diff options
Diffstat (limited to 'old/56282-0.txt')
| -rw-r--r-- | old/56282-0.txt | 11213 |
1 files changed, 0 insertions, 11213 deletions
diff --git a/old/56282-0.txt b/old/56282-0.txt deleted file mode 100644 index 915d217..0000000 --- a/old/56282-0.txt +++ /dev/null @@ -1,11213 +0,0 @@ -The Project Gutenberg EBook of De Heilige Oorlog, by John Bunyan - -This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with -almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or -re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included -with this eBook or online at www.gutenberg.org/license - - -Title: De Heilige Oorlog - gevoerd door Koning Elschaddai tegen Diabolus - -Author: John Bunyan - -Release Date: January 1, 2018 [EBook #56282] - -Language: Dutch - -Character set encoding: UTF-8 - -*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE HEILIGE OORLOG *** - - - - -Produced by Jeroen Hellingman, Harry Lamé and the Online -Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net - - - - - - - - Opmerkingen van de bewerker - - Tekst die in het originele werk schuin gedrukt is, is in deze e-tekst - _tussen liggende streepjes_ weergegeven; ~tekst~ staat voor - gespatiëerde tekst. Superscript tekst is weergegeven als ^{tekst}. - Alle klein-kapitalen zijn vervangen door HOOFDLETTERS. - - Meer opmerkingen van de bewerker zijn te vinden aan het einde van de - tekst. - - - - - DE HEILIGE OORLOG, - GEVOERD DOOR - KONING ELSCHADDAI - TEGEN - DIÁBOLUS. - - DOOR - JOHN BUNYAN, - - met eene levensbeschrijving van den auteur, honderd platen - en aanteekeningen. - - OPNIEUW NAUWKEURIG UIT HET ENGELSCH OVERGEZET. - - AMSTERDAM, - HÖVEKER & ZOON. - - -[Afbeelding: BUNYANS GEBOORTEHUIS TE ELSTOW.] - - - - -HET LEVEN VAN JOHN BUNYAN. - - -I. - -ZIJNE GEBOORTE EN OPVOEDING. - -John Bunyan werd geboren in het jaar 1628. Zijne geboorteplaats heette -Elstow, een dorp, dat zich noch op schilderachtige ligging noch op een -romantisch verleden beroemen kan; ’t ligt in Bedfordshire. Had dus de -ontwikkeling van zijn genie afgehangen van de indrukken, die een -grootsche, prachtige natuur op hem maakten in zijne jeugd, dan zou de -jonge wereldburger inderdaad in een slechte bakermat geweest zijn. Er -zijn rondom of bij Elstow geen bergen, geen watervallen, geen fonteinen, -geen afgronden of holle wegen. Het is een land van tarwe en gerst -- een -land, waar de inwoners zonder schroom of armoede hun brood mogen eten; -maar koper of ander metaal wordt er niet in den schoot der aarde -gevonden. - -Van Bunyans voorouders maakt de geschiedenis geene melding. Zelfs van -zijn vader en moeder is maar zeer weinig bekend. Het dorpsregister bevat -zelfs geen bepaalde aangifte van zijne geboorte. Eén huwelijk staat -vermeld met twee geboorteberichten, twee doopsbedieningen en zes -aangiften ter begrafenis, die zijne familie betreffen. Die familie was -behoeftig en onbekend. Niet alleen dat de huisvader in het zweet zijns -aanschijns zijn brood moest eten, maar de bezigheid, waarmede hij dit -brood verdiende, was zelfs eene der allergeringste. Hij was een -ketellapper, die op zijn beroep reisde, en van plaats tot plaats den -geheelen omtrek afliep, maar toch te Elstow zijne woonplaats hield. - -Het kwam den vader voor, dat het voor zijn jongen geen kwaad kon hem -iets te laten leeren. Al was John uit geringe en onaanzienlijke ouders -geboren, bestond er toch geen reden, dat ook hij altijd in dien geringen -en onaanzienlijken stand zou blijven. Wellicht zou een goede opvoeding -nog iets van zijn jongen maken. - -Niet ver vandaar, te Bedford, was eene kostelooze school voor de -kinderen der armen. Nu behaagde het God in het hart zijner ouders te -geven, dat zij hem daarheen zonden om lezen en schrijven te leeren, -waarin hij dan ook slaagde op dezelfde wijze als honderd andere -kinderen der schamele klasse. Maar hij kwam niet veel verder. Zooals hij -later zelf bekende, maakte hij slechts weinig vorderingen, en later -vergat hij grootendeels weer wat hij reeds wist. Hij werd spoedig van -school genomen, want vader had hem noodig en leerde hem de geheimen van -de ketellapperskunst. - -Zijne goddeloosheid was daarentegen zeer vroegtijdig op stuitende wijze -ontwikkeld. Daarin was hij niet achterlijk. In het vloeken, zweren, -liegen en godslasterlijke taal uitslaan zocht hij zijns gelijken. Hij -was de belhamel bij alles wat op het dorp voorviel op dit gebied -- een -voorlooper en verleider der dartele jeugd in allerlei ijdelheden en -ongebondenheid. Om de Heilige Schrift gaf hij niets, een nieuwsblad of -een tooneelstukje was hem oneindig veel aangenamer. Met oude fabelen en -tooverkunsten was hij vertrouwd. Uitgezonderd het zevende gebod, waarvan -hij verklaarde zich angstvallig te hebben onthouden, was hij in- en -uitwendig een schender van alle geboden. De begeerte was zelfs groot bij -hem om de maat der zonde vol te maken, en het was zijne studie te weten -te komen wat kwaad er nog te bedrijven viel, en zich dan te haasten ook -dat te doen, uit vrees, dat hij sterven mocht, vóor hij ook van dien -verboden boom had gegeten. - -In zijn zeventiende of achttiende jaar trok John Bunyan uit als soldaat -om deel te nemen aan den strijd, die toen was uitgebroken tusschen het -Parlement en den koning. Alle waarschijnlijkheid pleit er voor, dat hij -een koningsgezinde was, ofschoon het algemeen gevoelen hem aan de zijde -van de oppositie plaatst. Het bewijs is er niet voor te leveren; maar -zijn flink en loyaal karakter is later zoo duidelijk gebleken, dat het -maar nauwelijks te gelooven valt, dat zulk een man de wapens opgevat -heeft tegen zijn souverein, en daarbij de omgang met zijne kameraden in -hunne losbandigheid zou er meer voor pleiten, dat hij met de Edelen -meêgevochten heeft dan met de Puriteinen. Rupert was zijn held, niet -Cromwell. - -Eenmaal vooral was hij in groot gevaar. Bij het beleg van Leicester werd -hij onder den troep, die den aanval doen moest, gecommandeerd. Maar een -ander krijgsman kreeg verlof in zijne plaats te gaan. In het begin van -het gevecht werd zijn plaatsvervanger door een musketkogel getroffen en -sneuvelde. Dit voorval trof Bunyan zeer; het scheen eene waarschuwing -van den Heere te zijn om zijne booze wegen te verlaten. En dit was de -eenige waarschuwing niet. Reeds menigmaal tevoren had hij gevaar -geloopen van een plotselingen dood te sterven. Meer dan eens werd hij -uit het water gered toen hij reeds meer dan half was verdronken. - -Deze redding bleef niet zonder uitwerking op zijn gemoedsleven. De -goedheid en barmhartigheid Gods leidde hem tot bekeering. Maar niet op -eenmaal. Hij werd ongelukkig dag en nacht. Vreeselijke droomen en -visioenen kwelden hem. Toch deed hij nog wel meê als uitspattende -jongelieden onder de groene boomen van het dorp hunnen moedwil -botvierden. Maar zijn geweten was open, hij gevoelde zich een verloren -man. - -Opdat hij al deze gedachten uit zijn brein zou kunnen verbannen, -dompelde hij zich opnieuw in de oude zonden. Hij kwam meer en meer in -opstand tegen God, gevende er nu zijn werk geheel aan ten einde nog meer -tijd te hebben om zich aan allerlei uitspattingen over te geven. -Daardoor bleef hij dan ook dikwijls dagen lang zonder verdienste en had -geen brood om te eten. - -Sommige vrienden hadden medelijden met hem, en raadden hem, onder meer, -zich in het huwelijk te begeven. Met een goede vrouw aan zijne zijde zou -het beter gaan, en moest hij den ondergang, die hem dreigde, ontkomen. -Hij nam hunnen raad ter harte en het was zijn geluk, dat zijn oog viel -op een jonge dochter, wier vader een godzalig man werd gerekend. -Voorzichtige menschen zouden dit huwelijk roekeloos hebben genoemd. -Zelfs velen zijner vrienden hebben het dwaas en onbezonnen geacht, en -dat kon niet anders, want om van het andere niet te spreken -- zij -bezaten geen stoel of tafel, geen enkel stuk huisraad. Wat moest daarvan -komen? - -Het was een groot waagstuk; later moge het blijken toch goed geweest te -zijn, maar voorzeker is het niemand aan te raden op zulke voorwaarden en -in zulke omstandigheden een huwelijk aan te gaan. - -[Afbeelding: BUNYAN BELUISTERT HET GESPREK DER VROUWEN.] - -Toch was vrouw Bunyan niet geheel zonder uitzet de zijne geworden. Zij -bracht twee boeken mede ten huwelijk; het eene heette: „_de Praktijk der -Godzaligheid_”, en het andere: „_Des menschen vlakke weg naar den -hemel_”. Zoo diep was hij echter gezonken, dat hij niet vlug meer lezen -kon, en dat zij hem moest helpen om het verzuimde weder in te halen. -Zeer ingenomen met hare liefde tot hem en haar voorkomende -vriendelijkheid, luisterde hij gaarne naar hare gesprekken en las met -haar die mooie boeken. Terwijl zij zoo samen lazen, legde zij alles -nader uit, en deed al haar best hem te bewegen om toch een godsdienstig -leven te leiden. Het tehuis van hare jeugd was zoo gelukkig geweest, hoe -aangenaam zou het zijn als ook haar echtelijke woning een even gelukkig -tehuis worden mocht! Daarvoor was alle gelegenheid; wanneer haar man -slechts haren vader na wilde volgen, dan zou hunne woning, hoe armoedig, -ook weldra een huis Gods, eene poorte des hemels wezen. - -Tot op zekere hoogte won het deze vrouwelijke, vindingrijke liefde. Hij -deed ijverig mede in den huisgodsdienst en ging ook meestal tweemaal -daags naar de kerk. Zooveel liefde droeg hij de bedienaars van het -Evangelie toe, dat hij zich wel aan hunne voeten had kunnen neerleggen -en hen over zich heen laten loopen. Hun naam, hun gewaad, hun dienst -bracht hem in verrukking. - -De Zondag te Elstow was een vreemdsoortige afwisseling van ernst en -vroolijkheid. Er werd tweemaal dienst gedaan in de kerk, waarbij deze -vol volk liep en het Gebedenboek niet ongebruikt bleef; maar was de kerk -uit dan begonnen er allerlei pretjes, dansen, kermisvermakelijkheden en -wat niet al! Beide in de godsdienstoefeningen en de vermakelijkheden, -waartoe de gemeente van Elstow door dezelfde klok werd opgeroepen, deed -Bunyan mede. Hij was een flinke vent bij het klokkeluiden en ten allen -tijde gereed het touw met forsche hand te trekken, wanneer er iets af te -kondigen viel, of alle bewoners van den omtrek moesten worden -samengeroepen. Op zekeren Zondag, nadat hij de gemeente in de kerk -geluid had, nam hij zijn gewone plaats in naast zijne vrouw, deed mede -in het gezang en wachtte de prediking af. De prediker was een verstandig -en ernstig man, en zette duidelijk uiteen het zondige van het -sabbathschenden. Die preek deed kracht. Bunyan was getroffen. Het was nu -voortaan uit met de overtreding van het vierde gebod voor zoover het -John Bunyan betrof. Hij wilde het voortaan met zijn gansche hart -opvolgen. Laat zijne vrouw er van verzekerd wezen, dat zijn hart nu eens -en voor goed getroffen is! - -De indruk was voorbijgaande. Vóor hij goed en wel gegeten had was de -preek uit zijne gedachten -- was hij al weer gereed naar de oude -vermakelijkheden te gaan en daarvan ten volle te genieten. Zoo gezegd, -zoo gedaan. Dienzelfden namiddag was hij op de dorpsweide en hield zich -bezig met uit alle macht de kat uit de ton te knuppelen. Eensklaps -hoorde hij eene stem uit den hemel. Een oogenblik stond hij weifelend -daar, toen wierp hij zijn knuppel weg en eindigde het spel. Hij stond -aan den grond genageld als ware hij een standbeeld, bevende bij het -hooren der vraag, die een bovennatuurlijke stem tot hem richtte: „Wilt -gij uwe zonden vaarwel zeggen en naar den hemel gaan? Of uwe zonden aan -de hand houden en in de hel terecht komen?” Het kwam hem voor, dat -Christus daar vóor hem stond en hem van aangezicht tot aangezicht -aanstaarde, en dat nu de straf, die hij zoo dubbel verdiend had, aan hem -zou voltrokken worden. Niet vele minuten waren noodig voor de -verandering. Hij hoorde, hij dacht na, hij trok een besluit, en het -gevolg was, dat hij erkende niets anders dan de verdoemenis verdiend te -hebben. Als dat zoo wezen moest dan kon hij even goed voor iets anders -als voor sabbathschenden verdoemd worden, want zijne zonden waren vele, --- en hij keerde terug naar het spel, deed als de beste weer meê, en -niemand bemerkte aan hem welk eene verandering er in zijn binnenste -geweest was en welk eene worsteling hij had doorgemaakt. - -Desniettemin bleef zijn geweten niet rustig. Zijne vrouw bleef -aanhoudend alle pogingen aanwenden om hem voor Christus te winnen, en de -gelegenheden waren menigvuldig, waarbij hij bestraft werd. „Gij -goddelooze ellendeling!” zeide eene vrouw op zekeren dag tot hem, toen -hij volgens zijne gewoonte stond te vloeken en te zweren en den luiaard -uithing langs de straten, -- „gij goddelooze ellendeling; ik hoorde mijn -leven lang zulk vloeken niet. Gij alleen zijt voldoende om de geheele -jeugd van ons dorp te bederven.” Hij was beschaamd, en dat te meer omdat -zij, die hem bestrafte, een onverschillig en slecht wijf was. Hij -wenschte toen met zijn gansche hart, dat hij nog eens weder een klein -kind worden kon, en dat hij nog eens kon leeren spreken zonder vloeken -en zweren. De bestraffing van die vrouw droeg vrucht. Hij hield op met -vloeken, begon zijn Bijbel te lezen en werd een onberispelijk man beide -in zijne woorden en in zijn leven. Zijne buren begonnen de verandering -op te merken. Zij begonnen hem te prijzen, beide achter zijn rug en in -zijn gezicht. Dit deed hem pleizier en hij werd er grootsch op. Er was -geen man in gansch Engeland, die God beter kon dienen dan hij en die den -Heere meer welbehagelijk was. Nu scheen alles in orde. - -Zelfverloochening werd van hem geëischt, en hij nam moedig zijn kruis -op. Hij was hartstochtelijk verzot op het dansen, en het geheele jaar -deed hij er aan meê; des zomers in de dorpsweide en des winters in een -danszaal of ander gebouw. Maar nu gevoelde hij, dat dansen onheilig was, -en daar hij zoo heilig mogelijk wilde worden, gaf hij het op. Zijne oude -makkers kwamen hem verlokken, en de muziek klonk verleidelijk in zijne -ooren; maar hij was vast besloten nooit meer te dansen, en hij danste -ook nooit meer. - -Een andere geliefkoosde uitspanning was het klokkeluiden. Dit, gevoelde -hij, moest ook worden afgeschaft. De godsdienstigheid, die hij nu had -aangenomen, vereischte, dat hij het onmiddellijk opgaf. Toch, hij hield -er zooveel van en hij verlangde er zoozeer naar, dat hij het weder ter -hand nam. Ten laatste evenwel gaf hij aan zijn geweten gewonnen spel en -ofschoon hij wel den klokketoren beklom, hij luidde niet meer. Misschien -was het zelfs al erg genoeg zich op de plaats te bevinden. Een van de -klokken mocht eens op zijn hoofd vallen als een oordeel Gods. Om dit -ongeval te voorkomen plaatste hij zich altijd zóo dat er geen klok maar -een balk boven zijn hoofd was. Echter ook hier gevoelde hij zich niet -veilig meer, want door het verschrikkelijke en aanhoudende luiden konden -die balken wel eens breken en dan viel hij toch dood. Aldus bevreesd -geworden ging hij heen en durfde de deur van den toren nooit meer -binnentreden. Hij bleef aan de deurpost staan; maar was hij ook daar wel -veilig? De toren mocht eens omvallen en wat dan? Dat was zijne vrees. -Doodgeslagen te worden door de goddelijke gerechtigheid, te sterven als -door een oordeel Gods, was in zijn oog zeer erg; daarmede zou zijne -belijdenis te schande worden en zijn toegang tot den hemel bemoeielijkt. -Hij zou daarom in dit opzicht zijne handen in onschuld wasschen, en hij -hield woord; hij zag naar het klokkeluiden niet meer om. - -Zijn weg was nu volmaakt voor den Heere. Eene merkwaardige verandering -had er plaats gehad in zijn leven en zijne gewoonten. Hij was nu ten -minste zeker van eene plaats in het Paradijs. De verandering was dan ook -wonderdadig, en zijne vrouw kon hare vreugde niet genoeg uitspreken. Nu -ging haar huishouden zooals het bij vader ook gegaan was. Haar -huwelijksuitzet, die twee boeken n.l. had vrucht gedragen. „De -Praktische godzaligheid” werd belichaamd in het leven van haren man, en -„de vlakke weg naar den hemel” werd door haar John en haarzelve met -allen lust en ijver bewandeld. - -Ongelukkig was het alles zelfbedrog. De zoo wonderlijk veranderde en -hervormde man zelf is onze zegsman in dezen; hij was niet overgegaan uit -den dood tot het leven en aldus een nieuw schepsel geworden in Jezus -Christus. Niettegenstaande de verandering in zijn gedrag was er geene -verandering gekomen in zijn hart. Tot op dat oogenblik toe moest hij nog -altijd wedergeboren worden door den Heiligen Geest. - -Onder de beschrijvers van Bunyans leven zijn niet allen het met elkander -eens omtrent zijn geestelijk leven. Dat is geen wonder, want hun oordeel -hangt af van hun eigen geestelijke ervaring. Sommigen hebben den draak -gestoken met zijne bekentenissen over zijn onbekeerden toestand. Zij -ontkennen, dat hij eertijds zoo verhard of zoo diep gezonken was. Zij -meenen, dat hij in een dweepachtigen toestand verkeerde en daarom -zichzelven niet juist beoordeelen kon; dat hij naarmate zijn -gemoedsleven gesteld was ook in zelfvertrouwen of zelfverwerping -tegenover God leefde; dat al wat hij tot dusverre ondervond en -doormaakte, grootendeels inbeelding was, of ook dat hij reeds vernieuwd -was en geene bekeering meer behoefde. - -Maar die zoo spreken hebben het mis, en de man van Elstow had het bij -het rechte eind. Bekeering in het uitwendige leven is nog geene -vernieuwing der natuur. Hoe goed en prijselijk op zichzelve, is zij -onvoldoende tot zaligheid. Tot den mensch in zijn besten staat verklaart -het Woord Gods duidelijk: „Gij moet wedergeboren worden.” Dat Bunyans -opvatting van dit feit, zijne waardeering van deze waarheid zeer -gestreng was, en ook zijne uitdrukkingen daaromtrent zeer sterk zich -uitlaten, mag worden toegegeven; maar de zaak blijft waar: hoeveel -voorbereidend werk der genade ook aan zijn hart had plaats gevonden, hij -was nog onherboren met al zijne deugd en braafheid. Dat was eveneens het -geval met de Israelieten, die onbekend met de gerechtigheid Gods, en -zichzelven eene eigengerechtigheid oprichtende, zich nog nooit eens -recht en in waarheid tegenover de goddelijke gerechtigheid hadden -geplaatst. Hij had den naam, dat hij leefde, maar was dood. - -Ook was Bunyans gestel zeer gevoelig. Zijne gedachten en indrukken waren -in de minderheid, wanneer zij soms niet op eene krachtige wijze de -overhand namen over zijn gemoed. Waar zijne buren onbewogen bleven was -hij diep getroffen; terwijl zij niets ongewoons zagen smolt hij weg in -tranen of sprong op van vreugd. - -Deze bijzonderheid moet wel in het oog worden gehouden, opdat niet het -bijkomstige met het wezenlijke verward worde, en woorden en handelingen -niet aan de groote verandering des harten toegeschreven worden, die -uitsluitend in het temperament van den man hun oorsprong vinden, die de -verandering onderging. De bekeering is noodig tot zaligheid; maar er kan -wel bekeering plaats hebben zonder dat ons inwendige leven zóo -verootmoedigd is, dat wij van onszelven als van padden walgen, of dat -wij zoo aangedaan worden over de liefde Gods, dat wij haar bewonderen -zelfs in de kraaien, die de insecten uit de opgeploegde voren pikken. -Onze nieuwe geboorte kan even zeker zijn als van den Christenreiziger -naar de eeuwigheid, al hebben wij nooit met hem gedacht, dat de duivel -ons aan de kleederen trok, en al hebben wij nooit met den booze -gesproken, of zijn ook nooit in eene flauwte gevallen bij de gedachte, -dat Christus met onze arme zielen medelijden heeft. Ieder mensch ervaart -ook in het geestelijk leven overeenkomstig zijn temperament. Bunyan werd -dan ook veel meer aangedaan bij een grooten en sterken stormwind dan -door een zachte stem. - -En toch geschiedde de groote daad van zijne wedergeboorte uit God, zijn -overgang van den dood in het leven ongemerkt. Geen bepaald oogenblik is -in zijn veelbewogen leven aan te geven, waarop de nieuwe schepping -plaatshad. Al wat hij hieromtrent aanvoert rechtvaardigt het denkbeeld, -dat het een werk van den tijd was. Langzamerhand bemerkte hij, dat hij -Gode welgevallig was, ofschoon hij onophoudelijk bekennen moest dat hij -struikelde en misdeed. Zijne eigengerechtigheid, zijne Gode -welgevalligheid in eigen oog verdween, zooals bij ieder onzer, die een -even dierbaar geloof deelachtig zijn; zijne struikelingen werden zóo -menigvuldig, dat hij van een hoogmoedige farizeër een wanhopige -ellendeling werd. - - -II. - -ZIJNE BEKEERING EN BELIJDENIS. - -Zijn handwerk bracht hem eens naar Bedford, en gelukkig was het voor -hem, dat hij zijne bezigheden op straat had. Een paar arme vrouwen zaten -daar aan hare deuren toen hij voorbijkwam. Het gebeurde nu, dat hij zijn -kruiwagen daar vlak bij neerzette en haar gesprek afluisterde. Zij zagen -er zoo godsdienstig uit, en misschien was er ook voor hem wel -gelegenheid om een gesprek met haar aan te knoopen, waartoe hij op dit -oogenblik wel geneigd was. Toen hij daar zoo luisterend neerzat werd hij -verbaasd. Geen preek in de kerk van Elstow had hem ooit van de -noodzakelijkheid der wedergeboorte ingelicht, noch over de arglistigheid -van het menschelijk hart of de aanvechtingen van den booze, of de genade -van den Heiligen Geest, noch ook over de souvereiniteits Gods en zijne -barmhartigheid in Christus Jezus gesproken. De zaken, welke deze vrouwen -bespraken grepen hem nu met alle kracht aan. In geval zij waarheid -spraken, dan ontbrak hem ten eenenmale elk kenmerk van een echt godzalig -man. En toch scheen alles zoo waar te wezen. Die vrouwen waren zoo -eenvoudig in hare manieren en zoo gelukkig; er was zulk eene zalving in -al wat zij zeiden, dat hij wel moest toegeven, dat zij zeer verstandig -en oprecht waren. - -Toen zij haar gesprek geëindigd hadden, was het werk aan den kruiwagen -gedaan. Het had wel lang geduurd, want het werd telkens afgebroken daar -hij met zijn gansche ziel belangstelde in dat gesprek; maar nu was hij -ook gewillig om zich alleen in Jezus Christus te beroemen en het -vertrouwen in het vleesch, dat hij tot dusverre koesterde, op te geven. - -[Afbeelding: BUNJAN LEEST LUTHERS SCHRIFTEN.] - -Bunyan zocht kennis te maken met deze onwaardeerbare vriendinnen. Zij -waren zeer vriendelijk en gedienstig, en deden al haar best om hem den -weg Gods bescheidenlijk en volledig uit te leggen. Twee uitwerkselen -sproten daaruit voort -- het eene was: een groote weekheid en teederheid -des harten om aan te nemen, wat de Heilige Schrift leert, en het andere -een voortdurende geneigdheid van het gemoed om over de dingen, die hij -hoorde en las na te denken en te peinzen. Het Schriftwoord stond nu aan -hem vervuld te worden, dat hij de waarheid zou verstaan en dat de -waarheid hem vrij zou maken. Maar die geesteswerking ging slechts -langzaam voort. Eenige lieden, die de genade Gods veranderden in -ontuchtigheid, ontmoetten hem, en deden hun best om hem met hunne -dwalingen te besmetten. De duivel bracht hem bovendien in grooten strijd -evenals het kind, dat door de booze geesten werd gescheurd en gekweld, -toen de vader het tot Jezus wilde brengen. Welk recht had hij om te -zeggen, dat hij het ware zaligmakende geloof bezat? Hij bezat niet het -minste bewijs, dat hij tot de uitverkorenen behoorde. Hij kon niet weten -of de dag der genade voor hem niet reeds voorbij was. - -Op deze aanvechtingen antwoordde hij zoo goed hij kon. Hij worstelde -dikwijls, maar nu en dan lag hij onder. „Doe eens een wonder,” zeide de -ingeving des boozen op zekeren morgen tot hem. „Zeg tot de diepe poelen -in de waadplaats der paarden dat ze droog worden, en tot het droge: word -een modderpoel.” Hij was reeds bezig dit bevel in Gods naam uit te -voeren, toen de gedachte in zijn hart opkwam: ga eerst eens onder -gindsche heg op uwe knieën liggen en bid God, dat Hij u bekrachtige. Dit -uitstel was zijne redding; hij bemerkte het gevaar en ontsnapte er aan. - -„Houd maar niet vast aan uwe hoop,” was de inblazing van den volgenden -dag. „Als God u in zijne oneindige barmhartigheid niet heeft uitverkoren -tot een vat ter eere en ter barmhartigheid, helpt al uw werken en bidden -en zwoegen niet met al.” Hij zag het groote bezwaar, dat zich aldus -krachtig aan hem voordeed, en stond er voor. Weken lang was hij ter -neder geslagen en gedrukt, tot op eenmaal een tekst der Schriftuur in -zijn hart kwam, die betrekking had op het eenvoudig komen tot God en -zich aan Hem toe te vertrouwen. Deze woorden vertroostten hem wel zeer -en strekten hem tot aanmoediging, maar tot zijn spijt kon hij ze in zijn -Bijbel niet vinden. Hij zocht overal en zette ook anderen aan het -zoeken, maar er ging meer dan een jaar voorbij eer die woorden waren -gevonden, on toen kwam het uit, dat ze in de Apocryfe boeken stonden. -Daar nu de Apocryfe boeken volstrekt geen gezag hadden, gaf hij ook al -den moed weer op tot hij weldra tot de ontdekking kwam, dat een bijna -gelijkluidende tekst in de wezenlijke Heilige Schrift stond, en daarop -kon hij nu staat maken. Zoo bracht hij dan den booze tot zwijgen. Hij -mocht zich aan God toevertrouwen en alle geslachten van oudsher -getuigden dat iemand, die dat deed, niet beschaamd zou worden. O, hij -stelde al zijne hoop op den Heere, en vermocht niet uit te spreken met -welk een smachtend verlangen der ziel hij tot Christus riep om hem te -redden, opdat hij toch eindelijk eens bekeerd mocht worden. - -Tot op dezen tijd hield hij zijne geestelijke worsteling voor -zichzelven. Maar ten laatste deed zich eene gelegenheid voor, waardoor -hij bewogen werd om zijn hart eens uit te storten voor die arme vrouwen -te Bedford, die hem zoo vriendelijk in de waarheid hadden ingeleid. Zij -luisterden met toegenegenheid naar zijne verhalen en antwoordden dan ook -naar hun beste weten. Maar het duurde niet lang of zij moesten hem het -antwoord schuldig blijven, niet wetende hoe zulke mysteriën konden -worden opgeklaard. Misschien zou hun leeraar, de predikant Gifford, hem -terecht kunnen helpen. Zij verzochten dien te mogen spreken en wisten -ook te bewerken, dat Bunyan ten huize van dien leeraar uitgenoodigd -werd. Niets beters had kunnen gebeuren. Giffords helder oordeel en -uitgebreide kennis brachten de weelderige, ja onstuimige -verbeeldingskracht van zijn nieuwen vriend onder tucht en beperking. -Gezelschappen, die hij met zijne gemeenteleden in het bijzonder hield, -waarop gehandeld werd over de wegen des Heeren met zijn volk, en die -dienen moesten tot hunne geestelijke opbouwing, werden door dezen -getrouwen dienstknecht reeds sedert lang gehouden, en tot deze -gezelschappen werd nu ook de ketellapper van Elstow toegelaten. Vele van -zijne misvattingen werden ongemerkt verbeterd, en een dieper besef van -wat eigenlijk de wil Gods is, wortelde in zijn gemoed. Hier werd hem -vooral aangeraden zijn hart te gewennen aan meer onbepaalde en innige -gehoorzaamheid aan den Geest Gods, zooals deze zich openbaart in zijn -heilig Woord. - -Het eerste gevolg hiervan was eene vernieuwing zijner droefenis. Het -kwam hem nu voor, dat hij een zeer groot zondaar was. Hoe meer hij -hierover nadacht, des te meer beefde hij. Hij werd overstelpt door de -kracht en den invloed zijner onstuimige verbeelding. Het kwam hem voor, -dat hij gelijk was aan een kind, dat eene of andere bedelares onder haar -lompen verborgen had om daarmede weg te loopen ver van vrienden en -magen. Hij hoorde eene stem achter zich aanroepen wel een halve mijl -ver. Hij oordeelde, dat de toestand van een hond of een pad vrij wat -verkieselijker was dan de zijne. Hij zou duizend pond sterling hebben -willen geven voor een enkelen traan. Hij was er nu zeker van, dat hij -van den duivel bezeten was. - -Toch bleef hij temidden van dit alles aanhouden in het gebed en in zijn -onderzoek der Heilige Schrift, op hoop tegen hoop hopende. Het gebeurde -eens, dat hij zeer droevig in de woning van een buurman zat, toen het -woord op zijne ziel werd gedrukt: „Als God vóor ons is, wie zal dan -tegen ons zijn?” Spoedig daarop toen hij in het veld wandelde, kreeg hij -dat andere woord: „Vrede makende door het bloed des kruises.” Daarna bij -zijn eigen huiselijken haard zittende, viel hem dit woord in: „Overmits -dan de kinderen des vleesches en bloeds deelachtig zijn, zoo is Hij ook -desgelijks derzelven deelachtig geworden, opdat Hij door den dood teniet -doen zou dengenen, die het geweld des doods had.” Deze „druiven” zooals -hij ze noemde, of „kleine bezoekjes” of „aanrakingen” deden hem wel -goed; maar ze werden als bij Petrus gezicht op het dak spoedig weer -opgetrokken in den hemel. - -Meer goed zou het hem echter gedaan hebben wanneer hij die vertroostende -woorden vastgehouden had, wanneer hij geloofd had dat zij van kracht -bleven en dienen konden om hem tot vrede te brengen. Hij lette veel te -veel op zijne gemoedsgesteldheid. De waarborg voor zijne vertroosting in -Christus en het anker zijner hoop lag niet in zijn gevoel, maar in de -goddelijke verzekering, dat Christus zijne zonden door zijne -zelfofferande had weggenomen. - -Gedurende een korte tusschenpoos van evangelische rust, was het Bunyans -vurig verlangen toch eens de bevinding van een oud godzalig man te -mogen lezen, die honderd jaar vóor hem geleefd had. Het kwam hem voor, -dat de nieuwere godsdienstige boeken slechts dogmatisch en oppervlakkig -waren, en hunne schrijvers de diepten Gods niet kenden. Hem viel een -afschrift in handen van Luthers werk over den brief aan de Galaten. Het -was zóo oud, dat het bijna in stukken viel toen hij het vasthield; maar -hoe hardhandig hij ook wezen mocht door zijn ruw handwerk en den omgang -met den kruiwagen en zijn gereedschap, zoo ging hij toch zeer -voorzichtig om met dit handschrift en in korten tijd was het in zijn -bezit. Het kwam hem voor als een oude bekende; zoozeer was Luther een -man van gelijke bewegingen als hij. Geen boek ter wereld was hem zoo -dierbaar als dit, uitgezonderd de Bijbel. - -Deze vreedzame tusschentijd was maar kort, en de volgende aanvechting -was eene van de allerergste. Gedurende een geheel jaar en bijna zonder -tusschenpozen werd hij verzocht om Christus te verkoopen. Dit -vreeselijke denkbeeld werd door hem gekoesterd met eene bepaaldheid, die -wij ons maar kwalijk kunnen verbeelden. Op zekeren morgen op zijn bed -liggende, werden de woorden door hem gehoord: „Verkoop hem, verkoop hem, -verkoop hem!” en dat met eene duidelijkheid of eene menschenstem tot hem -sprak. Hij gaf ten antwoord: „Neen, neen, voor geen duizenden en -millioenen!” Maar ten laatste, nadat hij er lang en breed over had -nagedacht ging het door zijn ziel: „Laat Hem dan maar varen als Hij weg -wil!” en hij gevoelde, dat zijn hart hierin volkomen toestemde. - -Nu bleef er niets over dan de worm, die nooit sterft. Hij plofte neer -evenals een vogel, die uit den top van een boom werd geschoten, in -verschrikkelijke wanhoop en vertwijfeling, en twee jaren lang leed hij -een nameloos leed. Nu en dan kwamen woorden van Christus hem weer een -weinig hoop geven, maar dit duurde slechts kort en dan klonk het weer in -zijn binnenste: „Gij hebt uwen Zaligmaker verkocht en daarom zijt gij -verdoemd.” - -Dit voorval was zeker van een zonderlingen aard: het verdient, voorwaar! -in geen opzicht navolging, maar kan ons beter en dieper inzicht geven in -den jammerlijken toestand van ons eigen hart, en het zondige der zonde -duidelijk in het licht stellen. Ook kan het ons inleiden in de -verleidingen des satans, onzen grooten vijand, die nimmer slaapt of -sluimert. - -Bunyan verhaalt een anderen toestand van tijdelijke verademing, waarvan -hij zelf niet weet hoe hij dien noemen zal. Toen hij weder op het punt -stond van angst en kommer in een te krimpen, was het hem of hij door de -vensters het gesuis van eenen wind hoorde, die met een liefelijke stem -tot hem sprak: „Waart gij ooit weigerachtig om door het bloed van -Christus gerechtvaardigd te worden?” Zijn hart antwoordde rondborstig: -„neen.” Toen viel dat andere woord met kracht op zijne ziel: „Ziet toe, -dat gij dien, die spreekt, niet verwerpt.” Dit maakte een zonderling -diepen indruk op zijn geest, en legde al die verontrustende gedachten -het zwijgen op, die, als losgelaten helhonden, hem onophoudelijk -aanblaften en tegengrijnsden. De kracht van dit teeken hield drie of -vier dagen aan, en toen begonnen de oude twijfelingen weer. - -Later echter kwam hij tot wezenlijke en voortdurende bevrijding. Terwijl -hij over een weiland liep, viel dat woord krachtig in zijne ziel: „Uwe -gerechtigheid is in den hemel.” Met het oog zijns geloofs zag hij Jezus -aan de rechterhand Gods gezeten, als zijne eigen persoonlijke -gerechtigheid, zoodat waar hij ook was en wat hij ook deed, God nooit -tot hem zeggen kon: „Gij mist mijne gerechtigheid,” omdat deze altijd -voor Gods oog blonk in Christus, die éen is met zijn volk. Niet de goede -gesteldheid des harten van den geloovige maakt zijne gerechtigheid uit, -ook maakt zij die niet grooter of beter, evenmin minder of slechter, -sedert Christus zelf er borg voor staat, die gisteren en heden dezelfde -is. Niets minder dan eene poort des hemels was dat weiland voor Bunyan. -Toen en daar geraakte hij uit de slavernij der eigengerechtigheid en van -het inwonend bederf in de heerlijke vrijheid der kinderen Gods. - -Hij somde nu in zijn geest al de tekortkomingen op, die voor zijne -rekening lagen, en daaruit besluitende tot de zwakheid van zijn geloof -in het gebed, de onverschilligheid van zijne ziel voor het voortdurend -gevaar, waarin zij verkeerde, zijne verkeerde handelwijze om God als het -ware de wet voor te schrijven in de behandeling van zijn geestelijk -leven, bemerkte hij, dat hij toch nu van veel dwaling en wangestalten -verlost was, en dat hij evenals Job na zijne rampspoeden en strijd -dubbel gezegend was en wel tweemaal zooveel bezat als hij eerst had -bezeten. Een zeer karakteristieke uitspraak wordt in zijn levensbericht -gevonden, deze namelijk: sprekende over de dierbare woorden van Jezus: -„Die tot Mij komt zal Ik geenszins uitwerpen,” zegt hij: „O, over dat -Johannes zes, dat gezegende woord, heb ik heel wat met satan te -worstelen gehad, eer ik het mijn eigendom noemen mocht.” - -Het was voor anderen reeds lang duidelijk geweest, dat hun vriend Jezus -toebehoorde, maar nu geloofde hij het zelf ook. Wel vermocht hij niet -met juiste zekerheid het oogenblik aan te geven, waarop hij volkomen -werd veranderd en omgezet, maar dat hij werkelijk in God leefde stond nu -bij hem vast. - -Het eerste wat hij nu uit de Heilige Schrift leerde, was Christus voor -de menschen te belijden. Daarom openbaarde hij nu ook zijne begeerte om -tot de kerk zijner keuze over te gaan, om daarin te wandelen volgens -Christus’ bevel. Hij werd met liefde ontvangen, en nadat hij gedoopt was -werd ook hij opgenomen onder de leden van die gemeenschap. Toen hij deel -nam aan het Heilig Avondmaal was het hem, of hij ingedompeld werd in de -kracht van Christus’ dood. Zeer dierbaar waren hem de woorden: „Doe dat -tot mijne gedachtenis.” - -Omstreeks dien tijd werd hij aangetast door eene krankheid, die wel -longtering scheen te wezen. Hij herstelde, maar stortte weder in, tot -hij eindelijk volkomen genas en toen zeer sterk werd. Gedurende zijne -krankheid maakte hij weder verscheidene bevindelijke toestanden door; -maar over het algemeen mocht hij zich toch in den Heere verblijden. - -„Vrouw,” zeide hij, toen hij in beterschap toenemende bij den haard zat, -„staat er ergens in de Schrift dit woord: „Ik ben tot Jezus gekomen?”” -Zij herinnerde het zich niet. Daarna zochten zij eenige minuten met -elkaêr, toen een tekst uit de Hebreën in zijne gedachten schoot. „Vrouw, -nu weet ik het: ja ik weet het: „wij zijn gekomen tot Jezus den -middelaar van het Nieuwe Verbond.”” Toen ging hij weder naar zijn bed, -maar hij kon moeielijk stil blijven liggen, zooveel genoot hij in den -Heere zijn God. - -Toen zijne gezondheid hersteld was, nam hij met allen ijver de plichten -waar, die aan zijn lidmaatschap waren verbonden, zijn leeraar ter zijde -staande in de godsdienstige gezelschappen en bijeenkomsten en bij het -krankbezoek. Zijne geschiktheid tot dit werk was zoo klaarblijkelijk, -dat zijne medeleden hem met algemeene stemmen tot diaken zijner kerk -aanstelden. Aldus bediende hij nu het heiligdom als koster en deed -dienst als diaken voor armen en kranken. Nadat hij zijne woonplaats van -Elstow naar Bedford had overgebracht, nam hij die betrekking aan en -diende daarin trouw. - -Omstreeks dezen tijd werd hij weduwnaar; maar de omstandigheden, -waaronder dit plaats vond, zijn ons niet bekend. - -Een oogopslag in het notulenboek van den kerkeraad van Bedford kan ons -overtuigen, in welke hooge achting hij stond bij zijne broederen. „Bij -gelegenheid eener bijeenkomst, gehouden op den 27^{sten} der zesde maand -van ’t jaar 1657, was de diakendienst door John Bunyan verricht -overgedragen aan John Pernie, omdat hij niet langer zijnen dienst kon -vervullen, daar zijn tijd zoo bezet was met het prediken des Woords.” -Eenige zijner medeleden hadden begeerd, dat hij hun een woord ter -opwekking zou toespreken in hun bijzonder gezelschap, en ofschoon hij er -zeer tegen op zag, was het toch gebeurd en werd het allen daarna -duidelijk welke uitnemende gaven hij had voor dit werk. Nu werd hij -menigmaal uitgenoodigd op de naburige dorpen te prediken. Nauwelijks had -dit eenige maanden zoo voortgeduurd, toen zijne geschiktheid en -bekwaamheid op dit punt zóo treffend aan het licht traden, dat zijne -medeleden niet langer aarzelden om hem tot de bediening des Woords te -beroepen. - -Zij spraken hierover met den leeraar der gemeente, die hunne overtuiging -in deze deelde. De uitslag was, dat na ernstig en plechtig gebed, met -vasten verbonden, John Bunyan werd geordend tot de openbare -evangelie-prediking. Met groote vreeze en onder veel beving bij het -gezicht op zijne eigen zwakheid, schikte hij zichzelven tot dezen -arbeid, echter niet zonder veel aanmoediging en vertroosting, die de -Heilige Geest hem uit de Heilige Schrift deed toekomen. Later werd hij -bij uitnemendheid aangemoedigd door den grooten toeloop, dien zijne -prediking wekte, waar honderden van alle kanten toestroomden. Velen -beleden met blijdschap, dat zij door hem waren wakker geschud, zoodat -het Woord Gods met kracht op zijn gemoed werd gedrukt: „De zegen -desgenen, die verloren ging, kwam op mij; en het hart der weduwe deed ik -vroolijk zingen.” De nood was hem nu ook opgelegd en weldra klonk het in -zijn binnenste: „Wee mij, als ik u het Evangelie niet verkondig!” [Job. -29 : 13.] - -[Afbeelding: BUNYAN WORDT GEVANGEN GENOMEN.] - - -III. - -ZIJN LIJDEN OM DES GEWETENS WIL. - -De oude vraag werd weldra ook aan Bunyan gedaan: „Door wat macht doet -gij deze dingen, en wie heeft u deze macht gegeven?” Het antwoord lag -voor de hand. Zijne gave om het Evangelie te verkondigen was zijne -autoriteit; bijzonderlijk daar deze gave opgemerkt en opgewekt was -geworden door de gemeente, waartoe hij behoorde. Onder nauwgezet -onderzoek en ernstig gebed hadden zijne medebroeders hem tot dezen -dienst geroepen, en in hunne roeping had hij de stemme Gods herkend. De -ordening, waarmede hij geordend was, mocht dus veilig wettig heeten. - -Maar nu gebeurde het, dat de toenmalige Engelsche regeering een andere -soort van ordening eischte. Niemand werd door haar tot den predikdienst -toegelaten dan zij, die aan eene academie des rijks gestudeerd hadden en -vervolgens onder haar toezicht geordende leeraren, alleen met -uitzondering van de zoodanigen, die door algemeene stemmen door het volk -waren gekozen. - -Bunyan ontkende het recht van den staat om zich als rechter op dit -gebied op te werpen, en sloeg geen acht op de waarschuwing, zijn eigen -weg vervolgende. Een klacht werd tegen hem ingediend, en het werd hem -verboden te Eaton te prediken. Zijne broeders hielden raadsvergadering, -en na eene bedestond op den 3^{en} Maart 1658 namen zij maatregelen voor -zijne verdediging. Zij waren in zooverre voorspoedig, dat de vervolging -hier eindigde. - -Met de herstelling van de Stuarts op den troon kwam een der krachtigste -aanvallen op de godsdienstvrijheid aan het licht, welke het clericale -dispotisme ooit beproefd heeft te doen. Zulk eene bediening als van John -Bunyan was op de strengste straffen verboden. Hij kon alleen zijn werk -doen onder voortdurend levensgevaar. Het eenige wat hij tot zijne -veiligheid doen kon, was zich stilhouden. - -Voor een tijd besloot hij dit laatste te doen, met deze uitzondering -echter, dat hij in strenge vermomming nu en dan in alle stilte, op -verwijderde en afgelegen plaatsen het Woord verkondigde en onder -bedekking der duisternis weer naar huis terugkeerde. Deze handelwijze -stuitte hem evenwel geweldig tegen de borst, daar hij alle vermomming -verachtte, en ten laatste vatte hij het voornemen op maar weer in het -openbaar te spreken, alle gevaar trotseerend. Verzocht zijnde te Samsell -te komen prediken, waar de dorpelingen zeer begeerig waren om het Woord -Gods te hooren, antwoordde hij, dat hij, zoo het God behaagde, aan hunne -uitnoodiging zou voldoen. Een groote menigte kwam uit de omliggende -plaatsen samen en de prediker was op den bepaalden tijd op zijn post. -Maar groote teleurstelling wachtte hem. De gezaghebbers vernomen -hebbende, dat hij kwam, hadden hunne maatregelen genomen om de wetten te -handhaven. Hunne dienaren stonden op de wacht, en waren reeds voorzien -van eene volmacht voor zijne gevangenneming, in geval hij het wagen zou -te prediken. Hij was van het gevaar verwittigd, en de vraag rees op of -de dienst niet tot later zou worden uitgesteld. Het was waarschijnlijk, -dat ze hem vangen zouden, ofschoon er nog een kleine hoop bestond, dat -hij mocht ontsnappen. Hij wilde nu geen enkel woord hooren van te gaan -vluchten. Hij meende, dat wanneer God hem in zijne barmhartigheid had -uitverkoren om verloren zondaars in zijn omgeving het Evangelie te -verkondigen, het een groote ontmoediging voor alle Christenen zou zijn -wanneer hij nu lafhartig op de vlucht ging. En verder meende hij, dat de -wereld uit zijne vreesachtigheid aanleiding zou nemen om het Evangelie -te lasteren, en zoo werd de gedenkwaardige bijeenkomst te Samsell dan -gehouden. - -Hij had het voorgebed uitgesproken, waarop al de aanwezigen een plechtig -„amen” hadden gezegd. Toen las hij zijnen tekst af op een toon, die -beide van vrees en moed getuigde, en wel de woorden: „Gelooft gij in den -Zoon van God?” Hij begon dien te verklaren toen de officier van justitie -binnenkwam en hem op de plaats zelve gevangen nam. Daar hij op de daad -betrapt werd bleef er geen keus meer over; hij moest zich onderwerpen en -de gevangene ging met den officier mede, zooals deze van hem verlangde. -Maar de broeders konden goedsmoeds wezen, al werd hun prediker ook als -een dief en moordenaar weggeleid. Gode zij dank, hij was dat niet. -Integendeel, in zulke gevallen is het verreweg beter de vervolgde dan de -vervolger te wezen. - -„Maak wat haast,” zeide de politieman; „men wacht u daar buiten.” Maar -toch was het reeds te laat in den avond om nog verder te trekken en werd -het eenige oogenblikken later aan den gevangene vergund nog dien eenen -nacht in vrijheid te blijven, onder borgstelling. In den morgen evenwel -ontmoette Bunyan den overheidspersoon en volgde hem naar het -gerechtshof. De officier Wingate begon eerst een vriendschappelijk -gesprek, waarin hij beweerde, dat een ketellapper niet prediken mocht. -Dat, werd hem geantwoord, hangt af van des ketellappers hoedanigheden en -begaafdheden. Maar hij wist wel, dat de wet hem het prediken verbood, -werd weder aangevoerd. Waarom het niet liever nagelaten? Als hij dit -beloven wilde en de boete betalen, dan was hij vrij. Zijne vrienden -zouden zeker gaarne voor hem de boete betalen, of borg voor hem spreken; -het staatsstuk was reeds opgemaakt, hij behoefde het slechts te -teekenen, en alles was in orde. - -En wat behelsde dat stuk? Dat hij afstand doen zou van het prediken. Nu, -zij moesten het zelf maar weten, maar, zoo waar als de waarheid waarheid -was, zoodra hij losgelaten werd zou hij weer dadelijk aan het prediken -gaan. De griffier en de klerk maakten toen zijn vonnis gereed, want hij -moest naar de gevangenis. Toen hij werd weggeleid kwam dr. Lidall, een -oude kennis van hem, de gerechtszaal binnen. Eene zeer zonderlinge -samenspraak had plaats. De dokter noemde hem een afstammeling van den -welbekenden kopersmid Alexander, die de apostelen tegenstond. Bunyan -herinnerde den dokter evenwel dat de apostelen werden tegengestaan door -priesters en farizeën even goed als door koperslagers, en dat er -hoogstwaarschijnlijk afstammelingen van deze priesters en farizeën dicht -in de nabijheid waren. Lidall was buiten zichzelven van boosheid en ging -heen, een strenge straf voor Bunyan vragende. Maar deze legde zijne -woorden uit met ernst en bescheidenheid. De uitslag was dat hij op den -13^{en} November voor de groote kerkelijke overheid van Engelands kerk -werd veroordeeld. - -Nog eene poging werd aangewend om hem te redden. Een zekere heer Forbes -wendde alle moeite aan om hem te overtuigen, dat hij best deed allen -geestelijken arbeid op te geven. Met vriendelijkheid en ernst beweerde -hij, dat hij volstrekt geen reden en nog minder recht had om te gaan -prediken. Maar deze redeneering werd op eene zeer onderdanige, maar -tevens standvastige manier tegengesproken. „Weg met hem naar de -gevangenis!” dat was het slot. - -Zoo vertrokken zij dan, en hij verliet het gerechtshof, groote moeite -hebbende om te verzwijgen, dat hij den vrede Gods met zich mededroeg: -maar hij hield zich stil en betrad de gevangenis met groote vertroosting -in zijn gemoed. - -Bij de eerstvolgende zitting van het hof werd eene aanklacht tegen hem -ingebracht, waarin hij werd beschuldigd van zich op duivelaardige en -verderfelijke wijze te hebben onthouden van de openbare -godsdienstoefening in de kerk, en in plaats daarvan allerlei oefeningen -en gezelschappen te hebben gehouden vlak tegen de wetten des lands in. -Hem werd vergund een advocaat te nemen, die voor hem pleitte, maar dit -weigerde hij. Wat hij te zeggen had vermocht hij zelf wel te zeggen. In -eene beteekenis van het woord, die zeker niet de slechtste was, kon hem -geen verzuim der godsdienstoefeningen worden vermeden, integendeel -bezocht hij ze zeer getrouw. Maar ging hij dan wel naar de dorpskerk of -de stadskerk? Neen; de reden waarom kon hij ook duidelijk uiteenzetten. -Het haalde hem buitendien spot en verachting genoeg op den hals, dat hij -de „groote kerk” voorbijging, en menigmaal kwam hij in verzoeking op dit -punt, maar Bunyan bleef zijn ouden gang gaan en liet zich niet van zijn -stuk brengen. Hij was geen vijand van het gouvernement. Hij beleed -plechtig, dat hij nog tot die ouderwetsche vaderlanders behoorde, die er -zich op toelegden God te vreezen en den koning te eeren. Maar hij durfde -den Koning der koningen niet ongehoorzaam zijn, en daar deze verordend -had, dat iedereen moest handelen naar de mate der gaven hem geschonken, -zoo moest ook hij, gevangene, het Woord Gods bedienen. Hij was even -bereid als ieder der rechters op de groene kussens daar voor hem -gezeten, om aan den keizer te geven wat des keizers was; maar hij mocht -de dingen Gods aan den keizer niet geven. Zoo was dan zijne straf -onvermijdelijk en luidde zijn vonnis opnieuw: „Gij moet terugkeeren naar -de gevangenis, en daar drie maanden in zitten; aan het eind van die drie -maanden, wanneer gij u niet onderwerpt, eerbiedig naar de kerk gaat en -belooft u van prediking te onthouden, moet gij uit het koninkrijk -verbannen worden, en wanneer gij dan na een bestemden dag, die u zal -worden medegedeeld, nog in dit koninkrijk vertoeft, zult gij zonder -genade worden opgehangen.” En zoo kreeg de gevangenbewaarder dan Bunyan -weder in den kerker. - -Die kerker was een van de jammerlijkste uit het geheele koninkrijk; hij -zelf noemde haar „een hol”. Daar waren slechts twee cellen in op eene -binnenplaats, waterpas gelegen met den oever der Ouse. Dertig personen -zouden er in hebben kunnen vertoeven, maar meermalen waren er zestig dag -en nacht bij elkander opgesloten. Voor een man van twee en dertig jaar -oud, gewoon aan de vrije beweging in de vrije lucht, moest zulk een -nauwe opsluiting dan al zeer onverdragelijk wezen. Eene enkele week daar -doorgebracht zou voldoende zijn om zijn besluit te doen wankelen. Hij -zou zulk eene vernedering en jammer voorzeker kwalijk langer kunnen -uithouden. Als er hem maar de gelegenheid toe geboden werd zou hij wel -spoedig herroepen. Zoo dachten de rechters en daarom zonden zij den -vrederechter om hun gevangene van hunne goede bedoelingen jegens hem te -verzekeren, en hem toch over te halen van hunne kwijtschelding gebruik -te maken, door maar alleen dit eene te beloven: niet meer te prediken. -Die heer drong daar sterk bij hem op aan. Hij zeide onder anderen, dat -het toch wel zonde en jammer was, dat zulk een man dáar moest zitten -onder gauwdieven en schelmen; maar het zou nog veel erger worden, -wanneer de rechtsdag weder aanbrak, want dan werd het nog harder vonnis -uitgesproken. „Het zal slecht met u afloopen,” zeide Cobb; „men zal u -inderdaad uit ons land wegjagen of nog erger dan dat.” - -Het gesprek duurde vier uren, maar het had geene uitwerking. Paulus -erkende, dat de machten, welke in zijne dagen leefden, uit God waren en -toch werd hij meermalen in de gevangenis gezet. Jezus Christus zeide tot -Pilatus, dat hij geen macht over Hem zou gehad hebben als het hem van -boven niet gegeven was, en toch stierf hij onder Pilatus; en toch hoopte -de gevangene, dat de vrederechter niet zou durven zeggen: Paulus en -Christus verzetten zich tegen de overheid. De wet gaf twee wegen aan de -hand, waar langs zij gehoorzaamd kon worden. In gevallen, die voor het -geweten des menschen duidelijk als recht en billijk te boek stonden, was -hij ook verplicht volstrekt en onmiddellijk te gehoorzamen, en Bunyan -wilde dit doen zelfs al moest het zijn leven kosten. Maar in gevallen, -waarin des menschen geweten gekwetst werd, moest hij lijdelijk -gehoorzamen, en dus alles dragen wat hem opgelegd werd met geduld en -onderworpenheid. En ook hiertoe was Bunyan bereid tot den dood toe. - -Toen Cobb aldus het vaste besluit van den gevangene vernomen had, zat -hij stil neder en zeide niets meer. De gevangene bedankte hem voor zijn -vriendelijk en aangenaam gesprek, en zoo vertrokken zij met het gebed, -dat zij elkander in den hemel mochten wederzien. Hoe walgelijk en -ongezond het hol ook wezen mocht, Bunyan keerde derwaarts weder om de -gevolgen af te wachten. - -Het gebeurde daarna, dat er eene kroning plaats had, en volgens de -nationale gewoonte verkregen alle gevangenen, alleen de allerergste -uitgezonderd, de vrijheid terug. Voor Bunyan echter was er geen pardon. -Zijne vijanden wisten hem als zóo gevaarlijk voor het algemeen belang af -te schilderen, dat zijne hoop werd teleurgesteld en hij gevangen bleef. -Zijne vrouw -- omstreeks een jaar vóor zijne gevangenneming was hij -hertrouwd -- begaf zich met een rekest naar Londen, maar er kwam niets -van terecht. De eenige kans, die nog overbleef was het met de rechters -te beproeven, die aangekomen waren om in den rechtsdag zitting te nemen. -Zij zouden uit kracht van het kroningspardon hem kunnen vrijlaten. Bij -hunne aankomst begeerde hij tot hen te mogen gaan en van hen -kwijtschelding der straf te vragen, maar hij mocht niet naar hen gaan. -Nu bleef alleen over dat zijne vrouw gaan zou. Goedhartig en verstandig -als zij was, verkreeg zij toegang tot de rechters, zelfs meermalen, en -zij bracht het zelfs zoover, dat zij een lang gesprek met haar voerden. -Goed en warm bepleitte de vrouw de zaak van haar man; maar ofschoon de -president der rechtbank inderdaad met hare droefenis begaan was, hij -wilde toch niet voor haar tusschenbeiden treden. Er waren wel een paar -wegen, langs welke het vonnis kon vernietigd worden, maar zij had de -middelen niet om deze dure processen te voeren, en daarom duurde de -gevangenschap voort. - -Opdat hij zichzelven van onderhoud zou voorzien en ook nog iets voor -zijn huisgezin verdienen, werkte Bunyan als schoenlapper in de -gevangenis, en kreeg daarvan meer te doen dan hij af kon. Bij -tusschenpoozen las hij in de weinige boeken, die onder zijn bereik -waren, maar het Woord Gods ging boven alles en werd geregeld onderzocht. - -[Afbeelding: DE OUDE GEVANGENIS TE BEDFORD.] - -Weder werden pogingen aangewend bij den volgenden rechtsdag en ook bij -het Hof der Gezworenen, om hem in vrijheid te krijgen. Onveranderlijk -werd de vraag gesteld: „Wil hij het prediken opgeven?” Wilde hij dit, -dan was er geen hindernis. Maar dat wilde hij niet laten, daarom bleef -die hindernis bestaan. Zes jaren lang bleef hij in ditzelfde hol toeven, -en verduurde daar al de vuiligheid en ongezondheid, welke eene eeuw -later Howard, den vriend der gevangenen, aanleiding gaf op welsprekende -wijze hun lot als onuitstaanbaar te schetsen. - -Er kwamen tijden, waarin hij geheel ter neergeslagen was. De scheiding -van zijne vrouw en hulpbehoevende kinderen neep hem menigmaal als het -ware het vleesch van de beenderen, en dat niet alleen omdat hij zoo -innig aan hen was gehecht; maar ook omdat zij maar al te zeer, ook -uitwendig, in zijn lijden deelden, en hij hen door vrij te wezen had -kunnen onderhouden. „Arm kind!” zeide hij tot zijn blinde dochter, „welk -een smart hebt gij toch in deze wereld voor uw deel gekregen! Gij moet -honger lijden. Koude en naaktheid en duizend andere jammeren komen -daarbij, ofschoon ik voor mij niet verdragen kon, dat de wind op u -blies.” Maar weer tot zichzelven komende, kreeg hij nieuwe kracht en gaf -al zijn hulpelooze kleinen in Gods hand. Hij liet zijn huis op vrouw en -kinderen nederstorten, maar het moest zoo zijn en kon niet anders. - -Hij begreep zeer goed, dat hij eindelijk van zijn land en volk zou -verbannen worden en in den vreemde sterven, of dat zijne gevangenis in -de galeien eindigen zou; maar toch kon hij zijn recht niet opgeven om -het Woord Gods te prediken. Verlossing uit zijn lijden zou hem zeer -aangenaam geweest zijn, want hij zuchtte er vaak onder, bezwaard zijnde; -maar hij mocht die niet betalen met ontrouw aan Christus. - -Twaalf jaren lang duurde zijne gevangenis; sommigen zijner cipiers waren -hem vriendelijk en toegenegen, anderen daarentegen onvriendelijk en -lastig. Aan de vriendelijkheid van sommigen moet het toegeschreven -worden, dat hij nu en dan de gevangenis mocht verlaten. Niet slechts -werd het hem in zijn kerker meer dragelijk gemaakt, maar zelfs werd hem -soms verlof gegeven zijne broeders te gaan bezoeken, nadat hij beloofd -had op zijn woord van eer terug te keeren. Deze zaak werd verklapt en op -zekeren avond werd een bode door de overheden gezonden om den cipier -wakker te roepen en hem te vragen Bunyan eens te laten voor den dag -komen. Nu gebeurde dit juist op een dag dat Bunyan uit geweest was, maar -hij stond onmiddellijk gereed en ontmoette den bode. Zoo was toch alles -in orde. Slechts een uur tevoren was hij teruggekeerd, en dat wel zeer -haastig, want hij had aan zijn hart gevoeld, dat zijne vijanden hem op -het spoor waren. Welke vriendelijkheden hunne ondergeschikten hem ook -mochten bewijzen, de overheidspersonen en regeerders wisten van geen de -minste barmhartigheid. - -Ten langen leste daagde er toch verlossing op. In Maart van het jaar -1672 vaardigde de koning een besluit uit, waarbij alle dissenters -(afgescheidenen), uitgezonderd de Papisten, vergunning kregen openbare -godsdienstoefening te houden, aan zulke plaatsen en onder zulke leeraars -als van tijd tot tijd zouden worden erkend. De bedoeling van dit besluit -was de invrijheidstelling der afgescheidenen, die op verschillende -plaatsen in de gevangenis zaten. Daarom werden nu ook pogingen gedaan om -hunne loslating te bewerken, in het bijzonder door vele Kwakers, wier -broeders het grootste getal der lijders om des gewetens wille -uitmaakten. Door de onvermoeide en kostbare nasporingen van George Offor -zijn feiten ontdekt, die vele onder het volk verspreide en algemeen -geloofde misvattingen over de wijze, waarop deze lijders in vrijheid -kwamen, aan het licht hebben gebracht, en tevens is de ware toedracht -der zaak geopenbaard. Al die gebeurtenissen zijn door Offor in eene -meesterlijk geschreven levensschets van Bunyan opgenomen. Wat hier nu -volgt geeft er eene korte opsomming van. - -„Gij hebt mij wel meer gezien,” zeide een afgezant der Kwakers tot -koning Karel. -- „Waar dan?” -- „Aan boord van het schip, dat u veilig -naar Frankrijk overbracht na het gevecht van Worcester.” -- „Ja, dat -herinner ik mij.” -- „En herinnert gij u dan niet, dat een kaper ons -nazat, en dat sommigen onzer u naar den oever roeiden, en dat éen onzer -u op de schouders nam, door het bruisende water waadde, en u hoog en -droog naar een naburig dorp droeg?” -- „Ja wel”. -- „De man, die u toen -op de schouders droeg, was ik, en nu kom ik u vragen, dat gij toch -vriendelijk handelen wilt met mijne broeders in hunne droefenis, zooals -wij toen vriendelijk geweest zijn jegens u.” - -De koning herinnerde zich die gebeurtenis volkomen. Deze man, Richard -Carver, was bij een groot gevaar een vriend in nood geweest. Hij -verdiende wel eene belooning, dat was waar; maar dissenters waren zoo -dweepachtig, dat als men hen uit de gevangenis liet, zij dadelijk alles -weer zouden doen als tevoren, en dus spoedig naar den kerker -teruggezonden worden. De oude zeeman zette echter zijn pleidooi voort en -beduidde den koning, dat de wetten, die hen weder naar de gevangenis -terug zouden zenden, slechte wetten waren, die herroepen dienden te -worden. De goedhartige koning Karel vergunde den Kwaker zijn verzoek -nogmaals te mogen herhalen. Geen tijd werd verspild, en andere Kwakers -voegden hun smeekschrift bij dat van Carver, terwijl deze zijn rekest -uitstrekte tot alle afgescheidenen van welken naam ook. - -Eenig uitstel had plaats, maar op den 13^{en} September van het jaar -1672 werd een bevelschrift geteekend, waarbij John Bunyan vrij verklaard -werd. Hij bevond, dat zijne zaak geheel verloopen was, en dat hij weer -van voren af aan beginnen moest alsof hij pas op de wereld kwam. Vóor -zijne bevrijding was hem een verlofschrift van den koning gezonden, ’t -welk behelsde, dat hij prediken mocht, en daar de predikant Gifford dood -was, zoo werd door diens gemeente besloten, dat hij hun herder en -leeraar worden zou, ingeval hij in hunne begeerte bewilligde. - -Volgens de aanwijzingen der apostelen was hij de gevangene des Heeren -geweest. Hij had met vreugde de berooving zijner goederen aangezien, -zijn leven niet dierbaar achtende voor hemzelven, opdat hij het Hoofd -der gemeente mocht navolgen. Het verbod dat hij niet prediken mocht, was -eene onteering geweest, eene schande Christus aangedaan. Het verbod om -vrij uit het hart te mogen bidden was eene onteering van den Heiligen -Geest. Hij had geen ander doel gehad dan pal te staan voor de eere Gods. -Zijne gehoorzaamheid aan de hemelsche overheid noodzaakte hem tot -ongehoorzaamheid aan de aardsche overheid. Hij kon de clericale wet niet -houden omdat die met de goddelijke wet streed. Hij ging naar de -gevangenis en daar zou hij tot aan zijn dood gebleven zijn; niet -aangevuurd door eene dwaze dweepzucht of wanhopige partijzucht, maar uit -diepen eerbied voor God en zijn Woord. Als ziende Hem, die onzichtbaar -is, gaf hij het groote voorrecht niet op zijn hart ongedwongen te mogen -uitstorten voor den Heere, of durfde hij de bediening, die hij van den -Heere Jezus ontvangen had, vaarwel zeggen, wel wetende, dat het -Evangelie zich openbaart als eene genadekracht Gods. - - -IV. - -ZIJNE BEDIENING ALS HERDER EN LEERAAR. - -Bunyan geloofde, dat hij zijn ambt van God gekregen had. Deze -overtuiging lag als een last op zijne schouders. Als een vuur in zijne -beenderen was het verlangen in hem om de blijde tijding aan anderen te -brengen. Sedert lang was hij de dienaar zijner medegevangenen geweest; -ook in de gevangenis had hij van Jezus getuigd. Maar nu mocht hij weer -openbaar getuigen, en wat was zijne prediking stichtelijk! Wat ging er -eene kracht uit van zijne getuigenis der waarheid! Hij verhaalt van -zekere gelegenheid, toen hij in de kamer der gevangenis zich buiten -staat gevoelde meer dan vijf woorden te spreken. De vergadering wachtte -en de tekst was over het heilige Jeruzalem, afdalende uit den hemel van -God. ’t Was of eene schittering van de paarlen poorten zijne oogen -verblindde, en hij zelf vermoedde, dat hij meer zou te zien krijgen. Hij -stortte zijn hart uit voor God, en kreeg zulk eene toestrooming van -geestelijke gedachten, dat al de aanwezigen verzadigd en verblijd -werden. Toen hij allen hun bescheiden deel gegeven had hield hij nog een -korf vol over. - -Zulke oefeningen waren niet weinig geschikt geweest om hem voor te -bereiden voor het werk der bediening als herder en leeraar der gemeente -van Christus. Door het voortdurend ernstig Bijbelonderzoek en het -gebruik, dat hij van zijne gaven gemaakt had, was hij een welsprekend -man geworden, machtig in de Schriften. Bij zijne loslating vond hij een -groote vergaderzaal, die keurig netjes was ingericht en waar het volk -bij menigten samenstroomde. Ernstig en diep bestudeerde hij zijn -onderwerp, dan predikte hij, en daarna, volgens zijne opvatting in -dezen, schreef hij uit wat hij gezegd had tot later gebruik. Zijne -hulpbronnen waren slechts weinige; vooral in het eerst had hij geene -andere dan het Woord Gods en het gebed. Hij vond zijne hulp en zijne -inspiratie bij een hoogere bron, zooals hij zelf voortdurend verklaarde. -Water uit zijne eigen regenbak te putten was zijn genot, een ander te -mogen verblijden met wat God hem had geschonken door de kracht van Woord -en Geest verheugde hem. De groote bijbelkennis van Bunyan kwam uit in -elke preek, die hij deed. Het gebruik, dat hij van de Schrift maakte, -was niet slechts voortdurend, maar ook recht gepast en krachtig; hij -toonde steeds aan zonder het zelf te vermoeden, dat het ware geloof en -de zuivere prediking nooit anders dan schriftuurlijk zijn. Daarbij -drukte hij zich zeer klaar en eenvoudig uit. Hij zeide dat woorden, die -goed verstaan worden, tot het gemoed doordringen, terwijl hooge en -geleerde uitdrukkingen slechts de lucht slaan. In geen enkel opzicht gaf -zijne bazuin een onzeker geluid. Zijn prediking was dadelijk te -verstaan. Het geringe volk hoorde hem gaarne, terwijl de meer -ontwikkelden zich nooit over zijne woorden beklaagden. Hij was -begrijpelijk zonder plat te zijn, en krachtig zonder brutaal te wezen. - -In het uitspreken zijner redevoeringen had hij het voorrecht een scherpe -en vlugge blik, een mooie stem en een aangenaam talent te bezitten. -Zoowel door de natuur als de genade was hij geschikt gemaakt om een goed -prediker van Jezus Christus te wezen. Geen wonder dus, dat zijne kerk -altijd opgepropt was van toehoorders en dat menigeen daar getroffen -werd, terwijl vele belangstellenden moesten buiten staan. Daar ging -kracht uit van dezen prediker, dat werd in den ganschen omtrek openbaar, -terwijl allerlei lieden zijn onderricht begeerden. - -Op bepaalde tijden bezocht hij de omliggende dorpen, en bijgemeenten -werden gevormd, die tot op heden bestaan. Nu en dan bracht hij ook een -bezoek aan de hoofdstad, waar hij bijna even populair was als tehuis. -Eene enkele aankondiging was voldoende om hem een groot gehoor te -verzekeren. Een ooggetuige zegt: „Ik heb eens eene prediking van hem -bijgewoond, waar, naar ik gis, twaalf honderd menschen samen kwamen, en -dat nog wel des morgens om zeven uur op een werkdag, in den donkeren -wintertijd. Ook woonde ik eene prediking bij op den dag des Heeren in -eene vergaderzaal te Londen, waar meer dan drie duizend waren opgekomen, -zoodat de helft zich genoodzaakt zag uit gebrek aan plaats weer heen te -gaan, en Bunyan zelf kon slechts met moeite door een achterdeur als over -de schouders der hoorders heen zijn predikstoel bereiken”. Het was een -zeer aandoenlijk schouwspel wanneer hij op afgelegen plaatsen optrad, -meestal voor een duizendtal personen en dat nog wel midden in den nacht. -Zijn groote beroemdheid vervulde hem met zorg. Hij verontmoedigde zich -des te dieper voor den Heere. Indien hem geen groote genade van den -hemel ware geschonken, dan zou hij zijn gaan roemen buiten de maat, en -de duivel zou hem verstrikt hebben. - -God liet ook toe, dat zijn knecht werd gekastijd. Er kwamen kwade -geruchten in omloop, die hem onteerden. Er werd verzekerd, dat hij het -zevende gebod had geschonden en het negende evenzeer. Zekere heer -Beaumont kwam plotseling te sterven. Zijne dochter, die eerst door hem -op straat was gezet omdat zij Bunyans prediking volgde, was daarna weder -in gunst ontvangen nadat zij beloofd had niet langer onder „dat volk” op -te gaan. Zij had spoedig spijt van die belofte en smeekte haar vader -haar toch verlof te geven om naar de preek te gaan luisteren. Op zekeren -avond toen de oude heer reeds ter rust was gegaan, zocht zij hem op -zijne slaapkamer op en sprak zoo ernstig met hem, dat hij tot tranen -bewogen werd. In den loop van dien nacht kwam de vader te sterven. Nu -liep het gerucht dat hij vermoord was, dat zijne dochter hem vergiftigd -had, en dat haar leeraar haar hierin was behulpzaam geweest. Dit gerucht -bracht heel den omtrek in beweging. Deze vrouw was eene moordenares en -haar prediker leefde met haar in ontucht. Ofschoon echtgenoot en vader -was hij een schandelijk overspeler, zoo niet nog erger dan dat! Het -gerecht zou hem straffen. Een onderzoek werd ingesteld, nu ook naar -andere lasteringen, die reeds in omloop waren. Maar met dit onderzoek -eindigde ook de gansche zaak. De lasteraars werden door den lijkschouwer -aan de kaak gesteld, en ernstig wegens hunne vermetelheid bestraft, -terwijl de leeraar zeide: „Ik roep God tot getuige aan, dat ik -onschuldig ben. Niet dat ik uit of van mijzelven van eenige -goddeloosheid ben teruggehouden; maar God heeft mij in zijne genade -bewaard, zooals ik bid, dat Hij altoos doen zal.” - -[Afbeelding: BUNYAN IN DE GEVANGENIS.] - -Dit zooveel opspraakmakende leed werkte mede ten goede. De prediking won -aan kracht, en de prediker kwam in nog grooter roep als een goed -dienstknecht van Jezus Christus. Uitnoodigingen kwamen tot hem van -andere en grootere gemeenten. Hij kreeg beroepen, die zijn inkomen -aanmerkelijk zouden vermeerderd hebben en hem in staat gesteld een -grooten staat te voeren. Maar hij was onbeweeglijk. De stad Bedford met -hare nabuurschap was zijn kring, met dien verstande echter, dat hij ook -als de gelegenheid zich aanbood elders ging prediken. Hij werd nu in de -wandeling altijd „bisschop Bunyan” genaamd en ontzag moeite noch arbeid -om naar verwijderde streken heen te reizen, waar het volk zijne hulp -noodig had. Het was hem nu vergund te prediken en raad te geven zonder -dat iemand hem eenigszins mocht hinderen, en ofschoon hij voortdurend -bleef ontkennen, dat hij deze vergunning behoefde, kwam zij hem toch ten -goede. Van zijne roeping als leeraar liet hij zich nooit aftronen, -evenmin door goed als kwaad gerucht. Zijn vriend Charles Doe getuigt -daarvan: „Toen Bunyan eens op weg naar Cambridge was, ontmoette hem -iemand van de universiteit, die tot hem zeide: „Hoe durft gij prediken, -aangezien gij den oorspronkelijken tekst niet kent en geen geleerde -zijt?” Toen antwoordde Bunyan: „Hebt gij den oorspronkelijken tekst?” -- -„Ja”, zeide de academie-man. „Zoo, zijt gij in het bezit van de -oorspronkelijke handschriften, die door de pennen der profeten en -apostelen zijn geschreven?” vroeg Bunyan verder. -- „Neen” zeide de -ander, „maar wij hebben de echte copiën van het oorspronkelijke.” -- -„Hoe weet gij dat?” -- „Hoe?” herhaalde de ander. „Hoe? Wel wij -gelooven, dat wij de ware en echte copiën van den grondtekst bezitten.” --- „Juist,” zeide Bunyan, „en zoo geloof ik nu ook, dat de Engelsche -vertaling een echte en zuivere copie van den grondtekst is.” En de -geleerde mijnheer ging door. - -Het zaad des Woords viel in goede aarde. Vele werden bekeerd en den -Heere toegevoegd. De gemeente, die onder zijne hoede stond, werd -voortdurend uitgebreid, en als een onderherder arbeidde hij voortdurend -aan haar welzijn. Op de bediening der sacramenten was hij zeer stipt en -daarin zeer getrouw. Zij waren de genade niet, maar wel genademiddelen, -die niemand verzuimen mocht. Het laatste avondmaal veranderde niet in -het lichaam en bloed des Heeren; maar het stelde het voor. En deze -leeraar geloofde, dat de berouwhebbende zondaar en de pasbekeerde -geloovige ze niet mochten verzuimen, of zij verzuimden een voorrecht en -begingen eenen misslag. - -Hij zorgde voor het krankbezoek met veel medelijden en liefde. Waar soms -strijd tusschen de broeders ontstond, trad hij onmiddellijk tusschen -beiden. Voor zoekenden naar de waarheid in hunne menigvuldige -aanvechtingen en bekommering, was hij een trouw en vriendelijk -raadgever. Met de leden, die naar elders vertrokken waren, hield hij -briefwisseling, er in toestemmend, dat zij elders zich bij eene -zusterkerk aansloten, die op denzelfden bodem stond. De tucht op -degenen, die zich vergrepen, paste hij met alle gestrengheid toe. Hij -zelf ging eerst met de zoodanigen in de eenzaamheid; gelukte het hem dan -niet de dwalenden terecht te brengen, dan moesten de broeders er aan -tepas komen. Alle tuchtiging, die hij oplegde, moesten de broeders -goedkeuren of verzachten. Hij handelde daarin geheel eenstemmig met hen. - -De haast, waarmede hij strafte, werd weder goedgemaakt door de haast -waarmede hij vergaf. Menigmaal hief hij de tuchtroede op of verzachtte -de kastijding aanmerkelijk, waar hij groot berouw en oprechte -schuldbekentenis bespeurde, zoodat de tucht diende tot opbouwing van het -allerheiligst geloof. - -Bunyan matigde zich geen monopolie aan voor den dienst des Evangelies. -Hij achtte zich gesteld over de broederschap des Heeren, als voorganger -en herder der gemeente. Maar hij zag in ieder lid der gemeente een -medearbeider en droeg hun zulke bedieningen op als het best voor hen -pasten. De jongere en oudere leden leerden hunne voorrechten en -verplichtingen kennen; allen beijverden zich in ’s Heeren dienst, om -elkander op te voeden in het Evangelie, elkanders lasten te dragen en -alzoo de wet van Christus te vervullen. - -Langs deze verschillende wegen werd zorg gedragen voor de kudde over -welke de Heilige Geest hem tot een opziener gesteld had. Hij voedde haar -met het brood des levens; hij bracht haar tot werken des geloofs; hij -oefende haar in godzaligheid; hij bezielde allen met zelfverloochenenden -ijver; hij hield haar terug van een zelfvertrouwen, dat gevaarlijk wezen -zou, en van verachtering in het geloof, dat eenmaal den heiligen -overgeleverd is. - - -V. - -ZIJN LOOPBAAN ALS SCHRIJVER. - -Bunyan was vertrouwd met de behandeling der pen. Het schrijven was hem -daarbij een genot. De opstellen gingen van zijn hart naar zijn hoofd en -dan kwamen ze door zijne vingers op het papier. Het moet intusschen -worden toegestemd, dat de handeling van het schrijven zelf hem veel -moeite kostte en zeer langzaam ging. Te oordeelen naar de vroegste -staaltjes van zijn pennekunst, moet het hem heel wat tijd gekost hebben -zijn dunste boek voor de pers gereed te maken. De geest was zonder -twijfel de pen ver vooruit. - -Hij werd auteur in 1656, bijna tegelijkertijd toen hij prediker werd, en -zijn eerste werk was een strijdschrift. Het droeg den titel: „Eenige -Evangelische waarheden volgens de Schriftuur uitgelegd.” Het doel -daarvan was zich te verzetten tegen enkele dwalingen, waaraan zekere -Kwakers leden, namelijk de geringschatting van de Schrift en van het -offerbloed des Lams in het plaatsvervangend lijden. - -Het werd dadelijk beantwoord, en op dat antwoord gaf hij een -buitengewoon scherp wederantwoord. Andere boeken volgden en toen werd -hij gevangen gezet. Maar het schrijven hield niet op, want de nood drong -hem zijne pen geen rust te laten. Hij moest zijne familie ondersteunen, -en ofschoon hij een gevangene was, toch moest hij zijn eigen kost -verdienen. Daar nu het schoenlappen daartoe niet voldoende was, schreef -hij nu en dan korte stukjes, welke zijne vrienden lieten drukken om ze -langs de straten te verkoopen. Ze gingen zoo goed van de hand, dat de -liedjeszangers bij Newgate en Londen Bridge zijn portret en -handteekening op hunne prullerij plaatsten, ten einde ze ingang te doen -vinden bij het volk. - -Als een bewijs van vriendschap voor hen, die zijne prediking gevolgd -waren, en voor wie ze gezegend was geweest, schreef hij een kort verhaal -van hetgeen Gods barmhartigheid voor hem gedaan had. Deze -levensbeschrijving, die van zijne geboorte tot zijne gevangenneming -loopt, is een der merkwaardigste autobiographiën, die ooit uitkwamen. -Zij bevat inderdaad de aanleidende oorzaak voor ieder punt zijner -bekeering, al wat hij ondervond, dat invloed uitoefende op zijne -inwendige wijding tot het leeraarschap. De lezer van deze levensschets -heeft dan ook grootendeels den man zelf hooren spreken, zij is in -hoofdzaak wat Bunyan zelf geschreven heeft. - -De ernstige toon, waarin het geheel gesteld is, komt vooral uit in de -volgende zinsnede, die bewonderenswaardig heeten mag. „God speelde er -niet mede toen hij mij tot overtuiging der waarheid bracht; de duivel -speelde er niet mede toen hij mij verzocht; en evenmin speelde ik er -mede, toen de angsten der hel op mij nederkwamen; en daarom mag ik er -ook niet mede spelen als ik deze dingen verhaal; maar ik leg ze daar -klaar en duidelijk neder, juist zooals ze gebeurd zijn.” De titel, welke -hij aan zijn boek gaf: „Overvloedige genade bewezen aan den grootsten -der zondaren,” was de beste, dien hij kiezen kon. - -Meer doorwrochte uitgaven volgden, waarvan het in gereedheid brengen -onder Bunyans omstandigheden inderdaad verbazing wekt. Zij waren -diepdoordachte studiën over groote waarheden, als, de rechtvaardigmaking -door het geloof, de wederopstanding der dooden, en ofschoon nieuwere -werken deze in onze theologische scholen hebben verdrongen, ze zijn toch -maar zelden overtroffen evenmin in hunne overtuigingskracht als in hun -diep inzicht, terwijl ze blijk dragen hoe nauwgezet hij de waarheid -toepaste en ook anderen tot ernstige toepassing drong. De eenige -hulpbron, die bij zijne letterkundige werken hem als hulpmiddel diende, -was een Concordance, en het „Boek der martelaren van Fox;” -- de eenige -plaats, waar hij schrijven kon, zijne cel, waar hij ieder oogenblik werd -gestoord en hij zoo goed als geene geriefelijkheden krijgen kon. De toon -van zijne werken in de gevangenis was grootendeels de polemische, en -somtijds was de strijder zelfs hardvochtig en gestreng. Jegens den -predikant Fowler, die eene ondubbelzinnige ontkenning en verloochening -van het 13e artikel van zijne eigen kerk had geschreven, zegt Macaulay -dat hij „woest” was. Hij was voorzeker wel wat ruw, maar Fowler was op -zijn minst al even ruw, en beiden verloren veel te veel de -bescheidenheid uit het oog. - -Het laatste werk, dat uit zijne gevangenis naar de pers ging, was -getiteld: „Eene belijdenis van mijn geloof, en eene verdediging van mijn -praktijk.” Het had de strekking om zijne praktijk te verdedigen, dat -Christenen _als Christenen_ aan ’s Heeren avondmaal mochten deelnemen. -Het was volgens Bunyans gevoelen genoeg, dat iemand het bewijs leverde -van een geloof in de liefde werkende. Dat zoo iemand nog niet gedoopt -was na de belijdenis van zijn geloof, betreurde de Baptisten-predikant -ernstig, maar ofschoon hij zich om des gewetens wille van zulk eene -indompeling ook voorloopig onthield -- de godzaligheid van zijn wandel -was daar het bewijs van -- zoo bleef toch zijn recht op de voorrechten -der kerk onaangeroerd, en te Bedford mocht hij ze allen genieten. - -Een groot geroep ging er na deze uitgave op onder de Baptisten, en deze -openbare mededeeling werd als een onteering van den Heere aangezien. -Maar Bunyan volhardde stillekens in zijne overtuiging, wel bewust, dat -de almachtige God zijn schild was, en duldde alles, naar hij zeide „tot -het mos op zijne oogleden groeien zou.” - -Er was een ander boek, dat in het licht gegeven is vóor onze auteur de -gevangenis verliet -- dat boek, hetwelk inderdaad zijn naam vereeuwigd -heeft. De „Pelgrimsreis” werd begonnen en geëindigd in de gevangenis. -Dit boek werd hem als het ware ingegeven en kwam zonder moeite op -papier, zich aan hem opdringende met groote zoetvloeiendheid en innig -gevoel, als in de bekoorlijkheden van een droomgezicht. Hij was bezig -een ander boek te schrijven, toen hij eensklaps aan dit begon. Twintig -denkbeelden drongen zich aan hem op, en vóor hij die neergeschreven had -weer twintig andere. Hij zette met genot de pen op het papier. Terwijl -hij ophield of rustte kwam het denkbeeld, en wachtte hij maar weer dan -kwam er weder een ander, tot hij eindelijk in alle opzichten verblijd en -verwonderd was over wat hij had geschreven. Hij behandelde dit onderwerp -geheel uit zichzelven, geen enkele menschelijke ziel was hem daarbij -behulpzaam; hij had niet zooals anders vooraf bouwstoffen opgezameld. -Hij had geene inspiratie gezocht, noch bij het plechtig geklots van vele -wateren, noch bij den prachtigen aanblik van een Oosterschen hemel, noch -in de plechtige eenzaamheid, of zelfs in de afzondering bij verheven -natuurtooneelen. Hij was bewoner van een hol en hij was altijd een -zwerveling geweest in het weinig romantische land aan den oever der -Ouse. Maar tot zijne onuitsprekelijke vreugde had hij Christen temidden -van wonderveel en groote zonden heengevoerd naar de liefelijke bergen, -en door het land van doodschaduwen naar het Paradijs van God. De -bouwstof en de wijze van bewerking was alles het zijne, en geen mensch -kwam er iets van te weten vóor het afwas. - -In de gevangenis zat ook een zekere Marsom, door wiens familie bericht -is, dat toen de „Christenreis” gereed was, Bunyan die aan al zijne -medegevangenen voorlas, om van hen te weten te komen of hij het werk zou -laten drukken al dan niet. - -Men was er niet eenstemmig over. Sommigen zeiden: „John, laat het -drukken,” anderen zeiden: „Niet doen.” Sommigen zeiden: „Het kan goed -doen,” anderen meenden van niet. Marsom vroeg of hij het nog eens -overlezen mocht en na het nauwkeurig bestudeerd te hebben, ried hij aan, -dat het zonder mankeeren moest worden gedrukt. - -Toch gebeurde het niet vóór 1678, en toen was dit boek onmiddellijk -populair en wel in bijzonder groote mate. Binnen tien jaren werden er -twaalf herdrukken van bezorgd en in Engeland alleen hadden 100000 -exemplaren hunnen weg gevonden vóor Bunyans dood. Van dien tijd af is -het een gevierd boek gebleven. Het is in den schouwburg opgevoerd. De -romanschrijvers hebben er van geprofiteerd. Allerlei letterkundigen -hebben het aangehaald en vele schrijvers er hunne beelden aan ontleend. -De kritiek heeft het onder handen genomen en het op allerlei wijzen -ontleed, zoodat alle schoonheden en gebreken in het helderste licht -verschenen zijn. Door vertaling is het populair geworden bij schier alle -natiën onder den hemel. Kunstenaars hebben hun uiterste best gedaan om -de schoone tafereelen af te beelden. - -De „Geschiedenis van Meester Kwaad”, met nog een of twee andere boeken -volgden op de uitgave van den „Christenreis”, en toen kwam in 1682 „De -Heilige Oorlog”. Het valt gemakkelijk uit de inleiding op te maken, dat -bij de beschrijving van Menschziel, eerst in bezit genomen door Diabolus -en dan heroverd door Immanuel, de schrijver zichzelven op het oog heeft. -De beschrijving is geheel op militaire wijze, de bijzonderheden uit het -krijgsmansleven zijn herinneringen uit zijn eigen militaire loopbaan bij -het beleg van Leicester, vandaar dus zijne beelden. De eerste aanval van -den duivel, die met zulk een spoedig succes bekroond werd in de -vervreemding van den mensch van zijn Maker, is wonderschoon verhaald, en -zoo ook de vleeschwording van den Zone Gods tot verlossing van den -verloren mensch. Wellicht wordt dit nog overtroffen door de vernieuwde -pogingen van den Booze om den mensch weder in zijne macht te brengen. De -diepzinnige filosofie van de beelden, die gebruikt worden, is volkomen -in overeenstemming met den geest, die hier lichamelijk voorgesteld -wordt. Het bovennatuurlijke, het dichterlijke en het evangelische gaan -hand aan hand. - -Ook dit boek beleefde vele herdrukken gedurende het leven van den -schrijver en wordt nog voortdurend gretig gevraagd, maar toch niet in -die mate als de onovertroffen inhoud verdient. Het is het beste -menschelijke richtsnoer voor hem, die wenscht te weten hoe de wet der -zonden in zijne leden woelt en door Satanische macht daarin is gekomen, -en hoe ook door de inwerkende genade des Heiligen Geestes die macht in -toom kan worden gehouden. - -[Afbeelding: BUNYAN PREDIKENDE IN DE OPEN LUCHT.] - -Binnen een paar jaren werd het tweede deel van „de Christenreis” -uitgegeven, „de Christinnereis,” waarin wij Christens vrouw en kinderen -met hunne geburin Barmhartigheid achter hem naar den hemel zien trekken. -Andere medereizigers, wier namen eene zeer diepe karakterkennis -verraden, voegen zich bij het gezelschap en onder het voortreffelijk -geleide van „Grootmoedig”, bereiken zij eindelijk hunne bestemming. Het -is heerlijk om te zien hoe het vlakke veld opgevuld is met paarden en -wagenen en trompetters om de pelgrims te begroeten, waar zij éen voor -éen de gouden stad binnentrekken. De groote rijkdom en afwisseling van -Bunyans denkbeelden komt in dit tweede deel vooral uit waar men ze -vergelijkt met het eerste. De reis van Christen was meestal een zware en -moeielijke worsteling om de zegepraal; de reis van Christina was -grootendeels een aangename reis naar het vaderhuis.[1] - - [1] Van „De Christen- en Christinnereis naar de eeuwigheid” verscheen - bij de uitgevers van dit werk en geheel in dezelfde wijze van - uitvoering eene volksuitgave met 100 uitstekende platen en portret van - den schrijver, in prachtigen stempelband, tot den geringen prijs van - ƒ 4.25. - -Christina’s zonen waren achtergebleven als een groote zegen voor de -strijdende kerk; de droomer begreep, dat hij daarvan in de toekomst nog -wel wat te zeggen zou hebben. Zijn vermoeden werd waarschijnlijk -vervuld, ten minste in zooverre dat hij ook nog een derde deel onder -handen heeft gehad; want enkele jaren na zijn dood kondigde zijn -uitgever, Nathaniel Ponder aan, dat hem het manuscript was toevertrouwd -en dat het binnenkort het licht zou zien. Er werd evenwel niets meer van -die uitgave van Ponder vernomen. Wel kwam er later iets uit, dat een -derde deel beteekenen moest; maar het was eene vervalsching. Alle -innerlijke en uitwendige bewijzen zijn voorhanden, dat het volstrekt -niets te maken heeft met den wezenlijken droomen-droomer, en zijne twee -echte „droomen”. - -Weder andere boeken volgden tot omstreeks zestig boekdeelen, waaronder -verscheidene van aanzienlijke grootte, Bunyans werken uitmaken. Velen -daarvan waren polemisch, maar allen hadden betrekking op de -fundamenteele waarheden des Christendoms. In vele gevallen bestonden zij -uit eene uitbreiding van zijne predikaties, wanneer de overtuiging zich -van hem meester maakte, dat zij zeer geschikt waren om goddelooze lezers -te doen ontwaken uit hunnen doodslaap en de vromen tot dieper -overtuiging te brengen. Hij wilde nuttig zijn niet alleen voor zijn -eigen tijdgenooten, maar ook voor de toekomstige geslachten. Het was -inderdaad een moeilijke taak om al de tegenwerpingen der verachtende -spotters naar eisch te beantwoorden, maar hij vervulde die taak. Het was -een hard werk al de verschillende moeielijkheden op te lossen van -tuchtelooze en huichelachtige gemoederen, maar hij deed dat werk. Hem -woog de zware verantwoordelijkheid om de gemeente Gods te waarschuwen -tegen de menigvuldige verzoekingen om de waarheid te ontkennen of te -verminken, op het hart, en hij onttrok zich niet aan die taak, maar -arbeidde hieraan ijverig, zoowel op den predikstoel als in de pers. -Zijne leer leefde in duizenden zijner tijdgenooten, die hij nooit gezien -had, en hij wist hen te vervullen met bewonderende liefde voor het -Evangelie van Gods genade. - -Beide door zijne eenvoudige werken als daar is „Het boek voor jongens en -meisjes”, en door zijne diepzinnige geschriften, als b. v. „De Genadewet -ontvouwd”, werd het volk over het algemeen aangetrokken; het hield die -geschriften dankbaar in waarde, en werd er krachtig door overtuigd. - -Niet éen was er onder al die zestig deelen, waarvan niet veilig kon -gezegd worden, dat zijn onderwerp waardig, zijne taal verstaanbaar, -zijne redeneering vloeiend, zijne inkleeding smaakvol, zijne oprechte -bedoeling doorzichtig, zijn toon die van Boanerges en Barnabas was; nu -eens verontrustend en verschrikkelijk, dan weer vertroostend -- altijd -geschikt om zijne lezers een inzicht te geven in het ware zaligmakende -geloof. - -Als eene proeve van zijne aangrijpende welsprekendheid, diene het -volgende: „Luiaards, onverschilligen, slaapt gij dan altijd? Zijt gij nu -vast besloten den slaap des doods te slapen? Zullen noch boodschappen -van den hemel noch van de hel u wakker maken? Zult gij dan maar altijd -zeggen: Nog een weinig slapens, nog een weinig sluimerings, noch een -weinig handvouwens al nederliggende? O, dat mijne oogen tranenbeeken -waren, en dat ik een hart vol medelijden met u hadde! Hoe zou ik u dan -beklagen! Hoe zou ik u beweenen! Arme, verloren, stervende ziel! Hoe -hard is mijn hart, dat ik niet over u wegsmelt in tranen! Indien gij -maar een lid van uw lichaam verloort, of een kind, of een vriend, dan -zou het nog zoo erg niet wezen; maar arme mensch, het is UWE ZIEL! -Indien die naar de hel verwezen werd voor één dag, of voor een jaar, of -zelfs voor duizend jaren, dan ware het vergelijkender wijze nog te -overkomen; maar het is voor eeuwig! O die ontzettende EEUWIGHEID! Welk -een zielverbrijzelend woord zal dat voor u wezen als tot u gezegd wordt: -„Gaat weg van mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, dat den duivel -en zijnen engelen bereid is!”” - -[Afbeelding: BUNYANS LAATSTE LIEFDEWERK.] - -In zijn omgang met bekommerden en wankelmoedigen ging hij met groote -wijsheid te werk. Lees hier wat hij tot hen zegt: „Niets is eene meer -algemeene kwaal onder ons menschen, dan dat er velen zijn, die twijfelen -aan de genade Gods, en dat bekomt een zondaar toch wel het -allerslechtste. De wet te verbreken is inderdaad reeds dwaas genoeg; -maar de genoegzaamheid der genade te betwijfelen is nog erger dan -dwaasheid en zonde, erger dan al wat slecht heeten moet. Daarom, -wanhopende zielen -- want het is tot u dat ik spreek -- werpt uw -wantrouwen weg, schudt uit uwe slaafsche vrees, hangt al uwen argwaan -aan den kapstok, en gelooft, dat gij daartoe een zeer voldoende reden -hebt, want daar stroomt eene rivier voor uwe voeten. Laat uw gebrek aan -vroomheid en goede werken u niet het minste verhinderen. Dit is eene -rivier van het water des levens: stroomen van genade en barmhartigheid -ziet gij daar. En wanneer gij ziet dat zij, die vreezen van honger te -sterven, mondvoorraad opdoen te Tunbridge, Epsom, Bath en elders, opdat -zij voor lange reizen op de wateren uitgerust zijn; zorgt gij dan, dat -gij voorzien zijt van levend water, dat gij niet behoeft te koopen, maar -dat u wordt aangeboden om niet. O, laat dan uwe ziel niet ophouden noch -u terughouden door vrees of twijfel; maar drinkt, drinkt en leeft in -eeuwigheid.” - -Ook voor den geloovige, die zich in Christus verheugt, had hij een woord -op zijn pas. „Het is zoo heerlijk en Gode zoo aangenaam, wanneer -Christenen wandelen waardiglijk hunne roeping, hun staat en hun -toestand: in alle dingen getrouw aan wat God van hen maakte. Dan zijn -zij als de bloemen in den tuin. Waar de tuinman ze geplant heeft daar -staan ze, en van den hysop, die aan den wand uitwast, tot den ceder van -den Libanon toe is van hen allen hunne vrucht ook hunne heerlijkheid. En -aangezien de stam, waarop zij ingeënt zijn, de vruchtbaarste stam is, en -het sap, dat door hen heenvloeit het vruchtbaarste sap, en de Kweeker -onzer zielen de wijste hovenier, zoo vertrouwen wij alles aan Hem toe -ook wat ons vreemd toeschijnt, alleen zorg dragende, dat wij rijk worden -in goede werken. Daardoor toont gij immers, dat gij geen geschilderd -vuur zijt, dat geen warmte afgeeft; geen geschilderde bloemen, die geen -geur hebben; geen geschilderde boomen, waaraan nooit vruchten groeien.” - - -VI. - -ZIJN LEVENSEIND. - -Lijden om des gewetens wil bleef Bunyans deel tot het einde. Zijn -weinige gehechtheid aan de staatskerk en zijne evangelische getrouwheid -brachten hem dikwijls in onaangenaamheden met de overheid, en deze heeft -hem meer dan eens van zijne goederen beroofd. Zijn kerkgebouw werd zelfs -eene wijle gesloten en hij moest zijne vergaderingen in het open veld -houden. - -Temidden van al deze onzekerheid voor de toekomst vermaakte hij aan -zijne innig geliefde vrouw alles wat zijn eigendom was bij een document, -dat gedagteekend is van den 23^{sten} December 1685. Hij, „John Bunyan, -kopersmid, gaf, door innige liefde gedreven, aan haar alle goederen, die -hij bezat, zoowel roerend als onroerend, en alle schuldvorderingen, waar -die ook mochten gevonden worden.” - -Aldus op alles voorbereid was hij tijdig en ontijdig in zijn Meesters -werk. Zijn roem groeide telkens aan. Van alle zijden werd het hem -moeielijk gemaakt door overstelpende bezigheden. Hij werd beter met -boeken vertrouwd, en zijne groote kennis der menschelijke maatschappij -bracht hem eigenaardige voordeelen aan. Alles werd tot zijn doel -aangewend; hij kon alles gebruiken; menigmaal werden onderwerpen uit het -dagelijksch leven aangehaald om als illustratiën te dienen, en niet -minder staatkundige gebeurtenissen of de geschiedenis van den dag. Als -hofprediker van den Lord Mayor van Londen, tot welk ambt hij eens -geroepen werd, of als gast der eenvoudige hutbewoners in afgelegen -dorpen, wien hij na het landelijk maal het Evangelie prediken zou, -altijd was hij dezelfde, altijd bleek zijne vurige begeerte om anderen -nuttig te wezen en tot God te leiden. - -In het voorjaar van 1688 leed hij veel door de zweetziekte,[2] en het -scheen zelfs, dat hij er aan sterven zou. Gedeeltelijk herstelde hij wel -weer, en eindelijk meende men zelfs, dat hij zijne volle kracht -terugbekomen had. Maar zijn einde was op handen en het duurde niet lang -of het kwam. Eer zelfs dan hij of zijne zoo innig aan hem verkleefde -echtgenoote vermoed hadden, want hij stierf waar zij hem niet bijtijds -kon bereiken, twee dagreizen van huis. - - [2] Deze vreemde ziekte, die slechts een verloop van enkele uren had, - meestal met doodelijk einde, sleepte omstreeks dien tijd in Engeland - vele honderden ten grave. - -Hij was door een jongeling zeer dringend verzocht eene poging te doen om -hem met zijn vader te verzoenen, die gedreigd had hem te zullen -onterven. Daar was in het geheel geen kans op dan alleen door een -persoonlijk bezoek, en daartoe moest Bunyan eene reis ondernemen van -Bedford naar Reading, een afstand van vijftig mijlen.[3] Hij ondernam -dien tocht te paard en slaagde zoo goed in zijne opofferende -onderneming, dat de vader er in toestemde zijn zoon te vergeven en de -bedreiging introk. Zeer verblijd over den goeden uitslag, besloot Bunyan -Londen op de terugreis aan te doen, waar die jongeling woonde. Hij wilde -hem zelf de goede tijding brengen. Het weder was buitengewoon onstuimig -en de reis viel hem zuur. Toen hij de woning van zijn vriend Shaddoks op -Sneeuwheuvel bereikte, overviel hem de koorts, en ofschoon er eerst alle -hoop was op zijn herstel, stierf hij tien dagen later. De datum is -onzeker, daar de opgaven verschillen tusschen den 12^{en}, 17^{en} en -31^{sten} Augustus 1688. - - [3] Ongeveer achttien uren. - -[Afbeelding: BUNYANS GRAF IN BUNHILL FIELDS.] - -Bunyans dood was een waardig besluit van zijn leven. Zijne lenden waren -omgord en zijne lamp brandende. Hij bleef getrouw tot den dood. Hij -blies den laatsten adem uit, verzegelende, dat God waarachtig is. „Wat -zoudt gij beter voor mij kunnen begeeren,” zeide de stervende tot de -omstanders, „dan wat God mij te zien geeft in het heerlijk visioen, -waarmede Hij mij verwaardigt? Mijne begeerte is, dat gij heilig moogt -leven en _eenmaal komen om het te zien_. Ik ga naar den Vader van onzen -Heer Jezus Christus, die mij zonder twijfel uit kracht van het -verzoenend bloed van zijnen Zoon, aannemen zal, ofschoon ik een zondaar -ben. Weent niet over mij. Wij zullen elkander eerlang weder ontmoeten om -het nieuwe lied te zingen en eeuwig samen gelukkig te zijn.” Hij wist, -dat hij in den hemel een beter en onsterfelijk leven tegemoet ging. - -Het lichaam werd te Bunhill Fields begraven temidden van vele treffende -bewijzen van algemeene liefde en eerbied. Te Bedford was de smart hevig, -in het bijzonder bij de gemeente, die nu herderloos was, maar niet -minder in heel den omtrek. Het was nog geen veertien dagen geleden, dat -zij hunnen herder, leeraar, vriend en stadgenoot hadden zien wegrijden -op zijn Samaritanentocht der barmhartigheid naar Berkshire, en toen zag -hij er niet minder sterk uit dan vroeger, een krachtig, flink gebouwd -man van zestig jaren. Sommigen hunner hadden hem eerbiedig goeden dag -gezegd, anderen meer familiaar en vriendschappelijk gegroet. - -En nu was hij reeds dood en begraven. Bij zijne bijzondere -vriendelijkheid voor een verstootene had hij zijn leven ingeboet. In den -dienst van zijnen Heer en Heiland was hij ingesluimerd en tot zijne -vaderen vergaderd. Grootmoedige, eerwaardige Bunyan! Gij rust van uwen -arbeid en uwe werken volgen u na. Uw loopbaan was moeielijk, maar gij -waart standvastig. Gij werdt zwaar beproefd en diep bedroefd, maar gij -bleeft getrouw. Uw pelgrimsreis van deze wereld naar de toekomende loopt -evenwijdig met uw eigen, bewonderenswaardigen, onnavolgbaren droom, van -het begin af tot aan het zegevierend en God verheerlijkend einde. - -[Afbeelding] - - - - -INLEIDING. - - -In „De Heilige Oorlog” bezitten wij een van de meesterstukken onder de -allegorische werken van den Onsterfelijken Bunyan. Met zijn -„Christenreis naar de eeuwigheid” vergeleken is het eene allegorie van -geheel verschillende stijl en karakter, voorstellende een andere -gestalte der bevinding. Bunyans Heilige Oorlog mag met alle recht -genoemd worden „de geschiedenis van ’s menschen ziel.” - -In dit opzicht verschilt deze tegenwoordige beeldspraak van het vroegere -werk van den uitstekenden droomer; „de Christenreis” handelt over de -uitwendige omstandigheden van eens Christens pelgrimstocht, in zooverre -zij voor het geestelijk leven voordeelig of schadelijk zijn, en daardoor -invloed uitoefenen op de innerlijke gemoedswerkzaamheden van den -Christen. De _Heilige Oorlog_ behandelt de inwendige worstelingen der -ziel, en gaat vandaar tot de uitwendige gevolgen over, waar zij ’s -menschen geluk en vrede bewerken. De Pelgrimstocht beschrijft de -vijanden van buiten, die de ziel aanvallen, terwijl de Heilige Oorlog de -inwendige vijanden beschrijft, die alle menschelijk geluk, ja zijn leven -bedreigen. - -Uit deze oorzaak hebben velen de gelijkenis van den „Heiligen Oorlog” -zelfs als een veel geestelijker werk dan de „Christenreis” beschouwd, en -wellicht is dit eerste daarom ook door de groote menigte minder verstaan -en gewaardeerd. Deze leerrijke gelijkenis is een ontleder van het hart -in de geestelijke ontleedkunde der ziel. Zij is een geestelijke spiegel, -die doet uitblinken wat de mensch was, wiens slaaf hij werd, welke -oorlogen en gevechten, welke worstelingen en aanvallen gewaagd en -uitgestreden moeten worden, vóor Christus weder op den troon zit in het -hart en de verloren Menschenziel kan zingen het nieuwe lied, dat de -herwonnen Menschenziel waardig is. - -De twee groote denkbeelden, die het geheele werk beheerschen zijn de -Verloren en Herwonnen Menschenziel, en doen ons denken aan Miltons -Verloren en Herwonnen Paradijs. De eerste zinspeling, toegepast op de -stad Menschziel heeft het oog op ’s menschen ziel in het algemeen, maar -verder in het bijzonder op dat wezen, hetwelk ziel genaamd, ’s menschen -_ik_ aanduidt, waarop eens Gods beeld en zegel werd gedrukt. Het was -Gods handenwerk, en evenals al Gods werken, werd het „zeer goed” -genoemd. Het was onder al Gods scheppingen het naast in gelijkenis en -het innigst in liefde aan God verwant: „God schiep den mensch naar zijn -beeld.” De ziel werd geschapen om Gods tempel te wezen, de plek, waar -zijn troon stond. Het kasteel van Menschziel is het hart; de wallen zijn -het lichaam of het vleesch, en de poorten de vijf zinnen -- vandaar hun -zeer verstaanbare benamingen. De bewoners van de stad zijn het verstand, -het geweten, de wil, de lusten, de gedachten -- de duizenden gedachten, -die in de ziel rondwriemelen. Dit zijn de mannen, vrouwen en kinderen -der stad, aldaar ontvangen, geboren, gevoed, en aldus opgroeiende in -daden ten goede of ten kwade. Deze koninklijke verblijfplaats viel in de -vernielende handen van satan of _Diàbolus_ en zijne hoofdmannen; de -woorden veraanschouwelijkende van den wijsten der koningen -- die -samenvatting van de geschiedenis der menschheid: -- „Ziet, dit heb ik -gevonden, dat God den mensch goed gemaakt heeft; maar zij hebben vele -vonden gezocht.” [Pred. 7:29.] - -Dit droevig einde van de gevallen Menschenziel wordt nu aanleiding tot -de openbaring van Gods heerlijkheid. Dit breken van het heilig verbond -tusschen God en den mensch brengt al dadelijk den Zone Gods in het -geding; deze komt de gevallen creatuur te hulp. _Immanuel_ maakt nu met -zijnen Vader een verbond, dat Hij zelf de ziel onder de souvereiniteit -van God zal terugbrengen; en dit vervult Hij door zijn dood en zijne -offerande en de daarop volgende werkingen van den Heiligen Geest. - -Maar intusschen heeft Satan den troon in Menschziel opgeslagen en daar -een nieuwe regeering aangesteld. De overweldiger moet verjaagd worden. -Diensvolgens begint de worsteling, en hier daalt de allegorie af tot het -bijzondere; tot uw ziel en de mijne. De ziel wordt door Christus -hernomen; maar daar zijn nog die loerende handlangers van Diàbolus, het -zaad des boozen in het hart, het overschot van het onkruid, het -overblijfsel van den „ouden mensch” en de bedorven natuur. Deze -veroorzaken menigmaal geestelijke schade aan de ziel; zij bedroeven den -Heiligen Geest, en drijven somtijds Christus weg van zijnen troon. Satan -treedt spoedig weder binnen, en moet weder verhuizen. Afwisselend geluk -en tegenspoed zijn de toestanden van ons eigen geestelijk leven, -brengende ons dichter bij Christus of houdende ons verder van Hem -verwijderd dan weleer. - -Zoo is de aard van dit onnavolgbare werk -- DE HEILIGE OORLOG. Wij -wilden nu slechts de aandacht van den godzalige en den goddelooze, van -het vrijgemaakt kind Gods en den gekluisterden slaaf des satans, van den -zwakke in het geloof en den bevenden, twijfelenden Christen op dit -wondervolle tooneel van strijd vestigen. - -[Afbeelding] - - -[Afbeelding] - - - - -HOOFDSTUK I. - -MENSCHZIEL, HAAR OORSPRONG EN AFVAL. - - -In mijne omwandeling, terwijl ik vele landstreken en gewesten -doorreisde, gebeurde het mij, dat ik in dat wijdberoemde land kwam, het -Heelal genaamd. Dat is een zeer groot en wijd gebied; het ligt tusschen -de twee polen en juist in het midden der vier hemelstreken. Het is eene -overvloedig bewaterde en rijkelijk van heuvelen en dalen voorziene -streek, aangenaam gelegen en grootendeels, ten minste op de plaats waar -ik was, zeer vruchtbaar, goed bevolkt en in een overheerlijk klimaat. - -De inwoners van dat land zijn niet allen van denzelfden aard, noch -spreken eenerlei taal, noch hebben dezelfde zeden, manieren of -godsvereering, maar verschillen zooveel van elkander als de eene planeet -van de andere. Sommigen zijn rechtschapen en anderen mismaakt, evenals -dat in andere landschappen pleegt te zijn. - -Zooals ik zeide, in dit land moest ik reizen en mijn zwerftocht aldaar -duurde zóo lang tot ik heel wat van de moedertaal, zeden en gewoonten -dergenen, met wie ik verkeerde, leerde kennen. En, om u de waarheid te -zeggen, ik was zeer met al wat ik zag en hoorde ingenomen; ja, zoo -gevoelde ik mij daar op mijn gemak, dat ik zeker voortdurend tot aan -mijn dood toe als inboorling onder hen had blijven leven, als mijn -Meester mij niet naar huis teruggeroepen had, om daar werk voor Hem te -doen, en mijn gedanen arbeid te overzien. - -Nu is er in dat aangename land, het Heelal, eene zeer schoone, -bekoorlijke stad of gemeente, Menschziel geheeten, eene stad wat hare -bouworde aangaat zoo buitengewoon, wat hare ligging betreft zoo -gemakkelijk, wat hare privilegiën aangaat zoo voordeelig -- (ik zeg dit -met het oog op haar oorsprong) -- dat van haar, evenals vroeger van het -land, waarin zij gebouwd is, met alle recht kan gezegd worden: zij heeft -haars gelijke niet onder den geheelen hemel.[4] - - [4] ~Menschziel~. -- In het heelal heeft de stad haar gelijke niet. - (Hand. 17 : 28). - -Wat de ligging van deze stad aangaat: zij is gelegen tusschen de twee -werelden;[5] en haar eerste Fondeerder en Bouwmeester was, volgens de -beste en authentiekste bescheiden, die ik machtig worden kon, zekere -El-Schaddaï.[6] Deze bouwde haar tot zijn eigen vermaak. Hij maakte haar -tot een spiegel en tot eene heerlijkheid van al zijne werken, ja tot een -meesterstuk boven al het andere, wat Hij in dit land had daargesteld. -Zoo goed was de stad Menschziel, dat toen zij eerst gebouwd was, naar -ons bericht wordt, zelfs de goden nederdaalden om haar te komen zien en -van vreugde vroolijk te zingen. En evenals Hij haar maakte aangenaam -voor het gezicht, zoo gaf hij haar ook macht over al het omliggende -land. Ja, aan allen was geboden Menschziel als hunne hoofdstad te -erkennen, en allen brachten haar gaarne als zoodanig hunne hulde. De -stad had dan ook van haren koning macht en last gekregen om van allen -heerendiensten te eischen en allen ten onder te brengen; die haar in -eenig opzicht miskenden. [Gen. 1 : 26.] - - [5] ~Tusschen de twee werelden~. -- Tusschen de tegenwoordige en - toekomende wereld. - - [6] ~El-Schaddai~. -- God de almachtige. - -In het midden van deze stad was een zeer beroemd en aanzienlijk paleis -opgericht; wegens zijne sterkte kon het wel een kasteel genoemd worden; -wegens zijne aangenaamheid een paradijs, wegens zijne uitgebreidheid -eene plaats, die de gansche wereld omsloot. Deze plaats begeerde de -koning El-Schaddaï alleen voor zichzelven te behouden, en voor niemand -anders met Hem; ten deele tot zijn eigen vermaak en ten deele ook opdat -de schrik der vreemden niet over deze stad zou komen. Van deze plaats -maakte Elschaddaï ook eene vesting, maar liet hare bewaring enkel aan de -burgers der stad over. [Pred. 3 : 11.] - -De muren der stad waren wèl gebouwd, ja zóo vast en sterk waren zij -gemetseld en zóo dicht saamgedrongen, dat, ware het niet gebeurd door de -lieden der stad zelven, zij in eeuwigheid niet konden bewogen of -verbroken worden. Want hierin bestond de voortreffelijke wijsheid van -Hem, die Menschziel bouwde, dat de muren nooit konden worden opgebroken -noch zelfs eenigszins beschadigd door den allermachtigsten vijandelijken -potentaat, ’t en ware dat de inwoners zelven daarin bewilligden. - -Deze beroemde stad had vijf poorten om er in te komen en er uit te gaan, -en deze waren, evenals de wallen of muren, ondoordringbaar,[7] en konden -nooit of nimmer geopend of gesloten worden buiten den wil en de -toelating van hen, die daar binnen woonden. De namen van deze poorten -waren: Oorpoort, Oogpoort, Mondpoort, Neuspoort en Voelpoort. - - [7] ~Evenals de wallen of muren ondoordringbaar~. -- Zonder ’s - menschen eigen toestemming was het, zelfs voor Satan zelf, onmogelijk - hem van God te doen afvallen. - -[Afbeelding: DIABOLUS UIT DEN HEMEL GEWORPEN] - -Nog andere dingen waren aan deze stad Menschziel eigen, die als gij ze -bij de reeds genoemde voegt, u een nog overvloediger bewijs zullen geven -van de heerlijkheid en sterkte dezer plaats. Zij had voortdurend een -voldoenden voorraad binnen hare muren; zij bezat de beste, meest -gezegende en voortreffelijkste wetten, die ooit in de wereld bekend -waren. Daar was niet éen schelm, oproermaker of verrader binnen hare -wallen; ’t ware alle oprechte lieden, trouw en innig met elkaêr -verbonden, en dit is -- zooals gij weet -- van groot belang. En boven -dit alles bezat zij (zoolang zij aan haren koning El-Schaddaï getrouw -bleef) zijn steun, zijne bescherming, en was zij zijn vermaak. - -Nu was er op zekeren tijd een Diábolus,[8] een zeer groote en machtige -reus, die een aanslag waagde op deze beroemde stad Menschziel, ten einde -haar in te nemen en tot zijne eigen woonplaats te maken. - - [8] ~Diábolus~. -- Satan, aanklager, tegenstander. - -Deze reus was koning der zwarten, en de roofzuchtigste vorst der wereld. -Met uw believen zullen wij eerst over de afkomst van dezen Diábolus -spreken en dan over zijne verovering van de beroemde stad Menschziel. - -Deze Diábolus is inderdaad een groot en machtig vorst en toch -tegelijkertijd arm en ellendig. Wat zijne afkomst betreft, zoo was hij -in den beginne een van Koning El-Schaddaï’s dienstknechten, door Hem -daartoe gemaakt en opgenomen in de allerhoogste en machtigste plaatsen, -ja hij was zelfs tot de hoogste posten en waardigheden in ’s konings -gebied verheven. Deze Diábolus was gemaakt tot een „zoon des dageraads” -en bezat een schoone plaats, die hem veel heerlijkheid en glans gaf en -een inkomen, dat zijn Lucifershart wel had kunnen voldoen, ware het niet -onverzadelijk geweest en wijd gapend als de hel zelve. [Jes. 14 : 12.] - -Hij, zich aldus in grootheid en eere verhoogd ziende, en toch naar -hooger staat en trap strevende, deed niet anders dan bij zichzelven -overleggen hoe hij er toe komen mocht tot een Heer over alles te worden -verheven en het gansche opperbestuur te bezitten onder El-Schaddaï. Dit -nu bewaarde de Koning voor zijn Zoon, en had het dezen reeds verleend. -Daarom hield hij nu eerst raad met zichzelven wat in dezen het best te -doen ware, en daarna openbaarde hij zijne gedachte ook aan sommigen -zijner gezellen, en slaagde er in hen over te halen. Zoo kwamen zij dan -ten laatste tot dit plan, dat zij een aanslag zouden wagen op ’s Konings -Zoon om hem te verderven, opdat de erfenis hunne werd. Om kort te gaan, -het verraad werd, zooals ik zeide, besloten, de tijd bepaald, het -wachtwoord gegeven, de oproerlingen op een vastgestelde plaats -bijeengeroepen en de aanslag beproefd. Daar nu de Koning en zijn Zoon -altijd en overal alles zien, zoo kon geen enkele plek in hun gebied voor -hen verborgen wezen; en daar Hij altijd zijn Zoon liefheeft als -zichzelven, zoo moest Hij wel grootelijks vertoornd en beleedigd wezen -door wat Hij aanschouwde. Wat kon Hij nu ook anders doen dan hen bij de -eerste poging, die zij in het werk stelden, van verraad overtuigen, van -oproer aanklagen, hun de verschrikkelijke samenzwering, die zij -bestonden, voor oogen houden, en hen allen onmiddellijk uit iederen post -van vertrouwen, van eer, voorrang of voordeel, dien zij bekleedden, -ontzetten? Dit gedaan zijnde verbande hij hen ook van zijn hof, wierp -hen neder in dien verschrikkelijken afgrond, waar zij met ketenen -vastgebonden, nooit meer de minste gunst uit zijne handen verwachten -kunnen, maar onder het oordeel moeten blijven, dat Hij bepaald heeft en -dat eeuwig duren zal. [2 Petr. 2 : 4.] [Jud. 6.] - -Aldus uit alle posten van vertrouwen, voordeel en eere verstooten -zijnde, en wetende, dat zij de gunst van hunnen vorst voor eeuwig -verloren hadden, verbannen van zijn hof en in dien allerakeligsten put -des afgronds nedergeworpen, voegden bij hunnen vorigen hoogmoed alle -woede en boosaardigheid tegen El-Schaddaï en zijnen Zoon, waartoe zij in -staat waren. - -Derhalve in groote woede en furie, al brullende omloopend van plaats tot -plaats, om, waar zij wellicht iets vinden mochten dat ’s Konings -eigendom was, dat te schenden, ten einde zich op Hem te wreken -- zoo -gebeurde het ten laatste, dat zij in dit ruime landschap het Heelal -kwamen, en recht op de stad Menschziel aanliepen. Alsnu in aanmerking -nemende, dat deze stad een van de meesterstukken en de vermaking van -Koning El-Schaddaï was, zoo wisten zij niet beter te doen dan na genomen -raadslag, een aanval op de stad te wagen. Ik zeide: zij wisten dat -Menschziel den Koning El-schaddaï toebehoorde, want zij waren er bij -tegenwoordig toen Hij haar bouwde en voor zich opsierde. Toen zij nu die -plaats gevonden hadden juichten zij geweldig van vreugde en brulden -haar tegen als een leeuw zijne prooi, zeggende: „Nu hebben wij den schat -gevonden, en nu weten wij hoe ons op Koning El-Schaddaï te wreken voor -hetgeen Hij ons gedaan heeft!” Zoo zaten zij dan neder en riepen een -krijgsraad bijeen, onderzoekende langs welken weg en op wat wijze zij -het zouden aanleggen om deze beroemde stad Menschziel voor zich te -bemachtigen. Vier zaken werden toen voorgesteld en besproken. [1 Petr. -5 : 8.] - -[Afbeelding: KRIJGSRAAD VAN DIÁBOLUS.] - -Ten eerste, of het best was, dat zij allen zich tot dit doel voor de -stad vertoonden. - -Ten tweede, of het wel geraden was zich voor de stad neder te slaan in -hun lompen en bedelaarsgewaad, want hun prachtige kleeding was nu -verscheurd en vernield. - -Ten derde, of het goed zou zijn aan de stad Menschziel hun oogmerk te -ontdekken en het doel, waarmede zij kwamen, bloot te leggen, dan of men -haar liever zou aanvallen langs valsche wegen en met bedriegelijke -woorden. - -Ten vierde, eindelijk, of het niet best was, dat aan eenigen hunner een -bijzonderen last gegeven werd om hun geluk te beproeven, ten einde éen -of meer van de voornaamste lieden der stad neder te schieten, of men -niet oordeelde dat daardoor hun zaak en voornemen des te beter bevorderd -werd. - -Op de eerste dezer voorstellen werd ontkennend geantwoord, namelijk, dat -het niet best zou wezen dat allen zich voor de stad zouden vertoonen, -daar de verschijning van zoo velen de stad verschrikken en ontstellen -kon, terwijl het waarschijnlijk was, dat weinigen of enkelen hunner dit -niet doen zouden. En om dezen raad ingang te doen vinden werd er -bijgevoegd, dat indien Menschziel verschrikt werd of alarm begon te -slaan, het dan onmogelijk zijn zou die stad in te nemen. „Want,” zeide -Diábolus -- hij was het namelijk, welke dien raad gaf -- „want niemand -kan haar nemen zonder haar eigen toestemming. Laat daarom slechts -weinigen of een enkele Menschziel aanvallen; en volgens mijn gevoelen”, -zoo besloot Diábolus, „moet ik dat zelf doen.” En allen stemden daarin -toe. - -Nu kwam het tweede voorstel aan de orde, namelijk of zij zich aan -Menschziel zouden vertoonen in hun havelooze plunje. Daarop werd -eveneens ontkennend geantwoord. O neen, geenszins, want ofschoon de stad -Menschziel er op ingericht was om met onzichtbare dingen om te gaan en -daarvan ook reeds voordezen ervaring had gehad, toch zagen zij nooit -eenig medeschepsel in zulk een droevigen en haveloozen staat. Dit was -het advies van den trotschen Alecto. Toen zeide Apollyon: „Die raad is -uitmuntend, want zoo slechts éen onzer haar verscheen zooals wij nu -zijn, dan zouden daardoor noodzakelijk zulke denkbeelden in hen oprijzen -en zich vermenigvuldigen, welke hen in ontsteltenis des geestes brengen -zullen en hen dringen op hunne hoede te zijn. En gebeurt dit”, ging hij -voort, „dan is het, zooals vorst Diábolus zegt, voorzeker tevergeefs aan -de inneming der stad te denken.” Toen zeide de sterke reus Beëlzebub: -„Het reeds gegeven advies is zeer goed, want ofschoon de lieden van -Menschziel zulke wezens als wij eertijds waren ook al gezien hebben, tot -hiertoe zagen zij nooit zulke wezens als wij nu zijn; en het dunkt mij -best te wezen tot hen te komen, in zulk eene gedaante als waarmede zij -bekend zijn, en waarmede zij zich reeds vertrouwd maakten”. Toen dit tot -algemeen genoegen besloten was, moest er nu worden besproken in welke -gedaante, gestaltenis of vermomming Diábolus zich zou voordoen, wanneer -hij zich opmaakte om Menschziel de zijne te maken. Daarop zeide de een -dit, de ander wat anders. Ten laatste antwoordde Lucifer, dat volgens -zijne gedachte, het best was dat zijn meester het lichaam van een of -ander schepsel, over hetwelk de bewoners der stad heerschappij hadden, -zou aannemen. „Want”, zeide hij, „deze zijn hun niet alleen bekend, maar -daar deze onder hen staan, zullen zij zich nooit verbeelden, dat een -aanslag op de stad bedoeld wordt. En om nu allen te verblinden, laat hem -het lichaam aandoen van een dezer beesten, die men in Menschziel meent -dat wijzer is dan al de overigen.” Dit advies werd door allen -toegejuicht, en zoo werd dan bepaald, dat Diábolus den draak zou -gebruiken, aangezien deze in die dagen even familiaar met de stedelingen -van Menschziel was als tegenwoordig een vogeltje met een knaap. Want er -was niets in de slang toen zij in haar oorspronkelijken staat verkeerde, -dat eenigen schrik kon wekken. Nu gingen zij tot het derde voorstel -over. [Gen. 3 : 1.] [Openb. 20 : 1, 2.] - -Dit gold de vraag of zij hun voornemen en bedoeling openlijk zouden -toonen bij hunne komst te Menschziel, ja dan neen. Ook dit werd -ontkennend beantwoord; na het tevoren beslotene sprak dit dan ook als -vanzelf. Menschziel was een sterke stad, een sterk volk woonde daarin; -de wallen en poorten waren ondoordringbaar (om nu nog niets te zeggen -van haar kasteel), en in geenen deele kon iets op haar gewonnen worden -zonder haar eigen goedvinden. „Bovendien”, zeide Legioen (want hij was -het, die dit antwoord gaf), „wanneer wij ons oogmerk blootleggen konden -zij wel eens om hulp naar hunnen Koning zenden, en als dat gedaan werd, -dan weet ik wel hoe het met ons gesteld zal zijn. Laat ons daarom in -gehuichelde oprechtheid tot haar komen, ons voornemen met allerlei -leugenen bedekkend; laat ons vleierij en pluimstrijkende woorden -gebruiken; dingen voorgevende, die nooit bestaan zullen, en beloften -doende, die nooit vervuld zullen worden. Dit is de weg om Menschziel te -winnen en te maken, dat zij hare poorten voor ons opent, ja, zelfs, dat -zij verlangend wordt dat wij tot haar inkomen. En de reden waarom ik -denk, dat dit plan gelukken zal, ligt hierin, dat het volk van -Menschziel eenvoudig en onnoozel is; allen zijn daar eerlijk en oprecht; -tot op heden weten zij nog niet wat het is met bedrog, leugen en -huichelarij te worden aangevallen. Zij zijn vreemd aan leugenachtige en -verachtelijke lippen, daarom kunnen wij aldus vermomd, door niemand -hunner worden onderkend; onze leugens zullen voor echte waarheid -doorgaan en onze veinzerijen voor oprechte handelingen. In hetgeen wij -hun beloven zullen zij ons gelooven, vooral indien wij in al onze -leugenen en huichelachtige woorden groote liefde voor hen veinzen en -alleen hun voordeel en hunne heerlijkheid als ons eenig doel -voorstellen.” Hier viel niets tegen in te brengen en het voorstel ging -er zoo glad en vlot door als een waterval, die langs eene steilte -neêrstort. Daarom gingen zij nu over tot het laatste denkbeeld. - -[Afbeelding: DIÁBOLUS EN ZIJN RAAD OP WEG NAAR MENSCHZIEL.] - -Zou men nu niet aan eenigen uit hun midden bevel geven éen of meer der -voornaamste burgers uit de stad neder te vellen tot bevordering van hun -doel en oogmerk? Deze vraag werd bevestigend beantwoord en de burger, -die aangewezen werd als het eerste slachtoffer, was een zekere heer -Tegenstand, of anders genoemd, kapitein Tegenstand. Hij was een voornaam -man in Menschziel, deze kapitein Tegenstand, een man, dien de reus -Diábolus en zijn komplot meer vreesden dan alle anderen in Menschziel -samen. Maar wie zou nu deze krijgslist wagen en dezen moord uitvoeren? -Hiertoe werd aangewezen zekere Tisiphone, een der booze geesten uit den -poel des vuurs. - -Aldus hun krijgsraad geëindigd zijnde, stonden zij op en beproefden nu -ook te doen wat zij besloten hadden. Zij trokken naar Menschziel op, -ofschoon allen op éen na onzichtbaar, en deze éene naderde de stad -evenmin in zijne eigen gedaante, maar in het lichaam der slang. - -Zoo maakten zij zich op en zetten zich neder voor de Oorpoort, want dat -was de plaats, waar gehoor verleend werd aan allen buiten de stad, -evenals de Oogpoort de plaats was, waar men uitzag. Zooals gezegd is, de -reus legde de bende, die hem volgde, in een hinderlaag, met het oog op -kapitein Tegenstand een boogschot van de stad af. Dit gedaan zijnde kwam -hij dicht voor de poort en vraagde om audientie en gehoor. Hij had nu -niemand bij zich dan alleen zekeren Kwaderust, die in alle moeielijke -gevallen zijn woordvoerder was. Zooals gezegd is: voor de poort staande, -blies hij, naar de manier van dien tijd, op zijne trompet om audientie, -waarop de opperhoofden van Menschziel zich vertoonden. De heer Oprecht, -de heer Vastewil, de heer burgemeester Verstand, de heer griffier -Geweten en kapitein Tegenstand kwamen op den muur om te zien wie daar -was en wat er aan de hand was. De heer Vastewil sprak het eerst, hij -keek over den muur naar beneden wie daar voor de poort stond, vragende -met welk doel hij kwam en waarom hij de stad Menschziel door zulk -ongewoon rumoer verschrikte. - -Diábolus begon toen, alsof hij een lam geweest ware, eene redevoering te -doen, en sprak: „Mijne Heeren van de beroemde stad Menschziel, ik ben, -zooals gij bemerken kunt niet ver van u verwijderd, maar integendeel u -zeer na, een dergenen, die door den Koning verplicht is u te huldigen en -allen dienst te bewijzen, die in mijn vermogen is. Opdat ik nu mijne -verplichtingen nakome zoo wat mijzelven betreft als ook jegens u, heb ik -u iets van groot belang mede te deelen. Vergunt mij daarom audientie en -hoort mij geduldig aan. Vooreerst zal ik u de verzekering geven, dat ik -niet mijzelven bedoel maar u; -- niet mijn maar uw voordeel zoek ik door -deze mijn handeling, gelijk genoegzaam en ten volle zal blijken wanneer -ik u mijne meening zal blootgesteld hebben. Want, edele heeren, ik ben, -om u de waarheid te zeggen, gekomen om u te toonen hoe gij groot zult -kunnen worden en eene volkomen verlossing erlangen van eene slavernij, -waarin gij, zonder het zelf te bemerken, gevangen ligt.” Dit deed de -stad Menschziel de ooren spitsen. „Wat is dat dan? O, als het u belieft, -zeg ons wat dat is?” vraagden zij. En hij antwoordde: „Ik heb u wat te -zeggen aangaande uwen Koning, zijne wet betreffende, en daarom betreft -het ook u. Wat uw Koning aangaat, ik weet Hij is groot en machtig; maar -toch is al wat Hij u gezegd heeft niet waarachtig en evenmin tot uw -voordeel. 1º. Het is niet waar, want hetgeen, waarmede Hij u tot -dusverre bedreigd heeft, zal niet geschieden, of vervuld worden, -ofschoon gij ook al deedt wat u verboden is. Maar zoo er al gevaar ware, -welk eene slavernij is het dan nog altijd in vrees te leven voor de -strengste straffen, die bedreigd zijn, op zulk een kleine overtreding -als het eten eener onnoozele vrucht! 2º. Aangaande zijne wetten, deze -- -ik moet het zeggen, -- zijn onredelijk duister en ondragelijk. -Onredelijk omdat de straf niet geëvenredigd is aan de misdaad: er is een -groot onderscheid tusschen het leven en een appel, daartusschen bestaat -geene vergelijking; toch moet het eerste aan den laatste worden -opgeofferd volgens El-Schaddaï’s wet. Maar die wet is ook duister, en om -u in de war te brengen, daar eerst is gezegd gij moogt van alles eten, -en later wordt het eten van éene vrucht u verboden. En dan ten laatste, -moet het u toch wel onverdragelijk wezen, dat diezelfde vrucht, welke u -verboden is, (indien zij u ten minste verboden is), juist diegene is, -welke alleen de kracht heeft, om, als gij ze eet, u een voorrecht te -bezorgen, dat u tot dusverre onbekend bleef. Dit wordt duidelijk door -den naam des booms zelven; hij is genoemd: „de boom der kennis des goeds -en des kwaads.” En bezit gij die kennis wel? Neen, neen, nooit kunt gij -er achter komen hoe aangenaam, hoe begeerlijk het is iemand verstandig -te maken, zoolang gij in uws Konings gebod blijft berusten. Waarom zoudt -gij in onwetendheid en blindheid blijven volharden? Waarom zoudt ge niet -uitgebreid worden in kennis en wetenschap? En nu, o gij inwoners van de -beroemde stad Menschziel, om meer in het bijzonder tot uzelven te -spreken, gij zijt geen vrij volk! Gij wordt in knechtschap en slavernij -gehouden, en dat door geen andere hinderpaal dan een ernstige -bedreiging, waarvoor geen andere grond wordt opgegeven dan een: „Zoo wil -ik het hebben; zoo moet het zijn!” Is het dan niet naar te moeten -denken, dat deze zelfde zaak, die u verboden is, indien gij ze doen -mocht, u tot wijsheid en eere brengen zou? Want dan zullen uwe oogen -geopend worden en gij zult als God zijn. De zaken nu aldus staande,” -zeide hij, „moet gij dan niet toestemmen, dat gij kwalijk door eenigen -vorst in grooter slavernij en knellender dienstbaarheid kondt gehouden -worden, dan waaronder gij heden ten dage leeft? Gij wordt overheerscht -en ligt in velerlei ellenden, zooals ik u duidelijk getoond heb. Want -welke slavernij is grooter dan blind te worden gehouden? Zal u de rede -zelve niet leeren, dat het beter is oogen te hebben dan die te missen? -En is het niet beter in vrijheid rond te loopen dan in een donkere, -stinkende spelonk te zijn opgesloten?” - -[Afbeelding: DOOD VAN TEGENSTAND.] - -Onderwijl Diábolus deze woorden tot Menschziel sprak, schoot -Tisiphone[9] op kapitein Tegenstand, daar deze op den muur stond, en -trof hem doodelijk[10] aan het hoofd, zoodat hij, tot verbazing van de -lieden der stad en tot aanmoediging van Diábolus dood over den muur -viel. Nu kapitein Tegenstand dood was, (en hij was de eenige krijgsman -in de geheele stad) ontzonk aan de arme Menschziel op eenmaal alle moed, -en durfden zij daarbinnen niet langer weerstand bieden. Maar dit was nu -juist wat Diábolus begeerde. Toen trad Kwaderust, Diábolus’ redenaar, -tevoorschijn, en hij maakte zich op om tot Menschziel te spreken. Zijne -aanspraak volgt hier: - - [9] ~Tisiphone~ beteekent een verraderlijke geest. - - [10] ~Trof Tegenstand doodelijk~. -- Wanneer de onrust des gewetens - gedood is, vindt de vleierij licht ingang. - -„Edele heeren”, begon hij. „Mijn Meester treft het wel, dat hij heden -zulk een stil en aandachtig gehoor bij u vindt; en het is te hopen, dat -wij u verder zullen overhalen om onzen goeden raad niet in den wind te -slaan. Mijn Meester heeft zeer groote liefde voor u, en ofschoon hij wel -weet, dat hij hierdoor gevaar loopt den toorn van Koning El-Schaddaï op -te wekken, toch zal zijne liefde tot u maken dat hij verder gaat. Het is -niet noodig, dat er nog een enkel woord gesproken worde om de waarheid -van hetgeen hij heeft gezegd te bevestigen; hij sprak geen woord of het -droeg de getuigenis voor zijne waarheid in zichzelven; de naam van den -boom maakt hier reeds een eind aan alle tegenspraak. Daarom zal ik -ditmaal u alleen dezen raad geven, indien mijn Meester het mij -veroorlooft” (en dit zeggende maakte hij voor Diábolus een zeer diepe -buiging): „let op zijne woorden, ziet naar den boom en de veelbelovende -vrucht daaraan; bedenkt daarbij dat gij nu nog maar weinig weet en dat -dit de weg is om meer te weten, en als dan uw verstand niet geneigd is -om zulk een goeden raad aan te nemen, dan zijt gij de lieden niet -waarvoor ik u hield.” - -Maar toen de burgers der stad zagen, dat de boom goed was tot spijze, en -dat hij een lust was voor de oogen, ja een boom, die begeerlijk was om -verstandig te maken, deden zij zooals Kwaderust hen aanraadde; zij namen -en aten daarvan. Maar dit wilde ik u reeds vroeger verhalen, dat terwijl -Kwaderust deze verleidelijke woorden tot het volk sprak, de heer Oprecht -eensklaps nederzeeg[11] op de plaats, waar hij stond, en niet meer tot -bewustzijn gebracht kon worden. Zijn plotselinge dood was veroorzaakt -hetzij door een pijlschot uit het leger in hinderlaag, of door eene -beroerte of hartsbeklemming; sommigen meenen, dat hij vergiftigd werd -door den stinkenden adem van dien leelijken Kwaderust, en daar houd ik -het wel het naaste voor. Zoo stierven dan deze beide brave mannen. Brave -mannen noem ik hen, want zij waren het sieraad en de heerlijkheid van -Menschziel, zoolang zij daarin woonden. Daar bleef nu geen enkele edele -ziel in Menschziel over of zij allen vielen af en onderwierpen zich aan -Diábolus. Zij werden zijne slaven en lijfeigenen, zooals gij nog hooren -zult. - - [11] ~Oprecht eensklaps dood nederzeeg~. -- Alle zonde is meer of min - onoprechtheid en tegen beter weten in. - -Deze twee edelen dood zijnde handelde nu de rest der inwoneren van de -stad niet anders dan als lieden, die het Paradijs der dwazen gevonden -hebben; zij wilden de proef nemen of de woorden van den reus waarheid -bevatten! Eerst deden zij wat Kwaderust hun aanried; zij zagen de vrucht -aan en werden er door bekoord; zij overlegden eerst, namen daarna en -aten er van. Nauwelijks hadden zij dat gedaan of zij werden er dronken -van, en zetten de poorten open; beide de Oorpoort en de Oogpoort, en zoo -lieten zij Diábolus met al zijn gevolg binnentrekken, vergetende den -goeden El-Schaddaï en zijne wetten, mitsgaders het oordeel, dat Hij -onder zulke plechtige bedreigingen had uitgesproken, wanneer zij die -kwamen te verbreken. - -Diábolus nu ingang in de poorten der stad gekregen hebbende trok door -tot het middelpunt om zijne verovering zoo zeker te maken als hij maar -kon; en daar hij te dezer tijd bemerkte, dat de toegenegenheid der -inwoners sterk tot hem overhelde, zoo vond hij het geraden het ijzer te -smeden terwijl het heet was, en weder eene verleidelijke redevoering te -houden. „Helaas, mijn arme Menschziel! ik heb u nu dezen dienst bewezen, -dat ik u tot groote eer en vrijheid den weg heb gebaand! Maar ach, ach! -mijn lieve Menschziel, nu moet ge er een hebben, die u verdedigt; want -wees er verzekerd van, dat als El-Schaddaï hoort wat er gebeurd is, hij -stellig komen zal; het zal hem smarten, dat gij zijne banden hebt -verbroken en zijne touwen van u afgeworpen. Wat wilt gij nu doen? Wilt -gij toelaten, dat u na deze bevrijding, uwe voorrechten weder afhandig -gemaakt worden? Of wilt gij uzelven helpen?” - -[Afbeelding: VASTEWIL ONTVANGT ZIJNE AANSTELLING.] - -Toen zeiden zij allen tegelijk tot dezen braambosch: „Regeer gij over -ons”. Dit verzoek nam hij aan en werd koning van Menschziel. Dit gedaan -zijnde moest hij nu ook in het bezit worden gesteld van het kasteel,[12] -en daarmede van de gansche sterkte der stad. Daartoe trad hij ook het -kasteel binnen; dat kasteel, hetwelk El-Schaddaï in Menschziel gebouwd -had tot zijn eigen lust en vermaak; -- nu was het een spelonk en een -fort voor den reus Diábolus geworden. - - [12] ~In het bezit van het kasteel~. -- Van het hart des menschen. - -Hij nu aldus dit prachtige paleis of kasteel in bezit genomen hebbende, -maakte daarvan een vesting voor zichzelven, en versterkte het met -allerlei voorraad tegen Koning El-Schaddaï, of tegen ieder, die trachten -zou het te hernemen of onder zijne gehoorzaamheid terug te brengen. - -Dit was in orde, maar hij achtte zich nog niet veilig genoeg, en daarom -was nu weder zijn eerste werk de stad een nieuw aanzien te geven; het -éene opbouwende en het andere afbrekende of nederwerpende, naar zijn -eigen welgevallen; maar vooral moesten de heer burgemeester Verstand en -de griffier Geweten uit ambt en macht gezet worden. - -Wat den burgemeester aangaat, ofschoon hij een verstandig man was en ook -met al de overigen had toegestemd in de overgave van de stad aan den -reus; toch achtte Diábolus het niet raadzaam hem in zijn vorige luister -en heerlijkheid te laten omdat hij een vèrziend man was. Daarom maakte -hij hem niet alleen blind door hem uit ambt en macht te ontzetten, maar -hij bouwde ook een hoogen muur en een sterken toren tusschen de -zonnestralen en de vensters van des burgemeesters paleis, door middel -waarvan zijn woning geheel en al duister werd gemaakt, zoo donker als de -duisternis zelve. Hij, nu aldus van het licht afgesloten zijnde, werd -zóo blind als een die blindgeboren is. In dit huis bleef die heer nu -opgesloten als in eene gevangenis, en hij mocht op zijn woord van eer -niet verder gaan dan zijne eigen palen strekten. Al had hij nu al een -hart gehad om iets voor Menschziel te doen, wat kon hij voor haar doen -of waarin kon hij haar van dienst wezen? Maar, zoolang Menschziel in de -macht van Diábolus was, (en zij was dit zóo lang als zij hem gehoorzaam -bleef, te weten tot zij door een oorlog uit zijne hand verlost werd) -- -was mijnheer Verstand veeleer een hinderpaal[13] voor die vermaarde stad -dan haar voordeelig. [2 Cor. 10 : 4, 5.] [Efeze 4 : 18, 19.] - - [13] ~Was mijnheer Verstand veeleer een hinderpaal~ -- Het verstand, - bedorven door de zonde en gevangen onder de gehoorzaamheid des - ongeloofs, is een van de grootste hinderpalen voor de bekeering. - -Wat den heer griffier of stadssecretaris betreft,[14] hij was eer de -stad ingenomen was een welbelezen man, zeer ervaren in al ’s Konings -wetten, en om de volle waarheid te zeggen, ook een man van moed en -trouw, met een rappe tong en een goed hoofd. Diábolus kon dezen Geweten -in het geheel niet verdragen, omdat ofschoon hij ook zijne toestemming -tot het binnenrukken in de stad gegeven had, het Diábolus geenszins -gelukken wilde door zijne valschheden, listen en bedriegerijen dezen man -tot zijn slaaf te maken. Wel is waar was hij zeer vervreemd van zijn -vroegeren Koning, en met vele van de nieuwe wetten van den reus -ingenomen; maar dit alles baatte niet, daar hij niet geheel de zijne -was. Hij kon zoo nu en dan eens weder aan El-Schaddaï denken en voor -diens wetten vreezen, en dan kon hij beginnen Diábolus tegen te spreken -met een stem zoo krachtig als het gebrul van een leeuw. Ja, hij kon ook -nu en dan als hij het op zijn lijf kreeg, (want gij moet weten dat hij -soms zeer zonderlinge kuren en luimen had), de geheele stad Menschziel -in rep en roer brengen door zijn verschrikkelijke stem. Om die reden nu -mocht de nieuwe koning van Menschziel hem volstrekt niet lijden. - - [14] ~Wat den heer Griffier betreft~. -- Men moet alle trappen der - zonde doorloopen hebben, zal het geweten geheel toegeschroeid en tot - zwijgen gebracht zijn. - -Diábolus vreesde den secretaris meer dan een der andere heeren, die in -Menschziel levend gebleven waren, omdat, zooals ik zeide, zijne woorden -geheel Menschziel deden trillen en beven als voor ratelende donderslagen -en donderbussen. Daar de reus hem nu niet geheel aan zijne zijde kon -krijgen, stond hem niets anders te doen dan te overleggen wat in het -werk te stellen ware om dien ouden edelman te verschalken en hem door -uitspattingen en verwildering in het verstand te verstompen en zijn hart -hoe langer hoe meer te verharden op de wegen der ijdelheid. En wat hij -beproefde dat volbracht hij ook: hij verwilderde den man langzaam aan; -hier een weinig en daar een weinig trok hij hem in de zonde en -goddeloosheid, tot die hoogte, dat hij eindelijk niet alleen verwilderd -was en zoo als in het begin bezoedeld; maar nu zóo diep gezonken, dat -hij schier geen enkele gewetenszaak meer van de zonde maakte. Maar dit -was dan ook het verste punt, waartoe hij hem brengen kon, verder kon -Diábolus niet gaan. Daarom bedacht hij er iets anders op en dat was om -de lieden der stad wijs te maken: „die oude heer secretaris is gek, gij -moet u niet aan hem storen.” Als bewijs daarvoor bediende hij zich van -zijne vlagen. „Als de man goed bij zijn verstand is”, vervolgde hij, -„waarom is hij dan niet altijd zoo? Maar het gaat hem als alle gekken, -die hun kuren en vlagen hebben, en daarin allerlei dolzinnigheden -uitbraken; die oude suffige heer!” - -Door dit een en ander wist hij het schier zóover te brengen, dat -Menschziel de woorden, die de heer Geweten sprak, niet achtte, in den -wind sloeg, ja zelfs verachtte. Want behalve wat ik u heb medegedeeld, -wist Diábolus ook nog raad om te maken dat die heer, wanneer hij -vroolijk was weder alles loochende en herriep wat hij in zijne vlagen -gezegd en bevestigd had. Dit was inderdaad de naaste weg om hem -bespottelijk te maken en er voor te zorgen, dat niemand meer op hem -lette. Hij sprak nu ook nooit meer over Koning El-Schaddaï dan wanneer -hij er toe gedwongen werd. Bovendien was hij thans zoo ongestadig in -zijne handelingen, dat hij den eenen tijd hevig uitvoer tegen hetgeen -hij een ander maal stillekens liet begaan. Somtijds scheen hij wel vast -ingeslapen, ja of hij dood was, en dat nog wel bij gelegenheden, dat de -geheele stad op het luidruchtigst feest vierde en naar de pijpen van -Diábolus danste. - -[Afbeelding: HET STANDBEELD VAN DIÁBOLUS OPGERICHT.] - -Daarom wanneer Menschziel door de donderende stem van den heer griffier -Geweten werd opgeschrikt, en dit Diábolus werd aangezegd, zoo zeide hij, -dat al die woorden van den ouden sukkel volstrekt niet voortkwamen uit -liefde tot haar of uit medelijden met haar, maar alleen uit een gekke -bui, waarin hij er op verzot was te praten -- en daardoor stelde hij het -volk dan weer tevreden. En om nu geen enkelen bewijsgrond ongebruikt te -laten ten einde hen in zijne klauwen te houden, zoo beweerde hij en -herhaalde dit dikwijls: „O, Menschziel, bemerkt gij wel, dat -niettegenstaande al dat getier van den ouden heer en het geraas van zijn -donderende stem, gij niets te hooren krijgt van El-Schaddaï zelven!” Die -snoode leugenaar en bedrieger! alsof elk geroep van den heer griffier -tegen de zonde van Menschziel niet de stemme Gods tot hen was, die van -zijnentwege tot hen kwam. Maar hij ging voort en sprak: „Gij ziet, dat -hij niet veel geeft om het verlies en den opstand van Menschziel, en dat -hij er zich niet moeielijk om maken zal om haar tot verantwoording te -roepen waarom zij zich aan mij heeft overgegeven. Hij weet, dat hoewel -gij eertijds de zijne waart, gij nu wettig de mijne zijt geworden, en -zoo heeft hij zijne hand van ons afgetrokken, latende ons rustig in -elkanders bezit.” - -„Behalve dit, o Menschziel,” ging hij voort, „bedenk eens hoe ik u -geholpen heb tot het uiterste van mijn vermogen toe, en dat wel met het -beste wat ik heb of wat voor u in de geheele wereld te vinden is. Ik -durf dan ook gerust zeggen, dat de wetten en gebruiken, waaronder gij nu -leeft, en waardoor gij mij huldigt, u heel wat meer genoegen en -verkwikking geven dan het Paradijs, hetwelk gij eerst bezat, u ooit -geven kon. Uwe vrijheid is, gelijk gij zelf weet, door mij ook -grootelijks vermeerderd en uitgebreid, daar ik u vond als een -gekortwiekt volk. Ik heb u geen enkelen band aangelegd, gij hebt geene -wetten of rechten van mij te vreezen; ik roep niemand uwer tot -verantwoording over uwe handelingen behalve alleen dien dolleman -- gij -weet wien ik bedoel; ik heb u vergund allen als vorsten te leven, ieder -in het zijne met even weinig last van mij als ik van u heb.” - -Aldus stilde Diábolus de stad Menschziel en stelde haar weder tevreden -wanneer de griffier haar somtijds eens lastig viel; ja, hij kon zelfs -met deze vervloekte redeneeringen de geheele stad tegen den ouden heer -in woede en opstand brengen. Ja, nog erger, het gemeen zou hem zelfs wel -hebben willen vermoorden! Zij hebben vaak genoeg gewenscht, dat hij op -duizend mijlen afstands van hen zat: zijn gezelschap, zijne woorden, -zijn gezicht alleen maar, vooral wanneer zij zich herinnerden hoe hij -van ouds hen placht te dreigen en te veroordeelen (want in dit alles was -hij nu zeer verwilderd) -- kon hen in groote benauwdheid en ontsteltenis -brengen. Maar al deze wenschen en dreigingen waren tevergeefs, ofschoon -het mij een raadsel is hoe hij nog onder hen in het leven kon blijven -ten ware door de kracht en de wijsheid van El-Schaddaï. Bovendien, zijn -huis was sterk als een kasteel en stond dicht bij een vestingwerk van de -stad. Wanneer dan het gepeupel hem wilde vermoorden, zette hij de -sluizen open, en liet er zulk een watervloed in stroomen, dat hij allen -in den omtrek dreigde te verdrinken. - -Maar om nu den griffier Geweten eens daar te laten en op den heer -Vastewil terug te komen, een ander adelijk persoon der stad Menschziel; --- deze heer Vastewil was van even hooge afkomst als maar iemand anders -in de gansche stad, en zulk een vrijheer, dat maar weinigen hem -evenaarden, zoo hij hen niet allen overtrof. Hij had ook eenige -bijzondere privilegiën in die vermaarde stad. Daarbenevens was hij een -man van groote sterkte, vastbesloten moed en dapperheid, zoodat niemand -hem gemakkelijk van zijn stuk kon brengen. Of het nu uit trotschheid op -zijn stand, privilegiën, sterkte of wat dan ook ware (voorzeker was het -uit hoogmoed op het een of ander), maar hij wilde geen slaaf wezen in -Menschziel; daarom besloot hij onder Diábolus dienst te nemen op -voorwaarde, dat hij volgens zijn stand en staat een aanzienlijk -heerscher of regent[15] zou worden in Menschziel. En een heethoofd als -hij was, zoo begon hij reeds bijtijds; want deze man was een van de -eersten, die, toen Diábolus zijne verleidelijke redevoering aan de -Oorpoort hield, zijne woorden toestemden, en zijn raad aannamen als -zeer goed, namelijk om voor hem de poort te openen en hem in de stad toe -te laten. Daarom had ook Diábolus genegenheid voor hem opgevat, en hem -eene betrekking bezorgd. Zijn moed en dapperheid opmerkende was hij -zelfs begeerig hem onder zijne grooten te stellen en van hem gebruik te -maken in alle zaken van het hoogste belang. - - [15] Zoolang ’s menschen ~wil~ niet bekeerd is, is de mensch nog niet - bekeerd. Daarom maakte Satan hem ook tot gouverneur van het kasteel -- - het ~hart~; en van de wallen -- het ~vleesch~, en wachter der poorten - -- de ~zinnen~. - -[Afbeelding: ZINNELIJKE LUST. BURGEMEESTER.] - -Zoo liet hij hem dan halen en sprak met hem over de heimelijke zaken, -die hij op zijn hart had; maar er waren niet vele beweegredenen noodig -om hem daartoe over te halen. Want evenals hij eerst gewillig geweest -was Diábolus in de stad toe te laten, zoo was hij nu ook gewillig hem te -dienen. - -Zoodra de tiran de gewilligheid van dien edelman bemerkte om hem te -dienen en dat zijne gedachten hem reeds waren onderworpen, maakte hij -hem dadelijk kapitein van het kasteel, gouverneur van de wallen en -bewaarder der poorten van Menschziel; ja er was zelfs een artikel in -zijne aanstelling, dat zonder hem niets gedaan mocht worden in de -geheele stad. Daardoor kon of mocht er nu niets gedaan worden in gansch -Menschziel, dat niet in alles overeenstemde met Diábolus welbehagen, -want hij en de heer Wil waren het volkomen eens. Ook had hij een zekeren -klerk, genaamd Bedenken,[16] een man, die in ieder opzicht altijd sprak -als zijn meester, want hij en zijn heer waren het in beginsel eens, en -in de praktijk verschilden zij ook niet noemenswaardig. Zóo kwam het nu, -dat Menschziel er toe gebracht werd de lusten van den wil en het -vleeschelijk bedenken te volbrengen. [Rom. 8 : 7.] - - [16] ~Bedenken~. -- Het bedenken is onderworpen aan den wil en doet - wat hij gebiedt. - -O, ik kan het niet half uitdrukken welk een ellendeling deze edelman -Vastewil zich betoonde en hoe hij zich gedroeg toen de macht hem in -handen gegeven was. Vooreerst begon hij met gladweg te loochenen, dat -hij eenigen dienst schuldig was aan zijn vroegeren vorst, dat zijn -wettige heer eenig recht op hem had. Daarna zwoer hij een duren eed van -trouw aan zijn grooten meester Diábolus, en daarop in zijne bediening, -ambt en voorrechten bevestigd zijnde, kunt gij u niet half verbeelden -welk een armzalig werk deze werkmeester in de stad Menschziel tot stand -bracht. - -Hij haatte den heer Geweten met een doodelijken haat; hij wilde hem -nooit onder zijne oogen dulden, noch een woord uit zijn mond hooren; hij -sloot de oogen als hij hem soms bij geval ontmoette en stak zijne -vingers in zijne ooren als hij zijn stemgeluid vernam. Evenmin duldde -hij, dat eenig deel der wet van koning El-Schaddaï ergens in de stad te -zien ware. Zijn klerk Bedenken had nog eenige oude gescheurde -perkamenten, waarop de wet van den goeden El-Schaddaï stond, in zijn -huis, maar toen de heer Vastewil die zag wierp hij ze dadelijk achter -zijn rug. Alleen had de oude secretaris Geweten nog eenige wetten in -zijne studeerkamer en daar kon heer Vastewil, hij deed wat hij vermocht, -niet aankomen. Daarom begon hij nu te vertellen, dat de vensters van het -oude burgemeestershuis veel te groot en te licht waren voor Menschziel. -Zelfs het licht van een kaars kon hij niet verdragen. Alzoo mocht aan -gouverneur Vastewil niets meer behagen dan wat zijn heer Diábolus -aangenaam was. [Neh. 9 : 26.] - -Niemand evenaarde hem in het uitbazuinen langs ’s heeren straten van -koning Diábolus braaf karakter, wijs gedrag en groote heerlijkheid. Hij -zwierde langs de wegen van Menschziel om de voortreffelijkheden van zijn -manhaftigen vorst uit te schreeuwen, en stelde zich daarbij aan als ware -hij de gemeenste van al het gespuis der stad. Waar of wanneer hij deze -schavuiten maar ontmoette, altijd maakte hij zich met hen gemeenzaam. In -alle kwade praktijken mocht hij handelen zonder last of bevel en was -geheel zijn eigen baas. - -De heer Vastewil had ook een gezant of bediende, Meester Genegenheid[17] -genaamd, iemand van zeer verkeerde grondstellingen en wiens leven -daarmede overeenstemde; hij was geheel aan het vleesch overgegeven en -daarom noemde men hem ook wel Oneerlijke Bewegingen. Daarbij kwam nog -eene Vleeschelijke Begeerlijkheid, de dochter van Bedenken, die hem -sprekend geleek. Deze twee verliefden op elkaêr, verloofden zich en -traden in het huwelijk, en als ik het wèl heb, dan teelden zij vele -kinderen, als daar zijn Onkuisch, Zwartmuil en Bestraffinghater. Dit -drietal waren zwarte knapen. Daarbij kregen zij ook nog drie dochters, -namelijk Waarheid-verachtster, God-verzaakster en de jongste heette -Wraak. Deze groeiden op en huwden weder in de stad, zoodat dit goddeloos -gebroed sterk voortteelde, te veel om ze allen te noemen. Maar dit in -het voorbijgaan. [Rom. 1 : 26.] - - [17] ~Meester Genegenheid~, een bediende of gezant van den Wil. - Wanneer de genegenheden den vleeschelijken Wil dienen gaan zij over in - lage zinnelijke genegenheden. - -Toen de reus zich op deze wijze in de stad genesteld had, dezen had -aangesteld en anderen afgezet naar zijn goeddunken, begon hij ook te -denken aan eene gedaanteverandering van Menschziel zelve. Midden op de -markt en op de poorten van het kasteel stond een standbeeld van den -gezegenden koning El-Schaddaï. Dit beeld was keurig gegraveerd, en wel -in goud, en, het geleek koning El-Schaddaï beter dan eenig andere -gelijkenis ter wereld. Laaghartig beval hij dat dit beeld zou vernield -worden en dit bevel werd even laaghartig uitgevoerd door de hand van -Meester Onwaarheid. Nu moet gij bovendien weten, dat toen Diábolus de -vernieling van dit beeld bevolen had en deze was uitgevoerd door Meester -Onwaarheid, hij dezen zelfden persoon last gaf daarvoor in de plaats te -stellen het afgrijselijke afschrikwekkende standbeeld van zijne -Diábolische Majesteit,[18] tot grooten smaad van den vroegeren koning en -tot vernedering van de stad Menschziel. - - [18] ~Standbeeld van zijne Diábolische Majesteit~. -- Het beeld Gods - wordt veranderd in het beeld van den satan, terwijl iedere gedachtenis - aan den Schepper en zijn kunstgewrocht vernield wordt. - -Daarenboven maakte Diábolus scheurpapier van alle overblijfsels der -wetten en statuten van koning El-Schaddaï, die in de stad Menschziel -gevonden werden, te weten dezulken, die betrekking hadden op de leer en -de zeden, met alle burgerlijke en huishoudelijke verordeningen. Alles -wat daarop betrekking had trachtte hij te vernietigen. Om kort te gaan -er bleef geen enkel spoor van het goede Menschziel over, dat hij en -gouverneur Vastewil niet zochten te vernietigen; want het was hun -oogmerk Menschziel te verdierlijken, ja het onder de behandeling van -Onwaarheid in een zinnelijk zwijn om te scheppen. - -Aldus alle wetten en goede ordonnantiën vernietigd hebbende, zette hij -zijn voornemen door om Menschziel geheel van haren koning El-Schaddaï te -vervreemden; daartoe liet hij zijne eigen ijdele verordeningen, statuten -en bevelen afkondigen, in alle plaatsen, die onder Menschziel -ressorteerden nl. de zoodanigen, die vrije inwilliging van alle lusten -des vleesches, van de begeerlijkheid der oogen en den hoogmoed des -levens toestonden; welke niet uit El-Schaddaï zijn, maar uit de wereld. -Hij moedigde alle overdaad en goddeloosheid aan en bevorderde die. Ja, -hij ging nog verder om de goddeloosheid in de stad Menschziel ten top te -voeren, hij beloofde haar vrede, genot, vreugde en voorspoed als zij -zijne wetten onderhield, met de verzekering, dat zij nooit voor een -rechterstoel zou worden geroepen voor wat zij ook misdeed. Laat dit nu -tot een proefje verstrekken aan hen, die zoo gaarne hooren verhalen wat -buiten hun weten in verre landen gebeurd is. [1 Joh. 2 : 16.] - -Menschziel op deze wijze geheel aan zijne voeten gelegd en onder het juk -gebracht zijnde, werd er voortaan niets meer in gehoord en gezien dan -wat diende om het te verdierlijken. - -Daar hij nu den Burgemeester en den Stadssecretaris van Menschziel uit -hunne bediening had ontslagen, en wel wetende, dat de stad vóor hij tot -haar kwam, een van de oudste en beroemdste rijken der wereld uitmaakte, --- daarbij vreezende, dat als hij haren luister niet staande hield, zij -hem te eeniger tijd mocht verwijten, dat hij haar vernederd had -- om al -die redenen koos hij zelf voor haar een nieuwen Burgemeester en een -anderen Stadssecretaris, die mannen naar zijn hart waren en hem -behaagden. - -De naam van den Burgemeester, die Diábolus aanstelde, was Zinnelijke -lust, iemand die beide oogen en ooren miste. Al wat hij deed, ’t zij als -mensch of als beambte, deed hij volgens natuurdrift als de beesten. En -hetgeen hem nog onedeler maakte, (hoewel niet zoozeer in het oog van -Menschziel dan wel van degenen, die treurden over haar diep verval) was, -dat hem nooit iets goeds bevallen kon, maar dat alleen het kwaad naar -zijn smaak was. - -De nieuwe Stadssecretaris was de heer Griffier Godvergeter, een niet -minder booze gast. Hij kon niets onthouden dan wat slecht was, en -slechtheid te doen was zijn vermaak. Hij stelde er zijne eer in dingen -te doen, die schandelijk en schadelijk waren, beide voor de stad -Menschziel zelve en al haar inwoners. Deze beiden nu door hun voorbeeld -en gezag, door hun macht en dreiging, vooral ook door hun glimlachen om -al wat kwaad is, oefenden een jammervollen invloed uit en brachten het -gemeene volk op zeer gevaarlijke wegen. Want wie bemerkt niet altijd en -overal, dat, waar degenen, die hooge posten bekleeden, slecht en -bedorven zijn, allen die onder hen staan, ja, het geheele land slecht en -bedorven wordt? - -Bovendien verhief Diábolus verscheidene lieden in Menschziel tot den -adelstand, makende hen eereburgers en overheden der stad. Hij deed dit -met het voornemen om, des noodig, uit hen raadslieden, officieren, -gouverneurs en magistraatspersonen te kiezen. Hier zijn de namen van de -voornaamsten hunner: de heer Ongeloof, de heer Hoogmoed, de heer -Vloeker, de heer Hoereerder, de heer Hardhart, de heer Onbarmhartig, de -heer Toorn, de heer Onwaarheid, de heer Leugenminnaar, de heer -Valschevrede, de heer Dronkenschap, de heer Bedrog, de heer Godverzaker --- ik noem er u dertien. Van dit gezelschap was de heer Ongeloof de -oudste en de heer Godverzaker de jongste. Daarna werden ook mindere -waardigheidsbekleeders gekozen, als schepenen, gerechtsdienaars, -advocaten en dergelijke; maar allen waren lieden van dezelfde soort als -de voorgaanden, zijnde vaders, broeders, neven of verwanten van hen, die -ik reeds noemde, en daarom laat ik hunne namen kortheidshalve maar weg. - -Toen de reus zoover met zijn arbeid gekomen was, kwam het hem in den zin -eenige sterkten of kasteelen te bouwen, en hij maakte er drie, die hij -ondoordringbaar achtte. De eerste noemde hij het fort Tegenweer, omdat -het opgericht was om de gansche stad te bestrijken en te beletten, dat -zij van haar ouden koning iets meer te hooren kwam. De tweede sterkte -noemde hij Middernachtshol, omdat zij gebouwd werd om Menschziel ook -buiten kennis te houden van zichzelve. De derde heette Zoetezonde, omdat -hij daarmede Menschziel verdedigde tegen alle begeerten naar het goede. -Het eerste dezer kasteelen lag dicht bij de Oogpoort, opdat deze -daardoor zooveel mogelijk zou worden verduisterd; het tweede was gebouwd -in de nabijheid van het oude kasteel om het zooveel doenlijk in de -schaduw te plaatsen; en het derde stond midden op de markt. - -De persoon, dien Diábolus gouverneur over de eerste sterkte maakte, was -een zekere Inspijt-van-God, een zeer godslasterlijke booswicht: hij was -medegekomen met al dat gespuis, dat het allereerst tegen Menschziel -optrok, en behoorde daar ook bij. De gouverneur van Middernachtshol was -een zekere Lichthater, en behoorde bij datzelfde rot, en de gouverneur -van Zoetezonde heette Minnaar des vleesches; ook hij was een snoode -gast, maar was niet geboortig uit hetzelfde land als zijne collegas. -Deze gast schiep meer behagen in het uitzuigen eener vleeschelijke lust -dan in het bezit van Gods heerlijke Paradijs. - -En nu achtte Diábolus zich veilig. Hij had Menschziel ingenomen en zich -daarin versterkt; hij had de oude waardigheidsbekleeders afgezet en -nieuwe aangesteld; hij had het standbeeld van El-Schaddaï vernield en -het zijne daarvoor in de plaats gesteld; hij had al de oude wetboeken -verscheurd en zijne eigen ijdele leugens afgekondigd; hij had nieuwe -magistraatspersonen en raadsheeren aangesteld, nieuwe sterkten gebouwd -en ze van getrouwe lieden voorzien. En dit alles had hij gedaan met het -oog op de mogelijke komst van den goeden El-Schaddaï of diens Zoon, die -hij wel verwachten kon, dat een aanval op hem doen zouden. - - - - -HOOFDSTUK II. - -VOORBEREIDSELEN OVER EN WEER. - - -Nu kunt gij u toch best voorstellen, dat het niet lang behoefde te duren -of de een of ander deelde aan den goeden koning El-Schaddaï mede, hoe -zijn Menschziel in het groote Heelal-gebied verloren was gegaan, en hoe -de afvallige reus Diábolus, eenmaal een van Zijner Majesteits dienaren, -nu een opstandeling tegen zijn koning, zich van haar had meester -gemaakt. Ja, deze tijdingen werden tot den koning gebracht en wel tot in -de kleinste bijzonderheden. - -Eerst werd hem bericht hoe Diábolus tegen Menschziel was opgetrokken, -dat door een eenvoudig en oprecht volk bewoond, geen erg had in sterkte, -slimheid, leugen en bedriegelijke geesten, die hij tegen haar aanvoerde. -Verder hoe hij verraderlijk gedood had den zeer edelen en dapperen -kapitein Tegenstand, toen hij met de rest van het volk der stad op den -muur stond. Verder hoe die brave heer Oprecht dood viel, zooals sommigen -zeiden vergiftigd door den verpestenden adem van Kwaderust toen deze met -zijn duivelschen mond den edelen en rechtvaardigen vorst El-Schaddaï -lasterde. De boodschappers verhaalden al verder hoe de lieden der stad, -nadat deze Kwaderust een korte toespraak tot hen gehouden had ten gunste -van Diábolus, zijn meester, geloovende, dat hij waarheid sprak, er in -toestemden om de Oorpoort, de voornaamste van alle stadspoorten, te -openen en hem met zijn gespuis inlieten, zoodat hij in het bezit kwam -van het wijdvermaarde Menschziel. Zij verhaalden verder hoe Diábolus met -den heer burgemeester en den stadssecretaris gehandeld had, hen uit alle -ambt en bediening ontzettende. Nog verder werd aan koning El-Schaddaï -bericht, dat de heer Vastewil een rebel en een afvallige geworden was, -evenals de heer Bedenken zijn klerk, en dat zij beiden zooveel oproer en -schelmerij in de stad aanrichtten en allen leerden in hunne goddelooze -wegen te wandelen. Hij hoorde, dat deze heer Vastewil in groote gunst -stond bij Diábolus en dat deze alle sterkten in Menschziel in zijne hand -gegeven had, terwijl Meester Bedenken de afgezant van den heer Vastewil -was in diens meest oproerige ondernemingen. „Ja”, zeide een der -boodschappers, „dit monster Vastewil heeft openlijk zijn koning -El-Schaddaï afgezworen en zich plechtig aan Diábolus verbonden!” - -[Afbeelding: EL-SCHADDAÏ ONTVANGT TIJDING VAN MENSCHZIEL.] - -Ook ging de boodschapper voort: „Benevens dit alles heeft de nieuwe -koning, of liever oproerige tiran, over de eens zoo beroemde maar nu in -ellende verzinkende stad Menschziel, een burgemeester en een griffier op -eigen hand aangesteld. Als burgemeester benoemde hij Zinnelijke lust, en -als griffier Godvergeter, twee van de allergeringsten uit de stad -Menschziel.” Deze betrouwbare getuige ging al voort en verhaalde welk -nieuw soort van adeldom Diábolus had ingesteld, en dat deze verscheidene -sterke forten of kasteelen in Menschziel had gebouwd. Hij vertelde, wat -ik bijna vergeten had, dat Diábolus de stad in de wapens had geroepen en -hen in den wapenhandel geoefend om des te beter El-Schaddaï, hunnen -Koning, weerstand te kunnen bieden, wanneer hij haar kwam opeischen. - -Deze berichtgever deed zijn verhaal niet in het geheim, maar voor het -volle hof, voor den Koning, zijn Zoon, zijn hoogen Raad, hoofdofficieren -en edelen, waar deze allen tegenwoordig waren om naar hem te luisteren. -En als gij nu eens gezien hadt, welk een indruk het hooren van deze -tijdingen op hen maakte, dan zoudt gij u verwonderd hebben over de -smart, de droefenis, de verslagenheid van geest, die hen allen aangreep -bij de gedachte, dat dit vermaarde Menschziel nu genomen was. Alleen de -Koning en zijn Zoon voorzagen dit alles reeds sedert lang, ja zelfs -hadden zij reeds voldoende voorzien in hetgeen noodig was om Menschziel -weder te herstellen, al hadden zij er ook nog met niemand over -gesproken. Echter zij wilden ook deelnemen in de algemeene droefheid -over het verlies van Menschziel en spraken hun leedgevoel zeer duidelijk -uit. De Koning zeide openlijk, dat het hem smartte aan zijn hart, en gij -kunt er op rekenen, dat het met zijn Zoon niet anders was gesteld. -Daardoor werden nu allen overtuigd, dat zij groote liefde en groot -medelijden voor de vermaarde stad Menschziel voelden. Daarop gingen de -Koning en zijn Zoon in hunne binnenkamer, waar zij altijd samen -raadpleegden over hetgeen zij voornemens waren te doen. Zij hadden daar -vroeger reeds afgesproken, dat indien zij al toelieten, dat Menschziel -in der tijd verloren ging, het toch voorzeker zou worden heroverd; en -wel heroverd langs zulk eenen weg, dat beiden de Koning en zijn Zoon -daarbij eeuwige roem en heerlijkheid behalen zouden. Waarom dan ook na -deze beraadslaging, de Zoon van El-Schaddaï, -- een uitnemend persoon -vol liefde, en die altijd groot medelijden aan den dag legde met hen, -welke in droefenis verkeerden, maar die een doodelijken haat in zijn -binnenste koesterde tegen Diábolus, omdat deze het op zijn kroon en -waardigheid toelegde, -- waarom dan ook, zeg ik, deze Zoon van -El-Schaddaï, na zijnen Vader er de hand op te hebben gegeven, beloofde, -dat hij zijn dienaar wilde zijn in het herwinnen van Menschziel, daarin -vastberaden te werk zou gaan en zich daarover later niet te zullen -berouwen. De hoofdzaak van dit raadsbesluit kwam hierop neder, dat op -een bepaalden tijd, door beiden vastgesteld, de Zoon des Konings eene -reis zou doen in de landstreek Heelal, en dat Hij daar langs een weg van -gerechtigheid en waarheid, door voor de zonden en dwaasheden van -Menschziel te boeten, het fondament zou leggen voor hare volkomen -verlossing uit de macht van Diábolus en zijne onderdrukking. [Gen. 6 : -5, 6.] - -Bovendien besloot Immanuel op een bepaalden tijd een oorlog te beginnen -tegen den reus Diábolus omdat hij bezit genomen had van de stad -Menschziel, en dat hij door de kracht zijner hand hem uit zijne -sterkten, waar hij zich genesteld had, zou uitdrijven en die tot zijne -woonplaats maken. - -Dit alles nu besloten zijnde zoo werd bevel gegeven aan de Opperste -Secretarie van het hof om een verslag op te stellen van hetgeen bepaald -was, en te zorgen, dat dit zou worden publiek gemaakt in alle hoeken van -het koninkrijk des Heelals. Een klein uittreksel uit den inhoud van dit -geschrift, kunt gij, als gij wilt, hier lezen: - -„Laat allen, die het aangaat, nu weten, dat de Zoon van El-Schaddaï, den -grooten Koning, door een verbond met zijn Vader zich heeft verplicht -zijn Menschziel tot hem weder te brengen; ja uit kracht van zijne -grenzelooze liefde wil hij haar zelfs in veel gelukzaliger toestand -brengen dan waarin zij ooit verkeerd heeft eer Diábolus haar veroverde.” - -De papieren werden bovendien op verschillende plaatsen aangeplakt tot -geen geringe ergernis van Diábolus, „want nu”, dacht hij, „zal ik worden -aangevallen en mijne bezitting mij worden ontnomen.” - -Maar toen dit plan en voornemen in het paleis van den Koning en zijn -Zoon werd vernomen, wie kan vertellen hoe de hoogedele hoofdlieden en -edele vorsten, die daar waren, dat opnamen! Eerst fluisterden zij het -tot elkander en daarna begon het door het geheele paleis te weerklinken, -terwijl allen het glorierijke voornemen en het heerlijke verbond van den -Koning en zijn Zoon ten gunste van het ellendige Menschziel bewonderden! -Ja, de hovelingen konden nauwelijks iets voor hunnen Koning verrichten -of zij vlochten daarin eenig bericht aangaande de groote liefde des -Konings en zijns Zoons voor de vermaarde en ongelukkige stad Menschziel. - -[Afbeelding: WACHTEN AAN DE POORTEN VAN MENSCHZIEL.] - -Evenmin konden deze raadsheeren, kapiteins en vorsten zich vergenoegen -met deze tijding aan het hof te laten blijven berusten, zij maakten dat, -zelfs eer het officieele verslag daarvan volkomen in orde was, die goede -tijding reeds overal verteld werd in het landschap Heelal. Daardoor kwam -zij dan ook, zooals ik reeds zeide, ter ooren van Diábolus tot zijne -niet geringe verlegenheid; want gij kunt wel begrijpen, dat het hooren -van zulke voornemens en plannen tegen hem, hem verschrikken moest. Na er -eenigen tijd over te hebben nagedacht, verzon hij de vier volgende -zaken. - -Eerstens. Dat dit nieuws, deze goede tijdingen namelijk, zoo eenigszins -mogelijk voor de ooren van Menschziel zouden verborgen gehouden worden; -„want”, zeide hij, „als zij eens tot de wetenschap kwamen, dat -El-Schaddaï, hun vroegere koning, en Immanuel zijn Zoon het goede voor -de stad Menschziel zoeken, wat zou daar dan anders voor mij uit kunnen -voortvloeien dan dat zij tegen mij opstaan en onder zijne heerschappij -terugkeeren?” - -Om nu dit voornemen te vervullen vernieuwde hij zijne vleierij jegens -den heer Vastewil en gaf hem ook strengen last en bevel om toch dag en -nacht wacht te houden bij al de poorten van de stad, maar vooral bij de -Oorpoort en de Oogpoort, „want ik hoor”, zeide hij, „van een besluit, -dat ons allen tot verraders verklaart en dat Menschziel tot zijne eerste -slavernij terugkeeren moet. Ik hoop, dat het maar verzinseltjes zijn; -maar toch mag zulk eene tijding in geenendeele in Menschziel bekend -worden, opdat het volk niet verontrust worde. Ik vermoed, Mijnheer, dat -het ook voor u geen welkome tijding wezen kan, en ik ben zeker dat zij -het voor mij niet is; en daarom denk ik het wijs en van het uiterste -belang al zulke rumoeren den kop in te nijpen vóor zij ons volk in de -war brengen. Daarom begeer ik, Mijnheer, dat gij in deze zaak zult -handelen zooals ik zeg. Laat ons iederen dag sterke wachten zetten aan -elke poort van de stad. Houd ook aan en onderzoek al degenen, die gij -bemerkt, dat van verre tot ons komen om handel te drijven, en laat ze -onder geen voorwendsel in Menschziel worden toegelaten tenzij gij wel -overtuigd zijt, dat zij ons uitmuntend gouvernement gunstig zijn -gestemd. Ook beveel ik,” ging Diábolus voort, „dat er voortdurend -spionnen de stad op en neer wandelen, met macht en last om alles te -onderdrukken wat zij eenigszins in ons nadeel bemerken te zijn, en wat -El-Schaddaï en Immanuel zou kunnen begunstigen.” - -Dit werd alles overeenkomstig zijn bevel gedaan; de heer Vastewil -gehoorzaamde zijn heer en meester en volgde gewillig het bevel op, en -met allen vlijt waartoe hij in staat was, hield hij alles buiten en -onderdrukte elke tijding voor Menschziel aangaande deze dingen. - -Ten tweede. Dit gedaan zijnde legde Diábolus, opdat hij Menschziel zoo -onneembaar maken zou als hij maar kon, aan al het volk der stad een -nieuwen eed op en maakte met hen een verschrikkelijk verbond, te weten, -dat zij nooit hem of zijne regeering zouden verlaten, noch bedriegen, -noch zijne wetten zoeken te veranderen; maar dat zij hem als hun -wettigen koning zouden erkennen, getrouw blijven en verdedigen tegen een -iegelijk, die nu of voortaan door eenig voorwendsel, wet of instelling, -hoe dan ook, op de stad Menschziel aanspraak maken zou. Hij dacht -hierbij, naar het scheen, dat El-Schaddaï geene macht had om hen te -ontslaan van dit verbond met den dood en dit voorzichtig verdrag met de -hel. En die onnoozele stad Menschziel had op dit alles niets tegen, zag -geen gevaar, in dit monsterverbond, maar als ware het een splintertje -geweest in den bek van een walvisch, slikte zij het door zonder eenigen -schroom. Was zij er wel eenigszins door ontroerd? O, neen, integendeel, -zij roemden op hunne getrouwheid aan den tiran, hun voorgewenden koning, -zwerende, dat zij nooit zouden wankelen, nooit hun ouden heer voor een -nieuwen verruilen. Aldus kluisterde Diábolus het arme Menschziel vast. -[Jes. 28 : 15.] - -Ten derde. De jalousie, die zich nooit sterk genoeg waant, dreef hem aan -tot nog meerdere heldendaden, en dat was om Menschziel, zoo mogelijk, -nog meer tot uitspattingen aan te hitsen. Hij liet dan zekeren heer -Vuil, een verachtelijk, wulpsch en beestachtig persoon, geschriften -opstellen en die boven de poorten van het kasteel plaatsen, waarbij hij -verlof gaf aan al zijne getrouwe aanhangers en zonen in Menschziel om -alles vrijelijk te volbrengen wat hunne zinnelijke lusten streelen kon, -en dat niemand hen daarin kon verhinderen of tegenstaan op straffe van -zich het ongenoegen van hunnen vorst op den hals te halen. - -Dit deed hij om deze navolgende redenen: - -1^{e}. Dat de stad Menschziel daardoor al zwakker en zwakker worden zou -en des te meer ongeschikt om als de tijdingen kwamen, die van hare -verlossing getuigden, daaraan geloof te slaan of daarop te hopen, omdat -men algemeen denkt: hoe grooter zondaar des te minder kans op -barmhartigheid. - -2^{e}. De tweede reden was, dat als misschien Immanuel, de Zoon des -grooten Konings, hunne verschrikkelijke en afschuwelijke handelingen -zag, hij berouw mocht krijgen, dat hij een verbond had aangegaan om zulk -volk te verlossen, en er van mocht afzien het uit te voeren. Want hij -wist, dat El-Schaddaï heilig is en dat ook zijn Zoon Immanuel heilig is, -ja hij wist dit bij ondervinding, want om zijne eigen zonden was -Diábolus uit de hoogste sfeeren verjaagd. Weshalve hij zeer rationeel -tot dit besluit kwam, dat wegens hare gruwelijke zonde het ook zoo gaan -zou met Menschziel. Toch nog vreezende, dat ook dit touw breken zou -bedacht hij nog iets anders. - -[Afbeelding: DIÁBOLUS ROEPT MENSCHZIEL TE WAPEN.] - -3^{e}. Hij wilde verder alle gemoederen in Menschziel doordringen van -het denkbeeld, dat El-Schaddaï een leger aangeworven had om de stad te -verderven. Dit deed hij om alle tijdingen, die tot haar komen mochten -aangaande eene voorgenomen verlossing krachteloos te maken, „want”, -dacht hij, „als ik dit gerucht maar eerst in omloop breng, zullen alle -daarna komende tijdingen, die hun oor bereiken, daardoor verslonden -worden; want wat anders zal Menschziel zeggen wanneer zij hoort, dat zij -verlost moet worden, dan dat de eigenlijke bedoeling van El-Schaddaï is -haar te vernielen?” Tot dat einde riep hij de gansche burgerschap op het -marktplein bijeen, en daar sprak hij haar met een bedriegelijke tong -aldus aan: - -„Mijne heeren en goede vrienden, gij allen zijt, zooals gij weet, mijne -wettige onderdanen en lieden der beroemde stad Menschziel. Gij weet, van -den eersten dag af, dat ik onder u verkeerde tot op dit oogenblik, hoe -ik mij in uw midden heb gedragen, en welke vrijheden en groote -voorrechten gij onder mijne regeering hebt genoten, naar ik hoop tot uwe -en mijne eer en niet minder tot uw en mijn genot. Welnu, beroemde stad -Menschziel, er loopt daarbuiten een gerucht, dat de stad kan -verontrusten en dat mij om uwentwil leed doet, want ik ontving daar -juist door de post van den heer Lucifer, die altijd goed op de hoogte is -van alles, een brief, waarin staat, dat uw oude heer en koning -El-schaddaï een leger werft om tegen u op te trekken, ten einde u met -wortel en tak uit te roeien. En dit is nu de oorzaak, o Menschziel, dat -ik u heb opgeroepen om te raadplegen wat in dezen nood het best zij te -doen. Wat mij zelf betreft, ik ben maar alleen en kan mij gemakkelijk -uit de voeten maken, als ik mijn eigen welzijn zocht en mijn Menschziel -in het gevaar alleen wilde laten, maar mijn hart is innig aan u -verbonden, en zoo onwillig ben ik om u te verlaten, dat ik met u wil -staan en vallen, wat mij dan ook overkomen moge. Wat zegt gij, o -geliefde Menschziel! Wilt gij nu uw ouden vriend verlaten of hem -bijstaan?” Toen riepen zij allen als een eenig man en uit éenen mond: -„Sterven moet wie u ontrouw wordt!” - -Toen zeide Diábolus weder: „Het is tevergeefs voor ons op genade te -hopen; want deze koning weet van geen kwartier geven. Ja, misschien zal -hij, als hij pas tot ons komt, over eene dusgenaamde barmhartigheid -spreken, opdat hij daardoor des te eer en des te gemakkelijker zich -meester make van de stad Menschziel. Wat hij nu daarover zal believen te -zeggen, geloof er geen letter of tittel of jota van; want al zulke taal -dient maar om ons te verschalken en dan ons de slachtoffers van zijne -armzalige zegepraal te maken, terwijl wij daar liggen te wentelen in ons -bloed. Daarom is het mijn plan, dat wij hem tegenstaan tot den laatsten -man toe, en hem in geen enkel opzicht gelooven; want door die deur -dreigt het gevaar binnen te sluipen. Maar zullen wij ons aldus door dit -gevlei om hals laten brengen? Ik hoop toch, dat gij te veel weet van de -regelen der staatkunde om u zoo jammerlijk onder het juk te laten -brengen.” - -„Maar onderstelt nu eens, dat als hij eenmaal de stad in handen kreeg, -hij sommigen van ons spaarde, dat hij enkele onderdanen in het leven -liet, wat zal dat u baten, die opperhoofden zijt in deze stad, in het -bijzonder u, die ik zoo hoog verheven heb, en die uwen adelstand -verdiend hebt door innige gehechtheid aan mij? En stel nogmaals, dat hij -sommigen uwer kwartier gave, houdt u er toch van verzekerd, dat hij u -een slavernij zal brengen, evenals die u vroeger gekneld hield of erger -dan die, en wat hebt gij dan aan uw leven? Zult gij het bij hem zoo -prettig en aangenaam hebben als tegenwoordig bij mij? Neen, neen, gij -zult gebonden worden door wetten, die u zullen knellen, en gij zult -genoodzaakt worden te doen wat gij nu haat en verafschuwt. Ik ben voor u -als gij voor mij zijt; en het is beter dapper en met eere te sneuvelen -dan als jammerlijke slaven te leven. Maar dit zeg ik u, dat een -slavenleven nog te goed geacht zal worden voor Menschziel, als de stad -valt. Bloed, bloed, niets anders dan bloed! dat roept iedere toon uit -El-Schaddaï’s trompet, die van verre weerklinkt. Eilieve, neemt het ter -harte; ik hoor, dat hij komt. Op, staat in de wapens; waar gij nu nog -eenige rust hebt, zoo wil ik u nog eenige krijgslisten leeren. Ik heb -eene wapenrusting voor u, die geschikt is om u van top tot teen te -harnassen. Zoodoende kunt gij niet gekwetst worden door wat hij ook -tegen u begint, als gij deze wapenrusting maar stevig aangespt. Komt -daartoe in mijn kasteel, gij zijt er welkom, en harnast u tegen den -oorlog. Daar is een helm, een borstharnas, zwaard en schild, die maken -zullen dat gij als mannen vechten kunt.” - -„Daar hebt gij eerst mijn helm of hoofdbedekking, het is de hoop, dat -het nog wel goed afloopen zal of dat gij eindelijk nog wel goed zult -doen welk leven gij ook tot dusverre leefdet. Deze helm is in het bezit -van allen, die voorgeven, dat zij toch vrede hebben al wandelen zij ook -in de goddeloosheid hunner harten om de dronkenen te doen tot de -dorstigen. Dat is een beproefd stuk wapen, en al wie het bezit en het -vast kan houden, wordt al dien tijd door geen pijl, spies of zwaard -gewond. Zet dat hoofdbedeksel op en gij kunt menigen stoot weerstaan, -geliefd Menschziel.” [Deut. 29 : 19.] - -„Mijn borstwapen is een ijzeren borstharnas. Ik heb het in mijn eigen -land gesmeed en al mijne soldaten zijn daarmede gewapend. Om het u -duidelijk te zeggen, het bestaat uit een hard hart, een hart zoo hard -als ijzer en zoo ongevoelig, ongevoelig als een steen. Doet ge dat aan -dan zal de barmhartigheid u niet verteederen noch het oordeel u -verschrikken. Daarom is het zoo hoog noodig voor allen, die El-Schaddaï -haten, en onder mijne banieren willen strijden.” [Openb. 9 : 9.] - -„Mijn zwaard is eene tong, die in het helsche vuur gescherpt is, en die -maar niets liever doet dan kwaad spreken van El-Schaddaï, zijn Zoon, -zijn wegen en zijn volk. Gebruikt dit zwaard, het is beproefd wel -duizendmaal, de duizenden verdubbeld. Wie het bezit, vast houdt en er -dat gebruik van maakt, dat ik begeer, kan nooit door mijn vijand -overwonnen worden.” [Ps. 57 : 5; 64 : 4.] [Jac. 3 : 6.] - -„Mijn schild is ongeloof, of wilt ge het liever noemen: in twijfel -trekken van de waarheid des woords, van alle oordeel, dat El-Schaddaï -uitspreekt over goddelooze menschen. Gebruikt dit schild: daar heeft hij -al menigen aanval op gedaan en somtijds, is het, wel is waar, -verbrijzeld; maar toch staat geschreven in het boek der oorlogen van -Immanuel tegen mijne dienaren, dat hij belet werd menig goed werk te -doen ter zake van hun ongeloof. Welnu, dit zeer machtige wapen te -handhaven valt zeer gemakkelijk, men heeft dan maar geloof te weigeren -aan alles wat waar is op welke wijze het ook wordt bewezen of betuigd. -Spreekt hij van oordeel, let er niet op; spreekt hij van barmhartigheid, -geeft er niet om; -- of hij al belooft, ja zelfs zweert, dat hij -Menschziel goed wil doen wanneer het tot hem wederkeert, laat hem maar -praten, trekt de waarheid van al wat hij zegt in twijfel; want op die -wijze hanteert gij het schild des ongeloofs voortreffelijk, zooals al -mijne getrouwe dienaren doen, en wie anders handelt heeft mij niet lief, -dien reken ik mijn vijand.” - -„Bovendien”, zeide Diábolus verder, „heb ik nog een uitmuntend wapen, -dat bestaat uit een doffen, onverschilligen en gebedloozen geest, die -spot met alle roepen om genade. O, Menschziel, maak daar ook gebruik -van. Wat, roepen om genade! Doe dat nooit als gij de mijne wezen wilt! -Ik weet dat gij dappere mannen zijt, en nu ben ik ook zeker, dat ik u -gekleed heb in beproefde wapenen. Waarom zoudt gij dan nog tot -El-Schaddaï om genade roepen? Laat dat verre van u zijn! Benevens dit -alles heb ik nog mokers, vuurbranders, vuurpijlen, dood en verderf, al -te maal goed wapentuig en dat een uitmuntende uitwerking zal doen.” - -Nadat hij aldus zijne mannen met eene wapenrusting en allerlei geweer -had voorzien, sprak hij hen wederom aan met woorden als deze: „Bedenkt -nu, dat ik uw rechtmatige koning ben en dat gij mij een eed gezworen en -met mij in een verbond getreden zijt om mij en mijne zaak getrouw te -blijven. Ik zeg u: bedenkt dit en beschouwt u als flinke en dappere -mannen van Menschziel. Bedenkt ook al de vriendelijkheid, die ik u -voortdurend heb betoond, en dat ik u zonder dat gij mij het verzoekt -allerlei uitwendige dingen heb geschonken. Daarom eischen die -voorrechten, goedgunstigheden, voordeelen en eereposten, waarmede ik u -begiftigd heb, ook een rechtmatige vergelding van uwe hand, o mijne -mannen van Menschziel, gij mannen als leeuwen! Wanneer was de tijd -geschikter dan thans om dit te toonen, waar anderen mijne heerschappij -over u gaan betwisten? Nog éen woord en ik eindig. Kunnen wij nu maar -staande blijven en dezen schok doorstaan, dan twijfel ik niet of de -geheele wereld is binnen kort in ons bezit. Komt die dag, o mijne -getrouwen, dan maak ik u allen koningen, vorsten en opperhoofden; welke -gelukkige dagen zullen wij dan beleven!” - -Diábolus op deze wijze zijne knechten en vasallen in Menschziel tegen -hunnen wettigen koning, den goeden El-Schaddaï gewapend en in het harnas -gejaagd hebbende, ging over tot het verdubbelen zijner wachten aan de -stadspoorten, en trok zichzelven terug in het kasteel, dat zijn -bijzondere sterkte was. Zijne vasallen, ten einde hunne toegenegenheid -en voorgewenden (ofschoon laaghartigen) moed te toonen, oefenden zich -dagelijks in den wapenhandel en onderwezen elkander daarin; zij daagden -hunne vijanden uit en zongen den lof van hunnen tiran. Hierdoor toonden -zij wat mannen zij zouden wezen als het eens zóo hoog liep, dat het kwam -tot een werkelijken oorlog tusschen El-Schaddaï en hunnen koning. - - - - -HOOFDSTUK III. - -DE KAPITEINS VAN EL-SCHADDAÏ. HET BELEG. - - -Nu was al dien tijd de goede koning, koning El-Schaddaï, bezig -voorbereidselen te maken om een leger te zenden ten einde Menschziel te -herwinnen en van de tirannie van hun voorgewenden koning Diábolus te -verlossen; maar het dacht hem goed dit leger niet dadelijk te geven in -de hand van den dapperen Immanuel, zijn Zoon, maar van sommigen zijner -dienaren, om eerst door hen den geest van Menschziel te onderzoeken of -zij wellicht zóo tot de gehoorzaamheid aan hunnen koning zouden worden -teruggebracht. Dit leger bestond uit meer dan veertig duizend, al te -maal getrouwe manschappen, want zij kwamen uit des konings eigen hof en -waren zijne uitgelezenen. - -Zij kwamen op Menschziel aan onder het geleide van vier dappere -generaals, die ieder hoofdman over tien duizend waren. Hier zijn hunne -namen en titels. De naam des eersten was kapitein Boanerges, de naam des -tweeden kapitein Overtuiging, de naam des derden was kapitein Oordeel en -de naam des vierden kapitein Strafoefening. Deze waren de hoofdlieden, -die op Menschziel werden afgezonden. - -Dit viertal werd nu, zooals gezegd is, vooruitgezonden om den eersten -aanval te doen; want de koning was gewoon in al zijne oorlogen deze vier -in den voortocht te stellen; zij waren dan ook zeer stout en forsch, -mannen, juist geschikt om het ijs te breken, en zich een weg te banen -langs de snede van hun zwaard, terwijl al hunne manschappen hun daarin -geleken. - -Aan ieder van deze hoofdlieden gaf de Koning eene banier, opdat hij deze -zou ontplooien, wegens de eerlijkheid zijner zaak en het recht, dat hij -op Menschziel had. - -Eerst werden dan aan kapitein Boanerges, want hij was het opperhoofd, -tienduizend manschappen gegeven. Zijn vaandeldrager was vaandrig Donder; -hij droeg de zwarte kleur en zijn onderscheidingsteeken was drie -brandende donderbussen. - -De tweede hoofdman was kapitein Overtuiging. Ook aan hem werden -tienduizend manschappen toevertrouwd. De naam van zijn vaandeldrager was -Droefheid; hij droeg de bleeke kleur en zijn wapenschild prijkte met een -opengeslagen wetboek, waaruit vuurvlammen spatten. - -De derde hoofdman was kapitein Oordeel, en onder hem ook tienduizend -manschappen. De naam van zijn vaandrig was Vreeze; hij droeg de roode -kleur, en op zijn wapenschild stond een vurige brandende oven. - -De vierde hoofdman was kapitein Strafoefening; ook hij gebood over -tienduizend man. Zijn vaandrig heette Gerechtigheid. Zijne kleuren waren -eveneens rood, maar op zijn banier prijkte een onvruchtbare boom met een -bijl aan den wortel. - -Op zekeren dag hield koning El-Schaddaï over deze vier hoofdlieden en -hun legertros, soldaten en onderofficieren eene wapenschouwing; riep hen -allen bij hunne namen op, en onderrichtte hen in hetgeen zij voor hunnen -koning moesten gaan uitvoeren. - -Toen de koning zijne krachten gemonsterd had, deelde hij aan elk der -kapiteins hunne bijzondere lastgeving mede, en maande hen aan ten -aanhoore van al hunne heirscharen, om getrouw en moedig op hun post te -staan om die lastgeving uit te voeren. Die lastgeving was voor ieder -hunner in hoofdzaak dezelfde; wat vorm, naam, titel, plaats en rang der -kapiteins betrof, daarin waren maar zeer kleine afwisselingen. Ik zal u -hier een verslag geven van hetgeen hun lastbrief in hoofdzaak inhield. - -[Afbeelding: DE KAPITEINS VAN EL-SCHADDAÏ.] - - _De last van den grooten Koning El-Schaddaï, Koning van Menschziel, - aan zijn welvertrouwden en edelen hoofdman, den Kapitein Boanerges, - voor zijne oorlogsverklaring aan de stad Menschziel._ - -„O, gij Boanerges, een mijner dappere en donderende aanvoerders over -tienduizenden mijner edele en moedige dienaren, ga heen in mijnen -naam, in deze uwe kracht, naar het ellendige Menschziel. Als gij daar -komt biedt haar dan eerst vredesvoorwaarden aan. Gebied haar dat zij, -het juk der tirannie van dien goddeloozen Diábolus afschuddende, tot -mij, haar wettigen Vorst en Heer, terugkeere. Gebied haar tevens, dat -zij zich reinige van alles wat hem behoort in de stad Menschziel. Maar -zie vooral toe, dat gij goede waarborgen hebt aangaande de oprechtheid -van hare gehoorzaamheid. Wanneer zij zich in waarheid onderwerpt, doe -gij dan alles wat in uw vermogen is om een vesting voor mij op te -richten in de vermaarde stad Menschziel; en veroorzaak niet het minste -leed aan den geringsten inwoner, die daarin leeft en zich voor mij wil -verootmoedigen; maar behandel dien integendeel als uwen vriend en -broeder. Al dezulken heb ik lief en ze zullen mij dierbaar wezen. O, -zegt het hem, dat ik ter bestemder tijd tot hen zal komen en doet het -hun weten, dat ik genadig ben. [1 Thess. 2 : 7-11.] - -„Maar wanneer zij, niettegenstaande uwe opeisching en uw bevel, -weerstand biedt, tegen u opstaat en rebelleert, dan gebied ik u, dat gij -gebruik maakt van al uwe wijsheid, kracht, macht en sterkte, om haar -weder tot mij te brengen door eenen sterken arm. Vaarwel.” - -Zoo ziet gij hier den inhoud van hun lastbrief; want, zooals ik tevoren -zeide, ze waren allen eenerlei voor de overige kapiteins. - -Weshalve zij, allen en een iegelijk, zijn gezag hebbende ontvangen uit -huns konings hand, en dag en plaats van hun aantreden bepaald zijnde, -verschenen in zulk een wapendosch als aan hun ambt en roeping paste. Na -een nieuw onderhoud met El-Schaddaï, trokken zij voorwaarts met -vliegende vaandels om tegen de vermaarde stad Menschziel op te trekken. -Kapitein Boanerges bestuurde de voorhoede, kapitein Overtuiging en -kapitein Oordeel vormden den middentocht en kapitein Strafoefening -bracht de achterhoede mede. Zij hadden een grooten weg af te leggen, -want de stad Menschziel lag zeer ver van het hof van El-Schaddaï -verwijderd en zij marcheerden door landen en gewesten van vele volken, -niemand last of nadeel doende, maar overal zegenend waar zij kwamen. Ook -leefden zij op ’s konings kosten langs al den weg dien zij gingen. -[Efez. 2 : 13, 17.] - -Zóo vele dagen gereisd hebbende, kwamen zij ten laatste in het gezicht -van Menschziel, en toen zij haar zagen konden de kapiteins zich in het -eerst niet onthouden den jammerlijken staat der stad te beweenen, want -zij bemerkten hoe zij aan den wil van Diábolus was onderworpen en reeds -gewoon in zijne wegen en inzettingen te wandelen. - -Om kort te gaan, de kapiteins sloegen zich voor de stad neder, en -trokken toen op naar de Oorpoort, want dat was de plaats, waar men -gehoor kreeg. Hunne tenten opgeslagen hebbende en zich daar legerend -maakten zij zich tot den aanval gereed. - -De lieden der stad voor het eerst zulk een prachtig leger, dat zoo goed -ingericht was, onder zulk eene uitmuntende discipline stond, en in zoo -schitterende wapenrusting zijn vliegende vaandels ontplooide, -bemerkende, konden niet anders doen dan onmiddellijk hunne woningen -verlaten om het aan te staren. Maar de listige vos Diábolus, die bang -was, dat zijn volk bij dit gezicht op een plotselinge opeisching der -stad de poorten zou openen en de kapiteins binnenlaten, kwam in alle -haast uit zijn kasteel en liet hen terugtrekken naar het midden der -stad, waar hij deze leugenachtige en bedriegelijke redevoering tot hen -hield: - -„Mijneheeren,” zeide hij; „ofschoon gij mijn getrouwe en veel geliefde -vrienden zijt, kan ik toch niet nalaten u eene kleine bestraffing te -geven wegens uwe onvoorzichtige handelwijze, daar gij uit uwe woningen -zijt gegaan om te kijken naar dat groote en machtige leger, dat sedert -gisteren zich hier heeft vertoond en een beleg gaat beginnen tegen de -vermaarde stad Menschziel. Weet gij wel wie ze zijn, vanwaar ze komen en -wat hun oogmerk is met onze goede stad? Zij zijn het, van wie ik u reeds -lang geleden heb verteld, dat zij komen zouden om deze stad te -vernielen, en tegen wie ik u van top tot teen gewapend heb, en deze -groote sterkten heb opgericht. Waarom hebt gij dan niet veel eer zelfs -bij hunne eerste verschijning het uitgeschreeuwd, de vuurbakens -aangestoken en de geheele stad in alarm gebracht, opdat wij allen in -staat van verdediging geraakten en hen met groote verachting en -tegenweer ontvangen hadden? Dan hadt gij u mannen getoond naar mijn -hart, terwijl door hetgeen gij gedaan Hebt, gij mij bijna bevreesd -gemaakt hebt -- ik zeg bijna bevreesd -- dat wanneer wij en zij eens -vlak tegenover elkander komen te staan, ik bij u gebrek aan moed zal -ontdekken om het tegen dien vijand uit te houden. Waarvoor heb ik -bevolen dat er patrouilles zouden rondloopen en dat gij uwe wachten aan -de poort verdubbelen zoudt? Waarom heb ik getracht u zoo hard te maken -als ijzer, en uwe harten als een stuk van een molensteen? Was dat, naar -uwe meening, opdat gij u als vrouwen aanstellen zoudt, en dat gij als -een troep onnoozelen naar uwe doodvijanden zoudt gaan staan kijken? -Foei, foei, stelt u in staat van tegenweer, roert de trom, loopt samen -als dappere krijgers, opdat uwe vijanden mogen weten, dat gij mannen -zijt en dat zij nog heel wat te doen zullen hebben eer zij deze stad -Menschziel in hun bezit krijgen.” - -[Afbeelding: DIÁBOLUS BESTRAFT MENSCHZIEL.] - -„Ik zal nu ophouden met u te bestraffen en niet meer op u schelden, maar -dan eisch ik ook, dat ik voortaan zulke dingen niet meer zie. Laat -voortaan niemand uwer, zonder eerst bevel van mij ontvangen te hebben, -het wagen zijn hoofd over den muur te steken. Gij hebt mij nu gehoord, -doet wat ik u bevolen heb en dan zal ik veilig in uw midden blijven -wonen, en zorg voor u dragen als voor mijzelven in alles wat onze -veiligheid en heerlijkheid bevorderen kan. Vaarwel!” - -Nu werden de mannen van Menschziel zeer ontroerd; ’t was of eene -panische schrik hen allen had bevangen; zij draafden maar onophoudelijk -door de straten van Menschziel, luid roepende: „Help! Help! Deze mannen, -die de wereld in oproer gebracht hebben, zijn ook hier gekomen.” Niemand -hunner kon zich voortaan meer rustig houden, maar voortdurend riepen en -schreeuwden zij als mannen, die van hun zinnen beroofd waren: „De -verwoesters van onzen vrede en van ons volk zijn hier gekomen!” Dit -hoorde Diábolus. „Ha!” zeide hij bij zichzelven, „zoo gaat het goed; zoo -wilde ik het hebben; nu toonen zij dat zij aan hun vorst gehecht zijn! -Houd u maar zoo,” riep hij, „en laat ze dan de stad eens innemen als ze -kunnen!” - -Eer nu ’s konings leger drie dagen voor Menschziel had gelegen, beval -kapitein Boanerges zijn trompetter naar de Oorpoort te gaan, en daar in -naam van den grooten El-Schaddaï de stad Menschziel op te eischen om -gehoor te geven aan de boodschap, die hij in zijns Meesters naam tot -haar bracht. De trompetter, wiens naam was: „Ziet toe hoe gij hoort” -ging heen zooals hem geboden was naar de Oorpoort en blies daar op zijne -trompet om gehoor, maar er was niemand, die voor den dag kwam of eenig -antwoord gaf, of uitkeek, want zoo had Diábolus het geboden. - -Zoo keerde dan de trompetter tot zijn kapitein terug en vertelde hem wat -hij gedaan had en hoe hij was gevaren, waarover de kapitein zeer -bedroefd was, maar hij verzocht den trompetter naar zijne tent te gaan. - -Weder zond kapitein Boanerges zijn trompetter naar de Oorpoort om daar -gehoor te verzoeken; maar ze hielden zich weder stil, kwamen niet voor -den dag, noch wilden hem eenig antwoord geven, zoo nauwkeurig volgden -zij het bevel van Diábolus hunnen koning op. - -Toen hielden de kapiteins en de andere veldoversten een krijgsraad om -samen te overleggen wat verder te doen zij om Menschziel te bemachtigen; -en nadat zij met elkander beraadslaagd hadden wat de inhoud van hun -lastbrief hun in dezen gebood, zoo kwamen zij tot het besluit om door de -hand van den voornoemden trompetter nog eenmaal te zenden, en voor de -derde keer dezelfde oproeping te laten hooren. Maar zou deze opnieuw -geweigerd worden of de stad zich voortdurend stil houden, dan bepaalden -zij, en verzochten den trompetter dit ook aan de onwilligen mede te -deelen, dat zij alle middelen, die in hunne macht stonden, zouden -aanwenden om de ongehoorzamen met geweld onder het gezag van hunnen -koning te doen bukken. [Luk. 14 : 23.] - -Zoo gebood dan kapitein Boanerges zijn trompetter weder naar de Oorpoort -te gaan, en in naam van den grooten koning El-Schaddaï een luide -sommatie te doen hooren om zonder dralen bij de Oorpoort te verschijnen -ten einde aldaar gehoor te verleenen aan ’s konings voortreffelijkste -kapiteins. De trompetter ging heen en deed wat hem bevolen was. Bij de -Oorpoort blies hij op zijne trompet en deed eene derde oproeping aan -Menschziel hooren. Hij zeide bovendien, dat indien zij weigerden aldus -te doen, de kapiteins van zijn vorst met een krachtigen arm op hen -zouden aanvallen en hen met geweld dwingen tot gehoorzaamheid. [Jes. -58 : 1.] - -Toen stond de heer Vastewil op, hij, die gouverneur van de stad was, wij -herkennen hem als dien afvallige over wien vroeger is gesproken, en die -de poorten bewaakte. Met ruwe en trotsche woorden vraagde hij aan den -trompetter wie hij was, vanwaar hij kwam, en wat wel de oorzaak zijn -mocht, dat hij zulk een geweldig leven aan de poort maakte, zulke -onverdragelijke woorden tot Menschziel sprekende. - -De trompetter antwoordde: „Ik ben een dienaar van den edelen kapitein -Boanerges, generaal van het leger des grooten konings El-Schaddaï, tegen -wien gij en de gansche stad Menschziel gerebelleerd hebt en uwe hand -hebt opgeheven. Mijn meester, de kapitein, heeft een speciale boodschap -voor deze stad, en tot u, als een van hare burgers; eene boodschap, die -gij rustig zult moeten aanhooren of anders moet gij maar afwachten wat -er komt.” - -Toen zeide de heer Vastewil: „Ik zal uwe woorden aan mijnen heer -bekendmaken, en zal daarna hooren wat hij zegt.” - -Maar de trompetter antwoordde: „Onze boodschap is niet bestemd voor den -reus Diábolus, maar voor de ellendige stad Menschziel; ook zullen wij er -volstrekt niet op letten welk antwoord door hem wordt gegeven, noch door -een ander in zijne plaats. Wij zijn naar deze stad gezonden om haar van -onder zijn wreede tirannie te verlossen, en haar over te halen zich, -zooals zij in vorige tijden deed, te onderwerpen aan den -allervoortreffelijksten koning El-Schaddaï.” - -Toen zeide de heer Vastewil: „Ik zal uwe boodschap aan de stad -overbrengen.” - -Toen riep de trompetter: „Heerschap, bedrieg ons toch niet, want door -dat te doen fopt gij uzelven het meest.” Hij voegde daar nog bij: „Wij -zijn besloten, als gij u niet langs een vreedzamen weg onderwerpt, u den -oorlog aan te doen en door geweld ten onder te brengen.” En ten -bewijze, dat ik u thans de waarheid zeg, zal het u een teeken zijn, dat -gij de witte vlag met hare vurige brandende donderkogels morgen ochtend -op den heuvel zult zien wapperen tot verachting van uwen vorst en tot -een teeken van onderwerping aan uwen Heer en wettigen Koning.” - -[Afbeelding: KAPITEIN STRAFOEFENING.] - -Zoo keerde dan de heer Vastewil van de wallen terug, en de trompetter -kwam in het kamp. Toen deze laatste in het kamp was teruggekeerd, kwamen -al de kapiteins en officieren samen om van hem te weten te komen of hij -gehoor bekomen had en wat de uitwerking van zijne boodschap was. De -trompetter begon aldus: „Toen ik mijne trompet geblazen had en luid tot -de stad om gehoor geroepen kwam de heer Vastewil, gouverneur der stad en -bewaarder der poorten, voor den dag bij den klank mijner trompet en -gluurde over den muur. Hij vraagde mij wie ik was, vanwaar ik kwam en -waarom ik zooveel leven maakte. Zoo deelde ik hem mijne boodschap mede, -op wiens gezag en in wiens naam ik sprak. Daarop ging hij eindelijk van -mij af, zeggende: ik zal het aan de lieden der stad mededeelen.” - -Alsnu sprak de dappere Boanerges: „Laat ons nu een wijle stil op onze -hoede liggen en zien wat deze oproermakers doen zullen.” - -Toen de tijd nu daar was, dat Menschziel aan den dapperen Boanerges en -zijne medgezellen antwoord geven moest, werd bevolen, dat alle -krijgslieden van het gansche leger van El-Schaddaï als een eenig man in -de wapens zouden staan en zich gereed houden om, mocht de stad hooren, -haar onmiddellijk in genade te ontvangen, en zoo niet, dan haar te -dwingen tot onderwerping. Daar bliezen de trompetters door het gansche -leger opdat alle krijgers gereed zouden wezen voor het werk van dien -dag. Maar toen zij, die binnen de stad Menschziel waren, het geluid der -trompetten vernamen in het legerkamp van El-Schaddaï, en daaruit -opmaakten dat dit met geen ander doel geschiedde dan op de stad storm -te loopen, geraakten zij in groote ontsteltenis des harten. Maar nadat -zij zich weer een weinig hersteld hadden, maakten ook zij toebereidselen -tot den oorlog om zich te verdedigen als die storm begon. - -In het uiterste oogenblik wilde nu Boanerges hun antwoord vernemen en -zond zijn trompetter uit om Menschziel op te roepen tot het hooren der -boodschap van El-Schaddaï. Deze ging uit en blies, en de mannen der stad -kwamen voor den dag, maar maakten de Oorpoort zoo stijf vast als zij -maar konden. Toen zij nu allen den muur beklommen hadden, begeerde -kapitein Boanerges den burgemeester te zien, maar de heer Ongeloof was -toen burgemeester, want hij was aangesteld in de plaats van -Vleeschelijke Lust. Zoo kwam dan Ongeloof voor den dag en plaatste zich -op den muur, maar toen kapitein Boanerges hem gezien had, riep hij uit: -„Dat is hij niet. Waar is de heer Verstand, de oude burgemeester der -stad Menschziel? Aan hem wilde ik mijne boodschap bekendmaken.” [Zach. -7 : 11.] - -Toen sprak de reus, (want Diábolus was ook meêgekomen) tot den kapitein: -„Heer hoofdman, gij hebt de vrijpostigheid gebruikt om Menschziel -viermaal op te roepen tot onderwerping aan uwen koning, uit wiens naam -en op wiens gezag, dat weet ik niet en daar wil ik ook niet over -twisten. Maar ik vraag u wat de reden is van al dit rumoer, of wie gij -wel zijt als gij uzelven kent?” - -Kapitein Boanerges, wiens kleuren zwart waren en wiens vaandel drie -brandende donderbussen vertoonde, sloeg geen acht op den reus of op -zijne woorden, maar richtte zich tot de stad Menschziel. „Laat het onder -u bekend zijn”, zoo sprak hij, „o, ongelukkig en oproerig Menschziel, -dat de genadigste van alle koningen, de groote Vorst El-Schaddaï, mijn -Meester, mij tot u gezonden heeft met eene boodschap” (en dit zeggende -liet hij aan het volk zijn grooten bezegelden lastbrief zien) „om u -onder zijn gezag terug te brengen. Hij heeft mij bevolen, ingeval gij -naar mijne roepstem wilt hooren, mij jegens u te gedragen alsof gij -mijne vrienden en broeders waart; maar hij heeft evenzeer geboden, dat -indien gij na de oproeping tot onderwerping, nog volhardt met uwe -rebellie, wij trachten moeten ons met geweld van u meester te maken.” - -Toen stond kapitein Overtuiging op, en sprak (hij was het, die de bleeke -kleuren droeg en een wijd geopend wetboek in zijne vlag had). Hoor, o -Menschziel! Gij, o Menschziel, waart eens beroemd wegens uwe onschuld, -maar nu zijt gij ontaard door leugen en bedrog. Gij hebt gehoord wat -mijn broeder, kapitein Boanerges, gezegd heeft, en gij zult wijs wezen -en het zal een geluk voor u zijn, als gij de vredesvoorwaarden aanneemt, -die u aangeboden zijn, en dat nog wel door eenen tegen wien gij hebt -gerebelleerd, een die de macht heeft u te verpletteren, want zulk een is -El-Schaddaï onze koning. Wie kan bestaan voor zijnen toorn? Als gij -zeggen wildet, dat gij niet gezondigd hebt noch oproerig tegen onzen -koning gehandeld, dan zou uw gansche gedrag sedert den dag, dat gij zijn -dienst verlaten hebt (en dat was reeds het begin van uwe zonde) tegen u -getuigen. Wat beduidde dan toch uw luisterend oor naar den tiran, en -waartoe hebt gij hem tot koning aangenomen? Waarom hebt gij de wetten -van El-Schaddaï verworpen en zijt gehoorzaam geweest aan Diábolus? Ja, -wat beduidt dit dan, dat gij de wapens hebt opgevat en de poorten -gesloten voor ons, den getrouwe dienaren van uwen koning? Laat u dan -raden en neemt mijns broeders uitnoodiging aan, en laat den tijd van -genade niet voorbijgaan, maar onderhandelt spoedig met uwe tegenpartij. -Ach, Menschziel! Laat toch niet toe, dat gij van de genade vervallen -zoudt en in duizend ellenden geraken door het vleiend gesnap van -Diábolus! Misschien zal die aartsleugenaar en bedrieger nog trachten u -te doen gelooven, dat wij ons eigen voordeel zoeken in dezen onzen -dienst; maar weet, dat het alleen gehoorzaamheid aan onzen Koning en -liefde tot uw geluk is, dat ons tot deze onderneming heeft gebracht. -[Rom 3 : 10, 19-23; 16 : 17, 18.] [Ps. 50 : 21, 22.] [Luk. 12 : 58, 59.] - -„Verder zeg ik u, o, Menschziel, merk toch eens op of het niet een -wonderbare genade is, dat El-Schaddaï zich zoo diep vernedert als hij -doet: waar hij nu door ons als tusschenpersonen tot u spreekt in den weg -van onderhandeling en der liefelijke overtuiging, opdat gij u aan hem -zoudt onderwerpen. Heeft hij u zoo noodig als wij er zeker van zijn, dat -gij hem behoeft? Neen, neen; maar hij is genadig, en wil niet dat -Menschziel sterve, maar tot hem wederkeere en leve.” [2 Cor. 5 : -18-21.] - -[Afbeelding: DE REDE VAN ONGELOOF.] - -Toen stond kapitein Oordeel op, die de roode kleuren droeg en die op -zijn vaandel had een brandenden oven. Hij sprak aldus: „O, gij inwoners -van Menschziel, die zoolang in opstand en verraad geleefd hebt tegen -koning El-Schaddaï, weet, dat wij heden niet uit onszelven op deze -plaats komen, en met eene boodschap, die wij zelf hebben bedacht of om -onszelven op u te wreeken; het is de koning, mijn Meester, die ons -gezonden heeft om u tot zijne gehoorzaamheid weder te brengen. Weigert -gij langs een vreedzamen weg, dan zijn wij verplicht u daartoe te -dwingen. Denkt nooit bij uzelven, noch duldt dat de tiran Diábolus u -overhale om te denken, dat onze koning niet in staat is u neder te -werpen en u onder zijne voeten te leggen; want Hij is de formeerder van -alle dingen en als Hij de bergen aanraakt rooken zij. Ook zal de poort -van ’s konings barmhartigheid niet altijd open staan, want de dag, die -branden zal als een oven, staat voor de deur, ja, hij haast om te komen -en sluimert niet. - -„O, Menschziel, is het gering in uwe oogen, dat onze koning u genade -laat aanbieden en dat na zoo vele waarschuwingen? Ja, hij steekt nog -zijn gouden schepter u toe, en wil nog zijn toorn niet tegen u loslaten; -zult gij hem tergen tot hij dat doet? Zoo ja, let dan op hetgeen ik zeg: -voor u is die poort niet eeuwig open. Als gij zegt: „Gij zult Hem niet -aanschouwen, daar is nochtans gerichte voor zijn aangezicht, wacht gij -dan op Hem; ja omdat er grimmigheid bij Hem is, wacht u, dat Hij u -misschien niet als met éen klop wegstoote, zoodat u een groot rantsoen -daar niet van af zou kunnen brengen.” Zou Hij uwen rijkdom achten, dat -gij niet in benauwheid zoudt zijn, of eenige versterking van kracht? -Neen, neen, geen goud of rijkdom of geweld. Hij heeft zijn troon bereid -ten gerichte, want ziet de Heere zal met vuur komen, en zijne wagenen -zijn als een wervelwind, om met grimmigheid zijnen toorn hiertoe te -wenden, en zijne scheldingen met vuurvlammen. Zie derhalve toe, o -Menschziel, opdat niet, nadat gij het oordeel de goddeloozen vervuld -hebt, hij kome en u aangrijpe met oordeel en gerichten.” [Job. 36 : 17, -18.] [Ps. 9 : 8.] [Jes. 66 : 15.] - -Terwijl kapitein Oordeel zijne toespraak tot Menschziel hield werd door -sommigen opgemerkt, dat Diábolus sidderde, maar hij ging met zijne -aanspraak voort en sprak: „O, gij ellendige Menschziel, wilt gij nog uwe -poorten niet openzetten om ons te ontvangen, de afgezanten van uwen -koning, en die er zich in verheugen zouden als zij u zagen leven? Zal uw -hart bestaan en zullen uwe handen het uithouden in den dag, dat hij met -u in het gezicht zal treden? Ik zeg, kunt gij het verdragen als gij -gedwongen zult worden uit te drinken, als ware het zoete wijn, die zee -van toorn, welke de koning voor Diábolus en zijne engelen bereid heeft? -Bedenk deze dingen en doe dat bijtijds.” [Ezech. 22 : 14.] - -Toen stond op de vierde kapitein, de edele hoofdman Strafoefening, en -sprak: „O, gij stad Menschziel! eertijds beroemd, maar nu gelijk aan een -onvruchtbare tak; eenmaal het vermaak van den Allerhoogste, maar nu een -hol van Diábolus, hoor ook naar mij en luister naar de woorden, die ik -spreken zal in den naam van den grooten El-Schaddaï. Zie, de bijl ligt -reeds aan den wortel der boomen: alle boom, die geen goede vrucht -voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen. [Matth. 3 : -7-10.] - -„Gij, o stad Menschziel, zijt tot dusverre zulk een onvruchtbare boom -geweest, gij droegt niets dan doornen en distelen. Uw kwade vruchten -toonen het duidelijk, dat gij geen goede boom zijt, uwe druiven zijn -druiven van gal, hunne beziën zijn bitter. Gij hebt tegen uwen koning -gerebelleerd, en o wee! de kracht en macht van El-Schaddaï zijn de bijl, -die aan uwen wortel is neergelegd. Wat zegt gij? Wilt gij omkeeren? Ik -herhaal het: zeg mij eer de eerste slag valt: wilt gij wederkeeren? Onze -bijl moet eerst bij den wortel worden gelegd vóor hij nog aan den wortel -raakt: eerst moet ik dien bijl bij uwen wortel leggen bij wijze van -waarschuwing voor hij aan den wortel raakt als eene strafoefening. En -daartusschen in wordt de tijd, u tot bekeering gegund, begrensd -- dit -is al de tijd, dien gij nog hebt. Wat wilt gij doen? Wilt gij u -overgeven of zal ik slaan? Als ik mijn bijl laat vallen, Menschziel, dan -gaat gij onder, want ik heb in last niet slechts den bijl bij den boom -neer te leggen, maar ook toe te slaan, niets zal dit vonnis kunnen -voorkomen dan uwe overgave aan onzen koning. Wat zal er dan anders van u -worden, o Menschziel, indien genade het niet verhindert, dan dat gij -uitgehouwen en in het vuur geworpen wordt? [Deut. 32 : 32.] - -[Afbeelding: DE EERSTE AANVAL OP OORPOORT.] - -„O, Menschziel, geduld en verdraagzaamheid duren niet eeuwig: ze mogen -een jaar twee, drie kracht doen, maar als men drie jaren lang in opstand -leeft (en het is bij u al veel langer) dan volgt niets dan: „Houw hem -af:” of, „Gij zult hem namaals uithouwen!” En durft gij waarlijk denken, -dat dit maar bedreigingen zijn, of dat onze koning zijn woord niet -volbrengt? O Menschziel, gij zult bevinden dat in de woorden van onzen -koning, wanneer zij door zondaars licht geacht worden niet alleen -bedreigingen, maar gloeiende kolen opgesloten liggen. Gij zijt tot -hiertoe een dorre boom geweest, wilt gij voortgaan dat te blijven? Uwe -zonden hebben dit leger voor uwe wallen gebracht, en dat zal het oordeel -der verwoesting in uwe stad brengen Gij hebt gehoord wat de kapiteins -gezegd hebben, maar tot op dit oogenblik sluit gij uwe poorten. Spreek -op, Menschziel, wilt gij zoo voortgaan -- of wilt gij de -vredesvoorwaarden aannemen?” [Luk. 13 : 7, 9.] - -Maar de stad Menschziel weigerde deze uitnemende toespraken van die -vier dappere generaals te hooren; ofschoon wel eenige klank daarvan -tegen de Oorpoort sloeg, zoo kon de kracht daarvan die toch niet -openbreken. Eindelijk begeerde de stad nog eenigen tijd om op deze -opeisching te antwoorden. De kapiteins zeiden, dat indien die van de -stad Kwaderust tot hen wilden uitwerpen, opdat zij hem loon naar werk -mochten geven, haar dan nog eenigen tijd tot overleg zou gegeven worden. -Maar zoo zij dien niet over den muur wierpen, dan zou haar ook geen tijd -meer gegund zijn. „Want”, zeiden zij, „wij weten, dat zoolang deze -Kwaderust in Menschziel ademt, alle goede overleggingen zullen worden -afgebroken en niets dan schade en ellende volgen.” - -Toen besloot Diábolus, die daar eveneens tegenwoordig was, en nu in -vrees verkeerde dat hij Kwaderust zijn redenaar verliezen zou, zelf aan -de kapiteins des konings antwoord te geven. Maar eensklaps van gedachte -veranderend beval hij aan den burgemeester, den heer Ongeloof, dit te -doen, zeggende: „Mijnheer, geef gij aan dit boevengespuis eens antwoord -en spreek zoo luid, dat heel Menschziel u kan hooren en verstaan.” - -Zoo begon dan Ongeloof op Diábolus bevel en sprak: - -„Mijne heeren, gij hebt, zooals wij gewaar worden, u hier tegen ons -gelegerd om onzen vorst te verontrusten en onze stad te beleedigen: maar -vanwaar gij komt willen wij niet weten en wat gij zegt willen wij niet -gelooven. Inderdaad gij vertelt ons in uwe verschrikkelijke -redevoeringen, dat gij dit gezag ontleent aan El-Schaddaï, maar met welk -recht gij dit doet, willen wij niet weten. Gij hebt alzoo op dat -voornoemde gezag deze stad gesommeerd om haren heer vaarwel te zeggen en -zich onder de hoede van den grooten El-Schaddaï, uwen koning, over te -geven. Gij vertelt haar leugenachtige dingen, namelijk, dat hij haar, -als zij zich overgeeft, alle gedane beleedigingen wil vergeven. Verder -hebt gij, om de stad Menschziel bang te maken, gedreigd met groote en -jammerlijke verwoestingen, waarmede zij dan zou gestraft worden als zij -naar uwe woorden niet luistert. Welnu, kapiteins, vanwaar gij dan ook -komt, en al zijn uwe bedoelingen dan ook nog zoo recht en goed, toch -moet gij weten, dat noch koning Diábolus, noch ik, zijn dienaar -Ongeloof, noch iemand uit ons dapper Menschziel eenigszins acht slaat op -uwe personen, uwe boodschap, of den koning, dien gij zegt dat u gezonden -heeft. Wij vreezen zijne macht, zijne grootheid en zijne wraak niet en -willen ons op uwe sommatie niet overgeven. Wat den oorlog aangaat, dien -gij ons wilt aandoen, daarin zullen wij ons verdedigen zoo goed wij -kunnen. Weet, dat wij niet stil zullen zitten bij die verdediging. En nu -om kort te gaan, want ik wil niet lang tot u spreken, ik verklaar u dat -wij u aanzien voor een partij landloopers en vagebonden, die, alle -gehoorzaamheid aan uwen koning uitgeschud hebbende, u samen hebt -vereenigd om het land af te loopen en van plaats tot plaats te trekken -ten einde u best te doen, eenerzijds door pluimstrijkende woorden (want -daarin zijt gij zeer geoefend), anderzijds door bedreigingen, de eene of -andere onnoozele stad of vesting of dorpsbuurt te verschalken, zoodat -zij zich aan u overgeven. Maar daaronder behoort Menschziel waarlijk -niet. Ten slotte dus: wij vreezen u niet, wij gelooven u niet en wij -willen aan uwe oproeping geen gevolg geven. Wij sluiten onze poorten -voor u toe en zullen u buiten onze stad houden. Ook willen wij niet -langer dulden, dat gij daar voor ons u nederslaat; want ons volk moet -rustig leven en uwe verschijning mag het niet verontrusten. Gaat daarom -maar heen, scheert u weg met pak en zak of anders schieten wij eens -eenige kogels op u af, die u dat wel leeren zullen!” [Luk. 11 : 21, 22.] - -Deze rede van den ouden Ongeloof, werd ondersteund door den diepbedorven -Vastewil in woorden als deze: „Heeren, wij hebben gehoord wat gij vraagt -en al de drukte uwer bedreigingen en het geklank van uwe sommatie; maar -wij vreezen uwe sterkte niet, wij letten niet op uwe bedreigingen, maar -blijven stil en rustig wat wij waren. Wij gelasten u bovendien, dat gij -binnen drie dagen ophoudt u in ons gebied te vertoonen, anders zult gij -weten wat het is den leeuw Diábolus wakker te maken, wanneer hij in -zijne stad Menschziel slaapt!” - -[Afbeelding: DE TWEE KANONNEN.] - -De griffier Goedvergeter voegde er nog het volgende bij: „Mijne heeren, -zooals gij bemerkt, hebben wij met beleefde en vriendelijke woorden uw -lompe en nijdige toespraken beantwoord. Dat is uw geluk; maar ik hoorde -ook dat mijne Meesters u bevel gaven spoedig en stil te vertrekken; -maakt van die gunst gebruik en pakt u weg. Anders mochten wij eens naar -buiten komen en op u aanvallen ten einde u de scherpte onzer zwaarden te -doen gevoelen. Maar dat ligt niet in onzen aard, want evenals wij zelf -van een stil en gerust leven houden, zoo hinderen wij ook anderen niet.” - -Toen juichte de gansche stad Menschziel van vreugde alsof door Diábolus -en zijn gevolg al een groot voordeel op deze kapiteins was behaald. Zij -luidden de klokken en liepen zingend en dansend langs de wallen. - -Diábolus keerde ook naar zijn kasteel terug, en de burgemeester en de -griffier naar hunne woningen, maar de heer Vastewil droeg eerst nog -bijzondere zorg, dat de poorten door dubbele wachten zouden bewaard -worden en met dubbele grendels en bouten verzegeld. Vooral zorgde hij, -dat de Oorpoort het zekerst gesloten bleef en nog veel versterkt werd, -want daar zochten ’s konings heirlegers het eerst en het meest binnen te -dringen. De heer Vastewil maakte zekeren ouden snaak Vooroordeel -genaamd, een boosaardig en laatdunkend persoon, kapitein der wacht bij -die poort en gaf hem zestig onderhoorige manschappen, die allen doof -waren en daarom zeer geschikt voor dezen dienst, aangezien zij geen -woord van de kapiteins en hunne soldaten verstonden. - -Daar nu de kapiteins het antwoord der groote heeren hadden vernomen en -bemerkten, dat zij bij de oude inwoners der stad geen gehoor konden -krijgen, dat bovendien Menschziel besloten was aan ’s konings leger slag -te leveren, maakten zij zich gereed tot dien slag, om alzoo door een -machtigen arm te trachten hun oogmerk te bereiken. Eerstens versterkten -zij hunne legermacht tegen de Oorpoort, want zij wisten, dat zoo zij -daar niet konden binnendringen er geen invloed op de stad viel uit te -oefenen. Dit gedaan stelden zij de overige manschappen in hunne -plaatsen; waarna zij als wachtwoord noemden: „~Gij moet wedergeboren -worden~.” Toen bliezen zij op de trompetten en die van de stad -beantwoordden dat geklank met schot op schot. Zoo ving dan de strijd -aan. Nu hadden die van de stad op de Oorpoort twee groote kanonnen -geplaatst; het eene heette Hooggevoelend en het andere Hardnekkig. Op -deze twee stukken waren zij dan al zeer trotsch, ze waren in Diábolus -kasteel door zijn eigen geschutgieter Opgeblazen gegoten, en ’t was -waarlijk een kwaadaardig tuig. Maar de kapiteins waren zóo voorzichtig -en waakzaam, dat ofschoon sommige kogels vlak langs hunne ooren vlogen, -ze toch niemand raakten. De inwoners twijfelden niet of zij brachten -door deze twee kanonnen El-Schaddaï’s leger heel wat schade toe en -beveiligden hunne poort zeer; maar zij hadden geen reden op de -uitwerking daarvan te roemen, gelijk uit het vervolg zal blijken. -Behalve deze had de stad Menschziel nog enkele kleine stukjes geschut, -die eveneens tegen het leger van El-Schaddaï werden gericht. - -Die van het leger evenwel vochten dapper, bezield met een vuur, dat -eerst werkelijk dapperheid genoemd kon worden, en stormden op de stad en -de Oorpoort los.[19] Zij wisten, dat ingeval zij deze niet openbraken -het tevergeefs zou zijn, den muur te bestormen. Nu hadden ’s Konings -kapiteins verscheidene slingers en twee of drie stormrammen -medegebracht. Met deze groote slingers wierpen zij op de huizen en het -volk der stad en met hunne stormrammen rammeiden zij de Oorpoort. - - [19] ~Op de oorpoort los~. -- Het geloof is uit het gehoor. - -Het leger en de stad hadden verscheidene schermutselingen en korte -ontmoetingen met elkaêr, terwijl de kapiteins hunne krijgslisten te werk -stelden om den toren, die tegenover de Oorpoort gebouwd was, open te -breken of neder te werpen, en daardoor den ingang door de poort te -bespoedigen. Maar Menschziel stond dit alles door; de woede van -Diábolus, de dapperheid van den gouverneur Vastewil, het bestuur van den -ouden burgemeester Ongeloof, en den griffier Goedvergeter hadden ten -gevolge, dat het waarlijk wel scheen of al de kosten aan deze -zomerexpeditie besteed verloren waren, en al het voordeel aan de zijde -van Menschziel bleef. Maar toen de kapiteins zagen hoe de zaken stonden, -trokken zij zich in goede orde terug en sloegen hunne winterkwartieren -op. Nu moet gij ook weten, dat aan weerzszijden groote verliezen geleden -werden, waarvan hier eene opnoeming volgt. - -Toen ’s konings kapiteins het hof verlieten en optrokken om tegen -Menschziel te krijgen, ontmoetten hen drie jonge mannen, die er zeer -krijgshaftig uitzagen. Het waren inderdaad ook zeer nette mannen vol -moed en verstand. Zij wilden in het leger dienst nemen. Hunne namen -waren Overlevering, Menschenwijsheid, Menschelijke uitvinding. Zoo -stelden zij zich dan voor de kapiteins en boden hunne diensten aan -El-Schaddaï aan. De kapiteins deelden hun voornemen mede en vermaanden -hen toch niet al te ras met hunne dienstaanbieding te zijn; maar de -jonge mannen antwoordden, dat zij alle zaken van tevoren hadden -overgelegd, en dat zij, vernomen hebbende welk een tocht ’s konings -kapiteins ondernamen, hen juist tegemoet waren gegaan om onder hen -dienst te nemen. - -Daarom nam kapitein Boanerges, aangezien zij moedige mannen waren, hen -aan in zijn gevolg en deelde hen in zijne compagnie in, zoodat zij mede -in den oorlog trokken. - -Toen nu de oorlog begonnen was, deed een compagnie van den heer Vastewil -uit een achterlaag der stad een uitval op de achterhoede van kapitein -Boanerges, in welke korte maar scherpe schermutseling deze drie jonge -lieden werden verrast en als gevangenen naar de stad gevoerd. De tijding -daarvan werd aan Diábolus overgebracht en verheugde de lieden van zijn -kasteel niet weinig. - -Toen liet Diábolus den heer Vastewil roepen om van hemzelven de -zekerheid dezer zaak te kennen. Deze verhaalde hem alles. Daarna liet de -reus de gevangenen komen en als zij gekomen waren vraagde hij hun -vanwaar zij kwamen, wie zij waren en wat zij in het leger van -El-Schaddaï te maken hadden; en dat vertelden zij hem. Toen zond hij hen -naar de hoofdwacht terug. Niet vele dagen daarna liet hij hen weder -roepen en vraagde hun of zij genegen zouden zijn hem te dienen en tegen -hunne vroegere kapiteins te strijden. Zij verhaalden hem toen, dat zij -niet zoozeer uit godsdienstige beweegredenen handelden dan wel naar de -grillen van het noodlot en, daar zijn heerschap gewillig was hen te -onderhouden, zij ook gewillig waren hem te dienen. Nu was er in -Menschziel een zekere kapitein Iets of Neutraal, die veel te doen had in -de stad; tot dezen kapitein zond Diábolus die jonge mannen met een -eigenhandig schrijven, hetwelk aldus luidde: - -[Afbeelding: DE DERDE OPEISCHING DER STAD.] - -„Veelgeliefde Neutraal! Deze drie mannen, houders van den onderhavigen -brief, hebben begeerte mij in den oorlog te dienen; daarom weet ik niets -beters te doen dan hen onder uwe bevelen te plaatsen. Ontvang hen daarom -in mijnen naam, en als gij hen noodig hebt, gebruik hen dan tegen -El-Schaddaï en zijne mannen. Vaarwel!” - -Zoo kwamen zij dan en hij ontving hen, makende twee hunner -onderofficier; maar Menschelijke uitvinding maakte hij zijn vaandrig. -Maar laat ons naar het leger terugkeeren. - -Die van het leger behaalden ook eenige voordeelen op de stad. Zoo -wierpen zij het dak in van het paleis des burgemeesters Ongeloof, -waardoor hij veel meer bloot lag dan tevoren. Bijna hadden zij den heer -Vastewil met een slinger ter aarde geworpen, maar hij stond weder op en -bleef gespaard. De leden van den raad evenwel kwamen er minder goed af; -de heeren Vloeker, Hoereerder, Boosheid, Leugenaar, Dronkenschap en -Bedrieger werden met een enkel schot zwaar gewond. Zij maakten ook die -twee kanonnen, welke op den toren van de Oorpoort stonden, onbruikbaar, -en deden ze diep in den modder nederstorten. - -Het leger van El-Schaddaï had, zooals gezegd is, de winterkwartieren -betrokken, en zich aldaar zoodanig verschanst, als dat voor hun koning -het voordeeligst en voor den vijand het nadeeligst was, terwijl zij -telkens groote beweging brachten in de stad Menschziel. En dit gelukte -hun zoo uitnemend, dat zij den belegerden heel wat overlast aandeden. -Want nu kon Menschziel in het geheel niet meer zoo gerust slapen als -tevoren, ook konden zij niet meer in stille gerustheid als eertijds -hunne drinkgelagen houden; want van uit het legerkamp van El-Schaddaï -kwamen zoo menigvuldige, luide en verschrikkelijke alarmkreten, nu eens -aan de eene poort en dan aan eene andere, ook soms wel aan alle poorten -tegelijk, dat al hun vroegere vrede verbroken was. Ja, deze beroeringen -waren zóo menigvuldig, en wel in den tijd dat de nachten het langst en -de koude het strengst waren, dat die winter de lieden van Menschziel -heugen zou. Nu eens klonken alleen de trompetten en dan weder waren deze -vergezeld van geweldige slingersteenen, die in de stad geworpen werden. -Somtijds marcheerden tienduizend van ’s konings soldaten rondom de -stadsmuren, en dat wel te middernacht, terwijl zij onophoudelijk schoten -en krijgsgeschreeuw aanhieven. Dan weer werden enkelen in de stad gewond -en hun geroep en klagelijk schreeuwen werd in de stad vernomen tot haar -groote ongerustheid. Ja, zij werden zóo benard door hen, die hen -ingesloten hielden, dat ik gerust durf beweren, dat zelfs de rust van -Diábolus in die dagen menigmaal werd verstoord. - -In deze dagen begonnen, naar mij bericht werd, verscheidene gemoederen -binnen Menschziel verontrust te worden door allerlei gedachten, -overleggingen en denkbeelden. Sommigen zeiden: „Dat is op die manier -geen leven.” Anderen antwoordden: „O, ’t zal wel spoedig weer overgaan.” -Dan stond een derde op en sprak: „Laat ons tot Koning El-Schaddaï -terugkeeren en daardoor een eind maken aan al deze ellende”, terwijl -weer een vierde met de vrees voor den dag kwam: „Zou hij ons wel willen -vergeven!” Daarbij kwam, dat die oude heer griffier, die griffier was -eer Diábolus de stad nam, ook hoe langer hoe harder begon te praten, en -zijne woorden klonken nu het volk van Menschziel als sterke donderslagen -in de ooren. Geen geluid was nu zoo ontzettend voor Menschziel als zijne -stem vereenigd met het schieten en de alarmkreten der kapiteins. - -Nu begon er ook gebrek in Menschziel te komen, daar de dingen, die hare -ziel zich eertijds gelusten liet van haar waren weggenomen. Al hare -begeerlijke dingen waren omfloersd en daar was verbranding in plaats van -schoonheid. Rimpels en schaduwen des doods waren op de inwoners. O, hoe -verheugd zou nu Menschziel geweest zijn als zij maar rust en vrede had -gehad, al had zij in armoede moeten leven! [Luk. 15 : 14, 15.] - -De kapiteins lieten nu midden in den winter door den mond van Boanerges -trompetter nog eene opeisching tot Menschziel komen, om zich toch aan -den koning, den grooten koning El-Schaddaï, over te geven. Zij deden dit -eenmaal en andermaal en ten derden male, nog altijd hopende, dat -Menschziel gewillig mocht worden bevonden om zich over te geven op eene -vriendelijke uitnoodiging. Ja, mij is zelfs verteld, dut de stad -gewillig zou geweest zijn om zich over te geven op dit oogenblik, als -niet de oude heer Ongeloof zich daartegen had verzet en de heer Vastewil -niet zoo wankelend in zijn besluiten ware geweest. Ook Diábolus begon te -razen. Op die manier waren zij volstrekt niet eensgezind omtrent de -overgave der stad; daarom bleven zij in hunne droefheid en in hunne -vreeze liggen. - -[Afbeelding: ONGELOOF BRENGT VERSLAG UIT.] - -Ik zeide dat de kapiteins tot driemaal over een trompetter zonden. De -eerste maal kwam deze met woorden van vrede, hun zeggende, dat de edele -kapiteins van El-Schaddaï medelijden hadden met de ellende der arme stad -Menschziel, die haar eigen geluk en welvaren in den weg stond. Hij zeide -bovendien, dat de kapiteins hem hadden gelast mede te deelen, dat als de -arme stad zich wilde overgeven en zich vernederen, al hare afdwalingen -en haar opstand zouden worden vergeven en vergeten, en haar nog op het -gemoed gedrukt hebbende, dat zij toch zichzelve niet langer zou in den -weg staan of zelf de oorzaak wezen, dat zij jammerlijk omkwamen, zoo -keerde hij terug naar het kamp. - -De tweede maal dat de trompetter kwam, behandelde hij haar een weinig -harder, want na geblazen te hebben deelde hij haar mede, dat haar -voortgezette halsstarrigheid den geest der kapiteins verbitterde, en dat -zij besloten waren de stad Menschziel in te nemen of voor hare muren te -sterven. - -De derde keer sprak hij nog harder woorden on verhaalde, dat waar zij -zoo ontzettend goddeloos bleef, hij nu niet zeker meer wist of de -kapiteins tot barmhartigheid of tot oordeel gestemd waren. Zij hadden -hem alleen de boodschap meegegeven: „Beveel de stad, dat zij de poorten -opent!” Daarna keerde hij zich om en ging weder naar het leger terug. - -Deze drie opeischingen, en voornamelijk de laatste twee, verschrikten de -stad zoozeer, dat er dadelijk eene raadsvergadering belegd werd, waarvan -de uitslag was, dat de heer Vastewil zich naar de Oorpoort zou begeven -om daar bij trompetgeschal de kapiteins tot een mondgesprek uit te -noodigen. Dit gebeurde; de heer Vastewil blies de trompet en de -kapiteins kwamen in hunne harnassen met al hunne tienduizenden, die -hunne voetstappen volgden. Toen vertelden de lieden der stad aan de -kapiteins, dat zij hunne opeischingen hadden gehoord en dat zij met hen -en hunnen koning El-Schaddaï wilden onderhandelen op de artikelen en -voorwaarden, die zij op last van hun vorst thans wilden vaststellen, en -die hierop moesten uitloopen, dat zij éen volk met hen worden zouden. - -Die voorwaarden luidden: - -1^{e}. Dat de tegenwoordige burgemeester Ongeloof met den heer -Goedvergeter en den dapperen Vastewil onder koning El-Schaddaï de -bestuurders der stad zouden blijven en in hunne tegenwoordige ambten -bevestigd worden. - -2^{e}. Dat niemand, die tegenwoordig onder den reus diende, door -El-Schaddaï zou worden weggejaagd of uit huis en haard verdreven, noch -eenigszins in de vrijheid gekrenkt, die hij tot dusverre onder Diábolus -had genoten. - -3^{e}. Dat aan al de burgers der stad zou worden vergund de privilegiën -en rechten te behouden, die hun eertijds vergund waren en waaronder zij -nu onder Diábolus zoo lang geleefd hadden, die hun eenige heer en -beschermer al dien tijd geweest was. - -4^{e}. Dat geen nieuwe wetten zouden worden ingesteld, noch -gerechtsdienaren of andere beambten onder hen aangesteld, zonder hun -eigen keus en goedvinden. - -„Dit zijn nu onze vredesvoorwaarden, en alleen op die voorwaarden willen -wij ons aan uwen koning onderwerpen.” - -Maar toen de kapiteins deze geringe toegeefelijkheid en deze hooge en -trotsche eischen hadden gehoord, waren zij volstrekt niet tevreden en -hielden bij monde van kapitein Boanerges de volgende toespraak: - -„O, gij inwoners van Menschziel, toen ik uwe trompet hoorde klinken om -met ons een mondgesprek te houden, was ik inderdaad zeer blijde. Toen -gij daarop zeidet, dat gij gewillig waart u aan onzen koning te -onderwerpen was ik nog meer verheugd. Maar toen gij door uw zot geklap -en onzinnige voorwaarden het struikelblok uwer ongerechtigheden opnieuw -voor uw aangezicht legdet, veranderde mijne vreugde in droefenis en de -hoop op uwe onderwerping in smart en vrees. - -„Ik denk dat de oude Kwaderust, de geboren vijand van Menschziel, deze -artikelen heeft opgesteld, die gij ons nu als vredesvoorwaarden -voorhoudt; maar waarlijk zij mogen niet in de ooren klinken van eenigen -mensch, die in dienst van koning El-Schaddaï staat of eenige betrekking -op hem heeft. Daarom weigeren en verwerpen wij gezamenlijk, en dat wel -met de hoogste verachting de ons voorgestelde artikelen als zijnde die -de grootste der ongerechtigheden. [2 Tim. 2 : 19.] - -„Maar o Menschziel, wanneer gij uzelve in onze handen wilt overgeven, of -beter gezegd in de handen van onzen koning, en het aan hem wilt -overlaten zulke bepalingen voor u te maken als goed zullen wezen in -zijne oogen, (en ik durf u verzekeren, dat ze door u als de beste en -voordeeligste bevonden zullen worden) dan willen wij u aannemen, en met -u in vrede leven; maar als gij uzelve niet in de handen van El-Schaddaï -onzen koning wilt toevertrouwen, dan blijft alles zooals het is en -zullen wij weten wat wij te doen hebben.” - -Toen riep de oude Ongeloof, de burgemeester der stad, luide van den -muur, en zeide: „Wie zou er zoo dwaas zijn, die, zooals wij nu, uit de -handen van zijne vijanden verlost is, om dan het heft uit eigen hand te -geven en zich in den blinde aan een onbekende te onderwerpen? Ik voor -mij zal nooit in zulk een onbepaald voorstel toestemmen. Kennen wij het -karakter en de handelwijze van dien koning? Door sommigen wordt gezegd, -dat hij boos tegen zijne onderdanen is, wanneer zij maar een haarbreed -van den weg afwijken, dien hij hun voorschrijft; en anderen beweren, dat -hij veel meer van hen eischt dan zij volbrengen kunnen. Daarom komt het -mij voor, o Menschziel, dat gij goed moet overleggen wat u in dezen te -doen staat, want als gij u aan een anderen hebt overgegeven zijt gij uw -eigen heer en meester niet meer. Uzelven over te geven aan een bepaald -gezag is de grootste dwaasheid der wereld, want gij zoudt er u stellig -over berouwen, maar nooit recht hebben u er over te beklagen. Weet gij -nu wel, wanneer gij de zijne zijt geworden, wie van u hij zal dooden en -wie hij in het leven zal behouden, en of hij wellicht niet ons allen om -het leven zal brengen en uit zijn land een nieuw volk zenden om deze -stad te bewonen?” - -[Afbeelding: OUDE ONGELOOF AANGEVALLEN DOOR VERSTAND.] - -Deze toespraak van den burgemeester ontstelde hen allen en wierp al hun -grond der hope op een accoord omver. Daarom keerden de kapiteins terug -naar hunne tenten en de burgemeester naar het kasteel van zijn Koning. - -Diábolus wachtte daar reeds zijne terugkomst af, want hij had gehoord, -dat er eene ontmoeting had plaatsgevonden. Zoodra hij de kamer -binnenkwam groette Diábolus hem met een: „Welkom, edele heer! Wat heeft -er heden plaatsgevonden?” Daarop vertelde de heer Ongeloof hem met -gedempte stem de geheele zaak, zeggende: „Zóo en zóo spraken de -kapiteins, en zóo en zóo heb ik gesproken.” Diábolus was zeer blijde dit -te hooren en zeide: „Mijn waarde burgemeester, mijn getrouwe heer -Ongeloof; ik heb altijd op uwe trouw gerekend en die nog nooit valsch -bevonden. Ik beloof u, dat als wij dezen berg overkomen, een veel -heerlijker betrekking dan die van Menschziels burgemeester u zal ten -deel vallen. Ik zal u mijn algemeenen afgezant maken, ambassadeur aan -alle hoven, ja wat meer zegt, gij zult de eerste na mij zijn en alle -natiën regeeren. Gij zult hun banden aanleggen naar uwen lust, en -niemand mijner vasallen zal meer vrijheid genieten dan die in uwe -ketenen wil wandelen.” - -Nu trad de burgemeester uit het paleis van Diábolus alsof hij een groote -gunst ontvangen had, waarom hij met groote deftigheid daarheen ging en -zichzelven reeds vleide met de schitterende verwachtingen, die hij nu -koesterde. - -Doch terwijl de burgemeester en Diábolus het aldus best samen eens -waren, bracht dit afwijzen der dappere kapiteins Menschziel tot -muiterij. Want terwijl de oude Ongeloof het kasteel binnenging om met -zijn meester te raadplegen, kwamen de oud-burgemeester, die vóor -Diábolus in Menschziel kwam aan het hoofd stond, namelijk de heer -Verstand, en de oude griffier Geweten in de stad om kennis te nemen van -hetgeen aan de Oorpoort had plaats gegrepen. Gij moet weten, dat zij -niet hadden mogen tegenwoordig zijn bij de beraadslagingen, die gehouden -waren, anders zouden zij voorzeker ten gunste der kapiteins gesproken -hebben; maar nu kwamen zij om te vernemen wat er gebeurd was. Daarna -verzamelden zich enkelen uit de stad rondom hen en die brachten hun aan -het verstand hoe verstandig en zedelijk de eisch der kapiteins was en -welke slechte gevolgen voortspruiten zouden uit de verwaande woorden van -den ouden Ongeloof, den burgemeester, die zoo weinig eerbied had getoond -voor de kapiteins en hun koning, en hoe hij hen allen onnoozel weg van -ontrouw en verraad beschuldigde. „Want wat minder dan dat”, zeiden zij, -„kon uit zijne woorden worden afgeleid toen hij beweerde hun eisch niet -te kunnen vervullen, en voegde daar nog bij dat de koning ons wilde -vernielen waar hij ons tevoren betuigd had op zijn woord van eer, dat -hij ons wilde genadig zijn?” De menigte werd daardoor overtuigd van het -kwaad, dat de oude Ongeloof had aangericht, en begon saam te scholen op -alle pleinen en op de hoeken van alle straten van Menschziel. Eerst -begonnen zij te morren, daarna er openlijk over te spreken en daarna -liepen zij uit alle macht rond al schreeuwende: „O, die dappere -kapiteins van El-Schaddaï! Waren wij maar onder hun bestuur en onder dat -van hunnen koning El-Schaddaï!” Toen de burgemeester er nu erg in kreeg -dat Menschziel in opstand was, kwam hij neder om het volk te stillen, en -vermeende hen met zijne fiere houding en zijn forsch voorkomen op -eenmaal te bedaren; maar toen zij hem zagen, vielen zij op hem aan en -zouden hem stellig een ongeluk hebben toegebracht, had hij zich niet in -zijne woning teruggetrokken. Desniettemin belegerden zij met alle macht -het huis waar hij was, om het boven zijn hoofd te laten instorten; maar -het was een te sterk kasteel en daarom gelukte hun dit niet. Zoo greep -hij dan weder moed, opende een venster en sprak van daar het volk op de -volgende wijze aan: - -„Mijne heeren, wat is toch de reden, dat hier zulk een oproer is -uitgebarsten?” - -Toen antwoordde de heer Verstand: „De reden is, dat gij en uw meester -niet recht hebt gehandeld, en niet naar behooren tot de kapiteins van -El-Schaddaï hebt gesproken. In drie dingen hebt gij verkeerd gedaan. Het -eerste is, dat gij den heer Geweten en mijzelven niet hebt opgeroepen om -naar uw gesprek te hooren. Het tweede, dat gij zulke vredesvoorwaarden -aan de kapiteins hebt voorgesteld, die zij onmogelijk konden aannemen of -hun El-Schaddaï moest maar vorst in naam wezen, en Menschziel zou de -macht behouden om in alle wetteloosheid en ijdelheid te leven, en dus -zou daar uit volgen, dat Diábolus hier toch koning bleef; Diábolus -koning in werkelijkheid en de andere alleen koning in naam. En het derde -is, dat gij nadat de kapiteins ons getoond hadden op welke voorwaarden -zij ons wilden aannemen, gij met uwe zoutelooze, goddelooze en ongepaste -redeneering alles weer hebt omvergeworpen.” - -[Afbeelding: VERSTAND EN GEWETEN GEVANGEN GENOMEN.] - -Toen de oude Ongeloof deze toespraak gehoord had riep hij: „Verraad! -Verraad! Te wapen! Te wapen! o gij alle getrouwe vrienden van Diábolus -binnen Menschziel!” - -Verstand sprak toen: „Mijnheer, gij kunt aan mijne woorden de beteekenis -hechten, die u behaagt, maar ik ben zeker dat de kapiteins van zulk een -voornaam heer eene betere behandeling van u verdiend hadden.” - -Daarop antwoordde de oude Ongeloof: „Dit is maar weinig beter. Maar -heerschap, wat ik sprak, dat sprak ik voor mijn vorst, voor zijne -regeering en tot rust van het volk, dat gij door uwe onwettige -handelingen dezen dag tegen ons hebt opgezet.” - -Toen antwoordde de oude Griffier, wiens naam Geweten was, en zeide: -„Heerschap, gij mocht wel niet zooveel afdingen op hetgeen de heer -Verstand gesproken heeft, want het is zeer duidelijk, dat hij de -waarheid heeft gesproken en dat gij een vijand van Menschziel zijt. Wees -dan overtuigd van de boosheid en verkeerdheid uwer stoute en vermetele -taal, en van de droefheid, die gij den kapiteins hebt aangedaan, en niet -het minst van de schade, die gij daardoor aan Menschziel hebt berokkend. -Hadt gij de voorwaarden aangenomen, het geklank der trompetten en het -krijgsrumoer zou reeds van rondom deze stad zijn verdwenen; maar dat -droevige geluid klinkt voort en uw gebrek aan wijsheid is daarvan de -oorzaak.” - -Toen zeide oude Ongeloof: „Mijnheer, zoo ik het beleef, zal ik uwe -boodschap aan Diábolus overbrengen, en daar zult gij een antwoord op uwe -woorden ontvangen. Intusschen zullen wij het goede voor de stad zoeken -en u niet om raad vragen.” - -Verstand sprak daarop: „Heerschap, uw vorst en gij zijt beiden -vreemdelingen in Menschziel en geene ingeborenen aldaar: en wat kan er -nu anders gebeuren dan dat gijlieden, als gij ons in nog grooter ellende -hebt gebracht, en gij geen anderen uitweg ziet om uzelven te redden, ons -in de steek laat, onze stad in brand steekt en temidden van den rook u -wegpakt? Wij blijven in de ellende achter.” - -Ongeloof antwoordde: „Mijnheer, gij vergeet dat gij onder een gouverneur -leeft en dat gij u als een onderdaan hebt te gedragen; weet dat als -mijnheer de koning hooren zal wat heden door u geschied is, hij u daar -kleinen dank voor weten zal.” - -Terwijl nu deze edellieden op zulk eene wijze met elkander in twist -waren, kwamen van de wallen en poorten der stad de heeren Vastewil, -Vooroordeel, Kwaderust en verscheidene anderen van den nieuwbakken adel -en eereburgerij, en zij vraagden naar de reden van dezen oploop. Daarop -begon een ieder op eigen gelegenheid te vertellen wat er gaande was, -zoodat zij niets duidelijk konden verstaan of begrijpen. Toen werd er -stilte geboden en de vos Ongeloof begon te spreken. „Mijnheer”, zeide -hij, „hier staan een paar bedorven edellieden, die als gevolg van hun -slecht begrip of vrees, ook op raad van een zekeren heer Misnoegen, deze -gansche bende oproerig tegen mij in het harnas gejaagd, en aldus -getracht hebben onze stad aan het muiten te doen slaan tegen onzen -vorst.” - -Toen stonden al de Diábolus-mannen daar tegenwoordig op, en bevestigden, -dat deze dingen aldus waren. - -Toen nu zij, die het met de heeren Verstand en Geweten hielden, -bemerkten, dat het hun slecht bekomen kon omdat kracht en macht aan de -andere zijde waren, kwamen zij toeloopen om hen te helpen, zoodat er aan -beide zijden een groote menigte stond. Nu hadden zij, die aan Ongeloofs -kant stonden, wel gewild, dat die twee oude edellieden maar dadelijk -naar de gevangenis werden gebracht; maar die aan den anderen kant -stonden, wilden dit niet toelaten. Daarna begonnen de twee partijen -weder tegen elkander aan te gaan. De Diábolusvrienden riepen om den -ouden Ongeloof, Goedvergeter, de nieuwe edellieden en hunnen grooten -Diábolus. De andere partij riep om El-Schaddaï, de kapiteins, hunne -wetten, hunne barmhartigheid en prezen hunne voorwaarden en manieren. -Deze twist duurde eenigen tijd voort en toen kwamen zij van woorden tot -daden, zoodat er van beide zijden slagen vielen. De goede oude edelman -Geweten werd tweemaal door een Diábolus-man ter neder geworpen; de -persoon, die dit deed, heette Verdooving. Ook de heer Verstand was bijna -afgemaakt en dat wel met een handboog, maar de persoon, die er meê -schoot, kon niet te best mikken. Toch kwamen die van de andere zijde er -ook niet allen heelhuids af. Daar was een zekere Overijling, een -Diábolus-man, dien de hersens ingeslagen werden door den heer Gemoed, -een dienaar van den heer Vastewil. Ook deed het mij lachen toen ik zag -hoe den ouden Meester Vooroordeel een beentje werd gelicht en hij in den -modder tuimelde, want nog niet lang geleden was hij tot kapitein -aangesteld van eene compagnie Diábolus-mannen tot nadeel van de stad. Nu -was hij onder de voet geraakt, en ik kan u verzekeren, dat eenigen van -de Verstandspartij hem den schedel intrapten. Zoo ook de heer Iets. Deze -was temidden van de troebelen een groot man geworden; maar toch waren -beide zijden tegen hem omdat hij aan niemand getrouw was. Ze hadden hem -om zijne trotschheid een been gebroken, en het speet hun dat het zijn -nek niet was geweest. Nog veel meer ongelukken hadden aan beide zijden -plaatsgevonden; maar het was een wonder te zien hoe onverschillig -Vastewil dit alles aanzag: hij scheen geen meerdere notitie te nemen van -het een dan van het ander; alleen heeft men opgemerkt, dat hij -glimlachte toen de oude Vooroordeel in den modder viel. Zoo ook toen -kapitein Iets (Neutraal) daar aan kwam strompelen, gaf hij er weinig -acht op. - -Toen nu het oproer gestild was, zond Diábolus om de heeren Verstand en -Geweten, en sloot hen beiden in de gevangenis als de aanstokers van deze -muiterij in Menschziel. Daardoor begon de stad nu weer rustig te worden -en de gevangenen werden zeer hard behandeld. Zelfs had Diábolus hen -gaarne van kant geholpen; maar de tegenwoordige tijd paste niet voor een -rechtsgeding, waar de oorlog aan alle poorten woedde. - -Maar laat ons naar onze geschiedenis wederkeeren. De kapiteins, toen zij -van de poort waren teruggekeerd, en in het kamp teruggekomen, riepen een -krijgsraad op om te beraadslagen wat verder gebeuren zou. Sommigen -zeiden: „Laat ons nu heengaan en op de stad aanvallen!” Maar het -meerendeel vond toch geraden hen nog eerst eene nieuwe opeisching te -doen toekomen, en de reden daarvoor was, dat naar uit alles scheen te -blijken, de stad meer tot overgave geneigd scheen dan vroeger. „En als”, -zeiden zij, „sommigen in een weg van toenadering verkeeren, zouden wij -door ruwheid en hardheid hen afstooten; wij moeten hun door onze -oproeping opnieuw toonen, dat wij gewillig zijn hen aan te nemen.” - -Nadat nu diensvolgens besloten was, werd weder een trompetter geroepen -en de woorden in zijn mond gelegd, terwijl hem geboden werd zich te -haasten en voorspoed toegewenscht. Het duurde dan ook maar kort of de -trompetter trok af. Bij den muur gekomen zijnde liep hij regelrecht op -de Oorpoort aan en blies daar uit alle macht zooals hem geboden was. Die -van binnen kwamen nu dan ook uit om te zien wat er gaande was en de -trompetter hield de volgende toespraak: - -„O, gij beklagenswaardige stad Menschziel, met uw verharde hart! hoe -lang zult gij nog volharden in uwe zondige slechtigheden, en uw vermaak -vinden in uwe schande? Tot dusverre versmaadt gij alle aanbiedingen van -vrede en verlossing. Hoe kunt gij de heerlijke aanbiedingen van -El-Schaddaï in den wind slaan en de leugens en valschheden van Diábolus -vertrouwen? Meent gij, dat als El-Schaddaï u zal hebben overwonnen de -herinnering aan dit uw verkeerd gedrag u eenigen vrede of troost zal -brengen? Of dat gij Hem met uwe snorkende woorden verward zult maken als -een sprinkhaan? Spaart hij u ook uit vrees voor u? Denkt gij sterker te -wezen dan hij? Ziet eens op naar den hemel en aanschouwt de sterren hoe -hoog ze zijn? Kunt gij de zon tegenhouden in haren loop? Kunt gij de -maan beletten licht te geven? Kunt gij het heir der starren tellen of de -flesschen des hemels ontsluiten? Kunt gij de wateren der zee oproepen en -laten die over de aarde stroomen? Kunt gij alle hoogmoedigen vernederen -en hen met het aangezicht in het stof doen liggen? Dit zijn nu nog maar -enkele van ’s konings werken, in wiens naam wij heden tot u komen, opdat -gij u onder zijn gezag zoudt schikken. Daarom roep ik u nogmaals op in -zijnen naam, dat gij uzelven aan zijne kapiteins zoudt overgeven.” - -Bij deze oproepingen schenen de bewoners van Menschziel stil te staan, -niet wetende wat daarop te antwoorden. Om die reden kwam Diábolus -schielijk voor den dag en wilde zelf een antwoord geven; hij begon dan -ook, maar richtte zijne toespraak tot de lieden van Menschziel. - -„Mijne heeren en getrouwe onderdanen,” aldus ving hij aan, „als het waar -is wat deze opeischer gezegd heeft aangaande de grootheid van hunnen -koning, zoo zult gij door zijne schrik voortdurend in slavernij worden -gehouden en als een slak versmelten. Hoe kunt gij, zelfs waar hij op een -afstand is, de gedachte aan zulk een machtig vorst verdragen? En waar -gij hem u zelfs op een afstand niet voorstellen kunt, hoe zult gij dan -zijne tegenwoordigheid verdragen? Ik, uw vorst, ga gemeenzaam met u om -en gij moogt met mij spelen als met een graskriek of huismusch. Bedenk -daarom wel wat uw voordeel wezen zal en welke voorrechten ik u altijd -heb bewezen. - -„En als nu verder alles eens waar is wat deze man heeft gezegd, vanwaar -komt het dan dat de onderdanen van El-Schaddaï overal zoo in slavernij -zuchten? Niemand in het Heelal is zoo ongelukkig als zij, niemand zoo -vertrapt en vernederd. - -„O, mijn arm Menschziel! waart gij toch zoo traag om mij te verlaten als -ik traag ben om u aan uw lot over te geven. Maar nu zeg ik u: de ure der -beslissing is gekomen; de kogel moet door de kerk, vrijheid zult gij -bezitten als gij haar weet te gebruiken, ja een koning bezit gij altijd -als gij hem maar weet lief te hebben en te gehoorzamen.” - -Na deze toespraak verhardde de stad Menschziel wederom haar hart tegen -de kapiteins van El-Schaddaï. De gedachte aan zijne grootheid deed de -inwoners sidderen, en de gedachte aan zijne heiligheid deed hen in -wanhoop wegzinken. Daarom na een korte beraadslaging met de partij van -Diábolus, zonden zij den trompetter met dit woord terug, dat zij van -hunne zijde besloten waren hunnen koning aan te kleven en zich nimmer -aan El-Schaddaï over te geven; en dat het daarom ook nutteloos was hun -nog verdere opeischingen te zenden, aangezien zij liever wilden sterven -dan zich over te geven. En nu schenen de zaken dan al zeer slecht te -gaan, hoe langer hoe meer achteruit, namelijk, zoo dat Menschziel weldra -buiten het bereik van iedere roepstem wezen zou. Maar de kapiteins, die -wisten wat hun koning vermocht, verloren daarom nog den moed niet. Zij -zonden nog een nieuwe oproeping, veel scherper en gestrenger dan de -voorgaande. Maar hoe meer zij zonden des te afkeeriger werd de stad. -„Gelijk zij hen riepen, alzoo gingen zij van hun aangezicht weg -- zij -riepen wel van den Allerhoogste, maar niet een verhoogde Hem. [Hos. 11 : -2, 7.] - - - - -HOOFDSTUK IV. - -IMMANUELS LEGER. DE AANVAL. - - -Zoo hielden zij dan op langs dezen weg met de stad te handelen en -sloegen een anderen in. Tot dit doel vergaderden zich de kapiteins tot -eene gedachtenwisseling over hetgeen nu te doen ware, ten einde de stad -uit de heerschappij van Diábolus te verlossen. Toen stond de edele -kapitein Overtuiging op, en sprak: - -„Broeders, ziet hier mijne meening. - -„Eerstens moeten wij onophoudelijk onze slingersteenen in de stad -werpen, en haar dag en nacht aldus belegerend, voortdurend de onrust -aldaar gaande houden. Daardoor zullen wij ook haar onstuimigen geest in -bedwang houden; want zelfs een leeuw kan men temmen door hem voortdurend -lastig te vallen. - -„Ten tweede geef ik den raad, dat wij een verzoekschrift opstellen aan -onzen Koning en heer El-Schaddaï, waarin wij hem den toestand van -Menschziel mededeelen en zijne vergiffenis vragen, dat wij niet beter -geslaagd zijn, en ernstig de hulp van Zijne Majesteit inroepen om ons -meer krachten te zenden en een welbespraakten aanvoerder daarbij, opdat -het voordeel, dat wij reeds behaald hebben, niet weder verloren ga, maar -door een algeheele verovering van Menschziel gevolgd worde.” - -In deze denkbeelden van den edelen kapitein Overtuiging stemden allen -als een eenig man mede, en een verzoekschrift werd onmiddellijk -opgesteld, en door een vertrouwd man aan den koning gezonden. De inhoud -was daarvan als volgt: - -„Allergenadigste en overheerlijke Koning, heer der hoogere wereld en -bouwmeester der stad Menschziel! Wij hebben, geduchte souverein, op uw -bevel ons leven in de waagschaal gesteld, en een oorlog begonnen tegen -de vermaarde stad Menschziel. Toen wij tegen haar optrokken, deden wij -volgens onzen lastbrief eerst vredesvoorwaarden hooren. Maar, groote -Koning, zij namen onzen raad lichtvaardig op en wilden naar onze -bestraffing niet luisteren. Zij hebben hunne poorten toegesloten en ons -buiten hunne stad gehouden. Ook haalden zij hunne kanonnen voor den dag -en schoten op ons en deden ons zooveel nadeel als hun mogelijk was. Maar -wij hebben de stad met alarm op alarm verontrust, haar telkens gepast -geantwoord en daardoor ook wel eenig voordeel op haar behaald. [Matth. -22 : 5.] [Spreuk. 1 : 25.] [Zach. 7 : 11-13.] - -[Afbeelding: HET VERZOEKSCHRIFT AAN EL-SCHADDAÏ GERICHT.] - -„Diábolus, Ongeloof en Vastewil zijn onze groote tegenstanders; nu -hebben wij onze winterkwartieren betrokken, maar toch zóo, dat wij -voortdurend met een vaste hand de stad benauwen. - -„Hadden wij maar een enkelen flinken vriend in de stad, dan zou zulk een -ons geholpen hebben en aan onze oproeping eenige kracht bijgezet om hen -over te halen zich over te geven; maar daarbinnen waren niet anders dan -vijanden, niet éen, die ten gunste van onzen koning sprak. Daarom, -ofschoon wij gedaan hebben wat wij vermochten, volhardt Menschziel in -haren opstand tegen u. - -„Nu, Koning der koningen, moge het u behagen dit niet welgelukken van -uwer dienaren pogen te vergeven. Zend gij, Heere, naar onze begeerte, -meer krachten naar Menschziel, opdat zij worde onderworpen, en een man -aan het hoofd daarvan, die de stad beide beminnen en vreezen mocht. - -„Wij spreken niet aldus omdat wij onwillig zijn den oorlog te voeren -(want wij zijn besloten te sterven of te overwinnen); maar opdat de stad -Menschziel voor Uwe majesteit moge gewonnen worden. Wij bidden bovendien -Uwe Majesteit, dat wij na het eindigen van dezen oorlog en de -overwinning dezer stad weder gebruikt mogen worden tot uitvoering van -uwe genadige en heerlijke plannen en oogmerken. Amen.” - -Dit verzoekschrift aldus opgesteld, werd met allen spoed naar den koning -gezonden door de hand van een zeer goed man, genaamd Liefde tot -Menschziel. - -Toen dit rekwest in het paleis van den koning kwam, aan wien kon het -toen beter overhandigd worden dan aan ’s konings zoon? Hij nam het aan -en las het omdat de inhoud hem best beviel; ook voegde hij er met eigen -hand nog eenige dingen bij, die hij noodig achtte en droeg het toen -eigenhandig naar den koning. Het daar gehoorzaam overgeleverd hebbende, -maakte hij insgelijks van zijne eigen macht gebruik en beval het -mondeling aan. - -Nu werd de koning verheugd op het zien van het verzoekschrift, maar nog -meer verblijdde hij zich omdat zijn zoon het ondersteunde! Het behaagde -hem zeer te vernemen hoe zijne kapiteins zich rondom Menschziel gelegerd -hadden en daar zoo van ganscher harte met de verovering bezig waren, zoo -standvastig in hun besluit, en reeds in het bezit van sommige voordeelen -op de vermaarde stad Menschziel. - -Daarom riep de koning zijn zoon Immanuel tot zich, en deze antwoordde: -„Ziet, hier ben ik, Vader.” Toen zeide de koning: „Gij kent even goed -als ik zelf den toestand der stad Menschziel, en wat wij hebben -voorgenomen en wat gij gedaan hebt om haar te verlossen. Kom nu, mijn -zoon, en bereid u tot den oorlog, want gij zult naar mijn leger te -Menschziel vertrekken. Gij zult aldaar voorspoedig zijn en de stad -veroveren.” - -Toen zeide ’s konings zoon: „Uwe wet is in het midden mijns ingewands; -ik heb lust om uwen wil te doen. Dit is de dag, waarnaar ik verlangd -heb, en het werk, waarop ik gewacht heb. Geef mij daarom die versterking -mede, welke gij in uwe wijsheid noodig keurt, en ik zal heengaan en de -ellendige stad Menschziel van Diábolus verlossen, en uit zijne hand -redden. Dikwijls heeft mijn hart in mijn binnenste gebloed over die -ellendige stad; maar nu ben ik verheugd en blijde.” En dat zeggende ging -hij springende over de bergen, uitroepende: „Niets is mij te dierbaar -voor Menschziel; de dag der wrake is voor u gekomen, en hoe verheug ik -mij, dat mijn Vader mij gemaakt heeft tot den oversten leidsman harer -redding en zaligheid. Ik zal beginnen met al diegenen te plagen, die -eene plaag geweest zijn voor de stad en zal haar uit hunne hand -verlossen!” [Hebr. 10 : 7.] [Hebr. 2 : 10.] - -Toen des konings zoon aldus had gesproken, scheen er een licht door het -geheele hof; allen verheugden zich en alle gesprekken liepen over -hetgeen Immanuel voor die vermaarde stad Menschziel ging doen. Gij kunt -u niet half begrijpen hoe de hovelingen waren ingenomen met dit -voornemen van den prins; ja, zoo waren zij in deze zaak belangstellende, -dat de hoogste edelen en eerste stafofficieren van het koninkrijk onder -Immanuel wilden dienen om mede te helpen ten einde de stad Menschziel -voor El-Schaddaï te herwinnen. - -Toen werd besloten, dat er enkelen vooruit zouden gaan om aan het leger -bericht te brengen, dat Immanuel op de komst was om Menschziel te -herwinnen, en dat hij zulk een machtig en onverwinnelijk leger zou -medebrengen, dat het niet te weerstaan was. Hoe gereed waren die -hooggeplaatsten aan het hof om als boodschappers en couriers dienst te -doen, ten einde deze tijdingen aan het kamp vóor de stad Menschziel te -brengen. Toen nu de kapiteins bemerkten, dat de koning zijn zoon -Immanuel zenden wilde, en dat deze evenzeer begeerig was om dien tocht -te ondernemen, gaven zij allen een vreugdekreet als bewijs hunner -blijdschap, zoodat de aarde er van beefde. Ja, de bergen gaven er -antwoord op met hunne echo’s en Diábolus zelf sidderde als een aal. - -Want gij moet weten, dat ofschoon de stad Menschziel zelve met het plan -in het geheel niet was bekend geworden (want helaas, daarvoor waren zij -al te zeer verbijsterd, zijnde hun vermaak en hunne lusten het -voornaamste wat zij zochten), Diábolus, hun beheerscher wist het wel; -want hij had zijne spionnen, die voortdurend rondzwierven en hem bericht -brachten van alle dingen. Deze verhaalden hem wat aan het hof tegen hem -besloten was, en dat Immanuel binnen kort zou komen om hem te -overweldigen. Nu was er geen mensch aan het hof, noch groote in het -rijk, dien Diábolus zoo vreesde als dezen prins; want, als gij u -herinnert wat ik u gezegd heb, dan weet gij dat Diábolus het gewicht van -zijne hand reeds gevoeld had, zoodat zijne komst hem het meest in angst -joeg. - -Daar nu, zooals ik u verhaald heb, alles was in orde gebracht en ’s -konings zoon het hoofd der legermacht, maakte deze zich op den bestemden -tijd tot zijn tocht gereed, nemende met zich een groote macht en vijf -kapiteins. - -[Afbeelding: KAPITEIN GEDULD EN ZIJN VAANDRIG LIJDZAAMHEID.] - -De eerste was de beroemde kapitein Geloof. Hij voerde de roode kleur en -de heer Belofte droeg die; tot wapen had hij het heilige lam op een -gouden schild; en tienduizend manschappen volgden hem. [Joh. 1 : 29.] -[Efez. 6 : 16.] - -De tweede was de beroemde kapitein Hoop. Hij voerde de blauwe kleur; -zijn vaandeldrager was de heer Verwachting, en tot een wapen bezat hij -drie gouden ankers. Ook hem volgden tienduizend manschappen. [Hebr. 6 : -19.] - -De derde was de moedige kapitein Liefde. Zijn vaandeldrager was de heer -Ontferming; hij voerde de groene kleuren en had tot wapen eene vrouw, -die drie naakte weezen omhelsde. Ook hem volgden er tienduizend. [1 Cor. -13.] - -De vierde heette kapitein Onschuld, een dapper gezagvoerder. Zijn -vaandeldrager was de heer Oprecht. De witte kleur was de zijne en drie -gouden duiven zijn wapen. [Matth. 10 : 16.] - -De vijfde was de flinke, trouwe en zeer beminde kapitein Geduld. Zijn -vaandeldrager heette Lijdzaamheid. Hij voerde de zwarte kleur met drie -pijlen door een gouden hart tot wapen. - -Dit waren nu de kapiteins van Immanuel, hunne vaandrigs, hunne kleuren -en hunne wapens, en de manschappen, die hunne voetstappen volgden. Zoo -ging dan de dappere vorst naar Menschziel op weg. Kapitein Geloof voerde -de voorhoede aan, en kapitein Geduld de achterhoede; de andere drie -vormden den middentocht, de prins zelf reed op zijn wagen aan haar -hoofd. - -Hoe klonken de trompetten, hoe glinsterden de wapenrustingen, hoe -wapperden de vaandels in den wind! Des prinsen wapenrusting was van goud -en schitterde als de zon aan het firmament, de wapenrusting des -kapiteins was van staal en had het voorkomen van blinkende sterren. -Bovendien waren er enkelen van het hof, die vrijwillig dienst hadden -genomen uit liefde tot den koning en belangstelling in de stad -Menschziel. - -Immanuel had toen hij zich opmaakte om de stad Menschziel te herwinnen, -op het bevel van zijn vader vier en vijftig stormrammen medegenomen en -twaalf slingers om daarmede steenen te werpen. Ieder daarvan was van -zuiver goud, en deze namen zij mede in het hart van het leger, terwijl -zij naar Menschziel trokken. - -Zoo legerden zij zich tot binnen een mijl afstands van de stad, daar -hielden zij halt om de vier eerste kapiteins af te wachten, die hun -kennis van zaken moesten geven. Daarna marcheerden zij weer op, rondom -Menschziel, maar toen de oude gedienden, welke daar reeds lagen, zagen -welke nieuwe krachten aangekomen waren om zich met hen te vereenigen, -hieven zij zulk een vreugdegeroep aan, dat de muren van Menschziel -daverden en Diábolus hevig sidderde. Zoo zetten zij zich voor de stad -neder, niet slechts gelijk de andere kapiteins gedaan hadden voor de -poorten, maar zij omringden haar geheel, aan alle zijden, van voren en -van achteren, zoodat nu Menschziel kon uitzien waar zij wilde, maar -altijd zag zij een vijandige macht zich tegen haar stellende. Ook werden -nog verschansingen tegen haar opgeworpen. De berg Genadig was aan de -eene zijde; de berg Rechtvaardig aan de andere; verder maakten zij nog -verscheidene lagere hoogten, die als kleinere batterijen moesten dienst -doen; als Zuivere Waarheidsheuvel, en Zonder-Zonde, waarop vele slingers -geplaatst en tegen de stad gericht werden. Op den berg Genade stonden er -vier en op Gerechtigheid even zooveel, en de overigen waren op -verschillende punten verdeeld. Vijf van de beste stormrammen, dat is van -de zwaarste, waren op den berg Opmerken, eene batterij vlak bij de -Oorpoort opgeworpen, teneinde die open te rammeien. - -Toen nu de lieden der stad die menigte soldaten zagen, die tegen hen -waren opgetrokken, en de stormrammen en slingers, mitsgaders batterijen, -die waren opgeworpen, tegelijk met de glinsterende wapenrustingen en de -wuivende vaandels, werden zij wel gedwongen te overleggen wat zij doen -zouden. Die overleggingen konden nu echter bezwaarlijk van stoutmoedigen -aard wezen, integendeel ze werden telkens meer vreesachtig; want -ofschoon zij vroeger wel eens gemeend hadden dat zij genoegzaam -verzekerd waren, zoo begonnen zij nu toch te twijfelen of het wel goed -met hen zou afloopen. - -Toen de goede prins Immanuel Menschziel aldus had belegerd, begon hij -eerst de witte vlag uit te steken, die men gewoonlijk op de gouden -slingers plaatste, welke op den berg Genade stonden. Dit deed hij om -twee redenen: 1^{e} om aan Menschziel te verstaan te geven, dat hij haar -wilde genadig zijn wanneer zij tot hem terugkeerde, en 2^{e} opdat zij -des te minder te verontschuldigen zouden zijn wanneer hij hen moest -vernielen omdat zij in hun oproer volhardden. - -Zoo werd dan de witte vlag met de drie gouden duiven uitgehangen, en dat -wel twee dagen achter elkaêr om hun tijd te geven zich te bedenken. Doch -zij sloegen geen acht en gaven geen antwoord op dit gunstig zinnebeeld. - -Toen gaf de prins opnieuw bevel en zij zetten de roode vlag op den berg -genaamd Gerechtigheid. Het was de roode vlag van kapitein Oordeel, wiens -wapen was de brandende oven; en deze stond toen ook verscheidene dagen -achtereen in den wind te wapperen. Maar evenals zij dat met de witte -vlag gedaan hadden, toen die uithing, zoo handelden zij nu ook met de -roode; zij deden er hun voordeel niet mede. - -Daarna beval hij dat zijne mannen de zwarte vlag der verwoesting tegen -hen zouden uithangen, welks zinnebeeld was de drie brandende -donderkogels. Menschziel bleef daarbij evenwel onaandoenlijk als -tevoren. Maar toen de prins zag, dat noch genade, noch gerechtigheid, -noch oordeel het hart van Menschziel konden bereiken, werd hij door diep -medelijden bewogen en sprak: „Voorzeker, dit vreemdsoortige gedrag van -de stad Menschziel moet veeleer voortspruiten uit onwetendheid aangaande -de oorlogsmanieren, dan wel uit een geheime en stille verachting van ons -en een veronachtzamen van hun eigen welzijn; of als zij de -oorlogsmanieren kent dan toch niet die, welke ik gebruik met mijn vijand -Diábolus.” - -Daarom zond hij naar de stad Menschziel om haar te laten weten wat hij -met deze teekens en vlaggen bedoelde, -- hij deed dit om te weten te -komen of zij wilden kiezen, en wat zij kozen, ’t zij genade en -barmhartigheid, of rechtvaardigheid en oordeel. Zij sloten intusschen -hunne poorten met dubbele grendels toe, versterkten ze met bouten en -maakten ze zoo stevig vast als zij slechts vermochten. Ook werden al -weder hunne wachten verdubbeld en versterkt. Diábolus was daarbij druk -in de weer om de stad tot tegenweer aan te moedigen. - -[Afbeelding: DE OORPOORT WORDT GEBARRIKADEERD.] - -Zoo gaven dan ook de lieden der stad een antwoord aan ’s prinsen -afgezanten in hoofdzaak hierop neer komende: - -„Groote Heerscher, wat aangaat hetgeen gij door uwen afgezant aan ons -hebt laten voorstellen, namelijk of wij uwe barmhartigheid willen -aannemen dan wel vallen door uwe gerechtigheid, zoo zijn wij door de wet -gebonden u geen positief antwoord te geven; want het is tegen de wetten, -ordonnantiën en koninklijke besluiten van onzen koning, dat wij vrede of -oorlog maken zonder hem. Maar dit willen wij wel doen -- wij zullen -onzen koning verzoeken op den muur te komen en u daar zulk een bescheid -te doen als hij zal denken oorbaar en voor ons voordeelig te zijn.” - -Toen de goede prins Immanuel dit antwoord hoorde en de slavernij en -afhankelijkheid van het volk zag en hoe gaarne zij in de ketens van den -tiran Diábolus bleven, smartte het hem aan zijn hart; en inderdaad als -hij te eeniger tijd bemerkte, dat iemand zich tevreden gevoelde in de -slavernij van den reus, zoo deed hem dit altijd leed. - -Maar om tot ons onderwerp terug te keeren. Nadat de lieden der stad dit -nieuws aan Diábolus hadden medegedeeld, bovendien, dat de prins zich -daar gelegerd had en hem bij den muur verwachtte om een antwoord, -weigerde hij te komen; hij pochte luid, maar in zijn hart was hij -bevreesd. - -Daarna echter zeide hij: „Ik zal toch zelf naar de poort gaan en geven -hun zulk een antwoord als ik zal goedvinden.” Zoo ging hij dan naar de -Mondpoort en richtte zich tot Immanuel, (maar in eene taal, die de stad -niet verstond) op deze wijze: - -„O, gij groote Immanuel, heer der geheele wereld, ik ken u, dat gij de -zoon zijt van den grooten El-Schaddaï. Waarom zijt gij hier gekomen om -mij te kwellen en mij uit mijne bezitting te verjagen? Deze stad -Menschziel is de mijne, zooals gij zeer wel weet en dat wel met een -dubbel recht. 1^{e} Is zij mijn uit recht van verovering. Ik won haar in -het open veld, en zal men den machtige zijn roof ontnemen of den wettig -gevangene bevrijden? 2^{e} Is zij mijn wegens hare onderwerping. Zij -heeft de poorten harer stad vrijwillig voor mij geopend; zij heeft mij -trouw gezworen en mij openlijk tot haren koning verkozen; zij heeft ook -haar kasteel in mijne handen gesteld, ja, zij heeft al hare krachten mij -vrijwillig onderworpen. - -„Bovendien heeft deze stad u afgezworen, ja zij heeft uwe wetten -verworpen, uwen naam en uw beeld en al wat het uwe is achter haren rug -geworpen; zij heeft mijne wetten aangenomen en mijn naam, mijn beeld en -al wat van mij is daarvoor in de plaats gesteld. Vraag dit maar aan uwe -kapiteins en zij zullen u wel mededeelen, dat Menschziel in antwoord op -hunne oproepingen, liefde en gehechtheid aan mij heeft getoond, maar -verachting en wrevel voor u en het uwe. Nu zijt gij toch de -Rechtvaardige en de Heilige, en gij kunt geene ongerechtigheid doen. -Vertrek dan, bid ik u, laat van mij af en gun mij het bezit van mijne -wettige erfenis.” - -Deze redevoering werd gehouden in de taal van Diábolus zelf; want -ofschoon hij tot iedereen in zijne eigen taal kan spreken (anders kon -hij ook niet allen in verzoeking brengen zooals hij doet) toch heeft hij -eene eigen taal, en dat is de spraak uit den helschen afgrond of de -zwarte put. - -Daarom verstond de stad Menschziel (arme stumpert!) hem niet, en kon zij -ook niet zien hoe hij zich in allerlei bochten kronkelde, terwijl hij -daar stond voor Immanuel den vorst. - -Ja, zij hielden hem bij dit alles voor iemand van groote macht, dien men -onmogelijk kon wederstaan. Zoodat, terwijl hij aldus stond te smeeken, -dat hij toch zijne woning in Menschziel mocht houden en dat Immanuel hem -niet met geweld mocht verjagen, de inwoners op zijne dapperheid pochten, -zeggende: „Wie is in staat hem den oorlog aan te doen?” - -Toen deze voorgewende koning nu een eind gemaakt had met hetgeen hij -wilde zeggen, stond Immanuel, de gouden prins, op en sprak: - -„Gij, groote bedrieger, ik heb in mijns Vaders naam en ook in mijn eigen -naam, en in het belang van deze ellendige stad Menschziel iets tot u te -zeggen. Gij geeft voor een recht, een wettig recht te hebben op deze -arme stad, terwijl het zeer duidelijk is voor het gansche hof mijns -Vaders, dat de toegang, die gij tot de poorten van Menschziel hebt -verkregen, slechts door leugen en valschheid heeft kunnen plaats hebben. -Gij beloogt mijn Vader, gij beloogt zijne wet en alzoo bedroogt gij het -volk van Menschziel. Gij geeft voor, dat het volk u aangenomen heeft -voor zijn koning, hoofdman en wettigen heer; maar dat gebeurde ook door -gebruik te maken van bedrog en leugentaal. Welnu, indien leugen, -eigenwilligheid, zondige kracht en alle vormen van afschuwelijke -huichelarij, in mijns Vaders hof (waaruit gij moest verbannen worden) -kunnen doorgaan voor billijkheid en recht, dan zal ik voor u bekennen, -dat gij een wettige verovering hebt gedaan. Maar, helaas, welke roover, -welke tiran, welke duivel is er niet, die op die manier geene -veroveringen zou kunnen maken? Maar ik kan het u duidelijk voor oogen -stellen, o Diábolus, dat gij in al uw voorgeven van eene verovering der -stad niet een enkel woord waarheid hebt gesproken. Meent gij dit recht -te zijn dat gij mijn Vader een leugen in den mond legdet en hem aan -Menschziel voorsteldet als den grootsten bedrieger ter wereld? En hoe -noemt gij uwe uitlegging, waar gij de rechte bedoeling der wet -uitmuntend verstondt? Was het ook goed, dat gij alzoo een prooi maaktet -van de onnoozelheid en eenvoudigheid van de thans zoo ellendige stad -Menschziel? Gij haaldet Menschziel over door haar allerlei geluk te -beloven in hare overtreding van mijns Vaders wet, die gij kendet, en -kennen kondt, als gij alleen maar uwe eigen ondervinding hadt -geraadpleegd, wel wetende, dat dit de weg was tot ondergang. Zoo hebt -gij dan, o meester in de vijandschap, mijns Vaders beeld in Menschziel -smadelijk verbroken en het uwe daarvoor in de plaats gesteld, tot groote -verachting van mijn Vader en verergering van uw misdrijf, gelijk ook tot -onnoemelijke schade van de verloren stad Menschziel. - -[Afbeelding: DIÁBOLUS BEROEP OP IMMANUEL.] - -„Gij hebt boven dit alles, alsof dit maar weinig ware, niet alleen deze -plaats bedrogen en bedorven, maar door uwe leugens en bedriegelijk -gedrag hebt gij haar nog van hare verlossing afkeerig gemaakt. Hoe hebt -gij haar opgehitst, tegen mijns Vaders kapiteins, en gemaakt, dat zij -strijdt tegen degenen, die haar uit uwe slavernij willen verlossen! Al -deze dingen en nog veel meer hebt gij gedaan, tegen licht en beter weten -aan en ten spijt van mijn Vader en zijne wet, en dat met het voornemen -om de ellendige stad Menschziel voor eeuwig onder zijn ongenoegen te -doen vervallen. Ik ben nu gekomen om den smaad, dien gij mijn Vader -aangedaan hebt, te wreeken, en met u in het gericht te treden wegens de -lasteringen, waarmede gij het arme Menschziel geleerd hebt zijnen naam -te lasteren. Ja, op uw kop, gij vorst van den helschen afgrond, zal ik -het verhalen. - -„Wat mij zelf betreft, o Diábolus, ik ben tot u gekomen met een wettige -macht, en met het doel om door eene machtige hand, deze stad Menschziel -uit uwe brandende vingeren te verlossen. Deze stad Menschziel is de -mijne, o Diábolus, en dat door een onbetwistbaar recht, zooals allen -zullen inzien, die naarstig de oudste en autentieke bescheiden willen -onderzoeken; en ik zal mijn recht daarop verdedigen tot beschaming van -uw aangezicht. - -„Eerstens is de stad Menschziel door mijn Vader gebouwd en door zijne -hand gefatsoeneerd. Het paleis, dat in het midden der stad is, heeft hij -gebouwd tot zijn eigen genoegen. Daarom is deze stad Menschziel van mijn -Vader, en dat met alle recht, en hij, die dit tegenspreken wil, liegt -tegen zijne eigen ziel. - -„Ten tweede is, o gij opperste leugenaar, deze stad Menschziel de mijne, -omdat ik mijns Vaders erfgenaam ben, zijn eerstgeborene en de lieveling -van zijn hart. Ik ben daarom tegen u opgetrokken uit kracht van mijn -eigen recht, ten einde mijne erfenis weder uit uwe hand te lossen. -[Hebr. 1 : 2.] [Joh. 15 : 16.] - -„Maar verder, al heb ik een recht op Menschziel als mijns Vaders -erfgenaam, zoo ontving ik het evenzeer als een geschenk. Het was het -zijne en hij gaf het mij; ook heb ik nooit mijn Vader bedroefd, zoodat -hij het van mij zou genomen hebben en u gegeven hebben. Evenmin ben ik -genoodzaakt geworden door geldelijke verlegenheid mijn geliefde stad -Menschziel aan u te verkoopen. Menschziel is mijn lust en mijn leven, de -vreugde van mijn hart. Maar Menschziel is ook mijn eigendom omdat ik het -gekocht heb. O Diábolus, ik heb het mij gekocht. Merk nu eens op, eerst -was het van mijn Vader en mij omdat ik erfgenaam ben, en daarna omdat ik -het voor een duren prijs heb gekocht. Volgt dan daar niet uit, dat bij -wettig recht de stad Menschziel mij toebehoort, en dat gij een -overweldiger, een tiran, een verrader zijt als gij het in uw bezit -houdt? Ik zal u ook zeggen wat de oorzaak was, dat ik het kocht. -Menschziel had tegen mijn Vader overtreden, en mijn Vader had gezegd, -dat ten dage als zij zondigde, zoo zou zij sterven. Nu is het eer -mogelijk dat hemel en aarde voorbijgaat, dan dat het woord van mijn -Vader gebroken wordt. Daarom toen Menschziel gezondigd had door naar uwe -leugenen te luisteren, ben ik daar tusschen getreden en bij mijn Vader -borg gebleven, lijf voor lijf, en ziel voor ziel, dat ik zou boeten voor -Menschziels overtreding, en mijn Vader heeft daarin berust. Zoo heb ik -dan toen de bestemde tijd gekomen was, lijf voor lijf en ziel voor ziel -gegeven, leven voor leven en bloed voor bloed, en aldus heb ik mijn -dierbaar Menschziel verlost. [Jes. 50 : 1.] - -„Ook heb ik dit niet ten halve gedaan: mijns Vaders wet en recht zijn -voldaan, de straf is voor de misdaad geboet, en op gansch wettige wijze -is Menschziel verlost. - -„Evenmin ben ik heden eigenwillig tot u gekomen, maar op mijns Vaders -bevel; hij was het, die tot mij zeide: „ga heen en verlos Menschziel!” - -„Daarom zij het u nu bekend, o bronwel van alle bedrog, en zij het ook -bekend aan de dwaze stad Menschziel, dat ik thans niet tegen u ben -opgetrokken zonder mijn Vader. - -„En nu,” besloot de met goud gekroonde prins, „heb ik een woord tot de -stad Menschziel.” Zoodra hij echter daarvan repte om tot de verdwaasde -stad Menschziel te spreken, werden alle poorten weder dubbel gesloten en -iedereen ontving bevel hem geen gehoor te geven. Daarom ging hij voort: -„O, ongelukkige stad Menschziel, ik ben met medelijden over u vervuld. -Gij hebt Diábolus tot uwen koning aangenomen, en zijt de voedstervrouw -geworden van booze geesten, die tegen uw souvereinen Heer opstaan. Uwe -poorten hebt gij voor hem geopend, maar voor mij hebt gij ze -toegesloten; gij hebt hem gehoor gegeven, maar voor mijne roepstem uwe -ooren gestopt. Hij bracht u in ellende en gij hebt beiden hem en al wat -hij u bracht ontvangen. Ik kom u redding brengen, maar gij ziet mij niet -aan. Bovendien hebt gij uwe heiligschennende handen uitgestoken naar al -wat in u mij toebehoorde, en hebt uzelven met al wat het mijne was aan -hem gegeven; aan hem, mijn vijand en den grootsten tegenstander van mijn -Vader. Gij hebt u voor hem gebogen en u aan hem onderworpen, gij hebt -beloofd en gezworen, dat gij de zijne zoudt zijn. Arm Menschziel, wat -zal ik u doen? Zal ik op u aanvallen? Zal ik u vermorzelen of zal ik u -redden? Wat zal ik u doen? U met den grond gelijk maken of u stellen tot -een toonbeeld van vrije genade? Wat zal ik u doen? Hoor daarom, o hoor, -gij stad Menschziel, hoor naar mijne woord, en gij zult leven. Ik ben -genadig, Menschziel, en gij zult mij barmhartig bevinden; sluit mij niet -buiten uwe poorten.” [Hoogl. 5 : 2.] - -„O, Menschziel, het is mijn doel noch mijn roeping om u kwaad te doen. -Waarom ontvlucht gij uwen vriend en hecht u zoo vast aan uwen vijand? -Inderdaad, ik wensch dat gij, zooals het u past, bedroefd zijt over uwe -zonden, maar wanhoop niet aan uw leven; deze groote legermacht is niet -hier om u kwaad te doen, maar om u van de slavernij te verlossen en -onder mijn gezag terug te brengen. [Joh. 12 : 47.] [Luk. 9 : 56.] - -„Mijn doel is, inderdaad, alleen Diábolus, uwen koning, en al zijne -duivelsche geesten den oorlog aan te doen; want hij is de sterke, die -het huis bewaakt, en ik wil hem er uit hebben; zijn vaten moet ik hem -ontrooven, zijn wapenrusting moet ik van hem nemen, ik moet hem uit zijn -nest jagen en van zijne verblijfplaatsen eene woning voor mijzelven -maken. En dat, o Menschziel, zal Diábolus ondervinden, wanneer hij in -ketenen geklonken mijne voetstappen volgt als een gevangene, en -Menschziel zal zich bij dit gezicht verblijden. - -„Ik zou wel op zulk eene wijze van mijne macht gebruik kunnen maken, dat -hij dadelijk moest heengaan en het opgeven; maar ik heb in mijn hart -voorgenomen zóo met hem te handelen, dat de rechtvaardigheid van den -oorlog, dien ik hem aandoe, door allen zal worden erkend. Hij heeft -Menschziel met bedrog genomen, en houdt het met geweld en bedrog vast, -en ik zal hem naakt en bloot stellen voor aller oog. - -„Al mijne woorden zijn waarheid. Ik ben machtig om te helpen en zal mijn -Menschziel uit zijne hand verlossen.” - -Deze toespraak was in de eerste plaats voor Menschziel bestemd, maar -Menschziel wilde er niet naar hooren. Zij sloten de Oorpoort, -barrikadeerden die met ijzers en bouten, en zetten daar wachters, die de -bewoners van Menschziel moesten beletten tot hem uit te gaan, en die -niemand uit het leger in de stad mochten toelaten. Dit alles deden zij -omdat Diábolus op zulk een ontzettende wijze hunne zinnen had verblind, -en hen opgezet tegen hun wettigen heer en vorst. Daardoor kwam nu ook -geen stem, of boodschapper, noch eenig geluid, dat van den glorierijken -koningszoon uitging, de stad binnen. - -Toen nu Immanuel zag, dat Menschziel op die wijze in hare zonde verhard -was en dat zijne woorden veracht werden, zoo riep hij zijn leger samen, -en liet al zijne heirscharen weten, dat zij op het bestemde uur gereed -moesten zijn. Daar er nu geen andere wettige weg was om in de stad -Menschziel te komen, en daar vooral de Oorpoort zoo zorgvuldig gesloten -bleef, zoo beval hij zijne kapiteins en gezagvoerders om hunne -stormrammen voor den dag te halen, en al hunne slingeraars en -manschappen te richten op de Oorpoort en de Oogpoort, teneinde de stad -in te nemen. - -Als nu Immanuel alle dingen had gereed gemaakt om Diábolus slag te -leveren, zond hij nogmaals naar de stad Menschziel een vreedzame -boodschap of zij zich ook wilde overgeven of dat zij nu besloten was het -tot het uiterste te wagen? Zij riepen dan met Diábolus, hunnen koning, -een krijgsraad samen en bepaalden weder eenige voorwaarden, die Immanuel -zouden worden aangeboden of hij daarin mocht bewilligen, en die door -iemand uit de stad tot hem zouden worden gezonden. Wie kon die boodschap -doen? Nu woonde in de stad een oud man, een duivelskind, zijn naam was -Onbuigzaam,[20] die zeer stijf op zijn stuk stond, een uitmuntend -werktuig voor Diábolus. Deze man werd uitgezonden en hem in den mond -gelegd wat hij zeggen moest. Zoo kwam dan deze in het leger van -Immanuel, en toen hij daar aankwam werd een tijd bepaald, waarop hem -gehoor zou worden gegeven. Na een paar duivelsche plichtplegingen begon -hij aldus te spreken: „Groot en machtig Heer, opdat het allen bekend zij -welk een goedhartig vorst mijn meester is, heeft hij mij gezonden om u -te zeggen, dat hij, liever dan een oorlog met u te beginnen, genegen is -de helft van de stad Menschziel in uwe handen over te geven. Ik moet -daarom maar weten of Uwe Majesteit gewillig is dit voorstel aan te -nemen.” [Titus 1 : 16.] - - [20] Die zekere heer ~Onbuigzaam~, blijkt op het einde zijn naam te - volle te verdienen, ofschoon hij in het eerst de buigzaamheid zelf - schijnt te wezen. Al dat toegeven is geen toegeven, ’t is alles - satanische list. Al dat wenden en keeren doet denken aan de - kronkelingen van de slang. - -Toen zeide Immanuel: „De geheele stad is mijn eigendom, zoowel omdat zij -mij gegeven is als omdat ik haar gekocht heb.” - -Toen antwoordde Onbuigzaam: „Heerschap, mijn meester heeft gezegd, dat -hij er ook in toestemt, dat gij den titel hebt van Heer over alles, als -hij maar een deel voor zich in bezit mag houden.” [Luk. 13 : 25.] - -Maar Immanuel sprak: „Alles is wettig het mijne, niet slechts in naam, -maar in werkelijkheid, daarom wil ik ook de eenige Heer en bezitter van -alles wezen, òf ik wil er niets van hebben.” - -Toen ging Onbuigzaam al weer voort: „Heerschap, ziet toch eens hoe -toegevend mijn meester is; hij zegt dat hij tevreden zal wezen, als hij -maar eene plek in Menschziel heeft daar hij wonen mag, en u Heer en -Meester zal laten van al het overige.” [Hand. 5 : 1-5.] - -Maar daarop antwoordde de gouden prins: „Al wat mij de Vader geeft zal -tot mij komen, en van al wat Hij mij geeft -- zal ik niets verliezen -- -zelfs niet een haar van het hoofd. Ik zal hem daarom zelfs het kleinste -hoekje in Menschziel niet vergunnen, ik wil het alles zelf hebben.” - -Toen sprak Onbuigzaam weder: „Maar, mijnheer, onderstel dat mijn meester -kon besluiten u de gansche stad over te geven alleen met dit voorbehoud, -dat hij somtijds wanneer hij in deze streken komt, daar als oude kennis, -en als een doortrekkend man eens een paar dagen, eene week of eene maand -kwam verblijven. Kan zelfs deze kleine zaak niet vergund worden?” - -Toen zeide Immanuel: „Hij kwam als een doortrekkend reiziger tot David -en bleef niet lang bij hem en toch had het David zijne ziel kunnen -kosten. Ik wil niet toestaan, dat hij er ooit weer binnenkomt.” [2 Sam. -12 : 1-5.] - -Toen zeide Onbuigzaam: „Heer, gij schijnt wel zeer hard te wezen. -Onderstel, dat mijn meester alles toestemt wat Uwe Majesteit zegt, met -deze uitzondering, dat zijne vrienden en bekenden in Menschziel vrijheid -mogen genieten om in de stad handel te drijven en daar hunne -tegenwoordige woonplaats mogen behouden. Dat wordt toch wel toegestemd, -Mijnheer?” - -Toen zeide Immanuel: „Neen, dat is tegen den wil van mijn Vader; want -allen en een iegelijk, die van Diábolus aanhang nu of later in de stad -gevonden worden, zullen hunne bezittingen, hunne vrijheid en hun leven -verliezen.” [Rom. 6 : 13.] [Col. 3 : 5.] - -Daarop antwoordde Onbuigzaam: „Maar, Heerschap, mag dan mijn meester en -groote Heer niet door brieven of doortrekkende reizigers of bij -voorkomende gelegenheden, als hij alles in uwe handen overgeeft eene -soort van vriendschap en gemeenschap met de stad onderhouden?” [Joh. -10 : 8.] - -Immanuels antwoord was: „Neen, op geenerlei wijze, aangezien zulk eene -gemeenschap, vriendschap, toegenegenheid of kennismaking zal strekken -tot verderf van Menschziel, en haar vrede met mijn Vader in gevaar -brengen.” - -De heer Onbuigzaam voegde daar nog bij: „Maar, groote Heer, mijn Meester -heeft veel vrienden en die hem dierbaar zijn in Menschziel, mag hij dan -niet als hij uit overmaat van goedheid vertrekt, hun eenige bewijzen van -zijne goedertierenheid bij wijze van gedachtenis achterlaten, waarop zij -na zijn vertrek kunnen staren als panden van oude vriendschap en tot -herinnering, dat hij eens hun koning was, en van den goeden, vroolijken -tijd, dien zij samen hebben doorgebracht, toen hij en zij samen in vrede -leefden?” [Rom. 6 : 12, 13.] - -Toen zeide Immanuel: „Neen, want als Menschziel de mijne wordt, zoo zal -ik niet toelaten, dat er het minste overblijfsel, ja dat zelfs het stof -van Diábolus, dat hij achterlaat, als gift of gedachtenis aan iemand in -Menschziel geschonken zij, om de verschrikkelijke herinnering van die -jammerlijke vriendschap levendig te houden.” - -[Afbeelding: ONBUIGZAAM NAAR IMMANUEL GEZONDEN.] - -„O, Heer”, zeide toen Onbuigzaam, „ik heb nog maar éen ding voor te -stellen en dan is mijn lastbrief ten einde. Onderstel dat, wanneer mijn -meester uit Menschziel is weggegaan, iemand, die daar woont of later -wonen zal, zoo iets belangrijks en bijzonders aldaar te doen heeft, dat -indien het verzuimd wordt de geheele zaak daaronder lijden zou, en die -belangrijke zaak kan door niemand anders gedaan worden dan door mijn -meester, zou dan niet aan die persoon gelegenheid gegeven worden om mijn -meester te zijnen huize te ontvangen? Of zelfs, werd dit niet -toegestaan, dat zij dan elkander mochten ontmoeten in een der naburige -dorpen ten einde samen raad te plegen?” [2 Kon. 1 : 3, 6, 7.] - -Dit was de laatste der voorstellen, die Onbuigzaam aan Immanuel had voor -te stellen in naam van zijn meester Diábolus; maar Immanuel wilde niets -toestaan, want hij zeide: „Er kan geen geval, geen zaak van welken aard -ook in Menschziel voorkomen wanneer uw meester zal vertrokken zijn, die -niet door mijn Vader kan worden in orde gebracht. Bovendien zou het een -groote verachting wezen van mijns Vaders wijsheid en verstand als iemand -uit Menschziel toegelaten werd naar Diábolus uit te gaan om raad te -plegen. In ieder denkbaar geval kunnen zij hunne begeerten met bidden en -smeeken met dankzegging bij mijnen Vader bekend maken. En verder: werd -dit toegestaan, dan zou eene deur worden opengehouden voor Diábolus en -de zijnen in Menschziel om een komplot te maken en verscheidene -verraderlijke dingen te doen tot mijns Vaders verdriet en tot vernieling -der stad.” [1 Sam. 28 : 15.] [2 Kon. 1 : 2, 3.] - -Toen de heer Onbuigzaam dit antwoord gehoord had, nam hij afscheid van -Immanuel en vertrok, zeggende, dat hij zijn meester bericht zou brengen. -Zoo kwam hij dan ook bij Diábolus, zijn meester, te Menschziel en -verhaalde hem de geheele zaak en hoe Immanuel niets wilde toegeven; dat -als hij er eens uitging hij dan voor altijd buiten de stad was gebannen -en hij er nooit meer iets mede mocht te doen hebben. Toen Menschziel en -Diábolus dit verhaal der dingen hadden vernomen, besloten zij met -algemeene stemmen hun uiterste best te doen om Immanuel buiten -Menschziel te houden en om den ouden Kwaderust, van wien wij tevoren -gehoord hebben te zenden om dit aan den prins en zijne kapiteins te -berichten. Zoo kwam dan die oude heer boven op de Oorpoort staan, en -riep tot het leger om gehoor, en nadat hij dat bekomen had sprak hij: -„Ik heb van mijn hoogen vorst en heer in last u te verzoeken aan uwen -prins te berichten, dat Menschziel en haar koning vastelijk besloten -zijn samen te staan of te vallen; en dat het tevergeefs is wanneer uw -prins Immanuel vermeent ooit Menschziel weder in handen te krijgen, -tenzij hij bij machte is haar met geweld te nemen.” Zoo gingen dan de -kapiteins en verhaalden aan Immanuel wat die Kwaderust gezegd had, -waarop de prins antwoordde: „Ik moet de kracht van mijn zwaard -beproeven, want ik zal geenszins van hier vertrekken eer ik Menschziel -van haren vijand verlost heb, welke oproeren zij ook heeft aangericht, -en hoe menigmaal zij mij ook heeft verstooten!” Daarop gaf hij bevel aan -kapitein Boanerges, kapitein Overtuiging, kapitein Oordeel en kapitein -Strafoefening om onmiddellijk met bazuingeschal en vliegende vaandels en -krijgsgeschal naar de Oorpoort op te trekken. Ook wilde hij, dat -kapitein Geloof zich bij hen voegen zou. Immanuel gaf bovendien bevel, -dat de kapitein Goede Hoop en kapitein Liefde zich voor de Oogpoort -zouden in slagorde stellen. De overige kapiteins en hunne manschappen -moesten zich elders rondom de stad gereed houden en de voordeeligste -stellingen tegenover de stad innemen, en alles gebeurde zooals hij het -geboden had. [Efez. 6 : 17.] - -Daarop werd uitgeroepen dat het wachtwoord zou wezen „Immanuel”. Toen -ontstond er een oorverdoovend geraas, de stormrammen werden aangelegd, -en de slingers zweepten groote steenen door de lucht, die in de stad -neerkwamen. Zoo begon de strijd. Diábolus voerde nu zelf de lieden der -stad tot den strijd aan en wel bij elke poort, daarom was haar -tegenstand zooveel te krachtiger, helscher en beleedigender voor -Immanuel. Verscheidene dagen achtereen werd de goede prins op deze wijze -door Diábolus en Menschziel tegengestaan, terwijl het inderdaad de -moeite waard was te zien hoe flink El-Schaddaï’s kapiteins zich in den -oorlog gedroegen. - -[Afbeelding: DE KAPITEINS VAN IMMANUEL BELOOND.] - -Daar hebt gij eerst kapitein Boanerges; ofschoon de anderen niet bij hem -achterstonden; deze deed driemaal zulke krachtige aanvallen op de -Oorpoort, dat deze poorten en deuren kraakten en schudden. Kapitein -Overtuiging, die Boanerges trouw terzijde stond, deed wat hij vermocht, -en beiden, bemerkende dat de poort begon te kraken, bevalen dat de -stormrammen er maar voortdurend tegen spelen zouden. Daar kapitein -Overtuiging zich wat dicht bij de poort waagde, kreeg hij drie wonden in -den mond[21] en werd teruggedreven. Toen kwamen de vrijwilligers in het -leger en dit moedigde de kapiteins opnieuw aan. - - [21] ~In deze worsteling werd kapitein Overtuiging gewond~. -- Wij - worstelen menigmaal tegen onze overtuigingen in, en brengen het soms - zóo ver, dat wij ze op een of ander punt tot zwijgen doemen. Toch doen - deze aanvallen van ons overtuigend geweten den booze in ons afbreuk; - de zekerheid en stille gerustheid worden geschokt en verdreven. - -Om deze kapiteins voor hunne dapperheid te beloonen zond de prins hen -naar zijne eigen tent, en beval, dat zij daar een weinig zouden -uitrusten en zich herstellen. Ook werd er onmiddellijk voor gezorgd, dat -kapitein Overtuiging van zijne wonden genezen werd. De prins vereerde -ieder hunner een gouden keten en sprak hun moed in. - -Meent evenmin, dat kapitein Goede Hoop of kapitein Liefde achteraan -kwamen in dit wanhopige gevecht, want deze gedroegen zich zóo kloek aan -de Oogpoort, dat zij haar bijna openbraken. Ook deze ontvingen loon van -hunnen vorst evenals de overigen der hoofdlieden, omdat zij zich rondom -de stad zoo dapper weerden. - -In deze worsteling werden verscheidene officieren van Diábolus gewond of -gedood, en ook vele lieden uit de stad bekwamen blessuren. Onder de -gesneuvelde officieren behoorde zekere kapitein Pocher. Deze Pocher had -gemeend, dat niemand de deuren der Oorpoort noch het hart van Diábolus -kon doen beven. Naast hem werd een zekere kapitein Zekerheid -neergeslagen, die gewoon was in stille gerustheid te leven en voor een -spreekwoord had aangenomen, dat de blinden en lammen in Menschziel -alleen wel in staat waren de poorten der stad tegen Immanuel te -verdedigen. Dezen kapitein Zekerheid werd door kapitein Overtuiging met -een tweesnijdend zwaard het hoofd gekloofd, toen deze drie wonden in den -mond kreeg. [2 Sam. 5 : 6.] - -Behalve dezen was er nog een hoofdman Bluffer, een snoode boef, een -aanvoerder van een troep, die vuurbranden, pijlen en doodelijke -werktuigen aandroegen. Deze man kreeg aan de Oogpoort van kapitein Goede -Hoop een doodelijke wonde in de borst. - -Zoo was er ook een mijnheer Gevoelig, geen kapitein, maar een opstoker -tot opstand. Hij kreeg eene wond in het oog, van de hand van een van -Boanerges’ soldaten. De kapitein zou hem zelf wel gedood hebben, maar -hij maakte een spoedigen terugtocht. - -Maar nooit in mijn leven zag ik Vastewil zoo tam; hij was volstrekt niet -in staat zijn gewone handelwijze te volgen, en sommigen zeggen, dat hij -ook eene wond gekregen had in het been. Men had hem ten minste uit het -leger van den prins in de verte zien hinken. - -Ik zal u geen nauwkeurige opsomming geven van de soldaten, die in de -stad gedood werden; velen werden er verminkt, gewond en velen schoten er -het leven bij in. Toen zij zagen, dat de Oorpoort wankelde en de -Oogpoort bijna geheel opengebroken was, ook dat verscheidene van hunne -kapiteins waren geslagen, versmolt het hart van velen, die Diábolus -aanhingen. Ook vielen er velen door de slingersteenen, die met kracht in -de stad werden geworpen. - -Onder de burgers behoorde een zekere Goedhater, die ook een Diábolist -was. Deze kreeg een doodelijke wond in Menschziel, maar waaraan hij -eerst later stierf. - -De heer Kwaderust, gij kent hem wel, die het eerst met Diábolus meekwam -toen hij Menschziel belaagde, ontving ook gevaarlijke wonden in zijn -hoofd; ik heb zelfs hooren zeggen, dat zijn hersenpan gescheurd was. Dit -heb ik ten minste opgemerkt, dat hij in later tijd nooit meer in staat -was zooveel kwaad in Menschziel te doen als voorheen. De oude heer -Vooroordeel en Neutraal zetten het op een loopen. - -Toen nu deze worsteling voorbij was gaf de prins bevel, dat weder de -witte vlag op den berg Genade zou worden geheschen, in het gezicht der -stad, om te toonen, dat Immanuel Menschziel in hare ellende wilde -genadig zijn. - -[Afbeelding: GRIFFIER GEWETEN VERONTRUST.] - -Toen evenwel Diábolus de witte vlag der genade zag waaien, en hij wist -wel, dat dit niet voor hem was, zoo bedacht hij een andere list, -namelijk hij wilde beproeven of Immanuel zijn beleg niet wilde opbreken -en heengaan op belofte van hervormingen. Zoo kwam hij dan in den avond -naar de poort wandelen, een heel poosje nadat de zon was ondergegaan, en -riep om een gesprek met Immanuel, die onmiddellijk tot hem kwam, en -Diábolus sprak: - -„Nademaal gij door het uitsteken van de witte vlag bekend maakt, dat gij -op vrede en rust gesteld zijt, zoo dacht het mij goed u te zeggen, dat -wij zeer bereid zijn die aan te nemen op zulke voorwaarden als gij wel -zult willen goedvinden. - -„Ik weet dat godsvrucht u behaagt en dat gij zeer gesteld zijt op -heiligheid, ja, dat een groote drangreden om Menschziel den oorlog aan -te doen, juist hierin gelegen is, dat gij haar tot een heilige -woonplaats maken wilt. Welnu, wend u met uwe legermacht van de stad af -en ik zal maken, dat Menschziel voor u buigt. - -„Ik zal alle daden van vijandschap tegen u doen ophouden, en ben -gewillig om uw afgezant te worden, en gelijk ik u tevoren heb -tegengestaan, zoo wil ik u in de toekomst in Menschziel dienen. - -„1^{e}. Zal ik Menschziel bewegen u als Heer te ontvangen, en ik weet, -dat zij dit te eerder zullen doen als zij weten, dat ik uw afgezant ben. - -„2^{e}. Zal ik haar toonen waarin zij gedwaald heeft, en dat alle -ongerechtigheid den weg des levens in den weg staat. - -„3^{e}. Zal ik haar de heilige wet uitleggen, waarnaar zij zich heeft te -gedragen en weer goed maken wat zij bedorven heeft. - -„4^{e}. Zal ik bij haar aandringen op de hooge noodzakelijkheid eener -hervorming naar den eisch uwer wet. - -„5^{e}. Opdat geen van deze dingen verzuimd worden zal ik op mijn eigen -kosten en gezag een voldoende bediening in Menschziel oprichten en in -stand houden, en predikatiën laten doen tot leering en vermaning. - -„6^{e}. Zult gij als een teeken van onze onderwerping aan u ons jaar op -jaar de schatting opleggen, die gij noodig keurt, en die wij u brengen.” - -Toen zeide Immanuel tot hem: „O, gij enkel bedrog, hoe dikwijls zijt gij -veranderd in uw bedriegelijke wegen opdat gij dit Menschziel maar in uw -bezit zoudt mogen behouden; dit Menschziel dat het mijne is, en waarop -ik onbetwistbare rechten bezit! Reeds menigmaal zijt gij met uwe -voorslagen gekomen, en deze laatste is geen zier beter dan de vorigen. -Waar het u niet gelukt is te bedriegen als gij uw ware zwarte gedaante -vertoondet, daar verandert gij u nu in een engel des lichts, en doet u -thans voor als een leeraar der gerechtigheid. [2 Cor. 11 : 14.] - -„Maar dit zij u bekend, o Diábolus, dat uwe voorstellen allen voor niets -geacht moeten worden, omdat zij allen op bedrog zijn toegelegd. Gij -bezit evenmin vreeze Gods als liefde tot de stad Menschziel. Uit welken -anderen grond kunnen dan deze uwe woorden voortkomen dan uit list en -bedrog? Hij, die uit list of eigenwil alles kan voorstellen wat hem -behaagt, en dat om hen ongelukkig te maken, die hem gelooven, verdient -gehoor noch geloof in alles wat hij zegt. Indien dan gerechtigheid zulk -een voortreffelijke zaak is in uw oog, waarom hebt gij dan vroeger de -goddeloosheid zoo toomeloos bedreven? Maar dat is tot daar aan toe. - -„Gij spreekt van hervormingen in Menschziel, en dat gij, als het mij -behaagt, de eerste wilt wezen in dat hervormingswerk, ofschoon gij zeer -goed weet, dat de hoogste trap van gerechtigheid, die een mensch -bereiken kan, toch nooit baten kan om den vloek weg te nemen, die op -Menschziel rust. De wet, eenmaal door Menschziel gebroken, heeft den -vloek tegen haar doen uitspreken, en nooit kan door eenige -gehoorzaamheid in de toekomst, wat daar achter ligt worden weggenomen of -hersteld, in geen geval eene hervorming, die door een duivel wordt -voorgesteld of uitgevoerd. Gij weet zelf zeer goed, dat al wat gij -gezegd hebt niets anders is dan bedrog, en dat dit de laatste kaart is, -die gij uitspelen kunt. Velen zijn er, die u spoedig herkennen zullen -als gij hun uw gespleten klauwen laat zien, maar in uw witte gedaante, -in uwe verandering in een engel des lichts wordt gij van weinigen -aangezien. Maar gij zult, o Diábolus, alzoo met mijn Menschziel niet -leven, want daarvoor heb ik het te lief. - -„Bovendien ben ik niet gekomen om Menschziel aan te sporen tot goede -werken om daardoor te leven; deed ik dat, dan zou ik u gelijk wezen; -maar ik ben gekomen opdat zij door mij en door hetgeen ik voor haar -gedaan heb met mijnen Vader zou worden verzoend, al heeft zij Hem ook -door hare zonden tot toorn getergd, en al kan zij langs den weg der wet -op geene genade meer hopen. - -„Gij spreekt van het onderwerpen dezer stad aan het goede, dat niemand -van uwe hand begeert. Ik ben door mijn Vader gezonden om haar zelf te -bezitten, en haar te besturen met mijne eigen hand in zulk eene -overeenstemming met hem als hem welbehagelijk wezen zal. Daarom wil ik -haar zelf hebben; ik zal u onttroonen en uitwerpen, ik zal mijn eigen -standaard in het midden van haar planten. Ik zal haar ook regeeren door -nieuwe wetten, nieuwe dienaren, nieuwe grondregels en nieuwe -instellingen; ja, ik zal deze stad ter nederwerpen en weder opbouwen; -men zal haar niet meer herkennen, en zij zal de heerlijkheid der gansche -aarde zijn.” - -Toen Diábolus dit hoorde en bemerkte, dat hij in al zijn list en bedrog -ontdekt was, stond hij daar versuft en als tot het uiterste gebracht; -maar daar in zijn binnenste woelde de fontein van ongerechtigheid, -woeste kwaadaardigheid en opstand tegen El-Schaddaï en zijn Zoon beiden. -Wat kon hij dan anders doen dan zich weder gereed maken om een nieuw -gevecht te beginnen tegen den edelen prins Immanuel? Zoo krijgen wij dus -weder een nieuw gevecht voor de stad Menschziel te zien. Klimt dan op de -heuvelen, gij die gaarne den oorlog aanschouwt of krijgstooneelen -bijwoont, en ziet aan beide zijden welke noodlottige slagen daar worden -uitgedeeld, terwijl de een zoekt de stad te behouden en de ander er zich -van meester te maken. - -Diábolus keerde van de wal terug naar zijne grootste sterkte, die hij in -het hart der stad Menschziel bezat; Immanuel keerde ook zijn aangezicht -naar het leger, en beiden maakten zich ieder op zijne wijze gereed op -nieuw slag te leveren. - -[Afbeelding: VERSTAND EN GEWETEN STELLEN EEN VERZOEKSCHRIFT OP.] - -Diábolus tot het uiterste wanhopig omdat hij de beroemde stad Menschziel -niet behouden kon, besloot zooveel nadeel als maar mogelijk was toe te -brengen aan het leger van den prins en de stad zelve; want, helaas, het -was geenszins het geluk der stad, dat hij bedoelde, maar integendeel -haar uiterste verwoesting, dit blijkt duidelijk genoeg. Daarom beval hij -ook aan zijne officieren, dat wanneer zij bemerkten, dat zij de stad -niet langer houden konden, zij daar zooveel nadeel en verwoesting zouden -aanrichten als maar mogelijk was, doende mannen, vrouwen en kinderen -weenen. „Want”, zeide hij, „’t is beter, dat wij deze plaats met den -grond gelijk maken en als een puinhoop achterlaten, dan haar zóo te -verlaten, dat zij nog een geschikte woning voor Immanuel is.” [Mark. 9 : -26, 27.] - -Immanuel daarentegen, wetende, dat de nu volgende worsteling beslissend -zou wezen en hij zich dus meester van de stad zou zien, gaf een -koninklijk bevel uit aan al zijne officieren, voorname kapiteins en -krijgslieden, dat zij zich kloek zouden houden als echte krijgers tegen -Diábolus en zijn aanhang, maar dat zij barmhartig, zachtmoedig en -vriendelijk moesten wezen jegens de oude inwoners van Menschziel.[22] -„Bindt den strijd aan met hem en de zijnen”, zeide de edele vorst, „en -laat het heetst van het gevecht op hem aankomen!” - - [22] ~Dit laatste bevel~ van Immanuel is karakteristiek, en toont hoe - Hij den booze en het booze haat, maar den zondaar liefheeft. - - - - -HOOFDSTUK V. - -DE CAPITULATIE EN HARE GEVOLGEN. - - -De bestemde dag gekomen zijnde, werd het bevel gegeven en stonden de -mannen van den prins dapper in de wapens en richtten evenals vroeger -hunne beste krachten tegen de Oorpoort en Oogpoort. Het wachtwoord -luidde: „Menschziel is gewonnen!” Zoo vielen zij dan op de stad aan. -Diábolus daarentegen stond hen tegen met zijne beste krachten, en -inderdaad zijne grooten en opperhoofden vochten eenigen tijd zeer fel en -wreed tegen ’s prinsen leger. - -Maar na drie of vier flinke aanvallen door den prins en zijn edele -kapiteins werd de Oorpoort opengebroken;[23] de bouten en grendels, -waarmede hij was toegemaakt, braken in duizend stukken. Toen klonken de -trompetten, juichten de kapiteins, beefde de stad, en trok Diábolus zich -in zijn hol terug. Toen nu ’s prinsen leger de poort had opengebroken -kwam hij zelf daar en stelde er zijn troon. Hij plantte ook zijn -standaard op een berg, dien zijn volk daartoe opzettelijk had opgeworpen -en die de heuvel „Ziet toe hoe gij hoort” genoemd werd. Daar hield de -prins nu zijn verblijf, te weten dicht bij den ingang der poort. Hij -beval ook, dat de gouden slingers nu op de stad zouden worden gericht, -en voornamelijk het kasteel zouden bestoken, omdat daar Diábolus en zijn -complot zich hadden teruggetrokken. Van de Oorpoort liep de straat -regelrecht uit op het huis van den heer griffier, die namelijk griffier -was vóor Diábolus de stad innam, en vlak bij zijn huis stond het -kasteel, dat Diábolus sedert lang tot zijn verfoeielijk hol gemaakt had. -Daarom lieten de kapiteins zeer gezwind die straat schoonvegen door -middel van hunne slingers, zoodat hun nu de weg openstond tot het hart -der stad. Toen gaf de prins bevel, dat de kapiteins Boanerges, -Overtuiging en Oordeel voorwaarts rukken zouden naar het paleis van den -ouden edelman en op zijne poort aanvallen. De kapiteins rukten met -vliegende vaandels en in volle wapenrusting, de stad Menschziel binnen, -om de woning van den griffier Geweten te bestormen, die bijna even sterk -was als het kasteel. De stormrammen, die zij bij zich hadden, rammeiden -de deuren van het kasteel. Toen zij aan het huis van den heer Geweten -gekomen waren, klopten zij aan en vraagden binnengelaten te worden. De -oude edelman, niet ten volle hun oogmerk verstaande, hield zoolang het -gevecht duurde zijne poorten gesloten. Daarom, nadat Boanerges -tevergeefs gevraagd had binnengelaten te worden, zoo liet hij een stoot -geven met den kop van een stormram, en deze deed den ouden man beven en -zijn huis op de fondamenten schudden. Toen kwam de griffier af naar de -poort en vraagde met bevende lippen wie daar waren. Boanerges -antwoordde: „Wij zijn de kapiteins en gezagvoerders van den grooten -El-Schaddaï en den gezegenden Immanuel, zijn Zoon, en wij eischen uw -kasteel op voor het gebruik van onzen edelen vorst.” Intusschen gaf de -stormram de poort nog een stoot. Deze deed den ouden edelman nog meer -beven; toen durfde hij niet anders dan de poort openen, en ’s konings -krijgsmacht trok binnen, namelijk de drie bovengenoemde kapiteins. Het -huis van den griffier was eene zeer gemakkelijke en welgelegen -verblijfplaats voor Immanuel, niet alleen omdat het zoo dicht bij het -kasteel stond en zoo sterk was, maar ook omdat het zoo groot van omvang -was en vlak tegenover Diábolus’ spelonk, waarin hij zich thans had -verscholen, niet voor den dag durvende komen. Wat den griffier zelven -betrof, de kapiteins hielden voor hem hun voornemen nog bedekt, en het -groote doel van Immanuel bleef hem verborgen, zoodat hij niet wist wat -hij er van denken moest en wat het einde zou wezen van zulk een -donderend krijgsrumoer.[24] - - [23] ~De Oorpoort wordt eerst opengebroken~. -- Wanneer de Geest des - Heeren langen tijd met den mensch geworsteld heeft door de bediening - des Woords en de genademiddelen, zoo gaat eindelijk het oor open voor - de roepstem van boven. Maar het is Immanuel om het ~hart~ te doen en - daarom richt Hij zich nu op het middelpunt van ’s menschen wezen. - - [24] ~De oude griffier Geweten~ is zeer verschrikt en wordt ook niet - dadelijk in alle plannen ingewijd. Als het geweten wakker wordt dan - vreest het Gods rechtvaardigheid en kan zich niet voorstellen, dat al - die vreeselijke oordeelen en schrikkelijke overtuigingen enkel zijn - tot behoudenis der ziel. - -[Afbeelding: DIÁBOLUS VERSLAGEN.] - -Het werd nu ook weldra bekend in de stad hoe het huis van den ouden -griffier was ingenomen, zijne kamers allen waren bezet en zijn paleis -tot een oorlogstuighuis gemaakt. En zoodra verspreidde dit gerucht zich -niet naar buiten of allen waren zeer ontsteld. Ieder deelde dit bericht -aan zijne vrienden mede, en evenals een sneeuwbal bij het rollen niet -verliest, zoo was binnen korten tijd de stad er mede vervuld, en ieder -meende, dat men van den prins niets anders te verwachten had dan verderf -en ondergang. De oorzaak hiervan was, dat de griffier maar voortdurend -beefde en de kapiteins alles voor hem bedekt hielden. Dit maakte ook, -dat menigeen kwam aanloopen om het met eigen oog te zien. Maar wanneer -zij dan de kapiteins in het paleis zagen en de stormrammen spelende op -de poorten van het kasteel om die omver te stooten, zoo werden zij nog -meer ontsteld. En zooals ik zeide, de eigenaar van het huis maakte dit -alarm niet minder, want al wie bij hem kwam en met hem sprak, verhaalde -hij, dat hij niet anders dan dood en verderf vreesde en verwachtte voor -Menschziel. - -„Gij allen zult mij toestemmen,” zeide de edelman, „gij allen weet, dat -wij verraders geweest zijn jegens dien eertijds zoo verachten, nu zoo -zegevierenden en heerlijken vorst Immanuel, want nu ziet gij voor uwe -oogen hoe hij ons niet slechts dicht ingesloten houdt, maar zich toegang -heeft verschaft binnen onze poorten. Bovendien Diábolus ontvlucht hem, -en nu heeft hij, zooals gij ziet, van mijn huis eene vesting gemaakt, om -vandaar uit het kasteel te bestormen, waar Diábolus zich bevindt. Ik -voor mij, heb grootelijks gezondigd door mij stil te houden als ik -spreken moest, en door de gerechtigheid te verdraaien als ik ze -uitoefenen moest. ’t Is waar, ik heb ook wat geleden door de handen van -Diábolus omdat ik mij aan de wetten van El-Schaddaï hield; maar wat zal -mij dat baten? Zal dat weer goedmaken al het toegeven aan de -oproerlingen en al het verraad, dat ik mede gepleegd heb, en al wat ik -toegelaten heb in de stad Menschziel? O, ik beef als ik denk wat het -einde wezen zal van dit treurig en schrikkelijk begin!” - -Terwijl deze dappere kapiteins aldus bezig waren in het huis van den -ouden Griffier, was kapitein Strafoefening elders bezig in het -verzekeren van de achterstraten en muren. Hij zat den heer Vastewil -overal na, hij gunde hem geen oogenblik rust in eenigen hoek; hij -vervolgde hem zoo hardnekkig, dat al zijne mannen van hem verwijderd -werden en hij blijde was zijn hoofd in een hol te kunnen versteken. Ook -sloeg deze krijgsman drie van Vastewils officieren ter aarde. De éen was -de oude Vooroordeel, hij wiens hersenpan reeds gescheurd werd. Deze -persoon was door Vastewil aangesteld als wachter van de Oorpoort, en -viel door de hand van kapitein Strafoefening. Zoo was er ook een heer -Hardnekkig, die eveneens tot Vastewils officieren behoorde en het -opzicht had over de twee kanonnen, die op de Oorpoort geplant waren. Ook -hij viel door de hand van kapitein Strafoefening. Behalve deze was er -nog een derde: hij heette kapitein Verrader, een laaghartig man, maar -in wien Vastewil groot vertrouwen stelde. Deze viel met de anderen. - -[Afbeelding: DE DORRE PLAATSEN.] - -Bovendien maakte hij eene geweldige slachting onder ’s heeren Vastewils -soldaten, velen van hunne stoutste en brutaalste manschappen doodende, -en velen verwondend, die nog voor Diábolus pal stonden. Maar dit waren -allen Diábolus-mannen, er was niemand onder uit de oorspronkelijke -inwoners der stad. - -Andere oorlogsdaden werden al evenzeer door de andere kapiteins -verricht. Aan de Oogpoort, waar kapitein Goede Hoop en kapitein Liefde -het bevel voerden, werd ook een groote strafoefening gehouden; want -kapitein Goede Hoop sloeg met eigen hand zekeren hoofdman Blinddoek, die -de poort bewaakte. Deze Blinddoek had duizend man onder zich en zij -vochten met mokers. Zoo vervolgde hij ook diens manschappen, sloeg er -velen dood, verwondde vele anderen en maakte, dat de rest zich in alle -hoeken en gaten ging verbergen. - -Ook stond bij die poort de welbekende Kwaderust. Hij was een grijsaard, -wiens baard tot aan zijn gordel reikte. Wij kennen hem als Diábolus’ -redenaar: hij had heel wat kwaad gedaan in de stad en viel nu door de -hand van kapitein Goede Hoop. - -Wat zal ik zeggen? De Diábolus-mannen lagen in deze dagen dood in -iederen hoek der stad, ofschoon er altijd nog veel te veel in leven -bleven. - -Nu kwamen op zekeren dag de oude griffier Geweten en de heer Verstand en -enkele andere opperhoofden der stad, (te weten dezulken, die wisten dat -zij met Menschziel staan en vallen moesten,) bij elkaêr, en na eene -raadsvergadering te hebben gehouden, stelden zij gezamenlijk een -verzoekschrift op, om dat aan Immanuel te brengen terwijl hij in de -poort van Menschziel was gezeten. De inhoud van dat verzoekschrift hield -in, dat zij, oude inwoners van Menschziel, de stad, die nu zoo -jammerlijk ellendig was, hunne schuld beleden en zeer bedroefd waren, -dat zij Zijne Majesteit beleedigd hadden, tevens hem biddende, dat hij -hen in het leven mocht sparen. - -Op dit verzoekschrift gaf hij in het geheel geen antwoord en dat -verontrustte hen nog te meer. Intusschen gingen de kapiteins, die in het -huis van den griffier waren, maar voort met hunne stormrammen het -kasteel te bestormen. Zoo werd dan ook na eenigen tijd de groote poort -van het kasteel, die Ondoordringbaar heette, opengebroken en in -splinters geslagen, en daardoor stond de toegang tot het hol van -Diábolus nu open. Toen werd er eene boodschap gezonden naar de Oorpoort, -waar Immanuel voortdurend op zijn troon zat, om hem te laten weten, dat -er eene opening was gemaakt in Diábolus’ kasteel. Wat klonken toen weder -de trompetten door ’s Prinsen legerkamp! Nu was de oorlog toch dicht bij -zijn einde en Menschziel zelve zou spoedig in vrijheid worden gesteld. - -Toen stond de Prins van zijn zetel op, en nam met zich diegenen zijner -mannen, welke voor dezen tocht het geschiktst waren. Zoo marcheerden zij -dan op naar het huis van den griffier langs de straat van Menschziel. - -De Prins was gekleed in een gouden wapenrusting en zijn standaard werd -voor hem uitgedragen; maar hij hield zijn aangezicht in een vasten -plooi, zoodat niemand daarop ’t zij liefde of gramschap lezen kon. -Terwijl hij daar nu zoo langs de straat reed, kwamen de burgers der stad -allen uit hunne deuren en aan hunne vensters; ze waren allen verstomd -door de heerlijkheid van zijn persoon en den glans, die hem omringde, -maar tevens zeer verwonderd, dat hij zijn gelaat in zulk een stijven -plooi hield, want nu sprak hij meer tot hen door zijne daden dan door -woord of glimlach. Maar nu legde het arme Menschziel (zooals wij allen -in zoodanig geval geneigd zijn te doen) de houding van Immanuel uit -zooals Jozefs broeders Jozef beschouwden: geheel op de verkeerde wijze. -„Want”, dachten zij, „als Immanuel ons liefhad, zou hij ons dat wel -toonen door zijn woord of zijn gelaat; maar daar hij dit niet doet, zoo -haat hij ons zeker. Welnu, als Immanuel ons haat, dan zal alles in -Menschziel gedood worden en de stad tot een puinhoop.” Zij wisten, dat -zij hadden overtreden, dat zijns Vaders wet door hen geschonden was, en -dat zij tegenover hem gemeene zaak hadden gemaakt met Diábolus; dat hij -van dit alles kennis droeg, want zij waren overtuigd, dat hij was als -een engel Gods om alle dingen te weten, die op aarde gebeuren; en dit -deed hen nu denken, dat hun vooruitzicht ellendig was en dat de goede -Prins hen zou vernielen. - -Daarbij dachten zij: „Welke tijd is geschikter voor hem om dit te doen -dan nu, daar hij Menschziel thans geheel in zijne hand heeft?” En -daarbij trok dit in het bijzonder mijne aandacht, dat de inwoners van -Menschziel ofschoon zij vreesden, niet anders konden dan diep voor hem -nederbuigen; ja, zij waren gereed het stof van zijne voeten te lekken. -Ook wenschten zij duizendmaal, dat hij hun Heer en Hoofd mocht worden en -hen in zijne bescherming nemen. Ook spraken zij met elkander over de -schoonheid van zijn persoon, en hoezeer hij in grootheid en -voortreffelijkheid alle wereldgrooten overtrof. Maar wat hunzelven -aanging, och armen! hunne gedachten veranderden elk oogenblik en gingen -van het eene uiterste tot het andere. Ja, door dit tusschen vrees en -hoop geslingerd worden werd Menschziel als een bal, die door een -wervelwind wordt voortgejaagd. - -Toen hij nu bij de poorten van het kasteel was gekomen, beval hij -Diábolus voor hem te verschijnen en zich in zijne handen over te geven. -Maar o, hoe onwillig was dat beest om voor den dag te komen! Hoe -worstelde hij daar tegen! Hoe kromde hij zich in duizend bochten! Toch -moest hij voor den Prins komen. Toen beval Immanuel en zij vatten -Diábolus aan, hem met zware ketenen bindende, om hem te bewaren voor het -vonnis, dat hij over hem had uitgesproken. Maar Diábolus stond op en -smeekte voor zichzelven Immanuel, dat hij hem toch niet naar den afgrond -zenden zou, maar toelaten dat hij in vrede Menschziel verliet. - -[Afbeelding: ONTWAAKTE-BEGEERTE EN BEWEENER VOOR DEN PRINS.] - -Toen Immanuel hem nu overwonnen en in ketenen gebonden had, leidde hij -hem naar de marktplaats, en daar voor het oog van gansch Menschziel -ontdeed hij hem van zijne wapenrusting, waarop hij eertijds zoo pochte. -Dit was een van de glorierijke daden van Immanuel, waar hij zulk eene -overwinning op zijn vijand behaalde. Terwijl men den reus uitkleedde -gaven de gouden trompetten van den Prins hun aangenaam geluid, de -kapiteins klapten in de handen en het geheele leger hief een -vreugdegeschrei aan. Toen werd Menschziel opgeroepen om te zien het -begin der zegepraal van Immanuel over hem, dien zij zoo hun gansche -vertrouwen hadden gegeven en op wien zij zoo gepocht hadden in de dagen -toen hij hen vleide. - -Aldus Diábolus naakt uitgestroopt hebbende voor de oogen van Menschziel -en van alle dienaren des Prinsen gaf hij bevel, dat hij met ketenen aan -zijn zegewagen zou worden gebonden. Daarna een deel van zijne macht, te -weten kapitein Boanerges en kapitein Overtuiging tot bewaking van het -kasteel achterlatende, indien soms Diábolus volgelingen nog mochten -trachten het in te nemen of in bezit te houden, reed hij in zegepraal -over hem heen, langs de straten van Menschziel de Oogpoort uit naar de -vlakte, waar zijn legerkamp was opgeslagen. [Coll. 2 : 15.] - -Maar gij kunt u niet verbeelden, of ge mocht het gezien hebben zooals -ik, welk eene vreugde er in Immanuels leger was toen zij daar den tiran -gebonden zagen door de hand van hun edelen vorst en aan de wielen van -zijn zegekar gekluisterd. Zij riepen uit: „Hij heeft de gevangenis -gevangen genomen en de overheden en machten heeft hij uitgetogen; -Diábolus is aan de kracht van zijn zwaard onderworpen en tot een -voorwerp van aller verachting gemaakt!” Ook de vrijwilligers en die -meêgekomen waren om den strijd aan te zien juichten met zulk eene blijde -stem en zongen op zulke welluidende muziek, dat zij die de hooge sfeeren -bewonen, en in de hooger plaatsen zijn gezeten hunne vensteren -opendeden, en hunne hoofden naar buiten staken om de oorzaak van die -groote blijdschap aan te zien. [Luk. 15 : 7, 10.] - -De lieden der stad, voor zoovelen dit mede aanschouwden, waren terwijl -zij het aanzagen, als tusschen hemel en aarde. Wel konden zij niet -zeggen wat de uitslag van deze dingen wezen zou voor zoover hun aanging; -maar alles geschiedde langs een zoo heerlijken weg, en ik weet niet hoe -ik het noemen zal, maar alles scheen de stad als het ware toe te lachen, -zoodat hun hoofd en hart en al hunne zinnen vervuld waren met de -aanschouwing der dingen die Immanuel deed. - -Toen nu de edele vorst dit deel van zijne zegepraal over zijn vijand -Diàbolus volbracht had, gaf hij hem aan aller smaad en verachting in het -openbaar over, en daarna hem bevel gegeven hebbende Menschziel -onmiddellijk te verlaten, liet hij hem uitgaan uit het midden des -legers. Daar ging Diábolus door woeste en onbewoonde plaatsen, zoekende -rust, maar die niet vindende. [Matth. 12 : 43.] - -Nu waren de kapiteins Boanerges en Overtuiging beiden mannen van groot -aanzien: hunne aangezichten waren als de aangezichten der leeuwen, en -hunne woorden klonken als een bruischende zee. Zij hielden voortdurend -hun verblijf in het huis van den heer Geweten. Toen aldus die groote en -machtige Prins zijne overwinning op Diábolus had volvoerd, hadden de -lieden der stad meer gelegenheid op de daden van deze edele kapiteins te -letten. Die kapiteins deden alles met zulk een ernst en waren zoo -indrukwekkend in al hunne handelingen, dat de stad onder voortdurende -vreeze werd gehouden en zij voor de toekomst nog altijd in twijfel -verkeerden, zoodat zij kwalijk wisten wat rust of gemak, vrede of hoop -beduidde. - -Ook woonde de prins toen zelf niet in de stad Menschziel, maar in zijn -koninklijke tent in het midden van zijns vaders heirmacht. Zoo gaf hij -echter op zekeren bestemden tijd speciale bevelen aan kapitein Boanerges -om Menschziel op te eischen, om al de burgers te laten komen in het -kasteel en dan voor hun aangezicht de heeren Verstand, Geweten en -Vastewil in bewaring te nemen, en hen streng te laten bewaken tot zijn -welbehagen aangaande hen voor de toekomst zou openbaar worden. Het -opvolgen van dit bevel maakte waarlijk de vreezen en angst in de stad -niet minder; nu waren dan hun donkere vooruitzichten omtrent dat droevig -lot van Menschziel wel terdege bevestigd. Welken dood zij sterven zouden -en hoe lang hunne strafoefening zou duren waren gedachten, die alle -hoofden bezighielden; ja er waren, die vreesden dat Immanuel hen allen -in den afgrond werpen zou, die akelige plaats, daar Diábolus zoo bang -voor was; want zij wisten, dat zij het hadden verdiend. Anderen meenden, -dat zij met het zwaard zouden worden onthalsd in het gezicht hunner -stad; in ongenade gevallen te zijn bij een zoo goed en heilig vorst, o -dat maakte hen zoo droevig! Ook was de stad in groote onrust met het oog -op de mannen, die in gijzeling werden gehouden, want dat waren hun -gidsen en leidslieden, en als nu deze mannen werden weggenomen, dan -moest het immers eindigen met den ondergang van gansch Menschziel. -Daarom wisten zij niets beters te doen dan gezamenlijk met de mannen, -die gevangen zaten een verzoekschrift opstellen tot den prins, en dit -zonden zij op door de hand van zekeren heer Begeerte-tot-leven. De man -ging heen, kwam aan het verblijf van den vorst en bood daar het rekwest -aan,[25] dat van den volgenden inhoud was. - - [25] ~Het rekwest wordt gebracht door den heer Begeerte-tot-leven~. Nu - bidt Menschziel wel, maar dat gebed wordt bezield door den naam van - den verzoeker. ’t Is alleen om lijfsbehoud te doen. - -„Groote en wonderbare Heerscher, Overwinnaar van Diábolus en van de stad -Menschziel! Wij, de ellendige inwoners van deze beklagenswaardige -plaats, smeeken u nederig dat wij genade mogen vinden in uwe oogen. -Gedenk toch onze vorige overtredingen niet, noch de groote zonden van de -machtigen onzer stad, maar spaar ons naar de grootheid uwer -goedertierenheid! en laat ons niet sterven, maar voor uw aangezicht -leven, zoo zullen wij gewillig zijn om uwe knechten te wezen, en om als -het u behagen mocht zelfs de kruimkens onder uwe tafel op te lezen. -Amen.” - -Zoo begaf zich dan deze smeekeling met zijn verzoekschrift naar den -Prins; en de Prins nam het uit zijne hand aan, maar zond hem in alle -stilte weg. Deze stilte, dit zwijgen bedroefde de stad Menschziel: maar -nu in aanmerking nemende, dat zij smeekschriften moesten indienen of -sterven daar zij voor het oogenblik niets anders konden doen, zoo -beraadslaagden zij weder met elkaer en zonden een nieuw rekwest in. Het -was alzoo in denzelfden geest en vorm gesteld als het vorige. - -[Afbeelding: HET BEROUW VAN MENSCHZIEL.] - -Maar toen het verzoekschrift opgesteld was, wisten ze weer niet door -wien het te zenden. Die het de eerste maal gebracht had mocht het niet -weder doen, want ze meenden dat hij op eene of andere wijze den prins -beleedigd had. Zoo deden zij dan eene schoorvoetende poging om -kapitein Overtuiging hun rekwest in handen te geven; maar hij -antwoordde, dat hij voor verraders wilde noch durfde tusschenbeiden -treden en bij den prins Immanuel geen voorspraak wilde wezen voor -rebellen. „Dat neemt niet weg,” zeide hij, „dat onze vorst goed is, en -dat gij het wel kunt wagen door de hand van iemand uit uwe stad een -verzoekschrift op te zenden, maar dan moest hij ook komen met den strop -om zijn hals en op niets pleitende dan genade.” - -Wel stelden zij dit uit vrees zoo lang uit als zij maar eenigszins -konden, maar bang zijnde dat nog meer uitstel gevaarlijk worden zou, zoo -kwamen zij er toch toe om onder veel angst en vreeze een adres op te -stellen en in te zenden door de hand van zekeren Ontwaakte Begeerte.[26] -Die heer Ontwaakte Begeerte woonde in een zeer jammerlijke woning binnen -Menschziel en men had zich tot dusverre niet met hem bemoeid maar nu -moest hij naar den prins. Toen zij dit aan dezen armen man voorstelden -zeide hij: „Hoe zou ik anders kunnen dan al mijn best doen dat -Menschziel van de verwoesting bewaard blijve?” Zij gaven hem dan -vrijmoedig het verzoekschrift over en deelden hem mede hoe hij zich tot -den prins moest wenden en wat hij had te zeggen; daarna wenschten zij -hem een gelukkigen tocht. Toen de man aan des Prinsen tent gekomen was -vraagde hij evenals de eerste om den prins te spreken. Dat woord werd -aan Zijne Majesteit overgebracht en Immanuel kwam naar buiten. Toen -Ontwaakte Begeerte den Prins zag viel hij vlak op zijn aangezicht ter -aarde en riep uit: „O, dat Menschziel voor uw aangezicht mocht leven!” -en daarbij bood hij het verzoekschrift aan. Toen de Prins dat gelezen -had begaf hij zich een weinig ter zijde en weende, maar zich -verstellende keerde hij tot den man terug, welke daar nog altijd -schreiende aan zijne voeten lag en sprak toen voor het eerst deze -woorden tot hem: „Keer weder naar uwe plaats, ik zal uw verzoek in -overweging nemen.” - - [26] ~Ontwaakte Begeerte~ is weder een hoogere trap van geestelijke - ervaring. De ziel kent nu haar toestand en begeert iets beters en - hoogers. - -Nu kunt gij wel denken, dat de lieden van Menschziel, die hem gezonden -hadden, met groot verlangen uitzagen naar zijne terugkomst, in angst en -vreeze, dat hun verzoek mocht verworpen zijn. Ten laatste zagen zij den -boodschapper terugkomen. Pas was hij binnen de stad of zij vraagden hem -hoe hij gevaren was, wat Immanuel zeide en of hun verzoek ook van de -hand was gewezen. Maar hij antwoordde, dat hij zwijgen zou tot hij aan -de gevangenis kwam bij den heer burgemeester Vastewil en den secretaris. -Daarom spoedden zij zich dan voort naar het gevangenhuis, waar de -grooten van Menschziel gebonden lagen. O, welk een groote menigte -stroomde daar samen om te vernemen wat de boodschapper zeide. Toen hij -zich nu voor de tralies der gevangenis vertoonde keek de burgemeester -naar buiten zoo wit als een doek en ook de secretaris beefde. Toch -vraagden zij: „Verhaal ons, goede vriend, wat de groote prins tot u -zeide.” Daarop antwoordde Ontwaakte Begeerte: „Toen ik aan de tent van -den grooten heer kwam en naar hem vraagde, kwam hij terstond. Zoo boog -ik mij neder aan zijne voeten en leverde mijn verzoekschrift in, want de -grootheid van zijn persoon en de heerlijkheid van zijn voorkomen -maakten, dat ik onmogelijk op mijne voeten kon blijven staan. Toen hij -het verzoekschrift aannam riep ik uit: „O, dat toch Menschziel voor uw -aangezicht mocht leven!” Hij verwijderde zich daarop een weinig en toen -terugkomende zeide hij tot uw knecht: „Ga heen naar uwe plaats en ik zal -uw verzoek in overweging nemen.” De bode voegde daar nog bij: „De vorst -tot wien gij mij gezonden hebt is zulk een schoon en heerlijk -personaadje, dat wie hem ziet hem tegelijkertijd moet liefhebben en -vreezen. Ik voor mij kan niet anders doen; maar ik weet niet wat het -einde van deze dingen wezen zal.”” - -Bij het hooren van dit antwoord waren zij allen versuft, beiden zij, die -in de gevangenis zaten, en zij, die daar nieuwsgierig omheen stonden; -want zij wisten niet welke uitlegging zij aan deze woorden zouden geven. -Toen nu de gevangenis door de menigte verlaten was begonnen de -gevangenen onderling Immanuels woorden te bespreken. De heer -burgemeester zeide, dat dit antwoord niet getuigde van een toornig -aangezicht; maar Vastewil zeide, dat er kwaad achter stak en de -secretaris dat het een doodvonnis inhield. Degenen, die daar in de -nabijheid stonden en intusschen heengingen, zoodat ze niet al te best -konden hooren wat de gevangenen spraken, hadden maar een gedeelte van -dat gesprek opgevangen, daarom schepten enkelen troost uit die boodschap -en anderen begrepen er verschrikking in te moeten hooren, en zoo -verstond niemand het juist. Maar gij kunt u moeielijk voorstellen welk -eene opschudding daardoor in Menschziel ontstond en welk eene verwarring -daar heerschte. - -[Afbeelding: DE GEVANGENEN VOOR IMMANUEL.] - -Degenen, die aan de gevangenis geweest waren, doorliepen de stad, de een -dit roepende, de ander vlak het tegenovergestelde, en beiden meenden dat -zij de volle waarheid vertelden, want zij hadden met hun eigen ooren -gehoord wat de burgemeester en de secretaris vertelden. De een riep: -„Wij moeten allen gedood worden,” een ander daarentegen: „Wij zullen -allen nog gered worden,” een derde schreeuwde, dat de prins niets meer -met Menschziel wilde te doen hebben, en een vierde, dat de gevangenen -spoedig ter dood zouden worden gebracht. En, zooals gezegd, ieder stond -er voor in, dat hij het bij het rechte einde had. Om die reden liep nu -alles verward dooreen en kon niemand rust vinden voor het hol van zijnen -voet. Zelfs zoover ging het met dit verwarde gerucht, dat sommigen luide -verzekerden: de Prins zou gansch Menschziel met het zwaard vernielen. -Intusschen werd het donker en bracht het ellendige Menschziel een -kommervollen nacht door. - -Voor zoover ik kon nagaan kwam evenwel al deze verschrikking voort uit -het woord van den secretaris, dat ’s prinsen antwoord een doodvonnis -bevatte. Dit verschrikte de stad; want eertijds hadden de inwoners van -Menschziel het er stellig voor gehouden, dat de griffier een ziener was -en dat zijne uitspraak als een godspraak kon worden beschouwd. Daardoor -was Menschziel dus slechts een verschrikker van zichzelve. - -Nu begonnen zij eerst recht te gevoelen wat de gevolgen waren van -opstand en rebellie en onwettigen tegenstand tegen hunnen vorst. Ik zeg, -dat zij nu door vrees en schrik de gevolgen, de vruchten van hunne -hardnekkigheid plukten, en wie leden daar meer onder dan de hoofden en -voornaamsten der stad! - -Maar om kort te gaan, toen de schrik een weinig over was en de -gevangenen wat tot zichzelven gekomen waren, grepen zij ook weder een -weinig moed, en stelden een derde verzoekschrift[27] op, waarvan de -inhoud hier volgt: - - [27] ~Een derde verzoekschrift~. Menschziel leert de groote les dat - men altijd bidden moet en niet vertragen. Ditmaal bestaat het gebed - meest in schuldbelijdenis. - -„Prins Immanuel de Groote, heer der gansche wereld en meester der -barmhartigheid, -- wij, uwe arme, ellendige, goddelooze, stervende -onderdanen uit de stad Menschziel, belijden voor uwe groote en heerlijke -majesteit, dat wij tegen uwen Vader en u gezondigd hebben en niet meer -waard zijn uw Menschziel genoemd te worden, maar veeleer om in den -afgrond te worden geworpen. Als gij ons dooden wilt, zoo hebben wij het -verdiend. Als gij ons wilt verdoemen, kunnen wij niet anders zeggen dan -dat het rechtvaardig is. Wij hebben geen reden tot klagen, wat gij ook -doet en hoe gij u jegens ons gedraagt. Maar o, laat barmhartigheid -heerschen en laat zij zich tot ons uitstrekken! Laat uwe ontferming op -ons nederzien en ons van onze ongerechtigheden bevrijden; dan zullen wij -zingen van uwe barmhartigheid en uwe oordeelen! Amen.” - -Dit rekwest moest nu weder naar den prins worden gezonden, maar wie zou -het bij hem brengen? Sommigen zeiden: „Laat het hem doen, die ook het -eerste bracht;” maar anderen keurden dat af omdat hij geen betere -uitkomst had verkregen. Nu leefde er nog een oud man in de stad, wiens -naam was Goede Werken -- een man, die alleen dien naam droeg, maar die -niets had van de bedoelde zaak. De griffier was er evenwel zeer tegen, -dat deze zou gezonden worden, „want,” zeide hij, „wij zijn nu in grooten -nood en pleiten om genade, waarom zouden wij dan een man kiezen, wiens -naam reeds in tegenspraak is met zijn verzoekschrift? Moeten wij nu -vriend Goede Werken onzen bode maken, wanneer wij een rekwest indienen -om barmhartigheid?” - -[Afbeelding: DE KLOKKEN GELUID.] - -„Bovendien,” ging de edelman voort, „als de Prins hem eens vroeg: hoe is -uw naam? dat best kan gebeuren, en hij moest dan zeggen: de oude Goede -Werken,” wat denkt gij dat Immanuel dan antwoorden zou? Ha zoo? leeft -oude Goede Werken nog in Menschziel? Laat dan Goede Werken u ook uit -uwen nood verlossen! En zegt hij dat, dan ben ik er zeker van, dat wij -verloren zijn; want geen duizendtal Goede Werken kunnen Menschziel -redden.” - -Toen de secretaris zijne redenen opgegeven had waarom Goede Werken niet -met het verzoekschrift naar Immanuel gaan zou, waren de andere -gevangenen en opperhoofden van Menschziel er ook op tegen, en wilden zij -Ontwaakte Begeerte opnieuw met deze zending belasten. Zoo lieten zij hem -dan roepen en begeerden dat hij wederom heenging, en hij was daartoe dan -ook dadelijk gereed. Maar zij smeekten hem, dat hij toch met geen enkel -woord of handeling den prins zou beleedigen, „want door dat te doen”, -zeiden zij, „Zoudt gij Menschziel in tallooze ellende brengen.” - -Toen nu Ontwaakte Begeerte bemerkte, dat hij weder gaan moest verzocht -hij dat ze hem zekeren heer Beweener zouden medegeven. Deze Beweener was -een naaste buurman van Ontwaakte Begeerte, een arm man van een verbroken -geest en die zeer goed spreken kon bij een verzoekschrift; daarom -stonden zij dan ook toe, dat hij met hem gaan zou. Zoo maakten zij zich -dan gereed, Ontwaakte Begeerte deed een koord om zijn hals en Beweener -vergezelde hem handenwringende. Zoo kwamen zij aan de tent van den -Prins. - -Waar zij nu voor de derde maal terug kwamen zoo bekroop hen de vrees, -dat hun herhaald aankloppen den prins hinderlijk wezen mocht. Daarom, -toen zij aan de deur der tent waren genaderd, zoo maakten zij eerst eene -verontschuldiging voor henzelven en hunne herhaalde komst, waardoor zij -het Immanuel zoo lastig maakten, en zij zeiden, dat zij niet zoo vaak -terugkwamen omdat zij er behagen in vonden hem lastig te wezen of -zichzelven te hooren spreken, maar dat de nood hen drong. Zij konden, -zeiden zij, nacht noch dag rusten wegens hunne overtredingen tegen -El-Schaddaï en zijn zoon Immanuel. Zij zeiden ook, dat zij toch niet -hoopten, dat eenig wangedrag van Ontwaakte Begeerte bij het laatste -bezoek Zijne Majesteit mocht beleedigd hebben, en hij daarom met geen -beteren troost was teruggekeerd. Na dit alles nu gezegd te hebben, wierp -Ontwaakte Begeerte zich evenals de eerste maal op den grond aan de -voeten van Immanuel, roepende: „O, dat toch Menschziel voor uw -aangezicht mocht leven!” daarmede gaf hij zijn verzoekschrift over. De -Prins dan het verzoekschrift gelezen hebbende, wendde zich weder een -wijle ter zijde als de eerste maal, en daarna terugkomende op de plaats -waar de smeekeling lag, vraagde hij naar zijn naam en wat er in hem werd -gevonden in de schatting van de burgers van Menschziel, dat men boven -velerlei anderen hem had uitgekozen om deze boodschap te doen. Daarop -zeide de man tot den prins: „O, dat het toch niet kwaad zij in mijns -heeren oogen, dat ik tot u kwam, en wat vraagt gij naar den naam van -zulk een dooden hond als ik ben? Sla geen acht, bid ik u, op hetgeen ik -ben, omdat er, zooals gij zeer wel weet, zulk een groote afstand bestaat -tusschen u en mij. Waarom de lieden der stad mij gezonden hebben, zullen -zij zelven het best weten; maar het kan nooit wezen omdat zij meenden, -dat ik bij mijnen Heer in bijzondere gunst sta. Wat mij aangaat, ik heb -een walg aan mijzelven, wie zou dan met mij bijzonder ingenomen zijn? -Toch zou ik begeeren te leven, en dat begeer ik ook voor de lieden der -stad, en waar beiden zij en ik aan groote overtredingen schuldig staan, -zoo hebben zij mij gezonden en kom ik in hun naam u barmhartigheid -vragen. Laat het u daarom behagen barmhartigheid te bewijzen; maar vraag -niet wie uw dienstknecht is.” - -Toen zeide de prins: „En waarom is uw medgezel met u gekomen in deze -gewichtige zaak?” Zoo verhaalde Ontwaakte Begeerte aan Immanuel, dat hij -een arme buurman van hem was, en een van zijne beste vrienden. „En zijn -naam, als het Uwe Majesteit niet mishaagt, is Beweener van Menschziel. -Ik weet, dat er velen van dien naam zijn en daaronder ook wel -bedriegers, maar ik hoop, dat het mijnen Heer toch niet mishagen zal, -dat ik mijn armen buurman heb medegebracht.” - -Toen viel ook Beweener op zijn aangezicht ter aarde en sprak voor -zichzelven: - -„O, mijn Heer, wat ik ben weet ik zelf niet, noch of mijn naam slechts -voorgewend dan wel waar is, vooral wanneer ik begin te bedenken wat -sommigen gezegd hebben, namelijk dat de heer Berouw mijn vader is -geweest. Goede lieden hebben soms slechte kinderen en de oprechten -kweeken soms huichelaars. Mijne moeder noemde mij bij dien naam van -mijne wieg af, maar of dit nu gebeurd is wegens de ijlheid van mijn -hoofd dan wegens de weekheid van mijn hart, kan ik niet vertellen. Ik -zie onreinheid in mijn eigen tranen en goddeloosheid op den bodem van -mijne gebeden. Maar ik smeek u” (en bij dit alles weende die man zeer), -„dat gij toch onze overtredingen niet wilt gedenken, noch onze -ongerechtigheden en tekortkomingen aanzien, maar beide mijne zonden en -die van Menschziel verschoonen en niet langer wachten met het -verheerlijken van uwe genade aan ons.” - -Nadat zij aldus hunne smeekingen voor zijn aangezicht hadden -neergeworpen stonden zij bevende op en wachtten het antwoord af. De -Prins sprak: - -„De stad Menschziel heeft grootelijks tegen mijnen Vader gerebelleerd, -daarin dat zij hem als haar koning verworpen heeft en zich tot een -overheid koos een leugenaar, moordenaar en weggeloopen slaaf. Want dezen -Diábolus, uw voorgewende vorst, eertijds zoo hoog door u geschat, stond -op tegen mijn Vader en mij, in ons eigen paleis in het hoogste hof, -meenende daar overheer en koning te worden. Maar daar is hij nog juist -bijtijds ontdekt en gevangen genomen, voor zijne goddeloosheid in -ketenen geklonken en in dien afgrond geworpen tegelijk met hen, die -zijne metgezellen waren. Die onverlaat heeft zich aan u vertoond en gij -hebt hem aangenomen. - -„Dit is nu en was reeds langen tijd een groote beleediging voor mijnen -Vader en daarom zond mijn Vader een machtig leger naar u heen om u weder -tot zijne gehoorzaamheid terug te brengen. Maar gij weet hoe deze -manschappen, hunne kapiteins en raadsheeren door u werden geacht en wat -zij uit uwe hand ontvingen. Gij stondt tegen hen op, gij sloot uwe -poorten voor hen, gij bondt den strijd met hen aan, gij vocht tegen hen -en vóor Diábolus. Daarom zonden zij tot mijnen Vader om meerdere -strijdkrachten en ik kwam met mijne manschappen om u tot onderwerping te -brengen. Maar zooals gij de dienaars behandeld hebt, hebt gij ook den -Meester behandeld. Gij stondt evenzeer vijandig tegenover mij en sloot -ook voor mij uwe poorten, en hieldt u doof voor mijn roepstem, en -hieldt den tegenstand zoo lang vol als gij maar kondt. Maar nu heb ik u -met geweld onderworpen. Riept gij ook om genade zoolang gij nog hoop -hadt het tegen mij uit te houden? Maar nu ik de stad ingenomen heb roept -gij. Waarom riept gij niet eer toen de witte vlag mijner barmhartigheid -en de zwarte vlag des oordeels tegenover elkander uithingen? Nu ik weer -Diábolus overwonnen heb komt gij mijne gunst zoeken, maar waarom hielpt -gij mij niet tegen dien machtigen reus? Toch wil ik uw verzoekschrift in -overweging nemen en het beantwoorden zooals het meest strekken kan om -mij te verheerlijken. - -[Afbeelding: VREUGDE IN HET LEGER VAN IMMANUEL.] - -„Gaat heen en verzoekt kapitein Boanerges en kapitein Overtuiging, dat -zij de gevangenen tot mij uitbrengen,[28] hier in het leger, en reeds -morgen, en zegt tot kapitein Oordeel en kapitein Strafoefening, dat zij -in het kasteel moeten blijven om alles in de stad Menschziel in rust te -houden totdat gij verder van mij hooren zult.” En daarna keerde hij zich -om en trok zich in zijn koninklijke tent terug. - - [28] ~Breng de gevangenen tot mij uit~. De gevangen en gebonden ziel - is niet op eenmaal en onmiddellijk verlost; zij moet het ernstig - gevoelen welk eene droevige zaak het is tegen den Heere te zondigen. - -Zoo keerden dan ook onze beide smeekelingen om en zochten den terugweg -op, het antwoord van den vorst overleggende. Het kwam hun zoo voor, dat -er niet veel hoop was op genade en barmhartigheid, en dat de vorst te -diep gekrenkt was om hun te kunnen gehoor verleenen. Zoo kwamen zij dan -ook tot de plaats waar de gevangenen in hunne ketenen nederlagen, maar -hun droevige gemoedsgesteldheid was oorzaak, dat zij in het eerst geen -enkel woord konden uitbrengen. - -Aan de poorten der stad hadden reeds honderden inwoners hen opgewacht en -hun toegeroepen: „Welke tijding brengt gij mede? Wat heeft de Prins -gezegd?” maar zij antwoordden daar niet op tot zij aan de gevangenis -gekomen waren, terwijl de schare hen op de hielen volgde. Toen zij een -weinig bekomen waren, deelden zij het eerste gedeelte van Immanuels -antwoord aan de gevangenen mede, te weten wat hij gezegd had van hunne -booze handelingen tegenover den koning en hun verbond met Diábolus, hoe -zij voor hem gevochten hadden, naar hem geluisterd, zich door hem hadden -laten regeeren en den Prins met zijne mannen veracht. Dit maakte dat de -gevangenen bleek begonnen te zien; maar de boodschappers gingen voort en -spraken: „Hij zeide, dat hij desniettemin ons verzoekschrift in -overweging wilde nemen en daarop zulk een antwoord geven als hem het -meest verheerlijken zal.” En toen deze woorden gesproken waren slaakte -Beweener een zeer diepe zucht. Daarop werd al het volk droevig en -verslagen; allen meenden hun doodvonnis ontvangen te hebben. Nu was er -onder het volk ook een oud edelman, wiens naam luidde Onderzoeker. Deze -vraagde aan de boodschappers of zij nu alles verteld hadden wat Immanuel -had gezegd en zij riepen: „O, neen, dat is waar.” Daarop vraagde -Onderzoeker: „Nu, wat heeft hij dan nog meer tot u gezegd?” Toen -bedachten zij zich een oogenblik en daarna kwam alles er uit: „De Prins -verzocht ons ook de kapiteins Boanerges en Overtuiging te gelasten -morgen de gevangenen tot hem uit te brengen, en de kapiteins Oordeel en -Strafoefening te vragen zoolang opzicht te houden over het kasteel en de -stad tot wij meer van hem zouden hooren.” Ook voegden zij nog daarbij: -„Toen de prins dit gezegd had keerde hij ons onmiddellijk den rug toe en -verwijderde zich.” - -Maar o, dit laatste bericht brak alle hoop op eenmaal af. Eensklaps ging -er een eenparige jammertoon uit aller mond ten hemel. Daarop bereidde -ieder der drie gevangenen zich tot den dood, terwijl de griffier sprak: -„Dit was het juist, dat ik vreesde!” Zij meenden stellig, dat morgen eer -de zon onderging hun levenslamp zou zijn uitgebluscht, en alle lieden -der stad geloofden niet anders dan dat een dergelijk vonnis hen allen -treffen zou. Dien ganschen nacht bracht de stad Menschziel door in -geween, zak en asch. Toen de tijd gekomen was om naar den Prins te gaan, -kleedden de gevangenen zich in rouwgewaad met stroppen om hunne halzen, -en de gansche stad Menschziel vertegenwoordigde zich op de wallen in -diepen rouw gekleed, opdat de Prins door het gezicht van al dien rouw -tot medelijden mocht worden gestemd. Al wat zich in Menschziel bewoog -liep als razend en wanhopig door de straten, de een luid schreiend en -kermend, de ander in stomme smart. - -[Afbeelding: MENSCHZIEL IN FEESTGEWAAD.] - -Zoo was dan de tijd gekomen, waarop de gevangenen moesten vertrekken en -voor den Prins verschijnen. Dit was de optocht, waarin zij gingen.[29] -Kapitein Boanerges ging met eene wacht vooruit en kapitein Overtuiging -kwam achteraan, met de gevangenen in ketenen geslagen in hun midden. -Deze laatste gingen diep gebogen en dropen weg van treurigheid, maar de -kapiteins gingen met vliegende vaandels en volle wapenrusting. - - [29] ~De gevangenen werden uitgeleid~. Het komen van eene overtuigde - ziel tot Christus gaat niet anders dan met Boanerges voorop en - Overtuiging tot achterhoede. - -’t Was een jammerlijk gezicht dat drietal met stroppen om hunnen hals, -telkens zich op de borst slaande, terwijl zij het niet waagden hunne -oogen ten hemel op te heffen. Toen zij midden in het leger van den Prins -kwamen deed de heerlijkheid daarvan hunne droefheid nog vermeerderen. -Zij konden zich nu niet langer inhouden, maar riepen overluid: „O -ongelukkige menschen! O rampzalige inwoners van Menschziel!” terwijl zij -met hunne ketenen rammelden, welk geluid hun angstkreet nog akeliger -maakte. - -Voor de deur van ’s Prinsen tent gekomen knielden de gevangenen -eerbiedig neer, terwijl iemand naar binnen ging om den Prins van hunne -aankomst te verwittigen. Toen beklom de Prins een prachtigen troon en -liet ze inbrengen; zij kwamen bevende voor hem, terwijl hun aangezicht -van schaamte bloosde, en wierpen zich onmiddellijk ter aarde. Maar de -Prins zeide tot kapitein Boanerges: „Zeg den gevangenen, dat zij op -hunne voeten staan moeten.” Toen stonden zij weder sidderend vlak voor -den vorst, die tot hen sprak: „Zijt gij die mannen, die eertijds -dienaren waart van El-Schaddaï?” En zij antwoordden: „Ja, heer, ja!” -Toen ging de prins voort: „Zijt gij dan ook die mannen, die toelieten, -dat alles bedorven en ingenomen werd door dien afschuwelijken Diábolus?” -En zij antwoordden „Wij deden zelfs meer dan dit toelaten, Heer, want -wij verkozen hem zelf tot meester.” Toen ging de prins voort: „Zoudt gij -er mede tevreden geweest zijn, dat uwe slavernij onder zijne tirannie uw -leven lang voortgeduurd had?” - -En zij antwoordden: „Ja, heer, ja; want zijne wegen waren aangenaam voor -ons vleesch en wij waren vervreemd geworden van betere dingen.” „En -wenschtet gij ook van harte,” ging hij voort, „toen ik optrok tegen -Menschziel, dat ik de overwinning over ulieden niet behaald had?” -- -„Ja, Heer, ja!” antwoordden zij met schaamte. Toen zeide de Prins: „En -welke straf meent gij nu wel, dat gij van mijne hand verdient door deze -en nog zoovele andere groote zonden?” En zij antwoordden: „Beiden den -dood en het verderf, Heer, wij hebben niets minder verdiend.” Hij -vraagde verder of zij dan niets tot verschooning van zichzelven hadden -in te brengen. Maar zij antwoordden: „Wij kunnen niets anders zeggen -heer, dan dat gij rechtvaardig zijt en wij schuldig.” Toen zeide de -Prins: „En waarom zijn er stroppen om uwen hals? De gevangenen -antwoordden: „Die stroppen zijn bestemd om ons er mede te binden op de -gerichtsplaats, wanneer het u niet behaagt ons barmhartigheid te -bewijzen.” Zoo vraagde hij dan al verder, of al de lieden van Menschziel -het met hen eens waren in deze belijdenis? En zij antwoordden: „Ja, al -de inboorlingen van Menschziel, Heer, maar wat de Diàbolusmannen -aangaat, die tot ons inkwamen toen de reus ons in bezit nam, van hen -kunnen wij niets zeggen.” [Spreuk. 5 : 22.] - -Toen beval de Prins dat er een heraut zou worden geroepen, en dat deze -door het midden van het gansche leger van Immanuel gaan zou om uit te -roepen bij den klank der trompet, dat de Prins, de zoon van El-Schaddaï, -in den naam van zijn Vader en tot zijns Vaders heerlijkheid een volkomen -overwinning behaald had op de stad Menschziel; en dat de gevangenen hem -zouden navolgen al roepende: „Amen.” Dit gebeurde zooals hij bevolen -had, terwijl de muziek der hooge plaatsen overheerlijk speelde en de -kapiteins, die in het leger waren, juichten, en de soldaten -overwinningsliederen zongen ter eere van den Prins; de vaandels -wapperden in den wind en overal was groote vreugde; alleen de mannen van -Menschziel bezweken schier van verlangen om van dit alles het einde te -weten. - -Toen liet de Prins de gevangenen weder roepen om nogmaals voor hem te -staan, en zij kwamen weder bevende voor hem. Maar hij sprak tot hen: „De -zonden, ongerechtigheden, overtredingen, die gij met de gansche stad -Menschziel gedurende al dien tijd tegen mijnen Vader en mij bedreven -hebt, mag ik u uit naam van mijnen Vader vergeven, en dat doe ik bij -dezen.” En dit gezegd hebbende, gaf hij hun, op perkament geschreven en -verzegeld met zeven zegelen een groot en algemeen pardon, bevelende aan -den heer burgemeester, den heer Vastewil, en den heer griffier te willen -zorgen, dat dit pardon op morgen als de zon opging, door de gansche stad -Menschziel zou worden gehoord. - -Bovendien liet de Prins de gevangenen hun rouwgewaad uittrekken en gaf -hun sieraad voor assche en vreugdeolie voor treurigheid en het gewaad -des lofs voor een benauwden geest. [Jes. 61 : 3.] - -Toen gaf hij aan ieder hunner drie gouden kleinodiën en kostbare -steenen, en nam hunne stroppen af en hing gouden ketenen om hunnen hals -en gouden ringen in hunne ooren. Toen nu de gevangenen de genadige -woorden van Prins Immanuel hoorden en al wat hun gedaan werd bemerkten, -vielen zij schier in zwijm; want de genade, de weldadigheid, het pardon -gingen allen zoo schielijk in hun werk, waren zoo overheerlijk en -verrassend, dat zij niet in staat waren zooveel goedheid te verdragen. -Ja, de heer Vastewil bezweek schier geheel; maar de Prins liep op hem -toe, omvatte hem met zijn eeuwige armen, omhelsde hem, kuste hem en -sprak hem moed in, daar alles naar het woord der belofte zou worden -gedaan. Ook omhelsde hij en kuste de anderen, die Vastewils medgezellen -waren, zeggende: „Neem dit aan als een teeken van mijne liefde, gunst en -medelijden, en nu belast ik u, mijnheer de griffier, dat gij aan de stad -Menschziel mededeelt wat gij gehoord en gezien hebt.” - -[Afbeelding: DE INTOCHT VAN IMMANUEL.] - -Toen werden hunne ketenen voor hun aangezicht in stukken gebroken en in -de lucht geslingerd, terwijl hunne voetstappen onder hen werden -vastgemaakt. Toen vielen zij neder aan de voeten van den Prins, kusten -zijne voeten en maakten die nat met hunne tranen; ook riepen zij uit met -luide stemmen: „Gezegend zij de heerlijkheid des Heeren van uit deze -plaats!” Toen werden zij verzocht op te staan en aan de stad Menschziel -te gaan vertellen wat de Prins gedaan had. Hij beval ook, dat lieden met -fluiten en trommelen voor hen zou uitgaan en spelen in de geheele stad -Menschziel. Toen werd vervuld waar zij nooit naar hadden uitgezien en -kwam in hun bezit wat zij nooit gedroomd hadden. - -De Prins liet ook den edelen kapitein Geloof roepen en beval, dat hij en -eenige zijner officieren voor de edellieden van Menschziel zouden -heentrekken en rukken met vliegende vaandels de stad binnen. Ook ontving -deze kapitein Geloof last om ten tijde als de griffier het algemeen -pardon in de stad Menschziel zou aflezen, alsdan met vliegende vaandels -de Oogpoort in te rijden met tienduizend mannen en zijn gevolg. Hij -moest dan doortrekken de hooge straat op tot in het kasteel, en nemen -dat in bezit tot zijn Heer daar binnen kwam. Bovendien moest aan de -kapiteins Oordeel en Strafoefening geboden worden die sterkte aan hem af -te staan, Menschziel te verlaten en spoedig tot den Prins in het leger -terug te keeren. - -Alzoo was nu de stad verlost van de verschrikkingen der vier eerste -kapiteins en hunne manschappen. - -Welnu, ik heb u verteld hoe de gevangenen door den edelen vorst Immanuel -behandeld werden en hoe zij zich voor hem gedroegen en hoe hij ze met -fluit en trommel weder naar huis zond. Nu moet gij u eens voorstellen -hoe die van de stad, die niets anders verwachtten te hooren dan een -vonnis des doods, en daarom niet anders dan in droefenis konden -verkeeren, alsof ze met doornen gegeeseld werden, deze verandering van -zaken vernamen. Hunne gedachten konden zich in het eerst op geen ander -punt bepalen; zij verkeerden voortdurend in groote onzekerheid, ja hunne -harten waren gelijk een weegschaal, die door een bevende hand wordt -vastgehouden. Maar ten laatste toen zij telkens over den muur keken, -meenden zij toch iets te zien terugkeeren, en nu dachten zij weder: wie -zouden dat wezen? Ten laatste herkenden zij hunne gevangenen; maar wie -beschrijft de verwondering hunner harten, toen zij bemerkten onder welk -een geleide en met hoeveel eerbewijzen zij terugkeerden. Zij gingen naar -het leger in het zwart, maar keerden nu in het wit terug; zij gingen uit -naar het leger met stroppen om hun hals en keerden nu terug met gouden -ketenen omhangen; zij gingen uit naar het leger met hunne voeten in -ketenen, maar kwamen terug met ontbonden en vroolijke voetstappen; zij -gingen uit naar het leger met den dood voor oogen en kwamen terug in de -volle verzekerdheid des levens; zij gingen uit naar het leger met -bezwaarde harten, maar kwamen terug met trommelen en pijpen. - -Toen zij nu voor de Oogpoort gekomen waren, waagde de arme bezwaarde -stad Menschziel het, een kreet te doen opgaan, en het was zulk een kreet -dat de kapiteins in ’s Prinsen leger bij dat geluid kwamen toeloopen. -Ach, die arme bezwaarde harten! wie zal hun dit euvel duiden, daar hunne -doodgewaande vrienden weder in het leven waren teruggekeerd; want het -was hun als een leven uit den dood de oudsten van Menschziel in zulk een -glans te zien verschijnen. Zij hadden naar niets anders uitgezien dan -naar den bijl en het blok; maar ziet, vreugde en blijdschap, groote -vertroosting en zulke welluidende muziek bereikten hen, dat er een zieke -gezond van worden zou. - -[Afbeelding: IMMANUELS FEEST.] - -Toen zij dan binnenkwamen begroetten zij elkander met een: „Welkom! -welkom! en gezegend is hij, die u spaarde!” Zij voegden daarbij: „Wij -zien het wel, dat het goed met u afgeloopen is, maar hoe moet het nu -gaan met de stad Menschziel? Zal het ook met ons goed afloopen?” Toen -antwoordden de heer griffier en de burgemeester: „O, goede tijding! Een -blijde boodschap van het goede! Groote vreugde voor de stad Menschziel!” -Toen slaakten zij een nieuwen vreugdekreet, die de aarde deed beven. -Hierna vraagden zij meer naar de bijzonderheden, hoe het in het leger -was toegegaan en welke boodschap zij van Immanuel voor de stad hadden -meegekregen. Zoo verhaalden zij hun dan alle voorvallen uit het leger en -alles wat de Prins hun gedaan had. Dit maakte, dat de stad zich -verwonderde over de wijsheid en genade van vorst Immanuel. Toen -verhaalden zij wat zij uit zijne hand ontvangen hadden voor de inwoners -der stad, en de griffier sprak luide deze woorden: „~Pardon~, volkomen -vergiffenis voor Menschziel! Menschziel zal dit morgen ochtend te weten -komen!” Daarop gaf hij bevel, dat alle lieden van Menschziel morgen -ochtend zich op het marktplein vereenigen zouden om dit pardon, deze -algemeene schuldvergiffenis, te hooren voorlezen. - -Maar wie kan nu zich voorstellen welk eene verandering, welk een -geestdrift deze keer der dingen in het voorkomen der stad Menschziel -teweegbracht! Geen enkel burger der stad kon dien nacht slapen van -louter vreugde; in ieder huis was er vreugde, zang en muziek en allerlei -vroolijkheid; elkander het geluk van Menschziel te vertellen en naar -deze verhalen te luisteren was al wat een ieder te doen had, en het -besluit van dit alles was: „Veel meer dan dit zal de opgaande zon ons -nog brengen! Wie had gisteren kunnen vermoeden, dat de dag van heden -~zulk~ een dag voor ons zijn zou! En wie had durven denken toen onze -gevangenen met ijzeren ketenen beladen uitgingen naar de legerplaats, -dat zij met gouden ketenen omhangen zouden wederkeeren! Ja, zij, die -zichzelven veroordeelden toen zij zich naar hunnen rechter begaven, -werden door zijn eigen mond vrijgesproken, niet omdat zij onschuldig -waren, maar door ’s Prinsen barmhartigheid alleen, en met pijpen en -trommelen naar huis gezonden. Maar is dit de gewone handelwijze van de -vorsten? Zijn zij gewoon zulke gunsten aan verraders te bewijzen? Neen, -dit is alleen het werk van El-Schaddaï en Immanuel, zijn zoon.” - -De morgen brak dan aan. De heer burgemeester, de heer Vastewil en de -heer griffier Geweten kwamen af naar het marktplein op den tijd door den -prins bepaald, waar het volk der stad hen reeds stond op te wachten. -Toen zij er kwamen waren zij gekleed in die glorierijke gewaden, welke -de prins hun den vorigen dag had aangetrokken, en de straat werd door -hunne heerlijkheid verlicht. Zij drongen door naar de Mondpoort, die -aan het benedeneind der marktplaats was, omdat deze van oude tijden af -de plaats was, waar publieke zaken werden behandeld. Zoo stonden zij -daar in hunne toga’s en hunne eereteekenen waren voor hen uitgedragen. -Nu was de nieuwsgierigheid van het volk groot om de volle beteekenis van -het pardon te vernemen. - -Toen stond de secretaris recht op zijne voeten en eerst met de hand -gewenkt hebbende om stilte, las hij met luider stemme de -schuldvergiffenis. Maar toen hij kwam aan deze woorden; „de Heere, de -Heere God, barmhartig en genadig, vergevende de ongerechtigheid, de -overtreding en zonden. Alle godslastering en zonde zullen vergeven -worden,” toen konden zij zich niet langer inhouden van vreugde. Want gij -moet weten dat ieder mensch in de stad in dit pardon begrepen was, niet -één uitgezonderd. [Exod. 34 : 6.] [Matth. 12 : 31.] - -Toen de griffier geëindigd dit gewichtige stuk te lezen draafden de -burgers over de muren en wallen[30] al huppelende en springende van -blijdschap, en bogen zich zevenmaal op hun aangezicht ter aarde -tegenover de tent van Prins Immanuel. Een luide vreugdekreet ging op en -al het volk riep: „Dat Immanuel eeuwig leve!” Toen werd aan de -jongelieden last gegeven dat zij al de klokken van Menschziel luiden -zouden. Zoo luidden dan de klokken en gingen de lofliederen op en klonk -de muziek in ieder huis van Menschziel. - - [30] ~De burgers over de wallen en muren draafden~. Bunyan zelf legt - in eene noot zijne bedoeling daarmede uit. De wallen beteekenen het - vleesch; dit vleesch nu wordt onder den voet getreden, waar de ziel - van vreugde over de verlossing overstelpt is. Zoo beduidt ook het - klokkeluiden de liefelijke gedachten en lofverheffingen, welke uit de - ziel omhoog stijgen. En nu vertoont zich kapitein Geloof in de - vesting. Het geloof komt voor den dag, het laat zich zien beiden aan - Immanuel en aan de geredde Menschziel. - -Toen de prins de drie gevangenen met vreugde, met trommelen en pijpen -naar huis gezonden had, beval hij aan zijne kapiteins met al de -legerofficieren en soldaten gereed te wezen op morgen tegen het -oogenblik, dat de griffier het pardon had afgelezen om dan naar zijn -welbehagen te handelen. Toen nu de morgen gekomen was en de griffier het -pardon had voorgelezen, zoo beval Immanuel, dat alle trompetten van het -leger zouden worden geblazen, en dat alle vlaggen en vaandels zouden -worden geplant, de helft daarvan op den berg Genade en de andere helft -op den berg Gerechtigheid. Hij beval ook dat al de kapiteins zich zouden -vertoonen in hun volle wapenrusting en dat de soldaten vreugdegejuich -zouden aanheffen. En evenmin hield kapitein Geloof, die in het kasteel -getrokken was, zich schuil, maar hij vertoonde zich aan den torentrans -van het fort met al zijne officieren en muziekanten in volle -wapenrusting, zich nu eens wendende naar de stad en dan naar ’s Prinsen -legerkamp. - - - - -HOOFDSTUK VI. - -INTOCHT VAN DEN VORST. - - -Aldus heb ik u nu getoond de wijze waarop en den weg waarlangs Immanuel -er toe geraakte om die vermaarde stad Menschziel te herwinnen en uit de -hand en macht van den reus Diábolus te verlossen. - -Toen nu de Prins de uitwendige blijken van vreugde had aan den dag -gelegd, beval hij dat zijne kapiteins en hunne manschappen onder de -muren van Menschziel een spiegelgevecht zouden houden, en dit deden zij -dadelijk. Maar o, met welk eene behendigheid, vaardigheid, -nauwkeurigheid en moed voerden deze krijgslieden hunne bewegingen uit -voor het oog van Menschziel, dat in stomme bewondering dit -spiegelgevecht aanstaarde! - -Zij marcheerden vooruit, nu eens allen in éene richting, dan weer tegen -elkander in; zij verdeelden zich, openden de gelederen, sloten ze weer; -maakten front, vergrootten de gelederen, lieten dan den rechtervleugel -naar het front trekken, dan den linker; daarna weder naar de achterhoede --- en twintig manoeuvres meer, maar alles met de grootste nauwkeurigheid -en sierlijkheid in hunne wendingen en bewegingen. Nooit hadden de lieden -van Menschziel zoo iets gezien, daarom klom hunne verbazing ten top. -Maar daarna voegde zich daarbij het gebruik maken van hunne wapens in -het spiegelgevecht; en toen toonden zij niet minder behendigheid en -nauwkeurigheid, en werden niet minder bewonderd ook, beiden door die -van de stad en door mij. - -Toen deze handeling geschied was kwam de geheele stad Menschziel tot den -Prins uit in het leger om hem voor zijne overvloedige genade te danken -en hem nederig te smeeken, dat hij nu met hen wilde medegaan naar -Menschziel en daar voor altijd zijne residentie houden. Zij deden dit op -de nederigste manier, zich zeven maal voor hem ter aarde buigende. Toen -zeide hij: „Vrede zij ulieden!” en nader tredende raakten zij de punt -van zijn gouden schepter aan. Daarop smeekten zij: „O, dat vorst -Immanuel met zijne kapiteins en krijgslieden voor altijd in Menschziel -wilden wonen, en dat zijne slingers en stormrammen binnen in haar -mochten worden opgesteld ten dienste van den Prins en tot versterking -van Menschziel. Want,” zeiden zij, „wij hebben ook plaats voor uwe -oorlogswerktuigen en overvloedige ruimte om een magazijn van -krijgsvoorraad op te richten. O, doe dat, Immanuel, en gij zult voor -eeuwig ons tot een koning en een hoofd wezen. Ja, regeer gij naar al de -begeerte uwer ziel en maak gouverneurs en vorsten uit uwe kapiteins en -oorlogsmannen, wij willen uwe knechten zijn en uwe wetten zullen ons in -alles besturen.” - -Zij voegden daar nog meer bij en baden zijne majesteit daar toch wel -bijzonder op te letten, „want,” zeiden zij, „indien nu, na al die -genade, welke gij ons bewezen hebt, uwe arme stad Menschziel weer door u -en uwe kapiteins zou worden verlaten, wanneer gij nu van ons weggingt, -nu gij ons zooveel weldadigheid hebt bewezen en ons zooveel -barmhartigheid getoond, wat zal daar dan anders op volgen, dan dat het -zou worden alsof onze vreugde nooit bestaan had, en onze vijanden zullen -opnieuw terugkeeren en ons nog woedender aanvallen dan in het eerst. -Daarom smeeken wij u, o gij begeerlijke onzer oogen en kracht en leven -van onze arme stad, neem onze gelofte aan, waar wij u als onzen heer -uitroepen en kom in het midden van ons wonen; laat ons uw volk zijn. -Bovendien, heer, wij weten het niet, maar het kan wezen dat nog vele -Diábolusmannen de stad bespieden, en zij zullen ons verrassen wanneer -gij ons zult verlaten hebben, en ons weder in de handen van Diábolus -overgeven. Wie weet welke voornemens, complotten of samenspanningen -alreeds onder hen plaats hebben! O, dat wij toch nooit weder in hunne -handen vallen. Laat het u daarom behagen ons paleis als uwe residentie -te aanvaarden en de beste huizen der stad tot een woonplaats voor uwe -mannen.” - -Toen zeide de Prins: „Als ik in uwe stad kom, wilt gij dan toelaten, dat -ik alles doe wat ik in mijn hart heb tegen mijne en uwe vijanden? Ja, -wilt gij mij helpen in hetgeen ik daartoe onderneem?” - -Zij antwoordden: „Wij weten niet wat wij doen zullen, wij hadden -eertijds ook niet gedacht, dat wij zulke verraders jegens El-Schaddaï -worden zouden als wij bewezen hebben te zijn. Wat zullen wij daarom -thans tot mijnen Heer zeggen? Laat hem geen vertrouwen stellen in zijne -heiligen; maar laat hem wonen in ons kasteel en van onze stad eene -vesting maken; laat hem zijne edele kapiteins en zijne krijgshaftige -soldaten over ons zetten; ja, laat hem ons overwinnen door zijne genade, -en dan zal hij voorzeker met ons zijn, en ons helpen zooals hij dat deed -op dien dag en dien morgen toen ons pardon ons voorgelezen werd. Wij -zullen instemmen daarmede, onze heer, en met al uwe wegen, en zullen met -uw woord de machtigen aanvallen. - -„Nog éen woord en uwe knechten hebben uitgesproken, en zullen hierin -mijn Heer niet meer lastig vallen. Wij kennen de diepte der wijsheid van -u, onzen vorst, niet. Wie is er, die met reden zou hebben kunnen denken, -dat uit al die bittere beproevingen, waarmede wij beproefd geweest zijn, -zulk eene zoetigheid zou voortvloeien als wij nu genieten! Maar, Heer, -laat uw licht voor ons henengaan en uwe liefde ons achtervolgen: ja, -neem ons bij de hand en leid ons door uwen raad en laat die ons altijd -bijblijven, opdat alles ten beste van uwe knechten uitloope; en kom in -ons Menschziel en doe er wat u behaagt. O, heer, kom tot ons Menschziel, -doe er wat u behaagt, als ge ons maar bewaart voor de zonde en Uwe -Majesteit leert dienen!” - -Toen zeide de Prins tot de stad Menschziel: „Ga heen, keer terug naar -uwe woning in vrede. Ik zal volgaarne al uwe begeerten inwilligen; ik -zal mijne koninklijke tent verlaten, ik zal morgen mijn leger van voor -de Oogpoort doen oprukken en zal de stad Menschziel binnenrijden. Ik zal -zelf bezit nemen van uw kasteel en zal mijne soldaten over u stellen; ja -ik zal nu dingen doen in Menschziel, die nooit bij eenige natie, -landstreek of koninkrijk gebeurd zijn onder den wijden hemel.” - -Toen slaakten de mannen van Menschziel een vreugdekreet en keerden in -vrede naar hunne woningen terug. Daar vertelden zij aan hunne kinderen -en vrienden al het goede, dat Immanuel beloofd had aan Menschziel te -doen. „En morgen,” zeiden zij, „zal hij onze stad binnenrijden en maken -woningen bij ons in Menschziel.” - -Toen gingen de inwoners van Menschziel met groote haast naar buiten naar -de groene boomen en weiden om takken en bloemen te verzamelen, ten einde -die op de straten te strooien hun koning tegemoet; ze maakten ook -guirlandes en andere versieringen om hunne vreugde aan den dag te leggen -en hunnen Immanuel waardig te ontvangen, ja zij strooiden de gansche -straat vol van de Oogpoort tot de deuren van het kasteel, de plaats, -waar de prins wonen zou. Ook bereidden zij voor zijne komst de beste -muziek, die de stad bijeenbrengen kon om voor hem bij zijnen intocht te -spelen. - -Op den bepaalden tijd deed hij dus zijne intrede in Menschziel en werden -de poorten voor hem opengezet; daar wachtten ook de oudsten en -bestuurders van Menschziel hem op ten einde hem duizendmaal welkom te -heeten. Hij stond dan op en ging Menschziel binnen, hij en al zijne -dienaren. De oudsten gingen huppelende voor hem uit tot zij aan de -poorten van het kasteel waren genaderd. De Prins was gekleed in zijn -gouden wapenrusting; hij reed op zijn koninklijken wagen, de trompetten -klonken rondom hem, de vlaggen waren ontplooid; zijne tienduizenden -volgden hem op den voet en de oudsten van Menschziel gingen voor hem -uit. En nu waren de muren van die vermaarde stad opgevuld met de -inwoners, die zich daar verzamelden om de nadering van den Prins aan het -hoofd van zijn koninklijk leger gade te slaan. Evenzoo waren alle -vensters, balkons, ja zelfs de daken der huizen gevuld met lieden van -allerlei stand en leeftijd, om het goede te aanschouwen wat hunne stad -te beurt viel. - -Toen hij nu de stad was binnengetrokken tot op de hoogte van het huis -van den griffier, gaf hij bevel, dat iemand naar kapitein Geloof zou -gaan om te vragen of het kasteel gereed was gemaakt tot de ontvangst -(want de toebereidselen aldaar waren opgedragen aan dezen kapitein). -Daarom werd nu ook aan kapitein Geloof gelast, dat hij met zijne -strijdmacht naar buiten zou komen om zijn vorst te ontmoeten, en volgens -dat bevel werd ook gedaan. Zoo geleidde hij hem dan in het kasteel. -Daarna logeerde de Prins dien nacht daar binnen met al zijne machtige -kapiteins en oorlogsmannen tot groote vreugde der stad Menschziel. -[Hand. 15 : 9.] [Efez. 3 : 19.] - -De eerste bezigheid van de lieden der stad was nu zorg te dragen, dat de -kapiteins en krijgslieden van ’s prinsen leger onder hen zouden worden -ingekwartierd. Niemand zocht zich er van af te maken, maar integendeel -ieder had spijt, dat hij er nog niet meer kon bergen: want elke burger -van Menschziel had zooveel achting voor Immanuel en zijne mannen, dat -niets hem meer griefde dan dat hij het gansche leger niet herbergen kon. -Zij rekenden het eene eer hen te mogen verzorgen, en wilden hen gaarne -op hunne wenken bedienen alsof zij hunne lijfknechts waren geweest. - -Ten laatste werd het aldus bepaald: kapitein Onschuld zou worden -ingekwartierd bij den heer Rede; kapitein Geduld zou wonen bij den heer -Gemoed. Deze heer Gemoed was eertijds Vastewils klerk geweest, namelijk -tijdens den opstand. Verder werd besloten, dat kapitein Liefde zou -verblijf houden bij den heer Genegenheid; dat kapitein Goede Hoop zou -worden ingekwartierd bij den Burgemeester. Wat het huis van den griffier -aangaat, hij zelf begeerde dat de kapiteins Boanerges en Overtuiging -zich daar zouden vestigen, aangezien hij zoo vlak bij het kasteel -woonde, en door den prins was verordend, dat ingeval het noodig worden -mocht alarm te slaan in de stad Menschziel, dit dan van hem zou uitgaan. -In zijn groot paleis logeerde hij bovendien hunne manschappen. - -Wat de kapiteins Oordeel en Strafoefening aangaat, de heer Vastewil nam -hen en hunne mannen tot zich, omdat hij onder het oppergezag van den -Prins voor het welzijn der stad had te zorgen, evenals hij van tevoren -onder den tiran Diábolus aan haar verderf had medegeholpen. Zoo werden -ook de overige troepen van Immanuels gevolg in de stad gehuisvest; maar -kapitein Geloof bleef met zijn volk voortdurend in het kasteel. [Rom. -6 : 19.] [Efez. 3 : 17.] - -[Afbeelding: HET STANDBEELD VAN DIÁBOLUS VERGRUISD TOT STOF.] - -Nu meenden de oudsten en hoofden van Menschziel, dat zij zich nooit van -den Prins zouden kunnen verzadigen; zijn persoon, zijne woorden, zijne -handelingen waren zoo bekoorlijk, zoo begeerlijk en aantrekkelijk voor -hen, dat zij hem baden toch niet altijd binnen de muren van het kasteel -te vertoeven, maar ook dikwijls hunne straten te bezoeken. „Want,” -zeiden zij, „geliefde Opperheer, uwe tegenwoordigheid, uw glimlach, uw -blikken, uwe woorden zijn het leven, de kracht, de zenuwen der stad -Menschziel.” - -Benevens dit begeerden zij ook, dat zij zonder ophouden of bezwaren -toegang mochten hebben tot zijn persoon, waarom hij beval, dat de -poorten zouden openstaan, opdat zij telkens mochten kunnen zien wat daar -plaats had en het koninklijk paleis ongehinderd konden binnentreden. -Wanneer hij sprak dan hielden allen zich stil om naar hem te luisteren, -en als hij wandelde, dan was het hun een genot zijne voetstappen na te -treden. - -Nu maakte op zekeren tijd Immanuel een feest voor de mannen van -Menschziel, en op den feestdag kwam al het stadsvolk naar het kasteel om -deel daaraan te nemen. De maaltijd bestond uit allerlei buitenlandsche -gerechten -- een spijze, die niet op de akkers van Menschziel groeide, -noch in het gansche koninkrijk het Heelal -- ’t was eene spijze die van -zijns Vaders hof kwam. Zoo werd dan disch na disch bezet en toegericht -en ieder mocht vrijelijk eten. Maar telkens als nieuwe gerechten werden -opgedragen, zeiden zij tot elkander: „Wat is dit?” want zij wisten niet -hoe zij het noemen zouden. Zij dronken ook van het water, dat wijn -geworden was en waren zeer vroolijk met hem. Daar was muziek al den -tijd, dat zij aan tafel zaten, en men at het brood der engelen en honig, -die uit den rotssteen was gedropen. Zoo at Menschziel de spijze, die -bijzonder voor het hof bestemd was, ja zij hadden daarvan overvloed. -[Ps. 78 : 24, 25.] - -Ook moet ik niet vergeten u te vertellen, dat er muzikanten bij den -maaltijd tegenwoordig waren, die evenmin uit de stad Menschziel hun -afkomst hadden noch uit heel dien omtrek; zij waren opperzangmeesters -aan het hof van koning El-Schaddaï. - -Nadat nu de maaltijd was afgeloopen onderhield Immanuel zich nog langen -tijd met zijne gasten. Hij gaf hun moeielijke raadselen op of -geheimzinnige uitspraken door zijns Vaders secretaris opgesteld; -dergelijke zijn nog nooit in eenig koninkrijk gemaakt omdat niemand -El-Schaddaï evenaart in wijsheid en verstand. Vele van deze raadsels -waren gemaakt op koning El-Schaddaï zelf en op zijn zoon, tevens -betrekking hebbende op zijne oorlogen met Menschziel. - -Immanuel zelf legde hen eenige van die raadselen uit; maar o wat werden -zij toen verhelderd in het verstand! Zij zagen wat zij nimmer hadden -gezien; zij hadden zich niet kunnen verbeelden, dat zooveel diepe zaken -verborgen lagen onder enkele zoo eenvoudige woorden. Ik zeide u reeds -wien deze raadselen betroffen, en als zij uitgelegd waren dan zag ieder -duidelijk in dat het zoo was. Ja het gebeurde ook wel, dat de zaken zoo -duidelijk en klaar waren, dat er geene uitlegging bij noodig was, maar -dat zij alleen Immanuel behoefden aan te zien om geheel achter de -beduidenis te komen. Zij wenkten dan ook reeds elkander toe, en konden -niet nalaten te zeggen: „Dat is het lam:” „Hij zelf is het offer.” „Hij -is de rots! Daar is de roode vaars! Dat is de deur en dat is de weg!” en -zoo nog veel meer. - -Daarna liet hij de inwoners van Menschziel gaan. Maar niemand kan zich -verbeelden hoe dat volk met deze behandeling was ingenomen! O, zij waren -overstelpt van vreugde; zij waren dronken van bewondering toen zij zagen -en begrepen wat hun Immanuel voor hen was, en welke geheimen hij hun -ontsloot. En toen zij tehuis kwamen en in hunne eenzaamheid teruggekeerd -waren konden zij niet anders, dan van zijne daden zingen, ja zelfs zóo -waren zij van hem vervuld, dat zij in hunnen slaap zijn lof zongen. - -Nu was het in het hart van den prins Immanuel om de stad Menschziel te -vervormen en haar zulk een voorkomen te geven als hem het meest behaagde -en ook het meest dienstig was tot versterking en verfraaiing. Hij -voorzag ook tegen invallen van buiten of verraad van binnen, alles uit -liefde voor Menschziel. - -Ten eerste gebood hij nu, dat de slingers, die hij van zijns Vaders hof -had meêgebracht toen hij den oorlog tegen Menschziel ondernam, op de -borstweringen van het kasteel en op de torens gezet werden, want hij had -ook verscheidene torens laten bouwen. Ook had hij zelf een instrument -uitgevonden, dat met bijzondere juistheid steenen wierp uit het kasteel -en uit de Mondpoort; een onweerstaanbaar krijgswerktuig, dat altijd doel -trof. Het droeg geen naam, maar werd aan kapitein Geloof toevertrouwd om -er in buitengewone gevallen gebruik van te maken. - -[Afbeelding: ZINNELIJKE LUST WORDT NAAR DE RECHTBANK GEVOERD.] - -Toen dit gedaan was riep hij den heer Vastewil tot zich en gaf hem het -bevel over de poorten, de wallen en de torens der stad. Ook stelde hij -het staande leger onder zijn gezag met bijzonderen last om te waken -tegen alle oproer en opschudding, die den vrede van onzen koning en van -de goede stad Menschziel zou kunnen storen. Evenzeer gaf hij hem in -last, dat als hij sommigen der Diábolusmannen in eenigen hoek der stad -verborgen vond, hij dan aanstonds de hand aan hen slaan moest of hen in -verzekerde bewaring nemen, opdat zij naar de wet mochten worden -gestraft. - -Toen riep hij den heer Verstand tot zich, den ouden burgemeester, die -dadelijk uit zijn ambt was ontzet toen Diábolus de stad innam. Hij -herstelde hem nu in zijn ambt en wel voor zijn leven. Hij verzocht hem -ook een paleis voor zich te bouwen vlak bij de Oogpoort, en dan moest -het een sterk paleis zijn op de manier van een toren ter verdediging. -Hij verzocht hem daarbij de boeken der openbaring en uitlegging der -mysteriën al zijne levensdagen ijverig na te lezen, opdat hij zijn ambt -waardiglijk mocht bekleeden. - -Hij maakte ook den heer Kennis tot secretaris of griffier,[31] niet om -den ouden edelman Geweten te verstooten, maar omdat hij voor dezen een -beter ambt had, dat hij hem later zou opdragen. - - [31] ~Kennis~ wordt griffier, terwijl het Geweten een hoogeren post - bekomt. Kennis is het geheugen de herinnering der ziel. Jezus zegt: - „Dit is het eeuwige leven, dat zij u kennen, den eeuwigen waarachtigen - God en Jezus Christus, dien Gij gezonden hebt.” Joh. 17 : 3. - -Toen beval hij dat het beeld van Diábolus zou weggenomen worden van de -plaats waar het opgesteld was, en dat zij het volkomen moesten -vernielen, het tot puin vergruizen en dan naar alle winden verstrooien -buiten de muren der stad. Maar het beeld van El-Schaddaï zijn vader -moest weder worden opgericht en nevens het zijne op de poort van het -kasteel geplaatst. Het moest sierlijker gemaakt worden dan ooit tevoren -aangezien zijn vader en hij thans in meerdere genade dan eertijds tot de -stad Menschziel gekomen waren. Hij wilde ook dat zijne naam duidelijk -zou worden gegraveerd op de buitenmuur der stad, en wel in het fijnste -goud ter eere van Menschziel. [Openb. 22 : 4.] - -Nadat dit alles geschied was gaf Immanuel last, dat die drie groote -Diábolusmannen gevat zouden worden, welke zooveel ellende hadden -aangericht; te weten de twee burgemeesters Ongeloof en Zinnelijke Lust -met den secretaris Goedvergeter. Benevens hen waren er nog enkelen, die -Diábolus tot edellieden en eereburgers in Menschziel gemaakt had, die -door de hand van den nu zeer ijverigen en getrouwen heer Vastewil werden -gevat. - -Hier zijn hunne namen: Jonkheer Godverzaker, jonkheer Hardhart en -Jonkheer Valsche Vrede. De eereburgers waren de heeren Zonder Waarheid, -Zonder Medelijden, en Hoogmoed. Deze werden in de gevangenis gezet en de -naam van den cipier was Waarachtig. Deze Waarachtig was een dergenen, -die Immanuel mede gebracht had van zijns vaders hof, toen hij den oorlog -tegen Menschziel aanving. - -Hierna gaf de Prins bevel, dat de drie sterkten, die op aanstoken van -Diábolus door zijne mannen in Menschziel gebouwd waren, moesten worden -afgebroken en geheel vernield. Van deze sterkten, hare namen en -gouverneurs hebt gij reeds tevoren gelezen. Maar dit werk ging langzaam -wegens de grootte dier vestingen en de steenen, het ijzer en lood, dat -er aan was. Het duurde lang eer al dat puin was opgeruimd. - - - - -HOOFDSTUK VII. - -EENEN MEESTER DIENEN. - - -Toen dit alles geschied was gaf de Prins bevel, dat de Burgemeester en -de raadsleden van Menschziel een gerechtshof zouden samenroepen om de -Diábolusmannen, welke in preventieve gevangenis zaten onder bewaring van -den cipier Waarachtig te vonnissen.[32] - - [32] ~Het gericht en de terechtstelling der Diábolus-mannen~. Het - onderscheid moet nooit uit het oog worden verloren tusschen de - ingeborenen der stad en degenen, die Diábolus medebracht bij zijnen - intocht. De eersten kunnen worden vernieuwd en wedergeboren; de - laatsten moeten worden gedood en uitgedreven. - -Toen nu de tijd daar was en het gerechtshof gezeten, werd aan den cipier -Waarachtig bevel gegeven de gevangenen voor de balie te brengen, hetgeen -ook geschiedde. Volgens de gewoonten van Menschziel werden zij -voorgebracht met ketenen beladen. Daar zaten de Burgemeester, de -Griffier en de gansche achtbare vergadering. Eerst werd de jurie gekozen -en daarna werden de getuigen bezworen. De namen der jurieleden waren -deze: de heeren Geloof, Waarachtig hart, Oprecht, Kwaadhater, Godlief, -Goede werken, IJveraar voor God en Ootmoedig. - -De namen der getuigen waren: de heeren Allesweter, Waarheidspreker, -Leugenhater en de heer Vastewil met zijne mannen, als er nog meer noodig -mochten zijn.[33] - - [33] ~De drie getuigen~ Allesweter, Waarheidspreker en Leugenhater - slaan terug op onzen vorm van getuigenis afleggen: 1e de waarheid -- - 2e de volle waarheid -- 3e niets dan de waarheid. - -Zoo werden dan de gevangenen voor de balie gebracht en sprak de heer -Doe-recht (want hij was de stadsklerk): „Brengt Godverzaker vóor, -cipier!” Godverzaker trad vooruit. Toen zeide hij tot hem: „Hef uwe hand -op. Gij staat hier bekend onder den naam van Godverzaker, een indringer -in de stad Menschziel, omdat gij boosaardig en onbeschaamd hebt gezegd -en staande gehouden, dat er geen God is, en dat diensvolgens ook alle -godsdienst overbodig is. Dit hebt gij gedaan tegen de eer en -heerlijkheid van den koning en tegen den vrede en de veiligheid der stad -Menschziel. Wat hebt gij hiertegen in te brengen? Zijt gij schuldig aan -hetgeen u ten laste gelegd is of niet?” - -Godverzaker: „Niet schuldig.” - -De klerk: „Roep de getuigen, de heeren Allesweter, Waarheidspreker en -Leugenhater binnen.” - -[Afbeelding: HET VERHOOR VAN HARDHART.] - -En ze kwamen binnen. - -Toen zeide de klerk: „Gij getuigen voor den koning, ziet dezen -gevangene, die hier voor de rechtbank staat, aan, kent gij hem?” - -Daarop antwoordde heer Allesweter: „Ja, heer, wij kennen hem. Zijn naam -is Godverzaker; hij is jarenlang een zeer gevaarlijk en verleidelijk -persoon geweest in de stad Menschziel.” - -De klerk. „Zijt gij er wel zeker van, dat gij hem kent?” - -Allesweter. „Hem kennen! Ja, mijnheer. Ik ben vroeger maar al te dikwerf -in zijn gezelschap geweest dan dat ik hem nu niet kennen zou. Hij is een -Diábolusman en de zoon van een Diábolusman. Ik ken beiden, zijn vader en -zijn grootvader.” - -De klerk. „Zeer wel; hij is aangeklaagd onder dezen naam en wordt -beschuldigd te hebben gezegd en staande gehouden, dat er geen God is, en -dat men dus ook met godsdienst zich niet moet bezighouden. Wat zegt nu -gij, getuigen des konings, is hij schuldig of niet?” - -Allesweter. „Mijnheer, hij en ik waren eens in de Ondeugdstraat bij -elkaêr en hij sprak toen zeer openlijk over allerlei meeningen en -gevoelens. Daar hoorde ik hem toen zeggen, dat hij, wat hem betreft, -volstrekt niet gelooft dat er een God is. „Maar,” voegde hij er bij, -„daarom kan ik mij toch wel houden of ik het geloof en, al naar het -gezelschap, waarin ik mij bevind, mij meer of minder godsdienstig -aanstellen.”” - -De klerk. „Gij zijt er toch wel zeker van dat hij dat gezegd heeft?” - -Allesweter. „Op den eed, dien ik gezworen heb, hij heeft dat gesproken.” - -Toen zeide klerk: „Gij, mijnheer Waarheidspreker, wat hebt gij als ’s -konings getuige hierbij te voegen?” - -Waarheidspreker. „Mijnheer, ik was eertijds een groot vriend en metgezel -van hem, hetgeen mij thans meer spijt dan ik zeggen kan, en ik heb hem -zeer dikwijls met grooten ophef hooren zeggen dat er geen God is, noch -engel, noch geest.” - -Klerk. „Waar hoordet gij hem dat zeggen?” - -Waarheidspreker. „In de Zwartmondstraat en in de Godslasteraarsgang, en -o, op nog zooveel andere plaatsen!” - -De klerk. „Weet gij nog meer van hem?” - -Waarheidspreker. „Ik ken hem als een Diábolusman en als de zoon van een -Diábolusman, die verschrikkelijk was in zijne ontkenning der Godheid. -Zijns vaders naam was Nimmergoed, die ook nog meer kinderen had dan -dezen Godverzaker. Meer heb ik niet te zeggen.” - -De klerk. „Mijnheer Leugenhater, zie gij den gevangene aan. Kent hij -hem?” - -Leugenhater. „O, ja, mijnheer, deze Godverzaker is een van de snoodste -boeven, die ik ooit ontmoet heb. Ik heb hem hooren zeggen, dat er geen -God is; ik heb hem ook hooren zeggen, dat er geene toekomende wereld is, -noch zonde, noch strafoefening hiernamaals. Bovendien heb ik hem de -uitdrukking hooren doen, dat het even goed is een huis der ontucht te -bezoeken als eene preek te gaan hooren.” - -De klerk. „Waar hoordet gij hem deze dingen zeggen?” - -Leugenhater. „In de Dronkaardstraat, juist naast het Ratelsteegje, in -het huis van meester Goddeloosheid.” - -De klerk. „Zet hem weer vast, cipier, en laat Zinnelijke Lust voor het -gerecht verschijnen.” -- En zich tot dien persoon wendende ging hij -voort: „Zinnelijke Lust, gij zijt hier onder dezen naam aangeklaagd, als -een indringer in de stad Menschziel, omdat gij op een duivelsche en -verraderlijke wijze door uwe vuile handelingen en vuile woorden anderen -geleerd hebt, dat het voor een mensch geoorloofd en zelfs nuttig is aan -zijne vleeschelijke lusten toe te geven, en dat gij, wat u aangaat, -uzelven, noch uw zondig vermaak ooit hebt verloochend en dat ook nooit -doen zoudt zoolang uw naam Zinnelijke Lust is. Wat zegt gij daarop? Zijt -gij schuldig of onschuldig?” - -Toen antwoordde Zinnelijke Lust: „Mijnheer, ik ben een man van hooge -afkomst en ben gewoon aan vermaak en weelde. Ik ben niet gewoon mij in -mijne handelingen te laten dwingen of regeeren, maar volg steeds mijn -wil als eene wet. Het komt mij zelfs vreemd voor, dat ik heden ter -verantwoording word geroepen voor datgene wat niet alleen ik, maar -verreweg de meeste menschen doen, en ’t zij in het openbaar of in het -verborgen meestal wordt toegestemd en goedgekeurd.” - -De klerk. „Heerschap, aan uw hooge afkomst is ons niets gelegen, -ofschoon dit tegen u pleit, want hoe hooger hoe beter gij hadt moeten -zijn; maar wat ons nu bezig houdt is de beschuldiging tegen u -ingebracht. Wat zegt gij daarvan? Zijt gij schuldig of niet?” - -[Afbeelding: VALSCHE-VREDE, ZIJN VADER, MOEDER EN BETREKKINGEN.] - -„Niet schuldig!” zeide hij. - -De klerk. „Roep dan nu weer de getuigen opdat zij hunne getuigenis -afleggen. Gij, getuigen des konings, wat hebt gij in te brengen tegen -dezen mensch? Eerst gij, Allesweter, kent gij hem?” - -Allesweter. „Ja, mijnheer, ik ken hem. Zijn naam is Begeerlijkheid. Hij -was de zoon van zekeren Dierlijk of Beestachtig, en zijne moeder baarde -hem in de Vleeschstraat, zij was de dochter van zekeren Boozelust. Ik -ken zijn gansche geslacht.” - -De klerk. „Goed. Gij hebt zijne aanklacht gehoord. Wat zegt gij daarvan? -Is hij schuldig aan hetgeen hem te laste wordt gelegd?” - -Allesweter. „Mijnheer, hij is inderdaad een groot man zooals hij gezegd -heeft en duizendmaal grooter in goddeloosheid dan van afkomst.” - -De klerk. „Maar wat weet gij van zijne bijzondere daden en handelingen?” - -Allesweter. „Ik weet, dat hij een leugenaar is, een vloeker, een -sabbatschender, een echtbreker en een onkuische. Ik ken hem als schuldig -aan eene menigte ongerechtigheden. Hij is een zeer snood mensch.” - -De klerk. „Maar waar was hij gewoon zijne ongerechtigheden te bedrijven? -In een of anderen verborgen hoek of openbaar en met schaamteloosheid?” - -Allesweter. „Door de gansche stad, mijnheer.” - -De klerk. „Kom, mijnheer Waarheidspreker, wat hebt gij voor onzen koning -te zeggen tegen dezen gevangene?” - -Waarheidspreker. „Al wat de eerste getuige gezegd heeft weet ik waar te -zijn en nog veel meer daarbij.” - -De klerk. „Meester Begeerlijkheid, hoort gij wat deze heeren zeggen?” - -Zinnelijke Lust. „Ik was altijd van oordeel, dat het gelukkigste leven, -hetwelk een mensch leiden kon op deze aarde, was zich in niets te -bedwingen wat de begeerte van zijn hart hem opgeeft. Ik ben nooit aan -deze mijne opinie ontrouw geweest, maar heb daarin al mijne dagen -geleefd. Daarbij was ik nooit zoo hardvochtig, dat wat ik voor mijzelven -zoet vond, ik dit anderen zou hebben verboden.” - -Toen zeide het hof: „Er is genoeg uit zijn eigen mond om hem te -veroordeelen. Men brenge hem weg, cipier, en brenge Ongeloof voor.” - -Ongeloof werd voor de rechters gesteld. - -„Meester Ongeloof,” zeide de klerk, „gij zijt hier bij dien naam -aangeklaagd als een indringer in de stad Menschziel, omdat gij -goddelooslijk, toen gij overste in deze stad waart, u tegen den koning -El-Schaddaï hebt verzet als hij kwam om de stad op te eischen, ten einde -die weder in zijn bezit te krijgen. Ja, gij hebt u tegen den naam, de -legermacht en de zaak des konings gesteld, en handeldet eveneens als -Diábolus, uw hoofdman; gij hebt de stad oproerig gemaakt en u met alle -macht tegen den koning verweerd. Wat zegt gij op deze beschuldiging? -Zijt gij schuldig of niet?” - -Toen zeide Ongeloof: „Ik ken El-Schaddaï niet; ik heb mijn ouden vorst -lief; ik rekende het mijn plicht getrouw te wezen in het mij -toevertrouwde werk, en te doen al wat in mijn vermogen was om den geest -der mannen van Menschziel op te zetten tegen vreemdelingen en -gelukzoekers, tegen wie ik gevochten heb voor mijnen heer. Ook ben ik -daarin nog niets veranderd en zal ook niet veranderen uit vrees of -onrust omdat gij op dit oogenblik bezit genomen hebt van de stad en hare -sterkten.” - -Toen sprak het hof: „De man is, zooals gij ziet, onverbeterlijk; hij -houdt met groote onbeschaamdheid zijne ongerechtigheid staande en -belijdt zijn opstand onbewimpeld; daarom: breng hem weg, cipier, en -breng Goedvergeter voor.” - -Goedvergeter verscheen voor het gerecht. - -De klerk. „Meester Goedvergeter, gij zijt hier bij dezen naam -aangeklaagd als een indringer in Menschziel, omdat gij, toen al de zaken -van Menschziel in uwe handen berustten, ten eenenmale vergeten hebt die -ten goede te besturen, maar u hebt gevoegd bij Diábolus, om tegen koning -El-Schaddaï en zijne kapiteins partij te kiezen. Uw gedrag was tot oneer -van dien koning en tot verguizing zijner wetten, terwijl gij daardoor -Menschziel aan den rand van haren ondergang bracht. Wat zegt gij hierop, -zijt gij hieraan schuldig of niet?” - -Toen antwoordde deze persoon: „Gij edelen en heeren, te dezer tijd mijne -rechters, wat de aanklacht betreft, waarbij ik dusdanig beschuldigd -word, schrijf toch goedgunstig mijne vergeetachtigheid toe aan mijnen -ouderdom en niet aan boos opzet; aan de zwakheid mijner hersenen en niet -aan de onverschilligheid van mijn gemoed. Wanneer gij dat doet, zal uwe -goedheid, ofschoon ik schuldig ben, mij wel niet al te zwaar straffen.” - -Hierop gaf het hof tot wederantwoord: „O, Goedvergeter, Goedvergeter! -uwe vergeetachtigheid kwam niet slechts voort uit zwakheid, maar zij was -opzettelijk, gij waart maar al te zeer ongenegen goede en deugdzame -dingen in uw geheugen te bewaren. Wat kwaad was kondt gij wèl onthouden, -maar aan het goede kondt gij zelfs niet denken. Gij zoekt u van uwen -ouderdom en voorgewende zwakheid te bedienen en het hof te verblinden en -uwe misdaden te bemantelen en te bedekken. Maar laat ons eens hooren wat -’s konings getuigen tegen u te zeggen hebben. Getuigen, is hij schuldig -of niet?” - -Leugenhater. „Mijnheer, ik heb dezen Goedvergeter hooren zeggen, dat hij -het nooit zelfs een kwartier lang uithouden kon aan het goede te -denken.” - -De klerk. „Waar hoordet gij hem dat zeggen?” - -Leugenhater. „In de Ondeugdstraat, in de woning, waarnaast de -Toegeschroefde Conscientie uithangt.” - -De klerk. „Mijnheer Allesweter, wat kunt gij zeggen tegen dezen -gevangene?” - -Allesweter. „Mijnheer, ik ken dezen boozen man wel. Hij is een -Diábolusman en zijn vader was dat ook. Deze heette Nietsbeminnaar, en ik -heb hem dikwijls hooren zeggen, dat de gedachte aan het goede alleen hem -de zwaarste last was, die in de wereld te dragen valt.” - -De klerk. „Waar hebt gij hem dit hooren zeggen?” - -Allesweter. „In de Vleeschstraat tegenover de kerk.” - -Toen zeide de klerk: „Kom gij nu, Waarheidspreker, en geef getuigenis -tegen dezen gevangene omtrent hetgeen, waarvoor hij hier terecht staat -voor dit eerwaarde hof.” - -Waarheidspreker. „Mijnheer, ik heb hem hooren zeggen, dat hij liever -aan de vuilste dingen dacht dan aan hetgeen in de Heilige Schriftuur -staat.” - -[Afbeelding: OPGEBLAZEN VERDEDIGT ZICHZELVEN.] - -De klerk. „Waar hoordet gij hem deze schandelijke woorden spreken?” - -„Waar? In verscheidene plaatsen, maar vooral in de Vuilsteeg, in het -huis van Schaamteloos, waar de Verworpeling uithangt, naast de herberg, -die den naam draagt: „de Ingang tot den afgrond.” - -Het hof sprak hierop: „Mijne heeren, gij hebt de beschuldiging gehoord -en het getuigenverhoor. Cipier, breng Hardhart nu voor.” En dit -geschiedde. - -De klerk. „Meester Hardhart, gij zijt bij dezen naam aangeklaagd als een -indringer in deze stad Menschziel, omdat gij de gansche stad met de -jammerlijkste onboetvaardigheid en verharding bezet hebt, haar -terughoudende van alle verbrijzeling en droefheid over hare zonden, -gedurende al den tijd dat zij van den gezegenden koning El-Schaddaï -afgevallen was en tegen hem in opstand heeft geleefd. Wat zegt gij op -deze aanklacht, zijt gij hieraan schuldig of niet?” - -Hardhart antwoordde: „Ik beken, mijne heeren, dat ik zoolang ik leef -niet geweten heb wat verbrijzeling of droefheid beduidt. Ik ben -onaandoenlijk; ik geef om niemand; ook kan ik door menschelijke smarten -niet worden gekweld; hun treurigheid noch jammerklacht dringt in mijn -hart door. Als ik iemand kwaad doe of beleedig, is het voor mij muziek -zijn kermen en klagen te hooren.” - -Het hof sprak: „Gij ziet, dat deze mensch een rechte Diábolusman is en -zichzelven duidelijk heeft uitgesproken. Breng hem weg, cipier, en laat -Valsche Vrede voorkomen.” - -„Valsche Vrede, gij zijt hier bij dezen naam aangeklaagd als een -indringer in Menschziel, omdat gij op eene goddelooze ja, duivelsche -manier haar, terwijl zij in afval en helschen opstand tegen haren koning -leefde, in een valschen, gevaarlijken, ja, verdoemelijken vrede hebt -gebracht en gehouden, een stille gerustheid, die den koning tot oneer -strekt, zijne wet bespot en groote schade en nadeel werkte voor -Menschziel. Wat zegt gij hierop? Zijt gij daaraan schuldig of niet?” - -Valsche Vrede antwoordde daarop: „Edele heer en gij allen, die nu als -rechters over mij zit, ik beken dat mijn naam Vrede is, maar dat ik -Valsche Vrede zou heeten, ontken ik ten sterkste. Indien mijne heeren -gelieven te vernemen bij al degenen, die mij kennen en bij mijne -geboorte en naamgeving tegenwoordig waren, zoo zullen zij allen -getuigen, dat mijn naam niet Valsche Vrede maar Vrede is. Om die reden -kan ik tegen deze aanklacht niets inbrengen, dewijl daarin mijn naam -niet is genoemd. Mijn karakter is overeenkomstig mijn waren naam. Ik ben -altijd een man geweest, die lust had in vrede en lust te leven en -hetgeen ik zelf beminde, dacht mij ook voor anderen goed. Daarom als ik -eenige mijner vrienden in moeite zag of met groote onrust worstelend, -zoo heb ik getracht hen tot vrede te brengen zooveel ik kon. Ik zou dit -mijn gehouden gedrag kunnen ophelderen. Toen onze stad zich eerst begon -af te keeren van de wegen van El-Schaddaï en eenigen bij zichzelven -onrust waren over hetgeen zij gedaan hadden, heb ik dadelijk als iemand, -die met de ongerustheid van een ander medelijden heb, getracht een -middel uit te vinden om hen weder gerust te stellen. Toen de wegen der -oude wereld en van Sodom nog bestonden, en er iets voorviel, dat hen, -met de gewoonten van die tijden instemmende, hinderde, was ik ook -dadelijk aan het werk om hen weder te bedaren, en maakte, dat zij hunnen -handel weder voortzetten konden zonder onrust of overlast. Toen de -oorlog eerst begon tusschen El-Schaddaï en Diábolus waren er nu en dan -ook eenigen benauwd en vreesden het verderf van Menschziel. Maar ik heb -door goede raadgevingen en allerlei middelen getracht hen weder tot -vrede te brengen. - -„Derhalve, omdat ik ten allen tijde een man geweest ben van zulk een -goedaardigen inborst, met éen woord een vredemaker, (en een vredemaker -is volgens het oordeel van sommigen toch een zeer goed mensch), zoo -verzoek ik u, mijne heeren, die den naam draagt van voor de -gerechtigheid en billijkheid van Menschziel in te staan, toch door uw -hof beschouwd te worden als iemand, die niet verdient onmenschelijk -behandeld te worden. Integendeel verwacht ik door u in vrijheid gesteld -te worden en uw verlof te ontvangen om hen, die mij valschelijk -beschuldigen, in rechten te vervolgen.” - -Toen riep de klerk: „Deurwaarder, roep eene proclamatie uit!” en de -deurwaarder riep uit: - -„Aangezien de gevangene voor deze rechtbank ontkent, dat de naam, -waarbij hij is opgeroepen, zijn echte naam is, zoo laat het hof bekend -maken, dat als hier iemand tegenwoordig gevonden wordt, die aan het hof -daaromtrent eenige informatiën kan geven, hij gelieve voor den dag te -komen om den origineelen en rechten naam van den gevangene te bewijzen; -want de gevangene beweert zijne onschuld.” - -Toen kwamen er twee voor het hof, die begeerden, dat het hun vergund -mocht worden alles te zeggen wat zij over dezen gevangene aan de -rechtbank konden voorleggen. De naam des eenen was Waarheidonderzoeker, -en de naam des anderen was Waarheidsgetuige. Hun werd dan eerst gevraagd -of zij den man, die daar voor hen stond kenden en wat zij aangaande -zijne zelfrechtvaardiging wisten. - -Toen sprak de heer Waarheidonderzoeker: „Mijne heeren, ik......” - -Maar het hof wenkte hem toe te zwijgen, en de president sprak: „Neen, -eerst den eed doen.” - -Hij zwoer den eed en ging toen voort: „Mijne heeren, ik ken dezen man en -heb hem gekend van zijn eerste kindsheid af, en ik kan getuigen, dat -zijn naam Valsche Vrede is. Ik kende zijn vader, wiens naam was -Pluimstrijker; en zijne moeder werd vóor zij getrouwd was mejuffrouw -Vleister genaamd. Toen deze twee getrouwd waren, duurde het niet lang of -deze zoon werd geboren, en dadelijk bij zijne geboorte kreeg hij reeds -dien naam Valsche Vrede. Ik ben lang zijn speelgenoot geweest, ofschoon -ik wat ouder ben dan hij. Ik weet het nog zeer goed, dat als zijne -moeder hem van het spel terugriep, hij dan niet komen wilde en zij -schreeuwde: „Valsche Vrede, kom gauw, anders krijgt ge slaag!” Ja, ik -herinner mij zelfs dat hij nog aan de borst lag, ofschoon ik toen ook -nog maar klein moet geweest zijn, hoe zijne moeder met hem aan de deur -zat en hem op hare armen wiegde. Toen riep zij wel twintig maal: „mijn -kleine Valsche Vrede! mijn lieve Valsche Vrede! mijn zoete Valsche -Vrede! hoeveel houd ik van u, mijn kind!” Zijn peetoom weet het ook -maar al te goed, ofschoon hij de onbeschaamdheid heeft gehad het in het -openbaar te ontkennen.” - -[Afbeelding: OUDE ONGELOOF ONTVLUCHT UIT DE GEVANGENIS.] - -Toen moest ook de heer Waarheidsgetuige spreken, en nadat hij beëedigd -was, zeide ook hij wat hij wist. - -„Mijne heeren, al wat de eerste getuige gezegd heeft is waar. Zijn naam -is Valsche Vrede, want hij gaf voor, dat wie hem anders noemden hem -spot- en scheldnamen gaven. Maar dat was in den tijd toen Valsche Vrede -een groot man was en de Diábolusmannen het rijk in hadden in -Menschziel.” - -De president van het hof sprak: „Mijne heeren, gij hebt gehoord wat deze -twee mannen onder eede betuigd hebben tegen dezen gevangene voor onze -rechtbank. En gij, Valsche Vrede, gij hebt uwen naam ontkend, ofschoon -het nu duidelijk blijkt, dat deze getuigen, die eerlijk zijn, en onder -een eed staan, u als zoodanig kennen. Wat uwe klacht aangaat, dat gij -valschelijk beschuldigd zoudt wezen, zoo moet gij weten, dat gij niet -van allerlei boosheid zijt beticht omdat gij een vredemaker zijt onder -uwe naburen, maar omdat de stad Menschziel door u op goddelooze en -slimme wijze bij haren afval en haar oproer is staande gehouden; -- bij -haar oproer tegen haren koning in een valschen, leugenachtigen en -verdoemeniswaardigen vrede is gesust, als om haar in slaap te wiegen, en -te doen volharden bij haar verzet tegen El-Schaddaï’s wetten, en om -aldus rijp te worden voor de verwoesting en voor alle ellenden, die -gekomen zijn en nog komen konden. Al wat gij voor uzelven gepleit hebt, -bestaat hierin, dat ge uwen naam hebt verloochend; maar hier ziet gij, -dat wij getuigen hebben, die bewijzen, dat gij die man wèl zijt. Wat -dien vrede aangaat, waarop gij zoo pocht, dat gij dien onder uwe buren -bewaard hebt: die vrede is geenszins de metgezel der heiligheid en der -waarheid, maar heeft geen grondslag, daar hij steunt op een leugen en is -beide bedriegelijk en verdoemelijk zooals de groote El-Schaddaï heeft -gezegd. Uwe klacht heeft u dus geenszins verlost van hetgeen door -getuigen tegen u is ingebracht, maar veeleer drukt alles even sterk op -u. Laat ons nu de getuigen roepen, die het feit zullen bevestigen, en -laat ons hooren wat zij voor onzen koning tegen dezen gevangene hebben -in te brengen.” - -De klerk vraagt aan den getuige Allesweter wat hij te zeggen heeft, en -deze antwoordt: - -„Deze mensch heeft sedert langen tijd voorzoover mij heugt, er zijn werk -van gemaakt de stad Menschziel in een zondige rust te houden temidden -van al hare goddeloosheid en afdwalingen, en ik heb hem hooren zeggen: -„Kom, kom, laat ons alle onrust op zijde zetten, op welken grond het dan -ook zij; laat ons maar trachten een stil en gerust leven te leiden, al -ontbreekt er ook een goed fondament aan.”” - -„En gij, Leugenhater,” zeide de klerk, wat hebt gij te zeggen?” - -„Ik heb hem hooren zeggen, dat vrede, al is het langs een -onrechtvaardigen weg, toch nog beter is dan onrust met waarheid.” - -De klerk. „Waar hoordet gij hem dat zeggen?” - -„Op het Gekkenhuisplein in de woning van een zekeren Onnoozel, waar het -Zelfbedrog uithangt, en hij sprak dat wel twintig maal.” - -„Wij mogen nu de moeite wel sparen,” zeide de klerk, „om meerdere -getuigen op te zoeken. Dit bewijs is klaar en voldoende. Zet hem maar -weer, cipier, en laat Onwaarheid voor de vierschaar brengen.” - -„Meester Onwaarheid, gij zijt aangeklaagd bij dezen naam als een -indringer in Menschziel, omdat gij overal tot oneer van El-Schaddaï en -op gevaar af van den algeheelen ondergang der vermaarde stad Menschziel, -er uw werk van gemaakt hebt om al de overblijfselen, die er nog van -El-Schaddaï’s wetten en van zijn beeld in Menschziel gevonden werden, -nadat zij haren koning had verlaten en dien boozen tiran was -toegevallen, ten eenenmale te onteeren en geheel te verwoesten. Wat zegt -gij? Zijt gij hieraan schuldig of niet?” - -„Niet schuldig, mijnheer!” - -Toen werden de getuigen geroepen en de heer Allesweter moest eerst -spreken. Hij zeide het volgende: - -„Mijnheer, deze man was niet slechts tegenwoordig bij het omverhalen en -verbrijzelen van het beeld van El-Schaddaï, maar hij deed het zelfs met -eigen schendige hand. Ik heb het met eigen oogen gezien, hij deed het -met grooten ijver op het bevel van Diábolus. Ja, hij deed nog meer dan -dit, want hij was het ook, die het gehoornde beeld van Diábolus daarvoor -in de plaats zette. Ook was hij het, die op verzoek van Diábolus alles -aan stukken scheurde en vernietigde, wat nog van de wetten en -instellingen van El-Schaddaï was overgebleven in het zoo deerlijk -geschonden Menschziel.” - -[Afbeelding: ONTMOETING TUSSCHEN ONGELOOF EN DIÁBOLUS.] - -De klerk. „Wie zag hem dit doen behalve gij?” - -Leugenhater. „Ik, Mijnheer, en nog velen met mij; want dit geschiedde -niet in het geheim maar in het openbaar, voor aller oog. Ja, hij schepte -er zelfs vermaak in het in ’t openbaar te doen, hij droeg daar roem op.” - -De klerk. „Wel, Onwaarheid, hoe kondt gij het durven wagen u nog voor -onschuldig uit te geven, waar gij bekend zijt als de bedrijver van zulke -misdaden.” - -Onwaarheid. „Mijnheer, ik dacht, dat ik toch iets moest zeggen; en -zooals mijn naam is zoo sprak ik. Ik ben daar vroeger wel eens goed mede -uitgekomen en hoopte, dat ik ook thans mij er wel weer uitredden zou op -die wijze.” - -De klerk. „Breng hem weg, cipier, en breng Onbarmhartig voor.” -- -„Onbarmhartig, gij zijt bij dezen naam aangeklaagd als een indringer in -Menschziel, omdat gij verraderlijk en goddeloos alle ingewanden der -barmhartigheid hadt uitgeschud, en niet wildet dulden, dat de arme -Menschziel haar eigen ellende beweende, toen zij zich van haar wettigen -koning had losgescheurd, maar dat gij alle moeite hebt aangewend om haar -van berouw en bekeering terug te houden. Wat zegt gij op deze -beschuldiging? Schuldig of onschuldig?” - -„Neen,” zeide Onbarmhartig, „al wat ik gedaan heb diende slechts om mij -en anderen wat op te vroolijken zooals mijn ware naam aanduidt; want ik -heet niet Onbarmhartig maar Lustig, en ik kon niet verdragen dat -Menschziel in droefgeestigheid verviel.” - -De klerk. „Wat, loochent gij uwen naam? Laat dan de getuigen komen. Wat -zegt gij, getuigen, tegen dezen man?” - -Allesweter. „De naam van dezen man is Onbarmhartig, hij heeft zich -altijd zoo genoemd en zijne handteekening is ook zoo; ik heb die -dikwijls gezien onder brieven van aanbelang. Het is echter een -eigenschap der Diábolus-mannen, dat zij hunne namen vervalschen. -Gierigheid dekt zich met den naam van Spaarzaamheid; Hoovaardig weet -zich als het voorkomt den naam van Netheid of Sierlijk te geven; en zoo -doet al de rest ook.” - -De klerk. „Heer Waarheidspreker, wat getuigt gij?” - -Waarheidspreker. „Ik ken hem als Onbarmhartig; ik heb hem van kindsbeen -af gekend en hij heeft alle goddeloosheid uitgevoerd, die in zijne -beschuldiging tegen hem is ingebracht; maar er is een geslacht, dat -geheel onkundig is van het gevaar om verloren te gaan; daarom noemen zij -allen droefgeestig, die ernstige gedachten hebben en voor dat gevaar -vreezen.” - -Toen zeide de klerk: „Breng Opgeblazen voor den rechterstoel, cipier.” -Het gebeurde en de klerk ging voort: „Mijnheer Opgeblazen, gij zijt bij -dezen naam aangeklaagd als een indringer in Menschziel, omdat gij op -verraderlijke en duivelsche manier de stad hebt aangespoord om de -oproepingen van koning El-Schaddaï, bij monde van zijne kapiteins -gedaan, maar luchtig en hooghartig op te nemen. Bovendien leerdet gij de -inwoners smadelijk en verachtelijk van hunnen grooten koning te spreken, -ja, gij moedigdet hen daarenboven aan, zoowel door woord als voorbeeld -om de wapens tegen koning El-Schaddaï en zijn grooten zoon op te vatten. -Zijt gij niet schuldig hieraan? Wat zegt gij?” - -Opgeblazen. „Mijne heeren, ik ben altijd een man van moed en dapperheid -geweest; en ben niet gewoon zelfs onder de donkerste wolken te loopen -zuchten of mijn hoofd te laten hangen als een bies. Het heeft mij ook -nooit behaagd, dat iemand voor zijn tegenstander het zeil streek, al had -deze tienmaal het voordeel aan zijne zijde. Ik was niet gewoon te -bedenken wie mijn vijand was of welke zaak hij tegen mij had in te -brengen. Het was mij voldoende, dat ik alles moedig doorstond, dat ik -mij verdedigde als een man en overwinnend uit den strijd kwam.” - -De President van het hof. „Meester Opgeblazen, gij zijt niet voor dit -gerecht aangeklaagd omdat gij zulk een dapper man zijt, noch wegens uwe -vastberadenheid in tijden van nood of gevaar, maar omdat gij misbruik -gemaakt hebt van uwe voorgewende dapperheid om de stad Menschziel tot -daden van opstand en oproer tegen den grooten koning en zijn zoon -Immanuel op te zetten. Dit is de misdaad, waarvan gij zijt beschuldigd.” - -Maar hij gaf daarop geen antwoord. - -Toen nu het rechtsgeding tot dusverre gekomen was en alle gevangenen -waren ondervraagd en terechtgesteld, ging het hof over tot het vellen -van het vonnis; daartoe moest de jurie zich verwijderen en de president -sprak hen aldus aan: - -„Gij, heeren leden der jurie, zijt hier tegenwoordig geweest en hebt -deze mannen gezien; gij hebt de beschuldigingen gehoord, die tegen hen -zijn ingebracht, alsmede hunne verdediging of verantwoording tegenover -het getuigenverhoor. Nu blijft er voor u niets meer te doen overig dan -dat gij u een weinig verwijdert om te overleggen op welke wijze gij naar -waarheid en gerechtigheid over hen vonnis zult vellen voor de eer onzes -konings.” - -Toen verwijderde zich de jurie en ging in de eenzaamheid beraadslagen, -namelijk de heeren Geloof, Waarachtig hart, Oprecht, Kwaadhater, -Godlief, Waarheiddienaar, Hemelschgezind, Bescheiden, Dankbaar, -Goedewerken, IJveraar voor God en Ootmoedig.[34] - - [34] ~De jurie neemt zitting en oordeelt~. Hier wordt de ziel - voorgesteld als tot zichzelve ingekeerd en nu zelf een rechtvaardig - vonnis uitsprekende over alle boosheid en goddeloosheid, waarover zij - zich nu schaamt en bedroeft. - -De heer Geloof was president en begon te spreken. „Mijne heeren,” zeide -hij, „wat mij betreft, zoo oordeel ik, dat de mannen, die heden voor de -vierschaar hebben gestaan, allen des doods schuldig zijn.” -- „En ik,” -zeide Waarachtig hart, „ben het geheel met u eens!” -- „Welk een weldaad -is het,” zeide de heer Kwaadhater, „dat zulk boeventuig in hechtenis -is!” - -[Afbeelding: DE GRONDWET WORDT VOORGELEZEN.] - -„Voorzeker,” zeide de heer Godlief, „dit is een van de aangenaamste -dagen, die ik ooit beleefde, waarop zij worden gevonnisd!” De heer -Waarheiddienaar voegde daarbij: „Ik weet, dat zoo wij hen ter dood -veroordeelen, El-Schaddaï zelf ons vonnis goedkeuren zal!” -- „Daar -twijfel ik niet aan,” zeide Hemelschgezind, „als zulke monsters ons -Menschziel zullen uitgeworpen zijn, welk een goddelijke stad zal het dan -wezen!” De heer Bescheiden sprak: „Wat mij aangaat zoo is het mijne -gewoonte niet mijn oordeel haastig uit te spreken, maar wat deze lieden -aangaat, hunne wanbedrijven zijn zóo openbaar en de getuigenissen tegen -hen zoo handtastelijk, dat hij wel moedwillig blind zou moeten wezen, -die zeggen zou: „deze lieden behoeven niet te sterven!”” -- „God zij -geloofd!” riep de heer Dankbaar, „dat deze verraders achter grendel en -slot zijn!” -- „Ik voeg mijn dank daarbij op mijn bloote knieën,” zeide -de heer Ootmoedig; en de heer Goede Werken sprak: „Ik ben er ook zeer -verblijd om.” De ijverige en oprechte heer IJveraar voor God zeide nog -ten slotte: „Laat hen afgesneden worden; zij zijn voor Menschziel een -pest geweest en hebben haar verderf gezocht.” - -Hiermede waren zij het dus allen eens en zoo kwamen zij weder binnen de -gerechtszaal. - -De klerk riep nu éen voor éen hunne namen af, waarop zij insgelijks éen -voor éen moesten antwoorden, en nadat dit door het gansche twaalftal was -gedaan werd hun gevraagd of zij het allen eens waren omtrent het -onderhavige rechtsgeding. Daarop antwoordden de leden der jurie -eenstemmig: „Ja.” - -De klerk vraagt verder: „Wie van u zal het woord voeren?” - -„Onze president,” werd geantwoord. - -De klerk. „Nu, gij mannen der jurie, die samen gekomen zijt in naam van -onzen Heer den Koning om hem te dienen in zake leven en dood, gij hebt -gehoord het rechtsgeding van elk der gevangenen voor de rechtbank -alhier: wat zegt gij? Zijn ze schuldig aan hetgeen hun te laste gelegd -is, of onschuldig?” - -De president antwoordde uit aller naam: „Schuldig!” - -De klerk: „Cipier, pas op uwe gevangenen.” - -Dit geschiedde in den morgen en in den namiddag ontvingen zij het vonnis -des doods, beschreven volgens de wet. - -De gevangenbewaarder zulk een bevel ontvangen hebbende zette hen alleen -in den binnensten kerker, om daar tot op den dag van de uitvoering van -het vonnis te worden bewaard, hetwelk den volgenden morgen aan hen zou -worden voltrokken. - -Maar ziet wat gebeurt er? Een van de gevangenen, Ongeloof genaamd, -breekt uit den kerker los in den tusschentijd, die er verliep tusschen -dat het vonnis werd uitgesproken en dat de terechtstelling zou plaats -hebben. Hij vluchtte uit Menschziel en verstak zich waar hij maar kon in -holen en spelonken, loerende er op om eene gelegenheid te vinden, -waarbij hij Menschziel weder eenig leed kon toebrengen als wraak over -zijn tegenwoordig vonnis.[35] - - [35] ~Het ontsnappen van Ongeloof~ is een der meesterlijke trekken uit - Bunyans pen. Ten slotte kan elke zonde tot ongeloof worden - teruggebracht en is dit de bron daarvan. - -Toen nu de cipier Waarachtig bemerkte, dat hij zijn gevangene verloren -had werd hij ten hoogste ontsteld, want om de waarheid te zeggen, die -gevangene was de ergste van allen. Daarom liep hij naar den -Burgemeester, naar den Griffier en naar den heer Vastewil om van hen het -bevel te ontvangen, dat door de gansche stad Menschziel naar hem zou -worden gezocht. Dat bevel werd gegeven en overal werd gezocht, maar zulk -een persoon als de aangeduide vond men in de gansche stad Menschziel -niet. Al wat men te weten kon komen was, dat hij een wijle aan den -buitenkant der stad had staan te loeren en dat hij hier en daar sommigen -schalkachtig had toegelachen, toen hij zich wegmaakte uit de stad. Ook -meenden een paar hem over de markt te hebben zien gaan. Kort nadat hij -weg was, kwam er een zekere heer Ziener, die getuigde, dat hij -heengegaan was, wandelende door dorre streken totdat hij Diábolus, zijn -vriend, ontmoette, en dat was juist bij Hellepoortsheuvel. - -Het was inderdaad voor den Reus een droevige geschiedenis, die Ongeloof -hem te verhalen had aangaande al de veranderingen, die Immanuel in -Menschziel gemaakt had; hoe hij algemeen pardon had gegeven, zijne -soldaten overal in de stad ingekwartierd, het beeld van Diábolus ter -neder geworpen, eenige Diábolus-mannen gearresteerd en veroordeeld, en -hoe hij de eenige gelukkig ontkomene was. Bij het hooren van dit verhaal -stiet Diábolus een gehuil uit, snoof met zijn neus in den wind als een -draak en deed de lucht van zijn gebrul weerklinken. Ook zwoer hij, dat -hij niet rusten zou vóor hij zich hierover op Menschziel gewroken had, -en die twee beraadslaagden reeds dadelijk tezamen hoe zij de stad weder -zouden kunnen bemachtigen. - -[Afbeelding: IMMANUELS FONTEIN.] - -„Het meest,” zeide Ongeloof, „hindert het mij, o mijn vader, dat die -Vastewil, die oproerling, die, zooals wij meenden, ons nooit in de steek -zou hebben gelaten, zich geheel heeft omgekeerd en nu in groote eere is -bij Immanuel, evenals hij het ook was bij u. Hij heeft dan ook op last -van zijn vorst alle Diábolus-mannen laten vatten en veroordeelen; acht -van de beste en trouwste vrienden van mijn heer zitten in den kerker, -ik, de negende, ben het nu ontkomen om het u aan te zeggen!” - -Zoo brak de dag der terechtstelling aan en de gevangenen in Menschziel -zouden worden gedood. Zij werden naar het kruis geleid en dat door -Menschziel zelve op de plechtigste manier; want de Prins zeide, dat dit -moest geschieden door de handen der inwoners, „opdat ik zien mag,” zeide -hij, „de bereidwilligheid mijner verloste Menschziel om mijn woord te -houden en mijne geboden te doen, en opdat ik Menschziel in deze -handelwijze kan zegenen en toejuichen. Bewijzen van oprechtheid behagen -mij zeer; laat daarom Menschziel beginnen met zelf de hand te slaan aan -deze Diábolus-mannen, om hen te vernielen.” [Rom. 8 : 13 en 6 : 12-14.] -[Gal. 5 : 24.] - -Zoo sloeg hen dan de stad Menschziel naar het woord van hunnen vorst; -maar toen de gevangenen uitgebracht werden om te worden gekruisigd, kunt -gij maar kwalijk gelooven welk een moeilijk werk Menschziel had om hen -ter dood te brengen. Deze booze mannen, wetende dat zij sterven moesten -en ieder in hun binnenste aan Menschziel een doodelijken haat -toedragende, stonden hunne bewaarders en geleiders tegen en verdedigden -zich wanhopig. Daarom zagen de mannen van Menschziel zich genoodzaakt om -hulp te roepen tot de kapiteins van den Prins en de soldaten. Nu had de -groote El-Schaddaï een Geheimschrijver in de stad, die de mannen van -Menschziel liefhad.[36] Deze was zonder dat zij het wisten op de plaats -der terechtstelling tegenwoordig. Pas hoorde hij hun hulpgeschrei of hij -stond op van zijne plaats en kwam hen te hulp. Hij legde zijne handen op -de handen der mannen van Menschziel. Zoo kruisigden zij dan de -Diábolus-mannen die een plaag, eene geeseling, eene schande voor de stad -Menschziel waren geweest. [Rom. 8 : 13.] - - [36] ~Een geheimschrijver~. De inwoning des Heiligen Geestes. - - - - -HOOFDSTUK VIII. - -DE NIEUWE GRONDWET. - - -Toen nu dit goede werk gedaan was, kwam de Prins neder om te zien en een -bezoek te brengen aan de menschen van Menschziel en eens vertrouwelijk -met hen te spreken, ten einde hunne handen te sterken in zulk een -Godewelgevallig werk. Hij zeide tot hen, dat hij hen in deze hunne -handeling had beproefd en bevonden had, dat zij beminnaars waren van -zijn persoon, onderhouders van zijne wetten en dat zij naijverig waren -op zijne eer. Hij zeide bovendien om hen te toonen, dat zij hierbij -niets zouden verliezen noch hunne stad verzwakken, dat hij iemand hun -ten hoofdman wilde geven, uit hun midden gekozen, die de wet aan duizend -stellen zou ten voordeele en ten zegen van de nu weer bloeiende stad -Menschziel. - -Zoo riep hij dan een persoon, wiens naam was Wachter, en verzocht hem -spoedig naar het kasteel te gaan, en daar te vragen naar zekeren heer -Ondervinding, die den edelen kapitein Geloof als adjudant was -toegevoegd, en hem te verzoeken mede te gaan. Zoo deed de boodschapper -wat hem bevolen was. De jeugdige edelman was bezig zijn heer te -bewonderen, terwijl hij het leger monsterde en exerceeren liet op de -binnenplaats van het kasteel. Toen zeide Wachter tot hem: „Mijnheer, de -Prins begeert, dat gij dadelijk bij Zijne Hoogheid komen zult.” Zoo kwam -hij dan tot Zijne Majesteit en maakte een diepe buiging voor hem. Nu -kenden de lieden der stad den heer Ondervinding wel, want hij was binnen -Menschziel geboren en opgevoed; zij wisten, dat hij een man was van een -goed gedrag, groote dapperheid en veel geduld; bovendien was hij een -zeer vriendelijk mensch, goed bespraakt en voorspoedig in zijne -ondernemingen. - -Daarom waren de harten der lieden van de stad vol vreugde toen zij -bemerkten, dat ook de Prins zoo met den heer Ondervinding was ingenomen, -dat hij hem kapitein wilde maken over een bende krijgsvolk. - -Zoo bogen zij zich dan eenstemmig voor Immanuel en riepen luide en -vroolijk: „Immanuel, leef in eeuwigheid!” Toen zeide de Prins tot den -jongen edelman, wiens naam Ondervinding was: „Ik heb goedgevonden u -eene post van eer en vertrouwen in mijne stad Menschziel te geven.” De -jonkman boog het hoofd en viel op eene knie. En Immanuel ging voort: -„Gij zult kapitein wezen over duizend man in mijn geliefde stad -Menschziel.” Toen zeide de kapitein: „Leve de koning!” Zoo gaf dan de -Prins bevel aan ’s konings secretaris, dat hij voor Ondervinding eene -aanstelling zou gereed maken, en zeide: „Breng die dan tot mij opdat ik -er mijn zegel op zette.” En aldus geschiedde het; alles werd in orde -gemaakt en door de hand van Wachter aan den nieuwen kapitein gezonden. - -[Afbeelding: DE SCHUILPLAATS DER DIÁBOLONISTEN.] - -Zoodra nu de kapitein zijne aanstelling ontvangen had, blies hij op de -bazuin om vrijwilligers op te roepen en de jongelingen kwamen toeloopen; -ja, de voornaamsten en opperhoofden der stad zonden hunne zonen om onder -zijne bevelen te staan. Aldus wierf kapitein Ondervinding zich een -compagnie om Immanuel te dienen. Hij had tot luitenant zekeren heer -Verstandig en tot zijn adjudant den heer Geheugen. Zijne onderofficieren -behoef ik niet te noemen. Hun uniform en hunne vaandels waren wit en hun -wapenschild een doode leeuw en een doode beer. Toen dit alles in orde -was keerde de Prins tot zijn paleis terug. [1 Sam. 17 : 36, 37.] - -Nauwelijks was hij daar wedergekeerd of de oudsten der stad, namelijk de -Burgemeester, de Griffier en de heer Vastewil, kwamen tot hem om hem te -bedanken voor zijn goede zorgen en zijn teeder medelijden, waarmede hij -opnieuw de stad Menschziel aan zich verplicht had. Na eenigen tijd van -aangenaam onderhoud keerden zij, eerbiedig afscheid nemende, weder naar -hunne woningen. - -Immanuel bepaalde nu ook een dag, waarop hij hunne grondwet zou -vernieuwen. Ja, hij wilde die vernieuwen en uitbreiden aangezien er vele -gebreken in waren, en het was zijn doel het juk van Menschziel te -verlichten. Dit deed hij zonder dat zij hem er zelfs om - gevraagd hadden, uit eigen vrije beweging. Zoo -zond hij dan om hunne oude wet, en nadat hij die ingezien had, legde -hij die ter zijde en sprak: „Wat oud is en verouderd, is nabij de -verdwijning. De stad Menschziel moet een andere en betere wet hebben met -nieuwe en meer bestendige voorrechten.” Hier is een schets van wat hij -instelde: [Hebr. 8 : 13.] [Matth. 11 : 28, 30.] - -„Ik, Immanuel, de Vredevorst en de groote liefhebber der stad -Menschziel, vergun en geef in naam mijns Vaders en uit mijne eigen -barmhartigheid en goedertierenheid aan mijne geliefde stad Menschziel: -Ten eerste, vrije, volkomene en eeuwige vergiffenis van alle kwaad, -beleediging en ongelijk, gepleegd tegen mijn Vader, mij, hunne naburen -en zichzelve. [Hebr. 8 : 12.] [1 Joh. 1 : 9.] - -Ten tweede, geef ik haar deze heilige wet en mijn testament met al wat -daarin bevat is tot haar eeuwigen vrede en eeuwige vertroosting. [Joh. -17 : 8, 14.] [2 Cor. 7 : 1.] - -Ten derde, geef ik haar een deel van diezelfde genade en -goedertierenheid, die in mijns Vaders hart en het mijne woont. [2 Petr. -1 : 4.] - -Ten vierde, geef en vermaak ik haar onbepaald de wereld en wat daarin is -ten haren beste; en zij zal die macht daarover hebben, welke bestaanbaar -is met de eer en heerlijkheid mijns Vaders en haar welzijn, ja, ik geef -haar de beneficiën van leven en dood en de tegenwoordige en toekomende -dingen. Deze voorrechten zullen geene andere stad, gemeente of -vereeniging gegund worden dan Menschziel alleen. [1 Cor. 3 : 21, 22.] - -Ten vijfde, geef ik haar ten allen tijde een vrijen toegang tot mij in -mijn paleis -- zoowel daarboven als hierbeneden, -- om hare nooden mij -bekend te maken, en ik geef haar bovendien de belofte, dat ik zal -luisteren naar al hare grieven en die herstellen. [Matth. 7 : 7.] [Hebr. -10 : 19-22.] - -Ten zesde, ik begunstig de stad Menschziel met onbepaalde macht en gezag -om op te sporen, te vatten, tot slaven te maken en te vernielen alle -Diábolus-mannen, die ooit of immer in de stad zullen worden -aangetroffen. - -Ten zevende, ik geef aan mijn geliefde stad Menschziel volmacht om niet -te dulden, dat er ooit reizigers, vreemdelingen of wie ook vrijen -toegang zullen hebben binnen hare muren of deel hebben aan hare -uitnemende voorrechten. Maar alle vergunningen, privilegiën en -voorrechten, die ik aan de vermaarde Menschziel geef, zijn voor de oude -inboorlingen en trouwe burgers, voor hen en voor hunne rechtmatige -afstammelingen en kinderen na hen. [Efez. 4 : 22.] [Col. 3 : 5-9.] - -Maar alle Diabolus-mannen van welk soort, geboorte, landstreek of -koninkrijk ook zullen daarvan uitgesloten zijn en er geen deel aan -hebben.” - -Dit is maar een klein uittreksel van de oneindig schoone privilegiën, -die bij wijze van grondwet door Immanuel aan Menschziel werden gegeven. -Toen zij ze ontvangen had bracht men ze ter plaatse, waar de afkondiging -zou plaats hebben, op het marktplein, en daar las de Griffier ze aan al -het volk voor. Dit gedaan zijnde, werd de wet teruggebracht naar het -kasteel en daar gegraveerd op de poorten in letters van goud, opdat de -stad Menschziel met al hare inwoners ze altijd in het gezicht zouden -hebben en de gezegende vrijheid aanschouwen, die hun Vorst hun had -verleend, zoodat hunne vreugde en liefde tot Immanuel onophoudelijk werd -gevoed. [2 Cor. 3 : 3.] [Jer. 31 : 33.] [Hebr. 8 : 10.] - -Welk eene vreugde, welk een troost nu de harten der goede lieden in deze -gelukkige stad vervulde, kan men zich nauwelijks verbeelden! De klokken -luidden, de muziekanten speelden, het volk danste, de kapiteins -juichten, de vaandels waaiden in den wind, de zilveren trompetten werden -geblazen, en de Diábolus-mannen waren nu maar blijde, dat zij zich -konden versteken, want zij zagen er uit als degenen, die al lang dood -zijn geweest. - -Toen dit voorbij was zond de Prins weder om de oudsten van Menschziel en -beraadslaagde met hen over een ministerie, dat hij in hun midden wilde -vestigen, zulk een ministerie, dat hen aangaande de tegenwoordige en -toekomende dingen zou inlichten en hen in alles onderwijzen. - -„Want,” zeide hij, „gij zijt van uit uzelven niet in staat den wil mijns -Vaders te kennen en diensvolgens evenmin te doen, wanneer gij geene -leeraren en leidslieden hebt.” [Jer. 10 : 23.] - -[Afbeelding: DAGELIJKSCHE LEZING BEGONNEN IN MENSCHZIEL] - -Bij deze tijding kwam, toen de oudsten van Menschziel die aan het volk -hadden medegedeeld, de gansche stad tezamen; want het behaagde hen, -evenals alles wat de Prins thans deed aan het volk behaagde, en allen -zonder onderscheid smeekten Zijne Majesteit, dat hij maar dadelijk zulk -eene bediening onder hen wilde invoeren, die hen beide wet en oordeel, -instelling en gebod leerde verstaan, opdat zij in al wat goed en -liefelijk was zouden worden ingewijd. Zoo verhaalde hij hun, dat hij hun -verzoek zou inwilligen, en dat hij er twee onder hen wilde aanstellen -met dit doel; de een kwam van zijns vaders hof en de andere was een -ingeborene van Menschziel. - -„Hij, die van het hof komt,” zeide de Prins, „is een persoon van niet -mindere waardigheid en macht dan mijn vader en ik. Hij is de Opperste -Geheimschrijver van mijns Vaders huis, want hij is en was altijd de -opperste uitlegger van al mijns Vaders wetten, een persoon in alle -geheimen ingewijd en kennende alle verborgenheden even goed als mijn -Vader en ik. Inderdaad is hij dan ook één met ons van natuur, even -beminnenswaard, even trouw en waarachtig, en hij staat in eeuwige -betrekking tot de stad Menschziel. [2 Petr. 1 : 21.] [1 Cor. 2 : 10.] [1 -Joh. 5 : 7.] - -„En deze persoon,” zeide de Prins, „moet uw opperste leermeester wezen, -want hij is het en hij alleen, die u klaar en duidelijk in alle hooge en -bovennatuurlijke dingen kan onderwijzen. Hij en hij alleen is het, die -de wegen en handelwijzen van mijn Vader kent; ook kan niemand gelijk hij -openbaren hoe het hart van mijnen Vader ten allen tijde, in alle dingen, -onder alle omstandigheden jegens Menschziel is gestemd, want evenals -niemand de dingen des menschen weet dan de geest des menschen, die in -hem is, zoo weet niemand de dingen mijns Vaders dan deze voorname en -machtige Geheimschrijver. Ook kan niemand gelijk hij aan Menschziel -verhalen hoe en wat zij doen moet om in de liefde mijns Vaders te -blijven deelen. Hij kan ook alleen verloren dingen terechtbrengen, het -verledene u herinneren en de toekomst u bekendmaken. Deze leeraar moet -daarom noodzakelijk den voorrang hebben, beide in uwe toegenegenheid en -oordeel, boven uwen anderen leermeester; zijne persoonlijke waardigheid, -de uitnemendheid van zijn onderwijs, de groote behendigheid, die hij -bezit om u te helpen om verzoekschriften op te stellen aan mijn Vader; -dit alles moet u de verplichting opleggen om hem lief te hebben, hem te -vreezen en op te passen, dat gij hem niet beleedigt. [Joh. 14 : 26; 16 : -13.] [1 Joh. 2 : 27.] - -„Deze persoon kan leven en kracht leggen in alles wat hij zegt: en kan u -dat ook in het hart prenten. Deze persoon kan zieners van u maken en u -leeren de toekomstige dingen te vertellen. Met dezen persoon moet gij al -uwe verzoekschriften tot mijn Vader en mij bespreken, en zonder zijne -voorlichting en raad mag niemand de stad of het kasteel van Menschziel -binnentreden, want dat zou zijn edele persoonlijkheid kwetsen. [1 Thess. -1 : 5, 6.] [Jud. 20.] [Efez. 6 : 18.] [Rom. 8 : 26.] [Openb. 2 : 7, 11, -17, 29.] [Efez. 4 : 30.] [Jez. 63 : 10.] - -„Pas op, zeg ik u, dat gij zijne bediening niet miskent; want als gij -hem bedroeft zal hij zich vijandig tegen u over stellen, en mocht hij -zoodanig door u worden getergd, dat hij u den oorlog aandoet, dan zou u -dit meer leed brengen dan twaalf legioenen krijgslieden van mijns Vaders -hof. - -„Maar, zooals ik zeide, wanneer gij naar hem luistert en hem liefhebt, -wanneer gij u aan zijn onderwijs onderwerpt en zijnen omgang zoekt, -gemeenschap met hem houdende, dan zult gij hem tienmaal beter vinden dan -de geheele wereld en haar bezit, ja hij zal de liefde mijns Vaders in uw -hart uitstorten en de inwoners van Menschziel zullen de wijsten en -gezegendsten van alle volken zijn.” - -Toen liet de Prins tot zich roepen den ouden edelman, die eertijds -Griffier of Secretaris van Menschziel geweest was, namelijk den heer -Geweten. Hij deelde hem meê, dat aangezien hij wel bekend was met de -wetten van het gouvernement, en daarbij wel bespraakt om aan de inwoners -den wil zijns Meesters uit te leggen en te openbaren in alle -aangelegenheden, zoo werd hij aangesteld tot deze bediening in de goede -stad Menschziel. „Gij moet u vooral toeleggen,” zeide de Prins, „op het -onderwijs van alle deugden en burgerlijke plichten; maar gij moet nooit -trachten of voorgeven een openbaarder te zijn van de hooge en verborgen -dingen, die in den boezem van El-Schaddaï, mijnen Vader, besloten -liggen; want deze dingen weet niemand noch kan iemand openbaren dan -mijns Vaders Geheimschrijver alleen. - -„Gij zijt een inboorling der stad Menschziel, maar de heer -Oppergeheimschrijver is een inboorling van mijns Vaders paleis, daarom -evenals gij kennis draagt van alle wetten en instellingen dezer stad, -zoo draagt hij kennis van al de dingen mijns Vaders. - -„Daarom, o Mijnheer Geweten, ofschoon ik u gemaakt heb tot een -bedienaar, leeraar en prediker voor de stad Menschziel, toch wat de -dingen aangaat, die de heer Oppergeheimschrijver kent en aan dit volk -zal onderwijzen, zoo moet gij een leerling en scholier van hem wezen -evenals al de andere burgers van Menschziel. - -[Afbeelding: DE PRINS BEKLEEDT HET VOLK.] - -„Gij moet daarom in alle hooge en bovennatuurlijke dingen tot hem gaan -om onderricht en vingerwijzing, want de inspiratie van dezen persoon -moet iedereen het rechte verstand geven. Daarom, o, gij heer Griffier, -houd u klein en wees nederig, en bedenk, dat de Diábolus-mannen, die hun -eerste beginsel niet bewaarden, maar afvallig werden nu gevangen liggen -in den afgrond. Wees daarom tevreden met uwen post. [Job. 32 : 8.] - -„Ik heb u mijns Vaders officier van justitie gemaakt in die dingen, -waarvan ik tevoren gesproken heb, en daarom gebruik uwe macht om de -lieden van Menschziel te onderwijzen, en om hen te tuchtigen en te -kastijden, wanneer zij niet gewillig zijn om u te hooren en uwe bevelen -te doen. - -„En nu, Mijnheer, dewijl gij oud zijt, en door vele wederwaardigheden -reeds verzwakt, daarom geef ik u vrijheid om wanneer gij wilt tot mijne -fontein te gaan en daar vrijelijk van mijn druivenbloed te drinken, want -mijne kanalen stroomen altijd van louter wijn. Aldus doende zult gij -alle onreinheid en schadelijke stoffen van uw hart en uwe maag -afdrijven. Ook zullen uwe oogen er door worden verlicht en uw geheugen -versterkt om al de wetten, die des konings edele Geheimschrijver u leert -te zien en te onthouden.” [Hebr. 9 : 14.] - -Toen de Prins aldus den voormaligen Secretaris of Griffier den post van -minister in Menschziel had geschonken, en de man dien dankbaar had -aanvaard, richtte Immanuel zich in een bijzondere toespraak tot de -lieden der stad zelven. - -„Ziet gij nu,” zeide de Prins tot hen, „mijne liefde en zorg? Ik heb bij -al wat verleden is nog deze barmhartigheid gevoegd om u leeraars en -predikers te geven; den hoogedelen Oppergeheimschrijver om u in alle -diepe en verheven mysteriën te onderrichten, en dezen edelman” -- -wijzende op den heer Geweten -- „om u alle menschelijke en -huishoudelijke zaken te leeren, want daarin bestaat zijne roeping. Hij -behoeft het daarom niet na te laten alle dingen, die hij uit den mond -van den Oppergeheimschrijver heeft gehoord, aan u mede te deelen, alleen -mag hij zich niet onderwinden zelf in eigen persoon een uitlegger en -openbaarder der verborgenheden te zijn; want dit ligt alleen op den weg -van den Oppergeheimschrijver zelven. Hij mag daarover spreken en dat -mogen de overige burgers van Menschziel ook doen, ja als de gelegenheid -zich aanbiedt mag en moet hij die zelfs zeer aandringen tot nut van het -algemeen. Deze dingen wil ik derhalve, dat gij zult waarnemen en doen, -want zij bevorderen uw leven en de lankheid uwer dagen. - -„Bovendien, geliefde heer Griffier en gij allen, die in de stad -Menschziel woont -- gij moet u hechten aan hetgeen hij u heeft te leeren -en uit te leggen tot uwen troost voor de toekomende wereld, die ik het -voornemen heb u te geven als deze wereld oud en versleten is; want -daartoe moet ge geheellijk en alleen uw toevlucht nemen tot de leer, die -uw eerste en opperste leermeester u onderwijst. Ja, de heer Geweten zelf -moet niet trachten het leven te putten uit datgene, hetwelk hij zelf -openbaart; zijne afhankelijkheid daaromtrent is duidelijk in de leer van -den anderen prediker. Laat de heer Geweten aldus zorg dragen, dat hij -geen andere leer aanneemt, die hem niet is meêgedeeld door zijn -oppersten leeraar, of die hem alleen is duidelijk geworden door zijne -eigen kennis.” - -Nadat nu deze dingen in de vermaarde stad waren ingesteld, ging de Prins -voort aan de oudsten der gemeente een noodzakelijke aanwijzing te geven -hoe zij zich hadden te gedragen omtrent de hoogedele kapiteins, die hij -van zijns Vaders hof had medegebracht of gezonden. - -„Deze kapiteins,” zeide hij, „hebben de stad Menschziel lief en zij zijn -uitverkoren mannen, uitverkoren uit velen om in de oorlogen van -El-Schaddaï tegen Diábolus te dienen tot behoudenis der stad Menschziel. -Daarom beveel ik u, gij inwoners van deze nu bloeiende stad, dat gij u -niet onbetamelijk jegens hen gedraagt, want ofschoon zij harten en -aangezichten hebben als leeuwen wanneer zij ten strijde worden geroepen -tegen de vijanden des konings en de vijanden van Menschziel, zoo zal het -evenwel gebeuren, dat wanneer Menschziel hen slechts een weinig -ongenoegen geeft of droefheid veroorzaakt hunne aangezichten daardoor -bedrukt en verslagen zullen worden, ja, gij zult hen verzwakken en den -moed benemen. Gedraagt u derhalve, o mijne beminden, niet onvriendelijk -jegens mijne kloekmoedige kapiteins en dappere oorlogshelden; maar hebt -hen lief, voedt en ondersteunt hen en zet uw hart op hen, en zij zullen -niet alleen voor u strijden, maar ook maken, dat alle Diábolusmannen, -die het er op blijven toeleggen om u zoo mogelijk ten val te brengen en -te verderven, van u zullen wegvlieden. - -„Indien te eeniger tijd iemand uit uw midden ziek of zwak of onbekwaam -ware tot den liefdedienst waartoe uwe harten geneigd zijn, en dien zij -bij gezondheid en welstand ook waarnemen, zoo veracht of verwerpt hen -dan niet, maar moedigt hen liever aan, al zijn ze zwak en den dood -nabij; want ze zijn uwe beschermers, uw garnizoen, uwe muren, uwe -poorten, uwe sloten en grendelen. En hoewel gij als ze zwak zijn, weinig -bijstand van hen hebt te wachten, ja zij dan zelfs uwe hulp noodig -hebben, zoo weet gij toch tot welke oorlogsdaden zij in staat zijn -wanneer het hun welgaat. Bedenkt daarbij, dat zoo zij zwak zijn, gij -niet sterk kunt wezen, en zoo zij sterk zijn, gij niet zwak kunt zijn. -Uwe behoudenis is dus nauw verbonden aan hun gezondheid en welvaren en -aan het goede, dat gij hun doet. En bedenkt ook dat als zij ziek zijn, -hunne krankheid aanstekelijk is voor de stad Menschziel. [Hebr. 12 : -12.] [Jes. 35 : 3.] [Openb. 3 : 2.][1 Thess. 5 : 14.] - -„Deze dingen heb ik u gezegd, omdat ik uw welvaren en uwe eere bemin. -Neem u daarom in acht, o mijn Menschziel, dat gij nauwgezet zijt in alle -dingen, die ik u opdraag en dat niet slechts als eene stadsgemeente aan -uwe bestuurders, wachters en hoofdlieden, maar ook aan u als -afzonderlijke personen, omdat uw welzijn afhangt van het inachtnemen der -bevelen van uwen Heer. - -[Afbeelding: VERVERSCHINGEN NAAR MENSCHZIEL GEBRACHT.] - -„Verder, o, mijn Menschziel, moet ik u waarschuwen, niettegenstaande de -hervormingen, die thans onder u gewerkt zijn, dat gij altijd noodig hebt -waakzaam en op uwe hoede te wezen, omdat ik er zeker van ben, en gij -zult het later ook zelf bemerken, dat er nog Diábolus-mannen in de stad -zijn overgebleven; Diábolus-vrienden, die onverzoenlijk zijn, en dat nu -reeds, terwijl ik bij u ben, hoeveel te meer wanneer ik van u zal gegaan -zijn. Zij zullen samenspannen en allerlei complotten maken, zich op -allerlei wijzen inspannen, allerlei uitvindingen doen en wat dies meer -zij, om u te brengen tot een toestand, erger dan de Egyptische -slavernij. Ze zijn innige vrienden van Diábolus, weest daarom -voorzichtig. Zij waren eertijds gewoon met hunnen vorst verblijf te -houden in uw kasteel, toen Ongeloof burgemeester van de stad was; maar -sinds mijne komst aldaar houden zij zich meer op in de buitenwerken -langs de wallen; daar hebben zij zich holen en kelders en spelonken -gemaakt. Daarom, o Menschziel, zal uw werk in dit opzicht wel moeielijk -en hard zijn; gij moet ze grijpen, inkerkeren en ter dood brengen -volgens mijns Vaders wil. Ook kunt gij u niet geheel van hen ontdoen, of -gij moest al de wallen van uwe stad slechten en dat zou ik u toch niet -raden. Vraagt gij mij: wat zullen wij dan doen? Wel, weest op uwe hoede -en gedraagt u als mannen; bespiedt hunne holen, vindt hunne -verblijfplaatsen uit; valt hen aan en maakt geen vrede met hen. Waar zij -zich ook verstoppen, loeren of in hinderlaag liggen, hoe zij zich ook -soms vernederen, of welke voorstellen van vrede zij u doen, laat u niet -met hen in, en tusschen u en mij zal alles wèl zijn. En opdat gij hen -des te beter weet te onderscheiden en te onderkennen uit de inboorlingen -van Menschziel, zal ik u hier in het kort hunne namen opgeven. Luistert: -Hoererij, Onreinheid, Moord, Toorn, Onkuischheid, Bedrog, Boosoog, -Dronkenschap, Brasserij, Afgoderij, Tooverij, Twist, Afgunst, Nijd, -Oproer en Ketterij. Deze zijn de voornaamsten dergenen, die u voor -eeuwig zoeken te verderven; deze zijn spionnen en indringers in -Menschziel. Onderzoekt nu maar ijverig de wetten van uwen koning; daar -zult gij eene beschrijving van hen vinden en de merkteekenen, waaraan -gij hen zeker herkennen zult. [Mark 7 : 21, 22.] [Rom. 7 : 18.] - -„Deze boosdoeners zullen, o Menschziel, (en hoe blijde zou ik wezen als -gij hiervan stellig overtuigd waart) indien gij toelaat, dat zij -ongehinderd rondom de stad heen en weder loopen, als slangen en adders -weldra uwe ingewanden verteeren, uwe kapiteins vergiftigen, uwe soldaten -de zenuwen afsnijden, de sloten en grendels verbreken en het thans zoo -bloeiende Menschziel maken tot een dorre, huilende wildernis, een -puinhoop. Derhalve opdat gij moed moogt hebben om deze booswichten, waar -gij ze ook betrapt, te grijpen, zoo geef ik aan de heeren Geloof, -Vastewil en den Griffier, mitsgaders aan alle ingezetenen der stad -volkomen macht en last om alle slag van Diábolus-mannen op te zoeken, te -grijpen en ter dood te brengen door hen aan een kruis te hangen waar of -wanneer gij hen vindt, hetzij schuilende binnen de stad of rondzwervende -rondom de muren. - -„Ik zeide u tevoren, o Menschziel, dat ik een geregelden leerdienst -onder u heb ingesteld, maar ook dat gij behalve die twee voorname -leeraren nog meer onderwijzers hebt; want mijne vier eerste kapiteins, -die tegen Diábolus en de zijnen in Menschziel optrokken, zullen -eveneens, als de nood het eischt en zij daartoe worden verzocht, de -ingezetenen in het bijzonder onderwijzen en in het openbaar goede en -heilzame voorbeelden geven, die u in den rechten weg zullen leiden. Ja, -zij zullen zoo het noodig is, een wekelijksche of zelfs dagelijksche -bijeenkomst houden om daarin goede lessen te geven, die u als ge ze -inachtneemt, ten einde toe zullen ten goede komen. Draagt toch vooral -zorg geen van die allen te sparen, welke ik u geboden heb te kruisigen. -Dit zal ik u nog zeggen: ik heb u daar die booswichten en snoodaards met -hunne namen voor oogen gesteld, maar ik zeg u ook dat sommigen hunner -zich aan u zullen voordoen in een andere gedaante alsof ze zeer -godsdienstig zijn; deze zullen u, als ge niet waakt, zooveel schade en -nadeel toebrengen als gij u maar nauwelijks kunt verbeelden. Weest -daarom waakzaam en matig, en laat u niet bedriegen.” - -Toen de Prins aldus de stad Menschziel hervormd had en haar onderwezen -in hetgeen haar nuttig wezen kon, bepaalde hij een anderen dag, waarop -het zijn voornemen was, als het volk der stad saamgekomen was, de stad -Menschziel met een eereteeken te begiftigen, -- een kenmerk, dat haar -boven alle volken, koninkrijken en tongen, die op den ganschen aardbodem -woonden, zou onderscheiden. Het duurde niet lang of die bestemde dag was -gekomen en vorst en volk ontmoetten elkander in ’s konings paleis, waar -Immanuel eerst een korte toespraak tot hen hield en daarna deed wat hij -beloofd had. - -„Mijn dierbaar Menschziel,” zeide hij, „wat ik nu gereed sta te doen is -geschikt om u aan gansch de wereld kenbaar te maken als de mijne en u -alzoo ook in uwe eigen oogen te verheffen boven alle verraders, welke in -u mochten binnensluipen.” - -Toen beval hij, dat zij, die hem dienden, uit zijne schatten deze witte -blinkende kleederen zouden tevoorschijn brengen, „die ik,” zeide hij, -„heb gekocht en voor mijn Menschziel weggelegd.” Zoo werden dan die -witte kleederen uit zijne schatkameren gehaald, en voor de oogen des -volks vertoond. Bovendien was het hun vergund ze aan te nemen en aan te -trekken, „ieder naar dat het hem past,” zeide hij. Zoo werden dan alle -burgers in het wit gekleed, in fijn wit linnen, overheerlijk rein en -glanzend. [Openb. 19 : 8.] - -Toen zeide de Prins tot hen: „Dit, o Menschziel, is mijn liverei en het -kenmerk, waaraan men mijne onderdanen van anderer dienaren onderscheidt. -Ja, deze vergun ik aan allen, die de mijnen zijn, en zonder die is het -niemand meer geoorloofd mijn aangezicht te zien. Draag ze daarom om -mijnentwil, die ze u gaf, en aldus zult gij bij de gansche wereld als de -mijnen bekend wezen.” - -Nu kunt gij u verbeelden hoe Menschziel schitterde! Zij was helder als -de zon, klaar als de maan en ontzagwekkend als een leger met banieren. - -De Prins voegde daar verder nog bij: „Geen vorst, potentaat of -machthebber in het gansche heelal geeft deze liverei behalve ik zelf. -Daarom zult gij hierdoor als de mijnen uitblinken. En waar ik nu aan u -mijne liverei gegeven heb, zoo zal ik u daaromtrent ook mijne bevelen -geven, en zorg, dat gij mijne woorden goed onthoudt. - -[Afbeelding: IMMANUEL VERTREKT UIT MENSCHZIEL.] - -„Eerstens. Draagt dit kleed dagelijks, opdat gij niet, in gebreke -daarvan, aan anderen zoudt toeschijnen de mijnen niet te wezen. [Pred. -9 : 8.] - -„Ten tweede. Houdt het altijd wit, want als het bezoedeld wordt is het -eene schande voor mij. [Openb. 3 : 4.] - -„Ten derde. Schort het daarom op en omgordt u, opdat het niet door het -slijk slepe. - -„Ten vierde. Past op, dat gij het niet verliest, anders wandelt gij -naakt en zullen de lieden uwe schaamte zien. - -„Ten vijfde. Maar als gij het mocht bezoedelen, hetgeen mij zeer zou -smarten en waarover Diábolus zeer vroolijk wezen zou, spoedt u dan voort -om te doen wat in mijne wet geschreven staat, opdat gij moogt staan en -niet vallen voor mij en mijnen troon. Dit is aldus de weg, die maakt dat -ik u niet verlaat, maar voor altijd in deze mijne stad Menschziel zal -wonen.” [Luk. 21 : 36.] [Openb. 7 : 14-17.] - -En nu was de stad Menschziel met hare inwoners als een zegel op -Immanuels rechterhand. Waar was nu eene stad of plaats, die zich met -Menschziel kon vergelijken? Eene stad, verlost uit de hand en de macht -van Diábolus; eene stad, die de koning El-Schaddaï liefhad en waarheen -hij Immanuel gezonden had, om haar van den vorst over den put des -afgronds te redden; ja, eene stad, waarin Immanuel gaarne woonde en die -hij tot zijne koninklijke residentie had uitverkoren; eene stad, die hij -voor zichzelven versterkt had en sterk gemaakt door de kracht van zijn -heirmacht. Wat zal ik meer zeggen? Menschziel had nu den -voortreffelijksten vorst, gouden kapiteins en krijgslieden, -krijgsvoorraad, en daarbij kleederen wit als sneeuw. Zal nu Menschziel -ook in staat zijn deze voorrechten te waardeeren en te gebruiken tot het -doel, waartoe ze haar zijn gegeven? - -Toen dit alles nu naar het welbehagen van den Prins was in orde -gebracht, beval hij dat zijn standaard op de gebouwen van het kasteel -zou worden geplaatst. En daarna bracht hij haar menigmaal een bezoek. -Geen dag mocht nu meer voorbijgaan of de oudsten van Menschziel moesten -tot hem komen in zijn paleis. Dan wandelden zij samen rond en spraken -over alle groote dingen, die hij gedaan had, en wat hij beloofde in de -toekomst voor de stad Menschziel te doen. Dit gebeurde menigmalen met -den Burgemeester, den heer Vastewil en den eerlijken prediker Geweten. -Maar o hoe genadig, hoe nederbuigend en teeder gedroeg deze gezegende -Prins zich thans jegens de stad Menschziel! In al de straten, tuinen, -boomgaarden, ja overal ging hij rond om te zien of de arme ook zijn deel -kreeg; ja hij kuste die armen, en was iemand krank dan legde hij hem de -handen op en maakte hem gezond. En wat de kapiteins betreft, van dag tot -dag, ja soms van uur tot uur kwam hij hen bemoedigen met zijne -vereerende tegenwoordigheid en aangename gesprekken. Gij moet dan ook -weten, dat een glimlach van hem meer kracht en leven in hen stroomen -deed dan iets anders onder den hemel had kunnen doen. [2 Cor. 6 : 16.] - -De Prins wilde hen ook dikwijls te gast hebben; nauwelijks eene week -ging voorbij of een feestmaal had plaats. Gij zult u herinneren, dat wij -reeds melding gemaakt hebben van een feest, dat zij samen vierden; maar -nu werd dat feestvieren meer een gewone zaak; iedere dag mocht nu wel -een feestdag voor Menschziel heeten. En als zij dan naar huis -terugkeerden zond hij hen niet ledig weg; ieder moest wat hebben: een -ring, een gouden keten, een armband, een edelgesteente of iets -dergelijks; zoo dierbaar was Menschziel hem thans, zoo liefelijk was het -in zijne oogen. [1 Cor. 5 : 8.] - -Ten andere. Wanneer de oudsten en burgers niet bij hem kwamen, dan zond -hij hun een overvloedigen voorraad spijze, die van het hof kwam, wijn en -brood, die voor zijns Vaders disch waren toebereid; ja zulke lekkernijen -zond hij hun en overdekte daarmede hunne tafel, dat ieder, die ze -aanschouwde, erkennen moest: dergelijke zijn in geen ander koninkrijk -gezien. - -En verder. Wanneer Menschziel hem niet zoo vaak bezocht als hij zulks -begeerde, dan ging hij tot hen uit, klopte aan hunne deuren en begeerde -toegelaten te worden, opdat de vriendschap onderhouden bleef; wanneer -zij hoorden en hem open deden, zooals zij gewoonlijk deden als zij -tehuis waren, dan vernieuwde hij zijn vroegere liefde en bevestigde die -door nieuwe bewijzen van zijn gunst. - -[Afbeelding: VREEZE-GODS OP HET FEEST VAN VLEESCHELIJKE GERUSTHEID.] - -En was het nu niet verrukkelijk te zien, dat in diezelfde plaats, waar -Diábolus zijne woonplaats had, en zijne knechten onderhield tot groote -schade van Menschziel, de Vorst der vorsten nu met hen aanzat etende -en drinkende, terwijl al zijne hoofdmannen, krijgsvolk, trompetters met -de zangers en zangeressen van zijn Vader daar rondom hem stonden! Nu -vloeide de beker van Menschziel over, nu stroomde er zoete wijn in hunne -bekers en aten zij de fijnste meelbloem en dronken melk en honig uit den -rotssteen. Nu zeiden zij: hoe groot is zijne goedheid! want sedert ik -aangenaam was in zijne oogen heeft hij mij bovenmate verheerlijkt! - -Nog stelde de gezegende Prins een nieuwen overheidspersoon in de stad -aan, die een zeer goed man was. Hij heette Vrede Gods. Deze officier -werd gesteld over heer Vastewil, den Burgemeester, den Griffier, den -tweeden prediker, den heer Verstand, en over alle inboorlingen der stad -Menschziel. Hij zelf was geen inboorling, maar kwam met den Prins van ’s -konings hof. Hij was een zeer vertrouwde vriend van kapitein Geloof en -kapitein Hoop; sommigen zeggen, dat zij bloedverwanten waren en ik -geloof het ook. Deze man nu werd aangesteld tot algemeenen gouverneur -der stad, waar kapitein Geloof hem ter zijde stond. Ik heb duidelijk -opgemerkt, dat zoolang alle dingen in Menschziel naar den zin van dezen -goedhartigen edelman gedaan werden, ieder er volkomen gelukkig was. Nu -waren er geen twisten of veten, geen vechtpartijen of scheldwoorden in -de gansche stad, ieder hield zich nauwgezet bij zijn eigen werk. De -wachters, de officieren, de soldaten, allen gehoorzaamden hem. En wat de -vrouwen en kinderen betreft, ook zij waren vroolijk aan hunne -bezigheden, zij zongen bij den arbeid van den morgen tot den avond, -zoodat in de gansche stad niet anders werd gehoord en gezien dan -harmonie, rust, vreugde en gezondheid. En dit duurde zoo den geheelen -zomer. [Col. 3 : 15.] [Rom. 15 : 13.] - - - - -HOOFDSTUK IX. - -GEVAAR VOOR MENSCHZIEL. - - -Maar nu was er een man in de stad, wiens naam was -Vleeschelijke-Gerustheid. Deze persoon bracht na al deze barmhartigheid -aan deze plaats bewezen de stad Menschziel in een groote en jammervolle -slavernij. Een korte beschrijving van hem en zijn werk moet hier volgen. - -Toen Diábolus voor het eerst bezit nam van deze stad, bracht hij een -groot getal Diábolus-mannen met zich mede, allen lieden van eigen soort. -Onder deze nu was er een, die Zelfbedrog heette, een voornaam heer en -zoo aanzienlijk als toen ter tijd niemand anders in de stad. Diábolus -bemerkende, dat deze zeer werkzaam, stout en onbeschaamd was, gebruikte -hem menigvuldig en tot zeer gewichtige zaken, die hij dan ook met veel -beteren uitslag vervulde dan eenig ander persoon, die met hem uit den -put des afgronds gekomen was, waarom hij hem zeer bevorderde en naast -den heer Vastewil plaatste. Daar de heer Vastewil in die dagen heel wat -met Zelfbedrog ophad, gaf hij hem zijne dochter, mejuffrouw Zonder Vrees -tot vrouw. Welnu uit deze echt van Zelfbedrog en mejuffrouw Zonder Vrees -werd Vleeschelijke-Gerustheid geboren. Vandaar kwam het dat in -Menschziel zulke vreemde vermenging had plaats gehad, dat het soms -moeilijk was uit te vorschen of zij echte afstammelingen van -inboorlingen waren of niet; want de heer Vleeschelijke-Gerustheid had -van moeders zijde den echten ouden burger Vastewil tot vader, terwijl -hij van vaders zijde een Diábolus-man was. - -Deze Vleeschelijke-Gerustheid nu, had waarlijk treffende gelijkenis met -vader en moeder, hij was zelfbedrog en vreesde niets en daarbij was hij -zeer werkzaam en vlug. Daar was niets nieuws, geen nieuwe leer, geen -nieuwe mode of handelwijze of welke verandering het ook zij in -Menschziel, of hij was er bij van het begin tot het einde. Maar eene -eigenschap had hij daarbij van zich nooit te voegen bij de minderheid of -bij die het verloren; de sterkste zijde koos hij steeds. - -Toen nu El-Schaddaï, die machtige, en Immanuel zijn zoon aan Menschziel -den oorlog verklaarden, ten einde het te veroveren, leefde -Vleeschelijke-Gerustheid reeds in de stad en maakte hij zich reeds zeer -druk onder het volk, het aanmoedigend tot opstand en hen opwekkende om -toch in den tegenstand tegen ’s konings troepen te volharden. Maar toen -hij zag, dat de stad was ingenomen en omgeschapen in een residentie van -den grooten Prins Immanuel, toen hij daarbij ook zag wat er van Diábolus -kwam, hoe hij vernederd en verjaagd was en hoe verder alles plaatsvond -zooals wij hebben beschreven, keerde hij op eenmaal zijn mantel om, en -evenals hij tevoren Diábolus tegen den Prins gediend had, ging hij nu -den Prins dienen tegen Diábolus. - -[Afbeelding: DE BURGEMEESTER WACHT AAN DE POORT.] - -Nadat hij een weinig kennis genomen had van Immanuels doen en -handelwijze, voegde hij zich weder bij de burgers en begon ook weer als -van ouds over het een en ander meê te praten. Hij wist, dat de macht en -sterkte van Menschziel zeer groot waren, en dat het voorzeker de -burgerij zeer behagen zou wanneer hij daarover roemde en hen prees. Zoo -begint hij dan listiglijk met de macht en grootheid van Menschziel te -roemen en haar als onverwinnelijk voor te stellen. Nu eens verheerlijkte -hij hare kapiteins en hare slingerwerktuigen en stormrammen; dan weer -had hij allerlei schoons te vertellen van hare fortificaties en -kasteelen, eindelijk wees hij hen op de duidelijke verzekering van -hunnen vorst, dat Menschziel voor altijd gelukkig zou wezen. Toen hij nu -bemerkte, dat sommigen der burgers met zijne gesprekken zeer waren -ingenomen en zich gaarne door hem lieten vleien, maakte hij er zijn werk -van van straat tot straat te wandelen, huis in huis uit te gaan, de -burgers éen voor éen te bezoeken, en ten langen laatste bracht hij er -Menschziel toe naar zijne pijpen te dansen en telkens toe te nemen in -vleeschelijke gerustheid, tot zij eindelijk zoo onbezorgd waren als hij -zelf. Van het praten kwam het tot maaltijden, en van deze feestdagen -zelfs tot spotternij. Zoo kwam uit het éen het andere voort. Nu was -Immanuel nog in de stad en zag deze dingen aan. Hij bemerkte dat de -Burgemeester, de heer Vastewil en de Griffier ook al door het gebabbel -van dezen Diábolus-man waren medegesleept, vergetende de waarschuwing, -die hun vorst hun had gegeven om toch door geen enkele Diábolische -streek zich te laten verschalken. Hij had hun immers duidelijk -aangetoond, dat hunne veiligheid niet afhing van de tegenwoordige -kracht en sterkte der stad alleen, maar veel meer van het gebruik, dat -zij daarvan maakten, en van de inwoning van Immanuel in haar kasteel. -Want de rechte leer van Immanuel was, dat de stad Menschziel toch zou -toezien om nooit de liefde van hem of zijn Vader te vergeten, zich aldus -gedragende, dat zij in deze liefde bleven om daaruit kracht te putten. -En dit was nu immers geenszins de weg om daarin te blijven, namelijk -waar zij zoo verliefd geraakten op dezen Diábolus-man, en dan nog wel op -zulk een persoon als deze Vleeschelijke-Gerustheid was, zoodat zij zich -door hem bij den neus lieten nemen. Zij hadden naar hun Prins moeten -luisteren; hunnen Prins moeten vreezen, hunnen Prins beminnen, en dezen -nietswaardigen deugniet met steenen steenigen. Ze hadden moeten blijven -wandelen in de wegen, door den Vorst hun voorgeschreven, want dan zou -hun vrede geweest zijn als eene rivier en hunne gerechtigheid als de -golven der zee. - -Toen nu Immanuel bemerkte, dat door de slimme handelwijze van den heer -Vleeschelijke-Gerustheid de harten der lieden van Menschziel jegens hem -waren verkoeld en hun werkdadige liefde jegens hem verminderd, begon hij -eerstens met den Oppergeheimschrijver hun staat en toestand te beweenen, -zeggende: „O, dat mijn volk naar mij had geluisterd en dat Menschziel in -mijne wegen gewandeld had! Ik zou het met de vetste tarwe hebben gevoed, -en zou hen gelaafd hebben met honig uit den rotssteen.” Daarna sprak hij -in zijn hart: „ik zal terugkeeren naar het hof en naar mijne eigen -plaats gaan opdat Menschziel hare schuld in dezen leere kennen en -inzien.” En zoo deed hij dan ook weldra, want zij maakten, dat hij weg -moest door dat zij hem veronachtzaamden. Ziet hier wat ze deden. - -1^{e}. Zij hielden op hem volgens hunne gewoonte te komen bezoeken; -neen, ze kwamen niet meer als tevoren in het koninklijk paleis. - -2^{e}. Het kon hen niet meer schelen of hij hen kwam bezoeken in hunne -woningen. - -3^{e}. Zij verzuimden nu tot de liefdemaaltijden te komen, die hij -steeds voor hen gereed maakte. Hij liet hen wel roepen, maar zij kwamen -niet en verheugden er zich niet meer mede. - -4^{e}. Zij wachtten niet langer tot hij hun raad gaf, maar zij begonnen -eigenwijs en zelfvertrouwend te worden, besluitende, dat zij nu sterk -genoeg waren en onoverwinnelijk, en dat Menschziel veilig was boven het -bereik van elken vijand en dat hun toestand voor eeuwig onbewogen -blijven zou. - -Nu, zooals gezegd is, Immanuel bemerkende, dat door den invloed van -Vleeschelijke-Gerustheid de stad Menschziel hare afhankelijkheid van hem -en zijn Vader niet meer gevoelde en waagde hem te beleedigen, zoo -betreurde hij eerst haar staat en toen stelde hij middelen in het werk -om haar te doen verstaan, dat haar tegenwoordige weg gevaarlijk was. -Daartoe zond hij den Oppergeheimschrijver tot haar om haar zulke wegen -te ontraden. Toen deze tot de burgers kwam vond hij hen juist bij den -heer Vleeschelijke-Gerustheid aan tafel en met hem in gesprek. Alzoo -bemerkende, dat zij niet over dingen met hem wilden spreken, die hen -goed konden doen, werd hij bedroefd en ging weg. Pas had hij dit aan den -Prins verhaald, of deze was daar zoo boos en bedroefd om, dat hij -maatregelen nam om naar zijns Vaders hof terug te keeren. - -De manier waarop hij daarbij handelde, was deze: - -1^{e}. Ofschoon hij nog in Menschziel bleef zoo hield hij zich meer -verborgen en afgezonderd dan eertijds. - -2^{e}. Zijn toespraak was, als hij tot hen kwam, niet meer zoo aangenaam -en vertrouwelijk als tevoren. - -3^{e}. Ook zond hij evenmin als in verleden tijden aan de burgers -lekkernijen van zijn eigen tafel. - -4^{e}. Ook als zij hem nog nu en dan bezochten, wilde hij niet meer zoo -dadelijk hen te woord staan, zooals zij hem vroeger altijd bereid hadden -gevonden. Zij moesten nu een of tweemaal kloppen, maar het scheen, dat -hij hen niet opmerkte, terwijl vroeger als hun voetstap maar vernomen -werd, hij reeds opstond en hen tegemoet ging om hen onderweg te -ontmoeten, te omhelzen en aan zijn hart te drukken. - -Maar Immanuel hield zich maar zoo; het was zijn doel op deze wijze hen -tot nagedachten te brengen opdat zij tot hem wederkeerden. Maar, helaas, -zij merkten het niet op, zij kenden zijne wegen niet, zij werden er niet -door getroffen en vergaten de vorige gunstbewijzen. Wat deed hij dan nu? -Hij verwijderde zich stillekens uit zijn paleis en begaf zich naar de -stadspoort. Zoo verliet hij dan Menschziel totdat het arme volk zijne -overtreding leerde kennen en zeer ernstig zijn aangezicht zocht. Ook de -heer Vrede Gods legde zijne bediening neer en wilde voor het -tegenwoordige niets meer met de stad te doen hebben. [Ezech. 11 : 21.] -[Hos. 5 : 15.] [Lev. 26 : 21-24.] - -[Afbeelding: BOODSCHAPPERS GAANDE NAAR EN KOMENDE VAN MENSCHZIEL.] - -Aldus gedroegen zij zich verkeerd jegens hem en hij bij wijze van -tegenstelling gedroeg zich ook verkeerd jegens hen. Maar, helaas, te -dezer tijd waren zij zoo verhard in hunne wegen en hadden zij de leer -van Vleeschelijke-Gerustheid zóo ingedronken, dat het vertrek van den -Prins hen niet trof; zij bemerkten het niet eens, dat hij wegging en -daarom bedroefde zijne afwezigheid hen ook niet. [Jer. 2 : 32.] - -Nu gebeurde het op zekeren tijd, dat deze oude heer -Vleeschelijke-Gerustheid een feest aanrichtte voor de burgers van -Menschziel, en daar kwam ook een zekere heer Vreeze Gods bij, een -edelman, die eertijds groote achting genoot in Menschziel. Helaas, het -voornemen van Vleeschelijke-Gerustheid was ook dezen heer te misleiden -evenals de rest, daarom had hij hem thans met zijne buren op het feest -verzocht. Op het bestemde uur kwam hij dan ook met de andere gasten. Ze -gingen aan tafel en dronken samen, maar deze eene man, Vreeze Gods, deed -niet meê; want hij zat daar als een vreemdeling, die er in het geheel -niet bij behoort. Dit bemerkte de gastheer en sprak hem aan: - -„Mijnheer Vreeze Gods,” zeide hij, „zijt gij niet wel? Gij schijnt naar -lichaam of ziel krank te wezen of misschien wel beiden tegelijk. Ik heb -eene hartsterking voor u, door Vergeet-het-Goede klaar gemaakt; indien -gij daar een droppel of wat van neemt, zal het u recht prettig en -vroolijk maken, en daardoor dan ook meer geschikt voor dit lustige -gezelschap.” - -Daarop antwoordde de goede oude heer zeer vriendelijk: „Ik bedank u wel -voor al uwe beleefdheden en voorkomendheid; maar wat uwe hartsterking -betreft, daarin heb ik geen lust. Ik zal slechts éen woord spreken tot -de inwoners van Menschziel. „Gij ingeborenen van Menschziel, gij -oudsten en voornaamsten der stad, hoe is het mogelijk, dat gij u zoo -vroolijk en blijde gedragen kunt, waar onze goede stad in zulk een -beklagenswaardigen toestand verkeert?” - -Toen zeide de heer Vleeschelijke-Gerustheid: „Gij hebt slaap noodig, -mijn goede man, dat geloof ik vast. Leg u als het u belieft neer en -slaap eens uit, dan kunnen wij in dien tusschentijd vroolijk zijn.” - -Daarop antwoordde de goede man het volgende: „Mijnheer, wanneer gij een -eerlijk hart bezat, zoudt gij niet kunnen handelen zooals gij doet en -gedaan hebt.” - -Toen zeide de heer Vleeschelijke-Gerustheid: „Wat dan?” - -Vreeze Gods. „Ik bid u val mij niet in de reden. Het is waar, dat de -stad Menschziel sterk was en op éene voorwaarde ondoordringbaar en -onneembaar; maar gij, de lieden der stad zelven, hebt haar verzwakt, en -daarom ligt zij thans voor hare vijanden open. Nu is het geen tijd om -elkander te vleien, of om stil te zitten; gij, mijnheer, hebt Menschziel -beroofd en de eere van haar genomen; gij hebt de stad nedergeworpen, de -poorten opengebroken, gij hebt hare grendels en sloten weggenomen. - -„En om mij nu nauwkeurig uit te drukken, Mijne heeren van Menschziel, -van dien tijd af, dat gij zoo groot zijt geworden, is de sterkste van -Menschziel weggenomen; hij is opgestaan en heengegaan. Wanneer iemand de -waarheid mijner woorden in twijfel trekt, dan zal ik hem alleen -beantwoorden met deze wedervraag: waar is de Prins Immanuel? Waar heeft -iemand onzer hem gezien? Wanneer hoordet gij van hem of proefdet iets -van zijne kostelijke lekkernijen? Gij zijt nu bezig feest te vieren met -de Diábolische monsters, maar hij is uw vorst niet. Daarom zeg ik, -ofschoon de vijanden van buiten, als gij u goed gehouden hadt, geen -prooi van u hadden kunnen maken, zoo zijn, sedert gij gezondigd hebt, uw -vijanden binnen in u, u reeds te sterk!” - -Toen Vleeschelijke-Gerustheid dit hoorde riep hij: „O foei, Vreeze Gods! -Foei wat is dat voor taal? Zult gij dan nooit uwe bloohartigheid -afleggen? Zijt gij dan nog altijd bang voor het vogelgeschrei? Wie doet -u kwaad? Ik houd het geheel met u, alleen met dit onderscheid, dat gij -het twijfelen bemint, en ik ben gaarne verzekerd van de zaak. Waarom -vervalt gij dan nu tot uwe eigen schande en tot onze schrik in zulke -droefgeestige redenen, daar gij beter deedt te eten en te drinken en -vroolijk te zijn?” - -Maar Vreeze Gods antwoordde weder: „Met recht mag ik droevig wezen, want -Immanuel is van Menschziel weggegaan. Hij is weggegaan, zeg ik, en gij -zelf hebt hem verdreven; ja Hij is zóo stillekens afgetrokken, dat hij -de edelen van Menschziel geen kennis gegeven heeft van zijn vertrek. En -als dit nu niet als een teeken van zijne gramschap is te beschouwen, dan -heb ik van den weg der Godzaligheid geene kennis. - -„En gij, mijne heeren edelen! tot u richt ik in het bijzonder het woord. -Dat gij u zoo trapsgewijze van hem vervreemd hebt, heeft hem genoodzaakt -zich ook langzamerhand van u terug te trekken, hopende dat gij daardoor -gevoelig zoudt worden en uzelven verootmoedigen. Maar ziende, dat gij -daarop geen acht sloegt noch de beginselen van zijnen toorn en zijne -oordeelen hebt ter harte genomen, zoo heeft hij deze plaats verlaten, -dat heb ik met eigen oogen gezien. Terwijl gij aldus roemt is uwe -sterkte vergaan, en gij zijt gelijk aan den man, wien vroeger de -haarlokken op zijne schouders hingen, maar nu zijn ze afgesneden. Gij -moogt evenals dezen uwen gastheer uzelven uitschudden en denken, dat gij -zult uitgaan als in vroegere tijden, maar daar gij zonder uwen vorst -niets vermoogt en hij van u is geweken, zoo verandert vrij uwe feesten -in jammerklachten en uwe vreugde in klaagliederen.” - -Toen begon onmiddellijk de tweede leeraar, de oude heer Geweten, die -vroeger griffier van Menschziel was, hem op deze wijze te helpen. - -„Inderdaad, mijne broeders”, zeide hij, „ik vrees, dat deze oude heer -ons de waarheid zegt: ik voor mij heb mijn heer en vorst in langen tijd -niet gezien; ik herinner mij zelfs den juisten datum niet meer, en ik -kan de vraag van Vreeze Gods niet beantwoorden. Ik twijfel en ik vreeze, -dat het noodlottig met ons gesteld is.” - -Vreeze Gods. „Neen, ik weet, dat gij hem niet vinden zult in gansch -Menschziel, want is hij heengegaan, en wel om den wille van de schuld -der oudsten, omdat zij zijn goede gunsten met onverschilligheid -beantwoord hebben.” - -[Afbeelding: ONHEILIG AAN DE POORT DES AFGRONDS.] - -Toen zag de heer Geweten er uit alsof hij dood neervallen zou en -desgelijks alle aanwezigen uitgezonderd de heer van het huis. Allen -zagen bleek van schrik. Zich daarna een weinig hersteld hebbende en zich -overtuigd hebbende, dat Vreeze Gods de waarheid sprak, begonnen zij -samen te overleggen wat in dezen te doen ware. De gastheer had zich -intusschen verwijderd, want het ging hem niet naar den zin; maar allen -werden overtuigd, dat hij hen in de ellende gebracht had, en dat zij -daardoor de liefde van Immanuel verbeurd hadden. Daarbij kwam een woord -van hunnen vorst weer versch in hun geheugen terug aangaande hetgeen zij -met de valsche profeten doen zouden. Het eind van deze beraadslaging -was, dat zij het gansche huis van den heer Vleeschelijke Gerustheid -boven zijn hoofd in brand staken, want het bleek, dat hij ook een -Diábolus-man was. - -Toen dit geschied was deden zij hun best om hunnen vorst Immanuel in het -oog te krijgen. Zij zochten hem, maar zij vonden hem niet. Daardoor -werden zij nog meer overtuigd van de waarheid van ’s heeren Vreeze Gods -woorden, en hiermede kwam ook een groote droefheid over hen, omdat zij -wel inzagen, dat dit alles hun eigen schuld was. [Hoogl. 5 : 6.] - -Nu begaven zij zich tot den Oppergeheimschrijver, tot hem, dien zij -vroeger geweigerd hadden te hooren, en dien zij met hunne handelingen -zoo hadden gegriefd. Zij wilden omdat hij een ziener was, van hem te -weten komen waar Immanuel was, en hoe zij hunnen heer een verzoekschrift -zouden toezenden, maar de Oppergeheimschrijver wilde hen niet tot eene -samenkomst toelaten, tot hen uitkomen. [Jes. 63 : 10.] [Efez. 4 : 10.] -[1 Thess. 5 : 19.] - -O, welk een nevelachtige en donkere dag was het nu voor Menschziel! Een -dag van wolken en donkerheid. Nu zagen zij in hoe dwaas zij geweest -waren, en welk eene schade al het gesnater van Vleeschelijke-Gerustheid -hun had bezorgd! Maar wat het hun nog verder kosten zou, dat wisten zij -niet; maar de heer Vreeze Gods kwam in hoog aanzien en er werd op hem -gezien als een profeet. - -Toen de sabbatdag was aangebroken, gingen zij uit om hunnen tweeden -leeraar te hooren prediken; maar o, wat liet hij dezen dag een -donderslagen en bliksemschichten door de vergadering gaan. Zijn tekst -was: „Die de valsche ijdelheid onderhouden, verlaten hunne -weldadigheid.” Maar er was zulk eene kracht in die preek en zulk eene -verootmoediging op het aangezicht der hoorders te lezen, dat nog maar -zelden of ooit zulk eene prediking had plaats gehad. Het volk, dat uit -de kerk kwam, was maar kwalijk in staat hun woning weder te bereiken en -de volgende week hun gewone bezigheden te doen, zóo waren zij verbroken -en ter neergeslagen door die ernstige verkondiging. [Jona 2 : 8.] - -Maar hij hield niet alleen Menschziel hare zonden voor, maar beefde ook -voor zichzelven onder het gevoel van zijne eigen schuld. O riep hij uit, -ongelukkige, die ik ben! dat ik zulke booze stukken gedaan heb! En dat -nog wel ik, een leeraar, die door den vorst aangesteld is om Menschziel -te onderrichten en zijne wet te verklaren, dat ik de eerste geweest ben -om mede af te vallen in de ongerechtigheid. Ik had tegen den afval met -luider stem behooren te waarschuwen, maar ik liet Menschziel afdwalen en -Immanuel uit haar midden wegdrijven, ja, zich verwijderen uit hare -landpalen. Met deze dingen beschuldigde hij ook al den adel en de heeren -van Menschziel, zoodat allen even bedroefd waren. - -Omtrent dezen tijd brak er ook een zware ziekte in de stad uit, waardoor -de meeste inwoners getroffen werden. Ja, ook de kapiteins en het -krijgsvolk geraakten daardoor aan het uitteeren, en dit had al eenigen -tijd plaats gehad eer het openbaar werd. Ware in dezen staat van zaken -een vijand gekomen om de stad te belegeren, het zou er treurig hebben -uitgezien. Hoeveel bleeke aangezichten, hoeveel slappe handen en zwakke, -knikkende knieën, hoeveel struikelende menschen waren nu langs de -straten te zien! Hier hoorde men zuchten, ginds gekerm, elders lagen er -eenigen als aan den oever des doods. Ook de kleederen, die Immanuel hun -gegeven had, waren in een slechten staat, haveloos, gescheurd, bemorst -en onrein zagen zij er uit, en aan sommigen hingen ze zoo los om de -leden, dat er gevaar bestond ze ieder oogenblik te verliezen. [Hebr. -12 : 12, 13.] [Jes. 3 : 24.] [Openb. 3 : 2.] - -Toen men nu eenige dagen in dezen naren staat doorgebracht had liet de -heer Geweten een vastendag uitroepen, opdat een ieder zich zou -verootmoedigen wegens zijne goddelooze handelingen jegens El-Schaddaï -en diens zoon. Hij verzocht Boanerges op dien vastendag te prediken, -hetgeen deze ook deed, en ter bestemder tijd voor het volk optrad met de -woorden: „Houwt hem uit, waartoe beslaat hij onnuttelijk de aarde?” Nu, -hij hield daarover een zeer scherpe preek. Hij toonde aan bij welke -gelegenheid die woorden waren gesproken, namelijk omdat de vijgeboom dor -en onvruchtbaar was. Daarna verklaarde hij hun de beteekenis dezer -vermaning als dienende tot bekeering of algeheele verwoesting. Ook wees -hij op het gezag, dat dit woord had als door El-Schaddaï zelven -gesproken. En de toepassing van die preek was van dien aard, dat het -arme Menschziel sidderde en beefde. Deze predikatie evenals de -voorgaande vermocht veel op het hart der lieden; zij was dienstig om -degenen, die door de eerste preek wakker geschud waren, ook wakker te -houden. De gansche stad was nu vol droefheid en weeklacht. [Luk. 13 : -7.] - -[Afbeelding: DIÁBOLONISTEN VERKLEED OP DE MARKT.] - -Nadat de kerk uit was kwamen de lieden samen om te raadplegen wat in -dezen te doen ware. Maar de tweede prediker der stad sprak: „Ik wil -niets doen uit mijzelven zonder geraadpleegd te hebben met mijn buurman -Vreeze Gods. Want daar hij in het eerst meer van onzen vorst en diens -handelingen wist dan wij, zoo zou het ook nu kunnen wezen, dat hij ons -wist te raden, daar wij naar het goede pad willen terugkeeren.” - -Zoo werd dan om Vreeze Gods gezonden, die aanstonds verscheen en zich -aldus liet hooren: „Ik ben van oordeel, dat Menschziel in deze hare -benauwdheid een ootmoedig rekwest aan hare beleedigden vorst Immanuel -moet aanbieden om hem te verzoeken, dat hij in gunst en genade tot haar -wederkeere en niet voor eeuwig den toorn behoude.” - -De stedelingen stemden hierin volmondig toe en het verzoekschrift werd -opgesteld. Maar wie zou het nu brengen? Ten laatste kwam men overeen, -dat de Burgemeester het doen zou. Dit gebeurde. De Burgemeester begaf -zich op weg naar het hof van El-Schaddaï, waar Immanuel, de vorst van -Menschziel, zich bevond, en hij kwam daar ook aan. Maar de poort was -gesloten en een sterke macht bewaakte die, zoodat de afgezant langen -tijd moest buiten blijven staan. Daarom verzocht hij, dat iemand tot den -Prins mocht gaan om hem mede te deelen wie daar buiten aan de poort -stond en wat hij kwam doen. Zoo gebeurde het dan ook. Er was iemand, die -aan El-Schaddaï en zijn Immanuel berichtte, dat de Burgemeester van -Menschziel daar buiten stond en verzocht in tegenwoordigheid van den -Prins te worden toegelaten; maar de vorst wilde niet afkomen of -toelaten, dat hem de poort ontsloten werd. Zijn antwoord luidde: „Zij -hebben mij den rug gekeerd, en niet het aangezicht, maar nu in dezen -tijd hunner benauwdheid zeggen zij tot mij: sta op en behoud ons. Maar -kunnen zij nu niet gaan tot hunne Vleeschelijke-Gerustheid, tot wien zij -zich begaven als zij mij verlieten, en maken hem in deze benauwdheid tot -hunnen leidsman en beschermer? Waarom komen zij mij nu in hunnen angst -zoeken, daar zij zich in hunnen voorspoed van mij hebben afgekeerd?” -[Klaagl. 3 : 8, 44.] [Jer. 2 : 27, 28.] - -Dit antwoord maakte, dat de heer Burgemeester zwart werd in zijn -aangezicht, hij was beroerd, verpletterd, als in zijn binnenste -verscheurd. Nu begon hij weder te gevoelen wat het te zeggen was geweest -gemeenzaam te worden met een Diábolus-man als Vleeschelijke-Gerustheid. -Maar ziende dat er voor dit oogenblik aan het hof weinig uitkomst was -zoomin voor hem als voor de stad, sloeg hij op zijne borst en keerde -weenende terug, den ganschen weg langs het beklagenswaardig Menschziel -betreurende. - -En als hij nu in het gezicht der stad genaderd was, zoo gingen de -oudsten en edelen om hem te begroeten en te vernemen welk wedervaren hij -gehad had. Maar hij antwoordde hen op een zoo droevigen toon, dat zij -allen het uitschreeuwden, klaagden en weenden. Zij wierpen ook asch op -hunne hoofden en deden een zak om hunne lenden, gaande al weenende door -de stad. Toen de overige burgers dit vernamen, jammerden zij met hen -meê. Dit was voor hen allen een dag van tuchtiging, ontsteltenis, -benauwdheid en angst. - -Nadat zij nu weder een weinig bedaard waren, kwam het stadsvolk weder -samen om te beraadslagen wat hun nu te doen stond. Wederom vraagden zij -het advies van den ouden heer Vreeze Gods, en deze zeide hun, dat er -geen ander en geen beter middel was dan maar voortdurend requesten te -zenden naar het hof; ook al werden ze met bestraffing of met stilzwijgen -beantwoord, toch maar telkens opnieuw hunne smeekschriften opzenden. -„Want,” zeide hij, „het is El-Schaddaï’s gewoonte de menschen te laten -wachten om hun lijdzaamheid te leeren, en zij, die in nood zitten, -moeten gewillig zijn om te verbeiden.” - -Zoo vatten zij dan weder moed en zonden weder en weder en nogmaals -weder; nu ging er geen dag, ja nauwelijks een uur voorbij, of men -ontmoette in den omtrek der stad een rijdenden postbode, die op zijn -hoorn blies van Menschziel af tot aan het paleis van El-Schaddaï; en die -allen droegen smeekbrieven of verzoekschriften ten gunste van -Menschziel, of keerden van het hof terug. Ja, de weg was vol -boodschappers, gaande en komende, die elkander ontmoetten en dit duurde -zoo voort dien ganschen harden kouden wintertijd. - - - - -HOOFDSTUK X. - -EEN DIABOLISCH COMPLOT. - - -Wanneer gij het nog niet vergeten zijt, dan herinnert gij u hoe ik u -tevoren mededeelde, dat, nadat Immanuel Menschziel had ingenomen en -vernieuwd, er nog heel wat loerende Diábolusmannen overbleven, die zich -in de holen en spelonken verscholen. De namen van sommigen hunner zijn -ook genoemd, als daar zijn Onreinheid, Overspel, Moord, Toorn, Overdaad, -Bedrog, Boosoog, Lastering en vooral die gevaarlijke booswicht, de oude -Gierigheid. Tegen hen had de goede Prins aan den heer Vastewil en de -anderen, ja, aan de gansche stad bevelen gegeven ze op te zoeken, te -grijpen en ten onder te brengen, ten einde alzoo de vijanden van hunnen -vorst uit de gezegende stad weg te doen. Doch zij hadden dezen last niet -volvoerd, en verzuimd de Diábolisten na te speuren en vast te zetten of -te verdoen. Wat deden nu deze booswichten? Zij verkloekten zich en -staken langzamerhand het hoofd weder op. Nu en dan vertoonden zij zich -aan de burgers en sommigen van dezen begonnen, helaas, maar al te -gemeenzaam met hen om te gaan, tot groot nadeel der stad, zooals later -zal blijken. - -[Afbeelding: ZIEKTEN IN MENSCHZIEL.] - -Deze overgebleven Diábolus-mannen, bemerkende, dat Menschziel zijnen -vorst beleedigd, en hij zich aan de stad onttrokken had en weggegaan -was, maakten onderling eene samenzwering tot verderf der stad. Zoo -kwamen zij op zekeren tijd samen in den schuilhoek van Boosheid, een oud -heer, die ook tot de Diábolus-mannen behoorde, en overlegden daar hoe -zij de stad weder in de handen van hunnen heer zouden overleveren. De -een raadde dit, de ander wat anders, tot ten laatste de heer Onkuisch -voorsloeg, dat enkelen hunner zich aan de inwoners van Menschziel als -dienstknechten zouden aanbieden. „Indien het hun gelukt als zoodanig -geplaatst te worden, zouden zij voor ons en onzen heer het innemen der -stad veel gemakkelijken,” zeide hij. Maar Moord, die booswicht, stond op -en sprak: „Dat mag heden niet geschieden, want Menschziel is nu in -beroering en zeer boos omdat zij reeds eenmaal door onzen vriend -Vleeschelijke-Gerustheid is verschrikt. Wij moeten geschikter tijd -afwachten. Daarenboven hebben zij in last ons te grijpen en te verslaan, -waar zij ons ook vinden. Laat ons dan listig zijn als de vossen.” Zoo -werden zij het dan samen eens, dat éen hunner uit aller naam een brief -zou gaan brengen aan Diábolus, waarin men hem alles zou mededeelen -zoowel aangaande de ongenade, waarin Menschziel bij zijnen vorst viel, -als aangaande hun plan in dezen. - -Die brief werd spoedig opgesteld en was van den volgenden inhoud: - -„Aan onzen grooten heer, den vorst Diábolus, wonende op den bodem der -hel. - -„Groote vader en machtige vorst Diábolus, wij uwe getrouwe aanhangers, -nog overgebleven in de rebelleerende stad Menschziel, die ons aanzijn -van u ontvangen hebben en uit uwe hand leven; -- wij kunnen onmogelijk -langer met onverschilligheid aanzien, dat gij aldus veracht, -onvriendelijk behandeld en versmaad wordt door de inwoners dezer stad. -Ook is uwe afwezigheid ons hoogst onaangenaam, dewijl zij tot onze -schade dient. - -„De reden, waarom wij thans aan onzen heer schrijven, is omdat wij nog -niet alle hoop hebben opgegeven, dat deze stad nog eenmaal weder uwe -woning worde; want zij is grootelijks van haren heer afgeweken en hij is -tegen haar vertoornd en van haar weggegaan, ja, ofschoon zij telkens -opnieuw tot hem zenden, dat hij toch mocht wederkeeren, zoo kunnen zij -hem niet bewegen of een goed woord van hem loskrijgen. Er heeft ook -onlangs eene hevige ziekte geheerscht, die nog aanhoudt, en dat niet -onder lieden van den geringen stand, maar onder de aanzienlijksten en de -hoogste rangen. Wij, Diábolus-mannen, blijven echter gezond en wel, -sterk en levenslustig, zoodat wij oordeelen, dat zij door hunne -overtreding ter eener zijde en hunne ziekte en zwakheid ter anderer -zijde gansch en al voor uwe macht open liggen. Zoo het derhalve bestaan -kan met uw geduchte wijsheid, en is naar den raad van uwe vorsten om nog -eens een aanslag op Menschziel te wagen, laat het ons dan weten, en wij -zijn gereed ons uiterste te doen om haar in uwe hand over te leveren. -Zoo echter hetgeen wij zeggen door u niet geschikt geoordeeld wordt, -laat ons dan uwe meening met een paar woorden weten; want wij zijn -bereid uwen raad in alles op te volgen, al hing er ons leven van af. - -„Aldus gegeven onder onze eigen hand, na voorafgaand overleg ten huize -van den heer Boos, die nog levend overgebleven is, in onze begeerlijke -stad Menschziel!” - -Toen Onheilig met dezen brief aan den Hellepoortsheuvel kwam, (want hij -was de bode), klopte hij aan de koperen poort om te worden -binnengelaten. Daarop deed de deurwachter Cerberus de poort open en nam -den brief aan, welken hij onmiddellijk aan Diábolus overgaf met de -woorden: „Tijding uit Menschziel, Mijnheer! Zij komt van vertrouwde -vrienden.” - -Nu kwamen uit alle hoeken van den afgrond Beëlzebul, Lucifer, Apollyon -met al de rest van dat gespuis voor den dag om te vernemen wat er gaande -was. Men opende den brief en las hem in tegenwoordigheid van Cerberus. -Die lezing was luid genoeg om hetgeen er in stond in alle hoeken van den -afgrond te doen weerklinken. Onmiddellijk werd bevel gegeven, dat van -louter blijdschap de doodsklok zou worden geluid, hetgeen ook gebeurde, -en alle helsche vorsten verheugden zich, dat Menschziel nog het -onderspit zou delven. De klokkeluider riep: „De stad Menschziel -- komt -wonen -- bij ons -- in de hel! Maak plaats dan -- voor Menschziel -- -in de diepte der hel!” Dit alles bewees, dat zij hoopten Menschziel weer -machtig te worden. - -[Afbeelding: ONHEILIG VOOR DIÁBOLUS.] - -Nadat deze akelige plechtigheid volbracht was, kwamen zij weder samen om -te overleggen welk antwoord zij aan hunne vrienden zenden zouden. Omdat -de zaak spoed vereischte lieten zij het geheel aan vorst Diábolus over, -oordeelende, dat hij de eigenlijke vorst en heer der stad was. Hij -stelde dan naar eigen goedvinden een brief op en zond hem door dezelfde -hand terug, die de tijding gebracht had. Hier is de inhoud: - -„Aan ons geslacht, de hoogmogende Diábolus-mannen, die nog wonen in de -stad Menschziel. Diábolus, de groote vorst, wenscht een gelukkigen -uitslag aan die goede ondernemingen, raadslagen en voornemens, die gij -uit liefde tot onze eer en heerlijkheid in uwe harten koestert, om ze -uit te voeren tegen Menschziel. - -„Beminde kinderen en leerlingen, Mijneheeren Onkuisch, Overspel en de -anderen! Wij hebben hier in ons eenzaam verblijf uw aangename letteren -ontvangen door de hand van onzen vertrouweling Onheilig, en om te toonen -hoezeer wij er ons over verheugden, hebben wij van blijdschap onze -klokken geluid. Hoe blijde zijn wij dat wij nog vrienden in Menschziel -hebben, en dat haar Prins vertoornd is weggegaan. Ook hoorden wij met -genoegen van hunne ziekte en uwe gezondheid. Hoe blijde zouden wij ook -wezen, konden wij deze stad weder in onze macht krijgen, en daartoe -zullen wij geen enkele helsche list sparen. Natuurlijk wordt gij dan ook -weder onze kapiteins en overheden. Wij komen met sterkere macht dan de -eerste maal, want zijn wij er nu weder meester van, dan blijft zij de -onze voor eeuwig, aangezien het eene wet van hun vorst is, dat, zoo wij -hen ten tweeden male overwinnen, zij dan ons ongestoord en wettig -eigendom blijft. - -„Doet dan nog nauwkeuriger onderzoek en tracht al de zwakke zijden van -Menschziel te bespieden. Gij moet ons ook eens laten weten welk middel u -het beste voorkomt om hen te krenken, namelijk door hen tot een -loszinnig leven te verleiden of hen tot wanhoop en vertwijfeling te -brengen, of wel de stad te laten in de lucht springen door ons buskruit -van hoogmoed en zelfbedrog. Houdt u gereed om van binnen een ijselijk -wapengeschrei aan te heffen, wanneer wij van buiten vaardig zijn om -storm te loopen. Bovendien moeten wij deze dingen met haast doen. Al de -zegeningen des afgronds zijn over u! - - „Gegeven aan den mond van den put des afgronds door gemeene - toestemming van al de vorsten der duisternis om gezonden te worden, - naar het geweld, dat wij nog in Menschziel uitoefenen, door de hand - van den heer Onheilig. - - Door mij, Diábolus.” - -Deze brief werd nu naar Menschziel gezonden tot de Diábolus-mannen, -welke daar overbleven in de wallen. Toen nu deze Onheilig weder in -Menschziel was teruggekeerd, begaf hij zich onmiddellijk naar de woning -van heer Boos, want daar kwam de troep samen. Bemerkende, dat hun -afgezant gezond en wel was teruggekeerd, verheugden zij zich, en hunne -blijdschap nam nog toe toen zij den brief van Diábolus hadden gelezen. -Zij vraagden Onheilig naar den welstand van al hunne bekenden in den put -des afgronds, en zetten zich daarna weder aan het beraadslagen. - -Het eerst werd bepaald, dat zij alles voor Menschziel zouden stil -houden. „Laat het toch niemand merken welk voornemen wij tegen hen -koesteren,” zeiden zij. Na eenig heen en weer praten stond de heer -Bedrog op en zeide: „Echte Diábolus-vrienden, luistert. Onze heeren en -machtigen uit den afgrond stellen ons drie wegen voor. De eerste is de -weg der loszinnigheid, de tweede die van den wanhoop, en de derde het -doen springen van alles door hoogmoed en zelfbedrog. Ik voor mij geloof -dat haar hoogmoedig te maken wel iets helpen zal en dat loszinnigheid -ook wel eenige uitwerking kan hebben; maar konden wij haar tot wanhoop -brengen, dan hadden wij het rechte punt geraakt. Dan zouden wij haar in -de eerste plaats aan de hartelijke liefde van haar vorst doen twijfelen, -en dat zal hem zeer tegenstaan. Werkt dit een weinig door dan zullen zij -wel ophouden verzoekschriften naar hem op te zenden -- dan is het uit -met al dat smeeken en kermen om hulp en bijstand; want dan ligt de -sluitrede voor de hand: „Waartoe zal dit alles dienen?”” En in dezen -raad van Bedrog stemden zij eenparig toe. - -Maar nu deed zich de vraag voor: hoe zullen wij dit ons voornemen ten -uitvoer brengen? En dezelfde heer beantwoordde die vraag als volgt: -„Laat zoovelen van onze vrienden als die niet schromen zich voor hunnen -vorst in het gevaar te begeven, zich vermommen, andere namen aannemen, -en als boeren verkleed naar de markt gaan. Laat hen zich aanstellen als -wilden zij in de stad Menschziel dienen als knechten en arbeiders. Laat -hen zich voor hunne meesters zoo diep mogelijk buigen. Indien Menschziel -hen dan huurt, zullen zij in korten tijd zoo verdorven worden, dat zij -het ongenoegen van hunnen vorst geheel over zich brengen, en hem zóo -vertoornen, dat hij hen uit zijn mond spuwt. Is dit geschied, dan zal -onze vorst op hen aanvallen, en zij vallen ons als vanzelf in de -klauwen.” - -[Afbeelding: DIÁBOLUS’ HAAT EN KWAADAARDIGHEID.] - -Dit voorstel was nog maar kwalijk gedaan of het werd toegejuicht en al -de Diábolus-mannen drongen zich voorwaarts om zulk een schoonen buit -machtig te worden. Er werden er nu een drietal uitgezocht, n. l. de -heeren Gierigheid, Onreinheid en Gramschap. Gierigheid noemde zich -Spaarzaam, Onreinheid veranderde zijn naam in Geoorloofd-vermaak, en -Gramschap noemde zich Voortvarendheid. - -Op zekeren marktdag lieten zich deze drie vroolijke klanten op den markt -vinden, aangenaam voor het oog en in schapenvachten gekleed, die zoo wit -waren, ja, bijna zoo wit als de kleederen van Menschziel; ook konden zij -de taal van Menschziel duidelijk spreken. Toen zij op de markt gekomen -waren en aan de burgers hun dienst aangeboden hadden, werden zij ook -spoedig gehuurd, want zij eischten maar weinig loon en beloofden hunnen -meesters trouwen dienst. - -De heer Gemoed huurde Spaarzaam; en de heer Vreeze Gods huurde -Voortvarendheid; Geoorloofd Vermaak ging niet zoo spoedig van de hand; -hij kon zoo vlug als de anderen geen meester krijgen, want het was in de -vasten. Maar toen deze bijna uit was, kreeg ook hij een dienst bij den -heer Vastewil als lijfknecht. Zoo hadden nu allen meesters. Toen deze -booswichten op die wijze in de huizen der lieden van Menschziel waren, -begonnen zij daar aldra veel kwaads te doen; want listig en boos als -dit gebroed was, zoo bedierven zij de huisgezinnen en sarden hunne -meesters; vooral Spaarzaam en Geoorloofd-vermaak. Hij, die onder den -naam van Voortvarendheid doorging, behaagde ook zijn meester zoo niet, -want deze zag weldra, dat hij een huichelachtige deugniet was. En pas -had de schelm dit bemerkt of hij pakte zich het huis uit, of anders zou -zijn meester hem zonder twijfel hebben opgehangen. - -Toen nu deze fielten het zoo ver gebracht hadden en alles zooveel -mogelijk hadden bespied en bedorven wat zij konden, beraadslaagden zij -op welken tijd Diábolus van buiten den aanval zou wagen, en zij hem van -binnen ondersteunen. Zij kwamen overeen, dat een marktdag daarvoor de -geschiktste tijd zou wezen; want dan waren de stedelingen het drukste. -Men kan dit als een vaste regel aannemen, wanneer de menschen het -drukste zijn in hunne bezigheden, dan vreezen zij het minst voor een -overval. De Diábolus-mannen zouden dan ook het best den tijd hebben, -meenden zij, om te ontsnappen. Dit alles besloten zijnde, schreven zij -een brief en zonden dien weer op door de hand van Onheilig. Hij luide -ongeveer als volgt: - -„De heeren der ijdelheid zenden aan den grooten en machtigen Diábolus, -uit onze holen en spelonken in en om de wallen van Menschziel groetenis. - -„Onze groote heer en onderhouder van ons leven, Diábolus! hoe blijde -waren wij als wij uwe vaderlijke bereidwilligheid vernamen om ons -behulpzaam te wezen ten einde Menschziel in het verderf te storten. -[Rom. 7 : 21.] [Gal. 5 : 17.] - -„Wij hebben dan eerst overwogen dat helsch drievoudig ontwerp, dat gij -ons in uwen laatsten brief voorsteldet, en besloten eindelijk dat het -ons best voorkwam haar te voeren in eene zee van wanhoop. Wij hebben -gemeend op tweeërlei wijzen dit ontwerp uit te voeren. Ten eerste door -de stad zoo goddeloos te maken als wij maar kunnen, en daarna u te -verzoeken de stad op een gegeven oogenblik aan te vallen. Als gij dan -een leger van twijfelmoedigheid meebrengt zult gij wel het best van -allen slagen. Op die wijze moeten wij winnen, en als de poel zijn mond -opent, zullen zij zich in wanhoop daarin storten. Reeds hebben wij drie -van onze vertrouwelingen onder hen gezonden, die zich vermomd en hunne -namen veranderd hebben, te weten Gierigheid, Onreinheid en Gramschap. -Deze laatste diende onder den naam van Voortvarendheid bij den heer -Vreeze Gods, maar die oude heer heeft hem weggejaagd. ’t Had hem bijna -zijn leven gekost. De anderen hebben het beter getroffen, maar alle -werkten mede om ons plan tot wijsheid te brengen. - -„Nu stellen wij u voor, dat gij de stad aanvalt op een marktdag, omdat -zij dan het zorgeloost zijn en het minst aan een overval denken; zij -kunnen zich dan het minst verdedigen, en wij, uwe getrouwen, zullen -gereed staan om u van binnen te helpen. In de verwarring zal alles -gelukken. Indien uwe slangenkoppen en draken onzen heer een beteren weg -kunnen wijzen, laat ons dan spoedig uw wil kennen. - - Aan de monsters van den put des afgronds uit het huis van Boos, in - Menschziel, door de hand van Onheilig.” - -Al de dagen dat deze helsche booswichten aldus tot verderf der stad -samenspanden, was de arme stad in een jammervollen toestand, eensdeels -omdat zij El-Schaddaï en zijn zoon zoo zwaar beleedigd hadden, en -anderdeels omdat de vijanden van binnen nieuwe kracht kregen; en verder -omdat zij op al hunne verzoekschriften om vergeving en genade tot -dusverre nog geen vriendelijk antwoord hadden ontvangen. Door de -loosheid en listen van de inwonende Diábolisten was hun toestand eer -erger dan beter geworden. - -De krankheid bleef ook al heerschen in Menschziel, zoowel onder de -kapiteins als de burgers der stad, en hunne vijanden waren kloek en -sterk; zij schenen nu wel ten hoofd en Menschziel ten staart geworden. -’t Was dan ook in dien tijd dat voormelde brief naar den afgrond werd -gezonden, en Onheilig dien aan Hellepoortsheuvel aan Cerberus -overhandigde. Toen deze twee elkander weder ontmoetten, waren zij straks -zoo gemeenzaam met elkaêr als de eene bedelaar met den ander, en -begonnen een gesprek over de zaken van Menschziel en de plannen tegen -haar gesmeed. De portier ving aan: - -„Wel, mijn oude vriend, zijt gij daar weder aan Hellepoortsheuvel; hoe -blij ben ik u te zien.” - -Onheilig: „Ja, mijnheer, ik kom hier in het belang der stad Menschziel.” - -Cerberus. „Ik bid u, hoe staat het thans met de stad?” - -[Afbeelding: ONHEILIG KEERT UIT DEN AFGROND TERUG.] - -Onheilig. „Naar het mij voorkomt in een besten toestand; ten minste wat -ons aangaat, want zij hebben zeer afgenomen in godsvrucht en dat doet -ons goed. Hun Heer is ook zeer op hen vertoornd, en wij hebben grooten -invloed op hen en komen in hunne huizen. Ook heerscht er eene -erbarmelijke ziekte onder hen, die hen zwak maakt; zoodat wij goede hope -hebben het eindelijk nog te winnen.” - -„Geen tijd zoo geschikt als deze,” antwoordde Cerberus, de helhond, „om -dit oogmerk te bereiken. Ik wensch het van harte om de arme -Diábolus-mannen, welke ouder gedurige vrees voor hun leven in Menschziel -wonen.” - -Onheilig antwoordde: „Het plan is zoo goed beraamd, en zij zijn maar -onnoozele duiven; ze hebben geen hart in hun lijf. Alles wel beschouwd -moeten wij het winnen.” - -Cerberus. „Het is zooals gij zegt, ga binnen bij de heeren, hier. Ik heb -uwen brief reeds overgegeven en zij zullen u een goede belooning geven.” - -Onheilig trad dan binnen en als Diábolus hem ontmoette, riep hij hem -toe: „Welkom, gij trouwe dienaar, ik ben verblijd over den brief!” Ook -de andere overheden van den afgrond groetten hem, waarop Onheilig -antwoordde: „Dat Menschziel aan mijnheer Diábolus gegeven worde, en dat -hij eeuwig haar koning zij!” En daarop gaven de holle afgrond en de -gapende muil van de hel zulk een akelig geluid, dat er de bergen van -schudden. Dit gold daar voor muziek. - -Nadat zij nu den brief besproken en overwogen hadden, overlegden zij ook -welk antwoord zij wedergeven zouden. De eerste was Lucifer, die zijn -advies gaf in deze woorden. „Het eerste plan van de Diábolus-mannen zal -wel gelukken, n. l. om langs allerlei middelen en wegen Menschziel -goddeloos te maken. Er is geen betere weg dan deze tot verderf der ziel. -Onze oude vriend Bileam sloeg vóor eenige jaren juist dezen zelfden weg -in, en het gelukte hem best. Laat dit dan regel bij ons wezen en ten -allen tijde ons doel, er is niets in de wereld, dat dit tegenstaan kan, -dan alleen de genade, waaraan, naar ik hoop, deze stad geen deel heeft. -Maar wat het andere punt betreft om op een marktdag te komen en vallen -de stad aan, daar moeten wij eerst nog eens goed over denken; want het -kon wel eens wezen, dat zij op dien dag dubbele wachten uitzetten, en -dat zij ons op zulk eene wijze opwachtten, dat al hunne burgers te wapen -liepen. Dan waart gij bedrogen en onze vrienden geraakten in gevaar.” -[Num. 31 : 16.] [Openb. 2 : 14.] - -Toen zeide de groote Beëlzebul: „Hetgeen deze overste gezegd heeft dient -wel in aanmerking genomen te worden, maar hij zou zich toch kunnen -vergissen. Wij moeten daarom eerst eens trachten te weten te komen of de -stad Menschziel kennis draagt van haar vervallen staat en van het -voornemen, dat wij tegen haar hebben opgevat, zoodat zij hare wachten -zou uitzetten op de marktdagen. Sluimeren zij en zijn ze slaperig, -welnu, dan kunnen wij het best op een marktdag beproeven. Maar hoe komen -wij dat nu te weten? Wacht, laat ons Onheilig binnen roepen, die weet -het wel.” - -Zoo werd dan Onheilig binnengeroepen, en men stelde hem de vraag voor, -waarop hij aldus antwoordde: „Mijne heeren, voor zoover ik weet is -Menschziel tegenwoordig vervallen in haar geloof en hare liefde; -Immanuel, haar vorst heeft haar den rug toegekeerd; wel zendt zij vele -verzoekschriften aan hem, maar hij maakt geen haast om die te -beantwoorden. Ook wordt er niet veel meer hervormd.” - -„Wel”, zeide Diábolus, „ik ben er best mede tevreden, dat zij traag zijn -om zich te hervormen, maar ik vrees hunne verzoekschriften. Toch toont -de loszinnige wandel dezer burgers, dat zij weinig ter harte nemen -hetgeen zij aan Immanuel vragen; en is hun hart er niet bij, dan zijn -die dingen niet veel waard.” - -„Indien de zaken aldus staan met Menschziel,” zeide Beëlzebul, „als -Onheilig daar zegt, zoo behoeven wij er niet zoo lang over te praten op -welken dag wij den aanval zullen doen; dan is er geen kracht in al hunne -verrichtingen.” - -Maar nu begon Apollyon en sprak: „Mijn oordeel in deze zaak is, dat wij -zoo zoetjes aan moeten voortgaan en de dingen niet te haastig -behandelen. Laat onze vrienden binnen Menschziel slechts voortgaan de -stad te verontreinigen en te besmetten door haar meer én meer in de -zonde te verstrikken; er is niets, dat haar zooveel kwaad doet als de -zonde. Indien dit wel gelukt, zal Menschziel vanzelf wel nalatig zijn in -het waken, in het aanbieden van verzoekschriften en al het andere, dat -tot hare vastigheid dienen kan. Zij zullen hun Immanuel vergeten, en -zijne tegenwoordigheid niet begeeren. Kunnen wij hen tot zulk een leven -krijgen, zoo zal hun vorst niet licht tot hen komen. Onze vertrouwde -vriend Vleeschelijke-Gerustheid met éen van zijne listen, dreef hem uit -de stad; waarom zouden de heeren Gierigheid en Onreinheid hem samen niet -buiten de stad kunnen houden? En dit zeg ik u, dat twee of drie -Diábolus-mannen, die in Menschziel worden opgenomen, meer doen zullen om -Immanuel buiten de stad te houden en haar aan ons over te leveren, dan -een leger van een legioen, dat wij zouden kunnen uitzenden om tegen haar -te strijden. - -[Afbeelding: PROFAAN EN BOOS.] - -„Laat dus de onzen maar lustig voortgaan binnen Menschziel met alle -denkbare list en behendigheid, en laat hen voortdurend onder deze of -gene vermomming eenigen van de hunnen uitzenden om zich met het volk van -Menschziel te vermaken, en het zal niet eens noodig zijn, dat wij een -oorlog met hen beginnen. En mocht dit toch het geval zijn, dan verzeker -ik u, dat hoe zondiger zij zijn, zij ook des te onmachtiger zullen -wezen. Daarenboven neemt eens het ergste wat gebeuren kan, namelijk dat -Immanuel tot hen wederkeerde, waarom zou hij door diezelfde redenen nog -niet eenmaal kunnen worden uitgedreven? Waarom zou hij niet voor eeuwig -van hen kunnen scheiden, en gebeurt dat, dan gaan immers ook zijne -kapiteins, zijne soldaten, zijne stormrammen weg, en Menschziel blijft -naakt en bloot achter. Zal de aldus beroofde stad dan niet vanzelf hare -poorten voor u openzetten als in de dagen van ouds? Maar dit is een werk -van tijd, niet van eenige dagen.” - -Nauwelijks had Apollyon gedaan of Diábolus barstte in groote woede en -grimmigheid uit en bepleitte zijne zaak aldus: „Mijne heeren en -machthebbers van dezen afgrond, oprechte en getrouwe vrienden, met groot -ongeduld heb ik naar uw lange redevoeringen geluisterd. Mijn gapende -muil en ledige buik verlangt zoo smachtend naar het weder in bezit nemen -van mijn beroemde stad Menschziel, dat wat er ook van komen moge, het -mij onmogelijk is den afloop van zoo langdradige handelwijzen af te -wachten. Ik moet zonder uitstel trachten door alle mogelijke middelen -mijn onverzadelijken kolk des afgronds te vullen met ziel en lichaam der -stad Menschziel. Leent daarom uwe hoofden, harten, handen, waar ik -heenga om mijne stad te herwinnen!” - -Toen de edelen en vorsten van den put des afgronds de brandende begeerte -van Diábolus zagen om de ellendige stad Menschziel te verslinden, -hielden zij op met tegenwerpingen te maken; maar het moet gezegd worden, -dat volgens den raad van Apollyon handelend, de verwoesting der stad -veel grooter zou geweest zijn. Maar nu waren zij bereid hun opperheer -met alle macht bij te staan, daar zij hem later weder noodig konden -hebben voor andere ontwerpen. Zoo overlegde men dan met hoeveel en met -welke soldaten Diábolus zou optrekken tegen de stad Menschziel om haar -in te nemen. Na eenig beraadslagen werd algemeen toegestemd dat het een -leger van machtige twijfelaars wezen zou. Tusschen de twintig en dertig -duizend scheen hun voldoende. - -Het besluit van den breeden raad hield dus in, dat Diábolus nu -onmiddellijk den trom zou laten roeren om volk aan te werven in het land -van Twijfelzucht, dat niet verre van Hellepoortsheuvel aflag; altemaal -volk, dat hij uitmuntend kon gebruiken tegen de ellendige stad -Menschziel. Ook werd vastgesteld, dat de heeren zelven hem in den oorlog -zouden bijstaan en te dien einde het leger commandeeren en aanvoeren. - -Zij stelden dan wederom een brief op en zonden dien aan de -Diábolus-mannen, die intusschen Menschziel begluurden en op de -terugkomst van Onheilig wachtten. Wij zullen dezen brief maar niet in -zijn geheel wedergeven. Wij weten reeds hoe men daar in die nare en -duistere hellespelonk schreef. Zij ontkenden ook thans niet, dat zij -bezield waren met het allervergiftigste oogmerk en bedoelen tegen de -stad Menschziel. Al dat helsche gebroed verheugde zich in de -aanvankelijk goede uitkomst en maakte nu ook de verdere pogingen bekend, -die door hen zouden worden aangewend. Dat het leger van Diábolus volgens -den raad der Diábolus-mannen uit de stad van enkel twijfelaars zou zijn -samengesteld, meer dan twintig duizend in getal. „Allen wakkere mannen -en van schrikbarend voorkomen,” aldus stond in den brief, „lieden van -ouds in den oorlog gewoon, en die den trommel wel hooren mogen.” Het -helsche geschrift eindigde aldus: - -„Wat den tijd onzer komst vóor Menschziel betreft, zoo is nog niet -bepaald of het een marktdag of wel een nacht, die op een marktdag volgt, -zal wezen. Houdt gij u in ieder geval gereed bij het hooren van onzen -trommelslag. De edele heeren Lucifer, Beëlzebul, Apollyon, Legio en al -de anderen groeten u, gelijk ook Diábolus zelf, en wenschen u denzelfden -voorspoed, dien wij genieten.” - -Onheilig had in het naar huis gaan weder een gesprek met den portier -Cerberus, die hem naar de boodschap vraagde, welke hij had meêgekregen; -waarop Onheilig antwoordde, dat al de plannen der Diábolus-mannen in de -stad waren goedgekeurd. - -„En,” vraagde Cerberus, „is het Diábolus’ voornemen om zelf mee op te -trekken?” - -„Voorzeker,” was het antwoord „en dat wel met meer dan twintig duizend -man, altemaal twijfelaars, in den oorlog geoefend.” - -Toen werd Cerberus vroolijk en riep uit: „Als er zulke maatregelen -genomen zijn, dan zou ook ik wel mede optrekken willen aan het hoofd van -een duizendtal, om mijne dapperheid te toonen.” - -„Welnu,” zeide Onheilig, „waarom zou dat niet kunnen geschieden? Maar ik -heb nu haast en moet voort.” - -„Ja, haast u, mijn vriend, en zeg aan de vrienden binnen Menschziel, dat -ook Cerberus hen laat groeten en van ijver brandt om hen te hulp te -komen.” Zoo namen dan die twee afscheid en keerde Onheilig naar -Menschziel terug, in de legerplaats van den heer Boos, waar de -Diábolus-mannen hem reeds verwachtten, en met graagte den brief lazen en -alles vernamen wat Onheilig te zeggen had. - -Aldus was nu de tegenwoordige toestand der ongelukkige stad Menschziel; -zij had haren vorst beleedigd en hij was heengegaan; zij had de machten -der hel aangemoedigd door hare dwaasheid, en tot haar eigen verderf hen -tot zich gelokt. Wel had de stad hare zonde leeren beseffen, maar de -Diábolus-mannen roerden zich in hare ingewanden; zij riep, maar Immanuel -was heengegaan en hare kreten bereikten niet meer zooals vroeger zijn -oor. Bovendien wist zij niet wanneer en of hij wel ooit zou terugkeeren. -Daarbij kende zij de listige aanslagen van den vijand niet en hoe -gereed deze stond om tegen haar op te trekken met het gansche komplot -der hel. - -[Afbeelding: KRIJGSRAAD IN MENSCHZIEL.] - -Wel zond zij voortdurend verzoekschriften naar den vorst, maar hij -beantwoordde die met stilzwijgen. Zij verzuimde zich te hervormen en dat -was Diábolus naar den zin; want hij wist, dat, indien zij de -ongerechtigheid in haar hart toeliet, haar koning haar gebed niet hooren -zou; daarom werd zij nu al zwakker en zwakker en was als een rollend -blad voor den wind. Zij riep tot haren koning om hulp en duldde -Diábolus-mannen in haren boezem: wat kon daarom haar koning voor haar -doen? Ja, daar scheen nu wel eene vermenging plaats te hebben in -Menschziel, want de burgers der stad en de Diábolus-mannen wandelden -samen langs de straten. Zelfs dachten de mannen van Menschziel er aan om -met hen vrede te sluiten, daar de krankheid binnen de stad zoo doodelijk -was geweest, en zij zoodanig daardoor waren gedund en verzwakt, dat het -toch tevergeefs zou wezen tegen hen te vechten. De zwakheid van -Menschziel was de kracht van hare vijanden,[37] en de zonde van -Menschziel in het voordeel der Diábolus-mannen. Zoo begonnen dan reeds -deze lieden zich te verbeelden, dat zij de stad in eigendom konden -krijgen; beiden schenen nu reeds het bezit daarvan met elkander te -deelen. Ja, de Diábolus-mannen groeiden aan en namen toe, terwijl de -stad zelf verminderde. Meer dan elfduizend mannen, vrouwen en kinderen -waren aan de ziekte gestorven. - - [37] ~De zwakheid van Menschziel was de kracht harer vijanden~. Bunyan - beschrijft meesterlijk den ellendigen toestand der ziel, die buiten - Gods gemeenschap in Christus leeft, omdat zij die heeft verzondigd. - Alles is krachteloos; ’t is vorm wat er nog overblijft van - godsdienstige verrichtingen, een vorm der godzaligheid, maar die de - kracht daarvan verloochent. - - - - -HOOFDSTUK XI. - -HET COMPLOT ONTDEKT. - - -Volgens het welbehagen van El-Schaddaï was daar iemand in de stad, die -Toezicht heette, een groot vriend der inwoners en die Menschziel -liefhad. Deze man had tot gewoonte aangenomen om overal in de stad te -luisteren en op te letten, of hij ook iets te hooren of te zien kreeg, -dat kwade gevolgen hebben kon. Hij vertrouwde de Diábolus-mannen evenmin -binnen als buiten de stad. Nu gebeurde het eens, dat deze heer Toezicht -op eene plaats, genaamd Kwaadheuvel, kwam, waar de vrienden van Diábolus -plachten saam te komen; zoo hoorde hij eenig gemompel, (gij moet weten, -dat het nacht was), en sloop zachtkens naderbij om beter te kunnen -luisteren wat daar besproken werd. Al dadelijk ving hij een gesprek op, -waarin iemand verklaarde, dat het niet lang meer duren zou of Diábolus -was meester van de stad Menschziel, en dat dan al de burgers met het -zwaard zouden worden gedood, al ’s konings kapiteins verjaagd en al -zijne soldaten uit de stad gedreven. Hij voegde daarbij, dat er reeds -een leger van twintig duizend strijdbare mannen bij Diábolus gereed -stond om dit voornemen tot werkelijkheid te brengen; het zou geen maand -meer duren, of dit alles was gebeurd. - -Nauwelijks had Toezicht dit gehoord of hij begaf zich naar het huis van -den Burgemeester en stelde er dezen mede in kennis. De Burgemeester zond -dadelijk naar den heer Geweten, die het ambt van tweeden prediker -waarnam, opdat hij alarm zou roepen in de stad. De Oppersecretaris was -nog ongesteld.[38] Zoo liet dan ook even spoedig de heer Geweten de klok -luiden en kwam het volk samen, waarop hij hen dadelijk eene korte -vermaning gaf om toch waakzaam te wezen, en tevens het nieuws, dat -Toezicht bracht, bekend maakte. „Een vreeselijke samenzweering is tegen -ons gesmeed,” zeide hij; „de heer Toezicht, die er de man niet naar is -om iets leugenachtigs bekend te maken, heeft het ons ontdekt. Ik zal hem -roepen, dan kunt gij hem zelf hooren.” - - [38] ~De oppersecretaris was nog ongesteld~. De Heilige Geest was - bedroefd en daarom geweken. De ziel ondervond de kracht des Geestes - niet, echter niet omdat de Geest „ongesteld” wezen zou; maar omdat er - geene gemeenschapsoefening met hem is. - -Dit gebeurde en Toezicht verhaalde nauwkeurig al wat hij op Kwaadheuvel -van de Diábolusmannen vernomen had. Ieder moest er de waarheid van -inzien, vooral nadat de prediker gezegd had: „Het is volstrekt niet -bevreemdend, dat de Diábolus-mannen zulke ontwerpen smeden; want door -onze eigen schuld hebben wij El-Schaddaï beleedigd, zijn zoon Immanuel -aanleiding gegeven onze stad te verlaten en ons zeer verzwakt; terwijl -wij in veel te vriendschappelijke verstandhouding met dat slechte volk -leven. De krankheid, die in onze stad is, verzwakt ons; menig dapper en -goed burger is gestorven en de Diábolus-mannen worden hoe langer hoe -sterker. Bovendien heb ik van Toezicht vernomen, dat er verscheidene -brieven heen en weer geschreven zijn naar en van Diábolus, die niets -liever ziet dan den ondergang der stad.” - -[Afbeelding: BEGEERLIJKHEID WORDT GEVANGEN GENOMEN.] - -Toen Menschziel dit alles hoorde hief zij hare stem op en weende. -Toezicht stemde daarmede in. Intusschen beraamden zij plannen om een -nieuw verzoekschrift aan El-Schaddaï en zijn zoon op te zenden.[39] Ook -zochten zij de kapiteins op en verzochten hen toch goed wacht te houden -en gereed te zijn tegen een mogelijken overval; hunne wapenrusting na te -zien, en vooral goeden moed te hebben. - - [39] ~Plannen om een nieuw verzoekschrift op te zenden~. Nood leert - bidden; maar dat gebed voldeed niet aan de vereischten van een - ootmoedig geloofsgebed, dat verhooring vindt. Ook de Christelijke - deugden werden weder beoefend met meer ijver, terwijl de waakzaamheid - toenam. Dit alles is prijzenswaard, maar ’t kan werk zijn in eigen - kracht en eigengerechtigheid kweeken. Het geestelijk leven is een - ~nauw~ leven. - -Toen de kapiteins dit hoorden, zij die allen Menschziel in waarheid -liefhadden, schudden zij zich uit evenals Simson toen hij van de -hinderlaag der Filistijnen hoorde, en kwamen zij dadelijk samen om te -beraadslagen wat er te doen stond. Zij besloten tot het volgende. - -1^{e}. Dat de poorten zouden worden gesloten en met bouten en grendelen -voorzien, en dat alle in- en uitgaande lieden nauwkeurig zouden worden -onderzocht. Daardoor meenden zij te kunnen ontdekken wie de personen -waren, die met Diábolus in verbintenis stonden. [1 Cor. 16 : 13.] -[Klaagl. 3 : 40.] - -2^{e}. Vervolgens zou een nauwkeurig onderzoek worden ingesteld binnen -de stad; huiszoeking gedaan bij iederen burger of daar ook -Diábolus-mannen verborgen waren. [Hebr. 12 : 15, 16.] - -3^{e}. Verder, dat ieder bij wien een Diábolus-man gevonden werd, om het -even wie het ook wezen mocht, die huisvesting en voedsel aan dat gespuis -verleend had, op een openbare plaats tot zijn groote schaamte en schande -zou worden te pronk gezet. [Jer. 2 : 34; 5 : 26.] [Ezech. 16 : 52.] - -4^{e}. Dat een openbare vast- en bededag zou worden uitgeroepen, opdat -de gansche stad Menschziel zich verootmoedigde wegens hare overtredingen -tegen haar grooten Vorst en Heere. Allen, die daar niet mede instemden -en voortgingen met hunnen arbeid op den bededag, zouden voor -Diábolus-mannen gehouden worden en hunne ongerechtigheid dragen. [Joël -1 : 14; 2 : 15, 16.] - -5^{e}. Ook werd nog besloten, met hunne dringende smeekschriften om -hulp, tijding naar het hof te zenden van hetgeen de heer Toezicht had -ontdekt en openbaar gemaakt. [Jes. 37 : 4.] - -6^{e}. Terwijl eindelijk den heer Toezicht uit naam der stad werd dank -gezegd voor hetgeen hij had gedaan en hem de post van schout bij nacht -werd opgedragen. - -Volgens deze besluiten werd nu ook gehandeld en de nieuwe schout bij -nacht bekleedde zijn post met grooten ijver en opoffering van eigen rust -en gemak. De man was altijd ijverig in de weer, en lag op zijn loer -wanneer hij vermoeid was van het omzwerven. Inderdaad, Menschziel had -dien post aan niemand beter kunnen opdragen dan aan dezen persoon. Niet -vele dagen daarna als hij zijne onderzoekingstochten ook tot ver buiten -de stad voortzette, kwam hij bij Hellepoortsheuvel in het land der -Twijfelaars, waar hij tot zijn schrik vernam, dat Diábolus reeds alles -gereed had om op te trekken. Daarom kwam hij met haast terug en riep de -oudsten van Menschziel samen, en deed hun verslag van hetgeen hij -vernam, in het bijzonder ook dat Diábolus den ouden heer Ongeloof tot -opperbevelhebber van zijn leger had aangesteld, dat dit leger uit meer -dan twintig duizend man bestond, die allen Twijfelaars waren. Diábolus -had het voornemen alle voorname vorsten van den helschen afgrond tot -kapiteins aan te stellen, en vele prinsen van het Zwarte Woud stonden -met den hellevorst in betrekking. De Twijfelaars hadden zich ook -verpraat, niet wetende met welk doel onze Schout bij nacht hen uithoorde -en aan den heer Toezicht verteld, dat de reden waarom de oude heer -Ongeloof veldmaarschalk was geworden hierin bestond, dat niemand aan -Diábolus trouwer was dan hij, en hij sedert zijne ontvluchting uit -Menschziel deze stad doodelijk was blijven haten, naar niets vuriger -verlangende dan zich op haar te kunnen wreken wegens den smaad hem -aangedaan. Ook is niemand beter dan hij met de stad bekend omdat hij er -eertijds heerschte. Dit alles deelde de trouwe schout bij nacht mede. - -Toen nu de kapiteins van Menschziel met de oudsten der stad dit alles -vernamen,[40] begrepen zij dat niets beter was dan onmiddellijk de -wetten uit te voeren, die hun Vorst tegen de Diábolus-mannen had -uitgevaardigd. In het huis van den heer Gemoed en van den grooten heer -Vastewil woonden nog twee daarvan. Bij den eerste woonde Begeerlijkheid, -maar die zijn naam veranderd had in Spaarzaam. Bij den laatste vond men -Onreinheid, maar die zich Geoorloofd Vermaak liet noemen. De kapiteins -en oudsten namen nu deze twee gevangen en gaven hen over aan den -stokbewaarder Getrouwe, die hen zwaar met ketenen belaadde en zoo nauw -opsloot, dat ze de tering kregen en in de gevangenis stierven. Hunne -meesters moesten ook in het openbaar boete doen, dat wil zeggen: in eene -openbare plaats zich vertoonen om volledige schuldbelijdenis af te -leggen.[41] - - [40] ~Toen nu de kapiteins van Menschziel dit alles vernamen~. Bij de - zonden der ziel voegde zich nu de listen des satans, die het op den - ondergang van het kind Gods gemunt heeft. Maar uit hetgeen hier - medegedeeld wordt, blijkt, dat zijne listen ons niet onbekend zijn. - - [41] ~Schuldbelijdenis afleggen~. De ziel begint alles te onderzoeken - en alles te belijden, en wat beleden is wordt vergeven. - -Daarna trachtten de kapiteins en oudsten nog meerdere Diábolus-mannen -machtig te worden en in hunne kuilen en spelonken na te speuren; maar -ofschoon zij de afdruksels hunner voetstappen duidelijk zagen, zoo was -het hun onmogelijk hen te grijpen, zelfs waar zij hun onaangenamen geur -roken. Dat gebroed wist zich wonderwel te verschuilen. Toch heerschte -nu Menschziel met een sterken arm over de Diábolisten, zoodat het hun -geraden was zich schuil te houden. Er was een tijd geweest, dat ze op -klaarlichten dag langs de straten durfden wandelen, maar die tijd was -voorbij. Ze vlogen nu als nachtuilen in het duister. Alle burgers zagen -hen nu voor hun doodvijanden aan, zoo goed had de heer Toezicht zijn -werk verricht. - -[Afbeelding: VERDEDIGINGSWERKTUIGEN IN MENSCHZIEL.] - -Omtrent dezen tijd nu had Diábolus zijn leger volkomen gereed. Hij zelf -was opperheer, Ongeloof veldmaarschalk; van de generaals zullen wij -later spreken; maar hier zijn de namen van de kapiteins met hunne -vaandrigs en wapenen. - -1^{e}. Kapitein Woede; deze was een hoofdman over de Twijfelaars aan de -Verkiezing. Hij voerde eene roode vlag, die gedragen werd door vaandrig -Vernieler, en een groote roode draak was zijn wapen. [Openb. 12 : 3, 4, -13, 15-17.] - -2^{e}. Daarna kwam kapitein Uitzinnig, deze was gesteld over de -Twijfelaars aan de Roeping. Zijn vaandeldrager heette Donkerheid; zijn -vaandel was vaal en zijn wapen prijkte met drie vurige slangen. [Num. -21 : 6.] - -3^{e}. Toen volgde kapitein Verdoemenis; deze was een hoofdman over de -Twijfelaars aan de Genade. Ook zijne vlag was rood en werd gedragen door -Geen-Hoop-op-pardon, terwijl een duister hol zijn wapen was. [Matth. -22 : 13.] [Openb. 9 : 1.] - -4^{e}. Nu kwam kapitein Onverzadelijk, een hoofdman over de Twijfelaars -aan het Geloof. Zijn vaandel was rood en Verslinder droeg het, terwijl -een paar opgesperde kaken zijn wapen vertoonden. [Spreuk. 27 : 20.] - -5^{e}. Ook was een kapitein Zwavel, gesteld over de Twijfelaars aan de -Volharding der heiligen. De heer Vuurbrand droeg het roode vaandel, -terwijl een blauwe en stinkende vuurvlam zijn wapenschild sierde. [Ps. -11 : 6] [Openb. 14 : 11.] - -6^{e}. Kapitein Torment, die een hoofdman was over de Twijfelaars aan de -Opstanding. Zijn vaandel was bleek en de heer Knagend droeg het met een -zwarte worm in zijn wapen. [Mark. 9 : 44.] - -7^{e}. Kapitein Zonder-rust, een hoofdman over de Twijfelaars aan de -Zaligheid, voerde het roode vaandel met een afzichtelijk doodsbeeld tot -wapen, dat Rusteloos droeg. [Openb. 14 : 11, 6 : 8.] - -8^{e}. De achtste kapitein heette de heer Graf. Hij was gesteld over de -Twijfelaars aan de heerlijkheid; had een vaal en bleek vaandel, dat -vaandrig Verderf droeg, en zijn wapenschild prijkte met een bekkeneel en -gekruiste doodsbeenderen. [Jer. 5 : 16.] - -9^{e}. Eindelijk was er ook nog een kapitein Wanhoop, die een aanvoerder -was van de Twijfelaars aan de gelukzaligheid. Zijn vaandrig heette -Vertwijfeling, die een roode vlag droeg met een gloeiend ijzer en een -hard hart tot wapen. [1 Tim. 4 : 2.] [Rom. 2 : 5.] - -Dit waren zijne kapiteins, met hunne manschappen en wapens en vlaggen. -Zeven generaals stonden boven die kapiteins, namelijk de heer Beëlzebul, -de heer Lucifer, de heer Legioen, de heer Apollyon, de heer Python, de -heer Cerberus en de heer Belial, en veldmaarschalk Ongeloof was hun -overste. Nog waren daar vrijwilligers uit het Zwarte Woud, die tot -hoofdlieden van honderd werden aangesteld. - -De verzamelplaats van deze strijdmacht was Hellepoortsheuvel. Vandaar -braken zij op en marcheerden rechtstreeks op de stad Menschziel aan. -Gelukkig, dat tengevolge van Toezichts waarschuwing de poorten waren -gesloten en met dubbele wachten bezet; de slingers stonden op hunne -standplaatsen, en alles was gereed. - -Ook konden de Diábolus-mannen in de stad niet zooveel kwaad doen als zij -zich hadden voorgenomen, want Menschziel was nu ontwaakt. Maar ach, het -arme volk werd zeer verschrikt, toen de vijanden zich eerst vertoonden -en vooral toen zij hun trom roerden.[42] Deze was dan ook ijselijk om te -hooren; de lieden beefden voor dit geluid wel zeven mijlen ver, althans -voor zoover zij wakker waren. Ook zwaaiden de vaandrigs onophoudelijk -met hunne afgrijselijke vaandels. [1 Petr. 5 : 8.] - - [42] ~De trom van Diábolus~, die Menschziel zoo zeer verschrikte, - beduidt de aanvechtingen en verschrikkingen des satans als hij op de - wet wijst, die den zondaar veroordeelt, en van dood en verdoemenis - gewaagt als rechtvaardig door de ziel verdiend. Dit zijn de - verschrikkingen des Boozen. - -Toen Diábolus voor de stad kwam sloeg hij zijne legermacht op voor de -Oorpoort en deed daarop een geduchten aanval, meenende, dat zijne -vrienden in Menschziel gereed waren ook iets te beginnen, maar daarvoor -was gezorgd door de kapiteins. Dit viel hem tegen; hulp kreeg hij niet, -maar wel leed zijn leger veel schade van de slingersteenen, die de -dappere kapiteins moedig op de zijnen wierpen; daarom zag hij zich -genoodzaakt achteruit te trekken, buiten het bereik van de slingeraars. -[Jak. 4 : 7.] - -In den omtrek wierp hij nu vier sterkten tegen de stad op, waarvan de -eerste, naar zijn eigen naam, Diábolus heette, om daardoor de arme stad -nog meer te verschrikken. Hij meende haar te bespringen als een leeuw -zijn buit, en verwachtte, dat zij van schrik voor hem zou nedervallen. -Maar de kapiteins en soldaten hielden zich zoo flink, dat hij wijken -moest, waardoor de inwoners moed grepen. - -Op de hoogte aan de noordzijde der stad opgeworpen, plantte de tiran -zijn standaard, ijselijk om aan te zien; want hij had door eene -satanische kunst daarin een wapen aangebracht bestaande uit een vurige -vlam, waarin een afbeeldsel der stad Menschziel brandde. Hij gaf ook -bevel, dat zijn tamboer alle nachten de muren der stad zou naderen[43] -en daar den trommel slaan ten einde met de lieden over de overgave te -onderhandelen. Overdag durfde hij niet wegens de slingers, maar ’s -nachts meende hij hen door dien afgrijselijken trommelslag uit den slaap -te houden en zoo bang te maken, dat zij eindelijk bevende van angst hem -inlieten. Deze tamboer deed zooals hem geboden was, en als hij dat -akelig geluid maakte was er duisternis en benauwheid in de stad en -scheen zelfs het licht des hemels verduisterd te worden. Nooit hoorde -men op aarde zulk een oorverdoovend geluid, alleen de stem van -El-Schaddaï wanneer hij spreekt, uitgezonderd. Menschziel meende dan -ook niet anders dan verslonden te zullen worden. [Jes. 5 : 30.] - - [43] ~Zijn tamboer moest des nachts de muren der stad naderen~. „Dit - is uwe ure en de macht der duisternis,” zeide Jezus. Alle boos werk is - in den nacht het meest voorspoedig. De schrik des nachts is voor den - Christen anders niet zoo ijselijk als hij maar nabij zijn God leeft. - Maar juist in zulke dagen van afval en achteruitgang, wanneer dan de - ziel is ontwaakt, zoo wordt zij des nachts maar al te vaak vreeselijk - gekweld door visioenen en droomen, waarin de booze de hand heeft. - -[Afbeelding: DE VREEZELIJKE KAPITEIN GRAF EN ZIJN STANDAARD-DRAGER -VERDERF.] - -Nu hield hij ook deze toespraak: „O Menschziel! Mijn meester heeft mij -bevolen u te zeggen, dat zoo gij u gewillig onderwerpt, gij het goede -dezes lands zult genieten; maar zoo gij hardnekkig weigert, zal hij u -met geweld aantasten!” Echter niemand gaf hem antwoord, want al het volk -liep naar de kapiteins in het kasteel, zoodat zij hem kwalijk hoorden -spreken. Zoo keerde hij dan tot zijn meester terug. Diábolus ziende, dat -hij op deze wijze Menschziel niet aan zich onderwerpen kon, zond den -volgenden nacht nogmaals een tamboer, maar zonder trommel om de burgers -te laten weten, dat hij genegen was eene overeenkomst te sluiten. Dit -onderhoud liep echter ook op niets uit, want alles bestond hierin, dat -hij de stad opeischte. De burgers gaven hem niet eens antwoord, want zij -herinnerden zich wat het hun de eerste maal gekost had naar hem te -hooren. - -Toen zond hij voor de derde maal een bode, dien schrikkelijken kapitein -Graf, welke voor de muren van Menschziel deze toespraak tot haar hield: - -„O, gij ingezetenen van de rebelleerende stad Menschziel! ik eisch in -den naam van den prins Diábolus, dat gij zonder tegenstreven de poorten -uwer stad openzet en den grooten heer toelaat daarbinnen te komen. Maar -zoo gij blijft rebelleeren en wij de stad met geweld komen in te nemen, -dan zullen wij u als het graf verslinden. Derhalve zegt het nu, of gij -naar ons hooren wilt of niet. De reden van dezen eisch is omdat mijn -heer zonder twijfel uw prins en overste is, waarvoor gij hem ook zelf -erkend hebt. En de schande, die mijn heer aangedaan is toen Immanuel hem -zoo verachtelijk behandelde, zal toch niet kunnen uitwerken, dat hij -zijn recht op u verliezen zou. Overweegt dan nu wat ge wilt. Geeft ge u -dadelijk over, dan wordt onze oude vriendschap vernieuwd; maar weigert -ge nog en rebelleert gij, verwacht dan niets anders dan vuur en zwaard.” - -Toen de machtelooze stad Menschziel dezen parlementair en zijnen eisch -vernomen had, werd zij wel des te meer verslagen, maar gaf toch aan dien -kapitein geen antwoord; daarom moest hij heengaan gelijk hij gekomen -was. - -Zij overlegden samen wat te doen en besloten eindelijk opnieuw bij den -Oppergeheimschrijver om raad te vragen. Ofschoon hij nog niet geheel -hersteld was zoo ontving hij hen toch en zij verzochten hem om de -volgende drie zaken. - -1^{e}. Dat hij hen weder in gunst wilde aannemen, zich niet langer zoo -aan hen onttrekken, en hun nu wilde gehoor geven waar zij hunne ellende -hem bekend maakten. - -Maar hij antwoordde daarop als vroeger, dat hij nog ongesteld was en -daarom niet kon doen als tevoren. - -2^{e}. Dat zij hem verzochten hun toch te willen raad geven in deze -gewichtige zaak, daar Diábolus voor de stad gekomen was met meer dan -twintig duizend Twijfelaars, en dat hij en zijne veldoversten zeer wreed -waren, waarom zij hen ook zeer vreesden. - -Maar hij antwoordde: „Gij moet de wet van uwen Vorst maar eens inzien, -om te weten wat u daarin wordt bevolen.” - -3^{e}. Dat hij hen toch helpen mocht om een verzoekschrift aan -El-Schaddaï op te stellen en dat hij er zijne hand onder zetten mocht -als een teeken, dat hij het hierin met hen eens was. „Want Hoogedele -Heer,” zeiden zij, „wij hebben reeds verscheiden verzoekschriften -opgezonden, doch kunnen geen bevredigend antwoord krijgen; maar als gij -er uw hand onder zet dan zal alles ten gunste der stad Menschziel -uitloopen.” - -Maar ook hierop antwoordde hij, dat zij hunnen vorst Immanuel hadden -beleedigd en bedroefd, en dat zij nu maar moesten handelen, zooals zij -zelf het best konden.[44] - - [44] ~Handelen zooals zij zelf het best konden~. De ziel moet de - geopenbaarde waarheid in het Woord raadplegen en daarnaar handelen. - Eerst gehoorzaamheid en dan offeranden. De Heilige Geest bezielt - alleen het gebed, dat in volkomen ootmoed en onderwerping en uit - gehoorzaam geloof wordt opgezonden. Bunyan heeft dit willen - voorstellen in de schijnbare wederstreving des Heiligen Geestes. De - Heere heeft een twist met de inwoners des lands. - -[Afbeelding: NEDERLAAG VAN DIÁBOLUS EN ZIJN LEGER VOOR IMMANUEL.] - - - - -HOOFDSTUK XII. - -HET SMEEKSCHRIFT VAN MENSCHZIEL. - - -Het antwoord, dat de Oppergeheimschrijver hun gaf, viel als een -molensteen op de harten der burgers, ja het bedroefde hen zóo, dat zij -niet wisten wat te doen; toch durfden zij geenszins het verlangen van -Diábolus bevredigen. Ook wisten zij niet, of hunne kapiteins nu den -eenig goeden weg volgden. De arme stad Menschziel was nu van tweeën -gedrongen; hare vijanden vielen op haar aan en hare vrienden wezen het -af haar te helpen. [Klaagl. 1 : 3.] - -Toen stond de burgemeester op, wiens naam was Verstand, en hij begon het -antwoord van den Geheimschrijver te overleggen tot hij eindelijk nog -troost putte uit de schijnbaar harde woorden van dien edelman. -„Eerstens”, zeide hij, „dit volgt onvermijdelijk uit zijne woorden, dat -wij om onze zonden nog moeten lijden. Toch straalt er in door, dat wij -eindelijk van onze vijanden zullen verlost worden, en dat Immanuel na -deze groote verdrukking ons helpen zal.” De reden waarom de burgemeester -die woorden van den Oppergeheimschrijver zoo fijn onderzocht was hierin -gelegen, dat deze meer dan een profeet was en al zijne woorden stellig -kwamen. - -Zoo namen zij dan afscheid van hem en keerden tot hunne kapiteins terug, -die nadat zij alles gehoord hadden het met den burgemeester eens waren. -Zoo spraken zij dan ook den burgers moed in en raadden hen aan zóo -moedig tegen Diábolus en zijn aanhang te strijden als hun maar -eenigszins mogelijk was. Ieder begaf zich daarop naar zijn post, de -kapiteins, de burgemeester, de gewezen secretaris en de heer Vastewil. -De kapiteins waren begeerig voor hun vorst te strijden en handteerden -het krijgsgeweer met vermaak. Het eerste antwoord kreeg Diábolus met de -slingers, des morgens vroeg toen de zon opging. De reus had het gewaagd -nader te komen, maar o, de slingersteenen vlogen hem en zijn volk als -horselen om de ooren. En evenals er voor Menschziel niets -verschrikkelijker was dan zijn trom, zoo was er voor hem niets -gevaarlijker dan Immanuels slingers. Daarom was hij genoodzaakt verder -van de stad te wijken. Toen liet de burgemeester de klok luiden en -beval, dat men den Oppergeheimschrijver zou gaan bedanken, omdat door -zijne woorden de stad was bemoedigd, hetgeen de onderleeraar ook deed. -[Zach. 9 : 15.] - -Toen Diábolus bemerkte, dat zijne kapiteins, soldaten en machtige edelen -verschrikt en verslagen waren door de gouden slingers van den vorst der -stad Menschziel, zoo bedacht hij iets anders, en zeide: „Ik zal hen door -vleierij en pluimstrijkende woorden in mijne macht zien te krijgen.” -Derhalve kwam hij spoedig terug, maar nu niet met zijn trommel, noch met -kapitein Graf, maar zijne lippen suikerzoet gemaakt hebbende, deed hij -zich voor als een lieftallig vorst, die vreedzaam was en zich volstrekt -niet wreeken wilde, maar slechts het welzijn der stad beoogde. Hij -hield, nadat hij zich vertoond had de volgende rede: - -„O, gij beminde mijns harten, beroemde stad Menschziel! Hoeveel nachten -heb ik doorgebracht om te overleggen hoe ik u ten goede mocht wezen. -Verre, zeer verre zij het van mij, dat ik begeeren zou u den oorlog aan -te doen, indien gij maar handelbaar waart en u gewillig aan mij -overgaaft. Gij weet, dat gij van ouds de mijne waart, en dat zoolang gij -mij voor uwen heer erkendet en ik u als mijne onderdanen beschouwde, u -niets ontbroken heeft van al wat u aangenaam was en vermaak kon -bezorgen. Bedenk toch, dat zoolang gij de mijne waart, gij nooit zulke -bange, nare en moeielijke uren hebt doorgebracht als sedert gij tegen -mij zijt opgestaan. Ook zult ge voortaan geen rust meer genieten voordat -wij het weder samen zijn eens geworden. Laat mij nu zooveel op u -vermogen, dat gij mij weder inhaalt, en ik zal u al uwe oude voorrechten -teruggeven, en nog vele nieuwe bovendien, zoodat gij weder de vrijheid -zult hebben om te bezitten en te genieten al wat van Oost en West -aanlokkelijk voortkomt. Nooit zal ik iemand iets vergelden wat gij mij -ook hebt aangedaan. Ook zullen nooit mijne vrienden binnen in u, die op -u loeren en zich versteken, u eenigszins meer schadelijk zijn. -Integendeel zij zullen uwe dienaren wezen en u alles geven wat gij van -hen begeert. Ik behoef hier niets meer bij te voegen, gij kent hen en -zijt dikwijls in hun gezelschap vroolijk geweest. Waarom zouden wij dan -in zulk eene vijandschap leven? Laat ons de oude vriendschap -vernieuwen. Weest het eens met uwe vrienden; ik durf vrijmoedig tot u -spreken omdat ik u innige liefde toedraag. Mijn hart klopt voor u. Lieve -vrienden, doet mij derhalve geen meerdere moeite aan en uzelven geen -angst en vreeze. Vlei u niet met de macht uwer kapiteins en denk niet, -dat Immanuel spoedig komt. Ik ben tegen u opgetrokken met een sterk en -onverschrokken leger; al de vorsten van den afgrond staan aan het hoofd -daarvan. Mijne kapiteins zijn vlugger dan arenden, sterker dan leeuwen -en roofzuchtiger dan avondwolven. Wat is Og van Bazan? Wat is Goliath -van Gath? Ja, wat zijn honderd zulke reuzen tegen een mijner minste -kapiteins? Hoe zou Menschziel dan ooit kunnen denken, dat zij mijne -macht ontkwame!” [1 Petr. 5 : 8.] [Openb. 12 : 10.] [Matth. 4 : 8, 9.] -[Luk. 4 : 6, 7.] - -[Afbeelding: WREED EN PIJNIGER.] - -Diábolus had nauwelijks deze bedriegelijke rede geëindigd of de -burgemeester antwoordde daarop: - -„O, Diábolus, vorst der duisternis en leermeester van alle bedrog! Uwe -pluimstrijkende, leugenachtige woorden hebben wij gehoord, en wij kennen -u bij ondervinding.[45] Reeds al te diep proefden wij uit den beker des -verderfs, zouden wij dan weder naar u hooren en ons aan u verbinden, -terwijl wij de wetten verbreken van onzen El-Schaddaï? Zou dan onze -vorst ons niet voor eeuwig verstooten? En als wij van hem verworpen -zijn, kan dan de plaats, die hij voor u bereid heeft, eene rustplaats -voor ons wezen? Bovendien, gij zijt van alle waarheid ontbloot en hebt -die voor goed van u afgeschud; wij voor ons zijn eerder bereid door uwe -hand te sterven dan ons door u te laten verstrikken.” - - [45] ~Diábolus vleiende taal~ wordt nu beter doorzien dan in het - eerst. Zijne listen zijn ons niet onbekend, is het nu. Toen de satan - voor het eerst kwam was Menschziel onbewust van wat haar te wachten - stond als zij luisterde en toegaf. Nu wist zij het ten volle uit lange - smartelijke ondervinding. Zij was door schade wijs geworden. - -Toen nu de tiran zag, dat er met onderhandelen weinig voor hem bij den -burgemeester viel te winnen, verviel hij in een helsche woede en voerde -weder zijn leger Twijfelaars op de stad aan. - -Opnieuw liet hij den trommel roeren opdat zijn volk gereed zou zijn tot -den strijd, hetgeen Menschziel deed beven, en rukte met zijne -krijgsmacht voorwaarts. Kapitein Wreed en kapitein Pijniger plaatste hij -aan de Voelpoort en beval, dat zij zich daar zouden nederslaan om zich -tot den aanval gereed te houden. Ook zorgde hij dat kapitein Zonder-rust -te hulp zou komen.[46] Voor de Neuspoort plaatste hij de kapiteins -Zwavel en Graf; maar aan de Oogpoort zette hij dat grijnzend aangezicht -van kapitein Wanhoop. Daar plantte deze ook zijn afgrijselijke -standaard. Kapitein Onverzadelijk zou Diábolus ter zijde staan en moest -zorg dragen voor de te rooven buit, zoo van menschen als goederen. - - [46] ~De kapiteins Wreed, Pijniger en Zonder-rust~. Nu dreigementen - niet hielpen en pluimstrijkende woorden vruchteloos bleven, gaat hij - tot dadelijkheden over. Nu komen de vervolgingen en het onthouden van - rust ook op den dag des Heeren. - -Mondpoort hielden de burgers om uitvallen te doen, daarom bewaarden zij -die zeer krachtig. Ook was dat de weg waarlangs hunne verzoekschriften -naar den koning gingen. Van den top dezer poort speelden de kapiteins -met hunne slingers op den vijand. Nu was het Diábolus’ voornemen om -Mondpoort met slijk te versperren. Waar de reus aldus allerlei -toebereidselen maakte om de stad van buiten aan te vallen, waren de -kapiteins en soldaten bezig zich van binnen te verdedigen, zij bereidden -hunne slingers, richtten hunne banieren op, bliezen op hunne bazuinen en -ordenden zich in afdeelingen naar zij het noodig keurden. Ook kregen de -soldaten bevel zich bij het geluid der bazuinen tot den strijd gereed te -houden. De heer Vastewil nam den post op zich om tegen de rebellen daar -binnen te waken, en te doen wat hij kon om hen voor den dag te halen en -te verworgen. En inderdaad sedert hij boete gedaan had over zijn -bedreven kwaad, toonde hij grooten ijver en liefde voor den koning. Hij -greep onder anderen zekeren Vroolijk en zijn broeder Dartel, de twee -zoons van dien Geoorloofd Vermaak, welke in de gevangenis kwijnde, die -nog in wezen waren, en nagelde ze met zijne eigen handen aan het kruis. -De reden, waarom hij hen ophing, was deze: nadat hun vader in handen van -den cipier Getrouwe was overgeleverd, begonnen deze zonen huns vaders -rol te spelen en met de dochters van hunnen heer te gekken en te -boerten. Ja, zelfs was er een sterk vermoeden, dat zij de grenzen der -betamelijkheid overschreden. Dit was den huisvader ter oore gekomen. Om -billijk te wezen, wilde hij hen niet op losse geruchten vatten. Hij -zette zijne twee knechts, Naspeurder en Alverteller, op den uitkijk; -deze betrapten hen aldra, en deelden dat aan hunnen heer mede. Toen nu -de heer Vastewil ten volle van de waarheid overtuigd was, nam hij de -twee jonge boeven en voerde hen naar de Oogpoort, waar hij hen aan zeer -hooge kruisen hing,[47] in het gezicht van kapitein Wanhoop en Diábolus’ -standaard. - - [47] ~Waar hij hen aan zeer hooge kruisen hing~. Nu blijkt dat het - Menschziel ernst wordt. De zonde wordt aangegrepen en gekruist, zelfs - de boezemzonde in eigen binnenste. Het vleesch wordt gekruist met de - begeerlijkheden. Eene heerlijke vrucht van het lijden! - -Deze flinke daad van den moedigen Vastewil diende tot groote beschaming -van kapitein Wanhoop, ontmoedigde het leger van Diábolus, en deed de -aanhangers van den reus binnen de stad sidderen, terwijl de kapiteins -van den Prins er zeer door werden bemoedigd. Diábolus zag nu duidelijk, -dat de burgers der stad genegen waren tegen hem te strijden en dat hij -op zijne vrienden daarbinnen niet hopen kon. Nog meer proeven gaf de -edele Vastewil van zijn oprechte gehechtheid aan zijn vorst, zooals -weldra zal blijken. - -De kinderen van Spaarzaam, die bij den heer Gemoed inwoonden, heetten -Afnijper en Inhalig. Een daarvan was zelfs getrouwd met eene dochter van -Gemoed, wier naam was Houd-het-kwade-vast. Toen deze bemerkten hoe de -heer Vastewil met Vroolijk en Dartel gedaan had, trachtten zij te -vluchten; maar de heer Gemoed zette hen in zijn huis gevangen, en -gedachtig aan de wet, dat alle Diábolus-mannen moesten sterven, liet hij -hen in ketenen naar de markt slepen en hing hen eveneens op. - -[Afbeelding: DE KAPITEINS ZETTEN DE VERDEDIGING VOORT.] - -De burgers werden hierdoor aangemoedigd nog nauwkeuriger onderzoek te -doen; maar het gebroed van Diábolus hield zich nu zóo schuil, dat men -het onmogelijk vinden kon. - -Eerst was Diábolus met zijn leger op het gezicht van deze kloeke daden -wel een weinig ontmoedigd, maar aldra veranderde zijne kleinmoedigheid -in woedende dolheid en brieschend als een leeuw vloog hij op tot den -strijd. Den stedelingen en kapiteins was een hart onder den riem -gestoken; en daar zij stellig geloofden, dat zij nog eenmaal zouden -triomfeeren, vreesden zij niet. De Onderleeraar hield eene predikatie -over den tekst uit Gen. 49 : 19. „Aangaande Gath, eene bende zal hem -aanvallen, maar hij zal haar aanvallen aan het einde.” Daarin toonde hij -aan, dat ofschoon Menschziel er nu zeer ellendig aan toe was; zij toch -voorzeker zou overwinnen. - -Diábolus liet weder zijn trom roeren; maar de kapiteins der stad, dat -hoorende, bliezen op hunne zilveren trompetten. Trommen waren in -Menschziel niet. Toen kwam Diábolus leger op de stad aan om die in te -nemen, terwijl de kapiteins op Mondpoort de slingers lieten werken en de -slingeraars van den muur het hunne deden. In Diábolus leger hoorde men -niet anders dan vervaarlijk tieren en lasteren; maar in de stad -verstandige redeneeringen, gebeden en psalmen. De vijanden braakten -allerlei scheldwoorden uit op het geluid van hun trom; maar die van de -stad bliezen voortdurend op hunne heerlijke trompetten en wierpen met -slingersteenen. Zoo hield deze strijd aan vele dagen achtereen. Alleen -hielden zij nu en dan een weinig rust, opdat de soldaten zich konden -verkwikken en de kapiteins zich tot een nieuwen aanval gereed maken. - -De kapiteins van Immanuel waren gekleed in zilveren wapenrusting en die -der soldaten was van wel beproefd metaal. De soldaten van Diábolus waren -in het ijzer gekleed, dat zoo was ingericht, dat het Immanuels schoten -kon weerstaan. In de stad waren sommigen licht gewond en anderen vrij -ernstig. Het ergste van alles was, dat er geen geneesmeester in -Menschziel was omdat Immanuel afwezig was.[48] Toch werden zij door de -genezende bladeren van een boom van sterven bewaard, ofschoon hunne -wonden grootelijks vervuilden en sommigen zelfs een ondragelijken stank -van zich afgaven, vooral bij den heer Rede, die aan het hoofd gewond -was. Een andere gewonde was de heer burgemeester zelf; die was in zijn -oog getroffen. Een derde geblesseerde was de heer Gemoed; hij kreeg eene -verwonding in zijn maag. Daarbij kwam nog de brave Onderleeraar, die een -schot ontving niet verre van het hart; maar geen dezer wonden waren -doodelijk. Vele minderen waren insgelijks getroffen, sommigen zelfs -doodelijk. [Openb. 22 : 2.] [Ps. 38 : 5.] - - [48] ~Geen geneesheer in Menschziel; maar wèl genezende bladen~. Zeer - goed wordt door onzen Bunyan hier onderscheid gemaakt tusschen het - bezit van Christus zelf en dat van zijne gaven. Ware de Geneesmeester - er zelf geweest, dan zou zijne tegenwoordigheid alleen alle kranken - gezond hebben gemaakt. Hier ziet men ook het onderscheid tusschen - genezingen door het geloof en door de middelen, waarbij Christus meer - indirect zijne kracht openbaart. - -In het leger van Diábolus was het getal gewonden en verslagenen -buitengewoon groot. De kapiteins Woede en Wreed beiden. De kapitein -Verdoemenis werd genoodzaakt te wijken en zich zeer verre van de stad te -begeven;[49] de standaard van Diábolus was nedergeworpen en zijn -vaandeldrager Veelkwaad werden door een slingersteen de hersenen -ingeworpen tot groot verdriet van zijn vorst. Velen van de Twijfelaars -werden ook nedergeveld, hoewel er nog genoeg in het leven bleven om -Menschziel te doen beven en sidderen. Daar evenwel te dezer dage de -overwinning voortdurend aan de zijde van Menschziel was gebleven, zoo -gaf dit grooten moed aan de lieden, en Diábolus leger was als met eene -wolk bedekt. Den volgenden dag rustte Menschziel en er werd gelast, dat -de klokken zouden worden geluid en de trompetten geblazen, en toen dit -gebeurde juichten al de kapiteins. - - [49] ~Kapitein Verdoemenis moest wijken -- zeer ver van de stad~. „Zoo - is er dan nu geene verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus - zijn, die niet naar het vleesch wandelen, maar naar den Geest.” - -[Afbeelding: DE GENEZENDE BLADEREN.] - -De heer Vastewil zat ook niet ledig, maar bewees van binnen belangrijke -diensten met het oog op de aanhangers van Diábolus. Hij ontdekte den -heer Neutraal van wien eertijds verhaald is, dat hij eene wijle onder -Boanerges had gediend, maar aldra was gevangen genomen en in Diábolus -dienst was overgegaan. Ook vatte hij een zekeren Losvoet, die een -verspieder van dat gespuis was, hetwelk in Menschziel huisde. Deze twee -zond de heer Vastewil naar den cipier Getrouwe, met bevel hen in de -ijzers te klinken. Hij had het oogmerk hen te kruisigen wanneer dit het -meest dienstig kon wezen tot ontmoediging van den vijand. Ook de heer -burgemeester, ofschoon hij niet zoo werkzaam kon zijn als tevoren, -wegens de ontvangen wonde,[50] gaf bevel aan alle burgers van -Menschziel, om toch vooral goed wacht te houden en op hunne hoede te -zijn, terwijl de heer Geweten als leeraar zijn uiterste best deed om -alle goede leering in de harten des volks levendig te houden. - - [50] ~De burgemeester wegens de ontvangen wonde niet zoo werkzaam~. - Het verstand heeft ook zijn onvermogen leeren inzien om alles te - doorgronden. Het heeft zich gevangen gegeven onder de gehoorzaamheid - des geloofs. - - - - -HOOFDSTUK XIII. - -EEN MIDDERNACHTELIJKE UITVAL.[51] - - [51] ~Een middernachtelijke uitval~ schetst den overmoed, waarin het - behaalde voordeel de ziel brengt. Onze wapenen des Geestes zijn - ~verdedigingswapenen~. - - -Niet lang daarna werden de kapiteins met de kloeksten in de stad het -samen eens om een uitval te wagen. Zij wilden des nachts het leger van -Diábolus overvallen. ’t Was jammer, dat zij het in den nacht deden; want -de nacht is altijd de beste tijd voor den vijand en Menschziel nadeelig. -Maar hun moed was zeer groot en de laatste overwinningen lagen nog zoo -versch in het geheugen. - -Toen de bepaalde nacht daar was, wierpen de dappere kapiteins het lot -wie van hen het eerst zou uittrekken om op Diábolus en zijn leger aan te -vallen. Allen waren even vurig en even dapper; allen hadden hun leven -en al hunne kracht voor de goede zaak over. De eer van hun koning en het -welzijn der stad gold hun boven alles. Daarom moest het lot beslissen -wie vooraan trekken zou. Het lot viel op kapitein Geloof. Hij zou met de -kapiteins Ondervinding en Goede Hoop de voorhoede aanvoeren. Zoo -geschiedde het. Zij deden een uitval op het leger, dat zich tegen hen -verschanst had, en vielen juist midden in het kamp hunner vijanden. -Diábolus en zijne mannen, zeer gewoon aan den nachtelijken arbeid, -maakten dadelijk alarm en waren onmiddellijk gereed hun slag te leveren, -even alsof zij een overval hadden verwacht. Van beide zijden werd zwaar -gevochten; de helletrom werd lustig geroerd, terwijl de trompetten een -aangenaam geluid gaven. Kapitein Onverzadelijk wachtte reeds op roof. - -De kapiteins van den Prins vochten dapper, zelfs beter dan men van hen -zou verwacht hebben in hun nog zwakken gezondheidstoestand; zij -verwondden velen en maakten, dat het gansche leger van Diábolus de -vlucht moest nemen. Maar toen die kloeke helden kapitein Geloof, -Goede-Hoop en Ondervinding den vijand najaagden en er velen in de pan -hakten, struikelde de eerste en viel, waardoor hij zich dusdanig -bezeerde, dat hij niet kon opstaan vóor kapitein Ondervinding hem hielp. -Het volk geraakte daardoor in verwarring en de arme Geloof was zoo vol -pijn, dat hij bij iederen voetstap luidkeels jammerde. Dit deed de beide -andere kapiteins verflauwen, want zij meenden, dat kapitein Geloof het -besterven zou, en nu had ook het andere volk geen lust tot vechten meer. -Diábolus, die alles opmerkte hoewel hij tot op het uiterste was -gebracht, zag dat er een groot rumoer onder degenen was, die hem -vervolgden en maakte daaruit op, dat de kapiteins verwond of gedood -waren. Eerst stond hij stil, toen gebood hij om te keeren en viel zijne -vervolgers met zulk een helsche razernij aan, dat het hem gelukte -tusschen de drie kapiteins in te komen. Daar hakte hij er zoo razend en -wild op los, dat het volk met bloed en wonden bedekt, in wanorde en -moedeloosheid teruggeslagen, blijde was de poort weder te kunnen -bereiken en behouden binnen de stad te komen. Het overige leger van den -Prins, ziende hoe slecht de voorhoede gevaren was, trok nu ook terug en -allen gingen de Mondpoort weder binnen. Hiermede eindigde deze -schermutseling; maar Diábolus was zoo in zijn schik met deze nachtelijke -overwinning, dat hij zich verbeeldde nu binnen weinige dagen geheel -Menschziel aan zich te zullen onderwerpen. Daarom trok hij den volgenden -dag rondom de stad en eischte met groote driestheid, dat men hem -dadelijk liet binnentrekken en zich aan hem overgaf. Ook begonnen de -Diábolus-mannen daarbinnen weer eenigen moed te scheppen. - -De manhaftige burgemeester gaf evenwel een kloek antwoord. Hij gaf aan -den reus te verstaan, dat als hij iets won, het dan door geweld zou -moeten gebeuren, want zoolang hun vorst Immanuel in leven was, waren zij -besloten Menschziel nooit aan een ander over te geven. Daarop begon de -heer Vastewil te spreken, en zeide: „Diábolus, gij meester en heer van -de spelonk der duisternis en vijand van alle goed! Wij, arme inwoners -der stad, dragen te veel kennis van uwe wetten en uwe regeering, van uw -oogmerk en bedoelen dan dat wij ons aan u zouden kunnen onderwerpen. -Toen wij eertijds toelieten, dat gij ons verschalktet als een vogel, die -den strik nog nooit heeft gezien, waren wij zonder kennis en -ondervinding; maar sedert wij overgebracht zijn uit de duisternis tot -het licht, zijn wij ook overgebracht uit de macht des satans tot God. En -ofschoon wij door uwe listen en de sluwheid der Diábolus-mannen van -binnen veel verlies geleden hebben en in groote zwarigheid zijn -gebracht, zullen wij echter nooit onze wapens afleggen en ons aan zulk -een tiran als gij zijt overgeven. Neen, dan sterven wij liever bij de -verdediging van het laatste bolwerk.” - -Deze ernstige redevoering van den Burgemeester alsook de woorden van den -heer Vastewil, deed Diábolus al vrij wat bedaren, ofschoon hij spoedig -daarop in nieuwe woede ontstak. Ook werden de inwoners er door versterkt -en was het als een pleister op de wond van kapitein Geloof. Inderdaad in -zulk een benauwden tijd waren zulke moedige woorden der hoofden des -volks als waterdroppelen op een dorstig land. - -De heer Vastewil toonde zich intusschen ook een man in daden, want -terwijl de kapiteins en soldaten in het veld waren, hield hij de wacht -in de stad, en waar hij een Diábolus-man vond, daar moest deze de kracht -zijner hand en de scherpte van zijn zwaard ondervinden. Hij verwondde -onder dit gespuis Spotter, Overmoed, Neuswijs en Murmureerder; dit waren -heeren, en verscheidene van het mindere soort kwamen er niet beter af. -De aanleiding, die hij daartoe kreeg was de afwezigheid der kapiteins, -waarvan deze vagebonden gebruik wilden maken om een oproertje te -verwekken. Daarop waren de anderen in allerijl naar hunne holen -teruggekropen. - -[Afbeelding: DE VAL VAN KAPITEIN GELOOF.] - -Deze moedige daad van den heer Vastewil woog eenigszins op tegen de -nederlaag der kapiteins en deed Diábolus weten, dat Menschziel zoo -gemakkelijk niet te nemen viel. De tiran klapwiekte trotsch met zijne -vleugelen en maakte zich tot een nieuwen aanval gereed. Waar ik hen eens -geslagen heb daar kan ik het meer doen, dacht hij. Dies beval hij zijn -volk zich tegen een bestemd uur op den dag gereed te houden, en al hunne -macht aan de Voelpoort te concentreeren om te beproeven of men daar ook -inbreken kon. Het wachtwoord, dat hij aan de zijnen gaf, was „Helsch -vuur”. „Laat toch”, zeide hij, „wanneer wij in de stad mogen -binnendringen, ’t zij een gedeelte onzer macht of het geheele leger, dat -woord niet worden vergeten, laat er niets anders binnen de stad gehoord -worden dan „helsch vuur! helsch vuur!” Laat de trom zonder ophouden -worden geslagen, en alle vlaggen uitwaaien! Houdt u mannelijk tegen -Menschziel en overwint!” - -Toen het bestemde nachtelijk uur geslagen was en alles gereed, deden zij -een onverwachten aanval op de Voelpoort, en stieten eindelijk na eene -hevige worsteling die poort wijd open. Ach, deze poort was zeer zwak en -daarom het gemakkelijkst in te nemen. Toen de tiran het zóover gebracht -had, stelde hij daar zijne kapiteins Pijniger en Zonder-rust, terwijl -hij zelf zich verder in de stad waagde. Maar ’s Prinsen kapiteins kwamen -op hen af en maakten het hun lastig genoeg, zich flink verwerende. -Evenwel drie hunner, de beste en kloekmoedigste, waren verwond en -onbekwaam dienst te doen zooals zij begeerden, en de overigen hadden -hunne handen vol met de Twijfelaars en hunne aanvoerders. Zoo worstelde -het al voort in de straten der stad en de kapiteins ziende, dat zij het -niet konden uithouden, begaven zich in allerijl naar het kasteel, als de -voornaamste sterkte der stad. Dit wilden zij tot elken prijs voor hunnen -vorst behouden; het was het kroondomein. - -Daar nu de kapiteins in het kasteel waren gevloden nam de vijand zonder -veel tegenstand bezit van de stad en verspreidde zich daar in alle -hoeken, onophoudelijk roepende: „Helsch vuur, helsch vuur!” zoodat een -wijle door de gansche stad niets anders gehoord werd dan deze legerkreet -vergezeld van Diábolus trom. Nu hingen er wel donkere wolken boven -Menschziel en had het niets anders dan zijn ondergang voor oogen. -Diábolus kwartierde zijne soldaten bij de burgers in, ja zelfs het huis -van den Onderleeraar was zóo vol van deze buitenlanders, dat zij er -kwalijk in konden, en niet beter ging het met de woningen van de heeren -Burgemeester en Vastewil. Ach, er was geen hut, stulp of schuur, die -niet van dit ongedierte wemelde; zelfs dreven zij hier en daar de -inwoners der stad uit hunne woningen, waar de Twijfelaars zich te bed -legden en aan tafel zetten. Ach, arm Menschziel, nu smaakt gij de -vruchten der zonde en welk een venijn er stak in de vleiende woorden van -Vleeschelijke Gerustheid! Alles waar zij de hand aanlegden beschadigden -zij; zelfs staken zij de stad op sommige plaatsen aan brand; kleine -kinderen werden in stukken gescheurd. Dat kon nu niet anders gaan, want -welke barmhartigheid, welk medelijden of welk geweten kan men bij een -buitenlandschen Twijfelaar onderstellen? Ook werden vrouwen en maagden -geschonden en beestachtig mishandeld, zoodat er sommigen zelfs van -stierven en onbegraven langs de straat lagen. - -Nu scheen Menschziel dan ook niets anders te wezen dan een hol der -draken, een voorportaal der hel, eene plaats van uiterste donkerheid. Nu -lag Menschziel daar als een huilende wildernis, bedekt met doornen en -distelen, allerlei onkruid en onreinheid, terwijl de inwoners er -ellendig aan toe waren. Ook den heer Geweten hadden zij verwond en zijne -wonden waren zóo ingekankerd, dat hij dag noch nacht rusten kon, maar -als voortdurend op een pijnbank lag. Hadde El-Schaddaï hem niet bewaard, -dan zouden ze hem zeker doodgeslagen hebben. Den heer burgemeester -mishandelden zij zoo vreeselijk, dat ze hem bijna de oogen uitsloegen, -en ware de heer Vastewil niet in het kasteel geweken, dan was ook hij -omgekomen, want hun voornemen was hem in stukken te houwen. Zij zagen -hem dan nu ook aan als een der ergste vijanden van Diábolus. - -Dagen achtereen kon men nu Menschziel doorwandelen, dat men nauwelijks -éen godsdienstig man in de stad ontmoette. Welk een treurige toestand! -Overal zag men niet anders dan Twijfelaars. Rood-rokken en zwart-rokken -liepen bij troepen door de straten en vervulden de huizen met hun -liederlijke liederen, leugenachtige verhalen en lasterlijke taal tegen -El-Schaddaï en zijn zoon. Ook leefden de Diábolus-mannen in de wallen en -holen op, en kwamen zelfs open en vrij voor den dag, wandelend in -gezelschap der Twijfelaars. Ja, zelfs hadden zij meer vrijmoedigheid om -zich in het openbaar te vertoonen dan de inboorlingen zelven. - -Toch waren Diábolus en zijne mannen niet met Menschziel tevreden. Zij -werden daar geenszins behandeld als de kapiteins en soldaten van -Immanuel. De burgers toonden hun overal een stuursch gelaat, en nooit -kregen zij iets voor hun levensonderhoud of zij moesten het met geweld -halen. Men verbergde alles voor hen wat men maar eenigszins kon, en wat -men niet verbergen kon stond men tegen wil en dank af. Zij hadden dat -vreemde volk gaarne zien heengaan, maar, ach arme! zij waren nu hunne -gevangenen en werden tot alles gedwongen. [Rom. 7.] - -De kapiteins lieten ook uit het kasteel telkens hunne slingers op hen -spelen, hetgeen den vijand zeer verbitterde. Wel is waar ondernam -Diábolus het dikwijls de poorten van het kasteel open te breken; maar de -heer Vreeze Gods was poortwachter gemaakt, en hij was een man van beleid -en dapperheid, daarom trachtten zij tevergeefs zoolang hij leefde dit -werk ten uitvoer te brengen. Daarom bleven alle aanvallen van Diábolus -vruchteloos. Ik kon somtijds den wensch niet onderdrukken, dat deze man -het geheele bestuur van Menschziel op zich genomen had! - -[Afbeelding: MENSCHZIEL INGENOMEN.] - -Zoo ging het in de stad wel omtrent twee en een half jaar. Menschziel -was nu het tooneel van den oorlog; de inwoners waren in verborgen -plaatsen en holen gedreven en alle heerlijkheid lag in het stof. Welke -rust kon er nu zijn? Welken vrede kon men genieten? Welke zon zou nu -schijnen? Hadden de vijanden nog buiten de muren en poorten gelegen, dan -zou die tijd voldoende geweest zijn om hen uit te hongeren; maar nu -waren zij binnen de stad, deze was hun legerplaats, zij maakten -daarbinnen hunne loopgraven en sterkten tegen het kasteel. Zij hielden -daar huis tot zij alles weggeroofd zouden hebben en wachtten er op het -kasteel te verbreken en te verwoesten. Ach, welk een armzalige plaats -was nu dat eertijds zoo gelukkig Menschziel! - - - - -HOOFDSTUK XIV. - -„ZIET, HIJ BIDT.” - - -Nadat de stad Menschziel al dien tijd in dezen droevigen staat verkeerd -had en geen rekwest, aan hun vorst gezonden, noch rechtstreeks -beantwoord was, kwamen de inboorlingen, namelijk de oudsten en -opperhoofden samen, en na hunne ellende beweend, en het droevig oordeel, -waaronder zij zuchtten, beklaagd te hebben, vatten zij nogmaals het -voornemen op alles in een dringend verzoekschrift aan Immanuel bloot te -leggen. Maar nu stond de heer Vreeze Gods op en zeide, dat hij te weten -was gekomen, dat hun Heer en Vorst nooit een verzoekschrift van dezen -aard aannam dan wanneer het gegeven was door de hand van den -Oppergeheimschrijver. „Om deze reden”, sprak hij, „hebt gij nog geen -gehoor ontvangen.” Toen zeiden zij, dat zij dan een rekwest zouden -opstellen en verzoeken dien Edelman daaronder zijne handteekening te -plaatsen, maar ook dit had hij geweigerd; waarop de heer Vreeze Gods -weder aanmerkte, dat hij stellig wist, dat de Oppergeheimschrijver nooit -zijne hand zette onder eenig rekwest in welker samenstelling hij niet -zelf de hand gehad had. „Onze Vorst kan in dit opzicht niet bedrogen -worden, want hij kent het schrift en het werk van zijn Geheimschrijver -uit alles wat men hem voorlegt,” zeide hij. Deze hooge personage woonde -in het kasteel met de andere hoofden. - -Men bedankte daarom den heer Vreeze Gods voor zijn raad, en de hoofden -begaven zich onmiddellijk naar de kamers van den Oppergeheimschrijver, -hem nauwkeurig met het doel van hunne komst bekend makende, en hem -verzoekende toch uit hun naam een rekwest op te stellen aan Immanuel, -den zoon van den almachtigen El-Schaddaï, en aan hun Koning en Heer, die -zijn eeniggeboren zoon was. - -Toen zeide die edelman tot hen: „Welk verzoekschrift is het, dat gij -door mij begeerdet op te stellen?” Maar zij antwoordden: „Onze Heer weet -beter dan wij hoe wij er aan toe zijn, en hoe wij van onzen Vorst zijn -afgeweken en ontaard. Ook weet gij in welk een oorlog wij gewikkeld zijn -en welk een leger tegen ons Menschziel is opgetrokken, zoodat wij nu -voortdurend op voet van oorlog leven. Mijnheer weet bovendien welk een -onmenschelijke behandeling onze mannen, vrouwen en kinderen onder hunne -handen hebben te doorstaan, en hoe onze inwonende Diábolus-mannen thans -met trotschheid door onze straten wandelen. Laat daarom onze heer naar -de wijsheid Gods, die in hem is, een verzoekschrift opstellen voor zijn -ellendige knechten, aan den grooten Immanuel.” - -„Goed”, antwoordde de Oppergeheimschrijver, „ik zal het verzoekschrift -opstellen en er ook mijne handteekening onder plaatsen.” - -Toen zeiden zij: „Wanneer mogen wij het komen halen?” - -Maar hij antwoordde: „Gij zelf moet bij het opstellen tegenwoordig zijn, -ja, gij zelf moet uwe begeerten daarin uitdrukken. Wèl zal de hand en de -pen mijne zijn; maar de inkt en het papier moeten van u wezen, hoe kunt -gij anders zeggen, dat het uw verzoekschrift is? Ik behoef het voor -mijzelven niet te doen, want ik heb niets misdaan.” - -Hij voegde daar nog bij: „Geen verzoekschrift gaat in mijn naam naar den -Vorst, en evenmin tot zijn Vader, dan wanneer het volk daarin zijn -gansche hart en ziel heeft uitgedrukt; want die moeten er bij ingesloten -worden.” - -Zoo stemden zij dan van ganscher harte met deze woorden in, en een -verzoekschrift werd klaar gemaakt. - -Maar nu was de vraag: „Wie zal het wegbrengen?” De Oppergeheimschrijver -raadde aan, dat kapitein Geloof dit doen zou, omdat hij een welbespraakt -man was. - -[Afbeelding: DE VERWOESTING IN MENSCHZIEL.] - -Zoo lieten zij hem dan roepen en droegen hem dit werk op. „Wel”, zeide -deze, „ik neem gaarne dat werk op mij en hoewel ik kreupel ben, zal ik -het toch zoo spoedig doen als mij mogelijk is.” - -De inhoud van het verzoekschrift was als volgt: - -„O, onze Heer en souvereine Vorst Immanuel, machtige lankmoedige Prins! -Genade is op uwe lippen uitgestort, en bij u is genade en -schuldvergiffenis ofschoon wij tegen u hebben gerebelleerd. Wij, die -niet meer waard zijn uw Menschziel genaamd te worden, of uwe zegeningen -voortaan te genieten, smeeken u en uwen Vader met u, onze overtredingen -uit te delgen. Wij belijden, dat gij alle recht hebt ons te verwerpen; -maar och, doe dat niet om uws naams wil: Zie onze ellende aan en laat -uwe ingewanden over ons rommelen! - -„Wij zijn van alle kanten ingesloten, Heer; onze eigen afdwalingen -kastijden ons; de Diábolus-mannen binnen onze stad verschrikken ons, en -het leger uit den bodemloozen afgrond onderdrukt ons. Uwe genade kan ons -redden, maar anders weten wij niet waarheen ons te wenden. - -„Bovendien, genadige Vorst, hebben wij onze kapiteins verzwakt en zijn -ze ontmoedigd, krank en sommigen hunner zelfs ernstig gewond door de -kracht van den tiran. Ja, zelfs diegenen onzer kapiteins, waarop wij -eertijds ons vertrouwen het meeste stelden, zijn verminkt. Onze vijanden -daarentegen zijn vol leven en gezondheid, zij beroemen zich ons weldra -als een buit te zullen verslinden. Ze zijn op ons aangevallen met vele -duizenden Twijfelaars, die allen even grimmig en onbarmhartig zijn en -ons tegenstaan zoowel als u. - -„Onze wijsheid is weg, onze kracht is weg, omdat Gij van ons zijt -weggegaan. Wij hebben niets meer wat wij het onze kunnen noemen dan -zonde, schande en schaamte voor uw aangezicht. Heb medelijden met ons, o -Heer, heb medelijden met uwe ellendige stad Menschziel en red ons uit de -handen onzer vijanden. Amen.” - -Met dit verzoekschrift vertrok de dappere kapitein Geloof. Hij ging de -Mondpoort uit en het gelukte hem in alle stilte het hof van Immanuel te -bereiken. - -Hoe het kwam weet ik niet, maar het kwam uit en bereikte zelfs de ooren -van Diábolus. Dat hij er kennis van kreeg bleek duidelijk hieruit, dat -hij de stad dreigde en riep: „Gij hardnekkige en oproerige Menschziel, -ik zal u dat verzoekschriften indienen wel afleeren!” Ja, hij wist ook -wie de overbrenger geweest was en dat maakte hem beide bang en woedend. -Dies beval hij dat zijn tamboer weder de trom zou roeren, iets dat -Menschziel dan al zeer slecht verdragen kon. - -Toen nu de trom was geroerd en de mannen van Diábolus bijeengeroepen, -sprak de reus hen aan: „O, gij stoutmoedig Diábolus-volk! u zij bekend, -dat er in deze oproerige stad verraad is gesmeed; want ofschoon zij in -onze macht zijn, hebben die ellendige inwoners van Menschziel zich -verstout naar het hof van Immanuel om hulp te zenden. Dit zeg ik u om u -te leeren op uwe hoede te zijn. Daarom, mijne getrouwen, beveel ik u -haar te meer te kwellen. Rooft hare vrouwen en maagden, slacht hare -kinderen, slaat haar ouden den schedel in en steekt haar zelve in brand. -Gij kunt haar niet te veel kwaad doen; ik zal u beloonen.” - -Dit was zijn bevel, maar er gebeurde nog iets tusschen dit voornemen en -de uitvoering, waarop de reus niet gerekend had en dat de inwoners van -Menschziel maar nauwelijks hadden durven hopen. Pas had Diábolus dit zoo -besteld of hij marcheerde op het kasteel aan en eischte dat op. Maar de -heere Vreeze Gods antwoordde daarop, dat noch hem, noch zijnen -volgelingen de poorten zouden worden geopend, en sprak de overtuiging -uit, dat Menschziel na nog eene wijle geleden te hebben, verlost, -versterkt, volmaakt en bevestigd zou worden. - -Toen zeide Diábolus: „Geef mij dan de mannen over, die het rekwest -hebben overgeleverd en vooral kapitein Geloof, die het aan uw Prins -gebracht heeft. Als ik dien slaaf in handen heb dan zal ik de stad -verlaten.” - -Daarop trad iemand uit zijn gevolg op, n. l. Slecht, en sprak: „Mijnheer -biedt u zeer veel aan; het is immers beter voor u, dat éen mensch -sterve[52] dan eene gansche stad verloren ga.” Maar de heer Vreeze-Gods -vraagde: „Hoe lang zou Menschziel buiten den poel blijven, zoo zij haren -kapitein Geloof aan Diábolus had overgegeven? Zoo gaat dan de stad -verloren als Geloof verloren gaat; als de een weg is moet de andere -wijken.” Toen Slecht daarop niets antwoordde sprak de burgemeester: „O -gij verwoester! het zij u bekend, dat wij naar uwe woorden niet hooren -zullen. Wij zijn besloten zoolang er éen kapitein, éen man, éen slinger, -éen steen overblijft, u tegenstand te bieden!” - - [52] ~Het is beter dat éen mensch sterve~! Deze Kajafas-raad is - duidelijk genoeg. Met schijnbare wijsheid en voorzichtigheid gaf de - hoogepriester van Israël dien raad met het oog op Jezus Christus. - Bunyan heeft begrepen, dat de satan het hem had ingegeven, en daarom - legt hij dezen die woorden in den mond met het oog op kapitein Geloof, - de hand waarmede men Christus aangrijpt. - -[Afbeelding: KAPITEIN GELOOF ONTVANGT HET VERZOEKSCHRIFT.] - -Maar Diábolus antwoordde: „Hoopt gij nog? Wacht gij nog? Ziet gij nog -uit naar hulp en verlossing? Gij hebt naar Immanuel gezonden, maar uw -goddeloosheid kleeft aan uwe zoomen, en uwe onnoozele verzoekschriften -beduiden toch niets. Hoeveel zondt gij er vroeger reeds op? Denkt gij, -dat gij het nu winnen zult? Gij zult bedrogen uitkomen; want niet alleen -ik ben tegen u, maat Immanuel evenzeer. Ja, Hij is het zelf, die mij -tegen u heeft uitgezonden. Waar hoopt gij dan nog op? Door welke -middelen wilt gij het ontkomen?” - -De burgemeester antwoordde: „Voorwaar, wij hebben gezondigd, maar -daaruit zult gij bij Immanuel geen voordeel trekken; want in groote -getrouwheid heeft hij gezegd: „Die tot Mij komt zal Ik geenszins -uitwerpen.” Hij heeft ook gezegd, dat alle zonde en lastering den -menschen zal vergeven worden. Daarom durven wij niet wanhopen; maar -willen blijven uitzien, wachten en hopen op onze verlossing.” - -Intusschen was kapitein Geloof van Immanuels hof wedergekeerd en droeg -een pakket onder den arm. De heer burgemeester zulks verstaande onttrok -zich aan het geraaskal van den woedenden tiran, en liet hem tegen de -muren van het kasteel praten. Hij sloop weg naar het verblijf van den -kapitein en vraagde naar de reis en den welstand van het hof, alsmede -welk nieuws hij medebracht. Ach, de tranen stonden hem in de oogen. -Maar kapitein Geloof zeide: „Houd moed, mijnheer, alles zal nog wel -terecht komen.”[53] Dit zeggende haalde hij zijn pakket voor den dag en -deed het open, waaruit de burgemeester en de anderen opmaakten, dat er -goede tijding was. Daar nu de tijd des welbehagens daar was, zond hij om -alle kapiteins en oudsten der stad, die in het kasteel hun verblijf -hielden of op wacht waren. Daarop kwamen allen en verwelkomden hem, -waarna hij uit zijn pakket verscheidene brieven voor den dag haalde. De -eerste was voor den burgemeester. - - [53] ~Houd moed, Mijnheer, alles zal nog wel terecht komen~. Het - geloof houdt zich vast als ziende den Onzienlijke, en krijgt bij - Geestes licht telkens dieper inzicht in de geopenbaarde waarheid. Dit - wordt in de allegorie voorgesteld door de medegebrachte brieven. Het - getuigenis Gods moet gelezen als een brief persoonlijk tot u gericht. - -De Prins was zeer vergenoegd, dat deze edelman zijn ambt zoo getrouw had -waargenomen in alle gewichtige aangelegenheden, die hem in Menschziel -waren opgedragen. Ook gaf hij hem zijn welgevallen te kennen over zijne -kloekmoedigheid en getrouwheid voor den Prins tegen Diábolus. Aan het -slot stond, dat hij weldra zijn loon ontvangen zou. - -De tweede brief was voor den heer Vastewil, waarin te kennen gegeven -was, dat zijn Vorst Immanuel wel verstaan had, hoe dapper hij voor zijn -heer geweest was in zijn afwezen en toen zijn naam in verachting was bij -de Diábolus-mannen. Ook dat hij zich zoo flink gehouden had in het -opsporen en ophangen der Diábolus-mannen, die in hunne holen lagen. Hem -zou eveneens zijn loon niet ontgaan. - -De derde brief was voor den Onderleeraar, waarin vermeld stond hoezeer -de Prins zich verheugde, dat hij zoo eerlijk en getrouw zijn ambt had -waargenomen in het bestraffen en vermanen en waarschuwen. Ook gaf de -Vorst zijn welgevallen te kennen over den vast- en bededag toen -Menschziel het verdorven had en dat hij daarbij de hulp van kapitein -Boanerges had ingeroepen. Alles wist de Prins en voor alles zou de -Onderleeraar beloond worden. - -Een vierde brief was voor den heer Vreeze Gods. Daarin stond, dat zijn -Heer had opgemerkt, hoe hij de eerste in gansch Menschziel geweest was, -die Vleeschelijke Gerustheid had openbaar gemaakt. Daarenboven gaf zijn -Heer hem te verstaan, dat hij alle tranen en klaagliederen over -Menschziel in gedachten zou houden en zijne kloekmoedige houding in de -feestzaal van Vleeschelijke Gerustheid niet vergeten. Ook dat hij de -poorten van het kasteel zoo goed had bewaard en de stedelingen geleerd -hoe zij een verzoekschrift moesten inzenden, dat kracht deed. Daarom zou -ook hij binnenkort zijn loon ontvangen. - -Daarna kwam er nog een brief, die aan de gansche stad Menschziel was -geschreven, waaruit zij verstonden, dat hunne dikwijls herhaalde -verzoekschriften aan hunnen Heer bij hem in gedachtenis waren en dat zij -nu in de toekomst daarvan de vrucht zouden zien. Hun Vorst betuigde -daarin, dat het hem recht aangenaam was, dat zij hun hart en hunne -zinnen er nu ter dege op gezet hadden om in zijne wegen te wandelen, en -dat noch de vleierij noch de dreiging van Diábolus, noch al zijne -foltering hen kon bewegen zich over te geven. Onder aan den brief stond -nog, dat hun Heer de stad Menschziel achtergelaten had in de handen van -den Oppergeheimschrijver en onder het bestuur van kapitein Geloof: -„Gedraagt u naar hun onderwijs en begeeren en gij zult ter bekwamer tijd -uwen loon ontvangen.” - -Nadat de brave kapitein Geloof zijne brieven aan hun adres had -afgeleverd, ging hij naar de kamer van den heer Oppergeheimschrijver en -bracht daar eenigen tijd door in een vertrouwelijk gesprek. Die twee -waren zeer met elkander vertrouwd. De Oppergeheimschrijver had den -kapitein Geloof hartelijk lief, en zond hem menige verkwikking van zijne -eigen tafel, ja, toonde hem een vriendelijk gelaat, waar de rest van -Menschziel nog bewolkt was. Toen zij nu een wijle met elkander gesproken -hadden, begaf de kapitein zich ter ruste. Doch niet lang daarna zond de -Geheimschrijver weder om hem, die na eene beleefde buiging vraagde: -„Wat heeft mijnheer tot zijn dienaar te zeggen?” Waarop de -Oppergeheimschrijver hem ter zijde nam en met groote gunstbetooning -overlaadde. Daarna sprak hij: „Ik heb u tot onderkoning gemaakt over de -gansche stad Menschziel; zoodat van dezen dag af alle inwoners der stad -op uw woord zullen opstaan en gij zult hen uit- en inleiden. Uit kracht -van uwe waardigheid moet gij ook voor uwen Vorst en de stad Menschziel -den oorlog voeren, en naar uwe bevelen zullen de andere kapiteins -handelen.” - -[Afbeelding: DIÁBOLUS’ TAMBOER.] - -Onder zulke omstandigheden kon het niet uitblijven of de burgers moesten -beginnen te beseffen welk een invloed deze heer kapitein aan het hof -bezat; want wie er ook ooit tot Immanuel werd afgezonden, wie hunner had -zoo spoedig en zulk een goed antwoord van daar teruggebracht als deze -kapitein? Wat doen zij nu? Nadat zij zichzelven hadden verweten, dat zij -in hunne benauwdheid niet meer gebruik van hem hadden gemaakt, zonden -zij door de hand van den Onderleeraar tot den Geheimschrijver om hem te -verzoeken, dat toch al wat zij hadden of deden gesteld mocht worden -onder het bestuur, de zorg en de hoede van kapitein Geloof. - -Zoo ging dan de Onderleeraar met deze boodschap en ontving tot antwoord, -dat dit alreede was geschied, daar de heer Geloof tot Onderkoning was -aangesteld.[54] Daarop boog hij zich en ging heen om dit nieuws aan de -burgers der stad te verhalen. Maar dit alles geschiedde in het diepste -geheim omdat de vijanden nog zulk een groote macht hadden in Menschziel. - - [54] ~De onderleeraar kreeg de boodschap dat alreede was geschied wat - hij begeerde~. Hiermede wordt aangeduid hoe de ziel het met God is - eens geworden, hoe Gods Geest met onzen geest getuigt, en hoe de - belofte bewaarheid wordt: eer ze roepen zal ik antwoorden. - -[Afbeelding: KAPITEIN GELOOF OVERHANDIGT HET VERZOEKSCHRIFT.] - - - - -HOOFDSTUK XV. - -DE BELOFTE VAN ZIJNE KOMST. - - -Maar laat ons tot Diábolus terugkeeren. Toen deze zag hoe kloekmoedig de -heer burgemeester hem had weerstaan en de woorden van heer Vreeze-Gods -overdacht, sloeg hij aan het woeden en riep een krijgsraad bijeen om -zich op Menschziel te wreken, waarop al de vorsten van den poel -samenkwamen en de oude Ongeloof vooraan om samen te beraadslagen wat er -te doen stond. Het besluit van dien raad was, dat zij trachten moesten -het kasteel hoe eer hoe beter te bemachtigen; want zij rekenden zich, en -terecht, geen meester van de stad zoolang zij dat kasteel niet hadden. -’t Was Apollyon, die den doorslag gaf en sprak: „Mijne broederschap, ik -heb u twee dingen voor te stellen, waarvan het eerste is: laat ons weder -de stad verlaten en in het veld kampeeren; want ons verblijf in de stad -doet ons geen goed, omdat het kasteel nog in de handen onzer vijanden -is, en het is ons onmogelijk dat in te nemen zoolang die stoute gast -Vreeze-Gods de poortwachter is. Wanneer wij ons nu naar buiten begeven, -zullen zij zich verheugen en wellicht zorgeloos worden, en dat zou hun -nadeeliger kunnen worden dan iets dat wij doen. Ook zullen de kapiteins -dan wellicht hun schuilhoek verlaten, een uitval doen, ons achtervolgen -en gij weet hoe slecht dit hun bekomen is. Kunnen wij hen maar in het -veld lokken, zoo zullen wij in een achterlage achter de stad ons -verschuilen, en een deel van ons zal die binnentrekken en ook het -kasteel veroveren.” - -[Afbeelding: KAPITEIN GELOOF TOT LUITENANT VAN DEN PRINS BEVORDERD.] - -Eerst wilde Beëlzebul daar niet van weten en voerde aan, dat deze -onderneming tevergeefs zou wezen omdat zij het kasteel niet zouden -verlaten. Hij stelde dus andere middelen voor; maar de anderen meenden -dat Apollyons raad beter was, hoewel zij moesten toegeven, dat het ook -bijzonder dienstig wezen zou als zij middelen wisten te bedenken om hen -aan het zondigen te brengen. „Wij hadden gerust onze Twijfelaars thuis -kunnen laten, wanneer wij hen geen meester kunnen doen worden van het -kasteel,” zeiden zij, „want Twijfelaars, die van verre staan, zijn -gelijk aan beschuldigingen, die men met goede bewijzen wederleggen kan. -Kunnen wij hen echter in het kasteel krijgen en maken, dat zij dat in -bezit nemen, dan hebben wij een goeden dag. Laat ons daarom -terugtrekken naar het open veld; maar eerst moeten wij nog raadplegen -met onze vertrouwde aanhangers hier in de stad, die ons moeten helpen om -haar door verraad in onze handen te spelen. Waarlijk wij moeten hen aan -het zondigen helpen, hierin heeft Beëlzebul groot gelijk, en dan de stad -uit.” [2 Petr. 2 : 18-21.] - -Toen had Lucifer nog het volgende te zeggen: „Al wat dusver voorgesteld -is, is goed, en om dat te bevorderen, moeten wij de burgers niet meer -zoo verschrikken, noch door onzen trommel noch door martelingen. Laat -ons maar ver weg trekken en doen of wij geen acht op hen slaan; want de -vreeze houdt hen wakker en doet hen op tegenweer bedacht zijn. Gij weet, -dat Menschziel eene marktstad is, die veel vermaak schept in den -koophandel, laat nu sommigen onzer zich aanstellen als kooplieden of -boeren uit vergelegen plaatsen, die ter markt komen om hunne koopwaar -aan den man te brengen. Laat ons die desnoods verkoopen voor den halven -prijs! Maar die dit doen, moeten ons zeer getrouw wezen, ik wil hun mijn -kroon tot belooning geven als zij er in slagen. Er komen mij er daar -twee in gedachten, die bijzonder geschikt zijn voor dit werk. -De een heet: Muguitzuiger-kemeldoorzwelger en de ander is -Alles-in-de-Waagschaalzetter-om-een-kleine-winst. Deze mannen met zulke -lange namen zijn uitmuntend tot ons doel. En wat dunkt u als wij daar -eens bijvoegden, ’s Werelds-Goed en Aardsche Rijkdom? Die beiden zijn -zeer listig en zeer bescheiden. Laat dezen met eenige anderen hun best -doen en laat het volk slechts rijk en zat worden, dan zullen wij bij hen -winnen. Bedenk maar eens op welke wijze wij Laodicea overwonnen hebben! -Als zij nu zat worden en wij hen niet verontrusten, zoo zullen zij hunne -ellende vergeten en daarbij in slaap vallen en hun kasteel niet langer -bewaken. Ja, zelfs zouden wij zoover kunnen gaan, door hen met allerlei -overvloed te bezwaren, dat zij van hun kasteel een pakhuis maakten en er -het oorlogsvolk uit wegnamen. Derhalve zoo wij onze goederen en koopwaar -binnen weten te krijgen, zoo denk ik, dat de stad al half gewonnen is. -Ook hunne kapiteins zullen het dan benauwd genoeg krijgen. Kent gij niet -de gelijkenis van den rijken dwaas? En weet gij niet, dat als het hart -overladen is met brasserij en dronkenschap en de zorgvuldigheden des -levens, dat dan den mensen alle kwaad overkomt, eer hij er om denkt? -Bovendien is het niet goed voor een volk, dat zij met onze goederen -vervuld zijn, wanneer zij niet eenigen der onzen in huis hebben,[55] -zoogenaamd als dienaars, maar eigenlijk om alles tot ons te trekken. -Waar is er een burger van Menschziel, die vol is van ’s werelds goed en -niet tot zijn knecht of oppasser heeft een zekeren Overdadig, of Dartel, -of Wellust, of Loos, of Pocher, of nog anderen van onze getrouwen? Deze -nu, zouden het kasteel kunnen in de lucht laten springen of ongeschikt -maken langer eene vesting van Immanuel te zijn. Op deze wijze gaat het -beter dan door een groot leger. Ik blijf dus bij mijn raad. Laat ons -dien nu spoedig uitvoeren en wegtrekken.” [Openb. 3 : 17.] [Luk. 8 : -14.] [Luk. 21 : 34, 36.] - - [55] ~Bovendien is het niet voor een volk, dat zij met onze goederen - vervuld zijn, zoo zij niet een der onzen in huis hebben~. De Heere - zeide: „Maakt u vrienden uit den onrechtvaardigen Mammon, opdat zij u - ontvangen in de eeuwige tabernakelen.” De satan weet zeer goed, dat - wereldsche schatten uitmuntend te gebruiken zijn in ’s Heeren dienst - en daarom stuurt hij er ~zijn~ volk op af om ons te helpen die te - beheeren en daardoor eigenlijk aan ’s Heeren dienst te onttrekken. Men - wake en bidde vooral als men rijk is! - -Wat deze hellevorst geraden had werd voor een helsch meesterstuk geacht. -Maar ziet nu eens hoe het uitkwam! Pas was de vergadering van Diábolus -uiteengegaan of kapitein Geloof ontvangt een brief van Immanuel, waarvan -de korte inhoud was, dat hij hem op den derden dag in de vlakke velden -van Menschziel zou ontmoeten. - -De kapitein begreep deze boodschap niet. Hem in het veld ontmoeten! -zeide hij, wat bedoelt Prins Immanuel daarmede? Daarom nam hij den brief -en ging er mede naar den Opperleeraar en Geheimschrijver, want deze was -een ziener in al ’s konings zaken, Menschziel ten goede. Dezen edelman -vroeg hij om raad. Nadat de Opperleeraar den brief stilzwijgend had -gelezen zeide hij: „Het Diábolus-komplot heeft een groote beraadslaging -gehad en zij hebben daar besloten tot het uiterste verderf van -Menschziel. Van die zijde dreigt een groot gevaar. Zij maken zich gereed -de stad te verlaten en zich weder in het veld te begeven om vandaar uit -nieuwe helsche maatregelen te nemen. Maar zorg gij nu, dat gij tegen -den derden dag gereed zijt, want dan komt ook de Prins met een groot -leger in het veld tegen den opgang der zon, bij het aanbreken van den -dag. Hij zal dan het leger van Diábolus van voren aangrijpen en gij van -achteren, en zoo zal het ganschelijk vernield of verstrooid worden.” - -[Afbeelding: DE KRIJGSRAAD DER BOOZEN.] - -Nauwelijks had kapitein Geloof dit gehoord of hij begaf zich naar de -andere kapiteins en deelde hun mede welk een brief hij ontving en hoe de -Opperleeraar hem al wat in Immanuels schrijven duister was had -uitgelegd. Hij zeide hun daarenboven wat hij en de anderen doen moesten -om aan het oogmerk van Immanuel te beantwoorden. Toen waren al de -kapiteins vroolijk en op bevel van den onderkoning werden al de -trompetten op het kasteel geblazen en maakten een overheerlijke muziek, -waaraan gansch Menschziel zich verkwikte en die Diábolus ook hoorde. -Toen stond Diábolus op eenmaal stil en zeide: „Wat zou toch dit -trompetgeschal te beduiden hebben? Ze hebben paarden noch zadels, noch -spijze. Wat overkomt dezen aemechtigen lieden, dat ze zoo vroolijk en -blijde zijn?” Toen antwoordde hem een van zijn eigen volk en sprak: „Dit -is uit vreugde, dat hun Prins Immanuel komt om de stad Menschziel te -verlossen; tot dit doel trekt hij aan het hoofd van een leger op, en die -verlossing is nabij.” - -De inwoners van Menschziel waren ook zeer bewogen door deze melodieuse -tonen en zij spraken er met elkander over. „Dit kan ons geen leed doen,” -zeide de een. „Neen,” zei een ander, „dit is een lied der verlossing.” -De Diábolus-mannen beraadslaagden nog in alle haast en kwamen tot het -besluit, dat het toch maar best was de stad te verlaten. Ze zouden hun -voornemen nu ook uitvoeren, en kwam er een leger opdagen het dan in het -open veld ontmoeten. Op den tweeden dag begaven zij zich dan ook buiten -de stad en sloegen hun legerkamp op het vlakke veld op; maar vlak in het -gezicht van de Oogpoort, en wel zoo indrukwekkend en afgrijselijk als -hun slechts mogelijk was. Zij waren nu ook in het open veld gelegerd met -het oog op een mogelijke vlucht, die daar gemakkelijker viel dan in de -stad. Want waarlijk de stad zou hen tot een put en afgrond zijn geworden -als vorst Immanuel zich daar legerde. - -Toen nu het oogenblik gekomen was, dat de kapiteins op Diábolus’ leger -zouden aanvallen, bereidde een ieder zich zorgvuldig voor den slag. -Kapitein Geloof had hun des nachts gezegd, dat zij in den morgenstond -hunnen Prins in het veld zouden ontmoeten. Dit maakte hen des te vuriger -om tegen den vijand op te rukken. Deze woorden: „Morgen zult gij den -Prins in het vlakke veld zien!” waren als olie in een brandend vuur. Ze -hadden hem zoo langen tijd gemist en zagen reikhalzend naar hem uit. Als -het nu tijd was trok kapitein Geloof met al de strijdmacht van -Menschziel naar buiten eer het dag was, de Mondpoort uit. Toen allen -gereed stonden stelde hij zichzelven aan het hoofd en gaf aan de andere -kapiteins het wachtwoord, en deze weder aan hunne officieren en -soldaten. Dat wachtwoord luidde: „Het zwaard van den Prins Immanuel en -het schild van kapitein Geloof.” Dit wachtwoord klonk in de taal der -burgers van Menschziel als: „Het woord Gods en het geloof!” Daarop -vielen zij nu het leger van Diábolus aan en begonnen het rondom te -omsingelen en te benauwen. - -[Afbeelding: GELOOF TE WAPEN GEROEPEN.] - -Kapitein Ondervinding wilde men in de stad laten, omdat hij nog altijd -niet genezen was van de wonden,[56] die Diábolus hem in den laatsten -slag had toegebracht. Maar toen hij bemerkte, dat al de kapiteins aan -den strijd deelnamen, eischte hij zijne krukken en strompelde daarmede -zoo goed het ging ook de stad uit. -- „Neen”, zeide hij, „ik kan hier -niet zoo gemakkelijk blijven liggen, waar mijne broeders in de hitte van -den strijd trekken en vorst Immanuel zich aan hen in het veld zal -vertoonen.” Toen de vijanden dezen man met zijne krukken zagen waren zij -te meer verslagen. Welke geest, dachten zij, is nu in die mannen van -Menschziel gevaren, dat zij zelfs op krukken tegen ons willen vechten! -Intusschen waren de kapiteins er op aangevallen en maakten een flink -gebruik van hunne wapenen, terwijl zij luide juichten: „Het zwaard van -Prins Immanuel en het schild van kapitein Geloof.” - - [56] ~Kapitein Ondervinding krank aan zijne wonden~. De bevinding van - den Christen is aan allerlei afwisseling onderworpen en heeft haar - ebbe en vloed. Er hebben worstelingen des geloofs plaats, waarin zij - duchtig wordt gekwetst en het hard te verantwoorden heeft. Naar de - maat van iemands geloof is ook zijne ondervinding. Wanneer het geloof - taant, is ook de ondervinding zeer zwak; toch kan het herdenken van ’s - Heeren daden den moed des geloofs weer aanwakkeren. Dit is eigenaardig - door Bunyan voorgesteld in de allegorie, dat deze kreupele kapitein - naar zijne ~krukken~ vraagt en mede naar buiten strompelt. - -Diábolus bemerkte hoe stoutmoedig hij omsingeld werd en vreezende,[57] -dat hun tweesnijdend zwaard er dapper op inhakken zou, viel hij ’s -Prinsen leger aan met doodelijke woede, en zoo begon de slag. Die -Diábolus het eerst aanvielen, waren kapitein Geloof en de heer Vastewil, -de een benauwde hem aan de éene zijde en de ander aan den anderen kant. -De slagen van den heer Vastewil waren als die van een reus; want die man -had een sterken arm en hij viel op de Twijfelaars aan de Verkiezing aan, -want dit was Diábolus lijfwacht. Inderdaad, hij hield hen een wijle -duchtig bezig, hakkende er geweldig op in. Kapitein Geloof benauwde -diezelfde compagnie van den anderen kant en aldus geraakten zij in -groote wanorde. Kapitein Goede Hoop had de Twijfelaars aan de Roeping -voor zijne rekening genomen en dat volk was waarlijk sterk genoeg, maar -de kapitein was ook zeer dapper en werd nog bovendien door kapitein -Ondervinding en zijne troepen bijgestaan. Zoo werden dan ook de -Twijfelaars aan de Roeping tot wijken gedrongen. De rest van het leger -was zeer verwoed; ’t scheen, dat zij allen in het besef verkeerden, dat -het er nu op aan kwam, er op of er onder voor altijd; daarom werd -aan alle zijden wanhopig gevochten. Toen commandeerde de -Oppergeheimschrijver, dat de slingers van het kasteel daaronder spelen -zouden. De slingeraars konden mikken op een haar en brachten ook veel -bij tot de overwinning. Eenigen tijd was Diábolus’ volk zeer verward en -begonnen de meesten er al over te denken de vlucht te kiezen voor ’s -Prinsen kapiteins. Maar neen, zij verzamelden zich weer en vielen -stoutmoedig op de achterhoede aan. Zij brachten dáar zulk eene geweldige -botsing teweeg, dat ’s vorsten leger verflauwde. Eensklaps herinnerden -dezen zich echter, dat zij het aangezicht van hunnen Prins zouden zien, -en dat deed hen weder moed grijpen, zoodat de strijd opnieuw hevig werd. -Daarop juichten de kapiteins en riepen: „Het zwaard van Prins Immanuel -en het schild van kapitein Geloof!” Dit deed Diábolus terugdeinzen in de -meening, dat er versterking was aangekomen. Maar Immanuel verscheen nog -niet. De overwinning was nu eenigen tijd twijfelachtig en van -weerszijden trok men een weinig terug. In deze oogenblikken van -twijfelmoedigheid riep kapitein Geloof zijn volk toe en moedigde hen aan -om toch vol te houden. - - [57] ~Diábolus wordt verschrikt door de stoutmoedigheid van ’s Prinsen - kapiteins~. De duivel is bang voor het geloof en als hij zelfs - gewonden met moed ziet vervuld, speurt hij in hen de kracht Gods, die - in hunne zwakheid wordt volbracht. - -[Afbeelding: HET ZWAARD VAN VASTEWIL EN HET SCHILD VAN KAPITEIN GELOOF.] - -[Afbeelding: DE VLUCHT.] - -„Mijne vrienden, dappere soldaten”, riep hij, „mijne broeders, allen -bezield met hetzelfde oogmerk, dat ook het mijne is. Het verblijdt mij -zeer u allen thans voor onzen Prins in het veld te zien, als een groote -heirmacht, die doordrongen is van liefde jegens Menschziel. Gij hebt u -tot dusverre mannen van moed en trouw betoond, zoodat Diábolus nog geen -voordeel op ons behaald heeft. Grijpt nu allen weder den ouden moed en -toont u mannen als tevoren, en weinige oogenblikken na dezen aanval zult -gij zien, dat uw Prins zich te velde vertoont. Nog dezen aanval op -Diábolus, -- en dan komt Immanuel!”[58] - - [58] ~Immanuel komt~. De belofte is stellig en vast: „Ziet uw koning - komt tot u” maar hij komt eerst op het uiterste oogenblik, als er ten - bloede toe gestreden is en de lijdzaamheid een volmaakt werk heeft - gehad. Dan zijn echter alle smarten en wonden vergeten en wordt door - zijne nabijheid in de ziel niet alleen iedere vijand verslagen maar - ook alle wonden genezen. „Sta op, Heere, tot uwe rust, Gij en de ark - uwer sterkte! Dat uwe priesters bekleed worden met gerechtigheid en - uwe gunstgenooten juichen. Want de Heere heeft Sion verkoren. Hij - heeft het begeerd tot zijne woonplaats. Ik zal mijne vijanden met - schaamte bekleeden; maar op haar zal zijne kroon bloeien. Ps. 132. - - - - -HOOFDSTUK XVI. - -DE TERUGKOMST VAN DEN VORST. - - -Nauwelijks had kapitein Geloof deze redevoering tot zijne soldaten -gesproken of een zeker man genaamd Spoed[59] kwam te post aan het leger -van den Prins met de boodschap, dat Immanuel in het gezicht was. Zoodra -Kapitein Geloof dit blijde nieuws vernam, deelde hij het onmiddellijk -aan de anderen mede en deze weder aan hunne manschappen, waardoor het -gansche leger, als waren het mannen uit den dood opgestaan, zich -opmaakte om den vijand aan te vallen, roepende als tevoren: „Het zwaard -van Prins Immanuel en het schild van kapitein Geloof!” - - [59] ~Zekere heer Spoed~. Menschziel strijdt nu den goeden strijd des - geloofs. De twijfel is op de vlucht gedreven: de twijfelaars zijn de - stad uit. Beter is de openlijke strijd met vijanden van buiten dan met - inwendig bederf en ongeloof. Nu kan de heer Spoed van ’s Prinsen leger - komen. Nu is er weer gemeenschap tusschen de ziel en Immanuel. - -Die van den reus spanden ook alle krachten in, maar in dezen laatsten -strijd verloren zij den moed, en velen der Twijfelaars vielen gedood ter -aarde. Nadat zij nu nog ruim een uur in het heetst van het gevecht -hadden doorgebracht, hief kapitein Geloof zijne oogen op, en ziet, daar -kwam Immanuel aan met vliegende vaandels en klinkende trompetten, -terwijl de voeten dergenen, die hem volgden, nauwelijks de aarde -aanraakten. Met zulk eene snelheid spoedden zij zich voort om bij de -kapiteins te komen, die maar voortdurend bleven strijden. Kapitein -Geloof wendde zich nu met de zijnen stadwaarts en liet voor Diábolus het -veld ruim. Daarop trok Immanuel voorwaarts en zoo was de vijand tusschen -hen ingesloten. Toen viel kapitein Geloof met de zijnen wederom op hen, -en ziet, zoo langzamerhand ontmoetten Immanuel en kapitein Geloof -elkander over de verslagenen heen, die zij onder hunne voeten vertraden. - -Toen ook de andere kapiteins zagen, dat de Prins gekomen was en dat het -Diábolus-leger tusschen Zijner Majesteits en kapitein Geloofs troepen -werd ingesloten en in de pan gehakt, zoo juichten zij met een groot -gejuich, zoodat er de aarde van spleet, roepende: „Het zwaard van -Immanuel en het schild van Geloof!” Diábolus zich zoo geheel ingesloten -ziende zocht met de andere vorsten van den afgrond eene opening om te -ontvluchten, latende al zijn volk in de steek. Al dit volk viel voor het -aangezicht van den prins en zijne heirkracht; er bleef nauwelijks een -Twijfelaar in het leven; de dooden lagen verspreid over de vlakte als -mest op het land. - -Toen de slag geëindigd was kwam alles weder in orde, en alle kapiteins -en oudsten van Menschziel kwamen samen om Immanuel te begroeten. Hij -lachte hen vriendelijk toe, en zeide: „Vrede zij ulieden!” Daarna -stelden allen zich in het gelid om naar Menschziel op te trekken, ook de -Prins met zijne versche legermacht, die hij nu had medegebracht. Alle -poorten werden opengezet om hem waardig te ontvangen. Ook de poorten van -het kasteel werden wijd geopend en de oudsten en overheden stelden zich -daar om hem bij het intrekken te verwelkomen. Toen hij nu de poorten -naderde riepen zij: „Heft uwe hoofden op, gij poorten, en verheft u, gij -eeuwige deuren, opdat de koning der eere inga!” En anderen zeiden: „Wie -is die koning der eere?” Waarop het antwoord weder klonk: „De Heere, -sterk en geweldig in den strijd. Heft uwe hoofden op, gij poorten, ja -verheft u, gij eeuwige deuren, opdat de koning der eere inga!” [Ps. 24.] - -Verder was verordend door de oversten van Menschziel, dat langs den -geheelen weg van de stadspoort tot die van het kasteel voortdurend -liederen zouden worden gezongen door diegenen, welke het meeste verstand -van muziek hadden. Alzoo werd er een beurtzang aangeheven toen Immanuel -zijn intocht deed,[60] nu en dan afgewisseld door trompetgeschal. En -toen hij aan de poorten van het kasteel kwam klonk het: „Zij hebben -uwe gangen gezien, o God! de gangen mijns Gods, mijns konings, in het -heiligdom!” De zangers gingen vóor, de speellieden achter, in het midden -de trommelende maagden. [Ps. 68 : 25, 26.] - - [60] ~Het binnentreden van Immanuel~. Hier keert Jezus in de ziel - terug na vele droevige dagen van afwezigheid. De groote waarheid, dat - Jezus nooit met de zonde kan samenwonen, wordt hier duidelijk gemaakt. - Hoe weinig er noodig is om die innige gemeenschap te verstoren en - hoeveel er moet geschieden eer al de gevolgen van onze onbedachte - handelwijze zijn uitgewischt. John Bunyan neemt het niet licht op met - de zonde. Door schade en schande geleerd is de blijdschap der opnieuw - verloste ziel onuitsprekelijk groot. Men gevoelt in de beschrijving, - dat Bunyan tevergeefs tracht den indruk weer te geven. Welkom aan de - poorten, godgewijde liederen, bloemen en eerebogen, saluutschoten, - muziek, enz. - -[Afbeelding: DE BEENDEREN DER TWIJFELAARS BEGRAVEN.] - -Ook wachtten de kapiteins elk op zijn post hunnen Prins op toen hij de -poorten van Menschziel binnenreed. Kapitein Geloof was de eerste, dan -volgde Goede-Hope; daarna kapitein Liefde, met anderen van zijn -gezelschap. Het laatst kwam kapitein Geduld met de overige hoofdlieden, -sommige ter rechter-, anderen ter linkerzijde. Zoolang de intocht duurde -wapperden alle vlaggen, klonken de trompetten en was er groot gejuich -onder de soldaten. De Prins zelf was weder gekleed in zijne wapenrusting -van geslagen goud; de pilaren van zijn koets waren van zilver, de vloer -van goud, het verhemelte van purper en het binnenste was bespreid met -liefdeblijken voor de dochters van Menschziel. [Hoogl. 3 : 10.] - -De Prins vond de straten bestrooid met leliën en bloemen en van boven -kunstig overdekt met triomfbogen van de groene takken der boomen, die -rondom de stad stonden, terwijl ieder voor zijn huis eene versiering had -aangebracht; dat alles diende om den Prins te vereeren; en overal waar -hij voorbijkwam klonk het gejuich: „Gezegend is hij, die daar komt in de -naam zijns Vaders El-Schaddaï.” [Ps. 118 : 26.] - -Voor de poort van het kasteel werd Zijne Majesteit weder begroet door de -oudsten van Menschziel, n. l. de Burgemeester, de heer Vastewil, de -Onderprediker, de heer Kennis en de heer Gemoed met anderen uit den adel -dezer plaats. Zij bogen voor hem neder, kusten het stof van zijne -voeten, dankten, zegenden en prezen Zijne Majesteit omdat hij hun niet -tegen was wegens hunne zonden, maar medelijden had gehad met hunne -ellende en nu in barmhartigheid tot hen wederkeerde om voor eeuwig hun -Menschziel op te bouwen. Zoo trok hij dan regelrecht het kasteel binnen; -want dat was het koninklijk paleis en de plaats, waar zijne eere woonde. -Alles was daar reeds door den Oppergeheimschrijver en den kapitein -Geloof gereed gemaakt. - -Maar nu naderde hem al het volk van Menschziel binnen het kasteel om te -weenen en te kermen en hunne goddeloosheid te bejammeren. Zij bogen zich -bij het binnenkomen zeven maal voor hem ter aarde en weenden, terwijl -zij den Prins vergeving vraagden, hem smeekende, dat hij als van ouds -onder hen wilde wonen. Waarop de Prins antwoordde: „Weent niet, maar -gaat uws weegs, eet het vette en drinkt het zoete, en zendt deelen aan -uwe broeders: want de blijdschap des Heeren is uwe sterkte. Ik ben tot -Menschziel wedergekeerd met ontferming en mijn naam zal daardoor -verhoogd en verheerlijkt worden.” Ook omhelsde hij de burgers, kuste hen -en drukte hen aan zijn hart. [Neh. 8 : 11.] - -Bovendien gaf hij aan de oudsten van Menschziel en aan iederen -machthebber der stad een gouden keten en een ring. Ook zond hij aan -hunne vrouwen oorsieraden, juweelen, armbanden en dergelijken, en aan de -echte kinderen van Menschziel deelde hij kostelijkheden uit. Toen -Immanuel al deze dingen voor het beroemde Menschziel gedaan had, zeide -hij eerst tot hen: „Wascht uwe kleederen, en doet uwe versierselen aan, -en komt daarna in mijn kasteel terug.” Zoo gingen zij dan heen om zich -te wasschen naar de fontein, die geopend was voor Juda en Jeruzalem. -Daar maakten zij hunne kleederen wit en stonden daarna rein en versierd -voor Immanuel. [Pred. 9 : 8.] [Zachar. 13 : 1.] [Openb. 7 : 14, 15.] - -Nu was er muziek en dans door de gansche stad, omdat hun Vorst hen weder -vereerde met zijne tegenwoordigheid en met het licht van zijn -aangezicht; de klokken werden geluid en de zon scheen vriendelijk op hen -voor een langen tijd. - -Ook deed de stad thans meer voortdurend en ernstig onderzoek om de nog -overgebleven Diábolus-mannen in de wallen uit te vinden en te vernielen; -want er waren er toch nog van dat gespuis, die de handen hunner -onderdrukkers hadden weten te ontkomen. De heer Vastewil was thans een -veel grooter verschrikker voor hen dan hij ooit tevoren geweest was, -daar zijn hart nu ten volle was overgebogen om hen op te zoeken en te -dooden. Hij vervolgde hen dag en nacht en bracht hen in zware -verdrukking zooals nog later blijken zal. - -Toen nu alles zoover weder in orde was werd door den Prins order -gegeven, dat de burgers der stad zonder verder uitstel er sommigen -zouden uitzenden om naar de vlakte te gaan ten einde de beenderen der -Twijfelaars te begraven,[61] opdat de stank en uitwaseming daarvan de -lucht niet besmetten zouden in de beroemde stad. Dit moest ook -gebeuren, omdat zoolang Menschziel bestond de nagedachtenis van deze -hare groote vijanden zou worden weggedaan. - - [61] ~De lijken der Twijfelaars worden begraven~. Het leger der - Twijfelaars is verslagen; een volkomen nederlaag overdekt hen met - schande en smaad en ondergang. Maar de Christen krijgsman heeft nog - niet alles gedaan zoolang de onbegraven lijken nog in het gezicht - zijn. Ook de nagedachtenis der zonde moet uit den weg geruimd. De - herinnering aan vroegere schuld kan schaden en in verzoeking brengen; - daarom al wat er aan herinnert weg. - -[Afbeelding: KAPITEIN PAUS.] - -Zoo werd dan bevel gegeven door den Burgemeester, dat verstandige en -vertrouwde vrienden tot dit noodige werk zouden worden gebruikt, en de -heer Vreeze Gods en zekere edelman Oprecht werden tot opzieners hierover -aangesteld. Verscheidene menschen waren daar druk mede. Sommigen groeven -de kuilen, anderen begroeven de lijken, en nog anderen liepen maar rond -om naarstig te zoeken of zij nog botten en beenderen vonden, die van een -Twijfelaar afkomstig waren. Zij moesten daarbij dan een kenteeken -plaatsen opdat de doodgravers ze vinden zouden. Alle naam en -nagedachtenis der Diábolus-mannen moest op die wijze worden weggeruimd -en uitgedelgd van onder den hemel en dat de kinderen, in Menschziel -later geboren, niet weten zouden wat een doodsbeen van een Twijfelaar -was. Deze lieden deden dan ook zooals hun geboden was. Zij begroeven de -Twijfelaars en alle beenderen en stukken daarvan waar zij ze vonden, en -zoo werd de vlakte gereinigd. Ook nam de heere Vrede Gods weder zijn -post waar als in vroeger dagen. Er was nu van al de Twijfelaars aan de -Verkiezing, noch aan de Roeping, noch aan de Volharding, noch aan de -Genade, noch aan de Opstanding of de Zaligheid, of de Heerlijkheid niets -meer te bespeuren. Al de kapiteins, n.l. Woede, Wreed, Verdoemenis, -Onverzadelijk, Zwavel, Torment, Zonder-Rust, Graf en Wanhoop waren met -den ouden veldmaarschalk Ongeloof op de vlucht gegaan of gewond. Zoo ook -de zeven legerhoofden Beëlzebul, Lucifer, Legio, Apollyon, Belial, -Python en Cerberus, die als generaals dienst hadden gedaan. Daardoor -waren dan ook hunne manschappen verslagen en door Immanuels macht op de -vlucht gejaagd. Zelfs hunne wapenen, die akelig en verschrikkelijk -waren, met hunne banieren en vaandels werden met hen begraven, zoodat er -niets meer viel te zien of te ruiken, dat aan een Diábolistischen -Twijfelaar herinnerde. - - - - -HOOFDSTUK XVII. - -HET LEGER DER MANNEN DES BLOEDS.[62] - - [62] ~De mannen des bloeds~. Dit is eene nieuwe uitvinding van Satan. - Hij beproeft door vervolging de ziel te kwellen en afvallig te maken. - Eerst deed hij het met den twijfel in iederen vorm, en geheel geeft - hij dit wapen nooit op; maar nu moet een ander beproefd, waarvan hij - beter gevolg verwacht -- uitwendige folteringen, vuur en zwaard, - brandstapel en moordschavot. Maar dit is dan ook de laatste toevlucht - van eene slechte zaak. Als alle argumenten vruchteloos blijken, dan - blijft woest geweld over. De geschiedenis des Bijbels en der kerk - beide leeren dit. Daarop wordt hier in den vorm van de kapiteins der - bloedmannen gewezen, waarvan Kaïn de eerste en de Paus de laatste is. - - -Toen nu de tiran weder aan Hellepoortsheuvel was gekomen, vergezeld van -zijn ouden vriend Ongeloof, daalde hij onmiddellijk in den put neer en -daar voor eene poos met hunne gezellen hun treurig lot beklaagd hebbende -en tevens het groot verlies, dat zij leden, overdacht, zoo werden zij -eindelijk woedend en zwoeren, dat zij zich wreeken zouden over het -verlies der beroemde stad Menschziel. Daarom beraadslaagden zij al -dadelijk weer over hetgeen gedaan kon worden; want hunne holle buiken en -verslindende keelen lieten hun dag noch nacht met rust. Iedere dag -scheen hun een halve eeuw. Zij besloten daarom andermaal de stad -Menschziel aan te tasten met een gemengd leger van Twijfelaars en -Bloeddorstigen. Laat ons dit volk nader beschrijven. - -De Twijfelaars dragen hunnen naam naar hunne natuur zoowel als van het -koninkrijk, waar ze geboren zijn. Het komt met hunnen aard overeen -iedere uitspraak en ieder woord van Immanuel in twijfel te trekken, en -hun land heet het land der Twijfeling, liggende naar het noorden -tusschen het gewest der Duisternis en de Vallei der schaduwen des doods. -Van het land der duisternis en de Vallei der schaduwen des doods wordt -somtijds gesproken als van hetzelfde gewest; maar dat is onjuist. Ze -liggen dicht bij elkaêr, maar het land der Twijfeling ligt daar -tusschen. ’t Was dus al soortgelijk volk als dat van de laatste maal. - -De Bloeddorstigen zijn een volk, dat zijn naam heeft naar de boosheid -hunner natuur en de woede, die in hen is tegen de stad Menschziel. Hun -land ligt onder de Hondster en door haar worden zij ook geregeerd. De -naam van die streek is de provincie Walg-van-het-Goede; zij ligt verre -van het land der Twijfelaars, maar grenst er aan éene zijde toch aan, -aangezien beide landen uitkomen aan Hellepoortsheuvel. Toch kunnen zij -zich best met de Twijfelaars vereenigen omdat zij gelijken haat -koesteren tegen Immanuel. - -Uit deze twee landen riep Diábolus eene lichting op van 25000 man, n.l. -10000 Twijfelaars en 15000 Bloeddorstigen. Verschillende generaals -werden over hen aangesteld, maar de oude Ongeloof was weder -veldmaarschalk. Vijf van de zeven kapiteins, die den vorigen tocht mede -gemaakt hadden, werden nu ook aangesteld; de anderen werden verlaagd tot -vaandeldragers. De Twijfelaars stonden nu onder de vorsten Beëlzebul, -Lucifer, Apollyon, Legioen en Cerberus. - -Maar Diábolus rekende deze Twijfelaars volstrekt niet voor de -voornaamsten; want hij had hunne dapperheid wel beproefd maar die te -licht bevonden; daarom diende hun aantal alleen om zijn leger te -vergrooten; maar zijn grootste vertrouwen stelde hij op de -Bloeddorstigen. Dat waren zeer ruwe gasten en hij wist wat al -schelmstukken zij vroeger gepleegd hadden. Deze nu stonden onder de -bevelhebbers Kaïn, Nimrod, Ismaël, Ezau, Saul, Absalom, Judas en Paus. - -Kapitein Kaïn was over twee benden, nl. de Vurige en de Nijdige -Bloeddorstigen. Zijn vaandel had een roode kleur en zijn wapen was een -moordknods. [Gen. 4 : 8.] - -Kapitein Nimrod was ook over twee benden, te weten de Wreedaardige en de -Sluipende Bloeddorstigen. Zijn vaandel was ook rood en zijn wapen de -groote Bloedhond. [Gen. 10 : 8, 9.] - -[Afbeelding: KAPITEIN GELOOF EN KAPITEIN GEDULD VERSTERKEN DE STAD.] - -Kapitein Ismael was ook over twee benden, n.l. de Spottende en de -Lasterende Bloeddorstigen. Ook zijn vaandel was rood en zijn wapen: -iemand, die Abrahams Isaäk bespotte. [Gen. 21 : 9, 10.] - -Kapitein Ezau had ook twee benden, n.l. de Murmureerende Bloeddorstigen -en de Wraakgierige Bloeddorstigen. Eveneens was zijn vlag rood, maar -zijn wapen was: iemand, die heimelijk loerde op Jakobs ondergang. [Gen. -27 : 41-45.] - -Kapitein Saul voerde het bevel over de Bloeddorstigen, die zonder reden -gebelgd waren, en diegenen, welke helsche woede openbaarden. Zijn rood -vaandel was versierd met drie bloedige pijlen op David geworpen. [1 Sam. -18 : 10; en 19 : 10; en 20 : 33.] - -Kapitein Absalon bestuurde de Bloeddorstigen, die om wereldsch voordeel -wel een vader wilden vermoorden, en de mannen des bloeds, die -vriendelijk met iemand omgaan tot zij hem het zwaard in het hart steken. -Zijn rood vaandel voerde ten wapen een vadermoorder. [2 Sam. 15.] - -Kapitein Judas was gesteld over de voor geld verradende Bloeddorstigen -en hen, die dit verraad plegen met een kus. Zijn rood vaandel droeg ten -wapen dertig zilverlingen en een strop. [Matth. 26 : 14-16, 49.] - -Kapitein Paus had maar éene bende, want hij weet alle geesten tot een -éen te brengen als zij onder hem dienst nemen. Ook zijne vlag was rood -en zijn wapen vertoonde een brandstapel met een martelaar daarop. -[Openb. 13 : 7, 8.] - -De reden nu waarom Diábolus zoo spoedig met deze nieuwe legermacht kwam -opdagen was, dat hij zulk een groot vertrouwen stelde in deze mannen des -bloeds; want hoewel zijne Twijfelaars hem tevoren veel dienst bewezen -hadden zoo waren zij minder betrouwbaar gebleken; maar dit volk kon, -naar hij dacht, de proef doorstaan. Hij wist dat deze mannen als -bloedhonden zich vastklemden aan alles wat onder hun bereik kwam, al -ware het vader of moeder, zuster of broeder, ja al ware het de vorst der -vorsten in eigen persoon. Zelfs was het hun eenmaal gelukt Immanuel uit -het koninkrijk Aardbodem te verdringen, waarom zouden zij nu niet -hetzelfde doen met de stad Menschziel? - -Toen nu dit groote leger door generaal Ongeloof aangevoerd optrok, was -juist de heer Toezicht uit Menschziel op kondschap uitgegaan, en bracht -hij dan ook onmiddellijk tijding van hunne komst. Dadelijk werden de -poorten gesloten en alles op voet van oorlog ingericht. - -Diábolus legerde zijne nieuwe Twijfelaars bij de Voelpoort en de -Bloeddorstigen voor de Oog- en Oorpoorten. De heer Ongeloof zond nu in -naam van Diábolus, van zichzelven, van de Bloedmannen en alle anderen -eene opeisching aan Menschziel zoo heet als gloeiend ijzer, dreigende -bij weigering aanstonds geheel Menschziel te verbranden. Het was er nu -niet zoozeer om te doen de stad te veroveren dan wel om haar uit te -roeien van onder de levenden. Al wilden zij zich overgeven, dat was nog -niet genoeg; zij wilden het bloed der lieden van Menschziel uitzuigen; -wanneer zij geen bloed slurpten, konden zij niet leven. Daarom had -Diábolus ook die Bloedhonden tot het allerlaatste bewaard, om als alles -vruchteloos bleek door hen de stad te verdelgen. [Jes. 59 : 7.] [Jer. -22 : 17.] - -Toen nu de burgers deze gloeiende opeisching ontvangen hadden, -veroorzaakte zij onder hen groote ontsteltenis, en liepen hunne -gedachten zeer door elkander. Maar in minder dan een half uur tijds -waren zij overeengekomen die opeisching tot den Prins te brengen, en -schreven daaronder: „Heere, verlos ons van de mannen des bloeds!” [Ps. -59 : 3.] - -Hij nam het geschrift aan, bezag en overwoog het; ook aanschouwde hij in -gunst wat Menschziel daar zoo kort en bondig onder geschreven had. Toen -riep hij den edelen kapitein Geduld en beval hem zijne macht met zich te -nemen en goed op te letten naar dien kant, waar Menschziel nu belegerd -was. Daarna belastte de Prins, dat kapitein Goede Hope, kapitein Liefde -en de heer Vastewil de andere zijde der stad zouden bewaren. „En Ik”, -zeide de Vorst, „zal mijn standaard planten op de wallen van het -kasteel; waakt gijlieden tegen de Twijfelaars.” Ook beval hij nog, dat -kapitein Ondervinding zijn volk op de markt zou laten exerceeren, en dat -wel dag aan dag voor de oogen des volks. - -Deze belegering was langdurig en de vijand deed menigen verwoeden -aanval, vooral de Bloeddorstigen, door welken zij menigmaal zeer onzacht -behandeld werden. Maar aan Oor- on Oogpoort, waar kapitein -Zelfverloochening de zorg was opgedragen, hadden zij de handen vol. -Deze kapitein Zelfverloochening was nog jong,[63] maar zeer dapper en -een burger van Menschziel evenals kapitein Ondervinding. Ook hij was -over duizend manschappen aangesteld. Deze kapitein deed nu en dan een -uitval op hen, en richtte dan veel schade onder den vijand aan; maar het -liep voor hem niet geheel zonder kleerscheuren af; want hij droeg -verscheidene litteekens. - - [63] ~Kapitein Zelfverloochening~ bewijst nu goede diensten. Inderdaad - onder alle Christelijke deugden, die in het lijden geoefend worden, is - zelfverloochening wel die, welke het meest geoefend wordt, en het - eigen ik heeft daar eene leerschool om te worden verkleind en ten - onder gebracht. Zelfverloochening is de tucht des Christens. - -[Afbeelding: DE AANRAKING DER LIPPEN.] - -Nadat er eenigen tijd was doorgebracht waarin het geloof, de hoop en de -liefde van de stad Menschziel beproefd waren, riep Prins Immanuel op -zekeren dag zijne kapiteins en oorlogsvolk samen en verdeelde hen in -twee compagniën. Daarna beval hij hen op een bepaalden tijd zeer vroeg -in den morgen op den vijand een uitval te doen, zeggende: „Laat de eene -helft van u op de Twijfelaars aanvallen en de andere helft op de -Bloeddorstigen. Die ge van de Twijfelaars in handen krijgt moet ge -keelen zoodra het u mogelijk is; maar de Bloeddorstigen zult gij niet -dooden, maar levend grijpen.” - -Zeer vroeg in den morgen had de uitval plaats. De kapiteins Goede Hoop -en Liefde, Oprecht en Ondervinding trokken op de Twijfelaars aan, en de -kapiteins Geloof, Geduld en Zelfverloochening op de Bloeddorstigen. De -eerste helft marcheerde in slagorde voorwaarts; maar de Twijfelaars -wachtten hen niet eenmaal af en gingen, gedachtig aan de laatste -nederlaag voor ’s Prinsen volk, op de vlucht. Deze zaten hen na en -doodden er velen, maar allen konden zij thans niet meester worden. Van -degenen, die ontkwamen, gingen sommigen naar huis en anderen doolden -als zwervelingen bij troepjes om. Intusschen deden zij heel wat kwaad -bij de Barbaren, die zich evenwel niet tegen hen verzetten, maar zich -gewillig tot slaven lieten maken. Daarna wilden zij zich nog wel eens -vertoonen voor de muren der stad, maar dat duurde gewoonlijk niet lang, -want als de kapiteins Geloof, Goede Hoop en Ondervinding zich maar even -lieten zien, dan liepen ze haastig weg. - -Zij, die tegen de Bloeddorstigen uitgetrokken waren sloegen niemand -dood, maar zij zochten hen slechts te omringen. Deze bloedmannen, ziende -dat Immanuel niet in het veld was, meenden, dat hij ook niet in -Menschziel was, en daarom zagen zij deze vreemde handelwijze aan als -eene onhandigheid van de kapiteins. Zij verachtten hen daarom meer dan -zij hen vreesden. Maar de kapiteins wisten wel wat ze deden en -eindelijk, bijgestaan door de overigen, die de Twijfelaars hadden -weggejaagd, kregen zij ze geheel in het net en namen ze allen gevangen. -Ze zouden nu gaarne op de vlucht gegaan zijn, want hoe wreed en -hardvochtig dat bloeddorstige volk ook zij wanneer ze regeeren, zijn ze -lafhartig als ze eens gevoelen met hun meerdere kennis te maken. Zoo -werden ze dan voor den Vorst gebracht.[64] - - [64] ~De mannen des bloeds worden gevonnisd~. Zeer fijn is hier de - blik van den allegorist. De inwendige zonde moet zonder genade - sterven; maar de uitwendige oorzaken tot zonde, afval of vervolging - niet alzoo; zij worden nog gespaard sommigen om tot bekeering te - komen, anderen om beter te worden ingelicht en anderen voor het - oordeel Gods. Wij zien hier drie bronnen ~onwetendheid~, ~ijver zonder - verstand~ en ~nijd~. „Ontfermt u wel sommiger”, zegt apostel Judas. - Maar let nu eens op Saulus van Tarsen, die meende Gode een dienst te - doen met de vervolging der broeders, die hij later lief kreeg. En - Jezus bad, Vader vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen. - -Toen deze dit volk vóor zich had, bemerkte hij dat, ofschoon zij uit één -land kwamen, zij toch in drie Graafschappen waren verdeeld. De eerste -die voorkwamen waren uit het land der Blinden; deze hadden alles wat ze -ooit misdeden in hunne onwetendheid gedaan. De tweede soort kwam uit het -graafschap der Blinde IJveraars, en zij deden alles uit bijgeloof. De -derde soort kwam uit het land der Boosheid uit de stad Nijd. Zij hadden -gehandeld uit wraakzucht en onverzoenlijkheid. [1 Tim. 1 : 13-15.] -[Matth. 5 : 44.] [Luk. 6 : 22.] [Joh. 16 : 1, 2.] [Handel. 9 : 5, 6.] -[Openb. 9 : 20, 21.] [Joh. 8 : 40-43.] - -De eersten van dezen, n. l. die uit het land der Blinden kwamen, toen -zij zagen waar zij zich bevonden en tegen wien zij gestreden hadden, -beefden als een riet en stonden daar weenende voor den Prins. Zoovelen -van hen als hem om genade smeekten, die raakte hij met zijn gouden -schepter de lippen aan. - -Zij, die uit het land der Blinde IJveraars kwamen, verschilden hierin -van de voorgaanden, dat zij voor hun recht pleitten, daar Menschziel -eene stad was, wier zeden en gewoonten wijd verschillend waren van alle -andere plaatsen. Zeer weinigen van deze soort konden er toe gebracht -worden hun kwaad in te zien; maar die het deden en om genade smeekten, -verkregen ook gunst van den Prins. - -En nu zij, die uit de stad Nijd in het landschap Boosheid kwamen, die -weenden niet en die verdedigden zich ook niet, die hadden geen berouw, -maar stonden daar hunne tong kauwende van angst en smart, omdat zij hun -wraak op Menschziel niet konden ten uitvoer brengen. Deze laatsten nu -met al de anderen, die geen pardon vraagden voor hun misdaden, liet hij -stevig in banden slaan om zich weldra op den algemeenen gerechtsdag te -verantwoorden over alles wat zij tegen Menschziel en haren koning -bedacht en gedaan hadden. Die groote dag des oordeels zou voor het -geheele rijk des Heelals worden gehouden en ieder zich afzonderlijk -moeten vertoonen. - -En hiermede hebben wij genoeg gezegd van dit tweede leger, dat tegen -Menschziel opgetrokken was. - - - - -HOOFDSTUK XVIII. - -„HOUD MOED! MENSCHZIEL!” - - -Nu waren er nog een stuk of drie personen, die uit het land der -Twijfelaars afkomstig waren, en na den nederlaag hier en daar -rondgedoold hebbende, het eindelijk weer waagden de stad binnen te -komen. Zij wisten, dat er nog oude Diábolus-mannen in Menschziel -verborgen zaten. Ze durfden nergens anders aankloppen dan bij deze, -daar de burgers hen niet geduld zouden hebben. Weldra ontmoetten zij in -een achterhoek zekeren ouden schelm, die den naam droeg -Twijfelaar-aan-het-kwaad. Bij hem moesten ze wezen, want hij was een -echte Diábolus-man.[65] Deze schurk verwelkomde hen, beklaagde hun -rampspoed en gaf hun ververschingen. Nadat dit geschied was vraagde hij -hun, of zij allen uit éene stad waren, en zij antwoordden: „Neen, zelfs -niet uit dezelfde provincie.” „Ik,” zeide de een, „ben nog een -overgeblevene van de Twijfelaars aan de Verkiezing en deze mijn maat -behoort onder de Twijfelaars aan de Roeping.” -- „En ik,” zeide de -derde, „ben een Twijfelaar aan de Zaligheid, terwijl wij nog een gezel -hebben uit de Twijfelaars aan de Genade.” Zij waren allen den ouden gast -even welkom en hij ondervroeg hen verder naar het leger en den strijd, -waarvan zij hem volledig bescheid gaven. „’t Was toch een flink leger -van tienduizend Twijfelaars”, zeide de oude weer, „hoe kwam het dat gij -zoo dra op de vlucht gingt?” -- „Onze generaal,” antwoordden zij, „was -de eerste, die het op een loopen zette.” -- „Die lafaard! Wie was hij?” --- „Wel, hij is vroeger Burgemeester van Menschziel geweest. Maar noem -geen lafaard; want niemand heeft ooit Menschziel meer kwaad gedaan dan -hij. Hij heet Ongeloof. Hadden ze hem gekregen dan zou hij stellig -opgehangen zijn!” -- „Ik zou wel willen,” antwoordde de oude schurk -weder, „dat deze 10000 Twijfelaars hier binnen de stad lagen en dat ik -hun aanvoerder ware!” -- „O, mocht dat eens waar zijn!” riepen zij, en -wel zóo luid, dat Twijfelaar-aan-het-kwaad hen vermaande toch zachtjes -te spreken. -- „Waarom?” vraagden de Twijfelaars van buiten. „Wel, omdat -de Prins zelf, de Oppergeheimschrijver en al hunne kapiteins en soldaten -zich tegenwoordig binnen de stad ophouden. En bovendien is er een zekere -heer Vastewil, een gezworen vijand van ons; deze is bewaarder der -poorten, en zoekt allerlei slag van Diábolus-vrienden op om ze te -dooden. Als hij u in den neus krijgt dan zijt gij weg al was ook uw -hoofd van goud.” - - [65] ~Het complot wordt ontdekt~. Die oude Twijfelaar aan het kwade - huisvest toch nog verborgen in de ziel en houdt bij zich in huis de - vreemde Twijfelaars op on onthaalt hen. De twijfel in den vorm van - ketterij komt nu nog voor den dag. ’t Is een overblijfsel van ’s - vijands leger, maar ’t schijnt onschuldiger. Er is zelfs eene gedaante - der godzaligheid, een omloop of bedekking van waarheden, maar een kern - van leugen, die door Gods Woord openbaar wordt gemaakt en naar eisch - bestraft. - -[Afbeelding: DE SAMENZWEERDERS GEVANGEN GENOMEN.] - -Maar ziet, terwijl zij spraken stond een getrouw soldaat van den heer -Vastewil, die Naarstigheid heette, al luisterend onder den luifel van -dit oude huis en hoorde alles wat er verhandeld werd. Die soldaat was -een man, op wien de heer Vastewil staat maken kon en die hem innig -liefhad. Hij ging onmiddellijk naar zijn overste, en vertelde hem alles. -De heer Vastewil kende Twijfelaar-aan-het-kwade best; in den tijd van -den afval waren ze goede vrienden, maar nu wist hij hem niet te wonen; -daarom was hij zeer verheugd, dat Naarstigheid zijne woonplaats had -ontdekt. Zoo gingen zij beiden dan naar de aangewezen plaats en toen -vernam de heer Vastewil met eigen ooren wat er verhandeld werd. Hij -aarzelde nu niet langer, maar trapte de deur open en legde de hand op -het gespuis, waarna Getrouwe, de cipier, geroepen werd om hen naar de -gevangenis te brengen. Nadat dit geschied was kreeg de Burgemeester er -’s morgens bericht van en hij verheugde zich zeer over deze zaak, niet -alleen omdat dit drietal was gevat, maar ook omdat die oude schavuit nu -in den kerker zat, want hij was een groote onruststoker in Menschziel -geweest en voor den Burgemeester persoonlijk een groote kwelling. - -Nu moesten die vijf lieden ook onderzocht worden, en op den bestemden -dag vergaderde het hof en werden zij voor de balie gebracht. De heer -Vastewil had macht genoeg om hen zonder vorm van proces stillekens van -kant te helpen; maar het dacht hem meer tot eer van den Prins te wezen, -tot troost van Menschziel en tot ontmoediging van den vijand, wanneer -hij hen in het openbaar richtte. Toen de rechters dan gezeten en de -getuigen bezworen waren, werden de gevangenen onderzocht. De rechters -waren dezelfde, die Onwaarheid en Onbarmhartig met al de hunnen -onderzocht en gevonnisd hadden. - -[Afbeelding: NAARSTIGHEID STAAT OP DE WACHT.] - -Eerst was de beurt aan den Ouden Twijfelaar-aan-het-kwaad; hij had de -andere Twijfelaars geherbergd en verzorgd; men beval hem zijne -beschuldiging te hooren, terwijl hij de vrijheid kreeg zich ook te -verantwoorden. Zijne beschuldiging luidde: - -„Gij, Twijfelaar-aan-het-kwaad, wordt beschuldigd een inkruiper in -Menschziel te wezen, dewijl gij van nature een Diábolus-man zijt, iemand -die medegewerkt hebt tot het verderf der stad. Gij wordt hier ook -beschuldigd, dat gij ’s konings vijanden hebt begunstigd en opgehouden, -ja ze in uw huis hebt geherbergd en vriendelijk verzorgd, hun eten en -drinken verleenende, in strijd met onze goede wetten. Gij hebt gewenscht -aan het hoofd van een leger Twijfelaars te staan binnen de stad -Menschziel om Diábolus macht hier weder groot te maken en de stad in -zijne handen te spelen. Wat is uw antwoord?” - -„Mijnheer,” zeide hij, „ik begrijp de beteekenis van deze -beschuldiging niet. Want de man, die door u beschuldigd wordt, heet -Twijfelaar-aan-het-kwaad; ik heet daarentegen Nauwkeurig-Onderzoek. Er -moet dus een groot misverstand wezen, daar ik, vredelievend mensch, die -bang ben van iemand kwaad te denken, hier voor de rechters ben geroepen. -Ik vertrouw, dat de heeren dat onderscheid zullen inzien; ik geloof -toch, dat men wel ter dege nauwkeurig onderzoek mag instellen zelfs -onder de slechtste menschen zonder daarom strafschuldig te zijn.” - -Toen sprak de heer Vastewil, want hij was een der getuigen: „Mijne -Heeren, Eerwaardige rechters, Magistraten van de stad Menschziel! gij -hebt allen gehoord met uwe ooren, dat deze gevangene zijn naam ontkent -en daarmede zijne beschuldiging meent te ontloopen; maar ik weet wie hij -is en hoe hij heet. Ik heb hem meer dan dertig jaar gekend; want hij en -ik waren tot mijne schaamte vroeger gemeenzame vrienden, toen Diábolus -heerschappij voerde over onze stad. - -Ik getuig, dat hij een Diábolus-man is van natuur, een groote vijand van -onzen Prins Immanuel en de stad Menschziel. Hij heeft in den tijd van -den opstand zeker twintig nachten in mijn huis gelogeerd. Ik heb hem nu -in langen tijd niet gezien en geloof ook, dat hij bij de komst van -Immanuel zijne vroegere woning heeft verlaten. Maar hij is de man en -niemand anders!” - -Het hof sprak toen tot den gevangene: „Hebt gij niets meer te zeggen?” --- „Ja, Mijneheeren,” zei hij, „want al wat daar tegen mij is ingebracht -komt slechts uit éen mond; het is niet wettig iemand ter dood te brengen -op eene getuigenis van minder dan twee.” - -Toen stond Naarstigheid op en zeide: „Mijneheeren, toen ik op zekeren -nacht op wacht stond hoorde ik om den hoek der Kwade straat in het huis -van dezen grijsaard praten; ook bemerkte ik dat daar buitenlanders bij -waren, die niet veel goeds in den zin hadden.” Ik dacht: wat hoor ik -daar toch? en zachtjes nadertredende, dicht bij het venster van zijn -huis om goed te luisteren of ik het niet wèl had, dat daar eene -samenrotting plaats had van Diábolus-mannen. Ik hoorde nu eene -uitlandsche taal, maar daar ik veel gereisd heb, verstond ik die wel. -Zulk eene taal hoorende in zulk een armoedig kot als waar deze mensch -woont, zoo legde ik mijn oor aan een kier van het luik en vernam toen -het volgende. Deze oude heer Twijfelaar-aan-het-kwaad vraagde aan de -andere Twijfelaars wat zij voor volk waren, waar zij vandaan kwamen en -wat zij hier deden? En zij antwoordden op al die vragen. Hij vraagde -mede hoe sterk zij geweest waren, en zij zeiden: tienduizend man. Hij -vraagde hun ook waarom zij geene meerdere mannelijke aanvallen op -Menschziel beproefd hadden? Zij zeiden, omdat hun kapitein zoo -bloohartig was, dewijl hij op de vlucht was gegaan in plaats van voor -zijn vorst te strijden. Toen wenschte die oude schelm daar, (ik heb het -nauwkeurig gehoord) dat al die tienduizend Twijfelaars in de stad -mochten wezen, en dat hij aan hun hoofd mocht zijn gesteld om met hen -overwinningen te behalen. Hij gebood hun ook zeer stil te spreken en -zich zeer verborgen te houden; want zeide hij, „als ze u vinden en -krijgen, dan moet gij er aan als was ook uw hoofd van enkel goud.” - -Hierop zeide het hof: „Wel Twijfelaar-aan-het-kwaad, hier is nu de -tweede getuige tegen u en zijne getuigenis is volkomen in orde. Hij -zweert, dat die mannen bij u waren, dat gij ze vriendelijk ontvingt en -met hen beraadslaagdet in stilte opdat het niet gehoord werd.” - -Hij antwoordde: „Dat die mannen in mijn huis kwamen is waar; maar is het -dan eene misdaad vreemdelingen te herbergen? Wat dien wensch aangaat, -dat een leger Twijfelaars in de stad mocht komen daarvan is niets tegen -getuige gezegd. Wel wenschte ik dat volk daar, om gevat te worden ten -goede van Menschziel, en den raad, dien ik hun gaf, komt alleen omdat ik -zoo ongaarne zie dat menschen gestraft worden; ik gun niemand iets -kwaads, zelfs niet aan de vijanden.” - -Maar de Burgemeester antwoordde, dat het wel eene deugd was -vreemdelingen te herbergen, maar geen vijanden van den koning, dat was -verraad; maar dat het in ieder geval voldoende is een Diábolus-man te -wezen om des doods schuldig te zijn. - -„Ik zie wel,” sprak hij, „hoe deze zaak zal afloopen; ik moet sterven -wegens mijn naam en mijne herbergzaamheid!” - -Toen werden de buitenlandsche Twijfelaars voor het gerecht geroepen. -Eerst kwam Twijfelaar aan de Verkiezing voor. Zijne beschuldiging werd -gelezen, en daar hij een buitenlander was, bracht een tolk die in zijne -taal over; te weten, dat hij een vijand van Immanuel was, een hater van -de stad Menschziel en hare wetten.[66] - - [66] ~Twijfelaar aan verkiezing~, ~Roeping~ enz. Bunyan heeft hier het - oog op Rom. 8 : 29. De trap, die hier voorgesteld wordt en door de - ziel langzamerhand verstaan, geeft de daden Gods aan beginnende bij de - eeuwigheid, de verkiezing of voorverordineering, en eindigend evenzeer - in de eeuwigheid -- de verheerlijking! Men lette evenwel op het - onderscheid, tusschen aan eene zaak te twijfelen, omdat zij ons nog - niet recht duidelijk is, en haar geheel te betwijfelen. - -De rechter vraagde hem of hij wilde pleiten: maar hij antwoordde, dat -hij bekende een Twijfelaar aan de Verkiezing te zijn. Dat was zijn -godsdienst, waarin hij opgebracht was, en moest hij nu om zijn -godsdienst sterven, zoo stierf hij als martelaar. - -Daarop werd hem gezegd, dat het in twijfel trekken der Verkiezing gelijk -stond met het loochenen van een groot en voornaam leerstuk van het -Evangelie. Het was een verwerpen van de alwetendheid, macht en -souvereiniteit van God, die met zijne schepselen handelde naar zijn -welbehagen. Daardoor zou men de stad Menschziel doen struikelen in haar -geloof en maken, dat zij hare zaligheid zocht in de werken en niet in de -genade. Daarom moest hij naar de landswet sterven. - -[Afbeelding: DWAASHEID OPGEHANGEN.] - -Toen kwam Twijfelaar aan de Roeping en werd verhoord. Zijne -beschuldiging kwam in hoofdzaak met de vorige overeen, behalve dat hij -ook de Roeping van Menschziel loochende. - -De rechter gaf ook hem gelegenheid zich te verdedigen. Hij antwoordde, -dat hij nooit kon gelooven, dat er zulk eene bijzondere en krachtige -roeping bestond als Menschziel vermeende, maar alleen een algemeene -roeping, eene roepstem van het woord, en dat God op geene andere wijze -aan de ziel werkte dan door vermaning tot het vermijden van het kwaad en -betrachten van het goed met eenige daarbij gevoegde beloften. - -Daarop liet zich de rechter aldus hooren: „Gij zijt een Diábolus-man en -hebt een groot deel van de beproefdste waarheden van Prins Immanuel -ontkend; want hij heeft Menschziel geroepen en zij heeft eene zeer -bepaalde en krachtige stem van haren Vorst gehoord, door welke zij -levend geworden is en met hemelsche genade vervuld; toen is zij begeerig -geworden met haren Vorst gemeenschap te oefenen, hem te dienen, zijn wil -te doen en al hare zaligheid te verwachten van zijn welbehagen. Omdat -gij nu deze goede leer verworpen hebt zult gij den dood sterven.” - -Daarop kwam de Twijfelaar aan de Genade en hoorde zijne beschuldiging -aan, waarop hij antwoordde, dat ofschoon hij al geleefd had in het land -der Twijfelaars zijn vader een farizeër was, die in zuivere vormen -leefde, en temidden zijner buren geacht was, en dat deze hem onderwees -en leerde gelooven, dat Menschziel nooit door vrije genade zalig zou -worden. - -De rechter antwoordde: „De wet is in dezen zeer duidelijk, want die zegt -ten eerste: ~niet uit de werken~, ontkennenderwijs en daarna: ~uit -genade zijt gij zalig geworden~. Uw Godsdienst is naar het vleesch en -zijne werken, en de werken des vleesches behooren ten onder te worden -gebracht. Bovendien berooft gij God van zijne eere en geeft dien aan een -zondig menschenkind. Gij verklaart, dat Christus werk niet noodzakelijk, -genoegzaam en voldoende was. Gij versmaadt het werk des Heiligen Geestes -en steunt op den vleeschelijken wil. Gij zijt een Diábolus-man; de zoon -van een Diábolus-man en daarom moet gij sterven.” [Rom. 3. Efez. 2.] - -Toen het hof zoover genaderd was gingen de rechters met elkander -raadplegen en keurden hen allen des doods schuldig. De Griffier -opstaande zeide tot de gevangenen: „Gij, die hier voor den rechterstoel -staat, zijt allen wettig onderzocht en schuldig bevonden aan hoog -verraad tegen Immanuel onzen Vorst en Menschziel gesmeed. Uw vonnis is -eenerlei; gij moet sterven.” - -En onmiddellijk werd tot de uitvoering van dit vonnis overgegaan. Allen -werden gekruisigd op de plaats, waar Diábolus zijn laatste leger -samentrok; alleen de Twijfelaar-aan-het-Kwaad werd aan zijne eigen deur, -op den hoek der Kwade straat opgehangen. - -Zoo was Menschziel van deze hare vijanden verlost: maar nu werd -nog een strikt bevel gegeven dat de heer Vastewil met zijn dienaar -Naarstigheid nog voortvaren zouden, het overschot van het complot -op te sporen. Hunne namen waren Slecht, Goed-Verwerper, Slaafsche -vrees, Zonder-Liefde, Wantrouwen, Vleesch en Onwillig. Ook de kinderen -van Twijfelaar-aan-het-kwaad moesten worden gevat en zijne woning -afgebroken. De kinderen heetten Twijfel, Wettisch, Ongeloof, -Verkeerde-Gedachten-van-Christus, Belofte-besnoeier, Gevoelsleven en -Eigenliefde. Hunne moeder was vrouw Zonder-hoop, eene nicht van den -ouden Ongeloof en eene dochter van baas Duister. - -De heer Vastewil voerde dit bevel uit. Hij ving Slecht bij den weg, en -hing hem op tegenover den Molsgang. Deze Slecht had kapitein Geloof in -Diábolus handen overgegeven. Ook Goedverwerper werd op de markt gevat en -gevonnisd. Binnen de stad leefde nu nog een arme vrome man, die -Overdenking heette. Hij had in de dagen van den afval weinig attentie -getrokken, maar nu was hij in achting. Hem werd nu al het bezit van -Goedverwerper overgegeven, zoodat hij rijk werd en met zijne vrouw -Vroom, des Griffiers dochter en zijn zoon Weldenkend in vreugde leefde. - -Nu werd nog Belofte-besnoeier gevat, een groot booswicht, die heel wat -van ’s konings geld besnoeid had. Hij werd veroordeeld om te pronk te -staan en door alle inwoners van Menschziel gegeseld te worden. Daarna -moest hij hangen. Die straf was wel gestreng maar niet onverdiend; want -alle eerlijke handelaars weten welk kwaad de geldsnoeiers uitvoeren. - -[Afbeelding: HUISZOEKING NAAR VLEESCHELIJK GEVOELEN.] - -Men ving ook Vleeschelijk gezind en zette hem vast, maar hij brak los en -ontkwam. Die leelijkert hield zich daarna schuil binnen de stad, en -spookte des nachts rond als de lieden sliepen. Daarom werd er eene -kennisgeving uitgevaardigd, dat al wie hem in Menschziel vond, hem -vangen en dooden moest, en tot loon zou hij aan ’s konings tafel eten en -bewaarder der schatten worden. Maar hoevelen er ook op uitgingen, ze -konden hem maar niet te pakken krijgen. - -Ook Verkeerde Gedachten werd gegrepen; maar deze had reeds de tering en -stierf daaraan. Eigenliefde onderging hetzelfde lot; velen in Menschziel -waren met hem vermaagschapt en wilden hem dus sparen; maar de heer -Zelfverloochening zeide: „Indien zulke booswichten binnen Menschziel -geduld worden, dan leg ik mijn post neer!” Hij ontrukte hem dus aan het -volk en sloeg hem de hersens in. De dappere daad van den kapitein hoorde -de Prins en deze verhief hem tot den adelstand. Ook de heer Vastewil -ontving lof voor zijn ijver. - -Nu grepen die twee een bijzonderen moed en vielen samen op Gevoelsleven -en Wettisch aan, hen inkerkerend tot ze stierven. Maar Ongeloof was zulk -een looze vos, dat ze hem niet machtig konden worden wat zij ook deden. -Hij en enkele anderen bleven daarom nog over totdat Immanuel zelf hen -zou verdelgen. Toch bleven zij in kuilen en spelonken, en werden ze soms -gezien, dan zette de gansche stad hen na. Ja, zelfs wierpen de kinderen -hen met steenen. Nu geraakte Menschziel in een staat van vrede en rust; -haar vorst bleef bij haar, de kapiteins ondersteunden haar, de soldaten -deden hun plicht en zij zelve dreef veel koophandel met een vergelegen -land. [Jes. 33 : 17.] [Phil. 3 : 20.] - - - - -HOOFDSTUK XIX. - -IMMANUELS TOESPRAAK TOT MENSCHZIEL. - - -Nu bepaalde de Prins een zekeren dag,[67] waarop hij op de markt het -gansche volk bijeen wilde zien, hun bevelen geven aangaande de toekomst; -hun zeggende wat tot hun troost zou dienen en tot verderf der -Diábolus-mannen. Op dien dag kwam hij aanrijden op zijn wagen en al de -zijnen omringden hem in groot uniform. De Prins opende den mond en sprak -aldus: - - [67] ~De Prins bepaalde een dag~, waarop allen op de markt naar hun - kwamen luisteren. Wat in de Christenpelgrimsreis het land Beulah - genoemd wordt is de toestand der ziel, die nu gereinigd en geheiligd, - in het genot der gemeenschap met haren Immanuel verkeert. Hij spreekt - liefelijke woorden tot haar, troost haar en vermaant haar. Maar er - volgen ook waarschuwingen. Hij leidt haar terug al den weg, dien zij - gegaan heeft in afdwaling en bekeering, voor het eerst en bij - vernieuwing. Wij zouden dit laatste hoofdstuk wel de sleutel kunnen - noemen tot al de voorgaande, waarin de schrijver zelf alles uitlegt en - verklaart. - -„O, gij mijn geliefd Menschziel. Vele en groot zijn de voorrechten, die -ik aan u heb te koste gelegd. Ik heb u van anderen afgezonderd en voor -mijzelven uitverkoren, niet wegens uwe waardigheid, maar om mijns naams -wil. Ik heb u ook verlost, niet alleen van de verschrikkingen van mijns -Vaders wet, maar uit Diábolus hand. Dit deed ik omdat ik u liefheb, en -omdat ik er mijn hart op gezet heb om u wèl te doen en u den weg tot de -hemelsche vreugd te banen. Daarom heb ik ook voor u en voor uwe ziel -eene volkomen genoegdoening gegeven, en u mij tot een eigendom gekocht. -Dit geschiedde niet tot een vergankelijken prijs, maar dien mijns -bloeds, hetwelk ik vrijwillig op de aarde heb uitgestort om u de mijne -te maken. Daar ik u volkomen met mijn Vader heb verzoend, zoo heb ik u -ook eene woning besteld bij mijn Vader in de Koninklijke stad, waar -dingen zijn, o Menschziel, die geen oog gezien heeft en geen oor -gehoord, en in geens menschen hart zijn opgekomen. Daarenboven weet gij -hoe ik u heb gered uit de hand van al uwe vijanden, die u tegen mijn -Vader deden rebelleeren en die u ten verderve zouden hebben gebracht. -Eerst kwam ik tot u met mijne Wet, daarna met mijn Evangelie om u te -doen ontwaken en u mijne heerlijkheid te toonen, en gij weet wat gij -waart, wat gij zeidet, wat gij deedt, en hoe dikwijls gij tegen mijn -Vader en mij opstondt. Nochtans heb ik u niet verlaten zooals gij heden -te dage ziet; maar ik ben tot u gekomen; ik heb geduld met u gehad, op u -gewacht, en u daarna omhelsd uit enkel genade en goedertierenheid. -Hoewel gij u moedwillig in het verderf hadt gestort, zoo wilde ik zulks -toch niet gedoogen. Ik omringde u, ik onderwierp u, ik bracht er uw hart -toe om uwe zaligheid niet langer te verwaarloozen. En toen ik nu eene -volkomen overwinning op u behaald had, zoo gebruikte ik die tot uw -voordeel. - -„Gij ziet ook welk een groot getal van mijns Vaders heirmacht binnen uwe -muren gelegerd zijn, die tot onderwerping uwer vijanden dienst doen. Gij -kent al mijne kapiteins, bevelhebbers, soldaten, oorlogstuig van -buitengewone kracht, zooals het in geen ander koninkrijk voorkomt in -alle deelen van het heelal. Mijne dienstknechten zijn ook de uwe tot -bescherming en reiniging en heerlijkheid; want gij zijt geschapen om -alzoo toebereid te worden. Daarenboven weet gij hoe ik uwe afkeeringen -heb genezen. Ja, ik ben toornig op u geweest, maar mijn toorn is nu van -u afgekeerd en heeft uwe vijanden getroffen. Niet wegens uwe goedheid, -maar omdat ik u bleef liefhebben. Alleen wegens uwe ongerechtigheid heb -ik mijn aangezicht eene wijle voor u verborgen. De afkeering kwam van u, -maar de wederkeer van mij. Ik maakte uwe zoetigheid tot bitterheid, uw -dag tot nacht, uw effen weg tot een doornig pad, tot beschaming van -allen, die uw verderf zochten. Ik was het, die maakte, dat Vreeze-Gods -Menschziel niet verliet. Ik wekte uw geweten op, uwen wil en uwe -genegenheid tegelijk met uw verstand. Ik gaf weder leven in u opdat mijn -Menschziel mij zoeken zou, en daarmede vondt gij genezing, geluk en -zaligheid. Ik verdreef voor de tweede maal het Diábolus-complot en -overwon het met mijn aangezicht. - -[Afbeelding: DE DOOD VAN EIGENLIEFDE.] - -„En nu, mijn Menschziel, ik ben tot u wedergekeerd in vrede en al uwe -overtredingen tegen mij zijn uitgedelgd alsof ze niet geschied waren. -Ook zal het u niet vergaan als in het begin, maar ik zal nog meer, nog -grooter dingen voor u doen. Nog eenen kleinen tijd -- o ontzet u -daarover niet, wees niet bevreesd -- maar ik zal u afbreken en al uwe -steenen en uw houtwerk en muren overbrengen naar mijn eigen land, het -koninkrijk mijns Vaders, en bouwen u daar weder op, veel heerlijker dan -gij nu zijt, opdat mijn Vader in u wone. Ja, gij zult veel heerlijker -worden dan eenig koninkrijk op aarde. Daartoe is dan ook uwe stad in den -aanbeginne bestemd; ik zal haar maken tot een gedenkzuil mijner -ontferming, ja, tot een wonderteeken. Daar zullen dan de ingezetenen van -Menschziel dat alles zien, wat zij hier niet vermochten te aanschouwen -en hen, die hen overtreffen, gelijken. Daar zult gij in gemeenschap met -mij, met mijnen Vader en zijn Oppergeheimschrijver genieten wat hier -nooit genoten kan worden al leefdet gij hier ook duizend jaar. - -„Dáar zult gij niet meer vreezen voor de moordenaars en Diábolus en de -zijnen zullen u niet meer verschrikken. Daar zullen geen samenzweringen -meer tegen u gesmeed worden, noch voornemens tegen u gedacht; dáar zult -gij geen kwaad gerucht meer hooren noch iets, dat u verschrikt. Ook -Diábolus trommel niet, die u deed beven. Daar zult gij ook geene -kapiteins of oorlogsmannen meer behoeven. Smart noch jammer overkomt u -meer. Daar zal geen heuvel noch bolwerk meer tegen u worden opgeworpen, -en Diábolus zal er zijn standaard niet meer planten, die ontzettende, -verschrikkelijke standaard! Daar zal u droefheid noch rouw meer -ontmoeten, en nooit of nimmer zal eenig Diábolist de macht hebben u -weder te bekruipen, zich in uwe grachten te legeren of in uwe wallen te -nestelen, of zich binnen uwe grenzen te vertoonen, alle de dagen der -eeuwigheid. Het leven zal daar langer duren dan gij het hier zoudt -kunnen begeeren en nochtans zal het altijd zoet en nieuw zijn, door -geene kwalen des ouderdoms ooit gekweld; zonder de minste stoornis of -hinder tot in der eeuwen eeuwigheid. Daar zult gij er velen ontmoeten, -die als gij gedeeld hebben in ellende en smart, die ik ook heb -uitverkoren en verlost en voor mijns Vaders hof bewaard. Zij zullen zich -in uw geluk verheugen en gij u in het hunne. - -„Er zijn dingen in mijns Vaders paleis, o Menschziel, die nooit gezien -zijn van het begin der wereld af, die mijn Vader in zijn schathuis heeft -opgelegd; die dingen zullen u verblijden. Ik heb u gezegd, dat ik u -verplaatsen wil en elders overplanten, en daar zal ik u vaststellen en -bevestigen, waar zij zijn, die u beminnen; die zich nu reeds van uit de -verte over u verblijden; maar hoeveel grooter zal hunne vreugde zijn als -zij u in zulk een staat van eer en heerlijkheid bij zich zien! Mijn -Vader zal om u zenden om u te laten halen en zij zullen u met zich -voeren en u veilig geleiden naar de eeuwige woningen. Zoo heb ik u dan -alles getoond wat na dezen met u geschieden zal, maar nu zal ik u ook -zeggen wat uwe roeping is, en wat gij te doen hebt tot ik u bij mij kom -halen, volgens hetgeen daarvan gezegd is. - -„Eerstens zult gij uwe kleederen witter houden dan ooit. Ik had ze u -gegeven zonder vlek of rimpel toen ik de eerste keer bij u kwam, maar -gij hebt ze bezoedeld en verkreukt. Pas er nu beter op, dat zal wijs van -u wezen. Ze zijn wit uit hunnen aard; maar houdt ze zoo wat ik u bidden -mag; dit zal uw wijsheid en uwe eere zijn. De koning zal lust hebben in -uwe schoonheid, en de wereld zal zien, dat gij de mijne zijt. Gij weet -dat daar eene fontein geopend is voor alle onreinheid; wasch ze daarin -voortdurend. Als uwe kleederen wit zijn zal de wereld u als de mijnen -aanzien. Als uwe kleederen wit zijn dan heb ik vermaak in uwe gangen; -want dan zullen uwe voetstappen overal wezen gelijk aan een -bliksemstraal, zoodat allen, die het aanschouwen, hunne oogen voelen -schemeren. Versier u derhalve met mijne geboden en maak rechte gangen -voor uwe voeten naar mijne wet. Dan en zóo zal de koning lust in uwe -schoonheid hebben; daar hij uw Heer is zoo buig u voor hem neder. [Ps. -15.] - -„Verzuim daarom vooral niet, o mijn Menschziel, gebruik te maken van -mijne fontein. Opdat gij uwe kleederen rein en onbesmet zoudt houden -gelijk ik u bevolen heb, heb ik juist die fontein voor u daargesteld. -Neem daarom telkens weer de moeite ze te wasschen en wandel nooit in een -vuil gewaad. Niet alleen dat dit mij tot oneer en smaad verstrekt en mij -op het allermeeste mishaagt, maar het zal uzelven ook zeer tot nadeel -strekken en u van allen troost berooven. Laat daarom uwe kleederen of -eigenlijk mijne kleederen, die ik u gegeven heb, niet door het vleesch -bezoedeld of bevlekt worden. Houd ze wit en laat op uw hoofd geene -olie ontbreken. [Zach. 13 : 1.] [Jud. : 23.] - -[Afbeelding: IK LEEF EN GIJ ZULT LEVEN.] - -„Mijn geliefd Menschziel! ik heb u dikwijls verlost van de aanslagen, -complotten, samenzweringen en aanvallen van Diábolus, en voor dit alles -eisch ik niets van u dan dat gij mij geen kwaad voor goed vergeldt; maar -dat gij in uw gemoed mijne liefde bewaart en nooit de duurzaamheid -mijner genegenheid tot Menschziel vergeet. Laat dit vooral u aansporen -te wandelen in den u voorgestelden regel, gedachtig aan al de weldaden, -die ik aan u heb besteed. Van ouds waren de offerdieren met touwen aan -het altaar verbonden. Gedenk wat ik u gezegd heb, o mijne rijk gezegende -en beweldadigde! - -„O, mijn Menschziel, ik ben levend en ben dood geweest. Ik leef en zal -niet meer sterven. Ik leef opdat gij niet sterft. Omdat ik leef zult ook -gij leven. Ik verzoende u door het bloed van mijn kruis, en verzoend -zijnde zult gij leven door mij. Ik zal voor u bidden en voor u strijden. -Niets kan u kwaad doen dan de zonde, niets kan u voor uwe vijanden doen -vreezen dan de zonde. Niets kan u ontsieren en verachtelijk maken dan de -zonde. Pas daarom op voor de zonde. - -„En weet gij waarom ik nog toeliet, dat er Diábolusmannen in uwe muren -wonen? Dat is om u waakzaam te doen blijven en u te doen zien wat gij -aan mijn kapiteins en legerbenden hebt, en wat mijne genade voor u is. -Het is ook opdat gij zoudt weten in welk een beklagenswaardigen staat -gij eens waart; ik meen toen niet alleen sommigen maar allen, niet -slechts binnen uwe muren, maar ook binnen uw kasteel, in uwe forteressen -woonden, o, Menschziel! Al zou ik ze allen slaan, die daar binnen zijn, -daar zijn er zooveel buiten u, die u in slavernij zouden voeren. Waren -de vijanden binnen in u geheel vernietigd, die van buiten zouden u -slapende vinden. Dan zouden zij als in een oogenblik mijn Menschziel -opzwelgen. Ik heb hen derhalve nog in u gelaten, maar niet tot hinder of -schade voor u (hoewel zij dat zeer begeeren), maar ten uwen beste, -waartoe zij dus moeten medewerken, zoo gij maar waakt en bidt en -strijdt. Weet derhalve, dat waartoe zij u ooit verzoeken mogen, het -nooit mijn oogmerk is, dat u dit verre van mij drijve, maar juist -integendeel dichter tot mijnen Vader en mij brenge, en u leere klein in -eigen oog te zijn. Wees dus op uwe hoede en strijd den goeden strijd des -geloofs. Toon mij uwe liefde en laat niets anders uwe genegenheid -opwekken. Bedenk voortdurend wat mijne kapiteins en soldaten voor u -hebben gedaan en wees dankbaar. Voed ze en verzorg ze, want dat komt -Menschziel ten goede. Toon mij dan uwe liefde, o, mijn Menschziel! en -laat hen, die binnen uwe muren zijn, uwe genegenheden nooit aftrekken -van hem, die u verlost heeft. Ja, laat het gezicht van een Diábolonist -uwe liefde tot mij nog versterken. Ik ben een- en andermaal gekomen om u -te bevrijden van de giftige pijlen, die u den dood zouden hebben -aangedaan: kom dan nu ook op voor mij, uwen vriend, o Menschziel! en sta -tegenover alle Diábolusmannen pal, en ik zal uwe zaak verdedigen voor -mijn Vader en zijn gansche hof. Heb mij lief temidden van alle -verzoekingen en ik zal u liefhebben niettegenstaande al uwe zwakheden. - -„Bedenk, o Menschziel, wat mijne kapiteins, soldaten en oorlogstuigen -voor u gedaan hebben. Zij hebben voor u gestreden; zij hebben om -uwentwil veel geleden; zij hebben heel wat van u verdragen, en bleven -toch uwen welstand bevorderen. Hadt gij hen niet gehad om u te helpen, -Diábolus had zeker een eind aan u gemaakt. Koester hen dan, mijne -geliefde, en verzorg hen goed. Als gij u wel gedraagt zullen zij u ook -zeer genegen zijn en u veel liefde bewijzen. Wanneer gij hen kwalijk -handelt zullen zij krank worden en zeer verzwakken. Maak mijne kapiteins -niet ziek; want zoo zij krank zijn kunt gij niet sterk wezen; zoo zij -verflauwen of bezwijken kunt gij niet dapper of kloekmoedig wezen voor -uwen koning. Ook moogt gij niet altijd leven bij gevoel, maar door het -geloof aan mijn woord. Ook moet gij dat doen als gij mij niet ziet en ik -van u verwijderd schijn; ik draag u toch eeuwig op mijn hart. Bedenk, -geliefde, hoe innig ik u bemin en hoe getrouw mijne liefde is. Ik leg u -geen anderen last op dan dien gij reeds kent en draagt. Houd wat gij -hebt opdat niemand uwe kroon neme. Waak totdat ik kom!” - - - - -INHOUD. - - - Bladz. - HET LEVEN VAN JOHN BUNYAN 3 - - I. ZIJNE GEBOORTE EN OPVOEDING 3 - II. ZIJNE BEKEERING EN BELIJDENIS 8 - III. ZIJN LIJDEN OM DES GEWETENS WIL 14 - IV. ZIJNE BEDIENING ALS HERDER EN LEERAAR 19 - V. ZIJN LOOPBAAN ALS SCHRIJVER 22 - VI. ZIJN LEVENSEIND 28 - - - INLEIDING 31 - - I. MENSCHZIEL, HAAR OORSPRONG EN AFVAL 33 - II. VOORBEREIDSELEN OVER EN WEER 50 - III. DE KAPITEINS VAN EL-SCHADDAÏ. HET BELEG 58 - IV. IMMANUELS LEGER. DE AANVAL 80 - V. DE CAPITULATIE EN HARE GEVOLGEN 98 - VI. INTOCHT VAN DEN VORST 118 - VII. EENEN MEESTER DIENEN 124 - VIII. DE NIEUWE GRONDWET 138 - IX. GEVAAR VOOR MENSCHZIEL 150 - X. EEN DIABOLISCH COMPLOT 158 - XI. HET COMPLOT ONTDEKT 170 - XII. HET SMEEKSCHRIFT VAN MENSCHZIEL 178 - XIII. EEN MIDDERNACHTELIJKE UITVAL 183 - XIV. „ZIET, HIJ BIDT!” 188 - XV. DE BELOFTE VAN ZIJNE KOMST 193 - XVI. DE TERUGKOMST VAN DEN VORST 202 - XVII. HET LEGER DER MANNEN DES BLOEDS 206 - XVIII. „HOUD MOED, MENSCHZIEL!” 210 - XIX. IMMANUELS TOESPRAAK TOT MENSCHZIEL 218 - - - - - Opmerkingen van de bewerker - - - In de browserversie van dit boek (zie www.gutenberg.org) zijn ook de - illustraties en versierde tekstkaders zichtbaar, mogelijk ontbreken - die in andere versies, afhankelijk van de gebruikte hard- en software - en hun instellingen. - - Inconsistenties in taalgebruik (spelling, afbrekingen, spatiëring, - gebruik van hoofdletters, enz.) zijn niet veranderd, behalve zoals - hieronder aangegeven. Dit geldt ook voor eigennamen, waarvan - verschillende varianten in het boek voorkomen. Op verschillende - plaatsen lijken woorden weggevallen te zijn; deze zijn niet toegevoegd - behalve zoals hieronder aangegeven; evenmin zijn ongebruikelijke of - foute zinsconstructies gecorrigeerd. - - Pag. 186, [Rom. 7.]: mogelijk is het versnummer weggevallen. - Pag. 222, [Jud. : 23.]: waarschijnlijk is het hoofdstuknummer - weggevallen. - - - Aangebrachte veranderingen: - - Overduidelijke (zet)fouten zijn stilzwijgend gecorrigeerd; - aanhalingstekens en andere leestekens zijn waar nodig stilzwijgend - toegevoegd of gecorrigeerd. - - In het originele werk zijn drie soorten noten aanwezig: genummerde - voetnoten, ongenummerde voetnoten en noten in de tekst (met - verwijzingen naar Bijbelboeken). De ongenummerde voetnoten zijn - behandeld als voetnoten, waarbij de verwijzing op de meest geëigende - plaats in de betreffende pagina is ingevoegd. Beide soorten voetnoten - zijn verplaatst naar het einde van de betreffende alinea. De noten in - de tekst zijn [tussen vierkante haken] aan het eind van de betreffende - alinea geplaatst. - - Pag. 8: Nummer II. toegevoegd - - Pag. 64: brondocument: waartoe gij hem tot koning aangenomen? - veranderd in: waartoe hebt gij hem tot koning aangenomen? - - Pag.76: brondocument: Desniettemin belegerden zij met alle macht het - huis, waar hij was om het boven zijn hoofd te laten instorten - veranderd in: Desniettemin belegerden zij met alle macht het huis waar - hij was, om het boven zijn hoofd te laten instorten - - Pag. 103: brondocument: welk eene vreugde er Immanuels leger was - veranderd in: welk eene vreugde er in Immanuels leger was - - Pag. 165: brondocument: HEILIG (in illustratie) - veranderd in: ONHEILIG (in onderschrift) - - Pag. 222: brondocument: kunt niet dapper of kloekmoedig wezen - veranderd in: kunt gij niet dapper of kloekmoedig wezen. - - - - - -End of the Project Gutenberg EBook of De Heilige Oorlog, by John Bunyan - -*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE HEILIGE OORLOG *** - -***** This file should be named 56282-0.txt or 56282-0.zip ***** -This and all associated files of various formats will be found in: - http://www.gutenberg.org/5/6/2/8/56282/ - -Produced by Jeroen Hellingman, Harry Lamé and the Online -Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net - - -Updated editions will replace the previous one--the old editions -will be renamed. - -Creating the works from public domain print editions means that no -one owns a United States copyright in these works, so the Foundation -(and you!) can copy and distribute it in the United States without -permission and without paying copyright royalties. Special rules, -set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to -copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to -protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project -Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you -charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you -do not charge anything for copies of this eBook, complying with the -rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose -such as creation of derivative works, reports, performances and -research. They may be modified and printed and given away--you may do -practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is -subject to the trademark license, especially commercial -redistribution. - - - -*** START: FULL LICENSE *** - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project -Gutenberg-tm License (available with this file or online at -http://gutenberg.org/license). - - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm -electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy -all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. -If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project -Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the -terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or -entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement -and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic -works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" -or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project -Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the -collection are in the public domain in the United States. If an -individual work is in the public domain in the United States and you are -located in the United States, we do not claim a right to prevent you from -copying, distributing, performing, displaying or creating derivative -works based on the work as long as all references to Project Gutenberg -are removed. Of course, we hope that you will support the Project -Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by -freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of -this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with -the work. You can easily comply with the terms of this agreement by -keeping this work in the same format with its attached full Project -Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in -a constant state of change. If you are outside the United States, check -the laws of your country in addition to the terms of this agreement -before downloading, copying, displaying, performing, distributing or -creating derivative works based on this work or any other Project -Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning -the copyright status of any work in any country outside the United -States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate -access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently -whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the -phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project -Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, -copied or distributed: - -This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with -almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or -re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included -with this eBook or online at www.gutenberg.org/license - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived -from the public domain (does not contain a notice indicating that it is -posted with permission of the copyright holder), the work can be copied -and distributed to anyone in the United States without paying any fees -or charges. If you are redistributing or providing access to a work -with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the -work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 -through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the -Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or -1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional -terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked -to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the -permission of the copyright holder found at the beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any -word processing or hypertext form. However, if you provide access to or -distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than -"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version -posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), -you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a -copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon -request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other -form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm -License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided -that - -- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is - owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he - has agreed to donate royalties under this paragraph to the - Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments - must be paid within 60 days following each date on which you - prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax - returns. Royalty payments should be clearly marked as such and - sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the - address specified in Section 4, "Information about donations to - the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." - -- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or - destroy all copies of the works possessed in a physical medium - and discontinue all use of and all access to other copies of - Project Gutenberg-tm works. - -- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any - money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days - of receipt of the work. - -- You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm -electronic work or group of works on different terms than are set -forth in this agreement, you must obtain permission in writing from -both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael -Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the -Foundation as set forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -public domain works in creating the Project Gutenberg-tm -collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic -works, and the medium on which they may be stored, may contain -"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or -corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual -property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a -computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by -your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium with -your written explanation. The person or entity that provided you with -the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a -refund. If you received the work electronically, the person or entity -providing it to you may choose to give you a second opportunity to -receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy -is also defective, you may demand a refund in writing without further -opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER -WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO -WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. -If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the -law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be -interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by -the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any -provision of this agreement shall not void the remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance -with this agreement, and any volunteers associated with the production, -promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, -harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, -that arise directly or indirectly from any of the following which you do -or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm -work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any -Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. - - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of computers -including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists -because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from -people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. -To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation -and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 -and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. - - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive -Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at -http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent -permitted by U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. -Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered -throughout numerous locations. Its business office is located at -809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email -business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact -information can be found at the Foundation's web site and official -page at http://pglaf.org - -For additional contact information: - Dr. Gregory B. Newby - Chief Executive and Director - gbnewby@pglaf.org - - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide -spread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To -SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any -particular state visit http://pglaf.org - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. -To donate, please visit: http://pglaf.org/donate - - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic -works. - -Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm -concept of a library of electronic works that could be freely shared -with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project -Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. - - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. -unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily -keep eBooks in compliance with any particular paper edition. - - -Most people start at our Web site which has the main PG search facility: - - http://www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
