summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/53857-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/53857-8.txt')
-rw-r--r--old/53857-8.txt5875
1 files changed, 0 insertions, 5875 deletions
diff --git a/old/53857-8.txt b/old/53857-8.txt
deleted file mode 100644
index db890cf..0000000
--- a/old/53857-8.txt
+++ /dev/null
@@ -1,5875 +0,0 @@
-The Project Gutenberg EBook of Journael ofte gedenckwaerdige
-beschrijvinghe van de OostIndische Reyse van Willem Ysbrantsz. Bontekoe, by Willem Ysbrantsz. Bontekoe
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
-other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of
-the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have
-to check the laws of the country where you are located before using this ebook.
-
-
-
-Title: Journael ofte gedenckwaerdige beschrijvinghe van de OostIndische Reyse van Willem Ysbrantsz. Bontekoe
-
-Author: Willem Ysbrantsz. Bontekoe
-
-Editor: Godefridus Johannes Hoogewerff
-
-Release Date: January 1, 2017 [EBook #53857]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: ISO-8859-1
-
-*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK JOURNAEL ***
-
-
-
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg.
-
-
-
-
-
-
-
-
- JOURNAEL OFTE GEDENCKWAERDIGE
- BESCHRIJVINGHE VAN DE
- OOST-INDISCHE REIJSE VAN
- WILLEM YSBRANTSZ. BONTEKOE
-
-
-
- OPNIEUW UITGEGEVEN EN VAN AANTEEKENINGEN VOORZIEN DOOR
- Dr. G. J. HOOGEWERFF
-
-
-
- UTRECHT
- A. OOSTHOEK
- 1915
-
-
-
-
-
-
-
-INLEIDING.
-
-
-Voor den schrijver van deze Inleiding is de nieuwe uitgave van het
-Journael van Willem Ysbrantsz. Bontekoe het teruggrijpen tot een
-voorliefde van voorheen, die hij zich nimmer zal ontveinzen dat een
-voorliefde gebleven is.
-
-Wat hij met den herdruk van het eenmaal zoo populaire boekje vooral
-hoopt te bereiken is dit: dat ook de gansche Nederlandsche Natie zich
-tot die oude voorliefde zal terugwenden.
-
-Dat een boek, hetwelk door het voorgeslacht met ingenomenheid en
-bewondering werd gelezen--niet om zijn schoonen vorm, maar om zijn
-kloeken inhoud--blijvend in vergetelheid kon geraken, zou niet anders
-dan een zeer slecht teeken wezen voor ons tegenwoordige menschen. Het
-mag dan ook niet aangenomen worden.
-
-Zeer zeker zijn de merkwaardige lotgevallen van den manhaften Bontekoe
-in Nederland feitelijk nooit of nimmer vergeten; waardoor anders is de
-man en is zijn reis spreekwoordelijk geworden en gebleven? Dit boekje
-wil daarom niet anders dan de herinnering aan man en reis levendig
-houden. Terecht toch mag het "Journael ofte de Gedenckwaerdige
-Beschrijvinghe" als een soort nationaal-goed worden beschouwd.
-
-Wanneer ons in het einde der 17de eeuw de inhoud van de scheepskist
-van een kajuitsjongen wordt medegedeeld,--bevattende mede eenig goed,
-dat door de bemanning van zijn schip voor hem werd achtergelaten,
-op de onbewoonde kust waar hij zijns ondanks bleef,--dan wordt daar
-mèt het Nieuwe Testament ook de reis van Willem Ysbrantsz. Bontekoe
-vermeld [1].
-
-Heeft Bontekoe zijn verhaal voor ouden van dagen geschreven of voor
-jongen? Hij heeft het zeer zeker niet geschreven, opdat het gelezen
-d. i. gedrukt zou worden. Het dagboek is opgesteld in de eigenaardige
-trouwhartige taal van den zeeman, behelst de mededeeling van zijn
-lotgevallen zonder opsmuk hoegenaamd, en is daardoor boeiend voor
-iedereen.
-
-Zijn de daden van Bontekoe, gelijk die van een veroveraar der
-Zilvervloot, "groot" geweest? Was hij een zeeheld?--In zijn daden
-ligt niets buitengewoons. Wat hij ondernam was het bedrijf van den
-gewonen Oostindievaarder. Wat hem overkwam, had een ander evengoed
-kunnen overkomen. En tòch is hij een held om de wijze waarop hij het
-bedrijf uitoefende en om de wijze waarop hij zich door de moeilijkheden
-heensloeg. Schipper op zijn bodem, "naast God" zoo het heet, en vol
-vertrouwen, dat hij met Gods hulp alles te boven kan komen;--om er
-zich berustend in te schikken als geen middelen en niets mag baten;
-tot het bitter einde toe. Zoo is menige zeeman een held. Ook nu nog.
-
-Dat is niet alleen moed, niet alleen volharding, taaiheid, maar
-ook trouw en standvastigheid. Trouw aan een opdracht, trouw aan een
-taak, trouw aan zich zelf; maar ook trouw aan den Allerhoogste, die
-het immers leiden zal naar Zijn raad. Geloof maar, op het land, met
-beide de voeten op de veilige moederaarde, wordt vaak genoeg met het
-Eeuwige gespot en gespeeld, doch niet in een storm op de woedende zee:
-daar wordt ook de meest oppervlakkige zich zelf wel indachtig.--Heeft
-men wel eens opgemerkt, dat bij dreigend gevaar aan boord wèl bij de
-passagiers (de menschen van het land) maar nooit bij de echte zeelui
-een paniek voorkomt? De laatsten zijn gewend de verschrikking, ook
-de verschrikking van den dood, onder de oogen te zien.
-
-Wordt dat in de praktijk tot fataliteit?--Zeelui zijn uiteraard
-fatalisten, en altoos geweest. Doch het fatalisme van Bontekoe
-voert niet tot een modern pessimisme en een zuchtend bij de pakken
-neerzitten, maar tot een bijna blijmoedig vertrouwen in het welslagen,
-zelfs in uitersten nood. De Voorzienigheid zit ook niet stil! Doe
-dan wat je kunt om je er door te slaan! Al waar het op aankomt, is
-dat de gang er in blijft, en daarmee de moed, tot het einde toe. De
-rest zal zich wel vinden! Het eerste waarvoor een goed zeeman daarom
-bidden zal, is dan ook: Geef wind Onze Lieve Heer; we hebben zeilen!
-
-Het werkwoord "volhouden" is niet voor niets een der tallooze
-scheepstermen, die in onze spreektaal zijn overgegaan (--'t
-geen de klemtoon al leert; in tegenstelling met het oudere
-"volhárden"--). Eigenlijk zijn alle Hollanders, West-Friezen en
-Zeeuwen krachtens hun geboorte reeds zeelui, en krachtens hun idioom.
-
-Bijna zou ik lust gevoelen van de zeemanswoorden, die wij zonder
-het te weten onophoudelijk gebruiken, hier een lijstje te geven,
-doch het zijn er zoo vele, dat het werk in een beknopte inleiding
-als deze onbegonnen zou zijn. Zelfs Vader Vondel, om geen mindere
-onzer oude schrijvers aan te halen, deed er al druk aan mee. In een
-stuk als "Adam in Ballingschap", het treurspel aller treurspelen,
-zal men het allerlaatst scheepstermen verwachten, en toch verklaart
-Lucifer in het begin van het laatste bedrijf, Asmode toesprekende:
-"Het gaet naer onzen wensch; wij zijn dien hoeck te boven",--zooals een
-schipper, vergenoegd zich in de handen wrijvend, tot zijn stuurman zou
-zeggen, als het gelukt was voorbij een lastig punt op te tornen. En
-nog verrassender, als men er zich rekenschap van geeft, klinkt het
-honderd regels verder Adam zelf aan Eva te hooren toevoegen: "Gij
-smeet mij overstach";--alsof hij een pikbroek geweest ware, die zijn
-betere helft het hartig verwijt toevoegde;--van den zondenval nog wel!
-
-En toch, indien men Vondel gevraagd had, wat er voor gelegenheid in
-het Paradijs voor die twee geweest mocht zijn, om schuitje te varen en
-zulke "vaktermen" op te doen, hij zou met verwondering het antwoord
-zijn schuldig gebleven. Want stellig gebruikte hij de uitdrukkingen
-geheel onwilkeurig, zonder er zich iets maritiems bij te denken. En
-nu er precies 250 jaar verstreken zijn, sedert "Adam in Ballingschap"
-verscheen, staat het met de Nederlandsche Taal minstens nog net eender
-en wij achten haar--Vondels taal en de onze--er des te kernachtiger om.
-
-
-
-Zooals reeds werd gezegd, was de reis van Bontekoe de tocht van
-den gewonen "Oostindie-vaerder", geen bijzondere zending, geen
-ontdekkingsreis, of iets dergelijks. Wat aan Bontekoe overkwam, had
-eigenlijk aan iederen schipper evengoed kunnen overkomen; alleen niet
-iedere schipper zou er zich zóó doorheen hebben geslagen,--en zijn
-wedervaren zóó hebben neergeschreven. Niet alleen immers door het
-verbijsterende der lotgevallen, maar vooral ook door de wijze, waarop
-ze verhaald worden, is deze op zich zelf gewone reis buitengewoon
-geworden en beroemd.
-
-Reisbeschrijvingen uit de 17de eeuw, als volksboeken uitgegeven,
-meestal in het eigenaardige klein 4o formaat, dat in dezen herdruk
-ongeveer wordt nagevolgd, zijn er tallooze over. De exemplaren
-zijn meestal zeldzaam geworden, doch in verschillende onzer groote
-bibliotheken kan men er vinden. Uiteraard zijn deze verhalen zeer
-verschillend van waarde en van stijl. Er worden er aangetroffen, die
-in den pedanten rederijkerstrant zijn opgesteld, tot het eenvoudigweg
-in onhandige zeemans-bewoordingen neergeschreven dagboek toe. Gelukkig
-is het eerste een uitzondering en het laatste meer regel!
-
-Terecht wijst Prof. G. Kalff in zijn Geschied. der Nederl. Letterkunde
-(Dl. V, blz. 11) op het "onmiddellijke, dat dezen reisverhalen eigen
-is", en op den "kleinen afstand, die er blijkbaar ligt tusschen indruk
-en uitdrukking;--niet zelden voelen wij er het leven nog trillen ...."
-
-Inderdaad, zelden zijn deze verhalen dor; want zelfs al wist de
-ongeoefende hand de pen niet dan stroef te hanteeren, dan toch werd
-een voorval, dat voor den schrijver een bijzondere waarde had, in
-pittige taal neergeschreven; net zoo als het uit het hart kwam. Geen
-wonder dat later zijn lotgevallen onder de verschillende lagen van
-het volk vlijtige en aandachtige lezers vonden.
-
-Men moet niet vergeten, dat toenmaals de tochten naar die verre,
-nauwelijks bekende gewesten en werelddeelen nog veel grooter
-evenementen waren dan voor het tegenwoordig publiek de expedities van
-Shackleton, Amundsen en Scott! Niet alleen de wonderverhalen over die
-vreemde landen en volken trokken aan, maar men gevoelde ook zeer wel,
-hoe met die langdurige en gevaarvolle reizen het algemeen belang en
-de welvaart van het land gemoeid waren. Dat kan men van onze moderne
-en gefilmde pool-expedities niet zeggen! Men leefde veel meer dan
-nu van, maar ook voor de "negotie". Handel was voor den lande een
-kwestie van bestaan en de oorlog werd door ieder begrepen als een
-strijd om dat bestaan. Vandaar de groote en algemeene belangstelling
-in deze dingen. Dat vechten daarginds, zoo goed als het vechten aan
-de grenzen, had voor de bevolking heel wat meer te beteekenen dan
-een Atjeh-oorlog of Lombok-expeditie: Het ging er om!
-
-Bontekoe is allerminst stroef in zijn vorm. Hij bezit de natuurlijke
-gave, de dingen die hij beleeft op een pakkende manier neer te
-schrijven als hij op de maandenlange reis--die ook veel dagen van mooi
-en kalm weer had--rustig in zijn kajuit zich neerzette om zijn journaal
-uit te werken. Een kenmerk, dat ons vooral voor dezen verdienstelijken
-auteur inneemt, is wel dit: dat hij zich zijn verdienste nergens
-bewust blijkt. Hij schrijft maar voor het vaderland weg; doch schrijft
-voortreffelijk!--D. w. z. zijn stijl is allerminst wat men van proza
-sprekende "fraai" en "gevormd" pleegt te noemen, maar hij vertelt
-goed. En dat is een eigenschap, die wij Nederlanders druk bezig zijn
-te verliezen. Het is nog onlangs van bevoegde zijde uitgesproken:
-"een algemeen als goed erkend Hollandsch boek boeit zelden meer".
-
-Sommige der oude reisbeschrijvingen dragen het kenmerk door den
-uitgever te zijn bij- en omgewerkt, men kan zeggen "persklaar" te
-zijn gemaakt; doch met Bontekoe is dit niet het geval, hij had genoeg
-aan eigen kracht. Zoo is zijn dagboek een der meest aantrekkelijke
-voorbeelden geworden van het onopgesmukt, trouwhartig zeemans-verhaal,
-in den trant dien wij boven beproefden te kenschetsen, en almee een
-van de vroegste voorbeelden, als men bedenkt, dat de Nederlanders
-eerst kort voor 1600 vasten voet in Indië gekregen hadden en dat de
-Oost-Indische Compagnie pas in 1602 was opgericht. Wel opmerkelijk
-is het, uit een journaal als dat van Bontekoe weer eens te zien,
-hoe wij in 15 jaar ons gezag en onze relaties in de Oost reeds hadden
-uitgebreid. En van een leien dakje was dat toch alles behalve gegaan!--
-
-Zéér opmerkelijk is het bijv., dat Bontekoe na volbrenging van
-zijn rampspoedige, vermaard geworden heenreis te Batavia aankwam,
-toen die "stad" nog geen half jaar geleden door Jan Pietersz. Coen
-op de puinhoopen van het veroverde Jacatra gesticht was. (Men zie
-hierover nader den tekst.) De passage met de ontvangst bij den
-Gouverneur-Generaal behoort tot de meest wetenswaardige gedeelten
-van het journaal.
-
-
-
-Willem IJsbrantsz. Bontekoe, die in het jaar onzes Heeren 1618, den
-28sten December voor schipper met het schip genaamd "Nieu-Hoorn"
-van Tessel uitvoer, op zijn eerste reis naar Oost-Indië (zooals
-uit een plaats van 't journaal zelf blijkt),--was in 1587 te Hoorn
-geboren. Zijn naam is een van die kenmerkende "van's" die naar het
-uithangteeken of naar den gevelsteen van het huis, waar de familie
-woonde, zijn gegeven. Verder weten wij van hem alleen, dat hij twee
-broeders had Pieter en Jacob IJsbrantsz. Bontekoe, die beiden ook als
-schipper in dienst van de O. I. C. stonden. In 1623 waren alle drie de
-broers in Indië aanwezig en het schip van Pieter kwam onze Bontekoe
-in de Chineesche wateren toevallig te ontmoeten. Het wederzien wordt
-ons uiterst laconiek medegedeeld.
-
-Het is niet onmogelijk, dat Bontekoe na zijn "avonturelijcke reyse"
-nog meer tochten naar de Oost heeft gedaan, doch daarvan is ons niets
-bekend geworden. In zijn tijd was hij geen vermaard man, vóórdat eerst
-in 1646 zijn journaal door toedoen en op aandringen van den Hoornschen
-uitgever Jan Jansz. Deutel het licht zag. Doch mèt dit verschijnen was
-zijn populariteit dan ook op slag gevestigd, daar binnen verloop van
-één jaar van zijn "Avonturelijcke Reyse" behalve de oorspronkelijke,
-dubbele oplaag al drie nadrukken verschenen waren. Uit de opdracht,
-die Deutel aan de eerste uitgave liet voorafgaan, valt op te maken dat
-Bontekoe bij het verschijnen nog in leven was en te Hoorn, vermoedelijk
-in ruste, woonde. Het jaar van zijn overlijden ligt in duister.
-
-Al was Bontekoe aan den vasten wal geen gewichtig personage, aan boord
-van zijn schip was hij de man: de man waarop het aankwam, de bestuurder
-op de lange en moeilijke reis. Als gezagvoerder had hij niet alleen de
-"navigatie" te regelen, maar ook de tucht te handhaven. En dat ging
-in de 17de eeuw gemeenlijk streng toe!
-
-Echter, juist als het op handhaven van orde en tucht aankwam, schoot
-Bontekoe wel eens te kort en had hij het volk niet altijd geheel in
-zijn hand. Dit kwam door zijn goedmoedige natuur, die hem er soms
-toe bracht meer door overreding zich en zijn wil te doen gelden dan
-door streng commando. Hij was aan boord meer geliefd dan geducht,
-en dat heeft op zee nu eenmaal zijn bezwaren. Verschillende trekjes
-uit het journaal bewijzen deze tekortkoming, die echter de schrijver,
-naief als hij is, nergens tracht te verbergen. En toch was hij bij
-zijn goedaardigheid iemand van beslisten durf, in gevaar niet alleen,
-maar ook als hij zich niet ontziet kordaatweg te handelen zelfs
-vlak tegen het gevoelen van den "koopman" in, die toch de eigenlijke
-bestuurder was der onderneming en aan boord voor het welslagen der
-"zaken" even verantwoordelijk als de schipper voor het behoud van
-zijn bodem. Aan zijn goedmoedigheid en dapper zelfvertrouwen heeft
-Bontekoe feitelijk dan ook zijn populariteit te danken en zijn
-spreekwoordelijkheid. Een "reis van Bontekoe" is geen zaak die door
-allerlei misère op een mislukking uitloopt, maar een die ondanks
-alle zwarigheden en tegenspoed tot een goed einde wordt gebracht. En
-Potgieter, toen hij de "Liedjes van Bontekoe" dichtte, gaf daarin
-allesbehalve den gemoedstoestand weer van een sukkelaar en lafbek,
-doch veeleer van een man van goedgemutste courage.
-
-
-
-Het doel van deze uitgave is, als gezegd, een populair Nederlandsch
-werk populair te doen blijven. Daarom heb ik mij nóch in
-deze Inleiding, nóch in de Aanteekeningen op wat men noemt
-"wetenschappelijk" terrein begeven en ook niet op het terrein
-van de "Linschoten-Vereeniging", wier werken--voorbeeldig naar
-inhoud en naar vorm!--ten behoeve van een meer beperkten kring
-van lezers verschijnen. Het journaal van Bontekoe, hoezeer ook
-belangrijk om verschillende berichten die er in voorkomen, en om zijn
-nauwgezetheid in het algemeen, is historisch en geografisch niet van
-zoo buitengewoon groote beteekenis, dat het voor een onderneming als
-de "Linschoten-Vereeniging" (naar wij weten) voor herdruk vooreerst
-in aanmerking komt.
-
-Van geschiedkundig belang is in het Journaal van Bontekoe in de
-eerste plaats de passage over den mislukten tocht van de Hollanders
-om Macao op de Portugeezen te veroveren (in Juni 1622), en voorts
-het relaas van de daarop volgende stelselmatige rooftochten op de
-kusten van China, met beschrijving van de hardhandige en laat ons
-maar zeggen vaak onmenschelijke middelen door de onzen aangewend,
-om in die zeeën den toestand meester te blijven. Als er bij dit
-alles een stelregel in toepassing werd gebracht, dan was het die van
-Maarten van Rossum, want de absolute noodzaak van al dat branden en
-plunderen kunnen wij thans kwalijk inzien. Maar wij weten ook van
-elders, dat onze voorouders op zekere dingen nu eenmaal een ruwen
-kijk hebben gehad. Te beter kunnen wij het daarom begrijpen, dat de
-gekwelde Chineezen op wraak waren gezind en tot verraad hun toevlucht
-namen, waarbij de commandeur Christiaan Fransz. met een schipper en
-opper-koopman het leven lieten en voor ons een bodem verloren ging,
-die, in brand geraakt, met alle man in de lucht vloog.
-
-Door Bontekoe wordt over al wat er aan de monding der Chincheuw-
-of Kanton-rivier in November van 1623 is voorgevallen uitvoerig
-en met van zijn kant begrijpelijke verontwaardiging gesproken, en
-wat hij over het door hem in de jaren 1622-'25 beleefde verhaalt,
-is vooral van gewicht, omdat bij Tiele, in zijn vervolg op De Jonge's
-"Opkomst van het Nederl. Gezag in O. I." (2de reeks: Buitenbezittingen)
-over deze Chineesche expedities geen berichten of documenten worden
-gevonden [2].--Ook tien jaar vroeger was reeds door Cornelis Matelief
-de Jonge getracht Macao te vermeesteren en aan de rivier de Chincheuw
-(waar tegenwoordig ook Hongkong ligt) vasten voet te krijgen. In
-later tijd hadden wij in de stad Kanton zelf een "kantoor"; maar
-Macao bleef Portugeesch tot op dezen dag.
-
-Het laatste stuk van Bontekoe's Journaal ten slotte, handelend over
-de thuisreis met het schip Hollandia, behoort niet tot de minst
-onderhoudende gedeelten van het boek, dat tevens nog waarde bezit
-wegens een aantal er in voorkomende "personalia". Zoo lezen wij over
-den levensloop van Frederik Houtman verschillende bijzonderheden en
-is van Willem Cornelisz. Schouten, stadgenoot en vriend van Bontekoe,
-meermalen sprake. Wij worden aan het slot ingelicht, hoe deze laatste
-in de Baai van Antongiel, op Madagascar, in het voorjaar van 1625
-kwam te overlijden, en vernemen den dood van den commandeur Cornelis
-Reijersz. (10 April van dat jaar), onder wien Bontekoe aan den tocht
-naar China had deelgenomen.
-
-
-
-Overeenkomstig het uiteengezette doel van deze uitgave, zijn de
-voetnoten onder de bladzijden sober gesteld; niet geleerd of
-taalkundig, maar enkel toelichtend. Nochtans mag hierbij niet
-uit het oog worden verloren, dat journalen als dat van Bontekoe
-ook in filologisch opzicht van de grootste beteekenis zijn: ten
-eerste wegens hun woordkeus en verder wegens tal van grammaticale
-eigenaardigheden. Uit dit soort volksboeken, evenals uit de
-kluchtspelen, leert men de volkstaal der 17de eeuw, d. i. de echte,
-levende taal het best kennen. Taalkundigen kunnen een tekst als deze
-met veel vrucht tot terrein van onderzoek maken.
-
-De spelling is naar den eersten druk getrouw gevolgd, waarbij van
-het eenig mij bekende exemplaar in de Universiteits-Bibliotheek te
-Leiden een recht dankbaar gebruik werd gemaakt. Deze oorspronkelijke
-spelling toch is al te kenschetsend om haar op te geven en voor
-den lezer is zij eerder aantrekkelijk dan bezwaarlijk. Hier zou de
-verminking te minder gerechtvaardigd zijn geweest, daar niet zelden
-juist de spelling aanwijzingen geeft, die voor de geschiedenis
-onzer taal van belang zijn. Zoo bijv. waar de Westfries Bontekoe
-(of liever zijn Westfriesche zetter) met het onderscheiden van "y"
-en "ij" een verschil in uitspraak schijnt aan te willen duiden. Door
-moderniseering zou de tekst kleurloos en onbruikbaar zijn gemaakt.
-
-Hier en daar werd een drukfout verbeterd en de interpunctie moest,
-terwille van de meerdere duidelijkheid, op vele plaatsen worden
-gewijzigd. Behalve een nieuwe alinea af en toe, moest vooral de
-punt-komma meermalen worden ingevoerd, om de al te lange zinnen, die
-toch één volzin vormen, te breken. Er was geen reden de onbeholpen en
-soms stellig verkeerd geplaatste leesteekens van het oude volksboek
-over te nemen, zoomin als de door den zetter al even onregelmatig
-gestrooide hoofdletters werden behouden; een en ander overeenkomstig
-de regels welke voor het herdrukken van oude teksten als deze van
-meest bevoegde zijde zijn vastgesteld. 't Kan toch kwalijk nut hebben
-een journaal als dit z.g. diplomatisch te gaan afdrukken! Dan zou men
-ook de vette en voor velen moeilijk leesbare gothische letter van het
-origineel weer moeten gaan toepassen. Daar in dat "Duitsche" type,
-zou dan meteen de kapitaal van de zelfstandige naamwoorden zich weer
-in zijn element voelen; maar in onzen modernen druk is die alleen
-leelijk en storend.
-
-Het journaal van den tocht door commandeur Dirk Albertsz. Raven in
-1639 naar Spitsbergen gedaan, welk journaal door Deutel en latere
-uitgevers achter de Reis van Bontekoe geregeld werd afgedrukt,
-is hier weggelaten. De inhoud daarvan is zeer zeker de aandacht
-waard, doch staat met de lotgevallen van den Hoornschen schipper
-in geenerlei verband. De kleinere stukjes, welke hij op de laatste
-bladzijden van zijn oplagen deed afdrukken (t. w. samenvattingen van
-andere reisverhalen) zijn evenmin opgenomen. Zij dienden, behalve als
-bladvulling (juister: "vel-vulling"), enkel om de aandacht van het
-publiek op vroeger verschenen uitgaven te vestigen en de leesgierigheid
-te prikkelen. Als zoodanig zijn zij alleen als boekaankondigingen
-te beschouwen. Het voornaamste en uitvoerigste dezer stukjes is het
-"Kort Verhael uyt het journael van de personen die op Spitsbergen
-in het overwinteren ghestorven zijn; anno 1634". Dit aangrijpend
-journaal verdient niet in extract maar, te zamen met de twee andere
-dergelijke verhalen van overwinteringen, in zijn geheel te worden
-uitgegeven. Mogelijk in deze serie. Hieraan zou dan het journaal van
-Raven zeer geschikt kunnen worden toegevoegd.
-
-Ik eindig deze inleiding met mijn meest hartelijken dank uit te spreken
-aan het Bestuur van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde
-en in het bijzonder aan Prof. Dr. G. Kalff en Dr. G. J. Boekenoogen,
-leden der Commissie voor Taal- en Letterkunde, voor alle ondervonden
-steun en medewerking, waardoor mij het voorbereiden van deze uitgave
-zooveel gemakkelijker werd gemaakt. Voor verschillende aanwijzingen
-mij verstrekt blijf ik hun hoogst erkentelijk. De herdruk werd op
-voorstel en op aanraden van Prof. Dr. J. W. Muller het eerst in
-overweging genomen.
-
-In deze nieuwe uitgave zijn, behalve het portret van Bontekoe, ook
-alle de platen, zooals zij in het oorspronkelijke journaal voorkomen,
-op werkelijke grootte afgedrukt; terwijl evenzoo het titelblad van het
-Leidsche exemplaar, waarvan de tekst aan dezen herdruk ten grondslag
-is gelegd, hiertegenover in een even getrouwe weergave is afgebeeld.
-
-Een beknopt overzicht van de oude uitgaven, welke van Bontekoe's
-"Avonturelijcke Reyse" bekend zijn, wordt achter in dit deeltje
-gevonden.
-
-
- G. J. H.
-
-
-
-
-
-
-
- IOVRNAEL
-
- OFTE
-
- Gedenckwaerdige beschrijvinghe
- vande Oost-Indische Reyse van
- Willem Ysbrandz. Bontekoe van Hoorn.
-
- Begrijpende veel wonderlijcke en gevaerlijcke saecken hem daer in
- wedervaren.
-
- Begonnen den 18. December 1618. en vol-eynt den 16. November 1625.
-
-
- Te Hoorn. Ghedruckt by Isaac Willemsz.
- Voor Ian Iansz. Deutel, Boeck-verkooper op 't Oost in Biestkens
- Testament / Anno 1646.
-
-
-
-
-
-
-
-TOE-EYGENINGE.
-
-
-Achtbare, Erentfeste, Wijse, seer Voorsienige Heeren, de Heeren
-BEWINT-HEBBERS van de OOST-INDISCHE Compagnie ter Camere van HOORN [3].
-
-MYNE HEEREN.
-
-
-Plato heeft (volghens 't ghetuygenisse Ciceronis in sijn Officiis,
-Cap. 6.) heel suyverlijck geschreven, dat de mensch niet alleen voor
-sich selfs gheboren is, maer dat het Vaderlandt, Ouders en Vrunden
-yder een deel rechts tot hem heeft. Welcke spreucke soo klaer door
-de Nature bekrachtight wordt, dat yder (soo hij maer gheen monster
-of misdracht is) in sich selfs daer van de waerheydt kan bespeuren:
-want wie voelt niet in sich een onwederstandelijcke drift en treck tot
-sijn Vaderlandt, Ouders en Vrunden, 't welck hem op 't krachtighste
-openbaert, als laster, smaet, hoon of lijden over deselfde wordt
-uytgestort; soo dat onse geldt, onse goedt, jae, ons eyghen leven
-ons soo lief niet en is als de eere en het welvaren van een der
-selfder. 't Welck door veel exemplen tot allen tijden klaerlijck heeft
-ghebleecken. Want wat sijnder al middelen aenghewent, om de eere des
-Vaderlandts te bevorderen en te bewaren, en de geboortplaetse door een
-soete gheheugenisse van dappere daden naemkundigh te maecken, tot het
-welcke de beschrijvinghe der selver daden gheen kleyne behulpmiddel
-is: overmidts alle loffelijcke en gedenckwaerdighe wercken, die door
-yemandt worden uytgherecht, souden door de tijdt van geen geloof,
-of t' eenemael uyt de gedachtenisse der menschen uytgewischt worden,
-soo die door 't beschrijven niet en wierden bewaert en verbreydt. Om
-gheen oude en langhvoorledene gheschiedenissen op te halen, wat souden
-wy en onse nakomelinghen doch voor ontwijffelijcke waerheydt konnen
-weten, hoe wonderlijck dat Godt dese Landen en Steden, jae besondere
-inwoonders gheholpen en gereddet heeft uyt de verdruckende handen
-haerder vyanden, indien hetselfde niet en was beschreven door de
-vlijt van eenighe aenmerckende verstanden.--'t Is dan niet eene van
-de minste waerteyckenen van danckbaerheydt en plichtsquijtingh aen
-sijn gheboortplaetse, de wonderlijcke ende loffelijcke wercken en
-bejegeningen, die sijne medeburgheren ghedaen of ontmoet zijn, door
-'t beschrijven sorghvuldigh de nakomelingen nae te laten. Ick dan (die
-van jonghs af ben genegen gheweest om op te speuren, te lesen en te
-verstaen de gheschiedenissen, die door onse Hoornsche inboorlinghen
-waren uytgherecht, of die haer of de hare zijn wedervaren) hebbe
-niet konnen naelaten (om oock niet te vervallen inde faute van
-ondanckbaerheydt tegens mijn geboortplaets) eenige der selfder (de
-memorie waerdigh zijnde) aen te teeckenen, om die de vergetelheydt
-als ontroovende, by gelegentheydt in 't licht te geven.
-
-Onder anderen is mij, die al eenighe jaren daer mede besich
-ben gheweest, oock ter handt gekomen de beschrijvinge van dese
-gedenckweerdighe Oost-Indische Reyse van Willem Ysbrandtsz. Bontekoe,
-dewelcke by hem de vergetelheydt al scheen opgeoffert te wesen, maer
-ick die doorlesende, bevondtse waerdigh te zijn, dat sy by ons en
-onse naekomelingen in eeuwighe gedachtenisse behoorde te blijven. Ick
-versocht daerom aen hem die te mogen laten drucken, tot het welcke
-hy niet wel gesint was, eensdeels omdat het bynae als vergeten en
-door de tijdt oudt gheworden waer, anderdeels omdat hy die niet
-met sulcken stijl en hadde beschreven, bequaem, nae sijn meninghe,
-om gedruckt te mogen worden. Eyndelijck, nae veel vriendelijcke
-versoeckinghe en aenmaninghe van eenighe sijnder goede vrienden,
-bewillighde hy het selfde. Welcke beschrijvinghe ick met eenighe
-figuren verciert hebbende, datelijcken onder de parsse bracht. En
-dewijle dat men in alle saecken een yder het sijne behoort te gheven,
-kond' ik niet anders oordelen, als dat het billick was, dat ick uwe
-E. E. dit selfde opdroegh en toe-eygende, door dien dat dese Reyse
-meest onder uwe E. E. bewint en opsicht is gheschiedt, waer over
-(indien daer uyt eenige geheugenisse tot eere van onse Vaderlijcke
-Stadt op de nakomelinghen sal overblijven) voor vast te stellen
-is, dat uwe E. E. daer van, naest Godt, een groot deel toebehoort,
-zijnde maer als een thiende van 't gene op uwe E. E. acker ghewossen
-is. Versoecke daerom eerbiedelijck uwe E. E. ghelieve dese mijne moeyte
-en opdracht met een gunstigh oogh te ontmoeten, meer siende met den
-coningh Artaxarxes (die van een huysman een dronck waters ontfingh)
-op het herte als op de gave.
-
-
-
-'t Welck doende, sult my hooghelijck verplichten om altijdt te blijven
-dien ick ben
-
-
- Uwe E. E. Dienst-schuldigen
-
- JAN JANZ. DEUTEL.
-
-In Hoorn, den 16 Julij 1646.
-
-
-
-
-
-
-
-VOOR-REDEN AEN DEN LESER.
-
-
-Gunstighe Leser, wy sien door ervarentheydt, dat, gelijck alle
-menschen eenderhande kost niet even wel smaeckt, oock alle boecken een
-yder niet even aengenaem zijn: d' een heeft vermaeck in dese, en d'
-ander in die stoffe te lesen; elck heeft sijn besondere neygingh. En
-gelijck de onderscheyde oeffeningh onghelijcke boecken ter wereldt
-brenght, soo vinden sy oock altijdt haer ghelijcksinnige lesers. Ghy
-dan, die vermaeck schept in 't lesen van gedenckweerdige reysen en
-wonderlijcke gheschiedenissen ('t welck onder alle wel een van de
-soetste tijdt-kortinghen is) leest dese naevolgende beschrijvinghe
-van W. Y. Bontekoe. 'k Vertrouwe, dat ghy uw tijdt niet qualijck sult
-besteet achten. 't Is juyst stoffe nae uw' lust. Want hebt ghy u oyt
-vermaeckt of verwondert in 't lesen van de reysen van Linschoten,
-Heemskerck, Olivier, Spilbergen, Schouten en andere, dese geschiedenis
-sal u geen minder vernoeghen geven, overmidts die in sich begrijpt
-veel verwonderenswaerdige saecken [4]. 't En zijn geen beuselen noch
-droomen Luciani of Pantagorae [5], noch geen fabuleuse verhalinghen van
-monsters, vreemde maecksels van menschen, als een-voetige, een-oogighe
-en sulcke die sonder hooft de oogen en mondt in de borst hadden,
-en anders, waermede onse voor-ouderen (door eenige licht-geloovige
-schrijvers) verleydt zijnde tot verwonderinge wierden gebracht
-[6]. Noch dese beschrijvinghe is niet van hooren segghen (ghelijck
-men seydt), neen, maer komt uyt selfs-ondervindinghe, verhalende wat
-wonderen dat Godt aen den autheur self, als oock aen dieghene die by
-hem waren, bewesen heeft. Want wie en sal sich niet op het hoochste
-verwonderen, wanneer hy leest, hoe dat een mensch (daer het dickwils
-soo haest mede ghedaen is) door soo veel ghevaer en teghenspoedt,
-jae soodanighe waerin het hopen nae eenighe uytkomste scheen te
-zijn als wanhopen, door des Heeren genade is ter behouder plaets
-ghebracht. Doch alsoo ick vertrouwe den leser meer lust te hebben nae
-het verhael self, als langher van my met reden opghehouden te worden,
-wil daerom hiermede afbreecken, alleen dit noch segghende: Dat soo den
-leser in de stijl of maniere van segghen yets vindt, dat soo niet en is
-als de volmaecktheydt wel soude vereysschen, bidde daerin den autheur
-te verschoonen, want sijn oogh-wit in 't beschrijven van dese sijne
-reys is meer op waerheydt als op cierelijckheydt van segghen geweest.
-
-
-
-Hier mede vaert wel.
-
-
-
-
-
-
-
- SONNET.
-
- Op de beschrijvinghe van de ghedenckweerdighe
- OOST-INDISCHE REYSE
- VAN DEN VERMAERDEN SCHIPPER
- WILLEM YSBRANTSZ. BONTEKOE.
-
-
- Wanneer men somtijdts hoort verhalen wonder saecken,
- Elck luystert met opmerck en 't klinckt ons vreemt in 't oor,
- Doch twijffelingh verselt dickwils het goedt gehoor
- Door dien des waerheydts glants gespaert werdt veel te vaecken;
- Maer hier is d' eygen man, die selfs dit boeck gaet maecken,
- En wat hem is gebeurt stelt hy hier klaerlijck voor,
- Hoe Godt hem heeft bewaert, hoe hy sijn schip verloor,
- Verbrande, vloogh omhoogh, door 't kruydt, met yslijck kraken.
- Koopt, siet en leest dit boeck, wat p'rijckel, tegenspoed
- Dees schipper op sijn reys soo dickwils is ontmoet,
- Eer hy sijn Vaderlandt met lief mochte aenschouwen,
- Hoe hy als Elias ghespijst is en gevoedt,
- Hoe wonderbaer dat Godt op 't onvoorsienst behoedt,
- Sijn goedigheydt bewijst al die op hem betrouwen,
- Laet dit u spiegel zijn die d'Oceaen moet bouwen.
-
-
- I. B. BERCKHOUT. [7]
-
- De waerheydt boven.
-
-
-
-
-
-
-
- KLINCK-DICHT.
-
- Op de wonderlijcke Reyse van W. Y. B.
-
-
- Nieusgierigh volck, dat stof soeckt tot verwonderingh,
- Waer toe te rugh gesien wat in voorleden jaren
- Wtheemschen is gebeurt of vreemts is wedervaren!
- Ziet hier hoe Bontekoe beschrijft hoe zonderlingh
- Dat Godt hem heeft bewaert en in zijn hoede nam,
- Toen 't scheen of 't water haer [8] al t' zamen zoud' vernielen;
- Hoe wonderlijck, toen 't schip met meer als hondert zielen
- Door 't vuur aen stucken sprongh, hy 't ongeval ontquam.
- Hoe dat hy, met de boot, geberght wordt; hoe sy swerven
- Alleen op Godts gena en 's levens noodtdruft derven;
- Hoe Godts almogentheydt de visschen uyt de zee
- Doet springhen in de boot, en vogels in haer handen
- Doet vliegen; hoe dat sy by moordenaren landen
- En hoe, nae veel gevaer, hy komt op Hoorens-Reê.
-
-
- A. P.
-
-
-
-
-
-
-
- Op 't Journael van W. Y. BONTEKOE.
-
-
- Hoe sonderlingh de Heer de menschen kan bewaren
- In 't uyterste gevaer des levens over al,
- Blijckt middagh-klaer aen 't geen dat Bontekoe weervaren
- En andren is, soo u dit boeck vertoonen sal.
- Komt hier die wonder-vreemd' histoorjen soeckt te lesen;
- Leest dit Journael, 't magh wel geplaetst by d' andre wesen.
-
-
- I. F. S.
-
-
-
-
-
-
-
- Op de beschrijvinghe van W. Y. BONTEKOE.
-
-
- Wat voordeel geeftet aen 't gemeen,
- Dat yemandt heeft veel ramps geleen,
- Dat hy door allerley ghevaer
- Heeft langh gesuckelt hier en daer,
- En wonderlijck door Godts bestier
- Geredt uyt water, moordt en vyer,
- De doodt ontworstelt voor een tydt,
- En noch in rust sijn jaren slijt;
- Soo niet de pen tot meerder nut,
- Noch vande druck-konst onderstut,
- Dit aen de Werelt bracht in 't licht;
- 't Welck yder met vermaecken sticht,
- Waer uyt oock de nakomelingh
- Mach weten sulck een wonder-dingh,
- En leeren, dat des Heeren handt
- Is krachtigh boven 't aerdtsch verstandt.
-
-
- I. W. P.
-
-
-
-
-
-
-
- VERHAEL
-
- van de AVONTURELIJKE REYSE van
- WILLEM YSBRANTSZ. BONTEKOE
- van HOORN.
-
-
-In 't Jaer ons Heeren 1618, den 28. December, ben ick, Willem
-Ysbrantsz. Bontekoe van Hoorn, Tessel uytghevaren voor schipper,
-met het schip ghenaemt: Nieu-Hoorn, ghemant met 206 eters, groot
-ontrent 550 lasten, met een Oosten-Wint [9].
-
-Den 29. dito sijn wy de Hoofden gepasseert.
-
-Den 30. dito 's avondts Poortlandt ghesien, de wint noch al
-Oostelijck. Den 31. dito Pleymuyen ghepasseert [10].
-
-Den eersten Januarij 1619 passeerden wy Enghelandts-End, de wint noch
-als vooren, stelden onse koers S.W. ten S. in zee.
-
-Den 2. dito liep de wint S.O., stelden onse koers S.S.W. met stijve
-koelte.
-
-Den 3. dito liep de wint Zuyden met stijve koelte, liepen W.S.W. aen.
-
-Den 4. dito liep de wint S.W. met een aennemende harde wint, soo dat wy
-de marsseylen mosten innemen. 's Nachts begon het soo stijf te waeyen,
-dat wy de fock innamen, en liepen al Westwaert over, met een seyl.
-
-Den 5. dito, 's nachts, kregen wy drie worpen waters in, dat het
-bovenste boeve-net bykans half vol waters was; waer door het volck
-begon te roepen: "wy sincken, wy sincken, de boegh-poorten sijn op"
-[11]. Ick dat hoorende liep metter haest nae vooren in 't galjoen,
-ende bevondt dat de boegh-poorten noch toe waren; riep derhalven: "wy
-hebben gheen noodt", en sey: "knap-handigh een man nae d'urck [12] en
-besiet of er geen water in 't ruym is". 't Welck datelijck gheschiede,
-doch bevonden geen water in 't ruym; stelden daerom datelijck ordre om
-het water uyt te baliën met leeren emmers. Maer het volck haer kisten,
-door 't rumoer van 't water, schobbelden en dreven heen en weder,
-dat men qualijck schrab konde komen om te baliën. Waren derhalven
-genootsaeckt de kisten met koevoeten in stucken te smijten [13];
-kreghen als doen ruymte om te baliën en raeckten daardoor, met Godts
-hulpe, het water quijt. Dreven doen sonder seylen, doch het schip
-slingerden soo geweldigh, dat wy genootsaeckt waren het seyl weder
-by te setten, om 't slingeren van 't schip wat te stutten. Leydent
-al Westwaert over; het weer was heel onstuymigh, met reghen, dat het
-scheen dat de lucht ende zee aan malcanderen vast en de gansche zee
-brandende was [14].
-
-Den 6. 7. en 8. dito wast noch al [15] quaedt weder, vermenght met
-reghen; saghen dien dagh een groote menighte mieuwen, daer door ons
-vermoeden was, dat wy by het Eylandt Brasil waren, soo der sulcken
-Eylandt is; doch saghen het niet [16]. Halsden dien selfden dagh om en
-leyden de steven Oost-waert over [17], de wint was ontrent W.S.W. al
-met ongestuymigh weder, en alsoo de storm langh geduert hadde en noch
-niet op en hiel, soo is eyndelijck door 't geweldigh slingeren van 't
-schip en door 't recken van onse groote want (alhoewel wy het tot twee
-plaetsen gheswicht hadden) onse groote mast gebroocken, ontrent vijf
-vadem boven het boevenet [18]. Door deze breuck of krack vreesden wy,
-dat wy de mast gheheel souden verlooren hebben; resolveerden daerom
-onse groote stengh door te schieten [19] om, waert mogelijck, de mast
-noch staende te houden, terwijl onse reys daer aen gheleghen was, want
-indien de mast overboort geraeckt hadde, souden genootsaekt geweest
-hebben wederom nae 't vaderlandt te loopen; doch kregen met groote
-moeyten en ongelegentheyt de stengh door en lieten het onderste end
-vande stengh door 't bovenste boevenet schieten, en woelden de stengh
-alsoo tegen de mast aen, waer door hy (tot onser aller blijdtschap)
-alsdoe vast stondt [20]. Dese storm duerde tot den 19. dito toe; leyden
-'t dan West-waert dan Suyd-waert over, nae dat de wint schevielde [21].
-
-Den 20. dito worden het moy stil weder, en terwijle wy in stilte dreven
-woelden wy onse mast wel vast, en taliden onse groote want stijf aan
-[22], en haelden het groote marsseyl uyt de mars, met de marsse-ree,
-en stelden dat inde plaets van ons groot seyl, en setten de bramstengh
-op, in plaets van onse groote stengh, en voerden het bramzeyl daer
-aen, soo dat wy doen alle dingh weder klaer maeckten om te seylen en
-onse reys te vervorderen [23]. Stelden onse koers nae de Canarische
-Eylanden, S.S.W. aen; hadden de wint ontrent S.O. met moy weer en
-raeckten door de bequaemheydt van 't weer te met weder op onse stel.
-
-Den 21. dito sagen wy, achter uyt, een zeyl, dat sijn best deed (soo
-wy merckten) om by ons te komen; worpen het op de ly en wachten hem
-in. By ons komende wast een Oostindisch vaerder, die den 29. December
-1618 uyt Zeelandt was gheseylt, daeghs na dat wy uyt Tessel liepen. Sy
-waren heel kant [24] en haperde niet; hadden door de storm gheen
-schade gheleden. Het schip was genaemt Nieu-Zeelandt, des schippers
-naem was Pieter Tijssz. van Amsterdam; hadden doen goed compagnij
-aen malkander, wy seylden ten naesten by soo hard als hy, al schoon
-'t ons aen de zeylen haperde, als verhaelt. De koers was als vooren.
-
-Den 23. dito saghen wy noch een zeyl aen stuerboort uyt; liepen daer
-nae toe en vernamen dat het het schip Enchuysen was, dat met ons
-was uytgeloopen, mede gedestineert om nae Oost-Indien te gaen. De
-schipper was ghenaemt Jan Jansz. van Enchuysen. Waren als doe met
-ons drie schepen in compagny; voeren malcanderen aen boort te gast,
-en vertelden yder sijn wedervaren. Hielden de koers noch al nae
-de Canarische Eylanden, die wy in 't gesicht kregen en passeerden;
-hadden de wint S. O. met moy weer, voerden onse marsseyls in top,
-sochten het eyland St. Anthoni aen te treffen om ververssinge te
-bekomen [25], doch konden het niet in 't gesicht krijgen door de
-groote mist en reghen; stelden derhalven om de seeckerheydt onse
-koers nae het eylandt Ilje de May, of Ilje del Foege toe [26]. Daer
-ontrent ghekomen sijnde wierd het stilletjes met variabele winden,
-en mosten laveren eer wy daer aen quaemen; raeckten doe van onse twee
-mackers af, alsoo sy aen Ilje de May en wy aen Ilje del Foege raeckten,
-welcke eylanden niet verre van malkander leggen.
-
-By het eylandt komende konden geen anckergrondt vinden; liepen dicht
-onder 't landt inde calmte. Wy hadden ettelijcke kleyne masten en
-spieren uyt Hollandt mede ghenomen; haelden die voor den dagh, voerden
-die achter tot de poort uyt, en haeldense in 't schip. Een spier van
-14 palm saeghden wy middendoor [27], maeckten daer twee wanghen af,
-leyden die (neven noch twee andere wanghen) op onse mast, 't welck onse
-mast zoo sterck maeckten als hy te vooren geweest hadde. Ondertusschen
-sonden wy onse sloep nae landt om te visschen; dicht onder 't landt
-komende quamen de Spanjaerts met geladen musschetten op strand en
-schoten nae onse sloep toe, te kennen gevende dat sy ons volck niet
-aan landt begheerden te hebben; quamen alsoo met de sloep wederom aen
-boort, mede brengende weynigh vis, die sy noch gevanghen hadden. Waren
-ondertusschen noch al besich met woelen en wangen van onse mast. De
-mast klaer sijnde, setten onse stengh daer weder op, en kregen alle
-dingh weder klaer en kant, daer over wy al te samen seer verblijdt
-waren, want onse mast stond weder soo fray dat het een lust was. Hy
-was bynae soo dick als een pijlaer van een kerck. Raeckten dien avondt
-wederom uit de calmte van 't voorschreven eylandt, stelden onse koers
-om de Linie Aequinoctiael te passeren.
-
-'t Gebeurde terwijl wy onder dit eylandt lagen, dat sulcken stof van
-'t landt quam, even gelijck oft as van vyer gheweest ware, en stoof
-soo dicht aen 't want van 't schip, dat het want soo wit was of het
-met witte as bestooven was. 's Anderen daeghs 's morgens, doen de
-kock vroo-kost hadde geschaft [28], sagen wy twee seylen in ly achter
-uyt, lieten onse marsseylen loopen [29] en hielden daer nae toe. Daer
-bykomende warent onse twee mackers, te weten 't schip Nieuw-Zeelandt en
-'t schip Nieuw-Enchuysen, die by de eylanden Ilje de May en Ilje del
-Foege by nacht van ons gheraeckt waren; waren seer verblijdt, voeren
-malkander aen boort, vertelden malcander ons wedervaren. Sy verhaelden
-ons, dat sy aen landt hadden gheweest op Ilje de May om te verversen,
-doch hadden niet konnen bekomen en hadden twee man verlooren, die
-van de Spanjaerts doodt gheslaghen waren, waer van den eene van Hoorn
-was, ghenaemt Ysbrant Dirckz. Hadden een S. O. wint; hielden noch al
-koers nae de Linie Aequinoctiael. Onder de Linie komende werdt het
-stil, hadden somtijdts oock harde travaden [30] met regen en wint,
-hadden de wint altemet uyt alle boeghen, soo dat wy drie weecken t'
-soeck brachten eer wy de Linie Aequinoctiael konden passeeren. Het
-was by nacht altemet of de gantsche zee vyer was, soo pruysten de zee,
-en schenen voncken vyers te zijn, die voor van de boegh van 't schip
-af stoten, en by daegh hiel het op; waren over dat (meer als gemeen)
-vyeren des zees altesamen seer verwondert. Stelden onse koers om boven
-de Abriolhos te seylen [31]; hadden een S. O. wint. By de Abriolhos
-komende stilde de wint; vreesden derhalven wy daer niet boven souden
-mogen [32], doch te met naderende, ruymde de wint handt over handt,
-liepen evenwel daer soo dicht by langhs dat wy de uytterste eylanden
-sagen; raeckten alsoo (met Godts hulpe) daer boven, waren daer over
-altesamen seer verblijdt, want hadden wy 't moeten wenden, soude een
-langhe reys gevallen hebben, met perijckel om veel sieck volck te
-krijgen. Wy gaven het volck dien dagh dubbelt rantsoen van eten en
-aen yder bacx-volck een flap-kanne Spaensche wyn [33]. Setten doe onse
-koers nae de eylanden van Tristandeconde [34]. En nae dat wy ettelijcke
-dagen geseylt hadden, kregen wy de hooghte van de selfde eylanden,
-doch en sagense niet. Kregen een N.W. wint, liepen doe Oostelijck aen
-om de Caep de Bonesperanse aen te doen. En nae dat wy een tijdt langh
-die koers hadden gehouwen, sagen wy swart ghesprenckelde mieuwen,
-vinghender altemet, met houtjes, die wy met een velletje van een
-reusel overtogen, met hoecken daer aen, en haeldense in 't schip
-tot tijdt-kortinge.
-
-Het sien van deze voorschreven mieuwen is een teycken dat men de
-Caep de Bonesperanse is naeckende, want sy volghden ons tot de Caep
-toe. Maer dit is een onfeylbaer teycken om de Caep te sien, of om te
-weten dat ghy daer ontrent zijt, te weten: Als ghy met de peylinghe
-van 't compas bevindt, dat het compas recht Suyen en Noorden houdt
-[35], siet dan uyt nae landt. Wy dit proevende sagen het landt, te
-weten de Caep de Bonesperanse, doch waeyden soo stijf uytten Westen,
-dat wy met een ghebolde fock liepen [36]; dorsten het landt niet
-aendoen. Vergaderden derhalven de scheepsraedt en resolveerden, dat
-wy de Caep verby souden seylen, door dien dat wy altemael noch gesont
-volck hadden en geen water ghebreck; lietent daerom deur staen en
-voort loopen. Dit was in 't laetste van de May, wesende vijf maenden
-nae dat wy uyt Hollandt seylden.
-
-Wy hielden onse koers ontrent by de wal langhs tot het landt van
-Terre de Natal toe. Daer verby seylende wast heel moy weer, voeren
-malcander aen boort en maekten goet chier. En alsoo het schip Enchuysen
-ghedestineert was om nae de kust van Cormandel te gaen, begeerden
-ons te verlaten en een ander koers te stellen, om binnen het Eyland
-St. Lourentius oft anders ghenaemt Madagascar door te loopen, en
-voort nae de Mayottes om aldaer te ververschen [37]; namen afscheydt,
-malcander behouden reys wenschende. Wy en het schip Nieu-Zeelandt
-stelden onse koers om buyten St. Lourentius om te loopen, en terwijl
-wy met het schip Nieu-Zeelandt in compagnie seylden, quamen malcander
-altemet aen boord en voerden nacht om nacht het vyer [38], doch kreghen
-achter nae differentie om de koers te stellen, konden niet accordeeren,
-ja, liep soo verd', dat wy van malcander af scheyden en liepen elck die
-koers die hem best docht. Nieu-Zeelandt liep 2 streecken Suydelijcker
-als wy; sy hadden op die tijdt al veel sieck volck.
-
-Nae dat wy een langhe tijdt geseylt hadden sint wy van een scheyden,
-hebbende de hooghte van 23 graden besuyen de Linie Aequinoctiael,
-kreghen alle dagen veel siecken, uyt welcke oorsaeck de officiers
-(uyt last van 't ghemeene volck) inde kejuyt quamen, versoeckende dat
-wy nae het Eylandt Madagascar souden loopen om te ververschen: waren
-bevreest dat al 't volck noch sieck soude worden, want daer lagender
-ontrent 40 inde koy en veel andere van 't volck klaeghden van niet
-wel te pas te zijn. Besloten daerom, met de gansche scheeps-raet,
-dragent te houden [39] nae het Eylandt Madagascar toe, nae een
-Bay genaemt Sancte Losie. By 't landt komende konden geen plaetse
-bekennen om 't schip te berghen; setten onse boot uyt en ick ben met
-de boot wel gemant na 't landt gevaren; het schip hielt af en aen by
-'t landt. Met de boot by 't landt komende storte de zee soo tegen 't
-landt, datter geen kans was aen te komen, saghen ettelijcke persoonen
-op strant komen, en een van onse maets sprongh overboort en quam by
-'t volck op 't landt, maer hy kond' haer niet verstaen; sy wesen met
-de handen neerwaert aen, als of sy seggen wilden dat daer wel plaets
-was om aen te komen. Sylieden en hadden geen vervarschinge by haer,
-dat wy sien konden; mosten derhalven vruchteloos wederom nae boort
-toe. Als wy nu sonder vervarschinghe aen boort quamen (hoewel het
-ons altesamen heel moeyelijck was) soo waren de siecken daer in
-boven maten bedroeft. Resolveerden weder zee te kiezen en liepen om
-de Suyd' tot de hooghte van 29 graden, en wendent doe weder over en
-liepen Oost ten Suyen aen, tot dat wy ons vonden op 17 graden suyder
-breete van de Aequinoctiael. Doe versocht het volck wederom om het
-landt aen te doen, om te sien of wy geen ververschingh konden becomen,
-'t welck wy goedt vonden, want wy saghen, datter alle dagen noch meer
-in vielen van ons volck, en eenige storven. Resolveerden daerom het
-Eylandt Mouritius of het Eylandt de Maskarinas aen te doen en stelden
-de koers tusschen beyden in, want dese eylanden legghen niet verd
-van malcander [40]. Quamen alsoo op 't Oost-eynde van 't Eylandt de
-Maskarinas te land, liepen dicht by de hoeck om, by de wal langhs,
-vonden 40 vadem diepte dicht aen 't landt; lietent ancker vallen,
-doch was een onbequame plaets om 't schip te legghen, door dien het
-soo dicht aen 't landt was. Daer leggende quamen de siecken uyt haer
-koyen kruypen en wouden gaern aen landt wesen; maer alsoo de zee vry
-wat aenliep [41], waren wy schroomachtigh met de siecken aen landt te
-varen; stuerden de boot nae landt toe, om te sien hoe of daer ghestelt
-was; quamen aen landt en vonden hoop-werck van landt-schiltpadden,
-quamen wederom scheep en de siecken stonden al aen, datmen haer aen
-landt soude brengen, want sy de lucht in de neus hadden, seggende:
-"Waren wy aen landt wy waren half ghesondt". Maer de koopman, Heyn Rol,
-wilde het in geenderleye manieren consenteren; gaf voor reden dat het
-daer schor was [42], dat wy licht mochten van 't landt afdrijven en van
-al ons volk versteecken worden. Doch het volck hielt al aen en baden
-my bynae met gevouwen handen, of ick haer aen landt wilde brengen,
-soo dat sy my eyndelijck vermurruwden dat ick het consenteerde. Gingh
-by de koopman Heyn Rol en vraeghde of hy het wilde toestaen. Gaf voor
-antwoordt: "neen, in geender manieren". Doe seyde ick teghen hem:
-"soo neem ick het dan over my, ick salse aen landt brenghen". Liep
-boven by 't volck en seyde: "kom, t'sa mannen, helpt malcander inde
-boot, ick sal u aen landt brengen". Doen holpen de maets de siecken
-inde boot; ick liet haer een seyl geven om een tent af te maken,
-oock oly en asijn, potten om in te koocken, nevens andere eetbare
-waren; oock kox, die de siecken souden waernemen en bekoocken [43],
-en voer datelijck met haer nae landt.
-
-Aan landt wesende kroopen sy by malcander in 't gras en seyden: "wy
-voelen alreets beterschap"; en soo wy toesaghen vonden in de boomen
-groote menighte van duyven, van die blauwe velt-vliegers; lieten haer
-met de handen grijpen en met stockjens en rieten doodt slaen, sonder
-dat sy het belul hadden wegh te vlieghen. Sloeghender op dien dagh wel
-ontrent de twee hondert; trocken daer mede te vyer, aen 't sieden en
-aen 't braden voor de siecken, en oock voor de gesonden. Vonden oock
-menighte van landt-schiltpadden; koockten die met pruymen van Damast
-[44], die wy uyt Hollandt genoegh hadden mede ghebrocht. Ick voer
-eyndelijk weder aen boort, latende de siecken (die ontrent veertigh in
-'t ghetal waren) met de kocx aen landt blijven. Scheep komende vonden
-goet (alsoo het schip op een quade perijculoose plaets lagh), dat ick
-met de ghemande boot 's nachts van boort soude varen, en seylen by de
-wal langhs om te besien of wy gheen beter ree (om het schip te leggen)
-konden bekomen. 't Welck ick dede en seylde met de boot by 't landt
-langhs en vondt een fraye santbay om 't schip in te leggen, ontrent
-vijf mijlen vande plaets daer 't schip lagh. Voeren in de bay aen
-landt en bevonden dat aldaer een groot binne-water was, doch niet heel
-vers en ontstont hier uyt, soo wy oordeelden, om dat het boven drie
-schepen-langhte niet van de strand' was, waer door het soute zeewater
-door 't sant heen lecte in 't binnewater en maeckte dit alsoo brack.
-
-Voort op het landt komende vonden menighte van gansen, duyven, grauwe
-papegayen en ander ghevoghelte, oock menighte van landt-schiltpadden;
-sagender wel 20 a 25 onder de schaduwe van een boom sitten, kondender
-soo veel van krijghen als wy begheerden. De gansen waren soo wijs
-niet datse opvloghen als wyse naliepen; smetense [45] met stocken
-doodt, sonder dat se opvlogen. Daer waren oock eenige dod-eersen,
-die kleyne vleugels hadden, maer konden niet vliegen; waren soo vet
-dat se qualijck gaen konden, want als sy liepen sleepte haer de neers
-langhs de aerde [46].
-
-Maer dat meest te verwonderen was, de papegayen en ander gevoghelte,
-als wy daer een of hadden en dat wat meulden [47] dat het kreet,
-soo quamen alle de anderen, die daer ontrent waren, daer nae toe,
-ghelijck of sy haer wilden ontsetten, en lieten haer mede grijpen;
-kregen derhalven genoegh van dat goet om te eten. Dit alsoo gesien
-hebbende keerden wederom met de boot nae 't schip, dat (als geseydt)
-ontrent vijf mijlen daer van daen lagh. Aen boort komende vertelden
-hoe wy ghevaren waren, hoe wy daer een goede reed' in een sandt-bay
-ghevonden hadden en goede ancker-grondt om 't schip in verseeckertheydt
-te legghen. Hier over waren sy altesamen seer verblijdt; voeren met de
-boot en bootschapten ons volck, die wy tegen 't schip over aen landt
-hadden geset, dat wy met het schip verseylen souden vijf mijlen van
-daer, en souden weder by haer komen; die daerin wel tevreden waren.
-
-Aen boort komende lichten onse ancker op en liepen daer nae toe, en
-setten 't [48] in de voornoemde sant-bay op 35 vadem en vertuydent
-wel vast [49]; lieten doe al het volck meest aen landt loopen om te
-bosscharen wat sy krijgen konden [50]; stelden oock ordre datter acht
-mannen met de segen souden gaen visschen in het binne-water (daer van
-verhaelt is), om te sien of sy voor 't volck de sood' souden konnen
-vangen. Sy togen te werk en vingen schoone visschen, te weten harder
-en ander vis, oock mede visschen van de groote gelijck salmen, die
-delicaet en vet waren.
-
-Vonden mede vers water, sijnde een kleyn reviertje, dat vande bergen
-quam afloopen nae de strand' toe, welck reviertje aen beye sijden heel
-cierlijck met kleyne boompjes bewassen was daer 't water tusschen door
-liep soo klaer als een kristal; brachten daerom al onse lege-leggers
-[51] aen landt en vuldense uyt dat reviertje, en lietense staen ter
-tijdt toe wyse tegen ons vertreck souden scheep halen, of alst ons
-goet dochte.
-
-Hier by dit water vonden wy oock een seecker bort, daer in met
-gehouwen of ghesneden letters gheschreven stont, dat de commandeur
-Ariaen Maertsz Block daer hadde gheweest met een vloot van derthien
-seylen; hadde aldaer ettelijcke sloepen verlooren met eenige van sijn
-maets, alsoo de sloepen in 't landen sticken worden gesmeten waer door
-eenige maets verdroncken [52]. Die tijdt dat wy daer lagen lieper de
-zee noyt soo sterk aen.
-
-Op dit voorschreven Eylandt de Maskarinas en woont gheen volck. Ons
-volck liep meest het geheele eylandt deur en deur, en boschkaerden
-overal; geneerden haer al [53] met het gevogelte en visschen. Sy wisten
-de vogelen soo fray te braden aen houten speeten en namen het smeer
-uyt de schilt-padden en bedroopten in 't braden de voghels daer mede,
-waer door sy soo delicaet worden [54] dat het een lust was om daer
-van te eten.
-
-Vonden oock mede een afloopent water, daer groote aalen in waren. Het
-volck trocken haer hemden uyt en hielen die soo open in 't afloopent
-water, en vinghense alsoo in haer hemden; waren heel lecker van smaeck.
-
-Hier sagen wy oock een dingh, daer in wy alle verwondert waren,
-te weten: hoe dat de zee-schiltpadden 's morgens uytter zee op
-strant quamen loopen en schraepten een kuyl in 't sant en leyden hare
-eyjeren daer in, in groot getal, wel tot hondert ja twee hondert toe,
-en schraepten het sant dan weder over de eyjeren, welcke eyjeren
-door de son, als die op de middagh en door den dagh heet scheen,
-worden3 uytgebroet, datter jonge schiltpadden uyt quamen. Saghen
-se met verwonderingh aen, want sy waren niet grooter als dat haer
-schiltjes waren als groote neute-doppen.
-
-Vonden daer oock eenighe segewaer en palmede-boomen, daer wy dranck
-uyt tapten, soo soet en van smaeck als soet-way [55].
-
-Sagen daer oock eenighe bocken loopen, maer door haer groote
-wildigheydt kostender gheen bekomen, als alleen eene, die soo oudt
-was dat sijn hoornen hem van de wormen worden opge-eten. Was onbequaem
-om van menschen ge-eten te worden.
-
-En dewijl wy alle dagen daer dus doende waren, quamen diegene die
-wy sieck aen landt hadden geset (als verhaelt is) altemael wederom
-by ons, ghesondt en fris zijnde, uytghenomen seven die noch sieck
-bleven leggen, die wy noch daer nae (doe wy klaer waren) met de boot
-wederom t' scheep haelden.
-
-Wy teerden het schip van binnen en buyten en setten de poorten altemael
-op, datter de lucht in en door soude wayen, en besprenghden het schip
-oock tot ettelijcke plaetsen met asijn; alles om een goede gesonde
-lucht in 't schip te krijgen.
-
-Wy hadden tot ons gerijf een sonne-wijser aen landt gheordoneert, daer
-aen wy altijdt konden sien hoe laet het op den dagh was. En na dien
-wy alle dagen het gevogelte soo nae liepen, waren sy eyndelijck soo
-schichtigh en schuw' van ons, dat sy wegh vlogen als wy haer ontrent
-quamen; waer door dat het ghebeurde dat onse opper-stierman Jan Piet
-van Hoorn met een voghel-roer aen landt gingh, om noch ettelijcke
-gansen en andere voghels te schieten. En na veel of eenighe schoten
-borst, in 't schieten, de loop uyt de laed van 't roer, dat de
-broeck-schroef recht boven sijn oogh in 't hooft sprongh, waer door
-hy sijn eene oogh verloor.
-
-Eyndelijck maeckten wy ons schip weder klaer om te vertrecken. Sloegen
-onse zeylen weder aen, haelden onse water t' scheep, stuerden een
-trommelslager aen landt, die sloegh ende riep het volck altemael by
-malkander; namen ontrent hondert schildt-padden mede in de boot, die sy
-scheep brochten. Hadden ons van alles wel versien, van schilt-padden,
-gevogelte, gedrooghde vis, die het volck ghevangen en ghedrooght
-hadden. Wy in de cajuyt hadden een heel vat vol gansen ingheleydt
-met asijn, half gaer ghekoockt wesende; hadden oock mede een goedt
-parthy vis ingheleydt, met asijn om goedt te blijven.
-
-En nae dat wy aldaer 21 dagen gelegen hadden en gereet waren, zijn
-wy t' seyl ghegaen; staecken by de windt over, hoopten het eylandt
-Mauritius te beseylen, maer quamen te laegh [56], konden het van
-beneden moy sien doch niet aen komen. Want al schoon wy aen het
-eylandt de Maskarinas soo langh ghelegen hadden, en van alles wat
-op het eylandt was ghenoegh bekomen hadden, soo waren evenwel ons
-volck noch altemael niet gesont geworden, want daer warender vele,
-die noch klaeghden. Dit gaf de officiers oorsaecke, om uyt de naem van
-'t volck in de cajuyt te komen en te vraghen, of het niet geraetsaem
-was, dat wy noch een ander verversch-plaets souden aendoen, dewijl
-het volck noch niet altemael ghesont was en wy noch langh om de Suydt
-mosten loopen, aleer wy inde travande winden [57] souden komen,
-om alsoo onse reys nae Batavia of Bantem te vervorderen, dat het
-ons konde ontschieten en het volck wederom invallen [58]. Waer op wy
-nae langhe deliberatie met de scheepsraedt goedt vonden draghent te
-houden nae het eylandt Sancte Maria, leggende dicht aen 't landt van
-Madagasker, recht voor de groote Bay van Antongiel. Steldender onse
-kours nae toe, kreghent in 't gesicht en liepen boven 't West-eynd'
-van 't eylandt om, op 6, 7 a 8 vadem waters; mochten de grondt soo
-klaer sien als den dagh; liepen aen de binne-kant van 't eylandt en
-settent op 12 a 13 vadem goede grondt. De inwoonders van 't landt ons
-siende zijn datelijck met een prauwtjen (zijnde een schuytjen uyt een
-boom ghehouwen) aen ons boordt ghekomen en brochten eenige appelen,
-lemoenen, wat rijs en hoenderen met haer; bewesen ons dat sy sulck
-goedt meer aen landt hadden, brachten dit tot een munster. Bewesen ons
-oock door kennelijcke tekenen met de mondt, dat sy oock noch koeyen,
-schapen, kalveren, hoenderen en ander goet hadden; riepen boe, bee,
-koekleloeloe: dat waren koeyen, schapen en hoenderen. Wy sagen dit
-volck met verwonderingh aen. Wy gaven haer wijn te drincken uyt een
-silveren schael; sy waren soo wijs niet, dat sy daer te degen uyt
-konden drincken, maer staken het hooft of aengesicht in de schael en
-droncken ghelijck de beesten uyt een emmer drincken; en doen sy de
-wijn in 't lijf hadden, tierden sy haer of sy geck waren.
-
-Dit volck was gantsch naeckt, uytgeseydt dat sy een kleetjen om de
-middel hadden voor de schamelheydt; waren geelachtigh-swart van coleur.
-
-Wy voeren alle dagen aen landt en ruylden kalveren, schapen, rijs en
-melck voor bellen, lepels, geel-hechte messen [59] en kralen.
-
-De melck brochten sy ter merckt in bladeren, die in malkander
-gevlochten waren, van fatsoen als buysse-koolen [60]. Aen boort
-komende sneden wy de bladen stucken, en soo quam de melck daer uyt
-loopen. Ruylden oock appelen en lemoenen, doch weynigh. Resolveerden
-derhalven met het schip een mijl 2 a 3 te verseylen; lichten ons
-ancker en seylden op een ander plaets. Aen landt komende vonden daer
-oock weynigh appelen; hier waren oock water-lemoenen en Spaens speck
-[61]. Wy vonden goedt dat ick met de ghemande boot soude overvaren
-aen 't landt van Madagaskar, om met wat koopmanschap te besien
-of ick aldaer niet een party appelen en lemoenen konde bekomen;
-'t welck ick dede en voer over. Quamen voor een revier, die wy wel
-een mijl anderhalf oproeyden; souden hem verder opgeroeyt hebben,
-maer de boomen, die aen beyde sijden van de revier stonden, hingen
-soo nae malkander toe, jae, tegen malkander aen (so nau worden het
-vaer-water van de revier op 't laetst), dat wij eyndelijck terugh
-mosten keeren. Vernamen gants geen volck, noch vruchten; mosten also
-vruchteloos wederom. Sliepen een nacht op 't landt; quamen (na dat wy
-drie dagen uyt geweest hadden) weder behouden aen 't schip. Voeren des
-anderen daeghs weder aen 't eylandt daer 't schip onder lagh; kregen
-doen noch een deel lemoenen, appelen, melck, rijs en banannessen.
-
-Al ons volck worden in die tijdt dat wy daer lagen weder soo fris en
-gesont, of wy eerst uyt Hollandt geseylt waren. Wy namen veeltijdts
-als wy aen landt voeren een speelman mede, die op de fioel speelde,
-waer in het volck van 't landt haer seer verwonderden, jae waren
-daer soo nieu toe, dat sy niet wisten hoe sy 't hadden; ginghen daer
-rondom sitten en staen, knipten op de duymen, dansten en sprongen,
-en waren verheught en vrolijck. Wy en konden aen haer geen teycken
-van kennisse Godts of godsdienst bespeuren, maer hadden aen sommighe
-plaetsen buytens huys ossen-hoofden op staken opgerecht, daer voor sy
-(soo wy bemercken konden) nedervielen en aenbaden; schenen heel vreemt
-te wesen en sonder gevoel van den waren Godt.
-
-Den 9. dagh dat wy daer gelegen hadden, ons volck als geseyt fris en
-gesont wesende, krengden [62] wy ons schip op zijd, soo veel als wy
-konden, en maeckten 't onder schoon met verckenen en schrobben, en
-gingen t' seyl; liepen om de Zuyd tot op de hooghte van 33 graden,
-wenden als doen weder Oost-waert over en stelden onse koers doen
-na de Straet van Sunda toe. En ghekomen sijnde op de hooghte van
-vijf en een halve graed, sijnde de hooghte van de voorschreven
-Straet van Sunda, wesende den 19. dagh van November 1619, soo is
-door 't pompen van brandewijn de brandt in de brandewijn ghekomen;
-want de botteliers-maet gingh (nae ouder gewoonte) met sijn vaetjen
-'s achter-middaeghs in 't ruym en soude dat vol pompen, om alsoo
-'s anderdaeghs 's morgens aen de gasten yder een half mutsjen uyt
-te deelen [63]. Hy nam een keers mede en stack de steker inde boom
-van een vat [64], dat een laegh hooger lagh alst vat daer hy uyt
-pompte. Sijn vaetje vol gepompt hebbende soude hy de steker daer de
-keers op stond uyt halen, en alsoo hy die wat vast hadde ghesteecken,
-haelt hyser met een force uyt. Daer was een dief aende keers [65];
-die vielder doe of, en viel juyst inde spons [lees: spon] van 't
-vat daer hy uyt gepompt hadde. Hier door ontfingh de brande-wijn en
-vloogh terstondt op, tot het vat uyt; de booms borsten uyt het vat en
-de brandende brandewijn liep beneden in 't schip, daer smits-koolen
-laghen. Strackx wordender gheroepen: "brandt! brandt!" Ick lagh doen
-ter tijdt op 't boevenet en keeck door de traliën [66]. Dat gherucht
-hoorende liep datelijck beneden in 't ruym. Daer komende sagh gheen
-brandt; vraeghde: "waer is de brandt?" Sy seyden: "Schipper sie daer,
-in dat vat". Ick stack mijn arm in 't vat en konde geen brandt voelen.
-
-De botteliers-maet, daer de brandt deur quam, was van Hoorn, en was
-genaemt Keelemeyn. Hy hadde twee kitten met water by hem gehadt;
-die had hyder opgegooten, waer door het scheen dat de brandt uyt
-was. Doch ick riep om water van boven, 't welck datelijck quam, met
-leeren emmers, en goot so langh dat wy geen meer gewach van brandt
-sagen. Gingen uyt het ruym; maer omtrent een half uer daernae begonnen
-sy weder te roepen: "brandt! brandt!" waer door wy altesamen seer
-verbaest [67] waren. Trokken nae 't ruym en saghen dat de brandt van
-onderen opwaert sloegh, want de vaten stonden drie en vier hoogh, en
-de brandt was door de brandewijn beneden inde smits-koolen gheraeckt;
-trocken wederom te werck met leeren-emmers en gooten soo veel water dat
-het te verwonderen was. Maer alweder een nieuwe swarigheydt, want door
-'t water gieten in de smits-koolen gaf sulcken stinckende-swaveligen
-roock op, datmen smooren en sticken wilde in 't ruym van bangigheydt
-[68]. Ick was meest in 't ruym om order te stellen en liet altemet
-ander volck in 't ruym komen tot ververschingh. Ick vermoede datter al
-veel in 't ruym verstickt bleven leggen, die de luycken niet hebben
-konnen vinden; ick self was menighmael het soecken schier bijster,
-gingh met mijn hooft altemet op de vaten leggen om adem te scheppen,
-het aengesicht na 't luyc toekeerende; lieper eyndelijc uyt; gingh
-altemet by de coopman Heyn Rol en seyde: "maet, het is best dat wy
-het kruyt over boord smijten"; maer de coopman Heyn Rol en konde
-hier toe niet resolveeren, gaf voor antwoordt: "smijten wy het kruyt
-over boort, wy mochten de brandt uyt krijghen en komen daernae in
-'t gevecht teghen onse vyandt, en als wy dan (geen kruyt hebbende)
-genomen wierden, hoe souden wy 't verantwoorden?"
-
-De brant en wilde niet slissen, en niemant konde in 't ruym schier
-langer harden door den stinckenden roock (als verhaelt is). Wy hielden
-achter nae gaeten inden overloop [69] en gooten gheweldigh met water
-daer door, en door de luycken; mochte evenwel niet helpen. Onse groote
-boot hadden wy wel drie weecken te voren uytgheset en sleepten hem
-achter aen, en de sloep, die voor op 't boevenet stont, was oock
-uytgeset, omdat hy ons in de weegh stont om 't water te mannen [70];
-en alsoo daer groote verbaestheydt [71] in 't schip was, ghelijck
-men wel dencken mag, (want het vyer en het water was voor ooghen en
-geen ontset van yemandt op aerden, door dien wy alleen waren sonder
-eenigh landt, schip of schepen te sien) soo liepender veel van 't
-volck te met over boort en kropen tersluyp met het hooft onder de
-rusten [72], opdat men haer niet sien soude, en lieten haer dan in
-'t water vallen en swommen alsoo aen de schuyt en boot, klommender
-in en verburgen haer onder de doften en plechten totter tydt toe dat
-haer dochte dat sy volckx genoegh in hadden.
-
-Heyn Rol, de coopman, quam by geval inde geldery [73]; was verwondert
-datter soo veel volck inde boot en schuyt was. Het volk riep Heyn
-Rol toe en seyden, dat sy wilden ofsteken en soo hy mee wilde soo
-mochte hy hem op de val-reep neder laten. Heyn Rol liet hem overreden
-en klom by de val-reep neer, en quam alsoo by haer in de boot. Heyn
-Rol die seyde: "Mannen laet ons wachten tot dat de schipper komt",
-maer hy en hadde daer geen commandement, want toen sy Heyn Rol hadden,
-sneden sy de touwen sticken [74] en roeyden alsoo van 't schip of. En
-alsoo ick doende was met het volck met order te stellen om de brandt,
-waer 't mogelijck, te uytten, quamen andere van 't volck by my
-gheloopen en seyden met groote verbaestheydt: "Och lieve schipper,
-wat raedt! Wat sullen wy doen? De schuyt en boot zijn van 't schip
-en roeyen wegh!" Ick seyde teghen haer: "Is de schuyt en boot wegh,
-soo zijnse op sulcken conditie wegh gevaren, datse niet weer sullen
-komen." Doe liep ick metter haest nae boven toe en sach dat sy wegh
-roeyden. De seylen van 't schip laghen doe ter tijdt op de mast
-[75]; het grootzeyl was opghegijt [76]. Ick riep teghen 't volck
-knaphandigh: "Hael de seylen om! Wij sullen sien, of wyse konnen
-beseylen en stroopense onder de kiel deur [77]. Dat haer dit en dat
-hael!" Wy setten de seylen schrap en seylden daer nae toe. By haer
-komende roeyden sy ontrent drie schepen-langhte voor 't schip over,
-want sy wilden by ons niet wesen, maer roeyden in de windt op, van
-'t schip af. Doe seyde ick: "Mannen, wy hebben (naest Godt) onse
-hulpe nu by ons, ghelijck ghy siet. Een yegelijck steeck nu sijn
-handen uyt de mouw om (soo veel als ghy kondt) de brandt te uytten,
-en gaet datelijck nae de kruytkamer en smijt het kruyt overboort,
-dat ons de brandt in 't kruyt niet en beloopt." 't Welck gedaen wierde.
-
-Ick met alle de timmer-luyden stracx overboort met dopgudsen en
-navegers [78] om gaten in 't schip te boren, zijnde van voornemen
-het water een vadem anderhalf in 't schip te laten loopen, om de
-brandt alsoo van onderen te uytten; maer konden niet door 't schip
-komen, overmidts datter soo veel yserwerck in de weegh was. Somma,
-de benautheydt die in 't schip was kan ick niet wel uytspreecken;
-het ghekerm en ghekrijt was boven maten groot. Vielen doen wederom
-dapper aen 't water gieten, waer door het leeck dat de brandt
-minderde; doch een weynigh tijdts daer nae quam de brandt inde oly;
-doen was de moet gants verloren: want hoemen meer water goot, hoe
-de brandt scheen grooter te worden, sóó vloogh de brandt op door
-de oly. Hier door ontstont sulcken ghehuyl, ghekerm en gekrijt in
-'t schip dat een mensche de hayren te berghen stonden; jae, de
-bangigheydt en benautheydt was soo groot, dat het klamme sweet de
-menschen afliep; waren evenwel noch al besich met water te gieten en
-kruyt over boordt te smijten, tot het eynde toe dat de brandt ons in
-'t kruyt beliep. Ontrent 60 half vaten kruyt hadden wy overboordt,
-doch haddender noch wel ontrent 300 in, daer wy mede opvloghen,
-met alle man. Het schip sprongh aen hondert duysent stucken; 119
-persoonen waren wy noch in 't schip doe het sprongh.
-
-Ick stonde doen 't aengingh by de groote hals boven op 't schip en
-ontrent 60 persoonen stonden recht voor de groote mast, die 't water
-overnamen [79]; die worden al te samen wegh genomen en aan hutspot
-gheslaghen, datmen niet en wist waer een stuck bleef, als oock van
-alle de anderen. En ick, Willem Ysbrantsz. Bontekoe, doe ter tijdt
-schipper, vloogh mede inde lucht; wiste niet beter of ick most daer
-mede sterven. Ick stack mijn handen en armen nae den Hemel en riep:
-"Daer vaer ick heen, o Heer! weest my arme sondaer genadigh!" Meende
-daermede mijn eynde te hebben; doch hadde evenwel in 't op-vlieghen
-mijn volle verstant, en bemerckte een licht in mijn herte dat noch
-met eenige vrolijckheydt vermenght was, soo 't scheen, en quam alsoo
-wederom neer in 't water, manck de stucken en borden van 't schip,
-dat heel aan stucken was [80]. In 't water leggende kreegh ick sulcke
-nieuwe couragie gelijck of ick een nieu mensch hadde gheweest. Toe
-siende soo lagh de groote mast aen mijn eene zijd' en de focke-mast
-aen mijn ander zijd'; ick klom op de groote mast en gingh daer op
-leggen en sagh het werck eens over, en seyd': "O Godt! hoe is dit
-schoone schip vergaen, gelijck Sodoma en Gomorra."
-
-Hier dus legghende sagh gheen levendigh mensch, waer dat ick heen sagh;
-en terwijl ick hier dus lagh in ghedachten, soo komter een jonghman by
-mijn zijd' opborlen en smeet met handen en met voeten, en hy gheraeckte
-aende knop vande steven (die weer was comen opdrijven) seggende:
-"Ick ben al klaer." Doe keeck ick om en seyde: "O Godt! leefter noch
-yemant?" Deze jonghman was genaemt Hermen van Kniphuysen, uyt de Eyder
-van daen. Ick sagh by dese jonghman een spiertjen of kleyn-mastjen
-drijven, en alsoo de groote mast (daer ick op lagh) vast om en wederom
-walterde, dat ick daer niet wel op blijven kon, seyde ick tegen hem:
-"schuyft my dat spiertjen toe, ick salder op gaen leggen en halen my
-alsoo nae u toe, soo sullen wy by malkander gaen sitten," 't welck
-hy dede, en quam alsoo by hem. Dat ick anders niet wel by hem soude
-gekomen hebben, quam omdat ick in 't opvliegen soo geslagen was. Mijn
-rugh was heel beschadicht, hadde oock twee gaten in 't hooft; want het
-quam soo aen, dat ick dochte: "o Heer! noch een beetje, soo ben ick
-doodt." Ja het scheen, dat my hooren en sien vergingh. Wy saten hier
-by malkander, elck een inneckhout vande boegh in den arm hebbende
-[81]. Ginghen staen en keken uyt na de schuyt en boot; wordense
-eyndelijck gewaer, doch waren soo verd' henen dat wy qualijck sien
-konden of de voor-steven of de achter-steven na ons toe lach. De
-son was aen 't water om onder te gaen. Seyden doen tegen mijn maet:
-"Harmen, het schijnt dat onse hoop hier verloren is, want het is laet,
-de son gaet onder, de schuyt en boot zijn soo verd', datmen haer
-qualijck sien kan; het schip is stucken, en wy moghen 't hier (op
-'t wrack) niet langh harden; daerom laet ons God almachtich bidden
-om een goede uytkomst." Wy deden soo en baden Godt seer ernstelijck
-aen om een goede uytkomste; het welcke wy kregen, want als wy weder
-opsagen, so was de schuyt met de boot dicht by ons, om het welcke wy
-seer verblijt waren. Ick riep datelijck: "Bergh de schipper! bergh
-de schipper!" Sy dat hoorende waren seer verblijt en riepen: "De
-schipper leeft noch, de schipper leeft noch!" en roeyden daerop
-dichte by 't wrack en bleven daer soo leggen met schuyt en boot;
-dorsten niet by ons komen, vermits zy vreesden, dat een stuck van
-'t wrack door de schuyt of boot soude stooten.
-
-De jonghman Harmen van Kniphuysen was noch soo moedich, dat hy hem van
-'t wrack af begaf en swom aende boot. Hy hadde weynigh letsel gekregen
-van 't opvliegen, maer ick riep: "Wilt ghy my hebben, soo moet ghy my
-halen, want ick ben soo geslagen, dat ick niet swemmen kan". Doen
-sprongh de trompetter uyt de boot overboort met een loodlijn,
-(die sy noch hadden) en brocht my het end'. Ick maeckte die om mijn
-middel vast en sy haelden my nae de boot toe, en quam alsoo (de Heer
-sy gelooft!) inde boot. Inde boot wesende quam achter by Heyn Rol,
-Willem van Galen en de onderstierman, genaemt Meyndert Krijnsz. van
-Hoorn, die seer verwondert waren dat ick noch in 't leven was. Ick
-hadde inde boot achter een roefjen laten maken, daer wel een paer
-man in mocht, dwars over de boot; daer kroop ick in en dochte: ick
-mocht wat overleggen; want ick giste niet langh te sullen leven,
-door de slagh aen mijn rugh en de twee gaeten in mijn hooft; doch
-seyde evenwel tegen Heyn Rol en de anderen: "Blijft te nacht by
-'t wrack; wy sullen morgen alst dagh is wel eenige fictualie bergen,
-en mogelijck noch wel een compas vinden om het landt te vinden." Want
-daer was in de schuyt en boot noch compas, noch kaert, noch boogh,
-noch geen of weynigh eten en gheen drincken; met sulcken haestigheyt
-waren sy van 't schip ghevaren. Seyden oock, dat de opper-stierman,
-Jan Piet van Hoorn, de compassen uyt het nachthuys hadde genomen;
-'t scheen dat hy al vrees hadde, datse het schip souden verlaten,
-'t welck evenwel noch geschiede.
-
-Nu terwijl ick alhier in dat gat of roefje lagh, soo liet de coopman
-het volck de riemen uytleggen en stelde het volck aen 't roeyen,
-gelijck of hy alst dagh was landt meende te hebben. Maer alst dagh
-worde, waren wy van 't wrack versteken, en ooc mede van 't lant. Waren
-heel mismoedigh; quamen en keken in 't gat, daer ick lagh, of ick
-noch leefde, en siende dat ick noch leefde spraken: "Och lieve
-schipper! Wat sullen wy doen? Wy sijn van 't wrack versteken en wy
-sien geen landt; hebben eten noch drincken, noch boogh, noch kaert,
-noch compas! Wat raedt gaet ons aen?" Daer op ick seyde: "Mannen,
-men moste my ghehoort hebben als ick gister avondt seyde: dat ghy te
-nacht by 't wrack sout blijven, dat wy wel fictualie souden krijgen,
-want het vlees en speck en kaes dreef my om de beenen, dat ick er
-qualijck door konde komen." Sy seyden: "Lieve schipper, komt daer
-uyt." Ick sey: "Ick ben soo lam, dat ick my qualijck kan reppen;
-wilt ghy my hier uyt hebben, soo moet ghy my helpen." Doe quamen sy
-en holpen my daer uyt, en ick gingh sitten, keeck het volck over,
-en sy roeyden. Ick vraeghde datelijck: "Mannen, wat eten hebt ghy in
-de boot?" en sy brochten omtrent 7 a 8 pont broodt uyt, met alle man;
-wy hadden twee lege vaetjes, daer leyden wy dat broot in. Ick seyde
-vorder: "Mannen, legh de riemen in, het moet anders komen, want ghy
-sult loof [82] worden, en wy hebben geen eten te geven. Legh in de
-riemen." Doen seyden sy: "Wat sullen wy dan doen?" Maer seyd ick:
-"Treckt uwe hemden uyt en maeckt daer seylen van." Sy seyden: "Wy
-hebben geen seyl-garen." Ick seyde: "Neemt de willen van de boot [83]
-en pluyst die aen werck en draeyt daer seyl-garen af; van de rest
-leght plattingh tot schooten en geerden [84]." Daer op trock een yder
-sijn hemt uyt, en flanstese aen malkander tot seylen, 't selfde deden
-sy inde schuyt mede. Telden als doen ons volck en bevonden inde boot
-46 en inde schuyt 26 persoonen; maeckt 72 persoonen in 't geheel.
-
-Daer was een blauwe bolckvanger [85] met een kussen inde boot;
-die worde my gegeven. De bolckvanger trock ick aen en het kussen
-sette ick op mijn hooft, door dien ick (als verhaelt) twee gaten
-in 't hooft hadde. De barbier [86] hadden wy wel mede inde boot,
-maer hy en hadde geen medicamenten; doch kaude evenwel wat broodt en
-leyd' de kauwen also op de wonden; waer mede ick (door Godts genade)
-genesen worde. Ick presenteerde mijn hemt mede uyt te trecken, maer sy
-wildent niet hebben; droegen noch sorge voor my, om my in 't leven te
-houden. Wy lietent de geheelen dagh voortdrijven; waren ondertusschen
-besich met de seylen te maecken. 's Avondts warense klaer, settender
-die by, en trocken aen 't seylen. Dit was den 20. dagh van November
-1619. Begonnen koers te stellen aende sterren, want wy wisten goelijck
-waer de sterren behoorden op ende onder te gaen; stelden 's nachts
-alsoo onse koers.
-
-Het was by nacht soo kout, dat het volck klaptanden, en by daegh
-soo heet, datmen vergaen wou van hetten; want de son was meest boven
-'t hooft.
-
-Den 21, 22 en 23 dito practiseerden wy een graed-boogh, om hooghte
-te nemen; sloegen een quadrant op de plecht en teeckenden een stock
-met een cruys daer uyt. Wy hadden de kistemaecker Teunis Sybrantsz
-van Hoorn in; die hadde een passer. Hy hadde oock ten deele eenighe
-wetenschap om een stock te teyckenen, soo dat wy met malcander alsoo
-een graed-boogh maeckten en formeerden, daer wy mede schooten [87]. Ick
-sneed oock een paskaert achter op 't boort, en leyd' het eylandt van
-Sumatra daer in, met het eylandt van Java, met de straet van Sunda,
-die tusschen beyde eylanden in loopt. En die selfde dagh dat wy
-'t schip verlooren, des middaeghs, hadde ick noch hooghte ghenomen
-aen de son, en bevond' vijf en een halve graed Suyder-breete vande
-Equinoctiael, en het besteck inde kaert stont omtrent 90 mijlen van
-landt. Ick sneet ook een compas daer in; paste doe alle dagen met de
-passer by gissingh of, en stelde de koers 70 mijlen besijen of boven
-'t gat, om, als wy landt kreghen, te beter te weten wat heen dat wy
-mosten. Seylden alsoo op het schieten met onse boogh en het passen aen.
-
-Ick gaf van de 7 a 8 pont broodt elck alle dagen sijn rantsoen,
-soo langh alst dueren mocht; doch was wel haest op. Elck kreegh des
-daeghs ontrent een stuckjen soo groot als een lit van een vinger. Wy
-hadden geen drincken; daerom alst reghende, namen wy onse seylen
-neer en schoorense [88] dwars over de boot heen, en vinghen het
-water alsoo op 't seyl en gaerden dat in onse twee vaetjes; en als
-die vol waren setten die uyt de weegh, tot alst een droge dagh was
-dat het niet en regende. Ick sneed een neusje van een schoen en een
-yder quam by 't vaetje en schepten het neusje vol en dronckent uyt,
-en gingh weder aen sijn plaets, daer hy gheseten had. En alhoewel wy
-in sulcke benautheydt waren, seydent volck: "Schipper, neemt ghy soo
-veel als u lust, want het mach ons doch allegaer niet helpen." Doen ick
-haer beleeftheydt sagh, wilde niet meer hebben als sy. Aldus seylende
-met schuyt en boot, en dewijl de boot harder seylde als de schuyt,
-en datter niemandt inde schuyt was die hem op navegatie verstondt,
-soo baden dieghene die inde schuyt waren (als sy dicht by ons quamen)
-of sy by ons inde boot mochten over komen en seyden: "Lieve schipper
-neemt ons doch over, opdat wy by malcander moghen wesen"; vreesden
-van ons af te dwalen. Maer het volck inde boot die waren daer teghen
-en seyden: "Schipper, nemen wy haer over, soo sijn wy altemael om den
-hals, want de boot kan al het volck niet voeren". Mosten derhalven
-dan wederom vande boot afhouwen.
-
-De ellende was onder ons groot; wy hadden geen meer broodt en konden
-gheen landt sien. Ick maekten het volck altijdt wijs, dat wy dicht aen
-landt waren, datse goede moet souden houwen; maer sy murmereerden onder
-malcander daer al teghen en seyden tegen malcander: "De schipper mach
-seggen dat wy nae landt toe seylen, maer wy seylen moghelijck van landt
-af." Op een dagh (alsoo het leeck dat wy 't niet langer konden harden
-sonder eten) gaf Godt almachtigh datter mieuwen over de boot quamen
-vlieghen, ghelijck oftse gevangen wilden wesen, want sy vlogen ons
-bynae inde handen en lieten haer grijpen. Wy pluckten haer de veeren
-af en snedense aen stickjes; gaven elck wat; atense soo rau op, en
-het smaeckten my soo wel als ick mijn leven kost ghe-eten heb; jae,
-smaeckte soo soet of ick honigh in mijn mondt en keel stack. Hadden
-wy maer wat meer ghehadt; was pas of ter nauwer noodt soo veel dat
-wy konden leven, en meer niet.
-
-En dewijl het landt hem noch niet op dee, soo wierden wy soo dwee
-gemaeckt, dat het volck resolveerden (doen die vande schuyt ons weder
-baden datse mochten overkomen) haer over te nemen; want daer en quam
-geen uytkomste met het landt; vreesden dat wy van dorst en van honger
-souden moeten sterven, en als wy mosten sterven, soo resolveerden wy
-noch liever met en by malcander te sterven. Namen daerop het volck
-uyt de schuyt over inde boot en namen al de riemen uyt de schuyt met
-de seylen, die setten wy mede op de boot. Hadden doen op de boot een
-blind, fock, groot-zeyl en besaen [89]. Wy hadden doe oock ontrent 30
-riemen, die leyden wy over de doften heen, als een overloop. De boot
-was soo hol, dat het volck onder de riemen op haer neers moy mochten
-sitten; setten alsoo de eene helft van 't volck onder de riemen
-en de ander helft boven de riemen; mochten hiermede het volk moy
-bergen. Waren doe met ons 72 personen inde boot; saghen malcanderen
-met bedroefde ooghen aen, hebbende noch eten noch drincken. Daer en
-was gheen meer broodt, noch de mieuwen quamen niet meer, en het wilde
-niet regenen.
-
-Doen 't nu weder op het ongesienste was om 't leven te houden,
-soo quamen (door des Heeren barmhertigheydt) oversiens uytter zee
-op-barsten een perthy vliegende visschen, zijnde soo groot als een
-groote spieringh, in maniere als een school musschen, en vlogen in
-de boot. Daer wast doe aen 't grabbelen! Elck dee sijn best om wat
-te krijghen. Wy deylden die om en aten die rau op, en smaeckten als
-honigh; doch het mocht al weynigh helpen. Evenwel sterckte het min of
-meer, en dee sooveel (met Godt) datter niemandt en sturf, 't welck
-te verwonderen was, want het volck begon al sout water te drincken,
-teghen mijn waerschuwingh aen. Ick seyde tegen haer: "Mannen, en
-drinckt geen sout water, want het en sal u geen dorst verslaen; ghy
-sult de loop daer van krijghen en daer af sterven". Andere kauden
-bosse-klooten [90] en musquets-koegels; andere droncken haer eygen
-water. Ick dronck mijn eyghen water soo langh alst goedt was; want
-het worde achter nae onbequaem om gedroncken te worden.
-
-De benauwtheydt wierde hoe langher hoe swaerder en grooter, en het
-volck begon soo wanhoopigh, mistroostigh en wreedt op malcanderen te
-sien, dat het leeck datse malcander bykans souden aenghetast hebben
-om te eten; jae, spraecken daer van onder malcander, en vonden goedt
-de jongens eerst op te eten; die op zijnde, wilden sy daer om werpen,
-wie men dan aentasten soud; waer over ick in mijn geest seer ontroert
-wierde en uyt grooter benauwtheydt badt ick Godt almachtigh, dat
-het sijn Vaderlijcke ontfermhertigheydt daer toe doch niet soude
-laten komen, en ons niet versoecken boven 't vermoghen, wetende
-wat maecksel dat wy waren. Ick kan niet wel seggen hoe bang dat my
-was om dese voorslagh, te meer omdat icker (soo my docht) wel eenige
-sach die 't begonnen souden hebben om de jonghens te dooden; doch ick
-versprack haer [91] (met Godts hulpe) en bad voor de jongens en seyde:
-"Mannen, laet ons dat niet doen. Godt sal wel een uytkomst geven,
-want wy konnen niet ver van landt zijn, uytwijsende ons daghelijcx
-afpassen en schieten." Sy gaven voor antwoordt: "Dat hebt ghy al
-langh geseyt en wy krijgen geen landt; jae, seylen mogelijck van
-'t landt af"; wesende geheel t' onvreden. Sy stelden my doe de tijdt
-van drie dagen, om, indien wy in dien tijdt gheen landt beseylden,
-de jongens te eten. Voorwaer een desperaet voornemen! Badt daerover
-met een vyerighen ernst aen Godt, dat hy sijn genadighe ooghen op
-ons soude nederslaen en gheleyden ons binnen die tijdt te lande,
-opdat wy gheen grouwelen souden bedrijven voor sijn ooghen.
-
-Hier gingh de tijdt in en de noot was soo groot, dat wy 't niet wel
-langher harden konden. Wy dochten dickwils: waren wy aen landt dat wy
-maer gras mochten eten, wat noodt wast. Ick vermaende het volck met soo
-veel troostelijcke reden als ick op die tijdt konde bybrenghen. Seyde
-dat sy doch goedts moedts souden wesen; dat de Heer het versien soude;
-doch was self kleynmoedigh; soude een ander troosten en behoefde self
-wel ghetroost te worden. Sprak menigh woordt boven 't hert. Verdroegen
-en leden alsoo met malcander, dat wy soo moe en mat wierden, dat wy
-qualijck de macht hadden op te staen. Heyn Rol, de coopman, was soo
-verd', daer hy sat daer sat hy; konde niet verder komen. Ick was
-noch soo moedigh, dat ick van achteren tot voor inde boot konde
-komen. Swarlden alsoo op Godts ghenade tot den 2. December 1619,
-zijnde de 13. dagh dat wy het schip verloren; doen wast een grauwe
-lucht met regen en stiltjes; maeckten de seylen los, schoren die dwars
-over de boot en kropen al te samen onder de seylen, en gaerden onse
-vaetjes vol water. Het volck hadden weynigh kleeren, door dien sy soo
-haestigh waren vertrocken, en hare hemden waren tot seylen ghemaeckt,
-als voor verhaelt is; hadden de meestendeel geen meer als een linnen
-broeckjen aen, waren met de bovenlijven naeckt. Kropen alsoo (om de
-warmte te scheppen) onder de seylen by malcander, en ick stont op
-die tijdt aen 't roer en mijn gissingh was dicht by landt. Hoopte dat
-het op soude klaeren, terwijl ick aen 't roer stondt, maer bleef even
-mistigh sonder dat het op wilde klaren. Ick wierde door de doockighe
-[92] lucht en regen soo kout, dat ick 't niet langher aen 't roer
-konde harden, riep daerom een vande quartier-meesters en seyde:
-"Komt en verlost my eens van 't roer, want ick macht niet langer
-harden." Doe quam de quartier-meester en verloste my; ick kroop mede
-manck het volck om de warmte weder te krijghen.
-
-De quartier-meester hadde gheen uur aen 't roer ghestaen, of het
-begon al op te klaeren, en hy siet toe en siet terstondt landt. Hy
-riep met groot verheugen: "Mannen komt uyt, het landt leydt dicht
-voor ons! Landt! Landt!" Hadt ghy ghesien hoe dra wy onder het seyl
-van daen waren en voor den dagh quamen. Settender de seylen weder
-by en seylden nae 't landt toe; quamen dien selfden dagh noch aen
-landt. De Heer almachtigh zy gelooft en gepresen, die onse bidden
-en smeken heeft verhoort; want wy deden des morgens en 's avondts
-het gebedt, met vyerigen aendacht tot Godt en songhen oock een psalm
-voor en nae het ghebedt, want wy hadden noch eenighe psalm-boeckjes
-by ons. De meeste tijdt was ick hierin voor-leser, doch daer nae, doe
-de voor-leser uyt de schuyt in ons boot quam, deed hy 't selver [93].
-
-Nu by 't landt komende, liep de zee soo aen het landt, dat wy niet
-landen dorsten; doch vonden aende binnekant van 't eylandt (want het
-een eylandt was) een inwijckjen; daer lieten wy de dregh [94] t'
-zee vallen, en hadden noch een dreghjen, dat setten wy aen landt,
-soo dat de boot vertuyt lagh [95], en spronghen (soo goedt als wy
-konden) met alle man aen landt en trocken elck sijns weeghs aen 't
-boschkaren2. Maer soo drae ick op 't landt quam, viel ick op mijn
-knien en kuste de aerde van blijdtschap en danckte Godt voor sijn
-genade en barmhertigheydt, dat hy ons niet en hadde versocht, of had
-tot noch toe een uytkomst inde saeck gegeven; want dese dagh was de
-laetste, nae welcke het volck gheresolveert waren de jonghens aen te
-tasten en op te eten. Hier bleeckt dat de Heere de beste Stierman was,
-die ons gheleyde en stierde dat wy het landt kreghen, als verhaelt is.
-
-Wy vonden op dit eylandt veel kokus-noten, maer konden (wat wy sochten)
-geen versch water bekomen; doch geneerden ons met het sap uyt de
-jonghe kokus-noten, dat een goede dranck was. En van de oude noten
-(die 't pit hardt was) aten wy; maer wat te veel en onvoorsichtigh,
-want wy wierden dien selfden nacht al te samen heel sieck, met
-sulcke ellendighe pijn ende snyingh in 't lijf en inde buyck, dat
-het scheen of wy barsten mosten. Kropen by malcander in 't sant, elck
-klaeghde meer als d' aer; en achternae begon het purgatie te baren,
-daer door wy datelijck verlichtingh gevoelden; waren 's anderendaeghs
-weder fris en liepen dit eylandt bykans rondtom. Wy vonden daer geen
-volck, maer saghen wel tekens datter volck op geweest hadde. Hier was
-anders niet op om te eten als kokus-noten. Ons volck seyden tegen my
-dat sy aldaer een slangh ghesien hadden, die wel een vaem dick was,
-maer ick heb hem self niet ghesien.
-
-Dit eylandt leydt ontrent 14 a 15 mijl van 't landt van Sumatra. Wy
-haelden sooveel kokus-noten in de boot als wy konden voeren,
-tot victualie: de oude kokussen om te eten en de jonghe om uyt te
-drincken. Staken 's avondts wederom van 't eylandt af nae het landt
-van Sumatra; kregen het 's anderendaeghs in 't ghesicht. Quamen daer
-by, liepen by 't landt langhs met een voor de windt, Oostelijck aen
-of om de Oost, soo langh tot dat de noten weder op waren. Doen wilden
-'t volck weder aen landt; seylden dicht by de barningen van 't landt
-langhs [96], maer vonden geen gelegenheyt om te landen, door dien
-dat de zee soo geweldigh aenliep.
-
-Doe resolveerden wy dat er 4 a 5 mannen overboort souden springen en
-sien of sy door de barningh aan 't landt konden swemmen, en loopen
-dan by de strandt langhs, om te sien of sy nerghens eenige openingh
-konden sien, om met de boot in te komen. 't Welk geschieden. Sprongen
-overboort, raeckten door de barningh aen landt en liepen by 't strandt
-langhs, en wy seylden oock met de boot al by de wal henen.
-
-Ten lesten vonden sy een revier. Doen trocken sy haer broecken uyt,
-en wuyfden dat wy daer nae toe souden komen. Wy dat siende seylden
-datelijck daer nae toe. Daer by komende lagh daer een banck recht
-voor de mondt van de revier, daer de zee soo geweldigh op storte, dat
-ick seyde: "Mannen, ick steeck hier niet in, of ghy moet het altemael
-consenteren, want raeckt de boot om, dat ghy 't my dan niet hebt te
-wijten." En vraeghden by de ry om, wat elck daer toe seyde. Gaven
-voor antwoort: jae, en dat sy 't wel wilden avonturen. Doen seyd'
-ick: "Ick avontuer mijn lijf by 't uwe". Ick stelde datelijck ordre,
-datse achter aen beyde zijden een riem souden uytvoeren en aen yder
-riem twee man. Ick stondt aen 't roer, om de boot alsoo recht voor
-zee te houden. Doe staecken wy alsoo met de boot in de barningh. De
-eerste zee, dieder quam, bonsde de boot wel half vol water. Ick riep:
-"Mannen, hoos uyt! hoos uyt!" En sy hoosden uyt, met hoeden, met
-schoenen en met de lege vaetjes, die wy in de boot hadden; en kreghen
-het water meest uyt. Doe quam de tweede zee; die worp de boot bykans
-tot de doften toe vol water, waer door de boot soo mal lagh, of hy
-sincken wilde. En ick riep al: "Mannen, hou recht, hou recht! hoos
-uyt, hoos uyt! of wy zijn altemael lijveloos!"--Wy hieldent noch
-recht voor zee en hoosden 't water uyt, soo veel wy konden.
-
-Doe quam de derde zee en die storte te kort, soo dat wy daar
-weynigh water van inkreghen; en doe wast datelijck slecht water
-[97]. Raecktender alsoo met Godes hulp door. Wy proefden het water en
-was datelijck versch, waer over wy al te samen seer verblijdt waren
-en leyden de boot aen de rechterhandt vande revier aen de wal.
-
-Op 't landt komende was het met langh gras bewossen; toe siende,
-soo laghender boonen in 't gras, ghelijck oft Eydersche boontjes
-waren. Doe met alle man aen 't soecken en eten; ick self dede mede
-mijn best, dachte: ick sal mijn part mede sien te krijgen, en ons
-volck liepen een weynigh nae de hoek toe. Vonden daer vyer met eenighe
-toeback legghen, waer door wy heel verblijdt waren. Het scheen datter
-volck van 't landt hadden gheweest, die daer vyer aen geleydt hadden,
-en toeback ghedroncken hebbende eenige toeback vergeten hadden, of
-met wil legghen laten [98]. Wy hadden in de boot twee bijlen, daer
-hackten wy boomen mede om en tacken mede af, en leyden wel tot 5 a
-6 plaetsen vyer aen. Daer gingen ons volck by thienen en twaelven
-om staen en sitten, en droncken toeback. Doen 't avondt was, leyden
-wy lustighe vyeren aen en stelden tot drie plaetsen wachten uyt,
-uyt vreese vande inwoonders van 't landt, want het was donckere maen.
-
-Nu dien selfden nacht wierden wy soo sieck vande boonen, die wy
-ge-eten hadden, dattet was of wy barsten souden van pijn ende snyingh
-inde buyck (gelijck wy te voren vande kokus-noten ghevaren waren.) En
-terwijle dat elck vast klaeghde, soo quamen de inwoonders van 't landt,
-en meenden ons daer al te samen doodt te slaen; ghelijck ghy hier nae
-noch hooren sult. Onse uytgestelde wachten wordense juyst wijs [99];
-sy quamen nae ons toe ende seyden: "Mannen, wat sullen wy doen? Daer
-komen sy aen!" Wy hadden geen geweer als twee bijlen met noch een
-roestighe deeghen, en waren daer toe noch sieck (als verhaelt) vande
-boonen. Resolveerden evenwel dat wy ons soo niet wilden laten doodt
-smijten; namen derhalven ghebrande houten inde handt en trocken teghen
-haer aen in het doncker; de voncken vyers vloghen over 't landt, 't
-welck by het duyster een vreeslijck aensien gaf. Oock wisten sy niet
-of wy gheweer by ons hadden of niet. Sy namen de vlucht van ons af,
-achter 't bosch, en wy keerden weder te rugh nae onse vyeren; bleven
-alsoo die gantsche nacht in sorge en vreese by 't vyer sitten en staen;
-maer ick en de koopman Heyn Rol liepen in de boot, vertrouwden ons
-niet op 't landt.
-
-'s Morgens doen het dagh was en de son opquam of was, quamen drie
-vande inwoonders uyt 't bosch loopen op strand. Wy stuerden drie van
-onse maets nae haer toe, die wat Maleys konden, want sy hadden voor
-die tijdt al in Oost-Indien geweest, soo dat sy de spraeck ten deele
-gheleert hadden. Die by haer komende, vraeghden die drie inwoonders
-haer wat volck dat wy waren; seyden: "Wy zijn Hollanders en hebben
-door ongheluck van brandt ons schip verloren, en zijn hier gekomen
-om eenige ververschinghe te ruylen, soo ghy 't hebt." Sy antwoorden,
-dat sy hoenderen en rijs hadden, daer wy heel graegh nae waren. Doe
-quamen sy alsoo by ons ontrent de boot en vraeghden of wy oock gheweer
-hadden. Wy gaven tot antwoordt: "jae, geweers genoegh, musschetten,
-kruyt en koegels". Ick hadde de seylen over de boot laten halen, soo
-datse inde boot niet kosten sien, watter in was. Doe brochten sy ons
-rijs, die ghekoockt was, met ettelijcke hoenderen. Wy examineerden
-ons onder malcanderen [100], wat gelt dat wy by ons hadden, en
-brochtent by malkander. D' eene bracht 5, d' ander 6, dese 12, d'
-eene min, d' ander meer rejaelen van achten te voorschijn [101], soo
-dat wy in 't geheel ontrent 80 rejaelen van achten by een brochten,
-van welck gheldt wy die hoenderen en rijs, die sy ghebrocht hadden,
-betaelden. Die hebbende seyde ick tegen ons volck: "Nu mannen, set
-jou nu by malcander, en laet ons nu de buyck voor eerst vol eten en
-sien hoe 't dan is." 't Welck wy deden. De maeltijdt gedaen zijnde,
-maeckten wy overlegh wat ons nu te doen stondt, om ons beter te
-versien van 't gheen ons noodigh was. En alsoo wy niet wel verkent
-waren, vraeghden haer, hoe dat landt hiete, maer konden 't niet wel
-verstaen; doch konden anders niet verstaen of noemden Sumatra. Sy
-wesen met de handen neerwaert aen, dat Java daer lagh, en noemden
-Jan Coen, dat die onse Overste aldaer op Java was; 't welck waer
-was, want Jan Pietersz. Coen van Hoorn was doen ter tijdt Generael,
-soo dat wy doen ten deele verkent worden en vast ginghen [102], dat
-wy boven windt van Java waren; want wy hadden geen compas, waren
-altijdt twijffelmoedigh geweest, of onse dinghen al vast gingen;
-stelden ons in die saeck doe vry wat gheruster.
-
-Maer alsoo wy meer victualie van doen hadden, om onse reys te
-vervorderen, soo resolveerden wy, dat ick met vier vande maets met een
-prauwtjen de revier op soude varen naer het dorp, dat een stuck weeghs
-op lagh, met het gheldt dat wy doen noch hadden, om aldaer victualie
-te koopen, sooveel wy krijghen konden. 't Welck ick dede en voeren op.
-
-In 't dorp komende kochten wy rijs ende hoenderen en stuerden 't
-nae de boot by Heyn Rol, de koopman, ordre stellende dat elck sijn
-part soude krijghen, op datse niet kijven souden, en ick met de vier
-maets lieten in 't dorp 2 a 3 hoenderen koocken met wat rijs; ginghen
-by malkander sitten en aten soo veel als ons luste. Daer was oock
-dranck, die sy uyt boomen tappen [103], die soo sterck was datmen
-daer wel droncken af konde worden. Droncken daer van mede eens om,
-met malkander, doen wy ghe-eten hadden. Terwijl wy aten, saten de
-inwoonders van 't dorp rondtom ons en keecken ons aen, als of sy ons
-de beten uyt de mondt wilden kijcken.
-
-Nae de maeltijdt kocht ick een buffel voor vijf en een halve rejael
-van achten en betaelden hem; maer de buffel betaelt wesende, konden
-wy hem door de groote wildigheydt niet krijghen; spilden daer veel
-tijdt mede, en alsoo het laet worde, wilde ick met de vier maets weer
-nae de boot; souden, soo my dochte, de buffel 's anderendaeghs wel
-krijgen. Hier over baden my de vier voorschreven maets, of ick wilde
-toestaen, dat sy die nacht daer mochten blijven, inbrenghende dat sy
-'s nachts, alst beest soude sitten, het wel souden krijghen. Hoewel
-ick haer dit afriedt, soo consenteerde ik het ten langhen lesten, door
-haer langh aenstaen. Ick nam mijn afscheyt, en seyden of wenschten
-malkanderen goeden nacht.
-
-Aende kant vande revier komende, daer de prauw lagh, stond' daer een
-hoop volcx vande inwoonders en haperden gheweldigh teghen malkander
-[104]. Het scheen dat de eene wilde hebben dat ick voer en de andere
-niet. Ick greeper een of twee (uyt den hoop) by den arm en stuwdese
-nae de prauw toe, om te varen, gelijck of ick noch meester was, en
-ick was boven half knecht niet. Sy saghender soo vreesselijck uyt als
-bullemannen, doch lieten haer ghesegghen, en twee ginghen met my inde
-prauw. De eene gingh achter sitten en de ander voor, elck met een
-scheppertjen [105] in de handt, en staecken af. Sy hadden elck een
-kris op haer zijd' steecken, zijnde een geweer oft een ponjaert was,
-met vlammen [106].
-
-Doen wy wat gevaren hadden, quam de achterste nae my toe, want
-ick sat midden inde prauw, en wees dat hy gheldt wilde hebben. Ick
-taste in mijn diessack [107], haelder een quaertjen uyt en gaf het
-hem. Hy stondt en bekeeck het, en wiste niet wat hy doen wilde; doch
-nam het ten lesten en wond' het in sijn kleetjen, dat hy om sijn
-middel hadde. De voorste, siende dat sijn maet wat ghekregen hadde,
-quam mede nae my toe en bewees my, dat hy oock wat hebben wilde. Ick
-dat siende haelde weder een quaertjen uyt mijn diessack, en gaf het
-hem. Hy stondt en bekeeck het mede; het leeck dat hy in twijffel was
-of hy het geldt wilde nemen, dan of hy my wilde aentasten, 't welck
-sy licht souden hebben konnen doen, want ick hadde geen gheweer en
-sy hadden (als verhaelt) elck een kris op zijd'.
-
-Daer sat ick als een schaep tusschen twee wolven, met duysent
-vreesen. Godt weet hoe ick te moede was. Voeren alsoo voor stroom af
-(want daer gingh harde stroom). Ontrent ter halver weegh (aende boot)
-zijnde, begonnen sy te tieren en te parlementen [108]; 't scheen
-aen alle teyckenen dat sy my om den hals wilden brenghen. Ick dit
-siende was soo benauwt, dat my het herte in 't lijf trilde en beefde
-van vreese; keerde my derhalven tot Godt en badt hem om ghenade, en
-dat hy my verstant wilde gheven, wat my best in die gheleghentheydt
-stondt te doen. En het scheen of my inwendigh geseydt worde, dat ick
-singen soude, 't welck ick dede, hoewel ick in sulcken benauwtheydt
-was; en songh dat het door de boomen en bosschaedje klonck, want
-de revier was aen beyde zijden met hooge boomen bewassen [109]. En
-als sy sagen en hoorden dat ick soo begon te singen, begonnen sy te
-lacchen en gaepten datmen haer inde keel sien kon, soo dat het leeck
-dat sy meenden dat ick gheen swarigheydt van haer maeckte; doch ick
-was heel anders in mijn herte gestelt als ick vertrouw dat sy meenden.
-
-Aldaer bevond' ick metter daedt, dat een mensche uyt vreese en
-benauwtheydt noch singhen kan; en wy raeckten temet soo verde voort,
-dat ick de boot sagh leggen. Doe gingh ick over eynd' staen en
-wuyfde ons volck (die by de boot stonden) toe. Sy my gewaer wordende,
-quamen datelijck nae my toe, by de kant vande revier langhs, en ick
-wees teghen die twee die my afbrochten, dat sy met de prauw aen landt
-souden sturen, 't welck sy deden, en wees haer dat sy voorheen loopen
-souden, want ick dacht: soo sult ghy my altijdt van achteren niet
-doorsteecken. Doe quamen wy alsoo by ons volck.
-
-Die perijckel en benautheydt (door Godts genade) ontkomen sijnde, by
-de boot komende, vraeghden de twee inwoonders waer ons volck sliep. Wy
-seyden: onder die tentjes; want ons volck hadden tentjes van bladeren
-gemaeckt daer sy in kroopen. Sy vraeghden oock waer ick en Heyn Rol,
-de coopman, sliepen; seyden: inde boot onder 't seyl. Doen ginghen sy
-weder wegh nae het dorp. Doe vertelde ick Heyn Rol en het ander volck,
-hoe ick ghevaren was, en dat ick een buffel in 't dorp ghekocht hadde,
-die wy op dien avondt niet wel konden krijgen; dat de vier maets,
-die ick mede genomen had, my gebeden hadden, of sy aldaer te nacht
-mochten blijven, dat sy het beest alst lagh souden vanghen en aen boort
-brengen, 't welck ick door langh aenstaen consenteerde, met conditie
-dat sy morgen ochtent by tijdts aen boort mosten komen met het beest.
-
-Dit en wat ons meer was ontmoet vertelt hebbende, ginghen wy t'
-samen legghen slapen, die nacht over. 's Morghens doen het dagh was,
-jae de son al een groot stuck geresen was, vernamen wy noch geen
-volck noch gheen beest. Doe begonnen wy twijffelmoedigh te worden,
-dat het met die vier maets niet wel most staen, en noch nae een wijl
-wachtens soo sagen wy twee vande inwoonders komen, die een beest voor
-haer heen dreven na ons toe. By ons komende en ick het beest siende,
-seyde dat het dat selfde beest niet en was, dat ick gekocht en betaelt
-hadde. Onse bottelier konde haer ten deele verstaen; die vraeghde,
-waerom dat sy dat selfde beest niet en brochten, dat ick gekocht hadde,
-als oock waer ons volck bleef (te weten die vier man, die met my nae
-'t dorp waren gevaren). Gaven tot antwoordt, dat sy dat beest niet en
-hadden konnen krijghen, en dat ons volck met noch een beest aenquamen;
-soo dat wy doen ten deele te vreden waren. En dewijle dat dit beest,
-dat dese twee swarten gebrocht hadden, soo gheweldigh sprongh en
-steygerde, seyde ick teghen Willem van Galen, de sarjant: "Neem de bijl
-inde handt en hackt het beest in sijn hacken, opdat het ons niet en
-ontloopt; want wy mogen tegen geen schaed' [110]." 't Welck hy dede;
-nam de bijl en hield [111] het in sijn hacken dat het neerstorte.
-
-Doen begonnen die twee swarten te roepen en te schreeuwen dat het
-wonder was, en op dat schreeuwen quamender wel 2 a 300 man (die 't
-weten mocht) achter 't bosch uytgheloopen, en meenden ons alsoo de
-boot af te snijden en ons al te samen doodt te slaen; maer worden haer
-in tijdts ghewaer door drie van onse maets, die een kleyn vyertjen
-hadden aengeleydt een weynigh van ons af, want die quamen nae ons
-toe gheloopen en seyden: dat sy quamen.
-
-Ick stapte een weynigh buyten 't bos en sagh daer ontrent 40 uyt het
-bosch komen; seyde teghen ons volck: "Stae vast, want wy hebben van
-dat volck geen noodt, want wy zijn oock sterck van volck." Maar sy
-vielen soo sterck uyt en duerde soo langh, dat 't scheen datter gheen
-eynd' van komen sou, met schilden en swaerden, en saghen ghelijck
-de bulleman, waer door ick verbaest [112] begon te roepen: "Mannen,
-elck sijn best nae de boot toe, want snijden sy ons de boot af,
-soo zijn wy lijveloos."
-
-Doe stelden wy 't op een loopen, met alleman nae de boot toe, die
-de boot niet krijghen kon, die koos de revier en swom daer in. Sy
-vervolghden ons tot de boot toe, en als wy inde boot quamen, was de
-boot heel reddeloos [113] om daer met soo grooten haest in en mede
-vande wal te komen, want de seylen waren over de boot heen gehaelt
-tot een tent. Sy waren ons op onse hacken aende boot, terwijl wy
-over klommen, en staecken ons volck met hesegeyjen [114] in 't lijf
-(soose overklommen) dat haer de dermen tot het lijf uytliepen. Met
-onse twee bijlen deden wy soo veel weer als wy konden en ons roestigh
-deeghen dede mee sijn profijt, want achter inde boot stondt een groot
-keerl van een man (sijnde een backer), die hem daer mede dapper weerde.
-
-Wy hadden een dregh achter uytleggen en een dregh t' zee. Ick
-ontrent de mast over ghekomen wesende, riep teghen de backer:
-"Hack het tou, hack het dregge-tou af," en hy hackte, hy hackte,
-maer het wilde niet af. Ick dat siende raeckte nae achteren toe,
-nam het tou en leyde het op de steven; doe seyde ick: "hack nu", en
-hy hackte het ten eersten af. Doe stondender van ons volck voor inde
-boot by 't dregge-tou en haelden de boot t' zee. De swarten liepen
-ons in 't water wel nae, maer alsoo 't schor aen lant was [115],
-waren sy datelijck grond af; mosten hier door onse boot verlaten,
-en wy vischten ons volck op, die in de revier swommen en haeldense
-in de boot. Met dat het volck inde boot was, gaf Godt almachtigh
-dat de windt met een barst datelijck uyt de landt quam, die tot die
-tijdt toe uytter zee ghewaeyt hadde. Voorwaer een merckelijck teycken
-vande genadige handt Godts. Wy settender onse seylen by en seylden
-eensloeghs [116] het gat uyt, tegen de hooge zee aen en over de banck
-(daer op wy sulck een perijckel in 't in-komen hadden uytghestaen,
-als verhaelt is) quamen wy nu datter weynigh water inde boot quam.
-
-De swarten of inwoonders van 't landt meenden dat wy daer niet uyt
-souden komen en sy liepen op de hoeck van 't landt en dachten ons daer
-aen waer te nemen en ons doodt te smijten; maer het scheen dat het
-Godt alsoo niet en beliefde, want de boot was voor hoogh en vroom,
-en sprongh tegen de zee op; raeckten alsoo met Godts hulpe het gat
-uyt. Buyten wesende worde de backer (die achter inde boot hem soo wel
-hadde geweert met de degen) gheheel blau om 't hooft, want hy was recht
-boven sijn navel inde buyck gequetst en haer geweer was fenijnigh
-geweest, waerdoor de wond' met een blauwigheydt omringht worde, 't
-welck ick uytsnee om het fenijn van vorder voortloopinghe te stuyten,
-maer mochte niet helpen, sturf evenwel voor onse oogen. Doodt sijnde
-setten hem overboort en lieten hem drijven. Doe telden wy ons volck
-en bevonden dat wy 16 man verlooren hadden, te weten elf diese aen
-landt hadden doodt gesmeten en de backer die wy over boort setten,
-met noch de andere vier maets die in 't dorp waren ghebleven; waer
-over wy altesamen hartelijck bedroeft waren, haer beklagende, doch
-danckten evenwel de Heere, dat wy daer altemael niet waren omgekomen.
-
-Ick voor mijn part late my voorstaen, dat die vier maets die in
-'t dorp bleven de behoudenis, naest Godt, van mijn leven waren,
-want hadden sy mede nae de boot ghewilt, doe ick voer, soo souden sy
-(te weten de swarten) ons alle vijf doodt geslagen hebben, soo ick
-vastelijck gheloove; want doen ick op de kant vande revier by al dat
-volck stondt, twisten sy (als gheseydt) onder malkanderen over mijn
-weghvaren, doch ick maeckten haer wijs en bewees het haer, dat ick
-'s anderdaeghs met al het volck by haer wilde komen. Doe scheen 't dat
-sy dachten: laet ons dan geen spel maecken, dan sullen wy haer met de
-minste swarigheydt konnen houden en dooden. Hebben gemeent, dat ick die
-vier maets niet verlaten sou, hebbende daer borgh en pant genoegh aen;
-doch 't is haer niet gheluckt. Evenwel ist een beklaeghelijcke saeck,
-dat wy die maets daer laten mosten; doch vermoede dat sy die al doodt
-hadden gesmeten.
-
-Wy stelden onse koers voor wint langhs de wal henen; hadden noch
-acht hoenderen met een weynigh rijs by ons inde boot en dat voor 56
-persoonen, die wy doen noch sterck waren. Voorwaer te weynigh voor soo
-veel menschen. Wy deylden hiervan yder syn paert toe. Dat op wesende
-spraecken met malcander dat het best was dat wy weder landt koosen,
-hebbende alree grooten hongher en in zee was niet [117] voor ons op die
-tijdt te krijgen om van te leven. Keerden daerom weder nae 't landt,
-sagen een bay, seylden daer in. Wy saghen aen landt veel volckx by
-malcander staen, daer wy nae toe liepen, doch sy verwachten ons niet,
-maer liepen van ons af. Konden doe aldaer geen fictualie krijgen,
-dan vonden vers water; daer droncken wy soo veel af als ons luste en
-haelden onse twee vaetjes vol van dat water, en voeren by de klippen
-om. Daer vonden wy kleyne oesterkens en alekruycken; pluckten daer van
-elck sijn diessacken vol. Ick hadde op die plaets daer wy 't volck
-verlooren ontrent een hoet vol peper ghekocht, die ons hier wel te
-pas quam met de oesters te eten, want het gloeyde lustigh in de maegh.
-
-Seylden doe weder de bay uyt en koosen zee, om onse reys te
-vervorderen. Een stuck weeghs buyten 't landt komende, begon het een
-heele storm te waeyen, soo dat wy al onse seylen mosten innemen;
-die haelden wy doe over de boot heen, en kropen met alleman onder
-de seylen, en lietent op Godts genade drijven tot ontrent twee uren
-voor den dagh; doe begon 't weer af te nemen en worde weder goet
-weer; quamen voor den dagh, settender onse seylen weder by. Doe
-kreghen wy inde wint, seylden van de wal af. 't Scheen of Godt ons
-voor grooter ongeluck bevrijden wilde, want hadden wy dese storm en
-dese contrarie-wint niet gekregen, souden by de wal langhs ghevaren
-en wel licht op de water-plaets, die daer dicht by lagh, op Sumatra
-aengheloopen hebben, daer de onse veel plachten aen te varen; en die
-waren nu bittere vyanden vande Hollanders, want korts voor dese tijdt
-waren daer noch veel Hollanders doodt gheslaghen, die daer ghekomen
-waren om water te halen. En doen 't dagh worde, saghen wy drie eylanden
-voor uyt leggen; resolveerden daer nae toe te seylen, vermoeden daer
-geen volck op, hoopten daer wel yets te krijghen tot ons onderhoudt;
-quamen daer dien selfden dagh noch aen. Wy vonden daer datelijck vers
-water, en daer wossen oock groote rieden, soo dick als een man om sijn
-been, die hackten wy met onse bijlen om. Dese rieden worden genaemt
-bamboesen. Wij stieten de knockels met een stock door, behalven de
-onderste knockel; daer gooten wy water in en stakender stoppen op,
-en hier mede kregen wy wel een last vers water inde boot. Vonden
-daer oock palmede-boomen, die boven inde top soo murwe sijn, als oft
-rietspieren waren; die hackten wy mede om, en namen de boven-enden
-die goedt waren tot onse fictualie. Het volck liepen het eylandt door
-en door te boschkaren, doch konden anders niet vinden dat waert was.
-
-Ick liep eens van al ons volck af, en een bergh (sijnde de hooghste van
-'t eylandt) siende, gingh daer op en sagh om ende wederom, wesende
-heel bedroeft en moeyelijck in mijn gheest, door dien dat het (soo
-my dochte) meest op my aen quam om de wech te vinden, en dewijl ick
-noyt in Oostindien gheweest was, noch gheen stiermans-ghereetschap
-hebbende, principael gheen compas (als verhaelt is), soo wist ick
-niet wat my beter te doen stondt als my op den Heere te verlaten,
-want mijn raedt was ick dickwils ten enden, als oock doe. Viel daerom
-op mijn kniejen neder en bad de Heere, hem smeeckende, dewijl hy my
-tot hiertoe hadde gheredt en bewaert onder sijn ghenadighe vleughelen
-en verlost uyt vyer en water, van hongher en dorst, en vande quade
-menschen, dat het sijn vaderlijcke goedtheydt doch soude ghelieven
-my vorder te bewaren en my de ooghen des verstandts open te doen,
-om den rechten wegh te vinden, opdat wy wederom by onse Natie en
-Vrienden mochten komen. Ja, met diep versuchten bad ick: "O Heere,
-wijst ons de wegh en geleydt my; doch of uwe wijsheyt voor goet en
-best insagh my niet in salva by onse Natie te brengen, soo laet doch
-(ist u Goddelijcke wil) eenighe van 't volck te recht komen, opdat
-men weten mach, hoe dat het met ons en het schip ghegaen is". En
-aldus met Godt ghesproocken hebbende stondt ick op, om weder af te
-gaen, en sloegh mijn ooghen als voor, om en wederom, aen allen oorden
-uyt, en siet: ick sagh aen mijn rechterhandt uyt, dat de wolcken van
-'t landt dreven, waerdoor het inde kimmen klaer wierdt, en sagh doe
-stracx twee hooge blauwe berghen legghen, en my schoot datelijck in
-'t sin, dat ick tot Hoorn van Willem Cornelisz Schouten [118] wel
-hadde hooren seggen (die wel 2 a 3 mael in Oostindien gheweest was),
-dat op de hoeck van Java twee hooge blauwe berghen lagen; en wy waren
-by Sumatra langhs gekomen, 't welck aen de slinckerhant lagh, en
-dese sagh ick aende rechterhandt, en in 't midden was een glop [119],
-daer ick gheen landt sien kond', en ick wiste dat de Straet van Sunda
-tusschen Java en Sumatra in liep, beelde my derhalven vastelijck in,
-dat wy wel te weegh waren, en liep doe alsoo verblijdt weder van den
-bergh af nae de coopman en vertelden hem, dat ick sulcke twee bergen
-ghesien hadde. Doe ick hem dit vertelde, waren de wolcken daer weder
-overghedreven, datmense doe weer niet sien kon. Vertelde hem oock wat
-ick van Willem Cornelisz Schouten hadde hooren vertellen, als oock
-wat gissingh dat ick daer over maeckte, te weten: dat ick vastelijck
-vertroude dat wy recht voor de Straet van Sunda waren. Doen seyde de
-coopman: "Wel Schipper, hebt ghy sulcke moet, soo laet ons het volck
-te hoop roepen en peuren daer nae toe [120], want u gissingh en reden
-hebben mijns oordeels fondament."
-
-Doe riepen wy het volck by een, en sy droegen ons water in die
-bamboesen en de top-enden vande palmeed-boomen tot fictualie,
-die wy vergadert hadden inde boot en staecken af; kreghen de goede
-wint, stelden de koers recht het glop in; s' nachts op de sterren
-aen. Omtrent de middernacht sagen wy een vyer, dat wy in 't eerst
-meenden het een schip was; maeckten daer een kraeck af [121]; maer
-daer by komende was 't een kleyn eylantjen, dat in de Straet van Sunda
-leydt, genaemt Dwars-inde-wegh, en passeerden dat eylandtjen. Een wijl
-tijdts daer nae sagen wy noch een vyer aende ander zijd', te weten aen
-stuerboort, passeerden dat oock, dochten my al goede tekens te wesen
-van visschers. 's Morgens den dagh opkomende worden het stil; waren
-doen aende binnekant van 't eylandt Java. Wy lieten een man aende mast
-klimmen, die sagh uyt en riep: "Ick sie schepen legghen!" Teldender
-tot 23 toe. Doen spronghen wy bykans op van blijdtschap. Wy stracx
-met de riemen te boord en roeyden daer nae toe, want het was (als
-verhaelt) stil.
-
-Hadden wy dese schepen hier niet ghevonden, daer wy aen voeren, wy
-souden tot Bantem gevaren hebben, daer wy inde val souden gheloopen
-hebben, want die waren doe met ons volck in oorlogh, 't welck mede
-een mercklijck bewaringhe Godts voor ons was. Danckten daer over den
-Heere voor sijn goetheydt.
-
-Dit waren altemael Hollandtsche schepen; die daer over commandeerde
-was van Alckmaer, ghenaemt Frederick Houtman. Hy stont doen ter
-tijdt en keeck met de kijcker of bril inde gelderye nae ons toe,
-verwondert wesende over onse mirakuleuse seylen, niet wetende wie
-het was [122]. Sondt sijn sloep uyt, die ons te gemoet roeyde, om te
-besien wat voor volck dat wy waren. By malcander komende, sagen ons,
-en kenden malcander terstondt, want wy waren met haer uyt Tessel
-geseylt en waren inde Spaensche zee buyten de Kanael van malcander
-gheraeckt. De coopman en ick stapten over in haer sloep en voeren
-aen Houtmans schip, genaemt de Maeght van Dordrecht. De commandeur
-Houtman riep ons achter inde kejuyt, heete ons wellekoom, liet ons
-de tafel decken om met hem te eten. Maer als ick het broodt en ander
-eten sagh, sloot my het herte en het lijf toe, en de tranen schooten
-my van blijdtschap over de wangen, soo dat ick niet eten kon. Ons ander
-volck, aen boort komende, worden datelijck op de schepen verdeelt.
-
-Houtman ordineerde terstondt een jacht [123], dat my met de coopman
-nae Batavien soude voeren. En nae dat wy hem alle gelegentheydt hadden
-vertelt van onse armoede en wedervaren, traden wy in 't jacht en gingen
-t' seyl. Quamen 's morgens voor de stadt van Batavia. Het volck van
-onse kennisse op de schepen hadden ons al vande Indiaensche kleeren by
-geset [124], soo dat wy al inden dos waren, eer wy inde stadt quamen.
-
-Wy ginghen inde stadt; quamen voor 't Hof, daer de Generael Jan
-Pietersz Coen van Hoorn sijn residentie hiel [125]. Wy vraeghden de
-hellebaerdiers, of sy wilden vragen: of wy eens by de Generael mochten
-komen, hadden hem te spreecken. Sy liepen heen, quamen weer, werden
-binnen ghelaten, en quamen by hem. Hy wiste van onse komste niet,
-maer ons bekent maeckende heete ons wellekoom. Doen most het groote
-woordt daer uyt met ons en seyden: "Heer Generael, wy sijn op sulcken
-tijt met het schip Nieu-Hoorn uyt Tessel gevaren, en op sulcken tijdt,
-ontrent de Straet Sunda ghekomen, op sulcken hooghte, daer hebben wy
-'t ongeluck gehadt dat ons schip in de brandt is geraeckt en wegh
-ghespronghen." En verhaeldent hem al van stuck tot stuck, hoe en
-waerdoor dat het gheschiedt was, wat volck dat wy verlooren hadden,
-en dat ick self met het schip opgevlogen was, doch door Godts genade
-met noch een jonghman ghesalveert; en ben tot heden toe bewaert,
-de Heer zij gelooft. De Generael dit hoorende seyde: "Wat helpt het;
-dat is een groot ongeluck." Hy vraeghde nae alle omstandigheden en
-wy seydent hem al, ghelijck alst gheschiedt was. En hy seyde al:
-"Wat helpt het; dat is een groot ongheluck." Ten laetsten seyde hy:
-"Jonghen, brenght my de gouden kop [126] hier." Hy liet daer Spaensche
-wijn in schencken en seyde: "Geluck schipper, ick brengh u eens! [127]
-Ghy meught dencken dat u leven verlooren is gheweest, en dat het u van
-Godt almachtigh weder is gheschoncken; blijft hier en eet aen mijn
-tafel, want ick ben van meningh te nacht te vertrecken nae Bantem,
-nae de schepen, om eenighe ordre te stellen. Blijft hier soo langh
-tot dat ick u ontbiede, of dat ick hier weder koom." Doe brocht hy 't
-de coopman oock eens; hadden noch verscheyden discoersen. Eyndelijck
-vertrock hy, en wy bleven daer en aten aen sijn tafel, de tijt van
-acht dagen. Doen ontboot hy ons weder by hem, voor Bantem, in 't schip
-de Maeght van Dordrecht, daer wy te vooren aen gheweest waren, en hy
-ontboot my eerst by hem en seyde: "Schipper Bontekoe, ghy meught by
-provisie, tot naerder ordre, gaen op 't schip de Berger-Boot en nemen
-aldaer het schipperschap waer, als ghy te vooren gedaen hebt." Ick
-seyde: "Ick bedancke mijn Heer Generael voor die gunst."
-
-Twee of drie daghen daer nae ontboot hy de coopman Heyn Rol en seyde:
-"Coopman, ghy meught by provisie, tot naerder ordre, gaen op 't
-schip de Berger-Boot en nemen aldaer het coopmanschap waer, als ghy
-te vooren ghedaen hebt." Doen waren wy weder by malcander en hadden
-weder te commanderen.
-
-Het Berger-Boot was een kort schip met 32 stucken, en leeck of 't
-vol geschut lagh, meest twee lagen hoogh. Wy voeren in 't voorste van
-'t jaer 1620 na Ternaten; hadden ons schip met vleesch, speck en rijs
-gheladen, als oock veel amonitie van oorlogh, om de forten aldaer te
-versien; waren met ons drie schepen te weten: Het Berger-Boot, daer
-ick op was, de Nephtunus en de Morghenstar; deden in passant Gresse
-[128] aen. Een opper-koopman, Wolter Hudden van Rijga in Lijflandt,
-die daer lagh, scheepten ons in menighte van koe-beesten, hoenderen,
-gansen, arack, swarte suycker. Het voer voor de beesten was rijs,
-die noch in de dop was, gelijck sy van 't landt afghesneden was,
-ghenaemt paedje. Staecken doe weder van Gresse af; voeren al by 't
-landt langhs, voorby de Straet van Baly, om de hooghte te krijghen,
-tot het landt van Soloor toe, want het Mouson was verloopen; hoopten
-daerdoor te beter Ambony aen te seylen; doch voor 't gat van Soloor
-komende, quam den koopman van 't fort aen ons boordt, genaemt Raemburgh
-van Enckhuysen, die sijn residentie aldaer hadde, ende seyde dat
-daer een vleckjen ontrent lagh, ghenaemt Laritocken [129], waer uyt
-de Specken en Mostiesen [130], daer woonende, grooten afbreuck deden
-in onsen handel, en dat het nu den rechten tijdt was (dewijl wy daer
-nu met ons drien waren) om 't voornoemde vleck af te loopen. Waer
-over wy resolveerden het selfde te onderlegghen [131]. Voeren daer
-nae toe, verselschapt met eenighe Corrakorren en een groote menighte
-van vaertuygh daer van 't landt, die mede voeren om te sien hoe 't af
-soude loopen, doch quamen niet om te helpen. Wy liepen onder 't fort
-en 't vleckjen, schooten daer dapper in, en sy weer op ons. Onder
-'t schieten landen wy ons volck, maer die van de stadt deden 2 a
-3 uytvallen en dreven de onse terugh, soo datter omtrent 20 a 25
-van ons volck bleven leggen, en noch veel gequetst. Mosten daerom
-vertrecken, sonder yets uytgherecht te hebben. Haelden ons water en
-namen ons afscheydt van den opper-coopman Raemburgh en stelden onse
-koers N.O. aen, om boven het eylandt Batamboer te seylen; kregen
-het in gesicht; lietent aen bag-boert van ons leggen; stelden doen
-den koers Noort-Oost ten Noorden, om de eylanden van Boero ende Blau
-te beseylen, de welcke wy mede aen bag-boort lieten legghen. Liepen
-doe nae het eylandt Ambony, doch konden het door verleydingh vande
-stroom niet beseylen; raeckten daer beneden om, tusschen twee kleyne
-eylandekens deur, in eene in-wijck genaemt Hieto, en Combello lagh
-daer teghen over, alwaer veel nagelen vallen.
-
-Van Hieto kan men met een paert in korter tijt op Ambony rijden. Wy
-vonden alhier 3 commandeurs, te weten: den governeur Houtman van
-Alckmaer, den governeur 't Lam van Hoorn, met den governeur Speult. Het
-Lam hadde sijn residente op Maleyen, die governeur Speult op Ambony,
-en Houtman worde gedestineert met ons te gaen nae Baets Jan; alwaer
-wy quamen [132]. En na dat wy aldaer 4 a 5 dagen gelegen hadden,
-namen wy ons afscheyt. Den opper-coopman worde van 't fort gelicht
-[133], alsoo sijn tijdt ge-expireert was, en onse coopman Heyn Rol
-worde in sijn plaets gestelt. Voeren voort aen alle forten in de
-Moluckes en versagense met vleys, speck, rijs, oly, asijn en andere
-behoeftigheyden. Lagen aen 't eylandt Maleye (daer den governeur
-Jan Dirckz. 't Lam sijn residentie hadde) omtrent 3 weecken; namen
-ons afscheyt van 't Lam, voeren weder aen Baets Jan, daer wy (als
-geseydt is) onse coopman Heyn Rol gelaten hadden, die het commande van
-'t fort hadde. Hy gaf ons omtrent 100 lasten nagelen in.
-
-Hier nam ick mijn afscheydt van Heyn Rol, beyde met de tranen over
-de wanghen; gingh ons beyde dapper ter herten, te meer omdat wy soo
-veel ellenden en swarigheyden met malcanderen hadden uytgestaen, als
-vooren verhaelt is. Sedert dese tijdt heb ick hem noyt weer ghesien,
-dan heb verstaen dat hy eenighe tijdt hier nae op het eylandt Maleyen
-gestorven en begraven is. De Heere wees sijn ziele genadigh, en de
-mijne als ick na kome.
-
-Staecken doe dwars over nae die Boggeronis, ofte Straet van Boton toe
-[134]. Liepen de Boggerones deur, al dwars over, om boven de gronden
-te seylen, recht op Java Minor ofte Cleyn Java aen [135], en voort by
-'t landt langhs nae Grisse. Wy hadden den governeur Houtman in 't schip
-by ons. Op Grisse komende laden wy soo veel koe-beesten en hoenderen
-als wy berghen konden, in 't getal omtrent 90 beesten en 16 hondert
-hoenderen, met eenige gansen en eynden. Gavense padje tot voer. Men
-kocht alhier 16 hoenderen voor een rejael van achten. Namen weder onse
-afscheyt van den koopman Wolter Hudden en stelden onse kours langhs
-Java. Seylden dicht by Japara langhs, doch en waren daer niet aen;
-vorderden onse reyse en quamen geluckelijck voor Batavia.
-
-Spraecken daer wederom den Heer Generaal Coen van Hoorn. Losten daer
-ons schip. Los wesende, worde ick met het selfde schip gesonden nae
-Janbay [136], om daer een schip vol peper van daen te halen. Deden
-in passant Palimbam aen. Brochten een schip vol peper op Batavia.
-
-Doe sond den Generael my aende eylanden die tusschen Bantem en
-Batavia dwars af legghen, om steen te halen, die daer op de grondt
-leydt. Men gaf my 40 laskares [137] mede, diese duycken en op de
-gront vast maecken souden, 't welck ghedaen zijnde hijstense alsoo
-inde boot. 't Zijn groote steenen, diese op Batavia weten viercant
-te houwen, en maeckten daer de puncten van 't fort af. Die steen is
-heel wit, veel witter als hart-steen in Hollandt. Het fort is meest
-van sulcke steen gebouwt, heel uyt het water tot boven toe, een lust
-om te sien. Deden sulcke drie tochten om steen. Doe quam het schip
-Groeningen uyt het Vaderlandt, daer schipper op was Tobias Emden en
-koopman Signeur van Neck, die schout op Texel hadde gheweest. En door
-dien dat de schipper en coopman niet en hadden konnen accorderen,
-wierden sy beyde, door ordre van den Generael Coen en de Raden van
-dien, op 't Berger-boot gestelt, en ick op 't schip Groeningen,
-met een onder-koopman by my, genaemt Jan Claesz. van Amsterdam.
-
-Ick dede gheen quade ruylingh, want op 't Berger-boot was te eten
-noch te breecken (gelijck men seydt) en het schip Groeningen was
-eerst uyt het Vaderlandt ghekomen, hadde van alles ghenoegh. Ick
-wierde gedestineert daer mede te gaen na Janbay, weder om peper, met
-twee kisten gheldt; souden Palimbam wederom in passant aendoen, het
-welck wy deden en vonden aldaer een koopman van Alckmaer, ghenaemt
-Hooghlandt. Setten hem een kist met gheldt by; vertrocken voort
-nae Janbay. Daer lagh een koopman van Delft, genaemt Abraham van
-der Dussen, dewelcke wy mede een kist met gheldt brochten. Laghen
-daer langh op de reed'; de last worden ons met kleyne jachten aen
-boort ghebrocht, nevens dat wy oock met onse boot alle daghen af
-en aen voeren om peper uyt de revier te halen. Onse opper-stierman,
-Sipke van Enchuysen, voer met de sloep heel op, by de koopman, ende
-vond het jacht de Bruynvis by 't dorp leggen, daer schipper op was
-Jaep Maertsz. van Hoorn, en nae dat hy daer in 's avondts goedt
-chier ghemaeckt hadde, gingh 's nachts op de hut legghen slapen
-[138] en rolde met de deecken om sijn lijf vande hut af in 't water
-en verdronck, om welcke tijdingh ick seer droevigh was. Doen wy de
-last in hadden, namen ons afscheydt van Signeur van der Dussen en
-vertrocken wederom nae Batavia; losten daer datelijck ons schip; voer
-weder twee tochten om steen aen de voornoemde eylanden. Dat ghedaen
-zijnde voer wederom nae Janbay om peper, op welcke tocht onse koopman
-Jan Claessz storf; quamen alsoo weder voor Batavia.
-
-Met dese reysen, soo met het Berger-boot als met het schip Groeningen,
-bracht ick ontrent 2 jaren door. Doe wierter goedt gevonden, dat
-ick met het selfde schip nae China soude gaen, in compagnie van noch
-seven schepen, onder den Commandeur Cornelis Reyertsz. van der Gou,
-om, soo 't mogelijck waer, Macou te incorpereren [139], of nae de
-Piscadores te gaen [140], en door alle bequame middelen, indien het
-mogelijck waer, den handel met die van China te stabileren, ghelijck
-dat breeder inde instructie was uytghedruckt, die den Heer Generael
-Koen ons mede gaf. De Generaal hadde tot dien eynde op veel plaetsen
-gheschreven, dat de schepen haer al by ons souden vervoeghen, op sulck
-en sulcke plaetsen daer wy voorby passeren mosten. Onder anderen oock
-nae de Maniella, nae den Commandeur Willem Jansz, die neffens eenighe
-Enghelsche daer op een tocht was [141]; dat eenige van sijn schepen
-haer by ons souden vervoegen, gelijck onderwegen oock geschiede.
-
-Den 10. April, nae dat wy eenige tijdt voor Batavien gelegen hadden,
-sijn wy met ons acht schepen t' seyl gegaen; stelden onse koers om
-de Straet van Balimbam door te loopen.
-
-Den 11. dito saghen wy het landt van Sumatra. Wy vervielen hier
-Suydelijcker als wy gisten, waer over wy oordeelden, dat de stroom
-de Straet van Sunda uyt-liep.
-
-Den 12. 13. 14. en 15. hadden wy variabel weer en windt; passeerden
-het eylandt Lucipara.
-
-Den 16. en 17. dito quamen wy by 't eylandt Bancka.
-
-Den 18. ontmoeten ons het schip Nieu-Zeelandt komende uyt Japon, met
-twee Portugesche jachten by hem, die van onse schepen voor Malacca
-genomen waren; willende nae Batavia.
-
-Den 19. tot den 25. dito konden wy weynigh avanceren, door dien wy
-meest de wint en stroom tegen hadden, soo dat wy het dickwils mosten
-setten [142].
-
-Den 29. dito waren wy des middaeghs aen 't Noort-eynde vande Straet
-van Balimbam, en het eylandt Bancka was S.O. van ons, ontrent een mijl;
-liepen Noorden aen, nae het eylandt Polepon.
-
-Den 30. dito quamen wy aen 't S. O.-eynde van Polepon ten ancker op
-12 vadem sandt-grondt. Het is hoogh landt.
-
-Den 1. Mayus laghen wy aende Westzijde van 't voornoemde eylandt ten
-ancker op 19 vadem steckgrondt [143], tegen over de Noordelijcste
-sant-bay, alwaer het vers water of water-plaets een weynigh in 't bos
-is, in een vlacke put of dal. Van 't Noort-eynde van 't eylandt Bancka
-tot dit voorghenoemde eylandt is de koers Noorden 19 mijlen [144].
-
-Den selfden dito sijn wy weder t' seyl ghegaen; stelden onse koers
-N.O. ende N.O. ten N. aen, om boven of beoosten het eylandt Linga
-te seylen.
-
-Den 2. dito behouden 12 mijlen N.O. ten N. Des middaghs was de
-Oost-hoeck van 't eylandt Linga S.W. ten W. van ons, 4 mijlen. Het
-is een seer hoogh landt aen de Noort-sijde. Van de Westzijde van
-Poelepon tot de Oost-zijde ofte hoeck van Linga is de koers N.N.O.,
-wel soo Noordelijck 9 mijlen, diep 18, 19, 20 vadem.
-
-Den 3. dito was het eylandt Poelepaniang West en W. ten S. van ons
-[145].
-
-Den 4. dito namen wy hooghte en bevonden 1 graed 48 minuyten benoorden
-de Linie Equinoctiael. 's Achter-middaeghs saghen wy het eylandt Laur
-N.W. van ons, naer gissingh 8 mijlen, hooghachtigh landt, doet hem
-op als een hoogen bergh, diep 35 vadem.
-
-Den 6. dito was het eylandt Poele Timon W. van ons, ontrent 6 mijlen,
-stelden onse koers N.N.O. nae 't eylandt Poele Candoor.
-
-Den 9. dito wierter geordonneert, dat wy met ons drie schepen voor
-uyt souden loopen, nae het eylandt Poele Ceceer, te weten: 't schip
-Groningen (daer ick op was), de Engelsche Beer en St. Niclaes.
-
-Den 18. dito, 's morghens, saghen wy het eylandt Poele Candoor
-N.N.O. van ons, ontrent 9 mijlen; is hooghachtigh landt met kleyne
-eylandtjes, meest legghende aende S.O.sijde van 't groote eylandt. De
-water-plaets is aende S.W.sijde. Van 't eilandt Poele Timon tot dit
-eylandt is de koers recht N.N.O., volghende de kaerten; diep in 't
-vaerwater: 35, 40, 50, 60 vadem, weeckachtige grondt; maer als men
-Poele Candoor begint te naderen, soo krijght men weder 30, 25, 20
-vadem harde sant-grondt [146]. Des avondts liepen wy dicht beoosten
-het eylandt om, ontrent een groot half mijl van 't Oostelijckste
-eylandeken; diep 18 en 20 vadem. Setten onse koers N.O. aen, nae de
-kuste van Champey.
-
-Den 21. dito, 's avondts, konden wy Poele Candoor noch vande groote
-stengh sien.
-
-Den 22. dito sagen wy het landt van Champey. Doet hem op oft eylanden
-waren, wesende ontrent 7 a 8 mijlen van 't landt.
-
-Den 24. dito saghen wy onse andere schepen wederom, wesende op de
-hooghte van 10 graden 35 minuten; waren ontrent 1 1/2 mijl van 't
-landt: is hier leeghachtigh [147] voor-landt met witte sant-strant,
-doch hoogh en heuvelachtigh binne-landt. Langhs het landt heen 1,
-2, 3 mijlen t' zee; is diep 17, 16, 15, 14, 13 vadem sant-grondt
-[148]. Des avondts sijn wy altesamen by malcanderen ten ancker gekomen
-op 15 vadem, tegen een punt of hoeck, gheleghen op de hooghte van 10
-3/4 graden, genaemt Caep de Ceceer. Benoorden dese Caep heeft men een
-groote in-wijck [149], daer het voort by de zee-kant langhs duynigh
-landt, met hoog binne-landt is. Het landt streckt hem van desen hoeck
-N.O. ten O.
-
-Den 25. waren wy nevens het eylandeken met de steen-klippen genaemt
-Poele Ceseer de Terre [150]. Men siet hier benoorden het landt een
-in-wijck tusschen het hoogh-landt, ghelijck een revier. Het duynigh
-landt begint hier te eyndigen en men krijght dan voort hoogh dubbelt
-landt, met dieper water van 30, 40 en 50 vadem.
-
-Den 26. dito quamen wy inde Malle Bay (by de inwoonders genoemt de
-Bay van Panderan) ten ancker. Hier gingh onse opper-stierman Abram
-Thijsz. van Vlissingen over op het schip St. Niclaes, ghedestineert na
-de Mannieljes, om te sien of hy eenige schepen van Willem Jansz. vloot
-kost vinden. Hier staen veel hooge klappes-boomen aen de strand'
-by de huysjes.
-
-Des anderen daeghs gingen wy met ons vier schepen t'seyl nae een
-ander bay, genaemt Canberijn, ontrent 6 mijlen verder; vonden hier
-water en hout ghenoegh, als oock verversinge in abondantie. Kreghen
-ontrent 17 beesten en een goede parthy hoenderen; maer een Speck
-[151] van ons overloopende by de inwoonders, konden daernae geen
-verversinge meer krijgen.
-
-Den 4. Juny trock ick met de boot nae onse mackers in de Bay Panderan,
-om haer van ons wedervaren rapport te doen, en quam den 6. dito
-wederom. Ondertusschen was het jacht St. Cruys by ons gekomen [152].
-
-Des anderen daeghs gingen wy onder seyl; quamen by het jacht de Haen,
-die een Japonsche jonck aengehaelt hadde [153], als oock by onse
-andere schepen.
-
-Den 10. dito sagen wy een kleyn eylandt onder de wal leggen, van
-gedaente oft Cockx Broodt [154] was onder Engelandt.
-
-Den 20. dito, verscheyden eylanden in onse wegh gesien hebbende,
-sagen twee seylen dicht onder de wal. 's Avondts quamen wy by de
-Manieljes-vaerders, de Hoop met de Bul, sijnde een Engelsman; hielden
-den heelen nacht by.
-
-Den 22. dito quamen wy voor Macou, lieten ons ancker vallen op 4 vadem
-weecke grondt; waren doe sterck 15 seylen, soo schepen als jachten,
-daer onder 2 Engelsche schepen [155].
-
-Wy monsterden ons volck; lieten haer optrecken [156] rondom de mast,
-daer in sy onderrecht worden nae krijghs-gebruyck. Desgelijcx deden
-sy op de andere schepen.
-
-Den 23. 's middaeghs ginghen wy met ons drie schepen, te weten
-Groningen, de Galias en de Engelse Beer, dicht onder de stadt;
-lieten ons ancker vallen op 3 vadem diepte, met laegh water, ontrent
-een gotelinghs schoot vande wal; schooten dien avont noch 5 schooten
-daer in. Des nachts liepen wy met ons tween, te weten Groningen en de
-Galias, tot op een groote muskets-schoot onder de stadt, op 3 vadem,
-met half vloet, weecke grondt.
-
-Daer was goet gevonden, dat ick en onsen coopman Bosschert van Delft
-[157] met het volck aen landt souden varen en te lande de stadt helpen
-bestormen; maer deze resolutie wierde verandert, om het schip niet
-teffens van schipper en coopman te ontblooten: dat ick soude t'scheep
-blijven en daer de saecken waarnemen en onse Commandeur voer voor
-velt-overste aen landt.
-
-Des morghens, zijnde den 24. dito, soo drae den dagh aenbrack,
-schoten wij met de gantsche laegh inde stadt dat het rammelde,
-soo veel de stucken konden verdraghen. Weynigh tijdt daer nae is
-den E. Heer Commandeur Cornelis Reyertsz. nae landt ghevaren, met
-ontrent 600 weerbare mannen. Twee jachten liepen dicht by de wal,
-daer den Commandeur lande, om oft [158] de onse te quaedt viel,
-dat sy haer retreyt daer aen souden konnen nemen; oock om de
-boots en kleyn vaer-tuygh te beschermen. De Portugijsen hadden een
-borst-weer opgeworpen, daer de onsen mosten landen, daer van sy
-eenige tegen-weer deden, doch de onsen daer op aendringende namen
-sy de vlucht op de hooghte, nae een clooster. De onsen aen landt
-wesende avanceerden dapper op de Portugijsen, dewelcke verscheyden
-uytvallen op de onsen deden, maer t'elckens met een groote couragie
-te rugh werden gedreven. Eyndelijck raeckte door ongeluck de brant
-in eenige half vaten kruyt, 't welck de onse verlegen maeckte, want
-daer soo drae geen ander kon gebracht worden, of de Portugijsen waren
-daervan verwittight door eenige overloopers, sijnde Japoneesen. De
-onse van voornemen sijnde om af te trecken, quamen de Portugijsen
-op dat voorseyde rapport tot de onsen ingevallen, die door gebreck
-van kruyt geen genoeghsame tegenstandt konden doen, en sloegen
-vele vande onse doodt. De rest retireerde in groote confusie van
-'t landt in de booten en voeren nae boort. Wy bevonden in als [159]
-verloren te hebben 130 man; hadden ontrent oock soo veel gequetsten,
-onder anderen den Commandeur Cornelis Reyertsz., die in 't eerste soo
-de onze landen souden door sijn buyck geschoten wierde, doch wierdt
-door Godts hulpe weder genesen.
-
-Het volck weder scheep komende seylden wy af, ontrent 3/4 van een mijl
-en haelden daer water aen een eylandt besuyden Macou. Kreghen onse
-opper-stierman wederom, die te vooren van ons schip was overgegaen.
-
-Den 27. vertrocken de twee Engelsche schepen met het schip de Trou
-na Japon. 't Schip de Hoop wert mede onder onse vlagge gestelt.
-
-Den 28. dito is de Beer en St. Cruys nae het eylandt Lemon gheseylt,
-en voort om de kust van China te besichtigen.
-
-Den 29. sijn wy voort altemael vertrocken nae de Piscadoris,
-uytgesondert het schip de Hoop, 't jacht St. Niclaes en het kleyn
-jachtje Palicatten, die daer souden blijven tot in 't laetste van
-Augustus, om te passen op de schepen die van Malacca aldaer souden
-moghen komen.
-
-Den 30. passeerden wy Idelemo, of anders de Hasen Ooren; liepen
-Oost en O. ten S. aen, om boven Poele of Peter Blancke te loopen;
-doet hem van veers op als een groot schip of kraeck [160].
-
-Den 4. Julius sagen wy uyt de mars het Suyd-Westelijckste eylandt
-van de Piscadoris.
-
-Den 6. dito is het schip de Beer weder by ons gekomen vande kust van
-China; liepen met malcander buyten de eylanden om.
-
-Den 10. quamen wy ten ancker achter een vande eylanden; deed'
-hem op als een tafel, was wel een vande hooghste eylanden vande
-Piscadoris. Saghen tusschen de eylanden door eenighe Chinese visschers,
-doch liepen voor ons wegh.
-
-'S anderdaeghs lichten wy weer ons ancker en liepen in een schoone
-besloten bey, op 8 a 9 vadem steck-grondt [161]. Dit landt is vlack
-en steenigh, heeft geen boomen om hout te hacken, is met langh gras
-bewossen, heeft redelijck vers water, 't welck men uyt putjes haelt;
-maer alst droogh weer is, soo ist brackachtigh. Men vindt het in twee
-in-wijcken, daer men met de schepen leydt, anders en heeft men hier
-geen verversinge, most daer altemael gebracht worden, en alsoo ons dese
-plaets was belast te houden tot een rende-voes [162], soo deden wy op
-het eynd' van Ilje Fromosa een haven aen, daer de Chinesen eenigen
-handel hebben, Tayowan ghenaemt [163]. Daer haelden wy naderhandt
-met onse jachten veel verversinghe van daen, leydt 13 mijlen vande
-Piscadoris, heeft niet meer als 11 voet water in 't gat en is vry krom
-in te komen, soo datmen met groote schepen daer niet in mach [164].
-
-Den 19. gingen wy, te weten het schip Groningen en de Beer onder
-seyl, om over nae de kust van China te loopen; ghemoeten het jacht
-St. Cruys. 's Anderendaeghs brack de Beer sijn focke-ree, waer door wy
-ghenootsaeckt waren minder seyl te voeren, om by malcander te blijven.
-
-Den 21. saghen het vaste landt van China; quamen voor de vermaerde
-revier Chincheo [165]. Dese revier is zeer kenbaer, ghelijck Jan
-Huygen van Linschoten daer van schrijft [166]: op de eene hoeck aen de
-N.O. sijde staen twee heuvelen, waer van de eene is gelijck een pylaer
-van een kerck, en aen de S.W. sijde vande revier ist leegh [167],
-duynigh landt, en weynigh binnen de Suyd-Westhoeck sietmen een tooren
-of ten minsten die ghelijckenisse. Souden daer aen de S.W. sijde onder
-een kleyn rondt eylandeken geloopen hebben, maer door dien het schip
-de Beer die reed' niet en kost beseylen, mosten weder zee kiezen,
-want sijn ghebroocken ree was noch niet ghemaeckt. Begon hart te
-waeyen, soo dat 's anderdaeghs onse fock uytte lijck waeyde [168];
-hielden doe af ende aen [169], doch dreven geweldigh om de Noort.
-
-Den 25. saghen wy een seer hackeligh landt op de hooghte van 27 graden
-9 minuyten, 't welck wy vermoeden, soo door 't schrijven van Jan Huygen
-als uytwijsende de kaert, het eylandt Lanquijn te wesen. Settent daer
-onder op 15 vadem; sagen veel Chinese visschers, die omtrent 3, 4,
-5, a 6 mijlen buyten landt hielden.
-
-Wy deden daghelijckx onse best om om de Zuyd te komen, maer dreven
-ghestadigh om de Noordt, soo dat daer een harde stroom om de Noordt
-schijnt te gaen.
-
-Den 27. kreghen wy een visscher aen ons boort, die ons wat ghedrooghde
-vis verkocht.
-
-Den 9. Augustus bevonden wy ons by de eylanden van China, die seer
-veel in 't getal zijn. Liepen ten ancker op 15 vadem; vermoeden ons,
-uytwijsende de kaert en bevonden breete, ontrent de Caep de Somber te
-wesen, doch konden geen vaste kust noch caep sien. Oordeelden daerom,
-dat de caep Noordelijcker leyt als de kaerten aenwijsen.
-
-Den 11. lichten wy ons ancker en liepen onder het eylant Lanquijn,
-leggende op 28 1/2 graden benoorden den Equinoctiael, op een tamelijcke
-rede aende Noort-zijde, die wy met de boot hadden opgespeurt, om
-nae water en verversinge te soecken, doch bequamen geen of weynigh
-van eetwaren, maer daer was goet water. Hier leggende quamen daer
-eenighe Chinesen aen ons boort met haer ciampan [170], die ons voor
-elcke schip 5 korven witte suycker vereerden. Waren nae ons vermoeden
-en soo veel wy uyt haer verstaen konden Chinese zee-roovers, die op
-haer eygen natie vry-buyten. Des anderen daeghs haelden wy ons water
-en gingen weder t' seyl, doch met weynigh spoets.
-
-Den 18. dito quamen wy wederom ten ancker aen de West-sijde van
-'t selfde eylandt, op een beter rede als de voorgaende; was een
-haven daermen meest voor alle winden beschut lagh. Hier hielden de
-voornoemde zee-roovers haer haven-plaets, die ons altemet eenige
-verversinge brachten, die sy van elders wisten te halen, doch kon
-weynigh helpen voor 't geheele scheepsvolck. Sy presenteerden ons
-dickwils, soo wy met haer wilden seylen na de vaste kust, dat sy onder
-ons mochten schuylen, sy wilden ons verversingh, ja ladingh genoegh
-beschicken; dan wy vondent niet geraden. Sy setten Prince-vlaggen op
-hare scheepkens en roofden onder de selfde op haer eygen Natie.
-
-Wy ginghen weder onder seyl, om ons by onse andere schepen te voegen
-in de Piscadoris, daer wy na veel variabel weder den 22. September
-quamen. Sagen ons volck daer doende om een fort of sterckte op te
-werpen [171]. Vonden daer oock twee schepen met een jacht meer als wy
-daer gelaten hadden, die van Batavien sedert aldaer ghekomen waren, te
-weten: het schip de Gouden Leeuw, de Sampson en het jacht Sincke-Pure
-[172].
-
-Des ander daeghs sijnder twee jachten vande kust van China gekomen,
-hebbende eene achter gelaten, dat op de voorschreven kust gebleven was
-[173], maer het volck en geschut hadden sy geberght, waer in haer de
-Chinesen seer behulpigh hadden geweest. Dese jachten waren uytgesonden
-om met de Chinesen vande handel te spreken, de welcke haer met groote
-hoope wederom sonden en beloofden met een ambassadeur by ons te sullen
-komen inde Piscadoris, om nader met malcander te spreken; 't welck
-sy den 29. dito deden. Quamen met vyer joncken met haren ambassadeur,
-om met onsen commandeur en raet over den handel te accorderen, maer en
-wiert niet [174] uytgherecht; want in al wat sy beloofden en hielden sy
-geen woordt, soeckende ons door die middel vande Piscadoris te krijgen,
-'t welck streedt tegen de ordre ons vanden Heer Generael mede gegeven.
-
-Den 10. October is de Gouwe Leeuw t'seyl ghegaen nae Janby.
-
-Den 18. dito sijn wy met ons acht seylen, drie schepen en vijf jachten,
-gecommandeert te gaen nae de revier Chincheo en de kust van China, om
-te sien of wy haer door vreese van onse vyantschap en gewelt tot den
-handel mochten beweghen; doch quamen ontrent 10 mijlen te laegh. Drie
-van onse schepen dwaelden van ons, bleven doe noch met ons vijven,
-settent in een bay, daer wy door onse jachten wel 60 a 70 joncken,
-soo kleyn als groot, verbranden [175].
-
-Hier ghebeurden een sake verhalens waerdigh, want alsoo ons volck
-doende was om twee joncken (die sy genomen hadden) aen ons boort te
-brengen en door harde wint het mosten setten, by haer hebbende den
-boot met onse sloep, soo sijn sy inde voor-nacht van haer anckers
-ghespilt en dreven wegh, de eene inhebbende 23 van onse maets met
-twee Chinesen. Het jacht Fictoria, dat by haer geset lagh om haer te
-helpen, en kost door het harde weer en donckerheyt geen hulp doen. De
-eene jonck wegh drijvende, begaven die uyt de ander jonck, die met
-haer sessen waren, haer inde boot en staken de jonck in brandt,
-doch alsoo sy met de boot qualijck seyl konden voeren en op een
-lager wal sijnde, wierpen de dregh uyt. Maer ontrent twee uren voor
-de dregh gelegen hebbende brack het dreggetou; dreven teghen de wal
-aen, in perijckel van haer leven, te meer om dat haer lonten in 't
-stranden waren uytgeblust en uytgegaen, en niet als vyandt aan landt te
-verwachten hadden; en om gewelt tegen te staen waren sy al te weynigh
-in ghetal, wesende niet meer als 4 mannen en 2 jongens. Gaven daerom
-Godt de saecke op en baden dat hem beliefde een ghenadighe uytkomst
-te verlenen. Saten alsoo in grooten anghst en vreese inde boot en
-verwachten den dagh. Stracx quamender een parthy Chinesen nae de
-boot. Ons volck grepen de sabels inde vuyst en riepen en schreuden,
-als of sy naer haer wilden toekomen. De Chinesen dat hoorende, die
-door de duysterheydt des nachts niet en kosten zien, hoe sterck de
-onse waren, keerden wederom en schenen van den verveerden verveert te
-wesen. De onse namen dat voor een seker waer-teken, dat de huld [176]
-en bescherminge Gods over haer was. Den dagh aenkomende resolveerden
-sy de boot te verlaten (alsoo die voor haer onmogelijck was van 't
-landt te water te brenghen) met musketten op de hals, de sabels op
-zy, om alsoo, waert mogelijck, te lande te reysen nae de revier van
-Sammitju, daer onse twee jachten voor lagen. De 23 man, die met de
-ander jonck waren wegh gedreven, wierden gevangen. Eenige jaren daer
-nae is een van de 23 man te recht gekomen, soo ick verstaen heb. Doch
-dese [177] kosten noch jonck, noch tael noch teken van haer stranden
-sien; sijn derhalven voort gemarceert.
-
-Een party Chinesen haer siende, quamen na haer toe en stierden twee
-mannen voor uyt, om met de onsen te spreken; maer onse maets betrouden
-haer niet, leyden de musketten op haer toe, als oftse schieten wilden,
-waer door sy haer lieten passeren.
-
-Onder weegh een huysken vindende, daer een man met een vrou in was,
-gingen daer in; staecken haer lonten op en maeckten haer geweer
-(dat geheel onklaer was, doordat het nat geweest had' in 't landen
-met de boot) weder klaer. Hier kreghen sy oock te eten, want desen
-man gaf haer wat rijs; hem bedanckt hebbende, spoeden haer wegh. In
-'t gaen saghen sy wel 6 of 7 Chinesen doodt leggen op strant, ten
-proye voor de honden en vogelen, die vande onsen waren doodt gesmeten
-[178]. Hier uyt hadden sy licht af te nemen, wat men haer doen sou,
-soo se ghekreghen worden; resolveerden daerom haer soo langh te weren
-als sy een sabel inde vuyst souden konnen voeren.
-
-Haer ghemoeten daer nae een groote menighte Chinesen, meenen wel van 2
-hondert, die altemael voor haer vluchten. Des achtermiddaeghs quamen
-sy by onse jachten; schoten met haer musketten een deel schoten om
-ghehoort en ghehaelt te worden van die inde jachten. Maer door dat
-schieten quamender wel 7 a 8 hondert Chinesen (naer haer gissingh)
-op de been, uyt een groot by-gelegen dorp; ginghen nae onse maets toe,
-ghemonteert met messen en piecken. De onse die niet als de doodt (soo
-'t scheen) te verwachten hadden, schoten eenighe schoten tot haer
-in. Sy siende dat de onze gheresolveert waren al vechtende te sterven,
-liepen te rugh; eenige bleven van verre staen en wierpen met steenen;
-'t scheen, dat sy niet veel schieten moeten ghehoort hebben, want sy
-warender geweldigh verveert voor, seyden de maets. Boden eyndelijck
-de onse alle vriendtschap aen; nooden haer in haer dorp.
-
-In 't dorp komende stonden wel duysent Chinesen, nae gissingh, en sagen
-haer met verwonderinghe aen; schenen haer leven geen Hollanders gesien
-te hebben. Brachten ons volck in haer tempel; gaven haer daer te eten
-en te drincken, en wat toeback. De onse gingen by malcander sitten,
-haer geweer gestadigh gereet houdende, want sy niemandt vertrouden,
-vreesende dat sy haer overvallen souden. Hier sittende is haer lont
-verbrandt; scheurden stucken van haer hembden, dat drayende tot
-een lont, soo sy best konden. Trocken doe weer uyt het dorp, haer
-bedanckende vande ontfanghene weldaedt; waren blijde dat sy daer
-soo geluckigh waren uytghekomen en dat niemandt haer naevolghde;
-want sy hadden geen vier schoten kruyt meer in haer bandeliers.
-
-Quamen op strant, vonden een scampan [179], setten het vande wal. In
-'t water komende ist terstondt gesoncken, soo leck wast. Gingen doe
-in een visschers-huys, daer eenige haer tot slapen leyden, maer de
-andere en kosten of durfden niet slapen, alsoo sy des nachts een party
-Chinesen om het huys hoorden. Des morgens maeckten sy twee vlotjes van
-'t geen sy best vonden; voeren daer mede nae de jachten, die terstondt
-t'seyl gingen, soo dat het niet langer diende geduert te hebben, of
-hadden daer licht moeten blijven. Soo datmen aen dese gheschiedenisse
-gants klaer kan speuren, wat den mensch al voor perijckel kan door
-komen, als des Heeren bewaringe ghenadelijck medewerckt; want sonder
-dat wast schier miraeckel, dat soo weynigh volck uyt der Chinesen
-handen sijn ontkomen, daer sy haer vyanden waren.
-
-Den 2. November is het jacht St. Niclaes gheseylt nae de plaets daer de
-boot op strand lagh, die vande Chinesen gans gheplundert was, van seyl,
-mast, swaerden, roer, twee steen-stucken [180] en de yseren schijf
-voor uyt de steven. Setten hem te water en brachten 10 bocken en 3 a 4
-verckens tot revensie [181] mede, en quamen soo met de boot aen boort.
-
-Den 4. dito nam de boot van de Beer twee joncken met 25 mannen, staken
-de joncken inde brandt; het volck brachten sy aen 't jacht St. Niclaes.
-
-Den 9. November is onse opper-stierman ghestorven aen 't water,
-begroeven hem op een eylandt op de hooghte van 23 graden.
-
-Den selfden dito is de boot vande Beer nae een deel joncken gevaren,
-maer begost soo hard te waeyen, dat de voorschreven boot met achtien
-man, daer onder de schipper Jan Jansz. wegh dreef, tot groote
-droefheydt van ons alle. Sonden het jacht Fictoria om nae haer te
-soecken, dan deden niet op. Hadden hier legghende met onse twee
-schepen 40 mannen van het beste bevaren volck verlooren, 't welck
-ons dapper smarte.
-
-Den 25. dito quamen wy te samen voor de reviere Chincheu. Setten
-'t onder een eylandt by een dorp, daer de inwoonders uyt
-vluchten. Bequamen daer ontrent 40 beesten, daer onder eenighe
-verckens; oock een parthy hoenderen, het welck ons wel quam tot
-verversingh, alsoo veel van ons volck sieck en aan 't water laghen,
-die haer hier mede heel verquickten.
-
-Sonden drie jachten de revier in, die 't by een dorp setten, daer
-sy landen en dapper teghen de Chinesen schermutseerden. De Chinesen
-maeckten 9 joncken aen malcander vast en stakense inde brandt en lieten
-die nae onse jachten toe drijven, van meninge om die inde brandt te
-krijgen; dan dreven mis. Wy met ons twee schepen quamen den 28. dito
-by haer, schooten met ons grof gheschut op een plaetse, daer van sy
-met seven bassen [182] op het volck vande jachten gheschooten hadden,
-die wacker stant tegen haer hielden, hoewel die maer 50 in 't getal
-waren, daer sy eenighe duysenden sterck waren. Droeghen haer bassen
-wegh, een stuck weeghs van haer dorp. De onse staecken 4 joncken voor
-haer dorp inde brandt en quamen 's avondts weder aen boort.
-
-Den 29. dito quam een Chinees overloopen, doch scheen half geck te
-wesen. Wy lichten ons ancker en liepen voor een stadt; schooten daer
-in, en sy weer met bassen op ons; raeckten ons tweemael. Staken een
-jonck inde brandt. De Beer met een jacht liepen aen de andere sijd' van
-'t eylandt; sagen daer twee groote dorpen, daer neven het eene twee
-groote joncken op stapel stonden. Resolveerden om dat af te loopen;
-'t welck wy den 30. dito onderleyden, met ontrent 70 musquetiers.
-
-De inwoonders waren altemael ghevlucht op een seecker fort;
-wy vervolghden haer tot onder 't fort. Sy deden twee uytvallen,
-met sulcken afgrijsselijck gheroep en gheschreu, als of de werelt
-vergingh; quamen lustigh op ons aen en wy niet willende wijcken
-sloeghen malcander met de sabels om de ooren. Maer als wy met onse
-musquetten een deel vande haren onder de voet gheschoten hadden, sijn
-sy geretireert en stelden 't op 't loopen. Sy hadden onse sarjant en
-de seylemaecker van de Beer onder de voet; ten waer wy haer ontset
-hadden, sy hadden doodt geweest. De sarjant hadden sy de bandelier
-van 't lijf gehouwen. Dreven haer al doodtslaende weder in haer
-fort. Wy verlooren een man, sijnde de barbier vande Beer, doch weten
-niet of hy doodt gheslagen of ghevangen is geworden. Wy staecken de
-twee joncken als oock haer gantsche dorp inde brandt; quamen alsoo
-'s avondts weder aen boort, met goeden buyt van verckens, bocken,
-hoenderen en andere plunderaedje, van huysraedt en andere saecken. De
-beesten bereyden wy des nachts, om 's anderen daeghs onse hart (voor
-dese moeyelijcke landt-tocht) weder eens op te halen.
-
-Den 2. December voeren wy weder nae landt, plunderden noch een ander
-dorp uyt, en staecken 't alst voorgaende mede in brandt. Wy kreghen
-hier een-en-twintigh canassers ghetweernde sijde uyt een pack-huys,
-en brachten het nevens de andere buyt weder aen boort [183].
-
-Des anderen daeghs seylden wy nae een ander eylandt, daer een groote
-tooren op staet. Vonden daer gheen volck op; settent met hoogh water
-op vijf-te-half vadem, en inde voor-nacht met het lage water saten wy
-vast: 't scheen dat hier een gheweldige stroom in ende uyt gaet. Inde
-selfde nacht met de vloet sonden de Chinesen twee brandende joncken
-op ons af, die dicht by de Beer (die boven ons gheset lagh) langhs
-dreven. De eene scheen of hy ons recht voor de boegh soude komen,
-waer door een groote verbaestheyt [184] in ons schip ontstondt. Wy
-stonden met alleman boven, en den een sey dit, den ander dat. Doch
-ick my versekerende, dat hy mis soude drijven, maeckten soo groote
-swarigheydt niet. De coopman Nieuwenroode by my staende seyde:
-"Schipper, laet het tou af houwen". Ick onderrechte hem, dat het
-niet gheraden was het tou af te houwen, terwijl wy op de wal lagen,
-en nootsaeckelijck het schip souden moeten verliesen, en dat de
-jonck ons niet begaen kon. Maer den jonck ons naderende, die nae des
-coopmans oordeel niet mis en kond, riep hy: "Hou af het tou! Hou af
-het tou!" Ick daer-en-teghen riep: "Hou niet af! want hou jy het tou
-af, soo sijn wy het schip quijt! 't Is mis! hou niet!" Doe de coopman
-sagh dat de maets, die alreede een hou in 't tou hadden ghegheven,
-ophielden en my hierin ghehoor gaven, riep hy teghen my (meenende
-dat de jonck alsoo goedt als aen boord was): "Schipper Bontekoe, sie
-daer, dats u schuldt; dat sal ick op u verhalen!" Doch ick al bevreest
-wesende, dat de maets het tou souden afhouden, riep al: "'t Is mis! 't
-is mis! hou niet! hou niet!" 't Welck oock waer was, want dreef noch
-soo verre mis dat hy onse groote ree, die in 't cruys stondt [185],
-noch mis dreef, hoewel sijn mast veel hoogher was als onse ree. Alleen
-onse scampan, die wy achter aen hadden legghen, raeckte inde brandt,
-die wy doe drijven lieten, soo dat het oock niet veel nader diende;
-stondt gheweldigh ysselijck [186], want het branden soo gheweldigh of
-het vol swavel gheweest was en soude met ons wel haest korte mijlen
-(als men seydt) ghemaeckt hebben [187]. Ick hadde het roer van 't
-eene boort aen 't ander laten legghen, waer door het schip een gier
-maeckten [188], 't welck (naest Godt) de eenighste oorsaecke was van
-'t misdrijven.
-
-Den 4. dito lichten wy ons ancker en liepen nae het eylandt voor inde
-mondt vande revier, daer wy de 40 beesten van ghehaelt hadden, als
-voor verhaelt is. Haelden daer water en gingen den 7. dito van daer
-t'seyl, om weder over nae de Piscadoris te loopen. Mits water sijnde
-[189] waeyde ons voor-marsseyl wegh; setten het 's anderen daeghs
-(door dien wy door 't hard weer geen seyl en kosten gebruycken, om 't
-gat daer wy recht voor waren in te loopen) onder het naeste eylandt,
-dat bewesten het gat leyt, op 15 vadem.
-
-Den 9. dito sijn wy van ons ancker gespilt; lieten een ander toegaen,
-welck tou, na vier uur leggens, oock brack. Dreven doe vande eylanden
-af, en dat met een harde storm uytten N.O. en N.N.O.
-
-Den 10. dito wierdt ons schip soo leck, dat wy met twee pompen soo
-veel te doen hadden als wy konden om boven te houden; hadden wel
-seven voeten water in 't schip en onse achterste pomp was staegh
-onklaer. Wy hadden achter inde kamer een party paedje, en een gat
-inde kamer raeckende liep de paedje daer door by de pomp, 't welck
-onse pomp, als gheseydt, bynae onbruyckbaer maeckten. Waren derhalven
-gedrongen om de paedje overboort te werpen, want wy vreesden dat sy
-al de lock-gaten [190] verstoppen en onklaer maken sou.
-
-Den 13. en 14. is het vaerbaer weer geworden; bevonden ons dicht
-onder de kust van China; quamen daer by het schip Haerlem, daer mijn
-broeder Pieter Ysbrantsz. Bontekoe schipper op was, dat mede garen
-aende Piscadoris hadde gheweest, en was door dese voorgaende storm
-oock verdreven; quam van Japon. Wy hielden met malcander wel vier
-dagen by, maer dreven meer overstuer als wy wonnen [191]; liepen
-daerom met malcander te ree aen de kust van China.
-
-De 20. nam het schip Haerlem wel 7 scampannen, daer in 36 Chinesen
-met 3 joncken, die met sout, gesouten vis en anders geladen waren. Den
-selfden dito wierde goet ghevonden, dat wy de ladingh, die het schip
-Haerlem uyt Japon ghebracht had, souden overnemen, om dat het schip
-Haerlem swack en soo ghestelt was, dat het niet langher dorst uyt
-blijven en nootsakelijck verdubbelt most [192], en daer en teghen ons
-schip noch sterck en goedt. Waren oock weder dicht [193]. Ruymden
-daerom ons schip op en begosten des anderen daeghs te laden. Doe
-quamen daer twee Chinesen van landt met een scampantjen aen 't schip
-Haerlem; brachten een deel appelen, hoenderen en verckens aen boort,
-voor welcke daet sy hem sijn jonck weer gaven. Haelden hier voort ons
-water; maeckten ons weder klaer om t'seyl te gaen; leyden een wangh
-[194] op onse focke-mast en ree.
-
-Den eersten Januarij [1623] wierter goedt ghevonden, dat den
-opper-stierman Jan Gerritsz. de Naeyer met ontrent tsestigh persoonen
-van 't schip Haerlem op ons schip souden komen. En onse onder-stierman
-Geleyn Cornelisz. is, nevens andere, weder overgegaen op 't schip
-Haerlem, om alsoo nae Batavia en voort nae 't Vaderlandt te gaan. De
-coop-luyden waren ten dien eynde besich om brieven te schrijven,
-de eene nae Batavia en de ander nae de Piscadoris.
-
-Wij setten wel 84 Chinesen over aen 't schip Haerlem, dat den 4. dito
-van ons t'seyl gingh nae Batavia. Des nachts haelden de Chinesen
-een jonck dicht by ons schip van daen, hoewel wy na haer schooten;
-ginghender evenwel mee deur; wy hadden gheen sloep om haer nae
-te jagen.
-
-Den 5. dito quamen de Chinesen om en by ons visschen. 't Scheen dat
-sy wisten, dat wy gheen sloep hadden, daer onse timmer-luy daghelijckx
-mee besich waren om een te maecken. Wy hadden een half sleten seyl van
-'t schip Haerlem gekregen; daer af maeckten wy tot de schuyt [195]
-en ons schip wat ons noodigh docht. Hielden des nachts goede wacht;
-vreesden voor branders, die de Chinesen ons souden konnen toestueren.
-
-Den 7. dito ginghen wy t'seyl om zee te kiesen; maer door
-contrarie-wint mosten weder te rugh. Liepen op onse oude ree; namen
-in 't seylen een jonck, daer wy die kabels nevens ander tou-werck uyt
-kregen, en staken de jonck inde brandt. Het volck wasser uytgevlucht;
-welck tou-werck ons heel wel te pas quam.
-
-Den 9. en 10. dito kregen wy onse schuyts seyl, mast, sweerden en
-ander tuygh weder klaer; bleven noch al door onbequame wint leggen.
-
-Den 11. dito sagen wy tegen den avondt twee joncken onder wal. De
-coopman wilde dat men met de boot daer nae toe soude varen, maer
-het docht my ongheraden, omdat het tegen den avondt was en gantsch
-leelijck weer, en stondt gheschapen noch harder te sullen waeyen,
-want sacher gans onweerigh uyt. Oock seyde ick, dat men het volck
-soo licht niet behoorde te waghen; bleef daerom achter [196]. Begon
-teghen de nacht oock soo te waeyen, dat wy blijd' waren dat de boot
-aen boort was gebleven.
-
-Des anderen daeghs, 's morghens, sijn wy met de boot nae een jonck
-gevaren, die de bay oplaveerde; doch eer wy daer by waren quamen
-vier oorlooghs-joncken hem te hulp, die geweldigh na ons schooten,
-en alsoo 't dicht aen landt was, daer wel duysent menschen, soo 't
-scheen, op strand stonden met geweer, mosten hem verlaten en voeren
-weer nae boort.
-
-Den 14. dito 's nachts, inde eerste wacht, ben ick met de boot nae
-een ander jonck ghevaren, die haer te weer stelden; schooten wel twee
-glasen teghen ons [197], en alsoo wy te verd van 't schip dwaelden
-en weynigh aparentie was haer te krijghen, quamen wy inde dagh-wacht
-weder aen boort [198].
-
-Den 15. dito was de stierman met de boot weer by een jonck, die van
-Teysing quam [199], daer sy heftigh tegen doende waren, maer mosten
-hem verlaten. Hadden drie gequetsten, daer onder een gants dootelijck,
-want was met fenijnigh geweer doorschooten.
-
-Den 18. dito ben ick met de boot ghevaren nae vijf joncken; eene
-gingh sijn gangh en de ander vier korten malcander op zy [200] en
-stelden haer schrap met schilden, swaerden, pijlen en bassen, want
-'t waren oorlooghs-joncken; soo dat wy nae een kleyn ghevecht wederom
-keerden. De joncken peurden ons nae [201]. Ons volck in 't schip dit
-siende en vresende dat sy de boot souden aentasten, maeckten de twee
-achterstucken klaer, om nae haer te schieten, want het was dicht by
-'t schip; wy waren geen duysent treden van 't schip af. Wy gijden
-het seyl op [202] en streken de de fock neer en roeyden vlack inde
-wint op. Sy inde joncken dit siende keerden van ons af. 's Avondts
-quamen wy weer aen boort en gingen den selfden nacht noch onder seyl;
-hadden de wint N.W.
-
-Den 19. dito, 's morghens, waren wy ontrent een mijl buyten de wal,
-of vande hoeck van Teysing; hadden Peter Blanca S. O. van ons ontrent
-5 mijlen, 't welck leyt op de hooghte van 22 graden 20 minuyten;
-seylden langhs de wal. Op den selfden dagh kreghen ons volck rantsoen:
-een flap-kan water daeghs.
-
-Den 20. dito liepen door contrarie-wint met de sonnen-ondergangh weder
-ten ancker op 17 vadem, ontrent 6 mijl buyten lant, N. ten O. van
-Catsje, alsoo wy gheen vordel saghen te doen met seylen. Hier brack
-ons tou stucken [203], mosten daerom de seylen daer weer bysetten,
-doch quamen door hard weer des anderen daeghs weder te reed' ontrent
-8 mijlen beoosten Teysing.
-
-Den 22. sonden wy de boot uyt, bet nae landt toe [204], om te vernemen
-[205] ofter geen beter reed was te vinden; seylden op haer rapoort
-tot ontrent een half kartous schoot vande wal, op een goede rede.
-
-Den 23. 's morghens, noch al contrarie-wint uytten N.O. met koel weer.
-
-Den 24. dito storf die persoon, die 9 dagen te vooren soo deerlijck
-gequetst was; was genaemt Hendrick Bruys van Bremen.
-
-Den 25. dito kregen onse timmerluy de sloep meest klaer.
-
-Den 27. dito is onse coopman Nieuwenroode met de sloep en boot na
-landt gevaren, om te sien of wy geen water souden konnen krijgen,
-dan en dee niet op. Sagen eenighe joncken in de revier leggen, daer
-wy 's achtermiddaeghs een cherge met musquetten tegen hadden; maer
-sy schooten met bassen en ginghen onder seyl, soo dat wy vruchteloos
-wederom quamen.
-
-Den 28. nam onse stierman een kleyn jonckjen met ghedrooghde en
-gesouten vis geladen, met acht Chinesen, die het datelijck op gaven.
-
-Den 29 en 30. dito hebben wy verscheyden tochten soo nae joncken als
-visschers gedaen, maer niet bekomen als een visscher met vijf man,
-en water gesocht, 't welck ick den 31. dito vont, dat heel goet was
-en gemackelijck om halen.
-
-De navolghende daghen tot den 7. Februarij haelden wy ons water;
-was alle daghen lelijck variabel weer en contrarie-wint om onse reys
-te vervorderen.
-
-Den 8. dito voeren wy met boot en sloep nae landt met 27 musketiers om
-een landt-tocht te doen. Quamen in een dorp, daer het volck uytgevlucht
-was; marcheerden een weynigh lantwaert in; vonden een troep buffels,
-daer wyder 17 van t' scheep brochten met 4 verckens en ettelijcke
-hoenderen. Was alle dagen lelijck weer.
-
-Den 10. dito is de coopman Nieuwenroode met schuyt en boot weder
-aen lant gevaren, met 25 musketiers; trocken landtwaert in; quamen
-in twee dorpen, daer het volck alle uytgevlucht was; staken beyde
-dorpen inde brandt, en quamen weer aen boort.
-
-Den 11. dito is onse eene jonckjen omgevallen en gesoncken; doch de
-mast (die 14 palmen dick en 59 voeten langh was) kregen wyder noch
-uyt. Onse boot voer weder nae landt om stroo voor de buffels te halen.
-
-Den 12. deden wy weer een landt-tocht, met 50 gewapende mannen. Liepen
-twee dorpen af; saghen eenige buffels, maer kosten die niet vangen;
-kregen eenige sacken met loock en uyen, en quamen, nadat sy wel twee
-mijlen in 't landt geweest hadden, weer aen boort.
-
-Den 15. dito is onse opper-stierman inde boeyen gheset, om datter
-brant in sijn kamertje geweest was [206], doch wierder 's avonts weder
-uytgelaten. Onse timmerluy maeckten een wangh op onse groote mast.
-
-Den 18. setten wy een man over boort, die de voorgaende nacht
-ghestorven was. Wy deden meest alle dagen tochten, soo met ons
-jonckjen, schuyt als boot, nae visschers en joncken, maer konden niet
-bekomen. Was meest alle dagen kout lelijck weer.
-
-Den 20. dito namen wy een jonck met 14 Chinesen. Seyden ons, dat sy
-uyt de revier Chinchieu quamen, als oock dat den Heer Commandeur
-Cornelis Reyersz. met die van Chinchieu verdragen was [207]; doch
-namen hem evenwel mee en losten sijn waren in ons schip. Verstelden
-met wangen en anders onse masten en boeghspriet.
-
-Den 10. Meert deden noch alle dagen, alst weer was, een tocht om
-water. Op desen dagh wierde uyt ons schip een vogel (soo hy inde
-lucht vloogh) geschooten.
-
-Den 14. dito voeren wy meest met alleman aen lant, haelden onse boot
-op 't strandt om hem te calfaeten en schoon te maecken; quamen des
-avondts wederom.
-
-Den 17. dito sterf een vande boots-gesellen, genaemt Claes Cornelisz
-van Middelburgh.
-
-Den 18. dito onghestadigh weer, met donder, blicxsem en regen. Des
-nachts sterf de onder-stierman, Jan Gerritsz. Brouwer van Haerlem,
-die ontrent vijf-te-half weeck gheleden onder-stierman gemaeckt was.
-
-Den 20. dito, des nachts, sprongender drie Chinesen overboort; meenden
-met de boot door te gaen, maer alsoo de wacht het het gewaer worden,
-kregen de eene weder, maer de ander twee verdroncken.
-
-Den 30. dito kregen wy twee joncken met een visscher met 27 man.
-
-Den 2. April setten wy twee Chinesen aen landt, die ons beloofden
-verversingh te brenghen voor haer rantsoen [208]: den eene was
-ghequetst en den ander heel oudt.
-
-Die 5. dito sagen wy twee Chinesen in onse hout-jonck staen en riepen
-datmen haer aen boort halen sou. Sonden onse scampan na haer toe;
-bevonden dat de eene een vande selfde was, die wy op den 2. deses
-aen landt hadden geset. Sy waren 's nachts van andere Chinesen aen
-onse hout-jonck gebrocht; brachten met haer hoenders, eyjeren, een
-vercken, sitroenen, appelen, suycker-riet en toeback, van elcx wat;
-tot danckbaerheydt van hare gheschoncken vryheydt. Voorwaer een groote
-deught, beschamende veele Christenen, die als sy uyt de knip zijn,
-dicwils weynigh om haer beloften dencken.
-
-Den 6. dito resolveerden wy de eene jonck te sloopen, het hout daervan
-in de ander te laden, en die mee na de Piscadoris te nemen, alsoo sy
-daer wel brant-hout van doen hadden.
-
-Den 7. setten wy de voorsz. twee Chinesen weder aen landt.
-
-Den 8. dito quammer een prautjen met twee andere Chinesen aen ons
-schip en brachten ons (als de voorgaende) eenighe ververschingh, als
-appelen, eyeren, eenighe potten met arack, waer voor wy haer beloofden
-twee mannen te sullen vry geven, eene die ghequetst was en een ander,
-op voorwaerde dat sy ons meer ververschinge souden brenghen. Gaven
-haer oock 25 rejalen aen gelt, om daer verckens voor te brenghen,
-en lietense daer op nae landt toe varen. Des nachts is onse jonck
-(daer wy mede doende waren te sloopen) gesoncken.
-
-Den 9. en 10. dito haelden wy water, soo voor de jonck als ons schip,
-en setten 17 man van ons volck op de jonck om met malcander na de
-Piscadoris te seylen, soo drae het wint en weer was.
-
-Den 11. dito quamen de laetste twee Chinesen weder van landt met
-haer brengende 5 verckens, een parthy eyeren, vijgen, appelen, en
-ander goet.
-
-Den 12. waeydent een gheheele storm; streecken onse rees neer. Een
-Chinees prautjen dreef van ons wegh, met een van onse maets; sonden de
-sloep daer na toe, haelden hem daer uyt; maer het prautjen kosten sy
-door de harde wint niet op-roeyen; haddent achter de sloep gebonden;
-lieten het eyndelijck drijven en quamen weer aen boort.
-
-Den 13. dito lieten wy de Chinesen, die ons de ververschinghe ghebracht
-hadden weder nae landt varen, met haer beloofde twee landtsluy.
-
-Den 15. dito waren die maets inde jonck doende om een bas te beproeven,
-die sy op een nieu roopaertje gheleydt hadden [209]. Laden het met
-dubbel scherp; settent met de mondt nae de deur vande jonck. Met soo
-komter een jonghman uyt een vande ruymen, gaet inde deur staen om sijn
-water te maecken, niet wetende van de anderen haer doen. Daer op komt
-een met de lont-stock vande ander kant (de jonghman niet siende) en
-steeckter de brandt in, en schiet de jonghman door sijn been. Voorwaer
-een droevigh ongeluck en groote onvoorsichtigheydt van den aensteecker.
-
-Wy slachten in ons schip des achter-middaeghs een buffel met een
-vercken, om alsoo des anderen daeghs onse Paesch-Feest daer mede
-te houden.
-
-Terwijl de maets doende waren, plock-haerden onse Domine met een
-assistent, die beyde in de boeyen geset worden.
-
-Den 16. dito, sijnde Paesch-dagh, wierden sy beyde daer weder uyt
-ghelaten. Doe quam het volck uyt de jonck altemael in ons schip,
-om de predicatie te hooren [210], en bleven voort onse gast op de
-buffel. Des ander daeghs quamen sy weder om predicatie te hooren;
-was alle daghen onghestuymigh weder en variabele winden.
-
-Den 19. dito werdt de jonghman, die in sijn been gheschoten was,
-het been afgheset, die ontrent een uer daer nae sturf.
-
-Den 20. dito ongestuymigh weder uyt den O.N.O. Schooten onse stenghen
-[211], lieten noch een ancker vallen; sacher uyt, oft al stucken
-waeyen sou wat om en an was. De twee Chinesen, die den 13. van ons
-schip waren ghescheyden, quamen weder aen boort, brochten ons weder
-eenighe verversingh, seyden ons, datter wel twee hondert joncken
-gelijck souden komen om ons te vernestelen [212]. Maeckten ons daerom
-(op die waerschouwinghe) van alles klaer, om haer, soo sy quamen,
-te begroeten.
-
-Den 27. dito setten wy onse scampan in 't schip en twee
-visschers-prauwen daer uyt, die de jonck in sette. Verlanghden om
-t'seyl te gaen, want dorsten daer niet wel langer blijven. Doch door
-dien dat het alle dagen soo sterck waeyde en stormde, kosten niet
-wel t'seyl komen, te meer omdat de wint ons tegen was.
-
-Den 28. brachten wy 20 Chinesen in de jonck, om die nevens de onse
-aen de Piscadoris te brengen.
-
-Den 29. dito, 's morgens met redelijck weer, de wint O.N.O., gingen
-wy t'seyl met onse jonck, doch hadden veel omswervens in zee door
-harde contrarie-wint en anders.
-
-Den 1. May ongestadigh weder. Des morgens sagen wy dat onse jonck
-van ons gedwaelt was, doch ten laetsten saghen wy hem een groot
-stuck in ly van ons; lagh heel in onmacht: sijn seyl was wegh
-ghewaeyt. Vonden daerom goedt, alsoo het heel hard begon te waeyen,
-het volck daer uyt te lichten. Ick voer ten dien eynde met de boot
-heen; namen het volck over, doch konden nevens ons volck, die 16 in
-'t getal waren, niet meer als thien Chinesen over krijgen; de andere
-waren schuyl ghekropen. De wint begon oock hard op te steken, soo
-datter noch thien Chinesen inde jonck bleven en wegh dreven. Quamen
-des middaeghs weder aen boort; gisten ons ontrent 8 mijlen buyten de
-Oostelijckste eylanden van Macou te wesen. En alsoo hier een gestadige
-wint waeyt, ontrent half jaer om half jaer, dat men het Moson noemt,
-soo kan die gheene die te laegh vervalt, 't zy aen de eene of ander
-kant vande Piscadoris niet wel opwaert aen komen, voordat dat Moson
-weder verloopen is. Swurven om die oorsaeck hier lange tijdt, dan eens
-settende dan eens seylende, eer wy inde Piscadoris quamen. Leden oock
-veel ongemack van storm en sieckte, by gebreck van verversinge; jae,
-waren op het laetste van 90 mannen boven 50 gesonde mannen niet van
-ons eygen volck. In onse wegh ontmoeten wy noch een Chinesche jonck,
-kostelijck geladen, eenighe duysenden waerdigh, die nae de Manieljes
-wilde. Namen hem; hadde wel 250 sielen in. Nam het volck meest over,
-op ontrent 20 a 25 man nae, en stelden 15 a 16 man van ons volck daer
-by, en bonden de jonck achter aen ons schip en sleepten hem.
-
-Wy hadden doe ettelijcke hondert Chinesen in ons schip; waren
-bevreest dat sy ons overweldighen souden, want wy, als verhaelt,
-maer 50 gesonden mannen sterck waren. Lieten al ons volck met geweer
-op zijd' gaen, even oft altemael officieren waren.
-
-Des nachts lieten wy al de Chinesen in 't ruym loopen, setten dan
-een stut boven op 't luyck en behingen het overal met lampen, dat
-het onder 't verdeck licht was, en by 't luyck hielden 5 a 6 man
-met bloote sabels de wacht, en des morghens deden wy het luyck op en
-lieten de Chinesen boven komen, om haer gevoegh en anders te doen,
-waer door het krielde van menschen op 't schip. Ick was dickwils inde
-kejuyt ghegaen om te slapen, maer konde niet. Als ick boven quam,
-soo maeckten de Chinesen datelijck ruymte, gingen aen beyde sijden op
-haer kniejen leggen, met de handen t' samen, soo dat sy als lammeren
-waren. Daer wierde verhaelt, dat onder haer een prophetye was,
-dat haer landt ingenomen soude worden van mannen met roo baerden,
-en alsoo ick een rood' baert had, schenen sy dieshalven my met meer
-vreese te aenschouwen. Doch dit was soo het seggen; hoe het is,
-is Godt bekent. Wy dorsten haer evenwel niet vertrouwen.
-
-Sy gingen 's morgens langhs de boorden van 't schip en inde rusten
-[213] sitten; reynighden en kemden haer. Sy hadden sulck langh hayr,
-dat het veele, als sy over eynde stonden, tot de waden [214] vande
-benen hingh, 't welck sy met een dray, vlechts-gewijs, op haer hooft
-leggen; steecken daer een pen door die 't vast houdt, met de kam daer
-teghen aen. Wy brachtense alle inde Piscadoris; daer worden sy alle,
-nevens de andere Chinesen, die wy en andere schepen en jachten daer
-ghebrocht hadden, twee aen twee aen malcanderen ghesloten. Mosten aerd'
-aendragen tot het fort; jae, doe het fort ghemaeckt was, warender wel
-14 hondert in 't getal, die doe meest nae Batavien wierden gebracht
-en aldaer verkocht. De Piscadoris was ons rende-voes plaets, als
-verhaelt is [215], daer wy stee hielden; en voeren daer van af en aen,
-en namen alle Chinesen, die wy krijghen konden en brachten die daer
-by een. Terwijl wy hier inde Piscadoris laghen, kreghen wy sulcken
-oorkaen, dat al de schepen bykans op 't droogh waeyden; onder alle
-onse jonck waeyde geheel op 't landt.
-
-Inde Piscadoris leggende kreegh ick een brief van Batavia, door
-Christiaen Fransz., van mijn broeder Pieter Ysbrantsz. Bontekoe,
-die, als voor verhaelt is, schipper op 't schip Haerlem was, die den
-4. Januarij, op de kust van China, van ons nae Batavien gingh. Schreef
-my, dat onsen broeder Jacob Ysbrantsz. 't voorgaende jaer oock voor
-schipper in Indien was ghekomen uyt Hollandt, wesende doe met ons drie
-gebroeders in 't lant, alle drie schippers. Verhaelde dat Jacob met
-het schip Mauritius, in compagnie van 't Wapen van Rotterdam, heel
-miserabel aen quam: hadden onder weegh yder ontrent 275 man verloren
-[216]. Het Wapen van Rotterdam had soo veel gesont volck niet behouden,
-dat het sijn seylen kost gebruycken. Jacob quam in de Straet van Sunda
-by twee jachten, die Jacob voor Batavia brochten, maer 't ander schip
-had Jacob gelaten aende Suyt-sijde van Java, daer hy met jachten en
-vaer-tuygh na toe wierde gesonden, om het te soecken; vonden hem, en
-hy wierter schipper op gemaeckt. Wiert nae Ambona ghesonden. Schreef
-oock, dat den Heer Generael Koen met het schip, daer Jacob mede in
-'t landt quam, te weten Mauritius, uyt Oost-Indien nae Hollandt was
-vertrocken den 2. Februarij 1623, in compagnie van noch drie schepen,
-en dat den Heer Pieter de Carpentier daeghs voor het vertreck van den
-Heer Koen tot Generael over Indien gestelt was, etc. [217]. Daer quamen
-doe oock veel huysgesinnen uyt Hollandt op Batavia, soo met het Wapen
-van Hoorn, daer schipper op was Pieter Gerritsz. Bieren-Broots-Pot, en
-andere schepen. Daer trouwden oock veel Hollanders op Batavia, soo dat
-vele haer hier vast maeckten, om soo licht niet te vertrecken [218].
-
-Den 25. October isser by den E. Heer Commandeur Cornelis Reyersz. en
-sijne Raden gheordonneert, dat wy met ons vijf schepen (te weten het
-schip Groningen, Samson, Muyden, Erasmus en Victoria, welck laetste om
-reden niet mede gingh) onder den Commandeur Christiaen Fransz. souden
-gaen nae de reviere van Chinchieu, om de selfde beset te houden, datter
-geen joncken na de Manieljes of andere onser vyanden plaetsen souden
-varen, en aen haer te versoecken, gelijck wy dickwils en gestadigh
-ghedaen hadden, den vryen handel met haer op Tajouan, en haer als
-dan alle vreed' en vriendtschap aan te bieden; doch indien sy hier
-in niet wilden consenteren, haer den oorloogh aen te doen, te water
-en te land', waer het selfde met avontagie en tot voordeel vande
-Compagnie kon geschieden; gelijck dat selfde breeder was uytgedruckt
-inde instructie ons vanden E. Heer Commandeur en sijne Raden mede
-ghegeven. Gingen dien selfden dagh noch t' seyl.
-
-Den 28. dito quamen wy voor de voornoemde revier; setten het onder het
-eylandt met de pagoden, daer al 't volck was afgevlucht, behalven een
-oudt man, die wy vonden. Lieten, ghelijck onse ordre was, een witte
-vlagge waeyen, hopende datter yemand van Aymuy by ons soude komen,
-om ons te verspreecken [219].
-
-Den 29. dito wierdt onder ons goedt ghevonden, dat men op yder schip
-30 a 40 swabbers soude maecken en 8 a 9 balijs [220] met water,
-als oock een deel leeren emmers langhs 't schip souden stellen,
-om (of de Chinesen ons met branders toequamen) de brant te uytten;
-als oock, dat men scherpe wacht soude houden en dat twee schuyten
-een derden deel van een mijl vande schepen alle nachten op de wacht
-souden leggen, oock om water te halen. Roeyden de stucken op [221]
-en waren wel op onse hoede. En alsoo niemandt van Aymuy by ons quam,
-schreven den 30. dito een brief aenden totock van Aymuy [222] en
-bestelden die met die oude Chinees, die wy op 't eylandt vonden. Wy
-schreven, dat wy aldaer gekomen waren, om met haer den handel en vrede
-te versoecken, gelijck wy inde voorige conferentie tusschen haer en
-ons gehouden gedaen hadden, en voort eenighe complementen tot sulck
-schrijven wel voeghende. Publiceerden oock dien selfden dagh dese
-navolgende Ordonnantie, op alle de schepen.
-
-
- ORDONNANTIE,
-
- WAER NAER SICH HET VOLCK VANDE SCHEPEN, LEGGENDE IN DE REVIERE
- VAN CHINCHIEU, SULLEN HEBBEN TE REGULEREN.
-
- Alsoo wy met ons vier schepen alhier in de Reviere van Chinchieuw
- legghen, om soo veel als moghelijck is die van China 't uytvaren
- naer Manilha ofte eenige andere onser vyanden plaetsen te beletten;
- derhalven wel te vermoeden is, dat de Chineesen niet sullen naer
- laten hun uytterste devoir te doen, om ('t zy met openbaer gewelt,
- onder schijn van vrede, ofte andere bedrieghelijcke middelen) met
- haer brandt-schepen, (diese mette stroom souden mogen afseynden)
- ons van hier te drijven; waeromme hoogh-noodigh is, datter vooral
- in alle de schepen ofte boots en de chaloupen ('t zy datse aen
- boort ofte een stuck boven stroom vande schepen als uytleggers
- mochten leggen) goede, scharpe ende behoorelijcke wacht wordt
- ghehouden. Ende alsoo bevinden, dat deselve dickmalen by de
- matroosen seer slechtelijck werden waer genomen, sonder acht te
- nemen wat schade ende onheil daer door te verwachten hebben;
- werdt hier mede by den E. Commandeur Christiaen Francxz ende
- Raet gheordonneert ende bevoolen, ghelijck wy ordonneren ende
- beveelen midts desen, aen alle scheeps-officieren ende matroosen,
- niemant uytgesondert: dat yder sijn wachte ter plaetse daer hy
- soude mogen gestelt werden, behoorlijck sal waernemen, op pene dat
- de gene, die slapende ofte ter contrarie doende bevonden werdt,
- driemael vande rhaa sal vallen, ende met hondert slaghen voor
- de mast gheleerst werden [223]. Ider wacht sich voor schade,
- alsoo dese voorsz. Ordonnantie, sonder eenige dissimulatie aende
- contraventeurs, naer behooren sal ghe-executeert werden, want 't
- selve in aequiete ende naer gelegenheit der saken alsoo bevinden
- te behooren. Actum in 't schip Groningen, legghende inde Reviere
- van Chinchieuw, desen 30. October 1623.
-
-
-Den 1 November quammer met een scampan een Chinees, ghenaemt Cipzuan,
-aen ons boort. Sey, soo wy om vrede en den handel te versoecken quamen,
-dat het aen haer sijde niet en soude manqueren, alsoo de ingesetenen
-daer alle wel toe genegen waren, en gaf ons voort goede hoope van een
-goet succes. Seyde oock, datter wel 300 Chinese coop-luyden vergadert
-waren gheweest, en hadden besloten een request aenden Combon [224]
-van Hockzien te presenteren en te versoecken, om met ons te mogen
-handelen, alsoo sy (soo hy seyde) door den oorlogh haer goet verloren,
-en soo den oorlogh continueerden, geschapen stont om t' eenemael te
-verarmen; resolveerden daerom instantelijck den handel en vrede met
-ons aenden voorschreven Combon te versoecken.
-
-Desen Cipzuan seyde vorder, datter ter plaetse daer hy woonachtigh
-was een kluysenaer of Eremijt in 't geberghte woonde, die van grooten
-afcomste was, en hadde machtigh rijck (meene oock Banderijn [225]
-over die provincie) geweest, hebbende hem nae 't overlijden van sijn
-huysvrou, die hy seer lief hadde, tot dese eensaemheydt begheven; dede
-nu niet anders (soo hy seyde) als arme luyden, die gheen middelen
-en hadden, haer saecken by de grooten uyt te rechten [226]. Was
-alsoo by de grooten en by de kleynen in hooge achtinghe en aensien;
-jae, hy wierde voor een propheet en sijn woorden voor prophetien
-ghehouden. Seyde oock, dat hy desen cluysenaer het verschil [227]
-tusschen ons en haer te kennen had ghegheven, en hy oock verstaende,
-dat de grooten preperatie maeckten om ons te beoorloghen, was hy
-(seyde Cipzuan) by haer gegaen, hun voorseggende, dat (soo sy ons den
-oorloogh aen deden) sy haer staet in perijckel souden stellen. Waer
-over Christiaen Fransz. den voornoemden Cipzuan vraeghde, ofmen
-die cluysenaer niet te spraeck en soude konnen komen, om hem ons
-oprecht en eerelijck versoeck met alle omstandigheyden te vertoonen;
-'t welck Cipzuan beloofde te sullen beschicken en twijffelde niet,
-of soude dat wel verwerven by hem, en seyde: "Dit sal ick doen, om dat
-[228] ghy ghelooven sult, dat ick het goedt met u meene." Daer op is
-hy vertrocken; verklaerde steels-gewijs by ons gekomen te zijn.
-
-Den 3. dito is Cipzuan met de geseyde cluysenaer, nevens noch een
-Chinees, aen ons boort ghekomen. Wy verklaerden hem de oorsaecke van
-onse komst en wat onse meninge en versoeck was. Die (nae datter eenige
-reden weder-sijds waren ghevallen) ons beloofde sijn uytterste devoor
-te sullen doen, om de saeck tot een goet eynde te brenghen. Gaven hem
-een brief (van den selfden inhoudt als die wy met den ouden Chinees
-ghesonden hadden) aen den Totock. Hy beloofde die self den Totock te
-behandigen. Twee a drie daghen daer nae quam Cipzuan weder by ons
-en bracht antwoordt op de onsen, waer in den Totock schreef, dat
-hy verstaen hadde, dat wy met onse schepen onder 't eylandt met de
-Pagoden gearriveert waren, den vrede en handel met haer versochten,
-'t welck hem lief was, soo wy het met goeder herten meenden en niet
-ghelijck wy voor desen met valschheydt en bedroch (ghelijck hem
-beliefde te schrijven) gedaen hadden. Soude dan wel mogelijck zijn om
-een goet accoort te maecken. Hadde ons, inde laetste conferentie met
-ons ghehouden, twee weghen gewesen, te weten: De gevanghen Chinesen
-in vryheydt te stellen en Pehoe, by ons genaemt de Piscadoris te
-verlaten, en hadden gheen van beyden willen accepteeren, waer door
-de handelinghe doe vruchteloos afliep.
-
-Wy antwoorden, dat onse meninge goedt was en altijdt geweest hadde. Hy
-schreef wederom, dat hy verstaen hadde, dat wy ghekomen waren om de
-Chinesen te berooven, en gheen gelt of coopmanschap mede brochten
-om te handelen; waer op hy versocht, dat wy onse meninge souden
-verklaren. Waer op wy weder aen hem antwoorden, dat onse meninghe
-goedt was, en niet anders als vooren den handel versochten. Hy schreef
-wederom, de wijle wy persisteerden by onse goede meninge dat wy dan een
-capiteyn by hem souden senden, om van alles met hem te handelen en een
-vrede of bestant tusschen malcanderen te sluyten, voor een deel jaren
-of voor eeuwigh. Wy versochten daer op aenden voorschreven Totock,
-dat hem soude gelieven toe te laten, dat wy met een jacht voor Aymuy
-mochten komen, om dicht byder handt te zijn, want dese sake beter van
-naeby als van verre konde afgehandelt worden. Hier toe kreghen wy
-met den naesten licentie, om met 1 a 2 schepen voor Aymuy te mogen
-komen. Hebben eyndelijck den 13. dito met malcander goet gevonden,
-dat onsen Commandeur Christiaen Fransz. met de jachten Muyden en
-Erasmus naer Aymuy soude seylen.
-
-Den 14. dito vertrocken de jachten, die des anderen daeghs voor Aymuy
-quamen, en wy met de twee schepen bleven onder het eylandt legghen.
-
-Tusschen den 17. en 18., in den nae-nacht, ben ick met de boot nae
-onse jachten gevaren, om eens tijdingh te hebben, hoe de sake met
-haer gheleghen was, want het begon ons te verdrieten, dat het soo
-langh duerde, daer het voor haer vertreck soo naeby scheen. Maer
-onder weegh sijnde, dicht by de jachten, saghen wy dat het eene jacht
-inde brandt stondt, en het ander hadde oock drie branders aen boort;
-en voeren in groot perijckel door een groote menighte vaer-tuygh
-van scampantjes en eenige oorlooghs-joncken, en sagen ontrent 50
-branders. Voeren aen 't jacht Erasmus, dat door kloeckmoedigheydt de
-eene brander hadde uytgheblust en de andere twee van haer ghekreghen,
-soo dat sy miraculeusselijck van dat perijckel verlost wierden. Maer
-het jacht Muyden raeckten sijn fock en voor-marsseyl stracx in brant en
-scheen niet te helpen; verbranden en sprongh voort met volck met al,
-sijnde een deerelijcke sake. Wy ginghen terstondt nae onse schepen,
-met het jacht Erasmus.
-
-De vrienden van Erasmus verhaelden ons, hoe sich de saecke tot soo
-verd hadde toe gedragen. Seyden: Met dat sy voor Aymuy ghecomen waren,
-kregen sy terstont eenige gedeputeerden aen boort, versoeckende dat
-eenighe vande hoofden aen landt by den Totock souden komen, om van
-de saecke mondelingh met malcander te spreecken; 't welck by den
-Commandeur beleefdelijck wierde afgheslagen, hem excuserende gheen
-bequame tolcken daer toe te hebben. Maer soo 't den Totock geliefde,
-soude eenige vande sijne senden, met volle macht, om met ons een
-accoort te sluyten. Daer op voeren sy weder nae landt.
-
-Weder komende seyden: Dat den Totock haer volkomen hadde geauthoriseert
-en volle macht ten dien eynde gegeven, en dat alles wat van haer
-met ons gesloten sou worden, vast en onverbreeckelijck van hem soude
-ghehouden en van waerden ghekent worden. Sijn daerop met malcander in
-handelingh getreden, en geaccordeert en besloten, dat sy in Teyowan
-met ons souden komen handelen [229], en aldaer soo veel sijde waren
-brenghen als ons capitael soude strecken: Datse op de Manilha,
-Cambodia, Siam, Patany, Jamby, Andrigerry, ofte op eenige andere
-plaetsen niet en souden varen, als met pas van ons: datse oock 4 a 6
-joncken nae Batavia souden senden, om aldaer met den Heer Generael
-te spreecken wegen de saecke vande Piscadoris, daer sy ons garen
-af hadden.
-
-Dit accoort solemneel ghemaeckt sijnde voeren sy aen landt; quamen
-daer nae wederom aen boort; versochten, dat eenighe capiteynen by den
-Totock aen landt geliefden te komen: dat het accoort op de eene sijde
-in 't Chinees en op de ander sijd' in Duyts [230] soude geschreven
-en beswooren worden, opdat den Totock den Combon van Hockzieuw mocht
-schrijven alsoo in sijn presentie geschiedt te zijn. Brachten met
-haer drie Manderijns tot ostagiers [231], en (nae haer gewoonte)
-drie pijlen tot verseeckerheydt.
-
-De Commandeur Christiaen Fransz. met de Raden vande jachten hebben
-daerop goet gevonden, dat hy Commandeur self met Doede Florisz. Craegh,
-schipper op Muyden, en Willem van Houdaen [232], opper-coopman op
-Erasmus, haer aen landt souden vervoeghen, om het boven geschreven
-te verrechten. Aen landt ghekomen sijnde, met ontrent 30 man, onder
-ander oock de schipper van Erasmus, Jan Pietersz. Reus, wierden daer
-(soo 't scheen) heel wel ontfanghen. Sy stelden tafels op strand'
-voort bootsvolck; disten wacker op. Den Commandeur belasten Jan
-Pietersz. Reus, dat hy op de maets passen zou, om die stracx weer
-nae boort te schicken, en sy [233] wierden geleyt na 't huys van den
-Totock. 't Scheen dat sy de boots-gesellen sochten droncken te maecken;
-de Mandorijns dienden de tafel; wilden dat schipper Jan Pietersz. Reus
-mede opwaerts nae de Totock soude gaen. Hy geliet hem of hy noch volgen
-sou, maer siende (soo hy hem inbeelde) dat het gheen klaer-schapen
-werck was, dede de maets opstaen en datelijck inde boot vallen,
-en voer met haer nae boort.
-
-'s Avondts (ghelijck het besproocken was) gingh de stierman Moses
-Claesz. van 't jacht Muyden, met een ghemande sloep nae landt, om
-onse drie voornoemde Raden te halen. Aen landt komende wierden vande
-Chinesen ghehouden. 't Volck inde jachten wisten niet wat sy dencken
-souden, waerom dat de sloep en onse Raden soo langh aen landt bleven;
-vraeghden daerom de ostagiers, waerom de onse niet weder en quamen;
-antwoorden: Sy sijn vrolijck. Maar die vrolijckheydt is wel af te
-meten, want inde selfde nacht, ontrent vier uren voor daegh, quamen
-sy (als voor verhaelt is) wel met vijftigh branders, om de jachten
-te vernielen; gelijck sy 't eene deden, etc. De Chinesen hadden oock
-eenigh Chinees bier aende jachten gesonden, daer sy vergif in ghedaen
-hadden, om alsoo ons volck te vergeven, maer wierde sonder schade by
-ons bekent [234]; 't scheen dat Godt het niet beliefde. Dese tijdinghe
-smarten ons alle dapper, want was een groot verlies voor ons en een
-goddeloos schelm-stuck vande Chinesen; dan Godt sal alles te sijnder
-tijdt oordeelen.
-
-
- Ter wereldt en is geen booser fenijn:
- Dan Vriendt te schijnen en Vyandt te zijn.
-
-
-Den 18. dito haelden wy eenigh brandt-hout uyt de huysen op 't eylandt
-met de Pagoden, daer wy onder laghen, dan resolveerden te verseylen
-aen de Noort-sijde vande revier, om aldaer te vryer voor de branders
-te legghen, want wy sagen nu wel, datse gheen vriendtschap maer
-vyandtschap met ons sochten.
-
-Den 19. dito quam het schip de Engelsche Beer uyt Jappon by ons,
-die wy alle ghelegentheydt van ons wedervaren verhaelden, en om dese
-en meer andere oorsaecken is den Raedt van de schepen vergadert in
-het schip de Beer, en besloten 't gene uyt dese navolgende resolutie
-verstaen kan worden.
-
-
- RESOLUTIE
-
- GHENOMEN BY DE OVER-HOOFDEN VANDE SCHEPEN DEN ENGELSCHE BEER,
- [GRONINGEN] [235], SAMSON EN ERASMUS OP DEN 24. NOVEMBER, VOOR
- DE REVIER VAN CHINCHIEUW, 1623.
-
- Alsoo (op den 11. November uyt Jappon vertreckende, tot meerder
- verseeckeringe van onze reyse nae de Piscadoris) goet gevonden
- was de kuste van China aen te doen, soo sijn wy God lof op den
- 19. deses voor de reviere van Chinchieu ghekomen, en aldaer
- ghevonden de schepen Groningen, Samson en Erasmus, waer van wy
- tot ons groot leetwesen hebben verstaen het deerlijck verbranden
- van het jacht Muyden, als oock de gevanckenisse vanden Commandeur
- Christiaen Fransz. en de andere gecommitteerde, welcke van onse
- sijde ghegaen waren, om de vrede met haer te bevestigen. En
- alsoo de Instructie van den Heer Commandeur Cornelis Reyersz. is
- vermeldende, datmen 't zy oorloogh of vrede de revier van Chinchieu
- met schepen beset sal houden, soo ist dat de vrienden vande
- boven-genoemde schepen klaghen seer van sieck volck overladen
- te zijn, voornamentlijck de Samson, hebbende qualijck soo veel
- gesont volck, dat hy sijn ancker konde lichten, en dien volgens
- ghenootsaeckt soude wesen de kust te verlaten, of sijne siecken
- andere over te geven, om nae de Piscadoris te brengen.
-
- Is derhalven goet gevonden en geresolveert (nademael de vrienden
- voornoemt rapporteerden, dat de E. Heer Commandeur Cornelis
- Reyersz. met de meeste siecken van de Piscadoris nae Teyowan
- vertrocken is [236], soo dat weynigh siecken inde Piscadoris zijn)
- vande ververschinge, die wy voor de vloote sijn hebbende, aende
- boven-genoemde drie schepen over te geven: Tien duysent groote
- appelen, tien duysent mikans [237], 20 verckens, 200 pompoenen en
- drie koe-beesten, op dat door noot van ververschinghe, tot ondienst
- vande Compagnie, de revier van Chinchieu niet onbeset blijve.
-
- En alsoo door de ghevanghenis van den Commandeur Christiaen
- Fransz. de vloote van een over-hooft ontbloot is, soo
- heeft den Raedt provisioneel tot nader ordre van den E. Heer
- Commandeur Cornelis Reyersz. ghestelt en stelt by desen Willem
- Ysbrantsz. Bontekoe, om in alle voorvallende saecken den raedt
- te beroepen, daer in te presideren, ende als vooren de vlagge
- vande groote stengh te voeren etc.
-
- Aldus ghedaen en gearresteert in 't schip den Engelsche Beer
- datum en jare als voren. Was onderteyckent by
-
- Isaac vande Wercken.
- Frans Leendersz. Valck.
- Herman de Coningh.
- Pieter Fransz.
- Jan Pietersz. Reus.
-
-
-Dese ververschinge verquickten onse siecken uyttermaten; hielden de
-reviere soo veel doenlijck was beset en onvry, volghens onse ordre,
-soo dat de Chinesen niet vry op de Manieljes en elders mochten varen;
-namen verscheyden van haer joncken en ander vaertuygh [238].
-
-Eyndelijck ben ick weder verseylt nae de Piscadoris, en alsoo mijn
-tijdt ghe-expireert was, en niet ghesint wesende my weder op nieu
-te verbinden, hoe wel den E. Heer Cornelis Reyersz. my daer sterck
-op aensocht, my presenterende veele goede en beter conditien als
-ick gehadt hadde, nevens merckelijcke verhooginghe van gagie,
-verwurf eyndelijck nae veel versoeckens, dat ick mochte overgaen
-op een ander schip dat ghereet lagh om nae Batavia te vertrecken,
-genaemt de Goede Hope. De E. Heer Commandeur Cornelis Reyersz. gaf
-ons in 't lange mede een resolutie, waer nae wy ons in de voyagie en
-ontmoetinghe van andere onse schepen souden reguleren, onder anderen
-oock dese korte instructie:
-
-
- INSTRUCTIE
-
- VOOR DE RAEDTS-PERSOONEN VAN'T SCHIP DE GOEDE HOPE UYT PEHOE NAER
- BATAVIA VARENDE.
-
- Alsoo onse Heeren Meesters ende d' Edele Heer Generaels begeerten
- is, datter in alle schepen een persoon gestelt wort, om in alle
- voorvallende saecken den raedt te beroepen, ende over den selvige
- te presideren,
-
- Soo ist dat wy daertoe goedt ghekent hebben Willem
- Ysbrantsz. Bontekoe, schipper op dito schip, om [lees: die] in
- alle voorvallende saecken den dienst der Compagnie betreffende
- den raedt sal beroepen, oock daer over presideren, ende de eerste
- stemme hebben.
-
- Jan de Moor, coopman.
- Jan de Nayer, stierman.
- Hoogh-bootsman.
- Onder-stierman,--de 5de stemme.
-
- Dese voorsz. raedts-persoonen wordt de volvoeringhe vande voyagie
- ten hooghsten bevolen, oock 't ghene den dienst der Compagnie
- is betreffende soecken te vorderen, en alle vlijt aenwenden om
- naer te komen, 't gene ampel inde mede-ghegheven resolutie van
- dato 19. Februarij, Anno 1624, verhaalt staet. In 't Fort in de
- Piscadoris, desen 20. Februarij 1624.
-
- Cornelis Reyersz.
-
-
-Den 21. Februarij ben ick met het schip de Goede Hope uyt de Piscadoris
-t'seyl ghegaen nae Batavia, doch met instructie eerst dwars over te
-loopen nae de kust van China, 't welck wy deden; maer kreghen een
-harde storm, doe wy by de kust waren, en bevonden dat ons schip soo
-onbeniert [239] was, dat wy het met de fock qualijck voor wint om
-konden krijghen. Waren oock soo leck, dat wy staegh aende pomp mosten
-staen; vonden daerom ongheraden daer langher by te houden, maer onse
-reyse nae Batavia te vervorderen. Hielden voor wint af, passeerden
-den 24. a 25. dito de eylanden van Macou; hadden veel variabel weder.
-
-Den 6. Meert quamen wy by de Engelsche Beer, daer coopman op was Isaac
-vande Wercken en schipper Frans Leendertsz. van Rotterdam. Quamen ons
-aen boordt; verhaelden dat sy aen de Chineesche kust wel hondert en
-tsestigh Chinesen (soo mans, vrouwen en kinderen) ghekregen hadden,
-die wy volgens onse ontfanghen instructie van haer wilden overnemen
-en hem belasten by te houden, maer sy verklaerden ons, dat haer schip
-soo swack en leck was, dat sy 't qualijck boven water konden houden
-en daerom ghenootsaekt waren dragent te houden nae Batavia [240].
-
-Den 8. dito bracht de schipper van de Beer ons twee kleyne beesten
-tot verversinghe.
-
-Den 9. dito voeren wy de Beer aen boordt; kregen weder twee beesten,
-een perthy boonen, eenighe potten met oly, en andere saecken.
-
-Den 17. dito liepen wy onder Poelepon ten ancker, haelden hier water
-en namen 64 Chinesen van de Beer over. Voeren oock om brandthout
-te hacken.
-
-Den 20. dito ginghen wy weder onder seyl.
-
-Tusschen den 25. en 26. dito is de Beer van ons gedwaelt.
-
-Den 30. dito quamen wy onder 't Mensch-eters eylandt ten ancker.
-
-Den eersten April lichten wy ons ancker en quamen des anderen daeghs,
-zijnde den 2. April, op de rede voor Batavia.
-
-Dede doe wederom eenige tochten om steen aende voorgenoemde eylanden
-tusschen Bantem en Batavia [241].
-
-Ick van voornemen zijnde om my met de eerste gelegentheyt nae
-Hollandt te transporteren, bevindende dat het spreeck-woordt waer en
-uyt de ervarentheydt bekrachtight is: yder voghel is gaern daer hy
-uyt-ghebroedt is; want wat schoone landen, kusten en rijcken, datmen
-beseylt en besiet, wat conditien, profijten en vermakelijckheyden
-datmen gheniet, 't soude ons maer pijn wesen, soo die hope ons niet
-onderhiel van dat selfde eens nae te vertellen in ons Vaderlandt;
-want om die hope heten onse reysen "Reysen", anders soude tusschen
-de ballinghschap en sulck hopeloos reysen niet veel verschil zijn.
-
-Terwijle ick hier van Batavien af en aen voer om steen (als verhaelt)
-wierdender drie schepen, te weten het schip Hollandia, Gouda en
-'t schip Middelburgh ghereet gemaeckt om nae Patria te gaen; welcke
-ghelegentheydt ick waer nam: Versocht aen den E. E. Heer Generael
-Carpentier en sijne Raden, om daer mede te moghen vertrecken, 't welck
-ick verwurf. Stelden my tot schipper op het schip Hollandia, zijnde een
-treffelijck ghemonteert schip. Den Commandeur Cornelis Reyersz. was
-ondertusschen oock uyt de Piscadoris op Batavia ghekomen, om mede
-nae huys te vertrecken; wierde ghestelt tot Commandeur over de drie
-voornoemde schepen; kreghen hem in ons schip; was een gauw, ervaren
-man, die de Compagnie in veel saecken groote diensten ghedaen hadde.
-
-Hier op Batavia zijnde, sprack ick mijn landtsman Willem
-Cornelisz. Schouten, hadde veel ommegangh met hem [242]. Hy gingh op
-het schip Middelburgh, om mede met ons in compagnie nae 't Vaderlandt
-te gaen.
-
-Den 6. Februarij 1625 zijn wy met ons drie voornoemde schepen van
-Batavia vertrocken, om, soo Godt wilde, nae huys te gaen. Deden in
-passant Bantem aen, daer eenighe van onse schepen laghen; lichten
-daer een grof touw met een marsseyl uyt; namen doe ons afscheydt
-vande vrienden, met een Westelijcke windt, dat voor ons inde wint
-was. Laveerden daerom tot onder 't eylandt Sebbesée, 't welck aende
-binnekant vande Straet van Sunda leydt, Sumatra naest. Bleven aldaer
-3 a 4 daghen legghen, nae de goede windt wachtende, oock omdat de
-stroom soo hard de Straet inviel.
-
-Den 15. dito zijn wy weder t' seyl ghegaen met de landt-windt;
-kreghen een slagh-boegh [243] en raeckten den 16. dito buyten de
-Straet van Sunda, hebbende den windt Westelijck. Liepen om de Suyd,
-met weynigh koelte, doch de windt wackerde van dagh tot dagh; liepen
-al Suydwaert over; verhoopten een Suydelijcke windt te krijghen.
-
-Den 27. dito kreghen wy de windt uyt de Suydelijcker handt; hadden de
-hooghte van 17 graden Suyder-breete. Wenden als doen Westwaert over en
-stelden onse cours Westelijck aen, nae de Caep de Bonesperance toe,
-tot dat wy kreghen de hooghte van 19 graden Suyder-breete. Hadden
-een S.O. windt en hy oostelijckte noch al op de handt; ginghen al
-Westelijck aen met stijve koelte, soo veel als wy gaende konden houden.
-
-Den 15 Maert, 's morghens de son in 't opgaen ghepeylt hebbende,
-bevonden 22 graden, afgaende Noord-westeringh van 't compas [244]. Den
-selfden dito wierdt onsen Commandeur Cornelis Reyersz. heel sieck.
-
-Den 16. 17. 18. dito begon het soo stijf te waeyen, dat wy 't
-voor een schoovers-fock met de blind op gheen 8 streecken konden
-gaende houwen [245]; vreesden dat wy 's nachts van malkander souden
-raecken. En alsoo wy het vyer 's nachts voerden [246], soo liep ick
-by den commandeur in de cajuyt en ontboodt daer de scheeps-raedt;
-seyde teghen den commandeur, die (als verhaelt) heel sieck lagh: "Soo
-wy dus te nacht seylende blijven, soo vrees ick, dat wy morgen van
-malcander sullen wesen, want het volck konnen 't op gheen 8 streecken
-gaende houden. Oordeel daerom best te wesen de seylen by daegh in te
-nemen en schieten onder zee [247], want als onse mackers dat sien,
-sullen van ghelijcke doen; dan heb ick wel moet, dat wy malkander in
-dese nacht soo verde niet sullen ontdrijven, of wy sullen malkander
-morghen wel sien." Daer op seyde den commandeur: "Dunckt u dat goedt
-te wesen, schipper, soo laet ons soo doen." Het welck wy deden. Namen
-onse fock met de blind by daegh in, besloeghense wel dicht [248],
-en schoten onder zee.
-
-Onse twee ander maets, te weten het schip Gouda en Middelburgh, dat
-siende, deden van ghelijcken; namen haer seylen in, en schoten mede
-onder zee. Leyden 't met de steven Suydwaert over. Ses glasen in de
-nacht [249] begon het soo schrickelijck te waeyen, dat het dieghene
-die 't noyt ghehoort noch gesien heeft onmooghlijck sou schijnen
-dat de windt sulcken kracht kan by-brengen. De windt was rondtom
-de compassen, want de compassen dreyden rondtom, dat wy niet konden
-sien hoe wy wendt lagen. Het schip sackte door de windt soo laegh in
-'t water als of de windt recht van boven neer quam, dat het scheen
-dat de anckers, die op de boegh stonden, by 't water quamen; jae,
-meende dat het schip sonck. Ten lesten waeyde onse groote mast over
-boordt en brack ontrent drie vadem boven 't boevenet [250], waer door
-het schip doen weder rees. Wy stonden by malkander met de hoofden
-teghen malkander aen, maer konden niet roepen noch spreecken dat wy
-malkander konden verstaen, te weten die boven waren.
-
-Dese onstuymighe harde windt, die men een orkaen noemt, duerde ontrent
-6 a 8 glasen; doen begon den windt weder te minderen. Doen het op
-sijn hartste waeyde, was het water soo slecht [251] als een taeffel,
-dat het hem niet konde verheffen; maer toen die wint af nam, verhief
-hem de zee soo gheweldigh, dat het scheen dat het schip het onderste
-boven soude rollen [252]. Het slingerde altemet het boordt los onder
-water, waer door wy soo veel water van boven in kreghen, dat het ons
-heel verlegen maeckte [253], want het water liep in 't ruym, soo dat
-wy al seven voet water in 't schip hadden eer wy 't wijs wierden,
-waer door wy meenden dat het schip al sonck. Pompten met alle pompen,
-maer het water scheen daer al teghen aen te wassen. Hier stonden wy
-verslaghen, want was een versufte kans. Daer op raeckten de pompen
-noch onklaer, dat wy niet pompen konden; want de wranghen raeckten vol
-peper, 't welck de pompen verstopte [254]. Wij hadden 60 stucken, soo
-metalen als ijseren, in 't ruym onder de peper op 't genier leggen;
-die raeckten door 't slingeren gaende, braecken met de ooren door
-'t genier, waer door de peper door 't genier op de buyckdenningh
-liep; en door het water waren de vullinghen van de buyckdenningh
-opghedreven, doe spoelde de peper altemael in de wranghen [255]. Doch
-alsoo wy hoopten en vertrouden, dat het schip onder noch goedt was,
-deden onse best om alles te doen dat wy konden: setten de pompen
-uyt en wonden stucken van oude vlaggen beneden om de eynden van de
-pompen, en setten de selfde eynden op de buyckdenningh neer, yder
-in een mande [256]. Vielen doen weder met alle macht aen 't pompen;
-doe bleven de pompen klaer. Sagen datelijck dat het water minderde,
-waer door wy weder moet kregen.
-
-Onse afgewayde groote mast lagh de heele nacht en rinck-ranckte onder
-'t vlack en op zijd' van 't schip, dat wy vreesden dat hy ons onder
-leck soude maecken. Het volck uyt het ruym riepen: "Hack alles af dat
-hem vast houdt en laet hem drijven!" Doch wy deden onse best; hieuwen
-het groote wandt te loevert [257] stucken, maer in ly, dewijl het schip
-soo schrickelijck rolde en slingerde, konden wy niet schrab raecken;
-most hem inde nacht soo behelpen, maer met den dagh hackten wy alles
-af dat wy konden sien en raeckten soo van de vleet ontslagen [258].
-
-'s Morgens sagen wy rontom nae onse twee mackers, maer mistender
-een, te weten het schip Gouda, maer 't schip Middelburgh lagh te
-loefwaert van ons. Was alle sijn masten quijt, met boeghspriet,
-gallioen en al, uytgesondert sijn besaens-mast. Waren alsoo beyde
-in een soberen staet. Goeden raedt was dier. Het schip Gouda deed'
-hem niet op, vreesden dat het ghesoncken was; ghelijck het oock is,
-soo naest te ghelooven is: want 's nachts waren wy door een plaets
-gedreven daer het water heel bruyn, en slechter [259] was als anders;
-eenighe schepten met de puds daer in, seyden dat sy peper schepten;
-viel ons doe al op de leden, dat het met een of beyde onse mackers
-niet wel gestelt most wesen. Hoewel wy 't niet op 't beste hadden,
-soo gaf ons dit verlies van 't schip Gouda een groote herten-wee.
-
-Het worde 's anderen-daeghs goedt weder. Het schip Middelburgh lagh
-(als geseydt) te loefwaert van ons, maer konden by malkander niet
-komen; lagen beyde gaer als in onmacht. Voor dagh schoof Middelburgh
-sijn sloep over boordt en roeyden naer ons toe; quamen metten dagh
-achter ons schip, onder de geldery, en riepen aen ons, waer door wy
-verschoten [260] dat het te wonder was, want wy waren daer niet op
-verdacht datter volck ontrent ons was. Saghen uyt de geldery, hoorden
-dat het de sloep van Middelburgh was, lieten de val-reep achter
-uyt hanghen, daer de schipper by over quam, ghenaemt Jan Dijcke van
-Vlissingen, met noch een ander. Vertelden ons haer wedervaren en hoe
-dat sy gestelt waren, en wy haer het onse. Klaeghden ons, dat sy alle
-haer masten en gereetschap quijt waren, en soo wy haer niet konden
-ontsetten, dat sy geen landt souden konnen krijgen. Wy hadden onse
-focke-mast en boegh-spriet met de besaens-mast noch behouden, als mede
-onse groote ree, door dien ick onse rees om laegh hadde doen strijcken
-weynigh te voren eer de windt aen quam, en sy hadden haer rees omhoogh
-laten staen; waren daerdoor al de vleet quijt. Doch de beste boegh
-most voor. Resolveerden daerom dat wy Middelburgh souden overgheven
-onse groote ree, met onse voor-stengh, met een spier van 14 palm,
-die wy noch in 't schip hadden. Dan hadden sy moet soo veel stompen te
-rechten [261], dat sy hoopten landt te krijgen. Wierdt oock besloten:
-dat, als wy haer dit souden overgheven, dat elck dan sijn best soude
-doen om het eerste landt te krijghen datmen kond'; hadden het ghemunt
-op de Bay van Sancte Losie [262], aen 't eylandt Madagascar.
-
-Dit wierde alsoo ghearresteert by den breeden raedt inde kejuyt;
-en dewijl ick schipper was, most het commanderen aen het volck. Als
-ick boven quam om te commanderen, stond het volck tegen my op,
-en hadden daer veel tegen; seyden: "Wy hebben meerder noodt als
-Middelburgh; wy willen 't niet overgeven." Daer stond ick doe en
-keeck. Doch seyde met soete woorden: "Mannen, siet toe wat ghy doet,
-want laten wy Middelburgh hier leggen in onmacht, 't is seker dat
-sy haer niet redden konnen, soo moeten sy vergaen, want sy konnen
-geen seyl maecken. Wy zijn immer Christen-menschen, laten wy ons
-oock Christelijck toonen. Denckt eens, wat wy wel souden willen,
-als wy in haer plaets waren; laet ons dan oock dat selfde aen onse
-even-naesten doen". Gingh haer met soo veel moye woorden aen als ick
-konde bybrengen.
-
-Ten laetsten schoolden sy by malkander, begonnen de hoofden t'samen
-te steecken en seyden tegen malkander: "Wat sullen wy doen? Wy zijn
-allijckewel [263] Christen-menschen, gelijck de schipper seydt,
-en of [264] Middelburgh dan niet te recht quam, wat hadden wy te
-seggen?" Quamen daer op wederom by my voor de groote mast en seyden:
-"Wel schipper, als wy Middelburgh dit goedt bygheset hebben, moghen
-wy dan van hem scheyen?" Waer op ick antwoorde: jae, dat het soo inde
-kajuyt besloten was. Doen lieten sy het glijen; setten de stengh af,
-smackten die met de groote ree met de 14 palms spier over boordt. Hier
-op namen die van Middelburgh haer afscheydt en roeyden nae boort met
-het goedt achter aen; souden malkander vinden inde Bay Sancte Losie,
-soo 't Godt gheliefde. Doe vraeghden ons volck wederom: "Mogen wy nu
-van haer scheyden?" Ick seyde: "Jae". Onse focke-ree lagh neer; ick
-seyde: "Vat aen 't cardeel vande fock, en hijs de fock om hoogh". 't
-Welck sy datelijck deden en liepen de fock ten eersten om hoogh, tot
-voor 't hommer. Te voren scheen het schier onmogelijck de focke-ree
-te hijssen, maer doen 't een willige wegh was, quam het niet eens aen.
-
-Den 22. dito zijn wy van Middelburgh ghescheyden, stelden onse
-kours naer het eylandt Madagascar, dat ons het naeste was, en
-kregen den 30. dito het landt in 't gesicht. Seylden dicht by
-'t landt; saghen wel eenighe drooghten branden [265], doch waren
-onverkent. Waren ontrent nae onse gissinge 8 a 9 mijlen beoosten de
-Bay van Sancte Losie; wilden ons niet gaern vande wal af begheven,
-om dat wy soo schaloos waren [266]; hebben daerom gheresolveert het
-ancker te laten vallen, was ontrent 25 vadem diep, en de sloep uyt
-te setten en by de wal langhs te roeyen of te seylen, nae 't te pas
-quam, om te sien of wy de voorsz. Bay niet konden aentreffen. Hier
-op ben ick met de gemande sloep van 't schip afghesteecken. Vonden
-de voornoemde Bay ontrent 8 a 10 mijlen van daer 't schip lagh;
-peylden de eylandtjes en de hoecken en diepten met het diep-loot,
-over en weer over, en vonden dat het een bequame plaets was voor 't
-schip. Dat ghedaen zijnde voeren verblijdt weder nae 't schip. Quamen
-'s anderdaeghs wederom aen boort en vertelden alle gelegentheydt
-wat ons wedervaren was. Lichten ons ancker en seylden daer nae toe;
-brochten het schip met Gods hulp daer in, waer door wy altemael vol
-vreucht waren; danckten Godt voor sijn ghenade.
-
-Den eersten April hebben wy goedt gevonden het schip te lossen en
-tenten op 't landt te maecken, om 't goedt te berghen en de lockgaten
-[267] te klaren. En alsoo ick met de sloep aen landt voer, sach ick
-dat de zee vrij wat aenliep; docht my daerom dat het niet gheraden
-was om 't goedt aen landt brenghen, want sou sijn perijckel loopen
-om schuyt ende boot stucken te krijgen. Hebben hierom besloten het
-ruym te lossen en het goedt in 't schip te houden; het welck wy
-deden. Droeghen het goedt voor uyt het schip met sacken, en storten
-de constapels kamer vol in 't boevenet; kregen het voor-schip met der
-haest heel leegh. Maeckten een beschot dwars over teghen de groote
-mast aen, dat het goedt ons van achter niet konde toekomen; namen
-doe de vullingen op, klaerden de wrangen en de lockgaten; schoren
-doe touwen van voren na achteren door de lockgaten, om die klaer
-te houden, of sy by ongeluck weer verstopten. Doe brochten wy het
-goedt uyt de constapels-kamer en boevenet weder voor in. Dat ghedaen
-zijnde namen het goedt achter uyt, en berghdent weder in de kamer
-en boevenet; klaerden daer de vullingen en lockgaten oock. Schoren
-doe de touwen voort vande mast af door de lockgaten, tot achter toe,
-soo dat wy by ghelegentheydt de touwen heen ende weer konden halen
-door de lockgaten. Ondertusschen spraecken wy met de inwoonders
-van 't landt. Wy wesen haer dat onse mast en onse doent [268] soo
-onklaer was, en vraeghden offer geen raedt was om een ander mast te
-krijgen. Sy konden onse meeninghe verstaen; wesen ons landtwaert in;
-gingen met ons en toonden ons daer toe bequame boomen. Seyden, dat sy
-ons souden helpen in alles wat wy van doen hadden. Ick trock met volck,
-lijnen, taekels, bijlen en saghen daer nae toe; kreghen ons gherijf
-[269]; sleepten en brochten de houten met groote moeyten ontrent
-'t schip. Stelden de timmerluy te werck; maeckten van 't swaerste
-eynd van 't hout, dat ontrent 18 palm dick en 28 voeten langh was,
-een eynd' op de stomp van onse ghebroocken mast; saeghden een swaelf
-[270] uit het dickste eynd' en hieuwen onse stomp, die ontrent, als
-gheseydt, drie en een half vaem boven 't boevenet hoogh was, scherp
-toe en settender het nieuwe eynd op, in malkander sluytende. Leyden
-doe vier wanghen daer op en woelden dat soo te samen, waer door het
-een sterck hecht werck worde. Namen doe onse besaens-mars, saeghden
-die midden door en setten de zijden soo verde van malkander als wy
-de mars [271] wilden wijt hebben, en vulden de gaten toe met deelen
-[272], soo dat de mars goedt werde.
-
-Waren alle daghen besich om onse dinghen weder te repareren, soo wel
-in 't schip als aen landt. Wy hadden eenige ysers, gelijck sy inde
-lijnbanen ghebruycken om tou-werck te slaen. Stelden een lijnbaen op 't
-landt toe; hackten een van onse sware-touwen meest aen enden, dedense
-los en sloeghen al ons loopende wandt daer af [273]. Verbesinghden
-[274] ten naesten by een geheel tou. Voort namen wy onse cabel-touwen,
-hacktense stucken en maeckten daer onse groote wandt van. Sochten
-ons self alsoo te behelpen, het best dat wy konden.
-
-Het geruchte gingh daer wijt en breet door 't landt, dat wy daer waren;
-daer op quamen d' inwoonders van wijt en zijt, dreven haer beesten voor
-haer henen tot by ons, daer sy haer neer sloeghen. Stelden haer tenten
-op, brochten ons alles wat sy hadden: appelen, lemoenen, ceteroenen
-en melck, die sy eerst opwelden, eer sy die aen ons vercochten,
-om dat sy niet mochte deuren, want was datelijck goor. Ruylden en
-kochten oock van haer eenighe beesten. Haer visschers voeren t'zee en
-brochten ons die vis, die wy van haer ruylden of kochten. Dit volck
-waren ons heel toeghedaan; wesen ons, dat sy vyanden hadden op 't
-selfde landt. Versochten door beduydinge, of wy haer wilden helpen,
-soo souden sy ons alles doen wat sy konden. Hier viel oock was en
-honigh; verkochten een deel aen ons.
-
-Wy verstonden uyt haer, dat haar coningh Spaens sprack, die een dagh
-reysen 5 a 6 van daer woonde. Wy stuerden twee van onse maets nae
-den coningh toe, om te vragen of hy ons eenige rijs wilde verkoopen;
-de een was ghenaemt Abraham Stevensz. van Vlissingen, die goedt Spaens
-sprack, met noch een ander jongh-man. Sy quamen by den coningh, wierden
-van hem wel ontfangen. Sy deden haer boodtschap, versochten eenige
-rijs te koop. Maer den coningh seyde, dat sy dat jaer seer ghequelt
-hadden geweest vande sprinck-hanen, die de rijs meest opge-eten hadden;
-het welcke voor my wel te gelooven was, want ick heb self gesien (nae
-dat ick een stuck landtwaert in was geloopen), dat de sprinck-hanen
-op quamen rijsen uyt het landt, offer een wolck quam aendrijven;
-vloghen my op 't lijf en op de borst, soo dick by een dat ick mijn
-aessem qualijck konde krijgen. Sy hadden vleugelen om te vliegen, en
-op 't landt staende hiptense als andere hip-hanen. De coningh seyd',
-datse altemet wel 3 a 400 mannen konden stellen, om de rijs te bewaren
-en de sprinck-hanen daer van te houwen, maer hulp weynigh. Konden
-daerom geen rijs krijgen. Wy saghen dat de inwoonders de sprinck-hanen
-namen en streecken daer de vleugels af, leydense op 't vyer te braden
-en atense op. Wesen ons dat wy 't mede doen souden, doch wy hadden
-daer geen lust toe. De coningh quam nevens onse twee maets by ons by
-'t schip; schonck ons vier beesten, daer voor wy hem twee musquetten
-gaven. Seyde ons doe oock, dat hy gheen rijs missen mocht.
-
-Nae dat wy hier 11 dagen gelegen hadden, soo is den Heer Commandeur
-Cornelis Reyersz. gestorven en inden Heer gerust. Begroeven hem op
-een eylandt (dat voor inde Bay leydt) vol geboomte, onder een lustigen
-groenen boom, de beste die wy vonden [275].
-
-Op dit over-lijden is dit Veersken gepast:
-
-
- De doodt die volght ons over al
- En niemandt weet den tydt wanneer,
- Noch waer dat hy ons treffen sal,
- 't Zy Oost of West, dan Godt den Heer,
- Maer wie hem met Godts wil vernoeght
- Die is te vreen, hoe hy het voeght.
-
-
-Onse musquettiers schooten driemael af over de begraeffenis, en uyt
-het schip worden 5 schooten geschooten; namen doe onse afscheyt van
-het graf. Trocken wederom aen 't werck, om onse scheeps-saecken klaer
-te maecken. En alsoo het volck dickwils uytwegen en meerder wellust
-als werck socht, en ick wetende in wat staet wy waren, vermaende het
-volck alle daghen met soete woorden: "Mannen, laten wy doch ons beste
-doen om klaer te worden, op dat wy onsen tijt hier niet versuymen,
-want wy sijn maer voor 8 maenden ghevictalieert, en versuymen wy
-hier onsen tijdt ende eten die victualie op, soo moeten wy weerom nae
-Batavia"; en daer (wist ick wel) hadden sy geen sin aen. Sprack haer
-derhalven een moet aen, en in plaets van gebieden most ick smeecken;
-gelijck in sulcke gelegentheydt meermalen gheschiedt: Want wy hadden
-noch veel werckx te doen. Hier wast met my gelijck alst met Scipio
-Affricanus was, die (nae ick wel gehoort heb) dickwils plagh te
-seggen: "ick ben nimmermeer min ledigh, dan als ick ledigh ben, en
-nimmermeer min alleen, dan als ick alleenigh ben." Want ick hadde
-'s nachts ghenoegh te doen met te practiseren, hoe wy 't des daeghs
-souden aenleggen met maecken en toe-stellen, en om met vrede een yder
-op sijn werck te stellen, soo dat de maets in 't eynde als overtuyght
-wierden in haer gemoet, dat een yder sijn best dede, tot den 22. April
-toe; doen waren wy wederom klaer en lagen, met de rees in 't cruys
-[276], gereet om onse reyse te vervorderen. Haelden onse water-vaten
-vol water, en ons volck kreghen soo veel appelen en lemoenen als een
-yder in sijn koy konde bergen.
-
-D' inwoonders van dit landt waren meest heel swart; sommige hadden het
-hayr by 't hooft hangen, sommighen ghekrult als schaeps-wol. De vrouwen
-hadden 't hayr rontom 't hooft met kleyne vlechtjens ghevlucht en dat
-smeerden sy met traen, dat het glom tegen de son, 't welck de mannen
-meest mede deden. De meesten-deel hadden geen meer als een kleetjen
-om de middel, om haer schaemte te bedecken, en sommige gingen heel
-naeckt sonder schaemte.
-
-Den 23. dito besloten wy, om des anderdaeghs morgens met de landt-windt
-t'seyl te gaen, maer inde selfde nacht sijnder twee van onse maets,
-die de wacht hadden, met onse kleyne schuytjen aen landt ghevaren
-en liepen wegh by de Swarten, dat wy haer niet konden vinden. Waren
-daer in heel verwondert, want sy hadden het gantsche schip mede helpen
-klaer maecken en liepen juyst den lesten nacht wegh, en dat by sulck
-barbarisch volck, daer ick niet konde mercken datse van Godt of sijn
-gebodt wisten. Eenen van dese wegh-loopers was genaemt Hilke Jopkis
-uyt Vrieslandt, en den ander Gerrit Harmesz. van Norden. Wy maeckten
-gissingh, datse haer te veel vermenght hadden met de vrouwen, die
-door schoon-schijnende beloften haer herten ghetrocken hadden om daer
-te blijven; want de vrouwen krachtige instrumenten sijn om de mannen
-te verleyden: waer toe de exempelen onnoodigh sijn op te halen. Siet
-alleen op Samson, David en Salomon. Wy saghen alhier veel kinderen
-loopen, die bykans blanck waren, met blanckachtigh hayr by 't hooft
-hangen; maeckten gissinge die van Hollanders toe ghestelt te wesen, die
-voor ons wel meer in die Bay gheweest hadden. Die vrouwen waren heel
-graegh om by ons volck te converseren, want hadder op dese plaets soo
-wel wijn ofte bier te koop gheweest alsser vrouwen waren te krijgen,
-wy hadden ons werck soo dra niet uytgherecht. Maer nu als sy by die
-vrouwen hadden gheweest, quamen als lammeren mack weerom aen haer
-werck. Dit segh ick van veele, de vromen uytgesondert [277].
-
-Door 't wegh-loopen van dese twee maets is ons vertreck noch een dagh
-langer getardeert, want wy liepen die dagh noch aen landt om haer
-te soecken; kreghense wel in 't ghesicht, maer sy ons wijs wordende
-liepen van ons af, soo dat wy haer daer mosten laten.
-
-Doe sijn wy den 25. April met de landt-windt t'seyl ghegaen; liepen
-om de Suyd met redelijck weer, tot den 10. May, met een westelijcken
-windt; kreghen veranderingh van wint en weer, met regen, den wint
-heel ongestuymigh uyt den W.S.W. Wendent als doen Noordtwaert over;
-vernamen dat wy noch soo veel dwangh van seyl achter niet en hadden,
-dat wy aende windt konden over wenden [278]; liepen voor de windt
-om en staecken by de windt over, om boven 't eylandt Madagascar te
-seylen. Het weer nam alle daghen aen, met stercken W.S.W. wint, soo
-dat wy onse marsseylen mosten in-nemen en lietent al deur staen [279]
-boven Madagascar heen, tot dat wy het vaste landt den 28. May in 't
-gesicht kregen, ghenaemt Terra de Natal. By 't landt komende wierdt
-het moey weer met een klare lucht, maer de dijningen heel hol, die
-vande Caep de Bonesperanse quamen afschieten. Wendent alsdoen van de
-wal af, vernamen datter een harde stroom by de wal uyt-liep, die ons
-nae de Caep toe trock; was een wonder om sien, dat het landt soo hart
-vertierde [280], 't welck ons goede moet gaf om boven de Caep te komen.
-
-Kregen 's nachts weder onstuymigh weder met mist en regen, waer
-door wy 3 a 4 daghen vande wal afliepen, met schovers-seylen [281];
-hadden den windt al westelijck met holle dijningen uyt alle oorden,
-soo dat het schip sijn leden dickwils versette dat het kraeckte. Had
-het geen sterck schip geweest, het had niet mogelijck gheweest om heel
-te blijven. Doen het weer wat bedaerde, leyden wy 't weer Noordt-waert
-over, nae de wal toe; konden door 't onstuymigh weer geen hooghte
-nemen, doch lietent soo langh deurstaen dat wy 't landt sagen;
-doen klaerdent weder op. Namen de hooghte en bevonden 35 graden,
-waer uyt wy saghen, dat het het landt van de Caep Augueles was,
-die op de hooghte van 35 graden leydt [282]. Wendent van de wal af;
-kregen een W.S.W. windt met reghen; begon weder soo stijf te waeyen
-en de zee liep soo teghen malcander aen en sloegh in 't schip, dat
-het scheen het schip inde zee soude versmoren; doch door Godts genade
-worstelden wy daer noch deur, dat geheel onghesien scheen.
-
-Dit duerde 4 dagen; lagen nu met een seyl en dan met twee
-schovers-seylen by. Ons schip was soo stijf [283], dat wy sonder seyl
-niet wel konden drijven.
-
-Den 6. Junij begon het water slecht [284] te worden en kreghen heel
-goet weer. Namen de hooghte; bevonden 32 graden en 16 minuten, waer
-uyt wy bevonden, dat wy boven of binnen de Caep de Bonesperance waren
-[285], want de Caep leydt op 34 en een halve graad. Doe wierd' het
-handt over handt sulck vast moy weer, dat het scheen dat wy inden
-Hemel waren, daer wy te voren schenen inde Hel te wesen. En daer wy
-te voren versuft en schier hopeloos waren, om boven de Caep te komen,
-waren wy met de stroom tegen de windt aen met dat vreeselijck weer
-daer boven gedrongen, tot onser aller verwonderinge; en daer wy te
-vooren schier gheen of weynigh seyl konden voeren, konden wy nu wel
-alwaert twee marsseylen hoogh voeren. Setten onse koers nae 't eylandt
-Sancte Helena; kregen een S.O. en O.S.O. windt, met moye koelte.
-
-Den 14. Junij kregen wy het selfde in 't gesicht, daer in wy altesamen
-seer verblijdt waren. Liepen dicht by de wal langhs. Om de hoeck
-komende, alsmen na de Kerck-vley [286] toe komt, daer de waterplaets
-is, saghen wy een Spaensche kraeck recht voor de Kerck-vley leggen. Soo
-haest sy ons gewaer wierden, brochten sy een worp uyt [287] nae
-'t landt toe, en korten met het achter gat dicht aen landt met sijn
-ancker t'zee, en voerden datelijck eenigh geschut met de boots aen
-landt en maeckten een batery op 't landt. Wy met het schip Hollandia,
-hem te met naeckende, kreghen een dwarrel-windt, dewijl het landt seer
-hoogh is en de winden over 't landt dwarrelden; konden hem daerom
-niet beseylen of by hem komen, want ons voornemen was hem datelijck
-aen boordt te legghen, sijn touwen af te hacken, en met hem in zee te
-gaen. Haddent genoegh konnen doen, want sijn geschut lagh soo hoogh,
-dat wy met ons schip wel onder sijn geschut konden legghen. Hadde onse
-aenslagh geluckt, wy twijffelen niet of souden hem vermeestert hebben;
-doch door de selfde dwarlinge quamen op een musquets schoot by hem.
-
-Wy manden onse sloep; stuerden den onder-coopman Harmen de Coningh
-(was uyt den Haegh van daen) met een vreed-vaentje nae haer toe. Sy
-dat siende manden haer boot metter haest en quamen ons volck inde moet
-tusschen bey de schepen. Verpreyden malcander [288]. Vraeghden ons
-waer wy van daen quamen. De onsen seyden van Java, en dat wy van ons
-compagnie [289] verdwaelt waren, die wy alle uren verwachten. De onse
-vraeghden waer sy van daen quamen; seyden: van Goa. Vraeghden vorder
-(alsoo sy de waterplaets in hadden) of sy wilden toelaten, dat wy
-quamen en haelden water, 't welck wy noodigh van doen hadden, en dat
-hebbende soo wilden wy datelijck vertrecken. Waer op sy riepen: "Anda
-pero, anda canaly," met veel smadighe woorden meer. Doe keerden ons
-volck met de sloep weder nae 't schip; vertelden ons haer wedervaren.
-
-Daer op hebben wy datelijck den scheeps-raedt vergadert, overlegghende
-wat ons hier te doen stondt. Vonden goedt dat de sloep datelijck weder
-nae haer toe soude varen, om te vraghen hoe of sy haer beraden hadden:
-of wy souden komen water halen ofte niet, en soo sy als vooren dat
-niet wilden toestaen, soo souden sy wederom t'scheep komen, en men
-soud' haer noch soo veel tijdt gheven om haer te bedencken, datmen een
-glas [290] soude omkeeren, en soo sy eer 't uytgeloopen was quamen en
-stonden ons versoeck toe, soo souden wy haer met vreden laten, en soo
-niet, souden daer datelijck in branden [291]. Met dese resolutie is
-de sloep weder met een vreed-vaen naer haer toe gheroeyt. Sy quamen
-ons volck weder met haer boot in 't ghemoet. Daar stondt een munnick
-met een kap op 't hooft in haer boot, die ons volck verpreyde. Onsen
-onder-coopman De Coningh sijn reden ghedaen hebbende, kreegh verkeert
-antwoordt als vooren: "Anda pero, anda canali! Wy willen jou hier
-niet sien; wegh van hier!" Onse volck aen boort komende hebben dit
-rapport aen ons gedaen. Doe lieten wy datelijck de klock luyden,
-deden 't gebedt, setten een glas van een half uer op de spil, en soo
-dra het selfde glas uyt was gheloopen en wy haer niet saghen komen,
-hebben wy datelijck vyer op haer ghegheven met halve cartouwen [292],
-daer van wyder elf hadden, en schoten inde kraeck dat het rammelde,
-want hij goet te raecken was; sijn voor-schip ofte casteel was soo
-'t scheen soo hoogh als ons voor-mars, alhoewel wy een schip hadden
-van vijf hondert lasten. Wy schooten daer soo langh op, tot dat sy
-weynigh meer uyt de kraeck schooten, maer met het gheschut, dat sy uyt
-de kraeck op 't landt hadden ghehaelt en op haer ghemaeckte batery
-hadden ghestelt, schooten sy ghestadigh in ons schip of syter met
-handen in-leyden. Want elcke schoot wasser een, dat raeckte, 2, 3 a
-4 voeten boven 't water, soodat wy vreesden, dat sy ons inde grondt
-souden schieten; kregen oock eenige ghequetsten. Onder alle worde
-onse onder-timmerman, ghenaemt Bokjen van Dort, beyde sijn beenen
-afgeschoten; leefde noch een weynigh tijdts, maer storf datelijck;
-waerdoor wy daer niet konden blijven leggen. Resolveerden een worp uyt
-te brengen nae de wal toe, daer eenige klippen lagen. Korten achter
-die klippen, tot dat wy vry van haer schieten waren vande batery.
-
-Wy lagen doen soo dicht aen 't landt, datmen met een steen konde op 't
-landt smacken. Doen wert het nacht. Wy ontboden alle de officieren inde
-kejuyt, met de bottelier daer by; vraeghden hem hoe veel water wy noch
-hadden, en reeckenden het over hoe veel water dat wy van doen hadden,
-wetende dat wy de Linie Equinoctiael noch mosten passeren, en dan kond'
-het noch langh dueren eer wy in Hollandt quamen. Bevonden derhalven dat
-wy niet meer als vier mutskens water daeghs konden geven. Over sulckx
-vraeghden wy de officieren, ende d' officieren spraecken met het volck,
-wat haer daer van docht: of sy wilden vechten als den desperaten tegen
-de vyandt om 't water, die de water-plaets in hadde, dan of wy onse
-reyse souden vervorderen nae 't Vaderlandt en te vreden wesen met
-vier mutskens water 's daeghs. Dit aldus rontom gevraeght zijnde, soo
-wierde eenstemmigh met alle officieren en boots-volck goedt ghevonden
-onse reyse te vervorderen, te vreden wesende met 4 mutskens water
-'s daeghs. Lichten datelijck ons ancker om t'seyl te gaen.
-
-Maer metten dagh, alsoo wy doende waren om van 't landt te boechseerden
-[293], quamen de Specken boven op 't landt met musquetten en schoten
-van boven neer in 't schip en nae de boot, datmen qualijck dueren
-kond'; doch raeckten noch (met Godts hulp) vande wal af. Hadden wy daer
-een uer langher gebleven, het soud sijn perijckel gheloopen hebben,
-of wy niet veel volck verlooren souden hebben.
-
-Dese voorgemelde kraeck is (soo my naderhandt onderrecht is), door
-dat wy hem soo ghetreft hadden, daer legghende, ghesoncken. Want daer
-nae quamender noch ses Hollandtsche schepen aen om te ververschen, die
-sagen hem inde grondt legghen en de Portugijsen hadden het goedt, soo
-veel sy konden, op 't landt gheberght, nevens het geschut, 't welcke sy
-op een batery hadden gestelt, die sy opgheworpen hadden. Daer schooten
-sy soo gheweldigh van nae dese ses schepen, dat sy niet landen kosten;
-mosten daerom, ghelyck als wy, sonder te ververschen vertrecken.
-
-Wy stelden onse koers N.W. aen, nae het eylandt Ascention toe, met
-een goede wint en stijve voortgangh; doch sagen het niet. Alleen
-sagen wy, doe wy vermoeden daer ontrent te wesen, een groote menighte
-van zee-gevogelte. De wint begon al handt over handt aen te nemen,
-soo veel als wy voeren mochten; met welcke stijve windt wy de Linie
-Equinoctiael sonder hinder passeerden, daer wy op onse uytreyse wel
-ses weecken over doende waren eer wy die passeeren kosten, meest met
-stilte en dan altemet harde travaden [294], soo dat het scheen dat
-het al stucken waeyen en reghenen sou, wat om en aen was.
-
-Den 12. September, nae dat wy drie daghen min als drie maenden van
-St. Helena gheweest waren, quamen wy op de hooghte van 24 graden 34
-minuten benoorden de Linie Equinoctiael. Hier kregen wy oock beter
-weer, dreven doe in stilte, trocken 's morgens na 't schaffen van
-de vroo-kost te werck, gijden onse seylen op [295], schraepten en
-boenden onse schip buyten om de groente af, want het was gheweldigh
-ruygh bewossen [296]; hoopten dat het in 't seylen te beter veerd
-soude maecken.
-
-Den 13. dito wast moy weer met een labber koelte uyt den O.S.O.;
-gingen Noord-Oost ten Noorden aen.
-
-Den 15. dito S.S.W. windt, de koers als voren; namen 's middaeghs
-hooghte en bevonden 28 graden Noorder-breete. Sloegen onse fock af
-en sloegen een ander weder aen.
-
-Den 16. dito veranderden wy oock van voor-marsseyl; saghen veel
-steen-kroos drijven; de koers als voren, met een moye doorgaende
-S.W. windt.
-
-Den 17. dito namen wy de hooghte van 30 graden 48 minuten; veranderden
-oock van groot marsseyl; met variable winden. Des nachts liep de windt
-Noord Oost en Oost, met donder en blixem; namen onse marsseyls in.
-
-Den 18. dito setten wy onse marsseylen daer weder by, met onse blind';
-de koers N.O. Was mistigh en somtijdts regen; konden geen hooghte
-bekomen.
-
-Den 19. dito begon het soo stijf te waeyen uyt den S.S.W. en S.W. dat
-wy de marsseyls in-namen en onse blinde waeyde wegh. Onse groot seyl,
-'t welck wy oock wilden in-nemen, sloegh oock stucken. Lietent met
-de fock die nacht door-staen; teghen den dagh nam het weer af; setten
-onse marsseyls daer weder by.
-
-Den 20. dito sloeghen wy een ander groot-seyl aen en een blind';
-namen hooghte, bevonden 35 graden 13 minuten Noorder-breete.
-
-Den 24. dito was een donckere lucht met reghen-kaken [297]; namen
-onse bram-stengh af.
-
-Den 26. dito hadden wy de hooghte van 43 graden 12 minuten.
-
-Den 27. dito de windt S.W., de koers N.O. ten N. Des voormiddaeghs
-quammer een duyf op ons schip vlieghen, doch door dat het volck soo
-begeerigh waren hem te krijgen is hy op-gevlogen en viel in 't water
-neer. Namen hooghte en bevonden 44 graden 53 minuten.
-
-Den 1. October wast moy weer, de wint O.S.O., de koers by de wint
-over, N.O. ten N. aen. Namen 's middaeghs de hooghte van 48 graden
-30 minuten, 't welck de hooghte is van Heysant [298].
-
-Den 2. dito, 's morgens, sagen wy een seyl Noordt-West van ons,
-ontrent 3 mijlen; gijden onse seylen op en wachten hem in. Recht
-op de middagh quam hy by ons, verspraecken hem, was een Engelsman
-dicht by Pleymuyden van daen, quam van Terneuf [299]. Wy kochten
-twee duysent visschen van hem; haelden de schipper aen ons boord,
-was genaemt Mr. Smal-Water. Gingen O. en O. ten Suyen aen; worde
-reghenachtigh mottigh weer.
-
-Den 4. dito quam de Engelsman weer aen ons boort, die wy nae vermoghen
-tracteerden; hadden de hooghte van 49 graden 46 minuten.
-
-Den 5. dito begon 't stijf te waeyen; onse fock waeyde stucken. Doe
-dwaelde de Engelsman oock van ons. De windt was S.S.W.
-
-Den 6. dito sagen wy twee seylen, een dwars van ons en een achter
-uyt. Gingen S.O. aen, om de Canael weder open te seylen. Hadden de
-hooghte van 50 graden 20 minuten.
-
-Den 7. dito wast moy weer, de windt Suyen, de koers O.S.O.; sagen
-geen schepen. Sloegen wederom een ander seyl aen.
-
-Den 8. dito hadden wy hooghte van 49 graden 42 minuten, de windt als
-voren, doch liep welhaest West. De koers stelden wy S.O. ten O., worpen
-doe, gelijck wy al eenige daghen van te vooren gedaen hadden, het loot,
-maer konden gheen grondt bekomen. Recht nae de middagh sturf capiteyn
-Strijcker; was capiteyn over de soldaten geweest, zijnde een vroom
-[300] en uytnement persoon, wel geoeffent inde crijghs-handelingh;
-was van de Rijn-kant van Wesel of daer ontrent van daen.
-
-Den 10. dito, des avondts, wierpen wy grondt op ontrent 70 vadem.
-
-Den 11. dito, des morgens, wierpen wy wederom grondt op 70 vadem en
-des avondts op 60 vadem, met grau-achtigh sant. Hadden de hooghte
-van 49 graden en 55 minuten, de wint Suyen; stelden de koers O. ten
-N. en N.O. aen.
-
-Den 12. dito wierpen wy op 50 vadem grondt en continueerden alle vier
-glasen met het loot te werpen. Hadden doorgaens 50, 52 a 53 vadem,
-en des nachts wierpen wy 56 a 60 vadem, al wit grau en somtijdts wat
-swarte sant-gront. Sagen doe oock een schip teghen ons overkomen,
-doch worde soo mistigh dat wy hem weder verlooren.
-
-Des anderen daeghs was de windt Oost met nevelachtigh mistigh weer
-en stilletjes. Een dagh 2 a 3 daer nae sagen wy landt, 't welck wy
-bevonden Yerlandt te wesen. Liepen in Kin-Sael [301], daer een Engels
-coninghs-schip lagh met twee laghen gheschut, en alsoo ick wist,
-dat de Hollantsche Compagny, onse Heeren Meesters, met de Engelsche
-in geen goede vriendtschap stondt, soo was ick beducht het volck
-soo overvloedigh aen landt te laten gaen, vreesende voor eenigh
-onghemack van dit coninghs-schip. Ick setten 't [302] zee-waert van
-hem, dacht: soo hy eenigh spel maeckt, soo konnen wy de zee kiesen,
-en soo hy ons daer vervolght soo sijn wy hem getroost. Ick voer dat
-selfde aen boort, nooden de Overste in ons schip, die quam; vraeghde
-hem nae alle ghelegentheydt, onder anderen oock of hy oock eenighe
-last had om ons eenigh leet te doen. Hy antwoorde van neen; was met
-ons vrolijck en wel. Ick was noch niet gherust, liet aen landt een
-maeltijdt bereyden, nooden hem daer op, droncken malcander eens toe,
-en onder de vrolijckheydt des maeltijdts her-vraeghde ick: of hy geen
-last had om ons aen te tasten. Seyde wederom van neen; verhaelde dat
-hy, terwijl wy daer ghelegen hadden, nae Engelandt geschreven had,
-maer had geen last tot sulckx ghekregen; doch ick dorst daer op niet
-veel vertrouwen.
-
-Ondertusschen quamen daer by ons twee Convoyers, die op ons kruysten,
-die verstaen hadden dat wy daer laghen [303]. De eene was capiteyn
-Jacob Jansz. van Edam en de ander was Pieter Gijsen van Rotterdam. Doe
-was de rugh wat beter bewaert, oft het ten quaetsten wilde afloopen.
-
-Hier dus leggende liep het volck soo gheweldigh aen landt, dat ick
-niet veel kans sagh om haer scheep te krijgen. Vermaendese, als ick
-by de sommige was, dat sy doch scheep souden komen, dat wy onse reyse
-dienden te vervorderen, dat het herfstdagh was, dat de winter op handen
-quam en dat wy een vuyl, onbeniert schip hadden [304]. Vertoonden
-haer de perijckel die daer was om met sulcken swaren schip soo laet
-in de tijdt voor 't landt te komen; maer mochte weynigh helpen: het
-volck bleef aen landt; 't scheen of sy al in 't Vaderlandt waren,
-sy aten en droncken daer op aen.
-
-Ick gingh eyndelijck by den Meyer [305] vande stadt, vraeghden hem
-offer gheen raedt soude wesen om ons volck aen boort te krijghen. Hy
-seyde neen, dat hy geen en wist; maer doe ick sijn vrou gesproocken had
-en die een stuckje fijn lijn-waet vereert had, doe seyde hy, als ick
-hem andermael vraeghde, dat hy daertoe wel raet schaffen sou. Hy liet
-datelijck een parthy trommels de stadt door-slaen en overal uytroepen,
-dat yder soude gewaerschout wesen, wie eenige vande Hollanders vande
-Oost-Indisch-vaerder meer als 7 schellinghen borghde, die soude dat
-quijt wesen. Op dit roepen wierden de meeste part (alsoo haer schuit
-al meer beliep) ter deuren uytgestooten; quamen by my. Ick wildese al
-nae boord hebben, maer sy souden daer liever noch wat ghebleven hebben.
-
-Ick liet daer op de anckers op-winden, de seylen los maecken en begost
-het gat uytwaert aen te seylen. Doe vielen sy in schuyten en ander
-vaer-tuygh als mieren, en quamen aen boort. De waerden en waerdinnen
-quamen oock aen boordt, spraken om haer gelt, 't welck ick haer dede
-geven en op yders reeckeningh te boeck aen-teeckenen. Hadden doe al
-ons volck weder scheep, behalven 3 a 4 man, die haer met vrou-volck
-verlooft hadden, die sy daer nae trouden; die lieten wy daer
-blijven. Gingen nevens de twee convoyers van daer t'seyl en quamen
-met redelijcke spoet den 16. November Zeelandt in. De Heere heb lof
-en danck, die my tot dus verre uyt soo veel perijckelen gheholpen
-heeft, hebbende in 't geheel uyt geweest ontrent een maendt minder
-als seven jaer.
-
-
-
-Hiermede hadde ick gemeent van schrijven op te houden, dewijle mijn
-reyse voltrocken was. Maer alsoo ick voor verhaelt heb, dat het
-schip Middelburgh den 22. Meert 1625 seer schadeloos [306] van ons
-scheyden, met voornemen malcander inde Bay van St. Losie te vinden,
-daer wy den 31. dito quamen en den 25. April weder van daen ginghen,
-sonder in die tijdt noch op onse gheheele t' huys-reys hem gesien
-noch van hem gehoort te hebben, noch naderhandt oyt te recht is
-gekomen, soo moet ick (hoewel het juyst niet nootsaeckelijck aen
-mijn reyse behoort, doch evenwel daer soo vreemt niet van en is,
-dat den Leser my sal kunnen berispen mijn Journael met yets vreemts
-en onbetamelijcx vergroot te hebben) den Leser mede-deelen het
-gene hem t'sedert onse vaneen scheyden is weder-varen, nae de
-seeckerste tijdingh en waer-schijnelijckste presumptie [307]. Te
-liever aenveerd ick dese moeyten, om dat ick daer door oorsake sal
-hebben om den naekomelinghen het eynde van onsen by yder vermaerde
-Hoorense Willem Cornelisz. Schouten, mijnen bysonderen vriendt, mede
-te deelen, dat tot yders ooren niet gekomen is, want hy (als geseydt
-is) op dit schip Middelburgh was gegaen. De saecke dan is sulckx:
-Terwijle wy inde Bay de St. Losie lagen, hoorden wy vande inwoonders,
-datter een schip inde Bay van Antongiel lagh, doch wisten doe niet
-seecker of het Middelburgh was of niet. Wy daer van daen gaende,
-hoopten hem aen St. Helena te vinden of te verwachten, en daer door
-de Spaensche kraeck (als verhaelt) niet aen konnende komen, voeren wy
-voort om onse reyse te vervorderen. Naderhandt komt schipper Pieter
-Gerritsz. Bieren-Broodts-Pot van Hoorn uit Oost-Indien aen de Caep de
-Bonesperance, vindt daer brieven, die 't schip Middelburgh daer (nae
-ghewoonte) ghelaten hadde, waer in verhaelt stondt, dat sy ghemeent
-hadden de Bay van St. Losie te beseylen, als tusschen ons beslooten
-was, maer waren soo veel te laegh gekomen, dat sy de Bay van Antongiel
-aentroffen en in-liepen en haer daer weder van alles prepareerden
-dat noodigh was, en dat daer eenige vande hare waren gestorven,
-onder anderen oock die boven-ghenoemde Willem Cornelisz. Schouten,
-die sy daer begroeven.
-
-Op welcks overlijden dit volghende vers gemaeckt is:
-
-
- T'wijl Schouten in dees wer'lt, daer hy was op ghevoedt,
- Geen rust en vond', maer staegh door inn'ge drift en lust
- In d' and're wereldt was, met 't lijf of met 't ghemoedt;
- 't Is billick, dat hij dan in d' and're wereldt rust
- Van al sijn woelery. Rust dan, vermaerde Ziel,
- In vreed' tot saligheydt; doch soo u groote gheest
- Niet kan besloten zijn in d' enght van Antongiel,
- Soo reyst (gelijck ghy hier in 't leven onbevreest
- Van 't Oost nae 't Westen seyld' door een verborgen vaert [308]
- De son een dagh en nacht verby in sijnen loop)
- En stijght oock boven hem ten hooghen Hemel-waert
- En rust in d' eeuw'ge rust by Godt en d' Heiige Hoop.
-
-
-Hier was het eynde van desen waerden man. Dese brieven verhaelden
-vorder van haer weder-varen, in 't particulier hoe sy gestelt waren
-daer komende, daer leggende, en hoe en wanneer sy daer weder van daen
-scheyden. Naderhandt en isser uyt haer noyt tijdinge gekomen, soo dat
-het hier mede soud' opghehouden hebben, maer uyt de Portugijsen en uyt
-Portugael is noch jonger tijdingh van haer gekomen, te weten: hoe dat
-het schip Middelburgh voornoemt, komende by het eylandt St. Helena,
-van twee kraecken omcingelt worde, waer teghen het wacker slaeghs
-was, en schoot eyndelijck de eene kraeck inde brandt. De ander dat
-siende quam sijn macker te hulp om de brandt te uytten, die sy, soo
-verhaelt wordt, uyt kreghen, maer alsoo de Portugijsen vreesden door
-dit krabbelen van het eylandt versteecken te worden en alsoo de nacht
-aen quam, raeckten sy van malcanderen en lieten Middelburgh varen.
-
-Dit is de laetste tijdinge die van dit schip gekomen is; vermoede
-sy onder wegen ghebleven of door dese slagh met de kraecken soo veel
-ghekreghen hadden, dat sy daer van gesoncken zijn. Men soude oock wel
-konnen vermoeden, dat sy door ghebreck van fictualie en ververschinghe
-vergaen zijn, maer alsoo sy aen de Caep hadden aen geweest en haer
-daer ververst, soo kan ick hier geen geloof in stellen. Het is hoe
-'t is, altijdt ist een beklaeghelijcke saecke, dat sy niet te recht
-sijn gekomen en verplicht my tot eeuwige danckbaerheydt, om dat Godt
-my, te weten met het schip Hollandia, soo genadelijck uyt sulcke
-ooghen-schijnelijcke perijckelen geredt en geholpen heeft. Bidde
-hem dat sijn goetheyt over my mach continueren, van nu tot inder
-eeuwigheydt. Amen.
-
-
- EINDE.
-
-
-
-
-
-
-
-BIBLIOGRAFISCH OVERZICHT DER VROEGERE UITGAVEN, WELKE VAN BONTEKOE'S
-"AVONTURELIJCKE REIJS" BEKEND ZIJN [309].
-
-
-Geordend naar de uitgevers. Voor de verschillen in titels,
-tekst en illustratie van al deze drukken vergelijke men Tiele,
-Mémoire bibliographique sur les Journaux des Navigateurs néerlandais
-(Amsterdam, 1867), blz. 213 vgg., en Nederl. Bibliographie van Land-
-en Volkenkunde (Amsterdam, 1889), blz. 40 vgg. De uitgaven welke bij
-Tiele niet voorkomen zijn gemerkt met *.
-
-
-
-I. Journael ofte Gedenckwaerdige Beschrijvinghe etc. te Hoorn, voor
-Jan Jansz. Deutel: 1646.
-
-id. tweede druk: 1648.
-
-Voor in dezen druk van 1648 wordt door Deutel een klacht gericht aan
-zijn gildebroeders naar aanleiding van de hieronder vermelde nadrukken
-(roofdrukken), te Utrecht en Rotterdam verschenen. De uitgaven van
-Deutel zelf hebben op den titel het adres: Tot Hoorn, Ghedruckt by
-Isaac Willemsz. Voor Jan Jansz. Deutel etc. Er bestaan echter ook
-uitgaven van 1646 en 1648 met ditzelfde adres, doch bovendien achterin
-de vermelding: t' Haerlem, Gedruckt by Thomas Fonteyn. Ik heb geen
-exemplaar van deze herdrukken gezien en kan dus niet uitmaken of het
-roofdrukken zijn, dan wel nieuwe uitgaven op last van Deutel te Haarlem
-ter perse gelegd. Voor dit laatste schijnt te pleiten de mededeeling
-van Tiele dat gebruik gemaakt is van dezelfde kopergravuren; maar
-misschien is dit niet juist en zijn het nauwkeurige kopieën.
-
-II. te Utrecht, voor Esdras Willemsz. Snellaert: 1647 (twee
-verschillende drukken).
-
-ald., voor de Wed. van Esdras Snellaert: 1651.
-
-III. te Rotterdam, bij Isaack van Waesberghe: 1647.
-
-IV. te Rotterdam, bij Jan Philipsz. van Steenwegen (zonder Raven):
-1647*.
-
-V. te Amsterdam, voor Joost Hartgers: 1648 (twee verschillende drukken)
-en 1650.
-
-VI. te Sardam, bij Willem Willemsz.: 1648.
-
-Misschien dezelfde editie als die van Hartgers, met ander adres.
-
-VII. te Amsterdam, bij Lucas de Vries: 1648*.
-
-te Utrecht, bij denzelfden: 1649 en 1655.
-
-VIII. te Amsterdam, bij Jan Jacobsz. Bouman: 1651 en 1659.
-
-IX. te Amsterdam, bij Michiel de Groot: 1654, 1667, 1672 en nog eens
-zonder jaartal.
-
-X. te Dordrecht, bij A. Andriesz: 1655.
-
-XI. te Amsterdam, bij Abraham de Wees: 1656 en 1659.
-
-XII. te Amsterdam, bij de Wed. van Theunis Jacobsz. in de Lootsman:
-1660, 1664 en 1681.
-
-ald., bij Casp. Lootsman: 1694.
-
-XIII. te Amsterdam, bij Gillis Joosten Saeghman: zonder jaar
-(omstr. 1660-70); verschillende drukken.
-
-Met nieuwen titel: Journael van de acht-jarige avontuerlijcke reyse
-van W. Yz. Bontekoe. Tekst bekort en zonder Raven. In deze uitgave
-van Saeghman komt de afbeelding voor van den vogel Dodo (vgl. boven
-blz. 34), welke houtsnede de bekende uitgever van reisjournalen ook
-in de Tweede Reis van Spilbergen liet afdrukken.
-
-XIV. te Amsterdam, bij de Wed. van Gijsbert de Groot: 1692, 1696,
-1700, 1708, 1716, 1730, benevens een paar herdrukken zonder jaartal.
-
-XV. te Utrecht, bij de Wed. van J. van Poolsum: 1701 en 1708*.
-
-XVI. te Amsterdam, bij J. Brouwer: 1722.
-
-XVII. te Rotterdam, bij H. van Bezooye: 1738.
-
-XVIII. te Dordrecht, bij Hendrik Walpot: 1740.
-
-ald., bij Adr. Walpot: 1766.
-
-ald., bij Adr. Walpot en Zoon: 1780.
-
-XIX. te Amsterdam, bij Isaac van der Putte: zonder jaar.
-
-ald., bij d'Erve Van der Putte: 1789.
-
-XX. te Amsterdam, bij J. Kannewet: 1756 en 1778.
-
-XXI. te Amsterdam, bij de Erven de Wed. Jacobus van Egmont: zonder
-jaartal (tenminste twee drukken).
-
-XXII. te Amsterdam, bij Barent Koene: 1777 (?).
-
-ald., bij S. en W. Koene: zonder jaar (omstr. 1800).
-
-ald., bij B. Koene: zonder jaar (omstr. 1810).
-
-
-
-Behalve deze oude, nu meestal zeer zeldzame volksdrukken zijn er in
-het begin der 19de eeuw nog een paar uitgaven verschenen. De laatste
-volkseditie is die van J. H. van Lennep in Jan Davids Boekekraam:
-"Journaal of Gedenkwaardige Beschrijving van de achtjarige en zeer
-avontuurlijke reize van Willem Ysbrandtsz. Bontekoe van Hoorn,
-gedaan naar Oost-Indiën, bevattende vele wonderlijke gevaarlijke
-zaken hem op genoemde reize wedervaren. Het alles door hem zelven
-beschreven". Haarlem, J. J. Weeveringh. 1860 (in kl. 4o.).
-
-In het geheel is de "Avonturelijcke Reys" van Bontekoe tot 1800 dus
-meer dan 50 maal uitgegeven.
-
-Ook in het buitenland maakte het boek opgang: zoowel een Fransche als
-een Duitsche vertaling zijn er van bekend. Verder verscheen o.a. een
-Soendaneesche bewerking van het journaal door Raden Kartawinata
-(te Batavia, 1874).
-
-Vier fragmenten werden door P. L. van Eck Jr. opgenomen in het deeltje
-der "Zwolsche Herdrukken" No. 26: Van Janmaat en Jan-Compagnie (z. j.),
-blz. 71-86.--Een uittreksel vindt men in de verdienstelijke uitgave
-van Dr. M. G. de Boer: Van oude Voyagiën, Dl. III ("met Tasman en
-Bontekoe"), Amsterdam 1913, blz. 1-39.
-
-Het eerste gedeelte van het journaal werd ook, met een bekorting,
-bij wijze van inleiding op de "Liedjes van Bontekoe", afgedrukt
-in de bloemlezing Gedichten van E. J. Potgieter, uitgegeven
-door Th. J. Bosman (2e bundel, Klassiek Letterkundig Pantheon
-no. 141.--Zutphen z. j.).--Wat aangaat de "Liedjes van Bontekoe"
-moet nog opgemerkt worden: Bij no. 1 ("'t Passeren der Linie"),
-dat in de dagen van onzen schipper het optreden van Neptunus bij het
-passeeren van den Evenaar, met bijbehoorenden "doop" der nieuwelingen,
-nog geen gewoonte was.--Bij no. 2 ("Roeltjen uit de Bonte Koe"), dat
-het huis, waarin Willem Ysbrantsz. te Hoorn geboren werd en opgroeide,
-geen herberg behoeft geweest te zijn.
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN
-
-
-[1] Een Nederl. bron voor den Robinson Crusoë, Onze Eeuw, Oct. 1909.
-
-[2] Voor bronnen aangaande onze koloniale geschiedenis in de jaren
-1621-'23 vgl. men ook: Kronijk van het Historisch Genootschap,
-IX (1853): "Stukken van Jan Pietersz. Coen over den handel in
-Indië".--XXVII (1871): "Grondig Verhaal van Amboyna, 1621", en
-"Verhaal van eenige oorlogen in Indië, 1622".
-
-[3] Er wordt aan herinnerd, dat het bestuur der O. I. C. berustte bij
-zes kamers, t. w. die van Amsterdam (waar 1/2 van het maatschappelijk
-kapitaal gevestigd was), Zeeland, Rotterdam, Delft, Enkhuizen en
-Hoorn.--De aanhef met een citaat uit de "klassijken", is naar de
-gewoonte en naar den smaak van dien tijd, toen ook de gemeene man
-zich gaarne door zulke geleerdheid liet imponeeren,--mits die niet
-verder ging dan het eerste begin. De Edel Erentfeste Heeren krijgen
-er hier bovendien nog een fraai slot bij!
-
-[4] Jan Huygen van Linschoten deed zijn vermaarde reis naar Indië
-in Portugeeschen dienst in 1583-'92. Zijn "Itinerario, voyage ofte
-schipvaert", welke in 1596 voor 't eerst in druk verscheen, werd door
-Prof. Dr. H. Kern in de werken der Linschoten-vereeniging opnieuw
-uitgegeven (2 dln., 's-Gravenhage 1910).--De tocht van Jacob van
-Heemskerck en Willem Barentsz., om een weg naar Indië "benoorden om"
-te zoeken, is door de overwintering op Nova Zembla (1596-'97) bekend
-genoeg geworden. Het merkwaardige verhaal, dat Gerrit de Veer van
-deze onderneming en van de twee tochten, die er aan voorafgingen,
-opstelde, zag het licht onder den titel: "Waerachtige Beschrijvinghe
-van drie seylagiën ter werelt noyt soo vreemt gehoort" (t' Amsterdam,
-Ao. 1598).--Olivier van Noort is de eerste Nederlander, die de aarde
-omzeilde. 12 Aug. 1598 passeerde hij met zijn vier schepen Straat
-Magellaen en kwam in 1601 in het vaderland terug. ("Wonderlicke
-Voyagie bij de Hollanders ghedaen", enz. Rotterdam 1602.)--Joris van
-Spilbergen volbracht zijn beide tochten, nadat een eerste mislukt
-was, in de jaren 1601-'04 en 1614-'17. Zijn tweede expeditie, met
-zes schepen, is de tweede reis der Nederlanders om de wereld. Beide
-reisbeschrijvingen zijn voor de eerste maal te zamen uitgegeven onder
-den titel: "Oost- en West-Indische Spieghel der Nieuwe Navigatiën",
-te Leiden 1619.--Willem Cornelisz. Schouten was de derde Hollander,
-die met Jacob le Maire in 1615-'17 de wereld omzeilde. Over hem is
-in het journaal van Bontekoe nog nader sprake.
-
-[5] Lucianus, Grieksch prozaschrijver uit de 2de eeuw n. Chr., gaf aan
-zijn satirische tweegesprekken den titel "Droomen". Met Pantagoras
-is de wijsgeer Pythagoras bedoeld; niet de echte wel te verstaan,
-maar de verdichte, om wiens persoon zich in de middeleeuwen tal van
-fabeltjes hadden gevormd.
-
-[6] Niet alleen in den loop der 17de eeuw, maar ook vroeger en
-later, waren de verzonnen reisbeschrijvingen, waarin van de meest
-onmogelijke wonderwezens sprake was, druk in omloop. Het genre begint
-in onze letterkunde al met "Sinte Brandaen", en vooral de reis van
-Mandevyl bracht het tot groote populariteit. Daarop wordt hier dan
-ook gezinspeeld, blijkens de opsomming der gedrochten. Voor en na
-was het steeds de pseudo-ontdekking van het z.g. Zuidland, waarop de
-wonderverhalen zich gaarne baseerden, hetzij met hetzij zonder een
-utopistische strekking. De geest van Bontekoe's oprecht verhaal verzet
-zich inderdaad tegen dit boerenbedrog en tegen de prikkelliteratuur,
-die ook toen al bestond.
-
-[7] "D'oceaan bouwen"; vgl. de uitdrukking "zee bouwen".--De profeet
-Elia werd op bevel van God in de woestijn door raven gevoed (1
-Kon. 17: 2-6).
-
-De schrijver van dit klinkdicht behoorde tot een Hoornsche
-zeemansfamilie en is vermoedelijk een bloedverwant van den schipper
-Evert Cornelisz. Berckhout van Hoorn, wiens bodem "de Omval" in de
-dagen van Bontekoe door den beruchten zeeroover Claes Compaen van
-Oostsanen bij de Kaapverdische eilanden werd buit gemaakt.
-
-[8] Hen.
-
-[9] De maat van een volslagen Oostindievaarder van die dagen. Een
-last is twee van onze tonnen. Men zou zich nu wel tien maal bedenken,
-om op een schip van 1100 ton de reis naar Indië te ondernemen, en
-dan om de Kaap nog wel!
-
-[10] "Hoofden": Heads.--"Noch al": nog steeds.--"Pleymuyen":
-Plymouth. Onze visschers en veel van onze varenslui zijn nog steeds
-gewoon van "Pleimuiden" en "Jarmuiden" te spreken.
-
-[11] Het "galjoen" is de ranke uitbouwing voor aan den boeg der
-toenmalige schepen.--Met "boevenet" is hier niet het traliewerk
-bedoeld, dat dit galjoen van onderen afsluit, doch blijkbaar het
-hoogste verdek achter in het schip, eigenlijk "bovenet" geheeten. Over
-het "boevenet" zie elders.--De "boegpoorten" zijn de twee voorste
-geschutpoorten ter weerszijden van het schip.
-
-[12] De ruimte beneden het onderste plankier van het schip.
-
-[13] Te slaan.
-
-[14] "Brandende": in branding; wat men een "kokende zee" noemt.
-
-[15] Nog steeds. Vgl. boven, en voorts passim.
-
-[16] Brazilië was reeds in 1500 door den Portugees Cabral ontdekt
-en werd in 1580 (na de verovering van Portugal onder Philips II)
-Spaansch. Van 1624 tot 1654 was het in onze handen, doch werd
-prijsgegeven. Het vaste land wordt hier echter niet bedoeld, doch het
-eiland dat op oude kaarten als liggende tusschen Afrika en Z. Amerika
-voorkwam. Dat Bontekoe aan dit denkbeeldige eiland "Atlantis", zij
-het dan ook onder voorbehoud, nog geloofde, of het met den vasten
-wal van Brazilië vereenzelvigde, is wel opmerkelijk.
-
-[17] De "halzen" zijn de touwen waarmede de onderzeilen worden
-omgetrokken.
-
-[18] Dat is dus: boven het verdek. Vgl. de voorgaande bladz.
-
-[19] D.w.z. de steng, die anders boven op de groote mast gelascht is,
-daarvan los te maken en door het marsgat naar beneden te laten zakken.
-
-[20] "Woelen": met touwwerk omwinden.--"Bovenste boevenet"
-vgl. hiervoor.
-
-[21] "Schevielen": omloopen van den wind.
-
-[22] "Taliën" is takelen: met takels of katrollen aanhalen. Een talie
-is een klein katrol.
-
-[23] Het grootzeil is het onderste razeil aan de groote, d.i. de
-middelste mast. Het razeil daarboven heet het grootmarszeil; het
-bramzeil is het bovenste razeil. Het bovenbramzeil werd in de eerste
-helft van de 17de eeuw nog niet gevoerd; topzeilen komen eerst
-in de 18de eeuw voor.--De masten die in het schip staan heeten de
-ondermasten, kortweg masten; zij worden verlengd door de marsstengen,
-die voor den grooten mast "groote steng" en voor den fokkemast
-"fokkesteng" worden genoemd. Op de marsstengen staan dan weder de
-bramstengen.--"Ree" = ra.
-
-[24] Vgl. de uitdrukking "kant en klaar".
-
-[25] Onder "verversinge" versta men: frisch water, maar vooral ook
-groenten en ooft, waaraan op de lange reizen steeds behoefte was,
-om scheurbuik onder het volk te voorkomen.
-
-[26] "Ilje de May" en "Ilje del Foege" zijn twee der Kaapverdische
-eilanden.
-
-[27] Versta: overlangs, zoodat de beide helften plat tegen den mast
-gebonden konden worden, als "wanghen".
-
-[28] "Vroo-kost", d. i. vroeg-kost: het eerste schaften aan boord.
-
-[29] Zetten onze marszeilen bij.
-
-[30] Buien, valwinden.
-
-[31] Abriolhos of Abrolhos: kaap en groep van lage rotsachtige
-eilanden, op de kust van Brazilië, op 18° Z. br.
-
-[32] Boven, te boven. Versta: boven den wind, zoodat men de eilanden
-te loevert kon passeeren.
-
-[33] "Yder bacx-volck": het volk van iederen bak, 6 a 10 man, waren
-gehouden aan denzelfden bak te eten.--Spaansche wijn was de gewone
-drank, die aan boord van onze schepen in de 17de eeuw bij extra
-gelegenheden en 's Zondags geschaft werd. Het "oorlam" was in dezen
-tijd wel reeds bekend, maar nog lang geen regel. Nog in 1793 leest
-men in een officieel bericht, dat op de schepen der O. I. C. een
-voorraad van 9 aam "genever" genoeg werd geacht voor 22 weken:
-"doordien veele haar randsoen niet gebruyken".
-
-[34] Tristan d'Acunhe: voornaamste van een groep kleine eilandjes in
-den Z. Atlantischen Oceaan.
-
-[35] Dus zonder miswijzing hoegenaamd.
-
-[36] "Ghebolde fock" is een gereefde fok met gevierde schooten. De fok
-is het onderste razeil van den voorsten mast, die daarnaar fokkemast
-genoemd wordt. Bij zwaar stormweer was men gewoon enkel voor de fok
-te loopen, omdat in de 17de eeuw de driehoekige kluiver- en stagzeilen
-nog niet voor de driemasters gebruikt werden. Zoo loopt op het bekende
-storm-schilderij van Willem van de Velde in het Rijksmuseum het schip
-voor een "gebolde fok", waarvan beide de schooten zijn losgeslagen. Dat
-een schip op weg naar Oost-Indië de Kaap de Goede Hoop niet aandeed
-is een uitzondering; meestal ging men in de Tafelbaai een paar dagen
-voor anker om te "ververschen".
-
-[37] "Mayottes". De moderne naam van deze groep is: Comorische
-eilanden, of kortweg Comoren. Zij liggen in het kanaal van Mozambique.
-
-[38] Het seinlicht, waarnaar het andere schip zich had te richten.
-
-[39] "Dragende houden": bestendige koers houden.
-
-[40] Het eiland Mauritius, in 1598 door de Nederlanders op de
-Portugeezen veroverd en naar Prins Maurits genoemd, werd in 1710 door
-ons verlaten en in 1715 door de Franschen bezet, die het Isle de France
-noemden. In 1810 werd het door de Engelschen veroverd en draagt nu
-weer zijn ouden naam.--'t Eiland de Mascarinas is het tegenwoordige
-Réunion. In 1505 werd dit eiland, met Mauritius, door den Portugees
-Mascarenhas ontdekt en naar dezen genoemd. Sedert 1649 is het Fransch.
-
-[41] Onstuimig was; doordat er vrij wat "zee ging".
-
-[42] "Schor": steil afloopend. Van een kust gezegd; waar men dus op
-geringen afstand van den wal geen ankergrond meer kan vinden.
-
-[43] "Waernemen en bekooken": verzorgen en van warm eten voorzien.
-
-[44] D.i.: "van Damascus". Gedroogde pruimen werden, ook als
-voorbehoedmiddel tegen scheurbuik, steeds in genoegzame hoeveelheid
-meegenomen: volgens voorschrift tenminste één pond per man en per
-maand.
-
-[45] Sloegen ze.
-
-[46] "Dod-eersen": geen pinguins, zooals men uit de beschrijving
-geneigd zou zijn op te maken, doch de daarmee verwante tropische
-vogel "dod" of "dodo", welke thans geheel is uitgestorven en zelfs
-een poos lang voor mythisch werd gehouden. De vermelding te dezer
-plaatse is merkwaardig.
-
-[47] "Meulen": knijpen, drukken.
-
-[48] Lieten het anker vallen.
-
-[49] "Vertuyen": voor twee ankers voor anker gaan, waarvan het
-eene voor aan de plecht (plechtanker) en het andere (vertui-anker)
-aan den achtersteven wordt uitgebracht. Op deze wijze kan het schip
-met stroom of getij niet afzwaaien.--Men denke aan het slotkoor van
-Hooft's Granida: "Liefd' en Min aen een vertuyt"; of waar hij elders
-spreekt van "welige vlechten", die met "veel strickjens soo dertel
-sijn vertuit". Jan Luyken zegt van zijn ziel (Antiopana, zijn lief,
-toesprekende): "Want aen uw oogen is zij vast vertuyt".
-
-[50] "Boscharen" of "boschkaren": verzamelen, fourageeren.
-
-[51] "Lege-leggers": ledige watervaten.
-
-[52] Adriaan Martensz Block was in 1601 schipper op de Zwarte Leeuw,
-een van de schepen waarmede Jacob van Heemskerck zijn tocht naar
-O. I. deed. In Dec. 1611 stak hij zelf als commandeur met een smaldeel
-in zee, bestemd naar Indië. Op deze reis, dezelfde waarvan hier sprake
-is, ontmoette hij op de Afrikaansche kust een vloot van 17 Spaansche
-oorlogschepen, die hij aangreep met het gevolg dat er slechts 4 de
-tijding van de nederlaag in Spanje konden brengen. Een derden tocht
-ondernam Block in 1627 met elf schepen, om J. Pz. Coen ondersteuning
-te brengen.
-
-[53] Voedden zich.
-
-[54] "Worden" voor "werden"; ook elders.
-
-[55] Portugeesch "sagueiro" is zoowel palmwijn als de boom, die den
-palmwijn levert (suikerpalm). Elders: "sageweer".--"Way" of "wei" is
-de ondermelk van karnemelk. Vgl. Hooft's tweespraak tusschen Cephalus
-en Amaryllis:
-
- C. Mijn harte gloeyt als vuir van binnen!--
- A. Wel neemt het soete weij van geijten inne.
-
-[56] D. i.: onder den wind.
-
-[57] Moesson-winden.
-
-[58] "Ontschieten": te machtig worden. In eigenlijke beteekenis
-van een schoot of zeil gezegd, dat door te harden wind uit de hand
-schiet.--"Invallen", n.l. de zieken.
-
-[59] Messen met koper hecht.
-
-[60] Savoyekoolen.
-
-[61] Dit moet eveneens een vrucht zijn.
-
-[62] "Krengen": het schip bij de masten overtakelen, zoodat het scheef
-en zooveel mogelijk dwars op het water komt te liggen, waarna men
-het van onderen kan schoonmaken en opnieuw teeren. In een geval als
-dit werd volstaan met geschut en lading, zooveel doenlijk, naar eene
-zijde te verplaatsen.
-
-[63] "Mutsje": nap van bepaalden inhoud.
-
-[64] "Steker": kandelaar met een punt, die in het hout kon vastgezet
-worden.--"Boom" = bodem. Vgl. Vondel's: "Het is al boter tot den boôm".
-
-[65] "Dief": scheefbrandende kaarspit, die veroorzaakt dat het vet
-gaat afdruipen.
-
-[66] Nl. van de verschansing. Het boevenet (bovenet) is het opperste
-verdek achteruit.
-
-[67] Ontsteld.
-
-[68] Van benauwdheid.
-
-[69] Wij hieuwen daarna gaten in het tusschendek.
-
-[70] "Het water mannen" d.i.: de wateremmers van man tot man doorgeven.
-
-[71] Ontsteltenis.
-
-[72] "Rusten": dwarshouten buiten boord, waaraan het staande want,
-dat de masten helpt overeind houden, bevestigd is.
-
-[73] "Gelderij": de open gaanderij achter aan den spiegel van het
-schip, waar de kajuit op uitkwam.
-
-[74] "Sticken": stuk, aan stuk.
-
-[75] D.w.z. tegen den mast. Blijkbaar had men het schip laten
-bijdraaien, om het vuur beter te kunnen blusschen.
-
-[76] In vanglijnen ("gijtouwen") opgenomen.
-
-[77] Overzeilen en in den grond varen.
-
-[78] "Naveger"; voor navegaar (avegaar), d. i. een groote houtboor,
-waaraan van boven een kruk of dwarsstang is bevestigd.--Een "dopguds"
-is een holle beitel.
-
-[79] D.i.: de emmers met water van elkaar overnamen en doorgaven,
-bij het blusschingswerk. Vgl. boven.
-
-[80] "Manck": tusschen, onder.--"Borden": planken.
-
-[81] "Inneckhouten": inhouten of ribben.
-
-[82] "Loof": vermoeid, afgemat.
-
-[83] "Willen": zak van zeildoek of gevlochten touw, gevuld met werk
-(of tegenwoordig meest met kurk), die buiten boord worden bevestigd
-of gehangen, om te voorkomen, dat een boot of schip door stooten
-tegen ander vaartuig of tegen den wal beschadigd wordt.
-
-[84] "Platting": van werk gevlochten bindsel, dat voor touw had te
-dienen; "platting" genoemd, omdat het plat was en niet (als touw)
-gedraaid.--"Geerden": de touwen waarmede de gaffel in zijn stand
-wordt gehouden.
-
-[85] Een bolkvanger (later baaivanger) is een korte overjas, die
-door zeelieden bij ruw weer gedragen werd.--"Bolk": hevige regenbui
-of vlaag.
-
-[86] Zoowel op zee als te land tevens heelmeester, kortweg: "meester".
-
-[87] Zonshoogte namen. Op den "stock" was de graadverdeeling
-aangebracht. "Cruys": verstelbaar dwarshout.
-
-[88] "Scheren": uitspannen. Vgl. den term "schering en inslag" bij
-het weefgetouw.
-
-[89] "Blinde": het zeil dat de schepen van dien tijd voor onder den
-boegspriet voerden. Vgl. het plaatje.--"Bezaen" is, zooals bekend,
-het zeil van den achtermast.
-
-[90] Geweerkogels.
-
-[91] Overreedde hen, bracht hen daarvan af.
-
-[92] "Dookig" of "dijzig" = mistig; een "dikke" lucht, zooals de
-zeelui nu gewoonlijk zeggen, hoewel de woorden dookig en dijzig nog
-bekend zijn. Bogaers gebruikt het laatste in zijn "Schipper de Zwart."
-
-[93] De "voorlezer" was de godsdienstonderwijzer of wat iets later
-"ziekentrooster" heet. De koopvaarders hadden meestal zulk een persoon
-aan boord, om "het woord te bedienen"; grootere oorlogsschepen of
-eskaders voerden doorgaans een "dominee". Was er geen predikant of
-voorlezer aan boord, dan was de schipper, of bij het schaften de
-stuurman, volgens instructie verplicht in het gebed voor te gaan en
-'s Zondags de preek te lezen uit een "predicatie-boeck". Van welk
-gehalte de zee-dominees soms waren, daarover kan een plaats verder
-in dit journaal verrassend inlichten!
-
-[94] Klein anker, bootanker.
-
-[95] Vgl. boven blz. 35.
-
-[96] "Barning": branding.
-
-[97] Effen, kalm water.
-
-[98] "Toeback drincken": zooals men weet in de 17de eeuw de gewone
-term voor "rooken".
-
-[99] Gewaar.
-
-[100] Wij ondervroegen elkaar.
-
-[101] Een "rejael" is een kleine Spaansche zilveren munt,
-oorspronkelijk ter waarde van 3 1/2 stuiver. Behalve dubbele en
-vierdubbele waren vooral de achtdubbele rejaelen in de Nederlanden druk
-in omloop. Ze werden gewoonlijk "stukken van achten" genoemd en zijn
-als "Spaansche matten" befaamd geworden! Vooral in O. Indië waren deze
-stukken bij de inlanders zeer gewilde munt, zoodat de "Compagnie van
-Verre" te Amsterdam ze dan ook in 1601 te Dordrecht liet aanmaken,
-met eigen stempel en opschrift. Door de Staten van Zeeland werden
-in 1602 te Middelburg eveneens "rejaelen van achten" geslagen. In de
-eerste helft der 17de eeuw deden de "stukken van achten" of z.g. "heele
-rejaelen" 47, later 48 of 50 stuivers. (Vgl. vooral J. E. ter Gouw, in
-het Tijdschrift v. h. Kon. Ned. Genootschap voor Munt- en Penningkunde,
-XIV, 1906.)
-
-[102] Zekerheid hadden, er op vertrouwden.
-
-[103] De bedoelde drank is arak: gegiste palmwijn, toddy.
-
-[104] "Haperen": druk en verward spreken.
-
-[105] Pagaai, schepriem.
-
-[106] Met gevlamde kling; een vorm dien de inlandsche krissen, zooals
-bekend is, ook heden nog dikwijls vertoonen.
-
-[107] Oorspronkelijk wellicht "diefsack": binnenzak in een
-mansbroek. In N. Holland is het woord nog gebruikelijk.
-
-[108] Druk te spreken.
-
-[109] Op deze passage dichtte Potgieter zijn tiental "Liedjes van
-Bontekoe".
-
-[110] Wij kunnen geen schade, verlies verduren.
-
-[111] Voor hieuw; vgl. boven blz. 42.
-
-[112] Ontsteld.
-
-[113] Onklaar.
-
-[114] Assegaaien.
-
-[115] Vgl. boven blz. 32.
-
-[116] In één slag; zonder dat het noodig was te laveeren.
-
-[117] Niets.
-
-[118] Willem Cornelisz. Schouten: Hij had als schipper met Jacob le
-Maire deelgenomen aan den bekenden tocht om de wereld in 1615--'17,
-waarbij o. a. de Straat le Maire ontdekt werd. Het zeer merkwaardige
-journaal van deze reis werd in 1618 reeds driemaal uitgegeven en voorts
-in de 17de eeuw nog meer dan 15 maal herdrukt. Een Duitsche vertaling
-verscheen eveneens reeds in 1618 en twee Fransche in hetzelfde
-jaar. Een derde Fransche en een Latijnsche kwamen in 1619 uit. Alles
-wel een bewijs, dat reisbeschrijvingen als deze in hun tijd lezenswaard
-werden gevonden! Schouten overleed in 1625 op zijn terugreis naar het
-Vaderland, in de "Baai van Antongiel" op de Oostkust van Madagascar,
-zooals wij aan het slot van dit journaal zelf nog zullen zien.
-
-[119] "Glop": een open ruimte, doorgang.
-
-[120] "Peuren": trekken, gaan, zich begeven.
-
-[121] Hielden het voor een kraak. De kraak was een eigenaardig
-Spaansch en Portugeesch scheepstype, hoog en hol, en nog op de oude
-wijze gebouwd met een "kasteel" voor en achter.
-
-[122] Men zou kunnen twijfelen, of deze Frederik Houtman van Alkmaar,
-die in Bontekoe's journaal ook beneden voorkomt, wel dezelfde is als de
-broeder van Cornelis de Houtman van Gouda, den grondlegger van onzen
-handel in de Oost. Frederik de H. vergezelde zijn broeder op beide
-diens tochten in 1595--'97 en in 1598. Toen Cornelis in 1598 door
-den koning van Achin werd omgebracht, bleef Frederik meerdere jaren
-diens gevangene. Hij keerde in 1601 of 1602 naar het Vaderland terug
-en vergezelde in 1603 den commandeur Steven van der Haghen op diens
-Indische reis. In 1605 werd hij onze eerste Gouverneur op Amboina,
-toen dat eiland door van der Haghen op de Portugeezen was veroverd
-(Amboina is, zooals bekend, onze eerste bepaalde nederzetting in
-de Oost).--Het lijkt haast uitgesloten, dat twee De Houtman's van
-gelijken voornaam, tegelijkertijd in O. I. geweest zouden zijn,
-beide met een zelfde gezag bekleed, zonder dat wij daarvan iets
-zouden weten. Hoogstens zou men kunnen aannemen, dat Cornelis de
-Houtman van Gouda en Frederik Houtman van Alkmaar geen broeders
-doch neven waren. Echter noemt Frederik (Pietersz.) de Houtman van
-Gouda in de voorrede van zijn werk "Spraeck ende Woordboeck inde
-Maleysche en de Madagaskarsche Talen" (Amsterdam 1603) zich zelf den
-broeder van Cornelis de Houtman. Hij maakte ook als sterrekundige
-naam. In 1597 komt Frederik Houtman voor als gehuwd met Vroutje
-Cornelisd. van Alkmaar. In 1625 legde hij zijn post in Indië voor
-goed neder en keerde naar het Vaderland terug. Reeds vroeger was hij
-te Alkmaar gevestigd geweest en overleed aldaar als schepen der stad
-(blijkens zijn grafsteen) 21 Oct. 1627: "Frederick Pietersz. Houtman,
-in syn leven geweest Gouverneur van Amboine .... etc." Sedert 1614
-was hij in de vroedschap gebracht.--Men merke op, dat een "kijcker
-of bril" in de handen van den gouverneur-astronoom Frederik de
-Houtman zeer goed past. Zulke instrumenten waren in het eerste
-kwartaal der 17de eeuw nog hoogst zeldzaam en hoofdzakelijk voor
-sterrekundige waarnemingen bestemd. De verrekijker was eerst in de
-laatste jaren der 16de eeuw te Middelburg door Zacharias Jansen en
-Johannes Lipperhey uitgevonden. Voor zoover mij bekend, is dit de
-allervroegste vermelding van een verrekijker, die in de journalen
-voorkomt. Het woord "bril" behoeft niet op een dubbelen kijker te
-slaan.--"Gelderije": vgl. blz. 43.
-
-[123] Geen pleziervaartuig, doch een rank schip van kleiner tonnemaat,
-zooals er aan schepen, die in admiraalschap uitvoeren, gewoonlijk
-werden meegegeven, voor ophelderingsdienst, enz.
-
-[124] "By-setten": voorzien van.
-
-[125] Jan Pietersz. Coen was in October 1617 Laurens Reael als
-Gouverneur-Generaal der O. I. C. opgevolgd. Bij de aankomst van
-Bontekoe te Batavia (December 1619) was die stad niet langer dan zes
-maanden geleden op de ruïne van het vermeesterde Jacatra gesticht. Den
-30en Mei van datzelfde jaar toch had de inneming plaats gehad, onder
-de aanvoering van Coen zelf. Zie de stukken, die op het beleg van
-Jacatra en op de vestiging van ons gezag op Java betrekking hebben,
-bij J. K. J. de Jonge, Opkomst van het Nederl. Gezag in O. Indië,
-Dl. IV, blz. 138 vgg.
-
-[126] Beker.
-
-[127] Drink u toe. Ook in het volkslied: "Ick brenght u, haveloos
-meyske".
-
-[128] Gresse of Grisse: een stad op Java, aan de Straat van Madoera.
-
-[129] Larantoeka, op de oostpunt van Flores, tegenover het eiland
-Solor.
-
-[130] "Specken": het gewone scheldwoord voor de Spanjaarden in die
-dagen.--"Mostiesen" voor mestiezen: kleurlingen.
-
-[131] Dit te ondernemen.
-
-[132] "Baets Jan". Bedoeld is het eiland Batjan, een der Molukken,
-ten Z.W. van Djilolo (Halmaheira).
-
-[133] Afgelost.
-
-[134] Het eiland Boeton ligt ten Z.O. van Celebes.
-
-[135] "Java Minor": Madoera.
-
-[136] Djambi.
-
-[137] Koelies.
-
-[138] Versta: achter op het verdek, bij den spiegel van het jacht.
-
-[139] Macao: de Portugeesche nederzetting aan den mond van de
-Canton-rivier; vgl. nader de Inleiding hiervoor.--"Incorpereren":
-inlijven, bezetten.
-
-[140] Pescadores: eilandengroep tusschen Formosa en den vasten wal
-van China, door de onzen als handelsbasis gebruikt en als zoodanig
-van groot gewicht; totdat wij in 1624 Formosa zelf in bezit namen,
-van welk eiland--door den heldendood van den predikant Anth. van
-Hambroeck vermaard geworden--wij, zooals bekend is, in 1662 werden
-verdreven; waarna wij geen moeite deden er ons opnieuw te vestigen.
-
-[141] Samenwerking met de Engelschen komt in dezen tijd, na het
-verbijsterende succes van Coen, meer voor. Kort te voren waren zij ons
-nog vijandig gezind geweest en zouden dit, uit verklaarbaren naijver,
-weldra weer worden.
-
-[142] Voor anker moesten gaan. Vgl. boven blz. 35.
-
-[143] Ankergrond; grond waar men "het steken" kan.
-
-[144] De mededeelingen omtrent koers en vaarwater worden gedaan ten
-dienste van mogelijke "nakomers". Men ziet, hoe de journalen ook in
-dit opzicht bestemd waren van nut te zijn.
-
-[145] Het heeft geen zin de ligging van elk der hier en in 't vervolg
-genoemde eilanden afzonderlijk aan te geven. "Poele" beteekent:
-eiland. 't Land van Champay is het vaste land van Achter-Indië
-(Cochinchina).
-
-[146] Deze zin is in het journaal, blijkbaar wegens het gewicht der
-aanwijzingen, gecursiveerd.
-
-[147] Laagachtig.
-
-[148] Ook deze zin is in het journaal gecursiveerd.
-
-[149] Inham, baai.
-
-[150] Het eiland Ceceer de Tor ("met de steen-klippen") is nog heden
-ten dage bekend om zijn eetbare vogelnestjes, die naar China worden
-uitgevoerd.
-
-[151] Portugees of Spanjaard.
-
-[152] Naar den naam te oordeelen een veroverd vaartuig, evenals het
-schip (jacht) St. Nicolaas.
-
-[153] "Aenhalen": enteren en buitmaken.
-
-[154] Coxbroad.
-
-[155] Vermoedelijk wel als belangstellende toeschouwers; vgl. beneden.
-
-[156] Exerceeren.
-
-[157] In den tekst staat "onsen commandeur Nieuwenroode", doch voor in
-het journaal wordt den lezer verzocht "deze faut te verbeteren". Een
-koopman Nieuwenroode was nochtans bij de onderneming inderdaad aanwezig
-en diende in December van ditzelfde jaar (1622) en gedurende 1623 op
-het schip van Bontekoe; zooals beneden op blz. 94 en 99 vg. blijkt.
-
-[158] Indien het.
-
-[159] In het geheel.
-
-[160] Pedro Blanco is een zeer klein eiland op de kust van China
-(22°, 22' N.br.).
-
-[161] "Bey": baai.--"Steck-grondt" vgl. boven blz. 79.
-
-[162] Verzamelplaats, zooals de schepen toenmaals gewoon waren die
-af te spreken.
-
-[163] Tayowan of Taiwan is de hoofdstad van Formosa en de Chineesche
-naam voor het eiland zelf. Vgl. over onze vestiging aldaar blz. 78,
-noot 2.
-
-[164] Kan.
-
-[165] Chincheo of Tsintsjoe. De lieden van dit zeegewest staan nog
-bekend als de beste matrozen en kooplui van China.
-
-[166] Vgl. het Itinerario, in de uitg. der Linschoten-Vereeniging,
-I, blz. 48 vgg.
-
-[167] Laag.
-
-[168] De "lijk" is het touw waarmede het zeil omboord is. Over het
-voeren van de fok bij stormweer zie boven blz. 30.
-
-[169] "Af en aan houden": laveeren.
-
-[170] Inlandsch schuitje; ook beneden herhaaldelijk.
-
-[171] Uit deze mededeeling blijkt nauwkeurig van wanneer de versterking
-der handelsbasis op de Piscadores dateert. Vgl. boven blz. 78.
-
-[172] Singapoor.
-
-[173] Vergaan was.
-
-[174] Niets.
-
-[175] "Setten": voor anker gaan. "Geset": geankerd.
-
-[176] 't Is opmerkelijk, dat het woord "hulde" hier nog in de oude,
-middeleeuwsche beteekenis voorkomt van: welwillendheid, gunst, genade.
-
-[177] Nl. de zes andere van de boot.
-
-[178] Geslagen.
-
-[179] "Scampan" of "ciampan" (zie boven blz. 86): inlandsch schuitje.
-
-[180] Stukken, waaruit met steenen kogels geschoten kon worden. Te land
-en voor grootere schepen was dit soort geschut al in onbruik geraakt,
-maar voor bewapening van kleine vaartuigen is er nog in den loop van
-de 17de eeuw sprake van.
-
-[181] Revanche.
-
-[182] Kleine kanonnen.
-
-[183] Een en twintig balen gedubbeld zijden garen. Van "fijn getweernd
-linnen" is bijv. in de Staten-vertaling herhaaldelijk sprake, als in
-'t boek Exodus aanwijzingen voor het maken van den Tabernakel worden
-gegeven. Tegenwoordig meest "twijnen".--Een "kanasser" of "kanaster"
-is een mat of korf van gevlochten biezen, zooals nog gebruikt wordt
-voor emballage van tabak, suiker en thee.
-
-[184] Ontsteltenis.
-
-[185] Dwars met het boord.
-
-[186] T.w. de in vlammen staande jonk.
-
-[187] Een aardige "volksetymologie" van schipper Bontekoe voor:
-"korte metten". Hij heeft er elders meer van die kracht.
-
-[188] Versta: voor het anker afzwaaide.
-
-[189] In 't midden van het water; versta: halfweg, in open zee.
-
-[190] Spuigaten, de gaten waardoor het opgepompte water uit het schip
-wordt verwijderd.
-
-[191] Dreven meer af dan wij (met laveeren en opkruisen) konden
-winnen.--"Overstuur zijn" en zich of anderen "overstuur maken"
-behoort mede tot de zeemansuitdrukkingen, die in onze dagelijksche
-omgangstaal zijn overgegaan.
-
-[192] "Verdubbelen": met een betimmering het schip van binnen onder
-de waterlijn versterken.
-
-[193] D. i. waterdicht.
-
-[194] Over het leggen van een "wang" zie boven blz. 27.
-
-[195] Nl. de sloep, waaraan men werkte.
-
-[196] Werd nagelaten.
-
-[197] D.w.z. twee glazen lang, dus een uur.
-
-[198] Aan boord was het etmaal verdeeld in vier wachten, elk van
-omstreeks zes uur:
-
-de eerste- of morgenwacht, van het vroegschaften tot den middag;
-
-de tweede- of dagwacht, van den middag (tweede schaften) tot 't
-vallen van 't donker (in noordelijke en tropische zeeën tot zoolang
-de schipper het gelast);
-
-de eerste nachtwacht of voormiddernachtwacht, van het afloopen der
-dagwacht tot middernacht;
-
-de tweede nachtwacht of hondenwacht, van middernacht tot den morgen.
-
-Later werden zes wachten elk van vier uur ingevoerd. Het tellen en
-afroepen der "glazen" begon met elke wacht opnieuw. Het "glas" was
-oorspronkelijk de zandlooper, die achter op de campagne stond en elk
-half uur gekeerd werd. Tegenwoordig worden de glazen afgeluid.
-
-[199] "Teysing" niet voor Taischöng, d. i. Formosa, doch een punt op
-den vasten wal; vgl. de volgende blz.
-
-[200] Sloten zich boord aan boord aaneen.
-
-[201] "Napeuren": achterna gaan; vgl. boven blz. 69, noot 3.
-
-[202] "Opgijen"; vgl. boven blz. 44.
-
-[203] T.w. de ankertros.--"Catsje" is Kiatsu, op 22° 53' N.br.
-
-[204] Meer naar land toe.
-
-[205] Te onderzoeken.
-
-[206] Vermoedelijk doordat hij er een pijpje gesmookt had. "Toeback
-drincken" was alleen boven op het verdek geoorloofd.
-
-[207] Een verdrag gesloten had.
-
-[208] Losprijs.
-
-[209] "Roopaert": affuit van een kanon.--"Bas": zie blz. 92.
-
-[210] Dat zal een stichtelijke Paaschpreek geweest zijn, die in de
-ijzers werd voorbereid!--Wij lezen anno 1671: "Het is de eenighe taek
-van de predicanten en krankbezoekers de kerken-dienst waer te nemen. De
-raet doet hen in achting houden en niet bestraffen in 't bijzijn van
-het volck, ten waer de misgreep grovelijck waer."--Dat Bontekoe op
-15 Februari zijn eersten stuurman en nu weer den dominee in de boeien
-laat zetten, bewijst dat hij met dat al een streng heer kon zijn.
-
-[211] Vgl. boven blz. 25.
-
-[212] In 't nauw brengen; insluiten en overvallen.
-
-[213] Zie boven blz. 43, noot 3.
-
-[214] Kuiten.
-
-[215] Boven blz. 85; over het fort vgl. blz. 87.
-
-[216] Dit is niet wel mogelijk: het getal schijnt veel te groot,
-gezien dat Bontekoe zelf met 206 "eters" uitvoer; misschien hadden
-de beide schepen samen zooveel volk verloren.
-
-[217] In een brief van 11 Mei 1621 had Coen aan de Heeren Bewindhebbers
-der Compagnie om ontslag gevraagd. Volgens gemeenlijk gangbare
-berichten vertrok hij van Batavia op 31 Januari 1623, met het schip
-Dordrecht. Den 19 Sept. 1624 liep hij met vijf schepen in Zeeland
-binnen. Alleen de peper, welke deze schepen in hadden, werd berekend op
-19.000 balen, die voor 45 ton gouds werden verkocht. In het voorjaar
-van 1627 zeilde Coen opnieuw naar Indië, kwam daar 27 Sept. aan en
-overleed 20 Sept. 1629.
-
-[218] Over deze kolonisatie op Java is nog weinig bekend.
-
-[219] Om met ons te spreken. "Verspreken" beteekent in de scheepstaal
-der 17de eeuw ook "praaien".
-
-[220] "Balie": tobbe.
-
-[221] Maakten de stukken vaardig.
-
-[222] Een "totock" is een door de Chineesche overheid aangesteld
-commissaris of handelsagent. Het woord heeft thans gemeenlijk een
-andere beteekenis, zooals bekend is.
-
-[223] Op 's lands vloot werden zij die op wacht slapende gevonden
-waren, volgens de geldende ordonnantiën, enkel voor den mast geleersd,
-d.w.z. met een eind touw op den blooten rug gegeeseld. Behalve
-"leerzen" of "laarzen" kende men ook "britsen", 't geen met een dunner
-touw geschiedde, zonder dat de kleeren werden uitgetrokken. Jongens
-werden niet gegeeseld, doch ontbloot en met een bos dunne touwtjes of
-twijgen gekastijd. De Ruyter "condemneerde" eens (in 1664, op 't schip
-"de Spieghel") vier man, "die haer wacht verslapen hadden, om drie
-weken lang voor het gantsche scheepsvolck stockvis te beucken"!--Van
-de ra vallen of loopen (ook: van de ra dansen) geschiedde van een
-tot zes malen: de veroordeelde moest in de groote mars klimmen en
-vandaar de ra afloopende zich in zee storten, waarna hij weder werd
-opgehaald.--Kielhalen is als een zwaardere vorm van deze straf te
-beschouwen, waarbij de "delinquent" onder de kiel van 't schip door,
-aan 't andere uiteinde der ra weder werd opgetrokken. Openlijke
-insubordinatie en muiterij werd gewoonlijk aldus gestraft, of naar
-omstandigheden ook strenger. Voor mindere ongehoorzaamheid, evenals
-voor diefstal, werd na ondergane geeseling van de ree geloopen, doch
-op het stelen van vivres stond als regel 't hangen ("executie met
-den koorde"). Wie aan boord het mes trok, "in evelen moede", werd,
-na meestal eerst te zijn gekielhaald en geleersd, met een mes door de
-hand aan den mast gestoken, waarna hij moest blijven staan tot hij het
-er zelf uittrok. Nog in 1667 werd deze straf op "de Zeven Provinciën"
-toegepast. Wie "plockhaerde" of dronken was, werd geleersd en in de
-ijzers gezet. Wie een ander doodde, werd zonder verschooning bij den
-doode gelegd en met hem levend over boord gezet; in later tijd ook
-"gearquebuseerd". Niet zelden ging een lijfstraf met korting der
-soldij gepaard.--Aldus leeren de artikel-brieven en journalen.
-
-[224] Chineesch regeeringspersoon, gouverneur van een district.
-
-[225] Voor "Mandarijn".
-
-[226] "Uytrechten": beslechten.
-
-[227] Geschil.
-
-[228] Opdat.
-
-[229] Teyowan of Taiwan is de hoofdplaats van Formosa
-(vgl. blz. 78). Dit had aldus de aanleiding kunnen worden, dat wij
-daar reeds in 1623 een factorij vestigden. Nu werd het 1624, zooals
-men weet.
-
-[230] Versta: Nederlandsch.
-
-[231] "Ostagiers": gijzelaars.--In margine staat hierbij de volgende
-aanteekening: "Manderijns zijn gouverneurs of oversten; dan daer
-sijn noch manderijns, die onder de opper-manderijn staen van de
-Provincie: van sulcke schijnen dese drie gheweest te zijn." De
-eigenlijke beteekenis van het woord manderijn is: raadsheer,
-minister. Vgl. Linschoten, Itinerario I, blz. 91, noot.
-
-[232] Aan de Vecht, tusschen Loenen en Nieuwersluis, ligt nog een
-oud kasteeltje Oudaen geheeten. Het Huis Oudaen binnen Utrecht is
-welbekend.
-
-[233] T.w. de Commandeur met de andere afgevaardigden.
-
-[234] Bemerkt.
-
-[235] In het opschrift is de naam van 't schip van Bontekoe zelf
-vergeten.
-
-[236] Nogmaals een gegeven voor de nauwkeurige dateering onzer
-vestiging op Formosa; vgl. boven blz. 114. Het vertrek was aanvankelijk
-voorloopig.
-
-[237] Een tropische vrucht.
-
-[238] Hier schijnt het journaal te zijn bekort: van 20 Nov. 1623 op
-20 Febr. 1624.
-
-[239] Onhandelbaar, bij het overstag loopen.
-
-[240] "Dragende houden": rechtstreekschen, bestendigen koers houden.
-
-[241] Vgl. boven blz. 76.--Hier is weder een bekorting op te merken.
-
-[242] Vgl. boven blz. 69 vg.
-
-[243] Maakten een "slag" of "gang", bij het laveeren.
-
-[244] Afnemende noordwestering. Deze mededeeling slaat op de miswijzing
-van het kompas; vgl. boven blz. 30.
-
-[245] "Voor een schoovers-fock met de blind", d.w.z.: voor een sterk
-gereefde fok en voor de blinde (het kleine zeil onder de boegspriet
-der toenmalige schepen; vgl. boven blz. 51).--Door den hevigen en
-ongestadigen wind was het niet mogelijk op een vaste kompas-streek
-koers te houden.
-
-[246] T.w.: het seinlicht (als "admiraalschip"), waarnaar de beide
-andere schepen hun koers hadden te regelen. Vgl. boven blz. 31.
-
-[247] "Onder zee schieten", d. i.: met alle zeilen ingenomen zich op
-wind en golven laten drijven. Dit geschiedde, als het schip door het
-al te zware weer niet meer te hanteeren was, of als men bevreesd was
-tuig te verliezen.
-
-[248] Nl.: stijf tegen de raas.
-
-[249] Dus te drie uur; vgl. boven blz. 98.
-
-[250] Boven het verdek; vgl. boven blz. 24 vg.
-
-[251] Vlak, effen.
-
-[252] "Rollen" van een schip: slingeren.
-
-[253] In verlegenheid bracht.
-
-[254] Om dit en het volgende te verstaan is een uitlegging noodig:
-Onder op den bodem of "'t vlack" van het schip liggen dwarsbalken,
-"liggers" genaamd, en daarover een planken vloer, die nog heden
-"buikdenning" wordt genoemd en die den bodem van het ruim uitmaakt. De
-ruimten tusschen de liggers, onder de buikdenning, heeten "wrangen"
-en daarin monden de ondereinden van de pompen uit.--Omdat peper een
-kostbare lading was, had men die niet onder in het ruim gestuwd,
-maar boven een tusschenvloer ("genier"), waar de specerij, ook als
-het schip water maakte, niet door het vocht kon worden aangetast. Op
-dit genier lagen ook de van hun affuiten genomen kanonnen, die door
-het slingeren van 't schip "gaende", d. i. aan het rollen raakten en
-met hun "ooren" het plankier stuk stootten.
-
-[255] De "vullingen" zijn de losse schotten, die beneden in 't
-schip scheef, langs de zijden, tusschen de inhouten of ribben zijn
-aangebracht, om die tusschenruimten aan te vullen. Toen nu deze
-"drijvende" werden, was het mogelijk, dat de door het plankier beneden
-in 't ruim neerlekkende peper, langs de wanden van het schip, in de
-wrangen raakte en daar de mondingen van de pompen verstopte.
-
-[256] Men verhielp dus het euvel door de pompen eenvoudig uit de
-wrangen te trekken en op de buikdenning, dus op den bodem van het
-ruim zelf te plaatsen. De benedeneinden werden in manden gezet,
-om te beletten, dat de in het ruim omdrijvende peper de mondingen
-opnieuw zou verstoppen.
-
-[257] Boven den wind. "In lij": onder den wind.
-
-[258] "De vleet" is alles wat achter een vaartuig, drijvende, wordt
-meegetrokken. Thans nog in het bijzonder de naam van het sleepnet
-dat ter haringvangst gebruikt wordt.
-
-[259] Effener.
-
-[260] Verschrikten.
-
-[261] Stompen op te richten. De noodmasten worden door Bontekoe hier
-"stompen" genoemd.
-
-[262] Tegenwoordig Port St. Louis, ten Z. van de Baai van Antongiel.
-
-[263] Vgl. het Noorsch-Deensche "alligevel": alevenwel.
-
-[264] Indien.
-
-[265] Branding op eenige ondiepten.
-
-[266] "Schadeloos": met schade, averij. Een in de scheepstaal gewoon
-woord.
-
-[267] De spuigaten, waardoor het water uit 't schip wordt verwijderd.
-
-[268] Gedoente.
-
-[269] Gerief, wat wij behoefden.
-
-[270] Een zwaluw.
-
-[271] Die dus voor den grooten mast pasklaar werd gemaakt.
-
-[272] Planken.
-
-[273] Stelden ons geheele loopende want daaruit samen (touw slaande).
-
-[274] Bezigden, verbruikten.
-
-[275] In latere drukken is toegevoegd: "'t Was een goet
-man".--Prof. G. Kalff (Gesch. d. Nederl. Letterk. V, blz. 3) merkt
-naar aanleiding van deze woorden met bewondering op: "Hoe treft ons
-door hartelijken eenvoud dat uitzoeken van den besten boom; hoe sober
-is dat trouwhartig slot!"
-
-[276] Vgl. boven blz. 94.
-
-[277] "Vroom": flink, van goed gedrag.
-
-[278] Versta: wij bemerkten, dat wij (met het herstelde tuig) achter
-nog niet zooveel zeil voerden, dat wij bekwaam waren om door den wind
-over, d. i. over stag te loopen.
-
-[279] "Het laten deurstaan": een koers vervolgen; vgl. boven blz. 30,
-regel 9.
-
-[280] Aan ons voorbij schoot.--"Vernemen": bemerken.
-
-[281] "Schovers-seylen": dicht gereefde zeilen. Vgl. blz. 121:
-"schovers-fock".
-
-[282] Kaap Agulhas; oostelijk van Kaap de Goede Hoop.
-
-[283] "Stijf schip": zwaar geladen, vast op 't water.
-
-[284] Effen, kalm.
-
-[285] De Kaap te boven; dus voorbij, omgezeild. Vgl. ook de voorgaande
-blz.
-
-[286] Kerk-vallei.
-
-[287] D. i.: brachten (met een boot) een anker uit op eenigen afstand
-van het schip, waardoor dit, door met het spil het ankertouw te winden
-en in te korten, dichter onder den wal kon worden getrokken.
-
-[288] "Verpreyen", elders ook "verspreken": praaien.
-
-[289] Over het "in compagnie varen" van meerdere schepen vgl. hiervoor.
-
-[290] Versta: een zandlooper. De bedenktijd was dus een half
-uur. Vgl. boven blz. 98.
-
-[291] "Branden": losbranden, vuur geven. Het werkwoord "vuyren" of
-"vyeren" beteekent in de 17de eeuw nooit "schieten", doch "met lichten
-seinen geven".
-
-[292] Stukken van gemiddelde zwaarte.
-
-[293] "Boegseeren": een schip, dat 't zij door windstilte, 't zij bij
-gebrek aan ruimte geen zeil kan maken, met behulp van een roeiboot
-in open vaarwater brengen. In dit geval was het boegseeren noodig,
-omdat men lag onder de hooge klippen, in de luwte van het land.
-
-[294] Buien, rukwinden.--Vgl. over de uitreis blz. 28.
-
-[295] Over het "opgijen" der zeilen vgl. boven blz. 44.--"Vrookost"
-blz. 28.
-
-[296] De "groente" is de plantaardige aanwas, die zich (met weekdieren)
-onder aan de houten schepen vasthechtte en ze "vuil" maakte.
-
-[297] "Kaeck": bui.
-
-[298] Bedoeld schijnt Ouessant, schoon dit wat noordelijker ligt.
-
-[299] Terre Neuve, Terra Nova: New Foundland.
-
-[300] Dapper.
-
-[301] Kinsale, havenstad op de kust van Ierland, enkele uren ten
-Z.W. van Cork; thans vervallen.
-
-[302] Ging voor anker.
-
-[303] "Convoyers" zijn schepen van oorlog, die gewoon waren de
-koopvaarders tot voorbij de Spaansche kusten te vergezellen en op
-de thuisreis weder in te wachten, om hen zoo noodig te beschermen en
-te geleiden.
-
-[304] "Onbeniert": onhandelbaar bij het laveeren. Vgl. boven blz. 139.
-
-[305] "Mayor": burgemeester.
-
-[306] Beschadigd, met averij. Vgl. boven blz. 127, noot 2.
-
-[307] Uit dezen zin en den volgenden is merkbaar, dat wij niet met
-den stijl van Bontekoe, doch met dien van Jan Jansz. Deutel te maken
-hebben! Vgl. "Toe-eygeninghe" en "Voor-reden". Echter strekt het den
-uitgever tot eer Bontekoe te hebben bewogen deze berichten aangaande
-het schip Middelburgh aan het journael toe te voegen, dat zoodoende
-een historisch slot bekwam.
-
-[308] Ziet op de ontdekking van de Straat le Maire; vgl. boven blz. 17.
-
-[309] Dit overzicht is met medewerking van Dr. G. J. Boekenoogen
-samengesteld, wien ik verschillende aanwijzingen aangaande de oude
-drukken te danken heb.
-
-
-
-
-
-
-End of the Project Gutenberg EBook of Journael ofte gedenckwaerdige
-beschrijvinghe van de OostIndische Reyse van Willem Ysbrantsz. Bontekoe, by Willem Ysbrantsz. Bontekoe
-
-*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK JOURNAEL ***
-
-***** This file should be named 53857-8.txt or 53857-8.zip *****
-This and all associated files of various formats will be found in:
- http://www.gutenberg.org/5/3/8/5/53857/
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg.
-
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
-States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive
-specific permission. If you do not charge anything for copies of this
-eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook
-for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports,
-performances and research. They may be modified and printed and given
-away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks
-not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the
-trademark license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country outside the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you'll have to check the laws of the country where you
- are located before using this ebook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm web site
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The
-Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm
-trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org Section 3. Information about the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the
-mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its
-volunteers and employees are scattered throughout numerous
-locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt
-Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to
-date contact information can be found at the Foundation's web site and
-official page at www.gutenberg.org/contact
-
-For additional contact information:
-
- Dr. Gregory B. Newby
- Chief Executive and Director
- gbnewby@pglaf.org
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
-spread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works.
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our Web site which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
-