summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/55485-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/55485-8.txt')
-rw-r--r--old/55485-8.txt4451
1 files changed, 0 insertions, 4451 deletions
diff --git a/old/55485-8.txt b/old/55485-8.txt
deleted file mode 100644
index 2674f63..0000000
--- a/old/55485-8.txt
+++ /dev/null
@@ -1,4451 +0,0 @@
-The Project Gutenberg EBook of Het Granaatappelhuis, by Oscar Wilde
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
-other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of
-the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have
-to check the laws of the country where you are located before using this ebook.
-
-Title: Het Granaatappelhuis
-
-Author: Oscar Wilde
-
-Illustrator: Johanna Berhardina Midderigh-Bokhorst
-
-Translator: Liane van Oosterzee
-
-Release Date: September 4, 2017 [EBook #55485]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: ISO-8859-1
-
-*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET GRANAATAPPELHUIS ***
-
-
-
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg
-
-
-
-
-
-
-
-
-
- WERELD BIBLIOTHEEK
-
- ONDER LEIDING VAN L. SIMONS
-
-
- OSCAR WILDE
-
- HET GRANAATAPPELHUIS
-
-
- VERTAALD DOOR
- LIANE VAN OOSTERZEE
-
- MET VERSIERINGEN VAN
- J. EN B. MIDDERIGH-BOKHORST
-
-
- UITGEGEVEN DOOR DE
- MAATSCHAPPIJ VOOR
- GOEDE EN GOEDKOOPE
- LECTUUR--AMSTERDAM
-
-
-
-
-
-
-
-
-INHOUD.
-
-
- De jonge Koning 7
- De Verjaardag der Infante 33
- De Visscher en zijn Ziel 71
- Het Sterrekind 137
-
-
-
-
-
-
-
-
-I.
-
-DE JONGE KONING.
-
-
-Het was de nacht vóór zijn kroningsdag, en de jonge koning zat alleen
-in zijn mooie kamer. Zijne hovelingen waren allen heengegaan onder
-hoffelijk nijgen van het hoofd tot aan den grond--naar het vormelijk
-gebruik dier tijden--en hadden zich in de groote zaal van het
-paleis begeven, om van den opperceremoniemeester nog eenige laatste
-aanwijzingen te ontvangen; want er waren er onder hen die nog zeer
-natuurlijke manieren hadden, en ik behoef wel niet te verzekeren,
-dat zoo iets aan een hof steeds groote ergernis wekt.
-
-De knaap--want hij was met zijne zestien jaren nog slechts een
-knaap--was niet verdrietig dat zij heengingen, en had zich, met een
-diepe zucht van verlichting, op de zachte kussens van zijn geborduurd
-rustbed neergeworpen; daar lag hij met vlammende oogen en geopende
-lippen, gelijk een bruine faun uit het woud, of als een jong dier
-uit de wildernis, dat door jagers gevangen werd. En inderdaad was ook
-hij door jagers gevangen geworden. Bijna door toeval hadden zij hem
-ontdekt, toen hij blootsvoets, met een fluit in de hand, de kudde
-van den armen geitenhoeder voortdreef, die hem had opgevoed en als
-wiens zoon hij zich tot dusverre ook had beschouwd. Als het kind van
-'s ouden konings eenige dochter, geboren uit den heimelijken echt
-met een, die aan rang verre beneden haar stond,--een vreemdeling was
-hij geweest, zeiden sommigen, die door de wonderzoete bekoring van
-zijn fluitspel de jonge prinses betooverd en tot liefde bewogen had,
-terwijl anderen spraken van een kunstenaar uit Rimini, wien de Prinses
-veel, wellicht te veel eer had aangedaan, en die plotseling uit de
-stad verdwenen was, zonder zijn werk in de kathedraal voleindigd
-te hebben--was hij, nauwelijks een week oud, uit de armen van zijn
-sluimerende moeder geroofd, en aan een eenvoudigen boer en diens vrouw
-toevertrouwd, die geen eigen kinderen hadden en in een afgelegen
-deel van het woud woonden, meer dan een dagreize ver van de stad
-verwijderd. Het verdriet, of de pest, gelijk de hofarts verzekerde,
-of wel, zooals andere meenden, een snel werkend italiaansch gif,
-in een beker gekruiden wijn gereikt, doodde reeds een uur na haar
-ontwaken de bleeke jonge vrouw die hem gebaard had; en toen de trouwe
-knecht, die het kind vóór zich op het zadel gedragen had, van zijn
-vermoeid paard afsteeg en aan de deur van de herdershut klopte,
-toen liet men juist het lijk der Prinses neerdalen in een graf,
-dat men, ver buiten de poorten van de stad, op een verlaten kerkhof
-voor haar gedolven had--een graf, waarin, zooals men zei, reeds een
-andere doode lag, een jonge man van wondere en vreemde schoonheid,
-wiens handen met vastgestrikte snoeren op den rug gebonden waren,
-en wiens borst veel roode wonden aanwees.
-
-Zoo luidde althans het verhaal, dat men elkander toefluisterde.
-
-En toen gebeurde het, dat de koning op zijn sterfbed, door berouw
-over zijn groote zonde misschien gekweld, misschien ook door den
-wensch, dat het koningschap in zijn geslacht verblijven zoude, den
-knaap liet halen, en hem, in tegenwoordigheid van den Hoogen Raad,
-als zijn erfgenaam erkende.
-
-En het schijnt wel, dat hij, van het eerste oogenblik zijner erkenning
-af, blijken gaf van den zonderlingen schoonheidsdorst, die van zoo
-grooten invloed worden zou op heel zijn volgend leven. Zij, die hem
-begeleidden door de vlucht van zalen, die voor hem bestemd waren,
-verhaalden menigmaal van de vreugdekreten die van zijn lippen juichten,
-toen hij de fijngeweven stoffen en fonkelende juweelen aanschouwde
-die men voor hem gereed gelegd had, en van den bijna wilden jubel,
-waarmede hij zijn ruw lederen wambuis en de ruige schapenvacht die
-hem tot mantel diende van zich geworpen had. Zeker, nu en dan, miste
-hij wel de blijde vrijheid van zijn leven in het woud, en vaak genoeg
-moest hij zich ergeren over de ondragelijke ceremoniën aan het hof,
-maar het prachtige paleis--Joyeuse was het geheeten--waarover hij nu
-te beschikken had, scheen hem een nieuwe wereld toe, alleenlijk voor
-zijn lust geschapen; en zoodra hij Raadsvergadering of Audientiezaal
-ontvluchten kon, snelde hij de groote trap omlaag, waar leeuwen stonden
-uit verguld en brons en welker treden waren van glanzend rood porphier,
-en dwaalde van de eene kamer naar de andere, van de eene naar de andere
-gang, als een, die in de schoonheid zocht een balsem voor het leed,
-genezing schier, na doffe kwelling. Op deze ontdekkingstochten, zooals
-hij ze te noemen placht--en inderdaad waren ze voor hem ook werkelijke
-reizen door een land van wonderen--liet hij zich dikwijls begeleiden
-door de slanke, blondgelokte hofpagen met hunne uitwaaierende mantels
-en vroolijk wapperende linten; maar liever nog bleef hij alleen, want
-hij besefte ras, met instinctmatig begrijpen, dat de geheimen van de
-kunst het best aanvaard worden in éénzaamheid, en dat de Schoonheid,
-evenals de Wijsheid, den stilpeinzenden vereerder liefheeft. Menig
-zonderling verhaal vertelde men elkaar van hem in dezen tijd. Zoo
-heette het, dat een welgedaan heer Burgemeester, die gekomen was om
-eene gloeiende, welsprekende begroetingsrede uit naam der stadsbewoners
-tot hem te richten, hem aangetroffen had, toen hij in innige aanbidding
-geknield lag voor een groot schilderij, dat juist was aangekomen uit
-Venetië, en dat den triomf der nieuwe goden scheen voor te stellen.
-
-Bij een andere gelegenheid, had men hem uren lang gemist, en
-na veel zoeken eindelijk weer gevonden in een kleine, in een der
-noordelijke torentjes gelegen kamer, waar hij, als een die in extase
-ligt verzonken, op een grieksche gemme staarde waarin de gestalte
-van Adonis was gesneden. Men had gezien, zoo luidde verder de mare,
-hoe hij zijn warme lippen hield gedrukt op 't kille voorhoofd van een
-antiek marmeren beeld, dat men bij 't bouwen van een steenen brug,
-in het zandbed van den stroom gevonden had en dat als inschrift droeg
-den naam van den Bithynschen slaaf Hadriaan.
-
-En een ganschen nacht had hij doorwaakt onder 't bespieden van
-maanlichtgetoover op een zilveren beeldje van Endymion.
-
-Alle zeldzame en kostbare weefsels oefenden blijkbaar eene groote
-bekoring op hem uit, en in het onweerstaanbare verlangen deze stoffen
-te bezitten, had hij vele kooplieden uitgezonden; deze naar het
-ruwe visschersvolk aan noordsche zeekust, om van hen het barnsteen
-te verkrijgen, gene naar Egypte, om er de vreemde groenlichtende
-turkooizen te zoeken, die slechts in de graven der Koningen te vinden
-zijn en die magische kracht heeten te bezitten; andere nog naar
-Perzië, voor glanzend zijdene tapijten en beschilderd aardewerk,
-en weer anderen wees hij Indië aan, om er luchtig-gazen weefsels
-te koopen en bleek ivoor en maansteenen en armbanden uit nephriet;
-sandelhout en blauw emaille en shawls van fijne wol.
-
-Maar wat het meest zijne gedachten bezig hield, dat was het gewaad,
-dat hij bij zijne kroning zou dragen, het gewaad uit gesponnen
-goud, en de kroon van fonkelende robijnen, en de schepter bezet met
-rijen en ringen van paarlen. Ja, daaraan dacht hij ook dezen avond,
-toen hij op het kostbaar rustbed uitgestrekt lag en naar het groote
-blok dennenhout staarde, dat in open schouw door het vuur verteerd
-werd. De teekeningen van de hand der meest beroemde meesters uit dien
-tijd waren hem reeds maanden geleden voorgelegd geworden, en hij had
-bevel gegeven, dat men dag en nacht zou arbeiden om ze ten uitvoer te
-brengen, en dat men de geheele wereld zou doorzoeken om juweelen te
-vinden, die waardig zouden zijn voor dezen arbeid. En in gedachten
-zag hij zich reeds staan voor het hoogaltaar in de kathedraal,
-gehuld in het kostbaar pronkgewaad,--en een lachje speelde om zijne
-jongenslippen en dat lachje bleef bestendig en ontvlamde in zijne
-donkere woudoogen een stralenden glans.
-
-Na korte wijle stond hij op, bleef geleund staan tegen den uitgesneden
-mantel van den schouw en blikte om zich heen, in het matbeschenen
-vertrek. De wanden waren behangen met prachtige gobelins, die den
-Triomf der Schoonheid voorstelden. Een groot schrijn, versierd met
-inlegsels van achaat en lapislazuli, stond in een hoek van het vertrek,
-en tegenover het venster bevond zich een kast van vreemden vorm, met
-laden die vakken vormden van lak en goudvernis en guldene mozaïken;
-en op die kast stonden teere bekers uit Venetiaansch glas en een
-drinkschaal van donkergeaderd onyx. Bleek getinte papaverbloemen,
-aan den slaap ontglipt, waren door kunstige naald op het overkleed
-van het bed gespreid, en hooge uitgesneden staven van ivoor droegen
-den fluweelen baldakijn, uit welks hemel groote struisvederbossen,
-gelijk kroezelig wit schuim, omhoog sprongen tot de met bleekdof
-zilveren kassetten versierde zoldering. Een lachende Narkissus uit
-groenig brons hield een glanzenden spiegel boven het hoofd. Op de
-tafel stond een lage amethisten schaal.
-
-Van uit het venster kon hij den geweldigen koepel van de kathedraal
-aanschouwen, die wel een zeepbel geleek, lichtend boven de in schaduw
-gedompelde huizen; en hij zag ook de schildwachten, die, op het in
-nevel gehulde terras aan het water, met vermoeiden tred heen en weer
-liepen. Verweg, in een tuin, zong een nachtegaal. Een lichte geur
-van jasmijn zweefde binnen door het geopende venster. Hij streek
-de bruine lokken van het voorhoofd weg, nam een luit, en liet de
-vingers over de snaren glijden. Zijne moede oogleden sloten zich
-en een wonderlijke loomheid kwam over hem. Nimmer had hij met zoo
-duidelijke gewaarwording, of met zoo voelbaar opjubelende vreugde,
-de betoovering ondervonden--de zoet-geheime--van het schoone.
-
-Toen de torenklok middernacht sloeg, drukte hij even op een
-schel. Zijne pagen traden binnen en ontkleedden hem met velerlei
-ceremoniën, goten rozenwater op zijne handen en strooiden bloemen op
-zijn kussen. En dra nadat zij hem verlaten hadden, sluimerde hij in.
-
-
-
-En toen hij sliep, droomde hij eenen droom, en deze was zijn droom:
-
-Het was hem, als stond hij in een lange lage dakkamer, en om hem
-heen was het snorrend en ratelend geluid van vele weefgetouwen. Het
-fletse daglicht drong flauwtjes door de getraliede vensters
-en toonde hem de magere gestalten van de wevers die over hunne
-weeframen gebogen zaten. Bleeke ziekelijke kinderen hurkten op de
-breede dwarsbalken. Wanneer de weefspoelen door den inslag gingen
-trokken zij het zware stelhout naar boven; en stonden de spoelen
-stil, dan lieten zij de wig weer neervallen en schoven de draden
-bij elkaar. Hunne gezichten waren ingevallen van den honger en hunne
-smalle handen trilden van zwakte. Enkele uitgemergelde vrouwen zaten
-aan een tafel te naaien. Een ontzettende stank vervulde de ruimte. De
-lucht was er zwaar en verpest, en de wanden dropen van de vocht.
-
-De jonge koning ging tot een der wevers, trad dicht naast hem en zag
-toe hoe hij werkte.
-
-Knorrig keek de wever tot hem op en zei:
-
---"Wat ziet ge me op de handen? Zijt gij een bespieder, die door
-onzen heer naar ons toe werd gezonden?"
-
---"Wie is uw heer?" vroeg de jonge Koning.
-
---"Onze heer!" riep de wever bitter. "Hij is een mensch als ik. Een
-onderscheid is er maar tusschen ons--hij draagt mooie kleeren en
-ik ga in lompen; en ik ben zwak van honger, terwijl hij lijdt aan
-oververzadiging."
-
---"Het land is vrij," sprak weer de jonge Koning, "en gij zijt
-niemands slaaf."
-
---"In den oorlog," antwoordde de wever, "maken de sterken de zwakken
-tot slaven, en in vredestijd maken de rijken de armen tot slaven. Wij
-moeten werken om te leven, en zij geven ons zoo smadelijk loon dat
-wij sterven. Voor hen werken wij den ganschen dag en zij stapelen
-het goud in hunne kisten; maar onze kinderen verwelken vóór hun tijd
-en de aangezichten van hen, die wij liefhebben, worden vroeg hard
-en bitter. Wij persen de druiven, en een ander drinkt den wijn. Wij
-zaaien het koren en onze eigen schuur blijft leeg. Wij dragen ketens,
-al ziet ze ook niemand, en wij zijn slaven, ook al noemen de menschen
-ons vrij."
-
---"Is dat werkelijk zoo?" vroeg hij.
-
---"Dat is werkelijk zoo," antwoordde de wever, "bij de jongen zoowel
-als bij de ouden, bij de vrouwen zoowel als bij de mannen, bij de
-kleine kinderen zoowel als bij hen die door de jaren terneer gebogen
-werden. De kooplieden trappen op ons, en wij moeten doen wat zij van
-ons verlangen. De priester rijdt voorbij en telt zijne kralen, en geen
-mensch bekommert zich om ons. Door onze zonnelooze krotten sluipt de
-armoede met hongerige oogen rond, en de zonde, met haar walgelijk
-gezicht, volgt haar op de hielen. De ellende wekt ons des morgens
-en des nachts waakt de schande aan onze legerstede. Maar wat deert
-u dat alles? Gij zijt niet een der onzen. Uw gezicht is te gelukkig."
-
-En morrend keerde hij zich om en wierp de spoel in 't weefgetouw;
-en de jonge Koning zag hoe die met een gouden draad omsponnen was. En
-een groote angst kwam over hem, en hij vroeg den wever:
-
---"Wat is dat voor een gewaad, dat gij daar weeft?"
-
---"Het is het kroningsgewaad voor den jongen Koning" antwoordde de
-wever; "maar wat gaat u dat aan?"
-
-En de jonge Koning stiet een schrillen kreet uit en ontwaakte; en
-zie! hij was in zijn eigen kamer, en door het venster zag hij de
-groote honingkleurige maan, die zweefde door nevelige luchten.
-
-
-
-En hij sliep wederom in en droomde en deze was zijn droom:
-
-Het was hem, als lag hij op het dek van een groote galei, die door
-honderd slaven geroeid werd. Op een tapijt aan zijne zijde zat de
-eigenaar der galei. Hij was zwart als ebbenhout en zijn tulband was
-van roode zijde. Groote zilveren sieraden hingen zwaar neer aan de
-dikke oorlappen, en in de handen hield hij twee ivoren weegschalen. De
-slaven waren, op een havelooze lendenschort na, geheel naakt, en elk
-hunner was aan zijn buurman vastgeketend. De brandende zonnegloed
-viel strak op hen neer en in draf liepen de negers langs hen heen en
-sloegen hen met zweepen van leder. Zij strekten hunne magere armen
-uit en trokken de zware roeispanen door het water. Het zilten schuim
-spatte hoog op aan den boeg.
-
-Eindelijk bereikten zij een kleine bocht en wierpen het dieplood
-uit. Een speelsche wind woei van de kust en strooide fijn rood stof
-op dek en zeilen. Drie Arabieren kwamen op wilde ezels aangereden
-en wierpen met hunne speeren naar hen. De heer der galei nam een
-beschilderden boog ter hand, en schoot een der mannen in de keel;
-met zwaren plof viel hij in de branding en zijne metgezellen vloden
-heen. Een vrouw, in gele sluieren gehuld, volgde langzaam op een
-kameel, en van tijd tot tijd keerde zij zich om en wierp een blik
-naar het doode lichaam.
-
-Zoodra zij het anker uitgeworpen hadden, en het zeil binnengehaald,
-daalden de negers naar beneden in het ruim, en keerden terug met een
-lange touwladder, die zwaar behangen was met looden gewichten. De
-eigenaar der galei bevestigde de einden aan twee ijzeren haken en
-wierp haar toen overboord. Daarop grepen de negers den jongsten van
-de slaven, rukten hem de ketens van het lijf, vulden zijne neus en
-oorgaten met was en bonden hem een zwaren steen om de heupen. Moede
-steeg hij de sporten naar omlaag en snel verzonk hij in de diepte. Daar
-waar hij verdwenen was, borrelde het water nog even op. Van de overige
-slaven keken er enkele nieuwsgierig over de verschansing. Vóór,
-aan den boegspriet der galei, zat een haaienbezweerder, en sloeg
-met eentonig geluid op zijn trommel. Na een poos, steeg de duiker
-omhoog uit het water en klemde zich hijgend aan de ladder vast. In
-de rechter hand hield hij een parel. De negers ontrukten hem die en
-stietten hem terug. De slaven vielen bij hunne roeispanen in slaap.
-
-En telkens opnieuw steeg de duiker uit het water omhoog, en telkenmale
-bracht hij een wonderschoone parel mede. Die woog dan de heer der
-galei en stak haar daarna in een kleinen zak van groen leder.
-
-De jonge Koning beproefde te spreken, maar het was hem, als kleefde
-zijn tong aan het verhemelte, en als gehoorzaamde zijne lippen hem
-niet. De negers kakelden onderling en begonnen te twisten om een
-snoer bonte kralen. Twee kraanvogels zweefden in cirkelvormige vlucht
-bestendig om het schip henen.
-
-Toen steeg ten laatsten maal de duiker omhoog, en de parel, die hij
-meebracht was heerlijker dan al de paarlen van den Ormuzd, want zij
-was in haren vorm den vollen maan gelijk en glanzender scheen zij
-dan de morgenster. Maar het aangezicht van den duiker was van vreemde
-bleekheid, en toen hij op het dek viel, stuwde het bloed hem uit neus
-en ooren.
-
-Een wijle dan stuiptrekte hij nog, toen werd hij stil. De negers
-haalden de schouders op en wierpen het lichaam over boord.
-
-En de heer van de galei lachte; en hij strekte den arm uit, en nam
-de parel, en toen hij haar in de hand hield, drukte hij haar aan zijn
-voorhoofd en boog het hoofd.
-
---"Zij zal," sprak hij, "voor den schepter van den jongen Koning
-dienen;" en aan de negers gaf hij een teeken om het anker te lichten.
-
-En toen de jonge Koning dit hoorde, stiet hij een luiden schreeuw uit
-en ontwaakte, en uit het venster blikkende, zag hij, hoe de schemering
-hare lange grauwe vingeren uitstrekte naar de verbleekende starren.
-
-
-
-En hij sliep wederom in en droomde, en deze was zijn droom:
-
-Het was hem te moede als zwierf hij door een donker woud, waarin
-zeldzame vruchten groeiden en prachtige giftige bloemen. Adders sisten
-hem tegen toen hij voorbij schreed en bontkleurige papegaaien vlogen
-krijschend van tak tot tak. Reusachtige schildpadden lagen te slapen
-op het heete slijk. En de boomen waren vol apen en pauwen.
-
-Hij liep steeds verder en verder, tot hij aan den rand kwam van het
-bosch; en daar ontwaarde hij eene ontzaglijke menigte van menschen,
-die in de opgedroogde bedding eener rivier aan den arbeid waren. Zij
-kropen als mieren op de rotsblokken rond. Zij groeven diepe kuilen
-in den bodem en daalden dan naar omlaag. Eenige van hen spleten de
-rotsen met groote houweelen; andere woelden in het zand. De cactusplant
-trokken zij met hare wortels uit den grond en de scharlaken bloemkelken
-vertraden zij onder hunne voeten. Zij liepen rusteloos heen en weer,
-en schreeuwden elkaar toe en niemand die ledig zat.
-
-Uit de donkerte eener spelonk bespiedden hen de Dood en de Hebzucht,
-en de Dood zei:
-
---"Ik ben moe, geef mij het derde deel van hen en laat mij gaan."
-
-Maar de Hebzucht schudde het hoofd.
-
---"Zij zijn mijne dienstknechten," antwoordde zij.
-
-En de Dood sprak tot haar:
-
---"Wat houdt gij daar in uwe hand?"
-
---"Drie graankorrelen," antwoordde zij, "wat gaat u dat aan?"
-
---"Geef mij er ééne van!" zeide de Dood, "opdat ik die plante in mijn
-tuin; slechts ééne en ik zal gaan."
-
---"Niets wil ik U geven," zei de Hebzucht, en zij verborg haar hand
-in een vouw van haar kleed.
-
-En de Dood lachte, nam een schaal, en doopte die in een waterpoel, en
-uit de schaal steeg de anderdaagsche Koorts. Die schreed door de groote
-menschenmenigte en het derde deel van hen lag dood. Een koude nevel
-gleed achter haar aan en waterslangen schuifelden aan weerszijden.
-
-En toen de Hebzucht zag, dat het derde deel der menschen dood ternêer
-lag, sloeg zij zich op de borst en weende. Zij sloeg zich op de
-onvruchtbare borst en weende luid.
-
---"Gij hebt het derde deel mijner dienstknechten vermoord," riep zij,
-"ga nu heen! In de bergen van het Tartarenland heerscht krijg en de
-Koningen van beide legers roepen om u. De Afghaners hebben den zwarten
-stier gedood en trekken naar het oorlogsveld. Zij hebben met hunne
-speeren op hunne schilden geslagen en de hoofden bedekt met hunne
-ijzeren helmen. Wat kan mijn dal u zijn, dat gij daarin vertoeven
-zoudt? Ga heen van hier en keer nimmer meer terug."
-
---"Zeker," antwoordde de Dood, "maar niet aleer gij mij ééne van de
-graankorrelen gegeven hebt ga ik heen van hier."
-
-Doch de Hebzucht schudde het hoofd.
-
---"Niets wil ik u geven," murmelde zij. En de Dood lachte, en nam
-een zwarten steen op, en wierp dien in het woud, en uit een wildernis
-van dolle kervel verrees de Moeraskoorts in een kleed van vlammen. En
-die ging door de menigte en raakte de menschen aan, en ieder die werd
-aangeraakt, stierf.
-
-En waar zij ging, daar verdorde het gras onder hare voeten.
-
-En de Hebzucht huiverde en strooide asch op haar hoofd.
-
---"Gij zijt wreed," riep zij, "gij zijt wreed. In de ommuurde steden
-van Indië heerscht hongersnood en in Samarkand zijn de bronnen
-verdroogd. In de ommuurde steden van Egypte heerscht hongersnood en
-uit de woestijn zijn in zwermen de sprinkhanen gekomen. De Nijl is
-niet buiten zijne oevers getreden, en de priesters hebben Isis en
-Osiris vervloekt. Ga henen tot hen die u noodig hebben, en laat mij
-mijne dienstknechten behouden."
-
---"Zeker," antwoordde de Dood, "maar niet aleer gij mij ééne van de
-graankorrels gegeven hebt, ga ik heen van hier."
-
---"Niets wil ik u geven," sprak de Hebzucht.
-
-En wederom lachte de dood en floot tusschen zijn vingers en een vrouw
-kwam door de lucht gevlogen. PEST stond op haar voorhoofd geschreven en
-een schare van uitgehongerde gieren klapwiekten om haar heen. Met beî
-haar vleugelen overdekte zij het dal en niet één die in leven bleef.
-
-En de Hebzucht vluchtte weeklagend door het woud en de Dood sprong op
-zijn bloedrood ros en reed henen, en zijn ros reed sneller dan de wind.
-
-En uit het slijk op den bodem van het dal, kropen draken te voorschijn,
-en ander afzichtelijk, met schubben bedekt gedierte; en jakhalzen
-kwamen langs het zand geloopen en snoven met wellust de verpestende
-lucht in hunne neusgaten op.
-
-En de jonge Koning weende en vraagde:
-
---"Wie waren deze mannen en wat zochten zij?"
-
---"Robijnen voor eens Koning's kroon," antwoordde hem een, die achter
-hem stond. En de jonge Koning schrikte hevig en keerde zich om, en
-werd een man gewaar, die gekleed was als een pelgrim, en een zilveren
-spiegel in de hand droeg.
-
-Hij verbleekte en vroeg:
-
---"Voor welken Koning?"
-
-En de pelgrim antwoordde en sprak:
-
---"Zie in dezen spiegel en gij zult hem aanschouwen."
-
-En hij zag in den spiegel, en toen hij zijn eigen beeltenis
-aanschouwde, stiet hij een luiden kreet uit en ontwaakte, en het
-gouden zonlicht stroomde binnen in de kamer en in de boomen van den
-tuin fladderden de vogels en zongen.
-
-
-
-En de kanselier en de hooge beambten van den Staat traden het vertrek
-binnen en huldigden hem, en de pagen brachten hem het gewaad uit
-gesponnen goud, en legden de kroon en den schepter voor hem neder. En
-de jonge Koning aanschouwde ze beide en zij waren heerlijk om aan
-te zien. Zij waren heerlijker nog dan iets, wat hij ooit te voren
-aanschouwd had. Maar hij dacht aan zijne droomen en sprak tot de
-Grooten des Rijks: "Neemt deze dingen weg, want ik wil ze niet dragen."
-
-En de hovelingen ontzetten zich en eenige onder hen begonnen te lachen,
-want zij meenden, dat hij schertste. Maar nog eenmaal richtte hij
-streng het woord tot hen en zeide:
-
---"Neemt deze dingen weg en verbergt ze voor mijn oogen. Al is het
-ook heden mijn kroningsdag, ik wil ze geenszins dragen. Want op het
-weefgetouw van de Zorg en door de bleeke handen van het Leed werd
-dit mijn gewaad geweven. Bloed is in het hart van den robijn en in
-het hart van de parel rust de Dood."
-
-En hij vertelde hen van zijn drie droomen.
-
-En toen de hovelingen die aangehoord hadden, keken zij elkander aan
-en fluisterden:
-
---"Geen twijfel of hij is waanzinnig geworden; want blijft niet een
-droom een droom en is een visioen iets anders dan een visioen? Zij
-zijn niet iets wezenlijks, waarover men zich te bekommeren heeft. En
-wat deert ons het leven van hen, die voor ons werken? Zal een mensch
-geen brood meer eten, aleer hij den zaaier gezien heeft, en geen wijn
-meer drinken alvorens hij met den wijnlezer gesproken heeft?"
-
-En de kanselier sprak tot den jongen Koning en zeide:
-
---"Mijn gebieder, ik smeek u, laat deze sombere gedachten varen,
-omkleed u met dit schoone gewaad en zet de kroon op uw hoofd. Want
-hoe zal het volk weten, dat gij Koning zijt, wanneer gij niet het
-kleed eens Konings draagt?"
-
-En de jonge Koning zag hem aan.
-
---"Is dit werkelijk zoo?" vraagde hij; "zullen zij mij niet als hun
-Koning kennen, omdat ik niet het kleed eens Konings draag?"
-
---"Zij zullen u niet als zoodanig erkennen, mijn gebieder," sprak
-de kanselier.
-
---"Ik meende, dat er mannen geleefd hebben, die koninklijk waren
-van natuur," antwoordde hij, "maar het kan zijn, dat gij waarheid
-spreekt. En toch wil ik dit kleed niet dragen, noch wil ik mij met
-deze kroon laten kronen; maar zooals ik binnenkwam in het paleis,
-zoo wil ik het weder verlaten."
-
-En hij liet hen allen heengaan, op een page na, een knaap, die een
-jaar jonger was dan hij. Dien behield hij bij zich ter zijner dienste;
-en toen hij zich in helder water had gebaad, opende hij een groote,
-zeer oude uitgesneden kist, en nam daaruit het rood lederen wambuis en
-den groven mantel van schapenvacht, dien hij gedragen had toen hij in
-het heuvelland de ruigharige geiten van den herder had gehoed. Dien
-trok hij aan, en in de hand nam hij zijn knoestigen herdersstaf. De
-kleine page sperde de groote blauwe oogen wijd open van verbazing en
-zeide lachend:
-
---"Mijn gebieder, ik zie wel uw kleed en wel uw schepter, maar waar
-is uw kroon?"
-
-En de Koning plukte een tak van een wilden struik, die over het balkon
-rankte, boog hem rond tot een krans, en drukte dien op 't hoofd.
-
---"Dit zal mijn kroon zijn," antwoordde hij.
-
-En aldus getooid, ging hij uit zijn kamer naar de groote zaal, waar
-de Edelen op hem wachtten.
-
-En de Edelen lachten luidkeels en eenige riepen hem toe:
-
---"Mijn gebieder, het volk wacht op zijn Koning en gij laat het een
-bedelaar aanschouwen;" en andere werden toornig en spraken:
-
---"Hij brengt schande over onzen Staat, en hij is niet waardig onze
-Heer te zijn."
-
-Maar hij antwoordde niet met een enkel woord, ging heen, en schreed
-de glanzende trap van porphyr omlaag en naar buiten, door den bronzen
-poort, en hij steeg op zijn ros en reed naar de kathedraal, terwijl
-de kleine page naast hem bleef voortloopen. En het volk lachte en riep:
-
---"Daar rijdt des Konings nar voorbij," en zij beschimpten hem.
-
-En hij trok aan den teugel en zeide:
-
---"Neen, want ik ben de Koning." En hij verhaalde hen zijne drie
-droomen.
-
-En een man trad uit de menigte naar voren en sprak vol bitterheid
-tot hem, en zeide:
-
---"Heer, weet gij niet dat het leven van den armen zich voedt met de
-weelde van den rijkaard? Uwe pronk schenkt ons verzadiging, en uwe
-ontucht verschaft ons brood. Voor een gestreng heer te werken is hard,
-maar harder nog is het, geen heer te hebben voor wien men werken
-kan. Meent gij, dat de raven ons voedsel zullen brengen? En welk
-heelmiddel hebt gij voor deze dingen? Wilt gij den kooper zeggen:
-gij moet voor zoo-veel koopen en den koopman: gij moet voor dezen
-prijs verkoopen? Ik geloof van neen. Dus keer terug naar uw paleis,
-omkleed U met uw purperen mantel en met uw fijngeweven linnen. Wat
-bekommert gij u om ons, en om datgene wat wij dragen moeten?"
-
---"Zijn niet de rijken en de armen broeders?" vroeg de jonge Koning.
-
---"Zoo is het," antwoordde de man, "en de naam van den rijken broeder
-luidt Kaïn."
-
-En de oogen van den jongen Koning vulden zich met tranen, en hij
-reed verder onder het gemor van het volk, en groote angst beving den
-kleinen page, en hij vlood heen van hem.
-
-
-
-En toen hij het portaal van de kathedraal bereikt had, versperden de
-soldaten met hunne hellebaarden hem den weg en zeiden:
-
---"Wat hebt gij hier te zoeken? Door deze deur mag niemand binnentreden
-dan alleen de Koning."
-
-En zijn aangezicht werd rood van toorn en hij sprak tot hen:
-
---"Ik ben de Koning," en hij stiet de hellebaarden op zijde en
-trad binnen.
-
-En toen de oude Bisschop hem in zijn herderskleed zag naderen, stond
-hij verwonderd op van zijn troonzetel en sprak:
-
---"Mijn zoon, is dat het kleed van een Koning? En met welke kroon zal
-ik u kronen, en welken schepter zal ik in uw handen leggen? Waarlijk,
-deze dag was bestemd om u vreugde te brengen en niet vernedering."
-
---"Zou Vreugde kunnen dragen wat Zorg heeft voortgebracht?" vroeg de
-jonge Koning. En hij verhaalde hem zijne drie droomen.
-
-En toen de Bisschop die gehoord had, rimpelde zich zijn voorhoofd en
-hij sprak.
-
---"Mijn zoon, zie, ik ben een oud man, en ik sta in den winter van
-mijn leven, en ik weet, dat er vele slechte dingen gebeuren in de
-wereld. De wilde roovers dalen neer van de bergen en slepen de kleine
-kinderen mede en verkoopen ze aan de Mooren. De leeuwen liggen roerloos
-en bespieden de karawanen en werpen zich op de kameelen. Het wilde
-everzwijn wroet in het koren van het dal en de vossen knagen aan de
-wijnstokken op de heuvels. De zeeroovers verwoesten de kusten der zee
-en verbranden de schepen der visschers en nemen hunne netten weg. In
-de zoutmoerassen leven de melaatschen en zij wonen in woningen van
-gevlochten riet, en niemand mag nader tot hen komen. De bedelaars
-trekken door de steden en deelen het brood met de honden. Kunt gij
-dat al verhinderen, dat het niet zoo zij? Wilt gij den melaatschen
-tot uw slaapgenoot maken, en den bedelaar aan uw tafel nooden? Moet
-de leeuw doen wat gij hem beveelt te doen, en moet het everzwijn u
-gehoorzamen? Is niet Hij, die de ellende schiep, wijzer dan gij? Daarom
-prijs ik u niet om wat gij gedaan hebt, veeleer gelast ik u naar het
-paleis terug te keeren, de zorgen van uw gelaat te bannen, en het
-gewaad aan te leggen, dat eenen Koning betaamt; en met de gouden kroon
-wil ik u kronen, en den paarlen schepter in de hand u geven. En denk
-niet meer aan uwe droomen. De last van deze aarde is voor één mensch
-te zwaar om te dragen en het leed dezer aarde te zwaar voor één hart
-om te dulden.
-
---"Spreekt gij alzoo in dit huis?" sprak de jonge Koning en hij
-schreed den Bisschop voorbij en besteeg de treden van het altaar en
-stond voor het beeld van Christus.
-
-Voor het beeld van Christus stond hij, en aan zijn rechter en aan
-zijn linkerzijde bevonden zich de heerlijk-schoone gouden schalen,
-de kelk met den goudkleurigen wijn, en de fiool met de heilige
-olie. Hij knielde neder voor het beeld van Christus, en de groote
-kaarsen brandden helder naast het van juweelen fonkelend schrijn,
-en de geurige wierook cirkelde in doorzichtige blauwe wolkjes door
-het koepelruim.
-
-Hij boog het hoofd als tot gebed, en de priesters in hunne
-stijfuitstaande koorgewaden slopen weg van het altaar.
-
-
-
-En plotseling hoorde men van buiten, van de straat, een wild rumoer, en
-de Edelen drongen naar binnen met getrokken zwaarden en wild-golvende
-vederbossen en schilden van blank metaal.
-
---"Waar is die droomen--droomer?" riepen zij. "Waar is de Koning die
-gekleed is gelijk een bedelaar?--de knaap, die schande brengt over
-onzen Staat? Waarlijk, beter is het, indien onze hand hem neervelt,
-want hij is onwaardig over ons te heerschen."
-
-En de jonge Koning boog wederom het hoofd en bad, en toen hij zijn
-gebed geëindigd had, stond hij op en keerde zich tot hen, en zijn
-oogen waren vol van droefenis.
-
-En zie! door de geschilderde ramen brak het zonnelicht in stroomen;
-en de stralen van de zon weefden om hem heen een gewaad, dat
-verrukkelijker was te aanschouwen dan het kleed, dat men gemaakt had
-ter zijner eere. De doode staf begon te bloeien en haar ontsproten
-leliën, die blanker nog waren dan paarlen. De verdroogde hagedoorn
-ontlook en droeg rozen, die rooder waren dan robijnen. Blanker dan
-reine paarlen waren de leliën en hare stengels waren van glinsterend
-zilver. Rooder dan robijnen waren de rozen en hare bladeren waren
-van gedreven goud. Hij stond daar in het gewaad eens Konings, en de
-deuren van het met juweelen bezette schrijn openden zich en van het
-kristal der schitterende monstrans brak uit een mystisch licht. Hij
-stond daar in het gewaad eens Konings en de glorie van God vulde
-algeheel de ruimte, en de Heiligen in de gebeeldhouwde nissen schenen
-zich te bewegen. In het pronkgewaad eens Konings stond hij voor hen,
-en aan het orgel ontstroomden volle melodieën en de fanfarenblazers
-bliezen hunne fanfaren, en de koorknapen zongen. En het volk viel
-in schuwe vreeze op de knieën en de Edelen lieten hunne zwaarden in
-de scheede terugzinken, en huldigden hem, en het aangezicht van den
-Bisschop werd bleek en zijne handen beefden.
-
---"Een die grooter is dan ik, heeft U gekroond," sprak hij, en hij
-knielde voor hem neder.
-
-En de jonge Koning schreed de treden af van het hoogaltaar en keerde
-terug naar het paleis, midden door het volk. Maar niemand waagde hem in
-het aangezicht te zien, want het was als het aangezicht van een Engel.
-
-
-
-
-
-
-
-
-II.
-
-DE VERJAARDAG DER INFANTE.
-
-
-Het was de verjaardag der Infante. Zij was juist twaalf jaar oud
-geworden en de zon scheen stralend in den tuin van het paleis.
-
-Alhoewel zij eene heuschelijke Prinses, en de Infante van Spanje was,
-had zij toch elk jaar maar één verjaardag, precies als de kinderen van
-heele gewone menschen. Daarom deed natuurlijk het gansche land zijn
-uiterste best, dat zij bij deze gelegenheid een echt pleizierigen dag
-zou beleven. En het was dan ook inderdaad een heerlijke dag. De groote
-gevlekte tulpen stonden kaarsrecht op hare stengels, als soldaten in
-'t gelid, en zij keken met uitdagende blikken in den tuin rond naar de
-rozen en zeiden: "Wij zijn nu precies zoo mooi als jullie." De purperen
-vlinders, met goudstof op de vleugels, fladderden in de lucht rond
-en bezochten alle bloemen, de eene na de andere; de kleine hagedissen
-kropen uit de reten der muren en lagen stil zich te koesteren in den
-witten zonnegloed; en de granaatbloesems sprongen open in de hitte,
-en toonden haar bloedrood hart. Zelfs de geelbleeke citroenen, die
-in rijken overvloed aan de half vermolmde omheiningen, en langs de
-donkere zuilengangen hingen, schenen rijker kleur van het heerlijke
-zonlicht te hebben gedronken, en de magnoliaboomen openden hunne
-groote langwerpige bloesemkelken van toegevouwen ivoor en vervulden
-de lucht met zwaren, bedwelmend-zoeten geur.
-
-De kleine Prinses liep met hare speelgenooten op het terras heen en
-weer en speelde verstoppertje achter de steenen vazen en de oude met
-mos bedekte beelden. Op gewone dagen mocht zij alleen met kinderen
-van haar eigen rang spelen, bijgevolg moest zij dus altijd alleen
-spelen; maar op haar verjaardag werd er eene uitzondering gemaakt,
-en de Koning had bevel gegeven, dat zij van hare jonge vriendjes en
-vriendinnetjes zoovele mocht uitnoodigen als zij maar wilde, en dat
-zij naar hartelust pleizier konden maken. Eene statige sierlijkheid
-scheen al dezen slankgebouwde Spaansche kinderen eigen, zoo als zij
-zich spelend heen en weer bewogen, de knapen met hunne groote hoeden
-met lange veeren en de korte, zwierige mantels om, de meisjes, zooals
-zij de slepen harer lange brokaat japonnen droegen, en met groote
-waaiers van zwart en zilver hare oogen voor de zon beschutten. Maar de
-Infante was de liefelijkste van allen, en zij was ook het smaakvolste
-gekleed, hoewel volgens de lastige mode van dien tijd. Haar kleed
-was van grijze zijde, de zoom en de wijde poefmouwen zwaar met zilver
-geborduurd, en het stijve keurslijf was met rijen van de heerlijkste
-paarlen bezet. Wanneer zij liep, kwamen van onder den rok twee zeer
-kleine schoentjes met groote roze strikken te voorschijn. Haar groote
-waaier was van rose en paarlkleurig gaas, en in het haar, dat als een
-aureool van lichtend goud stijf om haar bleek klein gezichtje stond,
-droeg zij een mooie witte roos.
-
-Van uit een venster van het paleis keek de zwaarmoedige Koning het
-schouwspel toe. Achter hem stond zijn broeder, Don Pedro van Aragon,
-dien hij haatte, terwijl zijn biechtvader, de Groot-Inquisiteur
-van Granada, aan zijne zijde zat. Nog treuriger was de Koning dan
-gewoonlijk, want, als hij naar de kleine Infante zag: hoe zij met
-kinderlijken ernst de verzamelde hovelingen begroette, of achter
-haar gazen waaier de knorrige Hertogin van Albuquerque, die haar
-steeds begeleidde, uitlachte, dan moest hij aan hare moeder denken,
-de jonge Koningin, die--zoo kwam 't hem voor--eerst kort geleden uit
-het levenslustige Frankrijk was gekomen, om in den somberen glans
-van het Spaansche hof alras te verwelken--want zij stierf zes maanden
-na de geboorte van haar kind, aleer zij nog de amandelboomen van den
-tuin voor de tweede maal had zien bloeien, en aleer zij opnieuw den
-oogst geplukt had van den ouden gekromden vijgeboom, die eenmaal het
-middelpunt vormde van den nu met gras begroeiden hof. Zoo groot was
-zijne liefde voor haar geweest, dat hij niet eens het graf vergund
-had haar aan zijn oog te onttrekken. Een Moorsch geneesheer, dien men
-om dezen dienst zijn leven had geschonken, dat, zoo zeide men, reeds
-wegens ketterij en verdenking van zwarte tooverkunsten aan de heilige
-Inquisitie was vervallen, had haar gebalsemd; en zoo lag haar doode
-lichaam nog juist zoo op de geborduurde baar in de zwarte marmeren
-kapel van het paleis, als de monniken het, bijna twaalf jaar geleden,
-op een stormachtigen dag in Maart naarbinnen gedragen hadden. Eenmaal
-in het jaar ging de Koning, gehuld in een donkeren mantel en een
-omfloerste lantaarn in de hand, naar de kapel, knielde neder aan
-haar zijde en riep: "Mi reina! Mi reina!" En somtijds verbrak hij
-zelfs de regels der etikette, die in Spanje elke handeling van het
-leven beheerscht en tot voor de smart van een Koning zekere grenzen
-bepaalt, greep de bleeke, met ringen gesierde handen, in een woeste
-uitbarsting van wanhoop, en trachtte onder zijne hartstochtelijke
-kussen het koude beschilderde gelaat te doen herleven. Heden was het
-hem, als zag hij haar terug, zooals hij haar voor het eerst gezien
-had, in het slot van Fontainebleau, toen hij vijftien jaren telde en
-zij nog jonger was. Zij waren toen door den pauselijken Nuntius, in
-tegenwoordigheid van den Koning van Frankrijk en van het geheele hof,
-plechtig met elkaar verloofd geworden, en hij was in het Escuriaal
-teruggekeerd en had een lok blond haar medegebracht en de herinnering
-aan zachte kinderlippen, die zich naar omlaag bogen om hem de hand
-te kussen, toen hij in zijn koets steeg. Later was toen de bruiloft
-gevolgd, die in allerijl te Burgos, een kleine stad aan de grenzen
-der beide Koninkrijken, voltrokken werd, en daarop de plechtstatige en
-schitterende intocht te Madrid, met de gebruikelijke plechtige hoogmis
-in de kerk La Atocha en een buitengewoon indrukwekkend autodafé,
-bij welke gelegenheid ongeveer driehonderd ketters--waaronder zich
-vele Engelschen bevonden--door de wereldsche gerechtigheid aan den
-vuurdood waren overgeleverd geworden.
-
-Waarlijk, hij had haar hartstochtelijk liefgehad, en, zoo beweerden
-vele, niet tot heil van zijn vaderland, dat toentertijd met Engeland
-oorlog voerde om het bezit der heerschappij in de Nieuwe Wereld. Ter
-nauwernood had hij geduld dat zij zich uit zijne oogen verwijderde,
-om harentwille had hij--zoo beweerde men althans--alle ernstige
-staatsaangelegenheden vergeten; en, met blindheid geslagen, als zij
-allen, die den slaaf zijn geworden van hunne hartstocht, had hij
-niet eens bemerkt, dat die schitterende ceremoniën, waarmede hij
-haar trachtte op te beuren, de vreemde ziekte, waaraan zij leed,
-slechts had doen toenemen. Toen zij stierf, was hij een tijdlang
-als een, die van zijn verstand beroofd was. Ja, ongetwijfeld zou hij
-formeel afstand hebben gedaan van zijne koningsrechten, en zich in
-het Trappistenklooster bij Granada, waarvan hij den Priortitel reeds
-droeg, teruggetrokken hebben, zoo hij niet daarvoor teruggedeinsd
-ware de kleine Infante in de macht van zijn broeder achter te laten,
-wiens wreedheid tot zelfs in Spanje aanstoot gaf, en dien vele in
-stilte beschuldigden den dood der Koningin, door middel van een paar
-vergiftigde handschoenen, die hij haar zou hebben aangeboden, toen
-zij eens als gast op zijn slot te Aragon vertoefd had, op zijn geweten
-te hebben. Zelfs na afloop van den driejarigen algemeenen rouw, dien
-hij door koninklijk besluit voor den ganschen omtrek van zijn gebied
-voorgeschreven had, veroorloofde de koning nimmer zijne ministers
-van eene nieuwe verbintenis te gewagen. En toen de Keizer-zelf
-zijne afgezanten tot hem gezonden had om hem de hand zijner nicht,
-de liefelijke Aartshertogin van Boheme, ten huwelijk aan te bieden,
-had hij dezen opgedragen hunnen Heer te antwoorden, dat de Koning van
-Spanje met de Smart een huwelijksband gesloten had, en dat hij haar,
-al was zij ook een droeve bruid, meer liefhad dan de Schoonheid.
-
-Dit antwoord had hem de rijke Provinciën der Nederlanden gekost;
-want kort daarop stonden deze, meegesleept door eenige dweepers
-der Gereformeerde kerk, die daartoe door den Keizer aangezet waren,
-tegen hem op.
-
-Het scheen hem toe, alsof heden zijn gansche huwelijksleven, met
-al zijne matelooze, gloeiende vreugden en den vernietigenden slag
-van een plotseling einde, hem weer voor den geest kwam, terwijl hij
-toekeek en de Infante op het terras zag spelen. Het kind vertoonde in
-geheel haar wezen denzelfden gratievollen overmoed der Koningin, zij
-had dezelfde eigenzinnige manier om het hoofdje achterover te werpen,
-denzelfden trotschen, fijn gevormden mond, denzelfden bekoorlijken
-glimlach--vrai sourire de France--wanneer zij nu en dan naar het
-venster opkeek, of wanneer zij den statigen Spaanschen edellieden hare
-kleine hand tot den eerbiedigen handkus reikte. Maar het vroolijke
-lachen der kinderen klonk hem smartelijk in de ooren, het heldere,
-onmeedoogenlooze zonlicht scheen te spotten met zijn verdriet, en
-het was hem, als vermengde zich een benauwde geur van vreemdsoortige
-mirren, zooals zij voor het balsemen gebruikt worden--of was het
-slechts verbeelding?--met de zuivere morgenlucht. Hij verborg zijn
-gelaat in de handen, en toen de Infante wederom naar boven opkeek,
-waren de gordijnen dichtgetrokken en had de Koning zich verwijderd.
-
-Zij maakte een klein gebaar van teleurstelling en trok even hare
-schouders op. Waarlijk, hij had wel bij haar kunnen blijven, op haar
-verjaardag. Wat deerde het, of die malle staatsaangelegenheden nu
-eens veronachtzaamd werden? Of was hij weer in die donkere kapel
-gegaan, waar steeds de kaarsen brandden, en waar zij nooit mocht
-binnentreden? Hoe dwaas van hem om zoo te doen, wanneer de zon zoo
-helder scheen, en iedereen zich zoo gelukkig gevoelde! Bovendien
-verzuimde hij nu het stierengevecht, waartoe de trompet reeds
-het sein had gegeven, om niet van het poppenspel te spreken, en
-van de andere heerlijke dingen. Haar oom en de Groot-Inquisiteur
-waren verstandiger. Die waren naar buiten op het terras gekomen,
-en zeiden haar aardige complimenten. Zoo wierp zij dan het hoofdje
-in den nek, nam Don Pedro bij de hand, en ging langzaam de treden af,
-naar een lange tent uit purperen zijde, die men achter in den tuin had
-opgeslagen, terwijl de andere kinderen in strenge rangorde volgden:
-zij, die de langste namen droegen, kwamen het eerst.
-
-Een optocht van edelknapen, in fantastisch Toreadorgewaad gestoken,
-schreed haar tegemoet, en de jonge Graaf van Tierra-Nueva, een
-veertienjarige knaap van opmerkelijke schoonheid, ontblootte zijn
-hoofd met de voorname gratie van een Hidalgo en Grande van Spanje,
-en geleidde haar plechtstatig naar een zetel van goud en ivoor, die
-op een verhoogd podium boven de arena was geplaatst. De kinderen
-groepeerden zich om haar heen, bewogen hare groote waaiers en
-fluisterden onderling, terwijl Don Pedro en de Groot-Inquisiteur
-lachend aan den ingang bleven staan. Zelfs de Hertogin--men noemde
-haar de Camerera-Mayor--eene magere dame, met scherpe trekken en
-een breede geplooide gele kraag om den hals, keek heden niet zoo
-slechtgeluimd als zij gewoonlijk placht te doen, er speelde zelfs iets
-als een koud lachje op haar gerimpeld gelaat, en de dunne bloedelooze
-lippen stonden niet zoo strak.
-
-Het was werkelijk een zeer indrukwekkend stierengevecht en de Infante
-vond het nog veel prachtiger dan het echte stierengevecht, waarheen men
-haar eens in Sevilla medegenomen had, toen de Hertog van Parma haren
-vader een bezoek bracht. Eenige der knapen reden op rijk-opgetuigde
-hobbelpaarden in 't rond, en zwaaiden met lange werpspiesen, waaraan
-bontgekleurde linten zwierden; andere waren te voet, zwenkten hunne
-scharlakenroode doeken voor den stier, en sprongen behendig over de
-barrière wanneer het dier hen aanviel. En de stier-zelf was precies als
-een werkelijke stier, ofschoon hij slechts van gevlochten met leder
-overtrokken riet vervaardigd was, en somtijds liep hij hardnekkig
-op zijne achterpooten langs de geheele arena, wat een heuschelijken
-stier in de verste verte niet zou zijn ingevallen. En hij weerde zich
-prachtig, en de kinderen geraakten daarbij in zoo groote opwinding,
-dat zij boven op de banken stegen en hunne kanten zakdoeken zwaaiden en
-luide Bravo toro! riepen, Bravo toro! met dezelfde geestvervoering als
-waren zij volwassen menschen. Ten slotte, na een langdurig gevecht,
-waarbij eenige der opgezette paarden van alle kanten volslagen
-doorstoken en de ruiters afgeworpen werden, deed de jonge graaf van
-Tierra-Nueva den stier eindelijk op de knie neerzinken, en, nadat hij
-van de Infante de toestemming had verkregen het dier de coup de grâce
-te geven, stiet hij zijn houten zwaard met zulk een kracht in den hals
-van den stier, dat de kop er van af vloog en het lachende gezicht van
-den kleinen Monsieur de Lorraine, den zoon van den Franschen gezant
-te Madrid, er uit te voorschijn kwam.
-
-Daarop verlieten de dappere strijders onder uitbundig handgeklap de
-arena, en werden de neergevelde hobbelpaarden door twee Moorsche
-pages in geel-en-zwarte livereien plechtig weggesleept. Na een
-kort tusschenspel, waarin een fransch koorddanser zijne kunsten
-op het gespannen koord had laten bewonderen, verschenen toen eenige
-italiaansche marionetten op het tooneel van een klein theater, dat voor
-dit speciale doel was opgericht, en voerden de halfklassieke tragedie
-"Sophonisbe" op. Zij speelden zoo uitmuntend, en de bewegingen waren
-zoo natuurlijk, dat aan het slot van de voorstelling de oogen der
-Infante vol tranen stonden. Eenige der kinderen weenden heusch
-bitterlijk, zoodat men hen met bonbons moest troosten, en zelfs
-de Groot-Inquisiteur was zoozeer onder den indruk geraakt, dat hij
-tegenover Don Pedro de opmerking niet kon onderdrukken, dat het toch
-eene kwellende gedachte was, dat simpele poppen van hout en gekleurde
-was, die men door middel van mechaniek en ijzerdraden in beweging
-bracht, zóó ongelukkig konden zijn, en door zoo zware rampen konden
-getroffen worden.
-
-Toen verscheen een afrikaansche goochelaar, die een groote mand,
-bedekt met een rooden doek, binnendroeg. Hij plaatste die midden in
-de arena, nam uit zijn tulband een zonderling rieten fluitje, en
-begon daarop te fluiten. Na weinige oogenblikken ging de doek aan
-het bewegen, en toen de man al scheller en scheller floot, staken
-twee groen-gouden slangen hare platte koppen uit de mand, richtten
-zich langzaam omhoog en wiegden zich heen en weer op de maat van de
-melodie, zooals een plant in het water heen en weer deint. Maar de
-kinderen waren bang geworden voor de gevlekte slangenkoppen met de snel
-bewegelijke tongen, en vonden 't veel mooier toen de goochelaar een
-kleinen citroenboom uit het zand liet opschieten die liefelijke witte
-bloesems droeg en even later trossen van werkelijke vruchten; en toen
-hij den waaier van het kleine dochtertje der markiezin de Las-Torres
-nam en dien in een blauwen vogel omtooverde, die overal in de tent
-rondfladderde en zong, toen kende de verbazing en de vreugde der
-kinderen geen grenzen meer. Ook het deftige menuet, dat de dansknapen
-der kerk van Nuestra Señora del Pilar ten uitvoer brachten, was vol
-liefelijkheid en gratie. De Infante had deze prachtige ceremonie,
-die elk jaar in Mei voor het hoogaltaar en ter eere der Heilige
-Jonkvrouw plaats vindt, nog nooit aanschouwd. Want geen enkel lid der
-koninklijke familie van Spanje had de kathedraal van Saragossa ooit
-weder betreden, nadat een waanzinnig priester--vele beweerden dat hij
-door Elisabeth van Engeland er toe was aangedreven geworden--getracht
-had den Prins van Asturie een vergiftigde hostie toe te dienen. Zoo
-kende zij slechts van hoorenzeggen dezen "Onze Lieve Vrouwendans,"
-zooals men den dans noemde, en inderdaad vormde die een indrukwekkend
-schouwspel. De knapen droegen oudmodische hofkleedij van wit fluweel,
-hunne eigenaardige driekantige hoeden waren met zilveren franje omzet,
-en met groote toeffen van wuivende struisvederen gesierd, terwijl het
-verblindende wit van hun gewaad, wanneer zij zich in het zonlicht
-bewogen, nog treffender uitkwam door de matgetinte aangezichten en
-het lang-golvende donkere haar. Alle waren verrukt over de ernstige
-waardigheid waarmede zij zich door de ingewikkelde figuren van den
-dans heen bewogen, en over de volmaakte bekoorlijkheid hunner langzame
-gebaren en fiere buigingen, en toen de opvoering geëindigd was, en zij
-de groote met veeren versierde hoeden voor de Infante ter aarde lieten
-zinken, aanvaardde zij de hulde met veel vriendelijke hoffelijkheid,
-en deed de gelofte het altaar der Beschermvrouwe van Pilar een groote
-waskaars te zullen wijden, ten dank voor het genoegen, dat zij haar
-verschaft had.
-
-Toen verscheen een groep fijngebouwde Egyptenaren--zoo noemde men in
-dien tijd de Zigeuners--in de arena; met kruiselings gevouwen beenen
-zetten zij zich in een kring ter neer en begonnen zachtkens op hunne
-gitaren te tokkelen; daarbij bewogen zij hun lijf naar de maat der
-melodie, en neurieden bijna onhoorbaar een zacht droomerig lied.
-
-Toen zij Don Pedro zagen, keken zij somber voor zich uit, en eenige
-onder hen werden zeer bevreesd; want eerst kort geleden had hij op
-het marktplein van Sevilla twee van hunne troep wegens hekserij laten
-ophangen. Maar de aanblik der allerliefste Infante, zooals zij daar
-achterover geleund zat, en met hare groote blauwe oogen over haren
-waaier heentuurde, vervulde hen met verrukking en zij gevoelden
-dat, wie zóó liefelijk te aanschouwen was, tegenover niemand ooit
-wreed zou kunnen zijn. En zoo speelden zij verder, heel zachtjes,
-vluchtig--maar de snaren aanroerend met hunne lange puntige nagels,
-terwijl hunne hoofden zich lichtelijk voorover bogen, als waren zij op
-'t punt van in te sluimeren. Maar plotseling sprongen zij overeind
-met zulk een schrillen kreet, dat de kinderen verschrikt opvlogen,
-en Don Pedro's hand naar den barnsteenen knop van zijn dolk greep,
-en begonnen toen woest en uitgelaten in de arena rond te springen,
-terwijl zij op hunne tamboerijnen sloegen en in hun vreemdsoortige
-gutturale taal een wild liefdeslied aanhieven.
-
-Op een tweede teeken wierpen zij zich echter alle weer op den grond, en
-lagen daar volkomen stil; de eentonige klank der gitaren was het eenige
-geluid, dat de stilte verbrak. Nadat zij dit eenige malen herhaald
-hadden verdwenen zij voor een oogenblik, keerden toen met een bruinen,
-ruig-harigen beer aan een ketting terug, en droegen op hunne schouders
-kleine turksche baardapen. De beer buitelde met den grootsten ernst
-op zijn kop, en de apen maakten allerlei oolijke kunststukken met
-twee Zigeunerjongens die hunne meesters schenen te zijn, vochten
-met kleine zwaarden, vuurden kleine kanonnen af en excerceerden
-volgens alle regels, precies als 's konings eigen lijfwacht. Kortom,
-de Zigeuners oogstten het grootste succes van het feest.
-
-Maar het vroolijkste gedeelte van het geheele morgenprogramma vormde
-toch zonder eenigen twijfel de dans van den kleinen dwerg.
-
-Toen hij de arena kwam binnenloopen, terwijl hij op zijne kromme
-beentjes voortstrompelde, en zijn wanstaltig groot hoofd naar rechts
-en naar links boog, stietten de kinderen luide gilletjes uit van
-verrukking, en de Infante zelf lachte zóó hartelijk, dat de Camerera
-zich genoodzaakt zag, haar daaraan te herinneren, dat, mocht het
-ook reeds voorgekomen zijn dat in Spanje een koningsdochter voor
-haars-gelijke in rang tranen had gestort, het toch ongehoord was,
-dat een Prinses van koninklijken bloede zich zoo vroolijk uitte in
-tegenwoordigheid van dezulken, die in rang beneden haar stonden. Maar
-de dwerg was dan ook werkelijk onweerstaanbaar, en zelfs het Spaansche
-hof, dat reeds van eertijds bekend stond voor zijn verfijnde zucht
-naar het afschrikwekkende, had nog nooit zulk een fantastisch klein
-monster aanschouwd. Het was dan ook zijn allereerste optreden. Den
-vorigen dag was men hem eerst op het spoor gekomen, terwijl hij wild
-ronddoolde in een afgelegen deel van het kurkeikenbosch dat de geheele
-stad omringt en waarin twee Granden zich ter jacht hadden begeven. Zij
-hadden hem toen in het paleis gebracht, als eene verrassing voor de
-Infante, en zijn vader, een arme kolenbrander, had er maar al te
-gaarne vrede mee gehad, dat men hem van een leelijk en voor alles
-onbruikbaar kind bevrijdde. Misschien was wel het allervermakelijkste
-aan hem zijn volslagen onbekendheid met de groteske belachelijkheid
-zijner verschijning. Hij scheen werkelijk volmaakt gelukkig te zijn
-en was vol vroolijken luim. Wanneer de kinderen lachten, dan lachte
-hij even vrij en vroolijk met hen mede, en aan het slot van elken
-dans maakte hij naar alle kanten zijne bespottelijke buigingen en
-lachte en knikte, alsof hij precies zoo-een was als zijne kleine
-toeschouwers, en niet slechts een klein gedrochtelijk wezen, dat de
-natuur in een grillige luim geschapen had om anderen ten zijnen koste
-te vermaken. En de Infante oefende eene onweerstaanbare bekoring op
-hem uit. Hij kon de oogen niet van haar afwenden en scheen uitsluitend
-voor haar alleen te dansen. Aan het slot der voorstelling herinnerde
-zij zich, eenmaal gezien te hebben, hoe de hooge dames van het hof
-bloemen toewierpen aan den beroemden italiaanschen tenor Caffarelli,
-dien de paus uit zijn eigen kapel naar Madrid had gezonden om door zijn
-heerlijke stem den zwaarmoedigen Koning een weinig te verstrooien,
-en daarom nam zij de witte roos uit heur haar, en wierp die, deels
-uit scherts, deels om de Camerera te ergeren, met haar vriendelijkst
-lachje in de arena. Maar de kleine dwerg nam alles hoogst ernstig op,
-drukte de bloem aan zijne ruwe, grove lippen, en legde de hand op
-het hart; zijn geheele gezicht vertrok zich tot een breeden grijns
-van blijdschap, en zijne kleine oogen glinsterden van verrukking.
-
-Toen was 't met den ernst der kleine Infante geheel gedaan; zij
-lachte steeds uitbundiger, lachte zelfs nog, toen de kleine dwerg
-reeds uit de arena weggestrompeld was, en vroeg haren oom om den dans
-toch te laten herhalen. Maar de Camerera besliste het tegendeel,
-met de bewering dat de zon reeds te brandend heet was, en dat het
-dus beter zou zijn wanneer Hare Hoogheid onmiddellijk naar het paleis
-terugkeerde, waar een schitterende maaltijd voor haar gereed stond,
-met een echte verjaardagskoek, waarop hare eigene initialen, geheel
-van gekleurde suiker, aangebracht waren, en waar boven een aardig
-zilveren vlagje aan een kleine mast wapperde. Daarop verhief zich de
-Infante met veel waardigheid van haar zetel en nadat zij bevolen had,
-dat de kleine dwerg na de siesta nogmaals voor haar dansen zou, en
-den jongen graaf Tierra-Nueva verzocht had aan allen haren dank over
-te brengen voor den alleraangenaamsten morgen, ging zij terug naar
-hare vertrekken, terwijl de kinderen in dezelfde rangorde volgden,
-als zij gekomen waren.
-
-Toen nu de kleine dwerg hoorde, dat hij nog eenmaal voor de Infante
-dansen zou, en dat nog wel op haar eigen uitdrukkelijk verlangen, was
-hij zóó trotsch, dat hij naar buiten in den tuin liep, de witte roos
-in overstroomende vreugde aan zijne lippen drukte, en ook nog verder in
-de meest dwaze en onbeholpen gebaren aan zijne verrukking uiting gaf.
-
-De bloemen waren buiten zichzelve van verontwaardiging, dat hij het
-gewaagd had haar mooi grondgebied binnen te dringen, en toen zij
-zagen hoe dartel hij de paden op en neer huppelde, en daarbij op
-zeer vermakelijke wijze met zijne armen boven zijn hoofd zwaaide,
-konden zij hunne gevoelens niet langer bedwingen.
-
---"Hij is werkelijk te leelijk dan dat men hem had mogen veroorlooven
-zich ook maar ergens te vertoonen, waar wij ons bevinden!" riepen
-de tulpen.
-
---"Hij moest papaversap drinken, om voor duizend jaar lang in te
-slapen," zeiden de groote zwaardlelies, en zij wondden zich zoo op,
-dat zij rood werden van toorn.
-
---"Hij is een waar monster!" riep de kaktus. "Zie toch eens hoe krom
-hij is en hoe misvormd, en zijn hoofd staat in heel geen verhouding
-tot zijn beenen. Ik krijg heusch kippevel alleen al van 't zien en
-wanneer hij dicht bij mij komt, zal ik hem met mijn doorns steken."
-
---"En daar heeft hij waarlijk een van mijne mooiste bloemen," sprak
-de witte rozenstruik. "Ik heb die van morgen zelf aan de Infante als
-verjaarsgeschenk aangeboden, en nu heeft hij ze van haar gestolen."
-
-En de rozenstruik riep zoo luid hij slechts kon: "Dief! Dief! Dief!"
-
-Zelfs de roode geraniums, die gewoonlijk niet veel ophef van zichzelf
-maakten, en van wie het bekend stond dat zij vele arme familieleden
-hadden, trilden van afschuw toen hij haar onder de oogen kwam en
-toen de viooltjes bescheiden opmerkten, dat hij wel zeer leelijk was,
-maar hier toch niets aan te veranderen viel, antwoordden zij met veel
-wijsheid, dat dat juist zijn hoofdgebrek uitmaakte, en dat er geen
-reden bestond om een mensch te bewonderen, alleen omdat hij voor altijd
-misvormd was; en inderdaad moesten zelfs eenige viooltjes toegeven,
-dat de leelijkheid van den kleinen dwerg bijna ondragelijk was en dat
-hij meer smaak aan den dag zou leggen, wanneer hij er treurig uitzag,
-of zich tenminste stil en teruggetrokken toonde, inplaats van zoo
-dartel rond te springen en zoo dolle en dwaze houdingen aan te nemen.
-
-En de oude zonnewijzer, die eene zeer opmerkelijke persoonlijkheid was,
-en die eenmaal aan geen geringeren dan aan Keizer Karel V de uren had
-aangekondigd,--de zonnewijzer was zóó ontzet over de heele verschijning
-van den kleinen dwerg, dat zijne lange schaduw-vingeren bijna twee
-volle minuten vergaten aan te wijzen; en ten slotte kon hij zich niet
-weerhouden den grooten melkwitten pauw, die zich op de balustrade in de
-zon koesterde, toe te roepen, dat ieder toch wel wist, dat de kinderen
-van koningen, koningen waren, en de kinderen van kolenbranders,
-kolenbranderskinderen, en dat het bespottelijk zou zijn te willen
-beweren dat dit niet zoo was; met deze mededeeling was de pauw het
-bizonder eens, en hij krijschte zijn: "Natuurlijk! natuurlijk!" met
-zulk een luide, doordringende stem, dat de goudvisschen, die onder
-in het bassin van de koele murmelende bron woonden, hunne koppen uit
-het water staken, en aan de groote steenen tritonen vroegen, wat er
-toch in 's hemelsnaam aan de hand was.
-
-Maar de vogels hadden hem lief. Zij hadden hem menigmaal in het bosch
-gezien, wanneer hij als een faun over de dwarrelende bladen danste,
-of wanneer hij in den een of anderen ouden hollen eikeboom schuilde,
-en zijne nooten met de eekhoorntjes deelde. Zij bekommerden zich in
-'t minst niet om zijne leelijkheid. Want, zelfs de nachtegaal, die
-des avonds zóó liefelijk in de oranjeboomen zong dat de maan zich
-soms naar omlaag boog om naar hem te luisteren, de nachtegaal zag er
-toch ook niet uit alsof hij iets bizonders ware en buitendien--hij was
-altijd goed voor hen geweest, en gedurende dien schrikkelijk strengen
-winter, toen er heel geen bessen meer aan de struiken hingen, en de
-grond hard was als ijzer en de wolven aan de poorten der stad kwamen
-om voedsel te zoeken, toen had hij hen nooit vergeten, integendeel,
-hen steeds de laatste kruimpjes van zijn armzalige zwarte broodkorst
-gegeven, en getrouw zijn maal met hen gedeeld, al was dat ook nog
-zoo karig geweest.
-
-Daarom vlogen zij steeds om hem heen en raakten in hunne vlucht
-lichtelijk zijne wangen aan terwijl zij onderling vroolijk tjilpten,
-en de kleine dwerg was zóó verheugd, dat hij niet laten kon hen de
-prachtige witte roos te laten zien en hen te vertellen, dat de Infante
-hem die zelf gegeven had omdat zij hem liefhad.
-
-Zij verstonden geen woord van 't geen hij zeide, maar dat was ook niet
-noodig, want zij bogen de kopjes zijwaarts en keken zeer verstandig
-uit hunne oogjes, en dat is even goed als iets begrijpen, en veel
-gemakkelijker.
-
-De hagedissen vatten ook een groote voorliefde voor hem op, en toen
-hij te moe was om nog meer rond te springen en zich in het gras
-neerwierp om uit te rusten, speelden en buitelden zij om hem heen,
-en trachtten, zoo goed als zij konden, hem te vermaken.
-
---"Niet iedereen kan zoo mooi zijn als de hagedis" riepen zij,
-"dat zou te veel verlangd zijn. En, al klinkt 't ook ongerijmd, wel
-beschouwd, is hij volstrekt niet zoo leelijk; maar natuurlijk moet
-men de oogen sluiten en hem niet aankijken."
-
-De hagedissen waren zeer wijsgeerig van natuur, en zaten dikwijls,
-wanneer zij niets anders te doen hadden, of wanneer het te
-regenachtig weer was om uit te gaan, uren en uren lang bij elkaar,
-in overpeinzingen verdiept.
-
-Maar de bloemen betoonden zich ontzet over hun gedrag en over het
-gedrag der vogels.
-
---"Dat bewijst alweer," zeiden zij, "hoe demoraliseerend dat eeuwige
-heen-en-weer-vliegen en draven is. Welopgevoede wezens zooals
-wij blijven steeds op dezelfde plaats. Nooit heeft men ons over de
-wegen zien heen en weer huppelen, noch in het gras als dol achter de
-watervlinders zien stuiven. Wanneer wij een luchtverandering noodig
-hebben, laten wij den tuinman roepen, en hij brengt ons in een ander
-bed. Zoo behoort het en zoo moest het overal zijn. Maar vogels en
-hagedissen hebben geen zin voor rust. De vogels hebben niet eens een
-vast adres. Zij zijn echte vagebonden, zooals de Zigeuners, en men
-moest ze op dezelfde manier behandelen."
-
-En zij staken hunne neuzen in den wind, keken zeer hoogmoedig voor zich
-uit, en waren hoogst verblijd, toen zij na eenigen tijd bemerkten,
-dat de kleine dwerg zich uit het gras oprichtte en naar het paleis
-toestapte.
-
---"Men moest hem werkelijk voor den verderen duur van zijn leven achter
-slot en grendel zetten," bromden zij. "Zie toch eens dien bultigen
-rug en die malle kromme beenen," en zij begonnen allen te giegelen.
-
-Maar de kleine dwerg bemerkte niets van dat al. Hij hield veel van
-de vogels en van de hagedissen en hij vond bloemen de heerlijkste
-dingen van de gansche wereld, uitgezonderd natuurlijk de Infante;
-want deze had hem immers de witte roos geschonken, en zij had hem
-lief, dat maakte een groot onderscheid. Hoe innig betreurde hij het,
-dat hij niet met haar was medegegaan. Zij zou hem aan hare rechterhand
-geplaatst hebben en hij zou geen oogenblik van haar zijde geweken zijn,
-maar haar tot zijn speelgenoot gemaakt en haar alle mogelijke prachtige
-kunsten geleerd hebben. Want, al was hij nog nooit te voren in een
-paleis geweest, vele bizondere dingen kende hij toch ook. Zoo kon
-hij uit riet kleine kooitjes vlechten waarin de sprinkhanen zingen,
-en uit lange bamboes kon hij een fluit snijden, zooals Pan die
-graag hoort. Hij kende den roep van elken vogel, en kon den spreeuw
-uit de takken der boomen, en den reiger van de oevers van het meer
-lokken. Hij wist precies het spoor van elk dier te onderscheiden, en
-vermocht dat van den haas aan de lichte indrukken van zijn pooten,
-en dat van het everzwijn aan de platgetreden bladen te herkennen
-en te vervolgen. Alle werveldansen van den wind kende hij: den
-overmoedigen dans in het roode herfstkleed, den vlinderlichten dans
-met blauwe sandalen over het korenveld, den dans met sneeuwbekranste
-lokken in den winter, en den bloesemdans door de boomgaarden in de
-lente. Hij wist waar de woudduiven hunne nesten bouwden, en eens,
-toen een vogeljager een vogelpaar gevangen had, had hij de jongen
-zelf opgekweekt, en voor hen een duiventil gemaakt in den hollen
-stam van een gespleten olmboom. Zij waren geheel tam en aten elken
-morgen uit zijn hand. Die zou de kleine Prinses zeker aardig vinden,
-en ook de konijntjes, die tusschen het hooge varenkruid ronddartelden,
-en de eksters, met hare staalharde veeren en zwarte snavels, en de
-egels, die zich tot stekelige kogels konden oprollen, en de groote
-wijze schildpadden, die langzaam rondkropen en met het hoofd schudden
-en aan de jonge blaadjes knaagden. Ja zeker, zij moest meekomen in
-het bosch, en met hem spelen. Hij zou haar zijn eigen kleine bedje
-afstaan, en aan het venster waken, totdat de morgen schemerde,
-om op te passen dat de wilde boschbewoners haar geen kwaad deden,
-en de uitgehongerde wolven de hut niet te dichtbij naderden.
-
-En wanneer de morgen schemerde, zou hij aan de luiken kloppen en haar
-wekken, en zij zouden in het bosch gaan en den ganschen dag tezamen
-spelen. Waarlijk, in het bosch was het nooit eenzaam. Somwijlen reed
-een bisschop voorbij op een wit muildier, en las in een beschilderd
-boek. Somtijds kwamen er ook valkeniers langs, met groen fluweelen
-mutsen op en in jassen van gelooide dierenhuid; op de hand hielden
-zij de met kappen bedekte valken. Als het winter werd, kwamen
-de druiventrappers met purperen handen en voeten, bekransd met
-glanzend klimop, en zij droegen druipende lederen zakken vol wijn;
-en de kolenbranders zaten in den nacht om hunne vuren, en keken toe,
-hoe de drooge houtblokken langzaam in de vlammen verkoolden, en
-zij poften kastanjes in de asch, en de roovers kwamen van uit hunne
-schuilplaatsen te voorschijn en maakten gekheid met hen. Eens had hij
-ook eene mooie processie gezien, die zich op den langen stoffigen weg
-naar Toledo voortslingerde. De monniken liepen vooraan en zongen zoo
-mooi; ze droegen bonte wimpels en gouden kruisen, en toen volgden
-er soldaten in zilveren rusting en met pieken gewapend, en in hun
-midden liepen er barrevoets drie mannen in zonderlinge gele gewaden,
-die van boven tot beneden met prachtige figuren beschilderd waren,
-en die droegen brandende kaarsen in de handen. O, in het bosch was er
-onnoemelijk veel te zien, en wanneer zij vermoeid was, zou hij een
-zacht bed van mos voor haar zoeken, of hij zou haar op zijne armen
-dragen, want hij was heel sterk, al wist hij ook dat hij niet groot
-was. Dan zou hij een ketting voor haar rijgen van hagedoornbessen,
-die zouden even mooi zijn als de witte besjes, die zij op haar kleed
-droeg; en wanneer de ketting haar verveelde, dan kon zij die weggooien
-en hij zou andere bessen voor haar zoeken. Eikeldoppen zou hij haar
-brengen en duizende anemonen, en kleine glimwormpjes, die als sterren
-zouden flonkeren in het bleeke goud van heur haar.
-
-Maar waar was zij? Hij vroeg het aan de witte roos, maar die antwoordde
-hem niet. Het geheele paleis scheen in slaap gedompeld te zijn, en
-zelfs daar, waar de luiken niet gesloten waren, hingen zware gordijnen
-voor de vensters om de gloeihitte buiten te sluiten. Hij liep rond om
-het heele paleis, in de hoop ergens een plaats te vinden waar hij zou
-kunnen binnentreden. Eindelijk ontdekte hij een kleine verborgen deur,
-die openstond. Hij sloop naar binnen en bevond zich plotseling in een
-schitterende zaal, wel prachtiger, vreesde hij, dan het bosch; hier
-was overal zoo veel meer goud, en zelfs de vloer bestond uit groote
-gekleurde steenen, die op kunstige wijze tezamen waren gevoegd. Maar
-de kleine Infante bevond er zich niet in, alleen eenige heerlijke
-witte beelden, die van hunne jaspis-voetstukken op hem neerkeken met
-treurige leege oogen en een vreemd lachje om de lippen.
-
-Aan het einde van de zaal hing een rijkgeborduurd gordijn van zwaar
-fluweel, dat bedekt was met zonnen en sterren, de lievelingsymbolen
-des Konings, en ook het fluweel was van de kleur, die hij het liefste
-had. Wellicht was zij daarachter verborgen? Hij wilde dit in elk
-geval onderzoeken.
-
-Zoo liep hij dan heel zacht tot aan het einde van de zaal en trok het
-gordijn weg. Neen; er kwam nu slechts een andere kamer, nog mooier,
-vond hij, dan die waaruit hij trad. De wanden waren hier geheel
-behangen met groene, figuurrijke Arrazzis, met de hand vervaardigd
-tapijtwerk, dat een jacht voorstelde; het was afkomstig van eenige
-Vlaamsche kunstenaars, die meer dan zeven jaren voor de voltooiing
-van dit werk noodig hadden gehad. Eenmaal was dit de kamer geweest
-van Jean le Fou, zooals men hem noemde, den waanzinnigen Koning, die
-de jacht zoo liefhad, dat hij dikwijls in zijne zins verbijsteringen
-getracht had de groote steigerende rossen te bestijgen en het hert
-neder te vellen waartegen de koppels honden opsprongen, terwijl hij op
-zijn jachthoorn blies en met zijne dolk naar het bleeke wegvliedende
-wild stiet. Nu gebruikte men dit vertrek als Raadszaal; op de tafel
-in het midden lagen de roode portefeuilles van de ministers, waarop
-de gouden tulpen van Spanje ingeprest waren, benevens het wapen en
-de emblemen van het huis Habsburg.
-
-De kleine dwerg zag in verwondering om zich heen en was bang om
-verder te loopen. Die vreemde zwijgende ridders, die zoo snel door
-de boschvlakten schenen te rijden, zonder het minste geruisch te
-maken--zij herinnerden hem aan de angstwekkende phantomen, waarvan hij
-de kolenbranders had hooren vertellen--de "Comprachos" die alleen in
-den nacht gaan jagen, en, wanneer zij een menschelijk wezen tegenkomen,
-hem in een hinde veranderen, en jacht op hem maken. Maar hij dacht
-weer aan de liefelijke Infante en schepte moed. Hij wilde haar alléén
-aantreffen om haar te kunnen zeggen, dat ook hij haar liefhad. Wellicht
-was zij in het naaste vertrek.
-
-Hij liep over de dikke Moorsche tapijten en opende de deur. Neen! Ook
-daar was zij niet. De kamer was volkomen leeg. Het was een troonzaal,
-die tot de ontvangst van vreemde gezanten diende, wanneer de
-koning--hetgeen sedert lang niet meer het geval was geweest,--zich
-bereid verklaard had eene private audiëntie te verleenen; dezelfde
-kamer, waarin vele jaren geleden Engeland's afgezanten verschenen
-waren om het verdrag tot het huwelijk hunner Koningin--toentertijd
-eene der Katholieke vorstinnen van Europa--met des Keizers oudsten
-zoon te sluiten. De behangsels waren van verguld Cordovaansch leder,
-en een zware, vergulde kroon, met armen voor driehonderd waskaarsen,
-hing van het zwart-en-witte plafond naar omlaag. Onder een groot
-baldakijn van goudlaken, waarop de leeuwen en de torens van Castilië in
-paarlen geborduurd waren, stond de troon, met een rijk zwart fluweelen
-kleed overdekt, dat bestikt was met zilveren tulpen en omzoomd met
-zilverfranje en paarlen.
-
-Op de tweede trede van den troon stond het lage stoeltje der Infante,
-waarop een kussen van met zilver bewerkt laken, en nog iets lager,
-en buiten het bereik van den troonhemel, stond de zetel voor den
-pauselijken Nuntius, die, alleen, het recht had in des Konings
-tegenwoordigheid bij alle openbare plechtigheden te gaan zitten, en
-wiens kardinaalshoed, met de in elkaar geslingerde scharlaken kwasten,
-op een purperen tabouret daarvóór lag. Aan den wand tegenover den
-troon hing een levensgroote beeltenis van Karel V in jachtcostuum,
-aan zijne zijde een groote dog, terwijl het portret van Philips II,
-die de hulde der Nederlanden aanvaardt, het midden van den anderen
-wand in beslag nam. Tusschen de vensters stond een geheime kast van
-zwart ebbenhout, met stukjes ivoor ingelegd, waarin de gestalten van
-Holbein's Doodendans gesneden waren--eenige beweerden, door de hand
-van den beroemden meester zelf.
-
-Maar de kleine dwerg bekommerde zich niet om al die pracht. Zijne roos
-zou hij niet om al de paarlen van den troonhemel weg hebben gegeven,
-er niet, voor den ganschen troon, ook maar één blad van hebben
-afgestaan. Hij wilde slechts de Infante zien, alvorens zij weer naar
-buiten in de tent trad, en hij wilde haar smeeken met hem mee te gaan,
-wanneer hij voor haar gedanst zou hebben. Hier in het paleis was de
-lucht benauwd en zwaar, maar in het bosch woei een frissche wind, en
-het zonlicht scheidde er met spelende goudvingeren de immer-trillende
-blaadjes van-een. Ook bloemen groeiden in het bosch; misschien niet van
-zoo kostbare soort als die in den tuin bloeiden, maar daarvoor geurden
-zij ook des te heerlijker; in het voorjaar de hyacinthen, die met
-golven van purper de koele ravijnen en de met gras begroeide heuvels
-overdekten; gele primulas, die in kleine boschjes aan den vermolmden
-voet der eikeboomen groeiden; bonte goudwortels en blauwe eereprijs
-en paarsen en gouden iris. Aan de hazelnootsstruiken hingen grijze
-pluimpjes en het vingerhoedskruid boog onder het gewicht van zijn
-gevlekte bloesems, waarin de bijen graag huisden. De kastanjeboom droeg
-fier zijn torentjes van witte sterren en de meidoorn was overgoten
-met bleeke maantjes vol liefelijkheid. Ja, daar was geen twijfelen
-aan: zij zou stellig meekomen, wanneer hij haar maar vinden kon. Zij
-zou meekomen in het heerlijke bosch, en den ganschen dag-door zou
-hij voor haar dansen, om haar blij te stemmen. Een lachje vonkte in
-zijne oogen bij die gedachte en hij trad de naaste kamer binnen. Van
-alle vertrekken was dit wel het schoonste en het schitterendste.
-
-De wanden waren met rosekleurig damast uit Lucca bespannen, waarin
-vogels en sierlijke zilveren bloesems geweven waren, de inrichting
-was van massief zilver met bloeiende slingers omrankt, waartusschen
-amoeretten zweefden; voor de twee groote schoorsteenen stonden
-reusachtige schermen die met papegaaien en pauwen bewerkt waren,
-en de vloer van zeegroene onyx, scheen zich in een ver verschiet te
-verliezen. En hij was er niet alleen. Onder de schaduw van de deur aan
-het andere einde van de kamer, ontwaarde hij eene kleine gestalte, die
-hem aankeek. Zijn hart bonsde, een vreugdekreet ontglipte aan zijne
-lippen en hij trad naar buiten in het zonlicht. Toen hij dit deed,
-trad ook de gestalte naar buiten, en hij zag die nu zeer duidelijk.
-
-De Infante! O, het was een monster, het vreemdsoortigste monster, dat
-hij ooit in zijn leven gezien had. De gestalte was niet zoo gevormd
-als die van alle andere menschen, maar toonde een bult en kromme
-beenen, een groot neerhangend hoofd en lang zwart haar. De kleine
-dwerg rimpelde het voorhoofd, en het monster rimpelde eveneens het
-voorhoofd. Hij lachte, en het lachte met hem mede en drukte de handen
-in de zijde, precies zooals hij deed. Hij maakte eene spottende diepe
-buiging, en het begroette hem met denzelfden honenden groet. Hij ging
-naar hem toe, en het kwam hem tegemoet en bootste elken voetstap
-na die hij maakte, en het stond stil, wanneer hij stil stond. Hij
-jubelde het uit van plezier en liep vooruit, en strekte zijn hand uit,
-en de hand van het monster raakte de zijne aan, en die andere was
-koud als ijs. Hij schrikte en trok zijn hand terug, en de hand van
-het monster maakte hetzelfde gebaar. Hij beproefde verder te gaan,
-maar iets glads en hards hield hem terug. Het gezicht van het monster
-was nu dicht bij het zijne, en het scheen vol angst. Hij streek zich
-het haar uit de oogen. De gestalte deed hetzelfde. Hij sloeg naar
-haar, de gestalte gaf hem elken slag terug. Hij maakte grimassen,
-en het monster trok eveneens de afschuwelijkste gezichten. Hij trad
-achteruit, en getrouwelijk verwijderde zich de gestalte.
-
-Wat beteekende dat? Hij peinsde een oogenblik na en zag toen om zich
-heen in de zaal. 't Was vreemd, maar in dezen onzichtbaren wand van
-helder water scheen elk voorwerp zijn eigen evenbeeld te hebben. Ja,
-beeld na beeld, en stoel na stoel, herhaalde zich. De sluimerende
-faun, die bij de nis, dicht naast de deur lag, had zijn slapenden
-tweelingbroeder en de zilveren Venus daar in het zonlicht, strekte
-den arm uit naar een Venus, die even schoon was als zij.
-
-Was dat de echo? Eens had hij in het dal de echo aangeroepen, en woord
-voor woord was tot hem teruggekomen. Kon de echo het oog bedriegen,
-zooals zij het oor bedriegen kon? Kon zij een wereld van schijn in het
-leven roepen, die aan de werkelijke wereld precies gelijk was? Konden
-de schaduwen der voorwerpen kleur hebben en leven en beweging? Was
-het mogelijk dat--?
-
-Hij sidderde. Hij nam de heerlijke witte roos van zijn borst en keerde
-zich om en kuste die. Het monster had eveneens een roos, blad voor
-blad gelijk aan de zijne. En hij kuste de roos met even vurige kussen
-en drukte die aan het hart met de afschuwelijkste gebaren.
-
-Toen de waarheid hem langzamerhand duidelijk begon te worden, slaakte
-hij een rauwen kreet van wanhoop en viel snikkend op den grond. Dus
-hij zelf was zoo misvormd en bultig en afschuwelijk en grotesk
-om aan te zien. Hij zelf was dus het monster, en om hem hadden de
-kinderen gelachen en de kleine Prinses, die, zooals hij gemeend had,
-hem liefhad--ook zij had alleen met zijn leelijkheid gespot en over
-zijne misvormde ledematen hartelijk gelachen. Waarom had men hem
-niet in het bosch gelaten, waar geen spiegels waren, die hem konden
-zeggen hoe terugstootend hij was? Waarom had zijn vader hem niet
-gedood in plaats van hem in zijne schande te verkoopen? De heete
-tranen stroomden hem over de wangen, en hij scheurde de witte roos
-aan stukken. Het kruipende monster deed hetzelfde, en wierp de blanke
-bladen weg in de lucht. Het kroop over den grond, en wanneer hij er
-naar keek, zag hij hoe het hem aanstaarde met smartelijk verwrongen
-aangezicht. Hij wendde zich af om het niet meer te zien en bedekte
-zijn oogen met zijne heete handen. Als een verwond dier sleepte hij
-zich in de schaduw en bleef daar snikkend liggen.
-
-Op dit oogenblik trad de Infante zelf door de openstaande balkondeur
-binnen, gevolgd door hare speelgenooten; en toen zij den leelijken
-kleinen dwerg op den grond zagen liggen, en bemerkten hoe hij op
-fantastisch overdreven wijze met zijne gebalde vuisten om zich heen
-sloeg, barstten de kinderen het uit in een luid, vroolijk gelach,
-en zij omringden hem om hem beter gade te kunnen slaan.
-
---"Zijn dansen was vermakelijk," zeide de Infante; "maar zijn
-komediespel is nog vermakelijker. Het is bijna zoo aardig als dat
-van de marionetten, alleen maar lang niet zoo natuurlijk."
-
-En zij wuifde zich met haar grooten waaier koelte toe en klapte
-goedkeurend in de handen.
-
-Maar de kleine dwerg zag niet een enkele maal tot haar op; zijn snikken
-werd al zachter en zachter, en plotseling hijgde hij zonderling naar
-lucht, en drukte zijne handen in de zijde. En toen viel hij achterover
-en lag doodstil.
-
---"Dat is prachtig geweest!" zei de Infante na eene kleine pauze,
-"maar nu moet je voor mij dansen!"
-
---"Ja," riepen de kinderen, "je moet opstaan en dansen, want je bent
-net zoo knap als de baardapen, alleen ben je nog veel maller." Maar
-de kleine dwerg antwoordde niet.
-
-En de Infante stampte met haar voetje en riep haar Oom, die met
-den kanselier op het terras stond, en eenige telegrammen doorlas,
-die juist uit Mexico gekomen waren, waar kort te voren de Inquisitie
-ingevoerd was geworden.
-
---"Mijn vroolijke kleine dwerg is uit zijn humeur," riep zij, "U
-moet hem weer in goeden luim brengen, en hem zeggen, dat hij voor
-mij dansen moet."
-
-Don Pedro en de kanselier keken elkaar glimlachend aan en traden
-naderbij en Don Pedro boog zich neer over den dwerg, en sloeg hem
-met zijn gestikten handschoen op de wangen.
-
---"Je moet dansen," riep hij uit. "Klein monster, je moet dansen. De
-Infante van Spanje en van beide Indische rijken wil geamuseerd worden."
-
-Maar de kleine dwerg verroerde zich niet.
-
---"Men moet den zweepmeester laten halen," zeide Don Pedro lusteloos,
-en trad weer naar buiten op het terras.
-
-Maar de kanselier trok een ernstig gezicht, hij knielde naast den
-kleinen dwerg neer en legde zijn hand op diens hart. En na eenige
-oogenblikken, haalde hij even de schouders op, maakte voor de Infante
-eene diepe buiging en sprak:
-
---"Mi bella Princesa, uw komieke kleine dwerg zal nooit meer
-dansen. Het is jammer, want hij is zoo leelijk, dat hij zelfs den
-Koning een glimlach had kunnen ontlokken."
-
---"Maar waarom zal hij dan niet meer dansen?" vroeg de Infante lachend.
-
---"Omdat zijn hart gebroken is," antwoordde de kanselier.
-
-Er kwamen rimpels op het voorhoofd van de kleine Infante, en hare
-fijne rozenlippen plooiden zich tot een uitdrukking van kinderlijke
-verachting.
-
---"Voortaan mogen zij, die bij mij komen spelen geen harten hebben,"
-sprak zij, en liep naar buiten in den tuin.
-
-
-
-
-
-
-
-
-III.
-
-DE VISSCHER EN ZIJN ZIEL.
-
-
-Elken avond voer de visscher uit op de zee en wierp zijne netten in
-het water.
-
-Wanneer landwind woei, dan ving hij niets, of althans weinig, want de
-zwartgewiekte wind sloeg groote golven tegen zijn boot. Maar wanneer
-zeewind woei, dan kwamen de visschen in overvloed uit de diepte naar
-boven en zwommen vroolijk in de mazen van zijn net. De ruime vangst
-droeg hij dan ter markt en verkocht ze voor goeden prijs.
-
-Zoo voer hij elken avond uit op de zee, en eens was zijn net zoo zwaar,
-dat hij het nauwelijks binnen de boot kon halen.
-
-En hij lachte en zei tot zichzelf: "Waarlijk, ik heb òf alle visschen
-gevangen, die in zee rondzwemmen, òf ik heb een vreemdsoortig ondier
-gevischt, dat voor de menschen een wonder zal zijn--misschien ook wel
-een vreeselijk monster, dat de groote Koningin zal wenschen te zien."
-
-En hij spande al zijne krachten in, en trok aan de ruwe touwen,
-totdat de aderen op zijne armen donker gezwollen waren, en wel
-lijnen geleken van blauw email op een bronzene vaas. En hij trok
-aan de dunne touwen, en reeds kwamen, steeds dichter en dichterbij,
-de rijen van drijvende kurken te voorschijn, tot eindelijk het net
-volkomen op het oppervlak van het water te zien was. Maar geen visch
-bevond zich daarin, en ook geen gedrocht, noch iets afzichtelijks,
-maar alleen een klein zeemeerminnetje, dat in diepen slaap lag.
-
-Heur haar geleek een vochtig gouden vlies, en elk afzonderlijk haartje
-was als een draad van fijn gesponnen goud in glanzend omhulsel. Haar
-lijf was gelijk wit ivoor en haar staart bestond uit zilver en
-paarlen. Van zilver en paarlen was haar staart en het groene zeegras
-had zich daaromheen geslingerd. Hare ooren waren gelijk zeeschelpen,
-en haar lippen rozerood als koralen. De kille golven bespatten haar
-blanken boezem en het zout glinsterde op hare oogleden.
-
-Zij was zoo mooi, dat de jonge visscher van bewondering vervuld werd
-toen hij haar aanzag, en hij strekte de hand naar haar uit en trok
-het net naar zich toe, en leunde over de boot en nam haar op in zijne
-armen. En toen hij haar aanraakte, slaakte zij een kreet als die van
-een opgeschrikte meeuw, terwijl zij met hare paarsblauwe oogen hem
-ontzet aanzag en trachtte zich uit zijne omarming los te wringen. Maar
-hij hield haar vast aan zijn borst gedrukt en wilde haar niet loslaten.
-
-En toen zij zag, dat zij zich niet bevrijden kon, begon zij te schreien
-en zeide:
-
---"Ik bid u, laat mij gaan, want ik ben de eenige dochter van een
-Koning, en mijne vader is oud en eenzaam."
-
-Maar de jonge visscher antwoordde:
-
---"Ik wil u niet laten gaan, aleer gij mij beloofd hebt naar boven
-te zullen komen en voor mij te zingen, zoo vaak ik om u roepen zal,
-want de visschen luisteren graag naar het gezang van het watervolk
-en op deze wijze zullen mijne netten overvloedig gevuld worden."
-
---"Zult ge mij werkelijk laten gaan, wanneer ik u dit beloof?" vroeg
-het zeemeerminnetje.
-
---"Ik zal u dan werkelijk laten gaan," zei de jonge visscher.
-
-En zij deed hem de gelofte, die hij van haar verlangde en bezegelde
-die plechtig met den eed van het watervolk. Zoo liet hij dan zijne
-armen los en het zeemeerminnetje zonk weg in de diepte, al trillend
-van vreemde angst.
-
-En elken avond voer de visscher uit op de zee, en elken avond riep
-hij het zeemeerminnetje. En dan steeg zij op uit het water en zong
-voor hem. En om haar heen zwommen de dolfijnen, en de wilde meeuwen
-vlogen cirkelend boven haar hoofd, al heen er weer.
-
-En een heerlijk lied zong zij. Want zij zong van de zeebewoners, die
-hunne kudden van de eene bocht naar de andere voeren, en de kleine
-kalfjes op hunne schouders dragen; van de tritonen, die lange groene
-baarden hebben en behaarde borsten en door gekronkelde schelpen blazen
-wanneer de Koning voorbijtrekt; van het paleis des Konings, dat gansch
-uit barnsteen gemaakt is, met een dak van doorzichtig smaragd, en met
-vloeren van glanzende paarlen; van de heerlijke tuinen der zee, waar
-de groote gevlochten bloedkoralen waaiers den geheelen dag-door heen
-en weer wuiven, waar de visschen in pijlsnelle vaart doorheen glijden
-als zilveren vogels, waar de anemonen zich aan de rotsen vastklemmen
-en de anjelieren in het heuvelachtige gele zand wortelen. Van de
-groote scharen walvisschen zong zij, die van de noordelijke zeeën
-stroom-àfwaarts trekken en puntige ijskegels hebben hangen in hunne
-kiewen; van de sirenen, die, al zingende, van zulke wonderzoete dingen
-wisten te verhalen, dat de kooplieden hunne ooren met was moesten
-toestoppen om haar gezang niet te hooren en in het water te springen
-en te verdrinken; van de gezonken galeien met hare hooge masten,
-en hoe de bevroren zeevaarders zich nog aan de touwen vastgeklemd
-houden, en de makreelen door de open luiken in en uit zwemmen; van
-de kleine eendenmosselen, die groote reizen maken doordat zij zich
-aan de kielen der schepen vastbooren en zoo om de gansche wereld
-medevaren; en van den inktvisch, die tegen de steile klippen woont,
-en zijne lange zwarte armen uitstrekt en den nacht kan doen neerdalen,
-wanneer hij dat wil. En zij zong van Nautilus en zijn fraaie boot,
-die uit een opaal gesneden is en een zeil van zilver draagt; van de
-gelukkige zeemeermannen, die op harpen spelen en de watermonsters in
-slaap konden tooveren; van de kleine kinderen, die de gladde marmotjes
-vangen en dan op hunne ruggen gaan rijden; van de zeemeerminnen, die
-in het witte schuim zich laten drijven en hare armen uitstrekken naar
-de zeelieden, en van de zeeleeuwen met hunne kromgebogen slagtanden,
-en van de zeepaarden met hunne golvende manen. En wanneer zij zong,
-schoten al de tonijnen uit de diepte omhoog om naar haar zang te
-luisteren, en de jonge visscher wierp zijn netten om hen uit en hij
-ving ze, en andere visschen doodde hij met zijn speer.
-
-En wanneer zijn boot goed volgeladen was, dook het zeemeerminnetje
-weg in de zee en lachte hem toe.
-
-Maar nooit kwam zij hem zoo na, dat hij haar had kunnen
-aanraken. Menigmaal riep hij haar, en bad haar toch dichter bij hem
-te komen, maar zij wilde niet, en wanneer hij beproefde haar vast
-te grijpen, dan dook zij snel weg in het water, zooals ook wel een
-zeehond duikt, en hij zag haar op dien dag niet meer terug.
-
-En met elken dag klonk het geluid harer stem hem liefelijker
-in de ooren. Zoo liefelijk klonk haar stem, dat hij zijne netten
-vergat en al zijn list, en zich gansch niet meer bekommerde om zijn
-handwerk. Met hunne roode vinnen en hunne uitpuilende gouden oogen,
-trokken de tonijnen in scharen rond zijn boot: hij sloeg geen acht
-op hen. Zijn speer lag ongebruikt aan zijne zijde en zijne biezen
-korven bleven ledig. Met geopende lippen, en oogen die van verlangen
-zich donker kleurden, zat hij in zijn boot en luisterde, luisterde,
-totdat de zeenevelen met hare dichtgeweven sluiers hem omsloten,
-en de dwalende maan zijn bruine lijf met zilveren glans overgoot.
-
-En op een avond riep hij haar en sprak:
-
---"Klein zeemeerminnetje, klein zeemeerminnetje, ik heb je lief! Laat
-mij je bruidegom zijn, want ik heb je lief."
-
-Maar het zeemeerminnetje schudde het hoofd.
-
---"Ge hebt een menschelijke ziel," antwoordde zij, "alleen wanneer ge
-je ziel van je zoudt kunnen wegzenden, zou ik je lief kunnen hebben."
-
-En de jonge man dacht nà over hare woorden en sprak tot zichzelf:
-"Welk nut heb ik van mijn ziel? Ik kan haar niet zien. Ik kan haar
-niet betasten. Ik ken haar niet. Waarlijk, ik zal mijn ziel wegzenden,
-dàn zal groote vreugde mijn deel worden."
-
-En een blijde kreet jubelde van zijne lippen en hij stond overeind
-in zijn beschilderde boot en strekte de handen uit naar het
-zeemeerminnetje.
-
---"Ik zal mijn ziel wegzenden," riep hij haar toe, "en je zult mijn
-bruid zijn en ik je bruidegom, en op den bodem van de zee zullen wij te
-samen wonen, en alles, waarvan je gezongen hebt, zult ge mij toonen,
-en alles, wat je verlangt, zal ik doen, en ons leven zal heerlijk
-zijn voor altijd."
-
-En de kleine zeemeermin lachte van blijdschap en verborg haar gelaat
-in de handen.
-
---"Maar hoe zal ik mijn ziel wegzenden?" riep de jonge visscher. "Zeg
-mij hoe ik dat doen kan en zie, het zal gebeuren."
-
---"Ach, dat weet ik niet," zei de kleine zeemeermin, "het watervolk
-heeft geen ziel." En zij dook weg in de diepte, terwijl hare oogen
-een blik op hem richtten, waaruit al haar verlangen sprak.
-
-
-
-En den volgenden morgen vroeg, toen de zon nog nauwelijks een handbreed
-boven den heuvel zichtbaar was geworden, begaf zich de jonge visscher
-naar het huis van den priester en klopte driemaal aan de deur.
-
-Een kloosterling blikte door een kleine opening naar buiten, en toen
-hij zag wie 't was, schoof hij den grendel van de deur en sprak:
-"Treed binnen."
-
-En de jonge visscher trad binnen en knielde op de geurige rieten
-mat terneer, en tot den priester, die in het heilige boek te lezen
-zat, sprak hij: "Vader, hoor mij aan! Eene van het watervolk heb ik
-lief gekregen en mijn ziel is oorzaak, dat ik mijn verlangen niet
-kan stillen. Zeg mij, hoe ik mijn ziel van mij kan doen gaan, want
-waarlijk, ik heb haar niet noodig! Welke waarde heeft mijn ziel voor
-mij? Zien kan ik haar niet, betasten evenmin. En kennen doe ik haar
-óók niet."
-
-De priester sloeg zich op de borst en sprak:
-
---"Wee, wee, ge zijt waanzinnig, of ge hebt van verderfelijke kruiden
-gegeten, want weet ge niet, dat de ziel het kostbaarste goed des
-menschen is, en ons van God gegeven werd, opdat wij haar op edele
-wijze zouden gebruiken? Er bestaat niets, dat zoo kostbaar is op
-aarde als de menschelijke ziel, en geen aardsche vreugde kan tegen
-haar opwegen. Zij is meer waard dan al het goud, dat zich in de aarde
-bevindt, en meer waard dan de robijnen der Koningen. Daarom, mijn
-zoon, denk niet meer aan 't geen ge daar gezegd hebt, want het is
-een zonde waarvoor geen vergeving bestaat. En het watervolk! Dat is
-een verloren volk, en zij, die zich met hen inlaten, zullen eveneens
-verloren gaan. Zij gelijken de dieren des velds, die het goede niet van
-het kwade kunnen onderscheiden, en voor hen is de Heer niet gestorven."
-
-De oogen van den jongen visscher vulden zich met tranen, toen hij
-de strenge woorden van den priester hoorde, en hij stond uit zijne
-knielende houding op en sprak:
-
---"Vader, de faunen leven in het woud en zijn blijmoedig, en op de
-rotsen zitten de waterbewoners met hunne harpen van rood goud. Laat
-mij zijn zooals zij, ik bid u, vader, want hunne dagen zijn gelijk
-de dagen der bloemen. En mijn ziel! Wat deert mij mijn ziel, wanneer
-zij staat tusschen mij en dat wat ik liefheb?"
-
---"De liefde der zinnen is verachtelijk," sprak de priester, en
-op zijn voorhoofd groefden zich diepe rimpels, "en verachtelijk
-en slecht zijn ook de heidensche schepselen die God door zijn
-wereld laat dwalen. Vervloekt mogen de faunen van het woud zijn en
-vervloekt de zangers van de zee! Ik heb ze in nachttijd gehoord,
-als zij beproefden mij van mijne gebeden af te leiden. Zij kloppen
-aan het venster en lachen. Zij fluisteren mij het sprookje van hunne
-verderfelijke vreugden in de ooren. Zij trachten mij in verzoeking te
-brengen met verleidelijke taal, en wanneer ik mij in vrome aandacht
-wil verdiepen, zie ik hunne spottende grimassen. Zij zijn verloren
-zeg ik u, zij zijn verloren. Voor hen bestaat geen hemel en geen hel,
-en hier noch ginds, zullen zij den naam van God ooit prijzen."
-
---"Vader," riep de jonge visscher, "gij weet niet wat gij zegt! Eens
-ving ik in mijne netten de dochter van een Koning. Zij is schooner
-dan de morgenster en blanker dan de maan. Voor háár bezit wil ik mijn
-ziel prijsgeven en voor hare liefde moge de hemel voor mij verloren
-zijn. Geef mij antwoord op mijn vraag, en laat mij in vrede van
-u gaan."
-
---"Weg! weg!" riep luid de priester. "Uw lief is verloren en gij zelf
-zult met haar verloren zijn!" En hij weigerde hem zijn zegen en dreef
-hem weg van uit zijne deur.
-
-Langzaam, het hoofd gebogen als een die rouw draagt in het hart, liep
-de jonge visscher naar de markt. Toen de kooplieden hem zagen komen,
-begonnen zij onderling te fluisteren, en een van hen trad naar hem toe,
-riep hem bij den naam en sprak:
-
---"Wat hebt ge te verkoopen?"
-
---"Mijn ziel wil ik verkoopen," antwoordde de jonge visscher, "ik
-bid u, koop mijn ziel, want ik ben haar moede. Wat nut brengt mij
-mijn ziel? Ik kan haar niet zien. Ik kan haar niet betasten. Ik ken
-haar niet!"
-
-Maar de kooplieden lachten hem uit en spraken:
-
---"Wat nut brengt ons de ziel van een mensch? Zij is geen stuk
-gestempeld zilver waard. Verkoop ons uw lijf als slaaf, en wij zullen u
-in purper kleeden en een ring aan uw vinger steken, en u tot gunsteling
-maken van de groote Koningin. Maar spreek niet van uw ziel: ons gaat
-zij niets aan en voor onze zaak heeft zij geenerlei waarde."
-
-En de jonge visscher overlegde bij zichzelf: "Hoe zonderling is dit! De
-priester zeide, dat de ziel kostbaarder was dan al het goud der aarde,
-en de kooplieden zeggen, dat zij geen stuk gestempeld zilver waard is."
-
-En hij verliet de markt en schreed omlaag, naar de kusten der zee,
-en begon te overdenken wat hij wel doen zou.
-
-En des namiddags viel hem te binnen, dat een zijner vrienden die
-zeevenkel gaarde hem van een jonge heks gesproken had, die in een
-spelonk aan het einde van de bocht woonde, en groote kennis had van
-vele dingen. En hij besloot tot haar te gaan, en zoo verlangend was
-hij van zijn ziel bevrijd te zijn, dat hij liep zoo snel hij kon;
-een stofwolk volgde hem, toen hij op het zand aan de kust voortijlde.
-
-Aan het jeuken van haar hand, bespeurde de heks, dat de jonge visscher
-naderde; zij lachte en liet heur roode haar lang neervallen. En met
-het roode, los golvende haar om hare schouders stond zij aan den
-ingang van de spelonk te wachten, en in de eene hand hield zij een
-tak dolle kervel die in bloei stond.
-
---"Wat verlangt ge? Wat verlangt ge?" riep zij hem tegemoet, toen hij
-buiten adem de helling opgeklommen kwam en voor haar boog. "Verlangt
-ge visschen in uw net, wanneer de wind tegen is? Ik heb een kleine
-rieten fluit, en wanneer ik daarop speel, dan komen de harders
-de bocht ingezwommen. Maar zij kost veel, schoone knaap, zij kost
-veel! Wat verlangt ge? Wat verlangt ge? Een storm, die de schepen doet
-schipbreuk lijden, en de kisten der rijke kooplieden aan de kusten doet
-spoelen? Ik beschik over meer stormen dan de wind, want ik dien Een,
-die sterker is dan de wind, en met een zeef en een emmer water kan
-ik de groote galeien naar den bodem van de zee doen dalen. Maar ik
-laat mij duur betalen, schoone knaap, ik laat mij duur betalen. Wat
-verlangt ge? Wat verlangt ge? Ik ken een bloem, die in het dal groeit,
-niemand weet van haar dan ik-alleen. Zij heeft scharlaken bladen en
-draagt een ster in het hart en haar sap is wit als melk. Wanneer
-ge met deze bloem de trotsche lippen der Koningin aanraakt, dan
-volgt zij u over de gansche wereld. Van de zijde des Konings zou
-zij moeten opstaan om u over de gansche wereld te volgen. Maar
-slechts voor hoogen prijs verkrijgt men die bloem, schoone knaap,
-slechts voor hoogen prijs. Wat verlangt ge? Wat verlangt ge? Ik kan
-een pad in den vijzel fijnstampen, en een aftreksel daarvan maken,
-en het aftreksel met de hand van een doode omroeren. Spat het op uw
-vijand wanneer hij slaapt, zoo zal hij in een zwarte adder veranderd
-worden, en zijne eigen moeder zal hem neervellen. Met een rad kan
-ik de maan van den hemel neerhalen, en in een kristal u den dood
-laten zien. Wat verlangt ge? Wat verlangt ge? Zeg mij uw verlangen,
-en ik wil die vervullen, maar gij zult mij daarvoor moeten betalen,
-schoone knaap, gij zult mij daarvoor moeten betalen."
-
---"Mijn wensch is niet groot," zeide de jonge visscher, "maar de
-priester is toornig op mij geworden en heeft mij weggejaagd. Mijn
-wensch is niet groot, maar de kooplieden hebben mij bespot en mijn
-verzoek afgeslagen. Daarom ben ik tot u gekomen, hoewel de menschen
-u eene booze vrouw noemen; en welke ook uw prijs moge zijn, ik zal
-dien betalen."
-
---"Wat is dan uw wensch?" vroeg de heks en trad dichter bij.
-
---"Ik wil mijn ziel van-mij zenden," antwoordde de jonge visscher.
-
-De heks verbleekte en huiverde en bedekte haar aangezicht met haar
-blauwen mantel.
-
---"Schoone knaap, schoone knaap," murmelde zij, "dit te verlangen
-is vreeselijk."
-
-Hij schudde zijne bruine lokken naar achteren en lachte.
-
---"Mijn ziel lijkt mij een nietig ding," antwoordde hij, "ik kan haar
-niet zien. Ik kan haar niet betasten. Ik ken haar niet."
-
---"Wat zult gij mij geven, wanneer ik het u zeg?" vroeg de heks en
-zij keek strak op hem neer met hare diep-donkere oogen.
-
---"Vijf stukken goud," antwoordde hij, "en mijne netten en het huis
-van gevlochten riet waarin ik woon, en de geschilderde boot waarin
-ik vaar. Zeg mij alleen maar, hoe ik mij bevrijden kan van mijn ziel,
-en alles wat ik bezit zal ik u geven."
-
-Zij lachte spotachtig en raakte hem even aan met haar bloeienden tak
-van dolle kervel.
-
---"Ik kan de bladeren van den herfst in goud veranderen," zeide zij,
-"en ik kan de bleeke stralen van de maan tot zilveren draden weven,
-wanneer ik dat wil. Hij, dien ik dien, is rijker dan alle Koningen
-van de aarde, en hij beheerscht al hunne landen."
-
---"Wat zal ik u dan geven," riep de jonge visscher, "wanneer uw prijs
-niet uit goud en niet uit zilver kan bestaan?"
-
-De heks streek met hare dunne witte hand over het roode los-zwierende
-haar.
-
---"Gij moet met mij dansen, schoone knaap," murmelde zij en zij lachte
-hem toe, terwijl zij dit zeide.
-
---"Anders niet?" vroeg de jonge visscher verwonderd, en verheugd
-sprong hij op.
-
---"Anders niet," antwoordde zij en wederom lachte zij hem toe.
-
---"Dan zullen wij op een stille plaats gaan dansen, wanneer de zon zal
-zijn ter kimme gedaald," zeide hij, "en wanneer wij gedanst hebben,
-zult gij mij dan zeggen, wat ik verlang te weten?"
-
-Zij schudde het hoofd.
-
---"Wanneer de maan vol is, wanneer de maan vol is," murmelde zij.
-
-Toen keek zij spiedend om zich heen en luisterde. Een blauwe vogel
-vloog krijschend uit zijn nest en cirkelde boven de duinen, en drie
-bontkleurige vogels ritselden door het stoppelige gras en floten
-elkaar toe. En anders was er geen geluid, dan het geluid van de golven,
-die daar beneden over de gladde kiezelsteenen bruisten. Toen strekte
-zij haar hand uit, trok hem dicht naar zich toe, en legde hare dunne
-lippen aan zijn oor.
-
---"Heden nacht moet gij met mij naar den top van den berg gaan,"
-fluisterde zij, "het is Sabbatdag en Hij zal komen."
-
-De jonge visscher huiverde en zag haar vragend aan, terwijl zij lachte
-en hare witte tanden liet zien.
-
---"Wie is Hij van wien ge spreekt?" vroeg hij.
-
---"Dat doet er niet toe," antwoordde zij. "Kom dezen nacht, blijf staan
-onder de takken van den witten beuk en wacht tot gij mij ziet. Wanneer
-een zwarte hond op u toe komt geloopen, sla hem dan met een wilgentak
-en hij zal van u gaan. Wanneer een uil tot u spreekt, antwoord dan
-niet. Als de maan vol is, zal ik bij u zijn, en wij zullen op het
-gras dansen."
-
---"Maar wilt ge mij zweeren, dat ge me dan zeggen zult, hoe ik mijn
-ziel van-mij kan zenden?" vraagde hij.
-
-Zij trad naar buiten in het zonlicht, en de wind speelde met het
-lokkige roode haar.
-
---"Ik zweer het bij de hoeven van de geit," antwoordde zij.
-
---"Gij zijt de beste van alle heksen," riep de jonge visscher "en ik
-zal gaarne heden nacht met u dansen op den top van den berg. Liever
-ware 't mij wel geweest, wanneer ge goud of zilver van mij hadt
-verlangd. Maar wàt ook uw prijs moge zijn, gij zult dien ontvangen,
-want het zal mij een geringe prijs zijn."
-
-En hij zwenkte zijne muts voor haar en boog diep het hoofd en liep
-terug naar de stad, van groote vreugde vervuld.
-
-De heks zag hem nà terwijl hij zich verwijderde, en toen hij uit
-hare oogen verdwenen was, ging zij terug naar de spelonk, nam een
-spiegel uit een kistje van uitgesneden cederhout, plaatste dien op
-een voetstuk, en brandde daarvoor ijzerkruid op koolen vuur. En zij
-keek aandachtig naar het uitwolken van den rook. Na eene poos balde
-zij toornig de hand.
-
---"Den mijnen had hij moeten zijn," murmelde zij. "Ik ben even schoon
-als zij."
-
-En 's avonds, toen de maan hoog aan den hemel stond, steeg de jonge
-visscher naar den top van den berg, en wachtte onder de takken van den
-witten beuk. Als een schild van blank zilver lag de ronde meerboezem
-aan zijne voeten, en de schaduwen der visschersbooten wiegelden zich
-zacht in de kleine bocht.
-
-Een groote uil, met zwavel-geele oogen riep hem bij zijn naam, maar hij
-antwoordde niet. Een zwarte hond kwam op hem toe en gromde. Hij sloeg
-naar hem met zijn wilgentak en de hond liep kwispelstaartend heen.
-
-Te middernacht kwamen de heksen als vledermuizen door de lucht
-gevlogen. "Phoen!" riepen zij, toen zij den grond raakten, "hier moet
-er een zijn dien wij niet kennen."
-
-En zij snuffelden overal in 't rond, kakelden onderling en gaven
-elkaar teekens. Als laatste kwam de jonge heks. Heur roode haar
-zwierde in den wind; zij had een kleed aan uit goudstof geweven,
-waarop pauwenoogen geborduurd waren, en op het hoofd droeg zij een
-kleine muts van groen fluweel.
-
---"Waar is hij? Waar is hij?" riepen de heksen, toen zij haar gewaar
-werden. Maar zij lachte als eenig antwoord, liep naar den witten beuk,
-nam den jongen visscher bij de hand, trad met hem naar voren in het
-heldere maanlicht en begon te dansen.
-
-Om en om keerden zij zich in dollen overmoed en de jonge heks sprong
-daarbij zoo hoog, dat hij de scharlaken hakken van hare schoentjes
-kon zien. Toen hoorde hij, dwars door de dansenden heen, duidelijk
-het geluid van een galoppeerend paard, maar men zag geen paard,
-en het werd hem onrustig te moede.
-
---"Vlugger;" riep de heks, en zij sloeg wild hare armen om zijn
-hals, en hij voelde haar warmen adem op zijn aangezicht. "Vlugger,
-vlugger!" herhaalde zij, en de aarde scheen onder zijne voeten te
-draaien, en zijn blik werd beneveld en een groote angst beving hem,
-alsof een booze geest hem in het aangezicht blikte.
-
-En toen eerst zag hij onder de schaduw van een vooruitspringende rots
-eene gestalte, die er tevoren niet gestaan had.
-
-Het was die van een man in gewaad van zwart fluweel, naar Spaansche
-dracht gesneden. Zijn gelaat was uitermate bleek, maar zijn mond
-geleek een trotsche roode bloem. Hij scheen vermoeid en leunde tegen
-de rots, terwijl zijn hand achteloos met het gevest van een dolk
-speelde. Naast hem op het gras lag een met veeren getooiden hoed en
-een paar rijhandschoenen, die met gouden koorden versierd, en met
-paarlen bestikt waren, in figuren van zonderling symbool. Een koter,
-met sabelbont gevoerde mantel, hing over zijne schouders, en zijne
-fijne witte handen waren met ringen bezet. Zwaar vielen hem de oogleden
-over de oogen. De jonge visscher zag hem aan, en hij gevoelde zich
-als iemand, die onder de macht eener zonderlinge betoovering geraakt
-was. Eindelijk ontmoetten beider blikken elkaar, en toen gebeurde het,
-dat, wáár hij ook danste, hij steeds de oogen van den somberen man op
-zich voelde rusten. Hij hoorde hoe de heks lachte, krachtiger omvatte
-hij haar lijf, en wilder nog draaide hij met haar in de rondte.
-
-Plotseling blafte een hond in het bosch, de dansenden stonden stil en
-bewogen zich paarsgewijze, knielden toen neder voor den man en kusten
-hem de hand. Terwijl zij zoo deden, speelde een vluchtig lachje over
-zijne trotsche lippen, zooals eens vogels vleugelpaar lichtelijk over
-het water scheert. Maar verachting lag in dien lach, en voortdurend
-bleef zijn blik op den jongen visscher gevestigd.
-
---"Kom, laten wij gaan en hem aanbidden," fluisterde de heks, en zij
-voerde hem met zich mede. En een groot verlangen om te doen wat zij
-gebood greep hem aan, en hij volgde haar. Maar toen hij naderbij kwam,
-maakte hij, zonder dat hij wist waarom, op zijn borst het teeken des
-kruizes, en noemde den heiligen naam.
-
-En nauwelijks had hij dit gedaan, of de heksen krijschten luid als
-wilde valken en vloden heen naar alle richtingen, en het bleeke
-gelaat dat hem voortdurend had aangezien, vertrok zich in een kramp
-van pijn. De man verdween in het kreupelbosch en floot. Een klein
-Spaansch ros, met zilver opgetuigd, sprong hem tegemoet. Hij wierp
-zich in het zadel, keerde zich om, en zag met droeven blik naar den
-jongen visscher. En de heks met het roode haar beproefde eveneens
-te ontvluchten, maar de visscher greep haar bij den pols en hield
-haar tegen.
-
---"Laat mij los," riep zij, "en laat mij gaan! Want gij hebt genoemd
-wat niet genoemd mag worden, en het teeken gemaakt, dat niet gemaakt
-mag worden."
-
---"Neen," antwoordde hij, "ik laat u niet los, alvorens gij mij het
-geheim gezegd hebt."
-
---"Welk geheim?" vroeg de heks, en zij worstelde met hem als een
-wilde kat en beet zich op de met schuim bedekte lippen.
-
---"Gij weet wat ik meen," antwoordde hij.
-
-Hare grasgroene oogen werden donker van tranen en zij sprak tot
-den visscher:
-
---"Verlang alles van mij wat ge wilt, alleen dit eene niet."
-
-Hij lachte en hield haar des te steviger omklemd.
-
-En toen zij zag dat hare pogingen vruchteloos waren, fluisterde
-zij aan zijn oor: "Ben ik niet even schoon als het kind van de zee,
-en even bekoorlijk als zij, die in het blauwe water woont?" en zij
-vleide zich tegen hem aan en drukte haar gelaat aan zijn borst. Maar
-zijn voorhoofd rimpelde zich van toorn, hij stiet haar ruw van zich af
-en sprak: "Wanneer ge de belofte niet houdt die ge mij gegeven hebt,
-zal ik je dooden als een valsche heks."
-
-Zij werd zoo grauw als een judaspenningblad en huiverde.
-
---"Zoo zij het dan!" murmelde zij. "Het geldt uwe ziel, niet de
-mijne. Doe met haar wat ge wilt."
-
-En zij nam uit haar gordel een kleinen dolk, die een handvat had van
-groene adderenhuid, en gaf hem dien.
-
---"Waartoe moet de dolk mij dienen?" vroeg hij verwonderd.
-
-Zij zweeg een oogenblik, en eene uitdrukking van ontzetting vloog
-over haar gezicht. Toen streek zij de lokken weg van haar voorhoofd,
-en met een zonderling lachje sprak zij:
-
---"Wat de menschen de schaduw van het lichaam noemen, dat is niet de
-schaduw van het lichaam, maar dat is het lichaam van de ziel. Plaats
-u aan de kust van de zee, den rug tegen de maan gekeerd, en snijd
-rondom uwe voeten de schaduw weg, die het lichaam van uw ziel is,
-en gebied uw ziel vàn-u te gaan. En zij zal u gehoorzamen."
-
-De jonge visscher huiverde.
-
---"Is dat waar?" fluisterde hij.
-
---"Dat is waar--maar ik wilde dat ik het u niet gezegd had!" riep
-zij en omklemde weenend zijn knie. Hij duwde haar terug en liet haar
-achter in het welige gras, stak den dolk in zijn gordel, ging naar
-den rand van den berg en begon den weg afwaarts te dalen.
-
-En de ziel die in hem was, sprak tot hem: "Zie, ik ben bij u geweest
-al deze jaren lang, en heb u trouw gediend. Zend mij nu niet weg van
-u. Want welk leed heb ik u aangedaan?"
-
-De jonge visscher lachte.
-
---"Gij hebt mij geen leed aangedaan," zeide hij, "maar ik kan u niet
-langer gebruiken. De wereld is groot en er is nog een hemel, en ook
-een hel, en er is het donkere schemerhuis, dat tusschen die beiden
-ligt. Ga waarheen ge wilt, maar stoor mij niet, want mijn liefde
-verlangt naar mij."
-
-En zijn ziel weende en smeekte om genade, maar hij luisterde niet
-naar haar; vlug sprong hij van de eene klip op de andere, want zijn
-voet was zeker als die van een wilde gems, en eindelijk had hij het
-strand bereikt, en de gele kust van de zee.
-
-Met een lichaam als uit brons gegoten, en ledematen zoo forsch en
-fier als die van een Grieksch beeld, zoo stond hij op het zand,
-den rug naar de maan gekeerd.
-
-En uit het spattende schuim hieven zich slanke armen die hem wenkten,
-en uit de deinende golven stegen donkere gestalten, die hem huldigden,
-en achter hem stond de maan aan den honingkleurigen hemel.
-
-En zijn ziel sprak tot hem:
-
---"Wanneer ge mij werkelijk van u zenden wilt, stuur mij dan niet heen
-zonder uw hart. De wereld is wreed, geef mij uw hart mede op mijn weg."
-
-Maar hij wierp het hoofd achterover en lachte.
-
---"Waarmede zou ik mijn liefste liefhebben, wanneer ik u mijn hart
-gaf?" riep hij.
-
---"Ach, heb erbarmen met mij," klaagde de ziel, "geef mij uw hart,
-want de wereld is zoo wreed en ik ben vol vreeze."
-
---"Mijn hart behoort aan mijn liefste," antwoordde hij. "Aarzel daarom
-niet langer en ga heen van mij."
-
---"Moet ik dan niet óók liefhebben?" vroeg de ziel.
-
---"Nog eenmaal: ga heen, want ik heb u niet noodig," riep de jonge
-visscher, en hij nam den kleinen dolk met het handvat van groene
-adderenhuid en sneed de schaduw rondom zijne voeten weg; en hij
-richtte zich op en stond voor de schaduw; en hij bezag die en die
-was gelijk hemzelf.
-
-Hij trad eenige schreden terug en stak den dolk in zijn gordel;
-een gevoel van angst en schuwheid bekroop hem.
-
---"Ga heen," murmelde hij, "en laat mij uw aangezicht nooit meer vóór
-mij zien."
-
---"Ik ga,.... Maar wij zullen elkaar weervinden," zeide de ziel. Haar
-stem klonk zacht en zangerig gelijk een fluit, en hare lippen bewogen
-zich nauwelijks terwijl zij sprak.
-
---"Hoe zouden wij elkander ooit terugzien?" vroeg de jonge
-visscher. "Gij zult mij toch niet tot in de diepten der zee volgen?"
-
---"Eenmaal in elk jaar zal ik hierheen komen en u aanroepen," sprak
-de ziel. "Het kon zijn, dat ge mij noodig hadt."
-
---"Hoe zoude ik u noodig kunnen hebben?" riep de jonge visscher. "Maar
-het geschiede zooals gij zegt!"
-
-En met een sprong dook hij weg in het water, en de tritonen bliezen
-op hunne hoorns, en het kleine zeemeerminnetje kwam naar boven, hem
-tegemoet gezwommen, en zij sloeg hare armen om zijn hals en kuste
-hem op den mond.
-
-Aan het eenzame strand van de zee stond de ziel en zag het schouwspel
-aan.
-
-En toen zij hen zag wegzinken in de diepte, ging zij weenend heen.
-
-En verdween achter de moerassen.
-
-
-
-En toen een jaar verstreken was, keerde de ziel terug naar de kust
-van de zee, en riep den jongen visscher, en hij steeg uit de diepte
-opwaarts en sprak:
-
---"Waarom roept ge mij?"
-
-En de ziel antwoordde:
-
---"Kom naderbij, opdat ik met u spreken kan, want ik heb heerlijke
-dingen gezien!"
-
-En hij kwam nader en zette zich aan den zoom van het water, leunde
-met het hoofd in de hand en luisterde. En de ziel sprak tot hem:
-
-"Nadat ik u verlaten had keerde ik naar den kant van het Oosten, en
-begon er mijn zwerftocht. Uit het Oosten komt alle wijsheid. Zes dagen
-zwierf ik rond, en op den morgen van den zevenden dag kwam ik aan een
-heuvel, die in het land der Tartaren ligt. Ik zette mij neder in de
-schaduw van een tamariskenboom, om mij voor de zon te beschutten. Het
-land was droog en door de hitte verschroeid. De menschen liepen her
-en derwaarts in de vlakte, gelijk vliegen, die over een plaat van
-blinkend koper kruipen.
-
-Tegen den middag, verhief zich aan den vlakken kant van het land
-een roode stofwolk. Toen de Tartaren dit zagen spanden zij hunne
-beschilderde bogen, sprongen op hunne kleine paarden en reden de
-stofwolk tegemoet. De vrouwen vluchtten met groot misbaar naar de
-wagens, en verborgen zich achter de voorhangen van dierenvellen. Toen
-het begon te schemeren kwamen de Tartaren terug, maar vijf van
-hen ontbraken, en van degenen, die terugkwamen, waren niet weinige
-verwond. Zij spanden hunne paarden voor de wagens en reden haastig
-weg. Drie jakhalzen slopen uit een hol en zagen hen na. Zij snoven
-met welbehagen de lucht in hunne neusgaten op en draafden in de
-tegenovergestelde richting heen.
-
-Toen de maan opkwam, zag ik een bivakvuur in de vlakte opvlammen en
-begaf mij daarheen. Een kring van kooplieden zat rond het vuur, op
-uitgespreide tapijten. Hunne kameelen waren, achter hen, aan palen
-gebonden, en de negers, die hunne slaven waren, sloegen op het zand
-tenten van gelooide vachten op, en bouwden eene hooge omheining
-van stekeldraad.
-
-Terwijl ik hen naderde, stond het hoofd van de karavaan op, trok
-zijn zwaard uit de scheede en vroeg wat ik wilde. Ik antwoordde
-dadelijk, dat ik de vorst was van een ver gelegen rijk, en dat ik
-den Tartaren ontvlucht was, die mij tot hun slaaf hadden willen
-maken. De hoofdman lachte, en toonde mij vijf menschelijke hoofden,
-die op lange bamboestaven staken.
-
-Daarop vroeg hij wie de Profeet van God was en ik antwoordde Mohamed.
-
-Toen hij den naam van den valschen Profeet hoorde, boog hij zich, nam
-bij mij de hand en deed mij naast hem ter neer zitten. Een neger reikte
-mij paardemelk in een houten schotel en een stuk gebraden lamsvleesch.
-
-Bij het schemeren van den dag, braken wij op. Ik reed op een
-roodharigen kameel aan de zijde van den hoofdman, en een voorlooper
-draafde voor ons uit en droeg een speer. Aan beide kanten bevonden
-zich gewapende slaven, en muildieren volgden met de koopwaren. Veertig
-kameelen telde de karavaan en de muildieren waren tweemaal veertig
-in getal.
-
-Wij kwamen, van uit het land der Tartaren, in het land van hen, die
-de maan vervloeken. Wij zagen de Gryphen hun goud op de witte rotsen
-bewaken en de geschubde draken in hunne holen slapen. Toen wij over
-het gebergte trokken, hielden wij den adem in, opdat de sneeuw niet op
-ons zou neervallen, en elk onzer bond zich een sluier van gaas voor de
-oogen. Toen wij door de valleien liepen schoten de Pygmeën uit holle
-boomstammen met pijlen naar ons, en des nachts hoorden wij de wilden
-op hunne trommels slaan. Toen wij bij den Toren van de Apen kwamen,
-zetten wij hen vruchten voor, en zij deden ons geen kwaad. Toen wij
-bij den Toren van de Slangen kwamen, reikten wij hen warme melk in
-koperen schotels, en zij lieten ons voorbijtrekken. Drie malen kwamen
-wij op onze reizen aan de oevers van den Oxos. Wij trokken er over
-met behulp van houten vlotten, waaraan groote met lucht gevulde blazen
-bevestigd waren. De Nijlpaarden stormden tegen ons aan en wilden ons
-dooden. Toen de kameelen hen zagen, sidderden zij van angst.
-
-De Koningen van elke stad hieven invoergeld van ons, maar veroorloofden
-ons geen toegang binnen hunne poorten. Zij wierpen ons over de muren
-brood toe, kleine maïskoeken die in honing gebakken waren, en koeken
-uit fijn meel die met dadels gevuld waren. Voor honderd korven brood
-gaven wij eene barnsteenkraal.
-
-Wanneer de bewoners der dorpen ons zagen komen, vergiftigden zij de
-bronnen en vloden op de heuvels. Wij streden met de Magaden, die,
-oud geboren, van jaar tot jaar jonger worden, en sterven wanneer
-zij kleine kinderen zijn geworden; met de Lakten, die van tijgers
-beweren af te stammen, en zich zwart en geel beschilderen; met de
-Auranten, die hunne dooden in de kruinen der boomen begraven en zelf
-in donkere holen wonen, opdat de zon, die hun God is, hen niet doode;
-met de Krimniers, die een krokodil aanbidden, hem met boter en levend
-gevleugelte voederen; met de Agazomben, die hondengezichten, en met
-de Sibers, die paardevoeten hebben en sneller loopen dan paarden. Een
-derde van onzen troep stierf in den strijd, en een derde stierf door
-gebrek. De rest morde tegen mij en zeide, dat ik hen ongeluk gebracht
-had. Daarop nam ik van onder een steen een adder, en liet mij door haar
-bijten. En toen zij zagen, dat ik niet ziek werd, beving hen vreeze.
-
-In de vierde maand bereikten wij de stad Illel. Het was nacht toen
-wij aan het bosch kwamen, dat zich voor de stadsmuren uitstrekte. De
-lucht was zwoel, want de maan stond in den Schorpioen. Wij namen de
-rijpe granaatappels van de boomen, openden die en dronken er het zoete
-sap van. Daarop strekten wij ons uit op onze tapijten en wachtten de
-ochtendschemering af.
-
-En met de schemering stonden wij op en klopten aan de stadspoort. Die
-was van rood brons vervaardigd, waarin zeegedrochten en gevleugelde
-draken waren gegoten. De schildwachten zagen van de wallen op ons
-neder en vraagden wat wij begeerden. De tolk der karavaan antwoordde,
-dat wij met vele koopwaren van het Syrische eiland kwamen. Zij namen
-gijzelaars uit ons midden en zeiden, dat zij ons des middags de poort
-zouden openen, en dat wij tot dat tijdstip te wachten hadden.
-
-Toen het middag werd, openden zij de poort, en toen wij binnentrokken,
-kwam het volk in scharen uit de huizen om ons te zien, en een omroeper
-ging door de gansche stad en blies op een schelp. Wij stonden op
-het marktplein, en de negers bonden de balen met bonte doeken los
-en openden de uitgesneden kisten van Sykomorenhout. En toen zij dit
-gedaan hadden, haalden de kooplieden hunne buitenlandsche waren te
-voorschijn: gewast linnen uit Egypte en beschilderd linnen uit het land
-der Ethiopiërs; purperkleurige sponsen uit Tyrus en blauwe behangsels
-van Sidon; schalen van blank ivoor en doorzichtige vazen van glas,
-en zonderling aardewerk. Een schare van vrouwen sloeg ons van uit het
-dak van een huis gade. Een harer droeg een masker van verguld leder.
-
-En op den eersten dag kwamen de priesters en dreven ruilhandel met
-ons, en op den tweeden dag kwamen de adelijken, en op den derden dag
-kwamen de handwerkers en de slaven. Dit alles volgens het gebruik
-van alle kooplieden, zoolang zij in die stad verwijlen.
-
-En wij toefden er een maand lang, en toen de maan afnam verlangde ik
-verder te gaan, en liep door de straten der stad, en kwam eindelijk
-aan den tuin van hunnen God. Priesters in geelzijden gewaden zag
-ik zwijgend onder de groene boomen schrijden, en, op een onderbouw
-van zwart marmer, stond het lichtroode huis, waarin de God verblijf
-hield. De deuren waren er met goudlak overtrokken, waarop stieren
-en pauwen in gedreven glanzend goud. Het dak was belegd met tegels
-van zeegroen porcelein, en aan de naar buiten loopende dakgootpijpen
-hingen kleine klokken. Wanneer de witte duiven voorbij vlogen, bewogen
-zij met hare vleugels de klokken, die dan tinkelend geluid gaven. Voor
-den tempel bevond zich een vijver vol helder water, die met gestreept
-agaat geplaveid was. Ik zette mij aan den rand terneer en betastte
-met mijne bleeke vingers de breede bladen der waterplanten. Een der
-priesters kwam naderbij en trad achter mij. Hij droeg sandalen aan
-de voeten; de eene sandaal bestond uit zacht slangenvel en de andere
-uit vogelveeren. Op zijn hoofd droeg hij een muts van zwart vilt, die
-met zilveren maansikkels versierd was. Zeven kleuren van geel waren
-in zijn kleed geweven en zijn krullend haar was met antimoon bestrooid.
-
-Na eene wijle richtte hij het woord tot mij, en vroeg wat ik verlangde.
-
-Ik zeide hem dat ik den God wenschte te zien.
-
---"De God is op de jacht," zeide de priester, en keek mij met zijne
-kleine schuine oogen onderzoekend aan.
-
---"Zeg mij in welk bosch, zoo wil ik met hem ter jacht gaan,"
-antwoordde ik.
-
-Hij kamde met zijne lange spitse nagels de franje van zijn gewaad.
-
---"De God slaapt," antwoordde hij.
-
---"Zeg mij op welk rustbed hij ligt, zoo wil ik bij hem waken,"
-antwoordde ik.
-
---"De God is bij den maaltijd," riep hij.
-
---"Als de wijn zoet smaakt, dan wil ik dien met hem drinken, en ook zoo
-de wijn zuur is, zal ik dien met hem drinken," luidde mijn antwoord.
-
-Hij boog verwonderd het hoofd, nam mij bij de hand en geleidde mij
-in den tempel.
-
-En in het eerste vertrek zag ik een afgodsbeeld zitten, op een troon
-van jaspis die met kostbare paarlen uit het Oosten omzet was. Het
-beeld was uit ebbenhout gesneden en zijne gestalte was die van een
-man. Op het voorhoofd droeg hij een robijn en dikke druppels geurige
-olie vielen uit zijn haar op zijne dijen. Zijne voeten waren rood
-gekleurd door het bloed van een frisch geslacht lam, en zijne lendenen
-waren omsloten door een breeden koperen gordel, die met zeven berillen
-bezet was.
-
-En ik vraagde den priester: "Is dit de God?" en hij antwoordde:
-"Dit is de God."
-
---"Toon mij den God," riep ik uit, "of waarlijk ik zal u ter neer
-vellen!" En ik raakte zijne hand aan en die werd dor.
-
-En de priester smeekte en sprak:
-
---"Moge mijn Heer zijnen dienstknecht genezen, dan zal ik hem den
-God toonen."
-
-Daarop blies ik mijn adem over zijne hand en die werd genezen.
-
-En hij sidderde en voerde mij in een tweede vertrek en ik zag op een
-lotosbloem van graveelsteen, die met groote smaragden behangen was,
-een afgodsbeeld staan. Uit ivoor was het gesneden en zijne gestalte
-was dubbel zoo groot als die van een man. Op zijn voorhoofd glansde
-een chrysoliet, en zijn borst was met mirren en kaneel bestreken. In
-de eene hand hield het een gebogen schepter van nephriet, en in de
-andere een rond kristal. Het droeg laarzen uit erts, en om zijn dikken
-hals lag een ketting van sklenieten.
-
-Ik zeide tot den priester: "Is dit de God?" en hij antwoordde:
-"Dit is de God."
-
---"Toon mij den God," riep ik uit, "of ik zal u waarlijk dooden!" En
-ik raakte zijne oogen aan en die werden blind.
-
-En de priester smeekte en sprak: "Moge mijn Heer zijnen dienstknecht
-genezen, dan zal ik hem den God toonen."
-
-Toen blies ik mijn adem over zijne oogen en die werden weder ziende.
-
-En hij sidderde wederom, en voerde mij in het derde vertrek, en
-zie! daar bevond zich geen afgodsbeeld en ook geene andere beeltenis
-van welken aard dan ook, maar alleenlijk een ronde spiegel van geslepen
-metaal, op een altaar van steen.
-
-En ik sprak tot den priester: "Waar is de God?"
-
-En hij antwoordde mij: "Wij hebben geen anderen God dan dezen spiegel
-dien gij ziet, want deze is de Spiegel der Wijsheid. Hij weerspiegelt
-alle dingen die in den hemel en op de aarde zijn, alleen niet het
-gelaat van hem, die zich daarin spiegelt. Dit geeft hij niet weer,
-opdat hij, die daarin ziet, wijs kan zijn. Er zijn vele andere
-spiegels, maar dat zijn de spiegels der Meeningen. Deze alleen is de
-Spiegel der Wijsheid. En zij die dezen Spiegel bezitten, weten alles,
-en niets is voor hen verborgen. En zij die hem niet bezitten, hebben
-ook niet de Wijsheid. Daarom is hij de God dien wij aanbidden."
-
-En ik zag in den spiegel en het was, zooals hij gezegd had.
-
-Toen deed ik een zonderlinge daad; maar wàt ik deed is noodeloos te
-verhalen, want in een dal, dat slechts een dagreize van hier verwijderd
-ligt, heb ik den Spiegel der Wijsheid verborgen. Laat mij slechts weer
-tot u ingaan en u dienen, dan zult gij wijzer zijn dan alle wijzen,
-en de Opperste Wijsheid zal uw deel zijn."
-
-Maar de jonge visscher lachte.
-
---"Liefde is beter dan Wijsheid," riep hij, "en het kleine
-zeemeerminnetje heeft mij lief."
-
---"Ge vergist u, er is niets beters op de wereld dan de Wijsheid,"
-sprak de ziel.
-
---"De Liefde is beter," herhaalde de jonge visscher; en hij dook
-onder in de diepte.
-
-En de ziel ging weenende van daar. En verdween over de moerassen.
-
-
-
-En toen het tweede jaar verstreken was, keerde de ziel terug naar
-de kust van de zee, en riep den jongen visscher, en hij steeg uit de
-diepte opwaarts en zeide:
-
---"Waarom roept ge mij?"
-
-En de ziel antwoordde:
-
---"Kom naderbij, opdat ik met u spreken kan, want ik heb de
-wonderlijkste dingen gezien."
-
-En hij kwam nader en zette zich aan den rand van het water, leunde
-met het hoofd in de hand en luisterde.
-
-En de ziel sprak tot hem.
-
---"Toen ik u verlaten had, richtte ik mijne schreden naar het Zuiden en
-begon mijn zwerftocht. Uit het Zuiden komt alles wat kostbaar is. Zes
-dagen liep ik op de straatwegen, die naar de stad Asther voeren;
-op de stoffige roode straatwegen, die de pelgrims plegen te volgen,
-schreed ik voort, en op den morgen van den zevenden dag, zie! daar
-zag ik de stad aan mijne voeten liggen, want zij is in een dal gelegen.
-
-Negen poorten geven toegang tot deze stad en voor elke poort staat een
-bronzen paard, dat hinnekt wanneer de Bedouïnen van de bergen naar
-omlaag komen. De muren zijn met koper beslagen en de wachttorens op
-de muren uit erts gebouwd. In elken toren staat een boogschutter
-met een boog in de hand. Bij zonsopgang slaat hij met een pijl
-op een klankbekken, en bij zonsondergang blaast hij op een hoorn,
-uit horen gesneden. Toen ik beproefde binnen te gaan, hielden de
-wachten mij tegen en zij vroegen, wie ik was. Ik antwoordde, dat ik
-een derwisch was, op weg naar Mekka, alwaar zich een groene sluier
-bevinden moest waarop engelenhanden in zilveren letters den Koran
-hadden geborduurd. Zij luisterden met groote verbazing naar hetgeen
-ik zeide, en vergunden mij binnen de stad te komen. En binnen de
-stad, daar geleek het wel een bazaar. Waarlijk, gij hadt bij mij
-moeten zijn. Langs de nauwe straten wiegelen bonte papierlantaarns
-als groote vlinders heen en weer. Wanneer de wind over de daken
-strijkt, dan stijgen ze op en vallen weer neer, net als gekleurde
-zeepbellen. De kooplieden zitten voor hunne winkeltjes op glanzende
-zijdene tapijten. Zij dragen recht-neerhangende zwarte baarden,
-hunne tulbanden zijn met gouden sechinen bedekt en lange kettingen
-van barnsteen en van kunstig uitgesneden perzikpitten glijden door
-hunne slanke vingers. Eenige van hen verkoopen galbanum en nardus,
-en zeldzaam reukwerk van de eilanden in de Indische zee, olie van
-roode rozen, en myrten en kleine kruidnagelen. Wanneer men stil
-staat om met hen te praten, werpen zij kleine stukjes wierook op een
-kolenbekken, en de lucht wordt vervuld van zoete geuren. Ik zag een
-Syriër, die in zijn hand een dun rieten stokje hield. Grijsblauwe
-draden van rook wolkten daaruit op, en de geur die het stokje onder
-het branden verspreidde, herinnerde aan dien van amandelbloesems
-in de lente. Andere verkoopen zilveren armbanden die in de rondte
-met melk-blauwe turkooizen bezet zijn; voetspangen van koper,
-waaraan een franje van fijne paarlen, tijgerklauwen in goud gevat,
-ook de klauwen van den goud-bronzen leopard, eveneens in goud gevat;
-oorhangers uit doorboorde smaragden en vingerringen van uitgeholde
-nephriet. Uit de theehuizen klinken gitaarklanken en de opiumschuivers
-liggen er met bleeke, glimlachende aangezichten naar de voorbijgangers
-te staren. Waarlijk, gij hadt bij mij moeten zijn. De wijnverkoopers
-banen zich hunnen weg, dwars door de menigte, met groote zwart leeren
-zakken over de schouders. De meesten verkoopen den wijn uit Schiras,
-die zoet is als honing. Zij bieden die aan op kleine metalen schalen,
-waarop zij rozenbladeren strooien. Op de marktplaats stonden de
-fruitverkoopers, die alle soorten van vruchten veil boden; rijpe
-vijgen, met haar week purperkleurig vleesch; meloenen, die naar muskus
-geuren, en geel zien als topazen; citroenen en rozenbottels en witte
-druiven; ronde, geelroode oranjeappelen en langwerpige limoenen van
-puur groen goud. Eens zag ik een olifant voorbijgaan. Zijn snuit was
-rood en geel beschilderd en over de ooren droeg hij een roodzijden
-gevlochten net. Hij bleef voor een der kraampjes staan en begon van
-de oranjeappelen te eten, en de verkooper liet dit lachend toe. Ge
-kunt u niet voorstellen, welk een merkwaardig volk het is. Wanneer
-zij vroolijk zijn, gaan zij naar een vogelhandelaar en koopen van hem
-een gevangen vogel, dien zij laten vliegen, opdat hunne vreugde nog
-grooter worde; en wanneer zij mistroostig zijn, kastijden zij zich
-met doornen, opdat hun verdriet niet minder worde.
-
-Op een avond ontmoette ik eenige negers, die een zwaren draagstoel
-langs de winkels voortdroegen. Hij was van verguld bamboes gemaakt en
-de staven waren van rood lak, waarin ingelegde pauwen van erts. Voor de
-vensters hingen dunne gordijnen van neteldoek, die met kevervleugelen
-en kleine paarlen geborduurd waren, en toen de draagstoel voorbij
-ging, keek een bleeke cirkassische vrouw naar buiten, en wierp
-mij een glimlach toe. Ik volgde den stoet, de negers verhaastten
-hunne schreden, en hunne blikken werden dreigend en somber. Maar ik
-bekommerde er mij niet om; eene groote nieuwsgierigheid had zich van
-mij meester gemaakt.
-
-Eindelijk hielden de dragers stil voor een vierkant wit huis. Het had
-geen vensters, slechts een lage deur, als de deur van een graf. Zij
-zetten den draagstoel neder, en klopten driemaal met een koperen hamer
-op de deur. Een Armeniër in een kaftan van groen leder keek door een
-luikje, en toen hij den draagstoel gewaar werd, opende hij de deur
-en breidde een tapijt over den grond.
-
-De vrouw steeg uit. Terwijl zij naar binnen trad, keerde zij zich
-om en wierp mij opnieuw een glimlach toe. Nooit had ik een zoo bleek
-gelaat aanschouwd.
-
-Toen de maan was opgegaan, keerde ik naar dezelfde plaats terug
-en zocht er het huis, maar het was verdwenen. En ik begreep wie de
-vrouw was en waarom zij mij had toegelachen. Waarlijk, gij hadt er
-bij moeten zijn.
-
-Op het feest van de Wassenden Maan kwam de jonge Keizer uit zijn
-paleis en begaf zich in de Moskee om er te bidden.
-
-Zijn haar en zijn baard waren met rozenbladeren gekleurd en op zijne
-wangen lag fijn stofgoud. De palmen der handen en die der voeten waren
-geel van safraan. Bij zonsopgang kwam hij uit zijn paleis in een gewaad
-van zilver, en bij zonsondergang keerde hij in een gewaad van goud
-terug. Het volk wierp zich op den grond en verborg het aangezicht, maar
-ik deed zulks niet. Ik stond bij het kraampje van een dadelverkooper
-en wachtte. Toen de Keizer mij opmerkte, rimpelde zich zijn voorhoofd
-en hij stond stil. Ik bleef zeer rustig en bewees hem geen hulde. Het
-volk verbaasde zich over mijne stoutmoedigheid, en men ried mij de
-stad te ontvluchten. Ik luisterde niet naar dien raad, doch begaf
-mij naar de kooplieden die beeldjes van vreemde godheden verkoopen,
-en, om dien handel, zeer veracht worden. Toen ik hen verhaalde wat ik
-gedaan had, gaf elk hunner mij een afgodsbeeldje, en zij verzochten
-mij dringend hen te verlaten. Des nachts lag ik op een kussen in het
-theehuis, dat aan den Granaatappelweg staat; daar kwam de lijfwacht
-van den Keizer, en voerde mij in het paleis. Toen ik binnentrad, sloot
-men achter mij elke deur en grendelde die bovendien. Daarop kwam ik
-in een grooten hof, dat omsloten was door een zuilengang. De muren
-waren van wit albast, en hier en daar met blauwe en groene tegels
-versierd. De pilaren waren van groen marmer en het plaveisel bestond
-uit bijkans perzikkleurig marmer. Nooit aanschouwde ik iets dergelijks.
-
-Toen ik door den hof liep, zagen twee gesluierde vrouwen van een balkon
-op mij neder en spraken verwenschingen tegen mij uit. De soldaten
-liepen met versnelde passen en hunne speeren vielen dreunend neer op
-het glanzende plaveisel. Zij ontsloten een deur van uitgesneden ivoor,
-en ik bevond mij in een tuin met vele fonteinen en zeven terrassen. De
-tuin was met tulpen en papavers en zilverige aloën beplant. Als een
-slanke zuil van kristal flonkerde in de schemerige avondlucht de straal
-van een fontein. De cypressen geleken op uitgebrande fakkels. In een
-van de boomen zat een nachtegaal en zong.
-
-Aan het eind van den tuin was eene kleine tent opgeslagen. Toen wij
-naderbij kwamen, traden daaruit twee Eunuchen ons tegemoet; hunne
-dikke lichamen waggelden onder het loopen en zij keken mij met hunne
-halfgeloken oogen nieuwsgierig aan. Een van hen riep den hoofdman
-van de wacht ter zijde, en fluisterde hem iets toe. Onderwijl at de
-ander geurige pastillen, die hij met eene gemaakte handbeweging uit
-een lilakleurige geëmailleerde doos nam.
-
-Na verloop van enkele oogenblikken stuurde de hoofdman de soldaten
-weg. Zij gingen terug naar het paleis, de Eunuchen volgden langzaam
-en plukten in het voorbijgaan zoete moerbeziën van de boomen. Eenmaal
-keerde de oudere van de twee zich naar mij om, en lachte boosaardig.
-
-Daarop wees de hoofdman mij den ingang van de tent.
-
-Zonder aarzeling of vrees schoof ik het zware gordijn ter zijde en trad
-binnen. De jonge Keizer lag uitgestrekt op een rustbed van gekleurde
-leeuwenvellen, terwijl een valk op zijn vuist zat; achter hem stond
-een Nubiër met een metalen tulband op 't hoofd, naakt tot aan de
-heupen en met zware oorhangers in de doorboorde ooren. Op een tafel
-naast het rustbed lag eene reusachtige kromme sabel uit blank staal.
-
-Toen de Keizer mij zag, rimpelde zich zijn voorhoofd en hij vraagde:
-
---"Wie zijt ge? Weet ge niet, dat ik de Keizer van deze stad ben?"
-
-Maar ik gaf hem geen antwoord. Hij wees met den vinger naar de sabel;
-en de Nubiër greep die en wierp mij haar naar het hoofd met groote
-kracht. De scherpe kant vloog midden door mij heen, doch zonder mij
-letsel te brengen. De man viel stuiptrekkend neer, en toen hij zich
-oprichtte, klappertandde hij van angst en verborg zich achter het
-rustbed. De Keizer sprong overeind, nam zijne lans van een wapenrek,
-en wierp die naar mij. Ik ving haar in volle vaart op en brak haar
-in twee stukken. Hij schoot met een pijl naar mij, maar ik hield
-mijne handen omhoog en de pijl bleef in de lucht zweven. Daarop trok
-hij een dolk uit zijn gordel van wit leder en boordde die den Nubiër
-in den hals, opdat deze niemand deelgenoot zou maken van den smaad,
-den Keizer aangedaan. De man kronkelde zich als een vertrapte slang,
-en van zijne lippen drupte het roode schuim.
-
-Zoodra het lichaam zich niet meer bewoog, wendde de Keizer zich tot
-mij en nadat hij zich met een purperen zijden doek het zweet van het
-voorhoofd had afgewischt, sprak hij:
-
---"Zijt gij een Profeet, dat ik u niet dooden kan, of zijt gij de
-zoon van een Profeet, dat ik u niet verwonden kan? Ik bid u, verlaat
-mijne stad nog in dezen nacht, want zoolang gij daarin vertoeft,
-ben ik er geen heerscher."
-
-En ik antwoordde:
-
---"Ik zal gaan als gij mij de helft van uwe schatten geeft. Geef mij
-die en ik zal van hier gaan."
-
-Daarop nam hij mij bij de hand en bracht mij buiten in den tuin.
-
-Toen de hoofdman van de wacht mij zag, was hij zeer verbaasd. En
-toen de Eunuchen mij zagen, beefden hunne knieën en van louter angst
-stortten zij zich terneer op den grond.
-
-In het paleis bevindt zich een vertrek, dat bestaat uit acht wanden
-van rood porphyr, en eene met stalen platen bepantserde zoldering,
-waarvan lampen naar omlaag hangen. De Keizer raakte een der wanden aan,
-die zich daarop opende en wij traden eene gang binnen, die door vele
-fakkels verlicht werd. Aan weerszijden stonden, in nissen, groote
-wijnkruiken, die tot aan den rand met zilverstukken gevuld waren.
-
-Toen wij tot aan het midden van de gang gekomen waren, sprak de Keizer
-het woord, dat men niet uit mag spreken, waarop door een geheime veer
-een deur van graniet zich opende. En de Keizer legde de handen voor
-het aangezicht om niet verblind te worden door den glans.
-
-Gij kunt u niet voorstellen, welk een wonderbaarlijken aanblik
-deze pracht bood. Daar stonden groote schildpadden schalen vol
-paarlen; groote uitgeholde maansteenen bevatten roode robijnen;
-in koffers van olifantenhuid lag het goud opgestapeld en in lederen
-flesschen was het stofgoud bewaard. Opalen en safieren zag men er in
-kristallen en nephrieten schalen. Ronde groene smaragden flonkerden
-in rijen op dunne ivoren platen, en in een hoek lagen zijden zakken,
-enkele met turkooizen, andere met berillen gevuld. Hoorns van ivoor
-bevatten purperen amethisten, en hoorns van erts chalcedonsteenen
-en sardachaat. De zuilen van cederhout waren met snoeren van
-geele labradorsteenen omhangen. Op vlakke ovalen schilden lagen
-karbonkelsteenen van wijnkleurigen en grasgroenen tint. En nog veel
-meer was er. Wat ik u opnoem is nauwelijks een tiende gedeelte van
-hetgeen ik in werkelijkheid zag.
-
-En toen de Keizer de handen van zijn aangezicht had weggenomen,
-sprak hij:
-
---"Dit is het huis van mijne schatten, en de helft van alles schenk ik
-u, zooals ik beloofd heb. En ik zal u kameelen geven en kameeldrijvers,
-en zij zullen doen wat gij hen gelast te doen en uw deel van deze
-schatten dáárheen brengen, waar gij verlangt dat zij gebracht zullen
-worden. En dit moet dezen avond nog geschieden, want ik wil niet,
-dat de Zon, die mijn Vader is, aanschouwe hoe in mijn stad een man
-zich ophoudt, dien ik niet kan verslaan."
-
-Maar ik antwoordde hem:
-
---"Het goud dat hier ligt opgestapeld blijve het uwe, en ook het
-zilver, en ook al de kostbare juweelen en andere schatten mogen uw
-eigendom blijven. Ik--ik heb ze niet noodig. En ik verlang niets van
-al uw rijkdom dan den kleinen ring, dien gij aan uw vinger draagt."
-
-Diepe rimpels groefden zich in het voorhoofd van den Keizer.
-
---"De ring is slechts van lood," riep hij uit, "en van geenerlei
-waarde. Neem daarom de helft dezer schatten en verlaat mijne stad."
-
---"Neen, antwoordde ik, "ik verlang niets dan den ring van lood,
-want ik weet wat daarop geschreven staat en tot welk doel het
-geschreven werd."
-
-En de Keizer sidderde, en hij smeekte en sprak:
-
---"Neem dan àl deze schatten, maar verlaat mijne stad. Ook de helft
-die mij nog toebehoorde, zal uw deel zijn."
-
-En ik deed eene zonderlinge daad. Maar wàt ik deed, doet er niet toe;
-want in een spelonk, die slechts eene dagreize van hier verwijderd
-ligt, heb ik den Ring van den Rijkdom verborgen. De spelonk ligt een
-dagreize van hier en ik zal er u heenvoeren. Wie den ring bezit, is
-rijker dan alle Koningen der aarde. Kom dus, en neem hem in bezit,
-en alle schatten van het heelal zullen uw deel zijn."
-
-Maar de jonge visscher lachte.
-
---"Liefde is beter dan Rijkdom," riep hij, "en het kleine
-zeemeerminnetje heeft mij lief."
-
---"Neen, er bestaat niets beters dan Rijkdom," antwoordde de ziel.
-
---"De Liefde is beter!" zei de de jonge visscher en hij dook omlaag
-naar de diepte.
-
-En de ziel ging weenende van daar.
-
-En verdween achter de moerassen.
-
-
-
-En toen het derde jaar verstreken was, keerde de ziel terug naar
-de kust van de zee en riep den jongen visscher, en hij steeg uit de
-diepte omhoog en zeide:
-
---"Waarom roept ge mij?"
-
-En de ziel antwoordde:
-
---"Kom naderbij, opdat ik met u spreken kan, want ik heb
-wonderbaarlijke dingen gezien."
-
-En hij kwam naderbij en zette zich aan den rand van het water, leunde
-het hoofd in de hand en luisterde.
-
-En de ziel sprak tot hem:
-
-"In een stad die ik ken, staat een herberg aan eene rivier. Ik zat
-daarginds met zeelieden, die van twee verschillend gekleurde wijnen
-dronken en gerstebrood aten en kleine gezouten visschen, die, in
-azijn gelegd, op laurierbladen aangeboden werden. En terwijl wij
-aten en vroolijk waren, trad een oud man binnen, die een lederen
-tapijt droeg en een luit die met twee barnsteenen horens versierd
-was. En toen hij het tapijt op den grond had uitgespreid, sloeg hij
-met een veer op de snaren van zijn luit, en een meisje, wiens gelaat
-door een sluier omgeven was, kwam naar binnen en begon voor ons te
-dansen. Haar gelaat was onzichtbaar door den gazen sluier, maar hare
-voeten waren naakt. Naakt waren hare voeten, en zij bewogen zich over
-het tapijt gelijk kleine witte duiven. Nooit tevoren had ik zóó iets
-liefelijks gezien, en de stad waar zij danst, is slechts eene dagreize
-van hier verwijderd."
-
-En toen de visscher de woorden zijner ziel hoorde, moest hij er
-steeds weer aan denken dat het zeemeerminnetje geen voeten had en
-niet dansen kon. En een wonderlijk verlangen greep hem aan en hij
-sprak tot zichzelf: "Het is slechts eene dagreize van hier, en ik
-kan tot mijn liefste terugkeeren." En hij lachte en richtte zich op
-in het lage water, en schreed naar den oever.
-
-En toen hij het droge strand bereikt had, lachte hij wederom, en
-strekte zijne armen uit naar zijn ziel. En deze, dit ziende, slaakte
-een luiden vreugdekreet en snelde naar hem toe en drong binnen in
-hem. En de jonge visscher zag vóór zich op het zand uitgebreid de
-schaduw van zijne gestalte, die het lichaam was van zijn ziel.
-
-En zijn ziel sprak tot hem:
-
---"Laat ons niet langer talmen, maar ons dadelijk op weg begeven,
-want de zeegoden zijn wraakzuchtig en zij gebieden over zeegedrochten,
-die hen terwille zijn."
-
-En zij haastten zich voort en den ganschen nacht liepen zij verder
-in het maanlicht en den ganschen volgenden dag in het zonlicht,
-en op den avond van dien dag kwamen zij in eene stad.
-
-En de jonge visscher sprak tot zijn ziel:
-
---"Is deze de stad, waarin het meisje danst, van wie ge mij verteld
-hebt?"
-
-En de ziel antwoordde:
-
---"Deze is niet de stad waarin zij danst, maar eene andere. Doch laat
-ons daarom toch binnengaan."
-
-En zij liepen de stad in, en trokken door de straten, en toen zij in
-de straat kwamen, waar de juwelieren hunne waren uitstalden, zag de
-jonge visscher in een der winkels een heerlijke zilveren schaal.
-
-En zijn ziel sprak tot hem: "Neem de zilveren schaal, en verberg die
-in uw kleed."
-
-En hij nam de zilveren schaal tot zich, en verborg die in de plooien
-van zijn kleed, en zij verlieten ijlings de stad. En toen zij de
-stad een mijl ver achter zich hadden, rimpelde de jonge visscher het
-voorhoofd en sprak tot zijn ziel: "Waarom geboodt ge mij de schaal
-te nemen en haar te verbergen? Want dat was een slechte daad."
-
-Maar zijne ziel antwoordde: "Wees onbezorgd, wees onbezorgd."
-
-En op den avond van den tweeden dag kwamen zij in eene stad; en de
-jonge visscher sprak tot zijn ziel:
-
---"Is deze de stad, waarin het meisje danst, van wie ge mij gesproken
-hebt?"
-
-En zijne ziel antwoordde:
-
---"Deze is niet de stad, waarin zij danst, doch eene andere. Maar
-dat doet er niet toe, laat ons binnentreden."
-
-En zij gingen in de stad en trokken door de straten, en toen zij in de
-straat gekomen waren, waar sandalenverkoopers hunne waren verkochten,
-zag de jonge visscher een kind bij een waterkruik staan.
-
-En zijn ziel sprak tot hem: "Sla het kind." En hij sloeg het kind,
-totdat het schreide, en toen hij het gedaan had, verlieten zij ijlings
-de stad.
-
-En toen zij de stad een mijl ver achter zich hadden, werd de jonge
-visscher toornig en sprak tot zijn ziel: "Waarom geboodt gij mij het
-kind te slaan? Want dat was een slechte daad."
-
-Maar zijne ziel antwoordde: "Wees onbezorgd, wees onbezorgd."
-
-En op den avond van den derden dag kwamen zij in eene stad; en de
-jonge visscher sprak tot zijn ziel:
-
---"Is deze nu de stad, waarin zij danst, van wie gij mij gesproken
-hebt?"
-
-En zijne ziel antwoordde: "Het kan zijn dat deze de stad is, laat
-ons daarom binnengaan."
-
-En zij gingen in de stad, en trokken door de straten, maar nergens
-kon de jonge visscher de rivier vinden, noch den herberg die aan haren
-oever moest staan. En de stadbewoners begonnen hem nieuwsgierig gade
-te slaan, en hij werd bevreesd en sprak tot zijn ziel:
-
---"Laat ons van hier gaan, want zij die met de blanke voeten danst,
-is niet hier!"
-
-Maar zijne ziel antwoordde:
-
---"Nee, laat ons blijven, want de nacht is donker, en op den weg
-zullen we roovers ontmoeten."
-
-Daarop zette hij zich neder op het marktplein en rustte uit, en na
-een wijle ging een koopman voorbij, die een mantel van tartarenlaken
-aanhad, en aan de punt van een knoestigen bamboesstok een lantaarn
-droeg uit gesneden hoorn. En de koopman sprak tot hem:
-
---"Waarom zit gij op dit uur hier op de marktplaats, terwijl toch de
-kraampjes reeds gesloten zijn, en de balen goeds tezamen gerold?"
-
-En de jonge visscher antwoordde:
-
---"Ik kan in deze stad geen herberg vinden en heb hier niemand die
-mij zou willen huisvesten."
-
---"Zijn wij niet allen broeders?" vroeg de koopman. "En schiep
-ons niet één God? Volg mij dus, want er staat een kamer voor mijne
-gasten gereed."
-
-En de jonge visscher stond op, en volgde den koopman in zijn huis.
-
-En toen zij door een tuin van granaatboomen waren gegaan, en het
-huis binnengetreden waren, bracht de koopman hem rozenwater in een
-koperen schaal, opdat hij zich de handen zou kunnen wasschen, en hij
-bracht hem meloenen om zijnen dorst te lesschen, en hij zette hem
-een schotel rijst voor en een stuk gebraden lamsvleesch.
-
-En toen hij van alles genuttigd had, geleidde de koopman hem in de
-gereedstaande kamer en wenschte hem een goeden nacht. En de jonge
-visscher dankte hem en kuste den ring aan zijnen vinger. Daarop strekte
-hij zich uit op de vellen van gekleurde geitenvacht. En toen hij zich
-met een dek van zwarte schapenwol had toegedekt, sliep hij in.
-
-En drie uur voor zonsopgang, toen de nacht nog zwart en stil was,
-wekte hem zijne ziel en zij sprak tot hem:
-
---"Sta op, en begeef u in gindsche kamer waarin de koopman slaapt;
-dood hem en ontneem hem zijn goud, want wij hebben het noodig."
-
-En de jonge visscher stond op en sloop in de kamer van den koopman;
-en aan diens voeten lag een krom zwaard, en op de tafel naast hem
-lagen negen buidels vol goud. En hij strekte de hand uit naar het
-zwaard, en toen hij het had aangeraakt, schrikte de koopman op, en
-ontwaakte. Hij sprong overeind en greep naar het zwaard, en riep:
-"Vergeldt gij aldus goed met kwaad, en beloont gij door sluipmoord
-de goedheid die ik u bewezen heb?"
-
-En zijn ziel sprak tot den jongen visscher:
-
-"Sla hem neer!" En hij sloeg hem neer, zoodat de koopman bewusteloos
-ter aarde stortte, en hij greep naar de negen buidels vol goud en
-vluchtte ijlings door den tuin van granaatboomen, en keerde zijn
-gelaat naar de ster, die de morgenster heet.
-
-En toen zij een mijle ver van de stad verwijderd waren, sloeg de
-jonge visscher zich op de borst en sprak tot zijn ziel:
-
---"Waarom geboodt ge mij den koopman te dooden, en zijn goud te
-stelen? Waarlijk, gij zijt slecht."
-
-Maar zijne ziel antwoordde: "Wees onbezorgd, wees onbezorgd."
-
---"Neen," riep de jonge visscher, "ik wil niet onbezorgd zijn, want
-alles wat ge mij hebt laten doen, haat ik. U haat ik evenzoo, en ik
-wil dat ge mij zegt, waarom ge op deze wijze met mij omgaat."
-
-En zijne ziel antwoordde hem:
-
---"Toen ge mij van u heen zondt om in de wereld rond te zwerven,
-gaaft ge mij geen hart mede, en zoo leerde ik al deze dingen doen en
-ze gaarne doen."
-
---"Wat zegt ge?" murmelde de jonge visscher.
-
---"Ge weet het," antwoordde de ziel, "ge weet het maar al te goed. Of
-hebt ge vergeten, dat ge mij geen hart wildet meegeven? Ik geloof
-van neen. Bekommer u daarom niet om mij, maar wees onbezorgd. Want er
-is geen leed, dat gij niet veroorzaken zult, en er is geen vreugde,
-die gij niet zult kunnen genieten."
-
-En toen de jonge visscher deze woorden gehoord had, beefde hij,
-en sprak tot zijn ziel: "Neen, gij zijt slecht, want gij hebt mij
-mijne liefde doen vergeten, en mij met verzoekingen omgeven, en ge
-hebt mijne schreden op den weg der zonde geleid."
-
-En zijne ziel antwoordde hem:
-
---"Vergeet niet, dat ge mij geen hart wildet geven, toen ge mij
-in de wereld uitzondt. Kom, laat ons naar eene andere stad gaan,
-en vroolijk zijn, want wij hebben negen buidels vol goud."
-
-Maar de jonge visscher nam de negen buidels vol goud, wierp ze op
-den grond en vertrapte ze.
-
---"Neen," riep hij, "ik wil niets meer met u gemeen hebben, en ik
-wil niet verder met u gaan, maar zooals ik u vroeger weggezonden heb,
-zoo wil ik u wederom wegzenden, want ge hebt mij niets goeds gebracht."
-
-En met den rug naar de maan gekeerd, beproefde hij met den kleinen
-dolk, welks handvat van slangenhuid was, de schaduw aan zijne voeten
-weg te snijden, de schaduw, die het lichaam van was zijn ziel.
-
-Doch zijne ziel ging niet van hem, en achtte ook niet op zijn bevel,
-maar sprak tot hem:
-
---"De betoovering die de heks u leerde, heeft geenerlei kracht
-meer, want ik kan u niet meer verlaten, noch kunt gij mij meer uit u
-verdrijven. Slechts eenmaal in het leven kan de mensch zijn ziel uit
-zijn lichaam verbannen, en die haar weder tot zich neemt, die moet
-haar voor altijd behouden; dat is zijn straf en zijn loon tevens."
-
-De jonge visscher verbleekte en balde de vuist en riep: "Dan was zij
-eene valsche heks, dat zij mij dit niet zeide."
-
---"Neen," zeide de ziel, "want zij was Hem getrouw dien zij aanbidt
-en dien zij altijd dienen zal."
-
-En toen de jonge visscher zich bewust werd, dat hij zich nooit meer
-van zijn ziel zou kunnen bevrijden, en dat eene slechte ziel voor
-altijd in hem zou blijven wonen, toen wierp hij zich neder op den
-grond en weende bitter.
-
-En toen het dag werd, stond de jonge visscher op, en sprak tot
-zijn ziel:
-
---"Ik zal mijne handen vastsnoeren, opdat zij niet kunnen doen, wat
-gij hen gebiedt te doen; en mijne lippen zal ik tezamen drukken, opdat
-zij niet uwe woorden kunnen naspreken. En ik wil dáárheen terugkeeren,
-waar zij woont, die ik liefheb, naar de zee wil ik teruggaan, naar
-de kleine bocht, waar zij voor mij placht te zingen, en dan zal ik
-om haar roepen en haar zeggen, welk kwaad ik deed, en welk kwaad gij
-mij gedaan hebt."
-
-En zijn ziel poogde hem opnieuw in verzoeking te brengen en sprak:
-
---"Wie is uwe liefste, dat gij tot haar wilt terugkeeren? De wereld
-heeft vele, die schooner zijn om aan te zien dan zij: de danseressen,
-die in Samaris wonen, dansen alle gelijk vogels en duiven, hare voeten
-zijn met henna beschilderd, en in de handen houden zij kleine koperen
-klokjes. Wanneer zij dansen lachen zij, en haar lachen klinkt zoo
-helder als het kabbelen van het water. Kom met mij mee, en ik zal ze u
-toonen. Want wat maakt ge u bezorgd om dingen, die zondig heeten? Is
-al wat zoet is om te eten niet voor den etenden bestemd? Zou er gif
-zijn in den vurigen wijn? Kwel u niet langer, en kom met mij naar een
-ander oord. Hier dicht bij ligt een kleine stad, daarin bevindt zich
-een tuin van magnolia boomen. En witte pauwen, en pauwen met blauwe
-borsten zijn in dien fraaien tuin. Wanneer zij hunne staarten in de zon
-uitspreiden, glanzen die in ivoren en gouden kleurenpracht. En die hen
-voedert, danst ter hunner lust, en eenmaal danst zij op hare handen,
-een ander maal met hare voeten. Hare oogen zijn met antimoon gekleurd,
-en hare neusvleugelen zijn gelijk de vleugels eener zwaluw. Een
-bloem, die uit een parel gesneden is, hangt aan een haakje van een
-harer neusvleugels af. En terwijl zij danst lacht zij, en de zilveren
-ringen aan hare enkels rinkelen gelijk zilveren klokjes. Kwel u toch
-niet langer, maar kom met mij mede naar gindsche stad."
-
-Doch de jonge visscher antwoordde niet. Zijne lippen hield hij
-vastgesloten en zijne handen had hij vastgesnoerd. En zoo ging hij
-terug, daarheen, vanwaar hij gekomen was, naar de kleine bocht,
-waar eens zijn liefste gezongen had.
-
-En steeds opnieuw poogde zijn ziel hem onderweg in verzoeking te
-brengen, maar hij antwoordde haar niet, en hij deed niets van al het
-slechte, dat zij hem gebood te doen, zoo groot was de macht zijner
-liefde in hem. En toen hij eindelijk de kust van de zee bereikt had,
-bond hij de snoeren los van zijne handen, en opende zijne lippen en
-riep om de kleine zeemeermin.
-
-Maar zij verscheen niet op zijn roepstem, hoewel hij den ganschen
-dag om haar riep en haar smeekte te komen.
-
-En zijn ziel bespotte hem en sprak:
-
---"Waarlijk, gij beleeft niet veel vreugde van uwe liefde. Gij zijt
-als een die, ten tijde van watersnood, water in een gebroken kruik
-giet. Gij geeft weg wat ge bezit, en niets ontvangt ge terug. Beter
-ware het voor u, wanneer ge met mij wildet komen; ik zal u dan toonen,
-waar het Dal der Lusten ligt, en ik zal u laten zien, welke dingen
-ginds gebeuren."
-
-Doch de jonge visscher antwoordde zijne ziel niet, maar bouwde een
-huis van gevlochten stroo tusschen de rotsen en woonde daar een jaar
-lang. En elken morgen riep hij het zeemeerminnetje en als de middag
-kwam riep hij om haar, en des avonds, wanneer de duisternis gevallen
-was, kreet hij opnieuw haar naam.
-
-Maar nimmermeer steeg zij van uit de diepte tot hem omhoog, noch
-vermocht hij haar terug te vinden in de zee, wáár hij haar ook
-zoeken ging, tusschen de rotskloven in het groene water, in den
-wassenden vloed, of in de diepe bronnen die van den bodem der zee
-omhoog borrelen.
-
-En altijd opnieuw poogde zijne ziel hem tot het kwade te verleiden,
-en fluisterde hem vreeselijke dingen in het oor. Maar zij had geenerlei
-macht meer over hem, zoo groot was de macht zijner liefde.
-
-En toen het jaar verstreken was, overpeinsde de ziel bij zichzelve:
-"Ik heb mijnen heer steeds door booze dingen in verzoeking gebracht,
-en zijne liefde bleek sterker dan ik. Nu wil ik beproeven hem door
-het goede te winnen, zoo zal hij mij wellicht volgen."
-
-En zij sprak tot den jongen visscher:
-
---"Ik heb u veel van de Vreugden der wereld verhaald, en gij hebt mij
-niet willen aanhooren. Laat mij u nu van 's werelds Leed vertellen,
-wellicht zult gij dan naar mij luisteren. Want waarlijk, het Leed
-heerscht als Meester over de wereld, en niemand ontkomt aan zijne
-heerschappij. De een heeft geen kleederen en de ander heeft geen
-brood. Gindsche weduwe kleedt zich in purper, deze gaat in lompen. Over
-de moerassen trekken in scharen de melaatschen en zijn onbarmhartig
-jegens elkander. De bedelaars zwerven her en derwaarts langs de
-wegen, en hunne zakken zijn ledig. Door de straten der steden trekt
-de Hongersnood, en voor de poorten waakt de Pest. Kom, laat ons van
-hier opgaan en hulp verleenen en troost schenken. Waarom zoudt ge hier
-langer toeven en langer nog om uwe liefste roepen, die toch uw stem
-niet hoort? En wat is de liefde, dat gij daaraan zooveel waarde hecht?"
-
-Maar de jonge visscher antwoordde niet, zoo groot was de macht
-zijner liefde.
-
-En elken morgen en elken middag riep hij weder om haar, en elken avond,
-wanneer de duisternis gevallen was, kreet hij opnieuw haren naam.
-
-Maar nimmermeer steeg zij van uit de diepte tot hem omhoog, noch
-vermocht hij haar terug te vinden, wáár hij haar ook zoeken ging,
-in de stroomingen der wateren of in de valleien die onder de golven
-zijn, in de zee die purpergekleurd ligt in avondgloed, of in de zee
-die grauw schijnt onder de vlerken van morgenschemering...
-
-En toen het tweede jaar verstreken was, sprak de ziel op een nacht
-tot den jongen visscher, die alleen in zijn gevlochten hut zat:
-
---"Zie, ik heb u tot het slechte trachten te verleiden, en ook tot het
-goede willen voeren, en uwe liefde is sterker gebleken dan ik. Daarom
-wil ik u niet meer in verzoeking brengen, maar ik smeek u: laat mij
-tot uw hart doordringen, opdat ik één met u worde, gelijk vroeger."
-
---"Waarlijk, gij moogt tot mijn hart doordringen," sprak de jonge
-visscher, "want in de dagen toen gij zonder hart door de wereld
-rondgedoold zijt, moet ge veel geleden hebben."
-
---"Ach," riep de ziel, "geen ingang kan ik vinden, zoo zeer is uw
-hart omvangen door uwe liefde."
-
---"En toch wilde ik, dat ik u helpen kon," sprak de jonge visscher.
-
-En nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of van over de zee
-weerklonk eene groote weeklacht, zooals de menschen die vernemen,
-wanneer er een van het watervolk gestorven is. En de jonge visscher
-sprong op, verliet zijn hut, en ijlde naar de zeekust. En de zwarte
-golven kwamen aangedruischt naar den oever, en droegen eene last,
-die blanker was dan zilver. Blank als het schuim der branding was zij,
-en gelijk een bloem deinde zij heen en weer op de golven.
-
-En de branding nam haar over van de golven, en de oever ontving haar,
-en aan de voeten van den jongen visscher lag het levenlooze lichaam
-van de kleine zeemeermin.
-
-Dood lag zij aan zijne voeten.
-
-En kermend als een, die door smart overweldigd is, wierp hij zich
-naast het doode lichaam neer. En hij kuste het kille rood van haar
-mond, en hij streelde het natte barnsteen van heur haar. Hij wierp
-zich naast haar op het zand en schreide als een, die door vreugde
-zinneloos werd, en met zijne bruine armen hield hij haar vast aan zijn
-borst geklemd. Koud waren hare lippen, maar hij kuste ze warm. Zilt
-smaakte de honing van heur haar, maar hij proefde die met bittere
-vreugde. Hij kuste de gesloten oogleden, en het trillende schuim dat
-op hare oogen lag, was minder zout dan zijne tranen.
-
-En aan het doode lichaam biechtte hij zijne daden. In de schelpen
-harer ooren goot hij den bitteren wijn van al zijn lijden. Hare kille
-armen plooide hij om zijn hals, en met zijne vingers streelde hij het
-fijne slanke lijf. Vol bitterheid was zijne vreugde, en zijne smart
-was vervuld van zonderlinge blijheid.
-
-En dichter en dichter-naderbij kwam de donkere zee, en het blanke
-wit der branding steunde luid als een gepijnigd dier.
-
-Met witte klauwen van schuim greep de zee naar het strand. Toen klonk
-van uit het paleis van den waterkoning een nieuwe kreet van rouwe,
-en ver, ver over de zeeën, bliezen de Tritonen met heeschen klank op
-hunne hoorns.
-
---"Vlucht!" sprak de ziel. "Vlucht, want al nader komt de zee, en
-zoo gij langer talmt, zal zij u verzwelgen. Vlucht, want ik ben vol
-vreeze, daar uw hart zich, om der wille van uwe groote liefde, nog
-niet voor mij geopend heeft. Vlucht naar een veilig oord.... Waarlijk,
-gij moogt mij niet zonder hart naar eene andere wereld zenden!"
-
-Maar de jonge visscher luisterde niet naar zijn ziel; hij vleide
-zich tegen het kleine bleeke zeemeerminnetje en sprak: "Liefde is
-beter dan Wijsheid en kostbaarder dan Rijkdom, en schooner dan de
-blanke voeten van de dochteren der menschen. Geen vlammen vermogen
-haar te vernietigen, en geen waterstroomen haar te verzwelgen. Ik
-riep naar u wanneer de morgenstond gloorde en gij luisterdet niet
-naar mijn roep. De maan hoorde uw naam weerklinken, maar gij bleeft
-zwijgen. Ik had u moedwillig verlaten, en tot mijn eigen ellende ging
-ik heen, verre van U. Maar altijd is uwe liefde bij mij gebleven, en
-altijd was zij sterk, en niets vermocht zich tegen haar te richten,
-of ik ook van het slechte vervuld was, dan wel van het goede. En nu,
-nu gij gestorven zijt, zie, nu wil ik met u sterven."
-
-En wederom smeekte zijn ziel hem om te vluchten, maar hij luisterde
-niet naar haar, zoo groot was zijne liefde.
-
-Al nader en nader kwam de zee, al rusteloozer beproefde zij hem met
-hare breede golven-armen te bereiken en te omspoelen.
-
-En toen hij voelde dat zijn einde nabij was, kuste hij wild, met
-brandende lippen den kouden mond van het zeemeerminnetje, en zijn hart,
-dat in hem was, brak.
-
-En toen zijn hart gebroken was door overgroote liefde, toen kon de
-ziel er toegang vinden en werden zij weder één gelijk vroeger. En de
-zee bedekte den jongen visscher met haar golven.
-
-
-
-Den volgenden morgen kwam de priester op het strand, om de zee te
-zegenen, want zij was zeer onrustig geweest. En met hem kwamen monniken
-en muzikanten, kaarsendragers en knapen die wierookvaatjes zwaaiden,
-en nog eene menigte van menschen.
-
-En toen de priester den oever bereikt had, vond hij het doode lichaam
-van den jongen visscher in de branding liggen, en, in zijne armen
-vastgeklemd, zag hij het lijk van de kleine zeemeermin. Met gerimpeld
-voorhoofd trad hij eenige schreden achteruit, maakte het teeken des
-kruizes en sprak luid:
-
---"Ik wil de zee niet zegenen, noch zegenen iets, wat zich in de
-zee bevindt. Vervloekt zij het watervolk en vervloekt mogen allen
-zijn, die zich met dat volk inlaten. Hier ligt hij dood, die, om der
-liefde wille, zijnen God verloochend heeft, en daar nu ligt hij met
-zijn liefste, door God zelf verslagen. Neemt zijn doode lichaam op,
-van hem en van zijn liefste, en begraaft hen in den eenzaamsten hoek
-van het Veld der Distelen, en zet geen steen op 't graf, noch eenig
-ander teeken, opdat niemand de plaats hunner rust wete. Want vervloekt
-waren zij in hun leven, en vervloekt zullen zij zijn tot na hun dood."
-
-En het volk deed zooals hem gelast werd; en zij groeven een diepen kuil
-in den eenzaamsten hoek van het Veld der Distelen, daar waar geenerlei
-zoete kruiden groeiden, en zij legden daarin de twee doode lichamen.
-
-
-
-En toen het derde jaar verstreken was, ging de priester op een dag,
-die een Heiligendag was, naar de kapel, om het volk de wonden des
-Heeren te toonen en van God's toorn te prediken. En toen hij het
-priestergewaad had aangelegd en de kapel betreden had, en zich nijgen
-wilde voor het altaar, zag hij, dat het bedekt was met vreemdsoortige
-bloemen, zooals hij die nimmer nog aanschouwd had. En zonderling waren
-zij om aan te zien, en hunne schoonheid maakte hem dronken, en hunne
-geur was wellust voor zijne neusgaten. En hij was blijgestemd en wist
-toch niet waarom hij blij gestemd was.
-
-En toen hij den tabernakel geopend, de monstrans bewierookt, en de
-heilige Hostie getoond had aan het volk, en het weer weggeborgen had
-achter den sluier aller sluiers, begon hij tot het volk te spreken,
-en hij wilde hen spreken van God's heiligen toorn. Maar de schoonheid
-der witte bloemen maakte hem dronken, en hun zoete geur was wellust
-voor zijne neusgaten, en op zijn lippen kwamen andere woorden. Niet
-van God's toorn sprak hij, maar van God, wiens wezen Liefde was. En
-wáárom hij zoo sprak, dat wist hij niet.
-
-En toen hij had opgehouden met spreken, weende het volk en de priester
-trad in de sakristy, en zijne oogen waren gevuld met tranen. De
-diakenen kwamen binnen en namen hem het priesterkleed af, en het
-koorhemd en den gordel en de gewijde mouwen en de stola. Als in een
-droom stond daar de priester. En toen zij hem van zijn misgewaad
-ontdaan hadden, zag hij tot hen op en vroeg: "Welke bloemen waren
-heden op het altaar, en vanwaar zijn zij gekomen?"
-
-En zij antwoordden:
-
---"Wat soort van bloemen 't zijn, weten wij niet, maar zij bloeien
-ginds, op het Veld der Distelen, in den eenzaamsten hoek."
-
-En de priester sidderde en ging in zijn huis en bad.
-
-En op den volgenden morgen, vóór dat nog de zon ter kimme was gerezen,
-trok de priester naar buiten, met de monniken en de muziekanten,
-met de knapen, die de wierookvaten zwaaiden en met hen, die de
-kaarsen droegen, en een groote schare van menschen volgde hem. En
-hij kwam aan den oever van de zee, en hij zegende het water, en
-alle wilde schepselen, die daarin wonen. En hij zegende de faunen,
-en al de kleine schepselen, die in de wouden dansen, en zij die met
-glanzende oogen gluren tusschen 't loof. En alle schepselen in God's
-wijd heelal zegende hij, en het volk was van verbazing vervuld.
-
-Maar nimmermeer bloeiden de bloemen in den eenzamen hoek van het Veld
-der Distelen.
-
-Leeg en kaal bleef de plek als zij te voren was. En ook het watervolk
-kwam niet weer in de bocht, gelijk vroeger: naar een ander deel van
-de zee trokken zij henen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-IV.
-
-HET STERREKIND.
-
-
-Er waren eens twee arme houthakkers, die door een groot dennenbosch
-naar huis toe keerden. Het was winter en de nacht was bitter koud. De
-sneeuw lag hoog op den grond en op de takken der boomen. Waar zij
-voorbijgingen knakten aan beide kanten van den weg de fijne takken
-door de strenge vorst; en toen zij de beek genaderd waren die van
-de bergen komt, zagen zij dat die roerloos in de lucht hing, want de
-ijskoning had haar gekust.
-
-Het was zóó koud, dat zelfs de dieren en de vogels niet wisten,
-wat zij moesten beginnen.
-
-"Oe!" huilde de wolf, terwijl hij met den staart tusschen de pooten
-door het kreupelhout liep. "Wat een allerafschuwelijkst weer. Dat de
-regeering dáár niet een stokje voor steekt!"
-
-"Oeit! Oeit! Oeit!" tjilpten de groene vlasvinken, "de oude aarde is
-dood en nu heeft men haar met een wit doodslaken toegedekt."
-
-"De aarde wil bruiloft vieren en dit is haar bruidskleed," fluisterden
-de tortelduiven elkander toe. Hunne kleine, rooskleurige pootjes
-waren geheel bevroren, maar zij vonden dat het hun plicht was om den
-toestand romantisch op te vatten.
-
-"Onzin!" gromde de wolf. "Ik zeg jullie, dat alles de schuld is van
-de regeering en wanneer jullie me niet gelooft eet ik je op."
-
-De wolf was zeer praktisch van natuur en het ontbrak hem nooit aan
-geldige argumenten.
-
-"Nu, wat mij betreft," zeide de specht, die een geboren wijsgeer was,
-"ik geef geen duit om zulke uiteenzettingen. Wanneer iets eenmaal is,
-dan is het ook zoo, en nu is het verschrikkelijk koud, dat staat vast."
-
-En verschrikkelijk koud was het dan ook werkelijk. De kleine
-eekhoorntjes, die binnen in de groote pijnboomen woonden, wreven
-aanhoudend hunne snoetjes tegen elkaar om warm te blijven en de
-konijntjes rolden zich in hunne holen op en waagden niet naar buiten
-te komen.
-
-Alleen de groote steenuilen schenen in hun schik. Hunne vederen stonden
-geheel stijf van den rijp, maar dat hinderde hen niet; zij rolden
-met hunne groote gele oogen en riepen elkaar door het bosch toe:
-"Toe--wiet! Toe--woo! Toe--wiet! Toe--woo! Wat een heerlijk weer
-hebben we toch!"
-
-Intusschen liepen de twee houthakkers al verder en verder, bliezen
-krachtig op hunne vingers en stampten met hunne groote, met ijzer
-beslagen laarzen op de vastgetreden sneeuw. Eens zonken zij plotseling
-weg in een kuil vol jachtsneeuw en toen ze er uit kwamen, waren ze
-zoo wit als de molenaars ten tijde van het koren malen; een andermaal
-gleden zij uit op het gladde ijs, daar waar het moeraswater toegevroren
-lag, en hunne bundels rijshout vielen uit elkaar, zoodat zij ze weer
-bijeen moesten rapen en op nieuw samenbinden; en eenmaal meenden
-zij den rechten weg verloren te hebben en groote angst beving hen,
-want zij wisten dat de sneeuw onverbiddelijk is voor hen, die in hare
-armen rust zoeken. Maar zij vertrouwden op den goeden Sint-Martyn,
-die over alle zwervers waakt en keerden weer terug op hunne voetsporen
-en letten toen dubbel goed op. En eindelijk bereikten zij den rand
-van het bosch en zagen ver beneden, in het dal aan hun voeten, de
-lichtjes schemeren van het dorp, waarin zij woonden.
-
-Hunne vreugde over die redding was zoo groot, dat zij hardop lachten
-en de aarde leek hen een zilveren bloem en de maan een bloem van goud.
-
-Maar nadat zij gelachen hadden werden zij toch weer treurig, want zij
-dachten aan hunne armoede en een hunner zeide tot den anderen: "Waarom
-hebben wij eigenlijk gelachen? Wij zien immers dat het leven alleen
-goed is voor de rijken en niet voor zulke menschen als wij zijn. Beter
-ware het geweest, wanneer wij in het bosch van koude omgekomen waren,
-of wanneer wilde dieren ons aangevallen en gedood hadden."
-
-"Ja waarlijk," antwoordde zijn metgezel, "den eenen is veel gegeven
-en den anderen weinig. De onrechtvaardigheid in persoon heeft de
-wereld verdeeld, en niets is gelijkelijk verdeeld dan misschien de
-zorg alleen."
-
-Maar terwijl zij zoo over hun jammerlijk lot klaagden, gebeurde er
-iets zonderlings. Van uit den hemel viel plots een schitterende,
-schoone ster naar omlaag. Zij gleed zijdelings uit het luchtruim aan
-de andere sterren voorbij en toen de mannen haar verwonderd met de
-oogen volgden, kwam het hen voor, als daalde zij neer op den grond
-achter een groep wilgenboomen die bij een schaapskooi stonden, niet
-meer dan een steenworp van hen verwijderd.
-
-"Ei! daar ligt stellig een pot vol goud voor dengene, die hem
-vindt!" riepen zij uit en zij haastten zich, er zoo hard zij konden
-heen te loopen, zulk een begeerte vervulde hen naar het goud.
-
-En een hunner liep vlugger dan de andere, snelde zijnen makker voorbij,
-drong tusschen de wilgentakken door tot aan den anderen kant en
-zie! op de witte sneeuw lag daar waarlijk een gouden voorwerp.
-
-Hij ijlde er dus heen, boog zich neer en legde er zijn hand op; en het
-was een doek uit gouddraad geweven, op zonderlinge wijze met sterren
-bestikt en in vele plooien gevouwen. En hij riep zijnen metgezel toe,
-dat hij den schat, die uit den hemel gevallen was, gevonden had, en
-toen zijn makker naderbij was gekomen, knielden zij op de sneeuw neer
-en vouwden den doek open, om de goudstukken onderling te verdeelen.
-
-Maar ach! geen goud bevond zich in het omhulsel, en ook geen zilver,
-noch eenige andere kostbare schat, maar slechts een klein, slapend
-kindje. En een van de beiden zei tot den anderen:
-
-"Dat is een bitter einde van onze laatste hoop en wij hebben geen
-geluk, want van welk nut zou een kind eenen man kunnen zijn? Wij
-zullen het laten liggen en onzen weg vervolgen, want wij zijn arme
-lieden en hebben zelf kinderen, van wier brood wij niet ook nog aan
-een vreemde mogen afstaan."
-
-Maar zijn metgezel antwoordde hem:
-
-"Neen, het zou slecht van ons zijn dit kind hier in de sneeuw te laten
-omkomen, en al ben ik ook even arm als gij, en al heb ook ik vele
-monden te vullen waar er toch maar weinig op schotel is, ik wil het
-kind toch mee naar huis nemen en mijn vrouw zal er verder voor zorgen."
-
-En heel voorzichtig nam hij het kind op, wikkelde het in den doek,
-om het voor de scherpe koude te beschutten en daalde den heuvel af
-naar het dorp toe; en zijn metgezel verwonderde zich zeer over zijne
-dwaasheid en over de weekheid van zijn hart.
-
-En toen zij in het dorp kwamen, zeide hij tot hem:
-
-"Gij hebt het kind, geef mij nu den doek, want het is niet meer dan
-billijk, dat wij samen deelen."
-
-Maar de andere antwoordde:
-
-"Neen, want die doek behoort evenmin aan u als aan mij, maar alleen
-aan het kind."
-
-En na hem goeden avond gewenscht te hebben, ging hij naar zijn huis
-en klopte aan.
-
-En toen zijn vrouw de deur opende en zag, dat haar man ongedeerd
-thuisgekomen was, sloeg zij hare armen om zijn hals en kuste hem,
-nam den bundel rijshout van zijn rug, veegde de sneeuw van zijne
-laarzen en riep hem toe, toch gauw naar binnen te komen.
-
-Maar hij antwoordde haar:
-
-"Ik heb iets in het bosch gevonden en het voor je meegebracht, opdat
-je er voor zorgen zoudt," en hij week niet van den drempel.
-
-"Wat is het?" riep zij. "Toon het mij, want leeg is het huis en wij
-hebben van allerlei noodig."
-
-En hij maakte den doek los en toonde haar het slapende kind.
-
-"Ach, beste man!" steunde zij, "hebben wij zelf niet kinderen genoeg,
-dat je nu nog zoo'n vreemd schreeuwertje in huis moet halen, om aan
-onzen haard mee aan te zitten? En wie weet of het ons geen ongeluk zal
-brengen! En hoe zullen wij het opvoeden?" En zij was toornig op hem.
-
-"Ja, maar het is een Sterrekind," antwoordde hij en vertelde haar
-toen hoe hij het gevonden had.
-
-Maar zij was niet tot andere gedachten te brengen; integendeel bespotte
-zij hem en riep toornig:
-
-"Onze eigen kinderen hebben geen brood en dan zouden wij nog vreemde
-kinderen te eten geven? Wie bekommert zich om ons? En wie geeft
-ons brood?"
-
-"God zorgt zelfs voor de musschen en geeft ze voedsel," antwoordde hij.
-
-"Sterven de musschen 's winters niet van honger?" vroeg zij: "en is
-het nu niet winter?"
-
-De man antwoordde niet, maar hij week ook niet van den drempel.
-
-En een scherpe wind woei van uit het bosch door de open deur naar
-binnen en deed haar rillen; en huiverende zeide zij tot hem:
-
-"Wilt ge de deur niet sluiten? Een scherpe wind waait door het huis
-en ik ril van de koude."
-
-"Waait er niet altijd een scherpe wind door het huis waarin een koud
-hart woont?" vroeg hij. En de vrouw antwoordde niet, maar schoof
-dichter bij het vuur.
-
-En na een wijle keerde zij zich om en zag hem aan en hare oogen
-stonden vol tranen.
-
-Toen trad hij snel naar binnen en legde het kind in hare armen; en
-zij kuste het en vleide het neer in een klein bed, waarin reeds het
-jongste van hare kinderen sliep.
-
-En den volgenden morgen nam de houthakker den zonderlingen
-goud-bestikten doek en borg dien in een groote houten kist, en een
-ketting van barnsteen, die het kind om den hals droeg, maakte de
-vrouw los en legde die daarbij.
-
-Zoo werd het Sterrekind met de kinderen van den houthakker
-grootgebracht en zat met hen aan dezelfde tafel en was hun speelgenoot.
-
-En met elk jaar werd het schooner, zoodat allen, die in het dorp
-woonden er vol bewondering over waren; want waar zij eene bruine huid
-en donker haar hadden, daar bleef het kind blank en teer als gesneden
-ivoor en zijne haarlokken waren als de ringen der affodil. Zijne
-lippen geleken de bladeren van een rooden bloesem en zijne oogen de
-viooltjes aan een stroom van helder water, en zijn lichaam was als
-de narcis op een veld, waar de maaier niet komt.
-
-Maar zijne schoonheid bleek hem ten verderf, want hij werd trotsch
-en wreed en zelfzuchtig. De kinderen van den houthakker en de andere
-kinderen van het dorp verachtte hij en zeide, dat zij van geringe
-afkomst waren, terwijl hij van edele geboorte was, want hij stamde
-immers van een ster; en hij gebood over hen als ware hij hun meester
-en noemde hen zijne dienaren. Voor de armen of voor die welke blind,
-kreupel of anderszins ziek en gebrekkig waren, toonde hij nooit
-medelijden, maar wierp ze met steenen, verjoeg ze naar den landweg en
-riep hen toe, dat zij hun brood ergens anders konden gaan bedelen,
-zoodat alleen zij die te lande verbannen en verstooten waren een
-tweede maal in het dorp kwamen om een aalmoes te vragen. Ja, hij was
-als iemand, die de schoonheid boven alles liefhad en hij bespotte de
-zwakken en gebrekkigen en vermaakte zich ten hunnen koste; alleen
-zichzelf had hij lief. Des zomers, wanneer de winden sliepen, lag
-hij dikwijls uitgestrekt aan den rand van de bron in des priesters
-tuin en keek omlaag in het water, naar het wonder van zijn gelaat en
-lachte van verrukking over zijne schoonheid.
-
-Dikwijls berispten hem de houthakker en zijn vrouw en zeiden:
-
-"Wij hebben niet zoo tegenover jou gehandeld, als jij nu handelt
-tegenover hen, die ongelukkig zijn en niemand hebben die ze bij kan
-staan. Waarom ben je zoo wreed jegens allen die medelijden verdienen?"
-
-Vaak liet ook de oude priester hem tot zich komen en trachtte hem de
-liefde voor al wat leeft in te prenten en zei de tot hem:
-
-"De vlieg is uw broeder. Doe haar geen kwaad. De wilde vogels, die in
-het woud rondvliegen, hebben hun vrijheid als eenigst goed. Vang ze
-niet voor uw genoegen. God schiep de blindslang en den mol en ieder
-vervult zijn plaats. Wie zijt ge, dat ge smart in God's rijk zoudt
-mogen brengen? Zelfs de dieren op het veld prijzen Hem."
-
-Doch het Sterrekind sloeg geen acht op al die woorden, maar fronste
-het voorhoofd en hield niet op met spotten en ging naar zijne
-speelgenooten terug en voerde ze aan. En zijne speelgenooten volgden
-hem, want hij was schoon, vlug en lenig en hij kon dansen en fluiten
-en allerlei muziek maken. En wáár het Sterrekind ze ook heen leidde,
-daar volgden zij hem en wat het Sterrekind ze beval te doen, dat deden
-zij. En toen hij met een scherppuntig riet den mol de oogen uitstak,
-lachten zij; en wanneer hij met steenen naar de melaatschen wierp,
-dan lachten zij ook. In alle dingen heerschte hij over hen en zij
-werden even hard en gevoelloos als hij zelf.
-
-Toen geschiedde het, dat eens op een dag eene arme bedelares door het
-dorp kwam. Hare kleederen waren aan flarden gescheurd en hare voeten
-bloedden door het schrijden over den steenigen weg, waarlangs zij
-rondgezworven had; zij bevond zich in een zeer beklagenswaardigen
-toestand. En daar zij vermoeid was, zette zij zich neer onder een
-kastanjeboom om uit te rusten.
-
-Toen het Sterrekind haar zag zeide hij tot zijne makkers:
-
-"Zie, daar zit een vuile bedelvrouw onder dien mooien, licht-groenen
-boom. Kom, laten wij haar wegjagen, want zij is leelijk en wanstaltig."
-
-En zij kwamen naderbij en wierpen haar met steenen en jouwden haar
-uit en zij staarde vol ontzetting naar hem en wendde den blik niet van
-hem af. En toen de houthakker, die in de nabijheid hout kloofde, zag
-wat het Sterrekind deed, liep hij snel naderbij, berispte hem en zeide:
-
-"Waarlijk, ongevoelig is je hart en je kent geen erbarmen, want wat
-heeft deze arme vrouw je voor kwaad gedaan, dat je haar zoo slecht
-behandelt?"
-
-En het Sterrekind werd rood van toorn en stampte met den voet op den
-grond en zeide:
-
-"Wie zijt ge, dat ge mij rekenschap vraagt van wat ik doe? Ik ben
-niet uw zoon en heb niet noodig te doen, wat gij me beveelt!"
-
-"Dat is waar," antwoordde de houthakker, "maar ik heb me over je
-ontfermd, toen ik je in het bosch vond liggen."
-
-En toen de vrouw deze woorden hoorde, stootte zij een luiden kreet uit,
-en viel in onmacht.
-
-En de houthakker droeg haar in zijn woning en zijne vrouw zorgde voor
-haar en toen zij uit hare bewusteloosheid ontwaakte, zetten zij haar
-spijs en drank voor en spraken haar moed toe.
-
-Doch zij wilde niet eten noch drinken, maar sprak tot den houthakker:
-
-"Zeidet gij niet, dat ge het kind in het bosch gevonden hebt? En
-gebeurde dat niet heden tien jaar geleden?"
-
-En de houthakker antwoordde:
-
-"Ja, in het bosch heb ik hem gevonden en dat gebeurde heden tien
-jaar geleden."
-
-"En welke herkenningsteekens vondt gij bij hem?" riep zij. "Droeg hij
-niet een ketting van barnsteen om den hals? En was hij niet gewikkeld
-in een doek, die met gouddraad geweven en met sterren bestikt was?"
-
-"Ja zeker," antwoordde de houthakker, "het was zooals gij zegt."
-
-En hij nam den doek en de barnsteenen ketting uit de houten kist,
-waarin zij lagen en toonde ze haar.
-
-En toen zij ze zag, schreide zij van vreugde en sprak:
-
-"Het is mijn kind, dat ik in het bosch verloor. Ik smeek u, laat hem
-dadelijk komen, want alleen om hem te zoeken, heb ik door heel de
-wereld rondgezworven!"
-
-En de houthakker en zijn vrouw gingen heen en riepen het Sterrekind
-en zeiden tot hem: "Ga naar huis, want daar zult ge je moeder vinden,
-die op je wacht."
-
-En hij liep naar huis vol verwondering en vervuld van groote
-vreugde. Doch toen hij zag, wie daar binnen op hem wachtte, lachte
-hij verachtelijk en zeide:
-
-"Nu, waar is dan mijne moeder? Want ik zie hier geen ander wezen dan
-die leelijke bedelvrouw!"
-
-En de vrouw antwoordde hem:
-
-"Ik ben je moeder."
-
-"Ge zijt krankzinnig!" riep het Sterrekind toornig. "Ik ben niet uw
-zoon, want gij zijt een bedelares en ge zijt leelijk en in lompen
-gehuld. Maak dus dat ge wegkomt en laat mij niet langer uw onoogelijk
-gezicht zien."
-
-"Houd op, want je bent waarachtig mijn kleinen zoon, dien ik in het
-bosch droeg," riep zij en zonk op hare knieën en strekte de armen naar
-hem uit. "Roovers hebben je gestolen en toen laten liggen, opdat je
-sterven zoudt," fluisterde zij; "maar ik herkende je dadelijk toen
-ik je zag en de herkenningsteekens, den van gouddraad geweven doek en
-de barnsteenen ketting, heb ik ook teruggevonden. Ik bid je, kom dus
-met mij mede, want door de heele wereld heb ik rondgezworven om je te
-zoeken. Kom met mij mede, mijn zoon, want ik heb je liefde zoo noodig."
-
-Maar het Sterrekind verroerde zich niet en sloot de deuren, die naar
-zijn hart voerden voor haar af, en men hoorde geen ander geluid dan
-het snikken der vrouw, die van smart weende.
-
-En ten slotte sprak hij tot haar en zijn stem klonk hard en bitter.
-
-"Wanneer ge dan waarlijk mijne moeder zijt," zeide hij, "zou het beter
-geweest zijn wanneer ge weggebleven waart, in plaats van hier te komen
-om schande over mij te brengen; want ik meende het kind van een ster
-te zijn en niet dat van eene bedelares, zooals gij beweert. Ga dus
-heen, en laat mij u niet meer zien."
-
-"Ach, mijn zoon!" riep zij uit, "wilt ge mij niet kussen eer ik
-heenga? Want veel heb ik moeten verdragen, aleer ik je vinden kon."
-
-"Neen!" zeide het Sterrekind, "want gij zijt te leelijk om aan te zien,
-en eer zou ik een adder of een pad kussen dan u."
-
-Toen stond de vrouw op, ging het bosch in en weende bitter; en toen
-het Sterrekind zag, dat zij heen was gegaan verheugde hij zich en
-liep terug naar zijne speelgenooten om weer met hen te spelen.
-
-Maar toen zij hem zagen aankomen bespotten zij hem en riepen:
-
-"Foei! je bent zoo leelijk als een pad en zoo afzichtelijk als
-een adder. Maak dat je wegkomt, want wij willen niet langer met je
-spelen!" En zij verjoegen hem uit den tuin.
-
-En het Sterrekind fronste het voorhoofd en sprak tot zich zelf:
-
-"Wat beduidt dat, wat zij daar zeggen? Ik zal naar de bron gaan en
-me daarin spiegelen en die zal mij mijne schoonheid toonen." En hij
-ging naar de bron en keek er in en zie! zijn gelaat was als dat van
-een pad en zijn lichaam was geschubt als dat van een adder. En hij
-wierp zich neer in het gras en schreide en sprak tot zich zelf:
-
-"Waarlijk, dit is over mij gekomen, wegens mijne zonde. Want mijne
-moeder heb ik verloochend en heb haar weggejaagd en ik ben trotsch
-en wreed jegens haar geweest. Daarom wil ik nu heengaan en haar heel
-de wereld door zoeken en niet rusten, aleer ik haar gevonden heb."
-
-En daar kwam het dochtertje van den houthakker tot hem en zij legde
-haar hand op zijn schouder en sprak:
-
-"Wat deert het, of je je schoonheid verloren hebt? Blijf bij ons en
-ik zal je niet bespotten."
-
-Maar hij zeide tot haar:
-
-"Neen, want ik ben wreed jegens mijne moeder geweest en tot straf
-is dit kwaad over mij gekomen. Daarom moet ik nu heengaan van hier,
-totdat ik haar zal gevonden hebben en zij mij vergiffenis schenkt."
-
-En hij liep het woud in en riep zijne moeder en smeekte haar tot hem te
-komen, maar hij kreeg geen antwoord. Den ganschen dag riep hij om haar
-en toen de zon onderging, legde hij zich neer op een leger van droge
-bladeren om te slapen. En de vogels en andere dieren vluchtten voor
-hem, want zij dachten aan zijne wreedheid; hij was dus heel alleen;
-slechts de padde keek hem aan en de trage adder schuifelde voorbij....
-
-En den volgenden morgen stond hij op en plukte bittere bessen van
-de boomen, at ze, en vervolgde toen weenend zijn weg door het groote
-bosch. En aan alles wat hij maar tegenkwam vroeg hij, of men misschien
-ook zijne moeder gezien had.
-
-Hij zeide tot den mol:
-
-"Gij kunt tot onder den grond doordringen. Zeg mij, is mijne moeder
-daar?"
-
-En de mol antwoordde:
-
-"Je hebt mijne oogen blind gemaakt, hoe zou ik het dus kunnen weten?"
-
-En tot den vlasvink zeide hij:
-
-"Gij kunt over de toppen der hooge boomen vliegen. Zeg me, kunt ge
-mijne moeder niet vinden?"
-
-En de vlasvink antwoordde:
-
-"Je hebt mijne vleugels uit louter vermaak gekortwiekt; hoe kan ik
-nu nog vliegen?"
-
-En tot het kleine eekhorentje, dat in den dennenboom huisde en eenzaam
-was, zeide hij:
-
-"Waar is mijne moeder?"
-
-En het eekhorentje antwoordde:
-
-"Je hebt de mijne gedood. Wil je nu ook trachten de uwe te dooden?"
-
-En het Sterrekind weende en boog het hoofd en vroeg God's schepselen
-om vergeving en ging verder het woud door om naar de bedelares te
-zoeken. En op den derden dag bereikte hij het andere eind van het
-bosch en daalde neer in de vlakte......
-
-En wanneer hij door de dorpen liep, dan bespotten hem de kinderen en
-wierpen hem met steenen; en de boeren wilden hem niet eens in de stal
-laten slapen, uit vrees, dat hij den meeldauw over het ingehaalde
-koren zou kunnen brengen, zoo afzichtelijk was hij om aan te zien,
-en hunne daglooners jaagden hem weg, en niemand had medelijden met hem.
-
-En nergens hoorde hij iets van de bedelares, die zijne moeder was,
-ofschoon hij drie jaren lang in de wereld rondzwierf en dikwijls
-meende haar voor zich uit op den weg te zien; dan riep hij haar en
-liep haar achterna, totdat zijne voeten door de scherpe kiezelsteenen
-bloedden. Maar nooit kon hij haar inhalen en zij, die aan den weg
-woonden, ontkenden steeds haar ooit gezien te hebben, noch iemand
-die op haar geleek, en zij lachten om zijn leed.
-
-Drie jaren lang zwierf hij door de wereld rond en in die wereld was
-noch liefde, noch goedheid, noch medelijden voor hem; maar het was
-een wereld, zooals hij die in de dagen van zijn grooten hoogmoed om
-zich heen had doen ontstaan.
-
-En op een avond kwam hij aan de poort eener vestingstad, die aan
-een stroom gelegen was, en ofschoon hij vermoeid was en zijne voeten
-bloedden wilde hij toch nog de stad binnengaan. Maar de soldaten, die
-op wacht stonden lieten hunne hellebaarden voor den ingang nederdalen
-en snauwden hem barsch toe:
-
-"Wat heb je in de stad te zoeken?"
-
-"Ik zoek naar mijn moeder," antwoordde hij "en ik smeek u, mij binnen
-te laten, want het zou toch mogelijk kunnen zijn, dat zij zich in
-deze stad bevindt."
-
-Maar zij lachten hem uit en een hunner schudde zijn zwarten baard en
-terwijl hij zijn schild neerzette, riep hij:
-
-"Waarlijk, heel blij zal je moeder wel niet zijn, wanneer ze je ziet,
-want je bent leelijker dan de pad van de waterplas en dan de adder
-die in het moeras rondkruipt. Scheer je weg, scheer je weg! Je moeder
-woont niet in deze stad."
-
-En een ander, die een gele vlag in de hand droeg, zeide tot hem:
-
-"Wie is je moeder en waarom zoek je haar?"
-
-En hij antwoordde:
-
-"Mijn moeder bedelt even als ik en ik heb haar slecht behandeld;
-en ik smeek u, laat mij binnen, opdat zij mij vergiffenis schenke,
-wanneer zij in deze stad mocht vertoeven."
-
-Maar zij wilden er niet van hooren en staken met hunne speren
-naar hem. En toen hij zich schreiend omwendde kwam er een, wiens
-wapenrusting met gouden bloemen was ingelegd en op wiens helm een
-gevleugelde leeuw lag en hij vroeg aan de soldaten, wie daareven
-verlangd had binnen te komen. En zij zeiden tot hem:
-
-"Het was een bedeljongen en de zoon van een bedelares en wij hebben
-hem weggejaagd."
-
-"Zoo," riep hij lachend uit, "maar laat ons dien vogelverschrikker als
-slaaf verkoopen, en wel om den prijs van een schaal vol zoeten wijns."
-
-En een oude man met een boosaardig gezicht die juist voorbij kwam,
-riep:
-
-"Ik wil hem wel tot dien prijs koopen," en toen hij den prijs betaald
-had, nam hij het Sterrekind bij de hand en voerde hem in de stad.
-
-En nadat zij door vele straten geloopen waren, bereikten zij langs
-een muur eene kleine deur, die achter een granaatappelboom verborgen
-lag. En de oude man raakte de deur aan met een ring van geslepen jaspis
-en zij sprong open en toen daalden zij vijf ijzeren treden af naar
-een tuin, waarin zwarte klaprozen groeiden en groene aarden kruiken
-stonden. En de oude man nam uit zijn tulband een doek van veelkleurige
-zijde, bond daarmede het Sterrekind de oogen toe en duwde het voor
-zich uit. En toen de blinddoek hem van de oogen genomen werd, bevond
-hij zich in een kerker, die door een hoornen lantaarn verlicht werd.
-
-En de oude man zette hem op een houten bord eenig beschimmeld brood
-voor en zeide: "Eet," hij reikte hem toen gezout water in een beker
-en zeide: "Drink," en toen hij gegeten en gedronken had, ging de oude
-man heen, sloot de deur achter zich dicht en grendelde haar met een
-ijzeren ketting.
-
-En den volgenden dag kwam de oude man, die de sluwste aller Libische
-toovenaars was en zijne kunsten geleerd had van een, die in de graven
-aan den Nijlstroom huisde, op nieuw tot hem en sprak:
-
-"In een woud, dicht bij deze stad van Ongeloovigen, liggen drie
-stukken goud. Het eene is van wit goud, het andere van geel goud en
-het goud van het derde stuk is rood van kleur. Heden moet gij mij
-het stuk wit goud brengen en wanneer ge het niet meebrengt, zal ik je
-honderd slagen geven. Begeef je fluks op weg, bij zonsondergang zal
-ik je aan de deur van den tuin afwachten. Doe je best om het witte
-goud te vinden of het zou je slecht bekomen, want je bent mijn slaaf
-en ik heb je om den prijs van een schaal zoeten wijn gekocht."
-
-En hij verbond de oogen van het Sterrekind met den doek van gekleurde
-zijde en voerde hem door het huis en door den klaprozentuin en langs
-de vijf ijzeren treden opwaarts. En nadat hij de kleine deur met zijn
-ring geopend had, zette hij hem op straat.
-
-En het Sterrekind ging buiten de poorten der stad en bereikte het
-bosch, waarvan de toovenaar gesproken had.
-
-En het bosch zag er oogenschijnlijk heerlijk uit en leek vol zingende
-vogels en zoetgeurende bloemen te zijn en het Sterrekind liep er
-vroolijk binnen. Maar die schoonheid was hem van weinig nut, want waar
-hij ook ging, daar sproten scherpe dorens en stekelige ranken uit den
-grond omhoog en omslingerden hem; leelijke brandnetels staken hem en
-de distels verwondden hem met hunne scherpe priemen, zoodat hij in
-grooten nood verkeerde. En nergens kon hij het stuk wit goud vinden,
-waarvan de toovenaar gesproken had, ofschoon hij het van den morgen
-tot den middag zocht, en van den middag tot aan zonsondergang. En met
-zonsondergang keerde hij huiswaarts en schreide bitter, want hij wist
-wat hem te wachten stond.
-
-Toen hij echter den zoom van het woud bereikt had, hoorde hij van
-uit het dichte struikgewas een kreet als van iemand, die in nood
-verkeert. En hij vergat zijn eigen leed, liep terug en vond een kleinen
-haas, gevangen in een val, die door een jager daar was opgesteld.
-
-En het Sterrekind had medelijden met het haasje en bevrijdde hem,
-zeggende:
-
-"Zelf ben ik ook niet anders dan een slaaf en toch kan ik je de
-vrijheid teruggeven."
-
-En de haas antwoordde hem en zeide:
-
-"Waarlijk, je hebt me mijn vrijheid teruggegeven, hoe kan ik je nu
-op mijn beurt van dienst zijn?"
-
-En het Sterrekind zeide tot hem:
-
-"Ik zoek naar een stuk wit goud en kan het nergens vinden en wanneer
-ik het mijnen heer niet breng, zal hij mij slaan."
-
-"Kom met mij mee," zeide de haas, "en ik zal er je heen voeren,
-want ik weet waar het verborgen ligt en tot welk doel."
-
-En het Sterrekind volgde het haasje en zie! in de spleet van een
-grooten eikenboom lag het stuk wit goud dat hij zocht. En hij was
-uiterst verblijd, greep het en zeide tot den haas:
-
-"Den dienst, dien ik je bewees heb je me in veel grooter mate vergolden
-en de barmhartigheid, die ik je betoonde werd wel honderdvoudig
-beloond."
-
-"Neen," antwoordde de haas, "want zoo als ge jegens mij gehandeld hebt,
-zoo handelde ik ook jegens u."
-
-En haastig liep hij heen en het Sterrekind keerde naar de stad terug.
-
-En aan de poort van de stad zat een man, die melaatsch was. Over zijn
-geheele aangezicht hing een kap van grijs linnen en door de gaten
-voor de oogen zag men zijne pupillen gloeien als vurige kolen. Toen
-hij het Sterrekind, zag aankomen, sloeg hij op een houten bekken,
-rinkelde met zijn bel, riep hem aan en zeide:
-
-"Geef mij een geldstuk, anders moet ik van honger sterven. Want men
-heeft mij uit de stad verdreven en niemand heeft medelijden met mij."
-
-"Ach!" riep het Sterrekind, "ik heb slechts een stuk goud in mijn
-zak en wanneer ik het mijnen meester niet breng, zal hij mij slaan,
-want ik ben zijn slaaf."
-
-Maar de melaatsche smeekte en bad zoolang, totdat het Sterrekind
-medelijden kreeg en hem het stuk wit goud gaf.
-
-En toen hij voor het huis van den toovenaar kwam, opende deze de deur,
-leidde hem naar binnen en zeide:
-
-"Heb je het stuk wit goud?"
-
-En het Sterrekind antwoordde:
-
-"Ik heb het niet."
-
-Toen wierp de toovenaar zich op hem, sloeg hem onbarmhartig, zette
-een leeg bord voor hem neer en zeide: "Eet," en ook een leegen beker
-en zeide: "Drink!" en daarop duwde hij hem weer in den kerker.
-
-En den volgenden morgen kwam de toovenaar opnieuw tot hem en zeide:
-
-"Wanneer je mij heden niet het stuk geel goud thuis brengt, zal ik je
-voor goed als mijn slaaf houden en je drie honderd stokslagen geven."
-
-En het Sterrekind ging in het bosch en heel den dag door zocht hij
-naar het stuk geel goud, maar nergens kon hij het vinden. En toen
-de zon ter kimme daalde zette hij zich neer en begon te schreien,
-en terwijl hij zoo schreide, kwam de kleine haas, dien hij uit zijn
-val bevrijd had naar hem toe geloopen.
-
-En de haas zeide tot hem:
-
-"Waarom schreit ge en wat zoek je in het woud?"
-
-En het Sterrekind antwoordde:
-
-"Ik zoek een stuk geel goud, dat hier verborgen is en wanneer ik
-het niet vind, zal mijn meester mij slaan en mij als zijn slaaf bij
-zich houden."
-
-"Volg mij," riep de haas en hij liep door het bosch, totdat hij aan een
-waterplas kwam. En op den bodem van den plas lag het stuk geel goud.
-
-"Hoe zal ik je danken?" zeide het Sterrekind, "want zie! dit is reeds
-de tweede maal, dat je mij geholpen hebt."
-
-"Ja, maar je hebt het eerst medelijden met mij gehad," zeide de haas
-en ijlings draafde hij heen.
-
-En het Sterrekind nam het stuk geel goud en stak het in zijn zak en
-liep haastig terug naar de stad.
-
-Maar de melaatsche zag hem komen, ging hem tegemoet, knielde neer en
-riep: "Geef mij een stukje geld, anders moet ik van honger sterven."
-
-En het Sterrekind antwoordde hem:
-
-"Ik heb alleen een stuk geel goud in mijn zak en wanneer ik het
-mijn meester niet breng, zal hij mij slaan en als zijn slaaf bij
-zich houden."
-
-Maar de melaatsche smeekte hem zoo dringend, dat het Sterrekind
-medelijden met hem kreeg en hem het stuk geel goud gaf.
-
-En toen hij aan het huis van den toovenaar gekomen was, opende deze
-hem en liet hem binnen en zeide:
-
-"Heb je het stuk geel goud?"
-
-En het Sterrekind zeide:
-
-"Ik heb het niet."
-
-Toen wierp de toovenaar zich op hem, sloeg hem, belaadde hem met
-ketenen en sloot hem weer op in den kerker.
-
-En den volgenden morgen kwam de toovenaar tot hem en zeide:
-
-"Wanneer je mij heden het stuk rood goud brengt zal ik je vrij
-laten. Maar wanneer je het mij niet brengt, zal ik je doodslaan,
-wees daar zeker van."
-
-En het Sterrekind ging naar het bosch en zocht den geheelen dag naar
-het stuk rood goud, maar nergens kon hij het vinden. En toen het
-avond werd zette hij zich neer en schreide en toen hij zoo schreide,
-kwam de kleine haas tot hem.
-
-En de haas zeide:
-
-"Het stuk rood goud, dat je zoekt ligt in het hol achter je. Schrei
-dus niet langer, maar wees blijde."
-
-"Hoe zal ik 't je ooit vergelden!" riep het Sterrekind, "want zie! dit
-is de derde maal, dat je me geholpen hebt."
-
-"Ja, maar jij hadt toch 't eerst medelijden met mij," zei het haasje
-en liep ijlings heen.
-
-En het Sterrekind ging binnen in het hol en in den verst-verwijderden
-hoek vond hij het stuk rood goud. En hij stak het in zijn zak en
-snelde terug naar de stad.
-
-En de melaatsche zag hem aankomen en zich midden op den weg plaatsende,
-riep hij hem en zeide:
-
-"Geef mij het stuk rood goud, anders moet ik sterven."
-
-En het Sterrekind had wederom medelijden met hem en gaf hem het stuk
-rood goud, zeggende:
-
-"Uw nood is grooter dan de mijne." Maar zijn hart was zwaar, want
-hij wist, welk treurig lot hem wachtte.
-
-Maar zie! toen hij door de stadspoort kwam, bogen de schildwachten
-zich voor hem en huldigden hem en zeiden:
-
-"Hoe schoon is onze Heer!"
-
-En een schare van burgers volgde hem en riep:
-
-"Waarlijk, in heel de wereld is niemand schooner dan hij!"
-
-En het Sterrekind schreide bitter en sprak tot zich zelf:
-
-"Zij bespotten mij en scheppen behagen in mijne ellende."
-
-Doch zoo groot werd de toeloop van het volk, dat hij de richting
-van zijn weg verloor en zich ten laatste op een groot plein bevond,
-waarop het paleis van een koning stond.
-
-En de poort van het paleis opende zich en de priesters en
-hooggeplaatste burgers der stad schreden hem tegemoet, bogen zich
-voor hem en zeiden:
-
-"Gij zijt onzen Heer, op wien wij gewacht hebben en de zoon van
-onzen Koning."
-
-En het Sterrekind antwoordde hen en sprak:
-
-"Ik ben geenszins eens Konings zoon, maar het kind van eene arme
-bedelares. En waarom zegt gijlieden, dat ik schoon ben, terwijl ik
-toch weet, hoe afzichtelijk mijn gelaat is om aan te zien."
-
-Toen hield degene, wiens wapenrusting met gouden bloemen was ingelegd
-en op wiens helm een gevleugelde leeuw lag, zijn schild hoog opgeheven
-en riep:
-
-"Waarom zegt mijn Heer, dat hij niet schoon is?"
-
-En het Sterrekind keek er in, en zie! zijn gelaat was zoo als het
-vroeger geweest was; zijne schoonheid was teruggekeerd en in zijne
-oogen zag hij iets, dat hij er vroeger nooit in bemerkt had.
-
-En de priesters en hooge staatsburgers knielden neer en zeiden tot hem:
-
-"Sinds langen tijd is voorspeld geworden, dat degene, die over ons
-heerschen moet, heden zou verschijnen. Onze heer en meester neme
-daarom deze kroon en dezen schepter uit onze handen en heersche in
-rechtvaardigheid en genade als Koning over ons".
-
-Maar hij sprak tot hen:
-
-"Ik ben zulks niet waardig, want ik heb de moeder, die mij droeg,
-verloochend en ik mag niet rusten aleer ik haar gevonden en hare
-vergiffenis ontvangen heb. Laat mij dus heengaan, want ik moet wederom
-over de wereld zwerven en mag hier niet blijven, al biedt gij mij ook
-kroon en schepter aan." En terwijl hij sprak, wendde hij het gelaat
-van hen af en blikte naar de straat die tot de stadspoort voerde,
-en zie! onder de schare, die zich om de soldaten drong, zag hij de
-bedelares, die zijne moeder was en naast haar stond de melaatsche man,
-die aan den weg gezeten had.
-
-En een vreugdekreet weerklonk van zijne lippen en hij snelde naar
-haar toe, knielde neer en kuste de wonden aan zijn moeder's voeten
-en bevochtigde ze met zijne tranen.
-
-Hij boog het hoofd in het stof, en snikte als een wiens hart breken
-zal en sprak tot haar:
-
-"Moeder, ik verloochende u in het uur van mijn hoogmoed. Neem mij weer
-tot u, in het uur van mijn ootmoed. Moeder, ik gaf u haat. Geef gij mij
-liefde. Moeder, ik stootte u van mij. Neem gij nu Uw kind weer tot u."
-
-Maar de bedelares antwoordde hem met geen enkel woord.
-
-En hij strekte de handen uit en omvatte de witte voeten van den
-melaatschen en sprak tot hem:
-
-"Driemaal betoonde ik u medelijden. Zeg mijne moeder, dat zij eenmaal
-nog tot mij spreke."
-
-Maar de melaatsche antwoordde hem met geen enkel woord.
-
-En wederom snikte hij en sprak:
-
-"Moeder, mijn lijden is zwaarder dan ik dragen kan. Schenk mij uwe
-vergiffenis en laat mij terugkeeren in het woud."
-
-En de bedelares legde hem de hand op het hoofd en sprak:
-
-"Sta op!" En ook de melaatsche legde hem de hand op het hoofd en
-sprak eveneens:
-
-"Sta op." En hij stond op en keek ze aan en zie!.... Zij waren een
-Koning en een Koningin.
-
-En de Koningin zeide tot hem:
-
-"Dit is uw vader, dien ge geholpen hebt."
-
-En de Koning zeide:
-
-"Dit is uwe moeder, wier voeten ge met uwe tranen besproeid hebt."
-
-En zij vielen hem om den hals en kusten hem en geleidden hem in het
-paleis; zij kleedden hem in prachtige gewaden en zetten hem de kroon
-op het hoofd en legden hem den schepter in de hand en hij regeerde
-over de stad aan den stroom en was haar heerscher.
-
-Vol rechtvaardigheid en genade was hij voor allen; den slechten
-toovenaar verbande hij, aan den houthakker en zijne vrouw zond hij
-vele rijke geschenken en hunne kinderen bewees hij veel eer. En hij
-duldde niet, dat eenig mensch wreed was voor vogels of vee, maar
-leerde liefde, goedheid en erbarmen; en den armen schonk hij brood
-en den naakten kleederen en er heerschte vrede en welvaart in het
-gansche land.
-
-Maar lang regeerde hij niet, zoo bitter was zijn lijden en zoo zwaar
-waren zijne beproevingen geweest; en na drie jaren stierf hij.
-
-Doch hij, die na hem kwam heerschte met wreede hand en strenge tucht,
-en nood en jammer kwamen over het land.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-End of the Project Gutenberg EBook of Het Granaatappelhuis, by Oscar Wilde
-
-*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET GRANAATAPPELHUIS ***
-
-***** This file should be named 55485-8.txt or 55485-8.zip *****
-This and all associated files of various formats will be found in:
- http://www.gutenberg.org/5/5/4/8/55485/
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
-States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive
-specific permission. If you do not charge anything for copies of this
-eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook
-for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports,
-performances and research. They may be modified and printed and given
-away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks
-not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the
-trademark license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country outside the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you'll have to check the laws of the country where you
- are located before using this ebook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm web site
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The
-Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm
-trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the
-mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its
-volunteers and employees are scattered throughout numerous
-locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt
-Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to
-date contact information can be found at the Foundation's web site and
-official page at www.gutenberg.org/contact
-
-For additional contact information:
-
- Dr. Gregory B. Newby
- Chief Executive and Director
- gbnewby@pglaf.org
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
-spread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works.
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our Web site which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
-