summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/59119-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
authornfenwick <nfenwick@pglaf.org>2025-02-09 13:04:58 -0800
committernfenwick <nfenwick@pglaf.org>2025-02-09 13:04:58 -0800
commitc8958c9c29d434cbb8a091f498efd7e3cd68d41e (patch)
tree7d4563c2f3b0f5409077c2ea357fcc56110bdc38 /59119-0.txt
parentd80d30523eec624307129c8359361e10c1e1ff8e (diff)
Sentinels relocatedHEADmain
Diffstat (limited to '59119-0.txt')
-rw-r--r--59119-0.txt2754
1 files changed, 2754 insertions, 0 deletions
diff --git a/59119-0.txt b/59119-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..465b321
--- /dev/null
+++ b/59119-0.txt
@@ -0,0 +1,2754 @@
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 59119 ***
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+ JONKER WILLEM VAN ARKEL
+
+ DOOR
+
+ E. GERDES.
+
+
+ VIERDE DRUK.
+
+
+ Geïllustreerd met 4 plaatjes.
+
+
+ TE LEIDEN, BIJ A. W. SIJTHOFF.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+Waarin wij een bezoek brengen aan den edelman Quannevan.
+
+
+Het was een vreemdsoortig huis, waarin de edelman Quannevan te Gorcum
+woonde. Het huis stond in de Krijtstraat (later de Revetsteeg)
+achter de Groote Kerk, en was, zooals de beschrijving ons meldt:
+"van voren van trappen voorzien, om naar boven te gaan, en onder met
+kelders [1]." Dat dit groote huis juist in de Krijtstraat gebouwd was,
+verwondert mij wel een weinig, daar de aanzienlijkste huizen destijds
+stonden in de Molenstraat, zuidwaarts van 't Marktplein, en ik geloof
+derhalve, dat die woning tot een bijzonder doel moest dienen. Welk
+doel weten wij niet; waarschijnlijk was het een stadsgebouw, dat later
+tot gevangenis werd ingericht, wellicht ook behoorde het aan heer Jan
+van Arkel, die heer van Gorcum was. Hoe het zij, vreemdsoortig bleef
+het huis, vooral met de lange, smalle, steenen trap, die zich tot aan
+de deur verhief en op die hoogte een nauw bordes vormde, door ijzers
+in allerlei bochten en krommingen afgepaald. Vier kleine vensters,
+van binnen en buiten van luiken voorzien, hadden het uitzicht op de
+straat, maar verdienden geen lof van sierlijkheid en symmetrie, daar
+het eene venster vlak bij de deur en het andere dicht bij den gevel
+was, terwijl de beide andere boven elkander in een hoek geplaatst
+waren. Onder de lange steenen trap zag men den ingang tot een breeden
+kelder, maar het was daar zóó donker, dat men niet eens zien kon of
+er wel een deur vóór dien ingang was gemaakt.
+
+Het huis had dus twee ingangen, een naar boven langs het smalle
+bordes en een naar de kelders onder de trap. Straks zullen wij wel
+gelegenheid hebben, een oog in die onderaardsche ruimten te slaan;
+voor 't oogenblik verzoek ik u, mij op de trap te volgen, het huis in
+te gaan en de kamer binnen te treden, die zich links van den ingang
+bevindt. Het was een donker vertrek, laag van verdieping, met dikke,
+zware balken aan de zoldering en eikenhouten wanden. Er waren slechts
+weinige meubelen aanwezig: een langwerpige klaptafel, een paar stoelen,
+een groote kleederkast en onder den wijden open schoorsteenmantel
+een hooge zitbank. Sieraden, kleinoodiën en dergelijken schenen hier
+niet aanwezig te zijn, althans er was niets van dien aard te zien,
+behalve een paar degens, een groot schild, een zwaard en een ijzeren
+wapenrusting, die aan de houten wanden bevestigd waren.
+
+Aan de klaptafel zat de edelman Quannevan, of beter gezegd hij
+zat niet, maar met de beide handen op de tafel leunende, bukte
+hij voorover, terwijl hij het aangezicht gekeerd hield naar den
+schoorsteenhaard, waar een dienstmaagd bezig was een paar stukken hout
+aan 't branden te brengen, hetgeen zij wel mocht doen, daar de laatste
+Maartdagen van het jaar 1406 zeer koud waren. De edelman scheen toornig
+te zijn en zijn gramschap aan de dienstmaagd uit te laten; althans
+zijn gelaat gloeide, zijn lippen trilden van woede en de hevigheid van
+zijn hartstocht liet hem geen tijd, om op zijn stoel te gaan zitten,
+zoodat hij de half voorovergebukte houding een poos lang bleef bewaren.
+
+"Jen--Jenne--Jennike," zeide hij eenigszins stotterende van kwaadheid,
+"ga uit mijn oogen en waag het niet terug te komen, voordat ik u roep."
+
+Jennike hoorde deze woorden zeer goed, maar daar het waarschijnlijk
+de eerste maal niet was, dat zij op deze wijze toegesproken werd,
+bleef zij zoo kalm mogelijk aan het werk, waaraan zij bezig was en
+waarmede zij ook geen bijzonderen spoed scheen te maken, daar zij
+gedurig de oogen naar de deur wendde, alsof zij verwachtte daar iemand
+te zien binnenkomen. Eindelijk gelukte het haar toch, door eenigszins
+te blazen, de beide stukjes hout vlam te doen vatten.
+
+"Verstaat gij mij niet, Jen--Jennike?" stotterde de driftige edelman
+opnieuw. "Of wilt gij, dat ikzelf het vuur harder doe branden? Wat
+let me, dat ik niet de karwats neem en u links en rechts om de ooren
+sla? Pas op, dat ik niet met u doe als met Aart, mijn lijfknecht,
+dien ik een schop heb gegeven, dat hij met zijn neus op den vloer
+rolde, omdat hij mij zoo dom stond aan te kijken als een haan, die
+zijn staart heeft verloren! Wat let me!"
+
+En daar Jennike zich niet aan zijn bedreigingen scheen te storen,
+ontstak hij zoodanig in woede, dat hij de karwats drie of vier malen
+boven zijn hoofd zwaaide, maar ze gelukkig niet naar de dienstmaagd
+wierp, ziende, dat het vuur ten laatste aan 't branden was gegaan.
+
+"Zoo, nu brandt het!" vervolgde hij, nog altijd in dezelfde houding,
+doch een weinig minder driftig, "maar maak nu, dat er wat hout
+opgestapeld wordt rondom de turven, want anders wordt het hier niet
+warm. Straks komen de beide eerzame schepenen Jacob Roelofsz. en
+Boudewijn De Ledige, om met mij te praten, te drinken en te spelen,
+en de laatste, die zoo mager is als een talhout, kan niet tegen de
+koude, vooral in zulk een kil vertrek als dit!"
+
+Bij deze laatste woorden wilde de edelman gaan zitten, te meer daar hij
+zag, dat de dienstmaagd haar best deed, de lamp te ontsteken. Juist
+toen zij hiermede bezig was, ontstond er eenig gerammel aan de deur,
+en toen zij het oog derwaarts richtte, zag zij de beide verwacht
+wordende personen, die niet wisten, of zij binnen zouden komen dan
+wel of zij wachten wilden, totdat zij geroepen werden.
+
+"Daar zijn zij!" pruttelde Jennike voor zich heen. "Ik wenschte wel
+om een zak appelen, dat zij niet zoo dikwijls bij mijn heer kwamen,
+want hun gezelschap deugt voor hem niets. Vooreerst sporen zij hem aan
+tot veel wijn drinken, wat voor zijn gestel niets deugt, daar hij met
+den dag driftiger en onstuimiger wordt, en ten anderen hitsen zij hem,
+onder allerlei bedekte vormen, tegen heer Jan Van Arkel op. En het
+zou toch schandelijk en ondankbaar zijn, als hij naar hun ingeving
+luisterde, daar hij toch het brood van Jan Van Arkel eet. Maar ik
+zal op de loer blijven, en zoodra ik merk, dat zij iets tegen onzen
+wettigen heer samenspannen, zal ik wel weten wat ik te doen heb."
+
+Onderwijl Jennike al pruttelende met haar werk voortging en eenige
+blokken hout rondom het turfvuur opstapelde, was de edelman naar de
+deur gesneld, om zijn bezoekers te verwelkomen, die dan ook weldra,
+na de gewone groeten, aan de klaptafel plaats namen, terwijl Quannevan
+zich beijverde, om drie bekers met wijn te vullen, voor zichzelf en
+zijn gasten.
+
+De toorn van den edelman was thans geheel bedaard, vooral toen hij
+zag, dat het vuur hoog opflikkerde en de beide schepenen zich den
+wijn goed lieten smaken. Inderdaad was ook Quannevan een uitmuntend
+gastheer en had zeer vele goede eigenschappen. Schoon driftig van aard,
+werd hij altijd spoedig weder kalm. Daarenboven zat het hart bij hem
+op de rechte plaats, en zoo hij al geen vroom Christen mocht heeten
+(vooral in die tijden van Roomsch bijgeloof en onkunde), had hij
+echter een oprecht en eerlijk gemoed en wantrouwde hij niemand. Het
+kwam hem zelfs nooit in de gedachte, dat de vrienden, die hem van tijd
+tot tijd bezochten, door eigenbelang gedreven werden, veel minder nog,
+dat zij zijn huis als een verzamelplaats van lieden hadden uitgekozen,
+die daar wilden bijeenkomen met het plan, om tegen heer Jan Van Arkel
+kwaad te brouwen--tegen heer Jan Van Arkel, den man, wiens brood hij
+at, wiens huis hij bewoonde.
+
+"Drinkt toch, heeren!" zeide Quannevan, de bekers opnieuw vullende,
+"of smaakt u de wijn niet? Dat zou mij spijten, want hij is een
+landsman van mij. Gij weet, ik stam uit Bourgondië, en heer Jan,
+wetende hoezeer ik de vrucht mijns lands bemin, heeft mij een okshoofd
+van daar doen komen!"
+
+"Een edele wijnsoort, voorwaar!" sprak schepen Roelofsz. "Zeker
+heel duur?"
+
+"Ja--zeker heel duur?" herhaalde schepen De Ledige, die de schaduw
+van Roelofsz. genoemd werd, daar hij dezen gewoonlijk nasprak.
+
+"Duur--duur! Dat weet ik niet," antwoordde Quannevan, het glas tegen
+het licht houdende, "daarnaar vraag ik ook nooit. Ik weet, dat het
+een kostelijke wijnsoort is en dat mijn edelmoedige beschermer,
+heer Jan, mij die geschonken heeft. Mijn vrienden, ik weet niet,
+of uw hart met zooveel warmte als het mijne slaat voor heer Jan,
+maar toch geloof ik wel, dat gij het mij niet euvel zult duiden, als
+ik dezen beker ledig op de gezondheid van heer Jan Van Arkel. Moge de
+heilige Maagd en alle heilige engelen hem en zijn zoon jonker Willem
+nog een menigte van jaren in bescherming nemen!"
+
+Quannevan, oprecht als hij was, dronk den beker tot op den bodem
+ledig en ten bewijze, dat hij zijn heilwensch gemeend had, zette
+hij het glas omgekeerd op de tafel. Er kwam ook geen druppel meer
+uit. De beide schepenen schenen een weinig verrast te zijn door deze
+uitnoodiging, althans zij zagen elkander veelbeteekenend aan en wisten
+niet, hoe zij doen zouden, drinken of niet drinken, want zij stemden
+in het geheel niet met Quannevan's heildronk in. Daar zij echter toch
+iets doen moesten, begon Roelofsz. te hoesten en te proesten alsof
+er plotseling iets in zijn keel gekomen was en Boudewijn De Ledige
+meende niet beter te kunnen handelen, dan den schepen na te hoesten,
+en wel zóó sterk--altijd een gevolg van het namaaksel--dat de klaptafel
+er van dreunde en de schaakstukken op- en nederdansten. Quannevan,
+die geen opzet vermoedde, schreef dit aan zware verkoudheid toe,
+hetgeen in zijn oog zeer mogelijk kon zijn, daar de laatste dagen
+van Maart 1406 tamelijk ruw en guur waren.
+
+Maar zoo dacht Jennike niet. De dienstmaagd lag nog steeds op haar
+hurken bij het vuur en scheen nog in lang niet daarmede klaar te
+kunnen komen. Ik zeg scheen, want eigenlijk gezegd had het vuur reeds
+veel hooger kunnen flikkeren, maar met opzet verhinderde zij dit,
+om slechts aanleiding te hebben nog eenigen tijd langer in de kamer
+te blijven. Zij vertrouwde die beide schepenen geen zier, althans
+Jacob Roelofsz. niet, en spitste de ooren telkens, als deze iets
+zeide. Toen zij nu Quannevan's heildronk hoorde en den verlegen
+blik zag van de beide schepenen, benevens hun voorgewend hoesten,
+begreep zij, dat haar goede heer in geen goed gezelschap was en dat
+de schepenen den heer Van Arkel geen goed hart toedroegen.
+
+"Die schelmen!" pruttelde zij. "Zij drinken den wijn van heer Jan en
+in hun hart bedenken zij kwaad tegen hem. Maar wacht, gij booswichten,
+ik ken u vanouds. Gij zijt nooit Arkelsgezind geweest. Ik zal wel
+zorgen, dat gij hier in huis geen kwaad brouwen kunt!"
+
+Of Jennike's gepruttel een weinig te luidruchtig was geworden, dan
+of toch de schepenen haar reeds lang in het oog hadden gehouden,
+weet ik niet--maar het scheen hun volstrekt niet naar den zin te
+zijn, dat zij daar zoo dicht bij hen was. Zij konden geen luisteraars
+verdragen. Ook hadden zij liever niet, dat de dienstmaagd hedenavond
+in huis was, en zouden gaarne gezien hebben, dat zij gedurende een
+paar uren verwijderd werd. Waarom--zullen wij straks hooren, evenzoo
+dat zij hun best deden, dit doel te bereiken.
+
+Quannevan was opgestaan en noodigde hen uit, een Fransch schild
+te bezichtigen, dat hem heer Jan van Egmond, de schoonzoon van Jan
+Van Arkel, uit Frankrijk had medegebracht. Het was een van die fijn
+beschilderde verdedigingswapenen, in dien tijd pavois genoemd en die
+inzonderheid door de krijgers te voet werden gebruikt. Heer Quannevan,
+een oud soldaat en vol geestdrift voor alles, wat krijgskunde
+betrof, gaf nu een breede beschrijving van dit schild en weidde uit
+in deszelfs lof. Schepen Roelofsz., die liever de pen dan zwaard en
+schild hanteerde en ook van de laatsten geen verstand had, wist niets
+anders te doen dan gedurig met het hoofd te knikken als een soort van
+bijvalsbetuiging, een beweging, waarin Boudewijn De Ledige hem volgde.
+
+"En nu zal ik u eens mijn eigen helm laten zien, dien ik in den strijd
+tegen de Normandiërs droeg," vervolgde Quannevan, "maar gij moet mij
+veroorloven, dat ik de lamp krijg, om u beter te lichten."
+
+Dit zeggende ging de edelman heen, om de lamp te halen, die, gelijk
+wij weten, aan den muur hing, maar of hij een weinig onhandig te werk
+ging, dan of Jennike ze niet goed opgehangen had--zoodra hij ze slechts
+even aanraakte, viel zij van den spijker en doofde in haar val uit,
+zoodat de kamer duister werd en er geen ander licht was dan de zacht
+opstijgende vlam in den haard.
+
+"Jennike! Jennike!" riep de oude edelman, een paar stappen achteruit
+springende, om niet door de olie bespat te worden. "Dat is uw
+schuld! Gij zijt altijd zoo slof en onhandig. Ware het slechts
+Pinksteren, dan zond ik u weg en nam een betere dan gij zijt. Kom,
+raap de lamp haastig op en steek ze weer aan. Wat? Pruttelt gij nog
+tegen? Tegen? Waar is mijn karwats? Dan zal ik u leeren pruttelen!"
+
+'t Is waar, Jennike had zich eenige woorden, bijna binnensmonds,
+laten ontvallen, maar deze betroffen geenszins haar heer, maar wel
+de beide schepenen, die, zoodra zij in den donker stonden, de hoofden
+bij elkaar gestoken hadden en met elkaar fluisterden.
+
+"Konden wij die meid maar van onzen hals afschuiven!" zeide
+Roelofsz. zoo zacht mogelijk.
+
+"Ja--die meid afschuiven!" herhaalde zijn schaduw.
+
+"Zouden onze vrienden niet tegen zeven uren hier onder in den kelder
+bijeenkomen? Mij dunkt, het zal niet ver van zevenen zijn. Maar hoe
+raken wij die meid kwijt?"
+
+"Ja, hoe raken wij ze kwijt?" sprak de echo.
+
+"Wacht, ik weet wat. Zooals gij ziet, heeft heer Quannevan het
+schaakspel gereedgezet, denkende, dat wij ons den ganschen avond
+daarmede wenschen bezig te houden. Maar hebben wij nu onze gedachten
+daartoe bijeen? Bovendien, wij kunnen immers niet met ons drieën
+schaken. Dat gaat niet."
+
+"Dat gaat niet!" herhaalde De Ledige.
+
+"Daarvoor weet ik echter raad. Gij kent Willem Pekeric, die den
+steenoven heeft buiten de poort? Deze is ook een van de onzen, en als
+wij hem hier laten ontbieden, kwansuis om den teerling te werpen, dan
+zal hij ons wel begrijpen en komen. Is het niet uitmuntend bedacht?"
+
+"Uitmuntend bedacht?" fluisterde de nagalm.
+
+"Dan raken wij die meid kwijt en in dien tijd kunnen de vrienden
+hieronder ongemerkt bijeenkomen.... Wil ik u helpen, heer
+Quannevan?" vroeg hij, zich tot den edelman wendende, die nog gedurig
+vóór de meid stond te zwaaien en te schimpen, daar deze naar zijn
+gevoelen te veel talmde.
+
+"Dank u, dank u!" riep Quannevan. "Die draalster is eindelijk
+klaargekomen. Hier, mijn heeren," vervolgde hij, naar een kast gaande,
+waarop de bewuste helm stond. "Hier ziet gij nu een meesterstuk van
+Fransche smeden! Ja, zoo iets kan slechts een nakomeling van den echten
+Galliër maken. Ziet gij wel, deze helm draagt op zijn geplatten bol
+versieringen, die hier in dit land, waar men pluim en veder gewoon is,
+zonderling schijnen, namelijk een hand, een rad en een uitgespreiden
+vogelklauw. De breede oogopeningen zijn van binnen met leder en wol
+gevoerd, en zoo ik u een genoegen kan doen, wil ik den helm eens
+opzetten--en dan.... ja, dat spreekt vanzelf, dan gord ik ook mijn
+oud zwaard weder aan, hang het schild aan den linkerarm en...."
+
+"Doe toch die moeite niet!" zeide Roelofsz.
+
+"Doe toch die moeite niet!" sprak zijn echo.
+
+"'t Is in 't geheel geen moeite, heeren," ging Quannevan voort,
+die reeds den helm in de hoogte hief, om dien op het hoofd te zetten.
+
+"Waarlijk, 't is te veel moeite," zeide Roelofsz. "Buitendien, wij
+kunnen ons bij lamplicht moeilijk van de schoonheid uwer wapenrusting
+overtuigen en geenszins alle fijne bijzonderheden onderscheiden. Wat
+dunkt u, zoo wij eens bij dag kwamen?"
+
+"Ja, zoo wij eens bij dag kwamen," herhaalde Boudewijn De Ledige.
+
+"Dan konden wij u beter in uw vroegeren luister beschouwen," vervolgde
+Roelofsz.
+
+"Die evenwel nog niet is ondergegaan," voegde Quannevan er met zekere
+fierheid bij, "want, al zijn mijn haren verbleekt en mijn wangen
+gerimpeld, mijn hart is nog even frisch en slaat nog even krachtig
+als toen ik in 1365 onder de vanen van den hertog van Brabant het
+slot Enghien hielp veroveren. Bij die gelegenheid maakte ik voor de
+eerste maal kennis met den vader van onzen graaf hertog Willem VI,
+die, zooals gij weet, Albrecht heette. Hij was.... maar laat mij u dit
+straks vertellen. Komt, heeren, drinken wij weder een beker wijn! Dat
+zal ons het ongeval van daar straks doen vergeten, en laat ons daarna
+eens zien, wie onzer de beste kampioen is in het edele schaakspel."
+
+"Ik zou u wel een voorslag wenschen te doen, edele heer," zeide
+Roelofsz., zoo kalm en bedachtzaam mogelijk.
+
+Bij deze woorden wendde Jennike het hoofd naar de zijde van den
+spreker. Zij knielde op den grond neder en was bezig de olievlekken
+van den vloer te reinigen.
+
+"Een voorslag? Laat hooren!" sprak Quannevan haastig.
+
+"Ja, daar straks viel mij in, mij en mijn medeschepen--niet waar?"
+
+Boudewijn De Ledige knikte toestemmend.
+
+".... Viel mij in, dat het gezelliger en aangenamer zou zijn, als
+wij hier met ons vieren waren; wat dunkt u?"
+
+"Ja, wat dunkt u?" galmde De Ledige, als om meer klem aan het voorstel
+te verleenen, maar eigenlijk, om zijn nietsbeduidendheid te verraden.
+
+"Hoe meer zielen hoe meer vreugd!" zeide de edelman op vroolijken
+toon. "Maar hoe krijgen wij een vierden man en wie zal dat zijn?"
+
+"Als gij genoegen neemt in mijn voorslag, dan weet ik wel raad,"
+antwoordde Roelofsz. "Onze vriend Willem Pekeric, de steenbakker,
+is een vriend van den teerling te werpen...."
+
+"Ja, meer dan van schaken," viel hem Quannevan in de rede.
+
+"Juist edele heer," vervolgde Roelofsz., terwijl Boudewijn De Ledige
+zijn best deed, om door een beweging van zijn hoofd deze woorden te
+bevestigen, "wij zijn thans met ons drieën en zoodoende zou er één
+ledig moeten zitten, maar wanneer wij met ons vieren zijn, kunnen wij
+ons beter met den teerling (dobbelsteen) vermaken. Ik ben verzekerd,
+dat, als gij uw dienstmaagd uit uwen en onzen naam tot Willem Pekeric
+zendt, hij oogenblikkelijk zal komen."
+
+"Mooi uitgedacht," fluisterde Jennike bij zichzelf. "Hij zou nummer
+3 zijn in het bondgenootschap van hen, die in 't geheim tegen heer
+Quannevan en Jan Van Arkel zijn. Ik wenschte, dat Aart maar te huis
+was. Waar deze nu weer zit? Misschien...."
+
+Zij had geen gelegenheid verder te denken, daar Quannevan haar gebood,
+terstond buiten de poort te gaan en den burger Willem Pekeric herwaarts
+te noodigen. Jennike, wie het te doen was, om tijd te winnen,
+verontschuldigde zich met te zeggen, dat de vetvlekken nog niet
+verdwenen waren, en begon hierop weder hard te boenen en te schuren,
+totdat zij eindelijk, ziende, dat het geduld des edelmans op het punt
+stond in drift over te gaan, van den grond oprees en de kamer verliet.
+
+De drie mannen namen plaats aan de tafel en Quannevan schonk de
+bekers weder vol in afwachting van den vierden man; tevens nam hij
+eenige schaakstukken ter hand--hij was een aartsliefhebber van dat
+ridderlijke spel--als om een zijner gasten tot een partij uit te
+noodigen, maar geen hunner liet zich hiertoe vinden. Dat spel was hun,
+althans nu, te stil, en zij gaven de voorkeur aan eenig gesprek,
+waardoor Quannevan's aandacht wellicht afgetrokken zou worden van
+hetgeen onder hen zou gebeuren.
+
+"Heeft heer Walraven Van Brederode [2] u niet dezer dagen een bezoek
+gebracht? Ik heb gehoord, dat hij weder van Den Haag was teruggekeerd,
+werwaarts graaf Willem hem ontboden had."
+
+Gedurende deze vraag vestigde Roelofsz. onafgewend den blik op zijn
+gastheer, nieuwsgierig zijnde, welke uitwerking deze woorden op hem
+zouden teweegbrengen, daar hij wel wist, dat Walraven Van Brederode
+geen bijzondere vriend van Jan Van Arkel en dus ook niet van den
+edelman was, schoon deze hem nu en dan uit beleefdheid ontving.
+
+"Neen," antwoordde Quannevan, die geen list vermoedde, "ik heb heer
+Walraven niet bij mij gezien, en het is mij lief ook--want--vergeef mij
+mijn openhartigheid--ik heb het niet erg op hem begrepen, en mij dunkt
+ook, hij kan mijn edelen vriend Jan Van Arkel geen goed hart toedragen,
+sinds deze hem zoo lang van zijn vrijheid beroofd hield. Intusschen
+wil ik hopen, dat hij niets doe, om de verbittering tusschen graaf
+Willem en de heeren Van Arkel op te wekken. Gij weet, heer Jan Van
+Arkel is woedend over het verlies van de sloten en vesten Everstein,
+Gasparne en Hagestein [3], en daar hij te fier is--en met recht--om
+zich voor den Hollandschen graaf te buigen, vrees ik, dat zijn oude
+leeuwenmoed, gesard als hij wordt, weer zal ontwaken. De heilige Maagd
+zij geloofd, dat Gorcum hem getrouw blijft, althans Jonker Willem Van
+Arkel--God spare den edelen jongeling nog lang!--verzekerde mij, dat
+stad en burg steeds bewijzen gaven van getrouwheid aan hun wettigen
+heer Jan Van Arkel."
+
+De beide schepenen zaten eenigszins op heete kolen. Zij althans
+waren geen vrienden van den Kabeljauwschgezinden Jan Van Arkel,
+maar mochten hiervan vooralsnog geen blijken geven [4]. Om het
+gesprek een andere wending te geven, vertelde Roelofsz. iets van
+de processie, die onlangs in de Haarstraat had plaats gevonden,
+bij gelegenheid dat de pastoor van de Martinus- en Vincentius-kerk
+(de Groote Kerk) den arm van den Heiligen Apolinarus, bisschop van
+Ravenna, omdroeg. Twee kapelaans, die het beeld droegen van Onze
+Lieve Vrouw, dat een kostelijk "Tapijtekleed zeer kunstig geborduurd"
+aanhad, struikelden en vielen voorover op den grond, maar ten bewijze
+van de wonderbare kracht van Onze Lieve Vrouwe was het beeld niet
+alleen onbeschadigd en ongevlekt gebleven, maar zelfs was het niet
+eens gevallen en bleef zoo lang in de hoogte zweven, totdat de
+kapelaans weder opgestaan waren en het dragen konden. Quannevan,
+die vele vreemde landen gezien had en, overeenkomstig de duisternis
+van het Christendom dier dagen, veel geloof sloeg aan mirakelen,
+verhaalde nu op zijn beurt wat hij in Italië aan wonderen gezien
+had, en geraakte daarbij zóó in vuur, dat hij niet eens bemerkte,
+hoe de deur was opengegaan en de verwachte gast was binnengekomen,
+totdat deze, buigend en groetend, vóór de tafel stond.
+
+"Ik moet zeggen, dat mijn dienstmaagd vlugge voeten heeft," zeide
+Quannevan, die den binnenkomende had opgemerkt en diens groet
+beantwoordde. "Ik dacht, dat zij ternauwernood aan uw huis kon zijn."
+
+"Dat dacht ik ook," riep Roelofsz. uit.
+
+"Dat dacht ik ook," galmde zijn echo.
+
+"Uw dienstmaagd? Uw dienstmaagd--edele heer? Ik heb haar niet
+gezien!" zeide Willem Pekeric.
+
+"Maar wie heeft u dan mijn verzoek overgebracht, om ons met uw
+tegenwoordigheid te vereeren?" vroeg Quannevan. "Gij zijt toch niet
+uit de lucht komen vallen! Dat zou het zevende mirakel van dezen
+avond zijn."
+
+"Ik ben niet uit de lucht komen vallen, heer Quannevan, en van een
+zevende mirakel weet ik niets," zeide Pekeric, "maar daar straks
+kwam uw lijfbediende Aart en noodigde mij uit uw naam en dien der
+beide eerzame schepenen hier te komen, een verzoek, waaraan ik mij
+beijverd heb te voldoen."
+
+"Gij zijt zeer vriendelijk," zeide Quannevan zich buigend, "maar
+hoe ter wereld komt Aart bij u? Hij was bij den wapensmid in de
+Burgstraat, waar hij een boodschap had. Dat zal zeker weer een streek
+van Jennike zijn geweest! O, die dienstmaagd! Er zit een stijf kopje op
+haar nek. Zij zal geen zin in die boodschap gehad en middel gevonden
+hebben, om Aart die commissie op te dragen. Doch, heeren, ons is het
+immers hetzelfde."
+
+"Ja, het is ons hetzelfde!" herhaalden Roelofsz. en De Ledige, de
+een na den ander.
+
+"Welnu, dan maar den teerling geraadpleegd. Doch eerst zal ik uw
+beker eens vullen," vervolgde Quannevan, den laatstgekomene aanziende.
+
+Deze liet zich dit gaarne welgevallen, en eer een kwartier uurs
+verloopen was, dobbelden de vier vrienden om het hardst en met zulk een
+ijver, dat zij onmogelijk de voetstappen konden hooren der personen,
+die onder het huis den kelder binnenslopen. Als ik echter zeg, dat
+geen hunner dit hoorde, dan vergis ik mij, want Roelofsz. had dit
+geluid reeds waargenomen en aan Boudewijn De Ledige een wenk gegeven,
+dien deze goed begrepen had.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+Een stuk uit de geschiedenis, dat vooral niet overgeslagen mag worden.
+
+
+Het is thans mijn voornemen, u in de gewelfde kelders te brengen
+onder het huis van den edelman Quannevan, ten einde u te toonen wat
+daar plaats had, maar alvorens dit te doen, zal het noodig zijn, u op
+de hoogte van onze geschiedenis te brengen, waarna gij beter sommige
+toestanden en uitdrukkingen van het vorige hoofdstuk zult verstaan.
+
+Reeds gedurende de regeering van Hertog Albrecht, graaf van Holland,
+was er een vredebreuk ontstaan tusschen hem en Jan Van Arkel. Deze
+laatste was een zeer rijk en machtig edelman, een der voorlaatste
+spruiten uit het oude geslacht der Van Arkels, dat zich, gelijk
+een geschiedschrijver zegt, evenzeer door rijkdom en trotschheid,
+als door overmoed en dapperheid had onderscheiden. Vandaar dan ook,
+dat zijn naam als zoodanig voorkomt in het Oud-Hollandsche rijmpje:
+
+
+ De Brederode's de edelsten; de Wassenaars de oudsten;
+ De Egmonds de rijksten; de Arkels de stoutsten.
+
+
+Behalve de heerlijkheid Arkel met den weleer zoo beroemden burcht
+van dien naam, bezaten de Arkels de steden Gorcum, Leerdam,
+Schoonrewoerd, met de burchten en vestingen Everstein, Gasparne en
+Hagestein. Buitendien had Jan Van Arkel in Frankrijk de heerlijkheid
+Pirlepont [5], in Brabant de stad Mechelen met onderscheidene dorpen
+en vlekken, benevens nog vele steden, dorpen en goederen in Holland
+en Zeeland. Gij kunt begrijpen, dat zulk een machtig heer ook niet
+ontbloot was van geld. Zijn jaarlijksche inkomsten bedroegen drie en
+tachtig duizend zeshonderd Rijnsche guldens, benevens vijf duizend
+oude schilden uit Veluwsche tienden en jaarlijks zes duizend dukaten
+uit de bank van Venetië, een rijkdom voor dien tijd zoo aanzienlijk
+als geen Duitsch vorst dien bezat.
+
+Nu zegt men wel eens voor een spreekwoord: geld geeft moed, maar ook
+overmoed. En dit spreekwoord was ten volle van toepassing op Heer
+Jan Van Arkel. Rijk en machtig als hij was, verwant aan invloedrijke
+vorsten en edelen, meende hij niemand te behoeven te ontzien, en was
+hij terstond bereid, het zwaard te trekken en zijn onderhoorigen tot
+den strijd aan te voeren, als men hem ook slechts met een blik of
+een woord beleedigde.
+
+Behalve vele eereposten, onder andere het stadhouderschap over Holland,
+Zeeland en Friesland [6], bekleedde hij ook het rentmeesterschap van
+Holland, welke betrekking hem door Hertog Albrecht was opgedragen
+en die bij hem in goede handen was, daar deze graaf van Holland
+dikwijls uit geldgebrek genoodzaakt was, zijn toevlucht tot dien
+rijken rentmeester te nemen en zich van hem aanzienlijke sommen
+liet voorschieten. Met weet niet met juistheid, of de aanleiding tot
+den oorlog tusschen den Hollandschen graaf en Jan Van Arkel hierin
+moet gezocht worden, hetgeen overigens geen wonder zou zijn, daar
+geld zoowel vrienden als vijanden maakt. Eerst was men van meening,
+dat de twist ontstond, doordat Jan Van Arkel geweigerd zou hebben,
+rekening en verantwoording van zijn rentmeesterschap te doen--doch
+algemeen zijn de geschiedschrijvers hiervan teruggekomen, omdat
+het gebleken is, dat Jan Van Arkel slechts een jaar rentmeester is
+geweest en in het begin van 1394 rekening en verantwoording heeft
+gedaan, waarbij uitkwam, dat hertog Albrecht hem nog een aanzienlijke
+som schuldig bleef [7]. De waarheid zal hier in het midden liggen:
+Jan Van Arkel, die den hertog deze gelden niet wilde kwijtschelden,
+bleef op de betaling daarvan aandringen, en de hertog, die de eer
+aan zich wilde behouden, weigerde de rekening en verantwoording te
+erkennen. Daarbij kwam nog iets, dat van zeer veel belang is. Hertog
+Albrecht, benevens zijn zoon, de graaf van Oostervant (later Willem
+VI), behoorden uit den aard der zaak tot de Hoeksche (de conservatieve
+partij), terwijl de trotsche Jan Van Arkel, misschien alleen uit
+overmoed geneigd het regeerend Huis te dwarsboomen, de partij der
+Kabeljauwschen (liberalen) had verkozen. Nu spreekt het vanzelf,
+dat er niets bij de regeeringspartij kon gebeuren, of Jan Van Arkel
+wist iets ter berisping te berde te brengen, en inderdaad gebeurde er,
+helaas, dikwijls iets in Den Haag, dat sterke afkeuring verdiende. Zoo
+bijvoorbeeld liet zich Hertog Albrecht zeer beheerschen door een
+aanzienlijke jonkvrouw, Aleid Van Poelgeest genaamd, en deze dame
+werd op zekeren avond met haar hofmeester, Willem Kuser, in Den
+Haag vermoord (21 Sept. 1393). Dadelijk na dien moord verzuimde Jan
+Van Arkel niets, om Albrechts zoon, die de vlucht had genomen en
+zeker niet geheel onschuldig was, bij den vader in het hatelijkste
+daglicht te stellen, en Hertog Albrecht had dan ook in den beginne de
+medeplichtigen aan den moord met gestrengheid vervolgd,--maar later
+had hij de vervolging gestaakt en zich weder met zijn zoon verzoend
+(1395). De graaf van Oostervant (Albrechts zoon), die aan Jan Van Arkel
+de schuld gaf van de plaats gehad hebbende oneenigheid, hitste nu zijn
+vader en al de Hoeksche edelen tegen Jan Van Arkel op en ging zelfs
+zóó ver, dat hij van Albrecht verkreeg, dat deze de heerlijkheden
+van Arkel in Holland verbeurdverklaarde en hem ten eeuwigen dage
+uit Holland verbande. Thans greep Jan Van Arkel naar het zwaard,
+en een aanzienlijke krijgsmacht op de been brengende, viel hij in
+Holland en verwoestte verscheidene plaatsen. Graaf Willem verzamelde
+de Haarlemmers, de Kennemers, de Leidenaars en Amsterdammers, die
+hij, onder bevel van Hendrik Van Wassenaar, burggraaf van Leiden,
+naar het Arkelsche gebied zond, waar zij niet minder verwoesting
+teweegbrachten, maar door de Arkelschen met donderbussen begroet en
+tot de vlucht genoodzaakt werden. Nu nam Hertog Albrecht scherpere
+maatregelen. Gesterkt door hulpbenden uit Engeland, Kleef en Utrecht,
+sloeg Albrecht het beleg voor Gorcum (29 Juni 1402) en niettegenstaande
+de dappere verdediging zag Jan Van Arkel zich genoodzaakt, het verdrag
+aan te nemen, dat Jan Van Beieren, bisschop van Luik, had bewerkt. Bij
+dit verdrag was bepaald, dat Jan Van Arkel Hertog Albrecht en diens
+zoon binnen Gorcum op de knieën vergiffenis moest vragen en dat het
+vaandel des Hertogs één dag op den Arkelschen burcht zou wapperen.
+
+Welk een vernedering voor den trotschen edelman! Welk
+een ongerechtigheid van de zijde van Hertog Albrecht en diens
+zoon! Hoeveel onschuldig bloed werd er om hunner zonden wil, om hun
+eer- en heerschzucht gestort. Maar meen niet, dat het de schuld
+was van die duistere tijden, toen het Christendom hoofdzakelijk
+bestond in kerkelijke plechtigheden, die niemand begreep en weinig
+nut aanbrachten, in het prevelen van Latijnsche gebeden, door het
+volk niet verstaan, in een dwazen Maria-dienst en de aanbidding
+der heiligen. Later toen de Hervorming doorbrak, en men zou denken,
+dat de zielen der menschen met vrede vervuld werden, bleek juist het
+tegendeel, en niet geheel ten onrechte zegt zeker schrijver, dat,
+naarmate het Evangelie verspreid wordt, ook de oorlogen meer en de
+menschenslachtingen grooter worden.
+
+Het verdrag tusschen Hertog Albrecht en Jan Van Arkel bleef niet
+lang van kracht. 't Schijnt, dat de graaf van Oostervant, de gezworen
+vijand van Heer Jan, hem en zijn onderzaten met allerlei kwellingen
+lastig viel, doch tot een hervatten der vijandelijkheden kwam het
+eerst na den dood van Hertog Albrecht (14 Dec. 1404). Beide partijen
+droegen hieraan schuld, daar zij elke gelegenheid te baat namen, om
+elkander te sarren. Zoo bijvoorbeeld gaf Willem VI, kort nadat hij
+den grafelijken troon bestegen had, in Den Haag een groot tornooi
+of ridderspel, waaraan vele aanzienlijke edelen deelnamen. Jan Van
+Arkel, die, waar hij kon, gaarne met zijn rijkdom schitterde en dus
+ook het tornooi wilde bijwonen, had in een schip al zijn kostbare
+wapenen, harnassen, lansen, gouden en zilveren versierselen naar
+Den Haag gezonden, doch toen het schip te Rotterdam kwam, werd het
+verbeurdverklaard. Waarschijnlijk geschiedde dit op bevel van den
+Hollandschen graaf, die naijverig was op de pracht van Jan Van Arkel
+en dezen wilde beletten, boven hem in glans uit te munten. Jan Van
+Arkel, dit hoorende, zond zijn boden naar Den Haag en eischte zijn
+goederen terug, maar hij klopte aan eens dooven mans deur, totdat
+het den meergemelden Jan Van Beieren gelukte, den graaf te bewegen,
+na het tornooi de goederen los te laten en Jan Van Arkel te bevredigen.
+
+Dit had intusschen weer kwaad bloed gezet. De burgers van Hagestein,
+wellicht aangespoord door Jan Van Arkel, vielen in het Nederstichtsche,
+waarop de Hollanders uittrokken, dezen te keer gingen en verscheidene
+gevangenen maakten. Graaf Willem besloot, deze gestreng te straffen,
+en liet ze naar Woudrichem tegenover Gorcum vervoeren, om ze daar,
+als in het gezicht van laatstgenoemde stad, op het rad ter dood te doen
+brengen. Toen dit Heer Willem Van Yssendoorn, een voornaam bevelhebber
+der heeren Van Arkel, vernam, haastte hij zich, deze gevangenen te
+verlossen. Met eenige krijgslieden, als kooplieden vermomd, gaat hij
+scheep, en te Woudrichem komende tracht hij, onder voorwendsel van
+tol te betalen, eenigen zijner mannen binnen de stad te brengen, om
+de poort te openen. Dit gelukt, en nu springen de overige krijgslieden
+het schip uit, verlossen de gevangenen, steken verscheidene huizen in
+brand, rooven en plunderen, en nemen ruim een dertigtal aanzienlijke
+burgers als gijzelaars mede naar Gorcum.
+
+Stel u thans de woede van Graaf Willem voor! Het kostte wat het
+wilde,--dezen hoon mocht hij niet ongewroken laten. Al de grafelijke
+rentmeesters ontvingen last, om zooveel geld als mogelijk was bijeen
+te brengen, ten einde de onkosten des oorlogs te kunnen bestrijden, en
+de graaf zelf riep al zijn edelen van Holland en Zeeland ter heirvaart
+tegen Jan Van Arkel op. Ook met Utrecht en den bisschop sloot Graaf
+Willem een verbond. Het duurde echter tot het midden van Juli 1405,
+vóór de oorlog met kracht aangevangen werd en wel met de belegering
+der reeds meergemelde sterkten en vestingen Everstein, Gasparne en
+Hagestein. Niettegenstaande de dapperste verdediging gelukte het
+toch aan de grafelijke bevelhebbers, zich van deze sterkten meester
+te maken, en wel door uithongeren. Zij hadden rondom elke sterkte
+diepe grachten gegraven, voorzien van een borstwering van palen, en
+sneden dusdoende allen toevoer aan de belegerden af. Jonker Willem
+Van Arkel sloot nu (19 Dec. 1405) een wapenstilstand tot den zomer
+van het volgende jaar.
+
+Misschien verwondert het u, dat Jonker Willem Van Arkel dezen
+wapenstilstand sloot, daar immers de graaf van Holland niet direct
+tegen den zoon, maar wel tegen den vader krijg voerde. En te meer
+baart dit verwondering, als wij in de historie lezen, dat de vader
+in geenen deele met dezen wapenstilstand tevreden was en den oorlog
+met kracht wilde voortzetten. De vraag is dus niet ongepast: in welke
+verhouding stond de zoon in dezen krijg tegenover zijn vader? Deze
+vraag, hoe gemakkelijk ook gesteld, is evenwel niet zoo licht te
+beantwoorden, omdat de gegevens weinige zijn. Nochtans hoe karig de
+geschiedenis hieromtrent ook zij, toch weten wij genoeg, om vast te
+stellen, dat Jonker Willem in geenen deele het fiere, halsstarrige en
+onbuigbare karakter had van zijn vader en dat hij volstrekt niet vrij
+was van een zekere zwakheid en wispelturigheid, die overigens aan de
+Van Arkels vreemd was. Wel is waar kan men tot zijn verschooning veel
+bijbrengen. Jonker Willem toch was de eenige spruit uit het doorluchte
+stamhuis der Arkels en hem wachtte nog een rijkere bezitting, als zijn
+oom Reinout, Hertog van Gelre of Gelderland, die geen kinderen had,
+kwam te overlijden. Jonker Willem begreep dus te recht, dat zijns
+vaders halsstarrigheid in het voortzetten van den oorlog wel eens
+ten gevolge kon hebben, dat hij niet slechts Arkel, maar zelfs de
+Geldersche erfenis verloor. Om die reden,--en misschien om die reden
+alleen--vinden wij dan ook zooveel wankelmoedigs, veranderlijks in het
+karakter van Jonker Willem, die nu eens, aangevuurd door de fierheid
+zijns vaders, met leeuwenmoed tegen den Hollandschen graaf streed en
+straks zijn eigen wapenen tegen zijn vader keerde, om weinig tijds
+daarna weder vol berouw aan diens voeten te vallen en zich opnieuw
+tot den strijd tegen Willem VI aan te gorden. In den loop van ons
+verhaal zullen wij gelegenheid hebben, hierop nader terug te komen.
+
+Jan Van Arkel keurde den wapenstilstand, dien zijn zoon met den
+graaf van Holland gesloten had, in geenen deele goed. Hij wilde van
+geen vrede weten, ten minste niet, nu hem deze drie sterkten ontnomen
+waren, en hij rekende zich nog machtig genoeg, om Willem VI het hoofd
+te kunnen bieden. Zijn Zwager, hertog Reinout van Gelre, beproefde
+tevergeefs dat stugge, trotsche gemoed te buigen; hij vermocht niets
+anders van Jan Van Arkel te verkrijgen, dan dat deze Walraven Van
+Brederode in vrijheid stelde. Van dezen Walraven heb ik u reeds iets
+verteld in de noot op bladz. 13 en 14; tot nadere opheldering wil ik
+er bijvoegen, dat deze Walraven een trouw aanhanger was van Willem
+VI en niets onbeproefd liet, om van zijn gevangenschap ten gunste
+van den graaf partij te trekken. Gij kunt wel begrijpen, dat er in
+Gorcum verscheidene personen waren, die het in het geheim met den
+Hollandschen graaf hielden en die de gedurige oorlogen moede waren,
+welke zij alleen aan de halsstarrigheid en trotschheid van Jan Van
+Arkel toeschreven, zoodat zij blijde zouden zijn, als zij van dezen
+laatste ontslagen en onder het bestuur van den graaf gebracht waren. En
+niet ten onrechte klaagden velen. Want oorlog brengt verwoesting,
+ziekte en hongersnood mede; de inwoners der steden en dorpen werden
+verjaagd, hun velden vernield, hun zonen gedood,--kortom allen,
+althans de meest aanzienlijke inwoners van Gorcum, verlangden naar
+vrede, en, zoo deze niet anders te verkrijgen was, den ondergang van
+Jan Van Arkel. Walraven Van Brederode had deze gemoedsstemming der
+Gorcummers gedurig aangewakkerd, en toen hij nu door bemiddeling van
+Hertog Reinout van Gelre vrijheid kreeg, om van tijd tot tijd naar
+zijn familie te vertrekken, sprak het wel vanzelf, dat hij ook niet
+vergat, Graaf Willem VI in Den Haag op te zoeken, ten einde met hem
+te overleggen, op welke wijze Gorcum en het slot der heeren van Arkel
+het gemakkelijkst in handen te krijgen. Ik behoef u niet te zeggen,
+dat Graaf Willem dit zeer begeerde, en schoon hij niet rijk was, wist
+hij toch nog altijd goud genoeg voor Walraven bijeen te krijgen, die
+hiermede moest werken, daar geld sedert eeuwenoude tijden het meest
+beproefde middel is geweest, om vrienden tot verraders te maken. En
+eigenlijk gezegd deed dit ook Walraven,--schoon met de beste bedoeling,
+namelijk om zijn wettigen heer te bevoordeelen en hem Gorcum als
+een schoone parel aan de grafelijke kroon te vlechten. Maar laag
+is het altijd, den verrader te spelen en anderen tot verraders en
+afvalligen om te koopen. Gorcum behoorde aan Jan Van Arkel, en zoo
+deze de stad door een oorlog verloor, kon hij slechts jammeren over
+de ongelukkige kansen van den krijg--maar zoo hem de stad ontweldigd
+werd door het verraad van hen, op wie hij zijn vertrouwen stelde en
+aan wie hij dikwijls gunsten en voorrechten had verleend, dan had
+hij reden, om met alle weldenkenden laag neder te zien op menschen,
+die van zulke verachtelijke middelen gebruik maakten.
+
+Zoo stonden nu de zaken, en daar ik geloof, dat gij nu op de hoogte
+van de geschiedenis zijt, vat ik den draad van mijn verhaal weder op
+en breng u in de gewelven onder het huis van den edelman Quannevan.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+Waarin van een samenzwering en saliemelk verteld wordt.
+
+
+Jennike had de kamer verlaten, maar was volstrekt niet van zins,
+om zoover buiten de stad te gaan en den steenbakker Pekeric te gaan
+roepen. Niet dat zij wegens de moeite en den afstand tegen deze
+boodschap opzag,--volstrekt niet. Al ware het nog tweemaal verder
+geweest en het weder nog donkerder en onstuimiger, zou zij er niet
+tegen opgezien hebben, den wensch van den edelman te vervullen,--maar
+zij vertrouwde de dingen en nog veel minder de personen niet, die
+haar heer omgaven. Buitendien er waren geruchten tot haar gekomen--hoe
+wist ze zelf niet, misschien had zij ze in een droom gehoord--dat er
+een samenzwering op til was tegen Heer Jan Van Arkel. Er heerschte
+veel ontevredenheid in de stad wegens de gedurige oorlogen en
+de onverzettelijkheid van Heer Jan, om met den graaf van Holland
+vrede te maken. Zij wist, dat Walraven Van Brederode in het geheim
+bijeenkomsten hield met aanzienlijke personen, onder anderen met
+Jan Gerardijn, proost en deken van het canonikale college dier stad,
+met de gebroeders Herlaars en anderen,--menschen, die een vriendelijk
+gelaat in zijn bijzijn aan Heer Jan Van Arkel vertoonden, maar achter
+zijn rug tegen hem samenspanden. Van dezen handel had zij een gruwel,
+te meer omdat het haar bekend was, hoe Heer Jan Van Arkel dezen Jan
+Gerardijn, die van arme ouders stamde, door ondersteuningen in geld
+in de gelegenheid gesteld had, tot zulk een hooge betrekking op te
+klimmen. En meer dan ooit besloot zij een waakzaam oog te houden,
+vooral toen het haar bleek, dat Walraven Van Brederode in de laatste
+dagen dikwijls uit de stad geweest was en telkens bij zijn terugkomst
+bijeenkomsten gehouden had met bovengemelde personen.
+
+Jennike was in geenen deele dom, en wie haar beschuldigde van verstand
+ontbloot te zijn, sloeg de plank geheel mis. Zij vermoedde, dat er
+weder een geheime samenkomst op til was; het was alsof haar iemand
+zeide, dat die samenkomst in de gewelven van het benedenhuis zou
+plaats vinden en dat het bezoek der beide schepenen slechts diende, om
+Quannevan bezig te houden en zijn opmerkzaamheid op hetgeen er beneden
+mocht plaats grijpen af te leiden. Zij kon dus het huis niet uit, zoo
+zij de bewegingen der verraders wilde gadeslaan. Maar hoe zou het dan
+gaan met de boodschap aan den steenbakker? Zij mocht toch haar meester
+niet ongehoorzaam zijn. In haar angst riep zij tot God om hulp--en
+spoediger dan zij verwachten kon, daagde deze op. Aart kwam te huis,
+en wetende, dat hij een liefhebber was van saliemelk, beloofde zij
+hem een ketel vol, als hij voor haar de boodschap ging verrichten.
+
+Nauwelijks was Aart weg, of haar luisterend oor meende iets onder
+in het huis te vernemen. Zachtjes sloop zij uit haar keuken naar
+een klein vertrekje, dat onmiddellijk boven het middelste gewelf
+gebouwd was. Zij legde zich hier plat op den grond met het oor op
+den estriken vloer, doch zij kon niets vernemen, dat naar eenig
+gesprek of woord geleek. Het baatte haar dus niets, al bleef zij
+hier ook den ganschen avond op de loer,--en weten moest zij wat er
+onder haar gebeurde. Eensklaps viel het haar in, wel eens gehoord te
+hebben, dat er in de kast van het vertrekje, waarin zij zich thans
+bevond, een deur was, die op een gang uitkwam, aan welker einde een
+trap naar de gewelven voerde. Wat zou zij nu doen? Zou zij zich in
+de duisternis van die gang wagen? Zou zij tot in de nabijheid der
+samenzweerders afdalen? Hevig klopte haar hart, want de vrees, dat men
+haar ontdekken en wellicht van het leven berooven zou, woog zeer zwaar
+bij haar. Eenige oogenblikken stond zij stil en dacht na wat zij doen
+zou, maar ook slechts eenige oogenblikken, want twee minuten later
+stond zij reeds in de kast, tastte langs alle reten en kieren of zij
+ook den verborgen ingang kon vinden, en wilde--ontmoedigd--reeds het
+zoeken opgeven, toen zij met haar voet tegen een klein, hard voorwerp
+stiet. Zij bukte zich, om dit te bevoelen, en ontdekte, dat het de
+knop eener veer was. Op dezen drukte zij met de volle kracht harer
+hand en langzaam rees de deur opwaarts, en stroomde haar de koele,
+vochtige nachtlucht uit de gang tegen, te gelijk met een huivering,
+die haar plotseling overviel. Doch zij mocht zich geen tijd gunnen
+tot overleggen, en eenigszins haastig, maar toch met bedachtzamen
+tred betrad zij de donkere gang, aan welker einde zich de steenen
+trap bevond. Nauwelijks had zij deze bereikt, of de stemmen, die
+zij straks had meenen te hooren, werden nu duidelijk verstaanbaar,
+en niet verder durvende gaan, zette zij zich op een der treden neder
+en luisterde thans met scherpe aandacht, wat zij des te gemakkelijker
+kon doen, daar zij in dezen haren schuilhoek door niemand kon gezien
+of gehoord worden. Ook zijzelf zag niemand, en het eenige, wat zij
+waarnam, was het zwakke licht van een paar kaarsen, welker schijnsel
+door eenige spleten en scheuren tot haar doordrong.
+
+Gedurende eenige minuten vernam zij niets dan eenig gemompel, doch
+straks hoorde zij een stem, die zeide:
+
+"Is heer Bruyn Woutersz. nog niet gekomen?"
+
+"Neen," was het antwoord.
+
+"Ik ken die stemmen," fluisterde Jennike. "De vrager is Jan Gerardijn,
+de proost onzer kerk. Die Judas! Onder zijn heilig gewaad verbergt
+hij het verraad tegen zijn weldoener. Maar God zal hem te zijner tijd
+wel vinden! De andere stem is die van Arend Van Goor."
+
+"En is Heer Walraven Van Brederode verwittigd, dat wij te zeven uren
+hier zouden bijeenkomen?" vroeg Jan Gerardijn.
+
+"Ja, eerwaarde heer," antwoordde Arend Van Goor. "Maar het is mogelijk,
+dat hij eenig oponthoud heeft gehad en een weinig later zal komen,
+daar hij zijn weg herwaarts over Utrecht wilde nemen, ten einde nog
+met den bisschop eenige zaken nader te overleggen."
+
+"Als hij ons dan maar niet tevergeefs laat wachten want op
+zijn verzoek zijn wij immers hier saamgekomen, en zou hij ons de
+noodige bescheiden van Graaf Willem--de heilige Maagd behoede onzen
+vorst!--medebrengen. Gij begrijpt dus wel, dat wij van onzen kant
+wel te huis hadden kunnen blijven, als wij zeker wisten, dat hij
+oponthoud gekregen heeft."
+
+"Heer Walraven is anders voortvarend genoeg," zeide een andere stem.
+
+"Dat is de stem van Gerrit Herlaar," fluisterde Jennike. "Ik herken
+hem aan zijn grove spraak."
+
+"En niet alleen voortvarend," zeide Van Goor, "maar ook ijverig. Wat
+hij onderneemt zet hij met alle kracht door, en ik zou mij zeer
+moeten bedriegen, als wij hem niet binnen weinige oogenblikken in
+ons midden zagen."
+
+"Het beste is, dat wij dan maar met geduld wachten. Weet ook iemand
+uwer, hoe het hierboven gesteld is en of de ingang van dezen kelder
+goed bewaakt wordt?"
+
+"O, daarop kan ik u het beste antwoord geven," sprak een stem, die
+door Jennike als van Rutger Van der Haar, een der schepenen, herkend
+werd. "Zooals Uw Eerwaarde bekend is, heb ik dezen kelder in gebruik
+als bergplaats van koopmansgoederen, en mijn knecht Dirk, die zoo
+trouw is als goud, staat aan den ingang en laat niemand door, die het
+wachtwoord niet weet. Hij heeft van mij den last ontvangen, ons door
+een schel gefluit kennis te geven van naderend gevaar, daar wij toch
+op onze hoede moeten wezen. Mocht dat gevaar waarlijk bestaan, welnu
+dan nog geen nood. Wij blazen eenvoudig de lichten uit en vluchten. Ook
+moet ergens een trap uitkomen, die--ik weet niet waar--heen geleidt."
+
+Jennike's hart klopte hevig bij het hooren dezer woorden.
+
+"Ik bemerk, dat gij uw voorzorgen goed genomen hebt," zeide de proost,
+"maar mijn vraag: hoe het hierboven gesteld is, hebt gij nog niet
+beantwoord."
+
+"Ook daaromtrent kan ik u geruststellen, eerwaarde Heer," hernam Rutger
+Van der Haar. "Mijn beide medeschepenen Jacob Roelofsz. en Boudewijn
+De Ledige houden den ouden edelman gezelschap, en om hem nog meer
+afleiding te bezorgen, en vooral om de meid--die looze feeks--uit het
+huis te krijgen, zullen zij Quannevan overhalen haar naar buiten te
+zenden tot Willem Pekeric den steenbakker. Ha! ha! ha! Het zal haar
+op dien duisteren weg niet invallen, dat wij haar die poets gebakken
+hebben.... Maar daar komt iemand."
+
+"Het is Heer Walraven Van Brederode!" zeide Jan Gerardijn, naar voren
+gaande en den binnenkomende de hand reikende. "Welkom, Heer! Ik moet
+zeggen, gij zijt een man, die uw tijd kent."
+
+"En zoudt gij meenen, eerwaarde Heer," sprak Brederode, eenigszins
+driftig, "dat een Brederode zijn woord kon breken? Neen, ik zou
+gekomen zijn, al had ook Van Arkel den geheelen weg met palen laten
+afzetten. Een vroom edelman springt over alle bezwaren heen. En ik
+verzeker u, ik heb er niet weinige gehad," vervolgde hij, zich het
+zweet van het voorhoofd wisschende. "Maar daarover later. Thans ben
+ik hier en mijn eerste vraag moet nu zijn, of de vrienden allen weten
+waartoe deze bijeenkomst strekt."
+
+"Ik heb het hun daar zooeven juist herinnerd, edele Heer," gaf Jan
+Gerardijn ten antwoord, "en ik behoef u dus niet te zeggen, hoe wij
+allen begeeren te weten, welke de uitslag is geweest van uw pogingen
+bij den graaf."
+
+"Ja, wij allen verlangen hoe eer hoe beter van het gehate juk van
+Jan Van Arkel ontslagen te worden," riepen sommigen der aanwezigen.
+
+"Welnu dan, mijn vrienden, ik ben verblijd, dat ik u, die zulke trouwe
+aanhangers van onzen vorst zijt, goede tijding kan brengen. Ik had de
+eer, den graaf te spreken en uit zijn hand een brief te ontvangen,
+dien ik u voorlezen zal, terwijl hij mij opdroeg, u allen van zijn
+hooge toegenegenheid te verzekeren."
+
+"Leve onze graaf Willem VI!" schreeuwden sommigen, maar Jan Gerardijn
+wenkte hun met de hand en verzocht hun, hun geestdrift een weinig te
+matigen, hun het spreekwoord in herinnering brengende, dat sommige
+muren ooren hebben.
+
+"Ik wenschte echter vooraf een vraag te doen," zeide Arend Van Goor,
+"voordat de heer Van Brederode ons den brief voorleest."
+
+"En welke is die vraag?" vroeg Walraven.
+
+"Deze: hoe denkt Graaf Willem over Jonker Willem Van Arkel? Gij
+weet het allen, ik ben een gezworen vijand van Jan Van Arkel, maar
+tegen zijn zoon heb ik niets dan spijt, dat hij zijns vaders naam
+draagt. Welke zijn de gevoelens van den graaf omtrent jonker Willem?"
+
+"Graaf Willem," antwoordde Brederode, "heeft mij meer dan eens gezegd,
+dat hij zeer welwillend omtrent Jonker Willem denkt en dat hij niets
+liever zou zien, dan dat er tusschen hen beiden vrede en vriendschap
+bestond, maar dat, zoolang de zoon partij kiest voor zijn vader tegen
+den graaf, er geen sprake van kan zijn, om in vrede en vriendschap
+met Jonker Willem te leven."
+
+"Braaf gedacht van den graaf," zeide een der gebroeders Herlaar,
+"en daarom zou het, zoowel voor den graaf, voor Jonker Willem, als
+voor ons zeer wenschelijk wezen, dat er een scheiding bewerkt werd
+tusschen vader en zoon."
+
+"Hoe schandelijk!" fluisterde Jennike op de trap.
+
+"Ik zie er het nut niet van in," zei Jan Gerardijn, het voorbeeld
+volgende van menschen, die weldaden ontvangen en hun weldoeners
+ondankbaar zijn, "wat gaat het ons aan, of Jan Van Arkel in vrede
+dan wel in twist leeft met zijn zoon! Ons doel is, het land van de
+Arkelsche heerschappij te bevrijden."
+
+"Toch geloof ik, eerwaarde Heer, dat er in de woorden van Herlaar een
+diepere en goede zin ligt," zeide Brederode. "Ik heb over dit onderwerp
+reeds verscheidene malen met Herlaar en Van Goor gesproken, en ons
+gevoelen zoowel als dat van vele vroede mannen in Holland en Utrecht
+is, dat een scheuring tusschen Jan Van Arkel en zijn zoon voor ons
+uitermate voordeelig zou zijn. Maar er is nog meer: Zooals gij weet,
+is Hertog Reinout van Gelre, vooral wegens bloedverwantschap, zeer
+op de hand van Jan Van Arkel en zal hij nooit dulden, dat Gorcum aan
+de heeren Van Arkel ontrukt wordt. Wij kunnen ons verzekerd houden,
+dat, zoodra Graaf Willem Gorcum op deze wijze in zijn bezit brengt,
+Hertog Reinout onmiddellijk al zijn edelen en steden met Kleef en
+Meurs ter heirvaart zou oproepen en Gorcum voor zijn zwager en neef
+ontzetten, ten minste zou trachten te ontzetten. Het zou van onze zijde
+een staatkundige fout en ten nadeele van Graaf Willem zijn. Ik zal u
+zeggen, hoe naar mijn oordeel de lijn moet wezen, die wij te volgen
+hebben. Wij moeten een scheuring bewerken tusschen vader en zoon,
+met belofte aan den laatste, dat hij in het bezit van het Arkelsche
+grondgebied en deze stad zal gehandhaafd worden, zoo hij, met onze
+hulp, zijn vader het land uitdrijft of desnoods gevangenzet."
+
+"Dat zal moeilijk van den zoon geëischt kunnen worden," zeide Rutger
+Van der Haar, "en gewis zal hij dit ver van zich afwijzen."
+
+"Zeg dat niet--zeg dat niet," sprak Brederode eenigszins
+haastig. "Jonker Willem heeft wel een edel gemoed, maar hij is zwak van
+karakter, en bovendien, als het hem klaar voor oogen gesteld wordt,
+dat hij nimmer zijn vader in het bezit van Gorcum en het Arkelsche
+zal kunnen opvolgen, ja, dat hij wellicht alles zal verliezen, zoo
+hij de partij zijns vaders houdt--dan geloof ik, dat hij er wel toe
+te bewegen zal zijn, om aan de stem der eerzucht meer gehoor te geven
+dan aan die der kinderlijke liefde."
+
+"Ik zie evenwel nog niet in, dat dit ons veel zal baten," zeide de
+proost. "Wij willen met de Van Arkels niets uitstaande hebben."
+
+"Ik heb u reeds gezegd, eerwaarde Heer," antwoordde Brederode,
+"dat wij geen oorlog tusschen Graaf Willem en Hertog Reinout moeten
+uitlokken. Beiden zijn zeer machtige heeren en ons land zou daardoor
+het grootste nadeel lijden. Maar bovendien, heer Reinout wordt oud--en
+als hij gestorven is, hebben wij een vijand minder te duchten. Eerst
+de eene partij tot vriend gemaakt, en dan de andere verslaan; op
+deze wijze komen wij tot ons doel, en Graaf Willem, al is het ook
+niet onmiddellijk, in het bezit van Gorcum."
+
+"Als ik het plan wel begrijp," zeide Jan Gerardijn, "dan is het dit:
+eerst een scheuring tusschen Jan Van Arkel en Jonker Willem; daarna
+Hertog Reinout voor ons doel te winnen, en, door hem de eene of andere
+strook lands te beloven, gezamenlijk Jonker Willem uit het grondgebied
+te verjagen en Graaf Willem als heer des lands te huldigen."
+
+"Zoo is het--zoo is het!" zeide Brederode. "En ik wil er nog dit
+bijvoegen, dat ik voor een en ander weinig zwarigheden zie, zoo wij
+maar trouw blijven aan ons verbond en geen woord buiten deze muren
+brengen."
+
+"Ik zal wel zorgen, dat het buiten deze muren komt," fluisterde
+Jennike.
+
+"Wat mij betreft," vervolgde Brederode, "ik neem het op mij, Jonker
+Willem te belezen, onzen voorslag aan te nemen, en wat Hertog Reinout
+aangaat, ik reken op diens heerschzucht. Hij houdt meer van een schoone
+stede en nieuwe vesting dan van een neef, die in de verlegenheid
+zit. Mij dunkt, Hertog Reinout zal wel te vinden en te winnen zijn."
+
+"De Heilige Maagd en al de engelen te zamen mogen het u doen gelukken,"
+zeide de proost, "maar...."
+
+"Ik weet reeds, wat uw eerwaarde wil zeggen," viel Brederode hem in de
+rede, terwijl hij den duim zijner rechterhand eenigszins snel over den
+wijsvinger wreef, "gij herinnert u de tachtig duizend Fransche kronen,
+die Graaf Willem u en uw vrienden toegezegd heeft voor het geval,
+dat gij hem de stad in handen speelt. Nu, gij kunt gerust zijn, de
+graaf zal niet vergeten, wat hij u verschuldigd is voor de moeite,
+die gij doet. Hij weet, dat het geld u niet onverschillig is."
+
+Jan Gerardijn beet zich op de lippen. Het was algemeen bekend, dat
+de proost een minnaar was van het klinkend metaal, en er waren zelfs
+onder zijn vrienden, die hem verdacht hielden, dat hij geen oneerlijke
+middelen schroomde, als het gold zijn schat te vermeerderen.
+
+"Ik wilde maar zeggen," hernam Jan Gerardijn, zich bedwingende,
+"dat ik toch liever uit den mond van den graaf zelf de verzekering
+ontving zijner gunst en daarom heb ik reeds met vriend Van Goor de
+afspraak gemaakt, naar Den Haag te trekken en den graaf op te zoeken."
+
+"Gij kunt doen, wat gij wilt, eerwaarde Heer," zeide Brederode, die
+zich een weinig gekwetst gevoelde in zijn eigenliefde, "en wanneer
+denkt gij er heen te gaan?"
+
+"Eerstdaags."
+
+"Nog voordat ik met Jonker Willem gesproken en de scheuring bewerkt
+heb."
+
+"In het laatste geval zou ik immers een boodschapper van goede tijding
+zijn," zeide Gerardijn, "en de graaf..."
+
+"Zal u dan niet met ledige handen laten gaan," viel hem Brederode,
+die een kleine wraak wilde nemen, in de rede.
+
+"Mag ik u beiden herinneren," liet zich Rutger Van der Haar hooren,
+"dat wij op deze wijze veel kostbaren tijd verliezen. Ik geloof,
+dat wij moeten handelen en tot een besluit komen."
+
+
+
+------
+FIGURE
+------
+
+
+
+"Goed gesproken," zeide Gerrit Herlaar, "en ik geloof, dat zich beide
+zaken best laten vereenigen: de eerwaarde heer proost vertrekt met
+Van Goor naar Den Haag, om nog eenige punten met den graaf vast te
+stellen, b. v. verzekering van zijn bescherming tegen een mogelijken
+aanval van Van Arkel of tegen een niet gewenschte mislukking onzer
+plannen. Middelerwijl kan Brederode Jonker Willem een bezoek op den
+burcht brengen en hem trachten over te halen, onze partij te kiezen,
+hetgeen hem, bij het wankelmoedig karakter van den jongen man, wel
+gelukken zal. Willen wij dit zoo voor afgesproken houden?"
+
+"Goed, zeer goed!" antwoordden verscheidene stemmen, en
+Brederode knikte met het hoofd ten teeken, dat hij hierin
+bewilligde. Middelerwijl had deze een papier uit een plooi van zijn
+lijfrok te voorschijn gehaald en, na het ontvouwd te hebben, op een
+tafel gelegd.
+
+"De brief van den graaf! de brief van den graaf!" riepen Van Goor en
+Gerardijn. "Heer Brederode zal zoo vriendelijk zijn, ons den brief
+voor te lezen."
+
+"Dat is mijn voornemen," sprak Brederode, "en gij zult daarin bevestigd
+zien, dat de graaf uw ijver voor zijn zaak op den rechten prijs
+stelt. Hij belooft u allen aanzienlijke posten, groote voorrechten
+en.... aan geld zal het niet ontbreken."
+
+Al de samenzweerders drongen thans rondom Walraven Van Brederode, die
+zich gereedmaakte, bij het licht der kaars den brief voor te lezen,
+toen plotseling allen hevig ontstelden en den blik naar een duisteren
+hoek richtten.
+
+"Wat is het?" fluisterde de proost, bleek van schrik, en zich achter
+Heer Walraven plaatsende. "Wat is dat? O! O! Daar is het weer!"
+
+Nu kan ik juist niet zeggen, dat datgene, wat de personen, die in den
+kelder waren, hoorden, zoo akelig was en zoozeer om te ontstellen,
+maar wij moeten in het oog houden, dat niet alleen het oponthoud
+in die donkere gewelven, maar ook het doel der samenkomst weinig
+geruststellends en bemoedigends had, en ten volle werd de spreuk
+uit een der psalmen van David bevestigd: "de goddeloozen vlieden,
+waar geen gevaar is."
+
+"Daar is het weer!" fluisterden de samenzweerders.
+
+"Houdt u stil!" zeide Van Goor, zoo zacht mogelijk, "en blaast het
+licht uit, opdat ons niemand verrasse!"
+
+Op hetzelfde oogenblik, terwijl aller lippen bezig waren de kaarsen
+uit te blazen, hoorde men--misschien reeds voor de tiende maal--een
+geroep, dat blijkbaar van de trap kwam, die Rutger Van der Haar daar
+straks had aangewezen. Thans was het evenwel zóó duidelijk, dat men
+zijn ooren niet behoefde te spitsen, om te vernemen, dat er iemand
+boven in het huis "Jennike!" riep.
+
+"Jennike! Jennike!" herhaalde dezelfde stem, thans lager komende.
+
+"Het wordt tijd, dat wij zoo schielijk en zachtjes mogelijk deze
+plaats verlaten," fluisterde Van der Haar, "want zoo wij hier nog
+langer toeven, zou het best kunnen gebeuren, dat de roepende ons hier
+verraste, en dit zou ons geen van allen lief zijn."
+
+Die raad werd opgevolgd, en zoo stil mogelijk slopen de samenzweerders
+heen, de een na den ander, doch niet zonder zich hier en daar aan
+een vooruitspringenden steen of ander voorwerp te stooten, daar het
+thans volslagen duister in den kelder was.
+
+Voor ons is het geen raadsel, van waar en van wien de stem kwam. Gij
+zult u nog wel herinneren, dat Jennike, die reden had van te huis te
+blijven, Aart naar buiten had gezonden, om de boodschap te verrichten,
+welke de edelman haar opgedragen had. Aart was teruggekomen en hoopte
+nu de beloofde saliemelk te genieten, die hem in dit gure weer zeer
+welkom zou zijn, maar in de keuken komende, vond hij nòch Jennike,
+nòch eenig spoor van saliemelk. Teleurgesteld zette hij zich bij den
+kouden haard en rakelde de glimmende kolen bijeen, ten einde een vuur
+te ontsteken, ieder oogenblik Jennike hopende te zien. Maar Jennike
+kwam niet. Hij wachtte en wachtte, zette zich op een laag bankje bij
+het nu flikkerend vuur en viel in slaap. Hij begint te droomen en
+in zijn droom is het hem alsof iemand hem een slag geeft op den rug,
+nog een slag, twee--drie--vier. Hij wil schreeuwen, wordt wakker--en
+daar staat de edelman Quannevan, met een van drift bloedrood gelaat
+voor hem, die hem een hagelbui van karwatsslagen op den rug toedient
+en hem toeroept:
+
+"Zoo luiaard! Dwingt gij mij, u hier op te zoeken, rekel! Ik heb reeds
+twintigmaal u en die draalkous van een meid geroepen. Waar is zij?"
+
+"Ik weet--ik weet het niet," stotterde Aart, zijn rug wrijvende.
+
+"Weet gij het niet!" riep Quannevan woedend uit en paf! daar kreeg Aart
+weer een streek over den rug, "dat moet gij weten. Zij is toch voor
+een half uur te huis gekomen, nadat zij den steenbakker Pekeric bij
+mij ontboden had, en dus moet zij hier zijn. Weten wil ik het waar zij
+is, en nu zeg ik u, als gij mij niet binnen drie minuten nog een kan
+wijn brengt en binnen vijf minuten zeggen kunt waar die draalzak is,
+dan sla ik deze karwats op uw rug stuk. Ik heb thans geen tijd meer,
+om mij met u in te laten, daar mijn drie gasten mij wachten."
+
+Hij hief nog eens dreigend de karwats op en verliet de keuken. Aart
+gunde zich geen oogenblik tijd, om te bedenken, waar hij zich het
+meest moest wrijven,--hij haastte zich, den wijn te brengen, en
+bleef ook geen minuut langer, om toe te zien, hoe de dobbelsteenen
+over de tafel rolden en de schepenen met den nieuwen gast den beker
+ledigden;--de vurige oogen van den edelman waren voldoende, om hem
+tot spoed aan te manen. Zoo snel hij kon, spoedde hij zich weer
+naar de keuken en van daar naar ieder vertrek in het huis, waar hij
+vermoedde, dat zich Jennike kon bevinden. Eindelijk kwam hij ook
+in de ons reeds bekende kast, en niet wetende wat die opgeschoven
+deur en die donkere gang beteekenden, begon hij eerst zacht en daarna
+steeds harder "Jennike!" te roepen. Jennike had hem wel gehoord, maar
+daar zij hoopte, dat hij spoedig stil zou zwijgen, verried zij haar
+schuilplaats niet, waarvoor zij reden meende te hebben,--doch toen
+zijn geroep niet bedaarde en zij ook geen geluid meer uit den kelder
+vernam, haastte zij zich, hem te gemoet te gaan, en fluisterde hem in:
+"houd u stil en zeg niemand, waar gij mij gevonden hebt. Tot belooning
+zal ik u ook een dubbele portie saliemelk bereiden, goede Aart."
+
+Aart was inderdaad goed. Hij had reeds op de lippen haar te zeggen
+wat hij om harentwil geleden had, maar het uitzicht op een dubbele
+portie saliemelk verzoette alles, en nadat hij den edelman bericht
+had gegeven, dat Jennike in de keuken was, zette hij zich op zijn
+bankje neer, wachtende op de dingen, die daar komen zouden, terwijl
+de lieflijke saliegeur zijn neusvleugels deed zwellen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+Jonker Willem Van Arkel en zijn bezoekers.
+
+
+Misschien bestond er weleer in Nederland geen trotscher, sterker
+en prachtiger slot dan dat des heeren Van Arkel, en zeer is het te
+bejammeren, dat er van al die heerlijkheid zelfs geen spoor meer is
+overgebleven. Niet door den tand des tijds noch door het geweld van
+stormen en onweer is het ineengestort en met den grond gelijkgemaakt,
+maar de verwoestende hand des gewelds, de mokers en houweelen, de
+brandfakkels des oorlogs hebben dit ontzaglijke gevaarte zoodanig
+gehavend, dat er van gezegd kan worden, dat men zijn plaats niet
+meer kent, gelijk een bloem, over welke de wind is heengegaan. Dit
+is het geval met alles op deze aarde. Hoe hecht en sterk, hoe groot
+en trotsch men ook heden ten dage moge bouwen, er komt eens een dag,
+waarop dat alles in elkander stort, omdat deze aarde den stempel der
+vergankelijkheid draagt.
+
+Het is geenszins mijn voornemen, u een uitvoerige beschrijving te
+geven van dien prachtigen burcht, want dat zou mij te veel afleiden
+van de gebeurtenissen, die ik u wenschte mede te deelen. Alleen wilde
+ik u zeggen, dat een der voorvaderen van Heer Jan Van Arkel dezen
+burcht tusschen de jaren 1230 en 1267, aan de Noordoostelijke zijde
+van Gorcum aan den rechteroever der Linge heeft gesticht. Het gebouw,
+zegt een oud geschiedschrijver, was zóó aanzienlijk, dat er zijns
+gelijke in gansch Duitschland niet geweest is. Kemp geeft er ons in
+zijn beschrijving van Gorcum de volgende vermelding van: "Het hoge Hof
+hadt in zijnen omgang zeve onwinbare Toornen, met een hooge, lange en
+wijde zaal, en een schoone kapel kostelijk verciert, daar de Heeren,
+Vrouwen en Kinderen van Arkel den Godsdienst in hoorden. 't Middelste
+Hof had vier grote, zwaare Toornen, en beide de Hoven een grote,
+wijde omgaande gragt. Het nederste Hof had rondom een grote, dikke,
+hoge cingelmuur, met veele sterke Toornen en een grote voorpoort,
+in 't midden van 't nederhof stond een grote, schone kerk met een
+Choor voorzien, waarin de gemeene Dienaars van de Heeren Van Arkel
+dagelijks den Godsdienst hoorden. Dezelve Burg had ook schone hoven en
+boomgaarden, en langs de steeg of Dalemsche weg, grote opgaande boomen,
+een werk, dat het gezigt der aanschouwers met verwondering steroogende
+naar zig trok." Als de lezer vergelijken wil wat ik in voorgaande
+deeltjes van mijn "Historische Verhalen" ten opzichte der burgen,
+sloten en kasteelen gezegd heb, zal het hem niet moeilijk vallen te
+weten wat er onder 't "hoge, middelste en nederste Hof" alsmede van den
+"Singelmuur" moet verstaan worden, en dus veronderstellende, dat hij
+eenigszins in zulk een burcht of kasteel te huis is, noodig ik hem uit,
+mij naar het plein van het "middelste Hof" te volgen, waar ik hem in
+kennis zal brengen met eenige belangrijke personen uit ons verhaal.
+
+Het was in den vroegen morgen van den 31sten Maart van het jaar
+1406, dat een jeugdig man, wien men het zoowel aan zijn kleeding
+als aan zijn voorkomen kon aanzien, dat hij tot den aanzienlijken
+stand behoorde, de hooge poort van het kasteel uittrad en het plein
+opging. Hij liep eenigszins haastig, zoodat het blauw-fluweelen en
+met pelswerk omboord manteltje, dat om zijn schouders geslagen was,
+in den wind heen en weder fladderde. Hij sloeg hier echter geen acht
+op, daar zijn oog gericht was naar de voorpoort, waarvan de ijzeren
+deur juist door een paar lijfwachten geopend werd, om den toegang te
+geven tot een ruiter, die langzaam de brug van de gracht overreed en
+zijn paard tot spoed aanzette, zoodra hij den jongen man gewaarwerd.
+
+"Hoe verblijdt gij mij, Splinter, dat gij mij komt bezoeken. Ik zag u
+van den Ruiterstoren in de verte aankomen en haastte mij, u te gemoet
+te gaan."
+
+Hij drukte hem daarbij hartelijk de aangeboden hand en wenkte een
+der toegesnelde dienaren, om het paard, dat den ruiter gedragen had,
+naar den stal te geleiden en goed te verzorgen.
+
+"Het doet mij leed, Willem, dat mijn bezoek slechts van korten duur
+zal zijn. Ik moet reeds over een uur vertrekken, daar ik nog een
+langen rit voor mij heb en gaarne morgen in Arnhem wenschte te zijn,
+schoon ik vrees, dat dit niet lukken zal."
+
+"Dat spijt mij zeer," zeide Willem, die niemand anders was dan
+Jonker Willem Van Arkel, die zijn vriend Jonker Splinter Van
+Nieuwenroode verwelkomde, "ik had gehoopt, dat gij een paar dagen
+bij mij vertoefdet, om mij de eenzaamheid op dezen burcht draaglijk
+te helpen maken."
+
+"Ik dacht, dat uw zwager, Heer Jan Van Egmond [8], en diens broeder,
+Willem Van IJselstein, u gezelschap hielden. Ook verwachtte ik hier
+een aanzienlijk gezelschap van heeren en ridders, die uw nieuwe
+donderbussen wenschen te bezichtigen."
+
+"Allen zijn reeds eergisteren vertrokken. Mijn zwager is naar Haarlem
+en Willem Van IJselstein wilde Otto Van Heukelom gaan bezoeken, zoodat
+ik moederziel alleen ben met Simon, mijn zoogbroeder, die mij soms
+met zijn droomerijen en bange voorgevoelens verveelt, en ik dan maar,
+bij gebrek aan beters, het gezelschap opzoek van pater Bernardus en van
+mijns vaders geheimschrijver, dien hij, gelukkig, heeft hier gelaten
+en die mij dan iets uit onze kronieken voorleest. Doch laat ons naar
+binnen gaan. De rit zal u warm gemaakt hebben en het is hedenmorgen
+juist niet aangenaam, om buiten te staan."
+
+Beide jonge mannen traden hierop het kasteel binnen en Jonker Willem
+geleidde zijn vriend door verscheidene gangen en langs een paar
+steenen trappen naar een rond vertrek in een der torens, waaruit
+men door een smal venstertje het uitzicht had op Gorcum, de beide
+rivieren en omliggende vlekken. Een goed vuur brandde er in den haard,
+en daar Jonker Splinter inderdaad een weinig huiverig geworden was,
+plaatsten zij zich beiden bij het vuur.
+
+Het was een schoon gezicht, die beide jeugdige vrienden, wier
+gelaat blonk van het geluk, eenige oogenblikken elkanders bijzijn te
+genieten. Hoewel zij beiden even oud en pas hun twee-en-twintigste
+jaar ingetreden waren, won Jonker Splinter het toch in manlijke
+forschheid en ontwikkeling op Jonker Willem Van Arkel, die het teedere
+en beminnelijke van zijn vroeg gestorven moeder Johanna Van IJselstein
+meer had overgeërfd dan het ruwe en fiere van zijn vader. Beide jonge
+mannen waren bestemd, althans door hun rang en stand, om eenmaal een
+schitterende toekomst te gemoet te gaan, maar--ofschoon ik hier een
+weinig vooruitloop--zij vermoedden niet, terwijl zij daar zoo gezellig
+bij het vuur zaten en Willems arm op Splinter's schouder rustte,
+dat zij beiden in de kracht en den bloei huns levens op hetzelfde
+uur en denzelfden dag zouden weggerukt worden.
+
+Een oogenblik, maar ook slechts een oogenblik staarden beide vrienden
+stilzwijgend in het vuur. Door beider ziel vlogen eenige gedachten,
+die zij elkander wel konden, maar niet durfden toevertrouwen. Jonker
+Splinter, die een scherpen blik had in de toekomst, vreesde voor Jonker
+Willem, en deze dacht er over, van welk gevolg het voor hem zou zijn,
+als hij in een nieuwen krijg tusschen zijn vader en den Hollandschen
+graaf gewikkeld werd.
+
+"Gij hebt mij nog niet gezegd, Willem," begon Jonker Splinter, die
+het schrikbeeld, dat zich voor zijn geest geplaatst had, trachtte af
+te schudden, "gij hebt mij nog niet gezegd, waar uw vader is."
+
+"Mijn vader bevindt zich sedert een week bij mijn oom Hertog Reinout
+van Gelre te Arnhem en zoo er geen onvoorziene gebeurtenissen
+plaats hebben, wacht ik hem eerst na de andere week hier. Ik denk,
+dat hij met mijn oom maatregelen neemt, om den oorlog voort te
+zetten. Misschien ook wil hij hem het beheer onzer bezittingen, en
+vooral van Gorcum, overdragen, ten einde een sterken arm te hebben
+tegenover de aanmatigingen van Graaf Willem."
+
+"Dat zou ik verkeerd vinden van uw vader," zeide Splinter, "en ik
+geloof ook niet, dat hij hiertoe nu weder zal overgaan. Het zou
+immers gelijkstaan met de erkenning van zwakheid tegenover den
+graaf--en waarlijk uw vader is de man niet, hiertoe te besluiten,
+tenzij in den hoogsten nood. Wat uw oom Reinout betreft, hoe hoog ik
+hem ook schat, en welk een ridderlijk man hij ook zij, toch is hij
+niet vrij te pleiten van zelfzucht, en derhalve geloof ik, dat het
+plan eer van hem dan van uw vader zal uitgaan."
+
+"Ik stem de waarheid toe van hetgeen gij zegt," sprak Willem ernstig,
+"en nu verblijd ik mij te meer, dat ik u zie, want ik kan u thans
+opdragen, gedurende uw verblijf te Arnhem de zaken aldaar eens te
+polsen, opdat gij mij dan berichten kunt, of ik mij in mijn vermoedens
+bedrogen heb, ja dan neen. Doch zeg mij uw gevoelen aangaande mijn
+vader, van wien gij weet, dat hij niet gezind is, het kwaad te laten
+rusten."
+
+"Dat behoef ik u niet te herhalen, Willem; gij kent het, en wat zou
+het mij baten, u nog eens te zeggen, dat ik de onverzettelijkheid
+uws vaders in deze prijs. Uw spreekwoord is: Medio tutissimus ibis
+(de middelweg is de veiligste), maar ik houd het er voor, dat een man
+moet weten wat hij wil, dat hij partij moet kiezen en zich niet moet
+laten slingeren door de gevoelens van deze en gene. Uw vader is in
+zijn volle recht: de Hollandsche graaf heeft hem bij gelegenheid van
+het tornooispel even smadelijk bejegend als wijlen Hertog Albrecht, en
+het moge christelijk zijn, beleedigingen te vergeven, maar een edelman
+heeft ook zijn eischen. Allereerst die, dat de beleediger vergiffenis
+vraagt. En dit heeft Graaf Willem nooit gedaan; integendeel, toen
+uw vader naar recht handelde, viel Willem VI in zijn bezittingen en
+ontroofde hem, in vereeniging met Utrecht vele schoone sterkten en
+steden. Zoo uw vader zich door weeke gevoelens liet leiden of door
+klaagbrieven de zaak op de lange baan wilde schuiven, zou hij zeer
+in mijn achting dalen."
+
+"Maar, Splinter," viel hem Jonker Willem haastig in de rede, "denkt
+gij dan nooit aan het lijden onzer onderhoorigen, aan de verliezen,
+die de bewoners van Gorcum of Leerdam hoogstwaarschijnlijk zullen
+treffen, als mijn vader zijn halsstarrigheid doordrijft?"
+
+"Zeker denk ik daaraan, en met smart stel ik mij voor, hoe zoovele
+menschen door een vernieuwden oorlog van leven, huis en have beroofd
+zullen worden--maar als het goede recht aan onze zijde is, moeten
+wij niet op de gevolgen letten: wij moeten kiezen of deelen. Wat mij
+betreft, ik heb reeds lang gekozen, en zoo uw vader den strijd hervat,
+zal mijn zwaard hem en uw huis gewijd zijn."
+
+Jonker Willem was beschaamd en wist niet anders te doen dan de hand
+van zijn vriend te drukken.
+
+"Het geeft mij inderdaad een groote vertroosting, van u deze
+verzekering te ontvangen," begon hij na eenige oogenblikken
+stilzwijgens. "Ik heb deze voortdurend noodig, geslingerd als ik word
+door hoop en vrees; vrees dat de oorlog weer met vernieuwde woede
+zal uitbreken en hoop dat er een eervol vergelijk komt tusschen mijn
+vader en Graaf Willem. Te weten dat gij mij en ons huis in lief en
+leed zult bijstaan, is mij een ware verkwikking."
+
+"Op mijn hulp--ik herhaal het--," zeide Jonker Splinter, "kunt gij
+voortdurend rekenen; ik ben op dat punt beslist. Maar mijn hulp is
+slechts zwak. Bedenk, hoe vele machtige vijanden uw vader heeft:
+Adolf Van Kleef, de beide Van Borselens, Floris Van der Aa, Filips
+Van de Leck en zooveel anderen. Bovendien, gij hebt in uw eigen stad
+uw vijanden, sommigen die vriendschap en onderwerping huichelen,
+anderen die bijna in het openbaar den graaf van Holland huldigen. En
+onder deze is Walraven Van Brederode niet de minste."
+
+"Wat zegt gij? Walraven Van Brederode!" riep jonker Willem verwonderd
+uit. "Houdt gij hem voor een verrader?"
+
+"En twijfelt gij daaraan nog?" vroeg Splinter op zijn beurt.
+
+"Zeker," antwoordde Jonker Willem met hartstocht. "Ik weet zeer goed,
+dat hij met hart en ziel aan den graaf van Holland is gehecht en weleer
+de wapenen tegen ons huis heeft opgevat; ik weet zeer goed, dat hij
+nooit de partij van mijn vader zou kiezen en dat, als er wederom een
+oorlog ontstaat tusschen Holland en Van Arkel, hij zijn best zal doen,
+om onze balken te vernielen [9], maar iets anders is het, hem een
+verrader te verklaren. Zie, Splinter, gij hebt onze partij gekozen,
+en het zou uw lust zijn, indien het tot een oorlog kwam, het zwaard
+tegen den Hollandschen graaf te keeren--maar nimmer zoudt gij er aan
+denken, hem door verraad in onze macht te brengen. Een verrader is in
+mijn oog een laaghartig mensch, en verre is het van mij, Heer Walraven
+Van Brederode voor zulk een te houden. Bovendien zou het schandelijk
+ondankbaar van hem zijn, op deze wijze de goedheid mijns vaders te
+vergelden, aan wien hij zijn vrijheid te danken heeft."
+
+"Het doet mij leed, Willem," zeide jonker Splinter, "dat gij van een
+ander gevoelen zijt. Gij vertrouwt de menschen te veel en gij sluit
+uw oogen te lichtvaardig voor hetgeen zij bedekt of onbedekt doen."
+
+"Maar Brederode is een vriendelijk man," hernam Willem. "Als hij mij
+zijn bezoek aankondigt en tot ons komt, dan is hij uiterst beleefd
+en hartelijk. Er ligt ook niets in zijn oog, dat eenigen schijn van
+valschheid verraadt. Gij ziet misschien te scherp."
+
+"En gij te weinig. Er zijn ten allen tijde menschen geweest, die de
+kunst verstaan hebben, hun gedachten achter hun woorden en gebaren
+te verbergen. Gij moogt zeggen, wat gij wilt, maar als Walraven tot u
+komt, dan heeft hij daarmede een doel, dat hij u niet laat bemerken,
+en terwijl hij u bezighoudt en u tot spreken uitlokt, zwerft zijn
+blik naar alle kanten en is zijn oor voor alles geopend, waarvan hij
+voordeel kan meenen te trekken."
+
+Jonker Willem was opgestaan. Splinter's gevoelen had hem gemelijk
+gemaakt, en op korreligen toon zeide hij:
+
+"Gij zijt ook altijd zoo wantrouwend."
+
+"Wantrouwend of niet," sprak Splinter, die ook opstond, "maar zoo ik u
+een raad mag geven, hoed u voor Brederode. Die man is een roofdier met
+fluweelen pootjes, en als hij er kans toe ziet, om Gorcum en alles,
+wat heer Jan Van Arkel in Holland bezit, aan den graaf van Holland
+in handen te spelen, zal hij niet terugdeinzen voor onzedelijke
+middelen. Doch het wordt tijd, dat ik heenga, en het doet mij leed,
+dat ons gesprek, gedurende de weinige oogenblikken, die ik hier heb
+doorgebracht, zulk een wending heeft genomen. Vaarwel, Willem, overleg
+mijn woorden. Moge het nimmer bewaarheid worden wat ik vermoed."
+
+Hij reikte hem de hand, en Jonker Willem nam ze aan, maar drukte ze
+niet zoo hartelijk als weleer: hij kon niet ontkennen, dat Splinter's
+woorden hem ontstemd hadden. Toch wist hij zich te bedwingen en
+geleidde hij zijn vriend naar buiten, gaf den bediende last, het
+paard te brengen, en vergezelde hem tot aan den buitensten hof,
+waar hij afscheid van hem nam en hem een goede reis wenschte.
+
+
+
+Jonker Willem was naar zijn vertrek teruggekeerd en had zich weder bij
+het vuur nedergezet. Zijn gewoonlijk opgeruimde stemming bleef thans
+achterwege en verdrietig staarde hij in het vuur, volgde het spel
+der vlammen en trachtte den indruk, dien Splinter's woorden op hem
+gemaakt hadden, uit te wisschen. Terwijl hij daar zoo alleen zat, werd
+zachtjes een deur geopend en het hoofd van een jongen man zichtbaar,
+die, na zich verzekerd te hebben, dat niemand anders dan de jonker
+hier aanwezig was, stil en behoedzaam de kamer binnentrad en de deur
+weer achter zich sloot. Hoe stil dit ook geschied was, toch was het
+door Jonker Willem niet onopgemerkt gebleven. Hij wendde het hoofd
+naar den kant der deur en toen hij den binnenkomende gewaarwerd,
+keerde hij weder den blik naar het vuur, alsof hem het bezoek
+geheel onverschillig was. Er was, wat jaren betreft, weinig verschil
+tusschen Jonker Willem en den binnenkomende, maar ook slechts een
+vluchtige vergelijking tusschen hun kleeding was voldoende, om te
+doen zien, dat die van den laatste van minder gehalte was dan van
+den rijken erfgenaam der Van Arkels. Hij droeg de kleuren van het
+Arkelsche huis, donkerblauw en lichtrood, en bewees hierdoor reeds,
+dat hij tot de onderhoorigen of dienstbaren van Heer Jan Van Arkel
+behoorde. Toch was er een verschil tusschen hem en de lijfknechten,
+die wij daar straks bij het bezoek van Jonker Splinter opmerkten,
+daar zijn kleeding fijner was en hij aan den gordel een kleinen dolk
+droeg, ten teeken dat hij een der wapendragers was van Jonker Willem.
+
+"Gij moet mij niet storen, Simon," zeide Jonker Willem op stuurschen
+toon, zonder het hoofd naar den binnentredende te wenden. "Al zijt
+gij ook duizendmaal mijn zoogbroeder en geniet gij het voorrecht met
+mij in denzelfden toren te wonen, toch verlang ik niet, dat gij mij
+zoo dikwijls lastig valt."
+
+Een ander dan Simon zou misschien bij het hooren dezer woorden
+schielijk de kamer verlaten en zich verontschuldigd hebben, maar
+Simon scheen aan dergelijke bejegeningen gewoon te zijn of wist uit
+ondervinding, dat zulk een booze bui spoedig overwoei en dat het
+spreekwoord: de aanhouder wint, waarheid bevatte. In plaats van heen
+te gaan, deed hij nog een paar stappen vooruit, zoodat hij vlak achter
+den jonker kwam te staan, en zeide:
+
+"Ik wist niet, dat gij verdrietig waart, jonker--maar al waart gij
+het nog erger en nog langer, toch zou mij dit niet teruggehouden
+hebben, u kennis te komen geven van een bezoek, dat ik daar straks
+heb ontvangen van...."
+
+"Mij gaan uw bezoeken volstrekt niet aan, Simon," viel hem de jonker
+in de rede.
+
+"Een bezoek van Aart," vervolgde Simon hardnekkig.
+
+"Al was het een bezoek van uw overgrootvader, die reeds vijftig jaar
+dood is," bromde de jonker. "Houd uw bezoeken maar voor u."
+
+"Van Aart," ging Simon voort, "gij weet wel, jonker, den lijfknecht
+van den edelman Quannevan, bij wien mijn zuster Jennike...."
+
+Jonker Willem zette de beide ellebogen op zijn knieën en hield
+de handen voor zijn ooren ten teeken, dat hij naar niets wilde
+luisteren. Simon, die dit opgemerkt had en reden scheen te hebben
+voor den wensch, dat de jonker het toch hooren zou, versterkte nu
+zijn stem en riep luid:
+
+"Hij kwam vanwege mijn zuster en verzocht mij, u te mogen spreken. Toen
+ik hem vertelde, dat gij een vriend bij u hadt en hem verzocht,
+mij de boodschap slechts op te dragen, antwoordde hij, dat Jennike
+hem gezegd had, dat het een groot geheim was en hij het aan niemand
+anders mocht openbaren dan aan u."
+
+Jonker Willem bleef doof.
+
+"Een groot geheim," herhaalde Simon, nog luider sprekende.
+
+"Ik wil de geheimen uwer zuster niet weten," zeide de jonker. "Zij
+gaan mij niets aan."
+
+"Maar zij konden wel eens zeer gewichtig zijn. Gij weet het, jonker,
+mijn zuster is zeer aan uw huis gehecht, en als zij eens iets gehoord
+had, dat voor u noodig was te weten...."
+
+"Ik blijf er bij, Simon," sprak Jonker Willem opstaande, "dat mij de
+geheimen uwer zuster niets aangaan. Het zullen keukenpraatjes zijn,
+of misschien heeft zij weder kibbelarij gehad met den driftigen heer
+Quannevan.... Kom, ga heen, en laat mij alleen!"
+
+"En wat moet ik dan tegen Aart zeggen?" vroeg Simon.
+
+"Alles, wat gij wilt," antwoordde Jonker Willem, die naar de deur
+ging als wilde hij het vertrek verlaten.
+
+Op dit oogenblik liet zich trompetgeschal vernemen ten teeken, dat
+iemand den burcht naderde en begeerde binnengelaten te worden.
+
+"Ga eens zien, wie daar komt," zeide Jonker Willem.
+
+"Maar Aart....?" vroeg Simon weifelende.
+
+"Loop rondom met uw Aart!" riep de jonker uit.
+
+"Hij heeft mij echter gezegd, dat, zoo hij u niet kon spreken,
+hij onverwijld uw vader moest opzoeken, daar zijn boodschap geen
+uitstel gedoogde."
+
+Deze laatste woorden brachten den jonker Van Arkel toch tot eenig
+nadenken, zoodat hij staan bleef en zeide:
+
+"Wat zou hij mij dan toch te zeggen hebben? Misschien kan ik hem van
+avond of morgen spreken. Misschien ook kan ik hem nu...."
+
+Op dit oogenblik kondigde een bediende het bezoek aan van Heer
+Walraven van Brederode. Jonker Willems gelaat helderde op en zijn
+schreden richtende naar den uitgang, om den bezoeker te verwelkomen,
+zeide hij tot Simon:
+
+"Gij ziet, ik kan thans dien knecht niet spreken. Als zijn boodschap
+zóó belangrijk is, laat hem dan mijn vader opzoeken, die te Arnhem
+of op reis herwaarts is."
+
+Met deze woorden verliet hij het vertrek.
+
+Helaas, deze gril heeft Jonker Willem vele onaangenaamheden
+gebracht. Had hij Aart toegelaten en de boodschap aangehoord,
+die deze kwam brengen, gewis zou hem dan veel leeds gespaard zijn
+gebleven. Mijn lezer vermoedt reeds wat Aart te zeggen had. Jennike,
+bevreesd, dat het Walraven gelukken mocht, overwicht op Jonker Willem
+te krijgen, had Aart naar den burcht gezonden, om den zoon van Heer Jan
+te waarschuwen, en slechts diens onstandvastig, wispelturig karakter
+droeg schuld, dat de boodschap niet tot hem kwam. Aart, getrouw aan
+zijn opdracht, sloeg den weg in naar IJselstein, in de hoop Heer
+Jan daar te vinden. Jonker Willem ontving Walraven Van Brederode
+en den raad van Splinter in den wind slaande en slechts zijn eigen
+oppervlakkig gevoel raadplegende, viel hij, bevreesd als hij was voor
+den ondergang van zijn huis, in den gespannen strik zijner vijanden
+en werd de verrader zijns vaders. Niet bestand tegen de vloeiende
+en klemmende redenen van Brederode, trad hij in een verbond met de
+samenzweerders, die hem kwansuis het bezit van Gorcum en het omliggende
+land waarborgden, maar eigenlijk slechts een tweespalt tusschen
+vader en zoon beoogden, om daarvan ten voordeele van den graaf van
+Holland partij te trekken. Jonker Willem, zeg ik, viel in den strik,
+en de zoon, die nog een dag geleden vol liefde was voor zijn vader,
+kwam binnen de muren van Gorcum en liet de poorten sluiten voor den
+ouden Jan Van Arkel, die, zoodra hij bericht ontvangen had van hetgeen
+er tegen hem gesmeed werd, in allerijl naar Gorcum trok en tevergeefs
+beproefde binnengelaten te worden. Evenzoo geschiedde dit te Leerdam,
+werwaarts de samenzwering zich verplaatst had, en schoot er voor Jan
+Van Arkel niets over, dan tot zijn zwager Reinout Van Gelre te keeren.
+
+Het was een schandelijke daad van Jonker Willem, die door geen tranen
+ooit kon uitgewischt worden.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+De uitkomsten van verraad en verzoening.
+
+
+Het is geen vreemd verschijnsel, dat sommige menschen, wier geweten hun
+verwijt, dat zij gezondigd hebben, de knagingen van dat geweten zoeken
+te verdooven door het najagen van vermaken, aan welke zij vroeger
+zelfs niet eens dachten. Anderen daarentegen worden, nadat zij zich
+aan een grove zonde hebben schuldig gemaakt, in een geheel anderen
+toestand verplaatst. Als eenmaal de zonde gepleegd is, schijnen zij
+als het ware bewusteloos en doof voor alle vermaningen van hun geweten
+geworden te zijn en kunnen het maanden, ja jaren achtereen uithouden,
+terwijl zij van de eene zonde in de andere vallen, totdat eindelijk op
+een zeker oogenblik hun plotseling de schillen van de oogen afgerukt
+worden en zij de ontzaglijke diepte zien, waarin zij zich door een
+nieuwe roekelooze handelwijze gestort hebben. Niet alleen de Heilige
+Schrift--zooals bijvoorbeeld bij David--maar ook de ondervinding van
+het dagelijksch leven bevestigt bovenstaande waarheid, zoodat het
+goed is elkander te waarschuwen voor de eerste schrede op den weg der
+zonde, daar die eerste schrede gewoonlijk achtervolgd wordt door een
+tweede, en niemand zeggen kan, waartoe de mensch komt, die in zulk
+een toestand verkeert.
+
+Jonker Willem had toegegeven aan de verleidende voorstellingen van
+Walraven, en schoon het blijkt, dat deze laatste al zijn krachten moest
+aanwenden, om Willem over te halen, toch is het niettemin bewezen,
+dat de jonker zich in de armen van de verraders en vijanden zijns
+vaders geworpen heeft. De samenzweerders hadden dus het eerste
+gedeelte van hun doel bereikt; zij hadden nu den zoon van zijn
+vader vervreemd; thans bleef hun nog over, zich van den zoon zelf
+te ontdoen, om tot het eindpunt te komen, namelijk Gorcum en het
+omliggende land in de macht van Graaf Willem VI te brengen. Dit moest
+evenwel op een bedekte, listige wijze geschieden, want zoodra Jonker
+Willem hiervan de lucht mocht krijgen, zou hij gewis met behulp van
+tal van aanhangers, die hem persoonlijk genegen en die velen waren,
+den ganschen toeleg onderstboven keeren. Om dit laatste te voorkomen,
+veinsden al de samenzweerders groote ingenomenheid met Jonker Willem,
+te meer daar hij naar hun raad luisterde en de poorten der stad deed
+sluiten niet alleen voor Heer Jan Van Arkel en diens aanhang, maar
+zelfs voor zijn beste vrienden, zoo deze niet zijn (Willems) partij
+hadden gekozen. Gorcum zelf werd in een goeden staat van verdediging
+gebracht; de poorten sterk bezet en het bevel uitgevaardigd, niemand
+van verdacht voorkomen binnen de stad of op den burcht toe te laten.
+
+Het spreekt vanzelf, dat Jan Van Arkel terstond zijn toevlucht
+zocht bij Hertog Reinout en dat deze hem zijn bijstand toezeide,
+die allereerst zou bestaan in het treffen van een vergelijk tusschen
+Heer Jan Van Arkel en zijn oproerige onderdanen [10]. Jan Van Arkel's
+zwager zond dan ook oogenblikkelijk eenige afgevaardigden naar Gorcum
+in de hoop een verzoening tusschen beide partijen te bewerken. Doch hun
+herhaalde zendingen liepen telkens vruchteloos af. Beide partijen waren
+te fel tegen elkander verbitterd, dan dat er van een verzoening sprake
+kon zijn. Bovendien wilden de proost, Van Goor en de gebroeders Herlaar
+hiervan niets weten, omdat dan de tachtig duizend Fransche kronen voor
+hen verloren gingen. De onderhandeling liep dus vruchteloos af voor
+Heer Jan Van Arkel en de samenzweerders wonnen er dit nog bij, dat
+zij van Jonker Willem de plechtige en met eeden bekrachtigde belofte
+verkregen, dat hij zonder hun toestemming en goedkeuring met zijn vader
+en diens aanhang in geen onderhandelingen zou treden (30 Mei 1406).
+
+Nu vierde Gorcum feest; zoowel burgemeesters en schepenen als de
+kerkelijke overheid deden alles, om van hun vreugde te doen blijken,
+en het geringe volk, dat zich steeds laat leiden naar de willekeur
+der overmacht, juichte mede. Misschien was het Jonker Willem zelf,
+die dit vreugdebetoon in de hand werkte, en wellicht was het door
+zijn tusschenkomst, dat er zoowel op den burcht als in de stad
+allerlei feestelijkheden plaats vonden. Dit moet ons geenszins
+verwonderen. Jonker Willem had geen vrede; zijn geweten klaagde hem
+aan als een ontaarden zoon, die de liefde zijns vaders met ondank
+beloond had, en te zwak zijnde, om openlijk schuldbelijdenis te doen
+en zich weder aan de zijde zijns vaders te scharen, moest hij allerlei
+dingen bedenken, om dat geweten--zoo het mogelijk ware--tot zwijgen
+te brengen. En hoe zou hij dat anders kunnen doen dan door het rumoer
+van feesten?
+
+Ik heb eens een parabel gelezen van een prins, die zijn vriend in een
+hartstochtelijk oogenblik van het leven had beroofd en deswege ter
+dood zou gebracht worden, zoodra hij binnen acht dagen insliep. Hij
+moest dus op middelen bedacht wezen, het acht dagen zonder slaap uit te
+houden, en hij scherpte zijn vernuft, om zulke vermaken te verzinnen,
+die hem gedurig bezighielden. Danspartijen, tooneelvoorstellingen
+en jachtpartijen wisselden elkander onophoudelijk af, en twee--drie
+dagen hield de jonge prins het zonder slapen uit. Maar de natuur
+liet spoedig haar rechten gelden. Toen hij op het punt stond van in
+te slapen, beval hij, dat men hem knijpen, in het water werpen en met
+gloeiende naalden prikken zou, zoodra hij slechts de oogen sloot. Doch
+ten laatste baatten ook deze middelen niet meer. Nu liet hij een hoog
+koord over een water spannen en begon zich te oefenen er overheen te
+loopen; als hij een misstap deed, door den slaap bevorderd, viel hij
+in het water. Dit hielp één dag, maar zóó machtig werkte de slaap,
+dat hij zelfs in het water zou zijn ingeslapen. Om dit te verhinderen,
+liet hij een ander koord boven een vuur spannen, en bij zijn val
+brandde hij zich deerlijk. Maar zelfs het vuur kon den slaap niet
+weren, en hij zou onder diens geweld eindelijk bezweken zijn.... toen
+hem een vriendelijke stem van de straf onthief.
+
+Bijna, zou ik zeggen, was deze parabel van toepassing op Jonker
+Willem. Hij wilde de knagingen van zijn geweten, die voor hem als
+zoovele doodsteken waren, tot zwijgen brengen en wierp zich nu in den
+stroom der genietingen, en wellicht zou de ongelukkige jongeling er
+toe gekomen zijn, dat geweten als met een brandijzer toe te schroeien,
+zoo zich God niet over hem ontfermd had.
+
+Op zekeren avond bevond zich Jonker Willem in dezelfde kamer, in welke
+wij hem voor het eerst hebben aangetroffen. Hij zat op een bank bij
+het diep inloopend venster, van waar hij een prachtig vergezicht had
+over de omstreken zijner vaderlijke bezittingen. Maar zijn oog staarde
+in de verte zonder iets te zien. De bloeiende boomen, die zijn tuinen
+versierden, bestonden voor hem niet; het rimpelen der wateren van de
+Linge en Merwede was voor hem een ijdele vlakte; de blauwe hemel boven
+zijn hoofd was een zwart doek--hij zag niets, of liever hij zag slechts
+één donker punt en hij hoorde slechts één woord: ondankbare! Zijn
+hart klopte hevig, en niettegenstaande het buiten zeer warm was,
+brak hem het koude zweet uit van angst, vrees en onrust. Eindelijk
+sloeg hij beide handen voor het gelaat en barstte uit:
+
+"Neen, deze toestand is onverdraaglijk. Al gelukt het mij ook,
+te midden van ingebeeld genot de kwellingen mijns geweten te
+verdrijven--zoodra ik alleen ben, is het mij, alsof ik vóór en naast
+mij het beeld mijns vaders zie. Hij spreekt geen enkel woord: hij
+staart mij slechts zwijgend aan. Ik tracht hem te ontkomen, maar
+in de kerk, op de trappen van het hoogaltaar, bij het dragen eener
+gewijde kaars, bij het stamelen mijner gebeden, bij het opstaan,
+bij eten en drinken, naast mijn legerstede, in mijn droom.... staat
+daar mijn vader, op wiens gesloten lippen ik de woorden lees:
+ontaarde zoon. Neen, ik kan dit niet uithouden. Er moet een einde
+aan komen. Maar hoe? Zal ik het aan Walraven Van Brederode, aan Jan
+Gerardijn, aan burgemeesters en schepenen, ja zelfs aan Graaf Willem
+doen weten, dat ik...."
+
+Hij kon niet voortgaan. Een rilling, een huivering overviel hem,
+alsof hem een slang aangeraakt had.
+
+"Neen, neen--duizendmaal neen! Dat kan ik niet. Ik wil hun niet toonen,
+dat ik zwak, dat ik lafhartig ben. Liever wil ik den strijd tegen
+mijn geweten blijven voeren tot het uiterste...."
+
+"Tot het uiterste?" herhaalde, zacht bewogen, een andere stem.
+
+Jonker Willem keerde verschrikt het hoofd om naar de zijde, van waar
+dit geluid kwam, en zag een monnik vóór zich staan, die hem met een
+medelijdend oog aanstaarde.
+
+
+
+------
+FIGURE
+------
+
+
+
+"Wat wilt gij? Wie zijt gij?" riep de jonker, moeite doende, om moedig
+te schijnen.
+
+"Ik wil niets," antwoordde de monnik zachtmoedig, "ik vraag
+slechts. Gij spraakt daar van een strijd tot het uiterste tegen het
+geweten te willen voeren. Zou het ook mogelijk zijn, dat gij tegen
+God streedt en gij in dien ongelijken kamp bezweekt?"
+
+"Wat gaat dat u aan!" riep Jonker Willem uit.
+
+"Wat mij dit aangaat? en kent gij mij dan niet in deze vermomming? Ik
+heb sedert drie dagen beproefd, tot hier door te dringen. Uw
+krijgslieden hebben mij met hun pieken teruggedreven. Ik ben bij
+nacht den stroom overgezwommen, heb mij, bij dag zonder eten of
+drinken tusschen steenhoopen verborgen en telkens naderbij komende,
+gelukte het mij, dezen burcht te bereiken, waar nog een man is--uw
+zoogbroeder--, die u waarlijk liefheeft en die mij, op gevaar van uw
+ongenade, hier gebracht heeft."
+
+"Maar wie zijt gij dan?" vroeg Jonker Willem opstaande, daar hij de
+stem, die de monnik iets veranderd had, meende te herkennen.
+
+De monnik wierp het grove kleed weg, en daar stond vóór hem Jonker
+Splinter Van Nieuwenroode.
+
+Jonker Willem week een paar stappen achterwaarts en wendde het hoofd
+af: hij schaamde zich voor zichzelf, voor alle menschen, maar het
+allermeest voor zijn vriend.
+
+Splinter zag dit als een goed teeken aan, en de hand op den schouder
+zijns vriends leggende, zeide hij:
+
+"Ik ben blijde, dat ik dit monnikskleed eenige dagen gedragen heb. Het
+werd mij geleend door een vroom man, dien ik heilig zou verklaren, als
+ik er de macht toe had. Hij heeft mij menig merkwaardig woord gezegd,
+dat ik nooit te voren gehoord heb, en één dier woorden zal ik thans
+voor u herhalen, Willem. Als ik u en uw huis niet liefhad, als ik niet
+gezworen had, u en uw vader tot aan mijn laatste uur met het zwaard
+in de vuist te verdedigen tegen verraad en geweld--waarlijk, ik zou
+niet tot u gekomen zijn. Gij hebt u.... maar neen, ik wil u liever het
+woord toefluisteren, dat die vrome monnik tot mij sprak: "God geeft
+mildelijk en verwijt niet. En waar Hij niet verwijt, waar hij niet
+doet naar onze zonden en ons niet vergeldt naar onze ongerechtigheden,
+maar integendeel ons zegent en weldoet--daar moet ook de mensch, de
+Christen, zijn voorbeeld volgen. Neen, Willem, ik ben niet gekomen,
+om u iets te verwijten. Gij draagt den grootsten verwijter binnen
+in u. Zie, Willem," vervolgde hij, diens hand teeder drukkende,
+terwijl de jonker met een gebukt en afgewend gelaat vóór hem stond,
+"ik was te Arnhem bij uw oom. Daar was ook uw vader. Daar bevonden
+zich ook Egmond en IJselstein. Zal het noodig wezen, u te schetsen,
+hoe ik uw vader aantrof? Maar neen, dat gevoelt gij beter dan ik
+het u schilderen kan. Laat mij u zeggen, dat allen besloten hebben,
+het zwaard tegen u aan te gorden, de oom tegen den neef, de zwager
+tegen den zwager.... de vader tegen den zoon. Allen zeg ik--behalve
+één, behalve uw oom Hertog Reinout. Deze kwam tusschenbeide, en
+niettegenstaande zijn afgevaardigden tot dusver hoonend werden
+weggezonden, niettegenstaande al zijn voorslagen afgewezen werden,
+meende hij nog één middel te moeten beproeven. Dat middel was, om te
+pogen rechtstreeks tot u door te dringen en te trachten u tot een
+verzoening met uw vader te bewegen. De keuze viel op mij--en zie,
+Willem, hier ben ik. Nog eens, ik kom tot u, zonder verwijt, maar
+slechts met deze vraag:
+
+"Wilt gij den strijd tegen uw geweten, tegen God tot het uiterste
+volhouden? Wilt gij nog langer de speelbal blijven van oproermakers,
+goddelooze priesters, ontrouwe raadslieden, van menschen, die zich
+door goud laten omkoopen, evenals Judas, die voor eenige penningen
+den Zaligmaker verkocht? Zijt gij zóó door valsche eerzucht verblind,
+dat gij niet inziet, hoe uw huidige vrienden u morgen ook zullen
+verraden, verkoopen en zelfs om het leven brengen, als zij meenen,
+dat hun belang dit vordert? En wilt gij het hart breken van hem,
+die, zwaar beleedigd en getergd als hij is, nochtans een hart bezit,
+waarin liefde voor u woont? Zeg mij, Willem, wilt gij dit?"
+
+Splinter had in het vuur zijner rede de rechterhand van Willem gegrepen
+en schudde deze alsof hij hem uit zijn droom wilde wekken.
+
+Jonker Willem was evenwel te beschaamd en te ontroerd, om te spreken,
+en Splinter moest dezelfde vraag nog eens herhalen. Eindelijk gaf
+de jonker aan zijn gevoel lucht: heete tranen druppelden langs zijn
+wangen, en met al de teekenen van berouw en verbreking des harten
+stamelde hij:
+
+"Zou mijn vader zich nog wel met mij willen verzoenen?"
+
+"Twijfel daaraan volstrekt niet, Willem," zeide Splinter. "Uw vader
+is wel een streng, maar geen ongevoelig man, en zoodra hij uit uw
+mond verneemt, dat gij berouw hebt, zal hij de eerste zijn, die u de
+hand van vergiffenis aanbiedt."
+
+"Dan maar hoe eerder hoe beter!" riep Jonker Willem haastig, als
+vreesde hij, dat hij te laat mocht komen--een wijze van handelen,
+die men meer bij zwakke karakters opmerkt.
+
+"Ik ben bereid met u te gaan," zeide Splinter, "maar vergun mij vooraf
+een enkele opmerking. Gij begrijpt, dat aller oogen op u gevestigd
+zijn en dat gij van geheime vijanden omringd zijt. Nu weet gij wel,
+dat mijn leus is in alles recht te handelen, maar een man, die recht
+en gerechtigheid liefheeft, handelt ook voorzichtig. Het zou der
+goede zaak meer kwaad dan goed doen, zoo gij plotseling heengingt en
+den burcht verliet. Ik raad u aan, dat gij in stilte, dat is zonder
+opzien te baren, van hier vertrekt. Gij kunt immers een wandelrit in
+den omtrek doen, en bij die gelegenheid staan u alle wegen open naar
+'s-Hertogenbosch, waarheen zich uw vader heeft begeven en waar hij
+u wacht."
+
+Jonker Willem vond dezen voorslag zeer goed, en na eenige overwegingen
+werd besloten, reeds den volgenden dag uitvoering aan hun voornemen
+te geven.
+
+Op dit oogenblik meldde Simon de komst van den edelman Quannevan,
+die den jonker dringend wenschte te spreken. Willem Van Arkel zag
+Splinter aan.
+
+"Gij kunt hem gerust laten binnenkomen," zeide deze. "Hij is een
+oprecht man en een vurig aanhanger van uw huis."
+
+Jonker Willem gaf een wenk en een paar minuten later trad Quannevan
+binnen. Hij was gekleed in al den opschik van zijn Bourgondisch
+gewaad. Een korte groene mantel, doorwerkt met groote bloemen, bedekte
+zijn schouders en was om den hals met een dik koord bevestigd. Van
+voren hingen de slippen open en lieten een rijk geborduurden lijfrok
+zien; zwart fluweelen kousen, met gouddraad gestikt, omsloten de
+knieën en reikten tot aan de spits uitloopende schoenen; een fluweelen
+baret rustte op de grijze haren en aan zijn linkerzijde was een kort
+zwaard gegespt.
+
+"Vergeef het mij, edele heer jonker," zeide hij, met drift op Willem
+Van Arkel toeloopende, "dat ik u wellicht op een ongelegen uur
+stoor, maar al zou ik door het water moeten gewaad hebben, om tot u
+te komen,--ik had het niet kunnen nalaten. Twee dingen beletten mij
+sedert acht dagen en nachten, om behoorlijk te denken en te slapen. Ten
+eerste mijn dienstmaagd en ten tweede uw persoon. Vergeef het mij,
+edele jonker, zoo ik door den hartstocht, waarmede ik spreek, het
+eerst mijn dienstmaagd heb genoemd. Maar inderdaad, die meid, die
+Jennike!" vervolgde hij in toenemende drift, "met haar is het niet, om
+uit te houden. Zij luistert naar geen woord, geen bedreiging en zelfs
+naar geen vloek, nog minder naar het opheffen van mijn karwats. Het
+is of ze.... vergeef het mij--van den duivel bezeten is!"
+
+Beide jonkers moesten onwillekeurig glimlachen.
+
+"Wat is er dan met uw dienstmaagd,--de zuster van Simon?" vroeg
+jonker Willem.
+
+"Wel, die meid," antwoordde de edelman, vuurrood van drift, "begint
+mij al te kwellen, als de dag nog nauwelijks aan den hemel is, en
+houdt niet op, mij voor te spiegelen, in welken stroom van ellende
+Walraven en zijn aanhang Gorcum en het doorluchtige huis van Arkel
+gebracht hebben, sedert het hun gelukt is, den zoon van den vader
+af te scheuren. Met de scherpste kleuren heeft zij mij het gepleegde
+onrecht geschilderd en mij toegeroepen: "Ja, schop en trap mij zooveel
+gij verkiest, maar dit zal mij niet beletten, zóó lang aan te houden,
+totdat gij u naar Jonker Willem begeeft en hem smeekt en beweegt,
+de zijde van die goddelooze oproermakers te verlaten. Ik kan het
+niet doen, want mij--arme dienstmaagd--geeft hij geen gehoor...." En
+op deze wijze gaat de meid elken dag voort. Maar ik moet zeggen,
+zij heeft geen ongelijk--vergeef het mij, edele jonker! Mij had men
+tot dusver onkundig gelaten van alles, wat er voorgevallen is, en
+in mijn oprechtheid ontving ik nog steeds eenige avonden in de week
+de schepenen en vrienden van Walraven Van Brederode bij mij,--doch
+plotseling zijn mijn oogen geopend en heb ik ingezien, hoe gij,
+edele jonker, u hebt laten misleiden door menschen, die voor goud het
+land aan Graaf Willem VI willen verkoopen. Sinds dat oogenblik heb ik
+zelfs geen rust meer, en gehecht aan uw huis en uw persoon als ik ben,
+waag ik het...."
+
+"Ik erken uw goede bedoelingen, mijn waarde heer Quannevan,"
+viel hem Jonker Willem in de rede, "en ik haast mij u gerust te
+stellen. Wetende hoezeer gij ons een goed hart toedraagt, en dat gij,
+waar het te pas komt, kunt zwijgen, durf ik het u wel toevertrouwen,
+dat ik mij morgen met mijn vriend Splinter naar mijn vader begeef,
+om mij met hem te verzoenen. Ik dank u voor uw goede bedoeling!"
+
+"Dat verheugt--dat verheugt mij!" riep Quannevan uit, terwijl zijn oog
+van vreugde straalde. "Het verheugt mij om uwent- en om mijnentwil. Nu
+krijg ik rust van mijn dienstmaagd, en kan ik mijn wapenrusting in orde
+brengen, want ik voorzie thans een zwaren strijd, daar alle Hoekschen,
+met Graaf Willem VI en Walraven Van Brederode aan het hoofd, tegen u
+zullen opstuiven. Doch geen moed verloren, edele jonker! Zeg uw vader,
+dat, schoon ik oud en grijs ben, mijn kracht nog niet verzwakt en
+mijn zwaard evenmin verroest is. Hij kan op mij rekenen!"
+
+Jonker Willem, nog bewogen door het tooneel, dat straks plaats had
+gehad en levendig getroffen door de vurige en oprechte betuiging
+van den edelman, die van geestdrift blaakte, legde zijn hand op
+diens schouder, dankte hem met hartelijke woorden en bood hem een
+verfrissching aan, die deze dankbaar aannam.
+
+Den volgenden middag begaf zich Jonker Willem naar 's-Hertogenbosch,
+gevolgd door Splinter, die, om geen argwaan op te wekken, eenige uren
+later wegreed.
+
+
+
+Wij willen de beide edellieden niet op hun tocht naar 's-Hertogenbosch
+vergezellen. Genoeg zij het, dat het, onder Gods zegen, gelukte den
+verscheurden band weder te bevestigen, en vader en zoon zich eenstemmig
+verbonden, om hun rechtmatig verkregen goed tegen alle aanranders te
+verdedigen. Hertog Reinout evenwel had nog een ander belang dan zijn
+zwager. Jan Van Arkel toch was het hoofdzakelijk te doen, om in het
+bezit van zijn erfgoed te blijven, en zoo hij dit verloor, dan kon
+het hem eigenlijk onverschillig zijn, wie de overweldiger was, die
+het hem ontroofd had. Maar Reinout was een regeerend vorst; hij was
+hertog van Gelre en zijn landen grensden onmiddellijk aan die van den
+Hollandschen graaf, die derhalve een machtige en gevaarlijke nabuur
+was en wien, door toenemende macht, wel eens de lust kon bekruipen,
+zich van Gelre meester te maken. Om dus hieraan paal en perk te
+stellen, was het voor Reinout van groot belang, zich van Gorcum te
+verzekeren, de stad en den burcht te overvallen en de verraders aan
+leven en bezittingen te straffen.
+
+Inmiddels hadden de saamgezworenen ook niet stilgezeten. In een
+samenkomst van Walraven van Brederode, Jan Gerardijn en de overige
+verbondenen werd overeengekomen, om zoo spoedig mogelijk den graaf
+van Holland van het gebeurde kennis te geven en hem de heerlijkheid
+van Gorcum aan te bieden, vooral daar Jonker Willem, vergezeld van
+eenige getrouwen, het gewaagd had de stad te verrassen. Maar zijn
+aanval mislukte en men hield thans zoowel voor vader als zoon de
+poorten gesloten. Van beide zijden werden er nu toebereidselen tot
+een krijg gemaakt, doch het schijnt, dat Hertog Reinout niet geneigd
+was tot een aanval van zijn zijde. Misschien waren zijn legerbenden
+niet slagvaardig, misschien ook waren er andere staatkundige redenen,
+die hem noopten het voeren van een openbaren oorlog tot een meer
+gelegen tijd uit te stellen. Wel had hij eenigen zijner edelen en
+de poorters van Nijmegen, Tiel en Bommel ter heirvaart opgeroepen,
+met bevel, om dadelijk te Gorcum in te rijden [11], maar tevens
+trad hij in onderhandeling met Utrecht en Holland, om een verdrag,
+of liever een wapenstilstand te sluiten, hetwelk hem ook gelukte
+en waarbij overeengekomen werd, dat deze laatste zou duren tot het
+Pinksterfeest van het volgend jaar. Jan Van Arkel en diens zoon waren
+echter van dit verdrag uitdrukkelijk buitengesloten.
+
+Het had dus allen schijn, dat Hertog Reinout langs staatkundigen weg,
+dat is niet met het zwaard, en in lengte van tijd een verzoening
+tusschen den graaf van Holland, de Arkels en Gorcummers zou bewerkt
+hebben,--maar de mensch wikt en God beschikt, en het zou geheel
+anders loopen dan het in de bedoeling van Hertog Reinout lag. Ik heb
+u daar straks medegedeeld, dat de verraders besloten hadden, Graaf
+Willem de heerlijkheid van Gorcum op te dragen. De graaf van Holland
+ontving die opdracht, toen het verdrag reeds tot stand gekomen was,
+en het zij nu, dat hij hiervan spijt had, of dat de saamgezworenen
+zeer bij hem aandrongen, of dat hij meende machtig genoeg te zijn,
+Hertog Reinout het hoofd te kunnen bieden,--genoeg, hij liet zich
+verleiden, het bestand te schenden, nam de opdracht van Gorcum aan
+en vertrok derwaarts, om zich als landsheer binnen de stad te doen
+huldigen. [12] Hij nam zijn tocht over Woudrichem, vergezeld van vele
+ridders en edelen, en stak van daar over naar Gorcum, waar hij--gelijk
+een kroniekschrijver het uitdrukt--zijn optocht nam tusschen den burcht
+en de stad, op een plaats, de Quelling genaamd. [13] Inmiddels hadden
+de verraders, die wel degelijk vooraf er op aangedrongen hadden, de
+tachtig duizend Fransche kronen van Graaf Willem ontvangen, welk geld,
+benevens de kosten der inhuldiging, uit den verkoop van lijfrenten
+ten laste van Haarlem, Delft, Leiden, Amsterdam, Gouda en Rotterdam
+gevonden werd. De Hollandsche graaf werd zeer plechtig en feestelijk
+ingehaald. De geestelijkheid met Jan Gerardijn aan het hoofd ontving
+hem aan de poort, en de Hollandsche banieren wapperden van burcht,
+kerktoren en stadhuis, terwijl er van tijd tot tijd met donderbussen
+geschoten werd, om de vreugde te vergrooten. In de kerk komende, nam
+de proost Graaf Willem VI den eed af, om de stadshandvesten, vrijheden
+en rechten te zullen beschermen en onderhouden, en vervolgens trok de
+nieuwe landsheer naar den burcht, waar hij ook gehuldigd werd. Graaf
+Willem meende echter nog iets te moeten doen, om zijn getrouwe
+Gorcummers--de verraders--te beloonen, en sloeg de vier gebroeders
+Herlaar, Ambrosius, Woutersz en Jan Van Donk tot ridders. Maar toen
+hij, in gezelschap van deze nieuwe ridders, naar Leerdam reed, om zich
+ook aldaar te doen huldigen, zeide hem de heer Van Asperen, die over
+Leerdam het bevel voerde en met minachting op deze verraders nederzag:
+"Edele, machtige vorst. Gij hebt deze kooplieden tot ridders gemaakt,
+maar in plaats van een vergulden halsband zou hun als verraders en
+dieven beter elk een bast (strop?) om den hals passen. Wacht u, om bij
+hen te vernachten, want wat zij hun geboren landsheer gedaan hebben,
+zullen zij u 't avond of morgen ook nog doen. Stel geen vertrouwen op
+zulke kooplieden." De graaf antwoordde hierop niets; hij vergenoegde
+zich met eens te glimlachen, daar hij misschien meer het verraad dan
+de verraders beminde. [14]
+
+De nieuwe ridders en de overige verraders waren niets over deze woorden
+gesticht, en spoedig bleek het, hoezeer zij door vele weldenkenden
+met minachting werden aangezien, zoodat zij het eindelijk niet meer in
+de stad konden uithouden, en met het loon des verraads naar elders de
+wijk namen, terwijl Jan Gerardijn, Broens De Verwer en Arend Van Goor
+als de heftigste tegenstanders van de Van Arkels in de stad bleven.
+
+Gij kunt u evenwel voorstellen, hoe Hertog Reinout te moede was, toen
+hij het voorgevallene vernam. Deze schending des bestands toch werd
+door hem ten hoogste euvel opgenomen, maar hij draalde nochtans, om den
+Hollandschen graaf den strijdhandschoen voor de voeten te werpen,--en
+van de gevolgen eener samenkomst der ridderschap en steden van Gelre,
+om over een krijg tegen Holland te raadplegen, hoorde men niets.
+
+Maar mocht Jan Van Arkel stilzitten? Mocht Jonker Willem het lijdelijk
+aanzien, dat zijns vaders bezittingen zoo wederrechtelijk door den
+Hollandschen graaf werden buitgemaakt? Mocht hij even besluiteloos
+handelen als zijn oom Reinout? Neen, hij wilde goedmaken wat hij
+bedorven had, en zoo geen ander heer of vorst zich aan zijn zijde
+schaarde, wilde hij het alleen op zich nemen, om--zoo het mogelijk
+ware--Gorcum weder te bemachtigen.
+
+Wij zullen in het volgende hoofdstuk zien, of hem dit
+gelukte. Intusschen willen wij nog iets ten gunste van Hertog Reinout
+zeggen. Deze vorst, meer diplomaat dan krijgsman, trachtte nog steeds
+door middel van de pen te verkrijgen wat het zwaard met ongelijke kans
+zou moeten najagen. Toen echter alle wegen afgesloten bleken, om tot
+zijn doel te geraken, was hij het wellicht zelf, die Jonker Willem en
+diens vader tot den krijg aanspoorde. Maar of hij er niet een list bij
+verborg, is nog niet uitgemaakt. Althans schijnt het, dat hij Jonker
+Willem gebruikte, om aan zijn eigen eerzucht te voldoen, ten einde van
+de mogelijke mislukking van diens plannen voordeel te kunnen trekken.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+Hoe Gorcum verrast werd--En nog eens in de gewelven van Quannevan's
+huis.
+
+
+Het was Jonker Willem Van Arkel bovenal te doen, om zich van Gorcum
+meester te maken. Dit kon evenwel niet door middel van een openbaren
+oorlog geschieden, want de stad was van een Hollandsche bezetting
+voorzien en al de toegangen versterkt door gewapende mannen, die van
+poort tot poort, zoowel binnen als buiten de vest en de grachten,
+de wacht hielden. Ook zou het niet mogelijk geweest zijn, met een
+groot leger tot Gorcum door te dringen, daar Utrecht vijandig gezind
+was tegen de Van Arkels en de stad van den waterkant moeilijk te
+naderen was. Er moesten dus andere maatregelen genomen worden,
+en wel om de stad bij verrassing te overrompelen. De eerste maal,
+toen jonker Willem dit beproefde, was het ongelukkig afgeloopen,
+en, door de ondervinding geleerd, wilde hij het thans op een andere
+wijs beproeven, vooral daar hij zich verzekerd had van de hulp van
+eenige getrouwe vrienden, die te Gorcum achtergebleven waren of in
+de nabijheid der stad op de omliggende dorpen en hoeven vertoefden.
+
+Op ongeveer een half uur van de stad, en wel ten noordwesten, lag
+een eenzame hoeve, die tot de bezittingen der heerlijkheid Van Arkel
+behoorde. De hoeve was thans ledig en verlaten, daar de bewoners
+gevlucht en wijd en zijd verspreid waren. Toch zou haar ruimte eerlang
+weer worden gevuld en ingenomen, niet door vreedzame landbouwers noch
+door vee, maar door personen, die niet gewoon waren een stal tot hun
+verblijf of een schuur tot hun woning te kiezen.
+
+Gedurende drie dagen en nachten had het aanhoudend geregend, en
+dit onaangename weder was vergezeld van storm en hevige windvlagen,
+zoodat de landlieden, die in de maand September 1407 nog de laatste
+overblijfselen van den oogst en de karige veldvruchten van het veld
+bijeen wilden verzamelen, niet bij machte waren dit naar eisch te
+verrichten. Ook zag er de lucht nog niet naar uit, dat er spoedig een
+verandering ten goede zou komen, want onophoudelijk dreven de donkere
+wolken langs het zwerk en ontlastten zich over velden en akkers, zoodat
+de vest en stadsgrachten tot overloopens toe gevuld waren. Onaangenaam
+was dit ruwe, woeste weder niet alleen voor de landlieden, maar ook
+voor de krijgers, die op zekere afstanden tusschen of nabij de poorten
+der stad, in kleine torens de wachtposten betrokken hadden, daar zij op
+hun hoede moesten zijn tegen den een of anderen naderenden vijand. Geen
+maan of ster flikkerde aan 's hemels trans, en het was des nachts zóó
+donker, dat de schildwachten, zelfs op slechts eenige passen afstands,
+elkander niet konden zien. Niemand, die niet volstrekt buiten moest
+zijn, gaf dan ook de voorkeur aan het zitten buitenshuis, en zelfs
+eenige ruwe krijgslieden, meenende; dat er geen gevaar op handen was,
+zochten liever een schuilplaats in een der torens, dan zich ten bate
+van den Hollandschen graaf te laten natregenen.
+
+Bij bovengenoemde hoeve zou men, zoo de duisternis van den nacht het
+niet verhinderd had, kunnen gezien hebben, dat van tijd tot tijd eenige
+mannen binnen haar wanden slopen. Van alle kanten drongen zij huis,
+schuur en stal in, zoodat de hoeve ten laatste bijna eivol werd. Toch
+hoorde men daar buiten geen geruisch, geen woord, wat trouwens ook
+onmogelijk was, daar de wind voortdurend langs de muren gierde en
+de toppen der peppelboomen deed zwiepen. Zoover de donkerheid het
+toeliet te zien, kon men vijf--zes mannen opmerken, die zich aan den
+ingang der deur geplaatst hadden en een langen, uitvorschenden blik
+naar de zijde der duistere stad wierpen. Zij droegen allen donkere
+mantels en hun rechterhand rustte op het gevest van het zwaard,
+alsof zij ieder oogenblik bereid waren, het uit de scheede te trekken.
+
+"Uitmuntend weer voor onze onderneming, Willem," fluisterde een zachte,
+manlijke stem.
+
+"Uitmuntend Splinter," was het antwoord, "het is alsof de hemel ons
+begunstigen wil. Mij dunkt, niemand in de stad zal er een voorgevoel
+van hebben, dat wij thans hier zijn, om haar--zoo mogelijk--in ons
+bezit te brengen."
+
+"Wellicht zijn zij in de meening, dat het niemand in de donkerheid
+gelukken zal, haar te naderen."
+
+"En daarin konden zij ook wel gelijk hebben, Splinter," zei Jonker
+Willem Van Arkel, "maar zij vergeten, dat wij een juiste opgave
+bezitten van al de wegen en paden. Ik althans heb ze mij zóó diep
+ingeprent, dat ik zelfs geblinddoekt den weg naar de poort zou kunnen
+vinden, ten minste tot de vest."
+
+"Dat is stout gesproken, Willem," hernam Splinter steeds op
+fluisterenden toon, "maar gij zijt hier geboren en opgevoed, en
+daarenboven gij hebt Simon en de gebroeders Van der Werve bij u,
+die deze streek zoo goed kennen als de os zijn kribbe. Ook wordt gij,
+als het ware, voorgelicht door den vurigen ijver, die u drijft."
+
+"Zoo is het, Splinter," zeide Willem, "en moge God alles zóó leiden,
+dat ik, met zoo weinig bloedvergieten mogelijk, meester van de stad
+word. Hoe gelukkig zou mijn vader zijn, en hoe zou ik het voorrecht
+van den man benijden, die, als overbrenger der gelukkige tijding,
+de vreugde op zijn aangezicht zou mogen lezen. O Splinter! ik kan u
+niet half zeggen, hoezeer ik naar het oogenblik haak, waarop ik zal
+kunnen zeggen: de stad is ons!"
+
+"Ik kan mij dit verlangen zeer goed verklaren," zeide Splinter, "maar
+wees voorzichtig, laat geen gunstig oogenblik ongebruikt voorbijgaan,
+en zorg vooral, dat alles, voor de overrompeling bestemd, bij de hand
+is. Zijn de schuitjes reeds aangekomen?"
+
+"Neen, heer," antwoordde Simon, de zoogbroeder van Jonker Willem,
+tot wien deze vraag gericht was. "Wij wachten ze ieder oogenblik."
+
+"Zij kunnen echter onmogelijk lang uitblijven, en als het niet zoo
+duister ware, zouden wij ze reeds ginder zien."
+
+"Gij spreekt zoo stout, Willem," zeide Splinter, "omdat gij weet,
+dat Otto Van Heukelom zich daarmede belast heeft. En deze is bekend
+als iemand, die zich nooit laat wachten."
+
+"Juist," hernam Jonker Willem, "Otto Van Heukelom, dien mijn oom
+Reinout aan het hoofd heeft gesteld van de Gelderschen, die mij in
+mijn onderneming zullen bijstaan, heeft het opzicht genomen over de
+schuitjes, die wij straks hopen te water te kunnen laten. Doch stil,
+zie ik daar niet eenige schaduwen naderen? Dat zullen de verwachte
+voorwerpen zijn."
+
+Vier mannen naderden langzaam en zonder het minste gedruisch te maken
+de plaats, waar de hoofden der onderneming bij elkander stonden. Deze
+vier mannen droegen een schuitje, dat van leder gemaakt en zóó
+ingericht was, dat het acht of tien krijgsknechten kon bevatten. Deze
+vier man waren vergezeld van een vijfden.
+
+"De overige schuitjes zijn in aantocht," fluisterde deze, op wiens
+bevel de dragers het vaartuig op den grond neerzetten. "Heer Otto
+Van Heukelom zal oogenblikkelijk hier zijn met de andere. Het ging
+zoo vlug niet als wij dachten, daar de weg moeilijk, de last zwaar
+en de onderneming niet geheel zonder gevaar was."
+
+Jonker Willem beefde.
+
+"Niet zonder gevaar!" riep hij op meer dan fluisterenden toon
+uit. "Heeft men dan iets in de stad gemerkt? Heeft een der voorposten
+u gezien of gehoord? Ach, dan ware onze onderneming mislukt!"
+
+"Stel u gerust, edele jonker," fluisterde Quannevan, die het eerste
+schuitje vergezeld had, "niemand heeft ons opgemerkt, al is het
+volkomen waar, dat onze last zwaar was. Maar de mannen hebben zich
+uitmuntend gehouden, en telkens wanneer een zwarte wolk afdreef en de
+lucht een weinig lichter werd, bukten zij met het schuitje ter aarde,
+zoodat zij onmogelijk door den vijand konden gezien worden."
+
+Zijn woorden werden afgebroken door de komst van andere mannen,
+die allen, vier aan vier, een schuitje droegen, en Jonker Willem,
+tevreden, dat de maatregelen tot dusver zoo gelukkig geslaagd waren,
+drukte met vuur de hand van Otto Van Heukelom, den bevelhebber der
+Geldersche benden, die met het laatste schuitje was aangekomen.
+
+Thans vormden deze hoofden een soort van krijgsraad, om nog eens zoo
+spoedig mogelijk, daar er geen tijd mocht verloren gaan, wilde hen
+de dag niet overvallen, het punt van aanval te bespreken, en toen
+dit vastgesteld was, werden in alle stilte de mannen uitgekozen,
+die bestemd waren, het eerst met de schuitjes naar den overkant der
+gracht te varen.
+
+
+
+Intusschen hielden eenige krijgsknechten op het buitenste bolwerk
+tusschen de oude Kanse- en Arkelpoorten de wacht. Het was waarlijk
+geen aangenaam verblijf daar in de open lucht, blootgesteld als zij
+waren aan den onophoudelijken regen en de woeste rukwinden. Zij liepen
+heen en weder en trachtten zich nu en dan onder een vooruitspringend
+gedeelte van den muur te beschutten, maar ook daar bereikte hun de
+wind en de regen.
+
+
+
+------
+FIGURE
+------
+
+
+
+"Ik zou zeggen," zei een hunner, "dat wij hier een onaangename
+standplaats hebben. Mij dunkt, het is ginds in den toren veel beter."
+
+"Dat is het ook," sprak een ander. "Daar is vuur, licht en bovenal
+bier, warm bier, dat ik zeer gaarne zou lusten, want ik ben tot in
+mijn nieren koud en daarbij dorstig."
+
+"Ik zou ook niet weten," hernam de eerste, "welk verschil er bestaat
+tusschen ons zijn hier en het zitten ginds? Geen muis verroert zich op
+het veld, en Jonker Willem Van Arkel of zijn vader liggen misschien
+zoo lang als zij zijn in de veeren en droomen van hun verblijf op
+den ouden burcht."
+
+"Dien zij toch nooit zullen krijgen," viel hier een derde in, "al ware
+het ook, dat hun de lust bekroop, deze stad te overvallen. Daar moeten
+zij vroeg voor opstaan, want ik verzeker u, dat ik ze ongemakkelijk
+zou onthalen, als zij het waagden, hier te komen."
+
+"Ja, gij zijt een held, Dirk," zeide de eerste op spottenden toon,
+"dat weten wij wel, vooral als gij op een bos stroo ligt te slapen."
+
+"Zeg dat niet!" riep Dirk, terwijl hij zijn piek tegen den arm liet
+rusten en zich de natte handen wreef, om warm te worden, "heb ik niet
+nog onlangs.... maar stil! Zie ik daar ginds niet wat? Schuift daar
+niet iets zwarts over den grond?"
+
+De overige mannen namen niet eens de moeite, om te zien, en lachten
+den vrager uit.
+
+"Het zal de schaduw zijn van den man, dien gij verleden te Woudrichem
+een piek door het hart hebt gestoken...."
+
+"Toen die man al dood was!" spotte een derde. "Ja, ja, onze Dirk is
+een held!"
+
+"Maar held of geen held, wie gaat er met mij mede naar den toren? Daar
+is de stadswacht bijeen. Hier is het niet, om uit te houden, en ik
+ben verzekerd, dat die mannen ons met vreugde zullen ontvangen. Zij
+zullen denken: hoe meer zielen hoe meer vreugd. En Dirk kan hun van
+zijn heldendaden iets vertellen. Wie gaat mede?"
+
+Hij behoefde niet lang te vragen. "Bij dit hondenweer denkt niemand er
+aan, de stad te verrassen, en nu wij Dirk bij ons hebben, kunnen wij
+meer dan gerust zijn," was het algemeen gezegde. Allen begaven zich
+naar den toren [15], en zooals zij het gedacht hadden kwam het uit:
+zij werden met gejuich ontvangen, en zij, die meenden, dat het toch
+gevaarlijk en onbedachtzaam was, den buitenpost onbewaakt te laten,
+werden voor lafhartigen en bevreesden uitgekreten. De krijgsknechten
+stookten het vuur goed op, zorgden voor een verkwikkenden drank en
+vlijden zich rondom het vuur neder, hopende, dat de dag spoedig zou
+aanbreken en zij afgelost zouden worden.
+
+Eensklaps begint een hond, die bij de stadswacht behoorde, te knorren
+en te blaffen.
+
+"Wat zou dat wezen?" vroeg Dirk, die opgesprongen was.
+
+"Hij zal een snoek hooren, die in de stadsgracht rondspringt," was
+het antwoord.
+
+"Maar het kon ook wel iets anders wezen," vervolgde Dirk, "als het
+eens...."
+
+"Houd u maar stil," zeide een der stadswachters, "ik zal het luikje
+openzetten en naar buiten zien."
+
+Doch nauwelijks had hij dit gedaan, of hij wijkt achteruit, en zoozeer
+had de schrik hem bevangen, dat hij niet in staat was, een woord te
+uiten. Dit was echter bij de overigen niet onopgemerkt gebleven. Zij
+staan allen op, zien uit het luikje--.... en onder den uitroep: "Wij
+zijn verraden! De vijand! De vijand!" stortten zij zich naar buiten,
+om den vijand tegen te houden. Dirk echter verschool zich onder een
+bos stroo.
+
+Maar het was te laat. Met de grootste behoedzaamheid en met
+inachtneming van alle stilte hadden de Arkelsche mannen en de
+Gelderschen de schuitjes, bevracht met krijgslieden en ladders,
+te water gelaten, waren de gracht overgekomen, en de gebroeders Van
+de Werve, met Jacob Luytgensz, den boer, wien de bovengemelde hoeve
+behoorde, waren de eersten, die, gevolgd door een trompetter, Jonker
+Willem Van Arkel, Splinter en de anderen, den muur beklommen. Tegen
+zulk een overmacht was nòch stadswacht nòch buitenpost bestand. Zij
+wierpen de pieken weg, en onder het geschreeuw "Van Arkel! Van
+Arkel!" vluchtten zij naar de Kanzepoort, waar een afdeeling
+Hollandsche soldaten lag.
+
+De toren werd aanstonds genoegzaam bezet, en de arme Dirk, die hier
+veilig meende te wezen, krijgsgevangen gemaakt.
+
+"Blaas--blaas victorie, trompetter!" riep Quannevan uit, die niet
+achtergebleven was. "Die oproermakers daarbinnen moeten het hooren,
+dat wij er zijn!"
+
+En eer Splinter, die bedachtzamer was dan Jonker Willem en de driftige
+edelman, het verhinderen kon, blies de trompetter victorie, zoodat
+de tonen wijd en zijd langs bolwerk en wallen weerklonken. Gelukkig
+had het geen ongunstige uitwerking. Integendeel, de Gelderschen,
+van wie nog een gedeelte aan den overkant stond, kregen meer moed en
+haastten zich met de terugkeerende schuitjes over te komen, terwijl
+de bezetting, in de verbeelding dat de Van Arkels zeer talrijk
+waren, van schrik niet wist of zij vluchten dan wel zich verdedigen
+moest. Jonker Willem en Splinter voeren thans hun manschappen naar
+de Kanzepoort, terwijl Otto Van Heukelom bij den toren blijft, en zóó
+snel was de overrompeling geschied, dat zij weldra meester waren van
+de buitenpoort.
+
+Inmiddels begon de dag aan te breken en geraakte de bezetting,
+opgewekt door het geschreeuw en het rumoer van de naderende benden,
+op de been. Jonker Willem meende nu geen oogenblik te moeten verliezen
+en besloot stoutmoedig de krijgsknechten van den Hollandschen graaf
+tegen te trekken, voordat deze den tijd hadden, zich geregeld
+te verzamelen. Quannevan, Simon, de gebroeders Van de Werve en
+verscheidene krijgsknechten, die de vluchtelingen achtervolgd hadden,
+braken de poort met bijlslagen open, en voordat het morgenrood de spits
+van den kerktoren bestraalde, mocht Jonker Willem de eerste schreden
+in zijn vaderstad zetten. Thans ging het met vroolijk trompetgeschal
+voorwaarts; de Arkelsche mannen en Gelderschen, aangevuurd door hun
+jeugdige bevelhebbers, rukten juichend de stad binnen, terwijl van
+alle kanten de stadswakers en de krijgsknechten van den graaf de vlucht
+namen. In de Kruisstraat evenwel kwam het tot een stilstand. Van Goor
+had in allerijl de bezetting bijeengeroepen en was besloten Jonker
+Willem den voortgang te betwisten, doch Quannevan, die vuur en vlam
+was van woede op de oproermakers, stortte zich met het zwaard in de
+vuist vooruit, en geholpen door tien--twaalf dappere mannen, deed
+hij de bende uiteenstuiven als kaf voor den wind.
+
+"Blaas! Blaas,--blaas, victorie!" riep hij den trompetter toe, die
+wederom de trompet aan den mond zette en met al de kracht zijner
+longen de overwinning verkondigde.
+
+
+
+Gorcum was in de macht van Jonker Willem Van Arkel. De vijand was
+buiten de stad gevlucht, om de treurige tijding aan den graaf van
+Holland te gaan verkondigen; anderen hadden zich naar den burcht
+gewend, om niet alleen daar een toevlucht te zoeken, maar ook de
+bezetting te versterken, wel voorziende, dat Jonker Willem straks
+met zijn Arkelsche mannen de vaderlijke bezitting zou trachten te
+heroveren.
+
+Dit was ook inderdaad het plan van den jonker, maar zijn krachten
+schoten vooralsnog te kort; eerst moest hij zich overtuigen, dat het
+grootste deel der burgerij en inwoners op zijn zijde was, en als dan
+Hertog Reinout of zijn vader Jan Van Arkel hem een nieuwen toevoer van
+krijgsknechten zond, wilde hij een aanval op den burcht ondernemen. Wat
+het eerste betreft, spoedig smaakte hij de voldoening, dat hij meer
+aanhangers en vrienden in de stad had dan hij wist, en inderdaad, de
+Gorcummers waren in lang niet tevreden, dat hun stad door verraad in
+de macht van Graaf Willem VI gekomen was. Zoodra Jonker Willem zijn
+trompetter en eenige soldaten in de straten uitzond met den uitroep:
+"Wie zich onder de banier van Van Arkel schaart, dien zal niets misdaan
+worden!" [16], stroomden van alle kanten de inwoners uit de huizen,
+juichten den moedigen overwinnaar toe en vervulden de lucht met hun
+gejubel. Alle mutsen vlogen omhoog en de kreet galmde wijd en zijd:
+"Leve onze nieuwe landsheer!" Al juichende trok het volk voorwaarts
+en verlangde, dat de jonker zijn intrek op het stadhuis zou nemen,
+maar hiertegen verzette zich Quannevan, die zich de eer niet wilde
+laten ontnemen den zoon zijns weldoeners in zijn huis te ontvangen.
+
+Jonker Willem, vergezeld van zijn bevelhebbers en voorafgegaan door
+Quannevan, begaf zich thans naar de Krijtstraat, en mijn lezer gist
+reeds, dat Jennike zich boven op het steenen bordes bevond, om den
+jeugdigen veroveraar toe te juichen, die, van Quannevan vernomen
+hebbende, welk een levendig aandeel de zuster zijns zoogbroeders
+in zijn lot genomen had, de hand der getrouwe dienstmaagd hartelijk
+drukte.
+
+"Sta mij toe, edele heer," zeide zij, "dat ik u, voordat gij met mijn
+heer een beker wijn drinkt op het welslagen uwer onderneming en God
+dankt voor de overwinning, die Hij u geschonken heeft,--sta mij toe,
+dat ik u vooraf drie der ergste en valschte vijanden van u en heer
+Quannevan toon."
+
+"Kom, kom!" riep Quannevan uit, "wij hebben nu geen vertooning meer
+noodig. De edele jonker is moede en verlangt naar rust. Luister niet
+naar haar, edele heer, want als gij dat doet, zijt gij verloren. Zij
+geeft nooit iets op en zet haar plannen met een hardnekkigheid door,
+die mij soms razend gemaakt heeft. Als ik er nog aan denk, dan...."
+
+Hij balde in zijn drift de vuist, meenende, dat hij zijn karwats in
+de hand had.
+
+"Maar haar aanbod is toch welgemeend, Heer Quannevan," zeide Jonker
+Willem glimlachend. "Ik wil wel eens mijn ergste vijanden zien--vooral
+als overwinnaar!"
+
+"Ik niet," riep Quannevan uit. "Als ik mijn ergste vijanden in mijn
+macht heb, laat ik ze, zonder dat ik ze zie, ophangen. Men moet korte
+metten maken met oproermakers!"
+
+"De schoonste taak van een overwinnaar is te vergeven," zeide Jonker
+Willem.... "Kom, toon mij eens mijn ergste vijanden en die van uw
+heer. Misschien kan ik ze tot mijn vrienden maken."
+
+"Nieuwerwetsche grillen!" bromde Quannevan, "in mijn goeden ouden tijd
+ging het beter. Toen liet men het vergeven aan de priesters over en
+hing de booswichten op."
+
+Jonker Willem, vergezeld van Splinter, eenige krijgsknechten en den
+trompetter, volgde Jennike, die hem door allerlei vertrekken naar de
+kamer bracht, waar de kast was met de verborgen deur. Hier gaf zij
+Aart een wenk, die een paar fakkels ontstak, waarop zij allen door
+de geheime gang de trappen afdaalden naar het gewelf.
+
+Toen zij dit bereikt hadden, bleef Jennike een oogenblik stilstaan
+en zeide:
+
+"Dezen morgen vroeg, terwijl mijn hart vroolijk klopte, toen ik de
+juichtonen van het trompetgeschal vernam en mij naar het bordes begaf,
+in de hoop u spoedig te zien, zag ik drie mannen in allerijl herwaarts
+vluchten. Zoodra zij mij gewaarwerden, vlogen zij de trappen op en
+smeekten mij, ter wille van de trouw en liefde, die ik mijn heer
+toedroeg, hen te verbergen. Ik wilde hun dit eerst weigeren, toen
+eensklaps zich een betere gedachte van mij meester maakte. Ik kende
+u, edele heer, ik wist, dat een edelmoedig hart in uw boezem klopt,
+en daar straks mocht ik daarvan weder een nieuw bewijs hooren. Welnu,
+die drie mannen zijn de grootste vijanden van u en Heer Quannevan. Zij
+hebben mijn heer vriendschap gehuicheld en samenspanningen tegen u
+gesmeed. Thans zijn zij in uw beider macht. Daar zijn zij! Doe met
+hen gelijk gij meent, dat een Christen doen moet."
+
+Bij deze woorden schoof zij een grendel weg, trok de deur op en een
+koele, vochtige lucht woei hun tegen. Wat zagen zij bij het walmende
+fakkellicht?
+
+Daar lag Jan Gerardijn, de proost en deken der kerk, op zijn knieën,
+met gevouwen handen, terwijl de beide schepenen, Roelofsz en Boudewijn
+De Ledige, bijna dood van schrik en angst op den grond uitgestrekt
+lagen.
+
+"Vergiffenis--vergiffenis!" stamelde de proost.
+
+"Die zij u geschonken!" riep Jonker Willem, "onder voorwaarde, dat
+gij die ook van God begeert en dat gij u voortaan, niet meer bemoeit
+met dingen, die uw heilige bediening niet aangaan. Heer Quannevan,
+sta toe, dat ik dezen man eerst eenige verkwikking doe toedienen,
+voordat hij van hier gaat!"
+
+"Nieuwerwetsche grillen! nieuwerwetsche grillen!" pruttelde
+Quannevan. "Had ik slechts mijn karwats! Dan zou ik het wel weten!"
+
+Hij durfde zich evenwel niet tegen het verzoek verzetten en beval
+Aart, den proost naar binnen te geleiden en hem een beker wijn in te
+schenken, waaraan deze ook voldeed.
+
+De beide schepenen, wier ooren niet gesloten waren, hadden eensklaps
+door dit goede voorbeeld moed gekregen; zij stonden op en riepen ook
+de lankmoedigheid van Jonker Van Arkel in.
+
+"Wij hebben dwaselijk gehandeld, edele heer!" zeide Roelofsz. "Dat
+zien wij thans duidelijk in."
+
+"Ja, dat zien wij thans duidelijk in," stamelde Boudewijn De Ledige.
+
+"Hadden wij geweten, dat gij zulk een edelmoedig heer waart, wij
+zouden ons nimmer tot zulke booze daden geleend hebben. Maar wij hopen,
+dat gij het ons vergeven zult."
+
+"Wij hopen, dat gij het ons vergeven zult," herhaalde zijn echo.
+
+"Kerels!" riep Quannevan uit, die meende ook een woordje te moeten
+meespreken en beefde van drift, "kerels! hoe is het mogelijk, dat
+gij tot zulke goddelooze dingen in staat zijt geweest!"
+
+"Dat kan ik u wel verklaren, Heer Quannevan," zeide Jonker Splinter,
+die den driftigen edelman zachtjes op den schouder sloeg: "ons hart
+is geen bron van rein water; daaruit komen alle ongerechtigheden en
+wandaden te voorschijn, en hoe meer zich de mensch van God en Zijn
+dienst vervreemdt en den toegang voor hemelsche invloeden afsluit,
+des te sterker treden deze boosheden naar buiten!"
+
+"Dan ware het maar het beste, dat men die kerels, die zulke booze
+harten hebben, hoe eer hoe beter uit de wereld hielp!" riep Quannevan.
+
+"En dan?" vroeg Splinter kalm.
+
+"En dan? Ja, dat moge de Heilige Maagd weten wat zij met die kerels
+doen wil. Wij zijn ze kwijt--en daarmede basta!"
+
+"Dat mag ons niet genoeg zijn, Heer Quannevan!" zeide Splinter. "Die
+menschen toch hebben schuld beleden en onze vergiffenis ingeroepen,
+en wij mogen niet minder doen dan God, die--ik herhaal wat ik vroeger
+tot Jonker Willem zeide--mildelijk geeft en niet verwijt. Ik ondersteun
+dus hun verzoek en hoop, dat de jonker hen ontslaan zal."
+
+"Altemaal nieuwmodische instellingen!" pruttelde Quannevan. "Ophangen
+is maar de baas!"
+
+"Gij erkent slecht gehandeld te hebben?" riep Jonker Willem den beiden
+schepenen toe.
+
+"Ja,--ja!" antwoordde Roelofsz.
+
+"Ja,--ja!" galmde zijn echo.
+
+"Welnu, dan voort van hier! Gaat naar het stadhuis en verkondigt
+daar aan allen, die het hooren willen, dat Jonker Willem Van Arkel
+de verovering zijner stad niet wil vieren met het plengen van bloed,
+maar met het bewijzen van liefde en vergevensgezindheid!"
+
+Dit zeggende, verwijderde hij zich, terwijl Jennike, blijde als zij
+was, naar de kelderdeur onder het bordes liep, deze wijd openzette
+en de beide schepenen naar buiten geleidde.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+BESLUIT.
+
+
+De taak, die ik op mij genomen had, om u een episode uit de Arkelsche
+oorlogen tijdens de regeering van Graaf Willem VI te schetsen, is
+ten einde. Doch daar ik vermoed, dat gij nog wel het een en ander
+aangaande de beide Van Arkels wilt weten, zal ik u in korte trekken
+den verderen loop hunner geschiedenis mededeelen.
+
+Het spreekt vanzelf, dat de Hollandsche graaf, onmiddellijk na de
+tijding van Gorcums verrassing, zijn krijgsknechten bevel gaf, naar
+de stad op te rukken, terwijl Jonker Willem het beleg sloeg voor den
+burcht, welks bezetting zich moedig verdedigde en bestand bleef zelfs
+tegen het geschut, dat de jonker er op liet richten. Hertog Reinout,
+die zijn neef wilde te hulp komen, zonder nog in openbaren oorlog
+met den Hollandschen graaf te treden, zond een bende Gelderschen
+naar Gorcum, die slechts het doel had, de stad van mondbehoeften
+en verdedigingsmiddelen te voorzien. Dit nam evenwel niet weg, dat
+de Gelderschen en Hollanders, die toch reeds verbitterd op elkander
+waren, dikwijls handgemeen geraakten, en dat de laatsten allerwegen
+in den Tieler- en Bommelerwaard het land afliepen, terwijl de eersten
+Woudrichem bestookten. Maar tot een eigenlijken oorlog kwam het niet,
+al had ook Reinout den graaf van Holland uitgedaagd. De staatkunde
+van vele vorsten is weinig betrouwbaar, en niet onmogelijk is het,
+dat Reinout en Graaf Willem in het geheim een verbond hebben gesloten,
+om, onder den schijn van tegen elkander te strijden, Jan Van Arkel
+van zijn heerlijkheid te berooven en deze in handen van den graaf
+te brengen. Althans er werd spoedig vrede gemaakt tusschen beide
+vorsten. Of evenwel Jonker Willem lang in het bezit van Gorcum
+is gebleven, is niet recht duidelijk. De burcht bleef intusschen
+door de Hollanders bezet, en af en toe veranderde Gorcum van heer,
+daar onder anderen Jan Van Arkel in het begin van 1409 aan zijn
+zwager het beheer zijner heerlijkheid opdroeg. De beide heeren Van
+Arkel intusschen konden hun wrok tegen den Hollandschen graaf niet
+overwinnen, en gedurig vielen zij met gewapende benden in het Sticht
+en Holland, en daar Reinout hieraan niet vreemd was, ontbrandde de
+krijg tusschen Gelderland en Holland weder, die daarmede eindigde,
+dat Graaf Willem 24 Juli 1412 te Gorcum als heer gehuldigd werd, en
+de eerste daad, die de nieuwe heer volbracht, was, dat hij het aloude
+slot Arkel tot den grond liet slechten en aan de Merwede een sterkte
+deed opwerpen, die de stad voortaan in bedwang zou houden. Wat Jan
+Van Arkel betreft, deze werd later gevangengenomen, op de poort van
+het hof in Den Haag gezet, vervolgens naar Gouda gevoerd, waar hij
+tot 1427 bleef en te Leerdam, 25 Juli 1428, in den ouderdom van 65
+jaren overleed. Voorwaar, deze man, de rijkste edelman van die dagen,
+mocht wel met den aartsvader Jacob uitroepen: "weinig en kwaad zijn
+de dagen der jaren mijns levens geweest."
+
+Jonker Willem Van Arkel mocht zijn vader niet lang overleven. Onder
+de regeering van Jacoba Van Beieren, de dochter van Graaf Willem VI,
+hadden zich Willem Van Arkel en zijn zwager Jan Van Egmond van Gorcum
+meester gemaakt, waarop de jeugdige gravin met een groot leger,
+onder bevel van Walraven Van Brederode, naar die stad trok en deze
+na een hevige bestorming innam. Doch thans ontstond er een woedende
+strijd binnen de straten; de Van Arkels verdedigden iederen hoek en
+elk huis, en zelden is er zooveel edel bloed binnen Gorcum gevloten
+als op den 1sten December 1417. Walraven Van Brederode sneuvelde, en
+helaas, ook Jonker Willem Van Arkel, die aan de zijde van zijn vriend,
+Jonker Spijker Van Nieuwenroode den dood vond in die zelfde straat en
+bij hetzelfde huis, waar hij eenige jaren geleden zoovele bewijzen van
+een zachte inborst gegeven had. Men zegt, dat Gravin Jacoba, toen zij
+den dood van Jonker Willem vernam, in tranen uitbarstte en uitriep:
+"Ik heb niet gewonnen, maar verloren," en de kroniekschrijver Kemp
+voegt er bij, "dat zij gehoopt had hem gevangen te maken en dan met de
+vrijheid hem tevens haar hand te schenken." Jacoba vertoefde zoolang
+te Gorcum, tot zijn lijk plechtstatig in de kerk was bijgezet. Zijn
+asch rust in de tombe der heeren Van Arkel "op ons Lieve Vrouwen
+Koor," en hij werd--zooals Van Zomeren het uitdrukt--met zijn zestien
+kwartieren begraven, die hij met name noemt.
+
+Ter nagedachtenis aan dezen strijd en het sneuvelen van Jonker Willem
+Van Arkel werd in de Krijtstraat (Rivetsteeg) een langwerpige,
+witte arduinsteen in den gevel van een der huizen geplaatst, met
+dit opschrift:
+
+Doe men schreef den 1 December M CCCC XVI, en een.
+Doen bleef den Edelen Hooggeboren Willem Van Arkel voor deze steen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] Van Zomeren, in zijn beschrijvinge van Gorcum zegt, dat dit huis
+later de Gevangenpoort en het cipiershuis is geweest. Bladz. 309.
+
+[2] Walraven Van Brederode was de zeventiende heer van Brederode,
+en bekleedde weleer het stadhouderschap over Holland. Hij werd de
+eerste Edele en graaf van Gennep genoemd. Als bloedverwant der laatste
+graven uit het Hollandsche huis droeg hij de volle wapenen van stam
+in zijn banier. Reeds onder den vader van Willem VI had hij zich door
+dapperheid onderscheiden, maar werd vier jaren vóór den aanvang van
+ons verhaal, in 1402, tijdens den eersten oorlog tusschen den graaf van
+Holland en Jan Van Arkel bij de belegering van Gorcum door een uitval
+der Arkelschen gevangengenomen en binnen de stad opgesloten. Eerst
+sedert kort was het Hertog Reinoud van Gelderland gelukt, hem door zijn
+voorspraak bij Jan Van Arkel te ontslaan, en kreeg Walraven verlof,
+van tijd tot tijd de stad te verlaten, een vrijheid, waarvan hij,
+gelijk wij zien zullen, ten nadeele van Jan Van Arkel gebruik maakte.
+
+[3] Het jaar te voren (1405) hadden de Hollanders, in vereeniging met
+de Stichtsche legerbenden, den burg Everstein, de stede Gasparne en het
+slot Hagestein, die aan Jan Van Arkel toebehoorden, door hongersnood
+en geweld van wapenen tot de overgave gedwongen. Hagestein met het
+omliggende land kwam toen aan Utrecht.
+
+[4] Kabeljauwschgezinden. Mijn lezers weten, dat sedert de regeering
+van Willem V (oom van den thans regeerenden graaf) de onzalige
+twisten der Hoekschen en Kabeljauwschen een aanvang hebben genomen. Ik
+veronderstel, dat zij met den oorsprong dezer partijen bekend zijn, die
+eigenlijk slechts een leus was, welke naar omstandigheden veranderde,
+zoodat soms steden en edelen, die het eene jaar Hoekschgezind waren,
+het volgende jaar tot de partij der Kabeljauwschen overgingen. Deze
+partijen bestaan, meen ik, nog altijd, schoon onder een anderen naam,
+en ik houd het er voor, dat de Kabeljauwschen tot de liberale richting
+behoorden en de Hoekschen meer conservatief waren.
+
+[5] Pirlepont lag in het hertogdom Bar, een erfdeel van zijn moeder,
+die hij, helaas, schandelijk bejegend heeft.
+
+[6] Hij bekleedde deze waardigheid sinds 1389. Zie Arend,
+Alg. Gesch. des Vad. II. 2. Bladz. 302.
+
+[7] Zie Van Wijn, Naleezing op de Vaderl. Hist. bladz. 194-196.
+
+[8] Deze Jan Van Egmond was gehuwd met de dochter van Jan Van Arkel,
+Maria, die in 1415 stierf, nalatende twee zoons, Arend en Willem Van
+Egmond. Arend werd later hertog van Gelre.
+
+[9] Jonker Willem zinspeelt hier op het Arkelsche wapen: twee roode
+balken op een zilveren veld. Vroeger voerden de Van Arkels in hun
+wapen twee ronde torens met een blauw dak op een gouden veld.
+
+[10] Eenige kroniekschrijvers deelen de zaak eenigszins anders
+mede. Zij doen het voorkomen, dat de dienstmaagd van Quannevan
+onmiddellijk aan Jan Van Arkel van de samenzwering had kennisgegeven,
+die daarop daags daarna, uit de kerk komende, zijn zoon te gemoet
+treedt en hem op vaderlijken, teederen toon zijn gedrag verwijt,
+waardoor Jonker Willem zóó getroffen zou geworden zijn, dat hij
+aan zijns vaders voeten nederzonk. Jan Van Arkel zou vervolgens
+zijn zoon bij de hand genomen en ter kerk geleid hebben, waarop de
+samenzweerders zich uit de voeten gemaakt hebben. Ik houd het er voor,
+dat zoo iets wel gebeurd kan zijn, maar niet bij gelegenheid van de
+samenzwering ten huize van Quannevan. Immers Jan Van Arkel bevond
+zich toen te Arnhem en niet te Gorcum. Hij kan dus onmogelijk den
+dag na het verraad met zijn zoon naar de kerk gegaan zijn.
+
+[11] Zoo drukt zich Arend uit in zijn Alg. gesch. des Vaderlands III,
+bladz. 437, maar deze lezing is mij niet duidelijk.
+
+[12] 6 April 1407.
+
+[13] Zie van Zomeren's beschrijving van Gorcum, bladz. 312.
+
+[14] Van Zomeren, bladz. 313.
+
+[15] Van Zomeren spreekt van den "Robbrechtstoren," die tusschen
+de Kanze- en Arkelpoorten moet gestaan hebben, maar ik heb dezen op
+geene zelfs der oudste grondteekeningen van de stad kunnen vinden.
+
+[16] Van Zomeren, bladz. 315.
+
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's Jonker Willem van Arkel, by Eduard Gerdes
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 59119 ***