diff options
Diffstat (limited to 'old/55485-8.txt')
| -rw-r--r-- | old/55485-8.txt | 4451 |
1 files changed, 0 insertions, 4451 deletions
diff --git a/old/55485-8.txt b/old/55485-8.txt deleted file mode 100644 index 2674f63..0000000 --- a/old/55485-8.txt +++ /dev/null @@ -1,4451 +0,0 @@ -The Project Gutenberg EBook of Het Granaatappelhuis, by Oscar Wilde - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most -other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of -the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have -to check the laws of the country where you are located before using this ebook. - -Title: Het Granaatappelhuis - -Author: Oscar Wilde - -Illustrator: Johanna Berhardina Midderigh-Bokhorst - -Translator: Liane van Oosterzee - -Release Date: September 4, 2017 [EBook #55485] - -Language: Dutch - -Character set encoding: ISO-8859-1 - -*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET GRANAATAPPELHUIS *** - - - - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg - - - - - - - - - - WERELD BIBLIOTHEEK - - ONDER LEIDING VAN L. SIMONS - - - OSCAR WILDE - - HET GRANAATAPPELHUIS - - - VERTAALD DOOR - LIANE VAN OOSTERZEE - - MET VERSIERINGEN VAN - J. EN B. MIDDERIGH-BOKHORST - - - UITGEGEVEN DOOR DE - MAATSCHAPPIJ VOOR - GOEDE EN GOEDKOOPE - LECTUUR--AMSTERDAM - - - - - - - - -INHOUD. - - - De jonge Koning 7 - De Verjaardag der Infante 33 - De Visscher en zijn Ziel 71 - Het Sterrekind 137 - - - - - - - - -I. - -DE JONGE KONING. - - -Het was de nacht vóór zijn kroningsdag, en de jonge koning zat alleen -in zijn mooie kamer. Zijne hovelingen waren allen heengegaan onder -hoffelijk nijgen van het hoofd tot aan den grond--naar het vormelijk -gebruik dier tijden--en hadden zich in de groote zaal van het -paleis begeven, om van den opperceremoniemeester nog eenige laatste -aanwijzingen te ontvangen; want er waren er onder hen die nog zeer -natuurlijke manieren hadden, en ik behoef wel niet te verzekeren, -dat zoo iets aan een hof steeds groote ergernis wekt. - -De knaap--want hij was met zijne zestien jaren nog slechts een -knaap--was niet verdrietig dat zij heengingen, en had zich, met een -diepe zucht van verlichting, op de zachte kussens van zijn geborduurd -rustbed neergeworpen; daar lag hij met vlammende oogen en geopende -lippen, gelijk een bruine faun uit het woud, of als een jong dier -uit de wildernis, dat door jagers gevangen werd. En inderdaad was ook -hij door jagers gevangen geworden. Bijna door toeval hadden zij hem -ontdekt, toen hij blootsvoets, met een fluit in de hand, de kudde -van den armen geitenhoeder voortdreef, die hem had opgevoed en als -wiens zoon hij zich tot dusverre ook had beschouwd. Als het kind van -'s ouden konings eenige dochter, geboren uit den heimelijken echt -met een, die aan rang verre beneden haar stond,--een vreemdeling was -hij geweest, zeiden sommigen, die door de wonderzoete bekoring van -zijn fluitspel de jonge prinses betooverd en tot liefde bewogen had, -terwijl anderen spraken van een kunstenaar uit Rimini, wien de Prinses -veel, wellicht te veel eer had aangedaan, en die plotseling uit de -stad verdwenen was, zonder zijn werk in de kathedraal voleindigd -te hebben--was hij, nauwelijks een week oud, uit de armen van zijn -sluimerende moeder geroofd, en aan een eenvoudigen boer en diens vrouw -toevertrouwd, die geen eigen kinderen hadden en in een afgelegen -deel van het woud woonden, meer dan een dagreize ver van de stad -verwijderd. Het verdriet, of de pest, gelijk de hofarts verzekerde, -of wel, zooals andere meenden, een snel werkend italiaansch gif, -in een beker gekruiden wijn gereikt, doodde reeds een uur na haar -ontwaken de bleeke jonge vrouw die hem gebaard had; en toen de trouwe -knecht, die het kind vóór zich op het zadel gedragen had, van zijn -vermoeid paard afsteeg en aan de deur van de herdershut klopte, -toen liet men juist het lijk der Prinses neerdalen in een graf, -dat men, ver buiten de poorten van de stad, op een verlaten kerkhof -voor haar gedolven had--een graf, waarin, zooals men zei, reeds een -andere doode lag, een jonge man van wondere en vreemde schoonheid, -wiens handen met vastgestrikte snoeren op den rug gebonden waren, -en wiens borst veel roode wonden aanwees. - -Zoo luidde althans het verhaal, dat men elkander toefluisterde. - -En toen gebeurde het, dat de koning op zijn sterfbed, door berouw -over zijn groote zonde misschien gekweld, misschien ook door den -wensch, dat het koningschap in zijn geslacht verblijven zoude, den -knaap liet halen, en hem, in tegenwoordigheid van den Hoogen Raad, -als zijn erfgenaam erkende. - -En het schijnt wel, dat hij, van het eerste oogenblik zijner erkenning -af, blijken gaf van den zonderlingen schoonheidsdorst, die van zoo -grooten invloed worden zou op heel zijn volgend leven. Zij, die hem -begeleidden door de vlucht van zalen, die voor hem bestemd waren, -verhaalden menigmaal van de vreugdekreten die van zijn lippen juichten, -toen hij de fijngeweven stoffen en fonkelende juweelen aanschouwde -die men voor hem gereed gelegd had, en van den bijna wilden jubel, -waarmede hij zijn ruw lederen wambuis en de ruige schapenvacht die -hem tot mantel diende van zich geworpen had. Zeker, nu en dan, miste -hij wel de blijde vrijheid van zijn leven in het woud, en vaak genoeg -moest hij zich ergeren over de ondragelijke ceremoniën aan het hof, -maar het prachtige paleis--Joyeuse was het geheeten--waarover hij nu -te beschikken had, scheen hem een nieuwe wereld toe, alleenlijk voor -zijn lust geschapen; en zoodra hij Raadsvergadering of Audientiezaal -ontvluchten kon, snelde hij de groote trap omlaag, waar leeuwen stonden -uit verguld en brons en welker treden waren van glanzend rood porphier, -en dwaalde van de eene kamer naar de andere, van de eene naar de andere -gang, als een, die in de schoonheid zocht een balsem voor het leed, -genezing schier, na doffe kwelling. Op deze ontdekkingstochten, zooals -hij ze te noemen placht--en inderdaad waren ze voor hem ook werkelijke -reizen door een land van wonderen--liet hij zich dikwijls begeleiden -door de slanke, blondgelokte hofpagen met hunne uitwaaierende mantels -en vroolijk wapperende linten; maar liever nog bleef hij alleen, want -hij besefte ras, met instinctmatig begrijpen, dat de geheimen van de -kunst het best aanvaard worden in éénzaamheid, en dat de Schoonheid, -evenals de Wijsheid, den stilpeinzenden vereerder liefheeft. Menig -zonderling verhaal vertelde men elkaar van hem in dezen tijd. Zoo -heette het, dat een welgedaan heer Burgemeester, die gekomen was om -eene gloeiende, welsprekende begroetingsrede uit naam der stadsbewoners -tot hem te richten, hem aangetroffen had, toen hij in innige aanbidding -geknield lag voor een groot schilderij, dat juist was aangekomen uit -Venetië, en dat den triomf der nieuwe goden scheen voor te stellen. - -Bij een andere gelegenheid, had men hem uren lang gemist, en -na veel zoeken eindelijk weer gevonden in een kleine, in een der -noordelijke torentjes gelegen kamer, waar hij, als een die in extase -ligt verzonken, op een grieksche gemme staarde waarin de gestalte -van Adonis was gesneden. Men had gezien, zoo luidde verder de mare, -hoe hij zijn warme lippen hield gedrukt op 't kille voorhoofd van een -antiek marmeren beeld, dat men bij 't bouwen van een steenen brug, -in het zandbed van den stroom gevonden had en dat als inschrift droeg -den naam van den Bithynschen slaaf Hadriaan. - -En een ganschen nacht had hij doorwaakt onder 't bespieden van -maanlichtgetoover op een zilveren beeldje van Endymion. - -Alle zeldzame en kostbare weefsels oefenden blijkbaar eene groote -bekoring op hem uit, en in het onweerstaanbare verlangen deze stoffen -te bezitten, had hij vele kooplieden uitgezonden; deze naar het -ruwe visschersvolk aan noordsche zeekust, om van hen het barnsteen -te verkrijgen, gene naar Egypte, om er de vreemde groenlichtende -turkooizen te zoeken, die slechts in de graven der Koningen te vinden -zijn en die magische kracht heeten te bezitten; andere nog naar -Perzië, voor glanzend zijdene tapijten en beschilderd aardewerk, -en weer anderen wees hij Indië aan, om er luchtig-gazen weefsels -te koopen en bleek ivoor en maansteenen en armbanden uit nephriet; -sandelhout en blauw emaille en shawls van fijne wol. - -Maar wat het meest zijne gedachten bezig hield, dat was het gewaad, -dat hij bij zijne kroning zou dragen, het gewaad uit gesponnen -goud, en de kroon van fonkelende robijnen, en de schepter bezet met -rijen en ringen van paarlen. Ja, daaraan dacht hij ook dezen avond, -toen hij op het kostbaar rustbed uitgestrekt lag en naar het groote -blok dennenhout staarde, dat in open schouw door het vuur verteerd -werd. De teekeningen van de hand der meest beroemde meesters uit dien -tijd waren hem reeds maanden geleden voorgelegd geworden, en hij had -bevel gegeven, dat men dag en nacht zou arbeiden om ze ten uitvoer te -brengen, en dat men de geheele wereld zou doorzoeken om juweelen te -vinden, die waardig zouden zijn voor dezen arbeid. En in gedachten -zag hij zich reeds staan voor het hoogaltaar in de kathedraal, -gehuld in het kostbaar pronkgewaad,--en een lachje speelde om zijne -jongenslippen en dat lachje bleef bestendig en ontvlamde in zijne -donkere woudoogen een stralenden glans. - -Na korte wijle stond hij op, bleef geleund staan tegen den uitgesneden -mantel van den schouw en blikte om zich heen, in het matbeschenen -vertrek. De wanden waren behangen met prachtige gobelins, die den -Triomf der Schoonheid voorstelden. Een groot schrijn, versierd met -inlegsels van achaat en lapislazuli, stond in een hoek van het vertrek, -en tegenover het venster bevond zich een kast van vreemden vorm, met -laden die vakken vormden van lak en goudvernis en guldene mozaïken; -en op die kast stonden teere bekers uit Venetiaansch glas en een -drinkschaal van donkergeaderd onyx. Bleek getinte papaverbloemen, -aan den slaap ontglipt, waren door kunstige naald op het overkleed -van het bed gespreid, en hooge uitgesneden staven van ivoor droegen -den fluweelen baldakijn, uit welks hemel groote struisvederbossen, -gelijk kroezelig wit schuim, omhoog sprongen tot de met bleekdof -zilveren kassetten versierde zoldering. Een lachende Narkissus uit -groenig brons hield een glanzenden spiegel boven het hoofd. Op de -tafel stond een lage amethisten schaal. - -Van uit het venster kon hij den geweldigen koepel van de kathedraal -aanschouwen, die wel een zeepbel geleek, lichtend boven de in schaduw -gedompelde huizen; en hij zag ook de schildwachten, die, op het in -nevel gehulde terras aan het water, met vermoeiden tred heen en weer -liepen. Verweg, in een tuin, zong een nachtegaal. Een lichte geur -van jasmijn zweefde binnen door het geopende venster. Hij streek -de bruine lokken van het voorhoofd weg, nam een luit, en liet de -vingers over de snaren glijden. Zijne moede oogleden sloten zich -en een wonderlijke loomheid kwam over hem. Nimmer had hij met zoo -duidelijke gewaarwording, of met zoo voelbaar opjubelende vreugde, -de betoovering ondervonden--de zoet-geheime--van het schoone. - -Toen de torenklok middernacht sloeg, drukte hij even op een -schel. Zijne pagen traden binnen en ontkleedden hem met velerlei -ceremoniën, goten rozenwater op zijne handen en strooiden bloemen op -zijn kussen. En dra nadat zij hem verlaten hadden, sluimerde hij in. - - - -En toen hij sliep, droomde hij eenen droom, en deze was zijn droom: - -Het was hem, als stond hij in een lange lage dakkamer, en om hem -heen was het snorrend en ratelend geluid van vele weefgetouwen. Het -fletse daglicht drong flauwtjes door de getraliede vensters -en toonde hem de magere gestalten van de wevers die over hunne -weeframen gebogen zaten. Bleeke ziekelijke kinderen hurkten op de -breede dwarsbalken. Wanneer de weefspoelen door den inslag gingen -trokken zij het zware stelhout naar boven; en stonden de spoelen -stil, dan lieten zij de wig weer neervallen en schoven de draden -bij elkaar. Hunne gezichten waren ingevallen van den honger en hunne -smalle handen trilden van zwakte. Enkele uitgemergelde vrouwen zaten -aan een tafel te naaien. Een ontzettende stank vervulde de ruimte. De -lucht was er zwaar en verpest, en de wanden dropen van de vocht. - -De jonge koning ging tot een der wevers, trad dicht naast hem en zag -toe hoe hij werkte. - -Knorrig keek de wever tot hem op en zei: - ---"Wat ziet ge me op de handen? Zijt gij een bespieder, die door -onzen heer naar ons toe werd gezonden?" - ---"Wie is uw heer?" vroeg de jonge Koning. - ---"Onze heer!" riep de wever bitter. "Hij is een mensch als ik. Een -onderscheid is er maar tusschen ons--hij draagt mooie kleeren en -ik ga in lompen; en ik ben zwak van honger, terwijl hij lijdt aan -oververzadiging." - ---"Het land is vrij," sprak weer de jonge Koning, "en gij zijt -niemands slaaf." - ---"In den oorlog," antwoordde de wever, "maken de sterken de zwakken -tot slaven, en in vredestijd maken de rijken de armen tot slaven. Wij -moeten werken om te leven, en zij geven ons zoo smadelijk loon dat -wij sterven. Voor hen werken wij den ganschen dag en zij stapelen -het goud in hunne kisten; maar onze kinderen verwelken vóór hun tijd -en de aangezichten van hen, die wij liefhebben, worden vroeg hard -en bitter. Wij persen de druiven, en een ander drinkt den wijn. Wij -zaaien het koren en onze eigen schuur blijft leeg. Wij dragen ketens, -al ziet ze ook niemand, en wij zijn slaven, ook al noemen de menschen -ons vrij." - ---"Is dat werkelijk zoo?" vroeg hij. - ---"Dat is werkelijk zoo," antwoordde de wever, "bij de jongen zoowel -als bij de ouden, bij de vrouwen zoowel als bij de mannen, bij de -kleine kinderen zoowel als bij hen die door de jaren terneer gebogen -werden. De kooplieden trappen op ons, en wij moeten doen wat zij van -ons verlangen. De priester rijdt voorbij en telt zijne kralen, en geen -mensch bekommert zich om ons. Door onze zonnelooze krotten sluipt de -armoede met hongerige oogen rond, en de zonde, met haar walgelijk -gezicht, volgt haar op de hielen. De ellende wekt ons des morgens -en des nachts waakt de schande aan onze legerstede. Maar wat deert -u dat alles? Gij zijt niet een der onzen. Uw gezicht is te gelukkig." - -En morrend keerde hij zich om en wierp de spoel in 't weefgetouw; -en de jonge Koning zag hoe die met een gouden draad omsponnen was. En -een groote angst kwam over hem, en hij vroeg den wever: - ---"Wat is dat voor een gewaad, dat gij daar weeft?" - ---"Het is het kroningsgewaad voor den jongen Koning" antwoordde de -wever; "maar wat gaat u dat aan?" - -En de jonge Koning stiet een schrillen kreet uit en ontwaakte; en -zie! hij was in zijn eigen kamer, en door het venster zag hij de -groote honingkleurige maan, die zweefde door nevelige luchten. - - - -En hij sliep wederom in en droomde en deze was zijn droom: - -Het was hem, als lag hij op het dek van een groote galei, die door -honderd slaven geroeid werd. Op een tapijt aan zijne zijde zat de -eigenaar der galei. Hij was zwart als ebbenhout en zijn tulband was -van roode zijde. Groote zilveren sieraden hingen zwaar neer aan de -dikke oorlappen, en in de handen hield hij twee ivoren weegschalen. De -slaven waren, op een havelooze lendenschort na, geheel naakt, en elk -hunner was aan zijn buurman vastgeketend. De brandende zonnegloed -viel strak op hen neer en in draf liepen de negers langs hen heen en -sloegen hen met zweepen van leder. Zij strekten hunne magere armen -uit en trokken de zware roeispanen door het water. Het zilten schuim -spatte hoog op aan den boeg. - -Eindelijk bereikten zij een kleine bocht en wierpen het dieplood -uit. Een speelsche wind woei van de kust en strooide fijn rood stof -op dek en zeilen. Drie Arabieren kwamen op wilde ezels aangereden -en wierpen met hunne speeren naar hen. De heer der galei nam een -beschilderden boog ter hand, en schoot een der mannen in de keel; -met zwaren plof viel hij in de branding en zijne metgezellen vloden -heen. Een vrouw, in gele sluieren gehuld, volgde langzaam op een -kameel, en van tijd tot tijd keerde zij zich om en wierp een blik -naar het doode lichaam. - -Zoodra zij het anker uitgeworpen hadden, en het zeil binnengehaald, -daalden de negers naar beneden in het ruim, en keerden terug met een -lange touwladder, die zwaar behangen was met looden gewichten. De -eigenaar der galei bevestigde de einden aan twee ijzeren haken en -wierp haar toen overboord. Daarop grepen de negers den jongsten van -de slaven, rukten hem de ketens van het lijf, vulden zijne neus en -oorgaten met was en bonden hem een zwaren steen om de heupen. Moede -steeg hij de sporten naar omlaag en snel verzonk hij in de diepte. Daar -waar hij verdwenen was, borrelde het water nog even op. Van de overige -slaven keken er enkele nieuwsgierig over de verschansing. Vóór, -aan den boegspriet der galei, zat een haaienbezweerder, en sloeg -met eentonig geluid op zijn trommel. Na een poos, steeg de duiker -omhoog uit het water en klemde zich hijgend aan de ladder vast. In -de rechter hand hield hij een parel. De negers ontrukten hem die en -stietten hem terug. De slaven vielen bij hunne roeispanen in slaap. - -En telkens opnieuw steeg de duiker uit het water omhoog, en telkenmale -bracht hij een wonderschoone parel mede. Die woog dan de heer der -galei en stak haar daarna in een kleinen zak van groen leder. - -De jonge Koning beproefde te spreken, maar het was hem, als kleefde -zijn tong aan het verhemelte, en als gehoorzaamde zijne lippen hem -niet. De negers kakelden onderling en begonnen te twisten om een -snoer bonte kralen. Twee kraanvogels zweefden in cirkelvormige vlucht -bestendig om het schip henen. - -Toen steeg ten laatsten maal de duiker omhoog, en de parel, die hij -meebracht was heerlijker dan al de paarlen van den Ormuzd, want zij -was in haren vorm den vollen maan gelijk en glanzender scheen zij -dan de morgenster. Maar het aangezicht van den duiker was van vreemde -bleekheid, en toen hij op het dek viel, stuwde het bloed hem uit neus -en ooren. - -Een wijle dan stuiptrekte hij nog, toen werd hij stil. De negers -haalden de schouders op en wierpen het lichaam over boord. - -En de heer van de galei lachte; en hij strekte den arm uit, en nam -de parel, en toen hij haar in de hand hield, drukte hij haar aan zijn -voorhoofd en boog het hoofd. - ---"Zij zal," sprak hij, "voor den schepter van den jongen Koning -dienen;" en aan de negers gaf hij een teeken om het anker te lichten. - -En toen de jonge Koning dit hoorde, stiet hij een luiden schreeuw uit -en ontwaakte, en uit het venster blikkende, zag hij, hoe de schemering -hare lange grauwe vingeren uitstrekte naar de verbleekende starren. - - - -En hij sliep wederom in en droomde, en deze was zijn droom: - -Het was hem te moede als zwierf hij door een donker woud, waarin -zeldzame vruchten groeiden en prachtige giftige bloemen. Adders sisten -hem tegen toen hij voorbij schreed en bontkleurige papegaaien vlogen -krijschend van tak tot tak. Reusachtige schildpadden lagen te slapen -op het heete slijk. En de boomen waren vol apen en pauwen. - -Hij liep steeds verder en verder, tot hij aan den rand kwam van het -bosch; en daar ontwaarde hij eene ontzaglijke menigte van menschen, -die in de opgedroogde bedding eener rivier aan den arbeid waren. Zij -kropen als mieren op de rotsblokken rond. Zij groeven diepe kuilen -in den bodem en daalden dan naar omlaag. Eenige van hen spleten de -rotsen met groote houweelen; andere woelden in het zand. De cactusplant -trokken zij met hare wortels uit den grond en de scharlaken bloemkelken -vertraden zij onder hunne voeten. Zij liepen rusteloos heen en weer, -en schreeuwden elkaar toe en niemand die ledig zat. - -Uit de donkerte eener spelonk bespiedden hen de Dood en de Hebzucht, -en de Dood zei: - ---"Ik ben moe, geef mij het derde deel van hen en laat mij gaan." - -Maar de Hebzucht schudde het hoofd. - ---"Zij zijn mijne dienstknechten," antwoordde zij. - -En de Dood sprak tot haar: - ---"Wat houdt gij daar in uwe hand?" - ---"Drie graankorrelen," antwoordde zij, "wat gaat u dat aan?" - ---"Geef mij er ééne van!" zeide de Dood, "opdat ik die plante in mijn -tuin; slechts ééne en ik zal gaan." - ---"Niets wil ik U geven," zei de Hebzucht, en zij verborg haar hand -in een vouw van haar kleed. - -En de Dood lachte, nam een schaal, en doopte die in een waterpoel, en -uit de schaal steeg de anderdaagsche Koorts. Die schreed door de groote -menschenmenigte en het derde deel van hen lag dood. Een koude nevel -gleed achter haar aan en waterslangen schuifelden aan weerszijden. - -En toen de Hebzucht zag, dat het derde deel der menschen dood ternêer -lag, sloeg zij zich op de borst en weende. Zij sloeg zich op de -onvruchtbare borst en weende luid. - ---"Gij hebt het derde deel mijner dienstknechten vermoord," riep zij, -"ga nu heen! In de bergen van het Tartarenland heerscht krijg en de -Koningen van beide legers roepen om u. De Afghaners hebben den zwarten -stier gedood en trekken naar het oorlogsveld. Zij hebben met hunne -speeren op hunne schilden geslagen en de hoofden bedekt met hunne -ijzeren helmen. Wat kan mijn dal u zijn, dat gij daarin vertoeven -zoudt? Ga heen van hier en keer nimmer meer terug." - ---"Zeker," antwoordde de Dood, "maar niet aleer gij mij ééne van de -graankorrelen gegeven hebt ga ik heen van hier." - -Doch de Hebzucht schudde het hoofd. - ---"Niets wil ik u geven," murmelde zij. En de Dood lachte, en nam -een zwarten steen op, en wierp dien in het woud, en uit een wildernis -van dolle kervel verrees de Moeraskoorts in een kleed van vlammen. En -die ging door de menigte en raakte de menschen aan, en ieder die werd -aangeraakt, stierf. - -En waar zij ging, daar verdorde het gras onder hare voeten. - -En de Hebzucht huiverde en strooide asch op haar hoofd. - ---"Gij zijt wreed," riep zij, "gij zijt wreed. In de ommuurde steden -van Indië heerscht hongersnood en in Samarkand zijn de bronnen -verdroogd. In de ommuurde steden van Egypte heerscht hongersnood en -uit de woestijn zijn in zwermen de sprinkhanen gekomen. De Nijl is -niet buiten zijne oevers getreden, en de priesters hebben Isis en -Osiris vervloekt. Ga henen tot hen die u noodig hebben, en laat mij -mijne dienstknechten behouden." - ---"Zeker," antwoordde de Dood, "maar niet aleer gij mij ééne van de -graankorrels gegeven hebt, ga ik heen van hier." - ---"Niets wil ik u geven," sprak de Hebzucht. - -En wederom lachte de dood en floot tusschen zijn vingers en een vrouw -kwam door de lucht gevlogen. PEST stond op haar voorhoofd geschreven en -een schare van uitgehongerde gieren klapwiekten om haar heen. Met beî -haar vleugelen overdekte zij het dal en niet één die in leven bleef. - -En de Hebzucht vluchtte weeklagend door het woud en de Dood sprong op -zijn bloedrood ros en reed henen, en zijn ros reed sneller dan de wind. - -En uit het slijk op den bodem van het dal, kropen draken te voorschijn, -en ander afzichtelijk, met schubben bedekt gedierte; en jakhalzen -kwamen langs het zand geloopen en snoven met wellust de verpestende -lucht in hunne neusgaten op. - -En de jonge Koning weende en vraagde: - ---"Wie waren deze mannen en wat zochten zij?" - ---"Robijnen voor eens Koning's kroon," antwoordde hem een, die achter -hem stond. En de jonge Koning schrikte hevig en keerde zich om, en -werd een man gewaar, die gekleed was als een pelgrim, en een zilveren -spiegel in de hand droeg. - -Hij verbleekte en vroeg: - ---"Voor welken Koning?" - -En de pelgrim antwoordde en sprak: - ---"Zie in dezen spiegel en gij zult hem aanschouwen." - -En hij zag in den spiegel, en toen hij zijn eigen beeltenis -aanschouwde, stiet hij een luiden kreet uit en ontwaakte, en het -gouden zonlicht stroomde binnen in de kamer en in de boomen van den -tuin fladderden de vogels en zongen. - - - -En de kanselier en de hooge beambten van den Staat traden het vertrek -binnen en huldigden hem, en de pagen brachten hem het gewaad uit -gesponnen goud, en legden de kroon en den schepter voor hem neder. En -de jonge Koning aanschouwde ze beide en zij waren heerlijk om aan -te zien. Zij waren heerlijker nog dan iets, wat hij ooit te voren -aanschouwd had. Maar hij dacht aan zijne droomen en sprak tot de -Grooten des Rijks: "Neemt deze dingen weg, want ik wil ze niet dragen." - -En de hovelingen ontzetten zich en eenige onder hen begonnen te lachen, -want zij meenden, dat hij schertste. Maar nog eenmaal richtte hij -streng het woord tot hen en zeide: - ---"Neemt deze dingen weg en verbergt ze voor mijn oogen. Al is het -ook heden mijn kroningsdag, ik wil ze geenszins dragen. Want op het -weefgetouw van de Zorg en door de bleeke handen van het Leed werd -dit mijn gewaad geweven. Bloed is in het hart van den robijn en in -het hart van de parel rust de Dood." - -En hij vertelde hen van zijn drie droomen. - -En toen de hovelingen die aangehoord hadden, keken zij elkander aan -en fluisterden: - ---"Geen twijfel of hij is waanzinnig geworden; want blijft niet een -droom een droom en is een visioen iets anders dan een visioen? Zij -zijn niet iets wezenlijks, waarover men zich te bekommeren heeft. En -wat deert ons het leven van hen, die voor ons werken? Zal een mensch -geen brood meer eten, aleer hij den zaaier gezien heeft, en geen wijn -meer drinken alvorens hij met den wijnlezer gesproken heeft?" - -En de kanselier sprak tot den jongen Koning en zeide: - ---"Mijn gebieder, ik smeek u, laat deze sombere gedachten varen, -omkleed u met dit schoone gewaad en zet de kroon op uw hoofd. Want -hoe zal het volk weten, dat gij Koning zijt, wanneer gij niet het -kleed eens Konings draagt?" - -En de jonge Koning zag hem aan. - ---"Is dit werkelijk zoo?" vraagde hij; "zullen zij mij niet als hun -Koning kennen, omdat ik niet het kleed eens Konings draag?" - ---"Zij zullen u niet als zoodanig erkennen, mijn gebieder," sprak -de kanselier. - ---"Ik meende, dat er mannen geleefd hebben, die koninklijk waren -van natuur," antwoordde hij, "maar het kan zijn, dat gij waarheid -spreekt. En toch wil ik dit kleed niet dragen, noch wil ik mij met -deze kroon laten kronen; maar zooals ik binnenkwam in het paleis, -zoo wil ik het weder verlaten." - -En hij liet hen allen heengaan, op een page na, een knaap, die een -jaar jonger was dan hij. Dien behield hij bij zich ter zijner dienste; -en toen hij zich in helder water had gebaad, opende hij een groote, -zeer oude uitgesneden kist, en nam daaruit het rood lederen wambuis en -den groven mantel van schapenvacht, dien hij gedragen had toen hij in -het heuvelland de ruigharige geiten van den herder had gehoed. Dien -trok hij aan, en in de hand nam hij zijn knoestigen herdersstaf. De -kleine page sperde de groote blauwe oogen wijd open van verbazing en -zeide lachend: - ---"Mijn gebieder, ik zie wel uw kleed en wel uw schepter, maar waar -is uw kroon?" - -En de Koning plukte een tak van een wilden struik, die over het balkon -rankte, boog hem rond tot een krans, en drukte dien op 't hoofd. - ---"Dit zal mijn kroon zijn," antwoordde hij. - -En aldus getooid, ging hij uit zijn kamer naar de groote zaal, waar -de Edelen op hem wachtten. - -En de Edelen lachten luidkeels en eenige riepen hem toe: - ---"Mijn gebieder, het volk wacht op zijn Koning en gij laat het een -bedelaar aanschouwen;" en andere werden toornig en spraken: - ---"Hij brengt schande over onzen Staat, en hij is niet waardig onze -Heer te zijn." - -Maar hij antwoordde niet met een enkel woord, ging heen, en schreed -de glanzende trap van porphyr omlaag en naar buiten, door den bronzen -poort, en hij steeg op zijn ros en reed naar de kathedraal, terwijl -de kleine page naast hem bleef voortloopen. En het volk lachte en riep: - ---"Daar rijdt des Konings nar voorbij," en zij beschimpten hem. - -En hij trok aan den teugel en zeide: - ---"Neen, want ik ben de Koning." En hij verhaalde hen zijne drie -droomen. - -En een man trad uit de menigte naar voren en sprak vol bitterheid -tot hem, en zeide: - ---"Heer, weet gij niet dat het leven van den armen zich voedt met de -weelde van den rijkaard? Uwe pronk schenkt ons verzadiging, en uwe -ontucht verschaft ons brood. Voor een gestreng heer te werken is hard, -maar harder nog is het, geen heer te hebben voor wien men werken -kan. Meent gij, dat de raven ons voedsel zullen brengen? En welk -heelmiddel hebt gij voor deze dingen? Wilt gij den kooper zeggen: -gij moet voor zoo-veel koopen en den koopman: gij moet voor dezen -prijs verkoopen? Ik geloof van neen. Dus keer terug naar uw paleis, -omkleed U met uw purperen mantel en met uw fijngeweven linnen. Wat -bekommert gij u om ons, en om datgene wat wij dragen moeten?" - ---"Zijn niet de rijken en de armen broeders?" vroeg de jonge Koning. - ---"Zoo is het," antwoordde de man, "en de naam van den rijken broeder -luidt Kaïn." - -En de oogen van den jongen Koning vulden zich met tranen, en hij -reed verder onder het gemor van het volk, en groote angst beving den -kleinen page, en hij vlood heen van hem. - - - -En toen hij het portaal van de kathedraal bereikt had, versperden de -soldaten met hunne hellebaarden hem den weg en zeiden: - ---"Wat hebt gij hier te zoeken? Door deze deur mag niemand binnentreden -dan alleen de Koning." - -En zijn aangezicht werd rood van toorn en hij sprak tot hen: - ---"Ik ben de Koning," en hij stiet de hellebaarden op zijde en -trad binnen. - -En toen de oude Bisschop hem in zijn herderskleed zag naderen, stond -hij verwonderd op van zijn troonzetel en sprak: - ---"Mijn zoon, is dat het kleed van een Koning? En met welke kroon zal -ik u kronen, en welken schepter zal ik in uw handen leggen? Waarlijk, -deze dag was bestemd om u vreugde te brengen en niet vernedering." - ---"Zou Vreugde kunnen dragen wat Zorg heeft voortgebracht?" vroeg de -jonge Koning. En hij verhaalde hem zijne drie droomen. - -En toen de Bisschop die gehoord had, rimpelde zich zijn voorhoofd en -hij sprak. - ---"Mijn zoon, zie, ik ben een oud man, en ik sta in den winter van -mijn leven, en ik weet, dat er vele slechte dingen gebeuren in de -wereld. De wilde roovers dalen neer van de bergen en slepen de kleine -kinderen mede en verkoopen ze aan de Mooren. De leeuwen liggen roerloos -en bespieden de karawanen en werpen zich op de kameelen. Het wilde -everzwijn wroet in het koren van het dal en de vossen knagen aan de -wijnstokken op de heuvels. De zeeroovers verwoesten de kusten der zee -en verbranden de schepen der visschers en nemen hunne netten weg. In -de zoutmoerassen leven de melaatschen en zij wonen in woningen van -gevlochten riet, en niemand mag nader tot hen komen. De bedelaars -trekken door de steden en deelen het brood met de honden. Kunt gij -dat al verhinderen, dat het niet zoo zij? Wilt gij den melaatschen -tot uw slaapgenoot maken, en den bedelaar aan uw tafel nooden? Moet -de leeuw doen wat gij hem beveelt te doen, en moet het everzwijn u -gehoorzamen? Is niet Hij, die de ellende schiep, wijzer dan gij? Daarom -prijs ik u niet om wat gij gedaan hebt, veeleer gelast ik u naar het -paleis terug te keeren, de zorgen van uw gelaat te bannen, en het -gewaad aan te leggen, dat eenen Koning betaamt; en met de gouden kroon -wil ik u kronen, en den paarlen schepter in de hand u geven. En denk -niet meer aan uwe droomen. De last van deze aarde is voor één mensch -te zwaar om te dragen en het leed dezer aarde te zwaar voor één hart -om te dulden. - ---"Spreekt gij alzoo in dit huis?" sprak de jonge Koning en hij -schreed den Bisschop voorbij en besteeg de treden van het altaar en -stond voor het beeld van Christus. - -Voor het beeld van Christus stond hij, en aan zijn rechter en aan -zijn linkerzijde bevonden zich de heerlijk-schoone gouden schalen, -de kelk met den goudkleurigen wijn, en de fiool met de heilige -olie. Hij knielde neder voor het beeld van Christus, en de groote -kaarsen brandden helder naast het van juweelen fonkelend schrijn, -en de geurige wierook cirkelde in doorzichtige blauwe wolkjes door -het koepelruim. - -Hij boog het hoofd als tot gebed, en de priesters in hunne -stijfuitstaande koorgewaden slopen weg van het altaar. - - - -En plotseling hoorde men van buiten, van de straat, een wild rumoer, en -de Edelen drongen naar binnen met getrokken zwaarden en wild-golvende -vederbossen en schilden van blank metaal. - ---"Waar is die droomen--droomer?" riepen zij. "Waar is de Koning die -gekleed is gelijk een bedelaar?--de knaap, die schande brengt over -onzen Staat? Waarlijk, beter is het, indien onze hand hem neervelt, -want hij is onwaardig over ons te heerschen." - -En de jonge Koning boog wederom het hoofd en bad, en toen hij zijn -gebed geëindigd had, stond hij op en keerde zich tot hen, en zijn -oogen waren vol van droefenis. - -En zie! door de geschilderde ramen brak het zonnelicht in stroomen; -en de stralen van de zon weefden om hem heen een gewaad, dat -verrukkelijker was te aanschouwen dan het kleed, dat men gemaakt had -ter zijner eere. De doode staf begon te bloeien en haar ontsproten -leliën, die blanker nog waren dan paarlen. De verdroogde hagedoorn -ontlook en droeg rozen, die rooder waren dan robijnen. Blanker dan -reine paarlen waren de leliën en hare stengels waren van glinsterend -zilver. Rooder dan robijnen waren de rozen en hare bladeren waren -van gedreven goud. Hij stond daar in het gewaad eens Konings, en de -deuren van het met juweelen bezette schrijn openden zich en van het -kristal der schitterende monstrans brak uit een mystisch licht. Hij -stond daar in het gewaad eens Konings en de glorie van God vulde -algeheel de ruimte, en de Heiligen in de gebeeldhouwde nissen schenen -zich te bewegen. In het pronkgewaad eens Konings stond hij voor hen, -en aan het orgel ontstroomden volle melodieën en de fanfarenblazers -bliezen hunne fanfaren, en de koorknapen zongen. En het volk viel -in schuwe vreeze op de knieën en de Edelen lieten hunne zwaarden in -de scheede terugzinken, en huldigden hem, en het aangezicht van den -Bisschop werd bleek en zijne handen beefden. - ---"Een die grooter is dan ik, heeft U gekroond," sprak hij, en hij -knielde voor hem neder. - -En de jonge Koning schreed de treden af van het hoogaltaar en keerde -terug naar het paleis, midden door het volk. Maar niemand waagde hem in -het aangezicht te zien, want het was als het aangezicht van een Engel. - - - - - - - - -II. - -DE VERJAARDAG DER INFANTE. - - -Het was de verjaardag der Infante. Zij was juist twaalf jaar oud -geworden en de zon scheen stralend in den tuin van het paleis. - -Alhoewel zij eene heuschelijke Prinses, en de Infante van Spanje was, -had zij toch elk jaar maar één verjaardag, precies als de kinderen van -heele gewone menschen. Daarom deed natuurlijk het gansche land zijn -uiterste best, dat zij bij deze gelegenheid een echt pleizierigen dag -zou beleven. En het was dan ook inderdaad een heerlijke dag. De groote -gevlekte tulpen stonden kaarsrecht op hare stengels, als soldaten in -'t gelid, en zij keken met uitdagende blikken in den tuin rond naar de -rozen en zeiden: "Wij zijn nu precies zoo mooi als jullie." De purperen -vlinders, met goudstof op de vleugels, fladderden in de lucht rond -en bezochten alle bloemen, de eene na de andere; de kleine hagedissen -kropen uit de reten der muren en lagen stil zich te koesteren in den -witten zonnegloed; en de granaatbloesems sprongen open in de hitte, -en toonden haar bloedrood hart. Zelfs de geelbleeke citroenen, die -in rijken overvloed aan de half vermolmde omheiningen, en langs de -donkere zuilengangen hingen, schenen rijker kleur van het heerlijke -zonlicht te hebben gedronken, en de magnoliaboomen openden hunne -groote langwerpige bloesemkelken van toegevouwen ivoor en vervulden -de lucht met zwaren, bedwelmend-zoeten geur. - -De kleine Prinses liep met hare speelgenooten op het terras heen en -weer en speelde verstoppertje achter de steenen vazen en de oude met -mos bedekte beelden. Op gewone dagen mocht zij alleen met kinderen -van haar eigen rang spelen, bijgevolg moest zij dus altijd alleen -spelen; maar op haar verjaardag werd er eene uitzondering gemaakt, -en de Koning had bevel gegeven, dat zij van hare jonge vriendjes en -vriendinnetjes zoovele mocht uitnoodigen als zij maar wilde, en dat -zij naar hartelust pleizier konden maken. Eene statige sierlijkheid -scheen al dezen slankgebouwde Spaansche kinderen eigen, zoo als zij -zich spelend heen en weer bewogen, de knapen met hunne groote hoeden -met lange veeren en de korte, zwierige mantels om, de meisjes, zooals -zij de slepen harer lange brokaat japonnen droegen, en met groote -waaiers van zwart en zilver hare oogen voor de zon beschutten. Maar de -Infante was de liefelijkste van allen, en zij was ook het smaakvolste -gekleed, hoewel volgens de lastige mode van dien tijd. Haar kleed -was van grijze zijde, de zoom en de wijde poefmouwen zwaar met zilver -geborduurd, en het stijve keurslijf was met rijen van de heerlijkste -paarlen bezet. Wanneer zij liep, kwamen van onder den rok twee zeer -kleine schoentjes met groote roze strikken te voorschijn. Haar groote -waaier was van rose en paarlkleurig gaas, en in het haar, dat als een -aureool van lichtend goud stijf om haar bleek klein gezichtje stond, -droeg zij een mooie witte roos. - -Van uit een venster van het paleis keek de zwaarmoedige Koning het -schouwspel toe. Achter hem stond zijn broeder, Don Pedro van Aragon, -dien hij haatte, terwijl zijn biechtvader, de Groot-Inquisiteur -van Granada, aan zijne zijde zat. Nog treuriger was de Koning dan -gewoonlijk, want, als hij naar de kleine Infante zag: hoe zij met -kinderlijken ernst de verzamelde hovelingen begroette, of achter -haar gazen waaier de knorrige Hertogin van Albuquerque, die haar -steeds begeleidde, uitlachte, dan moest hij aan hare moeder denken, -de jonge Koningin, die--zoo kwam 't hem voor--eerst kort geleden uit -het levenslustige Frankrijk was gekomen, om in den somberen glans -van het Spaansche hof alras te verwelken--want zij stierf zes maanden -na de geboorte van haar kind, aleer zij nog de amandelboomen van den -tuin voor de tweede maal had zien bloeien, en aleer zij opnieuw den -oogst geplukt had van den ouden gekromden vijgeboom, die eenmaal het -middelpunt vormde van den nu met gras begroeiden hof. Zoo groot was -zijne liefde voor haar geweest, dat hij niet eens het graf vergund -had haar aan zijn oog te onttrekken. Een Moorsch geneesheer, dien men -om dezen dienst zijn leven had geschonken, dat, zoo zeide men, reeds -wegens ketterij en verdenking van zwarte tooverkunsten aan de heilige -Inquisitie was vervallen, had haar gebalsemd; en zoo lag haar doode -lichaam nog juist zoo op de geborduurde baar in de zwarte marmeren -kapel van het paleis, als de monniken het, bijna twaalf jaar geleden, -op een stormachtigen dag in Maart naarbinnen gedragen hadden. Eenmaal -in het jaar ging de Koning, gehuld in een donkeren mantel en een -omfloerste lantaarn in de hand, naar de kapel, knielde neder aan -haar zijde en riep: "Mi reina! Mi reina!" En somtijds verbrak hij -zelfs de regels der etikette, die in Spanje elke handeling van het -leven beheerscht en tot voor de smart van een Koning zekere grenzen -bepaalt, greep de bleeke, met ringen gesierde handen, in een woeste -uitbarsting van wanhoop, en trachtte onder zijne hartstochtelijke -kussen het koude beschilderde gelaat te doen herleven. Heden was het -hem, als zag hij haar terug, zooals hij haar voor het eerst gezien -had, in het slot van Fontainebleau, toen hij vijftien jaren telde en -zij nog jonger was. Zij waren toen door den pauselijken Nuntius, in -tegenwoordigheid van den Koning van Frankrijk en van het geheele hof, -plechtig met elkaar verloofd geworden, en hij was in het Escuriaal -teruggekeerd en had een lok blond haar medegebracht en de herinnering -aan zachte kinderlippen, die zich naar omlaag bogen om hem de hand -te kussen, toen hij in zijn koets steeg. Later was toen de bruiloft -gevolgd, die in allerijl te Burgos, een kleine stad aan de grenzen -der beide Koninkrijken, voltrokken werd, en daarop de plechtstatige en -schitterende intocht te Madrid, met de gebruikelijke plechtige hoogmis -in de kerk La Atocha en een buitengewoon indrukwekkend autodafé, -bij welke gelegenheid ongeveer driehonderd ketters--waaronder zich -vele Engelschen bevonden--door de wereldsche gerechtigheid aan den -vuurdood waren overgeleverd geworden. - -Waarlijk, hij had haar hartstochtelijk liefgehad, en, zoo beweerden -vele, niet tot heil van zijn vaderland, dat toentertijd met Engeland -oorlog voerde om het bezit der heerschappij in de Nieuwe Wereld. Ter -nauwernood had hij geduld dat zij zich uit zijne oogen verwijderde, -om harentwille had hij--zoo beweerde men althans--alle ernstige -staatsaangelegenheden vergeten; en, met blindheid geslagen, als zij -allen, die den slaaf zijn geworden van hunne hartstocht, had hij -niet eens bemerkt, dat die schitterende ceremoniën, waarmede hij -haar trachtte op te beuren, de vreemde ziekte, waaraan zij leed, -slechts had doen toenemen. Toen zij stierf, was hij een tijdlang -als een, die van zijn verstand beroofd was. Ja, ongetwijfeld zou hij -formeel afstand hebben gedaan van zijne koningsrechten, en zich in -het Trappistenklooster bij Granada, waarvan hij den Priortitel reeds -droeg, teruggetrokken hebben, zoo hij niet daarvoor teruggedeinsd -ware de kleine Infante in de macht van zijn broeder achter te laten, -wiens wreedheid tot zelfs in Spanje aanstoot gaf, en dien vele in -stilte beschuldigden den dood der Koningin, door middel van een paar -vergiftigde handschoenen, die hij haar zou hebben aangeboden, toen -zij eens als gast op zijn slot te Aragon vertoefd had, op zijn geweten -te hebben. Zelfs na afloop van den driejarigen algemeenen rouw, dien -hij door koninklijk besluit voor den ganschen omtrek van zijn gebied -voorgeschreven had, veroorloofde de koning nimmer zijne ministers -van eene nieuwe verbintenis te gewagen. En toen de Keizer-zelf -zijne afgezanten tot hem gezonden had om hem de hand zijner nicht, -de liefelijke Aartshertogin van Boheme, ten huwelijk aan te bieden, -had hij dezen opgedragen hunnen Heer te antwoorden, dat de Koning van -Spanje met de Smart een huwelijksband gesloten had, en dat hij haar, -al was zij ook een droeve bruid, meer liefhad dan de Schoonheid. - -Dit antwoord had hem de rijke Provinciën der Nederlanden gekost; -want kort daarop stonden deze, meegesleept door eenige dweepers -der Gereformeerde kerk, die daartoe door den Keizer aangezet waren, -tegen hem op. - -Het scheen hem toe, alsof heden zijn gansche huwelijksleven, met -al zijne matelooze, gloeiende vreugden en den vernietigenden slag -van een plotseling einde, hem weer voor den geest kwam, terwijl hij -toekeek en de Infante op het terras zag spelen. Het kind vertoonde in -geheel haar wezen denzelfden gratievollen overmoed der Koningin, zij -had dezelfde eigenzinnige manier om het hoofdje achterover te werpen, -denzelfden trotschen, fijn gevormden mond, denzelfden bekoorlijken -glimlach--vrai sourire de France--wanneer zij nu en dan naar het -venster opkeek, of wanneer zij den statigen Spaanschen edellieden hare -kleine hand tot den eerbiedigen handkus reikte. Maar het vroolijke -lachen der kinderen klonk hem smartelijk in de ooren, het heldere, -onmeedoogenlooze zonlicht scheen te spotten met zijn verdriet, en -het was hem, als vermengde zich een benauwde geur van vreemdsoortige -mirren, zooals zij voor het balsemen gebruikt worden--of was het -slechts verbeelding?--met de zuivere morgenlucht. Hij verborg zijn -gelaat in de handen, en toen de Infante wederom naar boven opkeek, -waren de gordijnen dichtgetrokken en had de Koning zich verwijderd. - -Zij maakte een klein gebaar van teleurstelling en trok even hare -schouders op. Waarlijk, hij had wel bij haar kunnen blijven, op haar -verjaardag. Wat deerde het, of die malle staatsaangelegenheden nu -eens veronachtzaamd werden? Of was hij weer in die donkere kapel -gegaan, waar steeds de kaarsen brandden, en waar zij nooit mocht -binnentreden? Hoe dwaas van hem om zoo te doen, wanneer de zon zoo -helder scheen, en iedereen zich zoo gelukkig gevoelde! Bovendien -verzuimde hij nu het stierengevecht, waartoe de trompet reeds -het sein had gegeven, om niet van het poppenspel te spreken, en -van de andere heerlijke dingen. Haar oom en de Groot-Inquisiteur -waren verstandiger. Die waren naar buiten op het terras gekomen, -en zeiden haar aardige complimenten. Zoo wierp zij dan het hoofdje -in den nek, nam Don Pedro bij de hand, en ging langzaam de treden af, -naar een lange tent uit purperen zijde, die men achter in den tuin had -opgeslagen, terwijl de andere kinderen in strenge rangorde volgden: -zij, die de langste namen droegen, kwamen het eerst. - -Een optocht van edelknapen, in fantastisch Toreadorgewaad gestoken, -schreed haar tegemoet, en de jonge Graaf van Tierra-Nueva, een -veertienjarige knaap van opmerkelijke schoonheid, ontblootte zijn -hoofd met de voorname gratie van een Hidalgo en Grande van Spanje, -en geleidde haar plechtstatig naar een zetel van goud en ivoor, die -op een verhoogd podium boven de arena was geplaatst. De kinderen -groepeerden zich om haar heen, bewogen hare groote waaiers en -fluisterden onderling, terwijl Don Pedro en de Groot-Inquisiteur -lachend aan den ingang bleven staan. Zelfs de Hertogin--men noemde -haar de Camerera-Mayor--eene magere dame, met scherpe trekken en -een breede geplooide gele kraag om den hals, keek heden niet zoo -slechtgeluimd als zij gewoonlijk placht te doen, er speelde zelfs iets -als een koud lachje op haar gerimpeld gelaat, en de dunne bloedelooze -lippen stonden niet zoo strak. - -Het was werkelijk een zeer indrukwekkend stierengevecht en de Infante -vond het nog veel prachtiger dan het echte stierengevecht, waarheen men -haar eens in Sevilla medegenomen had, toen de Hertog van Parma haren -vader een bezoek bracht. Eenige der knapen reden op rijk-opgetuigde -hobbelpaarden in 't rond, en zwaaiden met lange werpspiesen, waaraan -bontgekleurde linten zwierden; andere waren te voet, zwenkten hunne -scharlakenroode doeken voor den stier, en sprongen behendig over de -barrière wanneer het dier hen aanviel. En de stier-zelf was precies als -een werkelijke stier, ofschoon hij slechts van gevlochten met leder -overtrokken riet vervaardigd was, en somtijds liep hij hardnekkig -op zijne achterpooten langs de geheele arena, wat een heuschelijken -stier in de verste verte niet zou zijn ingevallen. En hij weerde zich -prachtig, en de kinderen geraakten daarbij in zoo groote opwinding, -dat zij boven op de banken stegen en hunne kanten zakdoeken zwaaiden en -luide Bravo toro! riepen, Bravo toro! met dezelfde geestvervoering als -waren zij volwassen menschen. Ten slotte, na een langdurig gevecht, -waarbij eenige der opgezette paarden van alle kanten volslagen -doorstoken en de ruiters afgeworpen werden, deed de jonge graaf van -Tierra-Nueva den stier eindelijk op de knie neerzinken, en, nadat hij -van de Infante de toestemming had verkregen het dier de coup de grâce -te geven, stiet hij zijn houten zwaard met zulk een kracht in den hals -van den stier, dat de kop er van af vloog en het lachende gezicht van -den kleinen Monsieur de Lorraine, den zoon van den Franschen gezant -te Madrid, er uit te voorschijn kwam. - -Daarop verlieten de dappere strijders onder uitbundig handgeklap de -arena, en werden de neergevelde hobbelpaarden door twee Moorsche -pages in geel-en-zwarte livereien plechtig weggesleept. Na een -kort tusschenspel, waarin een fransch koorddanser zijne kunsten -op het gespannen koord had laten bewonderen, verschenen toen eenige -italiaansche marionetten op het tooneel van een klein theater, dat voor -dit speciale doel was opgericht, en voerden de halfklassieke tragedie -"Sophonisbe" op. Zij speelden zoo uitmuntend, en de bewegingen waren -zoo natuurlijk, dat aan het slot van de voorstelling de oogen der -Infante vol tranen stonden. Eenige der kinderen weenden heusch -bitterlijk, zoodat men hen met bonbons moest troosten, en zelfs -de Groot-Inquisiteur was zoozeer onder den indruk geraakt, dat hij -tegenover Don Pedro de opmerking niet kon onderdrukken, dat het toch -eene kwellende gedachte was, dat simpele poppen van hout en gekleurde -was, die men door middel van mechaniek en ijzerdraden in beweging -bracht, zóó ongelukkig konden zijn, en door zoo zware rampen konden -getroffen worden. - -Toen verscheen een afrikaansche goochelaar, die een groote mand, -bedekt met een rooden doek, binnendroeg. Hij plaatste die midden in -de arena, nam uit zijn tulband een zonderling rieten fluitje, en -begon daarop te fluiten. Na weinige oogenblikken ging de doek aan -het bewegen, en toen de man al scheller en scheller floot, staken -twee groen-gouden slangen hare platte koppen uit de mand, richtten -zich langzaam omhoog en wiegden zich heen en weer op de maat van de -melodie, zooals een plant in het water heen en weer deint. Maar de -kinderen waren bang geworden voor de gevlekte slangenkoppen met de snel -bewegelijke tongen, en vonden 't veel mooier toen de goochelaar een -kleinen citroenboom uit het zand liet opschieten die liefelijke witte -bloesems droeg en even later trossen van werkelijke vruchten; en toen -hij den waaier van het kleine dochtertje der markiezin de Las-Torres -nam en dien in een blauwen vogel omtooverde, die overal in de tent -rondfladderde en zong, toen kende de verbazing en de vreugde der -kinderen geen grenzen meer. Ook het deftige menuet, dat de dansknapen -der kerk van Nuestra Señora del Pilar ten uitvoer brachten, was vol -liefelijkheid en gratie. De Infante had deze prachtige ceremonie, -die elk jaar in Mei voor het hoogaltaar en ter eere der Heilige -Jonkvrouw plaats vindt, nog nooit aanschouwd. Want geen enkel lid der -koninklijke familie van Spanje had de kathedraal van Saragossa ooit -weder betreden, nadat een waanzinnig priester--vele beweerden dat hij -door Elisabeth van Engeland er toe was aangedreven geworden--getracht -had den Prins van Asturie een vergiftigde hostie toe te dienen. Zoo -kende zij slechts van hoorenzeggen dezen "Onze Lieve Vrouwendans," -zooals men den dans noemde, en inderdaad vormde die een indrukwekkend -schouwspel. De knapen droegen oudmodische hofkleedij van wit fluweel, -hunne eigenaardige driekantige hoeden waren met zilveren franje omzet, -en met groote toeffen van wuivende struisvederen gesierd, terwijl het -verblindende wit van hun gewaad, wanneer zij zich in het zonlicht -bewogen, nog treffender uitkwam door de matgetinte aangezichten en -het lang-golvende donkere haar. Alle waren verrukt over de ernstige -waardigheid waarmede zij zich door de ingewikkelde figuren van den -dans heen bewogen, en over de volmaakte bekoorlijkheid hunner langzame -gebaren en fiere buigingen, en toen de opvoering geëindigd was, en zij -de groote met veeren versierde hoeden voor de Infante ter aarde lieten -zinken, aanvaardde zij de hulde met veel vriendelijke hoffelijkheid, -en deed de gelofte het altaar der Beschermvrouwe van Pilar een groote -waskaars te zullen wijden, ten dank voor het genoegen, dat zij haar -verschaft had. - -Toen verscheen een groep fijngebouwde Egyptenaren--zoo noemde men in -dien tijd de Zigeuners--in de arena; met kruiselings gevouwen beenen -zetten zij zich in een kring ter neer en begonnen zachtkens op hunne -gitaren te tokkelen; daarbij bewogen zij hun lijf naar de maat der -melodie, en neurieden bijna onhoorbaar een zacht droomerig lied. - -Toen zij Don Pedro zagen, keken zij somber voor zich uit, en eenige -onder hen werden zeer bevreesd; want eerst kort geleden had hij op -het marktplein van Sevilla twee van hunne troep wegens hekserij laten -ophangen. Maar de aanblik der allerliefste Infante, zooals zij daar -achterover geleund zat, en met hare groote blauwe oogen over haren -waaier heentuurde, vervulde hen met verrukking en zij gevoelden -dat, wie zóó liefelijk te aanschouwen was, tegenover niemand ooit -wreed zou kunnen zijn. En zoo speelden zij verder, heel zachtjes, -vluchtig--maar de snaren aanroerend met hunne lange puntige nagels, -terwijl hunne hoofden zich lichtelijk voorover bogen, als waren zij op -'t punt van in te sluimeren. Maar plotseling sprongen zij overeind -met zulk een schrillen kreet, dat de kinderen verschrikt opvlogen, -en Don Pedro's hand naar den barnsteenen knop van zijn dolk greep, -en begonnen toen woest en uitgelaten in de arena rond te springen, -terwijl zij op hunne tamboerijnen sloegen en in hun vreemdsoortige -gutturale taal een wild liefdeslied aanhieven. - -Op een tweede teeken wierpen zij zich echter alle weer op den grond, en -lagen daar volkomen stil; de eentonige klank der gitaren was het eenige -geluid, dat de stilte verbrak. Nadat zij dit eenige malen herhaald -hadden verdwenen zij voor een oogenblik, keerden toen met een bruinen, -ruig-harigen beer aan een ketting terug, en droegen op hunne schouders -kleine turksche baardapen. De beer buitelde met den grootsten ernst -op zijn kop, en de apen maakten allerlei oolijke kunststukken met -twee Zigeunerjongens die hunne meesters schenen te zijn, vochten -met kleine zwaarden, vuurden kleine kanonnen af en excerceerden -volgens alle regels, precies als 's konings eigen lijfwacht. Kortom, -de Zigeuners oogstten het grootste succes van het feest. - -Maar het vroolijkste gedeelte van het geheele morgenprogramma vormde -toch zonder eenigen twijfel de dans van den kleinen dwerg. - -Toen hij de arena kwam binnenloopen, terwijl hij op zijne kromme -beentjes voortstrompelde, en zijn wanstaltig groot hoofd naar rechts -en naar links boog, stietten de kinderen luide gilletjes uit van -verrukking, en de Infante zelf lachte zóó hartelijk, dat de Camerera -zich genoodzaakt zag, haar daaraan te herinneren, dat, mocht het -ook reeds voorgekomen zijn dat in Spanje een koningsdochter voor -haars-gelijke in rang tranen had gestort, het toch ongehoord was, -dat een Prinses van koninklijken bloede zich zoo vroolijk uitte in -tegenwoordigheid van dezulken, die in rang beneden haar stonden. Maar -de dwerg was dan ook werkelijk onweerstaanbaar, en zelfs het Spaansche -hof, dat reeds van eertijds bekend stond voor zijn verfijnde zucht -naar het afschrikwekkende, had nog nooit zulk een fantastisch klein -monster aanschouwd. Het was dan ook zijn allereerste optreden. Den -vorigen dag was men hem eerst op het spoor gekomen, terwijl hij wild -ronddoolde in een afgelegen deel van het kurkeikenbosch dat de geheele -stad omringt en waarin twee Granden zich ter jacht hadden begeven. Zij -hadden hem toen in het paleis gebracht, als eene verrassing voor de -Infante, en zijn vader, een arme kolenbrander, had er maar al te -gaarne vrede mee gehad, dat men hem van een leelijk en voor alles -onbruikbaar kind bevrijdde. Misschien was wel het allervermakelijkste -aan hem zijn volslagen onbekendheid met de groteske belachelijkheid -zijner verschijning. Hij scheen werkelijk volmaakt gelukkig te zijn -en was vol vroolijken luim. Wanneer de kinderen lachten, dan lachte -hij even vrij en vroolijk met hen mede, en aan het slot van elken -dans maakte hij naar alle kanten zijne bespottelijke buigingen en -lachte en knikte, alsof hij precies zoo-een was als zijne kleine -toeschouwers, en niet slechts een klein gedrochtelijk wezen, dat de -natuur in een grillige luim geschapen had om anderen ten zijnen koste -te vermaken. En de Infante oefende eene onweerstaanbare bekoring op -hem uit. Hij kon de oogen niet van haar afwenden en scheen uitsluitend -voor haar alleen te dansen. Aan het slot der voorstelling herinnerde -zij zich, eenmaal gezien te hebben, hoe de hooge dames van het hof -bloemen toewierpen aan den beroemden italiaanschen tenor Caffarelli, -dien de paus uit zijn eigen kapel naar Madrid had gezonden om door zijn -heerlijke stem den zwaarmoedigen Koning een weinig te verstrooien, -en daarom nam zij de witte roos uit heur haar, en wierp die, deels -uit scherts, deels om de Camerera te ergeren, met haar vriendelijkst -lachje in de arena. Maar de kleine dwerg nam alles hoogst ernstig op, -drukte de bloem aan zijne ruwe, grove lippen, en legde de hand op -het hart; zijn geheele gezicht vertrok zich tot een breeden grijns -van blijdschap, en zijne kleine oogen glinsterden van verrukking. - -Toen was 't met den ernst der kleine Infante geheel gedaan; zij -lachte steeds uitbundiger, lachte zelfs nog, toen de kleine dwerg -reeds uit de arena weggestrompeld was, en vroeg haren oom om den dans -toch te laten herhalen. Maar de Camerera besliste het tegendeel, -met de bewering dat de zon reeds te brandend heet was, en dat het -dus beter zou zijn wanneer Hare Hoogheid onmiddellijk naar het paleis -terugkeerde, waar een schitterende maaltijd voor haar gereed stond, -met een echte verjaardagskoek, waarop hare eigene initialen, geheel -van gekleurde suiker, aangebracht waren, en waar boven een aardig -zilveren vlagje aan een kleine mast wapperde. Daarop verhief zich de -Infante met veel waardigheid van haar zetel en nadat zij bevolen had, -dat de kleine dwerg na de siesta nogmaals voor haar dansen zou, en -den jongen graaf Tierra-Nueva verzocht had aan allen haren dank over -te brengen voor den alleraangenaamsten morgen, ging zij terug naar -hare vertrekken, terwijl de kinderen in dezelfde rangorde volgden, -als zij gekomen waren. - -Toen nu de kleine dwerg hoorde, dat hij nog eenmaal voor de Infante -dansen zou, en dat nog wel op haar eigen uitdrukkelijk verlangen, was -hij zóó trotsch, dat hij naar buiten in den tuin liep, de witte roos -in overstroomende vreugde aan zijne lippen drukte, en ook nog verder in -de meest dwaze en onbeholpen gebaren aan zijne verrukking uiting gaf. - -De bloemen waren buiten zichzelve van verontwaardiging, dat hij het -gewaagd had haar mooi grondgebied binnen te dringen, en toen zij -zagen hoe dartel hij de paden op en neer huppelde, en daarbij op -zeer vermakelijke wijze met zijne armen boven zijn hoofd zwaaide, -konden zij hunne gevoelens niet langer bedwingen. - ---"Hij is werkelijk te leelijk dan dat men hem had mogen veroorlooven -zich ook maar ergens te vertoonen, waar wij ons bevinden!" riepen -de tulpen. - ---"Hij moest papaversap drinken, om voor duizend jaar lang in te -slapen," zeiden de groote zwaardlelies, en zij wondden zich zoo op, -dat zij rood werden van toorn. - ---"Hij is een waar monster!" riep de kaktus. "Zie toch eens hoe krom -hij is en hoe misvormd, en zijn hoofd staat in heel geen verhouding -tot zijn beenen. Ik krijg heusch kippevel alleen al van 't zien en -wanneer hij dicht bij mij komt, zal ik hem met mijn doorns steken." - ---"En daar heeft hij waarlijk een van mijne mooiste bloemen," sprak -de witte rozenstruik. "Ik heb die van morgen zelf aan de Infante als -verjaarsgeschenk aangeboden, en nu heeft hij ze van haar gestolen." - -En de rozenstruik riep zoo luid hij slechts kon: "Dief! Dief! Dief!" - -Zelfs de roode geraniums, die gewoonlijk niet veel ophef van zichzelf -maakten, en van wie het bekend stond dat zij vele arme familieleden -hadden, trilden van afschuw toen hij haar onder de oogen kwam en -toen de viooltjes bescheiden opmerkten, dat hij wel zeer leelijk was, -maar hier toch niets aan te veranderen viel, antwoordden zij met veel -wijsheid, dat dat juist zijn hoofdgebrek uitmaakte, en dat er geen -reden bestond om een mensch te bewonderen, alleen omdat hij voor altijd -misvormd was; en inderdaad moesten zelfs eenige viooltjes toegeven, -dat de leelijkheid van den kleinen dwerg bijna ondragelijk was en dat -hij meer smaak aan den dag zou leggen, wanneer hij er treurig uitzag, -of zich tenminste stil en teruggetrokken toonde, inplaats van zoo -dartel rond te springen en zoo dolle en dwaze houdingen aan te nemen. - -En de oude zonnewijzer, die eene zeer opmerkelijke persoonlijkheid was, -en die eenmaal aan geen geringeren dan aan Keizer Karel V de uren had -aangekondigd,--de zonnewijzer was zóó ontzet over de heele verschijning -van den kleinen dwerg, dat zijne lange schaduw-vingeren bijna twee -volle minuten vergaten aan te wijzen; en ten slotte kon hij zich niet -weerhouden den grooten melkwitten pauw, die zich op de balustrade in de -zon koesterde, toe te roepen, dat ieder toch wel wist, dat de kinderen -van koningen, koningen waren, en de kinderen van kolenbranders, -kolenbranderskinderen, en dat het bespottelijk zou zijn te willen -beweren dat dit niet zoo was; met deze mededeeling was de pauw het -bizonder eens, en hij krijschte zijn: "Natuurlijk! natuurlijk!" met -zulk een luide, doordringende stem, dat de goudvisschen, die onder -in het bassin van de koele murmelende bron woonden, hunne koppen uit -het water staken, en aan de groote steenen tritonen vroegen, wat er -toch in 's hemelsnaam aan de hand was. - -Maar de vogels hadden hem lief. Zij hadden hem menigmaal in het bosch -gezien, wanneer hij als een faun over de dwarrelende bladen danste, -of wanneer hij in den een of anderen ouden hollen eikeboom schuilde, -en zijne nooten met de eekhoorntjes deelde. Zij bekommerden zich in -'t minst niet om zijne leelijkheid. Want, zelfs de nachtegaal, die -des avonds zóó liefelijk in de oranjeboomen zong dat de maan zich -soms naar omlaag boog om naar hem te luisteren, de nachtegaal zag er -toch ook niet uit alsof hij iets bizonders ware en buitendien--hij was -altijd goed voor hen geweest, en gedurende dien schrikkelijk strengen -winter, toen er heel geen bessen meer aan de struiken hingen, en de -grond hard was als ijzer en de wolven aan de poorten der stad kwamen -om voedsel te zoeken, toen had hij hen nooit vergeten, integendeel, -hen steeds de laatste kruimpjes van zijn armzalige zwarte broodkorst -gegeven, en getrouw zijn maal met hen gedeeld, al was dat ook nog -zoo karig geweest. - -Daarom vlogen zij steeds om hem heen en raakten in hunne vlucht -lichtelijk zijne wangen aan terwijl zij onderling vroolijk tjilpten, -en de kleine dwerg was zóó verheugd, dat hij niet laten kon hen de -prachtige witte roos te laten zien en hen te vertellen, dat de Infante -hem die zelf gegeven had omdat zij hem liefhad. - -Zij verstonden geen woord van 't geen hij zeide, maar dat was ook niet -noodig, want zij bogen de kopjes zijwaarts en keken zeer verstandig -uit hunne oogjes, en dat is even goed als iets begrijpen, en veel -gemakkelijker. - -De hagedissen vatten ook een groote voorliefde voor hem op, en toen -hij te moe was om nog meer rond te springen en zich in het gras -neerwierp om uit te rusten, speelden en buitelden zij om hem heen, -en trachtten, zoo goed als zij konden, hem te vermaken. - ---"Niet iedereen kan zoo mooi zijn als de hagedis" riepen zij, -"dat zou te veel verlangd zijn. En, al klinkt 't ook ongerijmd, wel -beschouwd, is hij volstrekt niet zoo leelijk; maar natuurlijk moet -men de oogen sluiten en hem niet aankijken." - -De hagedissen waren zeer wijsgeerig van natuur, en zaten dikwijls, -wanneer zij niets anders te doen hadden, of wanneer het te -regenachtig weer was om uit te gaan, uren en uren lang bij elkaar, -in overpeinzingen verdiept. - -Maar de bloemen betoonden zich ontzet over hun gedrag en over het -gedrag der vogels. - ---"Dat bewijst alweer," zeiden zij, "hoe demoraliseerend dat eeuwige -heen-en-weer-vliegen en draven is. Welopgevoede wezens zooals -wij blijven steeds op dezelfde plaats. Nooit heeft men ons over de -wegen zien heen en weer huppelen, noch in het gras als dol achter de -watervlinders zien stuiven. Wanneer wij een luchtverandering noodig -hebben, laten wij den tuinman roepen, en hij brengt ons in een ander -bed. Zoo behoort het en zoo moest het overal zijn. Maar vogels en -hagedissen hebben geen zin voor rust. De vogels hebben niet eens een -vast adres. Zij zijn echte vagebonden, zooals de Zigeuners, en men -moest ze op dezelfde manier behandelen." - -En zij staken hunne neuzen in den wind, keken zeer hoogmoedig voor zich -uit, en waren hoogst verblijd, toen zij na eenigen tijd bemerkten, -dat de kleine dwerg zich uit het gras oprichtte en naar het paleis -toestapte. - ---"Men moest hem werkelijk voor den verderen duur van zijn leven achter -slot en grendel zetten," bromden zij. "Zie toch eens dien bultigen -rug en die malle kromme beenen," en zij begonnen allen te giegelen. - -Maar de kleine dwerg bemerkte niets van dat al. Hij hield veel van -de vogels en van de hagedissen en hij vond bloemen de heerlijkste -dingen van de gansche wereld, uitgezonderd natuurlijk de Infante; -want deze had hem immers de witte roos geschonken, en zij had hem -lief, dat maakte een groot onderscheid. Hoe innig betreurde hij het, -dat hij niet met haar was medegegaan. Zij zou hem aan hare rechterhand -geplaatst hebben en hij zou geen oogenblik van haar zijde geweken zijn, -maar haar tot zijn speelgenoot gemaakt en haar alle mogelijke prachtige -kunsten geleerd hebben. Want, al was hij nog nooit te voren in een -paleis geweest, vele bizondere dingen kende hij toch ook. Zoo kon -hij uit riet kleine kooitjes vlechten waarin de sprinkhanen zingen, -en uit lange bamboes kon hij een fluit snijden, zooals Pan die -graag hoort. Hij kende den roep van elken vogel, en kon den spreeuw -uit de takken der boomen, en den reiger van de oevers van het meer -lokken. Hij wist precies het spoor van elk dier te onderscheiden, en -vermocht dat van den haas aan de lichte indrukken van zijn pooten, -en dat van het everzwijn aan de platgetreden bladen te herkennen -en te vervolgen. Alle werveldansen van den wind kende hij: den -overmoedigen dans in het roode herfstkleed, den vlinderlichten dans -met blauwe sandalen over het korenveld, den dans met sneeuwbekranste -lokken in den winter, en den bloesemdans door de boomgaarden in de -lente. Hij wist waar de woudduiven hunne nesten bouwden, en eens, -toen een vogeljager een vogelpaar gevangen had, had hij de jongen -zelf opgekweekt, en voor hen een duiventil gemaakt in den hollen -stam van een gespleten olmboom. Zij waren geheel tam en aten elken -morgen uit zijn hand. Die zou de kleine Prinses zeker aardig vinden, -en ook de konijntjes, die tusschen het hooge varenkruid ronddartelden, -en de eksters, met hare staalharde veeren en zwarte snavels, en de -egels, die zich tot stekelige kogels konden oprollen, en de groote -wijze schildpadden, die langzaam rondkropen en met het hoofd schudden -en aan de jonge blaadjes knaagden. Ja zeker, zij moest meekomen in -het bosch, en met hem spelen. Hij zou haar zijn eigen kleine bedje -afstaan, en aan het venster waken, totdat de morgen schemerde, -om op te passen dat de wilde boschbewoners haar geen kwaad deden, -en de uitgehongerde wolven de hut niet te dichtbij naderden. - -En wanneer de morgen schemerde, zou hij aan de luiken kloppen en haar -wekken, en zij zouden in het bosch gaan en den ganschen dag tezamen -spelen. Waarlijk, in het bosch was het nooit eenzaam. Somwijlen reed -een bisschop voorbij op een wit muildier, en las in een beschilderd -boek. Somtijds kwamen er ook valkeniers langs, met groen fluweelen -mutsen op en in jassen van gelooide dierenhuid; op de hand hielden -zij de met kappen bedekte valken. Als het winter werd, kwamen -de druiventrappers met purperen handen en voeten, bekransd met -glanzend klimop, en zij droegen druipende lederen zakken vol wijn; -en de kolenbranders zaten in den nacht om hunne vuren, en keken toe, -hoe de drooge houtblokken langzaam in de vlammen verkoolden, en -zij poften kastanjes in de asch, en de roovers kwamen van uit hunne -schuilplaatsen te voorschijn en maakten gekheid met hen. Eens had hij -ook eene mooie processie gezien, die zich op den langen stoffigen weg -naar Toledo voortslingerde. De monniken liepen vooraan en zongen zoo -mooi; ze droegen bonte wimpels en gouden kruisen, en toen volgden -er soldaten in zilveren rusting en met pieken gewapend, en in hun -midden liepen er barrevoets drie mannen in zonderlinge gele gewaden, -die van boven tot beneden met prachtige figuren beschilderd waren, -en die droegen brandende kaarsen in de handen. O, in het bosch was er -onnoemelijk veel te zien, en wanneer zij vermoeid was, zou hij een -zacht bed van mos voor haar zoeken, of hij zou haar op zijne armen -dragen, want hij was heel sterk, al wist hij ook dat hij niet groot -was. Dan zou hij een ketting voor haar rijgen van hagedoornbessen, -die zouden even mooi zijn als de witte besjes, die zij op haar kleed -droeg; en wanneer de ketting haar verveelde, dan kon zij die weggooien -en hij zou andere bessen voor haar zoeken. Eikeldoppen zou hij haar -brengen en duizende anemonen, en kleine glimwormpjes, die als sterren -zouden flonkeren in het bleeke goud van heur haar. - -Maar waar was zij? Hij vroeg het aan de witte roos, maar die antwoordde -hem niet. Het geheele paleis scheen in slaap gedompeld te zijn, en -zelfs daar, waar de luiken niet gesloten waren, hingen zware gordijnen -voor de vensters om de gloeihitte buiten te sluiten. Hij liep rond om -het heele paleis, in de hoop ergens een plaats te vinden waar hij zou -kunnen binnentreden. Eindelijk ontdekte hij een kleine verborgen deur, -die openstond. Hij sloop naar binnen en bevond zich plotseling in een -schitterende zaal, wel prachtiger, vreesde hij, dan het bosch; hier -was overal zoo veel meer goud, en zelfs de vloer bestond uit groote -gekleurde steenen, die op kunstige wijze tezamen waren gevoegd. Maar -de kleine Infante bevond er zich niet in, alleen eenige heerlijke -witte beelden, die van hunne jaspis-voetstukken op hem neerkeken met -treurige leege oogen en een vreemd lachje om de lippen. - -Aan het einde van de zaal hing een rijkgeborduurd gordijn van zwaar -fluweel, dat bedekt was met zonnen en sterren, de lievelingsymbolen -des Konings, en ook het fluweel was van de kleur, die hij het liefste -had. Wellicht was zij daarachter verborgen? Hij wilde dit in elk -geval onderzoeken. - -Zoo liep hij dan heel zacht tot aan het einde van de zaal en trok het -gordijn weg. Neen; er kwam nu slechts een andere kamer, nog mooier, -vond hij, dan die waaruit hij trad. De wanden waren hier geheel -behangen met groene, figuurrijke Arrazzis, met de hand vervaardigd -tapijtwerk, dat een jacht voorstelde; het was afkomstig van eenige -Vlaamsche kunstenaars, die meer dan zeven jaren voor de voltooiing -van dit werk noodig hadden gehad. Eenmaal was dit de kamer geweest -van Jean le Fou, zooals men hem noemde, den waanzinnigen Koning, die -de jacht zoo liefhad, dat hij dikwijls in zijne zins verbijsteringen -getracht had de groote steigerende rossen te bestijgen en het hert -neder te vellen waartegen de koppels honden opsprongen, terwijl hij op -zijn jachthoorn blies en met zijne dolk naar het bleeke wegvliedende -wild stiet. Nu gebruikte men dit vertrek als Raadszaal; op de tafel -in het midden lagen de roode portefeuilles van de ministers, waarop -de gouden tulpen van Spanje ingeprest waren, benevens het wapen en -de emblemen van het huis Habsburg. - -De kleine dwerg zag in verwondering om zich heen en was bang om -verder te loopen. Die vreemde zwijgende ridders, die zoo snel door -de boschvlakten schenen te rijden, zonder het minste geruisch te -maken--zij herinnerden hem aan de angstwekkende phantomen, waarvan hij -de kolenbranders had hooren vertellen--de "Comprachos" die alleen in -den nacht gaan jagen, en, wanneer zij een menschelijk wezen tegenkomen, -hem in een hinde veranderen, en jacht op hem maken. Maar hij dacht -weer aan de liefelijke Infante en schepte moed. Hij wilde haar alléén -aantreffen om haar te kunnen zeggen, dat ook hij haar liefhad. Wellicht -was zij in het naaste vertrek. - -Hij liep over de dikke Moorsche tapijten en opende de deur. Neen! Ook -daar was zij niet. De kamer was volkomen leeg. Het was een troonzaal, -die tot de ontvangst van vreemde gezanten diende, wanneer de -koning--hetgeen sedert lang niet meer het geval was geweest,--zich -bereid verklaard had eene private audiëntie te verleenen; dezelfde -kamer, waarin vele jaren geleden Engeland's afgezanten verschenen -waren om het verdrag tot het huwelijk hunner Koningin--toentertijd -eene der Katholieke vorstinnen van Europa--met des Keizers oudsten -zoon te sluiten. De behangsels waren van verguld Cordovaansch leder, -en een zware, vergulde kroon, met armen voor driehonderd waskaarsen, -hing van het zwart-en-witte plafond naar omlaag. Onder een groot -baldakijn van goudlaken, waarop de leeuwen en de torens van Castilië in -paarlen geborduurd waren, stond de troon, met een rijk zwart fluweelen -kleed overdekt, dat bestikt was met zilveren tulpen en omzoomd met -zilverfranje en paarlen. - -Op de tweede trede van den troon stond het lage stoeltje der Infante, -waarop een kussen van met zilver bewerkt laken, en nog iets lager, -en buiten het bereik van den troonhemel, stond de zetel voor den -pauselijken Nuntius, die, alleen, het recht had in des Konings -tegenwoordigheid bij alle openbare plechtigheden te gaan zitten, en -wiens kardinaalshoed, met de in elkaar geslingerde scharlaken kwasten, -op een purperen tabouret daarvóór lag. Aan den wand tegenover den -troon hing een levensgroote beeltenis van Karel V in jachtcostuum, -aan zijne zijde een groote dog, terwijl het portret van Philips II, -die de hulde der Nederlanden aanvaardt, het midden van den anderen -wand in beslag nam. Tusschen de vensters stond een geheime kast van -zwart ebbenhout, met stukjes ivoor ingelegd, waarin de gestalten van -Holbein's Doodendans gesneden waren--eenige beweerden, door de hand -van den beroemden meester zelf. - -Maar de kleine dwerg bekommerde zich niet om al die pracht. Zijne roos -zou hij niet om al de paarlen van den troonhemel weg hebben gegeven, -er niet, voor den ganschen troon, ook maar één blad van hebben -afgestaan. Hij wilde slechts de Infante zien, alvorens zij weer naar -buiten in de tent trad, en hij wilde haar smeeken met hem mee te gaan, -wanneer hij voor haar gedanst zou hebben. Hier in het paleis was de -lucht benauwd en zwaar, maar in het bosch woei een frissche wind, en -het zonlicht scheidde er met spelende goudvingeren de immer-trillende -blaadjes van-een. Ook bloemen groeiden in het bosch; misschien niet van -zoo kostbare soort als die in den tuin bloeiden, maar daarvoor geurden -zij ook des te heerlijker; in het voorjaar de hyacinthen, die met -golven van purper de koele ravijnen en de met gras begroeide heuvels -overdekten; gele primulas, die in kleine boschjes aan den vermolmden -voet der eikeboomen groeiden; bonte goudwortels en blauwe eereprijs -en paarsen en gouden iris. Aan de hazelnootsstruiken hingen grijze -pluimpjes en het vingerhoedskruid boog onder het gewicht van zijn -gevlekte bloesems, waarin de bijen graag huisden. De kastanjeboom droeg -fier zijn torentjes van witte sterren en de meidoorn was overgoten -met bleeke maantjes vol liefelijkheid. Ja, daar was geen twijfelen -aan: zij zou stellig meekomen, wanneer hij haar maar vinden kon. Zij -zou meekomen in het heerlijke bosch, en den ganschen dag-door zou -hij voor haar dansen, om haar blij te stemmen. Een lachje vonkte in -zijne oogen bij die gedachte en hij trad de naaste kamer binnen. Van -alle vertrekken was dit wel het schoonste en het schitterendste. - -De wanden waren met rosekleurig damast uit Lucca bespannen, waarin -vogels en sierlijke zilveren bloesems geweven waren, de inrichting -was van massief zilver met bloeiende slingers omrankt, waartusschen -amoeretten zweefden; voor de twee groote schoorsteenen stonden -reusachtige schermen die met papegaaien en pauwen bewerkt waren, -en de vloer van zeegroene onyx, scheen zich in een ver verschiet te -verliezen. En hij was er niet alleen. Onder de schaduw van de deur aan -het andere einde van de kamer, ontwaarde hij eene kleine gestalte, die -hem aankeek. Zijn hart bonsde, een vreugdekreet ontglipte aan zijne -lippen en hij trad naar buiten in het zonlicht. Toen hij dit deed, -trad ook de gestalte naar buiten, en hij zag die nu zeer duidelijk. - -De Infante! O, het was een monster, het vreemdsoortigste monster, dat -hij ooit in zijn leven gezien had. De gestalte was niet zoo gevormd -als die van alle andere menschen, maar toonde een bult en kromme -beenen, een groot neerhangend hoofd en lang zwart haar. De kleine -dwerg rimpelde het voorhoofd, en het monster rimpelde eveneens het -voorhoofd. Hij lachte, en het lachte met hem mede en drukte de handen -in de zijde, precies zooals hij deed. Hij maakte eene spottende diepe -buiging, en het begroette hem met denzelfden honenden groet. Hij ging -naar hem toe, en het kwam hem tegemoet en bootste elken voetstap -na die hij maakte, en het stond stil, wanneer hij stil stond. Hij -jubelde het uit van plezier en liep vooruit, en strekte zijn hand uit, -en de hand van het monster raakte de zijne aan, en die andere was -koud als ijs. Hij schrikte en trok zijn hand terug, en de hand van -het monster maakte hetzelfde gebaar. Hij beproefde verder te gaan, -maar iets glads en hards hield hem terug. Het gezicht van het monster -was nu dicht bij het zijne, en het scheen vol angst. Hij streek zich -het haar uit de oogen. De gestalte deed hetzelfde. Hij sloeg naar -haar, de gestalte gaf hem elken slag terug. Hij maakte grimassen, -en het monster trok eveneens de afschuwelijkste gezichten. Hij trad -achteruit, en getrouwelijk verwijderde zich de gestalte. - -Wat beteekende dat? Hij peinsde een oogenblik na en zag toen om zich -heen in de zaal. 't Was vreemd, maar in dezen onzichtbaren wand van -helder water scheen elk voorwerp zijn eigen evenbeeld te hebben. Ja, -beeld na beeld, en stoel na stoel, herhaalde zich. De sluimerende -faun, die bij de nis, dicht naast de deur lag, had zijn slapenden -tweelingbroeder en de zilveren Venus daar in het zonlicht, strekte -den arm uit naar een Venus, die even schoon was als zij. - -Was dat de echo? Eens had hij in het dal de echo aangeroepen, en woord -voor woord was tot hem teruggekomen. Kon de echo het oog bedriegen, -zooals zij het oor bedriegen kon? Kon zij een wereld van schijn in het -leven roepen, die aan de werkelijke wereld precies gelijk was? Konden -de schaduwen der voorwerpen kleur hebben en leven en beweging? Was -het mogelijk dat--? - -Hij sidderde. Hij nam de heerlijke witte roos van zijn borst en keerde -zich om en kuste die. Het monster had eveneens een roos, blad voor -blad gelijk aan de zijne. En hij kuste de roos met even vurige kussen -en drukte die aan het hart met de afschuwelijkste gebaren. - -Toen de waarheid hem langzamerhand duidelijk begon te worden, slaakte -hij een rauwen kreet van wanhoop en viel snikkend op den grond. Dus -hij zelf was zoo misvormd en bultig en afschuwelijk en grotesk -om aan te zien. Hij zelf was dus het monster, en om hem hadden de -kinderen gelachen en de kleine Prinses, die, zooals hij gemeend had, -hem liefhad--ook zij had alleen met zijn leelijkheid gespot en over -zijne misvormde ledematen hartelijk gelachen. Waarom had men hem -niet in het bosch gelaten, waar geen spiegels waren, die hem konden -zeggen hoe terugstootend hij was? Waarom had zijn vader hem niet -gedood in plaats van hem in zijne schande te verkoopen? De heete -tranen stroomden hem over de wangen, en hij scheurde de witte roos -aan stukken. Het kruipende monster deed hetzelfde, en wierp de blanke -bladen weg in de lucht. Het kroop over den grond, en wanneer hij er -naar keek, zag hij hoe het hem aanstaarde met smartelijk verwrongen -aangezicht. Hij wendde zich af om het niet meer te zien en bedekte -zijn oogen met zijne heete handen. Als een verwond dier sleepte hij -zich in de schaduw en bleef daar snikkend liggen. - -Op dit oogenblik trad de Infante zelf door de openstaande balkondeur -binnen, gevolgd door hare speelgenooten; en toen zij den leelijken -kleinen dwerg op den grond zagen liggen, en bemerkten hoe hij op -fantastisch overdreven wijze met zijne gebalde vuisten om zich heen -sloeg, barstten de kinderen het uit in een luid, vroolijk gelach, -en zij omringden hem om hem beter gade te kunnen slaan. - ---"Zijn dansen was vermakelijk," zeide de Infante; "maar zijn -komediespel is nog vermakelijker. Het is bijna zoo aardig als dat -van de marionetten, alleen maar lang niet zoo natuurlijk." - -En zij wuifde zich met haar grooten waaier koelte toe en klapte -goedkeurend in de handen. - -Maar de kleine dwerg zag niet een enkele maal tot haar op; zijn snikken -werd al zachter en zachter, en plotseling hijgde hij zonderling naar -lucht, en drukte zijne handen in de zijde. En toen viel hij achterover -en lag doodstil. - ---"Dat is prachtig geweest!" zei de Infante na eene kleine pauze, -"maar nu moet je voor mij dansen!" - ---"Ja," riepen de kinderen, "je moet opstaan en dansen, want je bent -net zoo knap als de baardapen, alleen ben je nog veel maller." Maar -de kleine dwerg antwoordde niet. - -En de Infante stampte met haar voetje en riep haar Oom, die met -den kanselier op het terras stond, en eenige telegrammen doorlas, -die juist uit Mexico gekomen waren, waar kort te voren de Inquisitie -ingevoerd was geworden. - ---"Mijn vroolijke kleine dwerg is uit zijn humeur," riep zij, "U -moet hem weer in goeden luim brengen, en hem zeggen, dat hij voor -mij dansen moet." - -Don Pedro en de kanselier keken elkaar glimlachend aan en traden -naderbij en Don Pedro boog zich neer over den dwerg, en sloeg hem -met zijn gestikten handschoen op de wangen. - ---"Je moet dansen," riep hij uit. "Klein monster, je moet dansen. De -Infante van Spanje en van beide Indische rijken wil geamuseerd worden." - -Maar de kleine dwerg verroerde zich niet. - ---"Men moet den zweepmeester laten halen," zeide Don Pedro lusteloos, -en trad weer naar buiten op het terras. - -Maar de kanselier trok een ernstig gezicht, hij knielde naast den -kleinen dwerg neer en legde zijn hand op diens hart. En na eenige -oogenblikken, haalde hij even de schouders op, maakte voor de Infante -eene diepe buiging en sprak: - ---"Mi bella Princesa, uw komieke kleine dwerg zal nooit meer -dansen. Het is jammer, want hij is zoo leelijk, dat hij zelfs den -Koning een glimlach had kunnen ontlokken." - ---"Maar waarom zal hij dan niet meer dansen?" vroeg de Infante lachend. - ---"Omdat zijn hart gebroken is," antwoordde de kanselier. - -Er kwamen rimpels op het voorhoofd van de kleine Infante, en hare -fijne rozenlippen plooiden zich tot een uitdrukking van kinderlijke -verachting. - ---"Voortaan mogen zij, die bij mij komen spelen geen harten hebben," -sprak zij, en liep naar buiten in den tuin. - - - - - - - - -III. - -DE VISSCHER EN ZIJN ZIEL. - - -Elken avond voer de visscher uit op de zee en wierp zijne netten in -het water. - -Wanneer landwind woei, dan ving hij niets, of althans weinig, want de -zwartgewiekte wind sloeg groote golven tegen zijn boot. Maar wanneer -zeewind woei, dan kwamen de visschen in overvloed uit de diepte naar -boven en zwommen vroolijk in de mazen van zijn net. De ruime vangst -droeg hij dan ter markt en verkocht ze voor goeden prijs. - -Zoo voer hij elken avond uit op de zee, en eens was zijn net zoo zwaar, -dat hij het nauwelijks binnen de boot kon halen. - -En hij lachte en zei tot zichzelf: "Waarlijk, ik heb òf alle visschen -gevangen, die in zee rondzwemmen, òf ik heb een vreemdsoortig ondier -gevischt, dat voor de menschen een wonder zal zijn--misschien ook wel -een vreeselijk monster, dat de groote Koningin zal wenschen te zien." - -En hij spande al zijne krachten in, en trok aan de ruwe touwen, -totdat de aderen op zijne armen donker gezwollen waren, en wel -lijnen geleken van blauw email op een bronzene vaas. En hij trok -aan de dunne touwen, en reeds kwamen, steeds dichter en dichterbij, -de rijen van drijvende kurken te voorschijn, tot eindelijk het net -volkomen op het oppervlak van het water te zien was. Maar geen visch -bevond zich daarin, en ook geen gedrocht, noch iets afzichtelijks, -maar alleen een klein zeemeerminnetje, dat in diepen slaap lag. - -Heur haar geleek een vochtig gouden vlies, en elk afzonderlijk haartje -was als een draad van fijn gesponnen goud in glanzend omhulsel. Haar -lijf was gelijk wit ivoor en haar staart bestond uit zilver en -paarlen. Van zilver en paarlen was haar staart en het groene zeegras -had zich daaromheen geslingerd. Hare ooren waren gelijk zeeschelpen, -en haar lippen rozerood als koralen. De kille golven bespatten haar -blanken boezem en het zout glinsterde op hare oogleden. - -Zij was zoo mooi, dat de jonge visscher van bewondering vervuld werd -toen hij haar aanzag, en hij strekte de hand naar haar uit en trok -het net naar zich toe, en leunde over de boot en nam haar op in zijne -armen. En toen hij haar aanraakte, slaakte zij een kreet als die van -een opgeschrikte meeuw, terwijl zij met hare paarsblauwe oogen hem -ontzet aanzag en trachtte zich uit zijne omarming los te wringen. Maar -hij hield haar vast aan zijn borst gedrukt en wilde haar niet loslaten. - -En toen zij zag, dat zij zich niet bevrijden kon, begon zij te schreien -en zeide: - ---"Ik bid u, laat mij gaan, want ik ben de eenige dochter van een -Koning, en mijne vader is oud en eenzaam." - -Maar de jonge visscher antwoordde: - ---"Ik wil u niet laten gaan, aleer gij mij beloofd hebt naar boven -te zullen komen en voor mij te zingen, zoo vaak ik om u roepen zal, -want de visschen luisteren graag naar het gezang van het watervolk -en op deze wijze zullen mijne netten overvloedig gevuld worden." - ---"Zult ge mij werkelijk laten gaan, wanneer ik u dit beloof?" vroeg -het zeemeerminnetje. - ---"Ik zal u dan werkelijk laten gaan," zei de jonge visscher. - -En zij deed hem de gelofte, die hij van haar verlangde en bezegelde -die plechtig met den eed van het watervolk. Zoo liet hij dan zijne -armen los en het zeemeerminnetje zonk weg in de diepte, al trillend -van vreemde angst. - -En elken avond voer de visscher uit op de zee, en elken avond riep -hij het zeemeerminnetje. En dan steeg zij op uit het water en zong -voor hem. En om haar heen zwommen de dolfijnen, en de wilde meeuwen -vlogen cirkelend boven haar hoofd, al heen er weer. - -En een heerlijk lied zong zij. Want zij zong van de zeebewoners, die -hunne kudden van de eene bocht naar de andere voeren, en de kleine -kalfjes op hunne schouders dragen; van de tritonen, die lange groene -baarden hebben en behaarde borsten en door gekronkelde schelpen blazen -wanneer de Koning voorbijtrekt; van het paleis des Konings, dat gansch -uit barnsteen gemaakt is, met een dak van doorzichtig smaragd, en met -vloeren van glanzende paarlen; van de heerlijke tuinen der zee, waar -de groote gevlochten bloedkoralen waaiers den geheelen dag-door heen -en weer wuiven, waar de visschen in pijlsnelle vaart doorheen glijden -als zilveren vogels, waar de anemonen zich aan de rotsen vastklemmen -en de anjelieren in het heuvelachtige gele zand wortelen. Van de -groote scharen walvisschen zong zij, die van de noordelijke zeeën -stroom-àfwaarts trekken en puntige ijskegels hebben hangen in hunne -kiewen; van de sirenen, die, al zingende, van zulke wonderzoete dingen -wisten te verhalen, dat de kooplieden hunne ooren met was moesten -toestoppen om haar gezang niet te hooren en in het water te springen -en te verdrinken; van de gezonken galeien met hare hooge masten, -en hoe de bevroren zeevaarders zich nog aan de touwen vastgeklemd -houden, en de makreelen door de open luiken in en uit zwemmen; van -de kleine eendenmosselen, die groote reizen maken doordat zij zich -aan de kielen der schepen vastbooren en zoo om de gansche wereld -medevaren; en van den inktvisch, die tegen de steile klippen woont, -en zijne lange zwarte armen uitstrekt en den nacht kan doen neerdalen, -wanneer hij dat wil. En zij zong van Nautilus en zijn fraaie boot, -die uit een opaal gesneden is en een zeil van zilver draagt; van de -gelukkige zeemeermannen, die op harpen spelen en de watermonsters in -slaap konden tooveren; van de kleine kinderen, die de gladde marmotjes -vangen en dan op hunne ruggen gaan rijden; van de zeemeerminnen, die -in het witte schuim zich laten drijven en hare armen uitstrekken naar -de zeelieden, en van de zeeleeuwen met hunne kromgebogen slagtanden, -en van de zeepaarden met hunne golvende manen. En wanneer zij zong, -schoten al de tonijnen uit de diepte omhoog om naar haar zang te -luisteren, en de jonge visscher wierp zijn netten om hen uit en hij -ving ze, en andere visschen doodde hij met zijn speer. - -En wanneer zijn boot goed volgeladen was, dook het zeemeerminnetje -weg in de zee en lachte hem toe. - -Maar nooit kwam zij hem zoo na, dat hij haar had kunnen -aanraken. Menigmaal riep hij haar, en bad haar toch dichter bij hem -te komen, maar zij wilde niet, en wanneer hij beproefde haar vast -te grijpen, dan dook zij snel weg in het water, zooals ook wel een -zeehond duikt, en hij zag haar op dien dag niet meer terug. - -En met elken dag klonk het geluid harer stem hem liefelijker -in de ooren. Zoo liefelijk klonk haar stem, dat hij zijne netten -vergat en al zijn list, en zich gansch niet meer bekommerde om zijn -handwerk. Met hunne roode vinnen en hunne uitpuilende gouden oogen, -trokken de tonijnen in scharen rond zijn boot: hij sloeg geen acht -op hen. Zijn speer lag ongebruikt aan zijne zijde en zijne biezen -korven bleven ledig. Met geopende lippen, en oogen die van verlangen -zich donker kleurden, zat hij in zijn boot en luisterde, luisterde, -totdat de zeenevelen met hare dichtgeweven sluiers hem omsloten, -en de dwalende maan zijn bruine lijf met zilveren glans overgoot. - -En op een avond riep hij haar en sprak: - ---"Klein zeemeerminnetje, klein zeemeerminnetje, ik heb je lief! Laat -mij je bruidegom zijn, want ik heb je lief." - -Maar het zeemeerminnetje schudde het hoofd. - ---"Ge hebt een menschelijke ziel," antwoordde zij, "alleen wanneer ge -je ziel van je zoudt kunnen wegzenden, zou ik je lief kunnen hebben." - -En de jonge man dacht nà over hare woorden en sprak tot zichzelf: -"Welk nut heb ik van mijn ziel? Ik kan haar niet zien. Ik kan haar -niet betasten. Ik ken haar niet. Waarlijk, ik zal mijn ziel wegzenden, -dàn zal groote vreugde mijn deel worden." - -En een blijde kreet jubelde van zijne lippen en hij stond overeind -in zijn beschilderde boot en strekte de handen uit naar het -zeemeerminnetje. - ---"Ik zal mijn ziel wegzenden," riep hij haar toe, "en je zult mijn -bruid zijn en ik je bruidegom, en op den bodem van de zee zullen wij te -samen wonen, en alles, waarvan je gezongen hebt, zult ge mij toonen, -en alles, wat je verlangt, zal ik doen, en ons leven zal heerlijk -zijn voor altijd." - -En de kleine zeemeermin lachte van blijdschap en verborg haar gelaat -in de handen. - ---"Maar hoe zal ik mijn ziel wegzenden?" riep de jonge visscher. "Zeg -mij hoe ik dat doen kan en zie, het zal gebeuren." - ---"Ach, dat weet ik niet," zei de kleine zeemeermin, "het watervolk -heeft geen ziel." En zij dook weg in de diepte, terwijl hare oogen -een blik op hem richtten, waaruit al haar verlangen sprak. - - - -En den volgenden morgen vroeg, toen de zon nog nauwelijks een handbreed -boven den heuvel zichtbaar was geworden, begaf zich de jonge visscher -naar het huis van den priester en klopte driemaal aan de deur. - -Een kloosterling blikte door een kleine opening naar buiten, en toen -hij zag wie 't was, schoof hij den grendel van de deur en sprak: -"Treed binnen." - -En de jonge visscher trad binnen en knielde op de geurige rieten -mat terneer, en tot den priester, die in het heilige boek te lezen -zat, sprak hij: "Vader, hoor mij aan! Eene van het watervolk heb ik -lief gekregen en mijn ziel is oorzaak, dat ik mijn verlangen niet -kan stillen. Zeg mij, hoe ik mijn ziel van mij kan doen gaan, want -waarlijk, ik heb haar niet noodig! Welke waarde heeft mijn ziel voor -mij? Zien kan ik haar niet, betasten evenmin. En kennen doe ik haar -óók niet." - -De priester sloeg zich op de borst en sprak: - ---"Wee, wee, ge zijt waanzinnig, of ge hebt van verderfelijke kruiden -gegeten, want weet ge niet, dat de ziel het kostbaarste goed des -menschen is, en ons van God gegeven werd, opdat wij haar op edele -wijze zouden gebruiken? Er bestaat niets, dat zoo kostbaar is op -aarde als de menschelijke ziel, en geen aardsche vreugde kan tegen -haar opwegen. Zij is meer waard dan al het goud, dat zich in de aarde -bevindt, en meer waard dan de robijnen der Koningen. Daarom, mijn -zoon, denk niet meer aan 't geen ge daar gezegd hebt, want het is -een zonde waarvoor geen vergeving bestaat. En het watervolk! Dat is -een verloren volk, en zij, die zich met hen inlaten, zullen eveneens -verloren gaan. Zij gelijken de dieren des velds, die het goede niet van -het kwade kunnen onderscheiden, en voor hen is de Heer niet gestorven." - -De oogen van den jongen visscher vulden zich met tranen, toen hij -de strenge woorden van den priester hoorde, en hij stond uit zijne -knielende houding op en sprak: - ---"Vader, de faunen leven in het woud en zijn blijmoedig, en op de -rotsen zitten de waterbewoners met hunne harpen van rood goud. Laat -mij zijn zooals zij, ik bid u, vader, want hunne dagen zijn gelijk -de dagen der bloemen. En mijn ziel! Wat deert mij mijn ziel, wanneer -zij staat tusschen mij en dat wat ik liefheb?" - ---"De liefde der zinnen is verachtelijk," sprak de priester, en -op zijn voorhoofd groefden zich diepe rimpels, "en verachtelijk -en slecht zijn ook de heidensche schepselen die God door zijn -wereld laat dwalen. Vervloekt mogen de faunen van het woud zijn en -vervloekt de zangers van de zee! Ik heb ze in nachttijd gehoord, -als zij beproefden mij van mijne gebeden af te leiden. Zij kloppen -aan het venster en lachen. Zij fluisteren mij het sprookje van hunne -verderfelijke vreugden in de ooren. Zij trachten mij in verzoeking te -brengen met verleidelijke taal, en wanneer ik mij in vrome aandacht -wil verdiepen, zie ik hunne spottende grimassen. Zij zijn verloren -zeg ik u, zij zijn verloren. Voor hen bestaat geen hemel en geen hel, -en hier noch ginds, zullen zij den naam van God ooit prijzen." - ---"Vader," riep de jonge visscher, "gij weet niet wat gij zegt! Eens -ving ik in mijne netten de dochter van een Koning. Zij is schooner -dan de morgenster en blanker dan de maan. Voor háár bezit wil ik mijn -ziel prijsgeven en voor hare liefde moge de hemel voor mij verloren -zijn. Geef mij antwoord op mijn vraag, en laat mij in vrede van -u gaan." - ---"Weg! weg!" riep luid de priester. "Uw lief is verloren en gij zelf -zult met haar verloren zijn!" En hij weigerde hem zijn zegen en dreef -hem weg van uit zijne deur. - -Langzaam, het hoofd gebogen als een die rouw draagt in het hart, liep -de jonge visscher naar de markt. Toen de kooplieden hem zagen komen, -begonnen zij onderling te fluisteren, en een van hen trad naar hem toe, -riep hem bij den naam en sprak: - ---"Wat hebt ge te verkoopen?" - ---"Mijn ziel wil ik verkoopen," antwoordde de jonge visscher, "ik -bid u, koop mijn ziel, want ik ben haar moede. Wat nut brengt mij -mijn ziel? Ik kan haar niet zien. Ik kan haar niet betasten. Ik ken -haar niet!" - -Maar de kooplieden lachten hem uit en spraken: - ---"Wat nut brengt ons de ziel van een mensch? Zij is geen stuk -gestempeld zilver waard. Verkoop ons uw lijf als slaaf, en wij zullen u -in purper kleeden en een ring aan uw vinger steken, en u tot gunsteling -maken van de groote Koningin. Maar spreek niet van uw ziel: ons gaat -zij niets aan en voor onze zaak heeft zij geenerlei waarde." - -En de jonge visscher overlegde bij zichzelf: "Hoe zonderling is dit! De -priester zeide, dat de ziel kostbaarder was dan al het goud der aarde, -en de kooplieden zeggen, dat zij geen stuk gestempeld zilver waard is." - -En hij verliet de markt en schreed omlaag, naar de kusten der zee, -en begon te overdenken wat hij wel doen zou. - -En des namiddags viel hem te binnen, dat een zijner vrienden die -zeevenkel gaarde hem van een jonge heks gesproken had, die in een -spelonk aan het einde van de bocht woonde, en groote kennis had van -vele dingen. En hij besloot tot haar te gaan, en zoo verlangend was -hij van zijn ziel bevrijd te zijn, dat hij liep zoo snel hij kon; -een stofwolk volgde hem, toen hij op het zand aan de kust voortijlde. - -Aan het jeuken van haar hand, bespeurde de heks, dat de jonge visscher -naderde; zij lachte en liet heur roode haar lang neervallen. En met -het roode, los golvende haar om hare schouders stond zij aan den -ingang van de spelonk te wachten, en in de eene hand hield zij een -tak dolle kervel die in bloei stond. - ---"Wat verlangt ge? Wat verlangt ge?" riep zij hem tegemoet, toen hij -buiten adem de helling opgeklommen kwam en voor haar boog. "Verlangt -ge visschen in uw net, wanneer de wind tegen is? Ik heb een kleine -rieten fluit, en wanneer ik daarop speel, dan komen de harders -de bocht ingezwommen. Maar zij kost veel, schoone knaap, zij kost -veel! Wat verlangt ge? Wat verlangt ge? Een storm, die de schepen doet -schipbreuk lijden, en de kisten der rijke kooplieden aan de kusten doet -spoelen? Ik beschik over meer stormen dan de wind, want ik dien Een, -die sterker is dan de wind, en met een zeef en een emmer water kan -ik de groote galeien naar den bodem van de zee doen dalen. Maar ik -laat mij duur betalen, schoone knaap, ik laat mij duur betalen. Wat -verlangt ge? Wat verlangt ge? Ik ken een bloem, die in het dal groeit, -niemand weet van haar dan ik-alleen. Zij heeft scharlaken bladen en -draagt een ster in het hart en haar sap is wit als melk. Wanneer -ge met deze bloem de trotsche lippen der Koningin aanraakt, dan -volgt zij u over de gansche wereld. Van de zijde des Konings zou -zij moeten opstaan om u over de gansche wereld te volgen. Maar -slechts voor hoogen prijs verkrijgt men die bloem, schoone knaap, -slechts voor hoogen prijs. Wat verlangt ge? Wat verlangt ge? Ik kan -een pad in den vijzel fijnstampen, en een aftreksel daarvan maken, -en het aftreksel met de hand van een doode omroeren. Spat het op uw -vijand wanneer hij slaapt, zoo zal hij in een zwarte adder veranderd -worden, en zijne eigen moeder zal hem neervellen. Met een rad kan -ik de maan van den hemel neerhalen, en in een kristal u den dood -laten zien. Wat verlangt ge? Wat verlangt ge? Zeg mij uw verlangen, -en ik wil die vervullen, maar gij zult mij daarvoor moeten betalen, -schoone knaap, gij zult mij daarvoor moeten betalen." - ---"Mijn wensch is niet groot," zeide de jonge visscher, "maar de -priester is toornig op mij geworden en heeft mij weggejaagd. Mijn -wensch is niet groot, maar de kooplieden hebben mij bespot en mijn -verzoek afgeslagen. Daarom ben ik tot u gekomen, hoewel de menschen -u eene booze vrouw noemen; en welke ook uw prijs moge zijn, ik zal -dien betalen." - ---"Wat is dan uw wensch?" vroeg de heks en trad dichter bij. - ---"Ik wil mijn ziel van-mij zenden," antwoordde de jonge visscher. - -De heks verbleekte en huiverde en bedekte haar aangezicht met haar -blauwen mantel. - ---"Schoone knaap, schoone knaap," murmelde zij, "dit te verlangen -is vreeselijk." - -Hij schudde zijne bruine lokken naar achteren en lachte. - ---"Mijn ziel lijkt mij een nietig ding," antwoordde hij, "ik kan haar -niet zien. Ik kan haar niet betasten. Ik ken haar niet." - ---"Wat zult gij mij geven, wanneer ik het u zeg?" vroeg de heks en -zij keek strak op hem neer met hare diep-donkere oogen. - ---"Vijf stukken goud," antwoordde hij, "en mijne netten en het huis -van gevlochten riet waarin ik woon, en de geschilderde boot waarin -ik vaar. Zeg mij alleen maar, hoe ik mij bevrijden kan van mijn ziel, -en alles wat ik bezit zal ik u geven." - -Zij lachte spotachtig en raakte hem even aan met haar bloeienden tak -van dolle kervel. - ---"Ik kan de bladeren van den herfst in goud veranderen," zeide zij, -"en ik kan de bleeke stralen van de maan tot zilveren draden weven, -wanneer ik dat wil. Hij, dien ik dien, is rijker dan alle Koningen -van de aarde, en hij beheerscht al hunne landen." - ---"Wat zal ik u dan geven," riep de jonge visscher, "wanneer uw prijs -niet uit goud en niet uit zilver kan bestaan?" - -De heks streek met hare dunne witte hand over het roode los-zwierende -haar. - ---"Gij moet met mij dansen, schoone knaap," murmelde zij en zij lachte -hem toe, terwijl zij dit zeide. - ---"Anders niet?" vroeg de jonge visscher verwonderd, en verheugd -sprong hij op. - ---"Anders niet," antwoordde zij en wederom lachte zij hem toe. - ---"Dan zullen wij op een stille plaats gaan dansen, wanneer de zon zal -zijn ter kimme gedaald," zeide hij, "en wanneer wij gedanst hebben, -zult gij mij dan zeggen, wat ik verlang te weten?" - -Zij schudde het hoofd. - ---"Wanneer de maan vol is, wanneer de maan vol is," murmelde zij. - -Toen keek zij spiedend om zich heen en luisterde. Een blauwe vogel -vloog krijschend uit zijn nest en cirkelde boven de duinen, en drie -bontkleurige vogels ritselden door het stoppelige gras en floten -elkaar toe. En anders was er geen geluid, dan het geluid van de golven, -die daar beneden over de gladde kiezelsteenen bruisten. Toen strekte -zij haar hand uit, trok hem dicht naar zich toe, en legde hare dunne -lippen aan zijn oor. - ---"Heden nacht moet gij met mij naar den top van den berg gaan," -fluisterde zij, "het is Sabbatdag en Hij zal komen." - -De jonge visscher huiverde en zag haar vragend aan, terwijl zij lachte -en hare witte tanden liet zien. - ---"Wie is Hij van wien ge spreekt?" vroeg hij. - ---"Dat doet er niet toe," antwoordde zij. "Kom dezen nacht, blijf staan -onder de takken van den witten beuk en wacht tot gij mij ziet. Wanneer -een zwarte hond op u toe komt geloopen, sla hem dan met een wilgentak -en hij zal van u gaan. Wanneer een uil tot u spreekt, antwoord dan -niet. Als de maan vol is, zal ik bij u zijn, en wij zullen op het -gras dansen." - ---"Maar wilt ge mij zweeren, dat ge me dan zeggen zult, hoe ik mijn -ziel van-mij kan zenden?" vraagde hij. - -Zij trad naar buiten in het zonlicht, en de wind speelde met het -lokkige roode haar. - ---"Ik zweer het bij de hoeven van de geit," antwoordde zij. - ---"Gij zijt de beste van alle heksen," riep de jonge visscher "en ik -zal gaarne heden nacht met u dansen op den top van den berg. Liever -ware 't mij wel geweest, wanneer ge goud of zilver van mij hadt -verlangd. Maar wàt ook uw prijs moge zijn, gij zult dien ontvangen, -want het zal mij een geringe prijs zijn." - -En hij zwenkte zijne muts voor haar en boog diep het hoofd en liep -terug naar de stad, van groote vreugde vervuld. - -De heks zag hem nà terwijl hij zich verwijderde, en toen hij uit -hare oogen verdwenen was, ging zij terug naar de spelonk, nam een -spiegel uit een kistje van uitgesneden cederhout, plaatste dien op -een voetstuk, en brandde daarvoor ijzerkruid op koolen vuur. En zij -keek aandachtig naar het uitwolken van den rook. Na eene poos balde -zij toornig de hand. - ---"Den mijnen had hij moeten zijn," murmelde zij. "Ik ben even schoon -als zij." - -En 's avonds, toen de maan hoog aan den hemel stond, steeg de jonge -visscher naar den top van den berg, en wachtte onder de takken van den -witten beuk. Als een schild van blank zilver lag de ronde meerboezem -aan zijne voeten, en de schaduwen der visschersbooten wiegelden zich -zacht in de kleine bocht. - -Een groote uil, met zwavel-geele oogen riep hem bij zijn naam, maar hij -antwoordde niet. Een zwarte hond kwam op hem toe en gromde. Hij sloeg -naar hem met zijn wilgentak en de hond liep kwispelstaartend heen. - -Te middernacht kwamen de heksen als vledermuizen door de lucht -gevlogen. "Phoen!" riepen zij, toen zij den grond raakten, "hier moet -er een zijn dien wij niet kennen." - -En zij snuffelden overal in 't rond, kakelden onderling en gaven -elkaar teekens. Als laatste kwam de jonge heks. Heur roode haar -zwierde in den wind; zij had een kleed aan uit goudstof geweven, -waarop pauwenoogen geborduurd waren, en op het hoofd droeg zij een -kleine muts van groen fluweel. - ---"Waar is hij? Waar is hij?" riepen de heksen, toen zij haar gewaar -werden. Maar zij lachte als eenig antwoord, liep naar den witten beuk, -nam den jongen visscher bij de hand, trad met hem naar voren in het -heldere maanlicht en begon te dansen. - -Om en om keerden zij zich in dollen overmoed en de jonge heks sprong -daarbij zoo hoog, dat hij de scharlaken hakken van hare schoentjes -kon zien. Toen hoorde hij, dwars door de dansenden heen, duidelijk -het geluid van een galoppeerend paard, maar men zag geen paard, -en het werd hem onrustig te moede. - ---"Vlugger;" riep de heks, en zij sloeg wild hare armen om zijn -hals, en hij voelde haar warmen adem op zijn aangezicht. "Vlugger, -vlugger!" herhaalde zij, en de aarde scheen onder zijne voeten te -draaien, en zijn blik werd beneveld en een groote angst beving hem, -alsof een booze geest hem in het aangezicht blikte. - -En toen eerst zag hij onder de schaduw van een vooruitspringende rots -eene gestalte, die er tevoren niet gestaan had. - -Het was die van een man in gewaad van zwart fluweel, naar Spaansche -dracht gesneden. Zijn gelaat was uitermate bleek, maar zijn mond -geleek een trotsche roode bloem. Hij scheen vermoeid en leunde tegen -de rots, terwijl zijn hand achteloos met het gevest van een dolk -speelde. Naast hem op het gras lag een met veeren getooiden hoed en -een paar rijhandschoenen, die met gouden koorden versierd, en met -paarlen bestikt waren, in figuren van zonderling symbool. Een koter, -met sabelbont gevoerde mantel, hing over zijne schouders, en zijne -fijne witte handen waren met ringen bezet. Zwaar vielen hem de oogleden -over de oogen. De jonge visscher zag hem aan, en hij gevoelde zich -als iemand, die onder de macht eener zonderlinge betoovering geraakt -was. Eindelijk ontmoetten beider blikken elkaar, en toen gebeurde het, -dat, wáár hij ook danste, hij steeds de oogen van den somberen man op -zich voelde rusten. Hij hoorde hoe de heks lachte, krachtiger omvatte -hij haar lijf, en wilder nog draaide hij met haar in de rondte. - -Plotseling blafte een hond in het bosch, de dansenden stonden stil en -bewogen zich paarsgewijze, knielden toen neder voor den man en kusten -hem de hand. Terwijl zij zoo deden, speelde een vluchtig lachje over -zijne trotsche lippen, zooals eens vogels vleugelpaar lichtelijk over -het water scheert. Maar verachting lag in dien lach, en voortdurend -bleef zijn blik op den jongen visscher gevestigd. - ---"Kom, laten wij gaan en hem aanbidden," fluisterde de heks, en zij -voerde hem met zich mede. En een groot verlangen om te doen wat zij -gebood greep hem aan, en hij volgde haar. Maar toen hij naderbij kwam, -maakte hij, zonder dat hij wist waarom, op zijn borst het teeken des -kruizes, en noemde den heiligen naam. - -En nauwelijks had hij dit gedaan, of de heksen krijschten luid als -wilde valken en vloden heen naar alle richtingen, en het bleeke -gelaat dat hem voortdurend had aangezien, vertrok zich in een kramp -van pijn. De man verdween in het kreupelbosch en floot. Een klein -Spaansch ros, met zilver opgetuigd, sprong hem tegemoet. Hij wierp -zich in het zadel, keerde zich om, en zag met droeven blik naar den -jongen visscher. En de heks met het roode haar beproefde eveneens -te ontvluchten, maar de visscher greep haar bij den pols en hield -haar tegen. - ---"Laat mij los," riep zij, "en laat mij gaan! Want gij hebt genoemd -wat niet genoemd mag worden, en het teeken gemaakt, dat niet gemaakt -mag worden." - ---"Neen," antwoordde hij, "ik laat u niet los, alvorens gij mij het -geheim gezegd hebt." - ---"Welk geheim?" vroeg de heks, en zij worstelde met hem als een -wilde kat en beet zich op de met schuim bedekte lippen. - ---"Gij weet wat ik meen," antwoordde hij. - -Hare grasgroene oogen werden donker van tranen en zij sprak tot -den visscher: - ---"Verlang alles van mij wat ge wilt, alleen dit eene niet." - -Hij lachte en hield haar des te steviger omklemd. - -En toen zij zag dat hare pogingen vruchteloos waren, fluisterde -zij aan zijn oor: "Ben ik niet even schoon als het kind van de zee, -en even bekoorlijk als zij, die in het blauwe water woont?" en zij -vleide zich tegen hem aan en drukte haar gelaat aan zijn borst. Maar -zijn voorhoofd rimpelde zich van toorn, hij stiet haar ruw van zich af -en sprak: "Wanneer ge de belofte niet houdt die ge mij gegeven hebt, -zal ik je dooden als een valsche heks." - -Zij werd zoo grauw als een judaspenningblad en huiverde. - ---"Zoo zij het dan!" murmelde zij. "Het geldt uwe ziel, niet de -mijne. Doe met haar wat ge wilt." - -En zij nam uit haar gordel een kleinen dolk, die een handvat had van -groene adderenhuid, en gaf hem dien. - ---"Waartoe moet de dolk mij dienen?" vroeg hij verwonderd. - -Zij zweeg een oogenblik, en eene uitdrukking van ontzetting vloog -over haar gezicht. Toen streek zij de lokken weg van haar voorhoofd, -en met een zonderling lachje sprak zij: - ---"Wat de menschen de schaduw van het lichaam noemen, dat is niet de -schaduw van het lichaam, maar dat is het lichaam van de ziel. Plaats -u aan de kust van de zee, den rug tegen de maan gekeerd, en snijd -rondom uwe voeten de schaduw weg, die het lichaam van uw ziel is, -en gebied uw ziel vàn-u te gaan. En zij zal u gehoorzamen." - -De jonge visscher huiverde. - ---"Is dat waar?" fluisterde hij. - ---"Dat is waar--maar ik wilde dat ik het u niet gezegd had!" riep -zij en omklemde weenend zijn knie. Hij duwde haar terug en liet haar -achter in het welige gras, stak den dolk in zijn gordel, ging naar -den rand van den berg en begon den weg afwaarts te dalen. - -En de ziel die in hem was, sprak tot hem: "Zie, ik ben bij u geweest -al deze jaren lang, en heb u trouw gediend. Zend mij nu niet weg van -u. Want welk leed heb ik u aangedaan?" - -De jonge visscher lachte. - ---"Gij hebt mij geen leed aangedaan," zeide hij, "maar ik kan u niet -langer gebruiken. De wereld is groot en er is nog een hemel, en ook -een hel, en er is het donkere schemerhuis, dat tusschen die beiden -ligt. Ga waarheen ge wilt, maar stoor mij niet, want mijn liefde -verlangt naar mij." - -En zijn ziel weende en smeekte om genade, maar hij luisterde niet -naar haar; vlug sprong hij van de eene klip op de andere, want zijn -voet was zeker als die van een wilde gems, en eindelijk had hij het -strand bereikt, en de gele kust van de zee. - -Met een lichaam als uit brons gegoten, en ledematen zoo forsch en -fier als die van een Grieksch beeld, zoo stond hij op het zand, -den rug naar de maan gekeerd. - -En uit het spattende schuim hieven zich slanke armen die hem wenkten, -en uit de deinende golven stegen donkere gestalten, die hem huldigden, -en achter hem stond de maan aan den honingkleurigen hemel. - -En zijn ziel sprak tot hem: - ---"Wanneer ge mij werkelijk van u zenden wilt, stuur mij dan niet heen -zonder uw hart. De wereld is wreed, geef mij uw hart mede op mijn weg." - -Maar hij wierp het hoofd achterover en lachte. - ---"Waarmede zou ik mijn liefste liefhebben, wanneer ik u mijn hart -gaf?" riep hij. - ---"Ach, heb erbarmen met mij," klaagde de ziel, "geef mij uw hart, -want de wereld is zoo wreed en ik ben vol vreeze." - ---"Mijn hart behoort aan mijn liefste," antwoordde hij. "Aarzel daarom -niet langer en ga heen van mij." - ---"Moet ik dan niet óók liefhebben?" vroeg de ziel. - ---"Nog eenmaal: ga heen, want ik heb u niet noodig," riep de jonge -visscher, en hij nam den kleinen dolk met het handvat van groene -adderenhuid en sneed de schaduw rondom zijne voeten weg; en hij -richtte zich op en stond voor de schaduw; en hij bezag die en die -was gelijk hemzelf. - -Hij trad eenige schreden terug en stak den dolk in zijn gordel; -een gevoel van angst en schuwheid bekroop hem. - ---"Ga heen," murmelde hij, "en laat mij uw aangezicht nooit meer vóór -mij zien." - ---"Ik ga,.... Maar wij zullen elkaar weervinden," zeide de ziel. Haar -stem klonk zacht en zangerig gelijk een fluit, en hare lippen bewogen -zich nauwelijks terwijl zij sprak. - ---"Hoe zouden wij elkander ooit terugzien?" vroeg de jonge -visscher. "Gij zult mij toch niet tot in de diepten der zee volgen?" - ---"Eenmaal in elk jaar zal ik hierheen komen en u aanroepen," sprak -de ziel. "Het kon zijn, dat ge mij noodig hadt." - ---"Hoe zoude ik u noodig kunnen hebben?" riep de jonge visscher. "Maar -het geschiede zooals gij zegt!" - -En met een sprong dook hij weg in het water, en de tritonen bliezen -op hunne hoorns, en het kleine zeemeerminnetje kwam naar boven, hem -tegemoet gezwommen, en zij sloeg hare armen om zijn hals en kuste -hem op den mond. - -Aan het eenzame strand van de zee stond de ziel en zag het schouwspel -aan. - -En toen zij hen zag wegzinken in de diepte, ging zij weenend heen. - -En verdween achter de moerassen. - - - -En toen een jaar verstreken was, keerde de ziel terug naar de kust -van de zee, en riep den jongen visscher, en hij steeg uit de diepte -opwaarts en sprak: - ---"Waarom roept ge mij?" - -En de ziel antwoordde: - ---"Kom naderbij, opdat ik met u spreken kan, want ik heb heerlijke -dingen gezien!" - -En hij kwam nader en zette zich aan den zoom van het water, leunde -met het hoofd in de hand en luisterde. En de ziel sprak tot hem: - -"Nadat ik u verlaten had keerde ik naar den kant van het Oosten, en -begon er mijn zwerftocht. Uit het Oosten komt alle wijsheid. Zes dagen -zwierf ik rond, en op den morgen van den zevenden dag kwam ik aan een -heuvel, die in het land der Tartaren ligt. Ik zette mij neder in de -schaduw van een tamariskenboom, om mij voor de zon te beschutten. Het -land was droog en door de hitte verschroeid. De menschen liepen her -en derwaarts in de vlakte, gelijk vliegen, die over een plaat van -blinkend koper kruipen. - -Tegen den middag, verhief zich aan den vlakken kant van het land -een roode stofwolk. Toen de Tartaren dit zagen spanden zij hunne -beschilderde bogen, sprongen op hunne kleine paarden en reden de -stofwolk tegemoet. De vrouwen vluchtten met groot misbaar naar de -wagens, en verborgen zich achter de voorhangen van dierenvellen. Toen -het begon te schemeren kwamen de Tartaren terug, maar vijf van -hen ontbraken, en van degenen, die terugkwamen, waren niet weinige -verwond. Zij spanden hunne paarden voor de wagens en reden haastig -weg. Drie jakhalzen slopen uit een hol en zagen hen na. Zij snoven -met welbehagen de lucht in hunne neusgaten op en draafden in de -tegenovergestelde richting heen. - -Toen de maan opkwam, zag ik een bivakvuur in de vlakte opvlammen en -begaf mij daarheen. Een kring van kooplieden zat rond het vuur, op -uitgespreide tapijten. Hunne kameelen waren, achter hen, aan palen -gebonden, en de negers, die hunne slaven waren, sloegen op het zand -tenten van gelooide vachten op, en bouwden eene hooge omheining -van stekeldraad. - -Terwijl ik hen naderde, stond het hoofd van de karavaan op, trok -zijn zwaard uit de scheede en vroeg wat ik wilde. Ik antwoordde -dadelijk, dat ik de vorst was van een ver gelegen rijk, en dat ik -den Tartaren ontvlucht was, die mij tot hun slaaf hadden willen -maken. De hoofdman lachte, en toonde mij vijf menschelijke hoofden, -die op lange bamboestaven staken. - -Daarop vroeg hij wie de Profeet van God was en ik antwoordde Mohamed. - -Toen hij den naam van den valschen Profeet hoorde, boog hij zich, nam -bij mij de hand en deed mij naast hem ter neer zitten. Een neger reikte -mij paardemelk in een houten schotel en een stuk gebraden lamsvleesch. - -Bij het schemeren van den dag, braken wij op. Ik reed op een -roodharigen kameel aan de zijde van den hoofdman, en een voorlooper -draafde voor ons uit en droeg een speer. Aan beide kanten bevonden -zich gewapende slaven, en muildieren volgden met de koopwaren. Veertig -kameelen telde de karavaan en de muildieren waren tweemaal veertig -in getal. - -Wij kwamen, van uit het land der Tartaren, in het land van hen, die -de maan vervloeken. Wij zagen de Gryphen hun goud op de witte rotsen -bewaken en de geschubde draken in hunne holen slapen. Toen wij over -het gebergte trokken, hielden wij den adem in, opdat de sneeuw niet op -ons zou neervallen, en elk onzer bond zich een sluier van gaas voor de -oogen. Toen wij door de valleien liepen schoten de Pygmeën uit holle -boomstammen met pijlen naar ons, en des nachts hoorden wij de wilden -op hunne trommels slaan. Toen wij bij den Toren van de Apen kwamen, -zetten wij hen vruchten voor, en zij deden ons geen kwaad. Toen wij -bij den Toren van de Slangen kwamen, reikten wij hen warme melk in -koperen schotels, en zij lieten ons voorbijtrekken. Drie malen kwamen -wij op onze reizen aan de oevers van den Oxos. Wij trokken er over -met behulp van houten vlotten, waaraan groote met lucht gevulde blazen -bevestigd waren. De Nijlpaarden stormden tegen ons aan en wilden ons -dooden. Toen de kameelen hen zagen, sidderden zij van angst. - -De Koningen van elke stad hieven invoergeld van ons, maar veroorloofden -ons geen toegang binnen hunne poorten. Zij wierpen ons over de muren -brood toe, kleine maïskoeken die in honing gebakken waren, en koeken -uit fijn meel die met dadels gevuld waren. Voor honderd korven brood -gaven wij eene barnsteenkraal. - -Wanneer de bewoners der dorpen ons zagen komen, vergiftigden zij de -bronnen en vloden op de heuvels. Wij streden met de Magaden, die, -oud geboren, van jaar tot jaar jonger worden, en sterven wanneer -zij kleine kinderen zijn geworden; met de Lakten, die van tijgers -beweren af te stammen, en zich zwart en geel beschilderen; met de -Auranten, die hunne dooden in de kruinen der boomen begraven en zelf -in donkere holen wonen, opdat de zon, die hun God is, hen niet doode; -met de Krimniers, die een krokodil aanbidden, hem met boter en levend -gevleugelte voederen; met de Agazomben, die hondengezichten, en met -de Sibers, die paardevoeten hebben en sneller loopen dan paarden. Een -derde van onzen troep stierf in den strijd, en een derde stierf door -gebrek. De rest morde tegen mij en zeide, dat ik hen ongeluk gebracht -had. Daarop nam ik van onder een steen een adder, en liet mij door haar -bijten. En toen zij zagen, dat ik niet ziek werd, beving hen vreeze. - -In de vierde maand bereikten wij de stad Illel. Het was nacht toen -wij aan het bosch kwamen, dat zich voor de stadsmuren uitstrekte. De -lucht was zwoel, want de maan stond in den Schorpioen. Wij namen de -rijpe granaatappels van de boomen, openden die en dronken er het zoete -sap van. Daarop strekten wij ons uit op onze tapijten en wachtten de -ochtendschemering af. - -En met de schemering stonden wij op en klopten aan de stadspoort. Die -was van rood brons vervaardigd, waarin zeegedrochten en gevleugelde -draken waren gegoten. De schildwachten zagen van de wallen op ons -neder en vraagden wat wij begeerden. De tolk der karavaan antwoordde, -dat wij met vele koopwaren van het Syrische eiland kwamen. Zij namen -gijzelaars uit ons midden en zeiden, dat zij ons des middags de poort -zouden openen, en dat wij tot dat tijdstip te wachten hadden. - -Toen het middag werd, openden zij de poort, en toen wij binnentrokken, -kwam het volk in scharen uit de huizen om ons te zien, en een omroeper -ging door de gansche stad en blies op een schelp. Wij stonden op -het marktplein, en de negers bonden de balen met bonte doeken los -en openden de uitgesneden kisten van Sykomorenhout. En toen zij dit -gedaan hadden, haalden de kooplieden hunne buitenlandsche waren te -voorschijn: gewast linnen uit Egypte en beschilderd linnen uit het land -der Ethiopiërs; purperkleurige sponsen uit Tyrus en blauwe behangsels -van Sidon; schalen van blank ivoor en doorzichtige vazen van glas, -en zonderling aardewerk. Een schare van vrouwen sloeg ons van uit het -dak van een huis gade. Een harer droeg een masker van verguld leder. - -En op den eersten dag kwamen de priesters en dreven ruilhandel met -ons, en op den tweeden dag kwamen de adelijken, en op den derden dag -kwamen de handwerkers en de slaven. Dit alles volgens het gebruik -van alle kooplieden, zoolang zij in die stad verwijlen. - -En wij toefden er een maand lang, en toen de maan afnam verlangde ik -verder te gaan, en liep door de straten der stad, en kwam eindelijk -aan den tuin van hunnen God. Priesters in geelzijden gewaden zag -ik zwijgend onder de groene boomen schrijden, en, op een onderbouw -van zwart marmer, stond het lichtroode huis, waarin de God verblijf -hield. De deuren waren er met goudlak overtrokken, waarop stieren -en pauwen in gedreven glanzend goud. Het dak was belegd met tegels -van zeegroen porcelein, en aan de naar buiten loopende dakgootpijpen -hingen kleine klokken. Wanneer de witte duiven voorbij vlogen, bewogen -zij met hare vleugels de klokken, die dan tinkelend geluid gaven. Voor -den tempel bevond zich een vijver vol helder water, die met gestreept -agaat geplaveid was. Ik zette mij aan den rand terneer en betastte -met mijne bleeke vingers de breede bladen der waterplanten. Een der -priesters kwam naderbij en trad achter mij. Hij droeg sandalen aan -de voeten; de eene sandaal bestond uit zacht slangenvel en de andere -uit vogelveeren. Op zijn hoofd droeg hij een muts van zwart vilt, die -met zilveren maansikkels versierd was. Zeven kleuren van geel waren -in zijn kleed geweven en zijn krullend haar was met antimoon bestrooid. - -Na eene wijle richtte hij het woord tot mij, en vroeg wat ik verlangde. - -Ik zeide hem dat ik den God wenschte te zien. - ---"De God is op de jacht," zeide de priester, en keek mij met zijne -kleine schuine oogen onderzoekend aan. - ---"Zeg mij in welk bosch, zoo wil ik met hem ter jacht gaan," -antwoordde ik. - -Hij kamde met zijne lange spitse nagels de franje van zijn gewaad. - ---"De God slaapt," antwoordde hij. - ---"Zeg mij op welk rustbed hij ligt, zoo wil ik bij hem waken," -antwoordde ik. - ---"De God is bij den maaltijd," riep hij. - ---"Als de wijn zoet smaakt, dan wil ik dien met hem drinken, en ook zoo -de wijn zuur is, zal ik dien met hem drinken," luidde mijn antwoord. - -Hij boog verwonderd het hoofd, nam mij bij de hand en geleidde mij -in den tempel. - -En in het eerste vertrek zag ik een afgodsbeeld zitten, op een troon -van jaspis die met kostbare paarlen uit het Oosten omzet was. Het -beeld was uit ebbenhout gesneden en zijne gestalte was die van een -man. Op het voorhoofd droeg hij een robijn en dikke druppels geurige -olie vielen uit zijn haar op zijne dijen. Zijne voeten waren rood -gekleurd door het bloed van een frisch geslacht lam, en zijne lendenen -waren omsloten door een breeden koperen gordel, die met zeven berillen -bezet was. - -En ik vraagde den priester: "Is dit de God?" en hij antwoordde: -"Dit is de God." - ---"Toon mij den God," riep ik uit, "of waarlijk ik zal u ter neer -vellen!" En ik raakte zijne hand aan en die werd dor. - -En de priester smeekte en sprak: - ---"Moge mijn Heer zijnen dienstknecht genezen, dan zal ik hem den -God toonen." - -Daarop blies ik mijn adem over zijne hand en die werd genezen. - -En hij sidderde en voerde mij in een tweede vertrek en ik zag op een -lotosbloem van graveelsteen, die met groote smaragden behangen was, -een afgodsbeeld staan. Uit ivoor was het gesneden en zijne gestalte -was dubbel zoo groot als die van een man. Op zijn voorhoofd glansde -een chrysoliet, en zijn borst was met mirren en kaneel bestreken. In -de eene hand hield het een gebogen schepter van nephriet, en in de -andere een rond kristal. Het droeg laarzen uit erts, en om zijn dikken -hals lag een ketting van sklenieten. - -Ik zeide tot den priester: "Is dit de God?" en hij antwoordde: -"Dit is de God." - ---"Toon mij den God," riep ik uit, "of ik zal u waarlijk dooden!" En -ik raakte zijne oogen aan en die werden blind. - -En de priester smeekte en sprak: "Moge mijn Heer zijnen dienstknecht -genezen, dan zal ik hem den God toonen." - -Toen blies ik mijn adem over zijne oogen en die werden weder ziende. - -En hij sidderde wederom, en voerde mij in het derde vertrek, en -zie! daar bevond zich geen afgodsbeeld en ook geene andere beeltenis -van welken aard dan ook, maar alleenlijk een ronde spiegel van geslepen -metaal, op een altaar van steen. - -En ik sprak tot den priester: "Waar is de God?" - -En hij antwoordde mij: "Wij hebben geen anderen God dan dezen spiegel -dien gij ziet, want deze is de Spiegel der Wijsheid. Hij weerspiegelt -alle dingen die in den hemel en op de aarde zijn, alleen niet het -gelaat van hem, die zich daarin spiegelt. Dit geeft hij niet weer, -opdat hij, die daarin ziet, wijs kan zijn. Er zijn vele andere -spiegels, maar dat zijn de spiegels der Meeningen. Deze alleen is de -Spiegel der Wijsheid. En zij die dezen Spiegel bezitten, weten alles, -en niets is voor hen verborgen. En zij die hem niet bezitten, hebben -ook niet de Wijsheid. Daarom is hij de God dien wij aanbidden." - -En ik zag in den spiegel en het was, zooals hij gezegd had. - -Toen deed ik een zonderlinge daad; maar wàt ik deed is noodeloos te -verhalen, want in een dal, dat slechts een dagreize van hier verwijderd -ligt, heb ik den Spiegel der Wijsheid verborgen. Laat mij slechts weer -tot u ingaan en u dienen, dan zult gij wijzer zijn dan alle wijzen, -en de Opperste Wijsheid zal uw deel zijn." - -Maar de jonge visscher lachte. - ---"Liefde is beter dan Wijsheid," riep hij, "en het kleine -zeemeerminnetje heeft mij lief." - ---"Ge vergist u, er is niets beters op de wereld dan de Wijsheid," -sprak de ziel. - ---"De Liefde is beter," herhaalde de jonge visscher; en hij dook -onder in de diepte. - -En de ziel ging weenende van daar. En verdween over de moerassen. - - - -En toen het tweede jaar verstreken was, keerde de ziel terug naar -de kust van de zee, en riep den jongen visscher, en hij steeg uit de -diepte opwaarts en zeide: - ---"Waarom roept ge mij?" - -En de ziel antwoordde: - ---"Kom naderbij, opdat ik met u spreken kan, want ik heb de -wonderlijkste dingen gezien." - -En hij kwam nader en zette zich aan den rand van het water, leunde -met het hoofd in de hand en luisterde. - -En de ziel sprak tot hem. - ---"Toen ik u verlaten had, richtte ik mijne schreden naar het Zuiden en -begon mijn zwerftocht. Uit het Zuiden komt alles wat kostbaar is. Zes -dagen liep ik op de straatwegen, die naar de stad Asther voeren; -op de stoffige roode straatwegen, die de pelgrims plegen te volgen, -schreed ik voort, en op den morgen van den zevenden dag, zie! daar -zag ik de stad aan mijne voeten liggen, want zij is in een dal gelegen. - -Negen poorten geven toegang tot deze stad en voor elke poort staat een -bronzen paard, dat hinnekt wanneer de Bedouïnen van de bergen naar -omlaag komen. De muren zijn met koper beslagen en de wachttorens op -de muren uit erts gebouwd. In elken toren staat een boogschutter -met een boog in de hand. Bij zonsopgang slaat hij met een pijl -op een klankbekken, en bij zonsondergang blaast hij op een hoorn, -uit horen gesneden. Toen ik beproefde binnen te gaan, hielden de -wachten mij tegen en zij vroegen, wie ik was. Ik antwoordde, dat ik -een derwisch was, op weg naar Mekka, alwaar zich een groene sluier -bevinden moest waarop engelenhanden in zilveren letters den Koran -hadden geborduurd. Zij luisterden met groote verbazing naar hetgeen -ik zeide, en vergunden mij binnen de stad te komen. En binnen de -stad, daar geleek het wel een bazaar. Waarlijk, gij hadt bij mij -moeten zijn. Langs de nauwe straten wiegelen bonte papierlantaarns -als groote vlinders heen en weer. Wanneer de wind over de daken -strijkt, dan stijgen ze op en vallen weer neer, net als gekleurde -zeepbellen. De kooplieden zitten voor hunne winkeltjes op glanzende -zijdene tapijten. Zij dragen recht-neerhangende zwarte baarden, -hunne tulbanden zijn met gouden sechinen bedekt en lange kettingen -van barnsteen en van kunstig uitgesneden perzikpitten glijden door -hunne slanke vingers. Eenige van hen verkoopen galbanum en nardus, -en zeldzaam reukwerk van de eilanden in de Indische zee, olie van -roode rozen, en myrten en kleine kruidnagelen. Wanneer men stil -staat om met hen te praten, werpen zij kleine stukjes wierook op een -kolenbekken, en de lucht wordt vervuld van zoete geuren. Ik zag een -Syriër, die in zijn hand een dun rieten stokje hield. Grijsblauwe -draden van rook wolkten daaruit op, en de geur die het stokje onder -het branden verspreidde, herinnerde aan dien van amandelbloesems -in de lente. Andere verkoopen zilveren armbanden die in de rondte -met melk-blauwe turkooizen bezet zijn; voetspangen van koper, -waaraan een franje van fijne paarlen, tijgerklauwen in goud gevat, -ook de klauwen van den goud-bronzen leopard, eveneens in goud gevat; -oorhangers uit doorboorde smaragden en vingerringen van uitgeholde -nephriet. Uit de theehuizen klinken gitaarklanken en de opiumschuivers -liggen er met bleeke, glimlachende aangezichten naar de voorbijgangers -te staren. Waarlijk, gij hadt bij mij moeten zijn. De wijnverkoopers -banen zich hunnen weg, dwars door de menigte, met groote zwart leeren -zakken over de schouders. De meesten verkoopen den wijn uit Schiras, -die zoet is als honing. Zij bieden die aan op kleine metalen schalen, -waarop zij rozenbladeren strooien. Op de marktplaats stonden de -fruitverkoopers, die alle soorten van vruchten veil boden; rijpe -vijgen, met haar week purperkleurig vleesch; meloenen, die naar muskus -geuren, en geel zien als topazen; citroenen en rozenbottels en witte -druiven; ronde, geelroode oranjeappelen en langwerpige limoenen van -puur groen goud. Eens zag ik een olifant voorbijgaan. Zijn snuit was -rood en geel beschilderd en over de ooren droeg hij een roodzijden -gevlochten net. Hij bleef voor een der kraampjes staan en begon van -de oranjeappelen te eten, en de verkooper liet dit lachend toe. Ge -kunt u niet voorstellen, welk een merkwaardig volk het is. Wanneer -zij vroolijk zijn, gaan zij naar een vogelhandelaar en koopen van hem -een gevangen vogel, dien zij laten vliegen, opdat hunne vreugde nog -grooter worde; en wanneer zij mistroostig zijn, kastijden zij zich -met doornen, opdat hun verdriet niet minder worde. - -Op een avond ontmoette ik eenige negers, die een zwaren draagstoel -langs de winkels voortdroegen. Hij was van verguld bamboes gemaakt en -de staven waren van rood lak, waarin ingelegde pauwen van erts. Voor de -vensters hingen dunne gordijnen van neteldoek, die met kevervleugelen -en kleine paarlen geborduurd waren, en toen de draagstoel voorbij -ging, keek een bleeke cirkassische vrouw naar buiten, en wierp -mij een glimlach toe. Ik volgde den stoet, de negers verhaastten -hunne schreden, en hunne blikken werden dreigend en somber. Maar ik -bekommerde er mij niet om; eene groote nieuwsgierigheid had zich van -mij meester gemaakt. - -Eindelijk hielden de dragers stil voor een vierkant wit huis. Het had -geen vensters, slechts een lage deur, als de deur van een graf. Zij -zetten den draagstoel neder, en klopten driemaal met een koperen hamer -op de deur. Een Armeniër in een kaftan van groen leder keek door een -luikje, en toen hij den draagstoel gewaar werd, opende hij de deur -en breidde een tapijt over den grond. - -De vrouw steeg uit. Terwijl zij naar binnen trad, keerde zij zich -om en wierp mij opnieuw een glimlach toe. Nooit had ik een zoo bleek -gelaat aanschouwd. - -Toen de maan was opgegaan, keerde ik naar dezelfde plaats terug -en zocht er het huis, maar het was verdwenen. En ik begreep wie de -vrouw was en waarom zij mij had toegelachen. Waarlijk, gij hadt er -bij moeten zijn. - -Op het feest van de Wassenden Maan kwam de jonge Keizer uit zijn -paleis en begaf zich in de Moskee om er te bidden. - -Zijn haar en zijn baard waren met rozenbladeren gekleurd en op zijne -wangen lag fijn stofgoud. De palmen der handen en die der voeten waren -geel van safraan. Bij zonsopgang kwam hij uit zijn paleis in een gewaad -van zilver, en bij zonsondergang keerde hij in een gewaad van goud -terug. Het volk wierp zich op den grond en verborg het aangezicht, maar -ik deed zulks niet. Ik stond bij het kraampje van een dadelverkooper -en wachtte. Toen de Keizer mij opmerkte, rimpelde zich zijn voorhoofd -en hij stond stil. Ik bleef zeer rustig en bewees hem geen hulde. Het -volk verbaasde zich over mijne stoutmoedigheid, en men ried mij de -stad te ontvluchten. Ik luisterde niet naar dien raad, doch begaf -mij naar de kooplieden die beeldjes van vreemde godheden verkoopen, -en, om dien handel, zeer veracht worden. Toen ik hen verhaalde wat ik -gedaan had, gaf elk hunner mij een afgodsbeeldje, en zij verzochten -mij dringend hen te verlaten. Des nachts lag ik op een kussen in het -theehuis, dat aan den Granaatappelweg staat; daar kwam de lijfwacht -van den Keizer, en voerde mij in het paleis. Toen ik binnentrad, sloot -men achter mij elke deur en grendelde die bovendien. Daarop kwam ik -in een grooten hof, dat omsloten was door een zuilengang. De muren -waren van wit albast, en hier en daar met blauwe en groene tegels -versierd. De pilaren waren van groen marmer en het plaveisel bestond -uit bijkans perzikkleurig marmer. Nooit aanschouwde ik iets dergelijks. - -Toen ik door den hof liep, zagen twee gesluierde vrouwen van een balkon -op mij neder en spraken verwenschingen tegen mij uit. De soldaten -liepen met versnelde passen en hunne speeren vielen dreunend neer op -het glanzende plaveisel. Zij ontsloten een deur van uitgesneden ivoor, -en ik bevond mij in een tuin met vele fonteinen en zeven terrassen. De -tuin was met tulpen en papavers en zilverige aloën beplant. Als een -slanke zuil van kristal flonkerde in de schemerige avondlucht de straal -van een fontein. De cypressen geleken op uitgebrande fakkels. In een -van de boomen zat een nachtegaal en zong. - -Aan het eind van den tuin was eene kleine tent opgeslagen. Toen wij -naderbij kwamen, traden daaruit twee Eunuchen ons tegemoet; hunne -dikke lichamen waggelden onder het loopen en zij keken mij met hunne -halfgeloken oogen nieuwsgierig aan. Een van hen riep den hoofdman -van de wacht ter zijde, en fluisterde hem iets toe. Onderwijl at de -ander geurige pastillen, die hij met eene gemaakte handbeweging uit -een lilakleurige geëmailleerde doos nam. - -Na verloop van enkele oogenblikken stuurde de hoofdman de soldaten -weg. Zij gingen terug naar het paleis, de Eunuchen volgden langzaam -en plukten in het voorbijgaan zoete moerbeziën van de boomen. Eenmaal -keerde de oudere van de twee zich naar mij om, en lachte boosaardig. - -Daarop wees de hoofdman mij den ingang van de tent. - -Zonder aarzeling of vrees schoof ik het zware gordijn ter zijde en trad -binnen. De jonge Keizer lag uitgestrekt op een rustbed van gekleurde -leeuwenvellen, terwijl een valk op zijn vuist zat; achter hem stond -een Nubiër met een metalen tulband op 't hoofd, naakt tot aan de -heupen en met zware oorhangers in de doorboorde ooren. Op een tafel -naast het rustbed lag eene reusachtige kromme sabel uit blank staal. - -Toen de Keizer mij zag, rimpelde zich zijn voorhoofd en hij vraagde: - ---"Wie zijt ge? Weet ge niet, dat ik de Keizer van deze stad ben?" - -Maar ik gaf hem geen antwoord. Hij wees met den vinger naar de sabel; -en de Nubiër greep die en wierp mij haar naar het hoofd met groote -kracht. De scherpe kant vloog midden door mij heen, doch zonder mij -letsel te brengen. De man viel stuiptrekkend neer, en toen hij zich -oprichtte, klappertandde hij van angst en verborg zich achter het -rustbed. De Keizer sprong overeind, nam zijne lans van een wapenrek, -en wierp die naar mij. Ik ving haar in volle vaart op en brak haar -in twee stukken. Hij schoot met een pijl naar mij, maar ik hield -mijne handen omhoog en de pijl bleef in de lucht zweven. Daarop trok -hij een dolk uit zijn gordel van wit leder en boordde die den Nubiër -in den hals, opdat deze niemand deelgenoot zou maken van den smaad, -den Keizer aangedaan. De man kronkelde zich als een vertrapte slang, -en van zijne lippen drupte het roode schuim. - -Zoodra het lichaam zich niet meer bewoog, wendde de Keizer zich tot -mij en nadat hij zich met een purperen zijden doek het zweet van het -voorhoofd had afgewischt, sprak hij: - ---"Zijt gij een Profeet, dat ik u niet dooden kan, of zijt gij de -zoon van een Profeet, dat ik u niet verwonden kan? Ik bid u, verlaat -mijne stad nog in dezen nacht, want zoolang gij daarin vertoeft, -ben ik er geen heerscher." - -En ik antwoordde: - ---"Ik zal gaan als gij mij de helft van uwe schatten geeft. Geef mij -die en ik zal van hier gaan." - -Daarop nam hij mij bij de hand en bracht mij buiten in den tuin. - -Toen de hoofdman van de wacht mij zag, was hij zeer verbaasd. En -toen de Eunuchen mij zagen, beefden hunne knieën en van louter angst -stortten zij zich terneer op den grond. - -In het paleis bevindt zich een vertrek, dat bestaat uit acht wanden -van rood porphyr, en eene met stalen platen bepantserde zoldering, -waarvan lampen naar omlaag hangen. De Keizer raakte een der wanden aan, -die zich daarop opende en wij traden eene gang binnen, die door vele -fakkels verlicht werd. Aan weerszijden stonden, in nissen, groote -wijnkruiken, die tot aan den rand met zilverstukken gevuld waren. - -Toen wij tot aan het midden van de gang gekomen waren, sprak de Keizer -het woord, dat men niet uit mag spreken, waarop door een geheime veer -een deur van graniet zich opende. En de Keizer legde de handen voor -het aangezicht om niet verblind te worden door den glans. - -Gij kunt u niet voorstellen, welk een wonderbaarlijken aanblik -deze pracht bood. Daar stonden groote schildpadden schalen vol -paarlen; groote uitgeholde maansteenen bevatten roode robijnen; -in koffers van olifantenhuid lag het goud opgestapeld en in lederen -flesschen was het stofgoud bewaard. Opalen en safieren zag men er in -kristallen en nephrieten schalen. Ronde groene smaragden flonkerden -in rijen op dunne ivoren platen, en in een hoek lagen zijden zakken, -enkele met turkooizen, andere met berillen gevuld. Hoorns van ivoor -bevatten purperen amethisten, en hoorns van erts chalcedonsteenen -en sardachaat. De zuilen van cederhout waren met snoeren van -geele labradorsteenen omhangen. Op vlakke ovalen schilden lagen -karbonkelsteenen van wijnkleurigen en grasgroenen tint. En nog veel -meer was er. Wat ik u opnoem is nauwelijks een tiende gedeelte van -hetgeen ik in werkelijkheid zag. - -En toen de Keizer de handen van zijn aangezicht had weggenomen, -sprak hij: - ---"Dit is het huis van mijne schatten, en de helft van alles schenk ik -u, zooals ik beloofd heb. En ik zal u kameelen geven en kameeldrijvers, -en zij zullen doen wat gij hen gelast te doen en uw deel van deze -schatten dáárheen brengen, waar gij verlangt dat zij gebracht zullen -worden. En dit moet dezen avond nog geschieden, want ik wil niet, -dat de Zon, die mijn Vader is, aanschouwe hoe in mijn stad een man -zich ophoudt, dien ik niet kan verslaan." - -Maar ik antwoordde hem: - ---"Het goud dat hier ligt opgestapeld blijve het uwe, en ook het -zilver, en ook al de kostbare juweelen en andere schatten mogen uw -eigendom blijven. Ik--ik heb ze niet noodig. En ik verlang niets van -al uw rijkdom dan den kleinen ring, dien gij aan uw vinger draagt." - -Diepe rimpels groefden zich in het voorhoofd van den Keizer. - ---"De ring is slechts van lood," riep hij uit, "en van geenerlei -waarde. Neem daarom de helft dezer schatten en verlaat mijne stad." - ---"Neen, antwoordde ik, "ik verlang niets dan den ring van lood, -want ik weet wat daarop geschreven staat en tot welk doel het -geschreven werd." - -En de Keizer sidderde, en hij smeekte en sprak: - ---"Neem dan àl deze schatten, maar verlaat mijne stad. Ook de helft -die mij nog toebehoorde, zal uw deel zijn." - -En ik deed eene zonderlinge daad. Maar wàt ik deed, doet er niet toe; -want in een spelonk, die slechts eene dagreize van hier verwijderd -ligt, heb ik den Ring van den Rijkdom verborgen. De spelonk ligt een -dagreize van hier en ik zal er u heenvoeren. Wie den ring bezit, is -rijker dan alle Koningen der aarde. Kom dus, en neem hem in bezit, -en alle schatten van het heelal zullen uw deel zijn." - -Maar de jonge visscher lachte. - ---"Liefde is beter dan Rijkdom," riep hij, "en het kleine -zeemeerminnetje heeft mij lief." - ---"Neen, er bestaat niets beters dan Rijkdom," antwoordde de ziel. - ---"De Liefde is beter!" zei de de jonge visscher en hij dook omlaag -naar de diepte. - -En de ziel ging weenende van daar. - -En verdween achter de moerassen. - - - -En toen het derde jaar verstreken was, keerde de ziel terug naar -de kust van de zee en riep den jongen visscher, en hij steeg uit de -diepte omhoog en zeide: - ---"Waarom roept ge mij?" - -En de ziel antwoordde: - ---"Kom naderbij, opdat ik met u spreken kan, want ik heb -wonderbaarlijke dingen gezien." - -En hij kwam naderbij en zette zich aan den rand van het water, leunde -het hoofd in de hand en luisterde. - -En de ziel sprak tot hem: - -"In een stad die ik ken, staat een herberg aan eene rivier. Ik zat -daarginds met zeelieden, die van twee verschillend gekleurde wijnen -dronken en gerstebrood aten en kleine gezouten visschen, die, in -azijn gelegd, op laurierbladen aangeboden werden. En terwijl wij -aten en vroolijk waren, trad een oud man binnen, die een lederen -tapijt droeg en een luit die met twee barnsteenen horens versierd -was. En toen hij het tapijt op den grond had uitgespreid, sloeg hij -met een veer op de snaren van zijn luit, en een meisje, wiens gelaat -door een sluier omgeven was, kwam naar binnen en begon voor ons te -dansen. Haar gelaat was onzichtbaar door den gazen sluier, maar hare -voeten waren naakt. Naakt waren hare voeten, en zij bewogen zich over -het tapijt gelijk kleine witte duiven. Nooit tevoren had ik zóó iets -liefelijks gezien, en de stad waar zij danst, is slechts eene dagreize -van hier verwijderd." - -En toen de visscher de woorden zijner ziel hoorde, moest hij er -steeds weer aan denken dat het zeemeerminnetje geen voeten had en -niet dansen kon. En een wonderlijk verlangen greep hem aan en hij -sprak tot zichzelf: "Het is slechts eene dagreize van hier, en ik -kan tot mijn liefste terugkeeren." En hij lachte en richtte zich op -in het lage water, en schreed naar den oever. - -En toen hij het droge strand bereikt had, lachte hij wederom, en -strekte zijne armen uit naar zijn ziel. En deze, dit ziende, slaakte -een luiden vreugdekreet en snelde naar hem toe en drong binnen in -hem. En de jonge visscher zag vóór zich op het zand uitgebreid de -schaduw van zijne gestalte, die het lichaam was van zijn ziel. - -En zijn ziel sprak tot hem: - ---"Laat ons niet langer talmen, maar ons dadelijk op weg begeven, -want de zeegoden zijn wraakzuchtig en zij gebieden over zeegedrochten, -die hen terwille zijn." - -En zij haastten zich voort en den ganschen nacht liepen zij verder -in het maanlicht en den ganschen volgenden dag in het zonlicht, -en op den avond van dien dag kwamen zij in eene stad. - -En de jonge visscher sprak tot zijn ziel: - ---"Is deze de stad, waarin het meisje danst, van wie ge mij verteld -hebt?" - -En de ziel antwoordde: - ---"Deze is niet de stad waarin zij danst, maar eene andere. Doch laat -ons daarom toch binnengaan." - -En zij liepen de stad in, en trokken door de straten, en toen zij in -de straat kwamen, waar de juwelieren hunne waren uitstalden, zag de -jonge visscher in een der winkels een heerlijke zilveren schaal. - -En zijn ziel sprak tot hem: "Neem de zilveren schaal, en verberg die -in uw kleed." - -En hij nam de zilveren schaal tot zich, en verborg die in de plooien -van zijn kleed, en zij verlieten ijlings de stad. En toen zij de -stad een mijl ver achter zich hadden, rimpelde de jonge visscher het -voorhoofd en sprak tot zijn ziel: "Waarom geboodt ge mij de schaal -te nemen en haar te verbergen? Want dat was een slechte daad." - -Maar zijne ziel antwoordde: "Wees onbezorgd, wees onbezorgd." - -En op den avond van den tweeden dag kwamen zij in eene stad; en de -jonge visscher sprak tot zijn ziel: - ---"Is deze de stad, waarin het meisje danst, van wie ge mij gesproken -hebt?" - -En zijne ziel antwoordde: - ---"Deze is niet de stad, waarin zij danst, doch eene andere. Maar -dat doet er niet toe, laat ons binnentreden." - -En zij gingen in de stad en trokken door de straten, en toen zij in de -straat gekomen waren, waar sandalenverkoopers hunne waren verkochten, -zag de jonge visscher een kind bij een waterkruik staan. - -En zijn ziel sprak tot hem: "Sla het kind." En hij sloeg het kind, -totdat het schreide, en toen hij het gedaan had, verlieten zij ijlings -de stad. - -En toen zij de stad een mijl ver achter zich hadden, werd de jonge -visscher toornig en sprak tot zijn ziel: "Waarom geboodt gij mij het -kind te slaan? Want dat was een slechte daad." - -Maar zijne ziel antwoordde: "Wees onbezorgd, wees onbezorgd." - -En op den avond van den derden dag kwamen zij in eene stad; en de -jonge visscher sprak tot zijn ziel: - ---"Is deze nu de stad, waarin zij danst, van wie gij mij gesproken -hebt?" - -En zijne ziel antwoordde: "Het kan zijn dat deze de stad is, laat -ons daarom binnengaan." - -En zij gingen in de stad, en trokken door de straten, maar nergens -kon de jonge visscher de rivier vinden, noch den herberg die aan haren -oever moest staan. En de stadbewoners begonnen hem nieuwsgierig gade -te slaan, en hij werd bevreesd en sprak tot zijn ziel: - ---"Laat ons van hier gaan, want zij die met de blanke voeten danst, -is niet hier!" - -Maar zijne ziel antwoordde: - ---"Nee, laat ons blijven, want de nacht is donker, en op den weg -zullen we roovers ontmoeten." - -Daarop zette hij zich neder op het marktplein en rustte uit, en na -een wijle ging een koopman voorbij, die een mantel van tartarenlaken -aanhad, en aan de punt van een knoestigen bamboesstok een lantaarn -droeg uit gesneden hoorn. En de koopman sprak tot hem: - ---"Waarom zit gij op dit uur hier op de marktplaats, terwijl toch de -kraampjes reeds gesloten zijn, en de balen goeds tezamen gerold?" - -En de jonge visscher antwoordde: - ---"Ik kan in deze stad geen herberg vinden en heb hier niemand die -mij zou willen huisvesten." - ---"Zijn wij niet allen broeders?" vroeg de koopman. "En schiep -ons niet één God? Volg mij dus, want er staat een kamer voor mijne -gasten gereed." - -En de jonge visscher stond op, en volgde den koopman in zijn huis. - -En toen zij door een tuin van granaatboomen waren gegaan, en het -huis binnengetreden waren, bracht de koopman hem rozenwater in een -koperen schaal, opdat hij zich de handen zou kunnen wasschen, en hij -bracht hem meloenen om zijnen dorst te lesschen, en hij zette hem -een schotel rijst voor en een stuk gebraden lamsvleesch. - -En toen hij van alles genuttigd had, geleidde de koopman hem in de -gereedstaande kamer en wenschte hem een goeden nacht. En de jonge -visscher dankte hem en kuste den ring aan zijnen vinger. Daarop strekte -hij zich uit op de vellen van gekleurde geitenvacht. En toen hij zich -met een dek van zwarte schapenwol had toegedekt, sliep hij in. - -En drie uur voor zonsopgang, toen de nacht nog zwart en stil was, -wekte hem zijne ziel en zij sprak tot hem: - ---"Sta op, en begeef u in gindsche kamer waarin de koopman slaapt; -dood hem en ontneem hem zijn goud, want wij hebben het noodig." - -En de jonge visscher stond op en sloop in de kamer van den koopman; -en aan diens voeten lag een krom zwaard, en op de tafel naast hem -lagen negen buidels vol goud. En hij strekte de hand uit naar het -zwaard, en toen hij het had aangeraakt, schrikte de koopman op, en -ontwaakte. Hij sprong overeind en greep naar het zwaard, en riep: -"Vergeldt gij aldus goed met kwaad, en beloont gij door sluipmoord -de goedheid die ik u bewezen heb?" - -En zijn ziel sprak tot den jongen visscher: - -"Sla hem neer!" En hij sloeg hem neer, zoodat de koopman bewusteloos -ter aarde stortte, en hij greep naar de negen buidels vol goud en -vluchtte ijlings door den tuin van granaatboomen, en keerde zijn -gelaat naar de ster, die de morgenster heet. - -En toen zij een mijle ver van de stad verwijderd waren, sloeg de -jonge visscher zich op de borst en sprak tot zijn ziel: - ---"Waarom geboodt ge mij den koopman te dooden, en zijn goud te -stelen? Waarlijk, gij zijt slecht." - -Maar zijne ziel antwoordde: "Wees onbezorgd, wees onbezorgd." - ---"Neen," riep de jonge visscher, "ik wil niet onbezorgd zijn, want -alles wat ge mij hebt laten doen, haat ik. U haat ik evenzoo, en ik -wil dat ge mij zegt, waarom ge op deze wijze met mij omgaat." - -En zijne ziel antwoordde hem: - ---"Toen ge mij van u heen zondt om in de wereld rond te zwerven, -gaaft ge mij geen hart mede, en zoo leerde ik al deze dingen doen en -ze gaarne doen." - ---"Wat zegt ge?" murmelde de jonge visscher. - ---"Ge weet het," antwoordde de ziel, "ge weet het maar al te goed. Of -hebt ge vergeten, dat ge mij geen hart wildet meegeven? Ik geloof -van neen. Bekommer u daarom niet om mij, maar wees onbezorgd. Want er -is geen leed, dat gij niet veroorzaken zult, en er is geen vreugde, -die gij niet zult kunnen genieten." - -En toen de jonge visscher deze woorden gehoord had, beefde hij, -en sprak tot zijn ziel: "Neen, gij zijt slecht, want gij hebt mij -mijne liefde doen vergeten, en mij met verzoekingen omgeven, en ge -hebt mijne schreden op den weg der zonde geleid." - -En zijne ziel antwoordde hem: - ---"Vergeet niet, dat ge mij geen hart wildet geven, toen ge mij -in de wereld uitzondt. Kom, laat ons naar eene andere stad gaan, -en vroolijk zijn, want wij hebben negen buidels vol goud." - -Maar de jonge visscher nam de negen buidels vol goud, wierp ze op -den grond en vertrapte ze. - ---"Neen," riep hij, "ik wil niets meer met u gemeen hebben, en ik -wil niet verder met u gaan, maar zooals ik u vroeger weggezonden heb, -zoo wil ik u wederom wegzenden, want ge hebt mij niets goeds gebracht." - -En met den rug naar de maan gekeerd, beproefde hij met den kleinen -dolk, welks handvat van slangenhuid was, de schaduw aan zijne voeten -weg te snijden, de schaduw, die het lichaam van was zijn ziel. - -Doch zijne ziel ging niet van hem, en achtte ook niet op zijn bevel, -maar sprak tot hem: - ---"De betoovering die de heks u leerde, heeft geenerlei kracht -meer, want ik kan u niet meer verlaten, noch kunt gij mij meer uit u -verdrijven. Slechts eenmaal in het leven kan de mensch zijn ziel uit -zijn lichaam verbannen, en die haar weder tot zich neemt, die moet -haar voor altijd behouden; dat is zijn straf en zijn loon tevens." - -De jonge visscher verbleekte en balde de vuist en riep: "Dan was zij -eene valsche heks, dat zij mij dit niet zeide." - ---"Neen," zeide de ziel, "want zij was Hem getrouw dien zij aanbidt -en dien zij altijd dienen zal." - -En toen de jonge visscher zich bewust werd, dat hij zich nooit meer -van zijn ziel zou kunnen bevrijden, en dat eene slechte ziel voor -altijd in hem zou blijven wonen, toen wierp hij zich neder op den -grond en weende bitter. - -En toen het dag werd, stond de jonge visscher op, en sprak tot -zijn ziel: - ---"Ik zal mijne handen vastsnoeren, opdat zij niet kunnen doen, wat -gij hen gebiedt te doen; en mijne lippen zal ik tezamen drukken, opdat -zij niet uwe woorden kunnen naspreken. En ik wil dáárheen terugkeeren, -waar zij woont, die ik liefheb, naar de zee wil ik teruggaan, naar -de kleine bocht, waar zij voor mij placht te zingen, en dan zal ik -om haar roepen en haar zeggen, welk kwaad ik deed, en welk kwaad gij -mij gedaan hebt." - -En zijn ziel poogde hem opnieuw in verzoeking te brengen en sprak: - ---"Wie is uwe liefste, dat gij tot haar wilt terugkeeren? De wereld -heeft vele, die schooner zijn om aan te zien dan zij: de danseressen, -die in Samaris wonen, dansen alle gelijk vogels en duiven, hare voeten -zijn met henna beschilderd, en in de handen houden zij kleine koperen -klokjes. Wanneer zij dansen lachen zij, en haar lachen klinkt zoo -helder als het kabbelen van het water. Kom met mij mee, en ik zal ze u -toonen. Want wat maakt ge u bezorgd om dingen, die zondig heeten? Is -al wat zoet is om te eten niet voor den etenden bestemd? Zou er gif -zijn in den vurigen wijn? Kwel u niet langer, en kom met mij naar een -ander oord. Hier dicht bij ligt een kleine stad, daarin bevindt zich -een tuin van magnolia boomen. En witte pauwen, en pauwen met blauwe -borsten zijn in dien fraaien tuin. Wanneer zij hunne staarten in de zon -uitspreiden, glanzen die in ivoren en gouden kleurenpracht. En die hen -voedert, danst ter hunner lust, en eenmaal danst zij op hare handen, -een ander maal met hare voeten. Hare oogen zijn met antimoon gekleurd, -en hare neusvleugelen zijn gelijk de vleugels eener zwaluw. Een -bloem, die uit een parel gesneden is, hangt aan een haakje van een -harer neusvleugels af. En terwijl zij danst lacht zij, en de zilveren -ringen aan hare enkels rinkelen gelijk zilveren klokjes. Kwel u toch -niet langer, maar kom met mij mede naar gindsche stad." - -Doch de jonge visscher antwoordde niet. Zijne lippen hield hij -vastgesloten en zijne handen had hij vastgesnoerd. En zoo ging hij -terug, daarheen, vanwaar hij gekomen was, naar de kleine bocht, -waar eens zijn liefste gezongen had. - -En steeds opnieuw poogde zijn ziel hem onderweg in verzoeking te -brengen, maar hij antwoordde haar niet, en hij deed niets van al het -slechte, dat zij hem gebood te doen, zoo groot was de macht zijner -liefde in hem. En toen hij eindelijk de kust van de zee bereikt had, -bond hij de snoeren los van zijne handen, en opende zijne lippen en -riep om de kleine zeemeermin. - -Maar zij verscheen niet op zijn roepstem, hoewel hij den ganschen -dag om haar riep en haar smeekte te komen. - -En zijn ziel bespotte hem en sprak: - ---"Waarlijk, gij beleeft niet veel vreugde van uwe liefde. Gij zijt -als een die, ten tijde van watersnood, water in een gebroken kruik -giet. Gij geeft weg wat ge bezit, en niets ontvangt ge terug. Beter -ware het voor u, wanneer ge met mij wildet komen; ik zal u dan toonen, -waar het Dal der Lusten ligt, en ik zal u laten zien, welke dingen -ginds gebeuren." - -Doch de jonge visscher antwoordde zijne ziel niet, maar bouwde een -huis van gevlochten stroo tusschen de rotsen en woonde daar een jaar -lang. En elken morgen riep hij het zeemeerminnetje en als de middag -kwam riep hij om haar, en des avonds, wanneer de duisternis gevallen -was, kreet hij opnieuw haar naam. - -Maar nimmermeer steeg zij van uit de diepte tot hem omhoog, noch -vermocht hij haar terug te vinden in de zee, wáár hij haar ook -zoeken ging, tusschen de rotskloven in het groene water, in den -wassenden vloed, of in de diepe bronnen die van den bodem der zee -omhoog borrelen. - -En altijd opnieuw poogde zijne ziel hem tot het kwade te verleiden, -en fluisterde hem vreeselijke dingen in het oor. Maar zij had geenerlei -macht meer over hem, zoo groot was de macht zijner liefde. - -En toen het jaar verstreken was, overpeinsde de ziel bij zichzelve: -"Ik heb mijnen heer steeds door booze dingen in verzoeking gebracht, -en zijne liefde bleek sterker dan ik. Nu wil ik beproeven hem door -het goede te winnen, zoo zal hij mij wellicht volgen." - -En zij sprak tot den jongen visscher: - ---"Ik heb u veel van de Vreugden der wereld verhaald, en gij hebt mij -niet willen aanhooren. Laat mij u nu van 's werelds Leed vertellen, -wellicht zult gij dan naar mij luisteren. Want waarlijk, het Leed -heerscht als Meester over de wereld, en niemand ontkomt aan zijne -heerschappij. De een heeft geen kleederen en de ander heeft geen -brood. Gindsche weduwe kleedt zich in purper, deze gaat in lompen. Over -de moerassen trekken in scharen de melaatschen en zijn onbarmhartig -jegens elkander. De bedelaars zwerven her en derwaarts langs de -wegen, en hunne zakken zijn ledig. Door de straten der steden trekt -de Hongersnood, en voor de poorten waakt de Pest. Kom, laat ons van -hier opgaan en hulp verleenen en troost schenken. Waarom zoudt ge hier -langer toeven en langer nog om uwe liefste roepen, die toch uw stem -niet hoort? En wat is de liefde, dat gij daaraan zooveel waarde hecht?" - -Maar de jonge visscher antwoordde niet, zoo groot was de macht -zijner liefde. - -En elken morgen en elken middag riep hij weder om haar, en elken avond, -wanneer de duisternis gevallen was, kreet hij opnieuw haren naam. - -Maar nimmermeer steeg zij van uit de diepte tot hem omhoog, noch -vermocht hij haar terug te vinden, wáár hij haar ook zoeken ging, -in de stroomingen der wateren of in de valleien die onder de golven -zijn, in de zee die purpergekleurd ligt in avondgloed, of in de zee -die grauw schijnt onder de vlerken van morgenschemering... - -En toen het tweede jaar verstreken was, sprak de ziel op een nacht -tot den jongen visscher, die alleen in zijn gevlochten hut zat: - ---"Zie, ik heb u tot het slechte trachten te verleiden, en ook tot het -goede willen voeren, en uwe liefde is sterker gebleken dan ik. Daarom -wil ik u niet meer in verzoeking brengen, maar ik smeek u: laat mij -tot uw hart doordringen, opdat ik één met u worde, gelijk vroeger." - ---"Waarlijk, gij moogt tot mijn hart doordringen," sprak de jonge -visscher, "want in de dagen toen gij zonder hart door de wereld -rondgedoold zijt, moet ge veel geleden hebben." - ---"Ach," riep de ziel, "geen ingang kan ik vinden, zoo zeer is uw -hart omvangen door uwe liefde." - ---"En toch wilde ik, dat ik u helpen kon," sprak de jonge visscher. - -En nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of van over de zee -weerklonk eene groote weeklacht, zooals de menschen die vernemen, -wanneer er een van het watervolk gestorven is. En de jonge visscher -sprong op, verliet zijn hut, en ijlde naar de zeekust. En de zwarte -golven kwamen aangedruischt naar den oever, en droegen eene last, -die blanker was dan zilver. Blank als het schuim der branding was zij, -en gelijk een bloem deinde zij heen en weer op de golven. - -En de branding nam haar over van de golven, en de oever ontving haar, -en aan de voeten van den jongen visscher lag het levenlooze lichaam -van de kleine zeemeermin. - -Dood lag zij aan zijne voeten. - -En kermend als een, die door smart overweldigd is, wierp hij zich -naast het doode lichaam neer. En hij kuste het kille rood van haar -mond, en hij streelde het natte barnsteen van heur haar. Hij wierp -zich naast haar op het zand en schreide als een, die door vreugde -zinneloos werd, en met zijne bruine armen hield hij haar vast aan zijn -borst geklemd. Koud waren hare lippen, maar hij kuste ze warm. Zilt -smaakte de honing van heur haar, maar hij proefde die met bittere -vreugde. Hij kuste de gesloten oogleden, en het trillende schuim dat -op hare oogen lag, was minder zout dan zijne tranen. - -En aan het doode lichaam biechtte hij zijne daden. In de schelpen -harer ooren goot hij den bitteren wijn van al zijn lijden. Hare kille -armen plooide hij om zijn hals, en met zijne vingers streelde hij het -fijne slanke lijf. Vol bitterheid was zijne vreugde, en zijne smart -was vervuld van zonderlinge blijheid. - -En dichter en dichter-naderbij kwam de donkere zee, en het blanke -wit der branding steunde luid als een gepijnigd dier. - -Met witte klauwen van schuim greep de zee naar het strand. Toen klonk -van uit het paleis van den waterkoning een nieuwe kreet van rouwe, -en ver, ver over de zeeën, bliezen de Tritonen met heeschen klank op -hunne hoorns. - ---"Vlucht!" sprak de ziel. "Vlucht, want al nader komt de zee, en -zoo gij langer talmt, zal zij u verzwelgen. Vlucht, want ik ben vol -vreeze, daar uw hart zich, om der wille van uwe groote liefde, nog -niet voor mij geopend heeft. Vlucht naar een veilig oord.... Waarlijk, -gij moogt mij niet zonder hart naar eene andere wereld zenden!" - -Maar de jonge visscher luisterde niet naar zijn ziel; hij vleide -zich tegen het kleine bleeke zeemeerminnetje en sprak: "Liefde is -beter dan Wijsheid en kostbaarder dan Rijkdom, en schooner dan de -blanke voeten van de dochteren der menschen. Geen vlammen vermogen -haar te vernietigen, en geen waterstroomen haar te verzwelgen. Ik -riep naar u wanneer de morgenstond gloorde en gij luisterdet niet -naar mijn roep. De maan hoorde uw naam weerklinken, maar gij bleeft -zwijgen. Ik had u moedwillig verlaten, en tot mijn eigen ellende ging -ik heen, verre van U. Maar altijd is uwe liefde bij mij gebleven, en -altijd was zij sterk, en niets vermocht zich tegen haar te richten, -of ik ook van het slechte vervuld was, dan wel van het goede. En nu, -nu gij gestorven zijt, zie, nu wil ik met u sterven." - -En wederom smeekte zijn ziel hem om te vluchten, maar hij luisterde -niet naar haar, zoo groot was zijne liefde. - -Al nader en nader kwam de zee, al rusteloozer beproefde zij hem met -hare breede golven-armen te bereiken en te omspoelen. - -En toen hij voelde dat zijn einde nabij was, kuste hij wild, met -brandende lippen den kouden mond van het zeemeerminnetje, en zijn hart, -dat in hem was, brak. - -En toen zijn hart gebroken was door overgroote liefde, toen kon de -ziel er toegang vinden en werden zij weder één gelijk vroeger. En de -zee bedekte den jongen visscher met haar golven. - - - -Den volgenden morgen kwam de priester op het strand, om de zee te -zegenen, want zij was zeer onrustig geweest. En met hem kwamen monniken -en muzikanten, kaarsendragers en knapen die wierookvaatjes zwaaiden, -en nog eene menigte van menschen. - -En toen de priester den oever bereikt had, vond hij het doode lichaam -van den jongen visscher in de branding liggen, en, in zijne armen -vastgeklemd, zag hij het lijk van de kleine zeemeermin. Met gerimpeld -voorhoofd trad hij eenige schreden achteruit, maakte het teeken des -kruizes en sprak luid: - ---"Ik wil de zee niet zegenen, noch zegenen iets, wat zich in de -zee bevindt. Vervloekt zij het watervolk en vervloekt mogen allen -zijn, die zich met dat volk inlaten. Hier ligt hij dood, die, om der -liefde wille, zijnen God verloochend heeft, en daar nu ligt hij met -zijn liefste, door God zelf verslagen. Neemt zijn doode lichaam op, -van hem en van zijn liefste, en begraaft hen in den eenzaamsten hoek -van het Veld der Distelen, en zet geen steen op 't graf, noch eenig -ander teeken, opdat niemand de plaats hunner rust wete. Want vervloekt -waren zij in hun leven, en vervloekt zullen zij zijn tot na hun dood." - -En het volk deed zooals hem gelast werd; en zij groeven een diepen kuil -in den eenzaamsten hoek van het Veld der Distelen, daar waar geenerlei -zoete kruiden groeiden, en zij legden daarin de twee doode lichamen. - - - -En toen het derde jaar verstreken was, ging de priester op een dag, -die een Heiligendag was, naar de kapel, om het volk de wonden des -Heeren te toonen en van God's toorn te prediken. En toen hij het -priestergewaad had aangelegd en de kapel betreden had, en zich nijgen -wilde voor het altaar, zag hij, dat het bedekt was met vreemdsoortige -bloemen, zooals hij die nimmer nog aanschouwd had. En zonderling waren -zij om aan te zien, en hunne schoonheid maakte hem dronken, en hunne -geur was wellust voor zijne neusgaten. En hij was blijgestemd en wist -toch niet waarom hij blij gestemd was. - -En toen hij den tabernakel geopend, de monstrans bewierookt, en de -heilige Hostie getoond had aan het volk, en het weer weggeborgen had -achter den sluier aller sluiers, begon hij tot het volk te spreken, -en hij wilde hen spreken van God's heiligen toorn. Maar de schoonheid -der witte bloemen maakte hem dronken, en hun zoete geur was wellust -voor zijne neusgaten, en op zijn lippen kwamen andere woorden. Niet -van God's toorn sprak hij, maar van God, wiens wezen Liefde was. En -wáárom hij zoo sprak, dat wist hij niet. - -En toen hij had opgehouden met spreken, weende het volk en de priester -trad in de sakristy, en zijne oogen waren gevuld met tranen. De -diakenen kwamen binnen en namen hem het priesterkleed af, en het -koorhemd en den gordel en de gewijde mouwen en de stola. Als in een -droom stond daar de priester. En toen zij hem van zijn misgewaad -ontdaan hadden, zag hij tot hen op en vroeg: "Welke bloemen waren -heden op het altaar, en vanwaar zijn zij gekomen?" - -En zij antwoordden: - ---"Wat soort van bloemen 't zijn, weten wij niet, maar zij bloeien -ginds, op het Veld der Distelen, in den eenzaamsten hoek." - -En de priester sidderde en ging in zijn huis en bad. - -En op den volgenden morgen, vóór dat nog de zon ter kimme was gerezen, -trok de priester naar buiten, met de monniken en de muziekanten, -met de knapen, die de wierookvaten zwaaiden en met hen, die de -kaarsen droegen, en een groote schare van menschen volgde hem. En -hij kwam aan den oever van de zee, en hij zegende het water, en -alle wilde schepselen, die daarin wonen. En hij zegende de faunen, -en al de kleine schepselen, die in de wouden dansen, en zij die met -glanzende oogen gluren tusschen 't loof. En alle schepselen in God's -wijd heelal zegende hij, en het volk was van verbazing vervuld. - -Maar nimmermeer bloeiden de bloemen in den eenzamen hoek van het Veld -der Distelen. - -Leeg en kaal bleef de plek als zij te voren was. En ook het watervolk -kwam niet weer in de bocht, gelijk vroeger: naar een ander deel van -de zee trokken zij henen. - - - - - - - - -IV. - -HET STERREKIND. - - -Er waren eens twee arme houthakkers, die door een groot dennenbosch -naar huis toe keerden. Het was winter en de nacht was bitter koud. De -sneeuw lag hoog op den grond en op de takken der boomen. Waar zij -voorbijgingen knakten aan beide kanten van den weg de fijne takken -door de strenge vorst; en toen zij de beek genaderd waren die van -de bergen komt, zagen zij dat die roerloos in de lucht hing, want de -ijskoning had haar gekust. - -Het was zóó koud, dat zelfs de dieren en de vogels niet wisten, -wat zij moesten beginnen. - -"Oe!" huilde de wolf, terwijl hij met den staart tusschen de pooten -door het kreupelhout liep. "Wat een allerafschuwelijkst weer. Dat de -regeering dáár niet een stokje voor steekt!" - -"Oeit! Oeit! Oeit!" tjilpten de groene vlasvinken, "de oude aarde is -dood en nu heeft men haar met een wit doodslaken toegedekt." - -"De aarde wil bruiloft vieren en dit is haar bruidskleed," fluisterden -de tortelduiven elkander toe. Hunne kleine, rooskleurige pootjes -waren geheel bevroren, maar zij vonden dat het hun plicht was om den -toestand romantisch op te vatten. - -"Onzin!" gromde de wolf. "Ik zeg jullie, dat alles de schuld is van -de regeering en wanneer jullie me niet gelooft eet ik je op." - -De wolf was zeer praktisch van natuur en het ontbrak hem nooit aan -geldige argumenten. - -"Nu, wat mij betreft," zeide de specht, die een geboren wijsgeer was, -"ik geef geen duit om zulke uiteenzettingen. Wanneer iets eenmaal is, -dan is het ook zoo, en nu is het verschrikkelijk koud, dat staat vast." - -En verschrikkelijk koud was het dan ook werkelijk. De kleine -eekhoorntjes, die binnen in de groote pijnboomen woonden, wreven -aanhoudend hunne snoetjes tegen elkaar om warm te blijven en de -konijntjes rolden zich in hunne holen op en waagden niet naar buiten -te komen. - -Alleen de groote steenuilen schenen in hun schik. Hunne vederen stonden -geheel stijf van den rijp, maar dat hinderde hen niet; zij rolden -met hunne groote gele oogen en riepen elkaar door het bosch toe: -"Toe--wiet! Toe--woo! Toe--wiet! Toe--woo! Wat een heerlijk weer -hebben we toch!" - -Intusschen liepen de twee houthakkers al verder en verder, bliezen -krachtig op hunne vingers en stampten met hunne groote, met ijzer -beslagen laarzen op de vastgetreden sneeuw. Eens zonken zij plotseling -weg in een kuil vol jachtsneeuw en toen ze er uit kwamen, waren ze -zoo wit als de molenaars ten tijde van het koren malen; een andermaal -gleden zij uit op het gladde ijs, daar waar het moeraswater toegevroren -lag, en hunne bundels rijshout vielen uit elkaar, zoodat zij ze weer -bijeen moesten rapen en op nieuw samenbinden; en eenmaal meenden -zij den rechten weg verloren te hebben en groote angst beving hen, -want zij wisten dat de sneeuw onverbiddelijk is voor hen, die in hare -armen rust zoeken. Maar zij vertrouwden op den goeden Sint-Martyn, -die over alle zwervers waakt en keerden weer terug op hunne voetsporen -en letten toen dubbel goed op. En eindelijk bereikten zij den rand -van het bosch en zagen ver beneden, in het dal aan hun voeten, de -lichtjes schemeren van het dorp, waarin zij woonden. - -Hunne vreugde over die redding was zoo groot, dat zij hardop lachten -en de aarde leek hen een zilveren bloem en de maan een bloem van goud. - -Maar nadat zij gelachen hadden werden zij toch weer treurig, want zij -dachten aan hunne armoede en een hunner zeide tot den anderen: "Waarom -hebben wij eigenlijk gelachen? Wij zien immers dat het leven alleen -goed is voor de rijken en niet voor zulke menschen als wij zijn. Beter -ware het geweest, wanneer wij in het bosch van koude omgekomen waren, -of wanneer wilde dieren ons aangevallen en gedood hadden." - -"Ja waarlijk," antwoordde zijn metgezel, "den eenen is veel gegeven -en den anderen weinig. De onrechtvaardigheid in persoon heeft de -wereld verdeeld, en niets is gelijkelijk verdeeld dan misschien de -zorg alleen." - -Maar terwijl zij zoo over hun jammerlijk lot klaagden, gebeurde er -iets zonderlings. Van uit den hemel viel plots een schitterende, -schoone ster naar omlaag. Zij gleed zijdelings uit het luchtruim aan -de andere sterren voorbij en toen de mannen haar verwonderd met de -oogen volgden, kwam het hen voor, als daalde zij neer op den grond -achter een groep wilgenboomen die bij een schaapskooi stonden, niet -meer dan een steenworp van hen verwijderd. - -"Ei! daar ligt stellig een pot vol goud voor dengene, die hem -vindt!" riepen zij uit en zij haastten zich, er zoo hard zij konden -heen te loopen, zulk een begeerte vervulde hen naar het goud. - -En een hunner liep vlugger dan de andere, snelde zijnen makker voorbij, -drong tusschen de wilgentakken door tot aan den anderen kant en -zie! op de witte sneeuw lag daar waarlijk een gouden voorwerp. - -Hij ijlde er dus heen, boog zich neer en legde er zijn hand op; en het -was een doek uit gouddraad geweven, op zonderlinge wijze met sterren -bestikt en in vele plooien gevouwen. En hij riep zijnen metgezel toe, -dat hij den schat, die uit den hemel gevallen was, gevonden had, en -toen zijn makker naderbij was gekomen, knielden zij op de sneeuw neer -en vouwden den doek open, om de goudstukken onderling te verdeelen. - -Maar ach! geen goud bevond zich in het omhulsel, en ook geen zilver, -noch eenige andere kostbare schat, maar slechts een klein, slapend -kindje. En een van de beiden zei tot den anderen: - -"Dat is een bitter einde van onze laatste hoop en wij hebben geen -geluk, want van welk nut zou een kind eenen man kunnen zijn? Wij -zullen het laten liggen en onzen weg vervolgen, want wij zijn arme -lieden en hebben zelf kinderen, van wier brood wij niet ook nog aan -een vreemde mogen afstaan." - -Maar zijn metgezel antwoordde hem: - -"Neen, het zou slecht van ons zijn dit kind hier in de sneeuw te laten -omkomen, en al ben ik ook even arm als gij, en al heb ook ik vele -monden te vullen waar er toch maar weinig op schotel is, ik wil het -kind toch mee naar huis nemen en mijn vrouw zal er verder voor zorgen." - -En heel voorzichtig nam hij het kind op, wikkelde het in den doek, -om het voor de scherpe koude te beschutten en daalde den heuvel af -naar het dorp toe; en zijn metgezel verwonderde zich zeer over zijne -dwaasheid en over de weekheid van zijn hart. - -En toen zij in het dorp kwamen, zeide hij tot hem: - -"Gij hebt het kind, geef mij nu den doek, want het is niet meer dan -billijk, dat wij samen deelen." - -Maar de andere antwoordde: - -"Neen, want die doek behoort evenmin aan u als aan mij, maar alleen -aan het kind." - -En na hem goeden avond gewenscht te hebben, ging hij naar zijn huis -en klopte aan. - -En toen zijn vrouw de deur opende en zag, dat haar man ongedeerd -thuisgekomen was, sloeg zij hare armen om zijn hals en kuste hem, -nam den bundel rijshout van zijn rug, veegde de sneeuw van zijne -laarzen en riep hem toe, toch gauw naar binnen te komen. - -Maar hij antwoordde haar: - -"Ik heb iets in het bosch gevonden en het voor je meegebracht, opdat -je er voor zorgen zoudt," en hij week niet van den drempel. - -"Wat is het?" riep zij. "Toon het mij, want leeg is het huis en wij -hebben van allerlei noodig." - -En hij maakte den doek los en toonde haar het slapende kind. - -"Ach, beste man!" steunde zij, "hebben wij zelf niet kinderen genoeg, -dat je nu nog zoo'n vreemd schreeuwertje in huis moet halen, om aan -onzen haard mee aan te zitten? En wie weet of het ons geen ongeluk zal -brengen! En hoe zullen wij het opvoeden?" En zij was toornig op hem. - -"Ja, maar het is een Sterrekind," antwoordde hij en vertelde haar -toen hoe hij het gevonden had. - -Maar zij was niet tot andere gedachten te brengen; integendeel bespotte -zij hem en riep toornig: - -"Onze eigen kinderen hebben geen brood en dan zouden wij nog vreemde -kinderen te eten geven? Wie bekommert zich om ons? En wie geeft -ons brood?" - -"God zorgt zelfs voor de musschen en geeft ze voedsel," antwoordde hij. - -"Sterven de musschen 's winters niet van honger?" vroeg zij: "en is -het nu niet winter?" - -De man antwoordde niet, maar hij week ook niet van den drempel. - -En een scherpe wind woei van uit het bosch door de open deur naar -binnen en deed haar rillen; en huiverende zeide zij tot hem: - -"Wilt ge de deur niet sluiten? Een scherpe wind waait door het huis -en ik ril van de koude." - -"Waait er niet altijd een scherpe wind door het huis waarin een koud -hart woont?" vroeg hij. En de vrouw antwoordde niet, maar schoof -dichter bij het vuur. - -En na een wijle keerde zij zich om en zag hem aan en hare oogen -stonden vol tranen. - -Toen trad hij snel naar binnen en legde het kind in hare armen; en -zij kuste het en vleide het neer in een klein bed, waarin reeds het -jongste van hare kinderen sliep. - -En den volgenden morgen nam de houthakker den zonderlingen -goud-bestikten doek en borg dien in een groote houten kist, en een -ketting van barnsteen, die het kind om den hals droeg, maakte de -vrouw los en legde die daarbij. - -Zoo werd het Sterrekind met de kinderen van den houthakker -grootgebracht en zat met hen aan dezelfde tafel en was hun speelgenoot. - -En met elk jaar werd het schooner, zoodat allen, die in het dorp -woonden er vol bewondering over waren; want waar zij eene bruine huid -en donker haar hadden, daar bleef het kind blank en teer als gesneden -ivoor en zijne haarlokken waren als de ringen der affodil. Zijne -lippen geleken de bladeren van een rooden bloesem en zijne oogen de -viooltjes aan een stroom van helder water, en zijn lichaam was als -de narcis op een veld, waar de maaier niet komt. - -Maar zijne schoonheid bleek hem ten verderf, want hij werd trotsch -en wreed en zelfzuchtig. De kinderen van den houthakker en de andere -kinderen van het dorp verachtte hij en zeide, dat zij van geringe -afkomst waren, terwijl hij van edele geboorte was, want hij stamde -immers van een ster; en hij gebood over hen als ware hij hun meester -en noemde hen zijne dienaren. Voor de armen of voor die welke blind, -kreupel of anderszins ziek en gebrekkig waren, toonde hij nooit -medelijden, maar wierp ze met steenen, verjoeg ze naar den landweg en -riep hen toe, dat zij hun brood ergens anders konden gaan bedelen, -zoodat alleen zij die te lande verbannen en verstooten waren een -tweede maal in het dorp kwamen om een aalmoes te vragen. Ja, hij was -als iemand, die de schoonheid boven alles liefhad en hij bespotte de -zwakken en gebrekkigen en vermaakte zich ten hunnen koste; alleen -zichzelf had hij lief. Des zomers, wanneer de winden sliepen, lag -hij dikwijls uitgestrekt aan den rand van de bron in des priesters -tuin en keek omlaag in het water, naar het wonder van zijn gelaat en -lachte van verrukking over zijne schoonheid. - -Dikwijls berispten hem de houthakker en zijn vrouw en zeiden: - -"Wij hebben niet zoo tegenover jou gehandeld, als jij nu handelt -tegenover hen, die ongelukkig zijn en niemand hebben die ze bij kan -staan. Waarom ben je zoo wreed jegens allen die medelijden verdienen?" - -Vaak liet ook de oude priester hem tot zich komen en trachtte hem de -liefde voor al wat leeft in te prenten en zei de tot hem: - -"De vlieg is uw broeder. Doe haar geen kwaad. De wilde vogels, die in -het woud rondvliegen, hebben hun vrijheid als eenigst goed. Vang ze -niet voor uw genoegen. God schiep de blindslang en den mol en ieder -vervult zijn plaats. Wie zijt ge, dat ge smart in God's rijk zoudt -mogen brengen? Zelfs de dieren op het veld prijzen Hem." - -Doch het Sterrekind sloeg geen acht op al die woorden, maar fronste -het voorhoofd en hield niet op met spotten en ging naar zijne -speelgenooten terug en voerde ze aan. En zijne speelgenooten volgden -hem, want hij was schoon, vlug en lenig en hij kon dansen en fluiten -en allerlei muziek maken. En wáár het Sterrekind ze ook heen leidde, -daar volgden zij hem en wat het Sterrekind ze beval te doen, dat deden -zij. En toen hij met een scherppuntig riet den mol de oogen uitstak, -lachten zij; en wanneer hij met steenen naar de melaatschen wierp, -dan lachten zij ook. In alle dingen heerschte hij over hen en zij -werden even hard en gevoelloos als hij zelf. - -Toen geschiedde het, dat eens op een dag eene arme bedelares door het -dorp kwam. Hare kleederen waren aan flarden gescheurd en hare voeten -bloedden door het schrijden over den steenigen weg, waarlangs zij -rondgezworven had; zij bevond zich in een zeer beklagenswaardigen -toestand. En daar zij vermoeid was, zette zij zich neer onder een -kastanjeboom om uit te rusten. - -Toen het Sterrekind haar zag zeide hij tot zijne makkers: - -"Zie, daar zit een vuile bedelvrouw onder dien mooien, licht-groenen -boom. Kom, laten wij haar wegjagen, want zij is leelijk en wanstaltig." - -En zij kwamen naderbij en wierpen haar met steenen en jouwden haar -uit en zij staarde vol ontzetting naar hem en wendde den blik niet van -hem af. En toen de houthakker, die in de nabijheid hout kloofde, zag -wat het Sterrekind deed, liep hij snel naderbij, berispte hem en zeide: - -"Waarlijk, ongevoelig is je hart en je kent geen erbarmen, want wat -heeft deze arme vrouw je voor kwaad gedaan, dat je haar zoo slecht -behandelt?" - -En het Sterrekind werd rood van toorn en stampte met den voet op den -grond en zeide: - -"Wie zijt ge, dat ge mij rekenschap vraagt van wat ik doe? Ik ben -niet uw zoon en heb niet noodig te doen, wat gij me beveelt!" - -"Dat is waar," antwoordde de houthakker, "maar ik heb me over je -ontfermd, toen ik je in het bosch vond liggen." - -En toen de vrouw deze woorden hoorde, stootte zij een luiden kreet uit, -en viel in onmacht. - -En de houthakker droeg haar in zijn woning en zijne vrouw zorgde voor -haar en toen zij uit hare bewusteloosheid ontwaakte, zetten zij haar -spijs en drank voor en spraken haar moed toe. - -Doch zij wilde niet eten noch drinken, maar sprak tot den houthakker: - -"Zeidet gij niet, dat ge het kind in het bosch gevonden hebt? En -gebeurde dat niet heden tien jaar geleden?" - -En de houthakker antwoordde: - -"Ja, in het bosch heb ik hem gevonden en dat gebeurde heden tien -jaar geleden." - -"En welke herkenningsteekens vondt gij bij hem?" riep zij. "Droeg hij -niet een ketting van barnsteen om den hals? En was hij niet gewikkeld -in een doek, die met gouddraad geweven en met sterren bestikt was?" - -"Ja zeker," antwoordde de houthakker, "het was zooals gij zegt." - -En hij nam den doek en de barnsteenen ketting uit de houten kist, -waarin zij lagen en toonde ze haar. - -En toen zij ze zag, schreide zij van vreugde en sprak: - -"Het is mijn kind, dat ik in het bosch verloor. Ik smeek u, laat hem -dadelijk komen, want alleen om hem te zoeken, heb ik door heel de -wereld rondgezworven!" - -En de houthakker en zijn vrouw gingen heen en riepen het Sterrekind -en zeiden tot hem: "Ga naar huis, want daar zult ge je moeder vinden, -die op je wacht." - -En hij liep naar huis vol verwondering en vervuld van groote -vreugde. Doch toen hij zag, wie daar binnen op hem wachtte, lachte -hij verachtelijk en zeide: - -"Nu, waar is dan mijne moeder? Want ik zie hier geen ander wezen dan -die leelijke bedelvrouw!" - -En de vrouw antwoordde hem: - -"Ik ben je moeder." - -"Ge zijt krankzinnig!" riep het Sterrekind toornig. "Ik ben niet uw -zoon, want gij zijt een bedelares en ge zijt leelijk en in lompen -gehuld. Maak dus dat ge wegkomt en laat mij niet langer uw onoogelijk -gezicht zien." - -"Houd op, want je bent waarachtig mijn kleinen zoon, dien ik in het -bosch droeg," riep zij en zonk op hare knieën en strekte de armen naar -hem uit. "Roovers hebben je gestolen en toen laten liggen, opdat je -sterven zoudt," fluisterde zij; "maar ik herkende je dadelijk toen -ik je zag en de herkenningsteekens, den van gouddraad geweven doek en -de barnsteenen ketting, heb ik ook teruggevonden. Ik bid je, kom dus -met mij mede, want door de heele wereld heb ik rondgezworven om je te -zoeken. Kom met mij mede, mijn zoon, want ik heb je liefde zoo noodig." - -Maar het Sterrekind verroerde zich niet en sloot de deuren, die naar -zijn hart voerden voor haar af, en men hoorde geen ander geluid dan -het snikken der vrouw, die van smart weende. - -En ten slotte sprak hij tot haar en zijn stem klonk hard en bitter. - -"Wanneer ge dan waarlijk mijne moeder zijt," zeide hij, "zou het beter -geweest zijn wanneer ge weggebleven waart, in plaats van hier te komen -om schande over mij te brengen; want ik meende het kind van een ster -te zijn en niet dat van eene bedelares, zooals gij beweert. Ga dus -heen, en laat mij u niet meer zien." - -"Ach, mijn zoon!" riep zij uit, "wilt ge mij niet kussen eer ik -heenga? Want veel heb ik moeten verdragen, aleer ik je vinden kon." - -"Neen!" zeide het Sterrekind, "want gij zijt te leelijk om aan te zien, -en eer zou ik een adder of een pad kussen dan u." - -Toen stond de vrouw op, ging het bosch in en weende bitter; en toen -het Sterrekind zag, dat zij heen was gegaan verheugde hij zich en -liep terug naar zijne speelgenooten om weer met hen te spelen. - -Maar toen zij hem zagen aankomen bespotten zij hem en riepen: - -"Foei! je bent zoo leelijk als een pad en zoo afzichtelijk als -een adder. Maak dat je wegkomt, want wij willen niet langer met je -spelen!" En zij verjoegen hem uit den tuin. - -En het Sterrekind fronste het voorhoofd en sprak tot zich zelf: - -"Wat beduidt dat, wat zij daar zeggen? Ik zal naar de bron gaan en -me daarin spiegelen en die zal mij mijne schoonheid toonen." En hij -ging naar de bron en keek er in en zie! zijn gelaat was als dat van -een pad en zijn lichaam was geschubt als dat van een adder. En hij -wierp zich neer in het gras en schreide en sprak tot zich zelf: - -"Waarlijk, dit is over mij gekomen, wegens mijne zonde. Want mijne -moeder heb ik verloochend en heb haar weggejaagd en ik ben trotsch -en wreed jegens haar geweest. Daarom wil ik nu heengaan en haar heel -de wereld door zoeken en niet rusten, aleer ik haar gevonden heb." - -En daar kwam het dochtertje van den houthakker tot hem en zij legde -haar hand op zijn schouder en sprak: - -"Wat deert het, of je je schoonheid verloren hebt? Blijf bij ons en -ik zal je niet bespotten." - -Maar hij zeide tot haar: - -"Neen, want ik ben wreed jegens mijne moeder geweest en tot straf -is dit kwaad over mij gekomen. Daarom moet ik nu heengaan van hier, -totdat ik haar zal gevonden hebben en zij mij vergiffenis schenkt." - -En hij liep het woud in en riep zijne moeder en smeekte haar tot hem te -komen, maar hij kreeg geen antwoord. Den ganschen dag riep hij om haar -en toen de zon onderging, legde hij zich neer op een leger van droge -bladeren om te slapen. En de vogels en andere dieren vluchtten voor -hem, want zij dachten aan zijne wreedheid; hij was dus heel alleen; -slechts de padde keek hem aan en de trage adder schuifelde voorbij.... - -En den volgenden morgen stond hij op en plukte bittere bessen van -de boomen, at ze, en vervolgde toen weenend zijn weg door het groote -bosch. En aan alles wat hij maar tegenkwam vroeg hij, of men misschien -ook zijne moeder gezien had. - -Hij zeide tot den mol: - -"Gij kunt tot onder den grond doordringen. Zeg mij, is mijne moeder -daar?" - -En de mol antwoordde: - -"Je hebt mijne oogen blind gemaakt, hoe zou ik het dus kunnen weten?" - -En tot den vlasvink zeide hij: - -"Gij kunt over de toppen der hooge boomen vliegen. Zeg me, kunt ge -mijne moeder niet vinden?" - -En de vlasvink antwoordde: - -"Je hebt mijne vleugels uit louter vermaak gekortwiekt; hoe kan ik -nu nog vliegen?" - -En tot het kleine eekhorentje, dat in den dennenboom huisde en eenzaam -was, zeide hij: - -"Waar is mijne moeder?" - -En het eekhorentje antwoordde: - -"Je hebt de mijne gedood. Wil je nu ook trachten de uwe te dooden?" - -En het Sterrekind weende en boog het hoofd en vroeg God's schepselen -om vergeving en ging verder het woud door om naar de bedelares te -zoeken. En op den derden dag bereikte hij het andere eind van het -bosch en daalde neer in de vlakte...... - -En wanneer hij door de dorpen liep, dan bespotten hem de kinderen en -wierpen hem met steenen; en de boeren wilden hem niet eens in de stal -laten slapen, uit vrees, dat hij den meeldauw over het ingehaalde -koren zou kunnen brengen, zoo afzichtelijk was hij om aan te zien, -en hunne daglooners jaagden hem weg, en niemand had medelijden met hem. - -En nergens hoorde hij iets van de bedelares, die zijne moeder was, -ofschoon hij drie jaren lang in de wereld rondzwierf en dikwijls -meende haar voor zich uit op den weg te zien; dan riep hij haar en -liep haar achterna, totdat zijne voeten door de scherpe kiezelsteenen -bloedden. Maar nooit kon hij haar inhalen en zij, die aan den weg -woonden, ontkenden steeds haar ooit gezien te hebben, noch iemand -die op haar geleek, en zij lachten om zijn leed. - -Drie jaren lang zwierf hij door de wereld rond en in die wereld was -noch liefde, noch goedheid, noch medelijden voor hem; maar het was -een wereld, zooals hij die in de dagen van zijn grooten hoogmoed om -zich heen had doen ontstaan. - -En op een avond kwam hij aan de poort eener vestingstad, die aan -een stroom gelegen was, en ofschoon hij vermoeid was en zijne voeten -bloedden wilde hij toch nog de stad binnengaan. Maar de soldaten, die -op wacht stonden lieten hunne hellebaarden voor den ingang nederdalen -en snauwden hem barsch toe: - -"Wat heb je in de stad te zoeken?" - -"Ik zoek naar mijn moeder," antwoordde hij "en ik smeek u, mij binnen -te laten, want het zou toch mogelijk kunnen zijn, dat zij zich in -deze stad bevindt." - -Maar zij lachten hem uit en een hunner schudde zijn zwarten baard en -terwijl hij zijn schild neerzette, riep hij: - -"Waarlijk, heel blij zal je moeder wel niet zijn, wanneer ze je ziet, -want je bent leelijker dan de pad van de waterplas en dan de adder -die in het moeras rondkruipt. Scheer je weg, scheer je weg! Je moeder -woont niet in deze stad." - -En een ander, die een gele vlag in de hand droeg, zeide tot hem: - -"Wie is je moeder en waarom zoek je haar?" - -En hij antwoordde: - -"Mijn moeder bedelt even als ik en ik heb haar slecht behandeld; -en ik smeek u, laat mij binnen, opdat zij mij vergiffenis schenke, -wanneer zij in deze stad mocht vertoeven." - -Maar zij wilden er niet van hooren en staken met hunne speren -naar hem. En toen hij zich schreiend omwendde kwam er een, wiens -wapenrusting met gouden bloemen was ingelegd en op wiens helm een -gevleugelde leeuw lag en hij vroeg aan de soldaten, wie daareven -verlangd had binnen te komen. En zij zeiden tot hem: - -"Het was een bedeljongen en de zoon van een bedelares en wij hebben -hem weggejaagd." - -"Zoo," riep hij lachend uit, "maar laat ons dien vogelverschrikker als -slaaf verkoopen, en wel om den prijs van een schaal vol zoeten wijns." - -En een oude man met een boosaardig gezicht die juist voorbij kwam, -riep: - -"Ik wil hem wel tot dien prijs koopen," en toen hij den prijs betaald -had, nam hij het Sterrekind bij de hand en voerde hem in de stad. - -En nadat zij door vele straten geloopen waren, bereikten zij langs -een muur eene kleine deur, die achter een granaatappelboom verborgen -lag. En de oude man raakte de deur aan met een ring van geslepen jaspis -en zij sprong open en toen daalden zij vijf ijzeren treden af naar -een tuin, waarin zwarte klaprozen groeiden en groene aarden kruiken -stonden. En de oude man nam uit zijn tulband een doek van veelkleurige -zijde, bond daarmede het Sterrekind de oogen toe en duwde het voor -zich uit. En toen de blinddoek hem van de oogen genomen werd, bevond -hij zich in een kerker, die door een hoornen lantaarn verlicht werd. - -En de oude man zette hem op een houten bord eenig beschimmeld brood -voor en zeide: "Eet," hij reikte hem toen gezout water in een beker -en zeide: "Drink," en toen hij gegeten en gedronken had, ging de oude -man heen, sloot de deur achter zich dicht en grendelde haar met een -ijzeren ketting. - -En den volgenden dag kwam de oude man, die de sluwste aller Libische -toovenaars was en zijne kunsten geleerd had van een, die in de graven -aan den Nijlstroom huisde, op nieuw tot hem en sprak: - -"In een woud, dicht bij deze stad van Ongeloovigen, liggen drie -stukken goud. Het eene is van wit goud, het andere van geel goud en -het goud van het derde stuk is rood van kleur. Heden moet gij mij -het stuk wit goud brengen en wanneer ge het niet meebrengt, zal ik je -honderd slagen geven. Begeef je fluks op weg, bij zonsondergang zal -ik je aan de deur van den tuin afwachten. Doe je best om het witte -goud te vinden of het zou je slecht bekomen, want je bent mijn slaaf -en ik heb je om den prijs van een schaal zoeten wijn gekocht." - -En hij verbond de oogen van het Sterrekind met den doek van gekleurde -zijde en voerde hem door het huis en door den klaprozentuin en langs -de vijf ijzeren treden opwaarts. En nadat hij de kleine deur met zijn -ring geopend had, zette hij hem op straat. - -En het Sterrekind ging buiten de poorten der stad en bereikte het -bosch, waarvan de toovenaar gesproken had. - -En het bosch zag er oogenschijnlijk heerlijk uit en leek vol zingende -vogels en zoetgeurende bloemen te zijn en het Sterrekind liep er -vroolijk binnen. Maar die schoonheid was hem van weinig nut, want waar -hij ook ging, daar sproten scherpe dorens en stekelige ranken uit den -grond omhoog en omslingerden hem; leelijke brandnetels staken hem en -de distels verwondden hem met hunne scherpe priemen, zoodat hij in -grooten nood verkeerde. En nergens kon hij het stuk wit goud vinden, -waarvan de toovenaar gesproken had, ofschoon hij het van den morgen -tot den middag zocht, en van den middag tot aan zonsondergang. En met -zonsondergang keerde hij huiswaarts en schreide bitter, want hij wist -wat hem te wachten stond. - -Toen hij echter den zoom van het woud bereikt had, hoorde hij van -uit het dichte struikgewas een kreet als van iemand, die in nood -verkeert. En hij vergat zijn eigen leed, liep terug en vond een kleinen -haas, gevangen in een val, die door een jager daar was opgesteld. - -En het Sterrekind had medelijden met het haasje en bevrijdde hem, -zeggende: - -"Zelf ben ik ook niet anders dan een slaaf en toch kan ik je de -vrijheid teruggeven." - -En de haas antwoordde hem en zeide: - -"Waarlijk, je hebt me mijn vrijheid teruggegeven, hoe kan ik je nu -op mijn beurt van dienst zijn?" - -En het Sterrekind zeide tot hem: - -"Ik zoek naar een stuk wit goud en kan het nergens vinden en wanneer -ik het mijnen heer niet breng, zal hij mij slaan." - -"Kom met mij mee," zeide de haas, "en ik zal er je heen voeren, -want ik weet waar het verborgen ligt en tot welk doel." - -En het Sterrekind volgde het haasje en zie! in de spleet van een -grooten eikenboom lag het stuk wit goud dat hij zocht. En hij was -uiterst verblijd, greep het en zeide tot den haas: - -"Den dienst, dien ik je bewees heb je me in veel grooter mate vergolden -en de barmhartigheid, die ik je betoonde werd wel honderdvoudig -beloond." - -"Neen," antwoordde de haas, "want zoo als ge jegens mij gehandeld hebt, -zoo handelde ik ook jegens u." - -En haastig liep hij heen en het Sterrekind keerde naar de stad terug. - -En aan de poort van de stad zat een man, die melaatsch was. Over zijn -geheele aangezicht hing een kap van grijs linnen en door de gaten -voor de oogen zag men zijne pupillen gloeien als vurige kolen. Toen -hij het Sterrekind, zag aankomen, sloeg hij op een houten bekken, -rinkelde met zijn bel, riep hem aan en zeide: - -"Geef mij een geldstuk, anders moet ik van honger sterven. Want men -heeft mij uit de stad verdreven en niemand heeft medelijden met mij." - -"Ach!" riep het Sterrekind, "ik heb slechts een stuk goud in mijn -zak en wanneer ik het mijnen meester niet breng, zal hij mij slaan, -want ik ben zijn slaaf." - -Maar de melaatsche smeekte en bad zoolang, totdat het Sterrekind -medelijden kreeg en hem het stuk wit goud gaf. - -En toen hij voor het huis van den toovenaar kwam, opende deze de deur, -leidde hem naar binnen en zeide: - -"Heb je het stuk wit goud?" - -En het Sterrekind antwoordde: - -"Ik heb het niet." - -Toen wierp de toovenaar zich op hem, sloeg hem onbarmhartig, zette -een leeg bord voor hem neer en zeide: "Eet," en ook een leegen beker -en zeide: "Drink!" en daarop duwde hij hem weer in den kerker. - -En den volgenden morgen kwam de toovenaar opnieuw tot hem en zeide: - -"Wanneer je mij heden niet het stuk geel goud thuis brengt, zal ik je -voor goed als mijn slaaf houden en je drie honderd stokslagen geven." - -En het Sterrekind ging in het bosch en heel den dag door zocht hij -naar het stuk geel goud, maar nergens kon hij het vinden. En toen -de zon ter kimme daalde zette hij zich neer en begon te schreien, -en terwijl hij zoo schreide, kwam de kleine haas, dien hij uit zijn -val bevrijd had naar hem toe geloopen. - -En de haas zeide tot hem: - -"Waarom schreit ge en wat zoek je in het woud?" - -En het Sterrekind antwoordde: - -"Ik zoek een stuk geel goud, dat hier verborgen is en wanneer ik -het niet vind, zal mijn meester mij slaan en mij als zijn slaaf bij -zich houden." - -"Volg mij," riep de haas en hij liep door het bosch, totdat hij aan een -waterplas kwam. En op den bodem van den plas lag het stuk geel goud. - -"Hoe zal ik je danken?" zeide het Sterrekind, "want zie! dit is reeds -de tweede maal, dat je mij geholpen hebt." - -"Ja, maar je hebt het eerst medelijden met mij gehad," zeide de haas -en ijlings draafde hij heen. - -En het Sterrekind nam het stuk geel goud en stak het in zijn zak en -liep haastig terug naar de stad. - -Maar de melaatsche zag hem komen, ging hem tegemoet, knielde neer en -riep: "Geef mij een stukje geld, anders moet ik van honger sterven." - -En het Sterrekind antwoordde hem: - -"Ik heb alleen een stuk geel goud in mijn zak en wanneer ik het -mijn meester niet breng, zal hij mij slaan en als zijn slaaf bij -zich houden." - -Maar de melaatsche smeekte hem zoo dringend, dat het Sterrekind -medelijden met hem kreeg en hem het stuk geel goud gaf. - -En toen hij aan het huis van den toovenaar gekomen was, opende deze -hem en liet hem binnen en zeide: - -"Heb je het stuk geel goud?" - -En het Sterrekind zeide: - -"Ik heb het niet." - -Toen wierp de toovenaar zich op hem, sloeg hem, belaadde hem met -ketenen en sloot hem weer op in den kerker. - -En den volgenden morgen kwam de toovenaar tot hem en zeide: - -"Wanneer je mij heden het stuk rood goud brengt zal ik je vrij -laten. Maar wanneer je het mij niet brengt, zal ik je doodslaan, -wees daar zeker van." - -En het Sterrekind ging naar het bosch en zocht den geheelen dag naar -het stuk rood goud, maar nergens kon hij het vinden. En toen het -avond werd zette hij zich neer en schreide en toen hij zoo schreide, -kwam de kleine haas tot hem. - -En de haas zeide: - -"Het stuk rood goud, dat je zoekt ligt in het hol achter je. Schrei -dus niet langer, maar wees blijde." - -"Hoe zal ik 't je ooit vergelden!" riep het Sterrekind, "want zie! dit -is de derde maal, dat je me geholpen hebt." - -"Ja, maar jij hadt toch 't eerst medelijden met mij," zei het haasje -en liep ijlings heen. - -En het Sterrekind ging binnen in het hol en in den verst-verwijderden -hoek vond hij het stuk rood goud. En hij stak het in zijn zak en -snelde terug naar de stad. - -En de melaatsche zag hem aankomen en zich midden op den weg plaatsende, -riep hij hem en zeide: - -"Geef mij het stuk rood goud, anders moet ik sterven." - -En het Sterrekind had wederom medelijden met hem en gaf hem het stuk -rood goud, zeggende: - -"Uw nood is grooter dan de mijne." Maar zijn hart was zwaar, want -hij wist, welk treurig lot hem wachtte. - -Maar zie! toen hij door de stadspoort kwam, bogen de schildwachten -zich voor hem en huldigden hem en zeiden: - -"Hoe schoon is onze Heer!" - -En een schare van burgers volgde hem en riep: - -"Waarlijk, in heel de wereld is niemand schooner dan hij!" - -En het Sterrekind schreide bitter en sprak tot zich zelf: - -"Zij bespotten mij en scheppen behagen in mijne ellende." - -Doch zoo groot werd de toeloop van het volk, dat hij de richting -van zijn weg verloor en zich ten laatste op een groot plein bevond, -waarop het paleis van een koning stond. - -En de poort van het paleis opende zich en de priesters en -hooggeplaatste burgers der stad schreden hem tegemoet, bogen zich -voor hem en zeiden: - -"Gij zijt onzen Heer, op wien wij gewacht hebben en de zoon van -onzen Koning." - -En het Sterrekind antwoordde hen en sprak: - -"Ik ben geenszins eens Konings zoon, maar het kind van eene arme -bedelares. En waarom zegt gijlieden, dat ik schoon ben, terwijl ik -toch weet, hoe afzichtelijk mijn gelaat is om aan te zien." - -Toen hield degene, wiens wapenrusting met gouden bloemen was ingelegd -en op wiens helm een gevleugelde leeuw lag, zijn schild hoog opgeheven -en riep: - -"Waarom zegt mijn Heer, dat hij niet schoon is?" - -En het Sterrekind keek er in, en zie! zijn gelaat was zoo als het -vroeger geweest was; zijne schoonheid was teruggekeerd en in zijne -oogen zag hij iets, dat hij er vroeger nooit in bemerkt had. - -En de priesters en hooge staatsburgers knielden neer en zeiden tot hem: - -"Sinds langen tijd is voorspeld geworden, dat degene, die over ons -heerschen moet, heden zou verschijnen. Onze heer en meester neme -daarom deze kroon en dezen schepter uit onze handen en heersche in -rechtvaardigheid en genade als Koning over ons". - -Maar hij sprak tot hen: - -"Ik ben zulks niet waardig, want ik heb de moeder, die mij droeg, -verloochend en ik mag niet rusten aleer ik haar gevonden en hare -vergiffenis ontvangen heb. Laat mij dus heengaan, want ik moet wederom -over de wereld zwerven en mag hier niet blijven, al biedt gij mij ook -kroon en schepter aan." En terwijl hij sprak, wendde hij het gelaat -van hen af en blikte naar de straat die tot de stadspoort voerde, -en zie! onder de schare, die zich om de soldaten drong, zag hij de -bedelares, die zijne moeder was en naast haar stond de melaatsche man, -die aan den weg gezeten had. - -En een vreugdekreet weerklonk van zijne lippen en hij snelde naar -haar toe, knielde neer en kuste de wonden aan zijn moeder's voeten -en bevochtigde ze met zijne tranen. - -Hij boog het hoofd in het stof, en snikte als een wiens hart breken -zal en sprak tot haar: - -"Moeder, ik verloochende u in het uur van mijn hoogmoed. Neem mij weer -tot u, in het uur van mijn ootmoed. Moeder, ik gaf u haat. Geef gij mij -liefde. Moeder, ik stootte u van mij. Neem gij nu Uw kind weer tot u." - -Maar de bedelares antwoordde hem met geen enkel woord. - -En hij strekte de handen uit en omvatte de witte voeten van den -melaatschen en sprak tot hem: - -"Driemaal betoonde ik u medelijden. Zeg mijne moeder, dat zij eenmaal -nog tot mij spreke." - -Maar de melaatsche antwoordde hem met geen enkel woord. - -En wederom snikte hij en sprak: - -"Moeder, mijn lijden is zwaarder dan ik dragen kan. Schenk mij uwe -vergiffenis en laat mij terugkeeren in het woud." - -En de bedelares legde hem de hand op het hoofd en sprak: - -"Sta op!" En ook de melaatsche legde hem de hand op het hoofd en -sprak eveneens: - -"Sta op." En hij stond op en keek ze aan en zie!.... Zij waren een -Koning en een Koningin. - -En de Koningin zeide tot hem: - -"Dit is uw vader, dien ge geholpen hebt." - -En de Koning zeide: - -"Dit is uwe moeder, wier voeten ge met uwe tranen besproeid hebt." - -En zij vielen hem om den hals en kusten hem en geleidden hem in het -paleis; zij kleedden hem in prachtige gewaden en zetten hem de kroon -op het hoofd en legden hem den schepter in de hand en hij regeerde -over de stad aan den stroom en was haar heerscher. - -Vol rechtvaardigheid en genade was hij voor allen; den slechten -toovenaar verbande hij, aan den houthakker en zijne vrouw zond hij -vele rijke geschenken en hunne kinderen bewees hij veel eer. En hij -duldde niet, dat eenig mensch wreed was voor vogels of vee, maar -leerde liefde, goedheid en erbarmen; en den armen schonk hij brood -en den naakten kleederen en er heerschte vrede en welvaart in het -gansche land. - -Maar lang regeerde hij niet, zoo bitter was zijn lijden en zoo zwaar -waren zijne beproevingen geweest; en na drie jaren stierf hij. - -Doch hij, die na hem kwam heerschte met wreede hand en strenge tucht, -en nood en jammer kwamen over het land. - - - - - - - - - -End of the Project Gutenberg EBook of Het Granaatappelhuis, by Oscar Wilde - -*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET GRANAATAPPELHUIS *** - -***** This file should be named 55485-8.txt or 55485-8.zip ***** -This and all associated files of various formats will be found in: - http://www.gutenberg.org/5/5/4/8/55485/ - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United -States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive -specific permission. If you do not charge anything for copies of this -eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook -for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports, -performances and research. They may be modified and printed and given -away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks -not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the -trademark license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country outside the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you'll have to check the laws of the country where you - are located before using this ebook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm web site -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The -Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm -trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - - - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the -mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its -volunteers and employees are scattered throughout numerous -locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt -Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to -date contact information can be found at the Foundation's web site and -official page at www.gutenberg.org/contact - -For additional contact information: - - Dr. Gregory B. Newby - Chief Executive and Director - gbnewby@pglaf.org - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide -spread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works. - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our Web site which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. - |
