diff options
Diffstat (limited to 'old/55756-8.txt')
| -rw-r--r-- | old/55756-8.txt | 7038 |
1 files changed, 0 insertions, 7038 deletions
diff --git a/old/55756-8.txt b/old/55756-8.txt deleted file mode 100644 index 1d85331..0000000 --- a/old/55756-8.txt +++ /dev/null @@ -1,7038 +0,0 @@ -The Project Gutenberg EBook of Prins Alphabet, by Piet Valkenstein - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most -other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of -the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have -to check the laws of the country where you are located before using this ebook. - - - -Title: Prins Alphabet - -Author: Piet Valkenstein - -Release Date: October 15, 2017 [EBook #55756] - -Language: Dutch - -Character set encoding: ISO-8859-1 - -*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK PRINS ALPHABET *** - - - - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg. - - - - - - - - - PRINS ALPHABET - - DOOR - - KEES VALKENSTEIN. - - - - UTRECHT--W. DE HAAN. - - - - - - - - -INLEIDING. - - Waarin alleen maar 'n prins geboren wordt, 'n opstand uitbreekt, - 'n keizer met z'n huisgezin in ballingschap en de prins weer in - z'n land terugkeert. - - -De keizer van 't land Huk zat in groote moeielijkheid. Er was 'n -prins geboren, de kroonprins, en nu zeiden raadsheeren en andere -hoogwaardigheidsbekleders aan 't hof, dat de pas geboren prins net -moest heeten als z'n vader. Dat hoorde zoo, dat was altijd zoo geweest -in 't land Huk en dat moest nu ook weer zoo. - -Doch dat wilde de keizer nu juist niet. Die had 't land aan z'n eigen -naam en hij vond, dat de kroonprins nu eens 'n andere moest hebben. - -Maar niemand was 't met de keizer eens. Ze zeiden, dat reeds -honderdzevenenzestig keizers die naam gedragen hadden. De keizer was -de honderdachtenzestigste en 't jonge prinsje moest mettertijd de -honderdnegenenzestigste zijn. - -Huk was 'n oud land, zooiets als China. Dat kan iedereen narekenen, -want als we aannemen, dat iedere keizer gemiddeld twintig jaar -geregeerd had, en dat is toch niet erg lang voor 'n gezonde keizer, -dan kom je tot 167 × 20 = 3340 jaar. - -Hier in 't westen kennen we zulke oude keizersgeslachten niet, maar -de Hukkers waren er wat trotsch op en ze beweerden dan ook, dat hun -keizer regelrecht van 'n soort god afstamde, iets wat de Japanners -ook zeggen van hun Mikado. - -Of 't nu daar vandaan kwam, dat de keizer zoo'n onmogelijke naam had -is moeielijk uit te maken. Alleen is 't zeker dat er geen enkel mensch -in Huk was, die 's keizers naam kon uitspreken, zonder de kramp in -z'n kaken te krijgen. Ze probeerden 't wel eens voor tijdverdrijf, -maar 't lukte nooit. Vóór ze op de helft waren begonnen ze al te -stotteren en op driekwart bleven zelfs de knapsten steken. Dan zaten -ze hopeloos verward in al die lettergrepen. - -De keizer was er zoo nu en dan evenwel zelf 't slechtst aan toe met -die onuitsprekelijke naam. In de wandeling heette hij Napo en zóó -onderteekende hij ook gewoonlijk z'n brieven. Doch als hij 'n nieuwe -wet moest onderschrijven of 'n keizerlijk besluit, dan kon 't niet -anders of hij moest z'n naam er voluit onderzetten. Dat hadden z'n -honderdzevenenzestig voorvaderen ook gedaan, doch 't bleef 'n wanhopig -karwei. Als hij er mee klaar was kon er geen enkele krul meer op -overschieten, wat toch bij 'n nette handteekening hoort. Maar wat moet -je beginnen, als je geen inkt meer in je pen hebt en je bovendien blij -ben, dat 't afgeloopen is? Want om met één pennetrek te schrijven: -Napoleonidasssurbanusaranatanielfridammonnottorobiodecastrobertus -CLXVIII en dán nog weer eens in te doopen voor 'n krul, terwijl je -van blijdschap hè roept, omdat je gelukkig over de eindstreep ben, -dàt doet geen mensch. - -En zoo zat de keizer van Huk dan op 'n goeie dag op z'n troon met 'n -grommig gezicht en de heele zaal zat vol raadsheeren en andere hooge -lui, óók allemaal met grommige gezichten. Want ze hielden vergadering -en de keizer stond op z'n stuk, dat de kroonprins 'n gemakkelijke -naam zou krijgen en al die andere hielden vol, dat 't niet kon. - -"En tòch zal 't gebeuren," riep de keizer eindelijk rood van toorn, -terwijl hij met z'n vuist op de leuning van z'n troon sloeg. "Wie -is er baas in Huk, jullie of ik? De armste bedelaar kan z'n kinderen -'n naam geven, zooals ie verkiest en ik, de keizer, mag dat niet?" - -"Sire," sprak 'n oud man met 'n lange witte baard, die al langer -dan vijftig jaar 't gewichtige ambt van raadsheer in 't gerechtshof -bekleedde, "sire, wat komt 't er op aan hoe 'n gewoon mensch z'n -kinderen noemt? Al heeten ze A of B, 't doet er niet toe. Maar op -de troon van Huk moet iemand zitten, die iedereen met eerbied noemt -(de raadsheer sprak nu heel plechtig langzaam en schraapte eerst -eventjes z'n keel) Napoleonidassurbassurantimekasser ... - -"Ga voort," zei de keizer vriendelijk. "Je was zoo mooi op weg." Maar -de arme man prevelde enkel nog maar iets van kasserpasser en bleef -toen voor goed steken. - -"Jullie hoort 't nu allemaal voor de zooveelste keer," sprak de keizer, -"'t Is 'n onmogelijke naam. Zelfs deze geleerde raadsheer, die reeds -drie keizers van Huk gediend heeft, ziet geen kans hem heelhuids over -z'n lippen te brengen. Als er iemand in de vergadering is die mijn naam -vlug en zonder haperen uit kan spreken, dan geef ik me gewonnen. Is -er iemand? ... Welnu dan sluiten we de besprekingen. De kroonprins -krijgt 'n korte naam, die iedereen onthouden kan, of ik heet geen Napo -enz. enz. 't Kan me niet schelen, wat voor 'n naam de prins krijgt, -als 't maar 'n heel korte is. Wie weet er een?" - -'t Werd doodstil, alsof ze allemaal hevig zaten te prakkezeeren. Doch -geen mensch kwam met 'n naam voor de dag. - -"Nu," zei de koning plechtig: "Als jullie 't dan niet weet, zal ik -'t zelf maar zeggen. De raadsheer van 't gerechtshof heeft me op de -idee gebracht. De kroonprins zal heeten: A." - -"A?" riepen alle aanwezigen, terwijl ze in verwarring van hun zetels -oprezen. "A! A!! A!!!" - -"Stilte!" gebood de keizer, "en ga zitten! Je hoort hoe gemakkelijk -die naam uit te spreken is. Jullie zegt hem allemaal even duidelijk, -alsof al m'n honderdzevenenzestig voorvaderen zoo geheeten hadden. Dat -is dus afgeloopen. De kroonprins heet A en later, als ik dood ben -natuurlijk, heet hij keizer A I." - -'t Werd nog stiller, toen de keizer uitgesproken had, zóó stil alsof er -heelemaal geen mensch aanwezig was. De keizer keek de zaal eens rond, -of hij verwachtte, dat de een of de andere nog iets in 't midden zou -brengen. En dat gebeurde eindelijk ook. De raadsheer met de witte -baard stond nogmaals op en zei: - -"Sire, bedenk u voor 't te laat is. A I dat is 'n goed merk op 'n -pakkist, maar geen naam voor 'n keizer van Huk. Uw onderdanen zullen -geen eerbied hebben voor 'n keizer, die 'n naam heeft als 't merk op -'n pakkist." - -Alle aanwezige gaven teekenen van instemming. Alleen de keizer was van -'n andere meening. - -"Gekheid man," antwoordde hij. "M'n onderdanen zullen wel verstandiger -zijn. Voor zóó dom zie ik hen geen van allen aan. Doch ik zal de -naam 'n klein beetje langer maken, om jullie allemaal 'n plezier -te doen. Maar dat is dan ook alles. We zullen de kroonprins Abecé -noemen. Dat klinkt heel goed en geen mensch kan nu meer zeggen, dat -die jongen op 'n pakkist lijkt. Morgen verwacht ik jullie allemaal -weer hier. Dan wordt de prins plechtig gedoopt. Leve prins Abecé!" - -"Hoeraaaaa!" riepen ze allen. Doch ze meenden er geen sikkepit van. Ze -vonden 't gewoon 'n schandaal en toen ze naar huis wandelden of reden -praatten ze er druk met elkaar over en ze kwamen tot de slotsom dat -'t wel niet goed zou afloopen. - -En 't liep heel slecht af. De ongeluksprofeten hadden gelijk. Kleine -oorzaken hebben dikwijls groote gevolgen. Toen de Hukkers vernamen, -wat de keizer besloten had zaten ze eerst stom van verbazing. Ze -zeien heelemaal niets. Maar langzamerhand kwamen de tongen los in -de hoofdstad van Huk. 't Was van de morgen tot de avond niets anders -dan Abecé. - -Eerst waren ze verwonderd geweest, toen werden ze ontevreden, daarna -grommig, eindelijk woedend en op 't lest kregen ze met elkaar ruzie. - -Er waren in Huk menschen genoeg, die 't met hun keizer eens waren -en dus Abecé 'n heel geschikte naam voor 'n kroonprins vonden. Doch -de groote meerderheid was 't heelemaal niet met de keizer eens. Die -schreeuwden moord en brand en scholden de anderen uit voor Abecéërs en -zij gaven het pas geboren keizerskind de spotnaam van prins Alphabet. - -De keizer dacht, dat 't nog wel bedaren zou, maar 't duurde niet -lang of de Napoleonidassers begonnen bij de Abecéërs de ruiten in te -gooien en op straat ranselden de tegenstanders elkaar af. De keizer -zond er toen maar soldaten op af en daarom gooiden de Napoleonidassers -de keizer z'n glazen ook maar in. - -Doch 't ergste was, dat 'n neef van de keizer in troebel water aan -'t visschen was. Hij had zelf veel zin om ook eens keizer van Huk te -worden. Zoolang er geen opvolger was, had hij nog kans gehad, maar de -geboorte van prins Abecé maakte daaraan een eind. Nu die kans verkeken -was stookte hij in stilte de opgewonden menschen tegen de keizer en -'t onschuldige prinsje op om zóó tot z'n doel te geraken. Hij liet -overal rondstrooien, dat hij 'n extra onuitsprekelijke naam zou -aannemen indien ze hem uitriepen tot keizer en dat vonden de meeste -Hukkers nu net wat ze hebben moesten. Zoo kwam het dat de soldaten -van de keizer gemeene zaak met de oproerlingen maakten en eer Abecé -'n maand oud was zat er voor de rechtmatige keizer van Huk niets -anders meer op dan stilletjes midden in de nacht op de vlucht te -gaan. Hij kon niets anders mee nemen dan z'n vrouw, 't prinsje en -'n paar bedienden, die hem trouw gebleven waren. - -Nu had de keizer wel 'n beetje spijt, dat hij de -kroonprins maar niet genoemd had zooals hij zelf -heette. Doch 't was te laat. Op de troon van Huk zat nu -Sutrebortsacedoiborottonommadirfleinatannarassunabrussadinoelopan I. -Tot groote vreugde van alle Hukkers bleek deze naam nog moeielijker -te zijn dan die van alle vorige keizers. Zelfs de vroegere Abecéërs -vonden de naam prachtig en toch ook eigenlijk veel geschikter voor -'n keizer van Huk dan Abecé, ofschoon ze allemaal heel goed wisten, -dat de neef heel geen moeite gehad had die naam uit te denken. Veel -minder hoofdbreken had 't hem gekost, deze gekke naam te vinden dan -de weggejaagde keizer om de eenvoudige naam Abecé te bedenken. Hij had -eenvoudig de naam van z'n voorganger achterstevoren opgeschreven. Maar -daar gaven de Hukkers niet om. Hoofdzaak was, dat geen mensch de -naam van de keizer onthouden kon en spoedig ging alles in Huk weer -z'n oude gangetje. Over 't kleine weggejaagde prinsje werd slechts -nu en dan nog eens spottend gesproken als van prins Alphabet en geen -mensch dacht er meer aan dat ie toch eigenlijk Abecé heette. - -Prins Alphabet groeide in de vreemde op net als iedere andere jongen -en geen enkele van z'n schoolkameraden wist, dat ze met 'n prins -te doen hadden. Ze noemde hem Abecé, zooals z'n vader en moeder ook -deden. Dat ze hem eens in z'n eigen land uit spot prins Alphabet hadden -gescholden, daarvan wist hij zelf ook niemendal, want niemand had -'t hem ooit verteld. Hij wist wel waardoor z'n vader in ballingschap -geraakt was. Doch dat was ook alles. - -Dat z'n vader nu 'n keizer zonder land en hij zelf 'n kroonprins -zonder kroon was, kon Abecé 'n heel klein beetje schelen. Hij had -'n prettig leventje, was gezond als 'n visch, leerde goed ofschoon -ie er wel eens 't land aan had en hij had altijd honger. Boterhammen -waren er gelukkig genoeg in huis, want z'n vader had bij z'n vlucht -nog wel zooveel van z'n bezittingen kunnen redden uit de schipbreuk, -dat de keizerlijke familie er goed van kon leven. - -Dat prettige jongensleventje hield echter plotseling op. Kort na elkaar -stierven Abecé's moeder en vader en nu had hij niemand meer dan de oude -Karibo, de eenige van de twee dienaren, die nog in leven was. Keizer -Napo had bepaald, dat na zijn dood Abecé weer terug moest gaan naar z'n -geboorteland. Niemand kende hem daar, want Abecé was nu twaalf jaar en -geen mensch in 't land Huk, zelfs niet diegenen die hem als zuigeling -gezien hadden, zou hem herkennen. De oude Karibo was 'n betrouwbaar -man, die z'n jonge meester niet verraden zou. Karibo was ook heelemaal -veranderd. Die was in die twaalf jaren oud en grijs geworden en de -Hukkers die vroeger misschien vriendelijk tegen hem gezegd hadden: -dag mijnheer Karibo, zouden hem nu ook wel voor 'n wildvreemde aanzien. - -Waarom keizer Napo z'n zoon weer naar Huk terugzond, dat wist alleen -Karibo, Abecé had er niet 't minste begrip van. En Karibo hield z'n -mond. Toen ze dus op reis gingen naar Huk en Abecé aan Karibo vroeg -wat ze daar nu eigenlijk te maken hadden, zei Karibo: - -"Och eigenlijk niemendal. Doch 't is beter voor 'n mensch in z'n -eigen land te leven, dan in de vreemde. Ik zal wàt blij zijn als ik -weer in dat goeie ouwe Huk terug ben." - -Abé was met dat antwoord maar half tevreê, want hij vond 't in 't -vreemde land heel niet onplezierig. Huk was hem veel vreemder. Hij had -graag willen blijven waar hij was, en 't had hem gespeten, dat hij -afscheid moest nemen van z'n schoolvriendjes. Die hadden hem echter -allemaal benijd. Zoo'n groote reis, terwijl 't niet eens vacantie -was--en heelemaal te paard! Alle jongens hadden wel meegewild. Doch -'t eenige, wat ze doen konden, was 'n eindje met hen meeloopen, -toen hij op 'n morgen met Karibo naar z'n vaderland vertrok. Abé was -'n beetje verdrietig, want 't was 'n afscheid voor goed. Hij gaf -al z'n kameraden nog eens de hand en toen de jongens terugkeerden, -want 't was tijd voor school, keek Abé nog heel dikwijls om en de -jongens deden 't ook en dan wuifden ze allemaal. 'n Bocht in de weg -maakte daar 'n eind aan. Abé reed zwijgend verder. Voor hem begon er -'n nieuw leven en z'n schoolkameraden begonnen weer aan hun sommen, -want ze hadden dien morgen van negen tot tien rekenen. Abé was liever -met hen aan 't rekenen gegaan. Dat nieuwe leven konden ze voor zijn -part cadeau krijgen. - -Abé en Karibo bereden 'n paar groote stevige paarden. Dat was wel -noodig want de weg was lang. Karibo had uitgerekend, dat ze minstens -veertien dagen noodig zouden hebben om de meest nabije stad in -'t land Huk te bereiken. Ze hadden ook wel van 'n wagen gebruik -kunnen maken. Maar vooreerst waren in Abé's tijd de wagens zulke -gemakkelijke voertuigen niet en ten tweede reden mannen liefst te -paard. Heel erg was 't ook niet. Abé kon goed rijden en ze hoefden -zich volstrekt niet te haasten. Als ze eens draven wilden deden -ze dat voor hun plezier. Waren ze 't in het zadel een beetje moe, -dan belette niets hen 'n eindje te voet te gaan met hun paard aan -de teugel of 'n poosje in 't hooge gras te gaan liggen langs den -weg. Hun bagage hadden ze achter zich op 't zadel. Heel veel was -'t niet, niet meer dan 't hoognoodige. Doch 't voornaamste droeg -Karibo in z'n gordeltasch. Dat waren perkamenten waaruit duidelijk -bleek wie Abé was en goudstukken. 't Spreekt van zelf dat ze beiden -goed gewapend waren, want heel onmogelijk was 't niet in die tijd, -dat 'n paar eenzame reizigers door slecht volk overvallen werden en -uitgeplunderd. Karibo was wel grijs, maar toch nog 'n sterke kerel, -die als oud soldaat heel goed met 't zwaard wist om te gaan en Abé, -al was ie nog pas twaalf jaar, kon er ook best mee terecht. Dat had hij -van z'n vader en van Karibo geleerd. En bang waren ze geen van beiden. - -Ze reden die eerste dag 'n heel eind, aten onderweg in 'n herberg en -toen 't avond begon te worden klopten ze aan 'n boerewoning, waar ze -gastvrij ontvangen werden. In die tijd was 'n reiziger altijd welkom -als hij 's avonds om onderdak vroeg. - -De volgende morgen stegen ze weer vroeg te paard en zoo ging het -veertien dagen lang. Ze trokken door dalen en over berger, door groene -bosschen en langs donkere akkers en lichte weiden en kwamen zonder -ongevallen in 't land Huk aan. - -"Ziezoo," zei Karibo, "nu zijn we eindelijk weer in ons eigen lieve -land." - -"Waar we eigenlijk niks te maken hebben"--voegde Abé er aan toe. "Voor -mijn part waren we daarginds gebleven. Zeg me nu toch eindelijk eens -waarom we hier naar toe gereisd zijn?" - -"Dat mag ik nog niet zeggen. Mettertijd zal je 't wel gewaar -worden. Maar één ding wil ik je wel vertellen: Pas er voor op dat -geen mensen er achter komt, wie je eigenlijk ben. Dat is 'n beetje -gevaarlijk." - -"Dat begrijp ik, Karibo. Die neef die nu als keizer hier regeert, -zou 't wel niet gezellig vinden, als ie wist, dat ik in 't land was." - -"Precies. En dus mondje dicht, wat er ook gebeurt. Je ben gewoon Abé, -de zoon van Karibo." - -"Ik zal 't niet verklappen hoor. 'k Ben heel niet van plan uit te -bazuinen: Hier zie je nou prins Abecé, die eigenlijk keizer van Huk -moest wezen. Stel je voor Karibo, ik keizer van Huk en jij ... ja -wat zou ik jou toch wel moeten maken? Raadsheer? We zouen 't geen -van beiden prettig vinden, denk ik." - -"Ik zeker niet, als ik raadsheer moest zijn. Daar deug ik niet voor. Ik -ben niet geleerd genoeg voor zoo iets. Neen Abé, als je nog eens ooit -keizer van Huk wordt,--je kan nooit weten--laat mij dan maar blijven -wat ik ben. Dat bevalt mij heel goed." - -"Nou dat zullen we dan maar voor afgesproken houden Karibo," zei Abecé -lachend, want hij geloofde niet dat er ooit iets van dat keizerschap -komen zou. - - - - - - - - -EERSTE HOOFDSTUK. - - Waarin Karibo op reis gaat naar de hoofdstad van Huk, 'n stad in - brand vliegt, Abé zonder eten en zonder geld 'n oude dienaar gaat - opzoeken, blij is dat ie 'n boterham krijgt en 'n vriendelijk - gastheer vindt. - - -Abé was heelemaal uit z'n gewone doen. Hij vond dat nieuwe leventje -in z'n eigen vaderland allesbehalve prettig. Die ouwe Karibo mocht -dan in z'n soort 'n buitengewoon voortreffelijk mensch zijn, maar voor -dagelijksch gezelschap van 'n jongen die gewoon was met schoolkameraden -te ravotten, daarvoor deugde hij geen zier. De oude man deed al 't -mogelijke om er bij z'n jonge meester de moed en de vroolijkheid in -te houden, doch dat lukte hem maar half. Abé zat soms wel 'n uur lang -stil naar buiten te kijken en dan dacht ie natuurlijk aan z'n kameraden -en dan werd z'n gezicht hoe langer hoe treuriger. Dat hinderde Karibo -geweldig, hij probeerde toch van alles. Hij ging met Abé wandelen of -paardrijden of zwemmen of hij leerde hem nieuwe kunststukken met de -wapens, waardoor je gemakkelijk 'n vijand er onder kon krijgen. Abé -deed gewillig alles wat Karibo voorstelde, doch vroolijker werd de -jongen er niet door. - -'t Zal wel beter worden als we maar eens in de hoofdstad wonen, -troostte Karibo eindelijk. 't Is hier ook zoo'n stil nest. - -'n Stil nest was het. Een van de kleinste stadjes aan de grenzen van -Huk, waar je bijna nooit iemand op straat zag. 't Leek soms wel of -er heelemaal geen menschen woonden. 't Gras groeide er tusschen de -straatsteenen, doch dat was enkel maar op de markt, want in de nauwe -straatjes hadden ze de keien maar vergeten. - -"Wanneer gaan we daar dan heen?" vroeg Abé. "We zitten hier nu al bijna -'n maand in dat dooie gat." - -"Tja ..." zei Karibo ... "ik wou er eigenlijk eerst alleen heen -... Maar ik zie er tegenop om jou hier te laten. Dan krijg je 't nog -vervelender. En bovendien durf ik 't ook niet goed aan jou alleen -achter te laten. Ik moet op je passen. Dat heb ik je vader beloofd." - -"Je kan geen twee dingen gelijk doen Karibo," zei Abé. "Naar de -hoofdstad gaan en op mij passen, als je me niet mee wil nemen, dat -gaat toch niet. Maar ik kan best op mezelf passen hoor. Ga jij maar -gerust heen. Hoe lang denk je dat 't duren zal?" - -"Nou minstens 'n maand. 't Is 'n verbazend eind naar Pomfriet en -terug." - -"Doe mij dan 'n plezier en ga dadelijk. Ik hou 't hier niet langer -uit. Ik zal me wel zien te vermaken zoolang. De herbergier en z'n -vrouw zijn beste menschen. Die zullen wel goed voor me zorgen." - -"Goed, dan ga ik morgen vroeg." - -Karibo zorgde er voor dat Abé 't in z'n afwezigheid goed zou -hebben. Hij besprak de zaak met de waard en de waardin en die beloofde -hem op Abé te zullen passen alsof het hun eigen zoon was. Tamelijk -gerust vertrok hij dan ook heel in de vroegte naar Pomfriet en nu -zat Abé heelemaal alleen. - -Dat was schrikkelijk vervelend. Die Karibo was toch zoo'n slecht -gezelschap nog niet. Dat merkte Abé nu hij alleen was en hij verlangde -de tweede dag al naar de terugkomst van de oude dienaar. Dat zou 'n -slechte tijd worden om door te komen. Minstens 'n maand en niemendal -te doen. Iedere dag ging hij maar 'n poosje op z'n groote paard -rijden. Dat was tenminste nog iets. Maar je kon toch ook de heelen -dag niet rond blijven rijden. Nee, z'n vaderland leek hem heel geen -aardig land toe. Hij kon amper de menschen verstaan. Die spraken -Huksch, natuurlijk, op dezelfde manier als 'n Limburger Hollandsch -spreekt. 't Was gewoon 'n heel aparte taal, waar je minstens de -helft niet van begreep. En er gebeurde letterlijk niemendal in 't -stadje. Totdat er op 'n nacht brand uitbrak. - -Toen kwam de heele boel in rep en roer. De menschen wisten wat -'t beduidde als 't ging branden in hun huizen, die voor 't grootste -deel van hout waren. Ze trachtten te blusschen met emmers en tonnen, -want er waren geen brandspuiten, maar 't hielp niemendal deze keer. 't -Brandde hoe langer hoe harder. De eene straat voor en de andere na -ging er aan. Iedereen redde van z'n bezittingen wat hij kon. Overal -vluchtten de menschen met allerlei dingen uit de huizen weg, en toen -'t al nader begon te branden in de buurt van de herberg waar Karibo en -Abé hun tenten hadden opgeslagen, maakte de waard en z'n huisgenooten -dat ze wegkwamen met alles wat ze mee konden sjouwen. Aan Abé dacht -niemand. Maar die was best in staat voor zich zelf te zorgen. Hij dacht -'t eerst aan z'n paard. Zadelen kon hij 't als de beste en toen hij -dat gedaan had, pakte hij z'n boeltje en ook wat Karibo had achter -gelaten. Maar toen was 't ook hoog tijd, dat ie wegkwam. Twee huizen -van de herberg af stond overal de straat in lichte laaie ... Abé op -z'n groote paard ging er als de wind van door. De menschen die hij -voorbij holde sprongen gillend van angst op zij. Maar daar gaf Abé -geen steek om. In 'n paar minuten was hij de brandende stad al uit -en toen hield hij z'n paard in. Hier was hij buiten gevaar. Over -de donkere stadsmuur heen zag hij de vlammen. De heele stad leek nu -wel te branden. En door de stadspoort stroomden de menschen haastig -naar buiten beladen met datgene wat ze uit hun huis hadden kunnen -redden. Doch ook allerlei slecht volk was er op de been. Die redden -ook wat ze grijpen en vangen konden maar wat niet van hen was en ze -maakten van de algemeene verwarring gebruik om er mee weg te komen. Abé -zag zoo'n paar boeventronies langs hem heen gaan 't veld in. Een van -hen keek in 't voorbijgaan met begeerige oogen naar Abé's paard. Ten -minste dat dacht Abé er van. Misschien had die vent wel zin in 't -paard om gemakkelijker met z'n gestolen buit zich uit te voeten te -kunnen maken. Maar Abé had nu z'n paard zelf te hard noodig en daarom -reed hij maar weer op 'n drafje weg, eer de gauwdieven wellicht terug -kwamen om 't hem af te nemen. Zonder paard wist hij niets aan te -vangen. Hij wilde naar Pomfriet. In de brandende stad had hij toch -niets meer te maken. Helpen kon hij ook niet. Hij wist wel welke -kant hij op moest, doch verder dan de richting wist hij er niemendal -van. Dadelijk wegrijden leek hem 't beste nog maar. Als 't dag was zou -hij wel de een of ander tegenkomen, die hij verder de weg vragen kon. - -Vlak bij de stad was 't door de hooge vlammen helder als bij dag. Maar -hoe verder z'n paard langs de velden draafde des te minder licht -verspreidden de vlammen en na 'n half uur was 't donker om hem -heen. Alleen als hij 't hoofd omwendde zag hij in de verte de roode -gloed van de brandende stad. Hij had nog nooit in de duisternis -gereden, zoo midden in de nacht. Karibo, die 'n voorzichtig man -was hield er niet van bij nacht te reizen, als 't niet noodig -was. Fatsoenlijke menschen en dieren gebruikten de nacht om uit te -rusten. Alleen roovende menschen en roovende dieren waren 's nachts -op 't pad. Dat kwam Abé nu allemaal in de gedachte nu 't zoo duister -om hem heen werd. Hij voelde zich toch niet erg op z'n gemak en hij -verlangde naar 't daglicht. Doch daarop kon hij nog wel 'n goed uur -wachten, want al was 't voorjaar en de nachten dus niet zoo heel lang -meer, de zon kwam toch niet voor vier uur op en Abé giste dat 't nu -zoo wat 'n uur of twee zou kunnen zijn. Nog 'n uur in de donker dus en -dan zou 't wel beginnen te schemeren. 't Beste was nog maar z'n paard -'n flink eind te laten draven. Hij hoopte nu maar dat hij de goede -richting had genomen, maar dat zou hij wel, want de weg waarop hij -reed was nog al breed en dat zou dus waarschijnlijk wel de weg naar -Pomfriet zijn. Vooruit dus maar weer. - -'t Groote paard draafde alweer gewillig over de mullige weg, 't -geplomp van de paardehoeven in 't zand was 't eenige geluid in de -nacht. Abé vond 't erg eenzaam en hij kreeg dan ook 'n prettig gevoel -toen eindelijk de donkere nachtlucht begon op te klaren. De kleine -sterretjes verdwenen zoo langzamerhand de een na de ander en toen -gingen ook de grootere aan 't verbleken. Alleen de heldere morgenster -stond nog als 'n schitterend lampje in de doorschijnende lucht, -waar al lichte wolken met rozeroode randen zachtjes voortdreven. De -vogels waren nu allemaal wakker. De lijsters en zwaluwen waren nummer -een geweest en de spreeuwen, vinken, boomkruipers, meezen die 'n -beetje later opstaan, kwamen daarna voor de dag. Telkens hoorde Abé -'n nieuw geluid. De zon was er nu ook weer. En daar kwam op de weg, -met 'n schop over de schouder 'n man aan. - -Dat was nog 't beste van alles, want aan die man wilde hij vragen of -hij op de goede weg was naar Pomfriet. - -"Pomfriet?" zei de landman toen Abé van z'n paard af de vraag gedaan -had. "Pomfriet? Pomfriet??" - -"Ja Pomfriet.... de hoofdstad van Huk." - -"De hoofdstad van Huk?.....Nee.... dat is de weg naar Tannabo...." - -"O, dank je wel.... goeie morgen." - -Abé reed weer door. Hij was op de rechte weg. Die landman scheen niet -erg op de hoogte met de aardrijkskunde van Huk. Maar Abé kende de -kaart uit z'n hoofd. Tannabo lag aan de groote weg naar Pomfriet. Wel -'n eeuwig eind er van daan ... maar dat hinderde niet. Op z'n stevig -beest zou hij er wel komen. - -Doch zoo'n stevig beest kan je niet veertien dagen aan een stuk -laten loopen. Zoo'n dier moet op tijd iets versterkends hebben, en 'n -beetje rust. Nu had 't paard de heele nacht gestapt en gedraafd. 't -Werd tijd voor 'n opknappertje. En Abé had zelf ook trek in 'n -brokje. Afstappen dus. - -Hij nam 't paard 't bit uit de bek en toen begon 't dadelijk te grazen -langs de weg. Er was gras genoeg. Zoo'n paard vindt makkelijk z'n -ontbijt. Met Abé was dat anders. Honger had hij, minstens even erg -als z'n paard, maar hij had niemendal te eten. In de groote zakken die -hij achter zich op 't paard aan weerskanten van 't zadel had hangen, -had hij gezocht en nog eens gezocht. De heele boel had ie overhoop -gehaald. Er moest wel iets eetbaars in zijn. Waar was 't stuk brood -gebleven, dat ie voor hij de herberg verliet uit 'n kast gehaald had -om 't mee te nemen? 't Was nergens te vinden. Hij begon opnieuw in -de zakken te scharrelen, maar 't gaf niets. Er was geen kruimel brood -in. Dat was om verdrietig te worden. Want als je honger hebt en je kan -niets vinden om die te stillen, wordt de trek nog zooveel te grooter. - -Maar hij deed nog 'n andere ontdekking die nog wel zoo onaangenaam -was. Hij vond in de zakken geen halve duit. Geen enkel geldstuk. Karibo -had alles meegenomen en Abé had in z'n tasch hoogstens 'n paar -zilverstukken, net genoeg om er 'n dag of wat droog brood van te -eten. En daar moest hij veertien dagen van leven? Natuurlijk kon hij -hier en daar wel 'n boterham of 'n hap eten voor niemendal krijgen -... er was nog gastvrijheid in Huk. Maar dat kon je veel beter -aannemen als je geld genoeg in je tasch had om er voor te kunnen -betalen, als 't noodig was. Nu leek 't hem toe, dat hij, prins Abé, -'n soort bedelaar te paard was geworden. En dat was geen prettig idee. - -En had hij nu dat stuk brood maar kunnen vinden. 't Leek hem net -alsof hij er wel wat op zou kunnen vinden, als hij nu maar vast wat -te eten gehad had. Hij benijdde z'n paard. Dat beet bij bekken vol 't -gras af telkens met 'n ruk z'n groote kop bewegend en dan keek 't af -en toe naar Abé op, die maar met z'n grazende paard meewandelde. De -jongen keek tusschen de struiken langs de weg of er niets eetbaar -groeide. Boomen genoeg en wilde aardbeien--maar 't waren allemaal -nog pas witte bloesems. Daar schoot hij ook al niet hard mee op. - -"Kom je zal nou wel genoeg hebben," zei Abé 'n beetje grommig tegen -z'n beest. Hij deed hem 't bit weer in de bek en steeg weer op. Die -honger kon hij niet verdragen. Hij moest eten hebben, al zou 't ook -z'n laatste duit kosten. - -"Vooruit witte." - -'t Ging weer in draf. Onder 't rijden keek Abé uit of hij geen -menschenwoning zag. Maar 't land leek wel onbewoond. Na 'n half uur -kwam hij weer 'n man tegen. - -"Goeie morgen" zei Abé z'n paard inhoudend. "Wonen er hier geen -menschen in de buurt?" - -"Als je nog 'n kwartiertje doorrijdt kom je aan mijn huis," antwoordde -de man. "En als je dan nog 'n half uur goed doordraaft ben je in -Tannabo." - -"Da's dan nog driekwartier," dacht Abé ... - -"Ligt jouw woning vlak aan de weg?" - -"Nee ... 'n eindje 't land in. Wou je er afstappen?" - -"Nee ..." antwoordde Abé. "'k Zal maar doorrijden." "Dank je voor -de inlichtingen." - -"Dag! zei de man, en stapte weg." - -'n Eind verder zag Abé 'n blauwe zak op de weg liggen. Die had de -landman bepaald verloren van de stok, die hij over de schouder droeg -en waaraan Abé ook 'n aarden kruik had zien bengelen. Daar zat brood -in. 't Was alsof iemand dat in Abé z'n ooren schreeuwde. - -'t Paard inhouden, op de grond springen als 'n kat, vlug de zak -openmaken, dat was allemaal in 'n wip gebeurd. - -Bruin brood met spek ... minstens voor twee dagen genoeg. En de -dikke snee brood, die Abé er uit genomen had ging haast vanzelf naar -z'n mond. - -Maar dat was die vriendelijke landman z'n middageten en misschien -moest hij er óók wel 'n paar dagen op teeren ... En dat wou Abé nu -maar zoo zich toeeigenen? - -Abé kreeg er 'n kleur van. Hij deed vlug 't brood in de zak, steeg -er mee te paard en reed in galop terug. - -Toen hij de man in de verte zag begon hij te roepen. De man keek om -stond stil en terwijl Abé de zak omhoog hield, zag hij hoe de man de -stok van z'n schouder nam en er naar keek. De man keerde terug. - -"Dank je wel heertje ..." zei de man de zak aannemend. "Daar zou ik -raar mee gezeten hebben. D'r zit eten in voor de heelen dag." - -"Lekkere boterhammen," zei Abé. "'k Heb er in gekeken. 'k Had er -haast in gebeten." - -Dat laatste zei hij, zonder nadenken. 't Kwam hem zoo maar uit de -mond. De man keek er van op. - -"Heb je er trek in?" vroeg hij. "Neem er dan maar gerust een van -hoor. Ik houd toch altijd over. M'n vrouw is altijd bang, dat ik niet -genoeg zal hebben." - -"Mag ik?" vroeg Abé, z'n hand reeds uitstekend naar de zak. - -"Gerust hoor. Hier." - -De man gaf er zelf 'n paar dikke sneden brood uit en Abé hapte er -in als 'n uitgehongerde. Z'n oogen glinsterden van genot toen hij -'t brood proefde. - -De man keek hem aldoor maar aan. - -"Je schijnt honger te hebben heertje," zei hij. - -"Heb ik ook" antwoordde Abé kauwend. - -En toen vertelde hij van de brand en van z'n reis naar Pomfriet waar -hij z'n pleegvader Karibo hoopte te vinden. - -"Zoo zoo," zei de man, "is daar zoo'n brand geweest ... De heele stad -zeg je?" - -Abé knikte met 'n volle mond. - -"En moet je nou alleen naar Pomfriet? Da's 'n heel eind hoor en de -weg is lang niet veilig tegenwoordig zeggen ze. Dat was onder keizer -Napo anders. Die hield er de orde in. Maar deze ..., nou ...." - -"Wat is er met deze keizer?" vroeg Abé. - -"Och ..., ze zeggen.... dat ie niet deugt. Hij moet nergens om geven -... Verleden week heeft er 'n reiziger overnacht, die in Pomfriet -geweest was. Die vertelde dat er veel slecht volk rondzwierf tusschen -hier en Pomfriet. Niemand durft haast meer zonder sterk geleide -op weg." - -"Dat ziet er slecht genoeg voor me uit.... maar gelukkig is er niet -veel bij me te halen ..." - -Abé zweeg plotseling. Hij dacht aan Karibo, die zooveel goudstukken bij -zich had in z'n tasch. Als die eens in handen van roovers gevallen was? - -"M'n pleegvader had veel geld bij zich ..." zei hij weer. - -"En reisde hij alleen?" - -Abé knikte. - -De landman zette 'n zeer bedenkelijk gezicht en schudde z'n hoofd. - -"Dank je wel voor je boterhammen hoor," zei Abé. "'k Zal er een -bewaren voor vanmiddag." - -"Goeie reis," zei de man. - -"Goeie reis, dat kan je gemakkelijk zeggen," dacht Abé, maar hij begon -'n beetje te twijfelen of hij de reis wel tot 'n goed einde zou kunnen -brengen, als 't tenminste waar was, wat die man gezegd had over al dat -slechte volk langs de wegen. Wat moest hij alleen daartegen doen? En -wat had Karibo er tegen kunnen doen? Had die goed en wel Pomfriet -bereikt? En wat zou ik moeten beginnen, dacht Abé verder, als Karibo -eens in handen van roovers gevallen was? Wat helpt 't me dan of ik al -in Pomfriet aankom, waar geen mensch me kent, waar natuurlijk niemand -'n steek om zoo'n jongen geeft die daar alleen komt aangedwaald met -geen stuiver op zak, en die niet eens kan vertellen wie hij is? - -Maar Abé was er geen jongen naar om zich heel erg benauwd te maken. Dat -had ie noch van z'n vader noch van Karibo geleerd. Je moet je er maar -doorheen zien te slaan, als je ooit in moeielijkheden komt, hadden die -hem voorgehouden. En dat was ie ook nu ook van plan. Hij kon in ieder -geval trachten Karibo terug te vinden. De reis was eigenlijk nog zoo -slecht niet begonnen, want hij was toch maar op 'n gemakkelijke en -eerlijke manier aan 'n stevige boterham gekomen. Hij had nog wel voor -de heele dag genoeg. Dat was tenminste al iets gewonnen. Hongerlijden -was toch eigenlijk heel wat erger dan al die roovers. Die kon je nog -ontkomen--maar de honger, als die je te pakken had, ging ie overal -met je mee. - -"Vooruit dikkerd." - -Er schenen toch niet veel menschen te wonen in dat gedeelte van -'t land Huk. Abé kwam die dag maar zelden iemand tegen. Slecht volk, -daar bedoelde Abé natuurlijk mee, menschen die je 't aan hun gezicht -kon zien dat 't roovers of dieven waren, zooals die twee die hij buiten -de brandende stad gezien had, waren er heelemaal niet bij. Kooplieden -leken het wel of boeren. En ze hadden hem allemaal eerbiedig gegroet, -net alsof ze wisten dat hij prins Abecé was, de rechtmatige keizer -van Huk. Neen, zóó toch niet. Als ze dàt geweten hadden, zouden die -menschen wel anders gebogen hebben .... Of misschien wel heelemaal -niet.... want ze hadden hem immers weggejaagd om z'n naam? - -Tegen den avond, begon Abé uit te zien naar 'n huis om voor de nacht -onder dak te komen ... In Tannabo had hij zich maar niet opgehouden. Nu -de zon onderging voelde Abé z'n moed wel 'n beetje zakken. De heele dag -had ie zich voorgenomen om als 't niet anders kon, maar onder de bloote -hemel te slapen. Dat was toch zoo erg niet. Doch nu kwamen er allerlei -onaangename gedachten in z'n hoofd en of hij 't zich nu bekennen wilde -of niet, 't leek er toch erg veel op dat ie bang begon te worden. Daar -was die man met z'n vertelsels over dat slechte volk oorzaak van. - -"Flauwerd," zei Abé zachtjes tegen zich zelf. Maar de bangheid werd -er geen haar minder door. - -'t Was nu al bijna heelemaal donker. 't Paard stapte nog maar loom -over de stoffige weg 'n dikke stofwolk met z'n sloffende pooten omhoog -warrelend. 't Beest was moe, net als Abé. Toch dacht hij er niet -aan af te stappen om 't afgematte dier drinken, voedsel en rust te -geven. Hij wilde net zoolang doorrijden tot hij 'n menschelijke woning -tegenkwam. Hij keek voortdurend naar beide kanten van de weg uit over -de velden heen. Hij had nu al minstens 'n uur lang gereden langs niets -dan korenakkers. Waar zat de man toch aan wie dat toebehoorde? Wellicht -ver 't veld in, hier of daar achter 't hout zoodat 't huis van de weg -niet te zien was en dan was hij er misschien al lang voorbij gereden. - -'n Eindje voor hem scheen 't korenveld op te houden. Daar zag hij -donker tegen de goudgroene avondlucht hooge boomen hun dichte kruinen -afteekenen. - -"'n Bosch" dacht Abé schrikkend. "Wie weet hoe groot....." - -Dat was 'n vreeselijke teleurstelling. Maar er was niets aan te -doen. Als er 'n bosch voor je neus staat waar je weg doorheen loopt, -dan kan je twee dingen doen: omkeeren of doorrijden. 't Een was al -net zoo erg als 't andere. Nee, nog erger. Want als hij terugkeerde -bereikte hij niemendal. 't Bosch moest hij door. Doch dat kon hij -morgen veel beter als 't dag was. Dan moest hij in 's hemelsnaam maar -bivakeeren onder de bloote hemel. Voor één nacht was 't dan toch ook -zoo erg niet. - -Op eens leefde Abé heelemaal op--net toen hij 't besluit genomen had -om dan toch maar in 't gras te gaan slapen.--Hij had hondegeblaf -gehoord. Zouen er daar toch menschen wonen? Hij trok de teugels -strak, zoodat de witte z'n moede kop weer ophief en reed op 't bosch -aan. Blijde verrassing! Aan de ingang van het bosch tusschen zwaar hout -schemerden de grauwe muren van 'n steenen huis, zich spiegelend in 'n -donkere breede gracht. De brug was opgehaald en de poort gesloten. 't -Leek half 'n kasteel en half 'n boerenhuis. Abé reed tot vlak voor -de brug. Er was niemand te zien. Alleen blaften de groote honden met -hun basstemmen. - -"Hallo!" riep Abé zoo hard hij kon en nog eens "Hallo!" Er rammelde -iets aan de poort en 'n oogenblik later verscheen er door 'n klein -deurtje gemaakt in de rechter helft van de groote met ijzer beslagen -poortdeur, 'n groote kerel met 'n hond aan 'n ketting. Hij stapte op -de valbrug af en met luid ketting-gerammel kwam de brug omlaag. Abé -reed er over heen en nog voor hij goede avond had kunnen zeggen, -was de brug alweer achter hem opgehaald. - -"Welkom reiziger," zei de groote kerel met 'n bromstem. De poort was nu -heelemaal open en Abé reed met de man naast zich die 't paard bij de -teugel genomen had, naar binnen. Door de poort kwamen ze op 'n ruime -vierkante binnenhof met 'n waterput in 't midden. Er stonden karren, -emmers en vaten. Open staldeuren, waaruit geluid van dieren kwam en -stalwalm zag hij tegenover zich. Er kwam 'n jongen uit zoo'n staldeur -op hen toe en de man zei terwijl Abé vlug van 't paard sprong: - -"Hier, breng 't in de stal en verzorg 't beest goed. Wasch z'n bek -en z'n pooten. 't Is stoffig en moe." - -En tot Abé zei de man: "Ga gauw naar binnen. Je lijkt me ook vermoeid -en ik zie aan je gezicht dat je honger hebt." - -Abé voelde zich heerlijk veilig op eens. En met 'n blij hart volgde -hij z'n vriendelijke gastheer met de brommige stem en de groote hond -die kwispelstaartend nu en dan omkeek. - - - - - - - - -TWEEDE HOOFDSTUK. - - Waarin Abé kennis maakt met de Pirlapans, 'n overwinning behaalt - en z'n paard kwijt raakt. - - -De man bracht Abé in 'n groot koel en somber vertrek. De wanden waren -van ruwe steen. Hier en daar hing 'n roestig stuk van 'n wapenrusting -of 'n oud zwaard. In 'n hoek stonden jachtsperen. Op de rood en blauw -steenen vloer, net 'n schaakbord, stond 'n ruwe eikenhouten tafel en in -'n hoek 'n zware kist die tegelijk voor bank dienen kon. Om de tafel -geschikt waren lange banken, waar 'n heele boel menschen te gelijk -konden aanzitten. Onder 'n hooge schouw brandde 'n geweldig vuur van -zware houtknoesten, en nog was 't in die wijde kamer kil ofschoon -'t die dag nog al warm geweest was op de mullige weg. - -De man schoof 'n bank voor de haard en noodigde Abé uit naast hem te -gaan zitten. - -"Ziezoo," zei hij, "terwijl we wachten op ons avondeten, kunnen we -'n poosje praten. Je ziet er moe uit. Lang gereden?" - -"De heele dag en de heele nacht," antwoordde Abé. "Ik ben uit Cobalt -gevlucht." - -"Gevlucht?" vroeg de man ongeloovig. Hij vond zeker dat Abé er niet -uitzag als iemand die vluchten moest omdat ie wat op z'n geweten had. - -"Ja, de stad stond in brand." - -"Cobalt in brand?" - -"'t Zal wel heelemaal in de asch gelegd zijn. 't Brandde aan alle -kanten. Toen ben ik er van door gegaan." - -"En je familie dan?" - -Abé schudde eventjes z'n hoofd, "'k Heb geen familie. M'n pleegvader -is op reis naar Pomfriet en nu zal ik maar zien dat ik ook daar kom." - -"Zoo.... zoo...., wou je alleen naar Pomfriet.... Je durft 'n boel -jongen." - -"Is dat dan zoo gevaarlijk?" - -"De weg is lang en er is tegenwoordig veel slecht volk. Struikroovers -zijn er maar genoeg. Die zullen je zeker niet met rust laten. En wat -wou je alleen doen tegen zulke schurken?" - -"O," zei Abé "ik ben niet bang en ik kan vechten." - -Hij legde dapper de hand op 't zwaard, dat ie in z'n gordel droeg. - -De gastheer lachte. - -"Kijk eens daar tegenover je aan de muur. Daar hangen andere -ijzers. Die heb ik vroeger gehanteerd toen we met onze goede keizer -Napo in de strijd gingen. Wat wou je met zoo'n klein ding doen als -er eens iemand kwam met zoo'n wapen?" - -"Niet veel," zei Abé, naar de roestige zwaarden aan de wand kijkend. - -"Dat geloof ik ook ... en dus is 't maar beter, dat je niet alleen -naar Pomfriet reist hè?" - -"Maar dan vind ik Karibo niet." - -"Heet je pleegvader zoo? ... Karibo ... Karibo ... Waar heb ik die naam -meer gehoord ... Karibo ... Wacht eens, ik weet 't al ... Keizer Napo -had 'n dienaar die zoo heette. Een van de twee, die met hem meegegaan -zijn naar dat vreemde land. 'k Zou wel eens willen weten wat er van -hen terecht gekomen is. 'n Reiziger vertelde eenige tijd geleden, -dat de keizer ... ik bedoel de vroegere ... gestorven is. Maar wat -er van z'n zoon gegroeid was wist ie niet, en van die twee dienaren, -die hem gevolgd waren in z'n verbanning, ook niet. Maar dat zal je -weinig kunnen schelen, denk ik ... Je hebt ook genoeg met je zelf te -doen ... Ik zal je een goede raad geven. Blijf hier. Je pleegvader -moet toch hier langs komen. We zullen wel naar hem uitkijken. Zooveel -menschen komen hier bovendien niet voorbij. We zullen hem zeker -zien. Dat is beter dan zoo alleen naar Pomfriet te reizen hè?" - -"'t Is heel vriendelijk van je," zei Abé. "Doch ik reis toch -morgenvroeg maar liever verder. Ik moet m'n pleegvader zoo gauw -mogelijk ontmoeten." - -"Verbeeld je," dacht hij, "dat Karibo hier komt en die vriendelijke -gastheer herkent hem! Nee hoor. Dat gaat niet." - -"Je moet 't zelf weten m'n jongen. Maar als ik wat over je te zeggen -had ging je niet, dat wil ik je wel verzekeren. Je hebt zeker geld -bij je hè? Nou daar loeren die gauwdieven op." - -"Dan komen ze van 'n koude kermis thuis," zei Abé lachend, "als ze -dat denken. Ik heb bijna geen rooie duit. Mijn pleegvader heeft alles -meegenomen. Tenminste in z'n zadeltasch, die ik nog gauw gered heb, -vond ik niemendal. En zelf bezit ik ook maar weinig." - -"Lieve hemel jongen, dan is 't nog erger. Zonder geld kom je niet -veel verder. Geloof maar niet, dat er tegenwoordig nog veel menschen -in Huk zijn, die 'n reiziger voor niemendal te eten zullen geven, -vooral niet als je dichter bij de hoofdstad komt." - -"Kom," zei Abé, "dat geloof ik niet. De eerste avond de beste vind -ik al 'n gastvrij man. De volgende dagen zal 't wel net eender zijn." - -"'t Zal je tegen vallen, denk ik ... Maar doe je eigen zin. En nu -zullen we gaan eten. Ik hoor de jongens al aankomen. Je hebt zeker -honger hè?" - -"Nou of ik." - -"Dan doe je je best maar eens. Doch je zal 't wel niet tegen de vier -baronnen van Pirlapan uithouden denk ik. Die eten voor acht. Daar -zijn ze." - -Abé keek nieuwsgierig naar de deur. Z'n gastheer had gesproken van -z'n vier jongens en hij noemde die de vier baronnen van Pirlapan -... Hij had z'n vader en Karibo samen wel eens hooren spreken over de -heldendaden van de baron van Pirlapan en z'n vader had erbij gevoegd: -als Pirlapan in de hoofdstad geweest was, toen 't oproer uitbrak, -dan had neef geen kans gehad om ooit keizer te worden. Pirlapan zou -die oproerige Hukkers wel tot rede gebracht hebben. Maar Pirlapan zat -op z'n kasteel ... En zou dit sombere huis nu 't kasteel zijn van de -beroemde baron en was die vriendelijke gastheer dat zelf? - -De deur ging open. Abé was teleurgesteld. Dat leken eer boeren dan -baronnen. En er waren er minstens wel twintig. Ze praatten hardop en -lachten luidkeels en ze liepen met dreunende stappen. Met veel rumoer -lieten ze zich op de banken vallen. - -"Hè, hè," riep er een, "'k ben blij dat ik zit. Is me dat sjouwen -zoo'n heele dag." - -"We hebben vandaag maar dubbel gewerkt," zei 'n ander. "Morgen gaan -we op de wolvenjacht, vader. Ze hebben weer achter de schapen heen -gezeten." - -"Zoo, dan zullen we hen morgen eens 'n lesje moeten geven. Maar jullie -hebt geloof ik nog niet eens gemerkt dat we 'n gast hebben. Hij is -uit Cobalt gevlucht. De stad is verbrand." - -"Net goed," zei er een. "Die steden moesten allemaal in brand vliegen." - -En nu begonnen ze door elkaar te praten over steden en stedelingen, -waar ze 't land aan hadden, en geen mensch lette op Abé, die met -verwondering van de een naar de ander keek. Hij wist nog altijd -maar niet wie nu eigenlijk de vier baronnen van Pirlapan waren. Maar -hij veronderstelde dat 't wel de vier jongsten zouden zijn, kerels -als boomen. Doch die andere mannen gingen met hen om alsof 't hun -gelijken waren. Alleen voor de oude baron hadden ze eerbied. Als die -sprak hielden alle anderen plotseling hun mond. - -Toen werd er gegeten. 'n Paar kerels, die er niet eens al te zindelijk -uitzagen, brachten groote aarden schotels binnen met hompen vleesch -beladen en groote bruine brooden. Ieder sneed zich 'n dikke snede brood -met 'n mes dat ie in 'n schede bij zich droeg, en die boterhammen -dienden dan meteen voor bord. Vorken hielden ze er niet op na. Ze -gebruikten hun vingers. Tafellakens of servetten waren er ook al niet. - -Abé zei niet veel. Hij luisterde en hij at. Hij had honger als -'n paard. Maar vergeleken bij 't overige gezelschap at hij maar -'n klein beetje. - -"Wat heb ik je gezegd, Abé?" vroeg de oude Pirlapan lachend. "Dat is -nog eens eten hè?" - -"O, ik ben nog lang niet klaar vader," zei 'n jonge Pirlapan, terwijl -hij 'n groote aarden kruik nogal hard op tafel zette, nadat hij -'n lange slok genomen had. "Dat duurt minstens nog 'n half uur" - -Maar de anderen deden voor dezen Pirlapan niet onder. Abé kende -ze nu zoowat uit elkaar. En de overigen waren dienaren en tegelijk -strijdknechten van Pirlapan. De gastheer had Abé verteld, dat ze de -heele dag op 't land gewerkt hadden. Ze waren landbouwers, maar als -de nood aan de man kwam dappere soldaten. - -"Niet waar jongens," zei Pirlapan, "als de keizer ons noodig heeft -dan gaan we met z'n allen, hè?" - -"Of we," riepen ze door elkaar. "Maar niet voor deze keizer hoor. Wij -strijden alleen voor 'n echte keizer van Huk." - -"Dan drink ik op de gezondheid van de toekomstige keizer van Huk," -zei de oude Pirlapan plechtig en hij hief 'n zware kruik vol eigen -gebrouwd bier op. "Als die prins ooit terugkomt kan ie op ons -rekenen. Dan brengen wij hem naar Pomfriet." - -"Hoera!" riepen ze allemaal en maakten 'n geweldig leven met hun -kruiken en hun messen en hun vuisten en hun voeten. - -Prins Abé kreeg er 'n kleur van. Als ze eens wisten dat hij die -prins was! - -"Nou jongens bedaar 'n beetje. Je moet niet vergeten, dat onze gast -'n stedeling is. Die is dat niet gewoon." - -Allen keken Abé aan, die nog sterker kleurde. De jongste baron van -Pirlapan begon te lachen. Hij was niet veel ouder dan Abé maar hij -leek sterker. - -"O, die stadsmenschen!" ... zei hij, alsof hem zoo'n gast uit de stad -niet eens de moeite waard was om er zich 'n beetje voor in te houden. - -"Pas maar op," riep de oude Pirlapan ... "Onze gast heeft 'n zwaard -op zij." - -Abé was 'n heel goeie jongen, maar dat lachen van die jonge boer maakte -hem toch kriebelig en hij keek hem allesbehalve vriendelijk aan. En -die keek ook al of hij groote lust had met Abé te gaan vechten. Maar -vechten met 'n gast, die aan je vaders gastvrije tafel zit, dat ging -nu eenmaal niet. 'n Gast was heilig en veilig, zelfs al was hij je -ergste vijand. Abé wou echter wel eens toonen, dat ie niet zoo'n -papieren stadsmannetje was en daarom vroeg hij aan zijn gastheer of -die 't goed vond, dat ze eens, als 't eten afgeloopen was, zouden -laten zien wie 't beste met de wapens kon omgaan. - -"Nou m'n jongen," zei de oude Pirlapan vriendelijk, "daar heb ik -niets op tegen en m'n jongens en de overige mannen ook niet. We zien -allemaal graag 'n tweegevecht, al gaat 't dan ook niet in ernst. Maar -bedenkt je wel--wij Pirlapans zijn niet voor de poes." - -"Om de drommel niet!" riepen de vier Pirlapans. En de overige -aanzittenden gaven hun instemming te kennen door met hun vuisten op -de tafel te slaan dat de kannen rinkelden, terwijl ze met hun ruwe -harde stemmen door elkaar riepen dat Pirlapan 't altijd won. - -"Dan maar dadelijk," riep de jongste Pirlapan strijdlustig. - -"Vooruit maar," schreeuwden de anderen. "Wij zullen onderhand wel -eten en drinken." - -Dat beloofde 'n vroolijke avond te zullen worden. Eten en drinken -naar hartelust en onderhand zitten kijken naar 'n tweegevecht waarin -'n Pirlapan 'n jeugdige snoever uit de stad eens eventjes 'n lesje zou -geven, dat was iets dat niet alle dagen voorkwam in 't sombere huis. - -Abé was bedaard opgestaan. "Windt je nooit op, als je de wapens -hanteert," had z'n vader hem geleerd. En Karibo riep altijd maar: -"Kalm Abé, kalm jongen. Je klappen komen veel beter aan als je 'n koel -hoofd houdt." Daaraan dacht hij nu ook. Heel kalm nam hij 't roestige -zwaard aan dat de oude Pirlapan hem lachend toereikte. Vader Pirlapan -zou 'n oogje op de strijd houden. Alles moest recht en eerlijk toegaan -en hij was 'n beetje bang dat z'n onstuimige zoon die arme Abé, die -misschien wel 'n beetje les gehad had in de wapenhandel maar 't toch -wel zou afleggen, wat al te ruw zou behandelen. Hij vond Abé 'n veel -te aardige jongen, zoo bescheiden, maar toch ook zoo moedig, om door -'n andere jongen, al was 't dan ook 'n Pirlapan, te worden toegetakeld. - -De strijd begon. Ze mochten niet met de scherpe kant van de -zwaarden slaan, de zwaarden waren bot genoeg, maar dàt zou toch -op ongelukken uitloopen. Bovendien kan je elkaar nog zeer genoeg -doen met 't plat. Doch dat vond niemand erg. In die tijd waren de -menschen allesbehalve kleinzeerig en vooral niemand, die Pirlapan -heette. Abé wachtte z'n tegenstander af--doodkalm. De jonge Pirlapan -sloeg geweldig toe. Maar als hij nu misschien gehoopt had Abé al -dadelijk er onder te hebben, moest 't hem wel 'n beetje tegenvallen, -want Abé weerde al z'n slagen handig af. De jonge Pirlapan kreeg niet -anders om op te slaan dan Abé's zwaard. De toeschouwers hadden al -heel gauw het eten er aan gegeven. Ervaren strijders als zij waren, -zagen ze gauw genoeg dat ze de gast van Pirlapan 'n beetje te min -geschat hadden. Die jongen kon met 'n zwaard omgaan hoor.--Maar d'r -onder moest ie. De jonge Pirlapan was sterk als 'n beer, dat wisten -ze allemaal. Plotseling zagen ze echter iets gebeuren waar ze niet op -gerekend hadden. Abé die zich tot nu toe enkel maar verdedigd had, -wist nu wat hij aan z'n tegenstander had en begon op zijn beurt uit -te vallen. En nu waren de klappen voor Pirlapan. - -De toeschouwers keken verbaasd toe. Eerst hadden ze voortdurend -geroepen: "Pirlapan! Pirlapan!" Dat was de kreet waarmee ze elkaar -aanriepen op 't slagveld. "Pirlapan!" Doch nu hielden ze hun mond -want ze zagen 't aankomen dat de jongste Pirlapan 't onderspit zou -moeten delven. Abé vocht kalm door en z'n onstuimige tegenpartij kreeg -klop. Had hij eerst nog vele slagen kunnen afweren, nu voelde hij -telkens 't plat van Abé's zwaard en die scheen maar heel niet vermoeid -te worden. Hij had 't vreeselijk warm, dat kon je zoo wel zien, maar -z'n arm bewoog zich nog even fel en zeker. En de jonge Pirlapan gaf -'t op. De sterke beer kon z'n zwaard niet meer omhoog krijgen. - -"Bravo!!" riep de oude baron van Pirlapan. En alle andere riepen: -"Bravo!" - -Alleen de jonge Pirlapan, die op z'n kop gehad had stond verdrietig -en beschaamd tegen de muur geleund. Maar z'n vader ging naar hem -toe, lei hem de hand op z'n schouder en zei: "Kom jongen je hebt -'t eerlijk verloren. Dat is geen schande. We hebben ons allemaal -in onze gast vergist." Z'n andere hand legde hij op Abé's schouder -en ging toen voort: "Je bent 'n flinke jongen Abé. Ik wou dat je 'n -Pirlapan was. Nu stel ik je nog eens voor de keuze: Blijf hier tot -je pleegvader terugkeert. En komt ie niet terug, wat in deze tijden -heel niet onmogelijk zou zijn, blijf dan voor goed bij ons. 't Land -Huk zal nog wel eens behoefte hebben aan mannen, die 't zwaard kunnen -voeren, als onze wettige keizer terugkeert, ik meen de zoon van keizer -Napo. Dan trekken alle Pirlapans mee naar de hoofdstad. Denk er nog -eens over na. En nu gaan we slapen." - -Met veel minder drukte dan ze binnen gekomen waren verlieten de -Pirlapans 't vertrek. Ze wenschten de oude baron allemaal eerbiedig -goede nacht en ze keken Abé met heel andere oogen aan dan toen ze -binnenkwamen. Voor deze menschen was alleen iemand die sterk was en -vechten kon de moeite waard. Op de rest zagen ze met minachting neer. - -Abé sliep die nacht in 'n torenkamer, die geen andere vensters had -dan 'n paar schietgaten in de dikke muur. Maar 't bed was warm en hij -zelf doodmoe. 'n Nacht en 'n dag te paard met 'n gevecht tegen zoo'n -stevige Pirlapan tot besluit, daar kon je 't mee doen. Nauwelijks lag -hij dan ook of hij sliep al. En hij werd niet eer wakker voor er de -volgende morgen op de deur gebonsd werd. - -De jongste Pirlapan had geklopt en stapte nu de kamer in. - -"'t Is al vier uur," zeide hij, "en ik heb al twee maal geklopt. Nou -heb ik geen tijd meer, want ik wou graag mee op de wolvenjacht." - -'t Klonk alles 'n beetje grommig, meende Abé en daarom vroeg hij: - -"Ben je boos op me?" - -"Heelemaal niet. Ik was gisterenavond 'n beetje moe toen we -begonnen. Ik was al om drie uur op geweest en had de heele dag in -'t hooiland gewerkt. Daar kwam 't zeker van. Anders had je me er niet -onder gekregen." - -"'k Denk 't ook," zei Abé lachend. "Ik was echter ook lang niet -frisch. Ik had de heele dag en de vorige nacht gereden ..." - -"Hè?" - -"Ja ..." - -"Dan zou je 't misschien toch gewonnen hebben al was ik niet zoo moe -geweest ... Ga je mee op de wolvenjacht?" - -"Nee ... ik ga zoo gauw mogelijk weer op weg om m'n pleegvader -te zoeken." - -"Da's jammer hoor. Ik had graag gehad dat je maar heelemaal bij ons -gebleven was." - -"Misschien kom ik wel terug. Als ik m'n pleegvader niet vinden kan, -doe ik 't zeker." - -"En als je 'm wel vindt?" - -"Dan weet ik 't niet. Dan zal ik wel moeten doen wat die over me -beschikt hè?" - -"Ja, dat zal wel." - -Ze gingen nu samen naar beneden, waar de heele familie al lang aan -'t ontbijt zat. Eten was 'n geweldige bezigheid op Pirlapan. Ze -hadden geen van allen gauw genoeg. Doch toen ze klaar waren grepen -ze hun jachtsperen en gingen naar 't binnenplein waar groote honden, -door knechts vastgehouden, 'n geweldig leven maakten. De Pirlapans en -de anderen die meegingen, haalden zelf hun paarden uit de stallen en -'n oogenblik later, nadat ze eerst allen vriendelijk afscheid genomen -hadden van Abé, reden ze de poort uit. Dof klonk 't hoefgetrappel -over de valbrug. - -"En ga je nu toch heen?" vroeg de oude Pirlapan aan Abé. - -"Ja heer," zei deze. "Ik kan niet blijven, hoe graag ik 't ook deed." - -"Nu om je de waarheid te zeggen, na wat ik gisterenavond gezien -heb, ben ik niet meer zoo bang voor je. Je zal je man wel staan als -'t op vechten aankomt. Maar wees voorzichtig en op je hoede tegen -iedereen. Sommige menschen vallen iemand niet aan met 't zwaard in -de vuist. En dat zijn juist de gevaarlijkste." - -"Dieven en inbrekers," zei Abé vol minachting. - -"Die bedoel ik niet. Er zijn menschen die zich vriendelijk voordoen en -'t toch niet meenen. Dat zijn de slimste vijanden. Pas voor die op." - -"Natuurlijk zal ik dat doen, heer." - -"Goede reis dan. Daar komt je paard. En als je ooit hulp noodig hebt, -kom naar Pirlapan." - -"Ik zal 't niet vergeten heer, en dank voor uw gastvrijheid." - -Vroolijk ging Abé weer op reis. 't Weer was prachtig en als de zon -schijnt voel je je van zelf prettig. Vooral wanneer je in de schaduw -kan blijven en dat kon Abé die morgen zooveel hij wou, want z'n weg -ging door het woud. Hij was vast overtuigd, dat ie binnenkort Karibo -wel zou ontmoeten. Hoe dat kwam wist ie zelf niet. 't Was maar zoo'n -idee. Bovendien hoefde hij die dag althans geen mensch lastig te vallen -om voedsel en z'n beurs behoefde hij evenmin aan te spreken. De oude -Pirlapan had hem 'n heele voorraad meegegeven. Zelfs voor 't paard was -gezorgd. Dat dier droeg 't brood voor z'n baas en haver voor hemzelf, -'n heele zak vol. Er was geen vroolijker ruiter in Huk dan Abé. - -Pirlapan had hem nog eens, toen hij al te paard zat, gewaarschuwd toch -vooral op z'n hoede te zijn. "Moed kan je te pas komen, maar overmoed -is altijd verkeerd. Begeef je niet onnoodig in gevaar, mijn jongen." - -Dat was hij ook niet van plan. Maar hij vond het nu toch eigenlijk wel -'n beetje mal, vooral van zoo'n dapper man, zoo'n beroemde Pirlapan, -om iemand te waarschuwen voor dingen, die iedereen van zelf toch -wel naliet. Doch dat hij er nog bij gezegd had, vooral op te passen -voor menschen, die er doodonschuldig uitzagen, dàt was bepaald -onbegrijpelijk. - -De heele dag reed Abé door 't woud en bespeurde niets verdachts. Hij -ontmoette geen levende ziel, zelfs geen menschen met 'n onschuldig -gezicht. Dieren zag hij ook zelden en er moest toch wild genoeg in -'t woud zijn. 'n Enkele maal meende hij wolven te hooren en omdat -'t reeds tegen de avond liep spoorde hij z'n paard wat aan. In 't -bosch vond hij 't met zulke beesten er in nu juist niet geschikt om -er te overnachten. Pirlapan had hem gezegd, dat ie vóór de avond 't -eind van 't woud bereikt kon hebben, als hij niet te lang deed over -z'n middagmaal. Dat had hij dan ook maar vlug gedaan. Toen z'n paard -haver genoeg gegeten had was Abé met z'n dikke boterhammen al lang -klaar. Vlug was hij weer opgestegen en weggereden, maar om 't paard -te sparen had hij 't misschien wat al te dikwijls laten stappen. Nu -wilde hij z'n schade nog gaan inhalen. Als ie 't bosch maar achter -zich had, kon 't beest weer wat uitblazen. - -De zon was nog niet onder toen Abé de rand van 't woud -bereikte. Vóór hem lag 'n naar beneden hellend land, dat zich heel ver -uitstrekte. Uren ver kon hij zien. Aan de gezichteinder, waar de zon -in goudgerande wolken onderging, lag 'n stad, wier torens en daken zich -donker tegen de gloeiende lucht afteekenden. Abé hield z'n paard in om -eens goed alles te bekijken en 't beest wat rust te gunnen. Nergens was -ook maar de geringste nevel te bekennen en ieder ding was duidelijk -zichtbaar. In die streek zou hij geen moeite hebben om onder dak te -komen. Overal zag hij woningen. Ook die tweede dag nam 'n goed einde. - -Na 'n kwartiertje meende Abé, dat 't weer tijd werd om op te stappen -en 't paard dacht er zelf blijkbaar ook zoo over. Dit scheen ook blij -te zijn, dat 't bosch achter de rug was. Misschien had 't beest de -wolven ook bespeurd en dus was 't geen wonder dat 't vanzelf begon -te draven langs de helling naar beneden waar de veilige korenvelden -zich aan weerskanten uitstrekten. - -Waar de weg 'n buiging maakte zag Abé plotseling 'n man aan de kant -van de weg uit 't gras opstaan. 't Moest een bedelaar zijn, want -hij zag er schunnig uit. De kleeding was erg gehavend en z'n gezicht -vuil en ongeschoren. Met uitgestrekte hand bleef hij staan. Abé hield -z'n paard in, en greep naar z'n zadeltasch. Geld wou hij de man niet -geven, hoe graag hij 't ook gedaan had, dat kon ie niet missen. Maar -brood had hij nog genoeg. De man strompelde op 't paard af. Och, och, -wat 'n ongelukkige kreupele was dat. Hij leek wel 'n verlamd been te -hebben en met moeite hinkte hij op 'n stok vooruit. - -"Blijf maar staan," zei Abé. "Ik kom wel bij je." - -Hij gaf hem van z'n boterhammen. - -"Moet je nog ver?" vroeg Abé. - -De man knikte. - -"'k Kon haast niet verder," zei hij. "'k Heb de heele dag al geloopen, -maar 'n gezond mensch zou er nog geen halve dag over doen ..." - -"Wil je 'n poosje op m'n paard zitten? Ik wil wel 'n uurtje -loopen. Misschien komen we dan wel ergens waar je overnachten kan." - -De man keek Abé even aan, misschien wat verwonderd. Tenminste dat -dacht Abé. Zooiets werd hem dan ook zeker niet iedere dag gevraagd. - -"Wat graag," zei de kreupele. - -"Vooruit dan maar," zei Abé, vlug van 't paard springend. "Wacht ik -zal je even helpen opstijgen." - -Doch dat was niet noodig. De man pakte 't paard bij 'n lok van -z'n manen, zette tot groote verbazing van Abé z'n lamme voet in de -stijgbeugel en zat in 'n ommezien in 't zadel. Abé greep naar de -teugel. Die kreupele deed toch wel 'n beetje raar. Maar 't was te -laat. De man hief z'n stok op en eer Abé er op verdacht was sloeg de -bedelaar hem zoo hevig op 't hoofd, dat de goedhartige prins zonder -'n kik te geven in 't zand van de weg neerstortte. - -De struikroover keek niet eens naar de arme jongen om. Met 'n paar -knuppelslagen en 'n ruk aan de teugel werd 't paard in galop gezet -en de paardendief verdween in 'n oogenblik uit 't gezicht. - -'t Was al bijna nacht toen Abé z'n oogen opende en tot z'n groote -verwondering zag hij 'n oud uitgedroogd vrouwtje naast zich in -'t zand van den weg geknield liggen, die z'n hoofd met haar dorre -beenige hand ondersteunde. Abé had hevige hoofdpijn en hij keek -'t vrouwtje wezenloos aan. - -"Hoe is 't nou met je, m'n jongen? Ik dacht eerst dat je dood -was. Hoe kom je zoo hier te liggen met zoo'n bebloed hoofd? Waar kom -je vandaan?" - -Abé hoorde de vrouw praten maar hij gaf geen antwoord. Hij begreep -er niemendal van. - -"Kan je opstaan?" vroeg 't vrouwtje weer. "Dan neem ik je mee naar -mijn huisje. 't Is hier vlakbij." - -Abé probeerde 't. Het vrouwtje hielp hem zooveel ze kon. Maar ze leek -niet erg sterk. Toen Abé weer op de been was, scheen hem op eens weer -alles in de gedachte te komen. - -"M'n paard," zei hij. "Waar is m'n paard." En hij keek hulpeloos -rond. 't Was om er meêlij mee te krijgen. - -"Heb je 'n paard gehad?" vroeg 't vrouwtje vriendelijk. "Is 't op -hol gegaan?" - -"Nee," zei Abé. "Die kerel is er mee weg ..." - -"'n Wit paard? 'n Groot wit paard?" - -Abé knikte. - -"Dan heb ik 't gezien. Ik ben 't tegengekomen. 'n Kerel zat er op -... Net 'n roover." - -"Dat is het," zei Abé al veel fermer. "Waar is hij heen? Ik moet -'t terug hebben." - -"Kom," zei 't vrouwtje. "Ga eerst maar met mij mee. Die vent is al -lang ver weg. Hij rende zoo hard hij kon. Hij sloeg er aanhoudend -met z'n stok op." - -"Zoo'n gemeene vent," zei Abé. "'t Paard kreeg nooit klappen." - -"En heeft ie jou ook zoo toegetakeld?" - -"Met z'n stok" zei Abé. "Hè, alles draait voor m'n oogen." - -Hij greep 't vrouwtje vast en dat nam hem heel zachtjes mee. Voetje -voor voetje en zoo bracht ze hem naar haar hutje, waar ze de arme -jongen heel gauw naar bed bracht. - -Dat was wel noodig ook. Die gemeene schurk, voor wie Abé zoo goed -wou zijn, had hem leelijk geraakt. - - - - - - - - -DERDE HOOFDSTUK. - - Waarin Karibo 'n belangrijk persoon wordt, de burgemeester van - Pomfriet 'n toespraak houdt en Abé 't hoe langer hoe slechter - krijgt. - - -Karibo had 't er op z'n reis naar Pomfriet beter afgebracht dan -Abé. Hoe meer hij die stad naderde, des te vroolijker werd z'n gezicht -en toen hij er op 'n avond net veertien dagen nadat hij Cobalt verlaten -had aankwam, had hij 't wel willen uitschreeuwen van pleizier. Hij -glom van genoegen en toen hij de poort wilde doorrijden en 'n paar -gewapende mannen hem zoo maar pardoes gevangen namen, kwam z'n heele -gezicht vol rimpels van 't lachen, net alsof hij 't wel 't prettigste -vond dat hem overkomen kon. - -Dat kwam door alles wat hij onderweg had hooren vertellen. Eerst toen -hij nog ver van de hoofdstad af was, waren 't maar vage geruchten. De -menschen bij wie hij 's avonds aan de haard zat, als hij voor de nacht -hun gastvrijheid had ingeroepen, praatten over wat er in Pomfriet -allemaal gebeurde. De keizer die nu twaalf jaar geregeerd had, had -'t de Hukkers niet erg naar de zin gemaakt. Hij bestuurde 't land -dan maar heel slecht. Dat kon keizer Napo, die ze weggejaagd hadden, -veel beter. En nu was 't zoo erg geworden, dat de Pomfrieters genoeg -begonnen te krijgen van hun keizer met z'n moeilijke naam en weer -terug verlangden naar hun goeden keizer Napo. Maar heel zeker wisten -de menschen 't toch ook niet. Pomfriet was zoo ver weg en je kon toch -ook niet alles gelooven wat er alzoo gemompeld werd. - -Karibo reisde dan maar weer verder de volgende morgen. Met iedere -dag waren de geruchten stelliger en Karibo's gezicht vroolijker. En -toen hij nu eindelijk Pomfriet bereikt had en de stad niet maar zoo -in mocht was z'n plezier volmaakt. Die mannen die hem gevangen namen -hielden hem voor 'n spion van die gehate keizer, die ze uit Pomfriet -verjaagd hadden en die nu ergens in de nabijheid in 'n kasteel op 'n -gelegenheid loerde om z'n hoofdstad weer te veroveren en de Pomfrieters -betaald te zetten wat ze aan hem misdreven hadden. De goeie man dacht -er waarschijnlijk niet aan dat Boontje wel eens om z'n loontje komt -en dat 't hem nu net ging als twaalf jaar geleden z'n oom Napo. - -"Waar kom je vandaan en hoe heet je?" vroeg hem iemand die wel wat op -'n officier leek en naar wie de mannen Karibo gebracht hadden. - -"Ik heet Karibo, daar hoef ik geen geheim van te maken, maar waar ik -vandaan kom, dat vertel ik je liever niet." - -"Dat zullen we je wel leeren man," zei de officier, "en als blijkt -dat je 'n spion ben van Sutrebor dan is 't gauw met je gedaan. We -maken korte metten met zijn aanhangers. Heeft de gevangene papieren -bij zich?" - -"Hier is z'n zadeltasch," zei een van de mannen. "Daar zal wel wat -in zitten." - -"Geef hier, dan zullen we wel eens zien." - -"Wat ik zeggen wil," zei Karibo lachend,--'t leek wel, dat hij -verbazend veel schik in 't heele geval had--"voor je mijn tasch open -doet en gaat snuffelen in dingen, waar je geen steek mee te maken hebt, -wil ik je wel even waarschuwen. 't Is allemaal voor je eigen rekening, -hoor. Je zal de gevolgen zelf moeten dragen." - -"Geen praatjes. Geef op de tasch." - -"Je blijft er af," zei Karibo. "Nou weet je 't. Stuur die twee -kereltjes maar even weg, dan zal ik je vertellen, wat je weten mag, -maar meer ook niet." - -Karibo keek nu heel ernstig en z'n ondervrager scheen te begrijpen, -dat hij misschien wat anders dan 'n spion van Sutrebor voor zich -had. Hij zond z'n gewapende mannen weg en zei toen: - -"Ik luister. Wat heb je te zeggen." - -"Wie gebiedt er hier in de stad?" vroeg Karibo. - -"De burgemeester ..." - -"Breng me dan bij hem." - -"Waarom. Zeg me eerst, wat je bij hem wilt doen. Je kan wel 'n -sluipmoordenaar zijn of zoo iets." - -"Je mannen hebben m'n zwaard afgenomen en m'n mes. Meen je, dat ik -de burgemeester met m'n pink kan doodsteken? Maar ik wil je wel iets -zeggen, doch je mag 't aan geen mensen zeggen: Ik kom van keizer Napo." - -"Wat zeg je, man?... Belachelijk ... Denk je, dat ik dat maar zoo -geloof?" - -"Ken je 't keizerlijk zegel? Hier is 't." - -En uit den tasch nam Karibo 'n pak met rood lint ombonden perkamenten, -waaraan verscheidene waszegels hingen, die hij de man onder z'n -neus hield. - -"Ik ga zelf met je mee," zei de officier. "De zaak schijnt me -belangrijk genoeg. Hoe maakt de keizer het?" - -"Dat zal je later wel hooren. Laten we nu maar voortmaken. De zaak -is van 't grootste belang voor Huk en er is haast bij." - -Karibo kreeg z'n paard terug, maar niet z'n wapens en omringd van -gewapenden met de aanvoerder, die hem ondervraagd had, voorop, reden -ze in galop door de volle straten van Pomfriet. De menschen stoven -bij 't naderen der wilde ruiters verschrikt uit elkaar en keken dan -nieuwsgierig de stoet na tot er een riep: "'t Is een gevangene," en -'n ander: "'n spion." Die 't ergst nieuwsgierig waren, liepen naar -'t raadhuis en eer er 'n half uur verloopen was stond 't groote plein -stampvol. Er was 'n geweldige menigte Pomfrieters, die allemaal naar -'t raadhuis opzagen, doch geen mensch wist, wat er eigenlijk aan de -hand was. Doch dat er iets gewichtigs moest plaats hebben, begonnen -ze toch allemaal langzamerhand in te zien. Telkens gingen er boden in -haast van 't raadhuis en dan zagen de menschen na eenige tijd de bode -weer terugkomen met een of ander voornaam persoon. Zoo ging 't 'n heele -tijd, doch toen konden de Pomfrieters 't niet langer uithouden. Ze -begonnen te schreeuwen en te joelen en eindelijk zonden degenen, die -vooraan stonden, iemand naar binnen om te vragen, wat er gebeurde. Toen -verscheen 'n oogenblik later de burgemeester op 'n balkon met Karibo -naast zich, die wel probeerde 'n plechtig gezicht te zetten, zooals -de burgemeester had, zonder dat 't hem lukken wou. Telkens begon -hij weer te lachen. En achter die twee zagen de toeschouwers nog -'n heele boel plechtige gezichten. Die waren van al de voorname lui, -die de burgemeester had laten ontbieden door z'n boden. - -'t Was plotseling doodstil op de markt. De burgemeester had met z'n -hand gewenkt, hij wilde wat zeggen. En toen hij 'n speld kon hooren -vallen begon hij: - -"Pomfrieters, hier naast me staat 'n bode van keizer Napoleonidas, -de rest van z'n naam zeg ik wel eens op 'n andere keer als ik meer -tijd heb." - -"Hoeraaaaaa!!!" brulde de menigte en 't duurde wel vijf minuten eer -de burgemeester weer stilte had. Karibo lachte met z'n heele gezicht, -maar hij kreeg het toch weer zoowat in de plooi toen de burgemeester -vervolgde: - -"Jullie hoeft niet zoo te brullen, want de keizer is dood." - -Nu werd 't eerst zóó ijselijk doodstil, dat iemand, die z'n oogen -dicht deed, zou hebben kunnen denken, dat ie heelemaal alleen op de -wereld was, en daarna kwam er langzaam 'n zwaar gemompel. Toen zei -de burgemeester weer: - -"Maar z'n zoon, prins Abecé leeft ... en is reeds hier in 't land -... Deze man zal hem gaan halen ... Binnen veertien dagen kan hij -hier zijn ... en dan hebben we weer een wettige keizer ... Leve onze -nieuwe keizer Abecé I." - -Nu weerklonk er zoo'n vreeselijk hoera, waaraan de burgemeester, -Karibo en allen, die in 't raadhuis waren, van harte mee deden, dat de -ruiten er van dreunden. En dat hield minuten lang aan. De menschen op -de markt begonnen te dansen en te springen hand aan hand en ze riepen: -"Leve Prins Alphabet!" en dat zongen in 'n wip alle Pomfrieters. 't -Nieuwtje was gauw van mond tot mond gegaan ... eer 't avond was wisten -alle menschen in de stad het. Er werden lantaarns opgezocht--en toen -'t donker was brandden overal, op alle daken en torens en langs alle -vensters duizenden lichtjes ter eere van prins Alphabet. En dat was -juist op dezelfde avond, dat die arme jongen half dood op de weg -lag met 'n oud vrouwtje naast hem, die niet eens sterk genoeg was om -hem op te beuren en wachten moest tot hij weer bijkwam om hem mee te -nemen naar haar armoedig hutje. - -Karibo was in z'n nopjes. Hij had niet kunnen denken dat Abé al zoo -gauw keizer van Huk zou worden en nu maakte hij natuurlijk hard voort -om zoo spoedig mogelijk z'n meester uit dat akelige nest aan de grens -te gaan halen. 'n Keizer die in 'n herberg logeerde, dat kwam niet te -pas en de burgemeester en de andere voorname lui in Pomfriet waren -'t daar volkomen mee eens. Er werd 'n lijfwacht samengesteld uit de -beste soldaten en 't spreekt vanzelf, dat er ook heel wat anderen -meegingen. 't Moest zoo prachtig mogelijk worden. De soldaten waren -er echter bij, omdat de verjaagde keizer Sutrebor nog altijd vlak -bij was en ook nog te beschikken had over 'n leger. Als die er van -hoorde, dat prins Alphabet teruggekeerd was in z'n vaderland, dan kon -'t wel eens gebeuren, dat die rare Sutrebor 'n poging zou doen om -de wettige keizer te pakken te krijgen. En daar moest niemand iets -van hebben.--Al hadden ze hem bespot toen ie pas geboren was--nu was -iedere Hukker in de hoofdstad 'n Alphabetter geworden. - -De voornaamste persoon, de man die iedereen naar de oogen zag, was -opeens Karibo geworden. Hij had prins Alphabet teruggebracht naar -Huk, en hij was ook de eenige, die hem kende. Zonder Karibo zou -iederen jongen van twaalf jaar zich wel kunnen uitgeven voor prins -Alphabet. En Karibo vond 't wàt aardig. Maar hij dacht daarbij toch -wel heel weinig aan zichzelf. Abé was bij hem nummer een en alles wat -ie deed geschiedde in 't belang van de zoon van zijn gestorven heer. - -Karibo maakte het de burgemeester lastig genoeg. Die man was niet -gewoon alles met zoo'n geweldige haast te doen. Maar Karibo hield -niet van treuzelen en daar de burgemeester Karibo ook te vrind wilde -houden, gaf hij hem z'n zin maar en zoo kwam het dat twee dagen later -'n prachtige stoet onder 't gejuich van de Pomfrieters, de stad -verliet om de nieuwe keizer van Huk te gaan halen. - -Karibo was de aanvoerder. - -'n Pleziertochtje was 't niet. Daarvoor dreef de aanvoerder iedereen -tot te veel spoed aan. Maar de menschen schikten er zich in. Ze waren -vol ijver en toewijding. Overal waar de stoet langs kwam liepen de -menschen uit en van stad tot stad snelde de goede tijding van de -terugkeer van Prins Alphabet als 'n loopend vuurtje door 't land van -Huk. En overal werd de stoet met gejuich ontvangen, want de Hukkers -waren in hun hart toch altijd trouwe onderdanen gebleven van keizer -Napo. - -Moeder Guldratsj, zoo noemde de menschen 't oude vrouwtje bij wie -Abé met 'n ferme buil op z'n hoofd en tamelijk veel pijn d'r in, -nu al acht dagen verpleegd werd, alsof ie haar eigen kleinzoon was, -kwam op 'n goede avond thuis met 't groote nieuws. En ze had zelf -met d'r eigen oogen de stoet gezien, die als 'n leger met blinkende -zwaarden, in de zon schitterende lansen en wapperende banieren langs -haar heen gegaan was op de groote weg. Abé had 't rumoer moeten hooren, -al lag 't hutje van moeder Guldratsj 'n eind 't land in. Maar Abé -had niemendal gehoord, omdat ie lekker geslapen had. De goede vrouw -raakte niet uitgepraat over wat ze gezien en gehoord had, doch Abé -begreep er niet veel van. - -"Wel, jongen," zei moeder Guldratsj 'n beetje ongeduldig. "'t Zijn -allemaal Pomfrieters en die gaan de nieuwe keizer halen." - -"Moeten ze dan nu al weer 'n andere keizer in Huk hebben?" - -"Dat weet ik niet ... maar ze zeien 't." - -"En wie is die nieuwe?" vroeg Abé, terwijl hij erbij dacht dat de -eenige die er recht op had het te zijn, hij zelf was. Maar dat kon -hij moeder Guldratsj niet vertellen, en al deed ie 't dan zou 't -goede mensch hem toch niet gelooven. - -"Wie die nieuwe keizer is? Wel ... hoe noemden ze 'm ook weer ... prins -Alpaka ... nee dat was 't niet ... è ... kom nou ... ik wist 't toch -zoo goed ... prins ... e ... Alpevet ... Alpa ... Alphabet ... dat is -'t. Prins Alphabet." - -"Ken ik niet," zei Abé. - -"Nou nog mooier ... hoe zou je ook. Wat weten wij gewone menschen -nou van prinsen af ... En wat gaat 't ons ook eigenlijk aan hè? Je -ziet er veel beter uit vandaag ... Niet veel pijn meer?" - -"Heelemaal niet, moeder Guldratsj. Je hebt me gauw beter gemaakt en -ik hoop je daarvoor nog eens te beloonen." - -"Gekheid jongen ... Ik wil geen belooning. Of je moest me willen -beloonen door bij me te blijven ..." - -"Dat kan niet moeder Guldratsj. Ik moet m'n pleegvader Karibo -terugvinden." - -"Maar jongen ... hoe wil je dat doen zoo heel alleen ... zonder geld -... zonder paard ... Je komt nooit in Pomfriet. Had ik maar geld, -dan kreeg je 't met alle liefde ..." - -"Ik moet er toch heen. Morgenvroeg ga ik op stap." - -"En hoe wil je aan eten komen onderweg?" - -"D'r zijn toch nog wel goede menschen in Huk, moeder Guldratsj. Jij -ben er een van en Pirlapan is er nog een." - -"En die vent, die er met je paard vandoor is en je voor je goedheid -'n klap met 'n knuppel gaf, is er zeker ook een!" - -"Nee, die niet ... dat was 'n gemeene vent. Maar geen mensch kan me -nu nog wat afnemen, want ik bezit niemendal en dus loop ik nu ook -geen gevaar meer, dat zoo'n schurk me weer 'n tik zal geven." - -"En je mooie kleeren dan?" - -"Ja, wat kan ik daar nu aan doen? Heb jij andere voor me? Dan trek -ik die aan. Maar dit mooie pakje zal gauw genoeg versleten zijn als -ik er mee in weer en wind marcheer en misschien nu en dan onder de -bloote hemel moet slapen." - -"Ik zou je toch misschien wel aan een gewoon pak kleeren kunnen -helpen. Ik heb nog wat bewaard, dat vroeger van m'n kleinzoon -was ... Da's lang geleden. Al m'n kinderen zijn al dood en m'n -kleinkinderen ook. Ik heb ze allemaal overleefd. Wil je 't eens -aanpassen?" - -"Heel graag moeder Guldratsj. En dan bewaar je deze hè, tot ik ze -bij je terug kom halen." - -"Da's goed mijn jongen." - -En nu ging Moeder Guldratsj in 'n groote kist op zolder aan 't -snuffelen en ze kwam terug met 'n bruin, heel ouderwetsch jongenspak, -zooals de Huksche boeren in die streek nog wel droegen. Abé paste -het aan en 't zat hem gemakkelijk, want 't was hem 'n beetje wijd. - -"'t Gaat best moeder Guldratsj." - -"Dat doet me plezier jongen ... keer je eens om ..." - -"Wat doe je nou moeder Guldratsj?" vroeg Abé. "Huil je?..." - -"Je lijkt ... precies ... op hem ... van achteren." - -"O" ... - -In dat boerenpakje vertrok Abé de volgende morgen, 'n heel eind -weggebracht door moeder Guldratsj. Over z'n schouder had hij 'n -grove zak aan 'n touw met 'n groot bruin brood er in, en in z'n -hand 'n stevige knuppel. Dat was z'n staf maar tevens z'n wapen. De -keizerlijke prins was nu zoo arm als 'n kerkrat. - -"Goeie reis, m'n jongen," zei moeder Guldratsj. "Al rechtuit maar." - -"Dag moeder Guldratsj. Ik kom vast bij je terug hoor." - -"Ik hoop het m'n jongen ... Dàg!" - -"Dag!!" - -Zoo wandelde zijn majesteit de keizer van Huk, want dat was Abé nu -toch, al wist ie er zelf niemendal van, als 'n gewone boerenjongen -de weg op naar Pomfriet, terwijl de groote heeren en de prachtige -lijfwacht van dappere soldaten onder aanvoering van Karibo, precies -de andere kant op waren. - -Hij was lang niet zoo vroolijk gestemd als toen hij nog op z'n groote -witte paard zat, maar verdrietig was hij toch ook niet. 't Was mooi -weer en nog lekker koel, want 't was nog heel vroeg. 'n Uur of acht -loopen dat kon heel best meende Abé. Hij zou natuurlijk onderweg -nu en dan eens moeten rusten, doch dat moest 'n ruiter evengoed als -'n voetganger. De reis zou alleen 'n beetje langer duren, doch hij -hoopte er op dat ie Karibo wel tegen zou komen. Moeder Guldratsj -had iedere dag goed uitgekeken als ze op 't land werkte. Dan kon ze -de weg en iedereen die er langs kwam zien. Abé had haar duidelijk -uitgelegd hoe Karibo en z'n paard er uit zagen. Maar die goede vrouw -had niets gezien, behalve dan de stoet die de nieuwe keizer tegemoet -reisde. Karibo moest ie dus tegenkomen. Dat gaf hem moed. Voortdurend -keek hij uit en bij iedere ruiter die hij in de verte zag aankomen, -dacht ie, dat zal hij zijn. Hij ontmoette er die dag gelukkig maar -twee, want die teleurstelling was toch niet prettig. En 't loopen viel -hem ook niet mee. 't Werd verschrikkelijk warm en zoover hij zien -kon was er geen boom langs de weg. Dat brood begon ook te wegen. 's -Morgens had hij 't heel niet gevoeld, maar later op de dag nam hij 't -telkens op de andere schouder. 't Touw deed hem pijn. Tegen de middag -vond hij 'n armzalig struikje dat 'n beetje schaduw gaf. Daar kroop -hij achter. Z'n oogen vielen haast toe van moeheid, maar hij durfde -niet te gaan slapen uit vrees, dat juist als hij sliep Karibo voorbij -zou kunnen komen. En die droge stukken brood met 'n slok lauw water -dat smaakte hem toch eigenlijk ook niet erg. Zijn voeten begonnen hem -pijn te doen. Z'n gemakkelijke roode schoenen van zacht leer had ie -bij moeder Guldratsj gelaten. Die pasten niet bij z'n boerenpak en -inplaats daarvan had hij 'n paar lompe harde leeren dingen aan, die -'m nog te groot waren ook. - -Toen ie misschien 'n paar uur gelegen had, was ie 'n beetje uitgerust, -doch nu speet het hem, dat ie maar niet was gaan slapen, want er was -geen levende ziel voorbijgekomen. Hij ging maar weer wandelen en -was zoo verstandig geweest schoenen en kousen uit te trekken. Dat -was frisscher en nu had hij geen last van die schoenen aan z'n -voeten. Doch nu bengelden die dingen naast 't brood op z'n rug. Dat -was ook niet gemakkelijk. Er was echter niets aan te doen en Abé liet -ze dus maar bengelen. - -Uur na uur stapte hij door tot hij bijna niet meer kon. Huizen waren er -niet te bekennen in de omtrek en er zat dus niets anders op dan maar -onder den blooten hemel te overnachten, als 'n landlooper. Gelukkig -stroomde er 'n beekje door 't korenveld, waarin hij z'n waterkruik -kon vullen en z'n voeten wasschen. Daarna ging hij in 't gras langs -de weg liggen. Hij was te moe. Als hij ergens 'n woning gezien had, -zou hij 't nog geprobeerd hebben, die te bereiken, al was 't 'n uur -ver geweest. 't Was nog niet donker, maar verder loopen gaf nu toch -niemendal. - -Z'n oogen vielen al gauw toe, maar voor hij insliep bedacht hij toch, -dat 't misschien maar verstandig geweest was bij moeder Guldratsj -te blijven. Dan had hij nu lekker in 'n bed geslapen en hij had daar -beter op Karibo kunnen wachten, dan hier in 't gras langs de weg. Hij -zou morgen vroeg maar weer terug loopen naar 't oude mensch dat hem -zoo graag gehouden had. - -Toen hij de volgende morgen tegelijk met de leeuweriken ontwaakte, -de zon was nog niet op, dacht hij er echter heel niet meer aan -terug te keeren naar moeder Guldratsj. Hij was heelemaal uitgerust -en hij beet in 't droge brood of 't koek was. Die dag zou hij zeker -Karibo ontmoeten en moedig stapte hij op z'n bloote voeten maar weer -verder. En hij wandelde uren ver en 't ging hem net als de vorige -dag. Hoe hooger de zon aan de hemel steeg des te lager zakte de -blijheid en de hoop van Abé. Hij werd weer doodmoe en verdrietig. Doch -een ding trof hij beter. In de namiddag bereikte hij 'n dorp en daar -wilde hij probeeren voor de nacht een onderkomen te vinden. Hij zou -maar eens hier of daar aankloppen. En dus stapte hij op 't eerste huis -'t beste af. - - - - - - - - -VIERDE HOOFDSTUK. - - Waarin Karibo kennis maakt met de Pirlapans, de kleeren van Abé - teruggevonden worden en moeder Guldratsj iets vreemds overkomt. - - -Karibo reisde met z'n prachtige stoet zoo snel mogelijk, tot groot -ongenoegen van de deftige Pomfrieters, die hem vergezelden. Dat was -geen manier van reizen, meenden ze. Je raakte doodop en wat kwam 't er -nu eigenlijk op aan of je 'n dag eerder of later in dat akelige nest -aan de grens aankwam om prins Alphabet te vertellen, dat ie keizer -van Huk geworden was? Zoo'n haast was daar nu toch warempel niet -bij. Die prins Alphabet was toch nog maar 'n jongen, die kon nog lang -genoeg keizer zijn en bovendien waren zij toch voorname Pomfrieters, -de deftigste lui uit 't heele land Huk. Daar mocht die Karibo óók -wel eens aan denken. Wat verbeeldde zich die Karibo wel! Wat was die -man eigenlijk? 'n Knecht, 'n bediende, niets meer. Nu ja, hij was een -van de twee Hukkers, die de keizer in ballingschap gevolgd waren. Dat -was óók zoo'n kunst niet. - -Dat alles bepraatten ze onder elkaar, maar ze waren toch wel zoo -verstandig 't niet hardop te zeggen als Karibo er bij was. - -De Pomfrietsche heeren waren dan ook wàt blij toen ze op 'n avond -voor 't kasteel Pirlapan aankwamen. Ze hadden al zooveel nachten in -allerlei dorpjes moeten overnachten, soms ingekwartierd bij 'n boer, -die nog niet eens 'n fatsoenlijk bed er op nahield. Nu zouden ze 't dan -eindelijk eens wat beter hebben. De lijfwacht kon wel buiten blijven -onder de blauwe hemel met Karibo er bij als zij maar bij de heer van -Pirlapan onder dak kwamen. Die heer zou hen wel lekker onthalen ook. - -Toen Karibo omringd door de Pomfrietsche heeren voor de valbrug -verscheen, kwam de oude Pirlapan met z'n vier jongens, z'n -strijdmakkers en al z'n knechts naar buiten, en Pirlapan trad 't -eerst over de brug op Karibo toe om te vragen, wat hij verlangde. - -"Wij komen uw gastvrijheid inroepen," antwoordde Karibo, "voor deze -heeren en voor de lijfwacht des keizers. We zijn op weg om zijn -majesteit de keizer van Huk af te halen." - -"'t Spijt me erg," zei Pirlapan, "maar de volgelingen van keizer -Sutrebor komen mijn brug niet over. Ik ken maar één echte keizer van -Huk en die ben ik steeds trouw gebleven." - -"Wel man," riep Karibo, "dan konden wij 't niet beter treffen. Sutrebor -is geen keizer van Huk meer, maar wel de zoon van keizer Napo, prins -Alphabet. Die gaan we halen!" - -"Wat zeg je?" zei Pirlapan ongeloovig ... "Prins Alphabet, is die -keizer van Huk?" - -"Ik zal 't je wel eens vertellen," zei Karibo van z'n paard -springend. "Maar laten we eerst naar binnen gaan, als je 't goed -vindt. We hebben de heele dag te paard gezeten om door dat bosch heen -te komen." - -Pirlapan had er nu niets meer op tegen. Karibo en de Pomfrietsche -heeren gingen naar binnen en de soldaten bleven op 't binnenplein -of kropen vermoeid in 't hooi bij hun paarden in de stal. 't Was 'n -gewoel en 'n herrie in en om Pirlapan zooals ze daar in jaren niet -beleefd hadden. - -Pirlapan was 'n gul gastheer nu 't maar niet voor keizer Sutrebor -was. Eten en drinken kregen al die mannen volop en de paarden even -goed. Voor hun wettige keizer zouden de Pirlapans alles gegeven hebben -wat ze bezaten. - -Karibo ging aan 't vertellen en Pirlapan luisterde met vreugde naar -de goede tijding. Maar toen Karibo zei, dat prins Alphabet alleen -was achter gebleven in Cobalt, zette die oude ijzervreter plotseling -'n paar groote oogen op alsof hij schrok. - -"Heb je in de laatste week nog tijding gekregen van de keizerlijke -prins?" vroeg hij. - -"Welneen," zei Karibo, "hoe zou ik. Maar je vraagt dat met zoo'n -benauwd gezicht." - -"Cobalt is tot de grond toe afgebrand. Er is geen huis meer blijven -staan ..." - -"Hè?" - -"Er zijn honderden menschen verbrand." - -"Goeie hemel..." - -En nu was 't plotseling doodstil in de zaal. Geen mensch gaf 'n -kik. Tot eindelijk Karibo langzaam opstond en zei: - -"Heer van Pirlapan, ik moet direct 'n sterk paard van je hebben. Ik ga -oogenblikkelijk naar Cobalt. Deze heeren en de lijfwacht kunnen wel -hier blijven. Ik moet weten wat er van onze prins geworden is. Maar -vertel me nog één ding: Wanneer is die stad verbrand?" - -"Dat is precies anderhalve week geleden. De eerste tijding vernam -ik van 'n vluchteling, die hier 'n nacht verbleef. 't Was 'n jongen, -wiens pleegvader naar Pomfriet was en die hem nu ..." - -"Bereed ie 'n wit paard?" vroeg Karibo haastig. - -Pirlapan knikte. "... 'n Groot wit paard ... Hij was in 'n blauw -kleed, roode schoenen, en op z'n vierpuntige muts had ie veeren als -voelsprieten." - -"Dat was prins Alphabet!" - -Weer was 't doodstil... Karibo ging zitten en iedereen keek vol -verwachting naar hem. Karibo zat 'n heele poos met de hand onder z'n -hoofd. Diepe rimpels had ie in z'n voorhoofd. Hij was blij dat Abé -gered was, maar hoe kwam 't, dat ze hem niet waren tegen gekomen op -z'n witte paard, wanneer hij reeds den volgenden morgen weer op weg -gegaan was naar Pomfriet? Verdwaald kon hij niet zijn, want er was -maar één groote weg naar de hoofdstad. Waar zat die jongen dan? Was -hem 'n ongeluk overkomen? Karibo kon er geen oplossing voor vinden -en eindelijk zei hij: - -"Als hij op weg was naar Pomfriet, hadden we hem tegen moeten -komen... we zijn hem niet tegen gekomen... wat moeten we nu -beginnen?... Als hem maar geen ongeluk overkomen is." - -"Dat zou ik niet denken," zei Pirlapan. "Die jongen is niet voor -de poes. Hij kan zich best verdedigen. Vraag dat maar eens aan m'n -jongste zoon, die daar zit. Die heeft ondervonden dat de nieuwe keizer -van Huk--ofschoon we toen niet vermoeden konden dat we zoo'n hooge -gast onder ons dak hadden--stevige armen heeft en klappen weet uit -te deelen. Neen, aan 'n ongeluk hoef je zoo gauw niet te denken." - -"Maar wat kan er dan met hem gebeurd zijn?" - -"Ik denk," zei 'n oude Pomfrietsche raadsheer, "dat ie nog sliep toen -we hem ergens voorbij reden. We waren iedere morgen al voor dag en -dauw onder weg." - -De oude raadsheer was blij, dat ie eindelijk gelegenheid had Karibo -eens 'n steek onder water te kunnen geven. Hij had genoeg gemopperd -over dat vroege opstaan. Maar Karibo keek de Pomfrieter 'n beetje -nijdig aan toen hij antwoordde. - -"Prins Alphabet is geen luiaard. Hij is gewoon aan vroeg opstaan. Neen, -dàt kan niet." - -"Misschien zat ie wel net aan tafel..." zei 'n vette Pomfrieter... - -"Dat kan ook niet," riep Pirlapan op zijn beurt kwaad, "Prins -Alphabet had geen geld genoeg om hier of daar lekker te gaan -smullen. Pirlapansch zwart brood had ie bij zich. Brood uit mijn oven." - -De dikke Pomfrieter zei niets meer. Die oude Pirlapan vond ie 'n -vervelende eigenwijze boer met z'n zwarte brood. Als hij hem dat -voorzette, zou ie er wel lekker voor bedanken. - -"We hebben geen tijd te verliezen, heeren," zei Pirlapan weer na 'n -poosje. "Ik heb er eens over gedacht. We moeten zoo gauw mogelijk -onze prins zien te vinden. Hij kan nu al een heel eind op weg -zijn naar Pomfriet... Maar hij kan ook wel hier of daar onder weg -zitten. Je weet nooit wat je overkomen kan onder weg. Je paard kan -'n ongeluk krijgen ... je kan zelf ziek worden... Je kan door slecht -volk overvallen worden... Prins Alphabet is wel 'n stevige knaap en -hij vecht uitstekend--maar ... 't is toch mogelijk dat ie..." - -Karibo stond haastig op. - -"Je hebt gelijk, heer van Pirlapan. We moeten onmiddellijk terug..." - -"Nu dadelijk?" vroegen 'n paar Pomfrieters benauwd. - -"Och heeren, blijven jullie gerust hier zoo lang als je wilt," -zei Pirlapan. "We kunnen jullie best missen, bij wat we nu doen -moeten. Kom," ging hij voort tot Karibo, "we zullen 'r geen gras over -laten groeien." - -Karibo en al de Pirlapans gingen de zaal uit met 'n paar -Pomfrieters. De overigen bleven achter. Die hadden geen trek om midden -in de nacht weer uit te trekken, wie weet waar naar toe. - -Pirlapan had snel 'n plan gemaakt, dat hij nu onder 't loopen aan -Karibo uitlegde. Onder aanvoering van de Pirlapans zou de heele -troep soldaten van de lijfwacht er op uit gaan om te zoeken naar de -prins. Eerst door 't bosch terug allen bij elkaar en dan vervolgens -zou er bij iedere landweg 'n kleine afdeeling worden uitgezonden om -te informeeren aan alle huizen of daar de jongen op 't witte paard -ook voorbij gekomen was. - -Karibo keurde dat plan dadelijk goed. Dat moest zeker slagen en 't -kon niet anders of ze zouden op die manier al heel gauw wat van de -prins vernemen. - -De Pomfrietsche heeren keurden 't plan ook goed, mits zij maar niet -meehoefden, want ze waren die avontuurlijke en lastige tocht al lang -zat. Doch de meesten van hen lachten tevens 'n beetje spottend en -sommigen keken zelfs uit de hoogte op Karibo neer, voor wie ze tot -nog toe zeer veel onderdanigheid getoond hadden en eerbied, omdat -ie de pleegvader van hun nieuwe keizer was. Dat kwam wijl ze Karibo -voor 'n bedrieger begonnen te houden, die 't heele verhaal over de -aanwezigheid van Prins Alphabet in 't grensstadje verzonnen had. Toen -'n paar er op wezen, dat 't dan toch wel heel toevallig zou zijn -geweest, dat die jongen die bij Pirlapan 'n nacht geslapen had, -juist ook 'n wit paard bereed, zeiden de overigen dat 't best kon -zijn dat de Pirlapans en die Karibo onder één deken lagen en dat -'t heele plannetje door hen samen was opgemaakt. - -Toen zwegen de anderen, want 't kon best waar zijn. Iedereen in Huk -wist dat de Pirlapans 'n hekel hadden aan keizer Sutrebor en nu wilde -die ouwe vechtbaron Pirlapan zich misschien zelf van de regeering -meester maken. - -Ze lieten dus Karibo, de Pirlapans en de heele lijfwacht vertrekken -en ze besloten op hun eigen houtje maar weer stilletjes naar Pomfriet -terug te reizen op hun dooie gemak. - -De oude Pirlapan wachtte niet tot de volgende morgen en Karibo gaf -hem groot gelijk. De soldaten van de lijfwacht hadden er evenwel -weinig zin in; ze wilden niet uit 't hooi komen, want ze hadden te -veel slaap. Maar Pirlapan zette zoo'n vreeselijke bulderstem op, dat -de een na de ander voor de dag kwam, soms wel vijf of zes te gelijk, -en na 'n uur waren ze allemaal tot vertrekken gereed. - -En nu ging het in draf weer 't bosch door, de heele nacht. De wolven -liepen van angst naar alle kanten weg, ofschoon de reuk van al die -paarden hen verlokkend in hun wolvenneuzen kittelde. Bij 't aanbreken -van de dag stond de heele troep aan de ingang van 't woud, waar Abé -eenigen tijd geleden ook gestaan had. De soldaten mochten 'n poosje in -'t gras gaan liggen, als ze hun paarden verzorgd hadden. Dieren en -menschen hadden allemaal rust en voedsel noodig. Pirlapan en Karibo -hielden samen onderhand krijgsraad. Pirlapan stelde voor de heele troep -te verdeelen in kleine patrouilles, ieder met 'n Pirlapan of een van -Pirlapans vertrouwde strijdmakkers aan 't hoofd. Die zouden door alle -zijwegen kunnen naspeuren en aan alle woningen vragen of men daar -ook iets gehoord of gezien had van de jongen met de voelsprieten en -'t witte paard. - -Karibo keurde dat plan goed en Pirlapan begon maar dadelijk de -mannetjes in te deelen. Zoo kreeg hij twintig patrouilles van vijf man -onder aanvoering van hemzelf, z'n zoons en z'n eigen mannen. Karibo -zou bij de oude Pirlapan blijven. - -Na 'n uur gingen de troepen op weg. Eerst bleven ze bij elkaar, maar -bij de eerste zijweg scheidde zich een patrouille af. Ze zouden 'n -uur ver de weg volgen, overal navragen en dan terugkeeren--behalve -natuurlijk als 't bleek dat de prins die weg genomen had. In dat -geval zou de patrouille nog verder gaan, maar één man terug zenden -om bericht te geven aan Karibo of Pirlapan. - -Deze eerste troep bereikte na 'n kwartier reeds het huisje van moeder -Guldratsj, maar 't oude vrouwtje was niet thuis. De mannen loerden -naar binnen toen ze op hun herhaald kloppen geen gehoor kregen en toen -zag een van de Pirlapans de muts met de voelsprieten op 'n bank liggen. - -"Hoera!!" schreeuwde hij. "We hebben hem al. Z'n muts ligt daar -op de bank." De heele patrouille verdrong zich voor 't kleine -venstertje om ook iets van de muts met de voelsprieten te zien. En -nu wees de jonge Pirlapan een van de mannen aan om zoo hard als 'n -paard rennen kon de blijde tijding aan Karibo en z'n vader te gaan -brengen. Misschien was de heele troep nog bij elkaar. Ze konden dan -met z'n allen terugkeeren. De ruiter sprong in de zadel en reed snel -weg. Z'n paard liep zóó hard, dat binnen 't half uur de hoofdtroep -reeds ingehaald was. Paard en man waren buiten adem. De man kon -echter nog heel goed z'n boodschap--'n blijde boodschap meende -Karibo--overbrengen en onmiddellijk gaf de oude Pirlapan bevel terug -te keeren. De boodschapper mocht achterblijven om uit te rusten met -z'n paard, maar ook om de tweede patrouille, die 'n andere zijweg was -ingeslagen bij haar terugkeer te kunnen meedeelen dat ze terug konden -gaan naar de hoofdtroep. Snel reden de mannen want Karibo was verbazend -ongeduldig. Hij dacht z'n jonge meester te zullen aantreffen. Toen -ze evenwel 't huisje bereikten zagen ze de achtergebleven mannen van -de patrouille in 't gras liggen. Ze bewaakten 't huisje. Er kon geen -muis in of uit. - -"Wel," vroeg Karibo, die ook door 't venstertje geloerd had en de -muts dadelijk had herkend. "Heb jullie nog geen mensch gezien?" - -"Niemand," antwoordde de jonge Pirlapan. - -"Dan moeten we de deur maar eens open zien te krijgen," meende z'n -vader. "Dat zal wel niet moeielijk zijn. 't Mag eigenlijk wel niet -maar daar moeten we ons nu maar eens niet aan storen. Wat denk jij -er van Karibo. - -"Wel ja," zei deze. "Ik zal 't zelf wel eens probeeren." - -Hij duwde tegen de deur eerst zachtjes en toen wat harder, maar -'t ging niet. - -"Dat kan ik veel beter," zei toen de oude Pirlapan. "Ga eens op -zij. Je doet net of die deur schreeuwen zal. Op zij." - -De deur vloog open. Pirlapan had er 'n trap tegen gegeven. - -Karibo en hij gingen 't huisje binnen. De overigen verdrongen zich voor -de deur en voor 't venster. Pirlapan joeg hen gauw weg. Ze maakten -'t in 't huisje pikkedonker. Nu zagen ze de muts, maar tot Karibo's -groote ontsteltenis ook de overige kleeren van Abé. Z'n roode schoenen -stonden onder de bank. En binnen in de muts zag Karibo 'n bloedvlek. - -De oude man werd doodsbleek. En Pirlapan die de muts nu ook -nauwkeuriger bekeek zei wat benauwd: - -"Ik ben bang dat er iets met de prins gebeurd is Karibo ... En ik -vrees niet veel goeds." - -"O ... o ..." zuchtte Karibo, "had ik hem toch maar niet alleen -achtergelaten. Arme jongen." - -En Pirlapan zei: - -"Ik heb net zooveel schuld als jij man. Ik had hem niet alleen moeten -laten vertrekken." - -"Da's niet waar Pirlapan. Jij hoefde niet op hem te passen en je wist -ook niet dat 't prins Alphabet was." - -"Prins of niet," bromde Pirlapan, "ik had die aardige ferme jongen -moeten beletten alleen verder te reizen." "'t Is mijn schuld nog meer -dan de jouwe. Maar ik dacht ... och wat komt 't er ook op aan wat -ik dacht. Ik vergeef 't mezelf nooit ... en als ie dood is, heb ik -'t op m'n geweten." - -Karibo schudde 't hoofd. - -"Mijn schuld is het ..." - -Ze zwegen allebei en de mannen buiten, die weer door 't venstertje -loerden fluisterden met elkaar, want ze zagen wel aan Pirlapan en -Karibo dat de zaak niet in orde was. En ze letten er geen van allen -op dat 'n oud vrouwtje op d'r stok geleund langs de weg kwam aanloopen -zoo snel ze kon. 't Was moeder Guldratsj, die al de mannen en paarden -bij haar huisje ziende, zoo gauw mogelijk voortmaakte om te weten -wat er aan de hand was. - -"Wel, wel," riep ze met d'r oude stemmetje, "wat 'n menschen voor -moeder Guldratsj hutje ... Heere ... me deur open. Op zij ... op zij -... wat hebben jullie in mijn huisje noodig?" - -De soldaten keken verwonderd op, ze hadden haar niet gehoord vóór ze -vlak bij was. Maar ze lieten haar gewillig door. - -Moeder Guldratsj ging gauw naar binnen, maar bleef in de deur -staan toen ze die twee mannen zag, die Abé's kleeren stonden te -bekijken. Karibo had zich net gebukt om de roode schoenen op te -nemen. Die hield ie nu in de hand. Moeder Guldratsj stond met de mond -open van verwondering en 'n beetje van schrik. - -De oude Pirlapan merkte haar 't eerst op. - -"Ha," riep hij, "daar is iemand." - -Nu keek Karibo ook op en zag 't oude vrouwtje scherp aan en dadelijk -vroeg hij: - -"Hoe komen die kleeren hier?" - -"Och, och ..." zei 't vrouwtje alleen maar. Ze begreep dat daar -misschien Abé's pleegvader stond, waarvan hij verteld had ... maar -ze had ook de soldaten daar buiten herkend als diegenen die ze 'n -paar dagen vroeger voorbij had zien gaan over de groote weg, die 'n -prins gingen afhalen en dat alles bij elkaar maakte haar verward. Ze -kon er geen touw aan vastknoopen. - -"Spreek, ouwe heks!" brulde Pirlapan, die gauw woedend was, en daar -schrok 't oude menschje zoo hevig van, dat ze zich aan de deurpost -moest vasthouden. Was me dat ook 'n stem en zoo heel onverwacht! - -"Kom moedertje," zei Karibo veel zachter, want hij kreeg plotseling, -hij wist zelf niet waarom, meelijden met 't verschrikte vrouwtje, -"zeg nu maar gauw hoe jij aan die kleeren komt." - -"Och heer ..." antwoordde moeder Guldratsj ... "die zijn van 'n -jongetje, dat ik verpleegd heb ... Hij is nou weg om z'n pleegvader -op te zoeken ... heelemaal naar Pomfriet." - -"Praatjes," bulderde Pirlapan opnieuw. "Hoe kan hij nou zonder kleeren -naar Pomfriet op weg zijn. Je liegt, wijf." - -Moeder Guldratsj was wel oud, maar bij de pinken. Ze had nu ze 'n -beetje over de eerste schrik heen was niet zoo'n groote vrees meer voor -de bromstem van Pirlapan en ze zei kalm hoewel nog een beetje beverig: - -"Ik spreek de waarheid heer. Abé vond ik op de weg met 'n wond in -z'n hoofd. 'n Gauwdief had hem met 'n stok geslagen en z'n paard -geroofd. Toen heb ik de arme jongen mee genomen naar mijn huisje en -daar is hij gebleven tot hij beter was. Toen kon ik hem niet meer -houden. Hij wilde met alle geweld naar z'n pleegvader toe." - -"Die pleegvader ben ik," zei Karibo. "Ik begrijp het al," ging hij -voort tot Pirlapan. "Toen ik met die Pomfrieters hier in de buurt -voorbij reed, was hij hier. Maar vertel me eens vrouwtje, hoe komt -'t dat ie z'n eigen kleeren niet aangehouden heeft?" - -"Och heer, de arme jongen had geen cent ... en nu dacht ik dat ie -in minder voorname kleeren misschien makkelijker Pomfriet zou kunnen -bereiken ... Hij heeft kleeren aan van mijn kleinzoon." - -"'t Is wat moois," bromde Pirlapan, "de keizer van Huk in 'n -boerenpakje als 'n bedelaar op weg naar zijn eigen hoofdstad zonder -'n cent ..." - -Moeder Guldratsj zette groote oogen op, toen ze dat hoorde. Abé keizer -van Huk! Hoe kon dat nou ... - -"Keizer van Huk!" prevelde ze. "En wist ie dat dan zelf niet?" - -"Nee ... ja ..." zei Karibo ... "Hoe bedoel je dat eigenlijk?" - -"Wel," zei moeder Guldratsj, "toen ik hem vertelde, dat er 'n groote -stoet onderweg was om de nieuwe keizer van Huk te gaan halen, ... prins -Alpa ... Alpi ... ik kan die naam maar niet onthouden." - -"Prins Alphabet, moeder," zei Karibo. - -"Precies ... nou toen zei de jongen heelemaal niet, dat hij dat was." - -"Dat kon ie ook niet, want hij weet niet, dat ze hem hier prins -Alphabet noemen." - -Moeder Guldratsj begreep er niet veel van--en Pirlapan zei alleen maar: - -"Zoo, weet ie dat niet! Hoe lang is de prins al hier van daan?" - -"Twee dagen geleden heer ..." - -"Wat denk je Pirlapan," zei Karibo, "zouden we maar niet dadelijk -opbreken? We hoeven nu maar langs de groote weg naar Pomfriet te -zoeken. En wij moeten hem inhalen ... Wij zijn te paard en hij te -voet ... Moedertje hoe zien die kleeren er uit die hij aanheeft?" - -"Bruin, heer. Zooals de boeren hier veel dragen." - -"Laten dan je mannen maar opstijgen Pirlapan," zei Karibo. "Ik hoop -dat we hem vandaag nog vinden." - -"Ik ook," zei Pirlapan. - -Hij gaf bevel te paard te stijgen aan de soldaten, maar voor ze weg -reden, sprak hij zacht 'n paar woorden met 'n paar van z'n eigen -mannen. Die twee reden niet mee. - -"Wat doe je Pirlapan?" vroeg Karibo, toen hij dat zag. - -"Och," antwoordde die. "'t Is mogelijk dat die oude heks alles -gelogen heeft. Ze kon best diefjesmaat zijn met die kerel die hem -z'n paard ontstal... Nou laat ik haar maar zoolang opbergen in mijn -kasteel. Vinden we prins Alphabet niet ... dan heb ik tenminste háár -in m'n vingers en dan zal ze 'n beetje beter de waarheid moeten zeggen -of ik heet niet Pirlapan." - -Hij zei dat allemaal grimmig en Karibo begreep, dat tegenspreken niet -veel zou helpen. Hij geloofde 't verhaal van 't oude vrouwtje wel, -maar ... 't zou toch kunnen zijn dat Pirlapan gelijk had. - -Snel reden ze. En iedereen, die ze tegen kwamen werd scherp -ondervraagd. Maar zonder resultaat. De een had niets gezien en 'n -ander twee boerenjongens tegelijk, 'n derde had er een op 't land -zien werken en 'n vierde was er een op 'n paard tegengekomen. Maar als -Karibo dan vroeg of degene die ze gezien hadden lang zwart haar had, -schudden ze 't hoofd. 'n Jongen met lang zwart haar waren ze geen -van allen tegen gekomen. - -En dan zei Pirlapan nijdig: "Dat dacht ik wel." - -Moeder Guldratsj had d'r huisje gesloten. Karibo had de kleeren van Abé -meegenomen en nu had moeder Guldratsj niets meer van hem. Dat speet -haar erg, want ze was heel veel van Abé gaan houden. Dat die jongen -'n prins was en keizer van Huk deed daar niets aan af. Ze hoopte nu -maar, dat z'n pleegvader hem spoedig mocht aantreffen en óók hoopte -ze er op, dat Abé als hij dan toch keizer van Huk moest zijn, haar -niet heelemaal zou vergeten. Hij had haar beloofd terug te zullen -komen. Zou hij dat wel kunnen als hij keizer was? Natuurlijk wel, dacht -moeder Guldratsj, 'n keizer kan alles. Maar hij zou er misschien geen -tijd voor hebben. Wat zou me dat 'n eer zijn als er eens 'n keizer -in haar huisje kwam ... en dan nog wel een, die zij van de weg had -opgeraapt, die zij verbonden had, die in haar bed had geslapen en die -'n groot brood, 'n groot zwaar zwart brood van haar had meegenomen in -'n blauwe katoenen zak ... en die, dat was 't aardigste van alles, de -kleeren van haar kleinzoon droeg, net of zijzelf z'n grootmoeder was! - -Dit alles ging haar door 't hoofd ... maar ze werd gestoord in -die vreemdsoortige gedachten, doordat er weer op haar deur geklopt -werd. Toen ze opendeed, zag ze weer twee van die snorrebaarden te -paard. Wat zouden die nu weer moeten. Zeker nog wat vergeten. Ze -keek gauw rond of er ook wat van prins Alpa... hoe heette die nou -toch ook weer?--was blijven liggen. Maar ze hoefde niet lang te kijken. - -"Moedertje," zei de ruiter niet onvriendelijk, "je moet 'n eindje met -me meerijden. M'n kameraad zal je wel eventjes optillen. Je weegt -toch haast niks. Je mag voor me op 't zadel zitten. Dan kan ik je -goed vasthouden!" - -"Wat??" riep moeder Guldratsj en toen bleef de bijna tandelooze mond -wijd open staan. - -"Sluit maar gauw je deur," zei de ander, die al van z'n paard af -was. "Je mag 'n poosje op Pirlapan logeeren. Deftig hè?" - -"Op Pirlapan!! Nee hoor ... ik ga niet mee ... voor geen goud." - -"Tja--je zal 't voor niks moeten doen," lachte de man. "Baron van -Pirlapan heeft het bevolen ... en dan hebben jij en ik niks in te -brengen hè? Wat de heeren wijzen, moeten wij prijzen." - -"Maar waarom ..." - -"Dat weet ik ook niet. Kom oudje ... maak nou wat voort. 't Moet -toch gebeuren." - -Bevend haalde moeder Guldratsj de sleutel voor de dag en de soldaat -hielp haar goedhartig de deur sluiten. Ze kon 't zelf niet. Dikke -tranen liepen over d'r gerimpelde wangen. Ze kon 't sleutelgat niet -eens meer zien door al die waterlanders. Had ze dat nou aan die goeie -jongen verdiend? - -De soldaat tilde 't huilende vrouwtje gewoon op, net of 't een klein -kind was. "Hup," zei hij, en z'n kameraad had haar al in z'n armen. - -"Zie zoo," zei die, "nou zit je net zoo veilig als op je stoel, -moedertje. Als ik van m'n paard val, val jij ook. Maar dat zou de -eerste keer van m'n leven zijn." - -En weg reden ze naar Pirlapan. - - - - - - - - -VIJFDE HOOFDSTUK. - - Waarin Abé met roovers in aanraking komt en zich fijn in 't - pak steekt. - - -Abé ondervond voor de derde maal dat er nog goede menschen in Huk -waren. De boerenmenschen waar hij aanklopte, ontvingen hem met open -armen. Hij zat mee aan tafel en at van het eenvoudige voedsel en toen -de maaltijd was afgeloopen, wees de vrouw hem 'n slaapplaats in de -stal. Ze had niet anders. Maar ook dat slaapplaatsje in 't hooi was -Abé meer dan welkom. Hij was nu tenminste weer onder dak. - -De volgenden morgen moest ie vroeg opstaan. Hij kon dan 'n heel eind -meerijden, want de boer moest met 'n stuk of wat paarden naar de -markt in 'n stad in de buurt. Voor dag en dauw ging de boer al met -'n paar knechts op 't pad. En Abé had er niets op tegen zoo heel in -de vroegte weer op reis te gaan. Hoe gauwer in Pomfriet hoe beter. - -De boerenmenschen had ie maar niet eens verteld, dat ie zelf 'n paard -bezeten had. Waarschijnlijk hadden ze 't toch niet kunnen gelooven, -dacht ie, dat zoo'n eenvoudige arme jongen in zoo'n ouderwetsch -boerenpakje, te paard met geld in de tasch en goed gekleed uit Cobalt -was vertrokken. Ze hadden hem misschien dan wel voor 'n bedrieger -aangezien. Hij zei dus alleen maar dat ie op weg was om z'n pleegvader -op te zoeken en dat ie hoopte hem onderweg tegen te komen. Natuurlijk -hadden die menschen de mond vol van de heeren uit Pomfriet en de -lijfwacht, die de nieuwe keizer van Huk gingen afhalen. Hij hoorde hier -ook weer spreken over die prins Alphabet, waar hij nooit van gehoord -had en 't kwam maar heelemaal niet in hem op dat ie 't zelf was. - -De boerin had hem gevraagd waarom hij z'n haar zoo lang droeg, en -Abé had snel bedacht haar wijs te maken dat 't zoo 't gebruik was -in 't vreemde land waar hij met z'n pleegvader vandaan kwam. Maar -de boer maakte dat antwoord onnoodig door lachend te zeggen, -dat 't waarschijnlijk kwam omdat Abé geen geld had om 't te laten -knippen. Daarom lachten ze allemaal en Abé lachte maar mee. De boer had -met 'n grapje er onwetend voor gezorgd, dat Abé geen noodleugentje -hoefde te vertellen, en dat vond hij heel prettig, want ook aan -leugentjes om bestwil had ie 't land. - -De volgenden morgen werd ie nog vóór 't licht was gewekt. Er werd goed -gegeten en toen stegen ze te paard. Abé zat op een van de dieren, die -verkocht moesten worden en de knechts hadden nu juist niet de makste -voor hem uitgezocht. Ze wilden eer ze heengingen, nog 'n pretje met -hem hebben en meenden dat ie wel gauw zandruiter zou zijn. De boer -stond er lachend bij. Die hield ook wel van zoo'n aardigheidje. Doch -toen Abé op de gladde rug van 't paard zat, riep de boer al heel gauw: -"Zeg eens baasje, jij hebt meer op 'n paard gezeten hoor!" en toen -tot z'n knechts: "Dat valt jullie niet mee jongens." - -Abé zag bij 't licht van de lantaarns, dat de boer en z'n twee knechts -allemaal gewapend waren en hij vroeg waarom ze dat deden. - -"Wel," zei de boer, "zóó veilig is 't nou tegenwoordig bij de weg -niet. D'r zijn lui genoeg, die je wel van je paarden willen afhelpen, -zonder er voor te betalen." - -Nu speet 't Abé, dat ie z'n zwaard bij moeder Guldratsj had achter -gelaten. Hij bezat niets anders dan 'n kort mes, goed om er boterhammen -mee te snijden, maar minder geschikt om er z'n gastheer mee bij te -springen, als er eens wat gebeurde. - -"Wees maar voorzichtig hoor," riep de vrouw hen nog achterna toen -ze wegreden. - -De knechts hadden de vier paarden, die naar de markt moesten achter -elkaar gebonden, kop aan staart, en Abé zat op 't laatste. De boer -reed naast hem. De twee knechts reden vooraan. Een van hen had 't -voorste der vier paarden aan de halster. Zoolang ze op de open weg -waren, praatte de boer onbezorgd met Abé, doch toen ze na 'n uurtje -'n bosch bereikten waar ze langs moesten, werd de boer stil en keek -voortdurend scherp om zich heen. - -"Oppassen jongens," riep hij af en toe, en tot Abé zei hij: "In dat -bosch is 't niet pluis tegenwoordig." - -"Roovers?" vroeg Abé. - -"Gespuis," zei de boer, "paardendieven van de bovenste plank. Ze -stelen als raven." - -"Ze zullen je toch niet aanvallen, als ze zien, dat je goed gewapend -ben hè?" - -"Daar geven ze niemendal om, want ze hebben zelf ook wapens en bang -zijn ze niet." - -"Maar zijn er dan geen veldwachters in Huk, geen gendarmen, geen -soldaten? Die moesten toch zorgen, dat die kerels gevangen genomen -werden? - -"Dat moesten ze ook. Doch 't is tegenwoordig zoo'n rare boel in Huk. De -keizer moest zich er mee bemoeien, zooals vroeger keizer Napo deed. In -die tijd waren er geen roovers. Maar nu heeft de keizer 't te druk -met z'n eigen ... en nou halen ze al weer 'n andere. Dan hebben we -d'r twee en dan gaat 't nog slechter ... Ho, daar heb je 't al." - -Vier kerels sprongen uit 't kreupelhout te voorschijn en een er van -greep 't paard waarop de boer reed bij de teugel. De boer verdedigde -zich dapper, maar Abé zag al heel gauw, dat ie niet vechten kon. Hij -gebruikte z'n zwaard zoo onhandig als 't maar kon. En dan helpt 't -beste wapen en de stevigste vuist nog maar weinig als je tegenpartij -de wapens wèl hanteeren kan. En dat konden die gauwdieven maar al -te goed. Abé zag dat de boer 't verliezen moest. Als nu z'n twee -knechts maar dappere kerels geweest waren, zouden 't misschien met -hun drieën nog wel klaar gespeeld hebben, doch die lafaards gingen al -heel gauw op de vlucht. 't Leek Abé eigenlijk of die knechts maar zoo -wat voor de aardigheid 'n poosje met de twee overige roovers hadden -geschermutseld eer ze er van door gingen en 't kwam in hem op dat die -knechts 't misschien wel eens waren met de roovers. Toen de knechts -op hun paarden wegholden, riep de boer hen nog wel toe hem te helpen, -maar ze deden of ze hem niet hoorden. En nu moest ie 't zelf ook gauw -opgeven. Hij werd van z'n paard gesleurd en Abé moest 't aanzien, -dat ze den man aan 'n boom bonden en hem al z'n geld en z'n meeste -kleeren ontnamen. Abé kon zelf niets doen. Had ie maar niet op 't -laatste paard gezeten doch op 't eerste, dan zou hij misschien met -alle vier paarden hebben kunnen ontsnappen. Dan had hij hulp kunnen -halen. Maar nu ging dat niet. Zijn paard was met de halster aan de -staart van nummer drie vastgebonden en hij kon er dus niemendal mee -uitvoeren. 't Eenige wat ie doen kon, was zich van 't paard laten -glijden en er alleen van door gaan. Dan kon hij zich ergens verbergen -en was dan later misschien in staat de boer hulp te verleenen als de -roovers met de paarden weg waren. Doch nauwelijks was hij begonnen -dat plan uit te voeren of de roovers hadden hem ook te pakken. - -"Hé, wat wou jij beginnen mannetje," zei er een. "Hier blijven hoor." - -"Bind 'm maar zoolang aan de staart van 'n paard vast," zei 'n ander. - -Die leek wel de bevelvoerder, want hij werd gehoorzaamd en Abé moest -nu wel blijven. Hij dacht, dat de roovers als ze klaar waren, hem wel -weer los zouden maken. Dan kon hij de boer tòch nog helpen. De roovers -spraken zacht wat met elkaar toen ze de boer heelemaal uitgeschud -hadden en keken daarbij lachend naar Abé. Daarna kwam er een op hem -af, maakte 't touw waarmee hij aan de staart van 't paard gebonden -was los en zei kortaf, terwijl hij Abé van de grond tilde en weer op -'t paard zette: "Jij mag met ons mee." - -Daarop had Abé heelemaal niet gerekend. Hij begreep, dat er van 'n -tocht naar Pomfriet al heel weinig terecht zou komen, als die kerels -hem meenamen 't bosch in. Hij was van plan zoo gauw mogelijk op de -vlucht te gaan, dat stond vast, maar hoe zou hij dan de weg moeten -vinden? Hij schikte zich zwijgend in z'n lot. Verzet zou de zaak voor -hem nog erger gemaakt hebben. - -En zoo reed Abé 'n oogenblik later in gezelschap van vier roovers -'t bosch in, die de boer aan de boom gebonden achter lieten. - -Dat ritje door 't bosch duurde erg lang. 't Was al middag toen ze in -'n woeste streek halt maakten. Onder hooge zware boomen, die wel 'n -eeuw oud moesten zijn, stond 'n houten huis. 't Zag er bouwvallig -uit. Misschien was 't wel net zoo oud als de boomen rondom. Hier -schenen de roovers te wonen. Ze sprongen van de paarden en Abé moest -die in een soort stal brengen. - -"Je zorgt er goed voor jongen," zei er een tegen hem, "en probeer maar -niet weg te loopen, dat helpt je toch niet. Eer je 'n half uur ver -ben hebben de wolven je te pakken. Als je klaar ben met de beesten -mag je binnen komen. Dan kan je mee eten." - -Abé deed maar wat van hem verlangd werd. Hij verzorgde de paarden, -zoo goed 't ging. Hij gaf hen haver. Er was genoeg en hij haalde in -'n houten emmer water aan de bron. Hij deed er nog al lang over. 't -Werk was hem vreemd. Zoo nu en dan kwam er 'n roover kijken wat ie -uitvoerde. Doch ze zeiden niemendal. Hij deed 't werk zeker nogal -naar hun zin. - -Abé was eindelijk klaar en nu moest hij naar binnen. Daar had ie -niet heel veel zin in. Met roovers aan tafel zitten leek hem niet erg -aangenaam. Maar hij had honger en dus was hij toch ook wel 'n beetje -nieuwsgierig. Hij ging dus maar. - -Toen hij de deur opende keken de roovers alle vier tegelijk naar hem. - -"Kom hier zitten," zei er een "en eet maar zooveel als je lust. Je -zal wel honger hebben." - -Zwijgend ging Abé zitten en begon te eten. - -"Was dat je vader?" vroeg dezelfde roover weer. - -"Neen," zei Abé. - -"Je baas dan?" - -"Ook niet." - -"Ook niet? Wat was ie dan van je?" - -"Niemendal." - -"Hoe heet je?" - -"Abé." - -"Wat dee je bij die boer?" - -"'n Eindje meerijden." - -"Waar moet je dan heen?" - -"Naar Pomfriet." - -"Om wat te doen?" - -"M'n pleegvader opzoeken." - -"Hoe heet die?" - -"Karibo." - -"Wat doet ie voor de kost?" - -"Niemendal." - -"Hè? ... Da's 'n klein beetje ... Je ziet er niet naar uit om 'n -rijke pleegvader te hebben, jongen ... en dus geloof ik er geen -steek van. Maar 't komt er ook niet op aan. Ik ben van plan je bij -me te houden. We hebben iemand noodig om op de paarden te passen. En -probeer maar niet te ontvluchten, want zooals ik je reeds gezegd heb, -dan ben je voor de wolven ... of als wij je een van allen snappen, -voor ons ... wat misschien nog erger voor je zou zijn. Voor de rest -kan je 't goed bij ons hebben, want we houden zelf ook van 'n goed -leven. Als je je best maar doet." - -Abé vond 't jammer dat die roover hem niet gelooven wou. Die roovers -wilden misschien Karibo wel voor hem opzoeken, als er wat aan te -verdienen was. Ze konden losgeld voor hem vragen en Karibo zou dat -zeker wel betaald hebben. Doch wat hielp 't als ze hem toch niet -geloofden? - -Hij zweeg dus maar en wilde z'n tijd afwachten. Vluchten deed ie -toch. En al zou 't tien jaar duren, Karibo moest ie terug vinden, -al zou ie 't heele land door naar hem moeten zoeken. Geduld dus. - -De roovers gingen nu iederen dag te paard uit, maar één bleef er -steeds thuis. Die paste op 't paard dat rustdag had en op Abé. Zelf -nam hij ook rust en Abé mocht 't werk doen. Zoo had de jongen iedere -dag 'n andere roover en 'n ander paard bij zich en van ontvluchten -was geen sprake. Dat duurde zoo 'n week en Abé werd er hoe langer hoe -verdrietiger onder. Hij wist wel dat 't met iedere dag moeielijker zou -worden om Karibo terug te vinden. Die zou nu al wel weer in Cobalt -aangekomen zijn en waarschijnlijk wel gaan denken, dat Abé bij de -brand was omgekomen. Waar Karibo dan misschien heen ging kon niemand -weten en dan werd 't bijna onmogelijk hem nog ooit terug te vinden -... Als hij weg kon komen met 'n paard ... dan had ie misschien nog -'n kans als hij zoo snel mogelijk naar Cobalt terug reed. Wellicht -vond hij er Karibo nog. Hij moest 't toch maar eens wagen. 't Ergste -dat hem overkomen kon, was, door de roovers gesnapt te worden tijdens -z'n vlucht, want dan zouden ze wel korte metten met hem maken. Doch -wat hinderde dat? 't Was nog beter dan voor rooversknechtje te spelen. - -Op 'n avond kwamen de roovers thuis met belangrijk nieuws. Ze vertelden -'t dadelijk aan hun thuisgebleven kameraad. Er was 'n prijs van duizend -goudstukken uitgeloofd voor degene die prins Alphabet terug vond! De -roovers hadden wel zin ook 'n poging te doen, die duizend goudstukken -machtig te worden en na veel heen en weer gepraat besloten ze er alle -vijf op uit te trekken. - -"Maar hoe vinden we hem?" vroeg de thuisgebleven roover. "Weten jullie -hoe ie er uitziet?" - -"Nee," zei er een, "dat konden ze ons niet vertellen. Maar daar kunnen -we wel achter komen." "Overal gaan er troepen menschen op uit om hem te -vinden." "Geen wonder," zei de eerste weer. "Duizend goudstukken hè?" - -"'t Is geen kleinigheid" zei 'n tweede. "Als we deelen hebben we er -tweehonderd de man." - -"Jij praat er over of we 'm al hebben." - -En toen lachten ze allemaal. - -"'t Is te probeeren," zei de hoofdman. "We kunnen toch onderweg nog -wel wat anders er bij doen hè?" - -Dat vonden de overigen ook. Je kon wel tegelijkertijd op 'n eerlijke -manier duizend goudstukken zien te verdienen door naar 'n vermiste -prins te zoeken en tevens je roovershandwerk uitoefenen. Dat was geen -bezwaar. Ze zouden er dan de volgende morgen vroeg maar op uittrekken -alle vijf en de boel maar zoo lang sluiten. - -"Mag ik ook mee?" vroeg Abé. - -"Jij?" zei de hoofdman, "'k Had heelemaal niet aan jou gedacht ... Nee -... we kunnen jou er niet bij gebruiken. Je moet maar heengaan. Ik -laat je vrij. We hebben je nou niet meer noodig." - -"Heel best," zei Abé, "maar 'k weet de weg in 't bosch niet." - -"Die moet je maar zoeken. Welke kant je ook uitgaat, je komt er altijd -eenmaal uit ... als de wolven je tenminste niet opeten ... En 't zal -jou wel 't zelfde zijn aan welke kant je er uitkomt denk ik." - -"Dat is me niet hetzelfde. Ik wou graag op de weg naar Pomfriet -uitkomen. En dan had ik graag een of ander wapen om me te verdedigen -als 't noodig is." - -"Met die gekheid kunnen we ons niet ophouen hoor. Je rukt zoo maar -uit. Allo ... naar de stal ... en verzorg de paarden. Maar doe 't -goed. 't Is de laatste maal dat je 't doen mag." - -Abé ging. Doch onder z'n werk stond ie menigmaal in gedachten. Wat -was dat vreemd, dat die prins Alphabet nou zoek was. Moeder Guldratsj -en de boerenfamilie hadden het immers ook over die prins Alphabet -gehad, doch die hadden 't enkel maar over 't afhalen ergens uit een -of andere stad van 'n prins die zat te wachten tot ie gehaald werd en -niet over 't opzoeken van een die zoek was. Dus nu zwierven er twee -keizerlijke prinsen in Huk rond? Of maar een? Was hijzelf misschien -prins Alphabet? Abecé dat was 't alphabet--maar waarom zochten ze -niet naar prins Abecé--als hij 't dan wèl was--en waarom noemden -ze hem dan zoo en waarom wist hij niet dat ze hem zoo noemden? Dàt -had Karibo hem dan toch wel eens mogen vertellen. Doch niemand had -er ooit over gesproken, z'n vader niet, z'n moeder niet en Karibo -evenmin. Dat was dus niet zoo. Er moest wel degelijk nog 'n andere -prins zijn, naar wie ze zochten. - -En toen ging Abé maar weer aan z'n werk en eindelijk kroop hij in -'t hooi om te slapen. Doch de slaap kwam die avond niet gauw. Hij -dacht aanhoudend aan die onbekende prins Alphabet en óók over de -wijze waarop hij 't bosch uit moest komen. - -De volgende morgen moest ie weer voor de paarden zorgen. Deze keer -voor alle vijf, en toen ie daarmee klaar was stopte een van de -roovers hem 'n stuk brood in de hand met de boodschap er bij, dat ie -kon inrukken. Als ie maar al rechtuit liep, was ie binnen twee uur -'t bosch uit en op de weg naar Pomfriet. - -Abé ging zwijgend heen. Hij groette geen mensch en de roovers keken -niet eens meer naar hem om. Hij had evengoed 'n bruine kikker kunnen -zijn, zooals er wel in 't bosch leefden. Daar letten de roovers ook -niet op. - -Ze reden weg om de duizend goudstukken te gaan verdienen, die ze -wel nooit zouden te pakken krijgen, want ze reden net de verkeerde -kant uit. - -Abé luisterde naar 't geluid van de wegdravende paarden. Hij stond -stil en wachtte. 't Klonk al zachter en zachter ... en eindelijk -hoorde hij niets meer. Toen keerde Abé weer terug naar 't roovershuis. - -Hij ging nu zelf ook eens roovertje spelen, want hij was van plan -in te breken in 't roovershuis om zich van wapens te voorzien en -van andere kleeren en van geld als hij 't vinden kon. Dat reizen -als 'n boerenjongen beviel hem heelemaal niet en zonder wapens 't -bosch door trekken leek hem ook niet plezierig. Maar bovendien had -hij ondervonden, dat gewapend zijn hoog noodig was in Huk. Als hij -'n zwaard gehad had, zou die vriendelijke boer niet zoo ongelukkig -te pas zijn gekomen, meende hij. Wellicht was de strijd dan anders -uitgevallen. - -De roovers hadden hun huis sekuur genoeg gesloten. Daar was geen -inbreken aan. Maar Abé had 't heele gebouw goed bestudeerd en hij -wist dat er aan de stal 'n plank los zat, die hij zelf nog 'n beetje -losser gemaakt had. Daar hadden de roovers geen erg in gehad. En -nu was 't een klein kunstje voor hem om door de stal naar binnen te -komen en op z'n gemak de heele boel te doorsnuffelen. - -Hij vond al heel gauw iets waar ie zich mee verdedigen kon. 'n Mooi -kort zwaard en 'n prachtige dolk. Gestolen goedje natuurlijk, maar -dat kon Abé nu niet schelen. Hij nam 't maar omdat ie niet anders -kon. Met de kleeren had ie meer moeite en hij moest zelfs met 'n -hamer en 'n breekijzer aan de gang om op de zolder kisten open te -breken, waarvan hij dacht, dat ze misschien iets konden bevatten, -dat voor hem bruikbaar was. Hij vond genoeg, maar er was weinig bij -dat hem paste. En prachtige kleeren waren er, juist geschikt voor 'n -prins. Hij zocht maar weer verder, er zou onder die hoop goed toch -wel iets zijn dat hij gebruiken kon. Na lang zoeken en passen, had -hij toch iets gevonden. 't Zat hem wat ruim, maar 't ging toch. Of de -stukken bij elkaar hoorden kon hem minder schelen. Hij leek toen hij ze -aanhad niets meer op 'n boer of 'n landlooper. Dat was 't voornaamste. - -Nu nog wat geld! Dat moesten die roovers toch óók genoeg hebben, -dacht ie. Maar dat viel tegen. Ze hadden 't zeker ergens verstopt. Hij -doorzocht alles, doch de buit was erg matig. 'n Paar zilverstukken -vond ie in 'n tasch die aan de muur hing. Dat was niet genoeg om er -'n paard voor te koopen en dàt was ie van plan. Nog maar eens van -voor af aan zoeken. Hij had de tijd. - -'t Gaf niemendal. Er was geen geld in 't roovershuis. - -"Waar niets is verliest de keizer z'n recht," dacht Abé. "Dan ga -ik maar weer zonder geld op reis. Ik zie er tenminste weer knap -uit en ik kan van me afslaan. Had ik nu maar 'n paard. En dan zou -'t 'n knappe kerel zijn die 't weer onder me vandaan kreeg, zooals -'t met m'n goeie schimmel gebeurd is." - -"Weet je wat ik doen kon?" dacht Abé. "Ik neem zoo'n paar van die -schaaltjes mee, die in die kist zijn. Misschien is 't goud en dan -kan ik er me toch 'n paard voor koopen. Ik heb nu 'n overkleed met -wijde zakken. Daar kunnen ze gemakkelijk in." - -Zoo toegerust verliet hij 't roovershuis en stapte met 'n blij hart -'t bosch in. Hij nam niet de richting die een der roovers hem 's -morgens gewezen had. Dat vertrouwde hij niet. Maar hij ging de kant -op waarheen de roovers gereden waren. Dat was, herinnerde hij zich, -ook de weg waarlangs zij hem naar 't roovershuis gevoerd hadden. - -'t Was 'n heerlijke wandeling en hij merkte al gauw dat ie zich voor -wolven niet bevreesd behoefde te maken. Ze waren er niet. En hij kwam -al heel spoedig op 'n tamelijk breede boschweg. Doch nu wist ie niet -meer of hij links of rechts moest. Dat was lastig. Maar Karibo had -hem geleerd, dat ie in zoo'n geval altijd maar z'n eerste inval moest -volgen en z'n eerste gedachte was geweest: rechts! Dus rechts. 't Was -'n heele goede inval geweest: na 'n goed uur was ie 't bosch uit en -op 'n landweg. Maar de groote weg naar Pomfriet was 't niet. Die was -breeder dacht ie. Dan maar weer de inval volgen, die hij kreeg toen ie -'t bosch uitkwam! Ja kon ie dat maar. Doch hij had geweifeld. Links -of rechts? En nu moest ie dus zelf kiezen. Hij koos maar weer rechts -en dat was glad verkeerd, want nog geen kwartier verder aan z'n linker -kant liep de groote weg naar Pomfriet. Hij liep wel 'n uur langs deze -eenzame weg voort zonder iemand te ontmoeten. Dat viel hem tegen, want -hij zou graag geweten hebben waar hij was en waarheen deze weg hem -bracht. Er schenen daar in de buurt ook niet veel menschen te wonen, -want nergens zag hij 'n huis. 't Land was heuvelachtig en dus stonden -er misschien toch wel huizen achter zoo'n heuvelrug, maar dan kon je -ze niet zien van de weg af. Als 't tegen de avond geweest was, had -hij misschien wel eens zoo'n heuvel beklommen om te zien of er geen -woning achter stond, doch nu had hij er niet veel zin in. Hij ging -maar liever 'n beetje uitrusten in 't gras, dan kon hij er tegelijk -eens over nadenken, wat ie nu eigenlijk verder beginnen zou. Hij -had daar net 'n mooi plekje voor en veilig was 't daar ook. Vlak bij -waren struiken. Daar kon hij zich in verstoppen, als per ongeluk de -roovers er eens mochten aankomen. Hij dacht wel van niet want die -zouden toch niet op zoo'n eenzame landweg naar die prins aan 't zoeken -zijn. Doch je kon 't nooit weten. En als ze hem vonden, zou er wat -voor hem opzitten, want al plunder je andere menschen, dan vindt je -'t toch nog niet goed als je zelf ook eens geplunderd wordt. En Abé -had de roovers leelijk geplunderd. Nu hij z'n kleeren eens goed bekeek -leken ze hem nog al kostbaar toe, vol gouden versierselen. Misschien -was z'n overkleed alleen wel genoeg waard om er 'n paard voor in te -ruilen. Dat hoopte hij maar, want 'n paard had ie vooral noodig. - -De vijf roovers waren op het oogenblik toen Abé aan hen dacht juist -aan de andere kant van het bosch. Daar stond 'n herberg, waar ze heen -gereden waren om iets naders omtrent de verloren prins te vernemen. Ze -moesten toch weten hoe hij er zoowat uitzag. De herbergier en de -roovers waren altijd goede maatjes. Ze kenden elkaar allang. Ook nu -ontving hij z'n gasten heel vriendelijk en toen ze al heel gauw over -prins Alphabet begonnen kon de herbergier hen genoeg vertellen. Hij -wist er precies alles van. Doch toen de herbergier meegedeeld had, -wat ie wist, keken de vijf roovers elkaar aan of ze van lotje getikt -waren. Dit hadden ze vierentwintig uur vroeger moeten weten! Want 't -werd hen opeens duidelijk, dat die prins ... 'n jongen met lang zwart -haar, als 'n boer gekleed ... en die ze prins Alphabet noemden, maar -die eigenlijk prins Abecé heette, wel eens dezelfde jongen kon zijn, -die bij hen de paarden had moeten verzorgen en die ze die morgen alleen -'t bosch ingezonden hadden. - -"Hij heette Abé," zei er een, "dat kan best 'n afkorting van Abecé -geweest zijn." - -"Daar heb je gelijk aan," zei de hoofdman, "en die jongen leek me -ook geen boertje... Maar als ie die prins Alphabet was ... dan zou ie -'t wel gezegd hebben dunkt me. Ja ... 'n prins zal zich maar zoo door -roovers als wij in de stal laten gebruiken! En dan, die jongen had geen -cent op zak. Hij had als 'n landlooper bij die boer overnacht... Ik -geloof er geen steek van!" - -"Maar ik geloof 't zeker" ... kwam 'n tweede. "En ik geloof dat we -verstandig deden als we hem weer gingen opzoeken. Ik heb hem vanmorgen -de weg gewezen... Als ie die gevolgd heeft en dat zal ie dunkt me -wel, dan weet ik precies waar hij op 't oogenblik is. Laten we er -gauw heenrijden... Is ie 't niet, dan is er nog niets verloren." - -"Je hebt gelijk," zei de hoofdman. "Vooruit dan maar." - - - - - - - - -ZESDE HOOFDSTUK. - - Waarin hevig naar prins Alphabet gezocht wordt en alvast z'n - witte paard teruggevonden wordt. - - -Karibo, de Pirlapans en de heele lijfwacht doorzochten alle huizen -langs de weg naar Pomfriet en vonden niets. Niemand wist iets van -'n jongen in 'n boerenkleeding en met lang haar. Totdat ze in 't dorp -kwamen waar Abé overnacht had. Daar vonden ze 'n huilende boerenvrouw -en 't heele dorp in rep en roer. Karibo vernam, dat de boer wiens -vrouw zoo bedroefd was, de vorige dag met z'n twee knechts naar de -paardemarkt gereden was, 's morgens voor dag en dauw en dat ze geen -van drieën terug gekeerd waren. Nu was er 'n heele troep dorpelingen -op uit om die drie weer op te sporen. Er was ook 'n jongen bij geweest, -'n landlooper, maar daar maalden ze geen van allen om. - -"Hoe zag die jongen er uit?" vroeg Karibo aan de vrouw. "Had ie lang -zwart haar? - -"Ja, lang zwart haar had ie en hij was verder gekleed als 'n -boerenjongen." - -"Duizend goudstukken voor degeen die die jongen terugbrengt," riep -Karibo en de oude Pirlapan brulde 't nog eens heel hard, zoodat al -die menschen opeens niet meer aan de boer en z'n knechts dachten maar -alleen aan den jongen met lang zwart haar. - -Dat was me nog eens de moeite waard hoor! Duizend goudstukken!! Daar -kon je gerust je werk voor in de steek laten, want 't moest toch -niet zoo moeielijk zijn die jongen terug te vinden. En er waren er 'n -heeleboel die maar dadelijk er op uit trokken, zelfs zonder eerst na te -vragen waar ze die jongen brengen moesten, als ze hem gevonden hadden. - -Karibo en de Pirlapans begonnen nu ook weer hoop te krijgen dat ze -prins Alphabet wel gauw zouden terugvinden. Hij was zes en dertig -uren geleden in dat dorp geweest en kon dus nog niet zoo heel ver -weg zijn. Ze zouden er maar gauw weer op uit gaan, dan haalden ze -hem zeker in. Bovendien hadden de dorpelingen, die de wegen in den -omtrek goed kenden ook nog veel kans om hem te vinden en als die hem -zagen zouden ze hem wel goed stevig vasthouden, want je hield meteen -duizend goudstukken vast. Om die boer en z'n twee knechts gaven -Karibo en Pirlapan geen lor. Die waren zeker na de markt in de stad -gebleven. Die zouden wel weer boven water komen. - -Doch toen de stoet van Karibo en Pirlapan juist vertrekken zou kwamen -de dorpelingen terug die de boer waren gaan zoeken en ze brachten de -boer mee, maar de man was zoo dood als 'n pier. Van de knechts hadden -ze geen spoor ontdekt en van de jongen ook niet. - -De dorpelingen waren zeer ontsteld en de arme vrouw jammerde -verschrikkelijk. Iedereen hield de twee knechts natuurlijk voor -de daders. Karibo en Pirlapan ook. Doch nu begrepen ze heelemaal -niet waar Abé kon gebleven zijn. 't Waarschijnlijkste was, dat ie -toen de knechts hun baas aanvielen, maar zoo gauw mogelijk 'n goed -heenkomen gezocht had. En dan zou hij wel z'n weg naar Pomfriet hebben -voortgezet. Die kant moesten ze dus op. - -Ze reden weg en kwamen voorbij de plek waar de roovers de boer en -z'n knechts hadden overvallen. Ze hadden niemand uit het dorp bij -zich die 't hen wijzen kon en ze reden er voorbij zonder er op te -letten. Anders zouden ze misschien wel gemerkt hebben, dat er aan -de rand van dat bosch wat gebeurd was en dat er paarden 't bosch in -gegaan waren. Dat kon iedereen duidelijk zien die er op lette. En -dan hadden ze Abé gauw genoeg kunnen vinden. Nu klopten ze maar weer -aan alle huizen langs de weg aan en zoo kwam 't ook dat de roovers -van die duizend goudstukken gehoord hadden die als belooning waren -uitgeloofd voor hen die den prins terugbracht. - -Toen Karibo na twee dagen nog niets ontdekt had, verdeelde Pirlapan -z'n troep weer in afdeelingen, want als Abé op de groote weg gebleven -was hadden ze hem al lang ingehaald. Ze zouden dus maar weer overal in -de omtrek gaan naspeuren. Overal reden nu kleine troepen heen onder -aanvoering van 'n Pirlapan en die kwamen telkens menschen tegen die -ook op zoek waren naar de prins en de duizend goudstukken. - -Eén troep en daarbij was de jongste Pirlapan, die zoo op z'n kop gehad -had van Abé, was 't bosch in gereden waar de roovers huisden. Ze wisten -geen weg en daarom waagden ze zich maar niet in 't kreupelhout. Ze -bleven op de paden. Dat vonden ze voldoende, want prins Alphabet zou -wel niet voor z'n plezier in 't kreupelhout gaan wandelen. Daardoor -kwam het dat ze op 'n goede dag op vijf minuten afstand 't roovershuis -voorbij reden, zonder er erg in te krijgen, dat er 'n woning zoo -dichtbij was, waar degeen die ze zochten 't stalwerk voor roovers -moest verrichten. Zoo reden ze dagen lang door 't bosch en naar ze -meenden hadden ze geen hoekje onbezocht gelaten. En ze kwamen terug -bij Karibo en de oude Pirlapan met 't bericht dat prins Alphabet in -'t bosch niet was. Telkens kwam er 'n andere troep terug met dezelfde -boodschap: geen prins Alphabet. Als die jongen in de grond verzonken -was had hij niet onvindbarer kunnen zijn. Karibo werd er hoe langer hoe -wanhopiger onder. Er waren zelfs oogenblikken dat hij de moed heelemaal -opgaf. Doch dan kwam de oude Pirlapan hem moed inspreken. Die zei: -"Wat! We vinden de prins hoor. Dat is geen jongen, die zoo maar wat -overkomt. Daarvoor is hij te flink." - -Maar Karibo geloofde 't niet wat Pirlapan zei. Hij was bang dat Abé -verongelukt was. - -Op 'n morgen ontmoetten ze de Pomfrietsche heeren, die op hun gemak -weer naar Pomfriet reden, iedere dag 'n klein stukje. Die lachten -Karibo en Pirlapan in hun gezicht uit. Ze hielden Karibo nu heelemaal -voor 'n bedrieger en Pirlapan voor 'n ouwe gek, die zich door zoo'n -slimme gelukzoeker wat liet wijs maken. Ze wilden er haast niet eens -naar luisteren toen Karibo hen vertelde, waar de keizerlijke prins -'t laatst was geweest. Ze geloofden er toch niemendal van. - -Pirlapan was woedend op die stadsche heeren, die niet mee wilden -zoeken naar hun prins. "Als ie later keizer is kruipen ze allemaal -om hem heen," bromde hij. "Maar wat voor hem opofferen, ho maar." - -"Och," zei Karibo, "je moet 't hen maar niet kwalijk nemen. Ze gelooven -'t immers niet?" - -"Had hen dan die kleeren laten zien," mopperde Pirlapan. - -"Dan hadden ze 't nòg niet geloofd," antwoordde Karibo. "Bovendien aan -zulke lui heb je toch niemendal. Die loopen je overal maar in de weg." - -"Daar heb je gelijk aan Karibo. Maar wat zullen we nu doen? Waar -zullen we zoeken?" - -"Ik weet 't niet Pirlapan...," zei Karibo moedeloos. "Ik weet niets -meer. Als er geen wonder gebeurt krijgen we onze prins nooit terug." - -Pirlapan gaf de moed niet op. Al moet ik tien jaar zoeken door heel -het land Huk dan doe ik 't, maar terugvinden zal ik de prins, zei -hij. Er zal weer 'n keizer over Huk regeeren, die er recht op heeft -of ik heet geen Pirlapan. - -Dat was heel pleizierig te hooren voor Karibo, maar 't hielp zoo -weinig. 't Is lastig om 'n speld in 'n hooiberg op te zoeken, maar -'n prins terugvinden die geen mensch kende, scheen nog moeilijker. - -Er werd zoo langzamerhand door iedereen naar Abé gezocht, want de -menschen vertelden 't aan elkaar, dat er duizend goudstukken als -belooning waren uitgeloofd voor 't terugbrengen van den verloren -prins en daarom gingen er steeds meer op uit. Sommigen gingen op hun -eentje. Die wilden de duizend goudstukken alleen verdienen. Maar -anderen meenden dat ze gemakkelijker hun doel konden bereiken als -ze met elkaar gingen. Dan moesten ze wel deelen, doch de winst zou -nog groot genoeg zijn. En door deze prinsenzoekers werden allerlei -jongens opgepakt. Telkens kwamen ze met zoo'n jongen, die naar zij -meenden, beantwoordde aan de beschrijving, die ze er van gehoord -hadden, bij Karibo en Pirlapan aan. Iedere jongen die donker haar had -en in de laatste tijd niet geknipt was stond er aan bloot opgepakt -te worden en al schreeuwde hij nog zoo hard dat ie geen prins was, -'t hielp gewoonlijk geen steek. Mee moest ie. - -Alleen de roovers pakten geen jongens op. Die wisten wel wie ze hebben -moesten. En ze zochten ijverig de heele omtrek af, 't bosch hadden -ze al doorsnuffeld van noord naar zuid en van oost naar west. Daar -was ie niet. Maar de roovers wisten nog meer, wat ze ook zorgvuldig -voor zich hielden. Ze waren thuis geweest en toen hadden ze al gauw -gemerkt, wat Abé uitgevoerd had. Op zolder vonden ze z'n armelijke -plunje en toen ze in hun kisten keken, want ze begrepen wel wat die -jongen gedaan had, misten ze kostbare kleedingstukken, die ze eenige -tijd geleden gestolen hadden bij de burgemeester van Lumkiping, -'n provinciestad aan de andere kant van 't bosch gelegen, aan de -Lum, de grootste rivier van Huk, waaraan ook Pomfriet lag. Langs -deze rivier, liep ook 'n breede weg naar Pomfriet, maar die was zeer -lang door de groote bochten die de rivier maakte. De menschen die te -paard naar Pomfriet reisden, maakten liever gebruik van de weg, die -Karibo ook genomen had, en waar langs ze nu aan 't zoeken waren. De -landweg waarop Abé terecht gekomen was, toen hij uit 't bosch kwam -was de verbinding tusschen die twee groote wegen. - -De roovers hadden dus maar te zoeken naar iemand die de beste -kleeren van de burgemeester van Lumkiping droeg, en daar zouden de -overige prinsenzoekers nu wel juist niet naar kijken. Die zochten -'n boerenjongen. Zelfs de soldaten van de lijfwacht, zouden nu weinig -kans hebben meenden de roovers, en de duizend goudstukken zouden dus -waarschijnlijk wel in hun zakken terecht komen. En 't leek wel, dat -ze 't bij 't rechte eind hadden, want toen ze 't heele bosch hadden -doorzocht, iedere roover was 'n andere richting uitgegaan, kwamen -ze weer in 't roovershuis bij elkaar en daarna gingen ze gezamenlijk -dezelfde weg op die Abé genomen had. Dat was per geluk en zoo kwamen -ze op de weg naar Lumkiping waar Abé de vorige dag was geweest. En -nu ondervroegen ze iedereen die aan die weg woonde of ze niet iemand -gezien hadden die gekleed was in 'n deftig donkerrood gewaad met -goud geborduurd, en die 'n roode muts droeg, van fluweel met twee -opstaande veeren... 't Duurde niet heel lang of ze wisten genoeg. Maar -dat was toch niet erg naar hun zin. Die jongen was regelrecht op -weg naar Lumkiping en als ie die stad bereikte, was 't wel vast, -dat ie opgepakt werd, want iedereen wist daar van de diefstal bij de -burgemeester en iedereen kende ook dat mooie kleed, dat de burgemeester -enkel maar droeg bij heel plechtige gelegenheden. Nu was 't gelukkig -dat die jongen te voet ging. Hij kon dus nog onmogelijk Lumkiping -bereikt hebben. Als zij hun paarden lieten rennen zoo hard ze maar -konden, hadden ze nog 'n kansje de prins en de duizend goudstukken -te vangen. En dat deden ze dus ook. - -Terwijl de roovers zoo snel ze maar konden achter Abé aanrenden stapten -de paarden van Karibo en de oude Pirlapan op de weg naar Pomfriet -langzaam naast elkander voort. De jonge Pirlapans en de soldaten -waren er weer op uit naar alle kanten, en de twee aanvoerders hadden -afgesproken dat ze hen in 't volgende dorp wel zouden wachten. Ze -moesten nu hun tochten maar eens wat verder uitstrekken. Ze moesten -maar acht dagen lang zoeken wat ze konden... als ze de prins dan nog -niet gevonden hadden konden ze terugkeeren. Dan zouden er weer andere -maatregelen genomen worden, want dan stond 't wel vast dat Abé niet -meer daar in de buurt was... "als ie nog leefde"... voegde Karibo er -zuchtend bij. - -Zwijgend reden ze naast elkander voort. Ook de oude Pirlapan was die -morgen minder hoopvol gestemd dan anders. Hij vond 't ook 'n beetje -vreemd, dat je met 'n paar honderd man, zoo heelemaal niets te weten -kon komen. Hij rekende al die Hukkers die 't om de goudstukken te -doen was maar niet eens mee. Menschen waar je heelemaal niet naar -zocht kwam je iedere keer tegen en van zoo'n jongen zag je letterlijk -niets... behalve dan z'n kleeren die ze bij de oude heks in beslag -genomen hadden. Met gebogen hoofd zaten ze op hun paarden en merkten -niet eens op, dat er iemand aan kwam draven op 'n groot paard. Eerst -toen de man vlak bij was en hen voorbij reed keken ze op. Maar dat -was dan ook 'n verrassing voor Karibo en voor Pirlapan. Die man die -hen voorbij draafde bereed het witte paard van Abé! Karibo zou het -uit duizenden herkend hebben en Pirlapan zag 't onmiddellijk aan -'t tuig. 't Zelfde zadel had 't nog... en de roode toom... 't zag er -alleen maar 'n beetje verslonsd uit... en 't paard was er ook niet -beter op geworden. Zelfs Karibo's paard had z'n oude kameraad herkend, -waar ie zoo lang naast geloopen had... en die z'n slaapkameraad geweest -was in de stal vele jaren lang. 't Had blij gehinnikt. Maar de witte -had geen antwoord gegeven. - -"Zijn paard!" riepen ze bijna tegelijk en zonder er verder over te -praten dwongen ze met 'n ruk aan de toom hun paarden om te keeren -en ze sprongen de ruiter achterna. Die keek even om en merkte al -dadelijk dat die twee wat in de zin hadden en hij vond 't maar beter -te maken dat ie weg kwam. Hij voelde z'n geweten niet erg zuiver, -want 't was dezelfde kerel, die Abé 't paard ontstolen had. Eerst -was ie maar landlooper geweest, doch nu hij 'n paard had, was hij -'t vak van struikroover gaan uitoefenen, die eenzame reizigers op -de weg aanhield om hen te berooven. Het witte paard had zeker in de -laatste tijd bij z'n nieuwe eigenaar niet veel rust gehad en zeker geen -beste verzorging, zooals 't gewend was en daarom kon 't niet meer zoo -snel voortkomen als vroeger. Pirlapan en Karibo bereden paarden, die -goed op kracht waren en ofschoon de arme witte ongenadig slaag kreeg, -wonnen de vervolgers met iedere minuut. Pirlapan had z'n speer reeds -opgeheven om de struikroover even van z'n paard af te helpen. Dat -was voor hem 'n klein kunstje, hij wierp sekuur, en de bandiet zou -wel niet lang meer geleefd hebben, als Karibo hem niet toegeroepen -had niet te werpen. Ze kregen de vent toch wel. Pirlapan was 't eerst -naast hem en ofschoon de roover poogde Pirlapan met 'n scherpe lange -dolk te raken, hielp hem dat niemendal, want Pirlapan die vechten -kon als de beste, gaf de kerel 'n tik met 't hout van z'n speer, -die hem hals over kop uit het zadel wierp. Ondertusschen had Karibo -de witte bij de teugel gegrepen. - -De struikroover meende nog 'n kansje te hebben om weg te komen. Hij -trachtte tusschen de beenen der paarden door te sluipen om in de -struiken langs de weg te vluchten, maar Pirlapan moest daar niets van -hebben. Vlug sprong hij van z'n paard en had in 'n wip de kerel bij -z'n kraag. Uit Pirlapan z'n knuisten te komen was 'n kunstje, dat de -bandiet niet geleerd had. Dat merkte hij al heel gauw en toen gaf hij -'t maar op. Karibo was nu ook van 't paard gekomen en begon de man -te ondervragen. - -"Hoe kom je aan dat paard?" - -Geen antwoord. - -"Wacht even," zei Pirlapan, "ik zal hem 'n beetje op dreef helpen. Hij -is zeker stom van de schrik." - -Hij nam z'n speer en nu kreeg de roover met 't dikke hout zoo'n -ellendig pak ransel, dat de vent begon te schreeuwen als 'n jong -varken. - -"Zie zoo," zei Pirlapan, "vertel nou maar op. Nou weet je 't wel." - -"Ik heb 't gekocht..." - -"Daar zie je wel naar uit," zei Pirlapan en weer hief hij de speer -op... "Zeg op... of ik sla je in gruzelementen... heb je dat paard -van 'n kleine jongen gestolen, die je er 'n eindje op wou laten -rijden? Geef antwoord, gauw..." En weer kreeg hij zoo'n tik. - -"Au!" schreeuwde de bandiet... - -"Heb je 't gestolen?..." - -"Ja..." - -"Heb je die jongen 'n klap met 'n knuppel gegeven?" - -"Ja..." - -"Jij gemeene schooier..." zei Pirlapan, "dat kost je je leven. Want -je heb de keizer van Huk z'n paard gestolen..." - -De man keek benauwd naar Pirlapan. Hij was bang voor nog meer -klappen... Maar wat ie hem daar vertelde van de keizer van Huk, -dat begreep hij niet. Hij had er ook wel van gehoord, dat er naar -prins Alphabet gezocht werd... Hij was er zelf ook mee bezig, toen -die twee hem te pakken kregen... maar dat ie 'n paard gestolen had -van de keizer van Huk, daar wist ie niemendal van. - -"Ik heb de keizer z'n paard niet gestolen," zei hij. - -"Dat heb je wel..." bulderde Pirlapan... "Dàt is de keizer z'n -paard!" en hij wees op de hijgende witte. - -Nu was de roover de kluts heelemaal kwijt. - -"We zullen hem maar meenemen," zei Karibo. "Laat 'm maar weer -opstijgen." - -"Hij?... Opstijgen?... Niet zoolang ik Pirlapan heet. Zoo'n gemeene -lafaard komt niet op 't paard van prins Alphabet. Aan de staart van -'t beest zal ik hem binden. Dan mag ie meedraven." - -Karibo zag wel dat er niets aan te doen was en hij liet dus Pirlapan -z'n gang maar gaan. Die haalde 'n riem uit z'n zadeltasch en daarmee -bond ie de roover stevig aan de staart van Abé's paard. Karibo nam het -bij de teugel en nu ging 't op 'n drafje vooruit. De kerel moest mee -draven, zooals Pirlapan gezegd had. Hijzelf reed naast hem. Toen de -schurk niet meer kon, hij viel om van moeheid, reed Karibo stapvoets, -doch Pirlapan riep al heel gauw: "We schieten niet op. Vooruit, -hij kan nou wel weer 'n eindje draven." - -De roover had 't nog nooit van z'n leven zoo slecht gehad. Dat was -heel wat anders dan duizend goudstukken verdienen, door 'n prins op -te zoeken. Boontje kwam om z'n loontje. - -Toen ze in 't dorp aankwamen, waar ze op de andere Pirlapans en de -soldaten wachten zouden, brachten ze de roover eerst bij de veldwachter -en Pirlapan gaf deze de raad heel goed op de gevangene te passen, -want als ie hem liet ontsnappen zou 't er slecht voor de veldwachter -uitzien. Die bekeek z'n gevangene eens en zei: "Nou heel hard zal -ie wel niet weg loopen, want de kerel is meer dood dan levend." Maar -Pirlapan antwoordde: "Je bindt hem stevig ergens aan vast hoor. Hij -leeft gauw genoeg weer op, en hij màg niet ontsnappen. Wat ie gedaan -heeft is zóó gemeen, dat ie er de zwaarste straf voor verdient." - -"Dan ben ik liever niet in zijn plaats," zei de veldwachter. "We zijn -hier in Huk niet erg zachtzinnig met booswichten." - -"Maar goed ook," bromde Pirlapan. "Sluit 'm nou maar op." En toen ze -samen wegreden zei hij tegen Karibo: "'t Lijkt er veel op dat we Abé -bij stukjes en beetjes terug krijgen." - -"Hoe zoo Pirlapan?" - -"Wel, eerst kregen we z'n kleeren en nou hebben we z'n paard." - -"Ja, ja," zuchtte Karibo... "als we de rest ook maar niet bij stukjes -en beetjes in handen krijgen." - -"Kom, kom," antwoordde Pirlapan. "'t Zal nog wel terecht komen. Ik wed -dat we hem vandaag of morgen op de een of andere wonderlijke manier -onverwacht ontmoeten, zooals we vandaag z'n paard zijn tegen gekomen." - - - - - - - - -ZEVENDE HOOFDSTUK. - - Waarin prins Alphabet prachtig gekleed in Lumkiping aankomt - doch al spoedig in z'n hemd zit, en Karibo en Pirlapan door - de rooverhoofdman er achter komen waar hij is, maar hem toch - niet vinden. - - -Als de oude Pirlapan er werkelijk op gerekend had dat die wonderlijke -ontmoeting spoedig zou plaats hebben, dan had ie 't leelijk mis, want -op dat oogenblik zat Abé heel veilig in de gevangenis te Lumkiping. Wat -de roovers gevreesd hadden was gebeurd. - -Abé had de heele middag geloopen en was tegen de avond doodmoe bij -'n boerewoning aangekomen. Aankloppen hoefde hij niet, want toen hij -voor de deur stond kwamen de boer en z'n vrouw en al de kinderen te -voorschijn en terwijl de kinderen met open monden stonden te kijken -bogen de man en de vrouw als korenhalmen in de wind. - -"Edele heer," zei de boer, wees welkom in mijn nederige woning, en -de vrouw greep opeens al de kinderen met d'r groote handen als of ze -'n bos hout te pakken had en duwde ze in de stal waar ze alle vier -afgrijselijk begonnen te schreeuwen. Abé ging binnen en terwijl hij op -'n bank bij de haard ging zitten zei hij tegen de boer: - -"Goeie vrind, ik zou graag vannacht gebruik maken van je gastvrijheid, -'n plaatsje in je stal is me voldoende." - -De vrouw nam dadelijk 't woord: - -"Edele heer, in de stal zullen wij slapen vannacht en ons bed is -voor u." - -"Nee, nee...," zei Abé lachend, want hij vond 't hooi frisscher, -"dat wil ik niet. Maar ga toch zitten." - -Doch dat deden ze geen van beiden. De boer bleef staan en de vrouw -begon de tafel op te ruimen, die er nog al slordig uitzag. - -Waarvoor zien die menschen me toch aan? dacht Abé. Ik zou wel eens -willen weten wie z'n kleeren ik aan heb. - -Want 't was duidelijk dat de boeremenschen hem beoordeelden naar -z'n kleeren met al dat goud er op en die glinsterende steenen. Abé -had niet veel verstand van kostbaarheden en hij wist dus niet of z'n -kleeding veel of weinig waard was. Dat de roovers 't gestolen hadden -was misschien wel 'n bewijs voor de kostbaarheid. Als die boer nu -maar niet zoo'n armoedige vent geweest was, had Abé wellicht voor -zoo'n kleedingstuk een paard kunnen inruilen, maar die boer had -waarschijnlijk niet eens 'n paard. Hij kon 't echter eens vragen. - -"Is er hier in de buurt misschien 'n paard te koop?" - -"'n Paard edele heer?.... Nee.... ik heb er geen.... Maar 'n uur -verderop naar Lumkiping woont 'n boer die er wel een te koop zal -hebben. 'k Wil er morgen vroeg wel even heen loopen. Is de edele heer -z'n paard wat overkomen." - -Nu moest Abé weer wat verzinnen. Hij kon toch aan die boer niet van -voren af aan gaan vertellen wat hem wedervaren was en daarom zei -hij maar: - -"'n Ongeluk... 't Was niet meer te gebruiken. Hoe ver ben ik hier -nog van Lumkiping?" - -"Nou te voet is 't nog wel 'n halve dag, edele heer." - -"Dat valt nog al mee... Dan ga ik morgen vroeg er maar te voet heen." - -De vrouw had nu eten klaar gezet, brood en geitemelk, en Abé at er -van als 'n wolf. Toen hij verzadigd was, vroeg hij den boer hem 'n -plaatsje te wijzen waar hij slapen kon. Omdat hij toch niet in de boer -z'n bed wou, spreidde de man versch stroo in de stal waar de geiten -stonden, en Abé lag vijf minuten later heerlijk in 't stroo met aan -iederen kant twee geiten, die hun halzen uitrekten om te knabbelen aan -z'n bed. Telkens kreeg er een 'n stroospriet te pakken en trok die -met 'n ruk van z'n kop naar zich toe. Maar Abé merkte er niemendal -van. De geiten hadden z'n heele leger onder hem uit kunnen plukken, -zonder dat ie er wakker van geworden was. - -Toch was hij de volgenden morgen vroeg bij de hand. Hij waschte -zich aan de bron achter 't huis en moest z'n gezicht in de zon -laten drogen. Z'n handen schudde hij maar zoo'n beetje droog. Want -die boerenmenschen hielden er geen handdoeken op na en Abé had niet -eens 'n zakdoek al had ie dan ook 't beste pak van de burgemeester -van Lumkiping aan. Was 't 'n gewoon linnen kiel geweest, dan had hij -daaraan z'n gezicht wel 'n beetje kunnen afwrijven, maar aan 'n zijden -tabberd vol goud borduursel gaat 't al heel moeielijk. Abé begon te -ondervinden dat je erg veel last kan hebben van 'n kostbaar gewaad -waar 't goud dik op zit. Later op de dag werd 't nog veel erger. Hij -had de boerenmenschen bedankt en omdat hij wel zag dat ze 't noodig -hadden bood hij hen de weinige zilverstukken aan, die hij gevonden -had in de tasch van de roover, doch de man weigerde. Dat was geen -gebruik in Huk, zei hij, tenminste niet op 't land. In de stad was -'t misschien anders. Hij was al genoeg beloond, doordat zoo'n deftig -heerschap onder zijn dak had willen verblijven. - -'t Deftige heerschap was er in z'n hart toch maar blij om, want hij -bezat verder geen cent en hij moest toch eten. In Lumkiping zou hij -trachten z'n mooie pakje te verkoopen. En dan was hij er boven op. Dan -ging het in galop, al wat 't beest loopen kon, naar Pomfriet. - -Toen hij de stad Lumkiping naderde werd de weg voller. Er gingen -menschen naar de stad en er kwamen er vandaan. Maar allen keken hem met -verbazing aan. Sommigen groetten heel beleefd. Anderen zetten alleen -maar groote oogen op en weer anderen gingen achter hem aanloopen. Dat -was lastig. Abé keek nu en dan eens om. Jawel ze liepen met hem mee, -dat was duidelijk genoeg. - -Abé dacht dat 't in de stad wel beter zou worden. Daar waren zooveel -menschen en die zouden wel geen tijd hebben om op hem te letten al zag -hij er 'n beetje al te mooi uit. Hij vond 't nu jammer dat ie altijd in -'n vreemd land gewoond had en niet eens wist welke kleederdrachten -er in zijn eigen land gedragen werden. Dat z'n pakje lang niet -alledaagsch was, dat wist ie wel. Als ie 't nog niet geweten had, -dan was ie er nu zeker wel achter gekomen. Want niet één Lumkipinger -zag er uit zooals hij. - -In de stad werd 't hoe langer hoe erger, en nu begon Abé te denken dat -'t kwam omdat 't pak hem wat ruim en lang was. De schoenen waren ook al -'n beetje te groot en de muts zakte hem telkens wat over z'n ooren. Of -was 't misschien 't zwaard met de prachtige schede vol glinsterend goud -en allerlei mooie figuren en ornamenten bewerkt en bezet met steenen -in rood en blauw en geel en groen? Hij werd er verlegen mee. En nu -begonnen de menschen nog op te dringen ook. Zoo nu en dan zat hij al -aardig in de knel. Hij zou maar gauw naar binnen stappen zoodra hij -'n winkel zag, waar zoo iets verkocht werd als hij droeg. Daar zou hij -'t dan wel kwijt kunnen. - -... Doch 't kwam zoover niet. Plotseling stond er 'n reusachtige -politieman voor hem. In Lumkiping hadden ze alleen maar heel groote en -sterke dienders. En die lei z'n groote hand op Abé's rechter schouder -en zei: "Ga jij maar eens gauw met me mee." - -"Nee"... zei Abé... "dat doe ik liever niet. Jaag jij die menschen -alleen maar 'n beetje weg en wijs me dan 'n winkel waar ik andere -kleeren kan koopen." - -"Dat zou je wel willen..." zei de agent. "Vooruit, geen praatjes..." - -"Maar waarom moet ik met je mee?" - -"Wat is er hier aan de hand?" vroeg 'n tweede politiereus. Doch toen -hij Abé zag, gingen zijn oogen heel wijd open en hij zei: "Hé... Da's -'n bof." - -"Hou jij de menschen wat op 'n afstand," zei nummer een. "Ik zal met -hem wel klaar komen..." - -"Op zij menschen..." riep de tweede... "Doorloopen." - -Nu werd 't een heele optocht en Abé hoorde de menschen achter zich -tegen elkaar roepen, dat er 'n dief gepakt was en hij zag voor de -vensters van de huizen nieuwsgierige gezichten... - -De twee politiemannen brachten hem naar 'n groot gebouw... en daar -werd hij in 'n hok gestopt met 'n klein tralieraampje hoog in de muur. - -Abé ging op 'n bank zitten... Hij hoorde de sleutel in 't slot -omdraaien en toen rook hij ook dat 't erg benauwd was in z'n -gevangenis. Hij huilde niet gauw, maar nu had hij 't toch wel kunnen -doen, dat ze hem voor 'n dief van die mooie kleeren hielden, dat -was zeker. En nu werd 't hem op eens duidelijk, dat ie ze toch ook -eigenlijk gestolen had. Hij schrok er van. Als ze hem nu vroegen hoe -hij er aan kwam, dan kon hij enkel maar zeggen dat ie ze weggenomen -had. Doch toen werd ie weer 'n beetje vroolijker want hij zou er maar -verder alles bij vertellen, waar hij ze genomen had en waarom... Alleen -kon hij alweer niet vertellen wie hij eigenlijk was... want dat had -Karibo hem verboden... - -Hij had tijd genoeg om na te denken. 't Werd vervelend in dat kleine -hok. Wanneer zouden ze hem nu eindelijk er eens uitlaten. Hij meende -dat ie er al uren in gezeten had. Ze zouden hem toch niet zonder -eten of drinken laten? En ze zouden toch wel wat van hem willen -vernemen. Dat hoorde toch zoo. Als ze je maar zoo van de straat -oppakten en achter de tralies stopten, dan dienden ze je toch wel te -zeggen waarom dat was. Wat zouden ze rare gezichten trekken, als hij -eens ging vertellen, dat ie de zoon was van keizer Napo... Dan zouden -ze misschien allemaal op hun knieën vallen en hem om vergiffenis -smeeken. Die twee groote dienders voorop. Waarom zou hij 't ook -eigenlijk niet vertellen? Maar zouden ze hem gelooven? Hij kon 't -heelemaal niet bewijzen. Dat kon alleen Karibo en die was ergens -anders... Maar waar? Hè, kwam er nu maar eens iemand. - -Sleutels rammelden... 't slot knarste... de deur ging open. - -"Trek uit dat goed," klonk het barsch. - -"Mijn kleeren uittrekken?" - -"Jouw kleeren? Wat 'n brutale aap... Trek uit... gauw..." - -"Maar dan heb ik niets anders aan dan m'n hemd." - -"Kan me niet schelen... Trek uit." - -Abé deed 't. En toen zat de keizer van Huk, prins Alphabet, naar wie -iedereen zocht, in z'n hemd achter de tralies. - -Want de barsche kerel was met de heele glinsterende rommel weggegaan -en had de deur dicht getrokken, en natuurlijk weer stevig op slot -gedraaid. Abé hoorde ook nog dat er grendels voor geschoven werden. - -Hij kreeg 't koud. 't Was kil in 't hok hoor. Abé zat te bibberen op -z'n bank. - -'n Heele tijd later kwam de vriendelijke man weer terug. - -"Kom mee!" - -"'k Heb geen kleeren." - -"Doet er niet toe. Kom mee." - -Abé vond, dat ze in Lumkiping raar met de menschen omsprongen. Hij -had er nog nooit van gehoord, dat je in je hemd ergens anders naar toe -moest dan naar je bed. Maar hier scheen 't toch zoo te zijn. En daar -tegenstribbelen wel niet helpen zou, want die bullebak van 'n vent stak -al z'n eene hand uit om de gevangene dan maar met geweld mee te nemen, -stond de keizerlijke prins van Huk van z'n bank op. Nu moest hij 'n -gang door en nog een en nog een... totdat de man met de sleutelbos -commandeerde: "Halt!" Hij stond weer juist voor 'n deur. Deze deed -de sleutelman open en hij duwde Abé voor zich uit de kamer in. - -Daar lagen op 'n tafel de kleeren die Abé van de roovers geleend had en -'n paar heeren bekeken aandachtig het mooie zwaard. 'n Derde zat deftig -in 'n ruime zetel die wel wat op 'n troon leek. Dat was de burgemeester -van Lumkiping. 'n Vierde zat aan de tafel te schrijven. Dat was zeker -de secretaris. - -Voor de tafel moest Abé blijven staan en de man met de sleutelbos -legde z'n zware breede, dikke, harige hand op Abé's schouder en zei: -"Burgemeester, hier was-t-ie." - -De secretaris keek op sprak zacht en vinnig: - -"Wàs-t-ie? Je bedoelt: hier ìs-t-ie, hè?" - -De sleutelman keek norsch naar de nijdige secretaris maar zei -niemendal terug. - -Toen begon de burgemeester--de twee heeren waren net gaan -zitten--opeens te vragen: - -"Wie ben jij jongen? Hoe heet je? Waar kom je vandaan? Bij welke -dievenbende hoor je? Waarom..." - -"Burgemeester," zei de secretaris zacht, "dat kan ik niet allemaal -tegelijk opschrijven en de aangeklaagde kan 't ook niet allemaal -tegelijk beantwoorden." - -"O, doe ik 't weer niet goed?" bromde de burgemeester. "Vraag jij 't -'m dan!" - -"Hoe heet je?" vroeg nu de secretaris bijna fluisterend. - -"Ik heet Abé." - -"Hoe nog meer?" - -"Niets meer." - -"Weet je 't zeker?" - -Dat was me ook 'n vraag! Wat moest ie daar nou op antwoorden. Hij -heette eigenlijk Abecé, maar iedereen noemde hem Abé. Hij hield z'n -mond dus maar. - -"Hoe kwam je aan die kleeren?" - -"Van de roovers!" - -"Net zooals ik dacht" riep de burgemeester. - -Doch de secretaris lette daar heelemaal niet op. Hij vroeg kalm verder: - -"Welke roovers?" - -"Uit 't bosch." - -"Hoe heeten ze?" - -"Weet ik niet." - -"Dat zal je wel liegen," riep de burgemeester, doch toen de secretaris -hem even aankeek liet hij er gauw op volgen: "Ga verder secretaris." - -"Is dat de waarheid?" - -"Ja." - -"Hoe lang ben je al roover?" - -"Ik ben heelemaal geen roover." - -En zoo vroeg de secretaris maar voort. Abé vertelde hoe hij bij de -roovers gekomen was, wat hij er doen moest, waarom hij die kleeren -meegenomen had, wat ie er mee dacht te doen. De secretaris vroeg ten -slotte hoe de kleeren er uitzagen die hij aan had toen hij bij de -roovers kwam. De burgemeester en de twee andere heeren luisterden al -lang niet meer. Alles wat die secretaris vroeg en wat Abé antwoordde -werd tegelijk opgeschreven en dat zou later wel door de rechter worden -uitgezocht. De burgemeester was alleen maar blij dat ie z'n mooie -pak terug had, de rest kon hem eigenlijk niemendal schelen.--Doch de -secretaris was 'n slimmerd. Die begon te vermoeden dat die jongen -Abé wel eens de gezochte prins kon zijn... maar hij vroeg er Abé -niet naar. Dat wou hij maar liever eens doen onder vier oogen. Die -duizend goudstukken verdiende hij liever alleen. Hij gaf de half -slapende cipier last de gevangene weer naar 't hok te brengen. Maar -hij besloot die jongen diezelfde avond 'n goed pak kleeren te bezorgen -en te maken dat ie goed te eten kreeg. Als 't die verloren prins eens -was, zou hem dat zeker geen windeieren leggen. Duizend goudstukken om -te beginnen en dan nog de dankbaarheid van de keizer van Huk. Dat was -ook wat waard! Als die burgemeester maar weg was zou hij die jongen -wel eens nauwkeurig gaan uitvragen. - -Abé liet 't hoofd hangen. Weer naar dat kille hok. Maar de man met -de sleutels gaf hem 'n duwtje en vijf minuten later zat ie alweer -achter slot en grendel. - -'t Zag er niet mooi uit voor Abé en 't zou voor hem heel wat prettiger -geweest zijn als de roovers hem die morgen op de weg naar Lumkiping -hadden kunnen inhalen. Nu waren ze net te laat gekomen en ze hadden -juist nog kunnen zien hoe de twee politiereuzen Abé wegbrachten. Dit -was 'n leelijke tegenvaller voor hen. Natuurlijk zou die jongen alles -vertellen wat ie wist en dan waren er binnen 'n paar dagen 'n heele -vracht politiemannen op weg naar het roovershuis. Ze moesten dus gauw -terug om hun gestolen goed in veiligheid te gaan brengen. Dat wilden -ze niet missen en dan wilden ze toch nog probeeren om de duizend -goudstukken machtig te worden. De hoofdman was 'n sluwe baas. Die had -gauw 'n plannetje verzonnen, dat veel kans van slagen had, zooals hij -meende. Hij ging met z'n mannen naar huis en hij zelf reed zoo snel -hij kon met de kleeren die Abé in 't rooverhuis had achtergelaten, -in 'n doek geknoopt naar 't dorp waar Karibo en de oude Pirlapan -zich ophielden. Daar kwam hij midden in de nacht aan. Hij vond 't -nu beter maar te wachten tot de morgen met de uitvoering van z'n -plan. De prins zat goed opgeborgen. Die liep niet weg. Maar 't was -nog heel vroeg toen hij al aanklopte aan de woning waar Karibo en -Pirlapan verblijf hielden. - -Die twee waren ook al op en reeds weer bezig nieuwe plannen te -bespreken. Hoeveel ze er al verzonnen hadden wisten ze zelf niet -meer. Doch telkens begonnen ze weer op nieuw. En nu kwam me daar -opeens iemand, die hen stond te vertellen, als of 't 'n heel gewone -zaak was, dat ie misschien wel wist waar de prins te vinden was... en -als bewijs bracht hij de kleeren mee, die Abé gedragen had. Ze bekeken -de kleedingstukken. Die kwamen wel overeen met wat moeder Guldratsj -en de boerenvrouw, bij wie hij die nacht voor de overval der roovers -in huis geweest waren, er van verteld hadden. Maar zelf hadden ze -die dingen nooit gezien. Toen vroeg Karibo opeens: - -"Maar wat heeft de prins dan nu aan?" - -Dat wist de roover niet... "vermoedelijk de kleeren van de burgemeester -van Lumkiping." - -"Begrijp jij er wat van Pirlapan?" vroeg Karibo. - -"Geen steek," antwoordde deze. Laat die vent naar de maan loopen met -z'n smoesjes. "Die duizend goudstukken zijn hem in z'n hoofd geslagen." - -De roover liet zich echter niet maar zoo wegsturen. Hij had veel -te graag die hoop goud. Daarom zei hij, dat als de heeren hem de -duizend goudstukken wilden beloven, maar zwart op wit, hij moest er -'n bewijs van hebben, onderteekend door Karibo en Pirlapan.., en -als ze daar dan ook tevens in wilden zetten, dat noch hem noch z'n -kameraden later iets kwaads zou geschieden, dan wilde hij wel alles -vertellen wat hij wist. Ze zouden er geen spijt van hebben. - -"Dat kunnen we licht probeeren," zei Karibo tegen Pirlapan, en toen -tegen de roover: "Het zal gebeuren zooals je verlangt, doch onder één -voorwaarde. De duizend goudstukken krijg je, als 't werkelijk blijkt, -dat je ons 't verblijf van de prins wijst. Vertel nu maar op." - -"Eerst 't papier," zei de roover. - -Pirlapan werd al weer woedend. Karibo suste hem en begon vlug de -verklaring te schrijven, zooals de roover verlangde. Karibo moest -'t hem nog eens voorlezen toen 't klaar was, want de roover kon zelf -niet lezen, en daarna stak deze 't kostbare papiertje in z'n gordel. - -"Kerel begin nou..." bulderde Pirlapan ongeduldig. "Je doet alsof we -heel geen haast hebben..." - -De roover lachte eens. Die was nu heel op z'n gemak. Maar toen vertelde -hij van a tot z hoe ze de boer overvallen en de paarden meegenomen -hadden tegelijk met Abé, dat die acht dagen bij hen stalknecht geweest -was, en hoe ze hem hadden weggestuurd 't bosch in, toen ze met hun -allen op zoek gingen naar prins Alphabet. Dat ze later begrepen hadden -wie hij was en ontdekt hadden dat hij de kleeren van de burgemeester -van Lumkiping had aangetrokken, die zij gestolen hadden. - -Pirlapan lachte luidkeels toen de roover dat vertelde, maar bij 't -vernemen, dat Abé door de dienders in Lumkiping was opgepakt en nu -in de gevangenis zat, keek hij opeens weer ernstig. - -"We moeten geen tijd verliezen," zei hij. "We rijden er dadelijk -heen. Jij gaat mee brave ziel, (dit was aan 't adres van de -rooverhoofdman) en als 't blijkt dat je ons wat hebt wijs gemaakt, -dan kan je dadelijk je testament maken." - -De roover had er niets op tegen. Met dat briefje bij zich voelde hij -zich zoo veilig alsof hij al z'n leven de braafste man uit heel Huk -geweest was. - -'n Kwartier later galoppeerden de drie mannen het dorp uit. Ze spaarden -hun dieren niet en ze hielden alleen maar op om zelf wat te eten en de -paarden te voeren, te drenken en wat te laten uitblazen. Doch dan ging -'t weer zoo snel mogelijk voorwaarts. Gelukkig waren ze alle drie -taaie kerels en de paarden sterk en vlug. Maar toch waren ze alle -zes doodop toen ze Lumkiping tegen de avond bereikten. De wandelaars -in de straten sprongen verschrikt op zij voor de woeste ruiters en -de reuzen van politieagenten staken vergeefs hun groote handen op -om de ruiters tot wat minder gevaarlijke spoed aan te manen. Doch -ze keken geen van drieën naar die waarschuwende handen, maar holden -met luid hoefgeklepper over de keien regelrecht naar 't raadhuis, -waar volgens de rooverhoofdman prins Alphabet gevangen zat. - -De roover moest bij de hijgende paarden blijven maar Karibo en -Pirlapan waren zoo van hun paarden de trappen op gesprongen en liepen -de schildwacht onderste boven, die op die trap voor de open deur op -post stond. Die man was meteen de portier. - -"Hé, stommeling," bulderde Pirlapan, "sta de menschen niet in de -weg. Waar is de burgemeester?" - -De portier was heelemaal van z'n stukken. Hij werd nooit onderste -boven geloopen, zelfs nog niet door de deftigste Lumkipinger en daar -kwamen me zoo'n paar halve wilden aanhollen en 't eerste wat ze deden -was hem van de beenen te loopen. Hij zou die twee eens even leeren -wat ze aan de portier van 't raadhuis van Lumkiping verschuldigd waren. - -Hij stond op, begon zich af te slaan, want er zat stof op z'n mouw -en nam daarna Pirlapan van 't hoofd tot de voeten op, alsof hij met -z'n oogen wou zeggen: "Lap me dat nou nog eris." - -Dat was net iets voor de oude baron van Pirlapan die thuis heerschte -als 'n koning, om zich door zoo'n stedelijk schildwachtje op die -manier te laten aankijken, vooral nu hij haast had om prins Alphabet, -de rechtmatige keizer van Huk uit z'n gevangenis te gaan bevrijden! - -"Zeg eris!" riep Pirlapan en had de schildwacht-portier al bij -z'n kraag. Hij schudde hem heen en weer tot groot vermaak der -Lumkipingers die beneden aan de trap nieuwsgierig om de vermoeide -paarden heenstonden. "Wil jij me bij de burgemeester brengen of -niet? O zoo, gauw dan hoor! Ik heb haast." - -De portier liep als 'n haas 't raadhuis binnen, natuurlijk met Pirlapan -en Karibo op z'n hielen. Tijd om eerst bij de burgemeester te gaan -vragen of ie wel thuis was, had ie niet. Want Pirlapan stoof te gelijk -met de portier de kamer in waar de burgemeester juist met de secretaris -en nog 'n paar andere voorname Lumkipingers aan 't vergaderen was. - -"Wat moet dat beteekenen?" zei de burgemeester opstaand met 'n strenge -blik de binnenkomenden aankijkend. - -"Deze... indrin... gers..." stotterde de portier. - -"Ruk uit, akelige vent," bulderde Pirlapan... "Ik heb je nou niet -meer noodig. Marsch... of ik..." - -Hij hoefde zijn hand niet eens uit te steken. De schildwacht-portier -was al verdwenen. Hij trok met 'n slag de deur achter zich dicht. Met -die dolleman moest de burgemeester 't maar klaar zien te spelen. Doch -hij ging vast 'n stuk of wat politiereuzen halen. Hij had er zoo'n -idee van dat die wel noodig zouden zijn binnen 'n paar minuten. Want -natuurlijk liet de burgemeester die twee kerels 't raadhuis uitgooien. - -De burgemeester staarde 'n oogenblik beteuterd naar Pirlapan, doch toen -wilde hij hen dan ook maar dadelijk de deur wijzen. Zoo'n optreden -was niet geoorloofd in Lumkiping. Hij kwam er evenwel niet toe, want -Pirlapan trad op de tafel toe met 'n paar dreunende stappen en zei: - -"Burgemeester, je houdt hier 'n jongen gevangen en die moet je -oogenblikkelijk in vrijheid stellen. We komen hem halen." - -Da's zeker de rooverhoofdman, dacht de burgemeester en hij werd al 'n -beetje benauwd. Had hij nu maar 'n stuk of wat dienders bij de hand, -dan had hij hen meteen ook in de boeien kunnen laten slaan. - -"Burgemeester," zei nu Karibo, "die jongen is waarschijnlijk, neen -we weten 't zeker, prins Alphabet, de nieuwe keizer van Huk." - -De burgemeester viel met 'n plof in z'n zetel terug en de secretaris -prevelde: "Net zoo als ik vermoedde." - -"Vooruit wat burgemeester..." zei Pirlapan met 'n luide stem. "'n -Keizer van Huk hoort niet in 't raadhuis van Lumkiping gevangen te -zitten en 'n Pirlapan laat je ook niet wachten als ie wat vraagt." - -"Pirlapan... bedaar wat... De burgemeester kon dit toch ook niet -helpen," suste Karibo. - -"Maar nou kon ie 't toch wel helpen? Hij hoeft daar nu niet in -z'n stoel te blijven zitten terwijl ie op 'n drafje de prins moest -gaan halen." - -"Heeren," kwam nu de zachte stem van de secretaris... "deze gevangene -is vannacht ontsnapt..." - -"Hè... wat...?" riep Pirlapan... "Is prins Alphabet ontsnapt...? Waar -naar toe?" - -"Weet ik niet..." zei de secretaris. "Van morgen was de cel leeg." - -"Maar lieve hemel," zei Karibo... "hoe kon dat nou...?" - -"Weet ik niet..." herhaalde de secretaris weer... "Hij is -ontvlucht... in z'n hemd." - -"In z'n hemd??" - -"Ja..., hij had geen kleeren. Hij is gevangen genomen met de -staatsiekleeding van de burgemeester aan, die had hij van roovers -beweerde hij. De burgemeester heeft die mooie kleeren mee naar huis -genomen..." - -"En nou loopt de keizer van Huk ergens rond in z'n hemd?" riep -Pirlapan... "Man, hoe kon jij 't over je verkrijgen om zoo'n jongen -'n heele dag in z'n hemd in de gevangenis te laten zitten!!" - -Hij stak z'n vuist op tegen de burgemeester. "Je moest er zelf in!!" - -"Kom," zei Karibo, terneer geslagen. "We moeten weer gaan zoeken. Hij -kan nu toch niet ver weg zijn... 'n Jongen in z'n hemd moet toch ook -iedereen gezien hebben..." - -"Geen mensch heeft hem gezien," zei de secretaris zacht. "Ik heb -vanmorgen dadelijk overal nasporingen laten doen. Door de heele -stad heb ik laten navragen. Niemand wist er iets van. 't Geval is -onbegrijpelijk." - -"'t Geval is onbegrijpelijk heeren," zei de burgemeester die wat -begon bij te komen. "En als er een is die er niemendal van begrijpt -dan ben ik 't." - - - - - - - - -ACHTSTE HOOFDSTUK. - - Waarin Oeliboe Bomdrum 'n bewijs geeft van snuggerheid, prins - Alphabet hoort hoe de jongste Pirlapan heet, Karibo en de oude - Pirlapan weer in de asch zitten en de secretaris met z'n slimheid - iemand woedend maakt. - - -Er waren er nog veel meer, die er niets van begrepen. Karibo, -Pirlapan en de secretaris spraken die avond over niets anders, maar -ze konden geen oplossing van 't raadsel vinden, zelfs niet toen ze -de rooverhoofdman er bij haalden. - -De eenige, die er meer van wist dan heel Lumkiping, was de politiereus -Oeliboe Bomdrum, die de vorige nacht 't raadhuis bewaakt had. Maar die -man was zoo verschrikkelijk dom en tegelijkertijd zoo allerakeligst -bang, dat ie z'n mond stijf dicht hield, zoolang ie niet bij hoog en -laag volhield dat ie er niets van wist. Oeliboe Bomdrum was bevreesd -te vertellen dat ie zich had laten beetnemen, en daarom zei hij maar, -dat ie niemendal gezien had. De zes andere politiemannen, die met -hem de wacht hadden, zeiden 't ook. Doch die spraken de waarheid in -zooverre dat ze alle zes geslapen hadden toen er wat te zien was. Ze -hadden afgesproken elkaar niet te verraden, want op wacht mochten -ze niet slapen. Oeliboe Bomdrum was echter te dom om te snappen, dat -'t waarschijnlijk voordeeliger voor hem zou zijn, indien hij vertelde -wat er die nacht op het raadhuis was voorgevallen. - -De wachters op 't raadhuis hadden de gewoonte allemaal op een na -te gaan slapen, zoodra ze dachten dat er wel geen inspecteur of zoo -iemand meer komen zou om te surveilleeren. Dat was tot nog toe altijd -goed gegaan. Er was nooit iets bizonders voorgevallen. - -Maar de vorige nacht terwijl Oeliboe Bomdrum de beurt had om wakker te -blijven, kwam er 'n jongen heel brutaal aanstappen met 'n pak onder -z'n arm. Oeliboe Bomdrum zat er net over te prakkezeeren of ie ook -maar niet 'n klein tukje zou gaan doen, want hij was de heele dag uit -visschen geweest. Er kwam nu toch geen mensch meer en hij kon best -'n beetje languit gaan liggen op de breede bank waar hij op zat, in -'t groote portaal van 't raadhuis. Hij had z'n beenen al op de bank. - -Toen kwam die jongen met z'n pak. Oeliboe Bomdrum was in geen lange -tijd zoo geschrokken en hij stond plotseling kaarsrecht op z'n -twee beenen. - -"Compliment van de burgemeester," zei de jongen, "en hier zijn kleeren -voor de gevangene." - -"Geef maar hier..." antwoordde Oeliboe Bomdrum... - -"Nee... 'k moet ze hem zelf brengen... Haal de sleutels." - -Oeliboe Bomdrum was gewoon te gehoorzamen, als hem wat bevolen werd -en die jongen daar voor hem, zei 't zoo kortaf, dat Oeliboe Bomdrum's -beenen vanzelf in beweging kwamen. De jongen liep dadelijk met hem -mee. Oeliboe Bomdrum ging met 'n lantaarn in de hand, 'n paar gangen -door, nam 'n groote sleutel van 'n spijker, er hingen er 'n heele boel, -en stapte toen op 'n deur af. - -"Geef maar hier," zei de jongen, "ik kan 't zelf wel." - -Oeliboe Bomdrum gaf hem. - -"'k Zal hem je zoo wel terugbrengen als ik klaar ben. Ga maar weer -op je post." - -Als Oeliboe Bomdrum nu niet zoo'n ezel geweest was, had hij gauw z'n -kameraads gewaarschuwd, maar dat deed ie niet. Hij wandelde langzaam -terug naar z'n bank en ging zitten. Hè, hè... wat 'n idee van die -burgemeester om zoo laat nog iemand te sturen met kleeren voor zoo'n -rooversjongen. Toch wel 'n goeie kerel die burgemeester... Nou die -jongen zou 't wel koud gehad hebben in z'n hemd zoo'n heele dag in dat -kille hok. Oeliboe Bomdrum had z'n lange beenen al weer op de bank. De -lantaarn had hij er achter gezet om geen last van 't licht te hebben. - -Abé hoorde 't gepraat voor z'n cel en daarna 't knarsen van grendels en -'t overgaan van 't slot. Hij had niet kunnen slapen van kou en daarom -had ie maar voortdurend heen en weer geloopen om warm te blijven. Hij -meende dat 't de eenige manier was om er niet ziek bij te worden, als -de menschen zoo vriendelijk waren je in 'n koud hok te laten zitten in -je hemd. Hij kon niet zien wie er binnen kwam, want 't was pikkedonker -en ook kende hij de stem niet toen er zacht tegen hem gezegd werd: - -"Hier, trek gauw die kleeren aan... dan gaan we d'r van door." - -Abé liet 't zich geen tweede keer zeggen. Hij trok op de tast haastig -de kleeren aan. 'n Enkele keer had ie 'n ding onderste boven, maar -dat voelde hij gauw genoeg. In 'n minuut was ie gereed. - -"Klaar..." zei Abé zacht. - -"Geef me je hand... 't is donker... en zacht hoor..." - -Als dieven sloopen ze op hun teenen de gangen door. De jongen, die hem -kwam verlossen had goed de richting onthouden... en zoo kwamen ze al -heel gauw bij 't portaal. Abé's redder kwam heel dicht met z'n mond -bij Abé's oor en fluisterde: "D'r zit 'n schildwacht... daar moeten -we langs. Ik zal even gauw kijken..." - -De jongen ging onhoorbaar 't portaal in. Zoo zacht liep hij, dat Abé -er niemendal van merkte en de jongen was al weer terug eer Abé er -erg in had. - -"Hij ligt op de bank. Kom. Maar stil hoor." - -Abé liep op bloote voeten, maar z'n kameraad leek wel nergens op te -loopen. Wat kon die voorzichtig sluipen. Abé hoorde nog wel z'n eigen -voeten op de steenen, maar van de ander vernam hij niet 't minste -geluid. Zoo kwamen ze voorbij Oeliboe Bomdrum die net droomde, dat ie -'n snoek van tien pond aan de haak had. - -Buiten vlogen ze de trappen af langs de muur van 't raadhuis en toen -'n zijstraat in. - -"Hier heb je schoenen," zei de jongen. "Trek ze gauw aan, want als -ze merken dat je gevlogen ben krijgen we de heele bende achter ons." - -"Welke bende?" - -"Wel, die wachters van 't raadhuis. Ze sliepen natuurlijk allemaal -op die eene na en die slaapt nu ook. Maar als ie wakker wordt gaat -ie natuurlijk kijken, en dan..." - -Abé had z'n schoenen aan. - -"Vooruit dan maar," zei hij. "Maar zeg es wie ben je?" - -Er waren geen lantaarns in Lumkiping. Ieder die bij avond uitging -moest zelf 'n lantaarn meenemen of door 'n bediende voor zich uit -laten dragen. Abé's redder had 't echter maar zonder lantaarn gedaan en -daardoor kwam het dat Abé 't gezicht van die jongen niet onderscheiden -kon. Toch was hij erg nieuwsgierig er naar, wie hem zoo handig uit -dat akelige hok bevrijd had en ook waarom deze dat gedaan had. - -Hij kreeg echter geen antwoord op die vraag, maar in plaats daarvan -zei de jongen: "Loop wat je kan... daar komen ze." - -Oeliboe Bomdrum was wakker geworden, door die snoek van tien pond, want -hij rolde met z'n gedroomde snoek van de bank af. Toen was ie meteen -klaar wakker, voorzoover hij ooit klaar wakker werd, want iedereen -noemde hem 'n kapitale suffer, die altijd stond te droomen. Maar nu -was hij in ieder geval wakker genoeg om zich te herinneren dat ie die -jongen van de burgemeester nog niet teruggezien had met de sleutel -en daarom zou hij maar eens kijken. - -De sleutel hing weer aan de haak waar hij hoorde, maar toch liep -Oeliboe Bomdrum nog even door naar de cel om te zien of de grendels -er wel goed op gedaan waren. Nog nooit was Oeliboe Bomdrum zoo -geschrokken. Niet alleen waren de grendels niet voor de deur geschoven -doch de heele deur stond maar zoo open... en toen Oeliboe Bomdrum met -z'n lantaarn voor die open deur stond, stond z'n groote mond haast -net zoo wijd open als de deur. - -Vijf minuten later holden al de zeven politiereuzen de trappen van -'t raadhuis af, aan de eene kant vier en aan de andere kant drie -en Oeliboe Bomdrum was bij de vier die toevallig net de straat in -holden waar Abé z'n schoenen stond aan te trekken. Gelukkig voor de -jongens hoorden ze de zware reuzen met hun dreunende stappen net nog -bijtijds aankomen. - -Oeliboe Bomdrum en z'n kameraden hadden lange beenen en ze liepen -lang niet slecht, maar zoo hard als die twee vluchtelingen konden ze -'t niet. Die wonnen bij stukken! Abé en z'n redder bleken eerste klas -renners te zijn. - -Maar rennen alleen helpt je niet als je onderweg 'n rivier van vijftig -meter breed tegen komt en de Lum die daar langs de stad stroomde, was -zeker zoo breed. 'n Heel eind verderop was 'n brug, maar ze durfden -'t niet avonturen daar heen te loopen. Er konden misschien wel andere -vervolgers uit 'n straat of een steeg komen schieten en dan waren ze -er gloeiend bij. Dat bedacht Abé's redder onder 't voorthollen. - -"Zwem je?" vroeg hij, even voor ze de rivier bereikten. - -"En of!" zei de ander. - -"Dan maar rechtuit..." - -Oeliboe Bomdrum stond met z'n drie kameraads te hijgen en te puffen -aan de waterkant. Ze konden geen van vieren zwemmen. - -"'k Mag lijen dat ze allebei zinken", bromde er een. "Is dat loopen." - -"Weet je wat," zei 'n tweede, "ik keer om hoor. 'k Heb net zoo'n -slaap." - -"Hoe is ie er uitgekomen?" vroeg de derde. - -"Weet ik 't," snauwde Oeliboe Bomdrum. "'k Zag ze samen d'r van -door gaan." - -"Je hebt zeker geslapen," zei nummer een weer. - -Doch dat had ie niet moeten zeggen, want ze hadden 't zelf ook -gedaan en Oeliboe Bomdrum werd er zoo nijdig om, dat ie met z'n -groote vuisten nummer een 'n paar schrikbaarlijke opstoppers gaf, -wat deze zich maar zoo niet liet aanleunen. Hij had zware knuisten en -toen hadden de twee overigen hard werk om Oeliboe Bomdrum en nummer -een van elkaar te krijgen, terwijl die op elkaar aan 't losbeuken -waren. Waarna ze met hun vieren in de beste harmonie weer naar -'t raadhuis wandelden. Onderweg spraken ze af, dat ze allemaal hun -mond zouden houden, en de drie die de andere kant op waren geloopen, -en allang weer terug waren beloofden 't ook. 'n Kwartier later zat -nummer een op de bank en lagen de anderen op een oor. Oeliboe Bomdrum -was weer aan 't snoek vangen, wat z'n liefste werk was, zoodat ie -'t zelfs in z'n slaap niet laten kon. - -De vluchtelingen waren gauw genoeg de rivier over en eenmaal aan de -overkant behoefden ze zich niet meer zoo te haasten, maar toch gingen -ze er niet bij zitten, want ze wisten heel goed, dat je dat met 'n nat -pak aan maar liever niet doen moet. Abé's redder had er echter nog 'n -andere reden voor. Iemand die onschuldig gevangen zit uit de kerker -verlossen is heel mooi, maar dan moet je ook zorgen, dat ze hem de -volgende dag niet weer te pakken kunnen krijgen. Daarvoor hadden ze -paarden noodig om zoo snel mogelijk weg te komen.... - -Tenminste dat dacht Abé er van toen de jongen hem ergens heen bracht -waar aan 'n boom gebonden twee paarden stonden. - -"Je hebt overal aan gedacht," zei Abé. "Ik kan je niet dankbaar genoeg -zijn.... Wie ben je toch?" - -"Prins Alphabet," zei de jongen, "stijg op. Ik zal je bij Karibo en -m'n vader brengen.... Ik ben de jongste Pirlapan." - -Abé stond 'n heele tijd, met z'n eene voet al in de stijgbeugel, -sprakeloos. - -Toen trok hij snel z'n voet uit het ijzer terug en hij pakte de jonge -Pirlapan, die de paarden vasthield bij de teugel, met allebei z'n -armen stevig om de hals. - -"Pirlapan, ik hou veel van je." - -"En ik van jou, prins Alphabet." - -"Prins Alphabet?... ben ik prins Alphabet??" - -"En keizer van Huk." - -"Keizer???" - -"Laten we wegrijden prins... Onderweg vertel ik je alles wat ik weet." - -"Onder één voorwaarde ... dat je Abé tegen me zegt. Je bent mijn -vriend... Hoe is jouw voornaam?" - -"Plachki." - -"Plachki?" - -"Ja. Ik heet eigenlijk Pilachkoublasinaugau, maar dat is zoo'n mondvol, -dat zegt toch geen mensch." - -"Mijn vader hebben ze weggejaagd, omdat ie mij niet zoo'n gekke lange -naam geven wou..." - -"En nou willen ze je weer terug al heet je enkel maar prins Alphabet." - -"Hoe komen ze daar toch bij?" vroeg Abé 'n oogenblik later terwijl -ze kalm voortreden. "Ik heet toch niet zoo?" - -"Weet je dàt niet eens? 't Is 'n scheldnaam, die ze vroeger in Pomfriet -voor je uitgedacht hebben." - -"Zoo... en dus is mijn spotnaam een eerenaam geworden?" - -"Dat is 't." - -"Maar zeg eens Plachki, je zou me alles vertellen wat je wist." - -"Zoo meteen. Ik word koud in die natte kleeren en jij?" - -"Ook wel 'n beetje." - -"Weet je wat we doen moesten? Aan 't eerste huis 't beste vragen of -we onze kleeren 'n beetje mogen drogen bij 't vuur. 't Begint dag te -worden. We zullen de menschen al wel opvinden hier buiten." - -"Ja laten we dat doen." - -Ze reden nu vlug nog 'n eind langs de rivier en zoodra ze 'n -boerenwoning ontdekten klopten ze aan en vroegen of ze hun kleeren -mochten drogen voor 't vuur. Ze werden vriendelijk ontvangen. De boerin -stookte 't vuur flink op en terwijl de jongens hun kleeren droogden -sneed de vrouw dikke boterhammen voor hen. In 'n half uurtje waren -ze weer heelemaal klaar. Van binnen en van buiten kurkdroog waren ze -nog wel niet, doch dat zou de zon wel verder opknappen. Ze bedankten -de boerin en stegen weer te paard. - -Nu begon Plachki z'n verhaal en Abé luisterde met steeds grooter -wordende verbazing. Hij moest er om lachen dat nu iedereen daar in -de buurt al zoo'n tijd naar hem gezocht had, zonder hem te vinden, -en hij had meelijden met die arme trouwe Karibo. Ze zouden er maar -zoo snel mogelijk heenrijden. - -"En wat zei moeder Guldratsj wel, toen ze hoorde dat ik prins -Alphabet was?" - -"O heet dat ouwe wijf zoo? Wat ze zei weet ik niet... maar vader -geloofde er niemendal van... Hij dacht dat zij misschien wel goeie -maatjes was met die kerel die je je paard ontstolen had..." - -"Moeder Guldratsj, die me verpleegd heeft, alsof ik d'r eigen -kleinzoon was?" - -"Ja... vader heeft d'r naar Pirlapan laten brengen..." - -Met 'n ruk hield Abé z'n paard in. - -"Hè?? Moeder Guldratsj is die naar Pirlapan gebracht? Zit ze daar -achter slot?" - -"'k Denk 't wel." - -"In 'n donkere kelder misschien?" - -Plachki haalde z'n schouders op. "'k Weet 't niet," zei hij. "'k Hoop -'t niet voor d'r, want de kelders van Pirlapan zijn geen plezierige -verblijfplaatsen. 't Is er vochtig en koud en donker." - -"Plachki, we rijden regelrecht naar Pirlapan." - -"En Karibo dan?" - -"Plachki hoor je niet wat ik zeg? Naar Pirlapan... dadelijk." - -Plachki keek verwonderd Abé aan. Die was donkerrood geworden en z'n -oogen fonkelden van verontwaardiging. - -"Maar... ze zoeken naar je." - -"Laat ze zoeken... Vooruit of ik ga alleen." - -"Je bent mijn keizer," zei Plachki, "en ik 'n Pirlapan. Ik -gehoorzaam. Dan zullen we de kortste weg maar nemen. In twee dagen -zijn we er." - -En nu kregen de paarden hun portie. Ze moesten hun beenen inspannen -want ze werden voortdurend aangespoord tot grooter snelheid. Maar de -jongens waren geen dierebeulen. Ze gaven hun beesten op tijd rust en -voedsel in overvloed. Plachki had genoeg geld bij zich om alles te -kunnen koopen onderweg, wat ze noodig hadden. - -'t Gekste was dat ze telkens menschen te paard en te voet ontmoetten -die op zoek waren naar prins Alphabet. Zoo nu en dan troffen ze -er an, als ze ergens hun paarden lieten uitrusten en dan hadden de -twee jongens er genoeg pret van. Want zoodra ze bemerkten dat ze met -prinsezoekers te doen hadden, zeiden ze die menschen dat ze 't verder -zoeken wel konden opgeven, omdat de prins al terecht was. - -"En wie heeft hem gevonden?" - -"Pirlapan." - -Dan was 't 'n lust om de lange gezichten te zien van die arme -stakkers, die hun gewone werk in de steek hadden gelaten om de duizend -goudstukken te verdienen. - -"Hoe weet jullie dat?" vroegen ze dan gewoonlijk. - -"'k Heb hem zelf gezien", antwoordde Plachki. - -"Wie, de prins?" - -"De prins en Pirlapan." - -En dan zei Abé... "Ik heb Pirlapan ook gezien." - -"Lang geleden?" - -"Van morgen." - -"Waar?" - -"Vlak bij Lumkiping." - -Tegen de avond bereikten ze 't hutje van moeder Guldratsj en omdat -hun paarden en zijzelf te moe waren om verder te reizen besloten -ze daar te overnachten. Ze konden de deur gemakkelijk genoeg open -krijgen... 't Was daar binnen 'n beetje wanordelijk. Heel anders dan -Abé 't van moeder Guldratsj gewoon was. Hun paarden waren achter de -hut in 'n soort schuurtje onder gebracht. Ze durfden ze niet buiten -te laten. Voor haver had Plachki gezorgd. Zijn paard droeg 'n heele -zak vol achter 't zadel. En ze sliepen allebei uitstekend. Doch niet -zoo lang als ze wel graag gedaan hadden. Voor de zon op ging, zaten ze -al weer te paard. En nu ging 't in één rit door 't bosch naar Pirlapan. - -Karibo en de oude Pirlapan zaten 's avonds na de ontvluchting van -prins Alphabet uit 't raadhuis van Lumkiping, nog maar steeds te -overleggen met de rooverhoofdman en de secretaris. Ze wisten maar niet -wat ze beginnen moesten. De heele stad was ijverig afgezocht en ook de -omtrek. Doch eindelijk kwam er iemand hen vertellen, dat 't gerucht -door de stad ging als zou prins Alphabet gevonden zijn. Dadelijk -gingen ze er op uit. En ze hoorden 't al gauw genoeg. 't Ging als een -loopend vuurtje door de stad. Teleurgestelde prinsezoekers hadden 't -verteld, maar geen mensch wist er 't rechte van. Ze trachten uit te -vinden, wie er 't eerst mee aangekomen was. Dat duurde tot heel laat -'s avonds. Toen brachten 'n paar politiemannen iemand op 't raadhuis, -waar ze bij elkaar zaten, en die wist er alles van, want hij had -'t gehoord die middag van 'n paar jongens ergens buiten de stad. Er -werd hem natuurlijk gevraagd wat 't voor jongens waren. Dat wist -de man niet. Hij had niet gevraagd hoe ze heetten. Hoe ze er dan -uitzagen? Ja, dat kon de man wel vertellen. Uit zijn beschrijving -bleek, dat er een bij was die wel wat op prins Alphabet scheen te -lijken, doch toen de man begon te vertellen hoe die jongen gekleed -was, begrepen ze er weer niemendal van. Prins Alphabet was in z'n hemd -ontvlucht en niemand had de kleeren die de man beschreef, ooit van z'n -leven gezien. Doch 't gekste keken ze op toen de man begon te zeggen, -dat volgens 't verhaal van die jongen, prins Alphabet gevonden was -door iemand die Pirlapan heette. - -"Wel nou nog mooier," riep de oude Pirlapan uit. - -Op dat oogenblik verschenen er voor 't raadhuis 'n stuk of wat ruiters, -'t waren soldaten van de Pomfrietsche lijfwacht, die met de jongste -Pirlapan waren uitgetrokken om te zoeken. Ze hadden gehoord dat -Karibo en Pirlapan in 't raadhuis waren en kwamen nu meedeelen, -dat hun jonge aanvoerder zoek was. - -Toen Karibo en Pirlapan dat vernamen zaten ze met open mond maar zoo -stom als visschen. 't Werd hoe langer hoe gekker. - -Doch de secretaris was op 'n idee gekomen en vroeg aan de soldaten -of z'n paard er nog was. Neen, dat was óók weg en ook nog 'n paard -van een der soldaten. - -"Dacht ik al," zei de secretaris zacht en hij vroeg verder sedert -wanneer de jonge Pirlapan weg was. De soldaten wisten 't niet precies, -doch ze meenden al van de vorige avond af. De secretaris informeerde -toen weer of ze om die tijd ook de twee paarden gemist hadden. Doch -dat wisten de soldaten weer niet. Ze hadden 's avonds hun paarden op -stal gebracht en er verder niet naar omgezien. - -"Jullie kan wel gaan," zei hij tegen de soldaten. - -"Heeren," begon de secretaris, "ik begrijp de heele zaak al. 't Is -me zoo duidelijk als of ik 't zelf gedaan had. De jonge Pirlapan -heeft Prins Alphabet uit 't raadhuis weten te krijgen op de een of -andere manier." - -"Terwijl er zeven van die politiekokkers op hem pasten?" riep -Pirlapan. "Da's onmogelijk." - -"Die politiereuzen hier zijn misschien niet zulke trouwe wakers -geweest als wel noodig was," meende de secretaris. "Bovendien zijn -ze geen van allen erg snugger, en die jonge Pirlapan schijnt me niet -van gisteren te zijn." - -"Nee om de drommel niet," riep Pirlapan, "maar tegen zeven van die -ongeschoren vleeschklompen kan ie 't toch onmogelijk uithouden." - -"Dat bedoel ik ook niet," zei de secretaris, "doch hij is misschien -slimmer geweest dan al die zeven kerels bij elkaar. 't Zou ook kunnen -zijn dat ze alle zeven geslapen hadden." - -"'t Kan toch niet," zei Pirlapan. "Want als Plachki prins Alphabet -bevrijd had, dan zou ie er wel mee naar z'n soldaten gegaan zijn." - -"Dat begrijp ik heel best heer van Pirlapan," zei de secretaris. "Uw -zoon zal de duizend goudstukken alleen hebben willen verdienen." - -Pirlapan gaf met z'n vuist 'n woedende klap op tafel. - -"Zeg eens," bulderde hij, "denk jij dat 'n Pirlapan z'n keizer uit -de gevangenis bevrijdt om duizend goudstukken te verdienen? Man je -beleedigt me... en als je niet zoo'n nietig, sloom stadskereltje was -nam ik je bij je kraag en ik smeet je door 't venster." - -"Bedaar Pirlapan," suste Karibo, "de secretaris kent de Pirlapans -niet en hij beoordeelt de zaak van zijn standpunt nog niet zoo -slecht. De meeste menschen zou 't toch om die duizend goudstukken -te doen zijn hè? Maar ik begrijp ook niet waarom Plachki, àls die -werkelijk prins Alphabet uit 't raadhuis heeft verlost niet naar z'n -soldaten is gegaan." - -"In ieder geval," zuchtte Pirlapan, "maar nu keek hij opeens erg -somber ... zijn er nu al twee zoek." - -De rooverhoofdman had al die tijd voor zich zitten kijken met diepe -rimpels in z'n voorhoofd. Nu stond hij plotseling op en zei: - -"Laat mij maar eens begaan. Ik breng die twee terug zoowaar ik 'n -eerlijke roover ben." - -En vóór iemand iets had kunnen antwoorden, was hij de deur al uit. - - - - - - - - -NEGENDE HOOFDSTUK. - - Waarin de lezer kennis maakt met Brulfros, prins Alphabet moeder - Guldratsj weer terugziet en de roovers 'n leelijke kool stooft. - - -De rooverhoofdman Brambribras, voluit heette hij eigenlijk -Brambribrasbrolbrobranbris want hij was een echte Hukker van voorname -afkomst die aan lager wal geraakt was, sprong zonder dralen op -z'n paard en rende 't bosch in. Hij begaf zich regelrecht naar 't -roovershuis waar hij z'n kameraden dacht aan te treffen. Ze waren -er allemaal. Ze begroetten vol blijdschap hun hoofdman, maar 't viel -tegen, dat ie de duizend goudstukken niet meegebracht had. - -"Mannen," zei Bram, "maak je maar niet ongerust, de duizend goudstukken -zijn ons. Ik heb die heeren wel degelijk 't verblijf van de prins -gewezen, maar nu is die jongen weer op de loop." - -"Wat kan ons dat schelen," zei 'n roover. "Als wij dat geld hebben -kan die prins voor mijn part naar de maan loopen." - -"Beste vriend," zei de hoofdman, "je ben 'n uil. Begrijp je dan niet -dat onze belooning nog veel grooter zal worden wanneer wij die prins -Alphabet werkelijk terug brengen? Misschien... neen zeker krijgen -we allemaal 'n mooie betrekking aan het hof of in het leger en dat -is toch dunkt me heel wat beter dan dat eeuwige rooven en moorden -waarvoor we vandaag of morgen allemaal opgehangen zullen worden." - -"Ik vind rooven veel plezieriger," zei de roover. - -"Nou blijf jij dan roover," antwoordde Brambribras. "Maar ik schei er -uit als ik er kans voor heb. En die kans is er nu. Die oude Pirlapan -en die oude Karibo hebben geen van tweeën verstand van zoeken. Ik -verwed er wat om dat ik precies weet waar die prins Alphabet en die -jonge Pirlapan die 'm zoo netjes uit 't raadhuis van Lumkiping verlost -heeft, naar toe zijn." - -"Waar denk je dan dat ze heen zijn, hoofdman?" vroeg de roover weer. - -"Die twee zijn regelrecht naar Pirlapan." - -"Hoe weet je dat?" - -"Da's mijn zaak. Luister jullie nu eens. Wie mee gaat met me deelt -eerlijk op, en wie niet meegaat die moet 't zelf maar weten. Maar -die hoort niet langer bij mijn rooverstroep, begrepen?" - -"Dan ga ik maar mee..." zei de roover die 't woord gevoerd had en de -anderen waren 't met hem eens. - -"Nu dan vlug," zei Brambribras, "we hebben geen tijd te verliezen." - -Ze stegen allen te paard en reden vroolijk naar Pirlapan. - -Abé en Plachki reden 't laatste eind door 't bosch zoo hard als -ze konden. Abé was ongeduldig. Hij kon de gedachte niet verdragen -dat die oude moeder Guldratsj, die zoo goed voor hem geweest was, -nu juist om hem misschien, in zoo'n donkere kelder van Pirlapan -opgesloten zat. Dat vond ie vreeselijk onrechtvaardig. - -Maar hoe hard ze ook reden 't was toch avond voor ze Pirlapan bereikten -en ze met hun moede paarden voor de ophaalbrug stonden. - -De wachter keek in de schemering eerst eens goed uit voor hij de brug -neerliet, maar toen z'n jonge meester 'n beetje driftig bevel gaf de -brug maar heel gauw neer te laten, herkende de man Plachki en haastte -zich aan 't bevel te voldoen. - -De jongens reden de valbrug over, sprongen van hun paarden, die -onmiddellijk door 'n knecht naar de stal werden gebracht. 'n Oude -dienaar, die bij afwezigheid der Pirlapans slotbewaarder was, bracht -de jongens in hetzelfde groote vertrek waar ze tegen elkaar hadden -gestreden en zei dat ie onmiddellijk voor 'n goed avondmaal zou zorgen. - -"Maar eerst moet je me eens vertellen waar moeder Guldratsj zit," -zei Plachki. - -"Moeder Guldratsj?" - -"Die hier gebracht is door twee van onze mannen". - -"O die ouwe tooverkol". - -"Breng haar onmiddellijk hier" zei Abé... "en als je nog eens durft -te zeggen ouwe tooverkol..." - -"Welzeker," antwoordde de oude dienaar der Pirlapans... "Dat gaat maar -zoo". "Ik heb bevel van mijn heer haar goed achter slot en grendel -te houen..." "En ik zal zeggen wat ik wil..." - -"Houd je bedaard Brulfros," zei Plachki. "Je weet niet tegen wie je -spreekt. Doe wat hij je beveelt." - -"Beveelt?... Beveelt?... Ik laat me alleen wat bevelen door mijn -meester de baron van Pirlapan. Denk jij Plachki en jij vreemde -snoeshaan..." - -"Brulfros houd je mond," riep Plachki opeens boos. "Je staat tegenover -prins Alphabet, de keizer van Huk." - -De oude Brulfros viel haast om van schrik. Met groote oogen en open -mond stond ie daar naar Abé te staren en deze vond 't zóó komiek dat -ie er hardop om begon te lachen en Plachki ook. - -"Kom Brulfros," zei Abé, "kijk me maar niet zoo verschrikt aan, -ik zal je niet opeten. Maar haal nu heel gauw moeder Guldratsj hier." - -"Da... delijk, ... prins..." stotterde Brulfros en toen maakte hij -dat ie wegkwam. - -Abé en Plachki keken hem na en vielen toen allebei naast elkaar op -'n bank. Ze schaterden 't uit. - -"Nou zie je eens Abé hoe de menschen voor je vliegen als je keizer -van Huk ben." - -"Ja maar ik ben bang dat ze niet allemaal zoo gehoorzaam zullen -zijn Plachki." - -"Niet? Nou dat zal je dan wel eens gewaar worden als je maar eenmaal -in Pomfriet ben. Zelfs mijn vader, die hier alles te vertellen heeft, -hier op Pirlapan, die buigt voor je." - -"Nou maar dat wil ik niet hebben. Denk je dat ik allemaal buigende -menschen om me heen wil zien? Dank je wel hoor." - -"'t Hoort zoo Abé. Voor de keizer van Huk, de zoon der goden, -buigt alles." - -"Plachki hoor es," zei Abé vertrouwelijk, terwijl hij z'n vriend de -hand op de schouder legde. "Je moet me wat beloven." - -"Alles prins." - -"Nu laat dat prins maar weg. En beloof je 't eerlijk?" - -"Abé maak nou geen gekheid. 'n Pirlapan kan niet anders dan eerlijk -wat beloven. Wij Pirlapans houden ons woord, al kost 't ons de kop." - -"Word maar niet kwaad driftkop. Je moet me beloven dat je nooit voor -me buigen zal. Nooit hoor." - -"Maar Abé... dat is onmogelijk... Dat kan niet." - -"'t Moet Plachki. Ik kan geen vriend hebben die voor me staat te -buigen. Dat begrijp je toch hoop ik." - -"Ik begrijp het heel goed... maar 't kan toch niet. M'n vader zal -willen dat ik net doe als alle andere Hukkers..." - -"En dat is?" - -"Wel dat ik eerbiedig buig voor de keizer van Huk." - -"Maar als de keizer van Huk 't nou niet hebben wil." - -"Ik... weet 't niet... Abé. 't Lijkt me 'n lastig geval." - -"Nou je hebt 't me beloofd en 'n Pirlapan houdt z'n woord." - -De deur ging open en Brulfros trad binnen met moeder Guldratsj. 't Oude -menschje ging diep gebogen. Abé sprong van z'n bank en 'n oogenblik -later had ie 't oude moedertje in z'n armen. - -"Moeder Guldratsj hier ben ik weer terug... kom gauw zitten... en -zeg me hoe je 't gehad hebt... Ze hebben je opgepakt hè?" - -"Abé.... jongen... ben jij 't?" sprak moeder Guldratsj zacht... - -"Nou of ik 't ben... kom ga nou eerst zitten." - -Abé en Plachki zetten 't oude mensch op 'n bank en gingen aan -weerskanten van haar zitten. Plachki had er 'n beetje moeite mee. Hij -begreep niet goed waarom Abé zoo'n drukte maakte over zoo'n ouwe -arme stakker. Nou ja, dat mensch had Abé verzorgd toen ie gewond -was... Maar nu was diezelfde Abé 'n prins en 'n keizer. Die kon dat -menschje beloonen zonder nou net te doen of 't z'n eigen grootmoeder -was. Maar Abé dacht er op dat oogenblik heelemaal niet aan dat ie -prins Alphabet was. Hij dacht alleen maar aan moeder Guldratsj die -om hem in de gevangenis was geraakt. - -"Toe vertel nou es op moeder Guldratsj. Heb je 't slecht gehad?" - -Brulfros kreeg 't op eens weer benauwd. Verbeeld je dat die ouwe -tooverheks nu eens ging zeggen dat ie niet goed voor d'r geweest -was... en hij had nog wel uit meêlijden zoo goed voor d'r gezorgd -als ie maar kon. - -Moeder Guldratsj veegde met d'r hand de tranen van d'r gezicht en -toen zei ze: - -"Nee mijn jongen... 'k heb 't heel goed gehad... beter dan in mijn -eigen hutje. Die man (ze wees naar Brulfros) was heel vriendelijk -voor me..." - -Brulfros kreeg 'n dankbare blik van Abé en daar knapte de oude -slotbewaarder heelemaal van op. Hij werd er bepaald warm van. Nog -nooit had 'n keizer van Huk hem aangekeken en nu 't voor de eerste maal -van z'n leven gebeurde raakte ie er heelemaal van overstuur. Hij had -altijd gedacht dat ie wel haast door de grond zou zakken als hem eens -'n keizer aan zou kijken, dat ie van schrik zou bibberen en dat ie -zeker op z'n knieën zou vallen. Maar dit keizertje keek heel anders -en vroolijk ging Brulfros aan 't werk om nu eens 'n echt Pirlapansch -avondmaal op te dienen. Doch dit wist Brulfros al vast: àls er eens -iemand kwam om prins Alphabet kwaad te doen... wel sapperloot dan -zou Brulfros 'm bij z'n nek nemen en dan... - -"Ho, ho, Brulfros," riep Plachki, "je hoeft van avond niet zoo'n -leven te maken." - -Brulfros had met 'n zware slag 'n tinnen kan op de eiken tafel -gezet. Hij was in gedachten zeker al aan 't vechten met zoo'n vent... - -"En hoe vind je 't nou, dat ik je hier vandaan kom halen moeder -Guldratsj?" vroeg Abé lachend. - -"Kan je dat Abé?" - -"'k Denk 't wel, anders was ik niet hier hè?" - -"Heb je dan je pleegvader gevonden?" - -"Nee, moeder Guldratsj... 'k moest eerst jou opzoeken. 'k Was namelijk -bang dat ze je hier in 'n kelder gestopt hadden." - -"'k Heb heel niet in 'n kelder gezeten, Abé. Ze zijn heel goed voor -me geweest. Maar vertel me nou es wie ben je toch eigenlijk?" - -"Hè? Wel ik ben voor jou geen mensch anders dan Abé hoor." - -"Vertel 't d'r maar," zei Plachki. - -"Welnee..." - -Moeder Guldratsj keek erg nieuwsgierig en ze luisterde nog -nieuwsgieriger en toen Plachki dat merkte zei hij: - -"Moeder Guldratsj weet je wie d'r naast je zit? Prins Alphabet... de -keizer van Huk." - -Moeder Guldratsj deed precies als Brulfros gedaan had, maar ze hield -ook nog met eten op. 't Leek wel dat ze zich op eens niet meer durfde -verroeren. - -"Had je mond maar gehouden," zei Abé. "Kijk nou es... nou durft ze al -niet meer te eten ook. Keizers zijn zeker allemaal nare menschen, dat -iedereen de schrik om 't hart slaat als ie er een in z'n buurt krijgt." - -"En je vader dan?" zei Plachki lachend. "Was dat ook 'n naar mensch?" - -"Neen, die heelemaal niet." - -"De menschen hebben ontzag voor 'n keizer," zei Plachki weer. "Dat -is het." - -"Maar daarom kunnen ze toch wel door eten," meende Abé. "Kom moeder -Guldratsj trek jij je d'r maar niks van aan hoor. Eet nog maar -wat. Laat mij je nog eens 'n stuk vleesch geven." - -"Ik heb heel geen honger meer... keizer..." - -"Ben je heelemaal mal moeder Guldratsj, ga jij nou al keizer tegen -me zeggen? Geen gekheid hoor. Je zegt Abé, anders word ik kwaad op -je. Zal je 't doen?" - -"Jawel, keizer..." - -"Verroest," zei Abé en Plachki lachte zich haast 'n ongeluk. - -"Hoor eens Plachki, als je nou ooit weer tegen iemand zegt, dat ik -keizer ben, dan kijk ik je nooit meer aan. De menschen worden bang -voor me. Kijk me nou die goeie moeder Guldratsj eens zitten. Je hebt -d'r heele avond bedorven." - -"Niks van aan hoor," zei Plachki. "Wat jij moeder Guldratsj? Ik wed -dat je d'r wat 'n plezier van hebt dat Abé keizer van Huk wordt, hè?" - -"Dat heb ik ook... Ik ben d'r erg blij mee... En nou mag ik zeker -morgen weer naar mijn huisje toe?" - -"Naar dat kleine hutje?" zei Abé... "Nee moeder Guldratsj... ik neem -je mee naar Pomfriet... Je hebt me verzorgd... en nu is het mijn -beurt. Nu zal ik jou verzorgen. Je moet in mijn paleis komen wonen." - -"In... 'n... pa... nee daar krijg je me niet in. Daar hoor ik niet -in thuis." - -"Wel ik ook niet, moeder Guldratsj. Ik heb er ook nog nooit in -gewoond. Dat zal wel wennen." - -"Nee dàt doe ik niet... Je moet me weer naar m'n hutje brengen." - -"Ik hou je bij me, moeder Guldratsj. Je zal er geen spijt van -hebben... Maar laten we nu maar gaan slapen. Ik ben zoo moe als -'n hond. Morgen praten we d'r nog wel eens over.--Brulfros!" - -"Majesteit!" - -Brulfros stond toen ie dat zei als 'n kaars plotseling doodstil met -'n groote tinnen schaal in z'n handen. - -"Begin jij ook al," bromde Abé zacht en toen hardop: "Breng moeder -Guldratsj naar d'r kamer. Ze heeft toch zeker 'n goeie kamer, hè?" - -"In de toren majesteit... onder de pannen." - -"Moet dat oude mensch al die trappen op? Beneden blijven, Brulfros." - -"Tot uw dienst, majesteit." - -Brulfros marcheerde voorop met 'n schaal en moeder Guldratsj volgde -met Abé die haar onder de arm genomen had. - -"Slaap maar lekker moeder Guldratsj," zei Abé toen ze voor de kamer -stonden waar Brulfros hen heen bracht. "Wel te rusten." - -"Genacht jongen," zei moeder Guldratsj zacht. - -En toen ze dat zei pakte prins Alphabet 't ouwe mensch om de hals. - -"Dat hoor ik liever moeder Guldratsj. Je ben mijn grootmoedertje -hoor. Of ik keizer van Huk ben doet er niemendal toe." - -Brulfros stond met de uiterste verbazing op eerbiedige afstand toe -te kijken. Dat was me 'n raar keizertje hoor. Maar eentje om van -te houen... dat stond vast. En als er eens een kwam die 'm... nee -maar... Brulfros voelde dat ie al woedend werd alleen bij de gedachte, -dat er iemand 'n vinger zou durven uitsteken naar 't keizertje dat -daar stond met zoo'n oud moedertje in z'n armen. - -Abé rustte die nacht heerlijk in 't bed, waarin hij bij z'n eerste -verblijf op Pirlapan had geslapen. Bij de roovers was z'n slaapplaats -de stal geweest en daarna had ie de nachten doorgebracht tusschen de -twee geiten bij de boer en in 't hok op 't raadhuis te Lumkiping en -in moeder Guldratsj wanordelijke hutje waar 't er raar had uitgezien, -omdat de oude vrouw er zelf niet was. En daarvoor had hij geslapen -onder de bloote hemel als 'n bedelaar. Nu zou 't in 't vervolg wel -beter zijn. Morgen zou hij weer dezelfde weg gaan naar Pomfriet. Doch -nu niet meer als 'n onbekende jongen die z'n pleegvader zocht maar -als prins Alphabet. Hij had maar te spreken en iedereen stond voor -hem klaar met alles wat hij wenschte. En in Pomfriet wachtte iedereen -op hem om hem toe te juichen als de keizer van Huk. Ergens onderweg -zou hij Karibo en de overige Pirlapans, de lijfwacht en wie weet wat -nog meer ontmoeten. Hij en moeder Guldratsj en Plachki zouden met hun -drieën gezellig tezamen de reis doen. Natuurlijk moest ie er wat op -verzinnen voor moeder Guldratsj. Dat oude mensch kon niet te paard -de tocht mee maken. 'n Draagkoets dat was nog 't beste voor haar, -als er tenminste zoo'n ding op Pirlapan te vinden was. Er waren geen -vrouwen op Pirlapan, behalve misschien wat ondergeschikten, maar die -had Abé nooit gezien. Pirlapan z'n vrouw was zeker al lang dood en -'t zou dus wel 'n wonder zijn als er 'n draagstoel of zoo iets op -Pirlapan aanwezig was. Daar zou Abé echter de volgende dag eens met -Plachki over spreken of met Brulfros, die wel 'n goeie kerel leek. - -Dat waren allemaal dingen waaraan Abé dacht voor hij insliep en -waarvan hij droomde daarna. - -Maar toen hij lekker uitgeslapen de volgende ochtend met Plachki -en Brulfros over die draagkoets begon, zeiden ze haast tegelijk, -dat er nog nooit zoo'n ding op Pirlapan geweest was en dat er ook -wel nooit een komen zou. Plachki's moeder, de barones van Pirlapan -had paard gereden. - -"Weet je wat," zei Brulfros... "als uwe majesteit die oude vrouw dan -met alle geweld mee wil hebben--ofschoon ze hier best nog 'n poosje -blijven kon,--dan moet ze maar gebruik maken van onze ouwe ezel. Da's -'n tam dier en niet zoo hoog op z'n pooten. Misschien kan ze daar -wel op rijden." - -"Dat is misschien nog niet zoo kwaad," zei Abé. "Maar hebben jullie -geen wagen?" - -"Ja wagens genoeg," zei Plachki. "Allemaal karren en paarden om ze -te trekken ook. Maar 't zijn geen mooie hoor. Mooie wagens hebben we -heelemaal niet en onze beste paarden gebruiken wij niet voor de kar." - -"Dat begrijp ik, 't zou zonde zijn." - -"Heer," zei nu de oude Brulfros, "mag ik u 'n raad geven? Ik ben oud -en heb ondervinding." - -"Ga je gang Brulfros." - -"Laat mij te paard stijgen om de heer van Pirlapan en Karibo op te -zoeken. Laat desnoods Plachki met me mee gaan, doch blijf zelf hier." - -"Dank je wel voor je goeie raad Brulfros, maar dat doe ik niet. Wat -denk jij er van Plachki?" - -"Je moet 't zelf weten Abé. Jij ben de baas en ik doe wat je -beveelt. Alleen heb ik er niet veel mee op om met dat oude menschje -te reizen. 't Is net of je 'n stuk lood aan je been bindt om te -gaan wandelen." - -"We zullen 't haar zelf vragen," antwoordde Abé. "Ze wil niet graag -hier blijven, dat weet ik zeker." - -"Maar je kan haar toch bevelen hier te blijven," meende Plachki. - -"Ik moeder Guldratsj iets bevelen? Ben je niet wijs Plachki... Nee -hoor, die mag d'r eigen zin doen..." - -Plachki haalde de schouders op. Hij begreep nog altijd maar niet hoe je -zoo'n drukte kon maken voor zoo'n oud besje, dat niets te beduiden had. - -Eindelijk kwam moeder Guldratsj. Brulfros was haar gaan halen. Hij -had 't goed begrepen. Moeder Guldratsj durfde niet ongeroepen naar -Abé te gaan, nu ze wist wie hij was. - -"Malligheid moeder Guldratsj," zei Abé toen hij er van hoorde. "Ik ben -nog precies dezelfde hoor. En vertel me nu eens, wil je hier blijven -of ga je met me mee naar Pomfriet? De reis is niet gemakkelijk. Later -kan ik je laten halen en dan reis je zoo plezierig mogelijk, daar -zal ik wel voor zorgen." - -"Ik wil graag mee Abé, maar niet naar Pomfriet. Als je me 'n plezier -wil doen breng me dan weer naar m'n hutje." - -"Nou goed dan," zei Abé. "We zullen je naar je hut brengen. Maar -later kom je bij me, hè? Beloof je me dat moeder Guldratsj?" - -'t Oude menschje was zoo blij, dat ze weer naar haar hutje zou gebracht -worden, dat ze grif beloofde later wel naar Pomfriet te gaan. - -"En kan je op 'n ezel rijden?" vroeg Abé. - -"Jawel jongen heel goed." - -"Dat is dan in orde. Dan gaan we maar dadelijk op reis." - -"Dat kan niet heer," zeide Brulfros. "Ik moet 't zadel van de ezel -nog in orde maken. 't Kan niet voor morgen." - -"Nou goed dan gaan we morgen." - -"En dan gaan wij vandaag 'n beetje op jacht hè?" stelde Plachki -voor. "Ik verlang naar 't bosch en ik zou wel eens willen zien of je -de jachtspeer net zoo goed hanteert als 't zwaard." - -"Dat vind ik uitstekend Plachki." - -"Hoeveel man moeten er mee heer?" vroeg Brulfros. - -"Asjeblieft geen een Brulfros," zei Abé. "Of heb jij liever dat er -nog meer meegaan Plachki?" - -"Neen we kunnen 't best alleen af." - -"Dan maar 'n paar stevige paarden Brulfros." - -"Ik zal de beste van de beesten die we nog thuis hebben laten zadelen, -want de goeie hebben ze eigenlijk allemaal mee." - -"Gekheid Abé, geloof hem maar niet. We hebben nog goeie genoeg. Je -moet de twee jonge zwarten maar uit 't land halen Brulfros." - -"Mij goed heer," zei Brulfros... "maar die zwarten zijn nog wel 'n -beetje wild voor de jacht, en misschien nog wat schuw voor de wolven -of voor 'n beer." - -"Daar moeten ze dan maar aan wennen Brulfros. Ik zal die zwarten halen, -of heb jij liever 'n tammer beest Abé?" - -"Ik? Welnee... 'k Zal 't met 'n zwartje wel klaar spelen denk ik." - -'n Half uur later reden de twee vrienden op hun dartele vurige rossen -met de jachtspeer in de vuist de valbrug over. - -Natuurlijk had Plachki achter op z'n paard eten voor de heele dag -bij zich. 'n Pirlapan zonder eten, dat ging niet. - -De roovers waren die morgen net in de buurt van Pirlapan aangekomen -en nu troffen ze het, dat ze verborgen achter 't kreupelhout de twee -jagers juist zagen wegrijden. De hoofdman had schik, want nu bleek -'t dat ie goed geraden had. Maar voor de rest stond ie nu toch voor -'n moeielijk geval, want hij wist eigenlijk niet wat ie beginnen -moest. Met z'n allen die twee jongens overvallen was 'n klein kunstje, -maar dat wilde Bram niet. Want dan liep hij de kans dat er gevochten -zou worden en dan kon 't best gebeuren, dat een van die twee of -misschien wel allebei gewond werden. Dat mocht natuurlijk niet. Stel -je voor dat ie de prins bij Karibo bracht of Plachki bij z'n vader, -nadat ze hen eerst hadden toegetakeld! Ja als ze ongewapend geweest -waren! Maar ze hadden ieder 'n jachtspeer en 'n zwaard. En 't waren -er geen jongens naar om die dingen ongebruikt te laten, als 't -noodig was. Hij zou kunnen probeeren hen te volgen net zoo lang tot -ze van hun paarden kwamen om uit te rusten. Dan had ie misschien 'n -kansje. Maar 't beste was voorloopig toch nog maar een van z'n mannen -terug te zenden met 'n boodschap naar de oude Pirlapan. Dan wist die -tenminste waar hij de prins kon komen halen. Dat deed ie dan ook, -en hij liet de twee jagers ongemoeid. De roover die 't beste paard -bereed werd teruggezonden naar Lumkiping en de rest nam 't er van -om goed verborgen tusschen de struiken 'n beetje uit te rusten. De -roovers sliepen in 'n wip. Maar Brambribras hield de wacht en hij -deed daarbij de heele morgen niets dan nadenken over 'n plan om die -twee in z'n macht te krijgen op 'n eerlijke manier. Bram bedoelde -daarmee natuurlijk alleen maar, dat ie ze zonder gevaarlijke vechterij -gevangen wilde nemen. Er viel hem evenwel niets in dat uitvoerbaar -was zonder kans op ongelukken en tegen de middag was ie van al dat -plannen maken zoo moe dat ie ook in slaap viel. - -En dat was z'n ongeluk. - -In de namiddag keerden Abé en Plachki terug. Ze hadden 'n slechte -jacht gehad. Geen wolf of beer hadden ze te zien gekregen. Plachki -zei, dat ze de honden hadden moeten meenemen. Die zouden 't wild wel -opgejaagd hebben. Hij vond 't heel niet pleizierig zonder buit naar -huis te komen. Abé was er niet zoo grommig om. Hij had heerlijk 'n -dagje gereden op z'n zwartje dat alles behalve mak geweest was. Maar -nu had hij 't beest onder de knie en 't liep als 'n lammetje. - -Heel toevallig kwamen ze de kant uit waar de roovers lagen te -slapen. Hun paarden waren vastgebonden aan de boomen en sliepen -ook. Ze zouden er waarschijnlijk niet veel van gemerkt hebben, als hun -eigen paarden de slapende kameraden niet geroken hadden en daardoor -'n beetje onrustig geworden waren. - -"Ik moet toch eens even gaan kijken, wat daar is," zei Plachki. "'n -Wolf is 't niet, want dan doen de paarden anders." - -"St," zei Abé zachtjes. "Ik zie paarden en..." - -"Nou?" vroeg de ander. - -"Ik geloof dat ik ze ken..." - -De roovers hadden 'n zwart paard met een witte voet en 'n bruine met -'n kol, zoo'n witte vlek op z'n voorhoofd. Die zou Abé uit duizenden -herkend hebben. 't Waren paarden, die ze van de boer geroofd hadden. - -"Wie zijn 't?" vroeg Plachki fluisterend. - -"De roovers uit 't bosch bij Lumkiping." - -"Ik zie ze," zei Plachki... "Ze slapen. Stilletjes wegrijden hè? Er -zijn er te veel." - -"Hou m'n paard eens even vast," zei Abé. - -"Wat ga je doen? Pas op hoor." - -Abé gleed heel zacht van z'n paard en sloop als 'n dier uit 't bosch -naar de paarden der roovers. Die beesten kenden hem nog wel. Hij had -ze veertien dagen lang verzorgd en ze werden heel niet opgeschrikt, -toen Abé handig de een na de ander de toom stuk sneed. Hij deed 't -zoo voorzichtig, dat er geen bit rinkelde. Abé keek voortdurend naar -de slapende roovers uit. Die verroerden geen vin. En even onhoorbaar -sloop hij terug naar Plachki, die met groote oogen had toegekeken, -terwijl Abé bezig was. - -De jonge Pirlapan was 'n durfal, zooals alle Pirlapans, en natuurlijk -had hij verbazend veel plezier in de poets die Abé de roovers speelde. - -"Hoe vind je 'm?" fluisterde Abé. En toen zat hij zelf weer in 'n wip -te paard. 't Kon hem nu niet meer schelen of de roovers hen hoorden of -niet en 'n oogenblik later reden ze zoo hard ze konden naar Pirlapan. - -"Die is prachtig," riep Plachki toen ze de valbrug over waren. "Maar -nu komt Pirlapan aan de beurt." - -"Wat wou je dan beginnen?" vroeg Abé. - -"Hallo Brulfros!" riep Plachki. "Brulfros!!" - -"Wat is er Plachki," riep Brulfros terug, die haastig kwam aanstappen. - -"Gauw Brulfros, zooveel man te paard als je bij de hand hebt... Maar -gauw hoor." - -"Wat... wat is er aan de hand?" - -"Zal je wel zien..." - -Brulfros deed wat hem gezegd was en nu werd 't op de binnenhof van -Pirlapan 'n woelige boel. Tien Pirlapanners haastten zich als dollen -om zich te wapenen en te paard te stijgen en Brulfros deed maar niets -dan schreeuwen: "Vooruit, vooruit... Maak voort mannen." - -Nou voortmaken, daar wisten ze op Pirlapan alles van. Vooral als er -zooals nu, wat te doen scheen waar ze 'n beetje bij konden vechten. - -'n Kwartier later zaten de mannen te paard, in hun ijzeren -kettinghemden en 't zwaard op zij, en Brulfros zoo oud als ie was, -reed vroolijk vooraan. - -Nu legde Plachki hen uit wat ze te doen hadden. Hij duidde hen de -plek aan waar de roovers waren en hij gaf bevel, dat ze allemaal naar -Pirlapan gebracht moesten worden. - -"Dood of levend," antwoordde Brulfros, "over 'n uur zijn ze hier." - -"Plachki," zei Abé, "je blijft bij mij hoor." - -"Ik hier blijven? Neen maar..." - -"De prins heeft gelijk, Plachki," zei Brulfros. "Je ben maar in -'n jachtbuis en die roovers zullen zich wel niet zonder slag of -stoot overgeven." - -"Dan trek ik gauw 'n kettinghemd aan," riep Plachki. - -"Neen Plachki, dat doe je niet," zei Abé. "Wij samen rijden -achteraan... Dan kunnen we 't spelletje aanzien." - -"Da's flauw hoor. Zelf ging je er wel zoo op los." - -"Ja maar toen sliepen ze," zei Abé lachend. "Ze zullen nu wel wakker -worden, denk ik." - -Plachki was uit z'n humeur, maar als 'n echte Pirlapan gehoorzaamde -hij, en toen de troep Pirlapanners in woeste vaart 't bosch in reed, -volgden de twee jongens in 'n gemakkelijk drafje. Ze wilden toch niet -veel te laat komen. - - - - - - - - -TIENDE HOOFDSTUK. - - Waarin de roovers ergens terecht komen waar ze 't niet best hebben, - moeder Guldratsj weer naar d'r hutje gebracht wordt onder 't zingen - van 't Pirlapanlied en prins Alphabet 'n bode van Karibo ontmoet. - - -Brambribras was er toch wakker van geworden, maar in z'n -slaapdronkenheid meende hij, dat z'n eigen paarden 'n beetje leven -gemaakt hadden en lette er verder niet op. 'n Poos later hoorde -hij evenwel 't gestamp der hoeven van de Pirlapansche paarden op de -valbrug. Hij zat rechtop. Maar 't werd weer stil en toen ging ie maar -weer op z'n rug liggen om nog eens na te denken over z'n plannen. 't -Was toch vervelend, dat je nou maar niemendal bedenken kon om die twee -jongens te pakken te krijgen! Er kwam 'n roover overeind en even later -nog een. Die luisterden allebei, op hun elleboog geleund. Brambribras -zag het en toen luisterde hij ook. Er was geluid in 't bosch! - -"D'r komen paarden hoofdman," zei een van de roovers opstaand. "Ik zal -'t mijne maar vast losmaken." - -"En ik," zei nummer twee. - -"Op mannen!" riep Brambribras. "Te paard!" - -Nu waren ze allemaal in 'n ommezien wakker en bij hun paarden. Ze -grepen naar de leidsels. Het was niet de eerste keer in hun leven, -dat ze zoo hals over den kop uit hun slaap opgeschrikt te paard -moesten springen om hun leven te redden. Ze hadden nu eenmaal 'n -gevaarlijk baantje. Even als zij de reizigers onverhoeds overvielen, -gebeurde 't hen ook dat ze overvallen werden. En nog nooit waren ze in -zoo'n geval hun hoofd kwijt geweest. Vooral Brambribras, hun hoofdman, -behield z'n tegenwoordigheid van geest onder alle omstandigheden. Maar -nu stonden ze plotseling allemaal radeloos met die losse toomen in -hun hand. Wat moet je met 'n paard beginnen, als je 't niet besturen -kan? Zelfs Brambribras wist er niets anders op, dan in de struiken -te vluchten. En de overige roovers deden hun hoofdman na. Ze lieten -hun onbruikbare paarden in de steek en gingen er van door. - -Brulfros was echter ook niet van gisteren. Die had op zoo iets wel -gerekend en daarom had ie z'n Pirlapanners de plek waar de roovers -kampeerden laten omsingelen en nu reden ze van alle kanten er op los, -en ze schreeuwden zoo hard ze konden: "Pirlapan! Pirlapan!" - -Er was geen ontkomen aan. Alle roovers werden zonder slag of stoot -gevangen en Abé met z'n vriend kwamen net nog vroeg genoeg om te -zien dat zelfs Brambribras zich niet eens verdedigde maar zich als -'n schaap aan de Pirlapanners overgaf. - -"Wat 'n lafaard," zei Plachki. "Bah!" - -"'t Zijn ook maar roovers Plachki." - -"Nou ja ... maar daarom hadden ze toch hun leven zoo duur mogelijk -kunnen verkoopen. Zijn dat kerels! Ouwe wijven zijn 't." - -"Je vergeet dat ze niets aan hun paarden hadden hè!" - -"Da's waar. Dat was 'n slimme streek van je." - -De roovers werden naar Pirlapan gebracht en verhuisden regelrecht -naar de ongezelligste plekjes die ze er in Pirlapan op na hielden: -de kelders. Daar was 't vochtig, kil, donker en naar. Wie daar in -terecht kwam was binnen vijf minuten z'n vroolijkheid kwijt. De -roovers keken dan ook alles behalve vriendelijk toen ze er heen -gebracht werden. Behalve Brambribras. Die scheen er niemendal om te -geven. Daar begreep geen mensch wat van. Maar geen mensch wist ook iets -van dat papiertje door Karibo geschreven en waarin deze en Pirlapan -hem niet alleen de duizend goudstukken beloofden maar bovendien ook -straffeloosheid voor hem en z'n kameraden. Daarvan had ie niet eens -iets tegen z'n eigen roovers gezegd. 't Kostbare papier was veilig -opgeborgen in de voering van z'n rechterlaars. - -"Ziezoo," zei Abé 's avonds, "die schurken zitten alvast goed -opgeborgen. Wat zouden ze hier in de buurt gezocht hebben?" - -"'k Weet 't niet Abé. 't Komt me voor, dat ze op jou loerden. Maar -als je 't graag weten wil zal ik wel even tegen Brulfros zeggen, -dat ie de hoofdman even hier haalt." - -"Laat maar zitten hoor. 'k Stel heelemaal geen belang in die -vent. Alleen ben ik blij, dat ie in zoo'n Pirlapansche kelder zit. Ik -hoop dat ie z'n straf niet ontgaan zal. Niet omdat ze mij 'n veertien -dagen als knecht gebruikt hebben. Dat was heelemaal zoo erg niet, -maar omdat ze die boer vermoord hebben. Dat was gemeen." - -"Dat was 't ook... Maar dat ze jou als hun slaaf behandelden was toch -nog veel erger." - -"Hè???" - -"Ja natuurlijk. Je ben toch prins Alphabet, de keizer van Huk." - -"Och dat wisten die kerels immers evenmin als ik. Ik was niets anders -dan 'n berooide landlooper." - -"Doet er niet toe majesteit," zei Brulfros die eerbiedig achter de bank -stond, waarop Abé zat. "Doet er niks toe. Ze hebben de wettige keizer -van Huk voor stalknecht gebruikt en daarvoor verdienen ze de dood." - -"Brulfros je ben 'n rare kerel," zei Abé. "Ik zal jou maar nooit tot -rechter aanstellen, want dan bleven er niet veel levende Hukkers over." - -"Voorloopig krijgen ze alvast geen eten," zei Brulfros grimmig. "Ik -zal het hen wel inpeperen uwe majesteit." - -"Brulfros wil je me 'n plezier doen? Breng die schurken dan gauw eten, -want ik geloof dat ze wel honger zullen hebben." - -"Eten brengen? Aan... die... gemeene... roovers?" - -"Wel ja Brulfros, 'n roover heeft net zoo goed honger als jij en ik." - -"Nou als uwe majesteit 't beveelt..." zei Brulfros... "Maar van mij -kregen ze geen korst brood hoor!" - -"Doe 't maar voor mij Brulfros. Ik vind honger hebben 'n akelig ding." - -Toen Brulfros weg was zei Abé tegen z'n vriend: "Die Brulfros zou ze -waarschijnlijk hebben laten doodhongeren, hé?" - -"Misschien wel Abé. We zijn hier op Pirlapan zoo goedhartig niet." - -"Je doet er anders heelemaal geen kwaad mee Plachki, als je iemand -'n stuk brood geeft al is ie 'n schurk." - -"Als je er zoo over denkt Abé, dan zullen de roovers en de dieven en -al dat andere gespuis er wel plezier van hebben dat jij keizer wordt -van Huk." - -"Dat weet ik nog niet hoor. 't Kan ze mettertijd wel eens -tegenvallen. En hoe zullen we nu morgen doen?" - -"Naar Pomfriet gaan natuurlijk. Brulfros heeft 't zadel voor de ezel -klaar. Moeder Guldratsj kan er heel gemakkelijk op zitten." - -"Dan gaan we maar vroeg op weg. Ik ben toch 'n beetje verlangend naar -Karibo. Laten we dan nu maar gaan slapen." - -De volgende morgen keek Abé een beetje vreemd op toen hij met Plachki -op 't binnenplein verscheen. Hun paarden stonden klaar en moeder -Guldratsj' ezeltje ook. Maar Brulfros had tien onderhoorigen van -Pirlapan, allemaal stevige jongens van 'n kettinghemd en 'n ijzeren -hoed voorzien en natuurlijk gewapend met speer en zwaard, te paard -opgesteld. Dat was de lijfwacht die Brulfros voor prins Alphabet -onder de zonen der Pirlapansche boeren had uitgezocht. Volgens de oude -slotbewaarder mocht 'n keizer van Huk niet zonder geleide reizen. Dat -was niet deftig genoeg en bovendien meende hij dat z'n meester 't hem -kwalijk zou nemen als hij de prins en Plachki er weer alleen op uit -liet trekken. De kerels die gisteren de roovers overvallen hadden -kon hij niet missen. Hij had mannen noodig om 't kasteel te helpen -bewaken en om de arbeid op 't veld te verrichten. Maar de jongens, -die hij uitgezocht had mochten zich toch ook laten zien en ze zouden, -als 't noodig was er even goed opslaan, want 't waren dan toch ook -Pirlapanners. - -Abé bekeek z'n nieuwe lijfwacht eens. 't Viel hem mee. Ze zaten goed -te paard en ze hielden hun speren zoo dat je zien kon, dat ze niet -voor de eerste maal van hun leven zoo'n ding in de hand hadden. - -"Daar zorgt vader wel voor," zei Plachki. "Iedere jongen van Pirlapan -moet met de wapens leeren omgaan. Je zou eens zien als 't er op aan -kwam hoe ze d'r op zouden troeven." - -"Ik geloof dat jullie op Pirlapan niets liever doet dan vechten hè?" - -"Jagen doen we ook graag... en werken ook. Maar vechten doen we -'t liefst... Altijd als er wat te vechten is." - -"Hoe bedoel je dat Plachki?" - -"Wel we gaan niet uit vechten tegen iedereen. We zijn geen roovers. Wij -vechten voor de keizer van Huk. En dan vechten we natuurlijk ook als -de een of ander wat van Pirlapan hebben moet." - -"Hè?" - -"Da's 'n paar jaar geleden nog gebeurd. Toen wou 'n buurman de -baron van Klatsjbidronpeerdrups zich 'n stuk bosch van Pirlapan -toeëigenen. Nou daar moet je net mee bij vader aankomen." - -"Is er toen gevochten?" - -"Niet zoo'n klein beetje. Ik was nog te jong om mee te doen. Maar ze -halen er nog dikwijls genoeg van op." - -"En Pirlapan won het hè?" - -"Natuurlijk. Ze kregen op d'r kop en Klatsjbidronpeerdrups werd -gevangen genomen." - -"En hoe lang hielden jullie 'm?" - -"'k Geloof dat ie nog hier of daar in 'n kelder van Pirlapan zit." - -"Maar z'n vrouw en kinderen dan? Of had ie-die niet?" - -"Jawel. Die zijn gevlucht naar keizer Sutrebor, geloof ik." - -"Staat 't kasteel van Klatsjbidronpeerdrups dan leeg?" - -"Nee, dat is er niet meer. Dat hebben de Pirlapans verbrand." - -"Maar 't land dan?" - -"Dat hebben wij. Dat hoort tegenwoordig bij Pirlapan." - -"En liet keizer Sutrebor dit alles maar toe?" - -"Die heeft 't hart niet dat ie deze kant uitkomt. Vader moet niemendal -van hem hebben." - -"Hoor eens Plachki, ik vind 't niet erg mooi van je vader, dat ie..." - -"Pf," kwam Plachki. "Als Klatsjbidronpeerdrups 't gewonnen had, -had ie met ons net eender gedaan." - -"En of," zei Brulfros. "Die Peerdrups was ook geen gemakkelijk -heerschap. We zouden 't slecht bij 'm gehad hebben. Hij heeft -z'n verdiende loon. Moet ie maar niet met Pirlapan overhoop gaan -liggen. Dat is nog nooit iemand goed bekomen." - -Abé reed zwijgend met Plachki en moeder Guldratsj aan 't hoofd van -z'n kleine lijfwacht de valbrug over en 't bosch in. Abé scheen -niet veel lust te hebben die morgen om veel te praten. Wel 'n half -uur reed hij door zonder iets te zeggen. Hij dacht aan die arme -Klatsjbidronpeerdrups, die nu al eenige jaren in zoo'n Pirlapansche -kelder opgesloten zat. 't Was slecht van die baron geweest om 'n -stuk van Pirlapans bezittingen te willen opslokken en daarvoor had -hij 'n zware straf verdiend. Maar zóó zwaar als Pirlapan die man -strafte, dat vond Abé toch wel 'n beetje al te hard. Te oordeelen -naar de wijze waarop Plachki en Brulfros er over spraken, leek 't -wel, dat heer Peerdrups geen kans meer had ooit 't zonlicht weer te -aanschouwen. En dat vond Abé verschrikkelijk. Maar er was niets aan -te doen. Pirlapan was 'n machtig heer. Zelfs keizer Sutrebor had -'t niet gewaagd hem onder handen te nemen. - -Maar toch nam hij zich voor, als hij er eens ooit kans toe kreeg, -'n goed woordje te doen voor Klatsjbidronpeerdrups. - -Langzamerhand raakte Abé weer aan 't praten met Plachki en moeder -Guldratsj, die maar piekfijn op d'r ezeltje zat. Brulfros had 'n heel -gemakkelijk zadel voor 't oude vrouwtje gemaakt en ze was er wat blij -mee. Doch dat kwam vooral omdat ze weer naar d'r oude hutje terugging, -waar ze jaren en jaren gewoond had. - -'t Was bepaald 'n plezierreisje voor allemaal en 't duurde niet lang -of de heele troep zong de vroolijkste liedjes. En natuurlijk vergaten -ze niet te zingen het lied van Pirlapan. Plachki zong voor en alle -Pirlapanners vielen in met 't refrein: - - - Toen Keizer Napo was gevlucht - Voor 't stadsvolk van Pomfriet, - Dat Sutrebor tot keizer nam, - Sprak Pirla, Pirla, Pirlapan: - Die keizer wil ik niet. - Refr. Geen mensch die Pirlapan belet, - Om trouw te zijn aan Alphabet, - Aan 't prinsje Alphabet. - - Doch Sutrebor schreef uit Pomfriet - Een vriendelijke brief. - Ik moet niets van je hebben man, - Sprak Pirla, Pirla, Pirlapan - Al doe je nog zoo lief. - Refr. Geen mensch die Pirlapan belet - Om trouw te zijn aan Alphabet, - Aan 't prinsje Alphabet. - - Als jij wat van me hebben wil - Kom zelf naar Pirlapan - En vecht zoo dapper als je kan, - Want Pirla, Pirla, Pirlapan - Die staat nog best z'n man. - Refr. Geen mensch die Pirlapan belet - Om trouw te zijn aan Alphabet, - Aan 't prinsje Alphabet. - - Maar komt ons prinsje ooit terug - In 't vaderlijk gebied, - Pas dan maar op voor Pirlapan, - Want Pirla, Parla, Pirlapan - Die brengt hem naar Pomfriet. - Refr. Geen mensch die Pirlapan belet - Om trouw te zijn aan Alphabet, - Aan 't prinsje Alphabet. - - -Daar had Abé schik van en niet minder moeder Guldratsj. Ze zongen -allebei 't refrein zoo hard ze konden mee ofschoon moeder Guldratsj -d'r stem leelijk versleten was en ze de wijs ook niet houden kon. Maar -dat hinderde niemendal. De rest zong zooveel te beter. - -Dat Pirlapanlied werd die dag heel wat keertjes gezongen en toen -ze eindelijk laat in de avond bij moeder Guldratsj' hutje waren, -zongen ze 't voor de deur nog eens tot afscheid. - -Moeder Guldratsj was blij, dat ze weer thuis was en ze zei dat ze nu -niet beter verlangde. Maar Abé wou daar niemendal van weten en hij -verzekerde haar dat ie d'r vast en zeker zou komen halen. - -"Nou ja, doe 't dan maar," zei moeder Guldratsj vriendelijk. Ze dacht: -Als ie eenmaal in Pomfriet is en als keizer op de troon van Huk zit -vergeet ie 't misschien toch wel. Ze had met alle geweld willen hebben -dat Abé en Plachki die nacht onder haar dak zouden doorbrengen, doch -Abé verlangde nu toch veel te hard naar 't oogenblik dat ie Karibo zou -terug zien en ze besloten dus maar door te rijden. Ze deden 't ook, -doch na 'n paar uur waren ze toch wel 'n beetje moe en de paarden -ook. Toen deden ze maar als soldaten in de oorlog. Ze stegen af en ze -sliepen in 't gras. Plachki zette echter heel ernstig 'n schildwacht op -post. Daaraan had Abé heelemaal niet gedacht en hij lachte er ook nog -om. Hij vond 't onnoodig maar Plachki zei, dat 't zoo hoorde. En als -'n Pirlapan zei, dat iets zoo hoorde, dan moest 't maar gebeuren ook. - -'s Morgens in de vroegte aten ze 'n stuk droog brood, omdat ze -niets anders hadden, en toen gingen ze weer op marsch. En 't ging -weer net als de vorige dag. Abé had werkelijk nog nooit zoo prettig -gereisd. Hij vond om te beginnen, dat keizer van Huk te zijn nog niet -zoo'n onplezierig baantje was, en dat zei ie ook tegen Plachki. - -"Als je in Sutrebor z'n schoenen stond, zou je er wel anders over -denken. O wee, als m'n vader die kerel te pakken krijgt!" - -"Je vader wil geloof ik iedereen te pakken hebben hè?" zei Abé lachend. - -"Alleen maar de lui waar ie 't land aan heeft. De rest laat ie wel -met vree." - -"Dan is 't maar te hopen voor Sutrebor, dat ie 'n beetje uit de buurt -van Pirlapan blijft." - -"En hier uit de buurt," zei Plachki dapper. - -"Wou jij Sutrebor met tien man verslaan? 't Is maar goed, dat ie wijd -weg is." - -"Zoo wijd is dat niet Abé. Hij voelde zich niet meer veilig in Pomfriet -en toen is ie maar naar z'n kasteel gegaan. Doch dat ligt hoogstens -'n paar uur aan de andere kant van de hoofdstad. Hij zou er gauw -genoeg weer kunnen zijn." - -"Had ie dan geen soldaten?" - -"Jawel, maar niet zoo'n groot leger. De Huksche baronnen hadden bijna -allemaal genoeg van hem. Die deden net als vader en wouen niemendal -van hem weten. In 't begin nog wel natuurlijk, anders had ie heelemaal -geen kans gehad om 't zoolang op de troon van Huk uit te houen. Dat -begrijp je hè?" - -"Nou niet zoo heel best. Ze hadden toch keizer Napo terug kunnen -roepen dunkt me." - -"Ja, hoe dat komt weet ik ook niet." - -Tegen de avond kwamen ze 'n ruiter tegen, 'n Pirlapanner, die met -'n boodschap kwam van Karibo en Pirlapan. - -Dat was 'n verrassing, en Abé begon al dadelijk te vragen hoe Karibo -'t maakte. - -"Heel goed," zei de bode, "maar..." - -"Geen maren asjeblieft." - -"Maar prins ik moet toch m'n boodschap overbrengen!" - -"Da's waar. Voor de dag er mee." - -Nu haalde de bode 'n brief uit z'n tasch en Abé verbrak dadelijk -'t zegel en begon te lezen. - -"Nou da's ook geen plezierige tijding," zei hij eindelijk tegen -Plachki. "We moeten naar Pirlapan terug. Karibo schrijft: - - - "Beste Abé, ik hoor van een der mannen van Brambribras, dat - je veilig in Pirlapan zit. Blijf daar maar 'n poosje tot we - je komen halen. De zaak gaat niet zoo voorspoedig. Als we je - eenigen tijd geleden, toen de Pomfrietsche heeren bij ons waren, - hadden aangetroffen zou alles anders geloopen zijn. Nu zijn die - domme ezels in Pomfriet teruggekeerd en hebben daar verteld - dat er heelemaal geen prins Alphabet was, dat wij, Pirlapan - en ik bedriegers waren en 't gevolg daarvan is geweest, dat - de Pomfrieters zich maar weer hebben onderworpen aan Sutrebor, - die nu weer in Pomfriet zit. - - Je toegenegen, - Karibo. - - P.S. Je kan Brambribras vertrouwen. Hij zal je met z'n mannen - beschermen als 't noodig is. We komen zoo gauw mogelijk zelf." - - -"Hoe vind je dat?" zei Abé. - -"'t Eerste vind ik heel natuurlijk. Op die stedelingen kan je nooit -vertrouwen. Maar 't laatste vind ik prachtig." - -En Plachki lachte zoo hard, dat de bode hem verbaasd aankeek. - -"Je hebt gehoord wat er in die brief staat?" vroeg Plachki de bode -toen ie 'n beetje uitgelachen was. - -"Jawel Plachki," zei de man. "Ik heb m'n ooren niet in m'n zak." - -"En weet jij wie Brambribras is?" - -"Jawel. Da's 'n rooverhoofdman." - -"En hoe komt vader op de idee, dat die man ons beschermen zou?" - -"Weet ik niet." - -"Je rijdt zeker weer naar vader terug hè?" - -"Onmiddellijk." - -"Zeg hem dan: Compliment van Plachki. Brambribras zit met z'n mannetjes -onder in de kelders van Pirlapan." - -"Watblief?" zei de bode... "Neen maar die is goed." - -Plachki vertelde hoe 't met de roovers was toegegaan en natuurlijk -had de Pirlapanner er niet weinig pret van. Van zoo iets hielden de -Pirlapanners nu eenmaal. Vooral 't doorsnijden van die paardetoomen -vond de bode 'n prachtige streek. - -"En nu moet je mijn boodschap voor Karibo ook nog even aanhooren," zei -Abé. "Zeg hem, dat ik doen zal wat ie schrijft. We zullen teruggaan -naar Pirlapan, doch zoo langzaam mogelijk. Misschien halen jullie -ons dan nog wel in." - -"Prins," zei de bode, "mag ik u 'n goede raad geven? Doe 't dan niet -zoo langzaam mogelijk, maar zoo snel als je kan. Nu Sutrebor weer in -Pomfriet is, weet geen mensch wat die misschien ondernemen zal. In -Pirlapan zit je veilig." - -"Goed, dan zullen we 't zoo snel mogelijk doen." - -"Kunnen we niet met jou mee gaan?" vroeg Plachki. "'t Is precies of -we op de vlucht moeten." - -"En dat is 'n toer voor 'n Pirlapan, hè Plachki," zei Abé lachend. - -"Of het. We zijn toch met z'n dertienen, de bode meegeteld, allemaal -Pirlapanners. Ik reken jou er ook maar bij, Abé. Die gaan nog niet -zoo gauw aan de haal en ze worden nog niet zoo gauw geklopt ook." - -"Ik zou 't heel plezierig vinden, Plachki," zei de bode. "Maar je weet -wat heer Pirlapan beveelt, dat moet gebeuren. Ik rijd dus maar gauw -alleen terug om te melden dat jullie weer onderweg zijn naar Pirlapan." - -"Zeg dat dan maar," zei Plachki met een zucht. - -"O ja, da's waar ook, Plachki, ik moest je nog vragen waarom je met -de prins naar Pirlapan bent gegaan en niet naar je vader?" - -"Dat geschiedde op bevel van de keizer van Huk." - -"Maar Plachki," zei de man verontwaardigd, "sedert wanneer wachten -de Pirlapans bevelen af van de keizer van Huk?" - -"Sedert prins Alphabet terug is," antwoordde Plachki eenvoudig. - -"Lieve hemel," zei de bode, "je zou met al die keizers in de war -raken. "Ik bedoelde Sutrebor..." - -"Is die dan onze keizer? Of is prins Alphabet 't?" - -"Je hebt gelijk Plachki, prins Alphabet is 't. Maar Sutrebor is -'t toch óók nog zoo'n beetje geloof ik." - -"Dat geloof ik ook," zei Abé lachend. "Ik geloof zelfs dat Sutrebor -als 't er op aankomt op dit oogenblik meer keizer is dan ik. Hij is -weer in Pomfriet en de menschen van Huk volgen hem weer. En wie volgt -prins Alphabet?" - -"Wel nou nog mooier," riep Plachki boos. "Tel jij de Pirlapans voor -niemendal?" - -"O zoo," zei de bode. "Dat wou ik ook juist zeggen. De Pirlapans daar -kan je op rekenen, prins. Die brengen je naar Pomfriet al zou heel -Huk op z'n kop gaan staan!" - -En toen zongen op eens alle Pirlapanners weer: - - - Geen mensch die Pirlapan belet - Om trouw te zijn aan Alphabet, - Aan 't prinsje Alphabet. - - -Onder 't zingen reed de bode weg en de anderen keerden terug naar -Pirlapan, dat ze deze keer evenwel niet zouden bereiken. - - - - - - - - -ELFDE HOOFDSTUK - - Waarin keizer Sutrebor weer in Pomfriet terugkomt, Pirlapan 'n - leger bijeenroept en prins Alphabet aan 'n groot gevaar ontsnapt. - - -De Pomfrietsche heeren, die zoo vroolijk waren uitgereden om prins -Alphabet als hun wettige keizer te gaan huldigen en hem in triomf -mee te brengen naar Pomfriet, kwamen in de hoofdstad van Huk terug, -vermoeid en uit hun humeur, omdat er van de mooie intocht waarvan ze -gedroomd hadden, nu niets terecht kwam. En ze begonnen dadelijk met -groot lawaai aan iedereen te vertellen dat ze bedrogen waren door -die avonturier, die Karibo, die hen maar wat had wijsgemaakt. Er was -heelemaal geen prins Alphabet te vinden geweest. - -De burgemeester van Pomfriet keek op z'n neus. De perkamenten die -Karibo hem had laten lezen, had hij toch voor echte brieven van wijlen -keizer Napo aangezien en de zegels die er aan hingen waren toch ook -echt geweest. - -"Nagemaakt!" riepen de verontwaardigde Pomfrietsche heeren, "alles -nagemaakt. 't Was 'n doorgestoken kaart met die baron van Pirlapan." - -"Maar wat moeten we nou beginnen?" vroeg de burgemeester benauwd. "Kijk -eens, alle Pomfrieters staan weer op de markt voor 't raadhuis. Zoo -dadelijk gooien ze hier de ruiten weer in." - -"Weet je wat burgemeester," zei er een, die altijd 'n aanhanger -van keizer Sutrebor geweest was, "laten we 'n boodschap naar keizer -Sutrebor sturen, dat ie weer terug moet komen. We moeten toch 'n keizer -hebben. En 't is toch altijd nog beter dat Sutrebor keizer is over -ons, dan dat die Pirlapan en die Karibo hier de baas spelen. Stuur -mij maar naar Sutrebor. Ik zal 't wel opknappen." - -"Da's 'n idee," zei de burgemeester verheugd. Hij ging weer op 't -balkon staan en toen 't op 't marktplein 'n beetje stil geworden was -onder de woelige menschenhoop, sprak hij: - -"Getrouwe Pomfrieters, we zijn ellendig bedrogen. Er is geen prins -Alphabet." - -"Hij is er wel!" riep 'n Pomfrieter van beneden. "Ik ben in Lumkiping -geweest. Daar was ie!" - -"Dat is 'n leugen!" riep de aanhanger van Sutrebor die achter de -burgemeester stond. "Er is geen prins Alphabet." - -En toen kreeg de man beneden op de markt van de omstanders 'n pak -slaag en de politie pakte hem daarna op en zette hem in de kast. De -burgemeester kon nu weer voortgaan: - -"Nu hebben we besloten iemand naar onze keizer Sutrebor te zenden om -hem te vragen of hij asjeblieft weer in Pomfriet wil komen wonen." - -"Hoeraaa!" riepen de Pomfrieters op de markt en ze bleven maar -doorschreeuwen, zoodat de burgemeester er geen woord meer tusschen -kon krijgen en maar weer naar binnen ging. - -"Ziezoo," zei hij, "da's alweer in orde." En dezelfde dag vertrok er -een gezantschap van Pomfrietsche heeren naar 't kasteel waar keizer -Sutrebor verblijf hield. - -Keizer Sutrebor ontving de heeren vriendelijk, en hij beloofde dat -ie de volgende dag dadelijk komen zou om z'n getrouwe Pomfrieters met -z'n tegenwoordigheid gelukkig te maken. Als de heeren die nacht op z'n -kasteel wilden blijven, zou hij morgen met hen mee reizen. Dat vonden -de Pomfrietsche heeren heel best en 's avonds gaf keizer Sutrebor -'n groot feestmaal. - -Dat was toch nog wat anders, zeiden ze tegen elkaar, dan met die -bedrieger Karibo dag in dag uit door Huk te trekken om eindelijk -in dat vervelende, nare kasteel van Pirlapan aan te komen, waar je -heelemaal geen prins aantrof, en waar geen feest gevierd werd. Nee -hoor: "Leve keizer Sutrebor!" - -Vier-en-twintig uur later deed keizer Sutrebor weer z'n intocht in -Pomfriet. De heele stad was weer geïllumineerd, overal brandden de -lichtjes en de menschen schreeuwden, hoeraaa! dat de ruiten er van -rinkelden. - -Ze dachten heelemaal niet meer aan prins Alphabet. - -'t Waren rare lui die Pomfrieters. - -Maar keizer Sutrebor dacht wèl aan prins Alphabet. Hij had zich door de -burgemeester nog eens alles laten vertellen en nu lag hij in z'n bed -na te denken wat hem te doen stond. Die Pirlapan vertrouwde hij geen -steek en bovendien wist hij heel goed, dat als 't er op aan kwam z'n -eigen aanhang in Huk niet zoo heel groot zou zijn. Bestond die prins -Alphabet werkelijk, dan moest ie trachten hem zoo gauw mogelijk te -pakken te krijgen. Dood of levend, dat kwam er niet op aan. Hij zou -er maar dadelijk 'n flinke troep soldaten op uit zenden om die prins -te vangen. Was ie er niet, dat was nog zooveel te beter. En met dat -plan in z'n hoofd viel hij in slaap, maar hij droomde de heele nacht -van keizer Napo en prins Alphabet en van Pirlapan. 't Waren geen -pleizierige droomen, vooral die brutale baron van Pirlapan maakte -'t hem lastig. Die vervelende vent zong vlak in z'n keizerlijke ooren: - - - Maar komt ons prinsje ooit terug - In 't vaderlijk gebied, - Pas dan maar op voor Pirlapan, - Want Pirla, Pirla, Pirlapan - Die brengt hem naar Pomfriet. - - -Sutrebor stond vroeg op. Hij had nog dat Pirlapanliedje in de ooren, -dat iedereen in Huk kende. En hij haastte zich om 'n paar honderd -soldaten uit te zenden, die prins Alphabet moesten gaan opsporen. De -keizer beloofde aan iedere man 'n groote belooning als ze er in -slaagden die jongen naar Pomfriet te brengen. - -Karibo en Pirlapan waren nog in Lumkiping, toen ze bericht kregen dat -keizer Sutrebor weer in Pomfriet was en dat ie 'n troep soldaten had -uitgezonden om prins Alphabet in z'n macht te krijgen. Onmiddellijk -begrepen die twee 't gevaar en ze zonden de bode met de boodschap -dat de prins binnen de veilige muren van 't sterke Pirlapan moest -blijven. Maar Pirlapan deed nog meer. Hij zond naar alle kanten -ruiters uit, die uit naam van prins Alphabet de baronnen van Huk -moesten oproepen, om met hun gewapende mannen naar Lumkiping te -komen. Pirlapan wist wel, dat die heeren bijna allen aanhangers waren -van keizer Napo en hij veronderstelde, dat ze wel zouden komen opdagen -om voor de zoon van hun rechtmatige keizer de strijd aan te binden -met Sutrebor en degenen, die 't met die valsche keizer hielden. Daar -rekende Pirlapan op dat oogenblik natuurlijk die malle wispelturige -Pomfrieters ook toe en hij verlangde er naar die menschen uit de groote -stad eens een lesje te geven, dat hun heugen zou. Maar voor alles -wenschte hij eindelijk eens af te rekenen met keizer Sutrebor zelf. - -Pirlapan had goed gerekend. 'n Paar dagen later kwamen ze al opzetten, -de aanhangers van prins Alphabet. Sommigen kwamen met vijftig man, -anderen met honderd. Maar er waren er ook die er maar twintig hadden -of tien. Doch allen waren welkom en Lumkiping werd zoo langzamerhand -'n groot legerkamp. - -Pirlapan werd tot algemeen aanvoerder gekozen. Maar hij deed toch -niet alles op z'n eigen houtje. Hij wist heel goed dat die machtige -baronnen, die net als hij, thuis op hun eigen bezittingen koninkje -speelden, ook wel wat te zeggen wilden hebben en daarom begon hij maar -vast met hen te overleggen wat ze 't eerst doen zouden. Hij zelf was er -voor maar dadelijk naar Pomfriet op te rukken en daar waren de overigen -'t heelemaal mee eens. Doch Karibo had ook nog wat te zeggen. Die wilde -eerst prins Alphabet gaan halen. Hij vertrouwde de zaak daar ginds niet -erg. En wat moesten ze beginnen als die jongen nu weer zoek raakte. - -"Och wat!" zei Pirlapan. "Je moet niet zoo bang zijn, Karibo. De -prins zit veilig op Pirlapan." - -Maar op dat oogenblik kwam juist de bode die ze uitgezonden hadden, -terug met de tijding dat hij de prins ontmoet had op weg naar Pomfriet, -maar dat hij en Plachki en de tien jonge Pirlapanners op zijn raad -maar weer terug waren gegaan naar Pirlapan. - -Karibo schrok er van. 't Kon toch best gebeuren, dat die soldaten van -Sutrebor hen nog inhaalden... misschien hadden ze hen al te pakken. En -wat dan? Dan was alles verloren. - -Pirlapan zag nu 't gevaar ook in. Hij wilde nu maar dadelijk weer -oprukken naar Pirlapan. - -Dat vonden sommigen echter niet noodig. Om die honderd soldaten van -Sutrebor te bestrijden was 't genoeg, dat ze 'n paar honderd man de -kant van Pirlapan uitzonden. De rest moest maar vast naar Pomfriet -trekken. - -Karibo keurde dat plan ook goed en vroeg of ze hem dan maar naar -Pirlapan wilden zenden aan 't hoofd van 'n sterke troep ter bescherming -van de prins. Dezelfde dag vertrok Karibo met tweehonderd ruiters. - -Doch de soldaten van Sutrebor waren hem voor. Die hadden snel gereden -en waren op goed geluk de weg gevolgd naar Pirlapan. Onderweg -vernamen ze de wonderlijkste verhalen over de prins die ze -zochten. Natuurlijk keken ze scherp uit of ze soms hier of daar -iemand ontdekten die op 'n prins leek. Ze hadden allemaal graag de -uitgeloofde belooning verdiend. Maar niemand had hen kunnen vertellen -hoe die prins er nu eigenlijk uitzag en dat maakte de zaak voor hen -niet gemakkelijker. Doch toen ze eindelijk in de buurt van Moeder -Guldratsj' hutje kwamen, ontmoetten ze iemand, die hen wist mee te -deelen, dat ie diezelfde morgen aan de ingang van 't bosch van Pirlapan -'n troep ruiters ontmoet had, allemaal jongens van Pirlapan. - -"Nu zijn we er achter," zei de keizerlijke aanvoerder. "Als we snel -rijden halen we hen nog wel in. Ze zijn het bepaald." - -En toen ging het in galop voorwaarts. - -Moeder Guldratsj zag de ruiters voorbij hollen over de groote weg -en ofschoon ze heelemaal niet wist dat 't keizerlijke soldaten van -Sutrebor waren, was ze er hevig door geschrokken. 't Was of ze 't -voelde, dat 't geen vrienden van Abé waren, die daar zoo snel de kant -van Pirlapan op gingen. - -'s Morgens was moeder Guldratsj op d'r ezeltje 'n eindje met prins -Alphabet meegereden. Ze was 't troepje op hun terugtocht tegen -gekomen. Abé en Plachki hadden haar verteld waarom ze weer terug -gingen naar Pirlapan en ook dat Karibo en de oude Pirlapan hen daar -zouden komen halen. De ruiters die ze voorbij zag hollen waren geen -Pirlapanners en Karibo was er ook niet bij. Wie konden 't wezen? - -Moeder Guldratsj besloot plotseling met d'r ezeltje nog 'n eind door -te rijden. Misschien ontmoette ze dan wel Karibo, die toch wel haast -zou maken om Abé te gaan halen, meende ze. - -Tegen de middag, toen ze al doodmoe van 't rijden was en 't ezeltje van -'t draven, zag ze in de verte weer 'n troep ruiters. Moeder Guldratsj -stapte van d'r ezeltje af. Ze kon bijna niet meer. En de ruiters -zouden gauw genoeg bij haar zijn. - -Voorop draafde Karibo. Moeder Guldratsj herkende hem al in de verte -en ze stak beide handen op. - -Karibo herkende moeder Guldratsj ook dadelijk en toen ie 't oude -mensch met opgeheven handen daar zag staan gaf hij de troep 'n teeken -om halt te maken. - -"Wel moeder Guldratsj is er wat bizonders?" - -"Ja heer ... rij zoo hard als je kan. 'n Troep ruiters zit de prins -op de hielen!" - -"Wat zeg je? Hoe zagen ze er uit?" - -"'t Waren soldaten heer, wel honderd." - -"Vooruit mannen!" schreeuwde Karibo. "Zoo snel als 't maar kan, -of we komen te laat. Op zij moeder Guldratsj." - -En de troep van Karibo stoof langs moeder Guldratsj heen die in -'n stofwolk achter bleef. - -Toen keerde 't oude vrouwtje weer terug naar d'r hutje en onderweg -prevelde ze aanhoudend: "Als ze nog maar vroeg genoeg komen, als ze -maar niet te laat komen." Maar toen ze eenmaal thuis was had ze geen -rust en als 't ezeltje niet zoo moe geweest was, zou ze zeker weer -dadelijk zijn weggereden de kant uit van Pirlapan. - -Abé en z'n kleine Pirlapansche lijfwacht reden zingend door 't -bosch. Ze dachten niet aan gevaar. Tegen de avond konden ze weer thuis -zijn. Maar al zing je nog zoo hard, dan krijg je toch honger op de -duur en toen 't middag was gaf Plachki bevel om rust te houden voor -'t middagmaal. Geen mensch en geen dier had daar iets op tegen. Als -goede ruiters verzorgden de jongens eerst hun paarden. Abé, al was -ie 'n prins, deed 't zelf ook. Toen ze daarmee klaar waren gingen -ze er ook bij zitten of liggen. Heel veel bizonders hadden ze niet -te eten. Iedere jongen had brood en kaas. Als je honger hebt kan je -'t daar best mee doen. - -Na de maaltijd bleven ze nog wat liggen en de een voor de ander -strekte zich lui uit op 't zachte mos langs de weg. Abé en Plachki -lagen samen te praten, maar ze deden 't zoo zacht dat ieder geluid in -'t bosch nog te hooren was. - -Opeens hielden ze hun mond. Ze hoorden 't gestamp van paardehoeven. - -"Daar komt 'n heele troep ruiters aan," zei Plachki. - -Abé stond vlug op. - -"Die gaan we tegemoet," antwoordde hij blij. "'t Is natuurlijk Karibo -en je vader." - -"Misschien wel, maar we zullen toch maar 'n beetje voorzichtig zijn." - -"Hoezoo?" - -"Och je kan 't nooit weten." - -Hij riep een van de jongens. Die hadden het naderende getrappel ook -gehoord en stonden nu allemaal al gereed bij hun paarden. - -"Jij brengt de prins en de overigen naar 't ravijn. Da's hier geen -vijf minuten vandaan," zei hij tegen Abé. "Daar vinden ze je niet -zoo heel gauw of je moet 't bosch door en door kennen." - -De jongens wilden al te paard stijgen. - -"Nee," zei Plachki, "de paarden aan de toom houden en zoo stil -mogelijk. Neem mijn paard ook mee." - -"En jij dan?" vroeg Abé. - -"D'r moet er toch een hier blijven om te zien wie 't zijn? Als 't -vader is, fluit ik wel even. Dan komen jullie maar weer gauw hier." - -"Maar als 't de heer van Pirlapan nu eens niet is?"... - -"O, wees maar niet ongerust over me. Ze zullen mij zoo gauw niet -ontdekken. Kijk maar eens." - -Plachki zat in 'n wip boven in 'n dikke eik heelemaal verborgen -tusschen de bladeren. - -"Afgemarcheerd," riep hij naar beneden, "en geen mensch komt voor de -dag eer je 't teeken hoort of eer ik zelf bij jullie kom." - -Ze gingen met hun paarden aan de hand 't bosch in en verdwenen weldra -over 'n hoogte tusschen de boomen. Plachki luisterde. Z'n kameraden -waren voorloopig veilig. Die hoorde hij niet meer. Ze waren met hun -paarden afgedaald in het diepe ravijn, waar 'n snelle bergstroom -tusschen de rotsen over de steenen bruischte en schuimde. Maar steeds -duidelijker werd 't geluid van de naderende ruiters. Plachki zat in -elkaar gehurkt op 'n dikke tak. Hij had net zoo lang gezocht tot -hij dat plekje vond, vanwaar hij ongezien naar beneden kon kijken -tusschen de takken en bladeren door. Ze zouden als 't slimme kerels -waren wel dadelijk opmerken, dat op die plaats nog niet lang geleden -gekampeerd was. Doch heel veel meer zouden ze wel niet ontdekken, -meende hij. De zandige boschweg was in de laatste dagen door heel wat -paarden betrapt. Uit al die sporen was niet veel te maken en de ruiters -zouden wel veronderstellen, dat degenen die ze waarschijnlijk zochten, -doorgereden waren naar Pirlapan. Hij wachtte dus nog al gerust af wat -er komen zou maar was toch erg nieuwsgierig en vond dat 't toch lang -duurde eer er wat kwam ... - -Doch toen de ruiters eindelijk onder de boom aankwamen in volle galop, -was hij wàt blij, dat ie Abé en z'n kameraden naar 't veilige ravijn -gezonden had. De ruiters waren allen gekleed in kettinghemden, maar -de pluimen op de ijzeren helm van de aanvoerder waren geel en zwart, -de kleuren van keizer Sutrebor. - -"Stommeling," dacht Plachki, toen de ruiters onder de boom doorholden, -"hij merkt niemendal. Nou zooveel te beter." - -Hij bleef nog 'n heele poos stil in z'n boom zitten. Je kon nooit -weten of er soms nog achterblijvers waren. Maar er kwam niemand meer -en toen 't geluid van de galoppeerende paarden al zachter werd, liet -Plachki zich vlug naar beneden glijden en was in 'n ommezien ook over -de hoogte in het bosch. - -"Wel?" vroeg Abé, toen Plachki met zekere sprongen over de steenen -naderde. - -"We zijn mooi aan 't gevaar ontkomen. 't Waren mannen van Sutrebor." - -"Wàt?" - -"Sekuur hoor. En nu zitten we er leelijk in. Naar Pirlapan kunnen we -niet meer en terug ook niet." - -"Waarom niet?" - -"Hij kon wel eens verkenners uitzenden." - -"Dus we moeten hier blijven?" - -"Ja. Hadden we nu maar brood in voorraad. De paarden kunnen hier in -de buurt wel wat vinden. Maar wij zullen honger moeten lijden als -vader niet gauw komt opdagen. Wie durft het aan om vader te gaan -waarschuwen dat we hier in de knel zitten?" - -"Dat durf ik wel!" riepen de jonge Pirlapanners allemaal. - -"Jullie weet dat 't je de kop kosten kan." - -"Hindert niet." - -"Dan ga jij... en jij. Een voor 't verlies, zie je," voegde hij er -lachend bij, zich tot Abé wendend. - -"Hoor es Plachki, dat heb ik liever niet," zei Abé, toen de jongens -zich klaar maakten om heen te gaan. "Ik ga net zoo lief zelf." - -"Dat kan heelemaal niet. Jij ben de keizer van Huk. En 't zou 'n -groote schande zijn voor iedere Pirlapanner, als ie z'n leven niet -durfde wagen voor z'n keizer. Als je die twee niet wil laten gaan, -moet je 't zelf weten. Maar dan ga ik." - -Daar was niets tegen te zeggen en Abé liet de twee dappere jonge -Pirlapanners gaan. - -"Je hoeft je niet zoo heel bang over hen te maken," zei Plachki, -toen ze weg waren. "Ze zullen zich niet onnoodig bloot stellen aan -gevaar. 't Zijn 'n paar slimme rakkers die ik heb uitgezocht... en als -'t er op aankomt gaan ze voor zoo'n paar van die soldaten niet op zij." - -"Maar ze kunnen in handen vallen van de heele troep." - -"Da's waar. Doch dat moeten ze maar voor je over hebben." - -Nu begon Plachki als 'n echte veldheer verkenners uit te zenden om te -weten te komen wat die troep Sutreborsoldaten uitvoerde en toen dat -in orde was had ie weer zoo'n honger, dat ie maar aan z'n laatste -boterham begon. Dat was 'n goed voorbeeld voor de Pirlapanners en -Abé deed ook maar mee. 'n Kwartier later was er geen kruimel brood -meer in 't keizerlijke kamp. Als er nu niet gauw hulp kwam stond de -honger voor de deur. - -Intusschen waren de soldaten van Sutrebor voor Pirlapan aangekomen. Tot -groote spijt van de aanvoerder was 't hem niet gelukt die zoogenaamde -prins Alphabet te achterhalen en dus zat ie al in Pirlapan. Doch -hoe moest ie hem daar nu uitkrijgen? De valbrug stond omhoog en -daarachter zag je niets dan de stevige poort en de dikke muren van -Pirlapan. Heel veel mannen zouden er wel niet in 't kasteel aanwezig -zijn, maar onverdedigd zou de baron z'n huis toch wel niet hebben -gelaten. De prins uitleveren zouden ze ook wel niet doen. Hij kon -'t echter eens vragen. Je kon 't nooit weten. - -Hij gaf 'n trompetter bevel meer naar de valbrug te rijden en daar -liet ie de man 'n deuntje blazen. 'n Oogenblik later verscheen hoog -boven de poort waar 'n ballustrade was, de oude Brulfros heelemaal in -'t ijzer. Hij had de soldaten al lang gezien en omdat ie die kerels van -Sutrebor niet vertrouwde had ie zich maar er op aangekleed. Ze konden -'t wel eens in hun hoofd krijgen op hem te schieten. Er zouden allicht -'n paar boogschutters bij zijn. - -De aanvoerder zou 't nu wel aardig gevonden hebben als ie had kunnen -zeggen: "In naam van Sutrebor doe open de poort!" Doch die baas daar -boven zag er niet naar uit om 't dan maar dadelijk te doen en dus -riep de aanvoerder naar boven: - -"In naam van keizer Sutrebor vraag ik toegang tot 't kasteel van -Pirlapan. De keizer heeft mij uitgezonden om zijn keizerlijke -hoogheid prins Alphabet te begroeten, nu hij weer in 't land Huk -teruggekomen is." - -"Dat heb ik er eens slim afgebracht," dacht de aanvoerder. "Als ik -met m'n mannen die belooning maar verdien kan 't me niet schelen op -welke manier 't gebeurt." - -Doch Brulfros lachte de aanvoerder in z'n gezicht uit en zei: - -"Compliment aan je keizer hoor, en hij kan naar de maan loopen met -jou en je heele bandietentroep er bij." - -Die Brulfros kwam altijd 'n beetje raar uit de hoek, als ie 'n vijand -tegenover zich had. - -De aanvoerder werd kwaad om zoo'n beleediging en hij riep woedend -terug: - -"Kerel dat zal ik je betaald zetten, al zou ik heel Pirlapan onderste -boven moeten halen." - -"Ga je gang," riep Brulfros naar beneden. "Begin maar dadelijk -hoor. Als je de poort door ben, ben ik je man. Maar eerder niet." - -Brulfros ging weer 't kasteel binnen en liet de aanvoerder met z'n -trompetter maar staan. En die wist niet wat ie beginnen moest. Want je -kon heel gemakkelijk zeggen dat je Pirlapan onderste boven zou halen, -maar daarmee kreeg je geen steen uit de muur. Om zoo'n sterk huis te -nemen, moest je nog wat anders bij je hebben dan honderd ruiters, -die met hun lansen en zwaarden niemendal konden beginnen tegen die -dikke muren. De gracht zouden ze desnoods nog wel over komen. Er was -hout genoeg in de buurt dat je met je zwaard kon omhakken om er de -gracht mee te vullen. Doch dan had je nog niet veel gewonnen. - -Hij zou er maar eens met z'n onderaanvoerders over gaan -praten. Misschien wisten die er wat op te vinden. Die zagen echter ook -geen kans om Pirlapan in te nemen en ze rieden hun aanvoerder aan daar -maar niet langer over te denken. Dat gaf toch niets. 't Was misschien -nog maar 't beste terug te keeren naar Pomfriet zonder de prins. - -"Jullie vergeet," antwoordde de aanvoerder, "dat keizer Sutrebor daar -niet erg over te spreken zal zijn en dan krijgen we ook niemendal." - -"Maar weet je wel zeker dat die jongen in 't kasteel is?" vroeg er een. - -"Waar zou die anders zijn? Dan hadden we hem toch onderweg moeten -vinden?" - -"Daar heb je gelijk aan... doch ik zeg maar... je kan 't nooit -weten. Laten we tot morgen vroeg hier blijven. Misschien gebeurt er -nog wel iets of 't kan ook zijn dat we nog 't een of andere plannetje -bedenken." - -"'t Is groote gekheid," zei de aanvoerder. "Je schiet met dat talmen -niets op. Ik ben maar voor aanpakken. Ik gaf er de helft van de -keizerlijke belooning voor als ik 'n middeltje wist om daarbinnen -te komen. Nou laat dan de mannen maar afstappen... Ik ga eens rondom -'t kasteel loeren." - -"Daar zal ie mee opschieten," zei een van de onderaanvoerders, toen -hij weg was. "'k Heb nog nooit zoo'n sterk huis gezien als dit. Dat -is gewoon onneembaar." - -"Kom," zei 'n tweede, "laten we onze mannen eerst maar wat rust -gunnen. Ze zijn zoo moe als honden. 'k Wou dat die Sutrebor met -dat karweitje 'n ander belast had. 't Haalt niemendal uit. Dat zal -je zien." - -Ze gingen ieder naar hun eigen afdeeling, gaven bevel af te stijgen en -de paarden te verzorgen. Daarna mochten de soldaten gaan slapen of doen -wat ze wilden, als ze maar zorgden dat ze niet te ver weg gingen. Maar -er werden 'n paar man op schildwacht gezet bij de brug van Pirlapan. Ze -moesten toch oppassen dat ze niet uit 't kasteel overvallen werden. - - - - - - - - -TWAALFDE HOOFDSTUK. - - Waarin prins Alphabet uit 't ravijn verlost wordt door Karibo en - in Lumkiping Oeliboe Bomdrum weer terugziet. - - -De twee Pirlapansche jongens die Plachki had uitgezonden om hulp, -liepen natuurlijk heel geen gevaar maar dat wisten ze niet. Daarom -deden ze zeer voorzichtig. En toen ze eindelijk iets hoorden, -dat anders klonk dan de gewone boschgeluiden, gleden ze vlug van -hun paarden, bonden die aan 'n boom en slopen door de struiken om -'n plekje te vinden waar ze 'n eind de boschweg konden overzien. - -Dat konden de soldaten van Sutrebor wel zijn die daar naderden, -meende de een. Doch de ander zei dat 't dan een nieuwe troep moest -wezen, want 't geluid kwam niet van de kant van Pirlapan. Daar moest -de eerste troep toch vandaan komen. - -"'t Begint er leelijk uit te zien voor de prins en Plachki, als er -nog meer komen," zei de eerste weer. - -"Als ze voorbij zijn, zullen we maar als de wind doorrijden. In 't -ravijn vinden ze hem nog niet zoo gauw. Misschien komen wij dan met -hulp terug eer 't te laat is." - -"Maar ze hebben geen eten." - -"O daar zal Plachki wel wat op vinden. Die is slim genoeg en hij kent -'t bosch op z'n duim." - -"St, daar komen ze. Hou je weg." - -"Ik moet toch kunnen zien, hoeveel 't er zoo wat zijn." - -Daar kwam een heele troep ruiters aangedraafd. Doch nauwelijks had -de Pirlapansche jongen de voorsten in 't oog gekregen of hij sprong -uit de struiken te voorschijn en z'n kameraad hoorde hem schreeuwen: -"Pirlapan! Pirlapan!!" Die schrok er eerst van. Maar in 't volgende -oogenblik was hij ook op de weg. Als er "Pirlapan" geroepen werd -bleef er geen Pirlapanner achter. Tot z'n groote blijdschap zag hij -echter al dadelijk waarom z'n kameraad zoo gedaan had. Bij de troep -die daar nu vlakbij was herkende hij Pirlapansche ruiters en dan -konden de overigen vanzelf al geen soldaten van Sutrebor zijn. - -Op 'n teeken van de man die voorop reed, hield de troep stil, en -nu wist Karibo al heel gauw hoe de zaken stonden. Hij vroolijkte er -heelemaal van op. Want Karibo was zoo bang geweest dat ie te laat zou -komen. Maar nu de Sutreborsoldaten hen nog niet te pakken hadden en -hij naar 't scheen veilig in 't ravijn zat, was er nog niets verloren. - -"Waar is dat ravijn?" vroeg Karibo, "en is 't wel zoo'n veilige -schuilplaats." - -"Of het," riepen verscheidene Pirlapanners. "Daar vinden ze onze -Plachki nog niet zoo gauw." - -Die Pirlapanners dachten 't eerst aan de zoon van hun heer. - -"En kunnen we er spoedig zijn?" - -"Binnen 'n paar uur." - -"Dan maar snel er heen mannen." - -"Heer Karibo," zei een der Pirlapanners, "zou 't niet beter zijn, -dat we eerst die Sutreborkereltjes eens op d'r lui wammes gaven? Daar -heb ik toch zoo'n zin in." - -"Eerst de prins hebben man," antwoordde Karibo. "Daarna kunnen we weer -zien, wat we doen. Of ben je bang dat ze Pirlapan zullen overrompelen?" - -"Heelemaal niet. 't Huis is sterk genoeg en Brulfros laat ze d'r zoo -maar niet in. Maar wie weet hoeveel ze rondom vernielen. Ons koren -en onze haver... en..." - -"Dat zal wel losloopen hoor. Vooruit. Eerst de prins en Plachki en -die dappere jongens die bij hen zijn." - -"En mogen we dan die kerels van Sutrebor klop geven?" - -"Dat zullen we wel zien." - -De Pirlapanners waren niet erg tevreden met dat antwoord. Doch ze -gehoorzaamden. Als ze Plachki gevonden hadden, zou 't er toch wel van -komen. Dat was 'n echte Pirlapan en die zou 't wel niet kunnen hebben, -dat daar zoo'n honderd man van Sutrebor vóór z'n vaders valbrug lagen. - -'t Ging nu weer in galop en 't was nog niet heelemaal donker toen ze -'t ravijn inreden, waar ze natuurlijk met groote blijdschap ontvangen -werden. De jongens hadden er niet op gerekend, dat er al zoo gauw -ontzet zou komen opdagen. - -Maar vooral Abé en Karibo waren blij dat ze elkaar eindelijk heelhuids -terug vonden. - -"Jonge, jonge," zei Karibo, "da's 'n gelukje hoor, dat we die twee -ferme jongens ontmoetten. We hadden je hier nooit gevonden. We zouden -natuurlijk recht door gereden zijn naar Pirlapan en dan waren we -slaags geraakt met die Sutrebortroep." - -"O," antwoordde Plachki, "die hadden op d'r kop gekregen." - -"Daar twijfel ik geen oogenblik aan," zei Karibo lachend. "Doch ik -weet zeker, dat 't dan nog 'n heele tijd geduurd zou hebben eer ik Abé -terug gezien had. We zouden elkaar wéér voorbij zijn geloopen... hè?" - -"Op dat punt waren we echte ongeluksvogels Karibo. Maar nu blijven we -bij elkaar hoor. Als je wist hoe raar ik al die tijd rondgescharreld -heb." - -"'k Weet er alles van. Je ben al roover ook geweest he?"... - -"En bedelaar." - -"Je witte paard hebben we terug!" - -"Wat zeg je?... En die kerel?" - -"Achter slot hoor." - -"Maar hoe wist je dat Sutrebor me z'n ruiters achterna gezonden -had? Daar wist ik zelf niet eens wat van." - -"Dat heb je te danken aan moeder Guldratsj jongen. Die heeft 't -me verteld." - -"Karibo is 't eerlijk waar, wordt ik keizer van Huk?" - -"Natuurlijk, geen mensch heeft er recht op dan jij. Om je de waarheid -te zeggen ben je 't nu al. Pirlapan heeft nu al 'n heel leger bij -elkaar en daarmee trekken we naar Pomfriet. Sutrebor moet maar 'n -goed heenkomen zoeken." - -"Dat is hem geraden ook," zei Plachki, "want als vader hem te pakken -krijgt zal 't er leelijk voor hem uitzien." - -"En waar gaan we nu heen?" vroeg Abé aan Karibo. - -"Nu gaan we eerst maar wat slapen Abé. Je zal ook wel moe zijn." - -"'n Beetje wel. Doch we hebben geen aangename slaapplaatsen hier op -de steenen." - -"Nou ja, voor 'n keer hindert dat niet. 'n Soldaat moet overal tegen -kunnen hè?" - -"Wat dat betreft, 'k ben in de laatste tijd niet verwend. 'k Heb in -'n hutje geslapen bij moeder Guldratsj, langs de weg in 't gras, bij -de boer in 't hooi, bij de roovers in de stal, bij 'n andere boer -tusschen de geiten en toen wouen ze me in Lumkiping in 'n kil hok -laten logeeren terwijl ik niets anders aan had dan 'n hemd. Doch daar -maakte Plachki gelukkig 'n eind aan. Dat was niet om uit te houen." - -"Je hebt heel wat meegemaakt Abé en voor 'n keizer heb je 't niet al -te best gehad. Maar dat zal nu wel voorbij zijn. Over 'n paar weken -slaap je in je paleis in Pomfriet." - -'n Half uur later was 't heel stil in 't ravijn. De menschen sliepen -behalve de schildwachten, die aan de ingang van 't ravijn op post -stonden. Bovendien waakten er ook nog mannen bij de paarden. - -'n Uur daar vandaan in 't kamp van de Sutrebortroep ging 't er op dat -oogenblik heel anders toe. De aanvoerder die 's middags om 't kasteel -heen gezworven had om te zien of er geen zwak of onverdedigd plekje -te vinden was, waarvan hij gebruik kon maken om Pirlapan binnen te -dringen, was erg misnoegd bij z'n troep teruggekeerd. Er was geen -sprake van dat hij met 'n honderd ruiters iets tegen 't sterke huis -ondernemen kon. Hij zou onverrichter zaken terug moeten keeren naar -Pomfriet. En dat beteekende de ongenade van keizer Sutrebor en óók nog -'t verlies van de uitgeloofde belooning. 't Een was al net zoo erg -als 't andere. Heel veel gaf die aanvoerder niet om z'n keizer. Of -hij in dienst was bij 'n keizer die Sutrebor heette of bij 'n ander, -dat was hem 't zelfde. Wie hem betaalde, was z'n heer, en zoo dachten -de onderaanvoerders en de soldaten er ook over. 't Waren allemaal -huurlingen. - -Toen de aanvoerder in 't kamp aankwam sliep de heele boel. Hij hoorde -hen in de verte al snurken. Nu 'n beetje rust gunde hij z'n mannen -wel, want ze hadden 'n vermoeiende tocht achter de rug. Als ze wat -uitgerust waren zou hij hen maar weer te paard laten stijgen en dan -zat er niets anders op dan terugkeeren naar Pomfriet. - -Tegen den avond riep hij z'n onderaanvoerders nog eens bij zich en -beraadslaagde met hen wat ze doen zouden. Die waren er ook voor om -maar zoo gauw mogelijk terug te keeren. De prins kregen ze toch -niet te pakken, 't Was wel jammer dat de belooning hen ontging, -doch daar was wel wat op te vinden. Ze zouden onderweg hier en daar -'n beetje plunderen. Daar hielden de ruiters ook wel van, en op die -manier kreeg je toch ook wat in je beurs. - -"Best," zei de aanvoerder. "Tegen de tijd dat Sutrebor er achter komt -dat we z'n eigen onderdanen geplunderd hebben, heeft ie ons misschien -hard noodig, en vergeeft ie 't ons wel. Want als ik me niet vergis, zal -er 'n harde tijd voor keizer Sutrebor aanbreken. Ze zullen die prins -wel keizer willen maken en dan zal Sutrebor er om moeten vechten." - -"Da's wel heel goed kapitein. Dan krijgen wij wat te doen." - -"Laten we nu maar opbreken." - -'n Oogenblik later klonk er trompetgeschal. De mannen stonden op, -gingen maar hun paarden en maakten zich gereed om op te stijgen. Ze -mopperden allemaal. Hadden ze daarvoor nu zoo'n verre tocht gemaakt -om met leege handen terug te gaan? Nu kregen ze natuurlijk geen cent -van de keizer. - -De kapitein merkte 't wel en hij liet door z'n onderaanvoerders aan -de ruiters meedeelen, dat ze onderweg zich wel schadeloos zouden -stellen, door 'n beetje te plunderen. Met ontevreden soldaten kon -hij niets beginnen. - -Daar werden ze allemaal weer vroolijk van en welgemoed reden ze -'n kwartier later 't bosch in. - -De schildwachten aan de ingang van 't ravijn en de mannen bij de -paarden hadden 't trompetsignaal ook gehoord. 'n Schildwacht was -daarop van z'n paard gesprongen en had aan Karibo, die al sliep maar -dadelijk wakker werd toen de man aan kwam stappen, gemeld dat er de -kant op van Pirlapan 'n signaal gegeven was. - -"Ze gaan zeker weer weg," zei Karibo. - -De schildwacht die zelf 'n Pirlapanner was, dacht dat ook en hij -vond 't erg jammer, want dan kwam er niemendal van 't plannetje om -die Sutreborkerels op d'rlui kop te geven. Plachki en Abé waren nu -ook wakker geworden, en toen ze hoorden wat er aan de hand was, zei -Plachki dat ze best die troep overvallen konden als Karibo 't hebben -wilde. Over 'n half uur waren ze vlak in de buurt. - -Maar Karibo had er niet veel zin in. Dat wil niet zeggen dat Karibo -niet van vechten hield. Daar hielden in die tijd bijna alle menschen -van, doch hij vond 't niet voorzichtig. Als 't eens verkeerd ging, -dan kwam de prins weer in gevaar. - -"Ben je mal," zei Plachki, "d'r is heelemaal geen kans voor die lui om -'t te winnen van ons. We overvallen hen van drie kanten en..." - -"En dan gaan ze d'r allemaal ân!" zei de Pirlapanner. - -"We blijven stilletjes hier," zei Karibo. "'t Zou zeer onverstandig -zijn onze mannen te wagen alleen om die Sutrebortroep uit elkaar te -slaan. Laat dat maar aan anderen over. Ze komen tòch niet in Pomfriet -terug. Onderweg zullen ze wel zien wat er aan de hand is. Ga maar -gauw weer op je post." - -De Pirlapanner ging, maar in zichzelf wenschte hij die voorzichtige, -bedachtzame Karibo naar de maan. Als heer Pirlapan er zelf bij was -geweest zou 't wel anders gaan. Die zou zich niet zoo flauw aanstellen. - -Zoo kwam het dat de honderd man van Sutrebor ongehinderd 't bosch -door konden rijden, op geen kwartier afstand van 't ravijn, waar de -prins die ze zoo graag in hun bezit gehad hadden gerust lag te slapen, -want hij werd nu wel heel goed bewaakt. - -Den volgenden morgen heel vroeg brak Karibo met z'n mannen op om de -terugtocht naar Lumkiping te aanvaarden en zonder ongevallen kwamen -ze daar dan ook 'n dag of wat later aan. Van de soldaten van Sutrebor -hadden ze niets meer gehoord of gezien. - -Met groot gejubel werd Prins Alphabet in Lumkiping ontvangen. De -heele stad liep uit om hem te zien en de oude Pirlapan en de overige -baronnen, die in Lumkiping waren met al hun krijgsknechten behandelden -hem met de eerbied die ze aan hun keizer verschuldigd waren. Dat -was niet erg naar de zin van Abé, die zich 'n beetje verlegen voelde -worden, als zoo'n voorname heer in 'n ijzeren wapenrusting voor hem -boog, doch Karibo vertelde hen lachend dat ie daaraan wel wennen zou. - -Hij reed nu weer op z'n witte paard en hij had z'n eigen kleeren -weer aan, met de roode schoenen en de vierpuntige muts met de -voelsprieten. Doch de oude Pirlapan had om de rand van de muts 'n -gouden kroon laten maken. Hij vond dat 't zoo hoorde en Abé vond -'t ook erg mooi. Karibo was er ook zeer mee ingenomen, want nu kon -iedereen onmiddellijk zien, dat ze de keizer van Huk voor zich hadden. - -Abé en Karibo hadden bij 'n deftig burger van Lumkiping hun intrek -genomen, die z'n heele prachtige huis ter hunner beschikking gesteld -had. Ze behoorden eigenlijk in 't huis van de burgemeester te wonen, -zei Pirlapan, maar de burgemeester was ziek en iedereen in Lumkiping -wist dat de burgemeester ziek was van angst, omdat hij de keizer van -Huk in z'n hemd had opgesloten in 't gevangenhok op 't raadhuis. De -goeie man meende dat de keizer wel erg kwaad op hem zou zijn daarom, -doch Abé dacht heelemaal niet aan hem. Die dacht veel meer aan -moeder Guldratsj en aan Plachki, die hij ook weinig meer te zien -kreeg. Plachki moest voor z'n vader dienst doen bij 't leger, dat -in Lumkiping lag en waarmee hij binnenkort dacht op te trekken naar -Pomfriet om keizer Sutrebor te gaan verjagen. - -Abé had ook graag weer 'n beetje alleen op z'n paard rondgereden, -desnoods met Karibo bij zich, doch 't liefst met z'n vriend Plachki -doch dat ging niet. Hij was nu keizer en er was altijd 'n lijfwacht -om hem heen, aangevoerd door 'n ouwe stijve baron met 'n vreeselijk -ernstig gezicht. Als Abé maar even opkeek was de stijve baron al naast -hem om te vragen wat zijn majesteit verlangde. Hij hoefde niets meer -zelf te doen en dat vond ie schrikkelijk vervelend. - -Soms lag Abé 's avonds in z'n bed daarover na te denken. Dan was -hij tenminste alleen. Hij had er al eens met Karibo over gesproken, -dat zóó'n keizerleventje hem niet beviel, doch die goeie Karibo had -alweer gezegd, dat 't wel wennen zou. Met keizers ging 't altijd -zoo. Je was baas over 't heele land maar over jezelf had je heel -weinig in te brengen. - -Op 'n keer kwam hij Plachki te paard tegen. Die groette heel netjes, -zooals 't behoorde en reed door. Doch dit vond Abé toch wel 'n beetje -al te gek, dat z'n vriend Plachki en hij elkaar voorbij zouden rijden -zonder 'n woord tot elkaar te zeggen. Vlug wendde hij z'n witte paard -en was in 'n wip naast Plachki. - -"'k Rijd 'n een eindje met je mee Plachki. Waar moet je naar toe?" - -"Eventjes naar vader. Wat 'n vervelend schepsel heb je daar bij je?" - -"Dat is de aanvoerder van de lijfwacht." - -"Lollige kameraad geloof ik. Wat 'n snuit zet die vent." - -"Pas maar op dat ie je niet hoort... 't Is de ouwe baron -Bommeldebierton van Rommeldebom." - -"Nou jij raakt thuis in de Huksche namen. Je spreekt 'm tenminste -uit of je nooit anders gedaan hebt." - -"Ik leer 't zoo langzamerhand. Ik zeg gewoonlijk maar Bommeltje tegen -hem, doch hij heeft 't liever niet. Hij is trotsch op z'n naam." - -"Waarom stuur je 'm met z'n lijfwacht niet weg? Waarvoor ben je dan -keizer als je niet eens die lui weg kan sturen?" - -"'k Zal 't maar doen ook Plachki. Ik moet eens 'n poosje met jou -alleen rijden." - -Hij keerde zich half op z'n paard om, doch nauwelijks had hij die -beweging gemaakt of baron Bommeldebierton van Rommeldebom was al -naast hem om te vragen wat zijne majesteit wenschte. - -"Baron ik wou 'n poosje met m'n vriend Plachki alleen zijn. Rijd maar -met de lijfwacht naar huis. Tot ziens." - -Hij groette plechtig met de hand en draafde met Plachki -weg. Bommeldebierton werd rood van ergernis. Hij vond dat die jonge -keizer dingen deed die 'n keizer niet doen mocht. - -"Zoo'n aap," bromde hij binnensmonds. - -Abé en Plachki draafden samen 'n paar stille straten door, doch -toen ze in de drukkere buurten kwamen moesten ze hun paarden laten -stappen. De Lumkipingers keken met plezier naar het keizertje, -dat ze nu eens op hun gemak en van dichtbij konden bewonderen en -aangapen en ze groetten allemaal. Abé knikte lachend terug. Nu hij -alleen met Plachki reed door die volle straten had hij schik. Maar -de Lumkipingers werden hoe langer hoe lastiger. Ze begonnen mee te -loopen om prins Alphabet eens goed te bekijken en de meesten die van -de andere kant kwamen drongen voortdurend maar op. Abé en z'n vriend -konden bijna niet meer vooruit. Als er een wat al te dicht bij z'n -paard kwam gaf de jonge Pirlapan de man 'n duw met z'n ijzeren schoen -of 'n por met 't hout van z'n speer. Hij ging niet erg zachtzinnig -om met de onderdanen van z'n vriend. - -"Pas op Plachki, je doet ze zeer." - -"Moeten ze maar uit de weg blijven." - -Doch plotseling op de hoek van 'n straat verscheen er zoo'n -Lumkipingsche politiereus. Hij had 'n knuppel in de hand en keek -met 'n streng gezicht naar de burgers onder wie hij de orde moest -handhaven. Nu zag hij daar de keizer aankomen en dadelijk was hij er -bij om ruim baan te maken. - -"Op zij!" schreeuwde de reus. "Op zij!" - -De menschen vlogen uit de weg. - -"O," riep Plachki en hij begon luidkeels te lachen, waarvan de -Lumkipingsche burgers gek opkeken. - -"Waarom lach jij zoo?" vroeg Abé. "Vind je 't niet aardig van hem -dat ie 'n beetje ruimte maakt voor ons?" - -"Jawel Abé... maar 't is die vent, die 's nachts op jou passen -moest..." - -Oeliboe Bomdrum had bij 't luide lachen van Plachki opgekeken en -dadelijk had ie die jongen ook herkend. De man stond plotseling zoo -stijf als 'n boom. - -Maar Plachki zei tegen hem: - -"Wel, hebben jullie nog lang naar ons gezocht die nacht?" - -Toen kwam Oeliboe Bomdrum weer 'n beetje bij en hij antwoordde: - -"Neen heer, we dachten dat je wel niet meer uit 't water zou komen." - -"Zoo dachten jullie dat? En wat zei de burgemeester er wel van. Heb -je op je kop gehad?" - -"Neen heer. De burgemeester weet niet hoe 't gegaan is. Wij hebben -onze mond gehouden en gezegd dat we niets gehoord of gezien hebben." - -"Dat hebben jullie ook niet," zei Plachki lachend, "want je sliep -allemaal." - -"O heer," smeekte Oeliboe Bomdrum "zeg 't asjeblieft niet tegen de -burgemeester, want dat is 'n streng heer. Die jaagt ons zeker allemaal -weg, als ie 't hoort." - -"Wees maar niet bang," zei Abé nu. "Wij zullen je niet verraden -hoor. Loop maar 'n eindje voor ons uit, om wat ruimte te houden voor -onze paarden." - -"Dat zal ik doen heer," zei Oeliboe Bomdrum verheugd en hij ging -tien passen voor de paarden uit in 't midden van de straat loopen -met z'n knuppel zwaaiend. Geen enkele Lumkipinger had 't hart meer -midden in de straat te blijven wandelen. Ze bleven netjes aan de -kant en Abé en Plachki konden rustig voortrijden. Oeliboe Bomdrum was -'n beste voorlooper. - -"Wat doe je de heele dag?" vroeg Plachki. - -"Nou niet veel bizonders. Je vader en Karibo en de overige heeren -maken geloof ik alles in orde voor me. Over twee dagen gaan we naar -Pomfriet." - -"Maar waarom kom je dan niet bij ons in 't leger. Daar is 't prettig -genoeg. De heele dag oefenen we ons, want 't zal er daar in Pomfriet -warm naar toe gaan, als Sutrebor tenminste 'n beetje moed in z'n -lijf heeft. - -"Morgen kom ik hoor," zei Abé. "Ik ben 't 'n beetje zat dat -lanterfanten." - -"Best, je komt maar bij de Pirlapans. We zijn allemaal bij elkaar, -m'n broers en de mannen van Pirlapan. 'n Prachtige troep. We wonen -in tenten buiten de stad." - -"Hè, hoe heerlijk. Ik kom morgen vast." - - - - - - - - -DERTIENDE HOOFDSTUK - - Waarin de burgemeester van Lumkiping 't benauwd heeft, prins - Alphabet als keizer de hoofdstad van Huk binnengaat en Karibo - 'n voornaam heer wordt. - - -Abé had wel graag gedaan wat ie met Plachki had afgesproken, doch -hij had alweer vergeten dat 'n keizer niet zoo vrij over z'n tijd te -beschikken heeft als 'n gewoon mensch. De baronnen van Huk, die in -Lumkiping aanwezig waren, wilden hun wettige keizer huldigen en dat -zou de volgende dag gebeuren. - -"Vervelend hoor," zei Abé toen Karibo 't hem kwam vertellen. - -"Wat, noem je dat vervelend? Jongen als je wist hoe blij ik ben, -dat ik zooiets nog mag beleven!" - -"Dat geloof ik graag. Maar jij hoeft niet doodstil als 'n pop op -'n troon te zitten. Hebben ze wel eens 'n troon hier?" - -"Nee... maar we hebben de burgemeester z'n stoel geleend. Die lijkt -er in ieder geval wat op." - -Lumkiping bezat niet eens 'n gebouw groot genoeg om al die baronnen -met hun gevolg te kunnen bevatten en daarom zou de heele plechtigheid -in de open lucht plaats hebben op de markt voor 't raadhuis. Onder -de ingang zou prins Alphabet plaats nemen in de burgemeestersstoel en -de heeren zouden dan een voor een de trap opkomen en voor hun keizer -knielen, zooals dat reeds sedert drieduizend jaren 't gebruik was in -Huk. Iedereen op de markt en voor de vensters kon 't dan mee aanzien. - -"Jij komt zeker naast me zitten, hè?" vroeg Abé aan Karibo toen deze -hem alles haarfijn had uitgelegd. - -"Naast je zitten? Maar jongen, er zit geen mensch naast je. Pirlapan -staat naast de troon aan je rechterkant met 'n ontbloot zwaard in -de vuist. Hij is de machtigste baron in Huk, en dus komt hem die -eereplaats toe." - -"Maar jij zal zoo moe worden als je zoo'n heele morgen staan moet!" - -"Ik ben er heelemaal niet bij. Ik ben maar 'n gewoon mensch, -'n vroegere bediende van keizer Napo. Die hoort toch niet naast de -troon te staan." - -"Zoo, denken ze dat? Wacht maar eens Karibo tot we in Pomfriet -zijn. Dan zal ik die Hukkers wel eens laten zien, wie er naast me -mag zitten. Niet staan, begrijp je?..." - -"Plachki is er toch zeker wèl bij, hè?" - -"Die is nog te jong. Die telt nog niet mee. Hij zal wel 'n goed plekje -op de markt uitzoeken om 't te zien." - -"Plachki ook al niet? Maar wie is er dan nog meer vlak bij -me? Bommeltje toch niet hoop ik?" - -"Ja, die staat links van je." - -"Hoor eens Karibo, jullie speelt de baas maar over me of ik heelemaal -niets in te brengen heb. Ik wil die strakke Bommeldebierton niet -naast me hebben. Roep Pirlapan maar eens even." - -"Och Abé, laat 't nu maar gebeuren, zooals ze 't voor je bedisseld -hebben." - -"Nee. Jij er niet bij en Plachki niet en moeder Guldratsj niet... net -allemaal menschen die ik er graag bij had. Daar gebeurt niks van. Roep -maar gauw Pirlapan." - -Karibo ging hoofdschuddend heen. Hij begreep op eens dat prins Alphabet -als 't er op aan kwam minstens net zoo koppig was als keizer Napo -vroeger ook geweest was en die had 't z'n troon gekost. - -Toen Pirlapan kwam, wist ie er alles al van. Karibo had hem op de -hoogte gebracht. Hij legde Abé uit, dat 't allemaal zoo hoorde. Maar -'t keizertje stond op z'n stuk. In ieder geval wilde hij Plachki naast -zich hebben. Daar kon toch niemand wat tegen inbrengen. Plachki was -toch ook 'n baron van Pirlapan. Z'n vriend kon tusschen hem en die -vervelende Bommeltje in gaan zitten. - -De oude Pirlapan hield ook niet erg van Bommeltje. Hij vond hem -'n stijve Klaas, al was ie dan ook nog zoo'n voornaam heer, die je -niet voorbij kon gaan. Hij besloot dus maar aan de wensch van Abé -toe te geven. Plachki mocht aan de voeten van prins Alphabet zitten, -dan konden ze zoo nu en dan eens met elkaar praten. Hiermee was -Abé tevreden. - -Al heel vroeg was de markt stampvol en uit alle vensters puilden -proppen menschen. Vlak voor de trappen van 't raadhuis stonden -krijgslieden te voet en de weg naar en van 't raadhuis werd -vrijgehouden door ruiters. Dat zag er bont uit. Iedere baron had -'n paar van z'n mannen geleverd voor deze dienst en ze waren allen -gekleed in de kleeren hunner heeren. Boven de hoofden der menschen -flapperden vlaggen en wimpels, meest oranje en groen, de kleuren van -Huk, doch er waren ook veel andere kleuren tusschen, want iedere -baron had z'n eigen vlag. Die van Pirlapan was rood en geel. Ook -hadden de burgers sparreslingers langs hun gevels gehangen en over -de vensterbanken bonte tapijten gelegd. - -Prins Alphabet keek vroolijk over de menschenhoofden heen naar al dat -kleurgeschitter in de zon. Hij zelf had z'n blauwe kleed aan, dat ie -iedere dag droeg, doch daarover heen hing 'n deftige koningsmantel met -hermelijn van binnen en met 'n glinsterend gouden gesp op de borst vast -gemaakt. De sprietenmuts met de gouden kroon er om had hij op. Met -die mantel om vulde hij bijna de ruime zetel van de burgemeester, -die anders veel te groot voor hem geweest zou zijn. Plachki zat aan -z'n voeten. - -Nu kwamen al die machtige baronnen hun kleine keizer huldigen en dat -was schrikkelijk vervelend want er waren er zoo'n boel. Abé kende er -maar 'n paar van en hij wist heusch niet wat hij tegen die voorname -heeren zeggen moest. Daarom deed ie maar niets anders dan vriendelijk -knikken tegen iedereen die voor z'n troon de knie boog. En iedereen -die 't zag vond, dat ze maar wat 'n aardig keizertje in Huk hadden. - -Een van de laatste die de trappen van 't raadhuis beklom was de -burgemeester van Lumkiping. Al z'n raadsheeren en de spichtige -secretaris liepen achter hem. De burgemeester deed zeer plechtig en -stapte deftig langzaam, met z'n neus in de wind de trappen op. Hij -hield zich goed voor de menschen. Niemand kon aan hem zien hoe z'n -hart van angst klopte en hij hoorde niemendal van 't hoerageroep -der Lumkipingsche burgers op de markt, die 't maar wàt fijn vonden, -dat hun burgemeester 't eerst van alle burgemeesters uit heel Huk de -nieuwe keizer mocht gaan huldigen. Dat was voor de eerste maal sedert -'t keizerrijk Huk bestond. - -"Daar heb je 'm" fluisterde Plachki, toen de burgemeester naderde. - -Abé zette 'n ernstig gezicht. Doch toen de burgemeester neerknielde en -nog dieper boog dan een van de anderen gedaan had, dacht hij eraan dat -hij nog niet lang geleden als 'n roover vóór die burgemeester gestaan -had. Toen zat die burgemeester in de stoel en Abé stond er voor in z'n -hemd. De bordjes waren verhangen. Abé was er geen jongen naar om dat -aan die bibberende burgemeester te wreken, maar toch zei hij lachend: -"Vindt u me zoo niet veel knapper dan in m'n hemd?" - -De arme man wou wat antwoorden, doch er kwam geen woord over z'n -lippen, ofschoon hij er moeite genoeg voor deed. Ook stond hij maar -heelemaal niet op, wat hij allang had behooren te doen. Plachki -kon zich bijna niet meer goedhouden. Die vond 't wel leuk dat zoo'n -stadsche m'nheer er zoo inzat. Doch Abé kreeg meelijden met de stakker -en daarom zei hij heel ernstig: "Ik hoop u later nog eens in Pomfriet -te zien, burgemeester, U moet maar eens bij me op visite komen." - -Dat hielp. De burgemeester rees overeind en stapte weg met 'n heel -wat blijder gezicht. Dezelfde avond wisten alle Lumkipingers, dat de -keizer hun burgemeester had uitgenoodigd om in Pomfriet op visite te -komen aan 't hof en daarover waren ze zóó in de wolken, dat ze besloten -'n standbeeld voor de burgemeester op te richten. De secretaris was -er gloeiend nijdig om, maar hij kon 't toch niet tegenhouden. - -Toen de plechtigheid afgeloopen was en de nieuwe keizer met Plachki -naast zich door de volle straten naar huis reed, zei hij: - -"Hè, hè, wat ben ik blij, dat 't afgeloopen is. 't Was taai hoor." - -"Of het. Ik kom nooit weer bij je zitten als ze nog es zoo iets op -touw zetten." - -"Da's gemeen van je Plachki, om mij voor de vervelende dingen alleen -te laten opdraaien. Ik dacht juist dat jij me 'n handje zou helpen -om er doorheen te komen." - -"Och ik zei 't maar uit gekheid, dat begrijp je toch ook wel. 't Zou -nog al mooi zijn als je 'n vrind, die zoo'n vervelend baantje heeft -als jij, d'r heelemaal voor liet zitten." - -"Ik begin ook te begrijpen, dat keizer zijn nog niet alles is," -zei Abé zuchtend. "Maar misschien valt 't nog wel mee, als we over -'t begin heen zijn." - -"Ik hoop 't voor je. Ik had gedacht dat je als keizer doen mocht wat -je wou... Maar je moet juist doen wat je niet wil." - -"'t Zal wel beter worden ... wacht maar." - -Ze hoefden er evenwel niet heel lang op te wachten. 'n Paar dagen -later was alles gereed voor de tocht naar Pomfriet. Pirlapan had nu -'n heel leger onder z'n bevel en daarmee zou hij prins Alphabet naar -de hoofdstad van Huk brengen. - -Prins Alphabet, Plachki, Karibo en Pirlapan reden vroolijk tusschen de -talrijke ruiters en voetknechten, die allemaal verlangend waren naar de -strijd met de soldaten van Sutrebor. Ze hoopten dat Sutrebor er niet -van door zou gaan en ook dat de Pomfrieters de poorten van hun stad -stijf dicht zouden houden. Dan kwam er tenminste nog iets van vechten. - -Abé en Karibo echter waren daar niet zoo dol op. Karibo was bang dat -Abé in 't gevecht gedood zou kunnen worden. Dan kwam er van 't heele -keizerschap niemendal en daarvoor had hij z'n jonge meester toch -niet uit 't vreemde land teruggebracht naar Huk. Abé vond 't akelig -dat zoovele Hukkers tegen elkaar zouden gaan vechten om hem. Als 't -nu nog vijanden van 't land Huk geweest waren, maar die Pomfrieters -waren Hukkers, net zoo goed als Pirlapan en Bommeltje. - -"Ben je mal," zei Plachki. "Noem je dat Hukkers? De eene dag zijn -ze aan 't hoera roepen voor jou en de volgende dag halen ze Sutrebor -weer terug. Dat zijn lui waar je niet op aan kan en dat noem ik geen -Hukkers. Wat jij Karibo?" - -Karibo was 't met Plachki eens... die Pomfrieters hadden wel 'n -lesje verdiend. - -"O zoo," zei Plachki. "We zullen ze er eens van langs geven. Laat -dat maar aan vader over." - -Met iedere dag kwamen ze nu dichter bij de hoofdstad en overal werd -de nieuwe keizer met gejuich ingehaald. Abé hoopte nu maar dat 't in -Pomfriet ook zoo zou gaan. Al waren die Pomfrieters dan rare Hukkers, -'n beetje wispelturig en onbetrouwbaar, al hadden ze vroeger z'n -vader, keizer Napo, weggejaagd, hij wilde toch maar liever zonder -bloedvergieten de hoofdstad van z'n keizerrijk binnentrekken. - -Toen 't leger van Pirlapan echter de stad bereikte waren de poorten -gesloten. Dat hadden nu echter de Pomfrieters zelf niet gedaan. Die -waren benauwd genoeg en zouden graag al hun poorten wijd open -gezet hebben om prins Alphabet binnen te laten. Ze wilden wel weer -hoeraaa!! roepen ook en illumineeren als die soldaten van Pirlapan en -de andere baronnen hen maar met vrêe lieten, hun huizen niet in brand -staken of hun goederen roofden. Doch keizer Sutrebor had de poorten -laten sluiten. Hij wist wel dat 't er op of er onder ging met hem, -en nu wou hij zich zoo lang verdedigen als 't kon. - -Overal op de muren waren zijn soldaten ijverig bezig om de stad zoo -goed mogelijk te kunnen verdedigen en de burgers van Pomfriet moesten -daaraan meehelpen of ze wilden of niet. Doch toen ze 't groote leger -van Pirlapan voor de wallen zagen ontzonk hun wel 'n beetje de moed en -keizer Sutrebor beleefde angstige uren. Geen mensch kon meer Pomfriet -uit of in en 't duurde niet lang of de levensmiddelen werden schaars en -duur en de Pomfrieters begonnen hoe langer hoe harder te morren. Maar -Sutrebor deed de poorten niet open. Tot op 'n nacht de Pomfrieters -weer te hoop liepen, 't paleis aanvielen, de wacht overrompelden en -keizer Sutrebor gevangen namen. Daarna holden ze naar de poorten, -overvielen de wachten die maar weinig tegenstand boden, en 's morgens -heel in de vroegte gingen ze met de gevangen Sutrebor naar buiten om -hem over te leveren aan prins Alphabet. - -Abé en Plachki waren net op en zaten al te paard, want er zou 'n aanval -gedaan worden op de stad. Pirlapan wilde niet langer meer wachten. - -Daar zagen ze in de verte uit de stadspoort 'n troep menschen naderen -met 'n witte vlag voorop. - -"'t Helpt hun toch niet," zei Plachki, "al geven ze zich over. Op -hun kop krijgen ze toch." - -Abé antwoordde niemendal; maar keek nieuwsgierig naar de Pomfrieters -die vlug doorliepen. - -Pirlapan en de overige aanvoerders waren al gewaarschuwd en deze -voegden zich nu allen bij prins Alphabet. Karibo was er ook bij. - -Eindelijk waren de Pomfrieters met hun witte vlag dicht genoeg bij -en nu zagen de belegeraars dat ze 'n gevangene in hun midden hadden. - -"Dat kan geen mensch anders zijn dan Sutrebor, die ze komen -uitleveren," zei Pirlapan. - -"Wat 'n gemeene kerels," zei Plachki. "Eerst halen ze hem terug en -nu 't er op aan komt leveren ze hem aan de vijand over om er zelf -heelhuids af te komen." - -De man met de witte vlag trad naderbij. De overigen bleven op eenige -afstand. - -"Wat kom je doen?" vroeg Pirlapan stug. - -"Heer, wij hebben Sutrebor gevangen genomen en leveren hem nu aan -u over." - -"Net iets voor 'n Pomfrieter. Jullie ben de trouwste onderdanen, -die ik ooit gezien heb." - -"Wij onderwerpen ons aan de rechtmatige keizer van Huk. De poorten -staan open, heer." - -"Daar zijn we erg blij mee," zei Pirlapan spottend. "Hoe lang denken -jullie trouw te blijven?" - -De man gaf geen antwoord, en toen vervolgde Pirlapan: - -"Dat weet je niet hè? Nu we zullen wel zorgen dat Pomfriet in -'t vervolg trouw blijft. Jullie blijft allen als gijzelaars -hier. Intusschen zullen wij in de stad eens een kijkje gaan nemen." - -Niemand nam eenige notitie van Sutrebor, die als 'n gewoon Pomfrieter -met de anderen naar 't legerkamp gevoerd werd. Daar zorgden ze er -echter wel voor, dat ie niet ontsnappen kon. - -'n Gedeelte van 't leger en al de voorname heeren volgden prins -Alphabet naar Pomfriet. De nieuwe keizer reed tusschen Pirlapan en -Karibo in en vlak bij de stad zei hij: - -"Heer van Pirlapan, dat gaat goed zoo zonder bloedvergieten hè?" - -Pirlapan keek Abé eens aan en antwoordde: "Ja uwe majesteit. We -komen er gemakkelijk in. Geen van onze mannen behoeft er 't leven -bij te laten." - -"En geen Pomfrieters ook." - -"Geen Pomfrieters? ... Morgen hangen we alle belhamels op." - -"Heer van Pirlapan wil je me 'n groot genoegen doen? Hang dan geen -belhamels op." - -Pirlapan gaf 'n ruk aan de teugels dat z'n paard er van begon te -steigeren. - -"Wat? Die ontrouwe Pomfrieters... daar zouden we er geen paar honderd -van opknoopen als 'n waarschuwend voorbeeld voor de rest?" - -"Liever niet, heer van Pirlapan. Ik zou graag willen beginnen als -keizer van Huk zonder die paar honderd opgehangen Pomfrieters." - -Karibo hoorde met 'n vergenoegd gezicht toe. Karibo was nieuwsgierig -wie er zou toegeven, de koppige kleine keizer of de koppige groote -baron. Want koppig was Pirlapan ook. - -Hij reed 'n poos zwijgend naast Abé voort tot ze bijna vlak onder de -openstaande poort van Pomfriet waren. Toen zei Pirlapan: - -"Het zal gebeuren zooals Uw majesteit wenscht. We zullen dan alleen -Sutrebor opknoopen." - -"Och laat die arme kerel ook maar leven..." - -"Die ook al niet? Maar prins...." - -"Wat heb je daaran? Ik wou liever heelemaal geen mensch op laten -hangen." - -"Wat zeg je me daarvan?" zei Pirlapan 'n poosje later tegen Karibo -terwijl Abé en Plachki vooruit reden. "Wat zeg je me daarvan, er -wordt geen mensch opgehangen." - -"Ja," antwoordde Karibo lachend. "Hij is onze keizer hè? Z'n vader -was net zoo." - -"Die was ook veel te goed," bromde Pirlapan. - -"Nee... ik bedoel net zoo koppig." - -De jonge keizer reed met z'n gevolg regelrecht naar 't raadhuis. Karibo -wees de weg. Daar zaten de burgemeester en al de voorname Pomfrieters, -die mee naar Pirlapan geweest waren om prins Alphabet te gaan halen en -teruggekeerd waren omdat ze Karibo niet meer gelooven wilden. Ze zaten -nu angstig bij elkaar omdat ze vreesden, dat hun niet veel goeds boven -'t hoofd hing. Door de vensters zagen ze dat 't groote marktplein vol -liep met soldaten, die zich heel ordelijk opstelden. Abé had bevel -gegeven, dat geen soldaat 'n hand mocht uitsteken naar 'n Pomfrieter -of z'n eigendom. - -Karibo werd naar binnen gezonden en 'n poosje later kwamen allen die -daar binnen gezeten waren met benauwde gezichten uit 't raadhuis te -voorschijn. De burgemeester voorop met 'n paar groote sleutels in -z'n handen en de anderen achter hem daalden de trappen af en knielden -voor 't paard van keizer Abé neer. Uit alle vensters keken de menschen -nieuwsgierig toe. Ze riepen niet hoera zooals de Lumkipingsche burgers -gedaan hadden. 't Was doodstil en iedereen kon hooren, wat de keizer -van Huk tegen de knielende burgemeester zei: - -"Geef de sleutels van Pomfriet aan Karibo. Die zal voortaan -burgemeester in de hoofdstad van Huk zijn. Sta op man en ga naar -huis. Ik wil je nooit meer zien en die anderen ook niet. Ingerukt -marsch." - -Prins Alphabet wendde z'n paard om en keek niet meer naar de -voormalige burgemeester of de deftige heeren van Pomfriet, die nog -altijd geknield lagen. - -De kleine keizer reed nu met z'n gevolg naar 't paleis waar hij -geboren was en waar Karibo hem de weg weer moest wijzen. De nieuwe -burgemeester van Pomfriet kende daar alle hoekjes en was wat blij -dat hij eindelijk na zooveel jaren weer in dat paleis de voet mocht -zetten, maar vooral omdat 't nu weer 't paleis van prins Alphabet -was. Er waren vele dingen door Sutrebor veranderd doch er was ook -nog veel gebleven van vroeger. Dat alles wees hij aan Abé. - -Pirlapan en Karibo hadden 't die dag erg druk. Er was zooveel te -regelen in Pomfriet en daarbij hielp Pirlapan de nieuwe burgemeester -zooveel hij kon. Maar ze waren 's avonds toch aanwezig bij 't -groote feest dat in 't paleis ter eere van keizer Abecé gegeven werd -en waarbij alle baronnen aanwezig waren. In de stad was 't echter -doodstil en donker. De keizer had de Pomfrieters verboden de stad te -illumineeren. Hij wilde niet dat de Pomfrieters meededen. En dat speet -de menschen erg, want 't grootste gedeelte der Pomfrietsche inwoners -was toch blij, dat de zoon van keizer Napo weer op de troon van Huk -zat. Maar de goeden moeten 't wel eens meer met de kwaden ontgelden. - -In 't paleis ging 't er echter vroolijk genoeg naar toe. Alleen speet -'t prins Alphabet dat moeder Guldratsj er niet niet bij was. Die had -er ook bij moeten zijn, vond hij. Dan was 't volmaakt geweest. - - - - - - - - -SLOT. - - Waarin de keizer van Huk merkt dat moeder Guldratsj geen draagstoel - noodig heeft. - - -Langzamerhand werd alles geregeld. Sutrebor was verbannen. Pirlapan -was nog in Pomfriet. Hij leerde de jonge keizer hoe 't land bestuurd -moest worden. Plachki was ook in Pomfriet. Dat had Abé zoo gewild. De -overige Pirlapans waren door hun vader uitgezonden om door heel Huk -bekend te maken dat prins Alphabet de troon van keizer Napo beklommen -had en tevens om er voor te zorgen, dat 't in Huk weer veilig langs -de wegen werd. De straatroovers, die onder keizer Sutrebor 'n goed -leventje gehad hadden, kregen 'n slechte tijd. De overige Huksche -baronnen waren op 'n paar na, die 'n hooge betrekking aan 't hof -bekleedden, allen weer naar hun kasteelen vertrokken. En Karibo was -'n flinke burgemeester, geen enkele van de voorname heeren had nog -iets in te brengen. - -Doch nu begon keizer Abecé er over te denken om moeder Guldratsj te -gaan halen. Dat had hij haar beloofd. Pirlapan en Karibo waren er -tegen. Ze zeiden dat moeder Guldratsj waarschijnlijk veel liever in -d'r hutje bleef, maar Abé wou er niet van hooren. Hij wilde moeder -Guldratsj die zoo goed voor hem geweest was bij zich hebben. - -Zoo vertrok dan op 'n morgen 'n paar maanden na Abé's intocht in -Pomfriet, 'n prachtige stoet ruiters met 'n mooie draagkoets, fraai -genoeg voor 'n koningin. De keizer en z'n vriend Plachki reden zelf -aan 't hoofd van de stoet. Ze reden vlug, maar 't duurde toch 'n week -eer ze in de buurt van moeder Guldratsj' hutje aankwamen. Abé was -ongeduldig en hij en Plachki reden in galop vooruit. Wat zou moeder -Guldratsj wel zeggen? - -"Nou," meende Plachki, "ik denk dat ze blij genoeg zal zijn jou weer -te zien en nog wel als keizer van Huk, maar of ze graag mee zal willen, -dat weet ik nog niet. Ik geloof dat vader en Karibo gelijk hebben." - -"Ze zal best mee willen als ik 't haar vraag. Daar is d'r hutje." - -Ze renden nog harder voort. 't Ging als de wind. Juist toen ze voor -de deur van moeder Guldratsj' hutje van hun paarden wilden springen -werd de deur geopend en 'n man trad naar buiten. Hij had 'n zwarte -mantel om en achter hem aan kwamen langzaam uit de deur vier mannen -die 'n baar droegen waarover 'n zwart kleed lag. - -Abé schrok er van, doch Plachki vroeg aan de man terwijl hij op de -baar wees: "Moeder Guldratsj?" - -De man knikte en zei: "Ja heer, we gaan haar begraven. Ze is van -ouderdom gestorven." - -De man stapte vooruit en de vier mannen volgden met de baar. De keizer -sprong van 't paard en Plachki eveneens en met hun paarden aan de -teugel gingen ze stil mee achter 't zwarte kleed waaronder moeder -Guldratsj lag. De weg was ver naar 't kerkhof en onderweg kwamen ze -de heele keizerlijke stoet tegen. Op 'n wenk van Plachki stegen alle -ruiters af en gingen mee. Zoo werd moeder Guldratsj plechtig begraven -en 't was de eerste maal, dat 'n keizer van Huk achter de lijkbaar van -'n oud moedertje liep. - -De menschen in 't dorp waar 't kerkhof was, wisten niet wie er achter -de baar gingen. Ze vonden 't 'n mooie stoet en praatten er nog lang -over. Doch op 'n dag kwamen er werklieden op 't kerkhof en die bouwden -op 't graf van moeder Guldratsj 'n prachtig marmeren gedenkteeken en -daar stond met gouden letters in gebeiteld: - - - HIER LIGT MOEDER GULDRATSJ, DIE GOED WAS VOOR DE KEIZER VAN HUK. - - - - - - - - -End of the Project Gutenberg EBook of Prins Alphabet, by Piet Valkenstein - -*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK PRINS ALPHABET *** - -***** This file should be named 55756-8.txt or 55756-8.zip ***** -This and all associated files of various formats will be found in: - http://www.gutenberg.org/5/5/7/5/55756/ - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg. - - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United -States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive -specific permission. If you do not charge anything for copies of this -eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook -for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports, -performances and research. They may be modified and printed and given -away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks -not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the -trademark license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country outside the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you'll have to check the laws of the country where you - are located before using this ebook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm web site -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The -Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm -trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org Section 3. Information about the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the -mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its -volunteers and employees are scattered throughout numerous -locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt -Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to -date contact information can be found at the Foundation's web site and -official page at www.gutenberg.org/contact - -For additional contact information: - - Dr. Gregory B. Newby - Chief Executive and Director - gbnewby@pglaf.org - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide -spread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works. - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our Web site which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. - |
