summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/56282-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/56282-0.txt')
-rw-r--r--old/56282-0.txt11213
1 files changed, 0 insertions, 11213 deletions
diff --git a/old/56282-0.txt b/old/56282-0.txt
deleted file mode 100644
index 915d217..0000000
--- a/old/56282-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,11213 +0,0 @@
-The Project Gutenberg EBook of De Heilige Oorlog, by John Bunyan
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
-almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
-re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
-with this eBook or online at www.gutenberg.org/license
-
-
-Title: De Heilige Oorlog
- gevoerd door Koning Elschaddai tegen Diabolus
-
-Author: John Bunyan
-
-Release Date: January 1, 2018 [EBook #56282]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: UTF-8
-
-*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE HEILIGE OORLOG ***
-
-
-
-
-Produced by Jeroen Hellingman, Harry Lamé and the Online
-Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net
-
-
-
-
-
-
-
- Opmerkingen van de bewerker
-
- Tekst die in het originele werk schuin gedrukt is, is in deze e-tekst
- _tussen liggende streepjes_ weergegeven; ~tekst~ staat voor
- gespatiëerde tekst. Superscript tekst is weergegeven als ^{tekst}.
- Alle klein-kapitalen zijn vervangen door HOOFDLETTERS.
-
- Meer opmerkingen van de bewerker zijn te vinden aan het einde van de
- tekst.
-
-
-
-
- DE HEILIGE OORLOG,
- GEVOERD DOOR
- KONING ELSCHADDAI
- TEGEN
- DIÁBOLUS.
-
- DOOR
- JOHN BUNYAN,
-
- met eene levensbeschrijving van den auteur, honderd platen
- en aanteekeningen.
-
- OPNIEUW NAUWKEURIG UIT HET ENGELSCH OVERGEZET.
-
- AMSTERDAM,
- HÖVEKER & ZOON.
-
-
-[Afbeelding: BUNYANS GEBOORTEHUIS TE ELSTOW.]
-
-
-
-
-HET LEVEN VAN JOHN BUNYAN.
-
-
-I.
-
-ZIJNE GEBOORTE EN OPVOEDING.
-
-John Bunyan werd geboren in het jaar 1628. Zijne geboorteplaats heette
-Elstow, een dorp, dat zich noch op schilderachtige ligging noch op een
-romantisch verleden beroemen kan; ’t ligt in Bedfordshire. Had dus de
-ontwikkeling van zijn genie afgehangen van de indrukken, die een
-grootsche, prachtige natuur op hem maakten in zijne jeugd, dan zou de
-jonge wereldburger inderdaad in een slechte bakermat geweest zijn. Er
-zijn rondom of bij Elstow geen bergen, geen watervallen, geen fonteinen,
-geen afgronden of holle wegen. Het is een land van tarwe en gerst -- een
-land, waar de inwoners zonder schroom of armoede hun brood mogen eten;
-maar koper of ander metaal wordt er niet in den schoot der aarde
-gevonden.
-
-Van Bunyans voorouders maakt de geschiedenis geene melding. Zelfs van
-zijn vader en moeder is maar zeer weinig bekend. Het dorpsregister bevat
-zelfs geen bepaalde aangifte van zijne geboorte. Eén huwelijk staat
-vermeld met twee geboorteberichten, twee doopsbedieningen en zes
-aangiften ter begrafenis, die zijne familie betreffen. Die familie was
-behoeftig en onbekend. Niet alleen dat de huisvader in het zweet zijns
-aanschijns zijn brood moest eten, maar de bezigheid, waarmede hij dit
-brood verdiende, was zelfs eene der allergeringste. Hij was een
-ketellapper, die op zijn beroep reisde, en van plaats tot plaats den
-geheelen omtrek afliep, maar toch te Elstow zijne woonplaats hield.
-
-Het kwam den vader voor, dat het voor zijn jongen geen kwaad kon hem
-iets te laten leeren. Al was John uit geringe en onaanzienlijke ouders
-geboren, bestond er toch geen reden, dat ook hij altijd in dien geringen
-en onaanzienlijken stand zou blijven. Wellicht zou een goede opvoeding
-nog iets van zijn jongen maken.
-
-Niet ver vandaar, te Bedford, was eene kostelooze school voor de
-kinderen der armen. Nu behaagde het God in het hart zijner ouders te
-geven, dat zij hem daarheen zonden om lezen en schrijven te leeren,
-waarin hij dan ook slaagde op dezelfde wijze als honderd andere
-kinderen der schamele klasse. Maar hij kwam niet veel verder. Zooals hij
-later zelf bekende, maakte hij slechts weinig vorderingen, en later
-vergat hij grootendeels weer wat hij reeds wist. Hij werd spoedig van
-school genomen, want vader had hem noodig en leerde hem de geheimen van
-de ketellapperskunst.
-
-Zijne goddeloosheid was daarentegen zeer vroegtijdig op stuitende wijze
-ontwikkeld. Daarin was hij niet achterlijk. In het vloeken, zweren,
-liegen en godslasterlijke taal uitslaan zocht hij zijns gelijken. Hij
-was de belhamel bij alles wat op het dorp voorviel op dit gebied -- een
-voorlooper en verleider der dartele jeugd in allerlei ijdelheden en
-ongebondenheid. Om de Heilige Schrift gaf hij niets, een nieuwsblad of
-een tooneelstukje was hem oneindig veel aangenamer. Met oude fabelen en
-tooverkunsten was hij vertrouwd. Uitgezonderd het zevende gebod, waarvan
-hij verklaarde zich angstvallig te hebben onthouden, was hij in- en
-uitwendig een schender van alle geboden. De begeerte was zelfs groot bij
-hem om de maat der zonde vol te maken, en het was zijne studie te weten
-te komen wat kwaad er nog te bedrijven viel, en zich dan te haasten ook
-dat te doen, uit vrees, dat hij sterven mocht, vóor hij ook van dien
-verboden boom had gegeten.
-
-In zijn zeventiende of achttiende jaar trok John Bunyan uit als soldaat
-om deel te nemen aan den strijd, die toen was uitgebroken tusschen het
-Parlement en den koning. Alle waarschijnlijkheid pleit er voor, dat hij
-een koningsgezinde was, ofschoon het algemeen gevoelen hem aan de zijde
-van de oppositie plaatst. Het bewijs is er niet voor te leveren; maar
-zijn flink en loyaal karakter is later zoo duidelijk gebleken, dat het
-maar nauwelijks te gelooven valt, dat zulk een man de wapens opgevat
-heeft tegen zijn souverein, en daarbij de omgang met zijne kameraden in
-hunne losbandigheid zou er meer voor pleiten, dat hij met de Edelen
-meêgevochten heeft dan met de Puriteinen. Rupert was zijn held, niet
-Cromwell.
-
-Eenmaal vooral was hij in groot gevaar. Bij het beleg van Leicester werd
-hij onder den troep, die den aanval doen moest, gecommandeerd. Maar een
-ander krijgsman kreeg verlof in zijne plaats te gaan. In het begin van
-het gevecht werd zijn plaatsvervanger door een musketkogel getroffen en
-sneuvelde. Dit voorval trof Bunyan zeer; het scheen eene waarschuwing
-van den Heere te zijn om zijne booze wegen te verlaten. En dit was de
-eenige waarschuwing niet. Reeds menigmaal tevoren had hij gevaar
-geloopen van een plotselingen dood te sterven. Meer dan eens werd hij
-uit het water gered toen hij reeds meer dan half was verdronken.
-
-Deze redding bleef niet zonder uitwerking op zijn gemoedsleven. De
-goedheid en barmhartigheid Gods leidde hem tot bekeering. Maar niet op
-eenmaal. Hij werd ongelukkig dag en nacht. Vreeselijke droomen en
-visioenen kwelden hem. Toch deed hij nog wel meê als uitspattende
-jongelieden onder de groene boomen van het dorp hunnen moedwil
-botvierden. Maar zijn geweten was open, hij gevoelde zich een verloren
-man.
-
-Opdat hij al deze gedachten uit zijn brein zou kunnen verbannen,
-dompelde hij zich opnieuw in de oude zonden. Hij kwam meer en meer in
-opstand tegen God, gevende er nu zijn werk geheel aan ten einde nog meer
-tijd te hebben om zich aan allerlei uitspattingen over te geven.
-Daardoor bleef hij dan ook dikwijls dagen lang zonder verdienste en had
-geen brood om te eten.
-
-Sommige vrienden hadden medelijden met hem, en raadden hem, onder meer,
-zich in het huwelijk te begeven. Met een goede vrouw aan zijne zijde zou
-het beter gaan, en moest hij den ondergang, die hem dreigde, ontkomen.
-Hij nam hunnen raad ter harte en het was zijn geluk, dat zijn oog viel
-op een jonge dochter, wier vader een godzalig man werd gerekend.
-Voorzichtige menschen zouden dit huwelijk roekeloos hebben genoemd.
-Zelfs velen zijner vrienden hebben het dwaas en onbezonnen geacht, en
-dat kon niet anders, want om van het andere niet te spreken -- zij
-bezaten geen stoel of tafel, geen enkel stuk huisraad. Wat moest daarvan
-komen?
-
-Het was een groot waagstuk; later moge het blijken toch goed geweest te
-zijn, maar voorzeker is het niemand aan te raden op zulke voorwaarden en
-in zulke omstandigheden een huwelijk aan te gaan.
-
-[Afbeelding: BUNYAN BELUISTERT HET GESPREK DER VROUWEN.]
-
-Toch was vrouw Bunyan niet geheel zonder uitzet de zijne geworden. Zij
-bracht twee boeken mede ten huwelijk; het eene heette: „_de Praktijk der
-Godzaligheid_”, en het andere: „_Des menschen vlakke weg naar den
-hemel_”. Zoo diep was hij echter gezonken, dat hij niet vlug meer lezen
-kon, en dat zij hem moest helpen om het verzuimde weder in te halen.
-Zeer ingenomen met hare liefde tot hem en haar voorkomende
-vriendelijkheid, luisterde hij gaarne naar hare gesprekken en las met
-haar die mooie boeken. Terwijl zij zoo samen lazen, legde zij alles
-nader uit, en deed al haar best hem te bewegen om toch een godsdienstig
-leven te leiden. Het tehuis van hare jeugd was zoo gelukkig geweest, hoe
-aangenaam zou het zijn als ook haar echtelijke woning een even gelukkig
-tehuis worden mocht! Daarvoor was alle gelegenheid; wanneer haar man
-slechts haren vader na wilde volgen, dan zou hunne woning, hoe armoedig,
-ook weldra een huis Gods, eene poorte des hemels wezen.
-
-Tot op zekere hoogte won het deze vrouwelijke, vindingrijke liefde. Hij
-deed ijverig mede in den huisgodsdienst en ging ook meestal tweemaal
-daags naar de kerk. Zooveel liefde droeg hij de bedienaars van het
-Evangelie toe, dat hij zich wel aan hunne voeten had kunnen neerleggen
-en hen over zich heen laten loopen. Hun naam, hun gewaad, hun dienst
-bracht hem in verrukking.
-
-De Zondag te Elstow was een vreemdsoortige afwisseling van ernst en
-vroolijkheid. Er werd tweemaal dienst gedaan in de kerk, waarbij deze
-vol volk liep en het Gebedenboek niet ongebruikt bleef; maar was de kerk
-uit dan begonnen er allerlei pretjes, dansen, kermisvermakelijkheden en
-wat niet al! Beide in de godsdienstoefeningen en de vermakelijkheden,
-waartoe de gemeente van Elstow door dezelfde klok werd opgeroepen, deed
-Bunyan mede. Hij was een flinke vent bij het klokkeluiden en ten allen
-tijde gereed het touw met forsche hand te trekken, wanneer er iets af te
-kondigen viel, of alle bewoners van den omtrek moesten worden
-samengeroepen. Op zekeren Zondag, nadat hij de gemeente in de kerk
-geluid had, nam hij zijn gewone plaats in naast zijne vrouw, deed mede
-in het gezang en wachtte de prediking af. De prediker was een verstandig
-en ernstig man, en zette duidelijk uiteen het zondige van het
-sabbathschenden. Die preek deed kracht. Bunyan was getroffen. Het was nu
-voortaan uit met de overtreding van het vierde gebod voor zoover het
-John Bunyan betrof. Hij wilde het voortaan met zijn gansche hart
-opvolgen. Laat zijne vrouw er van verzekerd wezen, dat zijn hart nu eens
-en voor goed getroffen is!
-
-De indruk was voorbijgaande. Vóor hij goed en wel gegeten had was de
-preek uit zijne gedachten -- was hij al weer gereed naar de oude
-vermakelijkheden te gaan en daarvan ten volle te genieten. Zoo gezegd,
-zoo gedaan. Dienzelfden namiddag was hij op de dorpsweide en hield zich
-bezig met uit alle macht de kat uit de ton te knuppelen. Eensklaps
-hoorde hij eene stem uit den hemel. Een oogenblik stond hij weifelend
-daar, toen wierp hij zijn knuppel weg en eindigde het spel. Hij stond
-aan den grond genageld als ware hij een standbeeld, bevende bij het
-hooren der vraag, die een bovennatuurlijke stem tot hem richtte: „Wilt
-gij uwe zonden vaarwel zeggen en naar den hemel gaan? Of uwe zonden aan
-de hand houden en in de hel terecht komen?” Het kwam hem voor, dat
-Christus daar vóor hem stond en hem van aangezicht tot aangezicht
-aanstaarde, en dat nu de straf, die hij zoo dubbel verdiend had, aan hem
-zou voltrokken worden. Niet vele minuten waren noodig voor de
-verandering. Hij hoorde, hij dacht na, hij trok een besluit, en het
-gevolg was, dat hij erkende niets anders dan de verdoemenis verdiend te
-hebben. Als dat zoo wezen moest dan kon hij even goed voor iets anders
-als voor sabbathschenden verdoemd worden, want zijne zonden waren vele,
--- en hij keerde terug naar het spel, deed als de beste weer meê, en
-niemand bemerkte aan hem welk eene verandering er in zijn binnenste
-geweest was en welk eene worsteling hij had doorgemaakt.
-
-Desniettemin bleef zijn geweten niet rustig. Zijne vrouw bleef
-aanhoudend alle pogingen aanwenden om hem voor Christus te winnen, en de
-gelegenheden waren menigvuldig, waarbij hij bestraft werd. „Gij
-goddelooze ellendeling!” zeide eene vrouw op zekeren dag tot hem, toen
-hij volgens zijne gewoonte stond te vloeken en te zweren en den luiaard
-uithing langs de straten, -- „gij goddelooze ellendeling; ik hoorde mijn
-leven lang zulk vloeken niet. Gij alleen zijt voldoende om de geheele
-jeugd van ons dorp te bederven.” Hij was beschaamd, en dat te meer omdat
-zij, die hem bestrafte, een onverschillig en slecht wijf was. Hij
-wenschte toen met zijn gansche hart, dat hij nog eens weder een klein
-kind worden kon, en dat hij nog eens kon leeren spreken zonder vloeken
-en zweren. De bestraffing van die vrouw droeg vrucht. Hij hield op met
-vloeken, begon zijn Bijbel te lezen en werd een onberispelijk man beide
-in zijne woorden en in zijn leven. Zijne buren begonnen de verandering
-op te merken. Zij begonnen hem te prijzen, beide achter zijn rug en in
-zijn gezicht. Dit deed hem pleizier en hij werd er grootsch op. Er was
-geen man in gansch Engeland, die God beter kon dienen dan hij en die den
-Heere meer welbehagelijk was. Nu scheen alles in orde.
-
-Zelfverloochening werd van hem geëischt, en hij nam moedig zijn kruis
-op. Hij was hartstochtelijk verzot op het dansen, en het geheele jaar
-deed hij er aan meê; des zomers in de dorpsweide en des winters in een
-danszaal of ander gebouw. Maar nu gevoelde hij, dat dansen onheilig was,
-en daar hij zoo heilig mogelijk wilde worden, gaf hij het op. Zijne oude
-makkers kwamen hem verlokken, en de muziek klonk verleidelijk in zijne
-ooren; maar hij was vast besloten nooit meer te dansen, en hij danste
-ook nooit meer.
-
-Een andere geliefkoosde uitspanning was het klokkeluiden. Dit, gevoelde
-hij, moest ook worden afgeschaft. De godsdienstigheid, die hij nu had
-aangenomen, vereischte, dat hij het onmiddellijk opgaf. Toch, hij hield
-er zooveel van en hij verlangde er zoozeer naar, dat hij het weder ter
-hand nam. Ten laatste evenwel gaf hij aan zijn geweten gewonnen spel en
-ofschoon hij wel den klokketoren beklom, hij luidde niet meer. Misschien
-was het zelfs al erg genoeg zich op de plaats te bevinden. Een van de
-klokken mocht eens op zijn hoofd vallen als een oordeel Gods. Om dit
-ongeval te voorkomen plaatste hij zich altijd zóo dat er geen klok maar
-een balk boven zijn hoofd was. Echter ook hier gevoelde hij zich niet
-veilig meer, want door het verschrikkelijke en aanhoudende luiden konden
-die balken wel eens breken en dan viel hij toch dood. Aldus bevreesd
-geworden ging hij heen en durfde de deur van den toren nooit meer
-binnentreden. Hij bleef aan de deurpost staan; maar was hij ook daar wel
-veilig? De toren mocht eens omvallen en wat dan? Dat was zijne vrees.
-Doodgeslagen te worden door de goddelijke gerechtigheid, te sterven als
-door een oordeel Gods, was in zijn oog zeer erg; daarmede zou zijne
-belijdenis te schande worden en zijn toegang tot den hemel bemoeielijkt.
-Hij zou daarom in dit opzicht zijne handen in onschuld wasschen, en hij
-hield woord; hij zag naar het klokkeluiden niet meer om.
-
-Zijn weg was nu volmaakt voor den Heere. Eene merkwaardige verandering
-had er plaats gehad in zijn leven en zijne gewoonten. Hij was nu ten
-minste zeker van eene plaats in het Paradijs. De verandering was dan ook
-wonderdadig, en zijne vrouw kon hare vreugde niet genoeg uitspreken. Nu
-ging haar huishouden zooals het bij vader ook gegaan was. Haar
-huwelijksuitzet, die twee boeken n.l. had vrucht gedragen. „De
-Praktische godzaligheid” werd belichaamd in het leven van haren man, en
-„de vlakke weg naar den hemel” werd door haar John en haarzelve met
-allen lust en ijver bewandeld.
-
-Ongelukkig was het alles zelfbedrog. De zoo wonderlijk veranderde en
-hervormde man zelf is onze zegsman in dezen; hij was niet overgegaan uit
-den dood tot het leven en aldus een nieuw schepsel geworden in Jezus
-Christus. Niettegenstaande de verandering in zijn gedrag was er geene
-verandering gekomen in zijn hart. Tot op dat oogenblik toe moest hij nog
-altijd wedergeboren worden door den Heiligen Geest.
-
-Onder de beschrijvers van Bunyans leven zijn niet allen het met elkander
-eens omtrent zijn geestelijk leven. Dat is geen wonder, want hun oordeel
-hangt af van hun eigen geestelijke ervaring. Sommigen hebben den draak
-gestoken met zijne bekentenissen over zijn onbekeerden toestand. Zij
-ontkennen, dat hij eertijds zoo verhard of zoo diep gezonken was. Zij
-meenen, dat hij in een dweepachtigen toestand verkeerde en daarom
-zichzelven niet juist beoordeelen kon; dat hij naarmate zijn
-gemoedsleven gesteld was ook in zelfvertrouwen of zelfverwerping
-tegenover God leefde; dat al wat hij tot dusverre ondervond en
-doormaakte, grootendeels inbeelding was, of ook dat hij reeds vernieuwd
-was en geene bekeering meer behoefde.
-
-Maar die zoo spreken hebben het mis, en de man van Elstow had het bij
-het rechte eind. Bekeering in het uitwendige leven is nog geene
-vernieuwing der natuur. Hoe goed en prijselijk op zichzelve, is zij
-onvoldoende tot zaligheid. Tot den mensch in zijn besten staat verklaart
-het Woord Gods duidelijk: „Gij moet wedergeboren worden.” Dat Bunyans
-opvatting van dit feit, zijne waardeering van deze waarheid zeer
-gestreng was, en ook zijne uitdrukkingen daaromtrent zeer sterk zich
-uitlaten, mag worden toegegeven; maar de zaak blijft waar: hoeveel
-voorbereidend werk der genade ook aan zijn hart had plaats gevonden, hij
-was nog onherboren met al zijne deugd en braafheid. Dat was eveneens het
-geval met de Israelieten, die onbekend met de gerechtigheid Gods, en
-zichzelven eene eigengerechtigheid oprichtende, zich nog nooit eens
-recht en in waarheid tegenover de goddelijke gerechtigheid hadden
-geplaatst. Hij had den naam, dat hij leefde, maar was dood.
-
-Ook was Bunyans gestel zeer gevoelig. Zijne gedachten en indrukken waren
-in de minderheid, wanneer zij soms niet op eene krachtige wijze de
-overhand namen over zijn gemoed. Waar zijne buren onbewogen bleven was
-hij diep getroffen; terwijl zij niets ongewoons zagen smolt hij weg in
-tranen of sprong op van vreugd.
-
-Deze bijzonderheid moet wel in het oog worden gehouden, opdat niet het
-bijkomstige met het wezenlijke verward worde, en woorden en handelingen
-niet aan de groote verandering des harten toegeschreven worden, die
-uitsluitend in het temperament van den man hun oorsprong vinden, die de
-verandering onderging. De bekeering is noodig tot zaligheid; maar er kan
-wel bekeering plaats hebben zonder dat ons inwendige leven zóo
-verootmoedigd is, dat wij van onszelven als van padden walgen, of dat
-wij zoo aangedaan worden over de liefde Gods, dat wij haar bewonderen
-zelfs in de kraaien, die de insecten uit de opgeploegde voren pikken.
-Onze nieuwe geboorte kan even zeker zijn als van den Christenreiziger
-naar de eeuwigheid, al hebben wij nooit met hem gedacht, dat de duivel
-ons aan de kleederen trok, en al hebben wij nooit met den booze
-gesproken, of zijn ook nooit in eene flauwte gevallen bij de gedachte,
-dat Christus met onze arme zielen medelijden heeft. Ieder mensch ervaart
-ook in het geestelijk leven overeenkomstig zijn temperament. Bunyan werd
-dan ook veel meer aangedaan bij een grooten en sterken stormwind dan
-door een zachte stem.
-
-En toch geschiedde de groote daad van zijne wedergeboorte uit God, zijn
-overgang van den dood in het leven ongemerkt. Geen bepaald oogenblik is
-in zijn veelbewogen leven aan te geven, waarop de nieuwe schepping
-plaatshad. Al wat hij hieromtrent aanvoert rechtvaardigt het denkbeeld,
-dat het een werk van den tijd was. Langzamerhand bemerkte hij, dat hij
-Gode welgevallig was, ofschoon hij onophoudelijk bekennen moest dat hij
-struikelde en misdeed. Zijne eigengerechtigheid, zijne Gode
-welgevalligheid in eigen oog verdween, zooals bij ieder onzer, die een
-even dierbaar geloof deelachtig zijn; zijne struikelingen werden zóo
-menigvuldig, dat hij van een hoogmoedige farizeër een wanhopige
-ellendeling werd.
-
-
-II.
-
-ZIJNE BEKEERING EN BELIJDENIS.
-
-Zijn handwerk bracht hem eens naar Bedford, en gelukkig was het voor
-hem, dat hij zijne bezigheden op straat had. Een paar arme vrouwen zaten
-daar aan hare deuren toen hij voorbijkwam. Het gebeurde nu, dat hij zijn
-kruiwagen daar vlak bij neerzette en haar gesprek afluisterde. Zij zagen
-er zoo godsdienstig uit, en misschien was er ook voor hem wel
-gelegenheid om een gesprek met haar aan te knoopen, waartoe hij op dit
-oogenblik wel geneigd was. Toen hij daar zoo luisterend neerzat werd hij
-verbaasd. Geen preek in de kerk van Elstow had hem ooit van de
-noodzakelijkheid der wedergeboorte ingelicht, noch over de arglistigheid
-van het menschelijk hart of de aanvechtingen van den booze, of de genade
-van den Heiligen Geest, noch ook over de souvereiniteits Gods en zijne
-barmhartigheid in Christus Jezus gesproken. De zaken, welke deze vrouwen
-bespraken grepen hem nu met alle kracht aan. In geval zij waarheid
-spraken, dan ontbrak hem ten eenenmale elk kenmerk van een echt godzalig
-man. En toch scheen alles zoo waar te wezen. Die vrouwen waren zoo
-eenvoudig in hare manieren en zoo gelukkig; er was zulk eene zalving in
-al wat zij zeiden, dat hij wel moest toegeven, dat zij zeer verstandig
-en oprecht waren.
-
-Toen zij haar gesprek geëindigd hadden, was het werk aan den kruiwagen
-gedaan. Het had wel lang geduurd, want het werd telkens afgebroken daar
-hij met zijn gansche ziel belangstelde in dat gesprek; maar nu was hij
-ook gewillig om zich alleen in Jezus Christus te beroemen en het
-vertrouwen in het vleesch, dat hij tot dusverre koesterde, op te geven.
-
-[Afbeelding: BUNJAN LEEST LUTHERS SCHRIFTEN.]
-
-Bunyan zocht kennis te maken met deze onwaardeerbare vriendinnen. Zij
-waren zeer vriendelijk en gedienstig, en deden al haar best om hem den
-weg Gods bescheidenlijk en volledig uit te leggen. Twee uitwerkselen
-sproten daaruit voort -- het eene was: een groote weekheid en teederheid
-des harten om aan te nemen, wat de Heilige Schrift leert, en het andere
-een voortdurende geneigdheid van het gemoed om over de dingen, die hij
-hoorde en las na te denken en te peinzen. Het Schriftwoord stond nu aan
-hem vervuld te worden, dat hij de waarheid zou verstaan en dat de
-waarheid hem vrij zou maken. Maar die geesteswerking ging slechts
-langzaam voort. Eenige lieden, die de genade Gods veranderden in
-ontuchtigheid, ontmoetten hem, en deden hun best om hem met hunne
-dwalingen te besmetten. De duivel bracht hem bovendien in grooten strijd
-evenals het kind, dat door de booze geesten werd gescheurd en gekweld,
-toen de vader het tot Jezus wilde brengen. Welk recht had hij om te
-zeggen, dat hij het ware zaligmakende geloof bezat? Hij bezat niet het
-minste bewijs, dat hij tot de uitverkorenen behoorde. Hij kon niet weten
-of de dag der genade voor hem niet reeds voorbij was.
-
-Op deze aanvechtingen antwoordde hij zoo goed hij kon. Hij worstelde
-dikwijls, maar nu en dan lag hij onder. „Doe eens een wonder,” zeide de
-ingeving des boozen op zekeren morgen tot hem. „Zeg tot de diepe poelen
-in de waadplaats der paarden dat ze droog worden, en tot het droge: word
-een modderpoel.” Hij was reeds bezig dit bevel in Gods naam uit te
-voeren, toen de gedachte in zijn hart opkwam: ga eerst eens onder
-gindsche heg op uwe knieën liggen en bid God, dat Hij u bekrachtige. Dit
-uitstel was zijne redding; hij bemerkte het gevaar en ontsnapte er aan.
-
-„Houd maar niet vast aan uwe hoop,” was de inblazing van den volgenden
-dag. „Als God u in zijne oneindige barmhartigheid niet heeft uitverkoren
-tot een vat ter eere en ter barmhartigheid, helpt al uw werken en bidden
-en zwoegen niet met al.” Hij zag het groote bezwaar, dat zich aldus
-krachtig aan hem voordeed, en stond er voor. Weken lang was hij ter
-neder geslagen en gedrukt, tot op eenmaal een tekst der Schriftuur in
-zijn hart kwam, die betrekking had op het eenvoudig komen tot God en
-zich aan Hem toe te vertrouwen. Deze woorden vertroostten hem wel zeer
-en strekten hem tot aanmoediging, maar tot zijn spijt kon hij ze in zijn
-Bijbel niet vinden. Hij zocht overal en zette ook anderen aan het
-zoeken, maar er ging meer dan een jaar voorbij eer die woorden waren
-gevonden, on toen kwam het uit, dat ze in de Apocryfe boeken stonden.
-Daar nu de Apocryfe boeken volstrekt geen gezag hadden, gaf hij ook al
-den moed weer op tot hij weldra tot de ontdekking kwam, dat een bijna
-gelijkluidende tekst in de wezenlijke Heilige Schrift stond, en daarop
-kon hij nu staat maken. Zoo bracht hij dan den booze tot zwijgen. Hij
-mocht zich aan God toevertrouwen en alle geslachten van oudsher
-getuigden dat iemand, die dat deed, niet beschaamd zou worden. O, hij
-stelde al zijne hoop op den Heere, en vermocht niet uit te spreken met
-welk een smachtend verlangen der ziel hij tot Christus riep om hem te
-redden, opdat hij toch eindelijk eens bekeerd mocht worden.
-
-Tot op dezen tijd hield hij zijne geestelijke worsteling voor
-zichzelven. Maar ten laatste deed zich eene gelegenheid voor, waardoor
-hij bewogen werd om zijn hart eens uit te storten voor die arme vrouwen
-te Bedford, die hem zoo vriendelijk in de waarheid hadden ingeleid. Zij
-luisterden met toegenegenheid naar zijne verhalen en antwoordden dan ook
-naar hun beste weten. Maar het duurde niet lang of zij moesten hem het
-antwoord schuldig blijven, niet wetende hoe zulke mysteriën konden
-worden opgeklaard. Misschien zou hun leeraar, de predikant Gifford, hem
-terecht kunnen helpen. Zij verzochten dien te mogen spreken en wisten
-ook te bewerken, dat Bunyan ten huize van dien leeraar uitgenoodigd
-werd. Niets beters had kunnen gebeuren. Giffords helder oordeel en
-uitgebreide kennis brachten de weelderige, ja onstuimige
-verbeeldingskracht van zijn nieuwen vriend onder tucht en beperking.
-Gezelschappen, die hij met zijne gemeenteleden in het bijzonder hield,
-waarop gehandeld werd over de wegen des Heeren met zijn volk, en die
-dienen moesten tot hunne geestelijke opbouwing, werden door dezen
-getrouwen dienstknecht reeds sedert lang gehouden, en tot deze
-gezelschappen werd nu ook de ketellapper van Elstow toegelaten. Vele van
-zijne misvattingen werden ongemerkt verbeterd, en een dieper besef van
-wat eigenlijk de wil Gods is, wortelde in zijn gemoed. Hier werd hem
-vooral aangeraden zijn hart te gewennen aan meer onbepaalde en innige
-gehoorzaamheid aan den Geest Gods, zooals deze zich openbaart in zijn
-heilig Woord.
-
-Het eerste gevolg hiervan was eene vernieuwing zijner droefenis. Het
-kwam hem nu voor, dat hij een zeer groot zondaar was. Hoe meer hij
-hierover nadacht, des te meer beefde hij. Hij werd overstelpt door de
-kracht en den invloed zijner onstuimige verbeelding. Het kwam hem voor,
-dat hij gelijk was aan een kind, dat eene of andere bedelares onder haar
-lompen verborgen had om daarmede weg te loopen ver van vrienden en
-magen. Hij hoorde eene stem achter zich aanroepen wel een halve mijl
-ver. Hij oordeelde, dat de toestand van een hond of een pad vrij wat
-verkieselijker was dan de zijne. Hij zou duizend pond sterling hebben
-willen geven voor een enkelen traan. Hij was er nu zeker van, dat hij
-van den duivel bezeten was.
-
-Toch bleef hij temidden van dit alles aanhouden in het gebed en in zijn
-onderzoek der Heilige Schrift, op hoop tegen hoop hopende. Het gebeurde
-eens, dat hij zeer droevig in de woning van een buurman zat, toen het
-woord op zijne ziel werd gedrukt: „Als God vóor ons is, wie zal dan
-tegen ons zijn?” Spoedig daarop toen hij in het veld wandelde, kreeg hij
-dat andere woord: „Vrede makende door het bloed des kruises.” Daarna bij
-zijn eigen huiselijken haard zittende, viel hem dit woord in: „Overmits
-dan de kinderen des vleesches en bloeds deelachtig zijn, zoo is Hij ook
-desgelijks derzelven deelachtig geworden, opdat Hij door den dood teniet
-doen zou dengenen, die het geweld des doods had.” Deze „druiven” zooals
-hij ze noemde, of „kleine bezoekjes” of „aanrakingen” deden hem wel
-goed; maar ze werden als bij Petrus gezicht op het dak spoedig weer
-opgetrokken in den hemel.
-
-Meer goed zou het hem echter gedaan hebben wanneer hij die vertroostende
-woorden vastgehouden had, wanneer hij geloofd had dat zij van kracht
-bleven en dienen konden om hem tot vrede te brengen. Hij lette veel te
-veel op zijne gemoedsgesteldheid. De waarborg voor zijne vertroosting in
-Christus en het anker zijner hoop lag niet in zijn gevoel, maar in de
-goddelijke verzekering, dat Christus zijne zonden door zijne
-zelfofferande had weggenomen.
-
-Gedurende een korte tusschenpoos van evangelische rust, was het Bunyans
-vurig verlangen toch eens de bevinding van een oud godzalig man te
-mogen lezen, die honderd jaar vóor hem geleefd had. Het kwam hem voor,
-dat de nieuwere godsdienstige boeken slechts dogmatisch en oppervlakkig
-waren, en hunne schrijvers de diepten Gods niet kenden. Hem viel een
-afschrift in handen van Luthers werk over den brief aan de Galaten. Het
-was zóo oud, dat het bijna in stukken viel toen hij het vasthield; maar
-hoe hardhandig hij ook wezen mocht door zijn ruw handwerk en den omgang
-met den kruiwagen en zijn gereedschap, zoo ging hij toch zeer
-voorzichtig om met dit handschrift en in korten tijd was het in zijn
-bezit. Het kwam hem voor als een oude bekende; zoozeer was Luther een
-man van gelijke bewegingen als hij. Geen boek ter wereld was hem zoo
-dierbaar als dit, uitgezonderd de Bijbel.
-
-Deze vreedzame tusschentijd was maar kort, en de volgende aanvechting
-was eene van de allerergste. Gedurende een geheel jaar en bijna zonder
-tusschenpozen werd hij verzocht om Christus te verkoopen. Dit
-vreeselijke denkbeeld werd door hem gekoesterd met eene bepaaldheid, die
-wij ons maar kwalijk kunnen verbeelden. Op zekeren morgen op zijn bed
-liggende, werden de woorden door hem gehoord: „Verkoop hem, verkoop hem,
-verkoop hem!” en dat met eene duidelijkheid of eene menschenstem tot hem
-sprak. Hij gaf ten antwoord: „Neen, neen, voor geen duizenden en
-millioenen!” Maar ten laatste, nadat hij er lang en breed over had
-nagedacht ging het door zijn ziel: „Laat Hem dan maar varen als Hij weg
-wil!” en hij gevoelde, dat zijn hart hierin volkomen toestemde.
-
-Nu bleef er niets over dan de worm, die nooit sterft. Hij plofte neer
-evenals een vogel, die uit den top van een boom werd geschoten, in
-verschrikkelijke wanhoop en vertwijfeling, en twee jaren lang leed hij
-een nameloos leed. Nu en dan kwamen woorden van Christus hem weer een
-weinig hoop geven, maar dit duurde slechts kort en dan klonk het weer in
-zijn binnenste: „Gij hebt uwen Zaligmaker verkocht en daarom zijt gij
-verdoemd.”
-
-Dit voorval was zeker van een zonderlingen aard: het verdient, voorwaar!
-in geen opzicht navolging, maar kan ons beter en dieper inzicht geven in
-den jammerlijken toestand van ons eigen hart, en het zondige der zonde
-duidelijk in het licht stellen. Ook kan het ons inleiden in de
-verleidingen des satans, onzen grooten vijand, die nimmer slaapt of
-sluimert.
-
-Bunyan verhaalt een anderen toestand van tijdelijke verademing, waarvan
-hij zelf niet weet hoe hij dien noemen zal. Toen hij weder op het punt
-stond van angst en kommer in een te krimpen, was het hem of hij door de
-vensters het gesuis van eenen wind hoorde, die met een liefelijke stem
-tot hem sprak: „Waart gij ooit weigerachtig om door het bloed van
-Christus gerechtvaardigd te worden?” Zijn hart antwoordde rondborstig:
-„neen.” Toen viel dat andere woord met kracht op zijne ziel: „Ziet toe,
-dat gij dien, die spreekt, niet verwerpt.” Dit maakte een zonderling
-diepen indruk op zijn geest, en legde al die verontrustende gedachten
-het zwijgen op, die, als losgelaten helhonden, hem onophoudelijk
-aanblaften en tegengrijnsden. De kracht van dit teeken hield drie of
-vier dagen aan, en toen begonnen de oude twijfelingen weer.
-
-Later echter kwam hij tot wezenlijke en voortdurende bevrijding. Terwijl
-hij over een weiland liep, viel dat woord krachtig in zijne ziel: „Uwe
-gerechtigheid is in den hemel.” Met het oog zijns geloofs zag hij Jezus
-aan de rechterhand Gods gezeten, als zijne eigen persoonlijke
-gerechtigheid, zoodat waar hij ook was en wat hij ook deed, God nooit
-tot hem zeggen kon: „Gij mist mijne gerechtigheid,” omdat deze altijd
-voor Gods oog blonk in Christus, die éen is met zijn volk. Niet de goede
-gesteldheid des harten van den geloovige maakt zijne gerechtigheid uit,
-ook maakt zij die niet grooter of beter, evenmin minder of slechter,
-sedert Christus zelf er borg voor staat, die gisteren en heden dezelfde
-is. Niets minder dan eene poort des hemels was dat weiland voor Bunyan.
-Toen en daar geraakte hij uit de slavernij der eigengerechtigheid en van
-het inwonend bederf in de heerlijke vrijheid der kinderen Gods.
-
-Hij somde nu in zijn geest al de tekortkomingen op, die voor zijne
-rekening lagen, en daaruit besluitende tot de zwakheid van zijn geloof
-in het gebed, de onverschilligheid van zijne ziel voor het voortdurend
-gevaar, waarin zij verkeerde, zijne verkeerde handelwijze om God als het
-ware de wet voor te schrijven in de behandeling van zijn geestelijk
-leven, bemerkte hij, dat hij toch nu van veel dwaling en wangestalten
-verlost was, en dat hij evenals Job na zijne rampspoeden en strijd
-dubbel gezegend was en wel tweemaal zooveel bezat als hij eerst had
-bezeten. Een zeer karakteristieke uitspraak wordt in zijn levensbericht
-gevonden, deze namelijk: sprekende over de dierbare woorden van Jezus:
-„Die tot Mij komt zal Ik geenszins uitwerpen,” zegt hij: „O, over dat
-Johannes zes, dat gezegende woord, heb ik heel wat met satan te
-worstelen gehad, eer ik het mijn eigendom noemen mocht.”
-
-Het was voor anderen reeds lang duidelijk geweest, dat hun vriend Jezus
-toebehoorde, maar nu geloofde hij het zelf ook. Wel vermocht hij niet
-met juiste zekerheid het oogenblik aan te geven, waarop hij volkomen
-werd veranderd en omgezet, maar dat hij werkelijk in God leefde stond nu
-bij hem vast.
-
-Het eerste wat hij nu uit de Heilige Schrift leerde, was Christus voor
-de menschen te belijden. Daarom openbaarde hij nu ook zijne begeerte om
-tot de kerk zijner keuze over te gaan, om daarin te wandelen volgens
-Christus’ bevel. Hij werd met liefde ontvangen, en nadat hij gedoopt was
-werd ook hij opgenomen onder de leden van die gemeenschap. Toen hij deel
-nam aan het Heilig Avondmaal was het hem, of hij ingedompeld werd in de
-kracht van Christus’ dood. Zeer dierbaar waren hem de woorden: „Doe dat
-tot mijne gedachtenis.”
-
-Omstreeks dien tijd werd hij aangetast door eene krankheid, die wel
-longtering scheen te wezen. Hij herstelde, maar stortte weder in, tot
-hij eindelijk volkomen genas en toen zeer sterk werd. Gedurende zijne
-krankheid maakte hij weder verscheidene bevindelijke toestanden door;
-maar over het algemeen mocht hij zich toch in den Heere verblijden.
-
-„Vrouw,” zeide hij, toen hij in beterschap toenemende bij den haard zat,
-„staat er ergens in de Schrift dit woord: „Ik ben tot Jezus gekomen?””
-Zij herinnerde het zich niet. Daarna zochten zij eenige minuten met
-elkaêr, toen een tekst uit de Hebreën in zijne gedachten schoot. „Vrouw,
-nu weet ik het: ja ik weet het: „wij zijn gekomen tot Jezus den
-middelaar van het Nieuwe Verbond.”” Toen ging hij weder naar zijn bed,
-maar hij kon moeielijk stil blijven liggen, zooveel genoot hij in den
-Heere zijn God.
-
-Toen zijne gezondheid hersteld was, nam hij met allen ijver de plichten
-waar, die aan zijn lidmaatschap waren verbonden, zijn leeraar ter zijde
-staande in de godsdienstige gezelschappen en bijeenkomsten en bij het
-krankbezoek. Zijne geschiktheid tot dit werk was zoo klaarblijkelijk,
-dat zijne medeleden hem met algemeene stemmen tot diaken zijner kerk
-aanstelden. Aldus bediende hij nu het heiligdom als koster en deed
-dienst als diaken voor armen en kranken. Nadat hij zijne woonplaats van
-Elstow naar Bedford had overgebracht, nam hij die betrekking aan en
-diende daarin trouw.
-
-Omstreeks dezen tijd werd hij weduwnaar; maar de omstandigheden,
-waaronder dit plaats vond, zijn ons niet bekend.
-
-Een oogopslag in het notulenboek van den kerkeraad van Bedford kan ons
-overtuigen, in welke hooge achting hij stond bij zijne broederen. „Bij
-gelegenheid eener bijeenkomst, gehouden op den 27^{sten} der zesde maand
-van ’t jaar 1657, was de diakendienst door John Bunyan verricht
-overgedragen aan John Pernie, omdat hij niet langer zijnen dienst kon
-vervullen, daar zijn tijd zoo bezet was met het prediken des Woords.”
-Eenige zijner medeleden hadden begeerd, dat hij hun een woord ter
-opwekking zou toespreken in hun bijzonder gezelschap, en ofschoon hij er
-zeer tegen op zag, was het toch gebeurd en werd het allen daarna
-duidelijk welke uitnemende gaven hij had voor dit werk. Nu werd hij
-menigmaal uitgenoodigd op de naburige dorpen te prediken. Nauwelijks had
-dit eenige maanden zoo voortgeduurd, toen zijne geschiktheid en
-bekwaamheid op dit punt zóo treffend aan het licht traden, dat zijne
-medeleden niet langer aarzelden om hem tot de bediening des Woords te
-beroepen.
-
-Zij spraken hierover met den leeraar der gemeente, die hunne overtuiging
-in deze deelde. De uitslag was, dat na ernstig en plechtig gebed, met
-vasten verbonden, John Bunyan werd geordend tot de openbare
-evangelie-prediking. Met groote vreeze en onder veel beving bij het
-gezicht op zijne eigen zwakheid, schikte hij zichzelven tot dezen
-arbeid, echter niet zonder veel aanmoediging en vertroosting, die de
-Heilige Geest hem uit de Heilige Schrift deed toekomen. Later werd hij
-bij uitnemendheid aangemoedigd door den grooten toeloop, dien zijne
-prediking wekte, waar honderden van alle kanten toestroomden. Velen
-beleden met blijdschap, dat zij door hem waren wakker geschud, zoodat
-het Woord Gods met kracht op zijn gemoed werd gedrukt: „De zegen
-desgenen, die verloren ging, kwam op mij; en het hart der weduwe deed ik
-vroolijk zingen.” De nood was hem nu ook opgelegd en weldra klonk het in
-zijn binnenste: „Wee mij, als ik u het Evangelie niet verkondig!” [Job.
-29 : 13.]
-
-[Afbeelding: BUNYAN WORDT GEVANGEN GENOMEN.]
-
-
-III.
-
-ZIJN LIJDEN OM DES GEWETENS WIL.
-
-De oude vraag werd weldra ook aan Bunyan gedaan: „Door wat macht doet
-gij deze dingen, en wie heeft u deze macht gegeven?” Het antwoord lag
-voor de hand. Zijne gave om het Evangelie te verkondigen was zijne
-autoriteit; bijzonderlijk daar deze gave opgemerkt en opgewekt was
-geworden door de gemeente, waartoe hij behoorde. Onder nauwgezet
-onderzoek en ernstig gebed hadden zijne medebroeders hem tot dezen
-dienst geroepen, en in hunne roeping had hij de stemme Gods herkend. De
-ordening, waarmede hij geordend was, mocht dus veilig wettig heeten.
-
-Maar nu gebeurde het, dat de toenmalige Engelsche regeering een andere
-soort van ordening eischte. Niemand werd door haar tot den predikdienst
-toegelaten dan zij, die aan eene academie des rijks gestudeerd hadden en
-vervolgens onder haar toezicht geordende leeraren, alleen met
-uitzondering van de zoodanigen, die door algemeene stemmen door het volk
-waren gekozen.
-
-Bunyan ontkende het recht van den staat om zich als rechter op dit
-gebied op te werpen, en sloeg geen acht op de waarschuwing, zijn eigen
-weg vervolgende. Een klacht werd tegen hem ingediend, en het werd hem
-verboden te Eaton te prediken. Zijne broeders hielden raadsvergadering,
-en na eene bedestond op den 3^{en} Maart 1658 namen zij maatregelen voor
-zijne verdediging. Zij waren in zooverre voorspoedig, dat de vervolging
-hier eindigde.
-
-Met de herstelling van de Stuarts op den troon kwam een der krachtigste
-aanvallen op de godsdienstvrijheid aan het licht, welke het clericale
-dispotisme ooit beproefd heeft te doen. Zulk eene bediening als van John
-Bunyan was op de strengste straffen verboden. Hij kon alleen zijn werk
-doen onder voortdurend levensgevaar. Het eenige wat hij tot zijne
-veiligheid doen kon, was zich stilhouden.
-
-Voor een tijd besloot hij dit laatste te doen, met deze uitzondering
-echter, dat hij in strenge vermomming nu en dan in alle stilte, op
-verwijderde en afgelegen plaatsen het Woord verkondigde en onder
-bedekking der duisternis weer naar huis terugkeerde. Deze handelwijze
-stuitte hem evenwel geweldig tegen de borst, daar hij alle vermomming
-verachtte, en ten laatste vatte hij het voornemen op maar weer in het
-openbaar te spreken, alle gevaar trotseerend. Verzocht zijnde te Samsell
-te komen prediken, waar de dorpelingen zeer begeerig waren om het Woord
-Gods te hooren, antwoordde hij, dat hij, zoo het God behaagde, aan hunne
-uitnoodiging zou voldoen. Een groote menigte kwam uit de omliggende
-plaatsen samen en de prediker was op den bepaalden tijd op zijn post.
-Maar groote teleurstelling wachtte hem. De gezaghebbers vernomen
-hebbende, dat hij kwam, hadden hunne maatregelen genomen om de wetten te
-handhaven. Hunne dienaren stonden op de wacht, en waren reeds voorzien
-van eene volmacht voor zijne gevangenneming, in geval hij het wagen zou
-te prediken. Hij was van het gevaar verwittigd, en de vraag rees op of
-de dienst niet tot later zou worden uitgesteld. Het was waarschijnlijk,
-dat ze hem vangen zouden, ofschoon er nog een kleine hoop bestond, dat
-hij mocht ontsnappen. Hij wilde nu geen enkel woord hooren van te gaan
-vluchten. Hij meende, dat wanneer God hem in zijne barmhartigheid had
-uitverkoren om verloren zondaars in zijn omgeving het Evangelie te
-verkondigen, het een groote ontmoediging voor alle Christenen zou zijn
-wanneer hij nu lafhartig op de vlucht ging. En verder meende hij, dat de
-wereld uit zijne vreesachtigheid aanleiding zou nemen om het Evangelie
-te lasteren, en zoo werd de gedenkwaardige bijeenkomst te Samsell dan
-gehouden.
-
-Hij had het voorgebed uitgesproken, waarop al de aanwezigen een plechtig
-„amen” hadden gezegd. Toen las hij zijnen tekst af op een toon, die
-beide van vrees en moed getuigde, en wel de woorden: „Gelooft gij in den
-Zoon van God?” Hij begon dien te verklaren toen de officier van justitie
-binnenkwam en hem op de plaats zelve gevangen nam. Daar hij op de daad
-betrapt werd bleef er geen keus meer over; hij moest zich onderwerpen en
-de gevangene ging met den officier mede, zooals deze van hem verlangde.
-Maar de broeders konden goedsmoeds wezen, al werd hun prediker ook als
-een dief en moordenaar weggeleid. Gode zij dank, hij was dat niet.
-Integendeel, in zulke gevallen is het verreweg beter de vervolgde dan de
-vervolger te wezen.
-
-„Maak wat haast,” zeide de politieman; „men wacht u daar buiten.” Maar
-toch was het reeds te laat in den avond om nog verder te trekken en werd
-het eenige oogenblikken later aan den gevangene vergund nog dien eenen
-nacht in vrijheid te blijven, onder borgstelling. In den morgen evenwel
-ontmoette Bunyan den overheidspersoon en volgde hem naar het
-gerechtshof. De officier Wingate begon eerst een vriendschappelijk
-gesprek, waarin hij beweerde, dat een ketellapper niet prediken mocht.
-Dat, werd hem geantwoord, hangt af van des ketellappers hoedanigheden en
-begaafdheden. Maar hij wist wel, dat de wet hem het prediken verbood,
-werd weder aangevoerd. Waarom het niet liever nagelaten? Als hij dit
-beloven wilde en de boete betalen, dan was hij vrij. Zijne vrienden
-zouden zeker gaarne voor hem de boete betalen, of borg voor hem spreken;
-het staatsstuk was reeds opgemaakt, hij behoefde het slechts te
-teekenen, en alles was in orde.
-
-En wat behelsde dat stuk? Dat hij afstand doen zou van het prediken. Nu,
-zij moesten het zelf maar weten, maar, zoo waar als de waarheid waarheid
-was, zoodra hij losgelaten werd zou hij weer dadelijk aan het prediken
-gaan. De griffier en de klerk maakten toen zijn vonnis gereed, want hij
-moest naar de gevangenis. Toen hij werd weggeleid kwam dr. Lidall, een
-oude kennis van hem, de gerechtszaal binnen. Eene zeer zonderlinge
-samenspraak had plaats. De dokter noemde hem een afstammeling van den
-welbekenden kopersmid Alexander, die de apostelen tegenstond. Bunyan
-herinnerde den dokter evenwel dat de apostelen werden tegengestaan door
-priesters en farizeën even goed als door koperslagers, en dat er
-hoogstwaarschijnlijk afstammelingen van deze priesters en farizeën dicht
-in de nabijheid waren. Lidall was buiten zichzelven van boosheid en ging
-heen, een strenge straf voor Bunyan vragende. Maar deze legde zijne
-woorden uit met ernst en bescheidenheid. De uitslag was dat hij op den
-13^{en} November voor de groote kerkelijke overheid van Engelands kerk
-werd veroordeeld.
-
-Nog eene poging werd aangewend om hem te redden. Een zekere heer Forbes
-wendde alle moeite aan om hem te overtuigen, dat hij best deed allen
-geestelijken arbeid op te geven. Met vriendelijkheid en ernst beweerde
-hij, dat hij volstrekt geen reden en nog minder recht had om te gaan
-prediken. Maar deze redeneering werd op eene zeer onderdanige, maar
-tevens standvastige manier tegengesproken. „Weg met hem naar de
-gevangenis!” dat was het slot.
-
-Zoo vertrokken zij dan, en hij verliet het gerechtshof, groote moeite
-hebbende om te verzwijgen, dat hij den vrede Gods met zich mededroeg:
-maar hij hield zich stil en betrad de gevangenis met groote vertroosting
-in zijn gemoed.
-
-Bij de eerstvolgende zitting van het hof werd eene aanklacht tegen hem
-ingebracht, waarin hij werd beschuldigd van zich op duivelaardige en
-verderfelijke wijze te hebben onthouden van de openbare
-godsdienstoefening in de kerk, en in plaats daarvan allerlei oefeningen
-en gezelschappen te hebben gehouden vlak tegen de wetten des lands in.
-Hem werd vergund een advocaat te nemen, die voor hem pleitte, maar dit
-weigerde hij. Wat hij te zeggen had vermocht hij zelf wel te zeggen. In
-eene beteekenis van het woord, die zeker niet de slechtste was, kon hem
-geen verzuim der godsdienstoefeningen worden vermeden, integendeel
-bezocht hij ze zeer getrouw. Maar ging hij dan wel naar de dorpskerk of
-de stadskerk? Neen; de reden waarom kon hij ook duidelijk uiteenzetten.
-Het haalde hem buitendien spot en verachting genoeg op den hals, dat hij
-de „groote kerk” voorbijging, en menigmaal kwam hij in verzoeking op dit
-punt, maar Bunyan bleef zijn ouden gang gaan en liet zich niet van zijn
-stuk brengen. Hij was geen vijand van het gouvernement. Hij beleed
-plechtig, dat hij nog tot die ouderwetsche vaderlanders behoorde, die er
-zich op toelegden God te vreezen en den koning te eeren. Maar hij durfde
-den Koning der koningen niet ongehoorzaam zijn, en daar deze verordend
-had, dat iedereen moest handelen naar de mate der gaven hem geschonken,
-zoo moest ook hij, gevangene, het Woord Gods bedienen. Hij was even
-bereid als ieder der rechters op de groene kussens daar voor hem
-gezeten, om aan den keizer te geven wat des keizers was; maar hij mocht
-de dingen Gods aan den keizer niet geven. Zoo was dan zijne straf
-onvermijdelijk en luidde zijn vonnis opnieuw: „Gij moet terugkeeren naar
-de gevangenis, en daar drie maanden in zitten; aan het eind van die drie
-maanden, wanneer gij u niet onderwerpt, eerbiedig naar de kerk gaat en
-belooft u van prediking te onthouden, moet gij uit het koninkrijk
-verbannen worden, en wanneer gij dan na een bestemden dag, die u zal
-worden medegedeeld, nog in dit koninkrijk vertoeft, zult gij zonder
-genade worden opgehangen.” En zoo kreeg de gevangenbewaarder dan Bunyan
-weder in den kerker.
-
-Die kerker was een van de jammerlijkste uit het geheele koninkrijk; hij
-zelf noemde haar „een hol”. Daar waren slechts twee cellen in op eene
-binnenplaats, waterpas gelegen met den oever der Ouse. Dertig personen
-zouden er in hebben kunnen vertoeven, maar meermalen waren er zestig dag
-en nacht bij elkander opgesloten. Voor een man van twee en dertig jaar
-oud, gewoon aan de vrije beweging in de vrije lucht, moest zulk een
-nauwe opsluiting dan al zeer onverdragelijk wezen. Eene enkele week daar
-doorgebracht zou voldoende zijn om zijn besluit te doen wankelen. Hij
-zou zulk eene vernedering en jammer voorzeker kwalijk langer kunnen
-uithouden. Als er hem maar de gelegenheid toe geboden werd zou hij wel
-spoedig herroepen. Zoo dachten de rechters en daarom zonden zij den
-vrederechter om hun gevangene van hunne goede bedoelingen jegens hem te
-verzekeren, en hem toch over te halen van hunne kwijtschelding gebruik
-te maken, door maar alleen dit eene te beloven: niet meer te prediken.
-Die heer drong daar sterk bij hem op aan. Hij zeide onder anderen, dat
-het toch wel zonde en jammer was, dat zulk een man dáar moest zitten
-onder gauwdieven en schelmen; maar het zou nog veel erger worden,
-wanneer de rechtsdag weder aanbrak, want dan werd het nog harder vonnis
-uitgesproken. „Het zal slecht met u afloopen,” zeide Cobb; „men zal u
-inderdaad uit ons land wegjagen of nog erger dan dat.”
-
-Het gesprek duurde vier uren, maar het had geene uitwerking. Paulus
-erkende, dat de machten, welke in zijne dagen leefden, uit God waren en
-toch werd hij meermalen in de gevangenis gezet. Jezus Christus zeide tot
-Pilatus, dat hij geen macht over Hem zou gehad hebben als het hem van
-boven niet gegeven was, en toch stierf hij onder Pilatus; en toch hoopte
-de gevangene, dat de vrederechter niet zou durven zeggen: Paulus en
-Christus verzetten zich tegen de overheid. De wet gaf twee wegen aan de
-hand, waar langs zij gehoorzaamd kon worden. In gevallen, die voor het
-geweten des menschen duidelijk als recht en billijk te boek stonden, was
-hij ook verplicht volstrekt en onmiddellijk te gehoorzamen, en Bunyan
-wilde dit doen zelfs al moest het zijn leven kosten. Maar in gevallen,
-waarin des menschen geweten gekwetst werd, moest hij lijdelijk
-gehoorzamen, en dus alles dragen wat hem opgelegd werd met geduld en
-onderworpenheid. En ook hiertoe was Bunyan bereid tot den dood toe.
-
-Toen Cobb aldus het vaste besluit van den gevangene vernomen had, zat
-hij stil neder en zeide niets meer. De gevangene bedankte hem voor zijn
-vriendelijk en aangenaam gesprek, en zoo vertrokken zij met het gebed,
-dat zij elkander in den hemel mochten wederzien. Hoe walgelijk en
-ongezond het hol ook wezen mocht, Bunyan keerde derwaarts weder om de
-gevolgen af te wachten.
-
-Het gebeurde daarna, dat er eene kroning plaats had, en volgens de
-nationale gewoonte verkregen alle gevangenen, alleen de allerergste
-uitgezonderd, de vrijheid terug. Voor Bunyan echter was er geen pardon.
-Zijne vijanden wisten hem als zóo gevaarlijk voor het algemeen belang af
-te schilderen, dat zijne hoop werd teleurgesteld en hij gevangen bleef.
-Zijne vrouw -- omstreeks een jaar vóor zijne gevangenneming was hij
-hertrouwd -- begaf zich met een rekest naar Londen, maar er kwam niets
-van terecht. De eenige kans, die nog overbleef was het met de rechters
-te beproeven, die aangekomen waren om in den rechtsdag zitting te nemen.
-Zij zouden uit kracht van het kroningspardon hem kunnen vrijlaten. Bij
-hunne aankomst begeerde hij tot hen te mogen gaan en van hen
-kwijtschelding der straf te vragen, maar hij mocht niet naar hen gaan.
-Nu bleef alleen over dat zijne vrouw gaan zou. Goedhartig en verstandig
-als zij was, verkreeg zij toegang tot de rechters, zelfs meermalen, en
-zij bracht het zelfs zoover, dat zij een lang gesprek met haar voerden.
-Goed en warm bepleitte de vrouw de zaak van haar man; maar ofschoon de
-president der rechtbank inderdaad met hare droefenis begaan was, hij
-wilde toch niet voor haar tusschenbeiden treden. Er waren wel een paar
-wegen, langs welke het vonnis kon vernietigd worden, maar zij had de
-middelen niet om deze dure processen te voeren, en daarom duurde de
-gevangenschap voort.
-
-Opdat hij zichzelven van onderhoud zou voorzien en ook nog iets voor
-zijn huisgezin verdienen, werkte Bunyan als schoenlapper in de
-gevangenis, en kreeg daarvan meer te doen dan hij af kon. Bij
-tusschenpoozen las hij in de weinige boeken, die onder zijn bereik
-waren, maar het Woord Gods ging boven alles en werd geregeld onderzocht.
-
-[Afbeelding: DE OUDE GEVANGENIS TE BEDFORD.]
-
-Weder werden pogingen aangewend bij den volgenden rechtsdag en ook bij
-het Hof der Gezworenen, om hem in vrijheid te krijgen. Onveranderlijk
-werd de vraag gesteld: „Wil hij het prediken opgeven?” Wilde hij dit,
-dan was er geen hindernis. Maar dat wilde hij niet laten, daarom bleef
-die hindernis bestaan. Zes jaren lang bleef hij in ditzelfde hol toeven,
-en verduurde daar al de vuiligheid en ongezondheid, welke eene eeuw
-later Howard, den vriend der gevangenen, aanleiding gaf op welsprekende
-wijze hun lot als onuitstaanbaar te schetsen.
-
-Er kwamen tijden, waarin hij geheel ter neergeslagen was. De scheiding
-van zijne vrouw en hulpbehoevende kinderen neep hem menigmaal als het
-ware het vleesch van de beenderen, en dat niet alleen omdat hij zoo
-innig aan hen was gehecht; maar ook omdat zij maar al te zeer, ook
-uitwendig, in zijn lijden deelden, en hij hen door vrij te wezen had
-kunnen onderhouden. „Arm kind!” zeide hij tot zijn blinde dochter, „welk
-een smart hebt gij toch in deze wereld voor uw deel gekregen! Gij moet
-honger lijden. Koude en naaktheid en duizend andere jammeren komen
-daarbij, ofschoon ik voor mij niet verdragen kon, dat de wind op u
-blies.” Maar weer tot zichzelven komende, kreeg hij nieuwe kracht en gaf
-al zijn hulpelooze kleinen in Gods hand. Hij liet zijn huis op vrouw en
-kinderen nederstorten, maar het moest zoo zijn en kon niet anders.
-
-Hij begreep zeer goed, dat hij eindelijk van zijn land en volk zou
-verbannen worden en in den vreemde sterven, of dat zijne gevangenis in
-de galeien eindigen zou; maar toch kon hij zijn recht niet opgeven om
-het Woord Gods te prediken. Verlossing uit zijn lijden zou hem zeer
-aangenaam geweest zijn, want hij zuchtte er vaak onder, bezwaard zijnde;
-maar hij mocht die niet betalen met ontrouw aan Christus.
-
-Twaalf jaren lang duurde zijne gevangenis; sommigen zijner cipiers waren
-hem vriendelijk en toegenegen, anderen daarentegen onvriendelijk en
-lastig. Aan de vriendelijkheid van sommigen moet het toegeschreven
-worden, dat hij nu en dan de gevangenis mocht verlaten. Niet slechts
-werd het hem in zijn kerker meer dragelijk gemaakt, maar zelfs werd hem
-soms verlof gegeven zijne broeders te gaan bezoeken, nadat hij beloofd
-had op zijn woord van eer terug te keeren. Deze zaak werd verklapt en op
-zekeren avond werd een bode door de overheden gezonden om den cipier
-wakker te roepen en hem te vragen Bunyan eens te laten voor den dag
-komen. Nu gebeurde dit juist op een dag dat Bunyan uit geweest was, maar
-hij stond onmiddellijk gereed en ontmoette den bode. Zoo was toch alles
-in orde. Slechts een uur tevoren was hij teruggekeerd, en dat wel zeer
-haastig, want hij had aan zijn hart gevoeld, dat zijne vijanden hem op
-het spoor waren. Welke vriendelijkheden hunne ondergeschikten hem ook
-mochten bewijzen, de overheidspersonen en regeerders wisten van geen de
-minste barmhartigheid.
-
-Ten langen leste daagde er toch verlossing op. In Maart van het jaar
-1672 vaardigde de koning een besluit uit, waarbij alle dissenters
-(afgescheidenen), uitgezonderd de Papisten, vergunning kregen openbare
-godsdienstoefening te houden, aan zulke plaatsen en onder zulke leeraars
-als van tijd tot tijd zouden worden erkend. De bedoeling van dit besluit
-was de invrijheidstelling der afgescheidenen, die op verschillende
-plaatsen in de gevangenis zaten. Daarom werden nu ook pogingen gedaan om
-hunne loslating te bewerken, in het bijzonder door vele Kwakers, wier
-broeders het grootste getal der lijders om des gewetens wille
-uitmaakten. Door de onvermoeide en kostbare nasporingen van George Offor
-zijn feiten ontdekt, die vele onder het volk verspreide en algemeen
-geloofde misvattingen over de wijze, waarop deze lijders in vrijheid
-kwamen, aan het licht hebben gebracht, en tevens is de ware toedracht
-der zaak geopenbaard. Al die gebeurtenissen zijn door Offor in eene
-meesterlijk geschreven levensschets van Bunyan opgenomen. Wat hier nu
-volgt geeft er eene korte opsomming van.
-
-„Gij hebt mij wel meer gezien,” zeide een afgezant der Kwakers tot
-koning Karel. -- „Waar dan?” -- „Aan boord van het schip, dat u veilig
-naar Frankrijk overbracht na het gevecht van Worcester.” -- „Ja, dat
-herinner ik mij.” -- „En herinnert gij u dan niet, dat een kaper ons
-nazat, en dat sommigen onzer u naar den oever roeiden, en dat éen onzer
-u op de schouders nam, door het bruisende water waadde, en u hoog en
-droog naar een naburig dorp droeg?” -- „Ja wel”. -- „De man, die u toen
-op de schouders droeg, was ik, en nu kom ik u vragen, dat gij toch
-vriendelijk handelen wilt met mijne broeders in hunne droefenis, zooals
-wij toen vriendelijk geweest zijn jegens u.”
-
-De koning herinnerde zich die gebeurtenis volkomen. Deze man, Richard
-Carver, was bij een groot gevaar een vriend in nood geweest. Hij
-verdiende wel eene belooning, dat was waar; maar dissenters waren zoo
-dweepachtig, dat als men hen uit de gevangenis liet, zij dadelijk alles
-weer zouden doen als tevoren, en dus spoedig naar den kerker
-teruggezonden worden. De oude zeeman zette echter zijn pleidooi voort en
-beduidde den koning, dat de wetten, die hen weder naar de gevangenis
-terug zouden zenden, slechte wetten waren, die herroepen dienden te
-worden. De goedhartige koning Karel vergunde den Kwaker zijn verzoek
-nogmaals te mogen herhalen. Geen tijd werd verspild, en andere Kwakers
-voegden hun smeekschrift bij dat van Carver, terwijl deze zijn rekest
-uitstrekte tot alle afgescheidenen van welken naam ook.
-
-Eenig uitstel had plaats, maar op den 13^{en} September van het jaar
-1672 werd een bevelschrift geteekend, waarbij John Bunyan vrij verklaard
-werd. Hij bevond, dat zijne zaak geheel verloopen was, en dat hij weer
-van voren af aan beginnen moest alsof hij pas op de wereld kwam. Vóor
-zijne bevrijding was hem een verlofschrift van den koning gezonden, ’t
-welk behelsde, dat hij prediken mocht, en daar de predikant Gifford dood
-was, zoo werd door diens gemeente besloten, dat hij hun herder en
-leeraar worden zou, ingeval hij in hunne begeerte bewilligde.
-
-Volgens de aanwijzingen der apostelen was hij de gevangene des Heeren
-geweest. Hij had met vreugde de berooving zijner goederen aangezien,
-zijn leven niet dierbaar achtende voor hemzelven, opdat hij het Hoofd
-der gemeente mocht navolgen. Het verbod dat hij niet prediken mocht, was
-eene onteering geweest, eene schande Christus aangedaan. Het verbod om
-vrij uit het hart te mogen bidden was eene onteering van den Heiligen
-Geest. Hij had geen ander doel gehad dan pal te staan voor de eere Gods.
-Zijne gehoorzaamheid aan de hemelsche overheid noodzaakte hem tot
-ongehoorzaamheid aan de aardsche overheid. Hij kon de clericale wet niet
-houden omdat die met de goddelijke wet streed. Hij ging naar de
-gevangenis en daar zou hij tot aan zijn dood gebleven zijn; niet
-aangevuurd door eene dwaze dweepzucht of wanhopige partijzucht, maar uit
-diepen eerbied voor God en zijn Woord. Als ziende Hem, die onzichtbaar
-is, gaf hij het groote voorrecht niet op zijn hart ongedwongen te mogen
-uitstorten voor den Heere, of durfde hij de bediening, die hij van den
-Heere Jezus ontvangen had, vaarwel zeggen, wel wetende, dat het
-Evangelie zich openbaart als eene genadekracht Gods.
-
-
-IV.
-
-ZIJNE BEDIENING ALS HERDER EN LEERAAR.
-
-Bunyan geloofde, dat hij zijn ambt van God gekregen had. Deze
-overtuiging lag als een last op zijne schouders. Als een vuur in zijne
-beenderen was het verlangen in hem om de blijde tijding aan anderen te
-brengen. Sedert lang was hij de dienaar zijner medegevangenen geweest;
-ook in de gevangenis had hij van Jezus getuigd. Maar nu mocht hij weer
-openbaar getuigen, en wat was zijne prediking stichtelijk! Wat ging er
-eene kracht uit van zijne getuigenis der waarheid! Hij verhaalt van
-zekere gelegenheid, toen hij in de kamer der gevangenis zich buiten
-staat gevoelde meer dan vijf woorden te spreken. De vergadering wachtte
-en de tekst was over het heilige Jeruzalem, afdalende uit den hemel van
-God. ’t Was of eene schittering van de paarlen poorten zijne oogen
-verblindde, en hij zelf vermoedde, dat hij meer zou te zien krijgen. Hij
-stortte zijn hart uit voor God, en kreeg zulk eene toestrooming van
-geestelijke gedachten, dat al de aanwezigen verzadigd en verblijd
-werden. Toen hij allen hun bescheiden deel gegeven had hield hij nog een
-korf vol over.
-
-Zulke oefeningen waren niet weinig geschikt geweest om hem voor te
-bereiden voor het werk der bediening als herder en leeraar der gemeente
-van Christus. Door het voortdurend ernstig Bijbelonderzoek en het
-gebruik, dat hij van zijne gaven gemaakt had, was hij een welsprekend
-man geworden, machtig in de Schriften. Bij zijne loslating vond hij een
-groote vergaderzaal, die keurig netjes was ingericht en waar het volk
-bij menigten samenstroomde. Ernstig en diep bestudeerde hij zijn
-onderwerp, dan predikte hij, en daarna, volgens zijne opvatting in
-dezen, schreef hij uit wat hij gezegd had tot later gebruik. Zijne
-hulpbronnen waren slechts weinige; vooral in het eerst had hij geene
-andere dan het Woord Gods en het gebed. Hij vond zijne hulp en zijne
-inspiratie bij een hoogere bron, zooals hij zelf voortdurend verklaarde.
-Water uit zijne eigen regenbak te putten was zijn genot, een ander te
-mogen verblijden met wat God hem had geschonken door de kracht van Woord
-en Geest verheugde hem. De groote bijbelkennis van Bunyan kwam uit in
-elke preek, die hij deed. Het gebruik, dat hij van de Schrift maakte,
-was niet slechts voortdurend, maar ook recht gepast en krachtig; hij
-toonde steeds aan zonder het zelf te vermoeden, dat het ware geloof en
-de zuivere prediking nooit anders dan schriftuurlijk zijn. Daarbij
-drukte hij zich zeer klaar en eenvoudig uit. Hij zeide dat woorden, die
-goed verstaan worden, tot het gemoed doordringen, terwijl hooge en
-geleerde uitdrukkingen slechts de lucht slaan. In geen enkel opzicht gaf
-zijne bazuin een onzeker geluid. Zijn prediking was dadelijk te
-verstaan. Het geringe volk hoorde hem gaarne, terwijl de meer
-ontwikkelden zich nooit over zijne woorden beklaagden. Hij was
-begrijpelijk zonder plat te zijn, en krachtig zonder brutaal te wezen.
-
-In het uitspreken zijner redevoeringen had hij het voorrecht een scherpe
-en vlugge blik, een mooie stem en een aangenaam talent te bezitten.
-Zoowel door de natuur als de genade was hij geschikt gemaakt om een goed
-prediker van Jezus Christus te wezen. Geen wonder dus, dat zijne kerk
-altijd opgepropt was van toehoorders en dat menigeen daar getroffen
-werd, terwijl vele belangstellenden moesten buiten staan. Daar ging
-kracht uit van dezen prediker, dat werd in den ganschen omtrek openbaar,
-terwijl allerlei lieden zijn onderricht begeerden.
-
-Op bepaalde tijden bezocht hij de omliggende dorpen, en bijgemeenten
-werden gevormd, die tot op heden bestaan. Nu en dan bracht hij ook een
-bezoek aan de hoofdstad, waar hij bijna even populair was als tehuis.
-Eene enkele aankondiging was voldoende om hem een groot gehoor te
-verzekeren. Een ooggetuige zegt: „Ik heb eens eene prediking van hem
-bijgewoond, waar, naar ik gis, twaalf honderd menschen samen kwamen, en
-dat nog wel des morgens om zeven uur op een werkdag, in den donkeren
-wintertijd. Ook woonde ik eene prediking bij op den dag des Heeren in
-eene vergaderzaal te Londen, waar meer dan drie duizend waren opgekomen,
-zoodat de helft zich genoodzaakt zag uit gebrek aan plaats weer heen te
-gaan, en Bunyan zelf kon slechts met moeite door een achterdeur als over
-de schouders der hoorders heen zijn predikstoel bereiken”. Het was een
-zeer aandoenlijk schouwspel wanneer hij op afgelegen plaatsen optrad,
-meestal voor een duizendtal personen en dat nog wel midden in den nacht.
-Zijn groote beroemdheid vervulde hem met zorg. Hij verontmoedigde zich
-des te dieper voor den Heere. Indien hem geen groote genade van den
-hemel ware geschonken, dan zou hij zijn gaan roemen buiten de maat, en
-de duivel zou hem verstrikt hebben.
-
-God liet ook toe, dat zijn knecht werd gekastijd. Er kwamen kwade
-geruchten in omloop, die hem onteerden. Er werd verzekerd, dat hij het
-zevende gebod had geschonden en het negende evenzeer. Zekere heer
-Beaumont kwam plotseling te sterven. Zijne dochter, die eerst door hem
-op straat was gezet omdat zij Bunyans prediking volgde, was daarna weder
-in gunst ontvangen nadat zij beloofd had niet langer onder „dat volk” op
-te gaan. Zij had spoedig spijt van die belofte en smeekte haar vader
-haar toch verlof te geven om naar de preek te gaan luisteren. Op zekeren
-avond toen de oude heer reeds ter rust was gegaan, zocht zij hem op
-zijne slaapkamer op en sprak zoo ernstig met hem, dat hij tot tranen
-bewogen werd. In den loop van dien nacht kwam de vader te sterven. Nu
-liep het gerucht dat hij vermoord was, dat zijne dochter hem vergiftigd
-had, en dat haar leeraar haar hierin was behulpzaam geweest. Dit gerucht
-bracht heel den omtrek in beweging. Deze vrouw was eene moordenares en
-haar prediker leefde met haar in ontucht. Ofschoon echtgenoot en vader
-was hij een schandelijk overspeler, zoo niet nog erger dan dat! Het
-gerecht zou hem straffen. Een onderzoek werd ingesteld, nu ook naar
-andere lasteringen, die reeds in omloop waren. Maar met dit onderzoek
-eindigde ook de gansche zaak. De lasteraars werden door den lijkschouwer
-aan de kaak gesteld, en ernstig wegens hunne vermetelheid bestraft,
-terwijl de leeraar zeide: „Ik roep God tot getuige aan, dat ik
-onschuldig ben. Niet dat ik uit of van mijzelven van eenige
-goddeloosheid ben teruggehouden; maar God heeft mij in zijne genade
-bewaard, zooals ik bid, dat Hij altoos doen zal.”
-
-[Afbeelding: BUNYAN IN DE GEVANGENIS.]
-
-Dit zooveel opspraakmakende leed werkte mede ten goede. De prediking won
-aan kracht, en de prediker kwam in nog grooter roep als een goed
-dienstknecht van Jezus Christus. Uitnoodigingen kwamen tot hem van
-andere en grootere gemeenten. Hij kreeg beroepen, die zijn inkomen
-aanmerkelijk zouden vermeerderd hebben en hem in staat gesteld een
-grooten staat te voeren. Maar hij was onbeweeglijk. De stad Bedford met
-hare nabuurschap was zijn kring, met dien verstande echter, dat hij ook
-als de gelegenheid zich aanbood elders ging prediken. Hij werd nu in de
-wandeling altijd „bisschop Bunyan” genaamd en ontzag moeite noch arbeid
-om naar verwijderde streken heen te reizen, waar het volk zijne hulp
-noodig had. Het was hem nu vergund te prediken en raad te geven zonder
-dat iemand hem eenigszins mocht hinderen, en ofschoon hij voortdurend
-bleef ontkennen, dat hij deze vergunning behoefde, kwam zij hem toch ten
-goede. Van zijne roeping als leeraar liet hij zich nooit aftronen,
-evenmin door goed als kwaad gerucht. Zijn vriend Charles Doe getuigt
-daarvan: „Toen Bunyan eens op weg naar Cambridge was, ontmoette hem
-iemand van de universiteit, die tot hem zeide: „Hoe durft gij prediken,
-aangezien gij den oorspronkelijken tekst niet kent en geen geleerde
-zijt?” Toen antwoordde Bunyan: „Hebt gij den oorspronkelijken tekst?” --
-„Ja”, zeide de academie-man. „Zoo, zijt gij in het bezit van de
-oorspronkelijke handschriften, die door de pennen der profeten en
-apostelen zijn geschreven?” vroeg Bunyan verder. -- „Neen” zeide de
-ander, „maar wij hebben de echte copiën van het oorspronkelijke.” --
-„Hoe weet gij dat?” -- „Hoe?” herhaalde de ander. „Hoe? Wel wij
-gelooven, dat wij de ware en echte copiën van den grondtekst bezitten.”
--- „Juist,” zeide Bunyan, „en zoo geloof ik nu ook, dat de Engelsche
-vertaling een echte en zuivere copie van den grondtekst is.” En de
-geleerde mijnheer ging door.
-
-Het zaad des Woords viel in goede aarde. Vele werden bekeerd en den
-Heere toegevoegd. De gemeente, die onder zijne hoede stond, werd
-voortdurend uitgebreid, en als een onderherder arbeidde hij voortdurend
-aan haar welzijn. Op de bediening der sacramenten was hij zeer stipt en
-daarin zeer getrouw. Zij waren de genade niet, maar wel genademiddelen,
-die niemand verzuimen mocht. Het laatste avondmaal veranderde niet in
-het lichaam en bloed des Heeren; maar het stelde het voor. En deze
-leeraar geloofde, dat de berouwhebbende zondaar en de pasbekeerde
-geloovige ze niet mochten verzuimen, of zij verzuimden een voorrecht en
-begingen eenen misslag.
-
-Hij zorgde voor het krankbezoek met veel medelijden en liefde. Waar soms
-strijd tusschen de broeders ontstond, trad hij onmiddellijk tusschen
-beiden. Voor zoekenden naar de waarheid in hunne menigvuldige
-aanvechtingen en bekommering, was hij een trouw en vriendelijk
-raadgever. Met de leden, die naar elders vertrokken waren, hield hij
-briefwisseling, er in toestemmend, dat zij elders zich bij eene
-zusterkerk aansloten, die op denzelfden bodem stond. De tucht op
-degenen, die zich vergrepen, paste hij met alle gestrengheid toe. Hij
-zelf ging eerst met de zoodanigen in de eenzaamheid; gelukte het hem dan
-niet de dwalenden terecht te brengen, dan moesten de broeders er aan
-tepas komen. Alle tuchtiging, die hij oplegde, moesten de broeders
-goedkeuren of verzachten. Hij handelde daarin geheel eenstemmig met hen.
-
-De haast, waarmede hij strafte, werd weder goedgemaakt door de haast
-waarmede hij vergaf. Menigmaal hief hij de tuchtroede op of verzachtte
-de kastijding aanmerkelijk, waar hij groot berouw en oprechte
-schuldbekentenis bespeurde, zoodat de tucht diende tot opbouwing van het
-allerheiligst geloof.
-
-Bunyan matigde zich geen monopolie aan voor den dienst des Evangelies.
-Hij achtte zich gesteld over de broederschap des Heeren, als voorganger
-en herder der gemeente. Maar hij zag in ieder lid der gemeente een
-medearbeider en droeg hun zulke bedieningen op als het best voor hen
-pasten. De jongere en oudere leden leerden hunne voorrechten en
-verplichtingen kennen; allen beijverden zich in ’s Heeren dienst, om
-elkander op te voeden in het Evangelie, elkanders lasten te dragen en
-alzoo de wet van Christus te vervullen.
-
-Langs deze verschillende wegen werd zorg gedragen voor de kudde over
-welke de Heilige Geest hem tot een opziener gesteld had. Hij voedde haar
-met het brood des levens; hij bracht haar tot werken des geloofs; hij
-oefende haar in godzaligheid; hij bezielde allen met zelfverloochenenden
-ijver; hij hield haar terug van een zelfvertrouwen, dat gevaarlijk wezen
-zou, en van verachtering in het geloof, dat eenmaal den heiligen
-overgeleverd is.
-
-
-V.
-
-ZIJN LOOPBAAN ALS SCHRIJVER.
-
-Bunyan was vertrouwd met de behandeling der pen. Het schrijven was hem
-daarbij een genot. De opstellen gingen van zijn hart naar zijn hoofd en
-dan kwamen ze door zijne vingers op het papier. Het moet intusschen
-worden toegestemd, dat de handeling van het schrijven zelf hem veel
-moeite kostte en zeer langzaam ging. Te oordeelen naar de vroegste
-staaltjes van zijn pennekunst, moet het hem heel wat tijd gekost hebben
-zijn dunste boek voor de pers gereed te maken. De geest was zonder
-twijfel de pen ver vooruit.
-
-Hij werd auteur in 1656, bijna tegelijkertijd toen hij prediker werd, en
-zijn eerste werk was een strijdschrift. Het droeg den titel: „Eenige
-Evangelische waarheden volgens de Schriftuur uitgelegd.” Het doel
-daarvan was zich te verzetten tegen enkele dwalingen, waaraan zekere
-Kwakers leden, namelijk de geringschatting van de Schrift en van het
-offerbloed des Lams in het plaatsvervangend lijden.
-
-Het werd dadelijk beantwoord, en op dat antwoord gaf hij een
-buitengewoon scherp wederantwoord. Andere boeken volgden en toen werd
-hij gevangen gezet. Maar het schrijven hield niet op, want de nood drong
-hem zijne pen geen rust te laten. Hij moest zijne familie ondersteunen,
-en ofschoon hij een gevangene was, toch moest hij zijn eigen kost
-verdienen. Daar nu het schoenlappen daartoe niet voldoende was, schreef
-hij nu en dan korte stukjes, welke zijne vrienden lieten drukken om ze
-langs de straten te verkoopen. Ze gingen zoo goed van de hand, dat de
-liedjeszangers bij Newgate en Londen Bridge zijn portret en
-handteekening op hunne prullerij plaatsten, ten einde ze ingang te doen
-vinden bij het volk.
-
-Als een bewijs van vriendschap voor hen, die zijne prediking gevolgd
-waren, en voor wie ze gezegend was geweest, schreef hij een kort verhaal
-van hetgeen Gods barmhartigheid voor hem gedaan had. Deze
-levensbeschrijving, die van zijne geboorte tot zijne gevangenneming
-loopt, is een der merkwaardigste autobiographiën, die ooit uitkwamen.
-Zij bevat inderdaad de aanleidende oorzaak voor ieder punt zijner
-bekeering, al wat hij ondervond, dat invloed uitoefende op zijne
-inwendige wijding tot het leeraarschap. De lezer van deze levensschets
-heeft dan ook grootendeels den man zelf hooren spreken, zij is in
-hoofdzaak wat Bunyan zelf geschreven heeft.
-
-De ernstige toon, waarin het geheel gesteld is, komt vooral uit in de
-volgende zinsnede, die bewonderenswaardig heeten mag. „God speelde er
-niet mede toen hij mij tot overtuiging der waarheid bracht; de duivel
-speelde er niet mede toen hij mij verzocht; en evenmin speelde ik er
-mede, toen de angsten der hel op mij nederkwamen; en daarom mag ik er
-ook niet mede spelen als ik deze dingen verhaal; maar ik leg ze daar
-klaar en duidelijk neder, juist zooals ze gebeurd zijn.” De titel, welke
-hij aan zijn boek gaf: „Overvloedige genade bewezen aan den grootsten
-der zondaren,” was de beste, dien hij kiezen kon.
-
-Meer doorwrochte uitgaven volgden, waarvan het in gereedheid brengen
-onder Bunyans omstandigheden inderdaad verbazing wekt. Zij waren
-diepdoordachte studiën over groote waarheden, als, de rechtvaardigmaking
-door het geloof, de wederopstanding der dooden, en ofschoon nieuwere
-werken deze in onze theologische scholen hebben verdrongen, ze zijn toch
-maar zelden overtroffen evenmin in hunne overtuigingskracht als in hun
-diep inzicht, terwijl ze blijk dragen hoe nauwgezet hij de waarheid
-toepaste en ook anderen tot ernstige toepassing drong. De eenige
-hulpbron, die bij zijne letterkundige werken hem als hulpmiddel diende,
-was een Concordance, en het „Boek der martelaren van Fox;” -- de eenige
-plaats, waar hij schrijven kon, zijne cel, waar hij ieder oogenblik werd
-gestoord en hij zoo goed als geene geriefelijkheden krijgen kon. De toon
-van zijne werken in de gevangenis was grootendeels de polemische, en
-somtijds was de strijder zelfs hardvochtig en gestreng. Jegens den
-predikant Fowler, die eene ondubbelzinnige ontkenning en verloochening
-van het 13e artikel van zijne eigen kerk had geschreven, zegt Macaulay
-dat hij „woest” was. Hij was voorzeker wel wat ruw, maar Fowler was op
-zijn minst al even ruw, en beiden verloren veel te veel de
-bescheidenheid uit het oog.
-
-Het laatste werk, dat uit zijne gevangenis naar de pers ging, was
-getiteld: „Eene belijdenis van mijn geloof, en eene verdediging van mijn
-praktijk.” Het had de strekking om zijne praktijk te verdedigen, dat
-Christenen _als Christenen_ aan ’s Heeren avondmaal mochten deelnemen.
-Het was volgens Bunyans gevoelen genoeg, dat iemand het bewijs leverde
-van een geloof in de liefde werkende. Dat zoo iemand nog niet gedoopt
-was na de belijdenis van zijn geloof, betreurde de Baptisten-predikant
-ernstig, maar ofschoon hij zich om des gewetens wille van zulk eene
-indompeling ook voorloopig onthield -- de godzaligheid van zijn wandel
-was daar het bewijs van -- zoo bleef toch zijn recht op de voorrechten
-der kerk onaangeroerd, en te Bedford mocht hij ze allen genieten.
-
-Een groot geroep ging er na deze uitgave op onder de Baptisten, en deze
-openbare mededeeling werd als een onteering van den Heere aangezien.
-Maar Bunyan volhardde stillekens in zijne overtuiging, wel bewust, dat
-de almachtige God zijn schild was, en duldde alles, naar hij zeide „tot
-het mos op zijne oogleden groeien zou.”
-
-Er was een ander boek, dat in het licht gegeven is vóor onze auteur de
-gevangenis verliet -- dat boek, hetwelk inderdaad zijn naam vereeuwigd
-heeft. De „Pelgrimsreis” werd begonnen en geëindigd in de gevangenis.
-Dit boek werd hem als het ware ingegeven en kwam zonder moeite op
-papier, zich aan hem opdringende met groote zoetvloeiendheid en innig
-gevoel, als in de bekoorlijkheden van een droomgezicht. Hij was bezig
-een ander boek te schrijven, toen hij eensklaps aan dit begon. Twintig
-denkbeelden drongen zich aan hem op, en vóor hij die neergeschreven had
-weer twintig andere. Hij zette met genot de pen op het papier. Terwijl
-hij ophield of rustte kwam het denkbeeld, en wachtte hij maar weer dan
-kwam er weder een ander, tot hij eindelijk in alle opzichten verblijd en
-verwonderd was over wat hij had geschreven. Hij behandelde dit onderwerp
-geheel uit zichzelven, geen enkele menschelijke ziel was hem daarbij
-behulpzaam; hij had niet zooals anders vooraf bouwstoffen opgezameld.
-Hij had geene inspiratie gezocht, noch bij het plechtig geklots van vele
-wateren, noch bij den prachtigen aanblik van een Oosterschen hemel, noch
-in de plechtige eenzaamheid, of zelfs in de afzondering bij verheven
-natuurtooneelen. Hij was bewoner van een hol en hij was altijd een
-zwerveling geweest in het weinig romantische land aan den oever der
-Ouse. Maar tot zijne onuitsprekelijke vreugde had hij Christen temidden
-van wonderveel en groote zonden heengevoerd naar de liefelijke bergen,
-en door het land van doodschaduwen naar het Paradijs van God. De
-bouwstof en de wijze van bewerking was alles het zijne, en geen mensch
-kwam er iets van te weten vóor het afwas.
-
-In de gevangenis zat ook een zekere Marsom, door wiens familie bericht
-is, dat toen de „Christenreis” gereed was, Bunyan die aan al zijne
-medegevangenen voorlas, om van hen te weten te komen of hij het werk zou
-laten drukken al dan niet.
-
-Men was er niet eenstemmig over. Sommigen zeiden: „John, laat het
-drukken,” anderen zeiden: „Niet doen.” Sommigen zeiden: „Het kan goed
-doen,” anderen meenden van niet. Marsom vroeg of hij het nog eens
-overlezen mocht en na het nauwkeurig bestudeerd te hebben, ried hij aan,
-dat het zonder mankeeren moest worden gedrukt.
-
-Toch gebeurde het niet vóór 1678, en toen was dit boek onmiddellijk
-populair en wel in bijzonder groote mate. Binnen tien jaren werden er
-twaalf herdrukken van bezorgd en in Engeland alleen hadden 100000
-exemplaren hunnen weg gevonden vóor Bunyans dood. Van dien tijd af is
-het een gevierd boek gebleven. Het is in den schouwburg opgevoerd. De
-romanschrijvers hebben er van geprofiteerd. Allerlei letterkundigen
-hebben het aangehaald en vele schrijvers er hunne beelden aan ontleend.
-De kritiek heeft het onder handen genomen en het op allerlei wijzen
-ontleed, zoodat alle schoonheden en gebreken in het helderste licht
-verschenen zijn. Door vertaling is het populair geworden bij schier alle
-natiën onder den hemel. Kunstenaars hebben hun uiterste best gedaan om
-de schoone tafereelen af te beelden.
-
-De „Geschiedenis van Meester Kwaad”, met nog een of twee andere boeken
-volgden op de uitgave van den „Christenreis”, en toen kwam in 1682 „De
-Heilige Oorlog”. Het valt gemakkelijk uit de inleiding op te maken, dat
-bij de beschrijving van Menschziel, eerst in bezit genomen door Diabolus
-en dan heroverd door Immanuel, de schrijver zichzelven op het oog heeft.
-De beschrijving is geheel op militaire wijze, de bijzonderheden uit het
-krijgsmansleven zijn herinneringen uit zijn eigen militaire loopbaan bij
-het beleg van Leicester, vandaar dus zijne beelden. De eerste aanval van
-den duivel, die met zulk een spoedig succes bekroond werd in de
-vervreemding van den mensch van zijn Maker, is wonderschoon verhaald, en
-zoo ook de vleeschwording van den Zone Gods tot verlossing van den
-verloren mensch. Wellicht wordt dit nog overtroffen door de vernieuwde
-pogingen van den Booze om den mensch weder in zijne macht te brengen. De
-diepzinnige filosofie van de beelden, die gebruikt worden, is volkomen
-in overeenstemming met den geest, die hier lichamelijk voorgesteld
-wordt. Het bovennatuurlijke, het dichterlijke en het evangelische gaan
-hand aan hand.
-
-Ook dit boek beleefde vele herdrukken gedurende het leven van den
-schrijver en wordt nog voortdurend gretig gevraagd, maar toch niet in
-die mate als de onovertroffen inhoud verdient. Het is het beste
-menschelijke richtsnoer voor hem, die wenscht te weten hoe de wet der
-zonden in zijne leden woelt en door Satanische macht daarin is gekomen,
-en hoe ook door de inwerkende genade des Heiligen Geestes die macht in
-toom kan worden gehouden.
-
-[Afbeelding: BUNYAN PREDIKENDE IN DE OPEN LUCHT.]
-
-Binnen een paar jaren werd het tweede deel van „de Christenreis”
-uitgegeven, „de Christinnereis,” waarin wij Christens vrouw en kinderen
-met hunne geburin Barmhartigheid achter hem naar den hemel zien trekken.
-Andere medereizigers, wier namen eene zeer diepe karakterkennis
-verraden, voegen zich bij het gezelschap en onder het voortreffelijk
-geleide van „Grootmoedig”, bereiken zij eindelijk hunne bestemming. Het
-is heerlijk om te zien hoe het vlakke veld opgevuld is met paarden en
-wagenen en trompetters om de pelgrims te begroeten, waar zij éen voor
-éen de gouden stad binnentrekken. De groote rijkdom en afwisseling van
-Bunyans denkbeelden komt in dit tweede deel vooral uit waar men ze
-vergelijkt met het eerste. De reis van Christen was meestal een zware en
-moeielijke worsteling om de zegepraal; de reis van Christina was
-grootendeels een aangename reis naar het vaderhuis.[1]
-
- [1] Van „De Christen- en Christinnereis naar de eeuwigheid” verscheen
- bij de uitgevers van dit werk en geheel in dezelfde wijze van
- uitvoering eene volksuitgave met 100 uitstekende platen en portret van
- den schrijver, in prachtigen stempelband, tot den geringen prijs van
- ƒ 4.25.
-
-Christina’s zonen waren achtergebleven als een groote zegen voor de
-strijdende kerk; de droomer begreep, dat hij daarvan in de toekomst nog
-wel wat te zeggen zou hebben. Zijn vermoeden werd waarschijnlijk
-vervuld, ten minste in zooverre dat hij ook nog een derde deel onder
-handen heeft gehad; want enkele jaren na zijn dood kondigde zijn
-uitgever, Nathaniel Ponder aan, dat hem het manuscript was toevertrouwd
-en dat het binnenkort het licht zou zien. Er werd evenwel niets meer van
-die uitgave van Ponder vernomen. Wel kwam er later iets uit, dat een
-derde deel beteekenen moest; maar het was eene vervalsching. Alle
-innerlijke en uitwendige bewijzen zijn voorhanden, dat het volstrekt
-niets te maken heeft met den wezenlijken droomen-droomer, en zijne twee
-echte „droomen”.
-
-Weder andere boeken volgden tot omstreeks zestig boekdeelen, waaronder
-verscheidene van aanzienlijke grootte, Bunyans werken uitmaken. Velen
-daarvan waren polemisch, maar allen hadden betrekking op de
-fundamenteele waarheden des Christendoms. In vele gevallen bestonden zij
-uit eene uitbreiding van zijne predikaties, wanneer de overtuiging zich
-van hem meester maakte, dat zij zeer geschikt waren om goddelooze lezers
-te doen ontwaken uit hunnen doodslaap en de vromen tot dieper
-overtuiging te brengen. Hij wilde nuttig zijn niet alleen voor zijn
-eigen tijdgenooten, maar ook voor de toekomstige geslachten. Het was
-inderdaad een moeilijke taak om al de tegenwerpingen der verachtende
-spotters naar eisch te beantwoorden, maar hij vervulde die taak. Het was
-een hard werk al de verschillende moeielijkheden op te lossen van
-tuchtelooze en huichelachtige gemoederen, maar hij deed dat werk. Hem
-woog de zware verantwoordelijkheid om de gemeente Gods te waarschuwen
-tegen de menigvuldige verzoekingen om de waarheid te ontkennen of te
-verminken, op het hart, en hij onttrok zich niet aan die taak, maar
-arbeidde hieraan ijverig, zoowel op den predikstoel als in de pers.
-Zijne leer leefde in duizenden zijner tijdgenooten, die hij nooit gezien
-had, en hij wist hen te vervullen met bewonderende liefde voor het
-Evangelie van Gods genade.
-
-Beide door zijne eenvoudige werken als daar is „Het boek voor jongens en
-meisjes”, en door zijne diepzinnige geschriften, als b. v. „De Genadewet
-ontvouwd”, werd het volk over het algemeen aangetrokken; het hield die
-geschriften dankbaar in waarde, en werd er krachtig door overtuigd.
-
-Niet éen was er onder al die zestig deelen, waarvan niet veilig kon
-gezegd worden, dat zijn onderwerp waardig, zijne taal verstaanbaar,
-zijne redeneering vloeiend, zijne inkleeding smaakvol, zijne oprechte
-bedoeling doorzichtig, zijn toon die van Boanerges en Barnabas was; nu
-eens verontrustend en verschrikkelijk, dan weer vertroostend -- altijd
-geschikt om zijne lezers een inzicht te geven in het ware zaligmakende
-geloof.
-
-Als eene proeve van zijne aangrijpende welsprekendheid, diene het
-volgende: „Luiaards, onverschilligen, slaapt gij dan altijd? Zijt gij nu
-vast besloten den slaap des doods te slapen? Zullen noch boodschappen
-van den hemel noch van de hel u wakker maken? Zult gij dan maar altijd
-zeggen: Nog een weinig slapens, nog een weinig sluimerings, noch een
-weinig handvouwens al nederliggende? O, dat mijne oogen tranenbeeken
-waren, en dat ik een hart vol medelijden met u hadde! Hoe zou ik u dan
-beklagen! Hoe zou ik u beweenen! Arme, verloren, stervende ziel! Hoe
-hard is mijn hart, dat ik niet over u wegsmelt in tranen! Indien gij
-maar een lid van uw lichaam verloort, of een kind, of een vriend, dan
-zou het nog zoo erg niet wezen; maar arme mensch, het is UWE ZIEL!
-Indien die naar de hel verwezen werd voor één dag, of voor een jaar, of
-zelfs voor duizend jaren, dan ware het vergelijkender wijze nog te
-overkomen; maar het is voor eeuwig! O die ontzettende EEUWIGHEID! Welk
-een zielverbrijzelend woord zal dat voor u wezen als tot u gezegd wordt:
-„Gaat weg van mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, dat den duivel
-en zijnen engelen bereid is!””
-
-[Afbeelding: BUNYANS LAATSTE LIEFDEWERK.]
-
-In zijn omgang met bekommerden en wankelmoedigen ging hij met groote
-wijsheid te werk. Lees hier wat hij tot hen zegt: „Niets is eene meer
-algemeene kwaal onder ons menschen, dan dat er velen zijn, die twijfelen
-aan de genade Gods, en dat bekomt een zondaar toch wel het
-allerslechtste. De wet te verbreken is inderdaad reeds dwaas genoeg;
-maar de genoegzaamheid der genade te betwijfelen is nog erger dan
-dwaasheid en zonde, erger dan al wat slecht heeten moet. Daarom,
-wanhopende zielen -- want het is tot u dat ik spreek -- werpt uw
-wantrouwen weg, schudt uit uwe slaafsche vrees, hangt al uwen argwaan
-aan den kapstok, en gelooft, dat gij daartoe een zeer voldoende reden
-hebt, want daar stroomt eene rivier voor uwe voeten. Laat uw gebrek aan
-vroomheid en goede werken u niet het minste verhinderen. Dit is eene
-rivier van het water des levens: stroomen van genade en barmhartigheid
-ziet gij daar. En wanneer gij ziet dat zij, die vreezen van honger te
-sterven, mondvoorraad opdoen te Tunbridge, Epsom, Bath en elders, opdat
-zij voor lange reizen op de wateren uitgerust zijn; zorgt gij dan, dat
-gij voorzien zijt van levend water, dat gij niet behoeft te koopen, maar
-dat u wordt aangeboden om niet. O, laat dan uwe ziel niet ophouden noch
-u terughouden door vrees of twijfel; maar drinkt, drinkt en leeft in
-eeuwigheid.”
-
-Ook voor den geloovige, die zich in Christus verheugt, had hij een woord
-op zijn pas. „Het is zoo heerlijk en Gode zoo aangenaam, wanneer
-Christenen wandelen waardiglijk hunne roeping, hun staat en hun
-toestand: in alle dingen getrouw aan wat God van hen maakte. Dan zijn
-zij als de bloemen in den tuin. Waar de tuinman ze geplant heeft daar
-staan ze, en van den hysop, die aan den wand uitwast, tot den ceder van
-den Libanon toe is van hen allen hunne vrucht ook hunne heerlijkheid. En
-aangezien de stam, waarop zij ingeënt zijn, de vruchtbaarste stam is, en
-het sap, dat door hen heenvloeit het vruchtbaarste sap, en de Kweeker
-onzer zielen de wijste hovenier, zoo vertrouwen wij alles aan Hem toe
-ook wat ons vreemd toeschijnt, alleen zorg dragende, dat wij rijk worden
-in goede werken. Daardoor toont gij immers, dat gij geen geschilderd
-vuur zijt, dat geen warmte afgeeft; geen geschilderde bloemen, die geen
-geur hebben; geen geschilderde boomen, waaraan nooit vruchten groeien.”
-
-
-VI.
-
-ZIJN LEVENSEIND.
-
-Lijden om des gewetens wil bleef Bunyans deel tot het einde. Zijn
-weinige gehechtheid aan de staatskerk en zijne evangelische getrouwheid
-brachten hem dikwijls in onaangenaamheden met de overheid, en deze heeft
-hem meer dan eens van zijne goederen beroofd. Zijn kerkgebouw werd zelfs
-eene wijle gesloten en hij moest zijne vergaderingen in het open veld
-houden.
-
-Temidden van al deze onzekerheid voor de toekomst vermaakte hij aan
-zijne innig geliefde vrouw alles wat zijn eigendom was bij een document,
-dat gedagteekend is van den 23^{sten} December 1685. Hij, „John Bunyan,
-kopersmid, gaf, door innige liefde gedreven, aan haar alle goederen, die
-hij bezat, zoowel roerend als onroerend, en alle schuldvorderingen, waar
-die ook mochten gevonden worden.”
-
-Aldus op alles voorbereid was hij tijdig en ontijdig in zijn Meesters
-werk. Zijn roem groeide telkens aan. Van alle zijden werd het hem
-moeielijk gemaakt door overstelpende bezigheden. Hij werd beter met
-boeken vertrouwd, en zijne groote kennis der menschelijke maatschappij
-bracht hem eigenaardige voordeelen aan. Alles werd tot zijn doel
-aangewend; hij kon alles gebruiken; menigmaal werden onderwerpen uit het
-dagelijksch leven aangehaald om als illustratiën te dienen, en niet
-minder staatkundige gebeurtenissen of de geschiedenis van den dag. Als
-hofprediker van den Lord Mayor van Londen, tot welk ambt hij eens
-geroepen werd, of als gast der eenvoudige hutbewoners in afgelegen
-dorpen, wien hij na het landelijk maal het Evangelie prediken zou,
-altijd was hij dezelfde, altijd bleek zijne vurige begeerte om anderen
-nuttig te wezen en tot God te leiden.
-
-In het voorjaar van 1688 leed hij veel door de zweetziekte,[2] en het
-scheen zelfs, dat hij er aan sterven zou. Gedeeltelijk herstelde hij wel
-weer, en eindelijk meende men zelfs, dat hij zijne volle kracht
-terugbekomen had. Maar zijn einde was op handen en het duurde niet lang
-of het kwam. Eer zelfs dan hij of zijne zoo innig aan hem verkleefde
-echtgenoote vermoed hadden, want hij stierf waar zij hem niet bijtijds
-kon bereiken, twee dagreizen van huis.
-
- [2] Deze vreemde ziekte, die slechts een verloop van enkele uren had,
- meestal met doodelijk einde, sleepte omstreeks dien tijd in Engeland
- vele honderden ten grave.
-
-Hij was door een jongeling zeer dringend verzocht eene poging te doen om
-hem met zijn vader te verzoenen, die gedreigd had hem te zullen
-onterven. Daar was in het geheel geen kans op dan alleen door een
-persoonlijk bezoek, en daartoe moest Bunyan eene reis ondernemen van
-Bedford naar Reading, een afstand van vijftig mijlen.[3] Hij ondernam
-dien tocht te paard en slaagde zoo goed in zijne opofferende
-onderneming, dat de vader er in toestemde zijn zoon te vergeven en de
-bedreiging introk. Zeer verblijd over den goeden uitslag, besloot Bunyan
-Londen op de terugreis aan te doen, waar die jongeling woonde. Hij wilde
-hem zelf de goede tijding brengen. Het weder was buitengewoon onstuimig
-en de reis viel hem zuur. Toen hij de woning van zijn vriend Shaddoks op
-Sneeuwheuvel bereikte, overviel hem de koorts, en ofschoon er eerst alle
-hoop was op zijn herstel, stierf hij tien dagen later. De datum is
-onzeker, daar de opgaven verschillen tusschen den 12^{en}, 17^{en} en
-31^{sten} Augustus 1688.
-
- [3] Ongeveer achttien uren.
-
-[Afbeelding: BUNYANS GRAF IN BUNHILL FIELDS.]
-
-Bunyans dood was een waardig besluit van zijn leven. Zijne lenden waren
-omgord en zijne lamp brandende. Hij bleef getrouw tot den dood. Hij
-blies den laatsten adem uit, verzegelende, dat God waarachtig is. „Wat
-zoudt gij beter voor mij kunnen begeeren,” zeide de stervende tot de
-omstanders, „dan wat God mij te zien geeft in het heerlijk visioen,
-waarmede Hij mij verwaardigt? Mijne begeerte is, dat gij heilig moogt
-leven en _eenmaal komen om het te zien_. Ik ga naar den Vader van onzen
-Heer Jezus Christus, die mij zonder twijfel uit kracht van het
-verzoenend bloed van zijnen Zoon, aannemen zal, ofschoon ik een zondaar
-ben. Weent niet over mij. Wij zullen elkander eerlang weder ontmoeten om
-het nieuwe lied te zingen en eeuwig samen gelukkig te zijn.” Hij wist,
-dat hij in den hemel een beter en onsterfelijk leven tegemoet ging.
-
-Het lichaam werd te Bunhill Fields begraven temidden van vele treffende
-bewijzen van algemeene liefde en eerbied. Te Bedford was de smart hevig,
-in het bijzonder bij de gemeente, die nu herderloos was, maar niet
-minder in heel den omtrek. Het was nog geen veertien dagen geleden, dat
-zij hunnen herder, leeraar, vriend en stadgenoot hadden zien wegrijden
-op zijn Samaritanentocht der barmhartigheid naar Berkshire, en toen zag
-hij er niet minder sterk uit dan vroeger, een krachtig, flink gebouwd
-man van zestig jaren. Sommigen hunner hadden hem eerbiedig goeden dag
-gezegd, anderen meer familiaar en vriendschappelijk gegroet.
-
-En nu was hij reeds dood en begraven. Bij zijne bijzondere
-vriendelijkheid voor een verstootene had hij zijn leven ingeboet. In den
-dienst van zijnen Heer en Heiland was hij ingesluimerd en tot zijne
-vaderen vergaderd. Grootmoedige, eerwaardige Bunyan! Gij rust van uwen
-arbeid en uwe werken volgen u na. Uw loopbaan was moeielijk, maar gij
-waart standvastig. Gij werdt zwaar beproefd en diep bedroefd, maar gij
-bleeft getrouw. Uw pelgrimsreis van deze wereld naar de toekomende loopt
-evenwijdig met uw eigen, bewonderenswaardigen, onnavolgbaren droom, van
-het begin af tot aan het zegevierend en God verheerlijkend einde.
-
-[Afbeelding]
-
-
-
-
-INLEIDING.
-
-
-In „De Heilige Oorlog” bezitten wij een van de meesterstukken onder de
-allegorische werken van den Onsterfelijken Bunyan. Met zijn
-„Christenreis naar de eeuwigheid” vergeleken is het eene allegorie van
-geheel verschillende stijl en karakter, voorstellende een andere
-gestalte der bevinding. Bunyans Heilige Oorlog mag met alle recht
-genoemd worden „de geschiedenis van ’s menschen ziel.”
-
-In dit opzicht verschilt deze tegenwoordige beeldspraak van het vroegere
-werk van den uitstekenden droomer; „de Christenreis” handelt over de
-uitwendige omstandigheden van eens Christens pelgrimstocht, in zooverre
-zij voor het geestelijk leven voordeelig of schadelijk zijn, en daardoor
-invloed uitoefenen op de innerlijke gemoedswerkzaamheden van den
-Christen. De _Heilige Oorlog_ behandelt de inwendige worstelingen der
-ziel, en gaat vandaar tot de uitwendige gevolgen over, waar zij ’s
-menschen geluk en vrede bewerken. De Pelgrimstocht beschrijft de
-vijanden van buiten, die de ziel aanvallen, terwijl de Heilige Oorlog de
-inwendige vijanden beschrijft, die alle menschelijk geluk, ja zijn leven
-bedreigen.
-
-Uit deze oorzaak hebben velen de gelijkenis van den „Heiligen Oorlog”
-zelfs als een veel geestelijker werk dan de „Christenreis” beschouwd, en
-wellicht is dit eerste daarom ook door de groote menigte minder verstaan
-en gewaardeerd. Deze leerrijke gelijkenis is een ontleder van het hart
-in de geestelijke ontleedkunde der ziel. Zij is een geestelijke spiegel,
-die doet uitblinken wat de mensch was, wiens slaaf hij werd, welke
-oorlogen en gevechten, welke worstelingen en aanvallen gewaagd en
-uitgestreden moeten worden, vóor Christus weder op den troon zit in het
-hart en de verloren Menschenziel kan zingen het nieuwe lied, dat de
-herwonnen Menschenziel waardig is.
-
-De twee groote denkbeelden, die het geheele werk beheerschen zijn de
-Verloren en Herwonnen Menschenziel, en doen ons denken aan Miltons
-Verloren en Herwonnen Paradijs. De eerste zinspeling, toegepast op de
-stad Menschziel heeft het oog op ’s menschen ziel in het algemeen, maar
-verder in het bijzonder op dat wezen, hetwelk ziel genaamd, ’s menschen
-_ik_ aanduidt, waarop eens Gods beeld en zegel werd gedrukt. Het was
-Gods handenwerk, en evenals al Gods werken, werd het „zeer goed”
-genoemd. Het was onder al Gods scheppingen het naast in gelijkenis en
-het innigst in liefde aan God verwant: „God schiep den mensch naar zijn
-beeld.” De ziel werd geschapen om Gods tempel te wezen, de plek, waar
-zijn troon stond. Het kasteel van Menschziel is het hart; de wallen zijn
-het lichaam of het vleesch, en de poorten de vijf zinnen -- vandaar hun
-zeer verstaanbare benamingen. De bewoners van de stad zijn het verstand,
-het geweten, de wil, de lusten, de gedachten -- de duizenden gedachten,
-die in de ziel rondwriemelen. Dit zijn de mannen, vrouwen en kinderen
-der stad, aldaar ontvangen, geboren, gevoed, en aldus opgroeiende in
-daden ten goede of ten kwade. Deze koninklijke verblijfplaats viel in de
-vernielende handen van satan of _Diàbolus_ en zijne hoofdmannen; de
-woorden veraanschouwelijkende van den wijsten der koningen -- die
-samenvatting van de geschiedenis der menschheid: -- „Ziet, dit heb ik
-gevonden, dat God den mensch goed gemaakt heeft; maar zij hebben vele
-vonden gezocht.” [Pred. 7:29.]
-
-Dit droevig einde van de gevallen Menschenziel wordt nu aanleiding tot
-de openbaring van Gods heerlijkheid. Dit breken van het heilig verbond
-tusschen God en den mensch brengt al dadelijk den Zone Gods in het
-geding; deze komt de gevallen creatuur te hulp. _Immanuel_ maakt nu met
-zijnen Vader een verbond, dat Hij zelf de ziel onder de souvereiniteit
-van God zal terugbrengen; en dit vervult Hij door zijn dood en zijne
-offerande en de daarop volgende werkingen van den Heiligen Geest.
-
-Maar intusschen heeft Satan den troon in Menschziel opgeslagen en daar
-een nieuwe regeering aangesteld. De overweldiger moet verjaagd worden.
-Diensvolgens begint de worsteling, en hier daalt de allegorie af tot het
-bijzondere; tot uw ziel en de mijne. De ziel wordt door Christus
-hernomen; maar daar zijn nog die loerende handlangers van Diàbolus, het
-zaad des boozen in het hart, het overschot van het onkruid, het
-overblijfsel van den „ouden mensch” en de bedorven natuur. Deze
-veroorzaken menigmaal geestelijke schade aan de ziel; zij bedroeven den
-Heiligen Geest, en drijven somtijds Christus weg van zijnen troon. Satan
-treedt spoedig weder binnen, en moet weder verhuizen. Afwisselend geluk
-en tegenspoed zijn de toestanden van ons eigen geestelijk leven,
-brengende ons dichter bij Christus of houdende ons verder van Hem
-verwijderd dan weleer.
-
-Zoo is de aard van dit onnavolgbare werk -- DE HEILIGE OORLOG. Wij
-wilden nu slechts de aandacht van den godzalige en den goddelooze, van
-het vrijgemaakt kind Gods en den gekluisterden slaaf des satans, van den
-zwakke in het geloof en den bevenden, twijfelenden Christen op dit
-wondervolle tooneel van strijd vestigen.
-
-[Afbeelding]
-
-
-[Afbeelding]
-
-
-
-
-HOOFDSTUK I.
-
-MENSCHZIEL, HAAR OORSPRONG EN AFVAL.
-
-
-In mijne omwandeling, terwijl ik vele landstreken en gewesten
-doorreisde, gebeurde het mij, dat ik in dat wijdberoemde land kwam, het
-Heelal genaamd. Dat is een zeer groot en wijd gebied; het ligt tusschen
-de twee polen en juist in het midden der vier hemelstreken. Het is eene
-overvloedig bewaterde en rijkelijk van heuvelen en dalen voorziene
-streek, aangenaam gelegen en grootendeels, ten minste op de plaats waar
-ik was, zeer vruchtbaar, goed bevolkt en in een overheerlijk klimaat.
-
-De inwoners van dat land zijn niet allen van denzelfden aard, noch
-spreken eenerlei taal, noch hebben dezelfde zeden, manieren of
-godsvereering, maar verschillen zooveel van elkander als de eene planeet
-van de andere. Sommigen zijn rechtschapen en anderen mismaakt, evenals
-dat in andere landschappen pleegt te zijn.
-
-Zooals ik zeide, in dit land moest ik reizen en mijn zwerftocht aldaar
-duurde zóo lang tot ik heel wat van de moedertaal, zeden en gewoonten
-dergenen, met wie ik verkeerde, leerde kennen. En, om u de waarheid te
-zeggen, ik was zeer met al wat ik zag en hoorde ingenomen; ja, zoo
-gevoelde ik mij daar op mijn gemak, dat ik zeker voortdurend tot aan
-mijn dood toe als inboorling onder hen had blijven leven, als mijn
-Meester mij niet naar huis teruggeroepen had, om daar werk voor Hem te
-doen, en mijn gedanen arbeid te overzien.
-
-Nu is er in dat aangename land, het Heelal, eene zeer schoone,
-bekoorlijke stad of gemeente, Menschziel geheeten, eene stad wat hare
-bouworde aangaat zoo buitengewoon, wat hare ligging betreft zoo
-gemakkelijk, wat hare privilegiën aangaat zoo voordeelig -- (ik zeg dit
-met het oog op haar oorsprong) -- dat van haar, evenals vroeger van het
-land, waarin zij gebouwd is, met alle recht kan gezegd worden: zij heeft
-haars gelijke niet onder den geheelen hemel.[4]
-
- [4] ~Menschziel~. -- In het heelal heeft de stad haar gelijke niet.
- (Hand. 17 : 28).
-
-Wat de ligging van deze stad aangaat: zij is gelegen tusschen de twee
-werelden;[5] en haar eerste Fondeerder en Bouwmeester was, volgens de
-beste en authentiekste bescheiden, die ik machtig worden kon, zekere
-El-Schaddaï.[6] Deze bouwde haar tot zijn eigen vermaak. Hij maakte haar
-tot een spiegel en tot eene heerlijkheid van al zijne werken, ja tot een
-meesterstuk boven al het andere, wat Hij in dit land had daargesteld.
-Zoo goed was de stad Menschziel, dat toen zij eerst gebouwd was, naar
-ons bericht wordt, zelfs de goden nederdaalden om haar te komen zien en
-van vreugde vroolijk te zingen. En evenals Hij haar maakte aangenaam
-voor het gezicht, zoo gaf hij haar ook macht over al het omliggende
-land. Ja, aan allen was geboden Menschziel als hunne hoofdstad te
-erkennen, en allen brachten haar gaarne als zoodanig hunne hulde. De
-stad had dan ook van haren koning macht en last gekregen om van allen
-heerendiensten te eischen en allen ten onder te brengen; die haar in
-eenig opzicht miskenden. [Gen. 1 : 26.]
-
- [5] ~Tusschen de twee werelden~. -- Tusschen de tegenwoordige en
- toekomende wereld.
-
- [6] ~El-Schaddai~. -- God de almachtige.
-
-In het midden van deze stad was een zeer beroemd en aanzienlijk paleis
-opgericht; wegens zijne sterkte kon het wel een kasteel genoemd worden;
-wegens zijne aangenaamheid een paradijs, wegens zijne uitgebreidheid
-eene plaats, die de gansche wereld omsloot. Deze plaats begeerde de
-koning El-Schaddaï alleen voor zichzelven te behouden, en voor niemand
-anders met Hem; ten deele tot zijn eigen vermaak en ten deele ook opdat
-de schrik der vreemden niet over deze stad zou komen. Van deze plaats
-maakte Elschaddaï ook eene vesting, maar liet hare bewaring enkel aan de
-burgers der stad over. [Pred. 3 : 11.]
-
-De muren der stad waren wèl gebouwd, ja zóo vast en sterk waren zij
-gemetseld en zóo dicht saamgedrongen, dat, ware het niet gebeurd door de
-lieden der stad zelven, zij in eeuwigheid niet konden bewogen of
-verbroken worden. Want hierin bestond de voortreffelijke wijsheid van
-Hem, die Menschziel bouwde, dat de muren nooit konden worden opgebroken
-noch zelfs eenigszins beschadigd door den allermachtigsten vijandelijken
-potentaat, ’t en ware dat de inwoners zelven daarin bewilligden.
-
-Deze beroemde stad had vijf poorten om er in te komen en er uit te gaan,
-en deze waren, evenals de wallen of muren, ondoordringbaar,[7] en konden
-nooit of nimmer geopend of gesloten worden buiten den wil en de
-toelating van hen, die daar binnen woonden. De namen van deze poorten
-waren: Oorpoort, Oogpoort, Mondpoort, Neuspoort en Voelpoort.
-
- [7] ~Evenals de wallen of muren ondoordringbaar~. -- Zonder ’s
- menschen eigen toestemming was het, zelfs voor Satan zelf, onmogelijk
- hem van God te doen afvallen.
-
-[Afbeelding: DIABOLUS UIT DEN HEMEL GEWORPEN]
-
-Nog andere dingen waren aan deze stad Menschziel eigen, die als gij ze
-bij de reeds genoemde voegt, u een nog overvloediger bewijs zullen geven
-van de heerlijkheid en sterkte dezer plaats. Zij had voortdurend een
-voldoenden voorraad binnen hare muren; zij bezat de beste, meest
-gezegende en voortreffelijkste wetten, die ooit in de wereld bekend
-waren. Daar was niet éen schelm, oproermaker of verrader binnen hare
-wallen; ’t ware alle oprechte lieden, trouw en innig met elkaêr
-verbonden, en dit is -- zooals gij weet -- van groot belang. En boven
-dit alles bezat zij (zoolang zij aan haren koning El-Schaddaï getrouw
-bleef) zijn steun, zijne bescherming, en was zij zijn vermaak.
-
-Nu was er op zekeren tijd een Diábolus,[8] een zeer groote en machtige
-reus, die een aanslag waagde op deze beroemde stad Menschziel, ten einde
-haar in te nemen en tot zijne eigen woonplaats te maken.
-
- [8] ~Diábolus~. -- Satan, aanklager, tegenstander.
-
-Deze reus was koning der zwarten, en de roofzuchtigste vorst der wereld.
-Met uw believen zullen wij eerst over de afkomst van dezen Diábolus
-spreken en dan over zijne verovering van de beroemde stad Menschziel.
-
-Deze Diábolus is inderdaad een groot en machtig vorst en toch
-tegelijkertijd arm en ellendig. Wat zijne afkomst betreft, zoo was hij
-in den beginne een van Koning El-Schaddaï’s dienstknechten, door Hem
-daartoe gemaakt en opgenomen in de allerhoogste en machtigste plaatsen,
-ja hij was zelfs tot de hoogste posten en waardigheden in ’s konings
-gebied verheven. Deze Diábolus was gemaakt tot een „zoon des dageraads”
-en bezat een schoone plaats, die hem veel heerlijkheid en glans gaf en
-een inkomen, dat zijn Lucifershart wel had kunnen voldoen, ware het niet
-onverzadelijk geweest en wijd gapend als de hel zelve. [Jes. 14 : 12.]
-
-Hij, zich aldus in grootheid en eere verhoogd ziende, en toch naar
-hooger staat en trap strevende, deed niet anders dan bij zichzelven
-overleggen hoe hij er toe komen mocht tot een Heer over alles te worden
-verheven en het gansche opperbestuur te bezitten onder El-Schaddaï. Dit
-nu bewaarde de Koning voor zijn Zoon, en had het dezen reeds verleend.
-Daarom hield hij nu eerst raad met zichzelven wat in dezen het best te
-doen ware, en daarna openbaarde hij zijne gedachte ook aan sommigen
-zijner gezellen, en slaagde er in hen over te halen. Zoo kwamen zij dan
-ten laatste tot dit plan, dat zij een aanslag zouden wagen op ’s Konings
-Zoon om hem te verderven, opdat de erfenis hunne werd. Om kort te gaan,
-het verraad werd, zooals ik zeide, besloten, de tijd bepaald, het
-wachtwoord gegeven, de oproerlingen op een vastgestelde plaats
-bijeengeroepen en de aanslag beproefd. Daar nu de Koning en zijn Zoon
-altijd en overal alles zien, zoo kon geen enkele plek in hun gebied voor
-hen verborgen wezen; en daar Hij altijd zijn Zoon liefheeft als
-zichzelven, zoo moest Hij wel grootelijks vertoornd en beleedigd wezen
-door wat Hij aanschouwde. Wat kon Hij nu ook anders doen dan hen bij de
-eerste poging, die zij in het werk stelden, van verraad overtuigen, van
-oproer aanklagen, hun de verschrikkelijke samenzwering, die zij
-bestonden, voor oogen houden, en hen allen onmiddellijk uit iederen post
-van vertrouwen, van eer, voorrang of voordeel, dien zij bekleedden,
-ontzetten? Dit gedaan zijnde verbande hij hen ook van zijn hof, wierp
-hen neder in dien verschrikkelijken afgrond, waar zij met ketenen
-vastgebonden, nooit meer de minste gunst uit zijne handen verwachten
-kunnen, maar onder het oordeel moeten blijven, dat Hij bepaald heeft en
-dat eeuwig duren zal. [2 Petr. 2 : 4.] [Jud. 6.]
-
-Aldus uit alle posten van vertrouwen, voordeel en eere verstooten
-zijnde, en wetende, dat zij de gunst van hunnen vorst voor eeuwig
-verloren hadden, verbannen van zijn hof en in dien allerakeligsten put
-des afgronds nedergeworpen, voegden bij hunnen vorigen hoogmoed alle
-woede en boosaardigheid tegen El-Schaddaï en zijnen Zoon, waartoe zij in
-staat waren.
-
-Derhalve in groote woede en furie, al brullende omloopend van plaats tot
-plaats, om, waar zij wellicht iets vinden mochten dat ’s Konings
-eigendom was, dat te schenden, ten einde zich op Hem te wreken -- zoo
-gebeurde het ten laatste, dat zij in dit ruime landschap het Heelal
-kwamen, en recht op de stad Menschziel aanliepen. Alsnu in aanmerking
-nemende, dat deze stad een van de meesterstukken en de vermaking van
-Koning El-Schaddaï was, zoo wisten zij niet beter te doen dan na genomen
-raadslag, een aanval op de stad te wagen. Ik zeide: zij wisten dat
-Menschziel den Koning El-schaddaï toebehoorde, want zij waren er bij
-tegenwoordig toen Hij haar bouwde en voor zich opsierde. Toen zij nu die
-plaats gevonden hadden juichten zij geweldig van vreugde en brulden
-haar tegen als een leeuw zijne prooi, zeggende: „Nu hebben wij den schat
-gevonden, en nu weten wij hoe ons op Koning El-Schaddaï te wreken voor
-hetgeen Hij ons gedaan heeft!” Zoo zaten zij dan neder en riepen een
-krijgsraad bijeen, onderzoekende langs welken weg en op wat wijze zij
-het zouden aanleggen om deze beroemde stad Menschziel voor zich te
-bemachtigen. Vier zaken werden toen voorgesteld en besproken. [1 Petr.
-5 : 8.]
-
-[Afbeelding: KRIJGSRAAD VAN DIÁBOLUS.]
-
-Ten eerste, of het best was, dat zij allen zich tot dit doel voor de
-stad vertoonden.
-
-Ten tweede, of het wel geraden was zich voor de stad neder te slaan in
-hun lompen en bedelaarsgewaad, want hun prachtige kleeding was nu
-verscheurd en vernield.
-
-Ten derde, of het goed zou zijn aan de stad Menschziel hun oogmerk te
-ontdekken en het doel, waarmede zij kwamen, bloot te leggen, dan of men
-haar liever zou aanvallen langs valsche wegen en met bedriegelijke
-woorden.
-
-Ten vierde, eindelijk, of het niet best was, dat aan eenigen hunner een
-bijzonderen last gegeven werd om hun geluk te beproeven, ten einde éen
-of meer van de voornaamste lieden der stad neder te schieten, of men
-niet oordeelde dat daardoor hun zaak en voornemen des te beter bevorderd
-werd.
-
-Op de eerste dezer voorstellen werd ontkennend geantwoord, namelijk, dat
-het niet best zou wezen dat allen zich voor de stad zouden vertoonen,
-daar de verschijning van zoo velen de stad verschrikken en ontstellen
-kon, terwijl het waarschijnlijk was, dat weinigen of enkelen hunner dit
-niet doen zouden. En om dezen raad ingang te doen vinden werd er
-bijgevoegd, dat indien Menschziel verschrikt werd of alarm begon te
-slaan, het dan onmogelijk zijn zou die stad in te nemen. „Want,” zeide
-Diábolus -- hij was het namelijk, welke dien raad gaf -- „want niemand
-kan haar nemen zonder haar eigen toestemming. Laat daarom slechts
-weinigen of een enkele Menschziel aanvallen; en volgens mijn gevoelen”,
-zoo besloot Diábolus, „moet ik dat zelf doen.” En allen stemden daarin
-toe.
-
-Nu kwam het tweede voorstel aan de orde, namelijk of zij zich aan
-Menschziel zouden vertoonen in hun havelooze plunje. Daarop werd
-eveneens ontkennend geantwoord. O neen, geenszins, want ofschoon de stad
-Menschziel er op ingericht was om met onzichtbare dingen om te gaan en
-daarvan ook reeds voordezen ervaring had gehad, toch zagen zij nooit
-eenig medeschepsel in zulk een droevigen en haveloozen staat. Dit was
-het advies van den trotschen Alecto. Toen zeide Apollyon: „Die raad is
-uitmuntend, want zoo slechts éen onzer haar verscheen zooals wij nu
-zijn, dan zouden daardoor noodzakelijk zulke denkbeelden in hen oprijzen
-en zich vermenigvuldigen, welke hen in ontsteltenis des geestes brengen
-zullen en hen dringen op hunne hoede te zijn. En gebeurt dit”, ging hij
-voort, „dan is het, zooals vorst Diábolus zegt, voorzeker tevergeefs aan
-de inneming der stad te denken.” Toen zeide de sterke reus Beëlzebub:
-„Het reeds gegeven advies is zeer goed, want ofschoon de lieden van
-Menschziel zulke wezens als wij eertijds waren ook al gezien hebben, tot
-hiertoe zagen zij nooit zulke wezens als wij nu zijn; en het dunkt mij
-best te wezen tot hen te komen, in zulk eene gedaante als waarmede zij
-bekend zijn, en waarmede zij zich reeds vertrouwd maakten”. Toen dit tot
-algemeen genoegen besloten was, moest er nu worden besproken in welke
-gedaante, gestaltenis of vermomming Diábolus zich zou voordoen, wanneer
-hij zich opmaakte om Menschziel de zijne te maken. Daarop zeide de een
-dit, de ander wat anders. Ten laatste antwoordde Lucifer, dat volgens
-zijne gedachte, het best was dat zijn meester het lichaam van een of
-ander schepsel, over hetwelk de bewoners der stad heerschappij hadden,
-zou aannemen. „Want”, zeide hij, „deze zijn hun niet alleen bekend, maar
-daar deze onder hen staan, zullen zij zich nooit verbeelden, dat een
-aanslag op de stad bedoeld wordt. En om nu allen te verblinden, laat hem
-het lichaam aandoen van een dezer beesten, die men in Menschziel meent
-dat wijzer is dan al de overigen.” Dit advies werd door allen
-toegejuicht, en zoo werd dan bepaald, dat Diábolus den draak zou
-gebruiken, aangezien deze in die dagen even familiaar met de stedelingen
-van Menschziel was als tegenwoordig een vogeltje met een knaap. Want er
-was niets in de slang toen zij in haar oorspronkelijken staat verkeerde,
-dat eenigen schrik kon wekken. Nu gingen zij tot het derde voorstel
-over. [Gen. 3 : 1.] [Openb. 20 : 1, 2.]
-
-Dit gold de vraag of zij hun voornemen en bedoeling openlijk zouden
-toonen bij hunne komst te Menschziel, ja dan neen. Ook dit werd
-ontkennend beantwoord; na het tevoren beslotene sprak dit dan ook als
-vanzelf. Menschziel was een sterke stad, een sterk volk woonde daarin;
-de wallen en poorten waren ondoordringbaar (om nu nog niets te zeggen
-van haar kasteel), en in geenen deele kon iets op haar gewonnen worden
-zonder haar eigen goedvinden. „Bovendien”, zeide Legioen (want hij was
-het, die dit antwoord gaf), „wanneer wij ons oogmerk blootleggen konden
-zij wel eens om hulp naar hunnen Koning zenden, en als dat gedaan werd,
-dan weet ik wel hoe het met ons gesteld zal zijn. Laat ons daarom in
-gehuichelde oprechtheid tot haar komen, ons voornemen met allerlei
-leugenen bedekkend; laat ons vleierij en pluimstrijkende woorden
-gebruiken; dingen voorgevende, die nooit bestaan zullen, en beloften
-doende, die nooit vervuld zullen worden. Dit is de weg om Menschziel te
-winnen en te maken, dat zij hare poorten voor ons opent, ja, zelfs, dat
-zij verlangend wordt dat wij tot haar inkomen. En de reden waarom ik
-denk, dat dit plan gelukken zal, ligt hierin, dat het volk van
-Menschziel eenvoudig en onnoozel is; allen zijn daar eerlijk en oprecht;
-tot op heden weten zij nog niet wat het is met bedrog, leugen en
-huichelarij te worden aangevallen. Zij zijn vreemd aan leugenachtige en
-verachtelijke lippen, daarom kunnen wij aldus vermomd, door niemand
-hunner worden onderkend; onze leugens zullen voor echte waarheid
-doorgaan en onze veinzerijen voor oprechte handelingen. In hetgeen wij
-hun beloven zullen zij ons gelooven, vooral indien wij in al onze
-leugenen en huichelachtige woorden groote liefde voor hen veinzen en
-alleen hun voordeel en hunne heerlijkheid als ons eenig doel
-voorstellen.” Hier viel niets tegen in te brengen en het voorstel ging
-er zoo glad en vlot door als een waterval, die langs eene steilte
-neêrstort. Daarom gingen zij nu over tot het laatste denkbeeld.
-
-[Afbeelding: DIÁBOLUS EN ZIJN RAAD OP WEG NAAR MENSCHZIEL.]
-
-Zou men nu niet aan eenigen uit hun midden bevel geven éen of meer der
-voornaamste burgers uit de stad neder te vellen tot bevordering van hun
-doel en oogmerk? Deze vraag werd bevestigend beantwoord en de burger,
-die aangewezen werd als het eerste slachtoffer, was een zekere heer
-Tegenstand, of anders genoemd, kapitein Tegenstand. Hij was een voornaam
-man in Menschziel, deze kapitein Tegenstand, een man, dien de reus
-Diábolus en zijn komplot meer vreesden dan alle anderen in Menschziel
-samen. Maar wie zou nu deze krijgslist wagen en dezen moord uitvoeren?
-Hiertoe werd aangewezen zekere Tisiphone, een der booze geesten uit den
-poel des vuurs.
-
-Aldus hun krijgsraad geëindigd zijnde, stonden zij op en beproefden nu
-ook te doen wat zij besloten hadden. Zij trokken naar Menschziel op,
-ofschoon allen op éen na onzichtbaar, en deze éene naderde de stad
-evenmin in zijne eigen gedaante, maar in het lichaam der slang.
-
-Zoo maakten zij zich op en zetten zich neder voor de Oorpoort, want dat
-was de plaats, waar gehoor verleend werd aan allen buiten de stad,
-evenals de Oogpoort de plaats was, waar men uitzag. Zooals gezegd is, de
-reus legde de bende, die hem volgde, in een hinderlaag, met het oog op
-kapitein Tegenstand een boogschot van de stad af. Dit gedaan zijnde kwam
-hij dicht voor de poort en vraagde om audientie en gehoor. Hij had nu
-niemand bij zich dan alleen zekeren Kwaderust, die in alle moeielijke
-gevallen zijn woordvoerder was. Zooals gezegd is: voor de poort staande,
-blies hij, naar de manier van dien tijd, op zijne trompet om audientie,
-waarop de opperhoofden van Menschziel zich vertoonden. De heer Oprecht,
-de heer Vastewil, de heer burgemeester Verstand, de heer griffier
-Geweten en kapitein Tegenstand kwamen op den muur om te zien wie daar
-was en wat er aan de hand was. De heer Vastewil sprak het eerst, hij
-keek over den muur naar beneden wie daar voor de poort stond, vragende
-met welk doel hij kwam en waarom hij de stad Menschziel door zulk
-ongewoon rumoer verschrikte.
-
-Diábolus begon toen, alsof hij een lam geweest ware, eene redevoering te
-doen, en sprak: „Mijne Heeren van de beroemde stad Menschziel, ik ben,
-zooals gij bemerken kunt niet ver van u verwijderd, maar integendeel u
-zeer na, een dergenen, die door den Koning verplicht is u te huldigen en
-allen dienst te bewijzen, die in mijn vermogen is. Opdat ik nu mijne
-verplichtingen nakome zoo wat mijzelven betreft als ook jegens u, heb ik
-u iets van groot belang mede te deelen. Vergunt mij daarom audientie en
-hoort mij geduldig aan. Vooreerst zal ik u de verzekering geven, dat ik
-niet mijzelven bedoel maar u; -- niet mijn maar uw voordeel zoek ik door
-deze mijn handeling, gelijk genoegzaam en ten volle zal blijken wanneer
-ik u mijne meening zal blootgesteld hebben. Want, edele heeren, ik ben,
-om u de waarheid te zeggen, gekomen om u te toonen hoe gij groot zult
-kunnen worden en eene volkomen verlossing erlangen van eene slavernij,
-waarin gij, zonder het zelf te bemerken, gevangen ligt.” Dit deed de
-stad Menschziel de ooren spitsen. „Wat is dat dan? O, als het u belieft,
-zeg ons wat dat is?” vraagden zij. En hij antwoordde: „Ik heb u wat te
-zeggen aangaande uwen Koning, zijne wet betreffende, en daarom betreft
-het ook u. Wat uw Koning aangaat, ik weet Hij is groot en machtig; maar
-toch is al wat Hij u gezegd heeft niet waarachtig en evenmin tot uw
-voordeel. 1º. Het is niet waar, want hetgeen, waarmede Hij u tot
-dusverre bedreigd heeft, zal niet geschieden, of vervuld worden,
-ofschoon gij ook al deedt wat u verboden is. Maar zoo er al gevaar ware,
-welk eene slavernij is het dan nog altijd in vrees te leven voor de
-strengste straffen, die bedreigd zijn, op zulk een kleine overtreding
-als het eten eener onnoozele vrucht! 2º. Aangaande zijne wetten, deze --
-ik moet het zeggen, -- zijn onredelijk duister en ondragelijk.
-Onredelijk omdat de straf niet geëvenredigd is aan de misdaad: er is een
-groot onderscheid tusschen het leven en een appel, daartusschen bestaat
-geene vergelijking; toch moet het eerste aan den laatste worden
-opgeofferd volgens El-Schaddaï’s wet. Maar die wet is ook duister, en om
-u in de war te brengen, daar eerst is gezegd gij moogt van alles eten,
-en later wordt het eten van éene vrucht u verboden. En dan ten laatste,
-moet het u toch wel onverdragelijk wezen, dat diezelfde vrucht, welke u
-verboden is, (indien zij u ten minste verboden is), juist diegene is,
-welke alleen de kracht heeft, om, als gij ze eet, u een voorrecht te
-bezorgen, dat u tot dusverre onbekend bleef. Dit wordt duidelijk door
-den naam des booms zelven; hij is genoemd: „de boom der kennis des goeds
-en des kwaads.” En bezit gij die kennis wel? Neen, neen, nooit kunt gij
-er achter komen hoe aangenaam, hoe begeerlijk het is iemand verstandig
-te maken, zoolang gij in uws Konings gebod blijft berusten. Waarom zoudt
-gij in onwetendheid en blindheid blijven volharden? Waarom zoudt ge niet
-uitgebreid worden in kennis en wetenschap? En nu, o gij inwoners van de
-beroemde stad Menschziel, om meer in het bijzonder tot uzelven te
-spreken, gij zijt geen vrij volk! Gij wordt in knechtschap en slavernij
-gehouden, en dat door geen andere hinderpaal dan een ernstige
-bedreiging, waarvoor geen andere grond wordt opgegeven dan een: „Zoo wil
-ik het hebben; zoo moet het zijn!” Is het dan niet naar te moeten
-denken, dat deze zelfde zaak, die u verboden is, indien gij ze doen
-mocht, u tot wijsheid en eere brengen zou? Want dan zullen uwe oogen
-geopend worden en gij zult als God zijn. De zaken nu aldus staande,”
-zeide hij, „moet gij dan niet toestemmen, dat gij kwalijk door eenigen
-vorst in grooter slavernij en knellender dienstbaarheid kondt gehouden
-worden, dan waaronder gij heden ten dage leeft? Gij wordt overheerscht
-en ligt in velerlei ellenden, zooals ik u duidelijk getoond heb. Want
-welke slavernij is grooter dan blind te worden gehouden? Zal u de rede
-zelve niet leeren, dat het beter is oogen te hebben dan die te missen?
-En is het niet beter in vrijheid rond te loopen dan in een donkere,
-stinkende spelonk te zijn opgesloten?”
-
-[Afbeelding: DOOD VAN TEGENSTAND.]
-
-Onderwijl Diábolus deze woorden tot Menschziel sprak, schoot
-Tisiphone[9] op kapitein Tegenstand, daar deze op den muur stond, en
-trof hem doodelijk[10] aan het hoofd, zoodat hij, tot verbazing van de
-lieden der stad en tot aanmoediging van Diábolus dood over den muur
-viel. Nu kapitein Tegenstand dood was, (en hij was de eenige krijgsman
-in de geheele stad) ontzonk aan de arme Menschziel op eenmaal alle moed,
-en durfden zij daarbinnen niet langer weerstand bieden. Maar dit was nu
-juist wat Diábolus begeerde. Toen trad Kwaderust, Diábolus’ redenaar,
-tevoorschijn, en hij maakte zich op om tot Menschziel te spreken. Zijne
-aanspraak volgt hier:
-
- [9] ~Tisiphone~ beteekent een verraderlijke geest.
-
- [10] ~Trof Tegenstand doodelijk~. -- Wanneer de onrust des gewetens
- gedood is, vindt de vleierij licht ingang.
-
-„Edele heeren”, begon hij. „Mijn Meester treft het wel, dat hij heden
-zulk een stil en aandachtig gehoor bij u vindt; en het is te hopen, dat
-wij u verder zullen overhalen om onzen goeden raad niet in den wind te
-slaan. Mijn Meester heeft zeer groote liefde voor u, en ofschoon hij wel
-weet, dat hij hierdoor gevaar loopt den toorn van Koning El-Schaddaï op
-te wekken, toch zal zijne liefde tot u maken dat hij verder gaat. Het is
-niet noodig, dat er nog een enkel woord gesproken worde om de waarheid
-van hetgeen hij heeft gezegd te bevestigen; hij sprak geen woord of het
-droeg de getuigenis voor zijne waarheid in zichzelven; de naam van den
-boom maakt hier reeds een eind aan alle tegenspraak. Daarom zal ik
-ditmaal u alleen dezen raad geven, indien mijn Meester het mij
-veroorlooft” (en dit zeggende maakte hij voor Diábolus een zeer diepe
-buiging): „let op zijne woorden, ziet naar den boom en de veelbelovende
-vrucht daaraan; bedenkt daarbij dat gij nu nog maar weinig weet en dat
-dit de weg is om meer te weten, en als dan uw verstand niet geneigd is
-om zulk een goeden raad aan te nemen, dan zijt gij de lieden niet
-waarvoor ik u hield.”
-
-Maar toen de burgers der stad zagen, dat de boom goed was tot spijze, en
-dat hij een lust was voor de oogen, ja een boom, die begeerlijk was om
-verstandig te maken, deden zij zooals Kwaderust hen aanraadde; zij namen
-en aten daarvan. Maar dit wilde ik u reeds vroeger verhalen, dat terwijl
-Kwaderust deze verleidelijke woorden tot het volk sprak, de heer Oprecht
-eensklaps nederzeeg[11] op de plaats, waar hij stond, en niet meer tot
-bewustzijn gebracht kon worden. Zijn plotselinge dood was veroorzaakt
-hetzij door een pijlschot uit het leger in hinderlaag, of door eene
-beroerte of hartsbeklemming; sommigen meenen, dat hij vergiftigd werd
-door den stinkenden adem van dien leelijken Kwaderust, en daar houd ik
-het wel het naaste voor. Zoo stierven dan deze beide brave mannen. Brave
-mannen noem ik hen, want zij waren het sieraad en de heerlijkheid van
-Menschziel, zoolang zij daarin woonden. Daar bleef nu geen enkele edele
-ziel in Menschziel over of zij allen vielen af en onderwierpen zich aan
-Diábolus. Zij werden zijne slaven en lijfeigenen, zooals gij nog hooren
-zult.
-
- [11] ~Oprecht eensklaps dood nederzeeg~. -- Alle zonde is meer of min
- onoprechtheid en tegen beter weten in.
-
-Deze twee edelen dood zijnde handelde nu de rest der inwoneren van de
-stad niet anders dan als lieden, die het Paradijs der dwazen gevonden
-hebben; zij wilden de proef nemen of de woorden van den reus waarheid
-bevatten! Eerst deden zij wat Kwaderust hun aanried; zij zagen de vrucht
-aan en werden er door bekoord; zij overlegden eerst, namen daarna en
-aten er van. Nauwelijks hadden zij dat gedaan of zij werden er dronken
-van, en zetten de poorten open; beide de Oorpoort en de Oogpoort, en zoo
-lieten zij Diábolus met al zijn gevolg binnentrekken, vergetende den
-goeden El-Schaddaï en zijne wetten, mitsgaders het oordeel, dat Hij
-onder zulke plechtige bedreigingen had uitgesproken, wanneer zij die
-kwamen te verbreken.
-
-Diábolus nu ingang in de poorten der stad gekregen hebbende trok door
-tot het middelpunt om zijne verovering zoo zeker te maken als hij maar
-kon; en daar hij te dezer tijd bemerkte, dat de toegenegenheid der
-inwoners sterk tot hem overhelde, zoo vond hij het geraden het ijzer te
-smeden terwijl het heet was, en weder eene verleidelijke redevoering te
-houden. „Helaas, mijn arme Menschziel! ik heb u nu dezen dienst bewezen,
-dat ik u tot groote eer en vrijheid den weg heb gebaand! Maar ach, ach!
-mijn lieve Menschziel, nu moet ge er een hebben, die u verdedigt; want
-wees er verzekerd van, dat als El-Schaddaï hoort wat er gebeurd is, hij
-stellig komen zal; het zal hem smarten, dat gij zijne banden hebt
-verbroken en zijne touwen van u afgeworpen. Wat wilt gij nu doen? Wilt
-gij toelaten, dat u na deze bevrijding, uwe voorrechten weder afhandig
-gemaakt worden? Of wilt gij uzelven helpen?”
-
-[Afbeelding: VASTEWIL ONTVANGT ZIJNE AANSTELLING.]
-
-Toen zeiden zij allen tegelijk tot dezen braambosch: „Regeer gij over
-ons”. Dit verzoek nam hij aan en werd koning van Menschziel. Dit gedaan
-zijnde moest hij nu ook in het bezit worden gesteld van het kasteel,[12]
-en daarmede van de gansche sterkte der stad. Daartoe trad hij ook het
-kasteel binnen; dat kasteel, hetwelk El-Schaddaï in Menschziel gebouwd
-had tot zijn eigen lust en vermaak; -- nu was het een spelonk en een
-fort voor den reus Diábolus geworden.
-
- [12] ~In het bezit van het kasteel~. -- Van het hart des menschen.
-
-Hij nu aldus dit prachtige paleis of kasteel in bezit genomen hebbende,
-maakte daarvan een vesting voor zichzelven, en versterkte het met
-allerlei voorraad tegen Koning El-Schaddaï, of tegen ieder, die trachten
-zou het te hernemen of onder zijne gehoorzaamheid terug te brengen.
-
-Dit was in orde, maar hij achtte zich nog niet veilig genoeg, en daarom
-was nu weder zijn eerste werk de stad een nieuw aanzien te geven; het
-éene opbouwende en het andere afbrekende of nederwerpende, naar zijn
-eigen welgevallen; maar vooral moesten de heer burgemeester Verstand en
-de griffier Geweten uit ambt en macht gezet worden.
-
-Wat den burgemeester aangaat, ofschoon hij een verstandig man was en ook
-met al de overigen had toegestemd in de overgave van de stad aan den
-reus; toch achtte Diábolus het niet raadzaam hem in zijn vorige luister
-en heerlijkheid te laten omdat hij een vèrziend man was. Daarom maakte
-hij hem niet alleen blind door hem uit ambt en macht te ontzetten, maar
-hij bouwde ook een hoogen muur en een sterken toren tusschen de
-zonnestralen en de vensters van des burgemeesters paleis, door middel
-waarvan zijn woning geheel en al duister werd gemaakt, zoo donker als de
-duisternis zelve. Hij, nu aldus van het licht afgesloten zijnde, werd
-zóo blind als een die blindgeboren is. In dit huis bleef die heer nu
-opgesloten als in eene gevangenis, en hij mocht op zijn woord van eer
-niet verder gaan dan zijne eigen palen strekten. Al had hij nu al een
-hart gehad om iets voor Menschziel te doen, wat kon hij voor haar doen
-of waarin kon hij haar van dienst wezen? Maar, zoolang Menschziel in de
-macht van Diábolus was, (en zij was dit zóo lang als zij hem gehoorzaam
-bleef, te weten tot zij door een oorlog uit zijne hand verlost werd) --
-was mijnheer Verstand veeleer een hinderpaal[13] voor die vermaarde stad
-dan haar voordeelig. [2 Cor. 10 : 4, 5.] [Efeze 4 : 18, 19.]
-
- [13] ~Was mijnheer Verstand veeleer een hinderpaal~ -- Het verstand,
- bedorven door de zonde en gevangen onder de gehoorzaamheid des
- ongeloofs, is een van de grootste hinderpalen voor de bekeering.
-
-Wat den heer griffier of stadssecretaris betreft,[14] hij was eer de
-stad ingenomen was een welbelezen man, zeer ervaren in al ’s Konings
-wetten, en om de volle waarheid te zeggen, ook een man van moed en
-trouw, met een rappe tong en een goed hoofd. Diábolus kon dezen Geweten
-in het geheel niet verdragen, omdat ofschoon hij ook zijne toestemming
-tot het binnenrukken in de stad gegeven had, het Diábolus geenszins
-gelukken wilde door zijne valschheden, listen en bedriegerijen dezen man
-tot zijn slaaf te maken. Wel is waar was hij zeer vervreemd van zijn
-vroegeren Koning, en met vele van de nieuwe wetten van den reus
-ingenomen; maar dit alles baatte niet, daar hij niet geheel de zijne
-was. Hij kon zoo nu en dan eens weder aan El-Schaddaï denken en voor
-diens wetten vreezen, en dan kon hij beginnen Diábolus tegen te spreken
-met een stem zoo krachtig als het gebrul van een leeuw. Ja, hij kon ook
-nu en dan als hij het op zijn lijf kreeg, (want gij moet weten dat hij
-soms zeer zonderlinge kuren en luimen had), de geheele stad Menschziel
-in rep en roer brengen door zijn verschrikkelijke stem. Om die reden nu
-mocht de nieuwe koning van Menschziel hem volstrekt niet lijden.
-
- [14] ~Wat den heer Griffier betreft~. -- Men moet alle trappen der
- zonde doorloopen hebben, zal het geweten geheel toegeschroeid en tot
- zwijgen gebracht zijn.
-
-Diábolus vreesde den secretaris meer dan een der andere heeren, die in
-Menschziel levend gebleven waren, omdat, zooals ik zeide, zijne woorden
-geheel Menschziel deden trillen en beven als voor ratelende donderslagen
-en donderbussen. Daar de reus hem nu niet geheel aan zijne zijde kon
-krijgen, stond hem niets anders te doen dan te overleggen wat in het
-werk te stellen ware om dien ouden edelman te verschalken en hem door
-uitspattingen en verwildering in het verstand te verstompen en zijn hart
-hoe langer hoe meer te verharden op de wegen der ijdelheid. En wat hij
-beproefde dat volbracht hij ook: hij verwilderde den man langzaam aan;
-hier een weinig en daar een weinig trok hij hem in de zonde en
-goddeloosheid, tot die hoogte, dat hij eindelijk niet alleen verwilderd
-was en zoo als in het begin bezoedeld; maar nu zóo diep gezonken, dat
-hij schier geen enkele gewetenszaak meer van de zonde maakte. Maar dit
-was dan ook het verste punt, waartoe hij hem brengen kon, verder kon
-Diábolus niet gaan. Daarom bedacht hij er iets anders op en dat was om
-de lieden der stad wijs te maken: „die oude heer secretaris is gek, gij
-moet u niet aan hem storen.” Als bewijs daarvoor bediende hij zich van
-zijne vlagen. „Als de man goed bij zijn verstand is”, vervolgde hij,
-„waarom is hij dan niet altijd zoo? Maar het gaat hem als alle gekken,
-die hun kuren en vlagen hebben, en daarin allerlei dolzinnigheden
-uitbraken; die oude suffige heer!”
-
-Door dit een en ander wist hij het schier zóover te brengen, dat
-Menschziel de woorden, die de heer Geweten sprak, niet achtte, in den
-wind sloeg, ja zelfs verachtte. Want behalve wat ik u heb medegedeeld,
-wist Diábolus ook nog raad om te maken dat die heer, wanneer hij
-vroolijk was weder alles loochende en herriep wat hij in zijne vlagen
-gezegd en bevestigd had. Dit was inderdaad de naaste weg om hem
-bespottelijk te maken en er voor te zorgen, dat niemand meer op hem
-lette. Hij sprak nu ook nooit meer over Koning El-Schaddaï dan wanneer
-hij er toe gedwongen werd. Bovendien was hij thans zoo ongestadig in
-zijne handelingen, dat hij den eenen tijd hevig uitvoer tegen hetgeen
-hij een ander maal stillekens liet begaan. Somtijds scheen hij wel vast
-ingeslapen, ja of hij dood was, en dat nog wel bij gelegenheden, dat de
-geheele stad op het luidruchtigst feest vierde en naar de pijpen van
-Diábolus danste.
-
-[Afbeelding: HET STANDBEELD VAN DIÁBOLUS OPGERICHT.]
-
-Daarom wanneer Menschziel door de donderende stem van den heer griffier
-Geweten werd opgeschrikt, en dit Diábolus werd aangezegd, zoo zeide hij,
-dat al die woorden van den ouden sukkel volstrekt niet voortkwamen uit
-liefde tot haar of uit medelijden met haar, maar alleen uit een gekke
-bui, waarin hij er op verzot was te praten -- en daardoor stelde hij het
-volk dan weer tevreden. En om nu geen enkelen bewijsgrond ongebruikt te
-laten ten einde hen in zijne klauwen te houden, zoo beweerde hij en
-herhaalde dit dikwijls: „O, Menschziel, bemerkt gij wel, dat
-niettegenstaande al dat getier van den ouden heer en het geraas van zijn
-donderende stem, gij niets te hooren krijgt van El-Schaddaï zelven!” Die
-snoode leugenaar en bedrieger! alsof elk geroep van den heer griffier
-tegen de zonde van Menschziel niet de stemme Gods tot hen was, die van
-zijnentwege tot hen kwam. Maar hij ging voort en sprak: „Gij ziet, dat
-hij niet veel geeft om het verlies en den opstand van Menschziel, en dat
-hij er zich niet moeielijk om maken zal om haar tot verantwoording te
-roepen waarom zij zich aan mij heeft overgegeven. Hij weet, dat hoewel
-gij eertijds de zijne waart, gij nu wettig de mijne zijt geworden, en
-zoo heeft hij zijne hand van ons afgetrokken, latende ons rustig in
-elkanders bezit.”
-
-„Behalve dit, o Menschziel,” ging hij voort, „bedenk eens hoe ik u
-geholpen heb tot het uiterste van mijn vermogen toe, en dat wel met het
-beste wat ik heb of wat voor u in de geheele wereld te vinden is. Ik
-durf dan ook gerust zeggen, dat de wetten en gebruiken, waaronder gij nu
-leeft, en waardoor gij mij huldigt, u heel wat meer genoegen en
-verkwikking geven dan het Paradijs, hetwelk gij eerst bezat, u ooit
-geven kon. Uwe vrijheid is, gelijk gij zelf weet, door mij ook
-grootelijks vermeerderd en uitgebreid, daar ik u vond als een
-gekortwiekt volk. Ik heb u geen enkelen band aangelegd, gij hebt geene
-wetten of rechten van mij te vreezen; ik roep niemand uwer tot
-verantwoording over uwe handelingen behalve alleen dien dolleman -- gij
-weet wien ik bedoel; ik heb u vergund allen als vorsten te leven, ieder
-in het zijne met even weinig last van mij als ik van u heb.”
-
-Aldus stilde Diábolus de stad Menschziel en stelde haar weder tevreden
-wanneer de griffier haar somtijds eens lastig viel; ja, hij kon zelfs
-met deze vervloekte redeneeringen de geheele stad tegen den ouden heer
-in woede en opstand brengen. Ja, nog erger, het gemeen zou hem zelfs wel
-hebben willen vermoorden! Zij hebben vaak genoeg gewenscht, dat hij op
-duizend mijlen afstands van hen zat: zijn gezelschap, zijne woorden,
-zijn gezicht alleen maar, vooral wanneer zij zich herinnerden hoe hij
-van ouds hen placht te dreigen en te veroordeelen (want in dit alles was
-hij nu zeer verwilderd) -- kon hen in groote benauwdheid en ontsteltenis
-brengen. Maar al deze wenschen en dreigingen waren tevergeefs, ofschoon
-het mij een raadsel is hoe hij nog onder hen in het leven kon blijven
-ten ware door de kracht en de wijsheid van El-Schaddaï. Bovendien, zijn
-huis was sterk als een kasteel en stond dicht bij een vestingwerk van de
-stad. Wanneer dan het gepeupel hem wilde vermoorden, zette hij de
-sluizen open, en liet er zulk een watervloed in stroomen, dat hij allen
-in den omtrek dreigde te verdrinken.
-
-Maar om nu den griffier Geweten eens daar te laten en op den heer
-Vastewil terug te komen, een ander adelijk persoon der stad Menschziel;
--- deze heer Vastewil was van even hooge afkomst als maar iemand anders
-in de gansche stad, en zulk een vrijheer, dat maar weinigen hem
-evenaarden, zoo hij hen niet allen overtrof. Hij had ook eenige
-bijzondere privilegiën in die vermaarde stad. Daarbenevens was hij een
-man van groote sterkte, vastbesloten moed en dapperheid, zoodat niemand
-hem gemakkelijk van zijn stuk kon brengen. Of het nu uit trotschheid op
-zijn stand, privilegiën, sterkte of wat dan ook ware (voorzeker was het
-uit hoogmoed op het een of ander), maar hij wilde geen slaaf wezen in
-Menschziel; daarom besloot hij onder Diábolus dienst te nemen op
-voorwaarde, dat hij volgens zijn stand en staat een aanzienlijk
-heerscher of regent[15] zou worden in Menschziel. En een heethoofd als
-hij was, zoo begon hij reeds bijtijds; want deze man was een van de
-eersten, die, toen Diábolus zijne verleidelijke redevoering aan de
-Oorpoort hield, zijne woorden toestemden, en zijn raad aannamen als
-zeer goed, namelijk om voor hem de poort te openen en hem in de stad toe
-te laten. Daarom had ook Diábolus genegenheid voor hem opgevat, en hem
-eene betrekking bezorgd. Zijn moed en dapperheid opmerkende was hij
-zelfs begeerig hem onder zijne grooten te stellen en van hem gebruik te
-maken in alle zaken van het hoogste belang.
-
- [15] Zoolang ’s menschen ~wil~ niet bekeerd is, is de mensch nog niet
- bekeerd. Daarom maakte Satan hem ook tot gouverneur van het kasteel --
- het ~hart~; en van de wallen -- het ~vleesch~, en wachter der poorten
- -- de ~zinnen~.
-
-[Afbeelding: ZINNELIJKE LUST. BURGEMEESTER.]
-
-Zoo liet hij hem dan halen en sprak met hem over de heimelijke zaken,
-die hij op zijn hart had; maar er waren niet vele beweegredenen noodig
-om hem daartoe over te halen. Want evenals hij eerst gewillig geweest
-was Diábolus in de stad toe te laten, zoo was hij nu ook gewillig hem te
-dienen.
-
-Zoodra de tiran de gewilligheid van dien edelman bemerkte om hem te
-dienen en dat zijne gedachten hem reeds waren onderworpen, maakte hij
-hem dadelijk kapitein van het kasteel, gouverneur van de wallen en
-bewaarder der poorten van Menschziel; ja er was zelfs een artikel in
-zijne aanstelling, dat zonder hem niets gedaan mocht worden in de
-geheele stad. Daardoor kon of mocht er nu niets gedaan worden in gansch
-Menschziel, dat niet in alles overeenstemde met Diábolus welbehagen,
-want hij en de heer Wil waren het volkomen eens. Ook had hij een zekeren
-klerk, genaamd Bedenken,[16] een man, die in ieder opzicht altijd sprak
-als zijn meester, want hij en zijn heer waren het in beginsel eens, en
-in de praktijk verschilden zij ook niet noemenswaardig. Zóo kwam het nu,
-dat Menschziel er toe gebracht werd de lusten van den wil en het
-vleeschelijk bedenken te volbrengen. [Rom. 8 : 7.]
-
- [16] ~Bedenken~. -- Het bedenken is onderworpen aan den wil en doet
- wat hij gebiedt.
-
-O, ik kan het niet half uitdrukken welk een ellendeling deze edelman
-Vastewil zich betoonde en hoe hij zich gedroeg toen de macht hem in
-handen gegeven was. Vooreerst begon hij met gladweg te loochenen, dat
-hij eenigen dienst schuldig was aan zijn vroegeren vorst, dat zijn
-wettige heer eenig recht op hem had. Daarna zwoer hij een duren eed van
-trouw aan zijn grooten meester Diábolus, en daarop in zijne bediening,
-ambt en voorrechten bevestigd zijnde, kunt gij u niet half verbeelden
-welk een armzalig werk deze werkmeester in de stad Menschziel tot stand
-bracht.
-
-Hij haatte den heer Geweten met een doodelijken haat; hij wilde hem
-nooit onder zijne oogen dulden, noch een woord uit zijn mond hooren; hij
-sloot de oogen als hij hem soms bij geval ontmoette en stak zijne
-vingers in zijne ooren als hij zijn stemgeluid vernam. Evenmin duldde
-hij, dat eenig deel der wet van koning El-Schaddaï ergens in de stad te
-zien ware. Zijn klerk Bedenken had nog eenige oude gescheurde
-perkamenten, waarop de wet van den goeden El-Schaddaï stond, in zijn
-huis, maar toen de heer Vastewil die zag wierp hij ze dadelijk achter
-zijn rug. Alleen had de oude secretaris Geweten nog eenige wetten in
-zijne studeerkamer en daar kon heer Vastewil, hij deed wat hij vermocht,
-niet aankomen. Daarom begon hij nu te vertellen, dat de vensters van het
-oude burgemeestershuis veel te groot en te licht waren voor Menschziel.
-Zelfs het licht van een kaars kon hij niet verdragen. Alzoo mocht aan
-gouverneur Vastewil niets meer behagen dan wat zijn heer Diábolus
-aangenaam was. [Neh. 9 : 26.]
-
-Niemand evenaarde hem in het uitbazuinen langs ’s heeren straten van
-koning Diábolus braaf karakter, wijs gedrag en groote heerlijkheid. Hij
-zwierde langs de wegen van Menschziel om de voortreffelijkheden van zijn
-manhaftigen vorst uit te schreeuwen, en stelde zich daarbij aan als ware
-hij de gemeenste van al het gespuis der stad. Waar of wanneer hij deze
-schavuiten maar ontmoette, altijd maakte hij zich met hen gemeenzaam. In
-alle kwade praktijken mocht hij handelen zonder last of bevel en was
-geheel zijn eigen baas.
-
-De heer Vastewil had ook een gezant of bediende, Meester Genegenheid[17]
-genaamd, iemand van zeer verkeerde grondstellingen en wiens leven
-daarmede overeenstemde; hij was geheel aan het vleesch overgegeven en
-daarom noemde men hem ook wel Oneerlijke Bewegingen. Daarbij kwam nog
-eene Vleeschelijke Begeerlijkheid, de dochter van Bedenken, die hem
-sprekend geleek. Deze twee verliefden op elkaêr, verloofden zich en
-traden in het huwelijk, en als ik het wèl heb, dan teelden zij vele
-kinderen, als daar zijn Onkuisch, Zwartmuil en Bestraffinghater. Dit
-drietal waren zwarte knapen. Daarbij kregen zij ook nog drie dochters,
-namelijk Waarheid-verachtster, God-verzaakster en de jongste heette
-Wraak. Deze groeiden op en huwden weder in de stad, zoodat dit goddeloos
-gebroed sterk voortteelde, te veel om ze allen te noemen. Maar dit in
-het voorbijgaan. [Rom. 1 : 26.]
-
- [17] ~Meester Genegenheid~, een bediende of gezant van den Wil.
- Wanneer de genegenheden den vleeschelijken Wil dienen gaan zij over in
- lage zinnelijke genegenheden.
-
-Toen de reus zich op deze wijze in de stad genesteld had, dezen had
-aangesteld en anderen afgezet naar zijn goeddunken, begon hij ook te
-denken aan eene gedaanteverandering van Menschziel zelve. Midden op de
-markt en op de poorten van het kasteel stond een standbeeld van den
-gezegenden koning El-Schaddaï. Dit beeld was keurig gegraveerd, en wel
-in goud, en, het geleek koning El-Schaddaï beter dan eenig andere
-gelijkenis ter wereld. Laaghartig beval hij dat dit beeld zou vernield
-worden en dit bevel werd even laaghartig uitgevoerd door de hand van
-Meester Onwaarheid. Nu moet gij bovendien weten, dat toen Diábolus de
-vernieling van dit beeld bevolen had en deze was uitgevoerd door Meester
-Onwaarheid, hij dezen zelfden persoon last gaf daarvoor in de plaats te
-stellen het afgrijselijke afschrikwekkende standbeeld van zijne
-Diábolische Majesteit,[18] tot grooten smaad van den vroegeren koning en
-tot vernedering van de stad Menschziel.
-
- [18] ~Standbeeld van zijne Diábolische Majesteit~. -- Het beeld Gods
- wordt veranderd in het beeld van den satan, terwijl iedere gedachtenis
- aan den Schepper en zijn kunstgewrocht vernield wordt.
-
-Daarenboven maakte Diábolus scheurpapier van alle overblijfsels der
-wetten en statuten van koning El-Schaddaï, die in de stad Menschziel
-gevonden werden, te weten dezulken, die betrekking hadden op de leer en
-de zeden, met alle burgerlijke en huishoudelijke verordeningen. Alles
-wat daarop betrekking had trachtte hij te vernietigen. Om kort te gaan
-er bleef geen enkel spoor van het goede Menschziel over, dat hij en
-gouverneur Vastewil niet zochten te vernietigen; want het was hun
-oogmerk Menschziel te verdierlijken, ja het onder de behandeling van
-Onwaarheid in een zinnelijk zwijn om te scheppen.
-
-Aldus alle wetten en goede ordonnantiën vernietigd hebbende, zette hij
-zijn voornemen door om Menschziel geheel van haren koning El-Schaddaï te
-vervreemden; daartoe liet hij zijne eigen ijdele verordeningen, statuten
-en bevelen afkondigen, in alle plaatsen, die onder Menschziel
-ressorteerden nl. de zoodanigen, die vrije inwilliging van alle lusten
-des vleesches, van de begeerlijkheid der oogen en den hoogmoed des
-levens toestonden; welke niet uit El-Schaddaï zijn, maar uit de wereld.
-Hij moedigde alle overdaad en goddeloosheid aan en bevorderde die. Ja,
-hij ging nog verder om de goddeloosheid in de stad Menschziel ten top te
-voeren, hij beloofde haar vrede, genot, vreugde en voorspoed als zij
-zijne wetten onderhield, met de verzekering, dat zij nooit voor een
-rechterstoel zou worden geroepen voor wat zij ook misdeed. Laat dit nu
-tot een proefje verstrekken aan hen, die zoo gaarne hooren verhalen wat
-buiten hun weten in verre landen gebeurd is. [1 Joh. 2 : 16.]
-
-Menschziel op deze wijze geheel aan zijne voeten gelegd en onder het juk
-gebracht zijnde, werd er voortaan niets meer in gehoord en gezien dan
-wat diende om het te verdierlijken.
-
-Daar hij nu den Burgemeester en den Stadssecretaris van Menschziel uit
-hunne bediening had ontslagen, en wel wetende, dat de stad vóor hij tot
-haar kwam, een van de oudste en beroemdste rijken der wereld uitmaakte,
--- daarbij vreezende, dat als hij haren luister niet staande hield, zij
-hem te eeniger tijd mocht verwijten, dat hij haar vernederd had -- om al
-die redenen koos hij zelf voor haar een nieuwen Burgemeester en een
-anderen Stadssecretaris, die mannen naar zijn hart waren en hem
-behaagden.
-
-De naam van den Burgemeester, die Diábolus aanstelde, was Zinnelijke
-lust, iemand die beide oogen en ooren miste. Al wat hij deed, ’t zij als
-mensch of als beambte, deed hij volgens natuurdrift als de beesten. En
-hetgeen hem nog onedeler maakte, (hoewel niet zoozeer in het oog van
-Menschziel dan wel van degenen, die treurden over haar diep verval) was,
-dat hem nooit iets goeds bevallen kon, maar dat alleen het kwaad naar
-zijn smaak was.
-
-De nieuwe Stadssecretaris was de heer Griffier Godvergeter, een niet
-minder booze gast. Hij kon niets onthouden dan wat slecht was, en
-slechtheid te doen was zijn vermaak. Hij stelde er zijne eer in dingen
-te doen, die schandelijk en schadelijk waren, beide voor de stad
-Menschziel zelve en al haar inwoners. Deze beiden nu door hun voorbeeld
-en gezag, door hun macht en dreiging, vooral ook door hun glimlachen om
-al wat kwaad is, oefenden een jammervollen invloed uit en brachten het
-gemeene volk op zeer gevaarlijke wegen. Want wie bemerkt niet altijd en
-overal, dat, waar degenen, die hooge posten bekleeden, slecht en
-bedorven zijn, allen die onder hen staan, ja, het geheele land slecht en
-bedorven wordt?
-
-Bovendien verhief Diábolus verscheidene lieden in Menschziel tot den
-adelstand, makende hen eereburgers en overheden der stad. Hij deed dit
-met het voornemen om, des noodig, uit hen raadslieden, officieren,
-gouverneurs en magistraatspersonen te kiezen. Hier zijn de namen van de
-voornaamsten hunner: de heer Ongeloof, de heer Hoogmoed, de heer
-Vloeker, de heer Hoereerder, de heer Hardhart, de heer Onbarmhartig, de
-heer Toorn, de heer Onwaarheid, de heer Leugenminnaar, de heer
-Valschevrede, de heer Dronkenschap, de heer Bedrog, de heer Godverzaker
--- ik noem er u dertien. Van dit gezelschap was de heer Ongeloof de
-oudste en de heer Godverzaker de jongste. Daarna werden ook mindere
-waardigheidsbekleeders gekozen, als schepenen, gerechtsdienaars,
-advocaten en dergelijke; maar allen waren lieden van dezelfde soort als
-de voorgaanden, zijnde vaders, broeders, neven of verwanten van hen, die
-ik reeds noemde, en daarom laat ik hunne namen kortheidshalve maar weg.
-
-Toen de reus zoover met zijn arbeid gekomen was, kwam het hem in den zin
-eenige sterkten of kasteelen te bouwen, en hij maakte er drie, die hij
-ondoordringbaar achtte. De eerste noemde hij het fort Tegenweer, omdat
-het opgericht was om de gansche stad te bestrijken en te beletten, dat
-zij van haar ouden koning iets meer te hooren kwam. De tweede sterkte
-noemde hij Middernachtshol, omdat zij gebouwd werd om Menschziel ook
-buiten kennis te houden van zichzelve. De derde heette Zoetezonde, omdat
-hij daarmede Menschziel verdedigde tegen alle begeerten naar het goede.
-Het eerste dezer kasteelen lag dicht bij de Oogpoort, opdat deze
-daardoor zooveel mogelijk zou worden verduisterd; het tweede was gebouwd
-in de nabijheid van het oude kasteel om het zooveel doenlijk in de
-schaduw te plaatsen; en het derde stond midden op de markt.
-
-De persoon, dien Diábolus gouverneur over de eerste sterkte maakte, was
-een zekere Inspijt-van-God, een zeer godslasterlijke booswicht: hij was
-medegekomen met al dat gespuis, dat het allereerst tegen Menschziel
-optrok, en behoorde daar ook bij. De gouverneur van Middernachtshol was
-een zekere Lichthater, en behoorde bij datzelfde rot, en de gouverneur
-van Zoetezonde heette Minnaar des vleesches; ook hij was een snoode
-gast, maar was niet geboortig uit hetzelfde land als zijne collegas.
-Deze gast schiep meer behagen in het uitzuigen eener vleeschelijke lust
-dan in het bezit van Gods heerlijke Paradijs.
-
-En nu achtte Diábolus zich veilig. Hij had Menschziel ingenomen en zich
-daarin versterkt; hij had de oude waardigheidsbekleeders afgezet en
-nieuwe aangesteld; hij had het standbeeld van El-Schaddaï vernield en
-het zijne daarvoor in de plaats gesteld; hij had al de oude wetboeken
-verscheurd en zijne eigen ijdele leugens afgekondigd; hij had nieuwe
-magistraatspersonen en raadsheeren aangesteld, nieuwe sterkten gebouwd
-en ze van getrouwe lieden voorzien. En dit alles had hij gedaan met het
-oog op de mogelijke komst van den goeden El-Schaddaï of diens Zoon, die
-hij wel verwachten kon, dat een aanval op hem doen zouden.
-
-
-
-
-HOOFDSTUK II.
-
-VOORBEREIDSELEN OVER EN WEER.
-
-
-Nu kunt gij u toch best voorstellen, dat het niet lang behoefde te duren
-of de een of ander deelde aan den goeden koning El-Schaddaï mede, hoe
-zijn Menschziel in het groote Heelal-gebied verloren was gegaan, en hoe
-de afvallige reus Diábolus, eenmaal een van Zijner Majesteits dienaren,
-nu een opstandeling tegen zijn koning, zich van haar had meester
-gemaakt. Ja, deze tijdingen werden tot den koning gebracht en wel tot in
-de kleinste bijzonderheden.
-
-Eerst werd hem bericht hoe Diábolus tegen Menschziel was opgetrokken,
-dat door een eenvoudig en oprecht volk bewoond, geen erg had in sterkte,
-slimheid, leugen en bedriegelijke geesten, die hij tegen haar aanvoerde.
-Verder hoe hij verraderlijk gedood had den zeer edelen en dapperen
-kapitein Tegenstand, toen hij met de rest van het volk der stad op den
-muur stond. Verder hoe die brave heer Oprecht dood viel, zooals sommigen
-zeiden vergiftigd door den verpestenden adem van Kwaderust toen deze met
-zijn duivelschen mond den edelen en rechtvaardigen vorst El-Schaddaï
-lasterde. De boodschappers verhaalden al verder hoe de lieden der stad,
-nadat deze Kwaderust een korte toespraak tot hen gehouden had ten gunste
-van Diábolus, zijn meester, geloovende, dat hij waarheid sprak, er in
-toestemden om de Oorpoort, de voornaamste van alle stadspoorten, te
-openen en hem met zijn gespuis inlieten, zoodat hij in het bezit kwam
-van het wijdvermaarde Menschziel. Zij verhaalden verder hoe Diábolus met
-den heer burgemeester en den stadssecretaris gehandeld had, hen uit alle
-ambt en bediening ontzettende. Nog verder werd aan koning El-Schaddaï
-bericht, dat de heer Vastewil een rebel en een afvallige geworden was,
-evenals de heer Bedenken zijn klerk, en dat zij beiden zooveel oproer en
-schelmerij in de stad aanrichtten en allen leerden in hunne goddelooze
-wegen te wandelen. Hij hoorde, dat deze heer Vastewil in groote gunst
-stond bij Diábolus en dat deze alle sterkten in Menschziel in zijne hand
-gegeven had, terwijl Meester Bedenken de afgezant van den heer Vastewil
-was in diens meest oproerige ondernemingen. „Ja”, zeide een der
-boodschappers, „dit monster Vastewil heeft openlijk zijn koning
-El-Schaddaï afgezworen en zich plechtig aan Diábolus verbonden!”
-
-[Afbeelding: EL-SCHADDAÏ ONTVANGT TIJDING VAN MENSCHZIEL.]
-
-Ook ging de boodschapper voort: „Benevens dit alles heeft de nieuwe
-koning, of liever oproerige tiran, over de eens zoo beroemde maar nu in
-ellende verzinkende stad Menschziel, een burgemeester en een griffier op
-eigen hand aangesteld. Als burgemeester benoemde hij Zinnelijke lust, en
-als griffier Godvergeter, twee van de allergeringsten uit de stad
-Menschziel.” Deze betrouwbare getuige ging al voort en verhaalde welk
-nieuw soort van adeldom Diábolus had ingesteld, en dat deze verscheidene
-sterke forten of kasteelen in Menschziel had gebouwd. Hij vertelde, wat
-ik bijna vergeten had, dat Diábolus de stad in de wapens had geroepen en
-hen in den wapenhandel geoefend om des te beter El-Schaddaï, hunnen
-Koning, weerstand te kunnen bieden, wanneer hij haar kwam opeischen.
-
-Deze berichtgever deed zijn verhaal niet in het geheim, maar voor het
-volle hof, voor den Koning, zijn Zoon, zijn hoogen Raad, hoofdofficieren
-en edelen, waar deze allen tegenwoordig waren om naar hem te luisteren.
-En als gij nu eens gezien hadt, welk een indruk het hooren van deze
-tijdingen op hen maakte, dan zoudt gij u verwonderd hebben over de
-smart, de droefenis, de verslagenheid van geest, die hen allen aangreep
-bij de gedachte, dat dit vermaarde Menschziel nu genomen was. Alleen de
-Koning en zijn Zoon voorzagen dit alles reeds sedert lang, ja zelfs
-hadden zij reeds voldoende voorzien in hetgeen noodig was om Menschziel
-weder te herstellen, al hadden zij er ook nog met niemand over
-gesproken. Echter zij wilden ook deelnemen in de algemeene droefheid
-over het verlies van Menschziel en spraken hun leedgevoel zeer duidelijk
-uit. De Koning zeide openlijk, dat het hem smartte aan zijn hart, en gij
-kunt er op rekenen, dat het met zijn Zoon niet anders was gesteld.
-Daardoor werden nu allen overtuigd, dat zij groote liefde en groot
-medelijden voor de vermaarde stad Menschziel voelden. Daarop gingen de
-Koning en zijn Zoon in hunne binnenkamer, waar zij altijd samen
-raadpleegden over hetgeen zij voornemens waren te doen. Zij hadden daar
-vroeger reeds afgesproken, dat indien zij al toelieten, dat Menschziel
-in der tijd verloren ging, het toch voorzeker zou worden heroverd; en
-wel heroverd langs zulk eenen weg, dat beiden de Koning en zijn Zoon
-daarbij eeuwige roem en heerlijkheid behalen zouden. Waarom dan ook na
-deze beraadslaging, de Zoon van El-Schaddaï, -- een uitnemend persoon
-vol liefde, en die altijd groot medelijden aan den dag legde met hen,
-welke in droefenis verkeerden, maar die een doodelijken haat in zijn
-binnenste koesterde tegen Diábolus, omdat deze het op zijn kroon en
-waardigheid toelegde, -- waarom dan ook, zeg ik, deze Zoon van
-El-Schaddaï, na zijnen Vader er de hand op te hebben gegeven, beloofde,
-dat hij zijn dienaar wilde zijn in het herwinnen van Menschziel, daarin
-vastberaden te werk zou gaan en zich daarover later niet te zullen
-berouwen. De hoofdzaak van dit raadsbesluit kwam hierop neder, dat op
-een bepaalden tijd, door beiden vastgesteld, de Zoon des Konings eene
-reis zou doen in de landstreek Heelal, en dat Hij daar langs een weg van
-gerechtigheid en waarheid, door voor de zonden en dwaasheden van
-Menschziel te boeten, het fondament zou leggen voor hare volkomen
-verlossing uit de macht van Diábolus en zijne onderdrukking. [Gen. 6 :
-5, 6.]
-
-Bovendien besloot Immanuel op een bepaalden tijd een oorlog te beginnen
-tegen den reus Diábolus omdat hij bezit genomen had van de stad
-Menschziel, en dat hij door de kracht zijner hand hem uit zijne
-sterkten, waar hij zich genesteld had, zou uitdrijven en die tot zijne
-woonplaats maken.
-
-Dit alles nu besloten zijnde zoo werd bevel gegeven aan de Opperste
-Secretarie van het hof om een verslag op te stellen van hetgeen bepaald
-was, en te zorgen, dat dit zou worden publiek gemaakt in alle hoeken van
-het koninkrijk des Heelals. Een klein uittreksel uit den inhoud van dit
-geschrift, kunt gij, als gij wilt, hier lezen:
-
-„Laat allen, die het aangaat, nu weten, dat de Zoon van El-Schaddaï, den
-grooten Koning, door een verbond met zijn Vader zich heeft verplicht
-zijn Menschziel tot hem weder te brengen; ja uit kracht van zijne
-grenzelooze liefde wil hij haar zelfs in veel gelukzaliger toestand
-brengen dan waarin zij ooit verkeerd heeft eer Diábolus haar veroverde.”
-
-De papieren werden bovendien op verschillende plaatsen aangeplakt tot
-geen geringe ergernis van Diábolus, „want nu”, dacht hij, „zal ik worden
-aangevallen en mijne bezitting mij worden ontnomen.”
-
-Maar toen dit plan en voornemen in het paleis van den Koning en zijn
-Zoon werd vernomen, wie kan vertellen hoe de hoogedele hoofdlieden en
-edele vorsten, die daar waren, dat opnamen! Eerst fluisterden zij het
-tot elkander en daarna begon het door het geheele paleis te weerklinken,
-terwijl allen het glorierijke voornemen en het heerlijke verbond van den
-Koning en zijn Zoon ten gunste van het ellendige Menschziel bewonderden!
-Ja, de hovelingen konden nauwelijks iets voor hunnen Koning verrichten
-of zij vlochten daarin eenig bericht aangaande de groote liefde des
-Konings en zijns Zoons voor de vermaarde en ongelukkige stad Menschziel.
-
-[Afbeelding: WACHTEN AAN DE POORTEN VAN MENSCHZIEL.]
-
-Evenmin konden deze raadsheeren, kapiteins en vorsten zich vergenoegen
-met deze tijding aan het hof te laten blijven berusten, zij maakten dat,
-zelfs eer het officieele verslag daarvan volkomen in orde was, die goede
-tijding reeds overal verteld werd in het landschap Heelal. Daardoor kwam
-zij dan ook, zooals ik reeds zeide, ter ooren van Diábolus tot zijne
-niet geringe verlegenheid; want gij kunt wel begrijpen, dat het hooren
-van zulke voornemens en plannen tegen hem, hem verschrikken moest. Na er
-eenigen tijd over te hebben nagedacht, verzon hij de vier volgende
-zaken.
-
-Eerstens. Dat dit nieuws, deze goede tijdingen namelijk, zoo eenigszins
-mogelijk voor de ooren van Menschziel zouden verborgen gehouden worden;
-„want”, zeide hij, „als zij eens tot de wetenschap kwamen, dat
-El-Schaddaï, hun vroegere koning, en Immanuel zijn Zoon het goede voor
-de stad Menschziel zoeken, wat zou daar dan anders voor mij uit kunnen
-voortvloeien dan dat zij tegen mij opstaan en onder zijne heerschappij
-terugkeeren?”
-
-Om nu dit voornemen te vervullen vernieuwde hij zijne vleierij jegens
-den heer Vastewil en gaf hem ook strengen last en bevel om toch dag en
-nacht wacht te houden bij al de poorten van de stad, maar vooral bij de
-Oorpoort en de Oogpoort, „want ik hoor”, zeide hij, „van een besluit,
-dat ons allen tot verraders verklaart en dat Menschziel tot zijne eerste
-slavernij terugkeeren moet. Ik hoop, dat het maar verzinseltjes zijn;
-maar toch mag zulk eene tijding in geenendeele in Menschziel bekend
-worden, opdat het volk niet verontrust worde. Ik vermoed, Mijnheer, dat
-het ook voor u geen welkome tijding wezen kan, en ik ben zeker dat zij
-het voor mij niet is; en daarom denk ik het wijs en van het uiterste
-belang al zulke rumoeren den kop in te nijpen vóor zij ons volk in de
-war brengen. Daarom begeer ik, Mijnheer, dat gij in deze zaak zult
-handelen zooals ik zeg. Laat ons iederen dag sterke wachten zetten aan
-elke poort van de stad. Houd ook aan en onderzoek al degenen, die gij
-bemerkt, dat van verre tot ons komen om handel te drijven, en laat ze
-onder geen voorwendsel in Menschziel worden toegelaten tenzij gij wel
-overtuigd zijt, dat zij ons uitmuntend gouvernement gunstig zijn
-gestemd. Ook beveel ik,” ging Diábolus voort, „dat er voortdurend
-spionnen de stad op en neer wandelen, met macht en last om alles te
-onderdrukken wat zij eenigszins in ons nadeel bemerken te zijn, en wat
-El-Schaddaï en Immanuel zou kunnen begunstigen.”
-
-Dit werd alles overeenkomstig zijn bevel gedaan; de heer Vastewil
-gehoorzaamde zijn heer en meester en volgde gewillig het bevel op, en
-met allen vlijt waartoe hij in staat was, hield hij alles buiten en
-onderdrukte elke tijding voor Menschziel aangaande deze dingen.
-
-Ten tweede. Dit gedaan zijnde legde Diábolus, opdat hij Menschziel zoo
-onneembaar maken zou als hij maar kon, aan al het volk der stad een
-nieuwen eed op en maakte met hen een verschrikkelijk verbond, te weten,
-dat zij nooit hem of zijne regeering zouden verlaten, noch bedriegen,
-noch zijne wetten zoeken te veranderen; maar dat zij hem als hun
-wettigen koning zouden erkennen, getrouw blijven en verdedigen tegen een
-iegelijk, die nu of voortaan door eenig voorwendsel, wet of instelling,
-hoe dan ook, op de stad Menschziel aanspraak maken zou. Hij dacht
-hierbij, naar het scheen, dat El-Schaddaï geene macht had om hen te
-ontslaan van dit verbond met den dood en dit voorzichtig verdrag met de
-hel. En die onnoozele stad Menschziel had op dit alles niets tegen, zag
-geen gevaar, in dit monsterverbond, maar als ware het een splintertje
-geweest in den bek van een walvisch, slikte zij het door zonder eenigen
-schroom. Was zij er wel eenigszins door ontroerd? O, neen, integendeel,
-zij roemden op hunne getrouwheid aan den tiran, hun voorgewenden koning,
-zwerende, dat zij nooit zouden wankelen, nooit hun ouden heer voor een
-nieuwen verruilen. Aldus kluisterde Diábolus het arme Menschziel vast.
-[Jes. 28 : 15.]
-
-Ten derde. De jalousie, die zich nooit sterk genoeg waant, dreef hem aan
-tot nog meerdere heldendaden, en dat was om Menschziel, zoo mogelijk,
-nog meer tot uitspattingen aan te hitsen. Hij liet dan zekeren heer
-Vuil, een verachtelijk, wulpsch en beestachtig persoon, geschriften
-opstellen en die boven de poorten van het kasteel plaatsen, waarbij hij
-verlof gaf aan al zijne getrouwe aanhangers en zonen in Menschziel om
-alles vrijelijk te volbrengen wat hunne zinnelijke lusten streelen kon,
-en dat niemand hen daarin kon verhinderen of tegenstaan op straffe van
-zich het ongenoegen van hunnen vorst op den hals te halen.
-
-Dit deed hij om deze navolgende redenen:
-
-1^{e}. Dat de stad Menschziel daardoor al zwakker en zwakker worden zou
-en des te meer ongeschikt om als de tijdingen kwamen, die van hare
-verlossing getuigden, daaraan geloof te slaan of daarop te hopen, omdat
-men algemeen denkt: hoe grooter zondaar des te minder kans op
-barmhartigheid.
-
-2^{e}. De tweede reden was, dat als misschien Immanuel, de Zoon des
-grooten Konings, hunne verschrikkelijke en afschuwelijke handelingen
-zag, hij berouw mocht krijgen, dat hij een verbond had aangegaan om zulk
-volk te verlossen, en er van mocht afzien het uit te voeren. Want hij
-wist, dat El-Schaddaï heilig is en dat ook zijn Zoon Immanuel heilig is,
-ja hij wist dit bij ondervinding, want om zijne eigen zonden was
-Diábolus uit de hoogste sfeeren verjaagd. Weshalve hij zeer rationeel
-tot dit besluit kwam, dat wegens hare gruwelijke zonde het ook zoo gaan
-zou met Menschziel. Toch nog vreezende, dat ook dit touw breken zou
-bedacht hij nog iets anders.
-
-[Afbeelding: DIÁBOLUS ROEPT MENSCHZIEL TE WAPEN.]
-
-3^{e}. Hij wilde verder alle gemoederen in Menschziel doordringen van
-het denkbeeld, dat El-Schaddaï een leger aangeworven had om de stad te
-verderven. Dit deed hij om alle tijdingen, die tot haar komen mochten
-aangaande eene voorgenomen verlossing krachteloos te maken, „want”,
-dacht hij, „als ik dit gerucht maar eerst in omloop breng, zullen alle
-daarna komende tijdingen, die hun oor bereiken, daardoor verslonden
-worden; want wat anders zal Menschziel zeggen wanneer zij hoort, dat zij
-verlost moet worden, dan dat de eigenlijke bedoeling van El-Schaddaï is
-haar te vernielen?” Tot dat einde riep hij de gansche burgerschap op het
-marktplein bijeen, en daar sprak hij haar met een bedriegelijke tong
-aldus aan:
-
-„Mijne heeren en goede vrienden, gij allen zijt, zooals gij weet, mijne
-wettige onderdanen en lieden der beroemde stad Menschziel. Gij weet, van
-den eersten dag af, dat ik onder u verkeerde tot op dit oogenblik, hoe
-ik mij in uw midden heb gedragen, en welke vrijheden en groote
-voorrechten gij onder mijne regeering hebt genoten, naar ik hoop tot uwe
-en mijne eer en niet minder tot uw en mijn genot. Welnu, beroemde stad
-Menschziel, er loopt daarbuiten een gerucht, dat de stad kan
-verontrusten en dat mij om uwentwil leed doet, want ik ontving daar
-juist door de post van den heer Lucifer, die altijd goed op de hoogte is
-van alles, een brief, waarin staat, dat uw oude heer en koning
-El-schaddaï een leger werft om tegen u op te trekken, ten einde u met
-wortel en tak uit te roeien. En dit is nu de oorzaak, o Menschziel, dat
-ik u heb opgeroepen om te raadplegen wat in dezen nood het best zij te
-doen. Wat mij zelf betreft, ik ben maar alleen en kan mij gemakkelijk
-uit de voeten maken, als ik mijn eigen welzijn zocht en mijn Menschziel
-in het gevaar alleen wilde laten, maar mijn hart is innig aan u
-verbonden, en zoo onwillig ben ik om u te verlaten, dat ik met u wil
-staan en vallen, wat mij dan ook overkomen moge. Wat zegt gij, o
-geliefde Menschziel! Wilt gij nu uw ouden vriend verlaten of hem
-bijstaan?” Toen riepen zij allen als een eenig man en uit éenen mond:
-„Sterven moet wie u ontrouw wordt!”
-
-Toen zeide Diábolus weder: „Het is tevergeefs voor ons op genade te
-hopen; want deze koning weet van geen kwartier geven. Ja, misschien zal
-hij, als hij pas tot ons komt, over eene dusgenaamde barmhartigheid
-spreken, opdat hij daardoor des te eer en des te gemakkelijker zich
-meester make van de stad Menschziel. Wat hij nu daarover zal believen te
-zeggen, geloof er geen letter of tittel of jota van; want al zulke taal
-dient maar om ons te verschalken en dan ons de slachtoffers van zijne
-armzalige zegepraal te maken, terwijl wij daar liggen te wentelen in ons
-bloed. Daarom is het mijn plan, dat wij hem tegenstaan tot den laatsten
-man toe, en hem in geen enkel opzicht gelooven; want door die deur
-dreigt het gevaar binnen te sluipen. Maar zullen wij ons aldus door dit
-gevlei om hals laten brengen? Ik hoop toch, dat gij te veel weet van de
-regelen der staatkunde om u zoo jammerlijk onder het juk te laten
-brengen.”
-
-„Maar onderstelt nu eens, dat als hij eenmaal de stad in handen kreeg,
-hij sommigen van ons spaarde, dat hij enkele onderdanen in het leven
-liet, wat zal dat u baten, die opperhoofden zijt in deze stad, in het
-bijzonder u, die ik zoo hoog verheven heb, en die uwen adelstand
-verdiend hebt door innige gehechtheid aan mij? En stel nogmaals, dat hij
-sommigen uwer kwartier gave, houdt u er toch van verzekerd, dat hij u
-een slavernij zal brengen, evenals die u vroeger gekneld hield of erger
-dan die, en wat hebt gij dan aan uw leven? Zult gij het bij hem zoo
-prettig en aangenaam hebben als tegenwoordig bij mij? Neen, neen, gij
-zult gebonden worden door wetten, die u zullen knellen, en gij zult
-genoodzaakt worden te doen wat gij nu haat en verafschuwt. Ik ben voor u
-als gij voor mij zijt; en het is beter dapper en met eere te sneuvelen
-dan als jammerlijke slaven te leven. Maar dit zeg ik u, dat een
-slavenleven nog te goed geacht zal worden voor Menschziel, als de stad
-valt. Bloed, bloed, niets anders dan bloed! dat roept iedere toon uit
-El-Schaddaï’s trompet, die van verre weerklinkt. Eilieve, neemt het ter
-harte; ik hoor, dat hij komt. Op, staat in de wapens; waar gij nu nog
-eenige rust hebt, zoo wil ik u nog eenige krijgslisten leeren. Ik heb
-eene wapenrusting voor u, die geschikt is om u van top tot teen te
-harnassen. Zoodoende kunt gij niet gekwetst worden door wat hij ook
-tegen u begint, als gij deze wapenrusting maar stevig aangespt. Komt
-daartoe in mijn kasteel, gij zijt er welkom, en harnast u tegen den
-oorlog. Daar is een helm, een borstharnas, zwaard en schild, die maken
-zullen dat gij als mannen vechten kunt.”
-
-„Daar hebt gij eerst mijn helm of hoofdbedekking, het is de hoop, dat
-het nog wel goed afloopen zal of dat gij eindelijk nog wel goed zult
-doen welk leven gij ook tot dusverre leefdet. Deze helm is in het bezit
-van allen, die voorgeven, dat zij toch vrede hebben al wandelen zij ook
-in de goddeloosheid hunner harten om de dronkenen te doen tot de
-dorstigen. Dat is een beproefd stuk wapen, en al wie het bezit en het
-vast kan houden, wordt al dien tijd door geen pijl, spies of zwaard
-gewond. Zet dat hoofdbedeksel op en gij kunt menigen stoot weerstaan,
-geliefd Menschziel.” [Deut. 29 : 19.]
-
-„Mijn borstwapen is een ijzeren borstharnas. Ik heb het in mijn eigen
-land gesmeed en al mijne soldaten zijn daarmede gewapend. Om het u
-duidelijk te zeggen, het bestaat uit een hard hart, een hart zoo hard
-als ijzer en zoo ongevoelig, ongevoelig als een steen. Doet ge dat aan
-dan zal de barmhartigheid u niet verteederen noch het oordeel u
-verschrikken. Daarom is het zoo hoog noodig voor allen, die El-Schaddaï
-haten, en onder mijne banieren willen strijden.” [Openb. 9 : 9.]
-
-„Mijn zwaard is eene tong, die in het helsche vuur gescherpt is, en die
-maar niets liever doet dan kwaad spreken van El-Schaddaï, zijn Zoon,
-zijn wegen en zijn volk. Gebruikt dit zwaard, het is beproefd wel
-duizendmaal, de duizenden verdubbeld. Wie het bezit, vast houdt en er
-dat gebruik van maakt, dat ik begeer, kan nooit door mijn vijand
-overwonnen worden.” [Ps. 57 : 5; 64 : 4.] [Jac. 3 : 6.]
-
-„Mijn schild is ongeloof, of wilt ge het liever noemen: in twijfel
-trekken van de waarheid des woords, van alle oordeel, dat El-Schaddaï
-uitspreekt over goddelooze menschen. Gebruikt dit schild: daar heeft hij
-al menigen aanval op gedaan en somtijds, is het, wel is waar,
-verbrijzeld; maar toch staat geschreven in het boek der oorlogen van
-Immanuel tegen mijne dienaren, dat hij belet werd menig goed werk te
-doen ter zake van hun ongeloof. Welnu, dit zeer machtige wapen te
-handhaven valt zeer gemakkelijk, men heeft dan maar geloof te weigeren
-aan alles wat waar is op welke wijze het ook wordt bewezen of betuigd.
-Spreekt hij van oordeel, let er niet op; spreekt hij van barmhartigheid,
-geeft er niet om; -- of hij al belooft, ja zelfs zweert, dat hij
-Menschziel goed wil doen wanneer het tot hem wederkeert, laat hem maar
-praten, trekt de waarheid van al wat hij zegt in twijfel; want op die
-wijze hanteert gij het schild des ongeloofs voortreffelijk, zooals al
-mijne getrouwe dienaren doen, en wie anders handelt heeft mij niet lief,
-dien reken ik mijn vijand.”
-
-„Bovendien”, zeide Diábolus verder, „heb ik nog een uitmuntend wapen,
-dat bestaat uit een doffen, onverschilligen en gebedloozen geest, die
-spot met alle roepen om genade. O, Menschziel, maak daar ook gebruik
-van. Wat, roepen om genade! Doe dat nooit als gij de mijne wezen wilt!
-Ik weet dat gij dappere mannen zijt, en nu ben ik ook zeker, dat ik u
-gekleed heb in beproefde wapenen. Waarom zoudt gij dan nog tot
-El-Schaddaï om genade roepen? Laat dat verre van u zijn! Benevens dit
-alles heb ik nog mokers, vuurbranders, vuurpijlen, dood en verderf, al
-te maal goed wapentuig en dat een uitmuntende uitwerking zal doen.”
-
-Nadat hij aldus zijne mannen met eene wapenrusting en allerlei geweer
-had voorzien, sprak hij hen wederom aan met woorden als deze: „Bedenkt
-nu, dat ik uw rechtmatige koning ben en dat gij mij een eed gezworen en
-met mij in een verbond getreden zijt om mij en mijne zaak getrouw te
-blijven. Ik zeg u: bedenkt dit en beschouwt u als flinke en dappere
-mannen van Menschziel. Bedenkt ook al de vriendelijkheid, die ik u
-voortdurend heb betoond, en dat ik u zonder dat gij mij het verzoekt
-allerlei uitwendige dingen heb geschonken. Daarom eischen die
-voorrechten, goedgunstigheden, voordeelen en eereposten, waarmede ik u
-begiftigd heb, ook een rechtmatige vergelding van uwe hand, o mijne
-mannen van Menschziel, gij mannen als leeuwen! Wanneer was de tijd
-geschikter dan thans om dit te toonen, waar anderen mijne heerschappij
-over u gaan betwisten? Nog éen woord en ik eindig. Kunnen wij nu maar
-staande blijven en dezen schok doorstaan, dan twijfel ik niet of de
-geheele wereld is binnen kort in ons bezit. Komt die dag, o mijne
-getrouwen, dan maak ik u allen koningen, vorsten en opperhoofden; welke
-gelukkige dagen zullen wij dan beleven!”
-
-Diábolus op deze wijze zijne knechten en vasallen in Menschziel tegen
-hunnen wettigen koning, den goeden El-Schaddaï gewapend en in het harnas
-gejaagd hebbende, ging over tot het verdubbelen zijner wachten aan de
-stadspoorten, en trok zichzelven terug in het kasteel, dat zijn
-bijzondere sterkte was. Zijne vasallen, ten einde hunne toegenegenheid
-en voorgewenden (ofschoon laaghartigen) moed te toonen, oefenden zich
-dagelijks in den wapenhandel en onderwezen elkander daarin; zij daagden
-hunne vijanden uit en zongen den lof van hunnen tiran. Hierdoor toonden
-zij wat mannen zij zouden wezen als het eens zóo hoog liep, dat het kwam
-tot een werkelijken oorlog tusschen El-Schaddaï en hunnen koning.
-
-
-
-
-HOOFDSTUK III.
-
-DE KAPITEINS VAN EL-SCHADDAÏ. HET BELEG.
-
-
-Nu was al dien tijd de goede koning, koning El-Schaddaï, bezig
-voorbereidselen te maken om een leger te zenden ten einde Menschziel te
-herwinnen en van de tirannie van hun voorgewenden koning Diábolus te
-verlossen; maar het dacht hem goed dit leger niet dadelijk te geven in
-de hand van den dapperen Immanuel, zijn Zoon, maar van sommigen zijner
-dienaren, om eerst door hen den geest van Menschziel te onderzoeken of
-zij wellicht zóo tot de gehoorzaamheid aan hunnen koning zouden worden
-teruggebracht. Dit leger bestond uit meer dan veertig duizend, al te
-maal getrouwe manschappen, want zij kwamen uit des konings eigen hof en
-waren zijne uitgelezenen.
-
-Zij kwamen op Menschziel aan onder het geleide van vier dappere
-generaals, die ieder hoofdman over tien duizend waren. Hier zijn hunne
-namen en titels. De naam des eersten was kapitein Boanerges, de naam des
-tweeden kapitein Overtuiging, de naam des derden was kapitein Oordeel en
-de naam des vierden kapitein Strafoefening. Deze waren de hoofdlieden,
-die op Menschziel werden afgezonden.
-
-Dit viertal werd nu, zooals gezegd is, vooruitgezonden om den eersten
-aanval te doen; want de koning was gewoon in al zijne oorlogen deze vier
-in den voortocht te stellen; zij waren dan ook zeer stout en forsch,
-mannen, juist geschikt om het ijs te breken, en zich een weg te banen
-langs de snede van hun zwaard, terwijl al hunne manschappen hun daarin
-geleken.
-
-Aan ieder van deze hoofdlieden gaf de Koning eene banier, opdat hij deze
-zou ontplooien, wegens de eerlijkheid zijner zaak en het recht, dat hij
-op Menschziel had.
-
-Eerst werden dan aan kapitein Boanerges, want hij was het opperhoofd,
-tienduizend manschappen gegeven. Zijn vaandeldrager was vaandrig Donder;
-hij droeg de zwarte kleur en zijn onderscheidingsteeken was drie
-brandende donderbussen.
-
-De tweede hoofdman was kapitein Overtuiging. Ook aan hem werden
-tienduizend manschappen toevertrouwd. De naam van zijn vaandeldrager was
-Droefheid; hij droeg de bleeke kleur en zijn wapenschild prijkte met een
-opengeslagen wetboek, waaruit vuurvlammen spatten.
-
-De derde hoofdman was kapitein Oordeel, en onder hem ook tienduizend
-manschappen. De naam van zijn vaandrig was Vreeze; hij droeg de roode
-kleur, en op zijn wapenschild stond een vurige brandende oven.
-
-De vierde hoofdman was kapitein Strafoefening; ook hij gebood over
-tienduizend man. Zijn vaandrig heette Gerechtigheid. Zijne kleuren waren
-eveneens rood, maar op zijn banier prijkte een onvruchtbare boom met een
-bijl aan den wortel.
-
-Op zekeren dag hield koning El-Schaddaï over deze vier hoofdlieden en
-hun legertros, soldaten en onderofficieren eene wapenschouwing; riep hen
-allen bij hunne namen op, en onderrichtte hen in hetgeen zij voor hunnen
-koning moesten gaan uitvoeren.
-
-Toen de koning zijne krachten gemonsterd had, deelde hij aan elk der
-kapiteins hunne bijzondere lastgeving mede, en maande hen aan ten
-aanhoore van al hunne heirscharen, om getrouw en moedig op hun post te
-staan om die lastgeving uit te voeren. Die lastgeving was voor ieder
-hunner in hoofdzaak dezelfde; wat vorm, naam, titel, plaats en rang der
-kapiteins betrof, daarin waren maar zeer kleine afwisselingen. Ik zal u
-hier een verslag geven van hetgeen hun lastbrief in hoofdzaak inhield.
-
-[Afbeelding: DE KAPITEINS VAN EL-SCHADDAÏ.]
-
- _De last van den grooten Koning El-Schaddaï, Koning van Menschziel,
- aan zijn welvertrouwden en edelen hoofdman, den Kapitein Boanerges,
- voor zijne oorlogsverklaring aan de stad Menschziel._
-
-„O, gij Boanerges, een mijner dappere en donderende aanvoerders over
-tienduizenden mijner edele en moedige dienaren, ga heen in mijnen
-naam, in deze uwe kracht, naar het ellendige Menschziel. Als gij daar
-komt biedt haar dan eerst vredesvoorwaarden aan. Gebied haar dat zij,
-het juk der tirannie van dien goddeloozen Diábolus afschuddende, tot
-mij, haar wettigen Vorst en Heer, terugkeere. Gebied haar tevens, dat
-zij zich reinige van alles wat hem behoort in de stad Menschziel. Maar
-zie vooral toe, dat gij goede waarborgen hebt aangaande de oprechtheid
-van hare gehoorzaamheid. Wanneer zij zich in waarheid onderwerpt, doe
-gij dan alles wat in uw vermogen is om een vesting voor mij op te
-richten in de vermaarde stad Menschziel; en veroorzaak niet het minste
-leed aan den geringsten inwoner, die daarin leeft en zich voor mij wil
-verootmoedigen; maar behandel dien integendeel als uwen vriend en
-broeder. Al dezulken heb ik lief en ze zullen mij dierbaar wezen. O,
-zegt het hem, dat ik ter bestemder tijd tot hen zal komen en doet het
-hun weten, dat ik genadig ben. [1 Thess. 2 : 7-11.]
-
-„Maar wanneer zij, niettegenstaande uwe opeisching en uw bevel,
-weerstand biedt, tegen u opstaat en rebelleert, dan gebied ik u, dat gij
-gebruik maakt van al uwe wijsheid, kracht, macht en sterkte, om haar
-weder tot mij te brengen door eenen sterken arm. Vaarwel.”
-
-Zoo ziet gij hier den inhoud van hun lastbrief; want, zooals ik tevoren
-zeide, ze waren allen eenerlei voor de overige kapiteins.
-
-Weshalve zij, allen en een iegelijk, zijn gezag hebbende ontvangen uit
-huns konings hand, en dag en plaats van hun aantreden bepaald zijnde,
-verschenen in zulk een wapendosch als aan hun ambt en roeping paste. Na
-een nieuw onderhoud met El-Schaddaï, trokken zij voorwaarts met
-vliegende vaandels om tegen de vermaarde stad Menschziel op te trekken.
-Kapitein Boanerges bestuurde de voorhoede, kapitein Overtuiging en
-kapitein Oordeel vormden den middentocht en kapitein Strafoefening
-bracht de achterhoede mede. Zij hadden een grooten weg af te leggen,
-want de stad Menschziel lag zeer ver van het hof van El-Schaddaï
-verwijderd en zij marcheerden door landen en gewesten van vele volken,
-niemand last of nadeel doende, maar overal zegenend waar zij kwamen. Ook
-leefden zij op ’s konings kosten langs al den weg dien zij gingen.
-[Efez. 2 : 13, 17.]
-
-Zóo vele dagen gereisd hebbende, kwamen zij ten laatste in het gezicht
-van Menschziel, en toen zij haar zagen konden de kapiteins zich in het
-eerst niet onthouden den jammerlijken staat der stad te beweenen, want
-zij bemerkten hoe zij aan den wil van Diábolus was onderworpen en reeds
-gewoon in zijne wegen en inzettingen te wandelen.
-
-Om kort te gaan, de kapiteins sloegen zich voor de stad neder, en
-trokken toen op naar de Oorpoort, want dat was de plaats, waar men
-gehoor kreeg. Hunne tenten opgeslagen hebbende en zich daar legerend
-maakten zij zich tot den aanval gereed.
-
-De lieden der stad voor het eerst zulk een prachtig leger, dat zoo goed
-ingericht was, onder zulk eene uitmuntende discipline stond, en in zoo
-schitterende wapenrusting zijn vliegende vaandels ontplooide,
-bemerkende, konden niet anders doen dan onmiddellijk hunne woningen
-verlaten om het aan te staren. Maar de listige vos Diábolus, die bang
-was, dat zijn volk bij dit gezicht op een plotselinge opeisching der
-stad de poorten zou openen en de kapiteins binnenlaten, kwam in alle
-haast uit zijn kasteel en liet hen terugtrekken naar het midden der
-stad, waar hij deze leugenachtige en bedriegelijke redevoering tot hen
-hield:
-
-„Mijneheeren,” zeide hij; „ofschoon gij mijn getrouwe en veel geliefde
-vrienden zijt, kan ik toch niet nalaten u eene kleine bestraffing te
-geven wegens uwe onvoorzichtige handelwijze, daar gij uit uwe woningen
-zijt gegaan om te kijken naar dat groote en machtige leger, dat sedert
-gisteren zich hier heeft vertoond en een beleg gaat beginnen tegen de
-vermaarde stad Menschziel. Weet gij wel wie ze zijn, vanwaar ze komen en
-wat hun oogmerk is met onze goede stad? Zij zijn het, van wie ik u reeds
-lang geleden heb verteld, dat zij komen zouden om deze stad te
-vernielen, en tegen wie ik u van top tot teen gewapend heb, en deze
-groote sterkten heb opgericht. Waarom hebt gij dan niet veel eer zelfs
-bij hunne eerste verschijning het uitgeschreeuwd, de vuurbakens
-aangestoken en de geheele stad in alarm gebracht, opdat wij allen in
-staat van verdediging geraakten en hen met groote verachting en
-tegenweer ontvangen hadden? Dan hadt gij u mannen getoond naar mijn
-hart, terwijl door hetgeen gij gedaan Hebt, gij mij bijna bevreesd
-gemaakt hebt -- ik zeg bijna bevreesd -- dat wanneer wij en zij eens
-vlak tegenover elkander komen te staan, ik bij u gebrek aan moed zal
-ontdekken om het tegen dien vijand uit te houden. Waarvoor heb ik
-bevolen dat er patrouilles zouden rondloopen en dat gij uwe wachten aan
-de poort verdubbelen zoudt? Waarom heb ik getracht u zoo hard te maken
-als ijzer, en uwe harten als een stuk van een molensteen? Was dat, naar
-uwe meening, opdat gij u als vrouwen aanstellen zoudt, en dat gij als
-een troep onnoozelen naar uwe doodvijanden zoudt gaan staan kijken?
-Foei, foei, stelt u in staat van tegenweer, roert de trom, loopt samen
-als dappere krijgers, opdat uwe vijanden mogen weten, dat gij mannen
-zijt en dat zij nog heel wat te doen zullen hebben eer zij deze stad
-Menschziel in hun bezit krijgen.”
-
-[Afbeelding: DIÁBOLUS BESTRAFT MENSCHZIEL.]
-
-„Ik zal nu ophouden met u te bestraffen en niet meer op u schelden, maar
-dan eisch ik ook, dat ik voortaan zulke dingen niet meer zie. Laat
-voortaan niemand uwer, zonder eerst bevel van mij ontvangen te hebben,
-het wagen zijn hoofd over den muur te steken. Gij hebt mij nu gehoord,
-doet wat ik u bevolen heb en dan zal ik veilig in uw midden blijven
-wonen, en zorg voor u dragen als voor mijzelven in alles wat onze
-veiligheid en heerlijkheid bevorderen kan. Vaarwel!”
-
-Nu werden de mannen van Menschziel zeer ontroerd; ’t was of eene
-panische schrik hen allen had bevangen; zij draafden maar onophoudelijk
-door de straten van Menschziel, luid roepende: „Help! Help! Deze mannen,
-die de wereld in oproer gebracht hebben, zijn ook hier gekomen.” Niemand
-hunner kon zich voortaan meer rustig houden, maar voortdurend riepen en
-schreeuwden zij als mannen, die van hun zinnen beroofd waren: „De
-verwoesters van onzen vrede en van ons volk zijn hier gekomen!” Dit
-hoorde Diábolus. „Ha!” zeide hij bij zichzelven, „zoo gaat het goed; zoo
-wilde ik het hebben; nu toonen zij dat zij aan hun vorst gehecht zijn!
-Houd u maar zoo,” riep hij, „en laat ze dan de stad eens innemen als ze
-kunnen!”
-
-Eer nu ’s konings leger drie dagen voor Menschziel had gelegen, beval
-kapitein Boanerges zijn trompetter naar de Oorpoort te gaan, en daar in
-naam van den grooten El-Schaddaï de stad Menschziel op te eischen om
-gehoor te geven aan de boodschap, die hij in zijns Meesters naam tot
-haar bracht. De trompetter, wiens naam was: „Ziet toe hoe gij hoort”
-ging heen zooals hem geboden was naar de Oorpoort en blies daar op zijne
-trompet om gehoor, maar er was niemand, die voor den dag kwam of eenig
-antwoord gaf, of uitkeek, want zoo had Diábolus het geboden.
-
-Zoo keerde dan de trompetter tot zijn kapitein terug en vertelde hem wat
-hij gedaan had en hoe hij was gevaren, waarover de kapitein zeer
-bedroefd was, maar hij verzocht den trompetter naar zijne tent te gaan.
-
-Weder zond kapitein Boanerges zijn trompetter naar de Oorpoort om daar
-gehoor te verzoeken; maar ze hielden zich weder stil, kwamen niet voor
-den dag, noch wilden hem eenig antwoord geven, zoo nauwkeurig volgden
-zij het bevel van Diábolus hunnen koning op.
-
-Toen hielden de kapiteins en de andere veldoversten een krijgsraad om
-samen te overleggen wat verder te doen zij om Menschziel te bemachtigen;
-en nadat zij met elkander beraadslaagd hadden wat de inhoud van hun
-lastbrief hun in dezen gebood, zoo kwamen zij tot het besluit om door de
-hand van den voornoemden trompetter nog eenmaal te zenden, en voor de
-derde keer dezelfde oproeping te laten hooren. Maar zou deze opnieuw
-geweigerd worden of de stad zich voortdurend stil houden, dan bepaalden
-zij, en verzochten den trompetter dit ook aan de onwilligen mede te
-deelen, dat zij alle middelen, die in hunne macht stonden, zouden
-aanwenden om de ongehoorzamen met geweld onder het gezag van hunnen
-koning te doen bukken. [Luk. 14 : 23.]
-
-Zoo gebood dan kapitein Boanerges zijn trompetter weder naar de Oorpoort
-te gaan, en in naam van den grooten koning El-Schaddaï een luide
-sommatie te doen hooren om zonder dralen bij de Oorpoort te verschijnen
-ten einde aldaar gehoor te verleenen aan ’s konings voortreffelijkste
-kapiteins. De trompetter ging heen en deed wat hem bevolen was. Bij de
-Oorpoort blies hij op zijne trompet en deed eene derde oproeping aan
-Menschziel hooren. Hij zeide bovendien, dat indien zij weigerden aldus
-te doen, de kapiteins van zijn vorst met een krachtigen arm op hen
-zouden aanvallen en hen met geweld dwingen tot gehoorzaamheid. [Jes.
-58 : 1.]
-
-Toen stond de heer Vastewil op, hij, die gouverneur van de stad was, wij
-herkennen hem als dien afvallige over wien vroeger is gesproken, en die
-de poorten bewaakte. Met ruwe en trotsche woorden vraagde hij aan den
-trompetter wie hij was, vanwaar hij kwam, en wat wel de oorzaak zijn
-mocht, dat hij zulk een geweldig leven aan de poort maakte, zulke
-onverdragelijke woorden tot Menschziel sprekende.
-
-De trompetter antwoordde: „Ik ben een dienaar van den edelen kapitein
-Boanerges, generaal van het leger des grooten konings El-Schaddaï, tegen
-wien gij en de gansche stad Menschziel gerebelleerd hebt en uwe hand
-hebt opgeheven. Mijn meester, de kapitein, heeft een speciale boodschap
-voor deze stad, en tot u, als een van hare burgers; eene boodschap, die
-gij rustig zult moeten aanhooren of anders moet gij maar afwachten wat
-er komt.”
-
-Toen zeide de heer Vastewil: „Ik zal uwe woorden aan mijnen heer
-bekendmaken, en zal daarna hooren wat hij zegt.”
-
-Maar de trompetter antwoordde: „Onze boodschap is niet bestemd voor den
-reus Diábolus, maar voor de ellendige stad Menschziel; ook zullen wij er
-volstrekt niet op letten welk antwoord door hem wordt gegeven, noch door
-een ander in zijne plaats. Wij zijn naar deze stad gezonden om haar van
-onder zijn wreede tirannie te verlossen, en haar over te halen zich,
-zooals zij in vorige tijden deed, te onderwerpen aan den
-allervoortreffelijksten koning El-Schaddaï.”
-
-Toen zeide de heer Vastewil: „Ik zal uwe boodschap aan de stad
-overbrengen.”
-
-Toen riep de trompetter: „Heerschap, bedrieg ons toch niet, want door
-dat te doen fopt gij uzelven het meest.” Hij voegde daar nog bij: „Wij
-zijn besloten, als gij u niet langs een vreedzamen weg onderwerpt, u den
-oorlog aan te doen en door geweld ten onder te brengen.” En ten
-bewijze, dat ik u thans de waarheid zeg, zal het u een teeken zijn, dat
-gij de witte vlag met hare vurige brandende donderkogels morgen ochtend
-op den heuvel zult zien wapperen tot verachting van uwen vorst en tot
-een teeken van onderwerping aan uwen Heer en wettigen Koning.”
-
-[Afbeelding: KAPITEIN STRAFOEFENING.]
-
-Zoo keerde dan de heer Vastewil van de wallen terug, en de trompetter
-kwam in het kamp. Toen deze laatste in het kamp was teruggekeerd, kwamen
-al de kapiteins en officieren samen om van hem te weten te komen of hij
-gehoor bekomen had en wat de uitwerking van zijne boodschap was. De
-trompetter begon aldus: „Toen ik mijne trompet geblazen had en luid tot
-de stad om gehoor geroepen kwam de heer Vastewil, gouverneur der stad en
-bewaarder der poorten, voor den dag bij den klank mijner trompet en
-gluurde over den muur. Hij vraagde mij wie ik was, vanwaar ik kwam en
-waarom ik zooveel leven maakte. Zoo deelde ik hem mijne boodschap mede,
-op wiens gezag en in wiens naam ik sprak. Daarop ging hij eindelijk van
-mij af, zeggende: ik zal het aan de lieden der stad mededeelen.”
-
-Alsnu sprak de dappere Boanerges: „Laat ons nu een wijle stil op onze
-hoede liggen en zien wat deze oproermakers doen zullen.”
-
-Toen de tijd nu daar was, dat Menschziel aan den dapperen Boanerges en
-zijne medgezellen antwoord geven moest, werd bevolen, dat alle
-krijgslieden van het gansche leger van El-Schaddaï als een eenig man in
-de wapens zouden staan en zich gereed houden om, mocht de stad hooren,
-haar onmiddellijk in genade te ontvangen, en zoo niet, dan haar te
-dwingen tot onderwerping. Daar bliezen de trompetters door het gansche
-leger opdat alle krijgers gereed zouden wezen voor het werk van dien
-dag. Maar toen zij, die binnen de stad Menschziel waren, het geluid der
-trompetten vernamen in het legerkamp van El-Schaddaï, en daaruit
-opmaakten dat dit met geen ander doel geschiedde dan op de stad storm
-te loopen, geraakten zij in groote ontsteltenis des harten. Maar nadat
-zij zich weer een weinig hersteld hadden, maakten ook zij toebereidselen
-tot den oorlog om zich te verdedigen als die storm begon.
-
-In het uiterste oogenblik wilde nu Boanerges hun antwoord vernemen en
-zond zijn trompetter uit om Menschziel op te roepen tot het hooren der
-boodschap van El-Schaddaï. Deze ging uit en blies, en de mannen der stad
-kwamen voor den dag, maar maakten de Oorpoort zoo stijf vast als zij
-maar konden. Toen zij nu allen den muur beklommen hadden, begeerde
-kapitein Boanerges den burgemeester te zien, maar de heer Ongeloof was
-toen burgemeester, want hij was aangesteld in de plaats van
-Vleeschelijke Lust. Zoo kwam dan Ongeloof voor den dag en plaatste zich
-op den muur, maar toen kapitein Boanerges hem gezien had, riep hij uit:
-„Dat is hij niet. Waar is de heer Verstand, de oude burgemeester der
-stad Menschziel? Aan hem wilde ik mijne boodschap bekendmaken.” [Zach.
-7 : 11.]
-
-Toen sprak de reus, (want Diábolus was ook meêgekomen) tot den kapitein:
-„Heer hoofdman, gij hebt de vrijpostigheid gebruikt om Menschziel
-viermaal op te roepen tot onderwerping aan uwen koning, uit wiens naam
-en op wiens gezag, dat weet ik niet en daar wil ik ook niet over
-twisten. Maar ik vraag u wat de reden is van al dit rumoer, of wie gij
-wel zijt als gij uzelven kent?”
-
-Kapitein Boanerges, wiens kleuren zwart waren en wiens vaandel drie
-brandende donderbussen vertoonde, sloeg geen acht op den reus of op
-zijne woorden, maar richtte zich tot de stad Menschziel. „Laat het onder
-u bekend zijn”, zoo sprak hij, „o, ongelukkig en oproerig Menschziel,
-dat de genadigste van alle koningen, de groote Vorst El-Schaddaï, mijn
-Meester, mij tot u gezonden heeft met eene boodschap” (en dit zeggende
-liet hij aan het volk zijn grooten bezegelden lastbrief zien) „om u
-onder zijn gezag terug te brengen. Hij heeft mij bevolen, ingeval gij
-naar mijne roepstem wilt hooren, mij jegens u te gedragen alsof gij
-mijne vrienden en broeders waart; maar hij heeft evenzeer geboden, dat
-indien gij na de oproeping tot onderwerping, nog volhardt met uwe
-rebellie, wij trachten moeten ons met geweld van u meester te maken.”
-
-Toen stond kapitein Overtuiging op, en sprak (hij was het, die de bleeke
-kleuren droeg en een wijd geopend wetboek in zijne vlag had). Hoor, o
-Menschziel! Gij, o Menschziel, waart eens beroemd wegens uwe onschuld,
-maar nu zijt gij ontaard door leugen en bedrog. Gij hebt gehoord wat
-mijn broeder, kapitein Boanerges, gezegd heeft, en gij zult wijs wezen
-en het zal een geluk voor u zijn, als gij de vredesvoorwaarden aanneemt,
-die u aangeboden zijn, en dat nog wel door eenen tegen wien gij hebt
-gerebelleerd, een die de macht heeft u te verpletteren, want zulk een is
-El-Schaddaï onze koning. Wie kan bestaan voor zijnen toorn? Als gij
-zeggen wildet, dat gij niet gezondigd hebt noch oproerig tegen onzen
-koning gehandeld, dan zou uw gansche gedrag sedert den dag, dat gij zijn
-dienst verlaten hebt (en dat was reeds het begin van uwe zonde) tegen u
-getuigen. Wat beduidde dan toch uw luisterend oor naar den tiran, en
-waartoe hebt gij hem tot koning aangenomen? Waarom hebt gij de wetten
-van El-Schaddaï verworpen en zijt gehoorzaam geweest aan Diábolus? Ja,
-wat beduidt dit dan, dat gij de wapens hebt opgevat en de poorten
-gesloten voor ons, den getrouwe dienaren van uwen koning? Laat u dan
-raden en neemt mijns broeders uitnoodiging aan, en laat den tijd van
-genade niet voorbijgaan, maar onderhandelt spoedig met uwe tegenpartij.
-Ach, Menschziel! Laat toch niet toe, dat gij van de genade vervallen
-zoudt en in duizend ellenden geraken door het vleiend gesnap van
-Diábolus! Misschien zal die aartsleugenaar en bedrieger nog trachten u
-te doen gelooven, dat wij ons eigen voordeel zoeken in dezen onzen
-dienst; maar weet, dat het alleen gehoorzaamheid aan onzen Koning en
-liefde tot uw geluk is, dat ons tot deze onderneming heeft gebracht.
-[Rom 3 : 10, 19-23; 16 : 17, 18.] [Ps. 50 : 21, 22.] [Luk. 12 : 58, 59.]
-
-„Verder zeg ik u, o, Menschziel, merk toch eens op of het niet een
-wonderbare genade is, dat El-Schaddaï zich zoo diep vernedert als hij
-doet: waar hij nu door ons als tusschenpersonen tot u spreekt in den weg
-van onderhandeling en der liefelijke overtuiging, opdat gij u aan hem
-zoudt onderwerpen. Heeft hij u zoo noodig als wij er zeker van zijn, dat
-gij hem behoeft? Neen, neen; maar hij is genadig, en wil niet dat
-Menschziel sterve, maar tot hem wederkeere en leve.” [2 Cor. 5 :
-18-21.]
-
-[Afbeelding: DE REDE VAN ONGELOOF.]
-
-Toen stond kapitein Oordeel op, die de roode kleuren droeg en die op
-zijn vaandel had een brandenden oven. Hij sprak aldus: „O, gij inwoners
-van Menschziel, die zoolang in opstand en verraad geleefd hebt tegen
-koning El-Schaddaï, weet, dat wij heden niet uit onszelven op deze
-plaats komen, en met eene boodschap, die wij zelf hebben bedacht of om
-onszelven op u te wreeken; het is de koning, mijn Meester, die ons
-gezonden heeft om u tot zijne gehoorzaamheid weder te brengen. Weigert
-gij langs een vreedzamen weg, dan zijn wij verplicht u daartoe te
-dwingen. Denkt nooit bij uzelven, noch duldt dat de tiran Diábolus u
-overhale om te denken, dat onze koning niet in staat is u neder te
-werpen en u onder zijne voeten te leggen; want Hij is de formeerder van
-alle dingen en als Hij de bergen aanraakt rooken zij. Ook zal de poort
-van ’s konings barmhartigheid niet altijd open staan, want de dag, die
-branden zal als een oven, staat voor de deur, ja, hij haast om te komen
-en sluimert niet.
-
-„O, Menschziel, is het gering in uwe oogen, dat onze koning u genade
-laat aanbieden en dat na zoo vele waarschuwingen? Ja, hij steekt nog
-zijn gouden schepter u toe, en wil nog zijn toorn niet tegen u loslaten;
-zult gij hem tergen tot hij dat doet? Zoo ja, let dan op hetgeen ik zeg:
-voor u is die poort niet eeuwig open. Als gij zegt: „Gij zult Hem niet
-aanschouwen, daar is nochtans gerichte voor zijn aangezicht, wacht gij
-dan op Hem; ja omdat er grimmigheid bij Hem is, wacht u, dat Hij u
-misschien niet als met éen klop wegstoote, zoodat u een groot rantsoen
-daar niet van af zou kunnen brengen.” Zou Hij uwen rijkdom achten, dat
-gij niet in benauwheid zoudt zijn, of eenige versterking van kracht?
-Neen, neen, geen goud of rijkdom of geweld. Hij heeft zijn troon bereid
-ten gerichte, want ziet de Heere zal met vuur komen, en zijne wagenen
-zijn als een wervelwind, om met grimmigheid zijnen toorn hiertoe te
-wenden, en zijne scheldingen met vuurvlammen. Zie derhalve toe, o
-Menschziel, opdat niet, nadat gij het oordeel de goddeloozen vervuld
-hebt, hij kome en u aangrijpe met oordeel en gerichten.” [Job. 36 : 17,
-18.] [Ps. 9 : 8.] [Jes. 66 : 15.]
-
-Terwijl kapitein Oordeel zijne toespraak tot Menschziel hield werd door
-sommigen opgemerkt, dat Diábolus sidderde, maar hij ging met zijne
-aanspraak voort en sprak: „O, gij ellendige Menschziel, wilt gij nog uwe
-poorten niet openzetten om ons te ontvangen, de afgezanten van uwen
-koning, en die er zich in verheugen zouden als zij u zagen leven? Zal uw
-hart bestaan en zullen uwe handen het uithouden in den dag, dat hij met
-u in het gezicht zal treden? Ik zeg, kunt gij het verdragen als gij
-gedwongen zult worden uit te drinken, als ware het zoete wijn, die zee
-van toorn, welke de koning voor Diábolus en zijne engelen bereid heeft?
-Bedenk deze dingen en doe dat bijtijds.” [Ezech. 22 : 14.]
-
-Toen stond op de vierde kapitein, de edele hoofdman Strafoefening, en
-sprak: „O, gij stad Menschziel! eertijds beroemd, maar nu gelijk aan een
-onvruchtbare tak; eenmaal het vermaak van den Allerhoogste, maar nu een
-hol van Diábolus, hoor ook naar mij en luister naar de woorden, die ik
-spreken zal in den naam van den grooten El-Schaddaï. Zie, de bijl ligt
-reeds aan den wortel der boomen: alle boom, die geen goede vrucht
-voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen. [Matth. 3 :
-7-10.]
-
-„Gij, o stad Menschziel, zijt tot dusverre zulk een onvruchtbare boom
-geweest, gij droegt niets dan doornen en distelen. Uw kwade vruchten
-toonen het duidelijk, dat gij geen goede boom zijt, uwe druiven zijn
-druiven van gal, hunne beziën zijn bitter. Gij hebt tegen uwen koning
-gerebelleerd, en o wee! de kracht en macht van El-Schaddaï zijn de bijl,
-die aan uwen wortel is neergelegd. Wat zegt gij? Wilt gij omkeeren? Ik
-herhaal het: zeg mij eer de eerste slag valt: wilt gij wederkeeren? Onze
-bijl moet eerst bij den wortel worden gelegd vóor hij nog aan den wortel
-raakt: eerst moet ik dien bijl bij uwen wortel leggen bij wijze van
-waarschuwing voor hij aan den wortel raakt als eene strafoefening. En
-daartusschen in wordt de tijd, u tot bekeering gegund, begrensd -- dit
-is al de tijd, dien gij nog hebt. Wat wilt gij doen? Wilt gij u
-overgeven of zal ik slaan? Als ik mijn bijl laat vallen, Menschziel, dan
-gaat gij onder, want ik heb in last niet slechts den bijl bij den boom
-neer te leggen, maar ook toe te slaan, niets zal dit vonnis kunnen
-voorkomen dan uwe overgave aan onzen koning. Wat zal er dan anders van u
-worden, o Menschziel, indien genade het niet verhindert, dan dat gij
-uitgehouwen en in het vuur geworpen wordt? [Deut. 32 : 32.]
-
-[Afbeelding: DE EERSTE AANVAL OP OORPOORT.]
-
-„O, Menschziel, geduld en verdraagzaamheid duren niet eeuwig: ze mogen
-een jaar twee, drie kracht doen, maar als men drie jaren lang in opstand
-leeft (en het is bij u al veel langer) dan volgt niets dan: „Houw hem
-af:” of, „Gij zult hem namaals uithouwen!” En durft gij waarlijk denken,
-dat dit maar bedreigingen zijn, of dat onze koning zijn woord niet
-volbrengt? O Menschziel, gij zult bevinden dat in de woorden van onzen
-koning, wanneer zij door zondaars licht geacht worden niet alleen
-bedreigingen, maar gloeiende kolen opgesloten liggen. Gij zijt tot
-hiertoe een dorre boom geweest, wilt gij voortgaan dat te blijven? Uwe
-zonden hebben dit leger voor uwe wallen gebracht, en dat zal het oordeel
-der verwoesting in uwe stad brengen Gij hebt gehoord wat de kapiteins
-gezegd hebben, maar tot op dit oogenblik sluit gij uwe poorten. Spreek
-op, Menschziel, wilt gij zoo voortgaan -- of wilt gij de
-vredesvoorwaarden aannemen?” [Luk. 13 : 7, 9.]
-
-Maar de stad Menschziel weigerde deze uitnemende toespraken van die
-vier dappere generaals te hooren; ofschoon wel eenige klank daarvan
-tegen de Oorpoort sloeg, zoo kon de kracht daarvan die toch niet
-openbreken. Eindelijk begeerde de stad nog eenigen tijd om op deze
-opeisching te antwoorden. De kapiteins zeiden, dat indien die van de
-stad Kwaderust tot hen wilden uitwerpen, opdat zij hem loon naar werk
-mochten geven, haar dan nog eenigen tijd tot overleg zou gegeven worden.
-Maar zoo zij dien niet over den muur wierpen, dan zou haar ook geen tijd
-meer gegund zijn. „Want”, zeiden zij, „wij weten, dat zoolang deze
-Kwaderust in Menschziel ademt, alle goede overleggingen zullen worden
-afgebroken en niets dan schade en ellende volgen.”
-
-Toen besloot Diábolus, die daar eveneens tegenwoordig was, en nu in
-vrees verkeerde dat hij Kwaderust zijn redenaar verliezen zou, zelf aan
-de kapiteins des konings antwoord te geven. Maar eensklaps van gedachte
-veranderend beval hij aan den burgemeester, den heer Ongeloof, dit te
-doen, zeggende: „Mijnheer, geef gij aan dit boevengespuis eens antwoord
-en spreek zoo luid, dat heel Menschziel u kan hooren en verstaan.”
-
-Zoo begon dan Ongeloof op Diábolus bevel en sprak:
-
-„Mijne heeren, gij hebt, zooals wij gewaar worden, u hier tegen ons
-gelegerd om onzen vorst te verontrusten en onze stad te beleedigen: maar
-vanwaar gij komt willen wij niet weten en wat gij zegt willen wij niet
-gelooven. Inderdaad gij vertelt ons in uwe verschrikkelijke
-redevoeringen, dat gij dit gezag ontleent aan El-Schaddaï, maar met welk
-recht gij dit doet, willen wij niet weten. Gij hebt alzoo op dat
-voornoemde gezag deze stad gesommeerd om haren heer vaarwel te zeggen en
-zich onder de hoede van den grooten El-Schaddaï, uwen koning, over te
-geven. Gij vertelt haar leugenachtige dingen, namelijk, dat hij haar,
-als zij zich overgeeft, alle gedane beleedigingen wil vergeven. Verder
-hebt gij, om de stad Menschziel bang te maken, gedreigd met groote en
-jammerlijke verwoestingen, waarmede zij dan zou gestraft worden als zij
-naar uwe woorden niet luistert. Welnu, kapiteins, vanwaar gij dan ook
-komt, en al zijn uwe bedoelingen dan ook nog zoo recht en goed, toch
-moet gij weten, dat noch koning Diábolus, noch ik, zijn dienaar
-Ongeloof, noch iemand uit ons dapper Menschziel eenigszins acht slaat op
-uwe personen, uwe boodschap, of den koning, dien gij zegt dat u gezonden
-heeft. Wij vreezen zijne macht, zijne grootheid en zijne wraak niet en
-willen ons op uwe sommatie niet overgeven. Wat den oorlog aangaat, dien
-gij ons wilt aandoen, daarin zullen wij ons verdedigen zoo goed wij
-kunnen. Weet, dat wij niet stil zullen zitten bij die verdediging. En nu
-om kort te gaan, want ik wil niet lang tot u spreken, ik verklaar u dat
-wij u aanzien voor een partij landloopers en vagebonden, die, alle
-gehoorzaamheid aan uwen koning uitgeschud hebbende, u samen hebt
-vereenigd om het land af te loopen en van plaats tot plaats te trekken
-ten einde u best te doen, eenerzijds door pluimstrijkende woorden (want
-daarin zijt gij zeer geoefend), anderzijds door bedreigingen, de eene of
-andere onnoozele stad of vesting of dorpsbuurt te verschalken, zoodat
-zij zich aan u overgeven. Maar daaronder behoort Menschziel waarlijk
-niet. Ten slotte dus: wij vreezen u niet, wij gelooven u niet en wij
-willen aan uwe oproeping geen gevolg geven. Wij sluiten onze poorten
-voor u toe en zullen u buiten onze stad houden. Ook willen wij niet
-langer dulden, dat gij daar voor ons u nederslaat; want ons volk moet
-rustig leven en uwe verschijning mag het niet verontrusten. Gaat daarom
-maar heen, scheert u weg met pak en zak of anders schieten wij eens
-eenige kogels op u af, die u dat wel leeren zullen!” [Luk. 11 : 21, 22.]
-
-Deze rede van den ouden Ongeloof, werd ondersteund door den diepbedorven
-Vastewil in woorden als deze: „Heeren, wij hebben gehoord wat gij vraagt
-en al de drukte uwer bedreigingen en het geklank van uwe sommatie; maar
-wij vreezen uwe sterkte niet, wij letten niet op uwe bedreigingen, maar
-blijven stil en rustig wat wij waren. Wij gelasten u bovendien, dat gij
-binnen drie dagen ophoudt u in ons gebied te vertoonen, anders zult gij
-weten wat het is den leeuw Diábolus wakker te maken, wanneer hij in
-zijne stad Menschziel slaapt!”
-
-[Afbeelding: DE TWEE KANONNEN.]
-
-De griffier Goedvergeter voegde er nog het volgende bij: „Mijne heeren,
-zooals gij bemerkt, hebben wij met beleefde en vriendelijke woorden uw
-lompe en nijdige toespraken beantwoord. Dat is uw geluk; maar ik hoorde
-ook dat mijne Meesters u bevel gaven spoedig en stil te vertrekken;
-maakt van die gunst gebruik en pakt u weg. Anders mochten wij eens naar
-buiten komen en op u aanvallen ten einde u de scherpte onzer zwaarden te
-doen gevoelen. Maar dat ligt niet in onzen aard, want evenals wij zelf
-van een stil en gerust leven houden, zoo hinderen wij ook anderen niet.”
-
-Toen juichte de gansche stad Menschziel van vreugde alsof door Diábolus
-en zijn gevolg al een groot voordeel op deze kapiteins was behaald. Zij
-luidden de klokken en liepen zingend en dansend langs de wallen.
-
-Diábolus keerde ook naar zijn kasteel terug, en de burgemeester en de
-griffier naar hunne woningen, maar de heer Vastewil droeg eerst nog
-bijzondere zorg, dat de poorten door dubbele wachten zouden bewaard
-worden en met dubbele grendels en bouten verzegeld. Vooral zorgde hij,
-dat de Oorpoort het zekerst gesloten bleef en nog veel versterkt werd,
-want daar zochten ’s konings heirlegers het eerst en het meest binnen te
-dringen. De heer Vastewil maakte zekeren ouden snaak Vooroordeel
-genaamd, een boosaardig en laatdunkend persoon, kapitein der wacht bij
-die poort en gaf hem zestig onderhoorige manschappen, die allen doof
-waren en daarom zeer geschikt voor dezen dienst, aangezien zij geen
-woord van de kapiteins en hunne soldaten verstonden.
-
-Daar nu de kapiteins het antwoord der groote heeren hadden vernomen en
-bemerkten, dat zij bij de oude inwoners der stad geen gehoor konden
-krijgen, dat bovendien Menschziel besloten was aan ’s konings leger slag
-te leveren, maakten zij zich gereed tot dien slag, om alzoo door een
-machtigen arm te trachten hun oogmerk te bereiken. Eerstens versterkten
-zij hunne legermacht tegen de Oorpoort, want zij wisten, dat zoo zij
-daar niet konden binnendringen er geen invloed op de stad viel uit te
-oefenen. Dit gedaan stelden zij de overige manschappen in hunne
-plaatsen; waarna zij als wachtwoord noemden: „~Gij moet wedergeboren
-worden~.” Toen bliezen zij op de trompetten en die van de stad
-beantwoordden dat geklank met schot op schot. Zoo ving dan de strijd
-aan. Nu hadden die van de stad op de Oorpoort twee groote kanonnen
-geplaatst; het eene heette Hooggevoelend en het andere Hardnekkig. Op
-deze twee stukken waren zij dan al zeer trotsch, ze waren in Diábolus
-kasteel door zijn eigen geschutgieter Opgeblazen gegoten, en ’t was
-waarlijk een kwaadaardig tuig. Maar de kapiteins waren zóo voorzichtig
-en waakzaam, dat ofschoon sommige kogels vlak langs hunne ooren vlogen,
-ze toch niemand raakten. De inwoners twijfelden niet of zij brachten
-door deze twee kanonnen El-Schaddaï’s leger heel wat schade toe en
-beveiligden hunne poort zeer; maar zij hadden geen reden op de
-uitwerking daarvan te roemen, gelijk uit het vervolg zal blijken.
-Behalve deze had de stad Menschziel nog enkele kleine stukjes geschut,
-die eveneens tegen het leger van El-Schaddaï werden gericht.
-
-Die van het leger evenwel vochten dapper, bezield met een vuur, dat
-eerst werkelijk dapperheid genoemd kon worden, en stormden op de stad en
-de Oorpoort los.[19] Zij wisten, dat ingeval zij deze niet openbraken
-het tevergeefs zou zijn, den muur te bestormen. Nu hadden ’s Konings
-kapiteins verscheidene slingers en twee of drie stormrammen
-medegebracht. Met deze groote slingers wierpen zij op de huizen en het
-volk der stad en met hunne stormrammen rammeiden zij de Oorpoort.
-
- [19] ~Op de oorpoort los~. -- Het geloof is uit het gehoor.
-
-Het leger en de stad hadden verscheidene schermutselingen en korte
-ontmoetingen met elkaêr, terwijl de kapiteins hunne krijgslisten te werk
-stelden om den toren, die tegenover de Oorpoort gebouwd was, open te
-breken of neder te werpen, en daardoor den ingang door de poort te
-bespoedigen. Maar Menschziel stond dit alles door; de woede van
-Diábolus, de dapperheid van den gouverneur Vastewil, het bestuur van den
-ouden burgemeester Ongeloof, en den griffier Goedvergeter hadden ten
-gevolge, dat het waarlijk wel scheen of al de kosten aan deze
-zomerexpeditie besteed verloren waren, en al het voordeel aan de zijde
-van Menschziel bleef. Maar toen de kapiteins zagen hoe de zaken stonden,
-trokken zij zich in goede orde terug en sloegen hunne winterkwartieren
-op. Nu moet gij ook weten, dat aan weerzszijden groote verliezen geleden
-werden, waarvan hier eene opnoeming volgt.
-
-Toen ’s konings kapiteins het hof verlieten en optrokken om tegen
-Menschziel te krijgen, ontmoetten hen drie jonge mannen, die er zeer
-krijgshaftig uitzagen. Het waren inderdaad ook zeer nette mannen vol
-moed en verstand. Zij wilden in het leger dienst nemen. Hunne namen
-waren Overlevering, Menschenwijsheid, Menschelijke uitvinding. Zoo
-stelden zij zich dan voor de kapiteins en boden hunne diensten aan
-El-Schaddaï aan. De kapiteins deelden hun voornemen mede en vermaanden
-hen toch niet al te ras met hunne dienstaanbieding te zijn; maar de
-jonge mannen antwoordden, dat zij alle zaken van tevoren hadden
-overgelegd, en dat zij, vernomen hebbende welk een tocht ’s konings
-kapiteins ondernamen, hen juist tegemoet waren gegaan om onder hen
-dienst te nemen.
-
-Daarom nam kapitein Boanerges, aangezien zij moedige mannen waren, hen
-aan in zijn gevolg en deelde hen in zijne compagnie in, zoodat zij mede
-in den oorlog trokken.
-
-Toen nu de oorlog begonnen was, deed een compagnie van den heer Vastewil
-uit een achterlaag der stad een uitval op de achterhoede van kapitein
-Boanerges, in welke korte maar scherpe schermutseling deze drie jonge
-lieden werden verrast en als gevangenen naar de stad gevoerd. De tijding
-daarvan werd aan Diábolus overgebracht en verheugde de lieden van zijn
-kasteel niet weinig.
-
-Toen liet Diábolus den heer Vastewil roepen om van hemzelven de
-zekerheid dezer zaak te kennen. Deze verhaalde hem alles. Daarna liet de
-reus de gevangenen komen en als zij gekomen waren vraagde hij hun
-vanwaar zij kwamen, wie zij waren en wat zij in het leger van
-El-Schaddaï te maken hadden; en dat vertelden zij hem. Toen zond hij hen
-naar de hoofdwacht terug. Niet vele dagen daarna liet hij hen weder
-roepen en vraagde hun of zij genegen zouden zijn hem te dienen en tegen
-hunne vroegere kapiteins te strijden. Zij verhaalden hem toen, dat zij
-niet zoozeer uit godsdienstige beweegredenen handelden dan wel naar de
-grillen van het noodlot en, daar zijn heerschap gewillig was hen te
-onderhouden, zij ook gewillig waren hem te dienen. Nu was er in
-Menschziel een zekere kapitein Iets of Neutraal, die veel te doen had in
-de stad; tot dezen kapitein zond Diábolus die jonge mannen met een
-eigenhandig schrijven, hetwelk aldus luidde:
-
-[Afbeelding: DE DERDE OPEISCHING DER STAD.]
-
-„Veelgeliefde Neutraal! Deze drie mannen, houders van den onderhavigen
-brief, hebben begeerte mij in den oorlog te dienen; daarom weet ik niets
-beters te doen dan hen onder uwe bevelen te plaatsen. Ontvang hen daarom
-in mijnen naam, en als gij hen noodig hebt, gebruik hen dan tegen
-El-Schaddaï en zijne mannen. Vaarwel!”
-
-Zoo kwamen zij dan en hij ontving hen, makende twee hunner
-onderofficier; maar Menschelijke uitvinding maakte hij zijn vaandrig.
-Maar laat ons naar het leger terugkeeren.
-
-Die van het leger behaalden ook eenige voordeelen op de stad. Zoo
-wierpen zij het dak in van het paleis des burgemeesters Ongeloof,
-waardoor hij veel meer bloot lag dan tevoren. Bijna hadden zij den heer
-Vastewil met een slinger ter aarde geworpen, maar hij stond weder op en
-bleef gespaard. De leden van den raad evenwel kwamen er minder goed af;
-de heeren Vloeker, Hoereerder, Boosheid, Leugenaar, Dronkenschap en
-Bedrieger werden met een enkel schot zwaar gewond. Zij maakten ook die
-twee kanonnen, welke op den toren van de Oorpoort stonden, onbruikbaar,
-en deden ze diep in den modder nederstorten.
-
-Het leger van El-Schaddaï had, zooals gezegd is, de winterkwartieren
-betrokken, en zich aldaar zoodanig verschanst, als dat voor hun koning
-het voordeeligst en voor den vijand het nadeeligst was, terwijl zij
-telkens groote beweging brachten in de stad Menschziel. En dit gelukte
-hun zoo uitnemend, dat zij den belegerden heel wat overlast aandeden.
-Want nu kon Menschziel in het geheel niet meer zoo gerust slapen als
-tevoren, ook konden zij niet meer in stille gerustheid als eertijds
-hunne drinkgelagen houden; want van uit het legerkamp van El-Schaddaï
-kwamen zoo menigvuldige, luide en verschrikkelijke alarmkreten, nu eens
-aan de eene poort en dan aan eene andere, ook soms wel aan alle poorten
-tegelijk, dat al hun vroegere vrede verbroken was. Ja, deze beroeringen
-waren zóo menigvuldig, en wel in den tijd dat de nachten het langst en
-de koude het strengst waren, dat die winter de lieden van Menschziel
-heugen zou. Nu eens klonken alleen de trompetten en dan weder waren deze
-vergezeld van geweldige slingersteenen, die in de stad geworpen werden.
-Somtijds marcheerden tienduizend van ’s konings soldaten rondom de
-stadsmuren, en dat wel te middernacht, terwijl zij onophoudelijk schoten
-en krijgsgeschreeuw aanhieven. Dan weer werden enkelen in de stad gewond
-en hun geroep en klagelijk schreeuwen werd in de stad vernomen tot haar
-groote ongerustheid. Ja, zij werden zóo benard door hen, die hen
-ingesloten hielden, dat ik gerust durf beweren, dat zelfs de rust van
-Diábolus in die dagen menigmaal werd verstoord.
-
-In deze dagen begonnen, naar mij bericht werd, verscheidene gemoederen
-binnen Menschziel verontrust te worden door allerlei gedachten,
-overleggingen en denkbeelden. Sommigen zeiden: „Dat is op die manier
-geen leven.” Anderen antwoordden: „O, ’t zal wel spoedig weer overgaan.”
-Dan stond een derde op en sprak: „Laat ons tot Koning El-Schaddaï
-terugkeeren en daardoor een eind maken aan al deze ellende”, terwijl
-weer een vierde met de vrees voor den dag kwam: „Zou hij ons wel willen
-vergeven!” Daarbij kwam, dat die oude heer griffier, die griffier was
-eer Diábolus de stad nam, ook hoe langer hoe harder begon te praten, en
-zijne woorden klonken nu het volk van Menschziel als sterke donderslagen
-in de ooren. Geen geluid was nu zoo ontzettend voor Menschziel als zijne
-stem vereenigd met het schieten en de alarmkreten der kapiteins.
-
-Nu begon er ook gebrek in Menschziel te komen, daar de dingen, die hare
-ziel zich eertijds gelusten liet van haar waren weggenomen. Al hare
-begeerlijke dingen waren omfloersd en daar was verbranding in plaats van
-schoonheid. Rimpels en schaduwen des doods waren op de inwoners. O, hoe
-verheugd zou nu Menschziel geweest zijn als zij maar rust en vrede had
-gehad, al had zij in armoede moeten leven! [Luk. 15 : 14, 15.]
-
-De kapiteins lieten nu midden in den winter door den mond van Boanerges
-trompetter nog eene opeisching tot Menschziel komen, om zich toch aan
-den koning, den grooten koning El-Schaddaï, over te geven. Zij deden dit
-eenmaal en andermaal en ten derden male, nog altijd hopende, dat
-Menschziel gewillig mocht worden bevonden om zich over te geven op eene
-vriendelijke uitnoodiging. Ja, mij is zelfs verteld, dut de stad
-gewillig zou geweest zijn om zich over te geven op dit oogenblik, als
-niet de oude heer Ongeloof zich daartegen had verzet en de heer Vastewil
-niet zoo wankelend in zijn besluiten ware geweest. Ook Diábolus begon te
-razen. Op die manier waren zij volstrekt niet eensgezind omtrent de
-overgave der stad; daarom bleven zij in hunne droefheid en in hunne
-vreeze liggen.
-
-[Afbeelding: ONGELOOF BRENGT VERSLAG UIT.]
-
-Ik zeide dat de kapiteins tot driemaal over een trompetter zonden. De
-eerste maal kwam deze met woorden van vrede, hun zeggende, dat de edele
-kapiteins van El-Schaddaï medelijden hadden met de ellende der arme stad
-Menschziel, die haar eigen geluk en welvaren in den weg stond. Hij zeide
-bovendien, dat de kapiteins hem hadden gelast mede te deelen, dat als de
-arme stad zich wilde overgeven en zich vernederen, al hare afdwalingen
-en haar opstand zouden worden vergeven en vergeten, en haar nog op het
-gemoed gedrukt hebbende, dat zij toch zichzelve niet langer zou in den
-weg staan of zelf de oorzaak wezen, dat zij jammerlijk omkwamen, zoo
-keerde hij terug naar het kamp.
-
-De tweede maal dat de trompetter kwam, behandelde hij haar een weinig
-harder, want na geblazen te hebben deelde hij haar mede, dat haar
-voortgezette halsstarrigheid den geest der kapiteins verbitterde, en dat
-zij besloten waren de stad Menschziel in te nemen of voor hare muren te
-sterven.
-
-De derde keer sprak hij nog harder woorden on verhaalde, dat waar zij
-zoo ontzettend goddeloos bleef, hij nu niet zeker meer wist of de
-kapiteins tot barmhartigheid of tot oordeel gestemd waren. Zij hadden
-hem alleen de boodschap meegegeven: „Beveel de stad, dat zij de poorten
-opent!” Daarna keerde hij zich om en ging weder naar het leger terug.
-
-Deze drie opeischingen, en voornamelijk de laatste twee, verschrikten de
-stad zoozeer, dat er dadelijk eene raadsvergadering belegd werd, waarvan
-de uitslag was, dat de heer Vastewil zich naar de Oorpoort zou begeven
-om daar bij trompetgeschal de kapiteins tot een mondgesprek uit te
-noodigen. Dit gebeurde; de heer Vastewil blies de trompet en de
-kapiteins kwamen in hunne harnassen met al hunne tienduizenden, die
-hunne voetstappen volgden. Toen vertelden de lieden der stad aan de
-kapiteins, dat zij hunne opeischingen hadden gehoord en dat zij met hen
-en hunnen koning El-Schaddaï wilden onderhandelen op de artikelen en
-voorwaarden, die zij op last van hun vorst thans wilden vaststellen, en
-die hierop moesten uitloopen, dat zij éen volk met hen worden zouden.
-
-Die voorwaarden luidden:
-
-1^{e}. Dat de tegenwoordige burgemeester Ongeloof met den heer
-Goedvergeter en den dapperen Vastewil onder koning El-Schaddaï de
-bestuurders der stad zouden blijven en in hunne tegenwoordige ambten
-bevestigd worden.
-
-2^{e}. Dat niemand, die tegenwoordig onder den reus diende, door
-El-Schaddaï zou worden weggejaagd of uit huis en haard verdreven, noch
-eenigszins in de vrijheid gekrenkt, die hij tot dusverre onder Diábolus
-had genoten.
-
-3^{e}. Dat aan al de burgers der stad zou worden vergund de privilegiën
-en rechten te behouden, die hun eertijds vergund waren en waaronder zij
-nu onder Diábolus zoo lang geleefd hadden, die hun eenige heer en
-beschermer al dien tijd geweest was.
-
-4^{e}. Dat geen nieuwe wetten zouden worden ingesteld, noch
-gerechtsdienaren of andere beambten onder hen aangesteld, zonder hun
-eigen keus en goedvinden.
-
-„Dit zijn nu onze vredesvoorwaarden, en alleen op die voorwaarden willen
-wij ons aan uwen koning onderwerpen.”
-
-Maar toen de kapiteins deze geringe toegeefelijkheid en deze hooge en
-trotsche eischen hadden gehoord, waren zij volstrekt niet tevreden en
-hielden bij monde van kapitein Boanerges de volgende toespraak:
-
-„O, gij inwoners van Menschziel, toen ik uwe trompet hoorde klinken om
-met ons een mondgesprek te houden, was ik inderdaad zeer blijde. Toen
-gij daarop zeidet, dat gij gewillig waart u aan onzen koning te
-onderwerpen was ik nog meer verheugd. Maar toen gij door uw zot geklap
-en onzinnige voorwaarden het struikelblok uwer ongerechtigheden opnieuw
-voor uw aangezicht legdet, veranderde mijne vreugde in droefenis en de
-hoop op uwe onderwerping in smart en vrees.
-
-„Ik denk dat de oude Kwaderust, de geboren vijand van Menschziel, deze
-artikelen heeft opgesteld, die gij ons nu als vredesvoorwaarden
-voorhoudt; maar waarlijk zij mogen niet in de ooren klinken van eenigen
-mensch, die in dienst van koning El-Schaddaï staat of eenige betrekking
-op hem heeft. Daarom weigeren en verwerpen wij gezamenlijk, en dat wel
-met de hoogste verachting de ons voorgestelde artikelen als zijnde die
-de grootste der ongerechtigheden. [2 Tim. 2 : 19.]
-
-„Maar o Menschziel, wanneer gij uzelve in onze handen wilt overgeven, of
-beter gezegd in de handen van onzen koning, en het aan hem wilt
-overlaten zulke bepalingen voor u te maken als goed zullen wezen in
-zijne oogen, (en ik durf u verzekeren, dat ze door u als de beste en
-voordeeligste bevonden zullen worden) dan willen wij u aannemen, en met
-u in vrede leven; maar als gij uzelve niet in de handen van El-Schaddaï
-onzen koning wilt toevertrouwen, dan blijft alles zooals het is en
-zullen wij weten wat wij te doen hebben.”
-
-Toen riep de oude Ongeloof, de burgemeester der stad, luide van den
-muur, en zeide: „Wie zou er zoo dwaas zijn, die, zooals wij nu, uit de
-handen van zijne vijanden verlost is, om dan het heft uit eigen hand te
-geven en zich in den blinde aan een onbekende te onderwerpen? Ik voor
-mij zal nooit in zulk een onbepaald voorstel toestemmen. Kennen wij het
-karakter en de handelwijze van dien koning? Door sommigen wordt gezegd,
-dat hij boos tegen zijne onderdanen is, wanneer zij maar een haarbreed
-van den weg afwijken, dien hij hun voorschrijft; en anderen beweren, dat
-hij veel meer van hen eischt dan zij volbrengen kunnen. Daarom komt het
-mij voor, o Menschziel, dat gij goed moet overleggen wat u in dezen te
-doen staat, want als gij u aan een anderen hebt overgegeven zijt gij uw
-eigen heer en meester niet meer. Uzelven over te geven aan een bepaald
-gezag is de grootste dwaasheid der wereld, want gij zoudt er u stellig
-over berouwen, maar nooit recht hebben u er over te beklagen. Weet gij
-nu wel, wanneer gij de zijne zijt geworden, wie van u hij zal dooden en
-wie hij in het leven zal behouden, en of hij wellicht niet ons allen om
-het leven zal brengen en uit zijn land een nieuw volk zenden om deze
-stad te bewonen?”
-
-[Afbeelding: OUDE ONGELOOF AANGEVALLEN DOOR VERSTAND.]
-
-Deze toespraak van den burgemeester ontstelde hen allen en wierp al hun
-grond der hope op een accoord omver. Daarom keerden de kapiteins terug
-naar hunne tenten en de burgemeester naar het kasteel van zijn Koning.
-
-Diábolus wachtte daar reeds zijne terugkomst af, want hij had gehoord,
-dat er eene ontmoeting had plaatsgevonden. Zoodra hij de kamer
-binnenkwam groette Diábolus hem met een: „Welkom, edele heer! Wat heeft
-er heden plaatsgevonden?” Daarop vertelde de heer Ongeloof hem met
-gedempte stem de geheele zaak, zeggende: „Zóo en zóo spraken de
-kapiteins, en zóo en zóo heb ik gesproken.” Diábolus was zeer blijde dit
-te hooren en zeide: „Mijn waarde burgemeester, mijn getrouwe heer
-Ongeloof; ik heb altijd op uwe trouw gerekend en die nog nooit valsch
-bevonden. Ik beloof u, dat als wij dezen berg overkomen, een veel
-heerlijker betrekking dan die van Menschziels burgemeester u zal ten
-deel vallen. Ik zal u mijn algemeenen afgezant maken, ambassadeur aan
-alle hoven, ja wat meer zegt, gij zult de eerste na mij zijn en alle
-natiën regeeren. Gij zult hun banden aanleggen naar uwen lust, en
-niemand mijner vasallen zal meer vrijheid genieten dan die in uwe
-ketenen wil wandelen.”
-
-Nu trad de burgemeester uit het paleis van Diábolus alsof hij een groote
-gunst ontvangen had, waarom hij met groote deftigheid daarheen ging en
-zichzelven reeds vleide met de schitterende verwachtingen, die hij nu
-koesterde.
-
-Doch terwijl de burgemeester en Diábolus het aldus best samen eens
-waren, bracht dit afwijzen der dappere kapiteins Menschziel tot
-muiterij. Want terwijl de oude Ongeloof het kasteel binnenging om met
-zijn meester te raadplegen, kwamen de oud-burgemeester, die vóor
-Diábolus in Menschziel kwam aan het hoofd stond, namelijk de heer
-Verstand, en de oude griffier Geweten in de stad om kennis te nemen van
-hetgeen aan de Oorpoort had plaats gegrepen. Gij moet weten, dat zij
-niet hadden mogen tegenwoordig zijn bij de beraadslagingen, die gehouden
-waren, anders zouden zij voorzeker ten gunste der kapiteins gesproken
-hebben; maar nu kwamen zij om te vernemen wat er gebeurd was. Daarna
-verzamelden zich enkelen uit de stad rondom hen en die brachten hun aan
-het verstand hoe verstandig en zedelijk de eisch der kapiteins was en
-welke slechte gevolgen voortspruiten zouden uit de verwaande woorden van
-den ouden Ongeloof, den burgemeester, die zoo weinig eerbied had getoond
-voor de kapiteins en hun koning, en hoe hij hen allen onnoozel weg van
-ontrouw en verraad beschuldigde. „Want wat minder dan dat”, zeiden zij,
-„kon uit zijne woorden worden afgeleid toen hij beweerde hun eisch niet
-te kunnen vervullen, en voegde daar nog bij dat de koning ons wilde
-vernielen waar hij ons tevoren betuigd had op zijn woord van eer, dat
-hij ons wilde genadig zijn?” De menigte werd daardoor overtuigd van het
-kwaad, dat de oude Ongeloof had aangericht, en begon saam te scholen op
-alle pleinen en op de hoeken van alle straten van Menschziel. Eerst
-begonnen zij te morren, daarna er openlijk over te spreken en daarna
-liepen zij uit alle macht rond al schreeuwende: „O, die dappere
-kapiteins van El-Schaddaï! Waren wij maar onder hun bestuur en onder dat
-van hunnen koning El-Schaddaï!” Toen de burgemeester er nu erg in kreeg
-dat Menschziel in opstand was, kwam hij neder om het volk te stillen, en
-vermeende hen met zijne fiere houding en zijn forsch voorkomen op
-eenmaal te bedaren; maar toen zij hem zagen, vielen zij op hem aan en
-zouden hem stellig een ongeluk hebben toegebracht, had hij zich niet in
-zijne woning teruggetrokken. Desniettemin belegerden zij met alle macht
-het huis waar hij was, om het boven zijn hoofd te laten instorten; maar
-het was een te sterk kasteel en daarom gelukte hun dit niet. Zoo greep
-hij dan weder moed, opende een venster en sprak van daar het volk op de
-volgende wijze aan:
-
-„Mijne heeren, wat is toch de reden, dat hier zulk een oproer is
-uitgebarsten?”
-
-Toen antwoordde de heer Verstand: „De reden is, dat gij en uw meester
-niet recht hebt gehandeld, en niet naar behooren tot de kapiteins van
-El-Schaddaï hebt gesproken. In drie dingen hebt gij verkeerd gedaan. Het
-eerste is, dat gij den heer Geweten en mijzelven niet hebt opgeroepen om
-naar uw gesprek te hooren. Het tweede, dat gij zulke vredesvoorwaarden
-aan de kapiteins hebt voorgesteld, die zij onmogelijk konden aannemen of
-hun El-Schaddaï moest maar vorst in naam wezen, en Menschziel zou de
-macht behouden om in alle wetteloosheid en ijdelheid te leven, en dus
-zou daar uit volgen, dat Diábolus hier toch koning bleef; Diábolus
-koning in werkelijkheid en de andere alleen koning in naam. En het derde
-is, dat gij nadat de kapiteins ons getoond hadden op welke voorwaarden
-zij ons wilden aannemen, gij met uwe zoutelooze, goddelooze en ongepaste
-redeneering alles weer hebt omvergeworpen.”
-
-[Afbeelding: VERSTAND EN GEWETEN GEVANGEN GENOMEN.]
-
-Toen de oude Ongeloof deze toespraak gehoord had riep hij: „Verraad!
-Verraad! Te wapen! Te wapen! o gij alle getrouwe vrienden van Diábolus
-binnen Menschziel!”
-
-Verstand sprak toen: „Mijnheer, gij kunt aan mijne woorden de beteekenis
-hechten, die u behaagt, maar ik ben zeker dat de kapiteins van zulk een
-voornaam heer eene betere behandeling van u verdiend hadden.”
-
-Daarop antwoordde de oude Ongeloof: „Dit is maar weinig beter. Maar
-heerschap, wat ik sprak, dat sprak ik voor mijn vorst, voor zijne
-regeering en tot rust van het volk, dat gij door uwe onwettige
-handelingen dezen dag tegen ons hebt opgezet.”
-
-Toen antwoordde de oude Griffier, wiens naam Geweten was, en zeide:
-„Heerschap, gij mocht wel niet zooveel afdingen op hetgeen de heer
-Verstand gesproken heeft, want het is zeer duidelijk, dat hij de
-waarheid heeft gesproken en dat gij een vijand van Menschziel zijt. Wees
-dan overtuigd van de boosheid en verkeerdheid uwer stoute en vermetele
-taal, en van de droefheid, die gij den kapiteins hebt aangedaan, en niet
-het minst van de schade, die gij daardoor aan Menschziel hebt berokkend.
-Hadt gij de voorwaarden aangenomen, het geklank der trompetten en het
-krijgsrumoer zou reeds van rondom deze stad zijn verdwenen; maar dat
-droevige geluid klinkt voort en uw gebrek aan wijsheid is daarvan de
-oorzaak.”
-
-Toen zeide oude Ongeloof: „Mijnheer, zoo ik het beleef, zal ik uwe
-boodschap aan Diábolus overbrengen, en daar zult gij een antwoord op uwe
-woorden ontvangen. Intusschen zullen wij het goede voor de stad zoeken
-en u niet om raad vragen.”
-
-Verstand sprak daarop: „Heerschap, uw vorst en gij zijt beiden
-vreemdelingen in Menschziel en geene ingeborenen aldaar: en wat kan er
-nu anders gebeuren dan dat gijlieden, als gij ons in nog grooter ellende
-hebt gebracht, en gij geen anderen uitweg ziet om uzelven te redden, ons
-in de steek laat, onze stad in brand steekt en temidden van den rook u
-wegpakt? Wij blijven in de ellende achter.”
-
-Ongeloof antwoordde: „Mijnheer, gij vergeet dat gij onder een gouverneur
-leeft en dat gij u als een onderdaan hebt te gedragen; weet dat als
-mijnheer de koning hooren zal wat heden door u geschied is, hij u daar
-kleinen dank voor weten zal.”
-
-Terwijl nu deze edellieden op zulk eene wijze met elkander in twist
-waren, kwamen van de wallen en poorten der stad de heeren Vastewil,
-Vooroordeel, Kwaderust en verscheidene anderen van den nieuwbakken adel
-en eereburgerij, en zij vraagden naar de reden van dezen oploop. Daarop
-begon een ieder op eigen gelegenheid te vertellen wat er gaande was,
-zoodat zij niets duidelijk konden verstaan of begrijpen. Toen werd er
-stilte geboden en de vos Ongeloof begon te spreken. „Mijnheer”, zeide
-hij, „hier staan een paar bedorven edellieden, die als gevolg van hun
-slecht begrip of vrees, ook op raad van een zekeren heer Misnoegen, deze
-gansche bende oproerig tegen mij in het harnas gejaagd, en aldus
-getracht hebben onze stad aan het muiten te doen slaan tegen onzen
-vorst.”
-
-Toen stonden al de Diábolus-mannen daar tegenwoordig op, en bevestigden,
-dat deze dingen aldus waren.
-
-Toen nu zij, die het met de heeren Verstand en Geweten hielden,
-bemerkten, dat het hun slecht bekomen kon omdat kracht en macht aan de
-andere zijde waren, kwamen zij toeloopen om hen te helpen, zoodat er aan
-beide zijden een groote menigte stond. Nu hadden zij, die aan Ongeloofs
-kant stonden, wel gewild, dat die twee oude edellieden maar dadelijk
-naar de gevangenis werden gebracht; maar die aan den anderen kant
-stonden, wilden dit niet toelaten. Daarna begonnen de twee partijen
-weder tegen elkander aan te gaan. De Diábolusvrienden riepen om den
-ouden Ongeloof, Goedvergeter, de nieuwe edellieden en hunnen grooten
-Diábolus. De andere partij riep om El-Schaddaï, de kapiteins, hunne
-wetten, hunne barmhartigheid en prezen hunne voorwaarden en manieren.
-Deze twist duurde eenigen tijd voort en toen kwamen zij van woorden tot
-daden, zoodat er van beide zijden slagen vielen. De goede oude edelman
-Geweten werd tweemaal door een Diábolus-man ter neder geworpen; de
-persoon, die dit deed, heette Verdooving. Ook de heer Verstand was bijna
-afgemaakt en dat wel met een handboog, maar de persoon, die er meê
-schoot, kon niet te best mikken. Toch kwamen die van de andere zijde er
-ook niet allen heelhuids af. Daar was een zekere Overijling, een
-Diábolus-man, dien de hersens ingeslagen werden door den heer Gemoed,
-een dienaar van den heer Vastewil. Ook deed het mij lachen toen ik zag
-hoe den ouden Meester Vooroordeel een beentje werd gelicht en hij in den
-modder tuimelde, want nog niet lang geleden was hij tot kapitein
-aangesteld van eene compagnie Diábolus-mannen tot nadeel van de stad. Nu
-was hij onder de voet geraakt, en ik kan u verzekeren, dat eenigen van
-de Verstandspartij hem den schedel intrapten. Zoo ook de heer Iets. Deze
-was temidden van de troebelen een groot man geworden; maar toch waren
-beide zijden tegen hem omdat hij aan niemand getrouw was. Ze hadden hem
-om zijne trotschheid een been gebroken, en het speet hun dat het zijn
-nek niet was geweest. Nog veel meer ongelukken hadden aan beide zijden
-plaatsgevonden; maar het was een wonder te zien hoe onverschillig
-Vastewil dit alles aanzag: hij scheen geen meerdere notitie te nemen van
-het een dan van het ander; alleen heeft men opgemerkt, dat hij
-glimlachte toen de oude Vooroordeel in den modder viel. Zoo ook toen
-kapitein Iets (Neutraal) daar aan kwam strompelen, gaf hij er weinig
-acht op.
-
-Toen nu het oproer gestild was, zond Diábolus om de heeren Verstand en
-Geweten, en sloot hen beiden in de gevangenis als de aanstokers van deze
-muiterij in Menschziel. Daardoor begon de stad nu weer rustig te worden
-en de gevangenen werden zeer hard behandeld. Zelfs had Diábolus hen
-gaarne van kant geholpen; maar de tegenwoordige tijd paste niet voor een
-rechtsgeding, waar de oorlog aan alle poorten woedde.
-
-Maar laat ons naar onze geschiedenis wederkeeren. De kapiteins, toen zij
-van de poort waren teruggekeerd, en in het kamp teruggekomen, riepen een
-krijgsraad op om te beraadslagen wat verder gebeuren zou. Sommigen
-zeiden: „Laat ons nu heengaan en op de stad aanvallen!” Maar het
-meerendeel vond toch geraden hen nog eerst eene nieuwe opeisching te
-doen toekomen, en de reden daarvoor was, dat naar uit alles scheen te
-blijken, de stad meer tot overgave geneigd scheen dan vroeger. „En als”,
-zeiden zij, „sommigen in een weg van toenadering verkeeren, zouden wij
-door ruwheid en hardheid hen afstooten; wij moeten hun door onze
-oproeping opnieuw toonen, dat wij gewillig zijn hen aan te nemen.”
-
-Nadat nu diensvolgens besloten was, werd weder een trompetter geroepen
-en de woorden in zijn mond gelegd, terwijl hem geboden werd zich te
-haasten en voorspoed toegewenscht. Het duurde dan ook maar kort of de
-trompetter trok af. Bij den muur gekomen zijnde liep hij regelrecht op
-de Oorpoort aan en blies daar uit alle macht zooals hem geboden was. Die
-van binnen kwamen nu dan ook uit om te zien wat er gaande was en de
-trompetter hield de volgende toespraak:
-
-„O, gij beklagenswaardige stad Menschziel, met uw verharde hart! hoe
-lang zult gij nog volharden in uwe zondige slechtigheden, en uw vermaak
-vinden in uwe schande? Tot dusverre versmaadt gij alle aanbiedingen van
-vrede en verlossing. Hoe kunt gij de heerlijke aanbiedingen van
-El-Schaddaï in den wind slaan en de leugens en valschheden van Diábolus
-vertrouwen? Meent gij, dat als El-Schaddaï u zal hebben overwonnen de
-herinnering aan dit uw verkeerd gedrag u eenigen vrede of troost zal
-brengen? Of dat gij Hem met uwe snorkende woorden verward zult maken als
-een sprinkhaan? Spaart hij u ook uit vrees voor u? Denkt gij sterker te
-wezen dan hij? Ziet eens op naar den hemel en aanschouwt de sterren hoe
-hoog ze zijn? Kunt gij de zon tegenhouden in haren loop? Kunt gij de
-maan beletten licht te geven? Kunt gij het heir der starren tellen of de
-flesschen des hemels ontsluiten? Kunt gij de wateren der zee oproepen en
-laten die over de aarde stroomen? Kunt gij alle hoogmoedigen vernederen
-en hen met het aangezicht in het stof doen liggen? Dit zijn nu nog maar
-enkele van ’s konings werken, in wiens naam wij heden tot u komen, opdat
-gij u onder zijn gezag zoudt schikken. Daarom roep ik u nogmaals op in
-zijnen naam, dat gij uzelven aan zijne kapiteins zoudt overgeven.”
-
-Bij deze oproepingen schenen de bewoners van Menschziel stil te staan,
-niet wetende wat daarop te antwoorden. Om die reden kwam Diábolus
-schielijk voor den dag en wilde zelf een antwoord geven; hij begon dan
-ook, maar richtte zijne toespraak tot de lieden van Menschziel.
-
-„Mijne heeren en getrouwe onderdanen,” aldus ving hij aan, „als het waar
-is wat deze opeischer gezegd heeft aangaande de grootheid van hunnen
-koning, zoo zult gij door zijne schrik voortdurend in slavernij worden
-gehouden en als een slak versmelten. Hoe kunt gij, zelfs waar hij op een
-afstand is, de gedachte aan zulk een machtig vorst verdragen? En waar
-gij hem u zelfs op een afstand niet voorstellen kunt, hoe zult gij dan
-zijne tegenwoordigheid verdragen? Ik, uw vorst, ga gemeenzaam met u om
-en gij moogt met mij spelen als met een graskriek of huismusch. Bedenk
-daarom wel wat uw voordeel wezen zal en welke voorrechten ik u altijd
-heb bewezen.
-
-„En als nu verder alles eens waar is wat deze man heeft gezegd, vanwaar
-komt het dan dat de onderdanen van El-Schaddaï overal zoo in slavernij
-zuchten? Niemand in het Heelal is zoo ongelukkig als zij, niemand zoo
-vertrapt en vernederd.
-
-„O, mijn arm Menschziel! waart gij toch zoo traag om mij te verlaten als
-ik traag ben om u aan uw lot over te geven. Maar nu zeg ik u: de ure der
-beslissing is gekomen; de kogel moet door de kerk, vrijheid zult gij
-bezitten als gij haar weet te gebruiken, ja een koning bezit gij altijd
-als gij hem maar weet lief te hebben en te gehoorzamen.”
-
-Na deze toespraak verhardde de stad Menschziel wederom haar hart tegen
-de kapiteins van El-Schaddaï. De gedachte aan zijne grootheid deed de
-inwoners sidderen, en de gedachte aan zijne heiligheid deed hen in
-wanhoop wegzinken. Daarom na een korte beraadslaging met de partij van
-Diábolus, zonden zij den trompetter met dit woord terug, dat zij van
-hunne zijde besloten waren hunnen koning aan te kleven en zich nimmer
-aan El-Schaddaï over te geven; en dat het daarom ook nutteloos was hun
-nog verdere opeischingen te zenden, aangezien zij liever wilden sterven
-dan zich over te geven. En nu schenen de zaken dan al zeer slecht te
-gaan, hoe langer hoe meer achteruit, namelijk, zoo dat Menschziel weldra
-buiten het bereik van iedere roepstem wezen zou. Maar de kapiteins, die
-wisten wat hun koning vermocht, verloren daarom nog den moed niet. Zij
-zonden nog een nieuwe oproeping, veel scherper en gestrenger dan de
-voorgaande. Maar hoe meer zij zonden des te afkeeriger werd de stad.
-„Gelijk zij hen riepen, alzoo gingen zij van hun aangezicht weg -- zij
-riepen wel van den Allerhoogste, maar niet een verhoogde Hem. [Hos. 11 :
-2, 7.]
-
-
-
-
-HOOFDSTUK IV.
-
-IMMANUELS LEGER. DE AANVAL.
-
-
-Zoo hielden zij dan op langs dezen weg met de stad te handelen en
-sloegen een anderen in. Tot dit doel vergaderden zich de kapiteins tot
-eene gedachtenwisseling over hetgeen nu te doen ware, ten einde de stad
-uit de heerschappij van Diábolus te verlossen. Toen stond de edele
-kapitein Overtuiging op, en sprak:
-
-„Broeders, ziet hier mijne meening.
-
-„Eerstens moeten wij onophoudelijk onze slingersteenen in de stad
-werpen, en haar dag en nacht aldus belegerend, voortdurend de onrust
-aldaar gaande houden. Daardoor zullen wij ook haar onstuimigen geest in
-bedwang houden; want zelfs een leeuw kan men temmen door hem voortdurend
-lastig te vallen.
-
-„Ten tweede geef ik den raad, dat wij een verzoekschrift opstellen aan
-onzen Koning en heer El-Schaddaï, waarin wij hem den toestand van
-Menschziel mededeelen en zijne vergiffenis vragen, dat wij niet beter
-geslaagd zijn, en ernstig de hulp van Zijne Majesteit inroepen om ons
-meer krachten te zenden en een welbespraakten aanvoerder daarbij, opdat
-het voordeel, dat wij reeds behaald hebben, niet weder verloren ga, maar
-door een algeheele verovering van Menschziel gevolgd worde.”
-
-In deze denkbeelden van den edelen kapitein Overtuiging stemden allen
-als een eenig man mede, en een verzoekschrift werd onmiddellijk
-opgesteld, en door een vertrouwd man aan den koning gezonden. De inhoud
-was daarvan als volgt:
-
-„Allergenadigste en overheerlijke Koning, heer der hoogere wereld en
-bouwmeester der stad Menschziel! Wij hebben, geduchte souverein, op uw
-bevel ons leven in de waagschaal gesteld, en een oorlog begonnen tegen
-de vermaarde stad Menschziel. Toen wij tegen haar optrokken, deden wij
-volgens onzen lastbrief eerst vredesvoorwaarden hooren. Maar, groote
-Koning, zij namen onzen raad lichtvaardig op en wilden naar onze
-bestraffing niet luisteren. Zij hebben hunne poorten toegesloten en ons
-buiten hunne stad gehouden. Ook haalden zij hunne kanonnen voor den dag
-en schoten op ons en deden ons zooveel nadeel als hun mogelijk was. Maar
-wij hebben de stad met alarm op alarm verontrust, haar telkens gepast
-geantwoord en daardoor ook wel eenig voordeel op haar behaald. [Matth.
-22 : 5.] [Spreuk. 1 : 25.] [Zach. 7 : 11-13.]
-
-[Afbeelding: HET VERZOEKSCHRIFT AAN EL-SCHADDAÏ GERICHT.]
-
-„Diábolus, Ongeloof en Vastewil zijn onze groote tegenstanders; nu
-hebben wij onze winterkwartieren betrokken, maar toch zóo, dat wij
-voortdurend met een vaste hand de stad benauwen.
-
-„Hadden wij maar een enkelen flinken vriend in de stad, dan zou zulk een
-ons geholpen hebben en aan onze oproeping eenige kracht bijgezet om hen
-over te halen zich over te geven; maar daarbinnen waren niet anders dan
-vijanden, niet éen, die ten gunste van onzen koning sprak. Daarom,
-ofschoon wij gedaan hebben wat wij vermochten, volhardt Menschziel in
-haren opstand tegen u.
-
-„Nu, Koning der koningen, moge het u behagen dit niet welgelukken van
-uwer dienaren pogen te vergeven. Zend gij, Heere, naar onze begeerte,
-meer krachten naar Menschziel, opdat zij worde onderworpen, en een man
-aan het hoofd daarvan, die de stad beide beminnen en vreezen mocht.
-
-„Wij spreken niet aldus omdat wij onwillig zijn den oorlog te voeren
-(want wij zijn besloten te sterven of te overwinnen); maar opdat de stad
-Menschziel voor Uwe majesteit moge gewonnen worden. Wij bidden bovendien
-Uwe Majesteit, dat wij na het eindigen van dezen oorlog en de
-overwinning dezer stad weder gebruikt mogen worden tot uitvoering van
-uwe genadige en heerlijke plannen en oogmerken. Amen.”
-
-Dit verzoekschrift aldus opgesteld, werd met allen spoed naar den koning
-gezonden door de hand van een zeer goed man, genaamd Liefde tot
-Menschziel.
-
-Toen dit rekwest in het paleis van den koning kwam, aan wien kon het
-toen beter overhandigd worden dan aan ’s konings zoon? Hij nam het aan
-en las het omdat de inhoud hem best beviel; ook voegde hij er met eigen
-hand nog eenige dingen bij, die hij noodig achtte en droeg het toen
-eigenhandig naar den koning. Het daar gehoorzaam overgeleverd hebbende,
-maakte hij insgelijks van zijne eigen macht gebruik en beval het
-mondeling aan.
-
-Nu werd de koning verheugd op het zien van het verzoekschrift, maar nog
-meer verblijdde hij zich omdat zijn zoon het ondersteunde! Het behaagde
-hem zeer te vernemen hoe zijne kapiteins zich rondom Menschziel gelegerd
-hadden en daar zoo van ganscher harte met de verovering bezig waren, zoo
-standvastig in hun besluit, en reeds in het bezit van sommige voordeelen
-op de vermaarde stad Menschziel.
-
-Daarom riep de koning zijn zoon Immanuel tot zich, en deze antwoordde:
-„Ziet, hier ben ik, Vader.” Toen zeide de koning: „Gij kent even goed
-als ik zelf den toestand der stad Menschziel, en wat wij hebben
-voorgenomen en wat gij gedaan hebt om haar te verlossen. Kom nu, mijn
-zoon, en bereid u tot den oorlog, want gij zult naar mijn leger te
-Menschziel vertrekken. Gij zult aldaar voorspoedig zijn en de stad
-veroveren.”
-
-Toen zeide ’s konings zoon: „Uwe wet is in het midden mijns ingewands;
-ik heb lust om uwen wil te doen. Dit is de dag, waarnaar ik verlangd
-heb, en het werk, waarop ik gewacht heb. Geef mij daarom die versterking
-mede, welke gij in uwe wijsheid noodig keurt, en ik zal heengaan en de
-ellendige stad Menschziel van Diábolus verlossen, en uit zijne hand
-redden. Dikwijls heeft mijn hart in mijn binnenste gebloed over die
-ellendige stad; maar nu ben ik verheugd en blijde.” En dat zeggende ging
-hij springende over de bergen, uitroepende: „Niets is mij te dierbaar
-voor Menschziel; de dag der wrake is voor u gekomen, en hoe verheug ik
-mij, dat mijn Vader mij gemaakt heeft tot den oversten leidsman harer
-redding en zaligheid. Ik zal beginnen met al diegenen te plagen, die
-eene plaag geweest zijn voor de stad en zal haar uit hunne hand
-verlossen!” [Hebr. 10 : 7.] [Hebr. 2 : 10.]
-
-Toen des konings zoon aldus had gesproken, scheen er een licht door het
-geheele hof; allen verheugden zich en alle gesprekken liepen over
-hetgeen Immanuel voor die vermaarde stad Menschziel ging doen. Gij kunt
-u niet half begrijpen hoe de hovelingen waren ingenomen met dit
-voornemen van den prins; ja, zoo waren zij in deze zaak belangstellende,
-dat de hoogste edelen en eerste stafofficieren van het koninkrijk onder
-Immanuel wilden dienen om mede te helpen ten einde de stad Menschziel
-voor El-Schaddaï te herwinnen.
-
-Toen werd besloten, dat er enkelen vooruit zouden gaan om aan het leger
-bericht te brengen, dat Immanuel op de komst was om Menschziel te
-herwinnen, en dat hij zulk een machtig en onverwinnelijk leger zou
-medebrengen, dat het niet te weerstaan was. Hoe gereed waren die
-hooggeplaatsten aan het hof om als boodschappers en couriers dienst te
-doen, ten einde deze tijdingen aan het kamp vóor de stad Menschziel te
-brengen. Toen nu de kapiteins bemerkten, dat de koning zijn zoon
-Immanuel zenden wilde, en dat deze evenzeer begeerig was om dien tocht
-te ondernemen, gaven zij allen een vreugdekreet als bewijs hunner
-blijdschap, zoodat de aarde er van beefde. Ja, de bergen gaven er
-antwoord op met hunne echo’s en Diábolus zelf sidderde als een aal.
-
-Want gij moet weten, dat ofschoon de stad Menschziel zelve met het plan
-in het geheel niet was bekend geworden (want helaas, daarvoor waren zij
-al te zeer verbijsterd, zijnde hun vermaak en hunne lusten het
-voornaamste wat zij zochten), Diábolus, hun beheerscher wist het wel;
-want hij had zijne spionnen, die voortdurend rondzwierven en hem bericht
-brachten van alle dingen. Deze verhaalden hem wat aan het hof tegen hem
-besloten was, en dat Immanuel binnen kort zou komen om hem te
-overweldigen. Nu was er geen mensch aan het hof, noch groote in het
-rijk, dien Diábolus zoo vreesde als dezen prins; want, als gij u
-herinnert wat ik u gezegd heb, dan weet gij dat Diábolus het gewicht van
-zijne hand reeds gevoeld had, zoodat zijne komst hem het meest in angst
-joeg.
-
-Daar nu, zooals ik u verhaald heb, alles was in orde gebracht en ’s
-konings zoon het hoofd der legermacht, maakte deze zich op den bestemden
-tijd tot zijn tocht gereed, nemende met zich een groote macht en vijf
-kapiteins.
-
-[Afbeelding: KAPITEIN GEDULD EN ZIJN VAANDRIG LIJDZAAMHEID.]
-
-De eerste was de beroemde kapitein Geloof. Hij voerde de roode kleur en
-de heer Belofte droeg die; tot wapen had hij het heilige lam op een
-gouden schild; en tienduizend manschappen volgden hem. [Joh. 1 : 29.]
-[Efez. 6 : 16.]
-
-De tweede was de beroemde kapitein Hoop. Hij voerde de blauwe kleur;
-zijn vaandeldrager was de heer Verwachting, en tot een wapen bezat hij
-drie gouden ankers. Ook hem volgden tienduizend manschappen. [Hebr. 6 :
-19.]
-
-De derde was de moedige kapitein Liefde. Zijn vaandeldrager was de heer
-Ontferming; hij voerde de groene kleuren en had tot wapen eene vrouw,
-die drie naakte weezen omhelsde. Ook hem volgden er tienduizend. [1 Cor.
-13.]
-
-De vierde heette kapitein Onschuld, een dapper gezagvoerder. Zijn
-vaandeldrager was de heer Oprecht. De witte kleur was de zijne en drie
-gouden duiven zijn wapen. [Matth. 10 : 16.]
-
-De vijfde was de flinke, trouwe en zeer beminde kapitein Geduld. Zijn
-vaandeldrager heette Lijdzaamheid. Hij voerde de zwarte kleur met drie
-pijlen door een gouden hart tot wapen.
-
-Dit waren nu de kapiteins van Immanuel, hunne vaandrigs, hunne kleuren
-en hunne wapens, en de manschappen, die hunne voetstappen volgden. Zoo
-ging dan de dappere vorst naar Menschziel op weg. Kapitein Geloof voerde
-de voorhoede aan, en kapitein Geduld de achterhoede; de andere drie
-vormden den middentocht, de prins zelf reed op zijn wagen aan haar
-hoofd.
-
-Hoe klonken de trompetten, hoe glinsterden de wapenrustingen, hoe
-wapperden de vaandels in den wind! Des prinsen wapenrusting was van goud
-en schitterde als de zon aan het firmament, de wapenrusting des
-kapiteins was van staal en had het voorkomen van blinkende sterren.
-Bovendien waren er enkelen van het hof, die vrijwillig dienst hadden
-genomen uit liefde tot den koning en belangstelling in de stad
-Menschziel.
-
-Immanuel had toen hij zich opmaakte om de stad Menschziel te herwinnen,
-op het bevel van zijn vader vier en vijftig stormrammen medegenomen en
-twaalf slingers om daarmede steenen te werpen. Ieder daarvan was van
-zuiver goud, en deze namen zij mede in het hart van het leger, terwijl
-zij naar Menschziel trokken.
-
-Zoo legerden zij zich tot binnen een mijl afstands van de stad, daar
-hielden zij halt om de vier eerste kapiteins af te wachten, die hun
-kennis van zaken moesten geven. Daarna marcheerden zij weer op, rondom
-Menschziel, maar toen de oude gedienden, welke daar reeds lagen, zagen
-welke nieuwe krachten aangekomen waren om zich met hen te vereenigen,
-hieven zij zulk een vreugdegeroep aan, dat de muren van Menschziel
-daverden en Diábolus hevig sidderde. Zoo zetten zij zich voor de stad
-neder, niet slechts gelijk de andere kapiteins gedaan hadden voor de
-poorten, maar zij omringden haar geheel, aan alle zijden, van voren en
-van achteren, zoodat nu Menschziel kon uitzien waar zij wilde, maar
-altijd zag zij een vijandige macht zich tegen haar stellende. Ook werden
-nog verschansingen tegen haar opgeworpen. De berg Genadig was aan de
-eene zijde; de berg Rechtvaardig aan de andere; verder maakten zij nog
-verscheidene lagere hoogten, die als kleinere batterijen moesten dienst
-doen; als Zuivere Waarheidsheuvel, en Zonder-Zonde, waarop vele slingers
-geplaatst en tegen de stad gericht werden. Op den berg Genade stonden er
-vier en op Gerechtigheid even zooveel, en de overigen waren op
-verschillende punten verdeeld. Vijf van de beste stormrammen, dat is van
-de zwaarste, waren op den berg Opmerken, eene batterij vlak bij de
-Oorpoort opgeworpen, teneinde die open te rammeien.
-
-Toen nu de lieden der stad die menigte soldaten zagen, die tegen hen
-waren opgetrokken, en de stormrammen en slingers, mitsgaders batterijen,
-die waren opgeworpen, tegelijk met de glinsterende wapenrustingen en de
-wuivende vaandels, werden zij wel gedwongen te overleggen wat zij doen
-zouden. Die overleggingen konden nu echter bezwaarlijk van stoutmoedigen
-aard wezen, integendeel ze werden telkens meer vreesachtig; want
-ofschoon zij vroeger wel eens gemeend hadden dat zij genoegzaam
-verzekerd waren, zoo begonnen zij nu toch te twijfelen of het wel goed
-met hen zou afloopen.
-
-Toen de goede prins Immanuel Menschziel aldus had belegerd, begon hij
-eerst de witte vlag uit te steken, die men gewoonlijk op de gouden
-slingers plaatste, welke op den berg Genade stonden. Dit deed hij om
-twee redenen: 1^{e} om aan Menschziel te verstaan te geven, dat hij haar
-wilde genadig zijn wanneer zij tot hem terugkeerde, en 2^{e} opdat zij
-des te minder te verontschuldigen zouden zijn wanneer hij hen moest
-vernielen omdat zij in hun oproer volhardden.
-
-Zoo werd dan de witte vlag met de drie gouden duiven uitgehangen, en dat
-wel twee dagen achter elkaêr om hun tijd te geven zich te bedenken. Doch
-zij sloegen geen acht en gaven geen antwoord op dit gunstig zinnebeeld.
-
-Toen gaf de prins opnieuw bevel en zij zetten de roode vlag op den berg
-genaamd Gerechtigheid. Het was de roode vlag van kapitein Oordeel, wiens
-wapen was de brandende oven; en deze stond toen ook verscheidene dagen
-achtereen in den wind te wapperen. Maar evenals zij dat met de witte
-vlag gedaan hadden, toen die uithing, zoo handelden zij nu ook met de
-roode; zij deden er hun voordeel niet mede.
-
-Daarna beval hij dat zijne mannen de zwarte vlag der verwoesting tegen
-hen zouden uithangen, welks zinnebeeld was de drie brandende
-donderkogels. Menschziel bleef daarbij evenwel onaandoenlijk als
-tevoren. Maar toen de prins zag, dat noch genade, noch gerechtigheid,
-noch oordeel het hart van Menschziel konden bereiken, werd hij door diep
-medelijden bewogen en sprak: „Voorzeker, dit vreemdsoortige gedrag van
-de stad Menschziel moet veeleer voortspruiten uit onwetendheid aangaande
-de oorlogsmanieren, dan wel uit een geheime en stille verachting van ons
-en een veronachtzamen van hun eigen welzijn; of als zij de
-oorlogsmanieren kent dan toch niet die, welke ik gebruik met mijn vijand
-Diábolus.”
-
-Daarom zond hij naar de stad Menschziel om haar te laten weten wat hij
-met deze teekens en vlaggen bedoelde, -- hij deed dit om te weten te
-komen of zij wilden kiezen, en wat zij kozen, ’t zij genade en
-barmhartigheid, of rechtvaardigheid en oordeel. Zij sloten intusschen
-hunne poorten met dubbele grendels toe, versterkten ze met bouten en
-maakten ze zoo stevig vast als zij slechts vermochten. Ook werden al
-weder hunne wachten verdubbeld en versterkt. Diábolus was daarbij druk
-in de weer om de stad tot tegenweer aan te moedigen.
-
-[Afbeelding: DE OORPOORT WORDT GEBARRIKADEERD.]
-
-Zoo gaven dan ook de lieden der stad een antwoord aan ’s prinsen
-afgezanten in hoofdzaak hierop neer komende:
-
-„Groote Heerscher, wat aangaat hetgeen gij door uwen afgezant aan ons
-hebt laten voorstellen, namelijk of wij uwe barmhartigheid willen
-aannemen dan wel vallen door uwe gerechtigheid, zoo zijn wij door de wet
-gebonden u geen positief antwoord te geven; want het is tegen de wetten,
-ordonnantiën en koninklijke besluiten van onzen koning, dat wij vrede of
-oorlog maken zonder hem. Maar dit willen wij wel doen -- wij zullen
-onzen koning verzoeken op den muur te komen en u daar zulk een bescheid
-te doen als hij zal denken oorbaar en voor ons voordeelig te zijn.”
-
-Toen de goede prins Immanuel dit antwoord hoorde en de slavernij en
-afhankelijkheid van het volk zag en hoe gaarne zij in de ketens van den
-tiran Diábolus bleven, smartte het hem aan zijn hart; en inderdaad als
-hij te eeniger tijd bemerkte, dat iemand zich tevreden gevoelde in de
-slavernij van den reus, zoo deed hem dit altijd leed.
-
-Maar om tot ons onderwerp terug te keeren. Nadat de lieden der stad dit
-nieuws aan Diábolus hadden medegedeeld, bovendien, dat de prins zich
-daar gelegerd had en hem bij den muur verwachtte om een antwoord,
-weigerde hij te komen; hij pochte luid, maar in zijn hart was hij
-bevreesd.
-
-Daarna echter zeide hij: „Ik zal toch zelf naar de poort gaan en geven
-hun zulk een antwoord als ik zal goedvinden.” Zoo ging hij dan naar de
-Mondpoort en richtte zich tot Immanuel, (maar in eene taal, die de stad
-niet verstond) op deze wijze:
-
-„O, gij groote Immanuel, heer der geheele wereld, ik ken u, dat gij de
-zoon zijt van den grooten El-Schaddaï. Waarom zijt gij hier gekomen om
-mij te kwellen en mij uit mijne bezitting te verjagen? Deze stad
-Menschziel is de mijne, zooals gij zeer wel weet en dat wel met een
-dubbel recht. 1^{e} Is zij mijn uit recht van verovering. Ik won haar in
-het open veld, en zal men den machtige zijn roof ontnemen of den wettig
-gevangene bevrijden? 2^{e} Is zij mijn wegens hare onderwerping. Zij
-heeft de poorten harer stad vrijwillig voor mij geopend; zij heeft mij
-trouw gezworen en mij openlijk tot haren koning verkozen; zij heeft ook
-haar kasteel in mijne handen gesteld, ja, zij heeft al hare krachten mij
-vrijwillig onderworpen.
-
-„Bovendien heeft deze stad u afgezworen, ja zij heeft uwe wetten
-verworpen, uwen naam en uw beeld en al wat het uwe is achter haren rug
-geworpen; zij heeft mijne wetten aangenomen en mijn naam, mijn beeld en
-al wat van mij is daarvoor in de plaats gesteld. Vraag dit maar aan uwe
-kapiteins en zij zullen u wel mededeelen, dat Menschziel in antwoord op
-hunne oproepingen, liefde en gehechtheid aan mij heeft getoond, maar
-verachting en wrevel voor u en het uwe. Nu zijt gij toch de
-Rechtvaardige en de Heilige, en gij kunt geene ongerechtigheid doen.
-Vertrek dan, bid ik u, laat van mij af en gun mij het bezit van mijne
-wettige erfenis.”
-
-Deze redevoering werd gehouden in de taal van Diábolus zelf; want
-ofschoon hij tot iedereen in zijne eigen taal kan spreken (anders kon
-hij ook niet allen in verzoeking brengen zooals hij doet) toch heeft hij
-eene eigen taal, en dat is de spraak uit den helschen afgrond of de
-zwarte put.
-
-Daarom verstond de stad Menschziel (arme stumpert!) hem niet, en kon zij
-ook niet zien hoe hij zich in allerlei bochten kronkelde, terwijl hij
-daar stond voor Immanuel den vorst.
-
-Ja, zij hielden hem bij dit alles voor iemand van groote macht, dien men
-onmogelijk kon wederstaan. Zoodat, terwijl hij aldus stond te smeeken,
-dat hij toch zijne woning in Menschziel mocht houden en dat Immanuel hem
-niet met geweld mocht verjagen, de inwoners op zijne dapperheid pochten,
-zeggende: „Wie is in staat hem den oorlog aan te doen?”
-
-Toen deze voorgewende koning nu een eind gemaakt had met hetgeen hij
-wilde zeggen, stond Immanuel, de gouden prins, op en sprak:
-
-„Gij, groote bedrieger, ik heb in mijns Vaders naam en ook in mijn eigen
-naam, en in het belang van deze ellendige stad Menschziel iets tot u te
-zeggen. Gij geeft voor een recht, een wettig recht te hebben op deze
-arme stad, terwijl het zeer duidelijk is voor het gansche hof mijns
-Vaders, dat de toegang, die gij tot de poorten van Menschziel hebt
-verkregen, slechts door leugen en valschheid heeft kunnen plaats hebben.
-Gij beloogt mijn Vader, gij beloogt zijne wet en alzoo bedroogt gij het
-volk van Menschziel. Gij geeft voor, dat het volk u aangenomen heeft
-voor zijn koning, hoofdman en wettigen heer; maar dat gebeurde ook door
-gebruik te maken van bedrog en leugentaal. Welnu, indien leugen,
-eigenwilligheid, zondige kracht en alle vormen van afschuwelijke
-huichelarij, in mijns Vaders hof (waaruit gij moest verbannen worden)
-kunnen doorgaan voor billijkheid en recht, dan zal ik voor u bekennen,
-dat gij een wettige verovering hebt gedaan. Maar, helaas, welke roover,
-welke tiran, welke duivel is er niet, die op die manier geene
-veroveringen zou kunnen maken? Maar ik kan het u duidelijk voor oogen
-stellen, o Diábolus, dat gij in al uw voorgeven van eene verovering der
-stad niet een enkel woord waarheid hebt gesproken. Meent gij dit recht
-te zijn dat gij mijn Vader een leugen in den mond legdet en hem aan
-Menschziel voorsteldet als den grootsten bedrieger ter wereld? En hoe
-noemt gij uwe uitlegging, waar gij de rechte bedoeling der wet
-uitmuntend verstondt? Was het ook goed, dat gij alzoo een prooi maaktet
-van de onnoozelheid en eenvoudigheid van de thans zoo ellendige stad
-Menschziel? Gij haaldet Menschziel over door haar allerlei geluk te
-beloven in hare overtreding van mijns Vaders wet, die gij kendet, en
-kennen kondt, als gij alleen maar uwe eigen ondervinding hadt
-geraadpleegd, wel wetende, dat dit de weg was tot ondergang. Zoo hebt
-gij dan, o meester in de vijandschap, mijns Vaders beeld in Menschziel
-smadelijk verbroken en het uwe daarvoor in de plaats gesteld, tot groote
-verachting van mijn Vader en verergering van uw misdrijf, gelijk ook tot
-onnoemelijke schade van de verloren stad Menschziel.
-
-[Afbeelding: DIÁBOLUS BEROEP OP IMMANUEL.]
-
-„Gij hebt boven dit alles, alsof dit maar weinig ware, niet alleen deze
-plaats bedrogen en bedorven, maar door uwe leugens en bedriegelijk
-gedrag hebt gij haar nog van hare verlossing afkeerig gemaakt. Hoe hebt
-gij haar opgehitst, tegen mijns Vaders kapiteins, en gemaakt, dat zij
-strijdt tegen degenen, die haar uit uwe slavernij willen verlossen! Al
-deze dingen en nog veel meer hebt gij gedaan, tegen licht en beter weten
-aan en ten spijt van mijn Vader en zijne wet, en dat met het voornemen
-om de ellendige stad Menschziel voor eeuwig onder zijn ongenoegen te
-doen vervallen. Ik ben nu gekomen om den smaad, dien gij mijn Vader
-aangedaan hebt, te wreeken, en met u in het gericht te treden wegens de
-lasteringen, waarmede gij het arme Menschziel geleerd hebt zijnen naam
-te lasteren. Ja, op uw kop, gij vorst van den helschen afgrond, zal ik
-het verhalen.
-
-„Wat mij zelf betreft, o Diábolus, ik ben tot u gekomen met een wettige
-macht, en met het doel om door eene machtige hand, deze stad Menschziel
-uit uwe brandende vingeren te verlossen. Deze stad Menschziel is de
-mijne, o Diábolus, en dat door een onbetwistbaar recht, zooals allen
-zullen inzien, die naarstig de oudste en autentieke bescheiden willen
-onderzoeken; en ik zal mijn recht daarop verdedigen tot beschaming van
-uw aangezicht.
-
-„Eerstens is de stad Menschziel door mijn Vader gebouwd en door zijne
-hand gefatsoeneerd. Het paleis, dat in het midden der stad is, heeft hij
-gebouwd tot zijn eigen genoegen. Daarom is deze stad Menschziel van mijn
-Vader, en dat met alle recht, en hij, die dit tegenspreken wil, liegt
-tegen zijne eigen ziel.
-
-„Ten tweede is, o gij opperste leugenaar, deze stad Menschziel de mijne,
-omdat ik mijns Vaders erfgenaam ben, zijn eerstgeborene en de lieveling
-van zijn hart. Ik ben daarom tegen u opgetrokken uit kracht van mijn
-eigen recht, ten einde mijne erfenis weder uit uwe hand te lossen.
-[Hebr. 1 : 2.] [Joh. 15 : 16.]
-
-„Maar verder, al heb ik een recht op Menschziel als mijns Vaders
-erfgenaam, zoo ontving ik het evenzeer als een geschenk. Het was het
-zijne en hij gaf het mij; ook heb ik nooit mijn Vader bedroefd, zoodat
-hij het van mij zou genomen hebben en u gegeven hebben. Evenmin ben ik
-genoodzaakt geworden door geldelijke verlegenheid mijn geliefde stad
-Menschziel aan u te verkoopen. Menschziel is mijn lust en mijn leven, de
-vreugde van mijn hart. Maar Menschziel is ook mijn eigendom omdat ik het
-gekocht heb. O Diábolus, ik heb het mij gekocht. Merk nu eens op, eerst
-was het van mijn Vader en mij omdat ik erfgenaam ben, en daarna omdat ik
-het voor een duren prijs heb gekocht. Volgt dan daar niet uit, dat bij
-wettig recht de stad Menschziel mij toebehoort, en dat gij een
-overweldiger, een tiran, een verrader zijt als gij het in uw bezit
-houdt? Ik zal u ook zeggen wat de oorzaak was, dat ik het kocht.
-Menschziel had tegen mijn Vader overtreden, en mijn Vader had gezegd,
-dat ten dage als zij zondigde, zoo zou zij sterven. Nu is het eer
-mogelijk dat hemel en aarde voorbijgaat, dan dat het woord van mijn
-Vader gebroken wordt. Daarom toen Menschziel gezondigd had door naar uwe
-leugenen te luisteren, ben ik daar tusschen getreden en bij mijn Vader
-borg gebleven, lijf voor lijf, en ziel voor ziel, dat ik zou boeten voor
-Menschziels overtreding, en mijn Vader heeft daarin berust. Zoo heb ik
-dan toen de bestemde tijd gekomen was, lijf voor lijf en ziel voor ziel
-gegeven, leven voor leven en bloed voor bloed, en aldus heb ik mijn
-dierbaar Menschziel verlost. [Jes. 50 : 1.]
-
-„Ook heb ik dit niet ten halve gedaan: mijns Vaders wet en recht zijn
-voldaan, de straf is voor de misdaad geboet, en op gansch wettige wijze
-is Menschziel verlost.
-
-„Evenmin ben ik heden eigenwillig tot u gekomen, maar op mijns Vaders
-bevel; hij was het, die tot mij zeide: „ga heen en verlos Menschziel!”
-
-„Daarom zij het u nu bekend, o bronwel van alle bedrog, en zij het ook
-bekend aan de dwaze stad Menschziel, dat ik thans niet tegen u ben
-opgetrokken zonder mijn Vader.
-
-„En nu,” besloot de met goud gekroonde prins, „heb ik een woord tot de
-stad Menschziel.” Zoodra hij echter daarvan repte om tot de verdwaasde
-stad Menschziel te spreken, werden alle poorten weder dubbel gesloten en
-iedereen ontving bevel hem geen gehoor te geven. Daarom ging hij voort:
-„O, ongelukkige stad Menschziel, ik ben met medelijden over u vervuld.
-Gij hebt Diábolus tot uwen koning aangenomen, en zijt de voedstervrouw
-geworden van booze geesten, die tegen uw souvereinen Heer opstaan. Uwe
-poorten hebt gij voor hem geopend, maar voor mij hebt gij ze
-toegesloten; gij hebt hem gehoor gegeven, maar voor mijne roepstem uwe
-ooren gestopt. Hij bracht u in ellende en gij hebt beiden hem en al wat
-hij u bracht ontvangen. Ik kom u redding brengen, maar gij ziet mij niet
-aan. Bovendien hebt gij uwe heiligschennende handen uitgestoken naar al
-wat in u mij toebehoorde, en hebt uzelven met al wat het mijne was aan
-hem gegeven; aan hem, mijn vijand en den grootsten tegenstander van mijn
-Vader. Gij hebt u voor hem gebogen en u aan hem onderworpen, gij hebt
-beloofd en gezworen, dat gij de zijne zoudt zijn. Arm Menschziel, wat
-zal ik u doen? Zal ik op u aanvallen? Zal ik u vermorzelen of zal ik u
-redden? Wat zal ik u doen? U met den grond gelijk maken of u stellen tot
-een toonbeeld van vrije genade? Wat zal ik u doen? Hoor daarom, o hoor,
-gij stad Menschziel, hoor naar mijne woord, en gij zult leven. Ik ben
-genadig, Menschziel, en gij zult mij barmhartig bevinden; sluit mij niet
-buiten uwe poorten.” [Hoogl. 5 : 2.]
-
-„O, Menschziel, het is mijn doel noch mijn roeping om u kwaad te doen.
-Waarom ontvlucht gij uwen vriend en hecht u zoo vast aan uwen vijand?
-Inderdaad, ik wensch dat gij, zooals het u past, bedroefd zijt over uwe
-zonden, maar wanhoop niet aan uw leven; deze groote legermacht is niet
-hier om u kwaad te doen, maar om u van de slavernij te verlossen en
-onder mijn gezag terug te brengen. [Joh. 12 : 47.] [Luk. 9 : 56.]
-
-„Mijn doel is, inderdaad, alleen Diábolus, uwen koning, en al zijne
-duivelsche geesten den oorlog aan te doen; want hij is de sterke, die
-het huis bewaakt, en ik wil hem er uit hebben; zijn vaten moet ik hem
-ontrooven, zijn wapenrusting moet ik van hem nemen, ik moet hem uit zijn
-nest jagen en van zijne verblijfplaatsen eene woning voor mijzelven
-maken. En dat, o Menschziel, zal Diábolus ondervinden, wanneer hij in
-ketenen geklonken mijne voetstappen volgt als een gevangene, en
-Menschziel zal zich bij dit gezicht verblijden.
-
-„Ik zou wel op zulk eene wijze van mijne macht gebruik kunnen maken, dat
-hij dadelijk moest heengaan en het opgeven; maar ik heb in mijn hart
-voorgenomen zóo met hem te handelen, dat de rechtvaardigheid van den
-oorlog, dien ik hem aandoe, door allen zal worden erkend. Hij heeft
-Menschziel met bedrog genomen, en houdt het met geweld en bedrog vast,
-en ik zal hem naakt en bloot stellen voor aller oog.
-
-„Al mijne woorden zijn waarheid. Ik ben machtig om te helpen en zal mijn
-Menschziel uit zijne hand verlossen.”
-
-Deze toespraak was in de eerste plaats voor Menschziel bestemd, maar
-Menschziel wilde er niet naar hooren. Zij sloten de Oorpoort,
-barrikadeerden die met ijzers en bouten, en zetten daar wachters, die de
-bewoners van Menschziel moesten beletten tot hem uit te gaan, en die
-niemand uit het leger in de stad mochten toelaten. Dit alles deden zij
-omdat Diábolus op zulk een ontzettende wijze hunne zinnen had verblind,
-en hen opgezet tegen hun wettigen heer en vorst. Daardoor kwam nu ook
-geen stem, of boodschapper, noch eenig geluid, dat van den glorierijken
-koningszoon uitging, de stad binnen.
-
-Toen nu Immanuel zag, dat Menschziel op die wijze in hare zonde verhard
-was en dat zijne woorden veracht werden, zoo riep hij zijn leger samen,
-en liet al zijne heirscharen weten, dat zij op het bestemde uur gereed
-moesten zijn. Daar er nu geen andere wettige weg was om in de stad
-Menschziel te komen, en daar vooral de Oorpoort zoo zorgvuldig gesloten
-bleef, zoo beval hij zijne kapiteins en gezagvoerders om hunne
-stormrammen voor den dag te halen, en al hunne slingeraars en
-manschappen te richten op de Oorpoort en de Oogpoort, teneinde de stad
-in te nemen.
-
-Als nu Immanuel alle dingen had gereed gemaakt om Diábolus slag te
-leveren, zond hij nogmaals naar de stad Menschziel een vreedzame
-boodschap of zij zich ook wilde overgeven of dat zij nu besloten was het
-tot het uiterste te wagen? Zij riepen dan met Diábolus, hunnen koning,
-een krijgsraad samen en bepaalden weder eenige voorwaarden, die Immanuel
-zouden worden aangeboden of hij daarin mocht bewilligen, en die door
-iemand uit de stad tot hem zouden worden gezonden. Wie kon die boodschap
-doen? Nu woonde in de stad een oud man, een duivelskind, zijn naam was
-Onbuigzaam,[20] die zeer stijf op zijn stuk stond, een uitmuntend
-werktuig voor Diábolus. Deze man werd uitgezonden en hem in den mond
-gelegd wat hij zeggen moest. Zoo kwam dan deze in het leger van
-Immanuel, en toen hij daar aankwam werd een tijd bepaald, waarop hem
-gehoor zou worden gegeven. Na een paar duivelsche plichtplegingen begon
-hij aldus te spreken: „Groot en machtig Heer, opdat het allen bekend zij
-welk een goedhartig vorst mijn meester is, heeft hij mij gezonden om u
-te zeggen, dat hij, liever dan een oorlog met u te beginnen, genegen is
-de helft van de stad Menschziel in uwe handen over te geven. Ik moet
-daarom maar weten of Uwe Majesteit gewillig is dit voorstel aan te
-nemen.” [Titus 1 : 16.]
-
- [20] Die zekere heer ~Onbuigzaam~, blijkt op het einde zijn naam te
- volle te verdienen, ofschoon hij in het eerst de buigzaamheid zelf
- schijnt te wezen. Al dat toegeven is geen toegeven, ’t is alles
- satanische list. Al dat wenden en keeren doet denken aan de
- kronkelingen van de slang.
-
-Toen zeide Immanuel: „De geheele stad is mijn eigendom, zoowel omdat zij
-mij gegeven is als omdat ik haar gekocht heb.”
-
-Toen antwoordde Onbuigzaam: „Heerschap, mijn meester heeft gezegd, dat
-hij er ook in toestemt, dat gij den titel hebt van Heer over alles, als
-hij maar een deel voor zich in bezit mag houden.” [Luk. 13 : 25.]
-
-Maar Immanuel sprak: „Alles is wettig het mijne, niet slechts in naam,
-maar in werkelijkheid, daarom wil ik ook de eenige Heer en bezitter van
-alles wezen, òf ik wil er niets van hebben.”
-
-Toen ging Onbuigzaam al weer voort: „Heerschap, ziet toch eens hoe
-toegevend mijn meester is; hij zegt dat hij tevreden zal wezen, als hij
-maar eene plek in Menschziel heeft daar hij wonen mag, en u Heer en
-Meester zal laten van al het overige.” [Hand. 5 : 1-5.]
-
-Maar daarop antwoordde de gouden prins: „Al wat mij de Vader geeft zal
-tot mij komen, en van al wat Hij mij geeft -- zal ik niets verliezen --
-zelfs niet een haar van het hoofd. Ik zal hem daarom zelfs het kleinste
-hoekje in Menschziel niet vergunnen, ik wil het alles zelf hebben.”
-
-Toen sprak Onbuigzaam weder: „Maar, mijnheer, onderstel dat mijn meester
-kon besluiten u de gansche stad over te geven alleen met dit voorbehoud,
-dat hij somtijds wanneer hij in deze streken komt, daar als oude kennis,
-en als een doortrekkend man eens een paar dagen, eene week of eene maand
-kwam verblijven. Kan zelfs deze kleine zaak niet vergund worden?”
-
-Toen zeide Immanuel: „Hij kwam als een doortrekkend reiziger tot David
-en bleef niet lang bij hem en toch had het David zijne ziel kunnen
-kosten. Ik wil niet toestaan, dat hij er ooit weer binnenkomt.” [2 Sam.
-12 : 1-5.]
-
-Toen zeide Onbuigzaam: „Heer, gij schijnt wel zeer hard te wezen.
-Onderstel, dat mijn meester alles toestemt wat Uwe Majesteit zegt, met
-deze uitzondering, dat zijne vrienden en bekenden in Menschziel vrijheid
-mogen genieten om in de stad handel te drijven en daar hunne
-tegenwoordige woonplaats mogen behouden. Dat wordt toch wel toegestemd,
-Mijnheer?”
-
-Toen zeide Immanuel: „Neen, dat is tegen den wil van mijn Vader; want
-allen en een iegelijk, die van Diábolus aanhang nu of later in de stad
-gevonden worden, zullen hunne bezittingen, hunne vrijheid en hun leven
-verliezen.” [Rom. 6 : 13.] [Col. 3 : 5.]
-
-Daarop antwoordde Onbuigzaam: „Maar, Heerschap, mag dan mijn meester en
-groote Heer niet door brieven of doortrekkende reizigers of bij
-voorkomende gelegenheden, als hij alles in uwe handen overgeeft eene
-soort van vriendschap en gemeenschap met de stad onderhouden?” [Joh.
-10 : 8.]
-
-Immanuels antwoord was: „Neen, op geenerlei wijze, aangezien zulk eene
-gemeenschap, vriendschap, toegenegenheid of kennismaking zal strekken
-tot verderf van Menschziel, en haar vrede met mijn Vader in gevaar
-brengen.”
-
-De heer Onbuigzaam voegde daar nog bij: „Maar, groote Heer, mijn Meester
-heeft veel vrienden en die hem dierbaar zijn in Menschziel, mag hij dan
-niet als hij uit overmaat van goedheid vertrekt, hun eenige bewijzen van
-zijne goedertierenheid bij wijze van gedachtenis achterlaten, waarop zij
-na zijn vertrek kunnen staren als panden van oude vriendschap en tot
-herinnering, dat hij eens hun koning was, en van den goeden, vroolijken
-tijd, dien zij samen hebben doorgebracht, toen hij en zij samen in vrede
-leefden?” [Rom. 6 : 12, 13.]
-
-Toen zeide Immanuel: „Neen, want als Menschziel de mijne wordt, zoo zal
-ik niet toelaten, dat er het minste overblijfsel, ja dat zelfs het stof
-van Diábolus, dat hij achterlaat, als gift of gedachtenis aan iemand in
-Menschziel geschonken zij, om de verschrikkelijke herinnering van die
-jammerlijke vriendschap levendig te houden.”
-
-[Afbeelding: ONBUIGZAAM NAAR IMMANUEL GEZONDEN.]
-
-„O, Heer”, zeide toen Onbuigzaam, „ik heb nog maar éen ding voor te
-stellen en dan is mijn lastbrief ten einde. Onderstel dat, wanneer mijn
-meester uit Menschziel is weggegaan, iemand, die daar woont of later
-wonen zal, zoo iets belangrijks en bijzonders aldaar te doen heeft, dat
-indien het verzuimd wordt de geheele zaak daaronder lijden zou, en die
-belangrijke zaak kan door niemand anders gedaan worden dan door mijn
-meester, zou dan niet aan die persoon gelegenheid gegeven worden om mijn
-meester te zijnen huize te ontvangen? Of zelfs, werd dit niet
-toegestaan, dat zij dan elkander mochten ontmoeten in een der naburige
-dorpen ten einde samen raad te plegen?” [2 Kon. 1 : 3, 6, 7.]
-
-Dit was de laatste der voorstellen, die Onbuigzaam aan Immanuel had voor
-te stellen in naam van zijn meester Diábolus; maar Immanuel wilde niets
-toestaan, want hij zeide: „Er kan geen geval, geen zaak van welken aard
-ook in Menschziel voorkomen wanneer uw meester zal vertrokken zijn, die
-niet door mijn Vader kan worden in orde gebracht. Bovendien zou het een
-groote verachting wezen van mijns Vaders wijsheid en verstand als iemand
-uit Menschziel toegelaten werd naar Diábolus uit te gaan om raad te
-plegen. In ieder denkbaar geval kunnen zij hunne begeerten met bidden en
-smeeken met dankzegging bij mijnen Vader bekend maken. En verder: werd
-dit toegestaan, dan zou eene deur worden opengehouden voor Diábolus en
-de zijnen in Menschziel om een komplot te maken en verscheidene
-verraderlijke dingen te doen tot mijns Vaders verdriet en tot vernieling
-der stad.” [1 Sam. 28 : 15.] [2 Kon. 1 : 2, 3.]
-
-Toen de heer Onbuigzaam dit antwoord gehoord had, nam hij afscheid van
-Immanuel en vertrok, zeggende, dat hij zijn meester bericht zou brengen.
-Zoo kwam hij dan ook bij Diábolus, zijn meester, te Menschziel en
-verhaalde hem de geheele zaak en hoe Immanuel niets wilde toegeven; dat
-als hij er eens uitging hij dan voor altijd buiten de stad was gebannen
-en hij er nooit meer iets mede mocht te doen hebben. Toen Menschziel en
-Diábolus dit verhaal der dingen hadden vernomen, besloten zij met
-algemeene stemmen hun uiterste best te doen om Immanuel buiten
-Menschziel te houden en om den ouden Kwaderust, van wien wij tevoren
-gehoord hebben te zenden om dit aan den prins en zijne kapiteins te
-berichten. Zoo kwam dan die oude heer boven op de Oorpoort staan, en
-riep tot het leger om gehoor, en nadat hij dat bekomen had sprak hij:
-„Ik heb van mijn hoogen vorst en heer in last u te verzoeken aan uwen
-prins te berichten, dat Menschziel en haar koning vastelijk besloten
-zijn samen te staan of te vallen; en dat het tevergeefs is wanneer uw
-prins Immanuel vermeent ooit Menschziel weder in handen te krijgen,
-tenzij hij bij machte is haar met geweld te nemen.” Zoo gingen dan de
-kapiteins en verhaalden aan Immanuel wat die Kwaderust gezegd had,
-waarop de prins antwoordde: „Ik moet de kracht van mijn zwaard
-beproeven, want ik zal geenszins van hier vertrekken eer ik Menschziel
-van haren vijand verlost heb, welke oproeren zij ook heeft aangericht,
-en hoe menigmaal zij mij ook heeft verstooten!” Daarop gaf hij bevel aan
-kapitein Boanerges, kapitein Overtuiging, kapitein Oordeel en kapitein
-Strafoefening om onmiddellijk met bazuingeschal en vliegende vaandels en
-krijgsgeschal naar de Oorpoort op te trekken. Ook wilde hij, dat
-kapitein Geloof zich bij hen voegen zou. Immanuel gaf bovendien bevel,
-dat de kapitein Goede Hoop en kapitein Liefde zich voor de Oogpoort
-zouden in slagorde stellen. De overige kapiteins en hunne manschappen
-moesten zich elders rondom de stad gereed houden en de voordeeligste
-stellingen tegenover de stad innemen, en alles gebeurde zooals hij het
-geboden had. [Efez. 6 : 17.]
-
-Daarop werd uitgeroepen dat het wachtwoord zou wezen „Immanuel”. Toen
-ontstond er een oorverdoovend geraas, de stormrammen werden aangelegd,
-en de slingers zweepten groote steenen door de lucht, die in de stad
-neerkwamen. Zoo begon de strijd. Diábolus voerde nu zelf de lieden der
-stad tot den strijd aan en wel bij elke poort, daarom was haar
-tegenstand zooveel te krachtiger, helscher en beleedigender voor
-Immanuel. Verscheidene dagen achtereen werd de goede prins op deze wijze
-door Diábolus en Menschziel tegengestaan, terwijl het inderdaad de
-moeite waard was te zien hoe flink El-Schaddaï’s kapiteins zich in den
-oorlog gedroegen.
-
-[Afbeelding: DE KAPITEINS VAN IMMANUEL BELOOND.]
-
-Daar hebt gij eerst kapitein Boanerges; ofschoon de anderen niet bij hem
-achterstonden; deze deed driemaal zulke krachtige aanvallen op de
-Oorpoort, dat deze poorten en deuren kraakten en schudden. Kapitein
-Overtuiging, die Boanerges trouw terzijde stond, deed wat hij vermocht,
-en beiden, bemerkende dat de poort begon te kraken, bevalen dat de
-stormrammen er maar voortdurend tegen spelen zouden. Daar kapitein
-Overtuiging zich wat dicht bij de poort waagde, kreeg hij drie wonden in
-den mond[21] en werd teruggedreven. Toen kwamen de vrijwilligers in het
-leger en dit moedigde de kapiteins opnieuw aan.
-
- [21] ~In deze worsteling werd kapitein Overtuiging gewond~. -- Wij
- worstelen menigmaal tegen onze overtuigingen in, en brengen het soms
- zóo ver, dat wij ze op een of ander punt tot zwijgen doemen. Toch doen
- deze aanvallen van ons overtuigend geweten den booze in ons afbreuk;
- de zekerheid en stille gerustheid worden geschokt en verdreven.
-
-Om deze kapiteins voor hunne dapperheid te beloonen zond de prins hen
-naar zijne eigen tent, en beval, dat zij daar een weinig zouden
-uitrusten en zich herstellen. Ook werd er onmiddellijk voor gezorgd, dat
-kapitein Overtuiging van zijne wonden genezen werd. De prins vereerde
-ieder hunner een gouden keten en sprak hun moed in.
-
-Meent evenmin, dat kapitein Goede Hoop of kapitein Liefde achteraan
-kwamen in dit wanhopige gevecht, want deze gedroegen zich zóo kloek aan
-de Oogpoort, dat zij haar bijna openbraken. Ook deze ontvingen loon van
-hunnen vorst evenals de overigen der hoofdlieden, omdat zij zich rondom
-de stad zoo dapper weerden.
-
-In deze worsteling werden verscheidene officieren van Diábolus gewond of
-gedood, en ook vele lieden uit de stad bekwamen blessuren. Onder de
-gesneuvelde officieren behoorde zekere kapitein Pocher. Deze Pocher had
-gemeend, dat niemand de deuren der Oorpoort noch het hart van Diábolus
-kon doen beven. Naast hem werd een zekere kapitein Zekerheid
-neergeslagen, die gewoon was in stille gerustheid te leven en voor een
-spreekwoord had aangenomen, dat de blinden en lammen in Menschziel
-alleen wel in staat waren de poorten der stad tegen Immanuel te
-verdedigen. Dezen kapitein Zekerheid werd door kapitein Overtuiging met
-een tweesnijdend zwaard het hoofd gekloofd, toen deze drie wonden in den
-mond kreeg. [2 Sam. 5 : 6.]
-
-Behalve dezen was er nog een hoofdman Bluffer, een snoode boef, een
-aanvoerder van een troep, die vuurbranden, pijlen en doodelijke
-werktuigen aandroegen. Deze man kreeg aan de Oogpoort van kapitein Goede
-Hoop een doodelijke wonde in de borst.
-
-Zoo was er ook een mijnheer Gevoelig, geen kapitein, maar een opstoker
-tot opstand. Hij kreeg eene wond in het oog, van de hand van een van
-Boanerges’ soldaten. De kapitein zou hem zelf wel gedood hebben, maar
-hij maakte een spoedigen terugtocht.
-
-Maar nooit in mijn leven zag ik Vastewil zoo tam; hij was volstrekt niet
-in staat zijn gewone handelwijze te volgen, en sommigen zeggen, dat hij
-ook eene wond gekregen had in het been. Men had hem ten minste uit het
-leger van den prins in de verte zien hinken.
-
-Ik zal u geen nauwkeurige opsomming geven van de soldaten, die in de
-stad gedood werden; velen werden er verminkt, gewond en velen schoten er
-het leven bij in. Toen zij zagen, dat de Oorpoort wankelde en de
-Oogpoort bijna geheel opengebroken was, ook dat verscheidene van hunne
-kapiteins waren geslagen, versmolt het hart van velen, die Diábolus
-aanhingen. Ook vielen er velen door de slingersteenen, die met kracht in
-de stad werden geworpen.
-
-Onder de burgers behoorde een zekere Goedhater, die ook een Diábolist
-was. Deze kreeg een doodelijke wond in Menschziel, maar waaraan hij
-eerst later stierf.
-
-De heer Kwaderust, gij kent hem wel, die het eerst met Diábolus meekwam
-toen hij Menschziel belaagde, ontving ook gevaarlijke wonden in zijn
-hoofd; ik heb zelfs hooren zeggen, dat zijn hersenpan gescheurd was. Dit
-heb ik ten minste opgemerkt, dat hij in later tijd nooit meer in staat
-was zooveel kwaad in Menschziel te doen als voorheen. De oude heer
-Vooroordeel en Neutraal zetten het op een loopen.
-
-Toen nu deze worsteling voorbij was gaf de prins bevel, dat weder de
-witte vlag op den berg Genade zou worden geheschen, in het gezicht der
-stad, om te toonen, dat Immanuel Menschziel in hare ellende wilde
-genadig zijn.
-
-[Afbeelding: GRIFFIER GEWETEN VERONTRUST.]
-
-Toen evenwel Diábolus de witte vlag der genade zag waaien, en hij wist
-wel, dat dit niet voor hem was, zoo bedacht hij een andere list,
-namelijk hij wilde beproeven of Immanuel zijn beleg niet wilde opbreken
-en heengaan op belofte van hervormingen. Zoo kwam hij dan in den avond
-naar de poort wandelen, een heel poosje nadat de zon was ondergegaan, en
-riep om een gesprek met Immanuel, die onmiddellijk tot hem kwam, en
-Diábolus sprak:
-
-„Nademaal gij door het uitsteken van de witte vlag bekend maakt, dat gij
-op vrede en rust gesteld zijt, zoo dacht het mij goed u te zeggen, dat
-wij zeer bereid zijn die aan te nemen op zulke voorwaarden als gij wel
-zult willen goedvinden.
-
-„Ik weet dat godsvrucht u behaagt en dat gij zeer gesteld zijt op
-heiligheid, ja, dat een groote drangreden om Menschziel den oorlog aan
-te doen, juist hierin gelegen is, dat gij haar tot een heilige
-woonplaats maken wilt. Welnu, wend u met uwe legermacht van de stad af
-en ik zal maken, dat Menschziel voor u buigt.
-
-„Ik zal alle daden van vijandschap tegen u doen ophouden, en ben
-gewillig om uw afgezant te worden, en gelijk ik u tevoren heb
-tegengestaan, zoo wil ik u in de toekomst in Menschziel dienen.
-
-„1^{e}. Zal ik Menschziel bewegen u als Heer te ontvangen, en ik weet,
-dat zij dit te eerder zullen doen als zij weten, dat ik uw afgezant ben.
-
-„2^{e}. Zal ik haar toonen waarin zij gedwaald heeft, en dat alle
-ongerechtigheid den weg des levens in den weg staat.
-
-„3^{e}. Zal ik haar de heilige wet uitleggen, waarnaar zij zich heeft te
-gedragen en weer goed maken wat zij bedorven heeft.
-
-„4^{e}. Zal ik bij haar aandringen op de hooge noodzakelijkheid eener
-hervorming naar den eisch uwer wet.
-
-„5^{e}. Opdat geen van deze dingen verzuimd worden zal ik op mijn eigen
-kosten en gezag een voldoende bediening in Menschziel oprichten en in
-stand houden, en predikatiën laten doen tot leering en vermaning.
-
-„6^{e}. Zult gij als een teeken van onze onderwerping aan u ons jaar op
-jaar de schatting opleggen, die gij noodig keurt, en die wij u brengen.”
-
-Toen zeide Immanuel tot hem: „O, gij enkel bedrog, hoe dikwijls zijt gij
-veranderd in uw bedriegelijke wegen opdat gij dit Menschziel maar in uw
-bezit zoudt mogen behouden; dit Menschziel dat het mijne is, en waarop
-ik onbetwistbare rechten bezit! Reeds menigmaal zijt gij met uwe
-voorslagen gekomen, en deze laatste is geen zier beter dan de vorigen.
-Waar het u niet gelukt is te bedriegen als gij uw ware zwarte gedaante
-vertoondet, daar verandert gij u nu in een engel des lichts, en doet u
-thans voor als een leeraar der gerechtigheid. [2 Cor. 11 : 14.]
-
-„Maar dit zij u bekend, o Diábolus, dat uwe voorstellen allen voor niets
-geacht moeten worden, omdat zij allen op bedrog zijn toegelegd. Gij
-bezit evenmin vreeze Gods als liefde tot de stad Menschziel. Uit welken
-anderen grond kunnen dan deze uwe woorden voortkomen dan uit list en
-bedrog? Hij, die uit list of eigenwil alles kan voorstellen wat hem
-behaagt, en dat om hen ongelukkig te maken, die hem gelooven, verdient
-gehoor noch geloof in alles wat hij zegt. Indien dan gerechtigheid zulk
-een voortreffelijke zaak is in uw oog, waarom hebt gij dan vroeger de
-goddeloosheid zoo toomeloos bedreven? Maar dat is tot daar aan toe.
-
-„Gij spreekt van hervormingen in Menschziel, en dat gij, als het mij
-behaagt, de eerste wilt wezen in dat hervormingswerk, ofschoon gij zeer
-goed weet, dat de hoogste trap van gerechtigheid, die een mensch
-bereiken kan, toch nooit baten kan om den vloek weg te nemen, die op
-Menschziel rust. De wet, eenmaal door Menschziel gebroken, heeft den
-vloek tegen haar doen uitspreken, en nooit kan door eenige
-gehoorzaamheid in de toekomst, wat daar achter ligt worden weggenomen of
-hersteld, in geen geval eene hervorming, die door een duivel wordt
-voorgesteld of uitgevoerd. Gij weet zelf zeer goed, dat al wat gij
-gezegd hebt niets anders is dan bedrog, en dat dit de laatste kaart is,
-die gij uitspelen kunt. Velen zijn er, die u spoedig herkennen zullen
-als gij hun uw gespleten klauwen laat zien, maar in uw witte gedaante,
-in uwe verandering in een engel des lichts wordt gij van weinigen
-aangezien. Maar gij zult, o Diábolus, alzoo met mijn Menschziel niet
-leven, want daarvoor heb ik het te lief.
-
-„Bovendien ben ik niet gekomen om Menschziel aan te sporen tot goede
-werken om daardoor te leven; deed ik dat, dan zou ik u gelijk wezen;
-maar ik ben gekomen opdat zij door mij en door hetgeen ik voor haar
-gedaan heb met mijnen Vader zou worden verzoend, al heeft zij Hem ook
-door hare zonden tot toorn getergd, en al kan zij langs den weg der wet
-op geene genade meer hopen.
-
-„Gij spreekt van het onderwerpen dezer stad aan het goede, dat niemand
-van uwe hand begeert. Ik ben door mijn Vader gezonden om haar zelf te
-bezitten, en haar te besturen met mijne eigen hand in zulk eene
-overeenstemming met hem als hem welbehagelijk wezen zal. Daarom wil ik
-haar zelf hebben; ik zal u onttroonen en uitwerpen, ik zal mijn eigen
-standaard in het midden van haar planten. Ik zal haar ook regeeren door
-nieuwe wetten, nieuwe dienaren, nieuwe grondregels en nieuwe
-instellingen; ja, ik zal deze stad ter nederwerpen en weder opbouwen;
-men zal haar niet meer herkennen, en zij zal de heerlijkheid der gansche
-aarde zijn.”
-
-Toen Diábolus dit hoorde en bemerkte, dat hij in al zijn list en bedrog
-ontdekt was, stond hij daar versuft en als tot het uiterste gebracht;
-maar daar in zijn binnenste woelde de fontein van ongerechtigheid,
-woeste kwaadaardigheid en opstand tegen El-Schaddaï en zijn Zoon beiden.
-Wat kon hij dan anders doen dan zich weder gereed maken om een nieuw
-gevecht te beginnen tegen den edelen prins Immanuel? Zoo krijgen wij dus
-weder een nieuw gevecht voor de stad Menschziel te zien. Klimt dan op de
-heuvelen, gij die gaarne den oorlog aanschouwt of krijgstooneelen
-bijwoont, en ziet aan beide zijden welke noodlottige slagen daar worden
-uitgedeeld, terwijl de een zoekt de stad te behouden en de ander er zich
-van meester te maken.
-
-Diábolus keerde van de wal terug naar zijne grootste sterkte, die hij in
-het hart der stad Menschziel bezat; Immanuel keerde ook zijn aangezicht
-naar het leger, en beiden maakten zich ieder op zijne wijze gereed op
-nieuw slag te leveren.
-
-[Afbeelding: VERSTAND EN GEWETEN STELLEN EEN VERZOEKSCHRIFT OP.]
-
-Diábolus tot het uiterste wanhopig omdat hij de beroemde stad Menschziel
-niet behouden kon, besloot zooveel nadeel als maar mogelijk was toe te
-brengen aan het leger van den prins en de stad zelve; want, helaas, het
-was geenszins het geluk der stad, dat hij bedoelde, maar integendeel
-haar uiterste verwoesting, dit blijkt duidelijk genoeg. Daarom beval hij
-ook aan zijne officieren, dat wanneer zij bemerkten, dat zij de stad
-niet langer houden konden, zij daar zooveel nadeel en verwoesting zouden
-aanrichten als maar mogelijk was, doende mannen, vrouwen en kinderen
-weenen. „Want”, zeide hij, „’t is beter, dat wij deze plaats met den
-grond gelijk maken en als een puinhoop achterlaten, dan haar zóo te
-verlaten, dat zij nog een geschikte woning voor Immanuel is.” [Mark. 9 :
-26, 27.]
-
-Immanuel daarentegen, wetende, dat de nu volgende worsteling beslissend
-zou wezen en hij zich dus meester van de stad zou zien, gaf een
-koninklijk bevel uit aan al zijne officieren, voorname kapiteins en
-krijgslieden, dat zij zich kloek zouden houden als echte krijgers tegen
-Diábolus en zijn aanhang, maar dat zij barmhartig, zachtmoedig en
-vriendelijk moesten wezen jegens de oude inwoners van Menschziel.[22]
-„Bindt den strijd aan met hem en de zijnen”, zeide de edele vorst, „en
-laat het heetst van het gevecht op hem aankomen!”
-
- [22] ~Dit laatste bevel~ van Immanuel is karakteristiek, en toont hoe
- Hij den booze en het booze haat, maar den zondaar liefheeft.
-
-
-
-
-HOOFDSTUK V.
-
-DE CAPITULATIE EN HARE GEVOLGEN.
-
-
-De bestemde dag gekomen zijnde, werd het bevel gegeven en stonden de
-mannen van den prins dapper in de wapens en richtten evenals vroeger
-hunne beste krachten tegen de Oorpoort en Oogpoort. Het wachtwoord
-luidde: „Menschziel is gewonnen!” Zoo vielen zij dan op de stad aan.
-Diábolus daarentegen stond hen tegen met zijne beste krachten, en
-inderdaad zijne grooten en opperhoofden vochten eenigen tijd zeer fel en
-wreed tegen ’s prinsen leger.
-
-Maar na drie of vier flinke aanvallen door den prins en zijn edele
-kapiteins werd de Oorpoort opengebroken;[23] de bouten en grendels,
-waarmede hij was toegemaakt, braken in duizend stukken. Toen klonken de
-trompetten, juichten de kapiteins, beefde de stad, en trok Diábolus zich
-in zijn hol terug. Toen nu ’s prinsen leger de poort had opengebroken
-kwam hij zelf daar en stelde er zijn troon. Hij plantte ook zijn
-standaard op een berg, dien zijn volk daartoe opzettelijk had opgeworpen
-en die de heuvel „Ziet toe hoe gij hoort” genoemd werd. Daar hield de
-prins nu zijn verblijf, te weten dicht bij den ingang der poort. Hij
-beval ook, dat de gouden slingers nu op de stad zouden worden gericht,
-en voornamelijk het kasteel zouden bestoken, omdat daar Diábolus en zijn
-complot zich hadden teruggetrokken. Van de Oorpoort liep de straat
-regelrecht uit op het huis van den heer griffier, die namelijk griffier
-was vóor Diábolus de stad innam, en vlak bij zijn huis stond het
-kasteel, dat Diábolus sedert lang tot zijn verfoeielijk hol gemaakt had.
-Daarom lieten de kapiteins zeer gezwind die straat schoonvegen door
-middel van hunne slingers, zoodat hun nu de weg openstond tot het hart
-der stad. Toen gaf de prins bevel, dat de kapiteins Boanerges,
-Overtuiging en Oordeel voorwaarts rukken zouden naar het paleis van den
-ouden edelman en op zijne poort aanvallen. De kapiteins rukten met
-vliegende vaandels en in volle wapenrusting, de stad Menschziel binnen,
-om de woning van den griffier Geweten te bestormen, die bijna even sterk
-was als het kasteel. De stormrammen, die zij bij zich hadden, rammeiden
-de deuren van het kasteel. Toen zij aan het huis van den heer Geweten
-gekomen waren, klopten zij aan en vraagden binnengelaten te worden. De
-oude edelman, niet ten volle hun oogmerk verstaande, hield zoolang het
-gevecht duurde zijne poorten gesloten. Daarom, nadat Boanerges
-tevergeefs gevraagd had binnengelaten te worden, zoo liet hij een stoot
-geven met den kop van een stormram, en deze deed den ouden man beven en
-zijn huis op de fondamenten schudden. Toen kwam de griffier af naar de
-poort en vraagde met bevende lippen wie daar waren. Boanerges
-antwoordde: „Wij zijn de kapiteins en gezagvoerders van den grooten
-El-Schaddaï en den gezegenden Immanuel, zijn Zoon, en wij eischen uw
-kasteel op voor het gebruik van onzen edelen vorst.” Intusschen gaf de
-stormram de poort nog een stoot. Deze deed den ouden edelman nog meer
-beven; toen durfde hij niet anders dan de poort openen, en ’s konings
-krijgsmacht trok binnen, namelijk de drie bovengenoemde kapiteins. Het
-huis van den griffier was eene zeer gemakkelijke en welgelegen
-verblijfplaats voor Immanuel, niet alleen omdat het zoo dicht bij het
-kasteel stond en zoo sterk was, maar ook omdat het zoo groot van omvang
-was en vlak tegenover Diábolus’ spelonk, waarin hij zich thans had
-verscholen, niet voor den dag durvende komen. Wat den griffier zelven
-betrof, de kapiteins hielden voor hem hun voornemen nog bedekt, en het
-groote doel van Immanuel bleef hem verborgen, zoodat hij niet wist wat
-hij er van denken moest en wat het einde zou wezen van zulk een
-donderend krijgsrumoer.[24]
-
- [23] ~De Oorpoort wordt eerst opengebroken~. -- Wanneer de Geest des
- Heeren langen tijd met den mensch geworsteld heeft door de bediening
- des Woords en de genademiddelen, zoo gaat eindelijk het oor open voor
- de roepstem van boven. Maar het is Immanuel om het ~hart~ te doen en
- daarom richt Hij zich nu op het middelpunt van ’s menschen wezen.
-
- [24] ~De oude griffier Geweten~ is zeer verschrikt en wordt ook niet
- dadelijk in alle plannen ingewijd. Als het geweten wakker wordt dan
- vreest het Gods rechtvaardigheid en kan zich niet voorstellen, dat al
- die vreeselijke oordeelen en schrikkelijke overtuigingen enkel zijn
- tot behoudenis der ziel.
-
-[Afbeelding: DIÁBOLUS VERSLAGEN.]
-
-Het werd nu ook weldra bekend in de stad hoe het huis van den ouden
-griffier was ingenomen, zijne kamers allen waren bezet en zijn paleis
-tot een oorlogstuighuis gemaakt. En zoodra verspreidde dit gerucht zich
-niet naar buiten of allen waren zeer ontsteld. Ieder deelde dit bericht
-aan zijne vrienden mede, en evenals een sneeuwbal bij het rollen niet
-verliest, zoo was binnen korten tijd de stad er mede vervuld, en ieder
-meende, dat men van den prins niets anders te verwachten had dan verderf
-en ondergang. De oorzaak hiervan was, dat de griffier maar voortdurend
-beefde en de kapiteins alles voor hem bedekt hielden. Dit maakte ook,
-dat menigeen kwam aanloopen om het met eigen oog te zien. Maar wanneer
-zij dan de kapiteins in het paleis zagen en de stormrammen spelende op
-de poorten van het kasteel om die omver te stooten, zoo werden zij nog
-meer ontsteld. En zooals ik zeide, de eigenaar van het huis maakte dit
-alarm niet minder, want al wie bij hem kwam en met hem sprak, verhaalde
-hij, dat hij niet anders dan dood en verderf vreesde en verwachtte voor
-Menschziel.
-
-„Gij allen zult mij toestemmen,” zeide de edelman, „gij allen weet, dat
-wij verraders geweest zijn jegens dien eertijds zoo verachten, nu zoo
-zegevierenden en heerlijken vorst Immanuel, want nu ziet gij voor uwe
-oogen hoe hij ons niet slechts dicht ingesloten houdt, maar zich toegang
-heeft verschaft binnen onze poorten. Bovendien Diábolus ontvlucht hem,
-en nu heeft hij, zooals gij ziet, van mijn huis eene vesting gemaakt, om
-vandaar uit het kasteel te bestormen, waar Diábolus zich bevindt. Ik
-voor mij, heb grootelijks gezondigd door mij stil te houden als ik
-spreken moest, en door de gerechtigheid te verdraaien als ik ze
-uitoefenen moest. ’t Is waar, ik heb ook wat geleden door de handen van
-Diábolus omdat ik mij aan de wetten van El-Schaddaï hield; maar wat zal
-mij dat baten? Zal dat weer goedmaken al het toegeven aan de
-oproerlingen en al het verraad, dat ik mede gepleegd heb, en al wat ik
-toegelaten heb in de stad Menschziel? O, ik beef als ik denk wat het
-einde wezen zal van dit treurig en schrikkelijk begin!”
-
-Terwijl deze dappere kapiteins aldus bezig waren in het huis van den
-ouden Griffier, was kapitein Strafoefening elders bezig in het
-verzekeren van de achterstraten en muren. Hij zat den heer Vastewil
-overal na, hij gunde hem geen oogenblik rust in eenigen hoek; hij
-vervolgde hem zoo hardnekkig, dat al zijne mannen van hem verwijderd
-werden en hij blijde was zijn hoofd in een hol te kunnen versteken. Ook
-sloeg deze krijgsman drie van Vastewils officieren ter aarde. De éen was
-de oude Vooroordeel, hij wiens hersenpan reeds gescheurd werd. Deze
-persoon was door Vastewil aangesteld als wachter van de Oorpoort, en
-viel door de hand van kapitein Strafoefening. Zoo was er ook een heer
-Hardnekkig, die eveneens tot Vastewils officieren behoorde en het
-opzicht had over de twee kanonnen, die op de Oorpoort geplant waren. Ook
-hij viel door de hand van kapitein Strafoefening. Behalve deze was er
-nog een derde: hij heette kapitein Verrader, een laaghartig man, maar
-in wien Vastewil groot vertrouwen stelde. Deze viel met de anderen.
-
-[Afbeelding: DE DORRE PLAATSEN.]
-
-Bovendien maakte hij eene geweldige slachting onder ’s heeren Vastewils
-soldaten, velen van hunne stoutste en brutaalste manschappen doodende,
-en velen verwondend, die nog voor Diábolus pal stonden. Maar dit waren
-allen Diábolus-mannen, er was niemand onder uit de oorspronkelijke
-inwoners der stad.
-
-Andere oorlogsdaden werden al evenzeer door de andere kapiteins
-verricht. Aan de Oogpoort, waar kapitein Goede Hoop en kapitein Liefde
-het bevel voerden, werd ook een groote strafoefening gehouden; want
-kapitein Goede Hoop sloeg met eigen hand zekeren hoofdman Blinddoek, die
-de poort bewaakte. Deze Blinddoek had duizend man onder zich en zij
-vochten met mokers. Zoo vervolgde hij ook diens manschappen, sloeg er
-velen dood, verwondde vele anderen en maakte, dat de rest zich in alle
-hoeken en gaten ging verbergen.
-
-Ook stond bij die poort de welbekende Kwaderust. Hij was een grijsaard,
-wiens baard tot aan zijn gordel reikte. Wij kennen hem als Diábolus’
-redenaar: hij had heel wat kwaad gedaan in de stad en viel nu door de
-hand van kapitein Goede Hoop.
-
-Wat zal ik zeggen? De Diábolus-mannen lagen in deze dagen dood in
-iederen hoek der stad, ofschoon er altijd nog veel te veel in leven
-bleven.
-
-Nu kwamen op zekeren dag de oude griffier Geweten en de heer Verstand en
-enkele andere opperhoofden der stad, (te weten dezulken, die wisten dat
-zij met Menschziel staan en vallen moesten,) bij elkaêr, en na eene
-raadsvergadering te hebben gehouden, stelden zij gezamenlijk een
-verzoekschrift op, om dat aan Immanuel te brengen terwijl hij in de
-poort van Menschziel was gezeten. De inhoud van dat verzoekschrift hield
-in, dat zij, oude inwoners van Menschziel, de stad, die nu zoo
-jammerlijk ellendig was, hunne schuld beleden en zeer bedroefd waren,
-dat zij Zijne Majesteit beleedigd hadden, tevens hem biddende, dat hij
-hen in het leven mocht sparen.
-
-Op dit verzoekschrift gaf hij in het geheel geen antwoord en dat
-verontrustte hen nog te meer. Intusschen gingen de kapiteins, die in het
-huis van den griffier waren, maar voort met hunne stormrammen het
-kasteel te bestormen. Zoo werd dan ook na eenigen tijd de groote poort
-van het kasteel, die Ondoordringbaar heette, opengebroken en in
-splinters geslagen, en daardoor stond de toegang tot het hol van
-Diábolus nu open. Toen werd er eene boodschap gezonden naar de Oorpoort,
-waar Immanuel voortdurend op zijn troon zat, om hem te laten weten, dat
-er eene opening was gemaakt in Diábolus’ kasteel. Wat klonken toen weder
-de trompetten door ’s Prinsen legerkamp! Nu was de oorlog toch dicht bij
-zijn einde en Menschziel zelve zou spoedig in vrijheid worden gesteld.
-
-Toen stond de Prins van zijn zetel op, en nam met zich diegenen zijner
-mannen, welke voor dezen tocht het geschiktst waren. Zoo marcheerden zij
-dan op naar het huis van den griffier langs de straat van Menschziel.
-
-De Prins was gekleed in een gouden wapenrusting en zijn standaard werd
-voor hem uitgedragen; maar hij hield zijn aangezicht in een vasten
-plooi, zoodat niemand daarop ’t zij liefde of gramschap lezen kon.
-Terwijl hij daar nu zoo langs de straat reed, kwamen de burgers der stad
-allen uit hunne deuren en aan hunne vensters; ze waren allen verstomd
-door de heerlijkheid van zijn persoon en den glans, die hem omringde,
-maar tevens zeer verwonderd, dat hij zijn gelaat in zulk een stijven
-plooi hield, want nu sprak hij meer tot hen door zijne daden dan door
-woord of glimlach. Maar nu legde het arme Menschziel (zooals wij allen
-in zoodanig geval geneigd zijn te doen) de houding van Immanuel uit
-zooals Jozefs broeders Jozef beschouwden: geheel op de verkeerde wijze.
-„Want”, dachten zij, „als Immanuel ons liefhad, zou hij ons dat wel
-toonen door zijn woord of zijn gelaat; maar daar hij dit niet doet, zoo
-haat hij ons zeker. Welnu, als Immanuel ons haat, dan zal alles in
-Menschziel gedood worden en de stad tot een puinhoop.” Zij wisten, dat
-zij hadden overtreden, dat zijns Vaders wet door hen geschonden was, en
-dat zij tegenover hem gemeene zaak hadden gemaakt met Diábolus; dat hij
-van dit alles kennis droeg, want zij waren overtuigd, dat hij was als
-een engel Gods om alle dingen te weten, die op aarde gebeuren; en dit
-deed hen nu denken, dat hun vooruitzicht ellendig was en dat de goede
-Prins hen zou vernielen.
-
-Daarbij dachten zij: „Welke tijd is geschikter voor hem om dit te doen
-dan nu, daar hij Menschziel thans geheel in zijne hand heeft?” En
-daarbij trok dit in het bijzonder mijne aandacht, dat de inwoners van
-Menschziel ofschoon zij vreesden, niet anders konden dan diep voor hem
-nederbuigen; ja, zij waren gereed het stof van zijne voeten te lekken.
-Ook wenschten zij duizendmaal, dat hij hun Heer en Hoofd mocht worden en
-hen in zijne bescherming nemen. Ook spraken zij met elkander over de
-schoonheid van zijn persoon, en hoezeer hij in grootheid en
-voortreffelijkheid alle wereldgrooten overtrof. Maar wat hunzelven
-aanging, och armen! hunne gedachten veranderden elk oogenblik en gingen
-van het eene uiterste tot het andere. Ja, door dit tusschen vrees en
-hoop geslingerd worden werd Menschziel als een bal, die door een
-wervelwind wordt voortgejaagd.
-
-Toen hij nu bij de poorten van het kasteel was gekomen, beval hij
-Diábolus voor hem te verschijnen en zich in zijne handen over te geven.
-Maar o, hoe onwillig was dat beest om voor den dag te komen! Hoe
-worstelde hij daar tegen! Hoe kromde hij zich in duizend bochten! Toch
-moest hij voor den Prins komen. Toen beval Immanuel en zij vatten
-Diábolus aan, hem met zware ketenen bindende, om hem te bewaren voor het
-vonnis, dat hij over hem had uitgesproken. Maar Diábolus stond op en
-smeekte voor zichzelven Immanuel, dat hij hem toch niet naar den afgrond
-zenden zou, maar toelaten dat hij in vrede Menschziel verliet.
-
-[Afbeelding: ONTWAAKTE-BEGEERTE EN BEWEENER VOOR DEN PRINS.]
-
-Toen Immanuel hem nu overwonnen en in ketenen gebonden had, leidde hij
-hem naar de marktplaats, en daar voor het oog van gansch Menschziel
-ontdeed hij hem van zijne wapenrusting, waarop hij eertijds zoo pochte.
-Dit was een van de glorierijke daden van Immanuel, waar hij zulk eene
-overwinning op zijn vijand behaalde. Terwijl men den reus uitkleedde
-gaven de gouden trompetten van den Prins hun aangenaam geluid, de
-kapiteins klapten in de handen en het geheele leger hief een
-vreugdegeschrei aan. Toen werd Menschziel opgeroepen om te zien het
-begin der zegepraal van Immanuel over hem, dien zij zoo hun gansche
-vertrouwen hadden gegeven en op wien zij zoo gepocht hadden in de dagen
-toen hij hen vleide.
-
-Aldus Diábolus naakt uitgestroopt hebbende voor de oogen van Menschziel
-en van alle dienaren des Prinsen gaf hij bevel, dat hij met ketenen aan
-zijn zegewagen zou worden gebonden. Daarna een deel van zijne macht, te
-weten kapitein Boanerges en kapitein Overtuiging tot bewaking van het
-kasteel achterlatende, indien soms Diábolus volgelingen nog mochten
-trachten het in te nemen of in bezit te houden, reed hij in zegepraal
-over hem heen, langs de straten van Menschziel de Oogpoort uit naar de
-vlakte, waar zijn legerkamp was opgeslagen. [Coll. 2 : 15.]
-
-Maar gij kunt u niet verbeelden, of ge mocht het gezien hebben zooals
-ik, welk eene vreugde er in Immanuels leger was toen zij daar den tiran
-gebonden zagen door de hand van hun edelen vorst en aan de wielen van
-zijn zegekar gekluisterd. Zij riepen uit: „Hij heeft de gevangenis
-gevangen genomen en de overheden en machten heeft hij uitgetogen;
-Diábolus is aan de kracht van zijn zwaard onderworpen en tot een
-voorwerp van aller verachting gemaakt!” Ook de vrijwilligers en die
-meêgekomen waren om den strijd aan te zien juichten met zulk eene blijde
-stem en zongen op zulke welluidende muziek, dat zij die de hooge sfeeren
-bewonen, en in de hooger plaatsen zijn gezeten hunne vensteren
-opendeden, en hunne hoofden naar buiten staken om de oorzaak van die
-groote blijdschap aan te zien. [Luk. 15 : 7, 10.]
-
-De lieden der stad, voor zoovelen dit mede aanschouwden, waren terwijl
-zij het aanzagen, als tusschen hemel en aarde. Wel konden zij niet
-zeggen wat de uitslag van deze dingen wezen zou voor zoover hun aanging;
-maar alles geschiedde langs een zoo heerlijken weg, en ik weet niet hoe
-ik het noemen zal, maar alles scheen de stad als het ware toe te lachen,
-zoodat hun hoofd en hart en al hunne zinnen vervuld waren met de
-aanschouwing der dingen die Immanuel deed.
-
-Toen nu de edele vorst dit deel van zijne zegepraal over zijn vijand
-Diàbolus volbracht had, gaf hij hem aan aller smaad en verachting in het
-openbaar over, en daarna hem bevel gegeven hebbende Menschziel
-onmiddellijk te verlaten, liet hij hem uitgaan uit het midden des
-legers. Daar ging Diábolus door woeste en onbewoonde plaatsen, zoekende
-rust, maar die niet vindende. [Matth. 12 : 43.]
-
-Nu waren de kapiteins Boanerges en Overtuiging beiden mannen van groot
-aanzien: hunne aangezichten waren als de aangezichten der leeuwen, en
-hunne woorden klonken als een bruischende zee. Zij hielden voortdurend
-hun verblijf in het huis van den heer Geweten. Toen aldus die groote en
-machtige Prins zijne overwinning op Diábolus had volvoerd, hadden de
-lieden der stad meer gelegenheid op de daden van deze edele kapiteins te
-letten. Die kapiteins deden alles met zulk een ernst en waren zoo
-indrukwekkend in al hunne handelingen, dat de stad onder voortdurende
-vreeze werd gehouden en zij voor de toekomst nog altijd in twijfel
-verkeerden, zoodat zij kwalijk wisten wat rust of gemak, vrede of hoop
-beduidde.
-
-Ook woonde de prins toen zelf niet in de stad Menschziel, maar in zijn
-koninklijke tent in het midden van zijns vaders heirmacht. Zoo gaf hij
-echter op zekeren bestemden tijd speciale bevelen aan kapitein Boanerges
-om Menschziel op te eischen, om al de burgers te laten komen in het
-kasteel en dan voor hun aangezicht de heeren Verstand, Geweten en
-Vastewil in bewaring te nemen, en hen streng te laten bewaken tot zijn
-welbehagen aangaande hen voor de toekomst zou openbaar worden. Het
-opvolgen van dit bevel maakte waarlijk de vreezen en angst in de stad
-niet minder; nu waren dan hun donkere vooruitzichten omtrent dat droevig
-lot van Menschziel wel terdege bevestigd. Welken dood zij sterven zouden
-en hoe lang hunne strafoefening zou duren waren gedachten, die alle
-hoofden bezighielden; ja er waren, die vreesden dat Immanuel hen allen
-in den afgrond werpen zou, die akelige plaats, daar Diábolus zoo bang
-voor was; want zij wisten, dat zij het hadden verdiend. Anderen meenden,
-dat zij met het zwaard zouden worden onthalsd in het gezicht hunner
-stad; in ongenade gevallen te zijn bij een zoo goed en heilig vorst, o
-dat maakte hen zoo droevig! Ook was de stad in groote onrust met het oog
-op de mannen, die in gijzeling werden gehouden, want dat waren hun
-gidsen en leidslieden, en als nu deze mannen werden weggenomen, dan
-moest het immers eindigen met den ondergang van gansch Menschziel.
-Daarom wisten zij niets beters te doen dan gezamenlijk met de mannen,
-die gevangen zaten een verzoekschrift opstellen tot den prins, en dit
-zonden zij op door de hand van zekeren heer Begeerte-tot-leven. De man
-ging heen, kwam aan het verblijf van den vorst en bood daar het rekwest
-aan,[25] dat van den volgenden inhoud was.
-
- [25] ~Het rekwest wordt gebracht door den heer Begeerte-tot-leven~. Nu
- bidt Menschziel wel, maar dat gebed wordt bezield door den naam van
- den verzoeker. ’t Is alleen om lijfsbehoud te doen.
-
-„Groote en wonderbare Heerscher, Overwinnaar van Diábolus en van de stad
-Menschziel! Wij, de ellendige inwoners van deze beklagenswaardige
-plaats, smeeken u nederig dat wij genade mogen vinden in uwe oogen.
-Gedenk toch onze vorige overtredingen niet, noch de groote zonden van de
-machtigen onzer stad, maar spaar ons naar de grootheid uwer
-goedertierenheid! en laat ons niet sterven, maar voor uw aangezicht
-leven, zoo zullen wij gewillig zijn om uwe knechten te wezen, en om als
-het u behagen mocht zelfs de kruimkens onder uwe tafel op te lezen.
-Amen.”
-
-Zoo begaf zich dan deze smeekeling met zijn verzoekschrift naar den
-Prins; en de Prins nam het uit zijne hand aan, maar zond hem in alle
-stilte weg. Deze stilte, dit zwijgen bedroefde de stad Menschziel: maar
-nu in aanmerking nemende, dat zij smeekschriften moesten indienen of
-sterven daar zij voor het oogenblik niets anders konden doen, zoo
-beraadslaagden zij weder met elkaer en zonden een nieuw rekwest in. Het
-was alzoo in denzelfden geest en vorm gesteld als het vorige.
-
-[Afbeelding: HET BEROUW VAN MENSCHZIEL.]
-
-Maar toen het verzoekschrift opgesteld was, wisten ze weer niet door
-wien het te zenden. Die het de eerste maal gebracht had mocht het niet
-weder doen, want ze meenden dat hij op eene of andere wijze den prins
-beleedigd had. Zoo deden zij dan eene schoorvoetende poging om
-kapitein Overtuiging hun rekwest in handen te geven; maar hij
-antwoordde, dat hij voor verraders wilde noch durfde tusschenbeiden
-treden en bij den prins Immanuel geen voorspraak wilde wezen voor
-rebellen. „Dat neemt niet weg,” zeide hij, „dat onze vorst goed is, en
-dat gij het wel kunt wagen door de hand van iemand uit uwe stad een
-verzoekschrift op te zenden, maar dan moest hij ook komen met den strop
-om zijn hals en op niets pleitende dan genade.”
-
-Wel stelden zij dit uit vrees zoo lang uit als zij maar eenigszins
-konden, maar bang zijnde dat nog meer uitstel gevaarlijk worden zou, zoo
-kwamen zij er toch toe om onder veel angst en vreeze een adres op te
-stellen en in te zenden door de hand van zekeren Ontwaakte Begeerte.[26]
-Die heer Ontwaakte Begeerte woonde in een zeer jammerlijke woning binnen
-Menschziel en men had zich tot dusverre niet met hem bemoeid maar nu
-moest hij naar den prins. Toen zij dit aan dezen armen man voorstelden
-zeide hij: „Hoe zou ik anders kunnen dan al mijn best doen dat
-Menschziel van de verwoesting bewaard blijve?” Zij gaven hem dan
-vrijmoedig het verzoekschrift over en deelden hem mede hoe hij zich tot
-den prins moest wenden en wat hij had te zeggen; daarna wenschten zij
-hem een gelukkigen tocht. Toen de man aan des Prinsen tent gekomen was
-vraagde hij evenals de eerste om den prins te spreken. Dat woord werd
-aan Zijne Majesteit overgebracht en Immanuel kwam naar buiten. Toen
-Ontwaakte Begeerte den Prins zag viel hij vlak op zijn aangezicht ter
-aarde en riep uit: „O, dat Menschziel voor uw aangezicht mocht leven!”
-en daarbij bood hij het verzoekschrift aan. Toen de Prins dat gelezen
-had begaf hij zich een weinig ter zijde en weende, maar zich
-verstellende keerde hij tot den man terug, welke daar nog altijd
-schreiende aan zijne voeten lag en sprak toen voor het eerst deze
-woorden tot hem: „Keer weder naar uwe plaats, ik zal uw verzoek in
-overweging nemen.”
-
- [26] ~Ontwaakte Begeerte~ is weder een hoogere trap van geestelijke
- ervaring. De ziel kent nu haar toestand en begeert iets beters en
- hoogers.
-
-Nu kunt gij wel denken, dat de lieden van Menschziel, die hem gezonden
-hadden, met groot verlangen uitzagen naar zijne terugkomst, in angst en
-vreeze, dat hun verzoek mocht verworpen zijn. Ten laatste zagen zij den
-boodschapper terugkomen. Pas was hij binnen de stad of zij vraagden hem
-hoe hij gevaren was, wat Immanuel zeide en of hun verzoek ook van de
-hand was gewezen. Maar hij antwoordde, dat hij zwijgen zou tot hij aan
-de gevangenis kwam bij den heer burgemeester Vastewil en den secretaris.
-Daarom spoedden zij zich dan voort naar het gevangenhuis, waar de
-grooten van Menschziel gebonden lagen. O, welk een groote menigte
-stroomde daar samen om te vernemen wat de boodschapper zeide. Toen hij
-zich nu voor de tralies der gevangenis vertoonde keek de burgemeester
-naar buiten zoo wit als een doek en ook de secretaris beefde. Toch
-vraagden zij: „Verhaal ons, goede vriend, wat de groote prins tot u
-zeide.” Daarop antwoordde Ontwaakte Begeerte: „Toen ik aan de tent van
-den grooten heer kwam en naar hem vraagde, kwam hij terstond. Zoo boog
-ik mij neder aan zijne voeten en leverde mijn verzoekschrift in, want de
-grootheid van zijn persoon en de heerlijkheid van zijn voorkomen
-maakten, dat ik onmogelijk op mijne voeten kon blijven staan. Toen hij
-het verzoekschrift aannam riep ik uit: „O, dat toch Menschziel voor uw
-aangezicht mocht leven!” Hij verwijderde zich daarop een weinig en toen
-terugkomende zeide hij tot uw knecht: „Ga heen naar uwe plaats en ik zal
-uw verzoek in overweging nemen.” De bode voegde daar nog bij: „De vorst
-tot wien gij mij gezonden hebt is zulk een schoon en heerlijk
-personaadje, dat wie hem ziet hem tegelijkertijd moet liefhebben en
-vreezen. Ik voor mij kan niet anders doen; maar ik weet niet wat het
-einde van deze dingen wezen zal.””
-
-Bij het hooren van dit antwoord waren zij allen versuft, beiden zij, die
-in de gevangenis zaten, en zij, die daar nieuwsgierig omheen stonden;
-want zij wisten niet welke uitlegging zij aan deze woorden zouden geven.
-Toen nu de gevangenis door de menigte verlaten was begonnen de
-gevangenen onderling Immanuels woorden te bespreken. De heer
-burgemeester zeide, dat dit antwoord niet getuigde van een toornig
-aangezicht; maar Vastewil zeide, dat er kwaad achter stak en de
-secretaris dat het een doodvonnis inhield. Degenen, die daar in de
-nabijheid stonden en intusschen heengingen, zoodat ze niet al te best
-konden hooren wat de gevangenen spraken, hadden maar een gedeelte van
-dat gesprek opgevangen, daarom schepten enkelen troost uit die boodschap
-en anderen begrepen er verschrikking in te moeten hooren, en zoo
-verstond niemand het juist. Maar gij kunt u moeielijk voorstellen welk
-eene opschudding daardoor in Menschziel ontstond en welk eene verwarring
-daar heerschte.
-
-[Afbeelding: DE GEVANGENEN VOOR IMMANUEL.]
-
-Degenen, die aan de gevangenis geweest waren, doorliepen de stad, de een
-dit roepende, de ander vlak het tegenovergestelde, en beiden meenden dat
-zij de volle waarheid vertelden, want zij hadden met hun eigen ooren
-gehoord wat de burgemeester en de secretaris vertelden. De een riep:
-„Wij moeten allen gedood worden,” een ander daarentegen: „Wij zullen
-allen nog gered worden,” een derde schreeuwde, dat de prins niets meer
-met Menschziel wilde te doen hebben, en een vierde, dat de gevangenen
-spoedig ter dood zouden worden gebracht. En, zooals gezegd, ieder stond
-er voor in, dat hij het bij het rechte einde had. Om die reden liep nu
-alles verward dooreen en kon niemand rust vinden voor het hol van zijnen
-voet. Zelfs zoover ging het met dit verwarde gerucht, dat sommigen luide
-verzekerden: de Prins zou gansch Menschziel met het zwaard vernielen.
-Intusschen werd het donker en bracht het ellendige Menschziel een
-kommervollen nacht door.
-
-Voor zoover ik kon nagaan kwam evenwel al deze verschrikking voort uit
-het woord van den secretaris, dat ’s prinsen antwoord een doodvonnis
-bevatte. Dit verschrikte de stad; want eertijds hadden de inwoners van
-Menschziel het er stellig voor gehouden, dat de griffier een ziener was
-en dat zijne uitspraak als een godspraak kon worden beschouwd. Daardoor
-was Menschziel dus slechts een verschrikker van zichzelve.
-
-Nu begonnen zij eerst recht te gevoelen wat de gevolgen waren van
-opstand en rebellie en onwettigen tegenstand tegen hunnen vorst. Ik zeg,
-dat zij nu door vrees en schrik de gevolgen, de vruchten van hunne
-hardnekkigheid plukten, en wie leden daar meer onder dan de hoofden en
-voornaamsten der stad!
-
-Maar om kort te gaan, toen de schrik een weinig over was en de
-gevangenen wat tot zichzelven gekomen waren, grepen zij ook weder een
-weinig moed, en stelden een derde verzoekschrift[27] op, waarvan de
-inhoud hier volgt:
-
- [27] ~Een derde verzoekschrift~. Menschziel leert de groote les dat
- men altijd bidden moet en niet vertragen. Ditmaal bestaat het gebed
- meest in schuldbelijdenis.
-
-„Prins Immanuel de Groote, heer der gansche wereld en meester der
-barmhartigheid, -- wij, uwe arme, ellendige, goddelooze, stervende
-onderdanen uit de stad Menschziel, belijden voor uwe groote en heerlijke
-majesteit, dat wij tegen uwen Vader en u gezondigd hebben en niet meer
-waard zijn uw Menschziel genoemd te worden, maar veeleer om in den
-afgrond te worden geworpen. Als gij ons dooden wilt, zoo hebben wij het
-verdiend. Als gij ons wilt verdoemen, kunnen wij niet anders zeggen dan
-dat het rechtvaardig is. Wij hebben geen reden tot klagen, wat gij ook
-doet en hoe gij u jegens ons gedraagt. Maar o, laat barmhartigheid
-heerschen en laat zij zich tot ons uitstrekken! Laat uwe ontferming op
-ons nederzien en ons van onze ongerechtigheden bevrijden; dan zullen wij
-zingen van uwe barmhartigheid en uwe oordeelen! Amen.”
-
-Dit rekwest moest nu weder naar den prins worden gezonden, maar wie zou
-het bij hem brengen? Sommigen zeiden: „Laat het hem doen, die ook het
-eerste bracht;” maar anderen keurden dat af omdat hij geen betere
-uitkomst had verkregen. Nu leefde er nog een oud man in de stad, wiens
-naam was Goede Werken -- een man, die alleen dien naam droeg, maar die
-niets had van de bedoelde zaak. De griffier was er evenwel zeer tegen,
-dat deze zou gezonden worden, „want,” zeide hij, „wij zijn nu in grooten
-nood en pleiten om genade, waarom zouden wij dan een man kiezen, wiens
-naam reeds in tegenspraak is met zijn verzoekschrift? Moeten wij nu
-vriend Goede Werken onzen bode maken, wanneer wij een rekwest indienen
-om barmhartigheid?”
-
-[Afbeelding: DE KLOKKEN GELUID.]
-
-„Bovendien,” ging de edelman voort, „als de Prins hem eens vroeg: hoe is
-uw naam? dat best kan gebeuren, en hij moest dan zeggen: de oude Goede
-Werken,” wat denkt gij dat Immanuel dan antwoorden zou? Ha zoo? leeft
-oude Goede Werken nog in Menschziel? Laat dan Goede Werken u ook uit
-uwen nood verlossen! En zegt hij dat, dan ben ik er zeker van, dat wij
-verloren zijn; want geen duizendtal Goede Werken kunnen Menschziel
-redden.”
-
-Toen de secretaris zijne redenen opgegeven had waarom Goede Werken niet
-met het verzoekschrift naar Immanuel gaan zou, waren de andere
-gevangenen en opperhoofden van Menschziel er ook op tegen, en wilden zij
-Ontwaakte Begeerte opnieuw met deze zending belasten. Zoo lieten zij hem
-dan roepen en begeerden dat hij wederom heenging, en hij was daartoe dan
-ook dadelijk gereed. Maar zij smeekten hem, dat hij toch met geen enkel
-woord of handeling den prins zou beleedigen, „want door dat te doen”,
-zeiden zij, „Zoudt gij Menschziel in tallooze ellende brengen.”
-
-Toen nu Ontwaakte Begeerte bemerkte, dat hij weder gaan moest verzocht
-hij dat ze hem zekeren heer Beweener zouden medegeven. Deze Beweener was
-een naaste buurman van Ontwaakte Begeerte, een arm man van een verbroken
-geest en die zeer goed spreken kon bij een verzoekschrift; daarom
-stonden zij dan ook toe, dat hij met hem gaan zou. Zoo maakten zij zich
-dan gereed, Ontwaakte Begeerte deed een koord om zijn hals en Beweener
-vergezelde hem handenwringende. Zoo kwamen zij aan de tent van den
-Prins.
-
-Waar zij nu voor de derde maal terug kwamen zoo bekroop hen de vrees,
-dat hun herhaald aankloppen den prins hinderlijk wezen mocht. Daarom,
-toen zij aan de deur der tent waren genaderd, zoo maakten zij eerst eene
-verontschuldiging voor henzelven en hunne herhaalde komst, waardoor zij
-het Immanuel zoo lastig maakten, en zij zeiden, dat zij niet zoo vaak
-terugkwamen omdat zij er behagen in vonden hem lastig te wezen of
-zichzelven te hooren spreken, maar dat de nood hen drong. Zij konden,
-zeiden zij, nacht noch dag rusten wegens hunne overtredingen tegen
-El-Schaddaï en zijn zoon Immanuel. Zij zeiden ook, dat zij toch niet
-hoopten, dat eenig wangedrag van Ontwaakte Begeerte bij het laatste
-bezoek Zijne Majesteit mocht beleedigd hebben, en hij daarom met geen
-beteren troost was teruggekeerd. Na dit alles nu gezegd te hebben, wierp
-Ontwaakte Begeerte zich evenals de eerste maal op den grond aan de
-voeten van Immanuel, roepende: „O, dat toch Menschziel voor uw
-aangezicht mocht leven!” daarmede gaf hij zijn verzoekschrift over. De
-Prins dan het verzoekschrift gelezen hebbende, wendde zich weder een
-wijle ter zijde als de eerste maal, en daarna terugkomende op de plaats
-waar de smeekeling lag, vraagde hij naar zijn naam en wat er in hem werd
-gevonden in de schatting van de burgers van Menschziel, dat men boven
-velerlei anderen hem had uitgekozen om deze boodschap te doen. Daarop
-zeide de man tot den prins: „O, dat het toch niet kwaad zij in mijns
-heeren oogen, dat ik tot u kwam, en wat vraagt gij naar den naam van
-zulk een dooden hond als ik ben? Sla geen acht, bid ik u, op hetgeen ik
-ben, omdat er, zooals gij zeer wel weet, zulk een groote afstand bestaat
-tusschen u en mij. Waarom de lieden der stad mij gezonden hebben, zullen
-zij zelven het best weten; maar het kan nooit wezen omdat zij meenden,
-dat ik bij mijnen Heer in bijzondere gunst sta. Wat mij aangaat, ik heb
-een walg aan mijzelven, wie zou dan met mij bijzonder ingenomen zijn?
-Toch zou ik begeeren te leven, en dat begeer ik ook voor de lieden der
-stad, en waar beiden zij en ik aan groote overtredingen schuldig staan,
-zoo hebben zij mij gezonden en kom ik in hun naam u barmhartigheid
-vragen. Laat het u daarom behagen barmhartigheid te bewijzen; maar vraag
-niet wie uw dienstknecht is.”
-
-Toen zeide de prins: „En waarom is uw medgezel met u gekomen in deze
-gewichtige zaak?” Zoo verhaalde Ontwaakte Begeerte aan Immanuel, dat hij
-een arme buurman van hem was, en een van zijne beste vrienden. „En zijn
-naam, als het Uwe Majesteit niet mishaagt, is Beweener van Menschziel.
-Ik weet, dat er velen van dien naam zijn en daaronder ook wel
-bedriegers, maar ik hoop, dat het mijnen Heer toch niet mishagen zal,
-dat ik mijn armen buurman heb medegebracht.”
-
-Toen viel ook Beweener op zijn aangezicht ter aarde en sprak voor
-zichzelven:
-
-„O, mijn Heer, wat ik ben weet ik zelf niet, noch of mijn naam slechts
-voorgewend dan wel waar is, vooral wanneer ik begin te bedenken wat
-sommigen gezegd hebben, namelijk dat de heer Berouw mijn vader is
-geweest. Goede lieden hebben soms slechte kinderen en de oprechten
-kweeken soms huichelaars. Mijne moeder noemde mij bij dien naam van
-mijne wieg af, maar of dit nu gebeurd is wegens de ijlheid van mijn
-hoofd dan wegens de weekheid van mijn hart, kan ik niet vertellen. Ik
-zie onreinheid in mijn eigen tranen en goddeloosheid op den bodem van
-mijne gebeden. Maar ik smeek u” (en bij dit alles weende die man zeer),
-„dat gij toch onze overtredingen niet wilt gedenken, noch onze
-ongerechtigheden en tekortkomingen aanzien, maar beide mijne zonden en
-die van Menschziel verschoonen en niet langer wachten met het
-verheerlijken van uwe genade aan ons.”
-
-Nadat zij aldus hunne smeekingen voor zijn aangezicht hadden
-neergeworpen stonden zij bevende op en wachtten het antwoord af. De
-Prins sprak:
-
-„De stad Menschziel heeft grootelijks tegen mijnen Vader gerebelleerd,
-daarin dat zij hem als haar koning verworpen heeft en zich tot een
-overheid koos een leugenaar, moordenaar en weggeloopen slaaf. Want dezen
-Diábolus, uw voorgewende vorst, eertijds zoo hoog door u geschat, stond
-op tegen mijn Vader en mij, in ons eigen paleis in het hoogste hof,
-meenende daar overheer en koning te worden. Maar daar is hij nog juist
-bijtijds ontdekt en gevangen genomen, voor zijne goddeloosheid in
-ketenen geklonken en in dien afgrond geworpen tegelijk met hen, die
-zijne metgezellen waren. Die onverlaat heeft zich aan u vertoond en gij
-hebt hem aangenomen.
-
-„Dit is nu en was reeds langen tijd een groote beleediging voor mijnen
-Vader en daarom zond mijn Vader een machtig leger naar u heen om u weder
-tot zijne gehoorzaamheid terug te brengen. Maar gij weet hoe deze
-manschappen, hunne kapiteins en raadsheeren door u werden geacht en wat
-zij uit uwe hand ontvingen. Gij stondt tegen hen op, gij sloot uwe
-poorten voor hen, gij bondt den strijd met hen aan, gij vocht tegen hen
-en vóor Diábolus. Daarom zonden zij tot mijnen Vader om meerdere
-strijdkrachten en ik kwam met mijne manschappen om u tot onderwerping te
-brengen. Maar zooals gij de dienaars behandeld hebt, hebt gij ook den
-Meester behandeld. Gij stondt evenzeer vijandig tegenover mij en sloot
-ook voor mij uwe poorten, en hieldt u doof voor mijn roepstem, en
-hieldt den tegenstand zoo lang vol als gij maar kondt. Maar nu heb ik u
-met geweld onderworpen. Riept gij ook om genade zoolang gij nog hoop
-hadt het tegen mij uit te houden? Maar nu ik de stad ingenomen heb roept
-gij. Waarom riept gij niet eer toen de witte vlag mijner barmhartigheid
-en de zwarte vlag des oordeels tegenover elkander uithingen? Nu ik weer
-Diábolus overwonnen heb komt gij mijne gunst zoeken, maar waarom hielpt
-gij mij niet tegen dien machtigen reus? Toch wil ik uw verzoekschrift in
-overweging nemen en het beantwoorden zooals het meest strekken kan om
-mij te verheerlijken.
-
-[Afbeelding: VREUGDE IN HET LEGER VAN IMMANUEL.]
-
-„Gaat heen en verzoekt kapitein Boanerges en kapitein Overtuiging, dat
-zij de gevangenen tot mij uitbrengen,[28] hier in het leger, en reeds
-morgen, en zegt tot kapitein Oordeel en kapitein Strafoefening, dat zij
-in het kasteel moeten blijven om alles in de stad Menschziel in rust te
-houden totdat gij verder van mij hooren zult.” En daarna keerde hij zich
-om en trok zich in zijn koninklijke tent terug.
-
- [28] ~Breng de gevangenen tot mij uit~. De gevangen en gebonden ziel
- is niet op eenmaal en onmiddellijk verlost; zij moet het ernstig
- gevoelen welk eene droevige zaak het is tegen den Heere te zondigen.
-
-Zoo keerden dan ook onze beide smeekelingen om en zochten den terugweg
-op, het antwoord van den vorst overleggende. Het kwam hun zoo voor, dat
-er niet veel hoop was op genade en barmhartigheid, en dat de vorst te
-diep gekrenkt was om hun te kunnen gehoor verleenen. Zoo kwamen zij dan
-ook tot de plaats waar de gevangenen in hunne ketenen nederlagen, maar
-hun droevige gemoedsgesteldheid was oorzaak, dat zij in het eerst geen
-enkel woord konden uitbrengen.
-
-Aan de poorten der stad hadden reeds honderden inwoners hen opgewacht en
-hun toegeroepen: „Welke tijding brengt gij mede? Wat heeft de Prins
-gezegd?” maar zij antwoordden daar niet op tot zij aan de gevangenis
-gekomen waren, terwijl de schare hen op de hielen volgde. Toen zij een
-weinig bekomen waren, deelden zij het eerste gedeelte van Immanuels
-antwoord aan de gevangenen mede, te weten wat hij gezegd had van hunne
-booze handelingen tegenover den koning en hun verbond met Diábolus, hoe
-zij voor hem gevochten hadden, naar hem geluisterd, zich door hem hadden
-laten regeeren en den Prins met zijne mannen veracht. Dit maakte dat de
-gevangenen bleek begonnen te zien; maar de boodschappers gingen voort en
-spraken: „Hij zeide, dat hij desniettemin ons verzoekschrift in
-overweging wilde nemen en daarop zulk een antwoord geven als hem het
-meest verheerlijken zal.” En toen deze woorden gesproken waren slaakte
-Beweener een zeer diepe zucht. Daarop werd al het volk droevig en
-verslagen; allen meenden hun doodvonnis ontvangen te hebben. Nu was er
-onder het volk ook een oud edelman, wiens naam luidde Onderzoeker. Deze
-vraagde aan de boodschappers of zij nu alles verteld hadden wat Immanuel
-had gezegd en zij riepen: „O, neen, dat is waar.” Daarop vraagde
-Onderzoeker: „Nu, wat heeft hij dan nog meer tot u gezegd?” Toen
-bedachten zij zich een oogenblik en daarna kwam alles er uit: „De Prins
-verzocht ons ook de kapiteins Boanerges en Overtuiging te gelasten
-morgen de gevangenen tot hem uit te brengen, en de kapiteins Oordeel en
-Strafoefening te vragen zoolang opzicht te houden over het kasteel en de
-stad tot wij meer van hem zouden hooren.” Ook voegden zij nog daarbij:
-„Toen de prins dit gezegd had keerde hij ons onmiddellijk den rug toe en
-verwijderde zich.”
-
-Maar o, dit laatste bericht brak alle hoop op eenmaal af. Eensklaps ging
-er een eenparige jammertoon uit aller mond ten hemel. Daarop bereidde
-ieder der drie gevangenen zich tot den dood, terwijl de griffier sprak:
-„Dit was het juist, dat ik vreesde!” Zij meenden stellig, dat morgen eer
-de zon onderging hun levenslamp zou zijn uitgebluscht, en alle lieden
-der stad geloofden niet anders dan dat een dergelijk vonnis hen allen
-treffen zou. Dien ganschen nacht bracht de stad Menschziel door in
-geween, zak en asch. Toen de tijd gekomen was om naar den Prins te gaan,
-kleedden de gevangenen zich in rouwgewaad met stroppen om hunne halzen,
-en de gansche stad Menschziel vertegenwoordigde zich op de wallen in
-diepen rouw gekleed, opdat de Prins door het gezicht van al dien rouw
-tot medelijden mocht worden gestemd. Al wat zich in Menschziel bewoog
-liep als razend en wanhopig door de straten, de een luid schreiend en
-kermend, de ander in stomme smart.
-
-[Afbeelding: MENSCHZIEL IN FEESTGEWAAD.]
-
-Zoo was dan de tijd gekomen, waarop de gevangenen moesten vertrekken en
-voor den Prins verschijnen. Dit was de optocht, waarin zij gingen.[29]
-Kapitein Boanerges ging met eene wacht vooruit en kapitein Overtuiging
-kwam achteraan, met de gevangenen in ketenen geslagen in hun midden.
-Deze laatste gingen diep gebogen en dropen weg van treurigheid, maar de
-kapiteins gingen met vliegende vaandels en volle wapenrusting.
-
- [29] ~De gevangenen werden uitgeleid~. Het komen van eene overtuigde
- ziel tot Christus gaat niet anders dan met Boanerges voorop en
- Overtuiging tot achterhoede.
-
-’t Was een jammerlijk gezicht dat drietal met stroppen om hunnen hals,
-telkens zich op de borst slaande, terwijl zij het niet waagden hunne
-oogen ten hemel op te heffen. Toen zij midden in het leger van den Prins
-kwamen deed de heerlijkheid daarvan hunne droefheid nog vermeerderen.
-Zij konden zich nu niet langer inhouden, maar riepen overluid: „O
-ongelukkige menschen! O rampzalige inwoners van Menschziel!” terwijl zij
-met hunne ketenen rammelden, welk geluid hun angstkreet nog akeliger
-maakte.
-
-Voor de deur van ’s Prinsen tent gekomen knielden de gevangenen
-eerbiedig neer, terwijl iemand naar binnen ging om den Prins van hunne
-aankomst te verwittigen. Toen beklom de Prins een prachtigen troon en
-liet ze inbrengen; zij kwamen bevende voor hem, terwijl hun aangezicht
-van schaamte bloosde, en wierpen zich onmiddellijk ter aarde. Maar de
-Prins zeide tot kapitein Boanerges: „Zeg den gevangenen, dat zij op
-hunne voeten staan moeten.” Toen stonden zij weder sidderend vlak voor
-den vorst, die tot hen sprak: „Zijt gij die mannen, die eertijds
-dienaren waart van El-Schaddaï?” En zij antwoordden: „Ja, heer, ja!”
-Toen ging de prins voort: „Zijt gij dan ook die mannen, die toelieten,
-dat alles bedorven en ingenomen werd door dien afschuwelijken Diábolus?”
-En zij antwoordden „Wij deden zelfs meer dan dit toelaten, Heer, want
-wij verkozen hem zelf tot meester.” Toen ging de prins voort: „Zoudt gij
-er mede tevreden geweest zijn, dat uwe slavernij onder zijne tirannie uw
-leven lang voortgeduurd had?”
-
-En zij antwoordden: „Ja, heer, ja; want zijne wegen waren aangenaam voor
-ons vleesch en wij waren vervreemd geworden van betere dingen.” „En
-wenschtet gij ook van harte,” ging hij voort, „toen ik optrok tegen
-Menschziel, dat ik de overwinning over ulieden niet behaald had?” --
-„Ja, Heer, ja!” antwoordden zij met schaamte. Toen zeide de Prins: „En
-welke straf meent gij nu wel, dat gij van mijne hand verdient door deze
-en nog zoovele andere groote zonden?” En zij antwoordden: „Beiden den
-dood en het verderf, Heer, wij hebben niets minder verdiend.” Hij
-vraagde verder of zij dan niets tot verschooning van zichzelven hadden
-in te brengen. Maar zij antwoordden: „Wij kunnen niets anders zeggen
-heer, dan dat gij rechtvaardig zijt en wij schuldig.” Toen zeide de
-Prins: „En waarom zijn er stroppen om uwen hals? De gevangenen
-antwoordden: „Die stroppen zijn bestemd om ons er mede te binden op de
-gerichtsplaats, wanneer het u niet behaagt ons barmhartigheid te
-bewijzen.” Zoo vraagde hij dan al verder, of al de lieden van Menschziel
-het met hen eens waren in deze belijdenis? En zij antwoordden: „Ja, al
-de inboorlingen van Menschziel, Heer, maar wat de Diàbolusmannen
-aangaat, die tot ons inkwamen toen de reus ons in bezit nam, van hen
-kunnen wij niets zeggen.” [Spreuk. 5 : 22.]
-
-Toen beval de Prins dat er een heraut zou worden geroepen, en dat deze
-door het midden van het gansche leger van Immanuel gaan zou om uit te
-roepen bij den klank der trompet, dat de Prins, de zoon van El-Schaddaï,
-in den naam van zijn Vader en tot zijns Vaders heerlijkheid een volkomen
-overwinning behaald had op de stad Menschziel; en dat de gevangenen hem
-zouden navolgen al roepende: „Amen.” Dit gebeurde zooals hij bevolen
-had, terwijl de muziek der hooge plaatsen overheerlijk speelde en de
-kapiteins, die in het leger waren, juichten, en de soldaten
-overwinningsliederen zongen ter eere van den Prins; de vaandels
-wapperden in den wind en overal was groote vreugde; alleen de mannen van
-Menschziel bezweken schier van verlangen om van dit alles het einde te
-weten.
-
-Toen liet de Prins de gevangenen weder roepen om nogmaals voor hem te
-staan, en zij kwamen weder bevende voor hem. Maar hij sprak tot hen: „De
-zonden, ongerechtigheden, overtredingen, die gij met de gansche stad
-Menschziel gedurende al dien tijd tegen mijnen Vader en mij bedreven
-hebt, mag ik u uit naam van mijnen Vader vergeven, en dat doe ik bij
-dezen.” En dit gezegd hebbende, gaf hij hun, op perkament geschreven en
-verzegeld met zeven zegelen een groot en algemeen pardon, bevelende aan
-den heer burgemeester, den heer Vastewil, en den heer griffier te willen
-zorgen, dat dit pardon op morgen als de zon opging, door de gansche stad
-Menschziel zou worden gehoord.
-
-Bovendien liet de Prins de gevangenen hun rouwgewaad uittrekken en gaf
-hun sieraad voor assche en vreugdeolie voor treurigheid en het gewaad
-des lofs voor een benauwden geest. [Jes. 61 : 3.]
-
-Toen gaf hij aan ieder hunner drie gouden kleinodiën en kostbare
-steenen, en nam hunne stroppen af en hing gouden ketenen om hunnen hals
-en gouden ringen in hunne ooren. Toen nu de gevangenen de genadige
-woorden van Prins Immanuel hoorden en al wat hun gedaan werd bemerkten,
-vielen zij schier in zwijm; want de genade, de weldadigheid, het pardon
-gingen allen zoo schielijk in hun werk, waren zoo overheerlijk en
-verrassend, dat zij niet in staat waren zooveel goedheid te verdragen.
-Ja, de heer Vastewil bezweek schier geheel; maar de Prins liep op hem
-toe, omvatte hem met zijn eeuwige armen, omhelsde hem, kuste hem en
-sprak hem moed in, daar alles naar het woord der belofte zou worden
-gedaan. Ook omhelsde hij en kuste de anderen, die Vastewils medgezellen
-waren, zeggende: „Neem dit aan als een teeken van mijne liefde, gunst en
-medelijden, en nu belast ik u, mijnheer de griffier, dat gij aan de stad
-Menschziel mededeelt wat gij gehoord en gezien hebt.”
-
-[Afbeelding: DE INTOCHT VAN IMMANUEL.]
-
-Toen werden hunne ketenen voor hun aangezicht in stukken gebroken en in
-de lucht geslingerd, terwijl hunne voetstappen onder hen werden
-vastgemaakt. Toen vielen zij neder aan de voeten van den Prins, kusten
-zijne voeten en maakten die nat met hunne tranen; ook riepen zij uit met
-luide stemmen: „Gezegend zij de heerlijkheid des Heeren van uit deze
-plaats!” Toen werden zij verzocht op te staan en aan de stad Menschziel
-te gaan vertellen wat de Prins gedaan had. Hij beval ook, dat lieden met
-fluiten en trommelen voor hen zou uitgaan en spelen in de geheele stad
-Menschziel. Toen werd vervuld waar zij nooit naar hadden uitgezien en
-kwam in hun bezit wat zij nooit gedroomd hadden.
-
-De Prins liet ook den edelen kapitein Geloof roepen en beval, dat hij en
-eenige zijner officieren voor de edellieden van Menschziel zouden
-heentrekken en rukken met vliegende vaandels de stad binnen. Ook ontving
-deze kapitein Geloof last om ten tijde als de griffier het algemeen
-pardon in de stad Menschziel zou aflezen, alsdan met vliegende vaandels
-de Oogpoort in te rijden met tienduizend mannen en zijn gevolg. Hij
-moest dan doortrekken de hooge straat op tot in het kasteel, en nemen
-dat in bezit tot zijn Heer daar binnen kwam. Bovendien moest aan de
-kapiteins Oordeel en Strafoefening geboden worden die sterkte aan hem af
-te staan, Menschziel te verlaten en spoedig tot den Prins in het leger
-terug te keeren.
-
-Alzoo was nu de stad verlost van de verschrikkingen der vier eerste
-kapiteins en hunne manschappen.
-
-Welnu, ik heb u verteld hoe de gevangenen door den edelen vorst Immanuel
-behandeld werden en hoe zij zich voor hem gedroegen en hoe hij ze met
-fluit en trommel weder naar huis zond. Nu moet gij u eens voorstellen
-hoe die van de stad, die niets anders verwachtten te hooren dan een
-vonnis des doods, en daarom niet anders dan in droefenis konden
-verkeeren, alsof ze met doornen gegeeseld werden, deze verandering van
-zaken vernamen. Hunne gedachten konden zich in het eerst op geen ander
-punt bepalen; zij verkeerden voortdurend in groote onzekerheid, ja hunne
-harten waren gelijk een weegschaal, die door een bevende hand wordt
-vastgehouden. Maar ten laatste toen zij telkens over den muur keken,
-meenden zij toch iets te zien terugkeeren, en nu dachten zij weder: wie
-zouden dat wezen? Ten laatste herkenden zij hunne gevangenen; maar wie
-beschrijft de verwondering hunner harten, toen zij bemerkten onder welk
-een geleide en met hoeveel eerbewijzen zij terugkeerden. Zij gingen naar
-het leger in het zwart, maar keerden nu in het wit terug; zij gingen uit
-naar het leger met stroppen om hun hals en keerden nu terug met gouden
-ketenen omhangen; zij gingen uit naar het leger met hunne voeten in
-ketenen, maar kwamen terug met ontbonden en vroolijke voetstappen; zij
-gingen uit naar het leger met den dood voor oogen en kwamen terug in de
-volle verzekerdheid des levens; zij gingen uit naar het leger met
-bezwaarde harten, maar kwamen terug met trommelen en pijpen.
-
-Toen zij nu voor de Oogpoort gekomen waren, waagde de arme bezwaarde
-stad Menschziel het, een kreet te doen opgaan, en het was zulk een kreet
-dat de kapiteins in ’s Prinsen leger bij dat geluid kwamen toeloopen.
-Ach, die arme bezwaarde harten! wie zal hun dit euvel duiden, daar hunne
-doodgewaande vrienden weder in het leven waren teruggekeerd; want het
-was hun als een leven uit den dood de oudsten van Menschziel in zulk een
-glans te zien verschijnen. Zij hadden naar niets anders uitgezien dan
-naar den bijl en het blok; maar ziet, vreugde en blijdschap, groote
-vertroosting en zulke welluidende muziek bereikten hen, dat er een zieke
-gezond van worden zou.
-
-[Afbeelding: IMMANUELS FEEST.]
-
-Toen zij dan binnenkwamen begroetten zij elkander met een: „Welkom!
-welkom! en gezegend is hij, die u spaarde!” Zij voegden daarbij: „Wij
-zien het wel, dat het goed met u afgeloopen is, maar hoe moet het nu
-gaan met de stad Menschziel? Zal het ook met ons goed afloopen?” Toen
-antwoordden de heer griffier en de burgemeester: „O, goede tijding! Een
-blijde boodschap van het goede! Groote vreugde voor de stad Menschziel!”
-Toen slaakten zij een nieuwen vreugdekreet, die de aarde deed beven.
-Hierna vraagden zij meer naar de bijzonderheden, hoe het in het leger
-was toegegaan en welke boodschap zij van Immanuel voor de stad hadden
-meegekregen. Zoo verhaalden zij hun dan alle voorvallen uit het leger en
-alles wat de Prins hun gedaan had. Dit maakte, dat de stad zich
-verwonderde over de wijsheid en genade van vorst Immanuel. Toen
-verhaalden zij wat zij uit zijne hand ontvangen hadden voor de inwoners
-der stad, en de griffier sprak luide deze woorden: „~Pardon~, volkomen
-vergiffenis voor Menschziel! Menschziel zal dit morgen ochtend te weten
-komen!” Daarop gaf hij bevel, dat alle lieden van Menschziel morgen
-ochtend zich op het marktplein vereenigen zouden om dit pardon, deze
-algemeene schuldvergiffenis, te hooren voorlezen.
-
-Maar wie kan nu zich voorstellen welk eene verandering, welk een
-geestdrift deze keer der dingen in het voorkomen der stad Menschziel
-teweegbracht! Geen enkel burger der stad kon dien nacht slapen van
-louter vreugde; in ieder huis was er vreugde, zang en muziek en allerlei
-vroolijkheid; elkander het geluk van Menschziel te vertellen en naar
-deze verhalen te luisteren was al wat een ieder te doen had, en het
-besluit van dit alles was: „Veel meer dan dit zal de opgaande zon ons
-nog brengen! Wie had gisteren kunnen vermoeden, dat de dag van heden
-~zulk~ een dag voor ons zijn zou! En wie had durven denken toen onze
-gevangenen met ijzeren ketenen beladen uitgingen naar de legerplaats,
-dat zij met gouden ketenen omhangen zouden wederkeeren! Ja, zij, die
-zichzelven veroordeelden toen zij zich naar hunnen rechter begaven,
-werden door zijn eigen mond vrijgesproken, niet omdat zij onschuldig
-waren, maar door ’s Prinsen barmhartigheid alleen, en met pijpen en
-trommelen naar huis gezonden. Maar is dit de gewone handelwijze van de
-vorsten? Zijn zij gewoon zulke gunsten aan verraders te bewijzen? Neen,
-dit is alleen het werk van El-Schaddaï en Immanuel, zijn zoon.”
-
-De morgen brak dan aan. De heer burgemeester, de heer Vastewil en de
-heer griffier Geweten kwamen af naar het marktplein op den tijd door den
-prins bepaald, waar het volk der stad hen reeds stond op te wachten.
-Toen zij er kwamen waren zij gekleed in die glorierijke gewaden, welke
-de prins hun den vorigen dag had aangetrokken, en de straat werd door
-hunne heerlijkheid verlicht. Zij drongen door naar de Mondpoort, die
-aan het benedeneind der marktplaats was, omdat deze van oude tijden af
-de plaats was, waar publieke zaken werden behandeld. Zoo stonden zij
-daar in hunne toga’s en hunne eereteekenen waren voor hen uitgedragen.
-Nu was de nieuwsgierigheid van het volk groot om de volle beteekenis van
-het pardon te vernemen.
-
-Toen stond de secretaris recht op zijne voeten en eerst met de hand
-gewenkt hebbende om stilte, las hij met luider stemme de
-schuldvergiffenis. Maar toen hij kwam aan deze woorden; „de Heere, de
-Heere God, barmhartig en genadig, vergevende de ongerechtigheid, de
-overtreding en zonden. Alle godslastering en zonde zullen vergeven
-worden,” toen konden zij zich niet langer inhouden van vreugde. Want gij
-moet weten dat ieder mensch in de stad in dit pardon begrepen was, niet
-één uitgezonderd. [Exod. 34 : 6.] [Matth. 12 : 31.]
-
-Toen de griffier geëindigd dit gewichtige stuk te lezen draafden de
-burgers over de muren en wallen[30] al huppelende en springende van
-blijdschap, en bogen zich zevenmaal op hun aangezicht ter aarde
-tegenover de tent van Prins Immanuel. Een luide vreugdekreet ging op en
-al het volk riep: „Dat Immanuel eeuwig leve!” Toen werd aan de
-jongelieden last gegeven dat zij al de klokken van Menschziel luiden
-zouden. Zoo luidden dan de klokken en gingen de lofliederen op en klonk
-de muziek in ieder huis van Menschziel.
-
- [30] ~De burgers over de wallen en muren draafden~. Bunyan zelf legt
- in eene noot zijne bedoeling daarmede uit. De wallen beteekenen het
- vleesch; dit vleesch nu wordt onder den voet getreden, waar de ziel
- van vreugde over de verlossing overstelpt is. Zoo beduidt ook het
- klokkeluiden de liefelijke gedachten en lofverheffingen, welke uit de
- ziel omhoog stijgen. En nu vertoont zich kapitein Geloof in de
- vesting. Het geloof komt voor den dag, het laat zich zien beiden aan
- Immanuel en aan de geredde Menschziel.
-
-Toen de prins de drie gevangenen met vreugde, met trommelen en pijpen
-naar huis gezonden had, beval hij aan zijne kapiteins met al de
-legerofficieren en soldaten gereed te wezen op morgen tegen het
-oogenblik, dat de griffier het pardon had afgelezen om dan naar zijn
-welbehagen te handelen. Toen nu de morgen gekomen was en de griffier het
-pardon had voorgelezen, zoo beval Immanuel, dat alle trompetten van het
-leger zouden worden geblazen, en dat alle vlaggen en vaandels zouden
-worden geplant, de helft daarvan op den berg Genade en de andere helft
-op den berg Gerechtigheid. Hij beval ook dat al de kapiteins zich zouden
-vertoonen in hun volle wapenrusting en dat de soldaten vreugdegejuich
-zouden aanheffen. En evenmin hield kapitein Geloof, die in het kasteel
-getrokken was, zich schuil, maar hij vertoonde zich aan den torentrans
-van het fort met al zijne officieren en muziekanten in volle
-wapenrusting, zich nu eens wendende naar de stad en dan naar ’s Prinsen
-legerkamp.
-
-
-
-
-HOOFDSTUK VI.
-
-INTOCHT VAN DEN VORST.
-
-
-Aldus heb ik u nu getoond de wijze waarop en den weg waarlangs Immanuel
-er toe geraakte om die vermaarde stad Menschziel te herwinnen en uit de
-hand en macht van den reus Diábolus te verlossen.
-
-Toen nu de Prins de uitwendige blijken van vreugde had aan den dag
-gelegd, beval hij dat zijne kapiteins en hunne manschappen onder de
-muren van Menschziel een spiegelgevecht zouden houden, en dit deden zij
-dadelijk. Maar o, met welk eene behendigheid, vaardigheid,
-nauwkeurigheid en moed voerden deze krijgslieden hunne bewegingen uit
-voor het oog van Menschziel, dat in stomme bewondering dit
-spiegelgevecht aanstaarde!
-
-Zij marcheerden vooruit, nu eens allen in éene richting, dan weer tegen
-elkander in; zij verdeelden zich, openden de gelederen, sloten ze weer;
-maakten front, vergrootten de gelederen, lieten dan den rechtervleugel
-naar het front trekken, dan den linker; daarna weder naar de achterhoede
--- en twintig manoeuvres meer, maar alles met de grootste nauwkeurigheid
-en sierlijkheid in hunne wendingen en bewegingen. Nooit hadden de lieden
-van Menschziel zoo iets gezien, daarom klom hunne verbazing ten top.
-Maar daarna voegde zich daarbij het gebruik maken van hunne wapens in
-het spiegelgevecht; en toen toonden zij niet minder behendigheid en
-nauwkeurigheid, en werden niet minder bewonderd ook, beiden door die
-van de stad en door mij.
-
-Toen deze handeling geschied was kwam de geheele stad Menschziel tot den
-Prins uit in het leger om hem voor zijne overvloedige genade te danken
-en hem nederig te smeeken, dat hij nu met hen wilde medegaan naar
-Menschziel en daar voor altijd zijne residentie houden. Zij deden dit op
-de nederigste manier, zich zeven maal voor hem ter aarde buigende. Toen
-zeide hij: „Vrede zij ulieden!” en nader tredende raakten zij de punt
-van zijn gouden schepter aan. Daarop smeekten zij: „O, dat vorst
-Immanuel met zijne kapiteins en krijgslieden voor altijd in Menschziel
-wilden wonen, en dat zijne slingers en stormrammen binnen in haar
-mochten worden opgesteld ten dienste van den Prins en tot versterking
-van Menschziel. Want,” zeiden zij, „wij hebben ook plaats voor uwe
-oorlogswerktuigen en overvloedige ruimte om een magazijn van
-krijgsvoorraad op te richten. O, doe dat, Immanuel, en gij zult voor
-eeuwig ons tot een koning en een hoofd wezen. Ja, regeer gij naar al de
-begeerte uwer ziel en maak gouverneurs en vorsten uit uwe kapiteins en
-oorlogsmannen, wij willen uwe knechten zijn en uwe wetten zullen ons in
-alles besturen.”
-
-Zij voegden daar nog meer bij en baden zijne majesteit daar toch wel
-bijzonder op te letten, „want,” zeiden zij, „indien nu, na al die
-genade, welke gij ons bewezen hebt, uwe arme stad Menschziel weer door u
-en uwe kapiteins zou worden verlaten, wanneer gij nu van ons weggingt,
-nu gij ons zooveel weldadigheid hebt bewezen en ons zooveel
-barmhartigheid getoond, wat zal daar dan anders op volgen, dan dat het
-zou worden alsof onze vreugde nooit bestaan had, en onze vijanden zullen
-opnieuw terugkeeren en ons nog woedender aanvallen dan in het eerst.
-Daarom smeeken wij u, o gij begeerlijke onzer oogen en kracht en leven
-van onze arme stad, neem onze gelofte aan, waar wij u als onzen heer
-uitroepen en kom in het midden van ons wonen; laat ons uw volk zijn.
-Bovendien, heer, wij weten het niet, maar het kan wezen dat nog vele
-Diábolusmannen de stad bespieden, en zij zullen ons verrassen wanneer
-gij ons zult verlaten hebben, en ons weder in de handen van Diábolus
-overgeven. Wie weet welke voornemens, complotten of samenspanningen
-alreeds onder hen plaats hebben! O, dat wij toch nooit weder in hunne
-handen vallen. Laat het u daarom behagen ons paleis als uwe residentie
-te aanvaarden en de beste huizen der stad tot een woonplaats voor uwe
-mannen.”
-
-Toen zeide de Prins: „Als ik in uwe stad kom, wilt gij dan toelaten, dat
-ik alles doe wat ik in mijn hart heb tegen mijne en uwe vijanden? Ja,
-wilt gij mij helpen in hetgeen ik daartoe onderneem?”
-
-Zij antwoordden: „Wij weten niet wat wij doen zullen, wij hadden
-eertijds ook niet gedacht, dat wij zulke verraders jegens El-Schaddaï
-worden zouden als wij bewezen hebben te zijn. Wat zullen wij daarom
-thans tot mijnen Heer zeggen? Laat hem geen vertrouwen stellen in zijne
-heiligen; maar laat hem wonen in ons kasteel en van onze stad eene
-vesting maken; laat hem zijne edele kapiteins en zijne krijgshaftige
-soldaten over ons zetten; ja, laat hem ons overwinnen door zijne genade,
-en dan zal hij voorzeker met ons zijn, en ons helpen zooals hij dat deed
-op dien dag en dien morgen toen ons pardon ons voorgelezen werd. Wij
-zullen instemmen daarmede, onze heer, en met al uwe wegen, en zullen met
-uw woord de machtigen aanvallen.
-
-„Nog éen woord en uwe knechten hebben uitgesproken, en zullen hierin
-mijn Heer niet meer lastig vallen. Wij kennen de diepte der wijsheid van
-u, onzen vorst, niet. Wie is er, die met reden zou hebben kunnen denken,
-dat uit al die bittere beproevingen, waarmede wij beproefd geweest zijn,
-zulk eene zoetigheid zou voortvloeien als wij nu genieten! Maar, Heer,
-laat uw licht voor ons henengaan en uwe liefde ons achtervolgen: ja,
-neem ons bij de hand en leid ons door uwen raad en laat die ons altijd
-bijblijven, opdat alles ten beste van uwe knechten uitloope; en kom in
-ons Menschziel en doe er wat u behaagt. O, heer, kom tot ons Menschziel,
-doe er wat u behaagt, als ge ons maar bewaart voor de zonde en Uwe
-Majesteit leert dienen!”
-
-Toen zeide de Prins tot de stad Menschziel: „Ga heen, keer terug naar
-uwe woning in vrede. Ik zal volgaarne al uwe begeerten inwilligen; ik
-zal mijne koninklijke tent verlaten, ik zal morgen mijn leger van voor
-de Oogpoort doen oprukken en zal de stad Menschziel binnenrijden. Ik zal
-zelf bezit nemen van uw kasteel en zal mijne soldaten over u stellen; ja
-ik zal nu dingen doen in Menschziel, die nooit bij eenige natie,
-landstreek of koninkrijk gebeurd zijn onder den wijden hemel.”
-
-Toen slaakten de mannen van Menschziel een vreugdekreet en keerden in
-vrede naar hunne woningen terug. Daar vertelden zij aan hunne kinderen
-en vrienden al het goede, dat Immanuel beloofd had aan Menschziel te
-doen. „En morgen,” zeiden zij, „zal hij onze stad binnenrijden en maken
-woningen bij ons in Menschziel.”
-
-Toen gingen de inwoners van Menschziel met groote haast naar buiten naar
-de groene boomen en weiden om takken en bloemen te verzamelen, ten einde
-die op de straten te strooien hun koning tegemoet; ze maakten ook
-guirlandes en andere versieringen om hunne vreugde aan den dag te leggen
-en hunnen Immanuel waardig te ontvangen, ja zij strooiden de gansche
-straat vol van de Oogpoort tot de deuren van het kasteel, de plaats,
-waar de prins wonen zou. Ook bereidden zij voor zijne komst de beste
-muziek, die de stad bijeenbrengen kon om voor hem bij zijnen intocht te
-spelen.
-
-Op den bepaalden tijd deed hij dus zijne intrede in Menschziel en werden
-de poorten voor hem opengezet; daar wachtten ook de oudsten en
-bestuurders van Menschziel hem op ten einde hem duizendmaal welkom te
-heeten. Hij stond dan op en ging Menschziel binnen, hij en al zijne
-dienaren. De oudsten gingen huppelende voor hem uit tot zij aan de
-poorten van het kasteel waren genaderd. De Prins was gekleed in zijn
-gouden wapenrusting; hij reed op zijn koninklijken wagen, de trompetten
-klonken rondom hem, de vlaggen waren ontplooid; zijne tienduizenden
-volgden hem op den voet en de oudsten van Menschziel gingen voor hem
-uit. En nu waren de muren van die vermaarde stad opgevuld met de
-inwoners, die zich daar verzamelden om de nadering van den Prins aan het
-hoofd van zijn koninklijk leger gade te slaan. Evenzoo waren alle
-vensters, balkons, ja zelfs de daken der huizen gevuld met lieden van
-allerlei stand en leeftijd, om het goede te aanschouwen wat hunne stad
-te beurt viel.
-
-Toen hij nu de stad was binnengetrokken tot op de hoogte van het huis
-van den griffier, gaf hij bevel, dat iemand naar kapitein Geloof zou
-gaan om te vragen of het kasteel gereed was gemaakt tot de ontvangst
-(want de toebereidselen aldaar waren opgedragen aan dezen kapitein).
-Daarom werd nu ook aan kapitein Geloof gelast, dat hij met zijne
-strijdmacht naar buiten zou komen om zijn vorst te ontmoeten, en volgens
-dat bevel werd ook gedaan. Zoo geleidde hij hem dan in het kasteel.
-Daarna logeerde de Prins dien nacht daar binnen met al zijne machtige
-kapiteins en oorlogsmannen tot groote vreugde der stad Menschziel.
-[Hand. 15 : 9.] [Efez. 3 : 19.]
-
-De eerste bezigheid van de lieden der stad was nu zorg te dragen, dat de
-kapiteins en krijgslieden van ’s prinsen leger onder hen zouden worden
-ingekwartierd. Niemand zocht zich er van af te maken, maar integendeel
-ieder had spijt, dat hij er nog niet meer kon bergen: want elke burger
-van Menschziel had zooveel achting voor Immanuel en zijne mannen, dat
-niets hem meer griefde dan dat hij het gansche leger niet herbergen kon.
-Zij rekenden het eene eer hen te mogen verzorgen, en wilden hen gaarne
-op hunne wenken bedienen alsof zij hunne lijfknechts waren geweest.
-
-Ten laatste werd het aldus bepaald: kapitein Onschuld zou worden
-ingekwartierd bij den heer Rede; kapitein Geduld zou wonen bij den heer
-Gemoed. Deze heer Gemoed was eertijds Vastewils klerk geweest, namelijk
-tijdens den opstand. Verder werd besloten, dat kapitein Liefde zou
-verblijf houden bij den heer Genegenheid; dat kapitein Goede Hoop zou
-worden ingekwartierd bij den Burgemeester. Wat het huis van den griffier
-aangaat, hij zelf begeerde dat de kapiteins Boanerges en Overtuiging
-zich daar zouden vestigen, aangezien hij zoo vlak bij het kasteel
-woonde, en door den prins was verordend, dat ingeval het noodig worden
-mocht alarm te slaan in de stad Menschziel, dit dan van hem zou uitgaan.
-In zijn groot paleis logeerde hij bovendien hunne manschappen.
-
-Wat de kapiteins Oordeel en Strafoefening aangaat, de heer Vastewil nam
-hen en hunne mannen tot zich, omdat hij onder het oppergezag van den
-Prins voor het welzijn der stad had te zorgen, evenals hij van tevoren
-onder den tiran Diábolus aan haar verderf had medegeholpen. Zoo werden
-ook de overige troepen van Immanuels gevolg in de stad gehuisvest; maar
-kapitein Geloof bleef met zijn volk voortdurend in het kasteel. [Rom.
-6 : 19.] [Efez. 3 : 17.]
-
-[Afbeelding: HET STANDBEELD VAN DIÁBOLUS VERGRUISD TOT STOF.]
-
-Nu meenden de oudsten en hoofden van Menschziel, dat zij zich nooit van
-den Prins zouden kunnen verzadigen; zijn persoon, zijne woorden, zijne
-handelingen waren zoo bekoorlijk, zoo begeerlijk en aantrekkelijk voor
-hen, dat zij hem baden toch niet altijd binnen de muren van het kasteel
-te vertoeven, maar ook dikwijls hunne straten te bezoeken. „Want,”
-zeiden zij, „geliefde Opperheer, uwe tegenwoordigheid, uw glimlach, uw
-blikken, uwe woorden zijn het leven, de kracht, de zenuwen der stad
-Menschziel.”
-
-Benevens dit begeerden zij ook, dat zij zonder ophouden of bezwaren
-toegang mochten hebben tot zijn persoon, waarom hij beval, dat de
-poorten zouden openstaan, opdat zij telkens mochten kunnen zien wat daar
-plaats had en het koninklijk paleis ongehinderd konden binnentreden.
-Wanneer hij sprak dan hielden allen zich stil om naar hem te luisteren,
-en als hij wandelde, dan was het hun een genot zijne voetstappen na te
-treden.
-
-Nu maakte op zekeren tijd Immanuel een feest voor de mannen van
-Menschziel, en op den feestdag kwam al het stadsvolk naar het kasteel om
-deel daaraan te nemen. De maaltijd bestond uit allerlei buitenlandsche
-gerechten -- een spijze, die niet op de akkers van Menschziel groeide,
-noch in het gansche koninkrijk het Heelal -- ’t was eene spijze die van
-zijns Vaders hof kwam. Zoo werd dan disch na disch bezet en toegericht
-en ieder mocht vrijelijk eten. Maar telkens als nieuwe gerechten werden
-opgedragen, zeiden zij tot elkander: „Wat is dit?” want zij wisten niet
-hoe zij het noemen zouden. Zij dronken ook van het water, dat wijn
-geworden was en waren zeer vroolijk met hem. Daar was muziek al den
-tijd, dat zij aan tafel zaten, en men at het brood der engelen en honig,
-die uit den rotssteen was gedropen. Zoo at Menschziel de spijze, die
-bijzonder voor het hof bestemd was, ja zij hadden daarvan overvloed.
-[Ps. 78 : 24, 25.]
-
-Ook moet ik niet vergeten u te vertellen, dat er muzikanten bij den
-maaltijd tegenwoordig waren, die evenmin uit de stad Menschziel hun
-afkomst hadden noch uit heel dien omtrek; zij waren opperzangmeesters
-aan het hof van koning El-Schaddaï.
-
-Nadat nu de maaltijd was afgeloopen onderhield Immanuel zich nog langen
-tijd met zijne gasten. Hij gaf hun moeielijke raadselen op of
-geheimzinnige uitspraken door zijns Vaders secretaris opgesteld;
-dergelijke zijn nog nooit in eenig koninkrijk gemaakt omdat niemand
-El-Schaddaï evenaart in wijsheid en verstand. Vele van deze raadsels
-waren gemaakt op koning El-Schaddaï zelf en op zijn zoon, tevens
-betrekking hebbende op zijne oorlogen met Menschziel.
-
-Immanuel zelf legde hen eenige van die raadselen uit; maar o wat werden
-zij toen verhelderd in het verstand! Zij zagen wat zij nimmer hadden
-gezien; zij hadden zich niet kunnen verbeelden, dat zooveel diepe zaken
-verborgen lagen onder enkele zoo eenvoudige woorden. Ik zeide u reeds
-wien deze raadselen betroffen, en als zij uitgelegd waren dan zag ieder
-duidelijk in dat het zoo was. Ja het gebeurde ook wel, dat de zaken zoo
-duidelijk en klaar waren, dat er geene uitlegging bij noodig was, maar
-dat zij alleen Immanuel behoefden aan te zien om geheel achter de
-beduidenis te komen. Zij wenkten dan ook reeds elkander toe, en konden
-niet nalaten te zeggen: „Dat is het lam:” „Hij zelf is het offer.” „Hij
-is de rots! Daar is de roode vaars! Dat is de deur en dat is de weg!” en
-zoo nog veel meer.
-
-Daarna liet hij de inwoners van Menschziel gaan. Maar niemand kan zich
-verbeelden hoe dat volk met deze behandeling was ingenomen! O, zij waren
-overstelpt van vreugde; zij waren dronken van bewondering toen zij zagen
-en begrepen wat hun Immanuel voor hen was, en welke geheimen hij hun
-ontsloot. En toen zij tehuis kwamen en in hunne eenzaamheid teruggekeerd
-waren konden zij niet anders, dan van zijne daden zingen, ja zelfs zóo
-waren zij van hem vervuld, dat zij in hunnen slaap zijn lof zongen.
-
-Nu was het in het hart van den prins Immanuel om de stad Menschziel te
-vervormen en haar zulk een voorkomen te geven als hem het meest behaagde
-en ook het meest dienstig was tot versterking en verfraaiing. Hij
-voorzag ook tegen invallen van buiten of verraad van binnen, alles uit
-liefde voor Menschziel.
-
-Ten eerste gebood hij nu, dat de slingers, die hij van zijns Vaders hof
-had meêgebracht toen hij den oorlog tegen Menschziel ondernam, op de
-borstweringen van het kasteel en op de torens gezet werden, want hij had
-ook verscheidene torens laten bouwen. Ook had hij zelf een instrument
-uitgevonden, dat met bijzondere juistheid steenen wierp uit het kasteel
-en uit de Mondpoort; een onweerstaanbaar krijgswerktuig, dat altijd doel
-trof. Het droeg geen naam, maar werd aan kapitein Geloof toevertrouwd om
-er in buitengewone gevallen gebruik van te maken.
-
-[Afbeelding: ZINNELIJKE LUST WORDT NAAR DE RECHTBANK GEVOERD.]
-
-Toen dit gedaan was riep hij den heer Vastewil tot zich en gaf hem het
-bevel over de poorten, de wallen en de torens der stad. Ook stelde hij
-het staande leger onder zijn gezag met bijzonderen last om te waken
-tegen alle oproer en opschudding, die den vrede van onzen koning en van
-de goede stad Menschziel zou kunnen storen. Evenzeer gaf hij hem in
-last, dat als hij sommigen der Diábolusmannen in eenigen hoek der stad
-verborgen vond, hij dan aanstonds de hand aan hen slaan moest of hen in
-verzekerde bewaring nemen, opdat zij naar de wet mochten worden
-gestraft.
-
-Toen riep hij den heer Verstand tot zich, den ouden burgemeester, die
-dadelijk uit zijn ambt was ontzet toen Diábolus de stad innam. Hij
-herstelde hem nu in zijn ambt en wel voor zijn leven. Hij verzocht hem
-ook een paleis voor zich te bouwen vlak bij de Oogpoort, en dan moest
-het een sterk paleis zijn op de manier van een toren ter verdediging.
-Hij verzocht hem daarbij de boeken der openbaring en uitlegging der
-mysteriën al zijne levensdagen ijverig na te lezen, opdat hij zijn ambt
-waardiglijk mocht bekleeden.
-
-Hij maakte ook den heer Kennis tot secretaris of griffier,[31] niet om
-den ouden edelman Geweten te verstooten, maar omdat hij voor dezen een
-beter ambt had, dat hij hem later zou opdragen.
-
- [31] ~Kennis~ wordt griffier, terwijl het Geweten een hoogeren post
- bekomt. Kennis is het geheugen de herinnering der ziel. Jezus zegt:
- „Dit is het eeuwige leven, dat zij u kennen, den eeuwigen waarachtigen
- God en Jezus Christus, dien Gij gezonden hebt.” Joh. 17 : 3.
-
-Toen beval hij dat het beeld van Diábolus zou weggenomen worden van de
-plaats waar het opgesteld was, en dat zij het volkomen moesten
-vernielen, het tot puin vergruizen en dan naar alle winden verstrooien
-buiten de muren der stad. Maar het beeld van El-Schaddaï zijn vader
-moest weder worden opgericht en nevens het zijne op de poort van het
-kasteel geplaatst. Het moest sierlijker gemaakt worden dan ooit tevoren
-aangezien zijn vader en hij thans in meerdere genade dan eertijds tot de
-stad Menschziel gekomen waren. Hij wilde ook dat zijne naam duidelijk
-zou worden gegraveerd op de buitenmuur der stad, en wel in het fijnste
-goud ter eere van Menschziel. [Openb. 22 : 4.]
-
-Nadat dit alles geschied was gaf Immanuel last, dat die drie groote
-Diábolusmannen gevat zouden worden, welke zooveel ellende hadden
-aangericht; te weten de twee burgemeesters Ongeloof en Zinnelijke Lust
-met den secretaris Goedvergeter. Benevens hen waren er nog enkelen, die
-Diábolus tot edellieden en eereburgers in Menschziel gemaakt had, die
-door de hand van den nu zeer ijverigen en getrouwen heer Vastewil werden
-gevat.
-
-Hier zijn hunne namen: Jonkheer Godverzaker, jonkheer Hardhart en
-Jonkheer Valsche Vrede. De eereburgers waren de heeren Zonder Waarheid,
-Zonder Medelijden, en Hoogmoed. Deze werden in de gevangenis gezet en de
-naam van den cipier was Waarachtig. Deze Waarachtig was een dergenen,
-die Immanuel mede gebracht had van zijns vaders hof, toen hij den oorlog
-tegen Menschziel aanving.
-
-Hierna gaf de Prins bevel, dat de drie sterkten, die op aanstoken van
-Diábolus door zijne mannen in Menschziel gebouwd waren, moesten worden
-afgebroken en geheel vernield. Van deze sterkten, hare namen en
-gouverneurs hebt gij reeds tevoren gelezen. Maar dit werk ging langzaam
-wegens de grootte dier vestingen en de steenen, het ijzer en lood, dat
-er aan was. Het duurde lang eer al dat puin was opgeruimd.
-
-
-
-
-HOOFDSTUK VII.
-
-EENEN MEESTER DIENEN.
-
-
-Toen dit alles geschied was gaf de Prins bevel, dat de Burgemeester en
-de raadsleden van Menschziel een gerechtshof zouden samenroepen om de
-Diábolusmannen, welke in preventieve gevangenis zaten onder bewaring van
-den cipier Waarachtig te vonnissen.[32]
-
- [32] ~Het gericht en de terechtstelling der Diábolus-mannen~. Het
- onderscheid moet nooit uit het oog worden verloren tusschen de
- ingeborenen der stad en degenen, die Diábolus medebracht bij zijnen
- intocht. De eersten kunnen worden vernieuwd en wedergeboren; de
- laatsten moeten worden gedood en uitgedreven.
-
-Toen nu de tijd daar was en het gerechtshof gezeten, werd aan den cipier
-Waarachtig bevel gegeven de gevangenen voor de balie te brengen, hetgeen
-ook geschiedde. Volgens de gewoonten van Menschziel werden zij
-voorgebracht met ketenen beladen. Daar zaten de Burgemeester, de
-Griffier en de gansche achtbare vergadering. Eerst werd de jurie gekozen
-en daarna werden de getuigen bezworen. De namen der jurieleden waren
-deze: de heeren Geloof, Waarachtig hart, Oprecht, Kwaadhater, Godlief,
-Goede werken, IJveraar voor God en Ootmoedig.
-
-De namen der getuigen waren: de heeren Allesweter, Waarheidspreker,
-Leugenhater en de heer Vastewil met zijne mannen, als er nog meer noodig
-mochten zijn.[33]
-
- [33] ~De drie getuigen~ Allesweter, Waarheidspreker en Leugenhater
- slaan terug op onzen vorm van getuigenis afleggen: 1e de waarheid --
- 2e de volle waarheid -- 3e niets dan de waarheid.
-
-Zoo werden dan de gevangenen voor de balie gebracht en sprak de heer
-Doe-recht (want hij was de stadsklerk): „Brengt Godverzaker vóor,
-cipier!” Godverzaker trad vooruit. Toen zeide hij tot hem: „Hef uwe hand
-op. Gij staat hier bekend onder den naam van Godverzaker, een indringer
-in de stad Menschziel, omdat gij boosaardig en onbeschaamd hebt gezegd
-en staande gehouden, dat er geen God is, en dat diensvolgens ook alle
-godsdienst overbodig is. Dit hebt gij gedaan tegen de eer en
-heerlijkheid van den koning en tegen den vrede en de veiligheid der stad
-Menschziel. Wat hebt gij hiertegen in te brengen? Zijt gij schuldig aan
-hetgeen u ten laste gelegd is of niet?”
-
-Godverzaker: „Niet schuldig.”
-
-De klerk: „Roep de getuigen, de heeren Allesweter, Waarheidspreker en
-Leugenhater binnen.”
-
-[Afbeelding: HET VERHOOR VAN HARDHART.]
-
-En ze kwamen binnen.
-
-Toen zeide de klerk: „Gij getuigen voor den koning, ziet dezen
-gevangene, die hier voor de rechtbank staat, aan, kent gij hem?”
-
-Daarop antwoordde heer Allesweter: „Ja, heer, wij kennen hem. Zijn naam
-is Godverzaker; hij is jarenlang een zeer gevaarlijk en verleidelijk
-persoon geweest in de stad Menschziel.”
-
-De klerk. „Zijt gij er wel zeker van, dat gij hem kent?”
-
-Allesweter. „Hem kennen! Ja, mijnheer. Ik ben vroeger maar al te dikwerf
-in zijn gezelschap geweest dan dat ik hem nu niet kennen zou. Hij is een
-Diábolusman en de zoon van een Diábolusman. Ik ken beiden, zijn vader en
-zijn grootvader.”
-
-De klerk. „Zeer wel; hij is aangeklaagd onder dezen naam en wordt
-beschuldigd te hebben gezegd en staande gehouden, dat er geen God is, en
-dat men dus ook met godsdienst zich niet moet bezighouden. Wat zegt nu
-gij, getuigen des konings, is hij schuldig of niet?”
-
-Allesweter. „Mijnheer, hij en ik waren eens in de Ondeugdstraat bij
-elkaêr en hij sprak toen zeer openlijk over allerlei meeningen en
-gevoelens. Daar hoorde ik hem toen zeggen, dat hij, wat hem betreft,
-volstrekt niet gelooft dat er een God is. „Maar,” voegde hij er bij,
-„daarom kan ik mij toch wel houden of ik het geloof en, al naar het
-gezelschap, waarin ik mij bevind, mij meer of minder godsdienstig
-aanstellen.””
-
-De klerk. „Gij zijt er toch wel zeker van dat hij dat gezegd heeft?”
-
-Allesweter. „Op den eed, dien ik gezworen heb, hij heeft dat gesproken.”
-
-Toen zeide klerk: „Gij, mijnheer Waarheidspreker, wat hebt gij als ’s
-konings getuige hierbij te voegen?”
-
-Waarheidspreker. „Mijnheer, ik was eertijds een groot vriend en metgezel
-van hem, hetgeen mij thans meer spijt dan ik zeggen kan, en ik heb hem
-zeer dikwijls met grooten ophef hooren zeggen dat er geen God is, noch
-engel, noch geest.”
-
-Klerk. „Waar hoordet gij hem dat zeggen?”
-
-Waarheidspreker. „In de Zwartmondstraat en in de Godslasteraarsgang, en
-o, op nog zooveel andere plaatsen!”
-
-De klerk. „Weet gij nog meer van hem?”
-
-Waarheidspreker. „Ik ken hem als een Diábolusman en als de zoon van een
-Diábolusman, die verschrikkelijk was in zijne ontkenning der Godheid.
-Zijns vaders naam was Nimmergoed, die ook nog meer kinderen had dan
-dezen Godverzaker. Meer heb ik niet te zeggen.”
-
-De klerk. „Mijnheer Leugenhater, zie gij den gevangene aan. Kent hij
-hem?”
-
-Leugenhater. „O, ja, mijnheer, deze Godverzaker is een van de snoodste
-boeven, die ik ooit ontmoet heb. Ik heb hem hooren zeggen, dat er geen
-God is; ik heb hem ook hooren zeggen, dat er geene toekomende wereld is,
-noch zonde, noch strafoefening hiernamaals. Bovendien heb ik hem de
-uitdrukking hooren doen, dat het even goed is een huis der ontucht te
-bezoeken als eene preek te gaan hooren.”
-
-De klerk. „Waar hoordet gij hem deze dingen zeggen?”
-
-Leugenhater. „In de Dronkaardstraat, juist naast het Ratelsteegje, in
-het huis van meester Goddeloosheid.”
-
-De klerk. „Zet hem weer vast, cipier, en laat Zinnelijke Lust voor het
-gerecht verschijnen.” -- En zich tot dien persoon wendende ging hij
-voort: „Zinnelijke Lust, gij zijt hier onder dezen naam aangeklaagd, als
-een indringer in de stad Menschziel, omdat gij op een duivelsche en
-verraderlijke wijze door uwe vuile handelingen en vuile woorden anderen
-geleerd hebt, dat het voor een mensch geoorloofd en zelfs nuttig is aan
-zijne vleeschelijke lusten toe te geven, en dat gij, wat u aangaat,
-uzelven, noch uw zondig vermaak ooit hebt verloochend en dat ook nooit
-doen zoudt zoolang uw naam Zinnelijke Lust is. Wat zegt gij daarop? Zijt
-gij schuldig of onschuldig?”
-
-Toen antwoordde Zinnelijke Lust: „Mijnheer, ik ben een man van hooge
-afkomst en ben gewoon aan vermaak en weelde. Ik ben niet gewoon mij in
-mijne handelingen te laten dwingen of regeeren, maar volg steeds mijn
-wil als eene wet. Het komt mij zelfs vreemd voor, dat ik heden ter
-verantwoording word geroepen voor datgene wat niet alleen ik, maar
-verreweg de meeste menschen doen, en ’t zij in het openbaar of in het
-verborgen meestal wordt toegestemd en goedgekeurd.”
-
-De klerk. „Heerschap, aan uw hooge afkomst is ons niets gelegen,
-ofschoon dit tegen u pleit, want hoe hooger hoe beter gij hadt moeten
-zijn; maar wat ons nu bezig houdt is de beschuldiging tegen u
-ingebracht. Wat zegt gij daarvan? Zijt gij schuldig of niet?”
-
-[Afbeelding: VALSCHE-VREDE, ZIJN VADER, MOEDER EN BETREKKINGEN.]
-
-„Niet schuldig!” zeide hij.
-
-De klerk. „Roep dan nu weer de getuigen opdat zij hunne getuigenis
-afleggen. Gij, getuigen des konings, wat hebt gij in te brengen tegen
-dezen mensch? Eerst gij, Allesweter, kent gij hem?”
-
-Allesweter. „Ja, mijnheer, ik ken hem. Zijn naam is Begeerlijkheid. Hij
-was de zoon van zekeren Dierlijk of Beestachtig, en zijne moeder baarde
-hem in de Vleeschstraat, zij was de dochter van zekeren Boozelust. Ik
-ken zijn gansche geslacht.”
-
-De klerk. „Goed. Gij hebt zijne aanklacht gehoord. Wat zegt gij daarvan?
-Is hij schuldig aan hetgeen hem te laste wordt gelegd?”
-
-Allesweter. „Mijnheer, hij is inderdaad een groot man zooals hij gezegd
-heeft en duizendmaal grooter in goddeloosheid dan van afkomst.”
-
-De klerk. „Maar wat weet gij van zijne bijzondere daden en handelingen?”
-
-Allesweter. „Ik weet, dat hij een leugenaar is, een vloeker, een
-sabbatschender, een echtbreker en een onkuische. Ik ken hem als schuldig
-aan eene menigte ongerechtigheden. Hij is een zeer snood mensch.”
-
-De klerk. „Maar waar was hij gewoon zijne ongerechtigheden te bedrijven?
-In een of anderen verborgen hoek of openbaar en met schaamteloosheid?”
-
-Allesweter. „Door de gansche stad, mijnheer.”
-
-De klerk. „Kom, mijnheer Waarheidspreker, wat hebt gij voor onzen koning
-te zeggen tegen dezen gevangene?”
-
-Waarheidspreker. „Al wat de eerste getuige gezegd heeft weet ik waar te
-zijn en nog veel meer daarbij.”
-
-De klerk. „Meester Begeerlijkheid, hoort gij wat deze heeren zeggen?”
-
-Zinnelijke Lust. „Ik was altijd van oordeel, dat het gelukkigste leven,
-hetwelk een mensch leiden kon op deze aarde, was zich in niets te
-bedwingen wat de begeerte van zijn hart hem opgeeft. Ik ben nooit aan
-deze mijne opinie ontrouw geweest, maar heb daarin al mijne dagen
-geleefd. Daarbij was ik nooit zoo hardvochtig, dat wat ik voor mijzelven
-zoet vond, ik dit anderen zou hebben verboden.”
-
-Toen zeide het hof: „Er is genoeg uit zijn eigen mond om hem te
-veroordeelen. Men brenge hem weg, cipier, en brenge Ongeloof voor.”
-
-Ongeloof werd voor de rechters gesteld.
-
-„Meester Ongeloof,” zeide de klerk, „gij zijt hier bij dien naam
-aangeklaagd als een indringer in de stad Menschziel, omdat gij
-goddelooslijk, toen gij overste in deze stad waart, u tegen den koning
-El-Schaddaï hebt verzet als hij kwam om de stad op te eischen, ten einde
-die weder in zijn bezit te krijgen. Ja, gij hebt u tegen den naam, de
-legermacht en de zaak des konings gesteld, en handeldet eveneens als
-Diábolus, uw hoofdman; gij hebt de stad oproerig gemaakt en u met alle
-macht tegen den koning verweerd. Wat zegt gij op deze beschuldiging?
-Zijt gij schuldig of niet?”
-
-Toen zeide Ongeloof: „Ik ken El-Schaddaï niet; ik heb mijn ouden vorst
-lief; ik rekende het mijn plicht getrouw te wezen in het mij
-toevertrouwde werk, en te doen al wat in mijn vermogen was om den geest
-der mannen van Menschziel op te zetten tegen vreemdelingen en
-gelukzoekers, tegen wie ik gevochten heb voor mijnen heer. Ook ben ik
-daarin nog niets veranderd en zal ook niet veranderen uit vrees of
-onrust omdat gij op dit oogenblik bezit genomen hebt van de stad en hare
-sterkten.”
-
-Toen sprak het hof: „De man is, zooals gij ziet, onverbeterlijk; hij
-houdt met groote onbeschaamdheid zijne ongerechtigheid staande en
-belijdt zijn opstand onbewimpeld; daarom: breng hem weg, cipier, en
-breng Goedvergeter voor.”
-
-Goedvergeter verscheen voor het gerecht.
-
-De klerk. „Meester Goedvergeter, gij zijt hier bij dezen naam
-aangeklaagd als een indringer in Menschziel, omdat gij, toen al de zaken
-van Menschziel in uwe handen berustten, ten eenenmale vergeten hebt die
-ten goede te besturen, maar u hebt gevoegd bij Diábolus, om tegen koning
-El-Schaddaï en zijne kapiteins partij te kiezen. Uw gedrag was tot oneer
-van dien koning en tot verguizing zijner wetten, terwijl gij daardoor
-Menschziel aan den rand van haren ondergang bracht. Wat zegt gij hierop,
-zijt gij hieraan schuldig of niet?”
-
-Toen antwoordde deze persoon: „Gij edelen en heeren, te dezer tijd mijne
-rechters, wat de aanklacht betreft, waarbij ik dusdanig beschuldigd
-word, schrijf toch goedgunstig mijne vergeetachtigheid toe aan mijnen
-ouderdom en niet aan boos opzet; aan de zwakheid mijner hersenen en niet
-aan de onverschilligheid van mijn gemoed. Wanneer gij dat doet, zal uwe
-goedheid, ofschoon ik schuldig ben, mij wel niet al te zwaar straffen.”
-
-Hierop gaf het hof tot wederantwoord: „O, Goedvergeter, Goedvergeter!
-uwe vergeetachtigheid kwam niet slechts voort uit zwakheid, maar zij was
-opzettelijk, gij waart maar al te zeer ongenegen goede en deugdzame
-dingen in uw geheugen te bewaren. Wat kwaad was kondt gij wèl onthouden,
-maar aan het goede kondt gij zelfs niet denken. Gij zoekt u van uwen
-ouderdom en voorgewende zwakheid te bedienen en het hof te verblinden en
-uwe misdaden te bemantelen en te bedekken. Maar laat ons eens hooren wat
-’s konings getuigen tegen u te zeggen hebben. Getuigen, is hij schuldig
-of niet?”
-
-Leugenhater. „Mijnheer, ik heb dezen Goedvergeter hooren zeggen, dat hij
-het nooit zelfs een kwartier lang uithouden kon aan het goede te
-denken.”
-
-De klerk. „Waar hoordet gij hem dat zeggen?”
-
-Leugenhater. „In de Ondeugdstraat, in de woning, waarnaast de
-Toegeschroefde Conscientie uithangt.”
-
-De klerk. „Mijnheer Allesweter, wat kunt gij zeggen tegen dezen
-gevangene?”
-
-Allesweter. „Mijnheer, ik ken dezen boozen man wel. Hij is een
-Diábolusman en zijn vader was dat ook. Deze heette Nietsbeminnaar, en ik
-heb hem dikwijls hooren zeggen, dat de gedachte aan het goede alleen hem
-de zwaarste last was, die in de wereld te dragen valt.”
-
-De klerk. „Waar hebt gij hem dit hooren zeggen?”
-
-Allesweter. „In de Vleeschstraat tegenover de kerk.”
-
-Toen zeide de klerk: „Kom gij nu, Waarheidspreker, en geef getuigenis
-tegen dezen gevangene omtrent hetgeen, waarvoor hij hier terecht staat
-voor dit eerwaarde hof.”
-
-Waarheidspreker. „Mijnheer, ik heb hem hooren zeggen, dat hij liever
-aan de vuilste dingen dacht dan aan hetgeen in de Heilige Schriftuur
-staat.”
-
-[Afbeelding: OPGEBLAZEN VERDEDIGT ZICHZELVEN.]
-
-De klerk. „Waar hoordet gij hem deze schandelijke woorden spreken?”
-
-„Waar? In verscheidene plaatsen, maar vooral in de Vuilsteeg, in het
-huis van Schaamteloos, waar de Verworpeling uithangt, naast de herberg,
-die den naam draagt: „de Ingang tot den afgrond.”
-
-Het hof sprak hierop: „Mijne heeren, gij hebt de beschuldiging gehoord
-en het getuigenverhoor. Cipier, breng Hardhart nu voor.” En dit
-geschiedde.
-
-De klerk. „Meester Hardhart, gij zijt bij dezen naam aangeklaagd als een
-indringer in deze stad Menschziel, omdat gij de gansche stad met de
-jammerlijkste onboetvaardigheid en verharding bezet hebt, haar
-terughoudende van alle verbrijzeling en droefheid over hare zonden,
-gedurende al den tijd dat zij van den gezegenden koning El-Schaddaï
-afgevallen was en tegen hem in opstand heeft geleefd. Wat zegt gij op
-deze aanklacht, zijt gij hieraan schuldig of niet?”
-
-Hardhart antwoordde: „Ik beken, mijne heeren, dat ik zoolang ik leef
-niet geweten heb wat verbrijzeling of droefheid beduidt. Ik ben
-onaandoenlijk; ik geef om niemand; ook kan ik door menschelijke smarten
-niet worden gekweld; hun treurigheid noch jammerklacht dringt in mijn
-hart door. Als ik iemand kwaad doe of beleedig, is het voor mij muziek
-zijn kermen en klagen te hooren.”
-
-Het hof sprak: „Gij ziet, dat deze mensch een rechte Diábolusman is en
-zichzelven duidelijk heeft uitgesproken. Breng hem weg, cipier, en laat
-Valsche Vrede voorkomen.”
-
-„Valsche Vrede, gij zijt hier bij dezen naam aangeklaagd als een
-indringer in Menschziel, omdat gij op eene goddelooze ja, duivelsche
-manier haar, terwijl zij in afval en helschen opstand tegen haren koning
-leefde, in een valschen, gevaarlijken, ja, verdoemelijken vrede hebt
-gebracht en gehouden, een stille gerustheid, die den koning tot oneer
-strekt, zijne wet bespot en groote schade en nadeel werkte voor
-Menschziel. Wat zegt gij hierop? Zijt gij daaraan schuldig of niet?”
-
-Valsche Vrede antwoordde daarop: „Edele heer en gij allen, die nu als
-rechters over mij zit, ik beken dat mijn naam Vrede is, maar dat ik
-Valsche Vrede zou heeten, ontken ik ten sterkste. Indien mijne heeren
-gelieven te vernemen bij al degenen, die mij kennen en bij mijne
-geboorte en naamgeving tegenwoordig waren, zoo zullen zij allen
-getuigen, dat mijn naam niet Valsche Vrede maar Vrede is. Om die reden
-kan ik tegen deze aanklacht niets inbrengen, dewijl daarin mijn naam
-niet is genoemd. Mijn karakter is overeenkomstig mijn waren naam. Ik ben
-altijd een man geweest, die lust had in vrede en lust te leven en
-hetgeen ik zelf beminde, dacht mij ook voor anderen goed. Daarom als ik
-eenige mijner vrienden in moeite zag of met groote onrust worstelend,
-zoo heb ik getracht hen tot vrede te brengen zooveel ik kon. Ik zou dit
-mijn gehouden gedrag kunnen ophelderen. Toen onze stad zich eerst begon
-af te keeren van de wegen van El-Schaddaï en eenigen bij zichzelven
-onrust waren over hetgeen zij gedaan hadden, heb ik dadelijk als iemand,
-die met de ongerustheid van een ander medelijden heb, getracht een
-middel uit te vinden om hen weder gerust te stellen. Toen de wegen der
-oude wereld en van Sodom nog bestonden, en er iets voorviel, dat hen,
-met de gewoonten van die tijden instemmende, hinderde, was ik ook
-dadelijk aan het werk om hen weder te bedaren, en maakte, dat zij hunnen
-handel weder voortzetten konden zonder onrust of overlast. Toen de
-oorlog eerst begon tusschen El-Schaddaï en Diábolus waren er nu en dan
-ook eenigen benauwd en vreesden het verderf van Menschziel. Maar ik heb
-door goede raadgevingen en allerlei middelen getracht hen weder tot
-vrede te brengen.
-
-„Derhalve, omdat ik ten allen tijde een man geweest ben van zulk een
-goedaardigen inborst, met éen woord een vredemaker, (en een vredemaker
-is volgens het oordeel van sommigen toch een zeer goed mensch), zoo
-verzoek ik u, mijne heeren, die den naam draagt van voor de
-gerechtigheid en billijkheid van Menschziel in te staan, toch door uw
-hof beschouwd te worden als iemand, die niet verdient onmenschelijk
-behandeld te worden. Integendeel verwacht ik door u in vrijheid gesteld
-te worden en uw verlof te ontvangen om hen, die mij valschelijk
-beschuldigen, in rechten te vervolgen.”
-
-Toen riep de klerk: „Deurwaarder, roep eene proclamatie uit!” en de
-deurwaarder riep uit:
-
-„Aangezien de gevangene voor deze rechtbank ontkent, dat de naam,
-waarbij hij is opgeroepen, zijn echte naam is, zoo laat het hof bekend
-maken, dat als hier iemand tegenwoordig gevonden wordt, die aan het hof
-daaromtrent eenige informatiën kan geven, hij gelieve voor den dag te
-komen om den origineelen en rechten naam van den gevangene te bewijzen;
-want de gevangene beweert zijne onschuld.”
-
-Toen kwamen er twee voor het hof, die begeerden, dat het hun vergund
-mocht worden alles te zeggen wat zij over dezen gevangene aan de
-rechtbank konden voorleggen. De naam des eenen was Waarheidonderzoeker,
-en de naam des anderen was Waarheidsgetuige. Hun werd dan eerst gevraagd
-of zij den man, die daar voor hen stond kenden en wat zij aangaande
-zijne zelfrechtvaardiging wisten.
-
-Toen sprak de heer Waarheidonderzoeker: „Mijne heeren, ik......”
-
-Maar het hof wenkte hem toe te zwijgen, en de president sprak: „Neen,
-eerst den eed doen.”
-
-Hij zwoer den eed en ging toen voort: „Mijne heeren, ik ken dezen man en
-heb hem gekend van zijn eerste kindsheid af, en ik kan getuigen, dat
-zijn naam Valsche Vrede is. Ik kende zijn vader, wiens naam was
-Pluimstrijker; en zijne moeder werd vóor zij getrouwd was mejuffrouw
-Vleister genaamd. Toen deze twee getrouwd waren, duurde het niet lang of
-deze zoon werd geboren, en dadelijk bij zijne geboorte kreeg hij reeds
-dien naam Valsche Vrede. Ik ben lang zijn speelgenoot geweest, ofschoon
-ik wat ouder ben dan hij. Ik weet het nog zeer goed, dat als zijne
-moeder hem van het spel terugriep, hij dan niet komen wilde en zij
-schreeuwde: „Valsche Vrede, kom gauw, anders krijgt ge slaag!” Ja, ik
-herinner mij zelfs dat hij nog aan de borst lag, ofschoon ik toen ook
-nog maar klein moet geweest zijn, hoe zijne moeder met hem aan de deur
-zat en hem op hare armen wiegde. Toen riep zij wel twintig maal: „mijn
-kleine Valsche Vrede! mijn lieve Valsche Vrede! mijn zoete Valsche
-Vrede! hoeveel houd ik van u, mijn kind!” Zijn peetoom weet het ook
-maar al te goed, ofschoon hij de onbeschaamdheid heeft gehad het in het
-openbaar te ontkennen.”
-
-[Afbeelding: OUDE ONGELOOF ONTVLUCHT UIT DE GEVANGENIS.]
-
-Toen moest ook de heer Waarheidsgetuige spreken, en nadat hij beëedigd
-was, zeide ook hij wat hij wist.
-
-„Mijne heeren, al wat de eerste getuige gezegd heeft is waar. Zijn naam
-is Valsche Vrede, want hij gaf voor, dat wie hem anders noemden hem
-spot- en scheldnamen gaven. Maar dat was in den tijd toen Valsche Vrede
-een groot man was en de Diábolusmannen het rijk in hadden in
-Menschziel.”
-
-De president van het hof sprak: „Mijne heeren, gij hebt gehoord wat deze
-twee mannen onder eede betuigd hebben tegen dezen gevangene voor onze
-rechtbank. En gij, Valsche Vrede, gij hebt uwen naam ontkend, ofschoon
-het nu duidelijk blijkt, dat deze getuigen, die eerlijk zijn, en onder
-een eed staan, u als zoodanig kennen. Wat uwe klacht aangaat, dat gij
-valschelijk beschuldigd zoudt wezen, zoo moet gij weten, dat gij niet
-van allerlei boosheid zijt beticht omdat gij een vredemaker zijt onder
-uwe naburen, maar omdat de stad Menschziel door u op goddelooze en
-slimme wijze bij haren afval en haar oproer is staande gehouden; -- bij
-haar oproer tegen haren koning in een valschen, leugenachtigen en
-verdoemeniswaardigen vrede is gesust, als om haar in slaap te wiegen, en
-te doen volharden bij haar verzet tegen El-Schaddaï’s wetten, en om
-aldus rijp te worden voor de verwoesting en voor alle ellenden, die
-gekomen zijn en nog komen konden. Al wat gij voor uzelven gepleit hebt,
-bestaat hierin, dat ge uwen naam hebt verloochend; maar hier ziet gij,
-dat wij getuigen hebben, die bewijzen, dat gij die man wèl zijt. Wat
-dien vrede aangaat, waarop gij zoo pocht, dat gij dien onder uwe buren
-bewaard hebt: die vrede is geenszins de metgezel der heiligheid en der
-waarheid, maar heeft geen grondslag, daar hij steunt op een leugen en is
-beide bedriegelijk en verdoemelijk zooals de groote El-Schaddaï heeft
-gezegd. Uwe klacht heeft u dus geenszins verlost van hetgeen door
-getuigen tegen u is ingebracht, maar veeleer drukt alles even sterk op
-u. Laat ons nu de getuigen roepen, die het feit zullen bevestigen, en
-laat ons hooren wat zij voor onzen koning tegen dezen gevangene hebben
-in te brengen.”
-
-De klerk vraagt aan den getuige Allesweter wat hij te zeggen heeft, en
-deze antwoordt:
-
-„Deze mensch heeft sedert langen tijd voorzoover mij heugt, er zijn werk
-van gemaakt de stad Menschziel in een zondige rust te houden temidden
-van al hare goddeloosheid en afdwalingen, en ik heb hem hooren zeggen:
-„Kom, kom, laat ons alle onrust op zijde zetten, op welken grond het dan
-ook zij; laat ons maar trachten een stil en gerust leven te leiden, al
-ontbreekt er ook een goed fondament aan.””
-
-„En gij, Leugenhater,” zeide de klerk, wat hebt gij te zeggen?”
-
-„Ik heb hem hooren zeggen, dat vrede, al is het langs een
-onrechtvaardigen weg, toch nog beter is dan onrust met waarheid.”
-
-De klerk. „Waar hoordet gij hem dat zeggen?”
-
-„Op het Gekkenhuisplein in de woning van een zekeren Onnoozel, waar het
-Zelfbedrog uithangt, en hij sprak dat wel twintig maal.”
-
-„Wij mogen nu de moeite wel sparen,” zeide de klerk, „om meerdere
-getuigen op te zoeken. Dit bewijs is klaar en voldoende. Zet hem maar
-weer, cipier, en laat Onwaarheid voor de vierschaar brengen.”
-
-„Meester Onwaarheid, gij zijt aangeklaagd bij dezen naam als een
-indringer in Menschziel, omdat gij overal tot oneer van El-Schaddaï en
-op gevaar af van den algeheelen ondergang der vermaarde stad Menschziel,
-er uw werk van gemaakt hebt om al de overblijfselen, die er nog van
-El-Schaddaï’s wetten en van zijn beeld in Menschziel gevonden werden,
-nadat zij haren koning had verlaten en dien boozen tiran was
-toegevallen, ten eenenmale te onteeren en geheel te verwoesten. Wat zegt
-gij? Zijt gij hieraan schuldig of niet?”
-
-„Niet schuldig, mijnheer!”
-
-Toen werden de getuigen geroepen en de heer Allesweter moest eerst
-spreken. Hij zeide het volgende:
-
-„Mijnheer, deze man was niet slechts tegenwoordig bij het omverhalen en
-verbrijzelen van het beeld van El-Schaddaï, maar hij deed het zelfs met
-eigen schendige hand. Ik heb het met eigen oogen gezien, hij deed het
-met grooten ijver op het bevel van Diábolus. Ja, hij deed nog meer dan
-dit, want hij was het ook, die het gehoornde beeld van Diábolus daarvoor
-in de plaats zette. Ook was hij het, die op verzoek van Diábolus alles
-aan stukken scheurde en vernietigde, wat nog van de wetten en
-instellingen van El-Schaddaï was overgebleven in het zoo deerlijk
-geschonden Menschziel.”
-
-[Afbeelding: ONTMOETING TUSSCHEN ONGELOOF EN DIÁBOLUS.]
-
-De klerk. „Wie zag hem dit doen behalve gij?”
-
-Leugenhater. „Ik, Mijnheer, en nog velen met mij; want dit geschiedde
-niet in het geheim maar in het openbaar, voor aller oog. Ja, hij schepte
-er zelfs vermaak in het in ’t openbaar te doen, hij droeg daar roem op.”
-
-De klerk. „Wel, Onwaarheid, hoe kondt gij het durven wagen u nog voor
-onschuldig uit te geven, waar gij bekend zijt als de bedrijver van zulke
-misdaden.”
-
-Onwaarheid. „Mijnheer, ik dacht, dat ik toch iets moest zeggen; en
-zooals mijn naam is zoo sprak ik. Ik ben daar vroeger wel eens goed mede
-uitgekomen en hoopte, dat ik ook thans mij er wel weer uitredden zou op
-die wijze.”
-
-De klerk. „Breng hem weg, cipier, en breng Onbarmhartig voor.” --
-„Onbarmhartig, gij zijt bij dezen naam aangeklaagd als een indringer in
-Menschziel, omdat gij verraderlijk en goddeloos alle ingewanden der
-barmhartigheid hadt uitgeschud, en niet wildet dulden, dat de arme
-Menschziel haar eigen ellende beweende, toen zij zich van haar wettigen
-koning had losgescheurd, maar dat gij alle moeite hebt aangewend om haar
-van berouw en bekeering terug te houden. Wat zegt gij op deze
-beschuldiging? Schuldig of onschuldig?”
-
-„Neen,” zeide Onbarmhartig, „al wat ik gedaan heb diende slechts om mij
-en anderen wat op te vroolijken zooals mijn ware naam aanduidt; want ik
-heet niet Onbarmhartig maar Lustig, en ik kon niet verdragen dat
-Menschziel in droefgeestigheid verviel.”
-
-De klerk. „Wat, loochent gij uwen naam? Laat dan de getuigen komen. Wat
-zegt gij, getuigen, tegen dezen man?”
-
-Allesweter. „De naam van dezen man is Onbarmhartig, hij heeft zich
-altijd zoo genoemd en zijne handteekening is ook zoo; ik heb die
-dikwijls gezien onder brieven van aanbelang. Het is echter een
-eigenschap der Diábolus-mannen, dat zij hunne namen vervalschen.
-Gierigheid dekt zich met den naam van Spaarzaamheid; Hoovaardig weet
-zich als het voorkomt den naam van Netheid of Sierlijk te geven; en zoo
-doet al de rest ook.”
-
-De klerk. „Heer Waarheidspreker, wat getuigt gij?”
-
-Waarheidspreker. „Ik ken hem als Onbarmhartig; ik heb hem van kindsbeen
-af gekend en hij heeft alle goddeloosheid uitgevoerd, die in zijne
-beschuldiging tegen hem is ingebracht; maar er is een geslacht, dat
-geheel onkundig is van het gevaar om verloren te gaan; daarom noemen zij
-allen droefgeestig, die ernstige gedachten hebben en voor dat gevaar
-vreezen.”
-
-Toen zeide de klerk: „Breng Opgeblazen voor den rechterstoel, cipier.”
-Het gebeurde en de klerk ging voort: „Mijnheer Opgeblazen, gij zijt bij
-dezen naam aangeklaagd als een indringer in Menschziel, omdat gij op
-verraderlijke en duivelsche manier de stad hebt aangespoord om de
-oproepingen van koning El-Schaddaï, bij monde van zijne kapiteins
-gedaan, maar luchtig en hooghartig op te nemen. Bovendien leerdet gij de
-inwoners smadelijk en verachtelijk van hunnen grooten koning te spreken,
-ja, gij moedigdet hen daarenboven aan, zoowel door woord als voorbeeld
-om de wapens tegen koning El-Schaddaï en zijn grooten zoon op te vatten.
-Zijt gij niet schuldig hieraan? Wat zegt gij?”
-
-Opgeblazen. „Mijne heeren, ik ben altijd een man van moed en dapperheid
-geweest; en ben niet gewoon zelfs onder de donkerste wolken te loopen
-zuchten of mijn hoofd te laten hangen als een bies. Het heeft mij ook
-nooit behaagd, dat iemand voor zijn tegenstander het zeil streek, al had
-deze tienmaal het voordeel aan zijne zijde. Ik was niet gewoon te
-bedenken wie mijn vijand was of welke zaak hij tegen mij had in te
-brengen. Het was mij voldoende, dat ik alles moedig doorstond, dat ik
-mij verdedigde als een man en overwinnend uit den strijd kwam.”
-
-De President van het hof. „Meester Opgeblazen, gij zijt niet voor dit
-gerecht aangeklaagd omdat gij zulk een dapper man zijt, noch wegens uwe
-vastberadenheid in tijden van nood of gevaar, maar omdat gij misbruik
-gemaakt hebt van uwe voorgewende dapperheid om de stad Menschziel tot
-daden van opstand en oproer tegen den grooten koning en zijn zoon
-Immanuel op te zetten. Dit is de misdaad, waarvan gij zijt beschuldigd.”
-
-Maar hij gaf daarop geen antwoord.
-
-Toen nu het rechtsgeding tot dusverre gekomen was en alle gevangenen
-waren ondervraagd en terechtgesteld, ging het hof over tot het vellen
-van het vonnis; daartoe moest de jurie zich verwijderen en de president
-sprak hen aldus aan:
-
-„Gij, heeren leden der jurie, zijt hier tegenwoordig geweest en hebt
-deze mannen gezien; gij hebt de beschuldigingen gehoord, die tegen hen
-zijn ingebracht, alsmede hunne verdediging of verantwoording tegenover
-het getuigenverhoor. Nu blijft er voor u niets meer te doen overig dan
-dat gij u een weinig verwijdert om te overleggen op welke wijze gij naar
-waarheid en gerechtigheid over hen vonnis zult vellen voor de eer onzes
-konings.”
-
-Toen verwijderde zich de jurie en ging in de eenzaamheid beraadslagen,
-namelijk de heeren Geloof, Waarachtig hart, Oprecht, Kwaadhater,
-Godlief, Waarheiddienaar, Hemelschgezind, Bescheiden, Dankbaar,
-Goedewerken, IJveraar voor God en Ootmoedig.[34]
-
- [34] ~De jurie neemt zitting en oordeelt~. Hier wordt de ziel
- voorgesteld als tot zichzelve ingekeerd en nu zelf een rechtvaardig
- vonnis uitsprekende over alle boosheid en goddeloosheid, waarover zij
- zich nu schaamt en bedroeft.
-
-De heer Geloof was president en begon te spreken. „Mijne heeren,” zeide
-hij, „wat mij betreft, zoo oordeel ik, dat de mannen, die heden voor de
-vierschaar hebben gestaan, allen des doods schuldig zijn.” -- „En ik,”
-zeide Waarachtig hart, „ben het geheel met u eens!” -- „Welk een weldaad
-is het,” zeide de heer Kwaadhater, „dat zulk boeventuig in hechtenis
-is!”
-
-[Afbeelding: DE GRONDWET WORDT VOORGELEZEN.]
-
-„Voorzeker,” zeide de heer Godlief, „dit is een van de aangenaamste
-dagen, die ik ooit beleefde, waarop zij worden gevonnisd!” De heer
-Waarheiddienaar voegde daarbij: „Ik weet, dat zoo wij hen ter dood
-veroordeelen, El-Schaddaï zelf ons vonnis goedkeuren zal!” -- „Daar
-twijfel ik niet aan,” zeide Hemelschgezind, „als zulke monsters ons
-Menschziel zullen uitgeworpen zijn, welk een goddelijke stad zal het dan
-wezen!” De heer Bescheiden sprak: „Wat mij aangaat zoo is het mijne
-gewoonte niet mijn oordeel haastig uit te spreken, maar wat deze lieden
-aangaat, hunne wanbedrijven zijn zóo openbaar en de getuigenissen tegen
-hen zoo handtastelijk, dat hij wel moedwillig blind zou moeten wezen,
-die zeggen zou: „deze lieden behoeven niet te sterven!”” -- „God zij
-geloofd!” riep de heer Dankbaar, „dat deze verraders achter grendel en
-slot zijn!” -- „Ik voeg mijn dank daarbij op mijn bloote knieën,” zeide
-de heer Ootmoedig; en de heer Goede Werken sprak: „Ik ben er ook zeer
-verblijd om.” De ijverige en oprechte heer IJveraar voor God zeide nog
-ten slotte: „Laat hen afgesneden worden; zij zijn voor Menschziel een
-pest geweest en hebben haar verderf gezocht.”
-
-Hiermede waren zij het dus allen eens en zoo kwamen zij weder binnen de
-gerechtszaal.
-
-De klerk riep nu éen voor éen hunne namen af, waarop zij insgelijks éen
-voor éen moesten antwoorden, en nadat dit door het gansche twaalftal was
-gedaan werd hun gevraagd of zij het allen eens waren omtrent het
-onderhavige rechtsgeding. Daarop antwoordden de leden der jurie
-eenstemmig: „Ja.”
-
-De klerk vraagt verder: „Wie van u zal het woord voeren?”
-
-„Onze president,” werd geantwoord.
-
-De klerk. „Nu, gij mannen der jurie, die samen gekomen zijt in naam van
-onzen Heer den Koning om hem te dienen in zake leven en dood, gij hebt
-gehoord het rechtsgeding van elk der gevangenen voor de rechtbank
-alhier: wat zegt gij? Zijn ze schuldig aan hetgeen hun te laste gelegd
-is, of onschuldig?”
-
-De president antwoordde uit aller naam: „Schuldig!”
-
-De klerk: „Cipier, pas op uwe gevangenen.”
-
-Dit geschiedde in den morgen en in den namiddag ontvingen zij het vonnis
-des doods, beschreven volgens de wet.
-
-De gevangenbewaarder zulk een bevel ontvangen hebbende zette hen alleen
-in den binnensten kerker, om daar tot op den dag van de uitvoering van
-het vonnis te worden bewaard, hetwelk den volgenden morgen aan hen zou
-worden voltrokken.
-
-Maar ziet wat gebeurt er? Een van de gevangenen, Ongeloof genaamd,
-breekt uit den kerker los in den tusschentijd, die er verliep tusschen
-dat het vonnis werd uitgesproken en dat de terechtstelling zou plaats
-hebben. Hij vluchtte uit Menschziel en verstak zich waar hij maar kon in
-holen en spelonken, loerende er op om eene gelegenheid te vinden,
-waarbij hij Menschziel weder eenig leed kon toebrengen als wraak over
-zijn tegenwoordig vonnis.[35]
-
- [35] ~Het ontsnappen van Ongeloof~ is een der meesterlijke trekken uit
- Bunyans pen. Ten slotte kan elke zonde tot ongeloof worden
- teruggebracht en is dit de bron daarvan.
-
-Toen nu de cipier Waarachtig bemerkte, dat hij zijn gevangene verloren
-had werd hij ten hoogste ontsteld, want om de waarheid te zeggen, die
-gevangene was de ergste van allen. Daarom liep hij naar den
-Burgemeester, naar den Griffier en naar den heer Vastewil om van hen het
-bevel te ontvangen, dat door de gansche stad Menschziel naar hem zou
-worden gezocht. Dat bevel werd gegeven en overal werd gezocht, maar zulk
-een persoon als de aangeduide vond men in de gansche stad Menschziel
-niet. Al wat men te weten kon komen was, dat hij een wijle aan den
-buitenkant der stad had staan te loeren en dat hij hier en daar sommigen
-schalkachtig had toegelachen, toen hij zich wegmaakte uit de stad. Ook
-meenden een paar hem over de markt te hebben zien gaan. Kort nadat hij
-weg was, kwam er een zekere heer Ziener, die getuigde, dat hij
-heengegaan was, wandelende door dorre streken totdat hij Diábolus, zijn
-vriend, ontmoette, en dat was juist bij Hellepoortsheuvel.
-
-Het was inderdaad voor den Reus een droevige geschiedenis, die Ongeloof
-hem te verhalen had aangaande al de veranderingen, die Immanuel in
-Menschziel gemaakt had; hoe hij algemeen pardon had gegeven, zijne
-soldaten overal in de stad ingekwartierd, het beeld van Diábolus ter
-neder geworpen, eenige Diábolus-mannen gearresteerd en veroordeeld, en
-hoe hij de eenige gelukkig ontkomene was. Bij het hooren van dit verhaal
-stiet Diábolus een gehuil uit, snoof met zijn neus in den wind als een
-draak en deed de lucht van zijn gebrul weerklinken. Ook zwoer hij, dat
-hij niet rusten zou vóor hij zich hierover op Menschziel gewroken had,
-en die twee beraadslaagden reeds dadelijk tezamen hoe zij de stad weder
-zouden kunnen bemachtigen.
-
-[Afbeelding: IMMANUELS FONTEIN.]
-
-„Het meest,” zeide Ongeloof, „hindert het mij, o mijn vader, dat die
-Vastewil, die oproerling, die, zooals wij meenden, ons nooit in de steek
-zou hebben gelaten, zich geheel heeft omgekeerd en nu in groote eere is
-bij Immanuel, evenals hij het ook was bij u. Hij heeft dan ook op last
-van zijn vorst alle Diábolus-mannen laten vatten en veroordeelen; acht
-van de beste en trouwste vrienden van mijn heer zitten in den kerker,
-ik, de negende, ben het nu ontkomen om het u aan te zeggen!”
-
-Zoo brak de dag der terechtstelling aan en de gevangenen in Menschziel
-zouden worden gedood. Zij werden naar het kruis geleid en dat door
-Menschziel zelve op de plechtigste manier; want de Prins zeide, dat dit
-moest geschieden door de handen der inwoners, „opdat ik zien mag,” zeide
-hij, „de bereidwilligheid mijner verloste Menschziel om mijn woord te
-houden en mijne geboden te doen, en opdat ik Menschziel in deze
-handelwijze kan zegenen en toejuichen. Bewijzen van oprechtheid behagen
-mij zeer; laat daarom Menschziel beginnen met zelf de hand te slaan aan
-deze Diábolus-mannen, om hen te vernielen.” [Rom. 8 : 13 en 6 : 12-14.]
-[Gal. 5 : 24.]
-
-Zoo sloeg hen dan de stad Menschziel naar het woord van hunnen vorst;
-maar toen de gevangenen uitgebracht werden om te worden gekruisigd, kunt
-gij maar kwalijk gelooven welk een moeilijk werk Menschziel had om hen
-ter dood te brengen. Deze booze mannen, wetende dat zij sterven moesten
-en ieder in hun binnenste aan Menschziel een doodelijken haat
-toedragende, stonden hunne bewaarders en geleiders tegen en verdedigden
-zich wanhopig. Daarom zagen de mannen van Menschziel zich genoodzaakt om
-hulp te roepen tot de kapiteins van den Prins en de soldaten. Nu had de
-groote El-Schaddaï een Geheimschrijver in de stad, die de mannen van
-Menschziel liefhad.[36] Deze was zonder dat zij het wisten op de plaats
-der terechtstelling tegenwoordig. Pas hoorde hij hun hulpgeschrei of hij
-stond op van zijne plaats en kwam hen te hulp. Hij legde zijne handen op
-de handen der mannen van Menschziel. Zoo kruisigden zij dan de
-Diábolus-mannen die een plaag, eene geeseling, eene schande voor de stad
-Menschziel waren geweest. [Rom. 8 : 13.]
-
- [36] ~Een geheimschrijver~. De inwoning des Heiligen Geestes.
-
-
-
-
-HOOFDSTUK VIII.
-
-DE NIEUWE GRONDWET.
-
-
-Toen nu dit goede werk gedaan was, kwam de Prins neder om te zien en een
-bezoek te brengen aan de menschen van Menschziel en eens vertrouwelijk
-met hen te spreken, ten einde hunne handen te sterken in zulk een
-Godewelgevallig werk. Hij zeide tot hen, dat hij hen in deze hunne
-handeling had beproefd en bevonden had, dat zij beminnaars waren van
-zijn persoon, onderhouders van zijne wetten en dat zij naijverig waren
-op zijne eer. Hij zeide bovendien om hen te toonen, dat zij hierbij
-niets zouden verliezen noch hunne stad verzwakken, dat hij iemand hun
-ten hoofdman wilde geven, uit hun midden gekozen, die de wet aan duizend
-stellen zou ten voordeele en ten zegen van de nu weer bloeiende stad
-Menschziel.
-
-Zoo riep hij dan een persoon, wiens naam was Wachter, en verzocht hem
-spoedig naar het kasteel te gaan, en daar te vragen naar zekeren heer
-Ondervinding, die den edelen kapitein Geloof als adjudant was
-toegevoegd, en hem te verzoeken mede te gaan. Zoo deed de boodschapper
-wat hem bevolen was. De jeugdige edelman was bezig zijn heer te
-bewonderen, terwijl hij het leger monsterde en exerceeren liet op de
-binnenplaats van het kasteel. Toen zeide Wachter tot hem: „Mijnheer, de
-Prins begeert, dat gij dadelijk bij Zijne Hoogheid komen zult.” Zoo kwam
-hij dan tot Zijne Majesteit en maakte een diepe buiging voor hem. Nu
-kenden de lieden der stad den heer Ondervinding wel, want hij was binnen
-Menschziel geboren en opgevoed; zij wisten, dat hij een man was van een
-goed gedrag, groote dapperheid en veel geduld; bovendien was hij een
-zeer vriendelijk mensch, goed bespraakt en voorspoedig in zijne
-ondernemingen.
-
-Daarom waren de harten der lieden van de stad vol vreugde toen zij
-bemerkten, dat ook de Prins zoo met den heer Ondervinding was ingenomen,
-dat hij hem kapitein wilde maken over een bende krijgsvolk.
-
-Zoo bogen zij zich dan eenstemmig voor Immanuel en riepen luide en
-vroolijk: „Immanuel, leef in eeuwigheid!” Toen zeide de Prins tot den
-jongen edelman, wiens naam Ondervinding was: „Ik heb goedgevonden u
-eene post van eer en vertrouwen in mijne stad Menschziel te geven.” De
-jonkman boog het hoofd en viel op eene knie. En Immanuel ging voort:
-„Gij zult kapitein wezen over duizend man in mijn geliefde stad
-Menschziel.” Toen zeide de kapitein: „Leve de koning!” Zoo gaf dan de
-Prins bevel aan ’s konings secretaris, dat hij voor Ondervinding eene
-aanstelling zou gereed maken, en zeide: „Breng die dan tot mij opdat ik
-er mijn zegel op zette.” En aldus geschiedde het; alles werd in orde
-gemaakt en door de hand van Wachter aan den nieuwen kapitein gezonden.
-
-[Afbeelding: DE SCHUILPLAATS DER DIÁBOLONISTEN.]
-
-Zoodra nu de kapitein zijne aanstelling ontvangen had, blies hij op de
-bazuin om vrijwilligers op te roepen en de jongelingen kwamen toeloopen;
-ja, de voornaamsten en opperhoofden der stad zonden hunne zonen om onder
-zijne bevelen te staan. Aldus wierf kapitein Ondervinding zich een
-compagnie om Immanuel te dienen. Hij had tot luitenant zekeren heer
-Verstandig en tot zijn adjudant den heer Geheugen. Zijne onderofficieren
-behoef ik niet te noemen. Hun uniform en hunne vaandels waren wit en hun
-wapenschild een doode leeuw en een doode beer. Toen dit alles in orde
-was keerde de Prins tot zijn paleis terug. [1 Sam. 17 : 36, 37.]
-
-Nauwelijks was hij daar wedergekeerd of de oudsten der stad, namelijk de
-Burgemeester, de Griffier en de heer Vastewil, kwamen tot hem om hem te
-bedanken voor zijn goede zorgen en zijn teeder medelijden, waarmede hij
-opnieuw de stad Menschziel aan zich verplicht had. Na eenigen tijd van
-aangenaam onderhoud keerden zij, eerbiedig afscheid nemende, weder naar
-hunne woningen.
-
-Immanuel bepaalde nu ook een dag, waarop hij hunne grondwet zou
-vernieuwen. Ja, hij wilde die vernieuwen en uitbreiden aangezien er vele
-gebreken in waren, en het was zijn doel het juk van Menschziel te
-verlichten. Dit deed hij zonder dat zij hem er zelfs om
- gevraagd hadden, uit eigen vrije beweging. Zoo
-zond hij dan om hunne oude wet, en nadat hij die ingezien had, legde
-hij die ter zijde en sprak: „Wat oud is en verouderd, is nabij de
-verdwijning. De stad Menschziel moet een andere en betere wet hebben met
-nieuwe en meer bestendige voorrechten.” Hier is een schets van wat hij
-instelde: [Hebr. 8 : 13.] [Matth. 11 : 28, 30.]
-
-„Ik, Immanuel, de Vredevorst en de groote liefhebber der stad
-Menschziel, vergun en geef in naam mijns Vaders en uit mijne eigen
-barmhartigheid en goedertierenheid aan mijne geliefde stad Menschziel:
-Ten eerste, vrije, volkomene en eeuwige vergiffenis van alle kwaad,
-beleediging en ongelijk, gepleegd tegen mijn Vader, mij, hunne naburen
-en zichzelve. [Hebr. 8 : 12.] [1 Joh. 1 : 9.]
-
-Ten tweede, geef ik haar deze heilige wet en mijn testament met al wat
-daarin bevat is tot haar eeuwigen vrede en eeuwige vertroosting. [Joh.
-17 : 8, 14.] [2 Cor. 7 : 1.]
-
-Ten derde, geef ik haar een deel van diezelfde genade en
-goedertierenheid, die in mijns Vaders hart en het mijne woont. [2 Petr.
-1 : 4.]
-
-Ten vierde, geef en vermaak ik haar onbepaald de wereld en wat daarin is
-ten haren beste; en zij zal die macht daarover hebben, welke bestaanbaar
-is met de eer en heerlijkheid mijns Vaders en haar welzijn, ja, ik geef
-haar de beneficiën van leven en dood en de tegenwoordige en toekomende
-dingen. Deze voorrechten zullen geene andere stad, gemeente of
-vereeniging gegund worden dan Menschziel alleen. [1 Cor. 3 : 21, 22.]
-
-Ten vijfde, geef ik haar ten allen tijde een vrijen toegang tot mij in
-mijn paleis -- zoowel daarboven als hierbeneden, -- om hare nooden mij
-bekend te maken, en ik geef haar bovendien de belofte, dat ik zal
-luisteren naar al hare grieven en die herstellen. [Matth. 7 : 7.] [Hebr.
-10 : 19-22.]
-
-Ten zesde, ik begunstig de stad Menschziel met onbepaalde macht en gezag
-om op te sporen, te vatten, tot slaven te maken en te vernielen alle
-Diábolus-mannen, die ooit of immer in de stad zullen worden
-aangetroffen.
-
-Ten zevende, ik geef aan mijn geliefde stad Menschziel volmacht om niet
-te dulden, dat er ooit reizigers, vreemdelingen of wie ook vrijen
-toegang zullen hebben binnen hare muren of deel hebben aan hare
-uitnemende voorrechten. Maar alle vergunningen, privilegiën en
-voorrechten, die ik aan de vermaarde Menschziel geef, zijn voor de oude
-inboorlingen en trouwe burgers, voor hen en voor hunne rechtmatige
-afstammelingen en kinderen na hen. [Efez. 4 : 22.] [Col. 3 : 5-9.]
-
-Maar alle Diabolus-mannen van welk soort, geboorte, landstreek of
-koninkrijk ook zullen daarvan uitgesloten zijn en er geen deel aan
-hebben.”
-
-Dit is maar een klein uittreksel van de oneindig schoone privilegiën,
-die bij wijze van grondwet door Immanuel aan Menschziel werden gegeven.
-Toen zij ze ontvangen had bracht men ze ter plaatse, waar de afkondiging
-zou plaats hebben, op het marktplein, en daar las de Griffier ze aan al
-het volk voor. Dit gedaan zijnde, werd de wet teruggebracht naar het
-kasteel en daar gegraveerd op de poorten in letters van goud, opdat de
-stad Menschziel met al hare inwoners ze altijd in het gezicht zouden
-hebben en de gezegende vrijheid aanschouwen, die hun Vorst hun had
-verleend, zoodat hunne vreugde en liefde tot Immanuel onophoudelijk werd
-gevoed. [2 Cor. 3 : 3.] [Jer. 31 : 33.] [Hebr. 8 : 10.]
-
-Welk eene vreugde, welk een troost nu de harten der goede lieden in deze
-gelukkige stad vervulde, kan men zich nauwelijks verbeelden! De klokken
-luidden, de muziekanten speelden, het volk danste, de kapiteins
-juichten, de vaandels waaiden in den wind, de zilveren trompetten werden
-geblazen, en de Diábolus-mannen waren nu maar blijde, dat zij zich
-konden versteken, want zij zagen er uit als degenen, die al lang dood
-zijn geweest.
-
-Toen dit voorbij was zond de Prins weder om de oudsten van Menschziel en
-beraadslaagde met hen over een ministerie, dat hij in hun midden wilde
-vestigen, zulk een ministerie, dat hen aangaande de tegenwoordige en
-toekomende dingen zou inlichten en hen in alles onderwijzen.
-
-„Want,” zeide hij, „gij zijt van uit uzelven niet in staat den wil mijns
-Vaders te kennen en diensvolgens evenmin te doen, wanneer gij geene
-leeraren en leidslieden hebt.” [Jer. 10 : 23.]
-
-[Afbeelding: DAGELIJKSCHE LEZING BEGONNEN IN MENSCHZIEL]
-
-Bij deze tijding kwam, toen de oudsten van Menschziel die aan het volk
-hadden medegedeeld, de gansche stad tezamen; want het behaagde hen,
-evenals alles wat de Prins thans deed aan het volk behaagde, en allen
-zonder onderscheid smeekten Zijne Majesteit, dat hij maar dadelijk zulk
-eene bediening onder hen wilde invoeren, die hen beide wet en oordeel,
-instelling en gebod leerde verstaan, opdat zij in al wat goed en
-liefelijk was zouden worden ingewijd. Zoo verhaalde hij hun, dat hij hun
-verzoek zou inwilligen, en dat hij er twee onder hen wilde aanstellen
-met dit doel; de een kwam van zijns vaders hof en de andere was een
-ingeborene van Menschziel.
-
-„Hij, die van het hof komt,” zeide de Prins, „is een persoon van niet
-mindere waardigheid en macht dan mijn vader en ik. Hij is de Opperste
-Geheimschrijver van mijns Vaders huis, want hij is en was altijd de
-opperste uitlegger van al mijns Vaders wetten, een persoon in alle
-geheimen ingewijd en kennende alle verborgenheden even goed als mijn
-Vader en ik. Inderdaad is hij dan ook één met ons van natuur, even
-beminnenswaard, even trouw en waarachtig, en hij staat in eeuwige
-betrekking tot de stad Menschziel. [2 Petr. 1 : 21.] [1 Cor. 2 : 10.] [1
-Joh. 5 : 7.]
-
-„En deze persoon,” zeide de Prins, „moet uw opperste leermeester wezen,
-want hij is het en hij alleen, die u klaar en duidelijk in alle hooge en
-bovennatuurlijke dingen kan onderwijzen. Hij en hij alleen is het, die
-de wegen en handelwijzen van mijn Vader kent; ook kan niemand gelijk hij
-openbaren hoe het hart van mijnen Vader ten allen tijde, in alle dingen,
-onder alle omstandigheden jegens Menschziel is gestemd, want evenals
-niemand de dingen des menschen weet dan de geest des menschen, die in
-hem is, zoo weet niemand de dingen mijns Vaders dan deze voorname en
-machtige Geheimschrijver. Ook kan niemand gelijk hij aan Menschziel
-verhalen hoe en wat zij doen moet om in de liefde mijns Vaders te
-blijven deelen. Hij kan ook alleen verloren dingen terechtbrengen, het
-verledene u herinneren en de toekomst u bekendmaken. Deze leeraar moet
-daarom noodzakelijk den voorrang hebben, beide in uwe toegenegenheid en
-oordeel, boven uwen anderen leermeester; zijne persoonlijke waardigheid,
-de uitnemendheid van zijn onderwijs, de groote behendigheid, die hij
-bezit om u te helpen om verzoekschriften op te stellen aan mijn Vader;
-dit alles moet u de verplichting opleggen om hem lief te hebben, hem te
-vreezen en op te passen, dat gij hem niet beleedigt. [Joh. 14 : 26; 16 :
-13.] [1 Joh. 2 : 27.]
-
-„Deze persoon kan leven en kracht leggen in alles wat hij zegt: en kan u
-dat ook in het hart prenten. Deze persoon kan zieners van u maken en u
-leeren de toekomstige dingen te vertellen. Met dezen persoon moet gij al
-uwe verzoekschriften tot mijn Vader en mij bespreken, en zonder zijne
-voorlichting en raad mag niemand de stad of het kasteel van Menschziel
-binnentreden, want dat zou zijn edele persoonlijkheid kwetsen. [1 Thess.
-1 : 5, 6.] [Jud. 20.] [Efez. 6 : 18.] [Rom. 8 : 26.] [Openb. 2 : 7, 11,
-17, 29.] [Efez. 4 : 30.] [Jez. 63 : 10.]
-
-„Pas op, zeg ik u, dat gij zijne bediening niet miskent; want als gij
-hem bedroeft zal hij zich vijandig tegen u over stellen, en mocht hij
-zoodanig door u worden getergd, dat hij u den oorlog aandoet, dan zou u
-dit meer leed brengen dan twaalf legioenen krijgslieden van mijns Vaders
-hof.
-
-„Maar, zooals ik zeide, wanneer gij naar hem luistert en hem liefhebt,
-wanneer gij u aan zijn onderwijs onderwerpt en zijnen omgang zoekt,
-gemeenschap met hem houdende, dan zult gij hem tienmaal beter vinden dan
-de geheele wereld en haar bezit, ja hij zal de liefde mijns Vaders in uw
-hart uitstorten en de inwoners van Menschziel zullen de wijsten en
-gezegendsten van alle volken zijn.”
-
-Toen liet de Prins tot zich roepen den ouden edelman, die eertijds
-Griffier of Secretaris van Menschziel geweest was, namelijk den heer
-Geweten. Hij deelde hem meê, dat aangezien hij wel bekend was met de
-wetten van het gouvernement, en daarbij wel bespraakt om aan de inwoners
-den wil zijns Meesters uit te leggen en te openbaren in alle
-aangelegenheden, zoo werd hij aangesteld tot deze bediening in de goede
-stad Menschziel. „Gij moet u vooral toeleggen,” zeide de Prins, „op het
-onderwijs van alle deugden en burgerlijke plichten; maar gij moet nooit
-trachten of voorgeven een openbaarder te zijn van de hooge en verborgen
-dingen, die in den boezem van El-Schaddaï, mijnen Vader, besloten
-liggen; want deze dingen weet niemand noch kan iemand openbaren dan
-mijns Vaders Geheimschrijver alleen.
-
-„Gij zijt een inboorling der stad Menschziel, maar de heer
-Oppergeheimschrijver is een inboorling van mijns Vaders paleis, daarom
-evenals gij kennis draagt van alle wetten en instellingen dezer stad,
-zoo draagt hij kennis van al de dingen mijns Vaders.
-
-„Daarom, o Mijnheer Geweten, ofschoon ik u gemaakt heb tot een
-bedienaar, leeraar en prediker voor de stad Menschziel, toch wat de
-dingen aangaat, die de heer Oppergeheimschrijver kent en aan dit volk
-zal onderwijzen, zoo moet gij een leerling en scholier van hem wezen
-evenals al de andere burgers van Menschziel.
-
-[Afbeelding: DE PRINS BEKLEEDT HET VOLK.]
-
-„Gij moet daarom in alle hooge en bovennatuurlijke dingen tot hem gaan
-om onderricht en vingerwijzing, want de inspiratie van dezen persoon
-moet iedereen het rechte verstand geven. Daarom, o, gij heer Griffier,
-houd u klein en wees nederig, en bedenk, dat de Diábolus-mannen, die hun
-eerste beginsel niet bewaarden, maar afvallig werden nu gevangen liggen
-in den afgrond. Wees daarom tevreden met uwen post. [Job. 32 : 8.]
-
-„Ik heb u mijns Vaders officier van justitie gemaakt in die dingen,
-waarvan ik tevoren gesproken heb, en daarom gebruik uwe macht om de
-lieden van Menschziel te onderwijzen, en om hen te tuchtigen en te
-kastijden, wanneer zij niet gewillig zijn om u te hooren en uwe bevelen
-te doen.
-
-„En nu, Mijnheer, dewijl gij oud zijt, en door vele wederwaardigheden
-reeds verzwakt, daarom geef ik u vrijheid om wanneer gij wilt tot mijne
-fontein te gaan en daar vrijelijk van mijn druivenbloed te drinken, want
-mijne kanalen stroomen altijd van louter wijn. Aldus doende zult gij
-alle onreinheid en schadelijke stoffen van uw hart en uwe maag
-afdrijven. Ook zullen uwe oogen er door worden verlicht en uw geheugen
-versterkt om al de wetten, die des konings edele Geheimschrijver u leert
-te zien en te onthouden.” [Hebr. 9 : 14.]
-
-Toen de Prins aldus den voormaligen Secretaris of Griffier den post van
-minister in Menschziel had geschonken, en de man dien dankbaar had
-aanvaard, richtte Immanuel zich in een bijzondere toespraak tot de
-lieden der stad zelven.
-
-„Ziet gij nu,” zeide de Prins tot hen, „mijne liefde en zorg? Ik heb bij
-al wat verleden is nog deze barmhartigheid gevoegd om u leeraars en
-predikers te geven; den hoogedelen Oppergeheimschrijver om u in alle
-diepe en verheven mysteriën te onderrichten, en dezen edelman” --
-wijzende op den heer Geweten -- „om u alle menschelijke en
-huishoudelijke zaken te leeren, want daarin bestaat zijne roeping. Hij
-behoeft het daarom niet na te laten alle dingen, die hij uit den mond
-van den Oppergeheimschrijver heeft gehoord, aan u mede te deelen, alleen
-mag hij zich niet onderwinden zelf in eigen persoon een uitlegger en
-openbaarder der verborgenheden te zijn; want dit ligt alleen op den weg
-van den Oppergeheimschrijver zelven. Hij mag daarover spreken en dat
-mogen de overige burgers van Menschziel ook doen, ja als de gelegenheid
-zich aanbiedt mag en moet hij die zelfs zeer aandringen tot nut van het
-algemeen. Deze dingen wil ik derhalve, dat gij zult waarnemen en doen,
-want zij bevorderen uw leven en de lankheid uwer dagen.
-
-„Bovendien, geliefde heer Griffier en gij allen, die in de stad
-Menschziel woont -- gij moet u hechten aan hetgeen hij u heeft te leeren
-en uit te leggen tot uwen troost voor de toekomende wereld, die ik het
-voornemen heb u te geven als deze wereld oud en versleten is; want
-daartoe moet ge geheellijk en alleen uw toevlucht nemen tot de leer, die
-uw eerste en opperste leermeester u onderwijst. Ja, de heer Geweten zelf
-moet niet trachten het leven te putten uit datgene, hetwelk hij zelf
-openbaart; zijne afhankelijkheid daaromtrent is duidelijk in de leer van
-den anderen prediker. Laat de heer Geweten aldus zorg dragen, dat hij
-geen andere leer aanneemt, die hem niet is meêgedeeld door zijn
-oppersten leeraar, of die hem alleen is duidelijk geworden door zijne
-eigen kennis.”
-
-Nadat nu deze dingen in de vermaarde stad waren ingesteld, ging de Prins
-voort aan de oudsten der gemeente een noodzakelijke aanwijzing te geven
-hoe zij zich hadden te gedragen omtrent de hoogedele kapiteins, die hij
-van zijns Vaders hof had medegebracht of gezonden.
-
-„Deze kapiteins,” zeide hij, „hebben de stad Menschziel lief en zij zijn
-uitverkoren mannen, uitverkoren uit velen om in de oorlogen van
-El-Schaddaï tegen Diábolus te dienen tot behoudenis der stad Menschziel.
-Daarom beveel ik u, gij inwoners van deze nu bloeiende stad, dat gij u
-niet onbetamelijk jegens hen gedraagt, want ofschoon zij harten en
-aangezichten hebben als leeuwen wanneer zij ten strijde worden geroepen
-tegen de vijanden des konings en de vijanden van Menschziel, zoo zal het
-evenwel gebeuren, dat wanneer Menschziel hen slechts een weinig
-ongenoegen geeft of droefheid veroorzaakt hunne aangezichten daardoor
-bedrukt en verslagen zullen worden, ja, gij zult hen verzwakken en den
-moed benemen. Gedraagt u derhalve, o mijne beminden, niet onvriendelijk
-jegens mijne kloekmoedige kapiteins en dappere oorlogshelden; maar hebt
-hen lief, voedt en ondersteunt hen en zet uw hart op hen, en zij zullen
-niet alleen voor u strijden, maar ook maken, dat alle Diábolusmannen,
-die het er op blijven toeleggen om u zoo mogelijk ten val te brengen en
-te verderven, van u zullen wegvlieden.
-
-„Indien te eeniger tijd iemand uit uw midden ziek of zwak of onbekwaam
-ware tot den liefdedienst waartoe uwe harten geneigd zijn, en dien zij
-bij gezondheid en welstand ook waarnemen, zoo veracht of verwerpt hen
-dan niet, maar moedigt hen liever aan, al zijn ze zwak en den dood
-nabij; want ze zijn uwe beschermers, uw garnizoen, uwe muren, uwe
-poorten, uwe sloten en grendelen. En hoewel gij als ze zwak zijn, weinig
-bijstand van hen hebt te wachten, ja zij dan zelfs uwe hulp noodig
-hebben, zoo weet gij toch tot welke oorlogsdaden zij in staat zijn
-wanneer het hun welgaat. Bedenkt daarbij, dat zoo zij zwak zijn, gij
-niet sterk kunt wezen, en zoo zij sterk zijn, gij niet zwak kunt zijn.
-Uwe behoudenis is dus nauw verbonden aan hun gezondheid en welvaren en
-aan het goede, dat gij hun doet. En bedenkt ook dat als zij ziek zijn,
-hunne krankheid aanstekelijk is voor de stad Menschziel. [Hebr. 12 :
-12.] [Jes. 35 : 3.] [Openb. 3 : 2.][1 Thess. 5 : 14.]
-
-„Deze dingen heb ik u gezegd, omdat ik uw welvaren en uwe eere bemin.
-Neem u daarom in acht, o mijn Menschziel, dat gij nauwgezet zijt in alle
-dingen, die ik u opdraag en dat niet slechts als eene stadsgemeente aan
-uwe bestuurders, wachters en hoofdlieden, maar ook aan u als
-afzonderlijke personen, omdat uw welzijn afhangt van het inachtnemen der
-bevelen van uwen Heer.
-
-[Afbeelding: VERVERSCHINGEN NAAR MENSCHZIEL GEBRACHT.]
-
-„Verder, o, mijn Menschziel, moet ik u waarschuwen, niettegenstaande de
-hervormingen, die thans onder u gewerkt zijn, dat gij altijd noodig hebt
-waakzaam en op uwe hoede te wezen, omdat ik er zeker van ben, en gij
-zult het later ook zelf bemerken, dat er nog Diábolus-mannen in de stad
-zijn overgebleven; Diábolus-vrienden, die onverzoenlijk zijn, en dat nu
-reeds, terwijl ik bij u ben, hoeveel te meer wanneer ik van u zal gegaan
-zijn. Zij zullen samenspannen en allerlei complotten maken, zich op
-allerlei wijzen inspannen, allerlei uitvindingen doen en wat dies meer
-zij, om u te brengen tot een toestand, erger dan de Egyptische
-slavernij. Ze zijn innige vrienden van Diábolus, weest daarom
-voorzichtig. Zij waren eertijds gewoon met hunnen vorst verblijf te
-houden in uw kasteel, toen Ongeloof burgemeester van de stad was; maar
-sinds mijne komst aldaar houden zij zich meer op in de buitenwerken
-langs de wallen; daar hebben zij zich holen en kelders en spelonken
-gemaakt. Daarom, o Menschziel, zal uw werk in dit opzicht wel moeielijk
-en hard zijn; gij moet ze grijpen, inkerkeren en ter dood brengen
-volgens mijns Vaders wil. Ook kunt gij u niet geheel van hen ontdoen, of
-gij moest al de wallen van uwe stad slechten en dat zou ik u toch niet
-raden. Vraagt gij mij: wat zullen wij dan doen? Wel, weest op uwe hoede
-en gedraagt u als mannen; bespiedt hunne holen, vindt hunne
-verblijfplaatsen uit; valt hen aan en maakt geen vrede met hen. Waar zij
-zich ook verstoppen, loeren of in hinderlaag liggen, hoe zij zich ook
-soms vernederen, of welke voorstellen van vrede zij u doen, laat u niet
-met hen in, en tusschen u en mij zal alles wèl zijn. En opdat gij hen
-des te beter weet te onderscheiden en te onderkennen uit de inboorlingen
-van Menschziel, zal ik u hier in het kort hunne namen opgeven. Luistert:
-Hoererij, Onreinheid, Moord, Toorn, Onkuischheid, Bedrog, Boosoog,
-Dronkenschap, Brasserij, Afgoderij, Tooverij, Twist, Afgunst, Nijd,
-Oproer en Ketterij. Deze zijn de voornaamsten dergenen, die u voor
-eeuwig zoeken te verderven; deze zijn spionnen en indringers in
-Menschziel. Onderzoekt nu maar ijverig de wetten van uwen koning; daar
-zult gij eene beschrijving van hen vinden en de merkteekenen, waaraan
-gij hen zeker herkennen zult. [Mark 7 : 21, 22.] [Rom. 7 : 18.]
-
-„Deze boosdoeners zullen, o Menschziel, (en hoe blijde zou ik wezen als
-gij hiervan stellig overtuigd waart) indien gij toelaat, dat zij
-ongehinderd rondom de stad heen en weder loopen, als slangen en adders
-weldra uwe ingewanden verteeren, uwe kapiteins vergiftigen, uwe soldaten
-de zenuwen afsnijden, de sloten en grendels verbreken en het thans zoo
-bloeiende Menschziel maken tot een dorre, huilende wildernis, een
-puinhoop. Derhalve opdat gij moed moogt hebben om deze booswichten, waar
-gij ze ook betrapt, te grijpen, zoo geef ik aan de heeren Geloof,
-Vastewil en den Griffier, mitsgaders aan alle ingezetenen der stad
-volkomen macht en last om alle slag van Diábolus-mannen op te zoeken, te
-grijpen en ter dood te brengen door hen aan een kruis te hangen waar of
-wanneer gij hen vindt, hetzij schuilende binnen de stad of rondzwervende
-rondom de muren.
-
-„Ik zeide u tevoren, o Menschziel, dat ik een geregelden leerdienst
-onder u heb ingesteld, maar ook dat gij behalve die twee voorname
-leeraren nog meer onderwijzers hebt; want mijne vier eerste kapiteins,
-die tegen Diábolus en de zijnen in Menschziel optrokken, zullen
-eveneens, als de nood het eischt en zij daartoe worden verzocht, de
-ingezetenen in het bijzonder onderwijzen en in het openbaar goede en
-heilzame voorbeelden geven, die u in den rechten weg zullen leiden. Ja,
-zij zullen zoo het noodig is, een wekelijksche of zelfs dagelijksche
-bijeenkomst houden om daarin goede lessen te geven, die u als ge ze
-inachtneemt, ten einde toe zullen ten goede komen. Draagt toch vooral
-zorg geen van die allen te sparen, welke ik u geboden heb te kruisigen.
-Dit zal ik u nog zeggen: ik heb u daar die booswichten en snoodaards met
-hunne namen voor oogen gesteld, maar ik zeg u ook dat sommigen hunner
-zich aan u zullen voordoen in een andere gedaante alsof ze zeer
-godsdienstig zijn; deze zullen u, als ge niet waakt, zooveel schade en
-nadeel toebrengen als gij u maar nauwelijks kunt verbeelden. Weest
-daarom waakzaam en matig, en laat u niet bedriegen.”
-
-Toen de Prins aldus de stad Menschziel hervormd had en haar onderwezen
-in hetgeen haar nuttig wezen kon, bepaalde hij een anderen dag, waarop
-het zijn voornemen was, als het volk der stad saamgekomen was, de stad
-Menschziel met een eereteeken te begiftigen, -- een kenmerk, dat haar
-boven alle volken, koninkrijken en tongen, die op den ganschen aardbodem
-woonden, zou onderscheiden. Het duurde niet lang of die bestemde dag was
-gekomen en vorst en volk ontmoetten elkander in ’s konings paleis, waar
-Immanuel eerst een korte toespraak tot hen hield en daarna deed wat hij
-beloofd had.
-
-„Mijn dierbaar Menschziel,” zeide hij, „wat ik nu gereed sta te doen is
-geschikt om u aan gansch de wereld kenbaar te maken als de mijne en u
-alzoo ook in uwe eigen oogen te verheffen boven alle verraders, welke in
-u mochten binnensluipen.”
-
-Toen beval hij, dat zij, die hem dienden, uit zijne schatten deze witte
-blinkende kleederen zouden tevoorschijn brengen, „die ik,” zeide hij,
-„heb gekocht en voor mijn Menschziel weggelegd.” Zoo werden dan die
-witte kleederen uit zijne schatkameren gehaald, en voor de oogen des
-volks vertoond. Bovendien was het hun vergund ze aan te nemen en aan te
-trekken, „ieder naar dat het hem past,” zeide hij. Zoo werden dan alle
-burgers in het wit gekleed, in fijn wit linnen, overheerlijk rein en
-glanzend. [Openb. 19 : 8.]
-
-Toen zeide de Prins tot hen: „Dit, o Menschziel, is mijn liverei en het
-kenmerk, waaraan men mijne onderdanen van anderer dienaren onderscheidt.
-Ja, deze vergun ik aan allen, die de mijnen zijn, en zonder die is het
-niemand meer geoorloofd mijn aangezicht te zien. Draag ze daarom om
-mijnentwil, die ze u gaf, en aldus zult gij bij de gansche wereld als de
-mijnen bekend wezen.”
-
-Nu kunt gij u verbeelden hoe Menschziel schitterde! Zij was helder als
-de zon, klaar als de maan en ontzagwekkend als een leger met banieren.
-
-De Prins voegde daar verder nog bij: „Geen vorst, potentaat of
-machthebber in het gansche heelal geeft deze liverei behalve ik zelf.
-Daarom zult gij hierdoor als de mijnen uitblinken. En waar ik nu aan u
-mijne liverei gegeven heb, zoo zal ik u daaromtrent ook mijne bevelen
-geven, en zorg, dat gij mijne woorden goed onthoudt.
-
-[Afbeelding: IMMANUEL VERTREKT UIT MENSCHZIEL.]
-
-„Eerstens. Draagt dit kleed dagelijks, opdat gij niet, in gebreke
-daarvan, aan anderen zoudt toeschijnen de mijnen niet te wezen. [Pred.
-9 : 8.]
-
-„Ten tweede. Houdt het altijd wit, want als het bezoedeld wordt is het
-eene schande voor mij. [Openb. 3 : 4.]
-
-„Ten derde. Schort het daarom op en omgordt u, opdat het niet door het
-slijk slepe.
-
-„Ten vierde. Past op, dat gij het niet verliest, anders wandelt gij
-naakt en zullen de lieden uwe schaamte zien.
-
-„Ten vijfde. Maar als gij het mocht bezoedelen, hetgeen mij zeer zou
-smarten en waarover Diábolus zeer vroolijk wezen zou, spoedt u dan voort
-om te doen wat in mijne wet geschreven staat, opdat gij moogt staan en
-niet vallen voor mij en mijnen troon. Dit is aldus de weg, die maakt dat
-ik u niet verlaat, maar voor altijd in deze mijne stad Menschziel zal
-wonen.” [Luk. 21 : 36.] [Openb. 7 : 14-17.]
-
-En nu was de stad Menschziel met hare inwoners als een zegel op
-Immanuels rechterhand. Waar was nu eene stad of plaats, die zich met
-Menschziel kon vergelijken? Eene stad, verlost uit de hand en de macht
-van Diábolus; eene stad, die de koning El-Schaddaï liefhad en waarheen
-hij Immanuel gezonden had, om haar van den vorst over den put des
-afgronds te redden; ja, eene stad, waarin Immanuel gaarne woonde en die
-hij tot zijne koninklijke residentie had uitverkoren; eene stad, die hij
-voor zichzelven versterkt had en sterk gemaakt door de kracht van zijn
-heirmacht. Wat zal ik meer zeggen? Menschziel had nu den
-voortreffelijksten vorst, gouden kapiteins en krijgslieden,
-krijgsvoorraad, en daarbij kleederen wit als sneeuw. Zal nu Menschziel
-ook in staat zijn deze voorrechten te waardeeren en te gebruiken tot het
-doel, waartoe ze haar zijn gegeven?
-
-Toen dit alles nu naar het welbehagen van den Prins was in orde
-gebracht, beval hij dat zijn standaard op de gebouwen van het kasteel
-zou worden geplaatst. En daarna bracht hij haar menigmaal een bezoek.
-Geen dag mocht nu meer voorbijgaan of de oudsten van Menschziel moesten
-tot hem komen in zijn paleis. Dan wandelden zij samen rond en spraken
-over alle groote dingen, die hij gedaan had, en wat hij beloofde in de
-toekomst voor de stad Menschziel te doen. Dit gebeurde menigmalen met
-den Burgemeester, den heer Vastewil en den eerlijken prediker Geweten.
-Maar o hoe genadig, hoe nederbuigend en teeder gedroeg deze gezegende
-Prins zich thans jegens de stad Menschziel! In al de straten, tuinen,
-boomgaarden, ja overal ging hij rond om te zien of de arme ook zijn deel
-kreeg; ja hij kuste die armen, en was iemand krank dan legde hij hem de
-handen op en maakte hem gezond. En wat de kapiteins betreft, van dag tot
-dag, ja soms van uur tot uur kwam hij hen bemoedigen met zijne
-vereerende tegenwoordigheid en aangename gesprekken. Gij moet dan ook
-weten, dat een glimlach van hem meer kracht en leven in hen stroomen
-deed dan iets anders onder den hemel had kunnen doen. [2 Cor. 6 : 16.]
-
-De Prins wilde hen ook dikwijls te gast hebben; nauwelijks eene week
-ging voorbij of een feestmaal had plaats. Gij zult u herinneren, dat wij
-reeds melding gemaakt hebben van een feest, dat zij samen vierden; maar
-nu werd dat feestvieren meer een gewone zaak; iedere dag mocht nu wel
-een feestdag voor Menschziel heeten. En als zij dan naar huis
-terugkeerden zond hij hen niet ledig weg; ieder moest wat hebben: een
-ring, een gouden keten, een armband, een edelgesteente of iets
-dergelijks; zoo dierbaar was Menschziel hem thans, zoo liefelijk was het
-in zijne oogen. [1 Cor. 5 : 8.]
-
-Ten andere. Wanneer de oudsten en burgers niet bij hem kwamen, dan zond
-hij hun een overvloedigen voorraad spijze, die van het hof kwam, wijn en
-brood, die voor zijns Vaders disch waren toebereid; ja zulke lekkernijen
-zond hij hun en overdekte daarmede hunne tafel, dat ieder, die ze
-aanschouwde, erkennen moest: dergelijke zijn in geen ander koninkrijk
-gezien.
-
-En verder. Wanneer Menschziel hem niet zoo vaak bezocht als hij zulks
-begeerde, dan ging hij tot hen uit, klopte aan hunne deuren en begeerde
-toegelaten te worden, opdat de vriendschap onderhouden bleef; wanneer
-zij hoorden en hem open deden, zooals zij gewoonlijk deden als zij
-tehuis waren, dan vernieuwde hij zijn vroegere liefde en bevestigde die
-door nieuwe bewijzen van zijn gunst.
-
-[Afbeelding: VREEZE-GODS OP HET FEEST VAN VLEESCHELIJKE GERUSTHEID.]
-
-En was het nu niet verrukkelijk te zien, dat in diezelfde plaats, waar
-Diábolus zijne woonplaats had, en zijne knechten onderhield tot groote
-schade van Menschziel, de Vorst der vorsten nu met hen aanzat etende
-en drinkende, terwijl al zijne hoofdmannen, krijgsvolk, trompetters met
-de zangers en zangeressen van zijn Vader daar rondom hem stonden! Nu
-vloeide de beker van Menschziel over, nu stroomde er zoete wijn in hunne
-bekers en aten zij de fijnste meelbloem en dronken melk en honig uit den
-rotssteen. Nu zeiden zij: hoe groot is zijne goedheid! want sedert ik
-aangenaam was in zijne oogen heeft hij mij bovenmate verheerlijkt!
-
-Nog stelde de gezegende Prins een nieuwen overheidspersoon in de stad
-aan, die een zeer goed man was. Hij heette Vrede Gods. Deze officier
-werd gesteld over heer Vastewil, den Burgemeester, den Griffier, den
-tweeden prediker, den heer Verstand, en over alle inboorlingen der stad
-Menschziel. Hij zelf was geen inboorling, maar kwam met den Prins van ’s
-konings hof. Hij was een zeer vertrouwde vriend van kapitein Geloof en
-kapitein Hoop; sommigen zeggen, dat zij bloedverwanten waren en ik
-geloof het ook. Deze man nu werd aangesteld tot algemeenen gouverneur
-der stad, waar kapitein Geloof hem ter zijde stond. Ik heb duidelijk
-opgemerkt, dat zoolang alle dingen in Menschziel naar den zin van dezen
-goedhartigen edelman gedaan werden, ieder er volkomen gelukkig was. Nu
-waren er geen twisten of veten, geen vechtpartijen of scheldwoorden in
-de gansche stad, ieder hield zich nauwgezet bij zijn eigen werk. De
-wachters, de officieren, de soldaten, allen gehoorzaamden hem. En wat de
-vrouwen en kinderen betreft, ook zij waren vroolijk aan hunne
-bezigheden, zij zongen bij den arbeid van den morgen tot den avond,
-zoodat in de gansche stad niet anders werd gehoord en gezien dan
-harmonie, rust, vreugde en gezondheid. En dit duurde zoo den geheelen
-zomer. [Col. 3 : 15.] [Rom. 15 : 13.]
-
-
-
-
-HOOFDSTUK IX.
-
-GEVAAR VOOR MENSCHZIEL.
-
-
-Maar nu was er een man in de stad, wiens naam was
-Vleeschelijke-Gerustheid. Deze persoon bracht na al deze barmhartigheid
-aan deze plaats bewezen de stad Menschziel in een groote en jammervolle
-slavernij. Een korte beschrijving van hem en zijn werk moet hier volgen.
-
-Toen Diábolus voor het eerst bezit nam van deze stad, bracht hij een
-groot getal Diábolus-mannen met zich mede, allen lieden van eigen soort.
-Onder deze nu was er een, die Zelfbedrog heette, een voornaam heer en
-zoo aanzienlijk als toen ter tijd niemand anders in de stad. Diábolus
-bemerkende, dat deze zeer werkzaam, stout en onbeschaamd was, gebruikte
-hem menigvuldig en tot zeer gewichtige zaken, die hij dan ook met veel
-beteren uitslag vervulde dan eenig ander persoon, die met hem uit den
-put des afgronds gekomen was, waarom hij hem zeer bevorderde en naast
-den heer Vastewil plaatste. Daar de heer Vastewil in die dagen heel wat
-met Zelfbedrog ophad, gaf hij hem zijne dochter, mejuffrouw Zonder Vrees
-tot vrouw. Welnu uit deze echt van Zelfbedrog en mejuffrouw Zonder Vrees
-werd Vleeschelijke-Gerustheid geboren. Vandaar kwam het dat in
-Menschziel zulke vreemde vermenging had plaats gehad, dat het soms
-moeilijk was uit te vorschen of zij echte afstammelingen van
-inboorlingen waren of niet; want de heer Vleeschelijke-Gerustheid had
-van moeders zijde den echten ouden burger Vastewil tot vader, terwijl
-hij van vaders zijde een Diábolus-man was.
-
-Deze Vleeschelijke-Gerustheid nu, had waarlijk treffende gelijkenis met
-vader en moeder, hij was zelfbedrog en vreesde niets en daarbij was hij
-zeer werkzaam en vlug. Daar was niets nieuws, geen nieuwe leer, geen
-nieuwe mode of handelwijze of welke verandering het ook zij in
-Menschziel, of hij was er bij van het begin tot het einde. Maar eene
-eigenschap had hij daarbij van zich nooit te voegen bij de minderheid of
-bij die het verloren; de sterkste zijde koos hij steeds.
-
-Toen nu El-Schaddaï, die machtige, en Immanuel zijn zoon aan Menschziel
-den oorlog verklaarden, ten einde het te veroveren, leefde
-Vleeschelijke-Gerustheid reeds in de stad en maakte hij zich reeds zeer
-druk onder het volk, het aanmoedigend tot opstand en hen opwekkende om
-toch in den tegenstand tegen ’s konings troepen te volharden. Maar toen
-hij zag, dat de stad was ingenomen en omgeschapen in een residentie van
-den grooten Prins Immanuel, toen hij daarbij ook zag wat er van Diábolus
-kwam, hoe hij vernederd en verjaagd was en hoe verder alles plaatsvond
-zooals wij hebben beschreven, keerde hij op eenmaal zijn mantel om, en
-evenals hij tevoren Diábolus tegen den Prins gediend had, ging hij nu
-den Prins dienen tegen Diábolus.
-
-[Afbeelding: DE BURGEMEESTER WACHT AAN DE POORT.]
-
-Nadat hij een weinig kennis genomen had van Immanuels doen en
-handelwijze, voegde hij zich weder bij de burgers en begon ook weer als
-van ouds over het een en ander meê te praten. Hij wist, dat de macht en
-sterkte van Menschziel zeer groot waren, en dat het voorzeker de
-burgerij zeer behagen zou wanneer hij daarover roemde en hen prees. Zoo
-begint hij dan listiglijk met de macht en grootheid van Menschziel te
-roemen en haar als onverwinnelijk voor te stellen. Nu eens verheerlijkte
-hij hare kapiteins en hare slingerwerktuigen en stormrammen; dan weer
-had hij allerlei schoons te vertellen van hare fortificaties en
-kasteelen, eindelijk wees hij hen op de duidelijke verzekering van
-hunnen vorst, dat Menschziel voor altijd gelukkig zou wezen. Toen hij nu
-bemerkte, dat sommigen der burgers met zijne gesprekken zeer waren
-ingenomen en zich gaarne door hem lieten vleien, maakte hij er zijn werk
-van van straat tot straat te wandelen, huis in huis uit te gaan, de
-burgers éen voor éen te bezoeken, en ten langen laatste bracht hij er
-Menschziel toe naar zijne pijpen te dansen en telkens toe te nemen in
-vleeschelijke gerustheid, tot zij eindelijk zoo onbezorgd waren als hij
-zelf. Van het praten kwam het tot maaltijden, en van deze feestdagen
-zelfs tot spotternij. Zoo kwam uit het éen het andere voort. Nu was
-Immanuel nog in de stad en zag deze dingen aan. Hij bemerkte dat de
-Burgemeester, de heer Vastewil en de Griffier ook al door het gebabbel
-van dezen Diábolus-man waren medegesleept, vergetende de waarschuwing,
-die hun vorst hun had gegeven om toch door geen enkele Diábolische
-streek zich te laten verschalken. Hij had hun immers duidelijk
-aangetoond, dat hunne veiligheid niet afhing van de tegenwoordige
-kracht en sterkte der stad alleen, maar veel meer van het gebruik, dat
-zij daarvan maakten, en van de inwoning van Immanuel in haar kasteel.
-Want de rechte leer van Immanuel was, dat de stad Menschziel toch zou
-toezien om nooit de liefde van hem of zijn Vader te vergeten, zich aldus
-gedragende, dat zij in deze liefde bleven om daaruit kracht te putten.
-En dit was nu immers geenszins de weg om daarin te blijven, namelijk
-waar zij zoo verliefd geraakten op dezen Diábolus-man, en dan nog wel op
-zulk een persoon als deze Vleeschelijke-Gerustheid was, zoodat zij zich
-door hem bij den neus lieten nemen. Zij hadden naar hun Prins moeten
-luisteren; hunnen Prins moeten vreezen, hunnen Prins beminnen, en dezen
-nietswaardigen deugniet met steenen steenigen. Ze hadden moeten blijven
-wandelen in de wegen, door den Vorst hun voorgeschreven, want dan zou
-hun vrede geweest zijn als eene rivier en hunne gerechtigheid als de
-golven der zee.
-
-Toen nu Immanuel bemerkte, dat door de slimme handelwijze van den heer
-Vleeschelijke-Gerustheid de harten der lieden van Menschziel jegens hem
-waren verkoeld en hun werkdadige liefde jegens hem verminderd, begon hij
-eerstens met den Oppergeheimschrijver hun staat en toestand te beweenen,
-zeggende: „O, dat mijn volk naar mij had geluisterd en dat Menschziel in
-mijne wegen gewandeld had! Ik zou het met de vetste tarwe hebben gevoed,
-en zou hen gelaafd hebben met honig uit den rotssteen.” Daarna sprak hij
-in zijn hart: „ik zal terugkeeren naar het hof en naar mijne eigen
-plaats gaan opdat Menschziel hare schuld in dezen leere kennen en
-inzien.” En zoo deed hij dan ook weldra, want zij maakten, dat hij weg
-moest door dat zij hem veronachtzaamden. Ziet hier wat ze deden.
-
-1^{e}. Zij hielden op hem volgens hunne gewoonte te komen bezoeken;
-neen, ze kwamen niet meer als tevoren in het koninklijk paleis.
-
-2^{e}. Het kon hen niet meer schelen of hij hen kwam bezoeken in hunne
-woningen.
-
-3^{e}. Zij verzuimden nu tot de liefdemaaltijden te komen, die hij
-steeds voor hen gereed maakte. Hij liet hen wel roepen, maar zij kwamen
-niet en verheugden er zich niet meer mede.
-
-4^{e}. Zij wachtten niet langer tot hij hun raad gaf, maar zij begonnen
-eigenwijs en zelfvertrouwend te worden, besluitende, dat zij nu sterk
-genoeg waren en onoverwinnelijk, en dat Menschziel veilig was boven het
-bereik van elken vijand en dat hun toestand voor eeuwig onbewogen
-blijven zou.
-
-Nu, zooals gezegd is, Immanuel bemerkende, dat door den invloed van
-Vleeschelijke-Gerustheid de stad Menschziel hare afhankelijkheid van hem
-en zijn Vader niet meer gevoelde en waagde hem te beleedigen, zoo
-betreurde hij eerst haar staat en toen stelde hij middelen in het werk
-om haar te doen verstaan, dat haar tegenwoordige weg gevaarlijk was.
-Daartoe zond hij den Oppergeheimschrijver tot haar om haar zulke wegen
-te ontraden. Toen deze tot de burgers kwam vond hij hen juist bij den
-heer Vleeschelijke-Gerustheid aan tafel en met hem in gesprek. Alzoo
-bemerkende, dat zij niet over dingen met hem wilden spreken, die hen
-goed konden doen, werd hij bedroefd en ging weg. Pas had hij dit aan den
-Prins verhaald, of deze was daar zoo boos en bedroefd om, dat hij
-maatregelen nam om naar zijns Vaders hof terug te keeren.
-
-De manier waarop hij daarbij handelde, was deze:
-
-1^{e}. Ofschoon hij nog in Menschziel bleef zoo hield hij zich meer
-verborgen en afgezonderd dan eertijds.
-
-2^{e}. Zijn toespraak was, als hij tot hen kwam, niet meer zoo aangenaam
-en vertrouwelijk als tevoren.
-
-3^{e}. Ook zond hij evenmin als in verleden tijden aan de burgers
-lekkernijen van zijn eigen tafel.
-
-4^{e}. Ook als zij hem nog nu en dan bezochten, wilde hij niet meer zoo
-dadelijk hen te woord staan, zooals zij hem vroeger altijd bereid hadden
-gevonden. Zij moesten nu een of tweemaal kloppen, maar het scheen, dat
-hij hen niet opmerkte, terwijl vroeger als hun voetstap maar vernomen
-werd, hij reeds opstond en hen tegemoet ging om hen onderweg te
-ontmoeten, te omhelzen en aan zijn hart te drukken.
-
-Maar Immanuel hield zich maar zoo; het was zijn doel op deze wijze hen
-tot nagedachten te brengen opdat zij tot hem wederkeerden. Maar, helaas,
-zij merkten het niet op, zij kenden zijne wegen niet, zij werden er niet
-door getroffen en vergaten de vorige gunstbewijzen. Wat deed hij dan nu?
-Hij verwijderde zich stillekens uit zijn paleis en begaf zich naar de
-stadspoort. Zoo verliet hij dan Menschziel totdat het arme volk zijne
-overtreding leerde kennen en zeer ernstig zijn aangezicht zocht. Ook de
-heer Vrede Gods legde zijne bediening neer en wilde voor het
-tegenwoordige niets meer met de stad te doen hebben. [Ezech. 11 : 21.]
-[Hos. 5 : 15.] [Lev. 26 : 21-24.]
-
-[Afbeelding: BOODSCHAPPERS GAANDE NAAR EN KOMENDE VAN MENSCHZIEL.]
-
-Aldus gedroegen zij zich verkeerd jegens hem en hij bij wijze van
-tegenstelling gedroeg zich ook verkeerd jegens hen. Maar, helaas, te
-dezer tijd waren zij zoo verhard in hunne wegen en hadden zij de leer
-van Vleeschelijke-Gerustheid zóo ingedronken, dat het vertrek van den
-Prins hen niet trof; zij bemerkten het niet eens, dat hij wegging en
-daarom bedroefde zijne afwezigheid hen ook niet. [Jer. 2 : 32.]
-
-Nu gebeurde het op zekeren tijd, dat deze oude heer
-Vleeschelijke-Gerustheid een feest aanrichtte voor de burgers van
-Menschziel, en daar kwam ook een zekere heer Vreeze Gods bij, een
-edelman, die eertijds groote achting genoot in Menschziel. Helaas, het
-voornemen van Vleeschelijke-Gerustheid was ook dezen heer te misleiden
-evenals de rest, daarom had hij hem thans met zijne buren op het feest
-verzocht. Op het bestemde uur kwam hij dan ook met de andere gasten. Ze
-gingen aan tafel en dronken samen, maar deze eene man, Vreeze Gods, deed
-niet meê; want hij zat daar als een vreemdeling, die er in het geheel
-niet bij behoort. Dit bemerkte de gastheer en sprak hem aan:
-
-„Mijnheer Vreeze Gods,” zeide hij, „zijt gij niet wel? Gij schijnt naar
-lichaam of ziel krank te wezen of misschien wel beiden tegelijk. Ik heb
-eene hartsterking voor u, door Vergeet-het-Goede klaar gemaakt; indien
-gij daar een droppel of wat van neemt, zal het u recht prettig en
-vroolijk maken, en daardoor dan ook meer geschikt voor dit lustige
-gezelschap.”
-
-Daarop antwoordde de goede oude heer zeer vriendelijk: „Ik bedank u wel
-voor al uwe beleefdheden en voorkomendheid; maar wat uwe hartsterking
-betreft, daarin heb ik geen lust. Ik zal slechts éen woord spreken tot
-de inwoners van Menschziel. „Gij ingeborenen van Menschziel, gij
-oudsten en voornaamsten der stad, hoe is het mogelijk, dat gij u zoo
-vroolijk en blijde gedragen kunt, waar onze goede stad in zulk een
-beklagenswaardigen toestand verkeert?”
-
-Toen zeide de heer Vleeschelijke-Gerustheid: „Gij hebt slaap noodig,
-mijn goede man, dat geloof ik vast. Leg u als het u belieft neer en
-slaap eens uit, dan kunnen wij in dien tusschentijd vroolijk zijn.”
-
-Daarop antwoordde de goede man het volgende: „Mijnheer, wanneer gij een
-eerlijk hart bezat, zoudt gij niet kunnen handelen zooals gij doet en
-gedaan hebt.”
-
-Toen zeide de heer Vleeschelijke-Gerustheid: „Wat dan?”
-
-Vreeze Gods. „Ik bid u val mij niet in de reden. Het is waar, dat de
-stad Menschziel sterk was en op éene voorwaarde ondoordringbaar en
-onneembaar; maar gij, de lieden der stad zelven, hebt haar verzwakt, en
-daarom ligt zij thans voor hare vijanden open. Nu is het geen tijd om
-elkander te vleien, of om stil te zitten; gij, mijnheer, hebt Menschziel
-beroofd en de eere van haar genomen; gij hebt de stad nedergeworpen, de
-poorten opengebroken, gij hebt hare grendels en sloten weggenomen.
-
-„En om mij nu nauwkeurig uit te drukken, Mijne heeren van Menschziel,
-van dien tijd af, dat gij zoo groot zijt geworden, is de sterkste van
-Menschziel weggenomen; hij is opgestaan en heengegaan. Wanneer iemand de
-waarheid mijner woorden in twijfel trekt, dan zal ik hem alleen
-beantwoorden met deze wedervraag: waar is de Prins Immanuel? Waar heeft
-iemand onzer hem gezien? Wanneer hoordet gij van hem of proefdet iets
-van zijne kostelijke lekkernijen? Gij zijt nu bezig feest te vieren met
-de Diábolische monsters, maar hij is uw vorst niet. Daarom zeg ik,
-ofschoon de vijanden van buiten, als gij u goed gehouden hadt, geen
-prooi van u hadden kunnen maken, zoo zijn, sedert gij gezondigd hebt, uw
-vijanden binnen in u, u reeds te sterk!”
-
-Toen Vleeschelijke-Gerustheid dit hoorde riep hij: „O foei, Vreeze Gods!
-Foei wat is dat voor taal? Zult gij dan nooit uwe bloohartigheid
-afleggen? Zijt gij dan nog altijd bang voor het vogelgeschrei? Wie doet
-u kwaad? Ik houd het geheel met u, alleen met dit onderscheid, dat gij
-het twijfelen bemint, en ik ben gaarne verzekerd van de zaak. Waarom
-vervalt gij dan nu tot uwe eigen schande en tot onze schrik in zulke
-droefgeestige redenen, daar gij beter deedt te eten en te drinken en
-vroolijk te zijn?”
-
-Maar Vreeze Gods antwoordde weder: „Met recht mag ik droevig wezen, want
-Immanuel is van Menschziel weggegaan. Hij is weggegaan, zeg ik, en gij
-zelf hebt hem verdreven; ja Hij is zóo stillekens afgetrokken, dat hij
-de edelen van Menschziel geen kennis gegeven heeft van zijn vertrek. En
-als dit nu niet als een teeken van zijne gramschap is te beschouwen, dan
-heb ik van den weg der Godzaligheid geene kennis.
-
-„En gij, mijne heeren edelen! tot u richt ik in het bijzonder het woord.
-Dat gij u zoo trapsgewijze van hem vervreemd hebt, heeft hem genoodzaakt
-zich ook langzamerhand van u terug te trekken, hopende dat gij daardoor
-gevoelig zoudt worden en uzelven verootmoedigen. Maar ziende, dat gij
-daarop geen acht sloegt noch de beginselen van zijnen toorn en zijne
-oordeelen hebt ter harte genomen, zoo heeft hij deze plaats verlaten,
-dat heb ik met eigen oogen gezien. Terwijl gij aldus roemt is uwe
-sterkte vergaan, en gij zijt gelijk aan den man, wien vroeger de
-haarlokken op zijne schouders hingen, maar nu zijn ze afgesneden. Gij
-moogt evenals dezen uwen gastheer uzelven uitschudden en denken, dat gij
-zult uitgaan als in vroegere tijden, maar daar gij zonder uwen vorst
-niets vermoogt en hij van u is geweken, zoo verandert vrij uwe feesten
-in jammerklachten en uwe vreugde in klaagliederen.”
-
-Toen begon onmiddellijk de tweede leeraar, de oude heer Geweten, die
-vroeger griffier van Menschziel was, hem op deze wijze te helpen.
-
-„Inderdaad, mijne broeders”, zeide hij, „ik vrees, dat deze oude heer
-ons de waarheid zegt: ik voor mij heb mijn heer en vorst in langen tijd
-niet gezien; ik herinner mij zelfs den juisten datum niet meer, en ik
-kan de vraag van Vreeze Gods niet beantwoorden. Ik twijfel en ik vreeze,
-dat het noodlottig met ons gesteld is.”
-
-Vreeze Gods. „Neen, ik weet, dat gij hem niet vinden zult in gansch
-Menschziel, want is hij heengegaan, en wel om den wille van de schuld
-der oudsten, omdat zij zijn goede gunsten met onverschilligheid
-beantwoord hebben.”
-
-[Afbeelding: ONHEILIG AAN DE POORT DES AFGRONDS.]
-
-Toen zag de heer Geweten er uit alsof hij dood neervallen zou en
-desgelijks alle aanwezigen uitgezonderd de heer van het huis. Allen
-zagen bleek van schrik. Zich daarna een weinig hersteld hebbende en zich
-overtuigd hebbende, dat Vreeze Gods de waarheid sprak, begonnen zij
-samen te overleggen wat in dezen te doen ware. De gastheer had zich
-intusschen verwijderd, want het ging hem niet naar den zin; maar allen
-werden overtuigd, dat hij hen in de ellende gebracht had, en dat zij
-daardoor de liefde van Immanuel verbeurd hadden. Daarbij kwam een woord
-van hunnen vorst weer versch in hun geheugen terug aangaande hetgeen zij
-met de valsche profeten doen zouden. Het eind van deze beraadslaging
-was, dat zij het gansche huis van den heer Vleeschelijke Gerustheid
-boven zijn hoofd in brand staken, want het bleek, dat hij ook een
-Diábolus-man was.
-
-Toen dit geschied was deden zij hun best om hunnen vorst Immanuel in het
-oog te krijgen. Zij zochten hem, maar zij vonden hem niet. Daardoor
-werden zij nog meer overtuigd van de waarheid van ’s heeren Vreeze Gods
-woorden, en hiermede kwam ook een groote droefheid over hen, omdat zij
-wel inzagen, dat dit alles hun eigen schuld was. [Hoogl. 5 : 6.]
-
-Nu begaven zij zich tot den Oppergeheimschrijver, tot hem, dien zij
-vroeger geweigerd hadden te hooren, en dien zij met hunne handelingen
-zoo hadden gegriefd. Zij wilden omdat hij een ziener was, van hem te
-weten komen waar Immanuel was, en hoe zij hunnen heer een verzoekschrift
-zouden toezenden, maar de Oppergeheimschrijver wilde hen niet tot eene
-samenkomst toelaten, tot hen uitkomen. [Jes. 63 : 10.] [Efez. 4 : 10.]
-[1 Thess. 5 : 19.]
-
-O, welk een nevelachtige en donkere dag was het nu voor Menschziel! Een
-dag van wolken en donkerheid. Nu zagen zij in hoe dwaas zij geweest
-waren, en welk eene schade al het gesnater van Vleeschelijke-Gerustheid
-hun had bezorgd! Maar wat het hun nog verder kosten zou, dat wisten zij
-niet; maar de heer Vreeze Gods kwam in hoog aanzien en er werd op hem
-gezien als een profeet.
-
-Toen de sabbatdag was aangebroken, gingen zij uit om hunnen tweeden
-leeraar te hooren prediken; maar o, wat liet hij dezen dag een
-donderslagen en bliksemschichten door de vergadering gaan. Zijn tekst
-was: „Die de valsche ijdelheid onderhouden, verlaten hunne
-weldadigheid.” Maar er was zulk eene kracht in die preek en zulk eene
-verootmoediging op het aangezicht der hoorders te lezen, dat nog maar
-zelden of ooit zulk eene prediking had plaats gehad. Het volk, dat uit
-de kerk kwam, was maar kwalijk in staat hun woning weder te bereiken en
-de volgende week hun gewone bezigheden te doen, zóo waren zij verbroken
-en ter neergeslagen door die ernstige verkondiging. [Jona 2 : 8.]
-
-Maar hij hield niet alleen Menschziel hare zonden voor, maar beefde ook
-voor zichzelven onder het gevoel van zijne eigen schuld. O riep hij uit,
-ongelukkige, die ik ben! dat ik zulke booze stukken gedaan heb! En dat
-nog wel ik, een leeraar, die door den vorst aangesteld is om Menschziel
-te onderrichten en zijne wet te verklaren, dat ik de eerste geweest ben
-om mede af te vallen in de ongerechtigheid. Ik had tegen den afval met
-luider stem behooren te waarschuwen, maar ik liet Menschziel afdwalen en
-Immanuel uit haar midden wegdrijven, ja, zich verwijderen uit hare
-landpalen. Met deze dingen beschuldigde hij ook al den adel en de heeren
-van Menschziel, zoodat allen even bedroefd waren.
-
-Omtrent dezen tijd brak er ook een zware ziekte in de stad uit, waardoor
-de meeste inwoners getroffen werden. Ja, ook de kapiteins en het
-krijgsvolk geraakten daardoor aan het uitteeren, en dit had al eenigen
-tijd plaats gehad eer het openbaar werd. Ware in dezen staat van zaken
-een vijand gekomen om de stad te belegeren, het zou er treurig hebben
-uitgezien. Hoeveel bleeke aangezichten, hoeveel slappe handen en zwakke,
-knikkende knieën, hoeveel struikelende menschen waren nu langs de
-straten te zien! Hier hoorde men zuchten, ginds gekerm, elders lagen er
-eenigen als aan den oever des doods. Ook de kleederen, die Immanuel hun
-gegeven had, waren in een slechten staat, haveloos, gescheurd, bemorst
-en onrein zagen zij er uit, en aan sommigen hingen ze zoo los om de
-leden, dat er gevaar bestond ze ieder oogenblik te verliezen. [Hebr.
-12 : 12, 13.] [Jes. 3 : 24.] [Openb. 3 : 2.]
-
-Toen men nu eenige dagen in dezen naren staat doorgebracht had liet de
-heer Geweten een vastendag uitroepen, opdat een ieder zich zou
-verootmoedigen wegens zijne goddelooze handelingen jegens El-Schaddaï
-en diens zoon. Hij verzocht Boanerges op dien vastendag te prediken,
-hetgeen deze ook deed, en ter bestemder tijd voor het volk optrad met de
-woorden: „Houwt hem uit, waartoe beslaat hij onnuttelijk de aarde?” Nu,
-hij hield daarover een zeer scherpe preek. Hij toonde aan bij welke
-gelegenheid die woorden waren gesproken, namelijk omdat de vijgeboom dor
-en onvruchtbaar was. Daarna verklaarde hij hun de beteekenis dezer
-vermaning als dienende tot bekeering of algeheele verwoesting. Ook wees
-hij op het gezag, dat dit woord had als door El-Schaddaï zelven
-gesproken. En de toepassing van die preek was van dien aard, dat het
-arme Menschziel sidderde en beefde. Deze predikatie evenals de
-voorgaande vermocht veel op het hart der lieden; zij was dienstig om
-degenen, die door de eerste preek wakker geschud waren, ook wakker te
-houden. De gansche stad was nu vol droefheid en weeklacht. [Luk. 13 :
-7.]
-
-[Afbeelding: DIÁBOLONISTEN VERKLEED OP DE MARKT.]
-
-Nadat de kerk uit was kwamen de lieden samen om te raadplegen wat in
-dezen te doen ware. Maar de tweede prediker der stad sprak: „Ik wil
-niets doen uit mijzelven zonder geraadpleegd te hebben met mijn buurman
-Vreeze Gods. Want daar hij in het eerst meer van onzen vorst en diens
-handelingen wist dan wij, zoo zou het ook nu kunnen wezen, dat hij ons
-wist te raden, daar wij naar het goede pad willen terugkeeren.”
-
-Zoo werd dan om Vreeze Gods gezonden, die aanstonds verscheen en zich
-aldus liet hooren: „Ik ben van oordeel, dat Menschziel in deze hare
-benauwdheid een ootmoedig rekwest aan hare beleedigden vorst Immanuel
-moet aanbieden om hem te verzoeken, dat hij in gunst en genade tot haar
-wederkeere en niet voor eeuwig den toorn behoude.”
-
-De stedelingen stemden hierin volmondig toe en het verzoekschrift werd
-opgesteld. Maar wie zou het nu brengen? Ten laatste kwam men overeen,
-dat de Burgemeester het doen zou. Dit gebeurde. De Burgemeester begaf
-zich op weg naar het hof van El-Schaddaï, waar Immanuel, de vorst van
-Menschziel, zich bevond, en hij kwam daar ook aan. Maar de poort was
-gesloten en een sterke macht bewaakte die, zoodat de afgezant langen
-tijd moest buiten blijven staan. Daarom verzocht hij, dat iemand tot den
-Prins mocht gaan om hem mede te deelen wie daar buiten aan de poort
-stond en wat hij kwam doen. Zoo gebeurde het dan ook. Er was iemand, die
-aan El-Schaddaï en zijn Immanuel berichtte, dat de Burgemeester van
-Menschziel daar buiten stond en verzocht in tegenwoordigheid van den
-Prins te worden toegelaten; maar de vorst wilde niet afkomen of
-toelaten, dat hem de poort ontsloten werd. Zijn antwoord luidde: „Zij
-hebben mij den rug gekeerd, en niet het aangezicht, maar nu in dezen
-tijd hunner benauwdheid zeggen zij tot mij: sta op en behoud ons. Maar
-kunnen zij nu niet gaan tot hunne Vleeschelijke-Gerustheid, tot wien zij
-zich begaven als zij mij verlieten, en maken hem in deze benauwdheid tot
-hunnen leidsman en beschermer? Waarom komen zij mij nu in hunnen angst
-zoeken, daar zij zich in hunnen voorspoed van mij hebben afgekeerd?”
-[Klaagl. 3 : 8, 44.] [Jer. 2 : 27, 28.]
-
-Dit antwoord maakte, dat de heer Burgemeester zwart werd in zijn
-aangezicht, hij was beroerd, verpletterd, als in zijn binnenste
-verscheurd. Nu begon hij weder te gevoelen wat het te zeggen was geweest
-gemeenzaam te worden met een Diábolus-man als Vleeschelijke-Gerustheid.
-Maar ziende dat er voor dit oogenblik aan het hof weinig uitkomst was
-zoomin voor hem als voor de stad, sloeg hij op zijne borst en keerde
-weenende terug, den ganschen weg langs het beklagenswaardig Menschziel
-betreurende.
-
-En als hij nu in het gezicht der stad genaderd was, zoo gingen de
-oudsten en edelen om hem te begroeten en te vernemen welk wedervaren hij
-gehad had. Maar hij antwoordde hen op een zoo droevigen toon, dat zij
-allen het uitschreeuwden, klaagden en weenden. Zij wierpen ook asch op
-hunne hoofden en deden een zak om hunne lenden, gaande al weenende door
-de stad. Toen de overige burgers dit vernamen, jammerden zij met hen
-meê. Dit was voor hen allen een dag van tuchtiging, ontsteltenis,
-benauwdheid en angst.
-
-Nadat zij nu weder een weinig bedaard waren, kwam het stadsvolk weder
-samen om te beraadslagen wat hun nu te doen stond. Wederom vraagden zij
-het advies van den ouden heer Vreeze Gods, en deze zeide hun, dat er
-geen ander en geen beter middel was dan maar voortdurend requesten te
-zenden naar het hof; ook al werden ze met bestraffing of met stilzwijgen
-beantwoord, toch maar telkens opnieuw hunne smeekschriften opzenden.
-„Want,” zeide hij, „het is El-Schaddaï’s gewoonte de menschen te laten
-wachten om hun lijdzaamheid te leeren, en zij, die in nood zitten,
-moeten gewillig zijn om te verbeiden.”
-
-Zoo vatten zij dan weder moed en zonden weder en weder en nogmaals
-weder; nu ging er geen dag, ja nauwelijks een uur voorbij, of men
-ontmoette in den omtrek der stad een rijdenden postbode, die op zijn
-hoorn blies van Menschziel af tot aan het paleis van El-Schaddaï; en die
-allen droegen smeekbrieven of verzoekschriften ten gunste van
-Menschziel, of keerden van het hof terug. Ja, de weg was vol
-boodschappers, gaande en komende, die elkander ontmoetten en dit duurde
-zoo voort dien ganschen harden kouden wintertijd.
-
-
-
-
-HOOFDSTUK X.
-
-EEN DIABOLISCH COMPLOT.
-
-
-Wanneer gij het nog niet vergeten zijt, dan herinnert gij u hoe ik u
-tevoren mededeelde, dat, nadat Immanuel Menschziel had ingenomen en
-vernieuwd, er nog heel wat loerende Diábolusmannen overbleven, die zich
-in de holen en spelonken verscholen. De namen van sommigen hunner zijn
-ook genoemd, als daar zijn Onreinheid, Overspel, Moord, Toorn, Overdaad,
-Bedrog, Boosoog, Lastering en vooral die gevaarlijke booswicht, de oude
-Gierigheid. Tegen hen had de goede Prins aan den heer Vastewil en de
-anderen, ja, aan de gansche stad bevelen gegeven ze op te zoeken, te
-grijpen en ten onder te brengen, ten einde alzoo de vijanden van hunnen
-vorst uit de gezegende stad weg te doen. Doch zij hadden dezen last niet
-volvoerd, en verzuimd de Diábolisten na te speuren en vast te zetten of
-te verdoen. Wat deden nu deze booswichten? Zij verkloekten zich en
-staken langzamerhand het hoofd weder op. Nu en dan vertoonden zij zich
-aan de burgers en sommigen van dezen begonnen, helaas, maar al te
-gemeenzaam met hen om te gaan, tot groot nadeel der stad, zooals later
-zal blijken.
-
-[Afbeelding: ZIEKTEN IN MENSCHZIEL.]
-
-Deze overgebleven Diábolus-mannen, bemerkende, dat Menschziel zijnen
-vorst beleedigd, en hij zich aan de stad onttrokken had en weggegaan
-was, maakten onderling eene samenzwering tot verderf der stad. Zoo
-kwamen zij op zekeren tijd samen in den schuilhoek van Boosheid, een oud
-heer, die ook tot de Diábolus-mannen behoorde, en overlegden daar hoe
-zij de stad weder in de handen van hunnen heer zouden overleveren. De
-een raadde dit, de ander wat anders, tot ten laatste de heer Onkuisch
-voorsloeg, dat enkelen hunner zich aan de inwoners van Menschziel als
-dienstknechten zouden aanbieden. „Indien het hun gelukt als zoodanig
-geplaatst te worden, zouden zij voor ons en onzen heer het innemen der
-stad veel gemakkelijken,” zeide hij. Maar Moord, die booswicht, stond op
-en sprak: „Dat mag heden niet geschieden, want Menschziel is nu in
-beroering en zeer boos omdat zij reeds eenmaal door onzen vriend
-Vleeschelijke-Gerustheid is verschrikt. Wij moeten geschikter tijd
-afwachten. Daarenboven hebben zij in last ons te grijpen en te verslaan,
-waar zij ons ook vinden. Laat ons dan listig zijn als de vossen.” Zoo
-werden zij het dan samen eens, dat éen hunner uit aller naam een brief
-zou gaan brengen aan Diábolus, waarin men hem alles zou mededeelen
-zoowel aangaande de ongenade, waarin Menschziel bij zijnen vorst viel,
-als aangaande hun plan in dezen.
-
-Die brief werd spoedig opgesteld en was van den volgenden inhoud:
-
-„Aan onzen grooten heer, den vorst Diábolus, wonende op den bodem der
-hel.
-
-„Groote vader en machtige vorst Diábolus, wij uwe getrouwe aanhangers,
-nog overgebleven in de rebelleerende stad Menschziel, die ons aanzijn
-van u ontvangen hebben en uit uwe hand leven; -- wij kunnen onmogelijk
-langer met onverschilligheid aanzien, dat gij aldus veracht,
-onvriendelijk behandeld en versmaad wordt door de inwoners dezer stad.
-Ook is uwe afwezigheid ons hoogst onaangenaam, dewijl zij tot onze
-schade dient.
-
-„De reden, waarom wij thans aan onzen heer schrijven, is omdat wij nog
-niet alle hoop hebben opgegeven, dat deze stad nog eenmaal weder uwe
-woning worde; want zij is grootelijks van haren heer afgeweken en hij is
-tegen haar vertoornd en van haar weggegaan, ja, ofschoon zij telkens
-opnieuw tot hem zenden, dat hij toch mocht wederkeeren, zoo kunnen zij
-hem niet bewegen of een goed woord van hem loskrijgen. Er heeft ook
-onlangs eene hevige ziekte geheerscht, die nog aanhoudt, en dat niet
-onder lieden van den geringen stand, maar onder de aanzienlijksten en de
-hoogste rangen. Wij, Diábolus-mannen, blijven echter gezond en wel,
-sterk en levenslustig, zoodat wij oordeelen, dat zij door hunne
-overtreding ter eener zijde en hunne ziekte en zwakheid ter anderer
-zijde gansch en al voor uwe macht open liggen. Zoo het derhalve bestaan
-kan met uw geduchte wijsheid, en is naar den raad van uwe vorsten om nog
-eens een aanslag op Menschziel te wagen, laat het ons dan weten, en wij
-zijn gereed ons uiterste te doen om haar in uwe hand over te leveren.
-Zoo echter hetgeen wij zeggen door u niet geschikt geoordeeld wordt,
-laat ons dan uwe meening met een paar woorden weten; want wij zijn
-bereid uwen raad in alles op te volgen, al hing er ons leven van af.
-
-„Aldus gegeven onder onze eigen hand, na voorafgaand overleg ten huize
-van den heer Boos, die nog levend overgebleven is, in onze begeerlijke
-stad Menschziel!”
-
-Toen Onheilig met dezen brief aan den Hellepoortsheuvel kwam, (want hij
-was de bode), klopte hij aan de koperen poort om te worden
-binnengelaten. Daarop deed de deurwachter Cerberus de poort open en nam
-den brief aan, welken hij onmiddellijk aan Diábolus overgaf met de
-woorden: „Tijding uit Menschziel, Mijnheer! Zij komt van vertrouwde
-vrienden.”
-
-Nu kwamen uit alle hoeken van den afgrond Beëlzebul, Lucifer, Apollyon
-met al de rest van dat gespuis voor den dag om te vernemen wat er gaande
-was. Men opende den brief en las hem in tegenwoordigheid van Cerberus.
-Die lezing was luid genoeg om hetgeen er in stond in alle hoeken van den
-afgrond te doen weerklinken. Onmiddellijk werd bevel gegeven, dat van
-louter blijdschap de doodsklok zou worden geluid, hetgeen ook gebeurde,
-en alle helsche vorsten verheugden zich, dat Menschziel nog het
-onderspit zou delven. De klokkeluider riep: „De stad Menschziel -- komt
-wonen -- bij ons -- in de hel! Maak plaats dan -- voor Menschziel --
-in de diepte der hel!” Dit alles bewees, dat zij hoopten Menschziel weer
-machtig te worden.
-
-[Afbeelding: ONHEILIG VOOR DIÁBOLUS.]
-
-Nadat deze akelige plechtigheid volbracht was, kwamen zij weder samen om
-te overleggen welk antwoord zij aan hunne vrienden zenden zouden. Omdat
-de zaak spoed vereischte lieten zij het geheel aan vorst Diábolus over,
-oordeelende, dat hij de eigenlijke vorst en heer der stad was. Hij
-stelde dan naar eigen goedvinden een brief op en zond hem door dezelfde
-hand terug, die de tijding gebracht had. Hier is de inhoud:
-
-„Aan ons geslacht, de hoogmogende Diábolus-mannen, die nog wonen in de
-stad Menschziel. Diábolus, de groote vorst, wenscht een gelukkigen
-uitslag aan die goede ondernemingen, raadslagen en voornemens, die gij
-uit liefde tot onze eer en heerlijkheid in uwe harten koestert, om ze
-uit te voeren tegen Menschziel.
-
-„Beminde kinderen en leerlingen, Mijneheeren Onkuisch, Overspel en de
-anderen! Wij hebben hier in ons eenzaam verblijf uw aangename letteren
-ontvangen door de hand van onzen vertrouweling Onheilig, en om te toonen
-hoezeer wij er ons over verheugden, hebben wij van blijdschap onze
-klokken geluid. Hoe blijde zijn wij dat wij nog vrienden in Menschziel
-hebben, en dat haar Prins vertoornd is weggegaan. Ook hoorden wij met
-genoegen van hunne ziekte en uwe gezondheid. Hoe blijde zouden wij ook
-wezen, konden wij deze stad weder in onze macht krijgen, en daartoe
-zullen wij geen enkele helsche list sparen. Natuurlijk wordt gij dan ook
-weder onze kapiteins en overheden. Wij komen met sterkere macht dan de
-eerste maal, want zijn wij er nu weder meester van, dan blijft zij de
-onze voor eeuwig, aangezien het eene wet van hun vorst is, dat, zoo wij
-hen ten tweeden male overwinnen, zij dan ons ongestoord en wettig
-eigendom blijft.
-
-„Doet dan nog nauwkeuriger onderzoek en tracht al de zwakke zijden van
-Menschziel te bespieden. Gij moet ons ook eens laten weten welk middel u
-het beste voorkomt om hen te krenken, namelijk door hen tot een
-loszinnig leven te verleiden of hen tot wanhoop en vertwijfeling te
-brengen, of wel de stad te laten in de lucht springen door ons buskruit
-van hoogmoed en zelfbedrog. Houdt u gereed om van binnen een ijselijk
-wapengeschrei aan te heffen, wanneer wij van buiten vaardig zijn om
-storm te loopen. Bovendien moeten wij deze dingen met haast doen. Al de
-zegeningen des afgronds zijn over u!
-
- „Gegeven aan den mond van den put des afgronds door gemeene
- toestemming van al de vorsten der duisternis om gezonden te worden,
- naar het geweld, dat wij nog in Menschziel uitoefenen, door de hand
- van den heer Onheilig.
-
- Door mij, Diábolus.”
-
-Deze brief werd nu naar Menschziel gezonden tot de Diábolus-mannen,
-welke daar overbleven in de wallen. Toen nu deze Onheilig weder in
-Menschziel was teruggekeerd, begaf hij zich onmiddellijk naar de woning
-van heer Boos, want daar kwam de troep samen. Bemerkende, dat hun
-afgezant gezond en wel was teruggekeerd, verheugden zij zich, en hunne
-blijdschap nam nog toe toen zij den brief van Diábolus hadden gelezen.
-Zij vraagden Onheilig naar den welstand van al hunne bekenden in den put
-des afgronds, en zetten zich daarna weder aan het beraadslagen.
-
-Het eerst werd bepaald, dat zij alles voor Menschziel zouden stil
-houden. „Laat het toch niemand merken welk voornemen wij tegen hen
-koesteren,” zeiden zij. Na eenig heen en weer praten stond de heer
-Bedrog op en zeide: „Echte Diábolus-vrienden, luistert. Onze heeren en
-machtigen uit den afgrond stellen ons drie wegen voor. De eerste is de
-weg der loszinnigheid, de tweede die van den wanhoop, en de derde het
-doen springen van alles door hoogmoed en zelfbedrog. Ik voor mij geloof
-dat haar hoogmoedig te maken wel iets helpen zal en dat loszinnigheid
-ook wel eenige uitwerking kan hebben; maar konden wij haar tot wanhoop
-brengen, dan hadden wij het rechte punt geraakt. Dan zouden wij haar in
-de eerste plaats aan de hartelijke liefde van haar vorst doen twijfelen,
-en dat zal hem zeer tegenstaan. Werkt dit een weinig door dan zullen zij
-wel ophouden verzoekschriften naar hem op te zenden -- dan is het uit
-met al dat smeeken en kermen om hulp en bijstand; want dan ligt de
-sluitrede voor de hand: „Waartoe zal dit alles dienen?”” En in dezen
-raad van Bedrog stemden zij eenparig toe.
-
-Maar nu deed zich de vraag voor: hoe zullen wij dit ons voornemen ten
-uitvoer brengen? En dezelfde heer beantwoordde die vraag als volgt:
-„Laat zoovelen van onze vrienden als die niet schromen zich voor hunnen
-vorst in het gevaar te begeven, zich vermommen, andere namen aannemen,
-en als boeren verkleed naar de markt gaan. Laat hen zich aanstellen als
-wilden zij in de stad Menschziel dienen als knechten en arbeiders. Laat
-hen zich voor hunne meesters zoo diep mogelijk buigen. Indien Menschziel
-hen dan huurt, zullen zij in korten tijd zoo verdorven worden, dat zij
-het ongenoegen van hunnen vorst geheel over zich brengen, en hem zóo
-vertoornen, dat hij hen uit zijn mond spuwt. Is dit geschied, dan zal
-onze vorst op hen aanvallen, en zij vallen ons als vanzelf in de
-klauwen.”
-
-[Afbeelding: DIÁBOLUS’ HAAT EN KWAADAARDIGHEID.]
-
-Dit voorstel was nog maar kwalijk gedaan of het werd toegejuicht en al
-de Diábolus-mannen drongen zich voorwaarts om zulk een schoonen buit
-machtig te worden. Er werden er nu een drietal uitgezocht, n. l. de
-heeren Gierigheid, Onreinheid en Gramschap. Gierigheid noemde zich
-Spaarzaam, Onreinheid veranderde zijn naam in Geoorloofd-vermaak, en
-Gramschap noemde zich Voortvarendheid.
-
-Op zekeren marktdag lieten zich deze drie vroolijke klanten op den markt
-vinden, aangenaam voor het oog en in schapenvachten gekleed, die zoo wit
-waren, ja, bijna zoo wit als de kleederen van Menschziel; ook konden zij
-de taal van Menschziel duidelijk spreken. Toen zij op de markt gekomen
-waren en aan de burgers hun dienst aangeboden hadden, werden zij ook
-spoedig gehuurd, want zij eischten maar weinig loon en beloofden hunnen
-meesters trouwen dienst.
-
-De heer Gemoed huurde Spaarzaam; en de heer Vreeze Gods huurde
-Voortvarendheid; Geoorloofd Vermaak ging niet zoo spoedig van de hand;
-hij kon zoo vlug als de anderen geen meester krijgen, want het was in de
-vasten. Maar toen deze bijna uit was, kreeg ook hij een dienst bij den
-heer Vastewil als lijfknecht. Zoo hadden nu allen meesters. Toen deze
-booswichten op die wijze in de huizen der lieden van Menschziel waren,
-begonnen zij daar aldra veel kwaads te doen; want listig en boos als
-dit gebroed was, zoo bedierven zij de huisgezinnen en sarden hunne
-meesters; vooral Spaarzaam en Geoorloofd-vermaak. Hij, die onder den
-naam van Voortvarendheid doorging, behaagde ook zijn meester zoo niet,
-want deze zag weldra, dat hij een huichelachtige deugniet was. En pas
-had de schelm dit bemerkt of hij pakte zich het huis uit, of anders zou
-zijn meester hem zonder twijfel hebben opgehangen.
-
-Toen nu deze fielten het zoo ver gebracht hadden en alles zooveel
-mogelijk hadden bespied en bedorven wat zij konden, beraadslaagden zij
-op welken tijd Diábolus van buiten den aanval zou wagen, en zij hem van
-binnen ondersteunen. Zij kwamen overeen, dat een marktdag daarvoor de
-geschiktste tijd zou wezen; want dan waren de stedelingen het drukste.
-Men kan dit als een vaste regel aannemen, wanneer de menschen het
-drukste zijn in hunne bezigheden, dan vreezen zij het minst voor een
-overval. De Diábolus-mannen zouden dan ook het best den tijd hebben,
-meenden zij, om te ontsnappen. Dit alles besloten zijnde, schreven zij
-een brief en zonden dien weer op door de hand van Onheilig. Hij luide
-ongeveer als volgt:
-
-„De heeren der ijdelheid zenden aan den grooten en machtigen Diábolus,
-uit onze holen en spelonken in en om de wallen van Menschziel groetenis.
-
-„Onze groote heer en onderhouder van ons leven, Diábolus! hoe blijde
-waren wij als wij uwe vaderlijke bereidwilligheid vernamen om ons
-behulpzaam te wezen ten einde Menschziel in het verderf te storten.
-[Rom. 7 : 21.] [Gal. 5 : 17.]
-
-„Wij hebben dan eerst overwogen dat helsch drievoudig ontwerp, dat gij
-ons in uwen laatsten brief voorsteldet, en besloten eindelijk dat het
-ons best voorkwam haar te voeren in eene zee van wanhoop. Wij hebben
-gemeend op tweeërlei wijzen dit ontwerp uit te voeren. Ten eerste door
-de stad zoo goddeloos te maken als wij maar kunnen, en daarna u te
-verzoeken de stad op een gegeven oogenblik aan te vallen. Als gij dan
-een leger van twijfelmoedigheid meebrengt zult gij wel het best van
-allen slagen. Op die wijze moeten wij winnen, en als de poel zijn mond
-opent, zullen zij zich in wanhoop daarin storten. Reeds hebben wij drie
-van onze vertrouwelingen onder hen gezonden, die zich vermomd en hunne
-namen veranderd hebben, te weten Gierigheid, Onreinheid en Gramschap.
-Deze laatste diende onder den naam van Voortvarendheid bij den heer
-Vreeze Gods, maar die oude heer heeft hem weggejaagd. ’t Had hem bijna
-zijn leven gekost. De anderen hebben het beter getroffen, maar alle
-werkten mede om ons plan tot wijsheid te brengen.
-
-„Nu stellen wij u voor, dat gij de stad aanvalt op een marktdag, omdat
-zij dan het zorgeloost zijn en het minst aan een overval denken; zij
-kunnen zich dan het minst verdedigen, en wij, uwe getrouwen, zullen
-gereed staan om u van binnen te helpen. In de verwarring zal alles
-gelukken. Indien uwe slangenkoppen en draken onzen heer een beteren weg
-kunnen wijzen, laat ons dan spoedig uw wil kennen.
-
- Aan de monsters van den put des afgronds uit het huis van Boos, in
- Menschziel, door de hand van Onheilig.”
-
-Al de dagen dat deze helsche booswichten aldus tot verderf der stad
-samenspanden, was de arme stad in een jammervollen toestand, eensdeels
-omdat zij El-Schaddaï en zijn zoon zoo zwaar beleedigd hadden, en
-anderdeels omdat de vijanden van binnen nieuwe kracht kregen; en verder
-omdat zij op al hunne verzoekschriften om vergeving en genade tot
-dusverre nog geen vriendelijk antwoord hadden ontvangen. Door de
-loosheid en listen van de inwonende Diábolisten was hun toestand eer
-erger dan beter geworden.
-
-De krankheid bleef ook al heerschen in Menschziel, zoowel onder de
-kapiteins als de burgers der stad, en hunne vijanden waren kloek en
-sterk; zij schenen nu wel ten hoofd en Menschziel ten staart geworden.
-’t Was dan ook in dien tijd dat voormelde brief naar den afgrond werd
-gezonden, en Onheilig dien aan Hellepoortsheuvel aan Cerberus
-overhandigde. Toen deze twee elkander weder ontmoetten, waren zij straks
-zoo gemeenzaam met elkaêr als de eene bedelaar met den ander, en
-begonnen een gesprek over de zaken van Menschziel en de plannen tegen
-haar gesmeed. De portier ving aan:
-
-„Wel, mijn oude vriend, zijt gij daar weder aan Hellepoortsheuvel; hoe
-blij ben ik u te zien.”
-
-Onheilig: „Ja, mijnheer, ik kom hier in het belang der stad Menschziel.”
-
-Cerberus. „Ik bid u, hoe staat het thans met de stad?”
-
-[Afbeelding: ONHEILIG KEERT UIT DEN AFGROND TERUG.]
-
-Onheilig. „Naar het mij voorkomt in een besten toestand; ten minste wat
-ons aangaat, want zij hebben zeer afgenomen in godsvrucht en dat doet
-ons goed. Hun Heer is ook zeer op hen vertoornd, en wij hebben grooten
-invloed op hen en komen in hunne huizen. Ook heerscht er eene
-erbarmelijke ziekte onder hen, die hen zwak maakt; zoodat wij goede hope
-hebben het eindelijk nog te winnen.”
-
-„Geen tijd zoo geschikt als deze,” antwoordde Cerberus, de helhond, „om
-dit oogmerk te bereiken. Ik wensch het van harte om de arme
-Diábolus-mannen, welke ouder gedurige vrees voor hun leven in Menschziel
-wonen.”
-
-Onheilig antwoordde: „Het plan is zoo goed beraamd, en zij zijn maar
-onnoozele duiven; ze hebben geen hart in hun lijf. Alles wel beschouwd
-moeten wij het winnen.”
-
-Cerberus. „Het is zooals gij zegt, ga binnen bij de heeren, hier. Ik heb
-uwen brief reeds overgegeven en zij zullen u een goede belooning geven.”
-
-Onheilig trad dan binnen en als Diábolus hem ontmoette, riep hij hem
-toe: „Welkom, gij trouwe dienaar, ik ben verblijd over den brief!” Ook
-de andere overheden van den afgrond groetten hem, waarop Onheilig
-antwoordde: „Dat Menschziel aan mijnheer Diábolus gegeven worde, en dat
-hij eeuwig haar koning zij!” En daarop gaven de holle afgrond en de
-gapende muil van de hel zulk een akelig geluid, dat er de bergen van
-schudden. Dit gold daar voor muziek.
-
-Nadat zij nu den brief besproken en overwogen hadden, overlegden zij ook
-welk antwoord zij wedergeven zouden. De eerste was Lucifer, die zijn
-advies gaf in deze woorden. „Het eerste plan van de Diábolus-mannen zal
-wel gelukken, n. l. om langs allerlei middelen en wegen Menschziel
-goddeloos te maken. Er is geen betere weg dan deze tot verderf der ziel.
-Onze oude vriend Bileam sloeg vóor eenige jaren juist dezen zelfden weg
-in, en het gelukte hem best. Laat dit dan regel bij ons wezen en ten
-allen tijde ons doel, er is niets in de wereld, dat dit tegenstaan kan,
-dan alleen de genade, waaraan, naar ik hoop, deze stad geen deel heeft.
-Maar wat het andere punt betreft om op een marktdag te komen en vallen
-de stad aan, daar moeten wij eerst nog eens goed over denken; want het
-kon wel eens wezen, dat zij op dien dag dubbele wachten uitzetten, en
-dat zij ons op zulk eene wijze opwachtten, dat al hunne burgers te wapen
-liepen. Dan waart gij bedrogen en onze vrienden geraakten in gevaar.”
-[Num. 31 : 16.] [Openb. 2 : 14.]
-
-Toen zeide de groote Beëlzebul: „Hetgeen deze overste gezegd heeft dient
-wel in aanmerking genomen te worden, maar hij zou zich toch kunnen
-vergissen. Wij moeten daarom eerst eens trachten te weten te komen of de
-stad Menschziel kennis draagt van haar vervallen staat en van het
-voornemen, dat wij tegen haar hebben opgevat, zoodat zij hare wachten
-zou uitzetten op de marktdagen. Sluimeren zij en zijn ze slaperig,
-welnu, dan kunnen wij het best op een marktdag beproeven. Maar hoe komen
-wij dat nu te weten? Wacht, laat ons Onheilig binnen roepen, die weet
-het wel.”
-
-Zoo werd dan Onheilig binnengeroepen, en men stelde hem de vraag voor,
-waarop hij aldus antwoordde: „Mijne heeren, voor zoover ik weet is
-Menschziel tegenwoordig vervallen in haar geloof en hare liefde;
-Immanuel, haar vorst heeft haar den rug toegekeerd; wel zendt zij vele
-verzoekschriften aan hem, maar hij maakt geen haast om die te
-beantwoorden. Ook wordt er niet veel meer hervormd.”
-
-„Wel”, zeide Diábolus, „ik ben er best mede tevreden, dat zij traag zijn
-om zich te hervormen, maar ik vrees hunne verzoekschriften. Toch toont
-de loszinnige wandel dezer burgers, dat zij weinig ter harte nemen
-hetgeen zij aan Immanuel vragen; en is hun hart er niet bij, dan zijn
-die dingen niet veel waard.”
-
-„Indien de zaken aldus staan met Menschziel,” zeide Beëlzebul, „als
-Onheilig daar zegt, zoo behoeven wij er niet zoo lang over te praten op
-welken dag wij den aanval zullen doen; dan is er geen kracht in al hunne
-verrichtingen.”
-
-Maar nu begon Apollyon en sprak: „Mijn oordeel in deze zaak is, dat wij
-zoo zoetjes aan moeten voortgaan en de dingen niet te haastig
-behandelen. Laat onze vrienden binnen Menschziel slechts voortgaan de
-stad te verontreinigen en te besmetten door haar meer én meer in de
-zonde te verstrikken; er is niets, dat haar zooveel kwaad doet als de
-zonde. Indien dit wel gelukt, zal Menschziel vanzelf wel nalatig zijn in
-het waken, in het aanbieden van verzoekschriften en al het andere, dat
-tot hare vastigheid dienen kan. Zij zullen hun Immanuel vergeten, en
-zijne tegenwoordigheid niet begeeren. Kunnen wij hen tot zulk een leven
-krijgen, zoo zal hun vorst niet licht tot hen komen. Onze vertrouwde
-vriend Vleeschelijke-Gerustheid met éen van zijne listen, dreef hem uit
-de stad; waarom zouden de heeren Gierigheid en Onreinheid hem samen niet
-buiten de stad kunnen houden? En dit zeg ik u, dat twee of drie
-Diábolus-mannen, die in Menschziel worden opgenomen, meer doen zullen om
-Immanuel buiten de stad te houden en haar aan ons over te leveren, dan
-een leger van een legioen, dat wij zouden kunnen uitzenden om tegen haar
-te strijden.
-
-[Afbeelding: PROFAAN EN BOOS.]
-
-„Laat dus de onzen maar lustig voortgaan binnen Menschziel met alle
-denkbare list en behendigheid, en laat hen voortdurend onder deze of
-gene vermomming eenigen van de hunnen uitzenden om zich met het volk van
-Menschziel te vermaken, en het zal niet eens noodig zijn, dat wij een
-oorlog met hen beginnen. En mocht dit toch het geval zijn, dan verzeker
-ik u, dat hoe zondiger zij zijn, zij ook des te onmachtiger zullen
-wezen. Daarenboven neemt eens het ergste wat gebeuren kan, namelijk dat
-Immanuel tot hen wederkeerde, waarom zou hij door diezelfde redenen nog
-niet eenmaal kunnen worden uitgedreven? Waarom zou hij niet voor eeuwig
-van hen kunnen scheiden, en gebeurt dat, dan gaan immers ook zijne
-kapiteins, zijne soldaten, zijne stormrammen weg, en Menschziel blijft
-naakt en bloot achter. Zal de aldus beroofde stad dan niet vanzelf hare
-poorten voor u openzetten als in de dagen van ouds? Maar dit is een werk
-van tijd, niet van eenige dagen.”
-
-Nauwelijks had Apollyon gedaan of Diábolus barstte in groote woede en
-grimmigheid uit en bepleitte zijne zaak aldus: „Mijne heeren en
-machthebbers van dezen afgrond, oprechte en getrouwe vrienden, met groot
-ongeduld heb ik naar uw lange redevoeringen geluisterd. Mijn gapende
-muil en ledige buik verlangt zoo smachtend naar het weder in bezit nemen
-van mijn beroemde stad Menschziel, dat wat er ook van komen moge, het
-mij onmogelijk is den afloop van zoo langdradige handelwijzen af te
-wachten. Ik moet zonder uitstel trachten door alle mogelijke middelen
-mijn onverzadelijken kolk des afgronds te vullen met ziel en lichaam der
-stad Menschziel. Leent daarom uwe hoofden, harten, handen, waar ik
-heenga om mijne stad te herwinnen!”
-
-Toen de edelen en vorsten van den put des afgronds de brandende begeerte
-van Diábolus zagen om de ellendige stad Menschziel te verslinden,
-hielden zij op met tegenwerpingen te maken; maar het moet gezegd worden,
-dat volgens den raad van Apollyon handelend, de verwoesting der stad
-veel grooter zou geweest zijn. Maar nu waren zij bereid hun opperheer
-met alle macht bij te staan, daar zij hem later weder noodig konden
-hebben voor andere ontwerpen. Zoo overlegde men dan met hoeveel en met
-welke soldaten Diábolus zou optrekken tegen de stad Menschziel om haar
-in te nemen. Na eenig beraadslagen werd algemeen toegestemd dat het een
-leger van machtige twijfelaars wezen zou. Tusschen de twintig en dertig
-duizend scheen hun voldoende.
-
-Het besluit van den breeden raad hield dus in, dat Diábolus nu
-onmiddellijk den trom zou laten roeren om volk aan te werven in het land
-van Twijfelzucht, dat niet verre van Hellepoortsheuvel aflag; altemaal
-volk, dat hij uitmuntend kon gebruiken tegen de ellendige stad
-Menschziel. Ook werd vastgesteld, dat de heeren zelven hem in den oorlog
-zouden bijstaan en te dien einde het leger commandeeren en aanvoeren.
-
-Zij stelden dan wederom een brief op en zonden dien aan de
-Diábolus-mannen, die intusschen Menschziel begluurden en op de
-terugkomst van Onheilig wachtten. Wij zullen dezen brief maar niet in
-zijn geheel wedergeven. Wij weten reeds hoe men daar in die nare en
-duistere hellespelonk schreef. Zij ontkenden ook thans niet, dat zij
-bezield waren met het allervergiftigste oogmerk en bedoelen tegen de
-stad Menschziel. Al dat helsche gebroed verheugde zich in de
-aanvankelijk goede uitkomst en maakte nu ook de verdere pogingen bekend,
-die door hen zouden worden aangewend. Dat het leger van Diábolus volgens
-den raad der Diábolus-mannen uit de stad van enkel twijfelaars zou zijn
-samengesteld, meer dan twintig duizend in getal. „Allen wakkere mannen
-en van schrikbarend voorkomen,” aldus stond in den brief, „lieden van
-ouds in den oorlog gewoon, en die den trommel wel hooren mogen.” Het
-helsche geschrift eindigde aldus:
-
-„Wat den tijd onzer komst vóor Menschziel betreft, zoo is nog niet
-bepaald of het een marktdag of wel een nacht, die op een marktdag volgt,
-zal wezen. Houdt gij u in ieder geval gereed bij het hooren van onzen
-trommelslag. De edele heeren Lucifer, Beëlzebul, Apollyon, Legio en al
-de anderen groeten u, gelijk ook Diábolus zelf, en wenschen u denzelfden
-voorspoed, dien wij genieten.”
-
-Onheilig had in het naar huis gaan weder een gesprek met den portier
-Cerberus, die hem naar de boodschap vraagde, welke hij had meêgekregen;
-waarop Onheilig antwoordde, dat al de plannen der Diábolus-mannen in de
-stad waren goedgekeurd.
-
-„En,” vraagde Cerberus, „is het Diábolus’ voornemen om zelf mee op te
-trekken?”
-
-„Voorzeker,” was het antwoord „en dat wel met meer dan twintig duizend
-man, altemaal twijfelaars, in den oorlog geoefend.”
-
-Toen werd Cerberus vroolijk en riep uit: „Als er zulke maatregelen
-genomen zijn, dan zou ook ik wel mede optrekken willen aan het hoofd van
-een duizendtal, om mijne dapperheid te toonen.”
-
-„Welnu,” zeide Onheilig, „waarom zou dat niet kunnen geschieden? Maar ik
-heb nu haast en moet voort.”
-
-„Ja, haast u, mijn vriend, en zeg aan de vrienden binnen Menschziel, dat
-ook Cerberus hen laat groeten en van ijver brandt om hen te hulp te
-komen.” Zoo namen dan die twee afscheid en keerde Onheilig naar
-Menschziel terug, in de legerplaats van den heer Boos, waar de
-Diábolus-mannen hem reeds verwachtten, en met graagte den brief lazen en
-alles vernamen wat Onheilig te zeggen had.
-
-Aldus was nu de tegenwoordige toestand der ongelukkige stad Menschziel;
-zij had haren vorst beleedigd en hij was heengegaan; zij had de machten
-der hel aangemoedigd door hare dwaasheid, en tot haar eigen verderf hen
-tot zich gelokt. Wel had de stad hare zonde leeren beseffen, maar de
-Diábolus-mannen roerden zich in hare ingewanden; zij riep, maar Immanuel
-was heengegaan en hare kreten bereikten niet meer zooals vroeger zijn
-oor. Bovendien wist zij niet wanneer en of hij wel ooit zou terugkeeren.
-Daarbij kende zij de listige aanslagen van den vijand niet en hoe
-gereed deze stond om tegen haar op te trekken met het gansche komplot
-der hel.
-
-[Afbeelding: KRIJGSRAAD IN MENSCHZIEL.]
-
-Wel zond zij voortdurend verzoekschriften naar den vorst, maar hij
-beantwoordde die met stilzwijgen. Zij verzuimde zich te hervormen en dat
-was Diábolus naar den zin; want hij wist, dat, indien zij de
-ongerechtigheid in haar hart toeliet, haar koning haar gebed niet hooren
-zou; daarom werd zij nu al zwakker en zwakker en was als een rollend
-blad voor den wind. Zij riep tot haren koning om hulp en duldde
-Diábolus-mannen in haren boezem: wat kon daarom haar koning voor haar
-doen? Ja, daar scheen nu wel eene vermenging plaats te hebben in
-Menschziel, want de burgers der stad en de Diábolus-mannen wandelden
-samen langs de straten. Zelfs dachten de mannen van Menschziel er aan om
-met hen vrede te sluiten, daar de krankheid binnen de stad zoo doodelijk
-was geweest, en zij zoodanig daardoor waren gedund en verzwakt, dat het
-toch tevergeefs zou wezen tegen hen te vechten. De zwakheid van
-Menschziel was de kracht van hare vijanden,[37] en de zonde van
-Menschziel in het voordeel der Diábolus-mannen. Zoo begonnen dan reeds
-deze lieden zich te verbeelden, dat zij de stad in eigendom konden
-krijgen; beiden schenen nu reeds het bezit daarvan met elkander te
-deelen. Ja, de Diábolus-mannen groeiden aan en namen toe, terwijl de
-stad zelf verminderde. Meer dan elfduizend mannen, vrouwen en kinderen
-waren aan de ziekte gestorven.
-
- [37] ~De zwakheid van Menschziel was de kracht harer vijanden~. Bunyan
- beschrijft meesterlijk den ellendigen toestand der ziel, die buiten
- Gods gemeenschap in Christus leeft, omdat zij die heeft verzondigd.
- Alles is krachteloos; ’t is vorm wat er nog overblijft van
- godsdienstige verrichtingen, een vorm der godzaligheid, maar die de
- kracht daarvan verloochent.
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XI.
-
-HET COMPLOT ONTDEKT.
-
-
-Volgens het welbehagen van El-Schaddaï was daar iemand in de stad, die
-Toezicht heette, een groot vriend der inwoners en die Menschziel
-liefhad. Deze man had tot gewoonte aangenomen om overal in de stad te
-luisteren en op te letten, of hij ook iets te hooren of te zien kreeg,
-dat kwade gevolgen hebben kon. Hij vertrouwde de Diábolus-mannen evenmin
-binnen als buiten de stad. Nu gebeurde het eens, dat deze heer Toezicht
-op eene plaats, genaamd Kwaadheuvel, kwam, waar de vrienden van Diábolus
-plachten saam te komen; zoo hoorde hij eenig gemompel, (gij moet weten,
-dat het nacht was), en sloop zachtkens naderbij om beter te kunnen
-luisteren wat daar besproken werd. Al dadelijk ving hij een gesprek op,
-waarin iemand verklaarde, dat het niet lang meer duren zou of Diábolus
-was meester van de stad Menschziel, en dat dan al de burgers met het
-zwaard zouden worden gedood, al ’s konings kapiteins verjaagd en al
-zijne soldaten uit de stad gedreven. Hij voegde daarbij, dat er reeds
-een leger van twintig duizend strijdbare mannen bij Diábolus gereed
-stond om dit voornemen tot werkelijkheid te brengen; het zou geen maand
-meer duren, of dit alles was gebeurd.
-
-Nauwelijks had Toezicht dit gehoord of hij begaf zich naar het huis van
-den Burgemeester en stelde er dezen mede in kennis. De Burgemeester zond
-dadelijk naar den heer Geweten, die het ambt van tweeden prediker
-waarnam, opdat hij alarm zou roepen in de stad. De Oppersecretaris was
-nog ongesteld.[38] Zoo liet dan ook even spoedig de heer Geweten de klok
-luiden en kwam het volk samen, waarop hij hen dadelijk eene korte
-vermaning gaf om toch waakzaam te wezen, en tevens het nieuws, dat
-Toezicht bracht, bekend maakte. „Een vreeselijke samenzweering is tegen
-ons gesmeed,” zeide hij; „de heer Toezicht, die er de man niet naar is
-om iets leugenachtigs bekend te maken, heeft het ons ontdekt. Ik zal hem
-roepen, dan kunt gij hem zelf hooren.”
-
- [38] ~De oppersecretaris was nog ongesteld~. De Heilige Geest was
- bedroefd en daarom geweken. De ziel ondervond de kracht des Geestes
- niet, echter niet omdat de Geest „ongesteld” wezen zou; maar omdat er
- geene gemeenschapsoefening met hem is.
-
-Dit gebeurde en Toezicht verhaalde nauwkeurig al wat hij op Kwaadheuvel
-van de Diábolusmannen vernomen had. Ieder moest er de waarheid van
-inzien, vooral nadat de prediker gezegd had: „Het is volstrekt niet
-bevreemdend, dat de Diábolus-mannen zulke ontwerpen smeden; want door
-onze eigen schuld hebben wij El-Schaddaï beleedigd, zijn zoon Immanuel
-aanleiding gegeven onze stad te verlaten en ons zeer verzwakt; terwijl
-wij in veel te vriendschappelijke verstandhouding met dat slechte volk
-leven. De krankheid, die in onze stad is, verzwakt ons; menig dapper en
-goed burger is gestorven en de Diábolus-mannen worden hoe langer hoe
-sterker. Bovendien heb ik van Toezicht vernomen, dat er verscheidene
-brieven heen en weer geschreven zijn naar en van Diábolus, die niets
-liever ziet dan den ondergang der stad.”
-
-[Afbeelding: BEGEERLIJKHEID WORDT GEVANGEN GENOMEN.]
-
-Toen Menschziel dit alles hoorde hief zij hare stem op en weende.
-Toezicht stemde daarmede in. Intusschen beraamden zij plannen om een
-nieuw verzoekschrift aan El-Schaddaï en zijn zoon op te zenden.[39] Ook
-zochten zij de kapiteins op en verzochten hen toch goed wacht te houden
-en gereed te zijn tegen een mogelijken overval; hunne wapenrusting na te
-zien, en vooral goeden moed te hebben.
-
- [39] ~Plannen om een nieuw verzoekschrift op te zenden~. Nood leert
- bidden; maar dat gebed voldeed niet aan de vereischten van een
- ootmoedig geloofsgebed, dat verhooring vindt. Ook de Christelijke
- deugden werden weder beoefend met meer ijver, terwijl de waakzaamheid
- toenam. Dit alles is prijzenswaard, maar ’t kan werk zijn in eigen
- kracht en eigengerechtigheid kweeken. Het geestelijk leven is een
- ~nauw~ leven.
-
-Toen de kapiteins dit hoorden, zij die allen Menschziel in waarheid
-liefhadden, schudden zij zich uit evenals Simson toen hij van de
-hinderlaag der Filistijnen hoorde, en kwamen zij dadelijk samen om te
-beraadslagen wat er te doen stond. Zij besloten tot het volgende.
-
-1^{e}. Dat de poorten zouden worden gesloten en met bouten en grendelen
-voorzien, en dat alle in- en uitgaande lieden nauwkeurig zouden worden
-onderzocht. Daardoor meenden zij te kunnen ontdekken wie de personen
-waren, die met Diábolus in verbintenis stonden. [1 Cor. 16 : 13.]
-[Klaagl. 3 : 40.]
-
-2^{e}. Vervolgens zou een nauwkeurig onderzoek worden ingesteld binnen
-de stad; huiszoeking gedaan bij iederen burger of daar ook
-Diábolus-mannen verborgen waren. [Hebr. 12 : 15, 16.]
-
-3^{e}. Verder, dat ieder bij wien een Diábolus-man gevonden werd, om het
-even wie het ook wezen mocht, die huisvesting en voedsel aan dat gespuis
-verleend had, op een openbare plaats tot zijn groote schaamte en schande
-zou worden te pronk gezet. [Jer. 2 : 34; 5 : 26.] [Ezech. 16 : 52.]
-
-4^{e}. Dat een openbare vast- en bededag zou worden uitgeroepen, opdat
-de gansche stad Menschziel zich verootmoedigde wegens hare overtredingen
-tegen haar grooten Vorst en Heere. Allen, die daar niet mede instemden
-en voortgingen met hunnen arbeid op den bededag, zouden voor
-Diábolus-mannen gehouden worden en hunne ongerechtigheid dragen. [Joël
-1 : 14; 2 : 15, 16.]
-
-5^{e}. Ook werd nog besloten, met hunne dringende smeekschriften om
-hulp, tijding naar het hof te zenden van hetgeen de heer Toezicht had
-ontdekt en openbaar gemaakt. [Jes. 37 : 4.]
-
-6^{e}. Terwijl eindelijk den heer Toezicht uit naam der stad werd dank
-gezegd voor hetgeen hij had gedaan en hem de post van schout bij nacht
-werd opgedragen.
-
-Volgens deze besluiten werd nu ook gehandeld en de nieuwe schout bij
-nacht bekleedde zijn post met grooten ijver en opoffering van eigen rust
-en gemak. De man was altijd ijverig in de weer, en lag op zijn loer
-wanneer hij vermoeid was van het omzwerven. Inderdaad, Menschziel had
-dien post aan niemand beter kunnen opdragen dan aan dezen persoon. Niet
-vele dagen daarna als hij zijne onderzoekingstochten ook tot ver buiten
-de stad voortzette, kwam hij bij Hellepoortsheuvel in het land der
-Twijfelaars, waar hij tot zijn schrik vernam, dat Diábolus reeds alles
-gereed had om op te trekken. Daarom kwam hij met haast terug en riep de
-oudsten van Menschziel samen, en deed hun verslag van hetgeen hij
-vernam, in het bijzonder ook dat Diábolus den ouden heer Ongeloof tot
-opperbevelhebber van zijn leger had aangesteld, dat dit leger uit meer
-dan twintig duizend man bestond, die allen Twijfelaars waren. Diábolus
-had het voornemen alle voorname vorsten van den helschen afgrond tot
-kapiteins aan te stellen, en vele prinsen van het Zwarte Woud stonden
-met den hellevorst in betrekking. De Twijfelaars hadden zich ook
-verpraat, niet wetende met welk doel onze Schout bij nacht hen uithoorde
-en aan den heer Toezicht verteld, dat de reden waarom de oude heer
-Ongeloof veldmaarschalk was geworden hierin bestond, dat niemand aan
-Diábolus trouwer was dan hij, en hij sedert zijne ontvluchting uit
-Menschziel deze stad doodelijk was blijven haten, naar niets vuriger
-verlangende dan zich op haar te kunnen wreken wegens den smaad hem
-aangedaan. Ook is niemand beter dan hij met de stad bekend omdat hij er
-eertijds heerschte. Dit alles deelde de trouwe schout bij nacht mede.
-
-Toen nu de kapiteins van Menschziel met de oudsten der stad dit alles
-vernamen,[40] begrepen zij dat niets beter was dan onmiddellijk de
-wetten uit te voeren, die hun Vorst tegen de Diábolus-mannen had
-uitgevaardigd. In het huis van den heer Gemoed en van den grooten heer
-Vastewil woonden nog twee daarvan. Bij den eerste woonde Begeerlijkheid,
-maar die zijn naam veranderd had in Spaarzaam. Bij den laatste vond men
-Onreinheid, maar die zich Geoorloofd Vermaak liet noemen. De kapiteins
-en oudsten namen nu deze twee gevangen en gaven hen over aan den
-stokbewaarder Getrouwe, die hen zwaar met ketenen belaadde en zoo nauw
-opsloot, dat ze de tering kregen en in de gevangenis stierven. Hunne
-meesters moesten ook in het openbaar boete doen, dat wil zeggen: in eene
-openbare plaats zich vertoonen om volledige schuldbelijdenis af te
-leggen.[41]
-
- [40] ~Toen nu de kapiteins van Menschziel dit alles vernamen~. Bij de
- zonden der ziel voegde zich nu de listen des satans, die het op den
- ondergang van het kind Gods gemunt heeft. Maar uit hetgeen hier
- medegedeeld wordt, blijkt, dat zijne listen ons niet onbekend zijn.
-
- [41] ~Schuldbelijdenis afleggen~. De ziel begint alles te onderzoeken
- en alles te belijden, en wat beleden is wordt vergeven.
-
-Daarna trachtten de kapiteins en oudsten nog meerdere Diábolus-mannen
-machtig te worden en in hunne kuilen en spelonken na te speuren; maar
-ofschoon zij de afdruksels hunner voetstappen duidelijk zagen, zoo was
-het hun onmogelijk hen te grijpen, zelfs waar zij hun onaangenamen geur
-roken. Dat gebroed wist zich wonderwel te verschuilen. Toch heerschte
-nu Menschziel met een sterken arm over de Diábolisten, zoodat het hun
-geraden was zich schuil te houden. Er was een tijd geweest, dat ze op
-klaarlichten dag langs de straten durfden wandelen, maar die tijd was
-voorbij. Ze vlogen nu als nachtuilen in het duister. Alle burgers zagen
-hen nu voor hun doodvijanden aan, zoo goed had de heer Toezicht zijn
-werk verricht.
-
-[Afbeelding: VERDEDIGINGSWERKTUIGEN IN MENSCHZIEL.]
-
-Omtrent dezen tijd nu had Diábolus zijn leger volkomen gereed. Hij zelf
-was opperheer, Ongeloof veldmaarschalk; van de generaals zullen wij
-later spreken; maar hier zijn de namen van de kapiteins met hunne
-vaandrigs en wapenen.
-
-1^{e}. Kapitein Woede; deze was een hoofdman over de Twijfelaars aan de
-Verkiezing. Hij voerde eene roode vlag, die gedragen werd door vaandrig
-Vernieler, en een groote roode draak was zijn wapen. [Openb. 12 : 3, 4,
-13, 15-17.]
-
-2^{e}. Daarna kwam kapitein Uitzinnig, deze was gesteld over de
-Twijfelaars aan de Roeping. Zijn vaandeldrager heette Donkerheid; zijn
-vaandel was vaal en zijn wapen prijkte met drie vurige slangen. [Num.
-21 : 6.]
-
-3^{e}. Toen volgde kapitein Verdoemenis; deze was een hoofdman over de
-Twijfelaars aan de Genade. Ook zijne vlag was rood en werd gedragen door
-Geen-Hoop-op-pardon, terwijl een duister hol zijn wapen was. [Matth.
-22 : 13.] [Openb. 9 : 1.]
-
-4^{e}. Nu kwam kapitein Onverzadelijk, een hoofdman over de Twijfelaars
-aan het Geloof. Zijn vaandel was rood en Verslinder droeg het, terwijl
-een paar opgesperde kaken zijn wapen vertoonden. [Spreuk. 27 : 20.]
-
-5^{e}. Ook was een kapitein Zwavel, gesteld over de Twijfelaars aan de
-Volharding der heiligen. De heer Vuurbrand droeg het roode vaandel,
-terwijl een blauwe en stinkende vuurvlam zijn wapenschild sierde. [Ps.
-11 : 6] [Openb. 14 : 11.]
-
-6^{e}. Kapitein Torment, die een hoofdman was over de Twijfelaars aan de
-Opstanding. Zijn vaandel was bleek en de heer Knagend droeg het met een
-zwarte worm in zijn wapen. [Mark. 9 : 44.]
-
-7^{e}. Kapitein Zonder-rust, een hoofdman over de Twijfelaars aan de
-Zaligheid, voerde het roode vaandel met een afzichtelijk doodsbeeld tot
-wapen, dat Rusteloos droeg. [Openb. 14 : 11, 6 : 8.]
-
-8^{e}. De achtste kapitein heette de heer Graf. Hij was gesteld over de
-Twijfelaars aan de heerlijkheid; had een vaal en bleek vaandel, dat
-vaandrig Verderf droeg, en zijn wapenschild prijkte met een bekkeneel en
-gekruiste doodsbeenderen. [Jer. 5 : 16.]
-
-9^{e}. Eindelijk was er ook nog een kapitein Wanhoop, die een aanvoerder
-was van de Twijfelaars aan de gelukzaligheid. Zijn vaandrig heette
-Vertwijfeling, die een roode vlag droeg met een gloeiend ijzer en een
-hard hart tot wapen. [1 Tim. 4 : 2.] [Rom. 2 : 5.]
-
-Dit waren zijne kapiteins, met hunne manschappen en wapens en vlaggen.
-Zeven generaals stonden boven die kapiteins, namelijk de heer Beëlzebul,
-de heer Lucifer, de heer Legioen, de heer Apollyon, de heer Python, de
-heer Cerberus en de heer Belial, en veldmaarschalk Ongeloof was hun
-overste. Nog waren daar vrijwilligers uit het Zwarte Woud, die tot
-hoofdlieden van honderd werden aangesteld.
-
-De verzamelplaats van deze strijdmacht was Hellepoortsheuvel. Vandaar
-braken zij op en marcheerden rechtstreeks op de stad Menschziel aan.
-Gelukkig, dat tengevolge van Toezichts waarschuwing de poorten waren
-gesloten en met dubbele wachten bezet; de slingers stonden op hunne
-standplaatsen, en alles was gereed.
-
-Ook konden de Diábolus-mannen in de stad niet zooveel kwaad doen als zij
-zich hadden voorgenomen, want Menschziel was nu ontwaakt. Maar ach, het
-arme volk werd zeer verschrikt, toen de vijanden zich eerst vertoonden
-en vooral toen zij hun trom roerden.[42] Deze was dan ook ijselijk om te
-hooren; de lieden beefden voor dit geluid wel zeven mijlen ver, althans
-voor zoover zij wakker waren. Ook zwaaiden de vaandrigs onophoudelijk
-met hunne afgrijselijke vaandels. [1 Petr. 5 : 8.]
-
- [42] ~De trom van Diábolus~, die Menschziel zoo zeer verschrikte,
- beduidt de aanvechtingen en verschrikkingen des satans als hij op de
- wet wijst, die den zondaar veroordeelt, en van dood en verdoemenis
- gewaagt als rechtvaardig door de ziel verdiend. Dit zijn de
- verschrikkingen des Boozen.
-
-Toen Diábolus voor de stad kwam sloeg hij zijne legermacht op voor de
-Oorpoort en deed daarop een geduchten aanval, meenende, dat zijne
-vrienden in Menschziel gereed waren ook iets te beginnen, maar daarvoor
-was gezorgd door de kapiteins. Dit viel hem tegen; hulp kreeg hij niet,
-maar wel leed zijn leger veel schade van de slingersteenen, die de
-dappere kapiteins moedig op de zijnen wierpen; daarom zag hij zich
-genoodzaakt achteruit te trekken, buiten het bereik van de slingeraars.
-[Jak. 4 : 7.]
-
-In den omtrek wierp hij nu vier sterkten tegen de stad op, waarvan de
-eerste, naar zijn eigen naam, Diábolus heette, om daardoor de arme stad
-nog meer te verschrikken. Hij meende haar te bespringen als een leeuw
-zijn buit, en verwachtte, dat zij van schrik voor hem zou nedervallen.
-Maar de kapiteins en soldaten hielden zich zoo flink, dat hij wijken
-moest, waardoor de inwoners moed grepen.
-
-Op de hoogte aan de noordzijde der stad opgeworpen, plantte de tiran
-zijn standaard, ijselijk om aan te zien; want hij had door eene
-satanische kunst daarin een wapen aangebracht bestaande uit een vurige
-vlam, waarin een afbeeldsel der stad Menschziel brandde. Hij gaf ook
-bevel, dat zijn tamboer alle nachten de muren der stad zou naderen[43]
-en daar den trommel slaan ten einde met de lieden over de overgave te
-onderhandelen. Overdag durfde hij niet wegens de slingers, maar ’s
-nachts meende hij hen door dien afgrijselijken trommelslag uit den slaap
-te houden en zoo bang te maken, dat zij eindelijk bevende van angst hem
-inlieten. Deze tamboer deed zooals hem geboden was, en als hij dat
-akelig geluid maakte was er duisternis en benauwheid in de stad en
-scheen zelfs het licht des hemels verduisterd te worden. Nooit hoorde
-men op aarde zulk een oorverdoovend geluid, alleen de stem van
-El-Schaddaï wanneer hij spreekt, uitgezonderd. Menschziel meende dan
-ook niet anders dan verslonden te zullen worden. [Jes. 5 : 30.]
-
- [43] ~Zijn tamboer moest des nachts de muren der stad naderen~. „Dit
- is uwe ure en de macht der duisternis,” zeide Jezus. Alle boos werk is
- in den nacht het meest voorspoedig. De schrik des nachts is voor den
- Christen anders niet zoo ijselijk als hij maar nabij zijn God leeft.
- Maar juist in zulke dagen van afval en achteruitgang, wanneer dan de
- ziel is ontwaakt, zoo wordt zij des nachts maar al te vaak vreeselijk
- gekweld door visioenen en droomen, waarin de booze de hand heeft.
-
-[Afbeelding: DE VREEZELIJKE KAPITEIN GRAF EN ZIJN STANDAARD-DRAGER
-VERDERF.]
-
-Nu hield hij ook deze toespraak: „O Menschziel! Mijn meester heeft mij
-bevolen u te zeggen, dat zoo gij u gewillig onderwerpt, gij het goede
-dezes lands zult genieten; maar zoo gij hardnekkig weigert, zal hij u
-met geweld aantasten!” Echter niemand gaf hem antwoord, want al het volk
-liep naar de kapiteins in het kasteel, zoodat zij hem kwalijk hoorden
-spreken. Zoo keerde hij dan tot zijn meester terug. Diábolus ziende, dat
-hij op deze wijze Menschziel niet aan zich onderwerpen kon, zond den
-volgenden nacht nogmaals een tamboer, maar zonder trommel om de burgers
-te laten weten, dat hij genegen was eene overeenkomst te sluiten. Dit
-onderhoud liep echter ook op niets uit, want alles bestond hierin, dat
-hij de stad opeischte. De burgers gaven hem niet eens antwoord, want zij
-herinnerden zich wat het hun de eerste maal gekost had naar hem te
-hooren.
-
-Toen zond hij voor de derde maal een bode, dien schrikkelijken kapitein
-Graf, welke voor de muren van Menschziel deze toespraak tot haar hield:
-
-„O, gij ingezetenen van de rebelleerende stad Menschziel! ik eisch in
-den naam van den prins Diábolus, dat gij zonder tegenstreven de poorten
-uwer stad openzet en den grooten heer toelaat daarbinnen te komen. Maar
-zoo gij blijft rebelleeren en wij de stad met geweld komen in te nemen,
-dan zullen wij u als het graf verslinden. Derhalve zegt het nu, of gij
-naar ons hooren wilt of niet. De reden van dezen eisch is omdat mijn
-heer zonder twijfel uw prins en overste is, waarvoor gij hem ook zelf
-erkend hebt. En de schande, die mijn heer aangedaan is toen Immanuel hem
-zoo verachtelijk behandelde, zal toch niet kunnen uitwerken, dat hij
-zijn recht op u verliezen zou. Overweegt dan nu wat ge wilt. Geeft ge u
-dadelijk over, dan wordt onze oude vriendschap vernieuwd; maar weigert
-ge nog en rebelleert gij, verwacht dan niets anders dan vuur en zwaard.”
-
-Toen de machtelooze stad Menschziel dezen parlementair en zijnen eisch
-vernomen had, werd zij wel des te meer verslagen, maar gaf toch aan dien
-kapitein geen antwoord; daarom moest hij heengaan gelijk hij gekomen
-was.
-
-Zij overlegden samen wat te doen en besloten eindelijk opnieuw bij den
-Oppergeheimschrijver om raad te vragen. Ofschoon hij nog niet geheel
-hersteld was zoo ontving hij hen toch en zij verzochten hem om de
-volgende drie zaken.
-
-1^{e}. Dat hij hen weder in gunst wilde aannemen, zich niet langer zoo
-aan hen onttrekken, en hun nu wilde gehoor geven waar zij hunne ellende
-hem bekend maakten.
-
-Maar hij antwoordde daarop als vroeger, dat hij nog ongesteld was en
-daarom niet kon doen als tevoren.
-
-2^{e}. Dat zij hem verzochten hun toch te willen raad geven in deze
-gewichtige zaak, daar Diábolus voor de stad gekomen was met meer dan
-twintig duizend Twijfelaars, en dat hij en zijne veldoversten zeer wreed
-waren, waarom zij hen ook zeer vreesden.
-
-Maar hij antwoordde: „Gij moet de wet van uwen Vorst maar eens inzien,
-om te weten wat u daarin wordt bevolen.”
-
-3^{e}. Dat hij hen toch helpen mocht om een verzoekschrift aan
-El-Schaddaï op te stellen en dat hij er zijne hand onder zetten mocht
-als een teeken, dat hij het hierin met hen eens was. „Want Hoogedele
-Heer,” zeiden zij, „wij hebben reeds verscheiden verzoekschriften
-opgezonden, doch kunnen geen bevredigend antwoord krijgen; maar als gij
-er uw hand onder zet dan zal alles ten gunste der stad Menschziel
-uitloopen.”
-
-Maar ook hierop antwoordde hij, dat zij hunnen vorst Immanuel hadden
-beleedigd en bedroefd, en dat zij nu maar moesten handelen, zooals zij
-zelf het best konden.[44]
-
- [44] ~Handelen zooals zij zelf het best konden~. De ziel moet de
- geopenbaarde waarheid in het Woord raadplegen en daarnaar handelen.
- Eerst gehoorzaamheid en dan offeranden. De Heilige Geest bezielt
- alleen het gebed, dat in volkomen ootmoed en onderwerping en uit
- gehoorzaam geloof wordt opgezonden. Bunyan heeft dit willen
- voorstellen in de schijnbare wederstreving des Heiligen Geestes. De
- Heere heeft een twist met de inwoners des lands.
-
-[Afbeelding: NEDERLAAG VAN DIÁBOLUS EN ZIJN LEGER VOOR IMMANUEL.]
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XII.
-
-HET SMEEKSCHRIFT VAN MENSCHZIEL.
-
-
-Het antwoord, dat de Oppergeheimschrijver hun gaf, viel als een
-molensteen op de harten der burgers, ja het bedroefde hen zóo, dat zij
-niet wisten wat te doen; toch durfden zij geenszins het verlangen van
-Diábolus bevredigen. Ook wisten zij niet, of hunne kapiteins nu den
-eenig goeden weg volgden. De arme stad Menschziel was nu van tweeën
-gedrongen; hare vijanden vielen op haar aan en hare vrienden wezen het
-af haar te helpen. [Klaagl. 1 : 3.]
-
-Toen stond de burgemeester op, wiens naam was Verstand, en hij begon het
-antwoord van den Geheimschrijver te overleggen tot hij eindelijk nog
-troost putte uit de schijnbaar harde woorden van dien edelman.
-„Eerstens”, zeide hij, „dit volgt onvermijdelijk uit zijne woorden, dat
-wij om onze zonden nog moeten lijden. Toch straalt er in door, dat wij
-eindelijk van onze vijanden zullen verlost worden, en dat Immanuel na
-deze groote verdrukking ons helpen zal.” De reden waarom de burgemeester
-die woorden van den Oppergeheimschrijver zoo fijn onderzocht was hierin
-gelegen, dat deze meer dan een profeet was en al zijne woorden stellig
-kwamen.
-
-Zoo namen zij dan afscheid van hem en keerden tot hunne kapiteins terug,
-die nadat zij alles gehoord hadden het met den burgemeester eens waren.
-Zoo spraken zij dan ook den burgers moed in en raadden hen aan zóo
-moedig tegen Diábolus en zijn aanhang te strijden als hun maar
-eenigszins mogelijk was. Ieder begaf zich daarop naar zijn post, de
-kapiteins, de burgemeester, de gewezen secretaris en de heer Vastewil.
-De kapiteins waren begeerig voor hun vorst te strijden en handteerden
-het krijgsgeweer met vermaak. Het eerste antwoord kreeg Diábolus met de
-slingers, des morgens vroeg toen de zon opging. De reus had het gewaagd
-nader te komen, maar o, de slingersteenen vlogen hem en zijn volk als
-horselen om de ooren. En evenals er voor Menschziel niets
-verschrikkelijker was dan zijn trom, zoo was er voor hem niets
-gevaarlijker dan Immanuels slingers. Daarom was hij genoodzaakt verder
-van de stad te wijken. Toen liet de burgemeester de klok luiden en
-beval, dat men den Oppergeheimschrijver zou gaan bedanken, omdat door
-zijne woorden de stad was bemoedigd, hetgeen de onderleeraar ook deed.
-[Zach. 9 : 15.]
-
-Toen Diábolus bemerkte, dat zijne kapiteins, soldaten en machtige edelen
-verschrikt en verslagen waren door de gouden slingers van den vorst der
-stad Menschziel, zoo bedacht hij iets anders, en zeide: „Ik zal hen door
-vleierij en pluimstrijkende woorden in mijne macht zien te krijgen.”
-Derhalve kwam hij spoedig terug, maar nu niet met zijn trommel, noch met
-kapitein Graf, maar zijne lippen suikerzoet gemaakt hebbende, deed hij
-zich voor als een lieftallig vorst, die vreedzaam was en zich volstrekt
-niet wreeken wilde, maar slechts het welzijn der stad beoogde. Hij
-hield, nadat hij zich vertoond had de volgende rede:
-
-„O, gij beminde mijns harten, beroemde stad Menschziel! Hoeveel nachten
-heb ik doorgebracht om te overleggen hoe ik u ten goede mocht wezen.
-Verre, zeer verre zij het van mij, dat ik begeeren zou u den oorlog aan
-te doen, indien gij maar handelbaar waart en u gewillig aan mij
-overgaaft. Gij weet, dat gij van ouds de mijne waart, en dat zoolang gij
-mij voor uwen heer erkendet en ik u als mijne onderdanen beschouwde, u
-niets ontbroken heeft van al wat u aangenaam was en vermaak kon
-bezorgen. Bedenk toch, dat zoolang gij de mijne waart, gij nooit zulke
-bange, nare en moeielijke uren hebt doorgebracht als sedert gij tegen
-mij zijt opgestaan. Ook zult ge voortaan geen rust meer genieten voordat
-wij het weder samen zijn eens geworden. Laat mij nu zooveel op u
-vermogen, dat gij mij weder inhaalt, en ik zal u al uwe oude voorrechten
-teruggeven, en nog vele nieuwe bovendien, zoodat gij weder de vrijheid
-zult hebben om te bezitten en te genieten al wat van Oost en West
-aanlokkelijk voortkomt. Nooit zal ik iemand iets vergelden wat gij mij
-ook hebt aangedaan. Ook zullen nooit mijne vrienden binnen in u, die op
-u loeren en zich versteken, u eenigszins meer schadelijk zijn.
-Integendeel zij zullen uwe dienaren wezen en u alles geven wat gij van
-hen begeert. Ik behoef hier niets meer bij te voegen, gij kent hen en
-zijt dikwijls in hun gezelschap vroolijk geweest. Waarom zouden wij dan
-in zulk eene vijandschap leven? Laat ons de oude vriendschap
-vernieuwen. Weest het eens met uwe vrienden; ik durf vrijmoedig tot u
-spreken omdat ik u innige liefde toedraag. Mijn hart klopt voor u. Lieve
-vrienden, doet mij derhalve geen meerdere moeite aan en uzelven geen
-angst en vreeze. Vlei u niet met de macht uwer kapiteins en denk niet,
-dat Immanuel spoedig komt. Ik ben tegen u opgetrokken met een sterk en
-onverschrokken leger; al de vorsten van den afgrond staan aan het hoofd
-daarvan. Mijne kapiteins zijn vlugger dan arenden, sterker dan leeuwen
-en roofzuchtiger dan avondwolven. Wat is Og van Bazan? Wat is Goliath
-van Gath? Ja, wat zijn honderd zulke reuzen tegen een mijner minste
-kapiteins? Hoe zou Menschziel dan ooit kunnen denken, dat zij mijne
-macht ontkwame!” [1 Petr. 5 : 8.] [Openb. 12 : 10.] [Matth. 4 : 8, 9.]
-[Luk. 4 : 6, 7.]
-
-[Afbeelding: WREED EN PIJNIGER.]
-
-Diábolus had nauwelijks deze bedriegelijke rede geëindigd of de
-burgemeester antwoordde daarop:
-
-„O, Diábolus, vorst der duisternis en leermeester van alle bedrog! Uwe
-pluimstrijkende, leugenachtige woorden hebben wij gehoord, en wij kennen
-u bij ondervinding.[45] Reeds al te diep proefden wij uit den beker des
-verderfs, zouden wij dan weder naar u hooren en ons aan u verbinden,
-terwijl wij de wetten verbreken van onzen El-Schaddaï? Zou dan onze
-vorst ons niet voor eeuwig verstooten? En als wij van hem verworpen
-zijn, kan dan de plaats, die hij voor u bereid heeft, eene rustplaats
-voor ons wezen? Bovendien, gij zijt van alle waarheid ontbloot en hebt
-die voor goed van u afgeschud; wij voor ons zijn eerder bereid door uwe
-hand te sterven dan ons door u te laten verstrikken.”
-
- [45] ~Diábolus vleiende taal~ wordt nu beter doorzien dan in het
- eerst. Zijne listen zijn ons niet onbekend, is het nu. Toen de satan
- voor het eerst kwam was Menschziel onbewust van wat haar te wachten
- stond als zij luisterde en toegaf. Nu wist zij het ten volle uit lange
- smartelijke ondervinding. Zij was door schade wijs geworden.
-
-Toen nu de tiran zag, dat er met onderhandelen weinig voor hem bij den
-burgemeester viel te winnen, verviel hij in een helsche woede en voerde
-weder zijn leger Twijfelaars op de stad aan.
-
-Opnieuw liet hij den trommel roeren opdat zijn volk gereed zou zijn tot
-den strijd, hetgeen Menschziel deed beven, en rukte met zijne
-krijgsmacht voorwaarts. Kapitein Wreed en kapitein Pijniger plaatste hij
-aan de Voelpoort en beval, dat zij zich daar zouden nederslaan om zich
-tot den aanval gereed te houden. Ook zorgde hij dat kapitein Zonder-rust
-te hulp zou komen.[46] Voor de Neuspoort plaatste hij de kapiteins
-Zwavel en Graf; maar aan de Oogpoort zette hij dat grijnzend aangezicht
-van kapitein Wanhoop. Daar plantte deze ook zijn afgrijselijke
-standaard. Kapitein Onverzadelijk zou Diábolus ter zijde staan en moest
-zorg dragen voor de te rooven buit, zoo van menschen als goederen.
-
- [46] ~De kapiteins Wreed, Pijniger en Zonder-rust~. Nu dreigementen
- niet hielpen en pluimstrijkende woorden vruchteloos bleven, gaat hij
- tot dadelijkheden over. Nu komen de vervolgingen en het onthouden van
- rust ook op den dag des Heeren.
-
-Mondpoort hielden de burgers om uitvallen te doen, daarom bewaarden zij
-die zeer krachtig. Ook was dat de weg waarlangs hunne verzoekschriften
-naar den koning gingen. Van den top dezer poort speelden de kapiteins
-met hunne slingers op den vijand. Nu was het Diábolus’ voornemen om
-Mondpoort met slijk te versperren. Waar de reus aldus allerlei
-toebereidselen maakte om de stad van buiten aan te vallen, waren de
-kapiteins en soldaten bezig zich van binnen te verdedigen, zij bereidden
-hunne slingers, richtten hunne banieren op, bliezen op hunne bazuinen en
-ordenden zich in afdeelingen naar zij het noodig keurden. Ook kregen de
-soldaten bevel zich bij het geluid der bazuinen tot den strijd gereed te
-houden. De heer Vastewil nam den post op zich om tegen de rebellen daar
-binnen te waken, en te doen wat hij kon om hen voor den dag te halen en
-te verworgen. En inderdaad sedert hij boete gedaan had over zijn
-bedreven kwaad, toonde hij grooten ijver en liefde voor den koning. Hij
-greep onder anderen zekeren Vroolijk en zijn broeder Dartel, de twee
-zoons van dien Geoorloofd Vermaak, welke in de gevangenis kwijnde, die
-nog in wezen waren, en nagelde ze met zijne eigen handen aan het kruis.
-De reden, waarom hij hen ophing, was deze: nadat hun vader in handen van
-den cipier Getrouwe was overgeleverd, begonnen deze zonen huns vaders
-rol te spelen en met de dochters van hunnen heer te gekken en te
-boerten. Ja, zelfs was er een sterk vermoeden, dat zij de grenzen der
-betamelijkheid overschreden. Dit was den huisvader ter oore gekomen. Om
-billijk te wezen, wilde hij hen niet op losse geruchten vatten. Hij
-zette zijne twee knechts, Naspeurder en Alverteller, op den uitkijk;
-deze betrapten hen aldra, en deelden dat aan hunnen heer mede. Toen nu
-de heer Vastewil ten volle van de waarheid overtuigd was, nam hij de
-twee jonge boeven en voerde hen naar de Oogpoort, waar hij hen aan zeer
-hooge kruisen hing,[47] in het gezicht van kapitein Wanhoop en Diábolus’
-standaard.
-
- [47] ~Waar hij hen aan zeer hooge kruisen hing~. Nu blijkt dat het
- Menschziel ernst wordt. De zonde wordt aangegrepen en gekruist, zelfs
- de boezemzonde in eigen binnenste. Het vleesch wordt gekruist met de
- begeerlijkheden. Eene heerlijke vrucht van het lijden!
-
-Deze flinke daad van den moedigen Vastewil diende tot groote beschaming
-van kapitein Wanhoop, ontmoedigde het leger van Diábolus, en deed de
-aanhangers van den reus binnen de stad sidderen, terwijl de kapiteins
-van den Prins er zeer door werden bemoedigd. Diábolus zag nu duidelijk,
-dat de burgers der stad genegen waren tegen hem te strijden en dat hij
-op zijne vrienden daarbinnen niet hopen kon. Nog meer proeven gaf de
-edele Vastewil van zijn oprechte gehechtheid aan zijn vorst, zooals
-weldra zal blijken.
-
-De kinderen van Spaarzaam, die bij den heer Gemoed inwoonden, heetten
-Afnijper en Inhalig. Een daarvan was zelfs getrouwd met eene dochter van
-Gemoed, wier naam was Houd-het-kwade-vast. Toen deze bemerkten hoe de
-heer Vastewil met Vroolijk en Dartel gedaan had, trachtten zij te
-vluchten; maar de heer Gemoed zette hen in zijn huis gevangen, en
-gedachtig aan de wet, dat alle Diábolus-mannen moesten sterven, liet hij
-hen in ketenen naar de markt slepen en hing hen eveneens op.
-
-[Afbeelding: DE KAPITEINS ZETTEN DE VERDEDIGING VOORT.]
-
-De burgers werden hierdoor aangemoedigd nog nauwkeuriger onderzoek te
-doen; maar het gebroed van Diábolus hield zich nu zóo schuil, dat men
-het onmogelijk vinden kon.
-
-Eerst was Diábolus met zijn leger op het gezicht van deze kloeke daden
-wel een weinig ontmoedigd, maar aldra veranderde zijne kleinmoedigheid
-in woedende dolheid en brieschend als een leeuw vloog hij op tot den
-strijd. Den stedelingen en kapiteins was een hart onder den riem
-gestoken; en daar zij stellig geloofden, dat zij nog eenmaal zouden
-triomfeeren, vreesden zij niet. De Onderleeraar hield eene predikatie
-over den tekst uit Gen. 49 : 19. „Aangaande Gath, eene bende zal hem
-aanvallen, maar hij zal haar aanvallen aan het einde.” Daarin toonde hij
-aan, dat ofschoon Menschziel er nu zeer ellendig aan toe was; zij toch
-voorzeker zou overwinnen.
-
-Diábolus liet weder zijn trom roeren; maar de kapiteins der stad, dat
-hoorende, bliezen op hunne zilveren trompetten. Trommen waren in
-Menschziel niet. Toen kwam Diábolus leger op de stad aan om die in te
-nemen, terwijl de kapiteins op Mondpoort de slingers lieten werken en de
-slingeraars van den muur het hunne deden. In Diábolus leger hoorde men
-niet anders dan vervaarlijk tieren en lasteren; maar in de stad
-verstandige redeneeringen, gebeden en psalmen. De vijanden braakten
-allerlei scheldwoorden uit op het geluid van hun trom; maar die van de
-stad bliezen voortdurend op hunne heerlijke trompetten en wierpen met
-slingersteenen. Zoo hield deze strijd aan vele dagen achtereen. Alleen
-hielden zij nu en dan een weinig rust, opdat de soldaten zich konden
-verkwikken en de kapiteins zich tot een nieuwen aanval gereed maken.
-
-De kapiteins van Immanuel waren gekleed in zilveren wapenrusting en die
-der soldaten was van wel beproefd metaal. De soldaten van Diábolus waren
-in het ijzer gekleed, dat zoo was ingericht, dat het Immanuels schoten
-kon weerstaan. In de stad waren sommigen licht gewond en anderen vrij
-ernstig. Het ergste van alles was, dat er geen geneesmeester in
-Menschziel was omdat Immanuel afwezig was.[48] Toch werden zij door de
-genezende bladeren van een boom van sterven bewaard, ofschoon hunne
-wonden grootelijks vervuilden en sommigen zelfs een ondragelijken stank
-van zich afgaven, vooral bij den heer Rede, die aan het hoofd gewond
-was. Een andere gewonde was de heer burgemeester zelf; die was in zijn
-oog getroffen. Een derde geblesseerde was de heer Gemoed; hij kreeg eene
-verwonding in zijn maag. Daarbij kwam nog de brave Onderleeraar, die een
-schot ontving niet verre van het hart; maar geen dezer wonden waren
-doodelijk. Vele minderen waren insgelijks getroffen, sommigen zelfs
-doodelijk. [Openb. 22 : 2.] [Ps. 38 : 5.]
-
- [48] ~Geen geneesheer in Menschziel; maar wèl genezende bladen~. Zeer
- goed wordt door onzen Bunyan hier onderscheid gemaakt tusschen het
- bezit van Christus zelf en dat van zijne gaven. Ware de Geneesmeester
- er zelf geweest, dan zou zijne tegenwoordigheid alleen alle kranken
- gezond hebben gemaakt. Hier ziet men ook het onderscheid tusschen
- genezingen door het geloof en door de middelen, waarbij Christus meer
- indirect zijne kracht openbaart.
-
-In het leger van Diábolus was het getal gewonden en verslagenen
-buitengewoon groot. De kapiteins Woede en Wreed beiden. De kapitein
-Verdoemenis werd genoodzaakt te wijken en zich zeer verre van de stad te
-begeven;[49] de standaard van Diábolus was nedergeworpen en zijn
-vaandeldrager Veelkwaad werden door een slingersteen de hersenen
-ingeworpen tot groot verdriet van zijn vorst. Velen van de Twijfelaars
-werden ook nedergeveld, hoewel er nog genoeg in het leven bleven om
-Menschziel te doen beven en sidderen. Daar evenwel te dezer dage de
-overwinning voortdurend aan de zijde van Menschziel was gebleven, zoo
-gaf dit grooten moed aan de lieden, en Diábolus leger was als met eene
-wolk bedekt. Den volgenden dag rustte Menschziel en er werd gelast, dat
-de klokken zouden worden geluid en de trompetten geblazen, en toen dit
-gebeurde juichten al de kapiteins.
-
- [49] ~Kapitein Verdoemenis moest wijken -- zeer ver van de stad~. „Zoo
- is er dan nu geene verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus
- zijn, die niet naar het vleesch wandelen, maar naar den Geest.”
-
-[Afbeelding: DE GENEZENDE BLADEREN.]
-
-De heer Vastewil zat ook niet ledig, maar bewees van binnen belangrijke
-diensten met het oog op de aanhangers van Diábolus. Hij ontdekte den
-heer Neutraal van wien eertijds verhaald is, dat hij eene wijle onder
-Boanerges had gediend, maar aldra was gevangen genomen en in Diábolus
-dienst was overgegaan. Ook vatte hij een zekeren Losvoet, die een
-verspieder van dat gespuis was, hetwelk in Menschziel huisde. Deze twee
-zond de heer Vastewil naar den cipier Getrouwe, met bevel hen in de
-ijzers te klinken. Hij had het oogmerk hen te kruisigen wanneer dit het
-meest dienstig kon wezen tot ontmoediging van den vijand. Ook de heer
-burgemeester, ofschoon hij niet zoo werkzaam kon zijn als tevoren,
-wegens de ontvangen wonde,[50] gaf bevel aan alle burgers van
-Menschziel, om toch vooral goed wacht te houden en op hunne hoede te
-zijn, terwijl de heer Geweten als leeraar zijn uiterste best deed om
-alle goede leering in de harten des volks levendig te houden.
-
- [50] ~De burgemeester wegens de ontvangen wonde niet zoo werkzaam~.
- Het verstand heeft ook zijn onvermogen leeren inzien om alles te
- doorgronden. Het heeft zich gevangen gegeven onder de gehoorzaamheid
- des geloofs.
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XIII.
-
-EEN MIDDERNACHTELIJKE UITVAL.[51]
-
- [51] ~Een middernachtelijke uitval~ schetst den overmoed, waarin het
- behaalde voordeel de ziel brengt. Onze wapenen des Geestes zijn
- ~verdedigingswapenen~.
-
-
-Niet lang daarna werden de kapiteins met de kloeksten in de stad het
-samen eens om een uitval te wagen. Zij wilden des nachts het leger van
-Diábolus overvallen. ’t Was jammer, dat zij het in den nacht deden; want
-de nacht is altijd de beste tijd voor den vijand en Menschziel nadeelig.
-Maar hun moed was zeer groot en de laatste overwinningen lagen nog zoo
-versch in het geheugen.
-
-Toen de bepaalde nacht daar was, wierpen de dappere kapiteins het lot
-wie van hen het eerst zou uittrekken om op Diábolus en zijn leger aan te
-vallen. Allen waren even vurig en even dapper; allen hadden hun leven
-en al hunne kracht voor de goede zaak over. De eer van hun koning en het
-welzijn der stad gold hun boven alles. Daarom moest het lot beslissen
-wie vooraan trekken zou. Het lot viel op kapitein Geloof. Hij zou met de
-kapiteins Ondervinding en Goede Hoop de voorhoede aanvoeren. Zoo
-geschiedde het. Zij deden een uitval op het leger, dat zich tegen hen
-verschanst had, en vielen juist midden in het kamp hunner vijanden.
-Diábolus en zijne mannen, zeer gewoon aan den nachtelijken arbeid,
-maakten dadelijk alarm en waren onmiddellijk gereed hun slag te leveren,
-even alsof zij een overval hadden verwacht. Van beide zijden werd zwaar
-gevochten; de helletrom werd lustig geroerd, terwijl de trompetten een
-aangenaam geluid gaven. Kapitein Onverzadelijk wachtte reeds op roof.
-
-De kapiteins van den Prins vochten dapper, zelfs beter dan men van hen
-zou verwacht hebben in hun nog zwakken gezondheidstoestand; zij
-verwondden velen en maakten, dat het gansche leger van Diábolus de
-vlucht moest nemen. Maar toen die kloeke helden kapitein Geloof,
-Goede-Hoop en Ondervinding den vijand najaagden en er velen in de pan
-hakten, struikelde de eerste en viel, waardoor hij zich dusdanig
-bezeerde, dat hij niet kon opstaan vóor kapitein Ondervinding hem hielp.
-Het volk geraakte daardoor in verwarring en de arme Geloof was zoo vol
-pijn, dat hij bij iederen voetstap luidkeels jammerde. Dit deed de beide
-andere kapiteins verflauwen, want zij meenden, dat kapitein Geloof het
-besterven zou, en nu had ook het andere volk geen lust tot vechten meer.
-Diábolus, die alles opmerkte hoewel hij tot op het uiterste was
-gebracht, zag dat er een groot rumoer onder degenen was, die hem
-vervolgden en maakte daaruit op, dat de kapiteins verwond of gedood
-waren. Eerst stond hij stil, toen gebood hij om te keeren en viel zijne
-vervolgers met zulk een helsche razernij aan, dat het hem gelukte
-tusschen de drie kapiteins in te komen. Daar hakte hij er zoo razend en
-wild op los, dat het volk met bloed en wonden bedekt, in wanorde en
-moedeloosheid teruggeslagen, blijde was de poort weder te kunnen
-bereiken en behouden binnen de stad te komen. Het overige leger van den
-Prins, ziende hoe slecht de voorhoede gevaren was, trok nu ook terug en
-allen gingen de Mondpoort weder binnen. Hiermede eindigde deze
-schermutseling; maar Diábolus was zoo in zijn schik met deze nachtelijke
-overwinning, dat hij zich verbeeldde nu binnen weinige dagen geheel
-Menschziel aan zich te zullen onderwerpen. Daarom trok hij den volgenden
-dag rondom de stad en eischte met groote driestheid, dat men hem
-dadelijk liet binnentrekken en zich aan hem overgaf. Ook begonnen de
-Diábolus-mannen daarbinnen weer eenigen moed te scheppen.
-
-De manhaftige burgemeester gaf evenwel een kloek antwoord. Hij gaf aan
-den reus te verstaan, dat als hij iets won, het dan door geweld zou
-moeten gebeuren, want zoolang hun vorst Immanuel in leven was, waren zij
-besloten Menschziel nooit aan een ander over te geven. Daarop begon de
-heer Vastewil te spreken, en zeide: „Diábolus, gij meester en heer van
-de spelonk der duisternis en vijand van alle goed! Wij, arme inwoners
-der stad, dragen te veel kennis van uwe wetten en uwe regeering, van uw
-oogmerk en bedoelen dan dat wij ons aan u zouden kunnen onderwerpen.
-Toen wij eertijds toelieten, dat gij ons verschalktet als een vogel, die
-den strik nog nooit heeft gezien, waren wij zonder kennis en
-ondervinding; maar sedert wij overgebracht zijn uit de duisternis tot
-het licht, zijn wij ook overgebracht uit de macht des satans tot God. En
-ofschoon wij door uwe listen en de sluwheid der Diábolus-mannen van
-binnen veel verlies geleden hebben en in groote zwarigheid zijn
-gebracht, zullen wij echter nooit onze wapens afleggen en ons aan zulk
-een tiran als gij zijt overgeven. Neen, dan sterven wij liever bij de
-verdediging van het laatste bolwerk.”
-
-Deze ernstige redevoering van den Burgemeester alsook de woorden van den
-heer Vastewil, deed Diábolus al vrij wat bedaren, ofschoon hij spoedig
-daarop in nieuwe woede ontstak. Ook werden de inwoners er door versterkt
-en was het als een pleister op de wond van kapitein Geloof. Inderdaad in
-zulk een benauwden tijd waren zulke moedige woorden der hoofden des
-volks als waterdroppelen op een dorstig land.
-
-De heer Vastewil toonde zich intusschen ook een man in daden, want
-terwijl de kapiteins en soldaten in het veld waren, hield hij de wacht
-in de stad, en waar hij een Diábolus-man vond, daar moest deze de kracht
-zijner hand en de scherpte van zijn zwaard ondervinden. Hij verwondde
-onder dit gespuis Spotter, Overmoed, Neuswijs en Murmureerder; dit waren
-heeren, en verscheidene van het mindere soort kwamen er niet beter af.
-De aanleiding, die hij daartoe kreeg was de afwezigheid der kapiteins,
-waarvan deze vagebonden gebruik wilden maken om een oproertje te
-verwekken. Daarop waren de anderen in allerijl naar hunne holen
-teruggekropen.
-
-[Afbeelding: DE VAL VAN KAPITEIN GELOOF.]
-
-Deze moedige daad van den heer Vastewil woog eenigszins op tegen de
-nederlaag der kapiteins en deed Diábolus weten, dat Menschziel zoo
-gemakkelijk niet te nemen viel. De tiran klapwiekte trotsch met zijne
-vleugelen en maakte zich tot een nieuwen aanval gereed. Waar ik hen eens
-geslagen heb daar kan ik het meer doen, dacht hij. Dies beval hij zijn
-volk zich tegen een bestemd uur op den dag gereed te houden, en al hunne
-macht aan de Voelpoort te concentreeren om te beproeven of men daar ook
-inbreken kon. Het wachtwoord, dat hij aan de zijnen gaf, was „Helsch
-vuur”. „Laat toch”, zeide hij, „wanneer wij in de stad mogen
-binnendringen, ’t zij een gedeelte onzer macht of het geheele leger, dat
-woord niet worden vergeten, laat er niets anders binnen de stad gehoord
-worden dan „helsch vuur! helsch vuur!” Laat de trom zonder ophouden
-worden geslagen, en alle vlaggen uitwaaien! Houdt u mannelijk tegen
-Menschziel en overwint!”
-
-Toen het bestemde nachtelijk uur geslagen was en alles gereed, deden zij
-een onverwachten aanval op de Voelpoort, en stieten eindelijk na eene
-hevige worsteling die poort wijd open. Ach, deze poort was zeer zwak en
-daarom het gemakkelijkst in te nemen. Toen de tiran het zóover gebracht
-had, stelde hij daar zijne kapiteins Pijniger en Zonder-rust, terwijl
-hij zelf zich verder in de stad waagde. Maar ’s Prinsen kapiteins kwamen
-op hen af en maakten het hun lastig genoeg, zich flink verwerende.
-Evenwel drie hunner, de beste en kloekmoedigste, waren verwond en
-onbekwaam dienst te doen zooals zij begeerden, en de overigen hadden
-hunne handen vol met de Twijfelaars en hunne aanvoerders. Zoo worstelde
-het al voort in de straten der stad en de kapiteins ziende, dat zij het
-niet konden uithouden, begaven zich in allerijl naar het kasteel, als de
-voornaamste sterkte der stad. Dit wilden zij tot elken prijs voor hunnen
-vorst behouden; het was het kroondomein.
-
-Daar nu de kapiteins in het kasteel waren gevloden nam de vijand zonder
-veel tegenstand bezit van de stad en verspreidde zich daar in alle
-hoeken, onophoudelijk roepende: „Helsch vuur, helsch vuur!” zoodat een
-wijle door de gansche stad niets anders gehoord werd dan deze legerkreet
-vergezeld van Diábolus trom. Nu hingen er wel donkere wolken boven
-Menschziel en had het niets anders dan zijn ondergang voor oogen.
-Diábolus kwartierde zijne soldaten bij de burgers in, ja zelfs het huis
-van den Onderleeraar was zóo vol van deze buitenlanders, dat zij er
-kwalijk in konden, en niet beter ging het met de woningen van de heeren
-Burgemeester en Vastewil. Ach, er was geen hut, stulp of schuur, die
-niet van dit ongedierte wemelde; zelfs dreven zij hier en daar de
-inwoners der stad uit hunne woningen, waar de Twijfelaars zich te bed
-legden en aan tafel zetten. Ach, arm Menschziel, nu smaakt gij de
-vruchten der zonde en welk een venijn er stak in de vleiende woorden van
-Vleeschelijke Gerustheid! Alles waar zij de hand aanlegden beschadigden
-zij; zelfs staken zij de stad op sommige plaatsen aan brand; kleine
-kinderen werden in stukken gescheurd. Dat kon nu niet anders gaan, want
-welke barmhartigheid, welk medelijden of welk geweten kan men bij een
-buitenlandschen Twijfelaar onderstellen? Ook werden vrouwen en maagden
-geschonden en beestachtig mishandeld, zoodat er sommigen zelfs van
-stierven en onbegraven langs de straat lagen.
-
-Nu scheen Menschziel dan ook niets anders te wezen dan een hol der
-draken, een voorportaal der hel, eene plaats van uiterste donkerheid. Nu
-lag Menschziel daar als een huilende wildernis, bedekt met doornen en
-distelen, allerlei onkruid en onreinheid, terwijl de inwoners er
-ellendig aan toe waren. Ook den heer Geweten hadden zij verwond en zijne
-wonden waren zóo ingekankerd, dat hij dag noch nacht rusten kon, maar
-als voortdurend op een pijnbank lag. Hadde El-Schaddaï hem niet bewaard,
-dan zouden ze hem zeker doodgeslagen hebben. Den heer burgemeester
-mishandelden zij zoo vreeselijk, dat ze hem bijna de oogen uitsloegen,
-en ware de heer Vastewil niet in het kasteel geweken, dan was ook hij
-omgekomen, want hun voornemen was hem in stukken te houwen. Zij zagen
-hem dan nu ook aan als een der ergste vijanden van Diábolus.
-
-Dagen achtereen kon men nu Menschziel doorwandelen, dat men nauwelijks
-éen godsdienstig man in de stad ontmoette. Welk een treurige toestand!
-Overal zag men niet anders dan Twijfelaars. Rood-rokken en zwart-rokken
-liepen bij troepen door de straten en vervulden de huizen met hun
-liederlijke liederen, leugenachtige verhalen en lasterlijke taal tegen
-El-Schaddaï en zijn zoon. Ook leefden de Diábolus-mannen in de wallen en
-holen op, en kwamen zelfs open en vrij voor den dag, wandelend in
-gezelschap der Twijfelaars. Ja, zelfs hadden zij meer vrijmoedigheid om
-zich in het openbaar te vertoonen dan de inboorlingen zelven.
-
-Toch waren Diábolus en zijne mannen niet met Menschziel tevreden. Zij
-werden daar geenszins behandeld als de kapiteins en soldaten van
-Immanuel. De burgers toonden hun overal een stuursch gelaat, en nooit
-kregen zij iets voor hun levensonderhoud of zij moesten het met geweld
-halen. Men verbergde alles voor hen wat men maar eenigszins kon, en wat
-men niet verbergen kon stond men tegen wil en dank af. Zij hadden dat
-vreemde volk gaarne zien heengaan, maar, ach arme! zij waren nu hunne
-gevangenen en werden tot alles gedwongen. [Rom. 7.]
-
-De kapiteins lieten ook uit het kasteel telkens hunne slingers op hen
-spelen, hetgeen den vijand zeer verbitterde. Wel is waar ondernam
-Diábolus het dikwijls de poorten van het kasteel open te breken; maar de
-heer Vreeze Gods was poortwachter gemaakt, en hij was een man van beleid
-en dapperheid, daarom trachtten zij tevergeefs zoolang hij leefde dit
-werk ten uitvoer te brengen. Daarom bleven alle aanvallen van Diábolus
-vruchteloos. Ik kon somtijds den wensch niet onderdrukken, dat deze man
-het geheele bestuur van Menschziel op zich genomen had!
-
-[Afbeelding: MENSCHZIEL INGENOMEN.]
-
-Zoo ging het in de stad wel omtrent twee en een half jaar. Menschziel
-was nu het tooneel van den oorlog; de inwoners waren in verborgen
-plaatsen en holen gedreven en alle heerlijkheid lag in het stof. Welke
-rust kon er nu zijn? Welken vrede kon men genieten? Welke zon zou nu
-schijnen? Hadden de vijanden nog buiten de muren en poorten gelegen, dan
-zou die tijd voldoende geweest zijn om hen uit te hongeren; maar nu
-waren zij binnen de stad, deze was hun legerplaats, zij maakten
-daarbinnen hunne loopgraven en sterkten tegen het kasteel. Zij hielden
-daar huis tot zij alles weggeroofd zouden hebben en wachtten er op het
-kasteel te verbreken en te verwoesten. Ach, welk een armzalige plaats
-was nu dat eertijds zoo gelukkig Menschziel!
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XIV.
-
-„ZIET, HIJ BIDT.”
-
-
-Nadat de stad Menschziel al dien tijd in dezen droevigen staat verkeerd
-had en geen rekwest, aan hun vorst gezonden, noch rechtstreeks
-beantwoord was, kwamen de inboorlingen, namelijk de oudsten en
-opperhoofden samen, en na hunne ellende beweend, en het droevig oordeel,
-waaronder zij zuchtten, beklaagd te hebben, vatten zij nogmaals het
-voornemen op alles in een dringend verzoekschrift aan Immanuel bloot te
-leggen. Maar nu stond de heer Vreeze Gods op en zeide, dat hij te weten
-was gekomen, dat hun Heer en Vorst nooit een verzoekschrift van dezen
-aard aannam dan wanneer het gegeven was door de hand van den
-Oppergeheimschrijver. „Om deze reden”, sprak hij, „hebt gij nog geen
-gehoor ontvangen.” Toen zeiden zij, dat zij dan een rekwest zouden
-opstellen en verzoeken dien Edelman daaronder zijne handteekening te
-plaatsen, maar ook dit had hij geweigerd; waarop de heer Vreeze Gods
-weder aanmerkte, dat hij stellig wist, dat de Oppergeheimschrijver nooit
-zijne hand zette onder eenig rekwest in welker samenstelling hij niet
-zelf de hand gehad had. „Onze Vorst kan in dit opzicht niet bedrogen
-worden, want hij kent het schrift en het werk van zijn Geheimschrijver
-uit alles wat men hem voorlegt,” zeide hij. Deze hooge personage woonde
-in het kasteel met de andere hoofden.
-
-Men bedankte daarom den heer Vreeze Gods voor zijn raad, en de hoofden
-begaven zich onmiddellijk naar de kamers van den Oppergeheimschrijver,
-hem nauwkeurig met het doel van hunne komst bekend makende, en hem
-verzoekende toch uit hun naam een rekwest op te stellen aan Immanuel,
-den zoon van den almachtigen El-Schaddaï, en aan hun Koning en Heer, die
-zijn eeniggeboren zoon was.
-
-Toen zeide die edelman tot hen: „Welk verzoekschrift is het, dat gij
-door mij begeerdet op te stellen?” Maar zij antwoordden: „Onze Heer weet
-beter dan wij hoe wij er aan toe zijn, en hoe wij van onzen Vorst zijn
-afgeweken en ontaard. Ook weet gij in welk een oorlog wij gewikkeld zijn
-en welk een leger tegen ons Menschziel is opgetrokken, zoodat wij nu
-voortdurend op voet van oorlog leven. Mijnheer weet bovendien welk een
-onmenschelijke behandeling onze mannen, vrouwen en kinderen onder hunne
-handen hebben te doorstaan, en hoe onze inwonende Diábolus-mannen thans
-met trotschheid door onze straten wandelen. Laat daarom onze heer naar
-de wijsheid Gods, die in hem is, een verzoekschrift opstellen voor zijn
-ellendige knechten, aan den grooten Immanuel.”
-
-„Goed”, antwoordde de Oppergeheimschrijver, „ik zal het verzoekschrift
-opstellen en er ook mijne handteekening onder plaatsen.”
-
-Toen zeiden zij: „Wanneer mogen wij het komen halen?”
-
-Maar hij antwoordde: „Gij zelf moet bij het opstellen tegenwoordig zijn,
-ja, gij zelf moet uwe begeerten daarin uitdrukken. Wèl zal de hand en de
-pen mijne zijn; maar de inkt en het papier moeten van u wezen, hoe kunt
-gij anders zeggen, dat het uw verzoekschrift is? Ik behoef het voor
-mijzelven niet te doen, want ik heb niets misdaan.”
-
-Hij voegde daar nog bij: „Geen verzoekschrift gaat in mijn naam naar den
-Vorst, en evenmin tot zijn Vader, dan wanneer het volk daarin zijn
-gansche hart en ziel heeft uitgedrukt; want die moeten er bij ingesloten
-worden.”
-
-Zoo stemden zij dan van ganscher harte met deze woorden in, en een
-verzoekschrift werd klaar gemaakt.
-
-Maar nu was de vraag: „Wie zal het wegbrengen?” De Oppergeheimschrijver
-raadde aan, dat kapitein Geloof dit doen zou, omdat hij een welbespraakt
-man was.
-
-[Afbeelding: DE VERWOESTING IN MENSCHZIEL.]
-
-Zoo lieten zij hem dan roepen en droegen hem dit werk op. „Wel”, zeide
-deze, „ik neem gaarne dat werk op mij en hoewel ik kreupel ben, zal ik
-het toch zoo spoedig doen als mij mogelijk is.”
-
-De inhoud van het verzoekschrift was als volgt:
-
-„O, onze Heer en souvereine Vorst Immanuel, machtige lankmoedige Prins!
-Genade is op uwe lippen uitgestort, en bij u is genade en
-schuldvergiffenis ofschoon wij tegen u hebben gerebelleerd. Wij, die
-niet meer waard zijn uw Menschziel genaamd te worden, of uwe zegeningen
-voortaan te genieten, smeeken u en uwen Vader met u, onze overtredingen
-uit te delgen. Wij belijden, dat gij alle recht hebt ons te verwerpen;
-maar och, doe dat niet om uws naams wil: Zie onze ellende aan en laat
-uwe ingewanden over ons rommelen!
-
-„Wij zijn van alle kanten ingesloten, Heer; onze eigen afdwalingen
-kastijden ons; de Diábolus-mannen binnen onze stad verschrikken ons, en
-het leger uit den bodemloozen afgrond onderdrukt ons. Uwe genade kan ons
-redden, maar anders weten wij niet waarheen ons te wenden.
-
-„Bovendien, genadige Vorst, hebben wij onze kapiteins verzwakt en zijn
-ze ontmoedigd, krank en sommigen hunner zelfs ernstig gewond door de
-kracht van den tiran. Ja, zelfs diegenen onzer kapiteins, waarop wij
-eertijds ons vertrouwen het meeste stelden, zijn verminkt. Onze vijanden
-daarentegen zijn vol leven en gezondheid, zij beroemen zich ons weldra
-als een buit te zullen verslinden. Ze zijn op ons aangevallen met vele
-duizenden Twijfelaars, die allen even grimmig en onbarmhartig zijn en
-ons tegenstaan zoowel als u.
-
-„Onze wijsheid is weg, onze kracht is weg, omdat Gij van ons zijt
-weggegaan. Wij hebben niets meer wat wij het onze kunnen noemen dan
-zonde, schande en schaamte voor uw aangezicht. Heb medelijden met ons, o
-Heer, heb medelijden met uwe ellendige stad Menschziel en red ons uit de
-handen onzer vijanden. Amen.”
-
-Met dit verzoekschrift vertrok de dappere kapitein Geloof. Hij ging de
-Mondpoort uit en het gelukte hem in alle stilte het hof van Immanuel te
-bereiken.
-
-Hoe het kwam weet ik niet, maar het kwam uit en bereikte zelfs de ooren
-van Diábolus. Dat hij er kennis van kreeg bleek duidelijk hieruit, dat
-hij de stad dreigde en riep: „Gij hardnekkige en oproerige Menschziel,
-ik zal u dat verzoekschriften indienen wel afleeren!” Ja, hij wist ook
-wie de overbrenger geweest was en dat maakte hem beide bang en woedend.
-Dies beval hij dat zijn tamboer weder de trom zou roeren, iets dat
-Menschziel dan al zeer slecht verdragen kon.
-
-Toen nu de trom was geroerd en de mannen van Diábolus bijeengeroepen,
-sprak de reus hen aan: „O, gij stoutmoedig Diábolus-volk! u zij bekend,
-dat er in deze oproerige stad verraad is gesmeed; want ofschoon zij in
-onze macht zijn, hebben die ellendige inwoners van Menschziel zich
-verstout naar het hof van Immanuel om hulp te zenden. Dit zeg ik u om u
-te leeren op uwe hoede te zijn. Daarom, mijne getrouwen, beveel ik u
-haar te meer te kwellen. Rooft hare vrouwen en maagden, slacht hare
-kinderen, slaat haar ouden den schedel in en steekt haar zelve in brand.
-Gij kunt haar niet te veel kwaad doen; ik zal u beloonen.”
-
-Dit was zijn bevel, maar er gebeurde nog iets tusschen dit voornemen en
-de uitvoering, waarop de reus niet gerekend had en dat de inwoners van
-Menschziel maar nauwelijks hadden durven hopen. Pas had Diábolus dit zoo
-besteld of hij marcheerde op het kasteel aan en eischte dat op. Maar de
-heere Vreeze Gods antwoordde daarop, dat noch hem, noch zijnen
-volgelingen de poorten zouden worden geopend, en sprak de overtuiging
-uit, dat Menschziel na nog eene wijle geleden te hebben, verlost,
-versterkt, volmaakt en bevestigd zou worden.
-
-Toen zeide Diábolus: „Geef mij dan de mannen over, die het rekwest
-hebben overgeleverd en vooral kapitein Geloof, die het aan uw Prins
-gebracht heeft. Als ik dien slaaf in handen heb dan zal ik de stad
-verlaten.”
-
-Daarop trad iemand uit zijn gevolg op, n. l. Slecht, en sprak: „Mijnheer
-biedt u zeer veel aan; het is immers beter voor u, dat éen mensch
-sterve[52] dan eene gansche stad verloren ga.” Maar de heer Vreeze-Gods
-vraagde: „Hoe lang zou Menschziel buiten den poel blijven, zoo zij haren
-kapitein Geloof aan Diábolus had overgegeven? Zoo gaat dan de stad
-verloren als Geloof verloren gaat; als de een weg is moet de andere
-wijken.” Toen Slecht daarop niets antwoordde sprak de burgemeester: „O
-gij verwoester! het zij u bekend, dat wij naar uwe woorden niet hooren
-zullen. Wij zijn besloten zoolang er éen kapitein, éen man, éen slinger,
-éen steen overblijft, u tegenstand te bieden!”
-
- [52] ~Het is beter dat éen mensch sterve~! Deze Kajafas-raad is
- duidelijk genoeg. Met schijnbare wijsheid en voorzichtigheid gaf de
- hoogepriester van Israël dien raad met het oog op Jezus Christus.
- Bunyan heeft begrepen, dat de satan het hem had ingegeven, en daarom
- legt hij dezen die woorden in den mond met het oog op kapitein Geloof,
- de hand waarmede men Christus aangrijpt.
-
-[Afbeelding: KAPITEIN GELOOF ONTVANGT HET VERZOEKSCHRIFT.]
-
-Maar Diábolus antwoordde: „Hoopt gij nog? Wacht gij nog? Ziet gij nog
-uit naar hulp en verlossing? Gij hebt naar Immanuel gezonden, maar uw
-goddeloosheid kleeft aan uwe zoomen, en uwe onnoozele verzoekschriften
-beduiden toch niets. Hoeveel zondt gij er vroeger reeds op? Denkt gij,
-dat gij het nu winnen zult? Gij zult bedrogen uitkomen; want niet alleen
-ik ben tegen u, maat Immanuel evenzeer. Ja, Hij is het zelf, die mij
-tegen u heeft uitgezonden. Waar hoopt gij dan nog op? Door welke
-middelen wilt gij het ontkomen?”
-
-De burgemeester antwoordde: „Voorwaar, wij hebben gezondigd, maar
-daaruit zult gij bij Immanuel geen voordeel trekken; want in groote
-getrouwheid heeft hij gezegd: „Die tot Mij komt zal Ik geenszins
-uitwerpen.” Hij heeft ook gezegd, dat alle zonde en lastering den
-menschen zal vergeven worden. Daarom durven wij niet wanhopen; maar
-willen blijven uitzien, wachten en hopen op onze verlossing.”
-
-Intusschen was kapitein Geloof van Immanuels hof wedergekeerd en droeg
-een pakket onder den arm. De heer burgemeester zulks verstaande onttrok
-zich aan het geraaskal van den woedenden tiran, en liet hem tegen de
-muren van het kasteel praten. Hij sloop weg naar het verblijf van den
-kapitein en vraagde naar de reis en den welstand van het hof, alsmede
-welk nieuws hij medebracht. Ach, de tranen stonden hem in de oogen.
-Maar kapitein Geloof zeide: „Houd moed, mijnheer, alles zal nog wel
-terecht komen.”[53] Dit zeggende haalde hij zijn pakket voor den dag en
-deed het open, waaruit de burgemeester en de anderen opmaakten, dat er
-goede tijding was. Daar nu de tijd des welbehagens daar was, zond hij om
-alle kapiteins en oudsten der stad, die in het kasteel hun verblijf
-hielden of op wacht waren. Daarop kwamen allen en verwelkomden hem,
-waarna hij uit zijn pakket verscheidene brieven voor den dag haalde. De
-eerste was voor den burgemeester.
-
- [53] ~Houd moed, Mijnheer, alles zal nog wel terecht komen~. Het
- geloof houdt zich vast als ziende den Onzienlijke, en krijgt bij
- Geestes licht telkens dieper inzicht in de geopenbaarde waarheid. Dit
- wordt in de allegorie voorgesteld door de medegebrachte brieven. Het
- getuigenis Gods moet gelezen als een brief persoonlijk tot u gericht.
-
-De Prins was zeer vergenoegd, dat deze edelman zijn ambt zoo getrouw had
-waargenomen in alle gewichtige aangelegenheden, die hem in Menschziel
-waren opgedragen. Ook gaf hij hem zijn welgevallen te kennen over zijne
-kloekmoedigheid en getrouwheid voor den Prins tegen Diábolus. Aan het
-slot stond, dat hij weldra zijn loon ontvangen zou.
-
-De tweede brief was voor den heer Vastewil, waarin te kennen gegeven
-was, dat zijn Vorst Immanuel wel verstaan had, hoe dapper hij voor zijn
-heer geweest was in zijn afwezen en toen zijn naam in verachting was bij
-de Diábolus-mannen. Ook dat hij zich zoo flink gehouden had in het
-opsporen en ophangen der Diábolus-mannen, die in hunne holen lagen. Hem
-zou eveneens zijn loon niet ontgaan.
-
-De derde brief was voor den Onderleeraar, waarin vermeld stond hoezeer
-de Prins zich verheugde, dat hij zoo eerlijk en getrouw zijn ambt had
-waargenomen in het bestraffen en vermanen en waarschuwen. Ook gaf de
-Vorst zijn welgevallen te kennen over den vast- en bededag toen
-Menschziel het verdorven had en dat hij daarbij de hulp van kapitein
-Boanerges had ingeroepen. Alles wist de Prins en voor alles zou de
-Onderleeraar beloond worden.
-
-Een vierde brief was voor den heer Vreeze Gods. Daarin stond, dat zijn
-Heer had opgemerkt, hoe hij de eerste in gansch Menschziel geweest was,
-die Vleeschelijke Gerustheid had openbaar gemaakt. Daarenboven gaf zijn
-Heer hem te verstaan, dat hij alle tranen en klaagliederen over
-Menschziel in gedachten zou houden en zijne kloekmoedige houding in de
-feestzaal van Vleeschelijke Gerustheid niet vergeten. Ook dat hij de
-poorten van het kasteel zoo goed had bewaard en de stedelingen geleerd
-hoe zij een verzoekschrift moesten inzenden, dat kracht deed. Daarom zou
-ook hij binnenkort zijn loon ontvangen.
-
-Daarna kwam er nog een brief, die aan de gansche stad Menschziel was
-geschreven, waaruit zij verstonden, dat hunne dikwijls herhaalde
-verzoekschriften aan hunnen Heer bij hem in gedachtenis waren en dat zij
-nu in de toekomst daarvan de vrucht zouden zien. Hun Vorst betuigde
-daarin, dat het hem recht aangenaam was, dat zij hun hart en hunne
-zinnen er nu ter dege op gezet hadden om in zijne wegen te wandelen, en
-dat noch de vleierij noch de dreiging van Diábolus, noch al zijne
-foltering hen kon bewegen zich over te geven. Onder aan den brief stond
-nog, dat hun Heer de stad Menschziel achtergelaten had in de handen van
-den Oppergeheimschrijver en onder het bestuur van kapitein Geloof:
-„Gedraagt u naar hun onderwijs en begeeren en gij zult ter bekwamer tijd
-uwen loon ontvangen.”
-
-Nadat de brave kapitein Geloof zijne brieven aan hun adres had
-afgeleverd, ging hij naar de kamer van den heer Oppergeheimschrijver en
-bracht daar eenigen tijd door in een vertrouwelijk gesprek. Die twee
-waren zeer met elkander vertrouwd. De Oppergeheimschrijver had den
-kapitein Geloof hartelijk lief, en zond hem menige verkwikking van zijne
-eigen tafel, ja, toonde hem een vriendelijk gelaat, waar de rest van
-Menschziel nog bewolkt was. Toen zij nu een wijle met elkander gesproken
-hadden, begaf de kapitein zich ter ruste. Doch niet lang daarna zond de
-Geheimschrijver weder om hem, die na eene beleefde buiging vraagde:
-„Wat heeft mijnheer tot zijn dienaar te zeggen?” Waarop de
-Oppergeheimschrijver hem ter zijde nam en met groote gunstbetooning
-overlaadde. Daarna sprak hij: „Ik heb u tot onderkoning gemaakt over de
-gansche stad Menschziel; zoodat van dezen dag af alle inwoners der stad
-op uw woord zullen opstaan en gij zult hen uit- en inleiden. Uit kracht
-van uwe waardigheid moet gij ook voor uwen Vorst en de stad Menschziel
-den oorlog voeren, en naar uwe bevelen zullen de andere kapiteins
-handelen.”
-
-[Afbeelding: DIÁBOLUS’ TAMBOER.]
-
-Onder zulke omstandigheden kon het niet uitblijven of de burgers moesten
-beginnen te beseffen welk een invloed deze heer kapitein aan het hof
-bezat; want wie er ook ooit tot Immanuel werd afgezonden, wie hunner had
-zoo spoedig en zulk een goed antwoord van daar teruggebracht als deze
-kapitein? Wat doen zij nu? Nadat zij zichzelven hadden verweten, dat zij
-in hunne benauwdheid niet meer gebruik van hem hadden gemaakt, zonden
-zij door de hand van den Onderleeraar tot den Geheimschrijver om hem te
-verzoeken, dat toch al wat zij hadden of deden gesteld mocht worden
-onder het bestuur, de zorg en de hoede van kapitein Geloof.
-
-Zoo ging dan de Onderleeraar met deze boodschap en ontving tot antwoord,
-dat dit alreede was geschied, daar de heer Geloof tot Onderkoning was
-aangesteld.[54] Daarop boog hij zich en ging heen om dit nieuws aan de
-burgers der stad te verhalen. Maar dit alles geschiedde in het diepste
-geheim omdat de vijanden nog zulk een groote macht hadden in Menschziel.
-
- [54] ~De onderleeraar kreeg de boodschap dat alreede was geschied wat
- hij begeerde~. Hiermede wordt aangeduid hoe de ziel het met God is
- eens geworden, hoe Gods Geest met onzen geest getuigt, en hoe de
- belofte bewaarheid wordt: eer ze roepen zal ik antwoorden.
-
-[Afbeelding: KAPITEIN GELOOF OVERHANDIGT HET VERZOEKSCHRIFT.]
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XV.
-
-DE BELOFTE VAN ZIJNE KOMST.
-
-
-Maar laat ons tot Diábolus terugkeeren. Toen deze zag hoe kloekmoedig de
-heer burgemeester hem had weerstaan en de woorden van heer Vreeze-Gods
-overdacht, sloeg hij aan het woeden en riep een krijgsraad bijeen om
-zich op Menschziel te wreken, waarop al de vorsten van den poel
-samenkwamen en de oude Ongeloof vooraan om samen te beraadslagen wat er
-te doen stond. Het besluit van dien raad was, dat zij trachten moesten
-het kasteel hoe eer hoe beter te bemachtigen; want zij rekenden zich, en
-terecht, geen meester van de stad zoolang zij dat kasteel niet hadden.
-’t Was Apollyon, die den doorslag gaf en sprak: „Mijne broederschap, ik
-heb u twee dingen voor te stellen, waarvan het eerste is: laat ons weder
-de stad verlaten en in het veld kampeeren; want ons verblijf in de stad
-doet ons geen goed, omdat het kasteel nog in de handen onzer vijanden
-is, en het is ons onmogelijk dat in te nemen zoolang die stoute gast
-Vreeze-Gods de poortwachter is. Wanneer wij ons nu naar buiten begeven,
-zullen zij zich verheugen en wellicht zorgeloos worden, en dat zou hun
-nadeeliger kunnen worden dan iets dat wij doen. Ook zullen de kapiteins
-dan wellicht hun schuilhoek verlaten, een uitval doen, ons achtervolgen
-en gij weet hoe slecht dit hun bekomen is. Kunnen wij hen maar in het
-veld lokken, zoo zullen wij in een achterlage achter de stad ons
-verschuilen, en een deel van ons zal die binnentrekken en ook het
-kasteel veroveren.”
-
-[Afbeelding: KAPITEIN GELOOF TOT LUITENANT VAN DEN PRINS BEVORDERD.]
-
-Eerst wilde Beëlzebul daar niet van weten en voerde aan, dat deze
-onderneming tevergeefs zou wezen omdat zij het kasteel niet zouden
-verlaten. Hij stelde dus andere middelen voor; maar de anderen meenden
-dat Apollyons raad beter was, hoewel zij moesten toegeven, dat het ook
-bijzonder dienstig wezen zou als zij middelen wisten te bedenken om hen
-aan het zondigen te brengen. „Wij hadden gerust onze Twijfelaars thuis
-kunnen laten, wanneer wij hen geen meester kunnen doen worden van het
-kasteel,” zeiden zij, „want Twijfelaars, die van verre staan, zijn
-gelijk aan beschuldigingen, die men met goede bewijzen wederleggen kan.
-Kunnen wij hen echter in het kasteel krijgen en maken, dat zij dat in
-bezit nemen, dan hebben wij een goeden dag. Laat ons daarom
-terugtrekken naar het open veld; maar eerst moeten wij nog raadplegen
-met onze vertrouwde aanhangers hier in de stad, die ons moeten helpen om
-haar door verraad in onze handen te spelen. Waarlijk wij moeten hen aan
-het zondigen helpen, hierin heeft Beëlzebul groot gelijk, en dan de stad
-uit.” [2 Petr. 2 : 18-21.]
-
-Toen had Lucifer nog het volgende te zeggen: „Al wat dusver voorgesteld
-is, is goed, en om dat te bevorderen, moeten wij de burgers niet meer
-zoo verschrikken, noch door onzen trommel noch door martelingen. Laat
-ons maar ver weg trekken en doen of wij geen acht op hen slaan; want de
-vreeze houdt hen wakker en doet hen op tegenweer bedacht zijn. Gij weet,
-dat Menschziel eene marktstad is, die veel vermaak schept in den
-koophandel, laat nu sommigen onzer zich aanstellen als kooplieden of
-boeren uit vergelegen plaatsen, die ter markt komen om hunne koopwaar
-aan den man te brengen. Laat ons die desnoods verkoopen voor den halven
-prijs! Maar die dit doen, moeten ons zeer getrouw wezen, ik wil hun mijn
-kroon tot belooning geven als zij er in slagen. Er komen mij er daar
-twee in gedachten, die bijzonder geschikt zijn voor dit werk.
-De een heet: Muguitzuiger-kemeldoorzwelger en de ander is
-Alles-in-de-Waagschaalzetter-om-een-kleine-winst. Deze mannen met zulke
-lange namen zijn uitmuntend tot ons doel. En wat dunkt u als wij daar
-eens bijvoegden, ’s Werelds-Goed en Aardsche Rijkdom? Die beiden zijn
-zeer listig en zeer bescheiden. Laat dezen met eenige anderen hun best
-doen en laat het volk slechts rijk en zat worden, dan zullen wij bij hen
-winnen. Bedenk maar eens op welke wijze wij Laodicea overwonnen hebben!
-Als zij nu zat worden en wij hen niet verontrusten, zoo zullen zij hunne
-ellende vergeten en daarbij in slaap vallen en hun kasteel niet langer
-bewaken. Ja, zelfs zouden wij zoover kunnen gaan, door hen met allerlei
-overvloed te bezwaren, dat zij van hun kasteel een pakhuis maakten en er
-het oorlogsvolk uit wegnamen. Derhalve zoo wij onze goederen en koopwaar
-binnen weten te krijgen, zoo denk ik, dat de stad al half gewonnen is.
-Ook hunne kapiteins zullen het dan benauwd genoeg krijgen. Kent gij niet
-de gelijkenis van den rijken dwaas? En weet gij niet, dat als het hart
-overladen is met brasserij en dronkenschap en de zorgvuldigheden des
-levens, dat dan den mensen alle kwaad overkomt, eer hij er om denkt?
-Bovendien is het niet goed voor een volk, dat zij met onze goederen
-vervuld zijn, wanneer zij niet eenigen der onzen in huis hebben,[55]
-zoogenaamd als dienaars, maar eigenlijk om alles tot ons te trekken.
-Waar is er een burger van Menschziel, die vol is van ’s werelds goed en
-niet tot zijn knecht of oppasser heeft een zekeren Overdadig, of Dartel,
-of Wellust, of Loos, of Pocher, of nog anderen van onze getrouwen? Deze
-nu, zouden het kasteel kunnen in de lucht laten springen of ongeschikt
-maken langer eene vesting van Immanuel te zijn. Op deze wijze gaat het
-beter dan door een groot leger. Ik blijf dus bij mijn raad. Laat ons
-dien nu spoedig uitvoeren en wegtrekken.” [Openb. 3 : 17.] [Luk. 8 :
-14.] [Luk. 21 : 34, 36.]
-
- [55] ~Bovendien is het niet voor een volk, dat zij met onze goederen
- vervuld zijn, zoo zij niet een der onzen in huis hebben~. De Heere
- zeide: „Maakt u vrienden uit den onrechtvaardigen Mammon, opdat zij u
- ontvangen in de eeuwige tabernakelen.” De satan weet zeer goed, dat
- wereldsche schatten uitmuntend te gebruiken zijn in ’s Heeren dienst
- en daarom stuurt hij er ~zijn~ volk op af om ons te helpen die te
- beheeren en daardoor eigenlijk aan ’s Heeren dienst te onttrekken. Men
- wake en bidde vooral als men rijk is!
-
-Wat deze hellevorst geraden had werd voor een helsch meesterstuk geacht.
-Maar ziet nu eens hoe het uitkwam! Pas was de vergadering van Diábolus
-uiteengegaan of kapitein Geloof ontvangt een brief van Immanuel, waarvan
-de korte inhoud was, dat hij hem op den derden dag in de vlakke velden
-van Menschziel zou ontmoeten.
-
-De kapitein begreep deze boodschap niet. Hem in het veld ontmoeten!
-zeide hij, wat bedoelt Prins Immanuel daarmede? Daarom nam hij den brief
-en ging er mede naar den Opperleeraar en Geheimschrijver, want deze was
-een ziener in al ’s konings zaken, Menschziel ten goede. Dezen edelman
-vroeg hij om raad. Nadat de Opperleeraar den brief stilzwijgend had
-gelezen zeide hij: „Het Diábolus-komplot heeft een groote beraadslaging
-gehad en zij hebben daar besloten tot het uiterste verderf van
-Menschziel. Van die zijde dreigt een groot gevaar. Zij maken zich gereed
-de stad te verlaten en zich weder in het veld te begeven om vandaar uit
-nieuwe helsche maatregelen te nemen. Maar zorg gij nu, dat gij tegen
-den derden dag gereed zijt, want dan komt ook de Prins met een groot
-leger in het veld tegen den opgang der zon, bij het aanbreken van den
-dag. Hij zal dan het leger van Diábolus van voren aangrijpen en gij van
-achteren, en zoo zal het ganschelijk vernield of verstrooid worden.”
-
-[Afbeelding: DE KRIJGSRAAD DER BOOZEN.]
-
-Nauwelijks had kapitein Geloof dit gehoord of hij begaf zich naar de
-andere kapiteins en deelde hun mede welk een brief hij ontving en hoe de
-Opperleeraar hem al wat in Immanuels schrijven duister was had
-uitgelegd. Hij zeide hun daarenboven wat hij en de anderen doen moesten
-om aan het oogmerk van Immanuel te beantwoorden. Toen waren al de
-kapiteins vroolijk en op bevel van den onderkoning werden al de
-trompetten op het kasteel geblazen en maakten een overheerlijke muziek,
-waaraan gansch Menschziel zich verkwikte en die Diábolus ook hoorde.
-Toen stond Diábolus op eenmaal stil en zeide: „Wat zou toch dit
-trompetgeschal te beduiden hebben? Ze hebben paarden noch zadels, noch
-spijze. Wat overkomt dezen aemechtigen lieden, dat ze zoo vroolijk en
-blijde zijn?” Toen antwoordde hem een van zijn eigen volk en sprak: „Dit
-is uit vreugde, dat hun Prins Immanuel komt om de stad Menschziel te
-verlossen; tot dit doel trekt hij aan het hoofd van een leger op, en die
-verlossing is nabij.”
-
-De inwoners van Menschziel waren ook zeer bewogen door deze melodieuse
-tonen en zij spraken er met elkander over. „Dit kan ons geen leed doen,”
-zeide de een. „Neen,” zei een ander, „dit is een lied der verlossing.”
-De Diábolus-mannen beraadslaagden nog in alle haast en kwamen tot het
-besluit, dat het toch maar best was de stad te verlaten. Ze zouden hun
-voornemen nu ook uitvoeren, en kwam er een leger opdagen het dan in het
-open veld ontmoeten. Op den tweeden dag begaven zij zich dan ook buiten
-de stad en sloegen hun legerkamp op het vlakke veld op; maar vlak in het
-gezicht van de Oogpoort, en wel zoo indrukwekkend en afgrijselijk als
-hun slechts mogelijk was. Zij waren nu ook in het open veld gelegerd met
-het oog op een mogelijke vlucht, die daar gemakkelijker viel dan in de
-stad. Want waarlijk de stad zou hen tot een put en afgrond zijn geworden
-als vorst Immanuel zich daar legerde.
-
-Toen nu het oogenblik gekomen was, dat de kapiteins op Diábolus’ leger
-zouden aanvallen, bereidde een ieder zich zorgvuldig voor den slag.
-Kapitein Geloof had hun des nachts gezegd, dat zij in den morgenstond
-hunnen Prins in het veld zouden ontmoeten. Dit maakte hen des te vuriger
-om tegen den vijand op te rukken. Deze woorden: „Morgen zult gij den
-Prins in het vlakke veld zien!” waren als olie in een brandend vuur. Ze
-hadden hem zoo langen tijd gemist en zagen reikhalzend naar hem uit. Als
-het nu tijd was trok kapitein Geloof met al de strijdmacht van
-Menschziel naar buiten eer het dag was, de Mondpoort uit. Toen allen
-gereed stonden stelde hij zichzelven aan het hoofd en gaf aan de andere
-kapiteins het wachtwoord, en deze weder aan hunne officieren en
-soldaten. Dat wachtwoord luidde: „Het zwaard van den Prins Immanuel en
-het schild van kapitein Geloof.” Dit wachtwoord klonk in de taal der
-burgers van Menschziel als: „Het woord Gods en het geloof!” Daarop
-vielen zij nu het leger van Diábolus aan en begonnen het rondom te
-omsingelen en te benauwen.
-
-[Afbeelding: GELOOF TE WAPEN GEROEPEN.]
-
-Kapitein Ondervinding wilde men in de stad laten, omdat hij nog altijd
-niet genezen was van de wonden,[56] die Diábolus hem in den laatsten
-slag had toegebracht. Maar toen hij bemerkte, dat al de kapiteins aan
-den strijd deelnamen, eischte hij zijne krukken en strompelde daarmede
-zoo goed het ging ook de stad uit. -- „Neen”, zeide hij, „ik kan hier
-niet zoo gemakkelijk blijven liggen, waar mijne broeders in de hitte van
-den strijd trekken en vorst Immanuel zich aan hen in het veld zal
-vertoonen.” Toen de vijanden dezen man met zijne krukken zagen waren zij
-te meer verslagen. Welke geest, dachten zij, is nu in die mannen van
-Menschziel gevaren, dat zij zelfs op krukken tegen ons willen vechten!
-Intusschen waren de kapiteins er op aangevallen en maakten een flink
-gebruik van hunne wapenen, terwijl zij luide juichten: „Het zwaard van
-Prins Immanuel en het schild van kapitein Geloof.”
-
- [56] ~Kapitein Ondervinding krank aan zijne wonden~. De bevinding van
- den Christen is aan allerlei afwisseling onderworpen en heeft haar
- ebbe en vloed. Er hebben worstelingen des geloofs plaats, waarin zij
- duchtig wordt gekwetst en het hard te verantwoorden heeft. Naar de
- maat van iemands geloof is ook zijne ondervinding. Wanneer het geloof
- taant, is ook de ondervinding zeer zwak; toch kan het herdenken van ’s
- Heeren daden den moed des geloofs weer aanwakkeren. Dit is eigenaardig
- door Bunyan voorgesteld in de allegorie, dat deze kreupele kapitein
- naar zijne ~krukken~ vraagt en mede naar buiten strompelt.
-
-Diábolus bemerkte hoe stoutmoedig hij omsingeld werd en vreezende,[57]
-dat hun tweesnijdend zwaard er dapper op inhakken zou, viel hij ’s
-Prinsen leger aan met doodelijke woede, en zoo begon de slag. Die
-Diábolus het eerst aanvielen, waren kapitein Geloof en de heer Vastewil,
-de een benauwde hem aan de éene zijde en de ander aan den anderen kant.
-De slagen van den heer Vastewil waren als die van een reus; want die man
-had een sterken arm en hij viel op de Twijfelaars aan de Verkiezing aan,
-want dit was Diábolus lijfwacht. Inderdaad, hij hield hen een wijle
-duchtig bezig, hakkende er geweldig op in. Kapitein Geloof benauwde
-diezelfde compagnie van den anderen kant en aldus geraakten zij in
-groote wanorde. Kapitein Goede Hoop had de Twijfelaars aan de Roeping
-voor zijne rekening genomen en dat volk was waarlijk sterk genoeg, maar
-de kapitein was ook zeer dapper en werd nog bovendien door kapitein
-Ondervinding en zijne troepen bijgestaan. Zoo werden dan ook de
-Twijfelaars aan de Roeping tot wijken gedrongen. De rest van het leger
-was zeer verwoed; ’t scheen, dat zij allen in het besef verkeerden, dat
-het er nu op aan kwam, er op of er onder voor altijd; daarom werd
-aan alle zijden wanhopig gevochten. Toen commandeerde de
-Oppergeheimschrijver, dat de slingers van het kasteel daaronder spelen
-zouden. De slingeraars konden mikken op een haar en brachten ook veel
-bij tot de overwinning. Eenigen tijd was Diábolus’ volk zeer verward en
-begonnen de meesten er al over te denken de vlucht te kiezen voor ’s
-Prinsen kapiteins. Maar neen, zij verzamelden zich weer en vielen
-stoutmoedig op de achterhoede aan. Zij brachten dáar zulk eene geweldige
-botsing teweeg, dat ’s vorsten leger verflauwde. Eensklaps herinnerden
-dezen zich echter, dat zij het aangezicht van hunnen Prins zouden zien,
-en dat deed hen weder moed grijpen, zoodat de strijd opnieuw hevig werd.
-Daarop juichten de kapiteins en riepen: „Het zwaard van Prins Immanuel
-en het schild van kapitein Geloof!” Dit deed Diábolus terugdeinzen in de
-meening, dat er versterking was aangekomen. Maar Immanuel verscheen nog
-niet. De overwinning was nu eenigen tijd twijfelachtig en van
-weerszijden trok men een weinig terug. In deze oogenblikken van
-twijfelmoedigheid riep kapitein Geloof zijn volk toe en moedigde hen aan
-om toch vol te houden.
-
- [57] ~Diábolus wordt verschrikt door de stoutmoedigheid van ’s Prinsen
- kapiteins~. De duivel is bang voor het geloof en als hij zelfs
- gewonden met moed ziet vervuld, speurt hij in hen de kracht Gods, die
- in hunne zwakheid wordt volbracht.
-
-[Afbeelding: HET ZWAARD VAN VASTEWIL EN HET SCHILD VAN KAPITEIN GELOOF.]
-
-[Afbeelding: DE VLUCHT.]
-
-„Mijne vrienden, dappere soldaten”, riep hij, „mijne broeders, allen
-bezield met hetzelfde oogmerk, dat ook het mijne is. Het verblijdt mij
-zeer u allen thans voor onzen Prins in het veld te zien, als een groote
-heirmacht, die doordrongen is van liefde jegens Menschziel. Gij hebt u
-tot dusverre mannen van moed en trouw betoond, zoodat Diábolus nog geen
-voordeel op ons behaald heeft. Grijpt nu allen weder den ouden moed en
-toont u mannen als tevoren, en weinige oogenblikken na dezen aanval zult
-gij zien, dat uw Prins zich te velde vertoont. Nog dezen aanval op
-Diábolus, -- en dan komt Immanuel!”[58]
-
- [58] ~Immanuel komt~. De belofte is stellig en vast: „Ziet uw koning
- komt tot u” maar hij komt eerst op het uiterste oogenblik, als er ten
- bloede toe gestreden is en de lijdzaamheid een volmaakt werk heeft
- gehad. Dan zijn echter alle smarten en wonden vergeten en wordt door
- zijne nabijheid in de ziel niet alleen iedere vijand verslagen maar
- ook alle wonden genezen. „Sta op, Heere, tot uwe rust, Gij en de ark
- uwer sterkte! Dat uwe priesters bekleed worden met gerechtigheid en
- uwe gunstgenooten juichen. Want de Heere heeft Sion verkoren. Hij
- heeft het begeerd tot zijne woonplaats. Ik zal mijne vijanden met
- schaamte bekleeden; maar op haar zal zijne kroon bloeien. Ps. 132.
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XVI.
-
-DE TERUGKOMST VAN DEN VORST.
-
-
-Nauwelijks had kapitein Geloof deze redevoering tot zijne soldaten
-gesproken of een zeker man genaamd Spoed[59] kwam te post aan het leger
-van den Prins met de boodschap, dat Immanuel in het gezicht was. Zoodra
-Kapitein Geloof dit blijde nieuws vernam, deelde hij het onmiddellijk
-aan de anderen mede en deze weder aan hunne manschappen, waardoor het
-gansche leger, als waren het mannen uit den dood opgestaan, zich
-opmaakte om den vijand aan te vallen, roepende als tevoren: „Het zwaard
-van Prins Immanuel en het schild van kapitein Geloof!”
-
- [59] ~Zekere heer Spoed~. Menschziel strijdt nu den goeden strijd des
- geloofs. De twijfel is op de vlucht gedreven: de twijfelaars zijn de
- stad uit. Beter is de openlijke strijd met vijanden van buiten dan met
- inwendig bederf en ongeloof. Nu kan de heer Spoed van ’s Prinsen leger
- komen. Nu is er weer gemeenschap tusschen de ziel en Immanuel.
-
-Die van den reus spanden ook alle krachten in, maar in dezen laatsten
-strijd verloren zij den moed, en velen der Twijfelaars vielen gedood ter
-aarde. Nadat zij nu nog ruim een uur in het heetst van het gevecht
-hadden doorgebracht, hief kapitein Geloof zijne oogen op, en ziet, daar
-kwam Immanuel aan met vliegende vaandels en klinkende trompetten,
-terwijl de voeten dergenen, die hem volgden, nauwelijks de aarde
-aanraakten. Met zulk eene snelheid spoedden zij zich voort om bij de
-kapiteins te komen, die maar voortdurend bleven strijden. Kapitein
-Geloof wendde zich nu met de zijnen stadwaarts en liet voor Diábolus het
-veld ruim. Daarop trok Immanuel voorwaarts en zoo was de vijand tusschen
-hen ingesloten. Toen viel kapitein Geloof met de zijnen wederom op hen,
-en ziet, zoo langzamerhand ontmoetten Immanuel en kapitein Geloof
-elkander over de verslagenen heen, die zij onder hunne voeten vertraden.
-
-Toen ook de andere kapiteins zagen, dat de Prins gekomen was en dat het
-Diábolus-leger tusschen Zijner Majesteits en kapitein Geloofs troepen
-werd ingesloten en in de pan gehakt, zoo juichten zij met een groot
-gejuich, zoodat er de aarde van spleet, roepende: „Het zwaard van
-Immanuel en het schild van Geloof!” Diábolus zich zoo geheel ingesloten
-ziende zocht met de andere vorsten van den afgrond eene opening om te
-ontvluchten, latende al zijn volk in de steek. Al dit volk viel voor het
-aangezicht van den prins en zijne heirkracht; er bleef nauwelijks een
-Twijfelaar in het leven; de dooden lagen verspreid over de vlakte als
-mest op het land.
-
-Toen de slag geëindigd was kwam alles weder in orde, en alle kapiteins
-en oudsten van Menschziel kwamen samen om Immanuel te begroeten. Hij
-lachte hen vriendelijk toe, en zeide: „Vrede zij ulieden!” Daarna
-stelden allen zich in het gelid om naar Menschziel op te trekken, ook de
-Prins met zijne versche legermacht, die hij nu had medegebracht. Alle
-poorten werden opengezet om hem waardig te ontvangen. Ook de poorten van
-het kasteel werden wijd geopend en de oudsten en overheden stelden zich
-daar om hem bij het intrekken te verwelkomen. Toen hij nu de poorten
-naderde riepen zij: „Heft uwe hoofden op, gij poorten, en verheft u, gij
-eeuwige deuren, opdat de koning der eere inga!” En anderen zeiden: „Wie
-is die koning der eere?” Waarop het antwoord weder klonk: „De Heere,
-sterk en geweldig in den strijd. Heft uwe hoofden op, gij poorten, ja
-verheft u, gij eeuwige deuren, opdat de koning der eere inga!” [Ps. 24.]
-
-Verder was verordend door de oversten van Menschziel, dat langs den
-geheelen weg van de stadspoort tot die van het kasteel voortdurend
-liederen zouden worden gezongen door diegenen, welke het meeste verstand
-van muziek hadden. Alzoo werd er een beurtzang aangeheven toen Immanuel
-zijn intocht deed,[60] nu en dan afgewisseld door trompetgeschal. En
-toen hij aan de poorten van het kasteel kwam klonk het: „Zij hebben
-uwe gangen gezien, o God! de gangen mijns Gods, mijns konings, in het
-heiligdom!” De zangers gingen vóor, de speellieden achter, in het midden
-de trommelende maagden. [Ps. 68 : 25, 26.]
-
- [60] ~Het binnentreden van Immanuel~. Hier keert Jezus in de ziel
- terug na vele droevige dagen van afwezigheid. De groote waarheid, dat
- Jezus nooit met de zonde kan samenwonen, wordt hier duidelijk gemaakt.
- Hoe weinig er noodig is om die innige gemeenschap te verstoren en
- hoeveel er moet geschieden eer al de gevolgen van onze onbedachte
- handelwijze zijn uitgewischt. John Bunyan neemt het niet licht op met
- de zonde. Door schade en schande geleerd is de blijdschap der opnieuw
- verloste ziel onuitsprekelijk groot. Men gevoelt in de beschrijving,
- dat Bunyan tevergeefs tracht den indruk weer te geven. Welkom aan de
- poorten, godgewijde liederen, bloemen en eerebogen, saluutschoten,
- muziek, enz.
-
-[Afbeelding: DE BEENDEREN DER TWIJFELAARS BEGRAVEN.]
-
-Ook wachtten de kapiteins elk op zijn post hunnen Prins op toen hij de
-poorten van Menschziel binnenreed. Kapitein Geloof was de eerste, dan
-volgde Goede-Hope; daarna kapitein Liefde, met anderen van zijn
-gezelschap. Het laatst kwam kapitein Geduld met de overige hoofdlieden,
-sommige ter rechter-, anderen ter linkerzijde. Zoolang de intocht duurde
-wapperden alle vlaggen, klonken de trompetten en was er groot gejuich
-onder de soldaten. De Prins zelf was weder gekleed in zijne wapenrusting
-van geslagen goud; de pilaren van zijn koets waren van zilver, de vloer
-van goud, het verhemelte van purper en het binnenste was bespreid met
-liefdeblijken voor de dochters van Menschziel. [Hoogl. 3 : 10.]
-
-De Prins vond de straten bestrooid met leliën en bloemen en van boven
-kunstig overdekt met triomfbogen van de groene takken der boomen, die
-rondom de stad stonden, terwijl ieder voor zijn huis eene versiering had
-aangebracht; dat alles diende om den Prins te vereeren; en overal waar
-hij voorbijkwam klonk het gejuich: „Gezegend is hij, die daar komt in de
-naam zijns Vaders El-Schaddaï.” [Ps. 118 : 26.]
-
-Voor de poort van het kasteel werd Zijne Majesteit weder begroet door de
-oudsten van Menschziel, n. l. de Burgemeester, de heer Vastewil, de
-Onderprediker, de heer Kennis en de heer Gemoed met anderen uit den adel
-dezer plaats. Zij bogen voor hem neder, kusten het stof van zijne
-voeten, dankten, zegenden en prezen Zijne Majesteit omdat hij hun niet
-tegen was wegens hunne zonden, maar medelijden had gehad met hunne
-ellende en nu in barmhartigheid tot hen wederkeerde om voor eeuwig hun
-Menschziel op te bouwen. Zoo trok hij dan regelrecht het kasteel binnen;
-want dat was het koninklijk paleis en de plaats, waar zijne eere woonde.
-Alles was daar reeds door den Oppergeheimschrijver en den kapitein
-Geloof gereed gemaakt.
-
-Maar nu naderde hem al het volk van Menschziel binnen het kasteel om te
-weenen en te kermen en hunne goddeloosheid te bejammeren. Zij bogen zich
-bij het binnenkomen zeven maal voor hem ter aarde en weenden, terwijl
-zij den Prins vergeving vraagden, hem smeekende, dat hij als van ouds
-onder hen wilde wonen. Waarop de Prins antwoordde: „Weent niet, maar
-gaat uws weegs, eet het vette en drinkt het zoete, en zendt deelen aan
-uwe broeders: want de blijdschap des Heeren is uwe sterkte. Ik ben tot
-Menschziel wedergekeerd met ontferming en mijn naam zal daardoor
-verhoogd en verheerlijkt worden.” Ook omhelsde hij de burgers, kuste hen
-en drukte hen aan zijn hart. [Neh. 8 : 11.]
-
-Bovendien gaf hij aan de oudsten van Menschziel en aan iederen
-machthebber der stad een gouden keten en een ring. Ook zond hij aan
-hunne vrouwen oorsieraden, juweelen, armbanden en dergelijken, en aan de
-echte kinderen van Menschziel deelde hij kostelijkheden uit. Toen
-Immanuel al deze dingen voor het beroemde Menschziel gedaan had, zeide
-hij eerst tot hen: „Wascht uwe kleederen, en doet uwe versierselen aan,
-en komt daarna in mijn kasteel terug.” Zoo gingen zij dan heen om zich
-te wasschen naar de fontein, die geopend was voor Juda en Jeruzalem.
-Daar maakten zij hunne kleederen wit en stonden daarna rein en versierd
-voor Immanuel. [Pred. 9 : 8.] [Zachar. 13 : 1.] [Openb. 7 : 14, 15.]
-
-Nu was er muziek en dans door de gansche stad, omdat hun Vorst hen weder
-vereerde met zijne tegenwoordigheid en met het licht van zijn
-aangezicht; de klokken werden geluid en de zon scheen vriendelijk op hen
-voor een langen tijd.
-
-Ook deed de stad thans meer voortdurend en ernstig onderzoek om de nog
-overgebleven Diábolus-mannen in de wallen uit te vinden en te vernielen;
-want er waren er toch nog van dat gespuis, die de handen hunner
-onderdrukkers hadden weten te ontkomen. De heer Vastewil was thans een
-veel grooter verschrikker voor hen dan hij ooit tevoren geweest was,
-daar zijn hart nu ten volle was overgebogen om hen op te zoeken en te
-dooden. Hij vervolgde hen dag en nacht en bracht hen in zware
-verdrukking zooals nog later blijken zal.
-
-Toen nu alles zoover weder in orde was werd door den Prins order
-gegeven, dat de burgers der stad zonder verder uitstel er sommigen
-zouden uitzenden om naar de vlakte te gaan ten einde de beenderen der
-Twijfelaars te begraven,[61] opdat de stank en uitwaseming daarvan de
-lucht niet besmetten zouden in de beroemde stad. Dit moest ook
-gebeuren, omdat zoolang Menschziel bestond de nagedachtenis van deze
-hare groote vijanden zou worden weggedaan.
-
- [61] ~De lijken der Twijfelaars worden begraven~. Het leger der
- Twijfelaars is verslagen; een volkomen nederlaag overdekt hen met
- schande en smaad en ondergang. Maar de Christen krijgsman heeft nog
- niet alles gedaan zoolang de onbegraven lijken nog in het gezicht
- zijn. Ook de nagedachtenis der zonde moet uit den weg geruimd. De
- herinnering aan vroegere schuld kan schaden en in verzoeking brengen;
- daarom al wat er aan herinnert weg.
-
-[Afbeelding: KAPITEIN PAUS.]
-
-Zoo werd dan bevel gegeven door den Burgemeester, dat verstandige en
-vertrouwde vrienden tot dit noodige werk zouden worden gebruikt, en de
-heer Vreeze Gods en zekere edelman Oprecht werden tot opzieners hierover
-aangesteld. Verscheidene menschen waren daar druk mede. Sommigen groeven
-de kuilen, anderen begroeven de lijken, en nog anderen liepen maar rond
-om naarstig te zoeken of zij nog botten en beenderen vonden, die van een
-Twijfelaar afkomstig waren. Zij moesten daarbij dan een kenteeken
-plaatsen opdat de doodgravers ze vinden zouden. Alle naam en
-nagedachtenis der Diábolus-mannen moest op die wijze worden weggeruimd
-en uitgedelgd van onder den hemel en dat de kinderen, in Menschziel
-later geboren, niet weten zouden wat een doodsbeen van een Twijfelaar
-was. Deze lieden deden dan ook zooals hun geboden was. Zij begroeven de
-Twijfelaars en alle beenderen en stukken daarvan waar zij ze vonden, en
-zoo werd de vlakte gereinigd. Ook nam de heere Vrede Gods weder zijn
-post waar als in vroeger dagen. Er was nu van al de Twijfelaars aan de
-Verkiezing, noch aan de Roeping, noch aan de Volharding, noch aan de
-Genade, noch aan de Opstanding of de Zaligheid, of de Heerlijkheid niets
-meer te bespeuren. Al de kapiteins, n.l. Woede, Wreed, Verdoemenis,
-Onverzadelijk, Zwavel, Torment, Zonder-Rust, Graf en Wanhoop waren met
-den ouden veldmaarschalk Ongeloof op de vlucht gegaan of gewond. Zoo ook
-de zeven legerhoofden Beëlzebul, Lucifer, Legio, Apollyon, Belial,
-Python en Cerberus, die als generaals dienst hadden gedaan. Daardoor
-waren dan ook hunne manschappen verslagen en door Immanuels macht op de
-vlucht gejaagd. Zelfs hunne wapenen, die akelig en verschrikkelijk
-waren, met hunne banieren en vaandels werden met hen begraven, zoodat er
-niets meer viel te zien of te ruiken, dat aan een Diábolistischen
-Twijfelaar herinnerde.
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XVII.
-
-HET LEGER DER MANNEN DES BLOEDS.[62]
-
- [62] ~De mannen des bloeds~. Dit is eene nieuwe uitvinding van Satan.
- Hij beproeft door vervolging de ziel te kwellen en afvallig te maken.
- Eerst deed hij het met den twijfel in iederen vorm, en geheel geeft
- hij dit wapen nooit op; maar nu moet een ander beproefd, waarvan hij
- beter gevolg verwacht -- uitwendige folteringen, vuur en zwaard,
- brandstapel en moordschavot. Maar dit is dan ook de laatste toevlucht
- van eene slechte zaak. Als alle argumenten vruchteloos blijken, dan
- blijft woest geweld over. De geschiedenis des Bijbels en der kerk
- beide leeren dit. Daarop wordt hier in den vorm van de kapiteins der
- bloedmannen gewezen, waarvan Kaïn de eerste en de Paus de laatste is.
-
-
-Toen nu de tiran weder aan Hellepoortsheuvel was gekomen, vergezeld van
-zijn ouden vriend Ongeloof, daalde hij onmiddellijk in den put neer en
-daar voor eene poos met hunne gezellen hun treurig lot beklaagd hebbende
-en tevens het groot verlies, dat zij leden, overdacht, zoo werden zij
-eindelijk woedend en zwoeren, dat zij zich wreeken zouden over het
-verlies der beroemde stad Menschziel. Daarom beraadslaagden zij al
-dadelijk weer over hetgeen gedaan kon worden; want hunne holle buiken en
-verslindende keelen lieten hun dag noch nacht met rust. Iedere dag
-scheen hun een halve eeuw. Zij besloten daarom andermaal de stad
-Menschziel aan te tasten met een gemengd leger van Twijfelaars en
-Bloeddorstigen. Laat ons dit volk nader beschrijven.
-
-De Twijfelaars dragen hunnen naam naar hunne natuur zoowel als van het
-koninkrijk, waar ze geboren zijn. Het komt met hunnen aard overeen
-iedere uitspraak en ieder woord van Immanuel in twijfel te trekken, en
-hun land heet het land der Twijfeling, liggende naar het noorden
-tusschen het gewest der Duisternis en de Vallei der schaduwen des doods.
-Van het land der duisternis en de Vallei der schaduwen des doods wordt
-somtijds gesproken als van hetzelfde gewest; maar dat is onjuist. Ze
-liggen dicht bij elkaêr, maar het land der Twijfeling ligt daar
-tusschen. ’t Was dus al soortgelijk volk als dat van de laatste maal.
-
-De Bloeddorstigen zijn een volk, dat zijn naam heeft naar de boosheid
-hunner natuur en de woede, die in hen is tegen de stad Menschziel. Hun
-land ligt onder de Hondster en door haar worden zij ook geregeerd. De
-naam van die streek is de provincie Walg-van-het-Goede; zij ligt verre
-van het land der Twijfelaars, maar grenst er aan éene zijde toch aan,
-aangezien beide landen uitkomen aan Hellepoortsheuvel. Toch kunnen zij
-zich best met de Twijfelaars vereenigen omdat zij gelijken haat
-koesteren tegen Immanuel.
-
-Uit deze twee landen riep Diábolus eene lichting op van 25000 man, n.l.
-10000 Twijfelaars en 15000 Bloeddorstigen. Verschillende generaals
-werden over hen aangesteld, maar de oude Ongeloof was weder
-veldmaarschalk. Vijf van de zeven kapiteins, die den vorigen tocht mede
-gemaakt hadden, werden nu ook aangesteld; de anderen werden verlaagd tot
-vaandeldragers. De Twijfelaars stonden nu onder de vorsten Beëlzebul,
-Lucifer, Apollyon, Legioen en Cerberus.
-
-Maar Diábolus rekende deze Twijfelaars volstrekt niet voor de
-voornaamsten; want hij had hunne dapperheid wel beproefd maar die te
-licht bevonden; daarom diende hun aantal alleen om zijn leger te
-vergrooten; maar zijn grootste vertrouwen stelde hij op de
-Bloeddorstigen. Dat waren zeer ruwe gasten en hij wist wat al
-schelmstukken zij vroeger gepleegd hadden. Deze nu stonden onder de
-bevelhebbers Kaïn, Nimrod, Ismaël, Ezau, Saul, Absalom, Judas en Paus.
-
-Kapitein Kaïn was over twee benden, nl. de Vurige en de Nijdige
-Bloeddorstigen. Zijn vaandel had een roode kleur en zijn wapen was een
-moordknods. [Gen. 4 : 8.]
-
-Kapitein Nimrod was ook over twee benden, te weten de Wreedaardige en de
-Sluipende Bloeddorstigen. Zijn vaandel was ook rood en zijn wapen de
-groote Bloedhond. [Gen. 10 : 8, 9.]
-
-[Afbeelding: KAPITEIN GELOOF EN KAPITEIN GEDULD VERSTERKEN DE STAD.]
-
-Kapitein Ismael was ook over twee benden, n.l. de Spottende en de
-Lasterende Bloeddorstigen. Ook zijn vaandel was rood en zijn wapen:
-iemand, die Abrahams Isaäk bespotte. [Gen. 21 : 9, 10.]
-
-Kapitein Ezau had ook twee benden, n.l. de Murmureerende Bloeddorstigen
-en de Wraakgierige Bloeddorstigen. Eveneens was zijn vlag rood, maar
-zijn wapen was: iemand, die heimelijk loerde op Jakobs ondergang. [Gen.
-27 : 41-45.]
-
-Kapitein Saul voerde het bevel over de Bloeddorstigen, die zonder reden
-gebelgd waren, en diegenen, welke helsche woede openbaarden. Zijn rood
-vaandel was versierd met drie bloedige pijlen op David geworpen. [1 Sam.
-18 : 10; en 19 : 10; en 20 : 33.]
-
-Kapitein Absalon bestuurde de Bloeddorstigen, die om wereldsch voordeel
-wel een vader wilden vermoorden, en de mannen des bloeds, die
-vriendelijk met iemand omgaan tot zij hem het zwaard in het hart steken.
-Zijn rood vaandel voerde ten wapen een vadermoorder. [2 Sam. 15.]
-
-Kapitein Judas was gesteld over de voor geld verradende Bloeddorstigen
-en hen, die dit verraad plegen met een kus. Zijn rood vaandel droeg ten
-wapen dertig zilverlingen en een strop. [Matth. 26 : 14-16, 49.]
-
-Kapitein Paus had maar éene bende, want hij weet alle geesten tot een
-éen te brengen als zij onder hem dienst nemen. Ook zijne vlag was rood
-en zijn wapen vertoonde een brandstapel met een martelaar daarop.
-[Openb. 13 : 7, 8.]
-
-De reden nu waarom Diábolus zoo spoedig met deze nieuwe legermacht kwam
-opdagen was, dat hij zulk een groot vertrouwen stelde in deze mannen des
-bloeds; want hoewel zijne Twijfelaars hem tevoren veel dienst bewezen
-hadden zoo waren zij minder betrouwbaar gebleken; maar dit volk kon,
-naar hij dacht, de proef doorstaan. Hij wist dat deze mannen als
-bloedhonden zich vastklemden aan alles wat onder hun bereik kwam, al
-ware het vader of moeder, zuster of broeder, ja al ware het de vorst der
-vorsten in eigen persoon. Zelfs was het hun eenmaal gelukt Immanuel uit
-het koninkrijk Aardbodem te verdringen, waarom zouden zij nu niet
-hetzelfde doen met de stad Menschziel?
-
-Toen nu dit groote leger door generaal Ongeloof aangevoerd optrok, was
-juist de heer Toezicht uit Menschziel op kondschap uitgegaan, en bracht
-hij dan ook onmiddellijk tijding van hunne komst. Dadelijk werden de
-poorten gesloten en alles op voet van oorlog ingericht.
-
-Diábolus legerde zijne nieuwe Twijfelaars bij de Voelpoort en de
-Bloeddorstigen voor de Oog- en Oorpoorten. De heer Ongeloof zond nu in
-naam van Diábolus, van zichzelven, van de Bloedmannen en alle anderen
-eene opeisching aan Menschziel zoo heet als gloeiend ijzer, dreigende
-bij weigering aanstonds geheel Menschziel te verbranden. Het was er nu
-niet zoozeer om te doen de stad te veroveren dan wel om haar uit te
-roeien van onder de levenden. Al wilden zij zich overgeven, dat was nog
-niet genoeg; zij wilden het bloed der lieden van Menschziel uitzuigen;
-wanneer zij geen bloed slurpten, konden zij niet leven. Daarom had
-Diábolus ook die Bloedhonden tot het allerlaatste bewaard, om als alles
-vruchteloos bleek door hen de stad te verdelgen. [Jes. 59 : 7.] [Jer.
-22 : 17.]
-
-Toen nu de burgers deze gloeiende opeisching ontvangen hadden,
-veroorzaakte zij onder hen groote ontsteltenis, en liepen hunne
-gedachten zeer door elkander. Maar in minder dan een half uur tijds
-waren zij overeengekomen die opeisching tot den Prins te brengen, en
-schreven daaronder: „Heere, verlos ons van de mannen des bloeds!” [Ps.
-59 : 3.]
-
-Hij nam het geschrift aan, bezag en overwoog het; ook aanschouwde hij in
-gunst wat Menschziel daar zoo kort en bondig onder geschreven had. Toen
-riep hij den edelen kapitein Geduld en beval hem zijne macht met zich te
-nemen en goed op te letten naar dien kant, waar Menschziel nu belegerd
-was. Daarna belastte de Prins, dat kapitein Goede Hope, kapitein Liefde
-en de heer Vastewil de andere zijde der stad zouden bewaren. „En Ik”,
-zeide de Vorst, „zal mijn standaard planten op de wallen van het
-kasteel; waakt gijlieden tegen de Twijfelaars.” Ook beval hij nog, dat
-kapitein Ondervinding zijn volk op de markt zou laten exerceeren, en dat
-wel dag aan dag voor de oogen des volks.
-
-Deze belegering was langdurig en de vijand deed menigen verwoeden
-aanval, vooral de Bloeddorstigen, door welken zij menigmaal zeer onzacht
-behandeld werden. Maar aan Oor- on Oogpoort, waar kapitein
-Zelfverloochening de zorg was opgedragen, hadden zij de handen vol.
-Deze kapitein Zelfverloochening was nog jong,[63] maar zeer dapper en
-een burger van Menschziel evenals kapitein Ondervinding. Ook hij was
-over duizend manschappen aangesteld. Deze kapitein deed nu en dan een
-uitval op hen, en richtte dan veel schade onder den vijand aan; maar het
-liep voor hem niet geheel zonder kleerscheuren af; want hij droeg
-verscheidene litteekens.
-
- [63] ~Kapitein Zelfverloochening~ bewijst nu goede diensten. Inderdaad
- onder alle Christelijke deugden, die in het lijden geoefend worden, is
- zelfverloochening wel die, welke het meest geoefend wordt, en het
- eigen ik heeft daar eene leerschool om te worden verkleind en ten
- onder gebracht. Zelfverloochening is de tucht des Christens.
-
-[Afbeelding: DE AANRAKING DER LIPPEN.]
-
-Nadat er eenigen tijd was doorgebracht waarin het geloof, de hoop en de
-liefde van de stad Menschziel beproefd waren, riep Prins Immanuel op
-zekeren dag zijne kapiteins en oorlogsvolk samen en verdeelde hen in
-twee compagniën. Daarna beval hij hen op een bepaalden tijd zeer vroeg
-in den morgen op den vijand een uitval te doen, zeggende: „Laat de eene
-helft van u op de Twijfelaars aanvallen en de andere helft op de
-Bloeddorstigen. Die ge van de Twijfelaars in handen krijgt moet ge
-keelen zoodra het u mogelijk is; maar de Bloeddorstigen zult gij niet
-dooden, maar levend grijpen.”
-
-Zeer vroeg in den morgen had de uitval plaats. De kapiteins Goede Hoop
-en Liefde, Oprecht en Ondervinding trokken op de Twijfelaars aan, en de
-kapiteins Geloof, Geduld en Zelfverloochening op de Bloeddorstigen. De
-eerste helft marcheerde in slagorde voorwaarts; maar de Twijfelaars
-wachtten hen niet eenmaal af en gingen, gedachtig aan de laatste
-nederlaag voor ’s Prinsen volk, op de vlucht. Deze zaten hen na en
-doodden er velen, maar allen konden zij thans niet meester worden. Van
-degenen, die ontkwamen, gingen sommigen naar huis en anderen doolden
-als zwervelingen bij troepjes om. Intusschen deden zij heel wat kwaad
-bij de Barbaren, die zich evenwel niet tegen hen verzetten, maar zich
-gewillig tot slaven lieten maken. Daarna wilden zij zich nog wel eens
-vertoonen voor de muren der stad, maar dat duurde gewoonlijk niet lang,
-want als de kapiteins Geloof, Goede Hoop en Ondervinding zich maar even
-lieten zien, dan liepen ze haastig weg.
-
-Zij, die tegen de Bloeddorstigen uitgetrokken waren sloegen niemand
-dood, maar zij zochten hen slechts te omringen. Deze bloedmannen, ziende
-dat Immanuel niet in het veld was, meenden, dat hij ook niet in
-Menschziel was, en daarom zagen zij deze vreemde handelwijze aan als
-eene onhandigheid van de kapiteins. Zij verachtten hen daarom meer dan
-zij hen vreesden. Maar de kapiteins wisten wel wat ze deden en
-eindelijk, bijgestaan door de overigen, die de Twijfelaars hadden
-weggejaagd, kregen zij ze geheel in het net en namen ze allen gevangen.
-Ze zouden nu gaarne op de vlucht gegaan zijn, want hoe wreed en
-hardvochtig dat bloeddorstige volk ook zij wanneer ze regeeren, zijn ze
-lafhartig als ze eens gevoelen met hun meerdere kennis te maken. Zoo
-werden ze dan voor den Vorst gebracht.[64]
-
- [64] ~De mannen des bloeds worden gevonnisd~. Zeer fijn is hier de
- blik van den allegorist. De inwendige zonde moet zonder genade
- sterven; maar de uitwendige oorzaken tot zonde, afval of vervolging
- niet alzoo; zij worden nog gespaard sommigen om tot bekeering te
- komen, anderen om beter te worden ingelicht en anderen voor het
- oordeel Gods. Wij zien hier drie bronnen ~onwetendheid~, ~ijver zonder
- verstand~ en ~nijd~. „Ontfermt u wel sommiger”, zegt apostel Judas.
- Maar let nu eens op Saulus van Tarsen, die meende Gode een dienst te
- doen met de vervolging der broeders, die hij later lief kreeg. En
- Jezus bad, Vader vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen.
-
-Toen deze dit volk vóor zich had, bemerkte hij dat, ofschoon zij uit één
-land kwamen, zij toch in drie Graafschappen waren verdeeld. De eerste
-die voorkwamen waren uit het land der Blinden; deze hadden alles wat ze
-ooit misdeden in hunne onwetendheid gedaan. De tweede soort kwam uit het
-graafschap der Blinde IJveraars, en zij deden alles uit bijgeloof. De
-derde soort kwam uit het land der Boosheid uit de stad Nijd. Zij hadden
-gehandeld uit wraakzucht en onverzoenlijkheid. [1 Tim. 1 : 13-15.]
-[Matth. 5 : 44.] [Luk. 6 : 22.] [Joh. 16 : 1, 2.] [Handel. 9 : 5, 6.]
-[Openb. 9 : 20, 21.] [Joh. 8 : 40-43.]
-
-De eersten van dezen, n. l. die uit het land der Blinden kwamen, toen
-zij zagen waar zij zich bevonden en tegen wien zij gestreden hadden,
-beefden als een riet en stonden daar weenende voor den Prins. Zoovelen
-van hen als hem om genade smeekten, die raakte hij met zijn gouden
-schepter de lippen aan.
-
-Zij, die uit het land der Blinde IJveraars kwamen, verschilden hierin
-van de voorgaanden, dat zij voor hun recht pleitten, daar Menschziel
-eene stad was, wier zeden en gewoonten wijd verschillend waren van alle
-andere plaatsen. Zeer weinigen van deze soort konden er toe gebracht
-worden hun kwaad in te zien; maar die het deden en om genade smeekten,
-verkregen ook gunst van den Prins.
-
-En nu zij, die uit de stad Nijd in het landschap Boosheid kwamen, die
-weenden niet en die verdedigden zich ook niet, die hadden geen berouw,
-maar stonden daar hunne tong kauwende van angst en smart, omdat zij hun
-wraak op Menschziel niet konden ten uitvoer brengen. Deze laatsten nu
-met al de anderen, die geen pardon vraagden voor hun misdaden, liet hij
-stevig in banden slaan om zich weldra op den algemeenen gerechtsdag te
-verantwoorden over alles wat zij tegen Menschziel en haren koning
-bedacht en gedaan hadden. Die groote dag des oordeels zou voor het
-geheele rijk des Heelals worden gehouden en ieder zich afzonderlijk
-moeten vertoonen.
-
-En hiermede hebben wij genoeg gezegd van dit tweede leger, dat tegen
-Menschziel opgetrokken was.
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XVIII.
-
-„HOUD MOED! MENSCHZIEL!”
-
-
-Nu waren er nog een stuk of drie personen, die uit het land der
-Twijfelaars afkomstig waren, en na den nederlaag hier en daar
-rondgedoold hebbende, het eindelijk weer waagden de stad binnen te
-komen. Zij wisten, dat er nog oude Diábolus-mannen in Menschziel
-verborgen zaten. Ze durfden nergens anders aankloppen dan bij deze,
-daar de burgers hen niet geduld zouden hebben. Weldra ontmoetten zij in
-een achterhoek zekeren ouden schelm, die den naam droeg
-Twijfelaar-aan-het-kwaad. Bij hem moesten ze wezen, want hij was een
-echte Diábolus-man.[65] Deze schurk verwelkomde hen, beklaagde hun
-rampspoed en gaf hun ververschingen. Nadat dit geschied was vraagde hij
-hun, of zij allen uit éene stad waren, en zij antwoordden: „Neen, zelfs
-niet uit dezelfde provincie.” „Ik,” zeide de een, „ben nog een
-overgeblevene van de Twijfelaars aan de Verkiezing en deze mijn maat
-behoort onder de Twijfelaars aan de Roeping.” -- „En ik,” zeide de
-derde, „ben een Twijfelaar aan de Zaligheid, terwijl wij nog een gezel
-hebben uit de Twijfelaars aan de Genade.” Zij waren allen den ouden gast
-even welkom en hij ondervroeg hen verder naar het leger en den strijd,
-waarvan zij hem volledig bescheid gaven. „’t Was toch een flink leger
-van tienduizend Twijfelaars”, zeide de oude weer, „hoe kwam het dat gij
-zoo dra op de vlucht gingt?” -- „Onze generaal,” antwoordden zij, „was
-de eerste, die het op een loopen zette.” -- „Die lafaard! Wie was hij?”
--- „Wel, hij is vroeger Burgemeester van Menschziel geweest. Maar noem
-geen lafaard; want niemand heeft ooit Menschziel meer kwaad gedaan dan
-hij. Hij heet Ongeloof. Hadden ze hem gekregen dan zou hij stellig
-opgehangen zijn!” -- „Ik zou wel willen,” antwoordde de oude schurk
-weder, „dat deze 10000 Twijfelaars hier binnen de stad lagen en dat ik
-hun aanvoerder ware!” -- „O, mocht dat eens waar zijn!” riepen zij, en
-wel zóo luid, dat Twijfelaar-aan-het-kwaad hen vermaande toch zachtjes
-te spreken. -- „Waarom?” vraagden de Twijfelaars van buiten. „Wel, omdat
-de Prins zelf, de Oppergeheimschrijver en al hunne kapiteins en soldaten
-zich tegenwoordig binnen de stad ophouden. En bovendien is er een zekere
-heer Vastewil, een gezworen vijand van ons; deze is bewaarder der
-poorten, en zoekt allerlei slag van Diábolus-vrienden op om ze te
-dooden. Als hij u in den neus krijgt dan zijt gij weg al was ook uw
-hoofd van goud.”
-
- [65] ~Het complot wordt ontdekt~. Die oude Twijfelaar aan het kwade
- huisvest toch nog verborgen in de ziel en houdt bij zich in huis de
- vreemde Twijfelaars op on onthaalt hen. De twijfel in den vorm van
- ketterij komt nu nog voor den dag. ’t Is een overblijfsel van ’s
- vijands leger, maar ’t schijnt onschuldiger. Er is zelfs eene gedaante
- der godzaligheid, een omloop of bedekking van waarheden, maar een kern
- van leugen, die door Gods Woord openbaar wordt gemaakt en naar eisch
- bestraft.
-
-[Afbeelding: DE SAMENZWEERDERS GEVANGEN GENOMEN.]
-
-Maar ziet, terwijl zij spraken stond een getrouw soldaat van den heer
-Vastewil, die Naarstigheid heette, al luisterend onder den luifel van
-dit oude huis en hoorde alles wat er verhandeld werd. Die soldaat was
-een man, op wien de heer Vastewil staat maken kon en die hem innig
-liefhad. Hij ging onmiddellijk naar zijn overste, en vertelde hem alles.
-De heer Vastewil kende Twijfelaar-aan-het-kwade best; in den tijd van
-den afval waren ze goede vrienden, maar nu wist hij hem niet te wonen;
-daarom was hij zeer verheugd, dat Naarstigheid zijne woonplaats had
-ontdekt. Zoo gingen zij beiden dan naar de aangewezen plaats en toen
-vernam de heer Vastewil met eigen ooren wat er verhandeld werd. Hij
-aarzelde nu niet langer, maar trapte de deur open en legde de hand op
-het gespuis, waarna Getrouwe, de cipier, geroepen werd om hen naar de
-gevangenis te brengen. Nadat dit geschied was kreeg de Burgemeester er
-’s morgens bericht van en hij verheugde zich zeer over deze zaak, niet
-alleen omdat dit drietal was gevat, maar ook omdat die oude schavuit nu
-in den kerker zat, want hij was een groote onruststoker in Menschziel
-geweest en voor den Burgemeester persoonlijk een groote kwelling.
-
-Nu moesten die vijf lieden ook onderzocht worden, en op den bestemden
-dag vergaderde het hof en werden zij voor de balie gebracht. De heer
-Vastewil had macht genoeg om hen zonder vorm van proces stillekens van
-kant te helpen; maar het dacht hem meer tot eer van den Prins te wezen,
-tot troost van Menschziel en tot ontmoediging van den vijand, wanneer
-hij hen in het openbaar richtte. Toen de rechters dan gezeten en de
-getuigen bezworen waren, werden de gevangenen onderzocht. De rechters
-waren dezelfde, die Onwaarheid en Onbarmhartig met al de hunnen
-onderzocht en gevonnisd hadden.
-
-[Afbeelding: NAARSTIGHEID STAAT OP DE WACHT.]
-
-Eerst was de beurt aan den Ouden Twijfelaar-aan-het-kwaad; hij had de
-andere Twijfelaars geherbergd en verzorgd; men beval hem zijne
-beschuldiging te hooren, terwijl hij de vrijheid kreeg zich ook te
-verantwoorden. Zijne beschuldiging luidde:
-
-„Gij, Twijfelaar-aan-het-kwaad, wordt beschuldigd een inkruiper in
-Menschziel te wezen, dewijl gij van nature een Diábolus-man zijt, iemand
-die medegewerkt hebt tot het verderf der stad. Gij wordt hier ook
-beschuldigd, dat gij ’s konings vijanden hebt begunstigd en opgehouden,
-ja ze in uw huis hebt geherbergd en vriendelijk verzorgd, hun eten en
-drinken verleenende, in strijd met onze goede wetten. Gij hebt gewenscht
-aan het hoofd van een leger Twijfelaars te staan binnen de stad
-Menschziel om Diábolus macht hier weder groot te maken en de stad in
-zijne handen te spelen. Wat is uw antwoord?”
-
-„Mijnheer,” zeide hij, „ik begrijp de beteekenis van deze
-beschuldiging niet. Want de man, die door u beschuldigd wordt, heet
-Twijfelaar-aan-het-kwaad; ik heet daarentegen Nauwkeurig-Onderzoek. Er
-moet dus een groot misverstand wezen, daar ik, vredelievend mensch, die
-bang ben van iemand kwaad te denken, hier voor de rechters ben geroepen.
-Ik vertrouw, dat de heeren dat onderscheid zullen inzien; ik geloof
-toch, dat men wel ter dege nauwkeurig onderzoek mag instellen zelfs
-onder de slechtste menschen zonder daarom strafschuldig te zijn.”
-
-Toen sprak de heer Vastewil, want hij was een der getuigen: „Mijne
-Heeren, Eerwaardige rechters, Magistraten van de stad Menschziel! gij
-hebt allen gehoord met uwe ooren, dat deze gevangene zijn naam ontkent
-en daarmede zijne beschuldiging meent te ontloopen; maar ik weet wie hij
-is en hoe hij heet. Ik heb hem meer dan dertig jaar gekend; want hij en
-ik waren tot mijne schaamte vroeger gemeenzame vrienden, toen Diábolus
-heerschappij voerde over onze stad.
-
-Ik getuig, dat hij een Diábolus-man is van natuur, een groote vijand van
-onzen Prins Immanuel en de stad Menschziel. Hij heeft in den tijd van
-den opstand zeker twintig nachten in mijn huis gelogeerd. Ik heb hem nu
-in langen tijd niet gezien en geloof ook, dat hij bij de komst van
-Immanuel zijne vroegere woning heeft verlaten. Maar hij is de man en
-niemand anders!”
-
-Het hof sprak toen tot den gevangene: „Hebt gij niets meer te zeggen?”
--- „Ja, Mijneheeren,” zei hij, „want al wat daar tegen mij is ingebracht
-komt slechts uit éen mond; het is niet wettig iemand ter dood te brengen
-op eene getuigenis van minder dan twee.”
-
-Toen stond Naarstigheid op en zeide: „Mijneheeren, toen ik op zekeren
-nacht op wacht stond hoorde ik om den hoek der Kwade straat in het huis
-van dezen grijsaard praten; ook bemerkte ik dat daar buitenlanders bij
-waren, die niet veel goeds in den zin hadden.” Ik dacht: wat hoor ik
-daar toch? en zachtjes nadertredende, dicht bij het venster van zijn
-huis om goed te luisteren of ik het niet wèl had, dat daar eene
-samenrotting plaats had van Diábolus-mannen. Ik hoorde nu eene
-uitlandsche taal, maar daar ik veel gereisd heb, verstond ik die wel.
-Zulk eene taal hoorende in zulk een armoedig kot als waar deze mensch
-woont, zoo legde ik mijn oor aan een kier van het luik en vernam toen
-het volgende. Deze oude heer Twijfelaar-aan-het-kwaad vraagde aan de
-andere Twijfelaars wat zij voor volk waren, waar zij vandaan kwamen en
-wat zij hier deden? En zij antwoordden op al die vragen. Hij vraagde
-mede hoe sterk zij geweest waren, en zij zeiden: tienduizend man. Hij
-vraagde hun ook waarom zij geene meerdere mannelijke aanvallen op
-Menschziel beproefd hadden? Zij zeiden, omdat hun kapitein zoo
-bloohartig was, dewijl hij op de vlucht was gegaan in plaats van voor
-zijn vorst te strijden. Toen wenschte die oude schelm daar, (ik heb het
-nauwkeurig gehoord) dat al die tienduizend Twijfelaars in de stad
-mochten wezen, en dat hij aan hun hoofd mocht zijn gesteld om met hen
-overwinningen te behalen. Hij gebood hun ook zeer stil te spreken en
-zich zeer verborgen te houden; want zeide hij, „als ze u vinden en
-krijgen, dan moet gij er aan als was ook uw hoofd van enkel goud.”
-
-Hierop zeide het hof: „Wel Twijfelaar-aan-het-kwaad, hier is nu de
-tweede getuige tegen u en zijne getuigenis is volkomen in orde. Hij
-zweert, dat die mannen bij u waren, dat gij ze vriendelijk ontvingt en
-met hen beraadslaagdet in stilte opdat het niet gehoord werd.”
-
-Hij antwoordde: „Dat die mannen in mijn huis kwamen is waar; maar is het
-dan eene misdaad vreemdelingen te herbergen? Wat dien wensch aangaat,
-dat een leger Twijfelaars in de stad mocht komen daarvan is niets tegen
-getuige gezegd. Wel wenschte ik dat volk daar, om gevat te worden ten
-goede van Menschziel, en den raad, dien ik hun gaf, komt alleen omdat ik
-zoo ongaarne zie dat menschen gestraft worden; ik gun niemand iets
-kwaads, zelfs niet aan de vijanden.”
-
-Maar de Burgemeester antwoordde, dat het wel eene deugd was
-vreemdelingen te herbergen, maar geen vijanden van den koning, dat was
-verraad; maar dat het in ieder geval voldoende is een Diábolus-man te
-wezen om des doods schuldig te zijn.
-
-„Ik zie wel,” sprak hij, „hoe deze zaak zal afloopen; ik moet sterven
-wegens mijn naam en mijne herbergzaamheid!”
-
-Toen werden de buitenlandsche Twijfelaars voor het gerecht geroepen.
-Eerst kwam Twijfelaar aan de Verkiezing voor. Zijne beschuldiging werd
-gelezen, en daar hij een buitenlander was, bracht een tolk die in zijne
-taal over; te weten, dat hij een vijand van Immanuel was, een hater van
-de stad Menschziel en hare wetten.[66]
-
- [66] ~Twijfelaar aan verkiezing~, ~Roeping~ enz. Bunyan heeft hier het
- oog op Rom. 8 : 29. De trap, die hier voorgesteld wordt en door de
- ziel langzamerhand verstaan, geeft de daden Gods aan beginnende bij de
- eeuwigheid, de verkiezing of voorverordineering, en eindigend evenzeer
- in de eeuwigheid -- de verheerlijking! Men lette evenwel op het
- onderscheid, tusschen aan eene zaak te twijfelen, omdat zij ons nog
- niet recht duidelijk is, en haar geheel te betwijfelen.
-
-De rechter vraagde hem of hij wilde pleiten: maar hij antwoordde, dat
-hij bekende een Twijfelaar aan de Verkiezing te zijn. Dat was zijn
-godsdienst, waarin hij opgebracht was, en moest hij nu om zijn
-godsdienst sterven, zoo stierf hij als martelaar.
-
-Daarop werd hem gezegd, dat het in twijfel trekken der Verkiezing gelijk
-stond met het loochenen van een groot en voornaam leerstuk van het
-Evangelie. Het was een verwerpen van de alwetendheid, macht en
-souvereiniteit van God, die met zijne schepselen handelde naar zijn
-welbehagen. Daardoor zou men de stad Menschziel doen struikelen in haar
-geloof en maken, dat zij hare zaligheid zocht in de werken en niet in de
-genade. Daarom moest hij naar de landswet sterven.
-
-[Afbeelding: DWAASHEID OPGEHANGEN.]
-
-Toen kwam Twijfelaar aan de Roeping en werd verhoord. Zijne
-beschuldiging kwam in hoofdzaak met de vorige overeen, behalve dat hij
-ook de Roeping van Menschziel loochende.
-
-De rechter gaf ook hem gelegenheid zich te verdedigen. Hij antwoordde,
-dat hij nooit kon gelooven, dat er zulk eene bijzondere en krachtige
-roeping bestond als Menschziel vermeende, maar alleen een algemeene
-roeping, eene roepstem van het woord, en dat God op geene andere wijze
-aan de ziel werkte dan door vermaning tot het vermijden van het kwaad en
-betrachten van het goed met eenige daarbij gevoegde beloften.
-
-Daarop liet zich de rechter aldus hooren: „Gij zijt een Diábolus-man en
-hebt een groot deel van de beproefdste waarheden van Prins Immanuel
-ontkend; want hij heeft Menschziel geroepen en zij heeft eene zeer
-bepaalde en krachtige stem van haren Vorst gehoord, door welke zij
-levend geworden is en met hemelsche genade vervuld; toen is zij begeerig
-geworden met haren Vorst gemeenschap te oefenen, hem te dienen, zijn wil
-te doen en al hare zaligheid te verwachten van zijn welbehagen. Omdat
-gij nu deze goede leer verworpen hebt zult gij den dood sterven.”
-
-Daarop kwam de Twijfelaar aan de Genade en hoorde zijne beschuldiging
-aan, waarop hij antwoordde, dat ofschoon hij al geleefd had in het land
-der Twijfelaars zijn vader een farizeër was, die in zuivere vormen
-leefde, en temidden zijner buren geacht was, en dat deze hem onderwees
-en leerde gelooven, dat Menschziel nooit door vrije genade zalig zou
-worden.
-
-De rechter antwoordde: „De wet is in dezen zeer duidelijk, want die zegt
-ten eerste: ~niet uit de werken~, ontkennenderwijs en daarna: ~uit
-genade zijt gij zalig geworden~. Uw Godsdienst is naar het vleesch en
-zijne werken, en de werken des vleesches behooren ten onder te worden
-gebracht. Bovendien berooft gij God van zijne eere en geeft dien aan een
-zondig menschenkind. Gij verklaart, dat Christus werk niet noodzakelijk,
-genoegzaam en voldoende was. Gij versmaadt het werk des Heiligen Geestes
-en steunt op den vleeschelijken wil. Gij zijt een Diábolus-man; de zoon
-van een Diábolus-man en daarom moet gij sterven.” [Rom. 3. Efez. 2.]
-
-Toen het hof zoover genaderd was gingen de rechters met elkander
-raadplegen en keurden hen allen des doods schuldig. De Griffier
-opstaande zeide tot de gevangenen: „Gij, die hier voor den rechterstoel
-staat, zijt allen wettig onderzocht en schuldig bevonden aan hoog
-verraad tegen Immanuel onzen Vorst en Menschziel gesmeed. Uw vonnis is
-eenerlei; gij moet sterven.”
-
-En onmiddellijk werd tot de uitvoering van dit vonnis overgegaan. Allen
-werden gekruisigd op de plaats, waar Diábolus zijn laatste leger
-samentrok; alleen de Twijfelaar-aan-het-Kwaad werd aan zijne eigen deur,
-op den hoek der Kwade straat opgehangen.
-
-Zoo was Menschziel van deze hare vijanden verlost: maar nu werd
-nog een strikt bevel gegeven dat de heer Vastewil met zijn dienaar
-Naarstigheid nog voortvaren zouden, het overschot van het complot
-op te sporen. Hunne namen waren Slecht, Goed-Verwerper, Slaafsche
-vrees, Zonder-Liefde, Wantrouwen, Vleesch en Onwillig. Ook de kinderen
-van Twijfelaar-aan-het-kwaad moesten worden gevat en zijne woning
-afgebroken. De kinderen heetten Twijfel, Wettisch, Ongeloof,
-Verkeerde-Gedachten-van-Christus, Belofte-besnoeier, Gevoelsleven en
-Eigenliefde. Hunne moeder was vrouw Zonder-hoop, eene nicht van den
-ouden Ongeloof en eene dochter van baas Duister.
-
-De heer Vastewil voerde dit bevel uit. Hij ving Slecht bij den weg, en
-hing hem op tegenover den Molsgang. Deze Slecht had kapitein Geloof in
-Diábolus handen overgegeven. Ook Goedverwerper werd op de markt gevat en
-gevonnisd. Binnen de stad leefde nu nog een arme vrome man, die
-Overdenking heette. Hij had in de dagen van den afval weinig attentie
-getrokken, maar nu was hij in achting. Hem werd nu al het bezit van
-Goedverwerper overgegeven, zoodat hij rijk werd en met zijne vrouw
-Vroom, des Griffiers dochter en zijn zoon Weldenkend in vreugde leefde.
-
-Nu werd nog Belofte-besnoeier gevat, een groot booswicht, die heel wat
-van ’s konings geld besnoeid had. Hij werd veroordeeld om te pronk te
-staan en door alle inwoners van Menschziel gegeseld te worden. Daarna
-moest hij hangen. Die straf was wel gestreng maar niet onverdiend; want
-alle eerlijke handelaars weten welk kwaad de geldsnoeiers uitvoeren.
-
-[Afbeelding: HUISZOEKING NAAR VLEESCHELIJK GEVOELEN.]
-
-Men ving ook Vleeschelijk gezind en zette hem vast, maar hij brak los en
-ontkwam. Die leelijkert hield zich daarna schuil binnen de stad, en
-spookte des nachts rond als de lieden sliepen. Daarom werd er eene
-kennisgeving uitgevaardigd, dat al wie hem in Menschziel vond, hem
-vangen en dooden moest, en tot loon zou hij aan ’s konings tafel eten en
-bewaarder der schatten worden. Maar hoevelen er ook op uitgingen, ze
-konden hem maar niet te pakken krijgen.
-
-Ook Verkeerde Gedachten werd gegrepen; maar deze had reeds de tering en
-stierf daaraan. Eigenliefde onderging hetzelfde lot; velen in Menschziel
-waren met hem vermaagschapt en wilden hem dus sparen; maar de heer
-Zelfverloochening zeide: „Indien zulke booswichten binnen Menschziel
-geduld worden, dan leg ik mijn post neer!” Hij ontrukte hem dus aan het
-volk en sloeg hem de hersens in. De dappere daad van den kapitein hoorde
-de Prins en deze verhief hem tot den adelstand. Ook de heer Vastewil
-ontving lof voor zijn ijver.
-
-Nu grepen die twee een bijzonderen moed en vielen samen op Gevoelsleven
-en Wettisch aan, hen inkerkerend tot ze stierven. Maar Ongeloof was zulk
-een looze vos, dat ze hem niet machtig konden worden wat zij ook deden.
-Hij en enkele anderen bleven daarom nog over totdat Immanuel zelf hen
-zou verdelgen. Toch bleven zij in kuilen en spelonken, en werden ze soms
-gezien, dan zette de gansche stad hen na. Ja, zelfs wierpen de kinderen
-hen met steenen. Nu geraakte Menschziel in een staat van vrede en rust;
-haar vorst bleef bij haar, de kapiteins ondersteunden haar, de soldaten
-deden hun plicht en zij zelve dreef veel koophandel met een vergelegen
-land. [Jes. 33 : 17.] [Phil. 3 : 20.]
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XIX.
-
-IMMANUELS TOESPRAAK TOT MENSCHZIEL.
-
-
-Nu bepaalde de Prins een zekeren dag,[67] waarop hij op de markt het
-gansche volk bijeen wilde zien, hun bevelen geven aangaande de toekomst;
-hun zeggende wat tot hun troost zou dienen en tot verderf der
-Diábolus-mannen. Op dien dag kwam hij aanrijden op zijn wagen en al de
-zijnen omringden hem in groot uniform. De Prins opende den mond en sprak
-aldus:
-
- [67] ~De Prins bepaalde een dag~, waarop allen op de markt naar hun
- kwamen luisteren. Wat in de Christenpelgrimsreis het land Beulah
- genoemd wordt is de toestand der ziel, die nu gereinigd en geheiligd,
- in het genot der gemeenschap met haren Immanuel verkeert. Hij spreekt
- liefelijke woorden tot haar, troost haar en vermaant haar. Maar er
- volgen ook waarschuwingen. Hij leidt haar terug al den weg, dien zij
- gegaan heeft in afdwaling en bekeering, voor het eerst en bij
- vernieuwing. Wij zouden dit laatste hoofdstuk wel de sleutel kunnen
- noemen tot al de voorgaande, waarin de schrijver zelf alles uitlegt en
- verklaart.
-
-„O, gij mijn geliefd Menschziel. Vele en groot zijn de voorrechten, die
-ik aan u heb te koste gelegd. Ik heb u van anderen afgezonderd en voor
-mijzelven uitverkoren, niet wegens uwe waardigheid, maar om mijns naams
-wil. Ik heb u ook verlost, niet alleen van de verschrikkingen van mijns
-Vaders wet, maar uit Diábolus hand. Dit deed ik omdat ik u liefheb, en
-omdat ik er mijn hart op gezet heb om u wèl te doen en u den weg tot de
-hemelsche vreugd te banen. Daarom heb ik ook voor u en voor uwe ziel
-eene volkomen genoegdoening gegeven, en u mij tot een eigendom gekocht.
-Dit geschiedde niet tot een vergankelijken prijs, maar dien mijns
-bloeds, hetwelk ik vrijwillig op de aarde heb uitgestort om u de mijne
-te maken. Daar ik u volkomen met mijn Vader heb verzoend, zoo heb ik u
-ook eene woning besteld bij mijn Vader in de Koninklijke stad, waar
-dingen zijn, o Menschziel, die geen oog gezien heeft en geen oor
-gehoord, en in geens menschen hart zijn opgekomen. Daarenboven weet gij
-hoe ik u heb gered uit de hand van al uwe vijanden, die u tegen mijn
-Vader deden rebelleeren en die u ten verderve zouden hebben gebracht.
-Eerst kwam ik tot u met mijne Wet, daarna met mijn Evangelie om u te
-doen ontwaken en u mijne heerlijkheid te toonen, en gij weet wat gij
-waart, wat gij zeidet, wat gij deedt, en hoe dikwijls gij tegen mijn
-Vader en mij opstondt. Nochtans heb ik u niet verlaten zooals gij heden
-te dage ziet; maar ik ben tot u gekomen; ik heb geduld met u gehad, op u
-gewacht, en u daarna omhelsd uit enkel genade en goedertierenheid.
-Hoewel gij u moedwillig in het verderf hadt gestort, zoo wilde ik zulks
-toch niet gedoogen. Ik omringde u, ik onderwierp u, ik bracht er uw hart
-toe om uwe zaligheid niet langer te verwaarloozen. En toen ik nu eene
-volkomen overwinning op u behaald had, zoo gebruikte ik die tot uw
-voordeel.
-
-„Gij ziet ook welk een groot getal van mijns Vaders heirmacht binnen uwe
-muren gelegerd zijn, die tot onderwerping uwer vijanden dienst doen. Gij
-kent al mijne kapiteins, bevelhebbers, soldaten, oorlogstuig van
-buitengewone kracht, zooals het in geen ander koninkrijk voorkomt in
-alle deelen van het heelal. Mijne dienstknechten zijn ook de uwe tot
-bescherming en reiniging en heerlijkheid; want gij zijt geschapen om
-alzoo toebereid te worden. Daarenboven weet gij hoe ik uwe afkeeringen
-heb genezen. Ja, ik ben toornig op u geweest, maar mijn toorn is nu van
-u afgekeerd en heeft uwe vijanden getroffen. Niet wegens uwe goedheid,
-maar omdat ik u bleef liefhebben. Alleen wegens uwe ongerechtigheid heb
-ik mijn aangezicht eene wijle voor u verborgen. De afkeering kwam van u,
-maar de wederkeer van mij. Ik maakte uwe zoetigheid tot bitterheid, uw
-dag tot nacht, uw effen weg tot een doornig pad, tot beschaming van
-allen, die uw verderf zochten. Ik was het, die maakte, dat Vreeze-Gods
-Menschziel niet verliet. Ik wekte uw geweten op, uwen wil en uwe
-genegenheid tegelijk met uw verstand. Ik gaf weder leven in u opdat mijn
-Menschziel mij zoeken zou, en daarmede vondt gij genezing, geluk en
-zaligheid. Ik verdreef voor de tweede maal het Diábolus-complot en
-overwon het met mijn aangezicht.
-
-[Afbeelding: DE DOOD VAN EIGENLIEFDE.]
-
-„En nu, mijn Menschziel, ik ben tot u wedergekeerd in vrede en al uwe
-overtredingen tegen mij zijn uitgedelgd alsof ze niet geschied waren.
-Ook zal het u niet vergaan als in het begin, maar ik zal nog meer, nog
-grooter dingen voor u doen. Nog eenen kleinen tijd -- o ontzet u
-daarover niet, wees niet bevreesd -- maar ik zal u afbreken en al uwe
-steenen en uw houtwerk en muren overbrengen naar mijn eigen land, het
-koninkrijk mijns Vaders, en bouwen u daar weder op, veel heerlijker dan
-gij nu zijt, opdat mijn Vader in u wone. Ja, gij zult veel heerlijker
-worden dan eenig koninkrijk op aarde. Daartoe is dan ook uwe stad in den
-aanbeginne bestemd; ik zal haar maken tot een gedenkzuil mijner
-ontferming, ja, tot een wonderteeken. Daar zullen dan de ingezetenen van
-Menschziel dat alles zien, wat zij hier niet vermochten te aanschouwen
-en hen, die hen overtreffen, gelijken. Daar zult gij in gemeenschap met
-mij, met mijnen Vader en zijn Oppergeheimschrijver genieten wat hier
-nooit genoten kan worden al leefdet gij hier ook duizend jaar.
-
-„Dáar zult gij niet meer vreezen voor de moordenaars en Diábolus en de
-zijnen zullen u niet meer verschrikken. Daar zullen geen samenzweringen
-meer tegen u gesmeed worden, noch voornemens tegen u gedacht; dáar zult
-gij geen kwaad gerucht meer hooren noch iets, dat u verschrikt. Ook
-Diábolus trommel niet, die u deed beven. Daar zult gij ook geene
-kapiteins of oorlogsmannen meer behoeven. Smart noch jammer overkomt u
-meer. Daar zal geen heuvel noch bolwerk meer tegen u worden opgeworpen,
-en Diábolus zal er zijn standaard niet meer planten, die ontzettende,
-verschrikkelijke standaard! Daar zal u droefheid noch rouw meer
-ontmoeten, en nooit of nimmer zal eenig Diábolist de macht hebben u
-weder te bekruipen, zich in uwe grachten te legeren of in uwe wallen te
-nestelen, of zich binnen uwe grenzen te vertoonen, alle de dagen der
-eeuwigheid. Het leven zal daar langer duren dan gij het hier zoudt
-kunnen begeeren en nochtans zal het altijd zoet en nieuw zijn, door
-geene kwalen des ouderdoms ooit gekweld; zonder de minste stoornis of
-hinder tot in der eeuwen eeuwigheid. Daar zult gij er velen ontmoeten,
-die als gij gedeeld hebben in ellende en smart, die ik ook heb
-uitverkoren en verlost en voor mijns Vaders hof bewaard. Zij zullen zich
-in uw geluk verheugen en gij u in het hunne.
-
-„Er zijn dingen in mijns Vaders paleis, o Menschziel, die nooit gezien
-zijn van het begin der wereld af, die mijn Vader in zijn schathuis heeft
-opgelegd; die dingen zullen u verblijden. Ik heb u gezegd, dat ik u
-verplaatsen wil en elders overplanten, en daar zal ik u vaststellen en
-bevestigen, waar zij zijn, die u beminnen; die zich nu reeds van uit de
-verte over u verblijden; maar hoeveel grooter zal hunne vreugde zijn als
-zij u in zulk een staat van eer en heerlijkheid bij zich zien! Mijn
-Vader zal om u zenden om u te laten halen en zij zullen u met zich
-voeren en u veilig geleiden naar de eeuwige woningen. Zoo heb ik u dan
-alles getoond wat na dezen met u geschieden zal, maar nu zal ik u ook
-zeggen wat uwe roeping is, en wat gij te doen hebt tot ik u bij mij kom
-halen, volgens hetgeen daarvan gezegd is.
-
-„Eerstens zult gij uwe kleederen witter houden dan ooit. Ik had ze u
-gegeven zonder vlek of rimpel toen ik de eerste keer bij u kwam, maar
-gij hebt ze bezoedeld en verkreukt. Pas er nu beter op, dat zal wijs van
-u wezen. Ze zijn wit uit hunnen aard; maar houdt ze zoo wat ik u bidden
-mag; dit zal uw wijsheid en uwe eere zijn. De koning zal lust hebben in
-uwe schoonheid, en de wereld zal zien, dat gij de mijne zijt. Gij weet
-dat daar eene fontein geopend is voor alle onreinheid; wasch ze daarin
-voortdurend. Als uwe kleederen wit zijn zal de wereld u als de mijnen
-aanzien. Als uwe kleederen wit zijn dan heb ik vermaak in uwe gangen;
-want dan zullen uwe voetstappen overal wezen gelijk aan een
-bliksemstraal, zoodat allen, die het aanschouwen, hunne oogen voelen
-schemeren. Versier u derhalve met mijne geboden en maak rechte gangen
-voor uwe voeten naar mijne wet. Dan en zóo zal de koning lust in uwe
-schoonheid hebben; daar hij uw Heer is zoo buig u voor hem neder. [Ps.
-15.]
-
-„Verzuim daarom vooral niet, o mijn Menschziel, gebruik te maken van
-mijne fontein. Opdat gij uwe kleederen rein en onbesmet zoudt houden
-gelijk ik u bevolen heb, heb ik juist die fontein voor u daargesteld.
-Neem daarom telkens weer de moeite ze te wasschen en wandel nooit in een
-vuil gewaad. Niet alleen dat dit mij tot oneer en smaad verstrekt en mij
-op het allermeeste mishaagt, maar het zal uzelven ook zeer tot nadeel
-strekken en u van allen troost berooven. Laat daarom uwe kleederen of
-eigenlijk mijne kleederen, die ik u gegeven heb, niet door het vleesch
-bezoedeld of bevlekt worden. Houd ze wit en laat op uw hoofd geene
-olie ontbreken. [Zach. 13 : 1.] [Jud. : 23.]
-
-[Afbeelding: IK LEEF EN GIJ ZULT LEVEN.]
-
-„Mijn geliefd Menschziel! ik heb u dikwijls verlost van de aanslagen,
-complotten, samenzweringen en aanvallen van Diábolus, en voor dit alles
-eisch ik niets van u dan dat gij mij geen kwaad voor goed vergeldt; maar
-dat gij in uw gemoed mijne liefde bewaart en nooit de duurzaamheid
-mijner genegenheid tot Menschziel vergeet. Laat dit vooral u aansporen
-te wandelen in den u voorgestelden regel, gedachtig aan al de weldaden,
-die ik aan u heb besteed. Van ouds waren de offerdieren met touwen aan
-het altaar verbonden. Gedenk wat ik u gezegd heb, o mijne rijk gezegende
-en beweldadigde!
-
-„O, mijn Menschziel, ik ben levend en ben dood geweest. Ik leef en zal
-niet meer sterven. Ik leef opdat gij niet sterft. Omdat ik leef zult ook
-gij leven. Ik verzoende u door het bloed van mijn kruis, en verzoend
-zijnde zult gij leven door mij. Ik zal voor u bidden en voor u strijden.
-Niets kan u kwaad doen dan de zonde, niets kan u voor uwe vijanden doen
-vreezen dan de zonde. Niets kan u ontsieren en verachtelijk maken dan de
-zonde. Pas daarom op voor de zonde.
-
-„En weet gij waarom ik nog toeliet, dat er Diábolusmannen in uwe muren
-wonen? Dat is om u waakzaam te doen blijven en u te doen zien wat gij
-aan mijn kapiteins en legerbenden hebt, en wat mijne genade voor u is.
-Het is ook opdat gij zoudt weten in welk een beklagenswaardigen staat
-gij eens waart; ik meen toen niet alleen sommigen maar allen, niet
-slechts binnen uwe muren, maar ook binnen uw kasteel, in uwe forteressen
-woonden, o, Menschziel! Al zou ik ze allen slaan, die daar binnen zijn,
-daar zijn er zooveel buiten u, die u in slavernij zouden voeren. Waren
-de vijanden binnen in u geheel vernietigd, die van buiten zouden u
-slapende vinden. Dan zouden zij als in een oogenblik mijn Menschziel
-opzwelgen. Ik heb hen derhalve nog in u gelaten, maar niet tot hinder of
-schade voor u (hoewel zij dat zeer begeeren), maar ten uwen beste,
-waartoe zij dus moeten medewerken, zoo gij maar waakt en bidt en
-strijdt. Weet derhalve, dat waartoe zij u ooit verzoeken mogen, het
-nooit mijn oogmerk is, dat u dit verre van mij drijve, maar juist
-integendeel dichter tot mijnen Vader en mij brenge, en u leere klein in
-eigen oog te zijn. Wees dus op uwe hoede en strijd den goeden strijd des
-geloofs. Toon mij uwe liefde en laat niets anders uwe genegenheid
-opwekken. Bedenk voortdurend wat mijne kapiteins en soldaten voor u
-hebben gedaan en wees dankbaar. Voed ze en verzorg ze, want dat komt
-Menschziel ten goede. Toon mij dan uwe liefde, o, mijn Menschziel! en
-laat hen, die binnen uwe muren zijn, uwe genegenheden nooit aftrekken
-van hem, die u verlost heeft. Ja, laat het gezicht van een Diábolonist
-uwe liefde tot mij nog versterken. Ik ben een- en andermaal gekomen om u
-te bevrijden van de giftige pijlen, die u den dood zouden hebben
-aangedaan: kom dan nu ook op voor mij, uwen vriend, o Menschziel! en sta
-tegenover alle Diábolusmannen pal, en ik zal uwe zaak verdedigen voor
-mijn Vader en zijn gansche hof. Heb mij lief temidden van alle
-verzoekingen en ik zal u liefhebben niettegenstaande al uwe zwakheden.
-
-„Bedenk, o Menschziel, wat mijne kapiteins, soldaten en oorlogstuigen
-voor u gedaan hebben. Zij hebben voor u gestreden; zij hebben om
-uwentwil veel geleden; zij hebben heel wat van u verdragen, en bleven
-toch uwen welstand bevorderen. Hadt gij hen niet gehad om u te helpen,
-Diábolus had zeker een eind aan u gemaakt. Koester hen dan, mijne
-geliefde, en verzorg hen goed. Als gij u wel gedraagt zullen zij u ook
-zeer genegen zijn en u veel liefde bewijzen. Wanneer gij hen kwalijk
-handelt zullen zij krank worden en zeer verzwakken. Maak mijne kapiteins
-niet ziek; want zoo zij krank zijn kunt gij niet sterk wezen; zoo zij
-verflauwen of bezwijken kunt gij niet dapper of kloekmoedig wezen voor
-uwen koning. Ook moogt gij niet altijd leven bij gevoel, maar door het
-geloof aan mijn woord. Ook moet gij dat doen als gij mij niet ziet en ik
-van u verwijderd schijn; ik draag u toch eeuwig op mijn hart. Bedenk,
-geliefde, hoe innig ik u bemin en hoe getrouw mijne liefde is. Ik leg u
-geen anderen last op dan dien gij reeds kent en draagt. Houd wat gij
-hebt opdat niemand uwe kroon neme. Waak totdat ik kom!”
-
-
-
-
-INHOUD.
-
-
- Bladz.
- HET LEVEN VAN JOHN BUNYAN 3
-
- I. ZIJNE GEBOORTE EN OPVOEDING 3
- II. ZIJNE BEKEERING EN BELIJDENIS 8
- III. ZIJN LIJDEN OM DES GEWETENS WIL 14
- IV. ZIJNE BEDIENING ALS HERDER EN LEERAAR 19
- V. ZIJN LOOPBAAN ALS SCHRIJVER 22
- VI. ZIJN LEVENSEIND 28
-
-
- INLEIDING 31
-
- I. MENSCHZIEL, HAAR OORSPRONG EN AFVAL 33
- II. VOORBEREIDSELEN OVER EN WEER 50
- III. DE KAPITEINS VAN EL-SCHADDAÏ. HET BELEG 58
- IV. IMMANUELS LEGER. DE AANVAL 80
- V. DE CAPITULATIE EN HARE GEVOLGEN 98
- VI. INTOCHT VAN DEN VORST 118
- VII. EENEN MEESTER DIENEN 124
- VIII. DE NIEUWE GRONDWET 138
- IX. GEVAAR VOOR MENSCHZIEL 150
- X. EEN DIABOLISCH COMPLOT 158
- XI. HET COMPLOT ONTDEKT 170
- XII. HET SMEEKSCHRIFT VAN MENSCHZIEL 178
- XIII. EEN MIDDERNACHTELIJKE UITVAL 183
- XIV. „ZIET, HIJ BIDT!” 188
- XV. DE BELOFTE VAN ZIJNE KOMST 193
- XVI. DE TERUGKOMST VAN DEN VORST 202
- XVII. HET LEGER DER MANNEN DES BLOEDS 206
- XVIII. „HOUD MOED, MENSCHZIEL!” 210
- XIX. IMMANUELS TOESPRAAK TOT MENSCHZIEL 218
-
-
-
-
- Opmerkingen van de bewerker
-
-
- In de browserversie van dit boek (zie www.gutenberg.org) zijn ook de
- illustraties en versierde tekstkaders zichtbaar, mogelijk ontbreken
- die in andere versies, afhankelijk van de gebruikte hard- en software
- en hun instellingen.
-
- Inconsistenties in taalgebruik (spelling, afbrekingen, spatiëring,
- gebruik van hoofdletters, enz.) zijn niet veranderd, behalve zoals
- hieronder aangegeven. Dit geldt ook voor eigennamen, waarvan
- verschillende varianten in het boek voorkomen. Op verschillende
- plaatsen lijken woorden weggevallen te zijn; deze zijn niet toegevoegd
- behalve zoals hieronder aangegeven; evenmin zijn ongebruikelijke of
- foute zinsconstructies gecorrigeerd.
-
- Pag. 186, [Rom. 7.]: mogelijk is het versnummer weggevallen.
- Pag. 222, [Jud. : 23.]: waarschijnlijk is het hoofdstuknummer
- weggevallen.
-
-
- Aangebrachte veranderingen:
-
- Overduidelijke (zet)fouten zijn stilzwijgend gecorrigeerd;
- aanhalingstekens en andere leestekens zijn waar nodig stilzwijgend
- toegevoegd of gecorrigeerd.
-
- In het originele werk zijn drie soorten noten aanwezig: genummerde
- voetnoten, ongenummerde voetnoten en noten in de tekst (met
- verwijzingen naar Bijbelboeken). De ongenummerde voetnoten zijn
- behandeld als voetnoten, waarbij de verwijzing op de meest geëigende
- plaats in de betreffende pagina is ingevoegd. Beide soorten voetnoten
- zijn verplaatst naar het einde van de betreffende alinea. De noten in
- de tekst zijn [tussen vierkante haken] aan het eind van de betreffende
- alinea geplaatst.
-
- Pag. 8: Nummer II. toegevoegd
-
- Pag. 64: brondocument: waartoe gij hem tot koning aangenomen?
- veranderd in: waartoe hebt gij hem tot koning aangenomen?
-
- Pag.76: brondocument: Desniettemin belegerden zij met alle macht het
- huis, waar hij was om het boven zijn hoofd te laten instorten
- veranderd in: Desniettemin belegerden zij met alle macht het huis waar
- hij was, om het boven zijn hoofd te laten instorten
-
- Pag. 103: brondocument: welk eene vreugde er Immanuels leger was
- veranderd in: welk eene vreugde er in Immanuels leger was
-
- Pag. 165: brondocument: HEILIG (in illustratie)
- veranderd in: ONHEILIG (in onderschrift)
-
- Pag. 222: brondocument: kunt niet dapper of kloekmoedig wezen
- veranderd in: kunt gij niet dapper of kloekmoedig wezen.
-
-
-
-
-
-End of the Project Gutenberg EBook of De Heilige Oorlog, by John Bunyan
-
-*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE HEILIGE OORLOG ***
-
-***** This file should be named 56282-0.txt or 56282-0.zip *****
-This and all associated files of various formats will be found in:
- http://www.gutenberg.org/5/6/2/8/56282/
-
-Produced by Jeroen Hellingman, Harry Lamé and the Online
-Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net
-
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions
-will be renamed.
-
-Creating the works from public domain print editions means that no
-one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
-(and you!) can copy and distribute it in the United States without
-permission and without paying copyright royalties. Special rules,
-set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
-copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
-protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
-Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
-charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
-do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
-rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
-such as creation of derivative works, reports, performances and
-research. They may be modified and printed and given away--you may do
-practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
-subject to the trademark license, especially commercial
-redistribution.
-
-
-
-*** START: FULL LICENSE ***
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
-Gutenberg-tm License (available with this file or online at
-http://gutenberg.org/license).
-
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
-electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
-all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
-If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
-Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
-terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
-entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
-and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
-works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
-or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
-Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
-collection are in the public domain in the United States. If an
-individual work is in the public domain in the United States and you are
-located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
-copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
-works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
-are removed. Of course, we hope that you will support the Project
-Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
-freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
-this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
-the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
-keeping this work in the same format with its attached full Project
-Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
-a constant state of change. If you are outside the United States, check
-the laws of your country in addition to the terms of this agreement
-before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
-creating derivative works based on this work or any other Project
-Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
-the copyright status of any work in any country outside the United
-States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
-access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
-whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
-phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
-Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
-copied or distributed:
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
-almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
-re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
-with this eBook or online at www.gutenberg.org/license
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
-from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
-posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
-and distributed to anyone in the United States without paying any fees
-or charges. If you are redistributing or providing access to a work
-with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
-work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
-through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
-Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
-1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
-terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
-to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
-permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
-word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
-distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
-"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
-posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
-you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
-copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
-request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
-form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
-License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
-that
-
-- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
- owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
- has agreed to donate royalties under this paragraph to the
- Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
- must be paid within 60 days following each date on which you
- prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
- returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
- sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
- address specified in Section 4, "Information about donations to
- the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
-
-- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or
- destroy all copies of the works possessed in a physical medium
- and discontinue all use of and all access to other copies of
- Project Gutenberg-tm works.
-
-- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
- money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days
- of receipt of the work.
-
-- You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
-electronic work or group of works on different terms than are set
-forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
-both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
-Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
-Foundation as set forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
-collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
-works, and the medium on which they may be stored, may contain
-"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
-corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
-property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
-computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
-your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium with
-your written explanation. The person or entity that provided you with
-the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
-refund. If you received the work electronically, the person or entity
-providing it to you may choose to give you a second opportunity to
-receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
-is also defective, you may demand a refund in writing without further
-opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
-WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
-WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
-If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
-law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
-interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
-the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
-provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
-with this agreement, and any volunteers associated with the production,
-promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
-harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
-that arise directly or indirectly from any of the following which you do
-or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
-work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
-Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
-
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of computers
-including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
-because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
-people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
-To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
-and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
-
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
-Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
-http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
-permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
-Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
-throughout numerous locations. Its business office is located at
-809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
-business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
-information can be found at the Foundation's web site and official
-page at http://pglaf.org
-
-For additional contact information:
- Dr. Gregory B. Newby
- Chief Executive and Director
- gbnewby@pglaf.org
-
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
-spread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To
-SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
-particular state visit http://pglaf.org
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations.
-To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
-
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
-works.
-
-Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
-concept of a library of electronic works that could be freely shared
-with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
-Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
-
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
-unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
-keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
-
-
-Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
-
- http://www.gutenberg.org
-
-This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.