summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/55756-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/55756-8.txt')
-rw-r--r--old/55756-8.txt7038
1 files changed, 0 insertions, 7038 deletions
diff --git a/old/55756-8.txt b/old/55756-8.txt
deleted file mode 100644
index 1d85331..0000000
--- a/old/55756-8.txt
+++ /dev/null
@@ -1,7038 +0,0 @@
-The Project Gutenberg EBook of Prins Alphabet, by Piet Valkenstein
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
-other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of
-the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have
-to check the laws of the country where you are located before using this ebook.
-
-
-
-Title: Prins Alphabet
-
-Author: Piet Valkenstein
-
-Release Date: October 15, 2017 [EBook #55756]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: ISO-8859-1
-
-*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK PRINS ALPHABET ***
-
-
-
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg.
-
-
-
-
-
-
-
-
- PRINS ALPHABET
-
- DOOR
-
- KEES VALKENSTEIN.
-
-
-
- UTRECHT--W. DE HAAN.
-
-
-
-
-
-
-
-
-INLEIDING.
-
- Waarin alleen maar 'n prins geboren wordt, 'n opstand uitbreekt,
- 'n keizer met z'n huisgezin in ballingschap en de prins weer in
- z'n land terugkeert.
-
-
-De keizer van 't land Huk zat in groote moeielijkheid. Er was 'n
-prins geboren, de kroonprins, en nu zeiden raadsheeren en andere
-hoogwaardigheidsbekleders aan 't hof, dat de pas geboren prins net
-moest heeten als z'n vader. Dat hoorde zoo, dat was altijd zoo geweest
-in 't land Huk en dat moest nu ook weer zoo.
-
-Doch dat wilde de keizer nu juist niet. Die had 't land aan z'n eigen
-naam en hij vond, dat de kroonprins nu eens 'n andere moest hebben.
-
-Maar niemand was 't met de keizer eens. Ze zeiden, dat reeds
-honderdzevenenzestig keizers die naam gedragen hadden. De keizer was
-de honderdachtenzestigste en 't jonge prinsje moest mettertijd de
-honderdnegenenzestigste zijn.
-
-Huk was 'n oud land, zooiets als China. Dat kan iedereen narekenen,
-want als we aannemen, dat iedere keizer gemiddeld twintig jaar
-geregeerd had, en dat is toch niet erg lang voor 'n gezonde keizer,
-dan kom je tot 167 × 20 = 3340 jaar.
-
-Hier in 't westen kennen we zulke oude keizersgeslachten niet, maar
-de Hukkers waren er wat trotsch op en ze beweerden dan ook, dat hun
-keizer regelrecht van 'n soort god afstamde, iets wat de Japanners
-ook zeggen van hun Mikado.
-
-Of 't nu daar vandaan kwam, dat de keizer zoo'n onmogelijke naam had
-is moeielijk uit te maken. Alleen is 't zeker dat er geen enkel mensch
-in Huk was, die 's keizers naam kon uitspreken, zonder de kramp in
-z'n kaken te krijgen. Ze probeerden 't wel eens voor tijdverdrijf,
-maar 't lukte nooit. Vóór ze op de helft waren begonnen ze al te
-stotteren en op driekwart bleven zelfs de knapsten steken. Dan zaten
-ze hopeloos verward in al die lettergrepen.
-
-De keizer was er zoo nu en dan evenwel zelf 't slechtst aan toe met
-die onuitsprekelijke naam. In de wandeling heette hij Napo en zóó
-onderteekende hij ook gewoonlijk z'n brieven. Doch als hij 'n nieuwe
-wet moest onderschrijven of 'n keizerlijk besluit, dan kon 't niet
-anders of hij moest z'n naam er voluit onderzetten. Dat hadden z'n
-honderdzevenenzestig voorvaderen ook gedaan, doch 't bleef 'n wanhopig
-karwei. Als hij er mee klaar was kon er geen enkele krul meer op
-overschieten, wat toch bij 'n nette handteekening hoort. Maar wat moet
-je beginnen, als je geen inkt meer in je pen hebt en je bovendien blij
-ben, dat 't afgeloopen is? Want om met één pennetrek te schrijven:
-Napoleonidasssurbanusaranatanielfridammonnottorobiodecastrobertus
-CLXVIII en dán nog weer eens in te doopen voor 'n krul, terwijl je
-van blijdschap hè roept, omdat je gelukkig over de eindstreep ben,
-dàt doet geen mensch.
-
-En zoo zat de keizer van Huk dan op 'n goeie dag op z'n troon met 'n
-grommig gezicht en de heele zaal zat vol raadsheeren en andere hooge
-lui, óók allemaal met grommige gezichten. Want ze hielden vergadering
-en de keizer stond op z'n stuk, dat de kroonprins 'n gemakkelijke
-naam zou krijgen en al die andere hielden vol, dat 't niet kon.
-
-"En tòch zal 't gebeuren," riep de keizer eindelijk rood van toorn,
-terwijl hij met z'n vuist op de leuning van z'n troon sloeg. "Wie
-is er baas in Huk, jullie of ik? De armste bedelaar kan z'n kinderen
-'n naam geven, zooals ie verkiest en ik, de keizer, mag dat niet?"
-
-"Sire," sprak 'n oud man met 'n lange witte baard, die al langer
-dan vijftig jaar 't gewichtige ambt van raadsheer in 't gerechtshof
-bekleedde, "sire, wat komt 't er op aan hoe 'n gewoon mensch z'n
-kinderen noemt? Al heeten ze A of B, 't doet er niet toe. Maar op
-de troon van Huk moet iemand zitten, die iedereen met eerbied noemt
-(de raadsheer sprak nu heel plechtig langzaam en schraapte eerst
-eventjes z'n keel) Napoleonidassurbassurantimekasser ...
-
-"Ga voort," zei de keizer vriendelijk. "Je was zoo mooi op weg." Maar
-de arme man prevelde enkel nog maar iets van kasserpasser en bleef
-toen voor goed steken.
-
-"Jullie hoort 't nu allemaal voor de zooveelste keer," sprak de keizer,
-"'t Is 'n onmogelijke naam. Zelfs deze geleerde raadsheer, die reeds
-drie keizers van Huk gediend heeft, ziet geen kans hem heelhuids over
-z'n lippen te brengen. Als er iemand in de vergadering is die mijn naam
-vlug en zonder haperen uit kan spreken, dan geef ik me gewonnen. Is
-er iemand? ... Welnu dan sluiten we de besprekingen. De kroonprins
-krijgt 'n korte naam, die iedereen onthouden kan, of ik heet geen Napo
-enz. enz. 't Kan me niet schelen, wat voor 'n naam de prins krijgt,
-als 't maar 'n heel korte is. Wie weet er een?"
-
-'t Werd doodstil, alsof ze allemaal hevig zaten te prakkezeeren. Doch
-geen mensch kwam met 'n naam voor de dag.
-
-"Nu," zei de koning plechtig: "Als jullie 't dan niet weet, zal ik
-'t zelf maar zeggen. De raadsheer van 't gerechtshof heeft me op de
-idee gebracht. De kroonprins zal heeten: A."
-
-"A?" riepen alle aanwezigen, terwijl ze in verwarring van hun zetels
-oprezen. "A! A!! A!!!"
-
-"Stilte!" gebood de keizer, "en ga zitten! Je hoort hoe gemakkelijk
-die naam uit te spreken is. Jullie zegt hem allemaal even duidelijk,
-alsof al m'n honderdzevenenzestig voorvaderen zoo geheeten hadden. Dat
-is dus afgeloopen. De kroonprins heet A en later, als ik dood ben
-natuurlijk, heet hij keizer A I."
-
-'t Werd nog stiller, toen de keizer uitgesproken had, zóó stil alsof er
-heelemaal geen mensch aanwezig was. De keizer keek de zaal eens rond,
-of hij verwachtte, dat de een of de andere nog iets in 't midden zou
-brengen. En dat gebeurde eindelijk ook. De raadsheer met de witte
-baard stond nogmaals op en zei:
-
-"Sire, bedenk u voor 't te laat is. A I dat is 'n goed merk op 'n
-pakkist, maar geen naam voor 'n keizer van Huk. Uw onderdanen zullen
-geen eerbied hebben voor 'n keizer, die 'n naam heeft als 't merk op
-'n pakkist."
-
-Alle aanwezige gaven teekenen van instemming. Alleen de keizer was van
-'n andere meening.
-
-"Gekheid man," antwoordde hij. "M'n onderdanen zullen wel verstandiger
-zijn. Voor zóó dom zie ik hen geen van allen aan. Doch ik zal de
-naam 'n klein beetje langer maken, om jullie allemaal 'n plezier
-te doen. Maar dat is dan ook alles. We zullen de kroonprins Abecé
-noemen. Dat klinkt heel goed en geen mensch kan nu meer zeggen, dat
-die jongen op 'n pakkist lijkt. Morgen verwacht ik jullie allemaal
-weer hier. Dan wordt de prins plechtig gedoopt. Leve prins Abecé!"
-
-"Hoeraaaaa!" riepen ze allen. Doch ze meenden er geen sikkepit van. Ze
-vonden 't gewoon 'n schandaal en toen ze naar huis wandelden of reden
-praatten ze er druk met elkaar over en ze kwamen tot de slotsom dat
-'t wel niet goed zou afloopen.
-
-En 't liep heel slecht af. De ongeluksprofeten hadden gelijk. Kleine
-oorzaken hebben dikwijls groote gevolgen. Toen de Hukkers vernamen,
-wat de keizer besloten had zaten ze eerst stom van verbazing. Ze
-zeien heelemaal niets. Maar langzamerhand kwamen de tongen los in
-de hoofdstad van Huk. 't Was van de morgen tot de avond niets anders
-dan Abecé.
-
-Eerst waren ze verwonderd geweest, toen werden ze ontevreden, daarna
-grommig, eindelijk woedend en op 't lest kregen ze met elkaar ruzie.
-
-Er waren in Huk menschen genoeg, die 't met hun keizer eens waren
-en dus Abecé 'n heel geschikte naam voor 'n kroonprins vonden. Doch
-de groote meerderheid was 't heelemaal niet met de keizer eens. Die
-schreeuwden moord en brand en scholden de anderen uit voor Abecéërs en
-zij gaven het pas geboren keizerskind de spotnaam van prins Alphabet.
-
-De keizer dacht, dat 't nog wel bedaren zou, maar 't duurde niet
-lang of de Napoleonidassers begonnen bij de Abecéërs de ruiten in te
-gooien en op straat ranselden de tegenstanders elkaar af. De keizer
-zond er toen maar soldaten op af en daarom gooiden de Napoleonidassers
-de keizer z'n glazen ook maar in.
-
-Doch 't ergste was, dat 'n neef van de keizer in troebel water aan
-'t visschen was. Hij had zelf veel zin om ook eens keizer van Huk te
-worden. Zoolang er geen opvolger was, had hij nog kans gehad, maar de
-geboorte van prins Abecé maakte daaraan een eind. Nu die kans verkeken
-was stookte hij in stilte de opgewonden menschen tegen de keizer en
-'t onschuldige prinsje op om zóó tot z'n doel te geraken. Hij liet
-overal rondstrooien, dat hij 'n extra onuitsprekelijke naam zou
-aannemen indien ze hem uitriepen tot keizer en dat vonden de meeste
-Hukkers nu net wat ze hebben moesten. Zoo kwam het dat de soldaten
-van de keizer gemeene zaak met de oproerlingen maakten en eer Abecé
-'n maand oud was zat er voor de rechtmatige keizer van Huk niets
-anders meer op dan stilletjes midden in de nacht op de vlucht te
-gaan. Hij kon niets anders mee nemen dan z'n vrouw, 't prinsje en
-'n paar bedienden, die hem trouw gebleven waren.
-
-Nu had de keizer wel 'n beetje spijt, dat hij de
-kroonprins maar niet genoemd had zooals hij zelf
-heette. Doch 't was te laat. Op de troon van Huk zat nu
-Sutrebortsacedoiborottonommadirfleinatannarassunabrussadinoelopan I.
-Tot groote vreugde van alle Hukkers bleek deze naam nog moeielijker
-te zijn dan die van alle vorige keizers. Zelfs de vroegere Abecéërs
-vonden de naam prachtig en toch ook eigenlijk veel geschikter voor
-'n keizer van Huk dan Abecé, ofschoon ze allemaal heel goed wisten,
-dat de neef heel geen moeite gehad had die naam uit te denken. Veel
-minder hoofdbreken had 't hem gekost, deze gekke naam te vinden dan
-de weggejaagde keizer om de eenvoudige naam Abecé te bedenken. Hij had
-eenvoudig de naam van z'n voorganger achterstevoren opgeschreven. Maar
-daar gaven de Hukkers niet om. Hoofdzaak was, dat geen mensch de
-naam van de keizer onthouden kon en spoedig ging alles in Huk weer
-z'n oude gangetje. Over 't kleine weggejaagde prinsje werd slechts
-nu en dan nog eens spottend gesproken als van prins Alphabet en geen
-mensch dacht er meer aan dat ie toch eigenlijk Abecé heette.
-
-Prins Alphabet groeide in de vreemde op net als iedere andere jongen
-en geen enkele van z'n schoolkameraden wist, dat ze met 'n prins
-te doen hadden. Ze noemde hem Abecé, zooals z'n vader en moeder ook
-deden. Dat ze hem eens in z'n eigen land uit spot prins Alphabet hadden
-gescholden, daarvan wist hij zelf ook niemendal, want niemand had
-'t hem ooit verteld. Hij wist wel waardoor z'n vader in ballingschap
-geraakt was. Doch dat was ook alles.
-
-Dat z'n vader nu 'n keizer zonder land en hij zelf 'n kroonprins
-zonder kroon was, kon Abecé 'n heel klein beetje schelen. Hij had
-'n prettig leventje, was gezond als 'n visch, leerde goed ofschoon
-ie er wel eens 't land aan had en hij had altijd honger. Boterhammen
-waren er gelukkig genoeg in huis, want z'n vader had bij z'n vlucht
-nog wel zooveel van z'n bezittingen kunnen redden uit de schipbreuk,
-dat de keizerlijke familie er goed van kon leven.
-
-Dat prettige jongensleventje hield echter plotseling op. Kort na elkaar
-stierven Abecé's moeder en vader en nu had hij niemand meer dan de oude
-Karibo, de eenige van de twee dienaren, die nog in leven was. Keizer
-Napo had bepaald, dat na zijn dood Abecé weer terug moest gaan naar z'n
-geboorteland. Niemand kende hem daar, want Abecé was nu twaalf jaar en
-geen mensch in 't land Huk, zelfs niet diegenen die hem als zuigeling
-gezien hadden, zou hem herkennen. De oude Karibo was 'n betrouwbaar
-man, die z'n jonge meester niet verraden zou. Karibo was ook heelemaal
-veranderd. Die was in die twaalf jaren oud en grijs geworden en de
-Hukkers die vroeger misschien vriendelijk tegen hem gezegd hadden:
-dag mijnheer Karibo, zouden hem nu ook wel voor 'n wildvreemde aanzien.
-
-Waarom keizer Napo z'n zoon weer naar Huk terugzond, dat wist alleen
-Karibo, Abecé had er niet 't minste begrip van. En Karibo hield z'n
-mond. Toen ze dus op reis gingen naar Huk en Abecé aan Karibo vroeg
-wat ze daar nu eigenlijk te maken hadden, zei Karibo:
-
-"Och eigenlijk niemendal. Doch 't is beter voor 'n mensch in z'n
-eigen land te leven, dan in de vreemde. Ik zal wàt blij zijn als ik
-weer in dat goeie ouwe Huk terug ben."
-
-Abé was met dat antwoord maar half tevreê, want hij vond 't in 't
-vreemde land heel niet onplezierig. Huk was hem veel vreemder. Hij had
-graag willen blijven waar hij was, en 't had hem gespeten, dat hij
-afscheid moest nemen van z'n schoolvriendjes. Die hadden hem echter
-allemaal benijd. Zoo'n groote reis, terwijl 't niet eens vacantie
-was--en heelemaal te paard! Alle jongens hadden wel meegewild. Doch
-'t eenige, wat ze doen konden, was 'n eindje met hen meeloopen,
-toen hij op 'n morgen met Karibo naar z'n vaderland vertrok. Abé was
-'n beetje verdrietig, want 't was 'n afscheid voor goed. Hij gaf
-al z'n kameraden nog eens de hand en toen de jongens terugkeerden,
-want 't was tijd voor school, keek Abé nog heel dikwijls om en de
-jongens deden 't ook en dan wuifden ze allemaal. 'n Bocht in de weg
-maakte daar 'n eind aan. Abé reed zwijgend verder. Voor hem begon er
-'n nieuw leven en z'n schoolkameraden begonnen weer aan hun sommen,
-want ze hadden dien morgen van negen tot tien rekenen. Abé was liever
-met hen aan 't rekenen gegaan. Dat nieuwe leven konden ze voor zijn
-part cadeau krijgen.
-
-Abé en Karibo bereden 'n paar groote stevige paarden. Dat was wel
-noodig want de weg was lang. Karibo had uitgerekend, dat ze minstens
-veertien dagen noodig zouden hebben om de meest nabije stad in
-'t land Huk te bereiken. Ze hadden ook wel van 'n wagen gebruik
-kunnen maken. Maar vooreerst waren in Abé's tijd de wagens zulke
-gemakkelijke voertuigen niet en ten tweede reden mannen liefst te
-paard. Heel erg was 't ook niet. Abé kon goed rijden en ze hoefden
-zich volstrekt niet te haasten. Als ze eens draven wilden deden
-ze dat voor hun plezier. Waren ze 't in het zadel een beetje moe,
-dan belette niets hen 'n eindje te voet te gaan met hun paard aan
-de teugel of 'n poosje in 't hooge gras te gaan liggen langs den
-weg. Hun bagage hadden ze achter zich op 't zadel. Heel veel was
-'t niet, niet meer dan 't hoognoodige. Doch 't voornaamste droeg
-Karibo in z'n gordeltasch. Dat waren perkamenten waaruit duidelijk
-bleek wie Abé was en goudstukken. 't Spreekt van zelf dat ze beiden
-goed gewapend waren, want heel onmogelijk was 't niet in die tijd,
-dat 'n paar eenzame reizigers door slecht volk overvallen werden en
-uitgeplunderd. Karibo was wel grijs, maar toch nog 'n sterke kerel,
-die als oud soldaat heel goed met 't zwaard wist om te gaan en Abé,
-al was ie nog pas twaalf jaar, kon er ook best mee terecht. Dat had hij
-van z'n vader en van Karibo geleerd. En bang waren ze geen van beiden.
-
-Ze reden die eerste dag 'n heel eind, aten onderweg in 'n herberg en
-toen 't avond begon te worden klopten ze aan 'n boerewoning, waar ze
-gastvrij ontvangen werden. In die tijd was 'n reiziger altijd welkom
-als hij 's avonds om onderdak vroeg.
-
-De volgende morgen stegen ze weer vroeg te paard en zoo ging het
-veertien dagen lang. Ze trokken door dalen en over berger, door groene
-bosschen en langs donkere akkers en lichte weiden en kwamen zonder
-ongevallen in 't land Huk aan.
-
-"Ziezoo," zei Karibo, "nu zijn we eindelijk weer in ons eigen lieve
-land."
-
-"Waar we eigenlijk niks te maken hebben"--voegde Abé er aan toe. "Voor
-mijn part waren we daarginds gebleven. Zeg me nu toch eindelijk eens
-waarom we hier naar toe gereisd zijn?"
-
-"Dat mag ik nog niet zeggen. Mettertijd zal je 't wel gewaar
-worden. Maar één ding wil ik je wel vertellen: Pas er voor op dat
-geen mensen er achter komt, wie je eigenlijk ben. Dat is 'n beetje
-gevaarlijk."
-
-"Dat begrijp ik, Karibo. Die neef die nu als keizer hier regeert,
-zou 't wel niet gezellig vinden, als ie wist, dat ik in 't land was."
-
-"Precies. En dus mondje dicht, wat er ook gebeurt. Je ben gewoon Abé,
-de zoon van Karibo."
-
-"Ik zal 't niet verklappen hoor. 'k Ben heel niet van plan uit te
-bazuinen: Hier zie je nou prins Abecé, die eigenlijk keizer van Huk
-moest wezen. Stel je voor Karibo, ik keizer van Huk en jij ... ja
-wat zou ik jou toch wel moeten maken? Raadsheer? We zouen 't geen
-van beiden prettig vinden, denk ik."
-
-"Ik zeker niet, als ik raadsheer moest zijn. Daar deug ik niet voor. Ik
-ben niet geleerd genoeg voor zoo iets. Neen Abé, als je nog eens ooit
-keizer van Huk wordt,--je kan nooit weten--laat mij dan maar blijven
-wat ik ben. Dat bevalt mij heel goed."
-
-"Nou dat zullen we dan maar voor afgesproken houden Karibo," zei Abecé
-lachend, want hij geloofde niet dat er ooit iets van dat keizerschap
-komen zou.
-
-
-
-
-
-
-
-
-EERSTE HOOFDSTUK.
-
- Waarin Karibo op reis gaat naar de hoofdstad van Huk, 'n stad in
- brand vliegt, Abé zonder eten en zonder geld 'n oude dienaar gaat
- opzoeken, blij is dat ie 'n boterham krijgt en 'n vriendelijk
- gastheer vindt.
-
-
-Abé was heelemaal uit z'n gewone doen. Hij vond dat nieuwe leventje
-in z'n eigen vaderland allesbehalve prettig. Die ouwe Karibo mocht
-dan in z'n soort 'n buitengewoon voortreffelijk mensch zijn, maar voor
-dagelijksch gezelschap van 'n jongen die gewoon was met schoolkameraden
-te ravotten, daarvoor deugde hij geen zier. De oude man deed al 't
-mogelijke om er bij z'n jonge meester de moed en de vroolijkheid in
-te houden, doch dat lukte hem maar half. Abé zat soms wel 'n uur lang
-stil naar buiten te kijken en dan dacht ie natuurlijk aan z'n kameraden
-en dan werd z'n gezicht hoe langer hoe treuriger. Dat hinderde Karibo
-geweldig, hij probeerde toch van alles. Hij ging met Abé wandelen of
-paardrijden of zwemmen of hij leerde hem nieuwe kunststukken met de
-wapens, waardoor je gemakkelijk 'n vijand er onder kon krijgen. Abé
-deed gewillig alles wat Karibo voorstelde, doch vroolijker werd de
-jongen er niet door.
-
-'t Zal wel beter worden als we maar eens in de hoofdstad wonen,
-troostte Karibo eindelijk. 't Is hier ook zoo'n stil nest.
-
-'n Stil nest was het. Een van de kleinste stadjes aan de grenzen van
-Huk, waar je bijna nooit iemand op straat zag. 't Leek soms wel of
-er heelemaal geen menschen woonden. 't Gras groeide er tusschen de
-straatsteenen, doch dat was enkel maar op de markt, want in de nauwe
-straatjes hadden ze de keien maar vergeten.
-
-"Wanneer gaan we daar dan heen?" vroeg Abé. "We zitten hier nu al bijna
-'n maand in dat dooie gat."
-
-"Tja ..." zei Karibo ... "ik wou er eigenlijk eerst alleen heen
-... Maar ik zie er tegenop om jou hier te laten. Dan krijg je 't nog
-vervelender. En bovendien durf ik 't ook niet goed aan jou alleen
-achter te laten. Ik moet op je passen. Dat heb ik je vader beloofd."
-
-"Je kan geen twee dingen gelijk doen Karibo," zei Abé. "Naar de
-hoofdstad gaan en op mij passen, als je me niet mee wil nemen, dat
-gaat toch niet. Maar ik kan best op mezelf passen hoor. Ga jij maar
-gerust heen. Hoe lang denk je dat 't duren zal?"
-
-"Nou minstens 'n maand. 't Is 'n verbazend eind naar Pomfriet en
-terug."
-
-"Doe mij dan 'n plezier en ga dadelijk. Ik hou 't hier niet langer
-uit. Ik zal me wel zien te vermaken zoolang. De herbergier en z'n
-vrouw zijn beste menschen. Die zullen wel goed voor me zorgen."
-
-"Goed, dan ga ik morgen vroeg."
-
-Karibo zorgde er voor dat Abé 't in z'n afwezigheid goed zou
-hebben. Hij besprak de zaak met de waard en de waardin en die beloofde
-hem op Abé te zullen passen alsof het hun eigen zoon was. Tamelijk
-gerust vertrok hij dan ook heel in de vroegte naar Pomfriet en nu
-zat Abé heelemaal alleen.
-
-Dat was schrikkelijk vervelend. Die Karibo was toch zoo'n slecht
-gezelschap nog niet. Dat merkte Abé nu hij alleen was en hij verlangde
-de tweede dag al naar de terugkomst van de oude dienaar. Dat zou 'n
-slechte tijd worden om door te komen. Minstens 'n maand en niemendal
-te doen. Iedere dag ging hij maar 'n poosje op z'n groote paard
-rijden. Dat was tenminste nog iets. Maar je kon toch ook de heelen
-dag niet rond blijven rijden. Nee, z'n vaderland leek hem heel geen
-aardig land toe. Hij kon amper de menschen verstaan. Die spraken
-Huksch, natuurlijk, op dezelfde manier als 'n Limburger Hollandsch
-spreekt. 't Was gewoon 'n heel aparte taal, waar je minstens de
-helft niet van begreep. En er gebeurde letterlijk niemendal in 't
-stadje. Totdat er op 'n nacht brand uitbrak.
-
-Toen kwam de heele boel in rep en roer. De menschen wisten wat
-'t beduidde als 't ging branden in hun huizen, die voor 't grootste
-deel van hout waren. Ze trachtten te blusschen met emmers en tonnen,
-want er waren geen brandspuiten, maar 't hielp niemendal deze keer. 't
-Brandde hoe langer hoe harder. De eene straat voor en de andere na
-ging er aan. Iedereen redde van z'n bezittingen wat hij kon. Overal
-vluchtten de menschen met allerlei dingen uit de huizen weg, en toen
-'t al nader begon te branden in de buurt van de herberg waar Karibo en
-Abé hun tenten hadden opgeslagen, maakte de waard en z'n huisgenooten
-dat ze wegkwamen met alles wat ze mee konden sjouwen. Aan Abé dacht
-niemand. Maar die was best in staat voor zich zelf te zorgen. Hij dacht
-'t eerst aan z'n paard. Zadelen kon hij 't als de beste en toen hij
-dat gedaan had, pakte hij z'n boeltje en ook wat Karibo had achter
-gelaten. Maar toen was 't ook hoog tijd, dat ie wegkwam. Twee huizen
-van de herberg af stond overal de straat in lichte laaie ... Abé op
-z'n groote paard ging er als de wind van door. De menschen die hij
-voorbij holde sprongen gillend van angst op zij. Maar daar gaf Abé
-geen steek om. In 'n paar minuten was hij de brandende stad al uit
-en toen hield hij z'n paard in. Hier was hij buiten gevaar. Over
-de donkere stadsmuur heen zag hij de vlammen. De heele stad leek nu
-wel te branden. En door de stadspoort stroomden de menschen haastig
-naar buiten beladen met datgene wat ze uit hun huis hadden kunnen
-redden. Doch ook allerlei slecht volk was er op de been. Die redden
-ook wat ze grijpen en vangen konden maar wat niet van hen was en ze
-maakten van de algemeene verwarring gebruik om er mee weg te komen. Abé
-zag zoo'n paar boeventronies langs hem heen gaan 't veld in. Een van
-hen keek in 't voorbijgaan met begeerige oogen naar Abé's paard. Ten
-minste dat dacht Abé er van. Misschien had die vent wel zin in 't
-paard om gemakkelijker met z'n gestolen buit zich uit te voeten te
-kunnen maken. Maar Abé had nu z'n paard zelf te hard noodig en daarom
-reed hij maar weer op 'n drafje weg, eer de gauwdieven wellicht terug
-kwamen om 't hem af te nemen. Zonder paard wist hij niets aan te
-vangen. Hij wilde naar Pomfriet. In de brandende stad had hij toch
-niets meer te maken. Helpen kon hij ook niet. Hij wist wel welke
-kant hij op moest, doch verder dan de richting wist hij er niemendal
-van. Dadelijk wegrijden leek hem 't beste nog maar. Als 't dag was zou
-hij wel de een of ander tegenkomen, die hij verder de weg vragen kon.
-
-Vlak bij de stad was 't door de hooge vlammen helder als bij dag. Maar
-hoe verder z'n paard langs de velden draafde des te minder licht
-verspreidden de vlammen en na 'n half uur was 't donker om hem
-heen. Alleen als hij 't hoofd omwendde zag hij in de verte de roode
-gloed van de brandende stad. Hij had nog nooit in de duisternis
-gereden, zoo midden in de nacht. Karibo, die 'n voorzichtig man
-was hield er niet van bij nacht te reizen, als 't niet noodig
-was. Fatsoenlijke menschen en dieren gebruikten de nacht om uit te
-rusten. Alleen roovende menschen en roovende dieren waren 's nachts
-op 't pad. Dat kwam Abé nu allemaal in de gedachte nu 't zoo duister
-om hem heen werd. Hij voelde zich toch niet erg op z'n gemak en hij
-verlangde naar 't daglicht. Doch daarop kon hij nog wel 'n goed uur
-wachten, want al was 't voorjaar en de nachten dus niet zoo heel lang
-meer, de zon kwam toch niet voor vier uur op en Abé giste dat 't nu
-zoo wat 'n uur of twee zou kunnen zijn. Nog 'n uur in de donker dus en
-dan zou 't wel beginnen te schemeren. 't Beste was nog maar z'n paard
-'n flink eind te laten draven. Hij hoopte nu maar dat hij de goede
-richting had genomen, maar dat zou hij wel, want de weg waarop hij
-reed was nog al breed en dat zou dus waarschijnlijk wel de weg naar
-Pomfriet zijn. Vooruit dus maar weer.
-
-'t Groote paard draafde alweer gewillig over de mullige weg, 't
-geplomp van de paardehoeven in 't zand was 't eenige geluid in de
-nacht. Abé vond 't erg eenzaam en hij kreeg dan ook 'n prettig gevoel
-toen eindelijk de donkere nachtlucht begon op te klaren. De kleine
-sterretjes verdwenen zoo langzamerhand de een na de ander en toen
-gingen ook de grootere aan 't verbleken. Alleen de heldere morgenster
-stond nog als 'n schitterend lampje in de doorschijnende lucht,
-waar al lichte wolken met rozeroode randen zachtjes voortdreven. De
-vogels waren nu allemaal wakker. De lijsters en zwaluwen waren nummer
-een geweest en de spreeuwen, vinken, boomkruipers, meezen die 'n
-beetje later opstaan, kwamen daarna voor de dag. Telkens hoorde Abé
-'n nieuw geluid. De zon was er nu ook weer. En daar kwam op de weg,
-met 'n schop over de schouder 'n man aan.
-
-Dat was nog 't beste van alles, want aan die man wilde hij vragen of
-hij op de goede weg was naar Pomfriet.
-
-"Pomfriet?" zei de landman toen Abé van z'n paard af de vraag gedaan
-had. "Pomfriet? Pomfriet??"
-
-"Ja Pomfriet.... de hoofdstad van Huk."
-
-"De hoofdstad van Huk?.....Nee.... dat is de weg naar Tannabo...."
-
-"O, dank je wel.... goeie morgen."
-
-Abé reed weer door. Hij was op de rechte weg. Die landman scheen niet
-erg op de hoogte met de aardrijkskunde van Huk. Maar Abé kende de
-kaart uit z'n hoofd. Tannabo lag aan de groote weg naar Pomfriet. Wel
-'n eeuwig eind er van daan ... maar dat hinderde niet. Op z'n stevig
-beest zou hij er wel komen.
-
-Doch zoo'n stevig beest kan je niet veertien dagen aan een stuk
-laten loopen. Zoo'n dier moet op tijd iets versterkends hebben, en 'n
-beetje rust. Nu had 't paard de heele nacht gestapt en gedraafd. 't
-Werd tijd voor 'n opknappertje. En Abé had zelf ook trek in 'n
-brokje. Afstappen dus.
-
-Hij nam 't paard 't bit uit de bek en toen begon 't dadelijk te grazen
-langs de weg. Er was gras genoeg. Zoo'n paard vindt makkelijk z'n
-ontbijt. Met Abé was dat anders. Honger had hij, minstens even erg
-als z'n paard, maar hij had niemendal te eten. In de groote zakken die
-hij achter zich op 't paard aan weerskanten van 't zadel had hangen,
-had hij gezocht en nog eens gezocht. De heele boel had ie overhoop
-gehaald. Er moest wel iets eetbaars in zijn. Waar was 't stuk brood
-gebleven, dat ie voor hij de herberg verliet uit 'n kast gehaald had
-om 't mee te nemen? 't Was nergens te vinden. Hij begon opnieuw in
-de zakken te scharrelen, maar 't gaf niets. Er was geen kruimel brood
-in. Dat was om verdrietig te worden. Want als je honger hebt en je kan
-niets vinden om die te stillen, wordt de trek nog zooveel te grooter.
-
-Maar hij deed nog 'n andere ontdekking die nog wel zoo onaangenaam
-was. Hij vond in de zakken geen halve duit. Geen enkel geldstuk. Karibo
-had alles meegenomen en Abé had in z'n tasch hoogstens 'n paar
-zilverstukken, net genoeg om er 'n dag of wat droog brood van te
-eten. En daar moest hij veertien dagen van leven? Natuurlijk kon hij
-hier en daar wel 'n boterham of 'n hap eten voor niemendal krijgen
-... er was nog gastvrijheid in Huk. Maar dat kon je veel beter
-aannemen als je geld genoeg in je tasch had om er voor te kunnen
-betalen, als 't noodig was. Nu leek 't hem toe, dat hij, prins Abé,
-'n soort bedelaar te paard was geworden. En dat was geen prettig idee.
-
-En had hij nu dat stuk brood maar kunnen vinden. 't Leek hem net
-alsof hij er wel wat op zou kunnen vinden, als hij nu maar vast wat
-te eten gehad had. Hij benijdde z'n paard. Dat beet bij bekken vol 't
-gras af telkens met 'n ruk z'n groote kop bewegend en dan keek 't af
-en toe naar Abé op, die maar met z'n grazende paard meewandelde. De
-jongen keek tusschen de struiken langs de weg of er niets eetbaar
-groeide. Boomen genoeg en wilde aardbeien--maar 't waren allemaal
-nog pas witte bloesems. Daar schoot hij ook al niet hard mee op.
-
-"Kom je zal nou wel genoeg hebben," zei Abé 'n beetje grommig tegen
-z'n beest. Hij deed hem 't bit weer in de bek en steeg weer op. Die
-honger kon hij niet verdragen. Hij moest eten hebben, al zou 't ook
-z'n laatste duit kosten.
-
-"Vooruit witte."
-
-'t Ging weer in draf. Onder 't rijden keek Abé uit of hij geen
-menschenwoning zag. Maar 't land leek wel onbewoond. Na 'n half uur
-kwam hij weer 'n man tegen.
-
-"Goeie morgen" zei Abé z'n paard inhoudend. "Wonen er hier geen
-menschen in de buurt?"
-
-"Als je nog 'n kwartiertje doorrijdt kom je aan mijn huis," antwoordde
-de man. "En als je dan nog 'n half uur goed doordraaft ben je in
-Tannabo."
-
-"Da's dan nog driekwartier," dacht Abé ...
-
-"Ligt jouw woning vlak aan de weg?"
-
-"Nee ... 'n eindje 't land in. Wou je er afstappen?"
-
-"Nee ..." antwoordde Abé. "'k Zal maar doorrijden." "Dank je voor
-de inlichtingen."
-
-"Dag! zei de man, en stapte weg."
-
-'n Eind verder zag Abé 'n blauwe zak op de weg liggen. Die had de
-landman bepaald verloren van de stok, die hij over de schouder droeg
-en waaraan Abé ook 'n aarden kruik had zien bengelen. Daar zat brood
-in. 't Was alsof iemand dat in Abé z'n ooren schreeuwde.
-
-'t Paard inhouden, op de grond springen als 'n kat, vlug de zak
-openmaken, dat was allemaal in 'n wip gebeurd.
-
-Bruin brood met spek ... minstens voor twee dagen genoeg. En de
-dikke snee brood, die Abé er uit genomen had ging haast vanzelf naar
-z'n mond.
-
-Maar dat was die vriendelijke landman z'n middageten en misschien
-moest hij er óók wel 'n paar dagen op teeren ... En dat wou Abé nu
-maar zoo zich toeeigenen?
-
-Abé kreeg er 'n kleur van. Hij deed vlug 't brood in de zak, steeg
-er mee te paard en reed in galop terug.
-
-Toen hij de man in de verte zag begon hij te roepen. De man keek om
-stond stil en terwijl Abé de zak omhoog hield, zag hij hoe de man de
-stok van z'n schouder nam en er naar keek. De man keerde terug.
-
-"Dank je wel heertje ..." zei de man de zak aannemend. "Daar zou ik
-raar mee gezeten hebben. D'r zit eten in voor de heelen dag."
-
-"Lekkere boterhammen," zei Abé. "'k Heb er in gekeken. 'k Had er
-haast in gebeten."
-
-Dat laatste zei hij, zonder nadenken. 't Kwam hem zoo maar uit de
-mond. De man keek er van op.
-
-"Heb je er trek in?" vroeg hij. "Neem er dan maar gerust een van
-hoor. Ik houd toch altijd over. M'n vrouw is altijd bang, dat ik niet
-genoeg zal hebben."
-
-"Mag ik?" vroeg Abé, z'n hand reeds uitstekend naar de zak.
-
-"Gerust hoor. Hier."
-
-De man gaf er zelf 'n paar dikke sneden brood uit en Abé hapte er
-in als 'n uitgehongerde. Z'n oogen glinsterden van genot toen hij
-'t brood proefde.
-
-De man keek hem aldoor maar aan.
-
-"Je schijnt honger te hebben heertje," zei hij.
-
-"Heb ik ook" antwoordde Abé kauwend.
-
-En toen vertelde hij van de brand en van z'n reis naar Pomfriet waar
-hij z'n pleegvader Karibo hoopte te vinden.
-
-"Zoo zoo," zei de man, "is daar zoo'n brand geweest ... De heele stad
-zeg je?"
-
-Abé knikte met 'n volle mond.
-
-"En moet je nou alleen naar Pomfriet? Da's 'n heel eind hoor en de
-weg is lang niet veilig tegenwoordig zeggen ze. Dat was onder keizer
-Napo anders. Die hield er de orde in. Maar deze ..., nou ...."
-
-"Wat is er met deze keizer?" vroeg Abé.
-
-"Och ..., ze zeggen.... dat ie niet deugt. Hij moet nergens om geven
-... Verleden week heeft er 'n reiziger overnacht, die in Pomfriet
-geweest was. Die vertelde dat er veel slecht volk rondzwierf tusschen
-hier en Pomfriet. Niemand durft haast meer zonder sterk geleide
-op weg."
-
-"Dat ziet er slecht genoeg voor me uit.... maar gelukkig is er niet
-veel bij me te halen ..."
-
-Abé zweeg plotseling. Hij dacht aan Karibo, die zooveel goudstukken bij
-zich had in z'n tasch. Als die eens in handen van roovers gevallen was?
-
-"M'n pleegvader had veel geld bij zich ..." zei hij weer.
-
-"En reisde hij alleen?"
-
-Abé knikte.
-
-De landman zette 'n zeer bedenkelijk gezicht en schudde z'n hoofd.
-
-"Dank je wel voor je boterhammen hoor," zei Abé. "'k Zal er een
-bewaren voor vanmiddag."
-
-"Goeie reis," zei de man.
-
-"Goeie reis, dat kan je gemakkelijk zeggen," dacht Abé, maar hij begon
-'n beetje te twijfelen of hij de reis wel tot 'n goed einde zou kunnen
-brengen, als 't tenminste waar was, wat die man gezegd had over al dat
-slechte volk langs de wegen. Wat moest hij alleen daartegen doen? En
-wat had Karibo er tegen kunnen doen? Had die goed en wel Pomfriet
-bereikt? En wat zou ik moeten beginnen, dacht Abé verder, als Karibo
-eens in handen van roovers gevallen was? Wat helpt 't me dan of ik al
-in Pomfriet aankom, waar geen mensch me kent, waar natuurlijk niemand
-'n steek om zoo'n jongen geeft die daar alleen komt aangedwaald met
-geen stuiver op zak, en die niet eens kan vertellen wie hij is?
-
-Maar Abé was er geen jongen naar om zich heel erg benauwd te maken. Dat
-had ie noch van z'n vader noch van Karibo geleerd. Je moet je er maar
-doorheen zien te slaan, als je ooit in moeielijkheden komt, hadden die
-hem voorgehouden. En dat was ie ook nu ook van plan. Hij kon in ieder
-geval trachten Karibo terug te vinden. De reis was eigenlijk nog zoo
-slecht niet begonnen, want hij was toch maar op 'n gemakkelijke en
-eerlijke manier aan 'n stevige boterham gekomen. Hij had nog wel voor
-de heele dag genoeg. Dat was tenminste al iets gewonnen. Hongerlijden
-was toch eigenlijk heel wat erger dan al die roovers. Die kon je nog
-ontkomen--maar de honger, als die je te pakken had, ging ie overal
-met je mee.
-
-"Vooruit dikkerd."
-
-Er schenen toch niet veel menschen te wonen in dat gedeelte van
-'t land Huk. Abé kwam die dag maar zelden iemand tegen. Slecht volk,
-daar bedoelde Abé natuurlijk mee, menschen die je 't aan hun gezicht
-kon zien dat 't roovers of dieven waren, zooals die twee die hij buiten
-de brandende stad gezien had, waren er heelemaal niet bij. Kooplieden
-leken het wel of boeren. En ze hadden hem allemaal eerbiedig gegroet,
-net alsof ze wisten dat hij prins Abecé was, de rechtmatige keizer
-van Huk. Neen, zóó toch niet. Als ze dàt geweten hadden, zouden die
-menschen wel anders gebogen hebben .... Of misschien wel heelemaal
-niet.... want ze hadden hem immers weggejaagd om z'n naam?
-
-Tegen den avond, begon Abé uit te zien naar 'n huis om voor de nacht
-onder dak te komen ... In Tannabo had hij zich maar niet opgehouden. Nu
-de zon onderging voelde Abé z'n moed wel 'n beetje zakken. De heele dag
-had ie zich voorgenomen om als 't niet anders kon, maar onder de bloote
-hemel te slapen. Dat was toch zoo erg niet. Doch nu kwamen er allerlei
-onaangename gedachten in z'n hoofd en of hij 't zich nu bekennen wilde
-of niet, 't leek er toch erg veel op dat ie bang begon te worden. Daar
-was die man met z'n vertelsels over dat slechte volk oorzaak van.
-
-"Flauwerd," zei Abé zachtjes tegen zich zelf. Maar de bangheid werd
-er geen haar minder door.
-
-'t Was nu al bijna heelemaal donker. 't Paard stapte nog maar loom
-over de stoffige weg 'n dikke stofwolk met z'n sloffende pooten omhoog
-warrelend. 't Beest was moe, net als Abé. Toch dacht hij er niet
-aan af te stappen om 't afgematte dier drinken, voedsel en rust te
-geven. Hij wilde net zoolang doorrijden tot hij 'n menschelijke woning
-tegenkwam. Hij keek voortdurend naar beide kanten van de weg uit over
-de velden heen. Hij had nu al minstens 'n uur lang gereden langs niets
-dan korenakkers. Waar zat de man toch aan wie dat toebehoorde? Wellicht
-ver 't veld in, hier of daar achter 't hout zoodat 't huis van de weg
-niet te zien was en dan was hij er misschien al lang voorbij gereden.
-
-'n Eindje voor hem scheen 't korenveld op te houden. Daar zag hij
-donker tegen de goudgroene avondlucht hooge boomen hun dichte kruinen
-afteekenen.
-
-"'n Bosch" dacht Abé schrikkend. "Wie weet hoe groot....."
-
-Dat was 'n vreeselijke teleurstelling. Maar er was niets aan te
-doen. Als er 'n bosch voor je neus staat waar je weg doorheen loopt,
-dan kan je twee dingen doen: omkeeren of doorrijden. 't Een was al
-net zoo erg als 't andere. Nee, nog erger. Want als hij terugkeerde
-bereikte hij niemendal. 't Bosch moest hij door. Doch dat kon hij
-morgen veel beter als 't dag was. Dan moest hij in 's hemelsnaam maar
-bivakeeren onder de bloote hemel. Voor één nacht was 't dan toch ook
-zoo erg niet.
-
-Op eens leefde Abé heelemaal op--net toen hij 't besluit genomen had
-om dan toch maar in 't gras te gaan slapen.--Hij had hondegeblaf
-gehoord. Zouen er daar toch menschen wonen? Hij trok de teugels
-strak, zoodat de witte z'n moede kop weer ophief en reed op 't bosch
-aan. Blijde verrassing! Aan de ingang van het bosch tusschen zwaar hout
-schemerden de grauwe muren van 'n steenen huis, zich spiegelend in 'n
-donkere breede gracht. De brug was opgehaald en de poort gesloten. 't
-Leek half 'n kasteel en half 'n boerenhuis. Abé reed tot vlak voor
-de brug. Er was niemand te zien. Alleen blaften de groote honden met
-hun basstemmen.
-
-"Hallo!" riep Abé zoo hard hij kon en nog eens "Hallo!" Er rammelde
-iets aan de poort en 'n oogenblik later verscheen er door 'n klein
-deurtje gemaakt in de rechter helft van de groote met ijzer beslagen
-poortdeur, 'n groote kerel met 'n hond aan 'n ketting. Hij stapte op
-de valbrug af en met luid ketting-gerammel kwam de brug omlaag. Abé
-reed er over heen en nog voor hij goede avond had kunnen zeggen,
-was de brug alweer achter hem opgehaald.
-
-"Welkom reiziger," zei de groote kerel met 'n bromstem. De poort was nu
-heelemaal open en Abé reed met de man naast zich die 't paard bij de
-teugel genomen had, naar binnen. Door de poort kwamen ze op 'n ruime
-vierkante binnenhof met 'n waterput in 't midden. Er stonden karren,
-emmers en vaten. Open staldeuren, waaruit geluid van dieren kwam en
-stalwalm zag hij tegenover zich. Er kwam 'n jongen uit zoo'n staldeur
-op hen toe en de man zei terwijl Abé vlug van 't paard sprong:
-
-"Hier, breng 't in de stal en verzorg 't beest goed. Wasch z'n bek
-en z'n pooten. 't Is stoffig en moe."
-
-En tot Abé zei de man: "Ga gauw naar binnen. Je lijkt me ook vermoeid
-en ik zie aan je gezicht dat je honger hebt."
-
-Abé voelde zich heerlijk veilig op eens. En met 'n blij hart volgde
-hij z'n vriendelijke gastheer met de brommige stem en de groote hond
-die kwispelstaartend nu en dan omkeek.
-
-
-
-
-
-
-
-
-TWEEDE HOOFDSTUK.
-
- Waarin Abé kennis maakt met de Pirlapans, 'n overwinning behaalt
- en z'n paard kwijt raakt.
-
-
-De man bracht Abé in 'n groot koel en somber vertrek. De wanden waren
-van ruwe steen. Hier en daar hing 'n roestig stuk van 'n wapenrusting
-of 'n oud zwaard. In 'n hoek stonden jachtsperen. Op de rood en blauw
-steenen vloer, net 'n schaakbord, stond 'n ruwe eikenhouten tafel en in
-'n hoek 'n zware kist die tegelijk voor bank dienen kon. Om de tafel
-geschikt waren lange banken, waar 'n heele boel menschen te gelijk
-konden aanzitten. Onder 'n hooge schouw brandde 'n geweldig vuur van
-zware houtknoesten, en nog was 't in die wijde kamer kil ofschoon
-'t die dag nog al warm geweest was op de mullige weg.
-
-De man schoof 'n bank voor de haard en noodigde Abé uit naast hem te
-gaan zitten.
-
-"Ziezoo," zei hij, "terwijl we wachten op ons avondeten, kunnen we
-'n poosje praten. Je ziet er moe uit. Lang gereden?"
-
-"De heele dag en de heele nacht," antwoordde Abé. "Ik ben uit Cobalt
-gevlucht."
-
-"Gevlucht?" vroeg de man ongeloovig. Hij vond zeker dat Abé er niet
-uitzag als iemand die vluchten moest omdat ie wat op z'n geweten had.
-
-"Ja, de stad stond in brand."
-
-"Cobalt in brand?"
-
-"'t Zal wel heelemaal in de asch gelegd zijn. 't Brandde aan alle
-kanten. Toen ben ik er van door gegaan."
-
-"En je familie dan?"
-
-Abé schudde eventjes z'n hoofd, "'k Heb geen familie. M'n pleegvader
-is op reis naar Pomfriet en nu zal ik maar zien dat ik ook daar kom."
-
-"Zoo.... zoo...., wou je alleen naar Pomfriet.... Je durft 'n boel
-jongen."
-
-"Is dat dan zoo gevaarlijk?"
-
-"De weg is lang en er is tegenwoordig veel slecht volk. Struikroovers
-zijn er maar genoeg. Die zullen je zeker niet met rust laten. En wat
-wou je alleen doen tegen zulke schurken?"
-
-"O," zei Abé "ik ben niet bang en ik kan vechten."
-
-Hij legde dapper de hand op 't zwaard, dat ie in z'n gordel droeg.
-
-De gastheer lachte.
-
-"Kijk eens daar tegenover je aan de muur. Daar hangen andere
-ijzers. Die heb ik vroeger gehanteerd toen we met onze goede keizer
-Napo in de strijd gingen. Wat wou je met zoo'n klein ding doen als
-er eens iemand kwam met zoo'n wapen?"
-
-"Niet veel," zei Abé, naar de roestige zwaarden aan de wand kijkend.
-
-"Dat geloof ik ook ... en dus is 't maar beter, dat je niet alleen
-naar Pomfriet reist hè?"
-
-"Maar dan vind ik Karibo niet."
-
-"Heet je pleegvader zoo? ... Karibo ... Karibo ... Waar heb ik die naam
-meer gehoord ... Karibo ... Wacht eens, ik weet 't al ... Keizer Napo
-had 'n dienaar die zoo heette. Een van de twee, die met hem meegegaan
-zijn naar dat vreemde land. 'k Zou wel eens willen weten wat er van
-hen terecht gekomen is. 'n Reiziger vertelde eenige tijd geleden,
-dat de keizer ... ik bedoel de vroegere ... gestorven is. Maar wat
-er van z'n zoon gegroeid was wist ie niet, en van die twee dienaren,
-die hem gevolgd waren in z'n verbanning, ook niet. Maar dat zal je
-weinig kunnen schelen, denk ik ... Je hebt ook genoeg met je zelf te
-doen ... Ik zal je een goede raad geven. Blijf hier. Je pleegvader
-moet toch hier langs komen. We zullen wel naar hem uitkijken. Zooveel
-menschen komen hier bovendien niet voorbij. We zullen hem zeker
-zien. Dat is beter dan zoo alleen naar Pomfriet te reizen hè?"
-
-"'t Is heel vriendelijk van je," zei Abé. "Doch ik reis toch
-morgenvroeg maar liever verder. Ik moet m'n pleegvader zoo gauw
-mogelijk ontmoeten."
-
-"Verbeeld je," dacht hij, "dat Karibo hier komt en die vriendelijke
-gastheer herkent hem! Nee hoor. Dat gaat niet."
-
-"Je moet 't zelf weten m'n jongen. Maar als ik wat over je te zeggen
-had ging je niet, dat wil ik je wel verzekeren. Je hebt zeker geld
-bij je hè? Nou daar loeren die gauwdieven op."
-
-"Dan komen ze van 'n koude kermis thuis," zei Abé lachend, "als ze
-dat denken. Ik heb bijna geen rooie duit. Mijn pleegvader heeft alles
-meegenomen. Tenminste in z'n zadeltasch, die ik nog gauw gered heb,
-vond ik niemendal. En zelf bezit ik ook maar weinig."
-
-"Lieve hemel jongen, dan is 't nog erger. Zonder geld kom je niet
-veel verder. Geloof maar niet, dat er tegenwoordig nog veel menschen
-in Huk zijn, die 'n reiziger voor niemendal te eten zullen geven,
-vooral niet als je dichter bij de hoofdstad komt."
-
-"Kom," zei Abé, "dat geloof ik niet. De eerste avond de beste vind
-ik al 'n gastvrij man. De volgende dagen zal 't wel net eender zijn."
-
-"'t Zal je tegen vallen, denk ik ... Maar doe je eigen zin. En nu
-zullen we gaan eten. Ik hoor de jongens al aankomen. Je hebt zeker
-honger hè?"
-
-"Nou of ik."
-
-"Dan doe je je best maar eens. Doch je zal 't wel niet tegen de vier
-baronnen van Pirlapan uithouden denk ik. Die eten voor acht. Daar
-zijn ze."
-
-Abé keek nieuwsgierig naar de deur. Z'n gastheer had gesproken van
-z'n vier jongens en hij noemde die de vier baronnen van Pirlapan
-... Hij had z'n vader en Karibo samen wel eens hooren spreken over de
-heldendaden van de baron van Pirlapan en z'n vader had erbij gevoegd:
-als Pirlapan in de hoofdstad geweest was, toen 't oproer uitbrak,
-dan had neef geen kans gehad om ooit keizer te worden. Pirlapan zou
-die oproerige Hukkers wel tot rede gebracht hebben. Maar Pirlapan zat
-op z'n kasteel ... En zou dit sombere huis nu 't kasteel zijn van de
-beroemde baron en was die vriendelijke gastheer dat zelf?
-
-De deur ging open. Abé was teleurgesteld. Dat leken eer boeren dan
-baronnen. En er waren er minstens wel twintig. Ze praatten hardop en
-lachten luidkeels en ze liepen met dreunende stappen. Met veel rumoer
-lieten ze zich op de banken vallen.
-
-"Hè, hè," riep er een, "'k ben blij dat ik zit. Is me dat sjouwen
-zoo'n heele dag."
-
-"We hebben vandaag maar dubbel gewerkt," zei 'n ander. "Morgen gaan
-we op de wolvenjacht, vader. Ze hebben weer achter de schapen heen
-gezeten."
-
-"Zoo, dan zullen we hen morgen eens 'n lesje moeten geven. Maar jullie
-hebt geloof ik nog niet eens gemerkt dat we 'n gast hebben. Hij is
-uit Cobalt gevlucht. De stad is verbrand."
-
-"Net goed," zei er een. "Die steden moesten allemaal in brand vliegen."
-
-En nu begonnen ze door elkaar te praten over steden en stedelingen,
-waar ze 't land aan hadden, en geen mensch lette op Abé, die met
-verwondering van de een naar de ander keek. Hij wist nog altijd
-maar niet wie nu eigenlijk de vier baronnen van Pirlapan waren. Maar
-hij veronderstelde dat 't wel de vier jongsten zouden zijn, kerels
-als boomen. Doch die andere mannen gingen met hen om alsof 't hun
-gelijken waren. Alleen voor de oude baron hadden ze eerbied. Als die
-sprak hielden alle anderen plotseling hun mond.
-
-Toen werd er gegeten. 'n Paar kerels, die er niet eens al te zindelijk
-uitzagen, brachten groote aarden schotels binnen met hompen vleesch
-beladen en groote bruine brooden. Ieder sneed zich 'n dikke snede brood
-met 'n mes dat ie in 'n schede bij zich droeg, en die boterhammen
-dienden dan meteen voor bord. Vorken hielden ze er niet op na. Ze
-gebruikten hun vingers. Tafellakens of servetten waren er ook al niet.
-
-Abé zei niet veel. Hij luisterde en hij at. Hij had honger als
-'n paard. Maar vergeleken bij 't overige gezelschap at hij maar
-'n klein beetje.
-
-"Wat heb ik je gezegd, Abé?" vroeg de oude Pirlapan lachend. "Dat is
-nog eens eten hè?"
-
-"O, ik ben nog lang niet klaar vader," zei 'n jonge Pirlapan, terwijl
-hij 'n groote aarden kruik nogal hard op tafel zette, nadat hij
-'n lange slok genomen had. "Dat duurt minstens nog 'n half uur"
-
-Maar de anderen deden voor dezen Pirlapan niet onder. Abé kende
-ze nu zoowat uit elkaar. En de overigen waren dienaren en tegelijk
-strijdknechten van Pirlapan. De gastheer had Abé verteld, dat ze de
-heele dag op 't land gewerkt hadden. Ze waren landbouwers, maar als
-de nood aan de man kwam dappere soldaten.
-
-"Niet waar jongens," zei Pirlapan, "als de keizer ons noodig heeft
-dan gaan we met z'n allen, hè?"
-
-"Of we," riepen ze door elkaar. "Maar niet voor deze keizer hoor. Wij
-strijden alleen voor 'n echte keizer van Huk."
-
-"Dan drink ik op de gezondheid van de toekomstige keizer van Huk,"
-zei de oude Pirlapan plechtig en hij hief 'n zware kruik vol eigen
-gebrouwd bier op. "Als die prins ooit terugkomt kan ie op ons
-rekenen. Dan brengen wij hem naar Pomfriet."
-
-"Hoera!" riepen ze allemaal en maakten 'n geweldig leven met hun
-kruiken en hun messen en hun vuisten en hun voeten.
-
-Prins Abé kreeg er 'n kleur van. Als ze eens wisten dat hij die
-prins was!
-
-"Nou jongens bedaar 'n beetje. Je moet niet vergeten, dat onze gast
-'n stedeling is. Die is dat niet gewoon."
-
-Allen keken Abé aan, die nog sterker kleurde. De jongste baron van
-Pirlapan begon te lachen. Hij was niet veel ouder dan Abé maar hij
-leek sterker.
-
-"O, die stadsmenschen!" ... zei hij, alsof hem zoo'n gast uit de stad
-niet eens de moeite waard was om er zich 'n beetje voor in te houden.
-
-"Pas maar op," riep de oude Pirlapan ... "Onze gast heeft 'n zwaard
-op zij."
-
-Abé was 'n heel goeie jongen, maar dat lachen van die jonge boer maakte
-hem toch kriebelig en hij keek hem allesbehalve vriendelijk aan. En
-die keek ook al of hij groote lust had met Abé te gaan vechten. Maar
-vechten met 'n gast, die aan je vaders gastvrije tafel zit, dat ging
-nu eenmaal niet. 'n Gast was heilig en veilig, zelfs al was hij je
-ergste vijand. Abé wou echter wel eens toonen, dat ie niet zoo'n
-papieren stadsmannetje was en daarom vroeg hij aan zijn gastheer of
-die 't goed vond, dat ze eens, als 't eten afgeloopen was, zouden
-laten zien wie 't beste met de wapens kon omgaan.
-
-"Nou m'n jongen," zei de oude Pirlapan vriendelijk, "daar heb ik
-niets op tegen en m'n jongens en de overige mannen ook niet. We zien
-allemaal graag 'n tweegevecht, al gaat 't dan ook niet in ernst. Maar
-bedenkt je wel--wij Pirlapans zijn niet voor de poes."
-
-"Om de drommel niet!" riepen de vier Pirlapans. En de overige
-aanzittenden gaven hun instemming te kennen door met hun vuisten op
-de tafel te slaan dat de kannen rinkelden, terwijl ze met hun ruwe
-harde stemmen door elkaar riepen dat Pirlapan 't altijd won.
-
-"Dan maar dadelijk," riep de jongste Pirlapan strijdlustig.
-
-"Vooruit maar," schreeuwden de anderen. "Wij zullen onderhand wel
-eten en drinken."
-
-Dat beloofde 'n vroolijke avond te zullen worden. Eten en drinken
-naar hartelust en onderhand zitten kijken naar 'n tweegevecht waarin
-'n Pirlapan 'n jeugdige snoever uit de stad eens eventjes 'n lesje zou
-geven, dat was iets dat niet alle dagen voorkwam in 't sombere huis.
-
-Abé was bedaard opgestaan. "Windt je nooit op, als je de wapens
-hanteert," had z'n vader hem geleerd. En Karibo riep altijd maar:
-"Kalm Abé, kalm jongen. Je klappen komen veel beter aan als je 'n koel
-hoofd houdt." Daaraan dacht hij nu ook. Heel kalm nam hij 't roestige
-zwaard aan dat de oude Pirlapan hem lachend toereikte. Vader Pirlapan
-zou 'n oogje op de strijd houden. Alles moest recht en eerlijk toegaan
-en hij was 'n beetje bang dat z'n onstuimige zoon die arme Abé, die
-misschien wel 'n beetje les gehad had in de wapenhandel maar 't toch
-wel zou afleggen, wat al te ruw zou behandelen. Hij vond Abé 'n veel
-te aardige jongen, zoo bescheiden, maar toch ook zoo moedig, om door
-'n andere jongen, al was 't dan ook 'n Pirlapan, te worden toegetakeld.
-
-De strijd begon. Ze mochten niet met de scherpe kant van de
-zwaarden slaan, de zwaarden waren bot genoeg, maar dàt zou toch
-op ongelukken uitloopen. Bovendien kan je elkaar nog zeer genoeg
-doen met 't plat. Doch dat vond niemand erg. In die tijd waren de
-menschen allesbehalve kleinzeerig en vooral niemand, die Pirlapan
-heette. Abé wachtte z'n tegenstander af--doodkalm. De jonge Pirlapan
-sloeg geweldig toe. Maar als hij nu misschien gehoopt had Abé al
-dadelijk er onder te hebben, moest 't hem wel 'n beetje tegenvallen,
-want Abé weerde al z'n slagen handig af. De jonge Pirlapan kreeg niet
-anders om op te slaan dan Abé's zwaard. De toeschouwers hadden al
-heel gauw het eten er aan gegeven. Ervaren strijders als zij waren,
-zagen ze gauw genoeg dat ze de gast van Pirlapan 'n beetje te min
-geschat hadden. Die jongen kon met 'n zwaard omgaan hoor.--Maar d'r
-onder moest ie. De jonge Pirlapan was sterk als 'n beer, dat wisten
-ze allemaal. Plotseling zagen ze echter iets gebeuren waar ze niet op
-gerekend hadden. Abé die zich tot nu toe enkel maar verdedigd had,
-wist nu wat hij aan z'n tegenstander had en begon op zijn beurt uit
-te vallen. En nu waren de klappen voor Pirlapan.
-
-De toeschouwers keken verbaasd toe. Eerst hadden ze voortdurend
-geroepen: "Pirlapan! Pirlapan!" Dat was de kreet waarmee ze elkaar
-aanriepen op 't slagveld. "Pirlapan!" Doch nu hielden ze hun mond
-want ze zagen 't aankomen dat de jongste Pirlapan 't onderspit zou
-moeten delven. Abé vocht kalm door en z'n onstuimige tegenpartij kreeg
-klop. Had hij eerst nog vele slagen kunnen afweren, nu voelde hij
-telkens 't plat van Abé's zwaard en die scheen maar heel niet vermoeid
-te worden. Hij had 't vreeselijk warm, dat kon je zoo wel zien, maar
-z'n arm bewoog zich nog even fel en zeker. En de jonge Pirlapan gaf
-'t op. De sterke beer kon z'n zwaard niet meer omhoog krijgen.
-
-"Bravo!!" riep de oude baron van Pirlapan. En alle andere riepen:
-"Bravo!"
-
-Alleen de jonge Pirlapan, die op z'n kop gehad had stond verdrietig
-en beschaamd tegen de muur geleund. Maar z'n vader ging naar hem
-toe, lei hem de hand op z'n schouder en zei: "Kom jongen je hebt
-'t eerlijk verloren. Dat is geen schande. We hebben ons allemaal
-in onze gast vergist." Z'n andere hand legde hij op Abé's schouder
-en ging toen voort: "Je bent 'n flinke jongen Abé. Ik wou dat je 'n
-Pirlapan was. Nu stel ik je nog eens voor de keuze: Blijf hier tot
-je pleegvader terugkeert. En komt ie niet terug, wat in deze tijden
-heel niet onmogelijk zou zijn, blijf dan voor goed bij ons. 't Land
-Huk zal nog wel eens behoefte hebben aan mannen, die 't zwaard kunnen
-voeren, als onze wettige keizer terugkeert, ik meen de zoon van keizer
-Napo. Dan trekken alle Pirlapans mee naar de hoofdstad. Denk er nog
-eens over na. En nu gaan we slapen."
-
-Met veel minder drukte dan ze binnen gekomen waren verlieten de
-Pirlapans 't vertrek. Ze wenschten de oude baron allemaal eerbiedig
-goede nacht en ze keken Abé met heel andere oogen aan dan toen ze
-binnenkwamen. Voor deze menschen was alleen iemand die sterk was en
-vechten kon de moeite waard. Op de rest zagen ze met minachting neer.
-
-Abé sliep die nacht in 'n torenkamer, die geen andere vensters had
-dan 'n paar schietgaten in de dikke muur. Maar 't bed was warm en hij
-zelf doodmoe. 'n Nacht en 'n dag te paard met 'n gevecht tegen zoo'n
-stevige Pirlapan tot besluit, daar kon je 't mee doen. Nauwelijks lag
-hij dan ook of hij sliep al. En hij werd niet eer wakker voor er de
-volgende morgen op de deur gebonsd werd.
-
-De jongste Pirlapan had geklopt en stapte nu de kamer in.
-
-"'t Is al vier uur," zeide hij, "en ik heb al twee maal geklopt. Nou
-heb ik geen tijd meer, want ik wou graag mee op de wolvenjacht."
-
-'t Klonk alles 'n beetje grommig, meende Abé en daarom vroeg hij:
-
-"Ben je boos op me?"
-
-"Heelemaal niet. Ik was gisterenavond 'n beetje moe toen we
-begonnen. Ik was al om drie uur op geweest en had de heele dag in
-'t hooiland gewerkt. Daar kwam 't zeker van. Anders had je me er niet
-onder gekregen."
-
-"'k Denk 't ook," zei Abé lachend. "Ik was echter ook lang niet
-frisch. Ik had de heele dag en de vorige nacht gereden ..."
-
-"Hè?"
-
-"Ja ..."
-
-"Dan zou je 't misschien toch gewonnen hebben al was ik niet zoo moe
-geweest ... Ga je mee op de wolvenjacht?"
-
-"Nee ... ik ga zoo gauw mogelijk weer op weg om m'n pleegvader
-te zoeken."
-
-"Da's jammer hoor. Ik had graag gehad dat je maar heelemaal bij ons
-gebleven was."
-
-"Misschien kom ik wel terug. Als ik m'n pleegvader niet vinden kan,
-doe ik 't zeker."
-
-"En als je 'm wel vindt?"
-
-"Dan weet ik 't niet. Dan zal ik wel moeten doen wat die over me
-beschikt hè?"
-
-"Ja, dat zal wel."
-
-Ze gingen nu samen naar beneden, waar de heele familie al lang aan
-'t ontbijt zat. Eten was 'n geweldige bezigheid op Pirlapan. Ze
-hadden geen van allen gauw genoeg. Doch toen ze klaar waren grepen
-ze hun jachtsperen en gingen naar 't binnenplein waar groote honden,
-door knechts vastgehouden, 'n geweldig leven maakten. De Pirlapans en
-de anderen die meegingen, haalden zelf hun paarden uit de stallen en
-'n oogenblik later, nadat ze eerst allen vriendelijk afscheid genomen
-hadden van Abé, reden ze de poort uit. Dof klonk 't hoefgetrappel
-over de valbrug.
-
-"En ga je nu toch heen?" vroeg de oude Pirlapan aan Abé.
-
-"Ja heer," zei deze. "Ik kan niet blijven, hoe graag ik 't ook deed."
-
-"Nu om je de waarheid te zeggen, na wat ik gisterenavond gezien
-heb, ben ik niet meer zoo bang voor je. Je zal je man wel staan als
-'t op vechten aankomt. Maar wees voorzichtig en op je hoede tegen
-iedereen. Sommige menschen vallen iemand niet aan met 't zwaard in
-de vuist. En dat zijn juist de gevaarlijkste."
-
-"Dieven en inbrekers," zei Abé vol minachting.
-
-"Die bedoel ik niet. Er zijn menschen die zich vriendelijk voordoen en
-'t toch niet meenen. Dat zijn de slimste vijanden. Pas voor die op."
-
-"Natuurlijk zal ik dat doen, heer."
-
-"Goede reis dan. Daar komt je paard. En als je ooit hulp noodig hebt,
-kom naar Pirlapan."
-
-"Ik zal 't niet vergeten heer, en dank voor uw gastvrijheid."
-
-Vroolijk ging Abé weer op reis. 't Weer was prachtig en als de zon
-schijnt voel je je van zelf prettig. Vooral wanneer je in de schaduw
-kan blijven en dat kon Abé die morgen zooveel hij wou, want z'n weg
-ging door het woud. Hij was vast overtuigd, dat ie binnenkort Karibo
-wel zou ontmoeten. Hoe dat kwam wist ie zelf niet. 't Was maar zoo'n
-idee. Bovendien hoefde hij die dag althans geen mensch lastig te vallen
-om voedsel en z'n beurs behoefde hij evenmin aan te spreken. De oude
-Pirlapan had hem 'n heele voorraad meegegeven. Zelfs voor 't paard was
-gezorgd. Dat dier droeg 't brood voor z'n baas en haver voor hemzelf,
-'n heele zak vol. Er was geen vroolijker ruiter in Huk dan Abé.
-
-Pirlapan had hem nog eens, toen hij al te paard zat, gewaarschuwd toch
-vooral op z'n hoede te zijn. "Moed kan je te pas komen, maar overmoed
-is altijd verkeerd. Begeef je niet onnoodig in gevaar, mijn jongen."
-
-Dat was hij ook niet van plan. Maar hij vond het nu toch eigenlijk wel
-'n beetje mal, vooral van zoo'n dapper man, zoo'n beroemde Pirlapan,
-om iemand te waarschuwen voor dingen, die iedereen van zelf toch
-wel naliet. Doch dat hij er nog bij gezegd had, vooral op te passen
-voor menschen, die er doodonschuldig uitzagen, dàt was bepaald
-onbegrijpelijk.
-
-De heele dag reed Abé door 't woud en bespeurde niets verdachts. Hij
-ontmoette geen levende ziel, zelfs geen menschen met 'n onschuldig
-gezicht. Dieren zag hij ook zelden en er moest toch wild genoeg in
-'t woud zijn. 'n Enkele maal meende hij wolven te hooren en omdat
-'t reeds tegen de avond liep spoorde hij z'n paard wat aan. In 't
-bosch vond hij 't met zulke beesten er in nu juist niet geschikt om
-er te overnachten. Pirlapan had hem gezegd, dat ie vóór de avond 't
-eind van 't woud bereikt kon hebben, als hij niet te lang deed over
-z'n middagmaal. Dat had hij dan ook maar vlug gedaan. Toen z'n paard
-haver genoeg gegeten had was Abé met z'n dikke boterhammen al lang
-klaar. Vlug was hij weer opgestegen en weggereden, maar om 't paard
-te sparen had hij 't misschien wat al te dikwijls laten stappen. Nu
-wilde hij z'n schade nog gaan inhalen. Als ie 't bosch maar achter
-zich had, kon 't beest weer wat uitblazen.
-
-De zon was nog niet onder toen Abé de rand van 't woud
-bereikte. Vóór hem lag 'n naar beneden hellend land, dat zich heel ver
-uitstrekte. Uren ver kon hij zien. Aan de gezichteinder, waar de zon
-in goudgerande wolken onderging, lag 'n stad, wier torens en daken zich
-donker tegen de gloeiende lucht afteekenden. Abé hield z'n paard in om
-eens goed alles te bekijken en 't beest wat rust te gunnen. Nergens was
-ook maar de geringste nevel te bekennen en ieder ding was duidelijk
-zichtbaar. In die streek zou hij geen moeite hebben om onder dak te
-komen. Overal zag hij woningen. Ook die tweede dag nam 'n goed einde.
-
-Na 'n kwartiertje meende Abé, dat 't weer tijd werd om op te stappen
-en 't paard dacht er zelf blijkbaar ook zoo over. Dit scheen ook blij
-te zijn, dat 't bosch achter de rug was. Misschien had 't beest de
-wolven ook bespeurd en dus was 't geen wonder dat 't vanzelf begon
-te draven langs de helling naar beneden waar de veilige korenvelden
-zich aan weerskanten uitstrekten.
-
-Waar de weg 'n buiging maakte zag Abé plotseling 'n man aan de kant
-van de weg uit 't gras opstaan. 't Moest een bedelaar zijn, want
-hij zag er schunnig uit. De kleeding was erg gehavend en z'n gezicht
-vuil en ongeschoren. Met uitgestrekte hand bleef hij staan. Abé hield
-z'n paard in, en greep naar z'n zadeltasch. Geld wou hij de man niet
-geven, hoe graag hij 't ook gedaan had, dat kon ie niet missen. Maar
-brood had hij nog genoeg. De man strompelde op 't paard af. Och, och,
-wat 'n ongelukkige kreupele was dat. Hij leek wel 'n verlamd been te
-hebben en met moeite hinkte hij op 'n stok vooruit.
-
-"Blijf maar staan," zei Abé. "Ik kom wel bij je."
-
-Hij gaf hem van z'n boterhammen.
-
-"Moet je nog ver?" vroeg Abé.
-
-De man knikte.
-
-"'k Kon haast niet verder," zei hij. "'k Heb de heele dag al geloopen,
-maar 'n gezond mensch zou er nog geen halve dag over doen ..."
-
-"Wil je 'n poosje op m'n paard zitten? Ik wil wel 'n uurtje
-loopen. Misschien komen we dan wel ergens waar je overnachten kan."
-
-De man keek Abé even aan, misschien wat verwonderd. Tenminste dat
-dacht Abé. Zooiets werd hem dan ook zeker niet iedere dag gevraagd.
-
-"Wat graag," zei de kreupele.
-
-"Vooruit dan maar," zei Abé, vlug van 't paard springend. "Wacht ik
-zal je even helpen opstijgen."
-
-Doch dat was niet noodig. De man pakte 't paard bij 'n lok van
-z'n manen, zette tot groote verbazing van Abé z'n lamme voet in de
-stijgbeugel en zat in 'n ommezien in 't zadel. Abé greep naar de
-teugel. Die kreupele deed toch wel 'n beetje raar. Maar 't was te
-laat. De man hief z'n stok op en eer Abé er op verdacht was sloeg de
-bedelaar hem zoo hevig op 't hoofd, dat de goedhartige prins zonder
-'n kik te geven in 't zand van de weg neerstortte.
-
-De struikroover keek niet eens naar de arme jongen om. Met 'n paar
-knuppelslagen en 'n ruk aan de teugel werd 't paard in galop gezet
-en de paardendief verdween in 'n oogenblik uit 't gezicht.
-
-'t Was al bijna nacht toen Abé z'n oogen opende en tot z'n groote
-verwondering zag hij 'n oud uitgedroogd vrouwtje naast zich in
-'t zand van den weg geknield liggen, die z'n hoofd met haar dorre
-beenige hand ondersteunde. Abé had hevige hoofdpijn en hij keek
-'t vrouwtje wezenloos aan.
-
-"Hoe is 't nou met je, m'n jongen? Ik dacht eerst dat je dood
-was. Hoe kom je zoo hier te liggen met zoo'n bebloed hoofd? Waar kom
-je vandaan?"
-
-Abé hoorde de vrouw praten maar hij gaf geen antwoord. Hij begreep
-er niemendal van.
-
-"Kan je opstaan?" vroeg 't vrouwtje weer. "Dan neem ik je mee naar
-mijn huisje. 't Is hier vlakbij."
-
-Abé probeerde 't. Het vrouwtje hielp hem zooveel ze kon. Maar ze leek
-niet erg sterk. Toen Abé weer op de been was, scheen hem op eens weer
-alles in de gedachte te komen.
-
-"M'n paard," zei hij. "Waar is m'n paard." En hij keek hulpeloos
-rond. 't Was om er meêlij mee te krijgen.
-
-"Heb je 'n paard gehad?" vroeg 't vrouwtje vriendelijk. "Is 't op
-hol gegaan?"
-
-"Nee," zei Abé. "Die kerel is er mee weg ..."
-
-"'n Wit paard? 'n Groot wit paard?"
-
-Abé knikte.
-
-"Dan heb ik 't gezien. Ik ben 't tegengekomen. 'n Kerel zat er op
-... Net 'n roover."
-
-"Dat is het," zei Abé al veel fermer. "Waar is hij heen? Ik moet
-'t terug hebben."
-
-"Kom," zei 't vrouwtje. "Ga eerst maar met mij mee. Die vent is al
-lang ver weg. Hij rende zoo hard hij kon. Hij sloeg er aanhoudend
-met z'n stok op."
-
-"Zoo'n gemeene vent," zei Abé. "'t Paard kreeg nooit klappen."
-
-"En heeft ie jou ook zoo toegetakeld?"
-
-"Met z'n stok" zei Abé. "Hè, alles draait voor m'n oogen."
-
-Hij greep 't vrouwtje vast en dat nam hem heel zachtjes mee. Voetje
-voor voetje en zoo bracht ze hem naar haar hutje, waar ze de arme
-jongen heel gauw naar bed bracht.
-
-Dat was wel noodig ook. Die gemeene schurk, voor wie Abé zoo goed
-wou zijn, had hem leelijk geraakt.
-
-
-
-
-
-
-
-
-DERDE HOOFDSTUK.
-
- Waarin Karibo 'n belangrijk persoon wordt, de burgemeester van
- Pomfriet 'n toespraak houdt en Abé 't hoe langer hoe slechter
- krijgt.
-
-
-Karibo had 't er op z'n reis naar Pomfriet beter afgebracht dan
-Abé. Hoe meer hij die stad naderde, des te vroolijker werd z'n gezicht
-en toen hij er op 'n avond net veertien dagen nadat hij Cobalt verlaten
-had aankwam, had hij 't wel willen uitschreeuwen van pleizier. Hij
-glom van genoegen en toen hij de poort wilde doorrijden en 'n paar
-gewapende mannen hem zoo maar pardoes gevangen namen, kwam z'n heele
-gezicht vol rimpels van 't lachen, net alsof hij 't wel 't prettigste
-vond dat hem overkomen kon.
-
-Dat kwam door alles wat hij onderweg had hooren vertellen. Eerst toen
-hij nog ver van de hoofdstad af was, waren 't maar vage geruchten. De
-menschen bij wie hij 's avonds aan de haard zat, als hij voor de nacht
-hun gastvrijheid had ingeroepen, praatten over wat er in Pomfriet
-allemaal gebeurde. De keizer die nu twaalf jaar geregeerd had, had
-'t de Hukkers niet erg naar de zin gemaakt. Hij bestuurde 't land
-dan maar heel slecht. Dat kon keizer Napo, die ze weggejaagd hadden,
-veel beter. En nu was 't zoo erg geworden, dat de Pomfrieters genoeg
-begonnen te krijgen van hun keizer met z'n moeilijke naam en weer
-terug verlangden naar hun goeden keizer Napo. Maar heel zeker wisten
-de menschen 't toch ook niet. Pomfriet was zoo ver weg en je kon toch
-ook niet alles gelooven wat er alzoo gemompeld werd.
-
-Karibo reisde dan maar weer verder de volgende morgen. Met iedere
-dag waren de geruchten stelliger en Karibo's gezicht vroolijker. En
-toen hij nu eindelijk Pomfriet bereikt had en de stad niet maar zoo
-in mocht was z'n plezier volmaakt. Die mannen die hem gevangen namen
-hielden hem voor 'n spion van die gehate keizer, die ze uit Pomfriet
-verjaagd hadden en die nu ergens in de nabijheid in 'n kasteel op 'n
-gelegenheid loerde om z'n hoofdstad weer te veroveren en de Pomfrieters
-betaald te zetten wat ze aan hem misdreven hadden. De goeie man dacht
-er waarschijnlijk niet aan dat Boontje wel eens om z'n loontje komt
-en dat 't hem nu net ging als twaalf jaar geleden z'n oom Napo.
-
-"Waar kom je vandaan en hoe heet je?" vroeg hem iemand die wel wat op
-'n officier leek en naar wie de mannen Karibo gebracht hadden.
-
-"Ik heet Karibo, daar hoef ik geen geheim van te maken, maar waar ik
-vandaan kom, dat vertel ik je liever niet."
-
-"Dat zullen we je wel leeren man," zei de officier, "en als blijkt
-dat je 'n spion ben van Sutrebor dan is 't gauw met je gedaan. We
-maken korte metten met zijn aanhangers. Heeft de gevangene papieren
-bij zich?"
-
-"Hier is z'n zadeltasch," zei een van de mannen. "Daar zal wel wat
-in zitten."
-
-"Geef hier, dan zullen we wel eens zien."
-
-"Wat ik zeggen wil," zei Karibo lachend,--'t leek wel, dat hij
-verbazend veel schik in 't heele geval had--"voor je mijn tasch open
-doet en gaat snuffelen in dingen, waar je geen steek mee te maken hebt,
-wil ik je wel even waarschuwen. 't Is allemaal voor je eigen rekening,
-hoor. Je zal de gevolgen zelf moeten dragen."
-
-"Geen praatjes. Geef op de tasch."
-
-"Je blijft er af," zei Karibo. "Nou weet je 't. Stuur die twee
-kereltjes maar even weg, dan zal ik je vertellen, wat je weten mag,
-maar meer ook niet."
-
-Karibo keek nu heel ernstig en z'n ondervrager scheen te begrijpen,
-dat hij misschien wat anders dan 'n spion van Sutrebor voor zich
-had. Hij zond z'n gewapende mannen weg en zei toen:
-
-"Ik luister. Wat heb je te zeggen."
-
-"Wie gebiedt er hier in de stad?" vroeg Karibo.
-
-"De burgemeester ..."
-
-"Breng me dan bij hem."
-
-"Waarom. Zeg me eerst, wat je bij hem wilt doen. Je kan wel 'n
-sluipmoordenaar zijn of zoo iets."
-
-"Je mannen hebben m'n zwaard afgenomen en m'n mes. Meen je, dat ik
-de burgemeester met m'n pink kan doodsteken? Maar ik wil je wel iets
-zeggen, doch je mag 't aan geen mensen zeggen: Ik kom van keizer Napo."
-
-"Wat zeg je, man?... Belachelijk ... Denk je, dat ik dat maar zoo
-geloof?"
-
-"Ken je 't keizerlijk zegel? Hier is 't."
-
-En uit den tasch nam Karibo 'n pak met rood lint ombonden perkamenten,
-waaraan verscheidene waszegels hingen, die hij de man onder z'n
-neus hield.
-
-"Ik ga zelf met je mee," zei de officier. "De zaak schijnt me
-belangrijk genoeg. Hoe maakt de keizer het?"
-
-"Dat zal je later wel hooren. Laten we nu maar voortmaken. De zaak
-is van 't grootste belang voor Huk en er is haast bij."
-
-Karibo kreeg z'n paard terug, maar niet z'n wapens en omringd van
-gewapenden met de aanvoerder, die hem ondervraagd had, voorop, reden
-ze in galop door de volle straten van Pomfriet. De menschen stoven
-bij 't naderen der wilde ruiters verschrikt uit elkaar en keken dan
-nieuwsgierig de stoet na tot er een riep: "'t Is een gevangene," en
-'n ander: "'n spion." Die 't ergst nieuwsgierig waren, liepen naar
-'t raadhuis en eer er 'n half uur verloopen was stond 't groote plein
-stampvol. Er was 'n geweldige menigte Pomfrieters, die allemaal naar
-'t raadhuis opzagen, doch geen mensch wist, wat er eigenlijk aan de
-hand was. Doch dat er iets gewichtigs moest plaats hebben, begonnen
-ze toch allemaal langzamerhand in te zien. Telkens gingen er boden in
-haast van 't raadhuis en dan zagen de menschen na eenige tijd de bode
-weer terugkomen met een of ander voornaam persoon. Zoo ging 't 'n heele
-tijd, doch toen konden de Pomfrieters 't niet langer uithouden. Ze
-begonnen te schreeuwen en te joelen en eindelijk zonden degenen, die
-vooraan stonden, iemand naar binnen om te vragen, wat er gebeurde. Toen
-verscheen 'n oogenblik later de burgemeester op 'n balkon met Karibo
-naast zich, die wel probeerde 'n plechtig gezicht te zetten, zooals
-de burgemeester had, zonder dat 't hem lukken wou. Telkens begon
-hij weer te lachen. En achter die twee zagen de toeschouwers nog
-'n heele boel plechtige gezichten. Die waren van al de voorname lui,
-die de burgemeester had laten ontbieden door z'n boden.
-
-'t Was plotseling doodstil op de markt. De burgemeester had met z'n
-hand gewenkt, hij wilde wat zeggen. En toen hij 'n speld kon hooren
-vallen begon hij:
-
-"Pomfrieters, hier naast me staat 'n bode van keizer Napoleonidas,
-de rest van z'n naam zeg ik wel eens op 'n andere keer als ik meer
-tijd heb."
-
-"Hoeraaaaaa!!!" brulde de menigte en 't duurde wel vijf minuten eer
-de burgemeester weer stilte had. Karibo lachte met z'n heele gezicht,
-maar hij kreeg het toch weer zoowat in de plooi toen de burgemeester
-vervolgde:
-
-"Jullie hoeft niet zoo te brullen, want de keizer is dood."
-
-Nu werd 't eerst zóó ijselijk doodstil, dat iemand, die z'n oogen
-dicht deed, zou hebben kunnen denken, dat ie heelemaal alleen op de
-wereld was, en daarna kwam er langzaam 'n zwaar gemompel. Toen zei
-de burgemeester weer:
-
-"Maar z'n zoon, prins Abecé leeft ... en is reeds hier in 't land
-... Deze man zal hem gaan halen ... Binnen veertien dagen kan hij
-hier zijn ... en dan hebben we weer een wettige keizer ... Leve onze
-nieuwe keizer Abecé I."
-
-Nu weerklonk er zoo'n vreeselijk hoera, waaraan de burgemeester,
-Karibo en allen, die in 't raadhuis waren, van harte mee deden, dat de
-ruiten er van dreunden. En dat hield minuten lang aan. De menschen op
-de markt begonnen te dansen en te springen hand aan hand en ze riepen:
-"Leve Prins Alphabet!" en dat zongen in 'n wip alle Pomfrieters. 't
-Nieuwtje was gauw van mond tot mond gegaan ... eer 't avond was wisten
-alle menschen in de stad het. Er werden lantaarns opgezocht--en toen
-'t donker was brandden overal, op alle daken en torens en langs alle
-vensters duizenden lichtjes ter eere van prins Alphabet. En dat was
-juist op dezelfde avond, dat die arme jongen half dood op de weg
-lag met 'n oud vrouwtje naast hem, die niet eens sterk genoeg was om
-hem op te beuren en wachten moest tot hij weer bijkwam om hem mee te
-nemen naar haar armoedig hutje.
-
-Karibo was in z'n nopjes. Hij had niet kunnen denken dat Abé al zoo
-gauw keizer van Huk zou worden en nu maakte hij natuurlijk hard voort
-om zoo spoedig mogelijk z'n meester uit dat akelige nest aan de grens
-te gaan halen. 'n Keizer die in 'n herberg logeerde, dat kwam niet te
-pas en de burgemeester en de andere voorname lui in Pomfriet waren
-'t daar volkomen mee eens. Er werd 'n lijfwacht samengesteld uit de
-beste soldaten en 't spreekt vanzelf, dat er ook heel wat anderen
-meegingen. 't Moest zoo prachtig mogelijk worden. De soldaten waren
-er echter bij, omdat de verjaagde keizer Sutrebor nog altijd vlak
-bij was en ook nog te beschikken had over 'n leger. Als die er van
-hoorde, dat prins Alphabet teruggekeerd was in z'n vaderland, dan kon
-'t wel eens gebeuren, dat die rare Sutrebor 'n poging zou doen om
-de wettige keizer te pakken te krijgen. En daar moest niemand iets
-van hebben.--Al hadden ze hem bespot toen ie pas geboren was--nu was
-iedere Hukker in de hoofdstad 'n Alphabetter geworden.
-
-De voornaamste persoon, de man die iedereen naar de oogen zag, was
-opeens Karibo geworden. Hij had prins Alphabet teruggebracht naar
-Huk, en hij was ook de eenige, die hem kende. Zonder Karibo zou
-iederen jongen van twaalf jaar zich wel kunnen uitgeven voor prins
-Alphabet. En Karibo vond 't wàt aardig. Maar hij dacht daarbij toch
-wel heel weinig aan zichzelf. Abé was bij hem nummer een en alles wat
-ie deed geschiedde in 't belang van de zoon van zijn gestorven heer.
-
-Karibo maakte het de burgemeester lastig genoeg. Die man was niet
-gewoon alles met zoo'n geweldige haast te doen. Maar Karibo hield
-niet van treuzelen en daar de burgemeester Karibo ook te vrind wilde
-houden, gaf hij hem z'n zin maar en zoo kwam het dat twee dagen later
-'n prachtige stoet onder 't gejuich van de Pomfrieters, de stad
-verliet om de nieuwe keizer van Huk te gaan halen.
-
-Karibo was de aanvoerder.
-
-'n Pleziertochtje was 't niet. Daarvoor dreef de aanvoerder iedereen
-tot te veel spoed aan. Maar de menschen schikten er zich in. Ze waren
-vol ijver en toewijding. Overal waar de stoet langs kwam liepen de
-menschen uit en van stad tot stad snelde de goede tijding van de
-terugkeer van Prins Alphabet als 'n loopend vuurtje door 't land van
-Huk. En overal werd de stoet met gejuich ontvangen, want de Hukkers
-waren in hun hart toch altijd trouwe onderdanen gebleven van keizer
-Napo.
-
-Moeder Guldratsj, zoo noemde de menschen 't oude vrouwtje bij wie
-Abé met 'n ferme buil op z'n hoofd en tamelijk veel pijn d'r in,
-nu al acht dagen verpleegd werd, alsof ie haar eigen kleinzoon was,
-kwam op 'n goede avond thuis met 't groote nieuws. En ze had zelf
-met d'r eigen oogen de stoet gezien, die als 'n leger met blinkende
-zwaarden, in de zon schitterende lansen en wapperende banieren langs
-haar heen gegaan was op de groote weg. Abé had 't rumoer moeten hooren,
-al lag 't hutje van moeder Guldratsj 'n eind 't land in. Maar Abé
-had niemendal gehoord, omdat ie lekker geslapen had. De goede vrouw
-raakte niet uitgepraat over wat ze gezien en gehoord had, doch Abé
-begreep er niet veel van.
-
-"Wel, jongen," zei moeder Guldratsj 'n beetje ongeduldig. "'t Zijn
-allemaal Pomfrieters en die gaan de nieuwe keizer halen."
-
-"Moeten ze dan nu al weer 'n andere keizer in Huk hebben?"
-
-"Dat weet ik niet ... maar ze zeien 't."
-
-"En wie is die nieuwe?" vroeg Abé, terwijl hij erbij dacht dat de
-eenige die er recht op had het te zijn, hij zelf was. Maar dat kon
-hij moeder Guldratsj niet vertellen, en al deed ie 't dan zou 't
-goede mensch hem toch niet gelooven.
-
-"Wie die nieuwe keizer is? Wel ... hoe noemden ze 'm ook weer ... prins
-Alpaka ... nee dat was 't niet ... è ... kom nou ... ik wist 't toch
-zoo goed ... prins ... e ... Alpevet ... Alpa ... Alphabet ... dat is
-'t. Prins Alphabet."
-
-"Ken ik niet," zei Abé.
-
-"Nou nog mooier ... hoe zou je ook. Wat weten wij gewone menschen
-nou van prinsen af ... En wat gaat 't ons ook eigenlijk aan hè? Je
-ziet er veel beter uit vandaag ... Niet veel pijn meer?"
-
-"Heelemaal niet, moeder Guldratsj. Je hebt me gauw beter gemaakt en
-ik hoop je daarvoor nog eens te beloonen."
-
-"Gekheid jongen ... Ik wil geen belooning. Of je moest me willen
-beloonen door bij me te blijven ..."
-
-"Dat kan niet moeder Guldratsj. Ik moet m'n pleegvader Karibo
-terugvinden."
-
-"Maar jongen ... hoe wil je dat doen zoo heel alleen ... zonder geld
-... zonder paard ... Je komt nooit in Pomfriet. Had ik maar geld,
-dan kreeg je 't met alle liefde ..."
-
-"Ik moet er toch heen. Morgenvroeg ga ik op stap."
-
-"En hoe wil je aan eten komen onderweg?"
-
-"D'r zijn toch nog wel goede menschen in Huk, moeder Guldratsj. Jij
-ben er een van en Pirlapan is er nog een."
-
-"En die vent, die er met je paard vandoor is en je voor je goedheid
-'n klap met 'n knuppel gaf, is er zeker ook een!"
-
-"Nee, die niet ... dat was 'n gemeene vent. Maar geen mensch kan me
-nu nog wat afnemen, want ik bezit niemendal en dus loop ik nu ook
-geen gevaar meer, dat zoo'n schurk me weer 'n tik zal geven."
-
-"En je mooie kleeren dan?"
-
-"Ja, wat kan ik daar nu aan doen? Heb jij andere voor me? Dan trek
-ik die aan. Maar dit mooie pakje zal gauw genoeg versleten zijn als
-ik er mee in weer en wind marcheer en misschien nu en dan onder de
-bloote hemel moet slapen."
-
-"Ik zou je toch misschien wel aan een gewoon pak kleeren kunnen
-helpen. Ik heb nog wat bewaard, dat vroeger van m'n kleinzoon
-was ... Da's lang geleden. Al m'n kinderen zijn al dood en m'n
-kleinkinderen ook. Ik heb ze allemaal overleefd. Wil je 't eens
-aanpassen?"
-
-"Heel graag moeder Guldratsj. En dan bewaar je deze hè, tot ik ze
-bij je terug kom halen."
-
-"Da's goed mijn jongen."
-
-En nu ging Moeder Guldratsj in 'n groote kist op zolder aan 't
-snuffelen en ze kwam terug met 'n bruin, heel ouderwetsch jongenspak,
-zooals de Huksche boeren in die streek nog wel droegen. Abé paste
-het aan en 't zat hem gemakkelijk, want 't was hem 'n beetje wijd.
-
-"'t Gaat best moeder Guldratsj."
-
-"Dat doet me plezier jongen ... keer je eens om ..."
-
-"Wat doe je nou moeder Guldratsj?" vroeg Abé. "Huil je?..."
-
-"Je lijkt ... precies ... op hem ... van achteren."
-
-"O" ...
-
-In dat boerenpakje vertrok Abé de volgende morgen, 'n heel eind
-weggebracht door moeder Guldratsj. Over z'n schouder had hij 'n
-grove zak aan 'n touw met 'n groot bruin brood er in, en in z'n
-hand 'n stevige knuppel. Dat was z'n staf maar tevens z'n wapen. De
-keizerlijke prins was nu zoo arm als 'n kerkrat.
-
-"Goeie reis, m'n jongen," zei moeder Guldratsj. "Al rechtuit maar."
-
-"Dag moeder Guldratsj. Ik kom vast bij je terug hoor."
-
-"Ik hoop het m'n jongen ... Dàg!"
-
-"Dag!!"
-
-Zoo wandelde zijn majesteit de keizer van Huk, want dat was Abé nu
-toch, al wist ie er zelf niemendal van, als 'n gewone boerenjongen
-de weg op naar Pomfriet, terwijl de groote heeren en de prachtige
-lijfwacht van dappere soldaten onder aanvoering van Karibo, precies
-de andere kant op waren.
-
-Hij was lang niet zoo vroolijk gestemd als toen hij nog op z'n groote
-witte paard zat, maar verdrietig was hij toch ook niet. 't Was mooi
-weer en nog lekker koel, want 't was nog heel vroeg. 'n Uur of acht
-loopen dat kon heel best meende Abé. Hij zou natuurlijk onderweg
-nu en dan eens moeten rusten, doch dat moest 'n ruiter evengoed als
-'n voetganger. De reis zou alleen 'n beetje langer duren, doch hij
-hoopte er op dat ie Karibo wel tegen zou komen. Moeder Guldratsj
-had iedere dag goed uitgekeken als ze op 't land werkte. Dan kon ze
-de weg en iedereen die er langs kwam zien. Abé had haar duidelijk
-uitgelegd hoe Karibo en z'n paard er uit zagen. Maar die goede vrouw
-had niets gezien, behalve dan de stoet die de nieuwe keizer tegemoet
-reisde. Karibo moest ie dus tegenkomen. Dat gaf hem moed. Voortdurend
-keek hij uit en bij iedere ruiter die hij in de verte zag aankomen,
-dacht ie, dat zal hij zijn. Hij ontmoette er die dag gelukkig maar
-twee, want die teleurstelling was toch niet prettig. En 't loopen viel
-hem ook niet mee. 't Werd verschrikkelijk warm en zoover hij zien
-kon was er geen boom langs de weg. Dat brood begon ook te wegen. 's
-Morgens had hij 't heel niet gevoeld, maar later op de dag nam hij 't
-telkens op de andere schouder. 't Touw deed hem pijn. Tegen de middag
-vond hij 'n armzalig struikje dat 'n beetje schaduw gaf. Daar kroop
-hij achter. Z'n oogen vielen haast toe van moeheid, maar hij durfde
-niet te gaan slapen uit vrees, dat juist als hij sliep Karibo voorbij
-zou kunnen komen. En die droge stukken brood met 'n slok lauw water
-dat smaakte hem toch eigenlijk ook niet erg. Zijn voeten begonnen hem
-pijn te doen. Z'n gemakkelijke roode schoenen van zacht leer had ie
-bij moeder Guldratsj gelaten. Die pasten niet bij z'n boerenpak en
-inplaats daarvan had hij 'n paar lompe harde leeren dingen aan, die
-'m nog te groot waren ook.
-
-Toen ie misschien 'n paar uur gelegen had, was ie 'n beetje uitgerust,
-doch nu speet het hem, dat ie maar niet was gaan slapen, want er was
-geen levende ziel voorbijgekomen. Hij ging maar weer wandelen en
-was zoo verstandig geweest schoenen en kousen uit te trekken. Dat
-was frisscher en nu had hij geen last van die schoenen aan z'n
-voeten. Doch nu bengelden die dingen naast 't brood op z'n rug. Dat
-was ook niet gemakkelijk. Er was echter niets aan te doen en Abé liet
-ze dus maar bengelen.
-
-Uur na uur stapte hij door tot hij bijna niet meer kon. Huizen waren er
-niet te bekennen in de omtrek en er zat dus niets anders op dan maar
-onder den blooten hemel te overnachten, als 'n landlooper. Gelukkig
-stroomde er 'n beekje door 't korenveld, waarin hij z'n waterkruik
-kon vullen en z'n voeten wasschen. Daarna ging hij in 't gras langs
-de weg liggen. Hij was te moe. Als hij ergens 'n woning gezien had,
-zou hij 't nog geprobeerd hebben, die te bereiken, al was 't 'n uur
-ver geweest. 't Was nog niet donker, maar verder loopen gaf nu toch
-niemendal.
-
-Z'n oogen vielen al gauw toe, maar voor hij insliep bedacht hij toch,
-dat 't misschien maar verstandig geweest was bij moeder Guldratsj
-te blijven. Dan had hij nu lekker in 'n bed geslapen en hij had daar
-beter op Karibo kunnen wachten, dan hier in 't gras langs de weg. Hij
-zou morgen vroeg maar weer terug loopen naar 't oude mensch dat hem
-zoo graag gehouden had.
-
-Toen hij de volgende morgen tegelijk met de leeuweriken ontwaakte,
-de zon was nog niet op, dacht hij er echter heel niet meer aan
-terug te keeren naar moeder Guldratsj. Hij was heelemaal uitgerust
-en hij beet in 't droge brood of 't koek was. Die dag zou hij zeker
-Karibo ontmoeten en moedig stapte hij op z'n bloote voeten maar weer
-verder. En hij wandelde uren ver en 't ging hem net als de vorige
-dag. Hoe hooger de zon aan de hemel steeg des te lager zakte de
-blijheid en de hoop van Abé. Hij werd weer doodmoe en verdrietig. Doch
-een ding trof hij beter. In de namiddag bereikte hij 'n dorp en daar
-wilde hij probeeren voor de nacht een onderkomen te vinden. Hij zou
-maar eens hier of daar aankloppen. En dus stapte hij op 't eerste huis
-'t beste af.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VIERDE HOOFDSTUK.
-
- Waarin Karibo kennis maakt met de Pirlapans, de kleeren van Abé
- teruggevonden worden en moeder Guldratsj iets vreemds overkomt.
-
-
-Karibo reisde met z'n prachtige stoet zoo snel mogelijk, tot groot
-ongenoegen van de deftige Pomfrieters, die hem vergezelden. Dat was
-geen manier van reizen, meenden ze. Je raakte doodop en wat kwam 't er
-nu eigenlijk op aan of je 'n dag eerder of later in dat akelige nest
-aan de grens aankwam om prins Alphabet te vertellen, dat ie keizer
-van Huk geworden was? Zoo'n haast was daar nu toch warempel niet
-bij. Die prins Alphabet was toch nog maar 'n jongen, die kon nog lang
-genoeg keizer zijn en bovendien waren zij toch voorname Pomfrieters,
-de deftigste lui uit 't heele land Huk. Daar mocht die Karibo óók
-wel eens aan denken. Wat verbeeldde zich die Karibo wel! Wat was die
-man eigenlijk? 'n Knecht, 'n bediende, niets meer. Nu ja, hij was een
-van de twee Hukkers, die de keizer in ballingschap gevolgd waren. Dat
-was óók zoo'n kunst niet.
-
-Dat alles bepraatten ze onder elkaar, maar ze waren toch wel zoo
-verstandig 't niet hardop te zeggen als Karibo er bij was.
-
-De Pomfrietsche heeren waren dan ook wàt blij toen ze op 'n avond
-voor 't kasteel Pirlapan aankwamen. Ze hadden al zooveel nachten in
-allerlei dorpjes moeten overnachten, soms ingekwartierd bij 'n boer,
-die nog niet eens 'n fatsoenlijk bed er op nahield. Nu zouden ze 't dan
-eindelijk eens wat beter hebben. De lijfwacht kon wel buiten blijven
-onder de blauwe hemel met Karibo er bij als zij maar bij de heer van
-Pirlapan onder dak kwamen. Die heer zou hen wel lekker onthalen ook.
-
-Toen Karibo omringd door de Pomfrietsche heeren voor de valbrug
-verscheen, kwam de oude Pirlapan met z'n vier jongens, z'n
-strijdmakkers en al z'n knechts naar buiten, en Pirlapan trad 't
-eerst over de brug op Karibo toe om te vragen, wat hij verlangde.
-
-"Wij komen uw gastvrijheid inroepen," antwoordde Karibo, "voor deze
-heeren en voor de lijfwacht des keizers. We zijn op weg om zijn
-majesteit de keizer van Huk af te halen."
-
-"'t Spijt me erg," zei Pirlapan, "maar de volgelingen van keizer
-Sutrebor komen mijn brug niet over. Ik ken maar één echte keizer van
-Huk en die ben ik steeds trouw gebleven."
-
-"Wel man," riep Karibo, "dan konden wij 't niet beter treffen. Sutrebor
-is geen keizer van Huk meer, maar wel de zoon van keizer Napo, prins
-Alphabet. Die gaan we halen!"
-
-"Wat zeg je?" zei Pirlapan ongeloovig ... "Prins Alphabet, is die
-keizer van Huk?"
-
-"Ik zal 't je wel eens vertellen," zei Karibo van z'n paard
-springend. "Maar laten we eerst naar binnen gaan, als je 't goed
-vindt. We hebben de heele dag te paard gezeten om door dat bosch heen
-te komen."
-
-Pirlapan had er nu niets meer op tegen. Karibo en de Pomfrietsche
-heeren gingen naar binnen en de soldaten bleven op 't binnenplein
-of kropen vermoeid in 't hooi bij hun paarden in de stal. 't Was 'n
-gewoel en 'n herrie in en om Pirlapan zooals ze daar in jaren niet
-beleefd hadden.
-
-Pirlapan was 'n gul gastheer nu 't maar niet voor keizer Sutrebor
-was. Eten en drinken kregen al die mannen volop en de paarden even
-goed. Voor hun wettige keizer zouden de Pirlapans alles gegeven hebben
-wat ze bezaten.
-
-Karibo ging aan 't vertellen en Pirlapan luisterde met vreugde naar
-de goede tijding. Maar toen Karibo zei, dat prins Alphabet alleen
-was achter gebleven in Cobalt, zette die oude ijzervreter plotseling
-'n paar groote oogen op alsof hij schrok.
-
-"Heb je in de laatste week nog tijding gekregen van de keizerlijke
-prins?" vroeg hij.
-
-"Welneen," zei Karibo, "hoe zou ik. Maar je vraagt dat met zoo'n
-benauwd gezicht."
-
-"Cobalt is tot de grond toe afgebrand. Er is geen huis meer blijven
-staan ..."
-
-"Hè?"
-
-"Er zijn honderden menschen verbrand."
-
-"Goeie hemel..."
-
-En nu was 't plotseling doodstil in de zaal. Geen mensch gaf 'n
-kik. Tot eindelijk Karibo langzaam opstond en zei:
-
-"Heer van Pirlapan, ik moet direct 'n sterk paard van je hebben. Ik ga
-oogenblikkelijk naar Cobalt. Deze heeren en de lijfwacht kunnen wel
-hier blijven. Ik moet weten wat er van onze prins geworden is. Maar
-vertel me nog één ding: Wanneer is die stad verbrand?"
-
-"Dat is precies anderhalve week geleden. De eerste tijding vernam
-ik van 'n vluchteling, die hier 'n nacht verbleef. 't Was 'n jongen,
-wiens pleegvader naar Pomfriet was en die hem nu ..."
-
-"Bereed ie 'n wit paard?" vroeg Karibo haastig.
-
-Pirlapan knikte. "... 'n Groot wit paard ... Hij was in 'n blauw
-kleed, roode schoenen, en op z'n vierpuntige muts had ie veeren als
-voelsprieten."
-
-"Dat was prins Alphabet!"
-
-Weer was 't doodstil... Karibo ging zitten en iedereen keek vol
-verwachting naar hem. Karibo zat 'n heele poos met de hand onder z'n
-hoofd. Diepe rimpels had ie in z'n voorhoofd. Hij was blij dat Abé
-gered was, maar hoe kwam 't, dat ze hem niet waren tegen gekomen op
-z'n witte paard, wanneer hij reeds den volgenden morgen weer op weg
-gegaan was naar Pomfriet? Verdwaald kon hij niet zijn, want er was
-maar één groote weg naar de hoofdstad. Waar zat die jongen dan? Was
-hem 'n ongeluk overkomen? Karibo kon er geen oplossing voor vinden
-en eindelijk zei hij:
-
-"Als hij op weg was naar Pomfriet, hadden we hem tegen moeten
-komen... we zijn hem niet tegen gekomen... wat moeten we nu
-beginnen?... Als hem maar geen ongeluk overkomen is."
-
-"Dat zou ik niet denken," zei Pirlapan. "Die jongen is niet voor
-de poes. Hij kan zich best verdedigen. Vraag dat maar eens aan m'n
-jongste zoon, die daar zit. Die heeft ondervonden dat de nieuwe keizer
-van Huk--ofschoon we toen niet vermoeden konden dat we zoo'n hooge
-gast onder ons dak hadden--stevige armen heeft en klappen weet uit
-te deelen. Neen, aan 'n ongeluk hoef je zoo gauw niet te denken."
-
-"Maar wat kan er dan met hem gebeurd zijn?"
-
-"Ik denk," zei 'n oude Pomfrietsche raadsheer, "dat ie nog sliep toen
-we hem ergens voorbij reden. We waren iedere morgen al voor dag en
-dauw onder weg."
-
-De oude raadsheer was blij, dat ie eindelijk gelegenheid had Karibo
-eens 'n steek onder water te kunnen geven. Hij had genoeg gemopperd
-over dat vroege opstaan. Maar Karibo keek de Pomfrieter 'n beetje
-nijdig aan toen hij antwoordde.
-
-"Prins Alphabet is geen luiaard. Hij is gewoon aan vroeg opstaan. Neen,
-dàt kan niet."
-
-"Misschien zat ie wel net aan tafel..." zei 'n vette Pomfrieter...
-
-"Dat kan ook niet," riep Pirlapan op zijn beurt kwaad, "Prins
-Alphabet had geen geld genoeg om hier of daar lekker te gaan
-smullen. Pirlapansch zwart brood had ie bij zich. Brood uit mijn oven."
-
-De dikke Pomfrieter zei niets meer. Die oude Pirlapan vond ie 'n
-vervelende eigenwijze boer met z'n zwarte brood. Als hij hem dat
-voorzette, zou ie er wel lekker voor bedanken.
-
-"We hebben geen tijd te verliezen, heeren," zei Pirlapan weer na 'n
-poosje. "Ik heb er eens over gedacht. We moeten zoo gauw mogelijk
-onze prins zien te vinden. Hij kan nu al een heel eind op weg
-zijn naar Pomfriet... Maar hij kan ook wel hier of daar onder weg
-zitten. Je weet nooit wat je overkomen kan onder weg. Je paard kan
-'n ongeluk krijgen ... je kan zelf ziek worden... Je kan door slecht
-volk overvallen worden... Prins Alphabet is wel 'n stevige knaap en
-hij vecht uitstekend--maar ... 't is toch mogelijk dat ie..."
-
-Karibo stond haastig op.
-
-"Je hebt gelijk, heer van Pirlapan. We moeten onmiddellijk terug..."
-
-"Nu dadelijk?" vroegen 'n paar Pomfrieters benauwd.
-
-"Och heeren, blijven jullie gerust hier zoo lang als je wilt,"
-zei Pirlapan. "We kunnen jullie best missen, bij wat we nu doen
-moeten. Kom," ging hij voort tot Karibo, "we zullen 'r geen gras over
-laten groeien."
-
-Karibo en al de Pirlapans gingen de zaal uit met 'n paar
-Pomfrieters. De overigen bleven achter. Die hadden geen trek om midden
-in de nacht weer uit te trekken, wie weet waar naar toe.
-
-Pirlapan had snel 'n plan gemaakt, dat hij nu onder 't loopen aan
-Karibo uitlegde. Onder aanvoering van de Pirlapans zou de heele
-troep soldaten van de lijfwacht er op uit gaan om te zoeken naar de
-prins. Eerst door 't bosch terug allen bij elkaar en dan vervolgens
-zou er bij iedere landweg 'n kleine afdeeling worden uitgezonden om
-te informeeren aan alle huizen of daar de jongen op 't witte paard
-ook voorbij gekomen was.
-
-Karibo keurde dat plan dadelijk goed. Dat moest zeker slagen en 't
-kon niet anders of ze zouden op die manier al heel gauw wat van de
-prins vernemen.
-
-De Pomfrietsche heeren keurden 't plan ook goed, mits zij maar niet
-meehoefden, want ze waren die avontuurlijke en lastige tocht al lang
-zat. Doch de meesten van hen lachten tevens 'n beetje spottend en
-sommigen keken zelfs uit de hoogte op Karibo neer, voor wie ze tot
-nog toe zeer veel onderdanigheid getoond hadden en eerbied, omdat
-ie de pleegvader van hun nieuwe keizer was. Dat kwam wijl ze Karibo
-voor 'n bedrieger begonnen te houden, die 't heele verhaal over de
-aanwezigheid van Prins Alphabet in 't grensstadje verzonnen had. Toen
-'n paar er op wezen, dat 't dan toch wel heel toevallig zou zijn
-geweest, dat die jongen die bij Pirlapan 'n nacht geslapen had,
-juist ook 'n wit paard bereed, zeiden de overigen dat 't best kon
-zijn dat de Pirlapans en die Karibo onder één deken lagen en dat
-'t heele plannetje door hen samen was opgemaakt.
-
-Toen zwegen de anderen, want 't kon best waar zijn. Iedereen in Huk
-wist dat de Pirlapans 'n hekel hadden aan keizer Sutrebor en nu wilde
-die ouwe vechtbaron Pirlapan zich misschien zelf van de regeering
-meester maken.
-
-Ze lieten dus Karibo, de Pirlapans en de heele lijfwacht vertrekken
-en ze besloten op hun eigen houtje maar weer stilletjes naar Pomfriet
-terug te reizen op hun dooie gemak.
-
-De oude Pirlapan wachtte niet tot de volgende morgen en Karibo gaf
-hem groot gelijk. De soldaten van de lijfwacht hadden er evenwel
-weinig zin in; ze wilden niet uit 't hooi komen, want ze hadden te
-veel slaap. Maar Pirlapan zette zoo'n vreeselijke bulderstem op, dat
-de een na de ander voor de dag kwam, soms wel vijf of zes te gelijk,
-en na 'n uur waren ze allemaal tot vertrekken gereed.
-
-En nu ging het in draf weer 't bosch door, de heele nacht. De wolven
-liepen van angst naar alle kanten weg, ofschoon de reuk van al die
-paarden hen verlokkend in hun wolvenneuzen kittelde. Bij 't aanbreken
-van de dag stond de heele troep aan de ingang van 't woud, waar Abé
-eenigen tijd geleden ook gestaan had. De soldaten mochten 'n poosje in
-'t gras gaan liggen, als ze hun paarden verzorgd hadden. Dieren en
-menschen hadden allemaal rust en voedsel noodig. Pirlapan en Karibo
-hielden samen onderhand krijgsraad. Pirlapan stelde voor de heele troep
-te verdeelen in kleine patrouilles, ieder met 'n Pirlapan of een van
-Pirlapans vertrouwde strijdmakkers aan 't hoofd. Die zouden door alle
-zijwegen kunnen naspeuren en aan alle woningen vragen of men daar
-ook iets gehoord of gezien had van de jongen met de voelsprieten en
-'t witte paard.
-
-Karibo keurde dat plan goed en Pirlapan begon maar dadelijk de
-mannetjes in te deelen. Zoo kreeg hij twintig patrouilles van vijf man
-onder aanvoering van hemzelf, z'n zoons en z'n eigen mannen. Karibo
-zou bij de oude Pirlapan blijven.
-
-Na 'n uur gingen de troepen op weg. Eerst bleven ze bij elkaar, maar
-bij de eerste zijweg scheidde zich een patrouille af. Ze zouden 'n
-uur ver de weg volgen, overal navragen en dan terugkeeren--behalve
-natuurlijk als 't bleek dat de prins die weg genomen had. In dat
-geval zou de patrouille nog verder gaan, maar één man terug zenden
-om bericht te geven aan Karibo of Pirlapan.
-
-Deze eerste troep bereikte na 'n kwartier reeds het huisje van moeder
-Guldratsj, maar 't oude vrouwtje was niet thuis. De mannen loerden
-naar binnen toen ze op hun herhaald kloppen geen gehoor kregen en toen
-zag een van de Pirlapans de muts met de voelsprieten op 'n bank liggen.
-
-"Hoera!!" schreeuwde hij. "We hebben hem al. Z'n muts ligt daar
-op de bank." De heele patrouille verdrong zich voor 't kleine
-venstertje om ook iets van de muts met de voelsprieten te zien. En
-nu wees de jonge Pirlapan een van de mannen aan om zoo hard als 'n
-paard rennen kon de blijde tijding aan Karibo en z'n vader te gaan
-brengen. Misschien was de heele troep nog bij elkaar. Ze konden dan
-met z'n allen terugkeeren. De ruiter sprong in de zadel en reed snel
-weg. Z'n paard liep zóó hard, dat binnen 't half uur de hoofdtroep
-reeds ingehaald was. Paard en man waren buiten adem. De man kon
-echter nog heel goed z'n boodschap--'n blijde boodschap meende
-Karibo--overbrengen en onmiddellijk gaf de oude Pirlapan bevel terug
-te keeren. De boodschapper mocht achterblijven om uit te rusten met
-z'n paard, maar ook om de tweede patrouille, die 'n andere zijweg was
-ingeslagen bij haar terugkeer te kunnen meedeelen dat ze terug konden
-gaan naar de hoofdtroep. Snel reden de mannen want Karibo was verbazend
-ongeduldig. Hij dacht z'n jonge meester te zullen aantreffen. Toen
-ze evenwel 't huisje bereikten zagen ze de achtergebleven mannen van
-de patrouille in 't gras liggen. Ze bewaakten 't huisje. Er kon geen
-muis in of uit.
-
-"Wel," vroeg Karibo, die ook door 't venstertje geloerd had en de
-muts dadelijk had herkend. "Heb jullie nog geen mensch gezien?"
-
-"Niemand," antwoordde de jonge Pirlapan.
-
-"Dan moeten we de deur maar eens open zien te krijgen," meende z'n
-vader. "Dat zal wel niet moeielijk zijn. 't Mag eigenlijk wel niet
-maar daar moeten we ons nu maar eens niet aan storen. Wat denk jij
-er van Karibo.
-
-"Wel ja," zei deze. "Ik zal 't zelf wel eens probeeren."
-
-Hij duwde tegen de deur eerst zachtjes en toen wat harder, maar
-'t ging niet.
-
-"Dat kan ik veel beter," zei toen de oude Pirlapan. "Ga eens op
-zij. Je doet net of die deur schreeuwen zal. Op zij."
-
-De deur vloog open. Pirlapan had er 'n trap tegen gegeven.
-
-Karibo en hij gingen 't huisje binnen. De overigen verdrongen zich voor
-de deur en voor 't venster. Pirlapan joeg hen gauw weg. Ze maakten
-'t in 't huisje pikkedonker. Nu zagen ze de muts, maar tot Karibo's
-groote ontsteltenis ook de overige kleeren van Abé. Z'n roode schoenen
-stonden onder de bank. En binnen in de muts zag Karibo 'n bloedvlek.
-
-De oude man werd doodsbleek. En Pirlapan die de muts nu ook
-nauwkeuriger bekeek zei wat benauwd:
-
-"Ik ben bang dat er iets met de prins gebeurd is Karibo ... En ik
-vrees niet veel goeds."
-
-"O ... o ..." zuchtte Karibo, "had ik hem toch maar niet alleen
-achtergelaten. Arme jongen."
-
-En Pirlapan zei:
-
-"Ik heb net zooveel schuld als jij man. Ik had hem niet alleen moeten
-laten vertrekken."
-
-"Da's niet waar Pirlapan. Jij hoefde niet op hem te passen en je wist
-ook niet dat 't prins Alphabet was."
-
-"Prins of niet," bromde Pirlapan, "ik had die aardige ferme jongen
-moeten beletten alleen verder te reizen." "'t Is mijn schuld nog meer
-dan de jouwe. Maar ik dacht ... och wat komt 't er ook op aan wat
-ik dacht. Ik vergeef 't mezelf nooit ... en als ie dood is, heb ik
-'t op m'n geweten."
-
-Karibo schudde 't hoofd.
-
-"Mijn schuld is het ..."
-
-Ze zwegen allebei en de mannen buiten, die weer door 't venstertje
-loerden fluisterden met elkaar, want ze zagen wel aan Pirlapan en
-Karibo dat de zaak niet in orde was. En ze letten er geen van allen
-op dat 'n oud vrouwtje op d'r stok geleund langs de weg kwam aanloopen
-zoo snel ze kon. 't Was moeder Guldratsj, die al de mannen en paarden
-bij haar huisje ziende, zoo gauw mogelijk voortmaakte om te weten
-wat er aan de hand was.
-
-"Wel, wel," riep ze met d'r oude stemmetje, "wat 'n menschen voor
-moeder Guldratsj hutje ... Heere ... me deur open. Op zij ... op zij
-... wat hebben jullie in mijn huisje noodig?"
-
-De soldaten keken verwonderd op, ze hadden haar niet gehoord vóór ze
-vlak bij was. Maar ze lieten haar gewillig door.
-
-Moeder Guldratsj ging gauw naar binnen, maar bleef in de deur
-staan toen ze die twee mannen zag, die Abé's kleeren stonden te
-bekijken. Karibo had zich net gebukt om de roode schoenen op te
-nemen. Die hield ie nu in de hand. Moeder Guldratsj stond met de mond
-open van verwondering en 'n beetje van schrik.
-
-De oude Pirlapan merkte haar 't eerst op.
-
-"Ha," riep hij, "daar is iemand."
-
-Nu keek Karibo ook op en zag 't oude vrouwtje scherp aan en dadelijk
-vroeg hij:
-
-"Hoe komen die kleeren hier?"
-
-"Och, och ..." zei 't vrouwtje alleen maar. Ze begreep dat daar
-misschien Abé's pleegvader stond, waarvan hij verteld had ... maar
-ze had ook de soldaten daar buiten herkend als diegenen die ze 'n
-paar dagen vroeger voorbij had zien gaan over de groote weg, die 'n
-prins gingen afhalen en dat alles bij elkaar maakte haar verward. Ze
-kon er geen touw aan vastknoopen.
-
-"Spreek, ouwe heks!" brulde Pirlapan, die gauw woedend was, en daar
-schrok 't oude menschje zoo hevig van, dat ze zich aan de deurpost
-moest vasthouden. Was me dat ook 'n stem en zoo heel onverwacht!
-
-"Kom moedertje," zei Karibo veel zachter, want hij kreeg plotseling,
-hij wist zelf niet waarom, meelijden met 't verschrikte vrouwtje,
-"zeg nu maar gauw hoe jij aan die kleeren komt."
-
-"Och heer ..." antwoordde moeder Guldratsj ... "die zijn van 'n
-jongetje, dat ik verpleegd heb ... Hij is nou weg om z'n pleegvader
-op te zoeken ... heelemaal naar Pomfriet."
-
-"Praatjes," bulderde Pirlapan opnieuw. "Hoe kan hij nou zonder kleeren
-naar Pomfriet op weg zijn. Je liegt, wijf."
-
-Moeder Guldratsj was wel oud, maar bij de pinken. Ze had nu ze 'n
-beetje over de eerste schrik heen was niet zoo'n groote vrees meer voor
-de bromstem van Pirlapan en ze zei kalm hoewel nog een beetje beverig:
-
-"Ik spreek de waarheid heer. Abé vond ik op de weg met 'n wond in
-z'n hoofd. 'n Gauwdief had hem met 'n stok geslagen en z'n paard
-geroofd. Toen heb ik de arme jongen mee genomen naar mijn huisje en
-daar is hij gebleven tot hij beter was. Toen kon ik hem niet meer
-houden. Hij wilde met alle geweld naar z'n pleegvader toe."
-
-"Die pleegvader ben ik," zei Karibo. "Ik begrijp het al," ging hij
-voort tot Pirlapan. "Toen ik met die Pomfrieters hier in de buurt
-voorbij reed, was hij hier. Maar vertel me eens vrouwtje, hoe komt
-'t dat ie z'n eigen kleeren niet aangehouden heeft?"
-
-"Och heer, de arme jongen had geen cent ... en nu dacht ik dat ie
-in minder voorname kleeren misschien makkelijker Pomfriet zou kunnen
-bereiken ... Hij heeft kleeren aan van mijn kleinzoon."
-
-"'t Is wat moois," bromde Pirlapan, "de keizer van Huk in 'n
-boerenpakje als 'n bedelaar op weg naar zijn eigen hoofdstad zonder
-'n cent ..."
-
-Moeder Guldratsj zette groote oogen op, toen ze dat hoorde. Abé keizer
-van Huk! Hoe kon dat nou ...
-
-"Keizer van Huk!" prevelde ze. "En wist ie dat dan zelf niet?"
-
-"Nee ... ja ..." zei Karibo ... "Hoe bedoel je dat eigenlijk?"
-
-"Wel," zei moeder Guldratsj, "toen ik hem vertelde, dat er 'n groote
-stoet onderweg was om de nieuwe keizer van Huk te gaan halen, ... prins
-Alpa ... Alpi ... ik kan die naam maar niet onthouden."
-
-"Prins Alphabet, moeder," zei Karibo.
-
-"Precies ... nou toen zei de jongen heelemaal niet, dat hij dat was."
-
-"Dat kon ie ook niet, want hij weet niet, dat ze hem hier prins
-Alphabet noemen."
-
-Moeder Guldratsj begreep er niet veel van--en Pirlapan zei alleen maar:
-
-"Zoo, weet ie dat niet! Hoe lang is de prins al hier van daan?"
-
-"Twee dagen geleden heer ..."
-
-"Wat denk je Pirlapan," zei Karibo, "zouden we maar niet dadelijk
-opbreken? We hoeven nu maar langs de groote weg naar Pomfriet te
-zoeken. En wij moeten hem inhalen ... Wij zijn te paard en hij te
-voet ... Moedertje hoe zien die kleeren er uit die hij aanheeft?"
-
-"Bruin, heer. Zooals de boeren hier veel dragen."
-
-"Laten dan je mannen maar opstijgen Pirlapan," zei Karibo. "Ik hoop
-dat we hem vandaag nog vinden."
-
-"Ik ook," zei Pirlapan.
-
-Hij gaf bevel te paard te stijgen aan de soldaten, maar voor ze weg
-reden, sprak hij zacht 'n paar woorden met 'n paar van z'n eigen
-mannen. Die twee reden niet mee.
-
-"Wat doe je Pirlapan?" vroeg Karibo, toen hij dat zag.
-
-"Och," antwoordde die. "'t Is mogelijk dat die oude heks alles
-gelogen heeft. Ze kon best diefjesmaat zijn met die kerel die hem
-z'n paard ontstal... Nou laat ik haar maar zoolang opbergen in mijn
-kasteel. Vinden we prins Alphabet niet ... dan heb ik tenminste háár
-in m'n vingers en dan zal ze 'n beetje beter de waarheid moeten zeggen
-of ik heet niet Pirlapan."
-
-Hij zei dat allemaal grimmig en Karibo begreep, dat tegenspreken niet
-veel zou helpen. Hij geloofde 't verhaal van 't oude vrouwtje wel,
-maar ... 't zou toch kunnen zijn dat Pirlapan gelijk had.
-
-Snel reden ze. En iedereen, die ze tegen kwamen werd scherp
-ondervraagd. Maar zonder resultaat. De een had niets gezien en 'n
-ander twee boerenjongens tegelijk, 'n derde had er een op 't land
-zien werken en 'n vierde was er een op 'n paard tegengekomen. Maar als
-Karibo dan vroeg of degene die ze gezien hadden lang zwart haar had,
-schudden ze 't hoofd. 'n Jongen met lang zwart haar waren ze geen
-van allen tegen gekomen.
-
-En dan zei Pirlapan nijdig: "Dat dacht ik wel."
-
-Moeder Guldratsj had d'r huisje gesloten. Karibo had de kleeren van Abé
-meegenomen en nu had moeder Guldratsj niets meer van hem. Dat speet
-haar erg, want ze was heel veel van Abé gaan houden. Dat die jongen
-'n prins was en keizer van Huk deed daar niets aan af. Ze hoopte nu
-maar, dat z'n pleegvader hem spoedig mocht aantreffen en óók hoopte
-ze er op, dat Abé als hij dan toch keizer van Huk moest zijn, haar
-niet heelemaal zou vergeten. Hij had haar beloofd terug te zullen
-komen. Zou hij dat wel kunnen als hij keizer was? Natuurlijk wel, dacht
-moeder Guldratsj, 'n keizer kan alles. Maar hij zou er misschien geen
-tijd voor hebben. Wat zou me dat 'n eer zijn als er eens 'n keizer
-in haar huisje kwam ... en dan nog wel een, die zij van de weg had
-opgeraapt, die zij verbonden had, die in haar bed had geslapen en die
-'n groot brood, 'n groot zwaar zwart brood van haar had meegenomen in
-'n blauwe katoenen zak ... en die, dat was 't aardigste van alles, de
-kleeren van haar kleinzoon droeg, net of zijzelf z'n grootmoeder was!
-
-Dit alles ging haar door 't hoofd ... maar ze werd gestoord in
-die vreemdsoortige gedachten, doordat er weer op haar deur geklopt
-werd. Toen ze opendeed, zag ze weer twee van die snorrebaarden te
-paard. Wat zouden die nu weer moeten. Zeker nog wat vergeten. Ze
-keek gauw rond of er ook wat van prins Alpa... hoe heette die nou
-toch ook weer?--was blijven liggen. Maar ze hoefde niet lang te kijken.
-
-"Moedertje," zei de ruiter niet onvriendelijk, "je moet 'n eindje met
-me meerijden. M'n kameraad zal je wel eventjes optillen. Je weegt
-toch haast niks. Je mag voor me op 't zadel zitten. Dan kan ik je
-goed vasthouden!"
-
-"Wat??" riep moeder Guldratsj en toen bleef de bijna tandelooze mond
-wijd open staan.
-
-"Sluit maar gauw je deur," zei de ander, die al van z'n paard af
-was. "Je mag 'n poosje op Pirlapan logeeren. Deftig hè?"
-
-"Op Pirlapan!! Nee hoor ... ik ga niet mee ... voor geen goud."
-
-"Tja--je zal 't voor niks moeten doen," lachte de man. "Baron van
-Pirlapan heeft het bevolen ... en dan hebben jij en ik niks in te
-brengen hè? Wat de heeren wijzen, moeten wij prijzen."
-
-"Maar waarom ..."
-
-"Dat weet ik ook niet. Kom oudje ... maak nou wat voort. 't Moet
-toch gebeuren."
-
-Bevend haalde moeder Guldratsj de sleutel voor de dag en de soldaat
-hielp haar goedhartig de deur sluiten. Ze kon 't zelf niet. Dikke
-tranen liepen over d'r gerimpelde wangen. Ze kon 't sleutelgat niet
-eens meer zien door al die waterlanders. Had ze dat nou aan die goeie
-jongen verdiend?
-
-De soldaat tilde 't huilende vrouwtje gewoon op, net of 't een klein
-kind was. "Hup," zei hij, en z'n kameraad had haar al in z'n armen.
-
-"Zie zoo," zei die, "nou zit je net zoo veilig als op je stoel,
-moedertje. Als ik van m'n paard val, val jij ook. Maar dat zou de
-eerste keer van m'n leven zijn."
-
-En weg reden ze naar Pirlapan.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VIJFDE HOOFDSTUK.
-
- Waarin Abé met roovers in aanraking komt en zich fijn in 't
- pak steekt.
-
-
-Abé ondervond voor de derde maal dat er nog goede menschen in Huk
-waren. De boerenmenschen waar hij aanklopte, ontvingen hem met open
-armen. Hij zat mee aan tafel en at van het eenvoudige voedsel en toen
-de maaltijd was afgeloopen, wees de vrouw hem 'n slaapplaats in de
-stal. Ze had niet anders. Maar ook dat slaapplaatsje in 't hooi was
-Abé meer dan welkom. Hij was nu tenminste weer onder dak.
-
-De volgenden morgen moest ie vroeg opstaan. Hij kon dan 'n heel eind
-meerijden, want de boer moest met 'n stuk of wat paarden naar de
-markt in 'n stad in de buurt. Voor dag en dauw ging de boer al met
-'n paar knechts op 't pad. En Abé had er niets op tegen zoo heel in
-de vroegte weer op reis te gaan. Hoe gauwer in Pomfriet hoe beter.
-
-De boerenmenschen had ie maar niet eens verteld, dat ie zelf 'n paard
-bezeten had. Waarschijnlijk hadden ze 't toch niet kunnen gelooven,
-dacht ie, dat zoo'n eenvoudige arme jongen in zoo'n ouderwetsch
-boerenpakje, te paard met geld in de tasch en goed gekleed uit Cobalt
-was vertrokken. Ze hadden hem misschien dan wel voor 'n bedrieger
-aangezien. Hij zei dus alleen maar dat ie op weg was om z'n pleegvader
-op te zoeken en dat ie hoopte hem onderweg tegen te komen. Natuurlijk
-hadden die menschen de mond vol van de heeren uit Pomfriet en de
-lijfwacht, die de nieuwe keizer van Huk gingen afhalen. Hij hoorde hier
-ook weer spreken over die prins Alphabet, waar hij nooit van gehoord
-had en 't kwam maar heelemaal niet in hem op dat ie 't zelf was.
-
-De boerin had hem gevraagd waarom hij z'n haar zoo lang droeg, en
-Abé had snel bedacht haar wijs te maken dat 't zoo 't gebruik was
-in 't vreemde land waar hij met z'n pleegvader vandaan kwam. Maar
-de boer maakte dat antwoord onnoodig door lachend te zeggen,
-dat 't waarschijnlijk kwam omdat Abé geen geld had om 't te laten
-knippen. Daarom lachten ze allemaal en Abé lachte maar mee. De boer had
-met 'n grapje er onwetend voor gezorgd, dat Abé geen noodleugentje
-hoefde te vertellen, en dat vond hij heel prettig, want ook aan
-leugentjes om bestwil had ie 't land.
-
-De volgenden morgen werd ie nog vóór 't licht was gewekt. Er werd goed
-gegeten en toen stegen ze te paard. Abé zat op een van de dieren, die
-verkocht moesten worden en de knechts hadden nu juist niet de makste
-voor hem uitgezocht. Ze wilden eer ze heengingen, nog 'n pretje met
-hem hebben en meenden dat ie wel gauw zandruiter zou zijn. De boer
-stond er lachend bij. Die hield ook wel van zoo'n aardigheidje. Doch
-toen Abé op de gladde rug van 't paard zat, riep de boer al heel gauw:
-"Zeg eens baasje, jij hebt meer op 'n paard gezeten hoor!" en toen
-tot z'n knechts: "Dat valt jullie niet mee jongens."
-
-Abé zag bij 't licht van de lantaarns, dat de boer en z'n twee knechts
-allemaal gewapend waren en hij vroeg waarom ze dat deden.
-
-"Wel," zei de boer, "zóó veilig is 't nou tegenwoordig bij de weg
-niet. D'r zijn lui genoeg, die je wel van je paarden willen afhelpen,
-zonder er voor te betalen."
-
-Nu speet 't Abé, dat ie z'n zwaard bij moeder Guldratsj had achter
-gelaten. Hij bezat niets anders dan 'n kort mes, goed om er boterhammen
-mee te snijden, maar minder geschikt om er z'n gastheer mee bij te
-springen, als er eens wat gebeurde.
-
-"Wees maar voorzichtig hoor," riep de vrouw hen nog achterna toen
-ze wegreden.
-
-De knechts hadden de vier paarden, die naar de markt moesten achter
-elkaar gebonden, kop aan staart, en Abé zat op 't laatste. De boer
-reed naast hem. De twee knechts reden vooraan. Een van hen had 't
-voorste der vier paarden aan de halster. Zoolang ze op de open weg
-waren, praatte de boer onbezorgd met Abé, doch toen ze na 'n uurtje
-'n bosch bereikten waar ze langs moesten, werd de boer stil en keek
-voortdurend scherp om zich heen.
-
-"Oppassen jongens," riep hij af en toe, en tot Abé zei hij: "In dat
-bosch is 't niet pluis tegenwoordig."
-
-"Roovers?" vroeg Abé.
-
-"Gespuis," zei de boer, "paardendieven van de bovenste plank. Ze
-stelen als raven."
-
-"Ze zullen je toch niet aanvallen, als ze zien, dat je goed gewapend
-ben hè?"
-
-"Daar geven ze niemendal om, want ze hebben zelf ook wapens en bang
-zijn ze niet."
-
-"Maar zijn er dan geen veldwachters in Huk, geen gendarmen, geen
-soldaten? Die moesten toch zorgen, dat die kerels gevangen genomen
-werden?
-
-"Dat moesten ze ook. Doch 't is tegenwoordig zoo'n rare boel in Huk. De
-keizer moest zich er mee bemoeien, zooals vroeger keizer Napo deed. In
-die tijd waren er geen roovers. Maar nu heeft de keizer 't te druk
-met z'n eigen ... en nou halen ze al weer 'n andere. Dan hebben we
-d'r twee en dan gaat 't nog slechter ... Ho, daar heb je 't al."
-
-Vier kerels sprongen uit 't kreupelhout te voorschijn en een er van
-greep 't paard waarop de boer reed bij de teugel. De boer verdedigde
-zich dapper, maar Abé zag al heel gauw, dat ie niet vechten kon. Hij
-gebruikte z'n zwaard zoo onhandig als 't maar kon. En dan helpt 't
-beste wapen en de stevigste vuist nog maar weinig als je tegenpartij
-de wapens wèl hanteeren kan. En dat konden die gauwdieven maar al
-te goed. Abé zag dat de boer 't verliezen moest. Als nu z'n twee
-knechts maar dappere kerels geweest waren, zouden 't misschien met
-hun drieën nog wel klaar gespeeld hebben, doch die lafaards gingen al
-heel gauw op de vlucht. 't Leek Abé eigenlijk of die knechts maar zoo
-wat voor de aardigheid 'n poosje met de twee overige roovers hadden
-geschermutseld eer ze er van door gingen en 't kwam in hem op dat die
-knechts 't misschien wel eens waren met de roovers. Toen de knechts
-op hun paarden wegholden, riep de boer hen nog wel toe hem te helpen,
-maar ze deden of ze hem niet hoorden. En nu moest ie 't zelf ook gauw
-opgeven. Hij werd van z'n paard gesleurd en Abé moest 't aanzien,
-dat ze den man aan 'n boom bonden en hem al z'n geld en z'n meeste
-kleeren ontnamen. Abé kon zelf niets doen. Had ie maar niet op 't
-laatste paard gezeten doch op 't eerste, dan zou hij misschien met
-alle vier paarden hebben kunnen ontsnappen. Dan had hij hulp kunnen
-halen. Maar nu ging dat niet. Zijn paard was met de halster aan de
-staart van nummer drie vastgebonden en hij kon er dus niemendal mee
-uitvoeren. 't Eenige wat ie doen kon, was zich van 't paard laten
-glijden en er alleen van door gaan. Dan kon hij zich ergens verbergen
-en was dan later misschien in staat de boer hulp te verleenen als de
-roovers met de paarden weg waren. Doch nauwelijks was hij begonnen
-dat plan uit te voeren of de roovers hadden hem ook te pakken.
-
-"Hé, wat wou jij beginnen mannetje," zei er een. "Hier blijven hoor."
-
-"Bind 'm maar zoolang aan de staart van 'n paard vast," zei 'n ander.
-
-Die leek wel de bevelvoerder, want hij werd gehoorzaamd en Abé moest
-nu wel blijven. Hij dacht, dat de roovers als ze klaar waren, hem wel
-weer los zouden maken. Dan kon hij de boer tòch nog helpen. De roovers
-spraken zacht wat met elkaar toen ze de boer heelemaal uitgeschud
-hadden en keken daarbij lachend naar Abé. Daarna kwam er een op hem
-af, maakte 't touw waarmee hij aan de staart van 't paard gebonden
-was los en zei kortaf, terwijl hij Abé van de grond tilde en weer op
-'t paard zette: "Jij mag met ons mee."
-
-Daarop had Abé heelemaal niet gerekend. Hij begreep, dat er van 'n
-tocht naar Pomfriet al heel weinig terecht zou komen, als die kerels
-hem meenamen 't bosch in. Hij was van plan zoo gauw mogelijk op de
-vlucht te gaan, dat stond vast, maar hoe zou hij dan de weg moeten
-vinden? Hij schikte zich zwijgend in z'n lot. Verzet zou de zaak voor
-hem nog erger gemaakt hebben.
-
-En zoo reed Abé 'n oogenblik later in gezelschap van vier roovers
-'t bosch in, die de boer aan de boom gebonden achter lieten.
-
-Dat ritje door 't bosch duurde erg lang. 't Was al middag toen ze in
-'n woeste streek halt maakten. Onder hooge zware boomen, die wel 'n
-eeuw oud moesten zijn, stond 'n houten huis. 't Zag er bouwvallig
-uit. Misschien was 't wel net zoo oud als de boomen rondom. Hier
-schenen de roovers te wonen. Ze sprongen van de paarden en Abé moest
-die in een soort stal brengen.
-
-"Je zorgt er goed voor jongen," zei er een tegen hem, "en probeer maar
-niet weg te loopen, dat helpt je toch niet. Eer je 'n half uur ver
-ben hebben de wolven je te pakken. Als je klaar ben met de beesten
-mag je binnen komen. Dan kan je mee eten."
-
-Abé deed maar wat van hem verlangd werd. Hij verzorgde de paarden,
-zoo goed 't ging. Hij gaf hen haver. Er was genoeg en hij haalde in
-'n houten emmer water aan de bron. Hij deed er nog al lang over. 't
-Werk was hem vreemd. Zoo nu en dan kwam er 'n roover kijken wat ie
-uitvoerde. Doch ze zeiden niemendal. Hij deed 't werk zeker nogal
-naar hun zin.
-
-Abé was eindelijk klaar en nu moest hij naar binnen. Daar had ie
-niet heel veel zin in. Met roovers aan tafel zitten leek hem niet erg
-aangenaam. Maar hij had honger en dus was hij toch ook wel 'n beetje
-nieuwsgierig. Hij ging dus maar.
-
-Toen hij de deur opende keken de roovers alle vier tegelijk naar hem.
-
-"Kom hier zitten," zei er een "en eet maar zooveel als je lust. Je
-zal wel honger hebben."
-
-Zwijgend ging Abé zitten en begon te eten.
-
-"Was dat je vader?" vroeg dezelfde roover weer.
-
-"Neen," zei Abé.
-
-"Je baas dan?"
-
-"Ook niet."
-
-"Ook niet? Wat was ie dan van je?"
-
-"Niemendal."
-
-"Hoe heet je?"
-
-"Abé."
-
-"Wat dee je bij die boer?"
-
-"'n Eindje meerijden."
-
-"Waar moet je dan heen?"
-
-"Naar Pomfriet."
-
-"Om wat te doen?"
-
-"M'n pleegvader opzoeken."
-
-"Hoe heet die?"
-
-"Karibo."
-
-"Wat doet ie voor de kost?"
-
-"Niemendal."
-
-"Hè? ... Da's 'n klein beetje ... Je ziet er niet naar uit om 'n
-rijke pleegvader te hebben, jongen ... en dus geloof ik er geen
-steek van. Maar 't komt er ook niet op aan. Ik ben van plan je bij
-me te houden. We hebben iemand noodig om op de paarden te passen. En
-probeer maar niet te ontvluchten, want zooals ik je reeds gezegd heb,
-dan ben je voor de wolven ... of als wij je een van allen snappen,
-voor ons ... wat misschien nog erger voor je zou zijn. Voor de rest
-kan je 't goed bij ons hebben, want we houden zelf ook van 'n goed
-leven. Als je je best maar doet."
-
-Abé vond 't jammer dat die roover hem niet gelooven wou. Die roovers
-wilden misschien Karibo wel voor hem opzoeken, als er wat aan te
-verdienen was. Ze konden losgeld voor hem vragen en Karibo zou dat
-zeker wel betaald hebben. Doch wat hielp 't als ze hem toch niet
-geloofden?
-
-Hij zweeg dus maar en wilde z'n tijd afwachten. Vluchten deed ie
-toch. En al zou 't tien jaar duren, Karibo moest ie terug vinden,
-al zou ie 't heele land door naar hem moeten zoeken. Geduld dus.
-
-De roovers gingen nu iederen dag te paard uit, maar één bleef er
-steeds thuis. Die paste op 't paard dat rustdag had en op Abé. Zelf
-nam hij ook rust en Abé mocht 't werk doen. Zoo had de jongen iedere
-dag 'n andere roover en 'n ander paard bij zich en van ontvluchten
-was geen sprake. Dat duurde zoo 'n week en Abé werd er hoe langer hoe
-verdrietiger onder. Hij wist wel dat 't met iedere dag moeielijker zou
-worden om Karibo terug te vinden. Die zou nu al wel weer in Cobalt
-aangekomen zijn en waarschijnlijk wel gaan denken, dat Abé bij de
-brand was omgekomen. Waar Karibo dan misschien heen ging kon niemand
-weten en dan werd 't bijna onmogelijk hem nog ooit terug te vinden
-... Als hij weg kon komen met 'n paard ... dan had ie misschien nog
-'n kans als hij zoo snel mogelijk naar Cobalt terug reed. Wellicht
-vond hij er Karibo nog. Hij moest 't toch maar eens wagen. 't Ergste
-dat hem overkomen kon, was, door de roovers gesnapt te worden tijdens
-z'n vlucht, want dan zouden ze wel korte metten met hem maken. Doch
-wat hinderde dat? 't Was nog beter dan voor rooversknechtje te spelen.
-
-Op 'n avond kwamen de roovers thuis met belangrijk nieuws. Ze vertelden
-'t dadelijk aan hun thuisgebleven kameraad. Er was 'n prijs van duizend
-goudstukken uitgeloofd voor degene die prins Alphabet terug vond! De
-roovers hadden wel zin ook 'n poging te doen, die duizend goudstukken
-machtig te worden en na veel heen en weer gepraat besloten ze er alle
-vijf op uit te trekken.
-
-"Maar hoe vinden we hem?" vroeg de thuisgebleven roover. "Weten jullie
-hoe ie er uitziet?"
-
-"Nee," zei er een, "dat konden ze ons niet vertellen. Maar daar kunnen
-we wel achter komen." "Overal gaan er troepen menschen op uit om hem te
-vinden." "Geen wonder," zei de eerste weer. "Duizend goudstukken hè?"
-
-"'t Is geen kleinigheid" zei 'n tweede. "Als we deelen hebben we er
-tweehonderd de man."
-
-"Jij praat er over of we 'm al hebben."
-
-En toen lachten ze allemaal.
-
-"'t Is te probeeren," zei de hoofdman. "We kunnen toch onderweg nog
-wel wat anders er bij doen hè?"
-
-Dat vonden de overigen ook. Je kon wel tegelijkertijd op 'n eerlijke
-manier duizend goudstukken zien te verdienen door naar 'n vermiste
-prins te zoeken en tevens je roovershandwerk uitoefenen. Dat was geen
-bezwaar. Ze zouden er dan de volgende morgen vroeg maar op uittrekken
-alle vijf en de boel maar zoo lang sluiten.
-
-"Mag ik ook mee?" vroeg Abé.
-
-"Jij?" zei de hoofdman, "'k Had heelemaal niet aan jou gedacht ... Nee
-... we kunnen jou er niet bij gebruiken. Je moet maar heengaan. Ik
-laat je vrij. We hebben je nou niet meer noodig."
-
-"Heel best," zei Abé, "maar 'k weet de weg in 't bosch niet."
-
-"Die moet je maar zoeken. Welke kant je ook uitgaat, je komt er altijd
-eenmaal uit ... als de wolven je tenminste niet opeten ... En 't zal
-jou wel 't zelfde zijn aan welke kant je er uitkomt denk ik."
-
-"Dat is me niet hetzelfde. Ik wou graag op de weg naar Pomfriet
-uitkomen. En dan had ik graag een of ander wapen om me te verdedigen
-als 't noodig is."
-
-"Met die gekheid kunnen we ons niet ophouen hoor. Je rukt zoo maar
-uit. Allo ... naar de stal ... en verzorg de paarden. Maar doe 't
-goed. 't Is de laatste maal dat je 't doen mag."
-
-Abé ging. Doch onder z'n werk stond ie menigmaal in gedachten. Wat
-was dat vreemd, dat die prins Alphabet nou zoek was. Moeder Guldratsj
-en de boerenfamilie hadden het immers ook over die prins Alphabet
-gehad, doch die hadden 't enkel maar over 't afhalen ergens uit een
-of andere stad van 'n prins die zat te wachten tot ie gehaald werd en
-niet over 't opzoeken van een die zoek was. Dus nu zwierven er twee
-keizerlijke prinsen in Huk rond? Of maar een? Was hijzelf misschien
-prins Alphabet? Abecé dat was 't alphabet--maar waarom zochten ze
-niet naar prins Abecé--als hij 't dan wèl was--en waarom noemden
-ze hem dan zoo en waarom wist hij niet dat ze hem zoo noemden? Dàt
-had Karibo hem dan toch wel eens mogen vertellen. Doch niemand had
-er ooit over gesproken, z'n vader niet, z'n moeder niet en Karibo
-evenmin. Dat was dus niet zoo. Er moest wel degelijk nog 'n andere
-prins zijn, naar wie ze zochten.
-
-En toen ging Abé maar weer aan z'n werk en eindelijk kroop hij in
-'t hooi om te slapen. Doch de slaap kwam die avond niet gauw. Hij
-dacht aanhoudend aan die onbekende prins Alphabet en óók over de
-wijze waarop hij 't bosch uit moest komen.
-
-De volgende morgen moest ie weer voor de paarden zorgen. Deze keer
-voor alle vijf, en toen ie daarmee klaar was stopte een van de
-roovers hem 'n stuk brood in de hand met de boodschap er bij, dat ie
-kon inrukken. Als ie maar al rechtuit liep, was ie binnen twee uur
-'t bosch uit en op de weg naar Pomfriet.
-
-Abé ging zwijgend heen. Hij groette geen mensch en de roovers keken
-niet eens meer naar hem om. Hij had evengoed 'n bruine kikker kunnen
-zijn, zooals er wel in 't bosch leefden. Daar letten de roovers ook
-niet op.
-
-Ze reden weg om de duizend goudstukken te gaan verdienen, die ze
-wel nooit zouden te pakken krijgen, want ze reden net de verkeerde
-kant uit.
-
-Abé luisterde naar 't geluid van de wegdravende paarden. Hij stond
-stil en wachtte. 't Klonk al zachter en zachter ... en eindelijk
-hoorde hij niets meer. Toen keerde Abé weer terug naar 't roovershuis.
-
-Hij ging nu zelf ook eens roovertje spelen, want hij was van plan
-in te breken in 't roovershuis om zich van wapens te voorzien en
-van andere kleeren en van geld als hij 't vinden kon. Dat reizen
-als 'n boerenjongen beviel hem heelemaal niet en zonder wapens 't
-bosch door trekken leek hem ook niet plezierig. Maar bovendien had
-hij ondervonden, dat gewapend zijn hoog noodig was in Huk. Als hij
-'n zwaard gehad had, zou die vriendelijke boer niet zoo ongelukkig
-te pas zijn gekomen, meende hij. Wellicht was de strijd dan anders
-uitgevallen.
-
-De roovers hadden hun huis sekuur genoeg gesloten. Daar was geen
-inbreken aan. Maar Abé had 't heele gebouw goed bestudeerd en hij
-wist dat er aan de stal 'n plank los zat, die hij zelf nog 'n beetje
-losser gemaakt had. Daar hadden de roovers geen erg in gehad. En
-nu was 't een klein kunstje voor hem om door de stal naar binnen te
-komen en op z'n gemak de heele boel te doorsnuffelen.
-
-Hij vond al heel gauw iets waar ie zich mee verdedigen kon. 'n Mooi
-kort zwaard en 'n prachtige dolk. Gestolen goedje natuurlijk, maar
-dat kon Abé nu niet schelen. Hij nam 't maar omdat ie niet anders
-kon. Met de kleeren had ie meer moeite en hij moest zelfs met 'n
-hamer en 'n breekijzer aan de gang om op de zolder kisten open te
-breken, waarvan hij dacht, dat ze misschien iets konden bevatten,
-dat voor hem bruikbaar was. Hij vond genoeg, maar er was weinig bij
-dat hem paste. En prachtige kleeren waren er, juist geschikt voor 'n
-prins. Hij zocht maar weer verder, er zou onder die hoop goed toch
-wel iets zijn dat hij gebruiken kon. Na lang zoeken en passen, had
-hij toch iets gevonden. 't Zat hem wat ruim, maar 't ging toch. Of de
-stukken bij elkaar hoorden kon hem minder schelen. Hij leek toen hij ze
-aanhad niets meer op 'n boer of 'n landlooper. Dat was 't voornaamste.
-
-Nu nog wat geld! Dat moesten die roovers toch óók genoeg hebben,
-dacht ie. Maar dat viel tegen. Ze hadden 't zeker ergens verstopt. Hij
-doorzocht alles, doch de buit was erg matig. 'n Paar zilverstukken
-vond ie in 'n tasch die aan de muur hing. Dat was niet genoeg om er
-'n paard voor te koopen en dàt was ie van plan. Nog maar eens van
-voor af aan zoeken. Hij had de tijd.
-
-'t Gaf niemendal. Er was geen geld in 't roovershuis.
-
-"Waar niets is verliest de keizer z'n recht," dacht Abé. "Dan ga
-ik maar weer zonder geld op reis. Ik zie er tenminste weer knap
-uit en ik kan van me afslaan. Had ik nu maar 'n paard. En dan zou
-'t 'n knappe kerel zijn die 't weer onder me vandaan kreeg, zooals
-'t met m'n goeie schimmel gebeurd is."
-
-"Weet je wat ik doen kon?" dacht Abé. "Ik neem zoo'n paar van die
-schaaltjes mee, die in die kist zijn. Misschien is 't goud en dan
-kan ik er me toch 'n paard voor koopen. Ik heb nu 'n overkleed met
-wijde zakken. Daar kunnen ze gemakkelijk in."
-
-Zoo toegerust verliet hij 't roovershuis en stapte met 'n blij hart
-'t bosch in. Hij nam niet de richting die een der roovers hem 's
-morgens gewezen had. Dat vertrouwde hij niet. Maar hij ging de kant
-op waarheen de roovers gereden waren. Dat was, herinnerde hij zich,
-ook de weg waarlangs zij hem naar 't roovershuis gevoerd hadden.
-
-'t Was 'n heerlijke wandeling en hij merkte al gauw dat ie zich voor
-wolven niet bevreesd behoefde te maken. Ze waren er niet. En hij kwam
-al heel spoedig op 'n tamelijk breede boschweg. Doch nu wist ie niet
-meer of hij links of rechts moest. Dat was lastig. Maar Karibo had
-hem geleerd, dat ie in zoo'n geval altijd maar z'n eerste inval moest
-volgen en z'n eerste gedachte was geweest: rechts! Dus rechts. 't Was
-'n heele goede inval geweest: na 'n goed uur was ie 't bosch uit en
-op 'n landweg. Maar de groote weg naar Pomfriet was 't niet. Die was
-breeder dacht ie. Dan maar weer de inval volgen, die hij kreeg toen ie
-'t bosch uitkwam! Ja kon ie dat maar. Doch hij had geweifeld. Links
-of rechts? En nu moest ie dus zelf kiezen. Hij koos maar weer rechts
-en dat was glad verkeerd, want nog geen kwartier verder aan z'n linker
-kant liep de groote weg naar Pomfriet. Hij liep wel 'n uur langs deze
-eenzame weg voort zonder iemand te ontmoeten. Dat viel hem tegen, want
-hij zou graag geweten hebben waar hij was en waarheen deze weg hem
-bracht. Er schenen daar in de buurt ook niet veel menschen te wonen,
-want nergens zag hij 'n huis. 't Land was heuvelachtig en dus stonden
-er misschien toch wel huizen achter zoo'n heuvelrug, maar dan kon je
-ze niet zien van de weg af. Als 't tegen de avond geweest was, had
-hij misschien wel eens zoo'n heuvel beklommen om te zien of er geen
-woning achter stond, doch nu had hij er niet veel zin in. Hij ging
-maar liever 'n beetje uitrusten in 't gras, dan kon hij er tegelijk
-eens over nadenken, wat ie nu eigenlijk verder beginnen zou. Hij
-had daar net 'n mooi plekje voor en veilig was 't daar ook. Vlak bij
-waren struiken. Daar kon hij zich in verstoppen, als per ongeluk de
-roovers er eens mochten aankomen. Hij dacht wel van niet want die
-zouden toch niet op zoo'n eenzame landweg naar die prins aan 't zoeken
-zijn. Doch je kon 't nooit weten. En als ze hem vonden, zou er wat
-voor hem opzitten, want al plunder je andere menschen, dan vindt je
-'t toch nog niet goed als je zelf ook eens geplunderd wordt. En Abé
-had de roovers leelijk geplunderd. Nu hij z'n kleeren eens goed bekeek
-leken ze hem nog al kostbaar toe, vol gouden versierselen. Misschien
-was z'n overkleed alleen wel genoeg waard om er 'n paard voor in te
-ruilen. Dat hoopte hij maar, want 'n paard had ie vooral noodig.
-
-De vijf roovers waren op het oogenblik toen Abé aan hen dacht juist
-aan de andere kant van het bosch. Daar stond 'n herberg, waar ze heen
-gereden waren om iets naders omtrent de verloren prins te vernemen. Ze
-moesten toch weten hoe hij er zoowat uitzag. De herbergier en de
-roovers waren altijd goede maatjes. Ze kenden elkaar allang. Ook nu
-ontving hij z'n gasten heel vriendelijk en toen ze al heel gauw over
-prins Alphabet begonnen kon de herbergier hen genoeg vertellen. Hij
-wist er precies alles van. Doch toen de herbergier meegedeeld had,
-wat ie wist, keken de vijf roovers elkaar aan of ze van lotje getikt
-waren. Dit hadden ze vierentwintig uur vroeger moeten weten! Want 't
-werd hen opeens duidelijk, dat die prins ... 'n jongen met lang zwart
-haar, als 'n boer gekleed ... en die ze prins Alphabet noemden, maar
-die eigenlijk prins Abecé heette, wel eens dezelfde jongen kon zijn,
-die bij hen de paarden had moeten verzorgen en die ze die morgen alleen
-'t bosch ingezonden hadden.
-
-"Hij heette Abé," zei er een, "dat kan best 'n afkorting van Abecé
-geweest zijn."
-
-"Daar heb je gelijk aan," zei de hoofdman, "en die jongen leek me
-ook geen boertje... Maar als ie die prins Alphabet was ... dan zou ie
-'t wel gezegd hebben dunkt me. Ja ... 'n prins zal zich maar zoo door
-roovers als wij in de stal laten gebruiken! En dan, die jongen had geen
-cent op zak. Hij had als 'n landlooper bij die boer overnacht... Ik
-geloof er geen steek van!"
-
-"Maar ik geloof 't zeker" ... kwam 'n tweede. "En ik geloof dat we
-verstandig deden als we hem weer gingen opzoeken. Ik heb hem vanmorgen
-de weg gewezen... Als ie die gevolgd heeft en dat zal ie dunkt me
-wel, dan weet ik precies waar hij op 't oogenblik is. Laten we er
-gauw heenrijden... Is ie 't niet, dan is er nog niets verloren."
-
-"Je hebt gelijk," zei de hoofdman. "Vooruit dan maar."
-
-
-
-
-
-
-
-
-ZESDE HOOFDSTUK.
-
- Waarin hevig naar prins Alphabet gezocht wordt en alvast z'n
- witte paard teruggevonden wordt.
-
-
-Karibo, de Pirlapans en de heele lijfwacht doorzochten alle huizen
-langs de weg naar Pomfriet en vonden niets. Niemand wist iets van
-'n jongen in 'n boerenkleeding en met lang haar. Totdat ze in 't dorp
-kwamen waar Abé overnacht had. Daar vonden ze 'n huilende boerenvrouw
-en 't heele dorp in rep en roer. Karibo vernam, dat de boer wiens
-vrouw zoo bedroefd was, de vorige dag met z'n twee knechts naar de
-paardemarkt gereden was, 's morgens voor dag en dauw en dat ze geen
-van drieën terug gekeerd waren. Nu was er 'n heele troep dorpelingen
-op uit om die drie weer op te sporen. Er was ook 'n jongen bij geweest,
-'n landlooper, maar daar maalden ze geen van allen om.
-
-"Hoe zag die jongen er uit?" vroeg Karibo aan de vrouw. "Had ie lang
-zwart haar?
-
-"Ja, lang zwart haar had ie en hij was verder gekleed als 'n
-boerenjongen."
-
-"Duizend goudstukken voor degeen die die jongen terugbrengt," riep
-Karibo en de oude Pirlapan brulde 't nog eens heel hard, zoodat al
-die menschen opeens niet meer aan de boer en z'n knechts dachten maar
-alleen aan den jongen met lang zwart haar.
-
-Dat was me nog eens de moeite waard hoor! Duizend goudstukken!! Daar
-kon je gerust je werk voor in de steek laten, want 't moest toch
-niet zoo moeielijk zijn die jongen terug te vinden. En er waren er 'n
-heeleboel die maar dadelijk er op uit trokken, zelfs zonder eerst na te
-vragen waar ze die jongen brengen moesten, als ze hem gevonden hadden.
-
-Karibo en de Pirlapans begonnen nu ook weer hoop te krijgen dat ze
-prins Alphabet wel gauw zouden terugvinden. Hij was zes en dertig
-uren geleden in dat dorp geweest en kon dus nog niet zoo heel ver
-weg zijn. Ze zouden er maar gauw weer op uit gaan, dan haalden ze
-hem zeker in. Bovendien hadden de dorpelingen, die de wegen in den
-omtrek goed kenden ook nog veel kans om hem te vinden en als die hem
-zagen zouden ze hem wel goed stevig vasthouden, want je hield meteen
-duizend goudstukken vast. Om die boer en z'n twee knechts gaven
-Karibo en Pirlapan geen lor. Die waren zeker na de markt in de stad
-gebleven. Die zouden wel weer boven water komen.
-
-Doch toen de stoet van Karibo en Pirlapan juist vertrekken zou kwamen
-de dorpelingen terug die de boer waren gaan zoeken en ze brachten de
-boer mee, maar de man was zoo dood als 'n pier. Van de knechts hadden
-ze geen spoor ontdekt en van de jongen ook niet.
-
-De dorpelingen waren zeer ontsteld en de arme vrouw jammerde
-verschrikkelijk. Iedereen hield de twee knechts natuurlijk voor
-de daders. Karibo en Pirlapan ook. Doch nu begrepen ze heelemaal
-niet waar Abé kon gebleven zijn. 't Waarschijnlijkste was, dat ie
-toen de knechts hun baas aanvielen, maar zoo gauw mogelijk 'n goed
-heenkomen gezocht had. En dan zou hij wel z'n weg naar Pomfriet hebben
-voortgezet. Die kant moesten ze dus op.
-
-Ze reden weg en kwamen voorbij de plek waar de roovers de boer en
-z'n knechts hadden overvallen. Ze hadden niemand uit het dorp bij
-zich die 't hen wijzen kon en ze reden er voorbij zonder er op te
-letten. Anders zouden ze misschien wel gemerkt hebben, dat er aan
-de rand van dat bosch wat gebeurd was en dat er paarden 't bosch in
-gegaan waren. Dat kon iedereen duidelijk zien die er op lette. En
-dan hadden ze Abé gauw genoeg kunnen vinden. Nu klopten ze maar weer
-aan alle huizen langs de weg aan en zoo kwam 't ook dat de roovers
-van die duizend goudstukken gehoord hadden die als belooning waren
-uitgeloofd voor hen die den prins terugbracht.
-
-Toen Karibo na twee dagen nog niets ontdekt had, verdeelde Pirlapan
-z'n troep weer in afdeelingen, want als Abé op de groote weg gebleven
-was hadden ze hem al lang ingehaald. Ze zouden dus maar weer overal in
-de omtrek gaan naspeuren. Overal reden nu kleine troepen heen onder
-aanvoering van 'n Pirlapan en die kwamen telkens menschen tegen die
-ook op zoek waren naar de prins en de duizend goudstukken.
-
-Eén troep en daarbij was de jongste Pirlapan, die zoo op z'n kop gehad
-had van Abé, was 't bosch in gereden waar de roovers huisden. Ze wisten
-geen weg en daarom waagden ze zich maar niet in 't kreupelhout. Ze
-bleven op de paden. Dat vonden ze voldoende, want prins Alphabet zou
-wel niet voor z'n plezier in 't kreupelhout gaan wandelen. Daardoor
-kwam het dat ze op 'n goede dag op vijf minuten afstand 't roovershuis
-voorbij reden, zonder er erg in te krijgen, dat er 'n woning zoo
-dichtbij was, waar degeen die ze zochten 't stalwerk voor roovers
-moest verrichten. Zoo reden ze dagen lang door 't bosch en naar ze
-meenden hadden ze geen hoekje onbezocht gelaten. En ze kwamen terug
-bij Karibo en de oude Pirlapan met 't bericht dat prins Alphabet in
-'t bosch niet was. Telkens kwam er 'n andere troep terug met dezelfde
-boodschap: geen prins Alphabet. Als die jongen in de grond verzonken
-was had hij niet onvindbarer kunnen zijn. Karibo werd er hoe langer hoe
-wanhopiger onder. Er waren zelfs oogenblikken dat hij de moed heelemaal
-opgaf. Doch dan kwam de oude Pirlapan hem moed inspreken. Die zei:
-"Wat! We vinden de prins hoor. Dat is geen jongen, die zoo maar wat
-overkomt. Daarvoor is hij te flink."
-
-Maar Karibo geloofde 't niet wat Pirlapan zei. Hij was bang dat Abé
-verongelukt was.
-
-Op 'n morgen ontmoetten ze de Pomfrietsche heeren, die op hun gemak
-weer naar Pomfriet reden, iedere dag 'n klein stukje. Die lachten
-Karibo en Pirlapan in hun gezicht uit. Ze hielden Karibo nu heelemaal
-voor 'n bedrieger en Pirlapan voor 'n ouwe gek, die zich door zoo'n
-slimme gelukzoeker wat liet wijs maken. Ze wilden er haast niet eens
-naar luisteren toen Karibo hen vertelde, waar de keizerlijke prins
-'t laatst was geweest. Ze geloofden er toch niemendal van.
-
-Pirlapan was woedend op die stadsche heeren, die niet mee wilden
-zoeken naar hun prins. "Als ie later keizer is kruipen ze allemaal
-om hem heen," bromde hij. "Maar wat voor hem opofferen, ho maar."
-
-"Och," zei Karibo, "je moet 't hen maar niet kwalijk nemen. Ze gelooven
-'t immers niet?"
-
-"Had hen dan die kleeren laten zien," mopperde Pirlapan.
-
-"Dan hadden ze 't nòg niet geloofd," antwoordde Karibo. "Bovendien aan
-zulke lui heb je toch niemendal. Die loopen je overal maar in de weg."
-
-"Daar heb je gelijk aan Karibo. Maar wat zullen we nu doen? Waar
-zullen we zoeken?"
-
-"Ik weet 't niet Pirlapan...," zei Karibo moedeloos. "Ik weet niets
-meer. Als er geen wonder gebeurt krijgen we onze prins nooit terug."
-
-Pirlapan gaf de moed niet op. Al moet ik tien jaar zoeken door heel
-het land Huk dan doe ik 't, maar terugvinden zal ik de prins, zei
-hij. Er zal weer 'n keizer over Huk regeeren, die er recht op heeft
-of ik heet geen Pirlapan.
-
-Dat was heel pleizierig te hooren voor Karibo, maar 't hielp zoo
-weinig. 't Is lastig om 'n speld in 'n hooiberg op te zoeken, maar
-'n prins terugvinden die geen mensch kende, scheen nog moeilijker.
-
-Er werd zoo langzamerhand door iedereen naar Abé gezocht, want de
-menschen vertelden 't aan elkaar, dat er duizend goudstukken als
-belooning waren uitgeloofd voor 't terugbrengen van den verloren
-prins en daarom gingen er steeds meer op uit. Sommigen gingen op hun
-eentje. Die wilden de duizend goudstukken alleen verdienen. Maar
-anderen meenden dat ze gemakkelijker hun doel konden bereiken als
-ze met elkaar gingen. Dan moesten ze wel deelen, doch de winst zou
-nog groot genoeg zijn. En door deze prinsenzoekers werden allerlei
-jongens opgepakt. Telkens kwamen ze met zoo'n jongen, die naar zij
-meenden, beantwoordde aan de beschrijving, die ze er van gehoord
-hadden, bij Karibo en Pirlapan aan. Iedere jongen die donker haar had
-en in de laatste tijd niet geknipt was stond er aan bloot opgepakt
-te worden en al schreeuwde hij nog zoo hard dat ie geen prins was,
-'t hielp gewoonlijk geen steek. Mee moest ie.
-
-Alleen de roovers pakten geen jongens op. Die wisten wel wie ze hebben
-moesten. En ze zochten ijverig de heele omtrek af, 't bosch hadden
-ze al doorsnuffeld van noord naar zuid en van oost naar west. Daar
-was ie niet. Maar de roovers wisten nog meer, wat ze ook zorgvuldig
-voor zich hielden. Ze waren thuis geweest en toen hadden ze al gauw
-gemerkt, wat Abé uitgevoerd had. Op zolder vonden ze z'n armelijke
-plunje en toen ze in hun kisten keken, want ze begrepen wel wat die
-jongen gedaan had, misten ze kostbare kleedingstukken, die ze eenige
-tijd geleden gestolen hadden bij de burgemeester van Lumkiping,
-'n provinciestad aan de andere kant van 't bosch gelegen, aan de
-Lum, de grootste rivier van Huk, waaraan ook Pomfriet lag. Langs
-deze rivier, liep ook 'n breede weg naar Pomfriet, maar die was zeer
-lang door de groote bochten die de rivier maakte. De menschen die te
-paard naar Pomfriet reisden, maakten liever gebruik van de weg, die
-Karibo ook genomen had, en waar langs ze nu aan 't zoeken waren. De
-landweg waarop Abé terecht gekomen was, toen hij uit 't bosch kwam
-was de verbinding tusschen die twee groote wegen.
-
-De roovers hadden dus maar te zoeken naar iemand die de beste
-kleeren van de burgemeester van Lumkiping droeg, en daar zouden de
-overige prinsenzoekers nu wel juist niet naar kijken. Die zochten
-'n boerenjongen. Zelfs de soldaten van de lijfwacht, zouden nu weinig
-kans hebben meenden de roovers, en de duizend goudstukken zouden dus
-waarschijnlijk wel in hun zakken terecht komen. En 't leek wel, dat
-ze 't bij 't rechte eind hadden, want toen ze 't heele bosch hadden
-doorzocht, iedere roover was 'n andere richting uitgegaan, kwamen
-ze weer in 't roovershuis bij elkaar en daarna gingen ze gezamenlijk
-dezelfde weg op die Abé genomen had. Dat was per geluk en zoo kwamen
-ze op de weg naar Lumkiping waar Abé de vorige dag was geweest. En
-nu ondervroegen ze iedereen die aan die weg woonde of ze niet iemand
-gezien hadden die gekleed was in 'n deftig donkerrood gewaad met
-goud geborduurd, en die 'n roode muts droeg, van fluweel met twee
-opstaande veeren... 't Duurde niet heel lang of ze wisten genoeg. Maar
-dat was toch niet erg naar hun zin. Die jongen was regelrecht op
-weg naar Lumkiping en als ie die stad bereikte, was 't wel vast,
-dat ie opgepakt werd, want iedereen wist daar van de diefstal bij de
-burgemeester en iedereen kende ook dat mooie kleed, dat de burgemeester
-enkel maar droeg bij heel plechtige gelegenheden. Nu was 't gelukkig
-dat die jongen te voet ging. Hij kon dus nog onmogelijk Lumkiping
-bereikt hebben. Als zij hun paarden lieten rennen zoo hard ze maar
-konden, hadden ze nog 'n kansje de prins en de duizend goudstukken
-te vangen. En dat deden ze dus ook.
-
-Terwijl de roovers zoo snel ze maar konden achter Abé aanrenden stapten
-de paarden van Karibo en de oude Pirlapan op de weg naar Pomfriet
-langzaam naast elkander voort. De jonge Pirlapans en de soldaten
-waren er weer op uit naar alle kanten, en de twee aanvoerders hadden
-afgesproken dat ze hen in 't volgende dorp wel zouden wachten. Ze
-moesten nu hun tochten maar eens wat verder uitstrekken. Ze moesten
-maar acht dagen lang zoeken wat ze konden... als ze de prins dan nog
-niet gevonden hadden konden ze terugkeeren. Dan zouden er weer andere
-maatregelen genomen worden, want dan stond 't wel vast dat Abé niet
-meer daar in de buurt was... "als ie nog leefde"... voegde Karibo er
-zuchtend bij.
-
-Zwijgend reden ze naast elkander voort. Ook de oude Pirlapan was die
-morgen minder hoopvol gestemd dan anders. Hij vond 't ook 'n beetje
-vreemd, dat je met 'n paar honderd man, zoo heelemaal niets te weten
-kon komen. Hij rekende al die Hukkers die 't om de goudstukken te
-doen was maar niet eens mee. Menschen waar je heelemaal niet naar
-zocht kwam je iedere keer tegen en van zoo'n jongen zag je letterlijk
-niets... behalve dan z'n kleeren die ze bij de oude heks in beslag
-genomen hadden. Met gebogen hoofd zaten ze op hun paarden en merkten
-niet eens op, dat er iemand aan kwam draven op 'n groot paard. Eerst
-toen de man vlak bij was en hen voorbij reed keken ze op. Maar dat
-was dan ook 'n verrassing voor Karibo en voor Pirlapan. Die man die
-hen voorbij draafde bereed het witte paard van Abé! Karibo zou het
-uit duizenden herkend hebben en Pirlapan zag 't onmiddellijk aan
-'t tuig. 't Zelfde zadel had 't nog... en de roode toom... 't zag er
-alleen maar 'n beetje verslonsd uit... en 't paard was er ook niet
-beter op geworden. Zelfs Karibo's paard had z'n oude kameraad herkend,
-waar ie zoo lang naast geloopen had... en die z'n slaapkameraad geweest
-was in de stal vele jaren lang. 't Had blij gehinnikt. Maar de witte
-had geen antwoord gegeven.
-
-"Zijn paard!" riepen ze bijna tegelijk en zonder er verder over te
-praten dwongen ze met 'n ruk aan de toom hun paarden om te keeren
-en ze sprongen de ruiter achterna. Die keek even om en merkte al
-dadelijk dat die twee wat in de zin hadden en hij vond 't maar beter
-te maken dat ie weg kwam. Hij voelde z'n geweten niet erg zuiver,
-want 't was dezelfde kerel, die Abé 't paard ontstolen had. Eerst
-was ie maar landlooper geweest, doch nu hij 'n paard had, was hij
-'t vak van struikroover gaan uitoefenen, die eenzame reizigers op
-de weg aanhield om hen te berooven. Het witte paard had zeker in de
-laatste tijd bij z'n nieuwe eigenaar niet veel rust gehad en zeker geen
-beste verzorging, zooals 't gewend was en daarom kon 't niet meer zoo
-snel voortkomen als vroeger. Pirlapan en Karibo bereden paarden, die
-goed op kracht waren en ofschoon de arme witte ongenadig slaag kreeg,
-wonnen de vervolgers met iedere minuut. Pirlapan had z'n speer reeds
-opgeheven om de struikroover even van z'n paard af te helpen. Dat
-was voor hem 'n klein kunstje, hij wierp sekuur, en de bandiet zou
-wel niet lang meer geleefd hebben, als Karibo hem niet toegeroepen
-had niet te werpen. Ze kregen de vent toch wel. Pirlapan was 't eerst
-naast hem en ofschoon de roover poogde Pirlapan met 'n scherpe lange
-dolk te raken, hielp hem dat niemendal, want Pirlapan die vechten
-kon als de beste, gaf de kerel 'n tik met 't hout van z'n speer,
-die hem hals over kop uit het zadel wierp. Ondertusschen had Karibo
-de witte bij de teugel gegrepen.
-
-De struikroover meende nog 'n kansje te hebben om weg te komen. Hij
-trachtte tusschen de beenen der paarden door te sluipen om in de
-struiken langs de weg te vluchten, maar Pirlapan moest daar niets van
-hebben. Vlug sprong hij van z'n paard en had in 'n wip de kerel bij
-z'n kraag. Uit Pirlapan z'n knuisten te komen was 'n kunstje, dat de
-bandiet niet geleerd had. Dat merkte hij al heel gauw en toen gaf hij
-'t maar op. Karibo was nu ook van 't paard gekomen en begon de man
-te ondervragen.
-
-"Hoe kom je aan dat paard?"
-
-Geen antwoord.
-
-"Wacht even," zei Pirlapan, "ik zal hem 'n beetje op dreef helpen. Hij
-is zeker stom van de schrik."
-
-Hij nam z'n speer en nu kreeg de roover met 't dikke hout zoo'n
-ellendig pak ransel, dat de vent begon te schreeuwen als 'n jong
-varken.
-
-"Zie zoo," zei Pirlapan, "vertel nou maar op. Nou weet je 't wel."
-
-"Ik heb 't gekocht..."
-
-"Daar zie je wel naar uit," zei Pirlapan en weer hief hij de speer
-op... "Zeg op... of ik sla je in gruzelementen... heb je dat paard
-van 'n kleine jongen gestolen, die je er 'n eindje op wou laten
-rijden? Geef antwoord, gauw..." En weer kreeg hij zoo'n tik.
-
-"Au!" schreeuwde de bandiet...
-
-"Heb je 't gestolen?..."
-
-"Ja..."
-
-"Heb je die jongen 'n klap met 'n knuppel gegeven?"
-
-"Ja..."
-
-"Jij gemeene schooier..." zei Pirlapan, "dat kost je je leven. Want
-je heb de keizer van Huk z'n paard gestolen..."
-
-De man keek benauwd naar Pirlapan. Hij was bang voor nog meer
-klappen... Maar wat ie hem daar vertelde van de keizer van Huk,
-dat begreep hij niet. Hij had er ook wel van gehoord, dat er naar
-prins Alphabet gezocht werd... Hij was er zelf ook mee bezig, toen
-die twee hem te pakken kregen... maar dat ie 'n paard gestolen had
-van de keizer van Huk, daar wist ie niemendal van.
-
-"Ik heb de keizer z'n paard niet gestolen," zei hij.
-
-"Dat heb je wel..." bulderde Pirlapan... "Dàt is de keizer z'n
-paard!" en hij wees op de hijgende witte.
-
-Nu was de roover de kluts heelemaal kwijt.
-
-"We zullen hem maar meenemen," zei Karibo. "Laat 'm maar weer
-opstijgen."
-
-"Hij?... Opstijgen?... Niet zoolang ik Pirlapan heet. Zoo'n gemeene
-lafaard komt niet op 't paard van prins Alphabet. Aan de staart van
-'t beest zal ik hem binden. Dan mag ie meedraven."
-
-Karibo zag wel dat er niets aan te doen was en hij liet dus Pirlapan
-z'n gang maar gaan. Die haalde 'n riem uit z'n zadeltasch en daarmee
-bond ie de roover stevig aan de staart van Abé's paard. Karibo nam het
-bij de teugel en nu ging 't op 'n drafje vooruit. De kerel moest mee
-draven, zooals Pirlapan gezegd had. Hijzelf reed naast hem. Toen de
-schurk niet meer kon, hij viel om van moeheid, reed Karibo stapvoets,
-doch Pirlapan riep al heel gauw: "We schieten niet op. Vooruit,
-hij kan nou wel weer 'n eindje draven."
-
-De roover had 't nog nooit van z'n leven zoo slecht gehad. Dat was
-heel wat anders dan duizend goudstukken verdienen, door 'n prins op
-te zoeken. Boontje kwam om z'n loontje.
-
-Toen ze in 't dorp aankwamen, waar ze op de andere Pirlapans en de
-soldaten wachten zouden, brachten ze de roover eerst bij de veldwachter
-en Pirlapan gaf deze de raad heel goed op de gevangene te passen,
-want als ie hem liet ontsnappen zou 't er slecht voor de veldwachter
-uitzien. Die bekeek z'n gevangene eens en zei: "Nou heel hard zal
-ie wel niet weg loopen, want de kerel is meer dood dan levend." Maar
-Pirlapan antwoordde: "Je bindt hem stevig ergens aan vast hoor. Hij
-leeft gauw genoeg weer op, en hij màg niet ontsnappen. Wat ie gedaan
-heeft is zóó gemeen, dat ie er de zwaarste straf voor verdient."
-
-"Dan ben ik liever niet in zijn plaats," zei de veldwachter. "We zijn
-hier in Huk niet erg zachtzinnig met booswichten."
-
-"Maar goed ook," bromde Pirlapan. "Sluit 'm nou maar op." En toen ze
-samen wegreden zei hij tegen Karibo: "'t Lijkt er veel op dat we Abé
-bij stukjes en beetjes terug krijgen."
-
-"Hoe zoo Pirlapan?"
-
-"Wel, eerst kregen we z'n kleeren en nou hebben we z'n paard."
-
-"Ja, ja," zuchtte Karibo... "als we de rest ook maar niet bij stukjes
-en beetjes in handen krijgen."
-
-"Kom, kom," antwoordde Pirlapan. "'t Zal nog wel terecht komen. Ik wed
-dat we hem vandaag of morgen op de een of andere wonderlijke manier
-onverwacht ontmoeten, zooals we vandaag z'n paard zijn tegen gekomen."
-
-
-
-
-
-
-
-
-ZEVENDE HOOFDSTUK.
-
- Waarin prins Alphabet prachtig gekleed in Lumkiping aankomt
- doch al spoedig in z'n hemd zit, en Karibo en Pirlapan door
- de rooverhoofdman er achter komen waar hij is, maar hem toch
- niet vinden.
-
-
-Als de oude Pirlapan er werkelijk op gerekend had dat die wonderlijke
-ontmoeting spoedig zou plaats hebben, dan had ie 't leelijk mis, want
-op dat oogenblik zat Abé heel veilig in de gevangenis te Lumkiping. Wat
-de roovers gevreesd hadden was gebeurd.
-
-Abé had de heele middag geloopen en was tegen de avond doodmoe bij
-'n boerewoning aangekomen. Aankloppen hoefde hij niet, want toen hij
-voor de deur stond kwamen de boer en z'n vrouw en al de kinderen te
-voorschijn en terwijl de kinderen met open monden stonden te kijken
-bogen de man en de vrouw als korenhalmen in de wind.
-
-"Edele heer," zei de boer, wees welkom in mijn nederige woning, en
-de vrouw greep opeens al de kinderen met d'r groote handen als of ze
-'n bos hout te pakken had en duwde ze in de stal waar ze alle vier
-afgrijselijk begonnen te schreeuwen. Abé ging binnen en terwijl hij op
-'n bank bij de haard ging zitten zei hij tegen de boer:
-
-"Goeie vrind, ik zou graag vannacht gebruik maken van je gastvrijheid,
-'n plaatsje in je stal is me voldoende."
-
-De vrouw nam dadelijk 't woord:
-
-"Edele heer, in de stal zullen wij slapen vannacht en ons bed is
-voor u."
-
-"Nee, nee...," zei Abé lachend, want hij vond 't hooi frisscher,
-"dat wil ik niet. Maar ga toch zitten."
-
-Doch dat deden ze geen van beiden. De boer bleef staan en de vrouw
-begon de tafel op te ruimen, die er nog al slordig uitzag.
-
-Waarvoor zien die menschen me toch aan? dacht Abé. Ik zou wel eens
-willen weten wie z'n kleeren ik aan heb.
-
-Want 't was duidelijk dat de boeremenschen hem beoordeelden naar
-z'n kleeren met al dat goud er op en die glinsterende steenen. Abé
-had niet veel verstand van kostbaarheden en hij wist dus niet of z'n
-kleeding veel of weinig waard was. Dat de roovers 't gestolen hadden
-was misschien wel 'n bewijs voor de kostbaarheid. Als die boer nu
-maar niet zoo'n armoedige vent geweest was, had Abé wellicht voor
-zoo'n kleedingstuk een paard kunnen inruilen, maar die boer had
-waarschijnlijk niet eens 'n paard. Hij kon 't echter eens vragen.
-
-"Is er hier in de buurt misschien 'n paard te koop?"
-
-"'n Paard edele heer?.... Nee.... ik heb er geen.... Maar 'n uur
-verderop naar Lumkiping woont 'n boer die er wel een te koop zal
-hebben. 'k Wil er morgen vroeg wel even heen loopen. Is de edele heer
-z'n paard wat overkomen."
-
-Nu moest Abé weer wat verzinnen. Hij kon toch aan die boer niet van
-voren af aan gaan vertellen wat hem wedervaren was en daarom zei
-hij maar:
-
-"'n Ongeluk... 't Was niet meer te gebruiken. Hoe ver ben ik hier
-nog van Lumkiping?"
-
-"Nou te voet is 't nog wel 'n halve dag, edele heer."
-
-"Dat valt nog al mee... Dan ga ik morgen vroeg er maar te voet heen."
-
-De vrouw had nu eten klaar gezet, brood en geitemelk, en Abé at er
-van als 'n wolf. Toen hij verzadigd was, vroeg hij den boer hem 'n
-plaatsje te wijzen waar hij slapen kon. Omdat hij toch niet in de boer
-z'n bed wou, spreidde de man versch stroo in de stal waar de geiten
-stonden, en Abé lag vijf minuten later heerlijk in 't stroo met aan
-iederen kant twee geiten, die hun halzen uitrekten om te knabbelen aan
-z'n bed. Telkens kreeg er een 'n stroospriet te pakken en trok die
-met 'n ruk van z'n kop naar zich toe. Maar Abé merkte er niemendal
-van. De geiten hadden z'n heele leger onder hem uit kunnen plukken,
-zonder dat ie er wakker van geworden was.
-
-Toch was hij de volgenden morgen vroeg bij de hand. Hij waschte
-zich aan de bron achter 't huis en moest z'n gezicht in de zon
-laten drogen. Z'n handen schudde hij maar zoo'n beetje droog. Want
-die boerenmenschen hielden er geen handdoeken op na en Abé had niet
-eens 'n zakdoek al had ie dan ook 't beste pak van de burgemeester
-van Lumkiping aan. Was 't 'n gewoon linnen kiel geweest, dan had hij
-daaraan z'n gezicht wel 'n beetje kunnen afwrijven, maar aan 'n zijden
-tabberd vol goud borduursel gaat 't al heel moeielijk. Abé begon te
-ondervinden dat je erg veel last kan hebben van 'n kostbaar gewaad
-waar 't goud dik op zit. Later op de dag werd 't nog veel erger. Hij
-had de boerenmenschen bedankt en omdat hij wel zag dat ze 't noodig
-hadden bood hij hen de weinige zilverstukken aan, die hij gevonden
-had in de tasch van de roover, doch de man weigerde. Dat was geen
-gebruik in Huk, zei hij, tenminste niet op 't land. In de stad was
-'t misschien anders. Hij was al genoeg beloond, doordat zoo'n deftig
-heerschap onder zijn dak had willen verblijven.
-
-'t Deftige heerschap was er in z'n hart toch maar blij om, want hij
-bezat verder geen cent en hij moest toch eten. In Lumkiping zou hij
-trachten z'n mooie pakje te verkoopen. En dan was hij er boven op. Dan
-ging het in galop, al wat 't beest loopen kon, naar Pomfriet.
-
-Toen hij de stad Lumkiping naderde werd de weg voller. Er gingen
-menschen naar de stad en er kwamen er vandaan. Maar allen keken hem met
-verbazing aan. Sommigen groetten heel beleefd. Anderen zetten alleen
-maar groote oogen op en weer anderen gingen achter hem aanloopen. Dat
-was lastig. Abé keek nu en dan eens om. Jawel ze liepen met hem mee,
-dat was duidelijk genoeg.
-
-Abé dacht dat 't in de stad wel beter zou worden. Daar waren zooveel
-menschen en die zouden wel geen tijd hebben om op hem te letten al zag
-hij er 'n beetje al te mooi uit. Hij vond 't nu jammer dat ie altijd in
-'n vreemd land gewoond had en niet eens wist welke kleederdrachten
-er in zijn eigen land gedragen werden. Dat z'n pakje lang niet
-alledaagsch was, dat wist ie wel. Als ie 't nog niet geweten had,
-dan was ie er nu zeker wel achter gekomen. Want niet één Lumkipinger
-zag er uit zooals hij.
-
-In de stad werd 't hoe langer hoe erger, en nu begon Abé te denken dat
-'t kwam omdat 't pak hem wat ruim en lang was. De schoenen waren ook al
-'n beetje te groot en de muts zakte hem telkens wat over z'n ooren. Of
-was 't misschien 't zwaard met de prachtige schede vol glinsterend goud
-en allerlei mooie figuren en ornamenten bewerkt en bezet met steenen
-in rood en blauw en geel en groen? Hij werd er verlegen mee. En nu
-begonnen de menschen nog op te dringen ook. Zoo nu en dan zat hij al
-aardig in de knel. Hij zou maar gauw naar binnen stappen zoodra hij
-'n winkel zag, waar zoo iets verkocht werd als hij droeg. Daar zou hij
-'t dan wel kwijt kunnen.
-
-... Doch 't kwam zoover niet. Plotseling stond er 'n reusachtige
-politieman voor hem. In Lumkiping hadden ze alleen maar heel groote en
-sterke dienders. En die lei z'n groote hand op Abé's rechter schouder
-en zei: "Ga jij maar eens gauw met me mee."
-
-"Nee"... zei Abé... "dat doe ik liever niet. Jaag jij die menschen
-alleen maar 'n beetje weg en wijs me dan 'n winkel waar ik andere
-kleeren kan koopen."
-
-"Dat zou je wel willen..." zei de agent. "Vooruit, geen praatjes..."
-
-"Maar waarom moet ik met je mee?"
-
-"Wat is er hier aan de hand?" vroeg 'n tweede politiereus. Doch toen
-hij Abé zag, gingen zijn oogen heel wijd open en hij zei: "Hé... Da's
-'n bof."
-
-"Hou jij de menschen wat op 'n afstand," zei nummer een. "Ik zal met
-hem wel klaar komen..."
-
-"Op zij menschen..." riep de tweede... "Doorloopen."
-
-Nu werd 't een heele optocht en Abé hoorde de menschen achter zich
-tegen elkaar roepen, dat er 'n dief gepakt was en hij zag voor de
-vensters van de huizen nieuwsgierige gezichten...
-
-De twee politiemannen brachten hem naar 'n groot gebouw... en daar
-werd hij in 'n hok gestopt met 'n klein tralieraampje hoog in de muur.
-
-Abé ging op 'n bank zitten... Hij hoorde de sleutel in 't slot
-omdraaien en toen rook hij ook dat 't erg benauwd was in z'n
-gevangenis. Hij huilde niet gauw, maar nu had hij 't toch wel kunnen
-doen, dat ze hem voor 'n dief van die mooie kleeren hielden, dat
-was zeker. En nu werd 't hem op eens duidelijk, dat ie ze toch ook
-eigenlijk gestolen had. Hij schrok er van. Als ze hem nu vroegen hoe
-hij er aan kwam, dan kon hij enkel maar zeggen dat ie ze weggenomen
-had. Doch toen werd ie weer 'n beetje vroolijker want hij zou er maar
-verder alles bij vertellen, waar hij ze genomen had en waarom... Alleen
-kon hij alweer niet vertellen wie hij eigenlijk was... want dat had
-Karibo hem verboden...
-
-Hij had tijd genoeg om na te denken. 't Werd vervelend in dat kleine
-hok. Wanneer zouden ze hem nu eindelijk er eens uitlaten. Hij meende
-dat ie er al uren in gezeten had. Ze zouden hem toch niet zonder
-eten of drinken laten? En ze zouden toch wel wat van hem willen
-vernemen. Dat hoorde toch zoo. Als ze je maar zoo van de straat
-oppakten en achter de tralies stopten, dan dienden ze je toch wel te
-zeggen waarom dat was. Wat zouden ze rare gezichten trekken, als hij
-eens ging vertellen, dat ie de zoon was van keizer Napo... Dan zouden
-ze misschien allemaal op hun knieën vallen en hem om vergiffenis
-smeeken. Die twee groote dienders voorop. Waarom zou hij 't ook
-eigenlijk niet vertellen? Maar zouden ze hem gelooven? Hij kon 't
-heelemaal niet bewijzen. Dat kon alleen Karibo en die was ergens
-anders... Maar waar? Hè, kwam er nu maar eens iemand.
-
-Sleutels rammelden... 't slot knarste... de deur ging open.
-
-"Trek uit dat goed," klonk het barsch.
-
-"Mijn kleeren uittrekken?"
-
-"Jouw kleeren? Wat 'n brutale aap... Trek uit... gauw..."
-
-"Maar dan heb ik niets anders aan dan m'n hemd."
-
-"Kan me niet schelen... Trek uit."
-
-Abé deed 't. En toen zat de keizer van Huk, prins Alphabet, naar wie
-iedereen zocht, in z'n hemd achter de tralies.
-
-Want de barsche kerel was met de heele glinsterende rommel weggegaan
-en had de deur dicht getrokken, en natuurlijk weer stevig op slot
-gedraaid. Abé hoorde ook nog dat er grendels voor geschoven werden.
-
-Hij kreeg 't koud. 't Was kil in 't hok hoor. Abé zat te bibberen op
-z'n bank.
-
-'n Heele tijd later kwam de vriendelijke man weer terug.
-
-"Kom mee!"
-
-"'k Heb geen kleeren."
-
-"Doet er niet toe. Kom mee."
-
-Abé vond, dat ze in Lumkiping raar met de menschen omsprongen. Hij
-had er nog nooit van gehoord, dat je in je hemd ergens anders naar toe
-moest dan naar je bed. Maar hier scheen 't toch zoo te zijn. En daar
-tegenstribbelen wel niet helpen zou, want die bullebak van 'n vent stak
-al z'n eene hand uit om de gevangene dan maar met geweld mee te nemen,
-stond de keizerlijke prins van Huk van z'n bank op. Nu moest hij 'n
-gang door en nog een en nog een... totdat de man met de sleutelbos
-commandeerde: "Halt!" Hij stond weer juist voor 'n deur. Deze deed
-de sleutelman open en hij duwde Abé voor zich uit de kamer in.
-
-Daar lagen op 'n tafel de kleeren die Abé van de roovers geleend had en
-'n paar heeren bekeken aandachtig het mooie zwaard. 'n Derde zat deftig
-in 'n ruime zetel die wel wat op 'n troon leek. Dat was de burgemeester
-van Lumkiping. 'n Vierde zat aan de tafel te schrijven. Dat was zeker
-de secretaris.
-
-Voor de tafel moest Abé blijven staan en de man met de sleutelbos
-legde z'n zware breede, dikke, harige hand op Abé's schouder en zei:
-"Burgemeester, hier was-t-ie."
-
-De secretaris keek op sprak zacht en vinnig:
-
-"Wàs-t-ie? Je bedoelt: hier ìs-t-ie, hè?"
-
-De sleutelman keek norsch naar de nijdige secretaris maar zei
-niemendal terug.
-
-Toen begon de burgemeester--de twee heeren waren net gaan
-zitten--opeens te vragen:
-
-"Wie ben jij jongen? Hoe heet je? Waar kom je vandaan? Bij welke
-dievenbende hoor je? Waarom..."
-
-"Burgemeester," zei de secretaris zacht, "dat kan ik niet allemaal
-tegelijk opschrijven en de aangeklaagde kan 't ook niet allemaal
-tegelijk beantwoorden."
-
-"O, doe ik 't weer niet goed?" bromde de burgemeester. "Vraag jij 't
-'m dan!"
-
-"Hoe heet je?" vroeg nu de secretaris bijna fluisterend.
-
-"Ik heet Abé."
-
-"Hoe nog meer?"
-
-"Niets meer."
-
-"Weet je 't zeker?"
-
-Dat was me ook 'n vraag! Wat moest ie daar nou op antwoorden. Hij
-heette eigenlijk Abecé, maar iedereen noemde hem Abé. Hij hield z'n
-mond dus maar.
-
-"Hoe kwam je aan die kleeren?"
-
-"Van de roovers!"
-
-"Net zooals ik dacht" riep de burgemeester.
-
-Doch de secretaris lette daar heelemaal niet op. Hij vroeg kalm verder:
-
-"Welke roovers?"
-
-"Uit 't bosch."
-
-"Hoe heeten ze?"
-
-"Weet ik niet."
-
-"Dat zal je wel liegen," riep de burgemeester, doch toen de secretaris
-hem even aankeek liet hij er gauw op volgen: "Ga verder secretaris."
-
-"Is dat de waarheid?"
-
-"Ja."
-
-"Hoe lang ben je al roover?"
-
-"Ik ben heelemaal geen roover."
-
-En zoo vroeg de secretaris maar voort. Abé vertelde hoe hij bij de
-roovers gekomen was, wat hij er doen moest, waarom hij die kleeren
-meegenomen had, wat ie er mee dacht te doen. De secretaris vroeg ten
-slotte hoe de kleeren er uitzagen die hij aan had toen hij bij de
-roovers kwam. De burgemeester en de twee andere heeren luisterden al
-lang niet meer. Alles wat die secretaris vroeg en wat Abé antwoordde
-werd tegelijk opgeschreven en dat zou later wel door de rechter worden
-uitgezocht. De burgemeester was alleen maar blij dat ie z'n mooie
-pak terug had, de rest kon hem eigenlijk niemendal schelen.--Doch de
-secretaris was 'n slimmerd. Die begon te vermoeden dat die jongen
-Abé wel eens de gezochte prins kon zijn... maar hij vroeg er Abé
-niet naar. Dat wou hij maar liever eens doen onder vier oogen. Die
-duizend goudstukken verdiende hij liever alleen. Hij gaf de half
-slapende cipier last de gevangene weer naar 't hok te brengen. Maar
-hij besloot die jongen diezelfde avond 'n goed pak kleeren te bezorgen
-en te maken dat ie goed te eten kreeg. Als 't die verloren prins eens
-was, zou hem dat zeker geen windeieren leggen. Duizend goudstukken om
-te beginnen en dan nog de dankbaarheid van de keizer van Huk. Dat was
-ook wat waard! Als die burgemeester maar weg was zou hij die jongen
-wel eens nauwkeurig gaan uitvragen.
-
-Abé liet 't hoofd hangen. Weer naar dat kille hok. Maar de man met
-de sleutels gaf hem 'n duwtje en vijf minuten later zat ie alweer
-achter slot en grendel.
-
-'t Zag er niet mooi uit voor Abé en 't zou voor hem heel wat prettiger
-geweest zijn als de roovers hem die morgen op de weg naar Lumkiping
-hadden kunnen inhalen. Nu waren ze net te laat gekomen en ze hadden
-juist nog kunnen zien hoe de twee politiereuzen Abé wegbrachten. Dit
-was 'n leelijke tegenvaller voor hen. Natuurlijk zou die jongen alles
-vertellen wat ie wist en dan waren er binnen 'n paar dagen 'n heele
-vracht politiemannen op weg naar het roovershuis. Ze moesten dus gauw
-terug om hun gestolen goed in veiligheid te gaan brengen. Dat wilden
-ze niet missen en dan wilden ze toch nog probeeren om de duizend
-goudstukken machtig te worden. De hoofdman was 'n sluwe baas. Die had
-gauw 'n plannetje verzonnen, dat veel kans van slagen had, zooals hij
-meende. Hij ging met z'n mannen naar huis en hij zelf reed zoo snel
-hij kon met de kleeren die Abé in 't rooverhuis had achtergelaten,
-in 'n doek geknoopt naar 't dorp waar Karibo en de oude Pirlapan
-zich ophielden. Daar kwam hij midden in de nacht aan. Hij vond 't
-nu beter maar te wachten tot de morgen met de uitvoering van z'n
-plan. De prins zat goed opgeborgen. Die liep niet weg. Maar 't was
-nog heel vroeg toen hij al aanklopte aan de woning waar Karibo en
-Pirlapan verblijf hielden.
-
-Die twee waren ook al op en reeds weer bezig nieuwe plannen te
-bespreken. Hoeveel ze er al verzonnen hadden wisten ze zelf niet
-meer. Doch telkens begonnen ze weer op nieuw. En nu kwam me daar
-opeens iemand, die hen stond te vertellen, als of 't 'n heel gewone
-zaak was, dat ie misschien wel wist waar de prins te vinden was... en
-als bewijs bracht hij de kleeren mee, die Abé gedragen had. Ze bekeken
-de kleedingstukken. Die kwamen wel overeen met wat moeder Guldratsj
-en de boerenvrouw, bij wie hij die nacht voor de overval der roovers
-in huis geweest waren, er van verteld hadden. Maar zelf hadden ze
-die dingen nooit gezien. Toen vroeg Karibo opeens:
-
-"Maar wat heeft de prins dan nu aan?"
-
-Dat wist de roover niet... "vermoedelijk de kleeren van de burgemeester
-van Lumkiping."
-
-"Begrijp jij er wat van Pirlapan?" vroeg Karibo.
-
-"Geen steek," antwoordde deze. Laat die vent naar de maan loopen met
-z'n smoesjes. "Die duizend goudstukken zijn hem in z'n hoofd geslagen."
-
-De roover liet zich echter niet maar zoo wegsturen. Hij had veel
-te graag die hoop goud. Daarom zei hij, dat als de heeren hem de
-duizend goudstukken wilden beloven, maar zwart op wit, hij moest er
-'n bewijs van hebben, onderteekend door Karibo en Pirlapan.., en
-als ze daar dan ook tevens in wilden zetten, dat noch hem noch z'n
-kameraden later iets kwaads zou geschieden, dan wilde hij wel alles
-vertellen wat hij wist. Ze zouden er geen spijt van hebben.
-
-"Dat kunnen we licht probeeren," zei Karibo tegen Pirlapan, en toen
-tegen de roover: "Het zal gebeuren zooals je verlangt, doch onder één
-voorwaarde. De duizend goudstukken krijg je, als 't werkelijk blijkt,
-dat je ons 't verblijf van de prins wijst. Vertel nu maar op."
-
-"Eerst 't papier," zei de roover.
-
-Pirlapan werd al weer woedend. Karibo suste hem en begon vlug de
-verklaring te schrijven, zooals de roover verlangde. Karibo moest
-'t hem nog eens voorlezen toen 't klaar was, want de roover kon zelf
-niet lezen, en daarna stak deze 't kostbare papiertje in z'n gordel.
-
-"Kerel begin nou..." bulderde Pirlapan ongeduldig. "Je doet alsof we
-heel geen haast hebben..."
-
-De roover lachte eens. Die was nu heel op z'n gemak. Maar toen vertelde
-hij van a tot z hoe ze de boer overvallen en de paarden meegenomen
-hadden tegelijk met Abé, dat die acht dagen bij hen stalknecht geweest
-was, en hoe ze hem hadden weggestuurd 't bosch in, toen ze met hun
-allen op zoek gingen naar prins Alphabet. Dat ze later begrepen hadden
-wie hij was en ontdekt hadden dat hij de kleeren van de burgemeester
-van Lumkiping had aangetrokken, die zij gestolen hadden.
-
-Pirlapan lachte luidkeels toen de roover dat vertelde, maar bij 't
-vernemen, dat Abé door de dienders in Lumkiping was opgepakt en nu
-in de gevangenis zat, keek hij opeens weer ernstig.
-
-"We moeten geen tijd verliezen," zei hij. "We rijden er dadelijk
-heen. Jij gaat mee brave ziel, (dit was aan 't adres van de
-rooverhoofdman) en als 't blijkt dat je ons wat hebt wijs gemaakt,
-dan kan je dadelijk je testament maken."
-
-De roover had er niets op tegen. Met dat briefje bij zich voelde hij
-zich zoo veilig alsof hij al z'n leven de braafste man uit heel Huk
-geweest was.
-
-'n Kwartier later galoppeerden de drie mannen het dorp uit. Ze spaarden
-hun dieren niet en ze hielden alleen maar op om zelf wat te eten en de
-paarden te voeren, te drenken en wat te laten uitblazen. Doch dan ging
-'t weer zoo snel mogelijk voorwaarts. Gelukkig waren ze alle drie
-taaie kerels en de paarden sterk en vlug. Maar toch waren ze alle
-zes doodop toen ze Lumkiping tegen de avond bereikten. De wandelaars
-in de straten sprongen verschrikt op zij voor de woeste ruiters en
-de reuzen van politieagenten staken vergeefs hun groote handen op
-om de ruiters tot wat minder gevaarlijke spoed aan te manen. Doch
-ze keken geen van drieën naar die waarschuwende handen, maar holden
-met luid hoefgeklepper over de keien regelrecht naar 't raadhuis,
-waar volgens de rooverhoofdman prins Alphabet gevangen zat.
-
-De roover moest bij de hijgende paarden blijven maar Karibo en
-Pirlapan waren zoo van hun paarden de trappen op gesprongen en liepen
-de schildwacht onderste boven, die op die trap voor de open deur op
-post stond. Die man was meteen de portier.
-
-"Hé, stommeling," bulderde Pirlapan, "sta de menschen niet in de
-weg. Waar is de burgemeester?"
-
-De portier was heelemaal van z'n stukken. Hij werd nooit onderste
-boven geloopen, zelfs nog niet door de deftigste Lumkipinger en daar
-kwamen me zoo'n paar halve wilden aanhollen en 't eerste wat ze deden
-was hem van de beenen te loopen. Hij zou die twee eens even leeren
-wat ze aan de portier van 't raadhuis van Lumkiping verschuldigd waren.
-
-Hij stond op, begon zich af te slaan, want er zat stof op z'n mouw
-en nam daarna Pirlapan van 't hoofd tot de voeten op, alsof hij met
-z'n oogen wou zeggen: "Lap me dat nou nog eris."
-
-Dat was net iets voor de oude baron van Pirlapan die thuis heerschte
-als 'n koning, om zich door zoo'n stedelijk schildwachtje op die
-manier te laten aankijken, vooral nu hij haast had om prins Alphabet,
-de rechtmatige keizer van Huk uit z'n gevangenis te gaan bevrijden!
-
-"Zeg eris!" riep Pirlapan en had de schildwacht-portier al bij
-z'n kraag. Hij schudde hem heen en weer tot groot vermaak der
-Lumkipingers die beneden aan de trap nieuwsgierig om de vermoeide
-paarden heenstonden. "Wil jij me bij de burgemeester brengen of
-niet? O zoo, gauw dan hoor! Ik heb haast."
-
-De portier liep als 'n haas 't raadhuis binnen, natuurlijk met Pirlapan
-en Karibo op z'n hielen. Tijd om eerst bij de burgemeester te gaan
-vragen of ie wel thuis was, had ie niet. Want Pirlapan stoof te gelijk
-met de portier de kamer in waar de burgemeester juist met de secretaris
-en nog 'n paar andere voorname Lumkipingers aan 't vergaderen was.
-
-"Wat moet dat beteekenen?" zei de burgemeester opstaand met 'n strenge
-blik de binnenkomenden aankijkend.
-
-"Deze... indrin... gers..." stotterde de portier.
-
-"Ruk uit, akelige vent," bulderde Pirlapan... "Ik heb je nou niet
-meer noodig. Marsch... of ik..."
-
-Hij hoefde zijn hand niet eens uit te steken. De schildwacht-portier
-was al verdwenen. Hij trok met 'n slag de deur achter zich dicht. Met
-die dolleman moest de burgemeester 't maar klaar zien te spelen. Doch
-hij ging vast 'n stuk of wat politiereuzen halen. Hij had er zoo'n
-idee van dat die wel noodig zouden zijn binnen 'n paar minuten. Want
-natuurlijk liet de burgemeester die twee kerels 't raadhuis uitgooien.
-
-De burgemeester staarde 'n oogenblik beteuterd naar Pirlapan, doch toen
-wilde hij hen dan ook maar dadelijk de deur wijzen. Zoo'n optreden
-was niet geoorloofd in Lumkiping. Hij kwam er evenwel niet toe, want
-Pirlapan trad op de tafel toe met 'n paar dreunende stappen en zei:
-
-"Burgemeester, je houdt hier 'n jongen gevangen en die moet je
-oogenblikkelijk in vrijheid stellen. We komen hem halen."
-
-Da's zeker de rooverhoofdman, dacht de burgemeester en hij werd al 'n
-beetje benauwd. Had hij nu maar 'n stuk of wat dienders bij de hand,
-dan had hij hen meteen ook in de boeien kunnen laten slaan.
-
-"Burgemeester," zei nu Karibo, "die jongen is waarschijnlijk, neen
-we weten 't zeker, prins Alphabet, de nieuwe keizer van Huk."
-
-De burgemeester viel met 'n plof in z'n zetel terug en de secretaris
-prevelde: "Net zoo als ik vermoedde."
-
-"Vooruit wat burgemeester..." zei Pirlapan met 'n luide stem. "'n
-Keizer van Huk hoort niet in 't raadhuis van Lumkiping gevangen te
-zitten en 'n Pirlapan laat je ook niet wachten als ie wat vraagt."
-
-"Pirlapan... bedaar wat... De burgemeester kon dit toch ook niet
-helpen," suste Karibo.
-
-"Maar nou kon ie 't toch wel helpen? Hij hoeft daar nu niet in
-z'n stoel te blijven zitten terwijl ie op 'n drafje de prins moest
-gaan halen."
-
-"Heeren," kwam nu de zachte stem van de secretaris... "deze gevangene
-is vannacht ontsnapt..."
-
-"Hè... wat...?" riep Pirlapan... "Is prins Alphabet ontsnapt...? Waar
-naar toe?"
-
-"Weet ik niet..." zei de secretaris. "Van morgen was de cel leeg."
-
-"Maar lieve hemel," zei Karibo... "hoe kon dat nou...?"
-
-"Weet ik niet..." herhaalde de secretaris weer... "Hij is
-ontvlucht... in z'n hemd."
-
-"In z'n hemd??"
-
-"Ja..., hij had geen kleeren. Hij is gevangen genomen met de
-staatsiekleeding van de burgemeester aan, die had hij van roovers
-beweerde hij. De burgemeester heeft die mooie kleeren mee naar huis
-genomen..."
-
-"En nou loopt de keizer van Huk ergens rond in z'n hemd?" riep
-Pirlapan... "Man, hoe kon jij 't over je verkrijgen om zoo'n jongen
-'n heele dag in z'n hemd in de gevangenis te laten zitten!!"
-
-Hij stak z'n vuist op tegen de burgemeester. "Je moest er zelf in!!"
-
-"Kom," zei Karibo, terneer geslagen. "We moeten weer gaan zoeken. Hij
-kan nu toch niet ver weg zijn... 'n Jongen in z'n hemd moet toch ook
-iedereen gezien hebben..."
-
-"Geen mensch heeft hem gezien," zei de secretaris zacht. "Ik heb
-vanmorgen dadelijk overal nasporingen laten doen. Door de heele
-stad heb ik laten navragen. Niemand wist er iets van. 't Geval is
-onbegrijpelijk."
-
-"'t Geval is onbegrijpelijk heeren," zei de burgemeester die wat
-begon bij te komen. "En als er een is die er niemendal van begrijpt
-dan ben ik 't."
-
-
-
-
-
-
-
-
-ACHTSTE HOOFDSTUK.
-
- Waarin Oeliboe Bomdrum 'n bewijs geeft van snuggerheid, prins
- Alphabet hoort hoe de jongste Pirlapan heet, Karibo en de oude
- Pirlapan weer in de asch zitten en de secretaris met z'n slimheid
- iemand woedend maakt.
-
-
-Er waren er nog veel meer, die er niets van begrepen. Karibo,
-Pirlapan en de secretaris spraken die avond over niets anders, maar
-ze konden geen oplossing van 't raadsel vinden, zelfs niet toen ze
-de rooverhoofdman er bij haalden.
-
-De eenige, die er meer van wist dan heel Lumkiping, was de politiereus
-Oeliboe Bomdrum, die de vorige nacht 't raadhuis bewaakt had. Maar die
-man was zoo verschrikkelijk dom en tegelijkertijd zoo allerakeligst
-bang, dat ie z'n mond stijf dicht hield, zoolang ie niet bij hoog en
-laag volhield dat ie er niets van wist. Oeliboe Bomdrum was bevreesd
-te vertellen dat ie zich had laten beetnemen, en daarom zei hij maar,
-dat ie niemendal gezien had. De zes andere politiemannen, die met
-hem de wacht hadden, zeiden 't ook. Doch die spraken de waarheid in
-zooverre dat ze alle zes geslapen hadden toen er wat te zien was. Ze
-hadden afgesproken elkaar niet te verraden, want op wacht mochten
-ze niet slapen. Oeliboe Bomdrum was echter te dom om te snappen, dat
-'t waarschijnlijk voordeeliger voor hem zou zijn, indien hij vertelde
-wat er die nacht op het raadhuis was voorgevallen.
-
-De wachters op 't raadhuis hadden de gewoonte allemaal op een na
-te gaan slapen, zoodra ze dachten dat er wel geen inspecteur of zoo
-iemand meer komen zou om te surveilleeren. Dat was tot nog toe altijd
-goed gegaan. Er was nooit iets bizonders voorgevallen.
-
-Maar de vorige nacht terwijl Oeliboe Bomdrum de beurt had om wakker te
-blijven, kwam er 'n jongen heel brutaal aanstappen met 'n pak onder
-z'n arm. Oeliboe Bomdrum zat er net over te prakkezeeren of ie ook
-maar niet 'n klein tukje zou gaan doen, want hij was de heele dag uit
-visschen geweest. Er kwam nu toch geen mensch meer en hij kon best
-'n beetje languit gaan liggen op de breede bank waar hij op zat, in
-'t groote portaal van 't raadhuis. Hij had z'n beenen al op de bank.
-
-Toen kwam die jongen met z'n pak. Oeliboe Bomdrum was in geen lange
-tijd zoo geschrokken en hij stond plotseling kaarsrecht op z'n
-twee beenen.
-
-"Compliment van de burgemeester," zei de jongen, "en hier zijn kleeren
-voor de gevangene."
-
-"Geef maar hier..." antwoordde Oeliboe Bomdrum...
-
-"Nee... 'k moet ze hem zelf brengen... Haal de sleutels."
-
-Oeliboe Bomdrum was gewoon te gehoorzamen, als hem wat bevolen werd
-en die jongen daar voor hem, zei 't zoo kortaf, dat Oeliboe Bomdrum's
-beenen vanzelf in beweging kwamen. De jongen liep dadelijk met hem
-mee. Oeliboe Bomdrum ging met 'n lantaarn in de hand, 'n paar gangen
-door, nam 'n groote sleutel van 'n spijker, er hingen er 'n heele boel,
-en stapte toen op 'n deur af.
-
-"Geef maar hier," zei de jongen, "ik kan 't zelf wel."
-
-Oeliboe Bomdrum gaf hem.
-
-"'k Zal hem je zoo wel terugbrengen als ik klaar ben. Ga maar weer
-op je post."
-
-Als Oeliboe Bomdrum nu niet zoo'n ezel geweest was, had hij gauw z'n
-kameraads gewaarschuwd, maar dat deed ie niet. Hij wandelde langzaam
-terug naar z'n bank en ging zitten. Hè, hè... wat 'n idee van die
-burgemeester om zoo laat nog iemand te sturen met kleeren voor zoo'n
-rooversjongen. Toch wel 'n goeie kerel die burgemeester... Nou die
-jongen zou 't wel koud gehad hebben in z'n hemd zoo'n heele dag in dat
-kille hok. Oeliboe Bomdrum had z'n lange beenen al weer op de bank. De
-lantaarn had hij er achter gezet om geen last van 't licht te hebben.
-
-Abé hoorde 't gepraat voor z'n cel en daarna 't knarsen van grendels en
-'t overgaan van 't slot. Hij had niet kunnen slapen van kou en daarom
-had ie maar voortdurend heen en weer geloopen om warm te blijven. Hij
-meende dat 't de eenige manier was om er niet ziek bij te worden, als
-de menschen zoo vriendelijk waren je in 'n koud hok te laten zitten in
-je hemd. Hij kon niet zien wie er binnen kwam, want 't was pikkedonker
-en ook kende hij de stem niet toen er zacht tegen hem gezegd werd:
-
-"Hier, trek gauw die kleeren aan... dan gaan we d'r van door."
-
-Abé liet 't zich geen tweede keer zeggen. Hij trok op de tast haastig
-de kleeren aan. 'n Enkele keer had ie 'n ding onderste boven, maar
-dat voelde hij gauw genoeg. In 'n minuut was ie gereed.
-
-"Klaar..." zei Abé zacht.
-
-"Geef me je hand... 't is donker... en zacht hoor..."
-
-Als dieven sloopen ze op hun teenen de gangen door. De jongen, die hem
-kwam verlossen had goed de richting onthouden... en zoo kwamen ze al
-heel gauw bij 't portaal. Abé's redder kwam heel dicht met z'n mond
-bij Abé's oor en fluisterde: "D'r zit 'n schildwacht... daar moeten
-we langs. Ik zal even gauw kijken..."
-
-De jongen ging onhoorbaar 't portaal in. Zoo zacht liep hij, dat Abé
-er niemendal van merkte en de jongen was al weer terug eer Abé er
-erg in had.
-
-"Hij ligt op de bank. Kom. Maar stil hoor."
-
-Abé liep op bloote voeten, maar z'n kameraad leek wel nergens op te
-loopen. Wat kon die voorzichtig sluipen. Abé hoorde nog wel z'n eigen
-voeten op de steenen, maar van de ander vernam hij niet 't minste
-geluid. Zoo kwamen ze voorbij Oeliboe Bomdrum die net droomde, dat ie
-'n snoek van tien pond aan de haak had.
-
-Buiten vlogen ze de trappen af langs de muur van 't raadhuis en toen
-'n zijstraat in.
-
-"Hier heb je schoenen," zei de jongen. "Trek ze gauw aan, want als
-ze merken dat je gevlogen ben krijgen we de heele bende achter ons."
-
-"Welke bende?"
-
-"Wel, die wachters van 't raadhuis. Ze sliepen natuurlijk allemaal
-op die eene na en die slaapt nu ook. Maar als ie wakker wordt gaat
-ie natuurlijk kijken, en dan..."
-
-Abé had z'n schoenen aan.
-
-"Vooruit dan maar," zei hij. "Maar zeg es wie ben je?"
-
-Er waren geen lantaarns in Lumkiping. Ieder die bij avond uitging
-moest zelf 'n lantaarn meenemen of door 'n bediende voor zich uit
-laten dragen. Abé's redder had 't echter maar zonder lantaarn gedaan en
-daardoor kwam het dat Abé 't gezicht van die jongen niet onderscheiden
-kon. Toch was hij erg nieuwsgierig er naar, wie hem zoo handig uit
-dat akelige hok bevrijd had en ook waarom deze dat gedaan had.
-
-Hij kreeg echter geen antwoord op die vraag, maar in plaats daarvan
-zei de jongen: "Loop wat je kan... daar komen ze."
-
-Oeliboe Bomdrum was wakker geworden, door die snoek van tien pond, want
-hij rolde met z'n gedroomde snoek van de bank af. Toen was ie meteen
-klaar wakker, voorzoover hij ooit klaar wakker werd, want iedereen
-noemde hem 'n kapitale suffer, die altijd stond te droomen. Maar nu
-was hij in ieder geval wakker genoeg om zich te herinneren dat ie die
-jongen van de burgemeester nog niet teruggezien had met de sleutel
-en daarom zou hij maar eens kijken.
-
-De sleutel hing weer aan de haak waar hij hoorde, maar toch liep
-Oeliboe Bomdrum nog even door naar de cel om te zien of de grendels
-er wel goed op gedaan waren. Nog nooit was Oeliboe Bomdrum zoo
-geschrokken. Niet alleen waren de grendels niet voor de deur geschoven
-doch de heele deur stond maar zoo open... en toen Oeliboe Bomdrum met
-z'n lantaarn voor die open deur stond, stond z'n groote mond haast
-net zoo wijd open als de deur.
-
-Vijf minuten later holden al de zeven politiereuzen de trappen van
-'t raadhuis af, aan de eene kant vier en aan de andere kant drie
-en Oeliboe Bomdrum was bij de vier die toevallig net de straat in
-holden waar Abé z'n schoenen stond aan te trekken. Gelukkig voor de
-jongens hoorden ze de zware reuzen met hun dreunende stappen net nog
-bijtijds aankomen.
-
-Oeliboe Bomdrum en z'n kameraden hadden lange beenen en ze liepen
-lang niet slecht, maar zoo hard als die twee vluchtelingen konden ze
-'t niet. Die wonnen bij stukken! Abé en z'n redder bleken eerste klas
-renners te zijn.
-
-Maar rennen alleen helpt je niet als je onderweg 'n rivier van vijftig
-meter breed tegen komt en de Lum die daar langs de stad stroomde, was
-zeker zoo breed. 'n Heel eind verderop was 'n brug, maar ze durfden
-'t niet avonturen daar heen te loopen. Er konden misschien wel andere
-vervolgers uit 'n straat of een steeg komen schieten en dan waren ze
-er gloeiend bij. Dat bedacht Abé's redder onder 't voorthollen.
-
-"Zwem je?" vroeg hij, even voor ze de rivier bereikten.
-
-"En of!" zei de ander.
-
-"Dan maar rechtuit..."
-
-Oeliboe Bomdrum stond met z'n drie kameraads te hijgen en te puffen
-aan de waterkant. Ze konden geen van vieren zwemmen.
-
-"'k Mag lijen dat ze allebei zinken", bromde er een. "Is dat loopen."
-
-"Weet je wat," zei 'n tweede, "ik keer om hoor. 'k Heb net zoo'n
-slaap."
-
-"Hoe is ie er uitgekomen?" vroeg de derde.
-
-"Weet ik 't," snauwde Oeliboe Bomdrum. "'k Zag ze samen d'r van
-door gaan."
-
-"Je hebt zeker geslapen," zei nummer een weer.
-
-Doch dat had ie niet moeten zeggen, want ze hadden 't zelf ook
-gedaan en Oeliboe Bomdrum werd er zoo nijdig om, dat ie met z'n
-groote vuisten nummer een 'n paar schrikbaarlijke opstoppers gaf,
-wat deze zich maar zoo niet liet aanleunen. Hij had zware knuisten en
-toen hadden de twee overigen hard werk om Oeliboe Bomdrum en nummer
-een van elkaar te krijgen, terwijl die op elkaar aan 't losbeuken
-waren. Waarna ze met hun vieren in de beste harmonie weer naar
-'t raadhuis wandelden. Onderweg spraken ze af, dat ze allemaal hun
-mond zouden houden, en de drie die de andere kant op waren geloopen,
-en allang weer terug waren beloofden 't ook. 'n Kwartier later zat
-nummer een op de bank en lagen de anderen op een oor. Oeliboe Bomdrum
-was weer aan 't snoek vangen, wat z'n liefste werk was, zoodat ie
-'t zelfs in z'n slaap niet laten kon.
-
-De vluchtelingen waren gauw genoeg de rivier over en eenmaal aan de
-overkant behoefden ze zich niet meer zoo te haasten, maar toch gingen
-ze er niet bij zitten, want ze wisten heel goed, dat je dat met 'n nat
-pak aan maar liever niet doen moet. Abé's redder had er echter nog 'n
-andere reden voor. Iemand die onschuldig gevangen zit uit de kerker
-verlossen is heel mooi, maar dan moet je ook zorgen, dat ze hem de
-volgende dag niet weer te pakken kunnen krijgen. Daarvoor hadden ze
-paarden noodig om zoo snel mogelijk weg te komen....
-
-Tenminste dat dacht Abé er van toen de jongen hem ergens heen bracht
-waar aan 'n boom gebonden twee paarden stonden.
-
-"Je hebt overal aan gedacht," zei Abé. "Ik kan je niet dankbaar genoeg
-zijn.... Wie ben je toch?"
-
-"Prins Alphabet," zei de jongen, "stijg op. Ik zal je bij Karibo en
-m'n vader brengen.... Ik ben de jongste Pirlapan."
-
-Abé stond 'n heele tijd, met z'n eene voet al in de stijgbeugel,
-sprakeloos.
-
-Toen trok hij snel z'n voet uit het ijzer terug en hij pakte de jonge
-Pirlapan, die de paarden vasthield bij de teugel, met allebei z'n
-armen stevig om de hals.
-
-"Pirlapan, ik hou veel van je."
-
-"En ik van jou, prins Alphabet."
-
-"Prins Alphabet?... ben ik prins Alphabet??"
-
-"En keizer van Huk."
-
-"Keizer???"
-
-"Laten we wegrijden prins... Onderweg vertel ik je alles wat ik weet."
-
-"Onder één voorwaarde ... dat je Abé tegen me zegt. Je bent mijn
-vriend... Hoe is jouw voornaam?"
-
-"Plachki."
-
-"Plachki?"
-
-"Ja. Ik heet eigenlijk Pilachkoublasinaugau, maar dat is zoo'n mondvol,
-dat zegt toch geen mensch."
-
-"Mijn vader hebben ze weggejaagd, omdat ie mij niet zoo'n gekke lange
-naam geven wou..."
-
-"En nou willen ze je weer terug al heet je enkel maar prins Alphabet."
-
-"Hoe komen ze daar toch bij?" vroeg Abé 'n oogenblik later terwijl
-ze kalm voortreden. "Ik heet toch niet zoo?"
-
-"Weet je dàt niet eens? 't Is 'n scheldnaam, die ze vroeger in Pomfriet
-voor je uitgedacht hebben."
-
-"Zoo... en dus is mijn spotnaam een eerenaam geworden?"
-
-"Dat is 't."
-
-"Maar zeg eens Plachki, je zou me alles vertellen wat je wist."
-
-"Zoo meteen. Ik word koud in die natte kleeren en jij?"
-
-"Ook wel 'n beetje."
-
-"Weet je wat we doen moesten? Aan 't eerste huis 't beste vragen of
-we onze kleeren 'n beetje mogen drogen bij 't vuur. 't Begint dag te
-worden. We zullen de menschen al wel opvinden hier buiten."
-
-"Ja laten we dat doen."
-
-Ze reden nu vlug nog 'n eind langs de rivier en zoodra ze 'n
-boerenwoning ontdekten klopten ze aan en vroegen of ze hun kleeren
-mochten drogen voor 't vuur. Ze werden vriendelijk ontvangen. De boerin
-stookte 't vuur flink op en terwijl de jongens hun kleeren droogden
-sneed de vrouw dikke boterhammen voor hen. In 'n half uurtje waren
-ze weer heelemaal klaar. Van binnen en van buiten kurkdroog waren ze
-nog wel niet, doch dat zou de zon wel verder opknappen. Ze bedankten
-de boerin en stegen weer te paard.
-
-Nu begon Plachki z'n verhaal en Abé luisterde met steeds grooter
-wordende verbazing. Hij moest er om lachen dat nu iedereen daar in
-de buurt al zoo'n tijd naar hem gezocht had, zonder hem te vinden,
-en hij had meelijden met die arme trouwe Karibo. Ze zouden er maar
-zoo snel mogelijk heenrijden.
-
-"En wat zei moeder Guldratsj wel, toen ze hoorde dat ik prins
-Alphabet was?"
-
-"O heet dat ouwe wijf zoo? Wat ze zei weet ik niet... maar vader
-geloofde er niemendal van... Hij dacht dat zij misschien wel goeie
-maatjes was met die kerel die je je paard ontstolen had..."
-
-"Moeder Guldratsj, die me verpleegd heeft, alsof ik d'r eigen
-kleinzoon was?"
-
-"Ja... vader heeft d'r naar Pirlapan laten brengen..."
-
-Met 'n ruk hield Abé z'n paard in.
-
-"Hè?? Moeder Guldratsj is die naar Pirlapan gebracht? Zit ze daar
-achter slot?"
-
-"'k Denk 't wel."
-
-"In 'n donkere kelder misschien?"
-
-Plachki haalde z'n schouders op. "'k Weet 't niet," zei hij. "'k Hoop
-'t niet voor d'r, want de kelders van Pirlapan zijn geen plezierige
-verblijfplaatsen. 't Is er vochtig en koud en donker."
-
-"Plachki, we rijden regelrecht naar Pirlapan."
-
-"En Karibo dan?"
-
-"Plachki hoor je niet wat ik zeg? Naar Pirlapan... dadelijk."
-
-Plachki keek verwonderd Abé aan. Die was donkerrood geworden en z'n
-oogen fonkelden van verontwaardiging.
-
-"Maar... ze zoeken naar je."
-
-"Laat ze zoeken... Vooruit of ik ga alleen."
-
-"Je bent mijn keizer," zei Plachki, "en ik 'n Pirlapan. Ik
-gehoorzaam. Dan zullen we de kortste weg maar nemen. In twee dagen
-zijn we er."
-
-En nu kregen de paarden hun portie. Ze moesten hun beenen inspannen
-want ze werden voortdurend aangespoord tot grooter snelheid. Maar de
-jongens waren geen dierebeulen. Ze gaven hun beesten op tijd rust en
-voedsel in overvloed. Plachki had genoeg geld bij zich om alles te
-kunnen koopen onderweg, wat ze noodig hadden.
-
-'t Gekste was dat ze telkens menschen te paard en te voet ontmoetten
-die op zoek waren naar prins Alphabet. Zoo nu en dan troffen ze
-er an, als ze ergens hun paarden lieten uitrusten en dan hadden de
-twee jongens er genoeg pret van. Want zoodra ze bemerkten dat ze met
-prinsezoekers te doen hadden, zeiden ze die menschen dat ze 't verder
-zoeken wel konden opgeven, omdat de prins al terecht was.
-
-"En wie heeft hem gevonden?"
-
-"Pirlapan."
-
-Dan was 't 'n lust om de lange gezichten te zien van die arme
-stakkers, die hun gewone werk in de steek hadden gelaten om de duizend
-goudstukken te verdienen.
-
-"Hoe weet jullie dat?" vroegen ze dan gewoonlijk.
-
-"'k Heb hem zelf gezien", antwoordde Plachki.
-
-"Wie, de prins?"
-
-"De prins en Pirlapan."
-
-En dan zei Abé... "Ik heb Pirlapan ook gezien."
-
-"Lang geleden?"
-
-"Van morgen."
-
-"Waar?"
-
-"Vlak bij Lumkiping."
-
-Tegen de avond bereikten ze 't hutje van moeder Guldratsj en omdat
-hun paarden en zijzelf te moe waren om verder te reizen besloten
-ze daar te overnachten. Ze konden de deur gemakkelijk genoeg open
-krijgen... 't Was daar binnen 'n beetje wanordelijk. Heel anders dan
-Abé 't van moeder Guldratsj gewoon was. Hun paarden waren achter de
-hut in 'n soort schuurtje onder gebracht. Ze durfden ze niet buiten
-te laten. Voor haver had Plachki gezorgd. Zijn paard droeg 'n heele
-zak vol achter 't zadel. En ze sliepen allebei uitstekend. Doch niet
-zoo lang als ze wel graag gedaan hadden. Voor de zon op ging, zaten ze
-al weer te paard. En nu ging 't in één rit door 't bosch naar Pirlapan.
-
-Karibo en de oude Pirlapan zaten 's avonds na de ontvluchting van
-prins Alphabet uit 't raadhuis van Lumkiping, nog maar steeds te
-overleggen met de rooverhoofdman en de secretaris. Ze wisten maar niet
-wat ze beginnen moesten. De heele stad was ijverig afgezocht en ook de
-omtrek. Doch eindelijk kwam er iemand hen vertellen, dat 't gerucht
-door de stad ging als zou prins Alphabet gevonden zijn. Dadelijk
-gingen ze er op uit. En ze hoorden 't al gauw genoeg. 't Ging als een
-loopend vuurtje door de stad. Teleurgestelde prinsezoekers hadden 't
-verteld, maar geen mensch wist er 't rechte van. Ze trachten uit te
-vinden, wie er 't eerst mee aangekomen was. Dat duurde tot heel laat
-'s avonds. Toen brachten 'n paar politiemannen iemand op 't raadhuis,
-waar ze bij elkaar zaten, en die wist er alles van, want hij had
-'t gehoord die middag van 'n paar jongens ergens buiten de stad. Er
-werd hem natuurlijk gevraagd wat 't voor jongens waren. Dat wist
-de man niet. Hij had niet gevraagd hoe ze heetten. Hoe ze er dan
-uitzagen? Ja, dat kon de man wel vertellen. Uit zijn beschrijving
-bleek, dat er een bij was die wel wat op prins Alphabet scheen te
-lijken, doch toen de man begon te vertellen hoe die jongen gekleed
-was, begrepen ze er weer niemendal van. Prins Alphabet was in z'n hemd
-ontvlucht en niemand had de kleeren die de man beschreef, ooit van z'n
-leven gezien. Doch 't gekste keken ze op toen de man begon te zeggen,
-dat volgens 't verhaal van die jongen, prins Alphabet gevonden was
-door iemand die Pirlapan heette.
-
-"Wel nou nog mooier," riep de oude Pirlapan uit.
-
-Op dat oogenblik verschenen er voor 't raadhuis 'n stuk of wat ruiters,
-'t waren soldaten van de Pomfrietsche lijfwacht, die met de jongste
-Pirlapan waren uitgetrokken om te zoeken. Ze hadden gehoord dat
-Karibo en Pirlapan in 't raadhuis waren en kwamen nu meedeelen,
-dat hun jonge aanvoerder zoek was.
-
-Toen Karibo en Pirlapan dat vernamen zaten ze met open mond maar zoo
-stom als visschen. 't Werd hoe langer hoe gekker.
-
-Doch de secretaris was op 'n idee gekomen en vroeg aan de soldaten
-of z'n paard er nog was. Neen, dat was óók weg en ook nog 'n paard
-van een der soldaten.
-
-"Dacht ik al," zei de secretaris zacht en hij vroeg verder sedert
-wanneer de jonge Pirlapan weg was. De soldaten wisten 't niet precies,
-doch ze meenden al van de vorige avond af. De secretaris informeerde
-toen weer of ze om die tijd ook de twee paarden gemist hadden. Doch
-dat wisten de soldaten weer niet. Ze hadden 's avonds hun paarden op
-stal gebracht en er verder niet naar omgezien.
-
-"Jullie kan wel gaan," zei hij tegen de soldaten.
-
-"Heeren," begon de secretaris, "ik begrijp de heele zaak al. 't Is
-me zoo duidelijk als of ik 't zelf gedaan had. De jonge Pirlapan
-heeft Prins Alphabet uit 't raadhuis weten te krijgen op de een of
-andere manier."
-
-"Terwijl er zeven van die politiekokkers op hem pasten?" riep
-Pirlapan. "Da's onmogelijk."
-
-"Die politiereuzen hier zijn misschien niet zulke trouwe wakers
-geweest als wel noodig was," meende de secretaris. "Bovendien zijn
-ze geen van allen erg snugger, en die jonge Pirlapan schijnt me niet
-van gisteren te zijn."
-
-"Nee om de drommel niet," riep Pirlapan, "maar tegen zeven van die
-ongeschoren vleeschklompen kan ie 't toch onmogelijk uithouden."
-
-"Dat bedoel ik ook niet," zei de secretaris, "doch hij is misschien
-slimmer geweest dan al die zeven kerels bij elkaar. 't Zou ook kunnen
-zijn dat ze alle zeven geslapen hadden."
-
-"'t Kan toch niet," zei Pirlapan. "Want als Plachki prins Alphabet
-bevrijd had, dan zou ie er wel mee naar z'n soldaten gegaan zijn."
-
-"Dat begrijp ik heel best heer van Pirlapan," zei de secretaris. "Uw
-zoon zal de duizend goudstukken alleen hebben willen verdienen."
-
-Pirlapan gaf met z'n vuist 'n woedende klap op tafel.
-
-"Zeg eens," bulderde hij, "denk jij dat 'n Pirlapan z'n keizer uit
-de gevangenis bevrijdt om duizend goudstukken te verdienen? Man je
-beleedigt me... en als je niet zoo'n nietig, sloom stadskereltje was
-nam ik je bij je kraag en ik smeet je door 't venster."
-
-"Bedaar Pirlapan," suste Karibo, "de secretaris kent de Pirlapans
-niet en hij beoordeelt de zaak van zijn standpunt nog niet zoo
-slecht. De meeste menschen zou 't toch om die duizend goudstukken
-te doen zijn hè? Maar ik begrijp ook niet waarom Plachki, àls die
-werkelijk prins Alphabet uit 't raadhuis heeft verlost niet naar z'n
-soldaten is gegaan."
-
-"In ieder geval," zuchtte Pirlapan, "maar nu keek hij opeens erg
-somber ... zijn er nu al twee zoek."
-
-De rooverhoofdman had al die tijd voor zich zitten kijken met diepe
-rimpels in z'n voorhoofd. Nu stond hij plotseling op en zei:
-
-"Laat mij maar eens begaan. Ik breng die twee terug zoowaar ik 'n
-eerlijke roover ben."
-
-En vóór iemand iets had kunnen antwoorden, was hij de deur al uit.
-
-
-
-
-
-
-
-
-NEGENDE HOOFDSTUK.
-
- Waarin de lezer kennis maakt met Brulfros, prins Alphabet moeder
- Guldratsj weer terugziet en de roovers 'n leelijke kool stooft.
-
-
-De rooverhoofdman Brambribras, voluit heette hij eigenlijk
-Brambribrasbrolbrobranbris want hij was een echte Hukker van voorname
-afkomst die aan lager wal geraakt was, sprong zonder dralen op
-z'n paard en rende 't bosch in. Hij begaf zich regelrecht naar 't
-roovershuis waar hij z'n kameraden dacht aan te treffen. Ze waren
-er allemaal. Ze begroetten vol blijdschap hun hoofdman, maar 't viel
-tegen, dat ie de duizend goudstukken niet meegebracht had.
-
-"Mannen," zei Bram, "maak je maar niet ongerust, de duizend goudstukken
-zijn ons. Ik heb die heeren wel degelijk 't verblijf van de prins
-gewezen, maar nu is die jongen weer op de loop."
-
-"Wat kan ons dat schelen," zei 'n roover. "Als wij dat geld hebben
-kan die prins voor mijn part naar de maan loopen."
-
-"Beste vriend," zei de hoofdman, "je ben 'n uil. Begrijp je dan niet
-dat onze belooning nog veel grooter zal worden wanneer wij die prins
-Alphabet werkelijk terug brengen? Misschien... neen zeker krijgen
-we allemaal 'n mooie betrekking aan het hof of in het leger en dat
-is toch dunkt me heel wat beter dan dat eeuwige rooven en moorden
-waarvoor we vandaag of morgen allemaal opgehangen zullen worden."
-
-"Ik vind rooven veel plezieriger," zei de roover.
-
-"Nou blijf jij dan roover," antwoordde Brambribras. "Maar ik schei er
-uit als ik er kans voor heb. En die kans is er nu. Die oude Pirlapan
-en die oude Karibo hebben geen van tweeën verstand van zoeken. Ik
-verwed er wat om dat ik precies weet waar die prins Alphabet en die
-jonge Pirlapan die 'm zoo netjes uit 't raadhuis van Lumkiping verlost
-heeft, naar toe zijn."
-
-"Waar denk je dan dat ze heen zijn, hoofdman?" vroeg de roover weer.
-
-"Die twee zijn regelrecht naar Pirlapan."
-
-"Hoe weet je dat?"
-
-"Da's mijn zaak. Luister jullie nu eens. Wie mee gaat met me deelt
-eerlijk op, en wie niet meegaat die moet 't zelf maar weten. Maar
-die hoort niet langer bij mijn rooverstroep, begrepen?"
-
-"Dan ga ik maar mee..." zei de roover die 't woord gevoerd had en de
-anderen waren 't met hem eens.
-
-"Nu dan vlug," zei Brambribras, "we hebben geen tijd te verliezen."
-
-Ze stegen allen te paard en reden vroolijk naar Pirlapan.
-
-Abé en Plachki reden 't laatste eind door 't bosch zoo hard als
-ze konden. Abé was ongeduldig. Hij kon de gedachte niet verdragen
-dat die oude moeder Guldratsj, die zoo goed voor hem geweest was,
-nu juist om hem misschien, in zoo'n donkere kelder van Pirlapan
-opgesloten zat. Dat vond ie vreeselijk onrechtvaardig.
-
-Maar hoe hard ze ook reden 't was toch avond voor ze Pirlapan bereikten
-en ze met hun moede paarden voor de ophaalbrug stonden.
-
-De wachter keek in de schemering eerst eens goed uit voor hij de brug
-neerliet, maar toen z'n jonge meester 'n beetje driftig bevel gaf de
-brug maar heel gauw neer te laten, herkende de man Plachki en haastte
-zich aan 't bevel te voldoen.
-
-De jongens reden de valbrug over, sprongen van hun paarden, die
-onmiddellijk door 'n knecht naar de stal werden gebracht. 'n Oude
-dienaar, die bij afwezigheid der Pirlapans slotbewaarder was, bracht
-de jongens in hetzelfde groote vertrek waar ze tegen elkaar hadden
-gestreden en zei dat ie onmiddellijk voor 'n goed avondmaal zou zorgen.
-
-"Maar eerst moet je me eens vertellen waar moeder Guldratsj zit,"
-zei Plachki.
-
-"Moeder Guldratsj?"
-
-"Die hier gebracht is door twee van onze mannen".
-
-"O die ouwe tooverkol".
-
-"Breng haar onmiddellijk hier" zei Abé... "en als je nog eens durft
-te zeggen ouwe tooverkol..."
-
-"Welzeker," antwoordde de oude dienaar der Pirlapans... "Dat gaat maar
-zoo". "Ik heb bevel van mijn heer haar goed achter slot en grendel
-te houen..." "En ik zal zeggen wat ik wil..."
-
-"Houd je bedaard Brulfros," zei Plachki. "Je weet niet tegen wie je
-spreekt. Doe wat hij je beveelt."
-
-"Beveelt?... Beveelt?... Ik laat me alleen wat bevelen door mijn
-meester de baron van Pirlapan. Denk jij Plachki en jij vreemde
-snoeshaan..."
-
-"Brulfros houd je mond," riep Plachki opeens boos. "Je staat tegenover
-prins Alphabet, de keizer van Huk."
-
-De oude Brulfros viel haast om van schrik. Met groote oogen en open
-mond stond ie daar naar Abé te staren en deze vond 't zóó komiek dat
-ie er hardop om begon te lachen en Plachki ook.
-
-"Kom Brulfros," zei Abé, "kijk me maar niet zoo verschrikt aan,
-ik zal je niet opeten. Maar haal nu heel gauw moeder Guldratsj hier."
-
-"Da... delijk, ... prins..." stotterde Brulfros en toen maakte hij
-dat ie wegkwam.
-
-Abé en Plachki keken hem na en vielen toen allebei naast elkaar op
-'n bank. Ze schaterden 't uit.
-
-"Nou zie je eens Abé hoe de menschen voor je vliegen als je keizer
-van Huk ben."
-
-"Ja maar ik ben bang dat ze niet allemaal zoo gehoorzaam zullen
-zijn Plachki."
-
-"Niet? Nou dat zal je dan wel eens gewaar worden als je maar eenmaal
-in Pomfriet ben. Zelfs mijn vader, die hier alles te vertellen heeft,
-hier op Pirlapan, die buigt voor je."
-
-"Nou maar dat wil ik niet hebben. Denk je dat ik allemaal buigende
-menschen om me heen wil zien? Dank je wel hoor."
-
-"'t Hoort zoo Abé. Voor de keizer van Huk, de zoon der goden,
-buigt alles."
-
-"Plachki hoor es," zei Abé vertrouwelijk, terwijl hij z'n vriend de
-hand op de schouder legde. "Je moet me wat beloven."
-
-"Alles prins."
-
-"Nu laat dat prins maar weg. En beloof je 't eerlijk?"
-
-"Abé maak nou geen gekheid. 'n Pirlapan kan niet anders dan eerlijk
-wat beloven. Wij Pirlapans houden ons woord, al kost 't ons de kop."
-
-"Word maar niet kwaad driftkop. Je moet me beloven dat je nooit voor
-me buigen zal. Nooit hoor."
-
-"Maar Abé... dat is onmogelijk... Dat kan niet."
-
-"'t Moet Plachki. Ik kan geen vriend hebben die voor me staat te
-buigen. Dat begrijp je toch hoop ik."
-
-"Ik begrijp het heel goed... maar 't kan toch niet. M'n vader zal
-willen dat ik net doe als alle andere Hukkers..."
-
-"En dat is?"
-
-"Wel dat ik eerbiedig buig voor de keizer van Huk."
-
-"Maar als de keizer van Huk 't nou niet hebben wil."
-
-"Ik... weet 't niet... Abé. 't Lijkt me 'n lastig geval."
-
-"Nou je hebt 't me beloofd en 'n Pirlapan houdt z'n woord."
-
-De deur ging open en Brulfros trad binnen met moeder Guldratsj. 't Oude
-menschje ging diep gebogen. Abé sprong van z'n bank en 'n oogenblik
-later had ie 't oude moedertje in z'n armen.
-
-"Moeder Guldratsj hier ben ik weer terug... kom gauw zitten... en
-zeg me hoe je 't gehad hebt... Ze hebben je opgepakt hè?"
-
-"Abé.... jongen... ben jij 't?" sprak moeder Guldratsj zacht...
-
-"Nou of ik 't ben... kom ga nou eerst zitten."
-
-Abé en Plachki zetten 't oude mensch op 'n bank en gingen aan
-weerskanten van haar zitten. Plachki had er 'n beetje moeite mee. Hij
-begreep niet goed waarom Abé zoo'n drukte maakte over zoo'n ouwe
-arme stakker. Nou ja, dat mensch had Abé verzorgd toen ie gewond
-was... Maar nu was diezelfde Abé 'n prins en 'n keizer. Die kon dat
-menschje beloonen zonder nou net te doen of 't z'n eigen grootmoeder
-was. Maar Abé dacht er op dat oogenblik heelemaal niet aan dat ie
-prins Alphabet was. Hij dacht alleen maar aan moeder Guldratsj die
-om hem in de gevangenis was geraakt.
-
-"Toe vertel nou es op moeder Guldratsj. Heb je 't slecht gehad?"
-
-Brulfros kreeg 't op eens weer benauwd. Verbeeld je dat die ouwe
-tooverheks nu eens ging zeggen dat ie niet goed voor d'r geweest
-was... en hij had nog wel uit meêlijden zoo goed voor d'r gezorgd
-als ie maar kon.
-
-Moeder Guldratsj veegde met d'r hand de tranen van d'r gezicht en
-toen zei ze:
-
-"Nee mijn jongen... 'k heb 't heel goed gehad... beter dan in mijn
-eigen hutje. Die man (ze wees naar Brulfros) was heel vriendelijk
-voor me..."
-
-Brulfros kreeg 'n dankbare blik van Abé en daar knapte de oude
-slotbewaarder heelemaal van op. Hij werd er bepaald warm van. Nog
-nooit had 'n keizer van Huk hem aangekeken en nu 't voor de eerste maal
-van z'n leven gebeurde raakte ie er heelemaal van overstuur. Hij had
-altijd gedacht dat ie wel haast door de grond zou zakken als hem eens
-'n keizer aan zou kijken, dat ie van schrik zou bibberen en dat ie
-zeker op z'n knieën zou vallen. Maar dit keizertje keek heel anders
-en vroolijk ging Brulfros aan 't werk om nu eens 'n echt Pirlapansch
-avondmaal op te dienen. Doch dit wist Brulfros al vast: àls er eens
-iemand kwam om prins Alphabet kwaad te doen... wel sapperloot dan
-zou Brulfros 'm bij z'n nek nemen en dan...
-
-"Ho, ho, Brulfros," riep Plachki, "je hoeft van avond niet zoo'n
-leven te maken."
-
-Brulfros had met 'n zware slag 'n tinnen kan op de eiken tafel
-gezet. Hij was in gedachten zeker al aan 't vechten met zoo'n vent...
-
-"En hoe vind je 't nou, dat ik je hier vandaan kom halen moeder
-Guldratsj?" vroeg Abé lachend.
-
-"Kan je dat Abé?"
-
-"'k Denk 't wel, anders was ik niet hier hè?"
-
-"Heb je dan je pleegvader gevonden?"
-
-"Nee, moeder Guldratsj... 'k moest eerst jou opzoeken. 'k Was namelijk
-bang dat ze je hier in 'n kelder gestopt hadden."
-
-"'k Heb heel niet in 'n kelder gezeten, Abé. Ze zijn heel goed voor
-me geweest. Maar vertel me nou es wie ben je toch eigenlijk?"
-
-"Hè? Wel ik ben voor jou geen mensch anders dan Abé hoor."
-
-"Vertel 't d'r maar," zei Plachki.
-
-"Welnee..."
-
-Moeder Guldratsj keek erg nieuwsgierig en ze luisterde nog
-nieuwsgieriger en toen Plachki dat merkte zei hij:
-
-"Moeder Guldratsj weet je wie d'r naast je zit? Prins Alphabet... de
-keizer van Huk."
-
-Moeder Guldratsj deed precies als Brulfros gedaan had, maar ze hield
-ook nog met eten op. 't Leek wel dat ze zich op eens niet meer durfde
-verroeren.
-
-"Had je mond maar gehouden," zei Abé. "Kijk nou es... nou durft ze al
-niet meer te eten ook. Keizers zijn zeker allemaal nare menschen, dat
-iedereen de schrik om 't hart slaat als ie er een in z'n buurt krijgt."
-
-"En je vader dan?" zei Plachki lachend. "Was dat ook 'n naar mensch?"
-
-"Neen, die heelemaal niet."
-
-"De menschen hebben ontzag voor 'n keizer," zei Plachki weer. "Dat
-is het."
-
-"Maar daarom kunnen ze toch wel door eten," meende Abé. "Kom moeder
-Guldratsj trek jij je d'r maar niks van aan hoor. Eet nog maar
-wat. Laat mij je nog eens 'n stuk vleesch geven."
-
-"Ik heb heel geen honger meer... keizer..."
-
-"Ben je heelemaal mal moeder Guldratsj, ga jij nou al keizer tegen
-me zeggen? Geen gekheid hoor. Je zegt Abé, anders word ik kwaad op
-je. Zal je 't doen?"
-
-"Jawel, keizer..."
-
-"Verroest," zei Abé en Plachki lachte zich haast 'n ongeluk.
-
-"Hoor eens Plachki, als je nou ooit weer tegen iemand zegt, dat ik
-keizer ben, dan kijk ik je nooit meer aan. De menschen worden bang
-voor me. Kijk me nou die goeie moeder Guldratsj eens zitten. Je hebt
-d'r heele avond bedorven."
-
-"Niks van aan hoor," zei Plachki. "Wat jij moeder Guldratsj? Ik wed
-dat je d'r wat 'n plezier van hebt dat Abé keizer van Huk wordt, hè?"
-
-"Dat heb ik ook... Ik ben d'r erg blij mee... En nou mag ik zeker
-morgen weer naar mijn huisje toe?"
-
-"Naar dat kleine hutje?" zei Abé... "Nee moeder Guldratsj... ik neem
-je mee naar Pomfriet... Je hebt me verzorgd... en nu is het mijn
-beurt. Nu zal ik jou verzorgen. Je moet in mijn paleis komen wonen."
-
-"In... 'n... pa... nee daar krijg je me niet in. Daar hoor ik niet
-in thuis."
-
-"Wel ik ook niet, moeder Guldratsj. Ik heb er ook nog nooit in
-gewoond. Dat zal wel wennen."
-
-"Nee dàt doe ik niet... Je moet me weer naar m'n hutje brengen."
-
-"Ik hou je bij me, moeder Guldratsj. Je zal er geen spijt van
-hebben... Maar laten we nu maar gaan slapen. Ik ben zoo moe als
-'n hond. Morgen praten we d'r nog wel eens over.--Brulfros!"
-
-"Majesteit!"
-
-Brulfros stond toen ie dat zei als 'n kaars plotseling doodstil met
-'n groote tinnen schaal in z'n handen.
-
-"Begin jij ook al," bromde Abé zacht en toen hardop: "Breng moeder
-Guldratsj naar d'r kamer. Ze heeft toch zeker 'n goeie kamer, hè?"
-
-"In de toren majesteit... onder de pannen."
-
-"Moet dat oude mensch al die trappen op? Beneden blijven, Brulfros."
-
-"Tot uw dienst, majesteit."
-
-Brulfros marcheerde voorop met 'n schaal en moeder Guldratsj volgde
-met Abé die haar onder de arm genomen had.
-
-"Slaap maar lekker moeder Guldratsj," zei Abé toen ze voor de kamer
-stonden waar Brulfros hen heen bracht. "Wel te rusten."
-
-"Genacht jongen," zei moeder Guldratsj zacht.
-
-En toen ze dat zei pakte prins Alphabet 't ouwe mensch om de hals.
-
-"Dat hoor ik liever moeder Guldratsj. Je ben mijn grootmoedertje
-hoor. Of ik keizer van Huk ben doet er niemendal toe."
-
-Brulfros stond met de uiterste verbazing op eerbiedige afstand toe
-te kijken. Dat was me 'n raar keizertje hoor. Maar eentje om van
-te houen... dat stond vast. En als er eens een kwam die 'm... nee
-maar... Brulfros voelde dat ie al woedend werd alleen bij de gedachte,
-dat er iemand 'n vinger zou durven uitsteken naar 't keizertje dat
-daar stond met zoo'n oud moedertje in z'n armen.
-
-Abé rustte die nacht heerlijk in 't bed, waarin hij bij z'n eerste
-verblijf op Pirlapan had geslapen. Bij de roovers was z'n slaapplaats
-de stal geweest en daarna had ie de nachten doorgebracht tusschen de
-twee geiten bij de boer en in 't hok op 't raadhuis te Lumkiping en
-in moeder Guldratsj wanordelijke hutje waar 't er raar had uitgezien,
-omdat de oude vrouw er zelf niet was. En daarvoor had hij geslapen
-onder de bloote hemel als 'n bedelaar. Nu zou 't in 't vervolg wel
-beter zijn. Morgen zou hij weer dezelfde weg gaan naar Pomfriet. Doch
-nu niet meer als 'n onbekende jongen die z'n pleegvader zocht maar
-als prins Alphabet. Hij had maar te spreken en iedereen stond voor
-hem klaar met alles wat hij wenschte. En in Pomfriet wachtte iedereen
-op hem om hem toe te juichen als de keizer van Huk. Ergens onderweg
-zou hij Karibo en de overige Pirlapans, de lijfwacht en wie weet wat
-nog meer ontmoeten. Hij en moeder Guldratsj en Plachki zouden met hun
-drieën gezellig tezamen de reis doen. Natuurlijk moest ie er wat op
-verzinnen voor moeder Guldratsj. Dat oude mensch kon niet te paard
-de tocht mee maken. 'n Draagkoets dat was nog 't beste voor haar,
-als er tenminste zoo'n ding op Pirlapan te vinden was. Er waren geen
-vrouwen op Pirlapan, behalve misschien wat ondergeschikten, maar die
-had Abé nooit gezien. Pirlapan z'n vrouw was zeker al lang dood en
-'t zou dus wel 'n wonder zijn als er 'n draagstoel of zoo iets op
-Pirlapan aanwezig was. Daar zou Abé echter de volgende dag eens met
-Plachki over spreken of met Brulfros, die wel 'n goeie kerel leek.
-
-Dat waren allemaal dingen waaraan Abé dacht voor hij insliep en
-waarvan hij droomde daarna.
-
-Maar toen hij lekker uitgeslapen de volgende ochtend met Plachki
-en Brulfros over die draagkoets begon, zeiden ze haast tegelijk,
-dat er nog nooit zoo'n ding op Pirlapan geweest was en dat er ook
-wel nooit een komen zou. Plachki's moeder, de barones van Pirlapan
-had paard gereden.
-
-"Weet je wat," zei Brulfros... "als uwe majesteit die oude vrouw dan
-met alle geweld mee wil hebben--ofschoon ze hier best nog 'n poosje
-blijven kon,--dan moet ze maar gebruik maken van onze ouwe ezel. Da's
-'n tam dier en niet zoo hoog op z'n pooten. Misschien kan ze daar
-wel op rijden."
-
-"Dat is misschien nog niet zoo kwaad," zei Abé. "Maar hebben jullie
-geen wagen?"
-
-"Ja wagens genoeg," zei Plachki. "Allemaal karren en paarden om ze
-te trekken ook. Maar 't zijn geen mooie hoor. Mooie wagens hebben we
-heelemaal niet en onze beste paarden gebruiken wij niet voor de kar."
-
-"Dat begrijp ik, 't zou zonde zijn."
-
-"Heer," zei nu de oude Brulfros, "mag ik u 'n raad geven? Ik ben oud
-en heb ondervinding."
-
-"Ga je gang Brulfros."
-
-"Laat mij te paard stijgen om de heer van Pirlapan en Karibo op te
-zoeken. Laat desnoods Plachki met me mee gaan, doch blijf zelf hier."
-
-"Dank je wel voor je goeie raad Brulfros, maar dat doe ik niet. Wat
-denk jij er van Plachki?"
-
-"Je moet 't zelf weten Abé. Jij ben de baas en ik doe wat je
-beveelt. Alleen heb ik er niet veel mee op om met dat oude menschje
-te reizen. 't Is net of je 'n stuk lood aan je been bindt om te
-gaan wandelen."
-
-"We zullen 't haar zelf vragen," antwoordde Abé. "Ze wil niet graag
-hier blijven, dat weet ik zeker."
-
-"Maar je kan haar toch bevelen hier te blijven," meende Plachki.
-
-"Ik moeder Guldratsj iets bevelen? Ben je niet wijs Plachki... Nee
-hoor, die mag d'r eigen zin doen..."
-
-Plachki haalde de schouders op. Hij begreep nog altijd maar niet hoe je
-zoo'n drukte kon maken voor zoo'n oud besje, dat niets te beduiden had.
-
-Eindelijk kwam moeder Guldratsj. Brulfros was haar gaan halen. Hij
-had 't goed begrepen. Moeder Guldratsj durfde niet ongeroepen naar
-Abé te gaan, nu ze wist wie hij was.
-
-"Malligheid moeder Guldratsj," zei Abé toen hij er van hoorde. "Ik ben
-nog precies dezelfde hoor. En vertel me nu eens, wil je hier blijven
-of ga je met me mee naar Pomfriet? De reis is niet gemakkelijk. Later
-kan ik je laten halen en dan reis je zoo plezierig mogelijk, daar
-zal ik wel voor zorgen."
-
-"Ik wil graag mee Abé, maar niet naar Pomfriet. Als je me 'n plezier
-wil doen breng me dan weer naar m'n hutje."
-
-"Nou goed dan," zei Abé. "We zullen je naar je hut brengen. Maar
-later kom je bij me, hè? Beloof je me dat moeder Guldratsj?"
-
-'t Oude menschje was zoo blij, dat ze weer naar haar hutje zou gebracht
-worden, dat ze grif beloofde later wel naar Pomfriet te gaan.
-
-"En kan je op 'n ezel rijden?" vroeg Abé.
-
-"Jawel jongen heel goed."
-
-"Dat is dan in orde. Dan gaan we maar dadelijk op reis."
-
-"Dat kan niet heer," zeide Brulfros. "Ik moet 't zadel van de ezel
-nog in orde maken. 't Kan niet voor morgen."
-
-"Nou goed dan gaan we morgen."
-
-"En dan gaan wij vandaag 'n beetje op jacht hè?" stelde Plachki
-voor. "Ik verlang naar 't bosch en ik zou wel eens willen zien of je
-de jachtspeer net zoo goed hanteert als 't zwaard."
-
-"Dat vind ik uitstekend Plachki."
-
-"Hoeveel man moeten er mee heer?" vroeg Brulfros.
-
-"Asjeblieft geen een Brulfros," zei Abé. "Of heb jij liever dat er
-nog meer meegaan Plachki?"
-
-"Neen we kunnen 't best alleen af."
-
-"Dan maar 'n paar stevige paarden Brulfros."
-
-"Ik zal de beste van de beesten die we nog thuis hebben laten zadelen,
-want de goeie hebben ze eigenlijk allemaal mee."
-
-"Gekheid Abé, geloof hem maar niet. We hebben nog goeie genoeg. Je
-moet de twee jonge zwarten maar uit 't land halen Brulfros."
-
-"Mij goed heer," zei Brulfros... "maar die zwarten zijn nog wel 'n
-beetje wild voor de jacht, en misschien nog wat schuw voor de wolven
-of voor 'n beer."
-
-"Daar moeten ze dan maar aan wennen Brulfros. Ik zal die zwarten halen,
-of heb jij liever 'n tammer beest Abé?"
-
-"Ik? Welnee... 'k Zal 't met 'n zwartje wel klaar spelen denk ik."
-
-'n Half uur later reden de twee vrienden op hun dartele vurige rossen
-met de jachtspeer in de vuist de valbrug over.
-
-Natuurlijk had Plachki achter op z'n paard eten voor de heele dag
-bij zich. 'n Pirlapan zonder eten, dat ging niet.
-
-De roovers waren die morgen net in de buurt van Pirlapan aangekomen
-en nu troffen ze het, dat ze verborgen achter 't kreupelhout de twee
-jagers juist zagen wegrijden. De hoofdman had schik, want nu bleek
-'t dat ie goed geraden had. Maar voor de rest stond ie nu toch voor
-'n moeielijk geval, want hij wist eigenlijk niet wat ie beginnen
-moest. Met z'n allen die twee jongens overvallen was 'n klein kunstje,
-maar dat wilde Bram niet. Want dan liep hij de kans dat er gevochten
-zou worden en dan kon 't best gebeuren, dat een van die twee of
-misschien wel allebei gewond werden. Dat mocht natuurlijk niet. Stel
-je voor dat ie de prins bij Karibo bracht of Plachki bij z'n vader,
-nadat ze hen eerst hadden toegetakeld! Ja als ze ongewapend geweest
-waren! Maar ze hadden ieder 'n jachtspeer en 'n zwaard. En 't waren
-er geen jongens naar om die dingen ongebruikt te laten, als 't
-noodig was. Hij zou kunnen probeeren hen te volgen net zoo lang tot
-ze van hun paarden kwamen om uit te rusten. Dan had ie misschien 'n
-kansje. Maar 't beste was voorloopig toch nog maar een van z'n mannen
-terug te zenden met 'n boodschap naar de oude Pirlapan. Dan wist die
-tenminste waar hij de prins kon komen halen. Dat deed ie dan ook,
-en hij liet de twee jagers ongemoeid. De roover die 't beste paard
-bereed werd teruggezonden naar Lumkiping en de rest nam 't er van
-om goed verborgen tusschen de struiken 'n beetje uit te rusten. De
-roovers sliepen in 'n wip. Maar Brambribras hield de wacht en hij
-deed daarbij de heele morgen niets dan nadenken over 'n plan om die
-twee in z'n macht te krijgen op 'n eerlijke manier. Bram bedoelde
-daarmee natuurlijk alleen maar, dat ie ze zonder gevaarlijke vechterij
-gevangen wilde nemen. Er viel hem evenwel niets in dat uitvoerbaar
-was zonder kans op ongelukken en tegen de middag was ie van al dat
-plannen maken zoo moe dat ie ook in slaap viel.
-
-En dat was z'n ongeluk.
-
-In de namiddag keerden Abé en Plachki terug. Ze hadden 'n slechte
-jacht gehad. Geen wolf of beer hadden ze te zien gekregen. Plachki
-zei, dat ze de honden hadden moeten meenemen. Die zouden 't wild wel
-opgejaagd hebben. Hij vond 't heel niet pleizierig zonder buit naar
-huis te komen. Abé was er niet zoo grommig om. Hij had heerlijk 'n
-dagje gereden op z'n zwartje dat alles behalve mak geweest was. Maar
-nu had hij 't beest onder de knie en 't liep als 'n lammetje.
-
-Heel toevallig kwamen ze de kant uit waar de roovers lagen te
-slapen. Hun paarden waren vastgebonden aan de boomen en sliepen
-ook. Ze zouden er waarschijnlijk niet veel van gemerkt hebben, als hun
-eigen paarden de slapende kameraden niet geroken hadden en daardoor
-'n beetje onrustig geworden waren.
-
-"Ik moet toch eens even gaan kijken, wat daar is," zei Plachki. "'n
-Wolf is 't niet, want dan doen de paarden anders."
-
-"St," zei Abé zachtjes. "Ik zie paarden en..."
-
-"Nou?" vroeg de ander.
-
-"Ik geloof dat ik ze ken..."
-
-De roovers hadden 'n zwart paard met een witte voet en 'n bruine met
-'n kol, zoo'n witte vlek op z'n voorhoofd. Die zou Abé uit duizenden
-herkend hebben. 't Waren paarden, die ze van de boer geroofd hadden.
-
-"Wie zijn 't?" vroeg Plachki fluisterend.
-
-"De roovers uit 't bosch bij Lumkiping."
-
-"Ik zie ze," zei Plachki... "Ze slapen. Stilletjes wegrijden hè? Er
-zijn er te veel."
-
-"Hou m'n paard eens even vast," zei Abé.
-
-"Wat ga je doen? Pas op hoor."
-
-Abé gleed heel zacht van z'n paard en sloop als 'n dier uit 't bosch
-naar de paarden der roovers. Die beesten kenden hem nog wel. Hij had
-ze veertien dagen lang verzorgd en ze werden heel niet opgeschrikt,
-toen Abé handig de een na de ander de toom stuk sneed. Hij deed 't
-zoo voorzichtig, dat er geen bit rinkelde. Abé keek voortdurend naar
-de slapende roovers uit. Die verroerden geen vin. En even onhoorbaar
-sloop hij terug naar Plachki, die met groote oogen had toegekeken,
-terwijl Abé bezig was.
-
-De jonge Pirlapan was 'n durfal, zooals alle Pirlapans, en natuurlijk
-had hij verbazend veel plezier in de poets die Abé de roovers speelde.
-
-"Hoe vind je 'm?" fluisterde Abé. En toen zat hij zelf weer in 'n wip
-te paard. 't Kon hem nu niet meer schelen of de roovers hen hoorden of
-niet en 'n oogenblik later reden ze zoo hard ze konden naar Pirlapan.
-
-"Die is prachtig," riep Plachki toen ze de valbrug over waren. "Maar
-nu komt Pirlapan aan de beurt."
-
-"Wat wou je dan beginnen?" vroeg Abé.
-
-"Hallo Brulfros!" riep Plachki. "Brulfros!!"
-
-"Wat is er Plachki," riep Brulfros terug, die haastig kwam aanstappen.
-
-"Gauw Brulfros, zooveel man te paard als je bij de hand hebt... Maar
-gauw hoor."
-
-"Wat... wat is er aan de hand?"
-
-"Zal je wel zien..."
-
-Brulfros deed wat hem gezegd was en nu werd 't op de binnenhof van
-Pirlapan 'n woelige boel. Tien Pirlapanners haastten zich als dollen
-om zich te wapenen en te paard te stijgen en Brulfros deed maar niets
-dan schreeuwen: "Vooruit, vooruit... Maak voort mannen."
-
-Nou voortmaken, daar wisten ze op Pirlapan alles van. Vooral als er
-zooals nu, wat te doen scheen waar ze 'n beetje bij konden vechten.
-
-'n Kwartier later zaten de mannen te paard, in hun ijzeren
-kettinghemden en 't zwaard op zij, en Brulfros zoo oud als ie was,
-reed vroolijk vooraan.
-
-Nu legde Plachki hen uit wat ze te doen hadden. Hij duidde hen de
-plek aan waar de roovers waren en hij gaf bevel, dat ze allemaal naar
-Pirlapan gebracht moesten worden.
-
-"Dood of levend," antwoordde Brulfros, "over 'n uur zijn ze hier."
-
-"Plachki," zei Abé, "je blijft bij mij hoor."
-
-"Ik hier blijven? Neen maar..."
-
-"De prins heeft gelijk, Plachki," zei Brulfros. "Je ben maar in
-'n jachtbuis en die roovers zullen zich wel niet zonder slag of
-stoot overgeven."
-
-"Dan trek ik gauw 'n kettinghemd aan," riep Plachki.
-
-"Neen Plachki, dat doe je niet," zei Abé. "Wij samen rijden
-achteraan... Dan kunnen we 't spelletje aanzien."
-
-"Da's flauw hoor. Zelf ging je er wel zoo op los."
-
-"Ja maar toen sliepen ze," zei Abé lachend. "Ze zullen nu wel wakker
-worden, denk ik."
-
-Plachki was uit z'n humeur, maar als 'n echte Pirlapan gehoorzaamde
-hij, en toen de troep Pirlapanners in woeste vaart 't bosch in reed,
-volgden de twee jongens in 'n gemakkelijk drafje. Ze wilden toch niet
-veel te laat komen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-TIENDE HOOFDSTUK.
-
- Waarin de roovers ergens terecht komen waar ze 't niet best hebben,
- moeder Guldratsj weer naar d'r hutje gebracht wordt onder 't zingen
- van 't Pirlapanlied en prins Alphabet 'n bode van Karibo ontmoet.
-
-
-Brambribras was er toch wakker van geworden, maar in z'n
-slaapdronkenheid meende hij, dat z'n eigen paarden 'n beetje leven
-gemaakt hadden en lette er verder niet op. 'n Poos later hoorde
-hij evenwel 't gestamp der hoeven van de Pirlapansche paarden op de
-valbrug. Hij zat rechtop. Maar 't werd weer stil en toen ging ie maar
-weer op z'n rug liggen om nog eens na te denken over z'n plannen. 't
-Was toch vervelend, dat je nou maar niemendal bedenken kon om die twee
-jongens te pakken te krijgen! Er kwam 'n roover overeind en even later
-nog een. Die luisterden allebei, op hun elleboog geleund. Brambribras
-zag het en toen luisterde hij ook. Er was geluid in 't bosch!
-
-"D'r komen paarden hoofdman," zei een van de roovers opstaand. "Ik zal
-'t mijne maar vast losmaken."
-
-"En ik," zei nummer twee.
-
-"Op mannen!" riep Brambribras. "Te paard!"
-
-Nu waren ze allemaal in 'n ommezien wakker en bij hun paarden. Ze
-grepen naar de leidsels. Het was niet de eerste keer in hun leven,
-dat ze zoo hals over den kop uit hun slaap opgeschrikt te paard
-moesten springen om hun leven te redden. Ze hadden nu eenmaal 'n
-gevaarlijk baantje. Even als zij de reizigers onverhoeds overvielen,
-gebeurde 't hen ook dat ze overvallen werden. En nog nooit waren ze in
-zoo'n geval hun hoofd kwijt geweest. Vooral Brambribras, hun hoofdman,
-behield z'n tegenwoordigheid van geest onder alle omstandigheden. Maar
-nu stonden ze plotseling allemaal radeloos met die losse toomen in
-hun hand. Wat moet je met 'n paard beginnen, als je 't niet besturen
-kan? Zelfs Brambribras wist er niets anders op, dan in de struiken
-te vluchten. En de overige roovers deden hun hoofdman na. Ze lieten
-hun onbruikbare paarden in de steek en gingen er van door.
-
-Brulfros was echter ook niet van gisteren. Die had op zoo iets wel
-gerekend en daarom had ie z'n Pirlapanners de plek waar de roovers
-kampeerden laten omsingelen en nu reden ze van alle kanten er op los,
-en ze schreeuwden zoo hard ze konden: "Pirlapan! Pirlapan!"
-
-Er was geen ontkomen aan. Alle roovers werden zonder slag of stoot
-gevangen en Abé met z'n vriend kwamen net nog vroeg genoeg om te
-zien dat zelfs Brambribras zich niet eens verdedigde maar zich als
-'n schaap aan de Pirlapanners overgaf.
-
-"Wat 'n lafaard," zei Plachki. "Bah!"
-
-"'t Zijn ook maar roovers Plachki."
-
-"Nou ja ... maar daarom hadden ze toch hun leven zoo duur mogelijk
-kunnen verkoopen. Zijn dat kerels! Ouwe wijven zijn 't."
-
-"Je vergeet dat ze niets aan hun paarden hadden hè!"
-
-"Da's waar. Dat was 'n slimme streek van je."
-
-De roovers werden naar Pirlapan gebracht en verhuisden regelrecht
-naar de ongezelligste plekjes die ze er in Pirlapan op na hielden:
-de kelders. Daar was 't vochtig, kil, donker en naar. Wie daar in
-terecht kwam was binnen vijf minuten z'n vroolijkheid kwijt. De
-roovers keken dan ook alles behalve vriendelijk toen ze er heen
-gebracht werden. Behalve Brambribras. Die scheen er niemendal om te
-geven. Daar begreep geen mensch wat van. Maar geen mensch wist ook iets
-van dat papiertje door Karibo geschreven en waarin deze en Pirlapan
-hem niet alleen de duizend goudstukken beloofden maar bovendien ook
-straffeloosheid voor hem en z'n kameraden. Daarvan had ie niet eens
-iets tegen z'n eigen roovers gezegd. 't Kostbare papier was veilig
-opgeborgen in de voering van z'n rechterlaars.
-
-"Ziezoo," zei Abé 's avonds, "die schurken zitten alvast goed
-opgeborgen. Wat zouden ze hier in de buurt gezocht hebben?"
-
-"'k Weet 't niet Abé. 't Komt me voor, dat ze op jou loerden. Maar
-als je 't graag weten wil zal ik wel even tegen Brulfros zeggen,
-dat ie de hoofdman even hier haalt."
-
-"Laat maar zitten hoor. 'k Stel heelemaal geen belang in die
-vent. Alleen ben ik blij, dat ie in zoo'n Pirlapansche kelder zit. Ik
-hoop dat ie z'n straf niet ontgaan zal. Niet omdat ze mij 'n veertien
-dagen als knecht gebruikt hebben. Dat was heelemaal zoo erg niet,
-maar omdat ze die boer vermoord hebben. Dat was gemeen."
-
-"Dat was 't ook... Maar dat ze jou als hun slaaf behandelden was toch
-nog veel erger."
-
-"Hè???"
-
-"Ja natuurlijk. Je ben toch prins Alphabet, de keizer van Huk."
-
-"Och dat wisten die kerels immers evenmin als ik. Ik was niets anders
-dan 'n berooide landlooper."
-
-"Doet er niet toe majesteit," zei Brulfros die eerbiedig achter de bank
-stond, waarop Abé zat. "Doet er niks toe. Ze hebben de wettige keizer
-van Huk voor stalknecht gebruikt en daarvoor verdienen ze de dood."
-
-"Brulfros je ben 'n rare kerel," zei Abé. "Ik zal jou maar nooit tot
-rechter aanstellen, want dan bleven er niet veel levende Hukkers over."
-
-"Voorloopig krijgen ze alvast geen eten," zei Brulfros grimmig. "Ik
-zal het hen wel inpeperen uwe majesteit."
-
-"Brulfros wil je me 'n plezier doen? Breng die schurken dan gauw eten,
-want ik geloof dat ze wel honger zullen hebben."
-
-"Eten brengen? Aan... die... gemeene... roovers?"
-
-"Wel ja Brulfros, 'n roover heeft net zoo goed honger als jij en ik."
-
-"Nou als uwe majesteit 't beveelt..." zei Brulfros... "Maar van mij
-kregen ze geen korst brood hoor!"
-
-"Doe 't maar voor mij Brulfros. Ik vind honger hebben 'n akelig ding."
-
-Toen Brulfros weg was zei Abé tegen z'n vriend: "Die Brulfros zou ze
-waarschijnlijk hebben laten doodhongeren, hé?"
-
-"Misschien wel Abé. We zijn hier op Pirlapan zoo goedhartig niet."
-
-"Je doet er anders heelemaal geen kwaad mee Plachki, als je iemand
-'n stuk brood geeft al is ie 'n schurk."
-
-"Als je er zoo over denkt Abé, dan zullen de roovers en de dieven en
-al dat andere gespuis er wel plezier van hebben dat jij keizer wordt
-van Huk."
-
-"Dat weet ik nog niet hoor. 't Kan ze mettertijd wel eens
-tegenvallen. En hoe zullen we nu morgen doen?"
-
-"Naar Pomfriet gaan natuurlijk. Brulfros heeft 't zadel voor de ezel
-klaar. Moeder Guldratsj kan er heel gemakkelijk op zitten."
-
-"Dan gaan we maar vroeg op weg. Ik ben toch 'n beetje verlangend naar
-Karibo. Laten we dan nu maar gaan slapen."
-
-De volgende morgen keek Abé een beetje vreemd op toen hij met Plachki
-op 't binnenplein verscheen. Hun paarden stonden klaar en moeder
-Guldratsj' ezeltje ook. Maar Brulfros had tien onderhoorigen van
-Pirlapan, allemaal stevige jongens van 'n kettinghemd en 'n ijzeren
-hoed voorzien en natuurlijk gewapend met speer en zwaard, te paard
-opgesteld. Dat was de lijfwacht die Brulfros voor prins Alphabet
-onder de zonen der Pirlapansche boeren had uitgezocht. Volgens de oude
-slotbewaarder mocht 'n keizer van Huk niet zonder geleide reizen. Dat
-was niet deftig genoeg en bovendien meende hij dat z'n meester 't hem
-kwalijk zou nemen als hij de prins en Plachki er weer alleen op uit
-liet trekken. De kerels die gisteren de roovers overvallen hadden
-kon hij niet missen. Hij had mannen noodig om 't kasteel te helpen
-bewaken en om de arbeid op 't veld te verrichten. Maar de jongens,
-die hij uitgezocht had mochten zich toch ook laten zien en ze zouden,
-als 't noodig was er even goed opslaan, want 't waren dan toch ook
-Pirlapanners.
-
-Abé bekeek z'n nieuwe lijfwacht eens. 't Viel hem mee. Ze zaten goed
-te paard en ze hielden hun speren zoo dat je zien kon, dat ze niet
-voor de eerste maal van hun leven zoo'n ding in de hand hadden.
-
-"Daar zorgt vader wel voor," zei Plachki. "Iedere jongen van Pirlapan
-moet met de wapens leeren omgaan. Je zou eens zien als 't er op aan
-kwam hoe ze d'r op zouden troeven."
-
-"Ik geloof dat jullie op Pirlapan niets liever doet dan vechten hè?"
-
-"Jagen doen we ook graag... en werken ook. Maar vechten doen we
-'t liefst... Altijd als er wat te vechten is."
-
-"Hoe bedoel je dat Plachki?"
-
-"Wel we gaan niet uit vechten tegen iedereen. We zijn geen roovers. Wij
-vechten voor de keizer van Huk. En dan vechten we natuurlijk ook als
-de een of ander wat van Pirlapan hebben moet."
-
-"Hè?"
-
-"Da's 'n paar jaar geleden nog gebeurd. Toen wou 'n buurman de
-baron van Klatsjbidronpeerdrups zich 'n stuk bosch van Pirlapan
-toeëigenen. Nou daar moet je net mee bij vader aankomen."
-
-"Is er toen gevochten?"
-
-"Niet zoo'n klein beetje. Ik was nog te jong om mee te doen. Maar ze
-halen er nog dikwijls genoeg van op."
-
-"En Pirlapan won het hè?"
-
-"Natuurlijk. Ze kregen op d'r kop en Klatsjbidronpeerdrups werd
-gevangen genomen."
-
-"En hoe lang hielden jullie 'm?"
-
-"'k Geloof dat ie nog hier of daar in 'n kelder van Pirlapan zit."
-
-"Maar z'n vrouw en kinderen dan? Of had ie-die niet?"
-
-"Jawel. Die zijn gevlucht naar keizer Sutrebor, geloof ik."
-
-"Staat 't kasteel van Klatsjbidronpeerdrups dan leeg?"
-
-"Nee, dat is er niet meer. Dat hebben de Pirlapans verbrand."
-
-"Maar 't land dan?"
-
-"Dat hebben wij. Dat hoort tegenwoordig bij Pirlapan."
-
-"En liet keizer Sutrebor dit alles maar toe?"
-
-"Die heeft 't hart niet dat ie deze kant uitkomt. Vader moet niemendal
-van hem hebben."
-
-"Hoor eens Plachki, ik vind 't niet erg mooi van je vader, dat ie..."
-
-"Pf," kwam Plachki. "Als Klatsjbidronpeerdrups 't gewonnen had,
-had ie met ons net eender gedaan."
-
-"En of," zei Brulfros. "Die Peerdrups was ook geen gemakkelijk
-heerschap. We zouden 't slecht bij 'm gehad hebben. Hij heeft
-z'n verdiende loon. Moet ie maar niet met Pirlapan overhoop gaan
-liggen. Dat is nog nooit iemand goed bekomen."
-
-Abé reed zwijgend met Plachki en moeder Guldratsj aan 't hoofd van
-z'n kleine lijfwacht de valbrug over en 't bosch in. Abé scheen
-niet veel lust te hebben die morgen om veel te praten. Wel 'n half
-uur reed hij door zonder iets te zeggen. Hij dacht aan die arme
-Klatsjbidronpeerdrups, die nu al eenige jaren in zoo'n Pirlapansche
-kelder opgesloten zat. 't Was slecht van die baron geweest om 'n
-stuk van Pirlapans bezittingen te willen opslokken en daarvoor had
-hij 'n zware straf verdiend. Maar zóó zwaar als Pirlapan die man
-strafte, dat vond Abé toch wel 'n beetje al te hard. Te oordeelen
-naar de wijze waarop Plachki en Brulfros er over spraken, leek 't
-wel, dat heer Peerdrups geen kans meer had ooit 't zonlicht weer te
-aanschouwen. En dat vond Abé verschrikkelijk. Maar er was niets aan
-te doen. Pirlapan was 'n machtig heer. Zelfs keizer Sutrebor had
-'t niet gewaagd hem onder handen te nemen.
-
-Maar toch nam hij zich voor, als hij er eens ooit kans toe kreeg,
-'n goed woordje te doen voor Klatsjbidronpeerdrups.
-
-Langzamerhand raakte Abé weer aan 't praten met Plachki en moeder
-Guldratsj, die maar piekfijn op d'r ezeltje zat. Brulfros had 'n heel
-gemakkelijk zadel voor 't oude vrouwtje gemaakt en ze was er wat blij
-mee. Doch dat kwam vooral omdat ze weer naar d'r oude hutje terugging,
-waar ze jaren en jaren gewoond had.
-
-'t Was bepaald 'n plezierreisje voor allemaal en 't duurde niet lang
-of de heele troep zong de vroolijkste liedjes. En natuurlijk vergaten
-ze niet te zingen het lied van Pirlapan. Plachki zong voor en alle
-Pirlapanners vielen in met 't refrein:
-
-
- Toen Keizer Napo was gevlucht
- Voor 't stadsvolk van Pomfriet,
- Dat Sutrebor tot keizer nam,
- Sprak Pirla, Pirla, Pirlapan:
- Die keizer wil ik niet.
- Refr. Geen mensch die Pirlapan belet,
- Om trouw te zijn aan Alphabet,
- Aan 't prinsje Alphabet.
-
- Doch Sutrebor schreef uit Pomfriet
- Een vriendelijke brief.
- Ik moet niets van je hebben man,
- Sprak Pirla, Pirla, Pirlapan
- Al doe je nog zoo lief.
- Refr. Geen mensch die Pirlapan belet
- Om trouw te zijn aan Alphabet,
- Aan 't prinsje Alphabet.
-
- Als jij wat van me hebben wil
- Kom zelf naar Pirlapan
- En vecht zoo dapper als je kan,
- Want Pirla, Pirla, Pirlapan
- Die staat nog best z'n man.
- Refr. Geen mensch die Pirlapan belet
- Om trouw te zijn aan Alphabet,
- Aan 't prinsje Alphabet.
-
- Maar komt ons prinsje ooit terug
- In 't vaderlijk gebied,
- Pas dan maar op voor Pirlapan,
- Want Pirla, Parla, Pirlapan
- Die brengt hem naar Pomfriet.
- Refr. Geen mensch die Pirlapan belet
- Om trouw te zijn aan Alphabet,
- Aan 't prinsje Alphabet.
-
-
-Daar had Abé schik van en niet minder moeder Guldratsj. Ze zongen
-allebei 't refrein zoo hard ze konden mee ofschoon moeder Guldratsj
-d'r stem leelijk versleten was en ze de wijs ook niet houden kon. Maar
-dat hinderde niemendal. De rest zong zooveel te beter.
-
-Dat Pirlapanlied werd die dag heel wat keertjes gezongen en toen
-ze eindelijk laat in de avond bij moeder Guldratsj' hutje waren,
-zongen ze 't voor de deur nog eens tot afscheid.
-
-Moeder Guldratsj was blij, dat ze weer thuis was en ze zei dat ze nu
-niet beter verlangde. Maar Abé wou daar niemendal van weten en hij
-verzekerde haar dat ie d'r vast en zeker zou komen halen.
-
-"Nou ja, doe 't dan maar," zei moeder Guldratsj vriendelijk. Ze dacht:
-Als ie eenmaal in Pomfriet is en als keizer op de troon van Huk zit
-vergeet ie 't misschien toch wel. Ze had met alle geweld willen hebben
-dat Abé en Plachki die nacht onder haar dak zouden doorbrengen, doch
-Abé verlangde nu toch veel te hard naar 't oogenblik dat ie Karibo zou
-terug zien en ze besloten dus maar door te rijden. Ze deden 't ook,
-doch na 'n paar uur waren ze toch wel 'n beetje moe en de paarden
-ook. Toen deden ze maar als soldaten in de oorlog. Ze stegen af en ze
-sliepen in 't gras. Plachki zette echter heel ernstig 'n schildwacht op
-post. Daaraan had Abé heelemaal niet gedacht en hij lachte er ook nog
-om. Hij vond 't onnoodig maar Plachki zei, dat 't zoo hoorde. En als
-'n Pirlapan zei, dat iets zoo hoorde, dan moest 't maar gebeuren ook.
-
-'s Morgens in de vroegte aten ze 'n stuk droog brood, omdat ze
-niets anders hadden, en toen gingen ze weer op marsch. En 't ging
-weer net als de vorige dag. Abé had werkelijk nog nooit zoo prettig
-gereisd. Hij vond om te beginnen, dat keizer van Huk te zijn nog niet
-zoo'n onplezierig baantje was, en dat zei ie ook tegen Plachki.
-
-"Als je in Sutrebor z'n schoenen stond, zou je er wel anders over
-denken. O wee, als m'n vader die kerel te pakken krijgt!"
-
-"Je vader wil geloof ik iedereen te pakken hebben hè?" zei Abé lachend.
-
-"Alleen maar de lui waar ie 't land aan heeft. De rest laat ie wel
-met vree."
-
-"Dan is 't maar te hopen voor Sutrebor, dat ie 'n beetje uit de buurt
-van Pirlapan blijft."
-
-"En hier uit de buurt," zei Plachki dapper.
-
-"Wou jij Sutrebor met tien man verslaan? 't Is maar goed, dat ie wijd
-weg is."
-
-"Zoo wijd is dat niet Abé. Hij voelde zich niet meer veilig in Pomfriet
-en toen is ie maar naar z'n kasteel gegaan. Doch dat ligt hoogstens
-'n paar uur aan de andere kant van de hoofdstad. Hij zou er gauw
-genoeg weer kunnen zijn."
-
-"Had ie dan geen soldaten?"
-
-"Jawel, maar niet zoo'n groot leger. De Huksche baronnen hadden bijna
-allemaal genoeg van hem. Die deden net als vader en wouen niemendal
-van hem weten. In 't begin nog wel natuurlijk, anders had ie heelemaal
-geen kans gehad om 't zoolang op de troon van Huk uit te houen. Dat
-begrijp je hè?"
-
-"Nou niet zoo heel best. Ze hadden toch keizer Napo terug kunnen
-roepen dunkt me."
-
-"Ja, hoe dat komt weet ik ook niet."
-
-Tegen de avond kwamen ze 'n ruiter tegen, 'n Pirlapanner, die met
-'n boodschap kwam van Karibo en Pirlapan.
-
-Dat was 'n verrassing, en Abé begon al dadelijk te vragen hoe Karibo
-'t maakte.
-
-"Heel goed," zei de bode, "maar..."
-
-"Geen maren asjeblieft."
-
-"Maar prins ik moet toch m'n boodschap overbrengen!"
-
-"Da's waar. Voor de dag er mee."
-
-Nu haalde de bode 'n brief uit z'n tasch en Abé verbrak dadelijk
-'t zegel en begon te lezen.
-
-"Nou da's ook geen plezierige tijding," zei hij eindelijk tegen
-Plachki. "We moeten naar Pirlapan terug. Karibo schrijft:
-
-
- "Beste Abé, ik hoor van een der mannen van Brambribras, dat
- je veilig in Pirlapan zit. Blijf daar maar 'n poosje tot we
- je komen halen. De zaak gaat niet zoo voorspoedig. Als we je
- eenigen tijd geleden, toen de Pomfrietsche heeren bij ons waren,
- hadden aangetroffen zou alles anders geloopen zijn. Nu zijn die
- domme ezels in Pomfriet teruggekeerd en hebben daar verteld
- dat er heelemaal geen prins Alphabet was, dat wij, Pirlapan
- en ik bedriegers waren en 't gevolg daarvan is geweest, dat
- de Pomfrieters zich maar weer hebben onderworpen aan Sutrebor,
- die nu weer in Pomfriet zit.
-
- Je toegenegen,
- Karibo.
-
- P.S. Je kan Brambribras vertrouwen. Hij zal je met z'n mannen
- beschermen als 't noodig is. We komen zoo gauw mogelijk zelf."
-
-
-"Hoe vind je dat?" zei Abé.
-
-"'t Eerste vind ik heel natuurlijk. Op die stedelingen kan je nooit
-vertrouwen. Maar 't laatste vind ik prachtig."
-
-En Plachki lachte zoo hard, dat de bode hem verbaasd aankeek.
-
-"Je hebt gehoord wat er in die brief staat?" vroeg Plachki de bode
-toen ie 'n beetje uitgelachen was.
-
-"Jawel Plachki," zei de man. "Ik heb m'n ooren niet in m'n zak."
-
-"En weet jij wie Brambribras is?"
-
-"Jawel. Da's 'n rooverhoofdman."
-
-"En hoe komt vader op de idee, dat die man ons beschermen zou?"
-
-"Weet ik niet."
-
-"Je rijdt zeker weer naar vader terug hè?"
-
-"Onmiddellijk."
-
-"Zeg hem dan: Compliment van Plachki. Brambribras zit met z'n mannetjes
-onder in de kelders van Pirlapan."
-
-"Watblief?" zei de bode... "Neen maar die is goed."
-
-Plachki vertelde hoe 't met de roovers was toegegaan en natuurlijk
-had de Pirlapanner er niet weinig pret van. Van zoo iets hielden de
-Pirlapanners nu eenmaal. Vooral 't doorsnijden van die paardetoomen
-vond de bode 'n prachtige streek.
-
-"En nu moet je mijn boodschap voor Karibo ook nog even aanhooren," zei
-Abé. "Zeg hem, dat ik doen zal wat ie schrijft. We zullen teruggaan
-naar Pirlapan, doch zoo langzaam mogelijk. Misschien halen jullie
-ons dan nog wel in."
-
-"Prins," zei de bode, "mag ik u 'n goede raad geven? Doe 't dan niet
-zoo langzaam mogelijk, maar zoo snel als je kan. Nu Sutrebor weer in
-Pomfriet is, weet geen mensch wat die misschien ondernemen zal. In
-Pirlapan zit je veilig."
-
-"Goed, dan zullen we 't zoo snel mogelijk doen."
-
-"Kunnen we niet met jou mee gaan?" vroeg Plachki. "'t Is precies of
-we op de vlucht moeten."
-
-"En dat is 'n toer voor 'n Pirlapan, hè Plachki," zei Abé lachend.
-
-"Of het. We zijn toch met z'n dertienen, de bode meegeteld, allemaal
-Pirlapanners. Ik reken jou er ook maar bij, Abé. Die gaan nog niet
-zoo gauw aan de haal en ze worden nog niet zoo gauw geklopt ook."
-
-"Ik zou 't heel plezierig vinden, Plachki," zei de bode. "Maar je weet
-wat heer Pirlapan beveelt, dat moet gebeuren. Ik rijd dus maar gauw
-alleen terug om te melden dat jullie weer onderweg zijn naar Pirlapan."
-
-"Zeg dat dan maar," zei Plachki met een zucht.
-
-"O ja, da's waar ook, Plachki, ik moest je nog vragen waarom je met
-de prins naar Pirlapan bent gegaan en niet naar je vader?"
-
-"Dat geschiedde op bevel van de keizer van Huk."
-
-"Maar Plachki," zei de man verontwaardigd, "sedert wanneer wachten
-de Pirlapans bevelen af van de keizer van Huk?"
-
-"Sedert prins Alphabet terug is," antwoordde Plachki eenvoudig.
-
-"Lieve hemel," zei de bode, "je zou met al die keizers in de war
-raken. "Ik bedoelde Sutrebor..."
-
-"Is die dan onze keizer? Of is prins Alphabet 't?"
-
-"Je hebt gelijk Plachki, prins Alphabet is 't. Maar Sutrebor is
-'t toch óók nog zoo'n beetje geloof ik."
-
-"Dat geloof ik ook," zei Abé lachend. "Ik geloof zelfs dat Sutrebor
-als 't er op aankomt op dit oogenblik meer keizer is dan ik. Hij is
-weer in Pomfriet en de menschen van Huk volgen hem weer. En wie volgt
-prins Alphabet?"
-
-"Wel nou nog mooier," riep Plachki boos. "Tel jij de Pirlapans voor
-niemendal?"
-
-"O zoo," zei de bode. "Dat wou ik ook juist zeggen. De Pirlapans daar
-kan je op rekenen, prins. Die brengen je naar Pomfriet al zou heel
-Huk op z'n kop gaan staan!"
-
-En toen zongen op eens alle Pirlapanners weer:
-
-
- Geen mensch die Pirlapan belet
- Om trouw te zijn aan Alphabet,
- Aan 't prinsje Alphabet.
-
-
-Onder 't zingen reed de bode weg en de anderen keerden terug naar
-Pirlapan, dat ze deze keer evenwel niet zouden bereiken.
-
-
-
-
-
-
-
-
-ELFDE HOOFDSTUK
-
- Waarin keizer Sutrebor weer in Pomfriet terugkomt, Pirlapan 'n
- leger bijeenroept en prins Alphabet aan 'n groot gevaar ontsnapt.
-
-
-De Pomfrietsche heeren, die zoo vroolijk waren uitgereden om prins
-Alphabet als hun wettige keizer te gaan huldigen en hem in triomf
-mee te brengen naar Pomfriet, kwamen in de hoofdstad van Huk terug,
-vermoeid en uit hun humeur, omdat er van de mooie intocht waarvan ze
-gedroomd hadden, nu niets terecht kwam. En ze begonnen dadelijk met
-groot lawaai aan iedereen te vertellen dat ze bedrogen waren door
-die avonturier, die Karibo, die hen maar wat had wijsgemaakt. Er was
-heelemaal geen prins Alphabet te vinden geweest.
-
-De burgemeester van Pomfriet keek op z'n neus. De perkamenten die
-Karibo hem had laten lezen, had hij toch voor echte brieven van wijlen
-keizer Napo aangezien en de zegels die er aan hingen waren toch ook
-echt geweest.
-
-"Nagemaakt!" riepen de verontwaardigde Pomfrietsche heeren, "alles
-nagemaakt. 't Was 'n doorgestoken kaart met die baron van Pirlapan."
-
-"Maar wat moeten we nou beginnen?" vroeg de burgemeester benauwd. "Kijk
-eens, alle Pomfrieters staan weer op de markt voor 't raadhuis. Zoo
-dadelijk gooien ze hier de ruiten weer in."
-
-"Weet je wat burgemeester," zei er een, die altijd 'n aanhanger
-van keizer Sutrebor geweest was, "laten we 'n boodschap naar keizer
-Sutrebor sturen, dat ie weer terug moet komen. We moeten toch 'n keizer
-hebben. En 't is toch altijd nog beter dat Sutrebor keizer is over
-ons, dan dat die Pirlapan en die Karibo hier de baas spelen. Stuur
-mij maar naar Sutrebor. Ik zal 't wel opknappen."
-
-"Da's 'n idee," zei de burgemeester verheugd. Hij ging weer op 't
-balkon staan en toen 't op 't marktplein 'n beetje stil geworden was
-onder de woelige menschenhoop, sprak hij:
-
-"Getrouwe Pomfrieters, we zijn ellendig bedrogen. Er is geen prins
-Alphabet."
-
-"Hij is er wel!" riep 'n Pomfrieter van beneden. "Ik ben in Lumkiping
-geweest. Daar was ie!"
-
-"Dat is 'n leugen!" riep de aanhanger van Sutrebor die achter de
-burgemeester stond. "Er is geen prins Alphabet."
-
-En toen kreeg de man beneden op de markt van de omstanders 'n pak
-slaag en de politie pakte hem daarna op en zette hem in de kast. De
-burgemeester kon nu weer voortgaan:
-
-"Nu hebben we besloten iemand naar onze keizer Sutrebor te zenden om
-hem te vragen of hij asjeblieft weer in Pomfriet wil komen wonen."
-
-"Hoeraaa!" riepen de Pomfrieters op de markt en ze bleven maar
-doorschreeuwen, zoodat de burgemeester er geen woord meer tusschen
-kon krijgen en maar weer naar binnen ging.
-
-"Ziezoo," zei hij, "da's alweer in orde." En dezelfde dag vertrok er
-een gezantschap van Pomfrietsche heeren naar 't kasteel waar keizer
-Sutrebor verblijf hield.
-
-Keizer Sutrebor ontving de heeren vriendelijk, en hij beloofde dat
-ie de volgende dag dadelijk komen zou om z'n getrouwe Pomfrieters met
-z'n tegenwoordigheid gelukkig te maken. Als de heeren die nacht op z'n
-kasteel wilden blijven, zou hij morgen met hen mee reizen. Dat vonden
-de Pomfrietsche heeren heel best en 's avonds gaf keizer Sutrebor
-'n groot feestmaal.
-
-Dat was toch nog wat anders, zeiden ze tegen elkaar, dan met die
-bedrieger Karibo dag in dag uit door Huk te trekken om eindelijk
-in dat vervelende, nare kasteel van Pirlapan aan te komen, waar je
-heelemaal geen prins aantrof, en waar geen feest gevierd werd. Nee
-hoor: "Leve keizer Sutrebor!"
-
-Vier-en-twintig uur later deed keizer Sutrebor weer z'n intocht in
-Pomfriet. De heele stad was weer geïllumineerd, overal brandden de
-lichtjes en de menschen schreeuwden, hoeraaa! dat de ruiten er van
-rinkelden.
-
-Ze dachten heelemaal niet meer aan prins Alphabet.
-
-'t Waren rare lui die Pomfrieters.
-
-Maar keizer Sutrebor dacht wèl aan prins Alphabet. Hij had zich door de
-burgemeester nog eens alles laten vertellen en nu lag hij in z'n bed
-na te denken wat hem te doen stond. Die Pirlapan vertrouwde hij geen
-steek en bovendien wist hij heel goed, dat als 't er op aan kwam z'n
-eigen aanhang in Huk niet zoo heel groot zou zijn. Bestond die prins
-Alphabet werkelijk, dan moest ie trachten hem zoo gauw mogelijk te
-pakken te krijgen. Dood of levend, dat kwam er niet op aan. Hij zou
-er maar dadelijk 'n flinke troep soldaten op uit zenden om die prins
-te vangen. Was ie er niet, dat was nog zooveel te beter. En met dat
-plan in z'n hoofd viel hij in slaap, maar hij droomde de heele nacht
-van keizer Napo en prins Alphabet en van Pirlapan. 't Waren geen
-pleizierige droomen, vooral die brutale baron van Pirlapan maakte
-'t hem lastig. Die vervelende vent zong vlak in z'n keizerlijke ooren:
-
-
- Maar komt ons prinsje ooit terug
- In 't vaderlijk gebied,
- Pas dan maar op voor Pirlapan,
- Want Pirla, Pirla, Pirlapan
- Die brengt hem naar Pomfriet.
-
-
-Sutrebor stond vroeg op. Hij had nog dat Pirlapanliedje in de ooren,
-dat iedereen in Huk kende. En hij haastte zich om 'n paar honderd
-soldaten uit te zenden, die prins Alphabet moesten gaan opsporen. De
-keizer beloofde aan iedere man 'n groote belooning als ze er in
-slaagden die jongen naar Pomfriet te brengen.
-
-Karibo en Pirlapan waren nog in Lumkiping, toen ze bericht kregen dat
-keizer Sutrebor weer in Pomfriet was en dat ie 'n troep soldaten had
-uitgezonden om prins Alphabet in z'n macht te krijgen. Onmiddellijk
-begrepen die twee 't gevaar en ze zonden de bode met de boodschap
-dat de prins binnen de veilige muren van 't sterke Pirlapan moest
-blijven. Maar Pirlapan deed nog meer. Hij zond naar alle kanten
-ruiters uit, die uit naam van prins Alphabet de baronnen van Huk
-moesten oproepen, om met hun gewapende mannen naar Lumkiping te
-komen. Pirlapan wist wel, dat die heeren bijna allen aanhangers waren
-van keizer Napo en hij veronderstelde, dat ze wel zouden komen opdagen
-om voor de zoon van hun rechtmatige keizer de strijd aan te binden
-met Sutrebor en degenen, die 't met die valsche keizer hielden. Daar
-rekende Pirlapan op dat oogenblik natuurlijk die malle wispelturige
-Pomfrieters ook toe en hij verlangde er naar die menschen uit de groote
-stad eens een lesje te geven, dat hun heugen zou. Maar voor alles
-wenschte hij eindelijk eens af te rekenen met keizer Sutrebor zelf.
-
-Pirlapan had goed gerekend. 'n Paar dagen later kwamen ze al opzetten,
-de aanhangers van prins Alphabet. Sommigen kwamen met vijftig man,
-anderen met honderd. Maar er waren er ook die er maar twintig hadden
-of tien. Doch allen waren welkom en Lumkiping werd zoo langzamerhand
-'n groot legerkamp.
-
-Pirlapan werd tot algemeen aanvoerder gekozen. Maar hij deed toch
-niet alles op z'n eigen houtje. Hij wist heel goed dat die machtige
-baronnen, die net als hij, thuis op hun eigen bezittingen koninkje
-speelden, ook wel wat te zeggen wilden hebben en daarom begon hij maar
-vast met hen te overleggen wat ze 't eerst doen zouden. Hij zelf was er
-voor maar dadelijk naar Pomfriet op te rukken en daar waren de overigen
-'t heelemaal mee eens. Doch Karibo had ook nog wat te zeggen. Die wilde
-eerst prins Alphabet gaan halen. Hij vertrouwde de zaak daar ginds niet
-erg. En wat moesten ze beginnen als die jongen nu weer zoek raakte.
-
-"Och wat!" zei Pirlapan. "Je moet niet zoo bang zijn, Karibo. De
-prins zit veilig op Pirlapan."
-
-Maar op dat oogenblik kwam juist de bode die ze uitgezonden hadden,
-terug met de tijding dat hij de prins ontmoet had op weg naar Pomfriet,
-maar dat hij en Plachki en de tien jonge Pirlapanners op zijn raad
-maar weer terug waren gegaan naar Pirlapan.
-
-Karibo schrok er van. 't Kon toch best gebeuren, dat die soldaten van
-Sutrebor hen nog inhaalden... misschien hadden ze hen al te pakken. En
-wat dan? Dan was alles verloren.
-
-Pirlapan zag nu 't gevaar ook in. Hij wilde nu maar dadelijk weer
-oprukken naar Pirlapan.
-
-Dat vonden sommigen echter niet noodig. Om die honderd soldaten van
-Sutrebor te bestrijden was 't genoeg, dat ze 'n paar honderd man de
-kant van Pirlapan uitzonden. De rest moest maar vast naar Pomfriet
-trekken.
-
-Karibo keurde dat plan ook goed en vroeg of ze hem dan maar naar
-Pirlapan wilden zenden aan 't hoofd van 'n sterke troep ter bescherming
-van de prins. Dezelfde dag vertrok Karibo met tweehonderd ruiters.
-
-Doch de soldaten van Sutrebor waren hem voor. Die hadden snel gereden
-en waren op goed geluk de weg gevolgd naar Pirlapan. Onderweg
-vernamen ze de wonderlijkste verhalen over de prins die ze
-zochten. Natuurlijk keken ze scherp uit of ze soms hier of daar
-iemand ontdekten die op 'n prins leek. Ze hadden allemaal graag de
-uitgeloofde belooning verdiend. Maar niemand had hen kunnen vertellen
-hoe die prins er nu eigenlijk uitzag en dat maakte de zaak voor hen
-niet gemakkelijker. Doch toen ze eindelijk in de buurt van Moeder
-Guldratsj' hutje kwamen, ontmoetten ze iemand, die hen wist mee te
-deelen, dat ie diezelfde morgen aan de ingang van 't bosch van Pirlapan
-'n troep ruiters ontmoet had, allemaal jongens van Pirlapan.
-
-"Nu zijn we er achter," zei de keizerlijke aanvoerder. "Als we snel
-rijden halen we hen nog wel in. Ze zijn het bepaald."
-
-En toen ging het in galop voorwaarts.
-
-Moeder Guldratsj zag de ruiters voorbij hollen over de groote weg
-en ofschoon ze heelemaal niet wist dat 't keizerlijke soldaten van
-Sutrebor waren, was ze er hevig door geschrokken. 't Was of ze 't
-voelde, dat 't geen vrienden van Abé waren, die daar zoo snel de kant
-van Pirlapan op gingen.
-
-'s Morgens was moeder Guldratsj op d'r ezeltje 'n eindje met prins
-Alphabet meegereden. Ze was 't troepje op hun terugtocht tegen
-gekomen. Abé en Plachki hadden haar verteld waarom ze weer terug
-gingen naar Pirlapan en ook dat Karibo en de oude Pirlapan hen daar
-zouden komen halen. De ruiters die ze voorbij zag hollen waren geen
-Pirlapanners en Karibo was er ook niet bij. Wie konden 't wezen?
-
-Moeder Guldratsj besloot plotseling met d'r ezeltje nog 'n eind door
-te rijden. Misschien ontmoette ze dan wel Karibo, die toch wel haast
-zou maken om Abé te gaan halen, meende ze.
-
-Tegen de middag, toen ze al doodmoe van 't rijden was en 't ezeltje van
-'t draven, zag ze in de verte weer 'n troep ruiters. Moeder Guldratsj
-stapte van d'r ezeltje af. Ze kon bijna niet meer. En de ruiters
-zouden gauw genoeg bij haar zijn.
-
-Voorop draafde Karibo. Moeder Guldratsj herkende hem al in de verte
-en ze stak beide handen op.
-
-Karibo herkende moeder Guldratsj ook dadelijk en toen ie 't oude
-mensch met opgeheven handen daar zag staan gaf hij de troep 'n teeken
-om halt te maken.
-
-"Wel moeder Guldratsj is er wat bizonders?"
-
-"Ja heer ... rij zoo hard als je kan. 'n Troep ruiters zit de prins
-op de hielen!"
-
-"Wat zeg je? Hoe zagen ze er uit?"
-
-"'t Waren soldaten heer, wel honderd."
-
-"Vooruit mannen!" schreeuwde Karibo. "Zoo snel als 't maar kan,
-of we komen te laat. Op zij moeder Guldratsj."
-
-En de troep van Karibo stoof langs moeder Guldratsj heen die in
-'n stofwolk achter bleef.
-
-Toen keerde 't oude vrouwtje weer terug naar d'r hutje en onderweg
-prevelde ze aanhoudend: "Als ze nog maar vroeg genoeg komen, als ze
-maar niet te laat komen." Maar toen ze eenmaal thuis was had ze geen
-rust en als 't ezeltje niet zoo moe geweest was, zou ze zeker weer
-dadelijk zijn weggereden de kant uit van Pirlapan.
-
-Abé en z'n kleine Pirlapansche lijfwacht reden zingend door 't
-bosch. Ze dachten niet aan gevaar. Tegen de avond konden ze weer thuis
-zijn. Maar al zing je nog zoo hard, dan krijg je toch honger op de
-duur en toen 't middag was gaf Plachki bevel om rust te houden voor
-'t middagmaal. Geen mensch en geen dier had daar iets op tegen. Als
-goede ruiters verzorgden de jongens eerst hun paarden. Abé, al was
-ie 'n prins, deed 't zelf ook. Toen ze daarmee klaar waren gingen
-ze er ook bij zitten of liggen. Heel veel bizonders hadden ze niet
-te eten. Iedere jongen had brood en kaas. Als je honger hebt kan je
-'t daar best mee doen.
-
-Na de maaltijd bleven ze nog wat liggen en de een voor de ander
-strekte zich lui uit op 't zachte mos langs de weg. Abé en Plachki
-lagen samen te praten, maar ze deden 't zoo zacht dat ieder geluid in
-'t bosch nog te hooren was.
-
-Opeens hielden ze hun mond. Ze hoorden 't gestamp van paardehoeven.
-
-"Daar komt 'n heele troep ruiters aan," zei Plachki.
-
-Abé stond vlug op.
-
-"Die gaan we tegemoet," antwoordde hij blij. "'t Is natuurlijk Karibo
-en je vader."
-
-"Misschien wel, maar we zullen toch maar 'n beetje voorzichtig zijn."
-
-"Hoezoo?"
-
-"Och je kan 't nooit weten."
-
-Hij riep een van de jongens. Die hadden het naderende getrappel ook
-gehoord en stonden nu allemaal al gereed bij hun paarden.
-
-"Jij brengt de prins en de overigen naar 't ravijn. Da's hier geen
-vijf minuten vandaan," zei hij tegen Abé. "Daar vinden ze je niet
-zoo heel gauw of je moet 't bosch door en door kennen."
-
-De jongens wilden al te paard stijgen.
-
-"Nee," zei Plachki, "de paarden aan de toom houden en zoo stil
-mogelijk. Neem mijn paard ook mee."
-
-"En jij dan?" vroeg Abé.
-
-"D'r moet er toch een hier blijven om te zien wie 't zijn? Als 't
-vader is, fluit ik wel even. Dan komen jullie maar weer gauw hier."
-
-"Maar als 't de heer van Pirlapan nu eens niet is?"...
-
-"O, wees maar niet ongerust over me. Ze zullen mij zoo gauw niet
-ontdekken. Kijk maar eens."
-
-Plachki zat in 'n wip boven in 'n dikke eik heelemaal verborgen
-tusschen de bladeren.
-
-"Afgemarcheerd," riep hij naar beneden, "en geen mensch komt voor de
-dag eer je 't teeken hoort of eer ik zelf bij jullie kom."
-
-Ze gingen met hun paarden aan de hand 't bosch in en verdwenen weldra
-over 'n hoogte tusschen de boomen. Plachki luisterde. Z'n kameraden
-waren voorloopig veilig. Die hoorde hij niet meer. Ze waren met hun
-paarden afgedaald in het diepe ravijn, waar 'n snelle bergstroom
-tusschen de rotsen over de steenen bruischte en schuimde. Maar steeds
-duidelijker werd 't geluid van de naderende ruiters. Plachki zat in
-elkaar gehurkt op 'n dikke tak. Hij had net zoo lang gezocht tot
-hij dat plekje vond, vanwaar hij ongezien naar beneden kon kijken
-tusschen de takken en bladeren door. Ze zouden als 't slimme kerels
-waren wel dadelijk opmerken, dat op die plaats nog niet lang geleden
-gekampeerd was. Doch heel veel meer zouden ze wel niet ontdekken,
-meende hij. De zandige boschweg was in de laatste dagen door heel wat
-paarden betrapt. Uit al die sporen was niet veel te maken en de ruiters
-zouden wel veronderstellen, dat degenen die ze waarschijnlijk zochten,
-doorgereden waren naar Pirlapan. Hij wachtte dus nog al gerust af wat
-er komen zou maar was toch erg nieuwsgierig en vond dat 't toch lang
-duurde eer er wat kwam ...
-
-Doch toen de ruiters eindelijk onder de boom aankwamen in volle galop,
-was hij wàt blij, dat ie Abé en z'n kameraden naar 't veilige ravijn
-gezonden had. De ruiters waren allen gekleed in kettinghemden, maar
-de pluimen op de ijzeren helm van de aanvoerder waren geel en zwart,
-de kleuren van keizer Sutrebor.
-
-"Stommeling," dacht Plachki, toen de ruiters onder de boom doorholden,
-"hij merkt niemendal. Nou zooveel te beter."
-
-Hij bleef nog 'n heele poos stil in z'n boom zitten. Je kon nooit
-weten of er soms nog achterblijvers waren. Maar er kwam niemand meer
-en toen 't geluid van de galoppeerende paarden al zachter werd, liet
-Plachki zich vlug naar beneden glijden en was in 'n ommezien ook over
-de hoogte in het bosch.
-
-"Wel?" vroeg Abé, toen Plachki met zekere sprongen over de steenen
-naderde.
-
-"We zijn mooi aan 't gevaar ontkomen. 't Waren mannen van Sutrebor."
-
-"Wàt?"
-
-"Sekuur hoor. En nu zitten we er leelijk in. Naar Pirlapan kunnen we
-niet meer en terug ook niet."
-
-"Waarom niet?"
-
-"Hij kon wel eens verkenners uitzenden."
-
-"Dus we moeten hier blijven?"
-
-"Ja. Hadden we nu maar brood in voorraad. De paarden kunnen hier in
-de buurt wel wat vinden. Maar wij zullen honger moeten lijden als
-vader niet gauw komt opdagen. Wie durft het aan om vader te gaan
-waarschuwen dat we hier in de knel zitten?"
-
-"Dat durf ik wel!" riepen de jonge Pirlapanners allemaal.
-
-"Jullie weet dat 't je de kop kosten kan."
-
-"Hindert niet."
-
-"Dan ga jij... en jij. Een voor 't verlies, zie je," voegde hij er
-lachend bij, zich tot Abé wendend.
-
-"Hoor es Plachki, dat heb ik liever niet," zei Abé, toen de jongens
-zich klaar maakten om heen te gaan. "Ik ga net zoo lief zelf."
-
-"Dat kan heelemaal niet. Jij ben de keizer van Huk. En 't zou 'n
-groote schande zijn voor iedere Pirlapanner, als ie z'n leven niet
-durfde wagen voor z'n keizer. Als je die twee niet wil laten gaan,
-moet je 't zelf weten. Maar dan ga ik."
-
-Daar was niets tegen te zeggen en Abé liet de twee dappere jonge
-Pirlapanners gaan.
-
-"Je hoeft je niet zoo heel bang over hen te maken," zei Plachki,
-toen ze weg waren. "Ze zullen zich niet onnoodig bloot stellen aan
-gevaar. 't Zijn 'n paar slimme rakkers die ik heb uitgezocht... en als
-'t er op aankomt gaan ze voor zoo'n paar van die soldaten niet op zij."
-
-"Maar ze kunnen in handen vallen van de heele troep."
-
-"Da's waar. Doch dat moeten ze maar voor je over hebben."
-
-Nu begon Plachki als 'n echte veldheer verkenners uit te zenden om te
-weten te komen wat die troep Sutreborsoldaten uitvoerde en toen dat
-in orde was had ie weer zoo'n honger, dat ie maar aan z'n laatste
-boterham begon. Dat was 'n goed voorbeeld voor de Pirlapanners en
-Abé deed ook maar mee. 'n Kwartier later was er geen kruimel brood
-meer in 't keizerlijke kamp. Als er nu niet gauw hulp kwam stond de
-honger voor de deur.
-
-Intusschen waren de soldaten van Sutrebor voor Pirlapan aangekomen. Tot
-groote spijt van de aanvoerder was 't hem niet gelukt die zoogenaamde
-prins Alphabet te achterhalen en dus zat ie al in Pirlapan. Doch
-hoe moest ie hem daar nu uitkrijgen? De valbrug stond omhoog en
-daarachter zag je niets dan de stevige poort en de dikke muren van
-Pirlapan. Heel veel mannen zouden er wel niet in 't kasteel aanwezig
-zijn, maar onverdedigd zou de baron z'n huis toch wel niet hebben
-gelaten. De prins uitleveren zouden ze ook wel niet doen. Hij kon
-'t echter eens vragen. Je kon 't nooit weten.
-
-Hij gaf 'n trompetter bevel meer naar de valbrug te rijden en daar
-liet ie de man 'n deuntje blazen. 'n Oogenblik later verscheen hoog
-boven de poort waar 'n ballustrade was, de oude Brulfros heelemaal in
-'t ijzer. Hij had de soldaten al lang gezien en omdat ie die kerels van
-Sutrebor niet vertrouwde had ie zich maar er op aangekleed. Ze konden
-'t wel eens in hun hoofd krijgen op hem te schieten. Er zouden allicht
-'n paar boogschutters bij zijn.
-
-De aanvoerder zou 't nu wel aardig gevonden hebben als ie had kunnen
-zeggen: "In naam van Sutrebor doe open de poort!" Doch die baas daar
-boven zag er niet naar uit om 't dan maar dadelijk te doen en dus
-riep de aanvoerder naar boven:
-
-"In naam van keizer Sutrebor vraag ik toegang tot 't kasteel van
-Pirlapan. De keizer heeft mij uitgezonden om zijn keizerlijke
-hoogheid prins Alphabet te begroeten, nu hij weer in 't land Huk
-teruggekomen is."
-
-"Dat heb ik er eens slim afgebracht," dacht de aanvoerder. "Als ik
-met m'n mannen die belooning maar verdien kan 't me niet schelen op
-welke manier 't gebeurt."
-
-Doch Brulfros lachte de aanvoerder in z'n gezicht uit en zei:
-
-"Compliment aan je keizer hoor, en hij kan naar de maan loopen met
-jou en je heele bandietentroep er bij."
-
-Die Brulfros kwam altijd 'n beetje raar uit de hoek, als ie 'n vijand
-tegenover zich had.
-
-De aanvoerder werd kwaad om zoo'n beleediging en hij riep woedend
-terug:
-
-"Kerel dat zal ik je betaald zetten, al zou ik heel Pirlapan onderste
-boven moeten halen."
-
-"Ga je gang," riep Brulfros naar beneden. "Begin maar dadelijk
-hoor. Als je de poort door ben, ben ik je man. Maar eerder niet."
-
-Brulfros ging weer 't kasteel binnen en liet de aanvoerder met z'n
-trompetter maar staan. En die wist niet wat ie beginnen moest. Want je
-kon heel gemakkelijk zeggen dat je Pirlapan onderste boven zou halen,
-maar daarmee kreeg je geen steen uit de muur. Om zoo'n sterk huis te
-nemen, moest je nog wat anders bij je hebben dan honderd ruiters,
-die met hun lansen en zwaarden niemendal konden beginnen tegen die
-dikke muren. De gracht zouden ze desnoods nog wel over komen. Er was
-hout genoeg in de buurt dat je met je zwaard kon omhakken om er de
-gracht mee te vullen. Doch dan had je nog niet veel gewonnen.
-
-Hij zou er maar eens met z'n onderaanvoerders over gaan
-praten. Misschien wisten die er wat op te vinden. Die zagen echter ook
-geen kans om Pirlapan in te nemen en ze rieden hun aanvoerder aan daar
-maar niet langer over te denken. Dat gaf toch niets. 't Was misschien
-nog maar 't beste terug te keeren naar Pomfriet zonder de prins.
-
-"Jullie vergeet," antwoordde de aanvoerder, "dat keizer Sutrebor daar
-niet erg over te spreken zal zijn en dan krijgen we ook niemendal."
-
-"Maar weet je wel zeker dat die jongen in 't kasteel is?" vroeg er een.
-
-"Waar zou die anders zijn? Dan hadden we hem toch onderweg moeten
-vinden?"
-
-"Daar heb je gelijk aan... doch ik zeg maar... je kan 't nooit
-weten. Laten we tot morgen vroeg hier blijven. Misschien gebeurt er
-nog wel iets of 't kan ook zijn dat we nog 't een of andere plannetje
-bedenken."
-
-"'t Is groote gekheid," zei de aanvoerder. "Je schiet met dat talmen
-niets op. Ik ben maar voor aanpakken. Ik gaf er de helft van de
-keizerlijke belooning voor als ik 'n middeltje wist om daarbinnen
-te komen. Nou laat dan de mannen maar afstappen... Ik ga eens rondom
-'t kasteel loeren."
-
-"Daar zal ie mee opschieten," zei een van de onderaanvoerders, toen
-hij weg was. "'k Heb nog nooit zoo'n sterk huis gezien als dit. Dat
-is gewoon onneembaar."
-
-"Kom," zei 'n tweede, "laten we onze mannen eerst maar wat rust
-gunnen. Ze zijn zoo moe als honden. 'k Wou dat die Sutrebor met
-dat karweitje 'n ander belast had. 't Haalt niemendal uit. Dat zal
-je zien."
-
-Ze gingen ieder naar hun eigen afdeeling, gaven bevel af te stijgen en
-de paarden te verzorgen. Daarna mochten de soldaten gaan slapen of doen
-wat ze wilden, als ze maar zorgden dat ze niet te ver weg gingen. Maar
-er werden 'n paar man op schildwacht gezet bij de brug van Pirlapan. Ze
-moesten toch oppassen dat ze niet uit 't kasteel overvallen werden.
-
-
-
-
-
-
-
-
-TWAALFDE HOOFDSTUK.
-
- Waarin prins Alphabet uit 't ravijn verlost wordt door Karibo en
- in Lumkiping Oeliboe Bomdrum weer terugziet.
-
-
-De twee Pirlapansche jongens die Plachki had uitgezonden om hulp,
-liepen natuurlijk heel geen gevaar maar dat wisten ze niet. Daarom
-deden ze zeer voorzichtig. En toen ze eindelijk iets hoorden,
-dat anders klonk dan de gewone boschgeluiden, gleden ze vlug van
-hun paarden, bonden die aan 'n boom en slopen door de struiken om
-'n plekje te vinden waar ze 'n eind de boschweg konden overzien.
-
-Dat konden de soldaten van Sutrebor wel zijn die daar naderden,
-meende de een. Doch de ander zei dat 't dan een nieuwe troep moest
-wezen, want 't geluid kwam niet van de kant van Pirlapan. Daar moest
-de eerste troep toch vandaan komen.
-
-"'t Begint er leelijk uit te zien voor de prins en Plachki, als er
-nog meer komen," zei de eerste weer.
-
-"Als ze voorbij zijn, zullen we maar als de wind doorrijden. In 't
-ravijn vinden ze hem nog niet zoo gauw. Misschien komen wij dan met
-hulp terug eer 't te laat is."
-
-"Maar ze hebben geen eten."
-
-"O daar zal Plachki wel wat op vinden. Die is slim genoeg en hij kent
-'t bosch op z'n duim."
-
-"St, daar komen ze. Hou je weg."
-
-"Ik moet toch kunnen zien, hoeveel 't er zoo wat zijn."
-
-Daar kwam een heele troep ruiters aangedraafd. Doch nauwelijks had
-de Pirlapansche jongen de voorsten in 't oog gekregen of hij sprong
-uit de struiken te voorschijn en z'n kameraad hoorde hem schreeuwen:
-"Pirlapan! Pirlapan!!" Die schrok er eerst van. Maar in 't volgende
-oogenblik was hij ook op de weg. Als er "Pirlapan" geroepen werd
-bleef er geen Pirlapanner achter. Tot z'n groote blijdschap zag hij
-echter al dadelijk waarom z'n kameraad zoo gedaan had. Bij de troep
-die daar nu vlakbij was herkende hij Pirlapansche ruiters en dan
-konden de overigen vanzelf al geen soldaten van Sutrebor zijn.
-
-Op 'n teeken van de man die voorop reed, hield de troep stil, en
-nu wist Karibo al heel gauw hoe de zaken stonden. Hij vroolijkte er
-heelemaal van op. Want Karibo was zoo bang geweest dat ie te laat zou
-komen. Maar nu de Sutreborsoldaten hen nog niet te pakken hadden en
-hij naar 't scheen veilig in 't ravijn zat, was er nog niets verloren.
-
-"Waar is dat ravijn?" vroeg Karibo, "en is 't wel zoo'n veilige
-schuilplaats."
-
-"Of het," riepen verscheidene Pirlapanners. "Daar vinden ze onze
-Plachki nog niet zoo gauw."
-
-Die Pirlapanners dachten 't eerst aan de zoon van hun heer.
-
-"En kunnen we er spoedig zijn?"
-
-"Binnen 'n paar uur."
-
-"Dan maar snel er heen mannen."
-
-"Heer Karibo," zei een der Pirlapanners, "zou 't niet beter zijn,
-dat we eerst die Sutreborkereltjes eens op d'r lui wammes gaven? Daar
-heb ik toch zoo'n zin in."
-
-"Eerst de prins hebben man," antwoordde Karibo. "Daarna kunnen we weer
-zien, wat we doen. Of ben je bang dat ze Pirlapan zullen overrompelen?"
-
-"Heelemaal niet. 't Huis is sterk genoeg en Brulfros laat ze d'r zoo
-maar niet in. Maar wie weet hoeveel ze rondom vernielen. Ons koren
-en onze haver... en..."
-
-"Dat zal wel losloopen hoor. Vooruit. Eerst de prins en Plachki en
-die dappere jongens die bij hen zijn."
-
-"En mogen we dan die kerels van Sutrebor klop geven?"
-
-"Dat zullen we wel zien."
-
-De Pirlapanners waren niet erg tevreden met dat antwoord. Doch ze
-gehoorzaamden. Als ze Plachki gevonden hadden, zou 't er toch wel van
-komen. Dat was 'n echte Pirlapan en die zou 't wel niet kunnen hebben,
-dat daar zoo'n honderd man van Sutrebor vóór z'n vaders valbrug lagen.
-
-'t Ging nu weer in galop en 't was nog niet heelemaal donker toen ze
-'t ravijn inreden, waar ze natuurlijk met groote blijdschap ontvangen
-werden. De jongens hadden er niet op gerekend, dat er al zoo gauw
-ontzet zou komen opdagen.
-
-Maar vooral Abé en Karibo waren blij dat ze elkaar eindelijk heelhuids
-terug vonden.
-
-"Jonge, jonge," zei Karibo, "da's 'n gelukje hoor, dat we die twee
-ferme jongens ontmoetten. We hadden je hier nooit gevonden. We zouden
-natuurlijk recht door gereden zijn naar Pirlapan en dan waren we
-slaags geraakt met die Sutrebortroep."
-
-"O," antwoordde Plachki, "die hadden op d'r kop gekregen."
-
-"Daar twijfel ik geen oogenblik aan," zei Karibo lachend. "Doch ik
-weet zeker, dat 't dan nog 'n heele tijd geduurd zou hebben eer ik Abé
-terug gezien had. We zouden elkaar wéér voorbij zijn geloopen... hè?"
-
-"Op dat punt waren we echte ongeluksvogels Karibo. Maar nu blijven we
-bij elkaar hoor. Als je wist hoe raar ik al die tijd rondgescharreld
-heb."
-
-"'k Weet er alles van. Je ben al roover ook geweest he?"...
-
-"En bedelaar."
-
-"Je witte paard hebben we terug!"
-
-"Wat zeg je?... En die kerel?"
-
-"Achter slot hoor."
-
-"Maar hoe wist je dat Sutrebor me z'n ruiters achterna gezonden
-had? Daar wist ik zelf niet eens wat van."
-
-"Dat heb je te danken aan moeder Guldratsj jongen. Die heeft 't
-me verteld."
-
-"Karibo is 't eerlijk waar, wordt ik keizer van Huk?"
-
-"Natuurlijk, geen mensch heeft er recht op dan jij. Om je de waarheid
-te zeggen ben je 't nu al. Pirlapan heeft nu al 'n heel leger bij
-elkaar en daarmee trekken we naar Pomfriet. Sutrebor moet maar 'n
-goed heenkomen zoeken."
-
-"Dat is hem geraden ook," zei Plachki, "want als vader hem te pakken
-krijgt zal 't er leelijk voor hem uitzien."
-
-"En waar gaan we nu heen?" vroeg Abé aan Karibo.
-
-"Nu gaan we eerst maar wat slapen Abé. Je zal ook wel moe zijn."
-
-"'n Beetje wel. Doch we hebben geen aangename slaapplaatsen hier op
-de steenen."
-
-"Nou ja, voor 'n keer hindert dat niet. 'n Soldaat moet overal tegen
-kunnen hè?"
-
-"Wat dat betreft, 'k ben in de laatste tijd niet verwend. 'k Heb in
-'n hutje geslapen bij moeder Guldratsj, langs de weg in 't gras, bij
-de boer in 't hooi, bij de roovers in de stal, bij 'n andere boer
-tusschen de geiten en toen wouen ze me in Lumkiping in 'n kil hok
-laten logeeren terwijl ik niets anders aan had dan 'n hemd. Doch daar
-maakte Plachki gelukkig 'n eind aan. Dat was niet om uit te houen."
-
-"Je hebt heel wat meegemaakt Abé en voor 'n keizer heb je 't niet al
-te best gehad. Maar dat zal nu wel voorbij zijn. Over 'n paar weken
-slaap je in je paleis in Pomfriet."
-
-'n Half uur later was 't heel stil in 't ravijn. De menschen sliepen
-behalve de schildwachten, die aan de ingang van 't ravijn op post
-stonden. Bovendien waakten er ook nog mannen bij de paarden.
-
-'n Uur daar vandaan in 't kamp van de Sutrebortroep ging 't er op dat
-oogenblik heel anders toe. De aanvoerder die 's middags om 't kasteel
-heen gezworven had om te zien of er geen zwak of onverdedigd plekje
-te vinden was, waarvan hij gebruik kon maken om Pirlapan binnen te
-dringen, was erg misnoegd bij z'n troep teruggekeerd. Er was geen
-sprake van dat hij met 'n honderd ruiters iets tegen 't sterke huis
-ondernemen kon. Hij zou onverrichter zaken terug moeten keeren naar
-Pomfriet. En dat beteekende de ongenade van keizer Sutrebor en óók nog
-'t verlies van de uitgeloofde belooning. 't Een was al net zoo erg
-als 't andere. Heel veel gaf die aanvoerder niet om z'n keizer. Of
-hij in dienst was bij 'n keizer die Sutrebor heette of bij 'n ander,
-dat was hem 't zelfde. Wie hem betaalde, was z'n heer, en zoo dachten
-de onderaanvoerders en de soldaten er ook over. 't Waren allemaal
-huurlingen.
-
-Toen de aanvoerder in 't kamp aankwam sliep de heele boel. Hij hoorde
-hen in de verte al snurken. Nu 'n beetje rust gunde hij z'n mannen
-wel, want ze hadden 'n vermoeiende tocht achter de rug. Als ze wat
-uitgerust waren zou hij hen maar weer te paard laten stijgen en dan
-zat er niets anders op dan terugkeeren naar Pomfriet.
-
-Tegen den avond riep hij z'n onderaanvoerders nog eens bij zich en
-beraadslaagde met hen wat ze doen zouden. Die waren er ook voor om
-maar zoo gauw mogelijk terug te keeren. De prins kregen ze toch
-niet te pakken, 't Was wel jammer dat de belooning hen ontging,
-doch daar was wel wat op te vinden. Ze zouden onderweg hier en daar
-'n beetje plunderen. Daar hielden de ruiters ook wel van, en op die
-manier kreeg je toch ook wat in je beurs.
-
-"Best," zei de aanvoerder. "Tegen de tijd dat Sutrebor er achter komt
-dat we z'n eigen onderdanen geplunderd hebben, heeft ie ons misschien
-hard noodig, en vergeeft ie 't ons wel. Want als ik me niet vergis, zal
-er 'n harde tijd voor keizer Sutrebor aanbreken. Ze zullen die prins
-wel keizer willen maken en dan zal Sutrebor er om moeten vechten."
-
-"Da's wel heel goed kapitein. Dan krijgen wij wat te doen."
-
-"Laten we nu maar opbreken."
-
-'n Oogenblik later klonk er trompetgeschal. De mannen stonden op,
-gingen maar hun paarden en maakten zich gereed om op te stijgen. Ze
-mopperden allemaal. Hadden ze daarvoor nu zoo'n verre tocht gemaakt
-om met leege handen terug te gaan? Nu kregen ze natuurlijk geen cent
-van de keizer.
-
-De kapitein merkte 't wel en hij liet door z'n onderaanvoerders aan
-de ruiters meedeelen, dat ze onderweg zich wel schadeloos zouden
-stellen, door 'n beetje te plunderen. Met ontevreden soldaten kon
-hij niets beginnen.
-
-Daar werden ze allemaal weer vroolijk van en welgemoed reden ze
-'n kwartier later 't bosch in.
-
-De schildwachten aan de ingang van 't ravijn en de mannen bij de
-paarden hadden 't trompetsignaal ook gehoord. 'n Schildwacht was
-daarop van z'n paard gesprongen en had aan Karibo, die al sliep maar
-dadelijk wakker werd toen de man aan kwam stappen, gemeld dat er de
-kant op van Pirlapan 'n signaal gegeven was.
-
-"Ze gaan zeker weer weg," zei Karibo.
-
-De schildwacht die zelf 'n Pirlapanner was, dacht dat ook en hij
-vond 't erg jammer, want dan kwam er niemendal van 't plannetje om
-die Sutreborkerels op d'rlui kop te geven. Plachki en Abé waren nu
-ook wakker geworden, en toen ze hoorden wat er aan de hand was, zei
-Plachki dat ze best die troep overvallen konden als Karibo 't hebben
-wilde. Over 'n half uur waren ze vlak in de buurt.
-
-Maar Karibo had er niet veel zin in. Dat wil niet zeggen dat Karibo
-niet van vechten hield. Daar hielden in die tijd bijna alle menschen
-van, doch hij vond 't niet voorzichtig. Als 't eens verkeerd ging,
-dan kwam de prins weer in gevaar.
-
-"Ben je mal," zei Plachki, "d'r is heelemaal geen kans voor die lui om
-'t te winnen van ons. We overvallen hen van drie kanten en..."
-
-"En dan gaan ze d'r allemaal ân!" zei de Pirlapanner.
-
-"We blijven stilletjes hier," zei Karibo. "'t Zou zeer onverstandig
-zijn onze mannen te wagen alleen om die Sutrebortroep uit elkaar te
-slaan. Laat dat maar aan anderen over. Ze komen tòch niet in Pomfriet
-terug. Onderweg zullen ze wel zien wat er aan de hand is. Ga maar
-gauw weer op je post."
-
-De Pirlapanner ging, maar in zichzelf wenschte hij die voorzichtige,
-bedachtzame Karibo naar de maan. Als heer Pirlapan er zelf bij was
-geweest zou 't wel anders gaan. Die zou zich niet zoo flauw aanstellen.
-
-Zoo kwam het dat de honderd man van Sutrebor ongehinderd 't bosch
-door konden rijden, op geen kwartier afstand van 't ravijn, waar de
-prins die ze zoo graag in hun bezit gehad hadden gerust lag te slapen,
-want hij werd nu wel heel goed bewaakt.
-
-Den volgenden morgen heel vroeg brak Karibo met z'n mannen op om de
-terugtocht naar Lumkiping te aanvaarden en zonder ongevallen kwamen
-ze daar dan ook 'n dag of wat later aan. Van de soldaten van Sutrebor
-hadden ze niets meer gehoord of gezien.
-
-Met groot gejubel werd Prins Alphabet in Lumkiping ontvangen. De
-heele stad liep uit om hem te zien en de oude Pirlapan en de overige
-baronnen, die in Lumkiping waren met al hun krijgsknechten behandelden
-hem met de eerbied die ze aan hun keizer verschuldigd waren. Dat
-was niet erg naar de zin van Abé, die zich 'n beetje verlegen voelde
-worden, als zoo'n voorname heer in 'n ijzeren wapenrusting voor hem
-boog, doch Karibo vertelde hen lachend dat ie daaraan wel wennen zou.
-
-Hij reed nu weer op z'n witte paard en hij had z'n eigen kleeren
-weer aan, met de roode schoenen en de vierpuntige muts met de
-voelsprieten. Doch de oude Pirlapan had om de rand van de muts 'n
-gouden kroon laten maken. Hij vond dat 't zoo hoorde en Abé vond
-'t ook erg mooi. Karibo was er ook zeer mee ingenomen, want nu kon
-iedereen onmiddellijk zien, dat ze de keizer van Huk voor zich hadden.
-
-Abé en Karibo hadden bij 'n deftig burger van Lumkiping hun intrek
-genomen, die z'n heele prachtige huis ter hunner beschikking gesteld
-had. Ze behoorden eigenlijk in 't huis van de burgemeester te wonen,
-zei Pirlapan, maar de burgemeester was ziek en iedereen in Lumkiping
-wist dat de burgemeester ziek was van angst, omdat hij de keizer van
-Huk in z'n hemd had opgesloten in 't gevangenhok op 't raadhuis. De
-goeie man meende dat de keizer wel erg kwaad op hem zou zijn daarom,
-doch Abé dacht heelemaal niet aan hem. Die dacht veel meer aan
-moeder Guldratsj en aan Plachki, die hij ook weinig meer te zien
-kreeg. Plachki moest voor z'n vader dienst doen bij 't leger, dat
-in Lumkiping lag en waarmee hij binnenkort dacht op te trekken naar
-Pomfriet om keizer Sutrebor te gaan verjagen.
-
-Abé had ook graag weer 'n beetje alleen op z'n paard rondgereden,
-desnoods met Karibo bij zich, doch 't liefst met z'n vriend Plachki
-doch dat ging niet. Hij was nu keizer en er was altijd 'n lijfwacht
-om hem heen, aangevoerd door 'n ouwe stijve baron met 'n vreeselijk
-ernstig gezicht. Als Abé maar even opkeek was de stijve baron al naast
-hem om te vragen wat zijn majesteit verlangde. Hij hoefde niets meer
-zelf te doen en dat vond ie schrikkelijk vervelend.
-
-Soms lag Abé 's avonds in z'n bed daarover na te denken. Dan was
-hij tenminste alleen. Hij had er al eens met Karibo over gesproken,
-dat zóó'n keizerleventje hem niet beviel, doch die goeie Karibo had
-alweer gezegd, dat 't wel wennen zou. Met keizers ging 't altijd
-zoo. Je was baas over 't heele land maar over jezelf had je heel
-weinig in te brengen.
-
-Op 'n keer kwam hij Plachki te paard tegen. Die groette heel netjes,
-zooals 't behoorde en reed door. Doch dit vond Abé toch wel 'n beetje
-al te gek, dat z'n vriend Plachki en hij elkaar voorbij zouden rijden
-zonder 'n woord tot elkaar te zeggen. Vlug wendde hij z'n witte paard
-en was in 'n wip naast Plachki.
-
-"'k Rijd 'n een eindje met je mee Plachki. Waar moet je naar toe?"
-
-"Eventjes naar vader. Wat 'n vervelend schepsel heb je daar bij je?"
-
-"Dat is de aanvoerder van de lijfwacht."
-
-"Lollige kameraad geloof ik. Wat 'n snuit zet die vent."
-
-"Pas maar op dat ie je niet hoort... 't Is de ouwe baron
-Bommeldebierton van Rommeldebom."
-
-"Nou jij raakt thuis in de Huksche namen. Je spreekt 'm tenminste
-uit of je nooit anders gedaan hebt."
-
-"Ik leer 't zoo langzamerhand. Ik zeg gewoonlijk maar Bommeltje tegen
-hem, doch hij heeft 't liever niet. Hij is trotsch op z'n naam."
-
-"Waarom stuur je 'm met z'n lijfwacht niet weg? Waarvoor ben je dan
-keizer als je niet eens die lui weg kan sturen?"
-
-"'k Zal 't maar doen ook Plachki. Ik moet eens 'n poosje met jou
-alleen rijden."
-
-Hij keerde zich half op z'n paard om, doch nauwelijks had hij die
-beweging gemaakt of baron Bommeldebierton van Rommeldebom was al
-naast hem om te vragen wat zijne majesteit wenschte.
-
-"Baron ik wou 'n poosje met m'n vriend Plachki alleen zijn. Rijd maar
-met de lijfwacht naar huis. Tot ziens."
-
-Hij groette plechtig met de hand en draafde met Plachki
-weg. Bommeldebierton werd rood van ergernis. Hij vond dat die jonge
-keizer dingen deed die 'n keizer niet doen mocht.
-
-"Zoo'n aap," bromde hij binnensmonds.
-
-Abé en Plachki draafden samen 'n paar stille straten door, doch
-toen ze in de drukkere buurten kwamen moesten ze hun paarden laten
-stappen. De Lumkipingers keken met plezier naar het keizertje,
-dat ze nu eens op hun gemak en van dichtbij konden bewonderen en
-aangapen en ze groetten allemaal. Abé knikte lachend terug. Nu hij
-alleen met Plachki reed door die volle straten had hij schik. Maar
-de Lumkipingers werden hoe langer hoe lastiger. Ze begonnen mee te
-loopen om prins Alphabet eens goed te bekijken en de meesten die van
-de andere kant kwamen drongen voortdurend maar op. Abé en z'n vriend
-konden bijna niet meer vooruit. Als er een wat al te dicht bij z'n
-paard kwam gaf de jonge Pirlapan de man 'n duw met z'n ijzeren schoen
-of 'n por met 't hout van z'n speer. Hij ging niet erg zachtzinnig
-om met de onderdanen van z'n vriend.
-
-"Pas op Plachki, je doet ze zeer."
-
-"Moeten ze maar uit de weg blijven."
-
-Doch plotseling op de hoek van 'n straat verscheen er zoo'n
-Lumkipingsche politiereus. Hij had 'n knuppel in de hand en keek
-met 'n streng gezicht naar de burgers onder wie hij de orde moest
-handhaven. Nu zag hij daar de keizer aankomen en dadelijk was hij er
-bij om ruim baan te maken.
-
-"Op zij!" schreeuwde de reus. "Op zij!"
-
-De menschen vlogen uit de weg.
-
-"O," riep Plachki en hij begon luidkeels te lachen, waarvan de
-Lumkipingsche burgers gek opkeken.
-
-"Waarom lach jij zoo?" vroeg Abé. "Vind je 't niet aardig van hem
-dat ie 'n beetje ruimte maakt voor ons?"
-
-"Jawel Abé... maar 't is die vent, die 's nachts op jou passen
-moest..."
-
-Oeliboe Bomdrum had bij 't luide lachen van Plachki opgekeken en
-dadelijk had ie die jongen ook herkend. De man stond plotseling zoo
-stijf als 'n boom.
-
-Maar Plachki zei tegen hem:
-
-"Wel, hebben jullie nog lang naar ons gezocht die nacht?"
-
-Toen kwam Oeliboe Bomdrum weer 'n beetje bij en hij antwoordde:
-
-"Neen heer, we dachten dat je wel niet meer uit 't water zou komen."
-
-"Zoo dachten jullie dat? En wat zei de burgemeester er wel van. Heb
-je op je kop gehad?"
-
-"Neen heer. De burgemeester weet niet hoe 't gegaan is. Wij hebben
-onze mond gehouden en gezegd dat we niets gehoord of gezien hebben."
-
-"Dat hebben jullie ook niet," zei Plachki lachend, "want je sliep
-allemaal."
-
-"O heer," smeekte Oeliboe Bomdrum "zeg 't asjeblieft niet tegen de
-burgemeester, want dat is 'n streng heer. Die jaagt ons zeker allemaal
-weg, als ie 't hoort."
-
-"Wees maar niet bang," zei Abé nu. "Wij zullen je niet verraden
-hoor. Loop maar 'n eindje voor ons uit, om wat ruimte te houden voor
-onze paarden."
-
-"Dat zal ik doen heer," zei Oeliboe Bomdrum verheugd en hij ging
-tien passen voor de paarden uit in 't midden van de straat loopen
-met z'n knuppel zwaaiend. Geen enkele Lumkipinger had 't hart meer
-midden in de straat te blijven wandelen. Ze bleven netjes aan de
-kant en Abé en Plachki konden rustig voortrijden. Oeliboe Bomdrum was
-'n beste voorlooper.
-
-"Wat doe je de heele dag?" vroeg Plachki.
-
-"Nou niet veel bizonders. Je vader en Karibo en de overige heeren
-maken geloof ik alles in orde voor me. Over twee dagen gaan we naar
-Pomfriet."
-
-"Maar waarom kom je dan niet bij ons in 't leger. Daar is 't prettig
-genoeg. De heele dag oefenen we ons, want 't zal er daar in Pomfriet
-warm naar toe gaan, als Sutrebor tenminste 'n beetje moed in z'n
-lijf heeft.
-
-"Morgen kom ik hoor," zei Abé. "Ik ben 't 'n beetje zat dat
-lanterfanten."
-
-"Best, je komt maar bij de Pirlapans. We zijn allemaal bij elkaar,
-m'n broers en de mannen van Pirlapan. 'n Prachtige troep. We wonen
-in tenten buiten de stad."
-
-"Hè, hoe heerlijk. Ik kom morgen vast."
-
-
-
-
-
-
-
-
-DERTIENDE HOOFDSTUK
-
- Waarin de burgemeester van Lumkiping 't benauwd heeft, prins
- Alphabet als keizer de hoofdstad van Huk binnengaat en Karibo
- 'n voornaam heer wordt.
-
-
-Abé had wel graag gedaan wat ie met Plachki had afgesproken, doch
-hij had alweer vergeten dat 'n keizer niet zoo vrij over z'n tijd te
-beschikken heeft als 'n gewoon mensch. De baronnen van Huk, die in
-Lumkiping aanwezig waren, wilden hun wettige keizer huldigen en dat
-zou de volgende dag gebeuren.
-
-"Vervelend hoor," zei Abé toen Karibo 't hem kwam vertellen.
-
-"Wat, noem je dat vervelend? Jongen als je wist hoe blij ik ben,
-dat ik zooiets nog mag beleven!"
-
-"Dat geloof ik graag. Maar jij hoeft niet doodstil als 'n pop op
-'n troon te zitten. Hebben ze wel eens 'n troon hier?"
-
-"Nee... maar we hebben de burgemeester z'n stoel geleend. Die lijkt
-er in ieder geval wat op."
-
-Lumkiping bezat niet eens 'n gebouw groot genoeg om al die baronnen
-met hun gevolg te kunnen bevatten en daarom zou de heele plechtigheid
-in de open lucht plaats hebben op de markt voor 't raadhuis. Onder
-de ingang zou prins Alphabet plaats nemen in de burgemeestersstoel en
-de heeren zouden dan een voor een de trap opkomen en voor hun keizer
-knielen, zooals dat reeds sedert drieduizend jaren 't gebruik was in
-Huk. Iedereen op de markt en voor de vensters kon 't dan mee aanzien.
-
-"Jij komt zeker naast me zitten, hè?" vroeg Abé aan Karibo toen deze
-hem alles haarfijn had uitgelegd.
-
-"Naast je zitten? Maar jongen, er zit geen mensch naast je. Pirlapan
-staat naast de troon aan je rechterkant met 'n ontbloot zwaard in
-de vuist. Hij is de machtigste baron in Huk, en dus komt hem die
-eereplaats toe."
-
-"Maar jij zal zoo moe worden als je zoo'n heele morgen staan moet!"
-
-"Ik ben er heelemaal niet bij. Ik ben maar 'n gewoon mensch,
-'n vroegere bediende van keizer Napo. Die hoort toch niet naast de
-troon te staan."
-
-"Zoo, denken ze dat? Wacht maar eens Karibo tot we in Pomfriet
-zijn. Dan zal ik die Hukkers wel eens laten zien, wie er naast me
-mag zitten. Niet staan, begrijp je?..."
-
-"Plachki is er toch zeker wèl bij, hè?"
-
-"Die is nog te jong. Die telt nog niet mee. Hij zal wel 'n goed plekje
-op de markt uitzoeken om 't te zien."
-
-"Plachki ook al niet? Maar wie is er dan nog meer vlak bij
-me? Bommeltje toch niet hoop ik?"
-
-"Ja, die staat links van je."
-
-"Hoor eens Karibo, jullie speelt de baas maar over me of ik heelemaal
-niets in te brengen heb. Ik wil die strakke Bommeldebierton niet
-naast me hebben. Roep Pirlapan maar eens even."
-
-"Och Abé, laat 't nu maar gebeuren, zooals ze 't voor je bedisseld
-hebben."
-
-"Nee. Jij er niet bij en Plachki niet en moeder Guldratsj niet... net
-allemaal menschen die ik er graag bij had. Daar gebeurt niks van. Roep
-maar gauw Pirlapan."
-
-Karibo ging hoofdschuddend heen. Hij begreep op eens dat prins Alphabet
-als 't er op aan kwam minstens net zoo koppig was als keizer Napo
-vroeger ook geweest was en die had 't z'n troon gekost.
-
-Toen Pirlapan kwam, wist ie er alles al van. Karibo had hem op de
-hoogte gebracht. Hij legde Abé uit, dat 't allemaal zoo hoorde. Maar
-'t keizertje stond op z'n stuk. In ieder geval wilde hij Plachki naast
-zich hebben. Daar kon toch niemand wat tegen inbrengen. Plachki was
-toch ook 'n baron van Pirlapan. Z'n vriend kon tusschen hem en die
-vervelende Bommeltje in gaan zitten.
-
-De oude Pirlapan hield ook niet erg van Bommeltje. Hij vond hem
-'n stijve Klaas, al was ie dan ook nog zoo'n voornaam heer, die je
-niet voorbij kon gaan. Hij besloot dus maar aan de wensch van Abé
-toe te geven. Plachki mocht aan de voeten van prins Alphabet zitten,
-dan konden ze zoo nu en dan eens met elkaar praten. Hiermee was
-Abé tevreden.
-
-Al heel vroeg was de markt stampvol en uit alle vensters puilden
-proppen menschen. Vlak voor de trappen van 't raadhuis stonden
-krijgslieden te voet en de weg naar en van 't raadhuis werd
-vrijgehouden door ruiters. Dat zag er bont uit. Iedere baron had
-'n paar van z'n mannen geleverd voor deze dienst en ze waren allen
-gekleed in de kleeren hunner heeren. Boven de hoofden der menschen
-flapperden vlaggen en wimpels, meest oranje en groen, de kleuren van
-Huk, doch er waren ook veel andere kleuren tusschen, want iedere
-baron had z'n eigen vlag. Die van Pirlapan was rood en geel. Ook
-hadden de burgers sparreslingers langs hun gevels gehangen en over
-de vensterbanken bonte tapijten gelegd.
-
-Prins Alphabet keek vroolijk over de menschenhoofden heen naar al dat
-kleurgeschitter in de zon. Hij zelf had z'n blauwe kleed aan, dat ie
-iedere dag droeg, doch daarover heen hing 'n deftige koningsmantel met
-hermelijn van binnen en met 'n glinsterend gouden gesp op de borst vast
-gemaakt. De sprietenmuts met de gouden kroon er om had hij op. Met
-die mantel om vulde hij bijna de ruime zetel van de burgemeester,
-die anders veel te groot voor hem geweest zou zijn. Plachki zat aan
-z'n voeten.
-
-Nu kwamen al die machtige baronnen hun kleine keizer huldigen en dat
-was schrikkelijk vervelend want er waren er zoo'n boel. Abé kende er
-maar 'n paar van en hij wist heusch niet wat hij tegen die voorname
-heeren zeggen moest. Daarom deed ie maar niets anders dan vriendelijk
-knikken tegen iedereen die voor z'n troon de knie boog. En iedereen
-die 't zag vond, dat ze maar wat 'n aardig keizertje in Huk hadden.
-
-Een van de laatste die de trappen van 't raadhuis beklom was de
-burgemeester van Lumkiping. Al z'n raadsheeren en de spichtige
-secretaris liepen achter hem. De burgemeester deed zeer plechtig en
-stapte deftig langzaam, met z'n neus in de wind de trappen op. Hij
-hield zich goed voor de menschen. Niemand kon aan hem zien hoe z'n
-hart van angst klopte en hij hoorde niemendal van 't hoerageroep
-der Lumkipingsche burgers op de markt, die 't maar wàt fijn vonden,
-dat hun burgemeester 't eerst van alle burgemeesters uit heel Huk de
-nieuwe keizer mocht gaan huldigen. Dat was voor de eerste maal sedert
-'t keizerrijk Huk bestond.
-
-"Daar heb je 'm" fluisterde Plachki, toen de burgemeester naderde.
-
-Abé zette 'n ernstig gezicht. Doch toen de burgemeester neerknielde en
-nog dieper boog dan een van de anderen gedaan had, dacht hij eraan dat
-hij nog niet lang geleden als 'n roover vóór die burgemeester gestaan
-had. Toen zat die burgemeester in de stoel en Abé stond er voor in z'n
-hemd. De bordjes waren verhangen. Abé was er geen jongen naar om dat
-aan die bibberende burgemeester te wreken, maar toch zei hij lachend:
-"Vindt u me zoo niet veel knapper dan in m'n hemd?"
-
-De arme man wou wat antwoorden, doch er kwam geen woord over z'n
-lippen, ofschoon hij er moeite genoeg voor deed. Ook stond hij maar
-heelemaal niet op, wat hij allang had behooren te doen. Plachki
-kon zich bijna niet meer goedhouden. Die vond 't wel leuk dat zoo'n
-stadsche m'nheer er zoo inzat. Doch Abé kreeg meelijden met de stakker
-en daarom zei hij heel ernstig: "Ik hoop u later nog eens in Pomfriet
-te zien, burgemeester, U moet maar eens bij me op visite komen."
-
-Dat hielp. De burgemeester rees overeind en stapte weg met 'n heel
-wat blijder gezicht. Dezelfde avond wisten alle Lumkipingers, dat de
-keizer hun burgemeester had uitgenoodigd om in Pomfriet op visite te
-komen aan 't hof en daarover waren ze zóó in de wolken, dat ze besloten
-'n standbeeld voor de burgemeester op te richten. De secretaris was
-er gloeiend nijdig om, maar hij kon 't toch niet tegenhouden.
-
-Toen de plechtigheid afgeloopen was en de nieuwe keizer met Plachki
-naast zich door de volle straten naar huis reed, zei hij:
-
-"Hè, hè, wat ben ik blij, dat 't afgeloopen is. 't Was taai hoor."
-
-"Of het. Ik kom nooit weer bij je zitten als ze nog es zoo iets op
-touw zetten."
-
-"Da's gemeen van je Plachki, om mij voor de vervelende dingen alleen
-te laten opdraaien. Ik dacht juist dat jij me 'n handje zou helpen
-om er doorheen te komen."
-
-"Och ik zei 't maar uit gekheid, dat begrijp je toch ook wel. 't Zou
-nog al mooi zijn als je 'n vrind, die zoo'n vervelend baantje heeft
-als jij, d'r heelemaal voor liet zitten."
-
-"Ik begin ook te begrijpen, dat keizer zijn nog niet alles is,"
-zei Abé zuchtend. "Maar misschien valt 't nog wel mee, als we over
-'t begin heen zijn."
-
-"Ik hoop 't voor je. Ik had gedacht dat je als keizer doen mocht wat
-je wou... Maar je moet juist doen wat je niet wil."
-
-"'t Zal wel beter worden ... wacht maar."
-
-Ze hoefden er evenwel niet heel lang op te wachten. 'n Paar dagen
-later was alles gereed voor de tocht naar Pomfriet. Pirlapan had nu
-'n heel leger onder z'n bevel en daarmee zou hij prins Alphabet naar
-de hoofdstad van Huk brengen.
-
-Prins Alphabet, Plachki, Karibo en Pirlapan reden vroolijk tusschen de
-talrijke ruiters en voetknechten, die allemaal verlangend waren naar de
-strijd met de soldaten van Sutrebor. Ze hoopten dat Sutrebor er niet
-van door zou gaan en ook dat de Pomfrieters de poorten van hun stad
-stijf dicht zouden houden. Dan kwam er tenminste nog iets van vechten.
-
-Abé en Karibo echter waren daar niet zoo dol op. Karibo was bang dat
-Abé in 't gevecht gedood zou kunnen worden. Dan kwam er van 't heele
-keizerschap niemendal en daarvoor had hij z'n jonge meester toch
-niet uit 't vreemde land teruggebracht naar Huk. Abé vond 't akelig
-dat zoovele Hukkers tegen elkaar zouden gaan vechten om hem. Als 't
-nu nog vijanden van 't land Huk geweest waren, maar die Pomfrieters
-waren Hukkers, net zoo goed als Pirlapan en Bommeltje.
-
-"Ben je mal," zei Plachki. "Noem je dat Hukkers? De eene dag zijn
-ze aan 't hoera roepen voor jou en de volgende dag halen ze Sutrebor
-weer terug. Dat zijn lui waar je niet op aan kan en dat noem ik geen
-Hukkers. Wat jij Karibo?"
-
-Karibo was 't met Plachki eens... die Pomfrieters hadden wel 'n
-lesje verdiend.
-
-"O zoo," zei Plachki. "We zullen ze er eens van langs geven. Laat
-dat maar aan vader over."
-
-Met iedere dag kwamen ze nu dichter bij de hoofdstad en overal werd
-de nieuwe keizer met gejuich ingehaald. Abé hoopte nu maar dat 't in
-Pomfriet ook zoo zou gaan. Al waren die Pomfrieters dan rare Hukkers,
-'n beetje wispelturig en onbetrouwbaar, al hadden ze vroeger z'n
-vader, keizer Napo, weggejaagd, hij wilde toch maar liever zonder
-bloedvergieten de hoofdstad van z'n keizerrijk binnentrekken.
-
-Toen 't leger van Pirlapan echter de stad bereikte waren de poorten
-gesloten. Dat hadden nu echter de Pomfrieters zelf niet gedaan. Die
-waren benauwd genoeg en zouden graag al hun poorten wijd open
-gezet hebben om prins Alphabet binnen te laten. Ze wilden wel weer
-hoeraaa!! roepen ook en illumineeren als die soldaten van Pirlapan en
-de andere baronnen hen maar met vrêe lieten, hun huizen niet in brand
-staken of hun goederen roofden. Doch keizer Sutrebor had de poorten
-laten sluiten. Hij wist wel dat 't er op of er onder ging met hem,
-en nu wou hij zich zoo lang verdedigen als 't kon.
-
-Overal op de muren waren zijn soldaten ijverig bezig om de stad zoo
-goed mogelijk te kunnen verdedigen en de burgers van Pomfriet moesten
-daaraan meehelpen of ze wilden of niet. Doch toen ze 't groote leger
-van Pirlapan voor de wallen zagen ontzonk hun wel 'n beetje de moed en
-keizer Sutrebor beleefde angstige uren. Geen mensch kon meer Pomfriet
-uit of in en 't duurde niet lang of de levensmiddelen werden schaars en
-duur en de Pomfrieters begonnen hoe langer hoe harder te morren. Maar
-Sutrebor deed de poorten niet open. Tot op 'n nacht de Pomfrieters
-weer te hoop liepen, 't paleis aanvielen, de wacht overrompelden en
-keizer Sutrebor gevangen namen. Daarna holden ze naar de poorten,
-overvielen de wachten die maar weinig tegenstand boden, en 's morgens
-heel in de vroegte gingen ze met de gevangen Sutrebor naar buiten om
-hem over te leveren aan prins Alphabet.
-
-Abé en Plachki waren net op en zaten al te paard, want er zou 'n aanval
-gedaan worden op de stad. Pirlapan wilde niet langer meer wachten.
-
-Daar zagen ze in de verte uit de stadspoort 'n troep menschen naderen
-met 'n witte vlag voorop.
-
-"'t Helpt hun toch niet," zei Plachki, "al geven ze zich over. Op
-hun kop krijgen ze toch."
-
-Abé antwoordde niemendal; maar keek nieuwsgierig naar de Pomfrieters
-die vlug doorliepen.
-
-Pirlapan en de overige aanvoerders waren al gewaarschuwd en deze
-voegden zich nu allen bij prins Alphabet. Karibo was er ook bij.
-
-Eindelijk waren de Pomfrieters met hun witte vlag dicht genoeg bij
-en nu zagen de belegeraars dat ze 'n gevangene in hun midden hadden.
-
-"Dat kan geen mensch anders zijn dan Sutrebor, die ze komen
-uitleveren," zei Pirlapan.
-
-"Wat 'n gemeene kerels," zei Plachki. "Eerst halen ze hem terug en
-nu 't er op aan komt leveren ze hem aan de vijand over om er zelf
-heelhuids af te komen."
-
-De man met de witte vlag trad naderbij. De overigen bleven op eenige
-afstand.
-
-"Wat kom je doen?" vroeg Pirlapan stug.
-
-"Heer, wij hebben Sutrebor gevangen genomen en leveren hem nu aan
-u over."
-
-"Net iets voor 'n Pomfrieter. Jullie ben de trouwste onderdanen,
-die ik ooit gezien heb."
-
-"Wij onderwerpen ons aan de rechtmatige keizer van Huk. De poorten
-staan open, heer."
-
-"Daar zijn we erg blij mee," zei Pirlapan spottend. "Hoe lang denken
-jullie trouw te blijven?"
-
-De man gaf geen antwoord, en toen vervolgde Pirlapan:
-
-"Dat weet je niet hè? Nu we zullen wel zorgen dat Pomfriet in
-'t vervolg trouw blijft. Jullie blijft allen als gijzelaars
-hier. Intusschen zullen wij in de stad eens een kijkje gaan nemen."
-
-Niemand nam eenige notitie van Sutrebor, die als 'n gewoon Pomfrieter
-met de anderen naar 't legerkamp gevoerd werd. Daar zorgden ze er
-echter wel voor, dat ie niet ontsnappen kon.
-
-'n Gedeelte van 't leger en al de voorname heeren volgden prins
-Alphabet naar Pomfriet. De nieuwe keizer reed tusschen Pirlapan en
-Karibo in en vlak bij de stad zei hij:
-
-"Heer van Pirlapan, dat gaat goed zoo zonder bloedvergieten hè?"
-
-Pirlapan keek Abé eens aan en antwoordde: "Ja uwe majesteit. We
-komen er gemakkelijk in. Geen van onze mannen behoeft er 't leven
-bij te laten."
-
-"En geen Pomfrieters ook."
-
-"Geen Pomfrieters? ... Morgen hangen we alle belhamels op."
-
-"Heer van Pirlapan wil je me 'n groot genoegen doen? Hang dan geen
-belhamels op."
-
-Pirlapan gaf 'n ruk aan de teugels dat z'n paard er van begon te
-steigeren.
-
-"Wat? Die ontrouwe Pomfrieters... daar zouden we er geen paar honderd
-van opknoopen als 'n waarschuwend voorbeeld voor de rest?"
-
-"Liever niet, heer van Pirlapan. Ik zou graag willen beginnen als
-keizer van Huk zonder die paar honderd opgehangen Pomfrieters."
-
-Karibo hoorde met 'n vergenoegd gezicht toe. Karibo was nieuwsgierig
-wie er zou toegeven, de koppige kleine keizer of de koppige groote
-baron. Want koppig was Pirlapan ook.
-
-Hij reed 'n poos zwijgend naast Abé voort tot ze bijna vlak onder de
-openstaande poort van Pomfriet waren. Toen zei Pirlapan:
-
-"Het zal gebeuren zooals Uw majesteit wenscht. We zullen dan alleen
-Sutrebor opknoopen."
-
-"Och laat die arme kerel ook maar leven..."
-
-"Die ook al niet? Maar prins...."
-
-"Wat heb je daaran? Ik wou liever heelemaal geen mensch op laten
-hangen."
-
-"Wat zeg je me daarvan?" zei Pirlapan 'n poosje later tegen Karibo
-terwijl Abé en Plachki vooruit reden. "Wat zeg je me daarvan, er
-wordt geen mensch opgehangen."
-
-"Ja," antwoordde Karibo lachend. "Hij is onze keizer hè? Z'n vader
-was net zoo."
-
-"Die was ook veel te goed," bromde Pirlapan.
-
-"Nee... ik bedoel net zoo koppig."
-
-De jonge keizer reed met z'n gevolg regelrecht naar 't raadhuis. Karibo
-wees de weg. Daar zaten de burgemeester en al de voorname Pomfrieters,
-die mee naar Pirlapan geweest waren om prins Alphabet te gaan halen en
-teruggekeerd waren omdat ze Karibo niet meer gelooven wilden. Ze zaten
-nu angstig bij elkaar omdat ze vreesden, dat hun niet veel goeds boven
-'t hoofd hing. Door de vensters zagen ze dat 't groote marktplein vol
-liep met soldaten, die zich heel ordelijk opstelden. Abé had bevel
-gegeven, dat geen soldaat 'n hand mocht uitsteken naar 'n Pomfrieter
-of z'n eigendom.
-
-Karibo werd naar binnen gezonden en 'n poosje later kwamen allen die
-daar binnen gezeten waren met benauwde gezichten uit 't raadhuis te
-voorschijn. De burgemeester voorop met 'n paar groote sleutels in
-z'n handen en de anderen achter hem daalden de trappen af en knielden
-voor 't paard van keizer Abé neer. Uit alle vensters keken de menschen
-nieuwsgierig toe. Ze riepen niet hoera zooals de Lumkipingsche burgers
-gedaan hadden. 't Was doodstil en iedereen kon hooren, wat de keizer
-van Huk tegen de knielende burgemeester zei:
-
-"Geef de sleutels van Pomfriet aan Karibo. Die zal voortaan
-burgemeester in de hoofdstad van Huk zijn. Sta op man en ga naar
-huis. Ik wil je nooit meer zien en die anderen ook niet. Ingerukt
-marsch."
-
-Prins Alphabet wendde z'n paard om en keek niet meer naar de
-voormalige burgemeester of de deftige heeren van Pomfriet, die nog
-altijd geknield lagen.
-
-De kleine keizer reed nu met z'n gevolg naar 't paleis waar hij
-geboren was en waar Karibo hem de weg weer moest wijzen. De nieuwe
-burgemeester van Pomfriet kende daar alle hoekjes en was wat blij
-dat hij eindelijk na zooveel jaren weer in dat paleis de voet mocht
-zetten, maar vooral omdat 't nu weer 't paleis van prins Alphabet
-was. Er waren vele dingen door Sutrebor veranderd doch er was ook
-nog veel gebleven van vroeger. Dat alles wees hij aan Abé.
-
-Pirlapan en Karibo hadden 't die dag erg druk. Er was zooveel te
-regelen in Pomfriet en daarbij hielp Pirlapan de nieuwe burgemeester
-zooveel hij kon. Maar ze waren 's avonds toch aanwezig bij 't
-groote feest dat in 't paleis ter eere van keizer Abecé gegeven werd
-en waarbij alle baronnen aanwezig waren. In de stad was 't echter
-doodstil en donker. De keizer had de Pomfrieters verboden de stad te
-illumineeren. Hij wilde niet dat de Pomfrieters meededen. En dat speet
-de menschen erg, want 't grootste gedeelte der Pomfrietsche inwoners
-was toch blij, dat de zoon van keizer Napo weer op de troon van Huk
-zat. Maar de goeden moeten 't wel eens meer met de kwaden ontgelden.
-
-In 't paleis ging 't er echter vroolijk genoeg naar toe. Alleen speet
-'t prins Alphabet dat moeder Guldratsj er niet niet bij was. Die had
-er ook bij moeten zijn, vond hij. Dan was 't volmaakt geweest.
-
-
-
-
-
-
-
-
-SLOT.
-
- Waarin de keizer van Huk merkt dat moeder Guldratsj geen draagstoel
- noodig heeft.
-
-
-Langzamerhand werd alles geregeld. Sutrebor was verbannen. Pirlapan
-was nog in Pomfriet. Hij leerde de jonge keizer hoe 't land bestuurd
-moest worden. Plachki was ook in Pomfriet. Dat had Abé zoo gewild. De
-overige Pirlapans waren door hun vader uitgezonden om door heel Huk
-bekend te maken dat prins Alphabet de troon van keizer Napo beklommen
-had en tevens om er voor te zorgen, dat 't in Huk weer veilig langs
-de wegen werd. De straatroovers, die onder keizer Sutrebor 'n goed
-leventje gehad hadden, kregen 'n slechte tijd. De overige Huksche
-baronnen waren op 'n paar na, die 'n hooge betrekking aan 't hof
-bekleedden, allen weer naar hun kasteelen vertrokken. En Karibo was
-'n flinke burgemeester, geen enkele van de voorname heeren had nog
-iets in te brengen.
-
-Doch nu begon keizer Abecé er over te denken om moeder Guldratsj te
-gaan halen. Dat had hij haar beloofd. Pirlapan en Karibo waren er
-tegen. Ze zeiden dat moeder Guldratsj waarschijnlijk veel liever in
-d'r hutje bleef, maar Abé wou er niet van hooren. Hij wilde moeder
-Guldratsj die zoo goed voor hem geweest was bij zich hebben.
-
-Zoo vertrok dan op 'n morgen 'n paar maanden na Abé's intocht in
-Pomfriet, 'n prachtige stoet ruiters met 'n mooie draagkoets, fraai
-genoeg voor 'n koningin. De keizer en z'n vriend Plachki reden zelf
-aan 't hoofd van de stoet. Ze reden vlug, maar 't duurde toch 'n week
-eer ze in de buurt van moeder Guldratsj' hutje aankwamen. Abé was
-ongeduldig en hij en Plachki reden in galop vooruit. Wat zou moeder
-Guldratsj wel zeggen?
-
-"Nou," meende Plachki, "ik denk dat ze blij genoeg zal zijn jou weer
-te zien en nog wel als keizer van Huk, maar of ze graag mee zal willen,
-dat weet ik nog niet. Ik geloof dat vader en Karibo gelijk hebben."
-
-"Ze zal best mee willen als ik 't haar vraag. Daar is d'r hutje."
-
-Ze renden nog harder voort. 't Ging als de wind. Juist toen ze voor
-de deur van moeder Guldratsj' hutje van hun paarden wilden springen
-werd de deur geopend en 'n man trad naar buiten. Hij had 'n zwarte
-mantel om en achter hem aan kwamen langzaam uit de deur vier mannen
-die 'n baar droegen waarover 'n zwart kleed lag.
-
-Abé schrok er van, doch Plachki vroeg aan de man terwijl hij op de
-baar wees: "Moeder Guldratsj?"
-
-De man knikte en zei: "Ja heer, we gaan haar begraven. Ze is van
-ouderdom gestorven."
-
-De man stapte vooruit en de vier mannen volgden met de baar. De keizer
-sprong van 't paard en Plachki eveneens en met hun paarden aan de
-teugel gingen ze stil mee achter 't zwarte kleed waaronder moeder
-Guldratsj lag. De weg was ver naar 't kerkhof en onderweg kwamen ze
-de heele keizerlijke stoet tegen. Op 'n wenk van Plachki stegen alle
-ruiters af en gingen mee. Zoo werd moeder Guldratsj plechtig begraven
-en 't was de eerste maal, dat 'n keizer van Huk achter de lijkbaar van
-'n oud moedertje liep.
-
-De menschen in 't dorp waar 't kerkhof was, wisten niet wie er achter
-de baar gingen. Ze vonden 't 'n mooie stoet en praatten er nog lang
-over. Doch op 'n dag kwamen er werklieden op 't kerkhof en die bouwden
-op 't graf van moeder Guldratsj 'n prachtig marmeren gedenkteeken en
-daar stond met gouden letters in gebeiteld:
-
-
- HIER LIGT MOEDER GULDRATSJ, DIE GOED WAS VOOR DE KEIZER VAN HUK.
-
-
-
-
-
-
-
-
-End of the Project Gutenberg EBook of Prins Alphabet, by Piet Valkenstein
-
-*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK PRINS ALPHABET ***
-
-***** This file should be named 55756-8.txt or 55756-8.zip *****
-This and all associated files of various formats will be found in:
- http://www.gutenberg.org/5/5/7/5/55756/
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg.
-
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
-States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive
-specific permission. If you do not charge anything for copies of this
-eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook
-for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports,
-performances and research. They may be modified and printed and given
-away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks
-not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the
-trademark license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country outside the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you'll have to check the laws of the country where you
- are located before using this ebook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm web site
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The
-Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm
-trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org Section 3. Information about the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the
-mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its
-volunteers and employees are scattered throughout numerous
-locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt
-Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to
-date contact information can be found at the Foundation's web site and
-official page at www.gutenberg.org/contact
-
-For additional contact information:
-
- Dr. Gregory B. Newby
- Chief Executive and Director
- gbnewby@pglaf.org
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
-spread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works.
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our Web site which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
-