul stond op en ging achter mevrouw Doornhof naar beneden; hij moest +zich telkens aan de leuning van de trap vasthouden, want hij was erg +duizelig door het licht en flauw, daar hij in zulk een tijd niets +gegeten had. + +Eindelijk waren zij beneden, en nu zorgde mevrouw Doornhof allereerst, +dat Paul en Cesar flink eten en drinken kregen. Of dat ons aapje ook +beviel! 't Deed Paul bijna nog meer plezier, dat Cesar het zoo goed +had, dan dat hij zelf zoo genoot, en weldra waren beiden verzadigd. + +"Maar arme jongen, hoe kwam je op die vliering?" vroeg mevrouw +Doornhof meelijdend. + +Paul bemerkte, dat zij niet wist, hoe Tom hem mishandeld had, en +dus zeide hij eenvoudig, dat hij een verkeerde trap was opgeloopen; +want hij wilde geen aanbrenger zijn. + +"En vond je het niet allerakeligst op die donkere vliering?" + +"Ja, mevrouw, ik was eerst erg angstig en heb zooveel leven gemaakt, +als ik maar kon, maar later gewende ik er aan. Hoeveel dagen ben ik +er wel geweest?" + +"Twee dagen en een nacht!" + +"Zoo kort? O! ik dacht, dat ik er wel een week was geweest," hernam +Paul peinzend. + +"Wil je nu eens naar je vriendinnetje Lena?" vroeg mevrouw, die +hem graag pleizier wilde doen. "Zij heeft evenals Elsa zoo naar +je verlangd." + +Of Paul dat graag wou! Gij kunt begrijpen, hoe blij Lena en Elsa +waren, en zij moest alles haarfijn weten. Aan Lena vertelde hij alles, +toen Elsa even uit de kamer was. Hij vertelde hoe Tom en Lina hem +behandeld hadden, en Lena maakte zich zoo boos op hem, dat de tranen +haar in de oogen sprongen. + +"Je moet het maar niet vertellen, Lena," ried hij; "die mevrouw is +zoo lief en vriendelijk voor ons, en 't zou haar zoo'n verdriet doen!" + +Den volgenden dag kwam Tom, met zijn mama, en vertelde evenals Lina +openhartig, hoe slecht zij Paul behandeld hadden. Mevrouw Doornhof +was bitter bedroefd over het gedrag van Lina en haar zuster over dat +van Tom. + +"Zeker heeft hij u alles ook al verteld, tante?" zeide deze jongeheer. + +"Neen, Tom; hij zeide alleen, dat hij een verkeerde trap op was +geloopen; hij is zoo edelmoedig geweest om jullie te willen sparen," +zeide mevrouw Doornhof treurig. "Ik zal hem vertellen, dat jullie zelf +schuld hebt bekend; dan zal hij ten minste hooren, dat je oprecht bent +geweest. Neemt beiden een voorbeeld aan dien armen jongen. Ik wou, +dat mijn Lina zoo was!" + +"En mijn Tom!" zeide haar zuster. + +Tom en Lina keken beschaamd voor zich en zeiden geen woord. + +Zij vergaten dit voorval nimmer, te meer daar mevrouw en mijnheer +Doornhof aan Paul (die nimmer zijn oom heeft gevonden) een goede +opvoeding lieten geven en hem eindelijk bij zich in huis namen, +daar zij zelf geen zoon hadden. + +Lena werd langzamerhand beter; maar toen zij weer bij haar moeder was, +kwam zij elke week een dag bij de familie Doornhof, en bleef altijd +dol veel van haar klein vriendinnetje Elsa houden. Tom en Lina werden +langzamerhand veel liever en aardiger, en ook zij hadden weldra veel +pleizier in + + + "DEN SAVOYAARD MET ZIJN AAPJE." + + + + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Klimop, by Suzanna Maria Andriessen + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 59353 *** |
