summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/55477-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/55477-8.txt')
-rw-r--r--old/55477-8.txt9499
1 files changed, 0 insertions, 9499 deletions
diff --git a/old/55477-8.txt b/old/55477-8.txt
deleted file mode 100644
index f281c43..0000000
--- a/old/55477-8.txt
+++ /dev/null
@@ -1,9499 +0,0 @@
-The Project Gutenberg EBook of Wies Ongeluk, by Felicie Jehu
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
-almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
-re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
-with this eBook or online at www.gutenberg.org/license
-
-
-Title: Wies Ongeluk
-
-Author: Felicie Jehu
-
-Illustrator: Cornelia Spoor
-
-Release Date: September 2, 2017 [EBook #55477]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: ISO-8859-1
-
-*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK WIES ONGELUK ***
-
-
-
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg
-
-
-
-
-
-
-
-
-
- WIES ONGELUK
-
- DOOR FELICIE JEHU
-
- GEÏLLUSTREERD DOOR
-
- NELLY SPOOR
-
-
-
- TWEEDE DRUK
-
- ALKMAAR--GEBR. KLUITMAN
-
-
-
-
-
-
-
-
-INHOUD.
-
-
- Hoofdst.  Bladz.
-
- I. Vaders vertrek 7
- II. Het portret 17
- III. De storm 30
- IV. Noodlot of eigen schuld? 45
- V. De Wraak 60
- VI. Valsche schaamte 76
- VII. Henks geheim 89
- VIII. Overgaan of blijven zitten? 101
- IX. Naar Grootvader en Grootmoeder 114
- X. Zoo'n zwak willetje! 128
- XI. Het sprookje 142
- XII. De harde levensles 158
- XIII. De thuiskomst 177
- XIV. Worstelen en overwinnen 193
- XV. Drama met apothéose 205
- XVI. "Leve ons Wiesje, de heldin!" 222
-
-
-
-
-
-
-
-
-EERSTE HOOFDSTUK.
-
-VADERS VERTREK.
-
-
-De klok had juist zeven geslagen, toen Louise Schotter hare oogen
-opende, om ze dadelijk weer te sluiten voor het felle zonlicht,
-dat door het geopende raam haar in het gezicht scheen.
-
-Met een ruk keerde ze zich om, zoodat ze met haar rug naar het storend
-licht kwam te liggen. Maar het hielp haar niet, de morgenzon wierp
-hare stralen op den muur en belichtte het behang zoo scherp, dat het
-haar door hare gesloten oogleden heen hinderde.
-
-"Hoe vervelend toch, dat Moeder 's avonds dat gordijn zoo hoog optrekt,
-op die manier kun je nooit eens lekker uitslapen," bromde ze, zich
-weer omgooiend, om met half gesloten oogen naar het klokje te kijken,
-hoe vroeg het nog wel was.
-
-Al over zevenen?
-
-Dan moest ze eigenlijk opstaan, maar ze had er nog zoo weinig lust in,
-ze was nog half dood van den slaap.
-
-Een oogenblikje nog, een kwartiertje kon ze zich nog wel gunnen en
-weer keerde ze haar gezicht naar den muur, om nog even in te dommelen.
-
-Een poosje lag ze zoo te soezen, maar langzamerhand scheen haar
-slaperigheid te wijken en werd haar hoofd helderder. Ze lag nu met
-open oogen te staren en hare gedachten waren blijkbaar niet van de
-aangenaamste, ten minste, hare lippen begonnen eensklaps te beven,
-terwijl hare oogen zich met tranen vulden. Het was tot haar bewustzijn
-doorgedrongen, dat het de morgen was van den dag, waartegen ze al zoo
-lang had opgezien, den vreeselijken dag van Vaders vertrek naar Indië.
-
-Vijf jaar was hij in het land geweest, dat was heel lang voor een
-zeeofficier en Moes zei, dat ze daar dankbaar voor moesten zijn,
-maar die waren nu om en Vader moest vandaag weg, weg voor vele jaren.
-
-Ze schreide nu zachtjes in haar kussen.
-
-Hoe moest dat toch gaan, hoe zou ze het zonder Vader kunnen
-stellen. Vadertje was de eenige in huis, die haar een beetje begreep.
-
-O neen, dat was waar ook, dat mocht ze niet zeggen. Vader had haar
-hartelijk uitgelachen, toen ze dat eens beweerd had en ze had hem
-moeten beloven, niet zulke dwaze dingen te denken, ze was heusch
-geen raadselachtig wezentje, maar een heel gewoon meisje en als ze
-dacht niet begrepen te worden, dan was de oorzaak daarvan alleen
-daarin te vinden, dat ze zich graag een beetje anders dacht, dan ze
-eigenlijk was.
-
-Ze zuchtte.
-
-Ze dacht heusch niets bizonders van zich zelf, maar dat hare goede
-bedoelingen niet begrepen werden, dat was zoo.
-
-Vooral Moes kon haar soms zoo echt miskennen.
-
-Ze kon het toch niet helpen, dat de dingen dikwijls zoo heel anders
-uitkwamen, dan ze verwacht had en dat het soms onmogelijk was, hare
-goede voornemens uit te voeren, dat nam toch niet weg, dat ze het
-goed bedoeld had.
-
-Moeder lette alleen op hetgeen ze werkelijk tot stand bracht. Moes
-was wel vreeselijk prozaïsch en praktisch, dat zou toch ieder moeten
-bekennen. Wat had ze bijvoorbeeld niet gebromd, toen Vader haar, op
-haar dringend verlangen, die mooie plaat van Bodenhausen, Märchen,
-als afscheidscadeau gegeven had.
-
-En ze was er zóó blij mee geweest!
-
-Zich oprichtend, keek ze met verrukte oogen naar de plaat, die in
-een mooi, eenvoudig lijstje, op een gunstig belicht plekje aan den
-muur hing.
-
-Haar lieve Märchen, met de donkere sprookjesoogen, starend in het
-raadselachtig land van haar verbeelding, luisterend naar het wuiven
-van het riet, waartusschen ze zat.
-
-Was het niet prachtig?
-
-Men zag als 't ware de rietpluimen bewegen, met een beetje
-verbeeldingskracht hoorde men ze zelfs.
-
-En dan die uil op den voorgrond.
-
-Kwam hij niet naar je toegevlogen op zijn krachtige vleugels, zou je
-niet eens even willen blazen in het dons van zijn lijfje?
-
-En op den achtergrond die lichtstreep, waarboven die donkere
-wolken. Hè, dat alles gaf je zoo'n heerlijk, geheimzinnig gevoel,
-straks zou dat kleine mondje gaan vertellen van elfen en kabouters,
-van feeën, die alles terecht brachten, wat men bij ongeluk verknoeid
-had, van ridders in zilveren harnassen en van nixen, die uit het
-donkere water opstegen.
-
-Zalig toch, dat alles!
-
-En Louise liet zich weer neerzakken in de zachte kussens en trok de
-dekens wat hooger op.
-
-Stel je voor, Moes noemde het verrukkelijke Märchen, die juffrouw
-met haar verschrikte oogen en had aan Vader gevraagd, of hij Wies nog
-niet overdreven genoeg vond, dat hij zoo'n malle plaat gegeven had,
-om op haar kamertje te hangen.
-
-Een oogenblik was ze bang geweest, dat ze haar weer afgepakt zou
-worden, maar gelukkig had Vader geantwoord, dat hij er geen kwaad in
-zag en haar iets had willen geven, dat ze graag hebben wilde.
-
-Ja, Vadertje begreep haar toch beter dan Moes en nu ging hij vandaag
-weg, ver weg, ze kon zich dat eigenlijk niet goed voorstellen.
-
-Daar werd de deur geopend en een omstreeks twaalfjarig meisje kwam
-binnen, reeds geheel gekleed, het haar netjes in twee vlechten
-gevlochten.
-
-"Wat, nog in bed?" riep het verontwaardigd, ziende dat Louise nog
-rustig onder de dekens lag.
-
-Een beetje verschrokken en ook wat schuldbewust keek deze op het
-klokje.
-
-"Al acht uur?" vroeg ze benauwd. "Hoe is het mogelijk."
-
-Haar zusje knikte ernstig met het hoofd.
-
-"Al acht uur en juffrouw luilak nog in bed en dat nog wel, nu je voor
-het laatst met Vader zou kunnen ontbijten. Ik kwam je juist zeggen,
-dat je voort moest maken, want dat Vader al vóór half negen uit moet,
-om nog iemand goedendag te zeggen, dien hij gisteren niet thuis
-gevonden heeft. Maar jij zult wel klaar komen, nou!"
-
-Haastig was Louise uit bed gesprongen.
-
-"Moet Vader zoo vroeg al uit? Lieve help, hoe kom ik klaar," riep ze,
-worstelend met een kous, waarvan de voet verdraaid zat, zoodat ze er
-niet met hare teenen in kon.
-
-Met een minachtend trekje op haar gezicht, nam Marietje de kous uit
-hare handen en begon haar om te keeren.
-
-"Hier, trek aan," zei ze toen, "als je de kousen gisterenavond
-behoorlijk uitgehaald hadt, zou je er nu zoo'n last niet mee hebben."
-
-Wies was op het punt iets scherps te antwoorden, dat vervelende schaap
-met haar eeuwige lesjes, maar ze hield zich in, ze had nu geen tijd
-om te kibbelen, och, och, hoe kwam ze nog bijtijds beneden, om met
-Vader te kunnen ontbijten, dezen laatsten ochtend.
-
-Marietje zei, dat ze ging, ze dacht wel, dat Vader al in de huiskamer
-zou zijn, en ze wilde dat laatste ontbijt met hem samen niet graag
-missen.--Wies raakte hoe langer hoe meer in de war, nu kon ze weer
-den veter niet door de gaatjes van haar laars krijgen, dat die malies
-er ook dadelijk afvlogen.
-
-"Ga maar," snauwde ze, "door je gezeur kan ik nog minder voortmaken."
-
-"Zeg dat ik dadelijk kom," riep ze nog, toen haar zusje de deur al
-achter zich dicht had.
-
-Toen ze een twintig minuten later beneden kwam, na een haastig toilet,
-waarbij ze voor één keertje hare tanden maar niet gepoetst had en
-hare nagels duidelijk de sporen droegen van met geen nagelborstel in
-aanraking te zijn geweest, was haar vader al weg, hij had niet langer
-kunnen wachten, bang dengeen, dien hij spreken wilde, niet meer thuis
-te treffen.
-
-Met tranen in hare oogen ging Louise aan de ontbijttafel zitten. Nu
-zag ze Vader niet meer voor aan de koffie en om twee uur vertrok
-hij voor goed. Moes zou hem naar het Nieuwediep brengen, vanwaar hij
-morgenochtend vroeg uitvaren moest.
-
-"Had Vader nog niet even kunnen wachten?" vroeg ze, hare tranen
-inslikkend.
-
-"Je was de eenige van de kinderen, die niet bijtijds beneden was
-vanochtend," antwoordde hare moeder.
-
-Toen de rouwrandjes ziende, die de vingers van haar dochtertje
-ontsierden, voegde ze er bij:
-
-"Maak wat voort met ontbijten en ga dan nog even je nagels
-schoonmaken. Dat je je niet schaamt, om zóó naar school te willen gaan,
-zoo'n groot meisje."
-
-Wies slikte haastig haar boterham door en keek tersluiks naar de
-gewraakte vingertoppen. Ze had nogal tijd gehad, om hare nagels te
-poetsen. Ze had zich zóó gehaast en nu nog voor niets.
-
-"Ben je klaar, kind," klonk weer Moeders stem, "treuzel niet te veel
-boven, anders kom je nog te laat op school ook."
-
-Gedwee stond Louise op en ging naar haar kamertje. Ze had te veel
-verdriet om tegen te pruttelen, iets, waar ze anders nog al van
-hield. Slechts één ding hield haar gedachte bezig, hoe de ochtend
-ooit om zou komen en hoe ze nu al vreeselijk naar twaalf uur verlangde.
-
-Op school was haar geest erg afwezig en lette ze heel weinig op,
-maar de juffrouw wist, dat haar vader dien dag vertrekken zou en zag
-dus maar wat door de vingers.
-
-Aan de koffietafel vond ze het geheele gezin al bijeen. De kleintjes,
-Stan en Jantje, zaten ieder op een van hun vaders knieën en waren
-uitgelaten van plezier. Vader zelf was vol gekheid en Moes keek ook
-vroolijk, maar Wies vond toch, dat ze er vreemd uitzag, haar gezicht
-stond niet natuurlijk, dacht ze.
-
-Henk, haar zestienjarige broer, ging blijkbaar op de scherts van
-Vader in, maar deed wel erg druk.
-
-Alleen Marietje zag er net uit als altijd, haar ernstig gezichtje
-had dezelfde uitdrukking van alle dagen, terwijl ze zich beijverde
-de kopjes van Moes aan te nemen en uit te deelen.
-
-Haar vader deed zijn best, zijn oudste dochtertje uit haar sombere
-stemming te halen, door ook tegen haar een paar grapjes te zeggen,
-maar ze beantwoordde die enkel met een benepen lachje en zat stil voor
-zich uit te staren, gaf een knorrig antwoord, toen Henk haar iets
-vroeg en snauwde tegen Jantje, die een afgeknabbeld broodkorstje op
-haar bord gooide.
-
-Haar moeder schudde bedenkelijk het hoofd.
-
-"Wil je wel gelooven," zei ze tegen haar man, "dat ik met een bezorgd
-hart voor een dag wegga. Ze is vandaag in een humeur! Dat is nu mijn
-oudste dochter en wat heb ik voor steun aan haar?"
-
-"Ik zal wel op de kleintjes letten," verzekerde Marietje.
-
-"Bemoei jij je met je eigen zaken," viel Wies uit.
-
-"Nu nog kibbelen?" vroeg haar vader zacht.
-
-Wies sloeg hare oogen op en keek hem een oogenblik aan.
-
-Toen vloog ze op en zich op de divan neergooiend, barstte ze in
-tranen uit.
-
-Haar vader liet haar uithuilen, terwijl hij zijn maal eindigde en ging
-toen naar haar toe. Zijn hand op haar arm leggend, vroeg hij haar, even
-met hem mee te willen gaan, hij zou graag nog eens met haar spreken.
-
-Louise richtte zich langzaam op en met zijn arm om haar schouder
-voerde hij haar mee naar zijn kamer, die al getuige was geweest van
-zoo menig gesprek tusschen vader en dochter.
-
-Hij trok haar naar het raam en zijn hand onder haar kin leggend,
-keek hij haar in de beschreide oogen.
-
-"Wiesje, Wiesje," zei hij, "wat een vreemde manier om me je liefde
-en verdriet te toonen."
-
-Eerst keek ook Wies hem in de oogen, maar al spoedig werd haar blik
-verduisterd door tranen en haar arm om zijn hals slaande, begon ze
-opnieuw hevig te schreien.
-
-Haar vader liet haar nog even begaan en zei toen op opgewekten toon:
-
-"Ziezoo, beste meid, dat zal je goed gedaan hebben, nu moet eens naar
-me luisteren. Kom hier eens gezellig bij me zitten. Je moet niet
-denken, dat ik je erg onaardig vind, omdat je een beetje kribbig
-was daar straks, ik begrijp wel, waaruit dat voortkomt. Maar dat
-het prettiger geweest was, als je je ook goed hadt kunnen houden,
-dat begrijp je zelf ook wel, nietwaar?"
-
-"Ik had me voorgenomen, me goed te houden," fluisterde het meisje.
-
-"Jawel, dat geloof ik ook wel, aan goede voornemens ontbreekt het je
-nooit, maar...."
-
-"Ik volvoer ze niet, wil u zeggen, maar heusch, het is ook zoo
-vreeselijk moeielijk. Ik wil zoo dolgraag lief zijn, goed voor
-iedereen, zoodat ze allemaal veel van me houden, en knap en netjes
-en nog zooveel meer. Ik neem het me echt telkens opnieuw voor, maar
-er gebeurt altijd iets, dat alles in de war stuurt. Dat kan ik toch
-niet helpen."
-
-"Niet?"
-
-Louise kreeg een kleur, haar vaders oogen zochten de hare, terwijl
-hij wachtte op een antwoord.
-
-"Neen," zei ze aarzelend, haar blik afwendend, "tenminste..."
-
-"Tenminste, ik gooi heel graag de schuld op menschen en
-omstandigheden," vulde haar vader aan met een goedigen lach.
-
-"Hoor eens, beste meid," vervolgde hij, "ik zal je een raad geven. Neem
-je eens wat minder voor en tracht eens vol te houden. Je zult zien,
-dat het dan beter zal gaan. Ik weet, dat je een goed hartje hebt en
-graag je best wilt doen, maar je begrijpt toch zelf wel, dat voor je
-omgeving goede voornemens, die niet uitgevoerd worden of mislukken,
-niet heel veel waarde hebben. Beloof je me, nog eens aan mijn woorden
-te denken, als ik ver van je af zal zijn?"
-
-Wies knikte flauwtjes.
-
-Ze had maar werk niet opnieuw in tranen uit te barsten.
-
-"En beloof je me ook, lief voor Moeder te zijn en altijd naar haar
-te luisteren?"
-
-"Ik zal mijn best doen," klonk het nauw hoorbaar.
-
-Haar vader trok haar naar zich toe en gaf haar een zoen.
-
-"Dat is alles, wat ik vraag," zei hij, opstaande.
-
-"En houd je nu goed vandaag, beste, op jou, als oudste zusje, rust
-de plicht dezen dag voor de andere kinderen niet al te verdrietig
-te maken. We moeten ons schikken, in wat onvermijdelijk is,
-nietwaar? Laten we nu naar binnen gaan, we hebben nog een goed half
-uur om allen bij elkaar te zijn."
-
-Dat half uur verliep eenigszins vreemd. Wies kreeg telkens een pijnlijk
-gevoel, als ze aan dat half uur dacht. Niemand had veel gezegd en
-toch waren ze zich allen bewust dat, als ze nog wat tegen Vader
-zeggen wilden, ze dat nu moesten doen, over een half uur zou het te
-laat zijn. De drukte, aan het oogenblik van vertrek voorafgaande, gaf
-eigenlijk een gevoel van verlichting, een verbreking van de spanning,
-die over allen lag. Toen nog een paar hartelijke omhelzingen, een
-gewuif tegen het wegrollende rijtuig en daarna.... een groote stilte.
-
-De kleintjes zaten nog met hun neusjes platgedrukt tegen de
-vensterruiten en de drie andere kinderen keken elkander wat versuft
-aan.
-
-Marietje verbrak het eerst de stilte.
-
-"Laten we nu maar naar school gaan," zei ze, "ik zal Betje roepen,
-om naar de jongens te kijken."
-
-Wies schokte op, als uit een droom.
-
-"Naar school?" vroeg ze vaag.
-
-"Ja, natuurlijk," en Marietje raapte een kleedje op, dat in de drukte
-van het afscheid op den grond gevallen was.
-
-"Je weet, dat we expres gevraagd hebben, later te mogen komen, omdat
-Vader vond, dat het beter voor ons was, hier niet te blijven zitten
-treuren, die eerste uren, nadat hij weg was. Maak je dus klaar. Ik
-zal Betje zeggen, dat we gaan en dat ze maar wat met de jongens moet
-gaan wandelen, het is zulk mooi weer. Dag Henk, ga je? Goed, ik ben
-ook klaar. Kom je, Wies?"
-
-Louise deed machinaal, wat van haar verwacht werd.
-
-Ze had trouwens den heelen verderen dag een gevoel, alsof ze niet in
-de werkelijkheid leefde.
-
-Hoe kon dat nu de werkelijkheid zijn. Moeder niet thuis met het eten,
-iets, dat nooit gebeurde en Vader op weg naar het verre land, waar
-hij zoovele jaren zou moeten zijn, drie jaren op zijn minst. Als hij
-terug kwam, was ze zeventien, of misschien al achttien, dus bijna
-een volwassen meisje. Ze zou vreeselijk haar best doen op school, hij
-moest een knap dochtertje terugvinden. Ze nam zich zelfs voor, goed
-te studeeren voor haar pianoles en die afschuwelijke vingeroefeningen
-iederen dag door te spelen.
-
-"Zeg, Marietje," zei ze aan het eind van haar overpeinzingen gekomen,
-"we moeten heel goed ons best doen, zoodat we erg knap zijn, als
-Vader terug komt."
-
-Marietje zette voorzichtig het theekopje neer, dat ze juist afgedroogd
-had.
-
-"Natuurlijk, dat spreekt immers vanzelf," zei ze kalm.
-
-
-
-
-
-
-
-
-TWEEDE HOOFDSTUK.
-
-HET PORTRET.
-
-
-Louise was voor haar doen werkelijk vroeg opgestaan, ze had maar
-vijf minuutjes liggen soezen en het was nog geen half acht, toen ze
-in haar haast, om nu eens vlug naar beneden te komen, de waschtafel
-overstroomde, bij het inschenken van het water in haar kom. Verschrikt
-sprong ze achteruit, de lampetkan nog in haar hand, waardoor een
-nieuwe gulp water op den grond terecht kwam.
-
-"Hoe vervelend nu weer," zuchtte ze, met haar handdoek de plassen
-opbettend, waardoor deze natuurlijk door en door nat werd en niet
-heel geschikt meer was tot afdrogen. Je kondt hem wringen en nog
-was alles lang niet opgenomen. De tweede handdoek moest er dus ook
-aan gelooven en toen ze beide druipnat op het rekje hingen, schoot
-het haar door het hoofd, dat ze haar spons had kunnen gebruiken,
-dan had ze de handdoeken droog kunnen laten.
-
-Ze waschte zich en droogde haar gezicht en hals af met een schoonen
-zakdoek. Daarna handen en armen, waarvoor een tweede zakdoek dienst
-moest doen.
-
-Toen kwam ze tot de ontdekking, dat ze met haar voet, waaraan geen
-pantoffel--die had ze zoo gauw niet kunnen vinden--in het water
-gestaan had, zoodat ze noodzakelijk andere kousen moest aandoen.
-
-Hè, ze had weer een gevoel, of ze nooit klaar zou komen.
-
-Maar aan alles komt een eind en zoo ook aan Louise's toilet dien
-morgen.
-
-Haar bed zou ze maar laten, zooals het was, Moes was er wel op gesteld,
-dat ze het zelf afhaalde, voor ze naar beneden ging, maar Moes was
-niet thuis, die was nu bij Vader in 't Nieuwediep.
-
-Arme Moes, het was toch wel vreeselijk voor haar, zoo alleen
-achter te blijven, dat zien wegvaren van de boot was toch eigenlijk
-afschuwelijk! Moes kwam vanmiddag tegen etenstijd weer thuis, ze zou
-dan erg lief voor haar zijn, want ze zou wel heel bedroefd wezen.
-
-Wies, die juist op het punt was geweest, haar kamer te verlaten,
-stond in gepeins voor zich uit te staren.
-
-Ze had Vader beloofd, haar best te doen, heel lief voor Moeder te
-zijn en goed naar haar te luisteren. Dat zou ze ook zeker doen, ze
-moest iets bedenken, waarmee ze haar plezier kon doen, een verrassing,
-als ze thuiskwam.
-
-Wacht, ze wist wat, ze zou het groote portret van Vader in de huiskamer
-met bloemen versieren, er een mooien krans om heen maken. Had ze nog
-geld genoeg om bloemen te koopen?
-
-Even kijken, ja, ze had in den laatsten tijd nog al eens een extraatje
-van Vader gekregen, het zou wel gaan.
-
-Wat was dat, sloeg het daar geen half negen?
-
-Met een kleur van schrik vloog Wies naar beneden, ze had Moeder beloofd
-op het ontbijt van de kinderen te zullen letten, waar bleef de tijd,
-ze was toch erg vroeg op geweest.
-
-In de huiskamer vond ze alleen Stan en Jantje, samen bezig een
-prentenboek te bekijken, terwijl Betje hen om beurten een lepel
-havermout in de mondjes duwde.
-
-"U mag wel een beetje voortmaken," zei deze, "'t is al over half
-negen."
-
-"Waar zijn Henk en Marietje?" vroeg Wies.
-
-"Al lang weg, de jongeheer heeft een briefje op uw bord gelegd."
-
-Wat lachte die Bet valsch, zeker een hatelijkheid van Henk.
-
-Ze nam het briefje op, vouwde het open en las het met quasi
-onverschillig gezicht.
-
-Toen verscheurde ze het in kleine stukjes,
-
-Akelige jongen, dat sarkastische van hem kon ze niet uitstaan. Had
-hij gewoon gezegd, dat hij het niet aardig vond, dat ze zoo laat was,
-maar zoo'n hatelijk briefje.
-
-Wat stond er ook weer?
-
-
-"Lieve Wies, hartelijk dank voor je goede zorgen, nu Moeder er niet
-is. Marietje en ik hebben nog nooit zoo gezellig ontbeten,
-
-je dankbare Henk.
-
-
-Ze zuchtte diep.
-
-Dat was weer echt iets voor haar.
-
-Ze was expres dadelijk rechtop in bed gaan zitten, met haar gezicht
-naar het licht gekeerd, om toch maar gauw goed wakker te worden en
-nu was er weer van alles gebeurd, waardoor ze opgehouden was.
-
-"Mot u niet naar school vandaag?" klonk de stem van Bet, die dadelijk
-daarop in een verontwaardigd gebrom overging, omdat Janneman een
-duw had gegeven tegen zijn lepel pap, waardoor de inhoud op zijn
-prentenboek was terecht gekomen.
-
-Ze kleedde zich haastig aan, kuste de kinderen, die haar vastgrepen
-en voor de grap niet los wilden laten, vergat een boek, waardoor ze
-weer terug moest, toen ze al een paar huizen ver was en--kwam te laat
-op school.
-
-"Mag ik nog binnenkomen?" vroeg ze benepen aan de juffrouw, die bezig
-was met de les.
-
-Deze keek op haar horloge.
-
-"Jawel, maar je bent tien minuten te laat, dus blijf je om twaalf
-uur dertig minuten school."
-
-Met een boos gezicht nam Louise haar plaats in de klasse in.
-
-Dat was weer wat moois, nu was ze op koffietijd ook niet thuis en dan
-had ze nog bloemen willen koopen, om Vaders portret te versieren. Maar
-misschien was het beter, dat ze dat om vier uur deed. Moeder kwam
-eerst tegen zes uur thuis, dat kon dus best, dan waren de bloemen
-ook frisscher, ja zeker, dat was veel beter.
-
-"Ben je nog niet goed wakker, Louise?" hoorde ze eensklaps, "dat
-komt van dat lange slapen, daar blijf je den heelen dag van onder
-den indruk. Maar ik zou je toch aanraden, nu op te letten."
-
-Met een kleur zette Wies zich schrap. Ja, ze moest nu opletten, anders
-kreeg ze nog strafwerk ook en vanavond wilde ze niet te veel te doen
-hebben, ze moest dan tijd hebben, om Moes wat gezelschap te houden,
-die zou behoefte hebben aan wat afleiding.
-
-Daar zat ze alweer in gedachten, ze voelde de oogen van de juffrouw
-op zich gericht en met groote inspanning dwong ze zich bij de les te
-blijven. Ze slaagde er werkelijk in, niet te veel af te dwalen en toen
-ze na afloop van de les de juffrouw naliep en haar vroeg, of ze voor
-dezen keer niet behoefde te blijven, omdat Moeder niet thuis was en
-ze op de kinderen moest letten bij het koffiedrinken, begon deze te
-lachen en haar over het hoofd strijkend, zei ze, dat ze dan voor dezen
-keer maar eens genade voor recht zou laten gelden. Ze had vanochtend
-zeker ook voor de kinderen moeten zorgen en was daardoor te laat
-gekomen. Had ze dat maar ineens gezegd, dan had ze geen standje gehad.
-
-Wies kleurde weer hevig en aarzelde. Zou ze vertellen, hoe ze juist
-niet voor hen gezorgd had?
-
-Dat zou wel eerlijk zijn, maar ... ze had er den moed niet toe,
-de juffrouw moest haar dan maar voor beter houden, dan ze was.
-
-Toen de school uit was, liep ze zóó hard naar huis, dat ze er nog voor
-de anderen was en Henk haar lachend vroeg, of ze maar niet naar school
-was geweest. Ze was nu in een best humeur en plaagde vroolijk terug,
-ze was opgewonden door de gedachte aan haar plannetje met het portret.
-
-Zou ze het Henk en Marietje vertellen?
-
-Neen, ze zou er maar niet vooruit over spreken, het was leuker, als
-het voor hen ook een verrassing was. Ze kon het natuurlijk niet in
-het geheim doen, want het portret hing in de huiskamer, maar vooruit
-zou ze er toch niets van vertellen, dan wilden ze misschien meedoen
-en ze zou zoo graag dit nu eens alleen voor Moeder doen, ze had het
-ook zelf verzonnen.
-
-Dien middag na schooltijd haastte ze zich naar den bloemist, en
-besteedde al haar zakgeld aan bloemen.
-
-Het viel haar niet mee, dat ze zoo duur waren, maar de bloemist
-verzekerde haar, dat juist het voorjaar zoo'n dure tijd was. Het
-moest alles nog uit het zuiden of uit de kas komen, van den kouden
-grond had hij nog zoo goed als niets.
-
-Enfin, dan maar een beetje minder nemen, dan ze gedacht had, ze
-wilde bloemen hebben om Moeder te verrassen en had ze, dat was het
-voornaamste.
-
-Thuis gekomen legde ze haar schat voorzichtig op de tafel en ging even
-haar goed af doen. De kleintjes waren zeker nog uit en Henk en Marietje
-nog niet uit school. Ze wilde maar, dat ze nog een poosje wegbleven,
-ze zou het heerlijk vinden, als ze klaar was, voor ze thuiskwamen. Ze
-spoedde zich weer naar de huiskamer, waar ze juist bij tijds kwam,
-om Stan en Jantje te beletten, hare bloemen te vernielen. Ze hadden
-zich al ieder van een tak meester gemaakt en liepen nu triomfant
-achter elkander de kamer rond, kleine Jan iedere beweging van zijn
-broertje namakend.
-
-Hoewel bang voor hare bloemen, liet Wies ze toch een oogenblik begaan,
-ze zagen er zoo snoezig uit in hun donkerblauwe truitjes, met hun
-blonde krullebollen en roode wangetjes.
-
-"Ziezoo, jongens, nu is het mooi geweest, geef ze me nu terug."
-
-Maar dat was niet naar den zin van haar broertjes.
-
-Stan drukte zijn tak seringen stevig tegen zich aan, zoodat de paarse
-bloempjes over den grond gestrooid werden en verklaarde:
-
-"Neen, we geven ze niet terug."
-
-Jantje volgde zijn voorbeeld en zijn tak witte seringen aan zijn
-hartje drukkend, zei hij beslist:
-
-"Neen, dat doen we niet, hoor."
-
-Wies werd er zenuwachtig van.
-
-Haar mooie bloemen, waarvoor ze zooveel betaald had.
-
-"Geef ze dadelijk hier, dadelijk," zei ze driftig, Stan bij een arm
-grijpend, terwijl ze trachtte hem de seringen af te nemen.
-
-Ze scheen hem wat heel stevig te hebben beetgepakt, tenminste, hij
-zette het op een schreeuwen en den tak woest van zich afgooiend,
-riep hij: "Betje, Bet!"
-
-Jantje zette nu ook een keel op, ofschoon hij met geen vinger was
-aangeraakt en schreeuwde mee: "Betje, Bet!"
-
-Verschrikt kwam het meisje aanloopen, wat was er gebeurd?
-
-Ze vond de kinderen nog steeds huilend en Wies, die met een boos
-gezicht de gehavende bloemtakken bekeek.
-
-Zoodra de jongens Betje zagen, vlogen ze op haar af en klemden zich
-aan haar vast.
-
-"Wat is er, kinders, wie heeft jullie wat gedaan?"
-
-"Wies heeft ons geknepen," snikte Stan.
-
-"Wies heeft ons geknepen, hoor," herhaalde onder dikke tranen Jantje.
-
-"Dat u zich niet schaamt, zulke kleine schapen te knijpen," en met
-een verontwaardigd gezicht knielde ze tusschen de kinderen in en
-trachtte hen te sussen.
-
-Wies, toch al driftig om het gebeurde met de bloemen, viel uit:
-
-"Zeg, zorg jij liever, dat zulke kleine kinderen niet alleen in de
-kamer zijn. Waarom was je niet bij hen? Zeker weer aan het babbelen
-met Ant."
-
-Betje's gezicht werd rood van kwaadheid.
-
-"Wel ja, nou nog een mond ook tegen mijn! Dat zul je altijd zien,
-zelf niks uitvoeren en alles aan mijn overlaten en dan snauwen,
-maar ik dank je...."
-
-Het verdere ging in gebrom verloren, want Betje had met de twee
-jongetjes de kamer verlaten.
-
-Met een zucht van verlichting liep Wies naar de kamerdeur, om die
-dicht te doen. Ze zou den sleutel maar omdraaien, dan kon er niemand
-in om haar te hinderen, het was hoog tijd, dat ze begon.
-
-Het portret hing wat hoog, maar als ze er met een stoel bij klom,
-zou het wel gaan.
-
-Maar wacht, ze zou eerst den krans vlechten en hem dan rond het
-portret hangen.
-
-De seringen waren niet mooi meer, de trossen waren geknakt, maar dat
-was niet erg, ze kon ze toch ook moeielijk in hun geheel in een krans
-gebruiken, ze zou ze stuk knippen, er kleine takjes van maken.
-
-Met ijver ging ze aan het werk en daar ze smaak had en niet onhandig
-was, als ze iets doen kon, wat ze graag deed, was er al spoedig een
-aardig kransje gereed.
-
-Met verrukte oogen keek ze er naar, hoe mooi zou dat staan, als ze
-hem om het portret gehangen had.
-
-Bons, bons op de deur.
-
-"Zeg, mankeer je het, waarom sluit je je op?"
-
-Dat was Henk's stem.
-
-Zenuwachtig stond Wies op, waren ze toch nog maar even weggebleven,
-dan hadden ze de verrassing ineens in volle glorie kunnen zien.
-
-"Toe, wacht nog even, ik zal je dadelijk inlaten."
-
-"Waarom doe je niet open? Wat voer je uit?"
-
-"Dat zal je zoo meteen wel zien."
-
-Nu kwam Marietjes stem tusschenbeide.
-
-"Maar er moet gedekt worden."
-
-Verschrikt keek Wies op de pendule. Zoo laat al?
-
-"Ja, dat moet dan maar wachten, ik doe niet open," antwoordde ze
-zenuwachtig.
-
-Bons, bons, klonk het weer.
-
-Haastig sleepte Louise een stoel tot onder het portret.
-
-"Zeg, breek je de boel af?" riep Henk.
-
-"Je maakt toch niets kapot?" vroeg Marietje.
-
-Daartusschen klonk Bet's stem, die haar schijnbare onaardigheid tegen
-de kleintjes vertelde.
-
-Dat gaf een oogenblik rust en Wies haastte zich haar versiering aan
-te brengen.
-
-De stoel bleek niet hoog genoeg, vlug zette ze er nog een voetenbankje
-op.--Zoo, nu kon ze er bij.
-
-Hè, wat mooi stond dat!
-
-Verrukt stond ze er naar te kijken.
-
-Bons, bons.
-
-Ze schrikte zoo hevig van dat onverwachte geluid, dat ze kantelde,
-haar hand uitstrekte en onwillekeurig het portret greep, dat van den
-spijker gleed, waaraan het was opgehangen.
-
-Ze verloor nu heelemaal haar evenwicht, rolde met voetenbankje en
-al van den stoel en kwam met een smak op den grond terecht. Een
-oogenblik zat ze versuft terneer, toen keek ze naar het portret,
-dat ze nog altijd in haar hand hield en zag, dat het glas gebarsten
-was. De krans lag naast haar en had ook geleden door den val.
-
-De gewaarwording van pijn, die ze eerst gehad had, loste zich op in
-een gevoel van wanhoop.
-
-Dat had ze nu voor al haar moeite en kosten, dat was nu het resultaat.
-
-Intusschen was het bonzen op de deur steeds heviger geworden en
-echte angst klonk in haar zusjes stem, toen ze smeekte, toch open te
-doen. Wat deed ze toch, wat gebeurde er, wat was er omgevallen met
-zoo'n smak?
-
-Henk dreigde een smid te halen, om het slot open te breken en Betje
-verzekerde, nog nooit zoo iets bijgewoond te hebben en deed intusschen
-haar best, de kleintjes te bedaren, die door al het lawaai bang
-geworden, hard om Moesje riepen.
-
-Met een pijnlijk gezicht stond Wies op uit haar zittende houding. Au,
-wat deed haar been pijn en haar hand had ze ook bezeerd.
-
-Ze strompelde naar den stoel, plaatste het voetenbankje er weer op
-en hing niet zonder moeite portret en krans op.
-
-Daarna opende ze eindelijk de deur.
-
-Dadelijk stormden Henk en Marietje naar binnen, spiedend rondkijkend,
-wat er gevallen kon zijn, terwijl Betje bromde, dat ze hoopte, nog
-bijtijds met dekken klaar te komen.
-
-Henk's oog viel het eerst op het portret.
-
-"O, dat is aardig," riep hij uit, maar toen eensklaps den barst in
-het glas ziende: "Was dat glas kapot? Neen toch?"
-
-Marietje, die nu ook de leelijke streep gewaar werd, dwars over Vaders
-gezicht, drukte van schrik beide handen tegen haar mond.
-
-"Oooo!" was alles, wat ze zei.
-
-Wies begon te huilen.
-
-"Ik heb Moes willen verrassen, ik heb er al mijn zakgeld voor gegeven."
-
-"Moeder zal zeker heel verrast zijn," zei Henk, op zijn sarkastische
-manier. Maar het bedroefde gezichtje van zijn zusje ziende, kwam zijn
-goed hart boven.
-
-"Ik zou er maar niet langer om huilen. Ik heb nog wel een kleinigheid
-en als Marietje dan ook wat geeft, kunnen we er een nieuw glas op
-laten maken. De krans staat heel leuk," voegde hij er goedig bij.
-
-Marietje knikte toestemmend. Ze had intusschen den stoel recht en
-het voetenbankje op zijn plaats gezet.
-
-"Hoe is het eigenlijk gekomen?" vroeg ze.
-
-"Ik schrok zoo van jullie bonzen op de deur en toen ben ik gevallen."
-
-"Van den stoel af? Heb je je geen pijn gedaan?"
-
-Wies werd zich hoe langer, hoe meer bewust, dat ze zich wel degelijk
-pijn gedaan had.
-
-"Of ik, ik had best een arm of een been kunnen breken."
-
-"Ja," merkte Henk op, "het is eigenlijk een wonder, dat het niet
-gebeurd is, dat was net iets voor Wies Ongeluk."
-
-Marietje lachte, maar Wies nam de zaak heel ernstig op.
-
-"Jullie lacht er om, maar zeg nu zelf eens, ben ik niet voor het
-ongeluk geboren? Alles loopt altijd mis met me, als ik iets aardigs
-wil doen, komt er iets naars van, dat zie je nu weer. Ik had me zóó
-verheugd op die verrassing voor Moeder en nu zal ze nog boos zijn om
-dat gebroken glas."
-
-Ze had al weer tranen in haar oogen en Henk had oprecht medelijden
-met haar.
-
-Hij klopte haar zoo hartelijk op haar schouder, dat een "au" haar
-ontsnapte, en verklaarde:
-
-"Daar zijn we het dus over eens, voortaan heet je niet meer Louise
-Schotter, maar Wies Ongeluk. Goed?"
-
-Hij trok, dit zeggend, zoo'n komisch gezicht, dat Wies door hare
-tranen heen, lachen moest.
-
-Daar mengde zich opeens Betje in het gesprek.
-
-"Waarom jullie nou lachen, dat gaat mijn verstand te boven. Ik vind
-het ijselijk griezelig, dat dat glas gebroken is. Jullie Pa op zee,
-waar je zoo gemakkelijk verdrinken kunt en dan een ongeluk met zijn
-portret, dat is kasueel hoor, ik ben er niet zoo gerust op."
-
-Verbaasd hadden de kinderen naar haar geluisterd.
-
-Toen ze uitgesproken had, lachte Henk hartelijk.
-
-"'t Is kasueel, daar heb je gelijk aan, ouwetje. En op zee verdrink je
-gemakkelijker, dan op het land, dat is ook al niet tegen te spreken."
-
-"Spot maar, ik weet, wat ik weet, en ik heb meer beleefd, dan zoo'n
-jong ventje, als u is. Mijn moeders zuster der man zijn portret is
-ook op een dag gevallen en kort daarop werd ie ziek. Gelukkig was
-het glas toen niet gebroken, anders was ie bepaald doodgegaan."
-
-"Dus hij bleef in leven, niettegenstaande zijn portret gevallen
-was? Hoe is het mogelijk," lachte Henk.
-
-"Het glas was niet kapot," zei Bet hoogst ernstig.
-
-"Weet je wat mij overkomen is, Bet? Het waterfonteintje van de kooi
-van het kanarievogeltje van mijn neef zijn overgrootvaders achterneef
-is gebroken en toen is mijn sijsje gestorven. Is dat niet kasueel?"
-
-Bet begon er nu achter te komen, dat de jongen haar voor den gek hield.
-
-"Ik hoop, dat u gelijk zult hebben," zei ze somber, de laatste lepels
-en vorken recht leggend en daarna de kamer verlatend.
-
-Henk keek haar lachend na en gaf toen Wies een vroolijk knipoogje.
-
-"Wat een type, hè?" zei hij.
-
-Wies lachte even terug, maar keek dadelijk weer ernstig.
-
-"Ze heeft me bang gemaakt."
-
-"Wat? Laat jij je door zoo'n nonsens bang maken? Maar Wies, dat meen
-je toch niet, je bent toch niet zoo bespottelijk bijgeloovig?"
-
-Wies kleurde.
-
-"Neen, ik geloof niet, dat ik bijgeloovig ben, maar ik vind het toch
-een akelig idee, dat het portret nu juist vandaag beschadigd is,
-en dat ik dat gedaan heb. Je weet, ik ben Wies Ongeluk."
-
-"Dat komt er nu van, Henk, met je gekke gezegdes," viel Marietje in,
-"nu zet ze zich dat in haar hoofd, ze verbeeldt zich toch al, dat ze
-alles verkeerd moet doen, omdat ze nu eenmaal niet anders kan. Moeder
-zal wel dadelijk komen, zoo echt iets voor Moes, om liever niet van
-den trein gehaald te worden," voegde ze er bij.
-
-Daar klonk de bel.
-
-"Hoera, daar is ze!" en Henk stormde de gang in, om zijn moeder open
-te doen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-DERDE HOOFDSTUK.
-
-DE STORM.
-
-
-Mevrouw Schotter werd in triomf door de kinderen naar de huiskamer
-gebracht.
-
-Ze waren zoo weinig gewoon, dat hun moeder niet thuis was, dat ze een
-onveilig gevoel gehad hadden, toen ze een nacht zonder haar hadden
-moeten doorbrengen en nu ze weer in hun midden stond, waren ze allen
-even blij.
-
-De kleintjes klemden zich aan haar vast en wilden beiden tegelijk
-gekust worden, terwijl Henk met zijn lange beenen als een dolleman
-om haar heen sprong en Wies zelfs een oogenblik vergat er aan te
-denken, wat Moeder wel zeggen zou van haar verrassing en.... van het
-gebroken glas.
-
-Marietje bleef het kalmst, maar haar ernstig gezichtje stond heel
-tevreden, toen ze te midden van al die drukte Moeders hoed en mantel
-aannam en netjes op een stoel legde.
-
-"Of wil ik het goed liever naar boven brengen," vroeg ze, "gaat u
-zich nog wat opknappen, of wilt u dadelijk aan tafel?"
-
-"Laten we maar eerst gaan eten, mijn handen kan ik wel aan het
-fonteintje wasschen," zei haar moeder, voor den spiegel haar gescheiden
-haar gladstrijkend.
-
-Daar viel in den spiegel haar oog op de weerkaatsing van het versierde
-portret.
-
-Verrast bleef ze een oogenblik staan kijken.
-
-"Wie heeft dat zoo mooi gedaan?" vroeg ze.
-
-"Wies," riep Henk.
-
-"Wies? Jij? Dat is een lief idee van je geweest," en zich omkeerende
-wilde ze haar dochtertje tot dank een kus geven, toen haar oog
-onwillekeurig op het versierde portret viel.
-
-Wat was dat?
-
-Zag ze dat goed?
-
-Liep daar midden over het glas een barst?
-
-Ze liep er naar toe, om het wat nader te bekijken, misschien was
-het een speling van het licht, die haar deed denken, dat het portret
-beschadigd was.
-
-Louise's hart klopte haar in de keel, wat zou Moeder zeggen? Zou ze
-er verdrietig over zijn, of boos? Moeder, die zelf zoo handig was en
-nooit iets brak, kon niet velen, dat een ander iets vernielde.
-
-Mevrouw Schotter keerde zich langzaam om, met een verdrietige
-uitdrukking om haar mond.
-
-"De bloemen zijn mooi, Louise, ik dank je wel voor de verrassing,"
-zei ze, maar veel minder hartelijk dan zooeven.
-
-Wies slikte haar tranen in en antwoordde niet, ze durfde niet spreken,
-ze zou dan zeker beginnen te schreien.
-
-"Willen we nu maar gaan eten," vroeg haar moeder en gaf zelf het
-voorbeeld door haar plaats aan het hoofd der tafel in te nemen.
-
-Wies en Marietje zetten zich ieder aan een kant naast haar neer, de
-kleintjes, die nog niet aan tafel aten en hun maal op hadden, zetten
-hun spelletje op den grond voort, tot ze naar bed gebracht zouden
-worden en Henk stond aarzelend bij zijn gewone zitplaats, naast Wies.
-
-"Zal ik soms daar gaan zitten?" vroeg hij weifelend aan zijn moeder,
-op den stoel tegenover haar wijzend.
-
-Deze knikte toestemmend.
-
-"Ja, dat is gezelliger, zoo'n leege stoel maakt zoo'n treurigen
-indruk," zei ze zacht.
-
-Wies schokte op, alsof haar iets onaangenaams trof.
-
-Ze opende hare lippen, om wat te zeggen, maar er kwam geen geluid.
-
-"Is er iets, wou je wat zeggen?" vroeg haar moeder, maar daar Betje
-juist binnenkwam met het vleesch, behoefde Wies niet te antwoorden.
-
-Gelukkig maar, als Moeder er niets aan vond, een ander op Vaders
-plaats te zien zitten, dan zou ze toch niet begrijpen, dat Wies die
-plaats daar te heilig voor was. Ze zou haar maar weer overdreven
-genoemd hebben. Ze wilde vanavond geen enkel onaangenaam woord met
-Moeder hebben, het was lief van haar, niets van dat gebroken glas
-te zeggen, wel was Wies er niet heelemaal zeker van, dat ze bij een
-andere gelegenheid er nog niet het een en ander van hooren zou, maar
-het was toch aardig van haar, er nu over te zwijgen. Morgen zou ze er
-zelf over beginnen en zeggen, dat het haar speet en dat ze allemaal
-samen er een nieuw glas op zouden laten maken.
-
-Het middagmaal verliep onder druk gepraat. Moeder had veel te vertellen
-van Vader, hoe hij hen allen nog hartelijk liet groeten en hoe mooi
-het weer was geweest dien morgen, toen het schip wegvoer.
-
-Wat een prachtig gezicht was dat geweest, dat vertrekkende
-oorlogsschip, de heele bemanning had gejuicht en gegroet, totdat het
-langzaam uit het gezicht verdwenen was.
-
-De kinderen zaten stil te luisteren, zelfs de kleintjes waren bij
-hun moeder komen staan en probeerden te begrijpen, wat ze vertelde.
-
-Henk werd opgewonden bij de voorstelling van dat vertrekkende schip
-en Marietje was ook onder den indruk van het verhaal.
-
-Wies zat doodstil met neergeslagen oogen, schijnbaar was ze er minder
-bij, dan de anderen. Ze hoorde niet eens dat haar moeder het woord
-tot haar richtte.
-
-Henk stootte haar aan.
-
-"Luister je niet, naar wat ik vertel?" vroeg haar moeder.
-
-Wies keek haar aan en barstte toen los:
-
-"Maar Moeder, hoe kond u dat verdragen, dat aanzien, dat schip, dat
-langzaam verdween, steeds kleiner en kleiner werd, tot er eindelijk
-niets meer van te zien was en dan te weten, dat op dat schip Vader
-meegevoerd werd. O, Moes, Moes!" en haar gezicht in haar servet
-verbergend, snikte ze het uit.
-
-Haar moeders oogen waren ook vochtig geworden, toen ze zacht haar
-hand op Louise's schouder legde.
-
-"Bedaar, kind, en tracht je wat in te houden. Je hebt gelijk, het
-was iets vreeselijks, dat weggaan, maar het moest, er was niets aan
-te doen en dus moest ik me wel schikken. Je begrijpt wel, dat ik me
-tusschen al die menschen niet kon aanstellen en mijn vrienden waren
-goed en hartelijk voor me. Bij hen ben ik toen nog wat gebleven,
-zooals je weet en natuurlijk kon ik hen niet vervelen met mijn
-verdriet, dat gaat nu eenmaal niet."
-
-Wies keek met hare vochtige oogen haar moeder aan.
-
-Ze had de tranen niet gezien, die een oogenblik haar moeders blik
-verduisterd hadden en vond haar nu onverschillig, met haar kalm
-gezicht en rustige manieren.
-
-Je niet aanstellen, je schikken, het was goed en wel, maar je
-moest maar kunnen. Ze was er zeker van, dat zij het bij dat vertrek
-had uitgesnikt, ze zou niet tot bedaren te brengen geweest zijn,
-totaal overstuur, maar ze was nu eenmaal niet zoo kalm van natuur,
-zoo beredeneerd.
-
-Daar kwam Moes maar altijd op neer, je kalm houden, je beheerschen,
-nooit mocht je eens je gevoel toonen, dan stelde je je aan, jawel,
-dat was maar, naar je het nemen wilde. De een voelde nu eenmaal dieper,
-dan de ander.
-
-Waar hadden ze het nu over?
-
-Daar spraken ze al over onverschillige dingen, Vader had al afgedaan,
-natuurlijk, Vader was weg, uit de oogen uit het hart, maar niet bij
-haar, neen, niet bij haar!
-
-Hare tranen vloeiden weer rijkelijk. De kleintjes waren nu naar
-bed gebracht en het gesprek tusschen Moeder en de anderen drong bij
-brokstukken tot haar door. Waarom lachte Henk nu en Moeder ook?
-
-Nu al lachen!
-
-Het was niet om uit te houden.
-
-"Hoe is het mogelijk, om nu al te kunnen lachen," zei ze scherp.
-
-Haar moeder keek haar verbaasd aan.
-
-"Wat een toon. Wat ben je weer in een lief humeur."
-
-"Ik ben niet uit mijn humeur, heelemaal niet, maar ik vind u en Henk
-en Marietje afschuwelijk onverschillig," klonk het heftig.
-
-Henk trok zijn schouders op.
-
-"Ze is weer half gek," zei hij.
-
-"Ik half gek, ik half gek, jij zelf bent...."
-
-"Is 't uit, Louise," viel haar moeder in. "Je bent blijkbaar
-overspannen door het vertrek van Vader en daarom zal ik je je
-brutaliteit niet kwalijk nemen. We zijn klaar met eten, ga dus je
-schoolwerk maken en dan vlug naar bed. Als je eens flink geslapen hebt,
-zul je wel wat minder prikkelbaar zijn en er dan misschien eens aan
-denken, wat je Vader beloofd hebt. Dat is ook een manier om te toonen,
-dat je veel van hem houdt."
-
-Wies stond op en verliet schoorvoetend de kamer om hare schoolboeken
-te halen.
-
-Ze voelde zich geslagen.
-
-Moeder had gelijk, ze kon het best haar liefde voor Vadertje toonen,
-door aan zijne woorden te denken.
-
-Dat was juist zoo vreeselijk, dat Moeder zoo akelig kalm kon spreken,
-zoo hard zelfs, vond ze, en ze bij slot van rekening toch dikwijls
-gelijk had.
-
-Ze had zich zóó voorgenomen, lief voor allemaal te zijn, niet
-prikkelbaar, geen scherp woord te zeggen en nu had ze al dadelijk
-weer haar innerlijke belofte gebroken en was onaangenaam geweest.
-
-Ze leunde in de gang met haar voorhoofd tegen den muur en beet op
-haar zakdoek, om zich in te houden. Ze voelde zich zoo wanhopend,
-dat ze het 't liefst zou hebben uitgegild.
-
-Alles was weer verkeerd gegaan, de verrassing, waarvan ze zich zooveel
-had voorgesteld, grootendeels mislukt door het breken van het glas,
-ze was brutaal en onaardig geweest en Moeder zou haar natuurlijk weer
-de minste van de kinderen vinden, terwijl ze juist vandaag de liefste
-had willen zijn.
-
-O, het was om wanhopend onder te worden.
-
-"Wies!" galmde Henk's stem door de gang, "waar blijf je, kom je je
-werk niet maken?"
-
-"Ja, ik kom al."
-
-Haastig veegde ze haar oogen af en stak haar natten zakdoek tusschen
-haar ceintuur.
-
-Wat kon het haar ook eigenlijk schelen, niemand begreep haar, niemand
-kende haar, zooals ze was, nu dacht Moeder weer aan niets, dan aan
-het maken van haar schoolwerk, terwijl ze hier in de gang stond te
-krimpen van verdriet.
-
-Goed, ze zou ook onverschillig worden en koud, als ze dat liever
-hadden, haar goed en hare boeken opnemend, liep ze met opgeheven hoofd
-naar binnen en ging met zoo'n air aan de tafel zitten, dat Henk het
-uitschaterde en Moeder glimlachend haar hoofd schudde.
-
-Ze maakte zwijgend haar werk en deed haar best niet te luisteren naar
-de woorden, die nu en dan tusschen de anderen gewisseld werden.
-
-Marietje was al klaar met hare lessen en zat nu te haken, Henk praatte
-telkens, hij beweerde vanavond haast niets te doen te hebben.
-
-Het was toch zoo gezellig, nu Moeder weer achter het theeblad zat,
-als ze aan de saaiheid van gisteravond dacht, kreeg ze een gevoel
-van dankbaarheid, dat Moes weer thuis was. Ze had nu wel graag mee
-willen praten, maar als niemand zich met haar bemoeide, kon zij niet
-beginnen, vond ze.
-
-"Nog een kopje thee, Wies? Ben je nog niet klaar? Maak een beetje
-voort, dan kun je naar bed, je ziet er zoo moe uit."
-
-"Ik ben niet moe."
-
-"Niet? Maak dan toch maar wat voort, dan kun je ook eens een woordje
-meepraten, dat is gezellig."
-
-Wies voelde zich al wat prettiger, niet meer zoo eenzaam.
-
-"Ik ben eigenlijk klaar," zei ze, "ik zat maar zoowat te suffen."
-
-"De meest geliefkoosde bezigheid van mijn oudste zuster," lachte Henk.
-
-Wies keek hem boos aan, die jongen met....
-
-Maar neen, nu niet weer beginnen. Ze legde hare boeken en schriften
-bij elkaar, bergde ze in haar tasch en nam haar plaats weer in,
-beide ellebogen op tafel en haar hoofd in hare handen gesteund.
-
-Nu was ze bereid tot een gezellig praatje.
-
-"Zou je niet wat breien ondertusschen," zei haar moeder, "die
-kousjes van Janneman komen anders nooit klaar. Je moet er eens wat
-mee voortmaken, kind, hij heeft ze noodig."
-
-Met een zucht stond Wies op, om haar werk te krijgen.
-
-Dat afschuwelijke breien, dat behoefde geen van haar vriendinnetjes
-te doen, die mochten gerust eens een poosje leegzitten, wie breide
-er nu tegenwoordig nog kousen.
-
-Maar Moeder vond koopkousen prullegoed, daar waren de wilde jongens
-dadelijk doorheen en dus moesten de kousen gebreid worden en daar ze
-zelf niet alles doen kon, moest Wies haar helpen. Dat was goed voor
-haar, vond Moeder, een meisje moest leeren practisch werkzaam te zijn
-en nooit met leege handen te zitten.
-
-En ons Wiesje deed niets liever.
-
-Zoo eens heerlijk niets doen, alleen je gedachten vrij spel laten,
-dat was een genot, een heerlijkheid!
-
-Maar dat mocht je nooit bij Moeder, altijd moest je bezig zijn, je
-handen gebruiken, akelige kousen breien, of stukjes leeren inzetten,
-wat nog erger was, of kopjes en glazen afwasschen, waarbij je
-doodsangsten uitstond, dat je wat breken zoudt.
-
-Een diepe zucht was het resultaat van deze overpeinzingen.
-
-"Wat ben je toch gezellig," merkte Henk op, "als je onder je meisjes
-bent, heb je ook meer praats."
-
-"Natuurlijk, dat spreekt vanzelf, de meisjes zijn ook aardig,
-maar jij...."
-
-"Wat is het weer veranderd," viel Moeder ter afleiding in, "vanochtend
-was het zoo prachtig en nu regent het en het begint te waaien ook."
-
-"Ja," beaamde Henk, "dat zijn zoo van die grillen van onze lieve
-Meimaand. Moet die peuter nog niet naar bed?" voegde hij er, op
-Marietje wijzend, bij.
-
-Het kind had juist haar haakwerk in haar taschje geborgen en stond
-nu kalm op.
-
-"Je zag, dat ik ging, je aanmerking was dus niet noodig," zei ze,
-haar moeder een nachtkus gevend.
-
-Toen ze de kamer verlaten had, zei deze:
-
-"Zoo'n zeldzaam lief en gemakkelijk kind als dat toch is, daar heb
-ik nu letterlijk geen oogenblik moeite mee."
-
-Henk keek bedenkelijk.
-
-"Een beetje saai, hè?" zei hij.
-
-"Saai?"
-
-Zijn moeder keek verwonderd.
-
-"Waarom saai? Omdat ze weet wat haar plicht is en dien doet? Noem je
-dat saai?"
-
-"Nou, ze is pas twaalf, een beetje te jong, om al zoo volmaakt te zijn,
-dunkt me. Neen, dan is ons Wiesje anders," plaagde hij.
-
-"Jij hebt goed praten, in de eerste plaats ben je Moeders bedorven
-kindje, altijd geweest trouwens, en...."
-
-"Maar Louise," viel haar moeder lachend in, terwijl Henk het
-uitschaterde van pret over het verongelijkt gezicht van zijn zusje.
-
-"Ja, je bent altijd het bedorven oudste zoontje geweest en daarenboven
-ben je geen meisje en mag je dus over je vrijen tijd beschikken,
-terwijl ik dingen doen moet, die ik vervelend vind."
-
-"Arm schaap," spotte haar broer, maar liet er op volgen:
-
-"Eerlijk gezegd ben ik heel blij, geen meisje te zijn."
-
-"Zie je wel, dat wist ik wel. Maar heusch, andere meisjes behoeven
-niet altijd zulke vervelende dingen te doen. Wanneer heb ik nu eens
-tijd om te lezen? Alleen Zondags een uurtje."
-
-Haar moeder keek naar haar verontwaardigd gezichtje en begon te lachen.
-
-"Dat is maar goed ook, al die malle geschiedenissen brengen je hoofd
-maar in de war. Als een meisje de school goed doorloopt, naaien,
-breien, koken en de huishouding besturen leert, is dat volkomen
-voldoende. En dan leer je nog muziek ook, omdat Vader daarop gesteld
-is, dat vergeet je heelemaal."
-
-"Nu ja, ik zou natuurlijk graag mooi pianospelen, maar dat studeeren is
-heusch geen pretje, die vingeroefeningen zijn een nachtmerrie voor me."
-
-"Vooral als Moeder dan binnenkomt en je met je handen in je schoot
-vindt zitten droomen, in plaats van te studeeren," plaagde Henk.
-
-"Dan hoor ik muziek."
-
-Nu lachte haar moeder hartelijk.
-
-"Doe toch zoo gek niet, kind, je maakt je bespottelijk. Als je dan
-toch die dure muzieklessen hebben moet, maak dan ten minste, dat je
-er wat van leert. Toen ik je laatst op het partijtje van Marietje
-vroeg, wat dansen te spelen, deedt je dat zoo mooi, dat de kinderen
-er onmogelijk op dansen konden. Of je al over muziek zit te droomen,
-zooals je beweert, daar kom je niet verder mee. Ik heb Vader beloofd,
-er goed op te letten, dat je studeert en het hem te schrijven, daar
-mag je wel aan denken."
-
-Wies staarde voor zich uit. Tot ergernis van haar moeder, lag haar
-breiwerk weer rustig in haar schoot.
-
-"Ja, ziet u," zei ze peinzend, "ik wil wel goed studeeren, ik neem het
-me altijd voor, maar ik kan het niet volhouden, ik vergeet het. Weet u,
-wat ik wou? Dat er een fee was, die me een ring cadeau gaf, die me,
-telkens als ik afdwaalde, een prikje in mijn vinger gaf. Heusch dat
-wou ik."
-
-"Ik denk, dat je dien ring gauw af zoudt leggen. Maar zou het niet
-hetzelfde effect hebben, als ik je eens een flinken tik op je vingers
-gaf, als ze werkeloos op de toetsen lagen?"
-
-Nu moest Wies zelf lachen.
-
-"Hoe vreeselijk prozaïsch, neen hoor, ik had liever mijn ring."
-
-"Als het hielp, wilde ik, dat ik je hem bezorgen kon. Maar nu wordt
-het tijd, om naar bed te gaan. Toe, rol dat werk wat netter op. Zoo,
-geef maar hier. Slaap lekker!"
-
-Zoodra Wies in bed lag, sliep ze in. Ze was werkelijk heel moe door
-al de emoties, die de dag gebracht had.
-
-Zoo tegen een uur of één werd ze echter plotseling wakker.
-
-Wat hoorde ze toch?
-
-Wat een vreemd gesteun en gekraak.
-
-Ze richtte zich in bed op en luisterde.
-
-Dat was de wind.
-
-En wat een gekletter op het dak, vlak boven haar hoofd.
-
-Een stortregen stroomde neer op de zinken platen, die het bovenste
-deel van het dak bedekten en maakte een leven als een oordeel.
-
-Geen wonder, dat ze wakker geworden was, haar kamertje lag op de
-zolderverdieping, zoodat ze alles uit de eerste hand had.
-
-Nu hield de regenvlaag op, gelukkig, nu zou ze probeeren weer in
-te slapen.
-
-Ze legde zich neer en trok de dekens tot over hare ooren.
-
-Ze was nog zoo moe, ze wilde slapen.
-
-Wat was dat nu weer?
-
-Hagel, het was bepaald noodweer.
-
-De wind scheen steeds heviger te worden, den schoorsteen hoorde ze
-duidelijk kraken, dat was geen wind meer, dat was storm.
-
-Met een ruk zat ze overeind.
-
-Storm.... en Vader op zee.
-
-Hoe was het mogelijk, dat ze daar niet dadelijk aan gedacht had. Ze
-was zeker nog niet goed wakker geweest, maar nu was haar geest helder
-en kon ze de gedachte geen oogenblik meer van zich afzetten: Vader
-in dezen storm op zee.
-
-Haar altijd levendige verbeelding deed haar het schip zien, op en
-neer geduwd door de onstuimige golven, overgeleverd aan het woeste
-spel van den storm.
-
-Ze zag het groote schip als een notedop dansen op het water en dan
-weer de hooge golven over het dek slaan.
-
-Ze had nooit een schip in nood gezien, nooit zelfs de zee bij
-stormweer, maar haar phantasie kwam haar te hulp en ze zag letterlijk
-voor hare angstige starende oogen het schip in nood, het schip,
-waarop haar vader zich bevond, waarvan hij commandant was, dat hij
-dus nooit zou mogen verlaten, waarmee hij ten gronde zou moeten gaan.
-
-Hij zou met het schip moeten vergaan.
-
-Die gedachte zette zich vast in hare hersens en liet haar niet
-meer los.
-
-Vader was zoo dapper, hij zou zijn schip niet verlaten, hij zou
-liever een eervollen dood sterven, dan zonder zijn schip te moeten
-terugkeeren.
-
-Dat was wel mooi, hij zou dan als een held sterven en ze dweepte met
-helden, ze had altijd een gloeiende bewondering gevoeld voor ieder,
-die zich opofferde aan zijn plicht. Als ze las van een brandweerman,
-die niet geaarzeld had, zich in een brandend huis te begeven, om
-een achtergelaten kind te redden, dan gloeide ze van geestdrift;
-groote daden doen, voor niets terugdeinzen, geen moeielijkheid te
-groot achten, dat was prachtig!
-
-"En beginnen met je dagelijksche plichten nauwkeurig en goed te doen."
-
-Och ja, dat had Vader tegen haar gezegd, toen ze een paar dagen
-geleden ook zoo geestdriftig gesproken had, over een held, waarvan
-ze gelezen had.
-
-Vader had gelijk, daar moest je mee beginnen, maar dat was juist zoo
-moeielijk, omdat je er zoo weinig eer van hadt en het meestal niet
-eens opgemerkt werd, als je je best gedaan had in kleinigheden.
-
-Vader zag het nog wel eens en kon je dan zoo heerlijk aankijken,
-maar Moes merkte het nooit. Die viel het meer op, als je niet deedt,
-wat je moest.
-
-O, wat een rukwind!
-
-Angstig kroop Wies ineen.
-
-"Vadertje, Vadertje," kreunde ze, met opgetrokken knieën in bed
-zittend, haar hoofd voorover gebogen, "was u toch maar bij me."
-
-Weer een stormvlaag.
-
-Even richtte ze luisterend het hoofd op, toen liet ze het op hare
-opgetrokken knieën zinken en smoorde een kreet van doodsangst.
-
-Als Vader als een held stierf, kwam hij nooit meer bij haar terug!
-
-O, neen, neen, dat kon niet, dat mocht niet, hij moest terugkomen,
-mocht niet sterven, ze zou niet zonder hem kunnen leven, ze zou veel
-liever zelf doodgaan, aan haar was niets verbeurd, maar zonder Vader
-konden ze geen van allen.
-
-En de mogelijkheid bestond, met zoo'n storm kon men voor niets instaan,
-ze werd hoe langer hoe angstiger en zenuwachtiger.
-
-Nu scheen de wind wat te bedaren, maar slechts voor een poosje,
-daarna gierde hij nog heviger dan te voren.
-
-Wies kon het in bed niet meer uithouden ze stond op, stak een kaars
-aan en keek rillend en bevend haar kamertje rond.
-
-Daar stond op haar kastje Vaders laatste portret. Ze nam het op en keek
-er gretig naar. Zijne vriendelijke oogen gaven haar weer wat moed en
-hare angstige trekken ontspanden zich, maar slechts voor een oogenblik.
-
-Toen kreeg de angst weer de overhand en het portret haastig neerzettend
-en bevend over haar geheele lichaam, sloeg ze hare handen voor hare
-oogen en kreunde.
-
-Het vreeselijke zou gebeuren, alles wees er op, had ze dien middag
-het portret niet laten vallen en was het glas niet gebarsten?
-
-"O Vader, Vader dan toch, waar bent u op het oogenblik, wat doet u,
-wat gebeurt er met u!"
-
-Ze liet zich op den grond vallen en snikte het uit.
-
-De plof van haar neervallend lichaam deed haar moeder, wier kamer
-onder de hare was, niet weinig ontstellen.
-
-Ze luisterde een oogenblik en hoorde toen duidelijk boven haar hoofd
-het wanhopend gesnik van haar dochtertje.
-
-Opstaan en naar boven loopen was het werk van een oogenblik en even
-bleef ze ontsteld staan, toen ze Wies daar zoo op den grond zag
-liggen huilen.
-
-Ze ging naar haar toe en haar oprichtend vroeg ze, wat er aan scheelde,
-had ze ergens pijn?
-
-Wies schudde heftig van neen.
-
-"Wat is er dan?"
-
-"Vader, Vader, de storm."
-
-Haar moeder, die zelf door het noodweer, in verband met het vertrek
-van haar man, niet had kunnen slapen en zich zenuwachtig en overspannen
-voelde, zei wat ruw:
-
-"O, is het dat. Maar daarom behoef je je toch niet zoo aan te
-stellen. Denk je soms, dat ik den wind niet hoor, maar lig ik daarom
-als een waanzinnige op den grond? Kom sta op en ga weer in bed."
-
-Die woorden werkten als een stortbad.
-
-Instinctmatig stond Wies op en ging naar haar bed.
-
-"Kruip er maar gauw in, dan stop ik je lekker toe, je rilt van de kou,
-dwaas kind, dat je bent."
-
-"Niet van kou, van angst," verbeterde Wies.
-
-"Je schijnt je gevoelens nog precies te kunnen ontleden. Ziezoo, hou je
-nu verder bedaard en maak het heele huis niet wakker met je spektakel."
-
-Wies greep haar moeders hand, toen deze de dekens nog wat optrok.
-
-"Bent u heelemaal niet bang?" fluisterde ze.
-
-"Natuurlijk vind ik dien wind niet prettig, maar ik laat mijn verstand
-spreken en dat zegt, dat het best mogelijk is, dat Vaders schip niet
-te lijden heeft onder den storm, het is al zooveel uren onderweg,
-nietwaar, en in ieder geval, het is een stevig schip en kan best
-tegen een stootje. Er is heusch geen reden, om zoo beangst te zijn,
-en in geen geval mag je je zoo aanstellen, daar doe je niemand en
-niets goed mee."
-
-Wies voelde zich kalmer worden. Moeders woorden waren niet prettig,
-de toon van haar stem niet heel vriendelijk, maar ze kalmeerden haar,
-haar groote angst verdween langzamerhand.
-
-"Maar het portret," fluisterde ze nog.
-
-"Welk portret?"
-
-"Van Vader, dat ik vandaag heb laten vallen."
-
-"Ja, dat spijt me genoeg, maar wat zou dat?"
-
-Wies aarzelde.
-
-Ze durfde Moeder haast niet zeggen, wat haar op het hart lag, Moeder
-was zoo wars van dat soort van dingen, maar ze wilde toch zoo dolgraag
-uit haar eigen mond hooren, dat het onzin was, wat Betje vanmiddag
-gezegd had.
-
-"Is het geen slecht voorteeken, als iemands portret valt, en het
-glas breekt?"
-
-Haar moeder keek haar verbaasd aan.
-
-"Een slecht voorteeken? Wie heeft je die malligheid wijs gemaakt. Begin
-je nu ook al aan voorteekens te gelooven? Je wordt hoe langer hoe
-dwazer, kind, ik zal eens goed op je letten in den eersten tijd en
-je maar eens flink aan het werk zetten, zoodat je geen tijd hebt, om
-aan al die bespottelijke dingen te denken en er over te lezen. Geef
-me nu maar een zoen en zet al die nonsens uit je hoofd. Ik zou maar
-gauw zien in te slapen, anders ben je morgen den geheelen dag weer
-zoo soezerig en onmogelijk."
-
-Wat overbluft door haar moeders vlug achtereen gesproken woorden,
-staarde Wies droomerig voor zich uit.
-
-"Ja Moes," was al wat ze antwoordde.
-
-Haar moeder glimlachte.
-
-Het leek wel, of ze al half sliep.
-
-"Goedennacht dan," zei ze wat vriendelijker, "en slaap lekker."
-
-Weer in haar eigen kamer gekomen, bleef ze nog een oogenblik in een
-gemakstoel zitten. Slapen kon ze toch niet, die storm werkte op de
-zenuwen, dat was waar en wekte akelige gedachten op, maar men moest
-zijn verstand gebruiken en geen zorgen voor den tijd maken.
-
-"Die Wies," dacht ze toen, "dat overdreven, dwaze schepseltje. Ik
-had innig medelijden met haar, ze was werkelijk heel angstig en
-zenuwachtig, maar ik mag daar niet aan toegeven. Haar vader bedierf
-haar wel wat, ze is er in de laatste jaren niet op vooruit gegaan,
-wat haar humeur en zelfbeheersching betreft. Ik zal haar maar flink
-aanpakken, en niet toegeven aan al haar dwaze, overdreven ideeën. Een
-mensch is nu eenmaal niet op de wereld, om zijn leven te verdroomen."
-
-
-
-
-
-
-
-
-VIERDE HOOFDSTUK.
-
-NOODLOT OF EIGEN SCHULD?
-
-
-"Zeg Wies, vraag, of je vanavond bij me mag komen, mijn broer is jarig,
-er komen meer menschen. Ik vond al die volwassen lui zoo vervelend
-en daarom heb ik gevraagd, of jij bij mij mocht komen."
-
-"Heerlijk, ik hoop, dat Moeder het goed zal vinden."
-
-"Dat zal wel, waarom zou ze niet. Het zal vreeselijk leuk zijn, de
-tuin wordt met lampions geïllumineerd en er wordt nog een vuurwerkje
-afgestoken ook. Het kan nu zoo goed, met die lange Juni-avonden en
-het is tegenwoordig zulk mooi weer."
-
-"Wat eenig, wat zal dat prachtig staan, jullie tuin is toch al zoo
-mooi met al die boomen en struiken."
-
-"Ja, 't is een heerlijke tuin, voor een stadstuin. Je komt dus hè?"
-
-"Als 'k mag. Ga je om twaalf uur even mee om het te vragen?"
-
-"Goed," en de twee vriendinnetjes stapten de school binnen, beiden
-vervuld van de pret, die hun vanavond te wachten stond.
-
-Toch was Wies niet zoo heel zeker van de toestemming van haar moeder.
-
-Een paar dagen geleden was deze naar de directrice der school geweest,
-om eens naar haar te informeeren, en hetgeen ze daar gehoord had,
-was niet zoo heel gunstig geweest. Het waren de oude klachten, ze kon
-wel, maar lette niet op en dwaalde veel te veel af. Het stond zelfs
-maar zóó zóó, of ze over zou kunnen gaan, dat zou nog van de laatste
-zes weken afhangen. De juffrouw had er ook over geklaagd, dat ze hare
-lessen niet altijd kende, en Moeder was allesbehalve tevreden thuis
-gekomen. Ze vond dus dat hare kansen, om vanavond te mogen gaan,
-niet zoo heel goed stonden.
-
-Om twaalf uur holden de meisjes naar huis.
-
-"Is Moeder in de huiskamer?" vroeg Wies aan Betje, die opendeed.
-
-"Ja, Mevrouw zorgt voor de koffietafel, geloof ik."
-
-Nog voor ze uitgesproken had, was Wies haar al voorbij gedrongen,
-gevolgd door Lottie.
-
-Ze duwde de deur der huiskamer open en stormde op haar moeder af.
-
-"Moes, mag ik vanavond naar Lottie gaan, haar broer is jarig en nu
-is er een feest, de tuin wordt geïllumineerd, het zal eenig zijn."
-
-"Ze mag hè, mevrouw, toe zeg u maar gauw ja."
-
-Mevrouw Schotter legde brood en mes neer en keek van het eene meisje
-naar het andere.
-
-"Dag meisjes," zei ze kalm. "Wil je even de deur achter je toedoen,
-Wies. Zoo, ik dacht, dat de wind plotseling opgestoken was, zoo
-vloog die deur open. Kwam je vragen Lottie, of Wies vanavond bij je
-mocht komen?"
-
-"Ja mevrouw," zei Lottie, nu heel wat bedaarder.
-
-Mevrouw Schotter aarzelde even, gespannen keken de meisjes haar aan.
-
-"Ik mag toch, Moes," drong Wies aan.
-
-"Toe ja, mevrouw," viel Lottie haar bij.
-
-Mevrouw Schotter schudde ontkennend het hoofd.
-
-"Ik geloof niet, dat het gaan zal. Je weet misschien niet, Lottie,
-dat ik eergisteren allesbehalve gunstige inlichtingen omtrent Wies
-gekregen heb van de directrice van de school, ze klaagde er over,
-dat Wies slecht haar lessen kende en altijd onoplettende fouten maakte.
-
-Dus vind ik, dat ze 's avonds haar tijd aan haar werk moet besteden
-en niet uit mag gaan."
-
-Lottie keek diep teleurgesteld.
-
-Wat Wies betreft, de tranen stonden haar nader dan het lachen.
-
-"Ze kan vanmiddag werken," opperde Lottie, "we hebben toch onzen
-vrijen middag."
-
-"Hè ja, dat kan best," zei Wies, vervuld van nieuwe hoop.
-
-"We hebben niet heel veel te doen," voegde Lottie er nog aarzelend bij.
-
-Wies keek haar eens aan.
-
-Wat jokte die Lot, ze hadden juist veel werk, morgen repetitie van
-die vervelende, droge jaartallen, en nog repetitie van Fransche
-grammaire. Het trof zoo slecht, dat ze midden in die repetitie zaten.
-
-Mevrouw Schotter dacht even na.
-
-"Nu, weet je wat, ik zal Wies dadelijk na het eten haar lessen
-overhooren en als ze die dan heel goed kent, mag ze gaan."
-
-Lottie klapte vroolijk in hare handen.
-
-"Heerlijk, ze kan ze vanmiddag gemakkelijk leeren, ik moet dat
-natuurlijk ook."
-
-"Ze moet eerst nog pianostudeeren."
-
-"O, mevrouw, de middag is lang. Dol, dat u het goed vindt. Dag
-mevrouw. Tot vanavond Wies."
-
-Bij de voordeur liep ze tegen Henk aan, die juist binnen kwam.
-
-Deze pakte haar lachend beet en tilde haar in de hoogte.
-
-"Dag Lot, lekkere dot," rijmde hij.
-
-Lottie worstelde zich los.
-
-"Wil je dat wel eens laten, brutale jongen," gierde ze, hard
-wegloopend.
-
-Nog lachend kwam Henk de kamer binnen.
-
-"Wat moest dat grappige, kleine ding hier?" vroeg hij.
-
-"Grappig klein ding," zei Wies verontwaardigd, "Lot is mijn vriendin
-en even oud als ik."
-
-"Is die peuter al veertien, och kom!" en Henk trok een ongeloovig
-gezicht.
-
-Zijn zusje vatte vuur.
-
-"Omdat jij zulke onmogelijke ooievaarsbeenen hebt, is een ander in
-jouw oogen altijd een dwerg, ze is gewoon een snoes hoor."
-
-"Echt?" spotte Henk, "maar dan toch een dwergachtige snoes, en...."
-
-"Zou jullie niet eens beginnen," viel hun moeder in, "me dunkt,
-dat het tijd wordt, je bent laat vandaag, Henk."
-
-"Ja Moes, ik had nog wat af te spreken met een van de jongens en toen
-heb ik hem even thuis gebracht."
-
-"Die jongen woonde zeker in de buurt van Ina van Wal, hè?" fluisterde
-Wies.
-
-"Hou je mond," mompelde haar broer.
-
-Toen allen genoeg gegeten hadden zei Moeder:
-
-"Weet je wat, Wies, begin nu met pianostudeeren, terwijl ik hier
-afwasch met Marietje. Ik ga straks met de kinderen wandelen, als
-de kleintjes geslapen hebben, dan kun jij je lessen leeren voor
-morgen. Het is beter, dat je studeert, terwijl ik nog thuis ben,"
-voegde ze er glimlachend bij.
-
-Wies lachte ook.
-
-Het was waar, als Moeder er niet was om te luisteren, kon ze zoo
-heerlijk zitten soezen voor de piano. Maar vandaag zou ze flink
-studeeren, dat nam ze zich stellig voor en met goeden moed begon ze
-hare vingeroefeningen.
-
-Na tien minuten gespeeld te hebben, merkte ze, dat Moeder met Marietje
-de kamer verlaten had en ze dus alleen was.
-
-Ze rekte zich eens uit en gaapte. Hoe vreeselijk saai waren toch die
-eentonige oefeningen.
-
-Nu nog die even saaie gamma's. Ze begon, maar hare gedachten waren er
-niet bij, ze struikelde dan ook gedurig over hare vingers. Zonde van
-den tijd toch, ze had zooveel te doen voor school, ze kwam nooit klaar.
-
-Als Moeder niet thuis geweest was, zou haar grammaire op de piano
-gezet en onderwijl wat geleerd hebben, die gamma's gingen toch immers
-machinaal, maar nu durfde ze niet.
-
-Ze hadden die afschuwelijke regels van de Participe Passé te herhalen
-en ze kende er nog niets van, want ze had ze slecht geleerd. Dat
-was juist dien avond geweest, toen ze dat leuke versje gemaakt had,
-dat Lot zoo mooi vond.
-
-Ze zat nu rustig met hare handen in haar schoot en probeerde, of ze
-dat versje nog zou kunnen opzeggen:
-
-
- De lente was gekomen,
- De bosschen waren groen,
- Ik zat heerlijk te droomen,
- Op een bankje in 't plantsoen,
- Daar kwam een kleine elf,
- Uit een der bloemen gekropen,
- 't Was 't bloemengeestje zelf,
- Dat daar kwam aangeslopen.
- "Lief meisje," sprak het....
-
-
-"Louise, Louise, kan ik je dan geen vijf minuten alleen laten, zonder
-dat je ophoudt met je oefeningen?"
-
-Verschrikt keerde Wies zich om.
-
-Moeder stond achter haar en keek haar verwijtend aan.
-
-Ze boog dadelijk het hoofd, ze had veel liever, dat Moeder boos keek,
-dan zooals ze nu deed.
-
-"Kind," zei deze nog, "als je wist, wat het me een verdriet doet,
-dat je zoo weinig vertrouwbaar bent."
-
-Ontsteld keek Wies haar aan.
-
-Weinig vertrouwbaar, was ze dat werkelijk?
-
-"Ben ik niet te vertrouwen?" stotterde ze.
-
-Haar moeder zag, dat hare woorden het meisje hadden doen schrikken.
-
-"Wat noem je het anders," zei ze, niet onvriendelijk, maar ernstig,
-"als je me belooft, goed te studeeren en ik geen oogenblik de kamer
-uit kan gaan, zonder dat je ophoudt met spelen?"
-
-Wies voelde, dat Moeder gelijk had.
-
-"Maar ik doe het niet expres," zei ze zacht.
-
-"Niet expres, je bent toch een meisje van veertien jaar, je hebt toch
-je verstand, wat moet ik er dan van denken, als je zoo handelt. Als
-je nog een klein kind was, zou ik zeggen, dat je erg ongehoorzaam was,
-maar nu noem ik het onbetrouwbaarheid."
-
-Wies zuchtte diep en begon opnieuw de gamma van g, die ze straks
-had afgebroken, om even te probeeren, of ze dat gedichtje nog op
-kon zeggen.
-
-Haar moeder bleef nu in de kamer, totdat de tijd van studeeren om was,
-en ging toen Betje helpen de kleintjes aan te kleeden, om daarna met
-hen en Marietje te gaan wandelen.
-
-Wies stond voor het raam hen na te kijken. Ze wuifde de kinderen toe,
-zoolang ze hen zien kon, lekkere ventjes toch die Stan en Janneman.
-
-Toen keerde ze zich met een zucht om en zocht hare boeken bij elkaar,
-om aan hare lessen te beginnen.
-
-Wat zou ze eerst doen?
-
-Die jaartallen maar. Hoeveel had ze er te leeren?
-
-Even tellen.
-
-Lieve deugd, dertig, hoe kreeg ze die ooit in haar hoofd. Het was
-wel repetitie, maar ze geloofde niet, dat ze er nog veel van wist.
-
-Met haar hoofd op beide handen gesteund, haar geschiedenisboek voor
-zich op tafel, begon ze.
-
-1565 Verbond der edelen.
-
-Jawel, dat wist ze, en het volgend, 1566 ook, 1568 wist ze natuurlijk
-wel, dat was ook nog Vaderlandsche geschiedenis, maar er stond
-meer bij.
-
-"Maria Stuart vlucht naar Engeland en wordt door Elizabeth gevangen
-gehouden."
-
-Zoo in-gemeen toch van die Elizabeth, Maria zocht bescherming bij
-haar en uit jaloezie hield ze haar gevangen. De juffrouw zei wel,
-dat er heel andere redenen bij kwamen, ze was vergeten wat ook weer,
-maar zij was er zeker van, dat Elizabeth jaloersch was op haar mooie
-nicht. Die Maria Stuart was haar toch altijd zoo sympathiek geweest,
-arm koninginnetje, zoo vroeg al weduwe van den Franschen dauphin,
-waar ze zooveel van hield en gedwongen het heerlijke Frankrijk te
-verlaten, waar ze zich zoo gelukkig gevoeld had.
-
-Hoe was dat mooie gedicht ook weer?
-
-
- Adieu charmant pays de France,
- Que je dois tant chérir,
- Berceau de mon heureux enfance
- Adieu, te quitter, c'est mourir.
-
-
-Wat klonk dat toch mooi, charmant pays de France, als de Fransche
-juffrouw op school dat opzei, met haar mooie uitspraak, klonk het
-zoo echt.
-
-Een lief mensch, de Française, waarvan ze leesles hadden, veel liever
-dan juffrouw Faber, die het gramaticale gedeelte behandelen moest,
-omdat de andere geen Hollandsch kende.
-
-Juffrouw Faber was zoo ongemakkelijk, zoo precies. Dat zou morgen weer
-wat zijn, met de Participe Passé, ze wist er geen woord van en had
-al zooveel slechte cijfers voor Fransch bij juffrouw Faber. Niet bij
-de Fransche snoes, die was heel tevreden, en zei, dat ze een goede
-uitspraak had en gevoel wist te leggen in wat ze las.
-
-Hare gedachten dwaalden zoo langzamerhand heelemaal af van hare
-jaartallen en ze zat in diep gepeins voor zich uit te staren, toen
-ze de pendule op de schoorsteenmantel hoorde slaan.
-
-Verschrikt kwam ze weer toch zichzelf. Al vier uur, nog maar een goed
-uurtje en ze kende nog niets.
-
-Met hare vingers in hare ooren, om toch niet afgeleid te worden,
-boog ze zich over haar boek en deed haar best haar aandacht bij
-hare jaartallen te bepalen. Aanvankelijk gelukte haar dit en een
-half uurtje was ze werkelijk ingespannen bezig. Toen dacht ze wel,
-dat zij ze kende.
-
-Met hare armen boven haar hoofd, rekte ze zich eens flink uit, zoodat
-de leuning der stoel, waarop ze zat, kraakte.
-
-"Even opstaan, me even bewegen," dacht ze en de daad bij het woord
-voegend, duwde ze haar stoel achteruit en begon de kamer rond te
-loopen.
-
-Voor het raam viel haar oog op een musschenpaar, dat op het dak van het
-tegenoverliggende huis een nestje scheen te bouwen. Een der dakpannen
-was kapot en door die opening zag Wies het vogelpaartje in en uitgaan,
-druk strootjes en veertjes aandragend.
-
-Hoe snoezig toch, die dotten maakten een warm nestje voor hun
-toekomstige kindertjes. Wat was dat mooi, de zorg, die de dieren
-instinctmatig hadden voor hun jongen. Wat snoezig zou dat zijn, als in
-het nestje eerst eitjes gelegd werden en dan later de jonge vogeltjes
-er uitkwamen. Ze zag ze voor zich, met hun kleine, nog kale lijfjes
-en groote bekken, gretig opengesperd om het voedsel te ontvangen,
-dat hun vadertje en moedertje voor hen aanbrachten. En als dan die
-lijfjes langzamerhand met dons bedekt werden en dat dons in veertjes
-overging....
-
-Hé, wat was dat?
-
-"Henk, wat doe je me schrikken, ik wist niet, dat je binnen gekomen
-was."
-
-"Was je weer in hooger spheren? Zeker al klaar met je werk?"
-
-"Klaar?"
-
-Zijn zusje keek hem afgetrokken aan.
-
-Henk lachte vroolijk.
-
-"Wat zie je er snugger uit. Weet je wel, dat het al bij vijven is."
-
-"Bij vijven? Och neen! Ik ken nog geen woord van mijn grammaire,"
-en Wies nam, rood van schrik, haar boek op en begon ijverig de regels
-te lezen en te herhalen, die ze voor morgen kennen moest.
-
-"Daar komt Moeder aan," zei Henk en liep naar de voordeur om open
-te doen.
-
-Toen ze een half uur later aan tafel zat, was Wies zich bewust,
-dat ze hare lessen voor morgen niet kende.
-
-Ze was stiller dan anders en trachtte brokstukken van de grammaire
-in haar gedachte op te zeggen, maar telkens bleef ze steken.
-
-Hoe moest dat straks gaan, als Moeder haar overhooren zou.
-
-Ze zou er niets van terechtbrengen en dan zou ze niet mogen gaan
-vanavond.
-
-Maar neen, dat kon toch niet, ze had zich zóó op dat feestje verheugd.
-
-Ze had zich toch zoo vast voorgenomen, hare lessen vanmiddag goed te
-leeren, ze had toch ook niets anders gedaan, alleen maar even aan iets
-anders gedacht, dat kon ze toch niet helpen. Ze wou, dat ze nog in
-den tijd van de feeën leefde en dat er een was, die haar beschermen
-wilde en haar straks alles heel zacht influisterde, zoodat ze het
-maar te herhalen had.
-
-"Heb je hoofdpijn, Wies?" vroeg haar moeder, "je bent zoo stil."
-
-"Welneen," antwoordde Henk voor haar, "ze is alleen maar weer in het
-rijk der feeën. Ze droomt van een goede fee, die haar al het werk
-uit de hand neemt, zoodat ze zelf niets behoeft te doen, dan op een
-stoel te zitten slapen."
-
-Wies kreeg een kleur van verlegenheid. Hoe kon die Henk nu zoo precies
-raden, waar ze aan dacht.
-
-Haar moeder keek haar aan en begon te lachen.
-
-"Neen Henk, voor zoo dwaas houd ik Wies gelukkig niet," zei ze,
-"je zoudt haar wel voor half gek willen verslijten."
-
-"Is ze ook," beaamde Henk.
-
-Zijn moeder keek ontevreden.
-
-"Zulke dingen mag je niet zeggen, ik weet wel, dat je er niets van
-meent, maar het klinkt naar."
-
-Zich toen tot Wies wendend:
-
-"Goed gewerkt vanmiddag? We zijn toch klaar, dus moesten we nu maar
-opstaan, dan kan ik je even overhooren. Daarna kun je je dan wat
-gaan opknappen."
-
-Met een kloppend hart volgde Wies haar moeder naar de voorkamer
-en reikte haar het geschiedenisboek over, om zich de jaartallen te
-laten overhooren.
-
-De eerste tien gingen vlot en met een tevreden knikje ging haar moeder
-door. Maar van toen af begon ze te haperen, raakte in de war en van
-de laatste zes kende ze er geen een.
-
-Haar moeders gezicht was hoe langer hoe ernstiger geworden.
-
-"Noem je dat je les kennen?" vroeg ze.
-
-Wies schudde van neen.
-
-"Ik ook niet, dus zijn we het eens. Wat nu nog?"
-
-Aarzelend reikte Wies haar grammaireboek aan.
-
-"Het Participe Passé? Goed, begin maar."
-
-Met den moed der wanhoop ving Wies aan, maar al heel gauw kon ze niet
-verder, stotterde en hield eindelijk heelemaal op.
-
-Haar moeder trachtte haar door een paar vragen op den rechten weg
-terug te brengen, maar het hielp niet, ze wist er niet veel meer van.
-
-Met een ontmoedigd gebaar sloot haar moeder eindelijk het boek. Men
-kon haar aanzien, dat het haar speet, dat ze nu genoodzaakt was,
-Wies niet naar het feestje te laten gaan.
-
-"Het spijt me, Wies, maar ik moet je natuurlijk thuishouden van
-avond. Wat heb je vanmiddag uitgevoerd, in plaats van te werken?"
-
-Louise's oogen vulden zich met tranen. Met bevende lippen verklaarde
-ze, niets anders gedaan te hebben, dan hare lessen geleerd.
-
-"Dat is onmogelijk. Als je niet met iets anders bezig bent geweest,
-heb je zeker geslapen. In ieder geval, het resultaat is, dat je je
-lessen niet kent en ze dus over moet leeren."
-
-"Mag ik dat morgenochtend niet doen?"
-
-"Natuurlijk niet."
-
-"Moet ik heusch thuis blijven van avond?"
-
-"Dat spreekt toch vanzelf. Ga nu maar dadelijk aan het overleeren
-beginnen, anders zie ik nog aankomen, dat je die lessen vanavond nog
-niet kent."
-
-Met deze woorden verliet ze de kamer.
-
-Wies staarde haar na, tot ze de deur achter zich gesloten had en
-wierp zich toen snikkend in een gemakstoel.
-
-"Mijn heerlijk avondje," steunde ze, "het zou zoo verrukkelijk geweest
-zijn en zoo mooi in den tuin en zoo gezellig. Het is altijd zoo dol
-prettig bij Lottie."
-
-Ze schreide en snikte en voelde zich doodongelukkig, bij de gedachte
-aan wat ze nu misliep.
-
-Na een poosje bedaarde het huilen en hare oogen afvegend, ging ze
-met een ruk rechtop zitten en verklaarde:
-
-"Ik leer niets meer vanavond, ik doe het niet, als ik nooit eens pret
-mag hebben, werk ik ook niet meer."
-
-Toen wrevelig van zich af schoppend:
-
-"Het is weer zoo echt iets voor mij, juist vandaag zulke moeilijke
-lessen te hebben en Moeder, die altijd zoo streng is, andere meisjes
-kennen toch ook niet altijd hun lessen. Ik had ze best morgenochtend
-kunnen overleeren. Ik kan 't toch niet helpen, dat ik niet bij die
-droge dingen blijven kan. Het is niets lief van Moeder, nooit eens
-iets bij me door de vingers te zien, maar ik geef er de brui van,
-ik leer vanavond die lessen niet, ik doe het niet. Moeder kan me
-thuis houden, maar de lessen in mijn hersens pompen, kan ze niet."
-
-Ze zag er alles behalve lief uit, zooals ze, met dien koppigen trek
-om haar mond, naar binnen ging, hare boeken in haar tasch pakte en
-een leesboek van het boekenrekje nam.
-
-Met een brutaal gezicht ging ze daarin zitten lezen.
-
-Haar moeder kwam juist binnen, na de kleintjes naar bed te hebben
-geholpen en ziende, dat Wies vol aandacht over een boek gebogen zat,
-lette ze er niet op, welk boek en liet haar rustig zitten.
-
-Wies keek heelemaal niet op, ze scheen nu ernstig te leeren, maar
-na een half uurtje viel het haar moeder op, dat ze telkens een blad
-omsloeg.
-
-Opeens ging haar een licht op.
-
-"Welk boek heb je daar voor je, Louise?" vroeg ze.
-
-Wies werd donkerrood.
-
-Nu ze Moeders vragende oogen op zich gericht zag, werd ze zich op
-eens goed bewust, hoe brutaal ze gehandeld had.
-
-Ze keek haar moeder met verschrikte oogen aan en durfde niet
-antwoorden.
-
-Deze strekte haar hand uit, om het boek naar zich toe te halen en
-als verstijfd liet Wies haar begaan. Haar moeder keek het in, sloeg
-het titelblad op en zag toen Louise aan.
-
-Deze zou dolgraag haar hoofd afgewend hebben, maar ze kon niet, als
-magnetisch voelde ze zich aangetrokken door de oogen harer moeder,
-die haar steeds strak aankeken.
-
-Henk en Marietje zaten dit tooneel doodstil aan te staren, bijna
-zonder zich te bewegen.
-
-Daar verbrak haar moeder de stilte.
-
-"Hoe durf je," was alles, wat ze zei.
-
-Ja, hoe had ze gedurfd. Ze begreep dat nu zelf niet.
-
-"En je weersprak me vanmiddag nog al, toen ik zei, dat je onbetrouwbaar
-was. Ga direct uit mijn oogen, wat er morgen van je lessen terecht
-komt, moet je zelf maar weten, maar ik wil je geen oogenblik langer
-in mijn nabijheid hebben, ga naar je kamertje en naar bed en denk
-dan eens goed over je gedrag na."
-
-Met droge oogen, maar met een gevoel van schuld, als ze zelden gekend
-had, stond Louise langzaam op.
-
-Een nachtkus durfde ze haar moeder niet geven.
-
-"Goedennacht, Moes," zei ze zacht.
-
-Haar moeder wendde het hoofd af.
-
-"Ga nu maar," zei ze en toen Wies nog aarzelde en staan bleef, deed
-ze, alsof ze niet meer in de kamer was en begon met Marietje te praten.
-
-Met loome schreden ging Wies de trap op naar haar kamertje.
-
-Toen ze binnentrad, was het er nog niet heelemaal donker en zonder
-haar kaars op te steken, knielde ze voor het raam neer en met beide
-armen op het kozijn steunend, staarde ze naar buiten.
-
-De maan stond reeds aan den hemel en hier en daar flikkerde flauw
-een enkele ster.
-
-Hoe heerlijk vreedzaam zag alles er uit, de tuintjes beneden haar
-in schemerlicht gehuld en boven haar die wijde hemel met die enkele
-schitterende puntjes.
-
-Alles was zoo mooi, zoo rein, en zij.... zoo slecht.
-
-Ze liet haar hoofd op hare armen rusten en hare tranen begonnen te
-vloeien, eerst een enkele, dien ze dadelijk met haar mouw afveegde,
-maar langzamerhand kwamen er al meer, en ze liet ze maar stroomen,
-te ellendig, om er verder op te letten.
-
-Nu had ze schuld, nu had Moeder gelijk; al was die ook nog zoo boos
-op haar, het kon niet erger zijn, dan ze verdiende.
-
-Dat ze vanmiddag haar lessen zoo slecht geleefd had, was niet goed,
-maar wat kon ze er aan doen, ze was nu eenmaal zoo. Iedereen zou
-begrijpen, dat ze liever vanavond gegaan was, dat ze dus niet expres
-zoo slecht geleerd had.
-
-O, ze was een zwak, zwak schepsel, de natuur was onbarmhartig voor
-haar geweest, ze was nu eenmaal zoo, wat kon ze er aan doen.
-
-Op dat oogenblik had ze bepaald medelijden met zichzelve.
-
-Maar wat ze vanavond gedaan had, dat was leelijk geweest.
-
-Ze wist, dat ze nooit in de week mocht lezen, het toch te doen, was
-dus al iets, dat niet goed was en nu vanavond, nu ze voor straf thuis
-moest blijven om haar lessen over te leeren, stil te gaan zitten lezen,
-dat was heel erg, dat voelde ze.
-
-En genoten had ze niet eens van haar lectuur, daartoe was ze veel te
-onrustig geweest.
-
-Wat had ze een spijt, toegegeven te hebben aan die leelijke inblazing,
-nu haar hoofd eens dwars te zetten en niet te doen, wat er van haar
-geëischt werd.
-
-"Hoe durf je," had Moeder gevraagd. Ja, dat wist ze nu zelf niet.
-
-Wat had Moes ernstig gekeken en zoo weinig gezegd.
-
-Ze had veel liever een hevig standje gehad, ze had veel liever de
-hardste waarheden gehoord, dan zoo behandeld te worden, als Moeder
-gedaan had.
-
-Zou ze haar nu nooit meer vertrouwen?
-
-Als Vader het eens hoorde, als Moes het hem eens schreef.
-
-Ze kromp ineen bij die gedachte. Vader zou het zoo vreeselijk vinden,
-hij vertrouwde haar zoo volkomen.
-
-"Ik ben een ellendig schepsel, voor het ongeluk geboren," zei ze
-met pathos.
-
-Wie lachte daar?
-
-Het was haar, alsof ze Vaders lach vernam en zijn bekende stem
-hoorde zeggen:
-
-"Wiesje, doe toch niet zoo mal, wees niet zoo overdreven."
-
-Dat was het voornaamste, wat Vader tegen haar had, dat hij haar
-overdreven vond.
-
-Och, als Vader maar niet zoover weg was!
-
-Hare tranen waren nu gedroogd en ze staarde naar buiten, waar in het
-uitspansel hoe langer hoe meer sterren zichtbaar werden.
-
-Hoe mooi, hoe heerlijk mooi. Zouden die sterren bewoonde werelden
-zijn, net als de aarde, zouden daar ook wezens op wonen, die plezier
-en verdriet hadden, die goed en slecht waren, net als de menschen.
-
-Een sissend geluid wekte haar uit haar gepeins op.
-
-Een oogenblik kon ze niet thuisbrengen, wat het zijn kon.
-
-Toen flitste het door haar hoofd.
-
-"Het vuurwerk."
-
-Ze richtte zich op en staarde in de richting, waarin ze wist, dat
-het huis van Lottie lag.
-
-Ze zag duidelijk enkele lichte stippen door de boomen heen schemeren
-en na een oogenblik steeg weer een vuurpijl sissend op. Wies volgde
-hem met de oogen, tot hij uiteen spatte.
-
-Nu hoorde ze knetteren, zeker een vuurwerkstukje, dat ontbrandde,
-ze zag wel een lichtschijn, maar kon niets bepaalds onderscheiden.
-
-Wat zou het nu mooi zijn, in dien tuin en door haar eigen schuld
-mocht ze er niet bij zijn.
-
-Door haar eigen schuld?
-
-Hoe kwam ze daar nu zoo op eens toe, om dat te denken, ze beweerde
-immers altijd, dat het haar noodlot was, waardoor ze dikwijls iets
-misliep.
-
-Maar neen, ze voelde het nu plotseling, ze kon er wel wat aan doen,
-ze dwaalde licht af, dat was waar, maar ze streed ook niet tegen die
-fout, ze gaf er maar altijd aan toe.
-
-Dat moest nu anders worden.
-
-Ze werd zich bewust, dat ze voor een groot deel haar eigen lot in
-handen had, dat ze veel kon bijdragen tot haar eigen geluk, maar dat ze
-dan moest vechten tegen hare verkeerde neigingen, er niet aan toegeven,
-haar tijd niet verdroomen, maar wakker zijn.
-
-En met haar wijd geopende oogen gericht op de schitterende sterren,
-deed ze bij zichzelf de gelofte, voortaan te strijden tegen al die
-fouten in haar karakter, die ze tot nog toe als aangeboren en daarom
-als niet te veranderen beschouwd had.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VIJFDE HOOFDSTUK.
-
-DE WRAAK.
-
-
-Den volgenden morgen ging Wies met een bezwaard hart naar school.
-
-Ze was zich bewust, van hare jaartallen niet veel en van haar Fransche
-les zoowat niets te weten. Ze had plan gehad, 's morgens vroeg nog
-wat te leeren, maar had zich verslapen. Nu moest het maar gaan, zooals
-het ging, ze zou dragen, wat ze verdiend had, het was toch de laatste
-keer, want voortaan zou ze maken, dat ze hare lessen kende. Moeder was
-erg koel tegen haar geweest dien morgen, maar ook dat zou ze dragen,
-zonder er zich tegen te verzetten. Voortaan zou Moeder geen reden
-meer hebben om zoo te zijn.
-
-Ze haalde Lottie af op haar weg naar school en deze betuigde dadelijk
-haar spijt, dat Wies er gisterenavond niet bij had kunnen zijn,
-het was zóó leuk geweest.
-
-"Waarom heb je toch 's middags niet geleerd," voegde ze er bij,
-"we hadden dat toch afgesproken en ik heb het ook gedaan."
-
-"Ik heb het geprobeerd, maar ik kon niet," zei Wies somber.
-
-Lottie haalde haar schouders op en begon te lachen.
-
-"Wat een gekheid, waarom zou je niet net zoo goed kunnen, als ik."
-
-"Ik dwaalde aldoor af."
-
-"Maar je hoeft toch niet af te dwalen, als je niet wilt."
-
-Wies zuchtte.
-
-"Och, dat weet je zoo niet, omdat je daar geen last van
-hebt. Natuurlijk is het in zoover mijn schuld, dat ik er mij niet tegen
-verzet heb. Het ergste is, dat ik nog geen woord van mijn lessen ken."
-
-Lottie keek haar vriendinnetje verbaasd aan.
-
-"Maar Wies!"
-
-"Echt, je zult het zien. Daar beleef je vanochtend weer wat aan."
-
-Lottie kon het niet helpen, ze moest alweer lachen, die Wies keek
-ook zoo tragisch.
-
-"Kom, het zal wel losloopen, jammer, dat ik niet wat dichter bij je
-zit, dan kon ik je voorzeggen. Weet je wat, ik zal vragen, of Rie
-het doet, die kent hare lessen meestal goed."
-
-Zoo gezegd, zoo gedaan, Rie, die naast Wies zat, werd gevraagd voor
-te zeggen, als het noodig was en beloofde het te zullen doen.
-
-Het eerste uur was een rekenles, waarvoor de meisjes niets hadden
-behoeven te leeren en dus ging het rustig voor Wies voorbij.
-
-Toen volgde de geschiedenisles, waarin de jaartallen overhoord werden
-en het lot was Wies gunstig, ze wist al de jaartallen, die haar
-gevraagd werden, op één na en dat fluisterde Rie haar nog bijtijds in.
-
-Ze voelde zich erg verlucht, ze scheen een geluksdag te hebben, door
-het Fransch zou ze nu ook wel heenrollen, als Rie haar niet in den
-steek liet.
-
-Juffrouw Faber scheen goed geluimd, ze begon al dadelijk een
-grapje te maken met een van de leerlingen, het zou dus wel terecht
-komen. Eenige meisjes hadden al een beurt gehad, nu zou zij weldra
-moeten antwoorden. Als Rie haar nu maar voorzei, want ze wist er
-eigenlijk niets van.
-
-"Louise, les règles du Participe Passé des verbes pronominaux."
-
-Daar hadt je het al, les verbes pronominaux hadden aparte regels
-voor hun deelwoord, ze wist wel zooiets van toevallig wederkeerig en
-noodzakelijk, maar hoe moest ze dat nu in het Fransch zeggen. En wat
-het verschil tusschen de deelwoorden van die twee was, dat wist ze
-heelemaal niet.
-
-"Eh bien, Louise?"
-
-Wies gaf Rie een schop onder tafel; toen begon ze:
-
-"Le participe passé des verbes...."
-
-"Accidentellement pronominaux," fluisterde Rie.
-
-Wies haalde bijna onmerkbaar hare schouders op, ze verstond Rie niet.
-
-"Accidentellement pronominaux," herhaalde Rie wat harder.
-
-Juffrouw Faber keek haar strak aan.
-
-"Marie," zei ze waarschuwend.
-
-Rie dorst nu niets meer te zeggen, de juffrouw had geen oog van
-haar af.
-
-"Continuez, Louise."
-
-Wies kreeg het benauwd, ze wist er niets van, ze zou dus verder maar
-geen pogingen doen en zwijgen.
-
-Lot deed haar best om de aandacht van Wies te trekken, misschien
-kon ze haar wel helpen, door duidelijk met de lippen te spreken,
-maar Wies staarde strak voor zich uit.
-
-"L'éloquence même," zei juffrouw Faber op scherpen, onaangenamen toon,
-"la meilleure de mes élèves est décidément Louise Schotter."
-
-Wies keek boos op.
-
-De juffrouw hoefde niet met haar te spotten, ze kon haar een standje
-geven, maar dat eeuwige sarkasme van die Faber kon ze niet uitstaan.
-
-"U hoeft me niet voor den gek te houden," barstte ze los.
-
-Juffrouw Fabers gezicht verloor niets van zijn spottende uitdrukking.
-
-"Ayez la bonté de répéter votre charmant discours en français, ma
-chère," zei ze kalm, "vous savez, qu'il est défendu de parler le
-hollandais pendant ma leçon."
-
-Wies zweeg met een kleur van boosheid.
-
-"Eh bien, j'écoute."
-
-Nog zweeg Wies.
-
-"Ne m'avez-vous pas compris, Louise. Répétez en français, ce que vous
-venez de dire."
-
-Wies voelde haar bloed koken. Die afschuwelijke Faber, ze zou haar
-niet loslaten, voor ze haar gezegde in het Fransch herhaald had en
-ze wist niet, hoe ze het moest zeggen.
-
-"Moquer," mompelde ze.
-
-"Bravo, c'est ça. C'est le verbe se moquer, que vous cherchiez. C'est
-bien, continuez."
-
-Eensklaps liet Wies haar hoofd op de bank zakken en barstte in
-tranen uit.
-
-"Schei toch uit," mompelde ze.
-
-Juffrouw Faber scheen te vinden, dat ze nu ver genoeg gegaan was,
-ze wendde zich tenminste tot een ander meisje en liet Wies verder
-met rust.
-
-Na een poosje bedaarde ze, en na hare oogen afgeveegd te hebben,
-zat ze de juffrouw met zulk een boozen blik aan te staren, dat deze
-bepaald vermeed haar kant uit te kijken. Ze was zich bewust vanochtend
-wat ver te zijn gegaan. Louise was een zenuwachtig kind, daar had ze
-aan moeten denken, maar ze kende ook haast nooit hare lessen en had
-dan daarenboven iets brutaals over zich, dat haar irriteerde.
-
-Om twaalf uur ging Wies met Lottie samen naar huis.
-
-Eerst sprak ze geen woord en Lottie durfde ook niets zeggen, Wies
-zag er zoo door en door boos uit.
-
-Na een poosje begon Wies:
-
-"Von' je het geen schandelijke manier van me te behandelen?"
-
-"Ja, hatelijk," beaamde Lottie.
-
-"Maar ik zal me wreken," zei Wies somber.
-
-Lottie keek een beetje angstig naar haar op.
-
-Ze zag er uit, alsof ze tot de zwartste daden van wraak in staat
-zou zijn.
-
-"Ik zou er maar niet meer aan denken," zei Lottie aarzelend.
-
-Louise bleef staan van verbazing.
-
-"Er niet meer aan denken? Zou jij dat kunnen, als je bespot en
-vernederd was voor de heele klasse, als je behandeld was op een manier,
-dat de honden geen brood van je zouden eten?"
-
-"Mijn hemel, Wies, wat overdrijf je weer."
-
-"Zoo, overdrijf ik. Welzeker, het is heel gemakkelijk zooiets voor
-nul en geener waarde te verklaren, als het je zelf maar niet overkomt."
-
-Lottie, die oprecht met haar vriendinnetje meevoelde en haar alleen
-wat overdreven vond, stak haar arm door dien van Wies.
-
-"Je weet best, dat ik het naar voor je vind, maar ik meen 't in ernst,
-wees verstandig en denk er niet meer aan. Het is nu eenmaal gebeurd
-en je kunt er toch niets aan veranderen."
-
-"Ik kan me wreken."
-
-"Dat zou ik maar niet beginnen, met zoo'n juffrouw trek je licht aan
-het kortste eindje. Heusch, Wies, je wint er niets mee en je brengt
-je eigen maar in onaangenaamheden."
-
-Wies antwoordde niet meer.
-
-Lot had gemakkelijk praten, maar ze moest iets doen, om de schande
-van die bespotting uit te wisschen.
-
-Maar wat?
-
-Den heelen verderen dag dacht ze er over na, maar ze kon niets
-vinden. Soms bedacht ze een of ander, waarmee ze de juffrouw zou kunnen
-plagen, maar dan verwierp ze het weer, omdat ze er iets kinderachtigs,
-ja zelfs iets lafs in vond.
-
-Neen, ze moest wat bijzonders verzinnen, iets, dat een ander nog niet
-gedaan had, iets aparts.
-
-Maar er schoot haar niets te binnen, dan een paar flauwe plagerijtjes,
-die een ander net zoo goed verzinnen kon, als zij.
-
-'s Avonds bij het sluiten van haar raam, zag ze weer den helderen
-sterrenhemel voor zich en eensklaps overviel haar de gedachte, dat
-ze zich had voorgenomen, goed te zijn en edel en dat ze zich dus niet
-wreken mocht.
-
-Wraak was lafhartig en een bewijs van een kleine ziel.
-
-Ze keek naar buiten, naar die rustige pracht en glimlachte.
-
-Dat was een goede gedachte, dat zou ze doen.
-
-Ze zou juffrouw Faber laten zien, hoe een edel meisje zich wreekt,
-ze zou haar doen voelen, dat ze boven haar bespotting stond.
-
-Morgenochtend had ze weer les van haar, dan zou ze een mooien bouquet
-voor haar meenemen, ze zou wat vroeger van huis gaan en even bij den
-jongen, die altijd op den hoek van die dwarsstraat stond, wat mooie
-bloemen koopen, die had meestal zulke prachtige rozen.
-
-Zoo gedacht, zoo gedaan.
-
-Lottie was niet weinig verbaasd, toen ze Wies met een mooien bouquet
-zag aankomen en van haar hoorde, dat die bloemen voor juffrouw Faber
-bestemd waren.
-
-"Hoe krijg je dat in je hoofd?" vroeg ze verbaasd.
-
-"Dat is nu mijn wraak," antwoordde Wies met een triomfeerend lachje.
-
-Ze wachtte juffrouw Faber bij de deur der klasse op en bood haar,
-zoodra ze verscheen, met een verlegen gezicht de bloemen aan.
-
-De juffrouw nam werktuigelijk den bouquet aan en was blijkbaar zóó
-verbaasd, dat ze eerst vergat te bedanken. Wies was reeds in de bank,
-toen juffrouw Faber, de bloemen bekijkend, zeide:
-
-"C'est très joli, ce bouquet, merci, Louise."
-
-Toen ging ze naar haar plaats voor de klasse en legde de bloemen,
-tegelijk met hare boeken, op het tafeltje naast zich.
-
-Lottie vond het zonde, dat die heerlijke rozen geen water kregen,
-ze had graag gevraagd, of ze de bloemen even in een glas water mocht
-zetten, maar ze durfde niet, want ze zou het in het Fransch moeten
-zeggen, fouten maken, het over moeten zeggen en zoo al meer. Daar
-zag ze tegen op.
-
-De les begon.
-
-Wies had haar uiterste best gedaan, haar les nu eens precies te leeren
-en een goedkeurend knikje van de onderwijzeres was haar belooning. Na
-het opzeggen van de lessen begon deze een nieuw gedeelte van de
-grammaire te behandelen en al pratende nam ze den rozenbouquet op,
-om er aan te ruiken.
-
-Met een schreeuw gooide ze hem eensklaps weer neer, haar gezicht drukte
-afschuw, zelfs angst uit. De meisjes begrepen niet, wat er gebeurde.
-
-"Een spin," stootte ze uit.
-
-Een deel der meisjes begon te lachen.
-
-Het was algemeen bekend, dat juffrouw Faber een grooten afschuw van
-spinnen had, ja, er gewoon bang voor was.
-
-Lottie keek verschrikt naar Wies.
-
-Was dat haar wraak?
-
-Niet erg aardig verzonnen, eigenlijk een leelijke manier van doen,
-Wies viel haar tegen, tot zooiets had ze haar niet in staat geacht.
-
-Wies zelf zat daar, stijf van schrik. Ze begreep dadelijk wat er van
-haar gedacht zou worden en ze had wel onder de bank willen kruipen,
-zoo zag ze op, tegen hetgeen er volgen zou.
-
-Juffrouw Faber had zich van haar eersten schrik hersteld en zei nu
-op ijskouden, snijdenden toon, in haar verontwaardiging heelemaal
-vergetend Fransch te spreken:
-
-"Louise, neem die bloemen weg en verlaat de kamer. Je behoeft tot
-nader order niet meer in mijn lessen te komen."
-
-Wies verroerde zich niet, het scheen wel, of ze de woorden van de
-juffrouw niet verstaan had.
-
-"Hoor je niet, wat ik zeg?"
-
-Nu stond Wies op in haar bank en keek rond, als zocht ze iemand,
-die haar verdediging op zich nemen zou.
-
-Maar nergens vond ze hulp.
-
-Sommige meisjes waren hun lach nog niet meester en deden wanhopige
-pogingen, om hem te verbergen.
-
-Anderen keken verontwaardigd naar haar, vonden haar zeker een naar
-schepsel, en eenigen, waaronder Lottie, zagen haar medelijdend aan,
-maar niemand sprak een woord.
-
-Ze slikte eens, om de prop weg te krijgen, die ze in haar keel voelde
-en zei toen, wat schor:
-
-"U denkt toch niet, dat ik het expres gedaan heb?"
-
-Juffrouw Faber keek haar minachtend aan.
-
-"Speel nu verder maar geen comedie," zei ze koud, "en doe, wat ik je
-zeg, neem die bloemen met inhoud op en verlaat de kamer. Ik zal na
-de les de zaak zelf aan de directrice meedeelen."
-
-Het duizelde Wies.
-
-Van zoo iets werd ze verdacht, van zoo'n minne wraak, om onder den
-schijn van een vriendelijkheid te bewijzen, iemand een hevigen schrik
-op het lijf te jagen.
-
-Hoe was het mogelijk.
-
-En iedereen scheen het te gelooven.
-
-Lottie ook?
-
-Ze keek naar haar vriendinnetje en dit sloeg hare oogen neer en
-vermeed haar aan te zien.
-
-Dus Lottie ook.
-
-Ze boog het hoofd en drukte haar zakdoek voor haar mond, om de snikken
-te smoren, die nu opwelden.
-
-Toen verliet ze haastig haar bank en wilde de klasse uit gaan, maar
-werd teruggehouden door de scherpe stem van juffrouw Faber, die haar
-beval, de bloemen mee te nemen.
-
-Machinaal voldeed ze aan dit bevel en een oogenblik later stond ze
-in de gang met den ongeluks-bouquet in haar handen.
-
-Ze keek naar de mooie rozen, waarvan er eenige door de ruwe behandeling
-geknakt waren en die als verzoeningsteeken tusschen haar en juffrouw
-Faber hadden moeten dienst doen.
-
-Het was weer haar gewone pech, die alles in de war gestuurd had. Wies
-Ongeluk, dat was ze wel! Dat nu zoo'n ellendige spin alles verkeerd
-moest doen loopen. Waar was het onzalige beest? Daar wandelde het
-rustig over de rozen en spon kalm een draad, onbewust van de ellende,
-die het aangericht had.
-
-"Araignée au matin, chagrin." Dat rijmpje bevatte voor haar wel
-waarheid.
-
-Toch wel een aardig beestje, hoe kunstig spon het zijn draad.
-
-Eenige oogenbikken vergat Wies haar verdriet, zoo interessant vond
-ze de bewegingen van het spinnetje. Toen keerde ze met een zucht tot
-de werkelijkheid terug.
-
-Wat nu te doen?
-
-Ze moest zich bij de directrice gaan melden, als uit de les gestuurd,
-maar ze durfde niet. Die zou natuurlijk ook aan haar schuld gelooven
-en ze hield van het hoofd der school. Ze zou het vreeselijk vinden, als
-die haar tot zoo iets in staat achtte en toch was de schijn tegen haar.
-
-Ze legde de bloemen op den grond en tegen den muur geleund, schreide
-ze, haar gezicht met beide handen bedekkend.
-
-Lot geloofde het ook.
-
-Hoe was het mogelijk, zij zou Lottie zeker niet van zoo iets mins
-beschuldigd hebben.
-
-Zoo stond ze daar nog een poosje, overweldigd door bittere gedachten
-en ze merkte nauwelijks, dat de tijd verstreek, totdat ze de deur
-tegenover haar hoorde opengaan en juffrouw Faber's stem vernam,
-die verwonderd zei:
-
-"Sta je daar nog, waarom ben je niet naar de directrice gegaan?"
-
-Wies keek haar even aan, met hare betraande oogen, maar antwoordde
-niets.
-
-"Neem die bloemen op en volg me," beval de juffrouw.
-
-Wies deed, wat haar gezegd werd en met de rozen in haar hand liep
-ze achter juffrouw Faber aan, die zich regelrecht naar de kamer der
-directrice begaf. Daar gekomen sprak ze haar beschuldiging uit en
-Wies sloeg hare oogen neer onder den verwijtenden blik van het hoofd
-der school.
-
-"Hoe kon je zoo iets verzinnen," zei ze op verdrietigen toon,
-"ik had je niet tot een dergelijke lafhartigheid in staat geacht."
-
-Lafhartigheid, de directrice beschuldigde haar van lafhartigheid!
-
-"Maar ik heb het niet gedaan," riep ze hartstochtelijk.
-
-Verwonderd keek de directrice juffrouw Faber aan.
-
-"Ze stelt zich weer aan," zei deze, "ik behoef u toch Louise Schotter
-niet te leeren kennen. Ze ontkent, dat is waar, maar alles wijst er
-op, dat ze zich op deze manier heeft willen wreken, over het standje
-van gisteren."
-
-"Maar een schoolmeisje wreekt zich niet over een standje voor een
-niet gekende les."
-
-"Het was geen standje, ze bespotte me," viel Wies heel onvoorzichtig
-uit.
-
-Juffrouw Faber glimlachte triomfant.
-
-"Dat is zoo goed als een bekentenis. Ze zegt zelf, dat ze mijn woorden
-als een bespotting opgevat heeft en verklaart daarmee, waarover ze
-zich heeft willen wreken."
-
-De directrice keek ernstig.
-
-Juffrouw Faber had gelijk, die woorden en de toon waarop ze geuit
-waren, namen elken twijfel aan haar schuld weg.
-
-"Ik vrees, dat u gelijk heeft," zei ze, "maar ik begrijp zoo iets
-niet van Louise."
-
-Wies schreide niet meer. Ze hield haar hoofd nu rechtop en om haar
-mond lag een bittere trek.
-
-"Dus u gelooft, dat alles een opgemaakt stukje was?" vroeg ze.
-
-"Ik moet het wel gelooven."
-
-"Goed, geloof u het dan maar," en met moeite het beven van hare lippen
-bedwingend, stond ze daar doodstil, alleen haar wat diepere ademhaling
-bewees, dat innerlijk niet alles rustig was.
-
-De directrice had de bloemen, door Wies op tafel gelegd, in de hand
-genomen en bekeek ze nu.
-
-"Er is nu geen spin meer in," zei ze.
-
-"Is die er uit," vroeg juffrouw Faber angstig, hare rokken bij elkaar
-nemend, "als het beest maar niet op me gekropen is. Was de spin er
-straks nog in, Louise?"
-
-Wies knikte onverschillig van ja, niets kon haar meer schelen, ze
-gaf zich aan het noodlot over.
-
-"Je hebt vlak achter me geloopen daar straks, misschien is ze op mijn
-rug gekropen."
-
-Rillend keerde ze haar rug naar de directrice.
-
-"Och toe, kijk u eens, of u haar niet ziet. Ook niet in mijn hals? Ik
-voel daar zoo'n gekriebel. Heusch niet, kan ik er van opaan?"
-
-Toen het vreemde lachje ziende om den mond van de directrice, voegde
-ze er wat verlegen bij:
-
-"U vindt me misschien kinderachtig, maar ik heb nu eenmaal zoo'n
-griezel van spinnen."
-
-"Dat komt meer voor," zei de directrice rustig. "Ik wil Louise nog
-wel even alleen spreken."
-
-Juffrouw Faber begreep den wenk en nam hare boeken op, om weg te gaan.
-
-"Ik kan Louise niet meer in mijn les nemen, voor ze me excuus gevraag
-heeft," zei ze nog.
-
-"Je hoort het, Louise, wil je dat nu dadelijk even doen?" vroeg de
-directrice. "Dat zou, dunkt me, het beste zijn."
-
-Wies antwoordde niet, ze klemde hare lippen nog wat vaster opeen en
-schudde van neen.
-
-Juffrouw Faber verliet daarop de kamer.
-
-De directrice hield zich een oogenblik met iets anders bezig, gezeten
-aan haar schrijftafel. Toen riep ze Wies bij zich.
-
-"Kijk me eens aan, Louise, zoo, vlak in mijne oogen. Blijf je er bij,
-dat je geen schuld hebt?"
-
-"Ja, juffrouw."
-
-"Hoe kwam je er dan toe, die rozen aan juffrouw Faber te geven? Ik
-heb tot mijn spijt meermalen gemerkt, dat juffrouw Faber en jij nu
-juist niet zulke groote vriendinnen zijn."
-
-Wies kleurde.
-
-Het was haar onmogelijk te zeggen, dat ze het als een edele wraak
-bedoeld had. De juffrouw zou dan natuurlijk weer aan aanstellerij
-gelooven.
-
-Ze zweeg dus.
-
-De juffrouw schudde met een verdrietig gezicht haar hoofd.
-
-"Het spijt me meer, dan ik zeggen kan, kind, dat je nu je schuld
-nog verergert, door zoo koppig te blijven ontkennen, wat toch zoo
-duidelijk blijkt, niet anders dan waar te kunnen zijn. Als je me
-niet verklaren wilt, waarom je juffrouw Faber zoo ineens bloemen
-gegeven hebt, na pas onaangenaamheden met haar gehad te hebben,
-na pas woorden van haar gehoord te hebben, die je zelf verklaart,
-als een bespotting te beschouwen, dan kan ik niet anders denken, dan
-dat je werkelijk schuld hebt. Ga nu maar naar huis en zeg je moeder,
-dat ik je voor dezen verderen dag verwijderd heb."
-
-Wies schrok.
-
-"Stuurt u me voor den heelen dag weg?"
-
-"Ja, morgen kun je terugkomen, behalve voor de les van juffrouw Faber."
-
-"Daar hebben we morgen geen les van."
-
-"Nu, dan kun je morgen weer den heelen dag komen."
-
-Wies stond daar met gebogen hoofd, aarzelend om weg te gaan.
-
-De directrice vatte haar neerhangende hand.
-
-"Heb je me nog iets te vertellen, kind, doe het dan. Het zou me zoo'n
-pleizier doen, als je je onschuld bewijzen kondt."
-
-Weer aarzelde Wies.
-
-Zou ze vertellen, waarom ze die bloemen gegeven had?
-
-Maar neen, neen, een totaal valsche schaamte belette haar gehoor
-te geven aan den drang van haar hart, dat haar aanspoorde, zich van
-blaam te zuiveren tegenover de juffrouw, van wie ze zooveel hield.
-
-Langzaam keerde ze zich om en verliet de kamer, deed in de gang haar
-goed aan en liep de straat op, niet wetend waarheen, niet goed naar
-huis durvend, waar ze zeker ook verkeerd begrepen zou worden.
-
-In de kamer der directrice lagen de prachtige rozen vergeten op de
-tafel en weefde het spinnetje lustig haar net tusschen tafelkleed en
-vloer, vlug aan den steeds langer wordenden draad neerglijdend.
-
-
-
-
-
-
-
-
-ZESDE HOOFDSTUK.
-
-VALSCHE SCHAAMTE.
-
-
-Toen Wies de deur der school achter zich had dichtgetrokken, liep ze
-eenigen tijd als versuft door.
-
-Weggestuurd voor den geheelen verderen dag.
-
-Waar nu heen?
-
-Naar huis en Moeder alles vertellen?
-
-Ze zag daar zoo tegen op, ze was zoo bang, dat Moeder aan haar schuld
-gelooven zou; het was zoo vreeselijk van iets laags verdacht te worden
-en dat nog wel, nu ze het zoo goed bedoeld had.
-
-Zou ze aan Moeder vertellen, waarom ze juffrouw Faber die bloemen
-gegeven had?
-
-Dat zou misschien het beste zijn, maar ze was bang, de woorden niet
-te kunnen uitspreken, het zou er iets van hebben, alsof ze eens wilde
-doen uitkomen, hoe edelmoedig ze was, hoe ze kwaad met goed had willen
-vergelden. Dat had ze ook eigenlijk wel en natuurlijk behoefde ze
-zich daarover niet te schamen, integendeel, maar om dat nu zelf te
-vertellen, dat was toch iets, dat ze niet zou kunnen.
-
-Hoe laat zou het zijn? Als ze nog anderhalf uur ronddwaalde en dan
-naar huis ging, zou niemand er iets van merken, dat ze weggestuurd
-was en als ze dan vanmiddag van twee tot vier weer uitging, behoefden
-ze er thuis misschien wel nooit iets van te weten.
-
-Ze liep maar voort, waar hare voeten haar heendroegen, al maar voort,
-tot ze bemerkte, dat ze een heel eindje afgedwaald was en zich
-heelemaal buiten de stad in het bosch bevond.
-
-Nu dorst ze niet verder gaan, ze had geen horloge, wist dus niet,
-hoe laat het was, ze zou maar weer naar de stad terugkeeren, dan zag
-ze allicht een klok, die haar op de hoogte van den tijd kon brengen.
-
-Ze stond een oogenblik stil en keek rond.
-
-Wat een heerlijk weer was het, hoe mooi dat lichteffect van de zon door
-de bebladerde boomtakken en die zonnevlekken op haar pad. Net weer,
-om je heel gelukkig en vroolijk te voelen. Wat zou ze genoten hebben,
-als ze nu vandaag vacantie gehad had en hier had kunnen ronddwalen,
-zonder gekweld te worden door akelige gedachten.
-
-Ze was toch een recht ongelukskind.
-
-Hare oogen vulden zich met tranen uit louter medelijden met zichzelve.
-
-Nu had ze toch heusch haar best gedaan om goed te zijn en nu had ze
-meer verdriet dan ooit.
-
-Ze ging een oogenblik op een bank zitten, ze voelde nu pas, dat ze
-moe was, ze had ook al een heel eindje geloopen.
-
-Zou ze een oogenblikje durven blijven zitten, of zou ze dan te laat
-thuiskomen?
-
-Even maar, ze was zoo moe en zoo warm.
-
-Ze droogde hare tranen af en staarde voor zich uit.
-
-Wat zongen de vogeltjes mooi in de takken boven haar hoofd, heerlijk
-om daar naar te luisteren.
-
-Ze moest er eigenlijk over nadenken, hoe ze zich nu houden zou, als ze
-thuis kwam, alles vertellen, of maar net doen, of er niets gebeurd was,
-maar ze kon niet nalaten naar dat liefelijk gekwinkeleer te luisteren
-en hare gedachten namen vanzelf een heel andere richting.
-
-Een roodborstje wipte over den weg en bleef vlak voor haar staan,
-haar met zijne zwarte kraaloogjes aanstarend. Ze hield zich doodstil,
-durfde haast niet ademhalen, ze zou zoo dolgraag willen, dat het nog
-wat nader kwam. Vlak bij haar lag een stukje brood, dat wilde het
-zeker zien te pakken, maar aarzelde, omdat het dan zoo dicht bij haar
-komen moest.
-
-Onbeweeglijk zat ze daar en weer tripte het lieve vogeltje nog
-een beetje nader. Nu had het zijn doel bereikt, nog een paar
-pasjes.... daar kwam opeens een groote zwarte kraai, die zich
-zonder bedenken op het stukje brood wierp en het roodborstje vloog
-verschrikt weg.
-
-Met een bitter lachje keek Wies het na.
-
-"Hier ook al het recht van den sterkste," dacht ze, "zoo is het
-overal. Juffrouw Faber kan me beschuldigen van wat ze wil, zij wordt
-geloofd, omdat ze de macht in handen heeft, het recht van de sterkste."
-
-Kom, nu moest ze gaan, ze zat hier haar tijd te verknoeien en wie
-weet hoe laat het al was.
-
-Wat zou ze nu thuis zeggen?
-
-Ze kon maar geen besluit nemen.
-
-Toen ze de stad weer bereikt had, zag ze, dat het al over twaalven was.
-
-Ze zette het op een draf, ze kwam bepaald te laat thuis, zou dan een
-verklaring moeten geven van haar lang wegblijven en wist nog altijd
-niet, wat ze doen zou.
-
-"De waarheid zeggen," drong haar geweten aan.
-
-"Doen alsof er niets gebeurd is, dat is het gemakkelijkst," ried
-haar verstand.
-
-Zoo kwam ze thuis, gewoon buiten adem van het harde loopen en zag
-dadelijk, dat het mis was, ze hadden blijkbaar al op haar gewacht.
-
-"Kind, wat zie je rood, en je bent heelemaal buiten adem," zei
-haar moeder, "waar kom je zoo laat vandaan, heb je weer moeten
-schoolblijven?"
-
-Onwillekeurig knikte Wies van neen, ze kon toch zóó niet jokken.
-
-"Niet? Waar ben je dan geweest, je weet, dat ik er zoo op gesteld ben,
-dat je op tijd thuis bent voor de koffie."
-
-Wies had intusschen haar hoed afgezet en op een stoel gelegd.
-
-"Dat is geen plaats voor je hoed, hang hem aan den kapstok en vertel
-me dan, waar je vandaan komt."
-
-Wies bracht haar hoed weg en ging op haar plaats zitten.
-
-"Neen, dat gaat zoo maar niet. Antwoord me eerst, waar kom je vandaan?"
-
-"Van school," mompelde Wies, met een kleur om haar leugen.
-
-"Regelrecht van school?"
-
-Wies kleurde nog dieper en schudde van neen.
-
-"Niet, dat dacht ik wel, je bent ergens anders heen geweest en hebt
-toen hard geloopen, om niet al te laat thuis te zijn. Maar waar ben
-je geweest, dat wil ik weten."
-
-Wies kreeg het hoe langer hoe benauwder, wat moest ze nu zeggen.
-
-"Kom, antwoord me en de waarheid, als 't je blieft."
-
-"Als je jokt, leest Moes het op je voorhoofd," verklaarde Jantje
-plechtig.
-
-"Op je voorhoofd," herhaalde Stan.
-
-Henk begon te lachen, maar Wies hoorde het niet eens.
-
-"Ik weet het niet," fluisterde ze.
-
-Nu proestte Henk het uit en de kleintjes lachten hartelijk mee,
-hoewel ze niet goed begrepen, waarom.
-
-Marietje haalde haar schouders op en wees op haar voorhoofd.
-
-"Ja, het lijkt wel, of er een van de vijf bij je op den loop is,"
-beaamde haar moeder. "Nu als 't je blieft, verder geen gekheid,
-nog eens, waar kom je vandaan, waar ben je geweest?"
-
-"In 't bosch."
-
-Allen keken even verwonderd.
-
-"In 't bosch," herhaalde haar moeder en liet er wat driftig op volgen:
-
-"Zeg, is het nu uit met die gekheid, het bosch ligt ruim drie kwartier
-van de school af, je kunt dus onmogelijk in een half uur heen en weer
-naar het bosch geweest zijn."
-
-"Een van de feeën heeft haar daar heen gedragen," opperde Henk, maar
-zijn moeder verzocht hem te zwijgen, ze vond de houding van Wies zoo
-vreemd, dat ze ongerust werd, over hetgeen er gebeurd kon zijn.
-
-"Louise, maak nu de zaak niet erger en vertel me, waar je geweest
-bent," drong ze aan.
-
-"Werkelijk in het bosch."
-
-Toen voegde ze er nauw verstaanbaar bij:
-
-"Ik was weggestuurd van school."
-
-Haar moeder meende haar niet goed verstaan te hebben.
-
-"Wat zeg je. Spreek duidelijker."
-
-"Ik was weggestuurd," herhaalde Wies iets harder.
-
-Henk floot zachtjes tusschen zijn tanden.
-
-Marietje keek even ontsteld op, maar daarna ging ze door met Jan en
-Stan om beurten hun boterham in het mondje te werken.
-
-Wies ademde eenigszins verlucht. Nu was het er uit, nu kon ze niet
-meer terug, nu moest er maar van komen, wat wilde.
-
-"Weggestuurd," herhaalde haar moeder, "weggestuurd van school, het
-is nog al geen kleinigheid, waarom, wat heb je gedaan?"
-
-Wies begon te huilen en mompelde iets van bloemen en van een spin en
-van heelemaal geen kwaad bedoeld hebben.
-
-Haar moeder begreep er niets van.
-
-"Kun je je niet duidelijker uitdrukken, Louise?"
-
-Wies' eenig antwoord bestond in een hevige huilbui. Haar wat
-overspannen zenuwen ontspanden zich, ze snikte het uit.
-
-Haar moeder zweeg eenige oogenblikken.
-
-Henk waagde het nu ook niet, gekheid te maken en Marietje keek
-verschrikt van de een naar de ander, terwijl de kleintjes er niets
-van begrepen.
-
-"Waarom is Wies zoo verdrietig?" vroeg Stan.
-
-"Wies is niet verdrietig, Wies is stout," meende Jan.
-
-"Als je me geen duidelijken uitleg kunt geven, zal ik genoodzaakt
-zijn op school te informeeren," zei nu mevrouw Schotter. "Mag je
-vanmiddag weer op school komen?"
-
-Wies schudde van neen.
-
-"Niet? Voor hoelang ben je dan weggestuurd?" vroeg haar moeder
-verschrikt.
-
-"Voor vandaag."
-
-"Zoo, nu neem dan je boterhammen mee en ga naar je kamertje, je
-begrijpt wel, dat ik je vandaag niet in den huiselijken kring wil
-hebben. Neem je breiwerk mee, kom hier, ik zal je een taak opgeven,
-zorg, dat die af is. Ik zal zelf wel eens gaan hooren, wat er eigenlijk
-gebeurd is."
-
-Wies nam haar breiwerk op en wilde de kamer verlaten.
-
-"Je boterhammen."
-
-"Ik heb geen honger," en ze haastte zich weg naar boven, naar haar
-eigen kamertje, waar ze zich veilig voelde.
-
-Ze ging op den rand van haar bed zitten en zuchtte diep.
-
-Wat zouden ze vanmiddag lekker kwaad van haar spreken tegen Moeder,
-die Faber zou haar hart ophalen.
-
-De directrice misschien ook wel, die geloofde haar immers ook schuldig.
-
-Enfin, het kon haar niets meer schelen, iedereen mocht van haar denken,
-wat ze wilde.
-
-Zoo zat ze een poosje stil op haar bed, peinzend over wat ze haar
-ongelukkig gesternte noemde, waardoor altijd haar goede bedoelingen
-in de war gestuurd werden. Als Moeder straks bij haar kwam, zou
-ze natuurlijk ontkennen, de spin expres in de rozen geplaatst te
-hebben, maar zou Moeder haar gelooven? Och neen, niemand geloofde
-haar immers, en toch konden ze niet zeggen, dat ze dikwijls jokte,
-een heel enkel keertje maar, om zich te redden uit moeielijkheden,
-waarin ze zich telkens bracht en dan deed ze meestal nog zoo onhandig,
-dat haar leugentje dadelijk doorzien werd.
-
-Wat was ze moe, flauw voelde ze zich ook, ze had zoo'n eind geloopen
-en na vanmorgen acht uur niets meer gegeten. Ze wilde nu wel, dat ze
-hare boterhammen maar mee gebracht had, maar naar beneden gaan en er
-om vragen, dat deed ze niet.
-
-Zoo op haar bed zittend, legde ze onwilkeurig haar hoofd op het kussen.
-
-Hè, heerlijk, even mocht ze rusten, dan zou ze gaan breien, Moeder
-had haar zooveel opgegeven.
-
-Ze bleef dus stil liggen en niet lang daarna sliep ze gerust,
-doodvermoeid van alles, wat ze dien morgen ondervonden had en van de
-lange wandeling, die ze gedaan had.
-
-Ze werd pas wakker, toen ze een hand op haar schouder voelde, die
-haar zacht heen en weer schudde.
-
-Ze opende haar oogen en zag vaag Henk's gezicht over zich heen gebogen.
-
-"Zeg, wor' eens wakker."
-
-"Ja," en met een zucht richtte Wies zich op.
-
-"Wat is er?"
-
-Henk lachte even.
-
-"Ben je nu goed wakker, of niet, kan ik met je praten? Je ziet er
-zoo suf uit."
-
-"Ja, ik ben wakker. Is Moeder al naar school geweest?"
-
-"Natuurlijk, 't is half vijf. Je hebt uren geslapen."
-
-"Hoe is het mogelijk. En?"
-
-"Ja, Moeder weet nu alles."
-
-"Alles, Moeder weet niets."
-
-Henk trok zijne schouders op.
-
-Hij stond daar met zijne handen in zijne broekzakken en keek zijn
-zusje wat spottend aan.
-
-"Dacht je, dat ze je zonde voor haar verzwegen hadden? Eerlijk gezegd,
-vind ik de grap nogal leuk verzonnen, hoe ben je er op gekomen, zeg?"
-
-Wies antwoordde niet, ze zat in gedachte.
-
-"En wat zegt Moeder?" vroeg ze aarzelend.
-
-"Nou, ze is niet weinig boos, ze vindt, dat je valsch gehandeld
-hebt. Ze neemt de zaak veel te ernstig op, zie je, alsof je niet eens
-meer een grapje mocht uithalen."
-
-Wies keek naar haar broer.
-
-Gek, dat zoo'n jongen zoo iets zoo opnam, als alles werkelijk gegaan
-was, zooals ze dachten, zou ze het toch een lage aardigheid gevonden
-hebben.
-
-"Maar Henk, ik heb die spin er niet expres in gezet."
-
-"Och kom!"
-
-"Heusch niet."
-
-"Ik zou maar uitscheiden met die comedie, je wilt toch zeker niet
-beweren, dat je Faber die rozen gaf, om haar een plezier te doen."
-
-Wies kleurde.
-
-"Dat is het juist," mompelde ze.
-
-Henk keek haar met groote oogen aan, een en al verbazing.
-
-"Och kom," zei hij nog eens.
-
-Wies staarde voor zich uit.
-
-"Ik zal het je maar bekennen, het is heusch waar, ik dacht, dat het
-een edele manier was, om me te wreken."
-
-Henk schaterde het uit.
-
-"Wies, Wies, wat een type ben je toch, ik geloof waarachtig dat je
-het meent."
-
-Wies had al spijt, dat ze zich zoo had laten gaan. Het was niet voor
-niets geweest, dat ze er tegenop gezien had, de waarheid te zeggen,
-Henk spotte er blijkbaar al mee.
-
-"Je moet niet denken, dat ze je gelooven zullen, als je dat zegt,"
-beweerde Henk.
-
-"Dan laten ze het. Ik ben trouwens niet van plan het te zeggen."
-
-Toen wat aarzelend: "Zeg Henk, geloof jij me ook niet?"
-
-Henk wist niet meer, wat hij er van denken moest, die Wies keek hem
-zoo ernstig, ja zelfs gespannen aan.
-
-"Ja, zie je," zei hij langzaam, "eerst dacht ik, dat je maar wat
-praatte om je leitje schoon te vegen, maar nu begin ik te gelooven,
-dat je het meent."
-
-"Natuurlijk meen ik het," zei Wies en toen ze zag, dat Henk het nog
-niet geheel met zich zelven eens was, voegde ze er hartstochtelijk bij:
-
-"Henk, geloof me, laat er ten minste één zijn, die me gelooft."
-
-Henk was wat verlegen met zijn figuur.
-
-Wies scheen wèl de waarheid te spreken en toch....
-
-"Geef je me je eerewoord er op?" vroeg hij.
-
-"Ja, op mijn woord van eer, ik heb de waarheid gezegd."
-
-"Goed, ik geloof je."
-
-Wies greep zijn hand en drukte die krachtig.
-
-"Dank je," zei ze.
-
-"Maar begrijpen doe ik je niet," vervolgde Henk.
-
-"Dat hoeft ook niet, als je me maar gelooft. Stil, daar komt iemand,
-zeker Moeder."
-
-"Dan ga ik maar," en Henk ging naar de deur, waar hij tegen zijn
-moeder aanliep, die juist binnenkwam.
-
-"Wat doe jij hier?" vroeg deze verwonderd.
-
-"Even met Wies praten," en weg was hij.
-
-Wies kon het hare moeder aanzien, dat ze echt verdriet had over het
-gebeurde en viel dadelijk uit:
-
-"U behoeft niet zoo verdrietig te kijken, ik heb niets kwaads gedaan!"
-
-Haar moeder nam een stoel en ging bij haar zitten.
-
-"Hou je een beetje bedaard, Louise. Ik ben bij de directrice geweest
-en heb ook juffrouw Faber gesproken. Ik ben dus geheel op de hoogte.
-
-Wies had haar zitplaats op den rand van haar bed verlaten en stond
-nu voor haar moeder.
-
-"Dat denkt u," zei ze, "maar u weet niets."
-
-"Weet ik niets? Wat moet ik dan nog meer weten?"
-
-"Ik heb het niet expres gedaan."
-
-"Wat, die spin in de rozen gezet? Hoe kwam die daar dan in?"
-
-"Hoe kan ik dat nu weten, ik heb ze immers zelf maar gekocht."
-
-Haar moeder keek haar verwonderd aan.
-
-"Wil je beweren, dat het geen vooruit verzonnen plagerij is van die
-spin, maar een toeval?"
-
-"Ja juist."
-
-"Ik wilde, dat ik je gelooven kon. Maar waarom heb je dan aan juffrouw
-Faber die rozen gegeven, je hadt immers pas onaangenaamheden met haar
-gehad en je beweert altijd, dat je niet van haar houdt."
-
-Wies bloosde en zweeg.
-
-Haar moeder keek haar aan en begreep er niets van.
-
-Toen greep ze haar hand.
-
-"Kind," zei ze, hartelijker dan ze gewoon was, "zeg me de
-waarheid. Vertel me eens, waarom heb je die bloemen aan de juffrouw
-gegeven, als je er niets kwaads mee bedoeld hebt."
-
-Wies lachte zenuwachtig.
-
-"Ik heb nog nooit gehoord, dat men iemand bloemen geeft om haar
-te plagen."
-
-"Win' je nu maar niet zoo op. Natuurlijk geeft men in gewone gevallen
-iemand geen bloemen, om haar verdriet te doen, maar dit is een bizonder
-geval. Je geeft niets om juffrouw Faber, wel?"
-
-Wies schudde van neen.
-
-"Nu, zie dan zelf, je geeft toch geen bloemen aan iemand, van wie je
-niet houdt, alleen om haar plezier te doen. Daar zie ik jou tenminste
-niet toe in staat."
-
-Wies beet hare lippen bijna ten bloede uit zenuwachtigheid.
-
-"Neen, natuurlijk niet," zei ze bitter, "dat spreekt van zelf, tot
-iets edelmoedigs ben ik niet in staat."
-
-Haar moeder ging eensklaps een licht op.
-
-Weer greep ze de hand van haar dochtertje en haar naar zich
-toetrekkend, zei ze:
-
-"Was het dat werkelijk, Wiesje, wou je wat goedmaken bij juffrouw
-Faber?"
-
-Wies knikte van ja, met een zoo beschaamd gezicht, alsof ze de grootste
-misdaad opbiechtte.
-
-Haar moeder trok haar nu heelemaal op schoot en kuste haar hartelijk.
-
-"Dan hebben we ons allemaal in je vergist en het ongelukkige toeval,
-dat die spin zich daar nu juist in die bloemen bevinden moest, is de
-schuld van alles. Het spijt me, dat ik je verdacht heb, kind."
-
-Wies keek haar wat verbijsterd aan.
-
-"Dus u gelooft me?"
-
-"Zeker geloof ik je, ik begrijp nu alles. Morgen ga ik met je mee
-naar school om ook daar te vertellen, hoe we ons allen in je vergist
-hebben."
-
-Wies maakte een gebaar van schrik.
-
-"Dat nooit, ik zou geen raad weten van verlegenheid. Als u het
-vertellen wilt, doe het dan, als 't u blieft, waar ik niet bij ben."
-
-Haar moeder moest lachen.
-
-"Wat zijn jullie meisjes toch dwaas, met je valsch schaamte. Daarom heb
-je de toedracht der zaak zeker ook niet aan de directrice verteld. Ze
-zei me, je zoo dringend gevraagd te hebben, of je eenige opheldering
-geven kon."
-
-Wies loosde een diepen zucht.
-
-"Ik weet niet, wat ik liever gedaan had, het zou er iets van gehad
-hebben, of ik mezelf eens in een mooi daglicht wilde stellen. Ik
-vind het nog afschuwelijk, dat ze nu alles weten moeten, vooral die
-Faber! Ik heb nu door alles, wat er uit voortgekomen is, een gevoel
-gekregen, of ik iets heel geks gedaan heb."
-
-"Maar kindje, wat een idee, integendeel, je bent heel lief geweest."
-
-"Heusch, eerlijk gezegd wilde ik, dat het denkbeeld nooit in mijn
-hoofd was opgekomen. Toe Moes, wilt u als 't u blieft vragen, of ze
-geen van allen er meer iets van zeggen willen. Laat iedereen toch
-doen, of er niets gebeurd is, anders weet ik van verlegenheid niet,
-waar ik blijven moet."
-
-Haar moeder beloofde haar verzoek over te brengen.
-
-"Maar de meisjes," vroeg ze nog aarzelend, "hoe kunnen die dan te
-weten komen, dat je niets geen kwaad bedoeld hadt."
-
-Wies maakte een gebaar van schrik.
-
-"De meisjes moeten er juist buiten blijven. Die vinden zoo iets zoo erg
-niet en echt, Moes, ik weet geen raad, als er nog verder over gepraat
-wordt. Ik zou in staat zijn te zeggen, dat ik het wel gedaan had."
-
-Haar moeder schudde het hoofd.
-
-"Kind, kind, wat heb je nog een verkeerde begrippen omtrent recht en
-onrecht. Ik begrijp je eigenlijk niet. Je vindt zelf, dat het laag
-van je geweest zou zijn, als je werkelijk die spin in de rozen gezet
-hadt, om juffrouw Faber schrik aan te jagen, maar toch heb je liever,
-dat de meisjes dat van je denken, dan dat ze weten, dat je een goede
-daad hebt willen doen."
-
-Wies keek nadenkend voor zich.
-
-"Ja, ziet u, u hebt gelijk, maar het kan toch niet. U kunt dat zoo
-niet begrijpen, er zijn er zoo licht bij, die je voor schijnheilig
-houden, of denken, dat je in een goed blaadje wilt komen. Neen echt,
-Moes, ik zou geen raad weten, als de zaak verder uitgeplozen werd."
-
-"Nu goed dan, ik zal je je zin geven. Ga nu maar mee naar beneden,
-het is bijna etenstijd."
-
-"Zeg u beneden ook niets?" vroeg Wies.
-
-"Neen, dat kan ik niet beloven."
-
-"Toe, zeg u dan alleen, dat alles opgehelderd is en ik geen schuld
-heb. Doet u het?"
-
-Dat wilde haar moeder dan wel beloven en tot niet geringe verwondering
-van de reeds in de eetkamer verzamelde kinderen, kwamen moeder en
-dochter gearmd binnen en verklaarde de eerste, dat alles in orde was
-en het geval op een misverstand berust had.
-
-
-
-
-
-
-
-
-ZEVENDE HOOFDSTUK.
-
-HENKS GEHEIM.
-
-
-Wies kreeg haar zin, op school werd verder over de zaak gezwegen.
-
-Wel moest ze den eersten ochtend de vragen der meisjes beantwoorden,
-omtrent het wegzenden door de directrice en wat of ze er thuis van
-hadden gezegd, maar daar ze er weinig antwoord op gaf, zwegen ze er
-al spoedig over.
-
-In de eerste les van juffrouw Faber, na het gebeurde, was iets
-pijnlijks. Noch de onderwijzeres, noch de leerling voelde zich op
-haar gemak, maar ook dat sleet met den tijd.
-
-Toch had de zaak één zeer onaangenaam gevolg gehad: er was een
-verkoeling ontstaan in de vriendschap tusschen Wies en Lottie. Toen
-ze dien eersten morgen weer samen naar school gingen, had Wies aan
-haar vriendinnetje gevraagd of ze haar verdacht, van die spin expres
-in de rozen gezet te hebben.
-
-Lottie had een kleur gekregen, eerst iets onverstaanbaars gemompeld
-en toen gevraagd, daar nu maar niet verder over te praten.
-
-Maar Wies had aangedrongen, ze moest weten, wat ze aan Lottie had,
-zei ze.
-
-Nu moest het hooge woord er uit, ja, Lottie dacht, dat ze zich op
-die manier op juffrouw Faber had willen wreken. Ze had immers zelf
-tegen haar gezegd, dat ze dat doen wilde.
-
-"Je zei het op een manier, dat ik er eng van werd," voegde Lottie
-er bij.
-
-"Je gelooft dat dus nog?" vroeg Wies.
-
-"Ja, hoe kan ik anders, is het dan niet waar?"
-
-Wies aarzelde.
-
-"Neen," zei ze toen, kortaf.
-
-Lottie keek haar aan, een en al verbazing.
-
-"Niet? Waarom heb je dan die bloemen aan juffrouw Faber gegeven?"
-
-Wies antwoordde niet.
-
-Het was weer de oude geschiedenis, ze wilde haar weer dwingen, alles
-te vertellen en zich zelve in de hoogte te steken, maar ze kreeg
-het niet meer uit haar, het was nu mooi geweest. Als Lottie haar
-zoo weinig kende, dat ze van haar dacht, dat ze iemand wilde plagen,
-onder den schijn van een vriendelijkheid te bewijzen, dan moest het
-maar uit zijn tusschen hen, dan was er geen vriendschap mogelijk,
-tenminste niet, wat zij onder dat woord verstond.
-
-Ze waren, beiden zwijgend, verder naar school gegaan en om twaalf
-uur was Wies haastig naar huis geloopen en had de verbaasde Lottie
-met een genadig knikje laten staan.
-
-Dat was in geen jaren gebeurd, altijd hadden ze op elkaar gewacht na
-schooltijd en waren ze samen naar en van school gegaan.
-
-Lottie kreeg tranen in hare oogen, toen ze Wies nakeek, maar ze
-knipte ze haastig weg en ging ook naar huis, zorgend eenigen afstand
-te bewaren tusschen Wies en haarzelve.
-
-Als Wies zoo akelig wilde doen, best, ze had ook haar trots.
-
-Dien middag kwam Wies haar niet afhalen, ze had dat wel verwacht,
-maar toch had ze lang getreuzeld, voor ze wegging, je kondt toch niet
-weten, en warm van het harde loopen, bang te laat te zuilen komen,
-was ze op haar plaats gaan zitten. Ze keek heel even naar Louise's
-bank om te zien, of ze er was.
-
-Ja hoor, ze zat er, druk met Rie pratend en zelfs niet even in de
-richting van haar plaats kijkend. Om vier uur gingen ze ieder haars
-weegs, zonder elkander zelfs goedendag te zeggen.. en daarna bestonden
-ze niet meer voor elkaar.
-
-Zoo dacht ten minste de buitenwereld, de schoolmeisjes en de
-huisgenooten. Deze laatsten waren erg verwonderd geweest, dat de
-onafscheidelijken, zooals ze genoemd werden, niet meer bij elkaar
-kwamen, maar toen ze er niets anders uit konden krijgen, dan dat
-ze niet meer met elkander omgingen, hadden ze de zaak maar op haar
-beloop gelaten, dat kwam vanzelf wel terecht.
-
-Bestonden ze werkelijk niet meer voor elkaar, de twee
-onafscheidelijken?
-
-Als men in de harten der beide meisjes had kunnen lezen, dan zou men
-wel tot een andere meening gekomen zijn.
-
-Och, ze misten elkander zoo!
-
-Ze zouden niets liever gedaan hebben, dan weer goed worden, maar ze
-vonden dat een onmogelijkheid. Hoe kon Wies nu vriendschap voelen
-voor iemand, die haar zoo miskende. Hoe kon Lottie nu verlangen naar
-genegenheid van iemand, die haar zoo beleedigd had, door niet meer
-met haar te willen omgaan.
-
-Neen, het moest maar blijven, zooals het was, het kon nu eenmaal niet
-anders.... maar ze misten elkander toch zoo!
-
-Telkens kwam het voor, dat Wies de kleine gebeurtenissen van het
-dagelijksch leven op de tong brandden, ze was gewoon, alles met
-Lottie te bespreken en telkens moest Lottie zich bedwingen om niet
-even naar Wies te rennen, om haar wat te vertellen, nu eens van een
-nieuw japonnetje, dat toch zoo beeldig werd, dan weer van de heerlijke
-manier, waarop ze de zomervacantie zouden doorbrengen.
-
-Bijna iederen ochtend dacht Wies: zou Lot die moeilijke les kennen,
-of die sommen gevonden hebben en bijna iederen avond dacht Lottie: als
-Wies voor morgen haar lessen maar geleerd heeft, haar werk gemaakt, nu
-ze er heelemaal niet meer eens met mij over praten kan. Hoe dikwijls
-was het niet gebeurd, dat Wies niet geluisterd had naar hetgeen de
-juffrouw er bij verteld had en altijd was ze dan bij Lottie gekomen,
-wetend dat deze haar wel zou kunnen en willen helpen.
-
-Als Wies nu op school met haar mond vol tanden zat en blijkbaar
-heelemaal niet op de hoogte was, trok Lot zich de harde woorden, die
-dan volgden, net zoo goed aan, als haar gewezen vriendinnetje. Ze
-had Wies er immers aan gewend, dat ze bij haar altijd terecht kon,
-als ze niet opgelet had. Ze had zoo'n medelijden met haar en zou haar
-zoo dolgraag geholpen hebben, maar ze kon toch niet het eerst naar
-Wies toe gaan.
-
-En Wies?
-
-Och, die zou wel het eerst naar haar vriendinnetje hebben willen gaan,
-ze was bij nader inzien tot de conclusie gekomen, dat de schijn wel
-erg tegen haar geweest was en dat het Lottie niet zoo kwalijk te nemen
-was, dat ze haar verdacht had. Ze had haar toch ook geen verklaring
-willen geven, hoe alles gegaan was. Wel had ze gezegd, toen Lot,
-na gehoord te hebben voor wie die bloemen waren, haar gevraagd had,
-hoe ze dat in haar hoofd kreeg: "dat is nu mijn wraak," maar Lot had
-de bedoeling van de woorden niet begrepen en ze letterlijk opgevat. Ze
-zou dus desnoods alles wel weer goed gemaakt willen hebben met Lot,
-als ze deze maar niet zoo noodig had gehad.
-
-Maar Lottie wist best, hoe ze altijd van haar hulp had afgehangen,
-hoe ze gewoon die vreeselijke sommen niet alleen kon maken en wat
-was natuurlijker, dan dat ze denken zou, dat Wies het daarom weer
-goed wilde maken, vooral nu ze druk in de repetities zaten en alles
-er zoo op aankwam, met het oog op het overgaan.
-
-De groote vacantie naderde en daarmee het tijdstip, waarop ze zouden
-hooren, wie overging en wie bleef zitten en Wies was zich maar al
-te goed bewust, dat de zaak niet heel gunstig voor haar stond. Het
-angstzweet brak haar uit, als ze er aan dacht. Ze had Vader zóó
-beloofd, goed op te passen, hij zou het zoo naar vinden, als ze bleef
-zitten. Moeder zou heel boos zijn, dat wist ze wel, maar Vader was
-zoover weg, ze vond het zoo vreeselijk, hem nu verdriet te doen.
-
-Had ze daar maar wat eerder aan gedacht, ze deed nu haar best,
-werkelijk, ze werkte soms tot 's avonds laat, maar ze begreep zooveel
-niet, waar ze maar overheen geloopen was, het hielp haar alles niets,
-of ze al haar best deed, het was nu te laat.
-
-Wat was ze toch een ongelukskind, nu juist de hulp van Lottie te
-moeten missen.
-
-"Wies Ongeluk," dacht ze bitter.
-
-Ze voelde zich zenuwachtig en gedrukt, ze stond op met de gedachte
-aan dat blijven zitten en aan haar breuk met Lottie en ze ging er
-mee slapen. Ze zag er niet goed uit, haar moeder had haar al eens
-gevraagd, of er iets aan scheelde. Bleef ze misschien te laat op
-'s avonds? Waarom teutte ze ook altijd zoo met haar werk.
-
-Maar Wies beweerde zich best te voelen, ze kon niet eerder naar bed. Ze
-had het zoo druk met die repetities en haar moeder liet haar maar haar
-gang gaan, blij, dat ze eindelijk tot ernstig werken scheen gekomen. Ze
-ergerde zich wel, dat Wies nu letterlijk niets meer in de huishouding
-deed en nooit een steek meer uitvoerde, maar ze had haar man beloofd,
-het schoolwerk vóór alles te laten gaan en dus schikte ze zich. Als
-het maar eenmaal vacantie was, zou alles wel weer terechtkomen en
-Wies weer haar gezonde kleur terugkrijgen.
-
-Henk ook, die zag er ook al zoo weinig fleurig uit en was bepaald
-gedrukt.
-
-Van hem begreep ze dat heelemaal niet, hij was vlug van leeren en
-er was geen twijfel aan, of hij zou overgaan. Hij werkte ook niet
-bizonder veel, overspannen deed hij zich zeker niet, wat hem dus zoo
-stil en gedrukt maakte, was haar een raadsel.
-
-"Wat scheelt Henk tegenwoordig," dacht ook Louise.
-
-Het antwoord op deze vraag kreeg ze op een avond, toen ze al op haar
-kamertje was en nog even een les nakeek voor den volgenden dag.
-
-Terwijl ze al haar best deed, om haar aandacht te bepalen bij de
-onregelmatige Duitsche werkwoorden en niet afgeleid te worden door
-de plek op den vloer, zoo aardig verlicht door de maan en hare ooren
-met hare vingers dichthield om te trachten niet te luisteren naar de
-geluiden van den zomernacht, die door het open venster binnendrongen,
-werd er op de deur geklopt. Het geluid drong vaag tot haar door en
-eerst toen ze Henks stem hoorde vragen, of ze nog op was, begreep ze,
-dat ze goed gehoord had en het kloppen op haar deur geweest was.
-
-"Ben jij het Henk? Kom maar binnen."
-
-Open ging de deur en Henk trad over den drempel.
-
-Wat zag de jongen er raar uit.
-
-Bleek en wat verlegen, maar toch druk in zijn bewegen, Wies wist niet,
-hoe ze het met hem had.
-
-"Wou je iets?" vroeg ze.
-
-Henk draaide wat in het kamertje rond, nam een lijstje met het portret
-van Vader op, keek er verstrooid naar, zette het weer neer en ging
-voor het open raam staan, met zijne handen op zijn rug, schijnbaar
-verdiept in den aanblik der door de maan verlichte tuintjes.
-
-Wies keek naar hem, en dacht: hij heeft zeker wat op het hart, er is
-iets, dat hem hindert en dat hij vertellen wil.
-
-Ze ging naar hem toe en haar hand op zijn schouder leggend, vroeg
-ze zacht:
-
-"Wat scheelt er aan, Henk?"
-
-Henk schudde haar hand van zich af en antwoordde niet. Hij had het
-uiteinde van het gordijnkoord tusschen zijn tanden gestoken en beet
-er zachtjes op.
-
-Wies werd angstig.
-
-Er moest wel iets heel bijzonders gebeurd zijn, om den joligen Henk
-zoo te veranderen.
-
-"Toe jongen, zeg nou, wat je mankeert," drong ze aan.
-
-Een oogenblik nog zweeg Henk. Toen barstte hij los:
-
-"Wat me mankeert? Geld!"
-
-Wies keek hem aan, alsof ze hem niet goed begreep.
-
-"Geld?" herhaalde ze.
-
-"Ja, geld, geld, geld, nou weet je 't."
-
-Toen zachter:
-
-"'k Heb schulden."
-
-"Schulden? Jij?"
-
-Wies' oogen werden rond van verbazing.
-
-Henk lachte bitter.
-
-"Kijk nou maar niet, of ik je de grootste onmogelijkheid vertel. Ik
-heb je de waarheid gezegd, ik heb schulden."
-
-Wies had zich hersteld.
-
-Die jongen had misschien van een vriend een paar kwartjes geleend en
-werd daar nu om gemaand, dat zou het wel zijn.
-
-"Kom," zei ze, "doe zoo gek niet. Als je wat van iemand geleend hebt
-en het niet terug kunt geven, kan ik je misschien wel helpen. Hoeveel
-is het?"
-
-Henk aarzelde.
-
-"Het is zooveel," mompelde hij.
-
-"Zooveel?" vroeg Wies verschrikt. "Hoeveel dan wel?"
-
-"Je zult het zelf niet hebben."
-
-"Dat denk ik wel, ik kreeg den laatsten tijd nog al eens wat van
-Vader. Maar jij toch ook, waar is dat geld dan gebleven? Ik begrijp
-er niets van, zeg dan toch wat."
-
-Henk keek somber voor zich uit. Hij stond nu met zijn rug tegen de
-vensteromlijsting geleund, met beide handen in zijne broekzakken en
-keek naar den grond, alsof hij het niet waagde, zijn zusje aan te zien.
-
-Wies voelde zich bepaald angstig worden, wat kon er toch gebeurd zijn?
-
-"Aan wien heb je dan schulden?" vroeg ze.
-
-"Aan een paar lui van school."
-
-"Van hen geleend?"
-
-Henk schudde van neen.
-
-"Niet? Dat is toch de eenige manier om schulden te maken," beweerde
-Wies.
-
-Haar broer lachte weer bitter.
-
-"Zoo, denk je? Jullie meisjes zijn toch onnoozel.--Ik wou, dat je
-gelijk hadt," voegde hij er met een zucht bij.
-
-Wies werd hoe langer, hoe zenuwachtiger. Ze greep Henk's arm en
-schudde dien heftig.
-
-"Schei uit met je geheimzinnigheden en zeg me, wat er gebeurd is. Je
-bent natuurlijk bij me gekomen, om mijn hulp te vragen. Hoe kan ik
-je die geven, als ik nergens van af weet."
-
-Henk liet zich schudden, alsof hij een stuk hout was en keek strak voor
-zich op den grond. Hij voelde dat het hooge woord er nu uit moest,
-Wies had gelijk, hij was gekomen om haar hulp te vragen en dus moest
-hij haar zeggen, wat hem tot stikkens toe benauwde.
-
-"Het zijn speelschulden," fluisterde hij, nauw hoorbaar.
-
-Maar Wies had die woorden toch opgevangen en staarde hem aan, verstijfd
-van schrik.
-
-"Speelschulden?"
-
-Het scheen alsof met het uitspreken van dat woord het leven in Henk
-was teruggekeerd. Hij duwde de hand van zijn zusje, die nog altijd
-op zijn arm lag, van zich af en liep van het venster weg naar een
-stoel bij de tafel, waarop hij zich liet neervallen, zenuwachtig op
-zijn bovenlip bijtend.
-
-Wies volgde hem en zette zich tegenover hem neer.
-
-"Hoeveel?" vroeg ze benauwd.
-
-"Tien pop."
-
-"Tien? Mijn hemel, Henk!"
-
-Henk trommelde met zijne vingers op tafel.
-
-"Kun je ze me geven, of niet?" vroeg hij, wat ruw en toen Wies
-aarzelde, het was alles, wat ze op het oogenblik bezat, voegde hij
-er bij:
-
-"Je krijgt ze natuurlijk terug, later, als ik ze weer eens bezit. Maar
-ik moet ze dadelijk hebben, als ik morgen niet betaald heb, ben ik
-voor goed mijn naam kwijt onder de lui, ik heb mijn eerewoord gegeven,
-dat ik morgen op zijn laatst betalen zou."
-
-Wies aarzelde nog steeds. Ze vond het eigenlijk niet noodig, dat
-hij het geld betaalde, verbeel' je, zoo'n jongen nog, ze moesten dat
-alles liever als gekheid beschouwen.
-
-"Ik begrijp niet, dat je zooveel verliezen kondt," zei ze "ik begrijp
-eigenlijk heelemaal niet, hoe of jullie er toe gekomen bent, om geld
-te spelen."
-
-Henk lachte schamper.
-
-"We hadden zeker om kaakjes moeten spelen, hè?"
-
-Wies keek boos.
-
-"Zeg, je hoeft mij niet voor den gek te houden, dat komt nu heelemaal
-niet te pas. Ik vind het schandelijk, dat jullie jongens om geld
-spelen. Ik begrijp natuurlijk best, dat jullie niet om wat lekkers
-kunnen spelen, maar je hadt het heelemaal moeten laten. Wat hebben
-jullie gespeeld?"
-
-Henk haalde zijne schouders op.
-
-"Een hazardspelletje, niets ergs."
-
-"Een hazardspelletje! Dat is het ergste van alles, hoe krijg je het
-in je hoofd. Wanneer en bij wien doen jullie dat?"
-
-"Nou, zoo eens een vrijen middag bij... enfin, dat komt er nu niet
-op aan, daar begrijpen jullie meisjes toch niets van."
-
-Toen van toon veranderend, bijna smeekend:
-
-"Toe, help me voor dezen keer. Ik moet betalen, waarachtig, het moet,
-toen ik gewonnen had, heb ik het ook opgestoken."
-
-Wies zuchtte.
-
-"Doen jullie dat al lang?"
-
-"Een paar maanden. Eerst had ik zelf geld van Vader en won er nog bij
-ook, maar ineens is de kans gekeerd en nu verlies ik steeds. Je kunt
-je niet voorstellen, wat het is, dat spelen," voegde hij er opgewonden
-bij, "de spanning, de verluchting, als je wint, het is iets heerlijks!"
-
-"En de angst, als je verliest," zei Wies.
-
-Henk haalde zijne schouders op.
-
-"Dat's natuurlijk een beroerd gevoel."
-
-"Ik vind het heelemaal een schandelijk iets," zei Wies, nu ook
-opgewonden, "ik kan je niet zeggen, hoe vreeselijk ik het vind, dat
-jij je hebt laten overhalen tot zoo iets gevaarlijks. Oneerlijk vind
-ik het ook van je, want je wist niet, of ik je helpen kon en je zegt
-zelf, dat je eerst het gewonnen geld hebt opgestoken."
-
-Toen Henk niets antwoordde, ging ze door:
-
-"Hoor eens, Henk, ik zal je dan mijn geld maar leenen, niet geven,
-begrijp dat goed."
-
-Henk keek verlucht op.
-
-"Dat 's kranig van je," zei hij, haar een hand toestekend.
-
-Maar Wies legde de hare daar niet in.
-
-"Ik heb één voorwaarde, je moet me op je woord beloven niet meer
-te spelen."
-
-Henk beet op zijne nagels.
-
-"Ja, ik geloof zelf, dat het beter zou zijn, den heelen rommel er
-aan te geven, maar hoe kan ik je dan ooit terugbetalen. Het beetje
-zakgeld, dat ik krijg, moet ik zelf gebruiken."
-
-Weer aarzelde Wies.
-
-Het beste zou zijn, als ze hem het geld schonk, maar dan had ze
-voorloopig zelf niets. Ze had het zoo zuinig opgespaard om er eens
-iets moois voor te kunnen koopen. Maar als ze het niet gaf, zou Henk
-het spelen niet laten.
-
-"Weet je wat," zei ze eensklaps, "ik zal je het geld cadeau doen,
-je hoeft het me niet terug te geven, maar beloof me dan, niet meer
-te spelen. Doe je het? Je hand er op?"
-
-Henk greep de hand, die zijn zusje hem toestak en schudde die krachtig.
-
-"Je bent een goeie zus, hoor, een bovenste beste. Kun je me nu het
-geld dadelijk geven?"
-
-Wies knikte van ja en ging naar haar kastje, waar ze in een mooi
-doosje haar schat bewaarde. Het waren bijna allemaal nieuwe guldens,
-die ze nu en dan van Vader gekregen had en ze kon niet helpen, dat ze
-niet erg vroolijk keek, toen ze de mooie geldstukken in Henk's hand
-legde. Deze liet ze in zijn zak glijden en stond op. Hij zag er nu
-heel anders uit dan straks, blijkbaar erg verlucht.
-
-"Dank je nog wel hartelijk, hoor," zei hij, nogmaals haar hand
-schuddend. "Als ik je ook eens van dienst kan zijn, graag, onthoud
-dat."
-
-"En je hebt me beloofd, niet meer te spelen, vergeet dat niet."
-
-"Wel neen. Het is nu bijna vacantie, dan zie ik de lui vanzelf een
-poos niet en daarna qui vivra, verra."
-
-Met deze woorden verliet hij de kamer, vroolijk lachend.
-
-"Maar Henk, het is slecht om op die manier te spelen," riep Wies hem
-nog na, maar hij hoorde het blijkbaar niet meer en zijn zusje liet
-zich verdrietig op den stoel bij de tafel neerzakken.
-
-Hare ellebogen op tafel en haar gezicht in hare handen dacht ze na.
-
-Had ze goed gedaan?
-
-Mocht ze Henk helpen?
-
-Als hij zijn belofte eens niet hield, hij scheen haar zoo luchtig op
-te vatten. Moest ze eigenlijk Moeder niet waarschuwen?
-
-Maar Henk had haar vertrouwd, ze kon hem toch niet verraden.
-
-Wat was dat toch vreeselijk, als je eigenlijk niet wist, of je nu goed
-gedaan hadt, of niet en met een bezwaard hart ging ze naar bed en sliep
-heel onrustig, droomend van Henk, die alles verspeelde, wat hij bezat,
-en van Vader, die haar verweet, dat ze hem niet gewaarschuwd had.
-
-
-
-
-
-
-
-
-ACHTSTE HOOFDSTUK.
-
-OVERGAAN OF BLIJVEN ZITTEN?
-
-
-De groote vacantie naderde en met haar de dag, waarop de meisjes zouden
-hooren, wat de vergadering der onderwijzeressen over hen besloten
-had, of ze geschikt geoordeeld werden om een volgende klasse te kunnen
-volgen, of dat ze gewogen waren en te licht bevonden. De meesten wisten
-wel, wat hun lot zou zijn, de rapporten hadden dat uitgewezen, maar
-enkelen, en daaronder Louise Schotter, hadden, wat ze een twijfelachtig
-rapport noemden en leefden dus die laatste dagen in groote spanning.
-
-Veel hoop had Wies niet, ze was zich maar al te zeer bewust, dat
-er heel wat mankeerde aan haar kennis, ja, als ze alles eens goed
-naging, was ze er wel haast zeker van, dat het mis zou zijn, maar
-toch.... zoolang er leven is, is er hoop en aan die hoop klemde ze
-zich vast.
-
-Het zou al te vreeselijk zijn, als het anders was.
-
-Niet meer met dezelfde meisjes samen te zijn, waarvan velen jonger
-waren dan zij, weer van voren af aan al die saaie boeken te moeten
-doorwerken, te vervreemden van hare oude kennisjes, zoo echt
-uitgestooten te worden, niet mee te kunnen.
-
-O! 't zou afschuwelijk zijn.
-
-En dan met die tijding naar huis te moeten, Moeder zou zoo boos zijn
-en haar zooveel verwijten doen en Marietje zou schijnbaar deelnemend
-kijken, maar inwendig op haar neerzien, die had natuurlijk een mooi
-rapport en ging schitterend over.
-
-En Henk ook, maar die zou haar enkel een beetje goedmoedig bespotten,
-wat ze toch ook niet uit kon staan. Ze hoorde hem al vragen, of de
-feeën haar dan heelemaal in den steek gelaten hadden en zoo al meer,
-o, ze zou dat niet allemaal kunnen verdragen.
-
-En dan zou het natuurlijk aan Vader geschreven moeten worden en
-iedereen zou beweren, dat het haar eigen schuld was en wat kon ze
-er eigenlijk aan doen. Ze had toch nooit expres niet opgelet, of
-hare lessen niet geleerd, het ging altijd zoo vanzelf, ze begreep
-nooit goed, hoe de tijd toch altijd zoo ineens voorbij kon zijn,
-als ze dacht, nu eens goed te gaan opletten, was de les meestal om
-en als ze juist al haar aandacht bij haar boek wilde bepalen, moest
-ze naar bed, of was het etenstijd of iets dergelijks.
-
-Haar heele vacantie zou er door bedorven worden.
-
-Ze had er zich zoo op verheugd bij hare grootouders buiten te gaan
-logeeren, bij die lieve, blinde grootmoeder en bij grootvader,
-met wien ze zulke heerlijke wandelingen kon doen, Vaders ouders,
-van wie ze zooveel hield. Hare grootouders van Moeders kant had ze
-nooit gekend, die waren al lang geleden gestorven, maar zoolang ze
-zich herinnerde waren ze zomers in de vacantie bij Vader's ouders
-geweest, op het dorpje aan de rivier. De menschen vonden het algemeen
-geen mooi plaatsje, maar zij vond het het er heerlijk.
-
-En nu zou dat uitstapje haar ook vergald worden, want Grootvader was
-niet iemand, die van achterblijvers hield, hij had zelf zijn heele
-leven lang hard gewerkt als notaris in die streek en tante Marie was
-net als hij, een flinke vrouw, zei Moeder. Ze was Marietjes petetante
-en Moes zei altijd, dat ze hoopte, dat het kind net zou worden als
-haar tante.
-
-Het was waar, tante Marie was heel flink, ze bestuurde het heele huis
-en de daarbij behoorende boerderij van haar ouders, wist zich overal
-te doen respecteeren en gehoorzamen, maar ze vond haar niet lief,
-te hard, te gedecideerd, ja, dat was het woord, te prozaïsch.
-
-Ze woonde daar bij die prachtige rivier, en merkte niet eens, hoeveel
-heerlijks daar altijd te zien was. Ze had geen tijd om sentimenteel
-te zijn, beweerde ze lachend.
-
-Ze leefde, als 't ware, op het land, ze had gelegenheid planten en
-bloemen in hun ontluiking en groei te bespieden en het interesseerde
-haar alleen, of de grond veel zou opbrengen en of de oogst goed
-zou zijn.
-
-Eens had Wies in Mei eenige dagen bij haar grootouders gelogeerd en
-toen de appelboomen in bloei gezien. Ze had geen woorden weten te
-vinden, om haar verrukking uit te drukken en toen had tante heel
-kalm opgemerkt, dat ze liever de boomen zag, als de vruchten zich
-goed gezet hadden, van al die bloesems kwam soms maar een handjevol
-appelen, als het weer tegenwerkte.
-
-Grootvader was ook van dat oordeel, bij hem kwam het ook alleen aan op
-het nut der dingen, Grootmoedertje alleen zou in staat geweest zijn,
-om te genieten van al dat moois en de arme lieveling kon niet meer
-zien, sinds drie jaren was ze volslagen blind, na een lang ooglijden.
-
-Grootmoeder was een schat, Vader had wel wat van haar, maar Vader was
-een man en natuurlijk kon die niet net eender denken en handelen,
-als een oude vrouw. Vader zei eens, toen Moes verklaarde niet te
-begrijpen, naar wie Wies die afwijkende karaktereigenschappen toch
-had, "naar mijn moeder." Hij had er toen dadelijk bijgevoegd, "als
-ze overigens ook op haar lijken gaat, ben ik tevreden."
-
-Zou Grootmoedertje ook in haar teleurgesteld zijn, als ze niet
-overging? Och zeker wel, ze zou er ook verdrietig om zijn en moeite
-hebben, haar partij te kiezen, zooals ze anders meestal deed.
-
-Het was vreeselijk, alles, wat haar te wachten stond.
-
-Maar misschien maakte ze zich wel voor niets ongerust, misschien kwam
-alles nog wel terecht, voor ze zekerheid had, wilde ze de hoop niet
-opgeven, ze had toch in den laatsten tijd wel haar best gedaan.
-
-Zoo brak eindelijk de lang gevreesde dag aan en Wies stond met de
-andere leerlingen van de school te wachten op haar vonnis.
-
-Eerst werden eenige meisjes der eerste klasse binnengeroepen.
-
-"De stumpers," dacht Wies, "dat zijn de gezakten."
-
-Ze kwamen dan ook alle vier met bedrukte gezichten terug, één zelfs
-bitter schreiend.
-
-Toen mochten de overige gelukkige leerlingen der eerste klasse
-binnenkomen en niet lang daarna stormde het vroolijke troepje weer
-naar buiten.
-
-Nu nog de tweede afdeeling der aanvangsklasse en dan kwam de beurt
-aan haar. Ze zat in de tweede klasse, afdeeling A.
-
-Daar kwam de conciërge met het noodlottige papier in de hand, hij
-noemde een naam, het duizelde haar, maar toch luisterde ze gespannen.
-
-Het was de hare niet.
-
-Toen nog een naam, weer een andere, ze ademde al vrijer, zou ze...
-
-"Louise Schotter."
-
-Een schok ging haar door 't hoofd, toch... toch...
-
-"Ja," antwoordde ze machinaal en volgde de twee eerst genoemde meisjes
-naar binnen.
-
-Ze hoorde vaag de leedbetuiging der directrice, dat deze drie meisjes
-niet konden worden toegelaten tot de derde klasse, ze hoorde maar
-half de woorden, die de juffrouw daarna tot haar beide lotgenooten
-richtte, ze was zich alleen bewust, dat alle hoop weg was, dat ze
-voor een feit stond, dat ze gezakt was.
-
-Nu wendde de juffrouw zich tot haar en ze spande zich in om goed
-te hooren en naar de woorden te luisteren, die speciaal voor haar
-bestemd waren.
-
-"Van jou, Louise, spijt 't me bizonder, dat we je moeten laten zitten,
-want je hadt zoo best meegekund, als je maar gewild hadt. Je kunt
-heel goed leeren, als je je maar belieft in te spannen. Maar je
-zit liever te suffen en te droomen, dan te luisteren, naar wat er
-behandeld wordt. In het begin van dezen cursus dachten we, dat het
-wel met je gaan zou, maar je vorderingen werden geringer, in plaats
-van grooter in den loop van het jaar en bij de laatste algemeene
-repetitie heb je getoond, dat het er maar droevig uitziet met je
-kennis. Het zal dus in alle opzichten goed voor je zijn, dat je eens
-een jaar blijft zitten, ik hoop, dat het je leeren zal, dat we er
-niet komen met slapen en droomen, maar met werken en ons aanpakken,
-niet met toegeven aan een neiging tot afdwalen, maar met daar tegen
-te vechten. Doe nu een volgend jaar eens flink je best, je kunt dan
-gemakkelijk tot de eerste van de klasse behooren, ja misschien wel
-de eerste zijn, toon, dat je wel flink kunt en wilt zijn."
-
-Wies hoorde dit alles aan als in een droom.
-
-Waarom zei de juffrouw, dat het haar eigen schuld was, dat ze best
-mee had gekund.
-
-Dat had ze niet, zij was nu eenmaal niet zoo flink en zoo strijdlustig,
-de natuur had haar anders gemaakt, dat kon zij toch niet helpen. Maar,
-al wilde ze het zelfs niet aan zichzelve bekennen, in het diepste
-van haar hart gaf ze de directrice gelijk, als ze heel erg haar best
-gedaan had, zou ze hier nu niet zoo behoeven te staan.
-
-Ze verliet zwijgend met de meisjes de kamer, de beide anderen liepen
-te schreien, maar hare oogen bleven droog, ze had iets versufts,
-ze liep machinaal voort, de gang door, de voorplaats der school over.
-
-Alvorens de poort door te gaan, die haar in de drukke straat zou
-brengen, stond ze even stil en leunde tegen den muur. Hare beenen
-waren zoo zwaar en haar hart niet minder.
-
-Nu moest ze naar huis, zoo spoedig mogelijk maar, ze moest het toch
-doormaken, hoe eerder het achter den rug was, hoe beter.
-
-Toch ging ze niet weg, ze bleef daar staan leunen tegen dien muur en
-staarde voor zich uit.
-
-Daar kwamen de andere meisjes aan, nu moest ze maken, dat ze weg kwam,
-beklaagd wilde ze niet worden, dat vooral niet en vlug liep ze de
-poort door en de straat op naar huis, waar Moeder zeker al naar haar
-uitkeek. Hé, wat was dat?
-
-Een hand werd op haar arm gelegd en Lottie's stem zei vlak bij haar:
-
-"Och Wies, wees maar niet meer boos."
-
-Ze stond onwillekeurig stil en keek naar het kleine meisje, dat haar
-zoo smeekend met hare vochtige oogen aankeek.
-
-"Ik ben niet meer boos," mompelde ze.
-
-"Niet? O, gelukkig," en Lot geneerde zich niet, haar midden op straat
-een zoen te geven, die klapte.
-
-Wies kuste haar terug en legde toen haar arm in dien van Lottie. Beiden
-liepen zwijgend eenige passen voort.
-
-Toen begon Lottie:
-
-"O, Wies, als je eens wist, hoe het mij spijt, was toch bij me gekomen,
-als je hulp noodig hadt."
-
-"Dat kon ik immers niet."
-
-"Waarom niet, had het toch maar gedaan."
-
-Toen Wies' arm tegen zich aandrukkend:
-
-"Als je wist, wat ik een spijt heb, niet gekomen te zijn, om je mijn
-hulp aan te bieden."
-
-"Had je het maar gedaan," zuchtte Wies.
-
-"Denk je, dat je dan overgegaan zoudt zijn?" klonk het benauwd.
-
-"Misschien wel."
-
-Lot kon zich niet langer goed houden, ze begon gewoon te schreien.
-
-"Ik zal met je mee naar huis gaan en zeggen, dat het mijn schuld is,"
-zei ze.
-
-"Ssst, huil nu niet, de menschen kijken naar je."
-
-Lottie veegde heimelijk hare oogen af en trachtte zich in te houden.
-
-"Maar ik ga met je mee."
-
-"Dat zou nergens toe dienen, de zaak blijft hetzelfde. Weet je wat
-Moeder zeggen zou? Als ik er op die manier komen moet, is het beter,
-dat ik zitten blijf en ze zou gelijk hebben. Maar ellendig is het."
-
-Lottie zweeg bedrukt.
-
-Wies zag het goed in, er was niets meer aan te doen.
-
-"Wij hebben elkaar ten minste weer," zei ze na een poosje op
-hartelijken toon.
-
-"Zoolang als 't duurt," antwoordde Wies.
-
-"Zoolang als 't duurt? Wat meen je? Je bent toch niet meer boos? Laten
-we er nu niet meer aan denken."
-
-"Zoo meen ik het niet, ik ben veel te blij, dat je naar me toegekomen
-bent. Maar, zie je, jij gaat nu naar de derde klasse en ik blijf achter
-met die kleine kinderen van de eerste. Je sluit je bij een ander aan,
-dat spreekt van zelf en ik heb afgedaan."
-
-Lottie keek haar van terzijde aan.
-
-"Zou jij zoo doen?" vroeg ze eenvoudig.
-
-"Ik? Natuurlijk niet."
-
-"Denk het dan ook niet van mij."
-
-Wies voelde, dat ze een kleur kreeg. Wat was ze toch een akelig kind,
-Lot van dingen te verdenken, die ze zelf niet doen zou, omdat ze het
-leelijk vond, zoo te handelen.
-
-Ze drukte Lot's arm tegen zich aan en zei:
-
-"Je bent veel te goed voor me."
-
-Nu begon Lottie te lachen en even lachte Wies mee, heel even maar,
-toen verstijfden hare lippen weer en versomberden hare oogen.
-
-Ze waren nu het huis van Lottie genaderd en Wies liet haar arm los.
-
-"Nu, adieu dan. Heerlijk, om met zulk goed nieuws naar huis te gaan. Ik
-feliciteer je wel, dat heb ik nog vergeten. Adio."
-
-Met een schijnbaar luchthartig handgebaar nam Wies afscheid en liep
-door, zonder verder om te kijken.
-
-Lottie keek haar na en toen de deur geopend was, liep ze hard naar
-binnen en begon, bij haar moeder gekomen, bitter te schreien.
-
-"Maar Lot, wat is er? Ben je niet over?" vroeg deze verschrikt.
-
-"Jawel," snikte Lottie, "maar die arme Wies."
-
-Nu kreeg haar moeder het heele verhaal te hooren, van de breuk tusschen
-haar en Wies en hoe ze nu weer goed waren en dat die arme Wies niet
-over was en zoo'n verdriet had.
-
-Lottie's moeder deed haar best, haar dochtertje te troosten. Ze
-behoefde er zich niets van aan te trekken, het was Wies' eigen schuld
-en eerlijk gezegd, kon ze niet eens medelijden met haar hebben,
-ze kreeg, wat ze verdiend had.
-
-Lottie vond haar moeder hard, hoe gek toch, dat niemand begreep,
-dat Wies nu eenmaal anders aangelegd was, dan andere meisjes. Die
-volwassen menschen zeiden allemaal maar, dat het haar eigen schuld was
-en dat ze maar beter op moest passen. Maar zij had medelijden met haar
-en zou haar een volgend jaar toch helpen, als 't noodig mocht zijn,
-dat nam ze zich stellig voor. En nooit mochten ze weer boos op elkaar
-worden, nooit.
-
-Intusschen was Wies haar huis genaderd en even bleef ze staan,
-diep ademhalend.
-
-Ze zag zoo tegen die thuiskomst op, kom, ze moest door den zuren appel
-heenbijten, ze kon hier toch niet op straat blijven staan. Ze vermande
-zich dus, trok aan de bel en schrok even van den klank. Ze behoefde
-niet lang te wachten, Moeder deed zelf open, ze had al op haar gewacht.
-
-Ze keek haar dochtertje gespannen aan en vroeg, hoewel ze op het
-sombere gezichtje het antwoord al gelezen had:
-
-"Wel?"
-
-"Blijven zitten," was het nauw hoorbare antwoord.
-
-Haar moeder zei niets en ging naar de huiskamer. Wies volgde haar
-werktuigelijk.
-
-Mevrouw Schotter ging kalm zitten en nam het kieltje weer ter hand,
-waaraan ze bezig geweest was, toen Wies gebeld had.
-
-Wies wist niet goed, wat met haar figuur te doen, ze stond daar en
-speelde met een slip van haar das, die ze in en uit rolde.
-
-Waarom zei Moeder niets?
-
-Wat moest ze nu doen?
-
-Kon ze heengaan, de kamer uit?
-
-Ze had een heel andere ontvangst verwacht, ze had zich al van te voren
-gehard tegen den storm van verwijten, die ze zeker krijgen zou, maar
-dat zwijgen was nog erger, ze stond daar zoo dwaas en toch durfde ze
-niet gaan, het was haar, alsof ze aan den grond vastgegroeid was.
-
-En Moeder naaide maar door.
-
-"Mag ik gaan?" vroeg ze eindelijk zacht.
-
-Nu keek Moeder haar aan en, zag ze dat goed, waren hare oogen vochtig?
-
-Wies liep naar haar toe.
-
-"Moesje," zei ze smeekend.
-
-Haar moeder maakte een gebaar, van niet nader te komen.
-
-"Het doet me zoo'n verdriet voor Vader," zei ze.
-
-Nu was de spanning verbroken, Wies snikte het uit.
-
-Ze zocht naar haar zakdoek, kon hem niet vinden, zeker verloren,
-en veegde toen haar gezicht met hare handschoenen af.
-
-Haar moeder had zich hersteld. Hare oogen waren nu niet meer vochtig,
-maar ze hadden een harde uitdrukking en haar stem klonk scherp,
-toen ze zei:
-
-"Stel je niet zoo aan, dat is weer eens het berouw, dat te laat
-komt. Je bent genoeg gewaarschuwd, maar je hebt niet willen
-luisteren. Ga je goed afdoen en je gezicht wasschen en gebruik je
-handschoenen niet voor zakdoek. Als je daarna je fatsoenlijk kunt
-houden, zal ik nader met je spreken."
-
-Wies keerde zich om, ze was blij, heen te kunnen gaan, alleen te
-kunnen zijn, al was het dan ook maar voor eenige oogenblikken, maar
-voor ze de kamer verlaten had, kwamen Henk en Marietje binnen en
-onwillekeurig bleef ze staan, die moesten het ook maar ineens weten,
-dan was het achter den rug.
-
-Marietje keek haar nieuwsgierig aan en zei:
-
-"'t Is mis, dat zie ik al."
-
-Henk's jongensgezicht stond medelijdend, hij knikte Wies eens
-gemoedelijk toe en klopte haar troostend op den schouder.
-
-Toen zich omkeerend, mompelde hij tusschen zijne tanden:
-
-"De ziel."
-
-Wies ging naar haar kamertje, deed haar goed af en bleef daarna
-staan voor het portret van haar vader. Ze had hem zóó beloofd, goed
-op te passen.
-
-Een nieuwe huilbui overviel haar, maar na een poosje bedaarde ze en
-begon haar gezicht te betten. Het koude water deed haar goed en na
-zich het haar wat opgekamd te hebben, besloot ze naar beneden te gaan
-en te dragen, wat komen zou.
-
-Ze trad aarzelend binnen en ging uit het raam staan kijken, om zich
-een houding te geven. Henk en Marietje waren nog in de kamer, maar
-Moeder verzocht hen, weg te gaan, ze wilde Louise alleen spreken.
-
-Wies' hart bonsde in haar keel, nu zou je het hebben.
-
-Haar moeder legde haar naaiwerk neer en beval Louise tegenover haar
-te gaan zitten.
-
-"Ben je nu bedaard en kun je naar me luisteren?" vroeg ze.
-
-Wies knikte van ja.
-
-Wat zou Moeder te zeggen hebben, zou ze gewoon een standje krijgen,
-of wat anders moeten hooren?
-
-"Hoor eens, Louise," begon Moeder, "ik was al bang, dat het mis met je
-gaan zou op school en dus heb ik al vooruit over de zaak nagedacht. Je
-schijnt niet te kunnen leeren, wat er op die school onderwezen wordt,
-je bent blijkbaar niet geschikt voor dat onderwijs en dus zal ik
-Vader voorstellen, je maar van school te nemen."
-
-"Me van school nemen?" vroeg Wies verschrikt.
-
-"Ja, als ik Vaders toestemming kan krijgen, zend ik je naar een
-huishoudschool, misschien dat je daar beter geschikt voor zult
-zijn. In ieder geval zul je daar leeren, je handen te gebruiken,
-je hoofd schijnt niet voor studie geschapen te zijn."
-
-Wies was een oogenblik stom van schrik.
-
-"Maar Moeder," barstte ze toen los, "ik heb een hekel aan alles wat
-met huiswerk in verband staat."
-
-"Des te noodzakelijker is het, dat je er wat van leert, een meisje
-is nu eenmaal bestemd, om huishoudelijk werk te doen. Je weet, hoe
-ik daar over denk, alleen bij grooten aanleg zou ik mijn toestemming
-kunnen geven tot een of andere studie. Een allesbehalve knap meisje,
-zooals jij, doet veel beter, haar handen te leeren gebruiken, zoodoende
-kan ze nog een nuttig lid van de maatschappij worden."
-
-"Maar ik ben niet dom!"
-
-"Niet? Je hebt er toch vandaag het bewijs van gegeven.
-
-Je zegt altijd, dat je het niet helpen kunt, dat je slechte cijfers
-krijgt, dat je afdwaalt, nu ja, maar als je een flink hoofd had, en de
-studie je interesseerde, dan zou je er wel bij kunnen blijven. Je hebt
-blijkbaar zwakke hersens en dus moet het maar uit zijn met dat leeren."
-
-Wies stond verslagen.
-
-Het was waar, ze zei altijd dat ze het niet helpen kon, als ze hare
-lessen niet kende, of niet begrepen had, wat de juffrouw op school
-uitgelegd had, maar had ze dat wel zoo heelemaal gemeend? Was ze vast
-overtuigd, dat ze niet anders kon? Nu wist ze zelf niet meer, wat
-waar was en wat niet en met een zucht boog ze het hoofd. Ze kon Moeder
-niet eens tegenspreken, die had haar gevangen in haar eigen woorden.
-
-Eensklaps ging haar een licht op.
-
-"Vader kan uw brief pas over vier weken hebben, en dan vier weken
-voor het antwoord, dan zijn alle cursussen al begonnen."
-
-"Ik heb al weken geleden aan Vader geschreven, wat ik zag aankomen
-en hem gevraagd, indien ik gelijk mocht hebben en je niet overging,
-te mogen handelen naar goedvinden. Het antwoord kan ik dus binnen
-een maand hebben."
-
-"Dus weet Vader eigenlijk al, dat ik gezakt ben?"
-
-"Dat niet bepaald, alleen, dat ik er bang voor was. Het feit moet je
-hem zelf schrijven."
-
-"Och neen, Moeder!"
-
-"Jawel, zelfs vanavond nog, morgen gaat er een mail."
-
-"Kunt u het niet doen?"
-
-"Kunnen wel, maar ik vind beter, dat jij het doet."
-
-"Ik vind het zoo afschuwelijk."
-
-"Dat is geen reden, waarom je het niet doen zoudt, je hebt wel wat
-verdiend, dunkt me."
-
-Ineens kon Wies zich niet goed houden, ze moest even lachen, of ze
-wilde of niet.
-
-"Maar als u vindt, dat ik dom ben en het dus niet helpen kan, dat ik
-ben blijven zitten, dan heb ik toch geen straf verdiend," zei ze.
-
-Haar moeder keek haar een oogenblik verbaasd aan en zei toen op
-knorrigen toon, maar licht kleurend:
-
-"Nu geen spitsvondigheden, als 't je blieft. Je schrijft vanavond
-aan Vader en laat me lezen, wat je geschreven hebt en daarmee uit."
-
-Met die woorden stond ze op en verliet de kamer.
-
-Wies lachte nog even.
-
-"Daar zat Moeder vast," dacht ze en een oogenblik had ze pret, maar
-dat duurde niet lang.
-
-De woorden van haar moeder hadden diepen indruk op haar gemaakt, van
-school te moeten, om zich aan huishoudelijke zaken te gaan wijden,
-het was het ergste, wat ze zich voor kon stellen. Ze zou vanavond
-aan Vader schrijven, dat ze zoo'n berouw had en best leeren kon. Maar
-vóór hij op dien brief zou hebben geantwoord, zou er al een besluit
-genomen zijn. Als hij op Moeders voorstel inging, zou ze al lang op
-die nare huishoudschool zitten, voor ze antwoord zouden kunnen hebben.
-
-Had ze toch maar niet altijd zoo stellig verklaard, dat ze niet
-beter kon!
-
-
-
-
-
-
-
-
-NEGENDE HOOFDSTUK.
-
-NAAR GROOTVADER EN GROOTMOEDER.
-
-
-"Moes, gaan we nu vandaag naar Ota?" vroeg Jantje voor de zooveelste
-maal in de laatste dagen.
-
-"En naar Omoesje," voegde Stan er bij.
-
-En vandaag behoefde Moeder niet, zooals de vorige dagen, uit te leggen,
-hoeveel nachtjes ze nog zouden moeten slapen, voor de gewichtige dag
-daar was, vandaag kon ze de kinderen verblijden met een volmondig: ja.
-
-Wat waren ze gelukkig, de twee kleine kabouters, ze sprongen wel zes
-voet hoog.
-
-Eerlijk gezegd, herinnerde Stan zich niet veel van zijn verblijf
-verleden jaar, hij was toen pas twee jaar, maar Jantje des te meer en
-door de opgewonden vreugde van zijn broertje aangestoken, verlangde hij
-al even hard als de anderen naar de logeerpartij bij zijn grootouders.
-
-Alleen Wies, die anders misschien het meest van allen naar de dagen
-buiten verlangde, zag er nu wel tegen op.
-
-Hoe zou Grootvader zijn? En tante Marie?
-
-Ze schaamde zich een beetje over zich zelve en dat maakte, dat ze
-tegen de ontmoeting met haar grootvader opzag.
-
-Het vertrek bracht nog heel wat drukte met zich. Op het laatst
-oogenblik was Stan zoek en werd gevonden met zijne armen om zijn
-hobbelpaard, vast verklarend niet mee te willen, als Hans niet mee
-mocht. Alleen de belofte, dat hij bij Ota echte paarden zou hebben,
-kon hem overhalen, vrijwillig mee te gaan.
-
-Henk was nog even uitgegaan, om wat platen voor zijn kiektoestel
-te koopen en kwam maar niet terug en Marietje had werk om Jantje te
-beletten, weg te loopen, toen hij eenmaal aangekleed was. Ze zag zich
-genoodzaakt, het slot van de buitendeur vast te houden, hij kon er
-net bij en was er al eens in geslaagd, de deur te openen.
-
-Daar riep Moeder.
-
-"Ja, Moes, heeft u me noodig?"
-
-"Ja gauw, kom even hier, ik moet je wat vragen."
-
-Marietje moest het slot nu wel loslaten, ze probeerde nog, Jantje
-mee te trekken, maar de kleine baas was sterk genoeg om zich los te
-worstelen, daar riep Moeder alweer, ze scheen haar bepaald noodig
-te hebben.
-
-"Ja Moes, ik kom," riep ze terug en trachtte nog Jantje te grijpen,
-die zich losrukte, naar de voordeur vloog, haar in een wip openhad
-en de straat op rende...
-
-"Jan is de straat op," riep ze tegen Wies, die kwam kijken, waar ze
-toch bleef en ging toen naar haar moeder, Wies kon nu verder naar
-het kind kijken.
-
-Deze liep de straat op en zag den kleinen jongen een heel eind verder
-stil staan en omkijken, of hij niet gevolgd werd.
-
-Zijn zusje liep hard naar hem toe, maar toen ze hem naderde, rende
-hij door.
-
-"Wil je wel eens dadelijk terugkomen," riep ze, "stoute jongen,"
-maar Jan trok een neus en draafde verder. Wies kreeg het benauwd,
-wat moest ze beginnen, het was zóó tijd om te gaan, daar was het
-rijtuig al, dat hen naar het station zou brengen.
-
-Wat te doen?
-
-Ze kon het kind op die manier niet inhalen.
-
-Daar kwam redding in den vorm van Henk.
-
-Als hij nu Jantje maar zag.
-
-Gelukkig, hij begreep, wat er gaande was en zijn broertje in den
-weg tredend, ving hij hem op en bracht het trappelende en van pret
-gierende kind naar het rijtuig, waar hij het maar vast inzette.
-
-Eindelijk zaten allen goed en wel in het rijtuig en konden
-vertrekken. Alleen wilde Moeder nog even voelen, of het huis wel goed
-gesloten was, ze vond het nooit prettig, alles zoo alleen achter te
-moeten laten.
-
-"Zeg, Marietje, het zolderraam is toch wel dicht? Ik heb vergeten
-aan Betje te vragen, of ze er aan gedacht heeft."
-
-"Het stond nog open, maar ik heb het gesloten," zei Wies.
-
-Haar moeder keek haar zoo verbaasd aan, dat ze een kleur kreeg.
-
-"Jij?"
-
-"Ja, ik," en Wies wendde haar hoofd af, Moeder behoefde niet te zien,
-hoe het bloed haar naar de wangen steeg, het had er iets van, alsof
-ze half idioot was, zoo verbaasd keek Moeder, als ze eens aan iets
-gedacht had.
-
-"Wel, wel," zei Moeder en nam nu eindelijk in het rijtuig plaats.
-
-"Het is meer dan tijd," merkte de koetsier op.
-
-"Als we maar niet te laat komen," zei Wies.
-
-"Dan gaan we een treintje later," beweerde Henk kalm.
-
-"Stel je voor, en Grootvader zou het rijtuig zenden."
-
-"Welnou, dat kan toch wachten."
-
-"Ik hoop maar, dat we op tijd zijn," zei hun moeder zenuwachtig,
-"het is nog anderhalf uur rijden langs den dijk en we komen nu net
-tegen etenstijd aan."
-
-"Om half vijf toch, is 't niet?" vroeg Marietje.
-
-"Nu ja, maar een latere trein geeft zooveel vertraging."
-
-Maar gelukkig, ze kwamen op tijd, en het was met een gevoel van
-verluchting, dat ze het station uitstoomden.
-
-Er waren veel passagiers geweest voor dezen trein en de wagon, waarin
-ze plaats genomen hadden, was geheel vol. Het eerste kwartiertje waren
-de twee kleine jongens onder den indruk van de nieuwe omgeving, maar
-al spoedig begon het den woelwater Jan te vervelen, stil te zitten
-en wilde hij met alle geweld van de bank. Hij liet zich op den grond
-glijden en ging nieuwsgierig de tasch van een oude dame betasten,
-die tegenover hem zat.
-
-"Stil blijven zitten, jongens," zei Moeder, Stan vasthoudend, die het
-voorbeeld van zijn broertje dadelijk volgen wilde. Henk trok Jantje
-weer op zijn plaats, maar het ging niet zonder tegenspartelen.
-
-"Ik wou zoo graag weten, wat ze daarin heeft," zei hij, van zich af
-trappelend, waarbij hij het been van een krantenlezend heer raakte,
-die dat lichaamsdeel haastig terugtrok, een wat sterke uitdrukking
-tusschen zijn tanden brommend.
-
-Jan hield ineens op met trappelen.
-
-"O, wat zeg je daar?" vroeg hij, zijne groote oogen op zijn slachtoffer
-vestigend, "wat leuk woord, zeg het nog eens, als 't je blieft,
-anders kan ik het niet onthouden."
-
-De heele coupé begon te lachen, zelfs de mishandelde, hoewel zijn
-lachtje wel wat gedwongen was. Wies trachtte Jantje af te leiden,
-door hem de koetjes te wijzen in de weide, waar ze langs spoorden.
-
-Maar Jantje gaf het zoo gauw niet op.
-
-Een oogenblikje zat hij stil, als in gedachte, toen liet hij zich
-onverwachts weer afglijden en zijn handje op den nu weer in zijn
-lectuur verdiepten heer leggend, vroeg hij vriendelijk, maar dringend:
-
-"Toe, zeg nog eens wat leuks."
-
-Voor hij antwoord kon krijgen, zat hij in 't verst verwijderde hoekje
-van den waggon naast Moeder, die hem stevig vasthield.
-
-"Dat's flauw," beweerde hij en ziende dat zijn moeder ontevreden haar
-hoofd schudde, kroop hij op haar schoot en haar ongerust aankijkend,
-vroeg hij:
-
-"Waarom kijkt u nou zoo zuinig. Vindt u dien meneer niet leuk, bent
-u boos op hem?"
-
-Lachend, maar wat verlegen keerde zijn moeder hem naar het raampje
-en maakte hem attent op een varken met jongetjes in de wei.
-
-Dat vond hij aardig.
-
-"Stan, kom ook hier, dat moet je zien, die varkensmama heeft een hoop
-kindertjes, kom gauw, gauw dan."
-
-Stan gaf dadelijk aan die oproeping gehoor, maar te laat, er was
-niets meer te zien.
-
-"Hoe flauw, dat we niet wat langzamer rijden," vond Jantje en Stan
-wilde nu ook bij Moeder op schoot en poogde Jantje van zijn plaats
-te dringen, wat in een klein vechtpartijtje ontaardde.
-
-Een knorrige oude heer, die dit tooneeltje vlak tegenover zich had,
-beweerde, dat men met zulke lastige, kleine kinderen niet reizen moest,
-ze deden de medepassagiers te veel overlast aan.
-
-Wat dat laatste betreft, had hij niet geheel ongelijk, de nu met geweld
-gescheiden broertjes schreeuwden het beiden uit en geen aanbod van
-chocolaadjes hielp en evenmin het dreigement van Henk, dat hij ze
-uit het raampje zou gooien en pas na een flink schreeuwduo gelukte
-het aan de vereende krachten, hen tot bedaren te brengen.
-
-"Ze zijn anders nooit zoo," zuchtte hun moeder.
-
-"O neen, dat spreekt vanzelf," merkte de oude heer sarkastisch op,
-"kinderen zijn altijd engelen, als er niemand bij is," en het in
-zijn lectuur gestoorde jongemensch, bromde vrij duidelijk: "Beroerde
-bengels."
-
-Nog een kwartiertje van onrust en tot hare niet geringe vreugde
-bemerkte mevrouw Schotter, dat ze het doel van hun reis naderden
-en niet lang daarna waren allen veilig geborgen in het Utrechtsch
-wagentje, dat hen kwam halen, met Piet, den ouden getrouwen koetsier
-van Grootvader op de voorste bank.
-
-Henk was dadelijk naast hem gaan zitten en Jantje smeekte zoo, tusschen
-hen in te mogen, dat men hem zijn zin maar gaf. Dat viel natuurlijk
-niet in den smaak van Stan, die ook bij Piet wilde zijn, maar de
-belofte, dat hij op het achterste bankje vlak bij mocht zitten, ja,
-als hij wilde, op zijn knietjes mocht gaan liggen, zoodat het net
-zou zijn, of hij er ook bij zat, troostte hem. Hij voelde van tijd
-tot tijd aan het fluweelen jasje van Piet en verklaarde, dat hij het
-een mooi jasje vond.
-
-Over de paarden was hij verrukt. Mocht hij er straks eens eventjes
-op zitten? Hij zou ze niet moe maken, hij was niet zwaar.
-
-Piet beloofde het hem en verzekerde lachend, naar het tengere ventje
-kijkend, dat het paard niet onder zijn last bezwijken zou.
-
-"Ik op het andere paard," viel dadelijk Jantje in.
-
-"Goed hoor," beloofde Piet, "maar dan nou stilzitten, anders rol je
-er uit."
-
-Janneman had blijkbaar respect voor Piet, tenminste hij zat nu doodstil
-en trok zijn handje dadelijk terug, waarmee hij even aan de leidsels
-wilde trekken, toen Piet het hem verbood.
-
-Mevrouw Schotter kwam wat tot rust.
-
-"Wat waren ze lastig," zei ze, zich behaaglijk in haar hoekje
-schikkend.
-
-"Opgewondenheid," beweerde Marietje wijs, "er is veel te lang van te
-voren over de reis gesproken."
-
-Henk lachte witjes.
-
-Ze had wel gelijk, maar het was toch grappig, zoo'n klein wijs nest.
-
-Wies genoot.
-
-Met verrukking zag ze de rivier, glinsterend in de zomerzon, als
-bestrooid met schitterende diamanten.
-
-Ze werd er stil van.
-
-Ze vergat geheel, dat ze wat had opgezien tegen de ontmoeting met
-Grootvader, en ging op in het aanschouwen van wat de rivier haar
-bood. Er waren verscheidene stoombootjes op, één groote zelfs
-en eenige zeilschepen schoten vooruit, hunne zeilen als vleugels
-uitgespreid. Kijk dat kleine bootje daar in de verte, was het niet
-net een groote witte zwaan, met bol opstaande vlerken? Daar hadt
-je Woudrichem.
-
-"Schilderachtig plaatsje toch," merkte ze hardop aan.
-
-"Een broeinest van besmettelijke ziekten," antwoordde Moeder prozaïsch.
-
-Henk lachte.
-
-"Dat kan Wies niet schelen, als het er maar schilderachtig uitziet,"
-zei hij.
-
-"Maar als ze er zelf een ziekte opdeed, zou ze het mooie er gauw
-genoeg van vergeten," beweerde Marietje.
-
-Wies zuchtte.
-
-De anderen dachten ook altijd aan de keerzijde van de medaille, wat
-had dat hier nu mee te maken, of het er gezond was, mooi was het toch.
-
-"Kijk, Loevenstein," wilde ze zeggen, maar ze hield de woorden in.
-
-Voor haar had dat slot iets geheimzinnigs; van alles wat daar binnen
-was voorgevallen, was toch iets blijven hangen tusschen deze muren,
-zoo dik, als ze er nog nooit gezien had. De anderen beweerden, dat
-er niets meer aan was, het was ook waar, de kamers waren alle kaal,
-ongemeubeld, alleen in het kerkje stonden nog de banken en was de
-oude, veel gebruikte bijbel te zien, maar die holle vertrekken waren
-voor haar bevolkt, ze hadden een deel der geschiedenis mee gemaakt,
-ze waren getuigen geweest van wanhoop en tranen, maar ook van groote
-plannen, van hoop en gespannen verwachting.
-
-"Loevenstein, Wiesje," plaagde Henk, toen ze zweeg, "krijgen we nu
-geen geestdriftig verhaal van de interessantheid van dit geschiedkundig
-slot, dat daar zoo poëtisch...."
-
-"Schei toch uit," zei Wies knorrig en verzonk weer in gedachte.
-
-Straks kwamen ze aan den molen, die zoo gevaarlijk vlak aan een bocht
-van den dijk lag en waarbij eens een ongeluk gebeurd was door het
-schrikken van de paarden.
-
-"Heb je het fluitje wel, Piet?" vroeg ze, "om den molenaar te
-waarschuwen."
-
-"En of ik," en Piet haalde een, aan een koord zittend, fluitje uit
-zijn jasje.
-
-"Een fluitje," riep Jan verheugd en Stan herhaalde: "Een fluitje."
-
-"Mag ik ook eens," smeekte Jantje, zijn handje uitstekend.
-
-"Ikke ook," vroeg Stan.
-
-"Nou even dan, maar niet te hard, dan schrikken de peerden."
-
-Natuurlijk blies Jan zoo schel mogelijk en daar de paarden even te
-hard aanzetten, werd het hem gauw afgepakt.
-
-"Nou ikke," vroeg Stan.
-
-"De peerden schrikken er van, jong."
-
-"Ik zal 't heel zachtjes doen."
-
-"Nou, vooruit dan," en Stan blies even nauw hoorbaar op het fluitje
-en gaf het toen tevreden aan Piet terug.
-
-Daar was de molen, nu naderden ze het huis, waar ze wezen moesten,
-nog een klein poosje en de kinderen begonnen te juichen en te dansen,
-zoodat het niet veel scheelde, of ze waren uit het rijtuig gerold.
-
-Ze hadden hunne grootouders in het oog gekregen, die voor het huis
-naar hen stonden uit te kijken.
-
-Dat was me een vreugde, Grootvader tilde de kleine jongens juichend in
-de hoogte en hield ze toen hun grootmoeder voor om hen te kussen. Deze
-betastte de krullekopjes en kuste hartelijk de haar toegestoken
-gezichtjes.
-
-Toen volgden nieuwe begroetingen, tante Marie kwam ook aangeloopen en
-voerde allen naar de serre, waar de thee nog op hen stond te wachten.
-
-"We eten een kwartiertje later vanmiddag," zei tante Marie, "Moeder
-dacht, dat jullie na de reis graag eerst een kopje thee zouden
-willen hebben."
-
-Ze zaten nu allen gezellig bij elkaar. Wies naast Grootvader, die
-heel vriendelijk tegen haar geweest was en niets gezegd had van haar
-niet overgaan.
-
-Jantje liep rond, die had lang genoeg naar zijn zin gezeten, hij
-onderzocht, waar hij zich eens mee zou kunnen amuseeren, maar Stan
-was stil bij Omoesje op schoot gekropen en keek wat schuw, maar zeer
-belangstellend naar hare gesloten oogleden.
-
-"Slaapt Omoesje?" vroeg hij, met zijn handje over haar wang streelend.
-
-Een weemoedige glimlach gleed over het gezicht der oude dame.
-
-"Neen, lieveling, ik ben klaar wakker."
-
-"Waarom houdt Omoesje haar oogjes dan dicht?"
-
-"Omdat ze toch niet zien kan."
-
-Een oogenblik zat het kind in gedachte.
-
-Hij kneep zijn oogjes stijf dicht en spalkte ze daarna wijd open. Een
-vroolijk lachje verscheen op zijn gezichtje.
-
-"Als Omoesje haar oogjes maar open doet, dan kan ze wel zien. Stanneman
-kan ook niet met dichte oogjes zien."
-
-Zijn grootmoeder kuste hem en trachtte hem af te leiden met een koekje
-en een kopje melk, waarin een onmerkbaar scheutje thee, maar het kind
-bleef afgetrokken.
-
-Na een poosje vroeg het:
-
-"Wil Omoesje liever niet zien?"
-
-Zijn moeder, die dacht, dat al dat gevraag de blinde zou hinderen
-wilde hem bij zich nemen, maar haar schoonmoeder drukte het ventje
-vaster tegen zich aan en wilde het niet afgeven.
-
-"Laat hem bij mij," zei ze, "hij is zoo lief."
-
-Zich toen tot het kind wendend:
-
-"Omoesje wil wel zien, lieveling, maar ze kan niet. Haar oogen zijn
-ziek geweest en nu kan ze er niet meer mee zien."
-
-"Heelemaal niks?" vroeg nu Jantje, die, aangetrokken door het in zijne
-oogen belangwekkend gesprek, zich ook tegen zijn grootmoeder aandrong.
-
-"Neen, niets, mijn jongen."
-
-"Mij ook niet?"
-
-"Kom hier, Jan," riep zijn moeder, "kijk eens gauw, wat een aardig
-hondje daar loopt."
-
-Jan keek even in de richting, die zijn moeder hem wees en drong aan:
-
-"Mij ook niet?"
-
-"Neen ventje."
-
-"En Stan niet, en Moes niet en Ota?"
-
-"Neen, niemand."
-
-Jantje werd er stil van, zijn bewegelijk lichaampje scheen voor ééns
-eenige oogenblikken rust te hebben gevonden.
-
-"Vindt u het naar?" vroeg hij heel zacht.
-
-Zijn grootmoeder trok hem naar zich toe.
-
-"Neen, niet erg, denk daar nu maar niet meer aan. Ik zie een boel mooie
-dingen niet, maar ook geen leelijke, dat is wel prettig, begrijp je?"
-
-Jantje gaf niet dadelijk antwoord, hij was in gedachte.
-
-Toen uitte hij het resultaat van dat nadenken.
-
-"Als ik dus uit den suikerpot snoep, dan kunt u dat niet zien?"
-
-"Schaam je," riep Wies, en Henk zei: "wat een aap."
-
-Moeder keek bepaald boos en Marietje verontwaardigd, maar Grootvader
-glimlachte en tante Marie antwoordde in plaats van haar moeder:
-
-"Maar Grootmoeder zou het wel hooren, probeer het dus maar niet, hoor."
-
-Jantje keek heel onschuldig.
-
-"Ik vroeg het zoo maar eens," zei hij.
-
-Daarna was het tijd om aan tafel te gaan en na het eten werden de
-kleintjes naar bed gebracht, en ging Marietje haar moeder helpen met
-uitpakken, terwijl Henk met Grootvader nog een loopje ging doen.
-
-"Zal ik ook helpen?" vroeg Wies.
-
-Maar haar moeder zei, dat ze liever beneden moest blijven, ze liepen
-anders elkaar maar in den weg.
-
-Nu, Wies deed niets liever, tante Marie had ook nog wat te doen,
-zoodat ze een poosje alleen met haar grootmoeder kon zijn, wat ze
-heerlijk vond.
-
-Deze stak haar arm door dien van haar kleindochtertje.
-
-"Breng me nog een oogenblikje in den tuin," zei ze, "ik wil graag
-een kwartiertje rond loopen."
-
-Zwijgend voldeed Wies aan dit verzoek en langzaam liepen ze samen
-langs de paden.
-
-Hoe heerlijk was het hier, hoe rustig, hoe prachtig lag de tuin daar,
-bestraald door het geheimzinnige licht der avondzon.
-
-Toch kon Wies er niet van genieten, zooals andere jaren, ze had iets
-onrustigs, ze wilde eigenlijk, dat Grootvader maar iets gezegd had
-van haar blijven zitten, dan had ze geweten, hoe hij het opvatte;
-nu liep ze met het gevoel rond, dat het nog komen moest, dat er iets
-tusschen hen was, dat eerst tot klaarheid moest zijn gekomen, voor
-ze geheel zichzelve kon zijn.
-
-Zou ze er Grootmoedertje naar vragen? Ze durfde haast niet, ze was zoo
-bang, ook haar verdriet te hebben aangedaan, ze schrok er van terug,
-uit dien vriendelijken mond woorden van verwijt te moeten hooren.
-
-"Wat ben je stil, Wiesje," zei Grootmoeder eensklaps, "je bent toch
-wel goed?"
-
-Wies trok het bezorgde gezichtje, dat zich naar haar toewendde,
-alsof het aan haar wilde zien, hoe het er mee stond, naar zich toe
-en kuste het met vochtige oogen. Grootmoeder voelde met haar hand
-over haar kleindochters wangen.
-
-"Tranen?" vroeg ze.
-
-Wies veegde ze haastig af.
-
-"Neen heusch niet, er is niets, ik ben heel wel. Alleen een beetje
-zenuwachtig," voegde ze er aarzelend bij.
-
-Grootmoeder had haar begrepen.
-
-"Grootvader zal nog wel eens met je spreken," zei ze, "en dan beloof
-je vast, beter op te passen, nietwaar?"
-
-Wies knikte onwillekeurig van ja, er niet aan denkend, dat haar
-grootmoeder haar niet zien kon.
-
-"Niet waar, kind?" herhaalde deze, "je zult het morgen aan Grootvader
-beloven?"
-
-Wies kreeg een kleur.
-
-Grootmoeder dacht zeker, dat ze nog weerspannig was ook, omdat ze
-niet antwoordde.
-
-"Ja zeker, Grootmoesje, zeker," haastte ze zich te zeggen, "u begrijpt
-toch wel, dat ik het niet expres gedaan heb, ik kon het eigenlijk
-niet helpen."
-
-Haar grootmoeder glimlachte.
-
-"Dat is iets, waar wij het nog wel eens samen over zullen hebben,"
-zei ze, de hand van Wies drukkend.
-
-"Is Grootvader erg boos op me?" vroeg deze benauwd.
-
-"Erg boos niet, maar je bent ons wel tegengevallen."
-
-"Ons zegt u, U ook?".
-
-De vraag kwam er op angstigen toon uit en haar grootmoeder aarzelde.
-
-"Wel een beetje," zei ze toen zacht.
-
-Wies keek bedroefd naar het lieve gezicht met de gesloten oogen.
-
-"Dat is haast nog het ergste. Maar, lieveling, ik kon het heusch niet
-heelemaal helpen."
-
-Haar grootmoeder schudde het hoofd.
-
-"Niet heelemaal misschien, je moet er me een anderen dag maar eens
-alles van vertellen, dan bespreken we dat eens samen. Willen we nu
-naar binnen gaan, de thee zal wel klaar zijn."
-
-"Daar is Grootvader ook," zei Wies en keek een beetje schuw naar den
-krachtigen, ouden man, die daar naast zijn kleinzoon kwam aanstappen.
-
-In de serre stond de thee klaar, een gezellig lichtje onder den
-trekpot. Tante Marie schonk dadelijk in en Moeder zat met een tevreden
-gezicht uit te rusten van de vermoeienissen van den dag. Grootmoeder
-ging op haar vaste plaatsje naast haar zitten en Marietje zat zoowaar
-te haken, maar Wies wierp zich met een zucht van tevredenheid in een
-gemakkelijken stoel.
-
-De laatste stralen der dalende zon vielen in de wat lager gelegen
-tuin, een heerlijke geur van rozen steeg op, in de verte hoorde men
-de geluiden op de rivier, een enkele stoomboot, die het water nog
-deed opbruischen, anders niets.
-
-Wies vouwde hare handen in zalig nietsdoen en genoot.
-
-Ze wilde nu genieten, aan niets anders denken, vergeten, wat ze pas
-beleefd had en wat haar nog te wachten stond, opgaan in de heerlijkheid
-van het oogenblik.
-
-Straks werd het nog verrukkelijker, dan kwam de maan op en misschien
-zou ze den nachtegaal weer hooren slaan, die verleden jaar in den
-tuin zijn nestje had. Ze was geheel weg, hoorde niet het gezellige
-gepraat om haar heen, hoorde zelfs niet, dat Tante haar vroeg, of ze
-nog een kopje thee wilde.
-
-"Ze is weer bij haar feeën op bezoek," spotte Henk.
-
-"Dat is nog zoo'n kwaad gezelschap niet," vond Grootmoeder.
-
-
-
-
-
-
-
-
-TIENDE HOOFDSTUK.
-
-ZOO'N ZWAK WILLETJE!
-
-
-Den volgenden morgen, na afloop van het ontbijt, vroeg Grootvader
-aan Wies, eens even met hem naar zijn kamer te gaan.
-
-"Daar zal je 't hebben," dacht ze en met kloppend hart volgde ze
-hem naar zijn studeerkamer, waar hij haar verzocht tegenover hem te
-gaan zitten.
-
-"Je begrijpt zeker wel," zei hij, "waarover ik het eens met je wilde
-hebben. Het viel me erg tegen, dat je moeder me schreef, dat je niet
-was overgegaan. Vertel me eens, hoe dat gekomen is."
-
-Wies keek strak voor zich, ze werd verlegen onder den vragenden blik
-van haar grootvader.
-
-Ze had haar gewoon excuus van het niet te kunnen helpen, op hare
-lippen, maar vreemd, ze durfde daar hier niet mee aankomen.
-
-"Nu, Wies," drong haar grootvader aan.
-
-"Ik weet het niet," stotterde ze.
-
-"Weet je dat niet, dat is een gemakkelijk antwoord, maar daar ben ik
-niet tevreden mee. Kijk eens kind," vervolgde hij, wat dichter bij
-haar schuivend en haar met zijn potlood op den arm tikkend, "de zaak
-is zoo. Je moeder beweert, dat je het onderwijs niet volgen kunt,
-want dat ze je genoeg gewaarschuwd heeft, en zelfs gestraft, dat je
-herhaaldelijk beloofd hebt, beter op te passen, maar die belofte niet
-gehouden hebt. Nu zegt ze, dat ze niet gelooven kan, dat het louter,
-nu ze noemt het ondeugendheid, onwil van je is en dus komt ze tot
-de conclusie, dat je niet goed kunt, wat je trouwens zelf beweert,
-volgens haar. Is dat zoo? Voel je 't op school niet te kunnen volgen,
-al span je je in?"
-
-Wies schoof onrustig op haar stoel heen en weer.
-
-"Ik weet het niet," fluisterde ze alweer.
-
-Grootvader maakte een gebaar van ongeduld.
-
-"Nu niet altijd datzelfde antwoord. Zeg me nu eens ronduit, kun je
-beter werken of niet, ja of neen."
-
-Wies zweeg een oogenblik.
-
-Toen mompelde ze:
-
-"Ja, geloof ik."
-
-"Dus ja. Waarom heb je dan van 't jaar zoo slecht opgepast?"
-
-Wies speelde zenuwachtig met haar zakdoek.
-
-"Ik dwaal zoo gauw af."
-
-"Dat weet ik en ik weet tevens, dat het een lastige eigenschap is, maar
-een, die men overwinnen kan. Dat begrijp je zeker zelf ook, niet waar?"
-
-Wies ging wat rechter zitten en keek haar grootvader aan.
-
-"Neen, Grootvader," zei ze beslist, "ik geloof niet, dat ik daar iets
-aan doen kan, het gaat altijd vanzelf."
-
-Grootvader streek met zijn hand over zijn mond om den glimlach te
-verbergen, door haar woorden te voorschijn geroepen. Ze was blijkbaar
-volkomen ernstig.
-
-Daarna zei hij verwijtend:
-
-"Wat ben je nog kinderachtig, heb je het spreekwoord wel eens gehoord,
-"willen is kunnen?"
-
-Wies haalde hare schouders op.
-
-"Dat kunnen ze gemakkelijk zeggen, maar wat kun je er aan doen,
-als je aan wat anders denken moet. Ik neem me dikwijls genoeg voor,
-om op te letten, maar ineens merk ik dan, dat ik met iets heel anders
-bezig ben."
-
-"Waarmee alzoo?"
-
-Wies kleurde hevig.
-
-Voor niets ter wereld zou ze aan een man als Grootvader vertellen,
-dat ze soms sprookjes verzon en versjes maakte.
-
-"Aan van alles," zei ze nauw hoorbaar.
-
-"In ieder geval aan dingen, waaraan je op dat oogenblik niet denken
-mag. Je hebt blijkbaar een heel zwak willetje en dat moet dan maar
-gesterkt worden door prikkels van buiten af. Je moet leeren, men komt
-er niet met droomen en suffen, maar met flink werken en zijn best
-doen. Ik ben niet voor dat plan van je moeder, om je van school af
-te nemen."
-
-"Gelukkig."
-
-"Neen, daar ben ik niet voor. Je moet eerst als ieder meisje in
-de gelegenheid zijn, te leeren en je te ontwikkelen, daarna kan je
-moeder je thuis nemen, als je wilt, om een flinke huishoudster van
-je te maken."
-
-"Ik een flinke huishoudster!"
-
-"Ook al niet? Wat moet je dan worden, een onmogelijk wezen, dat
-nergens nut voor is?"
-
-Grootvader sprak wat driftig en Wies durfde niet te zeggen, dat ze
-zoo graag in de letteren zou gaan studeeren en dan later probeeren
-te schrijven.
-
-Ze zweeg dus maar.
-
-"Je slechtste vak is wiskunde, nietwaar?"
-
-"Ja, vooral vraagstukken, die vind ik gewoon nooit."
-
-"Neen, natuurlijk niet, daar moet je je hersens voor bij elkaar
-hebben. Nu zal ik je eens wat zeggen. Je maakt iederen dag vijf
-vraagstukken voor me, zoolang je hier bent. Ik zal je gemakkelijk
-werk geven, je desnoods nu en dan iets uitleggen, maar je zoekt de
-oplossing zelf."
-
-Wies' oogen vulden zich met tranen. Zoodoende werd haar heele vacantie
-bedorven.
-
-"Maar Grootvader," protesteerde ze.
-
-"Zoo gebeurt het," zei haar grootvader streng.
-
-Toen voegde hij er op opgewekten toon bij:
-
-"Je zult eens zien, wat een plezier je er in krijgen zult, als je,
-na wat moeite, de oplossing vindt. Niets is zoo goed om de aandacht te
-leeren concentreeren, dan het oplossen van vraagstukken, dat is echte
-hersengymnastiek. En niets zoo prettig, dan na moeite en inspanning
-beloond te worden door goede resultaten," voegde hij er vroolijk bij.
-
-Wies zuchtte.
-
-"Dan kan ik wel den heelen dag aan die vraagstukken zitten," zei ze,
-"want ik kan ze toch niet vinden."
-
-"Kom, kom, dat zal zoo'n vaart niet nemen, ik zal je wel eens op weg
-helpen. Om te beginnen zal ik je zulke gemakkelijke sommetjes geven,
-dat je ze in een half uurtje af hebt. Kijk eens hier, dit is een
-boekje, dat ze in de eerste klasse gebruiken, terwijl jij al in de
-tweede een jaar hebt doorgebracht. Die zul je wel kunnen, de eenige
-eisch is, dat je ze aandachtig naleest en even met je zelf uitmaakt,
-hoe je ze op zult schrijven. Voor vandaag dus de eerste vijf. Ik zou
-maar dadelijk beginnen, hier is papier, zoo ben je er het vlugst af."
-
-Met deze woorden verliet Grootvader de kamer en Wies bleef achter met
-het boekje in haar hand en een gemengd gevoel van verluchting, dat
-dit gesprek achter den rug was en van landerigheid over het bederven
-van haar vacantie, zooals ze het noemde. Die afschuwelijke sommen,
-ze kon ze immers nooit vinden en nu zou ze er alle dagen aan moeten
-gaan blokken.
-
-Ze zette beide ellebogen op de vensterbank, waar ze voor zat en begon
-nijdig tegen het houtwerk te schoppen.
-
-Daar zat ze nu, buiten was het prachtig weer, heerlijke lokkende
-zonneschijn, weer om zalig niets te doen en te genieten en zij moest
-die lamme sommen maken. En dat iederen dag, iederen dag van heel de
-lange vacantie.
-
-Dat ze die vervelende dingen toch niet kon vinden, begreep Grootvader
-niet, die dacht maar, dat ze niet wilde en zou in staat zijn, haar
-den heelen dag er over te laten tobben.
-
-Grootvader had mooi praten, dat het zoo prettig was, om de oplossingen
-te vinden, dat wilde ze graag gelooven, maar dan moest je dat toch
-eerst kunnen.
-
-Onwillig las ze het eerste vraagstuk door.
-
-Nu gemakkelijk was het wel, daar had Grootvader gelijk aan, ze geloofde
-wel, dat ze het zou kunnen uitrekenen. Als ze allemaal zoo waren,
-zou het misschien wel gaan en wat getroost ging ze aan de schrijftafel
-zitten en begon te werken.
-
-En werkelijk, het ging.
-
-Het eerste vraagstuk was al spoedig opgelost en netjes
-overgeschreven. Met een zucht van voldoening keek Wies er naar. Dat
-was er tenminste één.
-
-Wat een heerlijke lucht kwam er door het geopende venster.
-
-Kijk wat een leuk zonnestraaltje net op het papier.
-
-En wat een mooie bonte vlek op het behang, door welk kristal zou die
-straal vallen?
-
-Ze rekte zich eens uit.
-
-Zonde toch om hier in de kamer te blijven zitten.
-
-Waarom zou ze eigenlijk niet in den tuin gaan. Grootvader had niet
-gezegd, dat ze hier moest blijven, weet je wat, ze zou het heele
-boeltje bij elkaar nemen, den inktkoker ook mee pakken en dan op die
-leuke bank gaan zitten achter in den tuin, onder den lindeboom. Daar
-stond een stevig tafeltje voor, daaraan kon ze best werken.
-
-Zoo gezegd, zoo gedaan.
-
-Vijf minuten later was ze druk bezig aan haar tweede vraagstuk,
-nu zat ze tenminste buiten, dat was op zichzelf al een genot.
-
-Het tweede vraagstukje lukte ook en Wies begon zich behagelijk te
-voelen. Wat rolde daar op haar schrift?
-
-"O, een rups, zoo'n ruwe, groene, met een staart."
-
-Wat een leuk beest.
-
-Het viel uit de linde boven haar hoofd, dat was zeker die rups, waar
-Grootvader verleden jaar van vertelde, dat zij zoo'n schade deed aan
-de lindeboomen, lindenpijlstaart noemde hij haar, meende ze.
-
-"Welzoo, jongejuffer, ben jij zoo'n vraatzuchtig beest, daarom ben
-je zeker zoo dik," zei Wies, de rups op haar hand zettend, om haar
-eens goed te bekijken. Aardig toch, als je bedacht, dat zoo'n groene,
-kruipende rups later een vlinder moest worden, een witachtige vlinder
-met donkere vlekjes.
-
-Als ze een vlinder zag, moest ze altijd denken, dat het eigenlijk
-geen beestje was, maar een heel klein elfje, met dat fijne lijfje en
-die groote teere vleugels.
-
-Wat een benijdenswaardig schepsel, zoo'n vlinder, altijd in de zon
-te kunnen fladderen en spelen, mooi en zorgeloos.
-
-Ze keek weer naar de rups, die al een eindje weggekropen was.
-
-"Nu moet ik je, volgens den tuinman, doodmaken, maar ik doe het
-niet. Eet jij je buikje maar vol, er zijn lindeblaren genoeg," en ze
-nam het rupsje op en zette het op een der lagere takken van den boom.
-
-Kom ze moest werken.
-
-De derde som begreep ze niet dadelijk, ze was er ook zoo uit, ze kon
-hare gedachten bijna niet bij dat vraagstukje bepalen.
-
-Wat scheen de zon mooi door het bladerdak boven haar hoofd, hoe leuk
-al die lichtkringetjes op haar papier.
-
-Eensklaps hief ze het hoofd op. Wat was dat voor een vogel, die daar
-zoo aardig zong?
-
-Een vink? Neen, nu klonk het het weer heel anders. Het geluid kwam
-uit dien sering, ze moest even kijken, welke vogel dat zijn kon.
-
-Voorzichtig stond ze op en liep zacht naar den seringeboom, waaruit
-het geluid haar tegenklonk. Nu leek het, of er al weer een andere
-vogel zong.
-
-Zoo voorzichtig mogelijk boog ze een paar takken op zij en daar,
-dicht bij den top, zag ze een geel buikje schitteren tusschen de
-groene bladeren.
-
-Wat een snoezig vogeltje.
-
-Maar ze zag er maar een en ze had toch duidelijk verschillende vogels
-hooren zingen.
-
-Daar klonk weer een andere slag en toch zat dat vogeltje daar alleen.
-
-"De spotvogel," schoot het eensklaps door haar brein, "die is
-het. Grootmoeder heeft verteld, dat die alle vogels na kan doen,
-wat een eenig beestje! Hij houdt je dus gewoon voor den gek."
-
-Zacht, als ze gekomen was, ging Wies weer van den sering weg en nam
-haar potlood op.
-
-Ze moest nu werken, hoe laat zou het wel zijn?
-
-Daar begon die vogel weer te zingen, ze moest er naar luisteren,
-het klonk zoo aardig.
-
-Toen gleed haar potlood over het papier, ze scheen eensklaps ijverig
-geworden te zijn, maar toen ze ophield, stond daar geen oplossing
-van het vraagstuk, waarin ze bezig was, maar een gedichtje, dat ze
-lachend overlas.
-
-
- Spotvogel, spotvogel, oolijke guit,
- Spotvogel, spotvogel, lach je me uit?
- Jij kunt wel vroolijk en blij kwinkeleeren,
- Jij hoeft geen sommen te repeteeren.
- Spotvogel, spotvogel, 't staat je niet mooi,
- Als men jou eens sloot in een kooi,
- Dan zou je 't spotten wel verleeren,
- En hartelijk je vrijheid begeeren.
- Aardig geelbuikje, wees maar niet bang,
- Ga gerust door met je lustig gezang,
- Houd ze maar allemaal voor den mal,
- Niemand, die dat deren zal.
- Spot er maar lustig op los, kleine vent,
- Mij hindert het niet, ik ben dat gewend.
- Moet ik niet dragen gespot en geplaag,
- Omdat ik 't nu en dan eens waag,
- Aan iets anders te denken, dan aan aardsche zaken,
- Aan elfen, kabouters en zulke snaken,
- Aan nimfen, aan rupsen en kapellen
- Aan 't water juffertje, de sierlijke libelle,
- Aan.....
-
-
-Ja, aan wat nog meer. De inspiratie scheen haar plotseling verlaten
-te hebben en voor zich uitturend, zat ze op haar potlood te knabbelen
-en te denken, hoe ze een eind aan dit versje zou maken.
-
-Lottie zou het wel leuk vinden, maar ze moest het afmaken, zoo was
-het niets.
-
-Eensklaps schrok ze op.
-
-Wat hoorde ze daar?
-
-Dat was de gong, die allen samenriep voor de koffietafel.
-
-Verschrikt keek ze naar haar werk, twee sommen had ze af en ze moest
-er vijf maken.
-
-Ze dorst haast niet naar binnen gaan. Grootvader had gezegd, dat ze
-zoo gemakkelijk waren en dat was ook zoo, ze had bepaald wel gekund,
-als ze maar niet zoo afgedwaald was.
-
-"Wies, Wies, waar zit je, heb je de gong niet gehoord?"
-
-"Ja, ik kom," en haastig stak ze het beschreven blad in haar zak,
-nam boek en overig papier bij elkaar in de eene hand en greep met de
-andere naar den inktkoker.
-
-"Geef maar hier," zei Marietje, "je laat je pennehouder liggen en je
-potlood moet dat niet mee? Ben je klaar?"
-
-Wies schudde van neen.
-
-Het ergste was, dat ze de twee andere sommen ook niet kon geven,
-want op hetzelfde blad had ze aan den achterkant haar vers geschreven.
-
-In de huiskamer gekomen, legde ze haar boek haastig in de vensterbank
-en nam haar plaats aan tafel in.
-
-Henk vertelde van een bezoek, dat hij bij een bevrienden boer had
-afgelegd en Marietje, hoe ze voor de kippen had mogen zorgen en Tante
-geholpen had met erwtjes doppen.
-
-"En jij, Wies?" vroeg Grootvader, "eerst je sommen gemaakt en toen
-nog wat rondgedwaald zeker, je scheen tenminste de gong niet kunnen
-hooren."
-
-Wies zag er verlegen uit.
-
-"Ik ben niet klaar gekomen," zei ze zacht.
-
-Grootvader keek verwonderd.
-
-"Niet klaar gekomen. Met die gemakkelijke sommetjes? Och kom, het
-was het werk van een half uurtje, of drie kwartier. Enfin, dat moet
-je me straks maar eens laten zien," en hij begon over iets anders.
-
-Toen ze gereed waren met hun maal stond Grootvader op.
-
-"Ga even mee met je werk, Wies," zei hij.
-
-Wies nam haar boek en het ledige papier en volgde hem schoorvoetend.
-
-"Zie zoo," zei hij, op zijn opgewekten toon, "laat me nu maar eens
-zien. Misschien toch een kleinigheid niet begrepen, dat maken we wel
-samen in orde. Geef me maar, wat je gedaan hebt."
-
-Wies wist geen raad. Het leege papier geven, dorst ze niet, en het
-beschrevene nog veel minder.
-
-Grootvader keek werkelijk verwonderd naar haar.
-
-Wat had het kind, ze had toch zeker wel iets uitgevoerd.
-
-"Kom dan, je werk," en hij stak zijn hand uit.
-
-Wat moest ze doen?
-
-Het papier geven met de twee sommen, waarop het versje stond, dat
-nooit, ze zou zich doodschamen, dan nog liever Grootvader in den waan
-laten, dat ze niets had uitgevoerd.
-
-Maar ze dorst dat niet te zeggen, ze durfde hem nauwelijks aankijken,
-Grootvader was degeen, voor wien ze van alle menschen het meest respect
-had, ze kampte met hare tranen, maar durfde ook niet huilen, daar
-kon hij heelemaal niet tegen, dat schreien om alles vond hij zoo laf.
-
-Grootvaders geduld was blijkbaar op, hij nam haar boek en papier uit
-de hand.
-
-Hij vouwde het blad open, het was blank en onbeschreven.
-
-"Je wilt toch niet zeggen, dat je niets hebt uitgevoerd," en zijne
-anders zoo vroolijke oogen keken haar streng aan. Ze durfde niet ja
-zeggen, ze had ook wel wat uitgevoerd, maar voor de waarheid kon
-ze niet uitkomen. In haar verlegenheid nam ze haar toevlucht tot
-een leugentje.
-
-"Het blad is weggewaaid."
-
-"Weggewaaid, er is haast geen wind, hadt je het dan niet kunnen
-grijpen?"
-
-Dat was waar, dat zou ze zeker gedaan hebben, hoe kwam ze er nog uit.
-
-"Ik was even opgestaan," fluisterde ze.
-
-"O zoo, zeker weer eens afgedwaald en naar iets anders uitgekeken. Nu,
-kijk maar niet zoo benauwd, het is geen doodzonde. Hoeveel hadt je
-er al af, allemaal?"
-
-"Neen, ik moest er nog een paar maken."
-
-"Nog twee?"
-
-"Neen, drie."
-
-"Kon je ze niet vinden?"
-
-"Ik weet het niet, ik heb ze nog niet allemaal doorgezien."
-
-Haar grootvader schudde afkeurend zijn hoofd.
-
-"Kind, Kind, het is nog erger met je gesteld, dan ik dacht. Je moet
-het zelf maar weten en de gevolgen dragen, in je verder leven worden
-je ook de gevolgen van je daden niet gespaard. Ik ga vanmiddag voor
-zaken met het wagentje naar een der dorpen in de buurt en ik had jullie
-drietjes willen meenemen, het is een mooie rit. Dat heb je verspeeld,
-je blijft thuis en maakt je werk. Je blijft hier zitten en waag het
-niet de kamer uit te gaan, vóór je klaar bent. Als je met alle geweld
-niets aan je vacantie hebben wilt, moet je het zelf weten."
-
-Daarna verliet hij de kamer en liet Wies in een zeer verslagen
-toestand achter.
-
-Daar zat ze nu, opgesloten in huis, in plaats van een heerlijk ritje
-te kunnen doen.
-
-Henk en Marietje genoten van hun vacantie en zij!
-
-"Wies Ongeluk, Wies Ongeluk," zuchtte ze.
-
-Toen begon ze een deuntje te huilen en na een poosje, weer wat
-gekalmeerd, besloot ze van haar middag te redden, wat ze kon. Ze zou
-voortmaken, dan kon ze nog een poosje met Grootmoedertje alleen zijn,
-want Moes ging met Tante en de kleintjes een bezoek brengen bij oude
-kennissen van moeder. Ze draaide haar stoel zoo, dat ze met haar rug
-naar het raam kwam te zitten, zoodat ze niet naar buiten kon kijken
-en begon ijverig de reeds gemaakte sommen over te schrijven. Daarmee
-klaar, probeerde ze de andere vraagstukken op te lossen. Ze hield
-haar eene hand als een scherm boven hare oogen, om toch maar niets
-anders te zien en deed een wanhopende poging om haar geheele aandacht
-bij haar werk te houden.
-
-En het gelukte.
-
-Binnen het uur had ze alle vraagstukjes opgelost en netjes
-overgeschreven en met een sprongetje van plezier liep ze de kamer
-uit en naar de serre, waar ze wist haar grootmoeder te vinden.
-
-"Ik ben klaar, grootmoeder, nu kom ik bij u zitten."
-
-"Hoe gezellig," en grootmoeder beantwoordde hartelijk haar kus.
-
-Wies schoof dicht tegen haar aan.
-
-"Verveelt u zich niet, als u zoo alleen zit?"
-
-"Niet erg, ik brei, zooals je ziet. Tante laat me nooit lang alleen,
-ze zullen wel weer gauw terugkomen."
-
-"Ze mogen gerust nog een poosje wegblijven," zei Wies.
-
-"Dat vind ik ook," lachte Grootmoeder, haar tegen zich aandrukkend
-en nu volgde een van die heerlijke gesprekken, waar Wies het heele
-jaar naar verlangde.
-
-Toch liep er een klein zwart draadje door het genoegen, dat het
-samenzijn met haar grootmoeder haar gaf.
-
-"Zeg, schatje," vroeg ze eensklaps, "vindt u jokken altijd even erg?"
-
-"Jokken? Ja, dat vind ik een van de leelijkste dingen, die men
-doen kan."
-
-"Altijd?"
-
-"Ja, altijd."
-
-"En een leugentje uit nood?"
-
-"Daar houd ik ook niet van. Ik zie niet in, dat het ooit noodig is,
-te jokken."
-
-Wies zweeg een oogenblik.
-
-"Je kunt het soms niet laten," zei ze toen.
-
-"Dat is een gevaarlijke theorie, kindje. Maar zeg me eens, jij hebt
-toch niet gejokt?"
-
-Wies liet zich op haar knieën glijden en legde haar hoofd op haar
-grootmoeders schoot.
-
-"Dat heb ik wel," fluisterde ze.
-
-Grootmoeder streelde zwijgend eenige oogenblikken het gebogen hoofdje.
-
-"Dat spijt me erg," zei ze toen.
-
-"Het was maar een klein leugentje," beweerde Wies zacht.
-
-"Die bestaan er niet. Een leugen is een leugen. Tegen wie heb je
-gejokt?"
-
-"Tegen Grootvader."
-
-"Tegen Grootvader? Maar Wiesje?"
-
-Nu vertelde Wies van de benauwdheid, waarin ze geweest was en hoe ze
-niet had durven zeggen, dat ze op het papier een versje geschreven had.
-
-"U mag het ook niet vertellen," voegde ze er dringend bij, "als
-'t u blieft niet."
-
-"Ik zal het niet vertellen, maar me dunkt, dat je het zelf nog wel
-doen zult."
-
-"Ik? Nooit. Dat is niets voor Grootvader. Maar ik dacht wel te zeggen,
-dat ik op het papier geknoeid had en het hem daarom niet geven kon."
-
-"Een halve waarheid," vond Grootmoeder.
-
-"Ik zeg veel liever heelemaal niets. Weet u wat zoo gek is? Ik
-schaamde me tegenover u veel meer over dat jokkentje, dan tegenover
-Grootvader. Het is toch wel een beetje zijn eigen schuld, dat ik niet
-voor de waarheid durfde uitkomen."
-
-Grootmoeder liefkoosde het naar haar opgeheven gezichtje.
-
-"Wies, Wies, je bent op den verkeerden weg. Zeg Grootvader eerlijk
-de waarheid."
-
-Wies aarzelde.
-
-Ze stelde zich voor, hoe ze voor haar Grootvader zou staan, hoe ze
-stotterend haar leugen bekennen zou, hoe hij het vers zou willen lezen,
-ze zag den spottenden glimlach, die om zijn mond verschijnen zou,
-de manier, waarop hij haar aan zou kijken en ze zag al te veel op
-tegen dat alles. Ze besloot maar liever niets te zeggen.
-
-"Ik kan niet, Grootmoesje," zei ze, "heusch, ik kan niet."
-
-
-
-
-
-
-
-
-ELFDE HOOFDSTUK.
-
-HET SPROOKJE.
-
-
-Ze zouden allen een uitstapje maken naar een groote boerderij, die wel
-een uur rijden van het dorp verwijderd lag. Ze hadden vroeg gegeten
-en zouden pas tegen den avond thuiskomen. De kleine jongens mochten
-ook mee en waren een en al opgewondenheid bij de gedachte, dat ze pas
-'s avonds, als het donker was, naar huis zouden rijden.
-
-Allen verheugden zich op dat uitstapje, het weer was prachtig, de
-rit er naar toe mooi, de boer en de boerin de gastvrijheid zelve,
-ze waren er van overtuigd, dat ze het er heerlijk zouden hebben.
-
-Toch was er iets, dat voor Wies de pret niet heelemaal onvergald liet,
-iets, waarover ze tobde, wat haar niet met rust wilde laten.
-
-Bij uitzondering zouden tante Marie en Grootvader beiden mee gaan,
-Grootmoeder wilde dat zelf zoo, maar nu moest die al dien tijd alleen
-blijven, met geen andere zorg, dan die van de dienstmeisjes.
-
-"Het zal best gaan," verzekerde Grootmoeder, "ik kan immers bellen,
-als ik iets noodig heb."
-
-"U zult voorzichtig zijn, niet waar, Moeder?" vroeg tante Marie dien
-morgen, "u blijft in huis en gaat niet naar buiten, belooft u het me,
-er is zooveel water in de buurt."
-
-"Ik beloof het," zei Grootmoeder, maar verbeeldde Wies het zich,
-of lag er op haar lief gezicht een weemoedig trekje, een verlangen
-om ook mee te kunnen gaan en te genieten op dezen mooien zomerdag?
-
-"Waarom gaat Grootmoedertje eigenlijk niet mee?" vroeg ze.
-
-Tante Marie keek verwonderd.
-
-"Grootmoeder mee? Hoe zou dat nu kunnen."
-
-"We kunnen haar toch geleiden."
-
-"Maar we zullen al genoeg te doen hebben, met op de kleintjes
-te passen en daarenboven zou het te druk voor Moeder zijn en te
-vermoeiend. Zoudt u graag meegaan?" voegde ze er aarzelend bij,
-zich tot haar moeder wendend.
-
-"Neen, neen, ik blijf thuis," haastte deze zich te zeggen, "zoo'n
-tocht zou te veel voor me zijn. Maar een van de meisjes kan me toch
-wel in den tuin brengen, het weer is wel bijzonder mooi vandaag."
-
-Tante Marie keek ontevreden.
-
-"Kunt u nu voor dien eenen dag niet eens in huis blijven. In den tuin
-bent u zoo buiten het bereik van de meisjes, ze zouden u misschien
-niet hooren, als u belde, neen, dan blijf ik maar liever bij u,
-ik zou geen oogenblik rust hebben."
-
-Grootmoedertje zag er wat verdrietig uit.
-
-"Goed dan, ik zal in huis blijven, ik beloof het."
-
-Wies had dit gesprek aangehoord en een hevige tweestrijd ontstond in
-haar binnenste.
-
-Zou zij thuis blijven bij het arme, blinde Grootmoedertje, de anderen
-stilletjes laten weggaan, want anders zou Grootmoeder toch niet
-willen, dat ze een pretje misliep. Als allen dan weg waren, zou ze
-te voorschijn komen en Grootmoeder verrassen. Dan kon ze met haar
-naar buiten gaan en haar bezig houden en voor haar theeschenken.
-
-Zou ze het doen?
-
-Het zou wel een heerlijk tochtje zijn, verleden jaar hadden ze op
-dezelfde boerderij zoo'n dolle pret gehad, het was wel hard, daar
-afstand van te moeten doen.
-
-Grootmoedertjes gezicht stond melancholiek, ze zag er blijkbaar tegen
-op, zoolang alleen te blijven, maar wilde Tante en Grootvader hun
-genoegen niet vergallen.
-
-Arm Grootmoesje.
-
-Ze keek naar het lieve, meestal zoo geduldige gezicht, dat nu een
-verdrietigen trek niet onderdrukken kon en nam haar besluit--ze zou
-bij haar blijven.
-
-Op het laatste nippertje, toen het rijtuig al voor stond, verklaarde
-ze, niet mee te gaan, ze bleef bij Grootmoeder. Tante Marie, die wat
-last had van haar geweten, zei scherp, dat het niet noodig was, als er
-iemand had moeten blijven, was zij de aangewezen persoon geweest. Wies
-moest niet voor slachtoffer willen poseeren. Grootvader was blijkbaar
-van een andere meening, hij knikte haar vriendelijk toe en zei, dat
-ze een beste meid was en Moeder keek een beetje, alsof ze haar ooren
-niet gelooven durfde.
-
-Henk klopte haar hartelijk op haar schouder en verklaarde, dat hij
-het allemachtig aardig van haar vond en Marietje mompelde zoo iets,
-van ook wel thuis te willen blijven.
-
-Ze reden weg en Wies keek hen na. Met een zucht keerde zij zich om,
-toen ze uit het gezicht waren, het was geen geringe opoffering,
-die ze zich daar opgelegd had.
-
-Al gauw klaarde haar gezicht weer op, Grootmoeder zou zoo blij zijn!
-
-Nu voorzichtig naar haar toe, om haar niet te laten schrikken, ze
-had het rijtuig natuurlijk hooren wegrijden en dacht dus, dat allen
-vertrokken waren.
-
-Ze deed heel zacht de kamerdeur open en begaf zich naar de serre,
-waar Grootmoeder op haar eigen plaatsje zat. Haar breiwerk lag op
-haar schoot, aan hare vingers ontgleden en met het hoofd op haar hand
-gesteund, zat ze daar als een beeld van melancholie, met dien droeven
-mond en gesloten oogen.
-
-Wies trad voorzichtig nader.
-
-"Is daar iemand?" vroeg Grootmoeder, het hoofd opheffend.
-
-"Ja, Grootmoesje, ik ben het, Wies."
-
-"Jij? Ben je daar nog? Heb ik me dan verbeeld, dat het rijtuig
-wegreed?"
-
-Wies boog zich over haar heen en kuste haar teeder.
-
-"Neen, lieveling, u heeft goed gehoord, het rijtuig is weg, maar ik
-ben niet meegegaan, ik blijf bij u."
-
-"Bij mij?"
-
-Grootmoeders lippen begonnen te beven.
-
-"Ja, lieveling."
-
-"Wil je zeggen, dat je dat prettige uitstapje hebt opgegeven om mij
-gezelschap te blijven houden? Och, kindje, dat hadt je niet moeten
-doen."
-
-Tranen rolden uit haar doffe oogen, en met bevende hand zocht ze het
-hoofd van haar kleindochtertje, om het naar zich toe te trekken.
-
-"Dat hadt je niet moeten doen," zei ze nog eens, het gezichtje
-kussend, dat zich tot haar overboog, "ik had werkelijk best alleen
-kunnen blijven."
-
-Wies veegde hare oogen af. Ze waren ook vochtig geworden bij het zien
-van de aandoening, die haar daad bij Grootmoeder verwekt had.
-
-"U vindt het toch gezellig, niet waar, dat ik bij u blijf."
-
-"Heerlijk, kindje. Ik heb juist vandaag een slechten dag, dat overvalt
-me soms, dan drukt mijn toestand me veel meer dan gewoonlijk en komt
-de melancholie me besluipen. Het is lief van je, aan de oude vrouw te
-denken, kind, het bewijst me weer eens, dat mijn oudste kleindochter
-een goed, liefhebbend hartje heeft, welke andere gebreken ze dan
-ook hebben mag. Ik ben heel blij, alleen spijt het me, dat je nu je
-prettig dagje mist."
-
-"Dat behoeft niet, we kunnen samen ook wel een prettig dagje
-hebben. Willen we in den tuin gaan, het is zulk heerlijk weer."
-
-"Ja graag, breng me maar naar mijn lievelingsplekje bij het rozenperk."
-
-Grootmoeders stem klonk vroolijk en ze zag er veel opgewekter uit.
-
-Wies nam haar arm en bracht haar naar buiten, in de warme zomerlucht,
-vervuld van geuren en van aardige geluiden.
-
-"Zoo goed?" vroeg ze, een kussen, dat ze had meegebracht in haar
-grootmoeders rug plaatsend.
-
-"Heerlijk kind, ik ben je heel dankbaar, dat je zoo voor mij zorgt,
-heel dankbaar."
-
-Wies kreeg een kleur.
-
-"Zeg u er niets meer van, als 't u blieft," en op een voetenbankje
-aan hare voeten plaats nemend, vroeg ze:
-
-"Grootmoeder, mag ik u eens wat vertellen, wat ik een poosje geleden
-gedroomd heb?"
-
-"Gedroomd, beste meid?"
-
-"Ja, zoo noem ik het, maar ik sliep niet, ik zat nog even voor het
-raam, 's avonds, voor ik naar bed ging en keek naar de maan, die dien
-avond zoo prachtig scheen en ik dacht er over, hoe heerlijk het in
-zulk een nacht moest zijn in een bosch. Ik was nog thuis, ziet u en
-het was een nare dag voor me geweest, alles was me weer eens tegen
-geloopen, ik had mijn werk niet af, ik was zoo vreeselijk afgedwaald,
-en ik was met een doodongelukkig gevoel naar mijn kamertje gegaan. Ik
-was te verdrietig om dadelijk naar bed te gaan, maar ik was heel moe
-en onwillekeurig sloot ik mijn oogen en genoot van het nachtwindje,
-dat zacht om mijn gloeiend gezicht streek. Ik dacht na over de
-schoonheid van zoo'n zomernacht en toen ik mijn oogen weer opende
-en uit het raam keek, zag ik niet meer de tuintjes van onze buurt en
-niet meer den achterkant van de huizen, met hun verlichte vensters,
-neen, wat ik zag, was heel wat anders.
-
-Ik verbeeldde me in een bosch te zijn, in een groot bosch. Ik had dat
-bosch meer gezien, dat wist ik zeker, maar niet zóó, het was, alsof er
-een vreemde toovermacht over de boomen hing, de bladeren hadden een
-zilveren kleur en de takken staken daar tegen af, als kronkelende,
-donkere, spookachtige armen.
-
-"Maaneffect," dacht ik, "gewoon de werking van het maanlicht,
-maar toch.... ik voelde, dat er iets bijzonders gebeuren ging en ik
-tuurde en tuurde op het hier en daar door de witte stralen verlichte
-boschpad. Daar zag ik tusschen de boomen de half vergane bladeren,
-die den grond bedekten, bewegen en een rood puntje werd zichtbaar. Het
-was de puntmuts van een kaboutertje, toen volgde het hoofdje met een
-langen witten baard en daarna het heele lichaampje. Het ventje rekte
-zich uit en schudde zijn armpjes. Het keek naar den stand der maan,
-knikte goedkeurend en floot toen zachtjes. Daar begon overal de aarde
-te bewegen en van alle kanten kwamen de kaboutertjes te voorschijn en
-kropen langs de hooge wortels der boomen en krioelden door de half
-vergane bladeren en de groene planten daartusschen. Ze hadden allen
-een brandend lantaarntje bij zich, maar toen ze zagen, hoe helder de
-maan alles verlichtte, bliezen ze dat uit. Toen gingen ze allen in
-een kring staan rond het eerste kaboutertje, dat hun aanvoerder scheen
-te zijn en vroegen zijne bevelen. Ziet u ze niet voor u, Grootmoeder,
-de kleine kereltjes met hun roode mutsen en lange, witte baarden?"
-
-"Ja kindje, ik zie ze, de maan werpt juist een straal op den baard
-van het middelste ventje en doet die als gesponnen glas schitteren."
-
-Wies durfde nauwelijks ademhalen, bang de betoovering te verbreken.
-
-Ook zij hield hare oogen gesloten, om zich alles beter voor den geest
-te kunnen halen.
-
-"Kinderen," sprak het mannetje, "er is van avond veel werk te doen. Een
-paar van jullie moeten naar de stad."
-
-"Is het daarvoor niet te vroeg, vóór twaalf uur 's nachts kunnen we
-ons niet aan de menschen vertoonen," vroeg een bijzonder klein ventje.
-
-"Natuurlijk niet, kleine wijsneus," antwoordde de aanvoerder, "dat
-behoef je me niet te vertellen. Ben ik niet je aller koning? Schittert
-mijn kroon niet in de maneschijn?"
-
-En echt, toen ik goed naar hem keek, zag ik dat zijn mutsje verdwenen
-was en hij nu in de plaats daarvan een goud kroontje droeg.
-
-"Eerst zal ik je zeggen, wat je doen moet," ging het koninkje voort,
-"en dan kunnen jullie tot twaalf uur pret maken. Ik weet, dat er in de
-stad een meisje woont, dat veel verdriet heeft buiten haar schuld. Dat
-meisje kan nooit haar aandacht bepalen, bij wat ze op het oogenblik
-doen moet en daardoor beleeft ze veel naars, ze wil wel, maar ze kan
-niet. Ook vanavond heeft ze weer haast niets uitgevoerd en toen ze
-eindelijk naar bed gestuurd werd, was het met de bedreiging, dat,
-als ze niet zorgde, morgenochtend vroeg op te staan en alles klaar
-te hebben, vóór ze naar school ging, ze den volgenden Zondag niet
-naar het partijtje zou mogen gaan, dat een van haar vriendinnetjes
-gaf. Nu verslaapt dat meisje zich heel dikwijls en als ze vroeg op is,
-komt er toch altijd iets tusschen, waardoor ze niet klaar komt. Ze
-heeft dus veel kans, haar partijtje te verspelen en zou daar weer
-veel verdriet over hebben. Nu wilde ik jullie opdragen, dat werk
-voor haar te maken en netjes in haar eigen handschrift te schrijven,
-zoodat ze er op school niets van merken. Begrepen?"
-
-De kaboutertjes bogen toestemmend, zoodat de punten van hun mutsjes
-de aarde aanraakten.
-
-"Is het geoorloofd een opmerking te maken, o koning," vroeg een hunner
-met een fijn stemmetje, dat klonk, alsof men met een mes tegen een
-dun glas tikte.
-
-De koning glimlachte; het was alweer het heele kleine ventje,
-dat sprak.
-
-"Wel ja, Goliath, laat eens hooren, wat je te zeggen hebt."
-
-Het mannetje keek zoo verbaasd, dat zijn oogjes heelemaal rond werden.
-
-"Goliath," herhaalde hij, "wie is dat?"
-
-De koning lachte.
-
-"Dat is er een van het reuzengeslacht, je weet toch wel, dat er wezens
-bestaan, veel grooter nog dan de menschen."
-
-Het kaboutertje keek omhoog naar de toppen van de hem omringende
-boomen.
-
-"Zoo groot wel, als die eik?" vroeg hij rillend.
-
-"O, nog veel grooter. Met hun voeten kunnen ze ons fijn trappen,
-zooals de menschen het met de kleine insecten doen, die zich op hun
-weg bevinden. Ze komen gelukkig hoogst zelden in deze streken, kijk
-dus maar niet zoo benauwd. In het ergste geval zou ik er toch zijn,
-om je te beschermen."
-
-Het ventje lachte witjes.
-
-De koning zag dat en werd rood van boosheid.
-
-"Jou kleine schelm," riep hij uit, met zijn voetje op den grond
-stampend, "geloof je me niet? Waarvoor heb ik een zwaard, als het
-niet is, om er onze groote vijanden mee te steken? Ze denken dan wel,
-dat een of ander insect ze bijt, maar ze zijn er heel bang voor en
-gaan dadelijk op de vlucht, als ik mijn legers op hen afzend."
-
-"En in hun vlucht trappen ze het grootste deel dood," waagde het
-ventje aan te vullen.
-
-De koning fronste zijn wenkbrauwen.
-
-"Bind hem aan den steel van dien opgeschoten paddenstoel vast," beval
-hij, "hij mag vanavond niet mee feestvieren. Dat zou wat moois worden,
-als de kleinste van mijn onderdanen aan de macht van mijn zwaard zou
-mogen twijfelen."
-
-Dadelijk traden een paar kaboutertjes uit den kring en bonden het
-ventje met taaie grashalmen stevig vast aan den steel van een mooi
-gekleurden paddenstoel.
-
-Het kereltje schreeuwde luidkeels, maar zijn stemmetje was zoo fijn,
-dat het nauwelijks te hooren was.
-
-"Stel je voor, ik bang voor een reus," bromde nog de koning in
-zijn baard.
-
-Toen bedacht hij zich opeens, dat het mannetje voor den twist iets
-had willen zeggen en daar hij wist, dat uit dat kleine hoofdje soms
-heel wat wijsheid kwam, zei hij op hoogen toon:
-
-"En nu wil ik je toestaan te zeggen, wat je daar straks vragen wilde."
-
-"Niets," piepte het ventje.
-
-De koning fronste alweer zijn witte, borstelige wenkbrauwen en zijn
-oogjes keken zoo boos daaronder uit, dat het kereltje bang werd
-en graag onder den grond gekropen zou zijn. Alleen het kon niet,
-het was vastgebonden en hoe meer het zich bewoog, hoe pijnlijker de
-banden knelden.
-
-"Laat me dan eerst vrij," smeekte het.
-
-"Eerst moet ik hooren, wat je wilde."
-
-"Mag ik dan daarna los?"
-
-"De koning aanvaardt geen voorwaarden. Nog eens, spreek, of het zal
-je slecht bekomen."
-
-Het uiterlijk van het kabouterkoninkje was nu schrikwekkend. Hij
-hield in zijn hand zijn groot zwaard, dat hem op een gegeven teeken
-gebracht was en zijn oogen stonden zoo dreigend, dat de kleine Goliath
-het geraden vond, zijn spel niet verder te drijven.
-
-Hij begon dus te spreken.
-
-"Als de kaboutertjes het werk van het meisje maken, is er natuurlijk
-geen enkele fout in."
-
-"Dat spreekt vanzelf."
-
-"En denkt u dan niet, dat ze dat op school vreemd zullen vinden? Ik
-geloof niet, dat zoo'n meisje geen fouten in haar werk maakt."
-
-"Daar had hij gelijk aan," merkte Grootmoeder glimlachend op.
-
-Wies lachte ook.
-
-"U ziet, dat zoo'n kaboutertje de plank niet ver mis slaat," zei ze.
-
-Toen vervolgde ze:
-
-"De koning stond in gepeins verzonken, alsof hij een zeer diepzinnig
-vraagstuk op moest lossen.
-
-Al zijn onderdanen hielden den adem in, in spanning, wat de hooge
-wijsheid beslissen zou.
-
-"Natuurlijk heb ik al lang de oplossing van die moeielijkheid gevonden,
-maar ik zou graag weten, of een mijner onderdanen in staat is, een
-uitweg te vinden."
-
-Ze legden allen hun wijsvinger op het voorhoofd en dachten na, met
-gebogen hoofden en neergeslagen oogleden.
-
-Niemand zei echter iets.
-
-Het gezicht van den koning klaarde op.
-
-Niemand, och dat had hij ook eigenlijk vooruit geweten, het oplossen
-van moeielijkheden was de taak van den koning. Alleen zei hij, er
-ook nog eens goed over te willen nadenken, voor hij zijn meening
-openbaar maakte.
-
-Wat piepte daar zoo?
-
-Het geluid kwam van onder den paddenstoel.
-
-"Ik weet de oplossing."
-
-"Jij? Wil jij wel eens zwijgen, jij bent vanavond een gestrafte,
-jij hebt dus alleen te luisteren en je mond te houden."
-
-"Goed, ik zal zwijgen, maar ik zou zeggen...."
-
-"Wat zou je zeggen?"
-
-"Laten de kabouters, die het werk maken, er een paar fouten in laten."
-
-Een licht verscheen in de oogen van de kleine majesteit.
-
-Daar hadt je de oplossing, waarnaar hij tevergeefs gezocht had. Toen
-fronste hij zijn wenkbrauwen sterker dan ooit, blies zijn lichaampje
-op, alsof hij barsten wilde en riep schel:
-
-"Hoe durf je, hoe waag je het, mijn eigen gedachte uit te spreken, mijn
-koninklijke gedachte, jou aardworm, jou larf. Geef hem dadelijk twaalf
-slagen met den steel van een kamperfoelieblad, dat zal hem leeren te
-durven twijfelen aan mijn vindingrijkheid, na eerst mijn moed...."
-
-De woorden bleven verder in zijn keel steken, hij vergat zelfs zijn
-mond te sluiten en staarde in doodsangst voor zich uit. "Sluit de
-gelederen aan," gilde hij toen, "sluit allen om mij heen, bescherm
-uw koning!"
-
-Daar kwam over het mos op een naburigen steen een monster
-aangekropen. Zijn lichaam was met twee harde schilden bedekt, zes
-lange, dunne beenen bewogen zich gestadig in de richting van de plaats,
-waar de kaboutertjes vergaderd hadden. Maar het vreeselijkste was de
-kop, waaraan twee lange, groote uitwassen, als een gewei uitstaken.
-
-Een vliegend hert naderde de kleine aardmannetjes.
-
-Nauwelijks kregen ook de anderen hem in het oog, of ze lieten zich op
-den grond vallen en verscholen onder de dorre bladeren en in het gras,
-kropen ze voort, om hun holletjes te bereiken, elkaar op zij duwend
-en trappend, er niet op lettend, dat ze het afgevallen kroontje van
-zijn majesteit voortschopten, er niet aan denkend, dat hun koning
-hen opgeroepen had, ter verdediging van zijn vorstelijk lichaam.
-
-De koning zelf was trouwens nergens te zien, hij had zijn hol al
-bereikt en liet zich door een paar torren een dronk reiken.
-
-Intusschen zat de kleine Goliath vastgebonden aan zijn paddenstoel en
-wachtte in doodsangst het al meer en meer naderen van het monster af.
-
-Hij wrong zich in alle richtingen om los te komen, maar de halmen,
-waarmee hij gebonden was, sneden hem in het vleesch.
-
-"Help, help," gilde hij in zijn wanhoop.
-
-En daar kwam hulp.
-
-De nevelvrouwen stegen op uit den grond en kropen langs de stammen
-der boomen, hare dunne armen boven hun hoofden rekkend, spookachtig
-verlicht door het schijnsel der maan.
-
-Een van hen had medelijden met het ongelukkige ventje en hulde den
-paddenstoel in een mist, waardoor de oogen van den kever niet heen
-konden zien. En pas, toen het monster zich verwijderd had en er geen
-kwaad meer te duchten was, steeg de nevelvrouw op en verdween.
-
-Zoodra het kaboutertje weer om zich heen kon zien, bespiedde het
-angstig den omtrek.
-
-Was er nog gevaar?
-
-Gelukkig, het scheen geweken te zijn, maar tevens drong het tot hem
-door, dat al zijne natuurgenootjes verdwenen waren en dien nacht wel
-niet meer terug zouden komen. Zou hij tot den volgenden avond hier
-vastgebonden moeten zitten? Dat zou niet uit te houden zijn. Was er
-dan niemand om hem los te maken?
-
-De wanhoop sloop in zijn hartje, hij barstte in snikken uit en kermde
-zoo hartroerend, dat een groote tor, met goudachtige vleugels, die
-een vliegtochtje in den maneschijn hield, er door getroffen werd.
-
-Hij streek neer op den paddenstoel, waaronder het geluid vandaan kwam
-en vroeg verbaasd. "Wie schreeuwt daar zoo?"
-
-"Och help me, help me, maak mijn banden los," smeekte een fijn
-stemmetje.
-
-De tor kroop naar den rand en keek er overheen.
-
-Het wanhopend spartelende figuurtje ziende, sperde zij haar kaken
-wijd open, wat bij haar lachen was.
-
-"Hebben ze je vastgebonden?" vroeg ze, "waarom, wat heb je gedaan?" en
-meteen liet ze zich van den rand van den paddenstoel afglijden en
-plofte vlak voor het ventje neer, dat van schrik zijn gekerm vergat
-en doodstil zooveel hij kon in elkaar kroop.
-
-"Nu, komaan, waaraan heb je je schuldig gemaakt?"
-
-"Aan majesteitschennis," piepte het mannetje.
-
-De tor keek ernstig.
-
-"Dat is een leelijk iets, dan heb je je straf verdiend," en ze deed,
-alsof ze weg wilde gaan.
-
-"Och neen, och neen, help me toch, als ik hier tot morgenavond blijven
-moet, ga ik zeker dood."
-
-De tor sperde hare kaken weer wijd open, ze vond het kaboutertje zoo
-grappig in zijn angst.
-
-Toen zei ze goedmoedig:
-
-"Dat zou zonde zijn van zoo'n aardig ventje, ik zal dan maar medelijden
-met je hebben en je banden doorbijten," en de daad bij het woord
-voegend, bevrijdde zij den kleinen man.
-
-Nauwelijks los, dook het ventje onder een half vergaan blad weg,
-dat leek hem veiliger en vroeg toen beleefd:
-
-"Ziet u ook ergens mijn muts, die is me van het hoofd gevallen."
-
-De tor raapte het roode kapje op en drukte het met hare voorpoten op
-het kleine hoofd, dat even te voorschijn kwam.
-
-Dadelijk verdween dit, zonder een woord van dank en de tor vloog weg,
-na nog een oogenblik te hebben nagedacht over de verwantschap, die er
-zeker bestaan moest tusschen het kabouter- en het menschengeslacht. Ze
-hadden ten minste één trek gemeen, ze waren niet altijd dankbaar voor
-het goede, dat hun overkwam."
-
-Wies zweeg.
-
-Grootmoeder strekte haar hand uit en streelde het hoofdje, dat tegen
-haar knieën leunde.
-
-Toen vroeg ze glimlachend:
-
-"En het werk van het meisje, hoe ging het daarmee?"
-
-"Het meisje versliep zich, kreeg haar werk niet af en moest haar
-partijtje missen."
-
-Grootmoeder lachte.
-
-"Daar was ik wel bang voor."
-
-Toen ze verder niets zei, keek Wies haar vol spanning aan. Hoe zou ze
-dat sprookje vinden? Aan niemand, dan aan Grootmoeder en aan Lottie
-zou ze het hebben durven vertellen.
-
-"Heb je dat sprookje heelemaal zelf verzonnen, Wiesje?"
-
-"Ja, gedroomd, weet u," lachte Wies.
-
-Grootmoeder schudde glimlachend haar hoofd.
-
-"Het is een heel aardig sprookje en je hebt het goed verteld, ik zag
-vóór me, wat je voor me opriep, heel aardig, werkelijk, maar...."
-
-"Wat maar?"
-
-"Ja kindje, zie je, je bent altijd zoo lief voor me, dat ik niet
-graag iets tegen je zeg, dat je niet prettig vindt. Je moeder zegt,
-dat het hoe langer hoe erger wordt met je afdwalen en dat je steeds
-aan andere dingen denkt onder je werk. Heb je dat sprookje werkelijk
-heelemaal dien avond bij het raam gemaakt?"
-
-Wies werd heel rood.
-
-"Ik had er al een beetje over gedacht, 's avonds, alleen maar over
-een zomernacht in het bosch en over kaboutertjes, ziet u. Dat ik hun
-hulp noodig zou hebben, wist ik toen nog niet, want ik hoopte dien
-avond klaar te komen," voegde ze er met een verlegen lachje bij.
-
-Grootmoeder zat heel stil, blijkbaar in gedachte.
-
-"Kind, kind," zei ze toen zacht, Wies' hand grijpend, "ik voorzie nog
-zooveel leed voor je. Het schijnt heel moeielijk voor je te zijn, je te
-verbeteren, want niets heeft invloed op je, goede woorden, noch straf,
-zelfs niet het verdriet, dat je je ouders en ons telkens aandoet."
-
-Wies boog het hoofd, ze voelde, dat haar grootmoeder gelijk had,
-maar wat kon ze er aan doen, al haar pogingen tot verbetering van
-den toestand mislukten immers.
-
-Daar ze bleef zwijgen, ging Grootmoeder voort:
-
-"Ik ben zoo bang voor de lessen, die het leven je zeker geven zal. Het
-leven kent geen genade en kan heel hard zijn, daar heerscht de wet van
-oorzaak en gevolg in onverbiddelijke strengheid en jouw manier van
-zijn, moet slechte gevolgen hebben, dat kan niet anders. Verzet je
-toch tegen je eigen zwakheid, oefen je wil, of het loopt nooit heel
-goed met je af. Ik vrees, dat je nog menige harde les zult krijgen
-en niemand kan die van je afwenden, dan jij zelf."
-
-Grootmoeders stem klonk zoo ernstig, dat Wies er door ontroerd werd.
-
-"U maakt me bang," zei ze bevend.
-
-Grootmoeder drukte haar tegen zich aan.
-
-"Ik spreek misschien wat hard, maar lieveling, kindjelief, als je wist,
-hoeveel ik van je houd. Beloof je me nog eens plechtig, je best te
-zullen doen?"
-
-"Ja, Grootmoeder, ja."
-
-"Goed, laten we er dan niet meer over spreken. Willen we nu een eindje
-gaan loopen en vertel je me dan wat je ziet? Dat kun je zoo prettig."
-
-Een poosje nog bleef Wies onder den indruk van haar grootmoeders
-woorden, maar lang duurde het niet, of ze dacht er niet meer aan. Ze
-was nu zoo gelukkig. Alleen met haar lieve grootmoeder in de vrije
-natuur te zijn en haar te vertellen van alles, wat ze rondom zich
-zag, alles nog een beetje mooier te maken, dan het al was, dat was
-een genot voor haar.
-
-Haar toehoorderes was ook gelukkig, ze kende de streek van buiten en
-dus wekten de woorden van het geestdriftige meisje duidelijke beelden
-bij haar op, dat kind was werkelijk een schat voor een blinde.
-
-Daarna dronken ze gezellig samen thee, waarvan ze een kleine maaltijd
-maakten, ze hadden honger gekregen na hun vroeg diner.
-
-Toen het gezelschap thuis kwam, vonden ze de twee thuisgeblevenen
-heel tevreden over hun dag. Grootmoeder had geen woorden genoeg van
-lof over Wies, hoe gezellig ze geweest was en hoe lief en Moeder kuste
-haar dien avond bizonder hartelijk goeden nacht. Ze was blij, dat haar
-dochtertje weer eens den goeden kant van haar karakter getoond had.
-
-
-
-
-
-
-
-
-TWAALFDE HOOFDSTUK.
-
-DE HARDE LEVENSLES.
-
-
-"Zeg Wies, wil je vanochtend eens op de kleintjes letten?" vroeg
-Moeder op een mooien zomerdag in Augustus. "Tante en ik wilden jam
-maken vandaag en Marietje wil zoo heel graag helpen, wat ik uitstekend
-vind, dan leert ze het meteen."
-
-"Ja Moes," antwoordde Wies een beetje aarzelend.
-
-Ze had zich voorgesteld eens heerlijk rond te dwalen dien ochtend,
-ze had in den laatsten tijd zoo goed gewerkt voor Grootvader, dat hij
-haar een paar dagen vacantie gegeven had en ze was van morgen in bed
-al aan een verhaal begonnen van een goede fee, die alle menschen hielp
-en zich geheel opofferde voor de ongelukkigen, die haar hulp inriepen.
-
-Ze had een groote wandeling alleen willen maken, dan kon je zoo
-heerlijk de dingen bedenken en 's middags had ze mooi den tijd om
-het verhaal op te schrijven. Zoodra ze dan weer eens met Grootmoeder
-alleen was, zou ze het haar voorlezen.
-
-Arm Grootmoedertje had hoofdpijn vandaag en lag nog te bed.
-
-Toen dat: "ja Moes," er zoo aarzelend uitkwam, zei haar moeder:
-
-"Zul je dan wat met hen spelen en ze niet aan hun lot overlaten? Ga
-maar met hen naar den zandhoop achter in den tuin, daar kunnen ze
-geen kwaad."
-
-"Alsof ik niet op hen passen kan," bromde Wies, maar toch beloofde
-ze te doen, wat Moeder zei en met Stan op haar rug, draafde ze den
-tuin in, vooraf gegaan door Janneman, die op een denkbeeldigen hoorn
-blazend vooruit rende en nageroepen door Moeder, om toch vooral niet
-te wild te zijn.
-
-Bij den zandhoop gekomen, zette ze Stan er boven op en hielp hem
-Jantje terug duwen, die dadelijk zijn plaats wilde innemen. Het werd
-een echte stoeipartij en de kinderen lieten gilletjes van plezier,
-die tot in de huiskamer doordrongen en Moeder deden opmerken, dat Wies
-gelukkig in een goede bui scheen te zijn, ze had eerst gedacht, dat
-het weer mis was en een oogenblik geaarzeld, of ze haar de kinderen
-wel zou toevertrouwen.
-
-"Waarom niet?" vroeg Tante, "Wies is in 't algemeen niet onwillig."
-
-"Dat wel niet bepaald, maar in haar soort is ze egoïst, want ze is
-altijd met zichzelve bezig en je kunt zoo weinig op haar aan. Maar
-nu schijnt alles in orde te zijn, hoor ze eens een pret hebben. We
-kunnen met een gerust hart naar de keuken en aan ons werk gaan."
-
-Een poosje stoeide het drietal vroolijk voort, toen liet Wies,
-blazend van de warmte zich neervallen op een bank, die vlak bij den
-zandhoop stond en riep lachend, de zich op haar werpende jongens van
-zich afduwend:
-
-"Neen hoor, dank je wel, laat me nu een beetje met rust, het is nu
-mooi geweest. Ga jullie maar wat zandtaartjes maken, het is veel te
-warm om zoo woest te zijn."
-
-De kinderen drongen nog wat tegen haar op. Jan was op de bank
-gesprongen en kittelde haar met een gevonden veer in den hals en Stan
-rukte bij gebrek aan een veer een takje met bladeren af en stak haar
-daarmee in haar gezicht.
-
-Wies duwde beide kabouters van zich af, ze had werk hare oogen te
-beschermen voor het takje van Stan.
-
-"Schei er nu uit. Kom, ga nu lief zandtaartjes bakken, dan zal ik
-ze koopen."
-
-"Bak je dan mee?" vroeg Jantje.
-
-"Neen, ik moet even uitblazen."
-
-Jan stond een oogenblik in gedachte. Toen nam hij zijn broertje apart
-en fluisterde het wat in.
-
-"Ooo!" zei Stannie en keek schalks naar zijn zusje.
-
-Toen liepen beiden, alsof ze van den prins geen kwaad wisten langs
-de bank heen en weer en Wies, die dacht dat ze een of ander spelletje
-deden, lette verder niet op hen.
-
-Opeens voelde ze zich aan beide beenen vastgegrepen en door vier kleine
-armen vrij krachtig naar beneden getrokken. Ze kon zich nog juist aan
-de leuning der bank vastgrijpen, anders zou ze leelijk gevallen zijn.
-
-"Wil je me wel eens gauw loslaten," riep ze quasi boos, maar ze kon
-bijna niet uit hare woorden komen van het lachen.
-
-"Je moet met ons spelen," schaterden de kinderen en spanden al hun
-krachten in, om haar op den grond te krijgen.
-
-"Op die manier krijg je niets van me gedaan, laat gauw los," en Wies
-hield zich nog steviger vast.
-
-Opeens kon ze niet meer, het zenuwachtig lachen om de twee dwaze,
-roode kindergezichtjes, die met op elkaar geklemde tandjes uit alle
-macht trokken, nam al haar kracht weg. Ze liet los, en schokte van de
-bank op den grond, de beide jongens omver werpend, die ook loslieten
-en achterover, met de beentjes in de lucht op den zandhoop rolden.
-
-Haar hoofd kreeg een leelijken schok, ze werd er een oogenblik duizelig
-van en zat met gesloten oogleden op den grond. Toen ze hare oogen weer
-opende, zag ze de jongens met verschrikte gezichtjes naar haar kijken,
-het onderlipje van Stan trilde zelfs verraderlijk.
-
-"Stoute bengels," zei ze opstaande en zich aan de bank vasthoudend,
-daar haar duizeligheid nog niet geheel verdwenen was, "stoute jongens,
-jullie hebt me pijn gedaan."
-
-Jantje keek wat verlegen rond en trok een dwaas gezichtje, maar
-Stanneman kwam naar haar toe en vroeg:
-
-"Pijn gedaan? Waar? Zal ik het afkussen?"
-
-Hij stak haar zijn gespitste lippen toe en Wies nam hem op haar arm
-en kuste hem.
-
-Zoo'n lekker ventje toch!
-
-"Over?" vroeg hij.
-
-"Ja hoor, de pijn is weer beter."
-
-Toen het kind neerzettend, stelde ze voor, wat te gaan wandelen. Van
-spelen werd ze heusch te warm en zich zoet alleen bezighouden,
-schenen ze niet te willen vandaag.
-
-"Ja, wandelen," zei Jan tevreden, "naar den grooten plas, hé?"
-
-Wies keek bedenkelijk.
-
-Het was daar wel heel aardig bij den plas en mooi was het er ook,
-misschien zelfs een beetje frisscher, maar met die twee kleine,
-wilde jongens, zou ze dat wel mogen?
-
-Maar kom, ze kon ze immers vasthouden, ze konden er wel heen wandelen,
-er even zijn en dan weer terug gaan.
-
-"Goed," zei ze dus, "maar bij het water moeten jullie me beiden een
-handje geven, hoor."
-
-Dat beloofden ze, Stannie stak zijn handje al vast in de hare en Jan,
-de woelwater, draafde op en neer als een hondje, denzelfden weg wel
-driemaal afleggend.
-
-Ze staken een paar weilanden over en gingen regelrecht op den
-grooten waterplas af, die daar verleidelijk in het zonlicht lag te
-glanzen. Toen ze naderden, greep Wies ook Jan's handje en hield dat
-stevig vast. Wat was het hier mooi, het hooge riet aan den oever,
-met hier en daar een tros van de paars-blauwe moeraslathyrus en wat
-verderop de prachtige, bijna purpere schermen van de zwanebloem. Op
-het water de groote, witte sterren van de waterlelie, rustend op de
-groene bladeren, afgewisseld door het geel van de plomp. En dan die
-plekjes, als besneeuwd met de bloesems van de waterranonkel!
-
-Langs, tusschen en over het riet, het bevallig gespeel van de
-waterjuffertjes, sommige heel klein en sierlijk, met blauwe, of roode
-lijfjes, andere groot, met lange, bonte lichamen, maar alle zwevend
-op hun vier gazen vleugeltjes, waarvan de vage kleuren schitterden
-in het zonlicht.
-
-Naar het midden hield de plantengroei op en zag men het water in
-de helle zonnestralen fonkelen en boven dat alles de blauwe lucht,
-met hier en daar een wit wolkje.
-
-Zoo mooi als vandaag, had Wies den plas nog niet gezien, ze werd
-er stil van en stond, met aan elke hand een kind, voor zich uit te
-staren, tot het dezen verveelde en Jantje aan haar hand begon te
-rukken, om los te komen.
-
-Stan stiet eensklaps een kreet van plezier uit.
-
-"Een dood vogeltje in het riet, och kijk, wat een lief beestje"
-en hij trok zijn zusje mee naar den waterkant en wees haar op een
-vogeltje, dat onderste boven aan een geknakt riet hing, zoo stil,
-of het leven er uit geweken was. Maar nauwelijks waren de kinderen
-dichter bij gekomen, of er kwam beweging in het diertje en het wierp
-zich letterlijk in de hoogte, meters hoog, luid zingend. Stan was
-blij, dat het lieve beestje leefde, maar Jan had het wel graag mee
-naar huis genomen. Als het dan pas thuis weer levend was geworden,
-had hij het in een kooitje kunnen zetten.
-
-Wies lachte.
-
-"Ik geloof, dat het een rietzangertje is," zei ze, "die kunnen niet
-in kooien leven."
-
-"Hoe weet je dat?"
-
-"Daar heeft Grootvader me wel eens van verteld! Maar kom, laten we
-nu maar gaan, we zullen eerst een beetje uitrusten, wat verder in de
-weide en dan terugwandelen. Jullie bent zeker ook wel moe."
-
-Jan beweerde van niet, maar Wies vond het beter, dat ze wat gingen
-zitten, anders kwamen ze te moe thuis en kreeg zij natuurlijk de
-schuld.
-
-"Kom nu naast me in het gras zitten," zei ze, toen ze een beschaduwd
-plekje gevonden hadden een heel eindje van den plas, "jullie moet nu
-ook wat rusten."
-
-"Vertel je dan wat?" vroeg Jantje.
-
-"Ja, vertellen," beaamde Stanneman.
-
-"Goed, laat me dan even denken," en Wies strekte zich gemakkelijk
-uit in het hooge gras en legde haar zakdoek onder haar hoofd.
-
-"Ik ga ook op mijn zakdoek liggen," zei Jan.
-
-"Ga je gang," antwoordde zijn zuster.
-
-"Ikke ook," zeurde Stan.
-
-En daar het ventje geen zakdoek bleek te hebben en toch met alle
-geweld zijn broertje na wilde doen, gaf het eerst een beetje gekibbel,
-totdat Wies haar eigen zakdoek afstond.
-
-Toen vertelde ze aan de jongens, wat Grootvader haar eens verteld had
-van de libellen, die eerst leelijke, grijsbruine monsters geweest
-waren en jaren lang gehuisd hadden op den modderbodem van sloot en
-plas. Daarna was er een op een mooien dag uit het slib omhoog gekropen,
-als een griezelig, leelijk ding langs een van de vele bloemstengels,
-zoo hoog, tot de zon op zijn grauw, vuil kleed scheen. Nauwelijks had
-de warme zonnestraal het gedrocht bereikt, of het scheurde open en te
-voorschijn kwam de sierlijke, mooi gekleurde libel, die ze zoo straks
-gezien hadden. Nu danste ze vroolijk in de zon en vergat heelemaal,
-dat ze zoolang op den bodem van het water geleefd had.
-
-Wies zweeg.
-
-Ze voelde hare oogleden zwaar worden. Het was zoo stil rondom, het
-scheen wel, of de kinderen ook waren ingeslapen.
-
-Maar neen, daar klonk Jantje's stem, hoewel wat dof:
-
-"Meer vertellen" en de echo aan den anderen kant herhaalde slaperig,
-"meer vertellen."
-
-De stemmetjes klonken zoo weinig helder, dat Wies begreep, dat de
-kinderen op het punt waren van in te slapen en dus zweeg ze, als de
-jongens sliepen, had ze een poosje rust en kon ze probeeren verder
-te verzinnen van die goede fee, die haar geluk vond in het helpen en
-bijstaan van arme menschenkinderen.
-
-Hè, zelf zoo'n fee te zijn, iedereen pleizier te kunnen doen, te
-kunnen troosten, als iemand verdriet had, te kunnen helpen, waar de
-nood aan den man was. Ze zag haar fee voor zich, lang, slank, het
-fijne gezichtje met de teedere oogen omkranst van blonde krullen, op
-het fiere hoofdje een klein kroontje van edelsteenen, schitterend,
-zoowel in zon- als in maneschijn, maar met verschillenden glans,
-gekleed in een lang, dun gazen kleed van allerlei teere kleuren, die
-heel zacht in elkander overgingen en tusschen de schouderbladen vier
-ragfijne gazen vleugeltjes, libellenvleugels door een vergrootglas
-gezien. In de hand een klein gouden stafje, waarmede ze maar iets
-leelijks behoefde aan te raken, om het in iets heerlijk moois te
-veranderen, zooals de zonnestraal de leelijke pop van de libel in een
-wonderwezentje omtooverde. Ja, zoo moest ze er uitzien, haar fee en
-uit dat stokje straalde licht af en haar oogen.... die...
-
-Wies was ingeslapen.
-
-Na een poosje verhief zich heel stil een kleine gedaante naast haar
-en keek haar oplettend aan.
-
-Voorzichtig waagde Jantje het op te staan en zich over zijn zuster
-heen te buigen, om te zien, of ze wel werkelijk sliep.
-
-Ja hoor, haar mond ging een beetje open en hare oogen waren stijf
-dicht, maar misschien kneep ze die wel expres toe, om hen voor den
-gek te houden.
-
-Hij wachtte nog even, kittelde haar zelfs met een grashalm in het
-gezicht, maar ze sloeg hare oogleden niet op, blijkbaar sliep ze
-gerust.
-
-Toen sloop hij zachtjes naar zijn broertje en tikte hem op zijn wang.
-
-Stan duwde de hinderlijke hand weg en sliep door.
-
-Nog eens probeerde Jantje hem op die manier te wekken, maar hetzelfde
-resultaat.
-
-Toen blies hij hem in het gezicht, wat tot uitwerking had, dat Stan
-begon te niezen.
-
-Verschrikt keek Jantje naar Wies, als die wakker werd, was alles mis.
-
-Gelukkig, ze sliep door, wat nu te doen om Stan wakker te krijgen.
-
-Hij begon hem aan het haar te trekken, eerst zachtjes, toen harder
-en eindelijk, daar sloeg de slaper zijne oogleden op en greep naar
-zijn hoofdje.
-
-Jan liet het haar dadelijk los en zei haast fluisterend:
-
-"Sta gauw op, voordat Wies wakker wordt, dan gaan we saampjes naar den
-plas. Ik heb straks in het riet een nest gezien, maar het zat diep,
-ik kon het niet goed zien. Laten we er nou naar gaan kijken."
-
-Stan sloot nog even zijne oogen en gaapte, maar Jan kittelde hem op
-zijn oogleden en had geen rust, voordat hij rechtop zat. Toen hielp
-hij hem voorzichtig opstaan.
-
-"Zachtjes," fluisterde hij, het slaapdronken ventje meetrekkend.
-
-Eerst slopen ze op hun teentjes door het gras, maar al gauw begonnen
-ze hard te loopen, Jantje telkens omkijkend, of ze niet achtervolgd
-werden. Alles bleek veilig, Wies sliep rustig door. Ze bereikten
-den plas en Jantje kreeg het nest al spoedig weer in het oog, het
-zat verscholen tusschen het riet, dicht bij het water. Tot hun niet
-geringe teleurstelling konden ze er niet in kijken, het zat te ver weg,
-alleen den rand konden ze zien.
-
-"Zijn er eitjes in?" vroeg Stan.
-
-Jan wist het niet, hij dacht het wel, er lagen immers altijd eitjes
-in een nest, hij had nog nooit een plaatje gezien, met een nest
-zonder eieren.
-
-"Misschien wel zulke leuke eitjes als laatst in het prentenboek
-van tante Rie," zei hij opgewonden, "allemaal rood en paars en een
-heeleboel kleuren. Ik ga eens kijken, ga je mee?"
-
-"Ja," zei Stan, zijn handje vertrouwelijk in dat van zijn broertje
-leggend, gereed om hem te volgen door dik en door dun. Jantje duwde
-het riet op zij en liep er in, naar zijn idee kon men overal loopen,
-waar iets groeide. Hij voelde wel, dat zijne voeten nat werden,
-maar dat kon hem niets schelen, als hij zijn doel maar bereikte en
-het nest te zien kreeg. Nog een paar passen, dan waren ze er, reeds
-boog hij zich nieuwsgierig naar voren, daar voelde hij op eens geen
-grond meer onder zijne voeten, het was, alsof de aarde afbrokkelde,
-hij liet een schreeuw, nog een en zijn broertje met zich meetrekkend,
-lagen beiden in het water te spartelen.
-
-Wies werd met een schok wakker.
-
-Ze zat in eens rechtop en keek verwezen rond.
-
-Had ze geslapen?
-
-Ze dacht, dat ze maar even wat had liggen verzinnen.
-
-Toen schoot het ineens door haar hoofd: de kinderen.
-
-Ze keek verschrikt rond, maar zag ze niet, alleen de zakdoekjes lagen
-nog op de plaats, waar ze gelegen hadden.
-
-In een wip zat ze overeind, luid hun namen roepend.
-
-Waar konden ze heen geloopen zijn?
-
-De plas!
-
-Een oogenblik stond ze verdoofd, alsof ze een slag op haar hoofd
-gekregen had.
-
-Toen rende ze voort in de richting, waar de groote plas lag.
-
-Hoorde ze daar roepen? Verbeeldde ze 't zich, of hoorde ze
-schreeuwen? Ze struikelde, hare beenen weigerden bijna haar te dragen,
-ze werd opeens zoo vreemd, ze had zoo'n benauwd gevoel op haar borst
-en in haar keel, ze wilde zelf roepen, maar ze kon geen geluid geven,
-ze hoorde nu niets meer, ze had zich zeker vergist. O, als dat waar
-was, als ze zoo meteen de kinderen gezond en wel terugvond.
-
-Dat ze ook niet beter opgelet had, dat ze nu toch weer had liggen
-droomen en nog wel in slaap gevallen was.
-
-Ze liep nu weer op een draf, eens viel ze over een klomp aarde, die
-losgewoeld was, dadelijk was ze weer op de been, daar lag de plas,
-ze zag geen kinderen, maar--haar hart stond bijna stil--ze hoorde
-een zwak geluid, een soort gekreun, een geplas.... een snik wrong
-zich door haar keel: de broertjes, de broertjes!
-
-Daar kwam aan den anderen kant Teun de arbeider aangerend, had hij
-ook wat gehoord?
-
-Hijgend naderde hij tegelijk met haar den plas, ze durfde haast
-niet kijken, ze zag eerst niets, alles was in een waas gehuld, haar
-adem stokte.... daar lagen ze in het water, niet ver van het riet,
-waarvan Jantje nog een paar gebroken stengels vastgeklemd hield. Het
-kind was een eindje afgedreven en lag bijna midden in den plas.
-
-En Stan? Waar was Stan?
-
-Ze zag hem niet.
-
-Wat moest ze doen, wat beginnen? Ze vergat dat Teun ook gekomen was,
-ze wist niets anders te doen, dan wanhopend te gillen:
-
-"Help, help!"
-
-Teun had intusschen een schuit, die aan den anderen kant lag,
-losgemaakt en boomde naar de plek, waar de kinderen lagen. Hij had al
-gauw Jantje te pakken, die nog half boven water was, hoewel op het
-punt van te zinken, maar toen hij hem in de schuit wilde trekken,
-voelde hij, dat hem nog iets zwaars nasleepte. Jan had het handje
-van zijn broertje niet losgelaten, ook niet toen dit zijn bewustzijn
-verloor en begon te zinken. Met de eene hand krampachtig de gebroken
-rietstengels vasthoudend, alsof die hem steun konden geven, had hij
-met de andere het handje stevig omklemd gehouden. Voorzichtig boog Teun
-zich over het water en trok het bewustelooze lichaampje van kleine Stan
-naar boven. De schuit kantelde bijna, schepte heel wat water, maar het
-gelukte, beide kinderen waren gered, ten minste uit het water gehaald.
-
-Naar Stan ziende, schudde Teun bedenkelijk zijn hoofd.
-
-Was het een kind, of een lijkje, dat daar lag?
-
-Wies stond dat alles roerloos en wanhopend aan te zien.
-
-Van haar kant kon ze niets doen, had ze ook maar kunnen handelen, maar
-daar zoo te staan, de schuit bijna te zien kantelen, het schijnbaar
-levenlooze lichaampje van den kleinen lieveling te zien ophalen,
-het was vreeselijk.
-
-En door haar schuld, alles door haar schuld!
-
-Teun boomde de schuit weer naar den anderen oever, waar geen riet
-stond.
-
-"Loop om," schreeuwde hij tot haar, "dan kunt u me helpen."
-
-Helpen!
-
-Dat drong tot haar gemartelde hersens door. Ze gehoorzaamde dadelijk
-en hoewel hare knieën knikten en haar hart vreemd bonsde in haar keel,
-liep ze zoo vlug ze kon naar de plek, waar de schuit lag.
-
-"Neem eens aan," beval Teun, haar Jantje toereikend, die bibberend
-en schreiend, maar goed bij bewustzijn, in hare armen gelegd werd.
-
-Toen volgde Teun met het bewustelooze lichaampje van kleinen Stan.
-
-Hij legde het kind met het buikje over zijn gebogen knie, met het hoofd
-naar beneden en begon zachtjes op den rug te kloppen en te drukken.
-
-Een golf water kwam uit het kleine mondje.
-
-"Doet u nu net zoo met Jan," beval Teun.
-
-Toen ziende, dat Stan de oogjes niet opsloeg, zei hij dat hij er
-niets beters op wist, dan hem zoo gauw mogelijk naar huis te dragen,
-dan kon hij daar verder behandeld worden. Jan moest ook naar huis om
-zijn natte plunje uit te doen en dan zoo gauw mogelijk onder de dekens.
-
-"Kan je loopen?" vroeg hij het nu hevig huilende kind, "toe vooruit,
-zoo hard je kunt. Neem hem bij een hand en trek hem voort," vervolgde
-hij tot Wies, "en loop dan vlug naar huis om te waarschuwen, dat ik
-kom met den kleinen jongeheer. Allo, jong, vooruit," zei hij nog,
-Jantje een duw gevend, "loopen mot je, zoo hard je kunt, anders wor'
-je doodziek."
-
-En toen Jantje niet voortging, belemmerd door zijn natte kleeren,
-gaf hij hem lachend een tik met zijn vlakke hand tegen zijn broekje
-en dreigde:
-
-"Vooruit hoor, of ik zal je."
-
-Jantje strompelde weg, voortgetrokken door Wies, die hem graag gedragen
-had, maar Teun beweerde, dat hij zich bewegen moest om warm te worden.
-
-Wies liep zoo hard het maar mogelijk was met het wederstrevende kind
-aan de hand, ze liep voort, omdat ze zich bewust was, dat ze moest;
-hoe ze haar moeder onder de oogen zou durven komen, wist ze niet.
-
-Ze was als versuft, ze kon niet denken, ze was zich alleen bewust,
-dat er iets vreeselijks gebeurd was en dat zij daar schuld aan had.
-
-Toen ze het huis naderde, zag ze haar moeder al op den uitkijk staan,
-die, juist klaar met haar inmaak, gemerkt had, dat Wies met de kinderen
-uit den tuin verdwenen was. Ze kwam hen tegemoet en het druipnatte
-kind ziende, vroeg ze angstig: "Wat is er gebeurd? Waar is Stan?"
-
-Wies wees achter zich, waar Teun met het kind aankwam en haar moeder
-vloog er op af, na Wies toegeroepen te hebben: "Breng Jan naar
-tante Marie."
-
-Deze kwam al kijken, wat er gaande was en nam Jantje dadelijk mee
-naar binnen, waar ze hem begon uit te kleeden en af te wrijven.
-
-Intusschen kwam ook Moeder met Stannie aan, die ze van Teun had
-overgenomen, opdat hij dadelijk naar een dokter zou kunnen gaan. Naar
-Wies keek niemand om en ze sloop weg, naar haar slaapkamer, niet
-wetend, wat te doen, bang voor de nabijheid van anderen en nog banger
-voor de eenzaamheid, in grooten angst over het lot van de kinderen
-en er toch niet bij durvend gaan, om te weten, hoe alles afloopen zou.
-
-Ze strompelde naar binnen, hare beenen wilden niet meer voort en
-ze liet zich voor het bed neervallen, met haar gezicht in de sprei
-gedrukt.
-
-"O neen, neen, neen," kreunde ze, "o neen, dat niet, dat niet."
-
-En toen weer kermend:
-
-"Mijn lieve, kleine Stan, mijn lieve, kleine Stan."
-
-Ze drukte hare handen stijf tegen haar gesloten oogen, om het visioen
-kwijt te raken, dat haar onduldbaar kwelde, het visioen van het kleine,
-druipende, levenlooze lichaam van haar broertje, zooals ze het Teun uit
-het water had zien halen, de armpjes en het hoofdje slap neerhangend
-en overal water uitdruipend, uit de natte kleertjes en uit de, aan
-het hoofd geplakte, blonde krulletjes. Maar het hielp haar niet,
-ze perste hare oogleden zoo sterk tegen de oogen, dat ze roode en
-paarse sterren begon te zien, maar tusschen die verwarde kleurvlekken,
-lag de kleine, witte gestalte, schijnbaar levenloos.
-
-Ze sprong op, zóó kon ze het niet meer uithouden.
-
-Zou de dokter er al zijn?
-
-Zou ze naar beneden durven gaan?
-
-Als ze maar wist, goede tijding te krijgen, als ze maar niet bang was,
-te moeten hooren, wat ze niet hooren kon, als ze aan de mogelijkheid
-dacht, die noodlottige woorden te moeten vernemen, kreeg ze een
-gevoel, of ze stikken zou, een behoefte om luid te gillen, om zich
-lucht te verschaffen.
-
-Neen, het kon niet zijn, ze zou dan ook niet verder kunnen leven, met
-die schuld bezwaard, mocht ze niet blijven leven. Hoe zou Moeder haar
-ooit meer in haar nabijheid kunnen dulden, als door haar schuld....
-
-En Vader? En Grootmoedertje?
-
-Hoe zou ze voort kunnen leven, met dat visioen voor oogen en daarnaast
-het beeld van het kind, zooals het aan hare zorgen was toevertrouwd,
-schattig klein ventje met zijn blonden krullebol en lieve oogjes.
-
-En dan te weten, dat, als ze op hem gelet had, als ze niet had
-toegegeven aan die noodlottige neiging tot droomen, als ze wakker
-was geweest en flink, als ze niet expres gezwegen had in de hoop,
-dat ze in slaap zouden raken, ze kende Jantje toch en wist, dat men
-hem eigenlijk geen oogenblik vertrouwen kon, als ze, in één woord,
-haar plicht gedaan had....
-
-Wat had Grootmoeder ook gezegd?
-
-"Ik ben zoo bang voor de lessen, die het leven je geven zal, in het
-leven heerscht onverbiddelijk de wet van oorzaak en gevolg."
-
-Oorzaak: ze had niet willen luisteren naar de waarschuwingen van allen,
-die het goed met haar meenden.
-
-Gevolg: ze was de schuld van den dood....
-
-Neen, neen, neen, niet dat woord, dat afschuwelijke, dat
-onherroepelijke woord.
-
-Ze hield hare ooren dicht, alsof ze bang was, het te hooren uit de
-geluiden, die haar omringden, uit het tikken van de klok, uit het
-kraken van een oude kast, uit het getwetter van de zwaluwen onder
-de dakgoot. Ze kroop nu letterlijk over den grond, ze wrong zich in
-wanhoop in allerlei bochten, zoo naderde ze de deur en duwde die op
-een reet. Half opgericht, luisterde ze, of ze iets hooren kon, van wat
-er beneden voorviel. Maar geen geluid drong tot haar door. Ze richtte
-zich op hare knieën en streek het verwarde haar uit haar gezicht en met
-groote, angstige oogen voor zich uitstarend, luisterde ze nog intenser.
-
-Niets, dan de stilte van den....
-
-Neen, het kon niet zijn, het was niet waar.
-
-Ze klemde hare tanden op elkaar en schudde herhaaldelijk woest met
-'t hoofd.
-
-Neen, een harde les had het leven haar willen geven, maar geen slag,
-die haar voor goed neervelde.
-
-Neen, een harde les had ze noodig gehad, ze erkende het, ze was laf
-geweest, maar geen straf, die niet alleen haar voor altijd ongelukkig
-zou maken, maar allen, Vader, Moeder, Grootvader, Grootmoeder,
-Marietje, de broers.
-
-Neen, het was zóó voldoende geweest, nooit zou ze dit wanhoopsuur
-vergeten, ze deed de plechtige belofte, een belofte, die ze niet
-breken zou, dat van dit oogenblik het uit zou zijn met alle gedroom,
-ze zou zich beteren, als het haar moeielijk viel zou ze aan dit uur
-denken, ze nam de harde les aan.
-
-Ze was opgestaan en stond nu midden in de kamer, hare oogen gericht op
-het open raam, waardoor ze den helderen hemel kon zien en onwillekeurig
-strekte ze beide armen uit naar het uitspansel, dat daar rustig en
-blauw zich welfde.
-
-"Ik beloof het," zei ze nog eens.
-
-Een oogenblik staarden hare oogen in het ruime verschiet, toen liet
-ze haar hoofd zinken en barstte in snikken uit.
-
-Dat deed haar goed, de spanning week wat en ze besloot naar beneden
-te gaan. Ze moest weten, waar ze aan toe was, het ergste kon het
-niet zijn.
-
-Ze opende haar deur en liep het portaal op naar de trap.
-
-Zou ze durven?
-
-Hoe zouden ze haar beneden ontvangen, maar ze moest toch gaan, ze
-wilde weten.
-
-De zekerheid van daareven, dat het vreeselijke niet gebeurd kon
-zijn, verliet haar. Weer overviel haar dat gevoel van benauwdheid,
-van niet kunnen ademen, ze klemde zich aan de trapleuning vast,
-om niet te vallen, ze voelde zich duizelig.
-
-Daar ging een deur open, daar kwam iemand de trap op, het was tante
-Marie. Ze deinsde achteruit, ze verborg haar hoofd achter haar arm,
-als om een slag af te weren.
-
-"Tante," kreunde ze.
-
-Haar tante was nu boven gekomen en trok haar mee de kamer in.
-
-"Stan?"
-
-Het kwam er schor uit.
-
-"Je mag wel dankbaar zijn, Louise, het kind is bijgekomen en de
-dokter ziet er verder geen bezwaar in. Veel had het niet gescheeld,
-of je hadt den dood van je broertje op je geweten gehad."
-
-Wies staarde haar tante aan, alsof ze haar niet begreep.
-
-Toen viel ze haar eensklaps om den hals en kuste haar zoo woest,
-dat ze haar pijn deed.
-
-"Voorzichtig wat, je doet me pijn, stel je toch niet dadelijk zoo
-aan. Hou je nu bedaard en vergeet nooit waar je vandaag voor gespaard
-bent gebleven."
-
-Wies was op een stoel neergevallen en snikte, snikte, alsof haar hart
-breken zou.
-
-Maar het waren tranen van verluchting en dankbaarheid.
-
-
-
-
-
-
-
-
-DERTIENDE HOOFDSTUK.
-
-DE THUISKOMST.
-
-
-Morgen zouden ze weer naar huis gaan.
-
-Dan nog een paar vrije dagen en daarna zou het oude leventje weer
-beginnen, naar school gaan, lessen leeren, kleine, huishoudelijke
-plichten vervullen.... en standjes krijgen.
-
-Wies kon een zucht niet onderdrukken, als ze aan dat alles dacht.
-
-Het was een warme Augustusavond en ze was even uitgeloopen, den dijk
-op, om voor het laatst de rivier nog eens te zien, zooals ze daar
-lag in de avondschemering. Een grijze mist hing over het water en
-deed de verschillende lichtjes der schepen geheimzinnig flikkeren,
-als door een sluier.
-
-Een sleepbootje sleepte vier aaneen gekoppelde schuiten voort, de
-lantaarns van deze vaartuigen deden hun licht als roode sterren door
-het grijsachtige waas schitteren en de weerkaatsing van het licht in
-den mist omringde alle van een stralenkrans.
-
-De boomen aan den overkant doezelden weg, hun vervaagde vormen gaven
-het geheel iets spookachtigs, een enkele zware tak kwam donker naar
-voren, als een uitgestrekte arm en daarachter in de verte een flauw
-verlicht venster van een boerenwoning.
-
-Wies stond heel stil en staarde dat alles aan.
-
-Ze vergat, waarover ze daareven op weg van huis naar den dijk getobd
-had, ze dacht aan niets dan aan het schoone, dat ze voor zich zag. Wat
-een heerlijkheid, wat een poëzie!
-
-Een heel tijdje stond ze daar en genoot.
-
-Een beetje griezelig was het ook, die stilte rondom, die geheimzinnige
-lichtjes, ze zag nu geen schuiten meer, alleen de roode flikkeringen
-in den zwaarder wordenden damp boven de rivier.
-
-Dat nu niemand anders eens uitliep om dat mooie te zien, hoe was
-het mogelijk.
-
-Ze wilde eigenlijk, dat ze hier niet alleen stond.
-
-Als het nu eens waar geweest was, wat men in deze waterrijke streek
-aan de kleine kinderen vertelde, om ze bang te maken en ze zoodoende
-van het water af te houden. Grootvader had haar vroeger ook dat
-sprookje wijs gemaakt en vertelde nu nog aan de kleintjes, dat wie
-wat te dicht bij het water kwam, meegenomen werd door de watervrouw,
-een lange, donkere gedaante, die oprees uit de rivier en de plassen en
-met hare lange, dunne armen het ongehoorzame kind omklemde en meenam
-naar de diepte.
-
-O, ze zag haar voor zich, langzaam opstijgend uit het water, ze wist
-zeker, dat ze zou moeten blijven staan, hoe graag ze ook weggeloopen
-zou zijn, want in het bijna doorzichtige gelaat straalden twee oogen,
-die haar vasthielden, wreede, koude oogen, die haar aantrokken, als
-die van de slang de duif, ze zag de lange dunne vingers zich naar
-haar toekrommen, ze grepen den rand van haar rok beet, ze trokken
-haar naar het water, ze kon geen weerstand bieden....
-
-Met een rilling ging Wies onwillekeurig een pas achteruit, haar sterke
-verbeelding had haar weer eens meegesleept, ze was een oogenblik
-doodsbang geweest.
-
-Kom, ze moest naar huis, ze mocht eigenlijk 's avonds niet
-alleen zoover uitloopen, maar ze had de verleiding niet kunnen
-weerstaan. Enfin, Grootvader zou den laatsten avond wel niet boos
-op haar zijn en Moes zou haar niet gemist hebben, die had nog wat
-te pakken.
-
-Dus morgen was het uit met de pret, dan gingen ze allen te zamen weer
-naar de stad.
-
-Gelukkig allen te zamen.
-
-Dat was bijna anders geweest.
-
-Wies kreeg het benauwd, ze dacht zoo min mogelijk aan de vreeselijke
-uren, die ze op haar kamer doorleefd had, nu de kleintjes weer vroolijk
-en wel rondliepen, deed ze haar best die nare gedachten kwijt te raken.
-
-Maar gemakkelijk ging dat niet.
-
-Niemand had haar iets verweten, geen boos woord had ze gehoord,
-alleen had Grootvader haar dien avond bij het naar bed gaan heel
-ernstig aangekeken en gezegd:
-
-"Mijn kind, ik denk, dat je deze les wel nooit vergeten zult."
-
-Dat vreeselijke ooit vergeten?
-
-Nooit, nooit.
-
-Wat Moeder betreft, die had iets vreemds in haar houding tegenover
-haar. Ze had haar ook niets over de zaak gezegd, waarschijnlijk vond
-Grootmoeder, dat ze genoeg had doorgemaakt en had zij Moes aangeraden,
-er niet meer over te spreken, maar Moeder had iets over zich, iets
-alsof ze haar niet meer vertrouwde.
-
-Ze liet haar geen oogenblik met de kleintjes alleen, ze zei niets, dat
-was waar, maar de manier, waarop ze de jongens meenam, als ze alleen
-met haar zouden moeten blijven, drukte meer uit, dan woorden zouden
-kunnen doen. Hoe zou dat moeten gaan als ze weer thuis was? Hier
-waren Grootmoeder en Grootvader, die haar een soort steun gaven,
-maar thuis had ze niemand Moeder en die vertrouwde haar niet meer.
-
-En toch kon ze dat nu wel, ze had zich zoo vast voorgenomen, hare
-gebreken te overwinnen, anders te worden, als je je zoo iets heel
-vast voornam, moest je dat toch kunnen.
-
-Moeielijk zou het wel zijn, vreeselijk moeielijk en ze had zoo'n
-gevoel, dat niemand haar helpen zou.
-
-Ze zag ook zoo op tegen den brief van Vader, het antwoord op haar
-schrijven, waarin ze zelf had moeten vertellen, dat ze niet overgegaan
-was.
-
-Alles bij elkaar genomen, zag ze ontzettend op tegen de komende dagen.
-
-Nu ze de lichten op de rivier niet meer zag, drukte de haar omringende
-duisternis haar hevig, ze kreeg zoo'n echt ongelukkig gevoel, alsof
-er niets dan zorgen en bezwaren in zicht waren en ze liep hard naar
-huis, waar het vriendelijke lamplicht haar tegemoet straalde en waar
-ze de familie gezellig om de theetafel zag zitten.
-
-Ze deed het hek open, liep den tuin door en trad binnen, met de
-oogleden tegen het licht knippend.
-
-"Daar is het verloren schaap," lachte Grootvader, "waar ben je zoolang
-geweest, je moeder werd al ongerust."
-
-"Ik, Vader? Werkelijk niet, Louise zal niet in zeven slooten te gelijk
-loopen, op zichzelve kan ze wel passen."
-
-"Onkruid vergaat niet," beweerde de galante Henk.
-
-Grootmoeder strekte haar hand naar haar kleindochter uit.
-
-"Ik maakte me wel ongerust," zei ze hartelijk.
-
-Wies gaf haar een kus en het kanten doekje, dat ze om haar hoofd gehad
-had in een hoek gooiend, zette ze zich naast haar grootmoeder neer.
-
-Moeder keek ontevreden naar het neergesmeten sjaaltje, maar zweeg. Het
-was de laatste avond bij haar schoonouders, thuis zou ze de teugels
-wel weer wat strakker aanhalen.
-
-"Het was zoo mooi bij de rivier," zei Wies, gretig haar kopje thee
-uitdrinkend, "bepaald sprookjesachtig."
-
-Ze schrok, toen ze het gezegd had, ze voelde, dat ze wijs zou doen,
-voorloopig het woord sprookje en wat er mee in betrekking stond,
-uit haar dagelijksche taal te verbannen.
-
-Moeder zei wat scherp:
-
-"Ik hoop, dat je geen kou gevat hebt, na zoo'n warmen dag ligt er een
-leelijke damp op de rivier. Ik zou het al heel onaangenaam vinden,
-als je ziek werd, nu de school weer gaat beginnen."
-
-Wies kreeg een kleur.
-
-"Ik zal niet ziek worden, in ieder geval beloof ik u, op tijd naar
-school te zullen gaan, al was ik ook doodziek."
-
-"Praat nu maar geen onzin," antwoordde haar moeder.
-
-Grootvader had dit gesprek stil aangehoord.
-
-Nu zei hij:
-
-"Ik ben er zeker van, dat Louise dit jaar goed zal oppassen en flink
-werken. Ze is er zelf van overtuigd, dat ze heel wat goed te maken
-heeft op allerlei gebied."
-
-Wies kreeg tranen in hare oogen.
-
-Waarom voegde Grootvader er dat nu bij. Ze was al zoo blij geweest,
-dat hij vertrouwen in haar stelde, maar die laatste woorden namen
-het prettige er weer van weg.
-
-En Marietje keek haar zoo echt aan, ze verbeeldde zich altijd, dat
-haar zusje zich haar meerdere voelde, dat vervelende, zoete kind,
-dat nergens moeite of last mee had en waarvan Moeder meer hield,
-dan van haar.
-
-"Kijk toch voor je," snauwde ze, "wat zie je toch aan me, dat je me
-zoo aanstaart."
-
-"En dan trachten wat zelfbeheersching te krijgen," zei Grootvader.
-
-"Ja maar Marietje...."
-
-Grootmoedertje greep haar hand en zei zacht:
-
-"Wiesje."
-
-Louise zweeg en keek strak voor zich.
-
-Hare lippen trilden, waarom bedierven ze nu haar laatsten avond hier.
-
-Grootvader stelde voor na de thee een partijtje te sjoelbakken.
-
-Marietje en Wies mochten dan nog wat opblijven en daar Grootmoeder
-voor het laatst nog eens tracteerde op gebakjes, waarvoor haar keuken
-beroemd was, konden ze zoodoende een prettig afscheidsfeestje hebben.
-
-Het ging nu verder vroolijk toe, Wies vergat al spoedig, wat haar
-gehinderd had, ze kon goed sjoelbakken en had geluk ook, dien avond,
-zoodat ze zelfs den prijs won, die Grootvader gegeven had, een flink
-pak chocolade. Ze was zoo blij met de overwinning, dat ze de chocolade
-edelmoedig deelde met Henk en Marietje en vroolijker gestemd naar
-bed ging, dan ze had durven hopen.
-
-Ze sliep goed, werd opgewekt wakker, maar al spoedig drong het tot haar
-door, dat ze vandaag weggingen en dat ze afscheid zou moeten nemen van
-Grootmoedertje en Grootvader. Om Tante gaf ze niet zooveel, die hield
-van haar kant ook meer van Marietje. Ze kon zich dat wel begrijpen,
-Marietje was een erg goed kind, ze deed altijd precies, wat ze moest,
-iedereen vond haar een wonder van braafheid, natuurlijk dat ze liever
-gevonden werd, dan haar zusje, die nu eenmaal zoo heel anders was. Het
-gekste was, dat ze niet eens graag heelemaal als Marietje zijn zou,
-ze had wel veel goeds, maar ze was zoo vreeselijk.... alledaagsch.
-
-Als Moeder dat eens hoorde, gelukkig, dat die geen gedachten lezen kon.
-
-Het afscheid werd onder bittere tranen genomen, Wies hing aan haar
-Grootmoeders hals en kon haar maar niet loslaten, ze kuste en kuste
-het lieve gezicht, totdat Grootvader beweerde, dat het meer dan tijd
-was en Grootmoedertje zelve hare armen losmaakte en zenuwachtig zei,
-dat ze dan gaan moesten.
-
-"En mijn kindje," voegde ze er na een laatste omhelzing bij, "ik krijg
-goede berichten van je, niet waar, ik behoef me niet meer ongerust
-te maken."
-
-"Neen, schat, ik zal mijn best doen," beloofde Wies en ging toen
-naar het wachtende rijtuig, een beetje voortgeduwd door Grootvader,
-die er haar vlug inhielp en het portier sloot.
-
-"Vooruit," zei hij tot den koetsier en weg reden ze, wuivende en
-groetende.
-
-De reis liep tamelijk goed van stapel, maar was niet zoo vroolijk,
-als de heenreis. De kleintjes waren wel wat druk, maar deden toch geen
-gekke dingen, Henk en Wies hadden het land en waren stil en zelfs
-Marietje was onder den indruk van het vertrek, het was wel heerlijk
-buiten bij Grootpa en Grootma en tante Marie liet haar altijd zulke
-gezellige werkjes doen en prees haar zoo, als ze het goed deed.
-
-De thuiskomst was allervervelendst. Ze kwamen in een huis, dat
-ruim een maand leeggestaan had, het rook er muf, doordat de ramen
-zoolang gesloten waren geweest en tot overmaat van ramp vonden ze een
-briefkaart van Betje, meldende, dat ze ziek was en zeker nog in geen
-week thuis zou kunnen komen, terwijl Ant, de keukenmeid nog een paar
-dagen permissie had, omdat er een bruiloft in de familie was.
-
-Mevrouw Schotter wist in de eerste oogenblikken geen raad.
-
-Wat een thuiskomst!
-
-Een huis, waarin in geen weken iets gedaan was, dat wel is waar
-niet bewoond was geweest, maar waar toch aardig stof lag, geen hulp
-hoegenaamd en zelfs niets in huis om dien middag te eten.
-
-De afspraak was geweest, dat Betje gelijktijdig met de familie zou
-thuiskomen, die had dan spoedig het noodige kunnen halen om een
-eenvoudig middagmaal te kunnen klaarmaken.
-
-Wies had wel willen huilen van akeligheid.
-
-Dan moest je pas uit het prettige huis van Grootvader komen en hier
-zoo'n somberen boel vinden. De zon hield zich ook schuil vandaag,
-de lucht zag er uit, of er regen zou komen, alles was triestig,
-akelig, ellendig.
-
-Een duw in haar rug deed haar uit haar gepeins ontwaken.
-
-"Kom," zei Moeder op geprikkelden toon, "sta daar nu niet te suffen,
-maar help eens een handje. Je staat daar maar met je goed nog aan en
-laat Marietje en mij maar sjouwen."
-
-Machinaal deed Wies haar mantel uit en zette haar hoed af.
-
-Wat een toestand, alles even akelig en Moeder natuurlijk prikkelbaar
-en zenuwachtig door de omstandigheden.
-
-"Zet je hoed maar weer op," beval deze, "en ga even brood halen,
-de kinderen hebben honger en moeten eerst wat eten, dan zullen we ze
-een uurtje in bed stoppen en hebben we onze handen vrij."
-
-Toen Wies haar verbaasd aankeek, voegde ze er bij:
-
-"Kom, versta je me niet. Ga gauw brood halen, hier is geld en breng
-ook een paar ons rookvleesch mee."
-
-"En moet er geen boter zijn?" vroeg Marietje, die al druk aan het
-stof afnemen was.
-
-"Dat's waar ook, breng een half pond boter mee, voor morgen kan ik
-dan meer bestellen."
-
-Wies stond verbluft.
-
-"Moet ik brood en boter gaan halen? Hoe kan ik dat nu doen, het staat
-zoo gek."
-
-"Niets gek, doe maar gauw, wat ik zeg."
-
-Wies kreeg alweer tranen in hare oogen. Stel je voor, dat een van de
-meisjes van school haar daar zag staan boter koopen en brood.
-
-"Kan Marietje het niet doen?" vroeg ze aarzelend.
-
-Maar nu kreeg ze de volle laag.
-
-Moeders opgekropte ontstemming barstte los en Wies moest heel
-wat hooren over haar onhandigheid, waardoor ze haar niets kon
-toevertrouwen, dan een boodschap doen, en haar onwilligheid, als
-ze toch zag, dat alles in de war liep en Moeder geen raad wist van
-de drukte.
-
-Wies bekeek het geld, dat haar moeder haar gegeven had.
-
-"Dat is toch niet genoeg, om alles van te betalen, rookvleesch is
-toch duurder."
-
-Marietje begon te lachen en Moeder haalde hare schouders op.
-
-"Dat moet je natuurlijk laten opschrijven, weet je wat breng ook wat
-ham mee, die kan dan voor vanmiddag dienen, sla en aardappelen kun je
-wel gaan bestellen bij den groenteboer op den hoek. Dat is pas voor
-vanmiddag, maar de rest hebben we nu dadelijk noodig. Haast je maar
-wat, ik zal blij zijn, als ik de kleintjes in bed heb," en ze vloog
-op Stan af, om hem een vaasje af te nemen, dat hij bijna liet vallen.
-
-Wies aarzelde nog even, ze vond het zoo'n afschuwelijke boodschap,
-brood en boter te gaan halen. Stel je toch voor, dat iemand van de
-school haar zag.
-
-Maar ze begreep, dat ze gaan moest, ze was er wel de aangewezen
-persoon voor, want Moeder liet zich altijd liever door Marietje helpen,
-die zooveel handiger was, dan zij en Henk, ja, Henk was een jongen.
-
-Ze ging dus, schuw omkijkend of niemand haar zag.
-
-Neen, er was niemand, die ze kende, in de straat, haastig deed ze
-hare boodschappen en vloog weer naar huis, waar ze, met een kleur
-van het harde loopen, aankwam.
-
-Gelukkig, dat was alweer voorbij.
-
-Maar helaas, zoo kwam ze er niet af.
-
-Moeder deed haar open, zoodra ze gebeld had en nam alles over. Daarna
-duwde ze haar een zak in de hand, waarin een leeg kannetje en zei,
-dat ze nu nog even melk moest gaan halen.
-
-"Melk?"
-
-"Ja, melk, de kinderen moeten toch iets te drinken hebben."
-
-"Melk, waar moet ik die halen?"
-
-"Bij den slager," riep Henk achteruit de gang.
-
-Wies had geen tijd het scherpe antwoord te geven, dat haar op de tong
-brandde. Moeder gaf haar een dubbeltje in de hand en duwde haar toen
-zacht de straat op de deur achter haar sluitend.
-
-Daar stond ze nu.
-
-Ze moest melk halen, dat was nog erger dan brood en boter.
-
-De melkinrichting, die het meest in de buurt lag, was toch nog twee
-straten ver en als de kan gevuld was, zou ze voorzichtig moeten loopen
-om niet te morsen.
-
-Nog schuwer dan straks keek ze rond, maar weer scheen het geluk haar
-gunstig te zijn.
-
-Ze deed haar boodschap en zag met schrik, dat de kan tot bovenaan
-gevuld werd.
-
-"Kunt u er niet wat minder in doen?" vroeg ze.
-
-"Het is zoo de maat," zei de winkeljuffrouw.
-
-"Ja, maar zoo kan ik er niet mee loopen, schep er als 't u blieft
-wat uit."
-
-Glimlachend voldeed de juffrouw aan haar verzoek.
-
-"Kunt u zoo?" vroeg ze toen.
-
-Wies dacht, dat het nu wel gaan zou, er nog meer uit te laten doen,
-durfde ze niet.
-
-"Onze meid is ziek, ziet u," voegde ze er, verlegen kleurend bij.
-
-"Ja, dat is lastig," vond de juffrouw, en hield de deur voor haar open,
-nadat ze eerst den zak zorgvuldig over de kan getrokken had en netjes
-vanboven dicht gevouwen.
-
-Voorzichtig liep Wies voort, bang te morsen.
-
-O, lieve deugd, daar kwamen Dien en Jo Verschuur aan, als die haar
-maar niet zagen, en Wies keek strak voor zich uit, om de aandacht
-niet te trekken.
-
-Het hielp haar niet, de meisjes kregen haar in het oog en kwamen
-vroolijk op haar af.
-
-"Dag Wies, ben je terug van buiten?" vroeg Jo, haar hand uitstekend.
-
-Wies had de kan met beide handen vast en maakte nu de eene voorzichtig
-los, om die van haar kennisje te kunnen drukken. Toen kreeg Dien
-een beurt en er volgde een druk gesprek over de wederwaardigheden
-in de vacantie beleefd. Wies raakte in vuur bij het vertellen van
-het heerlijke huis met den verrukkelijken tuin van hare grootouders
-en vergat, dat, wat ze in haar hand hield, noodzakelijk heel recht
-gehouden moest worden.
-
-Onder uit den natgeworden zak drupten de witte melkdruppels achter
-elkander neer.
-
-"Wat is dat?" vroeg Dien, "het lijkt wel melk."
-
-"Melk," lachte Jo, "Wies loopt toch niet met melk rond."
-
-Wies werd rood tot de wortels van hare haren.
-
-Wat moest ze beginnen, de melk drupte steeds door en de meisjes
-stonden er om te lachen.
-
-"Het is melk," zei ze benepen.
-
-"Och kom," gierde Jo, "wat moet jij daar mee doen?"
-
-Wies ontdekte juist, dat er een straaltje van het witte vocht op haar
-rok geloopen was en begreep, dat ze zóó niet kon blijven staan.
-
-"Ja, het is melk," herhaalde ze, bonne mine à mauvais jeu makend en
-lachend als een boer, die kiespijn heeft. "Help me in 's hemelsnaam dat
-druppelen doen ophouden. Bet is ziek en Ant nog niet thuis en we zijn
-net aangekomen, ik moest dus wel melk halen, er was niemand anders,"
-voegde ze er in één adem bij.
-
-"Ik geloof, dat de zak vol melk zit, wat moet ik toch doen, kijk mijn
-rok eens."
-
-Dien wist raad.
-
-Ze moesten den zak voorzichtig van de kan aftrekken, Wies moest wat
-voorover gaan staan, zoo, ja zoo ging het zonder al te veel morsen.
-
-Zie zoo, nu de kan met haar zakdoek afvegen. Had ze er geen? Wacht,
-Jo zou den hare wel geven. Nu nog haar rok schoonmaken. Mooi, dat
-was al weer in orde.
-
-"Maar ik kan toch niet met die melkkan in mijn hand verder de straat
-over gaan," klaagde Wies.
-
-"Wil ik een rijtuig halen?" spotte Jo, maar Dien wist al weer raad,
-ze zou Jo's zakdoek er om heen doen, het was gelukkig een groote,
-dan zag je zoo niet dat het een melkkan was.
-
-Zoo gebeurde het dus en zonder verdere ongelukken kwam Wies thuis,
-waar Moeder al niet begrepen had, waar ze bleef en gelukkig niets
-zag van de natte vlekken op haar rok. Alleen vroeg Moeder waar de
-zak was en vond het niet frisch, zoo'n vuilen zakdoek over de kan heen.
-
-"Het papier was nat geworden," zei Wies verlegen.
-
-"Altijd even handig. Ga maar naar binnen en let op de kinderen,
-dan zal ik gauw de melk koken, en kunnen we even een boterham eten."
-
-Wies' eenig antwoord was een zucht.
-
-Ze was en bleef Wies Ongeluk.
-
-Toen ze met het maal klaar waren, brachten Moeder en Marietje de
-kinderen naar bed en moest Wies de bordjes en glazen afwasschen.
-
-"Als ik maar niets breek," dacht ze, het was vandaag weer zoo'n
-echte ongeluksdag.
-
-Gelukkig liep de afwasscherij goed af en kreeg ze zelfs een pluimpje,
-toen Moeder weer beneden kwam, omdat ze het zoo vlug en netjes
-gedaan had.
-
-"Zie zoo, nu ga ik de aardappels schillen, dan maken jullie samen de
-sla schoon."
-
-"Aardappelen en sla," herhaalde Wies verschrikt.
-
-Die had ze heelemaal vergeten te bestellen.
-
-Haar moeder lachte om haar verschrikt gezicht.
-
-"Ja, die heb je immers besteld?"
-
-"Vergeten," mompelde Wies.
-
-"Dan hebben je feeën je eindelijk eens geholpen," lachte Henk,
-"want het heele rommeltje staat in de keuken."
-
-Wies liep er heen, om te zien, wat er van waar was en ja hoor, daar
-stonden zoowel de aardappelen, als de sla.
-
-"Daar begrijp ik niets van," zei ze terugkeerend.
-
-"Het raadsel is anders gemakkelijk genoeg op te lossen," antwoordde
-Moeder. "Toen je om de melk was, had ik zoo'n voorgevoel, dat je de
-groente vergeten zoudt hebben en dus is Henk nog even voor me gaan
-vragen, of je er geweest was."
-
-"Je ziet het, je lijfelijke broeder heeft voor goede fee
-gespeeld. Zoo'n trouwe verknochtheid aan het feeëngeslacht mocht niet
-onbeloond blijven en dus...."
-
-"Toe Henk, loop ons niet zoo in den weg, ga jij maar een beetje naar je
-kamer, of ga uit, maar denk aan de kleintjes, maak geen leven boven,"
-verzocht Moeder.
-
-Henk aarzelde nog even.
-
-"Dat aardappelschillen is een vuil werkje voor uw handen, wil ik
-soms....?"
-
-Lieve jongen, toch!
-
-"Neen, dank je vent, dat behoeft niet, ik zal mijn handen met een
-beetje citroensap wel weer in orde maken."
-
-"Hebt u dan citroen?" vroeg Marietje.
-
-"Neen, dat 's waar ook, nu dan met een puimsteentje, wees jij maar
-niet ongerust hoor."
-
-"Van sla schoonmaken, krijg je ook geen witte handjes," schertste Wies,
-"wil je dat soms voor ons doen?"
-
-Maar Henk liep lachend weg.
-
-"Dank je wel, mijn feeschap is geëindigd, de rest mag je zelf doen,"
-riep hij nog, zijn hoofd door de deur stekend, voor hij verdween.
-
-De middag ging verder rustig voorbij.
-
-De kinderen, vermoeid van de reis, sliepen lang door en Wies, in een
-goede bui, hielp opgewekt het noodzakelijke werk doen.
-
-Aan tafel speelde Henk voor kellner en bediende, met een servet
-over den arm en was zoo dwaas en vroolijk, dat Jantje verklaarde,
-dat hij wou, dat Betje en Ant nooit terugkwamen. De jongens vonden
-het heerlijk aan tafel mee te mogen eten en precies hetzelfde eten
-te krijgen, als de groote menschen, zooals ze het uitdrukten.
-
-Na het eten stond Moeder even in beraad, wat nu te doen. Ze wilde
-liefst met Marietje de vaat gaan omwasschen, maar het was te vroeg
-voor de kinderen, om alweer naar bed te gaan, ze hadden vanmiddag
-zoo lang geslapen.
-
-Ze had zich vast voorgenomen, Wies nooit meer met de kleintjes alleen
-te laten, maar zich door haar doen helpen en Marietje hier laten,
-deed ze ook niet graag, die was zooveel handiger dan Wies. Het beste
-zou zijn, Henk te vragen, de kamer niet uit te gaan, met hun tweeën
-zouden ze toch wel op de kinderen kunnen letten.
-
-Wies voelde zich bepaald gekrenkt, toen Moeder aan Henk vroeg, niet
-weg te gaan, zoolang ze met Marietje in de keuken was, maar ze durfde
-niets zeggen, ze was zich helaas bewust, dat ze wel aanleiding had
-gegeven tot zulk een wantrouwen.
-
-Moeder en Marietje verlieten dus de kamer en Wies begon wat met de
-kleintjes te spelen, terwijl Henk een deuntje op de ruiten trommelde.
-
-De kinderen wilden toen ook voor de ramen zitten en hielden zich
-bezig met te kijken naar het spelen van een paar jongens op straat.
-
-Henk kwam bij Wies zitten, om een gezellig praatje te houden en het
-duurde niet lang, of ze hadden het zoo druk, dat ze niet heel veel
-op de kinderen letten. Het was ook niet noodig, ze waren zoet bij
-het raam aan het spelen.
-
-Schaterend over een grap, die Henk vertelde, schrok Wies een beetje,
-toen ze Jan's stemmetje naast zich hoorde roepen:
-
-"Kersjes, mooie kersjes te koop!"
-
-Ze keek naar het kind en haar schrik verminderde niet, toen ze het
-ventje naast zich zag staan met Moeders sleutelmandje in de hand,
-waarin de sleutels hadden plaats gemaakt voor een heel hoopje roode
-balletjes.
-
-"Wat heb je daar?" vroeg ze, hem het mandje afnemend.
-
-"Kersjes."
-
-Wies bekeek de vermeende kersjes en zag, dat het afgeknipte balletjes
-van de gordijnfranje waren.
-
-"Hoe kom je daaraan?" vroeg ze ontsteld.
-
-"Geplukt van de boomen," en Jantje wees naar de overgordijnen,
-waarvan het onderste gedeelte een totaal afgeknipte franje vertoonde.
-
-Een oogenblik keken Henk en Wies elkaar aan en toen barstten beiden
-in lachen uit.
-
-Jantje en Stan schaterden mee.
-
-Op dat oogenblik kwam Moeder binnen.
-
-"Zoo'n pret, jongelui," zei ze opgewekt.
-
-Toen zag ze het mandje met de roode balletjes in Wies' hand, hare
-oogen dwaalden dadelijk naar de gordijnen en verschrikt vroeg ze:
-
-"Wat is dat? Wat moet dat beteekenen?"
-
-"Kersjes geplukt," verzekerde Jantje trotsch, die, nu Henk en Wies er
-zoo om lachten, het gevoel van iets verbodens gedaan te hebben, geheel
-was kwijt geraakt en zelfs dacht, iets aardigs uitgevoerd te hebben.
-
-Maar Moeder scheen het niets aardig te vinden.
-
-"Jou ondeugende jongen," zei ze, hem bij een armpje schuddend, "hoe
-krijg je zoo iets in je hoofd. Mijn heele gordijnen heb je bedorven."
-
-Jantje keek eensklaps heel schuldig, Wies deed haar best niet te
-lachen, Henk hikte van ingehouden pret en Moeder... nu Moeders
-lippen trilden verraderlijk en in hare oogen tintelde ook meer lach
-dan boosheid.
-
-Ze liep naar de gordijnen en zag, dat het kind de balletjes heel
-netjes afgeknipt had, ze konden er wel weer aangenaaid worden.
-
-"Dat is een goed werkje voor jou, Wies," zei ze, "dat moet je maar
-eens dadelijk netjes gaan doen."
-
-"Ik had nog naar Lottie willen gaan, daar heb ik den heelen dag nog
-geen tijd voor gehad."
-
-"Dat stel je dan maar uit tot morgen. Henk, Henk, dat ik jou ook al
-zoo weinig kan toevertrouwen."
-
-Henk schoot alweer in een lach.
-
-"Vindt u het niet eenig verzonnen, Moes," zei hij, "nu eens
-daargelaten, dat het vernielen is, is het toch allemachtig grappig
-uitgedacht door zulke jonge hersens."
-
-"Als die jonge hersens eens uitdachten, om jouw photographietoestel
-te vernielen, bijvoorbeeld, denk ik, dat je niet zoo lachen zoudt,"
-zei Moeder, hare sleutels bij elkaar zoekend en het schaartje,
-dat ze altijd in haar mandje had en dat het werktuig der vernieling
-geweest was.
-
-Moeder verliet met de kleintjes de kamer en Wies begon het haar
-opgedragen werkje.
-
-Henk rekte zich eens uit.
-
-"Daar kom jij weer goed af," beweerde zijn zusje, "jongens hebben
-het veel beter in de wereld, dan meisjes."
-
-"Loop rondom, jullie zijn zeker stumpers hé. Zeg, ik vind Janneman
-toch een zotten kabouter, jij niet?"
-
-"Dat wel, maar ik vind het vervelend, dat dit nu weer gebeurd is. Als
-ik iets op me neem, schijnt het mis te moeten gaan."
-
-"Ja, als de feeën je verlaten!"
-
-"Toe, zanik niet."
-
-Het kwam er niet heel vriendelijk uit, maar het was ook zoo'n slecht
-begin geweest vandaag, ze had zich zoo vast voorgenomen, dat er niets
-meer op haar aan te merken zou zijn en nu was er vandaag weer zooveel
-vervelends gebeurd.
-
-Enfin, morgen beter, wilde ze maar hopen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VEERTIENDE HOOFDSTUK.
-
-WORSTELEN EN OVERWINNEN.
-
-
-Eenige weken waren voorbij gegaan en Wies was alweer aan het
-schoolleven gewend.
-
-De eerste dag was niet prettig voor haar geweest, ze had het als een
-vernedering gevoeld, dat ze nu te zamen met al die nieuwe meisjes weer
-van voren af aan moest beginnen. Misschien verbeeldde ze het zich,
-maar ze had zoo'n gevoel, dat er onder waren, die haar nieuwsgierig
-opnamen, haar, het meisje, dat niet mee kon, dat moest blijven zitten.
-
-Het werk was haar in de eerste dagen erg gemakkelijk gevallen en dat
-had ze wel prettig gevonden, maar toen het nieuwtje er af was, bemerkte
-ze tot haar schrik, dat ze nog meer moeite had dan verleden jaar,
-om er bij te blijven, omdat ze telkens dingen hoorde, die ze al wist.
-
-Het was om wanhopend onder te worden, je zoudt zien, ze zou
-niettegenstaande het gemakkelijke werk nog slechte cijfers krijgen,
-omdat ze weer onattente fouten maakte en de lessen zoo onbelangrijk
-vond, dat ze haar aandacht er niet bij bepalen kon.
-
-En dan die brief van Vader, die haar zoo bitter had doen schreien.
-
-Ze had hem zoo'n verdriet gedaan, hij schreef, dat hij er zoo vast
-op vertrouwd had, in het verre land goede berichten van haar te
-krijgen, dat hij zoo verlangd had naar goede tijding, zoo gehoopt,
-dat de brieven van Moeder te zwartgallig zouden gebleken zijn. Maar
-helaas, ze had hem bitter teleurgesteld. Een slecht rapport en daarbij
-een schrijven van Moeder, dat alles haar eigen schuld was, dat ze
-gemakkelijk mee had gekund, als ze maar niet altijd zoo onoplettend
-geweest was en zich zoo weinig moeite gegeven had.
-
-"Je hebt me bepaald verdriet gedaan, Wies," schreef Vader, "en de
-eenige manier, waarop je het goed kunt maken, is er voor te zorgen,
-dat ik spoedig van Moeder hoor, dat ze tevreden over je is en dan met
-Kerstmis een prachtrapport. Zorg er voor, dat er geen enkel cijfer
-onder de 8 is."
-
-Och, die brief had haar zoo ongelukkig gemaakt.
-
-En toen wist Vader nog niet eens, wat er door haar schuld bijna
-gebeurd was met de kleine jongens, als hij dat hoorde, wat zou hij
-dan wel van haar denken.
-
-Niets dan achten dus, of negens, aan tienen dacht ze niet eens.
-
-Het zou nooit gaan, ze vond immers het werk nog minder belangwekkend,
-dan verleden jaar.
-
-Het was heusch niet verstandig geweest, haar te laten zitten, ze zou
-best de volgende klasse hebben kunnen volgen, vooral nu Grootvader
-haar zoo heerlijk met de wiskunde geholpen had.
-
-Dat zei ze ook ronduit tegen de directrice, toen deze haar eens bij
-zich had laten ontbieden, omdat er alweer klachten over haar niet
-opletten waren ingekomen.
-
-Deze keek haar ernstig aan en zweeg.
-
-Blijkbaar dacht ze over iets na.
-
-Toen nam ze het groote boek uit haar kast, waarin al de rapporten
-waren opgeteekend en keek de laatste lijsten van Wies na.
-
-Ze riep haar bij zich en met haar vingers de lage cijfers aanwijzend,
-die deze rapporten steeds voor vlijt aanteekenden, zei ze:
-
-"Daar zit de knoop. Ik geloof ook, dat je best had mee gekund, maar
-je hebt niet gewild."
-
-Wies schokte op.
-
-"Ik niet gewild? Hoe kunt u nu zoo iets zeggen, wie blijft nu graag
-zitten."
-
-De directrice glimlachte.
-
-"Je begrijpt me best, kind. En Louise, hoe moet dat gaan, als je
-nu weer lage cijfers voor vlijt krijgt? Dat je je niet schaamt,
-dat begrijp ik me niet."
-
-Wies had moeite zich goed te houden. Ze hield veel van de juffrouw
-en ze zou haar graag hebben toevertrouwd, dat ze zich zoo vast had
-voorgenomen haar uiterste best te doen, maar dat ze niet kon nalaten
-aan wat anders te denken, nu het werk zoo hetzelfde was, als verleden
-jaar. Als ze haar maar voorwaardelijk hadden laten overgaan, dan
-zou ze een prikkel gehad hebben om te werken. Het hoogste, wat ze
-nu bereiken kon, was een goed rapport en dat zou nog als iets heel
-gewoons beschouwd worden, het sprak immers vanzelf, dat een meisje,
-dat voor het tweede jaar in dezelfde klasse zat, geen slechte cijfers
-meer kreeg.
-
-Neen, zij zou iets willen doen, waardoor ze goedmaakte, waardoor ze
-Vader en Moeder een groote vreugde bereidde, waardoor ze zichzelf
-ophief. Gewone dingen interesseerden haar nu eenmaal niet genoeg,
-ze moest voor iets bijzonders hebben kunnen werken, dan zou het haar
-wel gelukt zijn.
-
-"Waarom heeft u me niet voorwaardelijk laten overgaan?" vroeg ze,
-nauw verstaanbaar, ze vond zichzelve erg brutaal, dat zoo maar tegen
-de directrice te durven zeggen.
-
-"Omdat je cijfers daarvoor te laag waren," was het kalme antwoord.
-
-Ze scheen haar dus niet brutaal te vinden en wat moediger ging
-Wies voort:
-
-"Als ik goed had kunnen maken, wat ik het vorige jaar verknoeid had,
-geloof ik, dat me dat wel gelukt zou zijn. Ik heb zoo vreeselijk een
-sterken prikkel noodig," voegde ze er bij en ineens had ze moeite
-niet te lachen, want ze dacht aan haar wensch, een ring te bezitten,
-die bij elke afdwaling van gedachte haar een prik gaf.
-
-De directrice scheen alweer in gedachten verdiept.
-
-Wies stond, verlegen door de stilte, die op hare woorden gevolgd was,
-naar den grond te staren, ze wou, dat de juffrouw maar iets zei,
-dat zwijgen was zoo benauwend.
-
-"Dus een sterken prikkel heb je noodig, als je dien hadt, denk je
-jezelve te kunnen overwinnen."
-
-"Ja juffrouw, dat geloof ik wel."
-
-"Is het geen prikkel genoeg, dat je je ouders plezier zoudt doen,
-met goed te werken?"
-
-Wies kleurde.
-
-"Ik zou juist Vader zoo heel graag een bizonder pleizier doen. Ik
-wilde zoo graag toonen, dat ik niet zoo'n sukkel ben, als ze denken,
-dat, al houd ik vreeselijk veel van mooie dingen, van sprookjes en
-zoo, ik toch ook wel flink kan zijn. Ik zou zoo dolgraag toonen,
-dat ik tot iets bizonders in staat ben."
-
-"En ben je dat dan?"
-
-Weer bloosde Wies.
-
-"Ik geloof het wel. Als ik gelegenheid had, om in te halen en niet
-dat gevoel, dat ik er nu toch allicht kom, al span ik me niet in,
-dan zou ik vechten, tot ik was, waar ik wezen wilde."
-
-"Dat klinkt alles heel mooi, maar zooals je nu eenmaal aangelegd
-bent en verder geworden, door je weinig verzet tegen je fouten, zou
-je al heel dapper moeten wezen, wilde je je doel bereiken. Als ik je
-bijvoorbeeld eens voorstelde, deze drie maanden flink extra te werken
-en je dan gelegenheid gaf, voor de Kerstvacantie een examentje af te
-leggen, om te zien, of je na Nieuwjaar in de volgende klasse zoudt
-kunnen komen, denk je, dat die prikkel dan sterk genoeg zou zijn?"
-
-Wies wist niet, of ze goed hoorde.
-
-Ze werd donkerrood en stotterde:
-
-"Zou dat kunnen?"
-
-De directrice glimlachte even om haar ontroering.
-
-"Wat zal ik je zeggen. Zoo iets is nog nooit voorgekomen en ik ben
-ook niet van plan, daarvan een gewoonte te maken. Maar je schijnt zoo
-ernstig overtuigd te wezen, dat de uitslag goed zal zijn, dat ik lust
-heb, het eens te probeeren en je een kans te geven."
-
-Het liefst was Wies haar om den hals gevlogen, maar het respect hield
-haar tegen. De blik echter, waarmee ze de directrice aankeek, drukte
-zooveel dankbaarheid uit, dat deze er volkomen tevreden mee was.
-
-"Goed, we zullen eens zien, waartoe je in staat bent. Als je na
-Nieuwjaar met volle zeilen kunt binnen varen in de derde klasse,
-dan is dat werkelijk iets bijzonders," voegde ze er glimlachend bij.
-
-Wies lachte ook, een zenuwachtig lachje, ze wist zelf niet, waaraan
-ze op dit oogenblik meer behoefte had, aan lachen of aan huilen.
-
-De directrice keek nu weer ernstig.
-
-"Je zult heel hard moeten werken, mijn kind, vergeet dat niet. In de
-eerste plaats zal je er voor moeten zorgen, dat er aan je werk in
-de klasse niets mankeert, dat je je lessen uitstekend kent en geen
-onoplettende fouten maakt. Dat zal je niet zoo heel veel moeite kosten,
-want je kent alles al half, niet waar, maar dan moet je bijwerken voor
-de derde klasse en dat zal spannen. Je zult heelemaal geen tijd hebben
-voor je liefhebberijen, weet dat wel. Ik zal je natuurlijk helpen,
-je kunt iederen middag om vier uur bij me komen, dan bespreken we
-alles samen en ga ik na, wat je uitvoert. Het is een proef, Louise,
-of ze slagen zal, hangt van jou af. Als je er niet komt, zal ik denken,
-dat je je krachten overschat hebt en zijn we nog even ver."
-
-Wies wist van dankbaarheid niet, wat te antwoorden.
-
-Ze stond daar maar met schitterende oogen en een trek om haar mond,
-dien de directrice nog nooit op haar gezicht gezien had.
-
-"Ga nu maar, kind," zei ze, "en kom dan na vieren bij me, dan zal ik
-je werk opgeven."
-
-Wies aarzelde nog.
-
-"Wat is er? Wilde je nog iets weten?"
-
-Nog even een aarzeling, toen kwam er wat verlegen:
-
-"Kunnen we het niet geheimhouden?"
-
-"Geheimhouden, voor wie?"
-
-"Voor iedereen, voor Moeder bijvoorbeeld. Ik zou er zoo graag een
-verrassing van willen maken."
-
-"Dat zal toch niet gaan. Je moeder zal willen weten, waarom je
-voortaan pas om vijf uur thuiskomt en je zult werkelijk zoo hard
-moeten werken, dat het haar op zal vallen. Je vrije middagen zal je
-grootendeels moeten opofferen en een gedeelte van je Zondagen ook,
-want 's avonds mag je niet te laat naar bed. Ik moet zorgen, dat je
-niet door al te grooten ijver ziek wordt," voegde ze er lachend bij.
-
-Wies lachte ook.
-
-Zij door al te grooten ijver ziek worden, de wonderen zouden dan de
-wereld niet uit zijn.
-
-Maar werken zou ze, werken....
-
-"Dan moet Moeder het maar weten," stemde ze toe, "als ze het dan maar
-niet aan Vader schrijft, ik zou hem zoo dolgraag willen verrassen."
-
-"Dat zou ook heerlijk voor je zijn. Weet je wat, vraag aan je moeder,
-of ze vanmiddag tusschen twee en drie even bij me wil komen, dan
-bespreek ik de zaak zelf eens met haar."
-
-Wat had Wies een moeite, om haar opgewondenheid te bedwingen, toen ze
-dien morgen thuiskwam. Wat had ze een pret in het bedenkelijke gezicht
-van Moeder, toen ze haar de boodschap van de directrice overbracht.
-
-"Heb je weer wat uitgevoerd?" vroeg ze streng.
-
-Wies had moeite haar lach in te houden.
-
-"Niet dat ik weet, Moeder."
-
-"Waarom moet de juffrouw me dan spreken?"
-
-"Dat weet ik niet."
-
-Dat leugentje ging haar niet erg gemakkelijk af en haar moeder bereidde
-zich voor, weer heel wat over haar dochter te moeten hooren.
-
-"Als er ernstige klachten zijn," dacht ze, "dan zal ik dezen keer eens
-zonder genade zijn. Minstens een maand huisarrest op de vrije dagen,
-zoo kan het niet langer."
-
-Toen ze dien middag bij de directrice kwam, was ze niet weinig
-verbaasd, dat er geen bepaalde klachten waren, alleen een voorstel,
-om den toestand te verbeteren.
-
-Ze was er minder mee ingenomen, dan de directrice gedacht
-had, als Louise zorgde, dit jaar over te gaan, was dat al, wat
-ze verlangde. Toen legde de directrice haar uit, dat het doel niet
-zoozeer was, om Louise vooruit te duwen, zij ook vond zoo'n jaar zitten
-blijven niet zoo'n groot bezwaar, maar meer om haar een prikkel te
-geven, waardoor ze er toe komen zou, haar indolentie en neiging tot
-afdwalen te overwinnen, meer om haar karakter te verbeteren, dan om
-haar met alle geweld te laten overgaan.
-
-"Dat vooruitzicht is het middel, niet het eigenlijke doel van de zaak,"
-legde ze uit.
-
-Nu, dan wilde mevrouw Schotter er zich niet tegen verzetten, maar
-zij geloofde nog zoo maar niet, dat het gaan zou.
-
-"We kunnen het probeeren."
-
-"Weet u, wat er gebeuren zal? In de eerste dagen werkt Louise zich
-half dood, overdreven als ze in alles is, overspant zich, wordt ziek
-en later gaat alles weer zijn oude gangetje."
-
-"Dat moeten we juist voorkomen, Mevrouw en daarvoor heb ik uw
-hulp noodig. Louise mag maar een bepaalden tijd aan haar extra werk
-besteden. Kan ze in dien tijd niet klaar komen, doordat ze afdwaalt of
-niet oplet, dan moet ze dat zelf weten. Ik zal u een lijstje geven van
-de uren, die ze werken moet, dan is het aan u, om er op te letten, dat
-die tijd niet overschreden wordt, maar ook niet verminderd door andere
-plichtjes of pretjes. Zoodoende hoop ik juist, dat ze leeren zal,
-haar aandacht te concentreeren, ze weet, ieder oogenblik, dat verloren
-gaat, brengt schade aan het bereiken van haar doel. Begrijpt u me?"
-
-Mevrouw Schotter knikte toestemmend.
-
-"Ja zeker, ik begrijp u."
-
-Toen, alsof het haar plotseling te binnen schoot, dat ze wel
-dankbaarder mocht zijn voor de belangstelling in haar kind:
-
-"Het is zeer vriendelijk van u, zich al die moeite voor Louise te
-willen geven, mijn man zal u ook zeer dankbaar zijn."
-
-"O ja, dat is waar ook. Ik heb Louise beloofd u te vragen, alles
-een verrassing voor haar vader te laten zijn. Bij niet slagen is het
-dan voor hem ook geen teleurstelling. U moet niet denken, dat ik zoo
-zeker ben, van het gelukken van ons plannetje, als Louise in staat
-is haar doel te bereiken, zal ik heusch respect voor haar krijgen,
-want het zal een zware dobber voor haar zijn."
-
-"Ik maak me er niet veel illusie van," en na de directrice nogmaals
-bedankt te hebben voor haar welwillendheid, verliet mevrouw Schotter
-de school.
-
-Nu brak er een moeielijke tijd voor onze Wies aan.
-
-Dezen keer had ze besloten te overwinnen, het kostte, wat het wilde.
-
-Maar gemakkelijk ging dat niet.
-
-Wel had ze nu haar ring, die haar telkens hevig prikte, de gedachte
-aan het doel, dat ze bereiken wilde, het gevoel, dat ze geen oogenblik
-mocht laten verloren gaan. Maar vooral in het begin was het letterlijk
-worstelen om haar aandacht bij haar werk te bepalen. Het lukte lang
-niet altijd, het gebeurde, dat ze bij de directrice kwam, beschaamd en
-verlegen, omdat ze zich bewust was, de lessen niet te kennen, of haar
-werk haastig afgeroffeld te hebben, door gebrek aan tijd. Moeder
-was op dat punt gewoon verschrikkelijk. Geen minuut mocht ze over
-den bepaalden tijd aan haar extrawerk besteden, af of niet, ze moest
-er op een zeker uur mee uitscheiden. Toen ze zich hierover eens bij
-de directrice beklaagde, zei deze, dat ze het uitstekend vond, dat
-ze blij was, dat haar moeder zich zoo flink hield. In het algemeen
-zei de juffrouw weinig, als ze minder goed voor den dag kwam, ze keek
-haar alleen maar lang en ernstig aan en Wies vond dat allernaarst. Ze
-had veel liever een flink standje gehad, ze had nu zoo het gevoel,
-dat de zaak aan haarzelve werd overgelaten, ze kon werken, of ze kon
-het laten, ze zou de gevolgen er van ondervinden.
-
-Het was een prachtige middag in October, toen Wies met een niet te
-onderdrukken zucht haar boek opnam, om een Duitsche taalles te leeren.
-
-Ze was dolgraag met Lottie gaan wandelen, maar ze had precies een
-uur vrij gehad, om eens in de lucht te komen en Lottie had toen juist
-pianoles, zoodat ze maar een beetje op haar eentje was gaan dwalen. Als
-je in een uur uit en thuis moet zijn, kun je niet ver gaan en Wies had
-heel veel lust gehad, er nog een uurtje aan vast te knoopen. Het was
-me iets, om je op zoo'n middag te moeten bezighouden met die saaie,
-drooge Duitsche grammatica, terwijl de zon je naar buiten lokte,
-en het in het bosch nog zoo prachtig was.
-
-Ze was zich evenwel bewust, dat iedere minuut, die ze over haar tijd
-thuiskwam, verloren was voor haar werk, want als de toegestane tijd
-om was, kwam Moeder en nam haar boek weg.
-
-Ze werd wel vreeselijk streng behandeld tegenwoordig, ze pruttelde
-er wel eens tegen, maar in het diepst van haar hart voelde ze, dat
-het goed voor haar was, als ze zich niet bewust was geweest, dat ze
-geen minuut toegift zou krijgen en niet bang, morgen weer met den
-mond vol tanden voor de directrice te moeten staan, dan was ze niet
-naar huis teruggekeerd, maar had zeker den heelen middag rondgedwaald
-en niets uitgevoerd.
-
-Ze boog dus het hoofd over haar boek en trachtte in zich op te nemen,
-wat daar stond.
-
-Waar moest ze haar arme hersens nu weer mee volstoppen?
-
-Datief en Accusatief.
-
-O ja, die vreeselijke regeering van de voorzetsels.
-
-Vooruit maar.
-
-Met de vingers in hare ooren, om toch vooral niet door eenig geluid
-van buiten afgeleid te worden en hare oogen strak op de bladzijde
-voor haar gericht, begon ze:
-
-"An, auf, hinter, neben, in, über, unter, vor und zwischen."
-
-Dat waren die lamme dingen, die twee naamvallen regeerden.
-
-Ze zou ze maar eerst van buiten leeren en dan eens zien, wat het
-verschil in het gebruik was.
-
-En ze begon weer: "An, auf..."
-
-Even kijken.
-
-"An, auf, hinter, neben, zwischen."
-
-Neen, dat was niet goed, dat sissende ding kwam achteraan.
-
-Wat hadden die Duitschers toch een rare klanken, je moest je heele
-mond er naar vertrekken, zwischen, je hadt altijd neiging: zwizen te
-zeggen. Anders wel leuke menschen, dat Duitsche meisje laatst....
-
-Och, daar dwaalde ze weer af, oppassen was de boodschap en met nieuwen
-moed begon ze:
-
-"An, auf, hinter, neben, in," en zoo verder, totdat ze wel dacht,
-dat ze er achter was.
-
-Ziezoo, ze kon ze opdreunen, nu de regels.
-
-Ze worstelde dapper door de moeielijke taalregels heen, ze begreep
-ze niet best, of liever ze was zich bewust, dat ze met de toepassing
-er van niet goed raad zou weten. En dat was juist zoo vervelend, ze
-mocht de voorbeelden uit het boek niet nemen, ze moest andere geven,
-hè, wat maakten ze het haar toch moeielijk.
-
-Eerst toch eens de voorbeelden, die hier gegeven waren, overlezen.
-
-Gudrun stand im Schnee am Meere.
-
-Gudrun, wie was dat ook al weer, ze hadden haar in een van de
-vertaallesjes gehad, maar ze herinnerde zich niet precies meer,
-wie het eigenlijk was. Even kijken.
-
-Ze vond het lesje en begon aandachtig te lezen, maar nog voor het
-uit was, schrok ze op en sloeg haastig het verleidelijke boek dicht.
-
-Stel je voor, daar ging ze zitten lezen en ze moest een taalles leren,
-de tijd ging voorbij, die vreeselijke tijd stond geen minuut stil,
-ze moest haar aandacht bij haar les bepalen, ze moest, ze moest.
-
-Zenuwachtig stond ze op, nam haar boek in de hand en begon met
-onrustige schreden de kamer op en neer te loopen, steeds haar les
-hardop overlezend in de hoop er zoo beter bij te kunnen blijven. Als ze
-bleef zitten, kreeg ze zoo'n slaap, 's avonds vooral kon ze soms niet
-wakker blijven en betrapte ze zich meer dan eens, dat ze heerlijk
-wegdommelde. Ze was dan woedend op zichzelve, beet zich wel eens
-krachtig in haar vinger, uit louter behoefte om iets te doen, dat haar
-helpen zou, wakker te blijven. Ze werd een enkelen keer zoo driftig,
-over wat ze haar machteloosheid noemde, dat ze hare boeken door de
-kamer gooide en met het hoofd op de tafel even uit moest huilen,
-voor ze weer beginnen kon.
-
-Het was echt vechten, wat ze deed, maar ze voelde, dat de weinige
-weken, na het bewuste gesprek met de directrice verloopen, haar al
-wat vooruit geholpen hadden en dat gaf haar moed.
-
-Slagen zou ze. Er hing te veel van af.
-
-Als ze niet slaagde, zou ze nooit meer het gevoel kunnen kwijtraken
-van haar onbeduidendheid, er zou goedig geglimlacht worden om haar
-vergeefsche pogingen, Moeder zou zeggen, dat ze niet anders verwacht
-had en de directrice? O, die zou zeggen, dat ze den moed niet moest
-opgeven, dat ze maar door moest gaan met haar best te doen, maar
-dat zou ze niet kunnen, dat wist ze zeker. Nu deed ze werkelijk haar
-uiterste best, ze voelde, dat ze zich krachtig inspande om haar doel
-te bereiken, mocht haar dat mislukken, dan....
-
-Ja, wat dan?
-
-Nog vóór haar moeder dien middag bij haar kwam, om te zeggen, dat de
-tijd om was, kende Wies haar les. Hare wangen gloeiden, hare oogen
-brandden van de inspanning, die het haar gekost had, niet meer af te
-dwalen, maar ze had haar taalles nu onder de knie, ze voelde, dat ze
-die voorzetsels de baas was en opgewonden van blijdschap, dat ze gekund
-had, wat ze wilde, ging ze met Moeder mee om piano te gaan studeeren.
-
-"Rust eerst een kwartiertje," zei haar moeder, haar aanziende,
-"je ziet er moe uit."
-
-"Och neen, Moes, dat hoeft niet, laat me maar dadelijk beginnen."
-
-"Dan ben ik er eerder af," voegde ze er in gedachte bij.
-
-Het studeeren ging niet schitterend, ze moest er nu telkens aan denken,
-dat ze die nare Duitsche les zoo prachtig kende.
-
-Nu nog langer zich zelve de baas te blijven, dat zou te veel gevergd
-zijn van ons Wiesje.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
-
-DRAMA MET APOTHÉOSE.
-
-
-Op een Zondagmorgen in November werd Wies gewekt door een ratelend en
-kletterend geluid, dat ze zich in het eerste oogenblik van ontwaken
-niet thuis kon brengen.
-
-Ze richtte zich verschrikt in bed op en riep onwillekeurig: "ja,
-ik ben al wakker."
-
-Maar het leven hield niet op en toen ze met slaperige oogen rondkeek in
-het flauw verlichte kamertje, drong het tot haar bewustzijn door, dat
-het geweld, waardoor ze gewekt was, veroorzaakt werd door het kletteren
-van groote hagelsteenen tegen de ruiten van haar venster en op het dak.
-
-Ze liet zich weer neervallen en trok huiverig de dekens wat hooger op.
-
-Brr, wat een noodweer, nu ze met bewustzijn luisterde, hoorde ze ook,
-hoe de wind gierde.
-
-Ze moest eensklaps denken aan dien nacht, gevolgd op Vaders vertrek
-en aan den angst, dien ze toen gehad had, dat het schip in gevaar
-zou zijn en haar vader zou kunnen verongelukken.
-
-Nu had ze niemand op zee, waarvoor ze behoefde te vreezen, Vader was
-ver weg, heelemaal in Indië.
-
-Ze nestelde zich nog wat gemakkelijker in haar kussens.
-
-Hoe laat zou het zijn?
-
-Ze zou maar niet kijken, want als ze zag, dat het acht uur was,
-zou ze op moeten, dat was zoo het Zondagsklokje van opstaan.
-
-Neen, ze bleef nog een oogenblikje heerlijk liggen, zoo knus in het
-warme bed, terwijl het buiten zulk een weer was. November had al heel
-wat leelijke dagen gegeven, maar zooals vandaag!
-
-Neen maar, hoor toch eens, het leek wel, of de ruiten stuk moesten en
-dan dat spektakel op het dak! Gelukkig, dat ze niemand op zee had. Hè,
-wat een windvlaag, het huis kraakte er van.
-
-Neen, zij had nu geen lieven vader, dien ze in gevaar wist, zij niet,
-maar anderen wel, hoevele vrouwen zouden angstig uitkijken, of er ook
-iets te zien was van de pink, waarop man en zoon overgeleverd waren
-aan de woeste elementen. Eén ding was gelukkig, dat het Zondag was
-en verreweg de meeste booten thuis zouden zijn.
-
-'t Moest anders wel vreeselijk wezen, te weten, dat iemand, waarvan
-je dolveel hield, nooit terug zou keeren.
-
-Soms overviel haar ook die angst, Vader was zoover weg en er kon
-zooveel gebeuren, die nare cholera heerschte weer in verschillende
-deelen van Indië.
-
-Ze wierp de dekens van zich af, ze kreeg het er benauwd van.
-
-Kom, ze zou maar liever opstaan, het was toch al over den tijd
-meende ze.
-
-Een beetje schuw keek ze naar het klokje.
-
-Bij half negen, lieve deugd, ze mocht zich wel haasten, anders begon
-de dag alweer met een standje en ze was toch zoo kriebelig met dat
-nare weer. Ze moest oppassen, zoo licht gaf ze een brutaal antwoord
-en Moeder was in den laatsten tijd zoo tevreden over haar en had
-juist gezegd, dat ze blij was, nu eens geen klachten aan Vader te
-moeten schrijven.
-
-Ze haastte zich dus zooveel mogelijk, en kwam niet al te laat beneden,
-hoewel de anderen er al waren en Henk spottend naar de klok keek.
-
-Maar Moeder gaf hem een wenk, haar niet te plagen en zei zelf ook
-niets. Moes was in den laatsten tijd wel erg lief voor haar, ze
-merkte misschien, dat ze zoo haar best deed en ook heusch wel wat
-minder droomerig en afgetrokken was, dan vroeger.
-
-Na het ontbijt stond ze een oogenblik in beraad wat te doen.
-
-Zondagsochtends met mooi weer mocht ze altijd met Lottie gaan wandelen,
-maar het was gewoon noodweer. Misschien zou Moeder niet willen,
-dat ze met zulk een weer uitging.
-
-Voorzichtig zei ze:
-
-"Het weer klaart wel een beetje op, vindt u niet?"
-
-Een hevige hagelslag tegen de ruiten was het antwoord en allen begonnen
-te lachen.
-
-"O ja," zei Moeder droogkomiek, "het is bepaald heerlijk weer. Je
-gaat zeker wat met Lottie wandelen, hè?"
-
-Wies lachte nu ook.
-
-"Neen, dat we niet kunnen wandelen, begrijp ik wel, maar ik had even
-naar haar toe willen gaan, we spreken elkander tegenwoordig zoo weinig,
-nu we niet meer in één klasse zitten."
-
-Henk keek tragisch en reciteerde:
-
-
- "Ja, dat is heel erg,
- En als nu de berg,
- In den vorm van Lot,
- Die lieve, lekkre dot,
- Niet naar Mahomed komt,"
-
-
-"Dan wil Mahomed naar den berg, precies. Mag ik gaan, Moes?"
-
-Mevrouw Schotter keek naar buiten, waar de boomen in den tuin op
-en neer stonden te zwiepen en de hagel nu vervangen was door een
-regentje, dat als een dichte sluier neerviel en de omgeving bijna
-aan het oog onttrok.
-
-"Je kunt er niet door," zei ze.
-
-Wies keek teleurgesteld, ze had eigenlijk wel geen ander antwoord
-verwacht, maar nu ze het kreeg, had ze toch het land.
-
-"Werk vanochtend, misschien klaart het weer vanmiddag op," stelde
-moeder voor.
-
-"Vanmiddag gaat Lot op visite bij dat nieuwe meisje, dat pas in haar
-klasse gekomen is. Toe, laat me nu maar gaan."
-
-Moeder schudde van neen.
-
-"Het is geen weer om onnoodig door te gaan. De wind op zichzelf is
-al erg genoeg en met die stortregens gaat het heelemaal niet."
-
-"Als het dan straks soms ophoudt met regenen, mag ik dan even?"
-
-Haar moeder maakte een gebaar van ongeduld.
-
-"Kind, wat zeur je. Goed dan, als het droog wordt, mag je gaan,
-maar nu wil ik er geen woord meer over hooren."
-
-Wies zweeg, al blij met die voorwaardelijke toestemming. Ze ging
-naar boven, om een boek en een schrift te halen, ze zou maar vast
-een beetje gaan werken, dan ging de tijd gauwer voorbij en had ze
-van middag minder te doen. Of zou ze een oogenblikje lezen?
-
-Dat mocht ze nu alleen Zondags en meestal kwam ze er enkel 's avonds
-aan toe, doordat ze met goed weer 's morgens ging wandelen en 's
-middags werken moest. Soms ging ze bij Lottie op visite, of kwam deze
-bij haar en dan lazen ze elkaar voor, maar veel kwam daar nooit van,
-meestal hadden ze den tijd omgebabbeld, voor ze het wisten.
-
-Nog had ze geen besluit genomen, wat te doen, lezen of werken, toen
-de deur van haar kamertje openging en Henk binnenkwam.
-
-"Teerbeminde zuster, ik moet je spreken," zei hij op pathetischen toon.
-
-"Ge zijt welkom, geliefde broeder," antwoordde Wies lachend.
-
-Toen voegde zij er nieuwsgierig bij:
-
-"Wat moet je?"
-
-Henk maakte een diepe buiging.
-
-"Mijn hooggeachte en geduldige schuldeischeres mijn schuld afdoen."
-
-"Je schuld?"
-
-"Ja, kijk maar niet zoo verbazend snugger, mijn schuld," en hij telde
-één rijksdaalder, drie guldens en verder kwartjes en dubbeltjes op de
-tafel neer, tot groote verbazing van Wies, die zich nu herinnerde,
-dat ze hem dat geld in het voorjaar gegeven had, maar cadeau, niet
-te leen. Hij had toen immers gezegd, dat hij het nooit zou kunnen
-oversparen van zijn zakgeld, daarom had ze het hem juist geschonken.
-
-Hoe kwam hij daar nu aan?
-
-Een vreeselijke gedachte kwam bij haar op.
-
-Zou hij weer gespeeld hebben en dit zijn winst zijn?
-
-Ze greep zijn arm vast en keek hem angstig aan.
-
-"Hoe kom je aan dat geld?" vroeg ze.
-
-Henk hield op met tellen, niet weinig verwonderd over haar uitval.
-
-"Gestolen," zei hij toen droog.
-
-Dat die jongen nu alweer gekheid maakte, geen fatsoenlijk woord kon
-je ooit uit hem krijgen.
-
-"Wees nu eens ernstig, Henk, toe, zeg, hoe kom je aan dat geld?"
-
-"Ik heb een ezeltje gekocht, een kostbaar beestje, als je het maar
-handig weet op te vangen, dan...."
-
-"Henk, zeg me nu de waarheid, je hebt toch niet weer gespeeld?"
-
-Ze zag er zoo angstig uit, dat Henk diep in zijn binnenste voelde,
-dat ze toch een lieve zus was, om zoo bezorgd voor hem te zijn. Maar
-zoo iets toont een jongen niet, meisjes worden zoo gauw pedant.
-
-"Je hebt nog al een mooi idee van me, had ik niet beloofd, het niet
-meer te doen," zei hij quasi barsch.
-
-Wies kreeg een kleur.
-
-Henk scheen beleedigd, ze had hem ook niet moeten verdenken van zijn
-woord te breken, maar eigenlijk had hij dat niet bepaald gegeven. Hij
-had toen gezegd, dat hij in de vacantie vanzelf niet met de lui
-in aanraking kwam en dat ze verder maar niet vooruit moest tobben,
-of iets dergelijks.
-
-Dat hij nu zoo verontwaardigd was over haar veronderstelling, bewees,
-dat hij het niet gedaan had en ze slaakte een zucht van verlichting.
-
-"Je moet er niet boos om zijn," zei ze zacht, "maar ik was er altijd
-zóó bang voor."
-
-Henk wist nog zijn ernst te bewaren.
-
-"Boos niet, maar diep bedroefd, het is niet prettig om te merken,
-dat je eigen zuster je voor zoo'n zwak vat houdt. Maar helaas, ik
-heb dat verdiend door mijn vroegere zonden."
-
-Zijn stem trilde, als van onderdrukt lachen en toen Wies hem goed
-aankeek, zag ze een lichtje flikkeren in zijn blauwe oogen en zijn
-wangen toonden verraderlijke kuiltjes.
-
-Ze sloeg haar arm om hem heen en gaf hem een klinkenden kus.
-
-"Malle jongen," lachte ze.
-
-Henk veegde quasi ontsteld zijn wang af.
-
-"Zoo'n straf heb ik niet verdiend," beweerde hij.
-
-Zijn zusje gaf hem lachend een flinken duw.
-
-"Nare beer, is dat een manier om met dames om te gaan."
-
-"Dames, wat noemt zich al geen dame! Zeg eens, alikruik, wil je het
-geld, of wil je het niet? We mogen ons wel wat haasten, want Moeder
-behoeft er nu juist niet het fijne van te weten."
-
-Hij telde verder tot al de kwartjes en dubbeltjes op tafel lagen en
-vroeg toen plechtig om een quitantie.
-
-Wies streek alles bij elkaar en borg het in haar kast.
-
-"Dank je wel, hoor, dat is een meevallertje," verklaarde ze, "maar toe,
-Henk, zeg me nu, hoe je er aan komt. Ik denk heusch geen kwaad van je,
-maar ik zou het toch zoo graag weten."
-
-Henk ging op de tafel zitten en stak een sigaret aan.
-
-"Kan ik je ook dienen?" vroeg hij.
-
-"Dank je, verleider, je weet, dat ik het dolgraag doen zou, maar niet
-mag van Moes."
-
-"'t Is ook niet goed voor kleine meisjes," en Henk stak zijn
-sigarettenkokertje weg.
-
-Lustig dampend begon hij:
-
-"Je moet weten, dat ik van den zomer op de wandelingen met den ouden
-heer...."
-
-"Met den ouden heer, maar Henk!"
-
-"Met Grootvader dan. Wat ik zeggen wilde, als we dan samen door de
-velden liepen, bespraken we nog al eens het een en ander, je weet,
-Grootvader is een leuke baas..."
-
-"Maar Henk dan!"
-
-"Alweer niet goed? Als je nu eens zweeg, zou er misschien kans zijn,
-dat ik voor den avond klaar kwam. Nu dan, we bespraken zoo van alles
-en voor ik het me goed bewust was, had hij me ten binnenste buiten
-gekeerd en wist alles van mijn misdaad af. Hij keurde het natuurlijk
-niet bepaald malsch af, maar hij is iemand, die allemachtig leuk weet
-te redeneeren en hij kreeg het zoover, dat ik hem mijn eerewoord gaf,
-nooit meer tot het spel te vervallen. Het mooiste was, dat hij me
-dat eerewoord niet afdwong, waarachtig niet, hij had er zoo deksels
-mooi op los geredeneerd, dat ik een afschuw van de grap gekregen had
-en heelemaal uit mijn eigen die belofte aflegde."
-
-"Heerlijk, Henk."
-
-"Ja de oude, ik bedoel Grootvader, heeft me geen geringen dienst
-bewezen, dat voel ik zelf. Je kunt je niet voorstellen, wat een flink
-type dat is, je moet zoo eens met hem praten, als ik gedaan heb,
-dan voel je in je binnenste zoo'n echt respect voor hem, dan krijg je
-zoo'n gevoel, dat daar nu een man voor je staat en dat je het heele
-aardsche tranendal nog zoo kwaad niet vindt, omdat je toch altijd
-ook een kansje gegeven is, tot iets dergelijks op te groeien."
-
-Wies was er stil van.
-
-Zóó had Henk zich nog nooit uitgelaten, ze had hem altijd beschouwd,
-als een besten jongen, maar als zeer luchthartig, gevaarlijk
-luchthartig zelfs en nu bleek hij heel anders te zijn.
-
-"Vader lijkt op Grootvader, vin' je niet?" vroeg ze.
-
-"Vader? O, Vader is ook een bovenste beste, maar Grootvader is toch
-weer anders. Enfin, zoo is het dus gegaan. Toen moest ik hem ook nog
-beloven, dat ik mijn schuld aan jou af zou doen. Hij vond, dat ik dat
-zootje zelf bij elkaar moest sparen, hij heeft er wel een begin mee
-gemaakt, den eersten riks gaf hij me cadeau, maar de rest moest ik
-zelf zien op te halen. Amusant was dat niet bepaald, ik had nog een
-kleinigheid en verder heb ik al dien tijd als een gierigaard geleefd,
-maar nu ben ik er af, gelukkig."
-
-Wies was bepaald ontroerd, door wat ze in haar hart een heldendaad
-vond.
-
-"Laat ik je er wat van teruggeven," zei ze.
-
-"Er me wat van teruggeven? Wat denk je van me. Neen meisje, je kent
-je broer nog niet, zijn zieltje is nu juist weer rein en vlekkeloos,
-denk je, dat hij dat dadelijk weer door het vuile geld wil laten
-bezoedelen?" en Henk maakte zulk een gebaar van afschuw, dat Wies
-het uitschaterde en hem naholde, toen hij de kamer uitvloog.
-
-Hij liet zich niet vangen en hijgend kwam ze in haar kamertje terug,
-waar ze, nog lachend, op een stoel neerviel.
-
-Toen ze wat uitgeblazen was, bleek het, dat de regen had opgehouden
-en haastig maakte ze zich klaar, om nog wat naar Lottie te gaan. Aan
-de koffietafel vroeg Moeder haar, hoe het weer was. Zij was de eenige,
-die uit was geweest.
-
-"Goed," verklaarde Wies, "alleen een beetje wind."
-
-"Noem je dat een beetje wind? Je moet weten, dat ik vanmiddag graag
-een verjaarsvisite zou maken bij iemand, die tachtig jaar wordt
-vandaag. Op zoo'n leeftijd sla je een verjaardag niet graag over,
-maar ik zie er wel tegenop er door te gaan, het stormt gewoon."
-
-"'k Ga er ook door," verklaarde Henk, "ik heb een afspraak."
-
-"O, jij bent een jongen, jullie verwaait zoo niet. Ik zie er bepaald
-tegen op, maar ik zal het toch maar doen. 't Is Betje's uitgaansdag,
-Wies en Marietje beloven me zeker, goed op de kleintjes te zullen
-passen. Je blijft van middag toch thuis, nietwaar, kind?"
-
-Marietje knikte toestemmend.
-
-"Kan ik er zeker van opaan?"
-
-"Vast, Moes."
-
-Wies had alweer een onaangenaam gevoel.
-
-Moeder scheen haar nog altijd de kinderen niet toe te vertrouwen. Nu,
-dan moest Marietje er de verantwoordelijkheid ook maar van dragen,
-dan was zij er af.
-
-"Wat ga je doen?" vroeg ze aan haar zusje, toen dien middag haar
-moeder vertrokken was en ze met hun viertjes alleen waren.
-
-"Mijn handwerk voor St. Nicolaas afmaken. Ik ben blij dat Moeder uit
-is, ik wist al niet, hoe ik klaar moest komen. En jij?"
-
-"Ja, zie je, ik moet nog een Fransche thema maken. Je wilt dan zeker
-wel op de kinderen letten, want ik moet mijn aandacht bij mijn werk
-hebben."
-
-"Natuurlijk, laat dat maar aan mij over," en Wies moest inwendig
-lachen om het pedante snoetje, waarmee haar zusje die woorden uitsprak.
-
-Wies verdiepte zich dus in haar thema, ze vond hem moeielijk en
-eenige maanden geleden, zou het haar misschien niet gelukt zijn, haar
-aandacht bij haar werk te bepalen. Nu ging het, zij het dan ook niet
-zonder moeite. Zoodra hare gedachten een andere richting uit wilden,
-dwong zij ze, tot haar werk terug te keeren. Ze had door de praktijk
-geleerd, dat men wel degelijk baas kon zijn over zijn gedachtengang,
-met haar doel als een vast punt voor oogen en het gevoel van te willen
-en te moeten slagen, voelde ze hare krachten groeien en het heerlijke
-gevoel van vooruit te gaan, was al een belooning op zich zelf.
-
-Wat was het stil in de kamer.
-
-Ze keek even op en zag Marietje over haar werk gebogen, ijverig de
-naald hanteeren, terwijl de jongens rustig samen op den grond speelden
-met blokken en soldaatjes.
-
-Ze werkte weer door.
-
-Buiten gierde nog altijd de wind, van tijd tot tijd deed hij het vuur
-in de kachel hoog oplaaien, zoodat de vlammen even door de reten van
-het deurtje sloegen, om dadelijk weer naar binnen te verdwijnen. De
-regen kletterde tegen de ruiten en Wies dacht, hoe jammer het was,
-dat het niet droog was gebleven. Moeder had natuurlijk voor de
-verjaarvisite haar beste goed aan. Misschien ook niet, Moes was
-zoo zuinig.
-
-"Weet je ook, Marietje, of Moeder haar nieuwen mantel aan heeft,
-het regent zoo."
-
-Even keek haar zusje op, naar den nu in stroomen neerstortenden regen.
-
-"Ik geloof het wel, maar het zal een bui zijn, zoo hard regent het
-niet lang achtereen. Moeder zal wel wachten, tot het weer droog is."
-
-Dat hoopte Wies dan maar en weer begon ze aan haar werk.
-
-Ze had vanmiddag iets onrustigs over zich, waarom, begreep ze niet,
-de kinderen waren bizonder zoet, ze schenen zich best te amuseeren.
-
-Marietje sprak geen woord, tamelijk saai, maar wel goed om rustig
-te kunnen werken en toch.... ze had meer moeite, dan in den laatsten
-tijd het geval was geweest, om bij haar thema te blijven.
-
-Marietje had beloofd, op de kinderen te letten, maar ze keek er
-niet veel naar om. Ze waren zoet, dat was waar, maar telkens als ze
-een zinnetje af had, voelde ze den drang om eens te kijken, wat ze
-uitvoerden en dat leidde haar af.
-
-Eindelijk gelukte het haar, eenige zinnen achter elkaar te vertalen. Ze
-begon er in te komen. Daar ontmoette ze een woord, dat ze niet wist,
-ze herinnerde zich ook heelemaal niet, het in haar boek gehad te
-hebben, ze zou het maar eens in de dictionnaire opzoeken.
-
-Ze stond op om deze te krijgen, bleef een minimum van tijd verstijfd
-staan en vloog toen op Jantje aan, die met zijn schortje, dat aan
-den onderkant vlam had gevat, heen en weer zwaaide.
-
-Op het kind toevliegen, het schortje afrukken, de vlam uitdooven,
-was het werk van een oogenblik. Vóór Marietje goed wist, wat er
-gebeurd was, zag ze Wies, met een doodsbleek gezicht, waarin een paar
-verschrikte oogen, staan, met het half verbrande schortje in haar
-hand, terwijl Jantje zich driftig op haar wierp en met zijn kleine
-vuist naar haar sloeg en Stan in een luid gehuil uitbarstte.
-
-"Wat is er gebeurd?" vroeg ze verschrikt.
-
-Jan gilde het uit.
-
-"Ze heeft het mooie vlammetje kapot gemaakt, die akelige Wies,"
-jammerde hij.
-
-"Oooo.... mooi vlammetje kapot gemaakt," huilde de echo.
-
-Marietje zag nu even wit als Wies en keek ontsteld naar het zwart
-verkoolde schortje.
-
-"Stonden ze in brand?" vroeg ze, met ontzetting in stem en oogen.
-
-Wies knikte van ja, ze kon niet antwoorden, de schrik had haar te hevig
-aangegrepen en de kinderen van zich afduwend, viel ze op de rustbank
-neer en met haar gezicht in de kussens barstte ze in tranen uit.
-
-Marietje stond verlegen toe te kijken, ze was natuurlijk niet zoo
-hevig geschrokken als Wies, want ze had het gevaar pas bemerkt,
-toen het voorbij was.
-
-Ze schudde den nog steeds huilenden Jantje eens flink door elkaar en
-zei, dat hij oogenblikkelijk zijn mond moest houden.
-
-Jantje huilde maar door: leelijke Wies, akelige Wies, en Stan herhaalde
-dit trouw.
-
-Intusschen was Wies een beetje bekomen, ze droogde haar tranen af en
-begon de kinderen te ondervragen.
-
-Hoe was dat gekomen? Hoe kwam Jantje's schort in brand?
-
-Jan, getroost, omdat hij nu vertellen kon, zei, dat de vlammetjes
-zoo aardig door het deurtje kwamen, heel eventjes maar, hij had er
-met Stan naar gekeken en het mooi gevonden. Maar toen waren ze een
-heel poosje niet gekomen, en toen had hij gedacht, dat ze niet door
-het reetje konden en had het deurtje een beetje open gemaakt.
-
-"De kacheldeur?" vroeg Wies ontsteld, "kon je dat dan?"
-
-"Ja," knikte Jantje, "en toen het open was, kwam er een heel groote
-vlam uit en pakte mijn schortje en het was zoo mooi, maar jij, akelig
-mensch, heb het dadelijk uitgemaakt."
-
-Wies voelde het koude zweet op haar voorhoofd bij de gedachte,
-aan wat er gebeurd zou zijn, als ze niet toevallig opgestaan was,
-om die dictionnaire te krijgen.
-
-Ze werd weer zoo wit, dat Marietje angstig naar haar keek.
-
-"Heb je je pijn gedaan?" vroeg ze.
-
-"Neen, ik geloof het niet ten minste," want half onbewust voelde ze
-wel een schrijnende pijn aan haar linkerhand.
-
-Ze keek er naar en zag een leelijke, roode streep binnen in de palm.
-
-"Ik schijn me gebrand te hebben," zei ze.
-
-Nu kwam dadelijk het huismoedertje in Marietje boven, ze haalde een
-fleschje lijnolie en kalkwater, dat Moeder altijd in huis had en een
-linnen lapje en verbond netjes de gebrande hand.
-
-Wies gaf haar een kus.
-
-"Dank je wel, je bent 'n echte ziekenverpleegster, hoor."
-
-Toen het schortje bekijkend, waarvan het onderste deel geheel
-uitgerafeld was, met een langwerpig gat naar boven toe:
-
-"Wat zal Moeder zeggen?"
-
-Marietje gaf geen antwoord, maar zag er uit, of ze geweldig het
-land had.
-
-Het was ook iets voor haar, gewoon als ze was, precies te doen,
-wat er van haar verwacht werd en daarom steeds geprezen te worden,
-nu te staan voor het feit, dat door haar verdiept zijn in eigen werk,
-de kinderen bijna verbrand waren. Als Wies niet juist had opgekeken,
-was het misschien te laat geweest, als Jantje gemerkt had, dat het
-geen spelletje meer was en gegild had, was hij wellicht reddeloos
-verloren geweest.
-
-Ze rilde er van.
-
-"Jij hebt hem het leven gered, Wies," zei ze eerlijk.
-
-Haar zusje lachte:
-
-"Een gelukkig toeval, anders niet. Als ik dat gezegende moeielijke
-woord niet in mijn thema gehad had, dan.... hè ik moet er niet aan
-denken."
-
-Daar werd gebeld, dat zou Moeder zijn.
-
-Zoo was het en Stan vloog haar tegemoet, met een verhaal van die
-stoute Wies, die het mooie vlammetje kapot gemaakt had.
-
-Ze begreep er niets van, maar binnen gekomen zag ze de nog ontdane
-gezichten van haar dochtertjes en het half verbrande schortje van
-Jan. Ze voelde haar knieën onder zich knikken, zou er een ongeluk
-gebeurd zijn?
-
-Maar ze zag dadelijk, dat Jantje ongedeerd, hoewel met een behuild
-gezichtje, voor het raam stond en Stan was haar te gemoet gekomen,
-de kinderen waren dus gezond en wel.
-
-"Wat is er gebeurd?" vroeg ze.
-
-Eenigszins stotterend vertelde Wies het gevaar, waarin Jantje
-verkeerd had.
-
-Haar moeder drukte het ventje zenuwachtig tegen zich aan. Ze dacht
-er op het oogenblik niet aan, hoe het kind gered was en door wie en
-zei op verwijtenden toon:
-
-"Dat ik jullie geen van beiden vertrouwen kan, jou ook al niet,
-Marietje."
-
-Het meisje werd nog bleeker, dan ze al was.
-
-Ze was zich schuld bewust, ze had totaal niet op de kinderen gelet,
-maar dat Moeder, die haar altijd prees, nu op dien toon tot haar sprak,
-was meer dan ze verdragen kon.
-
-"Wies is toch de oudste," mompelde ze.
-
-Haar moeder nam dat woord dadelijk over.
-
-"Ja natuurlijk, Wies is de oudste, maar we weten nu eenmaal, wat we
-aan Louise hebben en hoe we haar vertrouwen kunnen."
-
-De gedachte aan wat had kunnen zijn en wat ze bij haar thuiskomst
-had kunnen vinden, maakte haar onrechtvaardig.
-
-Marietje, die in haar verlegenheid de schuld eenigermate op Wies had
-overgedragen, kon dàt toch niet hebben.
-
-"Wies heeft de vlam uitgedrukt en zelf haar hand gebrand," zei ze.
-
-"Je hand gebrand? Heb je je bezeerd, kind?" en eensklaps bezorgd,
-keek Moeder naar de verbonden hand.
-
-"O, dat is niets, maar we konden het heusch niet helpen, we dachten
-niet, dat Jantje het kacheldeurtje open kon krijgen."
-
-"Dat kan hij ook niet, als het goed gesloten is, daar ben ik zeker
-van."
-
-Daar kwam Henk binnen en moest natuurlijk van A tot Z hooren, wat er
-gebeurd was.
-
-Hij luisterde aandachtig en griezelde, toen hij naar de twee blonde
-broertjes keek, die al weer genoegelijk samen aan het spelen waren.
-
-Toen ging hij naar Wies toe en haar op haar schouder slaande,
-verzekerde hij, dat ze een flinke meid was en dat zonder haar in
-plaats van die kleine kabouters, twee hoopjes asch op het tapijt
-zouden liggen.
-
-Zijn moeder rilde van afschuw en verzocht hem te zwijgen, was dat nu
-iets om mee te spotten?
-
-Henk lachte en beweerde, dat hij er niet aan dacht om te spotten en
-dat Wies zich flink gedragen had, daar ging niets van af. Ze had toch
-best haar tegenwoordigheid van geest kunnen verliezen in den eersten
-schrik en wat dan?
-
-Over Wies' bleek gezichtje trok een blos. Die lieve Henk, hij was de
-eerste, die er aan dacht, dat ze toch wel getoond had, tot handelen
-in staat te zijn, als de nood aan den man kwam.
-
-"Het is een gelukkig toeval, dat ik opstond," zei ze, "Moeder zegt nu
-wel, dat we beter op de jongens hadden moeten passen, maar we konden
-ze toch niet aldoor in het oog houden. Het was alles het werk van
-een paar minuten."
-
-Moeder had, in gedachten verdiept, voor zich uit staan staren.
-
-Henks woorden hadden haar eensklaps doen inzien, wat ze aan de
-tegenwoordigheid van geest van Wies te danken had en nu stak ze de
-hand naar haar dochtertje uit en trok het naar zich toe.
-
-"Henk heeft gelijk," zei ze, "het is en blijft waar, dat je beter op
-de kinderen hadt moeten letten, maar toen het eenmaal gebeurd was,
-heb je je flink gehouden. Ik moet er niet aan denken, hoe de toestand
-hier zou zijn, als je wat langer geaarzeld had, of om hulp geroepen,
-in plaats van dadelijk in te grijpen. Ik dank je wel kind," en ze
-kuste het meisje hartelijk.
-
-Wies straalde.
-
-Ze beantwoordde den kus en stootte daarbij tegen haar hand, wat haar
-even een kreetje van pijn ontlokte.
-
-"Je hebt je toch niet erg gebrand?" vroeg haar moeder bezorgd. "Laat
-ik het eens nakijken. Wie heeft je zoo flink verbonden? Marietje?"
-
-Het kind stond bleek en gedrukt in een hoekje.
-
-Het was zoo heel weinig gewoon, schuld aan iets te hebben, het was
-er heelemaal door uit haar sfeer gerukt.
-
-"Kom eens hier," zei Moeder, "laat ik je ook maar gauw afkussen. Tob
-er nu maar niet meer over, laten we maar blij zijn, dat alles zoo
-goed is afgeloopen."
-
-"Mooi zoo," riep Henk, "dat gaat goed. Als de vrouwen eenmaal aan
-het kussen zijn, komt er geen eind meer aan. Als 't u blieft, hier
-is nog een lading," en hij pakte den hevig tegenspartelenden Stan op
-en duwde hem in zijn moeders armen.
-
-Deze mokkelde hem eens flink, wat de jaloezie van Jantje opwekte,
-die dadelijk ook gepakt wilde worden.
-
-Zoo stond Moeder dan, met op iederen arm een jongen terwijl Marietje
-zich tegen haar aandrukte en Wies het neerhangend handje van Janneman
-kuste.
-
-"Apotheose," verklaarde Henk, "tot slot van het drama Wies Ongeluk
-als heldin, of het brandende jongetje."
-
-
-
-
-
-
-
-
-ZESTIENDE HOOFDSTUK.
-
-"LEVE ONS WIESJE, DE HELDIN!"
-
-
-Het was 24 December, 's morgens om zeven uur.
-
-Nauwelijks had Wies hare oogen geopend en had ze even rondgetuurd
-in de nog donkere kamer, waar het opgetrokken gordijn enkel een
-flauw schemerlicht doorliet, of ze was het zich bewust, er was iets
-heerlijks gebeurd.
-
-Ze richtte zich even op en trachtte te weten te komen, hoe laat het
-was, maar ze kon de wijzers van haar klokje niet onderscheiden en
-met een zucht van zaligheid zonk ze weer in de kussens neer.
-
-Het was haast al te verrukkelijk, ze had gisteren examen gedaan en
-was geslaagd.
-
-Wat ze gevoeld had, toen de directrice haar meedeelde, dat ze goed
-werk geleverd had en dus na Nieuwjaar in de volgende klasse mocht
-overgaan, neen, dat was niet te beschrijven, een overweldiging van
-vreugde, een niet goed begrijpen, dat het mogelijk kon zijn, ja,
-eigenlijk een soort van schrik.
-
-"Is 't heusch?" had ze geroepen.
-
-Bespottelijk vond ze dat nu, de directrice had er ook om moeten
-lachen en had toen zoo aardig tegen haar gesproken en gezegd, dat ze
-nu getoond had, wat ze kon en dat ook zij zoo heel blij was geweest
-met den uitslag.
-
-"Had u het niet gedacht?" had Wies gevraagd.
-
-En weer had de juffrouw gelachen.
-
-"Wat ik gedacht had, zullen we nu maar niet meer napluizen. Je bent
-er en dat doet me bizonder veel plezier. Ga nu maar gauw naar huis,
-je moeder zal ook wel verlangend zijn den uitslag te hooren."
-
-Nu, dat had ze zich geen tweemaal laten zeggen, ze was letterlijk naar
-huis gehold, ze was Moeder zoo woest om den hals gevlogen, dat deze
-zich aan iets had moeten vasthouden, om niet te vallen, ze had maar
-niets geroepen dan: "Moes, kunt u het gelooven, toe knijp me eens,
-dat ik voel, dat ik niet droom."
-
-Ze waren allemaal even blij geweest en er was dadelijk aan Vader en
-Grootvader geschreven.
-
-Grootvader wist het nu al, maar Vader pas over verscheidene weken. Ze
-hadden er nog over gesproken, of ze ook een telegram zouden zenden,
-maar daar Vader er niets van wist, zou men het niet zoo heel kort
-kunnen maken, wilde hij er iets van begrijpen. Besloten was dus,
-dat Vader het dan maar wat later weten moest en dan ineens het heele
-verhaal krijgen, hoe alles gegaan was.
-
-Wies draaide zich nog eens om en dacht aan al het heerlijke, dat
-nu volgen ging. Moeder had gisteren dadelijk Lottie laten vragen,
-om vandaag te komen eten. Ze zou al na de koffie komen en ze konden
-dan weer eens eindelijk samen zijn, als van ouds. In den laatsten tijd
-had ze Lot minder dan ooit gezien. Ze was zoo vervuld geweest van haar
-werk en Lot zelf had repetitie gehad voor het Kerstrapport. Grappig,
-dat zij nu geen rapport had gehad, ze had de twee laatste dagen examen
-moeten doen. Hé, verleden jaar was met Kerstmis haar lijst niets goed
-geweest, ze wist nog, hoe schuw ze er mee thuis was gekomen. Dom toch,
-om niet goed te werken, als je toch wel kon, je berokkende je eigen
-en anderen maar verdriet en je won er niets mee. Neen hoor, dat zou
-haar niet meer overkomen, nu ze eenmaal de zaligheid van het slagen
-ondervonden had, nu zou ze er wel voor zorgen, dat ze dat genotje
-meer had.
-
-Ze moest nu toch eens opstaan.
-
-Wat een eenig gevoel, niets te moeten doen, geen lessen leeren, geen
-thema's maken, niet naar school gaan, maar lezen en babbelen en pret
-maken, veertien lange dagen.
-
-Ze had in de laatste maanden zoo heel weinig vrijen tijd gehad,
-dat ze er nu van zou weten te genieten. Ze moest voor een heelen
-tijd plezier maken, want als de vacantie om was en zij in de nieuwe
-klasse.... pas dan op, hoe ze werken zou, nu was ze al niet meer
-tevreden bij Lot en de andere kennisjes te zitten, nu wilde ze nog tot
-de eersten behooren ook, ze zou hem katoen geven, hoor, ze wist nu,
-dat ze wel kon, als ze maar wilde.
-
-Met oogen stralend van opgewondenheid schudde ze haar vuist tegen
-een denkbeeldigen vijand.
-
-"Pas jullie maar op, kindertjes, je krijgt er nu een in de klasse,
-die jullie er allemaal onder wil hebben."
-
-Ze schaterde het ineens uit.
-
-"De stumpers, ik wensch ze heusch geen kwaad toe, ik ben immers nooit
-jaloersch geweest op hun mooie rapporten, maar ik moet vooruit, knap
-worden wil ik, willen ze me de mooiste cijfers betwisten, des te beter,
-dat staat ze vrij, dan vechten we er om, dan wordt het pas echt."
-
-Vroolijk sprong ze het bed uit en trok het gordijn hooger op.
-
-Lieve deugd, wat een duisternis, hoe somber zag alles er uit.
-
-Maar dat kon haar niet schelen, bij haar scheen het zonnetje van
-binnen.
-
-Ze haastte zich met kleeden, het was al laat, ze had eigenlijk haar
-tijd weer liggen te verdroomen, maar voor één keertje, mocht ze dat
-wel, nu zou zelfs Moeder er niets op tegen gehad hebben.
-
-Toen ze beneden kwam, vond ze bij haar plaats een mooien bouquet
-chrysanten en op haar bord een pakje.
-
-Een oogenblik keek ze verbaasd naar al de lachende gezichten, die
-haar aanstaarden.
-
-"Ik ben toch niet jarig vandaag?" vroeg ze grappig, welke vraag
-Jantje in een onbedaarlijk geschater deed uitbarsten. De gedachte,
-dat iemand niet weten zou, of hij jarig was, vond hij allergeestigst.
-
-"Beter dan jarig," zei Moeder, "aan een verjaardag heb je zelf niets
-geen verdienste."
-
-Wies liep op haar af en gaf haar een klinkenden kus.
-
-"Moesje, ik ben zoo blij, dat u eindelijk tevreden over me bent."
-
-"Ik niet minder, dat ik het zijn kan. Kijk nu maar eens gauw, wat er
-in dat pakje zit."
-
-Wies ging naar haar plaats terug, terwijl Jan en Stan juichten:
-"Wij weten het, wij weten het al lang, hoor."
-
-Nieuwsgierig greep Wies naar het pakje en begon met haastige vingers
-het touwtje los te maken, waardoor het natuurlijk in den knoop schoot
-en Henk helpen moest, om het door te snijden.
-
-Toen het papier er af was, vertoonde zich een étuitje, dat Wies niet
-onbekend was, haar hart klopte snel, zou het waar zijn? Dat was het
-étuitje van een goud armbandje van Moes, dat ze altijd zoo beeldig
-mooi gevonden had, een goud slangetje met twee schitterende diamantjes
-voor oogen.
-
-Ze keek haar moeder aan met vragende oogen, voor ze het étui opende
-en deze knikte haar lachend toe.
-
-Een druk op het veertje en open sprong het deksel.
-
-Daar lag het lang bewonderde beestje op zijn groen fluweelen bedje
-en de oogjes schitterden haar tegen.
-
-Wies was een oogenblik verstomd, ze kon niets zeggen.
-
-Al die oogen, die naar haar keken, hoe ze het wel vond, dat prachtige
-armbandje daar voor haar, het gevoel, dat het toch niet waar kon
-zijn, dat het voor haar was, ze werd er verlegen onder en stotterde
-niets dan:
-
-"Maar Moes!"
-
-Henk verbrak de stilte.
-
-"Het is te veel voor het brave wichtje, ze is van louter verrassing
-in de war."
-
-Wies was opgestaan en hing nu aan haar moeders hals.
-
-"U hadt het niet moeten doen, dat prachtige armbandje, dat Vader voor
-u mee uit Indië gebracht heeft."
-
-Haar moeder beantwoordde haar omhelzing en vroeg schertsend:
-
-"Wil je het liever niet hebben?"
-
-"Niet hebben?" en Wies drukte haar schat tegen zich aan, "ik vind
-het alleen naar, dat u het nu niet meer dragen kunt."
-
-Nu gierde Henk het uit.
-
-"Draag het samen, het is nog al rekbaar, misschien kunnen er wel twee
-polsen in, wil ik het eens probeeren?" en hij stak zijn hand uit naar
-het kleinood.
-
-Wies duwde hem terug.
-
-"Je zult er wel afblijven."
-
-Henk schudde met een komisch gezicht zijn hoofd.
-
-"Dat is nu onze dank, Marietje, we hadden die bloemen wel voor ons
-kunnen houden, de jubilaresse kijkt er zelfs niet naar om, nu ze goud
-heeft weten te bemachtigen."
-
-"Zijn de bloemen van jullie? Wat vreeselijk lief, dank je duizendmaal,"
-en nu moesten Marietje en Henk zich onderwerpen aan een onstuimige
-omhelzing, zooals Henk het uitdrukte.
-
-"Het is goed," zei hij met een genadig gebaar, "maar een teleurstelling
-is en blijft het voor me. Ik dacht de reine ziel van mijn oudste
-zuster beter te kennen. Ik dacht, als zij kiezen moet tusschen
-het doode metaal en de levende natuur, zal haar poëtische ziel geen
-oogenblik aarzelen en haar hand het lokkende goud ver van zich werpen,
-maar jawel...."
-
-Wies lachte, tot hare oogen overliepen.
-
-"Schei uit, Henk, ik stik," zei ze, hare oogen afvegend.
-
-"Gelukkig ze weent, ze voelt nu blijkbaar...."
-
-"Ontbijten, kinderen," viel Moeder in, "anders zitten we hier om
-twaalf uur nog."
-
-Wies had moeite iets naar binnen te krijgen.
-
-Ze bekeek maar steeds het gouden slangetje op het groene fluweel
-en beweerde, dat ze het nooit zou durven dragen, uit angst het te
-verliezen.
-
-"Ook een manier, om van je cadeau te genieten," vond Henk.
-
-Wat een gezellige dag was dat.
-
-Wie kwam daar tegen het koffieuur aan?
-
-Niemand minder dan Grootvader, die zelf zijn kleindochter wilde
-gelukwenschen. Hij was zoo verrast geweest en Grootmoeder niet
-minder. Als het reizen voor haar niet zooveel bezwaar opgeleverd
-had en daarenboven het weer niet zoo slecht was geweest, dan was ze
-meegekomen. Nu stuurde ze de boodschap, dat ze zoo innig blij was,
-dat Wies nu getoond had, niet enkel een lief droomstertje te zijn.
-
-Grootvader had ook nog een verrassing meegebracht, een mooi goud
-kettinkje, dat Grootmoeder zelf als jong meisje gedragen en altijd voor
-Wies bestemd had, als deze eens een bizondere belooning verdiend had.
-
-Wies was haast al te gelukkig, met de cadeautjes was ze dolblij,
-maar de reden, waarom ze die kreeg, was toch het voornaamste.
-
-Met moeite werd Grootvader overgehaald, ten minste één nacht te blijven
-logeeren. Hij mocht toch in geen geval voor den eten weg en het was zoo
-gehaast, als hij 's avonds ging. Eerst aarzelde hij, het was morgen
-Kerstmis en dan wilde hij thuis zijn, hij had voor den eten weer
-weg willen gaan, maar Henk nam hem mee in een hoekje van de kamer en
-fluisterde hem iets in en toen beloofde hij dan maar te zullen blijven.
-
-"Als het morgen geen Kerstmis was, zou ik zeggen, ik neem Wies voor
-een paar dagen mee, maar nu zullen jullie haar misschien niet graag
-missen. Het zou anders wel aardig voor Grootmoeder zijn," voegde hij
-er bij.
-
-"Als Wies graag wil, sta ik haar af," antwoordde Moeder "maar voor
-Oudejaar zou ik haar liefst weer thuis hebben."
-
-"Daar kun je op rekenen," beloofde Grootvader en dus werd er besloten,
-dat hij dien nacht blijven zou en Wies morgen met hem mee zou gaan.
-
-Een telegram bracht Grootmoeder en Tante Marie van dit plan op
-de hoogte, wat Tante dadelijk heel wat te bedisselen gaf, terwijl
-Grootmoeder langzaam het groene papier glad streek, dat de prettige
-tijding gebracht had, terwijl ze zacht zei: "Dat lieve kind, dat
-lieve kind."
-
-Wat een vroolijk en gezellig dinertje was dat, dien middag.
-
-Grootvader was zoo echt opgewekt en plaagde Lottie en plaagde Wies
-en plaagde Marietje en deed telkens een daverend gelach ontstaan.
-
-Aan het dessert verdween Henk opeens en na een poosje kwam Betje
-gichelend binnen en zei, dat er een jongedame was om Wies te spreken.
-
-"Een jongedame?" vroeg Wies verbaasd.
-
-"Ze heit dit kaartje gegeven," gierde Bet, met haar schort voor haar
-gezicht, om niet te laten zien, hoe ze lachen moest.
-
-Ze reikte Wies een klein, wit kaartje over, waarop te midden van een
-rozenkrans stond te lezen:
-
-"De fee van den ring."
-
-Wies keek nog verbaasder van den een naar den ander.
-
-"We zullen die jonge dame niet langer laten wachten," zei Moeder en
-droeg Betje op haar te verzoeken, binnen te willen komen.
-
-Betje ging, steeds lachend, zich van deze opdracht kwijten en eenige
-oogenblikken later werd de deur weer geopend en wat zich daar op den
-drempel vertoonde, deed een salvo van gelach ontstaan.
-
-Het was de lange gestalte van Henk, gedrapeerd in een wit laken,
-waaronder uit zijn eenigszins bemodderde laarzen kwamen. Zijn
-bloote, gespierde armen staken eigenaardig uit de witte kleeding,
-in zijn eene hand, rood en met hier en daar een schram, hield hij
-een met goudpapier beplakt staafje en in de andere een mandje met
-bloemen, die vast al dienst hadden gedaan op een of anderen hoed,
-ze zagen er tenminste tamelijk verkleurd en vuil uit. Deze fee,
-zich niet storend aan het gelach, waarmee zij ontvangen werd, kwam
-met vlugge trippelpasjes op Wies aan, waarbij ze groote moeite had,
-niet te struikelen over het wat afzakkend laken.
-
-Ze had blijkbaar wat te zeggen, maar kon door het lachen van de anderen
-niet aan het woord komen en vroeg dus dringend, of het gegichel nu
-uit was.
-
-"Sst," zei Grootvader, "laten we nu stil zijn en hooren, wat deze
-schoone uit het rijk der feeën ons te vertellen heeft."
-
-"Bij het woord "schoone" verslikte de fee zich blijkbaar, ze begon
-ten minste geducht te proesten, maar al gauw was ze weer bedaard en
-nam het woord:
-
-
- "Gij uitverkoren menschenkind,
- Door al de feeën teer bemind,
- Gij geest, die leeft in hooger spheren,
- U willen nu wij, feeën, eeren.
- Wij hoorden van uw worsteling,
- Zelfs in onz' bovenaardschen kring.
- We zagen, hoe g'op uw potlood beet,
- Tot 't arme ding er van versleet.
- We zagen u loopen, op en neer,
- Om wakker te blijven, keer op keer.
- We hoorden uw wensch naar den prikkenden ring,
- En konden u niet helpen aan zoo'n ding.
- Want wij, arme feeën, zijn tamelijk machteloos,
- Wij zijn zoo fijn en wonen in een roos...."
-
-
-Hier brak een schaterend gelach onze fee af, die zoo fijn was en een
-roos tot woonplaats had en Marietje vroeg, naar zijne vuile laarzen
-wijzend:
-
-"Hebben jullie daar geen schoenpoetsers?"
-
-Een minachtende blik was alle antwoord.
-
-
- "....en wonen in een roos," herhaalde de fee.
- "Wij zijn voor de menschen te teer besnaard,
- En de meesten zijn ons dan ook niet waard.
- Maar als dan een enkel poëtisch kind,
- Eens denkt aan ons, feeën, en ons bemint,
- En over die heerlijkheid zit te droomen,
- Dan is dat haar meestal slecht bekomen.
- De standjes waren niet van de lucht.
- Wij namen dan ijlings de vlucht,
- En lieten een droevig schepseltje na,
- Dat een straftaak moest breien voor haar ma.
- Dat haar naalden liet ratelen, driftig en woest,
- En zei, dat niemand meer breien moest,
- In dezen tijd van beschaving en licht,
- Je vroeg in den winkel wat kousen op zicht,
- Dan hadt je ze te keus en te keur,
- En dat breien, wat een vreeselijk gezeur.
- In de ban dus dat werk uit vroeger tijden,
- Wij willen ons aan kunsten en wetenschap wijden!"
-
-
-"Bravo!" riep Lottie en Wies stemde mee in.
-
-Moeder schudde lachend het hoofd.
-
-"Henk, Henk, stook de meisjes niet op."
-
-Henk ging onverstoorbaar door:
-
-
- "Dat meisje, waarvan ik zooeven sprak,
- Was op 'n dag lang niet op haar gemak.
- Ze had namelijk bijna haar broertjes verdronken,
- De schapen waren al haast gezonken,
- Toen ze nog net konden worden gered,
- En vlug gestopt in 't warme bed."
-
-
-"Dat's flauw," meende Lottie en Wies kreeg een kleur.
-
-
- "Je ziet dus, van zonde was het meisje niet vrij,
- Maar wie had er meer verdriet van dan zij?
- Toen kreeg ze het in haar leuken knikker,
- Dat ze veranderen wou, net als een kikker.
- Die toch eerst meer lijkt op een visch,
- Dan op een vorsch, als ik me niet vergis.
- Nu, dat meisje bleek te weten wat ze wou,
- Overgaan, dat was het, wat ze moest en zou.
- De juffrouw, die ook nog zoo kwaad niet was,
- Zou haar helpen en het meisje was in haar sas,
- Niet zuinig hoor, dat zou best gaan,
- Alle droomerijen joeg ze naar de maan,
- En 't ging, ze rolde er schitterend door.
- Een grapje was 't niet, dat zeg ik je hoor.
- Maar ze deed nog meer, z' ontpopte zich in heldin,
- Toen haar broertje het kreeg in zijn zin,
- Om voor gebraden vleesch te spelen,
- Of 't warm was, scheen hem niet te kunnen schelen.
- Toen maakte ze vlug een eind aan dat spel
- En redde het ventje uit den knel.
- Dat alles vernamen de feeën met vreugd,
- Ze hebben er zich innig over verheugd.
- En daarom aan mij opgedragen,
- Me tusschen de wreede menschen te wagen.
- En deez' bloemen te strooien voor haar voet,
- Opdat haar pad verder zij, glad en goed.
- En den leelijken naam, die niet meer bij haar past,
- Voor altijd te bergen in de kast.
- Hoe zal ze dan nu voortaan heeten?
- Dat dienen we dan toch te weten.
- Wacht, daar schiet me wat in den zin,
- Leve ons Wiesje, de heldin!"
-
-
-Dat was me een gejoel en een pret, de een schreeuwde al harder dan
-de ander: "Leve ons Wiesje, de heldin!"
-
-En Wies zelf?
-
-Die drukte krampachtig al de handen, die haar toegestoken werden en
-liet zich kussen en kuste terug, terwijl hare wangen nat waren van
-de tranen, die ze niet in kon houden.
-
-En toch was ze nog nooit zoo gelukkig geweest.
-
-
-
-
-
-
-
-
-End of the Project Gutenberg EBook of Wies Ongeluk, by Felicie Jehu
-
-*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK WIES ONGELUK ***
-
-***** This file should be named 55477-8.txt or 55477-8.zip *****
-This and all associated files of various formats will be found in:
- http://www.gutenberg.org/5/5/4/7/55477/
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg
-
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions
-will be renamed.
-
-Creating the works from public domain print editions means that no
-one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
-(and you!) can copy and distribute it in the United States without
-permission and without paying copyright royalties. Special rules,
-set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
-copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
-protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
-Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
-charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
-do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
-rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
-such as creation of derivative works, reports, performances and
-research. They may be modified and printed and given away--you may do
-practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
-subject to the trademark license, especially commercial
-redistribution.
-
-
-
-*** START: FULL LICENSE ***
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
-Gutenberg-tm License (available with this file or online at
-http://gutenberg.org/license).
-
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
-electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
-all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
-If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
-Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
-terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
-entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
-and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
-works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
-or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
-Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
-collection are in the public domain in the United States. If an
-individual work is in the public domain in the United States and you are
-located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
-copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
-works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
-are removed. Of course, we hope that you will support the Project
-Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
-freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
-this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
-the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
-keeping this work in the same format with its attached full Project
-Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
-a constant state of change. If you are outside the United States, check
-the laws of your country in addition to the terms of this agreement
-before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
-creating derivative works based on this work or any other Project
-Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
-the copyright status of any work in any country outside the United
-States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
-access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
-whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
-phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
-Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
-copied or distributed:
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
-almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
-re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
-with this eBook or online at www.gutenberg.org/license
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
-from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
-posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
-and distributed to anyone in the United States without paying any fees
-or charges. If you are redistributing or providing access to a work
-with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
-work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
-through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
-Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
-1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
-terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
-to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
-permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
-word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
-distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
-"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
-posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
-you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
-copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
-request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
-form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
-License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
-that
-
-- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
- owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
- has agreed to donate royalties under this paragraph to the
- Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
- must be paid within 60 days following each date on which you
- prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
- returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
- sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
- address specified in Section 4, "Information about donations to
- the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
-
-- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or
- destroy all copies of the works possessed in a physical medium
- and discontinue all use of and all access to other copies of
- Project Gutenberg-tm works.
-
-- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
- money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days
- of receipt of the work.
-
-- You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
-electronic work or group of works on different terms than are set
-forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
-both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
-Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
-Foundation as set forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
-collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
-works, and the medium on which they may be stored, may contain
-"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
-corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
-property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
-computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
-your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium with
-your written explanation. The person or entity that provided you with
-the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
-refund. If you received the work electronically, the person or entity
-providing it to you may choose to give you a second opportunity to
-receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
-is also defective, you may demand a refund in writing without further
-opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
-WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
-WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
-If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
-law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
-interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
-the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
-provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
-with this agreement, and any volunteers associated with the production,
-promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
-harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
-that arise directly or indirectly from any of the following which you do
-or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
-work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
-Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
-
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of computers
-including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
-because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
-people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
-To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
-and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
-
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
-Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
-http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
-permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
-Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
-throughout numerous locations. Its business office is located at
-809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
-business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
-information can be found at the Foundation's web site and official
-page at http://pglaf.org
-
-For additional contact information:
- Dr. Gregory B. Newby
- Chief Executive and Director
- gbnewby@pglaf.org
-
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
-spread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To
-SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
-particular state visit http://pglaf.org
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations.
-To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
-
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
-works.
-
-Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
-concept of a library of electronic works that could be freely shared
-with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
-Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
-
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
-unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
-keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
-
-
-Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
-
- http://www.gutenberg.org
-
-This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.