diff options
| author | nfenwick <nfenwick@pglaf.org> | 2025-02-09 13:04:58 -0800 |
|---|---|---|
| committer | nfenwick <nfenwick@pglaf.org> | 2025-02-09 13:04:58 -0800 |
| commit | c8958c9c29d434cbb8a091f498efd7e3cd68d41e (patch) | |
| tree | 7d4563c2f3b0f5409077c2ea357fcc56110bdc38 /59119-0.txt | |
| parent | d80d30523eec624307129c8359361e10c1e1ff8e (diff) | |
Diffstat (limited to '59119-0.txt')
| -rw-r--r-- | 59119-0.txt | 2754 |
1 files changed, 2754 insertions, 0 deletions
diff --git a/59119-0.txt b/59119-0.txt new file mode 100644 index 0000000..465b321 --- /dev/null +++ b/59119-0.txt @@ -0,0 +1,2754 @@ +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 59119 *** + + + + + + + + + + + + + JONKER WILLEM VAN ARKEL + + DOOR + + E. GERDES. + + + VIERDE DRUK. + + + Geïllustreerd met 4 plaatjes. + + + TE LEIDEN, BIJ A. W. SIJTHOFF. + + + + + + + + + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +Waarin wij een bezoek brengen aan den edelman Quannevan. + + +Het was een vreemdsoortig huis, waarin de edelman Quannevan te Gorcum +woonde. Het huis stond in de Krijtstraat (later de Revetsteeg) +achter de Groote Kerk, en was, zooals de beschrijving ons meldt: +"van voren van trappen voorzien, om naar boven te gaan, en onder met +kelders [1]." Dat dit groote huis juist in de Krijtstraat gebouwd was, +verwondert mij wel een weinig, daar de aanzienlijkste huizen destijds +stonden in de Molenstraat, zuidwaarts van 't Marktplein, en ik geloof +derhalve, dat die woning tot een bijzonder doel moest dienen. Welk +doel weten wij niet; waarschijnlijk was het een stadsgebouw, dat later +tot gevangenis werd ingericht, wellicht ook behoorde het aan heer Jan +van Arkel, die heer van Gorcum was. Hoe het zij, vreemdsoortig bleef +het huis, vooral met de lange, smalle, steenen trap, die zich tot aan +de deur verhief en op die hoogte een nauw bordes vormde, door ijzers +in allerlei bochten en krommingen afgepaald. Vier kleine vensters, +van binnen en buiten van luiken voorzien, hadden het uitzicht op de +straat, maar verdienden geen lof van sierlijkheid en symmetrie, daar +het eene venster vlak bij de deur en het andere dicht bij den gevel +was, terwijl de beide andere boven elkander in een hoek geplaatst +waren. Onder de lange steenen trap zag men den ingang tot een breeden +kelder, maar het was daar zóó donker, dat men niet eens zien kon of +er wel een deur vóór dien ingang was gemaakt. + +Het huis had dus twee ingangen, een naar boven langs het smalle +bordes en een naar de kelders onder de trap. Straks zullen wij wel +gelegenheid hebben, een oog in die onderaardsche ruimten te slaan; +voor 't oogenblik verzoek ik u, mij op de trap te volgen, het huis in +te gaan en de kamer binnen te treden, die zich links van den ingang +bevindt. Het was een donker vertrek, laag van verdieping, met dikke, +zware balken aan de zoldering en eikenhouten wanden. Er waren slechts +weinige meubelen aanwezig: een langwerpige klaptafel, een paar stoelen, +een groote kleederkast en onder den wijden open schoorsteenmantel +een hooge zitbank. Sieraden, kleinoodiën en dergelijken schenen hier +niet aanwezig te zijn, althans er was niets van dien aard te zien, +behalve een paar degens, een groot schild, een zwaard en een ijzeren +wapenrusting, die aan de houten wanden bevestigd waren. + +Aan de klaptafel zat de edelman Quannevan, of beter gezegd hij +zat niet, maar met de beide handen op de tafel leunende, bukte +hij voorover, terwijl hij het aangezicht gekeerd hield naar den +schoorsteenhaard, waar een dienstmaagd bezig was een paar stukken hout +aan 't branden te brengen, hetgeen zij wel mocht doen, daar de laatste +Maartdagen van het jaar 1406 zeer koud waren. De edelman scheen toornig +te zijn en zijn gramschap aan de dienstmaagd uit te laten; althans +zijn gelaat gloeide, zijn lippen trilden van woede en de hevigheid van +zijn hartstocht liet hem geen tijd, om op zijn stoel te gaan zitten, +zoodat hij de half voorovergebukte houding een poos lang bleef bewaren. + +"Jen--Jenne--Jennike," zeide hij eenigszins stotterende van kwaadheid, +"ga uit mijn oogen en waag het niet terug te komen, voordat ik u roep." + +Jennike hoorde deze woorden zeer goed, maar daar het waarschijnlijk +de eerste maal niet was, dat zij op deze wijze toegesproken werd, +bleef zij zoo kalm mogelijk aan het werk, waaraan zij bezig was en +waarmede zij ook geen bijzonderen spoed scheen te maken, daar zij +gedurig de oogen naar de deur wendde, alsof zij verwachtte daar iemand +te zien binnenkomen. Eindelijk gelukte het haar toch, door eenigszins +te blazen, de beide stukjes hout vlam te doen vatten. + +"Verstaat gij mij niet, Jen--Jennike?" stotterde de driftige edelman +opnieuw. "Of wilt gij, dat ikzelf het vuur harder doe branden? Wat +let me, dat ik niet de karwats neem en u links en rechts om de ooren +sla? Pas op, dat ik niet met u doe als met Aart, mijn lijfknecht, +dien ik een schop heb gegeven, dat hij met zijn neus op den vloer +rolde, omdat hij mij zoo dom stond aan te kijken als een haan, die +zijn staart heeft verloren! Wat let me!" + +En daar Jennike zich niet aan zijn bedreigingen scheen te storen, +ontstak hij zoodanig in woede, dat hij de karwats drie of vier malen +boven zijn hoofd zwaaide, maar ze gelukkig niet naar de dienstmaagd +wierp, ziende, dat het vuur ten laatste aan 't branden was gegaan. + +"Zoo, nu brandt het!" vervolgde hij, nog altijd in dezelfde houding, +doch een weinig minder driftig, "maar maak nu, dat er wat hout +opgestapeld wordt rondom de turven, want anders wordt het hier niet +warm. Straks komen de beide eerzame schepenen Jacob Roelofsz. en +Boudewijn De Ledige, om met mij te praten, te drinken en te spelen, +en de laatste, die zoo mager is als een talhout, kan niet tegen de +koude, vooral in zulk een kil vertrek als dit!" + +Bij deze laatste woorden wilde de edelman gaan zitten, te meer daar hij +zag, dat de dienstmaagd haar best deed, de lamp te ontsteken. Juist +toen zij hiermede bezig was, ontstond er eenig gerammel aan de deur, +en toen zij het oog derwaarts richtte, zag zij de beide verwacht +wordende personen, die niet wisten, of zij binnen zouden komen dan +wel of zij wachten wilden, totdat zij geroepen werden. + +"Daar zijn zij!" pruttelde Jennike voor zich heen. "Ik wenschte wel +om een zak appelen, dat zij niet zoo dikwijls bij mijn heer kwamen, +want hun gezelschap deugt voor hem niets. Vooreerst sporen zij hem aan +tot veel wijn drinken, wat voor zijn gestel niets deugt, daar hij met +den dag driftiger en onstuimiger wordt, en ten anderen hitsen zij hem, +onder allerlei bedekte vormen, tegen heer Jan Van Arkel op. En het +zou toch schandelijk en ondankbaar zijn, als hij naar hun ingeving +luisterde, daar hij toch het brood van Jan Van Arkel eet. Maar ik +zal op de loer blijven, en zoodra ik merk, dat zij iets tegen onzen +wettigen heer samenspannen, zal ik wel weten wat ik te doen heb." + +Onderwijl Jennike al pruttelende met haar werk voortging en eenige +blokken hout rondom het turfvuur opstapelde, was de edelman naar de +deur gesneld, om zijn bezoekers te verwelkomen, die dan ook weldra, +na de gewone groeten, aan de klaptafel plaats namen, terwijl Quannevan +zich beijverde, om drie bekers met wijn te vullen, voor zichzelf en +zijn gasten. + +De toorn van den edelman was thans geheel bedaard, vooral toen hij +zag, dat het vuur hoog opflikkerde en de beide schepenen zich den +wijn goed lieten smaken. Inderdaad was ook Quannevan een uitmuntend +gastheer en had zeer vele goede eigenschappen. Schoon driftig van aard, +werd hij altijd spoedig weder kalm. Daarenboven zat het hart bij hem +op de rechte plaats, en zoo hij al geen vroom Christen mocht heeten +(vooral in die tijden van Roomsch bijgeloof en onkunde), had hij +echter een oprecht en eerlijk gemoed en wantrouwde hij niemand. Het +kwam hem zelfs nooit in de gedachte, dat de vrienden, die hem van tijd +tot tijd bezochten, door eigenbelang gedreven werden, veel minder nog, +dat zij zijn huis als een verzamelplaats van lieden hadden uitgekozen, +die daar wilden bijeenkomen met het plan, om tegen heer Jan Van Arkel +kwaad te brouwen--tegen heer Jan Van Arkel, den man, wiens brood hij +at, wiens huis hij bewoonde. + +"Drinkt toch, heeren!" zeide Quannevan, de bekers opnieuw vullende, +"of smaakt u de wijn niet? Dat zou mij spijten, want hij is een +landsman van mij. Gij weet, ik stam uit Bourgondië, en heer Jan, +wetende hoezeer ik de vrucht mijns lands bemin, heeft mij een okshoofd +van daar doen komen!" + +"Een edele wijnsoort, voorwaar!" sprak schepen Roelofsz. "Zeker +heel duur?" + +"Ja--zeker heel duur?" herhaalde schepen De Ledige, die de schaduw +van Roelofsz. genoemd werd, daar hij dezen gewoonlijk nasprak. + +"Duur--duur! Dat weet ik niet," antwoordde Quannevan, het glas tegen +het licht houdende, "daarnaar vraag ik ook nooit. Ik weet, dat het +een kostelijke wijnsoort is en dat mijn edelmoedige beschermer, +heer Jan, mij die geschonken heeft. Mijn vrienden, ik weet niet, +of uw hart met zooveel warmte als het mijne slaat voor heer Jan, +maar toch geloof ik wel, dat gij het mij niet euvel zult duiden, als +ik dezen beker ledig op de gezondheid van heer Jan Van Arkel. Moge de +heilige Maagd en alle heilige engelen hem en zijn zoon jonker Willem +nog een menigte van jaren in bescherming nemen!" + +Quannevan, oprecht als hij was, dronk den beker tot op den bodem +ledig en ten bewijze, dat hij zijn heilwensch gemeend had, zette +hij het glas omgekeerd op de tafel. Er kwam ook geen druppel meer +uit. De beide schepenen schenen een weinig verrast te zijn door deze +uitnoodiging, althans zij zagen elkander veelbeteekenend aan en wisten +niet, hoe zij doen zouden, drinken of niet drinken, want zij stemden +in het geheel niet met Quannevan's heildronk in. Daar zij echter toch +iets doen moesten, begon Roelofsz. te hoesten en te proesten alsof +er plotseling iets in zijn keel gekomen was en Boudewijn De Ledige +meende niet beter te kunnen handelen, dan den schepen na te hoesten, +en wel zóó sterk--altijd een gevolg van het namaaksel--dat de klaptafel +er van dreunde en de schaakstukken op- en nederdansten. Quannevan, +die geen opzet vermoedde, schreef dit aan zware verkoudheid toe, +hetgeen in zijn oog zeer mogelijk kon zijn, daar de laatste dagen +van Maart 1406 tamelijk ruw en guur waren. + +Maar zoo dacht Jennike niet. De dienstmaagd lag nog steeds op haar +hurken bij het vuur en scheen nog in lang niet daarmede klaar te +kunnen komen. Ik zeg scheen, want eigenlijk gezegd had het vuur reeds +veel hooger kunnen flikkeren, maar met opzet verhinderde zij dit, +om slechts aanleiding te hebben nog eenigen tijd langer in de kamer +te blijven. Zij vertrouwde die beide schepenen geen zier, althans +Jacob Roelofsz. niet, en spitste de ooren telkens, als deze iets +zeide. Toen zij nu Quannevan's heildronk hoorde en den verlegen +blik zag van de beide schepenen, benevens hun voorgewend hoesten, +begreep zij, dat haar goede heer in geen goed gezelschap was en dat +de schepenen den heer Van Arkel geen goed hart toedroegen. + +"Die schelmen!" pruttelde zij. "Zij drinken den wijn van heer Jan en +in hun hart bedenken zij kwaad tegen hem. Maar wacht, gij booswichten, +ik ken u vanouds. Gij zijt nooit Arkelsgezind geweest. Ik zal wel +zorgen, dat gij hier in huis geen kwaad brouwen kunt!" + +Of Jennike's gepruttel een weinig te luidruchtig was geworden, dan +of toch de schepenen haar reeds lang in het oog hadden gehouden, +weet ik niet--maar het scheen hun volstrekt niet naar den zin te +zijn, dat zij daar zoo dicht bij hen was. Zij konden geen luisteraars +verdragen. Ook hadden zij liever niet, dat de dienstmaagd hedenavond +in huis was, en zouden gaarne gezien hebben, dat zij gedurende een +paar uren verwijderd werd. Waarom--zullen wij straks hooren, evenzoo +dat zij hun best deden, dit doel te bereiken. + +Quannevan was opgestaan en noodigde hen uit, een Fransch schild +te bezichtigen, dat hem heer Jan van Egmond, de schoonzoon van Jan +Van Arkel, uit Frankrijk had medegebracht. Het was een van die fijn +beschilderde verdedigingswapenen, in dien tijd pavois genoemd en die +inzonderheid door de krijgers te voet werden gebruikt. Heer Quannevan, +een oud soldaat en vol geestdrift voor alles, wat krijgskunde +betrof, gaf nu een breede beschrijving van dit schild en weidde uit +in deszelfs lof. Schepen Roelofsz., die liever de pen dan zwaard en +schild hanteerde en ook van de laatsten geen verstand had, wist niets +anders te doen dan gedurig met het hoofd te knikken als een soort van +bijvalsbetuiging, een beweging, waarin Boudewijn De Ledige hem volgde. + +"En nu zal ik u eens mijn eigen helm laten zien, dien ik in den strijd +tegen de Normandiërs droeg," vervolgde Quannevan, "maar gij moet mij +veroorloven, dat ik de lamp krijg, om u beter te lichten." + +Dit zeggende ging de edelman heen, om de lamp te halen, die, gelijk +wij weten, aan den muur hing, maar of hij een weinig onhandig te werk +ging, dan of Jennike ze niet goed opgehangen had--zoodra hij ze slechts +even aanraakte, viel zij van den spijker en doofde in haar val uit, +zoodat de kamer duister werd en er geen ander licht was dan de zacht +opstijgende vlam in den haard. + +"Jennike! Jennike!" riep de oude edelman, een paar stappen achteruit +springende, om niet door de olie bespat te worden. "Dat is uw +schuld! Gij zijt altijd zoo slof en onhandig. Ware het slechts +Pinksteren, dan zond ik u weg en nam een betere dan gij zijt. Kom, +raap de lamp haastig op en steek ze weer aan. Wat? Pruttelt gij nog +tegen? Tegen? Waar is mijn karwats? Dan zal ik u leeren pruttelen!" + +'t Is waar, Jennike had zich eenige woorden, bijna binnensmonds, +laten ontvallen, maar deze betroffen geenszins haar heer, maar wel +de beide schepenen, die, zoodra zij in den donker stonden, de hoofden +bij elkaar gestoken hadden en met elkaar fluisterden. + +"Konden wij die meid maar van onzen hals afschuiven!" zeide +Roelofsz. zoo zacht mogelijk. + +"Ja--die meid afschuiven!" herhaalde zijn schaduw. + +"Zouden onze vrienden niet tegen zeven uren hier onder in den kelder +bijeenkomen? Mij dunkt, het zal niet ver van zevenen zijn. Maar hoe +raken wij die meid kwijt?" + +"Ja, hoe raken wij ze kwijt?" sprak de echo. + +"Wacht, ik weet wat. Zooals gij ziet, heeft heer Quannevan het +schaakspel gereedgezet, denkende, dat wij ons den ganschen avond +daarmede wenschen bezig te houden. Maar hebben wij nu onze gedachten +daartoe bijeen? Bovendien, wij kunnen immers niet met ons drieën +schaken. Dat gaat niet." + +"Dat gaat niet!" herhaalde De Ledige. + +"Daarvoor weet ik echter raad. Gij kent Willem Pekeric, die den +steenoven heeft buiten de poort? Deze is ook een van de onzen, en als +wij hem hier laten ontbieden, kwansuis om den teerling te werpen, dan +zal hij ons wel begrijpen en komen. Is het niet uitmuntend bedacht?" + +"Uitmuntend bedacht?" fluisterde de nagalm. + +"Dan raken wij die meid kwijt en in dien tijd kunnen de vrienden +hieronder ongemerkt bijeenkomen.... Wil ik u helpen, heer +Quannevan?" vroeg hij, zich tot den edelman wendende, die nog gedurig +vóór de meid stond te zwaaien en te schimpen, daar deze naar zijn +gevoelen te veel talmde. + +"Dank u, dank u!" riep Quannevan. "Die draalster is eindelijk +klaargekomen. Hier, mijn heeren," vervolgde hij, naar een kast gaande, +waarop de bewuste helm stond. "Hier ziet gij nu een meesterstuk van +Fransche smeden! Ja, zoo iets kan slechts een nakomeling van den echten +Galliër maken. Ziet gij wel, deze helm draagt op zijn geplatten bol +versieringen, die hier in dit land, waar men pluim en veder gewoon is, +zonderling schijnen, namelijk een hand, een rad en een uitgespreiden +vogelklauw. De breede oogopeningen zijn van binnen met leder en wol +gevoerd, en zoo ik u een genoegen kan doen, wil ik den helm eens +opzetten--en dan.... ja, dat spreekt vanzelf, dan gord ik ook mijn +oud zwaard weder aan, hang het schild aan den linkerarm en...." + +"Doe toch die moeite niet!" zeide Roelofsz. + +"Doe toch die moeite niet!" sprak zijn echo. + +"'t Is in 't geheel geen moeite, heeren," ging Quannevan voort, +die reeds den helm in de hoogte hief, om dien op het hoofd te zetten. + +"Waarlijk, 't is te veel moeite," zeide Roelofsz. "Buitendien, wij +kunnen ons bij lamplicht moeilijk van de schoonheid uwer wapenrusting +overtuigen en geenszins alle fijne bijzonderheden onderscheiden. Wat +dunkt u, zoo wij eens bij dag kwamen?" + +"Ja, zoo wij eens bij dag kwamen," herhaalde Boudewijn De Ledige. + +"Dan konden wij u beter in uw vroegeren luister beschouwen," vervolgde +Roelofsz. + +"Die evenwel nog niet is ondergegaan," voegde Quannevan er met zekere +fierheid bij, "want, al zijn mijn haren verbleekt en mijn wangen +gerimpeld, mijn hart is nog even frisch en slaat nog even krachtig +als toen ik in 1365 onder de vanen van den hertog van Brabant het +slot Enghien hielp veroveren. Bij die gelegenheid maakte ik voor de +eerste maal kennis met den vader van onzen graaf hertog Willem VI, +die, zooals gij weet, Albrecht heette. Hij was.... maar laat mij u dit +straks vertellen. Komt, heeren, drinken wij weder een beker wijn! Dat +zal ons het ongeval van daar straks doen vergeten, en laat ons daarna +eens zien, wie onzer de beste kampioen is in het edele schaakspel." + +"Ik zou u wel een voorslag wenschen te doen, edele heer," zeide +Roelofsz., zoo kalm en bedachtzaam mogelijk. + +Bij deze woorden wendde Jennike het hoofd naar de zijde van den +spreker. Zij knielde op den grond neder en was bezig de olievlekken +van den vloer te reinigen. + +"Een voorslag? Laat hooren!" sprak Quannevan haastig. + +"Ja, daar straks viel mij in, mij en mijn medeschepen--niet waar?" + +Boudewijn De Ledige knikte toestemmend. + +".... Viel mij in, dat het gezelliger en aangenamer zou zijn, als +wij hier met ons vieren waren; wat dunkt u?" + +"Ja, wat dunkt u?" galmde De Ledige, als om meer klem aan het voorstel +te verleenen, maar eigenlijk, om zijn nietsbeduidendheid te verraden. + +"Hoe meer zielen hoe meer vreugd!" zeide de edelman op vroolijken +toon. "Maar hoe krijgen wij een vierden man en wie zal dat zijn?" + +"Als gij genoegen neemt in mijn voorslag, dan weet ik wel raad," +antwoordde Roelofsz. "Onze vriend Willem Pekeric, de steenbakker, +is een vriend van den teerling te werpen...." + +"Ja, meer dan van schaken," viel hem Quannevan in de rede. + +"Juist edele heer," vervolgde Roelofsz., terwijl Boudewijn De Ledige +zijn best deed, om door een beweging van zijn hoofd deze woorden te +bevestigen, "wij zijn thans met ons drieën en zoodoende zou er één +ledig moeten zitten, maar wanneer wij met ons vieren zijn, kunnen wij +ons beter met den teerling (dobbelsteen) vermaken. Ik ben verzekerd, +dat, als gij uw dienstmaagd uit uwen en onzen naam tot Willem Pekeric +zendt, hij oogenblikkelijk zal komen." + +"Mooi uitgedacht," fluisterde Jennike bij zichzelf. "Hij zou nummer +3 zijn in het bondgenootschap van hen, die in 't geheim tegen heer +Quannevan en Jan Van Arkel zijn. Ik wenschte, dat Aart maar te huis +was. Waar deze nu weer zit? Misschien...." + +Zij had geen gelegenheid verder te denken, daar Quannevan haar gebood, +terstond buiten de poort te gaan en den burger Willem Pekeric herwaarts +te noodigen. Jennike, wie het te doen was, om tijd te winnen, +verontschuldigde zich met te zeggen, dat de vetvlekken nog niet +verdwenen waren, en begon hierop weder hard te boenen en te schuren, +totdat zij eindelijk, ziende, dat het geduld des edelmans op het punt +stond in drift over te gaan, van den grond oprees en de kamer verliet. + +De drie mannen namen plaats aan de tafel en Quannevan schonk de +bekers weder vol in afwachting van den vierden man; tevens nam hij +eenige schaakstukken ter hand--hij was een aartsliefhebber van dat +ridderlijke spel--als om een zijner gasten tot een partij uit te +noodigen, maar geen hunner liet zich hiertoe vinden. Dat spel was hun, +althans nu, te stil, en zij gaven de voorkeur aan eenig gesprek, +waardoor Quannevan's aandacht wellicht afgetrokken zou worden van +hetgeen onder hen zou gebeuren. + +"Heeft heer Walraven Van Brederode [2] u niet dezer dagen een bezoek +gebracht? Ik heb gehoord, dat hij weder van Den Haag was teruggekeerd, +werwaarts graaf Willem hem ontboden had." + +Gedurende deze vraag vestigde Roelofsz. onafgewend den blik op zijn +gastheer, nieuwsgierig zijnde, welke uitwerking deze woorden op hem +zouden teweegbrengen, daar hij wel wist, dat Walraven Van Brederode +geen bijzondere vriend van Jan Van Arkel en dus ook niet van den +edelman was, schoon deze hem nu en dan uit beleefdheid ontving. + +"Neen," antwoordde Quannevan, die geen list vermoedde, "ik heb heer +Walraven niet bij mij gezien, en het is mij lief ook--want--vergeef mij +mijn openhartigheid--ik heb het niet erg op hem begrepen, en mij dunkt +ook, hij kan mijn edelen vriend Jan Van Arkel geen goed hart toedragen, +sinds deze hem zoo lang van zijn vrijheid beroofd hield. Intusschen +wil ik hopen, dat hij niets doe, om de verbittering tusschen graaf +Willem en de heeren Van Arkel op te wekken. Gij weet, heer Jan Van +Arkel is woedend over het verlies van de sloten en vesten Everstein, +Gasparne en Hagestein [3], en daar hij te fier is--en met recht--om +zich voor den Hollandschen graaf te buigen, vrees ik, dat zijn oude +leeuwenmoed, gesard als hij wordt, weer zal ontwaken. De heilige Maagd +zij geloofd, dat Gorcum hem getrouw blijft, althans Jonker Willem Van +Arkel--God spare den edelen jongeling nog lang!--verzekerde mij, dat +stad en burg steeds bewijzen gaven van getrouwheid aan hun wettigen +heer Jan Van Arkel." + +De beide schepenen zaten eenigszins op heete kolen. Zij althans +waren geen vrienden van den Kabeljauwschgezinden Jan Van Arkel, +maar mochten hiervan vooralsnog geen blijken geven [4]. Om het +gesprek een andere wending te geven, vertelde Roelofsz. iets van +de processie, die onlangs in de Haarstraat had plaats gevonden, +bij gelegenheid dat de pastoor van de Martinus- en Vincentius-kerk +(de Groote Kerk) den arm van den Heiligen Apolinarus, bisschop van +Ravenna, omdroeg. Twee kapelaans, die het beeld droegen van Onze +Lieve Vrouw, dat een kostelijk "Tapijtekleed zeer kunstig geborduurd" +aanhad, struikelden en vielen voorover op den grond, maar ten bewijze +van de wonderbare kracht van Onze Lieve Vrouwe was het beeld niet +alleen onbeschadigd en ongevlekt gebleven, maar zelfs was het niet +eens gevallen en bleef zoo lang in de hoogte zweven, totdat de +kapelaans weder opgestaan waren en het dragen konden. Quannevan, +die vele vreemde landen gezien had en, overeenkomstig de duisternis +van het Christendom dier dagen, veel geloof sloeg aan mirakelen, +verhaalde nu op zijn beurt wat hij in Italië aan wonderen gezien +had, en geraakte daarbij zóó in vuur, dat hij niet eens bemerkte, +hoe de deur was opengegaan en de verwachte gast was binnengekomen, +totdat deze, buigend en groetend, vóór de tafel stond. + +"Ik moet zeggen, dat mijn dienstmaagd vlugge voeten heeft," zeide +Quannevan, die den binnenkomende had opgemerkt en diens groet +beantwoordde. "Ik dacht, dat zij ternauwernood aan uw huis kon zijn." + +"Dat dacht ik ook," riep Roelofsz. uit. + +"Dat dacht ik ook," galmde zijn echo. + +"Uw dienstmaagd? Uw dienstmaagd--edele heer? Ik heb haar niet +gezien!" zeide Willem Pekeric. + +"Maar wie heeft u dan mijn verzoek overgebracht, om ons met uw +tegenwoordigheid te vereeren?" vroeg Quannevan. "Gij zijt toch niet +uit de lucht komen vallen! Dat zou het zevende mirakel van dezen +avond zijn." + +"Ik ben niet uit de lucht komen vallen, heer Quannevan, en van een +zevende mirakel weet ik niets," zeide Pekeric, "maar daar straks +kwam uw lijfbediende Aart en noodigde mij uit uw naam en dien der +beide eerzame schepenen hier te komen, een verzoek, waaraan ik mij +beijverd heb te voldoen." + +"Gij zijt zeer vriendelijk," zeide Quannevan zich buigend, "maar +hoe ter wereld komt Aart bij u? Hij was bij den wapensmid in de +Burgstraat, waar hij een boodschap had. Dat zal zeker weer een streek +van Jennike zijn geweest! O, die dienstmaagd! Er zit een stijf kopje op +haar nek. Zij zal geen zin in die boodschap gehad en middel gevonden +hebben, om Aart die commissie op te dragen. Doch, heeren, ons is het +immers hetzelfde." + +"Ja, het is ons hetzelfde!" herhaalden Roelofsz. en De Ledige, de +een na den ander. + +"Welnu, dan maar den teerling geraadpleegd. Doch eerst zal ik uw +beker eens vullen," vervolgde Quannevan, den laatstgekomene aanziende. + +Deze liet zich dit gaarne welgevallen, en eer een kwartier uurs +verloopen was, dobbelden de vier vrienden om het hardst en met zulk een +ijver, dat zij onmogelijk de voetstappen konden hooren der personen, +die onder het huis den kelder binnenslopen. Als ik echter zeg, dat +geen hunner dit hoorde, dan vergis ik mij, want Roelofsz. had dit +geluid reeds waargenomen en aan Boudewijn De Ledige een wenk gegeven, +dien deze goed begrepen had. + + + + + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +Een stuk uit de geschiedenis, dat vooral niet overgeslagen mag worden. + + +Het is thans mijn voornemen, u in de gewelfde kelders te brengen +onder het huis van den edelman Quannevan, ten einde u te toonen wat +daar plaats had, maar alvorens dit te doen, zal het noodig zijn, u op +de hoogte van onze geschiedenis te brengen, waarna gij beter sommige +toestanden en uitdrukkingen van het vorige hoofdstuk zult verstaan. + +Reeds gedurende de regeering van Hertog Albrecht, graaf van Holland, +was er een vredebreuk ontstaan tusschen hem en Jan Van Arkel. Deze +laatste was een zeer rijk en machtig edelman, een der voorlaatste +spruiten uit het oude geslacht der Van Arkels, dat zich, gelijk +een geschiedschrijver zegt, evenzeer door rijkdom en trotschheid, +als door overmoed en dapperheid had onderscheiden. Vandaar dan ook, +dat zijn naam als zoodanig voorkomt in het Oud-Hollandsche rijmpje: + + + De Brederode's de edelsten; de Wassenaars de oudsten; + De Egmonds de rijksten; de Arkels de stoutsten. + + +Behalve de heerlijkheid Arkel met den weleer zoo beroemden burcht +van dien naam, bezaten de Arkels de steden Gorcum, Leerdam, +Schoonrewoerd, met de burchten en vestingen Everstein, Gasparne en +Hagestein. Buitendien had Jan Van Arkel in Frankrijk de heerlijkheid +Pirlepont [5], in Brabant de stad Mechelen met onderscheidene dorpen +en vlekken, benevens nog vele steden, dorpen en goederen in Holland +en Zeeland. Gij kunt begrijpen, dat zulk een machtig heer ook niet +ontbloot was van geld. Zijn jaarlijksche inkomsten bedroegen drie en +tachtig duizend zeshonderd Rijnsche guldens, benevens vijf duizend +oude schilden uit Veluwsche tienden en jaarlijks zes duizend dukaten +uit de bank van Venetië, een rijkdom voor dien tijd zoo aanzienlijk +als geen Duitsch vorst dien bezat. + +Nu zegt men wel eens voor een spreekwoord: geld geeft moed, maar ook +overmoed. En dit spreekwoord was ten volle van toepassing op Heer +Jan Van Arkel. Rijk en machtig als hij was, verwant aan invloedrijke +vorsten en edelen, meende hij niemand te behoeven te ontzien, en was +hij terstond bereid, het zwaard te trekken en zijn onderhoorigen tot +den strijd aan te voeren, als men hem ook slechts met een blik of +een woord beleedigde. + +Behalve vele eereposten, onder andere het stadhouderschap over Holland, +Zeeland en Friesland [6], bekleedde hij ook het rentmeesterschap van +Holland, welke betrekking hem door Hertog Albrecht was opgedragen +en die bij hem in goede handen was, daar deze graaf van Holland +dikwijls uit geldgebrek genoodzaakt was, zijn toevlucht tot dien +rijken rentmeester te nemen en zich van hem aanzienlijke sommen +liet voorschieten. Met weet niet met juistheid, of de aanleiding tot +den oorlog tusschen den Hollandschen graaf en Jan Van Arkel hierin +moet gezocht worden, hetgeen overigens geen wonder zou zijn, daar +geld zoowel vrienden als vijanden maakt. Eerst was men van meening, +dat de twist ontstond, doordat Jan Van Arkel geweigerd zou hebben, +rekening en verantwoording van zijn rentmeesterschap te doen--doch +algemeen zijn de geschiedschrijvers hiervan teruggekomen, omdat +het gebleken is, dat Jan Van Arkel slechts een jaar rentmeester is +geweest en in het begin van 1394 rekening en verantwoording heeft +gedaan, waarbij uitkwam, dat hertog Albrecht hem nog een aanzienlijke +som schuldig bleef [7]. De waarheid zal hier in het midden liggen: +Jan Van Arkel, die den hertog deze gelden niet wilde kwijtschelden, +bleef op de betaling daarvan aandringen, en de hertog, die de eer +aan zich wilde behouden, weigerde de rekening en verantwoording te +erkennen. Daarbij kwam nog iets, dat van zeer veel belang is. Hertog +Albrecht, benevens zijn zoon, de graaf van Oostervant (later Willem +VI), behoorden uit den aard der zaak tot de Hoeksche (de conservatieve +partij), terwijl de trotsche Jan Van Arkel, misschien alleen uit +overmoed geneigd het regeerend Huis te dwarsboomen, de partij der +Kabeljauwschen (liberalen) had verkozen. Nu spreekt het vanzelf, +dat er niets bij de regeeringspartij kon gebeuren, of Jan Van Arkel +wist iets ter berisping te berde te brengen, en inderdaad gebeurde er, +helaas, dikwijls iets in Den Haag, dat sterke afkeuring verdiende. Zoo +bijvoorbeeld liet zich Hertog Albrecht zeer beheerschen door een +aanzienlijke jonkvrouw, Aleid Van Poelgeest genaamd, en deze dame +werd op zekeren avond met haar hofmeester, Willem Kuser, in Den +Haag vermoord (21 Sept. 1393). Dadelijk na dien moord verzuimde Jan +Van Arkel niets, om Albrechts zoon, die de vlucht had genomen en +zeker niet geheel onschuldig was, bij den vader in het hatelijkste +daglicht te stellen, en Hertog Albrecht had dan ook in den beginne de +medeplichtigen aan den moord met gestrengheid vervolgd,--maar later +had hij de vervolging gestaakt en zich weder met zijn zoon verzoend +(1395). De graaf van Oostervant (Albrechts zoon), die aan Jan Van Arkel +de schuld gaf van de plaats gehad hebbende oneenigheid, hitste nu zijn +vader en al de Hoeksche edelen tegen Jan Van Arkel op en ging zelfs +zóó ver, dat hij van Albrecht verkreeg, dat deze de heerlijkheden +van Arkel in Holland verbeurdverklaarde en hem ten eeuwigen dage +uit Holland verbande. Thans greep Jan Van Arkel naar het zwaard, +en een aanzienlijke krijgsmacht op de been brengende, viel hij in +Holland en verwoestte verscheidene plaatsen. Graaf Willem verzamelde +de Haarlemmers, de Kennemers, de Leidenaars en Amsterdammers, die +hij, onder bevel van Hendrik Van Wassenaar, burggraaf van Leiden, +naar het Arkelsche gebied zond, waar zij niet minder verwoesting +teweegbrachten, maar door de Arkelschen met donderbussen begroet en +tot de vlucht genoodzaakt werden. Nu nam Hertog Albrecht scherpere +maatregelen. Gesterkt door hulpbenden uit Engeland, Kleef en Utrecht, +sloeg Albrecht het beleg voor Gorcum (29 Juni 1402) en niettegenstaande +de dappere verdediging zag Jan Van Arkel zich genoodzaakt, het verdrag +aan te nemen, dat Jan Van Beieren, bisschop van Luik, had bewerkt. Bij +dit verdrag was bepaald, dat Jan Van Arkel Hertog Albrecht en diens +zoon binnen Gorcum op de knieën vergiffenis moest vragen en dat het +vaandel des Hertogs één dag op den Arkelschen burcht zou wapperen. + +Welk een vernedering voor den trotschen edelman! Welk +een ongerechtigheid van de zijde van Hertog Albrecht en diens +zoon! Hoeveel onschuldig bloed werd er om hunner zonden wil, om hun +eer- en heerschzucht gestort. Maar meen niet, dat het de schuld +was van die duistere tijden, toen het Christendom hoofdzakelijk +bestond in kerkelijke plechtigheden, die niemand begreep en weinig +nut aanbrachten, in het prevelen van Latijnsche gebeden, door het +volk niet verstaan, in een dwazen Maria-dienst en de aanbidding +der heiligen. Later toen de Hervorming doorbrak, en men zou denken, +dat de zielen der menschen met vrede vervuld werden, bleek juist het +tegendeel, en niet geheel ten onrechte zegt zeker schrijver, dat, +naarmate het Evangelie verspreid wordt, ook de oorlogen meer en de +menschenslachtingen grooter worden. + +Het verdrag tusschen Hertog Albrecht en Jan Van Arkel bleef niet +lang van kracht. 't Schijnt, dat de graaf van Oostervant, de gezworen +vijand van Heer Jan, hem en zijn onderzaten met allerlei kwellingen +lastig viel, doch tot een hervatten der vijandelijkheden kwam het +eerst na den dood van Hertog Albrecht (14 Dec. 1404). Beide partijen +droegen hieraan schuld, daar zij elke gelegenheid te baat namen, om +elkander te sarren. Zoo bijvoorbeeld gaf Willem VI, kort nadat hij +den grafelijken troon bestegen had, in Den Haag een groot tornooi +of ridderspel, waaraan vele aanzienlijke edelen deelnamen. Jan Van +Arkel, die, waar hij kon, gaarne met zijn rijkdom schitterde en dus +ook het tornooi wilde bijwonen, had in een schip al zijn kostbare +wapenen, harnassen, lansen, gouden en zilveren versierselen naar +Den Haag gezonden, doch toen het schip te Rotterdam kwam, werd het +verbeurdverklaard. Waarschijnlijk geschiedde dit op bevel van den +Hollandschen graaf, die naijverig was op de pracht van Jan Van Arkel +en dezen wilde beletten, boven hem in glans uit te munten. Jan Van +Arkel, dit hoorende, zond zijn boden naar Den Haag en eischte zijn +goederen terug, maar hij klopte aan eens dooven mans deur, totdat +het den meergemelden Jan Van Beieren gelukte, den graaf te bewegen, +na het tornooi de goederen los te laten en Jan Van Arkel te bevredigen. + +Dit had intusschen weer kwaad bloed gezet. De burgers van Hagestein, +wellicht aangespoord door Jan Van Arkel, vielen in het Nederstichtsche, +waarop de Hollanders uittrokken, dezen te keer gingen en verscheidene +gevangenen maakten. Graaf Willem besloot, deze gestreng te straffen, +en liet ze naar Woudrichem tegenover Gorcum vervoeren, om ze daar, +als in het gezicht van laatstgenoemde stad, op het rad ter dood te doen +brengen. Toen dit Heer Willem Van Yssendoorn, een voornaam bevelhebber +der heeren Van Arkel, vernam, haastte hij zich, deze gevangenen te +verlossen. Met eenige krijgslieden, als kooplieden vermomd, gaat hij +scheep, en te Woudrichem komende tracht hij, onder voorwendsel van +tol te betalen, eenigen zijner mannen binnen de stad te brengen, om +de poort te openen. Dit gelukt, en nu springen de overige krijgslieden +het schip uit, verlossen de gevangenen, steken verscheidene huizen in +brand, rooven en plunderen, en nemen ruim een dertigtal aanzienlijke +burgers als gijzelaars mede naar Gorcum. + +Stel u thans de woede van Graaf Willem voor! Het kostte wat het +wilde,--dezen hoon mocht hij niet ongewroken laten. Al de grafelijke +rentmeesters ontvingen last, om zooveel geld als mogelijk was bijeen +te brengen, ten einde de onkosten des oorlogs te kunnen bestrijden, en +de graaf zelf riep al zijn edelen van Holland en Zeeland ter heirvaart +tegen Jan Van Arkel op. Ook met Utrecht en den bisschop sloot Graaf +Willem een verbond. Het duurde echter tot het midden van Juli 1405, +vóór de oorlog met kracht aangevangen werd en wel met de belegering +der reeds meergemelde sterkten en vestingen Everstein, Gasparne en +Hagestein. Niettegenstaande de dapperste verdediging gelukte het +toch aan de grafelijke bevelhebbers, zich van deze sterkten meester +te maken, en wel door uithongeren. Zij hadden rondom elke sterkte +diepe grachten gegraven, voorzien van een borstwering van palen, en +sneden dusdoende allen toevoer aan de belegerden af. Jonker Willem +Van Arkel sloot nu (19 Dec. 1405) een wapenstilstand tot den zomer +van het volgende jaar. + +Misschien verwondert het u, dat Jonker Willem Van Arkel dezen +wapenstilstand sloot, daar immers de graaf van Holland niet direct +tegen den zoon, maar wel tegen den vader krijg voerde. En te meer +baart dit verwondering, als wij in de historie lezen, dat de vader +in geenen deele met dezen wapenstilstand tevreden was en den oorlog +met kracht wilde voortzetten. De vraag is dus niet ongepast: in welke +verhouding stond de zoon in dezen krijg tegenover zijn vader? Deze +vraag, hoe gemakkelijk ook gesteld, is evenwel niet zoo licht te +beantwoorden, omdat de gegevens weinige zijn. Nochtans hoe karig de +geschiedenis hieromtrent ook zij, toch weten wij genoeg, om vast te +stellen, dat Jonker Willem in geenen deele het fiere, halsstarrige en +onbuigbare karakter had van zijn vader en dat hij volstrekt niet vrij +was van een zekere zwakheid en wispelturigheid, die overigens aan de +Van Arkels vreemd was. Wel is waar kan men tot zijn verschooning veel +bijbrengen. Jonker Willem toch was de eenige spruit uit het doorluchte +stamhuis der Arkels en hem wachtte nog een rijkere bezitting, als zijn +oom Reinout, Hertog van Gelre of Gelderland, die geen kinderen had, +kwam te overlijden. Jonker Willem begreep dus te recht, dat zijns +vaders halsstarrigheid in het voortzetten van den oorlog wel eens +ten gevolge kon hebben, dat hij niet slechts Arkel, maar zelfs de +Geldersche erfenis verloor. Om die reden,--en misschien om die reden +alleen--vinden wij dan ook zooveel wankelmoedigs, veranderlijks in het +karakter van Jonker Willem, die nu eens, aangevuurd door de fierheid +zijns vaders, met leeuwenmoed tegen den Hollandschen graaf streed en +straks zijn eigen wapenen tegen zijn vader keerde, om weinig tijds +daarna weder vol berouw aan diens voeten te vallen en zich opnieuw +tot den strijd tegen Willem VI aan te gorden. In den loop van ons +verhaal zullen wij gelegenheid hebben, hierop nader terug te komen. + +Jan Van Arkel keurde den wapenstilstand, dien zijn zoon met den +graaf van Holland gesloten had, in geenen deele goed. Hij wilde van +geen vrede weten, ten minste niet, nu hem deze drie sterkten ontnomen +waren, en hij rekende zich nog machtig genoeg, om Willem VI het hoofd +te kunnen bieden. Zijn Zwager, hertog Reinout van Gelre, beproefde +tevergeefs dat stugge, trotsche gemoed te buigen; hij vermocht niets +anders van Jan Van Arkel te verkrijgen, dan dat deze Walraven Van +Brederode in vrijheid stelde. Van dezen Walraven heb ik u reeds iets +verteld in de noot op bladz. 13 en 14; tot nadere opheldering wil ik +er bijvoegen, dat deze Walraven een trouw aanhanger was van Willem +VI en niets onbeproefd liet, om van zijn gevangenschap ten gunste +van den graaf partij te trekken. Gij kunt wel begrijpen, dat er in +Gorcum verscheidene personen waren, die het in het geheim met den +Hollandschen graaf hielden en die de gedurige oorlogen moede waren, +welke zij alleen aan de halsstarrigheid en trotschheid van Jan Van +Arkel toeschreven, zoodat zij blijde zouden zijn, als zij van dezen +laatste ontslagen en onder het bestuur van den graaf gebracht waren. En +niet ten onrechte klaagden velen. Want oorlog brengt verwoesting, +ziekte en hongersnood mede; de inwoners der steden en dorpen werden +verjaagd, hun velden vernield, hun zonen gedood,--kortom allen, +althans de meest aanzienlijke inwoners van Gorcum, verlangden naar +vrede, en, zoo deze niet anders te verkrijgen was, den ondergang van +Jan Van Arkel. Walraven Van Brederode had deze gemoedsstemming der +Gorcummers gedurig aangewakkerd, en toen hij nu door bemiddeling van +Hertog Reinout van Gelre vrijheid kreeg, om van tijd tot tijd naar +zijn familie te vertrekken, sprak het wel vanzelf, dat hij ook niet +vergat, Graaf Willem VI in Den Haag op te zoeken, ten einde met hem +te overleggen, op welke wijze Gorcum en het slot der heeren van Arkel +het gemakkelijkst in handen te krijgen. Ik behoef u niet te zeggen, +dat Graaf Willem dit zeer begeerde, en schoon hij niet rijk was, wist +hij toch nog altijd goud genoeg voor Walraven bijeen te krijgen, die +hiermede moest werken, daar geld sedert eeuwenoude tijden het meest +beproefde middel is geweest, om vrienden tot verraders te maken. En +eigenlijk gezegd deed dit ook Walraven,--schoon met de beste bedoeling, +namelijk om zijn wettigen heer te bevoordeelen en hem Gorcum als +een schoone parel aan de grafelijke kroon te vlechten. Maar laag +is het altijd, den verrader te spelen en anderen tot verraders en +afvalligen om te koopen. Gorcum behoorde aan Jan Van Arkel, en zoo +deze de stad door een oorlog verloor, kon hij slechts jammeren over +de ongelukkige kansen van den krijg--maar zoo hem de stad ontweldigd +werd door het verraad van hen, op wie hij zijn vertrouwen stelde en +aan wie hij dikwijls gunsten en voorrechten had verleend, dan had +hij reden, om met alle weldenkenden laag neder te zien op menschen, +die van zulke verachtelijke middelen gebruik maakten. + +Zoo stonden nu de zaken, en daar ik geloof, dat gij nu op de hoogte +van de geschiedenis zijt, vat ik den draad van mijn verhaal weder op +en breng u in de gewelven onder het huis van den edelman Quannevan. + + + + + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +Waarin van een samenzwering en saliemelk verteld wordt. + + +Jennike had de kamer verlaten, maar was volstrekt niet van zins, +om zoover buiten de stad te gaan en den steenbakker Pekeric te gaan +roepen. Niet dat zij wegens de moeite en den afstand tegen deze +boodschap opzag,--volstrekt niet. Al ware het nog tweemaal verder +geweest en het weder nog donkerder en onstuimiger, zou zij er niet +tegen opgezien hebben, den wensch van den edelman te vervullen,--maar +zij vertrouwde de dingen en nog veel minder de personen niet, die +haar heer omgaven. Buitendien er waren geruchten tot haar gekomen--hoe +wist ze zelf niet, misschien had zij ze in een droom gehoord--dat er +een samenzwering op til was tegen Heer Jan Van Arkel. Er heerschte +veel ontevredenheid in de stad wegens de gedurige oorlogen en +de onverzettelijkheid van Heer Jan, om met den graaf van Holland +vrede te maken. Zij wist, dat Walraven Van Brederode in het geheim +bijeenkomsten hield met aanzienlijke personen, onder anderen met +Jan Gerardijn, proost en deken van het canonikale college dier stad, +met de gebroeders Herlaars en anderen,--menschen, die een vriendelijk +gelaat in zijn bijzijn aan Heer Jan Van Arkel vertoonden, maar achter +zijn rug tegen hem samenspanden. Van dezen handel had zij een gruwel, +te meer omdat het haar bekend was, hoe Heer Jan Van Arkel dezen Jan +Gerardijn, die van arme ouders stamde, door ondersteuningen in geld +in de gelegenheid gesteld had, tot zulk een hooge betrekking op te +klimmen. En meer dan ooit besloot zij een waakzaam oog te houden, +vooral toen het haar bleek, dat Walraven Van Brederode in de laatste +dagen dikwijls uit de stad geweest was en telkens bij zijn terugkomst +bijeenkomsten gehouden had met bovengemelde personen. + +Jennike was in geenen deele dom, en wie haar beschuldigde van verstand +ontbloot te zijn, sloeg de plank geheel mis. Zij vermoedde, dat er +weder een geheime samenkomst op til was; het was alsof haar iemand +zeide, dat die samenkomst in de gewelven van het benedenhuis zou +plaats vinden en dat het bezoek der beide schepenen slechts diende, om +Quannevan bezig te houden en zijn opmerkzaamheid op hetgeen er beneden +mocht plaats grijpen af te leiden. Zij kon dus het huis niet uit, zoo +zij de bewegingen der verraders wilde gadeslaan. Maar hoe zou het dan +gaan met de boodschap aan den steenbakker? Zij mocht toch haar meester +niet ongehoorzaam zijn. In haar angst riep zij tot God om hulp--en +spoediger dan zij verwachten kon, daagde deze op. Aart kwam te huis, +en wetende, dat hij een liefhebber was van saliemelk, beloofde zij +hem een ketel vol, als hij voor haar de boodschap ging verrichten. + +Nauwelijks was Aart weg, of haar luisterend oor meende iets onder +in het huis te vernemen. Zachtjes sloop zij uit haar keuken naar +een klein vertrekje, dat onmiddellijk boven het middelste gewelf +gebouwd was. Zij legde zich hier plat op den grond met het oor op +den estriken vloer, doch zij kon niets vernemen, dat naar eenig +gesprek of woord geleek. Het baatte haar dus niets, al bleef zij +hier ook den ganschen avond op de loer,--en weten moest zij wat er +onder haar gebeurde. Eensklaps viel het haar in, wel eens gehoord te +hebben, dat er in de kast van het vertrekje, waarin zij zich thans +bevond, een deur was, die op een gang uitkwam, aan welker einde een +trap naar de gewelven voerde. Wat zou zij nu doen? Zou zij zich in +de duisternis van die gang wagen? Zou zij tot in de nabijheid der +samenzweerders afdalen? Hevig klopte haar hart, want de vrees, dat men +haar ontdekken en wellicht van het leven berooven zou, woog zeer zwaar +bij haar. Eenige oogenblikken stond zij stil en dacht na wat zij doen +zou, maar ook slechts eenige oogenblikken, want twee minuten later +stond zij reeds in de kast, tastte langs alle reten en kieren of zij +ook den verborgen ingang kon vinden, en wilde--ontmoedigd--reeds het +zoeken opgeven, toen zij met haar voet tegen een klein, hard voorwerp +stiet. Zij bukte zich, om dit te bevoelen, en ontdekte, dat het de +knop eener veer was. Op dezen drukte zij met de volle kracht harer +hand en langzaam rees de deur opwaarts, en stroomde haar de koele, +vochtige nachtlucht uit de gang tegen, te gelijk met een huivering, +die haar plotseling overviel. Doch zij mocht zich geen tijd gunnen +tot overleggen, en eenigszins haastig, maar toch met bedachtzamen +tred betrad zij de donkere gang, aan welker einde zich de steenen +trap bevond. Nauwelijks had zij deze bereikt, of de stemmen, die +zij straks had meenen te hooren, werden nu duidelijk verstaanbaar, +en niet verder durvende gaan, zette zij zich op een der treden neder +en luisterde thans met scherpe aandacht, wat zij des te gemakkelijker +kon doen, daar zij in dezen haren schuilhoek door niemand kon gezien +of gehoord worden. Ook zijzelf zag niemand, en het eenige, wat zij +waarnam, was het zwakke licht van een paar kaarsen, welker schijnsel +door eenige spleten en scheuren tot haar doordrong. + +Gedurende eenige minuten vernam zij niets dan eenig gemompel, doch +straks hoorde zij een stem, die zeide: + +"Is heer Bruyn Woutersz. nog niet gekomen?" + +"Neen," was het antwoord. + +"Ik ken die stemmen," fluisterde Jennike. "De vrager is Jan Gerardijn, +de proost onzer kerk. Die Judas! Onder zijn heilig gewaad verbergt +hij het verraad tegen zijn weldoener. Maar God zal hem te zijner tijd +wel vinden! De andere stem is die van Arend Van Goor." + +"En is Heer Walraven Van Brederode verwittigd, dat wij te zeven uren +hier zouden bijeenkomen?" vroeg Jan Gerardijn. + +"Ja, eerwaarde heer," antwoordde Arend Van Goor. "Maar het is mogelijk, +dat hij eenig oponthoud heeft gehad en een weinig later zal komen, +daar hij zijn weg herwaarts over Utrecht wilde nemen, ten einde nog +met den bisschop eenige zaken nader te overleggen." + +"Als hij ons dan maar niet tevergeefs laat wachten want op +zijn verzoek zijn wij immers hier saamgekomen, en zou hij ons de +noodige bescheiden van Graaf Willem--de heilige Maagd behoede onzen +vorst!--medebrengen. Gij begrijpt dus wel, dat wij van onzen kant +wel te huis hadden kunnen blijven, als wij zeker wisten, dat hij +oponthoud gekregen heeft." + +"Heer Walraven is anders voortvarend genoeg," zeide een andere stem. + +"Dat is de stem van Gerrit Herlaar," fluisterde Jennike. "Ik herken +hem aan zijn grove spraak." + +"En niet alleen voortvarend," zeide Van Goor, "maar ook ijverig. Wat +hij onderneemt zet hij met alle kracht door, en ik zou mij zeer +moeten bedriegen, als wij hem niet binnen weinige oogenblikken in +ons midden zagen." + +"Het beste is, dat wij dan maar met geduld wachten. Weet ook iemand +uwer, hoe het hierboven gesteld is en of de ingang van dezen kelder +goed bewaakt wordt?" + +"O, daarop kan ik u het beste antwoord geven," sprak een stem, die +door Jennike als van Rutger Van der Haar, een der schepenen, herkend +werd. "Zooals Uw Eerwaarde bekend is, heb ik dezen kelder in gebruik +als bergplaats van koopmansgoederen, en mijn knecht Dirk, die zoo +trouw is als goud, staat aan den ingang en laat niemand door, die het +wachtwoord niet weet. Hij heeft van mij den last ontvangen, ons door +een schel gefluit kennis te geven van naderend gevaar, daar wij toch +op onze hoede moeten wezen. Mocht dat gevaar waarlijk bestaan, welnu +dan nog geen nood. Wij blazen eenvoudig de lichten uit en vluchten. Ook +moet ergens een trap uitkomen, die--ik weet niet waar--heen geleidt." + +Jennike's hart klopte hevig bij het hooren dezer woorden. + +"Ik bemerk, dat gij uw voorzorgen goed genomen hebt," zeide de proost, +"maar mijn vraag: hoe het hierboven gesteld is, hebt gij nog niet +beantwoord." + +"Ook daaromtrent kan ik u geruststellen, eerwaarde Heer," hernam Rutger +Van der Haar. "Mijn beide medeschepenen Jacob Roelofsz. en Boudewijn +De Ledige houden den ouden edelman gezelschap, en om hem nog meer +afleiding te bezorgen, en vooral om de meid--die looze feeks--uit het +huis te krijgen, zullen zij Quannevan overhalen haar naar buiten te +zenden tot Willem Pekeric den steenbakker. Ha! ha! ha! Het zal haar +op dien duisteren weg niet invallen, dat wij haar die poets gebakken +hebben.... Maar daar komt iemand." + +"Het is Heer Walraven Van Brederode!" zeide Jan Gerardijn, naar voren +gaande en den binnenkomende de hand reikende. "Welkom, Heer! Ik moet +zeggen, gij zijt een man, die uw tijd kent." + +"En zoudt gij meenen, eerwaarde Heer," sprak Brederode, eenigszins +driftig, "dat een Brederode zijn woord kon breken? Neen, ik zou +gekomen zijn, al had ook Van Arkel den geheelen weg met palen laten +afzetten. Een vroom edelman springt over alle bezwaren heen. En ik +verzeker u, ik heb er niet weinige gehad," vervolgde hij, zich het +zweet van het voorhoofd wisschende. "Maar daarover later. Thans ben +ik hier en mijn eerste vraag moet nu zijn, of de vrienden allen weten +waartoe deze bijeenkomst strekt." + +"Ik heb het hun daar zooeven juist herinnerd, edele Heer," gaf Jan +Gerardijn ten antwoord, "en ik behoef u dus niet te zeggen, hoe wij +allen begeeren te weten, welke de uitslag is geweest van uw pogingen +bij den graaf." + +"Ja, wij allen verlangen hoe eer hoe beter van het gehate juk van +Jan Van Arkel ontslagen te worden," riepen sommigen der aanwezigen. + +"Welnu dan, mijn vrienden, ik ben verblijd, dat ik u, die zulke trouwe +aanhangers van onzen vorst zijt, goede tijding kan brengen. Ik had de +eer, den graaf te spreken en uit zijn hand een brief te ontvangen, +dien ik u voorlezen zal, terwijl hij mij opdroeg, u allen van zijn +hooge toegenegenheid te verzekeren." + +"Leve onze graaf Willem VI!" schreeuwden sommigen, maar Jan Gerardijn +wenkte hun met de hand en verzocht hun, hun geestdrift een weinig te +matigen, hun het spreekwoord in herinnering brengende, dat sommige +muren ooren hebben. + +"Ik wenschte echter vooraf een vraag te doen," zeide Arend Van Goor, +"voordat de heer Van Brederode ons den brief voorleest." + +"En welke is die vraag?" vroeg Walraven. + +"Deze: hoe denkt Graaf Willem over Jonker Willem Van Arkel? Gij +weet het allen, ik ben een gezworen vijand van Jan Van Arkel, maar +tegen zijn zoon heb ik niets dan spijt, dat hij zijns vaders naam +draagt. Welke zijn de gevoelens van den graaf omtrent jonker Willem?" + +"Graaf Willem," antwoordde Brederode, "heeft mij meer dan eens gezegd, +dat hij zeer welwillend omtrent Jonker Willem denkt en dat hij niets +liever zou zien, dan dat er tusschen hen beiden vrede en vriendschap +bestond, maar dat, zoolang de zoon partij kiest voor zijn vader tegen +den graaf, er geen sprake van kan zijn, om in vrede en vriendschap +met Jonker Willem te leven." + +"Braaf gedacht van den graaf," zeide een der gebroeders Herlaar, +"en daarom zou het, zoowel voor den graaf, voor Jonker Willem, als +voor ons zeer wenschelijk wezen, dat er een scheiding bewerkt werd +tusschen vader en zoon." + +"Hoe schandelijk!" fluisterde Jennike op de trap. + +"Ik zie er het nut niet van in," zei Jan Gerardijn, het voorbeeld +volgende van menschen, die weldaden ontvangen en hun weldoeners +ondankbaar zijn, "wat gaat het ons aan, of Jan Van Arkel in vrede +dan wel in twist leeft met zijn zoon! Ons doel is, het land van de +Arkelsche heerschappij te bevrijden." + +"Toch geloof ik, eerwaarde Heer, dat er in de woorden van Herlaar een +diepere en goede zin ligt," zeide Brederode. "Ik heb over dit onderwerp +reeds verscheidene malen met Herlaar en Van Goor gesproken, en ons +gevoelen zoowel als dat van vele vroede mannen in Holland en Utrecht +is, dat een scheuring tusschen Jan Van Arkel en zijn zoon voor ons +uitermate voordeelig zou zijn. Maar er is nog meer: Zooals gij weet, +is Hertog Reinout van Gelre, vooral wegens bloedverwantschap, zeer +op de hand van Jan Van Arkel en zal hij nooit dulden, dat Gorcum aan +de heeren Van Arkel ontrukt wordt. Wij kunnen ons verzekerd houden, +dat, zoodra Graaf Willem Gorcum op deze wijze in zijn bezit brengt, +Hertog Reinout onmiddellijk al zijn edelen en steden met Kleef en +Meurs ter heirvaart zou oproepen en Gorcum voor zijn zwager en neef +ontzetten, ten minste zou trachten te ontzetten. Het zou van onze zijde +een staatkundige fout en ten nadeele van Graaf Willem zijn. Ik zal u +zeggen, hoe naar mijn oordeel de lijn moet wezen, die wij te volgen +hebben. Wij moeten een scheuring bewerken tusschen vader en zoon, +met belofte aan den laatste, dat hij in het bezit van het Arkelsche +grondgebied en deze stad zal gehandhaafd worden, zoo hij, met onze +hulp, zijn vader het land uitdrijft of desnoods gevangenzet." + +"Dat zal moeilijk van den zoon geëischt kunnen worden," zeide Rutger +Van der Haar, "en gewis zal hij dit ver van zich afwijzen." + +"Zeg dat niet--zeg dat niet," sprak Brederode eenigszins +haastig. "Jonker Willem heeft wel een edel gemoed, maar hij is zwak van +karakter, en bovendien, als het hem klaar voor oogen gesteld wordt, +dat hij nimmer zijn vader in het bezit van Gorcum en het Arkelsche +zal kunnen opvolgen, ja, dat hij wellicht alles zal verliezen, zoo +hij de partij zijns vaders houdt--dan geloof ik, dat hij er wel toe +te bewegen zal zijn, om aan de stem der eerzucht meer gehoor te geven +dan aan die der kinderlijke liefde." + +"Ik zie evenwel nog niet in, dat dit ons veel zal baten," zeide de +proost. "Wij willen met de Van Arkels niets uitstaande hebben." + +"Ik heb u reeds gezegd, eerwaarde Heer," antwoordde Brederode, +"dat wij geen oorlog tusschen Graaf Willem en Hertog Reinout moeten +uitlokken. Beiden zijn zeer machtige heeren en ons land zou daardoor +het grootste nadeel lijden. Maar bovendien, heer Reinout wordt oud--en +als hij gestorven is, hebben wij een vijand minder te duchten. Eerst +de eene partij tot vriend gemaakt, en dan de andere verslaan; op +deze wijze komen wij tot ons doel, en Graaf Willem, al is het ook +niet onmiddellijk, in het bezit van Gorcum." + +"Als ik het plan wel begrijp," zeide Jan Gerardijn, "dan is het dit: +eerst een scheuring tusschen Jan Van Arkel en Jonker Willem; daarna +Hertog Reinout voor ons doel te winnen, en, door hem de eene of andere +strook lands te beloven, gezamenlijk Jonker Willem uit het grondgebied +te verjagen en Graaf Willem als heer des lands te huldigen." + +"Zoo is het--zoo is het!" zeide Brederode. "En ik wil er nog dit +bijvoegen, dat ik voor een en ander weinig zwarigheden zie, zoo wij +maar trouw blijven aan ons verbond en geen woord buiten deze muren +brengen." + +"Ik zal wel zorgen, dat het buiten deze muren komt," fluisterde +Jennike. + +"Wat mij betreft," vervolgde Brederode, "ik neem het op mij, Jonker +Willem te belezen, onzen voorslag aan te nemen, en wat Hertog Reinout +aangaat, ik reken op diens heerschzucht. Hij houdt meer van een schoone +stede en nieuwe vesting dan van een neef, die in de verlegenheid +zit. Mij dunkt, Hertog Reinout zal wel te vinden en te winnen zijn." + +"De Heilige Maagd en al de engelen te zamen mogen het u doen gelukken," +zeide de proost, "maar...." + +"Ik weet reeds, wat uw eerwaarde wil zeggen," viel Brederode hem in de +rede, terwijl hij den duim zijner rechterhand eenigszins snel over den +wijsvinger wreef, "gij herinnert u de tachtig duizend Fransche kronen, +die Graaf Willem u en uw vrienden toegezegd heeft voor het geval, +dat gij hem de stad in handen speelt. Nu, gij kunt gerust zijn, de +graaf zal niet vergeten, wat hij u verschuldigd is voor de moeite, +die gij doet. Hij weet, dat het geld u niet onverschillig is." + +Jan Gerardijn beet zich op de lippen. Het was algemeen bekend, dat +de proost een minnaar was van het klinkend metaal, en er waren zelfs +onder zijn vrienden, die hem verdacht hielden, dat hij geen oneerlijke +middelen schroomde, als het gold zijn schat te vermeerderen. + +"Ik wilde maar zeggen," hernam Jan Gerardijn, zich bedwingende, +"dat ik toch liever uit den mond van den graaf zelf de verzekering +ontving zijner gunst en daarom heb ik reeds met vriend Van Goor de +afspraak gemaakt, naar Den Haag te trekken en den graaf op te zoeken." + +"Gij kunt doen, wat gij wilt, eerwaarde Heer," zeide Brederode, die +zich een weinig gekwetst gevoelde in zijn eigenliefde, "en wanneer +denkt gij er heen te gaan?" + +"Eerstdaags." + +"Nog voordat ik met Jonker Willem gesproken en de scheuring bewerkt +heb." + +"In het laatste geval zou ik immers een boodschapper van goede tijding +zijn," zeide Gerardijn, "en de graaf..." + +"Zal u dan niet met ledige handen laten gaan," viel hem Brederode, +die een kleine wraak wilde nemen, in de rede. + +"Mag ik u beiden herinneren," liet zich Rutger Van der Haar hooren, +"dat wij op deze wijze veel kostbaren tijd verliezen. Ik geloof, +dat wij moeten handelen en tot een besluit komen." + + + +------ +FIGURE +------ + + + +"Goed gesproken," zeide Gerrit Herlaar, "en ik geloof, dat zich beide +zaken best laten vereenigen: de eerwaarde heer proost vertrekt met +Van Goor naar Den Haag, om nog eenige punten met den graaf vast te +stellen, b. v. verzekering van zijn bescherming tegen een mogelijken +aanval van Van Arkel of tegen een niet gewenschte mislukking onzer +plannen. Middelerwijl kan Brederode Jonker Willem een bezoek op den +burcht brengen en hem trachten over te halen, onze partij te kiezen, +hetgeen hem, bij het wankelmoedig karakter van den jongen man, wel +gelukken zal. Willen wij dit zoo voor afgesproken houden?" + +"Goed, zeer goed!" antwoordden verscheidene stemmen, en +Brederode knikte met het hoofd ten teeken, dat hij hierin +bewilligde. Middelerwijl had deze een papier uit een plooi van zijn +lijfrok te voorschijn gehaald en, na het ontvouwd te hebben, op een +tafel gelegd. + +"De brief van den graaf! de brief van den graaf!" riepen Van Goor en +Gerardijn. "Heer Brederode zal zoo vriendelijk zijn, ons den brief +voor te lezen." + +"Dat is mijn voornemen," sprak Brederode, "en gij zult daarin bevestigd +zien, dat de graaf uw ijver voor zijn zaak op den rechten prijs +stelt. Hij belooft u allen aanzienlijke posten, groote voorrechten +en.... aan geld zal het niet ontbreken." + +Al de samenzweerders drongen thans rondom Walraven Van Brederode, die +zich gereedmaakte, bij het licht der kaars den brief voor te lezen, +toen plotseling allen hevig ontstelden en den blik naar een duisteren +hoek richtten. + +"Wat is het?" fluisterde de proost, bleek van schrik, en zich achter +Heer Walraven plaatsende. "Wat is dat? O! O! Daar is het weer!" + +Nu kan ik juist niet zeggen, dat datgene, wat de personen, die in den +kelder waren, hoorden, zoo akelig was en zoozeer om te ontstellen, +maar wij moeten in het oog houden, dat niet alleen het oponthoud +in die donkere gewelven, maar ook het doel der samenkomst weinig +geruststellends en bemoedigends had, en ten volle werd de spreuk +uit een der psalmen van David bevestigd: "de goddeloozen vlieden, +waar geen gevaar is." + +"Daar is het weer!" fluisterden de samenzweerders. + +"Houdt u stil!" zeide Van Goor, zoo zacht mogelijk, "en blaast het +licht uit, opdat ons niemand verrasse!" + +Op hetzelfde oogenblik, terwijl aller lippen bezig waren de kaarsen +uit te blazen, hoorde men--misschien reeds voor de tiende maal--een +geroep, dat blijkbaar van de trap kwam, die Rutger Van der Haar daar +straks had aangewezen. Thans was het evenwel zóó duidelijk, dat men +zijn ooren niet behoefde te spitsen, om te vernemen, dat er iemand +boven in het huis "Jennike!" riep. + +"Jennike! Jennike!" herhaalde dezelfde stem, thans lager komende. + +"Het wordt tijd, dat wij zoo schielijk en zachtjes mogelijk deze +plaats verlaten," fluisterde Van der Haar, "want zoo wij hier nog +langer toeven, zou het best kunnen gebeuren, dat de roepende ons hier +verraste, en dit zou ons geen van allen lief zijn." + +Die raad werd opgevolgd, en zoo stil mogelijk slopen de samenzweerders +heen, de een na den ander, doch niet zonder zich hier en daar aan +een vooruitspringenden steen of ander voorwerp te stooten, daar het +thans volslagen duister in den kelder was. + +Voor ons is het geen raadsel, van waar en van wien de stem kwam. Gij +zult u nog wel herinneren, dat Jennike, die reden had van te huis te +blijven, Aart naar buiten had gezonden, om de boodschap te verrichten, +welke de edelman haar opgedragen had. Aart was teruggekomen en hoopte +nu de beloofde saliemelk te genieten, die hem in dit gure weer zeer +welkom zou zijn, maar in de keuken komende, vond hij nòch Jennike, +nòch eenig spoor van saliemelk. Teleurgesteld zette hij zich bij den +kouden haard en rakelde de glimmende kolen bijeen, ten einde een vuur +te ontsteken, ieder oogenblik Jennike hopende te zien. Maar Jennike +kwam niet. Hij wachtte en wachtte, zette zich op een laag bankje bij +het nu flikkerend vuur en viel in slaap. Hij begint te droomen en +in zijn droom is het hem alsof iemand hem een slag geeft op den rug, +nog een slag, twee--drie--vier. Hij wil schreeuwen, wordt wakker--en +daar staat de edelman Quannevan, met een van drift bloedrood gelaat +voor hem, die hem een hagelbui van karwatsslagen op den rug toedient +en hem toeroept: + +"Zoo luiaard! Dwingt gij mij, u hier op te zoeken, rekel! Ik heb reeds +twintigmaal u en die draalkous van een meid geroepen. Waar is zij?" + +"Ik weet--ik weet het niet," stotterde Aart, zijn rug wrijvende. + +"Weet gij het niet!" riep Quannevan woedend uit en paf! daar kreeg Aart +weer een streek over den rug, "dat moet gij weten. Zij is toch voor +een half uur te huis gekomen, nadat zij den steenbakker Pekeric bij +mij ontboden had, en dus moet zij hier zijn. Weten wil ik het waar zij +is, en nu zeg ik u, als gij mij niet binnen drie minuten nog een kan +wijn brengt en binnen vijf minuten zeggen kunt waar die draalzak is, +dan sla ik deze karwats op uw rug stuk. Ik heb thans geen tijd meer, +om mij met u in te laten, daar mijn drie gasten mij wachten." + +Hij hief nog eens dreigend de karwats op en verliet de keuken. Aart +gunde zich geen oogenblik tijd, om te bedenken, waar hij zich het +meest moest wrijven,--hij haastte zich, den wijn te brengen, en +bleef ook geen minuut langer, om toe te zien, hoe de dobbelsteenen +over de tafel rolden en de schepenen met den nieuwen gast den beker +ledigden;--de vurige oogen van den edelman waren voldoende, om hem +tot spoed aan te manen. Zoo snel hij kon, spoedde hij zich weer +naar de keuken en van daar naar ieder vertrek in het huis, waar hij +vermoedde, dat zich Jennike kon bevinden. Eindelijk kwam hij ook +in de ons reeds bekende kast, en niet wetende wat die opgeschoven +deur en die donkere gang beteekenden, begon hij eerst zacht en daarna +steeds harder "Jennike!" te roepen. Jennike had hem wel gehoord, maar +daar zij hoopte, dat hij spoedig stil zou zwijgen, verried zij haar +schuilplaats niet, waarvoor zij reden meende te hebben,--doch toen +zijn geroep niet bedaarde en zij ook geen geluid meer uit den kelder +vernam, haastte zij zich, hem te gemoet te gaan, en fluisterde hem in: +"houd u stil en zeg niemand, waar gij mij gevonden hebt. Tot belooning +zal ik u ook een dubbele portie saliemelk bereiden, goede Aart." + +Aart was inderdaad goed. Hij had reeds op de lippen haar te zeggen +wat hij om harentwil geleden had, maar het uitzicht op een dubbele +portie saliemelk verzoette alles, en nadat hij den edelman bericht +had gegeven, dat Jennike in de keuken was, zette hij zich op zijn +bankje neer, wachtende op de dingen, die daar komen zouden, terwijl +de lieflijke saliegeur zijn neusvleugels deed zwellen. + + + + + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +Jonker Willem Van Arkel en zijn bezoekers. + + +Misschien bestond er weleer in Nederland geen trotscher, sterker +en prachtiger slot dan dat des heeren Van Arkel, en zeer is het te +bejammeren, dat er van al die heerlijkheid zelfs geen spoor meer is +overgebleven. Niet door den tand des tijds noch door het geweld van +stormen en onweer is het ineengestort en met den grond gelijkgemaakt, +maar de verwoestende hand des gewelds, de mokers en houweelen, de +brandfakkels des oorlogs hebben dit ontzaglijke gevaarte zoodanig +gehavend, dat er van gezegd kan worden, dat men zijn plaats niet +meer kent, gelijk een bloem, over welke de wind is heengegaan. Dit +is het geval met alles op deze aarde. Hoe hecht en sterk, hoe groot +en trotsch men ook heden ten dage moge bouwen, er komt eens een dag, +waarop dat alles in elkander stort, omdat deze aarde den stempel der +vergankelijkheid draagt. + +Het is geenszins mijn voornemen, u een uitvoerige beschrijving te +geven van dien prachtigen burcht, want dat zou mij te veel afleiden +van de gebeurtenissen, die ik u wenschte mede te deelen. Alleen wilde +ik u zeggen, dat een der voorvaderen van Heer Jan Van Arkel dezen +burcht tusschen de jaren 1230 en 1267, aan de Noordoostelijke zijde +van Gorcum aan den rechteroever der Linge heeft gesticht. Het gebouw, +zegt een oud geschiedschrijver, was zóó aanzienlijk, dat er zijns +gelijke in gansch Duitschland niet geweest is. Kemp geeft er ons in +zijn beschrijving van Gorcum de volgende vermelding van: "Het hoge Hof +hadt in zijnen omgang zeve onwinbare Toornen, met een hooge, lange en +wijde zaal, en een schoone kapel kostelijk verciert, daar de Heeren, +Vrouwen en Kinderen van Arkel den Godsdienst in hoorden. 't Middelste +Hof had vier grote, zwaare Toornen, en beide de Hoven een grote, +wijde omgaande gragt. Het nederste Hof had rondom een grote, dikke, +hoge cingelmuur, met veele sterke Toornen en een grote voorpoort, +in 't midden van 't nederhof stond een grote, schone kerk met een +Choor voorzien, waarin de gemeene Dienaars van de Heeren Van Arkel +dagelijks den Godsdienst hoorden. Dezelve Burg had ook schone hoven en +boomgaarden, en langs de steeg of Dalemsche weg, grote opgaande boomen, +een werk, dat het gezigt der aanschouwers met verwondering steroogende +naar zig trok." Als de lezer vergelijken wil wat ik in voorgaande +deeltjes van mijn "Historische Verhalen" ten opzichte der burgen, +sloten en kasteelen gezegd heb, zal het hem niet moeilijk vallen te +weten wat er onder 't "hoge, middelste en nederste Hof" alsmede van den +"Singelmuur" moet verstaan worden, en dus veronderstellende, dat hij +eenigszins in zulk een burcht of kasteel te huis is, noodig ik hem uit, +mij naar het plein van het "middelste Hof" te volgen, waar ik hem in +kennis zal brengen met eenige belangrijke personen uit ons verhaal. + +Het was in den vroegen morgen van den 31sten Maart van het jaar +1406, dat een jeugdig man, wien men het zoowel aan zijn kleeding +als aan zijn voorkomen kon aanzien, dat hij tot den aanzienlijken +stand behoorde, de hooge poort van het kasteel uittrad en het plein +opging. Hij liep eenigszins haastig, zoodat het blauw-fluweelen en +met pelswerk omboord manteltje, dat om zijn schouders geslagen was, +in den wind heen en weder fladderde. Hij sloeg hier echter geen acht +op, daar zijn oog gericht was naar de voorpoort, waarvan de ijzeren +deur juist door een paar lijfwachten geopend werd, om den toegang te +geven tot een ruiter, die langzaam de brug van de gracht overreed en +zijn paard tot spoed aanzette, zoodra hij den jongen man gewaarwerd. + +"Hoe verblijdt gij mij, Splinter, dat gij mij komt bezoeken. Ik zag u +van den Ruiterstoren in de verte aankomen en haastte mij, u te gemoet +te gaan." + +Hij drukte hem daarbij hartelijk de aangeboden hand en wenkte een +der toegesnelde dienaren, om het paard, dat den ruiter gedragen had, +naar den stal te geleiden en goed te verzorgen. + +"Het doet mij leed, Willem, dat mijn bezoek slechts van korten duur +zal zijn. Ik moet reeds over een uur vertrekken, daar ik nog een +langen rit voor mij heb en gaarne morgen in Arnhem wenschte te zijn, +schoon ik vrees, dat dit niet lukken zal." + +"Dat spijt mij zeer," zeide Willem, die niemand anders was dan +Jonker Willem Van Arkel, die zijn vriend Jonker Splinter Van +Nieuwenroode verwelkomde, "ik had gehoopt, dat gij een paar dagen +bij mij vertoefdet, om mij de eenzaamheid op dezen burcht draaglijk +te helpen maken." + +"Ik dacht, dat uw zwager, Heer Jan Van Egmond [8], en diens broeder, +Willem Van IJselstein, u gezelschap hielden. Ook verwachtte ik hier +een aanzienlijk gezelschap van heeren en ridders, die uw nieuwe +donderbussen wenschen te bezichtigen." + +"Allen zijn reeds eergisteren vertrokken. Mijn zwager is naar Haarlem +en Willem Van IJselstein wilde Otto Van Heukelom gaan bezoeken, zoodat +ik moederziel alleen ben met Simon, mijn zoogbroeder, die mij soms +met zijn droomerijen en bange voorgevoelens verveelt, en ik dan maar, +bij gebrek aan beters, het gezelschap opzoek van pater Bernardus en van +mijns vaders geheimschrijver, dien hij, gelukkig, heeft hier gelaten +en die mij dan iets uit onze kronieken voorleest. Doch laat ons naar +binnen gaan. De rit zal u warm gemaakt hebben en het is hedenmorgen +juist niet aangenaam, om buiten te staan." + +Beide jonge mannen traden hierop het kasteel binnen en Jonker Willem +geleidde zijn vriend door verscheidene gangen en langs een paar +steenen trappen naar een rond vertrek in een der torens, waaruit +men door een smal venstertje het uitzicht had op Gorcum, de beide +rivieren en omliggende vlekken. Een goed vuur brandde er in den haard, +en daar Jonker Splinter inderdaad een weinig huiverig geworden was, +plaatsten zij zich beiden bij het vuur. + +Het was een schoon gezicht, die beide jeugdige vrienden, wier +gelaat blonk van het geluk, eenige oogenblikken elkanders bijzijn te +genieten. Hoewel zij beiden even oud en pas hun twee-en-twintigste +jaar ingetreden waren, won Jonker Splinter het toch in manlijke +forschheid en ontwikkeling op Jonker Willem Van Arkel, die het teedere +en beminnelijke van zijn vroeg gestorven moeder Johanna Van IJselstein +meer had overgeërfd dan het ruwe en fiere van zijn vader. Beide jonge +mannen waren bestemd, althans door hun rang en stand, om eenmaal een +schitterende toekomst te gemoet te gaan, maar--ofschoon ik hier een +weinig vooruitloop--zij vermoedden niet, terwijl zij daar zoo gezellig +bij het vuur zaten en Willems arm op Splinter's schouder rustte, +dat zij beiden in de kracht en den bloei huns levens op hetzelfde +uur en denzelfden dag zouden weggerukt worden. + +Een oogenblik, maar ook slechts een oogenblik staarden beide vrienden +stilzwijgend in het vuur. Door beider ziel vlogen eenige gedachten, +die zij elkander wel konden, maar niet durfden toevertrouwen. Jonker +Splinter, die een scherpen blik had in de toekomst, vreesde voor Jonker +Willem, en deze dacht er over, van welk gevolg het voor hem zou zijn, +als hij in een nieuwen krijg tusschen zijn vader en den Hollandschen +graaf gewikkeld werd. + +"Gij hebt mij nog niet gezegd, Willem," begon Jonker Splinter, die +het schrikbeeld, dat zich voor zijn geest geplaatst had, trachtte af +te schudden, "gij hebt mij nog niet gezegd, waar uw vader is." + +"Mijn vader bevindt zich sedert een week bij mijn oom Hertog Reinout +van Gelre te Arnhem en zoo er geen onvoorziene gebeurtenissen +plaats hebben, wacht ik hem eerst na de andere week hier. Ik denk, +dat hij met mijn oom maatregelen neemt, om den oorlog voort te +zetten. Misschien ook wil hij hem het beheer onzer bezittingen, en +vooral van Gorcum, overdragen, ten einde een sterken arm te hebben +tegenover de aanmatigingen van Graaf Willem." + +"Dat zou ik verkeerd vinden van uw vader," zeide Splinter, "en ik +geloof ook niet, dat hij hiertoe nu weder zal overgaan. Het zou +immers gelijkstaan met de erkenning van zwakheid tegenover den +graaf--en waarlijk uw vader is de man niet, hiertoe te besluiten, +tenzij in den hoogsten nood. Wat uw oom Reinout betreft, hoe hoog ik +hem ook schat, en welk een ridderlijk man hij ook zij, toch is hij +niet vrij te pleiten van zelfzucht, en derhalve geloof ik, dat het +plan eer van hem dan van uw vader zal uitgaan." + +"Ik stem de waarheid toe van hetgeen gij zegt," sprak Willem ernstig, +"en nu verblijd ik mij te meer, dat ik u zie, want ik kan u thans +opdragen, gedurende uw verblijf te Arnhem de zaken aldaar eens te +polsen, opdat gij mij dan berichten kunt, of ik mij in mijn vermoedens +bedrogen heb, ja dan neen. Doch zeg mij uw gevoelen aangaande mijn +vader, van wien gij weet, dat hij niet gezind is, het kwaad te laten +rusten." + +"Dat behoef ik u niet te herhalen, Willem; gij kent het, en wat zou +het mij baten, u nog eens te zeggen, dat ik de onverzettelijkheid +uws vaders in deze prijs. Uw spreekwoord is: Medio tutissimus ibis +(de middelweg is de veiligste), maar ik houd het er voor, dat een man +moet weten wat hij wil, dat hij partij moet kiezen en zich niet moet +laten slingeren door de gevoelens van deze en gene. Uw vader is in +zijn volle recht: de Hollandsche graaf heeft hem bij gelegenheid van +het tornooispel even smadelijk bejegend als wijlen Hertog Albrecht, en +het moge christelijk zijn, beleedigingen te vergeven, maar een edelman +heeft ook zijn eischen. Allereerst die, dat de beleediger vergiffenis +vraagt. En dit heeft Graaf Willem nooit gedaan; integendeel, toen +uw vader naar recht handelde, viel Willem VI in zijn bezittingen en +ontroofde hem, in vereeniging met Utrecht vele schoone sterkten en +steden. Zoo uw vader zich door weeke gevoelens liet leiden of door +klaagbrieven de zaak op de lange baan wilde schuiven, zou hij zeer +in mijn achting dalen." + +"Maar, Splinter," viel hem Jonker Willem haastig in de rede, "denkt +gij dan nooit aan het lijden onzer onderhoorigen, aan de verliezen, +die de bewoners van Gorcum of Leerdam hoogstwaarschijnlijk zullen +treffen, als mijn vader zijn halsstarrigheid doordrijft?" + +"Zeker denk ik daaraan, en met smart stel ik mij voor, hoe zoovele +menschen door een vernieuwden oorlog van leven, huis en have beroofd +zullen worden--maar als het goede recht aan onze zijde is, moeten +wij niet op de gevolgen letten: wij moeten kiezen of deelen. Wat mij +betreft, ik heb reeds lang gekozen, en zoo uw vader den strijd hervat, +zal mijn zwaard hem en uw huis gewijd zijn." + +Jonker Willem was beschaamd en wist niet anders te doen dan de hand +van zijn vriend te drukken. + +"Het geeft mij inderdaad een groote vertroosting, van u deze +verzekering te ontvangen," begon hij na eenige oogenblikken +stilzwijgens. "Ik heb deze voortdurend noodig, geslingerd als ik word +door hoop en vrees; vrees dat de oorlog weer met vernieuwde woede +zal uitbreken en hoop dat er een eervol vergelijk komt tusschen mijn +vader en Graaf Willem. Te weten dat gij mij en ons huis in lief en +leed zult bijstaan, is mij een ware verkwikking." + +"Op mijn hulp--ik herhaal het--," zeide Jonker Splinter, "kunt gij +voortdurend rekenen; ik ben op dat punt beslist. Maar mijn hulp is +slechts zwak. Bedenk, hoe vele machtige vijanden uw vader heeft: +Adolf Van Kleef, de beide Van Borselens, Floris Van der Aa, Filips +Van de Leck en zooveel anderen. Bovendien, gij hebt in uw eigen stad +uw vijanden, sommigen die vriendschap en onderwerping huichelen, +anderen die bijna in het openbaar den graaf van Holland huldigen. En +onder deze is Walraven Van Brederode niet de minste." + +"Wat zegt gij? Walraven Van Brederode!" riep jonker Willem verwonderd +uit. "Houdt gij hem voor een verrader?" + +"En twijfelt gij daaraan nog?" vroeg Splinter op zijn beurt. + +"Zeker," antwoordde Jonker Willem met hartstocht. "Ik weet zeer goed, +dat hij met hart en ziel aan den graaf van Holland is gehecht en weleer +de wapenen tegen ons huis heeft opgevat; ik weet zeer goed, dat hij +nooit de partij van mijn vader zou kiezen en dat, als er wederom een +oorlog ontstaat tusschen Holland en Van Arkel, hij zijn best zal doen, +om onze balken te vernielen [9], maar iets anders is het, hem een +verrader te verklaren. Zie, Splinter, gij hebt onze partij gekozen, +en het zou uw lust zijn, indien het tot een oorlog kwam, het zwaard +tegen den Hollandschen graaf te keeren--maar nimmer zoudt gij er aan +denken, hem door verraad in onze macht te brengen. Een verrader is in +mijn oog een laaghartig mensch, en verre is het van mij, Heer Walraven +Van Brederode voor zulk een te houden. Bovendien zou het schandelijk +ondankbaar van hem zijn, op deze wijze de goedheid mijns vaders te +vergelden, aan wien hij zijn vrijheid te danken heeft." + +"Het doet mij leed, Willem," zeide jonker Splinter, "dat gij van een +ander gevoelen zijt. Gij vertrouwt de menschen te veel en gij sluit +uw oogen te lichtvaardig voor hetgeen zij bedekt of onbedekt doen." + +"Maar Brederode is een vriendelijk man," hernam Willem. "Als hij mij +zijn bezoek aankondigt en tot ons komt, dan is hij uiterst beleefd +en hartelijk. Er ligt ook niets in zijn oog, dat eenigen schijn van +valschheid verraadt. Gij ziet misschien te scherp." + +"En gij te weinig. Er zijn ten allen tijde menschen geweest, die de +kunst verstaan hebben, hun gedachten achter hun woorden en gebaren +te verbergen. Gij moogt zeggen, wat gij wilt, maar als Walraven tot u +komt, dan heeft hij daarmede een doel, dat hij u niet laat bemerken, +en terwijl hij u bezighoudt en u tot spreken uitlokt, zwerft zijn +blik naar alle kanten en is zijn oor voor alles geopend, waarvan hij +voordeel kan meenen te trekken." + +Jonker Willem was opgestaan. Splinter's gevoelen had hem gemelijk +gemaakt, en op korreligen toon zeide hij: + +"Gij zijt ook altijd zoo wantrouwend." + +"Wantrouwend of niet," sprak Splinter, die ook opstond, "maar zoo ik u +een raad mag geven, hoed u voor Brederode. Die man is een roofdier met +fluweelen pootjes, en als hij er kans toe ziet, om Gorcum en alles, +wat heer Jan Van Arkel in Holland bezit, aan den graaf van Holland +in handen te spelen, zal hij niet terugdeinzen voor onzedelijke +middelen. Doch het wordt tijd, dat ik heenga, en het doet mij leed, +dat ons gesprek, gedurende de weinige oogenblikken, die ik hier heb +doorgebracht, zulk een wending heeft genomen. Vaarwel, Willem, overleg +mijn woorden. Moge het nimmer bewaarheid worden wat ik vermoed." + +Hij reikte hem de hand, en Jonker Willem nam ze aan, maar drukte ze +niet zoo hartelijk als weleer: hij kon niet ontkennen, dat Splinter's +woorden hem ontstemd hadden. Toch wist hij zich te bedwingen en +geleidde hij zijn vriend naar buiten, gaf den bediende last, het +paard te brengen, en vergezelde hem tot aan den buitensten hof, +waar hij afscheid van hem nam en hem een goede reis wenschte. + + + +Jonker Willem was naar zijn vertrek teruggekeerd en had zich weder bij +het vuur nedergezet. Zijn gewoonlijk opgeruimde stemming bleef thans +achterwege en verdrietig staarde hij in het vuur, volgde het spel +der vlammen en trachtte den indruk, dien Splinter's woorden op hem +gemaakt hadden, uit te wisschen. Terwijl hij daar zoo alleen zat, werd +zachtjes een deur geopend en het hoofd van een jongen man zichtbaar, +die, na zich verzekerd te hebben, dat niemand anders dan de jonker +hier aanwezig was, stil en behoedzaam de kamer binnentrad en de deur +weer achter zich sloot. Hoe stil dit ook geschied was, toch was het +door Jonker Willem niet onopgemerkt gebleven. Hij wendde het hoofd +naar den kant der deur en toen hij den binnenkomende gewaarwerd, +keerde hij weder den blik naar het vuur, alsof hem het bezoek +geheel onverschillig was. Er was, wat jaren betreft, weinig verschil +tusschen Jonker Willem en den binnenkomende, maar ook slechts een +vluchtige vergelijking tusschen hun kleeding was voldoende, om te +doen zien, dat die van den laatste van minder gehalte was dan van +den rijken erfgenaam der Van Arkels. Hij droeg de kleuren van het +Arkelsche huis, donkerblauw en lichtrood, en bewees hierdoor reeds, +dat hij tot de onderhoorigen of dienstbaren van Heer Jan Van Arkel +behoorde. Toch was er een verschil tusschen hem en de lijfknechten, +die wij daar straks bij het bezoek van Jonker Splinter opmerkten, +daar zijn kleeding fijner was en hij aan den gordel een kleinen dolk +droeg, ten teeken dat hij een der wapendragers was van Jonker Willem. + +"Gij moet mij niet storen, Simon," zeide Jonker Willem op stuurschen +toon, zonder het hoofd naar den binnentredende te wenden. "Al zijt +gij ook duizendmaal mijn zoogbroeder en geniet gij het voorrecht met +mij in denzelfden toren te wonen, toch verlang ik niet, dat gij mij +zoo dikwijls lastig valt." + +Een ander dan Simon zou misschien bij het hooren dezer woorden +schielijk de kamer verlaten en zich verontschuldigd hebben, maar +Simon scheen aan dergelijke bejegeningen gewoon te zijn of wist uit +ondervinding, dat zulk een booze bui spoedig overwoei en dat het +spreekwoord: de aanhouder wint, waarheid bevatte. In plaats van heen +te gaan, deed hij nog een paar stappen vooruit, zoodat hij vlak achter +den jonker kwam te staan, en zeide: + +"Ik wist niet, dat gij verdrietig waart, jonker--maar al waart gij +het nog erger en nog langer, toch zou mij dit niet teruggehouden +hebben, u kennis te komen geven van een bezoek, dat ik daar straks +heb ontvangen van...." + +"Mij gaan uw bezoeken volstrekt niet aan, Simon," viel hem de jonker +in de rede. + +"Een bezoek van Aart," vervolgde Simon hardnekkig. + +"Al was het een bezoek van uw overgrootvader, die reeds vijftig jaar +dood is," bromde de jonker. "Houd uw bezoeken maar voor u." + +"Van Aart," ging Simon voort, "gij weet wel, jonker, den lijfknecht +van den edelman Quannevan, bij wien mijn zuster Jennike...." + +Jonker Willem zette de beide ellebogen op zijn knieën en hield +de handen voor zijn ooren ten teeken, dat hij naar niets wilde +luisteren. Simon, die dit opgemerkt had en reden scheen te hebben +voor den wensch, dat de jonker het toch hooren zou, versterkte nu +zijn stem en riep luid: + +"Hij kwam vanwege mijn zuster en verzocht mij, u te mogen spreken. Toen +ik hem vertelde, dat gij een vriend bij u hadt en hem verzocht, +mij de boodschap slechts op te dragen, antwoordde hij, dat Jennike +hem gezegd had, dat het een groot geheim was en hij het aan niemand +anders mocht openbaren dan aan u." + +Jonker Willem bleef doof. + +"Een groot geheim," herhaalde Simon, nog luider sprekende. + +"Ik wil de geheimen uwer zuster niet weten," zeide de jonker. "Zij +gaan mij niets aan." + +"Maar zij konden wel eens zeer gewichtig zijn. Gij weet het, jonker, +mijn zuster is zeer aan uw huis gehecht, en als zij eens iets gehoord +had, dat voor u noodig was te weten...." + +"Ik blijf er bij, Simon," sprak Jonker Willem opstaande, "dat mij de +geheimen uwer zuster niets aangaan. Het zullen keukenpraatjes zijn, +of misschien heeft zij weder kibbelarij gehad met den driftigen heer +Quannevan.... Kom, ga heen, en laat mij alleen!" + +"En wat moet ik dan tegen Aart zeggen?" vroeg Simon. + +"Alles, wat gij wilt," antwoordde Jonker Willem, die naar de deur +ging als wilde hij het vertrek verlaten. + +Op dit oogenblik liet zich trompetgeschal vernemen ten teeken, dat +iemand den burcht naderde en begeerde binnengelaten te worden. + +"Ga eens zien, wie daar komt," zeide Jonker Willem. + +"Maar Aart....?" vroeg Simon weifelende. + +"Loop rondom met uw Aart!" riep de jonker uit. + +"Hij heeft mij echter gezegd, dat, zoo hij u niet kon spreken, +hij onverwijld uw vader moest opzoeken, daar zijn boodschap geen +uitstel gedoogde." + +Deze laatste woorden brachten den jonker Van Arkel toch tot eenig +nadenken, zoodat hij staan bleef en zeide: + +"Wat zou hij mij dan toch te zeggen hebben? Misschien kan ik hem van +avond of morgen spreken. Misschien ook kan ik hem nu...." + +Op dit oogenblik kondigde een bediende het bezoek aan van Heer +Walraven van Brederode. Jonker Willems gelaat helderde op en zijn +schreden richtende naar den uitgang, om den bezoeker te verwelkomen, +zeide hij tot Simon: + +"Gij ziet, ik kan thans dien knecht niet spreken. Als zijn boodschap +zóó belangrijk is, laat hem dan mijn vader opzoeken, die te Arnhem +of op reis herwaarts is." + +Met deze woorden verliet hij het vertrek. + +Helaas, deze gril heeft Jonker Willem vele onaangenaamheden +gebracht. Had hij Aart toegelaten en de boodschap aangehoord, +die deze kwam brengen, gewis zou hem dan veel leeds gespaard zijn +gebleven. Mijn lezer vermoedt reeds wat Aart te zeggen had. Jennike, +bevreesd, dat het Walraven gelukken mocht, overwicht op Jonker Willem +te krijgen, had Aart naar den burcht gezonden, om den zoon van Heer Jan +te waarschuwen, en slechts diens onstandvastig, wispelturig karakter +droeg schuld, dat de boodschap niet tot hem kwam. Aart, getrouw aan +zijn opdracht, sloeg den weg in naar IJselstein, in de hoop Heer +Jan daar te vinden. Jonker Willem ontving Walraven Van Brederode +en den raad van Splinter in den wind slaande en slechts zijn eigen +oppervlakkig gevoel raadplegende, viel hij, bevreesd als hij was voor +den ondergang van zijn huis, in den gespannen strik zijner vijanden +en werd de verrader zijns vaders. Niet bestand tegen de vloeiende +en klemmende redenen van Brederode, trad hij in een verbond met de +samenzweerders, die hem kwansuis het bezit van Gorcum en het omliggende +land waarborgden, maar eigenlijk slechts een tweespalt tusschen +vader en zoon beoogden, om daarvan ten voordeele van den graaf van +Holland partij te trekken. Jonker Willem, zeg ik, viel in den strik, +en de zoon, die nog een dag geleden vol liefde was voor zijn vader, +kwam binnen de muren van Gorcum en liet de poorten sluiten voor den +ouden Jan Van Arkel, die, zoodra hij bericht ontvangen had van hetgeen +er tegen hem gesmeed werd, in allerijl naar Gorcum trok en tevergeefs +beproefde binnengelaten te worden. Evenzoo geschiedde dit te Leerdam, +werwaarts de samenzwering zich verplaatst had, en schoot er voor Jan +Van Arkel niets over, dan tot zijn zwager Reinout Van Gelre te keeren. + +Het was een schandelijke daad van Jonker Willem, die door geen tranen +ooit kon uitgewischt worden. + + + + + + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +De uitkomsten van verraad en verzoening. + + +Het is geen vreemd verschijnsel, dat sommige menschen, wier geweten hun +verwijt, dat zij gezondigd hebben, de knagingen van dat geweten zoeken +te verdooven door het najagen van vermaken, aan welke zij vroeger +zelfs niet eens dachten. Anderen daarentegen worden, nadat zij zich +aan een grove zonde hebben schuldig gemaakt, in een geheel anderen +toestand verplaatst. Als eenmaal de zonde gepleegd is, schijnen zij +als het ware bewusteloos en doof voor alle vermaningen van hun geweten +geworden te zijn en kunnen het maanden, ja jaren achtereen uithouden, +terwijl zij van de eene zonde in de andere vallen, totdat eindelijk op +een zeker oogenblik hun plotseling de schillen van de oogen afgerukt +worden en zij de ontzaglijke diepte zien, waarin zij zich door een +nieuwe roekelooze handelwijze gestort hebben. Niet alleen de Heilige +Schrift--zooals bijvoorbeeld bij David--maar ook de ondervinding van +het dagelijksch leven bevestigt bovenstaande waarheid, zoodat het +goed is elkander te waarschuwen voor de eerste schrede op den weg der +zonde, daar die eerste schrede gewoonlijk achtervolgd wordt door een +tweede, en niemand zeggen kan, waartoe de mensch komt, die in zulk +een toestand verkeert. + +Jonker Willem had toegegeven aan de verleidende voorstellingen van +Walraven, en schoon het blijkt, dat deze laatste al zijn krachten moest +aanwenden, om Willem over te halen, toch is het niettemin bewezen, +dat de jonker zich in de armen van de verraders en vijanden zijns +vaders geworpen heeft. De samenzweerders hadden dus het eerste +gedeelte van hun doel bereikt; zij hadden nu den zoon van zijn +vader vervreemd; thans bleef hun nog over, zich van den zoon zelf +te ontdoen, om tot het eindpunt te komen, namelijk Gorcum en het +omliggende land in de macht van Graaf Willem VI te brengen. Dit moest +evenwel op een bedekte, listige wijze geschieden, want zoodra Jonker +Willem hiervan de lucht mocht krijgen, zou hij gewis met behulp van +tal van aanhangers, die hem persoonlijk genegen en die velen waren, +den ganschen toeleg onderstboven keeren. Om dit laatste te voorkomen, +veinsden al de samenzweerders groote ingenomenheid met Jonker Willem, +te meer daar hij naar hun raad luisterde en de poorten der stad deed +sluiten niet alleen voor Heer Jan Van Arkel en diens aanhang, maar +zelfs voor zijn beste vrienden, zoo deze niet zijn (Willems) partij +hadden gekozen. Gorcum zelf werd in een goeden staat van verdediging +gebracht; de poorten sterk bezet en het bevel uitgevaardigd, niemand +van verdacht voorkomen binnen de stad of op den burcht toe te laten. + +Het spreekt vanzelf, dat Jan Van Arkel terstond zijn toevlucht +zocht bij Hertog Reinout en dat deze hem zijn bijstand toezeide, +die allereerst zou bestaan in het treffen van een vergelijk tusschen +Heer Jan Van Arkel en zijn oproerige onderdanen [10]. Jan Van Arkel's +zwager zond dan ook oogenblikkelijk eenige afgevaardigden naar Gorcum +in de hoop een verzoening tusschen beide partijen te bewerken. Doch hun +herhaalde zendingen liepen telkens vruchteloos af. Beide partijen waren +te fel tegen elkander verbitterd, dan dat er van een verzoening sprake +kon zijn. Bovendien wilden de proost, Van Goor en de gebroeders Herlaar +hiervan niets weten, omdat dan de tachtig duizend Fransche kronen voor +hen verloren gingen. De onderhandeling liep dus vruchteloos af voor +Heer Jan Van Arkel en de samenzweerders wonnen er dit nog bij, dat +zij van Jonker Willem de plechtige en met eeden bekrachtigde belofte +verkregen, dat hij zonder hun toestemming en goedkeuring met zijn vader +en diens aanhang in geen onderhandelingen zou treden (30 Mei 1406). + +Nu vierde Gorcum feest; zoowel burgemeesters en schepenen als de +kerkelijke overheid deden alles, om van hun vreugde te doen blijken, +en het geringe volk, dat zich steeds laat leiden naar de willekeur +der overmacht, juichte mede. Misschien was het Jonker Willem zelf, +die dit vreugdebetoon in de hand werkte, en wellicht was het door +zijn tusschenkomst, dat er zoowel op den burcht als in de stad +allerlei feestelijkheden plaats vonden. Dit moet ons geenszins +verwonderen. Jonker Willem had geen vrede; zijn geweten klaagde hem +aan als een ontaarden zoon, die de liefde zijns vaders met ondank +beloond had, en te zwak zijnde, om openlijk schuldbelijdenis te doen +en zich weder aan de zijde zijns vaders te scharen, moest hij allerlei +dingen bedenken, om dat geweten--zoo het mogelijk ware--tot zwijgen +te brengen. En hoe zou hij dat anders kunnen doen dan door het rumoer +van feesten? + +Ik heb eens een parabel gelezen van een prins, die zijn vriend in een +hartstochtelijk oogenblik van het leven had beroofd en deswege ter +dood zou gebracht worden, zoodra hij binnen acht dagen insliep. Hij +moest dus op middelen bedacht wezen, het acht dagen zonder slaap uit te +houden, en hij scherpte zijn vernuft, om zulke vermaken te verzinnen, +die hem gedurig bezighielden. Danspartijen, tooneelvoorstellingen +en jachtpartijen wisselden elkander onophoudelijk af, en twee--drie +dagen hield de jonge prins het zonder slapen uit. Maar de natuur +liet spoedig haar rechten gelden. Toen hij op het punt stond van in +te slapen, beval hij, dat men hem knijpen, in het water werpen en met +gloeiende naalden prikken zou, zoodra hij slechts de oogen sloot. Doch +ten laatste baatten ook deze middelen niet meer. Nu liet hij een hoog +koord over een water spannen en begon zich te oefenen er overheen te +loopen; als hij een misstap deed, door den slaap bevorderd, viel hij +in het water. Dit hielp één dag, maar zóó machtig werkte de slaap, +dat hij zelfs in het water zou zijn ingeslapen. Om dit te verhinderen, +liet hij een ander koord boven een vuur spannen, en bij zijn val +brandde hij zich deerlijk. Maar zelfs het vuur kon den slaap niet +weren, en hij zou onder diens geweld eindelijk bezweken zijn.... toen +hem een vriendelijke stem van de straf onthief. + +Bijna, zou ik zeggen, was deze parabel van toepassing op Jonker +Willem. Hij wilde de knagingen van zijn geweten, die voor hem als +zoovele doodsteken waren, tot zwijgen brengen en wierp zich nu in den +stroom der genietingen, en wellicht zou de ongelukkige jongeling er +toe gekomen zijn, dat geweten als met een brandijzer toe te schroeien, +zoo zich God niet over hem ontfermd had. + +Op zekeren avond bevond zich Jonker Willem in dezelfde kamer, in welke +wij hem voor het eerst hebben aangetroffen. Hij zat op een bank bij +het diep inloopend venster, van waar hij een prachtig vergezicht had +over de omstreken zijner vaderlijke bezittingen. Maar zijn oog staarde +in de verte zonder iets te zien. De bloeiende boomen, die zijn tuinen +versierden, bestonden voor hem niet; het rimpelen der wateren van de +Linge en Merwede was voor hem een ijdele vlakte; de blauwe hemel boven +zijn hoofd was een zwart doek--hij zag niets, of liever hij zag slechts +één donker punt en hij hoorde slechts één woord: ondankbare! Zijn +hart klopte hevig, en niettegenstaande het buiten zeer warm was, +brak hem het koude zweet uit van angst, vrees en onrust. Eindelijk +sloeg hij beide handen voor het gelaat en barstte uit: + +"Neen, deze toestand is onverdraaglijk. Al gelukt het mij ook, +te midden van ingebeeld genot de kwellingen mijns geweten te +verdrijven--zoodra ik alleen ben, is het mij, alsof ik vóór en naast +mij het beeld mijns vaders zie. Hij spreekt geen enkel woord: hij +staart mij slechts zwijgend aan. Ik tracht hem te ontkomen, maar +in de kerk, op de trappen van het hoogaltaar, bij het dragen eener +gewijde kaars, bij het stamelen mijner gebeden, bij het opstaan, +bij eten en drinken, naast mijn legerstede, in mijn droom.... staat +daar mijn vader, op wiens gesloten lippen ik de woorden lees: +ontaarde zoon. Neen, ik kan dit niet uithouden. Er moet een einde +aan komen. Maar hoe? Zal ik het aan Walraven Van Brederode, aan Jan +Gerardijn, aan burgemeesters en schepenen, ja zelfs aan Graaf Willem +doen weten, dat ik...." + +Hij kon niet voortgaan. Een rilling, een huivering overviel hem, +alsof hem een slang aangeraakt had. + +"Neen, neen--duizendmaal neen! Dat kan ik niet. Ik wil hun niet toonen, +dat ik zwak, dat ik lafhartig ben. Liever wil ik den strijd tegen +mijn geweten blijven voeren tot het uiterste...." + +"Tot het uiterste?" herhaalde, zacht bewogen, een andere stem. + +Jonker Willem keerde verschrikt het hoofd om naar de zijde, van waar +dit geluid kwam, en zag een monnik vóór zich staan, die hem met een +medelijdend oog aanstaarde. + + + +------ +FIGURE +------ + + + +"Wat wilt gij? Wie zijt gij?" riep de jonker, moeite doende, om moedig +te schijnen. + +"Ik wil niets," antwoordde de monnik zachtmoedig, "ik vraag +slechts. Gij spraakt daar van een strijd tot het uiterste tegen het +geweten te willen voeren. Zou het ook mogelijk zijn, dat gij tegen +God streedt en gij in dien ongelijken kamp bezweekt?" + +"Wat gaat dat u aan!" riep Jonker Willem uit. + +"Wat mij dit aangaat? en kent gij mij dan niet in deze vermomming? Ik +heb sedert drie dagen beproefd, tot hier door te dringen. Uw +krijgslieden hebben mij met hun pieken teruggedreven. Ik ben bij +nacht den stroom overgezwommen, heb mij, bij dag zonder eten of +drinken tusschen steenhoopen verborgen en telkens naderbij komende, +gelukte het mij, dezen burcht te bereiken, waar nog een man is--uw +zoogbroeder--, die u waarlijk liefheeft en die mij, op gevaar van uw +ongenade, hier gebracht heeft." + +"Maar wie zijt gij dan?" vroeg Jonker Willem opstaande, daar hij de +stem, die de monnik iets veranderd had, meende te herkennen. + +De monnik wierp het grove kleed weg, en daar stond vóór hem Jonker +Splinter Van Nieuwenroode. + +Jonker Willem week een paar stappen achterwaarts en wendde het hoofd +af: hij schaamde zich voor zichzelf, voor alle menschen, maar het +allermeest voor zijn vriend. + +Splinter zag dit als een goed teeken aan, en de hand op den schouder +zijns vriends leggende, zeide hij: + +"Ik ben blijde, dat ik dit monnikskleed eenige dagen gedragen heb. Het +werd mij geleend door een vroom man, dien ik heilig zou verklaren, als +ik er de macht toe had. Hij heeft mij menig merkwaardig woord gezegd, +dat ik nooit te voren gehoord heb, en één dier woorden zal ik thans +voor u herhalen, Willem. Als ik u en uw huis niet liefhad, als ik niet +gezworen had, u en uw vader tot aan mijn laatste uur met het zwaard +in de vuist te verdedigen tegen verraad en geweld--waarlijk, ik zou +niet tot u gekomen zijn. Gij hebt u.... maar neen, ik wil u liever het +woord toefluisteren, dat die vrome monnik tot mij sprak: "God geeft +mildelijk en verwijt niet. En waar Hij niet verwijt, waar hij niet +doet naar onze zonden en ons niet vergeldt naar onze ongerechtigheden, +maar integendeel ons zegent en weldoet--daar moet ook de mensch, de +Christen, zijn voorbeeld volgen. Neen, Willem, ik ben niet gekomen, +om u iets te verwijten. Gij draagt den grootsten verwijter binnen +in u. Zie, Willem," vervolgde hij, diens hand teeder drukkende, +terwijl de jonker met een gebukt en afgewend gelaat vóór hem stond, +"ik was te Arnhem bij uw oom. Daar was ook uw vader. Daar bevonden +zich ook Egmond en IJselstein. Zal het noodig wezen, u te schetsen, +hoe ik uw vader aantrof? Maar neen, dat gevoelt gij beter dan ik +het u schilderen kan. Laat mij u zeggen, dat allen besloten hebben, +het zwaard tegen u aan te gorden, de oom tegen den neef, de zwager +tegen den zwager.... de vader tegen den zoon. Allen zeg ik--behalve +één, behalve uw oom Hertog Reinout. Deze kwam tusschenbeide, en +niettegenstaande zijn afgevaardigden tot dusver hoonend werden +weggezonden, niettegenstaande al zijn voorslagen afgewezen werden, +meende hij nog één middel te moeten beproeven. Dat middel was, om te +pogen rechtstreeks tot u door te dringen en te trachten u tot een +verzoening met uw vader te bewegen. De keuze viel op mij--en zie, +Willem, hier ben ik. Nog eens, ik kom tot u, zonder verwijt, maar +slechts met deze vraag: + +"Wilt gij den strijd tegen uw geweten, tegen God tot het uiterste +volhouden? Wilt gij nog langer de speelbal blijven van oproermakers, +goddelooze priesters, ontrouwe raadslieden, van menschen, die zich +door goud laten omkoopen, evenals Judas, die voor eenige penningen +den Zaligmaker verkocht? Zijt gij zóó door valsche eerzucht verblind, +dat gij niet inziet, hoe uw huidige vrienden u morgen ook zullen +verraden, verkoopen en zelfs om het leven brengen, als zij meenen, +dat hun belang dit vordert? En wilt gij het hart breken van hem, +die, zwaar beleedigd en getergd als hij is, nochtans een hart bezit, +waarin liefde voor u woont? Zeg mij, Willem, wilt gij dit?" + +Splinter had in het vuur zijner rede de rechterhand van Willem gegrepen +en schudde deze alsof hij hem uit zijn droom wilde wekken. + +Jonker Willem was evenwel te beschaamd en te ontroerd, om te spreken, +en Splinter moest dezelfde vraag nog eens herhalen. Eindelijk gaf +de jonker aan zijn gevoel lucht: heete tranen druppelden langs zijn +wangen, en met al de teekenen van berouw en verbreking des harten +stamelde hij: + +"Zou mijn vader zich nog wel met mij willen verzoenen?" + +"Twijfel daaraan volstrekt niet, Willem," zeide Splinter. "Uw vader +is wel een streng, maar geen ongevoelig man, en zoodra hij uit uw +mond verneemt, dat gij berouw hebt, zal hij de eerste zijn, die u de +hand van vergiffenis aanbiedt." + +"Dan maar hoe eerder hoe beter!" riep Jonker Willem haastig, als +vreesde hij, dat hij te laat mocht komen--een wijze van handelen, +die men meer bij zwakke karakters opmerkt. + +"Ik ben bereid met u te gaan," zeide Splinter, "maar vergun mij vooraf +een enkele opmerking. Gij begrijpt, dat aller oogen op u gevestigd +zijn en dat gij van geheime vijanden omringd zijt. Nu weet gij wel, +dat mijn leus is in alles recht te handelen, maar een man, die recht +en gerechtigheid liefheeft, handelt ook voorzichtig. Het zou der +goede zaak meer kwaad dan goed doen, zoo gij plotseling heengingt en +den burcht verliet. Ik raad u aan, dat gij in stilte, dat is zonder +opzien te baren, van hier vertrekt. Gij kunt immers een wandelrit in +den omtrek doen, en bij die gelegenheid staan u alle wegen open naar +'s-Hertogenbosch, waarheen zich uw vader heeft begeven en waar hij +u wacht." + +Jonker Willem vond dezen voorslag zeer goed, en na eenige overwegingen +werd besloten, reeds den volgenden dag uitvoering aan hun voornemen +te geven. + +Op dit oogenblik meldde Simon de komst van den edelman Quannevan, +die den jonker dringend wenschte te spreken. Willem Van Arkel zag +Splinter aan. + +"Gij kunt hem gerust laten binnenkomen," zeide deze. "Hij is een +oprecht man en een vurig aanhanger van uw huis." + +Jonker Willem gaf een wenk en een paar minuten later trad Quannevan +binnen. Hij was gekleed in al den opschik van zijn Bourgondisch +gewaad. Een korte groene mantel, doorwerkt met groote bloemen, bedekte +zijn schouders en was om den hals met een dik koord bevestigd. Van +voren hingen de slippen open en lieten een rijk geborduurden lijfrok +zien; zwart fluweelen kousen, met gouddraad gestikt, omsloten de +knieën en reikten tot aan de spits uitloopende schoenen; een fluweelen +baret rustte op de grijze haren en aan zijn linkerzijde was een kort +zwaard gegespt. + +"Vergeef het mij, edele heer jonker," zeide hij, met drift op Willem +Van Arkel toeloopende, "dat ik u wellicht op een ongelegen uur +stoor, maar al zou ik door het water moeten gewaad hebben, om tot u +te komen,--ik had het niet kunnen nalaten. Twee dingen beletten mij +sedert acht dagen en nachten, om behoorlijk te denken en te slapen. Ten +eerste mijn dienstmaagd en ten tweede uw persoon. Vergeef het mij, +edele jonker, zoo ik door den hartstocht, waarmede ik spreek, het +eerst mijn dienstmaagd heb genoemd. Maar inderdaad, die meid, die +Jennike!" vervolgde hij in toenemende drift, "met haar is het niet, om +uit te houden. Zij luistert naar geen woord, geen bedreiging en zelfs +naar geen vloek, nog minder naar het opheffen van mijn karwats. Het +is of ze.... vergeef het mij--van den duivel bezeten is!" + +Beide jonkers moesten onwillekeurig glimlachen. + +"Wat is er dan met uw dienstmaagd,--de zuster van Simon?" vroeg +jonker Willem. + +"Wel, die meid," antwoordde de edelman, vuurrood van drift, "begint +mij al te kwellen, als de dag nog nauwelijks aan den hemel is, en +houdt niet op, mij voor te spiegelen, in welken stroom van ellende +Walraven en zijn aanhang Gorcum en het doorluchtige huis van Arkel +gebracht hebben, sedert het hun gelukt is, den zoon van den vader +af te scheuren. Met de scherpste kleuren heeft zij mij het gepleegde +onrecht geschilderd en mij toegeroepen: "Ja, schop en trap mij zooveel +gij verkiest, maar dit zal mij niet beletten, zóó lang aan te houden, +totdat gij u naar Jonker Willem begeeft en hem smeekt en beweegt, +de zijde van die goddelooze oproermakers te verlaten. Ik kan het +niet doen, want mij--arme dienstmaagd--geeft hij geen gehoor...." En +op deze wijze gaat de meid elken dag voort. Maar ik moet zeggen, +zij heeft geen ongelijk--vergeef het mij, edele jonker! Mij had men +tot dusver onkundig gelaten van alles, wat er voorgevallen is, en +in mijn oprechtheid ontving ik nog steeds eenige avonden in de week +de schepenen en vrienden van Walraven Van Brederode bij mij,--doch +plotseling zijn mijn oogen geopend en heb ik ingezien, hoe gij, +edele jonker, u hebt laten misleiden door menschen, die voor goud het +land aan Graaf Willem VI willen verkoopen. Sinds dat oogenblik heb ik +zelfs geen rust meer, en gehecht aan uw huis en uw persoon als ik ben, +waag ik het...." + +"Ik erken uw goede bedoelingen, mijn waarde heer Quannevan," +viel hem Jonker Willem in de rede, "en ik haast mij u gerust te +stellen. Wetende hoezeer gij ons een goed hart toedraagt, en dat gij, +waar het te pas komt, kunt zwijgen, durf ik het u wel toevertrouwen, +dat ik mij morgen met mijn vriend Splinter naar mijn vader begeef, +om mij met hem te verzoenen. Ik dank u voor uw goede bedoeling!" + +"Dat verheugt--dat verheugt mij!" riep Quannevan uit, terwijl zijn oog +van vreugde straalde. "Het verheugt mij om uwent- en om mijnentwil. Nu +krijg ik rust van mijn dienstmaagd, en kan ik mijn wapenrusting in orde +brengen, want ik voorzie thans een zwaren strijd, daar alle Hoekschen, +met Graaf Willem VI en Walraven Van Brederode aan het hoofd, tegen u +zullen opstuiven. Doch geen moed verloren, edele jonker! Zeg uw vader, +dat, schoon ik oud en grijs ben, mijn kracht nog niet verzwakt en +mijn zwaard evenmin verroest is. Hij kan op mij rekenen!" + +Jonker Willem, nog bewogen door het tooneel, dat straks plaats had +gehad en levendig getroffen door de vurige en oprechte betuiging +van den edelman, die van geestdrift blaakte, legde zijn hand op +diens schouder, dankte hem met hartelijke woorden en bood hem een +verfrissching aan, die deze dankbaar aannam. + +Den volgenden middag begaf zich Jonker Willem naar 's-Hertogenbosch, +gevolgd door Splinter, die, om geen argwaan op te wekken, eenige uren +later wegreed. + + + +Wij willen de beide edellieden niet op hun tocht naar 's-Hertogenbosch +vergezellen. Genoeg zij het, dat het, onder Gods zegen, gelukte den +verscheurden band weder te bevestigen, en vader en zoon zich eenstemmig +verbonden, om hun rechtmatig verkregen goed tegen alle aanranders te +verdedigen. Hertog Reinout evenwel had nog een ander belang dan zijn +zwager. Jan Van Arkel toch was het hoofdzakelijk te doen, om in het +bezit van zijn erfgoed te blijven, en zoo hij dit verloor, dan kon +het hem eigenlijk onverschillig zijn, wie de overweldiger was, die +het hem ontroofd had. Maar Reinout was een regeerend vorst; hij was +hertog van Gelre en zijn landen grensden onmiddellijk aan die van den +Hollandschen graaf, die derhalve een machtige en gevaarlijke nabuur +was en wien, door toenemende macht, wel eens de lust kon bekruipen, +zich van Gelre meester te maken. Om dus hieraan paal en perk te +stellen, was het voor Reinout van groot belang, zich van Gorcum te +verzekeren, de stad en den burcht te overvallen en de verraders aan +leven en bezittingen te straffen. + +Inmiddels hadden de saamgezworenen ook niet stilgezeten. In een +samenkomst van Walraven van Brederode, Jan Gerardijn en de overige +verbondenen werd overeengekomen, om zoo spoedig mogelijk den graaf +van Holland van het gebeurde kennis te geven en hem de heerlijkheid +van Gorcum aan te bieden, vooral daar Jonker Willem, vergezeld van +eenige getrouwen, het gewaagd had de stad te verrassen. Maar zijn +aanval mislukte en men hield thans zoowel voor vader als zoon de +poorten gesloten. Van beide zijden werden er nu toebereidselen tot +een krijg gemaakt, doch het schijnt, dat Hertog Reinout niet geneigd +was tot een aanval van zijn zijde. Misschien waren zijn legerbenden +niet slagvaardig, misschien ook waren er andere staatkundige redenen, +die hem noopten het voeren van een openbaren oorlog tot een meer +gelegen tijd uit te stellen. Wel had hij eenigen zijner edelen en +de poorters van Nijmegen, Tiel en Bommel ter heirvaart opgeroepen, +met bevel, om dadelijk te Gorcum in te rijden [11], maar tevens +trad hij in onderhandeling met Utrecht en Holland, om een verdrag, +of liever een wapenstilstand te sluiten, hetwelk hem ook gelukte +en waarbij overeengekomen werd, dat deze laatste zou duren tot het +Pinksterfeest van het volgend jaar. Jan Van Arkel en diens zoon waren +echter van dit verdrag uitdrukkelijk buitengesloten. + +Het had dus allen schijn, dat Hertog Reinout langs staatkundigen weg, +dat is niet met het zwaard, en in lengte van tijd een verzoening +tusschen den graaf van Holland, de Arkels en Gorcummers zou bewerkt +hebben,--maar de mensch wikt en God beschikt, en het zou geheel +anders loopen dan het in de bedoeling van Hertog Reinout lag. Ik heb +u daar straks medegedeeld, dat de verraders besloten hadden, Graaf +Willem de heerlijkheid van Gorcum op te dragen. De graaf van Holland +ontving die opdracht, toen het verdrag reeds tot stand gekomen was, +en het zij nu, dat hij hiervan spijt had, of dat de saamgezworenen +zeer bij hem aandrongen, of dat hij meende machtig genoeg te zijn, +Hertog Reinout het hoofd te kunnen bieden,--genoeg, hij liet zich +verleiden, het bestand te schenden, nam de opdracht van Gorcum aan +en vertrok derwaarts, om zich als landsheer binnen de stad te doen +huldigen. [12] Hij nam zijn tocht over Woudrichem, vergezeld van vele +ridders en edelen, en stak van daar over naar Gorcum, waar hij--gelijk +een kroniekschrijver het uitdrukt--zijn optocht nam tusschen den burcht +en de stad, op een plaats, de Quelling genaamd. [13] Inmiddels hadden +de verraders, die wel degelijk vooraf er op aangedrongen hadden, de +tachtig duizend Fransche kronen van Graaf Willem ontvangen, welk geld, +benevens de kosten der inhuldiging, uit den verkoop van lijfrenten +ten laste van Haarlem, Delft, Leiden, Amsterdam, Gouda en Rotterdam +gevonden werd. De Hollandsche graaf werd zeer plechtig en feestelijk +ingehaald. De geestelijkheid met Jan Gerardijn aan het hoofd ontving +hem aan de poort, en de Hollandsche banieren wapperden van burcht, +kerktoren en stadhuis, terwijl er van tijd tot tijd met donderbussen +geschoten werd, om de vreugde te vergrooten. In de kerk komende, nam +de proost Graaf Willem VI den eed af, om de stadshandvesten, vrijheden +en rechten te zullen beschermen en onderhouden, en vervolgens trok de +nieuwe landsheer naar den burcht, waar hij ook gehuldigd werd. Graaf +Willem meende echter nog iets te moeten doen, om zijn getrouwe +Gorcummers--de verraders--te beloonen, en sloeg de vier gebroeders +Herlaar, Ambrosius, Woutersz en Jan Van Donk tot ridders. Maar toen +hij, in gezelschap van deze nieuwe ridders, naar Leerdam reed, om zich +ook aldaar te doen huldigen, zeide hem de heer Van Asperen, die over +Leerdam het bevel voerde en met minachting op deze verraders nederzag: +"Edele, machtige vorst. Gij hebt deze kooplieden tot ridders gemaakt, +maar in plaats van een vergulden halsband zou hun als verraders en +dieven beter elk een bast (strop?) om den hals passen. Wacht u, om bij +hen te vernachten, want wat zij hun geboren landsheer gedaan hebben, +zullen zij u 't avond of morgen ook nog doen. Stel geen vertrouwen op +zulke kooplieden." De graaf antwoordde hierop niets; hij vergenoegde +zich met eens te glimlachen, daar hij misschien meer het verraad dan +de verraders beminde. [14] + +De nieuwe ridders en de overige verraders waren niets over deze woorden +gesticht, en spoedig bleek het, hoezeer zij door vele weldenkenden +met minachting werden aangezien, zoodat zij het eindelijk niet meer in +de stad konden uithouden, en met het loon des verraads naar elders de +wijk namen, terwijl Jan Gerardijn, Broens De Verwer en Arend Van Goor +als de heftigste tegenstanders van de Van Arkels in de stad bleven. + +Gij kunt u evenwel voorstellen, hoe Hertog Reinout te moede was, toen +hij het voorgevallene vernam. Deze schending des bestands toch werd +door hem ten hoogste euvel opgenomen, maar hij draalde nochtans, om den +Hollandschen graaf den strijdhandschoen voor de voeten te werpen,--en +van de gevolgen eener samenkomst der ridderschap en steden van Gelre, +om over een krijg tegen Holland te raadplegen, hoorde men niets. + +Maar mocht Jan Van Arkel stilzitten? Mocht Jonker Willem het lijdelijk +aanzien, dat zijns vaders bezittingen zoo wederrechtelijk door den +Hollandschen graaf werden buitgemaakt? Mocht hij even besluiteloos +handelen als zijn oom Reinout? Neen, hij wilde goedmaken wat hij +bedorven had, en zoo geen ander heer of vorst zich aan zijn zijde +schaarde, wilde hij het alleen op zich nemen, om--zoo het mogelijk +ware--Gorcum weder te bemachtigen. + +Wij zullen in het volgende hoofdstuk zien, of hem dit +gelukte. Intusschen willen wij nog iets ten gunste van Hertog Reinout +zeggen. Deze vorst, meer diplomaat dan krijgsman, trachtte nog steeds +door middel van de pen te verkrijgen wat het zwaard met ongelijke kans +zou moeten najagen. Toen echter alle wegen afgesloten bleken, om tot +zijn doel te geraken, was hij het wellicht zelf, die Jonker Willem en +diens vader tot den krijg aanspoorde. Maar of hij er niet een list bij +verborg, is nog niet uitgemaakt. Althans schijnt het, dat hij Jonker +Willem gebruikte, om aan zijn eigen eerzucht te voldoen, ten einde van +de mogelijke mislukking van diens plannen voordeel te kunnen trekken. + + + + + + + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +Hoe Gorcum verrast werd--En nog eens in de gewelven van Quannevan's +huis. + + +Het was Jonker Willem Van Arkel bovenal te doen, om zich van Gorcum +meester te maken. Dit kon evenwel niet door middel van een openbaren +oorlog geschieden, want de stad was van een Hollandsche bezetting +voorzien en al de toegangen versterkt door gewapende mannen, die van +poort tot poort, zoowel binnen als buiten de vest en de grachten, +de wacht hielden. Ook zou het niet mogelijk geweest zijn, met een +groot leger tot Gorcum door te dringen, daar Utrecht vijandig gezind +was tegen de Van Arkels en de stad van den waterkant moeilijk te +naderen was. Er moesten dus andere maatregelen genomen worden, +en wel om de stad bij verrassing te overrompelen. De eerste maal, +toen jonker Willem dit beproefde, was het ongelukkig afgeloopen, +en, door de ondervinding geleerd, wilde hij het thans op een andere +wijs beproeven, vooral daar hij zich verzekerd had van de hulp van +eenige getrouwe vrienden, die te Gorcum achtergebleven waren of in +de nabijheid der stad op de omliggende dorpen en hoeven vertoefden. + +Op ongeveer een half uur van de stad, en wel ten noordwesten, lag +een eenzame hoeve, die tot de bezittingen der heerlijkheid Van Arkel +behoorde. De hoeve was thans ledig en verlaten, daar de bewoners +gevlucht en wijd en zijd verspreid waren. Toch zou haar ruimte eerlang +weer worden gevuld en ingenomen, niet door vreedzame landbouwers noch +door vee, maar door personen, die niet gewoon waren een stal tot hun +verblijf of een schuur tot hun woning te kiezen. + +Gedurende drie dagen en nachten had het aanhoudend geregend, en +dit onaangename weder was vergezeld van storm en hevige windvlagen, +zoodat de landlieden, die in de maand September 1407 nog de laatste +overblijfselen van den oogst en de karige veldvruchten van het veld +bijeen wilden verzamelen, niet bij machte waren dit naar eisch te +verrichten. Ook zag er de lucht nog niet naar uit, dat er spoedig een +verandering ten goede zou komen, want onophoudelijk dreven de donkere +wolken langs het zwerk en ontlastten zich over velden en akkers, zoodat +de vest en stadsgrachten tot overloopens toe gevuld waren. Onaangenaam +was dit ruwe, woeste weder niet alleen voor de landlieden, maar ook +voor de krijgers, die op zekere afstanden tusschen of nabij de poorten +der stad, in kleine torens de wachtposten betrokken hadden, daar zij op +hun hoede moesten zijn tegen den een of anderen naderenden vijand. Geen +maan of ster flikkerde aan 's hemels trans, en het was des nachts zóó +donker, dat de schildwachten, zelfs op slechts eenige passen afstands, +elkander niet konden zien. Niemand, die niet volstrekt buiten moest +zijn, gaf dan ook de voorkeur aan het zitten buitenshuis, en zelfs +eenige ruwe krijgslieden, meenende; dat er geen gevaar op handen was, +zochten liever een schuilplaats in een der torens, dan zich ten bate +van den Hollandschen graaf te laten natregenen. + +Bij bovengenoemde hoeve zou men, zoo de duisternis van den nacht het +niet verhinderd had, kunnen gezien hebben, dat van tijd tot tijd eenige +mannen binnen haar wanden slopen. Van alle kanten drongen zij huis, +schuur en stal in, zoodat de hoeve ten laatste bijna eivol werd. Toch +hoorde men daar buiten geen geruisch, geen woord, wat trouwens ook +onmogelijk was, daar de wind voortdurend langs de muren gierde en +de toppen der peppelboomen deed zwiepen. Zoover de donkerheid het +toeliet te zien, kon men vijf--zes mannen opmerken, die zich aan den +ingang der deur geplaatst hadden en een langen, uitvorschenden blik +naar de zijde der duistere stad wierpen. Zij droegen allen donkere +mantels en hun rechterhand rustte op het gevest van het zwaard, +alsof zij ieder oogenblik bereid waren, het uit de scheede te trekken. + +"Uitmuntend weer voor onze onderneming, Willem," fluisterde een zachte, +manlijke stem. + +"Uitmuntend Splinter," was het antwoord, "het is alsof de hemel ons +begunstigen wil. Mij dunkt, niemand in de stad zal er een voorgevoel +van hebben, dat wij thans hier zijn, om haar--zoo mogelijk--in ons +bezit te brengen." + +"Wellicht zijn zij in de meening, dat het niemand in de donkerheid +gelukken zal, haar te naderen." + +"En daarin konden zij ook wel gelijk hebben, Splinter," zei Jonker +Willem Van Arkel, "maar zij vergeten, dat wij een juiste opgave +bezitten van al de wegen en paden. Ik althans heb ze mij zóó diep +ingeprent, dat ik zelfs geblinddoekt den weg naar de poort zou kunnen +vinden, ten minste tot de vest." + +"Dat is stout gesproken, Willem," hernam Splinter steeds op +fluisterenden toon, "maar gij zijt hier geboren en opgevoed, en +daarenboven gij hebt Simon en de gebroeders Van der Werve bij u, +die deze streek zoo goed kennen als de os zijn kribbe. Ook wordt gij, +als het ware, voorgelicht door den vurigen ijver, die u drijft." + +"Zoo is het, Splinter," zeide Willem, "en moge God alles zóó leiden, +dat ik, met zoo weinig bloedvergieten mogelijk, meester van de stad +word. Hoe gelukkig zou mijn vader zijn, en hoe zou ik het voorrecht +van den man benijden, die, als overbrenger der gelukkige tijding, +de vreugde op zijn aangezicht zou mogen lezen. O Splinter! ik kan u +niet half zeggen, hoezeer ik naar het oogenblik haak, waarop ik zal +kunnen zeggen: de stad is ons!" + +"Ik kan mij dit verlangen zeer goed verklaren," zeide Splinter, "maar +wees voorzichtig, laat geen gunstig oogenblik ongebruikt voorbijgaan, +en zorg vooral, dat alles, voor de overrompeling bestemd, bij de hand +is. Zijn de schuitjes reeds aangekomen?" + +"Neen, heer," antwoordde Simon, de zoogbroeder van Jonker Willem, +tot wien deze vraag gericht was. "Wij wachten ze ieder oogenblik." + +"Zij kunnen echter onmogelijk lang uitblijven, en als het niet zoo +duister ware, zouden wij ze reeds ginder zien." + +"Gij spreekt zoo stout, Willem," zeide Splinter, "omdat gij weet, +dat Otto Van Heukelom zich daarmede belast heeft. En deze is bekend +als iemand, die zich nooit laat wachten." + +"Juist," hernam Jonker Willem, "Otto Van Heukelom, dien mijn oom +Reinout aan het hoofd heeft gesteld van de Gelderschen, die mij in +mijn onderneming zullen bijstaan, heeft het opzicht genomen over de +schuitjes, die wij straks hopen te water te kunnen laten. Doch stil, +zie ik daar niet eenige schaduwen naderen? Dat zullen de verwachte +voorwerpen zijn." + +Vier mannen naderden langzaam en zonder het minste gedruisch te maken +de plaats, waar de hoofden der onderneming bij elkander stonden. Deze +vier mannen droegen een schuitje, dat van leder gemaakt en zóó +ingericht was, dat het acht of tien krijgsknechten kon bevatten. Deze +vier man waren vergezeld van een vijfden. + +"De overige schuitjes zijn in aantocht," fluisterde deze, op wiens +bevel de dragers het vaartuig op den grond neerzetten. "Heer Otto +Van Heukelom zal oogenblikkelijk hier zijn met de andere. Het ging +zoo vlug niet als wij dachten, daar de weg moeilijk, de last zwaar +en de onderneming niet geheel zonder gevaar was." + +Jonker Willem beefde. + +"Niet zonder gevaar!" riep hij op meer dan fluisterenden toon +uit. "Heeft men dan iets in de stad gemerkt? Heeft een der voorposten +u gezien of gehoord? Ach, dan ware onze onderneming mislukt!" + +"Stel u gerust, edele jonker," fluisterde Quannevan, die het eerste +schuitje vergezeld had, "niemand heeft ons opgemerkt, al is het +volkomen waar, dat onze last zwaar was. Maar de mannen hebben zich +uitmuntend gehouden, en telkens wanneer een zwarte wolk afdreef en de +lucht een weinig lichter werd, bukten zij met het schuitje ter aarde, +zoodat zij onmogelijk door den vijand konden gezien worden." + +Zijn woorden werden afgebroken door de komst van andere mannen, +die allen, vier aan vier, een schuitje droegen, en Jonker Willem, +tevreden, dat de maatregelen tot dusver zoo gelukkig geslaagd waren, +drukte met vuur de hand van Otto Van Heukelom, den bevelhebber der +Geldersche benden, die met het laatste schuitje was aangekomen. + +Thans vormden deze hoofden een soort van krijgsraad, om nog eens zoo +spoedig mogelijk, daar er geen tijd mocht verloren gaan, wilde hen +de dag niet overvallen, het punt van aanval te bespreken, en toen +dit vastgesteld was, werden in alle stilte de mannen uitgekozen, +die bestemd waren, het eerst met de schuitjes naar den overkant der +gracht te varen. + + + +Intusschen hielden eenige krijgsknechten op het buitenste bolwerk +tusschen de oude Kanse- en Arkelpoorten de wacht. Het was waarlijk +geen aangenaam verblijf daar in de open lucht, blootgesteld als zij +waren aan den onophoudelijken regen en de woeste rukwinden. Zij liepen +heen en weder en trachtten zich nu en dan onder een vooruitspringend +gedeelte van den muur te beschutten, maar ook daar bereikte hun de +wind en de regen. + + + +------ +FIGURE +------ + + + +"Ik zou zeggen," zei een hunner, "dat wij hier een onaangename +standplaats hebben. Mij dunkt, het is ginds in den toren veel beter." + +"Dat is het ook," sprak een ander. "Daar is vuur, licht en bovenal +bier, warm bier, dat ik zeer gaarne zou lusten, want ik ben tot in +mijn nieren koud en daarbij dorstig." + +"Ik zou ook niet weten," hernam de eerste, "welk verschil er bestaat +tusschen ons zijn hier en het zitten ginds? Geen muis verroert zich op +het veld, en Jonker Willem Van Arkel of zijn vader liggen misschien +zoo lang als zij zijn in de veeren en droomen van hun verblijf op +den ouden burcht." + +"Dien zij toch nooit zullen krijgen," viel hier een derde in, "al ware +het ook, dat hun de lust bekroop, deze stad te overvallen. Daar moeten +zij vroeg voor opstaan, want ik verzeker u, dat ik ze ongemakkelijk +zou onthalen, als zij het waagden, hier te komen." + +"Ja, gij zijt een held, Dirk," zeide de eerste op spottenden toon, +"dat weten wij wel, vooral als gij op een bos stroo ligt te slapen." + +"Zeg dat niet!" riep Dirk, terwijl hij zijn piek tegen den arm liet +rusten en zich de natte handen wreef, om warm te worden, "heb ik niet +nog onlangs.... maar stil! Zie ik daar ginds niet wat? Schuift daar +niet iets zwarts over den grond?" + +De overige mannen namen niet eens de moeite, om te zien, en lachten +den vrager uit. + +"Het zal de schaduw zijn van den man, dien gij verleden te Woudrichem +een piek door het hart hebt gestoken...." + +"Toen die man al dood was!" spotte een derde. "Ja, ja, onze Dirk is +een held!" + +"Maar held of geen held, wie gaat er met mij mede naar den toren? Daar +is de stadswacht bijeen. Hier is het niet, om uit te houden, en ik +ben verzekerd, dat die mannen ons met vreugde zullen ontvangen. Zij +zullen denken: hoe meer zielen hoe meer vreugd. En Dirk kan hun van +zijn heldendaden iets vertellen. Wie gaat mede?" + +Hij behoefde niet lang te vragen. "Bij dit hondenweer denkt niemand er +aan, de stad te verrassen, en nu wij Dirk bij ons hebben, kunnen wij +meer dan gerust zijn," was het algemeen gezegde. Allen begaven zich +naar den toren [15], en zooals zij het gedacht hadden kwam het uit: +zij werden met gejuich ontvangen, en zij, die meenden, dat het toch +gevaarlijk en onbedachtzaam was, den buitenpost onbewaakt te laten, +werden voor lafhartigen en bevreesden uitgekreten. De krijgsknechten +stookten het vuur goed op, zorgden voor een verkwikkenden drank en +vlijden zich rondom het vuur neder, hopende, dat de dag spoedig zou +aanbreken en zij afgelost zouden worden. + +Eensklaps begint een hond, die bij de stadswacht behoorde, te knorren +en te blaffen. + +"Wat zou dat wezen?" vroeg Dirk, die opgesprongen was. + +"Hij zal een snoek hooren, die in de stadsgracht rondspringt," was +het antwoord. + +"Maar het kon ook wel iets anders wezen," vervolgde Dirk, "als het +eens...." + +"Houd u maar stil," zeide een der stadswachters, "ik zal het luikje +openzetten en naar buiten zien." + +Doch nauwelijks had hij dit gedaan, of hij wijkt achteruit, en zoozeer +had de schrik hem bevangen, dat hij niet in staat was, een woord te +uiten. Dit was echter bij de overigen niet onopgemerkt gebleven. Zij +staan allen op, zien uit het luikje--.... en onder den uitroep: "Wij +zijn verraden! De vijand! De vijand!" stortten zij zich naar buiten, +om den vijand tegen te houden. Dirk echter verschool zich onder een +bos stroo. + +Maar het was te laat. Met de grootste behoedzaamheid en met +inachtneming van alle stilte hadden de Arkelsche mannen en de +Gelderschen de schuitjes, bevracht met krijgslieden en ladders, +te water gelaten, waren de gracht overgekomen, en de gebroeders Van +de Werve, met Jacob Luytgensz, den boer, wien de bovengemelde hoeve +behoorde, waren de eersten, die, gevolgd door een trompetter, Jonker +Willem Van Arkel, Splinter en de anderen, den muur beklommen. Tegen +zulk een overmacht was nòch stadswacht nòch buitenpost bestand. Zij +wierpen de pieken weg, en onder het geschreeuw "Van Arkel! Van +Arkel!" vluchtten zij naar de Kanzepoort, waar een afdeeling +Hollandsche soldaten lag. + +De toren werd aanstonds genoegzaam bezet, en de arme Dirk, die hier +veilig meende te wezen, krijgsgevangen gemaakt. + +"Blaas--blaas victorie, trompetter!" riep Quannevan uit, die niet +achtergebleven was. "Die oproermakers daarbinnen moeten het hooren, +dat wij er zijn!" + +En eer Splinter, die bedachtzamer was dan Jonker Willem en de driftige +edelman, het verhinderen kon, blies de trompetter victorie, zoodat +de tonen wijd en zijd langs bolwerk en wallen weerklonken. Gelukkig +had het geen ongunstige uitwerking. Integendeel, de Gelderschen, +van wie nog een gedeelte aan den overkant stond, kregen meer moed en +haastten zich met de terugkeerende schuitjes over te komen, terwijl +de bezetting, in de verbeelding dat de Van Arkels zeer talrijk +waren, van schrik niet wist of zij vluchten dan wel zich verdedigen +moest. Jonker Willem en Splinter voeren thans hun manschappen naar +de Kanzepoort, terwijl Otto Van Heukelom bij den toren blijft, en zóó +snel was de overrompeling geschied, dat zij weldra meester waren van +de buitenpoort. + +Inmiddels begon de dag aan te breken en geraakte de bezetting, +opgewekt door het geschreeuw en het rumoer van de naderende benden, +op de been. Jonker Willem meende nu geen oogenblik te moeten verliezen +en besloot stoutmoedig de krijgsknechten van den Hollandschen graaf +tegen te trekken, voordat deze den tijd hadden, zich geregeld +te verzamelen. Quannevan, Simon, de gebroeders Van de Werve en +verscheidene krijgsknechten, die de vluchtelingen achtervolgd hadden, +braken de poort met bijlslagen open, en voordat het morgenrood de spits +van den kerktoren bestraalde, mocht Jonker Willem de eerste schreden +in zijn vaderstad zetten. Thans ging het met vroolijk trompetgeschal +voorwaarts; de Arkelsche mannen en Gelderschen, aangevuurd door hun +jeugdige bevelhebbers, rukten juichend de stad binnen, terwijl van +alle kanten de stadswakers en de krijgsknechten van den graaf de vlucht +namen. In de Kruisstraat evenwel kwam het tot een stilstand. Van Goor +had in allerijl de bezetting bijeengeroepen en was besloten Jonker +Willem den voortgang te betwisten, doch Quannevan, die vuur en vlam +was van woede op de oproermakers, stortte zich met het zwaard in de +vuist vooruit, en geholpen door tien--twaalf dappere mannen, deed +hij de bende uiteenstuiven als kaf voor den wind. + +"Blaas! Blaas,--blaas, victorie!" riep hij den trompetter toe, die +wederom de trompet aan den mond zette en met al de kracht zijner +longen de overwinning verkondigde. + + + +Gorcum was in de macht van Jonker Willem Van Arkel. De vijand was +buiten de stad gevlucht, om de treurige tijding aan den graaf van +Holland te gaan verkondigen; anderen hadden zich naar den burcht +gewend, om niet alleen daar een toevlucht te zoeken, maar ook de +bezetting te versterken, wel voorziende, dat Jonker Willem straks +met zijn Arkelsche mannen de vaderlijke bezitting zou trachten te +heroveren. + +Dit was ook inderdaad het plan van den jonker, maar zijn krachten +schoten vooralsnog te kort; eerst moest hij zich overtuigen, dat het +grootste deel der burgerij en inwoners op zijn zijde was, en als dan +Hertog Reinout of zijn vader Jan Van Arkel hem een nieuwen toevoer van +krijgsknechten zond, wilde hij een aanval op den burcht ondernemen. Wat +het eerste betreft, spoedig smaakte hij de voldoening, dat hij meer +aanhangers en vrienden in de stad had dan hij wist, en inderdaad, de +Gorcummers waren in lang niet tevreden, dat hun stad door verraad in +de macht van Graaf Willem VI gekomen was. Zoodra Jonker Willem zijn +trompetter en eenige soldaten in de straten uitzond met den uitroep: +"Wie zich onder de banier van Van Arkel schaart, dien zal niets misdaan +worden!" [16], stroomden van alle kanten de inwoners uit de huizen, +juichten den moedigen overwinnaar toe en vervulden de lucht met hun +gejubel. Alle mutsen vlogen omhoog en de kreet galmde wijd en zijd: +"Leve onze nieuwe landsheer!" Al juichende trok het volk voorwaarts +en verlangde, dat de jonker zijn intrek op het stadhuis zou nemen, +maar hiertegen verzette zich Quannevan, die zich de eer niet wilde +laten ontnemen den zoon zijns weldoeners in zijn huis te ontvangen. + +Jonker Willem, vergezeld van zijn bevelhebbers en voorafgegaan door +Quannevan, begaf zich thans naar de Krijtstraat, en mijn lezer gist +reeds, dat Jennike zich boven op het steenen bordes bevond, om den +jeugdigen veroveraar toe te juichen, die, van Quannevan vernomen +hebbende, welk een levendig aandeel de zuster zijns zoogbroeders +in zijn lot genomen had, de hand der getrouwe dienstmaagd hartelijk +drukte. + +"Sta mij toe, edele heer," zeide zij, "dat ik u, voordat gij met mijn +heer een beker wijn drinkt op het welslagen uwer onderneming en God +dankt voor de overwinning, die Hij u geschonken heeft,--sta mij toe, +dat ik u vooraf drie der ergste en valschte vijanden van u en heer +Quannevan toon." + +"Kom, kom!" riep Quannevan uit, "wij hebben nu geen vertooning meer +noodig. De edele jonker is moede en verlangt naar rust. Luister niet +naar haar, edele heer, want als gij dat doet, zijt gij verloren. Zij +geeft nooit iets op en zet haar plannen met een hardnekkigheid door, +die mij soms razend gemaakt heeft. Als ik er nog aan denk, dan...." + +Hij balde in zijn drift de vuist, meenende, dat hij zijn karwats in +de hand had. + +"Maar haar aanbod is toch welgemeend, Heer Quannevan," zeide Jonker +Willem glimlachend. "Ik wil wel eens mijn ergste vijanden zien--vooral +als overwinnaar!" + +"Ik niet," riep Quannevan uit. "Als ik mijn ergste vijanden in mijn +macht heb, laat ik ze, zonder dat ik ze zie, ophangen. Men moet korte +metten maken met oproermakers!" + +"De schoonste taak van een overwinnaar is te vergeven," zeide Jonker +Willem.... "Kom, toon mij eens mijn ergste vijanden en die van uw +heer. Misschien kan ik ze tot mijn vrienden maken." + +"Nieuwerwetsche grillen!" bromde Quannevan, "in mijn goeden ouden tijd +ging het beter. Toen liet men het vergeven aan de priesters over en +hing de booswichten op." + +Jonker Willem, vergezeld van Splinter, eenige krijgsknechten en den +trompetter, volgde Jennike, die hem door allerlei vertrekken naar de +kamer bracht, waar de kast was met de verborgen deur. Hier gaf zij +Aart een wenk, die een paar fakkels ontstak, waarop zij allen door +de geheime gang de trappen afdaalden naar het gewelf. + +Toen zij dit bereikt hadden, bleef Jennike een oogenblik stilstaan +en zeide: + +"Dezen morgen vroeg, terwijl mijn hart vroolijk klopte, toen ik de +juichtonen van het trompetgeschal vernam en mij naar het bordes begaf, +in de hoop u spoedig te zien, zag ik drie mannen in allerijl herwaarts +vluchten. Zoodra zij mij gewaarwerden, vlogen zij de trappen op en +smeekten mij, ter wille van de trouw en liefde, die ik mijn heer +toedroeg, hen te verbergen. Ik wilde hun dit eerst weigeren, toen +eensklaps zich een betere gedachte van mij meester maakte. Ik kende +u, edele heer, ik wist, dat een edelmoedig hart in uw boezem klopt, +en daar straks mocht ik daarvan weder een nieuw bewijs hooren. Welnu, +die drie mannen zijn de grootste vijanden van u en Heer Quannevan. Zij +hebben mijn heer vriendschap gehuicheld en samenspanningen tegen u +gesmeed. Thans zijn zij in uw beider macht. Daar zijn zij! Doe met +hen gelijk gij meent, dat een Christen doen moet." + +Bij deze woorden schoof zij een grendel weg, trok de deur op en een +koele, vochtige lucht woei hun tegen. Wat zagen zij bij het walmende +fakkellicht? + +Daar lag Jan Gerardijn, de proost en deken der kerk, op zijn knieën, +met gevouwen handen, terwijl de beide schepenen, Roelofsz en Boudewijn +De Ledige, bijna dood van schrik en angst op den grond uitgestrekt +lagen. + +"Vergiffenis--vergiffenis!" stamelde de proost. + +"Die zij u geschonken!" riep Jonker Willem, "onder voorwaarde, dat +gij die ook van God begeert en dat gij u voortaan, niet meer bemoeit +met dingen, die uw heilige bediening niet aangaan. Heer Quannevan, +sta toe, dat ik dezen man eerst eenige verkwikking doe toedienen, +voordat hij van hier gaat!" + +"Nieuwerwetsche grillen! nieuwerwetsche grillen!" pruttelde +Quannevan. "Had ik slechts mijn karwats! Dan zou ik het wel weten!" + +Hij durfde zich evenwel niet tegen het verzoek verzetten en beval +Aart, den proost naar binnen te geleiden en hem een beker wijn in te +schenken, waaraan deze ook voldeed. + +De beide schepenen, wier ooren niet gesloten waren, hadden eensklaps +door dit goede voorbeeld moed gekregen; zij stonden op en riepen ook +de lankmoedigheid van Jonker Van Arkel in. + +"Wij hebben dwaselijk gehandeld, edele heer!" zeide Roelofsz. "Dat +zien wij thans duidelijk in." + +"Ja, dat zien wij thans duidelijk in," stamelde Boudewijn De Ledige. + +"Hadden wij geweten, dat gij zulk een edelmoedig heer waart, wij +zouden ons nimmer tot zulke booze daden geleend hebben. Maar wij hopen, +dat gij het ons vergeven zult." + +"Wij hopen, dat gij het ons vergeven zult," herhaalde zijn echo. + +"Kerels!" riep Quannevan uit, die meende ook een woordje te moeten +meespreken en beefde van drift, "kerels! hoe is het mogelijk, dat +gij tot zulke goddelooze dingen in staat zijt geweest!" + +"Dat kan ik u wel verklaren, Heer Quannevan," zeide Jonker Splinter, +die den driftigen edelman zachtjes op den schouder sloeg: "ons hart +is geen bron van rein water; daaruit komen alle ongerechtigheden en +wandaden te voorschijn, en hoe meer zich de mensch van God en Zijn +dienst vervreemdt en den toegang voor hemelsche invloeden afsluit, +des te sterker treden deze boosheden naar buiten!" + +"Dan ware het maar het beste, dat men die kerels, die zulke booze +harten hebben, hoe eer hoe beter uit de wereld hielp!" riep Quannevan. + +"En dan?" vroeg Splinter kalm. + +"En dan? Ja, dat moge de Heilige Maagd weten wat zij met die kerels +doen wil. Wij zijn ze kwijt--en daarmede basta!" + +"Dat mag ons niet genoeg zijn, Heer Quannevan!" zeide Splinter. "Die +menschen toch hebben schuld beleden en onze vergiffenis ingeroepen, +en wij mogen niet minder doen dan God, die--ik herhaal wat ik vroeger +tot Jonker Willem zeide--mildelijk geeft en niet verwijt. Ik ondersteun +dus hun verzoek en hoop, dat de jonker hen ontslaan zal." + +"Altemaal nieuwmodische instellingen!" pruttelde Quannevan. "Ophangen +is maar de baas!" + +"Gij erkent slecht gehandeld te hebben?" riep Jonker Willem den beiden +schepenen toe. + +"Ja,--ja!" antwoordde Roelofsz. + +"Ja,--ja!" galmde zijn echo. + +"Welnu, dan voort van hier! Gaat naar het stadhuis en verkondigt +daar aan allen, die het hooren willen, dat Jonker Willem Van Arkel +de verovering zijner stad niet wil vieren met het plengen van bloed, +maar met het bewijzen van liefde en vergevensgezindheid!" + +Dit zeggende, verwijderde hij zich, terwijl Jennike, blijde als zij +was, naar de kelderdeur onder het bordes liep, deze wijd openzette +en de beide schepenen naar buiten geleidde. + + + + + + + + + + +BESLUIT. + + +De taak, die ik op mij genomen had, om u een episode uit de Arkelsche +oorlogen tijdens de regeering van Graaf Willem VI te schetsen, is +ten einde. Doch daar ik vermoed, dat gij nog wel het een en ander +aangaande de beide Van Arkels wilt weten, zal ik u in korte trekken +den verderen loop hunner geschiedenis mededeelen. + +Het spreekt vanzelf, dat de Hollandsche graaf, onmiddellijk na de +tijding van Gorcums verrassing, zijn krijgsknechten bevel gaf, naar +de stad op te rukken, terwijl Jonker Willem het beleg sloeg voor den +burcht, welks bezetting zich moedig verdedigde en bestand bleef zelfs +tegen het geschut, dat de jonker er op liet richten. Hertog Reinout, +die zijn neef wilde te hulp komen, zonder nog in openbaren oorlog +met den Hollandschen graaf te treden, zond een bende Gelderschen +naar Gorcum, die slechts het doel had, de stad van mondbehoeften +en verdedigingsmiddelen te voorzien. Dit nam evenwel niet weg, dat +de Gelderschen en Hollanders, die toch reeds verbitterd op elkander +waren, dikwijls handgemeen geraakten, en dat de laatsten allerwegen +in den Tieler- en Bommelerwaard het land afliepen, terwijl de eersten +Woudrichem bestookten. Maar tot een eigenlijken oorlog kwam het niet, +al had ook Reinout den graaf van Holland uitgedaagd. De staatkunde +van vele vorsten is weinig betrouwbaar, en niet onmogelijk is het, +dat Reinout en Graaf Willem in het geheim een verbond hebben gesloten, +om, onder den schijn van tegen elkander te strijden, Jan Van Arkel +van zijn heerlijkheid te berooven en deze in handen van den graaf +te brengen. Althans er werd spoedig vrede gemaakt tusschen beide +vorsten. Of evenwel Jonker Willem lang in het bezit van Gorcum +is gebleven, is niet recht duidelijk. De burcht bleef intusschen +door de Hollanders bezet, en af en toe veranderde Gorcum van heer, +daar onder anderen Jan Van Arkel in het begin van 1409 aan zijn +zwager het beheer zijner heerlijkheid opdroeg. De beide heeren Van +Arkel intusschen konden hun wrok tegen den Hollandschen graaf niet +overwinnen, en gedurig vielen zij met gewapende benden in het Sticht +en Holland, en daar Reinout hieraan niet vreemd was, ontbrandde de +krijg tusschen Gelderland en Holland weder, die daarmede eindigde, +dat Graaf Willem 24 Juli 1412 te Gorcum als heer gehuldigd werd, en +de eerste daad, die de nieuwe heer volbracht, was, dat hij het aloude +slot Arkel tot den grond liet slechten en aan de Merwede een sterkte +deed opwerpen, die de stad voortaan in bedwang zou houden. Wat Jan +Van Arkel betreft, deze werd later gevangengenomen, op de poort van +het hof in Den Haag gezet, vervolgens naar Gouda gevoerd, waar hij +tot 1427 bleef en te Leerdam, 25 Juli 1428, in den ouderdom van 65 +jaren overleed. Voorwaar, deze man, de rijkste edelman van die dagen, +mocht wel met den aartsvader Jacob uitroepen: "weinig en kwaad zijn +de dagen der jaren mijns levens geweest." + +Jonker Willem Van Arkel mocht zijn vader niet lang overleven. Onder +de regeering van Jacoba Van Beieren, de dochter van Graaf Willem VI, +hadden zich Willem Van Arkel en zijn zwager Jan Van Egmond van Gorcum +meester gemaakt, waarop de jeugdige gravin met een groot leger, +onder bevel van Walraven Van Brederode, naar die stad trok en deze +na een hevige bestorming innam. Doch thans ontstond er een woedende +strijd binnen de straten; de Van Arkels verdedigden iederen hoek en +elk huis, en zelden is er zooveel edel bloed binnen Gorcum gevloten +als op den 1sten December 1417. Walraven Van Brederode sneuvelde, en +helaas, ook Jonker Willem Van Arkel, die aan de zijde van zijn vriend, +Jonker Spijker Van Nieuwenroode den dood vond in die zelfde straat en +bij hetzelfde huis, waar hij eenige jaren geleden zoovele bewijzen van +een zachte inborst gegeven had. Men zegt, dat Gravin Jacoba, toen zij +den dood van Jonker Willem vernam, in tranen uitbarstte en uitriep: +"Ik heb niet gewonnen, maar verloren," en de kroniekschrijver Kemp +voegt er bij, "dat zij gehoopt had hem gevangen te maken en dan met de +vrijheid hem tevens haar hand te schenken." Jacoba vertoefde zoolang +te Gorcum, tot zijn lijk plechtstatig in de kerk was bijgezet. Zijn +asch rust in de tombe der heeren Van Arkel "op ons Lieve Vrouwen +Koor," en hij werd--zooals Van Zomeren het uitdrukt--met zijn zestien +kwartieren begraven, die hij met name noemt. + +Ter nagedachtenis aan dezen strijd en het sneuvelen van Jonker Willem +Van Arkel werd in de Krijtstraat (Rivetsteeg) een langwerpige, +witte arduinsteen in den gevel van een der huizen geplaatst, met +dit opschrift: + +Doe men schreef den 1 December M CCCC XVI, en een. +Doen bleef den Edelen Hooggeboren Willem Van Arkel voor deze steen. + + + + + + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] Van Zomeren, in zijn beschrijvinge van Gorcum zegt, dat dit huis +later de Gevangenpoort en het cipiershuis is geweest. Bladz. 309. + +[2] Walraven Van Brederode was de zeventiende heer van Brederode, +en bekleedde weleer het stadhouderschap over Holland. Hij werd de +eerste Edele en graaf van Gennep genoemd. Als bloedverwant der laatste +graven uit het Hollandsche huis droeg hij de volle wapenen van stam +in zijn banier. Reeds onder den vader van Willem VI had hij zich door +dapperheid onderscheiden, maar werd vier jaren vóór den aanvang van +ons verhaal, in 1402, tijdens den eersten oorlog tusschen den graaf van +Holland en Jan Van Arkel bij de belegering van Gorcum door een uitval +der Arkelschen gevangengenomen en binnen de stad opgesloten. Eerst +sedert kort was het Hertog Reinoud van Gelderland gelukt, hem door zijn +voorspraak bij Jan Van Arkel te ontslaan, en kreeg Walraven verlof, +van tijd tot tijd de stad te verlaten, een vrijheid, waarvan hij, +gelijk wij zien zullen, ten nadeele van Jan Van Arkel gebruik maakte. + +[3] Het jaar te voren (1405) hadden de Hollanders, in vereeniging met +de Stichtsche legerbenden, den burg Everstein, de stede Gasparne en het +slot Hagestein, die aan Jan Van Arkel toebehoorden, door hongersnood +en geweld van wapenen tot de overgave gedwongen. Hagestein met het +omliggende land kwam toen aan Utrecht. + +[4] Kabeljauwschgezinden. Mijn lezers weten, dat sedert de regeering +van Willem V (oom van den thans regeerenden graaf) de onzalige +twisten der Hoekschen en Kabeljauwschen een aanvang hebben genomen. Ik +veronderstel, dat zij met den oorsprong dezer partijen bekend zijn, die +eigenlijk slechts een leus was, welke naar omstandigheden veranderde, +zoodat soms steden en edelen, die het eene jaar Hoekschgezind waren, +het volgende jaar tot de partij der Kabeljauwschen overgingen. Deze +partijen bestaan, meen ik, nog altijd, schoon onder een anderen naam, +en ik houd het er voor, dat de Kabeljauwschen tot de liberale richting +behoorden en de Hoekschen meer conservatief waren. + +[5] Pirlepont lag in het hertogdom Bar, een erfdeel van zijn moeder, +die hij, helaas, schandelijk bejegend heeft. + +[6] Hij bekleedde deze waardigheid sinds 1389. Zie Arend, +Alg. Gesch. des Vad. II. 2. Bladz. 302. + +[7] Zie Van Wijn, Naleezing op de Vaderl. Hist. bladz. 194-196. + +[8] Deze Jan Van Egmond was gehuwd met de dochter van Jan Van Arkel, +Maria, die in 1415 stierf, nalatende twee zoons, Arend en Willem Van +Egmond. Arend werd later hertog van Gelre. + +[9] Jonker Willem zinspeelt hier op het Arkelsche wapen: twee roode +balken op een zilveren veld. Vroeger voerden de Van Arkels in hun +wapen twee ronde torens met een blauw dak op een gouden veld. + +[10] Eenige kroniekschrijvers deelen de zaak eenigszins anders +mede. Zij doen het voorkomen, dat de dienstmaagd van Quannevan +onmiddellijk aan Jan Van Arkel van de samenzwering had kennisgegeven, +die daarop daags daarna, uit de kerk komende, zijn zoon te gemoet +treedt en hem op vaderlijken, teederen toon zijn gedrag verwijt, +waardoor Jonker Willem zóó getroffen zou geworden zijn, dat hij +aan zijns vaders voeten nederzonk. Jan Van Arkel zou vervolgens +zijn zoon bij de hand genomen en ter kerk geleid hebben, waarop de +samenzweerders zich uit de voeten gemaakt hebben. Ik houd het er voor, +dat zoo iets wel gebeurd kan zijn, maar niet bij gelegenheid van de +samenzwering ten huize van Quannevan. Immers Jan Van Arkel bevond +zich toen te Arnhem en niet te Gorcum. Hij kan dus onmogelijk den +dag na het verraad met zijn zoon naar de kerk gegaan zijn. + +[11] Zoo drukt zich Arend uit in zijn Alg. gesch. des Vaderlands III, +bladz. 437, maar deze lezing is mij niet duidelijk. + +[12] 6 April 1407. + +[13] Zie van Zomeren's beschrijving van Gorcum, bladz. 312. + +[14] Van Zomeren, bladz. 313. + +[15] Van Zomeren spreekt van den "Robbrechtstoren," die tusschen +de Kanze- en Arkelpoorten moet gestaan hebben, maar ik heb dezen op +geene zelfs der oudste grondteekeningen van de stad kunnen vinden. + +[16] Van Zomeren, bladz. 315. + + + + + + +End of Project Gutenberg's Jonker Willem van Arkel, by Eduard Gerdes + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 59119 *** |
