diff options
Diffstat (limited to '57495-0.txt')
| -rw-r--r-- | 57495-0.txt | 6918 |
1 files changed, 6918 insertions, 0 deletions
diff --git a/57495-0.txt b/57495-0.txt new file mode 100644 index 0000000..4ceb90a --- /dev/null +++ b/57495-0.txt @@ -0,0 +1,6918 @@ +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 57495 *** + + + + + + + + + + + + + VISSER'S NEDERLANDSCH-INDISCH VEGETARISCH KOOKBOEK + + DOOR + + Mevr. J. M. J. CATENIUS--VAN DER MEIJDEN. + + Schrijfster van de bekroonde werken: + + "Het Volledig Nederlandsen-Indisch Kookboek", "De Specerijen en + Ingrediënten der Rijsttafel", "Ons Huis in Indië", enz. + + Lauréate van het "Institut International d'alimentation, de + cuisine et d'hygiëne à Paris." + + + + WELTEVREDEN - AMERSFOORT + + N.V. BOEKHANDEL VISSER & Co. + + 1911. + + + + + + + + + +In 1909 reeds verscheidene maanden bezig aan de samenstelling van +een degelijk Vegetarisch Kookboek voor de tropen, dat tot dusverre +niet bestaat, werd mijne aandacht getroffen door de vraag no. 132 +(in het blauwe gedeelte van het "Damesweekblad voor Indië" no. 4, +dd. 5 Aug. 1909), waarin gevraagd wordt naar zoo'n specifiek Indisch +Vegetariërsboek. + +Toen was mijn besluit genomen en werkte ik stelselmatig door, tot ik +aan een beproefd, volledig Vegetarisch kookboek het leven gaf en dat, +naar ik hoop, in antwoord op bovenaangehaalde vraag, in vruchtbare +aarde zal vallen, vooral omdat het vegetarisme in Indië, trouwens +overal, telkens meer aanhangers wint. Voor uitsluitend gebruik in +Indië bestemd, wordt ook alles met versche kruiden bereid. Voor +Holland eischt echter de toepassing een speciale kennis der gemalen +en flauwer smakende specerijen, zoodat een onervaren kookster veelal +mistast in de verhoudingen die, ook onderling, tusschen de specerijen, +geheel anders worden; wèl het voornaamste bij alle bereiding. + +Mijn bijzonderen dank betuig ik aan den Directeur en den Bibliothecaris +van het Koloniaal Museum te Haarlem, voor hunne gewaardeerde hulp en +zeer belangrijke diensten. + + +'s Gravenhage, Zoutmanstr. 52. + +1911. J. M. J. C. v. d. M. + + + + + + + + + +INHOUD. + + + Blz. + + Inleidend Woord 1 + + De vegetarische menu's 10 + + + I. De Hollandsch-Indische vegetarische keuken. + + A. Soepen (grondstoffen) 13 + + 1 Aardappelsoep 14 + 2 Bieten- of krootensoep 14 + 3 Boonensoep (br. en witte boonen) 14 + 4 Bajem- of spinaziesoep 15 + 5 Champignonssoep 15 + 6 Duitsch-Amerikaansche soep 15 + 7 Erwtensoep (katjang-idjoe-soep) 16 + 8 Groentesoep 16 + 9 Koolsoep 17 + 10 Linzensoep 17 + 11 Macaronisoep 17 + 12 Prei- en selderijsoep 18 + 13 Sesawiesoep 18 + 14 Tomatensoep 18 + 15 Uiensoep 18 + 16 Uiensoep met roux 19 + 17 Vermicellisoep 19 + + Zoete soepen. + + 18 Abrikozensoep 19 + 19 Bidarasoep 20 + 20 Chocoladesoep 20 + 21 Citroensoep 20 + 22 Karnemelksoep 21 + 23 Zoete zuringsoep 21 + + B. Voorgerechten. + + 24 Aardappelcroquetten 22 + 25 Bruine boonencroquetten 22 + 26 Witte boonencroquetten 23 + 27 Erwtencroquetten 23 + 28 Koolcroquetten 23 + 29 Koolcroquetten, gevuld met purée 23 + 30 Linzencroquetten 23 + 31 Pasteitjes, gevulde 23 + 32 Idem, idem 24 + 33 Eierpasteitjes 24 + 34 Rijstcroquetten 25 + 35 Schijngehakt, van gekookte aardappelen 25 + 36 Schijngehakt, van linzen (Katjang Kòrò) 25 + 37 Spinazie- of bajemcroquetten 26 + + C. Eiergerechten. + + 38 Zacht gekookte eieren 26 + 39 Hard gekookte eieren 26 + 40 Roereieren 27 + 41 Gebakken eieren 27 + 42 Columbus eieren 27 + 43 Kampersteur 28 + 44 Omelet 28 + 45 Omelet met kaas 28 + 46 Fransche omelet (omelet met peterselie) 28 + 47 Spiegeleieren 29 + 48 Verloren eieren 29 + 49 Zwitsersche eieren 29 + + D. Sauzen, Vla's, Crêmes. 30 + + 1e Warme sauzen. + + 50 Botersaus 30 + 51 Gewelde botersaus 30 + 52 Bruine botersaus 30 + 53 Witte botersaus 31 + 54 Champignonsaus 31 + 55 Eiersaus 31 + 56 Kappertjessaus 32 + 57 Peterseliesaus 32 + 58 Tomatensaus 32 + 59 Uiensaus (witte) 33 + 60 Uiensaus (bruine) 33 + 61 Zure saus 33 + 62 Stoofsauzen 33 + + 2e Koude sauzen. + + 63 Mayonnaise 34 + 64 Tweede mayonnaisesaus 34 + 65 Saladesaus 34 + + 3e Zoete sauzen. + + Vruchtensauzen. 34 + + 66 Aardbeiensaus 35 + 67 Abrikozensaus 35 + 68 Grenadinesaus (van Grenadinesiroop) 35 + 69 Frambozensaus 35 + 70 Kersensaus 35 + 71 Pruimensaus 35 + 72 Frambozensaus 35 + 73 Guavesaus 36 + 74 Terra-Cottasaus 36 + 75 Pêle-mêlesaus 36 + + 4e Melksauzen. + + 77 Amandelsaus 37 + 78 Citroensaus 37 + 79 Vanillesaus 37 + + Vla's. + + 80 Bessenvla 38 + 81 Citroenvla 38 + 82 Vanillevla 39 + + Crêmes. + + 83 Crême of melkvla 39 + 84 Crême brûlée 39 + 85 Sago-crême 40 + 86 Vanille-crême 40 + + E. Groenten en plantendeelen. + + 87 de Aardakker (Koemeli) 40 + 88 Aardeikels (Katjangsoorten) 41 + 89 Aardvruchten (obi) 41 + 90 Aardappels 41 + 91 Gebakken aardappelen 42 + 92 Aardappelenpurée 42 + 93 Hutspotsoorten van aardappelen (11 soorten) 42 + 94 Asperges 43 + 95 Andijvie (sesawie) 43 + 96 Bieten of krooten 43 + 97 Bieten met gedr. zure appelen 43 + 98 Bloemkool 43 + 99 Brusselslof of cichorei 44 + 100 Boerekool (laboebladeren) 44 + 101 Bombay uien 44 + 102 Boonen 44 + 103 Bruine en witte boonen (katjang djògò) 45 + 104 Boonen (snij-) 45 + 105 Doperwten 45 + 106 Jonge djagoengpitten (maïs) 45 + 107 Erwten en capucijnders 46 + 108 Knollen (lobak) 46 + 109 Kool 46 + 110 Koolrabi 46 + 111 Komkommers 47 + 112 Kropsla 47 + 113 Laboe 47 + 114 Liefdesappels of tomaten 47 + 115 Palmiet 48 + 116 Pepaja 48 + 117 Peulen (katjang kapri) 48 + 118 Postelein (krokot of gèllang) 48 + 119 Prinsesseboonen 49 + 120 Roode kool (blikgroente) 49 + 121 Selderij 49 + 122 Salade (stoof) 49 + 123 Schorseneeren 49 + 124 Spinazie (bajem) 49 + 125 Taugé 50 + 126 Walòh (de gele pompoen) 50 + 127 Zuring 50 + + F. Slaschotels. + + 128 Aardappelsalade 51 + 129 Andijviesalade 51 + 130 Boonensla 52 + 131 Koolsla 52 + 132 Komkommersla 52 + 133 Salade italienne 52 + 134 Salade variée 52 + 135 Taugésla 53 + 136 Salade (gewone) 53 + 137 Tomatensla 53 + 138 Palmietsla 54 + 139 Vruchtensla 54 + 140 Zwitsersche sla 54 + + G. Gestoofde vruchten, compôtes en moezen. + + 1. Gestoofde vruchten. + + 141 Abrikozen (Gedroogde) 55 + 142 Pruimen (idem) 55 + 143 Ananas (stoof) 55 + 144 Gestoofde appeltjes 55 + 145 Gestoofde bananen (pisang) 56 + 146 Blimbing assem stoof 56 + 147 Gestoofde djamboes 56 + 148 Gendaria, gestoofde 56 + 149 Pepaja, gestoofde 57 + 150 Ramboetans, gestoofde 57 + 151 Tjeriméj, gestoofde 56 + 152 Woenie, gestoofde 57 + 153 2. Compôtes 58 + + 3. Moezen. + + 154 Advocaat, rauw 58 + 155 Kawèsta, ,, 58 + 156 Zuurzak, ,, 59 + 157 Tamarinde moes (boeboer-assem), gekookt 59 + 158 Dadelmoes, gekookt 59 + 159 Gendariamoes, gekookt 60 + 160 Kedoengdoengmoes, gekookt 60 + 161 Manggamoes, ,, 60 + 162 Abrikozenmoes, ,, 60 + 163 Appelmoes, ,, 61 + 164 Pruimenmoes, ,, 61 + + H. Eenige gerechten in den schotel of pan. + + 165 Appelmoes met brood 61 + 166 Idem met brood en krenten 61 + 167 Manggamoes met brood 62 + 168 Bloemkool met aardappelpurée 62 + 169 Groenten m. id 62 + 170 Macaroni m. kaas 63 + 171 Tomaten m. brood 63 + 172 Uien en aardappelen 63 + + I. Nagerechten. + + 173 Broodpap 64 + 174 Boekweitegort m. melk 64 + 175 Gewone gort 64 + 176 Griesmeelpap 65 + 177 Haverdegortpap 65 + 178 Havermout 65 + 179 Deensche brij 65 + 180 Maïzenapap 66 + 181 Boeboer soemsoem (Holl.) 66 + 182 Rijst met krenten 66 + 183 Rijst met karnemelk 67 + 184 Rijstenbrij 67 + 185 Saffraanrijst 67 + 185a Prinses Julianarijst 68 + 186 Tapiocapap 68 + 187 Vermicellipap 68 + 188 Jan in den zak I 68 + 189 Jan in den zak II 69 + 190 Knoedels 70 + 191 Flensjes 70 + 192 Flensjes met vulsel 70 + 193 Flensjestaart 70 + 194 Pannekoeken 71 + 195 Poffertjes 71 + + K. Puddingen, taarten en verdere gebakken. + + 1. Warme puddingen. + + 196 Aardappelpudding 72 + 197 Amandelpudding 73 + 198 Broodpudding 74 + 199 Laz Olas 74 + 200 Macaronipudding 75 + 201 Rijstpudding 75 + 202 Sagopudding 76 + 203 Vruchtensappudding 76 + 204 Zwampudding 77 + + 2. Koude puddingen. + + 205 Abrikozenpudding 77 + 206 Agar-agar 78 + 207 Amandelpudding 78 + 208 Ananaspudding 79 + 209 Blanc-manger 80 + 210 Chocoladepudding 80 + 211 Citroenpudding 80 + 212 Citroenrijstpudding 81 + 213 Griesmeelpudding 81 + 214 Maïzenapudding 82 + 215 Riz à la Condé 82 + 216 Rödgröd 83 + 217 Sucre brûlé 83 + + 3. Taarten en gebak. + + 218 Aardappeltaartjes 83 + 219 Aardappelkoekjes 84 + 220 Aardappelcroquetten (Parijsche) 84 + 221 Amandeltaart 85 + 222 Anijskoek (seed cake) 85 + 223 Beignets 86 + 224 Beschuittaart 86 + 225 Biscuits d'anis (anijsbeschuitjes) 86 + 226 Brillantine taartjes 87 + 227 Broeder 87 + 228 Klapperkoekjes 88 + 229 Klappermacronen (polo's) 88 + 230 Klappertaart 88 + 231 Omelet soufflé 89 + 232 Moscovisch gebak 90 + 233 Roomtaart 90 + 234 Soezen 91 + 235 Theebanket 91 + 236 Tulband 92 + 237 Wafelen 93 + 237a Wentelteefjes 93 + 238 Zandtaart 94 + 239 Zandtaartjes 94 + + + II. Indische vegetarische keuken. + + (Alles met versche specerijen, kruiden, enz.) + + L. De rijsttafel met bijgerechten. 95 + + 240 Rijst (nasi) 96 + 241 Nasi goerie 98 + 242 Nasi gorèng 98 + 243 Nasi koening 99 + 244 Nasi tim 99 + 245 Ketan (kleefrijst) 99 + 246 Gablok 100 + 247 Lemper 100 + + M. Sajoers. + + 248 Sajoer assem 100 + 249 Sajoer bajem (of sajoer menie) 101 + 250 Sajoer bòbòr 101 + 251 Sajoer bajem djagoeng 101 + 252 Sajoer boontjes 102 + 253 Sajoer blindjoe 102 + 254 Sajoer kèllor 102 + 255 Sajoer klèntang 103 + 256 Sajoer kloewak (brongkòs) 103 + 257 Sajoer lemeng 103 + 258 Sajoer loddèh 104 + 259 Piendang telor 104 + 260 Toemis van groenten 105 + 261 Toemis van andijvie enz. 105 + 262 Toemis pollong 106 + 263 Toemis boontjes 106 + 264 Toemis katjang kapri 106 + + N. Enkele kerriesoorten. + + 265 Amé kemoeté 106 + 266 Kerrie laksa telor 106 + 267 Kerrie tèrong 107 + + O. Gekookte groenten voor lalap's. + + 268 Lalap andijvie 107 + 269 Verschillende lalaps (8 soorten) 107 + + P. Schijnsambalans. + + (of gado's.) + + 270 Gado gorèng bawang 107 + 271 Gado gorèng blimbing 108 + 272 Gado gorèng boontjes 108 + 273 Gado gorèng katjang pandjang 109 + 274 Gado ketimoen 109 + 275 Gado gorèng klappa 109 + 276 Gado klappa mentah 110 + 277 Gado gorèng pepaja 110 + 278 Gado gorèng petéh 111 + 279 Gado poja 111 + 280 Gado gorèng telor 111 + 281 Gado gorèng dadar 112 + 282 Gado gorèng tjeplok 112 + + Q. Eenige petjels. + + 283 Petjel mangga moeda (trantjam) 112 + 284 Petjel selderij 113 + 285 Petjel taugé 113 + 286 Djanganan 113 + + R. Eenige bebòtòks. + + 287 Bebòtòk Betawi 113 + 288 Bebòtòk djantong pisang 114 + 289 Bebòtòk djawa (met kool-Banda) 114 + 290 Bebòtòk kool 115 + 291 Bebòtòk timbool van geraspten klapper 115 + + S. Andere bijgerechten. + + 292 Seroendèng katjang bras 116 + 293 Seroendèng djagoeng 116 + 294 Frikadel djagoeng 116 + 295 Rempah klappa 117 + 296 Gefarceerde ketimoens 117 + 297 Gefarceerde tèrongs 118 + 298 Gepofte tèrong 118 + 298a Kroepoek blindjoe 119 + + T. Eiergerechten. + + 299 Dadar djawa (omelet) 119 + 300 Dadar isi (kaber koebertoe) 119 + + U. Chineesch. + + 301 Bahmie 120 + 302 Kiemloh 121 + 303 Tjoan tahoe 121 + 304 Laksa tjina 122 + + V. Boeboers, Kwé-kwés. + + 305 Boeboer assem 123 + 306 Boeboer salak of tjòtjò 123 + 307 Boeboer santen 123 + 308 Boeboer soemsoem 124 + 309 Boeboer pieso 124 + 310 Dawet of tjèndol 125 + + Kwé-kwé's. + + 311 Ananasprol 125 + 312 Manggamoesprol 126 + 313 Chineesche pasteitjes 126 + 314 Dòdòl 127 + 315 Gemblong 127 + 316 Kwé assem 128 + 316a Kwé bidaran 128 + 317 Kwé bika 129 + 318 Kwé bingka 129 + 319 Kwé boegis 129 + 320 Kwé klepon 130 + 321 Kwé lapis djawa 131 + 322 Kwé loempoer sorga 131 + 323 Kwé ondé-ondé 132 + 324 Piloos 132 + 325 Kwé pisang (lambangsari) 133 + 326 Kwé poetoe 133 + 327 Kwé serabi 134 + 328 Kwé soemping 135 + 329 Kwé talam 135 + 330 Kwé talam djagoeng 136 + 331 Kwé wadjiek 136 + 332 Tangkoewé 136 + 333 Tèntèng 137 + 334 Timoes 137 + 335 Pisang gorèng 138 + + W. Indische confituren (manisans). + + 336 Kolang-kaling 138 + 337 Verschillende manisans in 6 soorten 139 + + Over natuurlijke en plantaardige kleurstoffen 140 + + Iets over de vruchten 142 + + Ten slotte 146 + + + + + + + + + +INLEIDEND WOORD. + + +Wat is een vegetariër? Iemand, die zich onthoudt van voedings- en +genotmiddelen, tot welker voortbrenging of bereiding dieren moeten +worden gedood. + +De vegetariër gebruikt echter wel de dierlijke producten, als melk, +eieren, en al wat daarvan kan worden gemaakt, als kaas, boter enz. + +De benaming "vegetariër" is ontleend aan het Latijnsche woord +"vegetus", dat gezond, opgewekt, krachtig, beteekent. + +De afleiding is dus niet ontstaan door, noch afgeleid van "vegetabilis" +dat plantenkost beteekent. + +Smalend worden de vegetariërs wel eens graseters genoemd, terwijl +de geestige, monotone liedjes van Speenhoff een loopje trachten te +nemen met de volgers van het gezondste leef- en eetrégime ter wereld. + +Zijn liedje: + + "Maandag boonen + Dinsdag boonen + enz. enz. enz." + +is zeer bekend; men schatert het uit van 't lachen, maar vele lachers +zijn reeds bekeerd en maken weer, op hun beurt, bekeerlingen. + +Men kan met al de Indische planten, groenten en vruchten, boter +en eieren, gerechten genoeg bereiden, zonder vleesch, visch en +gevogelte. En vooral in het planten- en vruchtenrijke Indië geldt +het vegetarische leven meer nog dan in de koude landen. + +Men wordt eerder ziek van vleeschgebruik dan omgekeerd, terwijl +daarbij de matigheid in elk gebruik--mede een vegetarische eisch, die +allengs is geworden een gewoonte--van alle voeding wèl gezonde doch +geen zieke menschen maakt. Men bedenke dat, zelfs bij vruchtgebruik, + + + Overmaat + Altijd schaadt. + + +Twee hoofdbeginselen hebben de vegetariërs er toe gebracht, aldus +matig en zonder gebruik van vleesch te leven. + +Het eene hoofdbeginsel berust op het Zesde Gebod: "Gij zult niet +doodslaan". Maak geen levend schepsel dood, eene vlieg evenmin +als een schaap, een rund of een duif. Gij kunt een schepsel het +leven niet geven, ontneem het dan ook zijn leven niet! Velen, dit +gebod streng doorvoerend, vinden het gebruik van koemelk eene roof, +gepleegd op de kalveren, wien de moedermelk wordt onthouden. Ergo: +geen melk; daaruit volgt: geen boter, geen kaas, enz. Die op dit +systeem voortbouwen, gebruiken, streng genomen, ook geen eieren, +omdat er leven, althans de levenskiemen van kuikens in zitten. + +Zulke strenge vegetariërs nemen slechts plantaardige voedsels tot zich, +die op velerlei wijzen bereid worden, hetzij gekookt dan wel gebakken, +of ook wel rauw worden genuttigd. + +Velen echter versmaden dien strengen vorm en gebruiken, in ruimeren +zin de voedingskwestie opvattende, wel eieren, ook melk en boter, +hoewel zeer vele gerechten en sauzen, in plaats van met boter, met +(Genua)-slaolie worden bereid. Ook gebruiken zij kaas en andere +melkproducten. + +Hier, in Indië, waar de klapperolie goedkoop en versch is en bij +de bereiding van de rijsttafel een schier onmisbaar artikel vormt, +is zij het aangewezen surrogaat voor de boter, omdat deze in het +veelvuldig gebruik duur is. + +Daar vele Europeanen evenwel niet tegen de versche, zoetige lucht der +klapperolie kunnen, wordt hen aangeraden, de zeer bekende en overal +verkrijgbare Genuaolie (Genuine Oil) te nemen. Deze wordt niet van +de katjangs gemaakt, doch van de fijnste olijven. + +Men weet, uit ervaring, hoe de inlanders--onze inheemsche +bevolking--wegens de goedkoopte katjangolie in stede van klapperolie +gebruiken, welke laatste soort zij liever ter markt brengen. + +Men neme derhalve boter of olijfolie, onze bekende slaolie. + + + +Tot zooverre, in algemeenen zin, het vegetarische voedsel, beschouwd +uit het eerste oogpunt: "dood geen dier!" + +Het andere hoofdbeginsel, gegrond op de natuurkundige kennis van den +mensch, zijn bouw, zijn gebit, zijn verteringsorganen, mijdt alle +vleesch in welken vorm ook, omdat, in de eerste plaats, de mensch +van nature een "vruchten- en planteneter" is. + +Zijn gebit namelijk, is voorzien van snij- en maal- of kauwtanden +(de kiezen), niet van slagtanden, bijt- en trektanden, zooals de +viervoetige roofdieren. Bovendien heeft het menschelijk gebit de +malende beweging, evenals de grasetende runderen, enz. d. w. z. de +kaken (kiezen) bewegen zich naar links en rechts over elkander en +kunnen dus het gekauwde vermalen. Roofdieren malen het vleesch niet; +zij rukken het stuk, verslinden het daarna (bijt- en trektanden). + +Het menschelijk lichaam is--ik wees er reeds op in mijn werk: "Ons Huis +in Indië" afdeeling voeding--hoofdstuk VI letter b. pag. 57--evenals +eene machine, die onderhouden moet worden door toediening van +brandstof, welke wij, voor ons lichaam, "ons voedsel" noemen. + +Dat voedsel bestaat uit eiwitten, koolhydraten, zetmeel, +stikstof, vetten, enz. welke alle bij het spijsverteringsproces +hun aandeel hebben in de verwerking en chemische omzetting dier +"mensch-brandstoffen." Ook ons speeksel oefent daarbij invloed uit +op het voedsel en maakt dit geschikt tot opname in de maag. + +De eiwitten nu, van het vleesch afkomstig, kunnen, zonder eenig +nadeel voor de instandhouding van een gezond en krachtig gestel, +door de planteneiwitten worden vervangen. + +Men ziet het aan de apensoorten die, in de natuur, niets anders +zijn dan fructivoren (vruchteneters) bij uitnemendheid. Zijn zij +daarom minder sterk in krachtsontwikkeling en lichaamsbouw dan de +menschen? Immers neen! Integendeel. Maar wij, menschen, hebben, +van de vroegste tijden af, ons onoordeelkundig gevoed met alles, wat +de aarde opleverde en nog oplevert, ook met vleesch, dat in allerlei +vormen en op honderde wijzen toebereid ter tafel komt. Alles groepeert +zich in den regel om de vleeschspijzen als hoofdschotels. + +De meeste geneesheeren hebben zich reeds lang van de idée en het +begrip losgemaakt, dat vleesch noodig is, dat "vleesch" vleesch maakt +en schrijven tegenwoordig zwakken en herstellenden weinig of heelemaal +geen biefstuk, bouillons, enz. meer voor. + + + +Al naarmate van hun opname van verschillende voedingsstoffen en +voedselsoorten, worden alle dieren der schepping, ook het redelijke +dier "de mensch", verdeeld in drie hoofdgroepen: + +1e. de carnivoren (vleeschverslinders) d. z. de viervoetige roofdieren +en hunne familiën: honden, wolven, katten, enz. + +2e. de omnivoren, d. z. de dieren, die alles eten, de mensch vooraan! + +3e. de fructivoren [1] d. z. de apen en alles wat slechts of +voornamelijk leeft van vruchten, planten, plantendeelen, gras, enz. + +Wat nu de bereiding der voedingsstoffen betreft, is deze verdeeld in: + +1e. fruitarisme d.w.z. het gebruik van uitsluitend planten en vruchten +in rauwen toestand. Dus niets gekookt of verder bereid. + +2e. végétalisme, dezelfde voedingsstoffen, doch naar verkiezing rauw +of gekookt en verder bereid. + +3e. végétarisme, dat, naast de vruchten en planten, ook eieren, melk, +boter, kaas enz. toelaat, met koken en bakken en rauw, waar men zulks +verkiest of noodig acht. + +Dit laatste, "végétarisme", wordt in dit werk behandeld. Het is wel een +teeken des tijds, dat overal--nu zelfs in Indië--gevraagd wordt naar +vegetarische recepten. Het eene (de recepten, het koken en bereiden) +hangt nauw samen met het andere gedeelte van het vegetarisch beginsel, +n.l. het vegetarisch leven. Jammer, dat het vegetarisme weinig ernstige +navolging vindt. + +In den beginne is de navolging dan ook zeer moeilijk en moet men +geleidelijk er toe overgaan, en nooit, abrupt, in eens. De overgang is +te groot en zou stellig stoornissen teweeg brengen in onze gezondheid, +in onze jarenlange gevolgde gewoonten. + +Dat nu en dan daarbij een brokje vleesch wordt gebruikt, zal zelfs +den vegetariër niet schaden, zegt de bekende doctor J. Schrijver in +diens werkje: "De Keuken" (pag. 35-48). + +Ik geef den raad: word vegetariër of word het niet, maar àls ge 't +wordt, word het dan goed en streng, zonder uitsluitend fructivoor +te zijn. + +Gebruik boter of olijfolie en bereid, waar het noodig is, uw voedsel +door koken, bakken, enz. Waar het niet noodig is (slasoorten) wordt van +zelf, evenals bij vruchtengebruik, niet gekookt, gestoomd of gebakken, +hoewel men het wèl kan doen. + + + +Eindelijk worde hierbij nog aangeteekend dat de ware vegetariër, +behalve het vleesch, het gevogelte en visch, zooveel mogelijk (of +geheel) mijdt het gebruik van zout, alle scherpe en sterke specerijen, +azijn, koffie, thee, alle alcoholica, alle gistende, of beter gegiste +producten, zooals de tapé, de sagoewir, schadelijke, weinig voedende +en zwaar op de maag liggende vruchten (nangka), enz. Hij drinkt zoo +weinig mogelijk, zelfs water in geringe hoeveelheid. Zout verwekt +dorst; zout nalatend zal men weinig dorst behoeven te lesschen. + + + +Alvorens tot de recepten over te gaan, volgen hier nog enkele +raadgevingen van algemeenen aard, voor het vegetarische leven, voor +de inrichting der vegetarische keuken en de oordeelkundige bereiding +der spijzen. + + + +De wenken voor het vegetarische leven, die evengoed voor +niet-vegetariërs gelden, zijn in hoofdzaak de volgende: + +1e. Men ete nooit haastig, maar neme er den noodigen tijd voor, +zoodat men het voedsel goed kauwt, + +2e. Men onderhoude goed zijn gebit, omdat daarvan de goede +spijsvertering afhangt, + +3e. Ouden van dagen en zij die geen of een slecht gebit hebben, +moeten zooveel mogelijk zachte kosten en spijzen gebruiken, + +4e. Men geve de kauw- en verduwingsorganen (o. a. bij oude, tandelooze +menschen, hun kakebeen en tong) de noodige rust, + +5e. Onderhoud goed den mond en de tanden, door ze rein te houden +(cariolspoeling en borsteling), (zie punt 2), + +6e. Spijzen mogen nooit te heet of te koud zijn. Als de vegetariër +drank gebruikt, zij deze ook nimmer te koud of te heet, wijl het +glazuur der tanden er spoedig door wordt aangetast en barstjes zal +vertoonen, + +7e. Men zij matig en ete nooit te veel aan den maaltijd, + +8e. Er moet minstens 5 à 6 uur verloopen tusschen twee maaltijden, +onverschillig op welken tijd van den dag die maaltijden worden +gehouden, + +9e. De vegetariër zal niet eten, als hij er geen behoefte aan voelt; +derhalve vast hij van tijd tot tijd vrijwillig en slaat één maaltijd +over. Zoodoende geeft hij zijn verteringsorganen een poosje rust +(zie punt 4). + + + +Wat de keuken en de bereiding der voeding aangaat, gelden de volgende +voorschriften: + +1e. Zindelijkheid op alle vaatwerk en op de te bereiden spijzen. Veel +spoelen en schoonmaken. Beter is watervermors dan spaarzaamheid en +gemakzucht. Het water kost toch niets. + +2e. Geen potten, pannen en vaatwerk gebruiken, die aanleiding +tot vergiftiging zouden kunnen geven. Geen koperen of inférieur +geémailleerd vaatwerk. + +3e. De bereiding der spijzen moet zoo zijn, dat deze, zelfs zonder +zout, met smaak worden genuttigd. + +4e. Men lette er op, dat geene der spijzen te hard koken (op een te +heet vuur te snel koken) omdat de meest smakelijke vluchtige deelen +op deze wijze zich door de lucht verspreiden. + +5e. Weekwater werpe men niet weg; evenmin koke men groenten of +andere spijzen af, omdat men met het water de voor de gezondheid zoo +belangrijke voedingszouten roekeloos onnadenkend wegwerpt. + +6. Men make nooit de spijzen "smakelijker" door toevoeging van sterke +kruiden of verdere bijvoegsels, omdat deze de verteringsorganen +prikkelen, tot overmatig gebruik van drinken en eten aanzetten en +dikwijls giftige stoffen--in alle geval nadeelige stoffen--bevatten, +die in onze organen voorbijgaande of chronische ongesteldheden kunnen +veroorzaken. + +7e. Bij het koken sluite men de potten en pannen goed dicht; dan blijft +de damp (stoom) in den pot, doordringt de spijs en maakt deze goed +gaar. Men gebruike daarbij geen hard gestookt, doch een regelmatig +zacht vuur. Aanbevelenswaardig zijn voor deze behandeling--vooral +van aardappelen en groenten--de goed sluitende stoomkokers, waarvan +verschillende goede soorten bijzonder verkrijgbaar en te bestellen zijn +bij verschillende Hollandsche handelaren in huishoudelijke artikelen en +ijzerwaren, o.a. de stoomkoker Beveridge en de stoomkoker Vingerhoets +en nog andere systemen, welke kokers niet door de dandang of wat ook +zijn te vervangen. + +Familiën in Holland, die, naar Indië terugkeerend, aldaar vegetarisch +willen gaan leven, raad ik ten zeerste aan, zich bij zoo'n handelaar +te voorzien van een oven, waarin houtblokjes of areng wordt gestookt, +dààr tevens een der stoomkokers van de bekende systemen te koopen en +zich verder op de hoogte te stellen van de zoogenaamde hooikist, waarin +het gedeeltelijk gare eten geheel gaar wordt, met behoud van kracht, +geur en nat. Ook zulk een hooikist kan men, naast tal van andere +huishoudelijke zaken voor de keuken en goedang, bij verschillende +firma's bekomen. Ik voorzie mij overal van alles, billijk en tot +mijne bijzondere tevredenheid. + + + + + + + +DE VEGETARISCHE MENU'S. + + +Uit den aard der zaak zal een menu voor vegetariërs niet en nooit +zoo uitgebreid zijn als dat, waarin alle mogelijke voedingsmiddelen +en voedingsstoffen voorkomen. Een gevolg van de omstandigheid, dat +de echte, ware vegetariër het gebruik vermijdt van vleesch, in allen +vorm en soort, van azijn, van vele prikkelende middelen (dus van vele +indische specerijen), zelfs, zooveel mogelijk, van zout, dat echter +wel op tafel staat. Dat het vegetarische maal iemand, die er niet +aan gewend is, eenigszins tegenvalt, zal geen verwondering baren; +maar weldra wordt het gebruik gewoonte en zal hij er zich niet over +te beklagen hebben en er zich gezond, frisch en sterk (spierkrachtig) +bij bevinden. + +Het vegetarisme heeft in de laatste twintig jaren zoodanige uitbreiding +gekregen, dat overal in Europa vegetarische keukens en restaurants +zijn verrezen, ja, dat zelfs, om tegemoet te komen aan menschen, +die zeereizen ondernemen naar Amerika en naar Indië en het verdere +Azië, aan boord van verscheidene passagiersbooten (b. v. die der +Rotterdamsche Lloyd: s. s. Sindoro) vegetarische voeding wordt +verstrekt. + +Menschen, die het vegetarisch régime volgen, doen altijd goed, om, eer +zij passage naar- of van Indië nemen of bespreken, zich te vergewissen, +dat aan boord ook vegetarisch zal worden voorgediend; voor hen, +die er aan gewend zijn, is zulks eene kwestie van groot belang. + +De indeeling der recepten in dit boek is naar de volgorde gerangschikt, +zooals men gewoonlijk het maal gebruikt. De vegetariër wijkt echter +dikwijls af van die volgorde omdat weinig, zoowel in verscheidenheid +van gerechten als in hoeveelheden, bij hem op den voorgrond staat. + +Het neemt niet weg, dat een receptenboek de vrije en ruime keuze +moet aanbieden die hier achter in de volgorde voorkomen van: soepen, +voorgerechten, (hors d'oeuvres), eiergerechten, sauzen, vla's, +crêmes, groenten en plantendeelen, vruchten en compôtes, slaschotels, +panspijzen of gerechten in vuurvasten schotel, nagerechten, puddingen, +taarten en enkele gebakken benevens de + +Indische vegetarische keuken + +in de volgorde van: Rijst, ketan, sajoers, kerrie's, lalaps, +schijnsambalans of gado en gado-gado, petjels, bebòtòks, verdere +bijgerechten, eiergerechten, chineesche gerechten, boeboers, kwé-kwé's +en manisans. + + +Voorbeelden van Vegetarische menu's. + + + { Prij- en selderijsoep + { Boonen croquetten + { Hutspot : aardappelen + Holl. Ind. menu { met een of andere groente + { rijstschoteltje + { pudding + { vruchten. + + + + { Rijst + { sajoer + { gado-gado + Indisch menu { schijngehakt + { omelet (Indische) + { kwé-kwé + { pisang. + + + + + + + + + +I. + +DE HOLLANDSCH-INDISCHE VEGETARISCHE KEUKEN. + + +A. SOEPEN. (GRONDSTOFFEN). + + +Hoewel de soepen niet behooren tot de gerechten, die streng-vegetariërs +gebruiken, mogen enkele daarvan niet onvermeld blijven, vooral omdat +de zoete soepen waaronder de vruchtensoepen, zoo in het végétarische +kader vallen. + +Het bezwaar dat soep niet voor de spijsvertering bevorderlijk is, +althans dat voor een degelijke spijsvertering het kauwen der spijzen, +zonder nat, doch met eigen speeksel, noodzakelijk is, is niet van +zoo overwegenden aard, om dit menugedeelte te bannen. + +Men begint de maaltijden met eene of andere soep. + +Voor de soepen zijn de grondstoffen: boter met meel- of olie met meel +en water. + +1 ons boter op 2 lepels meel worden goed vermengd en met kokend +water, onder gestadig omroeren, tot een lijmige roux gemaakt, die +men, op allerlei wijzen en met verschillende bestanddeelen, verder +kan bereiden tot soepen en zelfs tot sauzen. + +Voor bruine soepen en bruine sauzen moet het meel te voren worden +gefruit d.i. bruin of lichtbruin gebrand. + + + +1. Aardappelensoep. + +Een tiental stuks overgeschoten aardappelen maakt men, met heet +water, fijn en zift dit. Vervolgens hakt men een paar worteltjes +en wat peterselie fijn en voegt dit bij het vorige nat. Nu neemt +men, volgens eigen idee, wat bruine roux, lengt dit met een weinig +water aan, voegt er het nat bij, en laat alles samen koken, tot de +worteltjes--en peterselie gaar zijn. + +N. B. Men kan ook rauwe aardappelen raspen en ze daarna met zeer +weinig zout en water koken. De verdere bereiding en toevoeging van +de bruine roux blijven dezelfde. + + + +2. Bieten- of krotensoep. + +Men kookt eenige (10 à 12 tal kleine) bieten in ruim water, waarna +men ze schilt of afstroopt en in zeer kleine stukjes hakt. Men kan +ook--en dat is beter--de biet eerst schillen, wasschen, in schijfjes +snijden en ze daarna in ruim water op een zacht vuur koken. + +Daarna fruit men bloem en één fijngesneden uitje in boter lichtbruin, +doet er wat bietennat bij, vervolgens weer wat, en dit herhalen, +tot de soep de gewenschte dikte heeft. + +Hierna voegt men er de fijngehakte biet bij met wat boter, een scheutje +soja en een tikje zout naar smaak. + +Men laat de soep dan nog een oogenblikje doorkoken en dient er +geroosterde stukjes brood bij. + + + +3. Boonensoep. + +(Bruine en witte boonen.) + +Katjang-djògò (Ind. bruine boonen); een overgeschoten hoeveelheid +van den vorigen dag wrijft men met een bordje vol gefruite uien en +wat kokend water door eene zeef fijn. Men doet er dan, naar smaak, +wat soja en boter bij en laat dit samen nog een kwartiertje koken, +tot de soep de gewenschte dikte heeft. + + + +4. Bajem- of Spinaziesoep. + +De bajem wordt goed schoongemaakt, gekookt zonder water, onder +toevoeging van zeer weinig zout. Daarna neemt men, in plaats van meel, +zeer fijnkorrelige gebroken rijst (de z. g. "menir"), kookt dit met +de bajem en een weinig boter naar smaak, tot eene dikke soep. Voor +den smaak zondigt men als vegetariër niet, als men een klein stukje +foelie in de soep laat medekoken. + + + +5. Champignonssoep. + +(djamoer--koeping tikoes). + +De champignons (echte, uit een flaconnetje) worden aan stukjes +gesneden en met het eigen water en gewoon water daarbij, nog wat +opgekookt. Vervolgens neemt men wat gefruite uitjes, een weinig bruine +roux, maakt dit aan met wat champignon-nat, tot het dik wordt, doet +er een weinig boter, soja, zout en de champignons bij en laat daarna +alles nog 10 minuten goed doorkoken. + +Bij djamoer- en koeping-tikoessoep hakt men deze ingrediënten fijn +en voegt er wat laksa of soôn, zoomede wat selderij of koetjaï +bij. Vervolgens de bereiding (o. a. met bruine roux) als hierboven. + + + +6. Duitsch-Amerikaansche soep. + +Overgeschoten oud brood en restant worteltjes (uit blik) van den +vorigen dag worden samen met wat zout in water gekookt. Dan, als het +gaar is, alles door eene zeef wringen en dit even opkoken met wat +boter. De soep moet warm worden voorgediend. + + + +7. Erwtensoep. + +(katjang-idjoesoep). + +Groene of grauwe erwten, dan wel spliterwten of de gewone +katjang-idjoe. + +Deze boonensoort wordt in water met wat zout en 4 of 5 rauwe, geschilde +aardappelen in ruim koud water gaar gekookt. + +(Gedroogde erwten, ook de katjang-idjoe, worden den avond te voren +schoongemaakt en te weeken gezet. Den volgenden dag kookt men ze--als +hierboven--in datzelfde weekwater gaar). + +Op 1/2 liter erwten of katjang neemt men ± 2 à 3 flesschen water en +4-5 aardappelen. + +Zijn de boonen gaar, dan worden zij met de aardappelen door eene zeef +gewreven. Men voegt er daarna een paar lepels fijngehakte selderij en +prij bij en laat ze op een zacht vuur nog een goed half uur doorkoken. + +Voor den smaak kan men er wat boter (c. q. ook wat zout) aan toevoegen. + +Men presenteert stukjes geroosterd brood bij de erwtensoep, en, +naar verkiezing, ook in slaolie gebakken uien. + + + +8. Groentesoep. + +Verschillende versche of gedroogde groenten, met of zonder toevoeging +van 1 à 1 1/2 kopje rijst, (selderij, boontjes, worteltjes, spinazie, +postelein, enz.) Alle groenten worden fijngehakt en met de rijst en +een weinig zout, in 1 1/2 liter water gekookt. + +Men voegt, als de rijst gaar is, wat boter, soja en nog wat zout bij +deze soep en laat ze daarna nog eenige minuten doorkoken, tot ze wat +dik wordt. + +Men kan ook groentesoep maken met stukjes rauwe aardappelen en deze, +na koken, binden met wat vermicelli, griesmeel, dan wel met wat +maïzena (met water aangemaakt) of met wat witte roux. (Zie hiervoren: +grondstoffen pag. 11). + +Gedroogde groenten moeten natuurlijk schoongemaakt en daarna eenigen +tijd te weeken worden gezet. + + + +9. Koolsoep. + +Rauwe kool wordt fijngesneden en in boter gefruit; daarna wordt ze met +kokend water opgezet, onder toevoeging van wat gebakken uien. Is de +kool gaar, dan wordt de soep gebonden met wat bloem en laat men haar, +boven een zacht vuur, nog eenigen tijd doorkoken. + +Men dient bij deze soep stukjes geroosterd brood voor. + + + +10. Linzensoep + +maakt men evenals de boonensoep. Voor de linzen gebruikt men de +gedopte erwten van de katjang kòrò of -kàrà. + + + +11. Macaronisoep. + +Een ons macaroni; men kookt ze in 1 1/2 flesch water met wat zout. Men +breekt daartoe de stangen macaroni in stukjes, doet deze op in kokend +water en roert er nu en dan in. + +Men bindt de soep met wat witte roux en voegt er, voor den smaak, +een paar stukjes foelie bij. Men kan ook, in plaats van de foelie, +wat gehakte peterselie en een weinig soja bij deze soep voegen. + + + +12. Prei- en selderij soep. + +Prei en selderij worden schoongemaakt, in stukken gesneden en met +wat zout in water gekookt. Men kan deze soep binden met rijst of met +witte roux. Men kan er een weinig zout naar smaak bijvoegen en dient +deze soep voor met stukjes geroosterd brood. + + + +13. Sesawie soep. + +De sesawie wordt goed gewasschen, schoon gemaakt, gesneden en in +ruim water met wat zout gaar gekookt. Dan voegt men er wat zout, +soja en een kluitje boter bij en braadt daarna deze soep met een +weinig bruine roux, tot zij de gewenschte dikte heeft. + + + +14. Tomatensoep. + +Zes à acht tomaten worden in water gaar gekookt en daarna door eene +zeef gewreven. + +Vervolgens fruit men een paar fijngesneden uitjes in wat boter en +zift ook deze, die men bij de tomatenpurée doet. Dan kookt men dit +alles samen op met nog een weinig boter en bindt ze verder met wat +maïzena of wat bruine roux. + +Men dient bij de tomatensoep kleine stukjes geroosterd brood voor. + +N.B. Sommigen voegen bij de tomaten wat gekookte in stukjes gebroken +macaroni òf gekookte selderij, dan wel worteltjes of peterselie en +soja, wederom anderen voegen er fijn gemaakte aardappelen--met wat +soja--bij. + + + +15. Uiensoep. + +6-8 uien van middelmatige grootte maakt men goed schoon, snijdt ze +aan stukken en zet ze met wat water en boter (onder toevoeging van +een weinigje zout) op en laat alles goed koken, tot de uien gaar +zijn. Men giet er dan zooveel kokend water bij, als men soep noodig +heeft, voor 2 à 3--hoogstens 5 personen. + +Om deze soep dik te krijgen gebruikt men wat aangemaakte maïzena en +voegt er stukjes lichtbruin geroosterd brood bij en laat dit samen +nog even opkoken. + + + +16. Uiensoep met roux. + +Deze soep wordt bereid met gefruite uien, meel en wat boter; giet er +kokend water op en laat alles dan een half uur koken. + +Om den smaak te verhoogen, voegt men er een beetje citroensap naar +smaak bij. Is de soep niet genoeg gebonden, dan doet men er wat +gestampte beschuit bij, of nog een lepel meel, met water aangelengd. + +Men kan er geroosterd brood bij presenteeren. + + + +17. Vermicellisoep + +wordt op dezelfde wijze bereid en met dezelfde ingrediënten als de +macaronisoep, met dien verstande natuurlijk, dat nu, in plaats van +macaroni, vermicelli wordt genomen. + + + + + +ZOETE SOEPEN. + + +18. Abrikozensoep. + +3/4 à 1 ons gedroogde abrikozen (die men tegenwoordig ook in Indië +kan krijgen) wascht men af en zet ze een nacht in het water. + +Nu neemt men een kopje vol parelgort, die men weekt en ze ruim één uur +kookt; voeg er dan de abrikozen met het water en suiker naar smaak bij +en laat dit samen nog 1 à 2 uren, op een matig vuur, zachtjes koken. + +Abrikozen in flacons behoeven natuurlijk niet te worden geweekt; men +ontdoet ze van de pitten en voegt ze, met het nat en zonder suiker +bij de gekookte parelgort. + + + +19. Bidarasoep. + +20 à 30 rijpe bidara's, van de pitten ontdaan, worden goed +schoongewasschen en met koud water opgezet. Als ze gaar zijn, worden +ze door eene zeef gewreven, daarna met zooveel heet of kokend water +aangelengd, tot de soep de vereischte dikte heeft, doet er wat suiker +en citroensap bij en stort de soep dan over in de terrine. + + + +20. Chocoladesoep. + +Op 1 flesch melk neemt men een volle lepel chocoladepoeder en 3 à 4 +lepels suiker. Men roert eerst de chocolade en de suiker samen met +een weinigje water aan, kookt vervolgens de melk, doet er een stukje +vanille in, roert er de aangelengde chocolade met suiker door en +bindt dit alles met 1 of 2 lepels aangemaakte maïzena. + +Men dient deze soep koud of, naar verkiezing, warm voor en presenteert +er ronde beschuiten bij. + + + +21. Citroensoep. + +Sago-bidji wordt met koud water ruim opgezet en gedurende twee uren +gekookt; doet er het sap van 2 citroenen en suiker bij, ter verhooging +van den smaak. + +Om de soep te kleuren, raspt men de schil van 1 djeroek nipis en van +1 djeroek-keprok er in. Men laat deze soep dan nog even opkoken en +dient ze warm voor, waarbij men, naar verkiezing, beschuit kan rond +laten gaan. + + + +22. Karnemelksoep. + +1 liter karnemelk, 1 ei, meel, suiker en wittebrood. (Men kan er ook +grutten of parelgort in koken--dan wordt deze soep met keukenstroop +gegeten.) + +De karnemelk wordt, onder gedurig roeren, verwarmd. Hierna maakt men +meel met wat koude melk aan, klutst een ei, roert dit er door heen +en roert dit alles door de heete karnemelk. + +Men kan de soep nu met suiker aanmaken, goed roerende, en warm ter +tafel brengen. + +Gewoonlijk gebruikt men er wittebrood bij, dat in het soepbord +gebrokkeld is en waarover de soep wordt gedaan. + + + +23. Zoete zuringsoep. + +De zuring, in Indië ook bekend als "soering", moet goed worden +schoongemaakt en gewasschen, niet van de stelen afgerist en met weinig +water opgezet, zoo dat ze, kokende, insmelt. + +Als ze versmolten is, wordt ze door eene zeef fijn gewreven; daarna +voegt men er krenten, rozijnen en suiker naar smaak bij en bindt ze +met wat maïzena met water aangelengd. De krenten en rozijnen moeten +natuurlijk eerst van de steeltjes en vuil, afval en stof worden +ontdaan en goed in heet water geweekt. Zijn ze goed uitgezet, dan +voegt men ze pas bij de zuring. + +Men laat alles nog een goed kwartier doorkoken en roert er, vóór het +opdienen, een weinigje boter door. + + + + + + + +B. VOORGERECHTEN. + + +24. Aardappelcroquetten. + +Overgeschoten of versch gekookte koude aardappelen moeten door eene +zeef fijngewreven, daarna vermengd met een paar rauwe eieren, een +weinig melk, een lepel gehakte peterselie en een weinig zout. + +Men roert dit alles goed samen door elkander tot een stevig +deeg. Dan neemt men met een lepel stukken van het deeg af en rolt die +stukken langwerpig uit, tot er langwerpig-ronde balletjes van zijn +gemaakt. Deze worden dan gedoopt in geklopt eiwit, dan door paneermeel +gewenteld en eindelijk in Genuaolie gebakken, evenals oliebollen. + +N.B. Men beschouwt, over het algemeen, deze croquettensoorten als +een uitstekende overgang voor vleescheters tot het vegetarisme. + + + +25. Bruine boonen-croquetten. + +Gekookte bruine boonen worden door eene zeef fijngewreven, daarna met +een paar rauwe eieren en in boter gefruite gesneden uien en zooveel +beschuitkruim of fijngemaakte aardappelen, als noodig blijkt, vermengd +en gekneed, tot het een dik deeg wordt. Men voegt door het deeg eenig +zout. De verdere behandeling geschiedt als bij aardappelcroquetten. + +Men neme ook hiervoor Genuaolie. + + + +26. Witte boonencroquetten + +worden met dezelfde bestanddeelen en op dezelfde wijze bereid als de +bruine boonencroquetten. + + + +27. Erwtencroquetten + +worden evenals de beide vorige soorten behandeld, zoowel wat +bestanddeelen als bakken betreft. + + + +28. Koolcroquetten. + +Jonge kool fijngehakt en gaar gekookt; 1 paar rauwe en 1 paar gekookte +eieren vermengd met fijngemaakte gekookte aardappelen; een weinig zout. + +Verder is de behandeling, na goede vermenging van al deze +bestanddeelen, als die van de aardappelcroquetten. (Genuaolie). + + + +29. Koolcroquetten, gevuld met purée. + +Men kookt de kool niet te gaar, neemt de kool per blad af en doet +in elk blad een purée (ééne lepel) van erwten, boonen, linzen, +rolt het dicht en steekt het verder met een bieting vast. Dan doet +men de koolcroquetten in geslagen eiwit, wentelt ze vervolgens in +beschuitkruim of paneermeel en bakt ze verder in boter of Genuaolie +lichtbruin in de koekepan. + + + +30. Linzencroquetten. + +De gedopte erwten van de katjang-kòrò worden gekookt en verder +behandeld, gerold, enz. als de bruine boonen-croquetten. + + + +31. Pasteitjes met champignons gevuld. + +Men kneedt eerst een deeg van 250 gram bloem en 250 gram boter--of +minder, maar altijd evenveel bloem als boter--en rolt het deeg uit +tot 1 cM. dikte, waarna men met een bierglas of iets anders, ronde +vormpjes uit het deeg steekt. + +Van de champignons maakt men eene ragoût (witte dikke saus zie no. 54) +en vult hiermede de ronde vormpjes deeg, die dan worden dichtgemaakt +met een deegdekseltje. Op het dekseltje smeert men wat geslagen +eierdooier en bakt dan de pasteitjes in den heeten oven lichtbruin. + + + +32. Pasteitjes met kastanjes gevuld. + +Dezelfde pasteitjes, wat bestanddeelen en bereiding betreft. Van de +kastanjes, die gewasschen, gekruist en gekookt, daarna uitgehaald +zijn, maakt men met wat boter een purée--is deze purée te vast, +dan verdunt of vermengt men ze met een geklutst ei en stooft de +kastanjepurée op. Met deze purée worden de pasteitjes--evenals in +no. 31, gevuld. Daarna dezelfde behandeling als in no. 31. + + + +33. Eier-pasteitjes. + +4 of 5 hardgekookte eieren, in vierde parten gesneden, boter, bloem, +melk, fijngehakte peterselie, een weinig zout en een tikje suiker; +12 pasteivormpjes van deeg. + +Bloem en boter worden, op een zacht vuur, met melk samengeroerd tot +alles gebonden is. + +Daarna doet men er een lepel fijngehakte peterselie door, vervolgens, +zeer voorzichtig, de in vierde parten gesneden hard gekookte +eieren. Nog gedurende een kwartier laat men dit boven een zacht vuur +doorstoven en vult dan hiermede de pasteitjes, die men gemaakt heeft +als in boven beschreven recepten reeds is aangegeven. + +Verder geschiedt het bakken in den oven als hierboven vermeld. + + + +34. Rijstcroquetten. + +Droog gekookte rijst, 1 of 2 eieren, 1 kluitje boter, 1 lepel +fijngehakte peterselie of koetjaï, 1 lepel soja, een weinigje zout. + +Van alle ingrediënten bij elkander wordt een deeg gemaakt en van +dit deeg steekt men stukken af, die men tot langwerpige balletjes +kneedt. Verder geschiedt de behandeling als bij de aardappelcroquetten. + + + +35. Schijngehakt van gekookte aardappelen. + +20 gekookte aardappelen, 3 gestampte beschuiten, 1 lepel fijngehakte +peterselie, 2 lepels zeer fijngehakte sjalotjes, 1 rauw en 1 hard +gekookt ei, boter, heet water. + +Van de aardappelen, eieren, beschuit, peterselie en sjalotjes maakt men +een deeg en een grooten bal; braadt dezen in boter. Nu en dan bedruipt +men den bal en bakt ze om-en-om, totdat ze overal lichtbruin is. Als +de boter bruin is geworden, voegt men er, nu en dan, een weinig heet +water aan toe, voor de jusbereiding. + + + +36. Schijngehakt van linzen. (katjang kòrò). + +Zeer gaar gekookte katjang kòrò (gedopte), een paar lepels zeer fijn +gehakte, bruin gefruite uitjes, 1 lepel fijngehakte peterselie of prei, +1 paar rauwe en 1 paar hard gekookte eieren, een weinig zout, geklutst +eiwit (afzonderlijk), gestampt beschuitkruim, boter of Genuaolie. + +De katjangs worden, als ze gaar zijn, door eene zeef fijn gewreven. De +gekookte eieren worden zeer fijn gehakt en met de rauwe eieren, de +uitjes, peterselie (prei) en de katjangpurée tot een deeg verwerkt +en goed gekneed. + +Men kan nu dit deeg als een groote bal behandelen of in kleine +balletjes verdeelen. + +Deze worden door het eiwit (geklutste) gehaald, in beschuitkruim +gewenteld en in boter (of Genuaolie) aan alle kanten lichtbruin +gebakken. + +Dit deeg kan men ook gebruiken voor vulsel van pasteitjes; (zie de +nos. 31 en 32). + + + +37. Spinazie- of bajemcroquetten. + +Gekookte spinazie, fijngemaakte gekookte aardappelen (purée), 1 paar +rauwe en 1 paar gekookte eieren, een weinig zout naar smaak, boter, +Genuaolie. + +De spinazie fijnhakken en met de aardappelen, eieren, zout en boter +tot een deeg bewerkt en gekneed. + +Men maakt er daarna kleine balletjes of croquetjes van en bakt ze dan, +evenals de aardappelcroquetten, in boter of Genuaolie. + + + + + + + +C. EIERGERECHTEN. + + +38. Zacht gekookte eieren. + +De eieren moeten gedurende 3 minuten in kokend water worden +gelaten. Men berekent, als vaste maatstaf, dat de tijd wordt genomen, +van af dat de eieren in het kokend water zijn gedompeld. + + + +39. Hard gekookte eieren. + +Als hierboven. De kooktijd duurt dan 6 volle minuten. + + + +40. Roereieren of geroerde eieren. + +In een koekepan laat men wat boter smelten of olie +verwarmen. Vervolgens klopt men eenige eieren met een weinig zout, +stort ze op de heete boter (of Genuaolie), roert er met een houten +lepel langzaam door, tot alles een behoorlijke dikte verkrijgt en +stort den inhoud daarna over in een schaal. + +Men gebruikt deze eieren bij brood. + + + +41. Gebakken eieren. + +Eieren, boter en een weinig zout. + +Men laat de boter in een pan smelten en heet worden, breekt, drie aan +drie, de eieren in de boter, voegt er boven op wat zout, laat ze aan +weerszijden lichtbruin bakken. + + + +42. Columbus eieren. + +8 eieren, een paar lepels citroensap, drie lepels olijfolie, een paar +truffels, peterselie. + +Van 2 eierdooiers maakt men met het citroensap en de olie een +mayonnaisesausje. + +De zes overige eieren worden hard gekookt, gepeld en, van elk, +een der punten gelijk afgesneden. Dan doet men de mayonnaise op +een plat schaaltje en plaatst, daarop staande, de eieren, met 't +afgesneden puntje naar beneden. Op elk ei een uitgestoken figuurtje +van truffel leggen en verder de schotel garneeren met takjes en +blaadjes peterselie. Men kan bij dit gerecht gewone salade (no. 136) +presenteeren en ook kan men de schotel met blaadjes kropsla garneeren. + + + +43. Kampersteur. + +(smakelijke eierschotel). + +8 eieren, gebakken, gesneden uien, "witte roux" van boter, melk, +meel en een tikje zout. + +De eieren worden hardgekookt, gepeld, aan schijfjes gesneden, bestrooid +met gebakken uien en dit alles in een vuurvast schaaltje gedaan. Men +maakt een witte roux van de opgegeven bestanddeelen en giet deze over +den inhoud van het schaaltje. + +Warm ter tafel brengen. + + + +44. Omelet. + +4 eieren, op elk ei één lepel melk of water, boter of Genuaolie. + +De eieren worden gebroken goed geklutst en de melk (of het water) +er ook mede geklopt. + +In een koekepan heeft men de boter of olie gedaan en als deze verhit +is, worden de geklutste eieren er in gestort en de omelet gebakken. Aan +beide kanten zorge men dat ze lichtbruin van kleur wordt. + + + +45. Omelet met kaas. + +Dezelfde bestanddeelen als hierboven (no. 44). Men voegt echter bij +het beslag geraspte kaas of deze aan kleine dobbelsteentjes gesneden. + +Overigens geschiedt het bakken op dezelfde wijze als onder no. 44. + + + +46. Fransche omelet. + +(omelet met peterselie). + +Dezelfde bestanddeelen als no. 44, onder bijvoeging van een lepel +fijngehakte peterselie. + +Bereiding als hierboven. Begint de omelet te stollen, dan strooit +men er de fijngehakte peterselie over en bakt ze verder gaar, aan +weerszijden lichtbruin. + + + +47. Spiegeleieren. + +6 eieren, een paar lepels boter (of Genuaolie), een weinigje zout. + +Men warmt de boter in de koekepan; is ze goed heet, dan worden de +eieren gebroken en in de heete boter gestort. Men bakt ze tot het +eiwit is gestold. + +De eieren worden op een schaaltje gedaan en er een zeer klein tikje +zout vlugweg over heen gestrooid. (Of heelemaal geen zout). + + + +48. Verloren eieren of eieren met zure saus. + +Men zet water op met een klein beetje zout. Als het kookt breekt +men er voorzichtig de eieren één voor één in. Laat ze op een zacht +vuur langzaam gaar worden (± 5 tot 8 minuten). Men doet nu de eieren +voorzichtig op een schotel of een schaaltje en giet daarop zure saus +(zie hierachter no. 61: roux met citroensap). + + + +49. Zwitsersche eieren. + +4 of 5 eieren, boter, melk of room, geraspte kaas. + +Men doet de boter in een vuurvast schaaltje, dat er goed mede besmeerd +wordt, breekt daarna in het schaaltje de eieren zeer voorzichtig, +zoo, dat zij in hun geheel blijven en giet hierover de melk (of room) +met de paar lepels geraspte kaas vermengd. + +Men laat dit gerechtje gedurende een kwartier in den oven gaar worden. + + + + + + + +D. SAUZEN, VLA'S, CRÊMES. + + +Het hoofdbestanddeel van de sauzen der vegetarische keuken is wel +het nat der groenten. Bij de vruchtensauzen domineert natuurlijk +vruchtennat. Het groote boek van Valk-Heinsdijk zegt hieromtrent: +"Vruchtensaus en vla's moeten niet zoozeer vruchten vervangen dan +wel den weg bereiden tot een grooter gebruik van ooft." + + + + + +1. WARME SAUZEN. + + +50. Botersaus. + +Een paar lepels boter smelten op een zacht vuur. Deze heet: gesmolten +botersaus. + + + +51. Gewelde botersaus. + +Men kookt water en neemt b. v. op 1 ons boter 1 kopje kokend +water. Men slaat de boter tot schuim of room en doet er, steeds +langzaam roerende, het kokende water door. Deze gewelde boter moet +er zeer gebonden uitzien. + + + +52. Bruine botersaus. + +Een lepel boter en een lepel meel. (Voor één persoon; naar het aantal +personen neemt men natuurlijk meer boter en meel). + +Men laat de boter bruin worden in een pan, laat ze even afkoelen, +doet er een weinig heet water, al roerende bij en, om de saus dik te +maken, voegt men er het meel bij, dat met water is aangelengd. Men +roert dan verder deze saus, tot ze dik wordt. + +Sommigen voegen een scheutje soja aan deze saus toe. + + + +53. Witte botersaus. + +Bloem, boter en kokend water. + +Van bloem en boter wordt een dik deeg gemaakt, dat men vervolgens door +kokend water roert, tot alles een witte, dikke gebonden saus wordt. + + + +54. Champignonsaus. + +Boter, bloem, gebakken uitjes, citroensap of peterselie, zout naar +smaak, het nat der champignons uit blik. + +Het meel (bloem) wordt in boter bruin gefruit; daarna doet men er +langzaam aan het opgewarmde champignonsnat bij; nu hakt men de helft +van den inhoud van het blik zoo ragfijn mogelijk en roert deze gehakte +champignons met de fijngehakte gebakken uitjes goed door elkander en +voegt dit, al roerende door de saus. + +Deze saus giet men over het gerecht, dat bereid wordt, terwijl de +andere helft der champignons in boter wordt gestoofd en als versiering +dient van het gerecht. In de rondte er om heen geschikt. + + + +55. Eiersaus. + +4 eieren, 2 lepels boter, op elk ei 1 lepel water, (hier dus 4 lepels +water), zout naar verkiezing, en citroensap naar smaak. + +N. B. In plaats van 4 eieren kan men 2 eieren en 1 lepel maïzena of +bloem nemen, die met koud water is aangemaakt. + +De eieren 5 minuten kloppen; daarna doet men er een tikje zout in, +dan het water en, 't laatst, het citroensap. Steeds kloppen. + +Deze saus doet men, al roerende in een pan en deze, door blijvende +roeren, au bain Marie, tot de saus is gebonden en het schuim is +opgelost. + +Nu neemt men de pan uit den bain Marie en roert voorzichtig de boter +door deze saus, tot zij geheel is versmolten. + + + +56. Kappertjessaus. + +2 à 4 eetlepels kappertjes en het nat der kappertjes. + +Dezelfde bereiding als de champignonssaus. Alleen behoeven de +kappertjes niet--als de champignons--te worden fijngemaakt of gehakt. + + + +57. Peterseliesaus. + +Een lepel gehakte peterselie, warme witte-botersaus. + +De warme botersaus wordt, even vóór het opdienen, vermengd met de +fijngehakte peterselie, die men er door heen roert. + + + +58. Tomatensaus. + +4 of 6 tomaten, bloem, boter, fijngesneden gebakken uitjes (òf +citroensap). + +De tomaten wasschen, in vieren snijden en in zooveel water opzetten, +dat zij precies onder water staan. Als ze gaar zijn, worden ze door +eene zeef fijngemaakt. (Het water werpe men niet weg--kan voor soep +dienen!) + +Nu fruit men boter en bloem bruin, doet er de gezifte tomaten, +de uien en een weinig tomatennat bij en roert alles goed dooreen, +op een zacht vuurtje, tot de saus gebonden is. + +Wil men deze saus rood of rose laten zijn, dan late men de uitjes +achterwege en gebruikt citroensap, terwijl men boter en bloem wit +(niet bruin) fruit. + + + +59. Uiensaus (witte). + +Witte botersaus, gestoofde uien, boter. (Bombay uien). + +Uien schillen, aan schijfjes snijden en met boter en een weinig +water stoven. Daarna maakt men witte botersaus (no. 53) en roert er +de gestoofde uien door heen. + + + +60. Uiensaus (bruine). + +Bruine botersaus en gebakken, fijngesneden uien. + +Men voegt de gebakken uien bij de gemaakte bruine botersaus (no. 52) +en roert dit samen, al kokende, door elkander. + + + +61. Zure saus. + +Zie eiersaus (no. 55). + + + +62. Stoofsauzen + +in het algemeen, worden bereid door de samenvoeging en verdere +bereiding van boter, bloem en het nat van een of andere groente. + +Het hangt er natuurlijk van af, voor welk gerecht deze saussoort moet +worden gebruikt. Bij witte sauzen, b.v. voor knolletjes, bloemkool, +schorseneeren, zorge men, dat het meel of de bloem niet bruin wordt +gefruit. Bij bruine boonen wordt de saus dus natuurlijk bruin gefruit. + + + + + +2. KOUDE SAUZEN. + + +63. Mayonnaise. + +4 eierdooiers, 2 kopjes sla- of olijfolie (d. i. Genuaolie), +citroensap. + +De 4 eierdooiers worden gedurende 1/4 uur geklopt en dan langzaam, +lepelsgewijze, steeds roerende, toegevoegd aan de slaolie, waarna +men er, aanhoudend roerende, druppelsgewijze het citroensap bij voegt. + + + +64. Tweede mayonnaisesaus. + +Een eierdooier, 3/4 lepel bloem, 1 klein kopje water, 1 klein kopje +melk, 2 lepels Genuaolie, citroensap, gehakte peterselie. + +Men klopt den dooier flink met de bloem en voegt er, langzaam aan, +het water, de melk en één lepel Genuaolie, al roerende, bij. Onder +gestadig roeren op een zacht vuur koken, tot alles gebonden is. Is deze +saus daarna koud geworden, dan doet men er de andere lepel slaolie, +het citroensap en de gehakte peterselie, al roerende, bij. + + + +65. Saladesaus. + +1 hardgekookt ei, 1 rauw ei, 2 kopjes melk, 2 lepels citroensap. + +Men wrijft het gekookte ei fijn, liefst door eene zeef, en vermengt +het met het rauwe ei en de melk. Daarna verwarmt men dit mengsel boven +een zacht vuurtje, al roerende, tot het dik wordt. Het mag niet koken. + +Met stort vervolgens deze saus in een schaal, laat ze bekoelen en +roert er, koud geworden, de 2 lepels citroensap door. + + + + + +3. ZOETE SAUZEN. + + +Vruchtensauzen. + +Deze sauzen kan men van alle versche vruchten, jams of marmelades +maken, b.v. van ananas, enkele djeroeksoorten. (De meeste Indische +vruchten leenen er zich helaas niet toe, omdat zij, hoewel rijp en +zoet, niet veel smaak hebben en geen geur voor "sauzen", zooals de +Europeesche vruchten). Hoe zoude een sirikaja-, een namnam-, een +doekoe-, een ramboetan-, een papajasaus smaken? Men zou toch altijd +zijn toevlucht moeten nemen tot eenige essence, b.v. marasquino, +oranjebloesemwater enz. Daarom worden vele sauzen door de vegetariërs +gemaakt van jams, marmelades en vruchten op water, ook van sappen en +siropen. En zoo heeft men: + + + +66. Aardbeiensaus. + +1/1 of 1/2 blik of potje aardbeienjam, 1 kopje water, 1 lepel +aangemaakte sago of maïzena. Een weinigje citroensap. + +Men roert, op een zacht vuur, de jam met het water en het citroensap +samen, bindt het, zoo noodig, met de aangemaakte sago of maïzena. + +Op dezelfde wijze maakt men: + + + +67. Abrikozensaus, + + + +68. Grenadinesaus (van siroop), + + + +69. Frambozensaus, + + + +70. Kersensaus en + + + +71. Pruimensaus. + +Dezelfde bestanddeelen (als de sausnaam aangeeft) en bereiding. + +Zoo maakt men ook van de vruchtensappen sauzen, b. v. + + + +72. Frambozensaus, enz. + + + +73. Guavesaus. + +4 of 5 rijpe djamboe-bidji, een paar lepels suiker, water, een paar +lepels aangemaakte maïzena, citroensap. + +De gele (rijpe) djamboe-bidji's worden zeer dun geschild, daarna +met suiker en water gestoofd, tot ze gaar zijn. Hierna zeeft men de +vruchten, met het nat, door de zeef. + +Het gezifte wordt dan opgekookt met het citroensap en, naar verkiezing, +met de maïzena gebonden. + +Bij zachtgekookte rijst smaakt deze saus zeer goed. + + + +74. Terra-cotta-saus. + +(van bessensap gemaakt). + +Een splitglas bessensap, 1/2 splitglas water, 1 à 2 lepels aangemaakte +maïzena, 3 à 4 lepels suiker, 1 stukje kaneel, (vingerlengte). + +Het bessensap wordt met het water, de suiker en het kaneel gekookt, +daarna met de aangemaakte maïzena aangelengd en dit samen geroerd, +tot de saus dik wordt. + + + +75. Caramelsaus. + +4 à 5 lepels witte suiker, 2 lepels water, 1/3 flesch melk, 2 lepels +maïzena òf 3 geklutste eierdooiers. + +Men braadt de suiker droog in een wadjan, tot ze lichtbruin ziet, +voegt er zachtjes, al roerende, het water bij en daarna de eierdooiers +en de melk. Doorroeren tot de saus gebonden is. + + + +76. Pêle-mêle-saus. + +(Vruchtensaus). + +1/4 flesch frambozenstroop, 1/4 flesch bessensap, 1/4 pond suiker, 1 +pijpje kaneel, een half liqueurglaasje citroensap, 2 lepels aangemaakte +sago of maïzena. + +Men kookt te zamen op de frambozenstroop, het bessensap, de suiker +en het kaneel. + +Als dit gekookte begint op te borrelen, bindt men het met +de aangemaakte sago of maïzena en voegt er, al roerende, het +liqueurglaasje citroensap bij. + + + + + +4. MELKSAUZEN. + + +77. Amandelsaus. + +Een halve flesch melk, een lepel maïzena, een rolletje amandelpers +(of een handvol geraspte of fijngestampte zoete amandelen, kenari's +of ketapang) suiker naar smaak. + +Men breekt of ontbolstert de kenari's of de ketapang, haalt er de +schilletjes (velletjes) af en stampt ze fijn in een loempang batoe. + +Nu kookt men de melk met de amandelpers (of met de gestampte kenari's) +onder toevoeging van een lepel aangemaakte maïzena, tot de saus dik +is geworden. Laat deze dan bekoelen en roert er vervolgens naar smaak, +zooveel suiker bij, als men verkiest. + + + +78. Citroensaus. + +De geraspte schil van een djeroek-nipis of djeroek-keprok. Een halve +flesch melk, suiker naar smaak en 1 à 1 1/2 lepel aangemaakte maïzena. + +De geraspte schil wordt met de melk gekookt, daarna gezeefd; men +doet er dan suiker naar smaak bij en bindt de saus met de aangemaakte +maïzena. + + + +79. Vanillesaus. + +1 stokje vanille, 1/2 flesch melk, 4 à 6 lepels suiker, 3 eierdooiers, +1 à 1 1/2 lepel aangemaakte maïzena. + +De melk koken met de vanille en de suiker. Men klopt intusschen de +eierdooiers, roert de maïzena door de kokende melk en als deze dik +begint te worden, voegt men er, al roerende, de eierdooiers bij. + + + + + +VLA'S. + + +80. Bessenvla. + +1/2 flesch bessensap, 3 geklopte eierdooiers, 1 1/2 eetlepel +aangemaakte maïzena, 2 ons rozijnen, suiker naar smaak. + +De rozijnen worden goed gewasschen en een nacht geweekt; de 1/2 flesch +bessensap wordt daarna met het rozijnenwater te vuur gezet. Daarna +worden, onder het koken, de eierdooiers en de maïzena met een paar +lepels suiker, er door geroerd. Als deze vla dik begint te worden, +voegt men er de rozijnen, al roerende, bij. + + + +81. Citroenvla. + +5 eieren, 1 1/2 ons suiker, 1/4 liter water, het sap van 3 citroenen, +geklopt eiwit. + +Men klopt de vijf eierdooiers met de suiker tot een witte massa, doet +daarna het water er bij en kookt dit in een pannetje "au bain Marie". + +Als deze vla warm begint te worden, doet men er, al roerende, het +citroensap bij en, als de vla dik begint te worden, de helft van het +stijfgeklopte eiwit. Doorroeren! + +Is de vla dik geworden, dan wordt ze op een vlaschotel gestort en de +andere helft van het stijfgeklopte eiwit er netjes om heen geschikt. + + + +82. Vanillevla. + +Dezelfde bereiding als de vanillesaus, maar, om dikker te maken, +gebruikt men meer eieren, melk, suiker en maïzena, b. v. 1 flesch melk, +4 à 6 eierdooiers, een paar lepels suiker en 4 à 5 lepels maïzena. + + + + + +CRÊMES. + + +83. Crême of melkvla. + +1/2 flesch melk, 1/2 stokje vanille, 1 1/2 ons suiker, 2 lepels +rozewater, 8 eierdooiers. + +De melk met de vanille koken; de eierdooiers met de suiker kloppen; +daarna het rozewater er bij doen en dit samen, bij de melk, al +roerende, voegen en alles au bain Marie behandelen. Dik koken. + +Is de crême gebonden, dan stort men haar in een vochtig gemaakten +crêmeschotel over. + + + +84. Crême brûlée. + +1/2 liter melk, 5 eierdooiers, 2 1/4 ons suiker. + +Van 100 gram (1 ons) suiker maakt men caramel. De eierdooiers worden +met de resteerende 1 1/4 ons suiker wit geklopt. + +Men warmt deze witgeklopte massa au bain Marie en roert ze tot ze +dik wordt. + +Men kookt intusschen de melk en voegt deze, langzaam roerende, bij +de dik geworden massa, zoomede de caramel. + +Men blijft dan doorroeren, tot alles een gebonden massa wordt. + +De vla overstorten in een glazen schaal en garneeren met geklopt eiwit. + + + +85. Sago-crême. + +1/2 flesch melk, een paar lepels suiker, een stukje fijngehakt +citroenschil, een eetlepel sago, 2 eierdooiers. + +De melk wordt met de suiker en de fijngehakte citroenschil gekookt +en daarna gezeefd. + +De sago wordt dan met 'n paar lepels van deze melk aangemaakt, +daarna met al de melk opgekookt, tot ze doorschijnend begint te +worden, waarna men er de 2 geklopte eierdooiers door heen roert, +erbij zorgende, dat het niet schift. + +Alles overstorten in een vlaschotel en warm opdienen. + + + +86. Vanille-crême + +is precies gelijk als de vanillevla. + +Over het algemeen zijn de crêmes en de vla's geheel aan elkander +gelijk. + + + + + + + +E. GROENTEN EN PLANTENDEELEN. + + +Zoowel voor de Europeesche, als voor de Indische tafel dienen alle, +althans de meeste groenten en plantendeelen. + +Welk een rijke verscheidenheid levert Indië niet op? De werken van +Hasskarl, Greshoff en Hekmeijer geven tal van eetbare vruchten, +groenten en plantendeelen op. + + + +87. De aardakker. + +(Koemeli of koemeli-kentong--Javaansche aardappel). + +Deze zwarte, kleine knolachtige gewassen (de wortels) worden in hun +schil gekookt, dan gepeld en, als de aardappelen, door de inboorlingen +gegeten. Ook Europeanen lusten deze inlandsche aardappelen. + + + +88. Aardeikels. + +(Katjang tjina en k. tanah). + +Worden gekookt en gepeld, ook geroosterd en gepeld. Ze zijn zeer +voedzaam en zijn bekend als de "katjang-gorèng." + + + +89. Aardvruchten. + +(Obi dangdoer, of ketèlla pohon, obi djawa of ketèlla.) + +Deze knolgewassen maakt men schoon en kookt ze in de schil. De ketèlla +pohon wordt evenwel eerst geschild. Deze soort is de zoete cassave, +in tegenstelling van de bittere cassave, die, ongekookt, vergiftig +is. Bij koken verdwijnen hare vergiftige eigenschappen. + +Uit de cassave wordt, in Zuid Amerika, (ook op Sumatra) meel bereid, +bekend als de "tapioca." + +De obi djawa of ketèlla zijn langwerpig van vorm en kunnen vrij groot +worden. Zij worden in de schil gekookt. Men heeft de roode en de +witte obi. De roode is zoeter van smaak en ziet er van binnen geel uit. + +De inboorlingen nuttigen ze als aardappels en maken er ook, met +goeladjawa, zoete versnaperingen van. (De kollak). + + + +90. Aardappels. + +(Kentang.) + +Deze welbekende knolsoort wordt gewasschen en al of niet geschild +gekookt. Meestal worden zij geschild. + +Men zet de geschilde aardappelen, met een weinig zout, in koud of in +kokend water op. Na ± 20 minuten koken, prikt men er met een vork in, +om te onderzoeken of zij zacht en gaar zijn geworden. + +Men zet ze dan af, giet het water af en laat ze, zonder water, +even uitdampen. Men moet den pot nu en dan schudden, dan worden zij +"kruimig." + +Van gekookte, in schijfjes gesneden, aardappelen maakt men + + + +91. Gebakken aardappelen + +door ze, in boter of Genuaolie, aan beide zijden lichtbruin te bakken. + +Men zorge, dat de aardappelen in kokend-heete boter of Genuaolie +worden gebakken. + + + +92. Aardappelenpurée + +wordt gemaakt van fijngewreven gekookte aardappelen, heete melk met +of zonder boter. + + + +93. Hutspotsoorten van aardappelen + +met verschillende groenten of plantendeelen, maakt men door de gekookte +(of rauwe) aardappelen met een of andere groente te vermengen, als: + + + a. Aardappelen met knollen, + b. ,, ,, kool, + c. ,, ,, koolrabi, + d. ,, ,, bieten, + e. ,, ,, worteltjes, + f. ,, ,, peterselie, + g. ,, ,, selderie, + h. ,, ,, uien, dan worden de rauwe aardappelen met de + uien samen gekookt, + i. ,, ,, laboebladeren (als boerekool), + k. ,, ,, laboe (zoetig), + l. ,, ,, pisang (echt vegetarisch), + enz. enz. enz. + + + +94. Asperges + +uit blik of bereid met stoofsaus, welke saus men uit het asperge-nat +bereidt met boter, pala en wat meel. + + + +95. Andijvie of sesawie. + +Wordt op dezelfde wijze gemaakt. Men snijdt de andijvie of sesawie +aan stukken en kookt ze dan af met of zonder zout. Deze groente moet +in haar eigen vocht (het aanhangende water) koken. + +Daarna stooft men de andijvie of sesawie, na ze op een vergiet te +hebben laten uitlekken, met een weinigje boter en bloem (desnoods +ook met wat melk er bij) op. + + + +96. Bieten of kroten. + +Een of twee bosjes bieten, maïzena, boter, citroensap, water, een +weinigje suiker. + +Men schilt de bieten, snijdt ze in schijven, zet ze met een weinig +water en boter op, boven een zacht vuur, tot ze gaar zijn en bindt ze +dan met de aangemaakte maïzena, terwijl er wat suiker en een weinig +citroensap, voor den smaak, wordt bijgevoegd. + + + +97. Bieten met gedroogde zure appelen. + +De zure appelen worden een nacht in lauw water geweekt en in datzelfde +water gekookt, met wat suiker naar smaak en één citroenschilletje. Dan +worden zij vermengd met de bieten, die reeds, als onder no. 96, +gekookt zijn en door elkander geschud en daarna in de schaal ter +tafel gebracht. + + + +98. Bloemkool, + +wordt in Indië in flacons aangevoerd. Men giet het water af uit +de flacons, kookt nog even de bloemkool op en giet er een witte +bloemkoolsaus over. Deze saus kan men maken van melk, meel, boter, +één geklutst eierdooier en het bloemkoolnat. + + + +99. Brusselslof of cichorei. + +Wordt ook uit blik of flesch genomen en, evenals de bloemkool, met +een witte saus bereid. Men kan ze ook enkel met boter behandelen. + + + +100. Boerekool, (van jonge laboebladeren). + +Men rist de lange bladeren van de vrij dikke stengels af en kookt +ze op met water en een tikje zout. Men kan er dan, met aardappelen, +hutspot van maken. (Zie no. 93). + + + +101. Bombay-uien. + +De uien worden geschild, eene kruis er dwars over gesneden, gestoofd +in water, boter en een weinig zout, tot ze gaar zijn en daarna gebonden +met meel, dat in water is aangelengd. Men kan er een weinig citroensap +bij gebruiken. + +Het meel worde bij voorkeur met het uiennat ('t gekookte water) +aangelengd. + + + +102. Boonen + +in verschillende benamingen, als heeren-, prinsesse-, sla- of +spersieboonen. + +Worden alle op dezelfde wijze bereid. Men haalt ze af, breekt ze +en verwijdert er alle draadjes van, dan wascht men ze en zet ze met +water en wat zout op, boven een zacht vuur. Als ze gaar zijn, is het +water gewoonlijk ingekookt. Dan worden ze met wat boter, gedurende +een paar minuten opgestoofd en nu en dan in den pot geschud. + + + +103. Bruine en witte boonen. + +(katjang djògò). + +De boonen worden geweekt en daarna in 't zelfde water gekookt. Versche +boonen behoeven niet te worden geweekt. Het water moet ± 2 vingers +breedte boven de boonen staan. Zijn de boonen half gaar, dan voegt +men er een weinig zout bij. Men laat ze dan verder gaar koken. + +Witte boonen (gedroogde) worden geweekt en ondergaan overigens +dezelfde bereiding. + +Voor maaglijders, toch liefhebbers van bruine boonen, wordt de raad +gegeven, de boonen niet in hun geheel te laten, maar ze te pletten, +te zeeven of ziften en er, met een kluitje boter, purée van te maken. + + + +104. Boonen. (Snij-) + +(katjang boontjies). + +Worden met het snijboonmesje fijngesneden (geschaafd) en, naar de +hoeveelheid, opgezet met 'n paar kopjes water, 'n paar lepels boter en +een weinig zout en suiker, naar smaak. Men laat ze dan, dichtgedekt, +gaarstoven. Nu en dan moeten zij (in den pot) worden omgeschud. + + + +105. Doperwten. + +Gewoonlijk uit blik. De fijnste en jonge Indische doperwten, +b. v. die uit Tjipanas, zijn nog vrij hard. Zij worden met een +weinig van het eigen nat en wat boter gaargestoofd, gedurende eenige +minuten. Liefhebbers van jonge erwtjes doen er dan nog een weinigje +suiker bij. + + + +106. Jonge Djagoengpitten. + +(maïs.) + +Van eenige jonge djagoengs snijdt men de pitjes af van de kolven en +worden deze pitjes in een weinig water gekookt of gestoomd en daarna +met boter, suiker en een weinig zout opgestoofd. + + + +107. Erwten en capucijners, + +worden, evenals de bruine en witte boonen, geweekt en verder gekookt +en bereid. + +In den regel maakt men van de erwten een purée. Van de erwten maakt +men de snert of erwtensoep. + + + +108. Knollen. + +(lobak). + +Men schilt de lobaks, snijdt ze daarna aan schijfjes of reepjes, +wascht ze en zet ze met weinig water op een zacht vuur. + +Men gebruikt deze knollen met eene melksaus. (witte bloemkoolsaus, +zie bij no. 98; ook no. 62). + + + +109. Kool. + +De kool wordt schoongemaakt, van de buitenste bladeren ontdaan, in +vieren gesneden en met water en een weinig zout, op een zacht vuur +gekookt, tot ze bijna gaar is. + +Als de kool bijna gaar is, wordt ze er uitgehaald en laat men ze op een +vergiet uitdruipen. Daarna wordt ze gehakt en verder gestoofd in met +boter lichtgeel gefruite bloem en melk (of in het eigen kooknat). Men +laat ze dan nog goed gaarstoven. + + + +110. Kool rabi of raba. + +Koolrapen, een soort knolraap, die na schoongemaakt te zijn tot groente +wordt aangewend. 2 of 3 koolrabi, witte melksaus (no. 62), boter. + +Koolrapen worden geschild, in lange stukjes gesneden en in boter +gestoofd. Met melksaus gebruikt, als de knollen (no. 108). + + + +111. Komkommers. + +(ketimoen of bonteng). + +De komkommers worden geschild, aan stukken gesneden (de harten (pitjes) +er uitgehaald) en gaargestoomd in een weinig water met een weinig +zout. Als ze gaar zijn, stooft men ze verder op met een eiersaus, +(zie no. 55) en laat ze zoo nog eenige minuten op een zacht vuurtje +sutteren. + +Ze worden echter weinig als gestoofde groenten bij aardappelen +gebruikt. + + + +112. Kropsla. + +De kroppen worden van de buitenste harde bladeren ontdaan, vervolgens +goed met frisch water schoongemaakt en er flink doorheen gehaald, +om zand en diertjes (slakken) te verwijderen. Zijn ze schoon, dan +worden ze gekookt in ruim water met wat zout; vervolgens laat men ze +op een vergiet uitlekken en stooft men ze in een vuurvasten schotel +met boter en bovenop wat beschuitkruim. Men kan er naar verkiezing +een weinigje zout aan toevoegen. + + + +113. Laboe. + +De laboe wordt geschild, in stukjes gesneden en verder bereid als +knollen (no. 108) of als de komkommers (no. 111). + + + +114. Liefdesappels of tomaten. + +(een zeer gezocht vegetarisch eten). + +Groote, rijpe tomaten worden in warm water even opgekookt, daarna +van het dunne schilletje ontdaan en verder gestoofd in een pan met +boter. Dichtgedekt. + +Men kan ze, desgewild, met wat aangemaakte maïzena, binden. + + + +115. Palmiet. (de top der arèn- en klapperboomen.) + +De jonge, zachte (witte) palmiet wordt even schoongemaakt, aan stukjes +gesneden en verder gekookt, gestoofd en bereid als de knolletjes +(no. 108). + + + +116. Pepaja. + +Jonge pepaja's worden geschild, aan reepen gesneden, in water en +weinig zout gekookt en daarna met een bloemkoolsaus (no. 98) begoten +en zoo voorgediend. (Gelijken op de holl. knolletjes.) + + + +117. Peulen. + +(katjang kapri). + +Peulen uit blik stooft men met boter en een tikje suiker op. + +Versche peulen worden als sla- en prinsesseboonen (no. 102) +behandeld. Men zet ze op met een weinig water, boter, suiker en zout, +en schudt den pot nu en dan om. + + + +118. Postelein. + +(krokot of gèllang). + +Wordt gewasschen en zonder water opgezet. Men moet ze vooral eerst +terdege van al het onkruid zuiveren. Na het wasschen laat men de +postelein op een vergiet goed uitlekken, waarna men ze pas, zonder +water, opzet. Op een zacht vuur zal de postelein gaan smelten. Als +ze gaar is, wordt ze weêr op het vergiet gedaan en van het nat met +in boter lichtgeel gefruite bloem, maakt men een saus, waarin dan de +postelein verder wordt gaargestoofd. + + + +119. Prinsesseboonen. + +Zie boonen (no. 102). + + + +120. Roode kool. (blikgroente). + +Wordt met boter, bessensap, suiker en een weinig zout samen +opgestoofd. In de plaats van bessensap kan men citroensap gebruiken. + + + +121. Selderij. + +Men wascht de selderij en snijdt ze in stukken van een vinger lengte. + +Men zet ze op met weinig water en weinig zout, boven een zacht vuur. Na +een groot kwartier is ze gaar en legt men ze op een vergiet. Van het +nat maakt men een sausje van boter en bloem, waarin men de selderij +verder laat gaarstoven. + + + +122. Salade. (als stoofgroente). + +De salade goed schoonmaken van vuil en diertjes, ook van de buitenste +harde bladeren ontdoen en ze daarna koken, stoven en verder behandelen +als de andijvie (no. 95). + + + +123. Schorseneren. (blikgroente). + +Worden als de knollen behandeld, gestoofd en met een witte stoofsaus +(no. 98) overgoten en aldus voorgediend. + + + +124. Spinazie. + +(bajem). + +Moet goed worden schoongemaakt, van alle vuil, diertjes en onkruid +ontdaan en verder zonder water, maar met een weinigje zout worden +opgezet. De verdere behandeling geschiedt als bij de postelein +(no. 118). + +In plaats van bloem in boter gefruit neemt men wel eens beschuitkruim +of stukjes brood, die men met het spinazienat fijnmaakt. + +Als de spinazie wordt voorgediend, garneert men het gerecht met +stukjes bruingefruit brood en in vierde parten gesneden gepelde +gekookte eieren. + + + +125. Taugé. + +(uitspruitsels van de katjang idjoe). + +Hoewel niet direct als groente in het dagelijksch leven gebruikt, +speelt zij een voorname rol in de indische (en als salade) in de +europeesche keuken. Ze wordt met een weinig zout opgezet en half gaar +gekookt, zoo, dat de spruitsels nog knappen. + +Ook de Chineezen maken bij hunne recepten (met en zonder +varkensvleesch, bahmie, kiemloh, enz.) veel gebruik van de zoo zeer +gezochte taugé. Bij de vegetariërs kan ze als salade goeden dienst +doen. (zie no. 135). + + + +126. Walòh. + +(de gele pompoen). + +Men neemt van de walòh een stuk af als men noodig acht, haalt er het +zaad uit en snijdt het afgesneden deel in kleine stukjes. + +Deze worden, gedurende korten tijd, in weinig water, boven een zacht +vuur, spoedig gaar. Van het nat maakt men met citroensap, boter en meel +een stoofsaus en stooft de stukjes walòh hierin nog eenige minuten op. + + + +127. Zuring. + +Na het afrissen der blaadjes van de nerven, wascht men ze goed en +laat ze op een vergiet uitlekken. Verder wordt ze als de postelein +(no. 118) behandeld. Men kan de zuring den zoeten smaak geven, door +toevoeging van suiker of stroop. Er zijn velen, die er ook krenten +en rozijnen bijvoegen, of pruimen--in dit laatste geval bindt men de +zuring met maïzena in water aangemaakt. + + + + + + + +F. SLASCHOTELS. + + +128. Aardappelsalade. + +Overgeschoten of verschgekookte maar koude aardappelen worden aan +schijfjes gesneden en daarna goed geroerd (gefatigueerd) met de +volgende saus: op het sap van 1 kleine djeroek nipis 2 theelepels +slaolie--op 1 groote of 2 kleine djeroek nipis 3 à 4 theelepels slaolie +benevens een weinigje suiker naar smaak. Met deze olie maakt men het +kruim van een paar aardappels fijn, door alles goed te mengen. + +Die saus wordt door de aardappelen geroerd. + +Men kan ook de saladesaus no. 65, of een der mayonnaisesauzen no. 63 +of no. 64 nemen. + + + +129. Andijviesla. + +Zeer malsche andijvie wordt goed gewasschen, schoongemaakt en van alle +onzuiverheden (slakken, enz.) ontdaan en zeer dun gesneden (iris) +als de rampéj. De verdere behandeling en verwerking tot sla is het +door elkander roeren van de fijne andijvie met de saus no. 65 of met +een der beide mayonnaisesauzen. + + + +130. Boonensla. + +(Van heeren-, spersie-, prinsesse- of slaboonen). + +Gekookte boontjes worden evenals de andijviesalade bereid. Men kan +door de saus een paar gekookte aardappelen heenwrijven of een der +mayonnaisesauzen gebruiken. (No. 63 of 64) + + + +131. Koolsla. + +De hartjes van eenige kleine kolen worden zeer fijn gesneden (iris) +als de rampéj en daarna aangemaakt met olie en citroensap in de +opgegeven verhouding (no. 128). Men roert alles goed door elkander +en laat deze sla, vóór ze te gebruiken, een goed half uur staan. + + + +132. Komkommer- of ketimoensla. + +Een paar rijpe ketimoens worden met een komkommerschaaf fijngeschaafd +aan zeer dunne schijfjes--òf men snijdt ze met een mes aan zeer +dunne schijfjes,--waarna men ze goed door elkander roert met een der +opgegeven mayonnaisesauzen (no. 63 of no. 64). + + + +133. Salade italienne. + +Gekookte knolletjes (lobak), worteltjes (uit blik), bieten, worden +in verschillende figuurtjes gesneden (sterren, enz.) en alles in +vakken geschikt, rondom een pyramide van eenige aardappelenpurée. Om +de verschillende groentevakken stort men een der uitgekozen +mayonnaisesauzen. + + + +134. Salade variée. + +Worteltjes, doperwtjes, lobakjes, snijboonen, aspergepunten en +mayonnaisesaus. + +Men maakt in een schotel een laag van snijboonen en plaatst daarop--in +het midden--de doperwtjes en aspergepunten, waaroverheen men een paar +lepels mayonnaisesaus stort. De overige opgegeven groenten komen er +in verschillende vakken om heen. Verder wordt er, bij het voordienen +van deze salade, nog mayonnaisesaus gepresenteerd, naar verkiezing +van hen, die meer saus wenschen. + + + +135. Taugésla. + +De taugé wordt half gaar (stengah mateng) gekookt en als gewone salade +verwerkt met een saus van citroensap en Genuaolie en, naar verkiezing, +een gekookt ei er door fijn gewreven. + + + +136. Salade (gewone). + +Kropsla. Van deze de buitenste bladeren verwijderen, de sla verder +goed schoonmaken, de blaadjes van de harde nerven afrissen, ze laten +uitlekken op een vergiet--of met de hand goed uitpersen (meres) +en verder met de vegetarische saus van citroensap, slaolie en een +fijngewreven aardappel bereiden en door elkander roeren. Men kan ook +mayonnaisesaus gebruiken. + + + +137. Tomatensla. + +Na de rijpe tomaten te hebben gewasschen, snijdt men ze aan dunne +schijven en bedekt deze met een der verschillende opgegeven sauzen. Men +laat de aangemaakte sla een goed uur staan, vóór het gebruik. + +Men dient deze salade voor met kleine, uitgezochte kropjes salade, +om de tomaten geschikt. + +Nog een voor Indië bijzonder geschikte salade is de + + + +138. Palmietsla. + +De jonge palmiet wordt aan kleine stukjes en reepjes gesneden en +verder geheel behandeld als de taugésla (no. 135). + +N.B. Ter versiering van al deze verschillende slasoorten kan men een +of twee gekookte, gepelde eieren in 4e of 6e parten deelen en deze +over de salade netjes arrangeeren. + +Bij + + + +139. Vruchtensla + +worden geen schijfjes eieren ter versiering gebruikt. Men kiest +daartoe de volgende vruchten: tomaten, mangga en ananas. + +De tomaten worden aan zeer dunne schijfjes gesneden en deze bedruppeld +met citroensap. + +Vervolgens worden de geschilde mangga's en ananas aan zeer kleine +stukjes gesneden en door de tomaten heen geroerd. + +Van vele Indische vruchten kan men goede vegetarische saladen maken: +mangga, ananas, djeroeks (keprok, matjan enz.), djamblang (zonder +pitten, maar met zout) roekem, lobi-lobi, gendaria, djamboesoorten, +enz. + + + +140. Zwitsersche sla. + +Kropsla, zwitsersche geraspte kaas en mayonnaisesaus. + +Men roert de kaas gedurende 10 minuten goed met de mayonnaisesaus +door elkander en fatigeert hiermede de kropslaatjes. + + + + + + + +G. GESTOOFDE VRUCHTEN, COMPÔTES EN MOEZEN. + + +(boeboers). + + +1. GESTOOFDE VRUCHTEN. + + +141. Abrikozen. (gedroogde). + +De abrikozen worden gewasschen en in water geweekt. Men stooft ze op +in hetzelfde weekwater en voegt er suiker naar smaak bij. Wil men ze +rood gestoofd hebben, dan voegt men er een heel of half splitglas--naar +de hoeveelheid abrikozen--bessensap aan toe. + +Ook de + + + +142. Pruimen (gedroogde), + +ondergaan dezelfde bereiding; het bessensap wordt er, voor den +aangenameren smaak en voor de jus, bijgevoegd. + + + +143. Ananas-stoof. + +1 of 2 rijpe ananassen, het sap van 1 djeroek nipis, suiker en water. + +De vruchten worden goed geschild, schoongemaakt en aan stukken +gesneden; reepen van 1/2 vingerlengte. Dan perst men er het citroensap +over, kookt ze met wat water en suiker goed gaar. + + + +144. Gestoofde appeltjes. + +Gedroogde zure appelen worden goed schoongemaakt, zoo noodig de +enkelen van de restant klokkenhuisjes en schilfers ontdaan en een +nacht in water geweekt. In datzelfde water moeten zij worden gestoofd +met suiker en een citroenschilletje. + +Men bindt ze met wat maïzena, met water aangemaakt. + + + +145. Gestoofde bananen (pisang). + +Eenige stuks pisang-radja (1/2 of 1/1 sisir) worden geschild, aan +stukken schuin gesneden en met een weinig suiker, bessensap en wat +citroensap gestoofd. + +Men kan ze binden met wat met water aangelengde maïzena. + + + +146. Blimbing-assem. Stoof. + +Groene, geen rijpe blimbings worden goed geprikt, met suiker +bestrooid--laag om laag--en een nacht zoo gelaten. + +Daarna stooft men ze met het eigen water, wat er af is gekomen, +met nog wat water er bij en suiker naar smaak. + +Men voegt er 1/4 glas ananasstroop bij, laat het zoo zachtjes +doorstoven, tot de blimbings gaar zijn. Men kan ze met wat aangemaakte +maïzena binden. + + + +147. Gestoofde djamboe's. + +Voornamelijk de djamboe-bol en de djamboe-bidji. Van deze laatste +haalt men de pitjes eerst goed weg en snijdt dan de djamboes aan +stukjes. Bij de djamboe-bol doet men suiker en, voor de kleur, een +weinig bessensap en kookt ze in water verder gaar. Men kan ze binden +met arrowroot of maïzena. + +De djamboe-bidji of Guave wordt geschild--van de pitjes ontdaan +(naar verkiezing) en in water met suiker--desnoods ook met wat +bessensap--gaargestoofd. Ook deze djamboestoof kan men dik maken of +"binden", zooals overal elders reeds is aangegeven. + + + +148. Gendaria, gestoofde. + +Deze Indische wilde pruimensoort wordt goed schoongemaakt en, met de +schil en pit gekookt in weinig water en suiker naar smaak. Ze worden +te voren geprikt en mogen niet lang koken, daar ze spoedig gaar zijn. + + + +149. Pepaja, gestoofde. + +Halfrijpe pepaja's (mengkel) worden geschild, gehalveerd, van de +pitjes ontdaan en met wat water, suiker en citroensap, boven een niet +te hard vuur, gaar gestoofd. + + + +150. Ramboetans, gestoofde. + +De beste soort ramboetans voor dit gerecht is de ramboetan-atjéh. Ook +de ramboetan-boeloe kan men stoven. Men schilt de ramboetans en stooft +ze in hun geheel, met de pit er in, gaar, in wat water, suiker en +citroensap òf bessensap. + +Men kan ze, naar verkiezing, binden met wat aangemaakte arrowroot +of maïzena. + + + +151. Tjeriméj, gestoofde. + +Rijpe tjeriméj's worden goed schoongemaakt, gewasschen en met water, +suiker en een weinig citroensap gaar gestoofd. Men kan ze met maïzena +binden of verdikken. + + + +152. Woenie, gestoofde. + +De Indische zwarte bessen, (woenie's) worden gewasschen en gaar +gestoofd in weinig water met suiker. Naar verkiezing kan men ze binden +en er voor den smaak citroensap (of ook kaneel) bijvoegen. + +De ware vegetariërs gebruiken bij de stoofvruchten, bij voorkeur het +eigen water waarin de vruchten zijn gewasschen en geweekt en doen +er zoo weinig mogelijk suiker of eenig andere zoetigheid bij, om den +natuurlijken vruchtensmaak niet te laten verloren gaan. Zij nemen om +te "zuren", nooit chemische, doch altijd plantenzuren zooals citroen- +of bessensap. + + + +153. 2. COMPÔTES + +zijn, in 't algemeen, al deze zelfde gestoofde vruchten, maar dikker +gemaakt door méér arrowroot, gelatine, agar-agar of maïzena; de +vruchtengerechten komen echter dan koud op tafel. + +Perziken, abrikozen, reine claudes, aardbeien, pruimen, moerbeien, +allen op water, worden zóó uit de flacons in glazen compôteschaaltjes +overgestort en voorgediend. + + + + + +3. MOEZEN. + +boeboers of papsoorten + +(van gekookte en rauwe vruchten.) + + + +154. Advocaat, rauwe, koude moes. + +Rijpe advocaten worden geschild, schoongemaakt, van de pit ontdaan en +het vleesch der vruchten door eene zeef fijn gewreven. Men vermengt +ze daarna met suiker en citroensap. + + + +155. Kawèsta of madja, rauwe, koude moes. + +De vruchten slaat men stuk en haalt het binnenste met een lepel uit +de harde schaal. + +Dat binnenste ziet er geelbruin en zwartbruin uit, gelijkt veel op +een bruine moes met vele kleine pitjes. Dit vruchtenvleesch lengt men +met water aan en bereidt ze verder met goela djawa tot een rauwe moes. + + + +156. Zuurzak, rauwe, koude moes. + +De groote, rijpe vrucht wordt in dikke mooten gesneden, de schil +er van afgehaald en daarna het vleesch, dat men als groote dikke +vlokken af kan halen, van de zwarte pitten ontdaan en door eene zeef +fijn gewreven. + +Men vermengt deze vruchtenpap met citroensap en suiker en roert alles +goed door elkander. + + + +157. Tamarinde moes. + +de bekende "boeboer-assem" (gekookte moes.) + +Eenige plakken rijpe tamarinde (assem) zooals die op de passars +verkrijgbaar zijn, (dan wel versche oude assem) worden goed uit +elkander gehaald, van de onzuiverheden en pitten ontdaan en met water +tot moes gaar gekookt. Het moes wordt dan door een zeef gewreven en +verder opgekookt met de noodige goela djawa. Is het moes niet dik +genoeg, dan kan men het binden met aangemaakte maïzena. + +De "boeboer-assem" is in vele huishoudingen een zeer gezocht en +gezond nagerecht. + +In vele inrichtingen, scholen enz. in Indië komt deze boeboer vaak +des avonds op tafel als een "toetje", zooals in Europa de karnemelk +met stroop. + + + +158. Dadelmoes. + +(boeboer-korma). + +Rijpe, gesuikerde of geconfijte dadels, (korma), zooals men die op +de passars aantreft, worden uit elkander gehaald, gezuiverd, van de +langwerpige pitten ontdaan en met water opgekookt, daarna gezift +(door een tanggok) en met aangemaakte maïzena wat gebonden. Naar +smaak kan men er wat goela-djawa bij koken. + + + +159. Gendariamoes. + +(Indische pruimenmoes). + +Rijpe geelachtige gendaria's worden goed schoongemaakt, van de +steeltjes ontdaan en dan kortop met water opgezet, waarbij men, onder +het koken, witte suiker voegt. Als ze gaar zijn, laat men ze wat +afkoelen, haalt er de pitjes uit en wrijft het vleesch der vruchten +door een zeef fijn. + +Daarna kan men dit moes nog eens met wat goela djawa opkoken. + + + +160. Kedoengdoengmoes. + +Eenige rijpe kedoengdoengs worden geschild, schoongemaakt en in +heet water te weeken gelegd, desnoods zachtjes gestoofd. Men zift +ze daarna fijn en maakt van het moes een pap met wat dikke assem- +of ananassiroop en suiker naar smaak. + + + +161. Manggamoes. + +(boeboer-mangga). + +8 à 10 half rijpe mangga's (mengkel) water, suiker, een weinig +djeroeksap en arrowroot of maïzena (aangemaakte) om te binden. + +De mangga's (liefst mangga wangie) worden goed schoongemaakt, geschild, +in de helft gesneden, de groote pit (pelem) verwijderd en daarna +opgezet met water, tot ze gaar zijn gekookt. Daarna worden de stukken +mangga door een zeef fijngewreven en met suiker en citroensap opgekookt +en, zoo noodig, gebonden met de aangemaakte arrowroot of maïzena. + + + +162. Abrikozenmoes. + +Hetzelfde als hiervoren (no. 161) maken en alles door een zeef +fijnwrijven. + + + +163. Appelmoes. + +Hetzelfde als onder no. 161 maken en daarna de gestoofde stukjes +appelen door een zeef fijnwrijven. + +Velen geven de voorkeur aan manggamoes--de Indische appelmoes. + + + +164. Pruimenmoes. + +Men doet evenals met de gedroogde pruimen (zie no. 142) en wrijft +alles door eene zeef fijn, zoodat de pitten achterblijven. + + + + + + + +H. EENIGE SAMENGESTELDE GERECHTEN IN VUURVASTEN SCHOTEL. + + +165. Appelmoes met brood. + +Men doet, in een vuurvasten schotel, laag om laag, met een weinig +boter op den bodem, brood, dan appelmoes, daarna weer brood dan een +laagje moes, de bovenste laag brood. Men laat den schotel 3/4 uur in +den niet te heeten oven bruin worden. + +Het brood kan versch zijn, doch bij voorkeur neemt men oudbakken, +tot kruim gestampt brood. + +Dezen schotel kan men varieeren b. v. + + + +166. Appelmoes met brood en krenten. + +Men neemt dan dunne sneedjes wit brood, welke men even met water +vochtig maakt, (besprenkelt), legt deze sneedjes onder in den +vuurvasten schotel, welks bodem met wat boter is bestreken en doet +op het brood een laagje appelmoes en daarop een laagje goed geweekte +gekookte krenten. Daarop wederom brood, dan wat appelmoes, krenten, +enz. afwisselend. Bovenste laag moet brood zijn. Men kan ook de +sneedjes brood in vanillesaus weeken. + +In den oven laten, tot het brood bovenop een mooie lichtbruine +kleur heeft. + +Op dezelfde wijze kan men + + + +167. Manggamoes met brood + +maken. In plaats van appelmoes neemt men dan boeboer-mangga. + + + +168. Bloemkool met aardappelpurée. + +Gekookte bloemkool (uit de flacon of flesch), het water worde niet +weggeworpen. Aardappelpurée. + +In den vuurvasten schotel doet men een laagje boter, daarop een +laagje purée, welke vermengd is met bloemkoolnat, daarop de stukjes +gekookte bloemkool, dan weer de bereide purée en zoo voort, laag om +laag. Bovenop wat purée en hierover wat gestampt beschuitkruim met +een weinigje boter. Men plaatst den bereiden schotel in den oven, +laat ze gaar worden, tot de bovenkorst er bruin of lichtbruin uitziet. + + + +169. Groenten met aardappelpurée. + +Allerlei overgeschoten groenten (behalve kool) en aardappelpurée. + +In een vuurvasten schotel, met op den bodem een weinig boter, doet +men een laag aardappelpurée, die met water en boter is bereid. De +gekookte groenten (peentjes, doperwtjes, peulen, snijboontjes, +aspergepuntjes enz.) worden samen gevoegd, fijngehakt en met boter +en citroensap vermengd en deze, laag om laag, op de purée gedaan +d. i. purée, groenten, purée, enz. Op de bovenste laag, purée, doet +men wat beschuitkruim met een kluitje boter. In den oven den korst +bruin of lichtbruin laten worden. + + + +170. Macaroni met kaas. + +Men kookt de macaroni, die gewasschen en in stukken is gebroken, +niet te gaar in water met een weinigje zout. Dan laat men de halfgare +macaroni in een vergiet goed uitlekken en doet daarvan één laag--de +onderste--in een vuurvasten schotel, waar, op den bodem, een weinigje +boter is gedaan. Dan neemt men de overige macaroni, snijdt deze aan +stukjes en vermengt dit met geraspte kaas en 2 of meer geklutste +eierdooiers. Deze massa doet men op de onderste laag macaroni, +klutst het wit van de eieren stijf en plaatst dit op de massa. Laat +dan alles in den oven gaar worden tot er zich een gele korst bovenop +heeft gevormd. + + + +171. Tomaten met brood. + +De tomaten worden, na gewasschen te zijn, in kokend water gelegd. Als +zij bijna week zijn, worden zij er uit gehaald en, over de breedte, +in tweeën gedeeld. + +Nu doet men in een met boter besmeerden vuurvasten schotel éérst +een laagje sneedjes wittebrood (de korsten afgesneden) en daarop de +gehalveerde tomaten, dan weêr brood, enz. bovenste laag brood. Hierop +een weinig boter en dan het gerecht in den oven verder laten gaar +worden. Er moet zich bovenop een lichtbruin korstje vertoonen. + + + +172. Uien en aardappelen. + +De uien worden fijngesneden, in boter gefruit en, laag om laag, +afwisselend met plakjes of schijfjes aardappelen, in den vuurvasten +schotel gedaan, waar, op den bodem, boter is gestreken. De onderlaag +moet aardappelen zijn, ook de bovenste laag. Hierover beschuitkruim, +met wat boter. + +Men plaatst den schotel in den oven en laat het gerecht gaar worden. De +bovenkorst moet er lichtbruin uitzien. + + + + + + + +I. NAGERECHTEN. + + +173. Broodpap. + +1 Liter melk op 1 ons brood, aan stukjes gesneden. Deze is de +standvastige verhouding. + +Men zet de melk met een weinig water op en laat ze koken. + +Als ze kookt, doet men er het brood bij en blijft er aanhoudend in +roeren, tot de pap dik wordt. + + + +174. Boekweitegort met melk. + +1 Liter melk op 1 1/4 ons boekweitegort, een zeer klein weinigje zout. + +Men zet de melk op en laat ze koken. Als ze kookt, wordt, bij kleine +beetjes, nu en dan een handje vol, de gort en het zout er in gedaan +en de melk aanhoudend geroerd, tot ze dik is. Als de pap dik is, +wordt ze afgenomen en voorgediend met stroop of suiker. + + + +175. Gewone gort. + +1 Liter karnemelk (of melk) op 1 ons gort. De gort wordt een nacht +van te voren, desnoods eenige uren van te voren, in de karnemelk of +in de melk te weeken gezet, waarin ze moet worden gekookt. + +Men brengt dan verder de gort in die melk aan den kook en laat ze zoo +doorkoken, tot de korrels gort goed zijn uitgedijd. Twee à drie uren +zachtjes koken. + +Men eet deze gort met stroop of suiker. + + + +176. Griesmeelpap. + +1 Liter melk op 1 ons griesmeel, een klein weinigje zout. (Men kan er, +naar verkiezing, suiker bijkoken). + +De melk wordt gekookt en daarna wordt, beetje bij beetje, het griesmeel +er door geroerd. + +Men blijft er in doorroeren tot het meel gaar is en dik wordt. + +Deze pap wordt met stroop of suiker gebruikt. + + + +177. Haverdegortpap. + +Dezelfde verhouding en dezelfde bereiding als de boekweitegort +(no. 174). + +Ze moet op een zacht vuur langer doorkoken dan de boekweitegort. + + + +178. Havermout. + +Evenzoo dezelfde verhouding en bereiding als no. 174. Om klonteren te +voorkomen, wordt de mout ook bij beetjes in de kokende melk gedaan en +doorgeroerd. Dik geworden is de pap gereed. Men kan aan de havermout +een eigenaardigen lekkeren smaak geven, door er een weinig saffraan +aan toe te voegen. + + + +179. Deensche brij. + +1 1/4 Liter kokend water, 1 ons parelgort, 3/4 splitglas bessensap, +4 à 5 lepels krenten en evenveel rozijnen, 2 à 3 lepels witte suiker. + +De parelgort wordt goed gewasschen en bij het kokende water gedaan. Men +laat ze zachtjes 1 à 1 1/2 uur koken. De rozijnen en krenten worden +goed gewasschen en met het bessensap en de suiker er doorheen +geroerd. Wordt de brij te dik, dan doet men er heet water bij. + + + +180. Maïzenapap. + +1 Liter melk op 1/2 ons maïzena (4 à 5 lepels)--vaste verhouding, +anders wordt de pap te dik. + +Men kookt eerst de melk. Dan maakt men de maïzena aan, met een weinig +(van dezelfde) koude melk en voegt ze daarna bij de geheele hoeveelheid +kokende melk. Men blijve aanhoudend roeren. In eenige minuten is de +maïzena gaar en dik. + +Men eet deze pap met suiker, stroop of goeladjawastroop. + +Voegt men een weinigje zout bij de pap, die men dan wat dunner moet +koken, dan heeft men een goede vervangster (surrogaat) voor de zoo +zeer in Indië gewilde + + + +181. Boeboer soemsoem, + +die men altijd met goeladjawastroop moet gebruiken. + + + +182. Rijst met krenten. + +Een half pond rijst, een ons krenten, 2 theelepels zout. + +Men neemt, om de rijst goed tot pap gaar te koken, op ééne hoeveelheid +rijst, drie maal dezelfde hoeveelheid water, b.v. 1 kopje rijst op +3 kopjes water. + +Moet de rijst gaar en korrelig zijn (geen "pap") dan is de verhouding +1 rijst op 2 water. + +Het halve pond rijst wordt, na goed te zijn gewasschen, met zout en +water opgezet in de verhouding als hierboven opgegeven: 1 rijst op +3 water. + +De krenten worden gewasschen en 10 minuten met weinig water gekookt. Is +de rijst gaar, dan voegt men er de gekookte krenten bij en roert alles +goed door elkander. Men eet deze rijstepap met suiker (ook wat kaneel +er bij, naar verkiezing.) + + + +183. Rijst met karnemelk. + +1 1/2 ons rijst, 1 liter karnemelk. + +De rijst wordt schoongewasschen, daarna opgezet met koude +karnemelk. Langzaam doorroeren, tot alles kookt. Men laat daarna de +rijst nog eenigen tijd uitdijen. + +Men gebruikt deze pap met witte suiker. + + + +184. Rijstenbrij. + +Op 1 1/4 liter melk 150 gram rijst (voor matig dikke brij.) Wil men +dunne brij hebben, 100 gram en dikke brij, 200 gram rijst op dezelfde +hoeveelheid melk. + +De melk wordt gekookt in een schoone pan, die eerst met helder versch +water is omgespoeld en de rijst, die goed is gewasschen, wordt er dan, +al roerende, ingestort. + +Men blijft doorroeren, tot de melk is doorgekookt, waarna men de +rijst en melk nog 1 1/2 uur samen zacht laat koken. + +Men gebruikt de rijstenbrij met witte suiker. + + + +185. Saffraanrijst. + +Dezelfde verhouding als hierboven en voor 10 cents saffraan (bij den +apotheker te ontbieden.) + +Dezelfde bereiding als hierboven, no. 184, terwijl men bij de in de +melk gestorte rijst de saffraan voegt en deze laat medekoken. + +Deze gele rijstepap wordt met witte suiker gebruikt. + + + +185a. Prinses Julianarijst. + +Hetzelfde maar roode kleurstof bij de gele saffraan mengen, voor +de oranjekleur. + + + +186. Tapiocapap. + +1 1/4 Liter melk op 1 ons tapioca. + +De tapioca wordt gewasschen, in de melk te weeken gezet en daarna +in diezelfde melk gekookt. Nu en dan moet men roeren, ter voorkoming +dat de tapioca aanzet. Is ze gaar, dan laat men het gerecht nog een +à 1 1/2 uur boven een zacht vuurtje doorkoken, opdat de tapioca zich +behoorlijk kan uitzetten. + +Ze is, gaar zijnde, doorschijnend-glazig. + +Men gebruikt ze met witte suiker. + + + +187. Vermicellipap. + +1 Liter melk, vermicelli naar eigen bevinding (± 1 ons.) + +Men laat de melk koken, breekt er de vermicelli in en al zacht +roerende, laten gaar worden. (± 3/4 uur à 1 uur.) + +Wordt met witte suiker gebruikt. + + + +188. Jan in den zak I. + +1 Pond bloem, 1/2 pond krenten, 1/2 pond rozijnen, 3 eieren, 1/2 ons +gist (of 'n paar lepels legèn), 1/2 flesch melk, een weinig zout. Naar +verkiezing 1/2 ons zeer fijngehakt sucade, lauw-warm water. + +Men maakt van al de ingrediënten een beslag, als volgt: de bloem +wordt in eene kom gedaan, een kuiltje er in; eieren geklutst en in +het kuiltje gestort. De gist wordt met wat lauwwarme melk aangemaakt +en daarbij gedaan--of men voegt er de legèn bij--. Nu gaat men deze +massa, van het midden uit, roeren, zelfden kant om, en zoo lang roeren, +onder telkens toevoeging van wat melk, tot deze op is en alles een +glad, gelijk deeg is geworden. + +Daarna roert men het zout, de krenten, rozijnen en stukjes sucade door +het beslag, dat men dan 3/4 à 1 uur op een warme plaats laat rijzen. + +Is ze goed gerezen, dan doet men het beslag in een schoonen linnen +doek of zak, (sarong-bantal), die men van binnen met boter heeft +besmeerd. Den zak bindt men een handbreed (of iets meer) boven +het beslag, toe, om dat te laten uitzetten. Den zak in een pan met +lauwwarm water doen en zoo laten koken. Na 1 1/2 uur omkeeren en +op dezen kant ook laten koken. Onder het koken moet de zak dikwijls +worden opgehaald, opdat hij drijven blijft en niet op den bodem van +den kookketel (of de pan) gaat rusten. + +Men haalt, als hij gaar is, den Jan uit den ketel èn uit den zak en +gebruikt hem met keukenstroop. + +Een andere wijze van + + + +189. Jan in den zak II + +is: het deeg in een met boter ingesmeerden en met paneermeel +bestrooiden puddingvorm te doen en ze dan gedurende 3 uren "au bain +Marie" te koken. + +Natuurlijk neemt men dan de helft van de in het vorige nummer opgegeven +hoeveelheden. + +Ook deze koek wordt, hoewel oneigenaardig, "ketelkoek" of "zakkoek" +genoemd. + +Men eet ze ook met keukenstroop of met boter en suiker. + + + +190. Knoedels. + +100 gram meel, 1 ei, suiker en melk. + +Het ei wordt geklutst tot schuim en met het meel goed door elkander +gewerkt tot een dik deeg. Is dit deeg te dun of slap, dan voegt men +er nog wat meel bij. + +Vervolgens legt men dit deeg op een met meel bestreken plank, strijkt +het goed uit, rolt het nog eens op en neemt er hoeveelheden van af, +die men tot balletjes (kepel) kneedt. De balletjes kookt men in kokende +melk op, tot ze gaar en dik worden. Men voegt er, onder het opkoken, +suiker bij. + +Deze knoedels worden, met suiker bestrooid, genuttigd. In de melk +kan men wat vanille medekoken. + + + +191. Flensjes. + +1 ons bloem, 3 eieren, een paar kopjes melk, een weinig zout, boter. + +Men klutst de 3 eieren gedurende 5 minuten met zout en voegt er de +bloem, al roerende lepel voor lepel, bij, zoodat het "beslag" niet +klontert. Vervolgens roert men er, langzaam aan, de melk bij. Van +dit beslag bakt men, in boter, zeer dunne pannekoeken, "flensjes" +genaamd, en zorgt dat ze aan beide zijden lichtbruin zien. + + + +192. Flensjes met vulsel. + +(gelei, gestoofde vruchten, enz.). + +Hetzelfde beslag, dezelfde bereiding; zijn de flensjes gaar, dan doet +men er wat vulsel in en vouwt of rolt ze op. + + + +193. Flensjestaart. + +Dezelfde gevulde en gereed gemaakte flensjes worden in een met boter +besmeerden "basi-kasar" in rijen, kruiselings, op elkander geplaatst, +met wat vanillevla overgoten, dan met paneermeel bestrooid, waarbij +een kluitje boter er bovenop; daarna in den oven (pan-bàkàr) van +boven lichtgeel laten bakken. + + + +194. Pannekoeken. + +1 pond bloem, 4 à 5 eieren, 1 1/4 flesch melk, 'n paar lepels legèn, +zout, boter. + +Men doet de bloem in een kom; de eieren worden geklutst en langzaam +aan door de bloem geroerd; vervolgens wordt hierdoor de melk geroerd, +met de legèn. (Dooiers en wit kan men ook elk afzonderlijk kloppen +of klutsen.) + +Men laat nu dit beslag eenigen tijd (± 1/2 uur) rijzen en bakt daarna +de pannekoeken in een platte, pan, waarin boter of genuaolie goed +heet is gemaakt. + +Men kan ook, om de pannekoeken smakelijker en luchtiger te krijgen, +gesmolten boter door het beslag mederoeren. + +Men gebruikt de pannekoeken met suiker of stroop. + +Van de pannekoeken kan men tal van variatiën bereiden, naarmate van +hetgeen er in het beslag bij wordt gevoegd: als + + + a. pannekoeken met krenten, + b. ,, ,, sucade, + c. ,, ,, kaneel geroerd, enz., enz. + + + +195. Poffertjes. + +Een halfpond tarwebloem, 3 eieren, 1/2 theelepeltje zout, 1 kopje +gesmolten boter, (voor gist neme men 1 à 2 lepels legèn) en zooveel +lauwe melk, dat men van dit alles een deeg maakt, alsof men pannekoeken +zal bakken. + +Men klutst eerst de 3 eierdooiers stevig, waarna men er het meel, +de boter, het zout en de melk doorheen roert; is dit goed vermengd, +dat doet men er de legèn bij en het tot schuim geklopte wit der 3 +eieren; alles wederom goed door elkander roeren en het dan 1/2 uur +op een warme plaats laten rijzen. + +Is het genoegzaam gerezen, dan bakt men dit beslag in een flink met +boter bestreken en heeten poffertjespan. Aan beide kanten gaar bakken. + +Men eet ze met boter en suiker bestrooid. + + + +En zoo komt men geleidelijk tot de + + + + + + + +K. PUDDINGEN, TAARTEN EN VERDERE GEBAKKEN. + + +Puddingen worden met een of andere saus genuttigd en komen warm of +koud op tafel. + + + + + +1. WARME PUDDINGEN. + + +196. Aardappelpudding. + +20 groote aardappelen, 5 eierdooiers, 6 lepels boter, 1 ons +fijngestampte amandelen (of kenaries), 5 lepels suiker, 2 lepels +honig, 1 à 2 lepels legèn, 4 of 5 gestampte bitterkoekjes, het tot +sneeuw geklopte wit der 5 eieren, grenadine- òf vruchtensapsaus. + +De aardappelen schillen en met een weinig zout gaar koken, daarna +fijn maken tot purée en vermengen met de boter, de amandelen en de +bitterkoekjes. Dan klutst men de eierdooiers met de suiker en de +legèn samen op en roert dit door bovengemaakt aardappelbeslag; het +laatst roert men er het tot sneeuw geklopte eiwit door. Een kwartier +lang alles toegedekt laten rijzen. + +Nu neemt men een puddingvorm, besmeert dien aan de wanden en onder met +boter en bestrooit dien met beschuitkruim. Deze vorm wordt voor 2/3 +met het aardappelbeslag gevuld, daarna 1 1/2 à 2 uur "au bain Marie" +gekookt. Is ze gaar, dan wordt de pudding uit den vorm gestort, +op een vuurvaste schaal geplaatst en in den oven verwarmd, tot ze +wat droog en daarbij bruin is geworden. Men dient er grenadine- +of frambozensapsaus bij voor. + +N.B. In plaats van bitterkoekjes kan men ook geraspte citroenschillen +nemen. + + + +197. Amandelpudding. + +1/2 pond bloem, 1/2 L. melk, 1/2 L. water, 3 lepels boter, 3 of 4 +lepels suiker, 1 geraspte citroenschil, 4 ons gepelde fijngesneden +amandelen (of kenaries), 1 kopje gestampte beschuit, 4 of 5 geklutste +eierdooiers en het afzonderlijk geklopte eiwit, boter of olie, +beschuitkruim. + +Men maakt de bloem aan met water. Dan wordt de melk gekookt en daarna +de aangemaakte bloem en de boter er door heen geroerd; vervolgens +voegt men er de suiker en de geraspte citroenschil bij, terwijl men, +al roerende, de melk ± 1/4 uur laat doorkoken, tot het meel gaar +is. Nu zet men dit mengsel af en laat het wat bekoelen; roert er +vervolgens het gestampte beschuit, de fijngesneden amandelen en de +geklutste eierdooiers door en, als alles goed is vermengd, eindelijk +ook het tot sneeuw geklopte eiwit. + +Dit deeg doet men in een met boter of olie bestreken en met +beschuitkruim bestrooiden puddingvorm en laat het 1 1/2 uur koken. + + + +198. Broodpudding. + +Oudbakken brood, 3 à 4 eieren, 1 kopje suiker, een zeer weinigje zout +(1/4 theelepeltje), 1/2 stokje vanille, 1 theelepel kaneel in poeder, +(3 à 4 lepels gepelde amandelen), 1 ons rozijnen, 2 lepels boter èn +1 kopje gesmolten boter, beschuitkruim, melk. + +Het brood weekt men in de warme melk. Men klutst de eieren en roert +deze, met de suiker en het zout, door het geweekte brood, terwijl men +er ook de kaneel en het stukje vanille en het kopje gesmolten boter +verder doorheen roert. Daarna voegt men er de rozijnen (zoomede de +gepelde amandelen) bij, al roerende. + +Alles in een puddingvorm doen, die beboterd en bekruimd is en ± +twee uren laten koken. + +Met suiker, vanille- of vruchtensaus te gebruiken. + + + +199. Laz-Olas. + +1 1/4 flesch melk, 6 lepels maïzena, 3 à 4 lepels suiker, 1/4 +stokje vanille, 3 eieren, een tikje zout, 1 lepel boter, gelei of +vruchtenmoes. + +De eene flesch melk wordt met de suiker en de vanille gekookt. De +maïzena maakt men met de 1/4 flesch melk aan, roert er het tikje +zout door en 3 geklutste eierdooiers en stort dit alles, al roerende, +door de kokende melk. Men maakt te voren de vuurvaste schaal gereed, +met de lepel boter er in, stort dan een gedeelte van het beslag in +de schaal, doet daarop een paar lepels vruchtenmoes, die men er over +verdeelt en dan weer een laag beslag, zoo laag om laag voortgaande, +tot het beslag is verbruikt. Men brengt het warm op tafel. (Men kan +ook Marie-beschuiten nemen en daarop het moes, dan weer beslag, enz.). + + + +200. Macaroni- (of vermicelli) pudding. + +1 1/2 ons macaroni (òf vermicelli), 6 eieren, 1 L. melk, 2 à 3 lepels +boter, 2 à 3 lepels suiker, 1/2 ons gestampte zoete amandelen (of +amandelpers), citroenschil. + +N.B. De amandelen kan men door rozijnen, de citroenschil door vanille +vervangen. + +Men kookt de melk met de suiker en de citroenschil. De macaroni +heeft men te voren in water zacht gekookt en door eene zeef laten +uitdruipen. Deze doet men door de kokende melk en laat dan alles +bekoelen. + +Dan voegt men er de geklutste eierdooiers, wat boter, de amandelen +en, 't laatst, het stijfgeklopte eiwit bij en roert alles goed door +elkander. + +Men doet dit mengsel in een beboterden en met paneermeel bestrooiden +puddingvorm en kookt het dan, 2 uren lang, "au bain Marie." + +Te gebruiken met bessensap of vruchtensaus. + + + +201. Rijstpudding. + +1 1/4 L. melk, 2 ons rijst, 2 à 3 lepels boter, 4 à 5 lepels suiker, +1/2 citroenschil geraspt (of, in plaats van citroenschil: 1/2 ons +amandelen), 2 geklutste eierdooiers en het geklopte wit daarvan, +beschuitkruim. + +Men kookt rijstenbrij van de rijst, de melk, de citroenschil (of de +gesneden amandelen), daarna doet men er de suiker, 2 lepels boter, +de geklopte eierdooiers bij, roert dit alles goed door elkander en +voegt er, 't laatst, het tot schuim geklopte eiwit bij. + +Men doet vervolgens de massa in een, met boter bestreken en +beschuitkruim bestrooiden puddingvorm en kookt de pudding 1 1/2 à 2 +uur "au bain Marie". + +Men eet de pudding met vanille- of met vruchtensaus. + + + +202. Sagopudding. + +1 L. half water--half melk, 1 1/2 ons sago-Ambon, 2 lepels boter, +3 of 4 lepels suiker, een weinig oranjebloesemwater òf rozenwater +(1 à 2 theelepels), 3 eierdooiers, beschuitkruim, een zéér klein +weinigje zout. + +De sago-Ambon wordt geweekt; de water-en-melk wordt kokend heet +gemaakt en hierin, al roerende, de sago, boter, zout, suiker in het +oranjebloesemwater gedaan. Nadat de sago goed uitgedijd is, neemt +men de pan van het vuur, laat den inhoud eenigszins koud worden en +roert er de geklutste eierdooiers door. Deze massa in een puddingvorm +(beboterd en bestrooid) doen en een uur koken, "au bain Marie". + +Men gebruikt er vruchtensaus bij. + + + +203. Vruchtensap pudding. + +12 dunne sneedjes brood, de korstjes afgesneden, frambozen-, +woenie- òf ananasstroop, 8 eierdooiers, 3 ons groote rozijnen, 1/2 +ons fijngestampte zoete amandelen, 2 lepels geraspt brood, 1 ons +gesmolten boter, een paar lepels suiker, het tot sneeuw geklopte wit +der 8 eieren, meel. + +Men bevochtigt de sneedjes brood met de stroop, zoo, dat ze zonder +uit elkander te vallen, er van zijn doortrokken. De rozijnen schoon +wasschen en in warm water weeken. Nu voegt men, in eene kom, het +brood, de rozijnen, amandelen, de gesmolten boter, het geraspte +brood en de eierdooiers bij elkander, ook de suiker (naar smaak) +en als alles goed door elkaar is geroerd, 't laatst het geklopte eiwit. + +Deze massa in een beboterden en met meel bestrooiden vorm doen en +een uur "au bain Marie" laten koken. + +Voor men de pudding uit den vorm doet, deze eerst wat laten afkoelen, +daar ze anders moeilijk uit den vorm gaat. + + + +204. Zwampudding. + +1 ons bloem, 1 ons suiker, 1 ons boter, 7 goed geklopte eierdooiers, +1/2 liter lauwe melk of lauw water. Het tot schuim geklopt wit der +7 eieren; boter en beschuitkruim voor den puddingvorm. + +Van de bloem, suiker, boter en de lauwe melk (water) maakt men een +deeg en roert hierdoor de 7 geklopte eierdooiers; 't laatst voegt +men er het tot schuim geklopt eiwit bij en roert nog eens alles goed +door elkander. + +Deze massa storten in een met boter besmeerden vorm. Men zet den vorm +in lauw water, boven een matig vuur, op en laat alles dan 1/2 uur à +3 kwartier "au bain Marie" koken. + +Men gebruikt ze met een of andere saus b. v. vruchtensaus. + + + + + +2. KOUDE PUDDINGEN. + + +205. Abrikozenpudding. + +Men weekt (gedroogde) abrikozen in lauw water en brengt ze in datzelfde +water aan den kook, met zooveel suiker als noodig zal blijken, +om ze zoet te maken. Als ze gaar zijn, worden zij door een zeef +gewreven en met agar-agar of gelatine gebonden, d.w.z.: de agar-agar +wasschen, in stukjes snijden, in warm water doen en, roerende, koken +tot alles versmolten is en ze óók door den zeef wrijven, van ze met +den abrikozenmoes innig te verbinden, samen goed doorroeren en in +een natgemaakten steenen vorm doen. Men laat deze pudding afkoelen. + +N.B. Men zie over agar-agar en hare verhouding tot gelatine; Nieuw +Volledig Nederl. Ind. Kookboek: gewichtstafel, vooraan. (Uitgave +C. G. T. van Dorp & Co, Semarang.) + + + +206. Agar-agar. + +1 3/4 stang agar-agar, 1 bierglas orgeade, 4 à 5 kopjes melk, suiker +naar smaak, water. + +De agar-agar wordt goed schoongemaakt met water en in weinig warm +water versmolten. Nu kookt men de melk met de orgeade in de suiker, +giet daarna de warme agar-agar, door eene zeef, al roerende daarbij en, +als deze massa dik begint te worden, giet men haar in een natgemaakten +steenen vorm en laat ze daarin bekoelen. + +Men stort, vóór het gebruik, de pudding uit den vorm op eene schaal +en rangeert er vruchten op water om. + + + +207. Amandelpudding. + +1/2 ons tarwebloem, 1/2 ons rijstmeel of 1/2 griesmeel, 1 1/2 +ons suiker, 1 ons boter, 6 eieren, 3/4 ons zoete amandelen, melk, +abrikozen--(in 't algemeen) vruchtensaus, geraspte citroenschil. + +Bloem, meel, suiker en 3 à 4 lepels boter worden vermengd met 3 +theekopjes (van ± 1 dL. inhoud) lauwe melk. Men roert alles goed +door elkander, doet het dan in een pannetje op het vuur en blijft +doorroeren tot de massa van de pan loslaat. Hierbij voegt men, al +roerende, één voor één, de 6 eierdooiers, dan weer een paar lepels +boter en eindelijk de fijngestampte amandelen met een fijngeraspt +stukje citroenschil. Het laatst klopt men door deze massa het stijf +geklopte eiwit van 3 eieren, roert alles goed door elkander en giet +dit beslag in een beboterden en met suiker bestrooiden puddingvorm. Men +laat ze ± 1 1/2 uur "au bain Marie" koken. + +Men laat de pudding koud worden en stort ze uit den vorm op eene +schaal. + +Men gebruikt deze koude pudding met een vruchtensaus. + + + +208. Ananaspudding. + +Een ananas, 3/4 flesch melk, 1 1/4 stang agar-agar (of gelatine), +suiker naar smaak, water (citroensap, 1 theelepel). + +De geschilde, schoongemaakte ananas wordt aan kleine vierkante stukjes +gesneden, die met een weinig suiker en water worden afgekookt. Dan +warmt men de melk op; smelt de agar-agar (of de gelatine) en doet +dit bij de melk en voegt er, daarna, de gekookte stukjes ananas met +het water--en zoo noodig nog wat suiker naar smaak--bij. + +Al roerende wordt deze massa dik; men stort ze dan over in een +natgemaakten puddingvorm. Laten afkoelen en met of zonder saus +gebruiken. + +N.B. Niet te hard koken opdat de ananas haren smaak niet verlieze. + + + +209. Blanc-manger. + +1 flesch melk, 1 1/4 stang agar-agar, 1/2 stokje vanille, 1 ons +bitterkoekjes. 3-5 lepels suiker. + +De melk wordt even met de vanille opgekookt; daarna roert men er de +suiker en de te voren week-gemaakte bitterkoekjes door. De agar-agar +lost men op, zift ze, roert ze door de massa en giet dat dan over +in een natgemaakten steenen vorm, dien men in de ijskist--of op een +koele plaats--doet. + +Bij gebruik stort men den blanc-manger op eene schaal en rangeert er +vruchten op water om heen. + + + +210. Chocoladepudding. + +1 flesch melk, 5 lepels maïzena, 6 lepels chocoladepoeder. 4 à 5 +lepels suiker. Vanillevla. + +Men maakt de maïzena en de chocolade samen aan met een weinig +melk. Het overige van de melk warmt men met de suiker, roert er het +chocolademengsel doorheen en laat dit, al roerende, dik worden. Men +stort alles vervolgens in een natgemaakten steenen vorm, laat het +bekoelen en doet het koud uit den vorm op eene schaal. Men gebruikt +er vanillevla bij. + +N.B. In plaats van maïzena kan men er ook 1 1/4 stang agar-agar +voor gebruiken. + + + +211. Citroenpudding. + +Het sap van 3 of 4 citroenen (djeroek nipis), 1 1/2 ons suiker, 1/4 ons +bloem, 3 à 4 kopjes water, 4 eierdooiers, bijna 3/4 stang agar-agar (of +12 à 15 blaadjes gelatine), het tot sneeuw geklopte wit van 4 eieren. + +Men klopt de 4 eierdooiers met de suiker; maakt de bloem met water +aan, smelt de agar-agar (of gelatine) en roert dit alles bij en door +elkander. Men zet dit dan in een pannetje op het vuur en laat het, +onder aanhoudend roeren, koken. Als het dik begint te worden, roert +men er eerst het citroensap en daarna het stijfgeklopte eiwit door. + +Men giet dan alles in een natgemaakten puddingvorm en laat 't dan +bekoelen. + +De pudding wordt daarna uit den vorm gestort, op een schaal voorgediend +en zonder eenige saus gebruikt. + + + +212. Citroenrijstpudding, (riz glacé). + +1 Liter water, de geraspte schillen van 2 citroenen, 1 1/4 ons rijst, +het sap van 4 citroenen, bijna 1/2 pond suiker. + +De rijst goed helder schoonwasschen en daarna, zonder er in te roeren, +gaar koken, met de geraspte citroenschillen en het water. + +Is ze gaar dan roert men er het sap der 4 citroenen en de suiker +door. Vervolgens stort men ze over in een natgemaakten schotel (niet +in een puddingvorm), dien men goed dichtdekt en laat ze verder bekoelen +(op ijs). + + + +213. Griesmeelpudding. + +1 flesch melk, 1/2 stokje vanille, 1 1/2 ons griesmeel, 1 1/2 ons +suiker; bessensap. + +Men kookt de melk op met de suiker en de vanille. Als ze begint te +koken, doet men er, al roerende, langzaamaan, het griesmeel bij en +blijft doorroeren, tot alles een dikke massa wordt, welke men in een +natgemaakten vorm giet en alzoo laat koud worden. + +De pudding op een schaal overstorten en met bessensapsaus voordienen. + +N.B. Wil men deze pudding luchtig maken, dan roert men er het +stijfgeklopte wit van 3 eieren door. + + + +214. Maïzenapudding (ook een soort blanc-manger). + +1 flesch melk, ± 6 lepels maïzena, 4 lepels suiker, 3 eieren, 1/2 +stokje vanille, vruchtensaus. + +De melk koken met de suiker en de vanille. De maïzena maakt men met +wat water (of melk) aan en door de kokende melk geroerd. Als dit samen +dik begint te worden, roert men er de 3 te voren geklopte eierdooiers +door en stort daarna alles over in een natgemaakten puddingvorm. + +Laten bekoelen, uit den vorm storten op eene schaal en voordienen +met vruchtensaus. + +N.B. In plaats van de vanille kan men 20 fijngestampte bitterkoekjes +nemen of 1 kopje vol geraspte klapper. + + + +215. Riz à la Condé. + +1 1/4 flesch melk, 1 ons rijst, 1 ons suiker, 1 stokje vanille, +3/4 flesch geslagen room, 1 stang agar-agar. + +Abrikozen op water of gestoofde abrikozen. + +De rijst goed helder schoonwasschen en met de vanille en de melk +gaarkoken. Men roert daarna de suiker en de opgeloste agar-agar er +door en wrijft vervolgens alles door een zeef fijn. + +Nu roert men er den room door en doet dit, laag om laag, met de +abrikozen omwisselend, in een natgemaakten puddingvorm. + +In de ijskist koud laten worden. + +Men eet de "riz-condé" met een vruchtensaus. + +N.B. Men kan deze rijstenbrij ook in kleine vormpjes (b.v. in +chineesche kopjes, "mangkoks") doen en laten bekoelen. De puddinkjes +op een schaal overstorten en abrikozenmoes er om heen doen. + + + +216. Rödgröd. + +1 flesch bessensap, 3 kopjes water, 1 ons fijn sago (poeder), 1 3/4 +ons suiker, vanillevla. + +Men kookt het bessensap met de suiker, lengt de sago aan met water +en, als het bessensap kookt, er de sago doorheen roeren, tot alles +een dikke pap wordt. + +Men doet deze pap daarna in een natgemaakten puddingvorm en laat +ze bekoelen. + +Koud geworden, uit den vorm op eene schaal storten en ze voordienen +met vanillevla. + + + +217. Sucre brûlé. + +1 stang agar-agar (of 24 blaadjes gelatine), 3/4 flesch melk, 1 stokje +vanille, 4 eierdooiers, 5 lepels suiker tot caramel gekookt (zie Nieuw +Voll. N. O. I. Kookboek, 1e druk, pag. 273 onderaan). Vanillesaus. + +De agar-agar smelten, de melk en de vanille daarbij voegen en samen +opkoken. + +Koud laten worden, de geklopte eierdooiers er doorheen roeren en dan +ziften. Nu moet men voorzichtig de caramel door deze gezifte massa +roeren en alles in een natgemaakten steenen vorm gieten. + +Men laat ze koud worden en stort de pudding daarna op een schaal +over. Wordt met vanillevla gebruikt. + + + + + +3. TAARTEN EN GEBAK. + + +218. Aardappeltaartjes. + +Purée van aardappelen, 4 lepels geraspte kaas, 2 lepels room of 3 +stijfgeklopte eiwitten, een paar lepels boter, melk. + +Men roert, op het vuur, de purée, de kaas, melk en boter goed door +elkander en, als de boter is versmolten, roert men er, 't laatst, +het geklopte eiwit door. + +Daarna neemt men dit beslag van het vuur en vult er kleine +taartenvormpjes mede en laat ze een kwartier lang in den heeten +oven bakken. + + + +219. Aardappelkoekjes. + +8 gekookte aardappelen, 6 eierdooiers, 4 lepels parmezaankaas, +een paar in melk geweekte sneedjes brood, beschuitkruim en boter; +tomatensaus of witte saus. + +De aardappelen worden fijngemaakt en met de dooiers, de kaas en het +brood tot een deeg verwerkt. + +Is het deeg te stijf, dan voegt men er melk aan toe. Men vult met +dit deeg, kleine, met boter besmeerde vormpjes, bestrooit ze met +beschuitkruim en laat ze in den oven ± 1/4 uur bakken. + +Warm, worden de koekjes uit de vormpjes gestooten en op een langwerpige +schaal in een kransvorm geschikt, met een tomatensaus (of een witte +saus) in het midden. Men versiert ze met kleine blaadjes peterselie. + + + +220. Aardappelcroquetten (Parijsche). + +6 groote uitgezochte gekookte aardappelen, 3 eieren, fleur d'orange, +boter en water, poedersuiker, geklopt eiwit. + +Men maakt van de aardappelen purée, warmt ze op met boter en water, +zoodat het een deeg wordt en doet hierbij een paar theelepels fleur +d'orange (oranjebloesemwater). Als 't deeg dik genoeg is, doet men +er, al roerende, een voor een, een eierdooier bij, tot deze alle drie +zijn gebruikt, (voor 2 aardappelen één eierdooier). Dan zet men het +deeg af, laat dit bekoelen en maakt er balletjes (croquetten) van, +die men in 't geklopt eiwit dompelt. Men braadt ze in boter bruin, +dient ze op, met poedersuiker bestrooid. + + + +221. Amandeltaart. + +2 1/2 ons bloem, 2 1/2 ons boter witgeslagen, 3 à 4 eierdooiers, +1/2 pond suiker, 1 1/2 ons gestampte zoete amandelen of kenaries, +het geraspte schil van 1 citroen, het stijfgeklopte wit der eieren. + +Men maakt de gestampte amandelen (kenaries) aan met de 3 à 4 +eierdooiers en de geraspte citroenschil. + +Daarna roert men er, lepel voor lepel, de suiker door, dan het meel +(bloem) dat te voren is gezift, vervolgens de witgeklopte boter en, +'t laatst, het stijfgeklopte eiwit. + +Dit deeg giet men in een met boter bestreken springvorm, laat het ± +50 minuten in den oven gaar worden. Men overtuigt zich, door een +breinaald in de taart te steken; als er zich geen deeg aan de naald +hecht, is de taart gaar. + + + +222. Anijskoek. + +(seed-cake.) + +1/2 pond bloem, 1/2 pond boter, 1/2 pond suiker, 4 eieren, voor 5 +cents adas, beschuitkruim. + +De eieren goed klutsen met de suiker, daarna, al roerende, de boter, +bloem en adas (karweizaad) er door heen roeren. Dan een springvorm +met boter besmeren en met beschuitkruim bestrooien en hierin het deeg +doen. Men bakt deze koek in een matig verwarmden oven, tot de koek +van boven bruin is gebakken (± 30 à 35 minuten.) + + + +223. Beignets (van ananas.) + +Men maakt een dik pannekoekbeslag van: 1/2 pond bloem, 4 eierdooiers, +3/4 lepel Genuaolie, eenige lepels water (± 3 à 4 d.L) een weinigje +zout en het stijfgeklopte wit der 4 eieren. + +Ananasschijfjes, Genuaolie. + +Men dompelt de schijfjes ananas in het beslag en bakt ze vervolgens +in de heete Genuaolie. + + + +224. Beschuittaart. + +Een kopje vol beschuitkruim (of gestampt, geroosterd, oud, droog +brood) 1/2 flesch melk, 1/2 stokje vanille, een kopje vol suiker, 3 +à 4 lepels boter, 4 geslagen eierdooiers en 4 stijfgeklopte eiwitten; +een zeer klein weinigje zout. + +Men kookt de melk op met de vanille en de suiker, zet ze dan van het +vuur af en, als ze bijna koud is, roert men er het zout, de boter, de +dooiers en het beschuitkruim door. Is dit alles goed dooreen geroerd, +dan roert men er pas het stijfgeklopte eiwit door. Men stort dit +mengsel in een vuurvasten, met boter bestreken schotel (bassi kàsàr), +laat ze eerst van onder, dan van boven gaar bakken. Is de taart stijf, +dan is ze gaar. + + + +225. Biscuits d'anis. (anijsbeschuitjes) + +2 1/2 ons suiker, 10 eierdooiers, 5 lepels bloem, een weinig anijszaad, +muisjes, 8 eiwitten tot schuim geslagen. + +De suiker wordt met de eierdooiers hard geklopt, waarna men er het +bloem door heen roert, vervolgens het anijszaad en de geslagen 8 +eiwitten, aldoor roerende. + +Dan doet men dit beslag in een beboterden vorm en bakt het in +lagen. Als de lagen gebakken zijn, doet men er twee op elkander en +snijdt ze in dunne schijfjes, waarover men rose en witte muisjes +strooit. + + + +226. Brillantine taartjes. + +Iets meer dan 1/2 ons rijst (± 6 lood), het sap van 2 citroenen, +een weinig suiker, taartenkorst, vruchtengelei. + +Men kookt de rijst goed gaar en doet er het sap der citroenen en een +weinig suiker bij. + +Vervolgens maakt men van het taartenkorstdeeg taartjes in kleine +beboterde vormpjes. + +Zijn deze gebakken, dan haalt men ze uit de vormpjes en vult ze met +de bereide rijstepap en bedekt deze met vruchtengelei. + + + +227. Broeder. + +Een brooddeeg ± 1 pond van 10 cents, (bij den Europ:, inl.: of +chineeschen broodbakker te bestellen), 20 eierdooiers, 1/2 pond +gesmolten boter, fijne witte suiker, 1 of 2 gestampte beschuiten. + +Het deeg wordt met de eierdooiers goed dooreengemengd, tot het een +gelijke massa van ééne kleur is geworden; daarna doet men er de +suiker door, zooveel als men denkt, dat het zoet genoeg is en de +gesmolten boter. + +Alles goed terdege door elkander mengen, tot het beslag begint te +rijzen. Nu bestrijkt men een broedervorm met boter, bestrooit dien +met beschuitkruim en doet er het beslag in. Op een warme plaats nog +eene 2 vingers hoog laten rijzen. Bakken in een pan-pengorèngan onder +en boven vuur, tot het gaar is. Bijna koud uit den vorm storten. + + + +228. Klapperkoekjes. + +1 geraspte geschilde klapper (alléén het wit), 1 of 2 eieren, 2 lepels +suiker, 2 à 3 lepels bloem, 1/2 ons gestampte amandelen, weinig zout +en boter. + +Al deze ingrediënten worden te samen tot een deeg verwerkt en goed +gekneed. Dit deeg kan men uitrollen en er kleine koekjes van steken, +die men op een met boter bestreken schaal of plaat in den heeten oven, +aan weerszijden bruin bakt. + + + +229. Klappermacronen. (polo's). + +1/2 pond witte suiker, 1/2 pond geraspte witte klapper ('t buitenste +zwarte weggesneden, zóó, dat alléén 't wit blijft) het stijfgeklopte +wit van 8 eieren, een lepel rozewater, wit papier met boter bestreken +of, als men het krijgen kan, het onbrandbare "schrijnspapier". + +De geraspte klapper wordt met de suiker gestampt, waarna men er het +rozewater door doet. Men spreidt dit deeg op eene plank of op een +bord uit, sprenkelt er nog wat rozewater over en vermengt dit deeg +goed met de 8 geklopte eiwitten. + +Dit beslag doet men lepel voor lepel, elk hoopje afzonderlijk, op +het witte, met boter bestreken papier en bakt de macronen dan goed +gaar in een pan-pengorèngan, met onder en boven vuur (bàrrà-bàrrà). + +Ze moeten er lichtgeel of lichtbruin uitzien. + + + +230. Klappertaart. + +5 jonge klappers, 1/2 flesch melk, 3 à 4 lepels meel, 3 à 4 lepels +suiker, 8 eierdooiers, 4 lepels boter, het tot sneeuw geklopte wit +der 8 eieren, beschuitkruim. (Krenten, rozijnen). + +Men kookt de melk met de suiker op, roert daarna het meel met een +weinig melk aan, klutst de eierdooiers, laat de gekookte warme +melk intusschen bekoelen en voegt hier dan het meel en de eieren +al roerende, door. Nu schept men, met een lepel, uit de opengemaakte +klappers, het jonge nog zachte en glibberige vleesch, dat er glasachtig +uitziet en doet dit, met de boter, door het beslag heen. (Sommigen +roeren door dit beslag bovendien nog schoongewasschen krenten en +rozijnen, hoewel deze beide toevoegsels den smaak van de klappers +zullen bederven). + +Nu stort men het beslag in een taartenpan (piring kasar) met het +geslagen eiwit, als een rand er om heen, en bakt het in den oven, +tot het van boven lichtbruin of lichtgeel is geworden. (± 1 uur). + +Het geslagen eiwit kan men echter ook door het beslag heenroeren, +wat het gebak luchtiger maakt. Dat wit wordt 't laatst door het +beslag geroerd. + + + +231. Omelet soufflé. + +8 eieren, waarvan het wit tot schuim geklopt, de geraspte schil en +het sap van een halve citroen (òf in plaats daarvan 2 theelepels +oranjebloesemwater), 3 lepels suiker. + +Men roert, gedurende een kwartier, de 8 eierdooiers met de suiker +goed door elkander, voegt daarna, steeds roerende, er de geraspte +schil en het sap van de halve citroen bij en roert er het laatst, +vluchtig, het stijfgeklopte eiwit door. + +Nu doet men het beslag in een pannekoekpan, die met boter is besmeerd +en bakt het in den warmen oven. Is de omelet van boven lichtbruin, +dan neemt men de pan uit den oven, zet deze op het vuur en vouwt de +omelet dubbel. + +Men bestuift de omelet, die op een schaal is geplaatst, met +poedersuiker en dient ze dan warm voor. + +Men kan het beslag ook in een beboterden, vuurvasten schotel of schaal +bakken; ± 20 minuten. + +Is de omelet gaar, dan doet men er een verwarmd deksel op en brengt +ze zoo binnen, om te voorkomen, dat het gebak zal neêrslaan. + + + +232. Moscovisch gebak. + +1 ons suiker, 1 ons bloem, 1 1/4 ons boter, 5 eieren; krenten, sucade, +rozijnen, citroenschil geraspt. + +De suiker wordt met een theelepeltje geraspte citroenschil, 4 +eierdooiers en één heel ei ongeveer 10 minuten stevig geklutst. De +boter wordt met meel goed door elkander gekneed. Hierdoor doet men +dan 1 eetlepel gehakte sucade, evenveel gewasschen krenten en evenveel +gewasschen rozijnen. Men klopt het wit der 4 overgebleven eieren stijf +en roert dat stevig door het suiker- en het boter-en-meel-beslag. Nu +doet men dit beslag in een vooruit beboterden springvorm, dien men +voor 2/3 vult, bakt het één uur in een matig heeten oven, tot het +gebak gaar is en bestrooit het dan met poedersuiker. + +Ter overtuiging dat het gebak gaar is, kan men er met den vinger even +op drukken. Hoe vaster, des te gaarder. + + + +233. Roomtaart. + +Men maakt een taartenkorst, die men vooruit in een pan-pengorèngan +gaar bakt. Voor de vla (room) neemt men vanillevla, gemaakt van 1/2 +flesch melk, 1 stukje vanille, 8 eierdooiers, 6 lepels suiker en 1 +lepel maïzena. + +Voor deze vlabereiding zie men no. 82. Deze vla stort men in den +gebakken taartenkorst. Koud er in storten en eenigen tijd laten staan, +tot de vla stolt en dik wordt. + + + +234. Soezen. + +1 ons boter, 1 ons meel, 2 kopjes melk, 6 eieren, poedersuiker. + +De boter wordt met de melk op het vuur te smelten gezet. Als dit +kookt, laat men er, al roerende, met beetjes, het meel in uitstorten +en blijft men doorroeren, tot alles een stevige massa is geworden; +dan neemt men het van het vuur af. + +Nu roert men er, stuk voor stuk, 4 eieren door, telkens de massa +roerende. + +Op een gebakplaat of blik, met boter besmeerd, doet men vervolgens +bolletjes van het gemaakte beslag, bestrijkt deze met wat geklopt +eigeel, bestrooit ze met poedersuiker en bakt ze gaar in een matig +verwarmden oven. Als ze gaar en bekoeld zijn, knipt men ze op zijde +half open en kan men ze vullen met vanillevla of room, dan wel met +confituren; of men kan ze met rozenstroop nuttigen. + + + +235. Theebanket. + +6 lepels meel, 2 lepels boter, 4 lepels poedersuiker, (1/4 theelepeltje +zout), een geklopt ei, 1 theelepeltje rozen- of oranjebloesemwater. + +In het meel maakt men een kuil, doet er de boter in en verwerkt +dit, met de poedersuiker, het ei en het oranjebloesemwater tot een +deeg. Men werkt dit deeg goed dooreen, in kleine gedeelten, die men +later bij elkaar voegt en dit weer flink kneedt en dooreen werkt, +waarna men dit mengsel eenige minuten laat staan. Daarna strooit men +op een schoone tafel wat meel, legt er den bol deeg op en rolt dit, +met den deegrol, plat uit. Daarna weer alles toevouwen en wederom +uitrollen en zoo eenige malen herhalen, tot het deeg gelijk van kleur +is en zeer dun is uitgerold. + +Hiervan steekt men met vormpjes en glaasjes allerlei figuren, of men +kan ze in vormpjes doen. + +Op een beboterden plaat of een beboterd stuk wit papier in den matig +warmen oven laten bakken, tot de gebakjes gaar zijn. + + + +236. Tulband. + +1 pond meel, 1 paar lepels legèn, 1/2 pond boter, 1 ons suiker, +1/2 ons krenten, 1/2 ons rozijnen, 1/2 ons gesneden sucade, 3 kopjes +lauwe melk, 3 eieren, poedersuiker en een tikje zout, beschuitkruim. + +Het meel wordt met de lauwe melk en de legèn door elkander geroerd, +waarna men dit beslag even laat rijzen. + +Nu smelt men 2 ons van de boter en roert deze, met de suiker, de +krenten, rozijnen zonder pitten en de sucade, zoomede de 3 geklutste +eieren en het tikje zout door het beslag. + +In een tulbandvorm, met boter besmeerd en met beschuitkruim bestrooid, +doet men het beslag en laat dit, toegedekt, eenigen tijd rijzen. + +Men bakt het ± 1 uur in een goed verwarmden oven en steekt er, ter +overtuiging, met een naald in. Als zich geen beslag aan de naald hecht, +is de tulband gaar. + + + +237. Wafelen. + +1 pond boter, ± 4 lepels legèn, 1/2 flesch lauwe melk, 12 geklutste +eieren, 2 pond gezifte tarwebloem, zout naar smaak, poedersuiker. + +Men laat de boter half smelten en roert ze met een houten lepel +tot ze dik (als pomade) wordt. Hierin doet men, één voor één, de 12 +geklutste eieren, al roerende, tot alles een luchtige, schuimachtige +massa wordt. Het meel roert men vervolgens met de legèn in de melk +tot een dun beslag en vermengt dit met het boterbeslag. Men laat dit +beslag even rijzen en vermengt dit met één lepel suiker. Nu neemt men +een schoon, warm wafelijzer, bestrijkt dit aan ééne zijde met boter, +giet er een lepel beslag in, sluit het ijzer dicht en bakt de wafel +op goed heet vuur, gedurende 2 minuten, daarna op de andere zijde +ook 2 minuten. Is de wafel geel gebakken, dan licht men ze uit het +ijzer en bestrooit ze met poedersuiker. + + + +237a. Wentelteefjes. + +12 sneedjes oud brood, 2 of 3 eieren, een paar kopjes melk, 1/2 stokje +vanille, witte suiker, boter. + +Het stokje vanille doet men in de melk en kookt deze even op. Is ze +lauw geworden, dan klutst men er de 2 of 3 eieren door. De sneedjes +brood ontdoet men van de korst, besmeert ze aan weerskanten met boter +en weekt ze in de melksaus. + +Daarna bakt men ze aan weerszijden bruin in kokende boter of olijfolie. + +Men gebruikt ze warm, met suiker. + + + +238. Zandtaart. + +1/2 pond goed drooge, gezifte bloem, 1/2 pond boter, 1/2 pond suiker, +6 eieren, poedersuiker, 1 theelepeltje geraspte citroenschil. + +Men smelt de boter even, in eene kom, boven wat wasem. De suiker +wordt fijngestampt en door de boter gedaan. + +Daarna doet men er 4 heele eieren en 2 eierdooiers door, ook de +geraspte citroenschil en het gezifte meel. Alles goed door elkander +mengen. Een taartenvorm met boter bestrijken en er het beslag in +doen. In een matig warmen oven ± 1 uur bakken. Gaar uit den vorm +nemen, laten bekoelen en besuikeren. Men voegt ook wel krenten onder +het beslag. + + + +239. Zandtaartjes. + +Hetzelfde beslag en dezelfde volgorde bij de bereiding, maar in plaats +van een taartenvorm, neemt men kleine vormpjes. + +Zijn ze zoo klein gebakken als de bekende assemkoekjes, dan heeten ze +"zandkoekjes". + + + + + + + + + +II. + +INDISCHE VEGETARISCHE KEUKEN. +(MET VERSCHE KRUIDEN). + + +L. DE RIJSTTAFEL MET VEGETARISCHE BIJGERECHTEN. + + +Een Indisch vegetarisch menu, van uitsluitend echt inlandsche +gerechten--een "rijsttafel" dus--kan, uit den aard der zaak, niet zoo +volledig zijn, als een goed bereid maal, waar het vleesch, in tal +van vormen op tafel komt. Rund-, varkensvleesch, kip, visch en wat +bovendien daarvan bijzonder wordt bereid, maken de overvloedigheid +dikwijls overdreven. + +Bant men nu al deze voedingsartikelen en daarbij nog de lomboks en +sambals, ook de sterk gekruide specerijen, "wat blijft er dan over +van de vegetarische rijsttafel?" vraagt men zich af. + +Daartegenover stel ik de vraag: "Wat kan er--zonder vleezen en de +sambals--al niet gemaakt worden van den klapper, van de soorten van +blindjoe, van de djagoeng, van de eieren, de vruchten en van de enkele +wèl getolereerde niet sterke kruiden en specerijen?" + +Men beproeve het eens en make een smakelijke rijsttafel volgens de in +'t kort hier aangegeven verschillende recepten. + +Ik teeken nog aan, dat ten allen tijde in Indië maaglijders zijn +en worden aangekweekt, menschen die de sterkgekruide en met vleesch +overladen rijsttafel "overheerlijk" vinden en er niet van af kunnen +blijven. Ofschoon de doctoren een streng dieet voorschrijven, wordt +door de meesten dier in-zieke menschen dagelijks gezondigd tegen +de wetten van matigheid, van onthouding, omdat de verleiding hun te +sterk is. + +Zelfs in Holland, waar zij dan voor buik- en maagziekten hun twee- of +meerjarig verlof doorbrengen, waar zij streng vegetarisch-Hollandsch +gezond en matig kunnen leven, versmaden zij de indische scherpe +rijsttafel geenszins, doch vergasten zich er des te meer op en de +indische toko's van sambelans en kroepoeks, van zuren, manisans en +tal van ongerechtigheden bloeien om 't hardst. + +Men zal van zelf wel begrijpen, dat het zeer moeilijk valt, een +scherpe grens te trekken tusschen de te sterke, de sterke en de minst +sterke specerijen. Zoo vind ik het gebruik van een stukje koenjit +(voor kleursel) van ketoembar en djienten geen hoofdzonde voor den +vegetariër; evenzoo kan er een stukje laos en wat serèh nog best door. + +Is de ui niet dikwerf erg sterk en prikkelend, zóó, dat men ze +met tranen in de oogen schilt? Welnu, als dat bij het bereiden van +vegetarische schotels niet hindert, dan zullen kleine doses der minst +sterke kruiden evenmin een beletsel zijn voor den niet al te veel +eischenden vegetariër. Ik heb ook, hier en daar, een weinigje zout +in de recepten genoemd. Die dit niet wil nemen, late ze weg evenals +de minst sterke specerijen. + + + +240. Rijst. (nasi). + +Elke huisvrouw is voldoende bekend met het wasschen, schoonmaken +en het opzetten van de rauwe rijst (bras), hetzij op z'n Europeesch +gekookt dan wel op z'n Indisch gestoomd (met dandang en koekoesan) +of gekookt (nasi liwet). + +Ik verwijs naar mijn Nieuw Volledig Nederlandsch-Indisch +Kookboek. Bovendien weet elke inlandsche vrouw de rijst uitmuntend +gereed te maken. Bij deze rijstbereiding sta ik dus niet langer stil. + +Men heeft drie variëteiten in de rijst: de witte, de roode en de +zwarte rijst. + +Men verkrijgt de rijst door de padi (of gaba) te ontbolsteren. De +korrels rijst komen dan, na de bewerking (het stampen van de gaba) +in heele en gebroken stukken te voorschijn. De heele korrels vormen +de bras, de gebroken stukken noemt men menir en deze worden nog +onderscheiden in grove (menir kasar) en fijne (menir aloes). + +De tot meel gestampte of gemalen rijst vormt het rijstmeel of de +"tepong-bras". + +Van de kleefrijst (de ketan) bestaan ook drie soorten: de witte, roode +en zwarte ketan. Ook deze levert de menir; deze ketan, ook de menir, +fijngestampt geeft de tepong-ketan, (ketanmeel). + +De van het stampen afkomende zemelen noemt men dedek, die wederom +wordt onderscheiden in fijne en grove dedek. + +De eerste wordt in zéér enkele indische kwé-kwé's gebruikt; de grove +soort geeft men de dieren te eten, voornamelijk het pluimvee. + +Algemeen: teneinde bij de vegetarische rijsttafel zooveel mogelijk +het gemis der lomboks en sambelans te vergoeden, make men rijkelijk +gebruik van uien, onder allerlei bereidingen. + + + +241. Nasi goerie. + +Rijst, santen, een weinig zout. + +De rijst wordt in den koekoesan half gaar gekookt (gestoomd), daarna in +een paso gedaan, daarin omgeroerd (di-aron) en daarbij santen en zout +gevoegd, in de verhouding van b.v. op 1 1/2 pond rijst 1 1/2 vingerkom +santen. Is de santen in de rijst getrokken (di sedoe), dan wordt deze +weer in den koekoesan gedaan en verder gekookt, tot ze gaar is. + + + +242. Nasi gorèng. + +Gekookte rijst, versche of van den vorigen dag, 20 fijngesneden bawang +mérah, 4 sioeng fijngesneden bawang poetih, 1 1/2 lepel ketoembar, +3/4 lepel djienten, 4 hardgekookte eieren, 2 aan dunne schijfjes +gesneden ketimoens, daon kemangi, seroendèng, no. 292, boter, klapper- +of olijfolie. + +De helft van de bawang mérah stampt men fijn met de bawang poetih +(knoflook) de ketoembar en djienten; dan braadt of bakt men de 10 +andere bawang mérah in olie bruin. + +Nu doet men in de wadjan olie, laat deze koken, doet er daarna de +gestampte uien bij en laat deze bijna geel braden. + +Dan voegt men er, beetje voor beetje, de rijst bij, al roerende, +met een paar lepels seroendèng en de helft der gebakken uien. + +Alles goed doorroeren, tot de rijst goed is gebraden. Is ze klaar, dan +doet men de rijst op een schaal en versiert haar met de overgebleven +gebakken uien, de daon kemangi, de in vierde parten gesneden gepelde +hardgekookte eieren en de schijfjes ketimoen. + + + +243. Nasi koening. + +Een pond rijst, een klapper, water, een weinigje zout, een stukje, +koenjit (om te kleuren), een stukje seréh en 2 daon djeroekpoeroet; +gebraden uitjes, fijngesneden ketimoen, fijngesneden dadar (omelet) +en gebraden katjang-kedelée. + +De klapper raspt men en maakt er "santen" van; de koenjit wordt óók +geraspt, door de santen gevoerd en deze daarna gezift. Hierin wordt +de rijst met de seréh, de daon djeroekpoeroet, het weinigje zout en +wat water gaar gekookt (di liwet). + +Men plaatst deze gare gele rijst netjes op een schaal en siert den +schotel met gebraden uitjes, de aan reepen gesneden dadar, de schijfjes +ketimoen en de gebraden katjang-kedelée. + + + +244. Nasi tim. + +(Voor zieken en kinderen.) + +Een kopje rijst, 2 kopjes water, een weinigje zout. + +In een timpot (petiman) doet men de rijst, met het water en het +zout en kookt dit samen "au bain Marie" gaar in een grooten, goed +toegedekten pot--gedurende 1/2 uur. + +Voor kleine kinderen kan men de rijst met water en een stukje rijpe +pisang radja samen koken. + + + +245. Ketan (Kleefrijst). + +De ketan wordt evenals de rijst gestoomd of gekookt, doch met iets +minder water of santen. Zij vormt altijd een toespijs of nagerecht +en wordt dan met goela-djawa genuttigd. + +De ketoepat wordt niet behandeld, daar deze soort van gekookte, +saamgeperste rijst een moeilijk, althans zwaar verteerbaar voedsel +vormt en dus on-vegetarisch is. + + + +246. Gablok, + +is zacht gekookte rijst in een pisangblad gewikkeld--in +trechtervorm. Bij de rijst koke men 3 stukjes daon-pandan, voor +den goeri-smaak. + + + +247. Lemper + +wordt van ketan gemaakt. 1 pond ketan, santen van 2 klappers, 20 +fijngesneden bawang mérah, 4 sioengs fijngesneden bawang poetih, +4 à 5 schijfjes laos, het binnenste van 5 kemiries, 1/2 theelepel +djienten, 1 theelepel ketoembar, 5 lepels geraspte gebraden klapper, +4 djeroekpoeroetbladeren en een paar lepels dikke santen (santen +kentel), gebraden katjang bras of katjang kedelée, boter of olie. + +De ketan wordt met de santen gaar gekookt; de uien met al de specerijen +en de klapper fijngestampt, opgebraden in boter of olie (klapper- of +olijf) en, als de uien verslagen zijn, daar de dikke santen bijgevoegd, +tot dit een dikke massa is geworden. + +Van de ketan vormt men langwerpige ballen, die men vult met een lepel +van bovenbeschreven massa, waarna de ballen worden gesloten en in +pisangbladeren met bietings vastgestoken. + +De pakjes ketan worden geroosterd, tot ze gaar zijn. + + + + + + + +M. SAJOERS. + + +248. Sajoerassem. + +Katjang pandjang, 3 lepels fijngesneden bawang mérah, 3 sioeng +fijngesneden bawang poetih, naar verkiezing een weinigje zout, 2 +schijfjes laos, assemwater van 1 balletje assem kawat ter grootte +van een duivenei. + +Men snijdt de katjang pandjang aan stukjes en kookt ze, in een kleine +wadjan, half met water gevuld, gaar. De specerijen worden samen +fijngestampt, bij de katjang pandang gedaan en zooveel assemwater er +bij gevoegd, dat de sajoer smakelijk--zurig--wordt. Men laat alles +dan samen nog even doorkoken. + + + +249. Sajoer bajem of (sajoer menir). + +Spinazie, 2 lepels fijngesneden bawang mérah, 2 sioengs fijngesneden +bawang poetih, een paar schijfjes temoe-koentji, santen en zout +(naar smaak en verkiezing!). + +De spinazie (bajem) wordt gaar gekookt; de kruiden stampt men samen +fijn, giet van de bajem eenig water weg en voegt er, daarvoor in +de plaats, santen bij benevens de fijngestampte kruiden. Dit samen +laten gaarkoken. + + + +250. Sajoer bòbòr, + +is dezelfde sajoer als hiervoren (no 249), maar met toevoeging van +2 lepels rauwe gestampte rijstkorreltjes of "menir". + + + +251. Sajoer bajem djagoeng. + +Dezelfde bestanddeelen als van de sajoer bòbòr (no 250) benevens +4 stuks rauwe kemiries; groenten: 1 bord vol fijngesneden reboeng +afgekookt tot het bittere er van is verwijderd, jonge djagoengs, +die men in hun geheel laat. + +De bereiding is als die van de sajoer-bajem, (kemiries uithalen en +met de kruiden fijnstampen) overigens alles met elkander opkoken. + + + +252. Sajoer boontjes. + +Een bord vol boontjes, heel of fijngesneden, 3 lepels fijngesneden +bawang mérah, 4 sioengs fijngesneden bawang poetih, 4 schijfjes laos, +2 daon salam, zout (naar smaak en naar verkiezing) santen van één +klapper. + +De specerijen of kruiden worden samen fijngestampt, de boontjes kookt +men, met weinig water, half gaar, voegt daar de kruiden en de santen +bij en alles samen laten doorkoken, tot de boontjes gaar zijn. + + + +253. Sajoer blindjoe. + +(of S: assem blindjoe). + +Van de blindjoe worden òf de jonge bladeren en bloemen, òf de vruchtjes +(pitjes) alleen, rijp en onrijp d. i. rood en groen, gebruikt. Hierbij +dezelfde specerijen als onder no 248. + +De blindjoe (bladen, òf pitjes) worden eerst afzonderlijk +gaargekookt. Overigens is de bereiding enz. dezer sajoer geheel gelijk +als die van de sajoer assem (no 248). Alles bij elkander voegen en +samen gaarkoken. + + + +254. Sajoer kèllor. + +Dezelfde bestanddeelen, wat de kruiden betreft als bij de sajoer assem, +maar voor groenten neemt men kèllor-bladeren en jonge stengels. + +Als men deze sajoer maakt, moet men bij het koken der bladeren en +stengels een weinig sirihkalk voegen, om den bitteren smaak weg +te nemen. Overigens geschiedt de verdere bereiding als die van de +sajoer assem. + + + +255. Sajoer klèntang. + +De klèntangs zijn de vruchten van den kellor. Als men deze sajoer +maakt, gebruikt men dezelfde bestanddeelen als van de sajoer assem, +maar met toevoeging van een paar kopjes santen. + +Eerst de klèntangs schoongemaakt, daarna gekookt en dan dezelfde +bereiding, ook der kruiden, en toevoeging als bij de sajoer assem. Het +laatst voegt men er de santen bij. Samen opkoken. + + + +256. Sajoer kloewak of kliwiek (of s. "brongkòs"). + +Van den poetjoengboom heeten de vruchten kloewak of kliwiek, waarvan +de sajoer wordt gemaakt naar dien naam. De vruchten zijn vergiftig, als +ze nog niet door de inlanders zijn bereid. De vruchten zijn steenhard, +driehoekig van vorm, worden voor het gebruik der sajoers stukgeslagen +en het vrij zwarte vleesch er in, voor de sajoer genomen. + +4 of 5 kloewakpitten, 3 à 4 schijfjes fijngesneden laos, 1 stuk +ineengedraaide seréh, 1 lepel fijngesneden koenjit, assemwater en +zout (naar verkiezing), 3 lepels fijngesneden bawang mérah, boontjes +of kool. + +De uien met de kloewaks (inhoud), de laos, de koenjit en het zout +fijngestampt, vervolgens gebraden. + +Daarna voegt men hierbij een paar lepels assemwater en de +schoongemaakte boontjes of kool. Zijn deze groenten ietwat verslagen, +dan doet men er nog wat water bij met het stukje seréh. + +Door laten koken, tot de groenten gaar zijn. + + + +257. Sajoer lemeng. + +Allerlei soort van groenten (boontjes, ketimoen, bloestroe, +kool, katjang-pandjang, reboeng, enz.) fijngesneden en samen +opgekookt. Tempé, 4 lepels fijngesneden bawang mérah, 3 sioengs +fijngesneden bawang poetih, een paar schijfjes kentjoor, 3 schijfjes +laos, 1/2 lepel ketoembar, 5 stuks gepofte en uitgehaalde kemiries, +1/4 geraspte klapper, santen. + +Al de opgegeven kruiden worden samen fijngestampt en met den 1/4 +geraspten klapper opgebraden. De tempé wordt in stukjes gesneden +bij de kruiden even mede gebraden, waarna men er de dikke (kentel) +santen bijvoegt en dit samen even laat koken. + +Dan doet men al de gekookte groenten hierbij, voegt er nog wat gewone +santen (entjèr) aan toe en kookt alles samen op, tot de tempé gaar is. + + + +258. Sajoer loddèh + +kan gemaakt worden van allerlei groenten, of van: reboeng met +petéeboonen en tempé. + +3 eetlepels fijngesneden bawang mérah, 3 sioengs fijngesneden bawang +poetih, 1 eetlepel fijngesneden laos, 5 stuks uitgehaalde kemiries, +zout (naar smaak en verkiezing), santen. + +De groenten worden bijna gaargekookt--ook de reboeng en de tempé, +als dit voor deze loddèh sajoer wordt gebruikt. + +De kruiden worden samen fijngestampt. Het water van de groenten wordt +verwijderd en daarvoor in de plaats de santen genomen, waarbij de +gestampte kruiden worden gevoegd. Samen laten opkoken, tot alles goed +gaar is. + + + +259. Piendang telor. + +8 gepofte bawang mérah, 1 stukje gepofte koenjit, 1 sioeng bawang +poetih, 1 stukje assem, 1 theelepel ketoembar, 1 stukje ineengedraaide +seréh, 3 schijfjes laos, 1 daon djeroekpoeroet, klapper- of olijfolie, +4 à 5 glazen water, 8 hardgekookte eieren. + +De kruiden worden samen fijngestampt, daarna in de olie opgebraden; +voeg er daarna het water bij met de seréh en de daon djeroekpoeroet +en laat dit alles koken, waarna men er 't laatst de 8 gekookte eieren +bijvoegt. + + + +260. Toemis van groenten. + +Een bordvol fijngesneden kool òf een bordvol allerlei andere groenten, +3 eetlepels fijngesneden bawang mérah, 2 lepels klapper- (of andere) +olie, kokend water, zout naar smaak en verkiezing, 2 goedgeklopte +eieren, santen van 1/2 klapper. + +De bawang mérah wordt met de olie opgebraden. Hierbij voegt men de +kool--òf de andere groenten--en braadt dit samen op, tot de kool +(groente) verslagen is. Men doet er dan 1 kopje kokend water (met wat +zout) bij. Daarna roert men er de geklutste eieren in en, het laatst, +de santen. + +Men laat dit doorkoken, tot het bijna droog wordt en roert er niet in, +voor de eieren gaar zijn. + + + +261. Toemis van andijvie, bajem of taugé. + +5 lepels fijngesneden bawang mérah, 4 sioeng fijngesneden bawang +poetih, 2 schijfjes laos, (zout naar smaak), citroensap, gekookt water, +boter of olie, een schaaltje vol gesneden andijvie, gesneden bajem +(of sesawie) dan wel een schaaltje taugé. + +Een van de gekozen groenten wordt half gaar gekookt (met zout naar +smaak). De opgegeven kruiden worden zeer fijn gesneden, te samen +fijngestampt en met een weinig boter of olie opgebraden. + +Men voegt er vervolgens wat gekookt water bij en daarna de gekozen +groenten; laat dit samen opkoken, tot de groenten gaar zijn. + +Wanneer men deze toemis wil gebruiken, kan men er wat citroensap +doorroeren. + +Zoo maakt men ook: + + + +262. Toemis pollong, + + + +263. Toemis boontjes, + + + +264. Toemis katjang kapri. + + + + + + + +N. ENKELE KERRIESOORTEN. + + +265. Amé kemoeté. + +8 eieren, 2 lepels fijngesneden bawang mérah, 4 sioengs fijngesneden +bawang poetih, 1 stuk koenjit, 1 stuk ineengedraaide seréh, 2 daon +salam, 2 daon djeroekpoeroet, santen, assemwater. + +De eieren worden half à 3/4 gaar gekookt, gepeld, eenigszins plat +gedrukt, zoo, dat zij niet barsten, terwijl de kruiden samen worden +fijngestampt en opgekookt in santen. Heeft dit eenigen tijd gekookt, +dan doet men er de gekneusde eieren in, alsmede het assemwater. + +Men laat alles doorkoken, tot deze kerrie dik wordt. + + + +266. Kerrie laksa telor. + +1 bord vol gekookte laksa, 5 hard gekookte eieren, 2 lepels +fijngesneden bawang mérah, 2 sioengs fijngesneden bawang poetih, +6 uitgehaalde kemiries, 1 lepel ketoembar, 1/2 lepel djienten, +'n paar schijfjes laos, 1/2 vingerlengte koenjit, een stukje seréh, +2 stukjes djeroekpoeroetschil, santen van één klapper, (zout naar +smaak en verkiezing), boter of olie. + +De kruiden (behalve de bladeren) worden samen fijngestampt, in boter +of olie opgebraden, daarna de santen er bij gevoegd, samen opgekookt +en eindelijk de laksa en gehalveerde eieren er bij gedaan. Door +laten koken. + +Op dezelfde wijze bereidt men + + + +267. Kerrie tèrong. + +Hoofdbestanddeel tèrongs. Overigens dezelfde ingrediënten. (Geen +laksa en geen eieren.) + + + + + + + +O. GEKOOKTE GROENTEN VOOR LALAPS. + + +268. Lalap andijvie of sesawie. + +De andijvie wordt met een zeer weinigje zout gaar gekookt en, als +zoodanig, als bijgerecht bij de indische rijsttafel als "lalap" +gebruikt. + +Zoo heeft men: + + + 269. a. lalap daon blindjoe, + b. lalap kangkoeng, + c. lalap katjang pandjang, + d. lalap djantoeng pisang, + e. lalap kembang toerie, + f. lalap bloestroe, + g. lalap ketjiepir, + h. lalap peparé. + + + + + + + +P. (SCHIJN SAMBELANS) + + +dat zijn de "gado-gado's", als: + + + +270. Gado-gorèng bawang. + +20 stuks bawang mérah, 6 sioengs bawang poetih, 1 lepel goela-djawa, (1 +theelepel zout), 3 lepels assemwater, boter of klapper- (olijf-) olie. + +De witte en roode uien worden fijngesneden of fijngehakt, met +boter opgebraden en, als zij verslagen zijn, daaraan toegevoegd het +assemwater en de goela djawa. + +Men laat dit samen koken, tot de uien gaar zijn en de olie bovenop +komt drijven. + +N.B. Liefhebbers van santen kunnen bij de bereiding van deze +gado-gorèng santen er bij koken, dan wordt het gerecht smakelijker +en met meer koewah (saus). + + + +271. Gado-gorèng blimbing. + +10 fijngesneden bawang mérah, 3 sioengs fijngesneden bawang poetih, +4 schijfjes laos, 1 theelepel fijngesneden seréh, 1/2 theelepel witte +suiker (zout naar smaak), 1 kopje santen, boter of klapper- dan wel +olijfolie, een theeschoteltje vol groene, onrijpe blimbing-boelat. + +De blimbings snijdt men in stukjes of men laat ze in hun geheel; +daarna stampt men de kruiden samen fijn, braadt dit op in boter of +olie en, als de uien verslagen zijn, doet men er de blimbing bij, +roert er met een lepel in en, als de blimbing gaar wordt, doet men +er het kopje santen bij. + +Doorkoken, tot de olie er uitkomt. + + + +272. Gado-gorèng boontjes. + +1 bordje vol gesneden boontjes, 2 lepels fijngesneden bawang mérah, +4 sioengs fijngesneden bawang poetih, 4 schijfjes laos, 1 lepel +fijngesneden seréh, 1/2 theelepel suiker, 1 lepel assemwater, 1 kopje +santen, boter of klapper- (olijf-) olie. + +De kruiden worden samen fijngestampt en met boter of olie +opgebraden. Dan voegt men er de boontjes bij, vervolgens het +assemwater, waarna men dit samen opkookt, om er, daarna, de santen +bij te voegen. + +Men blijft deze gado gorèng doorkoken, tot de olie er uitkomt. + + + +273. Gado-gorèng katjang pandjang. + +Een bosje katjang pandjang, 3 lepels fijngesneden bawang mérah, 3 +sioengs fijngesneden bawang poetih, 5 schijfjes laos, 4 uitgehaalde +kemiries, 1 stukje seréh, 1 kopje santen, djeroek poeroet bladeren, +boter of klapper- (olijf-) olie, assemwater. + +De lange katjangs worden zeer kort gesneden (± 1 c.M.); de uitgehaalde +kemiries worden met de kruiden gestampt, daarna in de olie gebraden, +de katjang er bij gevoegd, vervolgens eerst het assemwater, daarna de +santen daarbij gedaan en dit alles laten doorkoken, tot het bijgerecht +dik wordt. + + + +274. Gado-ketimoen. + +2 à 3 fijngesneden komkommers, 6 gepofte uitgehaalde kemiries, +(zout naar smaak of verkiezing), 1/2 kopje citroensap. + +Men laat het water eerst uit de fijngesneden schijfjes komkommers +loopen; dan stampt men de kemiries fijn en stampt ze samen met het +citroensap en giet dit sausje over de komkommers, die men op een +schaaltje heeft gerangeerd. + +N.B. Men kan ook bij de kemiries 1 lepel fijngesneden bawang mérah +en 2 sioengs fijngesneden bawang poetih mede stampen, waardoor het +sausje dikker wordt. + + + +275. Gado-gorèng klappa. + +1/2 geraspte klapper, 5 schijfjes laos, 2 lepels fijngesneden bawang +mérah, 3 sioengs fijngesneden bawang poetih, 2 djeroek poeroetschillen, +boter of klapper- (olijf-) olie. + +De kruiden worden samen fijngestampt en met den geraspten klapper in +boter of olie geelbruin gebraden, daarna wederom fijngestampt. Men +gebruikt dit bijgerecht droog, bij de rijst. Ook om bij ketan en +gemblong voor te dienen. + + + +276. Gado-klappa mentah. + +1/2 geraspte klapper (alleen het wit, zonder bruine schil), 5 +schijfjes, kentjoor, 4 schijfjes laos, 3 sioengs fijngesneden bawang +poetih, (zout naar smaak en verkiezing) 2 daon djeroekpoeroet en +eenige kemangie-blaadjes. + +De kruiden worden, met de djeroekpoeroetbladeren, zeer fijn +gestampt. Daarna worden zij met den geraspten klapper innig vermengd +(di rames) en op een schaaltje gedaan, waarna dit gerecht met +de kemangie-blaadjes wordt opgesierd. Goed om bij rijst, ketan of +gemblong te gebruiken. + + + +277. Gado-gorèng pepaja. + +1 bordje vol fijngesneden rauwe pepaja, 3 lepels fijngesneden bawang +mérah, 3 sioengs fijngesneden bawang poetih, 4 schijfjes laos, +1 lepel fijngesneden seréh, 1 lepel assemwater, een tikje suiker, +santen, boter of klapper- (olijf-) olie. + +De pepaja wordt even met heet water overgoten en op een vergiet +gedaan, om te laten uitlekken en den tabaksmaak te verwijderen. Al +de kruiden worden samen fijngestampt, in boter of olie opgebraden, +waarna men er de pepaja bijvoegt en dit nog samen even laat braden. + +Hierbij voegt men vervolgens eerst het assemwater, daarna de santen +en laat alles samen gaar smoren. + + + +278. Gado-gorèng petéh. + +1 kopje vol gesneden, gekookte petéhboonen, 3 lepels fijngesneden +bawang mérah, 4 sioengs fijngesneden bawang poetih, 5 uitgehaalde +kemiries, 1 eetlepel assem- of djeroekwater, 2 daon djeroekpoeroet, +4 schijfjes laos, 1 kopje santen (zout naar smaak en verkiezing) +boter of klapper (olijf-) olie. + +Behalve de daon moeten alle kruiden te samen fijngestampt en in boter +of olie opgebraden. + +Hierna voegt men er de petéh-boonen bij, met het assemwater en de +daon djeroekpoeroet. + +Dan kookt men alles op in de santen, tot de olie er uit komt. + + + +279. Gado-poja. + +1/2 geraspte droog gebraden klapper (geelbruin), 4 schijfjes laos, +1 lepel ketoembar, 4 djeroekpoeroetbladeren (zout naar smaak en +verkiezing--1 theelepel). + +De kruiden worden samen fijngestampt en droog opgebraden met de +drooggebraden klapper. Als het koud is geworden, kan men dat tot +poeder fijnstampen. + +Men eet dit bijgerecht bij de goerie rijstsoorten (no 241, 242, 243) +ook bij ketan, wanneer deze als rijst wordt gegeten. + + + +280. Gado-gorèng telor. + +5 hardgekookte eieren, 5 uitgehaalde kemiries, 2 eetlepels fijngesneden +bawang mérah, 4 sioengs fijngesneden bawang poetih, 4 schijfjes laos, +1/2 eetlepel fijngesneden seréh, 1/2 theelepel suiker, 1 eetlepel +assem- of djeroekwater, 1/2 kopje santen, (zout naar verkiezing) +boter of klapper- (olijf-) olie. + +Men snijdt de gepelde hardgekookte eieren in 4de parten en rangeert +ze op een schaaltje. + +De kemiries worden met al de kruiden fijngestampt en in de boter of +olie opgebraden; vervolgens doet men er 't assemwater bij, laat dit +even opkoken, waarna er de santen wordt bijgevoegd. Is deze saus dik +geworden, dan doet men ze over de eieren in de schaal. + +Dezelfde kruiden en dezelfde bereiding volgt men voor het maken van: + + + +281. Gado-gorèng dadar + +en + + + +282. Gado-gorèng tjeplok. + + + + + + + +Q. EENIGE PETJELS. + + +283. Petjel mangga moeda of "trantjam". + +1 bord vol fijngesneden rauwe mangga of mangga mengkel, 2 fijngesneden +bawang mérah, 2 sioengs bawang poetih, 6 uitgehaalde kemiries, +1 kopje santen (zout naar smaak en verkiezing). + +De fijngesneden mangga wordt rauw (of even in kokend water gedompeld) +gebruikt. + +De kruiden worden samen fijngestampt en even met de santen, al +roerende, opgewarmd, tot het dik wordt. + +Deze saus giet men vervolgens over de stukjes mangga, die men op een +schaaltje heeft gerangeerd. + + + +284. Petjel selderij. + +(Sèldrie). + +1 bordje vol selderij, rauw en goed gewasschen. Dezelfde kruiden als +hierboven (no. 283) maar geen santen. In plaats daarvan 3/4 kopje +citroensap of assemwater. + +De selderij wordt op een schaaltje gedaan, de kruiden samen +fijngestampt en gekookt met het citroen- of assemwater, tot een papje +en dit door de selderij gedaan. + + + +285. Petjel taugé. + +1 bord vol gekookte taugé. Dezelfde kruiden als van de petjel mangga +(no. 283). + +De bereiding is geheel gelijk als die van de petjel mangga (no. 283). + + + +286. Djanganan. + +Allerlei soort van jonge groenten en peulvruchten, gekookt. Dezelfde +saus wordt hierover heen gestort als die bereid wordt voor de petjel +mangga en de petjel taugé (no. 283). + +Op een schaal heeft men dan al de gekookte groenten gerangeerd. + + + + + + + +R. EENIGE BEBÒTÒKS. + + +287. Bebòtòk-Betawie. + +10 bawang mérah, 2 sioeng bawang poetih, 8 uitgehaalde kemiries, +2 stukjes koenjit ter kwart vingerlengte, 1 theelepel ketoembar, +1/4 lepel djienten, (zout naar verkiezing), 2 daon djeroekpoeroet, 1 +stukje gekneusde laos, 1 lepel fijngesneden seréh, 2 lepels assemwater, +1 hard gekookt ei, 1 geklutst ei, dikke santen, soja, citroensap en +pisangbladeren met bietings, 2 lepels klapper- of (olijf-) olie. + +Roode en witte uien worden met al de kruiden (behalve seréh en +de daons) samen fijngestampt, met de daons opgebraden in de olie, +daarna daarbij de santen gevoegd, vervolgens het assemwater, en dit +koken tot de olie er uit komt. + +De pisangbladeren worden even gekoekoest, in vierkante stukken +gesneden, waarna men in elk blaadje wat fijngesneden seréh, 1/8 ei, +wat dikke santen (met geklutst eiwit door elkander) en een lepel van +de gestampte kruiden doet. Vervolgens sluit men het blaadje dicht, +maakt er een pakje van, dichtgemaakt met bietings en stoomt deze +pakjes verder in een langsèng. + +Men gebruikt deze bebòtòks met wat soja en citroensap. + + + +288. Bebòtòk-djantong pisang. + +Afgekookte djantong pisang. Dezelfde ingrediënten als hierboven, +doch geen hard gekookte ei daarbij (no. 287). + +Dezelfde bereiding als onder no. 287. Eerst doet men in het +pisangblaadje wat seréh, dan wat van de kruiden, dan 1 lepel djantong +pisang en eindelijk de santen met geklutst eiwit. + + + +289. Bebòtòk-djawa met kool-Banda-bladeren. + +Een bordje vol fijngesneden jonge kool-Banda-bladeren, een ei, +(zout naar smaak en verkiezing), 1/4 geraspte klapper, 2 eetlepels +fijngesneden bawang mérah, 4 sioengs fijngesneden bawang poetih, +3 schijfjes laos, 3 kemiries, 1/2 lepel ketoembar, olie, santen, +pisangbladeren, bietings. + +Met uitzondering van den geraspten klapper, worden al de ingrediënten +en kruiden samen fijngestampt en in de olie opgebraden. De +kool-Bandabladeren worden even door kokend water gehaald en daarna +het water er uit geperst. Vervolgens klopt men het ei met de santen, +doet hierin de bladeren met de gebraden kruiden en maakt hiervan +pakjes in de pisangbladeren. Men overgiet den inhoud van elk pakje +met wat dikke santen, sluit dan de pakjes dicht, met de bietings +dichtgespeld en stoomt eindelijk de pakjes op in een langsèng. + + + +290. Bebòtòk-kool. + +Dezelfde bestanddeelen; men heeft nu gewone fijngesneden koolbladeren +in plaats van de kool-Bandabladeren; overigens dezelfde kruiden. Men +kan de pakjes maken in pisangbladeren of, naar verkiezing, in +koolbladeren, die ook even door warm of kokend water zijn gehaald. + + + +291. Bebòtòk-timbool van geraspten klapper. + +1/2 geraspte klapper, de volgende kruiden, als: 2 eetlepels +fijngesneden uien, 4 sioengs fijngesneden bawang poetih, 1 lepel +ketoembar, 1/2 lepel djienten, 1 theelepel suiker, 1 geklutst +eierdooier, santen kentel, 2 djeroekpoeroetbladeren, olie, citroensap, +pisangbladeren en bietings. + +Roode en witte uien worden samen fijngestampt en gebraden, waarna men +er den geraspten klapper en de kruiden goed doorheen roert; men doet +hier het geklutst ei, met de dikke santen en de djeroekpoeroetbladeren +door en neemt van dit mengsel, voor elk stukje pisangblad, een lepel, +doet dit op het blad, vouwt het dicht en stoomt het op als de andere +bebòtòks. Bij het gebruik perst men over den inhoud der pakjes wat +citroensap. + + + + + + + +S. ANDERE BIJGERECHTEN. + + +Seroendèngs. + + +292. Seroendèng katjang bras. + +1 witgeschilde klapper, goed geraspt, 1 theebordje schoongemaakte +katjang bras, in klapper (olijf-) olie gebraden, 3 lepels +fijngesneden bawang mérah, 4 sioengs fijngesneden bawang poetih, +1 lepel fijngesneden laos, 2 lepels ketoembar, 1 lepel djienten, +1 stukje goela djawa, 1 eetlepel assempap, klapper- (olijf-) olie, +djeroekpoeroetbladeren. + +De kruiden worden, zonder de bladeren, gestampt, door den geraspten +klapper geroerd met de assempap. Dit wordt in olie gebraden, tot het +lichtbruin ziet; dan roert men er de gebraden katjangbras doorheen met +de djeroekpoeroetbladeren. "Seroendèng" bestaat alleen uit gebraden +geraspten klapper. + + + +293. Seroendèng djagoeng. + +Dezelfde ingrediënten als onder no 292 maar, in plaats van de +katjangbras, neemt men de pitjes van 13 djagoengs. Men braadt dit op +in boter of olie en roert alles door den gebraden geraspten klapper +en de kruiden. + +Bereiding is als hier voren no 292. + + + +294. Frikadel djagoeng. + +12 jonge djagoengs, de pitjes van de kolven af geraspt, 2 lepels +fijngesneden bawang poetih, 1 theelepel langkwas, 2 of 3 stukjes +kentjoor, 1/2 lepel djienten, 1 geklutst ei, 5 lepels santen (zout +naar smaak), boter of klapper- (olijf-) olie, 2 lepels meel. + +De kruiden worden samen fijngestampt en door de geraspte djagoeng +goed geroerd. Het geklutst ei roert men er daarna ook doorheen. Is dit +beslag te week (entjèr), dan roert men er de 2 lepels meel door. Men +neemt van het verkregen djagoengdeeg met een lepel kleine hoeveelheden, +die men als frikadellen bakt in kokend heete boter of olie. + + + +295. Rempah klappa. + +1 jonge klapper, zonder het bruine dunne schil, fijngeraspt, 10 +stuks bawang mérah, 2 sioengs bawang poetih, 1 lepel ketoembar, 1/2 +lepel djienten, (zout naar smaak en verkiezing) 1 stukje goela djawa, +1 of 2 geklutste eieren, dikke santen, klapper- (of olijf-) olie. + +De kruiden worden samen fijngestampt, met geraspten klapper en het +ei goed tot een beslag vermengd, waarvan men stukjes in driehoekigen +vorm afneemt, welke men in kokend heete olie opbraadt. Deze rempahs +worden in de militaire wereld "paroolbriefjes" genoemd. + + + +296. Gefarceerde ketimoens. + +(ketimoen isi). + +4 of 6 komkommers, 1/4 geraspte klapper, 1 hard gekookt ei en 1 +geklutst ei, zeer fijngekapte seréh, soja, citroensap, gestampte +beschuit, boter of olie, een sneedje in santen geweekt wittebrood, +santen en water. + +De komkommers worden van de toppen ontdaan en in 2 of 3 stukken +verdeeld en het binnenste er uit gehaald, daarna in heet water gedaan, +zoodat ze wat verslagen zijn (niet koken). + +Nu maakt men een beslag of een soort deeg van: den geraspten klapper, +het fijngehakte gekookte ei, het geweekte brood, de gestampte kruiden +en het geklutst ei en vult met dit deeg de uitgeholde stukken ketimoen, +die men in een basi kasar, met boter, doet. Op de stukjes ketimoen +ook een kluitje boter. + +Men perst er wat citroensap over en bevochtigt ze met een mengsel +van soja, santen en water, ter hoeveelheid van een kopje vol. Men +strooit over het gerecht beschuitkruim en laat het dan in den oven +bruin bakken. Nu en dan kan men de ketimoens met het nat begieten. + + + +297. Gefarceerde tèrongs. + +Een paar groote jonge tèrongs moet men schillen, van den stengel +ontdoen, van binnen uithollen en half gaar koken. + +Het vulsel dezer tèrongs is als bij no. 296, maar, in plaats van het +hardgekookte ei, neemt men het binnenste (de pitjes) der tèrongs, +dat eerst wordt gekookt, alvorens het met al de andere ingrediënten +aan te wenden als "farce". + + + +298. Gepofte tèrongs. + +Een paar tèrongs in de lengte doorgesneden, boter of olie. + +Op de tèrongs snijdt men overdwars kruisjes aan de gesneden +binnenzijde, besmeert ze met boter of olie en roostert ze, aan een +stokje (dunne bieting), boven een arengvuur. + + + +298a. Kroepoek blindjoe. + +Men heeft in Indië vier of vijf kroepoeksoorten, waarvan er vier +gemaakt worden van dierlijke producten als: karbouwenhuid, eenige +garnalensoorten, die dus buiten beschouwing blijven. De blindjoe is +daarentegen een vrucht. Deze wordt, na eenige bewerking, geplet en +gedroogd. Men koopt ze op den passar (markt). + +De kroepoek is als een soort van droog gebak bij de rijsttafel aan +te merken. Men neemt een handvol rauwe, gedroogde kroepoekjes en +olie. N.B. Zoo heeft men ook kripik djèngkol en k. ketèlla. + +In de kokend heete olie worden de kroepoeks even opgebraden, tot zij +zich eenigszins uit hebben gezet. Door hun eigenaardigen smaak zijn zij +bij velen zéér gewild, vooral luchtig in kokende olie even gebakken. + + + + + + + +T. EIERGERECHTEN. + + +299. Dadar-djawa (omelet). + +4 of 5 eieren, 3 lepels gebakken uien, boter of olie, een lepel santen. + +De eieren worden (naar verkiezing met een tikje zout) geklutst, +daardoor de lepel santen geroerd en daarbij de gebakken uien gevoegd. + +Van dit mengsel bakt men in kokend heete boter of olie een dadar +(eierstruif). + + + +300. Dadar-isi + +of "kaber koebertoe". + +5 eieren, het rood en het wit afzonderlijk geklutst, 1/2 à 1 kopje +dikke santen, 1 lepel ketoembar, 1/2 lepel djienten, (zout naar +verkiezing), een stukje gepofte koenjit, 8 stuks bawang mérah, 3 +stuks uitgehaalde kemiries, 3 schijfjes laos, 1 stukje seréh, de schil +van een djeroekpoeroet, 2 daon salam, 1 daon pandan, 1/4 geraspte en +gebraden klapper, een weinig citroensap, klapper- of olijfolie. + +Al de kruiden, behalve de daons, worden samen fijngestampt, in olie +opgebraden met de bladeren. Is dit goed heet, dan doet men er een +paar lepels santen bij, daarna den geraspten klapper. + +Men maakt nu een dadar (struif) van de eieren met de dikke santen, +doet, als deze dik begint te worden, er het klappermengsel op, vouwt +de dadar dicht en bakt ze aan beide kanten bruin. Ze wordt warm gegeten +(lauwwarm natuurlijk!). + + + + + + + +U. (CHINEESCH). + + +301. Bahmie. + +20 stukjes mie, 1 theeschoteltje taugé, evenveel peultjes, 4 lepels +daon koetjaï, 1 theeschoteltje selderij, 4 lepels daon brambang +(prei), 1 groote lepel taotjo, 3 lepels fijngesneden bawang mérah, +1 lepel fijngesneden bawang poetih. (Een theeschoteltje vol gekookte +koeping-tikoes en 1 theeschoteltje vol gebraden tahoe), twee lepels +arrowrootmeel, soja, citroensap en een dunne dadar van 4 eieren; +2 lepels gebakken uien. + +De mie wordt schoongemaakt, (door haar even te weeken) dan even in +kokend water gedompeld. + +De groenten worden, naar smaak of verkiezing, half of geheel gaar +gekookt, de uien gebraden. + +Van den arrowroot wordt, met water en soja, een dik papje gemaakt. + +Wanneer men de mie opdoet, maakt men van haar met de groenten, de +taotjo (de koeping-tikoes en de tahoe) een allegaar, door alles door +elkander te roeren en giet daarover heen het papje. + +Men versiert dit gerecht met de aan zeer dunne reepen gesneden dadar, +de gebakken uien en wat gekookte of gebakken tahoe. + + + +302. Kiemloh. + +Men maakt een schijnbouillon van soja en warm water, 1 bord vol +gekookte koeping tikoes, 1 theebordje vol selderij, even veel peultjes, +1 theebordje prei, evenveel kool, 2 lepels gesneden koetjaïbladeren, +1 bord vol geweekte laksa, 1 groote lepel taotjo, 2 lepels gebraden +uien, 1/2 lepel gebakken bawang poetih. Desverkiezende een dadar van +4 eieren. + +Al de opgegeven groenten, de laksa enz. kookt men op in den +schijnbouillon, roert er de gebakken uien en de koeping-tikoes door +en, wanneer men dit gerecht gebruikt, neemt men er wat citroensap +bij. Men kan er een dadar in reepen bovenop doen. + + + +303. Tjoan tahoe. + +5 eetlepels fijngesneden tahoe, 2 eetlepels fijngesneden bawang +mérah, 1 eetlepel fijngesneden bawang poetih, 3 eetlepels jonge +prei, evenveel koetjaï en ook evenveel selderij, 1 theebordje taugé, +1 eetlepel taotjo, 1 eetlepel soja, een weinig water, 3 geklutste +eieren, boter, klapper- of olijfolie. + +De fijngesneden tahoe wordt gebraden in de olie, tot ze gaar is, +dan laat men ze koud worden. In de daarvan overgebleven olie braadt +men de te samen fijngestampte uien (roode en witte) en voegt er de +jonge groenten en bladeren bij, met de taotjo en de soja met wat +water aangelengd, waarna men hier nog de gebraden tahoe met de 3 +geklutste eieren door heen roert. Even laten doorstoven en dan warm +ter tafel brengen. + + + +304. Laksa tjina. + +Een bordvol geweekte gaargekookte laksa, 3 lepels fijngesneden bawang +mérah, 4 sioengs fijngesneden bawang poetih, 1 lepel vol fijngesneden +seréh, 1 stuk koenjit, 1 1/2 lepel ketoembar, 1 lepel djienten, (zout +naar smaak en verkiezing). Al deze kruiden te samen fijngestampt en +daarna gebraden. + +Verder: 3 lepels fijngesneden prei, evenveel koetjaï, evenveel +selderij, santen van 1/2 klapper, 4 hard gekookte eieren, 1/2 kopje +soja, 3 à 4 kopjes water, 2 daon salam, 2 daon djeroekpoeroet, een +paar schijfjes djeroek-nipis, boter of klapper- (olijf-) olie. + +Bij de reeds gereed gemaakte gebraden kruiden doet men de soja en het +water, vervolgens voegt men daar de fijngesneden groenten, bladeren +en de laksa bij, kookt dit gaar, doet er de santen bij en stort alles, +als de santen met het geheel dik is geworden, in een dekschaal; perst +er naar verkiezing djeroeksap over heen en plaatst er bovenop de in +4e parten gesneden gepelde gekookte eieren en de schijfjes citroen. + + + + + + + +V. BOEBOERS. KWÉ-KWÉ'S. + + +305. Boeboer assem. + +Zie no. 157. + + + +306. Bidji salak of Boeboer tjòtjò. + +6 kopjes rijstmeel, 1 1/2 kopje water, 1 pond goela-djawa, santen en +een weinig zout (naar verkiezing.) + +Het meel wordt met koud water tot een deeg gekneed, waarna men er +ringen van vormt, die men op een zeef (tanggòk) plaatst. De zeef wordt, +met de ringen, in warm water gezet en op die wijze de ringen goed gaar +gekookt. Als deze gaar zijn, worden zij uit het water gehaald, goed +door elkander gekneed en hiervan langwerpig ronde balletjes gekneed, +die men op een bordje plaatst, waarop droog meel, opdat zij niet aan +elkander kleven. + +Van de goela-djawa wordt, met wat water, een stroop gekookt, en, +nadat de balletjes nog eens door meel zijn gewenteld, deze in de +stroop medegekookt, tot de suiker dik is geworden. + +Men eet deze bidji salak met santen. + + + +307. Boeboer santen. + +1 1/2 pond rijst, santen van 2 klappers, ± 1 pond goela-djawa, tot +stroop gekookt. + +De rijst wordt (liwet) bijna gaar gekookt, vervolgens voegt men er +de santen van 1 1/2 klapper bij en laat dit goed doorkoken, tot de +boeboer pap is geworden. + +Nadat de goela-djawa-stroop is gezift, doet men daar de santen van +1/2 klapper bij, kookt dit samen nog even op en gebruikt men deze +stroop bij de boeboer santen. + + + +308. Boeboer soemsoem (Zie no. 181). + +6 theekopjes tepong bras (rijstmeel), 2 1/2 kopje water, santen kentel +(dikke) en santen entjèr (dunne) van één klapper, een stuk seréh of +djeroekpoeroetbladeren; goela-djawastroop. + +Het meel wordt voorzichtig met water aangelengd. Dan kookt men +vervolgens de dunne santen op met de seréh of de djeroekpoeroetbladeren +en roert, als dit kookt, er langzaam de aangemaakte tepong-bras +door. Men blijft intusschen, zonder ophouden, doorroeren. Als dit +dik begint te worden, roert men er de dikke santen (kentel) door. + +Deze boeboer mag niet te dik worden, doch moet toch goed gaar zijn. + +Zij wordt met goeladjawastroop gegeten. + + + +309. Boeboer pieso. + +5 kopjes fijn rijstmeel, 1/4 geraspte klapper, 1 kopje koud water, +10 kopjes santen, goeladjawastroop. + +Het rijstmeel wordt door elkander gekneed met den geraspten klapper +en daarna, even, droog gestoomd (gekoekoest.) + +Vervolgens doet men het in een groote kom en maakt er, met het water, +een beslag van, waarvan men balletjes kneedt, die men in de goed +kokende, heete santen, gaar kookt. + +Deze balletjes of "boeboer pieso" eet men met goeladjawastroop. De +inlanders maken vierkante bakjes van daon pisang met kleine bietings +vastgestoken, en doen hierin 6 tot 8 à 10 stuks van die balletjes in, +met dikke goela-djawastroop. + + + +310. Dawet of Tjendol. + +Een bord vol arrowroot, koud water, santen, goeladjawastroop. + +Men kookt water en maakt den arrowroot aan met koud water. Als dit +goed vermengd is, kookt men het in het warme water tot het een dikke +glasachtige pap is geworden. Daarna stort men deze pap in een zeef +met groote gaten, welke men boven een kom met koud water houdt. De +arrowroot valt dan in dikke vlokken door de zeefgaten in het water +en stolt daar in. + +Als men nu de dawet wil gebruiken, neemt men met een lepel van die +vlokken, stort ze in een glas of kopje en gebruikt ze met santen +en goeladjawastroop. + + + + + +KWÉ-KWÉ'S. + + +311. Ananasprol. + +Een ananas, in zijn geheel in weinig water, niet te gaar gekookt, +8 eieren, 5 lepels suiker, 2 lepels boter, melk, 12 sneedjes brood, +1 stukje vanille, beschuitkruim. + +De sneedjes brood worden aan weerszijden met boter besmeerd, de melk +wordt met de suiker en vanille gekookt, de eieren worden, het rood en +het wit afzonderlijk, geklopt. Als de melk koud is geworden, roert +men er het geklopt rood der eieren door en weekt vervolgens daarin +het brood. + +In een vuurvaste schaal doet men nu wat boter, legt er, laag om laag, +brood en schijfjes ananas in, de bovenste laag brood, en hierop het +stijfgeklopte eiwit. Hierover strooit men wat suiker en beschuitkruim +en bakt dan deze versnapering in den warmen oven of pan-pengorèngan +bruin. + + + +312. Manggamoes prol. + +In plaats van ananas neemt men manggamoes. Overigens dezelfde +bestanddeelen als hierboven, no 311. + +Dezelfde bereiding als onder no 311. + + + +313. Chineesche pasteitjes. + +2 theekopjes tepong bras, 1/2 kopje koud water; vulsel: een hardgekookt +ei, 1 theelepel ketoembar, 2 lepels fijngehakte bawang mérah, 2 +sioengs fijngehakte bawang poetih, 2 eetlepels fijngehakte koetjaï, +een paar lepels fijngehakte gebraden tahoe, 2 daon djeroekpoeroet, +2 daon salem, 1 kopje dikke santen, boter of olie. + +Het vulsel, behalve bladeren en groenten, wordt samen fijngestampt, +gebraden en vervolgens de groenten er, al roerende, bij gebraden. Dan +doet men er de stukjes tahoe en de santen bij en kookt dit samen op, +tot het bijna droog wordt. + +Het hardgekookte ei snijdt men aan dunne schijfjes, vervolgens maakt +men deeg van de tepong bras en het koude water, rolt dit uit en +verwerkt het tot kleine balletjes, die men weêr uitrolt en daarna, +elk stukje, opvult met wat van het bovengemaakte vulsel en daar +bovenop een schijfje van het ei. Dan vouwt men het stukje deeg toe, +geeft er den vorm van halve maantjes aan en bakt deze in den heeten +boter of olie bruin. Men bestrijkt de pasteitjes, eer ze in den pan +met heete boter gaan, met geklopte eierdooier. + + + +314. Dòdòl. + +Dikke santen van 2 klappers, 1 pond ketanmeel, 2 pond goela-djawa, +water. + +De suiker wordt met water tot een dikke stroop ("ganting") gekookt, +vervolgens wordt het ketanmeel ook met koud water tot een dun beslag +gemaakt. Dit beslag wordt met de dikke santen door de dikke stroop +geroerd. Men moet ter voorkoming van aanbranden, altijd door om- en +doorroeren en blijven doorkoken tot dat de ketan gaar is. Dan wordt +ze, als alles bekoeld is, in pisangblaadjes opgerold, of men doet +de dòdòl in vormpjes. Roert men door de dòdòl wat gezifte doerian of +sirikaja dan krijgt men "dòdòl doerèn" of "dòdòl sirikaja". + + + +315. Gemblong + +wordt van ketan gemaakt. De ketan wordt eerst gestampt, daarna in +water geweekt en (met een weinig zout) gaar gekookt. Men maakt hiervan +groote koeken, waarop een pisangblad, daarover heen een plank met een +zwaar gewicht (b.v. een groote steen), zoo, dat de ketan zich niet, op +de gewone wijze, onder het koken kan uitzetten; (evenals de rijst in +de ketoepats door het klapperbladomhulsel niet kan uitdijen). Anders +zoude men gewone "ketan" eten. Zoo, compact bereid, heet dit gerecht +"gemblong". + +Men gebruikt ze met geraspten klapper en goela-djawastroop. Velen +snijden ze ook aan schijven en smeren er, als op een boterham, +boter op. Ze wordt dan warm of lauwwarm genuttigd. Gebakken heet ze +gemblong gorèng. + + + +316. Kwé-apem. + +Een pond tepong-bras, een paar kopjes legèn, 1 kopje jong klapperwater, +2 geraspte klappers, 8 geklopte eieren, 1/4 pond witte suiker (en +een tikje zout). + +Het meel wordt droog gebraden, daarna gezift, vervolgens vermengd met +het klapperwater en de legèn. Dit laat men een nacht staan, om het +te laten rijzen. Van de 2 geraspte klappers perst men dikke santen +(en doet er een tikje zout in). + +Den volgenden dag roert men de santen, de suiker en de geklopte eieren +door het gerezen deeg. Dit beslag bakt men in een aarden schotel, +die met boter is bestreken, in een pan pengorèngan--boven en beneden +vuur--, tot ze gaar is. (Bewijs: als er gaten in komen.) + + + +316a. Kwé-bidaran. + +Een pond ketanmeel, 12 eieren, 1/2 à 3/4 pond witte suiker, een weinig +sirihkalk, een kopje dikke santen, olie. + +Het meel wordt gezift en in de zon gedroogd, daarna aangeroerd met +de 12 geklutste eieren, het weinigje sirihkalk, verder met het kopje +santen tot een kneedbaar deeg verwerkt. Hiervan maakt men kleine +balletjes, die men in kokend heete olie bakt, en met witte of geraspte +bruine suiker (goela-djawa) voordient. + +De suiker kan ook eerst worden gekookt tot stroop en hierin de +balletjes deeg verder gaar worden gekookt. + + + +317. Kwe-bika of bebika. + +Een pond tepong bras, 1 geraspte klapper, 1/4 pond goela djawa, +pisangbladeren, boter of olie (een weinig zout). + +Het meel moet eerst goed worden gezift. De goela djawa kookt men tot +stroop. Uit den klapper perst men dikke santen, vermengt daarmede +het meel, (het zout) en de stroop. Is het meel goed aangeroerd, +dan stort men het over in een kwalie, waarin een pisangblad is +gelegd. Het overgegotene wordt dan gedekt met een pisangblad, dat +met boter of olie is besmeerd. Men doet hierop een plank met iets +zwaars (een steen), zoodat dit de koek neerdrukt en bakt dit gaar, +met onder en boven vuur. Men zorge dat het niet aanbrandt. + + + +318. Kwé-bingka. + +Een pond tepong bras, 6 eieren, dikke santen, 1/2 pond goela djawa, +pisangbladeren. + +De eieren worden geklutst en met het meel en de santen samen door +elkander geroerd. De suiker kookt men intusschen tot stroop en roert +het vervolgens door het deeg. Men maakt van dit beslag kleine koekjes, +die men in pisangbladeren wikkelt en stoomt ze daarna gaar. + + + +319. Kwé-boegis. + +Een pond ketanmeel, dikke santen van één klapper, pisangbladeren. + +Voor het vulsel: 1 geraspte klapper, 1/4 pond goela djawa, 2 eetlepels +ketanmeel. + +De santen wordt warm gemaakt (niet gekookt) en met het ketanmeel tot +een deeg geroerd, waarvan men kleine balletjes maakt. + +Nu neemt men kleine stukken vierkante pisangbladeren, doet hierin +een balletje en drukt hierin met den vinger een kuiltje, dat men vult +met het bovenbeschreven gebraden vulsel. + +Dat vulsel wordt goed door elkander gemengd en droog gebraden. + +Daarna sluit men de balletjes, die eenigszins plat worden gedrukt, +doet daarop wat dikke santen, waarna men eindelijk de pisangbladeren +dicht vouwt. De pakjes worden verder in een koekoesan gaar gestoomd. + + + +320. Kwé-klepon. + +Een pond goed gedroogd en fijn gezift ketanmeel, lauw water, een weinig +sirihkalk, goeladjawa stroop, geraspte klapper, (een weinig zout). + +Het meel wordt met het lauwe water en de kalk tot een deeg verwerkt, +waarvan men kleine balletjes maakt. + +Deze balletjes holt men uit en vult ze met wat stroop (òf met een +stukje goeladjawa) maakt ze daarna weêr goed dicht. Men zet dan water +(en wat zout) op en laat dit koken. Dan werpt men er de balletjes +vlug, een voor een, in. Als het water nog eenigen tijd borrelt en de +balletjes boven komen drijven, zijn deze gaar. Nu worden ze er uit +gehaald, in koud water gedaan en in geraspten klapper gewenteld. + + + +321. Kwé-lapis djawa. + +Twee kopjes meel, 3 kopjes suiker, 4 kopjes dikke santen, boter, +rood kleursel. + +De santen wordt gekookt, van de suiker wordt suikerstroop gemaakt +en daarna van het meel, de santen en de stroop een beslag gemaakt, +dat men in twee helften verdeelt. + +Het eene stuk blijft licht gekleurd het andere stuk geeft men de roode +kleur. Om het smakelijker te maken, roert men door het lichtgekleurde +beslag wat boter. + +Nu neemt men een kom, met boter besmeerd en doet er een laag wit +beslag in, dat "au bain Marie" gaar wordt gekookt, daarop een laag +rood beslag, even zoo gaargekookt en zoo om-en-om. De lagen mogen +niet te dik zijn (± 1/2 c.M.) en gelijkelijk van dikte wezen. + + + +322. Kwé-loempoer sorga. + +Een pond tepong bras, dikke santen van één klapper, 1 kopje +goeladjawastroop, 4 eieren, olie, een poffertjespan. + +Men maakt twee soorten van beslag, één van het meel en één van de +eieren, stroop en santen. + +1. De helft van de santen, die gekookt wordt, roert men met het meel +en 1/2 kopje suikerstroop tot een beslag. + +2. De eieren worden geklutst, met de andere helft van de santen, +maar deze ongekookt en met 1/2 kopje suikerstroop ook tot een beslag +verwerkt. + +Men bakt deze koekjes in een met boter of olie besmeerde poffertjespan: +eerst een lepel van het meelbeslag en daarop een lepel van het +eierbeslag. + +Men bakt ze lichtbruin met van onder en boven vuur (bàrà-bàrà), +of in den oven. + + + +323. Kwé-ondé ondé. + +Een half pond katjang idjoe, 2 ons goeladjawa, 1 pond ketanmeel, +3 eetlepels witte suiker, 2 eieren, 1 theekopje lauw water, +widjèn-menjan, geraspte klapper, (zout naar smaak en verkiezing), +versche klapperolie. + +De katjang idjoe wordt een nacht geweekt, gekookt in hetzelfde water, +dan door een zeef uitgelekt. Met hetzelfde water moet dan de katjang +door de zeef worden fijngewreven. + +Men maakt van de goeladjawa stroop en roert hierdoor de fijngewreven +katjang idjoe. Goed roeren tot alles terdege is vermengd, dan koken +tot dit mengsel dik is geworden. + +Van het meel, de eieren, de witte suiker en het lauwe water maakt men +een goed dooreen vermengd beslag, waarvan men kleine balletjes maakt, +die men in water gaar kookt. + +In elk balletje doet men vervolgens een weinig van de bovenbeschreven +goeladjawabrij, maakt ze daarna dicht, wentelt ze in widjèn-menjan en +braadt ze in klapperolie, tot ze bruin zijn. Men eet ze met geraspten +klapper. + + + +324. Piloos. + +Acht à tien aardappelen, 2 lepels meel, 4 eieren, fijne witte suiker, +beschuitkruim, klapper- of olijfolie. + +De aardappelen worden in de schil gekookt, daarna gepeld en fijn +gemaakt. Men roert ze vervolgens dooreen met het meel (zout) en +de eieren en maakt er zoodoende een beslag van. Hiervan vormt men +langwerpig-ronde balletjes, die men in beschuitkruim wentelt en in +de kokend heete olie bruin bakt. Men bestrooit ze met witte suiker. + + + +325. Kwé-pisang + +(lambangsari). + +Een half pond rijstmeel, santen van 1/2 klapper, (een weinigje zout), +rijpe pisang-radja, pisangbladeren. + +Het meel wordt met (het zout en) de santen tot een deeg verwerkt. Men +snijdt vervolgens de pisang over de lengte in tweeën en verdeelt +die stukken in twee helften, zoodat men van één pisang vier groote +stukken verkrijgt. Nu wikkelt men elk stukje pisang met een gedeelte +van het deeg, dat men te voren heeft uitgerold en maakt van de koekjes +vierkante pakjes die men in pisangblad doet, dat met bietings is +dichtgemaakt. Deze pakjes worden vervolgens gaar gekoekoest. + + + +326. Kwé-poetoe. + +Een pond rijstmeel, 2 flesschen jong klapperwater, 1/2 à 3/4 pond +goela-djawa (zout) geraspte klapper en pisangbladeren. + +Men legt de pisangbladeren in den koekoesan en daarop het meel, dat +men zoo gaar laat stoomen. Men stort het meel vervolgens uit op een +"doelang" (houten bord), en wrijft dit meel zoolang met een houten +lepel, tot het koud is geworden. + +Dan doet men het meel in een zeef, doet er nu en dan wat klapperwater +bij en wrijft het meel door de zeef. + +Vervolgens doet men op een pisangblad een laagje van dat deeg, dat +men er dun op uitrolt, hierop wat geraspte goela-djawa, dan weêr +deeg enz. en zoo om en om, besprenkelt het dan met wat klapperwater, +laat het weder opdrogen en rolt het dan op. + +Men stoomt eindelijk de rolletjes in een koekoesan en overdekt ze +met pisangbladeren. + +Als ze gaar zijn worden deze gebakjes gerold in geraspten klapper. + + + +327. Kwé-serabi. + +Een pond rijstmeel, 5 uitgehaalde kemiries, een lepel nassi kring +(in de zon gedroogd), 1/4 geraspte klapper, geklutste eieren, santen +en goela-djawa, lauw water en boter. + +Men stampt het meel, de kemiries, de nassi kring en den 1/4 geraspten +klapper goed fijn, zoo fijn tot alles poeder is; daarna wordt dit +gestampte gezift en nog eens fijn gestampt. Dit fijne meel wordt nu +met het lauwe water en lauwe santen goed vermengd, tot men er een +gelijkelijk beslag van heeft verkregen. Dit beslag wordt, met een +lepel, in eenige serabipannetjes gedaan, waarvan de dekseltjes eerst +zijn warm gemaakt. + +Om de serabi's mooi geel te maken, giet men op elk gebakje wat van het +eibeslag en laat ze zoo, de pannetjes boven vuur, gaar worden. Komen +er gaatjes of putjes in het deeg, dan zijn de serabi's gaar. Soms +voegt men bij de serabi's een kluitje boter, óók om ze geel te krijgen. + +Men eet ze met eene saus, die goed gekookt is van goela-djawa met +santen. + + + +328. Kwé-soemping. + +Een pond rijstmeel, 1/2 geraspte klapper (zout), stukjes goela-djawa, +pisangbladeren. Een weinig goeladjawastroop. + +Het rijstmeel wordt met (het zout) en de santen, bereid uit den +halven klapper, innig vermengd, dan voegt men hierbij zooveel +goela-djawastroop, dat dit mengsel of beslag kneedbaar wordt. Van +dit beslag maakt men driehoekige pyramides (met 4 vlakken) waarin +men een stukje javaansche suiker doet en die men dan wederom dicht +maakt. Deze driehoekjes worden nu in pisangbladeren gewikkeld en +daarna gaar gestoomd of gekoekoest. + + + +329. Kwé-talam. + +Een pond rijstmeel, een theelepel zout (men kan 't weglaten), dunne +opgewarmde santen van één klapper, 4 plakken goeladjawa; voor de witte +zoute saus bovenop: 1 kopje dikke santen, 3 à 4 lepels rijstmeel, zout. + +Het meel wordt met (het zout en) de santen vermengd, de goeladjawa +wordt versmolten gezift en vervolgens gekookt tot een dikke stroop. In +deze stroop roert men het aangemaakte deeg, kookt dit samen op, +tot het een bruine dikke massa wordt, die men in een basi-kasar stort. + +Nu maakt men een witte saus van de dikke santen, meel en zout en laat +deze saus tot een dikken pap koken. Deze pap wordt nu als een laag +over de bruine massa gestort of met een lepel er gelijkelijk over +heen gestreken. + +Wanneer men dat gebak eet, snijdt men het in ruitvormige stukken. + + + +330. Kwé-talam djagoeng. + +10 à 12 jonge djagoengs, (zout naar verkiezing) geraspte goeladjawa, +santen van 1 klapper; de saus als die van de kwé-talam, hierboven +(no. 329). + +De jonge djagoengs worden geraspt, vermengd met wat zout, de geraspte +goeladjawa en wat santen; dit tot een beslag gemaakt en verder bereid +en gekookt als de gewone kwé-talam. + +De geheele verdere bereiding geschiedt als bij no. 329. + + + +331. Kwé-wadjiek. + +Een kattie (of 1 pond) ketan, santen van 2 oude klappers, goela-djawa +naar smaak. + +De santen wordt met de goela-djawa gekookt, tot er de olie uitkomt; +daarna kookt men afzonderlijk de ketan en roert deze vlug door de +gekookte olieachtige goela-djawastroop. Is alles goed vermengd, dan +stort men dat op een houten schotel (doelang) en laat het koud worden. + +Daarna snijdt men dit gebak, of deze versnapering, in kleine vierkante +of ruitvormige stukjes. + + + +332. Tangkoewé, + +is een oostersche versnapering, die bijna altijd uitsluitend door de +Chineezen wordt bereid. + +Zij gebruiken daartoe de "beligo" (een vruchtsoort, verwant aan de +kalebas, de pepaja, de koendoer), welke vrucht wordt geschild en +van het vleesch lange vierkante reepjes worden gesneden. Deze reepen +worden 1/4 uur in kokend water geweekt (di rendem) en daarna 1/2 uur +in kalkwater gelegd. Dan wascht men ze goed af, laat ze op een zeef +goed uitlekken en zooveel mogelijk drogen. + +Nu kookt men witte suiker, met een weinig water, erg dik tot stroop, +rolt hierin de stukken beligo, haalt ze er uit en wentelt ze in zeer +fijn wit poedersuiker. + +De tangkoewé is dan gereed. Men houdt haar op een droge plaats--'t +best in blik bewaard. + + + +333. Tèntèng + +bestaat uit witte suiker tot "caramel" gekookt (zie Nieuw volledig +Ned.-Ind. kookboek 1e druk pag. 271 onderaan, "ganting") innig vermengd +met heele en gebroken stukjes katjang-gorèng. Goed roeren en goed +vermengen, dan spreidt men dit uit op een steen (bij wijze van doelang +zie no. 331) en laat het zoo bekoelen en eenigen tijd staan. Men +snijdt dit soort van Indische Nougât in langwerpig-vierkante reepen. + + + +334. Timoes. + +Een pond ketanmeel, 3 à 4 plakken goela-djawa, ± 1/2 kopje water, +een theeschoteltje vol geraspte gebraden klapper; gekookte santen, +pisangbladeren. + +Suiker met weinig water tot stroop koken en daarna ziften; dan +doet men er den gebraden geraspten klapper in en kookt dit nog eens +op. Vervolgens roert men deze suiker, die men eerst wat heeft laten +bekoelen, met het ketanmeel goed door elkaar, lengt dit beslag aan +met wat santen, zoodat men dit tot rolletjes kan vormen, die men +door een weinig santen haalt, in pisangbladeren wikkelt en in den +koekoesan gaar stoomt. + + + +335. Pisang gorèng. + +Deze versnapering wordt ook dikwijls, als bijgerecht, bij de rijsttafel +gebruikt. Men kan ze ook 's namiddags, bij het huishoudelijke +theeuurtje (4 à 5 uur) gebruiken. Kinderen zijn zeer verzot op deze +vegetarische lekkernij. + +Men neemt eenige goede rijpe pisang-radja en olie. Men snijdt de +geschilde pisangs overlangs in twee helften en deze wederom over de +dikte in tweeën en bakt ze op in heete olie. + +Met meelbeslag bereid, waarin de stukken pisang worden gewenteld, +en in heete olie gebakken, krijgt men de pisang-beignets. + + + + + + + +W. INDISCHE CONFITUREN (MANISANS). + + +336. Kolang-kaling. + +Vruchten van den arènpalm, "boewah-atap" genaamd, rijstwater, suiker +tot stroop gekookt. + +De vruchten weekt men een nacht in rijstwater, haalt ze er dan uit en +weekt ze in koud water; men doet ze vervolgens op een zeef en overgiet +ze nog eens met koud water. De gekookte suikerstroop wordt "geklaard" +en weer opgekookt, daarna gezift. In deze stroop laat men eindelijk +de schoongewasschen vruchten gedurende 2 nachten staan. Dan giet men +er de stroop weer af, kookt ze nog eens, met wat suiker er bij, op, +doet er wederom de vruchten in en, als dit is afgekoeld, doet men de +"kolang-kaling" in stopflesschen. + +Op dezelfde wijze bereidt men de + + + 337. a. Manisan pepaja. + b. ,, djeroek kienkip, + c. ,, mangga, + d. ,, nangka, + e. ,, tjerimej, + f. ,, djeroek wangi. + + + + + + + +OVER NATUURLIJKE, PLANTAARDIGE KLEURSTOFFEN. + + +Deze kleurstoffen, onschadelijk en veel door inboorlingen en Chineezen +gebruikt, bij bereiding van allerlei gerechten, die zij zoo gaarne +met verschillende kleuren sieren, zijn van de navolgende planten, +wortels en bloemen getrokken: + +Rood wordt getrokken uit een soort van roode Chineesche rijst +"ang-khah" genaamd--ook wel "bras-mérah tjina". De bereiding der +kleurstof schijnt evenwel bij de Chineesche chemikers te berusten. De +makassaarsche roode vischjes worden o. a. door die ang-khah rood +gekleurd. + +Dan heeft men nog voor de bereiding der roode kleur, de kasoemba +(bloemknopjes van de kembang poeloe), de kembang spatoe, de bajem-mérah +(om agar agar rood te kleuren) en de boewah gendolla. + +Geel verkrijgt men van de koenjit (wortel) en wordt aangewend bij +kerrie, katjang tanah en de kembang goela (suikertjes). + +Koema-koema (onze saffraan). De arabische vrouwen gebruiken dit om +geleien geel te kleuren. + +Groen wordt getrokken uit daon-soedji, met wat water en sirihkalk +vermengd, uit daon telang (voor gebak en suikerwerk) uit daon pandan. + +Blauw trekt men uit de kembang-telang, een blauwe bloemensoort. + +Deze vier hoofdkleuren nu, kan men door samenvoeging op velerlei +wijzen combineeren en er lichte en donkere tinten van maken, zoomede +de samengestelde kleuren als paars, oranje, groen, van geel en blauw +vermengd, bruin, matgroen, zeegroen, olijfgroen, zelfs feuille-morte +kleur, enz., enz. + + + + + + + +IETS OVER DE VRUCHTEN. + + +Het is lang niet onverschillig, welke vruchten men gebruikt bij de +maaltijden. Laat ik er bijvoegen dat in Indië de kinderen, ook buiten +de vastgestelde tijden voor het eten, dikwijls vruchten gebruiken, +omdat zij, in het vruchtenland bij uitnemendheid zoo goedkoop en +overal gemakkelijk verkrijgbaar zijn. + +Gedachtig aan de leer, dat de vegetariër altijd rijpe, gezonde +vruchten zal nemen en dat matigheid een zijner hoofdbeginselen is, +moet er toch nog gewezen worden op zeer veel, dat hem, als oningewijde, +pas in Indië aangekomen vegetariër, onbekend is en van veel belang +geacht moet worden voor de instandhouding der gezondheid. + +Het plantenzuur b.v. behoort ook tot de zoo noodzakelijke +voedingsstoffen, even als zetmeel; het is dan ook in de vruchten +aanwezig, maar in vele soorten, in zoo groote hoeveelheid, dat het +schadelijk werkt op darmen en maag. + +De nieuweling heeft, vóór zijn aankomst in Indië, reeds zooveel +vernomen van den overvloed en de goedkoopte der vruchten, dat hij, +uit vegetarisch beginsel, zich voornamelijk met vruchten zou willen +voeden, afkeerig als hij is van al het vreemde, dat de Indische +tafel aanbiedt. Die trek, dat verlangen naar vruchten moet hij +beslist bedwingen. + +De raad, om, in tijden van cholera of andere épidemische ziekten, +geen of weinig frissche, verkoelende vruchten te gebruiken, om het +drinkwater te koken, schijnt in Indië dikwijls te worden aangemerkt +als een banaliteit. + +En hoewel die raad, van hooger hand, als hygiënische maatregel, wordt +gegeven, zelfs als bevel uitgevaardigd, wordt hij door Inlander en +Europeaan in den wind geslagen. + +Vooral wordt dan gezondigd tegen het gebruik van vruchten, liefst +van vruchten die in de derde orde staan, wat de schadelijkheid betreft. + +De hygiëne heeft in onze Oost, in de laatste jaren, ontzettend veel +gedaan tot verbetering van den algemeenen gezondheidstoestand. Naast de +vele en groote werken van algemeen nut, waterafvoer, waterboringen, +hydranten, klinieken, moderne gezondheidsétablissementen, geeft +zij, zoo noodig, behartigingswaardige wenken. En zij rekent daarbij +op medewerking, algemeen en individueel. Maar het is dikwijls of +onverschilligheid den mensch bezielt. Het doel van dit hoofdstuk is +dan ook in het bijzonder, de nieuwelingen in Indië bekend te maken +met de goede onschadelijke, de minder goede en de schadelijke--vaak +zeer gevaarlijke--vruchten. + +Zooals reeds hierboven is aangehaald, eet de vegetariër bij voorkeur +goede, rijpe, gezonde vruchten, zoodat van zelf vervalt het weinig aan +te bevelen gebruik van de zoo bijzonder gewilde "roedjak", de bekende +versnapering (?) bestaande uit allerlei onrijp ooft, hoe wranger en +zuurder hoe smakelijker, netjes gesneden en op een bord gerangeerd, +waarvan men allerlei stukjes neemt en waarbij een zeer pikant sausje +wordt voorgediend van scherpe sambals (lombok), trassie en verdere +vegetarische ongerechtigheden van den hoogsten graad. + +Maar ook onder de rijpe vruchten schuilt dikwijls veel kwaad en wordt +derhalve de raadpleging der ondervolgende lijsten den vegetariër +aanbevolen. + +Vele vruchten hebben, in hunne familiën of soorten, goede en +schadelijke producten. + +Zoo is de rijpe mangga--met mate gebruikt, b.v. eenige afgesneden +stukken (dus niet een heele mangga) wel aan te bevelen, terwijl een +inferieure soort, de "kembembem" wordt ontraden. Hetzelfde geldt voor +de pisangs, de djeroeks, de djamboe's, enz. + +De volgende lijst geeft de goede, onschadelijke vruchten aan. Zelfs +voor kinderen onschadelijk zijn a en b. + + + +Den vegetariër aanbevolen vruchten zijn: + + +a. rijpe Pisang van de volgende soorten: pisang radja, p. mas, p. + soesoe, p. radja seréh, p. gembor. Men eet + hoogstens 2 pisangs. +b. rijpe Pepaja altijd goed en gezond, zelfs ook voor kinderen. + Men werpt de pitjes weg en gebruikt slechts het + vleesch en holt niet te veel weg van de schil. +c. rijpe Mangga Groengeel van schil, in vele soorten. Wordt + [2] geschild en van de groote pit het vleesch + afgesneden. Goede soorten: m. dòdòl, m. daging, + m. wangi, m. Cheribon, m. sengir, m. Bengala. +d. Mangistan Een goede en gezonde prachtvrucht, waarvan het + witte binnenste wordt gebruikt. De schil wordt + weggesneden, door haar op het midden in de rondte + open te snijden. +e. Djeroeks in vele goede soorten als: dj. manis, dj. Bali, + (citroenen) dj. keprok--de groote soort: dj. + matjan. (sinaasappels) +f. Ananas De beste soort is de ananas of "nanas Bogor." Van + deze saprijke en rijpe vrucht ete de nieuweling + niet te veel. + + +De minder goede soorten, dus vruchten van den 2en rang, zijn: +doekoe's, ramboetans, zuurzak, boewah nonna, sirikaja, blimbing besi, +sawo manila, sawo, druiven (boewah-anggoer), terwijl ontraden wordt: +het gebruik, althans in den beginne als men in Indië komt, van: + +3e rang: langsep, kòkòsan, salak, nangka, djoewet of djamblang, +kedondong, moendoe, delima, kawèsta, gendaria, semangka (zéér +verkoelend), siwalan (idem), kwènnie en kebembem (inférieure +manggasoorten), boewah rotan, klappa kopjor, gòwòk, doerian (zeer +verhittend), ketjapie. + + + +Er zijn vele vegetariërs, die beweren, dat verkoelende vruchten geen +kwaad hoegenaamd doen en dat de kwestie van ziek worden, in tijden +van besmettelijke ziekten--waartoe ook de cholera behoort--de schuld +niet ligt aan de vruchten, wel aan de gebruikers zelf. Men vergete +nimmer, dat de vruchten op de markt van hand tot hand gaan, dat velen +der handelaren geïnfecteerde handen (kunnen) hebben en dat men dus: +1o. de vruchten goed moet afwasschen, 2o. ze even, met schil en al, +in warm water moet dompelen en afdrogen, 3o. de handen reinigen +met zeep en warm water en dàn eerst de vrucht moet schillen. Het +vruchtvleesch bevat geen smetstoffen. Hoe het zij, men doe met deze +raadgevingen zijn voordeel en, gebruikt men al eens een vrucht van +de 2e of 3e soort, men er slechts een "proefje" van neme. + + + + + + + + + +TEN SLOTTE + + +nog het volgende: + +Bij mij thuis leven wij grootendeels vegetarisch. Er is wel vleesch, +doch zeer weinig, op tafel. Van visch en kip is geen sprake, alleen +nu en dan een stukje visch; daarentegen veel boonen en meelspijzen, +groenten, vruchten en jams. + +Men weet dan wat men eet en dat, hetgeen men nuttigt, zooveel mogelijk +van het plantenrijk komt. + +"Maar, als wij heerlijk klaargemaakte vleeschschotels krijgen, +bijvoorbeeld in groote hôtels en restaurants," werpt men mij tegen, +"dan weten wij toch óók, wat wij eten?" + +--"Jawel! Dat staat nog te bezien," antwoord ik. "Het papier +is geduldig en wat op het rijke menu met den naam van een duren +vleesch- of wildschotel prijkt, honderd tegen één, dat al dat moois +vervalscht--erger nog--bereid is uit allerlei afval, dat kunstig is +bijgeknoeid en u als delicatessen peperduur wordt voorgediend. Ik +haal thans een aardig stuk aan, zeer lezenswaard. Het is uit het +Bataviasch Nieuwsblad van 26 Augustus 1910, 5e Blad en voert tot titel: + + + +Die smakelijke Parijsche Keuken! + +"Wie herinnert zich niet de lakonieke opmerking van Jules Verne's +onsterfelijken Phileas Fogg, toen hij een hazepeper geproefd had, +die een knipmessende restaurateur hem had voorgezet: + +--In Egypte werden de katten als heilige dieren beschouwd. Dat was +een gelukkige tijd.... + +--Voor de katten, mylord? + +--Ja, maar óók voor de reizigers. + +Er was een tijd, dat de fransche keuken roem kon dragen op haar +degelijkheid. In dien tijd geen hazepeper zonder haas, geen ossehaas +zonder os, geen blinde vink zonder.... neen, dat niet, maar toch in +dien tijd geen iets zonder iets. Er was b.v. die beroemde pot-au-feu, +de langzaam, zacht getrokken bouillon, waarnaar zelfs hij, die geen +grooten horizon voor zijn gedachten heeft, die een beetje erg huiselijk +is, een "pot-au-feu" genoemd werd. Die pot-au-feu verstoffelijkte al +de intensiteit van het fransche familieleven. + +En nu! Die geurige, krachtige, opwekkende schotel is vervangen door +het bijmengsel van allerlei extracten van misschien bij Buffon wel +onbekende beesten. Op de étiquette van den flacon met die extracten +staat wel een schaap of een os, maar daarin zit een onsmakelijk vocht +met een afschuwelijke lucht. Een lepelvol van deze geheimzinnige +vloeistof en een liter kokend water, ziedaar wat men u in Frankrijk +thans aanbiedt in de plaats van den aartsvaderlijken bouillon, die +een eerzame keukenmaagd ons dampend en geurig opdiende na acht uren +geduldige bewerking. + +Zoo is er meer. Kreeftensoep, de hoogheerlijke kreeftensoep, de +ondeugende kreeftensoep, waarbij de Franschen even glimlachen, als +zij ter tafel komt bij groote gelegenheden, ook de kreeftensoep is +vervallen. In de restaurants--want alles, wat we verder bespreken, +komt op rekening van de restaurants; we denken er niet aan kwaad +te spreken van de vriendelijke gezinnen, wier gastvrijheid even +onaangetast als de reputatie harer schotels bij ons voortleeft--in +de restaurants eet ge geen kreeftensoep meer. Wel krijgt ge iets, +dat in kleur en smaak daarmede overeenkomt, doch het is een brouwsel, +gemaakt door middel van een rood poeder, dat men in iedere apotheek +kan koopen. Om de illusie zoo volledig mogelijk te doen zijn, wordt +echter een onttakelde kreeftekop, waarvan een ander eerst het vleesch +heeft afgepeuzeld, in de soepterrine geworpen en zoo komt het, dat +ge u afvraagt, waarom de kellner, die met het opdragen belast is, +ternauwernood zijn lachen kan laten... + +En na de soep de visch, de visch, die duur is en dus voor een +fijnen schotel geldt. Welnu, langen tijd--ook deze illusie moet ge +laten varen--was ook die fijne visch namaak. In sommige parijsche +restauraties schijnt men gedurende langen tijd tong en tarbot +vervaardigd te hebben uit afgezoute stokvisch, die heel netjes was +aangebracht op kunstig gemaakte, de vischgraten zeer nabij komende, +fijne kammetjes. + +Is het wonder, dat bij een dergelijk imitatie-systeem boter een meer en +meer verdwijnend luxe-artikel wordt en plaats maakt voor kaarsvet met +een mengseltje, terwijl de hanekammetjes van de bekende vol-au-vents +nooit oftenimmer op de hoofden der morgenwekkers zijn gegroeid, doch +doodeenvoudig met een emportepièce uitgeslagen zijn in de binnenlang +van een of ander kalfsverhemelte? + +Zoo wordt de vindingrijkheid van den mensch in den dienst gesteld +van het bedrog en de wereld om zoo te zeggen onderstboven gezet. + +Een kijkje achter de schermen van de parijsche restauratiekeukens +is voor het groote publiek inderdaad mogelijk geworden door het +werk van een man, die te Parijs een persoon van gezag was in de +kringen van viveurs en boulevardiers. Die man was een Parijzenaar bij +uitnemendheid, een echte "Parisien parisiénant", eene soort, die in de +groote hoofdstad van Frankrijk, waar van alles te vinden is, slechts +schaars wordt aangetroffen. Er waren weinig menschen, die Parijs zóó +goed kenden als hij. Allerlei typeerende boeken, honderden, om niet te +zeggen duizenden courantenartikelen getuigden van zijn fijne pen, zijn +opmerkingsgave, zijn boulevard-blague, zijn geestes- en woorden-ironie. + +Hij was een even duchtig strijder met snerpende replieken en +onverwacht-verbazende woordspelingen als met den schermdegen, +doch bij dat alles lag over zijn gezicht de opgewekte glimlach van +iemand, die het leven amusant en zijn medemenschen niet onamusant +vindt. Hij was bekend als een der "fijne tongen" van de mondaine +restaurants. Groot was dan ook de verwondering toen hij, Aurelien +Scholl, op een goeden dag een allercurieust boekje deed verschijnen, +waarin hij meedoogenloos, maar met den spotlach van een overmoedigen +jongen, de geheimen toonde van de parijsche restauratie-keuken. + +Hij had eens rondgekeken, inlichtingen gevraagd, zich de "dessous" van +het zaakje eens laten wijzen. Daarbij ontdekte hij veel wonderlijks, +zelfs veel onaangenaams, maar met zijn onveranderlijk goed humeur +en zijn philosophische onverschilligheid had hij dat alles bekeken +met de oogen van een daarbij niet betrokken toeschouwer. Of hij had +het aangenomen als iets, dat er nu eenmaal bij behoort, zooals een +theedruppel op een pas schoon ontbijtservetje of een jus-spat op een +hagelblank overhemd. + +En hij vertelde. Hij vertelde van een "keuken schilderkunst", door een +der voornaamste restauraties te Parijs uitgevonden. Die eetgelegenheid +had een schilder van beroep onder hare helpers opgenomen en, toen het +bekend werd, deden in navolging weldra de restaurateurs van allerlei +rang hetzelfde en engageerden keukenschilders in verschillenden graad +van artisticiteit. + +Helaas, zoo was het. De nederlandsche lezer, die gewoon is zijn +vaderlandsche biefstuk met eetlust en geesteskalmte te verorberen, +alsof hij iets heel gewoons doet, zal wellicht voortaan bij deze +werkzaamheid beseffen, dat hem een groot voorrecht ten deel valt. Want +te Parijs eet men geschilderde biefstuk, evenals geschilderde +eierkoeken, schapenbouten enz. + +Ziehier, hoe dat schilderen in zijn werk ging: + +Men houdt er te Parijs veel van om vleesch en visch op een rooster +tusschen vuren van houtskool te braden. Nu is het echter moeilijk, om +zulk een laag houtskolen te hebben, dat men tegelijkertijd biefstuk, +eieren, ribbetjes en visch kan roosteren. + +Wat wordt er nu gedaan? + +De "kunstenaar-schilder" neemt.... eene bruine verf, smeert daar den +rooster meê in, waarop het vleesch of de visch gelegd wordt en drukt +daarna krachtig de twee voorwerpen tegen elkaâr aan; vervolgens gaat +de eetwaar den oven in. + +Wanneer het vleesch gaar is, worden verflijnen met een penseel nog +wat aangezwart en daarna komt de biefstuk op tafel en draagt de +onmiskenbare sporen van op den rooster gebraden te zijn. + +Wat de omelette betreft, daarmede wordt anders omgesprongen. Terwijl +men vroeger vier eieren noodig had voor een eierkoek, neemt men nu +slechts één eierdoor en het wit van vier eieren. De andere dooiers +worden bewaard, om room en allerlei sausjes te maken. + +Maar om nu tot de omelette terug te keeren; het wit wordt door een +onschadelijke verfstof geel gekleurd; daarna bestrijkt de schilder +den buitenkant met oker; een koksjongen schroeit er even met een warm +ijzer over heen, wat de kleur nog verhoogt en klaar is Kees,--ge hebt +eene heerlijke omelette vóór u. + +Voor het volgende geven we den heer Aurelien Scholl zelf het woord: + +"Onlangs heb ik een schapenbout zien verven en die operatie heeft +mij bijzonder geïnteresseerd. Er moest namelijk een schapenbout van +gemaakt worden, die aan het spit was gebraden. + +Na hem met het spit doorstoken te hebben, dat hij er terstond weer +uittrok, nam de kok den schapenbout en gaf dien over met de woorden +"klaar voor het schilderen." De schilder heeft een vijftiental potjes +met verf vóór zich; in ieder is een penseel; daarnaast liggen eenige +harde kwasten. + +De kunstenaar bekeek een oogenblik den schapenbout, die men hem bracht; +hij streek met de hand over het voorhoofd, daarna stipte hij zijn +penseel in een potje, dat tot opschrift droeg: "Bruin gebraden" +en schilderde eenige gedeelten donkerbruin op het stuk vleesch, +dat zoo uit den oven kwam. + +Hierop nam hij een kwastje en strooide op de breede kanten fijne +korreltjes verkoold vleesch, waardoor de schapenbout lekker croquant +moest worden. + +Met een penseel, gedoopt in eene kleur, die "versch bloed" nabootste, +schilderde hij hier en daar kleine openingetjes, waardoor de jus in +breede stralen naar beneden liep. De koksjongen goot toen een paar +lepels vleeschnat over den schotel evenals een weinig beetwortelsap +en door middel van een klein spuitje met drie gaatjes besproeide hij +toen alles met een weinig kokend vet. + +Daarna werd de schapenbout "zóó van het spit" een familie voorgezet. + +Ternauwernood was deze operatie geëindigd of de heer Scholl had een +nieuwe ervaring. Door de spreekbuis kwam de bestelling: + +"Vier ortolanen, vier!" + +De opperkok riep: + +"Ga gauw Alfred halen; hij is in den ijskelder!" + +"Wie is Alfred?"--vroeg ik. + +De schilder--de chef-kok had het te druk en gaf nu hier dan daar zijn +bevelen en zijn raad--de schilder lichtte mij in. + +"Alfred is de man, die de ortolanen maakt." + +Alfred kwam. Men gaf hem vier gedoode musschen. De handige jongen zoog +daarop door een rietje een groote hoeveelheid kippevet op, prikte toen +met het rietje de eene musch na de andere even boven de plek waar de +rug ophoudt, en vulde ze tusschen vel en vleesch met het warme vet. + +"In minder dan geen tijd waren de musschen onder deze behandeling +ortolanen, zoo dik en vet als men maar begeeren kon, en brachten per +stuk drie francs op." + +Een geliefkoosde schotel der parijsche restaurants is de raie au +beurre noir of wel rog in bruin gebraden boter gekookt. Aangezien +echter de rog veel vet opneemt, zou er te veel boter voor noodig +zijn. Daarom wordt op de volgende wijze te werk gegaan: De rog wordt +afzonderlijk gekookt. Daarna smelt men de boter in een pan, die nooit +schoon wordt gemaakt of die met beenzwart is bestreken, zoodat de +boter al zwart is, eer ze smelt. Vervolgens wordt het eene bij het +andere gedaan. Men heeft dus rog, men heeft eveneens bruine boter, +rog in bruin gebraden boter heeft men niet. + +De schilders, waar we zooeven over spraken, zijn ook nog voor andere +dingen goed. De vruchten worden door hun zorgen gecorrigeerd van de +gebreken, die de natuur ze mocht hebben gegeven. Vooral de meloenen, +die in stukken gesneden worden opgediend, leenen zich daartoe +uitstekend. Is de meloen te rijp, dan worden tegen den kant van de +schil een paar mooie, groene strepen geschilderd, is hij droog en +meelachtig, dan wordt met behulp van het sap van den te rijpe het +evenwicht hersteld, terwijl de onrijpe door heerlijke oranje verflagen +u doet watertanden. + +Maar wat het moeilijkste kunststuk schijnt te zijn in deze +"werken der duisternis", dat is twee spiegeleieren te maken met +één ei. Daartoe wordt bijna de bekwaamheid van een chirurgijn +vereischt. Het komt ook alleen maar voor in de restauraties à prix +fixe. Het is nu eenmaal mode, om niet minder dan twee spiegeleieren +aan de klanten voor te zetten, maar om daarvoor twee eieren te nemen, +is wat duur en hun één enkel te geven, durft men niet. Daardoor zou de +restauratie verloopen. De menschelijke intelligentie gaat echter ver, +er bestaat een middeltje om de eischen van den klant oogenschijnlijk +te bevredigen en tevens de belangen van den restaurateur niet uit +het oog te verliezen. + +Men gaat aldus te werk: + +De kok neemt een bord, waarop hij een weinig boter heeft laten +smelten. Vervolgens trekt hij met een instrumentje, niet ongelijk +aan den diamant der glazenmakers, een lijn in het midden rondom den +eierdop, die daardoor zoo goed als in tweeën wordt gedeeld. Met een +in olie gedompeld mes snijdt hij nu uiterst snel het ei middendoor +langs de getrokken lijn. Het ei valt daarop in het bord en splitst +zich in twee gelijke deelen. + +Maakt nu de klant, die wel twee, doch twee kleine spiegeleieren krijgt, +daarop een aanmerking, dan antwoordt de kellner: "Ja, ziet u, ik ben +de kip niet" en dat kan moeilijk tegengesproken worden. + +Ten slotte nog een kleine aanwijzing, die te denken geeft: + +Evenals er menschen zijn, die bij voorkeur "adellijke" hazen eten, +vindt men groote liefhebbers van kaas, die verzot zijn op de soorten, +welke in ver gevorderden toestand verkeeren. Vooral zijn zij belust +op de zoogenaamde Roquefort, die eene afgrijselijke lucht van zich +geeft en soms zóó ver gevorderd is, dat zij blauw en groen te gelijk +ziet. "Dan is ze juist op haar lekkerst", zeggen de kenners. Nu gebeurt +het niet zelden, dat er geen roquefort in dien toestand voorhanden +is. Het volgende tooneel (we geven weer het woord aan Aurelien Scholl) +doet zich dan voor: + +"Opnieuw liet de stem van den kellner zich hooren: + +--Un roquefort amateur.-- + +"Domme ezels, die klanten. 't Is altijd hetzelfde," bromde de +schilder. "'t Is het seizoen der versche roquefort en nu vragen ze +warempel oude". + +--En hoe levert ge hem dat nu?-- + +"Och, men laat langzaam de versche kaas op het fornuis uitdrogen; +ik schilder er dan groene aderen doorheen met de geographische +onzekerheid, die de natuur zelf aangeeft, en dan "bezielt" Victor +de portie". + +--Victor? Wie is dat?-- + +"Dat is een helper in de keuken die er eene verzameling stukjes +hollandsche kaas op na houdt in eene vochtige kast.... Dat leeft en +krioelt daar in de verborgenheid en daar haalt Victor zijn "kolonisten" +van daan, om de roquefort te bevolken". + +Hierbij zullen we de geheim-onthullingen der parijsche keuken laten. + +Smakelijk eten!" + + + +Zijt ge, na lezing van dat stuk, overtuigd, dat het vegetarisme nog +zoo slecht niet is? + +Ga niet of zoo weinig mogelijk naar eethuizen, vooral niet +naar die groote buitenlandsche--Parijsche, Berlijnsche, +Weensche--"smulpaleizen". + +Eet thuis, wat er, aan versche groenten en degelijke vruchten, +gekocht is van uwen u bekenden vasten leverancier en kijk alles van +den langganan eerst ter dege na. Men leze, omtrent vervalschingen, +hetgeen ik daarover schreef in mijn werk "De specerijen en ingrediënten +der rijsttafel". + +In het weekblad "EENHEID", dd. 10 December 1910, no. 27, vind ik de +volgende behartigingswaardige regelen van Mejuffrouw Johanna Steketee, +onder het hoofd: + + + HET VEGETARISME + bezien van de ethische en economische zijde + door JOHANNA STEKETEE. + + +"Waarom vegetariër? + +Ach, een vegetariër heeft er natuurlijk duizend redenen tegen een voor. + +Allereerst dan: omdat 't gezonder is. + +2. Omdat 't voordeeliger is. + +Het is gezonder, omdat men bij een groenten- en vruchten-dieet nooit +heeft die gevaren voor besmetting van allerlei aard, waaraan men bij +vleeschgebruik is blootgesteld. + +Het is voordeeliger, omdat vleesch duur is. + +Er is ook wel goedkoop vleesch! + +O zeker. + +Maar ziet, hoe hier onze twee eerste pleitredenen in één loopen. + +Gebruikt men duur vleesch, dan is het vegetarisme voordeeliger. + +Gebruikt men goedkoop vleesch, dan is het vegetarisme veiliger, +aldus gezonder. + +Eén voordeel blijft dus altijd aan onze zijde. + +Maar laten we nu die gezondheids-reden eens nader uitpluizen. + +De mensch is den aap zeer verwant. Lees er Darwin maar eens op na. De +apen zijn steeds vruchteneters geweest. Het gebit der vruchteneters +en dat der vleescheters is zeer verschillend. + +Het menschelijk gebit komt overeen met dat der vruchteneters. + +De mensch is dus door de natuur aangewezen als +vruchteneter. (Prof. Hartman: die menschähnl. Affen.) + +Dat moet dus wel 't gezondste en 't beste voor hem zijn. + +Straft elke afwijking van de natuur zich zelf niet? + +Men denke slechts aan de kunstmatige voeding der zuigelingen. + +Hoeveel verdriet en ellende heeft dat al niet te weeg gebracht! + +Trouwens er zijn ook bewijzen te over, dat de vegetarische leefwijze +de gezondste is. + +Hoe menigmaal zijn wedstrijden voor krachts-inspanning gewonnen juist +door vegetariërs? + +En zie de van hun geboorte af vegetarisch-opgevoede kindertjes eens +aan! Dat is een lust, zoo frisch die kindertjes, de gezichtjes zoo +gaaf, er meest uitzien! + +Daartegen wordt er wel eens beweerd, dat er zooveel slecht-uitziende +vegetariërs zijn. + +Maar dat bewijst niets en gaat geheel buiten de quaestie om. + +Er zijn immers zieke menschen, die ten einde raad hun heil zoeken bij +een vegetarische leefwijze. Ik ben begonnen met de meest-practische +gronden, die kunnen leiden tot het vegetarisme, omdat de mensch in +onzen materialistischen tijd, daarvoor 't gevoeligst is. + +Laten we nu het vegetarisme eens van een meer ideëlen kant beschouwen. + +Er is wel niemand, die de gruwelen van het slachten licht zal tellen, +al wordt er ook in den laatsten tijd naar gestreefd op meer-humane, +of laten we liever zeggen, minder pijnlijke wijze (slachten en humaan +kunnen niet samengaan) te slachten en al wordt die methode dan ook al +in vele steden toegepast, op de meeste plaatsen en op het platteland is +het slachten, vooral van varkens, nog een ware gruwel. Wie dat eenmaal +heeft gezien, vergeet 't niet licht. Den eenen en eenigen keer, dat +ik zelf dit vreeselijke schouwspel heb bijgewoond, wierpen de slagers +de ingewanden van 't geslachte dier maar zoo terug in het varkenshok, +waar de eigen jongen van het gedoode dier eraan begonnen te peuzelen. + +Wreeder kan het wel niet! + +De slagers bedrijven dit werk lachende en gekheid makende wat wel +een bewijs is, welk een ontaardenden invloed het slachten op het +menschelijk karakter heeft. Dit zag ik nog verleden jaar bij mijn +buurman, waar de heele familie 't als een pret beschouwde, toen het +vetgemeste varken in hun tuin een klein eind van het hok verwijderd, +werd geslacht. + +Ik denk dat onze nakomelingen met evenveel afschuw op dit bedrijf +zullen terugzien, als wij 't doen op den slavenhandel van vroegere +tijden. + +Toen ik een kind was, kon ik wanneer mij vleesch werd voortgezet, +in mijn gedachten het verband hiervan met het slachten niet +wegwisschen. En zoo heeft, zoolang mij heugt, vleesch mij tegengestaan, +en dit te meer, naardat het rooder en bloediger op tafel kwam. Ik +maakte dan ook al vroeg, als was 't dan ook onbewust, propaganda +voor het vegetarisme. Als tienjarig kind voerde ik altijd oppositie +tegen de porties vleesch die ik te verorberen had. Het hielp mij niet +veel. Mijn vader was dokter en helaas de waanmeening toegedaan, dat +vleesch kind en mensch sterk maakten. Heel dikwijls heeft 't vleesch +een lekkere maaltijd voor mij bedorven. Een paar jaar later, toen +ik met mijn moeder alleen was gebleven, [3] had de oppositie betere +uitwerking, maar toch heeft het nog tot mijn achttiende jaar geduurd, +eer ik openlijk een geheel vegetariër was. + +Na dien tijd is mijn gezondheid dadelijk veel verbeterd, heelemaal +goed werd ze eerst, toen ik eenige jaren daarna buiten ging wonen, +vegetariërs hooren buiten in de vrije natuur. + +Alle persoonlijke redenen en gevoelens, die tot het vegetarisme kunnen +drijven, daargelaten, ligt het vegetarisme ook vooral in de lijn van +den vooruitgang. + +Hoeveel bewegingen in onzen tijd getuigen niet van een geest naar +verbetering en veredeling? We denken slechts aan het socialisme in +de verschillende stroomingen, die de sociale toestanden en hierdoor +ook den mensch, trachten te verbeteren. Aan de dierenbescherming, +die zooveel sympathie ondervindt. + +Aan de anti-vivisectie, die eens overwinnen zal. Aan de theosophie, +de leer, die, alle godsdiensten vereenigde, tot het doel heeft, +den zedelijken mensch--negeerende het ras of de leer waartoe hij van +geboorte behoort,--te verbeteren en te verheffen. + +Aan de drankbestrijding, die onvermoeid voortwerkt om den mensch te +doen inzien de ellende van den drank en te wijzen op de gevolgen, +die tot in het derde en vierde geslacht kunnen voortspruiten uit +drank-misbruik. + +Aan de vrouwenbewegingen, die de vrouw roepen tot het groote Leven, +waarvan ze eeuwen verre gehouden is. + +Aan al de tentoonstellingen, huisindustrie, land- en tuinbouw, welke +laatste zooveel emotie's heeft wakker geroepen. + +Het zijn vooral de landbouw en de tuinbouw, die staan in het teeken +van den vooruitgang. Het verband met het vegetarisme is hier niet +ver te zoeken. + +Al de verbeteringen, die op landbouw-gebied worden ingevoerd (denken +we slecht even aan kunstmest, zaad-contrôle, enz.) komen vooral het +vegetarisme ten goede. + +"Wat zullen we eten?" is zoolang het vegetarisme bestaat, een +belangrijke vraag geweest voor de vegetariërs. + +Ik zie nu echter wel in, dat die vraag geweldig overschat is. + +Wat onderscheidt den vegetariër van den niet-vegetariër? Het +vleesch-eten. + +In het maal van den vegetariër moet dus het gemis aan vleesch worden +vergoed. + +Is dat nu zoo moeilijk? + +En getuigt 't niet van innerlijke toch wel veel waarde hechten aan +het vleesch, als we zoo'n kolossale drukte maken van dat, waardoor +we het zullen vervangen? + +Hoeveel is daarover al niet geschreven en geredeneerd. + +Wij zijn ten slotte beu geworden van de lijstjes eiwit, koolhydraat, +vet, zouten, water, waarmede voedingsmiddelen ontleed werden, zonder +er echter veel wijzer door geworden te zijn. + +De praktijk en de ondervinding zijn in zake voeding bekwame +leermeesteressen. We weten allen wel dat we ons alleen met wittebrood, +sla en aardappels en wat vruchten niet voldoende voeden kunnen. Toch is +er door vegetariërs nog wel eens een proef genomen zich uitsluitend +met vruchten, noten vooral, te voeden. En ook zijn er wel eens +vegetariërs geweest, die hun maaltijd begonnen met vruchten, wat +mij ook onlogisch voorkomt. En evenmin bekomt 't ons, wanneer we +ons uitsluitend met grijs brood en boonen gingen voeden (hoewel de +boonen, schoon bespot in verband met het vegetarisme, zie Speenhoff, +een der krachtigste voedingsmiddelen zijn.) + +Verandering van spijs doet eten, luidt het oud-Hollandsche spreekwoord +naar waarheid. + +Wanneer we nu voor 't ontbijt eens nemen: wit en grijs brood, of wit +en roggebrood en kaas, koek, gelei en thee als morgendrank. + +Voor 't middagmaal: aardappelen, groente (boonen, of erwten, of +peultjes, of worteltjes, of andijvie, of spinazie, of postelein, +of bieten) en als lichtere groente, sla, of appeltjes, of peren +(gestoofd), desverkiezende een of twee eieren, gekookt of gebakken, en +de een of andere meelspijs, havermout of rijst toe, en die vruchten, +welke de tijd van het jaar oplevert, dan heeft men m. i. hieraan een +heerlijk en alleszins bevredigend middagmaal. Bovendien kan men 't nog +vooraf laten gaan door de een of ander soep (tomaten-, of erwten-, +of boonensoep). Dan 's avonds het souper weer gelijk aan ontbijt en +koffie of chocolade en vruchten. + +Dat het vegetarisme een uiting van ascetisme zou zijn, wat ik meermalen +hoorde verkondigen, is daarom een wanbegrip. Men kan als vegetariër +ook naar hartelust smullen en zijn maag overladen. + +Er is van vegetarische zijde een bezwaar gemaakt tegen het gebruik +van melk, eieren, boter en kaas, een bezwaar, waarvoor wel iets te +zeggen valt. + +Het ei bevat de levenskiem. + +De melk van het dier, komt het jonge dier toe. + +Maar daar tegenover staat, dat het ei versterkend en smakelijk is. + +Dat de melk in sommige gevallen onmisbaar voor den mensch kan zijn, +als bijvoorbeeld de moeder haar kind niet voeden kan. + +En zoo lijkt 't mij niet af te keuren, maar in tegendeel verstandig, +wanneer de vegetariër gebruik maakt van melk, boter, kaas en eieren +in al die gevallen, waarin dit hem nuttig voorkomt. Echter zoo we +geen eieren, melk, boter en kaas wenschen te gebruiken, blijft er +nog genoeg over, om ons behoorlijk te voeden. + +De natuur is rijk aan variëteiten en de aarde levert elk jaar in +betrekkelijk korten tijd ruimschoots op, wat we noodig hebben. + +Terwijl de mensch niet stilstaat, om den vegetariër allerlei +kunstproducten aan te bieden. + +Het is een lust ieder jaar opnieuw, zoodra de lente begint, te zien, +hoe de aarde ons alles gaat geven, wat we noodig hebben. + +Als onze grond voldoende gemest is, dan kunnen we aan 't zaaien, +om later het geheele jaar door te oogsten. + +Dat begint met spinazie, sla, dan volgen, worteltjes, weldra erwten, +postelein, dan aardappels, boonen, andijvie, bieten, kool, om te +eindigen met veldsla en boerenkool. + +Hierbij kan de kunstmest den vegetariër, die geen varkens vetmest, +goede diensten bewijzen. + +Zoo wordt ook den vegetariër alles gegeven, wat hij noodig heeft, +en behoeft hij naar 't Bijbelwoord, niet bezorgd te zijn voor den +dag van morgen. + +Ik heb eens een dame ontmoet, die meende, dat men ook wel bezwaren +kon gaan voelen tegen het eten van een krop sla bijvoorbeeld. "Het +groeit zoo mooi, het is zonde om 't af te plukken en zoodoende dood +te laten gaan," beweerde zij. + +Maar ach, dat is toch heel iets anders. Met meer recht kunnen we +'t dan betreuren, dat bloemen geplukt worden. + +Alles echter heeft zijn grenzen. Wie geen grenzen weet te trekken, +vervalt van het gevoelige tot het belachelijke en van het verhevene +tot het dwaze. + +De vegetariër nu kan zeggen: "ik eet geen vleesch" en daar zijn grens +trekken. Hij kan iets verder gaan en zeggen: "ik verkies evenmin boter, +melk en eieren", en daar zijn grens trekken. + +Zoo ontstaan er twee groepen vegetariërs. Beide groepen kan het +vegetarisme tot zegen zijn." + + + J. M. J. C.--v. d. M. + + + + + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] Waartoe ook de "herbivoren" (karbouwen, koeien, paarden +enz.) behooren. + +[2] Men zij bij deze vrucht voorzichtig met zwarte torretjes in +de vrucht. + +[3] Mijn vader, van natuur een gezond kind, als student behoorde hij +nog onder de sterksten, stierf op vijfendertig-jarigen leeftijd aan +een nierziekte. Zou daarvan al het vleesch, dat hij beschouwde als "de" +kracht, niet mede de schuld dragen? Ik heb die gedachte later nooit uit +m'n hoofd kunnen zetten en daardoor te meer zijn vroegen dood betreurd. + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Visser's Nederlandsch-Indisch +Vegetarisch Kookboek, by Johanna M. J. Catenius-van der Meijden (1860-1926) + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 57495 *** |
