diff options
Diffstat (limited to 'old/55477-8.txt')
| -rw-r--r-- | old/55477-8.txt | 9499 |
1 files changed, 0 insertions, 9499 deletions
diff --git a/old/55477-8.txt b/old/55477-8.txt deleted file mode 100644 index f281c43..0000000 --- a/old/55477-8.txt +++ /dev/null @@ -1,9499 +0,0 @@ -The Project Gutenberg EBook of Wies Ongeluk, by Felicie Jehu - -This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with -almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or -re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included -with this eBook or online at www.gutenberg.org/license - - -Title: Wies Ongeluk - -Author: Felicie Jehu - -Illustrator: Cornelia Spoor - -Release Date: September 2, 2017 [EBook #55477] - -Language: Dutch - -Character set encoding: ISO-8859-1 - -*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK WIES ONGELUK *** - - - - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg - - - - - - - - - - WIES ONGELUK - - DOOR FELICIE JEHU - - GEÏLLUSTREERD DOOR - - NELLY SPOOR - - - - TWEEDE DRUK - - ALKMAAR--GEBR. KLUITMAN - - - - - - - - -INHOUD. - - - Hoofdst. Bladz. - - I. Vaders vertrek 7 - II. Het portret 17 - III. De storm 30 - IV. Noodlot of eigen schuld? 45 - V. De Wraak 60 - VI. Valsche schaamte 76 - VII. Henks geheim 89 - VIII. Overgaan of blijven zitten? 101 - IX. Naar Grootvader en Grootmoeder 114 - X. Zoo'n zwak willetje! 128 - XI. Het sprookje 142 - XII. De harde levensles 158 - XIII. De thuiskomst 177 - XIV. Worstelen en overwinnen 193 - XV. Drama met apothéose 205 - XVI. "Leve ons Wiesje, de heldin!" 222 - - - - - - - - -EERSTE HOOFDSTUK. - -VADERS VERTREK. - - -De klok had juist zeven geslagen, toen Louise Schotter hare oogen -opende, om ze dadelijk weer te sluiten voor het felle zonlicht, -dat door het geopende raam haar in het gezicht scheen. - -Met een ruk keerde ze zich om, zoodat ze met haar rug naar het storend -licht kwam te liggen. Maar het hielp haar niet, de morgenzon wierp -hare stralen op den muur en belichtte het behang zoo scherp, dat het -haar door hare gesloten oogleden heen hinderde. - -"Hoe vervelend toch, dat Moeder 's avonds dat gordijn zoo hoog optrekt, -op die manier kun je nooit eens lekker uitslapen," bromde ze, zich -weer omgooiend, om met half gesloten oogen naar het klokje te kijken, -hoe vroeg het nog wel was. - -Al over zevenen? - -Dan moest ze eigenlijk opstaan, maar ze had er nog zoo weinig lust in, -ze was nog half dood van den slaap. - -Een oogenblikje nog, een kwartiertje kon ze zich nog wel gunnen en -weer keerde ze haar gezicht naar den muur, om nog even in te dommelen. - -Een poosje lag ze zoo te soezen, maar langzamerhand scheen haar -slaperigheid te wijken en werd haar hoofd helderder. Ze lag nu met -open oogen te staren en hare gedachten waren blijkbaar niet van de -aangenaamste, ten minste, hare lippen begonnen eensklaps te beven, -terwijl hare oogen zich met tranen vulden. Het was tot haar bewustzijn -doorgedrongen, dat het de morgen was van den dag, waartegen ze al zoo -lang had opgezien, den vreeselijken dag van Vaders vertrek naar Indië. - -Vijf jaar was hij in het land geweest, dat was heel lang voor een -zeeofficier en Moes zei, dat ze daar dankbaar voor moesten zijn, -maar die waren nu om en Vader moest vandaag weg, weg voor vele jaren. - -Ze schreide nu zachtjes in haar kussen. - -Hoe moest dat toch gaan, hoe zou ze het zonder Vader kunnen -stellen. Vadertje was de eenige in huis, die haar een beetje begreep. - -O neen, dat was waar ook, dat mocht ze niet zeggen. Vader had haar -hartelijk uitgelachen, toen ze dat eens beweerd had en ze had hem -moeten beloven, niet zulke dwaze dingen te denken, ze was heusch -geen raadselachtig wezentje, maar een heel gewoon meisje en als ze -dacht niet begrepen te worden, dan was de oorzaak daarvan alleen -daarin te vinden, dat ze zich graag een beetje anders dacht, dan ze -eigenlijk was. - -Ze zuchtte. - -Ze dacht heusch niets bizonders van zich zelf, maar dat hare goede -bedoelingen niet begrepen werden, dat was zoo. - -Vooral Moes kon haar soms zoo echt miskennen. - -Ze kon het toch niet helpen, dat de dingen dikwijls zoo heel anders -uitkwamen, dan ze verwacht had en dat het soms onmogelijk was, hare -goede voornemens uit te voeren, dat nam toch niet weg, dat ze het -goed bedoeld had. - -Moeder lette alleen op hetgeen ze werkelijk tot stand bracht. Moes -was wel vreeselijk prozaïsch en praktisch, dat zou toch ieder moeten -bekennen. Wat had ze bijvoorbeeld niet gebromd, toen Vader haar, op -haar dringend verlangen, die mooie plaat van Bodenhausen, Märchen, -als afscheidscadeau gegeven had. - -En ze was er zóó blij mee geweest! - -Zich oprichtend, keek ze met verrukte oogen naar de plaat, die in -een mooi, eenvoudig lijstje, op een gunstig belicht plekje aan den -muur hing. - -Haar lieve Märchen, met de donkere sprookjesoogen, starend in het -raadselachtig land van haar verbeelding, luisterend naar het wuiven -van het riet, waartusschen ze zat. - -Was het niet prachtig? - -Men zag als 't ware de rietpluimen bewegen, met een beetje -verbeeldingskracht hoorde men ze zelfs. - -En dan die uil op den voorgrond. - -Kwam hij niet naar je toegevlogen op zijn krachtige vleugels, zou je -niet eens even willen blazen in het dons van zijn lijfje? - -En op den achtergrond die lichtstreep, waarboven die donkere -wolken. Hè, dat alles gaf je zoo'n heerlijk, geheimzinnig gevoel, -straks zou dat kleine mondje gaan vertellen van elfen en kabouters, -van feeën, die alles terecht brachten, wat men bij ongeluk verknoeid -had, van ridders in zilveren harnassen en van nixen, die uit het -donkere water opstegen. - -Zalig toch, dat alles! - -En Louise liet zich weer neerzakken in de zachte kussens en trok de -dekens wat hooger op. - -Stel je voor, Moes noemde het verrukkelijke Märchen, die juffrouw -met haar verschrikte oogen en had aan Vader gevraagd, of hij Wies nog -niet overdreven genoeg vond, dat hij zoo'n malle plaat gegeven had, -om op haar kamertje te hangen. - -Een oogenblik was ze bang geweest, dat ze haar weer afgepakt zou -worden, maar gelukkig had Vader geantwoord, dat hij er geen kwaad in -zag en haar iets had willen geven, dat ze graag hebben wilde. - -Ja, Vadertje begreep haar toch beter dan Moes en nu ging hij vandaag -weg, ver weg, ze kon zich dat eigenlijk niet goed voorstellen. - -Daar werd de deur geopend en een omstreeks twaalfjarig meisje kwam -binnen, reeds geheel gekleed, het haar netjes in twee vlechten -gevlochten. - -"Wat, nog in bed?" riep het verontwaardigd, ziende dat Louise nog -rustig onder de dekens lag. - -Een beetje verschrokken en ook wat schuldbewust keek deze op het -klokje. - -"Al acht uur?" vroeg ze benauwd. "Hoe is het mogelijk." - -Haar zusje knikte ernstig met het hoofd. - -"Al acht uur en juffrouw luilak nog in bed en dat nog wel, nu je voor -het laatst met Vader zou kunnen ontbijten. Ik kwam je juist zeggen, -dat je voort moest maken, want dat Vader al vóór half negen uit moet, -om nog iemand goedendag te zeggen, dien hij gisteren niet thuis -gevonden heeft. Maar jij zult wel klaar komen, nou!" - -Haastig was Louise uit bed gesprongen. - -"Moet Vader zoo vroeg al uit? Lieve help, hoe kom ik klaar," riep ze, -worstelend met een kous, waarvan de voet verdraaid zat, zoodat ze er -niet met hare teenen in kon. - -Met een minachtend trekje op haar gezicht, nam Marietje de kous uit -hare handen en begon haar om te keeren. - -"Hier, trek aan," zei ze toen, "als je de kousen gisterenavond -behoorlijk uitgehaald hadt, zou je er nu zoo'n last niet mee hebben." - -Wies was op het punt iets scherps te antwoorden, dat vervelende schaap -met haar eeuwige lesjes, maar ze hield zich in, ze had nu geen tijd -om te kibbelen, och, och, hoe kwam ze nog bijtijds beneden, om met -Vader te kunnen ontbijten, dezen laatsten ochtend. - -Marietje zei, dat ze ging, ze dacht wel, dat Vader al in de huiskamer -zou zijn, en ze wilde dat laatste ontbijt met hem samen niet graag -missen.--Wies raakte hoe langer hoe meer in de war, nu kon ze weer -den veter niet door de gaatjes van haar laars krijgen, dat die malies -er ook dadelijk afvlogen. - -"Ga maar," snauwde ze, "door je gezeur kan ik nog minder voortmaken." - -"Zeg dat ik dadelijk kom," riep ze nog, toen haar zusje de deur al -achter zich dicht had. - -Toen ze een twintig minuten later beneden kwam, na een haastig toilet, -waarbij ze voor één keertje hare tanden maar niet gepoetst had en -hare nagels duidelijk de sporen droegen van met geen nagelborstel in -aanraking te zijn geweest, was haar vader al weg, hij had niet langer -kunnen wachten, bang dengeen, dien hij spreken wilde, niet meer thuis -te treffen. - -Met tranen in hare oogen ging Louise aan de ontbijttafel zitten. Nu -zag ze Vader niet meer voor aan de koffie en om twee uur vertrok -hij voor goed. Moes zou hem naar het Nieuwediep brengen, vanwaar hij -morgenochtend vroeg uitvaren moest. - -"Had Vader nog niet even kunnen wachten?" vroeg ze, hare tranen -inslikkend. - -"Je was de eenige van de kinderen, die niet bijtijds beneden was -vanochtend," antwoordde hare moeder. - -Toen de rouwrandjes ziende, die de vingers van haar dochtertje -ontsierden, voegde ze er bij: - -"Maak wat voort met ontbijten en ga dan nog even je nagels -schoonmaken. Dat je je niet schaamt, om zóó naar school te willen gaan, -zoo'n groot meisje." - -Wies slikte haastig haar boterham door en keek tersluiks naar de -gewraakte vingertoppen. Ze had nogal tijd gehad, om hare nagels te -poetsen. Ze had zich zóó gehaast en nu nog voor niets. - -"Ben je klaar, kind," klonk weer Moeders stem, "treuzel niet te veel -boven, anders kom je nog te laat op school ook." - -Gedwee stond Louise op en ging naar haar kamertje. Ze had te veel -verdriet om tegen te pruttelen, iets, waar ze anders nog al van -hield. Slechts één ding hield haar gedachte bezig, hoe de ochtend -ooit om zou komen en hoe ze nu al vreeselijk naar twaalf uur verlangde. - -Op school was haar geest erg afwezig en lette ze heel weinig op, -maar de juffrouw wist, dat haar vader dien dag vertrekken zou en zag -dus maar wat door de vingers. - -Aan de koffietafel vond ze het geheele gezin al bijeen. De kleintjes, -Stan en Jantje, zaten ieder op een van hun vaders knieën en waren -uitgelaten van plezier. Vader zelf was vol gekheid en Moes keek ook -vroolijk, maar Wies vond toch, dat ze er vreemd uitzag, haar gezicht -stond niet natuurlijk, dacht ze. - -Henk, haar zestienjarige broer, ging blijkbaar op de scherts van -Vader in, maar deed wel erg druk. - -Alleen Marietje zag er net uit als altijd, haar ernstig gezichtje -had dezelfde uitdrukking van alle dagen, terwijl ze zich beijverde -de kopjes van Moes aan te nemen en uit te deelen. - -Haar vader deed zijn best, zijn oudste dochtertje uit haar sombere -stemming te halen, door ook tegen haar een paar grapjes te zeggen, -maar ze beantwoordde die enkel met een benepen lachje en zat stil voor -zich uit te staren, gaf een knorrig antwoord, toen Henk haar iets -vroeg en snauwde tegen Jantje, die een afgeknabbeld broodkorstje op -haar bord gooide. - -Haar moeder schudde bedenkelijk het hoofd. - -"Wil je wel gelooven," zei ze tegen haar man, "dat ik met een bezorgd -hart voor een dag wegga. Ze is vandaag in een humeur! Dat is nu mijn -oudste dochter en wat heb ik voor steun aan haar?" - -"Ik zal wel op de kleintjes letten," verzekerde Marietje. - -"Bemoei jij je met je eigen zaken," viel Wies uit. - -"Nu nog kibbelen?" vroeg haar vader zacht. - -Wies sloeg hare oogen op en keek hem een oogenblik aan. - -Toen vloog ze op en zich op de divan neergooiend, barstte ze in -tranen uit. - -Haar vader liet haar uithuilen, terwijl hij zijn maal eindigde en ging -toen naar haar toe. Zijn hand op haar arm leggend, vroeg hij haar, even -met hem mee te willen gaan, hij zou graag nog eens met haar spreken. - -Louise richtte zich langzaam op en met zijn arm om haar schouder -voerde hij haar mee naar zijn kamer, die al getuige was geweest van -zoo menig gesprek tusschen vader en dochter. - -Hij trok haar naar het raam en zijn hand onder haar kin leggend, -keek hij haar in de beschreide oogen. - -"Wiesje, Wiesje," zei hij, "wat een vreemde manier om me je liefde -en verdriet te toonen." - -Eerst keek ook Wies hem in de oogen, maar al spoedig werd haar blik -verduisterd door tranen en haar arm om zijn hals slaande, begon ze -opnieuw hevig te schreien. - -Haar vader liet haar nog even begaan en zei toen op opgewekten toon: - -"Ziezoo, beste meid, dat zal je goed gedaan hebben, nu moet eens naar -me luisteren. Kom hier eens gezellig bij me zitten. Je moet niet -denken, dat ik je erg onaardig vind, omdat je een beetje kribbig -was daar straks, ik begrijp wel, waaruit dat voortkomt. Maar dat -het prettiger geweest was, als je je ook goed hadt kunnen houden, -dat begrijp je zelf ook wel, nietwaar?" - -"Ik had me voorgenomen, me goed te houden," fluisterde het meisje. - -"Jawel, dat geloof ik ook wel, aan goede voornemens ontbreekt het je -nooit, maar...." - -"Ik volvoer ze niet, wil u zeggen, maar heusch, het is ook zoo -vreeselijk moeielijk. Ik wil zoo dolgraag lief zijn, goed voor -iedereen, zoodat ze allemaal veel van me houden, en knap en netjes -en nog zooveel meer. Ik neem het me echt telkens opnieuw voor, maar -er gebeurt altijd iets, dat alles in de war stuurt. Dat kan ik toch -niet helpen." - -"Niet?" - -Louise kreeg een kleur, haar vaders oogen zochten de hare, terwijl -hij wachtte op een antwoord. - -"Neen," zei ze aarzelend, haar blik afwendend, "tenminste..." - -"Tenminste, ik gooi heel graag de schuld op menschen en -omstandigheden," vulde haar vader aan met een goedigen lach. - -"Hoor eens, beste meid," vervolgde hij, "ik zal je een raad geven. Neem -je eens wat minder voor en tracht eens vol te houden. Je zult zien, -dat het dan beter zal gaan. Ik weet, dat je een goed hartje hebt en -graag je best wilt doen, maar je begrijpt toch zelf wel, dat voor je -omgeving goede voornemens, die niet uitgevoerd worden of mislukken, -niet heel veel waarde hebben. Beloof je me, nog eens aan mijn woorden -te denken, als ik ver van je af zal zijn?" - -Wies knikte flauwtjes. - -Ze had maar werk niet opnieuw in tranen uit te barsten. - -"En beloof je me ook, lief voor Moeder te zijn en altijd naar haar -te luisteren?" - -"Ik zal mijn best doen," klonk het nauw hoorbaar. - -Haar vader trok haar naar zich toe en gaf haar een zoen. - -"Dat is alles, wat ik vraag," zei hij, opstaande. - -"En houd je nu goed vandaag, beste, op jou, als oudste zusje, rust -de plicht dezen dag voor de andere kinderen niet al te verdrietig -te maken. We moeten ons schikken, in wat onvermijdelijk is, -nietwaar? Laten we nu naar binnen gaan, we hebben nog een goed half -uur om allen bij elkaar te zijn." - -Dat half uur verliep eenigszins vreemd. Wies kreeg telkens een pijnlijk -gevoel, als ze aan dat half uur dacht. Niemand had veel gezegd en -toch waren ze zich allen bewust dat, als ze nog wat tegen Vader -zeggen wilden, ze dat nu moesten doen, over een half uur zou het te -laat zijn. De drukte, aan het oogenblik van vertrek voorafgaande, gaf -eigenlijk een gevoel van verlichting, een verbreking van de spanning, -die over allen lag. Toen nog een paar hartelijke omhelzingen, een -gewuif tegen het wegrollende rijtuig en daarna.... een groote stilte. - -De kleintjes zaten nog met hun neusjes platgedrukt tegen de -vensterruiten en de drie andere kinderen keken elkander wat versuft -aan. - -Marietje verbrak het eerst de stilte. - -"Laten we nu maar naar school gaan," zei ze, "ik zal Betje roepen, -om naar de jongens te kijken." - -Wies schokte op, als uit een droom. - -"Naar school?" vroeg ze vaag. - -"Ja, natuurlijk," en Marietje raapte een kleedje op, dat in de drukte -van het afscheid op den grond gevallen was. - -"Je weet, dat we expres gevraagd hebben, later te mogen komen, omdat -Vader vond, dat het beter voor ons was, hier niet te blijven zitten -treuren, die eerste uren, nadat hij weg was. Maak je dus klaar. Ik -zal Betje zeggen, dat we gaan en dat ze maar wat met de jongens moet -gaan wandelen, het is zulk mooi weer. Dag Henk, ga je? Goed, ik ben -ook klaar. Kom je, Wies?" - -Louise deed machinaal, wat van haar verwacht werd. - -Ze had trouwens den heelen verderen dag een gevoel, alsof ze niet in -de werkelijkheid leefde. - -Hoe kon dat nu de werkelijkheid zijn. Moeder niet thuis met het eten, -iets, dat nooit gebeurde en Vader op weg naar het verre land, waar -hij zoovele jaren zou moeten zijn, drie jaren op zijn minst. Als hij -terug kwam, was ze zeventien, of misschien al achttien, dus bijna -een volwassen meisje. Ze zou vreeselijk haar best doen op school, hij -moest een knap dochtertje terugvinden. Ze nam zich zelfs voor, goed -te studeeren voor haar pianoles en die afschuwelijke vingeroefeningen -iederen dag door te spelen. - -"Zeg, Marietje," zei ze aan het eind van haar overpeinzingen gekomen, -"we moeten heel goed ons best doen, zoodat we erg knap zijn, als -Vader terug komt." - -Marietje zette voorzichtig het theekopje neer, dat ze juist afgedroogd -had. - -"Natuurlijk, dat spreekt immers vanzelf," zei ze kalm. - - - - - - - - -TWEEDE HOOFDSTUK. - -HET PORTRET. - - -Louise was voor haar doen werkelijk vroeg opgestaan, ze had maar -vijf minuutjes liggen soezen en het was nog geen half acht, toen ze -in haar haast, om nu eens vlug naar beneden te komen, de waschtafel -overstroomde, bij het inschenken van het water in haar kom. Verschrikt -sprong ze achteruit, de lampetkan nog in haar hand, waardoor een -nieuwe gulp water op den grond terecht kwam. - -"Hoe vervelend nu weer," zuchtte ze, met haar handdoek de plassen -opbettend, waardoor deze natuurlijk door en door nat werd en niet -heel geschikt meer was tot afdrogen. Je kondt hem wringen en nog -was alles lang niet opgenomen. De tweede handdoek moest er dus ook -aan gelooven en toen ze beide druipnat op het rekje hingen, schoot -het haar door het hoofd, dat ze haar spons had kunnen gebruiken, -dan had ze de handdoeken droog kunnen laten. - -Ze waschte zich en droogde haar gezicht en hals af met een schoonen -zakdoek. Daarna handen en armen, waarvoor een tweede zakdoek dienst -moest doen. - -Toen kwam ze tot de ontdekking, dat ze met haar voet, waaraan geen -pantoffel--die had ze zoo gauw niet kunnen vinden--in het water -gestaan had, zoodat ze noodzakelijk andere kousen moest aandoen. - -Hè, ze had weer een gevoel, of ze nooit klaar zou komen. - -Maar aan alles komt een eind en zoo ook aan Louise's toilet dien -morgen. - -Haar bed zou ze maar laten, zooals het was, Moes was er wel op gesteld, -dat ze het zelf afhaalde, voor ze naar beneden ging, maar Moes was -niet thuis, die was nu bij Vader in 't Nieuwediep. - -Arme Moes, het was toch wel vreeselijk voor haar, zoo alleen -achter te blijven, dat zien wegvaren van de boot was toch eigenlijk -afschuwelijk! Moes kwam vanmiddag tegen etenstijd weer thuis, ze zou -dan erg lief voor haar zijn, want ze zou wel heel bedroefd wezen. - -Wies, die juist op het punt was geweest, haar kamer te verlaten, -stond in gepeins voor zich uit te staren. - -Ze had Vader beloofd, haar best te doen, heel lief voor Moeder te -zijn en goed naar haar te luisteren. Dat zou ze ook zeker doen, ze -moest iets bedenken, waarmee ze haar plezier kon doen, een verrassing, -als ze thuiskwam. - -Wacht, ze wist wat, ze zou het groote portret van Vader in de huiskamer -met bloemen versieren, er een mooien krans om heen maken. Had ze nog -geld genoeg om bloemen te koopen? - -Even kijken, ja, ze had in den laatsten tijd nog al eens een extraatje -van Vader gekregen, het zou wel gaan. - -Wat was dat, sloeg het daar geen half negen? - -Met een kleur van schrik vloog Wies naar beneden, ze had Moeder beloofd -op het ontbijt van de kinderen te zullen letten, waar bleef de tijd, -ze was toch erg vroeg op geweest. - -In de huiskamer vond ze alleen Stan en Jantje, samen bezig een -prentenboek te bekijken, terwijl Betje hen om beurten een lepel -havermout in de mondjes duwde. - -"U mag wel een beetje voortmaken," zei deze, "'t is al over half -negen." - -"Waar zijn Henk en Marietje?" vroeg Wies. - -"Al lang weg, de jongeheer heeft een briefje op uw bord gelegd." - -Wat lachte die Bet valsch, zeker een hatelijkheid van Henk. - -Ze nam het briefje op, vouwde het open en las het met quasi -onverschillig gezicht. - -Toen verscheurde ze het in kleine stukjes, - -Akelige jongen, dat sarkastische van hem kon ze niet uitstaan. Had -hij gewoon gezegd, dat hij het niet aardig vond, dat ze zoo laat was, -maar zoo'n hatelijk briefje. - -Wat stond er ook weer? - - -"Lieve Wies, hartelijk dank voor je goede zorgen, nu Moeder er niet -is. Marietje en ik hebben nog nooit zoo gezellig ontbeten, - -je dankbare Henk. - - -Ze zuchtte diep. - -Dat was weer echt iets voor haar. - -Ze was expres dadelijk rechtop in bed gaan zitten, met haar gezicht -naar het licht gekeerd, om toch maar gauw goed wakker te worden en -nu was er weer van alles gebeurd, waardoor ze opgehouden was. - -"Mot u niet naar school vandaag?" klonk de stem van Bet, die dadelijk -daarop in een verontwaardigd gebrom overging, omdat Janneman een -duw had gegeven tegen zijn lepel pap, waardoor de inhoud op zijn -prentenboek was terecht gekomen. - -Ze kleedde zich haastig aan, kuste de kinderen, die haar vastgrepen -en voor de grap niet los wilden laten, vergat een boek, waardoor ze -weer terug moest, toen ze al een paar huizen ver was en--kwam te laat -op school. - -"Mag ik nog binnenkomen?" vroeg ze benepen aan de juffrouw, die bezig -was met de les. - -Deze keek op haar horloge. - -"Jawel, maar je bent tien minuten te laat, dus blijf je om twaalf -uur dertig minuten school." - -Met een boos gezicht nam Louise haar plaats in de klasse in. - -Dat was weer wat moois, nu was ze op koffietijd ook niet thuis en dan -had ze nog bloemen willen koopen, om Vaders portret te versieren. Maar -misschien was het beter, dat ze dat om vier uur deed. Moeder kwam -eerst tegen zes uur thuis, dat kon dus best, dan waren de bloemen -ook frisscher, ja zeker, dat was veel beter. - -"Ben je nog niet goed wakker, Louise?" hoorde ze eensklaps, "dat -komt van dat lange slapen, daar blijf je den heelen dag van onder -den indruk. Maar ik zou je toch aanraden, nu op te letten." - -Met een kleur zette Wies zich schrap. Ja, ze moest nu opletten, anders -kreeg ze nog strafwerk ook en vanavond wilde ze niet te veel te doen -hebben, ze moest dan tijd hebben, om Moes wat gezelschap te houden, -die zou behoefte hebben aan wat afleiding. - -Daar zat ze alweer in gedachten, ze voelde de oogen van de juffrouw -op zich gericht en met groote inspanning dwong ze zich bij de les te -blijven. Ze slaagde er werkelijk in, niet te veel af te dwalen en toen -ze na afloop van de les de juffrouw naliep en haar vroeg, of ze voor -dezen keer niet behoefde te blijven, omdat Moeder niet thuis was en -ze op de kinderen moest letten bij het koffiedrinken, begon deze te -lachen en haar over het hoofd strijkend, zei ze, dat ze dan voor dezen -keer maar eens genade voor recht zou laten gelden. Ze had vanochtend -zeker ook voor de kinderen moeten zorgen en was daardoor te laat -gekomen. Had ze dat maar ineens gezegd, dan had ze geen standje gehad. - -Wies kleurde weer hevig en aarzelde. Zou ze vertellen, hoe ze juist -niet voor hen gezorgd had? - -Dat zou wel eerlijk zijn, maar ... ze had er den moed niet toe, -de juffrouw moest haar dan maar voor beter houden, dan ze was. - -Toen de school uit was, liep ze zóó hard naar huis, dat ze er nog voor -de anderen was en Henk haar lachend vroeg, of ze maar niet naar school -was geweest. Ze was nu in een best humeur en plaagde vroolijk terug, -ze was opgewonden door de gedachte aan haar plannetje met het portret. - -Zou ze het Henk en Marietje vertellen? - -Neen, ze zou er maar niet vooruit over spreken, het was leuker, als -het voor hen ook een verrassing was. Ze kon het natuurlijk niet in -het geheim doen, want het portret hing in de huiskamer, maar vooruit -zou ze er toch niets van vertellen, dan wilden ze misschien meedoen -en ze zou zoo graag dit nu eens alleen voor Moeder doen, ze had het -ook zelf verzonnen. - -Dien middag na schooltijd haastte ze zich naar den bloemist, en -besteedde al haar zakgeld aan bloemen. - -Het viel haar niet mee, dat ze zoo duur waren, maar de bloemist -verzekerde haar, dat juist het voorjaar zoo'n dure tijd was. Het -moest alles nog uit het zuiden of uit de kas komen, van den kouden -grond had hij nog zoo goed als niets. - -Enfin, dan maar een beetje minder nemen, dan ze gedacht had, ze -wilde bloemen hebben om Moeder te verrassen en had ze, dat was het -voornaamste. - -Thuis gekomen legde ze haar schat voorzichtig op de tafel en ging even -haar goed af doen. De kleintjes waren zeker nog uit en Henk en Marietje -nog niet uit school. Ze wilde maar, dat ze nog een poosje wegbleven, -ze zou het heerlijk vinden, als ze klaar was, voor ze thuiskwamen. Ze -spoedde zich weer naar de huiskamer, waar ze juist bij tijds kwam, -om Stan en Jantje te beletten, hare bloemen te vernielen. Ze hadden -zich al ieder van een tak meester gemaakt en liepen nu triomfant -achter elkander de kamer rond, kleine Jan iedere beweging van zijn -broertje namakend. - -Hoewel bang voor hare bloemen, liet Wies ze toch een oogenblik begaan, -ze zagen er zoo snoezig uit in hun donkerblauwe truitjes, met hun -blonde krullebollen en roode wangetjes. - -"Ziezoo, jongens, nu is het mooi geweest, geef ze me nu terug." - -Maar dat was niet naar den zin van haar broertjes. - -Stan drukte zijn tak seringen stevig tegen zich aan, zoodat de paarse -bloempjes over den grond gestrooid werden en verklaarde: - -"Neen, we geven ze niet terug." - -Jantje volgde zijn voorbeeld en zijn tak witte seringen aan zijn -hartje drukkend, zei hij beslist: - -"Neen, dat doen we niet, hoor." - -Wies werd er zenuwachtig van. - -Haar mooie bloemen, waarvoor ze zooveel betaald had. - -"Geef ze dadelijk hier, dadelijk," zei ze driftig, Stan bij een arm -grijpend, terwijl ze trachtte hem de seringen af te nemen. - -Ze scheen hem wat heel stevig te hebben beetgepakt, tenminste, hij -zette het op een schreeuwen en den tak woest van zich afgooiend, -riep hij: "Betje, Bet!" - -Jantje zette nu ook een keel op, ofschoon hij met geen vinger was -aangeraakt en schreeuwde mee: "Betje, Bet!" - -Verschrikt kwam het meisje aanloopen, wat was er gebeurd? - -Ze vond de kinderen nog steeds huilend en Wies, die met een boos -gezicht de gehavende bloemtakken bekeek. - -Zoodra de jongens Betje zagen, vlogen ze op haar af en klemden zich -aan haar vast. - -"Wat is er, kinders, wie heeft jullie wat gedaan?" - -"Wies heeft ons geknepen," snikte Stan. - -"Wies heeft ons geknepen, hoor," herhaalde onder dikke tranen Jantje. - -"Dat u zich niet schaamt, zulke kleine schapen te knijpen," en met -een verontwaardigd gezicht knielde ze tusschen de kinderen in en -trachtte hen te sussen. - -Wies, toch al driftig om het gebeurde met de bloemen, viel uit: - -"Zeg, zorg jij liever, dat zulke kleine kinderen niet alleen in de -kamer zijn. Waarom was je niet bij hen? Zeker weer aan het babbelen -met Ant." - -Betje's gezicht werd rood van kwaadheid. - -"Wel ja, nou nog een mond ook tegen mijn! Dat zul je altijd zien, -zelf niks uitvoeren en alles aan mijn overlaten en dan snauwen, -maar ik dank je...." - -Het verdere ging in gebrom verloren, want Betje had met de twee -jongetjes de kamer verlaten. - -Met een zucht van verlichting liep Wies naar de kamerdeur, om die -dicht te doen. Ze zou den sleutel maar omdraaien, dan kon er niemand -in om haar te hinderen, het was hoog tijd, dat ze begon. - -Het portret hing wat hoog, maar als ze er met een stoel bij klom, -zou het wel gaan. - -Maar wacht, ze zou eerst den krans vlechten en hem dan rond het -portret hangen. - -De seringen waren niet mooi meer, de trossen waren geknakt, maar dat -was niet erg, ze kon ze toch ook moeielijk in hun geheel in een krans -gebruiken, ze zou ze stuk knippen, er kleine takjes van maken. - -Met ijver ging ze aan het werk en daar ze smaak had en niet onhandig -was, als ze iets doen kon, wat ze graag deed, was er al spoedig een -aardig kransje gereed. - -Met verrukte oogen keek ze er naar, hoe mooi zou dat staan, als ze -hem om het portret gehangen had. - -Bons, bons op de deur. - -"Zeg, mankeer je het, waarom sluit je je op?" - -Dat was Henk's stem. - -Zenuwachtig stond Wies op, waren ze toch nog maar even weggebleven, -dan hadden ze de verrassing ineens in volle glorie kunnen zien. - -"Toe, wacht nog even, ik zal je dadelijk inlaten." - -"Waarom doe je niet open? Wat voer je uit?" - -"Dat zal je zoo meteen wel zien." - -Nu kwam Marietjes stem tusschenbeide. - -"Maar er moet gedekt worden." - -Verschrikt keek Wies op de pendule. Zoo laat al? - -"Ja, dat moet dan maar wachten, ik doe niet open," antwoordde ze -zenuwachtig. - -Bons, bons, klonk het weer. - -Haastig sleepte Louise een stoel tot onder het portret. - -"Zeg, breek je de boel af?" riep Henk. - -"Je maakt toch niets kapot?" vroeg Marietje. - -Daartusschen klonk Bet's stem, die haar schijnbare onaardigheid tegen -de kleintjes vertelde. - -Dat gaf een oogenblik rust en Wies haastte zich haar versiering aan -te brengen. - -De stoel bleek niet hoog genoeg, vlug zette ze er nog een voetenbankje -op.--Zoo, nu kon ze er bij. - -Hè, wat mooi stond dat! - -Verrukt stond ze er naar te kijken. - -Bons, bons. - -Ze schrikte zoo hevig van dat onverwachte geluid, dat ze kantelde, -haar hand uitstrekte en onwillekeurig het portret greep, dat van den -spijker gleed, waaraan het was opgehangen. - -Ze verloor nu heelemaal haar evenwicht, rolde met voetenbankje en -al van den stoel en kwam met een smak op den grond terecht. Een -oogenblik zat ze versuft terneer, toen keek ze naar het portret, -dat ze nog altijd in haar hand hield en zag, dat het glas gebarsten -was. De krans lag naast haar en had ook geleden door den val. - -De gewaarwording van pijn, die ze eerst gehad had, loste zich op in -een gevoel van wanhoop. - -Dat had ze nu voor al haar moeite en kosten, dat was nu het resultaat. - -Intusschen was het bonzen op de deur steeds heviger geworden en -echte angst klonk in haar zusjes stem, toen ze smeekte, toch open te -doen. Wat deed ze toch, wat gebeurde er, wat was er omgevallen met -zoo'n smak? - -Henk dreigde een smid te halen, om het slot open te breken en Betje -verzekerde, nog nooit zoo iets bijgewoond te hebben en deed intusschen -haar best, de kleintjes te bedaren, die door al het lawaai bang -geworden, hard om Moesje riepen. - -Met een pijnlijk gezicht stond Wies op uit haar zittende houding. Au, -wat deed haar been pijn en haar hand had ze ook bezeerd. - -Ze strompelde naar den stoel, plaatste het voetenbankje er weer op -en hing niet zonder moeite portret en krans op. - -Daarna opende ze eindelijk de deur. - -Dadelijk stormden Henk en Marietje naar binnen, spiedend rondkijkend, -wat er gevallen kon zijn, terwijl Betje bromde, dat ze hoopte, nog -bijtijds met dekken klaar te komen. - -Henk's oog viel het eerst op het portret. - -"O, dat is aardig," riep hij uit, maar toen eensklaps den barst in -het glas ziende: "Was dat glas kapot? Neen toch?" - -Marietje, die nu ook de leelijke streep gewaar werd, dwars over Vaders -gezicht, drukte van schrik beide handen tegen haar mond. - -"Oooo!" was alles, wat ze zei. - -Wies begon te huilen. - -"Ik heb Moes willen verrassen, ik heb er al mijn zakgeld voor gegeven." - -"Moeder zal zeker heel verrast zijn," zei Henk, op zijn sarkastische -manier. Maar het bedroefde gezichtje van zijn zusje ziende, kwam zijn -goed hart boven. - -"Ik zou er maar niet langer om huilen. Ik heb nog wel een kleinigheid -en als Marietje dan ook wat geeft, kunnen we er een nieuw glas op -laten maken. De krans staat heel leuk," voegde hij er goedig bij. - -Marietje knikte toestemmend. Ze had intusschen den stoel recht en -het voetenbankje op zijn plaats gezet. - -"Hoe is het eigenlijk gekomen?" vroeg ze. - -"Ik schrok zoo van jullie bonzen op de deur en toen ben ik gevallen." - -"Van den stoel af? Heb je je geen pijn gedaan?" - -Wies werd zich hoe langer, hoe meer bewust, dat ze zich wel degelijk -pijn gedaan had. - -"Of ik, ik had best een arm of een been kunnen breken." - -"Ja," merkte Henk op, "het is eigenlijk een wonder, dat het niet -gebeurd is, dat was net iets voor Wies Ongeluk." - -Marietje lachte, maar Wies nam de zaak heel ernstig op. - -"Jullie lacht er om, maar zeg nu zelf eens, ben ik niet voor het -ongeluk geboren? Alles loopt altijd mis met me, als ik iets aardigs -wil doen, komt er iets naars van, dat zie je nu weer. Ik had me zóó -verheugd op die verrassing voor Moeder en nu zal ze nog boos zijn om -dat gebroken glas." - -Ze had al weer tranen in haar oogen en Henk had oprecht medelijden -met haar. - -Hij klopte haar zoo hartelijk op haar schouder, dat een "au" haar -ontsnapte, en verklaarde: - -"Daar zijn we het dus over eens, voortaan heet je niet meer Louise -Schotter, maar Wies Ongeluk. Goed?" - -Hij trok, dit zeggend, zoo'n komisch gezicht, dat Wies door hare -tranen heen, lachen moest. - -Daar mengde zich opeens Betje in het gesprek. - -"Waarom jullie nou lachen, dat gaat mijn verstand te boven. Ik vind -het ijselijk griezelig, dat dat glas gebroken is. Jullie Pa op zee, -waar je zoo gemakkelijk verdrinken kunt en dan een ongeluk met zijn -portret, dat is kasueel hoor, ik ben er niet zoo gerust op." - -Verbaasd hadden de kinderen naar haar geluisterd. - -Toen ze uitgesproken had, lachte Henk hartelijk. - -"'t Is kasueel, daar heb je gelijk aan, ouwetje. En op zee verdrink je -gemakkelijker, dan op het land, dat is ook al niet tegen te spreken." - -"Spot maar, ik weet, wat ik weet, en ik heb meer beleefd, dan zoo'n -jong ventje, als u is. Mijn moeders zuster der man zijn portret is -ook op een dag gevallen en kort daarop werd ie ziek. Gelukkig was -het glas toen niet gebroken, anders was ie bepaald doodgegaan." - -"Dus hij bleef in leven, niettegenstaande zijn portret gevallen -was? Hoe is het mogelijk," lachte Henk. - -"Het glas was niet kapot," zei Bet hoogst ernstig. - -"Weet je wat mij overkomen is, Bet? Het waterfonteintje van de kooi -van het kanarievogeltje van mijn neef zijn overgrootvaders achterneef -is gebroken en toen is mijn sijsje gestorven. Is dat niet kasueel?" - -Bet begon er nu achter te komen, dat de jongen haar voor den gek hield. - -"Ik hoop, dat u gelijk zult hebben," zei ze somber, de laatste lepels -en vorken recht leggend en daarna de kamer verlatend. - -Henk keek haar lachend na en gaf toen Wies een vroolijk knipoogje. - -"Wat een type, hè?" zei hij. - -Wies lachte even terug, maar keek dadelijk weer ernstig. - -"Ze heeft me bang gemaakt." - -"Wat? Laat jij je door zoo'n nonsens bang maken? Maar Wies, dat meen -je toch niet, je bent toch niet zoo bespottelijk bijgeloovig?" - -Wies kleurde. - -"Neen, ik geloof niet, dat ik bijgeloovig ben, maar ik vind het toch -een akelig idee, dat het portret nu juist vandaag beschadigd is, -en dat ik dat gedaan heb. Je weet, ik ben Wies Ongeluk." - -"Dat komt er nu van, Henk, met je gekke gezegdes," viel Marietje in, -"nu zet ze zich dat in haar hoofd, ze verbeeldt zich toch al, dat ze -alles verkeerd moet doen, omdat ze nu eenmaal niet anders kan. Moeder -zal wel dadelijk komen, zoo echt iets voor Moes, om liever niet van -den trein gehaald te worden," voegde ze er bij. - -Daar klonk de bel. - -"Hoera, daar is ze!" en Henk stormde de gang in, om zijn moeder open -te doen. - - - - - - - - -DERDE HOOFDSTUK. - -DE STORM. - - -Mevrouw Schotter werd in triomf door de kinderen naar de huiskamer -gebracht. - -Ze waren zoo weinig gewoon, dat hun moeder niet thuis was, dat ze een -onveilig gevoel gehad hadden, toen ze een nacht zonder haar hadden -moeten doorbrengen en nu ze weer in hun midden stond, waren ze allen -even blij. - -De kleintjes klemden zich aan haar vast en wilden beiden tegelijk -gekust worden, terwijl Henk met zijn lange beenen als een dolleman -om haar heen sprong en Wies zelfs een oogenblik vergat er aan te -denken, wat Moeder wel zeggen zou van haar verrassing en.... van het -gebroken glas. - -Marietje bleef het kalmst, maar haar ernstig gezichtje stond heel -tevreden, toen ze te midden van al die drukte Moeders hoed en mantel -aannam en netjes op een stoel legde. - -"Of wil ik het goed liever naar boven brengen," vroeg ze, "gaat u -zich nog wat opknappen, of wilt u dadelijk aan tafel?" - -"Laten we maar eerst gaan eten, mijn handen kan ik wel aan het -fonteintje wasschen," zei haar moeder, voor den spiegel haar gescheiden -haar gladstrijkend. - -Daar viel in den spiegel haar oog op de weerkaatsing van het versierde -portret. - -Verrast bleef ze een oogenblik staan kijken. - -"Wie heeft dat zoo mooi gedaan?" vroeg ze. - -"Wies," riep Henk. - -"Wies? Jij? Dat is een lief idee van je geweest," en zich omkeerende -wilde ze haar dochtertje tot dank een kus geven, toen haar oog -onwillekeurig op het versierde portret viel. - -Wat was dat? - -Zag ze dat goed? - -Liep daar midden over het glas een barst? - -Ze liep er naar toe, om het wat nader te bekijken, misschien was -het een speling van het licht, die haar deed denken, dat het portret -beschadigd was. - -Louise's hart klopte haar in de keel, wat zou Moeder zeggen? Zou ze -er verdrietig over zijn, of boos? Moeder, die zelf zoo handig was en -nooit iets brak, kon niet velen, dat een ander iets vernielde. - -Mevrouw Schotter keerde zich langzaam om, met een verdrietige -uitdrukking om haar mond. - -"De bloemen zijn mooi, Louise, ik dank je wel voor de verrassing," -zei ze, maar veel minder hartelijk dan zooeven. - -Wies slikte haar tranen in en antwoordde niet, ze durfde niet spreken, -ze zou dan zeker beginnen te schreien. - -"Willen we nu maar gaan eten," vroeg haar moeder en gaf zelf het -voorbeeld door haar plaats aan het hoofd der tafel in te nemen. - -Wies en Marietje zetten zich ieder aan een kant naast haar neer, de -kleintjes, die nog niet aan tafel aten en hun maal op hadden, zetten -hun spelletje op den grond voort, tot ze naar bed gebracht zouden -worden en Henk stond aarzelend bij zijn gewone zitplaats, naast Wies. - -"Zal ik soms daar gaan zitten?" vroeg hij weifelend aan zijn moeder, -op den stoel tegenover haar wijzend. - -Deze knikte toestemmend. - -"Ja, dat is gezelliger, zoo'n leege stoel maakt zoo'n treurigen -indruk," zei ze zacht. - -Wies schokte op, alsof haar iets onaangenaams trof. - -Ze opende hare lippen, om wat te zeggen, maar er kwam geen geluid. - -"Is er iets, wou je wat zeggen?" vroeg haar moeder, maar daar Betje -juist binnenkwam met het vleesch, behoefde Wies niet te antwoorden. - -Gelukkig maar, als Moeder er niets aan vond, een ander op Vaders -plaats te zien zitten, dan zou ze toch niet begrijpen, dat Wies die -plaats daar te heilig voor was. Ze zou haar maar weer overdreven -genoemd hebben. Ze wilde vanavond geen enkel onaangenaam woord met -Moeder hebben, het was lief van haar, niets van dat gebroken glas -te zeggen, wel was Wies er niet heelemaal zeker van, dat ze bij een -andere gelegenheid er nog niet het een en ander van hooren zou, maar -het was toch aardig van haar, er nu over te zwijgen. Morgen zou ze er -zelf over beginnen en zeggen, dat het haar speet en dat ze allemaal -samen er een nieuw glas op zouden laten maken. - -Het middagmaal verliep onder druk gepraat. Moeder had veel te vertellen -van Vader, hoe hij hen allen nog hartelijk liet groeten en hoe mooi -het weer was geweest dien morgen, toen het schip wegvoer. - -Wat een prachtig gezicht was dat geweest, dat vertrekkende -oorlogsschip, de heele bemanning had gejuicht en gegroet, totdat het -langzaam uit het gezicht verdwenen was. - -De kinderen zaten stil te luisteren, zelfs de kleintjes waren bij -hun moeder komen staan en probeerden te begrijpen, wat ze vertelde. - -Henk werd opgewonden bij de voorstelling van dat vertrekkende schip -en Marietje was ook onder den indruk van het verhaal. - -Wies zat doodstil met neergeslagen oogen, schijnbaar was ze er minder -bij, dan de anderen. Ze hoorde niet eens dat haar moeder het woord -tot haar richtte. - -Henk stootte haar aan. - -"Luister je niet, naar wat ik vertel?" vroeg haar moeder. - -Wies keek haar aan en barstte toen los: - -"Maar Moeder, hoe kond u dat verdragen, dat aanzien, dat schip, dat -langzaam verdween, steeds kleiner en kleiner werd, tot er eindelijk -niets meer van te zien was en dan te weten, dat op dat schip Vader -meegevoerd werd. O, Moes, Moes!" en haar gezicht in haar servet -verbergend, snikte ze het uit. - -Haar moeders oogen waren ook vochtig geworden, toen ze zacht haar -hand op Louise's schouder legde. - -"Bedaar, kind, en tracht je wat in te houden. Je hebt gelijk, het -was iets vreeselijks, dat weggaan, maar het moest, er was niets aan -te doen en dus moest ik me wel schikken. Je begrijpt wel, dat ik me -tusschen al die menschen niet kon aanstellen en mijn vrienden waren -goed en hartelijk voor me. Bij hen ben ik toen nog wat gebleven, -zooals je weet en natuurlijk kon ik hen niet vervelen met mijn -verdriet, dat gaat nu eenmaal niet." - -Wies keek met hare vochtige oogen haar moeder aan. - -Ze had de tranen niet gezien, die een oogenblik haar moeders blik -verduisterd hadden en vond haar nu onverschillig, met haar kalm -gezicht en rustige manieren. - -Je niet aanstellen, je schikken, het was goed en wel, maar je -moest maar kunnen. Ze was er zeker van, dat zij het bij dat vertrek -had uitgesnikt, ze zou niet tot bedaren te brengen geweest zijn, -totaal overstuur, maar ze was nu eenmaal niet zoo kalm van natuur, -zoo beredeneerd. - -Daar kwam Moes maar altijd op neer, je kalm houden, je beheerschen, -nooit mocht je eens je gevoel toonen, dan stelde je je aan, jawel, -dat was maar, naar je het nemen wilde. De een voelde nu eenmaal dieper, -dan de ander. - -Waar hadden ze het nu over? - -Daar spraken ze al over onverschillige dingen, Vader had al afgedaan, -natuurlijk, Vader was weg, uit de oogen uit het hart, maar niet bij -haar, neen, niet bij haar! - -Hare tranen vloeiden weer rijkelijk. De kleintjes waren nu naar -bed gebracht en het gesprek tusschen Moeder en de anderen drong bij -brokstukken tot haar door. Waarom lachte Henk nu en Moeder ook? - -Nu al lachen! - -Het was niet om uit te houden. - -"Hoe is het mogelijk, om nu al te kunnen lachen," zei ze scherp. - -Haar moeder keek haar verbaasd aan. - -"Wat een toon. Wat ben je weer in een lief humeur." - -"Ik ben niet uit mijn humeur, heelemaal niet, maar ik vind u en Henk -en Marietje afschuwelijk onverschillig," klonk het heftig. - -Henk trok zijn schouders op. - -"Ze is weer half gek," zei hij. - -"Ik half gek, ik half gek, jij zelf bent...." - -"Is 't uit, Louise," viel haar moeder in. "Je bent blijkbaar -overspannen door het vertrek van Vader en daarom zal ik je je -brutaliteit niet kwalijk nemen. We zijn klaar met eten, ga dus je -schoolwerk maken en dan vlug naar bed. Als je eens flink geslapen hebt, -zul je wel wat minder prikkelbaar zijn en er dan misschien eens aan -denken, wat je Vader beloofd hebt. Dat is ook een manier om te toonen, -dat je veel van hem houdt." - -Wies stond op en verliet schoorvoetend de kamer om hare schoolboeken -te halen. - -Ze voelde zich geslagen. - -Moeder had gelijk, ze kon het best haar liefde voor Vadertje toonen, -door aan zijne woorden te denken. - -Dat was juist zoo vreeselijk, dat Moeder zoo akelig kalm kon spreken, -zoo hard zelfs, vond ze, en ze bij slot van rekening toch dikwijls -gelijk had. - -Ze had zich zóó voorgenomen, lief voor allemaal te zijn, niet -prikkelbaar, geen scherp woord te zeggen en nu had ze al dadelijk -weer haar innerlijke belofte gebroken en was onaangenaam geweest. - -Ze leunde in de gang met haar voorhoofd tegen den muur en beet op -haar zakdoek, om zich in te houden. Ze voelde zich zoo wanhopend, -dat ze het 't liefst zou hebben uitgegild. - -Alles was weer verkeerd gegaan, de verrassing, waarvan ze zich zooveel -had voorgesteld, grootendeels mislukt door het breken van het glas, -ze was brutaal en onaardig geweest en Moeder zou haar natuurlijk weer -de minste van de kinderen vinden, terwijl ze juist vandaag de liefste -had willen zijn. - -O, het was om wanhopend onder te worden. - -"Wies!" galmde Henk's stem door de gang, "waar blijf je, kom je je -werk niet maken?" - -"Ja, ik kom al." - -Haastig veegde ze haar oogen af en stak haar natten zakdoek tusschen -haar ceintuur. - -Wat kon het haar ook eigenlijk schelen, niemand begreep haar, niemand -kende haar, zooals ze was, nu dacht Moeder weer aan niets, dan aan -het maken van haar schoolwerk, terwijl ze hier in de gang stond te -krimpen van verdriet. - -Goed, ze zou ook onverschillig worden en koud, als ze dat liever -hadden, haar goed en hare boeken opnemend, liep ze met opgeheven hoofd -naar binnen en ging met zoo'n air aan de tafel zitten, dat Henk het -uitschaterde en Moeder glimlachend haar hoofd schudde. - -Ze maakte zwijgend haar werk en deed haar best niet te luisteren naar -de woorden, die nu en dan tusschen de anderen gewisseld werden. - -Marietje was al klaar met hare lessen en zat nu te haken, Henk praatte -telkens, hij beweerde vanavond haast niets te doen te hebben. - -Het was toch zoo gezellig, nu Moeder weer achter het theeblad zat, -als ze aan de saaiheid van gisteravond dacht, kreeg ze een gevoel -van dankbaarheid, dat Moes weer thuis was. Ze had nu wel graag mee -willen praten, maar als niemand zich met haar bemoeide, kon zij niet -beginnen, vond ze. - -"Nog een kopje thee, Wies? Ben je nog niet klaar? Maak een beetje -voort, dan kun je naar bed, je ziet er zoo moe uit." - -"Ik ben niet moe." - -"Niet? Maak dan toch maar wat voort, dan kun je ook eens een woordje -meepraten, dat is gezellig." - -Wies voelde zich al wat prettiger, niet meer zoo eenzaam. - -"Ik ben eigenlijk klaar," zei ze, "ik zat maar zoowat te suffen." - -"De meest geliefkoosde bezigheid van mijn oudste zuster," lachte Henk. - -Wies keek hem boos aan, die jongen met.... - -Maar neen, nu niet weer beginnen. Ze legde hare boeken en schriften -bij elkaar, bergde ze in haar tasch en nam haar plaats weer in, -beide ellebogen op tafel en haar hoofd in hare handen gesteund. - -Nu was ze bereid tot een gezellig praatje. - -"Zou je niet wat breien ondertusschen," zei haar moeder, "die -kousjes van Janneman komen anders nooit klaar. Je moet er eens wat -mee voortmaken, kind, hij heeft ze noodig." - -Met een zucht stond Wies op, om haar werk te krijgen. - -Dat afschuwelijke breien, dat behoefde geen van haar vriendinnetjes -te doen, die mochten gerust eens een poosje leegzitten, wie breide -er nu tegenwoordig nog kousen. - -Maar Moeder vond koopkousen prullegoed, daar waren de wilde jongens -dadelijk doorheen en dus moesten de kousen gebreid worden en daar ze -zelf niet alles doen kon, moest Wies haar helpen. Dat was goed voor -haar, vond Moeder, een meisje moest leeren practisch werkzaam te zijn -en nooit met leege handen te zitten. - -En ons Wiesje deed niets liever. - -Zoo eens heerlijk niets doen, alleen je gedachten vrij spel laten, -dat was een genot, een heerlijkheid! - -Maar dat mocht je nooit bij Moeder, altijd moest je bezig zijn, je -handen gebruiken, akelige kousen breien, of stukjes leeren inzetten, -wat nog erger was, of kopjes en glazen afwasschen, waarbij je -doodsangsten uitstond, dat je wat breken zoudt. - -Een diepe zucht was het resultaat van deze overpeinzingen. - -"Wat ben je toch gezellig," merkte Henk op, "als je onder je meisjes -bent, heb je ook meer praats." - -"Natuurlijk, dat spreekt vanzelf, de meisjes zijn ook aardig, -maar jij...." - -"Wat is het weer veranderd," viel Moeder ter afleiding in, "vanochtend -was het zoo prachtig en nu regent het en het begint te waaien ook." - -"Ja," beaamde Henk, "dat zijn zoo van die grillen van onze lieve -Meimaand. Moet die peuter nog niet naar bed?" voegde hij er, op -Marietje wijzend, bij. - -Het kind had juist haar haakwerk in haar taschje geborgen en stond -nu kalm op. - -"Je zag, dat ik ging, je aanmerking was dus niet noodig," zei ze, -haar moeder een nachtkus gevend. - -Toen ze de kamer verlaten had, zei deze: - -"Zoo'n zeldzaam lief en gemakkelijk kind als dat toch is, daar heb -ik nu letterlijk geen oogenblik moeite mee." - -Henk keek bedenkelijk. - -"Een beetje saai, hè?" zei hij. - -"Saai?" - -Zijn moeder keek verwonderd. - -"Waarom saai? Omdat ze weet wat haar plicht is en dien doet? Noem je -dat saai?" - -"Nou, ze is pas twaalf, een beetje te jong, om al zoo volmaakt te zijn, -dunkt me. Neen, dan is ons Wiesje anders," plaagde hij. - -"Jij hebt goed praten, in de eerste plaats ben je Moeders bedorven -kindje, altijd geweest trouwens, en...." - -"Maar Louise," viel haar moeder lachend in, terwijl Henk het -uitschaterde van pret over het verongelijkt gezicht van zijn zusje. - -"Ja, je bent altijd het bedorven oudste zoontje geweest en daarenboven -ben je geen meisje en mag je dus over je vrijen tijd beschikken, -terwijl ik dingen doen moet, die ik vervelend vind." - -"Arm schaap," spotte haar broer, maar liet er op volgen: - -"Eerlijk gezegd ben ik heel blij, geen meisje te zijn." - -"Zie je wel, dat wist ik wel. Maar heusch, andere meisjes behoeven -niet altijd zulke vervelende dingen te doen. Wanneer heb ik nu eens -tijd om te lezen? Alleen Zondags een uurtje." - -Haar moeder keek naar haar verontwaardigd gezichtje en begon te lachen. - -"Dat is maar goed ook, al die malle geschiedenissen brengen je hoofd -maar in de war. Als een meisje de school goed doorloopt, naaien, -breien, koken en de huishouding besturen leert, is dat volkomen -voldoende. En dan leer je nog muziek ook, omdat Vader daarop gesteld -is, dat vergeet je heelemaal." - -"Nu ja, ik zou natuurlijk graag mooi pianospelen, maar dat studeeren is -heusch geen pretje, die vingeroefeningen zijn een nachtmerrie voor me." - -"Vooral als Moeder dan binnenkomt en je met je handen in je schoot -vindt zitten droomen, in plaats van te studeeren," plaagde Henk. - -"Dan hoor ik muziek." - -Nu lachte haar moeder hartelijk. - -"Doe toch zoo gek niet, kind, je maakt je bespottelijk. Als je dan -toch die dure muzieklessen hebben moet, maak dan ten minste, dat je -er wat van leert. Toen ik je laatst op het partijtje van Marietje -vroeg, wat dansen te spelen, deedt je dat zoo mooi, dat de kinderen -er onmogelijk op dansen konden. Of je al over muziek zit te droomen, -zooals je beweert, daar kom je niet verder mee. Ik heb Vader beloofd, -er goed op te letten, dat je studeert en het hem te schrijven, daar -mag je wel aan denken." - -Wies staarde voor zich uit. Tot ergernis van haar moeder, lag haar -breiwerk weer rustig in haar schoot. - -"Ja, ziet u," zei ze peinzend, "ik wil wel goed studeeren, ik neem het -me altijd voor, maar ik kan het niet volhouden, ik vergeet het. Weet u, -wat ik wou? Dat er een fee was, die me een ring cadeau gaf, die me, -telkens als ik afdwaalde, een prikje in mijn vinger gaf. Heusch dat -wou ik." - -"Ik denk, dat je dien ring gauw af zoudt leggen. Maar zou het niet -hetzelfde effect hebben, als ik je eens een flinken tik op je vingers -gaf, als ze werkeloos op de toetsen lagen?" - -Nu moest Wies zelf lachen. - -"Hoe vreeselijk prozaïsch, neen hoor, ik had liever mijn ring." - -"Als het hielp, wilde ik, dat ik je hem bezorgen kon. Maar nu wordt -het tijd, om naar bed te gaan. Toe, rol dat werk wat netter op. Zoo, -geef maar hier. Slaap lekker!" - -Zoodra Wies in bed lag, sliep ze in. Ze was werkelijk heel moe door -al de emoties, die de dag gebracht had. - -Zoo tegen een uur of één werd ze echter plotseling wakker. - -Wat hoorde ze toch? - -Wat een vreemd gesteun en gekraak. - -Ze richtte zich in bed op en luisterde. - -Dat was de wind. - -En wat een gekletter op het dak, vlak boven haar hoofd. - -Een stortregen stroomde neer op de zinken platen, die het bovenste -deel van het dak bedekten en maakte een leven als een oordeel. - -Geen wonder, dat ze wakker geworden was, haar kamertje lag op de -zolderverdieping, zoodat ze alles uit de eerste hand had. - -Nu hield de regenvlaag op, gelukkig, nu zou ze probeeren weer in -te slapen. - -Ze legde zich neer en trok de dekens tot over hare ooren. - -Ze was nog zoo moe, ze wilde slapen. - -Wat was dat nu weer? - -Hagel, het was bepaald noodweer. - -De wind scheen steeds heviger te worden, den schoorsteen hoorde ze -duidelijk kraken, dat was geen wind meer, dat was storm. - -Met een ruk zat ze overeind. - -Storm.... en Vader op zee. - -Hoe was het mogelijk, dat ze daar niet dadelijk aan gedacht had. Ze -was zeker nog niet goed wakker geweest, maar nu was haar geest helder -en kon ze de gedachte geen oogenblik meer van zich afzetten: Vader -in dezen storm op zee. - -Haar altijd levendige verbeelding deed haar het schip zien, op en -neer geduwd door de onstuimige golven, overgeleverd aan het woeste -spel van den storm. - -Ze zag het groote schip als een notedop dansen op het water en dan -weer de hooge golven over het dek slaan. - -Ze had nooit een schip in nood gezien, nooit zelfs de zee bij -stormweer, maar haar phantasie kwam haar te hulp en ze zag letterlijk -voor hare angstige starende oogen het schip in nood, het schip, -waarop haar vader zich bevond, waarvan hij commandant was, dat hij -dus nooit zou mogen verlaten, waarmee hij ten gronde zou moeten gaan. - -Hij zou met het schip moeten vergaan. - -Die gedachte zette zich vast in hare hersens en liet haar niet -meer los. - -Vader was zoo dapper, hij zou zijn schip niet verlaten, hij zou -liever een eervollen dood sterven, dan zonder zijn schip te moeten -terugkeeren. - -Dat was wel mooi, hij zou dan als een held sterven en ze dweepte met -helden, ze had altijd een gloeiende bewondering gevoeld voor ieder, -die zich opofferde aan zijn plicht. Als ze las van een brandweerman, -die niet geaarzeld had, zich in een brandend huis te begeven, om -een achtergelaten kind te redden, dan gloeide ze van geestdrift; -groote daden doen, voor niets terugdeinzen, geen moeielijkheid te -groot achten, dat was prachtig! - -"En beginnen met je dagelijksche plichten nauwkeurig en goed te doen." - -Och ja, dat had Vader tegen haar gezegd, toen ze een paar dagen -geleden ook zoo geestdriftig gesproken had, over een held, waarvan -ze gelezen had. - -Vader had gelijk, daar moest je mee beginnen, maar dat was juist zoo -moeielijk, omdat je er zoo weinig eer van hadt en het meestal niet -eens opgemerkt werd, als je je best gedaan had in kleinigheden. - -Vader zag het nog wel eens en kon je dan zoo heerlijk aankijken, -maar Moes merkte het nooit. Die viel het meer op, als je niet deedt, -wat je moest. - -O, wat een rukwind! - -Angstig kroop Wies ineen. - -"Vadertje, Vadertje," kreunde ze, met opgetrokken knieën in bed -zittend, haar hoofd voorover gebogen, "was u toch maar bij me." - -Weer een stormvlaag. - -Even richtte ze luisterend het hoofd op, toen liet ze het op hare -opgetrokken knieën zinken en smoorde een kreet van doodsangst. - -Als Vader als een held stierf, kwam hij nooit meer bij haar terug! - -O, neen, neen, dat kon niet, dat mocht niet, hij moest terugkomen, -mocht niet sterven, ze zou niet zonder hem kunnen leven, ze zou veel -liever zelf doodgaan, aan haar was niets verbeurd, maar zonder Vader -konden ze geen van allen. - -En de mogelijkheid bestond, met zoo'n storm kon men voor niets instaan, -ze werd hoe langer hoe angstiger en zenuwachtiger. - -Nu scheen de wind wat te bedaren, maar slechts voor een poosje, -daarna gierde hij nog heviger dan te voren. - -Wies kon het in bed niet meer uithouden ze stond op, stak een kaars -aan en keek rillend en bevend haar kamertje rond. - -Daar stond op haar kastje Vaders laatste portret. Ze nam het op en keek -er gretig naar. Zijne vriendelijke oogen gaven haar weer wat moed en -hare angstige trekken ontspanden zich, maar slechts voor een oogenblik. - -Toen kreeg de angst weer de overhand en het portret haastig neerzettend -en bevend over haar geheele lichaam, sloeg ze hare handen voor hare -oogen en kreunde. - -Het vreeselijke zou gebeuren, alles wees er op, had ze dien middag -het portret niet laten vallen en was het glas niet gebarsten? - -"O Vader, Vader dan toch, waar bent u op het oogenblik, wat doet u, -wat gebeurt er met u!" - -Ze liet zich op den grond vallen en snikte het uit. - -De plof van haar neervallend lichaam deed haar moeder, wier kamer -onder de hare was, niet weinig ontstellen. - -Ze luisterde een oogenblik en hoorde toen duidelijk boven haar hoofd -het wanhopend gesnik van haar dochtertje. - -Opstaan en naar boven loopen was het werk van een oogenblik en even -bleef ze ontsteld staan, toen ze Wies daar zoo op den grond zag -liggen huilen. - -Ze ging naar haar toe en haar oprichtend vroeg ze, wat er aan scheelde, -had ze ergens pijn? - -Wies schudde heftig van neen. - -"Wat is er dan?" - -"Vader, Vader, de storm." - -Haar moeder, die zelf door het noodweer, in verband met het vertrek -van haar man, niet had kunnen slapen en zich zenuwachtig en overspannen -voelde, zei wat ruw: - -"O, is het dat. Maar daarom behoef je je toch niet zoo aan te -stellen. Denk je soms, dat ik den wind niet hoor, maar lig ik daarom -als een waanzinnige op den grond? Kom sta op en ga weer in bed." - -Die woorden werkten als een stortbad. - -Instinctmatig stond Wies op en ging naar haar bed. - -"Kruip er maar gauw in, dan stop ik je lekker toe, je rilt van de kou, -dwaas kind, dat je bent." - -"Niet van kou, van angst," verbeterde Wies. - -"Je schijnt je gevoelens nog precies te kunnen ontleden. Ziezoo, hou je -nu verder bedaard en maak het heele huis niet wakker met je spektakel." - -Wies greep haar moeders hand, toen deze de dekens nog wat optrok. - -"Bent u heelemaal niet bang?" fluisterde ze. - -"Natuurlijk vind ik dien wind niet prettig, maar ik laat mijn verstand -spreken en dat zegt, dat het best mogelijk is, dat Vaders schip niet -te lijden heeft onder den storm, het is al zooveel uren onderweg, -nietwaar, en in ieder geval, het is een stevig schip en kan best -tegen een stootje. Er is heusch geen reden, om zoo beangst te zijn, -en in geen geval mag je je zoo aanstellen, daar doe je niemand en -niets goed mee." - -Wies voelde zich kalmer worden. Moeders woorden waren niet prettig, -de toon van haar stem niet heel vriendelijk, maar ze kalmeerden haar, -haar groote angst verdween langzamerhand. - -"Maar het portret," fluisterde ze nog. - -"Welk portret?" - -"Van Vader, dat ik vandaag heb laten vallen." - -"Ja, dat spijt me genoeg, maar wat zou dat?" - -Wies aarzelde. - -Ze durfde Moeder haast niet zeggen, wat haar op het hart lag, Moeder -was zoo wars van dat soort van dingen, maar ze wilde toch zoo dolgraag -uit haar eigen mond hooren, dat het onzin was, wat Betje vanmiddag -gezegd had. - -"Is het geen slecht voorteeken, als iemands portret valt, en het -glas breekt?" - -Haar moeder keek haar verbaasd aan. - -"Een slecht voorteeken? Wie heeft je die malligheid wijs gemaakt. Begin -je nu ook al aan voorteekens te gelooven? Je wordt hoe langer hoe -dwazer, kind, ik zal eens goed op je letten in den eersten tijd en -je maar eens flink aan het werk zetten, zoodat je geen tijd hebt, om -aan al die bespottelijke dingen te denken en er over te lezen. Geef -me nu maar een zoen en zet al die nonsens uit je hoofd. Ik zou maar -gauw zien in te slapen, anders ben je morgen den geheelen dag weer -zoo soezerig en onmogelijk." - -Wat overbluft door haar moeders vlug achtereen gesproken woorden, -staarde Wies droomerig voor zich uit. - -"Ja Moes," was al wat ze antwoordde. - -Haar moeder glimlachte. - -Het leek wel, of ze al half sliep. - -"Goedennacht dan," zei ze wat vriendelijker, "en slaap lekker." - -Weer in haar eigen kamer gekomen, bleef ze nog een oogenblik in een -gemakstoel zitten. Slapen kon ze toch niet, die storm werkte op de -zenuwen, dat was waar en wekte akelige gedachten op, maar men moest -zijn verstand gebruiken en geen zorgen voor den tijd maken. - -"Die Wies," dacht ze toen, "dat overdreven, dwaze schepseltje. Ik -had innig medelijden met haar, ze was werkelijk heel angstig en -zenuwachtig, maar ik mag daar niet aan toegeven. Haar vader bedierf -haar wel wat, ze is er in de laatste jaren niet op vooruit gegaan, -wat haar humeur en zelfbeheersching betreft. Ik zal haar maar flink -aanpakken, en niet toegeven aan al haar dwaze, overdreven ideeën. Een -mensch is nu eenmaal niet op de wereld, om zijn leven te verdroomen." - - - - - - - - -VIERDE HOOFDSTUK. - -NOODLOT OF EIGEN SCHULD? - - -"Zeg Wies, vraag, of je vanavond bij me mag komen, mijn broer is jarig, -er komen meer menschen. Ik vond al die volwassen lui zoo vervelend -en daarom heb ik gevraagd, of jij bij mij mocht komen." - -"Heerlijk, ik hoop, dat Moeder het goed zal vinden." - -"Dat zal wel, waarom zou ze niet. Het zal vreeselijk leuk zijn, de -tuin wordt met lampions geïllumineerd en er wordt nog een vuurwerkje -afgestoken ook. Het kan nu zoo goed, met die lange Juni-avonden en -het is tegenwoordig zulk mooi weer." - -"Wat eenig, wat zal dat prachtig staan, jullie tuin is toch al zoo -mooi met al die boomen en struiken." - -"Ja, 't is een heerlijke tuin, voor een stadstuin. Je komt dus hè?" - -"Als 'k mag. Ga je om twaalf uur even mee om het te vragen?" - -"Goed," en de twee vriendinnetjes stapten de school binnen, beiden -vervuld van de pret, die hun vanavond te wachten stond. - -Toch was Wies niet zoo heel zeker van de toestemming van haar moeder. - -Een paar dagen geleden was deze naar de directrice der school geweest, -om eens naar haar te informeeren, en hetgeen ze daar gehoord had, -was niet zoo heel gunstig geweest. Het waren de oude klachten, ze kon -wel, maar lette niet op en dwaalde veel te veel af. Het stond zelfs -maar zóó zóó, of ze over zou kunnen gaan, dat zou nog van de laatste -zes weken afhangen. De juffrouw had er ook over geklaagd, dat ze hare -lessen niet altijd kende, en Moeder was allesbehalve tevreden thuis -gekomen. Ze vond dus dat hare kansen, om vanavond te mogen gaan, -niet zoo heel goed stonden. - -Om twaalf uur holden de meisjes naar huis. - -"Is Moeder in de huiskamer?" vroeg Wies aan Betje, die opendeed. - -"Ja, Mevrouw zorgt voor de koffietafel, geloof ik." - -Nog voor ze uitgesproken had, was Wies haar al voorbij gedrongen, -gevolgd door Lottie. - -Ze duwde de deur der huiskamer open en stormde op haar moeder af. - -"Moes, mag ik vanavond naar Lottie gaan, haar broer is jarig en nu -is er een feest, de tuin wordt geïllumineerd, het zal eenig zijn." - -"Ze mag hè, mevrouw, toe zeg u maar gauw ja." - -Mevrouw Schotter legde brood en mes neer en keek van het eene meisje -naar het andere. - -"Dag meisjes," zei ze kalm. "Wil je even de deur achter je toedoen, -Wies. Zoo, ik dacht, dat de wind plotseling opgestoken was, zoo -vloog die deur open. Kwam je vragen Lottie, of Wies vanavond bij je -mocht komen?" - -"Ja mevrouw," zei Lottie, nu heel wat bedaarder. - -Mevrouw Schotter aarzelde even, gespannen keken de meisjes haar aan. - -"Ik mag toch, Moes," drong Wies aan. - -"Toe ja, mevrouw," viel Lottie haar bij. - -Mevrouw Schotter schudde ontkennend het hoofd. - -"Ik geloof niet, dat het gaan zal. Je weet misschien niet, Lottie, -dat ik eergisteren allesbehalve gunstige inlichtingen omtrent Wies -gekregen heb van de directrice van de school, ze klaagde er over, -dat Wies slecht haar lessen kende en altijd onoplettende fouten maakte. - -Dus vind ik, dat ze 's avonds haar tijd aan haar werk moet besteden -en niet uit mag gaan." - -Lottie keek diep teleurgesteld. - -Wat Wies betreft, de tranen stonden haar nader dan het lachen. - -"Ze kan vanmiddag werken," opperde Lottie, "we hebben toch onzen -vrijen middag." - -"Hè ja, dat kan best," zei Wies, vervuld van nieuwe hoop. - -"We hebben niet heel veel te doen," voegde Lottie er nog aarzelend bij. - -Wies keek haar eens aan. - -Wat jokte die Lot, ze hadden juist veel werk, morgen repetitie van -die vervelende, droge jaartallen, en nog repetitie van Fransche -grammaire. Het trof zoo slecht, dat ze midden in die repetitie zaten. - -Mevrouw Schotter dacht even na. - -"Nu, weet je wat, ik zal Wies dadelijk na het eten haar lessen -overhooren en als ze die dan heel goed kent, mag ze gaan." - -Lottie klapte vroolijk in hare handen. - -"Heerlijk, ze kan ze vanmiddag gemakkelijk leeren, ik moet dat -natuurlijk ook." - -"Ze moet eerst nog pianostudeeren." - -"O, mevrouw, de middag is lang. Dol, dat u het goed vindt. Dag -mevrouw. Tot vanavond Wies." - -Bij de voordeur liep ze tegen Henk aan, die juist binnen kwam. - -Deze pakte haar lachend beet en tilde haar in de hoogte. - -"Dag Lot, lekkere dot," rijmde hij. - -Lottie worstelde zich los. - -"Wil je dat wel eens laten, brutale jongen," gierde ze, hard -wegloopend. - -Nog lachend kwam Henk de kamer binnen. - -"Wat moest dat grappige, kleine ding hier?" vroeg hij. - -"Grappig klein ding," zei Wies verontwaardigd, "Lot is mijn vriendin -en even oud als ik." - -"Is die peuter al veertien, och kom!" en Henk trok een ongeloovig -gezicht. - -Zijn zusje vatte vuur. - -"Omdat jij zulke onmogelijke ooievaarsbeenen hebt, is een ander in -jouw oogen altijd een dwerg, ze is gewoon een snoes hoor." - -"Echt?" spotte Henk, "maar dan toch een dwergachtige snoes, en...." - -"Zou jullie niet eens beginnen," viel hun moeder in, "me dunkt, -dat het tijd wordt, je bent laat vandaag, Henk." - -"Ja Moes, ik had nog wat af te spreken met een van de jongens en toen -heb ik hem even thuis gebracht." - -"Die jongen woonde zeker in de buurt van Ina van Wal, hè?" fluisterde -Wies. - -"Hou je mond," mompelde haar broer. - -Toen allen genoeg gegeten hadden zei Moeder: - -"Weet je wat, Wies, begin nu met pianostudeeren, terwijl ik hier -afwasch met Marietje. Ik ga straks met de kinderen wandelen, als -de kleintjes geslapen hebben, dan kun jij je lessen leeren voor -morgen. Het is beter, dat je studeert, terwijl ik nog thuis ben," -voegde ze er glimlachend bij. - -Wies lachte ook. - -Het was waar, als Moeder er niet was om te luisteren, kon ze zoo -heerlijk zitten soezen voor de piano. Maar vandaag zou ze flink -studeeren, dat nam ze zich stellig voor en met goeden moed begon ze -hare vingeroefeningen. - -Na tien minuten gespeeld te hebben, merkte ze, dat Moeder met Marietje -de kamer verlaten had en ze dus alleen was. - -Ze rekte zich eens uit en gaapte. Hoe vreeselijk saai waren toch die -eentonige oefeningen. - -Nu nog die even saaie gamma's. Ze begon, maar hare gedachten waren er -niet bij, ze struikelde dan ook gedurig over hare vingers. Zonde van -den tijd toch, ze had zooveel te doen voor school, ze kwam nooit klaar. - -Als Moeder niet thuis geweest was, zou haar grammaire op de piano -gezet en onderwijl wat geleerd hebben, die gamma's gingen toch immers -machinaal, maar nu durfde ze niet. - -Ze hadden die afschuwelijke regels van de Participe Passé te herhalen -en ze kende er nog niets van, want ze had ze slecht geleerd. Dat -was juist dien avond geweest, toen ze dat leuke versje gemaakt had, -dat Lot zoo mooi vond. - -Ze zat nu rustig met hare handen in haar schoot en probeerde, of ze -dat versje nog zou kunnen opzeggen: - - - De lente was gekomen, - De bosschen waren groen, - Ik zat heerlijk te droomen, - Op een bankje in 't plantsoen, - Daar kwam een kleine elf, - Uit een der bloemen gekropen, - 't Was 't bloemengeestje zelf, - Dat daar kwam aangeslopen. - "Lief meisje," sprak het.... - - -"Louise, Louise, kan ik je dan geen vijf minuten alleen laten, zonder -dat je ophoudt met je oefeningen?" - -Verschrikt keerde Wies zich om. - -Moeder stond achter haar en keek haar verwijtend aan. - -Ze boog dadelijk het hoofd, ze had veel liever, dat Moeder boos keek, -dan zooals ze nu deed. - -"Kind," zei deze nog, "als je wist, wat het me een verdriet doet, -dat je zoo weinig vertrouwbaar bent." - -Ontsteld keek Wies haar aan. - -Weinig vertrouwbaar, was ze dat werkelijk? - -"Ben ik niet te vertrouwen?" stotterde ze. - -Haar moeder zag, dat hare woorden het meisje hadden doen schrikken. - -"Wat noem je het anders," zei ze, niet onvriendelijk, maar ernstig, -"als je me belooft, goed te studeeren en ik geen oogenblik de kamer -uit kan gaan, zonder dat je ophoudt met spelen?" - -Wies voelde, dat Moeder gelijk had. - -"Maar ik doe het niet expres," zei ze zacht. - -"Niet expres, je bent toch een meisje van veertien jaar, je hebt toch -je verstand, wat moet ik er dan van denken, als je zoo handelt. Als -je nog een klein kind was, zou ik zeggen, dat je erg ongehoorzaam was, -maar nu noem ik het onbetrouwbaarheid." - -Wies zuchtte diep en begon opnieuw de gamma van g, die ze straks -had afgebroken, om even te probeeren, of ze dat gedichtje nog op -kon zeggen. - -Haar moeder bleef nu in de kamer, totdat de tijd van studeeren om was, -en ging toen Betje helpen de kleintjes aan te kleeden, om daarna met -hen en Marietje te gaan wandelen. - -Wies stond voor het raam hen na te kijken. Ze wuifde de kinderen toe, -zoolang ze hen zien kon, lekkere ventjes toch die Stan en Janneman. - -Toen keerde ze zich met een zucht om en zocht hare boeken bij elkaar, -om aan hare lessen te beginnen. - -Wat zou ze eerst doen? - -Die jaartallen maar. Hoeveel had ze er te leeren? - -Even tellen. - -Lieve deugd, dertig, hoe kreeg ze die ooit in haar hoofd. Het was -wel repetitie, maar ze geloofde niet, dat ze er nog veel van wist. - -Met haar hoofd op beide handen gesteund, haar geschiedenisboek voor -zich op tafel, begon ze. - -1565 Verbond der edelen. - -Jawel, dat wist ze, en het volgend, 1566 ook, 1568 wist ze natuurlijk -wel, dat was ook nog Vaderlandsche geschiedenis, maar er stond -meer bij. - -"Maria Stuart vlucht naar Engeland en wordt door Elizabeth gevangen -gehouden." - -Zoo in-gemeen toch van die Elizabeth, Maria zocht bescherming bij -haar en uit jaloezie hield ze haar gevangen. De juffrouw zei wel, -dat er heel andere redenen bij kwamen, ze was vergeten wat ook weer, -maar zij was er zeker van, dat Elizabeth jaloersch was op haar mooie -nicht. Die Maria Stuart was haar toch altijd zoo sympathiek geweest, -arm koninginnetje, zoo vroeg al weduwe van den Franschen dauphin, -waar ze zooveel van hield en gedwongen het heerlijke Frankrijk te -verlaten, waar ze zich zoo gelukkig gevoeld had. - -Hoe was dat mooie gedicht ook weer? - - - Adieu charmant pays de France, - Que je dois tant chérir, - Berceau de mon heureux enfance - Adieu, te quitter, c'est mourir. - - -Wat klonk dat toch mooi, charmant pays de France, als de Fransche -juffrouw op school dat opzei, met haar mooie uitspraak, klonk het -zoo echt. - -Een lief mensch, de Française, waarvan ze leesles hadden, veel liever -dan juffrouw Faber, die het gramaticale gedeelte behandelen moest, -omdat de andere geen Hollandsch kende. - -Juffrouw Faber was zoo ongemakkelijk, zoo precies. Dat zou morgen weer -wat zijn, met de Participe Passé, ze wist er geen woord van en had -al zooveel slechte cijfers voor Fransch bij juffrouw Faber. Niet bij -de Fransche snoes, die was heel tevreden, en zei, dat ze een goede -uitspraak had en gevoel wist te leggen in wat ze las. - -Hare gedachten dwaalden zoo langzamerhand heelemaal af van hare -jaartallen en ze zat in diep gepeins voor zich uit te staren, toen -ze de pendule op de schoorsteenmantel hoorde slaan. - -Verschrikt kwam ze weer toch zichzelf. Al vier uur, nog maar een goed -uurtje en ze kende nog niets. - -Met hare vingers in hare ooren, om toch niet afgeleid te worden, -boog ze zich over haar boek en deed haar best haar aandacht bij -hare jaartallen te bepalen. Aanvankelijk gelukte haar dit en een -half uurtje was ze werkelijk ingespannen bezig. Toen dacht ze wel, -dat zij ze kende. - -Met hare armen boven haar hoofd, rekte ze zich eens flink uit, zoodat -de leuning der stoel, waarop ze zat, kraakte. - -"Even opstaan, me even bewegen," dacht ze en de daad bij het woord -voegend, duwde ze haar stoel achteruit en begon de kamer rond te -loopen. - -Voor het raam viel haar oog op een musschenpaar, dat op het dak van het -tegenoverliggende huis een nestje scheen te bouwen. Een der dakpannen -was kapot en door die opening zag Wies het vogelpaartje in en uitgaan, -druk strootjes en veertjes aandragend. - -Hoe snoezig toch, die dotten maakten een warm nestje voor hun -toekomstige kindertjes. Wat was dat mooi, de zorg, die de dieren -instinctmatig hadden voor hun jongen. Wat snoezig zou dat zijn, als in -het nestje eerst eitjes gelegd werden en dan later de jonge vogeltjes -er uitkwamen. Ze zag ze voor zich, met hun kleine, nog kale lijfjes -en groote bekken, gretig opengesperd om het voedsel te ontvangen, -dat hun vadertje en moedertje voor hen aanbrachten. En als dan die -lijfjes langzamerhand met dons bedekt werden en dat dons in veertjes -overging.... - -Hé, wat was dat? - -"Henk, wat doe je me schrikken, ik wist niet, dat je binnen gekomen -was." - -"Was je weer in hooger spheren? Zeker al klaar met je werk?" - -"Klaar?" - -Zijn zusje keek hem afgetrokken aan. - -Henk lachte vroolijk. - -"Wat zie je er snugger uit. Weet je wel, dat het al bij vijven is." - -"Bij vijven? Och neen! Ik ken nog geen woord van mijn grammaire," -en Wies nam, rood van schrik, haar boek op en begon ijverig de regels -te lezen en te herhalen, die ze voor morgen kennen moest. - -"Daar komt Moeder aan," zei Henk en liep naar de voordeur om open -te doen. - -Toen ze een half uur later aan tafel zat, was Wies zich bewust, -dat ze hare lessen voor morgen niet kende. - -Ze was stiller dan anders en trachtte brokstukken van de grammaire -in haar gedachte op te zeggen, maar telkens bleef ze steken. - -Hoe moest dat straks gaan, als Moeder haar overhooren zou. - -Ze zou er niets van terechtbrengen en dan zou ze niet mogen gaan -vanavond. - -Maar neen, dat kon toch niet, ze had zich zóó op dat feestje verheugd. - -Ze had zich toch zoo vast voorgenomen, hare lessen vanmiddag goed te -leeren, ze had toch ook niets anders gedaan, alleen maar even aan iets -anders gedacht, dat kon ze toch niet helpen. Ze wou, dat ze nog in -den tijd van de feeën leefde en dat er een was, die haar beschermen -wilde en haar straks alles heel zacht influisterde, zoodat ze het -maar te herhalen had. - -"Heb je hoofdpijn, Wies?" vroeg haar moeder, "je bent zoo stil." - -"Welneen," antwoordde Henk voor haar, "ze is alleen maar weer in het -rijk der feeën. Ze droomt van een goede fee, die haar al het werk -uit de hand neemt, zoodat ze zelf niets behoeft te doen, dan op een -stoel te zitten slapen." - -Wies kreeg een kleur van verlegenheid. Hoe kon die Henk nu zoo precies -raden, waar ze aan dacht. - -Haar moeder keek haar aan en begon te lachen. - -"Neen Henk, voor zoo dwaas houd ik Wies gelukkig niet," zei ze, -"je zoudt haar wel voor half gek willen verslijten." - -"Is ze ook," beaamde Henk. - -Zijn moeder keek ontevreden. - -"Zulke dingen mag je niet zeggen, ik weet wel, dat je er niets van -meent, maar het klinkt naar." - -Zich toen tot Wies wendend: - -"Goed gewerkt vanmiddag? We zijn toch klaar, dus moesten we nu maar -opstaan, dan kan ik je even overhooren. Daarna kun je je dan wat -gaan opknappen." - -Met een kloppend hart volgde Wies haar moeder naar de voorkamer -en reikte haar het geschiedenisboek over, om zich de jaartallen te -laten overhooren. - -De eerste tien gingen vlot en met een tevreden knikje ging haar moeder -door. Maar van toen af begon ze te haperen, raakte in de war en van -de laatste zes kende ze er geen een. - -Haar moeders gezicht was hoe langer hoe ernstiger geworden. - -"Noem je dat je les kennen?" vroeg ze. - -Wies schudde van neen. - -"Ik ook niet, dus zijn we het eens. Wat nu nog?" - -Aarzelend reikte Wies haar grammaireboek aan. - -"Het Participe Passé? Goed, begin maar." - -Met den moed der wanhoop ving Wies aan, maar al heel gauw kon ze niet -verder, stotterde en hield eindelijk heelemaal op. - -Haar moeder trachtte haar door een paar vragen op den rechten weg -terug te brengen, maar het hielp niet, ze wist er niet veel meer van. - -Met een ontmoedigd gebaar sloot haar moeder eindelijk het boek. Men -kon haar aanzien, dat het haar speet, dat ze nu genoodzaakt was, -Wies niet naar het feestje te laten gaan. - -"Het spijt me, Wies, maar ik moet je natuurlijk thuishouden van -avond. Wat heb je vanmiddag uitgevoerd, in plaats van te werken?" - -Louise's oogen vulden zich met tranen. Met bevende lippen verklaarde -ze, niets anders gedaan te hebben, dan hare lessen geleerd. - -"Dat is onmogelijk. Als je niet met iets anders bezig bent geweest, -heb je zeker geslapen. In ieder geval, het resultaat is, dat je je -lessen niet kent en ze dus over moet leeren." - -"Mag ik dat morgenochtend niet doen?" - -"Natuurlijk niet." - -"Moet ik heusch thuis blijven van avond?" - -"Dat spreekt toch vanzelf. Ga nu maar dadelijk aan het overleeren -beginnen, anders zie ik nog aankomen, dat je die lessen vanavond nog -niet kent." - -Met deze woorden verliet ze de kamer. - -Wies staarde haar na, tot ze de deur achter zich gesloten had en -wierp zich toen snikkend in een gemakstoel. - -"Mijn heerlijk avondje," steunde ze, "het zou zoo verrukkelijk geweest -zijn en zoo mooi in den tuin en zoo gezellig. Het is altijd zoo dol -prettig bij Lottie." - -Ze schreide en snikte en voelde zich doodongelukkig, bij de gedachte -aan wat ze nu misliep. - -Na een poosje bedaarde het huilen en hare oogen afvegend, ging ze -met een ruk rechtop zitten en verklaarde: - -"Ik leer niets meer vanavond, ik doe het niet, als ik nooit eens pret -mag hebben, werk ik ook niet meer." - -Toen wrevelig van zich af schoppend: - -"Het is weer zoo echt iets voor mij, juist vandaag zulke moeilijke -lessen te hebben en Moeder, die altijd zoo streng is, andere meisjes -kennen toch ook niet altijd hun lessen. Ik had ze best morgenochtend -kunnen overleeren. Ik kan 't toch niet helpen, dat ik niet bij die -droge dingen blijven kan. Het is niets lief van Moeder, nooit eens -iets bij me door de vingers te zien, maar ik geef er de brui van, -ik leer vanavond die lessen niet, ik doe het niet. Moeder kan me -thuis houden, maar de lessen in mijn hersens pompen, kan ze niet." - -Ze zag er alles behalve lief uit, zooals ze, met dien koppigen trek -om haar mond, naar binnen ging, hare boeken in haar tasch pakte en -een leesboek van het boekenrekje nam. - -Met een brutaal gezicht ging ze daarin zitten lezen. - -Haar moeder kwam juist binnen, na de kleintjes naar bed te hebben -geholpen en ziende, dat Wies vol aandacht over een boek gebogen zat, -lette ze er niet op, welk boek en liet haar rustig zitten. - -Wies keek heelemaal niet op, ze scheen nu ernstig te leeren, maar -na een half uurtje viel het haar moeder op, dat ze telkens een blad -omsloeg. - -Opeens ging haar een licht op. - -"Welk boek heb je daar voor je, Louise?" vroeg ze. - -Wies werd donkerrood. - -Nu ze Moeders vragende oogen op zich gericht zag, werd ze zich op -eens goed bewust, hoe brutaal ze gehandeld had. - -Ze keek haar moeder met verschrikte oogen aan en durfde niet -antwoorden. - -Deze strekte haar hand uit, om het boek naar zich toe te halen en -als verstijfd liet Wies haar begaan. Haar moeder keek het in, sloeg -het titelblad op en zag toen Louise aan. - -Deze zou dolgraag haar hoofd afgewend hebben, maar ze kon niet, als -magnetisch voelde ze zich aangetrokken door de oogen harer moeder, -die haar steeds strak aankeken. - -Henk en Marietje zaten dit tooneel doodstil aan te staren, bijna -zonder zich te bewegen. - -Daar verbrak haar moeder de stilte. - -"Hoe durf je," was alles, wat ze zei. - -Ja, hoe had ze gedurfd. Ze begreep dat nu zelf niet. - -"En je weersprak me vanmiddag nog al, toen ik zei, dat je onbetrouwbaar -was. Ga direct uit mijn oogen, wat er morgen van je lessen terecht -komt, moet je zelf maar weten, maar ik wil je geen oogenblik langer -in mijn nabijheid hebben, ga naar je kamertje en naar bed en denk -dan eens goed over je gedrag na." - -Met droge oogen, maar met een gevoel van schuld, als ze zelden gekend -had, stond Louise langzaam op. - -Een nachtkus durfde ze haar moeder niet geven. - -"Goedennacht, Moes," zei ze zacht. - -Haar moeder wendde het hoofd af. - -"Ga nu maar," zei ze en toen Wies nog aarzelde en staan bleef, deed -ze, alsof ze niet meer in de kamer was en begon met Marietje te praten. - -Met loome schreden ging Wies de trap op naar haar kamertje. - -Toen ze binnentrad, was het er nog niet heelemaal donker en zonder -haar kaars op te steken, knielde ze voor het raam neer en met beide -armen op het kozijn steunend, staarde ze naar buiten. - -De maan stond reeds aan den hemel en hier en daar flikkerde flauw -een enkele ster. - -Hoe heerlijk vreedzaam zag alles er uit, de tuintjes beneden haar -in schemerlicht gehuld en boven haar die wijde hemel met die enkele -schitterende puntjes. - -Alles was zoo mooi, zoo rein, en zij.... zoo slecht. - -Ze liet haar hoofd op hare armen rusten en hare tranen begonnen te -vloeien, eerst een enkele, dien ze dadelijk met haar mouw afveegde, -maar langzamerhand kwamen er al meer, en ze liet ze maar stroomen, -te ellendig, om er verder op te letten. - -Nu had ze schuld, nu had Moeder gelijk; al was die ook nog zoo boos -op haar, het kon niet erger zijn, dan ze verdiende. - -Dat ze vanmiddag haar lessen zoo slecht geleefd had, was niet goed, -maar wat kon ze er aan doen, ze was nu eenmaal zoo. Iedereen zou -begrijpen, dat ze liever vanavond gegaan was, dat ze dus niet expres -zoo slecht geleerd had. - -O, ze was een zwak, zwak schepsel, de natuur was onbarmhartig voor -haar geweest, ze was nu eenmaal zoo, wat kon ze er aan doen. - -Op dat oogenblik had ze bepaald medelijden met zichzelve. - -Maar wat ze vanavond gedaan had, dat was leelijk geweest. - -Ze wist, dat ze nooit in de week mocht lezen, het toch te doen, was -dus al iets, dat niet goed was en nu vanavond, nu ze voor straf thuis -moest blijven om haar lessen over te leeren, stil te gaan zitten lezen, -dat was heel erg, dat voelde ze. - -En genoten had ze niet eens van haar lectuur, daartoe was ze veel te -onrustig geweest. - -Wat had ze een spijt, toegegeven te hebben aan die leelijke inblazing, -nu haar hoofd eens dwars te zetten en niet te doen, wat er van haar -geëischt werd. - -"Hoe durf je," had Moeder gevraagd. Ja, dat wist ze nu zelf niet. - -Wat had Moes ernstig gekeken en zoo weinig gezegd. - -Ze had veel liever een hevig standje gehad, ze had veel liever de -hardste waarheden gehoord, dan zoo behandeld te worden, als Moeder -gedaan had. - -Zou ze haar nu nooit meer vertrouwen? - -Als Vader het eens hoorde, als Moes het hem eens schreef. - -Ze kromp ineen bij die gedachte. Vader zou het zoo vreeselijk vinden, -hij vertrouwde haar zoo volkomen. - -"Ik ben een ellendig schepsel, voor het ongeluk geboren," zei ze -met pathos. - -Wie lachte daar? - -Het was haar, alsof ze Vaders lach vernam en zijn bekende stem -hoorde zeggen: - -"Wiesje, doe toch niet zoo mal, wees niet zoo overdreven." - -Dat was het voornaamste, wat Vader tegen haar had, dat hij haar -overdreven vond. - -Och, als Vader maar niet zoover weg was! - -Hare tranen waren nu gedroogd en ze staarde naar buiten, waar in het -uitspansel hoe langer hoe meer sterren zichtbaar werden. - -Hoe mooi, hoe heerlijk mooi. Zouden die sterren bewoonde werelden -zijn, net als de aarde, zouden daar ook wezens op wonen, die plezier -en verdriet hadden, die goed en slecht waren, net als de menschen. - -Een sissend geluid wekte haar uit haar gepeins op. - -Een oogenblik kon ze niet thuisbrengen, wat het zijn kon. - -Toen flitste het door haar hoofd. - -"Het vuurwerk." - -Ze richtte zich op en staarde in de richting, waarin ze wist, dat -het huis van Lottie lag. - -Ze zag duidelijk enkele lichte stippen door de boomen heen schemeren -en na een oogenblik steeg weer een vuurpijl sissend op. Wies volgde -hem met de oogen, tot hij uiteen spatte. - -Nu hoorde ze knetteren, zeker een vuurwerkstukje, dat ontbrandde, -ze zag wel een lichtschijn, maar kon niets bepaalds onderscheiden. - -Wat zou het nu mooi zijn, in dien tuin en door haar eigen schuld -mocht ze er niet bij zijn. - -Door haar eigen schuld? - -Hoe kwam ze daar nu zoo op eens toe, om dat te denken, ze beweerde -immers altijd, dat het haar noodlot was, waardoor ze dikwijls iets -misliep. - -Maar neen, ze voelde het nu plotseling, ze kon er wel wat aan doen, -ze dwaalde licht af, dat was waar, maar ze streed ook niet tegen die -fout, ze gaf er maar altijd aan toe. - -Dat moest nu anders worden. - -Ze werd zich bewust, dat ze voor een groot deel haar eigen lot in -handen had, dat ze veel kon bijdragen tot haar eigen geluk, maar dat ze -dan moest vechten tegen hare verkeerde neigingen, er niet aan toegeven, -haar tijd niet verdroomen, maar wakker zijn. - -En met haar wijd geopende oogen gericht op de schitterende sterren, -deed ze bij zichzelf de gelofte, voortaan te strijden tegen al die -fouten in haar karakter, die ze tot nog toe als aangeboren en daarom -als niet te veranderen beschouwd had. - - - - - - - - -VIJFDE HOOFDSTUK. - -DE WRAAK. - - -Den volgenden morgen ging Wies met een bezwaard hart naar school. - -Ze was zich bewust, van hare jaartallen niet veel en van haar Fransche -les zoowat niets te weten. Ze had plan gehad, 's morgens vroeg nog -wat te leeren, maar had zich verslapen. Nu moest het maar gaan, zooals -het ging, ze zou dragen, wat ze verdiend had, het was toch de laatste -keer, want voortaan zou ze maken, dat ze hare lessen kende. Moeder was -erg koel tegen haar geweest dien morgen, maar ook dat zou ze dragen, -zonder er zich tegen te verzetten. Voortaan zou Moeder geen reden -meer hebben om zoo te zijn. - -Ze haalde Lottie af op haar weg naar school en deze betuigde dadelijk -haar spijt, dat Wies er gisterenavond niet bij had kunnen zijn, -het was zóó leuk geweest. - -"Waarom heb je toch 's middags niet geleerd," voegde ze er bij, -"we hadden dat toch afgesproken en ik heb het ook gedaan." - -"Ik heb het geprobeerd, maar ik kon niet," zei Wies somber. - -Lottie haalde haar schouders op en begon te lachen. - -"Wat een gekheid, waarom zou je niet net zoo goed kunnen, als ik." - -"Ik dwaalde aldoor af." - -"Maar je hoeft toch niet af te dwalen, als je niet wilt." - -Wies zuchtte. - -"Och, dat weet je zoo niet, omdat je daar geen last van -hebt. Natuurlijk is het in zoover mijn schuld, dat ik er mij niet tegen -verzet heb. Het ergste is, dat ik nog geen woord van mijn lessen ken." - -Lottie keek haar vriendinnetje verbaasd aan. - -"Maar Wies!" - -"Echt, je zult het zien. Daar beleef je vanochtend weer wat aan." - -Lottie kon het niet helpen, ze moest alweer lachen, die Wies keek -ook zoo tragisch. - -"Kom, het zal wel losloopen, jammer, dat ik niet wat dichter bij je -zit, dan kon ik je voorzeggen. Weet je wat, ik zal vragen, of Rie -het doet, die kent hare lessen meestal goed." - -Zoo gezegd, zoo gedaan, Rie, die naast Wies zat, werd gevraagd voor -te zeggen, als het noodig was en beloofde het te zullen doen. - -Het eerste uur was een rekenles, waarvoor de meisjes niets hadden -behoeven te leeren en dus ging het rustig voor Wies voorbij. - -Toen volgde de geschiedenisles, waarin de jaartallen overhoord werden -en het lot was Wies gunstig, ze wist al de jaartallen, die haar -gevraagd werden, op één na en dat fluisterde Rie haar nog bijtijds in. - -Ze voelde zich erg verlucht, ze scheen een geluksdag te hebben, door -het Fransch zou ze nu ook wel heenrollen, als Rie haar niet in den -steek liet. - -Juffrouw Faber scheen goed geluimd, ze begon al dadelijk een -grapje te maken met een van de leerlingen, het zou dus wel terecht -komen. Eenige meisjes hadden al een beurt gehad, nu zou zij weldra -moeten antwoorden. Als Rie haar nu maar voorzei, want ze wist er -eigenlijk niets van. - -"Louise, les règles du Participe Passé des verbes pronominaux." - -Daar hadt je het al, les verbes pronominaux hadden aparte regels -voor hun deelwoord, ze wist wel zooiets van toevallig wederkeerig en -noodzakelijk, maar hoe moest ze dat nu in het Fransch zeggen. En wat -het verschil tusschen de deelwoorden van die twee was, dat wist ze -heelemaal niet. - -"Eh bien, Louise?" - -Wies gaf Rie een schop onder tafel; toen begon ze: - -"Le participe passé des verbes...." - -"Accidentellement pronominaux," fluisterde Rie. - -Wies haalde bijna onmerkbaar hare schouders op, ze verstond Rie niet. - -"Accidentellement pronominaux," herhaalde Rie wat harder. - -Juffrouw Faber keek haar strak aan. - -"Marie," zei ze waarschuwend. - -Rie dorst nu niets meer te zeggen, de juffrouw had geen oog van -haar af. - -"Continuez, Louise." - -Wies kreeg het benauwd, ze wist er niets van, ze zou dus verder maar -geen pogingen doen en zwijgen. - -Lot deed haar best om de aandacht van Wies te trekken, misschien -kon ze haar wel helpen, door duidelijk met de lippen te spreken, -maar Wies staarde strak voor zich uit. - -"L'éloquence même," zei juffrouw Faber op scherpen, onaangenamen toon, -"la meilleure de mes élèves est décidément Louise Schotter." - -Wies keek boos op. - -De juffrouw hoefde niet met haar te spotten, ze kon haar een standje -geven, maar dat eeuwige sarkasme van die Faber kon ze niet uitstaan. - -"U hoeft me niet voor den gek te houden," barstte ze los. - -Juffrouw Fabers gezicht verloor niets van zijn spottende uitdrukking. - -"Ayez la bonté de répéter votre charmant discours en français, ma -chère," zei ze kalm, "vous savez, qu'il est défendu de parler le -hollandais pendant ma leçon." - -Wies zweeg met een kleur van boosheid. - -"Eh bien, j'écoute." - -Nog zweeg Wies. - -"Ne m'avez-vous pas compris, Louise. Répétez en français, ce que vous -venez de dire." - -Wies voelde haar bloed koken. Die afschuwelijke Faber, ze zou haar -niet loslaten, voor ze haar gezegde in het Fransch herhaald had en -ze wist niet, hoe ze het moest zeggen. - -"Moquer," mompelde ze. - -"Bravo, c'est ça. C'est le verbe se moquer, que vous cherchiez. C'est -bien, continuez." - -Eensklaps liet Wies haar hoofd op de bank zakken en barstte in -tranen uit. - -"Schei toch uit," mompelde ze. - -Juffrouw Faber scheen te vinden, dat ze nu ver genoeg gegaan was, -ze wendde zich tenminste tot een ander meisje en liet Wies verder -met rust. - -Na een poosje bedaarde ze, en na hare oogen afgeveegd te hebben, -zat ze de juffrouw met zulk een boozen blik aan te staren, dat deze -bepaald vermeed haar kant uit te kijken. Ze was zich bewust vanochtend -wat ver te zijn gegaan. Louise was een zenuwachtig kind, daar had ze -aan moeten denken, maar ze kende ook haast nooit hare lessen en had -dan daarenboven iets brutaals over zich, dat haar irriteerde. - -Om twaalf uur ging Wies met Lottie samen naar huis. - -Eerst sprak ze geen woord en Lottie durfde ook niets zeggen, Wies -zag er zoo door en door boos uit. - -Na een poosje begon Wies: - -"Von' je het geen schandelijke manier van me te behandelen?" - -"Ja, hatelijk," beaamde Lottie. - -"Maar ik zal me wreken," zei Wies somber. - -Lottie keek een beetje angstig naar haar op. - -Ze zag er uit, alsof ze tot de zwartste daden van wraak in staat -zou zijn. - -"Ik zou er maar niet meer aan denken," zei Lottie aarzelend. - -Louise bleef staan van verbazing. - -"Er niet meer aan denken? Zou jij dat kunnen, als je bespot en -vernederd was voor de heele klasse, als je behandeld was op een manier, -dat de honden geen brood van je zouden eten?" - -"Mijn hemel, Wies, wat overdrijf je weer." - -"Zoo, overdrijf ik. Welzeker, het is heel gemakkelijk zooiets voor -nul en geener waarde te verklaren, als het je zelf maar niet overkomt." - -Lottie, die oprecht met haar vriendinnetje meevoelde en haar alleen -wat overdreven vond, stak haar arm door dien van Wies. - -"Je weet best, dat ik het naar voor je vind, maar ik meen 't in ernst, -wees verstandig en denk er niet meer aan. Het is nu eenmaal gebeurd -en je kunt er toch niets aan veranderen." - -"Ik kan me wreken." - -"Dat zou ik maar niet beginnen, met zoo'n juffrouw trek je licht aan -het kortste eindje. Heusch, Wies, je wint er niets mee en je brengt -je eigen maar in onaangenaamheden." - -Wies antwoordde niet meer. - -Lot had gemakkelijk praten, maar ze moest iets doen, om de schande -van die bespotting uit te wisschen. - -Maar wat? - -Den heelen verderen dag dacht ze er over na, maar ze kon niets -vinden. Soms bedacht ze een of ander, waarmee ze de juffrouw zou kunnen -plagen, maar dan verwierp ze het weer, omdat ze er iets kinderachtigs, -ja zelfs iets lafs in vond. - -Neen, ze moest wat bijzonders verzinnen, iets, dat een ander nog niet -gedaan had, iets aparts. - -Maar er schoot haar niets te binnen, dan een paar flauwe plagerijtjes, -die een ander net zoo goed verzinnen kon, als zij. - -'s Avonds bij het sluiten van haar raam, zag ze weer den helderen -sterrenhemel voor zich en eensklaps overviel haar de gedachte, dat -ze zich had voorgenomen, goed te zijn en edel en dat ze zich dus niet -wreken mocht. - -Wraak was lafhartig en een bewijs van een kleine ziel. - -Ze keek naar buiten, naar die rustige pracht en glimlachte. - -Dat was een goede gedachte, dat zou ze doen. - -Ze zou juffrouw Faber laten zien, hoe een edel meisje zich wreekt, -ze zou haar doen voelen, dat ze boven haar bespotting stond. - -Morgenochtend had ze weer les van haar, dan zou ze een mooien bouquet -voor haar meenemen, ze zou wat vroeger van huis gaan en even bij den -jongen, die altijd op den hoek van die dwarsstraat stond, wat mooie -bloemen koopen, die had meestal zulke prachtige rozen. - -Zoo gedacht, zoo gedaan. - -Lottie was niet weinig verbaasd, toen ze Wies met een mooien bouquet -zag aankomen en van haar hoorde, dat die bloemen voor juffrouw Faber -bestemd waren. - -"Hoe krijg je dat in je hoofd?" vroeg ze verbaasd. - -"Dat is nu mijn wraak," antwoordde Wies met een triomfeerend lachje. - -Ze wachtte juffrouw Faber bij de deur der klasse op en bood haar, -zoodra ze verscheen, met een verlegen gezicht de bloemen aan. - -De juffrouw nam werktuigelijk den bouquet aan en was blijkbaar zóó -verbaasd, dat ze eerst vergat te bedanken. Wies was reeds in de bank, -toen juffrouw Faber, de bloemen bekijkend, zeide: - -"C'est très joli, ce bouquet, merci, Louise." - -Toen ging ze naar haar plaats voor de klasse en legde de bloemen, -tegelijk met hare boeken, op het tafeltje naast zich. - -Lottie vond het zonde, dat die heerlijke rozen geen water kregen, -ze had graag gevraagd, of ze de bloemen even in een glas water mocht -zetten, maar ze durfde niet, want ze zou het in het Fransch moeten -zeggen, fouten maken, het over moeten zeggen en zoo al meer. Daar -zag ze tegen op. - -De les begon. - -Wies had haar uiterste best gedaan, haar les nu eens precies te leeren -en een goedkeurend knikje van de onderwijzeres was haar belooning. Na -het opzeggen van de lessen begon deze een nieuw gedeelte van de -grammaire te behandelen en al pratende nam ze den rozenbouquet op, -om er aan te ruiken. - -Met een schreeuw gooide ze hem eensklaps weer neer, haar gezicht drukte -afschuw, zelfs angst uit. De meisjes begrepen niet, wat er gebeurde. - -"Een spin," stootte ze uit. - -Een deel der meisjes begon te lachen. - -Het was algemeen bekend, dat juffrouw Faber een grooten afschuw van -spinnen had, ja, er gewoon bang voor was. - -Lottie keek verschrikt naar Wies. - -Was dat haar wraak? - -Niet erg aardig verzonnen, eigenlijk een leelijke manier van doen, -Wies viel haar tegen, tot zooiets had ze haar niet in staat geacht. - -Wies zelf zat daar, stijf van schrik. Ze begreep dadelijk wat er van -haar gedacht zou worden en ze had wel onder de bank willen kruipen, -zoo zag ze op, tegen hetgeen er volgen zou. - -Juffrouw Faber had zich van haar eersten schrik hersteld en zei nu -op ijskouden, snijdenden toon, in haar verontwaardiging heelemaal -vergetend Fransch te spreken: - -"Louise, neem die bloemen weg en verlaat de kamer. Je behoeft tot -nader order niet meer in mijn lessen te komen." - -Wies verroerde zich niet, het scheen wel, of ze de woorden van de -juffrouw niet verstaan had. - -"Hoor je niet, wat ik zeg?" - -Nu stond Wies op in haar bank en keek rond, als zocht ze iemand, -die haar verdediging op zich nemen zou. - -Maar nergens vond ze hulp. - -Sommige meisjes waren hun lach nog niet meester en deden wanhopige -pogingen, om hem te verbergen. - -Anderen keken verontwaardigd naar haar, vonden haar zeker een naar -schepsel, en eenigen, waaronder Lottie, zagen haar medelijdend aan, -maar niemand sprak een woord. - -Ze slikte eens, om de prop weg te krijgen, die ze in haar keel voelde -en zei toen, wat schor: - -"U denkt toch niet, dat ik het expres gedaan heb?" - -Juffrouw Faber keek haar minachtend aan. - -"Speel nu verder maar geen comedie," zei ze koud, "en doe, wat ik je -zeg, neem die bloemen met inhoud op en verlaat de kamer. Ik zal na -de les de zaak zelf aan de directrice meedeelen." - -Het duizelde Wies. - -Van zoo iets werd ze verdacht, van zoo'n minne wraak, om onder den -schijn van een vriendelijkheid te bewijzen, iemand een hevigen schrik -op het lijf te jagen. - -Hoe was het mogelijk. - -En iedereen scheen het te gelooven. - -Lottie ook? - -Ze keek naar haar vriendinnetje en dit sloeg hare oogen neer en -vermeed haar aan te zien. - -Dus Lottie ook. - -Ze boog het hoofd en drukte haar zakdoek voor haar mond, om de snikken -te smoren, die nu opwelden. - -Toen verliet ze haastig haar bank en wilde de klasse uit gaan, maar -werd teruggehouden door de scherpe stem van juffrouw Faber, die haar -beval, de bloemen mee te nemen. - -Machinaal voldeed ze aan dit bevel en een oogenblik later stond ze -in de gang met den ongeluks-bouquet in haar handen. - -Ze keek naar de mooie rozen, waarvan er eenige door de ruwe behandeling -geknakt waren en die als verzoeningsteeken tusschen haar en juffrouw -Faber hadden moeten dienst doen. - -Het was weer haar gewone pech, die alles in de war gestuurd had. Wies -Ongeluk, dat was ze wel! Dat nu zoo'n ellendige spin alles verkeerd -moest doen loopen. Waar was het onzalige beest? Daar wandelde het -rustig over de rozen en spon kalm een draad, onbewust van de ellende, -die het aangericht had. - -"Araignée au matin, chagrin." Dat rijmpje bevatte voor haar wel -waarheid. - -Toch wel een aardig beestje, hoe kunstig spon het zijn draad. - -Eenige oogenbikken vergat Wies haar verdriet, zoo interessant vond -ze de bewegingen van het spinnetje. Toen keerde ze met een zucht tot -de werkelijkheid terug. - -Wat nu te doen? - -Ze moest zich bij de directrice gaan melden, als uit de les gestuurd, -maar ze durfde niet. Die zou natuurlijk ook aan haar schuld gelooven -en ze hield van het hoofd der school. Ze zou het vreeselijk vinden, als -die haar tot zoo iets in staat achtte en toch was de schijn tegen haar. - -Ze legde de bloemen op den grond en tegen den muur geleund, schreide -ze, haar gezicht met beide handen bedekkend. - -Lot geloofde het ook. - -Hoe was het mogelijk, zij zou Lottie zeker niet van zoo iets mins -beschuldigd hebben. - -Zoo stond ze daar nog een poosje, overweldigd door bittere gedachten -en ze merkte nauwelijks, dat de tijd verstreek, totdat ze de deur -tegenover haar hoorde opengaan en juffrouw Faber's stem vernam, -die verwonderd zei: - -"Sta je daar nog, waarom ben je niet naar de directrice gegaan?" - -Wies keek haar even aan, met hare betraande oogen, maar antwoordde -niets. - -"Neem die bloemen op en volg me," beval de juffrouw. - -Wies deed, wat haar gezegd werd en met de rozen in haar hand liep -ze achter juffrouw Faber aan, die zich regelrecht naar de kamer der -directrice begaf. Daar gekomen sprak ze haar beschuldiging uit en -Wies sloeg hare oogen neer onder den verwijtenden blik van het hoofd -der school. - -"Hoe kon je zoo iets verzinnen," zei ze op verdrietigen toon, -"ik had je niet tot een dergelijke lafhartigheid in staat geacht." - -Lafhartigheid, de directrice beschuldigde haar van lafhartigheid! - -"Maar ik heb het niet gedaan," riep ze hartstochtelijk. - -Verwonderd keek de directrice juffrouw Faber aan. - -"Ze stelt zich weer aan," zei deze, "ik behoef u toch Louise Schotter -niet te leeren kennen. Ze ontkent, dat is waar, maar alles wijst er -op, dat ze zich op deze manier heeft willen wreken, over het standje -van gisteren." - -"Maar een schoolmeisje wreekt zich niet over een standje voor een -niet gekende les." - -"Het was geen standje, ze bespotte me," viel Wies heel onvoorzichtig -uit. - -Juffrouw Faber glimlachte triomfant. - -"Dat is zoo goed als een bekentenis. Ze zegt zelf, dat ze mijn woorden -als een bespotting opgevat heeft en verklaart daarmee, waarover ze -zich heeft willen wreken." - -De directrice keek ernstig. - -Juffrouw Faber had gelijk, die woorden en de toon waarop ze geuit -waren, namen elken twijfel aan haar schuld weg. - -"Ik vrees, dat u gelijk heeft," zei ze, "maar ik begrijp zoo iets -niet van Louise." - -Wies schreide niet meer. Ze hield haar hoofd nu rechtop en om haar -mond lag een bittere trek. - -"Dus u gelooft, dat alles een opgemaakt stukje was?" vroeg ze. - -"Ik moet het wel gelooven." - -"Goed, geloof u het dan maar," en met moeite het beven van hare lippen -bedwingend, stond ze daar doodstil, alleen haar wat diepere ademhaling -bewees, dat innerlijk niet alles rustig was. - -De directrice had de bloemen, door Wies op tafel gelegd, in de hand -genomen en bekeek ze nu. - -"Er is nu geen spin meer in," zei ze. - -"Is die er uit," vroeg juffrouw Faber angstig, hare rokken bij elkaar -nemend, "als het beest maar niet op me gekropen is. Was de spin er -straks nog in, Louise?" - -Wies knikte onverschillig van ja, niets kon haar meer schelen, ze -gaf zich aan het noodlot over. - -"Je hebt vlak achter me geloopen daar straks, misschien is ze op mijn -rug gekropen." - -Rillend keerde ze haar rug naar de directrice. - -"Och toe, kijk u eens, of u haar niet ziet. Ook niet in mijn hals? Ik -voel daar zoo'n gekriebel. Heusch niet, kan ik er van opaan?" - -Toen het vreemde lachje ziende om den mond van de directrice, voegde -ze er wat verlegen bij: - -"U vindt me misschien kinderachtig, maar ik heb nu eenmaal zoo'n -griezel van spinnen." - -"Dat komt meer voor," zei de directrice rustig. "Ik wil Louise nog -wel even alleen spreken." - -Juffrouw Faber begreep den wenk en nam hare boeken op, om weg te gaan. - -"Ik kan Louise niet meer in mijn les nemen, voor ze me excuus gevraag -heeft," zei ze nog. - -"Je hoort het, Louise, wil je dat nu dadelijk even doen?" vroeg de -directrice. "Dat zou, dunkt me, het beste zijn." - -Wies antwoordde niet, ze klemde hare lippen nog wat vaster opeen en -schudde van neen. - -Juffrouw Faber verliet daarop de kamer. - -De directrice hield zich een oogenblik met iets anders bezig, gezeten -aan haar schrijftafel. Toen riep ze Wies bij zich. - -"Kijk me eens aan, Louise, zoo, vlak in mijne oogen. Blijf je er bij, -dat je geen schuld hebt?" - -"Ja, juffrouw." - -"Hoe kwam je er dan toe, die rozen aan juffrouw Faber te geven? Ik -heb tot mijn spijt meermalen gemerkt, dat juffrouw Faber en jij nu -juist niet zulke groote vriendinnen zijn." - -Wies kleurde. - -Het was haar onmogelijk te zeggen, dat ze het als een edele wraak -bedoeld had. De juffrouw zou dan natuurlijk weer aan aanstellerij -gelooven. - -Ze zweeg dus. - -De juffrouw schudde met een verdrietig gezicht haar hoofd. - -"Het spijt me meer, dan ik zeggen kan, kind, dat je nu je schuld -nog verergert, door zoo koppig te blijven ontkennen, wat toch zoo -duidelijk blijkt, niet anders dan waar te kunnen zijn. Als je me -niet verklaren wilt, waarom je juffrouw Faber zoo ineens bloemen -gegeven hebt, na pas onaangenaamheden met haar gehad te hebben, -na pas woorden van haar gehoord te hebben, die je zelf verklaart, -als een bespotting te beschouwen, dan kan ik niet anders denken, dan -dat je werkelijk schuld hebt. Ga nu maar naar huis en zeg je moeder, -dat ik je voor dezen verderen dag verwijderd heb." - -Wies schrok. - -"Stuurt u me voor den heelen dag weg?" - -"Ja, morgen kun je terugkomen, behalve voor de les van juffrouw Faber." - -"Daar hebben we morgen geen les van." - -"Nu, dan kun je morgen weer den heelen dag komen." - -Wies stond daar met gebogen hoofd, aarzelend om weg te gaan. - -De directrice vatte haar neerhangende hand. - -"Heb je me nog iets te vertellen, kind, doe het dan. Het zou me zoo'n -pleizier doen, als je je onschuld bewijzen kondt." - -Weer aarzelde Wies. - -Zou ze vertellen, waarom ze die bloemen gegeven had? - -Maar neen, neen, een totaal valsche schaamte belette haar gehoor -te geven aan den drang van haar hart, dat haar aanspoorde, zich van -blaam te zuiveren tegenover de juffrouw, van wie ze zooveel hield. - -Langzaam keerde ze zich om en verliet de kamer, deed in de gang haar -goed aan en liep de straat op, niet wetend waarheen, niet goed naar -huis durvend, waar ze zeker ook verkeerd begrepen zou worden. - -In de kamer der directrice lagen de prachtige rozen vergeten op de -tafel en weefde het spinnetje lustig haar net tusschen tafelkleed en -vloer, vlug aan den steeds langer wordenden draad neerglijdend. - - - - - - - - -ZESDE HOOFDSTUK. - -VALSCHE SCHAAMTE. - - -Toen Wies de deur der school achter zich had dichtgetrokken, liep ze -eenigen tijd als versuft door. - -Weggestuurd voor den geheelen verderen dag. - -Waar nu heen? - -Naar huis en Moeder alles vertellen? - -Ze zag daar zoo tegen op, ze was zoo bang, dat Moeder aan haar schuld -gelooven zou; het was zoo vreeselijk van iets laags verdacht te worden -en dat nog wel, nu ze het zoo goed bedoeld had. - -Zou ze aan Moeder vertellen, waarom ze juffrouw Faber die bloemen -gegeven had? - -Dat zou misschien het beste zijn, maar ze was bang, de woorden niet -te kunnen uitspreken, het zou er iets van hebben, alsof ze eens wilde -doen uitkomen, hoe edelmoedig ze was, hoe ze kwaad met goed had willen -vergelden. Dat had ze ook eigenlijk wel en natuurlijk behoefde ze -zich daarover niet te schamen, integendeel, maar om dat nu zelf te -vertellen, dat was toch iets, dat ze niet zou kunnen. - -Hoe laat zou het zijn? Als ze nog anderhalf uur ronddwaalde en dan -naar huis ging, zou niemand er iets van merken, dat ze weggestuurd -was en als ze dan vanmiddag van twee tot vier weer uitging, behoefden -ze er thuis misschien wel nooit iets van te weten. - -Ze liep maar voort, waar hare voeten haar heendroegen, al maar voort, -tot ze bemerkte, dat ze een heel eindje afgedwaald was en zich -heelemaal buiten de stad in het bosch bevond. - -Nu dorst ze niet verder gaan, ze had geen horloge, wist dus niet, -hoe laat het was, ze zou maar weer naar de stad terugkeeren, dan zag -ze allicht een klok, die haar op de hoogte van den tijd kon brengen. - -Ze stond een oogenblik stil en keek rond. - -Wat een heerlijk weer was het, hoe mooi dat lichteffect van de zon door -de bebladerde boomtakken en die zonnevlekken op haar pad. Net weer, -om je heel gelukkig en vroolijk te voelen. Wat zou ze genoten hebben, -als ze nu vandaag vacantie gehad had en hier had kunnen ronddwalen, -zonder gekweld te worden door akelige gedachten. - -Ze was toch een recht ongelukskind. - -Hare oogen vulden zich met tranen uit louter medelijden met zichzelve. - -Nu had ze toch heusch haar best gedaan om goed te zijn en nu had ze -meer verdriet dan ooit. - -Ze ging een oogenblik op een bank zitten, ze voelde nu pas, dat ze -moe was, ze had ook al een heel eindje geloopen. - -Zou ze een oogenblikje durven blijven zitten, of zou ze dan te laat -thuiskomen? - -Even maar, ze was zoo moe en zoo warm. - -Ze droogde hare tranen af en staarde voor zich uit. - -Wat zongen de vogeltjes mooi in de takken boven haar hoofd, heerlijk -om daar naar te luisteren. - -Ze moest er eigenlijk over nadenken, hoe ze zich nu houden zou, als ze -thuis kwam, alles vertellen, of maar net doen, of er niets gebeurd was, -maar ze kon niet nalaten naar dat liefelijk gekwinkeleer te luisteren -en hare gedachten namen vanzelf een heel andere richting. - -Een roodborstje wipte over den weg en bleef vlak voor haar staan, -haar met zijne zwarte kraaloogjes aanstarend. Ze hield zich doodstil, -durfde haast niet ademhalen, ze zou zoo dolgraag willen, dat het nog -wat nader kwam. Vlak bij haar lag een stukje brood, dat wilde het -zeker zien te pakken, maar aarzelde, omdat het dan zoo dicht bij haar -komen moest. - -Onbeweeglijk zat ze daar en weer tripte het lieve vogeltje nog -een beetje nader. Nu had het zijn doel bereikt, nog een paar -pasjes.... daar kwam opeens een groote zwarte kraai, die zich -zonder bedenken op het stukje brood wierp en het roodborstje vloog -verschrikt weg. - -Met een bitter lachje keek Wies het na. - -"Hier ook al het recht van den sterkste," dacht ze, "zoo is het -overal. Juffrouw Faber kan me beschuldigen van wat ze wil, zij wordt -geloofd, omdat ze de macht in handen heeft, het recht van de sterkste." - -Kom, nu moest ze gaan, ze zat hier haar tijd te verknoeien en wie -weet hoe laat het al was. - -Wat zou ze nu thuis zeggen? - -Ze kon maar geen besluit nemen. - -Toen ze de stad weer bereikt had, zag ze, dat het al over twaalven was. - -Ze zette het op een draf, ze kwam bepaald te laat thuis, zou dan een -verklaring moeten geven van haar lang wegblijven en wist nog altijd -niet, wat ze doen zou. - -"De waarheid zeggen," drong haar geweten aan. - -"Doen alsof er niets gebeurd is, dat is het gemakkelijkst," ried -haar verstand. - -Zoo kwam ze thuis, gewoon buiten adem van het harde loopen en zag -dadelijk, dat het mis was, ze hadden blijkbaar al op haar gewacht. - -"Kind, wat zie je rood, en je bent heelemaal buiten adem," zei -haar moeder, "waar kom je zoo laat vandaan, heb je weer moeten -schoolblijven?" - -Onwillekeurig knikte Wies van neen, ze kon toch zóó niet jokken. - -"Niet? Waar ben je dan geweest, je weet, dat ik er zoo op gesteld ben, -dat je op tijd thuis bent voor de koffie." - -Wies had intusschen haar hoed afgezet en op een stoel gelegd. - -"Dat is geen plaats voor je hoed, hang hem aan den kapstok en vertel -me dan, waar je vandaan komt." - -Wies bracht haar hoed weg en ging op haar plaats zitten. - -"Neen, dat gaat zoo maar niet. Antwoord me eerst, waar kom je vandaan?" - -"Van school," mompelde Wies, met een kleur om haar leugen. - -"Regelrecht van school?" - -Wies kleurde nog dieper en schudde van neen. - -"Niet, dat dacht ik wel, je bent ergens anders heen geweest en hebt -toen hard geloopen, om niet al te laat thuis te zijn. Maar waar ben -je geweest, dat wil ik weten." - -Wies kreeg het hoe langer hoe benauwder, wat moest ze nu zeggen. - -"Kom, antwoord me en de waarheid, als 't je blieft." - -"Als je jokt, leest Moes het op je voorhoofd," verklaarde Jantje -plechtig. - -"Op je voorhoofd," herhaalde Stan. - -Henk begon te lachen, maar Wies hoorde het niet eens. - -"Ik weet het niet," fluisterde ze. - -Nu proestte Henk het uit en de kleintjes lachten hartelijk mee, -hoewel ze niet goed begrepen, waarom. - -Marietje haalde haar schouders op en wees op haar voorhoofd. - -"Ja, het lijkt wel, of er een van de vijf bij je op den loop is," -beaamde haar moeder. "Nu als 't je blieft, verder geen gekheid, -nog eens, waar kom je vandaan, waar ben je geweest?" - -"In 't bosch." - -Allen keken even verwonderd. - -"In 't bosch," herhaalde haar moeder en liet er wat driftig op volgen: - -"Zeg, is het nu uit met die gekheid, het bosch ligt ruim drie kwartier -van de school af, je kunt dus onmogelijk in een half uur heen en weer -naar het bosch geweest zijn." - -"Een van de feeën heeft haar daar heen gedragen," opperde Henk, maar -zijn moeder verzocht hem te zwijgen, ze vond de houding van Wies zoo -vreemd, dat ze ongerust werd, over hetgeen er gebeurd kon zijn. - -"Louise, maak nu de zaak niet erger en vertel me, waar je geweest -bent," drong ze aan. - -"Werkelijk in het bosch." - -Toen voegde ze er nauw verstaanbaar bij: - -"Ik was weggestuurd van school." - -Haar moeder meende haar niet goed verstaan te hebben. - -"Wat zeg je. Spreek duidelijker." - -"Ik was weggestuurd," herhaalde Wies iets harder. - -Henk floot zachtjes tusschen zijn tanden. - -Marietje keek even ontsteld op, maar daarna ging ze door met Jan en -Stan om beurten hun boterham in het mondje te werken. - -Wies ademde eenigszins verlucht. Nu was het er uit, nu kon ze niet -meer terug, nu moest er maar van komen, wat wilde. - -"Weggestuurd," herhaalde haar moeder, "weggestuurd van school, het -is nog al geen kleinigheid, waarom, wat heb je gedaan?" - -Wies begon te huilen en mompelde iets van bloemen en van een spin en -van heelemaal geen kwaad bedoeld hebben. - -Haar moeder begreep er niets van. - -"Kun je je niet duidelijker uitdrukken, Louise?" - -Wies' eenig antwoord bestond in een hevige huilbui. Haar wat -overspannen zenuwen ontspanden zich, ze snikte het uit. - -Haar moeder zweeg eenige oogenblikken. - -Henk waagde het nu ook niet, gekheid te maken en Marietje keek -verschrikt van de een naar de ander, terwijl de kleintjes er niets -van begrepen. - -"Waarom is Wies zoo verdrietig?" vroeg Stan. - -"Wies is niet verdrietig, Wies is stout," meende Jan. - -"Als je me geen duidelijken uitleg kunt geven, zal ik genoodzaakt -zijn op school te informeeren," zei nu mevrouw Schotter. "Mag je -vanmiddag weer op school komen?" - -Wies schudde van neen. - -"Niet? Voor hoelang ben je dan weggestuurd?" vroeg haar moeder -verschrikt. - -"Voor vandaag." - -"Zoo, nu neem dan je boterhammen mee en ga naar je kamertje, je -begrijpt wel, dat ik je vandaag niet in den huiselijken kring wil -hebben. Neem je breiwerk mee, kom hier, ik zal je een taak opgeven, -zorg, dat die af is. Ik zal zelf wel eens gaan hooren, wat er eigenlijk -gebeurd is." - -Wies nam haar breiwerk op en wilde de kamer verlaten. - -"Je boterhammen." - -"Ik heb geen honger," en ze haastte zich weg naar boven, naar haar -eigen kamertje, waar ze zich veilig voelde. - -Ze ging op den rand van haar bed zitten en zuchtte diep. - -Wat zouden ze vanmiddag lekker kwaad van haar spreken tegen Moeder, -die Faber zou haar hart ophalen. - -De directrice misschien ook wel, die geloofde haar immers ook schuldig. - -Enfin, het kon haar niets meer schelen, iedereen mocht van haar denken, -wat ze wilde. - -Zoo zat ze een poosje stil op haar bed, peinzend over wat ze haar -ongelukkig gesternte noemde, waardoor altijd haar goede bedoelingen -in de war gestuurd werden. Als Moeder straks bij haar kwam, zou -ze natuurlijk ontkennen, de spin expres in de rozen geplaatst te -hebben, maar zou Moeder haar gelooven? Och neen, niemand geloofde -haar immers, en toch konden ze niet zeggen, dat ze dikwijls jokte, -een heel enkel keertje maar, om zich te redden uit moeielijkheden, -waarin ze zich telkens bracht en dan deed ze meestal nog zoo onhandig, -dat haar leugentje dadelijk doorzien werd. - -Wat was ze moe, flauw voelde ze zich ook, ze had zoo'n eind geloopen -en na vanmorgen acht uur niets meer gegeten. Ze wilde nu wel, dat ze -hare boterhammen maar mee gebracht had, maar naar beneden gaan en er -om vragen, dat deed ze niet. - -Zoo op haar bed zittend, legde ze onwilkeurig haar hoofd op het kussen. - -Hè, heerlijk, even mocht ze rusten, dan zou ze gaan breien, Moeder -had haar zooveel opgegeven. - -Ze bleef dus stil liggen en niet lang daarna sliep ze gerust, -doodvermoeid van alles, wat ze dien morgen ondervonden had en van de -lange wandeling, die ze gedaan had. - -Ze werd pas wakker, toen ze een hand op haar schouder voelde, die -haar zacht heen en weer schudde. - -Ze opende haar oogen en zag vaag Henk's gezicht over zich heen gebogen. - -"Zeg, wor' eens wakker." - -"Ja," en met een zucht richtte Wies zich op. - -"Wat is er?" - -Henk lachte even. - -"Ben je nu goed wakker, of niet, kan ik met je praten? Je ziet er -zoo suf uit." - -"Ja, ik ben wakker. Is Moeder al naar school geweest?" - -"Natuurlijk, 't is half vijf. Je hebt uren geslapen." - -"Hoe is het mogelijk. En?" - -"Ja, Moeder weet nu alles." - -"Alles, Moeder weet niets." - -Henk trok zijne schouders op. - -Hij stond daar met zijne handen in zijne broekzakken en keek zijn -zusje wat spottend aan. - -"Dacht je, dat ze je zonde voor haar verzwegen hadden? Eerlijk gezegd, -vind ik de grap nogal leuk verzonnen, hoe ben je er op gekomen, zeg?" - -Wies antwoordde niet, ze zat in gedachte. - -"En wat zegt Moeder?" vroeg ze aarzelend. - -"Nou, ze is niet weinig boos, ze vindt, dat je valsch gehandeld -hebt. Ze neemt de zaak veel te ernstig op, zie je, alsof je niet eens -meer een grapje mocht uithalen." - -Wies keek naar haar broer. - -Gek, dat zoo'n jongen zoo iets zoo opnam, als alles werkelijk gegaan -was, zooals ze dachten, zou ze het toch een lage aardigheid gevonden -hebben. - -"Maar Henk, ik heb die spin er niet expres in gezet." - -"Och kom!" - -"Heusch niet." - -"Ik zou maar uitscheiden met die comedie, je wilt toch zeker niet -beweren, dat je Faber die rozen gaf, om haar een plezier te doen." - -Wies kleurde. - -"Dat is het juist," mompelde ze. - -Henk keek haar met groote oogen aan, een en al verbazing. - -"Och kom," zei hij nog eens. - -Wies staarde voor zich uit. - -"Ik zal het je maar bekennen, het is heusch waar, ik dacht, dat het -een edele manier was, om me te wreken." - -Henk schaterde het uit. - -"Wies, Wies, wat een type ben je toch, ik geloof waarachtig dat je -het meent." - -Wies had al spijt, dat ze zich zoo had laten gaan. Het was niet voor -niets geweest, dat ze er tegenop gezien had, de waarheid te zeggen, -Henk spotte er blijkbaar al mee. - -"Je moet niet denken, dat ze je gelooven zullen, als je dat zegt," -beweerde Henk. - -"Dan laten ze het. Ik ben trouwens niet van plan het te zeggen." - -Toen wat aarzelend: "Zeg Henk, geloof jij me ook niet?" - -Henk wist niet meer, wat hij er van denken moest, die Wies keek hem -zoo ernstig, ja zelfs gespannen aan. - -"Ja, zie je," zei hij langzaam, "eerst dacht ik, dat je maar wat -praatte om je leitje schoon te vegen, maar nu begin ik te gelooven, -dat je het meent." - -"Natuurlijk meen ik het," zei Wies en toen ze zag, dat Henk het nog -niet geheel met zich zelven eens was, voegde ze er hartstochtelijk bij: - -"Henk, geloof me, laat er ten minste één zijn, die me gelooft." - -Henk was wat verlegen met zijn figuur. - -Wies scheen wèl de waarheid te spreken en toch.... - -"Geef je me je eerewoord er op?" vroeg hij. - -"Ja, op mijn woord van eer, ik heb de waarheid gezegd." - -"Goed, ik geloof je." - -Wies greep zijn hand en drukte die krachtig. - -"Dank je," zei ze. - -"Maar begrijpen doe ik je niet," vervolgde Henk. - -"Dat hoeft ook niet, als je me maar gelooft. Stil, daar komt iemand, -zeker Moeder." - -"Dan ga ik maar," en Henk ging naar de deur, waar hij tegen zijn -moeder aanliep, die juist binnenkwam. - -"Wat doe jij hier?" vroeg deze verwonderd. - -"Even met Wies praten," en weg was hij. - -Wies kon het hare moeder aanzien, dat ze echt verdriet had over het -gebeurde en viel dadelijk uit: - -"U behoeft niet zoo verdrietig te kijken, ik heb niets kwaads gedaan!" - -Haar moeder nam een stoel en ging bij haar zitten. - -"Hou je een beetje bedaard, Louise. Ik ben bij de directrice geweest -en heb ook juffrouw Faber gesproken. Ik ben dus geheel op de hoogte. - -Wies had haar zitplaats op den rand van haar bed verlaten en stond -nu voor haar moeder. - -"Dat denkt u," zei ze, "maar u weet niets." - -"Weet ik niets? Wat moet ik dan nog meer weten?" - -"Ik heb het niet expres gedaan." - -"Wat, die spin in de rozen gezet? Hoe kwam die daar dan in?" - -"Hoe kan ik dat nu weten, ik heb ze immers zelf maar gekocht." - -Haar moeder keek haar verwonderd aan. - -"Wil je beweren, dat het geen vooruit verzonnen plagerij is van die -spin, maar een toeval?" - -"Ja juist." - -"Ik wilde, dat ik je gelooven kon. Maar waarom heb je dan aan juffrouw -Faber die rozen gegeven, je hadt immers pas onaangenaamheden met haar -gehad en je beweert altijd, dat je niet van haar houdt." - -Wies bloosde en zweeg. - -Haar moeder keek haar aan en begreep er niets van. - -Toen greep ze haar hand. - -"Kind," zei ze, hartelijker dan ze gewoon was, "zeg me de -waarheid. Vertel me eens, waarom heb je die bloemen aan de juffrouw -gegeven, als je er niets kwaads mee bedoeld hebt." - -Wies lachte zenuwachtig. - -"Ik heb nog nooit gehoord, dat men iemand bloemen geeft om haar -te plagen." - -"Win' je nu maar niet zoo op. Natuurlijk geeft men in gewone gevallen -iemand geen bloemen, om haar verdriet te doen, maar dit is een bizonder -geval. Je geeft niets om juffrouw Faber, wel?" - -Wies schudde van neen. - -"Nu, zie dan zelf, je geeft toch geen bloemen aan iemand, van wie je -niet houdt, alleen om haar plezier te doen. Daar zie ik jou tenminste -niet toe in staat." - -Wies beet hare lippen bijna ten bloede uit zenuwachtigheid. - -"Neen, natuurlijk niet," zei ze bitter, "dat spreekt van zelf, tot -iets edelmoedigs ben ik niet in staat." - -Haar moeder ging eensklaps een licht op. - -Weer greep ze de hand van haar dochtertje en haar naar zich -toetrekkend, zei ze: - -"Was het dat werkelijk, Wiesje, wou je wat goedmaken bij juffrouw -Faber?" - -Wies knikte van ja, met een zoo beschaamd gezicht, alsof ze de grootste -misdaad opbiechtte. - -Haar moeder trok haar nu heelemaal op schoot en kuste haar hartelijk. - -"Dan hebben we ons allemaal in je vergist en het ongelukkige toeval, -dat die spin zich daar nu juist in die bloemen bevinden moest, is de -schuld van alles. Het spijt me, dat ik je verdacht heb, kind." - -Wies keek haar wat verbijsterd aan. - -"Dus u gelooft me?" - -"Zeker geloof ik je, ik begrijp nu alles. Morgen ga ik met je mee -naar school om ook daar te vertellen, hoe we ons allen in je vergist -hebben." - -Wies maakte een gebaar van schrik. - -"Dat nooit, ik zou geen raad weten van verlegenheid. Als u het -vertellen wilt, doe het dan, als 't u blieft, waar ik niet bij ben." - -Haar moeder moest lachen. - -"Wat zijn jullie meisjes toch dwaas, met je valsch schaamte. Daarom heb -je de toedracht der zaak zeker ook niet aan de directrice verteld. Ze -zei me, je zoo dringend gevraagd te hebben, of je eenige opheldering -geven kon." - -Wies loosde een diepen zucht. - -"Ik weet niet, wat ik liever gedaan had, het zou er iets van gehad -hebben, of ik mezelf eens in een mooi daglicht wilde stellen. Ik -vind het nog afschuwelijk, dat ze nu alles weten moeten, vooral die -Faber! Ik heb nu door alles, wat er uit voortgekomen is, een gevoel -gekregen, of ik iets heel geks gedaan heb." - -"Maar kindje, wat een idee, integendeel, je bent heel lief geweest." - -"Heusch, eerlijk gezegd wilde ik, dat het denkbeeld nooit in mijn -hoofd was opgekomen. Toe Moes, wilt u als 't u blieft vragen, of ze -geen van allen er meer iets van zeggen willen. Laat iedereen toch -doen, of er niets gebeurd is, anders weet ik van verlegenheid niet, -waar ik blijven moet." - -Haar moeder beloofde haar verzoek over te brengen. - -"Maar de meisjes," vroeg ze nog aarzelend, "hoe kunnen die dan te -weten komen, dat je niets geen kwaad bedoeld hadt." - -Wies maakte een gebaar van schrik. - -"De meisjes moeten er juist buiten blijven. Die vinden zoo iets zoo erg -niet en echt, Moes, ik weet geen raad, als er nog verder over gepraat -wordt. Ik zou in staat zijn te zeggen, dat ik het wel gedaan had." - -Haar moeder schudde het hoofd. - -"Kind, kind, wat heb je nog een verkeerde begrippen omtrent recht en -onrecht. Ik begrijp je eigenlijk niet. Je vindt zelf, dat het laag -van je geweest zou zijn, als je werkelijk die spin in de rozen gezet -hadt, om juffrouw Faber schrik aan te jagen, maar toch heb je liever, -dat de meisjes dat van je denken, dan dat ze weten, dat je een goede -daad hebt willen doen." - -Wies keek nadenkend voor zich. - -"Ja, ziet u, u hebt gelijk, maar het kan toch niet. U kunt dat zoo -niet begrijpen, er zijn er zoo licht bij, die je voor schijnheilig -houden, of denken, dat je in een goed blaadje wilt komen. Neen echt, -Moes, ik zou geen raad weten, als de zaak verder uitgeplozen werd." - -"Nu goed dan, ik zal je je zin geven. Ga nu maar mee naar beneden, -het is bijna etenstijd." - -"Zeg u beneden ook niets?" vroeg Wies. - -"Neen, dat kan ik niet beloven." - -"Toe, zeg u dan alleen, dat alles opgehelderd is en ik geen schuld -heb. Doet u het?" - -Dat wilde haar moeder dan wel beloven en tot niet geringe verwondering -van de reeds in de eetkamer verzamelde kinderen, kwamen moeder en -dochter gearmd binnen en verklaarde de eerste, dat alles in orde was -en het geval op een misverstand berust had. - - - - - - - - -ZEVENDE HOOFDSTUK. - -HENKS GEHEIM. - - -Wies kreeg haar zin, op school werd verder over de zaak gezwegen. - -Wel moest ze den eersten ochtend de vragen der meisjes beantwoorden, -omtrent het wegzenden door de directrice en wat of ze er thuis van -hadden gezegd, maar daar ze er weinig antwoord op gaf, zwegen ze er -al spoedig over. - -In de eerste les van juffrouw Faber, na het gebeurde, was iets -pijnlijks. Noch de onderwijzeres, noch de leerling voelde zich op -haar gemak, maar ook dat sleet met den tijd. - -Toch had de zaak één zeer onaangenaam gevolg gehad: er was een -verkoeling ontstaan in de vriendschap tusschen Wies en Lottie. Toen -ze dien eersten morgen weer samen naar school gingen, had Wies aan -haar vriendinnetje gevraagd of ze haar verdacht, van die spin expres -in de rozen gezet te hebben. - -Lottie had een kleur gekregen, eerst iets onverstaanbaars gemompeld -en toen gevraagd, daar nu maar niet verder over te praten. - -Maar Wies had aangedrongen, ze moest weten, wat ze aan Lottie had, -zei ze. - -Nu moest het hooge woord er uit, ja, Lottie dacht, dat ze zich op -die manier op juffrouw Faber had willen wreken. Ze had immers zelf -tegen haar gezegd, dat ze dat doen wilde. - -"Je zei het op een manier, dat ik er eng van werd," voegde Lottie -er bij. - -"Je gelooft dat dus nog?" vroeg Wies. - -"Ja, hoe kan ik anders, is het dan niet waar?" - -Wies aarzelde. - -"Neen," zei ze toen, kortaf. - -Lottie keek haar aan, een en al verbazing. - -"Niet? Waarom heb je dan die bloemen aan juffrouw Faber gegeven?" - -Wies antwoordde niet. - -Het was weer de oude geschiedenis, ze wilde haar weer dwingen, alles -te vertellen en zich zelve in de hoogte te steken, maar ze kreeg -het niet meer uit haar, het was nu mooi geweest. Als Lottie haar -zoo weinig kende, dat ze van haar dacht, dat ze iemand wilde plagen, -onder den schijn van een vriendelijkheid te bewijzen, dan moest het -maar uit zijn tusschen hen, dan was er geen vriendschap mogelijk, -tenminste niet, wat zij onder dat woord verstond. - -Ze waren, beiden zwijgend, verder naar school gegaan en om twaalf -uur was Wies haastig naar huis geloopen en had de verbaasde Lottie -met een genadig knikje laten staan. - -Dat was in geen jaren gebeurd, altijd hadden ze op elkaar gewacht na -schooltijd en waren ze samen naar en van school gegaan. - -Lottie kreeg tranen in hare oogen, toen ze Wies nakeek, maar ze -knipte ze haastig weg en ging ook naar huis, zorgend eenigen afstand -te bewaren tusschen Wies en haarzelve. - -Als Wies zoo akelig wilde doen, best, ze had ook haar trots. - -Dien middag kwam Wies haar niet afhalen, ze had dat wel verwacht, -maar toch had ze lang getreuzeld, voor ze wegging, je kondt toch niet -weten, en warm van het harde loopen, bang te laat te zuilen komen, -was ze op haar plaats gaan zitten. Ze keek heel even naar Louise's -bank om te zien, of ze er was. - -Ja hoor, ze zat er, druk met Rie pratend en zelfs niet even in de -richting van haar plaats kijkend. Om vier uur gingen ze ieder haars -weegs, zonder elkander zelfs goedendag te zeggen.. en daarna bestonden -ze niet meer voor elkaar. - -Zoo dacht ten minste de buitenwereld, de schoolmeisjes en de -huisgenooten. Deze laatsten waren erg verwonderd geweest, dat de -onafscheidelijken, zooals ze genoemd werden, niet meer bij elkaar -kwamen, maar toen ze er niets anders uit konden krijgen, dan dat -ze niet meer met elkander omgingen, hadden ze de zaak maar op haar -beloop gelaten, dat kwam vanzelf wel terecht. - -Bestonden ze werkelijk niet meer voor elkaar, de twee -onafscheidelijken? - -Als men in de harten der beide meisjes had kunnen lezen, dan zou men -wel tot een andere meening gekomen zijn. - -Och, ze misten elkander zoo! - -Ze zouden niets liever gedaan hebben, dan weer goed worden, maar ze -vonden dat een onmogelijkheid. Hoe kon Wies nu vriendschap voelen -voor iemand, die haar zoo miskende. Hoe kon Lottie nu verlangen naar -genegenheid van iemand, die haar zoo beleedigd had, door niet meer -met haar te willen omgaan. - -Neen, het moest maar blijven, zooals het was, het kon nu eenmaal niet -anders.... maar ze misten elkander toch zoo! - -Telkens kwam het voor, dat Wies de kleine gebeurtenissen van het -dagelijksch leven op de tong brandden, ze was gewoon, alles met -Lottie te bespreken en telkens moest Lottie zich bedwingen om niet -even naar Wies te rennen, om haar wat te vertellen, nu eens van een -nieuw japonnetje, dat toch zoo beeldig werd, dan weer van de heerlijke -manier, waarop ze de zomervacantie zouden doorbrengen. - -Bijna iederen ochtend dacht Wies: zou Lot die moeilijke les kennen, -of die sommen gevonden hebben en bijna iederen avond dacht Lottie: als -Wies voor morgen haar lessen maar geleerd heeft, haar werk gemaakt, nu -ze er heelemaal niet meer eens met mij over praten kan. Hoe dikwijls -was het niet gebeurd, dat Wies niet geluisterd had naar hetgeen de -juffrouw er bij verteld had en altijd was ze dan bij Lottie gekomen, -wetend dat deze haar wel zou kunnen en willen helpen. - -Als Wies nu op school met haar mond vol tanden zat en blijkbaar -heelemaal niet op de hoogte was, trok Lot zich de harde woorden, die -dan volgden, net zoo goed aan, als haar gewezen vriendinnetje. Ze -had Wies er immers aan gewend, dat ze bij haar altijd terecht kon, -als ze niet opgelet had. Ze had zoo'n medelijden met haar en zou haar -zoo dolgraag geholpen hebben, maar ze kon toch niet het eerst naar -Wies toe gaan. - -En Wies? - -Och, die zou wel het eerst naar haar vriendinnetje hebben willen gaan, -ze was bij nader inzien tot de conclusie gekomen, dat de schijn wel -erg tegen haar geweest was en dat het Lottie niet zoo kwalijk te nemen -was, dat ze haar verdacht had. Ze had haar toch ook geen verklaring -willen geven, hoe alles gegaan was. Wel had ze gezegd, toen Lot, -na gehoord te hebben voor wie die bloemen waren, haar gevraagd had, -hoe ze dat in haar hoofd kreeg: "dat is nu mijn wraak," maar Lot had -de bedoeling van de woorden niet begrepen en ze letterlijk opgevat. Ze -zou dus desnoods alles wel weer goed gemaakt willen hebben met Lot, -als ze deze maar niet zoo noodig had gehad. - -Maar Lottie wist best, hoe ze altijd van haar hulp had afgehangen, -hoe ze gewoon die vreeselijke sommen niet alleen kon maken en wat -was natuurlijker, dan dat ze denken zou, dat Wies het daarom weer -goed wilde maken, vooral nu ze druk in de repetities zaten en alles -er zoo op aankwam, met het oog op het overgaan. - -De groote vacantie naderde en daarmee het tijdstip, waarop ze zouden -hooren, wie overging en wie bleef zitten en Wies was zich maar al -te goed bewust, dat de zaak niet heel gunstig voor haar stond. Het -angstzweet brak haar uit, als ze er aan dacht. Ze had Vader zóó -beloofd, goed op te passen, hij zou het zoo naar vinden, als ze bleef -zitten. Moeder zou heel boos zijn, dat wist ze wel, maar Vader was -zoover weg, ze vond het zoo vreeselijk, hem nu verdriet te doen. - -Had ze daar maar wat eerder aan gedacht, ze deed nu haar best, -werkelijk, ze werkte soms tot 's avonds laat, maar ze begreep zooveel -niet, waar ze maar overheen geloopen was, het hielp haar alles niets, -of ze al haar best deed, het was nu te laat. - -Wat was ze toch een ongelukskind, nu juist de hulp van Lottie te -moeten missen. - -"Wies Ongeluk," dacht ze bitter. - -Ze voelde zich zenuwachtig en gedrukt, ze stond op met de gedachte -aan dat blijven zitten en aan haar breuk met Lottie en ze ging er -mee slapen. Ze zag er niet goed uit, haar moeder had haar al eens -gevraagd, of er iets aan scheelde. Bleef ze misschien te laat op -'s avonds? Waarom teutte ze ook altijd zoo met haar werk. - -Maar Wies beweerde zich best te voelen, ze kon niet eerder naar bed. Ze -had het zoo druk met die repetities en haar moeder liet haar maar haar -gang gaan, blij, dat ze eindelijk tot ernstig werken scheen gekomen. Ze -ergerde zich wel, dat Wies nu letterlijk niets meer in de huishouding -deed en nooit een steek meer uitvoerde, maar ze had haar man beloofd, -het schoolwerk vóór alles te laten gaan en dus schikte ze zich. Als -het maar eenmaal vacantie was, zou alles wel weer terechtkomen en -Wies weer haar gezonde kleur terugkrijgen. - -Henk ook, die zag er ook al zoo weinig fleurig uit en was bepaald -gedrukt. - -Van hem begreep ze dat heelemaal niet, hij was vlug van leeren en -er was geen twijfel aan, of hij zou overgaan. Hij werkte ook niet -bizonder veel, overspannen deed hij zich zeker niet, wat hem dus zoo -stil en gedrukt maakte, was haar een raadsel. - -"Wat scheelt Henk tegenwoordig," dacht ook Louise. - -Het antwoord op deze vraag kreeg ze op een avond, toen ze al op haar -kamertje was en nog even een les nakeek voor den volgenden dag. - -Terwijl ze al haar best deed, om haar aandacht te bepalen bij de -onregelmatige Duitsche werkwoorden en niet afgeleid te worden door -de plek op den vloer, zoo aardig verlicht door de maan en hare ooren -met hare vingers dichthield om te trachten niet te luisteren naar de -geluiden van den zomernacht, die door het open venster binnendrongen, -werd er op de deur geklopt. Het geluid drong vaag tot haar door en -eerst toen ze Henks stem hoorde vragen, of ze nog op was, begreep ze, -dat ze goed gehoord had en het kloppen op haar deur geweest was. - -"Ben jij het Henk? Kom maar binnen." - -Open ging de deur en Henk trad over den drempel. - -Wat zag de jongen er raar uit. - -Bleek en wat verlegen, maar toch druk in zijn bewegen, Wies wist niet, -hoe ze het met hem had. - -"Wou je iets?" vroeg ze. - -Henk draaide wat in het kamertje rond, nam een lijstje met het portret -van Vader op, keek er verstrooid naar, zette het weer neer en ging -voor het open raam staan, met zijne handen op zijn rug, schijnbaar -verdiept in den aanblik der door de maan verlichte tuintjes. - -Wies keek naar hem, en dacht: hij heeft zeker wat op het hart, er is -iets, dat hem hindert en dat hij vertellen wil. - -Ze ging naar hem toe en haar hand op zijn schouder leggend, vroeg -ze zacht: - -"Wat scheelt er aan, Henk?" - -Henk schudde haar hand van zich af en antwoordde niet. Hij had het -uiteinde van het gordijnkoord tusschen zijn tanden gestoken en beet -er zachtjes op. - -Wies werd angstig. - -Er moest wel iets heel bijzonders gebeurd zijn, om den joligen Henk -zoo te veranderen. - -"Toe jongen, zeg nou, wat je mankeert," drong ze aan. - -Een oogenblik nog zweeg Henk. Toen barstte hij los: - -"Wat me mankeert? Geld!" - -Wies keek hem aan, alsof ze hem niet goed begreep. - -"Geld?" herhaalde ze. - -"Ja, geld, geld, geld, nou weet je 't." - -Toen zachter: - -"'k Heb schulden." - -"Schulden? Jij?" - -Wies' oogen werden rond van verbazing. - -Henk lachte bitter. - -"Kijk nou maar niet, of ik je de grootste onmogelijkheid vertel. Ik -heb je de waarheid gezegd, ik heb schulden." - -Wies had zich hersteld. - -Die jongen had misschien van een vriend een paar kwartjes geleend en -werd daar nu om gemaand, dat zou het wel zijn. - -"Kom," zei ze, "doe zoo gek niet. Als je wat van iemand geleend hebt -en het niet terug kunt geven, kan ik je misschien wel helpen. Hoeveel -is het?" - -Henk aarzelde. - -"Het is zooveel," mompelde hij. - -"Zooveel?" vroeg Wies verschrikt. "Hoeveel dan wel?" - -"Je zult het zelf niet hebben." - -"Dat denk ik wel, ik kreeg den laatsten tijd nog al eens wat van -Vader. Maar jij toch ook, waar is dat geld dan gebleven? Ik begrijp -er niets van, zeg dan toch wat." - -Henk keek somber voor zich uit. Hij stond nu met zijn rug tegen de -vensteromlijsting geleund, met beide handen in zijne broekzakken en -keek naar den grond, alsof hij het niet waagde, zijn zusje aan te zien. - -Wies voelde zich bepaald angstig worden, wat kon er toch gebeurd zijn? - -"Aan wien heb je dan schulden?" vroeg ze. - -"Aan een paar lui van school." - -"Van hen geleend?" - -Henk schudde van neen. - -"Niet? Dat is toch de eenige manier om schulden te maken," beweerde -Wies. - -Haar broer lachte weer bitter. - -"Zoo, denk je? Jullie meisjes zijn toch onnoozel.--Ik wou, dat je -gelijk hadt," voegde hij er met een zucht bij. - -Wies werd hoe langer, hoe zenuwachtiger. Ze greep Henk's arm en -schudde dien heftig. - -"Schei uit met je geheimzinnigheden en zeg me, wat er gebeurd is. Je -bent natuurlijk bij me gekomen, om mijn hulp te vragen. Hoe kan ik -je die geven, als ik nergens van af weet." - -Henk liet zich schudden, alsof hij een stuk hout was en keek strak voor -zich op den grond. Hij voelde dat het hooge woord er nu uit moest, -Wies had gelijk, hij was gekomen om haar hulp te vragen en dus moest -hij haar zeggen, wat hem tot stikkens toe benauwde. - -"Het zijn speelschulden," fluisterde hij, nauw hoorbaar. - -Maar Wies had die woorden toch opgevangen en staarde hem aan, verstijfd -van schrik. - -"Speelschulden?" - -Het scheen alsof met het uitspreken van dat woord het leven in Henk -was teruggekeerd. Hij duwde de hand van zijn zusje, die nog altijd -op zijn arm lag, van zich af en liep van het venster weg naar een -stoel bij de tafel, waarop hij zich liet neervallen, zenuwachtig op -zijn bovenlip bijtend. - -Wies volgde hem en zette zich tegenover hem neer. - -"Hoeveel?" vroeg ze benauwd. - -"Tien pop." - -"Tien? Mijn hemel, Henk!" - -Henk trommelde met zijne vingers op tafel. - -"Kun je ze me geven, of niet?" vroeg hij, wat ruw en toen Wies -aarzelde, het was alles, wat ze op het oogenblik bezat, voegde hij -er bij: - -"Je krijgt ze natuurlijk terug, later, als ik ze weer eens bezit. Maar -ik moet ze dadelijk hebben, als ik morgen niet betaald heb, ben ik -voor goed mijn naam kwijt onder de lui, ik heb mijn eerewoord gegeven, -dat ik morgen op zijn laatst betalen zou." - -Wies aarzelde nog steeds. Ze vond het eigenlijk niet noodig, dat -hij het geld betaalde, verbeel' je, zoo'n jongen nog, ze moesten dat -alles liever als gekheid beschouwen. - -"Ik begrijp niet, dat je zooveel verliezen kondt," zei ze "ik begrijp -eigenlijk heelemaal niet, hoe of jullie er toe gekomen bent, om geld -te spelen." - -Henk lachte schamper. - -"We hadden zeker om kaakjes moeten spelen, hè?" - -Wies keek boos. - -"Zeg, je hoeft mij niet voor den gek te houden, dat komt nu heelemaal -niet te pas. Ik vind het schandelijk, dat jullie jongens om geld -spelen. Ik begrijp natuurlijk best, dat jullie niet om wat lekkers -kunnen spelen, maar je hadt het heelemaal moeten laten. Wat hebben -jullie gespeeld?" - -Henk haalde zijne schouders op. - -"Een hazardspelletje, niets ergs." - -"Een hazardspelletje! Dat is het ergste van alles, hoe krijg je het -in je hoofd. Wanneer en bij wien doen jullie dat?" - -"Nou, zoo eens een vrijen middag bij... enfin, dat komt er nu niet -op aan, daar begrijpen jullie meisjes toch niets van." - -Toen van toon veranderend, bijna smeekend: - -"Toe, help me voor dezen keer. Ik moet betalen, waarachtig, het moet, -toen ik gewonnen had, heb ik het ook opgestoken." - -Wies zuchtte. - -"Doen jullie dat al lang?" - -"Een paar maanden. Eerst had ik zelf geld van Vader en won er nog bij -ook, maar ineens is de kans gekeerd en nu verlies ik steeds. Je kunt -je niet voorstellen, wat het is, dat spelen," voegde hij er opgewonden -bij, "de spanning, de verluchting, als je wint, het is iets heerlijks!" - -"En de angst, als je verliest," zei Wies. - -Henk haalde zijne schouders op. - -"Dat's natuurlijk een beroerd gevoel." - -"Ik vind het heelemaal een schandelijk iets," zei Wies, nu ook -opgewonden, "ik kan je niet zeggen, hoe vreeselijk ik het vind, dat -jij je hebt laten overhalen tot zoo iets gevaarlijks. Oneerlijk vind -ik het ook van je, want je wist niet, of ik je helpen kon en je zegt -zelf, dat je eerst het gewonnen geld hebt opgestoken." - -Toen Henk niets antwoordde, ging ze door: - -"Hoor eens, Henk, ik zal je dan mijn geld maar leenen, niet geven, -begrijp dat goed." - -Henk keek verlucht op. - -"Dat 's kranig van je," zei hij, haar een hand toestekend. - -Maar Wies legde de hare daar niet in. - -"Ik heb één voorwaarde, je moet me op je woord beloven niet meer -te spelen." - -Henk beet op zijne nagels. - -"Ja, ik geloof zelf, dat het beter zou zijn, den heelen rommel er -aan te geven, maar hoe kan ik je dan ooit terugbetalen. Het beetje -zakgeld, dat ik krijg, moet ik zelf gebruiken." - -Weer aarzelde Wies. - -Het beste zou zijn, als ze hem het geld schonk, maar dan had ze -voorloopig zelf niets. Ze had het zoo zuinig opgespaard om er eens -iets moois voor te kunnen koopen. Maar als ze het niet gaf, zou Henk -het spelen niet laten. - -"Weet je wat," zei ze eensklaps, "ik zal je het geld cadeau doen, -je hoeft het me niet terug te geven, maar beloof me dan, niet meer -te spelen. Doe je het? Je hand er op?" - -Henk greep de hand, die zijn zusje hem toestak en schudde die krachtig. - -"Je bent een goeie zus, hoor, een bovenste beste. Kun je me nu het -geld dadelijk geven?" - -Wies knikte van ja en ging naar haar kastje, waar ze in een mooi -doosje haar schat bewaarde. Het waren bijna allemaal nieuwe guldens, -die ze nu en dan van Vader gekregen had en ze kon niet helpen, dat ze -niet erg vroolijk keek, toen ze de mooie geldstukken in Henk's hand -legde. Deze liet ze in zijn zak glijden en stond op. Hij zag er nu -heel anders uit dan straks, blijkbaar erg verlucht. - -"Dank je nog wel hartelijk, hoor," zei hij, nogmaals haar hand -schuddend. "Als ik je ook eens van dienst kan zijn, graag, onthoud -dat." - -"En je hebt me beloofd, niet meer te spelen, vergeet dat niet." - -"Wel neen. Het is nu bijna vacantie, dan zie ik de lui vanzelf een -poos niet en daarna qui vivra, verra." - -Met deze woorden verliet hij de kamer, vroolijk lachend. - -"Maar Henk, het is slecht om op die manier te spelen," riep Wies hem -nog na, maar hij hoorde het blijkbaar niet meer en zijn zusje liet -zich verdrietig op den stoel bij de tafel neerzakken. - -Hare ellebogen op tafel en haar gezicht in hare handen dacht ze na. - -Had ze goed gedaan? - -Mocht ze Henk helpen? - -Als hij zijn belofte eens niet hield, hij scheen haar zoo luchtig op -te vatten. Moest ze eigenlijk Moeder niet waarschuwen? - -Maar Henk had haar vertrouwd, ze kon hem toch niet verraden. - -Wat was dat toch vreeselijk, als je eigenlijk niet wist, of je nu goed -gedaan hadt, of niet en met een bezwaard hart ging ze naar bed en sliep -heel onrustig, droomend van Henk, die alles verspeelde, wat hij bezat, -en van Vader, die haar verweet, dat ze hem niet gewaarschuwd had. - - - - - - - - -ACHTSTE HOOFDSTUK. - -OVERGAAN OF BLIJVEN ZITTEN? - - -De groote vacantie naderde en met haar de dag, waarop de meisjes zouden -hooren, wat de vergadering der onderwijzeressen over hen besloten -had, of ze geschikt geoordeeld werden om een volgende klasse te kunnen -volgen, of dat ze gewogen waren en te licht bevonden. De meesten wisten -wel, wat hun lot zou zijn, de rapporten hadden dat uitgewezen, maar -enkelen, en daaronder Louise Schotter, hadden, wat ze een twijfelachtig -rapport noemden en leefden dus die laatste dagen in groote spanning. - -Veel hoop had Wies niet, ze was zich maar al te zeer bewust, dat -er heel wat mankeerde aan haar kennis, ja, als ze alles eens goed -naging, was ze er wel haast zeker van, dat het mis zou zijn, maar -toch.... zoolang er leven is, is er hoop en aan die hoop klemde ze -zich vast. - -Het zou al te vreeselijk zijn, als het anders was. - -Niet meer met dezelfde meisjes samen te zijn, waarvan velen jonger -waren dan zij, weer van voren af aan al die saaie boeken te moeten -doorwerken, te vervreemden van hare oude kennisjes, zoo echt -uitgestooten te worden, niet mee te kunnen. - -O! 't zou afschuwelijk zijn. - -En dan met die tijding naar huis te moeten, Moeder zou zoo boos zijn -en haar zooveel verwijten doen en Marietje zou schijnbaar deelnemend -kijken, maar inwendig op haar neerzien, die had natuurlijk een mooi -rapport en ging schitterend over. - -En Henk ook, maar die zou haar enkel een beetje goedmoedig bespotten, -wat ze toch ook niet uit kon staan. Ze hoorde hem al vragen, of de -feeën haar dan heelemaal in den steek gelaten hadden en zoo al meer, -o, ze zou dat niet allemaal kunnen verdragen. - -En dan zou het natuurlijk aan Vader geschreven moeten worden en -iedereen zou beweren, dat het haar eigen schuld was en wat kon ze -er eigenlijk aan doen. Ze had toch nooit expres niet opgelet, of -hare lessen niet geleerd, het ging altijd zoo vanzelf, ze begreep -nooit goed, hoe de tijd toch altijd zoo ineens voorbij kon zijn, -als ze dacht, nu eens goed te gaan opletten, was de les meestal om -en als ze juist al haar aandacht bij haar boek wilde bepalen, moest -ze naar bed, of was het etenstijd of iets dergelijks. - -Haar heele vacantie zou er door bedorven worden. - -Ze had er zich zoo op verheugd bij hare grootouders buiten te gaan -logeeren, bij die lieve, blinde grootmoeder en bij grootvader, -met wien ze zulke heerlijke wandelingen kon doen, Vaders ouders, -van wie ze zooveel hield. Hare grootouders van Moeders kant had ze -nooit gekend, die waren al lang geleden gestorven, maar zoolang ze -zich herinnerde waren ze zomers in de vacantie bij Vader's ouders -geweest, op het dorpje aan de rivier. De menschen vonden het algemeen -geen mooi plaatsje, maar zij vond het het er heerlijk. - -En nu zou dat uitstapje haar ook vergald worden, want Grootvader was -niet iemand, die van achterblijvers hield, hij had zelf zijn heele -leven lang hard gewerkt als notaris in die streek en tante Marie was -net als hij, een flinke vrouw, zei Moeder. Ze was Marietjes petetante -en Moes zei altijd, dat ze hoopte, dat het kind net zou worden als -haar tante. - -Het was waar, tante Marie was heel flink, ze bestuurde het heele huis -en de daarbij behoorende boerderij van haar ouders, wist zich overal -te doen respecteeren en gehoorzamen, maar ze vond haar niet lief, -te hard, te gedecideerd, ja, dat was het woord, te prozaïsch. - -Ze woonde daar bij die prachtige rivier, en merkte niet eens, hoeveel -heerlijks daar altijd te zien was. Ze had geen tijd om sentimenteel -te zijn, beweerde ze lachend. - -Ze leefde, als 't ware, op het land, ze had gelegenheid planten en -bloemen in hun ontluiking en groei te bespieden en het interesseerde -haar alleen, of de grond veel zou opbrengen en of de oogst goed -zou zijn. - -Eens had Wies in Mei eenige dagen bij haar grootouders gelogeerd en -toen de appelboomen in bloei gezien. Ze had geen woorden weten te -vinden, om haar verrukking uit te drukken en toen had tante heel -kalm opgemerkt, dat ze liever de boomen zag, als de vruchten zich -goed gezet hadden, van al die bloesems kwam soms maar een handjevol -appelen, als het weer tegenwerkte. - -Grootvader was ook van dat oordeel, bij hem kwam het ook alleen aan op -het nut der dingen, Grootmoedertje alleen zou in staat geweest zijn, -om te genieten van al dat moois en de arme lieveling kon niet meer -zien, sinds drie jaren was ze volslagen blind, na een lang ooglijden. - -Grootmoeder was een schat, Vader had wel wat van haar, maar Vader was -een man en natuurlijk kon die niet net eender denken en handelen, -als een oude vrouw. Vader zei eens, toen Moes verklaarde niet te -begrijpen, naar wie Wies die afwijkende karaktereigenschappen toch -had, "naar mijn moeder." Hij had er toen dadelijk bijgevoegd, "als -ze overigens ook op haar lijken gaat, ben ik tevreden." - -Zou Grootmoedertje ook in haar teleurgesteld zijn, als ze niet -overging? Och zeker wel, ze zou er ook verdrietig om zijn en moeite -hebben, haar partij te kiezen, zooals ze anders meestal deed. - -Het was vreeselijk, alles, wat haar te wachten stond. - -Maar misschien maakte ze zich wel voor niets ongerust, misschien kwam -alles nog wel terecht, voor ze zekerheid had, wilde ze de hoop niet -opgeven, ze had toch in den laatsten tijd wel haar best gedaan. - -Zoo brak eindelijk de lang gevreesde dag aan en Wies stond met de -andere leerlingen van de school te wachten op haar vonnis. - -Eerst werden eenige meisjes der eerste klasse binnengeroepen. - -"De stumpers," dacht Wies, "dat zijn de gezakten." - -Ze kwamen dan ook alle vier met bedrukte gezichten terug, één zelfs -bitter schreiend. - -Toen mochten de overige gelukkige leerlingen der eerste klasse -binnenkomen en niet lang daarna stormde het vroolijke troepje weer -naar buiten. - -Nu nog de tweede afdeeling der aanvangsklasse en dan kwam de beurt -aan haar. Ze zat in de tweede klasse, afdeeling A. - -Daar kwam de conciërge met het noodlottige papier in de hand, hij -noemde een naam, het duizelde haar, maar toch luisterde ze gespannen. - -Het was de hare niet. - -Toen nog een naam, weer een andere, ze ademde al vrijer, zou ze... - -"Louise Schotter." - -Een schok ging haar door 't hoofd, toch... toch... - -"Ja," antwoordde ze machinaal en volgde de twee eerst genoemde meisjes -naar binnen. - -Ze hoorde vaag de leedbetuiging der directrice, dat deze drie meisjes -niet konden worden toegelaten tot de derde klasse, ze hoorde maar -half de woorden, die de juffrouw daarna tot haar beide lotgenooten -richtte, ze was zich alleen bewust, dat alle hoop weg was, dat ze -voor een feit stond, dat ze gezakt was. - -Nu wendde de juffrouw zich tot haar en ze spande zich in om goed -te hooren en naar de woorden te luisteren, die speciaal voor haar -bestemd waren. - -"Van jou, Louise, spijt 't me bizonder, dat we je moeten laten zitten, -want je hadt zoo best meegekund, als je maar gewild hadt. Je kunt -heel goed leeren, als je je maar belieft in te spannen. Maar je -zit liever te suffen en te droomen, dan te luisteren, naar wat er -behandeld wordt. In het begin van dezen cursus dachten we, dat het -wel met je gaan zou, maar je vorderingen werden geringer, in plaats -van grooter in den loop van het jaar en bij de laatste algemeene -repetitie heb je getoond, dat het er maar droevig uitziet met je -kennis. Het zal dus in alle opzichten goed voor je zijn, dat je eens -een jaar blijft zitten, ik hoop, dat het je leeren zal, dat we er -niet komen met slapen en droomen, maar met werken en ons aanpakken, -niet met toegeven aan een neiging tot afdwalen, maar met daar tegen -te vechten. Doe nu een volgend jaar eens flink je best, je kunt dan -gemakkelijk tot de eerste van de klasse behooren, ja misschien wel -de eerste zijn, toon, dat je wel flink kunt en wilt zijn." - -Wies hoorde dit alles aan als in een droom. - -Waarom zei de juffrouw, dat het haar eigen schuld was, dat ze best -mee had gekund. - -Dat had ze niet, zij was nu eenmaal niet zoo flink en zoo strijdlustig, -de natuur had haar anders gemaakt, dat kon zij toch niet helpen. Maar, -al wilde ze het zelfs niet aan zichzelve bekennen, in het diepste -van haar hart gaf ze de directrice gelijk, als ze heel erg haar best -gedaan had, zou ze hier nu niet zoo behoeven te staan. - -Ze verliet zwijgend met de meisjes de kamer, de beide anderen liepen -te schreien, maar hare oogen bleven droog, ze had iets versufts, -ze liep machinaal voort, de gang door, de voorplaats der school over. - -Alvorens de poort door te gaan, die haar in de drukke straat zou -brengen, stond ze even stil en leunde tegen den muur. Hare beenen -waren zoo zwaar en haar hart niet minder. - -Nu moest ze naar huis, zoo spoedig mogelijk maar, ze moest het toch -doormaken, hoe eerder het achter den rug was, hoe beter. - -Toch ging ze niet weg, ze bleef daar staan leunen tegen dien muur en -staarde voor zich uit. - -Daar kwamen de andere meisjes aan, nu moest ze maken, dat ze weg kwam, -beklaagd wilde ze niet worden, dat vooral niet en vlug liep ze de -poort door en de straat op naar huis, waar Moeder zeker al naar haar -uitkeek. Hé, wat was dat? - -Een hand werd op haar arm gelegd en Lottie's stem zei vlak bij haar: - -"Och Wies, wees maar niet meer boos." - -Ze stond onwillekeurig stil en keek naar het kleine meisje, dat haar -zoo smeekend met hare vochtige oogen aankeek. - -"Ik ben niet meer boos," mompelde ze. - -"Niet? O, gelukkig," en Lot geneerde zich niet, haar midden op straat -een zoen te geven, die klapte. - -Wies kuste haar terug en legde toen haar arm in dien van Lottie. Beiden -liepen zwijgend eenige passen voort. - -Toen begon Lottie: - -"O, Wies, als je eens wist, hoe het mij spijt, was toch bij me gekomen, -als je hulp noodig hadt." - -"Dat kon ik immers niet." - -"Waarom niet, had het toch maar gedaan." - -Toen Wies' arm tegen zich aandrukkend: - -"Als je wist, wat ik een spijt heb, niet gekomen te zijn, om je mijn -hulp aan te bieden." - -"Had je het maar gedaan," zuchtte Wies. - -"Denk je, dat je dan overgegaan zoudt zijn?" klonk het benauwd. - -"Misschien wel." - -Lot kon zich niet langer goed houden, ze begon gewoon te schreien. - -"Ik zal met je mee naar huis gaan en zeggen, dat het mijn schuld is," -zei ze. - -"Ssst, huil nu niet, de menschen kijken naar je." - -Lottie veegde heimelijk hare oogen af en trachtte zich in te houden. - -"Maar ik ga met je mee." - -"Dat zou nergens toe dienen, de zaak blijft hetzelfde. Weet je wat -Moeder zeggen zou? Als ik er op die manier komen moet, is het beter, -dat ik zitten blijf en ze zou gelijk hebben. Maar ellendig is het." - -Lottie zweeg bedrukt. - -Wies zag het goed in, er was niets meer aan te doen. - -"Wij hebben elkaar ten minste weer," zei ze na een poosje op -hartelijken toon. - -"Zoolang als 't duurt," antwoordde Wies. - -"Zoolang als 't duurt? Wat meen je? Je bent toch niet meer boos? Laten -we er nu niet meer aan denken." - -"Zoo meen ik het niet, ik ben veel te blij, dat je naar me toegekomen -bent. Maar, zie je, jij gaat nu naar de derde klasse en ik blijf achter -met die kleine kinderen van de eerste. Je sluit je bij een ander aan, -dat spreekt van zelf en ik heb afgedaan." - -Lottie keek haar van terzijde aan. - -"Zou jij zoo doen?" vroeg ze eenvoudig. - -"Ik? Natuurlijk niet." - -"Denk het dan ook niet van mij." - -Wies voelde, dat ze een kleur kreeg. Wat was ze toch een akelig kind, -Lot van dingen te verdenken, die ze zelf niet doen zou, omdat ze het -leelijk vond, zoo te handelen. - -Ze drukte Lot's arm tegen zich aan en zei: - -"Je bent veel te goed voor me." - -Nu begon Lottie te lachen en even lachte Wies mee, heel even maar, -toen verstijfden hare lippen weer en versomberden hare oogen. - -Ze waren nu het huis van Lottie genaderd en Wies liet haar arm los. - -"Nu, adieu dan. Heerlijk, om met zulk goed nieuws naar huis te gaan. Ik -feliciteer je wel, dat heb ik nog vergeten. Adio." - -Met een schijnbaar luchthartig handgebaar nam Wies afscheid en liep -door, zonder verder om te kijken. - -Lottie keek haar na en toen de deur geopend was, liep ze hard naar -binnen en begon, bij haar moeder gekomen, bitter te schreien. - -"Maar Lot, wat is er? Ben je niet over?" vroeg deze verschrikt. - -"Jawel," snikte Lottie, "maar die arme Wies." - -Nu kreeg haar moeder het heele verhaal te hooren, van de breuk tusschen -haar en Wies en hoe ze nu weer goed waren en dat die arme Wies niet -over was en zoo'n verdriet had. - -Lottie's moeder deed haar best, haar dochtertje te troosten. Ze -behoefde er zich niets van aan te trekken, het was Wies' eigen schuld -en eerlijk gezegd, kon ze niet eens medelijden met haar hebben, -ze kreeg, wat ze verdiend had. - -Lottie vond haar moeder hard, hoe gek toch, dat niemand begreep, -dat Wies nu eenmaal anders aangelegd was, dan andere meisjes. Die -volwassen menschen zeiden allemaal maar, dat het haar eigen schuld was -en dat ze maar beter op moest passen. Maar zij had medelijden met haar -en zou haar een volgend jaar toch helpen, als 't noodig mocht zijn, -dat nam ze zich stellig voor. En nooit mochten ze weer boos op elkaar -worden, nooit. - -Intusschen was Wies haar huis genaderd en even bleef ze staan, -diep ademhalend. - -Ze zag zoo tegen die thuiskomst op, kom, ze moest door den zuren appel -heenbijten, ze kon hier toch niet op straat blijven staan. Ze vermande -zich dus, trok aan de bel en schrok even van den klank. Ze behoefde -niet lang te wachten, Moeder deed zelf open, ze had al op haar gewacht. - -Ze keek haar dochtertje gespannen aan en vroeg, hoewel ze op het -sombere gezichtje het antwoord al gelezen had: - -"Wel?" - -"Blijven zitten," was het nauw hoorbare antwoord. - -Haar moeder zei niets en ging naar de huiskamer. Wies volgde haar -werktuigelijk. - -Mevrouw Schotter ging kalm zitten en nam het kieltje weer ter hand, -waaraan ze bezig geweest was, toen Wies gebeld had. - -Wies wist niet goed, wat met haar figuur te doen, ze stond daar en -speelde met een slip van haar das, die ze in en uit rolde. - -Waarom zei Moeder niets? - -Wat moest ze nu doen? - -Kon ze heengaan, de kamer uit? - -Ze had een heel andere ontvangst verwacht, ze had zich al van te voren -gehard tegen den storm van verwijten, die ze zeker krijgen zou, maar -dat zwijgen was nog erger, ze stond daar zoo dwaas en toch durfde ze -niet gaan, het was haar, alsof ze aan den grond vastgegroeid was. - -En Moeder naaide maar door. - -"Mag ik gaan?" vroeg ze eindelijk zacht. - -Nu keek Moeder haar aan en, zag ze dat goed, waren hare oogen vochtig? - -Wies liep naar haar toe. - -"Moesje," zei ze smeekend. - -Haar moeder maakte een gebaar, van niet nader te komen. - -"Het doet me zoo'n verdriet voor Vader," zei ze. - -Nu was de spanning verbroken, Wies snikte het uit. - -Ze zocht naar haar zakdoek, kon hem niet vinden, zeker verloren, -en veegde toen haar gezicht met hare handschoenen af. - -Haar moeder had zich hersteld. Hare oogen waren nu niet meer vochtig, -maar ze hadden een harde uitdrukking en haar stem klonk scherp, -toen ze zei: - -"Stel je niet zoo aan, dat is weer eens het berouw, dat te laat -komt. Je bent genoeg gewaarschuwd, maar je hebt niet willen -luisteren. Ga je goed afdoen en je gezicht wasschen en gebruik je -handschoenen niet voor zakdoek. Als je daarna je fatsoenlijk kunt -houden, zal ik nader met je spreken." - -Wies keerde zich om, ze was blij, heen te kunnen gaan, alleen te -kunnen zijn, al was het dan ook maar voor eenige oogenblikken, maar -voor ze de kamer verlaten had, kwamen Henk en Marietje binnen en -onwillekeurig bleef ze staan, die moesten het ook maar ineens weten, -dan was het achter den rug. - -Marietje keek haar nieuwsgierig aan en zei: - -"'t Is mis, dat zie ik al." - -Henk's jongensgezicht stond medelijdend, hij knikte Wies eens -gemoedelijk toe en klopte haar troostend op den schouder. - -Toen zich omkeerend, mompelde hij tusschen zijne tanden: - -"De ziel." - -Wies ging naar haar kamertje, deed haar goed af en bleef daarna -staan voor het portret van haar vader. Ze had hem zóó beloofd, goed -op te passen. - -Een nieuwe huilbui overviel haar, maar na een poosje bedaarde ze en -begon haar gezicht te betten. Het koude water deed haar goed en na -zich het haar wat opgekamd te hebben, besloot ze naar beneden te gaan -en te dragen, wat komen zou. - -Ze trad aarzelend binnen en ging uit het raam staan kijken, om zich -een houding te geven. Henk en Marietje waren nog in de kamer, maar -Moeder verzocht hen, weg te gaan, ze wilde Louise alleen spreken. - -Wies' hart bonsde in haar keel, nu zou je het hebben. - -Haar moeder legde haar naaiwerk neer en beval Louise tegenover haar -te gaan zitten. - -"Ben je nu bedaard en kun je naar me luisteren?" vroeg ze. - -Wies knikte van ja. - -Wat zou Moeder te zeggen hebben, zou ze gewoon een standje krijgen, -of wat anders moeten hooren? - -"Hoor eens, Louise," begon Moeder, "ik was al bang, dat het mis met je -gaan zou op school en dus heb ik al vooruit over de zaak nagedacht. Je -schijnt niet te kunnen leeren, wat er op die school onderwezen wordt, -je bent blijkbaar niet geschikt voor dat onderwijs en dus zal ik -Vader voorstellen, je maar van school te nemen." - -"Me van school nemen?" vroeg Wies verschrikt. - -"Ja, als ik Vaders toestemming kan krijgen, zend ik je naar een -huishoudschool, misschien dat je daar beter geschikt voor zult -zijn. In ieder geval zul je daar leeren, je handen te gebruiken, -je hoofd schijnt niet voor studie geschapen te zijn." - -Wies was een oogenblik stom van schrik. - -"Maar Moeder," barstte ze toen los, "ik heb een hekel aan alles wat -met huiswerk in verband staat." - -"Des te noodzakelijker is het, dat je er wat van leert, een meisje -is nu eenmaal bestemd, om huishoudelijk werk te doen. Je weet, hoe -ik daar over denk, alleen bij grooten aanleg zou ik mijn toestemming -kunnen geven tot een of andere studie. Een allesbehalve knap meisje, -zooals jij, doet veel beter, haar handen te leeren gebruiken, zoodoende -kan ze nog een nuttig lid van de maatschappij worden." - -"Maar ik ben niet dom!" - -"Niet? Je hebt er toch vandaag het bewijs van gegeven. - -Je zegt altijd, dat je het niet helpen kunt, dat je slechte cijfers -krijgt, dat je afdwaalt, nu ja, maar als je een flink hoofd had, en de -studie je interesseerde, dan zou je er wel bij kunnen blijven. Je hebt -blijkbaar zwakke hersens en dus moet het maar uit zijn met dat leeren." - -Wies stond verslagen. - -Het was waar, ze zei altijd dat ze het niet helpen kon, als ze hare -lessen niet kende, of niet begrepen had, wat de juffrouw op school -uitgelegd had, maar had ze dat wel zoo heelemaal gemeend? Was ze vast -overtuigd, dat ze niet anders kon? Nu wist ze zelf niet meer, wat -waar was en wat niet en met een zucht boog ze het hoofd. Ze kon Moeder -niet eens tegenspreken, die had haar gevangen in haar eigen woorden. - -Eensklaps ging haar een licht op. - -"Vader kan uw brief pas over vier weken hebben, en dan vier weken -voor het antwoord, dan zijn alle cursussen al begonnen." - -"Ik heb al weken geleden aan Vader geschreven, wat ik zag aankomen -en hem gevraagd, indien ik gelijk mocht hebben en je niet overging, -te mogen handelen naar goedvinden. Het antwoord kan ik dus binnen -een maand hebben." - -"Dus weet Vader eigenlijk al, dat ik gezakt ben?" - -"Dat niet bepaald, alleen, dat ik er bang voor was. Het feit moet je -hem zelf schrijven." - -"Och neen, Moeder!" - -"Jawel, zelfs vanavond nog, morgen gaat er een mail." - -"Kunt u het niet doen?" - -"Kunnen wel, maar ik vind beter, dat jij het doet." - -"Ik vind het zoo afschuwelijk." - -"Dat is geen reden, waarom je het niet doen zoudt, je hebt wel wat -verdiend, dunkt me." - -Ineens kon Wies zich niet goed houden, ze moest even lachen, of ze -wilde of niet. - -"Maar als u vindt, dat ik dom ben en het dus niet helpen kan, dat ik -ben blijven zitten, dan heb ik toch geen straf verdiend," zei ze. - -Haar moeder keek haar een oogenblik verbaasd aan en zei toen op -knorrigen toon, maar licht kleurend: - -"Nu geen spitsvondigheden, als 't je blieft. Je schrijft vanavond -aan Vader en laat me lezen, wat je geschreven hebt en daarmee uit." - -Met die woorden stond ze op en verliet de kamer. - -Wies lachte nog even. - -"Daar zat Moeder vast," dacht ze en een oogenblik had ze pret, maar -dat duurde niet lang. - -De woorden van haar moeder hadden diepen indruk op haar gemaakt, van -school te moeten, om zich aan huishoudelijke zaken te gaan wijden, -het was het ergste, wat ze zich voor kon stellen. Ze zou vanavond -aan Vader schrijven, dat ze zoo'n berouw had en best leeren kon. Maar -vóór hij op dien brief zou hebben geantwoord, zou er al een besluit -genomen zijn. Als hij op Moeders voorstel inging, zou ze al lang op -die nare huishoudschool zitten, voor ze antwoord zouden kunnen hebben. - -Had ze toch maar niet altijd zoo stellig verklaard, dat ze niet -beter kon! - - - - - - - - -NEGENDE HOOFDSTUK. - -NAAR GROOTVADER EN GROOTMOEDER. - - -"Moes, gaan we nu vandaag naar Ota?" vroeg Jantje voor de zooveelste -maal in de laatste dagen. - -"En naar Omoesje," voegde Stan er bij. - -En vandaag behoefde Moeder niet, zooals de vorige dagen, uit te leggen, -hoeveel nachtjes ze nog zouden moeten slapen, voor de gewichtige dag -daar was, vandaag kon ze de kinderen verblijden met een volmondig: ja. - -Wat waren ze gelukkig, de twee kleine kabouters, ze sprongen wel zes -voet hoog. - -Eerlijk gezegd, herinnerde Stan zich niet veel van zijn verblijf -verleden jaar, hij was toen pas twee jaar, maar Jantje des te meer en -door de opgewonden vreugde van zijn broertje aangestoken, verlangde hij -al even hard als de anderen naar de logeerpartij bij zijn grootouders. - -Alleen Wies, die anders misschien het meest van allen naar de dagen -buiten verlangde, zag er nu wel tegen op. - -Hoe zou Grootvader zijn? En tante Marie? - -Ze schaamde zich een beetje over zich zelve en dat maakte, dat ze -tegen de ontmoeting met haar grootvader opzag. - -Het vertrek bracht nog heel wat drukte met zich. Op het laatst -oogenblik was Stan zoek en werd gevonden met zijne armen om zijn -hobbelpaard, vast verklarend niet mee te willen, als Hans niet mee -mocht. Alleen de belofte, dat hij bij Ota echte paarden zou hebben, -kon hem overhalen, vrijwillig mee te gaan. - -Henk was nog even uitgegaan, om wat platen voor zijn kiektoestel -te koopen en kwam maar niet terug en Marietje had werk om Jantje te -beletten, weg te loopen, toen hij eenmaal aangekleed was. Ze zag zich -genoodzaakt, het slot van de buitendeur vast te houden, hij kon er -net bij en was er al eens in geslaagd, de deur te openen. - -Daar riep Moeder. - -"Ja, Moes, heeft u me noodig?" - -"Ja gauw, kom even hier, ik moet je wat vragen." - -Marietje moest het slot nu wel loslaten, ze probeerde nog, Jantje -mee te trekken, maar de kleine baas was sterk genoeg om zich los te -worstelen, daar riep Moeder alweer, ze scheen haar bepaald noodig -te hebben. - -"Ja Moes, ik kom," riep ze terug en trachtte nog Jantje te grijpen, -die zich losrukte, naar de voordeur vloog, haar in een wip openhad -en de straat op rende... - -"Jan is de straat op," riep ze tegen Wies, die kwam kijken, waar ze -toch bleef en ging toen naar haar moeder, Wies kon nu verder naar -het kind kijken. - -Deze liep de straat op en zag den kleinen jongen een heel eind verder -stil staan en omkijken, of hij niet gevolgd werd. - -Zijn zusje liep hard naar hem toe, maar toen ze hem naderde, rende -hij door. - -"Wil je wel eens dadelijk terugkomen," riep ze, "stoute jongen," -maar Jan trok een neus en draafde verder. Wies kreeg het benauwd, -wat moest ze beginnen, het was zóó tijd om te gaan, daar was het -rijtuig al, dat hen naar het station zou brengen. - -Wat te doen? - -Ze kon het kind op die manier niet inhalen. - -Daar kwam redding in den vorm van Henk. - -Als hij nu Jantje maar zag. - -Gelukkig, hij begreep, wat er gaande was en zijn broertje in den -weg tredend, ving hij hem op en bracht het trappelende en van pret -gierende kind naar het rijtuig, waar hij het maar vast inzette. - -Eindelijk zaten allen goed en wel in het rijtuig en konden -vertrekken. Alleen wilde Moeder nog even voelen, of het huis wel goed -gesloten was, ze vond het nooit prettig, alles zoo alleen achter te -moeten laten. - -"Zeg, Marietje, het zolderraam is toch wel dicht? Ik heb vergeten -aan Betje te vragen, of ze er aan gedacht heeft." - -"Het stond nog open, maar ik heb het gesloten," zei Wies. - -Haar moeder keek haar zoo verbaasd aan, dat ze een kleur kreeg. - -"Jij?" - -"Ja, ik," en Wies wendde haar hoofd af, Moeder behoefde niet te zien, -hoe het bloed haar naar de wangen steeg, het had er iets van, alsof -ze half idioot was, zoo verbaasd keek Moeder, als ze eens aan iets -gedacht had. - -"Wel, wel," zei Moeder en nam nu eindelijk in het rijtuig plaats. - -"Het is meer dan tijd," merkte de koetsier op. - -"Als we maar niet te laat komen," zei Wies. - -"Dan gaan we een treintje later," beweerde Henk kalm. - -"Stel je voor, en Grootvader zou het rijtuig zenden." - -"Welnou, dat kan toch wachten." - -"Ik hoop maar, dat we op tijd zijn," zei hun moeder zenuwachtig, -"het is nog anderhalf uur rijden langs den dijk en we komen nu net -tegen etenstijd aan." - -"Om half vijf toch, is 't niet?" vroeg Marietje. - -"Nu ja, maar een latere trein geeft zooveel vertraging." - -Maar gelukkig, ze kwamen op tijd, en het was met een gevoel van -verluchting, dat ze het station uitstoomden. - -Er waren veel passagiers geweest voor dezen trein en de wagon, waarin -ze plaats genomen hadden, was geheel vol. Het eerste kwartiertje waren -de twee kleine jongens onder den indruk van de nieuwe omgeving, maar -al spoedig begon het den woelwater Jan te vervelen, stil te zitten -en wilde hij met alle geweld van de bank. Hij liet zich op den grond -glijden en ging nieuwsgierig de tasch van een oude dame betasten, -die tegenover hem zat. - -"Stil blijven zitten, jongens," zei Moeder, Stan vasthoudend, die het -voorbeeld van zijn broertje dadelijk volgen wilde. Henk trok Jantje -weer op zijn plaats, maar het ging niet zonder tegenspartelen. - -"Ik wou zoo graag weten, wat ze daarin heeft," zei hij, van zich af -trappelend, waarbij hij het been van een krantenlezend heer raakte, -die dat lichaamsdeel haastig terugtrok, een wat sterke uitdrukking -tusschen zijn tanden brommend. - -Jan hield ineens op met trappelen. - -"O, wat zeg je daar?" vroeg hij, zijne groote oogen op zijn slachtoffer -vestigend, "wat leuk woord, zeg het nog eens, als 't je blieft, -anders kan ik het niet onthouden." - -De heele coupé begon te lachen, zelfs de mishandelde, hoewel zijn -lachtje wel wat gedwongen was. Wies trachtte Jantje af te leiden, -door hem de koetjes te wijzen in de weide, waar ze langs spoorden. - -Maar Jantje gaf het zoo gauw niet op. - -Een oogenblikje zat hij stil, als in gedachte, toen liet hij zich -onverwachts weer afglijden en zijn handje op den nu weer in zijn -lectuur verdiepten heer leggend, vroeg hij vriendelijk, maar dringend: - -"Toe, zeg nog eens wat leuks." - -Voor hij antwoord kon krijgen, zat hij in 't verst verwijderde hoekje -van den waggon naast Moeder, die hem stevig vasthield. - -"Dat's flauw," beweerde hij en ziende dat zijn moeder ontevreden haar -hoofd schudde, kroop hij op haar schoot en haar ongerust aankijkend, -vroeg hij: - -"Waarom kijkt u nou zoo zuinig. Vindt u dien meneer niet leuk, bent -u boos op hem?" - -Lachend, maar wat verlegen keerde zijn moeder hem naar het raampje -en maakte hem attent op een varken met jongetjes in de wei. - -Dat vond hij aardig. - -"Stan, kom ook hier, dat moet je zien, die varkensmama heeft een hoop -kindertjes, kom gauw, gauw dan." - -Stan gaf dadelijk aan die oproeping gehoor, maar te laat, er was -niets meer te zien. - -"Hoe flauw, dat we niet wat langzamer rijden," vond Jantje en Stan -wilde nu ook bij Moeder op schoot en poogde Jantje van zijn plaats -te dringen, wat in een klein vechtpartijtje ontaardde. - -Een knorrige oude heer, die dit tooneeltje vlak tegenover zich had, -beweerde, dat men met zulke lastige, kleine kinderen niet reizen moest, -ze deden de medepassagiers te veel overlast aan. - -Wat dat laatste betreft, had hij niet geheel ongelijk, de nu met geweld -gescheiden broertjes schreeuwden het beiden uit en geen aanbod van -chocolaadjes hielp en evenmin het dreigement van Henk, dat hij ze -uit het raampje zou gooien en pas na een flink schreeuwduo gelukte -het aan de vereende krachten, hen tot bedaren te brengen. - -"Ze zijn anders nooit zoo," zuchtte hun moeder. - -"O neen, dat spreekt vanzelf," merkte de oude heer sarkastisch op, -"kinderen zijn altijd engelen, als er niemand bij is," en het in -zijn lectuur gestoorde jongemensch, bromde vrij duidelijk: "Beroerde -bengels." - -Nog een kwartiertje van onrust en tot hare niet geringe vreugde -bemerkte mevrouw Schotter, dat ze het doel van hun reis naderden -en niet lang daarna waren allen veilig geborgen in het Utrechtsch -wagentje, dat hen kwam halen, met Piet, den ouden getrouwen koetsier -van Grootvader op de voorste bank. - -Henk was dadelijk naast hem gaan zitten en Jantje smeekte zoo, tusschen -hen in te mogen, dat men hem zijn zin maar gaf. Dat viel natuurlijk -niet in den smaak van Stan, die ook bij Piet wilde zijn, maar de -belofte, dat hij op het achterste bankje vlak bij mocht zitten, ja, -als hij wilde, op zijn knietjes mocht gaan liggen, zoodat het net -zou zijn, of hij er ook bij zat, troostte hem. Hij voelde van tijd -tot tijd aan het fluweelen jasje van Piet en verklaarde, dat hij het -een mooi jasje vond. - -Over de paarden was hij verrukt. Mocht hij er straks eens eventjes -op zitten? Hij zou ze niet moe maken, hij was niet zwaar. - -Piet beloofde het hem en verzekerde lachend, naar het tengere ventje -kijkend, dat het paard niet onder zijn last bezwijken zou. - -"Ik op het andere paard," viel dadelijk Jantje in. - -"Goed hoor," beloofde Piet, "maar dan nou stilzitten, anders rol je -er uit." - -Janneman had blijkbaar respect voor Piet, tenminste hij zat nu doodstil -en trok zijn handje dadelijk terug, waarmee hij even aan de leidsels -wilde trekken, toen Piet het hem verbood. - -Mevrouw Schotter kwam wat tot rust. - -"Wat waren ze lastig," zei ze, zich behaaglijk in haar hoekje -schikkend. - -"Opgewondenheid," beweerde Marietje wijs, "er is veel te lang van te -voren over de reis gesproken." - -Henk lachte witjes. - -Ze had wel gelijk, maar het was toch grappig, zoo'n klein wijs nest. - -Wies genoot. - -Met verrukking zag ze de rivier, glinsterend in de zomerzon, als -bestrooid met schitterende diamanten. - -Ze werd er stil van. - -Ze vergat geheel, dat ze wat had opgezien tegen de ontmoeting met -Grootvader, en ging op in het aanschouwen van wat de rivier haar -bood. Er waren verscheidene stoombootjes op, één groote zelfs -en eenige zeilschepen schoten vooruit, hunne zeilen als vleugels -uitgespreid. Kijk dat kleine bootje daar in de verte, was het niet -net een groote witte zwaan, met bol opstaande vlerken? Daar hadt -je Woudrichem. - -"Schilderachtig plaatsje toch," merkte ze hardop aan. - -"Een broeinest van besmettelijke ziekten," antwoordde Moeder prozaïsch. - -Henk lachte. - -"Dat kan Wies niet schelen, als het er maar schilderachtig uitziet," -zei hij. - -"Maar als ze er zelf een ziekte opdeed, zou ze het mooie er gauw -genoeg van vergeten," beweerde Marietje. - -Wies zuchtte. - -De anderen dachten ook altijd aan de keerzijde van de medaille, wat -had dat hier nu mee te maken, of het er gezond was, mooi was het toch. - -"Kijk, Loevenstein," wilde ze zeggen, maar ze hield de woorden in. - -Voor haar had dat slot iets geheimzinnigs; van alles wat daar binnen -was voorgevallen, was toch iets blijven hangen tusschen deze muren, -zoo dik, als ze er nog nooit gezien had. De anderen beweerden, dat -er niets meer aan was, het was ook waar, de kamers waren alle kaal, -ongemeubeld, alleen in het kerkje stonden nog de banken en was de -oude, veel gebruikte bijbel te zien, maar die holle vertrekken waren -voor haar bevolkt, ze hadden een deel der geschiedenis mee gemaakt, -ze waren getuigen geweest van wanhoop en tranen, maar ook van groote -plannen, van hoop en gespannen verwachting. - -"Loevenstein, Wiesje," plaagde Henk, toen ze zweeg, "krijgen we nu -geen geestdriftig verhaal van de interessantheid van dit geschiedkundig -slot, dat daar zoo poëtisch...." - -"Schei toch uit," zei Wies knorrig en verzonk weer in gedachte. - -Straks kwamen ze aan den molen, die zoo gevaarlijk vlak aan een bocht -van den dijk lag en waarbij eens een ongeluk gebeurd was door het -schrikken van de paarden. - -"Heb je het fluitje wel, Piet?" vroeg ze, "om den molenaar te -waarschuwen." - -"En of ik," en Piet haalde een, aan een koord zittend, fluitje uit -zijn jasje. - -"Een fluitje," riep Jan verheugd en Stan herhaalde: "Een fluitje." - -"Mag ik ook eens," smeekte Jantje, zijn handje uitstekend. - -"Ikke ook," vroeg Stan. - -"Nou even dan, maar niet te hard, dan schrikken de peerden." - -Natuurlijk blies Jan zoo schel mogelijk en daar de paarden even te -hard aanzetten, werd het hem gauw afgepakt. - -"Nou ikke," vroeg Stan. - -"De peerden schrikken er van, jong." - -"Ik zal 't heel zachtjes doen." - -"Nou, vooruit dan," en Stan blies even nauw hoorbaar op het fluitje -en gaf het toen tevreden aan Piet terug. - -Daar was de molen, nu naderden ze het huis, waar ze wezen moesten, -nog een klein poosje en de kinderen begonnen te juichen en te dansen, -zoodat het niet veel scheelde, of ze waren uit het rijtuig gerold. - -Ze hadden hunne grootouders in het oog gekregen, die voor het huis -naar hen stonden uit te kijken. - -Dat was me een vreugde, Grootvader tilde de kleine jongens juichend in -de hoogte en hield ze toen hun grootmoeder voor om hen te kussen. Deze -betastte de krullekopjes en kuste hartelijk de haar toegestoken -gezichtjes. - -Toen volgden nieuwe begroetingen, tante Marie kwam ook aangeloopen en -voerde allen naar de serre, waar de thee nog op hen stond te wachten. - -"We eten een kwartiertje later vanmiddag," zei tante Marie, "Moeder -dacht, dat jullie na de reis graag eerst een kopje thee zouden -willen hebben." - -Ze zaten nu allen gezellig bij elkaar. Wies naast Grootvader, die -heel vriendelijk tegen haar geweest was en niets gezegd had van haar -niet overgaan. - -Jantje liep rond, die had lang genoeg naar zijn zin gezeten, hij -onderzocht, waar hij zich eens mee zou kunnen amuseeren, maar Stan -was stil bij Omoesje op schoot gekropen en keek wat schuw, maar zeer -belangstellend naar hare gesloten oogleden. - -"Slaapt Omoesje?" vroeg hij, met zijn handje over haar wang streelend. - -Een weemoedige glimlach gleed over het gezicht der oude dame. - -"Neen, lieveling, ik ben klaar wakker." - -"Waarom houdt Omoesje haar oogjes dan dicht?" - -"Omdat ze toch niet zien kan." - -Een oogenblik zat het kind in gedachte. - -Hij kneep zijn oogjes stijf dicht en spalkte ze daarna wijd open. Een -vroolijk lachje verscheen op zijn gezichtje. - -"Als Omoesje haar oogjes maar open doet, dan kan ze wel zien. Stanneman -kan ook niet met dichte oogjes zien." - -Zijn grootmoeder kuste hem en trachtte hem af te leiden met een koekje -en een kopje melk, waarin een onmerkbaar scheutje thee, maar het kind -bleef afgetrokken. - -Na een poosje vroeg het: - -"Wil Omoesje liever niet zien?" - -Zijn moeder, die dacht, dat al dat gevraag de blinde zou hinderen -wilde hem bij zich nemen, maar haar schoonmoeder drukte het ventje -vaster tegen zich aan en wilde het niet afgeven. - -"Laat hem bij mij," zei ze, "hij is zoo lief." - -Zich toen tot het kind wendend: - -"Omoesje wil wel zien, lieveling, maar ze kan niet. Haar oogen zijn -ziek geweest en nu kan ze er niet meer mee zien." - -"Heelemaal niks?" vroeg nu Jantje, die, aangetrokken door het in zijne -oogen belangwekkend gesprek, zich ook tegen zijn grootmoeder aandrong. - -"Neen, niets, mijn jongen." - -"Mij ook niet?" - -"Kom hier, Jan," riep zijn moeder, "kijk eens gauw, wat een aardig -hondje daar loopt." - -Jan keek even in de richting, die zijn moeder hem wees en drong aan: - -"Mij ook niet?" - -"Neen ventje." - -"En Stan niet, en Moes niet en Ota?" - -"Neen, niemand." - -Jantje werd er stil van, zijn bewegelijk lichaampje scheen voor ééns -eenige oogenblikken rust te hebben gevonden. - -"Vindt u het naar?" vroeg hij heel zacht. - -Zijn grootmoeder trok hem naar zich toe. - -"Neen, niet erg, denk daar nu maar niet meer aan. Ik zie een boel mooie -dingen niet, maar ook geen leelijke, dat is wel prettig, begrijp je?" - -Jantje gaf niet dadelijk antwoord, hij was in gedachte. - -Toen uitte hij het resultaat van dat nadenken. - -"Als ik dus uit den suikerpot snoep, dan kunt u dat niet zien?" - -"Schaam je," riep Wies, en Henk zei: "wat een aap." - -Moeder keek bepaald boos en Marietje verontwaardigd, maar Grootvader -glimlachte en tante Marie antwoordde in plaats van haar moeder: - -"Maar Grootmoeder zou het wel hooren, probeer het dus maar niet, hoor." - -Jantje keek heel onschuldig. - -"Ik vroeg het zoo maar eens," zei hij. - -Daarna was het tijd om aan tafel te gaan en na het eten werden de -kleintjes naar bed gebracht, en ging Marietje haar moeder helpen met -uitpakken, terwijl Henk met Grootvader nog een loopje ging doen. - -"Zal ik ook helpen?" vroeg Wies. - -Maar haar moeder zei, dat ze liever beneden moest blijven, ze liepen -anders elkaar maar in den weg. - -Nu, Wies deed niets liever, tante Marie had ook nog wat te doen, -zoodat ze een poosje alleen met haar grootmoeder kon zijn, wat ze -heerlijk vond. - -Deze stak haar arm door dien van haar kleindochtertje. - -"Breng me nog een oogenblikje in den tuin," zei ze, "ik wil graag -een kwartiertje rond loopen." - -Zwijgend voldeed Wies aan dit verzoek en langzaam liepen ze samen -langs de paden. - -Hoe heerlijk was het hier, hoe rustig, hoe prachtig lag de tuin daar, -bestraald door het geheimzinnige licht der avondzon. - -Toch kon Wies er niet van genieten, zooals andere jaren, ze had iets -onrustigs, ze wilde eigenlijk, dat Grootvader maar iets gezegd had -van haar blijven zitten, dan had ze geweten, hoe hij het opvatte; -nu liep ze met het gevoel rond, dat het nog komen moest, dat er iets -tusschen hen was, dat eerst tot klaarheid moest zijn gekomen, voor -ze geheel zichzelve kon zijn. - -Zou ze er Grootmoedertje naar vragen? Ze durfde haast niet, ze was zoo -bang, ook haar verdriet te hebben aangedaan, ze schrok er van terug, -uit dien vriendelijken mond woorden van verwijt te moeten hooren. - -"Wat ben je stil, Wiesje," zei Grootmoeder eensklaps, "je bent toch -wel goed?" - -Wies trok het bezorgde gezichtje, dat zich naar haar toewendde, -alsof het aan haar wilde zien, hoe het er mee stond, naar zich toe -en kuste het met vochtige oogen. Grootmoeder voelde met haar hand -over haar kleindochters wangen. - -"Tranen?" vroeg ze. - -Wies veegde ze haastig af. - -"Neen heusch niet, er is niets, ik ben heel wel. Alleen een beetje -zenuwachtig," voegde ze er aarzelend bij. - -Grootmoeder had haar begrepen. - -"Grootvader zal nog wel eens met je spreken," zei ze, "en dan beloof -je vast, beter op te passen, nietwaar?" - -Wies knikte onwillekeurig van ja, er niet aan denkend, dat haar -grootmoeder haar niet zien kon. - -"Niet waar, kind?" herhaalde deze, "je zult het morgen aan Grootvader -beloven?" - -Wies kreeg een kleur. - -Grootmoeder dacht zeker, dat ze nog weerspannig was ook, omdat ze -niet antwoordde. - -"Ja zeker, Grootmoesje, zeker," haastte ze zich te zeggen, "u begrijpt -toch wel, dat ik het niet expres gedaan heb, ik kon het eigenlijk -niet helpen." - -Haar grootmoeder glimlachte. - -"Dat is iets, waar wij het nog wel eens samen over zullen hebben," -zei ze, de hand van Wies drukkend. - -"Is Grootvader erg boos op me?" vroeg deze benauwd. - -"Erg boos niet, maar je bent ons wel tegengevallen." - -"Ons zegt u, U ook?". - -De vraag kwam er op angstigen toon uit en haar grootmoeder aarzelde. - -"Wel een beetje," zei ze toen zacht. - -Wies keek bedroefd naar het lieve gezicht met de gesloten oogen. - -"Dat is haast nog het ergste. Maar, lieveling, ik kon het heusch niet -heelemaal helpen." - -Haar grootmoeder schudde het hoofd. - -"Niet heelemaal misschien, je moet er me een anderen dag maar eens -alles van vertellen, dan bespreken we dat eens samen. Willen we nu -naar binnen gaan, de thee zal wel klaar zijn." - -"Daar is Grootvader ook," zei Wies en keek een beetje schuw naar den -krachtigen, ouden man, die daar naast zijn kleinzoon kwam aanstappen. - -In de serre stond de thee klaar, een gezellig lichtje onder den -trekpot. Tante Marie schonk dadelijk in en Moeder zat met een tevreden -gezicht uit te rusten van de vermoeienissen van den dag. Grootmoeder -ging op haar vaste plaatsje naast haar zitten en Marietje zat zoowaar -te haken, maar Wies wierp zich met een zucht van tevredenheid in een -gemakkelijken stoel. - -De laatste stralen der dalende zon vielen in de wat lager gelegen -tuin, een heerlijke geur van rozen steeg op, in de verte hoorde men -de geluiden op de rivier, een enkele stoomboot, die het water nog -deed opbruischen, anders niets. - -Wies vouwde hare handen in zalig nietsdoen en genoot. - -Ze wilde nu genieten, aan niets anders denken, vergeten, wat ze pas -beleefd had en wat haar nog te wachten stond, opgaan in de heerlijkheid -van het oogenblik. - -Straks werd het nog verrukkelijker, dan kwam de maan op en misschien -zou ze den nachtegaal weer hooren slaan, die verleden jaar in den -tuin zijn nestje had. Ze was geheel weg, hoorde niet het gezellige -gepraat om haar heen, hoorde zelfs niet, dat Tante haar vroeg, of ze -nog een kopje thee wilde. - -"Ze is weer bij haar feeën op bezoek," spotte Henk. - -"Dat is nog zoo'n kwaad gezelschap niet," vond Grootmoeder. - - - - - - - - -TIENDE HOOFDSTUK. - -ZOO'N ZWAK WILLETJE! - - -Den volgenden morgen, na afloop van het ontbijt, vroeg Grootvader -aan Wies, eens even met hem naar zijn kamer te gaan. - -"Daar zal je 't hebben," dacht ze en met kloppend hart volgde ze -hem naar zijn studeerkamer, waar hij haar verzocht tegenover hem te -gaan zitten. - -"Je begrijpt zeker wel," zei hij, "waarover ik het eens met je wilde -hebben. Het viel me erg tegen, dat je moeder me schreef, dat je niet -was overgegaan. Vertel me eens, hoe dat gekomen is." - -Wies keek strak voor zich, ze werd verlegen onder den vragenden blik -van haar grootvader. - -Ze had haar gewoon excuus van het niet te kunnen helpen, op hare -lippen, maar vreemd, ze durfde daar hier niet mee aankomen. - -"Nu, Wies," drong haar grootvader aan. - -"Ik weet het niet," stotterde ze. - -"Weet je dat niet, dat is een gemakkelijk antwoord, maar daar ben ik -niet tevreden mee. Kijk eens kind," vervolgde hij, wat dichter bij -haar schuivend en haar met zijn potlood op den arm tikkend, "de zaak -is zoo. Je moeder beweert, dat je het onderwijs niet volgen kunt, -want dat ze je genoeg gewaarschuwd heeft, en zelfs gestraft, dat je -herhaaldelijk beloofd hebt, beter op te passen, maar die belofte niet -gehouden hebt. Nu zegt ze, dat ze niet gelooven kan, dat het louter, -nu ze noemt het ondeugendheid, onwil van je is en dus komt ze tot -de conclusie, dat je niet goed kunt, wat je trouwens zelf beweert, -volgens haar. Is dat zoo? Voel je 't op school niet te kunnen volgen, -al span je je in?" - -Wies schoof onrustig op haar stoel heen en weer. - -"Ik weet het niet," fluisterde ze alweer. - -Grootvader maakte een gebaar van ongeduld. - -"Nu niet altijd datzelfde antwoord. Zeg me nu eens ronduit, kun je -beter werken of niet, ja of neen." - -Wies zweeg een oogenblik. - -Toen mompelde ze: - -"Ja, geloof ik." - -"Dus ja. Waarom heb je dan van 't jaar zoo slecht opgepast?" - -Wies speelde zenuwachtig met haar zakdoek. - -"Ik dwaal zoo gauw af." - -"Dat weet ik en ik weet tevens, dat het een lastige eigenschap is, maar -een, die men overwinnen kan. Dat begrijp je zeker zelf ook, niet waar?" - -Wies ging wat rechter zitten en keek haar grootvader aan. - -"Neen, Grootvader," zei ze beslist, "ik geloof niet, dat ik daar iets -aan doen kan, het gaat altijd vanzelf." - -Grootvader streek met zijn hand over zijn mond om den glimlach te -verbergen, door haar woorden te voorschijn geroepen. Ze was blijkbaar -volkomen ernstig. - -Daarna zei hij verwijtend: - -"Wat ben je nog kinderachtig, heb je het spreekwoord wel eens gehoord, -"willen is kunnen?" - -Wies haalde hare schouders op. - -"Dat kunnen ze gemakkelijk zeggen, maar wat kun je er aan doen, -als je aan wat anders denken moet. Ik neem me dikwijls genoeg voor, -om op te letten, maar ineens merk ik dan, dat ik met iets heel anders -bezig ben." - -"Waarmee alzoo?" - -Wies kleurde hevig. - -Voor niets ter wereld zou ze aan een man als Grootvader vertellen, -dat ze soms sprookjes verzon en versjes maakte. - -"Aan van alles," zei ze nauw hoorbaar. - -"In ieder geval aan dingen, waaraan je op dat oogenblik niet denken -mag. Je hebt blijkbaar een heel zwak willetje en dat moet dan maar -gesterkt worden door prikkels van buiten af. Je moet leeren, men komt -er niet met droomen en suffen, maar met flink werken en zijn best -doen. Ik ben niet voor dat plan van je moeder, om je van school af -te nemen." - -"Gelukkig." - -"Neen, daar ben ik niet voor. Je moet eerst als ieder meisje in -de gelegenheid zijn, te leeren en je te ontwikkelen, daarna kan je -moeder je thuis nemen, als je wilt, om een flinke huishoudster van -je te maken." - -"Ik een flinke huishoudster!" - -"Ook al niet? Wat moet je dan worden, een onmogelijk wezen, dat -nergens nut voor is?" - -Grootvader sprak wat driftig en Wies durfde niet te zeggen, dat ze -zoo graag in de letteren zou gaan studeeren en dan later probeeren -te schrijven. - -Ze zweeg dus maar. - -"Je slechtste vak is wiskunde, nietwaar?" - -"Ja, vooral vraagstukken, die vind ik gewoon nooit." - -"Neen, natuurlijk niet, daar moet je je hersens voor bij elkaar -hebben. Nu zal ik je eens wat zeggen. Je maakt iederen dag vijf -vraagstukken voor me, zoolang je hier bent. Ik zal je gemakkelijk -werk geven, je desnoods nu en dan iets uitleggen, maar je zoekt de -oplossing zelf." - -Wies' oogen vulden zich met tranen. Zoodoende werd haar heele vacantie -bedorven. - -"Maar Grootvader," protesteerde ze. - -"Zoo gebeurt het," zei haar grootvader streng. - -Toen voegde hij er op opgewekten toon bij: - -"Je zult eens zien, wat een plezier je er in krijgen zult, als je, -na wat moeite, de oplossing vindt. Niets is zoo goed om de aandacht te -leeren concentreeren, dan het oplossen van vraagstukken, dat is echte -hersengymnastiek. En niets zoo prettig, dan na moeite en inspanning -beloond te worden door goede resultaten," voegde hij er vroolijk bij. - -Wies zuchtte. - -"Dan kan ik wel den heelen dag aan die vraagstukken zitten," zei ze, -"want ik kan ze toch niet vinden." - -"Kom, kom, dat zal zoo'n vaart niet nemen, ik zal je wel eens op weg -helpen. Om te beginnen zal ik je zulke gemakkelijke sommetjes geven, -dat je ze in een half uurtje af hebt. Kijk eens hier, dit is een -boekje, dat ze in de eerste klasse gebruiken, terwijl jij al in de -tweede een jaar hebt doorgebracht. Die zul je wel kunnen, de eenige -eisch is, dat je ze aandachtig naleest en even met je zelf uitmaakt, -hoe je ze op zult schrijven. Voor vandaag dus de eerste vijf. Ik zou -maar dadelijk beginnen, hier is papier, zoo ben je er het vlugst af." - -Met deze woorden verliet Grootvader de kamer en Wies bleef achter met -het boekje in haar hand en een gemengd gevoel van verluchting, dat -dit gesprek achter den rug was en van landerigheid over het bederven -van haar vacantie, zooals ze het noemde. Die afschuwelijke sommen, -ze kon ze immers nooit vinden en nu zou ze er alle dagen aan moeten -gaan blokken. - -Ze zette beide ellebogen op de vensterbank, waar ze voor zat en begon -nijdig tegen het houtwerk te schoppen. - -Daar zat ze nu, buiten was het prachtig weer, heerlijke lokkende -zonneschijn, weer om zalig niets te doen en te genieten en zij moest -die lamme sommen maken. En dat iederen dag, iederen dag van heel de -lange vacantie. - -Dat ze die vervelende dingen toch niet kon vinden, begreep Grootvader -niet, die dacht maar, dat ze niet wilde en zou in staat zijn, haar -den heelen dag er over te laten tobben. - -Grootvader had mooi praten, dat het zoo prettig was, om de oplossingen -te vinden, dat wilde ze graag gelooven, maar dan moest je dat toch -eerst kunnen. - -Onwillig las ze het eerste vraagstuk door. - -Nu gemakkelijk was het wel, daar had Grootvader gelijk aan, ze geloofde -wel, dat ze het zou kunnen uitrekenen. Als ze allemaal zoo waren, -zou het misschien wel gaan en wat getroost ging ze aan de schrijftafel -zitten en begon te werken. - -En werkelijk, het ging. - -Het eerste vraagstuk was al spoedig opgelost en netjes -overgeschreven. Met een zucht van voldoening keek Wies er naar. Dat -was er tenminste één. - -Wat een heerlijke lucht kwam er door het geopende venster. - -Kijk wat een leuk zonnestraaltje net op het papier. - -En wat een mooie bonte vlek op het behang, door welk kristal zou die -straal vallen? - -Ze rekte zich eens uit. - -Zonde toch om hier in de kamer te blijven zitten. - -Waarom zou ze eigenlijk niet in den tuin gaan. Grootvader had niet -gezegd, dat ze hier moest blijven, weet je wat, ze zou het heele -boeltje bij elkaar nemen, den inktkoker ook mee pakken en dan op die -leuke bank gaan zitten achter in den tuin, onder den lindeboom. Daar -stond een stevig tafeltje voor, daaraan kon ze best werken. - -Zoo gezegd, zoo gedaan. - -Vijf minuten later was ze druk bezig aan haar tweede vraagstuk, -nu zat ze tenminste buiten, dat was op zichzelf al een genot. - -Het tweede vraagstukje lukte ook en Wies begon zich behagelijk te -voelen. Wat rolde daar op haar schrift? - -"O, een rups, zoo'n ruwe, groene, met een staart." - -Wat een leuk beest. - -Het viel uit de linde boven haar hoofd, dat was zeker die rups, waar -Grootvader verleden jaar van vertelde, dat zij zoo'n schade deed aan -de lindeboomen, lindenpijlstaart noemde hij haar, meende ze. - -"Welzoo, jongejuffer, ben jij zoo'n vraatzuchtig beest, daarom ben -je zeker zoo dik," zei Wies, de rups op haar hand zettend, om haar -eens goed te bekijken. Aardig toch, als je bedacht, dat zoo'n groene, -kruipende rups later een vlinder moest worden, een witachtige vlinder -met donkere vlekjes. - -Als ze een vlinder zag, moest ze altijd denken, dat het eigenlijk -geen beestje was, maar een heel klein elfje, met dat fijne lijfje en -die groote teere vleugels. - -Wat een benijdenswaardig schepsel, zoo'n vlinder, altijd in de zon -te kunnen fladderen en spelen, mooi en zorgeloos. - -Ze keek weer naar de rups, die al een eindje weggekropen was. - -"Nu moet ik je, volgens den tuinman, doodmaken, maar ik doe het -niet. Eet jij je buikje maar vol, er zijn lindeblaren genoeg," en ze -nam het rupsje op en zette het op een der lagere takken van den boom. - -Kom ze moest werken. - -De derde som begreep ze niet dadelijk, ze was er ook zoo uit, ze kon -hare gedachten bijna niet bij dat vraagstukje bepalen. - -Wat scheen de zon mooi door het bladerdak boven haar hoofd, hoe leuk -al die lichtkringetjes op haar papier. - -Eensklaps hief ze het hoofd op. Wat was dat voor een vogel, die daar -zoo aardig zong? - -Een vink? Neen, nu klonk het het weer heel anders. Het geluid kwam -uit dien sering, ze moest even kijken, welke vogel dat zijn kon. - -Voorzichtig stond ze op en liep zacht naar den seringeboom, waaruit -het geluid haar tegenklonk. Nu leek het, of er al weer een andere -vogel zong. - -Zoo voorzichtig mogelijk boog ze een paar takken op zij en daar, -dicht bij den top, zag ze een geel buikje schitteren tusschen de -groene bladeren. - -Wat een snoezig vogeltje. - -Maar ze zag er maar een en ze had toch duidelijk verschillende vogels -hooren zingen. - -Daar klonk weer een andere slag en toch zat dat vogeltje daar alleen. - -"De spotvogel," schoot het eensklaps door haar brein, "die is -het. Grootmoeder heeft verteld, dat die alle vogels na kan doen, -wat een eenig beestje! Hij houdt je dus gewoon voor den gek." - -Zacht, als ze gekomen was, ging Wies weer van den sering weg en nam -haar potlood op. - -Ze moest nu werken, hoe laat zou het wel zijn? - -Daar begon die vogel weer te zingen, ze moest er naar luisteren, -het klonk zoo aardig. - -Toen gleed haar potlood over het papier, ze scheen eensklaps ijverig -geworden te zijn, maar toen ze ophield, stond daar geen oplossing -van het vraagstuk, waarin ze bezig was, maar een gedichtje, dat ze -lachend overlas. - - - Spotvogel, spotvogel, oolijke guit, - Spotvogel, spotvogel, lach je me uit? - Jij kunt wel vroolijk en blij kwinkeleeren, - Jij hoeft geen sommen te repeteeren. - Spotvogel, spotvogel, 't staat je niet mooi, - Als men jou eens sloot in een kooi, - Dan zou je 't spotten wel verleeren, - En hartelijk je vrijheid begeeren. - Aardig geelbuikje, wees maar niet bang, - Ga gerust door met je lustig gezang, - Houd ze maar allemaal voor den mal, - Niemand, die dat deren zal. - Spot er maar lustig op los, kleine vent, - Mij hindert het niet, ik ben dat gewend. - Moet ik niet dragen gespot en geplaag, - Omdat ik 't nu en dan eens waag, - Aan iets anders te denken, dan aan aardsche zaken, - Aan elfen, kabouters en zulke snaken, - Aan nimfen, aan rupsen en kapellen - Aan 't water juffertje, de sierlijke libelle, - Aan..... - - -Ja, aan wat nog meer. De inspiratie scheen haar plotseling verlaten -te hebben en voor zich uitturend, zat ze op haar potlood te knabbelen -en te denken, hoe ze een eind aan dit versje zou maken. - -Lottie zou het wel leuk vinden, maar ze moest het afmaken, zoo was -het niets. - -Eensklaps schrok ze op. - -Wat hoorde ze daar? - -Dat was de gong, die allen samenriep voor de koffietafel. - -Verschrikt keek ze naar haar werk, twee sommen had ze af en ze moest -er vijf maken. - -Ze dorst haast niet naar binnen gaan. Grootvader had gezegd, dat ze -zoo gemakkelijk waren en dat was ook zoo, ze had bepaald wel gekund, -als ze maar niet zoo afgedwaald was. - -"Wies, Wies, waar zit je, heb je de gong niet gehoord?" - -"Ja, ik kom," en haastig stak ze het beschreven blad in haar zak, -nam boek en overig papier bij elkaar in de eene hand en greep met de -andere naar den inktkoker. - -"Geef maar hier," zei Marietje, "je laat je pennehouder liggen en je -potlood moet dat niet mee? Ben je klaar?" - -Wies schudde van neen. - -Het ergste was, dat ze de twee andere sommen ook niet kon geven, -want op hetzelfde blad had ze aan den achterkant haar vers geschreven. - -In de huiskamer gekomen, legde ze haar boek haastig in de vensterbank -en nam haar plaats aan tafel in. - -Henk vertelde van een bezoek, dat hij bij een bevrienden boer had -afgelegd en Marietje, hoe ze voor de kippen had mogen zorgen en Tante -geholpen had met erwtjes doppen. - -"En jij, Wies?" vroeg Grootvader, "eerst je sommen gemaakt en toen -nog wat rondgedwaald zeker, je scheen tenminste de gong niet kunnen -hooren." - -Wies zag er verlegen uit. - -"Ik ben niet klaar gekomen," zei ze zacht. - -Grootvader keek verwonderd. - -"Niet klaar gekomen. Met die gemakkelijke sommetjes? Och kom, het -was het werk van een half uurtje, of drie kwartier. Enfin, dat moet -je me straks maar eens laten zien," en hij begon over iets anders. - -Toen ze gereed waren met hun maal stond Grootvader op. - -"Ga even mee met je werk, Wies," zei hij. - -Wies nam haar boek en het ledige papier en volgde hem schoorvoetend. - -"Zie zoo," zei hij, op zijn opgewekten toon, "laat me nu maar eens -zien. Misschien toch een kleinigheid niet begrepen, dat maken we wel -samen in orde. Geef me maar, wat je gedaan hebt." - -Wies wist geen raad. Het leege papier geven, dorst ze niet, en het -beschrevene nog veel minder. - -Grootvader keek werkelijk verwonderd naar haar. - -Wat had het kind, ze had toch zeker wel iets uitgevoerd. - -"Kom dan, je werk," en hij stak zijn hand uit. - -Wat moest ze doen? - -Het papier geven met de twee sommen, waarop het versje stond, dat -nooit, ze zou zich doodschamen, dan nog liever Grootvader in den waan -laten, dat ze niets had uitgevoerd. - -Maar ze dorst dat niet te zeggen, ze durfde hem nauwelijks aankijken, -Grootvader was degeen, voor wien ze van alle menschen het meest respect -had, ze kampte met hare tranen, maar durfde ook niet huilen, daar -kon hij heelemaal niet tegen, dat schreien om alles vond hij zoo laf. - -Grootvaders geduld was blijkbaar op, hij nam haar boek en papier uit -de hand. - -Hij vouwde het blad open, het was blank en onbeschreven. - -"Je wilt toch niet zeggen, dat je niets hebt uitgevoerd," en zijne -anders zoo vroolijke oogen keken haar streng aan. Ze durfde niet ja -zeggen, ze had ook wel wat uitgevoerd, maar voor de waarheid kon -ze niet uitkomen. In haar verlegenheid nam ze haar toevlucht tot -een leugentje. - -"Het blad is weggewaaid." - -"Weggewaaid, er is haast geen wind, hadt je het dan niet kunnen -grijpen?" - -Dat was waar, dat zou ze zeker gedaan hebben, hoe kwam ze er nog uit. - -"Ik was even opgestaan," fluisterde ze. - -"O zoo, zeker weer eens afgedwaald en naar iets anders uitgekeken. Nu, -kijk maar niet zoo benauwd, het is geen doodzonde. Hoeveel hadt je -er al af, allemaal?" - -"Neen, ik moest er nog een paar maken." - -"Nog twee?" - -"Neen, drie." - -"Kon je ze niet vinden?" - -"Ik weet het niet, ik heb ze nog niet allemaal doorgezien." - -Haar grootvader schudde afkeurend zijn hoofd. - -"Kind, Kind, het is nog erger met je gesteld, dan ik dacht. Je moet -het zelf maar weten en de gevolgen dragen, in je verder leven worden -je ook de gevolgen van je daden niet gespaard. Ik ga vanmiddag voor -zaken met het wagentje naar een der dorpen in de buurt en ik had jullie -drietjes willen meenemen, het is een mooie rit. Dat heb je verspeeld, -je blijft thuis en maakt je werk. Je blijft hier zitten en waag het -niet de kamer uit te gaan, vóór je klaar bent. Als je met alle geweld -niets aan je vacantie hebben wilt, moet je het zelf weten." - -Daarna verliet hij de kamer en liet Wies in een zeer verslagen -toestand achter. - -Daar zat ze nu, opgesloten in huis, in plaats van een heerlijk ritje -te kunnen doen. - -Henk en Marietje genoten van hun vacantie en zij! - -"Wies Ongeluk, Wies Ongeluk," zuchtte ze. - -Toen begon ze een deuntje te huilen en na een poosje, weer wat -gekalmeerd, besloot ze van haar middag te redden, wat ze kon. Ze zou -voortmaken, dan kon ze nog een poosje met Grootmoedertje alleen zijn, -want Moes ging met Tante en de kleintjes een bezoek brengen bij oude -kennissen van moeder. Ze draaide haar stoel zoo, dat ze met haar rug -naar het raam kwam te zitten, zoodat ze niet naar buiten kon kijken -en begon ijverig de reeds gemaakte sommen over te schrijven. Daarmee -klaar, probeerde ze de andere vraagstukken op te lossen. Ze hield -haar eene hand als een scherm boven hare oogen, om toch maar niets -anders te zien en deed een wanhopende poging om haar geheele aandacht -bij haar werk te houden. - -En het gelukte. - -Binnen het uur had ze alle vraagstukjes opgelost en netjes -overgeschreven en met een sprongetje van plezier liep ze de kamer -uit en naar de serre, waar ze wist haar grootmoeder te vinden. - -"Ik ben klaar, grootmoeder, nu kom ik bij u zitten." - -"Hoe gezellig," en grootmoeder beantwoordde hartelijk haar kus. - -Wies schoof dicht tegen haar aan. - -"Verveelt u zich niet, als u zoo alleen zit?" - -"Niet erg, ik brei, zooals je ziet. Tante laat me nooit lang alleen, -ze zullen wel weer gauw terugkomen." - -"Ze mogen gerust nog een poosje wegblijven," zei Wies. - -"Dat vind ik ook," lachte Grootmoeder, haar tegen zich aandrukkend -en nu volgde een van die heerlijke gesprekken, waar Wies het heele -jaar naar verlangde. - -Toch liep er een klein zwart draadje door het genoegen, dat het -samenzijn met haar grootmoeder haar gaf. - -"Zeg, schatje," vroeg ze eensklaps, "vindt u jokken altijd even erg?" - -"Jokken? Ja, dat vind ik een van de leelijkste dingen, die men -doen kan." - -"Altijd?" - -"Ja, altijd." - -"En een leugentje uit nood?" - -"Daar houd ik ook niet van. Ik zie niet in, dat het ooit noodig is, -te jokken." - -Wies zweeg een oogenblik. - -"Je kunt het soms niet laten," zei ze toen. - -"Dat is een gevaarlijke theorie, kindje. Maar zeg me eens, jij hebt -toch niet gejokt?" - -Wies liet zich op haar knieën glijden en legde haar hoofd op haar -grootmoeders schoot. - -"Dat heb ik wel," fluisterde ze. - -Grootmoeder streelde zwijgend eenige oogenblikken het gebogen hoofdje. - -"Dat spijt me erg," zei ze toen. - -"Het was maar een klein leugentje," beweerde Wies zacht. - -"Die bestaan er niet. Een leugen is een leugen. Tegen wie heb je -gejokt?" - -"Tegen Grootvader." - -"Tegen Grootvader? Maar Wiesje?" - -Nu vertelde Wies van de benauwdheid, waarin ze geweest was en hoe ze -niet had durven zeggen, dat ze op het papier een versje geschreven had. - -"U mag het ook niet vertellen," voegde ze er dringend bij, "als -'t u blieft niet." - -"Ik zal het niet vertellen, maar me dunkt, dat je het zelf nog wel -doen zult." - -"Ik? Nooit. Dat is niets voor Grootvader. Maar ik dacht wel te zeggen, -dat ik op het papier geknoeid had en het hem daarom niet geven kon." - -"Een halve waarheid," vond Grootmoeder. - -"Ik zeg veel liever heelemaal niets. Weet u wat zoo gek is? Ik -schaamde me tegenover u veel meer over dat jokkentje, dan tegenover -Grootvader. Het is toch wel een beetje zijn eigen schuld, dat ik niet -voor de waarheid durfde uitkomen." - -Grootmoeder liefkoosde het naar haar opgeheven gezichtje. - -"Wies, Wies, je bent op den verkeerden weg. Zeg Grootvader eerlijk -de waarheid." - -Wies aarzelde. - -Ze stelde zich voor, hoe ze voor haar Grootvader zou staan, hoe ze -stotterend haar leugen bekennen zou, hoe hij het vers zou willen lezen, -ze zag den spottenden glimlach, die om zijn mond verschijnen zou, -de manier, waarop hij haar aan zou kijken en ze zag al te veel op -tegen dat alles. Ze besloot maar liever niets te zeggen. - -"Ik kan niet, Grootmoesje," zei ze, "heusch, ik kan niet." - - - - - - - - -ELFDE HOOFDSTUK. - -HET SPROOKJE. - - -Ze zouden allen een uitstapje maken naar een groote boerderij, die wel -een uur rijden van het dorp verwijderd lag. Ze hadden vroeg gegeten -en zouden pas tegen den avond thuiskomen. De kleine jongens mochten -ook mee en waren een en al opgewondenheid bij de gedachte, dat ze pas -'s avonds, als het donker was, naar huis zouden rijden. - -Allen verheugden zich op dat uitstapje, het weer was prachtig, de -rit er naar toe mooi, de boer en de boerin de gastvrijheid zelve, -ze waren er van overtuigd, dat ze het er heerlijk zouden hebben. - -Toch was er iets, dat voor Wies de pret niet heelemaal onvergald liet, -iets, waarover ze tobde, wat haar niet met rust wilde laten. - -Bij uitzondering zouden tante Marie en Grootvader beiden mee gaan, -Grootmoeder wilde dat zelf zoo, maar nu moest die al dien tijd alleen -blijven, met geen andere zorg, dan die van de dienstmeisjes. - -"Het zal best gaan," verzekerde Grootmoeder, "ik kan immers bellen, -als ik iets noodig heb." - -"U zult voorzichtig zijn, niet waar, Moeder?" vroeg tante Marie dien -morgen, "u blijft in huis en gaat niet naar buiten, belooft u het me, -er is zooveel water in de buurt." - -"Ik beloof het," zei Grootmoeder, maar verbeeldde Wies het zich, -of lag er op haar lief gezicht een weemoedig trekje, een verlangen -om ook mee te kunnen gaan en te genieten op dezen mooien zomerdag? - -"Waarom gaat Grootmoedertje eigenlijk niet mee?" vroeg ze. - -Tante Marie keek verwonderd. - -"Grootmoeder mee? Hoe zou dat nu kunnen." - -"We kunnen haar toch geleiden." - -"Maar we zullen al genoeg te doen hebben, met op de kleintjes -te passen en daarenboven zou het te druk voor Moeder zijn en te -vermoeiend. Zoudt u graag meegaan?" voegde ze er aarzelend bij, -zich tot haar moeder wendend. - -"Neen, neen, ik blijf thuis," haastte deze zich te zeggen, "zoo'n -tocht zou te veel voor me zijn. Maar een van de meisjes kan me toch -wel in den tuin brengen, het weer is wel bijzonder mooi vandaag." - -Tante Marie keek ontevreden. - -"Kunt u nu voor dien eenen dag niet eens in huis blijven. In den tuin -bent u zoo buiten het bereik van de meisjes, ze zouden u misschien -niet hooren, als u belde, neen, dan blijf ik maar liever bij u, -ik zou geen oogenblik rust hebben." - -Grootmoedertje zag er wat verdrietig uit. - -"Goed dan, ik zal in huis blijven, ik beloof het." - -Wies had dit gesprek aangehoord en een hevige tweestrijd ontstond in -haar binnenste. - -Zou zij thuis blijven bij het arme, blinde Grootmoedertje, de anderen -stilletjes laten weggaan, want anders zou Grootmoeder toch niet -willen, dat ze een pretje misliep. Als allen dan weg waren, zou ze -te voorschijn komen en Grootmoeder verrassen. Dan kon ze met haar -naar buiten gaan en haar bezig houden en voor haar theeschenken. - -Zou ze het doen? - -Het zou wel een heerlijk tochtje zijn, verleden jaar hadden ze op -dezelfde boerderij zoo'n dolle pret gehad, het was wel hard, daar -afstand van te moeten doen. - -Grootmoedertjes gezicht stond melancholiek, ze zag er blijkbaar tegen -op, zoolang alleen te blijven, maar wilde Tante en Grootvader hun -genoegen niet vergallen. - -Arm Grootmoesje. - -Ze keek naar het lieve, meestal zoo geduldige gezicht, dat nu een -verdrietigen trek niet onderdrukken kon en nam haar besluit--ze zou -bij haar blijven. - -Op het laatste nippertje, toen het rijtuig al voor stond, verklaarde -ze, niet mee te gaan, ze bleef bij Grootmoeder. Tante Marie, die wat -last had van haar geweten, zei scherp, dat het niet noodig was, als er -iemand had moeten blijven, was zij de aangewezen persoon geweest. Wies -moest niet voor slachtoffer willen poseeren. Grootvader was blijkbaar -van een andere meening, hij knikte haar vriendelijk toe en zei, dat -ze een beste meid was en Moeder keek een beetje, alsof ze haar ooren -niet gelooven durfde. - -Henk klopte haar hartelijk op haar schouder en verklaarde, dat hij -het allemachtig aardig van haar vond en Marietje mompelde zoo iets, -van ook wel thuis te willen blijven. - -Ze reden weg en Wies keek hen na. Met een zucht keerde zij zich om, -toen ze uit het gezicht waren, het was geen geringe opoffering, -die ze zich daar opgelegd had. - -Al gauw klaarde haar gezicht weer op, Grootmoeder zou zoo blij zijn! - -Nu voorzichtig naar haar toe, om haar niet te laten schrikken, ze -had het rijtuig natuurlijk hooren wegrijden en dacht dus, dat allen -vertrokken waren. - -Ze deed heel zacht de kamerdeur open en begaf zich naar de serre, -waar Grootmoeder op haar eigen plaatsje zat. Haar breiwerk lag op -haar schoot, aan hare vingers ontgleden en met het hoofd op haar hand -gesteund, zat ze daar als een beeld van melancholie, met dien droeven -mond en gesloten oogen. - -Wies trad voorzichtig nader. - -"Is daar iemand?" vroeg Grootmoeder, het hoofd opheffend. - -"Ja, Grootmoesje, ik ben het, Wies." - -"Jij? Ben je daar nog? Heb ik me dan verbeeld, dat het rijtuig -wegreed?" - -Wies boog zich over haar heen en kuste haar teeder. - -"Neen, lieveling, u heeft goed gehoord, het rijtuig is weg, maar ik -ben niet meegegaan, ik blijf bij u." - -"Bij mij?" - -Grootmoeders lippen begonnen te beven. - -"Ja, lieveling." - -"Wil je zeggen, dat je dat prettige uitstapje hebt opgegeven om mij -gezelschap te blijven houden? Och, kindje, dat hadt je niet moeten -doen." - -Tranen rolden uit haar doffe oogen, en met bevende hand zocht ze het -hoofd van haar kleindochtertje, om het naar zich toe te trekken. - -"Dat hadt je niet moeten doen," zei ze nog eens, het gezichtje -kussend, dat zich tot haar overboog, "ik had werkelijk best alleen -kunnen blijven." - -Wies veegde hare oogen af. Ze waren ook vochtig geworden bij het zien -van de aandoening, die haar daad bij Grootmoeder verwekt had. - -"U vindt het toch gezellig, niet waar, dat ik bij u blijf." - -"Heerlijk, kindje. Ik heb juist vandaag een slechten dag, dat overvalt -me soms, dan drukt mijn toestand me veel meer dan gewoonlijk en komt -de melancholie me besluipen. Het is lief van je, aan de oude vrouw te -denken, kind, het bewijst me weer eens, dat mijn oudste kleindochter -een goed, liefhebbend hartje heeft, welke andere gebreken ze dan -ook hebben mag. Ik ben heel blij, alleen spijt het me, dat je nu je -prettig dagje mist." - -"Dat behoeft niet, we kunnen samen ook wel een prettig dagje -hebben. Willen we in den tuin gaan, het is zulk heerlijk weer." - -"Ja graag, breng me maar naar mijn lievelingsplekje bij het rozenperk." - -Grootmoeders stem klonk vroolijk en ze zag er veel opgewekter uit. - -Wies nam haar arm en bracht haar naar buiten, in de warme zomerlucht, -vervuld van geuren en van aardige geluiden. - -"Zoo goed?" vroeg ze, een kussen, dat ze had meegebracht in haar -grootmoeders rug plaatsend. - -"Heerlijk kind, ik ben je heel dankbaar, dat je zoo voor mij zorgt, -heel dankbaar." - -Wies kreeg een kleur. - -"Zeg u er niets meer van, als 't u blieft," en op een voetenbankje -aan hare voeten plaats nemend, vroeg ze: - -"Grootmoeder, mag ik u eens wat vertellen, wat ik een poosje geleden -gedroomd heb?" - -"Gedroomd, beste meid?" - -"Ja, zoo noem ik het, maar ik sliep niet, ik zat nog even voor het -raam, 's avonds, voor ik naar bed ging en keek naar de maan, die dien -avond zoo prachtig scheen en ik dacht er over, hoe heerlijk het in -zulk een nacht moest zijn in een bosch. Ik was nog thuis, ziet u en -het was een nare dag voor me geweest, alles was me weer eens tegen -geloopen, ik had mijn werk niet af, ik was zoo vreeselijk afgedwaald, -en ik was met een doodongelukkig gevoel naar mijn kamertje gegaan. Ik -was te verdrietig om dadelijk naar bed te gaan, maar ik was heel moe -en onwillekeurig sloot ik mijn oogen en genoot van het nachtwindje, -dat zacht om mijn gloeiend gezicht streek. Ik dacht na over de -schoonheid van zoo'n zomernacht en toen ik mijn oogen weer opende -en uit het raam keek, zag ik niet meer de tuintjes van onze buurt en -niet meer den achterkant van de huizen, met hun verlichte vensters, -neen, wat ik zag, was heel wat anders. - -Ik verbeeldde me in een bosch te zijn, in een groot bosch. Ik had dat -bosch meer gezien, dat wist ik zeker, maar niet zóó, het was, alsof er -een vreemde toovermacht over de boomen hing, de bladeren hadden een -zilveren kleur en de takken staken daar tegen af, als kronkelende, -donkere, spookachtige armen. - -"Maaneffect," dacht ik, "gewoon de werking van het maanlicht, -maar toch.... ik voelde, dat er iets bijzonders gebeuren ging en ik -tuurde en tuurde op het hier en daar door de witte stralen verlichte -boschpad. Daar zag ik tusschen de boomen de half vergane bladeren, -die den grond bedekten, bewegen en een rood puntje werd zichtbaar. Het -was de puntmuts van een kaboutertje, toen volgde het hoofdje met een -langen witten baard en daarna het heele lichaampje. Het ventje rekte -zich uit en schudde zijn armpjes. Het keek naar den stand der maan, -knikte goedkeurend en floot toen zachtjes. Daar begon overal de aarde -te bewegen en van alle kanten kwamen de kaboutertjes te voorschijn en -kropen langs de hooge wortels der boomen en krioelden door de half -vergane bladeren en de groene planten daartusschen. Ze hadden allen -een brandend lantaarntje bij zich, maar toen ze zagen, hoe helder de -maan alles verlichtte, bliezen ze dat uit. Toen gingen ze allen in -een kring staan rond het eerste kaboutertje, dat hun aanvoerder scheen -te zijn en vroegen zijne bevelen. Ziet u ze niet voor u, Grootmoeder, -de kleine kereltjes met hun roode mutsen en lange, witte baarden?" - -"Ja kindje, ik zie ze, de maan werpt juist een straal op den baard -van het middelste ventje en doet die als gesponnen glas schitteren." - -Wies durfde nauwelijks ademhalen, bang de betoovering te verbreken. - -Ook zij hield hare oogen gesloten, om zich alles beter voor den geest -te kunnen halen. - -"Kinderen," sprak het mannetje, "er is van avond veel werk te doen. Een -paar van jullie moeten naar de stad." - -"Is het daarvoor niet te vroeg, vóór twaalf uur 's nachts kunnen we -ons niet aan de menschen vertoonen," vroeg een bijzonder klein ventje. - -"Natuurlijk niet, kleine wijsneus," antwoordde de aanvoerder, "dat -behoef je me niet te vertellen. Ben ik niet je aller koning? Schittert -mijn kroon niet in de maneschijn?" - -En echt, toen ik goed naar hem keek, zag ik dat zijn mutsje verdwenen -was en hij nu in de plaats daarvan een goud kroontje droeg. - -"Eerst zal ik je zeggen, wat je doen moet," ging het koninkje voort, -"en dan kunnen jullie tot twaalf uur pret maken. Ik weet, dat er in de -stad een meisje woont, dat veel verdriet heeft buiten haar schuld. Dat -meisje kan nooit haar aandacht bepalen, bij wat ze op het oogenblik -doen moet en daardoor beleeft ze veel naars, ze wil wel, maar ze kan -niet. Ook vanavond heeft ze weer haast niets uitgevoerd en toen ze -eindelijk naar bed gestuurd werd, was het met de bedreiging, dat, -als ze niet zorgde, morgenochtend vroeg op te staan en alles klaar -te hebben, vóór ze naar school ging, ze den volgenden Zondag niet -naar het partijtje zou mogen gaan, dat een van haar vriendinnetjes -gaf. Nu verslaapt dat meisje zich heel dikwijls en als ze vroeg op is, -komt er toch altijd iets tusschen, waardoor ze niet klaar komt. Ze -heeft dus veel kans, haar partijtje te verspelen en zou daar weer -veel verdriet over hebben. Nu wilde ik jullie opdragen, dat werk -voor haar te maken en netjes in haar eigen handschrift te schrijven, -zoodat ze er op school niets van merken. Begrepen?" - -De kaboutertjes bogen toestemmend, zoodat de punten van hun mutsjes -de aarde aanraakten. - -"Is het geoorloofd een opmerking te maken, o koning," vroeg een hunner -met een fijn stemmetje, dat klonk, alsof men met een mes tegen een -dun glas tikte. - -De koning glimlachte; het was alweer het heele kleine ventje, -dat sprak. - -"Wel ja, Goliath, laat eens hooren, wat je te zeggen hebt." - -Het mannetje keek zoo verbaasd, dat zijn oogjes heelemaal rond werden. - -"Goliath," herhaalde hij, "wie is dat?" - -De koning lachte. - -"Dat is er een van het reuzengeslacht, je weet toch wel, dat er wezens -bestaan, veel grooter nog dan de menschen." - -Het kaboutertje keek omhoog naar de toppen van de hem omringende -boomen. - -"Zoo groot wel, als die eik?" vroeg hij rillend. - -"O, nog veel grooter. Met hun voeten kunnen ze ons fijn trappen, -zooals de menschen het met de kleine insecten doen, die zich op hun -weg bevinden. Ze komen gelukkig hoogst zelden in deze streken, kijk -dus maar niet zoo benauwd. In het ergste geval zou ik er toch zijn, -om je te beschermen." - -Het ventje lachte witjes. - -De koning zag dat en werd rood van boosheid. - -"Jou kleine schelm," riep hij uit, met zijn voetje op den grond -stampend, "geloof je me niet? Waarvoor heb ik een zwaard, als het -niet is, om er onze groote vijanden mee te steken? Ze denken dan wel, -dat een of ander insect ze bijt, maar ze zijn er heel bang voor en -gaan dadelijk op de vlucht, als ik mijn legers op hen afzend." - -"En in hun vlucht trappen ze het grootste deel dood," waagde het -ventje aan te vullen. - -De koning fronste zijn wenkbrauwen. - -"Bind hem aan den steel van dien opgeschoten paddenstoel vast," beval -hij, "hij mag vanavond niet mee feestvieren. Dat zou wat moois worden, -als de kleinste van mijn onderdanen aan de macht van mijn zwaard zou -mogen twijfelen." - -Dadelijk traden een paar kaboutertjes uit den kring en bonden het -ventje met taaie grashalmen stevig vast aan den steel van een mooi -gekleurden paddenstoel. - -Het kereltje schreeuwde luidkeels, maar zijn stemmetje was zoo fijn, -dat het nauwelijks te hooren was. - -"Stel je voor, ik bang voor een reus," bromde nog de koning in -zijn baard. - -Toen bedacht hij zich opeens, dat het mannetje voor den twist iets -had willen zeggen en daar hij wist, dat uit dat kleine hoofdje soms -heel wat wijsheid kwam, zei hij op hoogen toon: - -"En nu wil ik je toestaan te zeggen, wat je daar straks vragen wilde." - -"Niets," piepte het ventje. - -De koning fronste alweer zijn witte, borstelige wenkbrauwen en zijn -oogjes keken zoo boos daaronder uit, dat het kereltje bang werd -en graag onder den grond gekropen zou zijn. Alleen het kon niet, -het was vastgebonden en hoe meer het zich bewoog, hoe pijnlijker de -banden knelden. - -"Laat me dan eerst vrij," smeekte het. - -"Eerst moet ik hooren, wat je wilde." - -"Mag ik dan daarna los?" - -"De koning aanvaardt geen voorwaarden. Nog eens, spreek, of het zal -je slecht bekomen." - -Het uiterlijk van het kabouterkoninkje was nu schrikwekkend. Hij -hield in zijn hand zijn groot zwaard, dat hem op een gegeven teeken -gebracht was en zijn oogen stonden zoo dreigend, dat de kleine Goliath -het geraden vond, zijn spel niet verder te drijven. - -Hij begon dus te spreken. - -"Als de kaboutertjes het werk van het meisje maken, is er natuurlijk -geen enkele fout in." - -"Dat spreekt vanzelf." - -"En denkt u dan niet, dat ze dat op school vreemd zullen vinden? Ik -geloof niet, dat zoo'n meisje geen fouten in haar werk maakt." - -"Daar had hij gelijk aan," merkte Grootmoeder glimlachend op. - -Wies lachte ook. - -"U ziet, dat zoo'n kaboutertje de plank niet ver mis slaat," zei ze. - -Toen vervolgde ze: - -"De koning stond in gepeins verzonken, alsof hij een zeer diepzinnig -vraagstuk op moest lossen. - -Al zijn onderdanen hielden den adem in, in spanning, wat de hooge -wijsheid beslissen zou. - -"Natuurlijk heb ik al lang de oplossing van die moeielijkheid gevonden, -maar ik zou graag weten, of een mijner onderdanen in staat is, een -uitweg te vinden." - -Ze legden allen hun wijsvinger op het voorhoofd en dachten na, met -gebogen hoofden en neergeslagen oogleden. - -Niemand zei echter iets. - -Het gezicht van den koning klaarde op. - -Niemand, och dat had hij ook eigenlijk vooruit geweten, het oplossen -van moeielijkheden was de taak van den koning. Alleen zei hij, er -ook nog eens goed over te willen nadenken, voor hij zijn meening -openbaar maakte. - -Wat piepte daar zoo? - -Het geluid kwam van onder den paddenstoel. - -"Ik weet de oplossing." - -"Jij? Wil jij wel eens zwijgen, jij bent vanavond een gestrafte, -jij hebt dus alleen te luisteren en je mond te houden." - -"Goed, ik zal zwijgen, maar ik zou zeggen...." - -"Wat zou je zeggen?" - -"Laten de kabouters, die het werk maken, er een paar fouten in laten." - -Een licht verscheen in de oogen van de kleine majesteit. - -Daar hadt je de oplossing, waarnaar hij tevergeefs gezocht had. Toen -fronste hij zijn wenkbrauwen sterker dan ooit, blies zijn lichaampje -op, alsof hij barsten wilde en riep schel: - -"Hoe durf je, hoe waag je het, mijn eigen gedachte uit te spreken, mijn -koninklijke gedachte, jou aardworm, jou larf. Geef hem dadelijk twaalf -slagen met den steel van een kamperfoelieblad, dat zal hem leeren te -durven twijfelen aan mijn vindingrijkheid, na eerst mijn moed...." - -De woorden bleven verder in zijn keel steken, hij vergat zelfs zijn -mond te sluiten en staarde in doodsangst voor zich uit. "Sluit de -gelederen aan," gilde hij toen, "sluit allen om mij heen, bescherm -uw koning!" - -Daar kwam over het mos op een naburigen steen een monster -aangekropen. Zijn lichaam was met twee harde schilden bedekt, zes -lange, dunne beenen bewogen zich gestadig in de richting van de plaats, -waar de kaboutertjes vergaderd hadden. Maar het vreeselijkste was de -kop, waaraan twee lange, groote uitwassen, als een gewei uitstaken. - -Een vliegend hert naderde de kleine aardmannetjes. - -Nauwelijks kregen ook de anderen hem in het oog, of ze lieten zich op -den grond vallen en verscholen onder de dorre bladeren en in het gras, -kropen ze voort, om hun holletjes te bereiken, elkaar op zij duwend -en trappend, er niet op lettend, dat ze het afgevallen kroontje van -zijn majesteit voortschopten, er niet aan denkend, dat hun koning -hen opgeroepen had, ter verdediging van zijn vorstelijk lichaam. - -De koning zelf was trouwens nergens te zien, hij had zijn hol al -bereikt en liet zich door een paar torren een dronk reiken. - -Intusschen zat de kleine Goliath vastgebonden aan zijn paddenstoel en -wachtte in doodsangst het al meer en meer naderen van het monster af. - -Hij wrong zich in alle richtingen om los te komen, maar de halmen, -waarmee hij gebonden was, sneden hem in het vleesch. - -"Help, help," gilde hij in zijn wanhoop. - -En daar kwam hulp. - -De nevelvrouwen stegen op uit den grond en kropen langs de stammen -der boomen, hare dunne armen boven hun hoofden rekkend, spookachtig -verlicht door het schijnsel der maan. - -Een van hen had medelijden met het ongelukkige ventje en hulde den -paddenstoel in een mist, waardoor de oogen van den kever niet heen -konden zien. En pas, toen het monster zich verwijderd had en er geen -kwaad meer te duchten was, steeg de nevelvrouw op en verdween. - -Zoodra het kaboutertje weer om zich heen kon zien, bespiedde het -angstig den omtrek. - -Was er nog gevaar? - -Gelukkig, het scheen geweken te zijn, maar tevens drong het tot hem -door, dat al zijne natuurgenootjes verdwenen waren en dien nacht wel -niet meer terug zouden komen. Zou hij tot den volgenden avond hier -vastgebonden moeten zitten? Dat zou niet uit te houden zijn. Was er -dan niemand om hem los te maken? - -De wanhoop sloop in zijn hartje, hij barstte in snikken uit en kermde -zoo hartroerend, dat een groote tor, met goudachtige vleugels, die -een vliegtochtje in den maneschijn hield, er door getroffen werd. - -Hij streek neer op den paddenstoel, waaronder het geluid vandaan kwam -en vroeg verbaasd. "Wie schreeuwt daar zoo?" - -"Och help me, help me, maak mijn banden los," smeekte een fijn -stemmetje. - -De tor kroop naar den rand en keek er overheen. - -Het wanhopend spartelende figuurtje ziende, sperde zij haar kaken -wijd open, wat bij haar lachen was. - -"Hebben ze je vastgebonden?" vroeg ze, "waarom, wat heb je gedaan?" en -meteen liet ze zich van den rand van den paddenstoel afglijden en -plofte vlak voor het ventje neer, dat van schrik zijn gekerm vergat -en doodstil zooveel hij kon in elkaar kroop. - -"Nu, komaan, waaraan heb je je schuldig gemaakt?" - -"Aan majesteitschennis," piepte het mannetje. - -De tor keek ernstig. - -"Dat is een leelijk iets, dan heb je je straf verdiend," en ze deed, -alsof ze weg wilde gaan. - -"Och neen, och neen, help me toch, als ik hier tot morgenavond blijven -moet, ga ik zeker dood." - -De tor sperde hare kaken weer wijd open, ze vond het kaboutertje zoo -grappig in zijn angst. - -Toen zei ze goedmoedig: - -"Dat zou zonde zijn van zoo'n aardig ventje, ik zal dan maar medelijden -met je hebben en je banden doorbijten," en de daad bij het woord -voegend, bevrijdde zij den kleinen man. - -Nauwelijks los, dook het ventje onder een half vergaan blad weg, -dat leek hem veiliger en vroeg toen beleefd: - -"Ziet u ook ergens mijn muts, die is me van het hoofd gevallen." - -De tor raapte het roode kapje op en drukte het met hare voorpoten op -het kleine hoofd, dat even te voorschijn kwam. - -Dadelijk verdween dit, zonder een woord van dank en de tor vloog weg, -na nog een oogenblik te hebben nagedacht over de verwantschap, die er -zeker bestaan moest tusschen het kabouter- en het menschengeslacht. Ze -hadden ten minste één trek gemeen, ze waren niet altijd dankbaar voor -het goede, dat hun overkwam." - -Wies zweeg. - -Grootmoeder strekte haar hand uit en streelde het hoofdje, dat tegen -haar knieën leunde. - -Toen vroeg ze glimlachend: - -"En het werk van het meisje, hoe ging het daarmee?" - -"Het meisje versliep zich, kreeg haar werk niet af en moest haar -partijtje missen." - -Grootmoeder lachte. - -"Daar was ik wel bang voor." - -Toen ze verder niets zei, keek Wies haar vol spanning aan. Hoe zou ze -dat sprookje vinden? Aan niemand, dan aan Grootmoeder en aan Lottie -zou ze het hebben durven vertellen. - -"Heb je dat sprookje heelemaal zelf verzonnen, Wiesje?" - -"Ja, gedroomd, weet u," lachte Wies. - -Grootmoeder schudde glimlachend haar hoofd. - -"Het is een heel aardig sprookje en je hebt het goed verteld, ik zag -vóór me, wat je voor me opriep, heel aardig, werkelijk, maar...." - -"Wat maar?" - -"Ja kindje, zie je, je bent altijd zoo lief voor me, dat ik niet -graag iets tegen je zeg, dat je niet prettig vindt. Je moeder zegt, -dat het hoe langer hoe erger wordt met je afdwalen en dat je steeds -aan andere dingen denkt onder je werk. Heb je dat sprookje werkelijk -heelemaal dien avond bij het raam gemaakt?" - -Wies werd heel rood. - -"Ik had er al een beetje over gedacht, 's avonds, alleen maar over -een zomernacht in het bosch en over kaboutertjes, ziet u. Dat ik hun -hulp noodig zou hebben, wist ik toen nog niet, want ik hoopte dien -avond klaar te komen," voegde ze er met een verlegen lachje bij. - -Grootmoeder zat heel stil, blijkbaar in gedachte. - -"Kind, kind," zei ze toen zacht, Wies' hand grijpend, "ik voorzie nog -zooveel leed voor je. Het schijnt heel moeielijk voor je te zijn, je te -verbeteren, want niets heeft invloed op je, goede woorden, noch straf, -zelfs niet het verdriet, dat je je ouders en ons telkens aandoet." - -Wies boog het hoofd, ze voelde, dat haar grootmoeder gelijk had, -maar wat kon ze er aan doen, al haar pogingen tot verbetering van -den toestand mislukten immers. - -Daar ze bleef zwijgen, ging Grootmoeder voort: - -"Ik ben zoo bang voor de lessen, die het leven je zeker geven zal. Het -leven kent geen genade en kan heel hard zijn, daar heerscht de wet van -oorzaak en gevolg in onverbiddelijke strengheid en jouw manier van -zijn, moet slechte gevolgen hebben, dat kan niet anders. Verzet je -toch tegen je eigen zwakheid, oefen je wil, of het loopt nooit heel -goed met je af. Ik vrees, dat je nog menige harde les zult krijgen -en niemand kan die van je afwenden, dan jij zelf." - -Grootmoeders stem klonk zoo ernstig, dat Wies er door ontroerd werd. - -"U maakt me bang," zei ze bevend. - -Grootmoeder drukte haar tegen zich aan. - -"Ik spreek misschien wat hard, maar lieveling, kindjelief, als je wist, -hoeveel ik van je houd. Beloof je me nog eens plechtig, je best te -zullen doen?" - -"Ja, Grootmoeder, ja." - -"Goed, laten we er dan niet meer over spreken. Willen we nu een eindje -gaan loopen en vertel je me dan wat je ziet? Dat kun je zoo prettig." - -Een poosje nog bleef Wies onder den indruk van haar grootmoeders -woorden, maar lang duurde het niet, of ze dacht er niet meer aan. Ze -was nu zoo gelukkig. Alleen met haar lieve grootmoeder in de vrije -natuur te zijn en haar te vertellen van alles, wat ze rondom zich -zag, alles nog een beetje mooier te maken, dan het al was, dat was -een genot voor haar. - -Haar toehoorderes was ook gelukkig, ze kende de streek van buiten en -dus wekten de woorden van het geestdriftige meisje duidelijke beelden -bij haar op, dat kind was werkelijk een schat voor een blinde. - -Daarna dronken ze gezellig samen thee, waarvan ze een kleine maaltijd -maakten, ze hadden honger gekregen na hun vroeg diner. - -Toen het gezelschap thuis kwam, vonden ze de twee thuisgeblevenen -heel tevreden over hun dag. Grootmoeder had geen woorden genoeg van -lof over Wies, hoe gezellig ze geweest was en hoe lief en Moeder kuste -haar dien avond bizonder hartelijk goeden nacht. Ze was blij, dat haar -dochtertje weer eens den goeden kant van haar karakter getoond had. - - - - - - - - -TWAALFDE HOOFDSTUK. - -DE HARDE LEVENSLES. - - -"Zeg Wies, wil je vanochtend eens op de kleintjes letten?" vroeg -Moeder op een mooien zomerdag in Augustus. "Tante en ik wilden jam -maken vandaag en Marietje wil zoo heel graag helpen, wat ik uitstekend -vind, dan leert ze het meteen." - -"Ja Moes," antwoordde Wies een beetje aarzelend. - -Ze had zich voorgesteld eens heerlijk rond te dwalen dien ochtend, -ze had in den laatsten tijd zoo goed gewerkt voor Grootvader, dat hij -haar een paar dagen vacantie gegeven had en ze was van morgen in bed -al aan een verhaal begonnen van een goede fee, die alle menschen hielp -en zich geheel opofferde voor de ongelukkigen, die haar hulp inriepen. - -Ze had een groote wandeling alleen willen maken, dan kon je zoo -heerlijk de dingen bedenken en 's middags had ze mooi den tijd om -het verhaal op te schrijven. Zoodra ze dan weer eens met Grootmoeder -alleen was, zou ze het haar voorlezen. - -Arm Grootmoedertje had hoofdpijn vandaag en lag nog te bed. - -Toen dat: "ja Moes," er zoo aarzelend uitkwam, zei haar moeder: - -"Zul je dan wat met hen spelen en ze niet aan hun lot overlaten? Ga -maar met hen naar den zandhoop achter in den tuin, daar kunnen ze -geen kwaad." - -"Alsof ik niet op hen passen kan," bromde Wies, maar toch beloofde -ze te doen, wat Moeder zei en met Stan op haar rug, draafde ze den -tuin in, vooraf gegaan door Janneman, die op een denkbeeldigen hoorn -blazend vooruit rende en nageroepen door Moeder, om toch vooral niet -te wild te zijn. - -Bij den zandhoop gekomen, zette ze Stan er boven op en hielp hem -Jantje terug duwen, die dadelijk zijn plaats wilde innemen. Het werd -een echte stoeipartij en de kinderen lieten gilletjes van plezier, -die tot in de huiskamer doordrongen en Moeder deden opmerken, dat Wies -gelukkig in een goede bui scheen te zijn, ze had eerst gedacht, dat -het weer mis was en een oogenblik geaarzeld, of ze haar de kinderen -wel zou toevertrouwen. - -"Waarom niet?" vroeg Tante, "Wies is in 't algemeen niet onwillig." - -"Dat wel niet bepaald, maar in haar soort is ze egoïst, want ze is -altijd met zichzelve bezig en je kunt zoo weinig op haar aan. Maar -nu schijnt alles in orde te zijn, hoor ze eens een pret hebben. We -kunnen met een gerust hart naar de keuken en aan ons werk gaan." - -Een poosje stoeide het drietal vroolijk voort, toen liet Wies, -blazend van de warmte zich neervallen op een bank, die vlak bij den -zandhoop stond en riep lachend, de zich op haar werpende jongens van -zich afduwend: - -"Neen hoor, dank je wel, laat me nu een beetje met rust, het is nu -mooi geweest. Ga jullie maar wat zandtaartjes maken, het is veel te -warm om zoo woest te zijn." - -De kinderen drongen nog wat tegen haar op. Jan was op de bank -gesprongen en kittelde haar met een gevonden veer in den hals en Stan -rukte bij gebrek aan een veer een takje met bladeren af en stak haar -daarmee in haar gezicht. - -Wies duwde beide kabouters van zich af, ze had werk hare oogen te -beschermen voor het takje van Stan. - -"Schei er nu uit. Kom, ga nu lief zandtaartjes bakken, dan zal ik -ze koopen." - -"Bak je dan mee?" vroeg Jantje. - -"Neen, ik moet even uitblazen." - -Jan stond een oogenblik in gedachte. Toen nam hij zijn broertje apart -en fluisterde het wat in. - -"Ooo!" zei Stannie en keek schalks naar zijn zusje. - -Toen liepen beiden, alsof ze van den prins geen kwaad wisten langs -de bank heen en weer en Wies, die dacht dat ze een of ander spelletje -deden, lette verder niet op hen. - -Opeens voelde ze zich aan beide beenen vastgegrepen en door vier kleine -armen vrij krachtig naar beneden getrokken. Ze kon zich nog juist aan -de leuning der bank vastgrijpen, anders zou ze leelijk gevallen zijn. - -"Wil je me wel eens gauw loslaten," riep ze quasi boos, maar ze kon -bijna niet uit hare woorden komen van het lachen. - -"Je moet met ons spelen," schaterden de kinderen en spanden al hun -krachten in, om haar op den grond te krijgen. - -"Op die manier krijg je niets van me gedaan, laat gauw los," en Wies -hield zich nog steviger vast. - -Opeens kon ze niet meer, het zenuwachtig lachen om de twee dwaze, -roode kindergezichtjes, die met op elkaar geklemde tandjes uit alle -macht trokken, nam al haar kracht weg. Ze liet los, en schokte van de -bank op den grond, de beide jongens omver werpend, die ook loslieten -en achterover, met de beentjes in de lucht op den zandhoop rolden. - -Haar hoofd kreeg een leelijken schok, ze werd er een oogenblik duizelig -van en zat met gesloten oogleden op den grond. Toen ze hare oogen weer -opende, zag ze de jongens met verschrikte gezichtjes naar haar kijken, -het onderlipje van Stan trilde zelfs verraderlijk. - -"Stoute bengels," zei ze opstaande en zich aan de bank vasthoudend, -daar haar duizeligheid nog niet geheel verdwenen was, "stoute jongens, -jullie hebt me pijn gedaan." - -Jantje keek wat verlegen rond en trok een dwaas gezichtje, maar -Stanneman kwam naar haar toe en vroeg: - -"Pijn gedaan? Waar? Zal ik het afkussen?" - -Hij stak haar zijn gespitste lippen toe en Wies nam hem op haar arm -en kuste hem. - -Zoo'n lekker ventje toch! - -"Over?" vroeg hij. - -"Ja hoor, de pijn is weer beter." - -Toen het kind neerzettend, stelde ze voor, wat te gaan wandelen. Van -spelen werd ze heusch te warm en zich zoet alleen bezighouden, -schenen ze niet te willen vandaag. - -"Ja, wandelen," zei Jan tevreden, "naar den grooten plas, hé?" - -Wies keek bedenkelijk. - -Het was daar wel heel aardig bij den plas en mooi was het er ook, -misschien zelfs een beetje frisscher, maar met die twee kleine, -wilde jongens, zou ze dat wel mogen? - -Maar kom, ze kon ze immers vasthouden, ze konden er wel heen wandelen, -er even zijn en dan weer terug gaan. - -"Goed," zei ze dus, "maar bij het water moeten jullie me beiden een -handje geven, hoor." - -Dat beloofden ze, Stannie stak zijn handje al vast in de hare en Jan, -de woelwater, draafde op en neer als een hondje, denzelfden weg wel -driemaal afleggend. - -Ze staken een paar weilanden over en gingen regelrecht op den -grooten waterplas af, die daar verleidelijk in het zonlicht lag te -glanzen. Toen ze naderden, greep Wies ook Jan's handje en hield dat -stevig vast. Wat was het hier mooi, het hooge riet aan den oever, -met hier en daar een tros van de paars-blauwe moeraslathyrus en wat -verderop de prachtige, bijna purpere schermen van de zwanebloem. Op -het water de groote, witte sterren van de waterlelie, rustend op de -groene bladeren, afgewisseld door het geel van de plomp. En dan die -plekjes, als besneeuwd met de bloesems van de waterranonkel! - -Langs, tusschen en over het riet, het bevallig gespeel van de -waterjuffertjes, sommige heel klein en sierlijk, met blauwe, of roode -lijfjes, andere groot, met lange, bonte lichamen, maar alle zwevend -op hun vier gazen vleugeltjes, waarvan de vage kleuren schitterden -in het zonlicht. - -Naar het midden hield de plantengroei op en zag men het water in -de helle zonnestralen fonkelen en boven dat alles de blauwe lucht, -met hier en daar een wit wolkje. - -Zoo mooi als vandaag, had Wies den plas nog niet gezien, ze werd -er stil van en stond, met aan elke hand een kind, voor zich uit te -staren, tot het dezen verveelde en Jantje aan haar hand begon te -rukken, om los te komen. - -Stan stiet eensklaps een kreet van plezier uit. - -"Een dood vogeltje in het riet, och kijk, wat een lief beestje" -en hij trok zijn zusje mee naar den waterkant en wees haar op een -vogeltje, dat onderste boven aan een geknakt riet hing, zoo stil, -of het leven er uit geweken was. Maar nauwelijks waren de kinderen -dichter bij gekomen, of er kwam beweging in het diertje en het wierp -zich letterlijk in de hoogte, meters hoog, luid zingend. Stan was -blij, dat het lieve beestje leefde, maar Jan had het wel graag mee -naar huis genomen. Als het dan pas thuis weer levend was geworden, -had hij het in een kooitje kunnen zetten. - -Wies lachte. - -"Ik geloof, dat het een rietzangertje is," zei ze, "die kunnen niet -in kooien leven." - -"Hoe weet je dat?" - -"Daar heeft Grootvader me wel eens van verteld! Maar kom, laten we -nu maar gaan, we zullen eerst een beetje uitrusten, wat verder in de -weide en dan terugwandelen. Jullie bent zeker ook wel moe." - -Jan beweerde van niet, maar Wies vond het beter, dat ze wat gingen -zitten, anders kwamen ze te moe thuis en kreeg zij natuurlijk de -schuld. - -"Kom nu naast me in het gras zitten," zei ze, toen ze een beschaduwd -plekje gevonden hadden een heel eindje van den plas, "jullie moet nu -ook wat rusten." - -"Vertel je dan wat?" vroeg Jantje. - -"Ja, vertellen," beaamde Stanneman. - -"Goed, laat me dan even denken," en Wies strekte zich gemakkelijk -uit in het hooge gras en legde haar zakdoek onder haar hoofd. - -"Ik ga ook op mijn zakdoek liggen," zei Jan. - -"Ga je gang," antwoordde zijn zuster. - -"Ikke ook," zeurde Stan. - -En daar het ventje geen zakdoek bleek te hebben en toch met alle -geweld zijn broertje na wilde doen, gaf het eerst een beetje gekibbel, -totdat Wies haar eigen zakdoek afstond. - -Toen vertelde ze aan de jongens, wat Grootvader haar eens verteld had -van de libellen, die eerst leelijke, grijsbruine monsters geweest -waren en jaren lang gehuisd hadden op den modderbodem van sloot en -plas. Daarna was er een op een mooien dag uit het slib omhoog gekropen, -als een griezelig, leelijk ding langs een van de vele bloemstengels, -zoo hoog, tot de zon op zijn grauw, vuil kleed scheen. Nauwelijks had -de warme zonnestraal het gedrocht bereikt, of het scheurde open en te -voorschijn kwam de sierlijke, mooi gekleurde libel, die ze zoo straks -gezien hadden. Nu danste ze vroolijk in de zon en vergat heelemaal, -dat ze zoolang op den bodem van het water geleefd had. - -Wies zweeg. - -Ze voelde hare oogleden zwaar worden. Het was zoo stil rondom, het -scheen wel, of de kinderen ook waren ingeslapen. - -Maar neen, daar klonk Jantje's stem, hoewel wat dof: - -"Meer vertellen" en de echo aan den anderen kant herhaalde slaperig, -"meer vertellen." - -De stemmetjes klonken zoo weinig helder, dat Wies begreep, dat de -kinderen op het punt waren van in te slapen en dus zweeg ze, als de -jongens sliepen, had ze een poosje rust en kon ze probeeren verder -te verzinnen van die goede fee, die haar geluk vond in het helpen en -bijstaan van arme menschenkinderen. - -Hè, zelf zoo'n fee te zijn, iedereen pleizier te kunnen doen, te -kunnen troosten, als iemand verdriet had, te kunnen helpen, waar de -nood aan den man was. Ze zag haar fee voor zich, lang, slank, het -fijne gezichtje met de teedere oogen omkranst van blonde krullen, op -het fiere hoofdje een klein kroontje van edelsteenen, schitterend, -zoowel in zon- als in maneschijn, maar met verschillenden glans, -gekleed in een lang, dun gazen kleed van allerlei teere kleuren, die -heel zacht in elkander overgingen en tusschen de schouderbladen vier -ragfijne gazen vleugeltjes, libellenvleugels door een vergrootglas -gezien. In de hand een klein gouden stafje, waarmede ze maar iets -leelijks behoefde aan te raken, om het in iets heerlijk moois te -veranderen, zooals de zonnestraal de leelijke pop van de libel in een -wonderwezentje omtooverde. Ja, zoo moest ze er uitzien, haar fee en -uit dat stokje straalde licht af en haar oogen.... die... - -Wies was ingeslapen. - -Na een poosje verhief zich heel stil een kleine gedaante naast haar -en keek haar oplettend aan. - -Voorzichtig waagde Jantje het op te staan en zich over zijn zuster -heen te buigen, om te zien, of ze wel werkelijk sliep. - -Ja hoor, haar mond ging een beetje open en hare oogen waren stijf -dicht, maar misschien kneep ze die wel expres toe, om hen voor den -gek te houden. - -Hij wachtte nog even, kittelde haar zelfs met een grashalm in het -gezicht, maar ze sloeg hare oogleden niet op, blijkbaar sliep ze -gerust. - -Toen sloop hij zachtjes naar zijn broertje en tikte hem op zijn wang. - -Stan duwde de hinderlijke hand weg en sliep door. - -Nog eens probeerde Jantje hem op die manier te wekken, maar hetzelfde -resultaat. - -Toen blies hij hem in het gezicht, wat tot uitwerking had, dat Stan -begon te niezen. - -Verschrikt keek Jantje naar Wies, als die wakker werd, was alles mis. - -Gelukkig, ze sliep door, wat nu te doen om Stan wakker te krijgen. - -Hij begon hem aan het haar te trekken, eerst zachtjes, toen harder -en eindelijk, daar sloeg de slaper zijne oogleden op en greep naar -zijn hoofdje. - -Jan liet het haar dadelijk los en zei haast fluisterend: - -"Sta gauw op, voordat Wies wakker wordt, dan gaan we saampjes naar den -plas. Ik heb straks in het riet een nest gezien, maar het zat diep, -ik kon het niet goed zien. Laten we er nou naar gaan kijken." - -Stan sloot nog even zijne oogen en gaapte, maar Jan kittelde hem op -zijn oogleden en had geen rust, voordat hij rechtop zat. Toen hielp -hij hem voorzichtig opstaan. - -"Zachtjes," fluisterde hij, het slaapdronken ventje meetrekkend. - -Eerst slopen ze op hun teentjes door het gras, maar al gauw begonnen -ze hard te loopen, Jantje telkens omkijkend, of ze niet achtervolgd -werden. Alles bleek veilig, Wies sliep rustig door. Ze bereikten -den plas en Jantje kreeg het nest al spoedig weer in het oog, het -zat verscholen tusschen het riet, dicht bij het water. Tot hun niet -geringe teleurstelling konden ze er niet in kijken, het zat te ver weg, -alleen den rand konden ze zien. - -"Zijn er eitjes in?" vroeg Stan. - -Jan wist het niet, hij dacht het wel, er lagen immers altijd eitjes -in een nest, hij had nog nooit een plaatje gezien, met een nest -zonder eieren. - -"Misschien wel zulke leuke eitjes als laatst in het prentenboek -van tante Rie," zei hij opgewonden, "allemaal rood en paars en een -heeleboel kleuren. Ik ga eens kijken, ga je mee?" - -"Ja," zei Stan, zijn handje vertrouwelijk in dat van zijn broertje -leggend, gereed om hem te volgen door dik en door dun. Jantje duwde -het riet op zij en liep er in, naar zijn idee kon men overal loopen, -waar iets groeide. Hij voelde wel, dat zijne voeten nat werden, -maar dat kon hem niets schelen, als hij zijn doel maar bereikte en -het nest te zien kreeg. Nog een paar passen, dan waren ze er, reeds -boog hij zich nieuwsgierig naar voren, daar voelde hij op eens geen -grond meer onder zijne voeten, het was, alsof de aarde afbrokkelde, -hij liet een schreeuw, nog een en zijn broertje met zich meetrekkend, -lagen beiden in het water te spartelen. - -Wies werd met een schok wakker. - -Ze zat in eens rechtop en keek verwezen rond. - -Had ze geslapen? - -Ze dacht, dat ze maar even wat had liggen verzinnen. - -Toen schoot het ineens door haar hoofd: de kinderen. - -Ze keek verschrikt rond, maar zag ze niet, alleen de zakdoekjes lagen -nog op de plaats, waar ze gelegen hadden. - -In een wip zat ze overeind, luid hun namen roepend. - -Waar konden ze heen geloopen zijn? - -De plas! - -Een oogenblik stond ze verdoofd, alsof ze een slag op haar hoofd -gekregen had. - -Toen rende ze voort in de richting, waar de groote plas lag. - -Hoorde ze daar roepen? Verbeeldde ze 't zich, of hoorde ze -schreeuwen? Ze struikelde, hare beenen weigerden bijna haar te dragen, -ze werd opeens zoo vreemd, ze had zoo'n benauwd gevoel op haar borst -en in haar keel, ze wilde zelf roepen, maar ze kon geen geluid geven, -ze hoorde nu niets meer, ze had zich zeker vergist. O, als dat waar -was, als ze zoo meteen de kinderen gezond en wel terugvond. - -Dat ze ook niet beter opgelet had, dat ze nu toch weer had liggen -droomen en nog wel in slaap gevallen was. - -Ze liep nu weer op een draf, eens viel ze over een klomp aarde, die -losgewoeld was, dadelijk was ze weer op de been, daar lag de plas, -ze zag geen kinderen, maar--haar hart stond bijna stil--ze hoorde -een zwak geluid, een soort gekreun, een geplas.... een snik wrong -zich door haar keel: de broertjes, de broertjes! - -Daar kwam aan den anderen kant Teun de arbeider aangerend, had hij -ook wat gehoord? - -Hijgend naderde hij tegelijk met haar den plas, ze durfde haast -niet kijken, ze zag eerst niets, alles was in een waas gehuld, haar -adem stokte.... daar lagen ze in het water, niet ver van het riet, -waarvan Jantje nog een paar gebroken stengels vastgeklemd hield. Het -kind was een eindje afgedreven en lag bijna midden in den plas. - -En Stan? Waar was Stan? - -Ze zag hem niet. - -Wat moest ze doen, wat beginnen? Ze vergat dat Teun ook gekomen was, -ze wist niets anders te doen, dan wanhopend te gillen: - -"Help, help!" - -Teun had intusschen een schuit, die aan den anderen kant lag, -losgemaakt en boomde naar de plek, waar de kinderen lagen. Hij had al -gauw Jantje te pakken, die nog half boven water was, hoewel op het -punt van te zinken, maar toen hij hem in de schuit wilde trekken, -voelde hij, dat hem nog iets zwaars nasleepte. Jan had het handje -van zijn broertje niet losgelaten, ook niet toen dit zijn bewustzijn -verloor en begon te zinken. Met de eene hand krampachtig de gebroken -rietstengels vasthoudend, alsof die hem steun konden geven, had hij -met de andere het handje stevig omklemd gehouden. Voorzichtig boog Teun -zich over het water en trok het bewustelooze lichaampje van kleine Stan -naar boven. De schuit kantelde bijna, schepte heel wat water, maar het -gelukte, beide kinderen waren gered, ten minste uit het water gehaald. - -Naar Stan ziende, schudde Teun bedenkelijk zijn hoofd. - -Was het een kind, of een lijkje, dat daar lag? - -Wies stond dat alles roerloos en wanhopend aan te zien. - -Van haar kant kon ze niets doen, had ze ook maar kunnen handelen, maar -daar zoo te staan, de schuit bijna te zien kantelen, het schijnbaar -levenlooze lichaampje van den kleinen lieveling te zien ophalen, -het was vreeselijk. - -En door haar schuld, alles door haar schuld! - -Teun boomde de schuit weer naar den anderen oever, waar geen riet -stond. - -"Loop om," schreeuwde hij tot haar, "dan kunt u me helpen." - -Helpen! - -Dat drong tot haar gemartelde hersens door. Ze gehoorzaamde dadelijk -en hoewel hare knieën knikten en haar hart vreemd bonsde in haar keel, -liep ze zoo vlug ze kon naar de plek, waar de schuit lag. - -"Neem eens aan," beval Teun, haar Jantje toereikend, die bibberend -en schreiend, maar goed bij bewustzijn, in hare armen gelegd werd. - -Toen volgde Teun met het bewustelooze lichaampje van kleinen Stan. - -Hij legde het kind met het buikje over zijn gebogen knie, met het hoofd -naar beneden en begon zachtjes op den rug te kloppen en te drukken. - -Een golf water kwam uit het kleine mondje. - -"Doet u nu net zoo met Jan," beval Teun. - -Toen ziende, dat Stan de oogjes niet opsloeg, zei hij dat hij er -niets beters op wist, dan hem zoo gauw mogelijk naar huis te dragen, -dan kon hij daar verder behandeld worden. Jan moest ook naar huis om -zijn natte plunje uit te doen en dan zoo gauw mogelijk onder de dekens. - -"Kan je loopen?" vroeg hij het nu hevig huilende kind, "toe vooruit, -zoo hard je kunt. Neem hem bij een hand en trek hem voort," vervolgde -hij tot Wies, "en loop dan vlug naar huis om te waarschuwen, dat ik -kom met den kleinen jongeheer. Allo, jong, vooruit," zei hij nog, -Jantje een duw gevend, "loopen mot je, zoo hard je kunt, anders wor' -je doodziek." - -En toen Jantje niet voortging, belemmerd door zijn natte kleeren, -gaf hij hem lachend een tik met zijn vlakke hand tegen zijn broekje -en dreigde: - -"Vooruit hoor, of ik zal je." - -Jantje strompelde weg, voortgetrokken door Wies, die hem graag gedragen -had, maar Teun beweerde, dat hij zich bewegen moest om warm te worden. - -Wies liep zoo hard het maar mogelijk was met het wederstrevende kind -aan de hand, ze liep voort, omdat ze zich bewust was, dat ze moest; -hoe ze haar moeder onder de oogen zou durven komen, wist ze niet. - -Ze was als versuft, ze kon niet denken, ze was zich alleen bewust, -dat er iets vreeselijks gebeurd was en dat zij daar schuld aan had. - -Toen ze het huis naderde, zag ze haar moeder al op den uitkijk staan, -die, juist klaar met haar inmaak, gemerkt had, dat Wies met de kinderen -uit den tuin verdwenen was. Ze kwam hen tegemoet en het druipnatte -kind ziende, vroeg ze angstig: "Wat is er gebeurd? Waar is Stan?" - -Wies wees achter zich, waar Teun met het kind aankwam en haar moeder -vloog er op af, na Wies toegeroepen te hebben: "Breng Jan naar -tante Marie." - -Deze kwam al kijken, wat er gaande was en nam Jantje dadelijk mee -naar binnen, waar ze hem begon uit te kleeden en af te wrijven. - -Intusschen kwam ook Moeder met Stannie aan, die ze van Teun had -overgenomen, opdat hij dadelijk naar een dokter zou kunnen gaan. Naar -Wies keek niemand om en ze sloop weg, naar haar slaapkamer, niet -wetend, wat te doen, bang voor de nabijheid van anderen en nog banger -voor de eenzaamheid, in grooten angst over het lot van de kinderen -en er toch niet bij durvend gaan, om te weten, hoe alles afloopen zou. - -Ze strompelde naar binnen, hare beenen wilden niet meer voort en -ze liet zich voor het bed neervallen, met haar gezicht in de sprei -gedrukt. - -"O neen, neen, neen," kreunde ze, "o neen, dat niet, dat niet." - -En toen weer kermend: - -"Mijn lieve, kleine Stan, mijn lieve, kleine Stan." - -Ze drukte hare handen stijf tegen haar gesloten oogen, om het visioen -kwijt te raken, dat haar onduldbaar kwelde, het visioen van het kleine, -druipende, levenlooze lichaam van haar broertje, zooals ze het Teun uit -het water had zien halen, de armpjes en het hoofdje slap neerhangend -en overal water uitdruipend, uit de natte kleertjes en uit de, aan -het hoofd geplakte, blonde krulletjes. Maar het hielp haar niet, -ze perste hare oogleden zoo sterk tegen de oogen, dat ze roode en -paarse sterren begon te zien, maar tusschen die verwarde kleurvlekken, -lag de kleine, witte gestalte, schijnbaar levenloos. - -Ze sprong op, zóó kon ze het niet meer uithouden. - -Zou de dokter er al zijn? - -Zou ze naar beneden durven gaan? - -Als ze maar wist, goede tijding te krijgen, als ze maar niet bang was, -te moeten hooren, wat ze niet hooren kon, als ze aan de mogelijkheid -dacht, die noodlottige woorden te moeten vernemen, kreeg ze een -gevoel, of ze stikken zou, een behoefte om luid te gillen, om zich -lucht te verschaffen. - -Neen, het kon niet zijn, ze zou dan ook niet verder kunnen leven, met -die schuld bezwaard, mocht ze niet blijven leven. Hoe zou Moeder haar -ooit meer in haar nabijheid kunnen dulden, als door haar schuld.... - -En Vader? En Grootmoedertje? - -Hoe zou ze voort kunnen leven, met dat visioen voor oogen en daarnaast -het beeld van het kind, zooals het aan hare zorgen was toevertrouwd, -schattig klein ventje met zijn blonden krullebol en lieve oogjes. - -En dan te weten, dat, als ze op hem gelet had, als ze niet had -toegegeven aan die noodlottige neiging tot droomen, als ze wakker -was geweest en flink, als ze niet expres gezwegen had in de hoop, -dat ze in slaap zouden raken, ze kende Jantje toch en wist, dat men -hem eigenlijk geen oogenblik vertrouwen kon, als ze, in één woord, -haar plicht gedaan had.... - -Wat had Grootmoeder ook gezegd? - -"Ik ben zoo bang voor de lessen, die het leven je geven zal, in het -leven heerscht onverbiddelijk de wet van oorzaak en gevolg." - -Oorzaak: ze had niet willen luisteren naar de waarschuwingen van allen, -die het goed met haar meenden. - -Gevolg: ze was de schuld van den dood.... - -Neen, neen, neen, niet dat woord, dat afschuwelijke, dat -onherroepelijke woord. - -Ze hield hare ooren dicht, alsof ze bang was, het te hooren uit de -geluiden, die haar omringden, uit het tikken van de klok, uit het -kraken van een oude kast, uit het getwetter van de zwaluwen onder -de dakgoot. Ze kroop nu letterlijk over den grond, ze wrong zich in -wanhoop in allerlei bochten, zoo naderde ze de deur en duwde die op -een reet. Half opgericht, luisterde ze, of ze iets hooren kon, van wat -er beneden voorviel. Maar geen geluid drong tot haar door. Ze richtte -zich op hare knieën en streek het verwarde haar uit haar gezicht en met -groote, angstige oogen voor zich uitstarend, luisterde ze nog intenser. - -Niets, dan de stilte van den.... - -Neen, het kon niet zijn, het was niet waar. - -Ze klemde hare tanden op elkaar en schudde herhaaldelijk woest met -'t hoofd. - -Neen, een harde les had het leven haar willen geven, maar geen slag, -die haar voor goed neervelde. - -Neen, een harde les had ze noodig gehad, ze erkende het, ze was laf -geweest, maar geen straf, die niet alleen haar voor altijd ongelukkig -zou maken, maar allen, Vader, Moeder, Grootvader, Grootmoeder, -Marietje, de broers. - -Neen, het was zóó voldoende geweest, nooit zou ze dit wanhoopsuur -vergeten, ze deed de plechtige belofte, een belofte, die ze niet -breken zou, dat van dit oogenblik het uit zou zijn met alle gedroom, -ze zou zich beteren, als het haar moeielijk viel zou ze aan dit uur -denken, ze nam de harde les aan. - -Ze was opgestaan en stond nu midden in de kamer, hare oogen gericht op -het open raam, waardoor ze den helderen hemel kon zien en onwillekeurig -strekte ze beide armen uit naar het uitspansel, dat daar rustig en -blauw zich welfde. - -"Ik beloof het," zei ze nog eens. - -Een oogenblik staarden hare oogen in het ruime verschiet, toen liet -ze haar hoofd zinken en barstte in snikken uit. - -Dat deed haar goed, de spanning week wat en ze besloot naar beneden -te gaan. Ze moest weten, waar ze aan toe was, het ergste kon het -niet zijn. - -Ze opende haar deur en liep het portaal op naar de trap. - -Zou ze durven? - -Hoe zouden ze haar beneden ontvangen, maar ze moest toch gaan, ze -wilde weten. - -De zekerheid van daareven, dat het vreeselijke niet gebeurd kon -zijn, verliet haar. Weer overviel haar dat gevoel van benauwdheid, -van niet kunnen ademen, ze klemde zich aan de trapleuning vast, -om niet te vallen, ze voelde zich duizelig. - -Daar ging een deur open, daar kwam iemand de trap op, het was tante -Marie. Ze deinsde achteruit, ze verborg haar hoofd achter haar arm, -als om een slag af te weren. - -"Tante," kreunde ze. - -Haar tante was nu boven gekomen en trok haar mee de kamer in. - -"Stan?" - -Het kwam er schor uit. - -"Je mag wel dankbaar zijn, Louise, het kind is bijgekomen en de -dokter ziet er verder geen bezwaar in. Veel had het niet gescheeld, -of je hadt den dood van je broertje op je geweten gehad." - -Wies staarde haar tante aan, alsof ze haar niet begreep. - -Toen viel ze haar eensklaps om den hals en kuste haar zoo woest, -dat ze haar pijn deed. - -"Voorzichtig wat, je doet me pijn, stel je toch niet dadelijk zoo -aan. Hou je nu bedaard en vergeet nooit waar je vandaag voor gespaard -bent gebleven." - -Wies was op een stoel neergevallen en snikte, snikte, alsof haar hart -breken zou. - -Maar het waren tranen van verluchting en dankbaarheid. - - - - - - - - -DERTIENDE HOOFDSTUK. - -DE THUISKOMST. - - -Morgen zouden ze weer naar huis gaan. - -Dan nog een paar vrije dagen en daarna zou het oude leventje weer -beginnen, naar school gaan, lessen leeren, kleine, huishoudelijke -plichten vervullen.... en standjes krijgen. - -Wies kon een zucht niet onderdrukken, als ze aan dat alles dacht. - -Het was een warme Augustusavond en ze was even uitgeloopen, den dijk -op, om voor het laatst de rivier nog eens te zien, zooals ze daar -lag in de avondschemering. Een grijze mist hing over het water en -deed de verschillende lichtjes der schepen geheimzinnig flikkeren, -als door een sluier. - -Een sleepbootje sleepte vier aaneen gekoppelde schuiten voort, de -lantaarns van deze vaartuigen deden hun licht als roode sterren door -het grijsachtige waas schitteren en de weerkaatsing van het licht in -den mist omringde alle van een stralenkrans. - -De boomen aan den overkant doezelden weg, hun vervaagde vormen gaven -het geheel iets spookachtigs, een enkele zware tak kwam donker naar -voren, als een uitgestrekte arm en daarachter in de verte een flauw -verlicht venster van een boerenwoning. - -Wies stond heel stil en staarde dat alles aan. - -Ze vergat, waarover ze daareven op weg van huis naar den dijk getobd -had, ze dacht aan niets dan aan het schoone, dat ze voor zich zag. Wat -een heerlijkheid, wat een poëzie! - -Een heel tijdje stond ze daar en genoot. - -Een beetje griezelig was het ook, die stilte rondom, die geheimzinnige -lichtjes, ze zag nu geen schuiten meer, alleen de roode flikkeringen -in den zwaarder wordenden damp boven de rivier. - -Dat nu niemand anders eens uitliep om dat mooie te zien, hoe was -het mogelijk. - -Ze wilde eigenlijk, dat ze hier niet alleen stond. - -Als het nu eens waar geweest was, wat men in deze waterrijke streek -aan de kleine kinderen vertelde, om ze bang te maken en ze zoodoende -van het water af te houden. Grootvader had haar vroeger ook dat -sprookje wijs gemaakt en vertelde nu nog aan de kleintjes, dat wie -wat te dicht bij het water kwam, meegenomen werd door de watervrouw, -een lange, donkere gedaante, die oprees uit de rivier en de plassen en -met hare lange, dunne armen het ongehoorzame kind omklemde en meenam -naar de diepte. - -O, ze zag haar voor zich, langzaam opstijgend uit het water, ze wist -zeker, dat ze zou moeten blijven staan, hoe graag ze ook weggeloopen -zou zijn, want in het bijna doorzichtige gelaat straalden twee oogen, -die haar vasthielden, wreede, koude oogen, die haar aantrokken, als -die van de slang de duif, ze zag de lange dunne vingers zich naar -haar toekrommen, ze grepen den rand van haar rok beet, ze trokken -haar naar het water, ze kon geen weerstand bieden.... - -Met een rilling ging Wies onwillekeurig een pas achteruit, haar sterke -verbeelding had haar weer eens meegesleept, ze was een oogenblik -doodsbang geweest. - -Kom, ze moest naar huis, ze mocht eigenlijk 's avonds niet -alleen zoover uitloopen, maar ze had de verleiding niet kunnen -weerstaan. Enfin, Grootvader zou den laatsten avond wel niet boos -op haar zijn en Moes zou haar niet gemist hebben, die had nog wat -te pakken. - -Dus morgen was het uit met de pret, dan gingen ze allen te zamen weer -naar de stad. - -Gelukkig allen te zamen. - -Dat was bijna anders geweest. - -Wies kreeg het benauwd, ze dacht zoo min mogelijk aan de vreeselijke -uren, die ze op haar kamer doorleefd had, nu de kleintjes weer vroolijk -en wel rondliepen, deed ze haar best die nare gedachten kwijt te raken. - -Maar gemakkelijk ging dat niet. - -Niemand had haar iets verweten, geen boos woord had ze gehoord, -alleen had Grootvader haar dien avond bij het naar bed gaan heel -ernstig aangekeken en gezegd: - -"Mijn kind, ik denk, dat je deze les wel nooit vergeten zult." - -Dat vreeselijke ooit vergeten? - -Nooit, nooit. - -Wat Moeder betreft, die had iets vreemds in haar houding tegenover -haar. Ze had haar ook niets over de zaak gezegd, waarschijnlijk vond -Grootmoeder, dat ze genoeg had doorgemaakt en had zij Moes aangeraden, -er niet meer over te spreken, maar Moeder had iets over zich, iets -alsof ze haar niet meer vertrouwde. - -Ze liet haar geen oogenblik met de kleintjes alleen, ze zei niets, dat -was waar, maar de manier, waarop ze de jongens meenam, als ze alleen -met haar zouden moeten blijven, drukte meer uit, dan woorden zouden -kunnen doen. Hoe zou dat moeten gaan als ze weer thuis was? Hier -waren Grootmoeder en Grootvader, die haar een soort steun gaven, -maar thuis had ze niemand Moeder en die vertrouwde haar niet meer. - -En toch kon ze dat nu wel, ze had zich zoo vast voorgenomen, hare -gebreken te overwinnen, anders te worden, als je je zoo iets heel -vast voornam, moest je dat toch kunnen. - -Moeielijk zou het wel zijn, vreeselijk moeielijk en ze had zoo'n -gevoel, dat niemand haar helpen zou. - -Ze zag ook zoo op tegen den brief van Vader, het antwoord op haar -schrijven, waarin ze zelf had moeten vertellen, dat ze niet overgegaan -was. - -Alles bij elkaar genomen, zag ze ontzettend op tegen de komende dagen. - -Nu ze de lichten op de rivier niet meer zag, drukte de haar omringende -duisternis haar hevig, ze kreeg zoo'n echt ongelukkig gevoel, alsof -er niets dan zorgen en bezwaren in zicht waren en ze liep hard naar -huis, waar het vriendelijke lamplicht haar tegemoet straalde en waar -ze de familie gezellig om de theetafel zag zitten. - -Ze deed het hek open, liep den tuin door en trad binnen, met de -oogleden tegen het licht knippend. - -"Daar is het verloren schaap," lachte Grootvader, "waar ben je zoolang -geweest, je moeder werd al ongerust." - -"Ik, Vader? Werkelijk niet, Louise zal niet in zeven slooten te gelijk -loopen, op zichzelve kan ze wel passen." - -"Onkruid vergaat niet," beweerde de galante Henk. - -Grootmoeder strekte haar hand naar haar kleindochter uit. - -"Ik maakte me wel ongerust," zei ze hartelijk. - -Wies gaf haar een kus en het kanten doekje, dat ze om haar hoofd gehad -had in een hoek gooiend, zette ze zich naast haar grootmoeder neer. - -Moeder keek ontevreden naar het neergesmeten sjaaltje, maar zweeg. Het -was de laatste avond bij haar schoonouders, thuis zou ze de teugels -wel weer wat strakker aanhalen. - -"Het was zoo mooi bij de rivier," zei Wies, gretig haar kopje thee -uitdrinkend, "bepaald sprookjesachtig." - -Ze schrok, toen ze het gezegd had, ze voelde, dat ze wijs zou doen, -voorloopig het woord sprookje en wat er mee in betrekking stond, -uit haar dagelijksche taal te verbannen. - -Moeder zei wat scherp: - -"Ik hoop, dat je geen kou gevat hebt, na zoo'n warmen dag ligt er een -leelijke damp op de rivier. Ik zou het al heel onaangenaam vinden, -als je ziek werd, nu de school weer gaat beginnen." - -Wies kreeg een kleur. - -"Ik zal niet ziek worden, in ieder geval beloof ik u, op tijd naar -school te zullen gaan, al was ik ook doodziek." - -"Praat nu maar geen onzin," antwoordde haar moeder. - -Grootvader had dit gesprek stil aangehoord. - -Nu zei hij: - -"Ik ben er zeker van, dat Louise dit jaar goed zal oppassen en flink -werken. Ze is er zelf van overtuigd, dat ze heel wat goed te maken -heeft op allerlei gebied." - -Wies kreeg tranen in hare oogen. - -Waarom voegde Grootvader er dat nu bij. Ze was al zoo blij geweest, -dat hij vertrouwen in haar stelde, maar die laatste woorden namen -het prettige er weer van weg. - -En Marietje keek haar zoo echt aan, ze verbeeldde zich altijd, dat -haar zusje zich haar meerdere voelde, dat vervelende, zoete kind, -dat nergens moeite of last mee had en waarvan Moeder meer hield, -dan van haar. - -"Kijk toch voor je," snauwde ze, "wat zie je toch aan me, dat je me -zoo aanstaart." - -"En dan trachten wat zelfbeheersching te krijgen," zei Grootvader. - -"Ja maar Marietje...." - -Grootmoedertje greep haar hand en zei zacht: - -"Wiesje." - -Louise zweeg en keek strak voor zich. - -Hare lippen trilden, waarom bedierven ze nu haar laatsten avond hier. - -Grootvader stelde voor na de thee een partijtje te sjoelbakken. - -Marietje en Wies mochten dan nog wat opblijven en daar Grootmoeder -voor het laatst nog eens tracteerde op gebakjes, waarvoor haar keuken -beroemd was, konden ze zoodoende een prettig afscheidsfeestje hebben. - -Het ging nu verder vroolijk toe, Wies vergat al spoedig, wat haar -gehinderd had, ze kon goed sjoelbakken en had geluk ook, dien avond, -zoodat ze zelfs den prijs won, die Grootvader gegeven had, een flink -pak chocolade. Ze was zoo blij met de overwinning, dat ze de chocolade -edelmoedig deelde met Henk en Marietje en vroolijker gestemd naar -bed ging, dan ze had durven hopen. - -Ze sliep goed, werd opgewekt wakker, maar al spoedig drong het tot haar -door, dat ze vandaag weggingen en dat ze afscheid zou moeten nemen van -Grootmoedertje en Grootvader. Om Tante gaf ze niet zooveel, die hield -van haar kant ook meer van Marietje. Ze kon zich dat wel begrijpen, -Marietje was een erg goed kind, ze deed altijd precies, wat ze moest, -iedereen vond haar een wonder van braafheid, natuurlijk dat ze liever -gevonden werd, dan haar zusje, die nu eenmaal zoo heel anders was. Het -gekste was, dat ze niet eens graag heelemaal als Marietje zijn zou, -ze had wel veel goeds, maar ze was zoo vreeselijk.... alledaagsch. - -Als Moeder dat eens hoorde, gelukkig, dat die geen gedachten lezen kon. - -Het afscheid werd onder bittere tranen genomen, Wies hing aan haar -Grootmoeders hals en kon haar maar niet loslaten, ze kuste en kuste -het lieve gezicht, totdat Grootvader beweerde, dat het meer dan tijd -was en Grootmoedertje zelve hare armen losmaakte en zenuwachtig zei, -dat ze dan gaan moesten. - -"En mijn kindje," voegde ze er na een laatste omhelzing bij, "ik krijg -goede berichten van je, niet waar, ik behoef me niet meer ongerust -te maken." - -"Neen, schat, ik zal mijn best doen," beloofde Wies en ging toen -naar het wachtende rijtuig, een beetje voortgeduwd door Grootvader, -die er haar vlug inhielp en het portier sloot. - -"Vooruit," zei hij tot den koetsier en weg reden ze, wuivende en -groetende. - -De reis liep tamelijk goed van stapel, maar was niet zoo vroolijk, -als de heenreis. De kleintjes waren wel wat druk, maar deden toch geen -gekke dingen, Henk en Wies hadden het land en waren stil en zelfs -Marietje was onder den indruk van het vertrek, het was wel heerlijk -buiten bij Grootpa en Grootma en tante Marie liet haar altijd zulke -gezellige werkjes doen en prees haar zoo, als ze het goed deed. - -De thuiskomst was allervervelendst. Ze kwamen in een huis, dat -ruim een maand leeggestaan had, het rook er muf, doordat de ramen -zoolang gesloten waren geweest en tot overmaat van ramp vonden ze een -briefkaart van Betje, meldende, dat ze ziek was en zeker nog in geen -week thuis zou kunnen komen, terwijl Ant, de keukenmeid nog een paar -dagen permissie had, omdat er een bruiloft in de familie was. - -Mevrouw Schotter wist in de eerste oogenblikken geen raad. - -Wat een thuiskomst! - -Een huis, waarin in geen weken iets gedaan was, dat wel is waar -niet bewoond was geweest, maar waar toch aardig stof lag, geen hulp -hoegenaamd en zelfs niets in huis om dien middag te eten. - -De afspraak was geweest, dat Betje gelijktijdig met de familie zou -thuiskomen, die had dan spoedig het noodige kunnen halen om een -eenvoudig middagmaal te kunnen klaarmaken. - -Wies had wel willen huilen van akeligheid. - -Dan moest je pas uit het prettige huis van Grootvader komen en hier -zoo'n somberen boel vinden. De zon hield zich ook schuil vandaag, -de lucht zag er uit, of er regen zou komen, alles was triestig, -akelig, ellendig. - -Een duw in haar rug deed haar uit haar gepeins ontwaken. - -"Kom," zei Moeder op geprikkelden toon, "sta daar nu niet te suffen, -maar help eens een handje. Je staat daar maar met je goed nog aan en -laat Marietje en mij maar sjouwen." - -Machinaal deed Wies haar mantel uit en zette haar hoed af. - -Wat een toestand, alles even akelig en Moeder natuurlijk prikkelbaar -en zenuwachtig door de omstandigheden. - -"Zet je hoed maar weer op," beval deze, "en ga even brood halen, -de kinderen hebben honger en moeten eerst wat eten, dan zullen we ze -een uurtje in bed stoppen en hebben we onze handen vrij." - -Toen Wies haar verbaasd aankeek, voegde ze er bij: - -"Kom, versta je me niet. Ga gauw brood halen, hier is geld en breng -ook een paar ons rookvleesch mee." - -"En moet er geen boter zijn?" vroeg Marietje, die al druk aan het -stof afnemen was. - -"Dat's waar ook, breng een half pond boter mee, voor morgen kan ik -dan meer bestellen." - -Wies stond verbluft. - -"Moet ik brood en boter gaan halen? Hoe kan ik dat nu doen, het staat -zoo gek." - -"Niets gek, doe maar gauw, wat ik zeg." - -Wies kreeg alweer tranen in hare oogen. Stel je voor, dat een van de -meisjes van school haar daar zag staan boter koopen en brood. - -"Kan Marietje het niet doen?" vroeg ze aarzelend. - -Maar nu kreeg ze de volle laag. - -Moeders opgekropte ontstemming barstte los en Wies moest heel -wat hooren over haar onhandigheid, waardoor ze haar niets kon -toevertrouwen, dan een boodschap doen, en haar onwilligheid, als -ze toch zag, dat alles in de war liep en Moeder geen raad wist van -de drukte. - -Wies bekeek het geld, dat haar moeder haar gegeven had. - -"Dat is toch niet genoeg, om alles van te betalen, rookvleesch is -toch duurder." - -Marietje begon te lachen en Moeder haalde hare schouders op. - -"Dat moet je natuurlijk laten opschrijven, weet je wat breng ook wat -ham mee, die kan dan voor vanmiddag dienen, sla en aardappelen kun je -wel gaan bestellen bij den groenteboer op den hoek. Dat is pas voor -vanmiddag, maar de rest hebben we nu dadelijk noodig. Haast je maar -wat, ik zal blij zijn, als ik de kleintjes in bed heb," en ze vloog -op Stan af, om hem een vaasje af te nemen, dat hij bijna liet vallen. - -Wies aarzelde nog even, ze vond het zoo'n afschuwelijke boodschap, -brood en boter te gaan halen. Stel je toch voor, dat iemand van de -school haar zag. - -Maar ze begreep, dat ze gaan moest, ze was er wel de aangewezen -persoon voor, want Moeder liet zich altijd liever door Marietje helpen, -die zooveel handiger was, dan zij en Henk, ja, Henk was een jongen. - -Ze ging dus, schuw omkijkend of niemand haar zag. - -Neen, er was niemand, die ze kende, in de straat, haastig deed ze -hare boodschappen en vloog weer naar huis, waar ze, met een kleur -van het harde loopen, aankwam. - -Gelukkig, dat was alweer voorbij. - -Maar helaas, zoo kwam ze er niet af. - -Moeder deed haar open, zoodra ze gebeld had en nam alles over. Daarna -duwde ze haar een zak in de hand, waarin een leeg kannetje en zei, -dat ze nu nog even melk moest gaan halen. - -"Melk?" - -"Ja, melk, de kinderen moeten toch iets te drinken hebben." - -"Melk, waar moet ik die halen?" - -"Bij den slager," riep Henk achteruit de gang. - -Wies had geen tijd het scherpe antwoord te geven, dat haar op de tong -brandde. Moeder gaf haar een dubbeltje in de hand en duwde haar toen -zacht de straat op de deur achter haar sluitend. - -Daar stond ze nu. - -Ze moest melk halen, dat was nog erger dan brood en boter. - -De melkinrichting, die het meest in de buurt lag, was toch nog twee -straten ver en als de kan gevuld was, zou ze voorzichtig moeten loopen -om niet te morsen. - -Nog schuwer dan straks keek ze rond, maar weer scheen het geluk haar -gunstig te zijn. - -Ze deed haar boodschap en zag met schrik, dat de kan tot bovenaan -gevuld werd. - -"Kunt u er niet wat minder in doen?" vroeg ze. - -"Het is zoo de maat," zei de winkeljuffrouw. - -"Ja, maar zoo kan ik er niet mee loopen, schep er als 't u blieft -wat uit." - -Glimlachend voldeed de juffrouw aan haar verzoek. - -"Kunt u zoo?" vroeg ze toen. - -Wies dacht, dat het nu wel gaan zou, er nog meer uit te laten doen, -durfde ze niet. - -"Onze meid is ziek, ziet u," voegde ze er, verlegen kleurend bij. - -"Ja, dat is lastig," vond de juffrouw, en hield de deur voor haar open, -nadat ze eerst den zak zorgvuldig over de kan getrokken had en netjes -vanboven dicht gevouwen. - -Voorzichtig liep Wies voort, bang te morsen. - -O, lieve deugd, daar kwamen Dien en Jo Verschuur aan, als die haar -maar niet zagen, en Wies keek strak voor zich uit, om de aandacht -niet te trekken. - -Het hielp haar niet, de meisjes kregen haar in het oog en kwamen -vroolijk op haar af. - -"Dag Wies, ben je terug van buiten?" vroeg Jo, haar hand uitstekend. - -Wies had de kan met beide handen vast en maakte nu de eene voorzichtig -los, om die van haar kennisje te kunnen drukken. Toen kreeg Dien -een beurt en er volgde een druk gesprek over de wederwaardigheden -in de vacantie beleefd. Wies raakte in vuur bij het vertellen van -het heerlijke huis met den verrukkelijken tuin van hare grootouders -en vergat, dat, wat ze in haar hand hield, noodzakelijk heel recht -gehouden moest worden. - -Onder uit den natgeworden zak drupten de witte melkdruppels achter -elkander neer. - -"Wat is dat?" vroeg Dien, "het lijkt wel melk." - -"Melk," lachte Jo, "Wies loopt toch niet met melk rond." - -Wies werd rood tot de wortels van hare haren. - -Wat moest ze beginnen, de melk drupte steeds door en de meisjes -stonden er om te lachen. - -"Het is melk," zei ze benepen. - -"Och kom," gierde Jo, "wat moet jij daar mee doen?" - -Wies ontdekte juist, dat er een straaltje van het witte vocht op haar -rok geloopen was en begreep, dat ze zóó niet kon blijven staan. - -"Ja, het is melk," herhaalde ze, bonne mine à mauvais jeu makend en -lachend als een boer, die kiespijn heeft. "Help me in 's hemelsnaam dat -druppelen doen ophouden. Bet is ziek en Ant nog niet thuis en we zijn -net aangekomen, ik moest dus wel melk halen, er was niemand anders," -voegde ze er in één adem bij. - -"Ik geloof, dat de zak vol melk zit, wat moet ik toch doen, kijk mijn -rok eens." - -Dien wist raad. - -Ze moesten den zak voorzichtig van de kan aftrekken, Wies moest wat -voorover gaan staan, zoo, ja zoo ging het zonder al te veel morsen. - -Zie zoo, nu de kan met haar zakdoek afvegen. Had ze er geen? Wacht, -Jo zou den hare wel geven. Nu nog haar rok schoonmaken. Mooi, dat -was al weer in orde. - -"Maar ik kan toch niet met die melkkan in mijn hand verder de straat -over gaan," klaagde Wies. - -"Wil ik een rijtuig halen?" spotte Jo, maar Dien wist al weer raad, -ze zou Jo's zakdoek er om heen doen, het was gelukkig een groote, -dan zag je zoo niet dat het een melkkan was. - -Zoo gebeurde het dus en zonder verdere ongelukken kwam Wies thuis, -waar Moeder al niet begrepen had, waar ze bleef en gelukkig niets -zag van de natte vlekken op haar rok. Alleen vroeg Moeder waar de -zak was en vond het niet frisch, zoo'n vuilen zakdoek over de kan heen. - -"Het papier was nat geworden," zei Wies verlegen. - -"Altijd even handig. Ga maar naar binnen en let op de kinderen, -dan zal ik gauw de melk koken, en kunnen we even een boterham eten." - -Wies' eenig antwoord was een zucht. - -Ze was en bleef Wies Ongeluk. - -Toen ze met het maal klaar waren, brachten Moeder en Marietje de -kinderen naar bed en moest Wies de bordjes en glazen afwasschen. - -"Als ik maar niets breek," dacht ze, het was vandaag weer zoo'n -echte ongeluksdag. - -Gelukkig liep de afwasscherij goed af en kreeg ze zelfs een pluimpje, -toen Moeder weer beneden kwam, omdat ze het zoo vlug en netjes -gedaan had. - -"Zie zoo, nu ga ik de aardappels schillen, dan maken jullie samen de -sla schoon." - -"Aardappelen en sla," herhaalde Wies verschrikt. - -Die had ze heelemaal vergeten te bestellen. - -Haar moeder lachte om haar verschrikt gezicht. - -"Ja, die heb je immers besteld?" - -"Vergeten," mompelde Wies. - -"Dan hebben je feeën je eindelijk eens geholpen," lachte Henk, -"want het heele rommeltje staat in de keuken." - -Wies liep er heen, om te zien, wat er van waar was en ja hoor, daar -stonden zoowel de aardappelen, als de sla. - -"Daar begrijp ik niets van," zei ze terugkeerend. - -"Het raadsel is anders gemakkelijk genoeg op te lossen," antwoordde -Moeder. "Toen je om de melk was, had ik zoo'n voorgevoel, dat je de -groente vergeten zoudt hebben en dus is Henk nog even voor me gaan -vragen, of je er geweest was." - -"Je ziet het, je lijfelijke broeder heeft voor goede fee -gespeeld. Zoo'n trouwe verknochtheid aan het feeëngeslacht mocht niet -onbeloond blijven en dus...." - -"Toe Henk, loop ons niet zoo in den weg, ga jij maar een beetje naar je -kamer, of ga uit, maar denk aan de kleintjes, maak geen leven boven," -verzocht Moeder. - -Henk aarzelde nog even. - -"Dat aardappelschillen is een vuil werkje voor uw handen, wil ik -soms....?" - -Lieve jongen, toch! - -"Neen, dank je vent, dat behoeft niet, ik zal mijn handen met een -beetje citroensap wel weer in orde maken." - -"Hebt u dan citroen?" vroeg Marietje. - -"Neen, dat 's waar ook, nu dan met een puimsteentje, wees jij maar -niet ongerust hoor." - -"Van sla schoonmaken, krijg je ook geen witte handjes," schertste Wies, -"wil je dat soms voor ons doen?" - -Maar Henk liep lachend weg. - -"Dank je wel, mijn feeschap is geëindigd, de rest mag je zelf doen," -riep hij nog, zijn hoofd door de deur stekend, voor hij verdween. - -De middag ging verder rustig voorbij. - -De kinderen, vermoeid van de reis, sliepen lang door en Wies, in een -goede bui, hielp opgewekt het noodzakelijke werk doen. - -Aan tafel speelde Henk voor kellner en bediende, met een servet -over den arm en was zoo dwaas en vroolijk, dat Jantje verklaarde, -dat hij wou, dat Betje en Ant nooit terugkwamen. De jongens vonden -het heerlijk aan tafel mee te mogen eten en precies hetzelfde eten -te krijgen, als de groote menschen, zooals ze het uitdrukten. - -Na het eten stond Moeder even in beraad, wat nu te doen. Ze wilde -liefst met Marietje de vaat gaan omwasschen, maar het was te vroeg -voor de kinderen, om alweer naar bed te gaan, ze hadden vanmiddag -zoo lang geslapen. - -Ze had zich vast voorgenomen, Wies nooit meer met de kleintjes alleen -te laten, maar zich door haar doen helpen en Marietje hier laten, -deed ze ook niet graag, die was zooveel handiger dan Wies. Het beste -zou zijn, Henk te vragen, de kamer niet uit te gaan, met hun tweeën -zouden ze toch wel op de kinderen kunnen letten. - -Wies voelde zich bepaald gekrenkt, toen Moeder aan Henk vroeg, niet -weg te gaan, zoolang ze met Marietje in de keuken was, maar ze durfde -niets zeggen, ze was zich helaas bewust, dat ze wel aanleiding had -gegeven tot zulk een wantrouwen. - -Moeder en Marietje verlieten dus de kamer en Wies begon wat met de -kleintjes te spelen, terwijl Henk een deuntje op de ruiten trommelde. - -De kinderen wilden toen ook voor de ramen zitten en hielden zich -bezig met te kijken naar het spelen van een paar jongens op straat. - -Henk kwam bij Wies zitten, om een gezellig praatje te houden en het -duurde niet lang, of ze hadden het zoo druk, dat ze niet heel veel -op de kinderen letten. Het was ook niet noodig, ze waren zoet bij -het raam aan het spelen. - -Schaterend over een grap, die Henk vertelde, schrok Wies een beetje, -toen ze Jan's stemmetje naast zich hoorde roepen: - -"Kersjes, mooie kersjes te koop!" - -Ze keek naar het kind en haar schrik verminderde niet, toen ze het -ventje naast zich zag staan met Moeders sleutelmandje in de hand, -waarin de sleutels hadden plaats gemaakt voor een heel hoopje roode -balletjes. - -"Wat heb je daar?" vroeg ze, hem het mandje afnemend. - -"Kersjes." - -Wies bekeek de vermeende kersjes en zag, dat het afgeknipte balletjes -van de gordijnfranje waren. - -"Hoe kom je daaraan?" vroeg ze ontsteld. - -"Geplukt van de boomen," en Jantje wees naar de overgordijnen, -waarvan het onderste gedeelte een totaal afgeknipte franje vertoonde. - -Een oogenblik keken Henk en Wies elkaar aan en toen barstten beiden -in lachen uit. - -Jantje en Stan schaterden mee. - -Op dat oogenblik kwam Moeder binnen. - -"Zoo'n pret, jongelui," zei ze opgewekt. - -Toen zag ze het mandje met de roode balletjes in Wies' hand, hare -oogen dwaalden dadelijk naar de gordijnen en verschrikt vroeg ze: - -"Wat is dat? Wat moet dat beteekenen?" - -"Kersjes geplukt," verzekerde Jantje trotsch, die, nu Henk en Wies er -zoo om lachten, het gevoel van iets verbodens gedaan te hebben, geheel -was kwijt geraakt en zelfs dacht, iets aardigs uitgevoerd te hebben. - -Maar Moeder scheen het niets aardig te vinden. - -"Jou ondeugende jongen," zei ze, hem bij een armpje schuddend, "hoe -krijg je zoo iets in je hoofd. Mijn heele gordijnen heb je bedorven." - -Jantje keek eensklaps heel schuldig, Wies deed haar best niet te -lachen, Henk hikte van ingehouden pret en Moeder... nu Moeders -lippen trilden verraderlijk en in hare oogen tintelde ook meer lach -dan boosheid. - -Ze liep naar de gordijnen en zag, dat het kind de balletjes heel -netjes afgeknipt had, ze konden er wel weer aangenaaid worden. - -"Dat is een goed werkje voor jou, Wies," zei ze, "dat moet je maar -eens dadelijk netjes gaan doen." - -"Ik had nog naar Lottie willen gaan, daar heb ik den heelen dag nog -geen tijd voor gehad." - -"Dat stel je dan maar uit tot morgen. Henk, Henk, dat ik jou ook al -zoo weinig kan toevertrouwen." - -Henk schoot alweer in een lach. - -"Vindt u het niet eenig verzonnen, Moes," zei hij, "nu eens -daargelaten, dat het vernielen is, is het toch allemachtig grappig -uitgedacht door zulke jonge hersens." - -"Als die jonge hersens eens uitdachten, om jouw photographietoestel -te vernielen, bijvoorbeeld, denk ik, dat je niet zoo lachen zoudt," -zei Moeder, hare sleutels bij elkaar zoekend en het schaartje, -dat ze altijd in haar mandje had en dat het werktuig der vernieling -geweest was. - -Moeder verliet met de kleintjes de kamer en Wies begon het haar -opgedragen werkje. - -Henk rekte zich eens uit. - -"Daar kom jij weer goed af," beweerde zijn zusje, "jongens hebben -het veel beter in de wereld, dan meisjes." - -"Loop rondom, jullie zijn zeker stumpers hé. Zeg, ik vind Janneman -toch een zotten kabouter, jij niet?" - -"Dat wel, maar ik vind het vervelend, dat dit nu weer gebeurd is. Als -ik iets op me neem, schijnt het mis te moeten gaan." - -"Ja, als de feeën je verlaten!" - -"Toe, zanik niet." - -Het kwam er niet heel vriendelijk uit, maar het was ook zoo'n slecht -begin geweest vandaag, ze had zich zoo vast voorgenomen, dat er niets -meer op haar aan te merken zou zijn en nu was er vandaag weer zooveel -vervelends gebeurd. - -Enfin, morgen beter, wilde ze maar hopen. - - - - - - - - -VEERTIENDE HOOFDSTUK. - -WORSTELEN EN OVERWINNEN. - - -Eenige weken waren voorbij gegaan en Wies was alweer aan het -schoolleven gewend. - -De eerste dag was niet prettig voor haar geweest, ze had het als een -vernedering gevoeld, dat ze nu te zamen met al die nieuwe meisjes weer -van voren af aan moest beginnen. Misschien verbeeldde ze het zich, -maar ze had zoo'n gevoel, dat er onder waren, die haar nieuwsgierig -opnamen, haar, het meisje, dat niet mee kon, dat moest blijven zitten. - -Het werk was haar in de eerste dagen erg gemakkelijk gevallen en dat -had ze wel prettig gevonden, maar toen het nieuwtje er af was, bemerkte -ze tot haar schrik, dat ze nog meer moeite had dan verleden jaar, -om er bij te blijven, omdat ze telkens dingen hoorde, die ze al wist. - -Het was om wanhopend onder te worden, je zoudt zien, ze zou -niettegenstaande het gemakkelijke werk nog slechte cijfers krijgen, -omdat ze weer onattente fouten maakte en de lessen zoo onbelangrijk -vond, dat ze haar aandacht er niet bij bepalen kon. - -En dan die brief van Vader, die haar zoo bitter had doen schreien. - -Ze had hem zoo'n verdriet gedaan, hij schreef, dat hij er zoo vast -op vertrouwd had, in het verre land goede berichten van haar te -krijgen, dat hij zoo verlangd had naar goede tijding, zoo gehoopt, -dat de brieven van Moeder te zwartgallig zouden gebleken zijn. Maar -helaas, ze had hem bitter teleurgesteld. Een slecht rapport en daarbij -een schrijven van Moeder, dat alles haar eigen schuld was, dat ze -gemakkelijk mee had gekund, als ze maar niet altijd zoo onoplettend -geweest was en zich zoo weinig moeite gegeven had. - -"Je hebt me bepaald verdriet gedaan, Wies," schreef Vader, "en de -eenige manier, waarop je het goed kunt maken, is er voor te zorgen, -dat ik spoedig van Moeder hoor, dat ze tevreden over je is en dan met -Kerstmis een prachtrapport. Zorg er voor, dat er geen enkel cijfer -onder de 8 is." - -Och, die brief had haar zoo ongelukkig gemaakt. - -En toen wist Vader nog niet eens, wat er door haar schuld bijna -gebeurd was met de kleine jongens, als hij dat hoorde, wat zou hij -dan wel van haar denken. - -Niets dan achten dus, of negens, aan tienen dacht ze niet eens. - -Het zou nooit gaan, ze vond immers het werk nog minder belangwekkend, -dan verleden jaar. - -Het was heusch niet verstandig geweest, haar te laten zitten, ze zou -best de volgende klasse hebben kunnen volgen, vooral nu Grootvader -haar zoo heerlijk met de wiskunde geholpen had. - -Dat zei ze ook ronduit tegen de directrice, toen deze haar eens bij -zich had laten ontbieden, omdat er alweer klachten over haar niet -opletten waren ingekomen. - -Deze keek haar ernstig aan en zweeg. - -Blijkbaar dacht ze over iets na. - -Toen nam ze het groote boek uit haar kast, waarin al de rapporten -waren opgeteekend en keek de laatste lijsten van Wies na. - -Ze riep haar bij zich en met haar vingers de lage cijfers aanwijzend, -die deze rapporten steeds voor vlijt aanteekenden, zei ze: - -"Daar zit de knoop. Ik geloof ook, dat je best had mee gekund, maar -je hebt niet gewild." - -Wies schokte op. - -"Ik niet gewild? Hoe kunt u nu zoo iets zeggen, wie blijft nu graag -zitten." - -De directrice glimlachte. - -"Je begrijpt me best, kind. En Louise, hoe moet dat gaan, als je -nu weer lage cijfers voor vlijt krijgt? Dat je je niet schaamt, -dat begrijp ik me niet." - -Wies had moeite zich goed te houden. Ze hield veel van de juffrouw -en ze zou haar graag hebben toevertrouwd, dat ze zich zoo vast had -voorgenomen haar uiterste best te doen, maar dat ze niet kon nalaten -aan wat anders te denken, nu het werk zoo hetzelfde was, als verleden -jaar. Als ze haar maar voorwaardelijk hadden laten overgaan, dan -zou ze een prikkel gehad hebben om te werken. Het hoogste, wat ze -nu bereiken kon, was een goed rapport en dat zou nog als iets heel -gewoons beschouwd worden, het sprak immers vanzelf, dat een meisje, -dat voor het tweede jaar in dezelfde klasse zat, geen slechte cijfers -meer kreeg. - -Neen, zij zou iets willen doen, waardoor ze goedmaakte, waardoor ze -Vader en Moeder een groote vreugde bereidde, waardoor ze zichzelf -ophief. Gewone dingen interesseerden haar nu eenmaal niet genoeg, -ze moest voor iets bijzonders hebben kunnen werken, dan zou het haar -wel gelukt zijn. - -"Waarom heeft u me niet voorwaardelijk laten overgaan?" vroeg ze, -nauw verstaanbaar, ze vond zichzelve erg brutaal, dat zoo maar tegen -de directrice te durven zeggen. - -"Omdat je cijfers daarvoor te laag waren," was het kalme antwoord. - -Ze scheen haar dus niet brutaal te vinden en wat moediger ging -Wies voort: - -"Als ik goed had kunnen maken, wat ik het vorige jaar verknoeid had, -geloof ik, dat me dat wel gelukt zou zijn. Ik heb zoo vreeselijk een -sterken prikkel noodig," voegde ze er bij en ineens had ze moeite -niet te lachen, want ze dacht aan haar wensch, een ring te bezitten, -die bij elke afdwaling van gedachte haar een prik gaf. - -De directrice scheen alweer in gedachten verdiept. - -Wies stond, verlegen door de stilte, die op hare woorden gevolgd was, -naar den grond te staren, ze wou, dat de juffrouw maar iets zei, -dat zwijgen was zoo benauwend. - -"Dus een sterken prikkel heb je noodig, als je dien hadt, denk je -jezelve te kunnen overwinnen." - -"Ja juffrouw, dat geloof ik wel." - -"Is het geen prikkel genoeg, dat je je ouders plezier zoudt doen, -met goed te werken?" - -Wies kleurde. - -"Ik zou juist Vader zoo heel graag een bizonder pleizier doen. Ik -wilde zoo graag toonen, dat ik niet zoo'n sukkel ben, als ze denken, -dat, al houd ik vreeselijk veel van mooie dingen, van sprookjes en -zoo, ik toch ook wel flink kan zijn. Ik zou zoo dolgraag toonen, -dat ik tot iets bizonders in staat ben." - -"En ben je dat dan?" - -Weer bloosde Wies. - -"Ik geloof het wel. Als ik gelegenheid had, om in te halen en niet -dat gevoel, dat ik er nu toch allicht kom, al span ik me niet in, -dan zou ik vechten, tot ik was, waar ik wezen wilde." - -"Dat klinkt alles heel mooi, maar zooals je nu eenmaal aangelegd -bent en verder geworden, door je weinig verzet tegen je fouten, zou -je al heel dapper moeten wezen, wilde je je doel bereiken. Als ik je -bijvoorbeeld eens voorstelde, deze drie maanden flink extra te werken -en je dan gelegenheid gaf, voor de Kerstvacantie een examentje af te -leggen, om te zien, of je na Nieuwjaar in de volgende klasse zoudt -kunnen komen, denk je, dat die prikkel dan sterk genoeg zou zijn?" - -Wies wist niet, of ze goed hoorde. - -Ze werd donkerrood en stotterde: - -"Zou dat kunnen?" - -De directrice glimlachte even om haar ontroering. - -"Wat zal ik je zeggen. Zoo iets is nog nooit voorgekomen en ik ben -ook niet van plan, daarvan een gewoonte te maken. Maar je schijnt zoo -ernstig overtuigd te wezen, dat de uitslag goed zal zijn, dat ik lust -heb, het eens te probeeren en je een kans te geven." - -Het liefst was Wies haar om den hals gevlogen, maar het respect hield -haar tegen. De blik echter, waarmee ze de directrice aankeek, drukte -zooveel dankbaarheid uit, dat deze er volkomen tevreden mee was. - -"Goed, we zullen eens zien, waartoe je in staat bent. Als je na -Nieuwjaar met volle zeilen kunt binnen varen in de derde klasse, -dan is dat werkelijk iets bijzonders," voegde ze er glimlachend bij. - -Wies lachte ook, een zenuwachtig lachje, ze wist zelf niet, waaraan -ze op dit oogenblik meer behoefte had, aan lachen of aan huilen. - -De directrice keek nu weer ernstig. - -"Je zult heel hard moeten werken, mijn kind, vergeet dat niet. In de -eerste plaats zal je er voor moeten zorgen, dat er aan je werk in -de klasse niets mankeert, dat je je lessen uitstekend kent en geen -onoplettende fouten maakt. Dat zal je niet zoo heel veel moeite kosten, -want je kent alles al half, niet waar, maar dan moet je bijwerken voor -de derde klasse en dat zal spannen. Je zult heelemaal geen tijd hebben -voor je liefhebberijen, weet dat wel. Ik zal je natuurlijk helpen, -je kunt iederen middag om vier uur bij me komen, dan bespreken we -alles samen en ga ik na, wat je uitvoert. Het is een proef, Louise, -of ze slagen zal, hangt van jou af. Als je er niet komt, zal ik denken, -dat je je krachten overschat hebt en zijn we nog even ver." - -Wies wist van dankbaarheid niet, wat te antwoorden. - -Ze stond daar maar met schitterende oogen en een trek om haar mond, -dien de directrice nog nooit op haar gezicht gezien had. - -"Ga nu maar, kind," zei ze, "en kom dan na vieren bij me, dan zal ik -je werk opgeven." - -Wies aarzelde nog. - -"Wat is er? Wilde je nog iets weten?" - -Nog even een aarzeling, toen kwam er wat verlegen: - -"Kunnen we het niet geheimhouden?" - -"Geheimhouden, voor wie?" - -"Voor iedereen, voor Moeder bijvoorbeeld. Ik zou er zoo graag een -verrassing van willen maken." - -"Dat zal toch niet gaan. Je moeder zal willen weten, waarom je -voortaan pas om vijf uur thuiskomt en je zult werkelijk zoo hard -moeten werken, dat het haar op zal vallen. Je vrije middagen zal je -grootendeels moeten opofferen en een gedeelte van je Zondagen ook, -want 's avonds mag je niet te laat naar bed. Ik moet zorgen, dat je -niet door al te grooten ijver ziek wordt," voegde ze er lachend bij. - -Wies lachte ook. - -Zij door al te grooten ijver ziek worden, de wonderen zouden dan de -wereld niet uit zijn. - -Maar werken zou ze, werken.... - -"Dan moet Moeder het maar weten," stemde ze toe, "als ze het dan maar -niet aan Vader schrijft, ik zou hem zoo dolgraag willen verrassen." - -"Dat zou ook heerlijk voor je zijn. Weet je wat, vraag aan je moeder, -of ze vanmiddag tusschen twee en drie even bij me wil komen, dan -bespreek ik de zaak zelf eens met haar." - -Wat had Wies een moeite, om haar opgewondenheid te bedwingen, toen ze -dien morgen thuiskwam. Wat had ze een pret in het bedenkelijke gezicht -van Moeder, toen ze haar de boodschap van de directrice overbracht. - -"Heb je weer wat uitgevoerd?" vroeg ze streng. - -Wies had moeite haar lach in te houden. - -"Niet dat ik weet, Moeder." - -"Waarom moet de juffrouw me dan spreken?" - -"Dat weet ik niet." - -Dat leugentje ging haar niet erg gemakkelijk af en haar moeder bereidde -zich voor, weer heel wat over haar dochter te moeten hooren. - -"Als er ernstige klachten zijn," dacht ze, "dan zal ik dezen keer eens -zonder genade zijn. Minstens een maand huisarrest op de vrije dagen, -zoo kan het niet langer." - -Toen ze dien middag bij de directrice kwam, was ze niet weinig -verbaasd, dat er geen bepaalde klachten waren, alleen een voorstel, -om den toestand te verbeteren. - -Ze was er minder mee ingenomen, dan de directrice gedacht -had, als Louise zorgde, dit jaar over te gaan, was dat al, wat -ze verlangde. Toen legde de directrice haar uit, dat het doel niet -zoozeer was, om Louise vooruit te duwen, zij ook vond zoo'n jaar zitten -blijven niet zoo'n groot bezwaar, maar meer om haar een prikkel te -geven, waardoor ze er toe komen zou, haar indolentie en neiging tot -afdwalen te overwinnen, meer om haar karakter te verbeteren, dan om -haar met alle geweld te laten overgaan. - -"Dat vooruitzicht is het middel, niet het eigenlijke doel van de zaak," -legde ze uit. - -Nu, dan wilde mevrouw Schotter er zich niet tegen verzetten, maar -zij geloofde nog zoo maar niet, dat het gaan zou. - -"We kunnen het probeeren." - -"Weet u, wat er gebeuren zal? In de eerste dagen werkt Louise zich -half dood, overdreven als ze in alles is, overspant zich, wordt ziek -en later gaat alles weer zijn oude gangetje." - -"Dat moeten we juist voorkomen, Mevrouw en daarvoor heb ik uw -hulp noodig. Louise mag maar een bepaalden tijd aan haar extra werk -besteden. Kan ze in dien tijd niet klaar komen, doordat ze afdwaalt of -niet oplet, dan moet ze dat zelf weten. Ik zal u een lijstje geven van -de uren, die ze werken moet, dan is het aan u, om er op te letten, dat -die tijd niet overschreden wordt, maar ook niet verminderd door andere -plichtjes of pretjes. Zoodoende hoop ik juist, dat ze leeren zal, -haar aandacht te concentreeren, ze weet, ieder oogenblik, dat verloren -gaat, brengt schade aan het bereiken van haar doel. Begrijpt u me?" - -Mevrouw Schotter knikte toestemmend. - -"Ja zeker, ik begrijp u." - -Toen, alsof het haar plotseling te binnen schoot, dat ze wel -dankbaarder mocht zijn voor de belangstelling in haar kind: - -"Het is zeer vriendelijk van u, zich al die moeite voor Louise te -willen geven, mijn man zal u ook zeer dankbaar zijn." - -"O ja, dat is waar ook. Ik heb Louise beloofd u te vragen, alles -een verrassing voor haar vader te laten zijn. Bij niet slagen is het -dan voor hem ook geen teleurstelling. U moet niet denken, dat ik zoo -zeker ben, van het gelukken van ons plannetje, als Louise in staat -is haar doel te bereiken, zal ik heusch respect voor haar krijgen, -want het zal een zware dobber voor haar zijn." - -"Ik maak me er niet veel illusie van," en na de directrice nogmaals -bedankt te hebben voor haar welwillendheid, verliet mevrouw Schotter -de school. - -Nu brak er een moeielijke tijd voor onze Wies aan. - -Dezen keer had ze besloten te overwinnen, het kostte, wat het wilde. - -Maar gemakkelijk ging dat niet. - -Wel had ze nu haar ring, die haar telkens hevig prikte, de gedachte -aan het doel, dat ze bereiken wilde, het gevoel, dat ze geen oogenblik -mocht laten verloren gaan. Maar vooral in het begin was het letterlijk -worstelen om haar aandacht bij haar werk te bepalen. Het lukte lang -niet altijd, het gebeurde, dat ze bij de directrice kwam, beschaamd en -verlegen, omdat ze zich bewust was, de lessen niet te kennen, of haar -werk haastig afgeroffeld te hebben, door gebrek aan tijd. Moeder -was op dat punt gewoon verschrikkelijk. Geen minuut mocht ze over -den bepaalden tijd aan haar extrawerk besteden, af of niet, ze moest -er op een zeker uur mee uitscheiden. Toen ze zich hierover eens bij -de directrice beklaagde, zei deze, dat ze het uitstekend vond, dat -ze blij was, dat haar moeder zich zoo flink hield. In het algemeen -zei de juffrouw weinig, als ze minder goed voor den dag kwam, ze keek -haar alleen maar lang en ernstig aan en Wies vond dat allernaarst. Ze -had veel liever een flink standje gehad, ze had nu zoo het gevoel, -dat de zaak aan haarzelve werd overgelaten, ze kon werken, of ze kon -het laten, ze zou de gevolgen er van ondervinden. - -Het was een prachtige middag in October, toen Wies met een niet te -onderdrukken zucht haar boek opnam, om een Duitsche taalles te leeren. - -Ze was dolgraag met Lottie gaan wandelen, maar ze had precies een -uur vrij gehad, om eens in de lucht te komen en Lottie had toen juist -pianoles, zoodat ze maar een beetje op haar eentje was gaan dwalen. Als -je in een uur uit en thuis moet zijn, kun je niet ver gaan en Wies had -heel veel lust gehad, er nog een uurtje aan vast te knoopen. Het was -me iets, om je op zoo'n middag te moeten bezighouden met die saaie, -drooge Duitsche grammatica, terwijl de zon je naar buiten lokte, -en het in het bosch nog zoo prachtig was. - -Ze was zich evenwel bewust, dat iedere minuut, die ze over haar tijd -thuiskwam, verloren was voor haar werk, want als de toegestane tijd -om was, kwam Moeder en nam haar boek weg. - -Ze werd wel vreeselijk streng behandeld tegenwoordig, ze pruttelde -er wel eens tegen, maar in het diepst van haar hart voelde ze, dat -het goed voor haar was, als ze zich niet bewust was geweest, dat ze -geen minuut toegift zou krijgen en niet bang, morgen weer met den -mond vol tanden voor de directrice te moeten staan, dan was ze niet -naar huis teruggekeerd, maar had zeker den heelen middag rondgedwaald -en niets uitgevoerd. - -Ze boog dus het hoofd over haar boek en trachtte in zich op te nemen, -wat daar stond. - -Waar moest ze haar arme hersens nu weer mee volstoppen? - -Datief en Accusatief. - -O ja, die vreeselijke regeering van de voorzetsels. - -Vooruit maar. - -Met de vingers in hare ooren, om toch vooral niet door eenig geluid -van buiten afgeleid te worden en hare oogen strak op de bladzijde -voor haar gericht, begon ze: - -"An, auf, hinter, neben, in, über, unter, vor und zwischen." - -Dat waren die lamme dingen, die twee naamvallen regeerden. - -Ze zou ze maar eerst van buiten leeren en dan eens zien, wat het -verschil in het gebruik was. - -En ze begon weer: "An, auf..." - -Even kijken. - -"An, auf, hinter, neben, zwischen." - -Neen, dat was niet goed, dat sissende ding kwam achteraan. - -Wat hadden die Duitschers toch een rare klanken, je moest je heele -mond er naar vertrekken, zwischen, je hadt altijd neiging: zwizen te -zeggen. Anders wel leuke menschen, dat Duitsche meisje laatst.... - -Och, daar dwaalde ze weer af, oppassen was de boodschap en met nieuwen -moed begon ze: - -"An, auf, hinter, neben, in," en zoo verder, totdat ze wel dacht, -dat ze er achter was. - -Ziezoo, ze kon ze opdreunen, nu de regels. - -Ze worstelde dapper door de moeielijke taalregels heen, ze begreep -ze niet best, of liever ze was zich bewust, dat ze met de toepassing -er van niet goed raad zou weten. En dat was juist zoo vervelend, ze -mocht de voorbeelden uit het boek niet nemen, ze moest andere geven, -hè, wat maakten ze het haar toch moeielijk. - -Eerst toch eens de voorbeelden, die hier gegeven waren, overlezen. - -Gudrun stand im Schnee am Meere. - -Gudrun, wie was dat ook al weer, ze hadden haar in een van de -vertaallesjes gehad, maar ze herinnerde zich niet precies meer, -wie het eigenlijk was. Even kijken. - -Ze vond het lesje en begon aandachtig te lezen, maar nog voor het -uit was, schrok ze op en sloeg haastig het verleidelijke boek dicht. - -Stel je voor, daar ging ze zitten lezen en ze moest een taalles leren, -de tijd ging voorbij, die vreeselijke tijd stond geen minuut stil, -ze moest haar aandacht bij haar les bepalen, ze moest, ze moest. - -Zenuwachtig stond ze op, nam haar boek in de hand en begon met -onrustige schreden de kamer op en neer te loopen, steeds haar les -hardop overlezend in de hoop er zoo beter bij te kunnen blijven. Als ze -bleef zitten, kreeg ze zoo'n slaap, 's avonds vooral kon ze soms niet -wakker blijven en betrapte ze zich meer dan eens, dat ze heerlijk -wegdommelde. Ze was dan woedend op zichzelve, beet zich wel eens -krachtig in haar vinger, uit louter behoefte om iets te doen, dat haar -helpen zou, wakker te blijven. Ze werd een enkelen keer zoo driftig, -over wat ze haar machteloosheid noemde, dat ze hare boeken door de -kamer gooide en met het hoofd op de tafel even uit moest huilen, -voor ze weer beginnen kon. - -Het was echt vechten, wat ze deed, maar ze voelde, dat de weinige -weken, na het bewuste gesprek met de directrice verloopen, haar al -wat vooruit geholpen hadden en dat gaf haar moed. - -Slagen zou ze. Er hing te veel van af. - -Als ze niet slaagde, zou ze nooit meer het gevoel kunnen kwijtraken -van haar onbeduidendheid, er zou goedig geglimlacht worden om haar -vergeefsche pogingen, Moeder zou zeggen, dat ze niet anders verwacht -had en de directrice? O, die zou zeggen, dat ze den moed niet moest -opgeven, dat ze maar door moest gaan met haar best te doen, maar -dat zou ze niet kunnen, dat wist ze zeker. Nu deed ze werkelijk haar -uiterste best, ze voelde, dat ze zich krachtig inspande om haar doel -te bereiken, mocht haar dat mislukken, dan.... - -Ja, wat dan? - -Nog vóór haar moeder dien middag bij haar kwam, om te zeggen, dat de -tijd om was, kende Wies haar les. Hare wangen gloeiden, hare oogen -brandden van de inspanning, die het haar gekost had, niet meer af te -dwalen, maar ze had haar taalles nu onder de knie, ze voelde, dat ze -die voorzetsels de baas was en opgewonden van blijdschap, dat ze gekund -had, wat ze wilde, ging ze met Moeder mee om piano te gaan studeeren. - -"Rust eerst een kwartiertje," zei haar moeder, haar aanziende, -"je ziet er moe uit." - -"Och neen, Moes, dat hoeft niet, laat me maar dadelijk beginnen." - -"Dan ben ik er eerder af," voegde ze er in gedachte bij. - -Het studeeren ging niet schitterend, ze moest er nu telkens aan denken, -dat ze die nare Duitsche les zoo prachtig kende. - -Nu nog langer zich zelve de baas te blijven, dat zou te veel gevergd -zijn van ons Wiesje. - - - - - - - - -VIJFTIENDE HOOFDSTUK. - -DRAMA MET APOTHÉOSE. - - -Op een Zondagmorgen in November werd Wies gewekt door een ratelend en -kletterend geluid, dat ze zich in het eerste oogenblik van ontwaken -niet thuis kon brengen. - -Ze richtte zich verschrikt in bed op en riep onwillekeurig: "ja, -ik ben al wakker." - -Maar het leven hield niet op en toen ze met slaperige oogen rondkeek in -het flauw verlichte kamertje, drong het tot haar bewustzijn door, dat -het geweld, waardoor ze gewekt was, veroorzaakt werd door het kletteren -van groote hagelsteenen tegen de ruiten van haar venster en op het dak. - -Ze liet zich weer neervallen en trok huiverig de dekens wat hooger op. - -Brr, wat een noodweer, nu ze met bewustzijn luisterde, hoorde ze ook, -hoe de wind gierde. - -Ze moest eensklaps denken aan dien nacht, gevolgd op Vaders vertrek -en aan den angst, dien ze toen gehad had, dat het schip in gevaar -zou zijn en haar vader zou kunnen verongelukken. - -Nu had ze niemand op zee, waarvoor ze behoefde te vreezen, Vader was -ver weg, heelemaal in Indië. - -Ze nestelde zich nog wat gemakkelijker in haar kussens. - -Hoe laat zou het zijn? - -Ze zou maar niet kijken, want als ze zag, dat het acht uur was, -zou ze op moeten, dat was zoo het Zondagsklokje van opstaan. - -Neen, ze bleef nog een oogenblikje heerlijk liggen, zoo knus in het -warme bed, terwijl het buiten zulk een weer was. November had al heel -wat leelijke dagen gegeven, maar zooals vandaag! - -Neen maar, hoor toch eens, het leek wel, of de ruiten stuk moesten en -dan dat spektakel op het dak! Gelukkig, dat ze niemand op zee had. Hè, -wat een windvlaag, het huis kraakte er van. - -Neen, zij had nu geen lieven vader, dien ze in gevaar wist, zij niet, -maar anderen wel, hoevele vrouwen zouden angstig uitkijken, of er ook -iets te zien was van de pink, waarop man en zoon overgeleverd waren -aan de woeste elementen. Eén ding was gelukkig, dat het Zondag was -en verreweg de meeste booten thuis zouden zijn. - -'t Moest anders wel vreeselijk wezen, te weten, dat iemand, waarvan -je dolveel hield, nooit terug zou keeren. - -Soms overviel haar ook die angst, Vader was zoover weg en er kon -zooveel gebeuren, die nare cholera heerschte weer in verschillende -deelen van Indië. - -Ze wierp de dekens van zich af, ze kreeg het er benauwd van. - -Kom, ze zou maar liever opstaan, het was toch al over den tijd -meende ze. - -Een beetje schuw keek ze naar het klokje. - -Bij half negen, lieve deugd, ze mocht zich wel haasten, anders begon -de dag alweer met een standje en ze was toch zoo kriebelig met dat -nare weer. Ze moest oppassen, zoo licht gaf ze een brutaal antwoord -en Moeder was in den laatsten tijd zoo tevreden over haar en had -juist gezegd, dat ze blij was, nu eens geen klachten aan Vader te -moeten schrijven. - -Ze haastte zich dus zooveel mogelijk, en kwam niet al te laat beneden, -hoewel de anderen er al waren en Henk spottend naar de klok keek. - -Maar Moeder gaf hem een wenk, haar niet te plagen en zei zelf ook -niets. Moes was in den laatsten tijd wel erg lief voor haar, ze -merkte misschien, dat ze zoo haar best deed en ook heusch wel wat -minder droomerig en afgetrokken was, dan vroeger. - -Na het ontbijt stond ze een oogenblik in beraad wat te doen. - -Zondagsochtends met mooi weer mocht ze altijd met Lottie gaan wandelen, -maar het was gewoon noodweer. Misschien zou Moeder niet willen, -dat ze met zulk een weer uitging. - -Voorzichtig zei ze: - -"Het weer klaart wel een beetje op, vindt u niet?" - -Een hevige hagelslag tegen de ruiten was het antwoord en allen begonnen -te lachen. - -"O ja," zei Moeder droogkomiek, "het is bepaald heerlijk weer. Je -gaat zeker wat met Lottie wandelen, hè?" - -Wies lachte nu ook. - -"Neen, dat we niet kunnen wandelen, begrijp ik wel, maar ik had even -naar haar toe willen gaan, we spreken elkander tegenwoordig zoo weinig, -nu we niet meer in één klasse zitten." - -Henk keek tragisch en reciteerde: - - - "Ja, dat is heel erg, - En als nu de berg, - In den vorm van Lot, - Die lieve, lekkre dot, - Niet naar Mahomed komt," - - -"Dan wil Mahomed naar den berg, precies. Mag ik gaan, Moes?" - -Mevrouw Schotter keek naar buiten, waar de boomen in den tuin op -en neer stonden te zwiepen en de hagel nu vervangen was door een -regentje, dat als een dichte sluier neerviel en de omgeving bijna -aan het oog onttrok. - -"Je kunt er niet door," zei ze. - -Wies keek teleurgesteld, ze had eigenlijk wel geen ander antwoord -verwacht, maar nu ze het kreeg, had ze toch het land. - -"Werk vanochtend, misschien klaart het weer vanmiddag op," stelde -moeder voor. - -"Vanmiddag gaat Lot op visite bij dat nieuwe meisje, dat pas in haar -klasse gekomen is. Toe, laat me nu maar gaan." - -Moeder schudde van neen. - -"Het is geen weer om onnoodig door te gaan. De wind op zichzelf is -al erg genoeg en met die stortregens gaat het heelemaal niet." - -"Als het dan straks soms ophoudt met regenen, mag ik dan even?" - -Haar moeder maakte een gebaar van ongeduld. - -"Kind, wat zeur je. Goed dan, als het droog wordt, mag je gaan, -maar nu wil ik er geen woord meer over hooren." - -Wies zweeg, al blij met die voorwaardelijke toestemming. Ze ging -naar boven, om een boek en een schrift te halen, ze zou maar vast -een beetje gaan werken, dan ging de tijd gauwer voorbij en had ze -van middag minder te doen. Of zou ze een oogenblikje lezen? - -Dat mocht ze nu alleen Zondags en meestal kwam ze er enkel 's avonds -aan toe, doordat ze met goed weer 's morgens ging wandelen en 's -middags werken moest. Soms ging ze bij Lottie op visite, of kwam deze -bij haar en dan lazen ze elkaar voor, maar veel kwam daar nooit van, -meestal hadden ze den tijd omgebabbeld, voor ze het wisten. - -Nog had ze geen besluit genomen, wat te doen, lezen of werken, toen -de deur van haar kamertje openging en Henk binnenkwam. - -"Teerbeminde zuster, ik moet je spreken," zei hij op pathetischen toon. - -"Ge zijt welkom, geliefde broeder," antwoordde Wies lachend. - -Toen voegde zij er nieuwsgierig bij: - -"Wat moet je?" - -Henk maakte een diepe buiging. - -"Mijn hooggeachte en geduldige schuldeischeres mijn schuld afdoen." - -"Je schuld?" - -"Ja, kijk maar niet zoo verbazend snugger, mijn schuld," en hij telde -één rijksdaalder, drie guldens en verder kwartjes en dubbeltjes op de -tafel neer, tot groote verbazing van Wies, die zich nu herinnerde, -dat ze hem dat geld in het voorjaar gegeven had, maar cadeau, niet -te leen. Hij had toen immers gezegd, dat hij het nooit zou kunnen -oversparen van zijn zakgeld, daarom had ze het hem juist geschonken. - -Hoe kwam hij daar nu aan? - -Een vreeselijke gedachte kwam bij haar op. - -Zou hij weer gespeeld hebben en dit zijn winst zijn? - -Ze greep zijn arm vast en keek hem angstig aan. - -"Hoe kom je aan dat geld?" vroeg ze. - -Henk hield op met tellen, niet weinig verwonderd over haar uitval. - -"Gestolen," zei hij toen droog. - -Dat die jongen nu alweer gekheid maakte, geen fatsoenlijk woord kon -je ooit uit hem krijgen. - -"Wees nu eens ernstig, Henk, toe, zeg, hoe kom je aan dat geld?" - -"Ik heb een ezeltje gekocht, een kostbaar beestje, als je het maar -handig weet op te vangen, dan...." - -"Henk, zeg me nu de waarheid, je hebt toch niet weer gespeeld?" - -Ze zag er zoo angstig uit, dat Henk diep in zijn binnenste voelde, -dat ze toch een lieve zus was, om zoo bezorgd voor hem te zijn. Maar -zoo iets toont een jongen niet, meisjes worden zoo gauw pedant. - -"Je hebt nog al een mooi idee van me, had ik niet beloofd, het niet -meer te doen," zei hij quasi barsch. - -Wies kreeg een kleur. - -Henk scheen beleedigd, ze had hem ook niet moeten verdenken van zijn -woord te breken, maar eigenlijk had hij dat niet bepaald gegeven. Hij -had toen gezegd, dat hij in de vacantie vanzelf niet met de lui -in aanraking kwam en dat ze verder maar niet vooruit moest tobben, -of iets dergelijks. - -Dat hij nu zoo verontwaardigd was over haar veronderstelling, bewees, -dat hij het niet gedaan had en ze slaakte een zucht van verlichting. - -"Je moet er niet boos om zijn," zei ze zacht, "maar ik was er altijd -zóó bang voor." - -Henk wist nog zijn ernst te bewaren. - -"Boos niet, maar diep bedroefd, het is niet prettig om te merken, -dat je eigen zuster je voor zoo'n zwak vat houdt. Maar helaas, ik -heb dat verdiend door mijn vroegere zonden." - -Zijn stem trilde, als van onderdrukt lachen en toen Wies hem goed -aankeek, zag ze een lichtje flikkeren in zijn blauwe oogen en zijn -wangen toonden verraderlijke kuiltjes. - -Ze sloeg haar arm om hem heen en gaf hem een klinkenden kus. - -"Malle jongen," lachte ze. - -Henk veegde quasi ontsteld zijn wang af. - -"Zoo'n straf heb ik niet verdiend," beweerde hij. - -Zijn zusje gaf hem lachend een flinken duw. - -"Nare beer, is dat een manier om met dames om te gaan." - -"Dames, wat noemt zich al geen dame! Zeg eens, alikruik, wil je het -geld, of wil je het niet? We mogen ons wel wat haasten, want Moeder -behoeft er nu juist niet het fijne van te weten." - -Hij telde verder tot al de kwartjes en dubbeltjes op tafel lagen en -vroeg toen plechtig om een quitantie. - -Wies streek alles bij elkaar en borg het in haar kast. - -"Dank je wel, hoor, dat is een meevallertje," verklaarde ze, "maar toe, -Henk, zeg me nu, hoe je er aan komt. Ik denk heusch geen kwaad van je, -maar ik zou het toch zoo graag weten." - -Henk ging op de tafel zitten en stak een sigaret aan. - -"Kan ik je ook dienen?" vroeg hij. - -"Dank je, verleider, je weet, dat ik het dolgraag doen zou, maar niet -mag van Moes." - -"'t Is ook niet goed voor kleine meisjes," en Henk stak zijn -sigarettenkokertje weg. - -Lustig dampend begon hij: - -"Je moet weten, dat ik van den zomer op de wandelingen met den ouden -heer...." - -"Met den ouden heer, maar Henk!" - -"Met Grootvader dan. Wat ik zeggen wilde, als we dan samen door de -velden liepen, bespraken we nog al eens het een en ander, je weet, -Grootvader is een leuke baas..." - -"Maar Henk dan!" - -"Alweer niet goed? Als je nu eens zweeg, zou er misschien kans zijn, -dat ik voor den avond klaar kwam. Nu dan, we bespraken zoo van alles -en voor ik het me goed bewust was, had hij me ten binnenste buiten -gekeerd en wist alles van mijn misdaad af. Hij keurde het natuurlijk -niet bepaald malsch af, maar hij is iemand, die allemachtig leuk weet -te redeneeren en hij kreeg het zoover, dat ik hem mijn eerewoord gaf, -nooit meer tot het spel te vervallen. Het mooiste was, dat hij me -dat eerewoord niet afdwong, waarachtig niet, hij had er zoo deksels -mooi op los geredeneerd, dat ik een afschuw van de grap gekregen had -en heelemaal uit mijn eigen die belofte aflegde." - -"Heerlijk, Henk." - -"Ja de oude, ik bedoel Grootvader, heeft me geen geringen dienst -bewezen, dat voel ik zelf. Je kunt je niet voorstellen, wat een flink -type dat is, je moet zoo eens met hem praten, als ik gedaan heb, -dan voel je in je binnenste zoo'n echt respect voor hem, dan krijg je -zoo'n gevoel, dat daar nu een man voor je staat en dat je het heele -aardsche tranendal nog zoo kwaad niet vindt, omdat je toch altijd -ook een kansje gegeven is, tot iets dergelijks op te groeien." - -Wies was er stil van. - -Zóó had Henk zich nog nooit uitgelaten, ze had hem altijd beschouwd, -als een besten jongen, maar als zeer luchthartig, gevaarlijk -luchthartig zelfs en nu bleek hij heel anders te zijn. - -"Vader lijkt op Grootvader, vin' je niet?" vroeg ze. - -"Vader? O, Vader is ook een bovenste beste, maar Grootvader is toch -weer anders. Enfin, zoo is het dus gegaan. Toen moest ik hem ook nog -beloven, dat ik mijn schuld aan jou af zou doen. Hij vond, dat ik dat -zootje zelf bij elkaar moest sparen, hij heeft er wel een begin mee -gemaakt, den eersten riks gaf hij me cadeau, maar de rest moest ik -zelf zien op te halen. Amusant was dat niet bepaald, ik had nog een -kleinigheid en verder heb ik al dien tijd als een gierigaard geleefd, -maar nu ben ik er af, gelukkig." - -Wies was bepaald ontroerd, door wat ze in haar hart een heldendaad -vond. - -"Laat ik je er wat van teruggeven," zei ze. - -"Er me wat van teruggeven? Wat denk je van me. Neen meisje, je kent -je broer nog niet, zijn zieltje is nu juist weer rein en vlekkeloos, -denk je, dat hij dat dadelijk weer door het vuile geld wil laten -bezoedelen?" en Henk maakte zulk een gebaar van afschuw, dat Wies -het uitschaterde en hem naholde, toen hij de kamer uitvloog. - -Hij liet zich niet vangen en hijgend kwam ze in haar kamertje terug, -waar ze, nog lachend, op een stoel neerviel. - -Toen ze wat uitgeblazen was, bleek het, dat de regen had opgehouden -en haastig maakte ze zich klaar, om nog wat naar Lottie te gaan. Aan -de koffietafel vroeg Moeder haar, hoe het weer was. Zij was de eenige, -die uit was geweest. - -"Goed," verklaarde Wies, "alleen een beetje wind." - -"Noem je dat een beetje wind? Je moet weten, dat ik vanmiddag graag -een verjaarsvisite zou maken bij iemand, die tachtig jaar wordt -vandaag. Op zoo'n leeftijd sla je een verjaardag niet graag over, -maar ik zie er wel tegenop er door te gaan, het stormt gewoon." - -"'k Ga er ook door," verklaarde Henk, "ik heb een afspraak." - -"O, jij bent een jongen, jullie verwaait zoo niet. Ik zie er bepaald -tegen op, maar ik zal het toch maar doen. 't Is Betje's uitgaansdag, -Wies en Marietje beloven me zeker, goed op de kleintjes te zullen -passen. Je blijft van middag toch thuis, nietwaar, kind?" - -Marietje knikte toestemmend. - -"Kan ik er zeker van opaan?" - -"Vast, Moes." - -Wies had alweer een onaangenaam gevoel. - -Moeder scheen haar nog altijd de kinderen niet toe te vertrouwen. Nu, -dan moest Marietje er de verantwoordelijkheid ook maar van dragen, -dan was zij er af. - -"Wat ga je doen?" vroeg ze aan haar zusje, toen dien middag haar -moeder vertrokken was en ze met hun viertjes alleen waren. - -"Mijn handwerk voor St. Nicolaas afmaken. Ik ben blij dat Moeder uit -is, ik wist al niet, hoe ik klaar moest komen. En jij?" - -"Ja, zie je, ik moet nog een Fransche thema maken. Je wilt dan zeker -wel op de kinderen letten, want ik moet mijn aandacht bij mijn werk -hebben." - -"Natuurlijk, laat dat maar aan mij over," en Wies moest inwendig -lachen om het pedante snoetje, waarmee haar zusje die woorden uitsprak. - -Wies verdiepte zich dus in haar thema, ze vond hem moeielijk en -eenige maanden geleden, zou het haar misschien niet gelukt zijn, haar -aandacht bij haar werk te bepalen. Nu ging het, zij het dan ook niet -zonder moeite. Zoodra hare gedachten een andere richting uit wilden, -dwong zij ze, tot haar werk terug te keeren. Ze had door de praktijk -geleerd, dat men wel degelijk baas kon zijn over zijn gedachtengang, -met haar doel als een vast punt voor oogen en het gevoel van te willen -en te moeten slagen, voelde ze hare krachten groeien en het heerlijke -gevoel van vooruit te gaan, was al een belooning op zich zelf. - -Wat was het stil in de kamer. - -Ze keek even op en zag Marietje over haar werk gebogen, ijverig de -naald hanteeren, terwijl de jongens rustig samen op den grond speelden -met blokken en soldaatjes. - -Ze werkte weer door. - -Buiten gierde nog altijd de wind, van tijd tot tijd deed hij het vuur -in de kachel hoog oplaaien, zoodat de vlammen even door de reten van -het deurtje sloegen, om dadelijk weer naar binnen te verdwijnen. De -regen kletterde tegen de ruiten en Wies dacht, hoe jammer het was, -dat het niet droog was gebleven. Moeder had natuurlijk voor de -verjaarvisite haar beste goed aan. Misschien ook niet, Moes was -zoo zuinig. - -"Weet je ook, Marietje, of Moeder haar nieuwen mantel aan heeft, -het regent zoo." - -Even keek haar zusje op, naar den nu in stroomen neerstortenden regen. - -"Ik geloof het wel, maar het zal een bui zijn, zoo hard regent het -niet lang achtereen. Moeder zal wel wachten, tot het weer droog is." - -Dat hoopte Wies dan maar en weer begon ze aan haar werk. - -Ze had vanmiddag iets onrustigs over zich, waarom, begreep ze niet, -de kinderen waren bizonder zoet, ze schenen zich best te amuseeren. - -Marietje sprak geen woord, tamelijk saai, maar wel goed om rustig -te kunnen werken en toch.... ze had meer moeite, dan in den laatsten -tijd het geval was geweest, om bij haar thema te blijven. - -Marietje had beloofd, op de kinderen te letten, maar ze keek er -niet veel naar om. Ze waren zoet, dat was waar, maar telkens als ze -een zinnetje af had, voelde ze den drang om eens te kijken, wat ze -uitvoerden en dat leidde haar af. - -Eindelijk gelukte het haar, eenige zinnen achter elkaar te vertalen. Ze -begon er in te komen. Daar ontmoette ze een woord, dat ze niet wist, -ze herinnerde zich ook heelemaal niet, het in haar boek gehad te -hebben, ze zou het maar eens in de dictionnaire opzoeken. - -Ze stond op om deze te krijgen, bleef een minimum van tijd verstijfd -staan en vloog toen op Jantje aan, die met zijn schortje, dat aan -den onderkant vlam had gevat, heen en weer zwaaide. - -Op het kind toevliegen, het schortje afrukken, de vlam uitdooven, -was het werk van een oogenblik. Vóór Marietje goed wist, wat er -gebeurd was, zag ze Wies, met een doodsbleek gezicht, waarin een paar -verschrikte oogen, staan, met het half verbrande schortje in haar -hand, terwijl Jantje zich driftig op haar wierp en met zijn kleine -vuist naar haar sloeg en Stan in een luid gehuil uitbarstte. - -"Wat is er gebeurd?" vroeg ze verschrikt. - -Jan gilde het uit. - -"Ze heeft het mooie vlammetje kapot gemaakt, die akelige Wies," -jammerde hij. - -"Oooo.... mooi vlammetje kapot gemaakt," huilde de echo. - -Marietje zag nu even wit als Wies en keek ontsteld naar het zwart -verkoolde schortje. - -"Stonden ze in brand?" vroeg ze, met ontzetting in stem en oogen. - -Wies knikte van ja, ze kon niet antwoorden, de schrik had haar te hevig -aangegrepen en de kinderen van zich afduwend, viel ze op de rustbank -neer en met haar gezicht in de kussens barstte ze in tranen uit. - -Marietje stond verlegen toe te kijken, ze was natuurlijk niet zoo -hevig geschrokken als Wies, want ze had het gevaar pas bemerkt, -toen het voorbij was. - -Ze schudde den nog steeds huilenden Jantje eens flink door elkaar en -zei, dat hij oogenblikkelijk zijn mond moest houden. - -Jantje huilde maar door: leelijke Wies, akelige Wies, en Stan herhaalde -dit trouw. - -Intusschen was Wies een beetje bekomen, ze droogde haar tranen af en -begon de kinderen te ondervragen. - -Hoe was dat gekomen? Hoe kwam Jantje's schort in brand? - -Jan, getroost, omdat hij nu vertellen kon, zei, dat de vlammetjes -zoo aardig door het deurtje kwamen, heel eventjes maar, hij had er -met Stan naar gekeken en het mooi gevonden. Maar toen waren ze een -heel poosje niet gekomen, en toen had hij gedacht, dat ze niet door -het reetje konden en had het deurtje een beetje open gemaakt. - -"De kacheldeur?" vroeg Wies ontsteld, "kon je dat dan?" - -"Ja," knikte Jantje, "en toen het open was, kwam er een heel groote -vlam uit en pakte mijn schortje en het was zoo mooi, maar jij, akelig -mensch, heb het dadelijk uitgemaakt." - -Wies voelde het koude zweet op haar voorhoofd bij de gedachte, -aan wat er gebeurd zou zijn, als ze niet toevallig opgestaan was, -om die dictionnaire te krijgen. - -Ze werd weer zoo wit, dat Marietje angstig naar haar keek. - -"Heb je je pijn gedaan?" vroeg ze. - -"Neen, ik geloof het niet ten minste," want half onbewust voelde ze -wel een schrijnende pijn aan haar linkerhand. - -Ze keek er naar en zag een leelijke, roode streep binnen in de palm. - -"Ik schijn me gebrand te hebben," zei ze. - -Nu kwam dadelijk het huismoedertje in Marietje boven, ze haalde een -fleschje lijnolie en kalkwater, dat Moeder altijd in huis had en een -linnen lapje en verbond netjes de gebrande hand. - -Wies gaf haar een kus. - -"Dank je wel, je bent 'n echte ziekenverpleegster, hoor." - -Toen het schortje bekijkend, waarvan het onderste deel geheel -uitgerafeld was, met een langwerpig gat naar boven toe: - -"Wat zal Moeder zeggen?" - -Marietje gaf geen antwoord, maar zag er uit, of ze geweldig het -land had. - -Het was ook iets voor haar, gewoon als ze was, precies te doen, -wat er van haar verwacht werd en daarom steeds geprezen te worden, -nu te staan voor het feit, dat door haar verdiept zijn in eigen werk, -de kinderen bijna verbrand waren. Als Wies niet juist had opgekeken, -was het misschien te laat geweest, als Jantje gemerkt had, dat het -geen spelletje meer was en gegild had, was hij wellicht reddeloos -verloren geweest. - -Ze rilde er van. - -"Jij hebt hem het leven gered, Wies," zei ze eerlijk. - -Haar zusje lachte: - -"Een gelukkig toeval, anders niet. Als ik dat gezegende moeielijke -woord niet in mijn thema gehad had, dan.... hè ik moet er niet aan -denken." - -Daar werd gebeld, dat zou Moeder zijn. - -Zoo was het en Stan vloog haar tegemoet, met een verhaal van die -stoute Wies, die het mooie vlammetje kapot gemaakt had. - -Ze begreep er niets van, maar binnen gekomen zag ze de nog ontdane -gezichten van haar dochtertjes en het half verbrande schortje van -Jan. Ze voelde haar knieën onder zich knikken, zou er een ongeluk -gebeurd zijn? - -Maar ze zag dadelijk, dat Jantje ongedeerd, hoewel met een behuild -gezichtje, voor het raam stond en Stan was haar te gemoet gekomen, -de kinderen waren dus gezond en wel. - -"Wat is er gebeurd?" vroeg ze. - -Eenigszins stotterend vertelde Wies het gevaar, waarin Jantje -verkeerd had. - -Haar moeder drukte het ventje zenuwachtig tegen zich aan. Ze dacht -er op het oogenblik niet aan, hoe het kind gered was en door wie en -zei op verwijtenden toon: - -"Dat ik jullie geen van beiden vertrouwen kan, jou ook al niet, -Marietje." - -Het meisje werd nog bleeker, dan ze al was. - -Ze was zich schuld bewust, ze had totaal niet op de kinderen gelet, -maar dat Moeder, die haar altijd prees, nu op dien toon tot haar sprak, -was meer dan ze verdragen kon. - -"Wies is toch de oudste," mompelde ze. - -Haar moeder nam dat woord dadelijk over. - -"Ja natuurlijk, Wies is de oudste, maar we weten nu eenmaal, wat we -aan Louise hebben en hoe we haar vertrouwen kunnen." - -De gedachte aan wat had kunnen zijn en wat ze bij haar thuiskomst -had kunnen vinden, maakte haar onrechtvaardig. - -Marietje, die in haar verlegenheid de schuld eenigermate op Wies had -overgedragen, kon dàt toch niet hebben. - -"Wies heeft de vlam uitgedrukt en zelf haar hand gebrand," zei ze. - -"Je hand gebrand? Heb je je bezeerd, kind?" en eensklaps bezorgd, -keek Moeder naar de verbonden hand. - -"O, dat is niets, maar we konden het heusch niet helpen, we dachten -niet, dat Jantje het kacheldeurtje open kon krijgen." - -"Dat kan hij ook niet, als het goed gesloten is, daar ben ik zeker -van." - -Daar kwam Henk binnen en moest natuurlijk van A tot Z hooren, wat er -gebeurd was. - -Hij luisterde aandachtig en griezelde, toen hij naar de twee blonde -broertjes keek, die al weer genoegelijk samen aan het spelen waren. - -Toen ging hij naar Wies toe en haar op haar schouder slaande, -verzekerde hij, dat ze een flinke meid was en dat zonder haar in -plaats van die kleine kabouters, twee hoopjes asch op het tapijt -zouden liggen. - -Zijn moeder rilde van afschuw en verzocht hem te zwijgen, was dat nu -iets om mee te spotten? - -Henk lachte en beweerde, dat hij er niet aan dacht om te spotten en -dat Wies zich flink gedragen had, daar ging niets van af. Ze had toch -best haar tegenwoordigheid van geest kunnen verliezen in den eersten -schrik en wat dan? - -Over Wies' bleek gezichtje trok een blos. Die lieve Henk, hij was de -eerste, die er aan dacht, dat ze toch wel getoond had, tot handelen -in staat te zijn, als de nood aan den man kwam. - -"Het is een gelukkig toeval, dat ik opstond," zei ze, "Moeder zegt nu -wel, dat we beter op de jongens hadden moeten passen, maar we konden -ze toch niet aldoor in het oog houden. Het was alles het werk van -een paar minuten." - -Moeder had, in gedachten verdiept, voor zich uit staan staren. - -Henks woorden hadden haar eensklaps doen inzien, wat ze aan de -tegenwoordigheid van geest van Wies te danken had en nu stak ze de -hand naar haar dochtertje uit en trok het naar zich toe. - -"Henk heeft gelijk," zei ze, "het is en blijft waar, dat je beter op -de kinderen hadt moeten letten, maar toen het eenmaal gebeurd was, -heb je je flink gehouden. Ik moet er niet aan denken, hoe de toestand -hier zou zijn, als je wat langer geaarzeld had, of om hulp geroepen, -in plaats van dadelijk in te grijpen. Ik dank je wel kind," en ze -kuste het meisje hartelijk. - -Wies straalde. - -Ze beantwoordde den kus en stootte daarbij tegen haar hand, wat haar -even een kreetje van pijn ontlokte. - -"Je hebt je toch niet erg gebrand?" vroeg haar moeder bezorgd. "Laat -ik het eens nakijken. Wie heeft je zoo flink verbonden? Marietje?" - -Het kind stond bleek en gedrukt in een hoekje. - -Het was zoo heel weinig gewoon, schuld aan iets te hebben, het was -er heelemaal door uit haar sfeer gerukt. - -"Kom eens hier," zei Moeder, "laat ik je ook maar gauw afkussen. Tob -er nu maar niet meer over, laten we maar blij zijn, dat alles zoo -goed is afgeloopen." - -"Mooi zoo," riep Henk, "dat gaat goed. Als de vrouwen eenmaal aan -het kussen zijn, komt er geen eind meer aan. Als 't u blieft, hier -is nog een lading," en hij pakte den hevig tegenspartelenden Stan op -en duwde hem in zijn moeders armen. - -Deze mokkelde hem eens flink, wat de jaloezie van Jantje opwekte, -die dadelijk ook gepakt wilde worden. - -Zoo stond Moeder dan, met op iederen arm een jongen terwijl Marietje -zich tegen haar aandrukte en Wies het neerhangend handje van Janneman -kuste. - -"Apotheose," verklaarde Henk, "tot slot van het drama Wies Ongeluk -als heldin, of het brandende jongetje." - - - - - - - - -ZESTIENDE HOOFDSTUK. - -"LEVE ONS WIESJE, DE HELDIN!" - - -Het was 24 December, 's morgens om zeven uur. - -Nauwelijks had Wies hare oogen geopend en had ze even rondgetuurd -in de nog donkere kamer, waar het opgetrokken gordijn enkel een -flauw schemerlicht doorliet, of ze was het zich bewust, er was iets -heerlijks gebeurd. - -Ze richtte zich even op en trachtte te weten te komen, hoe laat het -was, maar ze kon de wijzers van haar klokje niet onderscheiden en -met een zucht van zaligheid zonk ze weer in de kussens neer. - -Het was haast al te verrukkelijk, ze had gisteren examen gedaan en -was geslaagd. - -Wat ze gevoeld had, toen de directrice haar meedeelde, dat ze goed -werk geleverd had en dus na Nieuwjaar in de volgende klasse mocht -overgaan, neen, dat was niet te beschrijven, een overweldiging van -vreugde, een niet goed begrijpen, dat het mogelijk kon zijn, ja, -eigenlijk een soort van schrik. - -"Is 't heusch?" had ze geroepen. - -Bespottelijk vond ze dat nu, de directrice had er ook om moeten -lachen en had toen zoo aardig tegen haar gesproken en gezegd, dat ze -nu getoond had, wat ze kon en dat ook zij zoo heel blij was geweest -met den uitslag. - -"Had u het niet gedacht?" had Wies gevraagd. - -En weer had de juffrouw gelachen. - -"Wat ik gedacht had, zullen we nu maar niet meer napluizen. Je bent -er en dat doet me bizonder veel plezier. Ga nu maar gauw naar huis, -je moeder zal ook wel verlangend zijn den uitslag te hooren." - -Nu, dat had ze zich geen tweemaal laten zeggen, ze was letterlijk naar -huis gehold, ze was Moeder zoo woest om den hals gevlogen, dat deze -zich aan iets had moeten vasthouden, om niet te vallen, ze had maar -niets geroepen dan: "Moes, kunt u het gelooven, toe knijp me eens, -dat ik voel, dat ik niet droom." - -Ze waren allemaal even blij geweest en er was dadelijk aan Vader en -Grootvader geschreven. - -Grootvader wist het nu al, maar Vader pas over verscheidene weken. Ze -hadden er nog over gesproken, of ze ook een telegram zouden zenden, -maar daar Vader er niets van wist, zou men het niet zoo heel kort -kunnen maken, wilde hij er iets van begrijpen. Besloten was dus, -dat Vader het dan maar wat later weten moest en dan ineens het heele -verhaal krijgen, hoe alles gegaan was. - -Wies draaide zich nog eens om en dacht aan al het heerlijke, dat -nu volgen ging. Moeder had gisteren dadelijk Lottie laten vragen, -om vandaag te komen eten. Ze zou al na de koffie komen en ze konden -dan weer eens eindelijk samen zijn, als van ouds. In den laatsten tijd -had ze Lot minder dan ooit gezien. Ze was zoo vervuld geweest van haar -werk en Lot zelf had repetitie gehad voor het Kerstrapport. Grappig, -dat zij nu geen rapport had gehad, ze had de twee laatste dagen examen -moeten doen. Hé, verleden jaar was met Kerstmis haar lijst niets goed -geweest, ze wist nog, hoe schuw ze er mee thuis was gekomen. Dom toch, -om niet goed te werken, als je toch wel kon, je berokkende je eigen -en anderen maar verdriet en je won er niets mee. Neen hoor, dat zou -haar niet meer overkomen, nu ze eenmaal de zaligheid van het slagen -ondervonden had, nu zou ze er wel voor zorgen, dat ze dat genotje -meer had. - -Ze moest nu toch eens opstaan. - -Wat een eenig gevoel, niets te moeten doen, geen lessen leeren, geen -thema's maken, niet naar school gaan, maar lezen en babbelen en pret -maken, veertien lange dagen. - -Ze had in de laatste maanden zoo heel weinig vrijen tijd gehad, -dat ze er nu van zou weten te genieten. Ze moest voor een heelen -tijd plezier maken, want als de vacantie om was en zij in de nieuwe -klasse.... pas dan op, hoe ze werken zou, nu was ze al niet meer -tevreden bij Lot en de andere kennisjes te zitten, nu wilde ze nog tot -de eersten behooren ook, ze zou hem katoen geven, hoor, ze wist nu, -dat ze wel kon, als ze maar wilde. - -Met oogen stralend van opgewondenheid schudde ze haar vuist tegen -een denkbeeldigen vijand. - -"Pas jullie maar op, kindertjes, je krijgt er nu een in de klasse, -die jullie er allemaal onder wil hebben." - -Ze schaterde het ineens uit. - -"De stumpers, ik wensch ze heusch geen kwaad toe, ik ben immers nooit -jaloersch geweest op hun mooie rapporten, maar ik moet vooruit, knap -worden wil ik, willen ze me de mooiste cijfers betwisten, des te beter, -dat staat ze vrij, dan vechten we er om, dan wordt het pas echt." - -Vroolijk sprong ze het bed uit en trok het gordijn hooger op. - -Lieve deugd, wat een duisternis, hoe somber zag alles er uit. - -Maar dat kon haar niet schelen, bij haar scheen het zonnetje van -binnen. - -Ze haastte zich met kleeden, het was al laat, ze had eigenlijk haar -tijd weer liggen te verdroomen, maar voor één keertje, mocht ze dat -wel, nu zou zelfs Moeder er niets op tegen gehad hebben. - -Toen ze beneden kwam, vond ze bij haar plaats een mooien bouquet -chrysanten en op haar bord een pakje. - -Een oogenblik keek ze verbaasd naar al de lachende gezichten, die -haar aanstaarden. - -"Ik ben toch niet jarig vandaag?" vroeg ze grappig, welke vraag -Jantje in een onbedaarlijk geschater deed uitbarsten. De gedachte, -dat iemand niet weten zou, of hij jarig was, vond hij allergeestigst. - -"Beter dan jarig," zei Moeder, "aan een verjaardag heb je zelf niets -geen verdienste." - -Wies liep op haar af en gaf haar een klinkenden kus. - -"Moesje, ik ben zoo blij, dat u eindelijk tevreden over me bent." - -"Ik niet minder, dat ik het zijn kan. Kijk nu maar eens gauw, wat er -in dat pakje zit." - -Wies ging naar haar plaats terug, terwijl Jan en Stan juichten: -"Wij weten het, wij weten het al lang, hoor." - -Nieuwsgierig greep Wies naar het pakje en begon met haastige vingers -het touwtje los te maken, waardoor het natuurlijk in den knoop schoot -en Henk helpen moest, om het door te snijden. - -Toen het papier er af was, vertoonde zich een étuitje, dat Wies niet -onbekend was, haar hart klopte snel, zou het waar zijn? Dat was het -étuitje van een goud armbandje van Moes, dat ze altijd zoo beeldig -mooi gevonden had, een goud slangetje met twee schitterende diamantjes -voor oogen. - -Ze keek haar moeder aan met vragende oogen, voor ze het étui opende -en deze knikte haar lachend toe. - -Een druk op het veertje en open sprong het deksel. - -Daar lag het lang bewonderde beestje op zijn groen fluweelen bedje -en de oogjes schitterden haar tegen. - -Wies was een oogenblik verstomd, ze kon niets zeggen. - -Al die oogen, die naar haar keken, hoe ze het wel vond, dat prachtige -armbandje daar voor haar, het gevoel, dat het toch niet waar kon -zijn, dat het voor haar was, ze werd er verlegen onder en stotterde -niets dan: - -"Maar Moes!" - -Henk verbrak de stilte. - -"Het is te veel voor het brave wichtje, ze is van louter verrassing -in de war." - -Wies was opgestaan en hing nu aan haar moeders hals. - -"U hadt het niet moeten doen, dat prachtige armbandje, dat Vader voor -u mee uit Indië gebracht heeft." - -Haar moeder beantwoordde haar omhelzing en vroeg schertsend: - -"Wil je het liever niet hebben?" - -"Niet hebben?" en Wies drukte haar schat tegen zich aan, "ik vind -het alleen naar, dat u het nu niet meer dragen kunt." - -Nu gierde Henk het uit. - -"Draag het samen, het is nog al rekbaar, misschien kunnen er wel twee -polsen in, wil ik het eens probeeren?" en hij stak zijn hand uit naar -het kleinood. - -Wies duwde hem terug. - -"Je zult er wel afblijven." - -Henk schudde met een komisch gezicht zijn hoofd. - -"Dat is nu onze dank, Marietje, we hadden die bloemen wel voor ons -kunnen houden, de jubilaresse kijkt er zelfs niet naar om, nu ze goud -heeft weten te bemachtigen." - -"Zijn de bloemen van jullie? Wat vreeselijk lief, dank je duizendmaal," -en nu moesten Marietje en Henk zich onderwerpen aan een onstuimige -omhelzing, zooals Henk het uitdrukte. - -"Het is goed," zei hij met een genadig gebaar, "maar een teleurstelling -is en blijft het voor me. Ik dacht de reine ziel van mijn oudste -zuster beter te kennen. Ik dacht, als zij kiezen moet tusschen -het doode metaal en de levende natuur, zal haar poëtische ziel geen -oogenblik aarzelen en haar hand het lokkende goud ver van zich werpen, -maar jawel...." - -Wies lachte, tot hare oogen overliepen. - -"Schei uit, Henk, ik stik," zei ze, hare oogen afvegend. - -"Gelukkig ze weent, ze voelt nu blijkbaar...." - -"Ontbijten, kinderen," viel Moeder in, "anders zitten we hier om -twaalf uur nog." - -Wies had moeite iets naar binnen te krijgen. - -Ze bekeek maar steeds het gouden slangetje op het groene fluweel -en beweerde, dat ze het nooit zou durven dragen, uit angst het te -verliezen. - -"Ook een manier, om van je cadeau te genieten," vond Henk. - -Wat een gezellige dag was dat. - -Wie kwam daar tegen het koffieuur aan? - -Niemand minder dan Grootvader, die zelf zijn kleindochter wilde -gelukwenschen. Hij was zoo verrast geweest en Grootmoeder niet -minder. Als het reizen voor haar niet zooveel bezwaar opgeleverd -had en daarenboven het weer niet zoo slecht was geweest, dan was ze -meegekomen. Nu stuurde ze de boodschap, dat ze zoo innig blij was, -dat Wies nu getoond had, niet enkel een lief droomstertje te zijn. - -Grootvader had ook nog een verrassing meegebracht, een mooi goud -kettinkje, dat Grootmoeder zelf als jong meisje gedragen en altijd voor -Wies bestemd had, als deze eens een bizondere belooning verdiend had. - -Wies was haast al te gelukkig, met de cadeautjes was ze dolblij, -maar de reden, waarom ze die kreeg, was toch het voornaamste. - -Met moeite werd Grootvader overgehaald, ten minste één nacht te blijven -logeeren. Hij mocht toch in geen geval voor den eten weg en het was zoo -gehaast, als hij 's avonds ging. Eerst aarzelde hij, het was morgen -Kerstmis en dan wilde hij thuis zijn, hij had voor den eten weer -weg willen gaan, maar Henk nam hem mee in een hoekje van de kamer en -fluisterde hem iets in en toen beloofde hij dan maar te zullen blijven. - -"Als het morgen geen Kerstmis was, zou ik zeggen, ik neem Wies voor -een paar dagen mee, maar nu zullen jullie haar misschien niet graag -missen. Het zou anders wel aardig voor Grootmoeder zijn," voegde hij -er bij. - -"Als Wies graag wil, sta ik haar af," antwoordde Moeder "maar voor -Oudejaar zou ik haar liefst weer thuis hebben." - -"Daar kun je op rekenen," beloofde Grootvader en dus werd er besloten, -dat hij dien nacht blijven zou en Wies morgen met hem mee zou gaan. - -Een telegram bracht Grootmoeder en Tante Marie van dit plan op -de hoogte, wat Tante dadelijk heel wat te bedisselen gaf, terwijl -Grootmoeder langzaam het groene papier glad streek, dat de prettige -tijding gebracht had, terwijl ze zacht zei: "Dat lieve kind, dat -lieve kind." - -Wat een vroolijk en gezellig dinertje was dat, dien middag. - -Grootvader was zoo echt opgewekt en plaagde Lottie en plaagde Wies -en plaagde Marietje en deed telkens een daverend gelach ontstaan. - -Aan het dessert verdween Henk opeens en na een poosje kwam Betje -gichelend binnen en zei, dat er een jongedame was om Wies te spreken. - -"Een jongedame?" vroeg Wies verbaasd. - -"Ze heit dit kaartje gegeven," gierde Bet, met haar schort voor haar -gezicht, om niet te laten zien, hoe ze lachen moest. - -Ze reikte Wies een klein, wit kaartje over, waarop te midden van een -rozenkrans stond te lezen: - -"De fee van den ring." - -Wies keek nog verbaasder van den een naar den ander. - -"We zullen die jonge dame niet langer laten wachten," zei Moeder en -droeg Betje op haar te verzoeken, binnen te willen komen. - -Betje ging, steeds lachend, zich van deze opdracht kwijten en eenige -oogenblikken later werd de deur weer geopend en wat zich daar op den -drempel vertoonde, deed een salvo van gelach ontstaan. - -Het was de lange gestalte van Henk, gedrapeerd in een wit laken, -waaronder uit zijn eenigszins bemodderde laarzen kwamen. Zijn -bloote, gespierde armen staken eigenaardig uit de witte kleeding, -in zijn eene hand, rood en met hier en daar een schram, hield hij -een met goudpapier beplakt staafje en in de andere een mandje met -bloemen, die vast al dienst hadden gedaan op een of anderen hoed, -ze zagen er tenminste tamelijk verkleurd en vuil uit. Deze fee, -zich niet storend aan het gelach, waarmee zij ontvangen werd, kwam -met vlugge trippelpasjes op Wies aan, waarbij ze groote moeite had, -niet te struikelen over het wat afzakkend laken. - -Ze had blijkbaar wat te zeggen, maar kon door het lachen van de anderen -niet aan het woord komen en vroeg dus dringend, of het gegichel nu -uit was. - -"Sst," zei Grootvader, "laten we nu stil zijn en hooren, wat deze -schoone uit het rijk der feeën ons te vertellen heeft." - -"Bij het woord "schoone" verslikte de fee zich blijkbaar, ze begon -ten minste geducht te proesten, maar al gauw was ze weer bedaard en -nam het woord: - - - "Gij uitverkoren menschenkind, - Door al de feeën teer bemind, - Gij geest, die leeft in hooger spheren, - U willen nu wij, feeën, eeren. - Wij hoorden van uw worsteling, - Zelfs in onz' bovenaardschen kring. - We zagen, hoe g'op uw potlood beet, - Tot 't arme ding er van versleet. - We zagen u loopen, op en neer, - Om wakker te blijven, keer op keer. - We hoorden uw wensch naar den prikkenden ring, - En konden u niet helpen aan zoo'n ding. - Want wij, arme feeën, zijn tamelijk machteloos, - Wij zijn zoo fijn en wonen in een roos...." - - -Hier brak een schaterend gelach onze fee af, die zoo fijn was en een -roos tot woonplaats had en Marietje vroeg, naar zijne vuile laarzen -wijzend: - -"Hebben jullie daar geen schoenpoetsers?" - -Een minachtende blik was alle antwoord. - - - "....en wonen in een roos," herhaalde de fee. - "Wij zijn voor de menschen te teer besnaard, - En de meesten zijn ons dan ook niet waard. - Maar als dan een enkel poëtisch kind, - Eens denkt aan ons, feeën, en ons bemint, - En over die heerlijkheid zit te droomen, - Dan is dat haar meestal slecht bekomen. - De standjes waren niet van de lucht. - Wij namen dan ijlings de vlucht, - En lieten een droevig schepseltje na, - Dat een straftaak moest breien voor haar ma. - Dat haar naalden liet ratelen, driftig en woest, - En zei, dat niemand meer breien moest, - In dezen tijd van beschaving en licht, - Je vroeg in den winkel wat kousen op zicht, - Dan hadt je ze te keus en te keur, - En dat breien, wat een vreeselijk gezeur. - In de ban dus dat werk uit vroeger tijden, - Wij willen ons aan kunsten en wetenschap wijden!" - - -"Bravo!" riep Lottie en Wies stemde mee in. - -Moeder schudde lachend het hoofd. - -"Henk, Henk, stook de meisjes niet op." - -Henk ging onverstoorbaar door: - - - "Dat meisje, waarvan ik zooeven sprak, - Was op 'n dag lang niet op haar gemak. - Ze had namelijk bijna haar broertjes verdronken, - De schapen waren al haast gezonken, - Toen ze nog net konden worden gered, - En vlug gestopt in 't warme bed." - - -"Dat's flauw," meende Lottie en Wies kreeg een kleur. - - - "Je ziet dus, van zonde was het meisje niet vrij, - Maar wie had er meer verdriet van dan zij? - Toen kreeg ze het in haar leuken knikker, - Dat ze veranderen wou, net als een kikker. - Die toch eerst meer lijkt op een visch, - Dan op een vorsch, als ik me niet vergis. - Nu, dat meisje bleek te weten wat ze wou, - Overgaan, dat was het, wat ze moest en zou. - De juffrouw, die ook nog zoo kwaad niet was, - Zou haar helpen en het meisje was in haar sas, - Niet zuinig hoor, dat zou best gaan, - Alle droomerijen joeg ze naar de maan, - En 't ging, ze rolde er schitterend door. - Een grapje was 't niet, dat zeg ik je hoor. - Maar ze deed nog meer, z' ontpopte zich in heldin, - Toen haar broertje het kreeg in zijn zin, - Om voor gebraden vleesch te spelen, - Of 't warm was, scheen hem niet te kunnen schelen. - Toen maakte ze vlug een eind aan dat spel - En redde het ventje uit den knel. - Dat alles vernamen de feeën met vreugd, - Ze hebben er zich innig over verheugd. - En daarom aan mij opgedragen, - Me tusschen de wreede menschen te wagen. - En deez' bloemen te strooien voor haar voet, - Opdat haar pad verder zij, glad en goed. - En den leelijken naam, die niet meer bij haar past, - Voor altijd te bergen in de kast. - Hoe zal ze dan nu voortaan heeten? - Dat dienen we dan toch te weten. - Wacht, daar schiet me wat in den zin, - Leve ons Wiesje, de heldin!" - - -Dat was me een gejoel en een pret, de een schreeuwde al harder dan -de ander: "Leve ons Wiesje, de heldin!" - -En Wies zelf? - -Die drukte krampachtig al de handen, die haar toegestoken werden en -liet zich kussen en kuste terug, terwijl hare wangen nat waren van -de tranen, die ze niet in kon houden. - -En toch was ze nog nooit zoo gelukkig geweest. - - - - - - - - -End of the Project Gutenberg EBook of Wies Ongeluk, by Felicie Jehu - -*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK WIES ONGELUK *** - -***** This file should be named 55477-8.txt or 55477-8.zip ***** -This and all associated files of various formats will be found in: - http://www.gutenberg.org/5/5/4/7/55477/ - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg - - -Updated editions will replace the previous one--the old editions -will be renamed. - -Creating the works from public domain print editions means that no -one owns a United States copyright in these works, so the Foundation -(and you!) can copy and distribute it in the United States without -permission and without paying copyright royalties. Special rules, -set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to -copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to -protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project -Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you -charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you -do not charge anything for copies of this eBook, complying with the -rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose -such as creation of derivative works, reports, performances and -research. They may be modified and printed and given away--you may do -practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is -subject to the trademark license, especially commercial -redistribution. - - - -*** START: FULL LICENSE *** - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project -Gutenberg-tm License (available with this file or online at -http://gutenberg.org/license). - - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm -electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy -all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. -If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project -Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the -terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or -entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement -and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic -works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" -or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project -Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the -collection are in the public domain in the United States. If an -individual work is in the public domain in the United States and you are -located in the United States, we do not claim a right to prevent you from -copying, distributing, performing, displaying or creating derivative -works based on the work as long as all references to Project Gutenberg -are removed. Of course, we hope that you will support the Project -Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by -freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of -this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with -the work. You can easily comply with the terms of this agreement by -keeping this work in the same format with its attached full Project -Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in -a constant state of change. If you are outside the United States, check -the laws of your country in addition to the terms of this agreement -before downloading, copying, displaying, performing, distributing or -creating derivative works based on this work or any other Project -Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning -the copyright status of any work in any country outside the United -States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate -access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently -whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the -phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project -Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, -copied or distributed: - -This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with -almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or -re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included -with this eBook or online at www.gutenberg.org/license - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived -from the public domain (does not contain a notice indicating that it is -posted with permission of the copyright holder), the work can be copied -and distributed to anyone in the United States without paying any fees -or charges. If you are redistributing or providing access to a work -with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the -work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 -through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the -Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or -1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional -terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked -to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the -permission of the copyright holder found at the beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any -word processing or hypertext form. However, if you provide access to or -distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than -"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version -posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), -you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a -copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon -request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other -form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm -License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided -that - -- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is - owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he - has agreed to donate royalties under this paragraph to the - Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments - must be paid within 60 days following each date on which you - prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax - returns. Royalty payments should be clearly marked as such and - sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the - address specified in Section 4, "Information about donations to - the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." - -- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or - destroy all copies of the works possessed in a physical medium - and discontinue all use of and all access to other copies of - Project Gutenberg-tm works. - -- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any - money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days - of receipt of the work. - -- You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm -electronic work or group of works on different terms than are set -forth in this agreement, you must obtain permission in writing from -both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael -Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the -Foundation as set forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -public domain works in creating the Project Gutenberg-tm -collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic -works, and the medium on which they may be stored, may contain -"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or -corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual -property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a -computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by -your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium with -your written explanation. The person or entity that provided you with -the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a -refund. If you received the work electronically, the person or entity -providing it to you may choose to give you a second opportunity to -receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy -is also defective, you may demand a refund in writing without further -opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER -WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO -WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. -If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the -law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be -interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by -the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any -provision of this agreement shall not void the remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance -with this agreement, and any volunteers associated with the production, -promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, -harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, -that arise directly or indirectly from any of the following which you do -or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm -work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any -Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. - - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of computers -including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists -because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from -people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. -To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation -and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 -and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. - - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive -Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at -http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent -permitted by U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. -Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered -throughout numerous locations. Its business office is located at -809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email -business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact -information can be found at the Foundation's web site and official -page at http://pglaf.org - -For additional contact information: - Dr. Gregory B. Newby - Chief Executive and Director - gbnewby@pglaf.org - - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide -spread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To -SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any -particular state visit http://pglaf.org - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. -To donate, please visit: http://pglaf.org/donate - - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic -works. - -Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm -concept of a library of electronic works that could be freely shared -with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project -Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. - - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. -unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily -keep eBooks in compliance with any particular paper edition. - - -Most people start at our Web site which has the main PG search facility: - - http://www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
