diff options
Diffstat (limited to 'old/53857-8.txt')
| -rw-r--r-- | old/53857-8.txt | 5875 |
1 files changed, 0 insertions, 5875 deletions
diff --git a/old/53857-8.txt b/old/53857-8.txt deleted file mode 100644 index db890cf..0000000 --- a/old/53857-8.txt +++ /dev/null @@ -1,5875 +0,0 @@ -The Project Gutenberg EBook of Journael ofte gedenckwaerdige -beschrijvinghe van de OostIndische Reyse van Willem Ysbrantsz. Bontekoe, by Willem Ysbrantsz. Bontekoe - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most -other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of -the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have -to check the laws of the country where you are located before using this ebook. - - - -Title: Journael ofte gedenckwaerdige beschrijvinghe van de OostIndische Reyse van Willem Ysbrantsz. Bontekoe - -Author: Willem Ysbrantsz. Bontekoe - -Editor: Godefridus Johannes Hoogewerff - -Release Date: January 1, 2017 [EBook #53857] - -Language: Dutch - -Character set encoding: ISO-8859-1 - -*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK JOURNAEL *** - - - - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg. - - - - - - - - - JOURNAEL OFTE GEDENCKWAERDIGE - BESCHRIJVINGHE VAN DE - OOST-INDISCHE REIJSE VAN - WILLEM YSBRANTSZ. BONTEKOE - - - - OPNIEUW UITGEGEVEN EN VAN AANTEEKENINGEN VOORZIEN DOOR - Dr. G. J. HOOGEWERFF - - - - UTRECHT - A. OOSTHOEK - 1915 - - - - - - - -INLEIDING. - - -Voor den schrijver van deze Inleiding is de nieuwe uitgave van het -Journael van Willem Ysbrantsz. Bontekoe het teruggrijpen tot een -voorliefde van voorheen, die hij zich nimmer zal ontveinzen dat een -voorliefde gebleven is. - -Wat hij met den herdruk van het eenmaal zoo populaire boekje vooral -hoopt te bereiken is dit: dat ook de gansche Nederlandsche Natie zich -tot die oude voorliefde zal terugwenden. - -Dat een boek, hetwelk door het voorgeslacht met ingenomenheid en -bewondering werd gelezen--niet om zijn schoonen vorm, maar om zijn -kloeken inhoud--blijvend in vergetelheid kon geraken, zou niet anders -dan een zeer slecht teeken wezen voor ons tegenwoordige menschen. Het -mag dan ook niet aangenomen worden. - -Zeer zeker zijn de merkwaardige lotgevallen van den manhaften Bontekoe -in Nederland feitelijk nooit of nimmer vergeten; waardoor anders is de -man en is zijn reis spreekwoordelijk geworden en gebleven? Dit boekje -wil daarom niet anders dan de herinnering aan man en reis levendig -houden. Terecht toch mag het "Journael ofte de Gedenckwaerdige -Beschrijvinghe" als een soort nationaal-goed worden beschouwd. - -Wanneer ons in het einde der 17de eeuw de inhoud van de scheepskist -van een kajuitsjongen wordt medegedeeld,--bevattende mede eenig goed, -dat door de bemanning van zijn schip voor hem werd achtergelaten, -op de onbewoonde kust waar hij zijns ondanks bleef,--dan wordt daar -mèt het Nieuwe Testament ook de reis van Willem Ysbrantsz. Bontekoe -vermeld [1]. - -Heeft Bontekoe zijn verhaal voor ouden van dagen geschreven of voor -jongen? Hij heeft het zeer zeker niet geschreven, opdat het gelezen -d. i. gedrukt zou worden. Het dagboek is opgesteld in de eigenaardige -trouwhartige taal van den zeeman, behelst de mededeeling van zijn -lotgevallen zonder opsmuk hoegenaamd, en is daardoor boeiend voor -iedereen. - -Zijn de daden van Bontekoe, gelijk die van een veroveraar der -Zilvervloot, "groot" geweest? Was hij een zeeheld?--In zijn daden -ligt niets buitengewoons. Wat hij ondernam was het bedrijf van den -gewonen Oostindievaarder. Wat hem overkwam, had een ander evengoed -kunnen overkomen. En tòch is hij een held om de wijze waarop hij het -bedrijf uitoefende en om de wijze waarop hij zich door de moeilijkheden -heensloeg. Schipper op zijn bodem, "naast God" zoo het heet, en vol -vertrouwen, dat hij met Gods hulp alles te boven kan komen;--om er -zich berustend in te schikken als geen middelen en niets mag baten; -tot het bitter einde toe. Zoo is menige zeeman een held. Ook nu nog. - -Dat is niet alleen moed, niet alleen volharding, taaiheid, maar -ook trouw en standvastigheid. Trouw aan een opdracht, trouw aan een -taak, trouw aan zich zelf; maar ook trouw aan den Allerhoogste, die -het immers leiden zal naar Zijn raad. Geloof maar, op het land, met -beide de voeten op de veilige moederaarde, wordt vaak genoeg met het -Eeuwige gespot en gespeeld, doch niet in een storm op de woedende zee: -daar wordt ook de meest oppervlakkige zich zelf wel indachtig.--Heeft -men wel eens opgemerkt, dat bij dreigend gevaar aan boord wèl bij de -passagiers (de menschen van het land) maar nooit bij de echte zeelui -een paniek voorkomt? De laatsten zijn gewend de verschrikking, ook -de verschrikking van den dood, onder de oogen te zien. - -Wordt dat in de praktijk tot fataliteit?--Zeelui zijn uiteraard -fatalisten, en altoos geweest. Doch het fatalisme van Bontekoe -voert niet tot een modern pessimisme en een zuchtend bij de pakken -neerzitten, maar tot een bijna blijmoedig vertrouwen in het welslagen, -zelfs in uitersten nood. De Voorzienigheid zit ook niet stil! Doe -dan wat je kunt om je er door te slaan! Al waar het op aankomt, is -dat de gang er in blijft, en daarmee de moed, tot het einde toe. De -rest zal zich wel vinden! Het eerste waarvoor een goed zeeman daarom -bidden zal, is dan ook: Geef wind Onze Lieve Heer; we hebben zeilen! - -Het werkwoord "volhouden" is niet voor niets een der tallooze -scheepstermen, die in onze spreektaal zijn overgegaan (--'t -geen de klemtoon al leert; in tegenstelling met het oudere -"volhárden"--). Eigenlijk zijn alle Hollanders, West-Friezen en -Zeeuwen krachtens hun geboorte reeds zeelui, en krachtens hun idioom. - -Bijna zou ik lust gevoelen van de zeemanswoorden, die wij zonder -het te weten onophoudelijk gebruiken, hier een lijstje te geven, -doch het zijn er zoo vele, dat het werk in een beknopte inleiding -als deze onbegonnen zou zijn. Zelfs Vader Vondel, om geen mindere -onzer oude schrijvers aan te halen, deed er al druk aan mee. In een -stuk als "Adam in Ballingschap", het treurspel aller treurspelen, -zal men het allerlaatst scheepstermen verwachten, en toch verklaart -Lucifer in het begin van het laatste bedrijf, Asmode toesprekende: -"Het gaet naer onzen wensch; wij zijn dien hoeck te boven",--zooals een -schipper, vergenoegd zich in de handen wrijvend, tot zijn stuurman zou -zeggen, als het gelukt was voorbij een lastig punt op te tornen. En -nog verrassender, als men er zich rekenschap van geeft, klinkt het -honderd regels verder Adam zelf aan Eva te hooren toevoegen: "Gij -smeet mij overstach";--alsof hij een pikbroek geweest ware, die zijn -betere helft het hartig verwijt toevoegde;--van den zondenval nog wel! - -En toch, indien men Vondel gevraagd had, wat er voor gelegenheid in -het Paradijs voor die twee geweest mocht zijn, om schuitje te varen en -zulke "vaktermen" op te doen, hij zou met verwondering het antwoord -zijn schuldig gebleven. Want stellig gebruikte hij de uitdrukkingen -geheel onwilkeurig, zonder er zich iets maritiems bij te denken. En -nu er precies 250 jaar verstreken zijn, sedert "Adam in Ballingschap" -verscheen, staat het met de Nederlandsche Taal minstens nog net eender -en wij achten haar--Vondels taal en de onze--er des te kernachtiger om. - - - -Zooals reeds werd gezegd, was de reis van Bontekoe de tocht van -den gewonen "Oostindie-vaerder", geen bijzondere zending, geen -ontdekkingsreis, of iets dergelijks. Wat aan Bontekoe overkwam, had -eigenlijk aan iederen schipper evengoed kunnen overkomen; alleen niet -iedere schipper zou er zich zóó doorheen hebben geslagen,--en zijn -wedervaren zóó hebben neergeschreven. Niet alleen immers door het -verbijsterende der lotgevallen, maar vooral ook door de wijze, waarop -ze verhaald worden, is deze op zich zelf gewone reis buitengewoon -geworden en beroemd. - -Reisbeschrijvingen uit de 17de eeuw, als volksboeken uitgegeven, -meestal in het eigenaardige klein 4o formaat, dat in dezen herdruk -ongeveer wordt nagevolgd, zijn er tallooze over. De exemplaren -zijn meestal zeldzaam geworden, doch in verschillende onzer groote -bibliotheken kan men er vinden. Uiteraard zijn deze verhalen zeer -verschillend van waarde en van stijl. Er worden er aangetroffen, die -in den pedanten rederijkerstrant zijn opgesteld, tot het eenvoudigweg -in onhandige zeemans-bewoordingen neergeschreven dagboek toe. Gelukkig -is het eerste een uitzondering en het laatste meer regel! - -Terecht wijst Prof. G. Kalff in zijn Geschied. der Nederl. Letterkunde -(Dl. V, blz. 11) op het "onmiddellijke, dat dezen reisverhalen eigen -is", en op den "kleinen afstand, die er blijkbaar ligt tusschen indruk -en uitdrukking;--niet zelden voelen wij er het leven nog trillen ...." - -Inderdaad, zelden zijn deze verhalen dor; want zelfs al wist de -ongeoefende hand de pen niet dan stroef te hanteeren, dan toch werd -een voorval, dat voor den schrijver een bijzondere waarde had, in -pittige taal neergeschreven; net zoo als het uit het hart kwam. Geen -wonder dat later zijn lotgevallen onder de verschillende lagen van -het volk vlijtige en aandachtige lezers vonden. - -Men moet niet vergeten, dat toenmaals de tochten naar die verre, -nauwelijks bekende gewesten en werelddeelen nog veel grooter -evenementen waren dan voor het tegenwoordig publiek de expedities van -Shackleton, Amundsen en Scott! Niet alleen de wonderverhalen over die -vreemde landen en volken trokken aan, maar men gevoelde ook zeer wel, -hoe met die langdurige en gevaarvolle reizen het algemeen belang en -de welvaart van het land gemoeid waren. Dat kan men van onze moderne -en gefilmde pool-expedities niet zeggen! Men leefde veel meer dan -nu van, maar ook voor de "negotie". Handel was voor den lande een -kwestie van bestaan en de oorlog werd door ieder begrepen als een -strijd om dat bestaan. Vandaar de groote en algemeene belangstelling -in deze dingen. Dat vechten daarginds, zoo goed als het vechten aan -de grenzen, had voor de bevolking heel wat meer te beteekenen dan -een Atjeh-oorlog of Lombok-expeditie: Het ging er om! - -Bontekoe is allerminst stroef in zijn vorm. Hij bezit de natuurlijke -gave, de dingen die hij beleeft op een pakkende manier neer te -schrijven als hij op de maandenlange reis--die ook veel dagen van mooi -en kalm weer had--rustig in zijn kajuit zich neerzette om zijn journaal -uit te werken. Een kenmerk, dat ons vooral voor dezen verdienstelijken -auteur inneemt, is wel dit: dat hij zich zijn verdienste nergens -bewust blijkt. Hij schrijft maar voor het vaderland weg; doch schrijft -voortreffelijk!--D. w. z. zijn stijl is allerminst wat men van proza -sprekende "fraai" en "gevormd" pleegt te noemen, maar hij vertelt -goed. En dat is een eigenschap, die wij Nederlanders druk bezig zijn -te verliezen. Het is nog onlangs van bevoegde zijde uitgesproken: -"een algemeen als goed erkend Hollandsch boek boeit zelden meer". - -Sommige der oude reisbeschrijvingen dragen het kenmerk door den -uitgever te zijn bij- en omgewerkt, men kan zeggen "persklaar" te -zijn gemaakt; doch met Bontekoe is dit niet het geval, hij had genoeg -aan eigen kracht. Zoo is zijn dagboek een der meest aantrekkelijke -voorbeelden geworden van het onopgesmukt, trouwhartig zeemans-verhaal, -in den trant dien wij boven beproefden te kenschetsen, en almee een -van de vroegste voorbeelden, als men bedenkt, dat de Nederlanders -eerst kort voor 1600 vasten voet in Indië gekregen hadden en dat de -Oost-Indische Compagnie pas in 1602 was opgericht. Wel opmerkelijk -is het, uit een journaal als dat van Bontekoe weer eens te zien, -hoe wij in 15 jaar ons gezag en onze relaties in de Oost reeds hadden -uitgebreid. En van een leien dakje was dat toch alles behalve gegaan!-- - -Zéér opmerkelijk is het bijv., dat Bontekoe na volbrenging van -zijn rampspoedige, vermaard geworden heenreis te Batavia aankwam, -toen die "stad" nog geen half jaar geleden door Jan Pietersz. Coen -op de puinhoopen van het veroverde Jacatra gesticht was. (Men zie -hierover nader den tekst.) De passage met de ontvangst bij den -Gouverneur-Generaal behoort tot de meest wetenswaardige gedeelten -van het journaal. - - - -Willem IJsbrantsz. Bontekoe, die in het jaar onzes Heeren 1618, den -28sten December voor schipper met het schip genaamd "Nieu-Hoorn" -van Tessel uitvoer, op zijn eerste reis naar Oost-Indië (zooals -uit een plaats van 't journaal zelf blijkt),--was in 1587 te Hoorn -geboren. Zijn naam is een van die kenmerkende "van's" die naar het -uithangteeken of naar den gevelsteen van het huis, waar de familie -woonde, zijn gegeven. Verder weten wij van hem alleen, dat hij twee -broeders had Pieter en Jacob IJsbrantsz. Bontekoe, die beiden ook als -schipper in dienst van de O. I. C. stonden. In 1623 waren alle drie de -broers in Indië aanwezig en het schip van Pieter kwam onze Bontekoe -in de Chineesche wateren toevallig te ontmoeten. Het wederzien wordt -ons uiterst laconiek medegedeeld. - -Het is niet onmogelijk, dat Bontekoe na zijn "avonturelijcke reyse" -nog meer tochten naar de Oost heeft gedaan, doch daarvan is ons niets -bekend geworden. In zijn tijd was hij geen vermaard man, vóórdat eerst -in 1646 zijn journaal door toedoen en op aandringen van den Hoornschen -uitgever Jan Jansz. Deutel het licht zag. Doch mèt dit verschijnen was -zijn populariteit dan ook op slag gevestigd, daar binnen verloop van -één jaar van zijn "Avonturelijcke Reyse" behalve de oorspronkelijke, -dubbele oplaag al drie nadrukken verschenen waren. Uit de opdracht, -die Deutel aan de eerste uitgave liet voorafgaan, valt op te maken dat -Bontekoe bij het verschijnen nog in leven was en te Hoorn, vermoedelijk -in ruste, woonde. Het jaar van zijn overlijden ligt in duister. - -Al was Bontekoe aan den vasten wal geen gewichtig personage, aan boord -van zijn schip was hij de man: de man waarop het aankwam, de bestuurder -op de lange en moeilijke reis. Als gezagvoerder had hij niet alleen de -"navigatie" te regelen, maar ook de tucht te handhaven. En dat ging -in de 17de eeuw gemeenlijk streng toe! - -Echter, juist als het op handhaven van orde en tucht aankwam, schoot -Bontekoe wel eens te kort en had hij het volk niet altijd geheel in -zijn hand. Dit kwam door zijn goedmoedige natuur, die hem er soms -toe bracht meer door overreding zich en zijn wil te doen gelden dan -door streng commando. Hij was aan boord meer geliefd dan geducht, -en dat heeft op zee nu eenmaal zijn bezwaren. Verschillende trekjes -uit het journaal bewijzen deze tekortkoming, die echter de schrijver, -naief als hij is, nergens tracht te verbergen. En toch was hij bij -zijn goedaardigheid iemand van beslisten durf, in gevaar niet alleen, -maar ook als hij zich niet ontziet kordaatweg te handelen zelfs -vlak tegen het gevoelen van den "koopman" in, die toch de eigenlijke -bestuurder was der onderneming en aan boord voor het welslagen der -"zaken" even verantwoordelijk als de schipper voor het behoud van -zijn bodem. Aan zijn goedmoedigheid en dapper zelfvertrouwen heeft -Bontekoe feitelijk dan ook zijn populariteit te danken en zijn -spreekwoordelijkheid. Een "reis van Bontekoe" is geen zaak die door -allerlei misère op een mislukking uitloopt, maar een die ondanks -alle zwarigheden en tegenspoed tot een goed einde wordt gebracht. En -Potgieter, toen hij de "Liedjes van Bontekoe" dichtte, gaf daarin -allesbehalve den gemoedstoestand weer van een sukkelaar en lafbek, -doch veeleer van een man van goedgemutste courage. - - - -Het doel van deze uitgave is, als gezegd, een populair Nederlandsch -werk populair te doen blijven. Daarom heb ik mij nóch in -deze Inleiding, nóch in de Aanteekeningen op wat men noemt -"wetenschappelijk" terrein begeven en ook niet op het terrein -van de "Linschoten-Vereeniging", wier werken--voorbeeldig naar -inhoud en naar vorm!--ten behoeve van een meer beperkten kring -van lezers verschijnen. Het journaal van Bontekoe, hoezeer ook -belangrijk om verschillende berichten die er in voorkomen, en om zijn -nauwgezetheid in het algemeen, is historisch en geografisch niet van -zoo buitengewoon groote beteekenis, dat het voor een onderneming als -de "Linschoten-Vereeniging" (naar wij weten) voor herdruk vooreerst -in aanmerking komt. - -Van geschiedkundig belang is in het Journaal van Bontekoe in de -eerste plaats de passage over den mislukten tocht van de Hollanders -om Macao op de Portugeezen te veroveren (in Juni 1622), en voorts -het relaas van de daarop volgende stelselmatige rooftochten op de -kusten van China, met beschrijving van de hardhandige en laat ons -maar zeggen vaak onmenschelijke middelen door de onzen aangewend, -om in die zeeën den toestand meester te blijven. Als er bij dit -alles een stelregel in toepassing werd gebracht, dan was het die van -Maarten van Rossum, want de absolute noodzaak van al dat branden en -plunderen kunnen wij thans kwalijk inzien. Maar wij weten ook van -elders, dat onze voorouders op zekere dingen nu eenmaal een ruwen -kijk hebben gehad. Te beter kunnen wij het daarom begrijpen, dat de -gekwelde Chineezen op wraak waren gezind en tot verraad hun toevlucht -namen, waarbij de commandeur Christiaan Fransz. met een schipper en -opper-koopman het leven lieten en voor ons een bodem verloren ging, -die, in brand geraakt, met alle man in de lucht vloog. - -Door Bontekoe wordt over al wat er aan de monding der Chincheuw- -of Kanton-rivier in November van 1623 is voorgevallen uitvoerig -en met van zijn kant begrijpelijke verontwaardiging gesproken, en -wat hij over het door hem in de jaren 1622-'25 beleefde verhaalt, -is vooral van gewicht, omdat bij Tiele, in zijn vervolg op De Jonge's -"Opkomst van het Nederl. Gezag in O. I." (2de reeks: Buitenbezittingen) -over deze Chineesche expedities geen berichten of documenten worden -gevonden [2].--Ook tien jaar vroeger was reeds door Cornelis Matelief -de Jonge getracht Macao te vermeesteren en aan de rivier de Chincheuw -(waar tegenwoordig ook Hongkong ligt) vasten voet te krijgen. In -later tijd hadden wij in de stad Kanton zelf een "kantoor"; maar -Macao bleef Portugeesch tot op dezen dag. - -Het laatste stuk van Bontekoe's Journaal ten slotte, handelend over -de thuisreis met het schip Hollandia, behoort niet tot de minst -onderhoudende gedeelten van het boek, dat tevens nog waarde bezit -wegens een aantal er in voorkomende "personalia". Zoo lezen wij over -den levensloop van Frederik Houtman verschillende bijzonderheden en -is van Willem Cornelisz. Schouten, stadgenoot en vriend van Bontekoe, -meermalen sprake. Wij worden aan het slot ingelicht, hoe deze laatste -in de Baai van Antongiel, op Madagascar, in het voorjaar van 1625 -kwam te overlijden, en vernemen den dood van den commandeur Cornelis -Reijersz. (10 April van dat jaar), onder wien Bontekoe aan den tocht -naar China had deelgenomen. - - - -Overeenkomstig het uiteengezette doel van deze uitgave, zijn de -voetnoten onder de bladzijden sober gesteld; niet geleerd of -taalkundig, maar enkel toelichtend. Nochtans mag hierbij niet -uit het oog worden verloren, dat journalen als dat van Bontekoe -ook in filologisch opzicht van de grootste beteekenis zijn: ten -eerste wegens hun woordkeus en verder wegens tal van grammaticale -eigenaardigheden. Uit dit soort volksboeken, evenals uit de -kluchtspelen, leert men de volkstaal der 17de eeuw, d. i. de echte, -levende taal het best kennen. Taalkundigen kunnen een tekst als deze -met veel vrucht tot terrein van onderzoek maken. - -De spelling is naar den eersten druk getrouw gevolgd, waarbij van -het eenig mij bekende exemplaar in de Universiteits-Bibliotheek te -Leiden een recht dankbaar gebruik werd gemaakt. Deze oorspronkelijke -spelling toch is al te kenschetsend om haar op te geven en voor -den lezer is zij eerder aantrekkelijk dan bezwaarlijk. Hier zou de -verminking te minder gerechtvaardigd zijn geweest, daar niet zelden -juist de spelling aanwijzingen geeft, die voor de geschiedenis -onzer taal van belang zijn. Zoo bijv. waar de Westfries Bontekoe -(of liever zijn Westfriesche zetter) met het onderscheiden van "y" -en "ij" een verschil in uitspraak schijnt aan te willen duiden. Door -moderniseering zou de tekst kleurloos en onbruikbaar zijn gemaakt. - -Hier en daar werd een drukfout verbeterd en de interpunctie moest, -terwille van de meerdere duidelijkheid, op vele plaatsen worden -gewijzigd. Behalve een nieuwe alinea af en toe, moest vooral de -punt-komma meermalen worden ingevoerd, om de al te lange zinnen, die -toch één volzin vormen, te breken. Er was geen reden de onbeholpen en -soms stellig verkeerd geplaatste leesteekens van het oude volksboek -over te nemen, zoomin als de door den zetter al even onregelmatig -gestrooide hoofdletters werden behouden; een en ander overeenkomstig -de regels welke voor het herdrukken van oude teksten als deze van -meest bevoegde zijde zijn vastgesteld. 't Kan toch kwalijk nut hebben -een journaal als dit z.g. diplomatisch te gaan afdrukken! Dan zou men -ook de vette en voor velen moeilijk leesbare gothische letter van het -origineel weer moeten gaan toepassen. Daar in dat "Duitsche" type, -zou dan meteen de kapitaal van de zelfstandige naamwoorden zich weer -in zijn element voelen; maar in onzen modernen druk is die alleen -leelijk en storend. - -Het journaal van den tocht door commandeur Dirk Albertsz. Raven in -1639 naar Spitsbergen gedaan, welk journaal door Deutel en latere -uitgevers achter de Reis van Bontekoe geregeld werd afgedrukt, -is hier weggelaten. De inhoud daarvan is zeer zeker de aandacht -waard, doch staat met de lotgevallen van den Hoornschen schipper -in geenerlei verband. De kleinere stukjes, welke hij op de laatste -bladzijden van zijn oplagen deed afdrukken (t. w. samenvattingen van -andere reisverhalen) zijn evenmin opgenomen. Zij dienden, behalve als -bladvulling (juister: "vel-vulling"), enkel om de aandacht van het -publiek op vroeger verschenen uitgaven te vestigen en de leesgierigheid -te prikkelen. Als zoodanig zijn zij alleen als boekaankondigingen -te beschouwen. Het voornaamste en uitvoerigste dezer stukjes is het -"Kort Verhael uyt het journael van de personen die op Spitsbergen -in het overwinteren ghestorven zijn; anno 1634". Dit aangrijpend -journaal verdient niet in extract maar, te zamen met de twee andere -dergelijke verhalen van overwinteringen, in zijn geheel te worden -uitgegeven. Mogelijk in deze serie. Hieraan zou dan het journaal van -Raven zeer geschikt kunnen worden toegevoegd. - -Ik eindig deze inleiding met mijn meest hartelijken dank uit te spreken -aan het Bestuur van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde -en in het bijzonder aan Prof. Dr. G. Kalff en Dr. G. J. Boekenoogen, -leden der Commissie voor Taal- en Letterkunde, voor alle ondervonden -steun en medewerking, waardoor mij het voorbereiden van deze uitgave -zooveel gemakkelijker werd gemaakt. Voor verschillende aanwijzingen -mij verstrekt blijf ik hun hoogst erkentelijk. De herdruk werd op -voorstel en op aanraden van Prof. Dr. J. W. Muller het eerst in -overweging genomen. - -In deze nieuwe uitgave zijn, behalve het portret van Bontekoe, ook -alle de platen, zooals zij in het oorspronkelijke journaal voorkomen, -op werkelijke grootte afgedrukt; terwijl evenzoo het titelblad van het -Leidsche exemplaar, waarvan de tekst aan dezen herdruk ten grondslag -is gelegd, hiertegenover in een even getrouwe weergave is afgebeeld. - -Een beknopt overzicht van de oude uitgaven, welke van Bontekoe's -"Avonturelijcke Reyse" bekend zijn, wordt achter in dit deeltje -gevonden. - - - G. J. H. - - - - - - - - IOVRNAEL - - OFTE - - Gedenckwaerdige beschrijvinghe - vande Oost-Indische Reyse van - Willem Ysbrandz. Bontekoe van Hoorn. - - Begrijpende veel wonderlijcke en gevaerlijcke saecken hem daer in - wedervaren. - - Begonnen den 18. December 1618. en vol-eynt den 16. November 1625. - - - Te Hoorn. Ghedruckt by Isaac Willemsz. - Voor Ian Iansz. Deutel, Boeck-verkooper op 't Oost in Biestkens - Testament / Anno 1646. - - - - - - - -TOE-EYGENINGE. - - -Achtbare, Erentfeste, Wijse, seer Voorsienige Heeren, de Heeren -BEWINT-HEBBERS van de OOST-INDISCHE Compagnie ter Camere van HOORN [3]. - -MYNE HEEREN. - - -Plato heeft (volghens 't ghetuygenisse Ciceronis in sijn Officiis, -Cap. 6.) heel suyverlijck geschreven, dat de mensch niet alleen voor -sich selfs gheboren is, maer dat het Vaderlandt, Ouders en Vrunden -yder een deel rechts tot hem heeft. Welcke spreucke soo klaer door -de Nature bekrachtight wordt, dat yder (soo hij maer gheen monster -of misdracht is) in sich selfs daer van de waerheydt kan bespeuren: -want wie voelt niet in sich een onwederstandelijcke drift en treck tot -sijn Vaderlandt, Ouders en Vrunden, 't welck hem op 't krachtighste -openbaert, als laster, smaet, hoon of lijden over deselfde wordt -uytgestort; soo dat onse geldt, onse goedt, jae, ons eyghen leven -ons soo lief niet en is als de eere en het welvaren van een der -selfder. 't Welck door veel exemplen tot allen tijden klaerlijck heeft -ghebleecken. Want wat sijnder al middelen aenghewent, om de eere des -Vaderlandts te bevorderen en te bewaren, en de geboortplaetse door een -soete gheheugenisse van dappere daden naemkundigh te maecken, tot het -welcke de beschrijvinghe der selver daden gheen kleyne behulpmiddel -is: overmidts alle loffelijcke en gedenckwaerdighe wercken, die door -yemandt worden uytgherecht, souden door de tijdt van geen geloof, -of t' eenemael uyt de gedachtenisse der menschen uytgewischt worden, -soo die door 't beschrijven niet en wierden bewaert en verbreydt. Om -gheen oude en langhvoorledene gheschiedenissen op te halen, wat souden -wy en onse nakomelinghen doch voor ontwijffelijcke waerheydt konnen -weten, hoe wonderlijck dat Godt dese Landen en Steden, jae besondere -inwoonders gheholpen en gereddet heeft uyt de verdruckende handen -haerder vyanden, indien hetselfde niet en was beschreven door de -vlijt van eenighe aenmerckende verstanden.--'t Is dan niet eene van -de minste waerteyckenen van danckbaerheydt en plichtsquijtingh aen -sijn gheboortplaetse, de wonderlijcke ende loffelijcke wercken en -bejegeningen, die sijne medeburgheren ghedaen of ontmoet zijn, door -'t beschrijven sorghvuldigh de nakomelingen nae te laten. Ick dan (die -van jonghs af ben genegen gheweest om op te speuren, te lesen en te -verstaen de gheschiedenissen, die door onse Hoornsche inboorlinghen -waren uytgherecht, of die haer of de hare zijn wedervaren) hebbe -niet konnen naelaten (om oock niet te vervallen inde faute van -ondanckbaerheydt tegens mijn geboortplaets) eenige der selfder (de -memorie waerdigh zijnde) aen te teeckenen, om die de vergetelheydt -als ontroovende, by gelegentheydt in 't licht te geven. - -Onder anderen is mij, die al eenighe jaren daer mede besich -ben gheweest, oock ter handt gekomen de beschrijvinge van dese -gedenckweerdighe Oost-Indische Reyse van Willem Ysbrandtsz. Bontekoe, -dewelcke by hem de vergetelheydt al scheen opgeoffert te wesen, maer -ick die doorlesende, bevondtse waerdigh te zijn, dat sy by ons en -onse naekomelingen in eeuwighe gedachtenisse behoorde te blijven. Ick -versocht daerom aen hem die te mogen laten drucken, tot het welcke -hy niet wel gesint was, eensdeels omdat het bynae als vergeten en -door de tijdt oudt gheworden waer, anderdeels omdat hy die niet -met sulcken stijl en hadde beschreven, bequaem, nae sijn meninghe, -om gedruckt te mogen worden. Eyndelijck, nae veel vriendelijcke -versoeckinghe en aenmaninghe van eenighe sijnder goede vrienden, -bewillighde hy het selfde. Welcke beschrijvinghe ick met eenighe -figuren verciert hebbende, datelijcken onder de parsse bracht. En -dewijle dat men in alle saecken een yder het sijne behoort te gheven, -kond' ik niet anders oordelen, als dat het billick was, dat ick uwe -E. E. dit selfde opdroegh en toe-eygende, door dien dat dese Reyse -meest onder uwe E. E. bewint en opsicht is gheschiedt, waer over -(indien daer uyt eenige geheugenisse tot eere van onse Vaderlijcke -Stadt op de nakomelinghen sal overblijven) voor vast te stellen -is, dat uwe E. E. daer van, naest Godt, een groot deel toebehoort, -zijnde maer als een thiende van 't gene op uwe E. E. acker ghewossen -is. Versoecke daerom eerbiedelijck uwe E. E. ghelieve dese mijne moeyte -en opdracht met een gunstigh oogh te ontmoeten, meer siende met den -coningh Artaxarxes (die van een huysman een dronck waters ontfingh) -op het herte als op de gave. - - - -'t Welck doende, sult my hooghelijck verplichten om altijdt te blijven -dien ick ben - - - Uwe E. E. Dienst-schuldigen - - JAN JANZ. DEUTEL. - -In Hoorn, den 16 Julij 1646. - - - - - - - -VOOR-REDEN AEN DEN LESER. - - -Gunstighe Leser, wy sien door ervarentheydt, dat, gelijck alle -menschen eenderhande kost niet even wel smaeckt, oock alle boecken een -yder niet even aengenaem zijn: d' een heeft vermaeck in dese, en d' -ander in die stoffe te lesen; elck heeft sijn besondere neygingh. En -gelijck de onderscheyde oeffeningh onghelijcke boecken ter wereldt -brenght, soo vinden sy oock altijdt haer ghelijcksinnige lesers. Ghy -dan, die vermaeck schept in 't lesen van gedenckweerdige reysen en -wonderlijcke gheschiedenissen ('t welck onder alle wel een van de -soetste tijdt-kortinghen is) leest dese naevolgende beschrijvinghe -van W. Y. Bontekoe. 'k Vertrouwe, dat ghy uw tijdt niet qualijck sult -besteet achten. 't Is juyst stoffe nae uw' lust. Want hebt ghy u oyt -vermaeckt of verwondert in 't lesen van de reysen van Linschoten, -Heemskerck, Olivier, Spilbergen, Schouten en andere, dese geschiedenis -sal u geen minder vernoeghen geven, overmidts die in sich begrijpt -veel verwonderenswaerdige saecken [4]. 't En zijn geen beuselen noch -droomen Luciani of Pantagorae [5], noch geen fabuleuse verhalinghen van -monsters, vreemde maecksels van menschen, als een-voetige, een-oogighe -en sulcke die sonder hooft de oogen en mondt in de borst hadden, -en anders, waermede onse voor-ouderen (door eenige licht-geloovige -schrijvers) verleydt zijnde tot verwonderinge wierden gebracht -[6]. Noch dese beschrijvinghe is niet van hooren segghen (ghelijck -men seydt), neen, maer komt uyt selfs-ondervindinghe, verhalende wat -wonderen dat Godt aen den autheur self, als oock aen dieghene die by -hem waren, bewesen heeft. Want wie en sal sich niet op het hoochste -verwonderen, wanneer hy leest, hoe dat een mensch (daer het dickwils -soo haest mede ghedaen is) door soo veel ghevaer en teghenspoedt, -jae soodanighe waerin het hopen nae eenighe uytkomste scheen te -zijn als wanhopen, door des Heeren genade is ter behouder plaets -ghebracht. Doch alsoo ick vertrouwe den leser meer lust te hebben nae -het verhael self, als langher van my met reden opghehouden te worden, -wil daerom hiermede afbreecken, alleen dit noch segghende: Dat soo den -leser in de stijl of maniere van segghen yets vindt, dat soo niet en is -als de volmaecktheydt wel soude vereysschen, bidde daerin den autheur -te verschoonen, want sijn oogh-wit in 't beschrijven van dese sijne -reys is meer op waerheydt als op cierelijckheydt van segghen geweest. - - - -Hier mede vaert wel. - - - - - - - - SONNET. - - Op de beschrijvinghe van de ghedenckweerdighe - OOST-INDISCHE REYSE - VAN DEN VERMAERDEN SCHIPPER - WILLEM YSBRANTSZ. BONTEKOE. - - - Wanneer men somtijdts hoort verhalen wonder saecken, - Elck luystert met opmerck en 't klinckt ons vreemt in 't oor, - Doch twijffelingh verselt dickwils het goedt gehoor - Door dien des waerheydts glants gespaert werdt veel te vaecken; - Maer hier is d' eygen man, die selfs dit boeck gaet maecken, - En wat hem is gebeurt stelt hy hier klaerlijck voor, - Hoe Godt hem heeft bewaert, hoe hy sijn schip verloor, - Verbrande, vloogh omhoogh, door 't kruydt, met yslijck kraken. - Koopt, siet en leest dit boeck, wat p'rijckel, tegenspoed - Dees schipper op sijn reys soo dickwils is ontmoet, - Eer hy sijn Vaderlandt met lief mochte aenschouwen, - Hoe hy als Elias ghespijst is en gevoedt, - Hoe wonderbaer dat Godt op 't onvoorsienst behoedt, - Sijn goedigheydt bewijst al die op hem betrouwen, - Laet dit u spiegel zijn die d'Oceaen moet bouwen. - - - I. B. BERCKHOUT. [7] - - De waerheydt boven. - - - - - - - - KLINCK-DICHT. - - Op de wonderlijcke Reyse van W. Y. B. - - - Nieusgierigh volck, dat stof soeckt tot verwonderingh, - Waer toe te rugh gesien wat in voorleden jaren - Wtheemschen is gebeurt of vreemts is wedervaren! - Ziet hier hoe Bontekoe beschrijft hoe zonderlingh - Dat Godt hem heeft bewaert en in zijn hoede nam, - Toen 't scheen of 't water haer [8] al t' zamen zoud' vernielen; - Hoe wonderlijck, toen 't schip met meer als hondert zielen - Door 't vuur aen stucken sprongh, hy 't ongeval ontquam. - Hoe dat hy, met de boot, geberght wordt; hoe sy swerven - Alleen op Godts gena en 's levens noodtdruft derven; - Hoe Godts almogentheydt de visschen uyt de zee - Doet springhen in de boot, en vogels in haer handen - Doet vliegen; hoe dat sy by moordenaren landen - En hoe, nae veel gevaer, hy komt op Hoorens-Reê. - - - A. P. - - - - - - - - Op 't Journael van W. Y. BONTEKOE. - - - Hoe sonderlingh de Heer de menschen kan bewaren - In 't uyterste gevaer des levens over al, - Blijckt middagh-klaer aen 't geen dat Bontekoe weervaren - En andren is, soo u dit boeck vertoonen sal. - Komt hier die wonder-vreemd' histoorjen soeckt te lesen; - Leest dit Journael, 't magh wel geplaetst by d' andre wesen. - - - I. F. S. - - - - - - - - Op de beschrijvinghe van W. Y. BONTEKOE. - - - Wat voordeel geeftet aen 't gemeen, - Dat yemandt heeft veel ramps geleen, - Dat hy door allerley ghevaer - Heeft langh gesuckelt hier en daer, - En wonderlijck door Godts bestier - Geredt uyt water, moordt en vyer, - De doodt ontworstelt voor een tydt, - En noch in rust sijn jaren slijt; - Soo niet de pen tot meerder nut, - Noch vande druck-konst onderstut, - Dit aen de Werelt bracht in 't licht; - 't Welck yder met vermaecken sticht, - Waer uyt oock de nakomelingh - Mach weten sulck een wonder-dingh, - En leeren, dat des Heeren handt - Is krachtigh boven 't aerdtsch verstandt. - - - I. W. P. - - - - - - - - VERHAEL - - van de AVONTURELIJKE REYSE van - WILLEM YSBRANTSZ. BONTEKOE - van HOORN. - - -In 't Jaer ons Heeren 1618, den 28. December, ben ick, Willem -Ysbrantsz. Bontekoe van Hoorn, Tessel uytghevaren voor schipper, -met het schip ghenaemt: Nieu-Hoorn, ghemant met 206 eters, groot -ontrent 550 lasten, met een Oosten-Wint [9]. - -Den 29. dito sijn wy de Hoofden gepasseert. - -Den 30. dito 's avondts Poortlandt ghesien, de wint noch al -Oostelijck. Den 31. dito Pleymuyen ghepasseert [10]. - -Den eersten Januarij 1619 passeerden wy Enghelandts-End, de wint noch -als vooren, stelden onse koers S.W. ten S. in zee. - -Den 2. dito liep de wint S.O., stelden onse koers S.S.W. met stijve -koelte. - -Den 3. dito liep de wint Zuyden met stijve koelte, liepen W.S.W. aen. - -Den 4. dito liep de wint S.W. met een aennemende harde wint, soo dat wy -de marsseylen mosten innemen. 's Nachts begon het soo stijf te waeyen, -dat wy de fock innamen, en liepen al Westwaert over, met een seyl. - -Den 5. dito, 's nachts, kregen wy drie worpen waters in, dat het -bovenste boeve-net bykans half vol waters was; waer door het volck -begon te roepen: "wy sincken, wy sincken, de boegh-poorten sijn op" -[11]. Ick dat hoorende liep metter haest nae vooren in 't galjoen, -ende bevondt dat de boegh-poorten noch toe waren; riep derhalven: "wy -hebben gheen noodt", en sey: "knap-handigh een man nae d'urck [12] en -besiet of er geen water in 't ruym is". 't Welck datelijck gheschiede, -doch bevonden geen water in 't ruym; stelden daerom datelijck ordre om -het water uyt te baliën met leeren emmers. Maer het volck haer kisten, -door 't rumoer van 't water, schobbelden en dreven heen en weder, -dat men qualijck schrab konde komen om te baliën. Waren derhalven -genootsaeckt de kisten met koevoeten in stucken te smijten [13]; -kreghen als doen ruymte om te baliën en raeckten daardoor, met Godts -hulpe, het water quijt. Dreven doen sonder seylen, doch het schip -slingerden soo geweldigh, dat wy genootsaeckt waren het seyl weder -by te setten, om 't slingeren van 't schip wat te stutten. Leydent -al Westwaert over; het weer was heel onstuymigh, met reghen, dat het -scheen dat de lucht ende zee aan malcanderen vast en de gansche zee -brandende was [14]. - -Den 6. 7. en 8. dito wast noch al [15] quaedt weder, vermenght met -reghen; saghen dien dagh een groote menighte mieuwen, daer door ons -vermoeden was, dat wy by het Eylandt Brasil waren, soo der sulcken -Eylandt is; doch saghen het niet [16]. Halsden dien selfden dagh om en -leyden de steven Oost-waert over [17], de wint was ontrent W.S.W. al -met ongestuymigh weder, en alsoo de storm langh geduert hadde en noch -niet op en hiel, soo is eyndelijck door 't geweldigh slingeren van 't -schip en door 't recken van onse groote want (alhoewel wy het tot twee -plaetsen gheswicht hadden) onse groote mast gebroocken, ontrent vijf -vadem boven het boevenet [18]. Door deze breuck of krack vreesden wy, -dat wy de mast gheheel souden verlooren hebben; resolveerden daerom -onse groote stengh door te schieten [19] om, waert mogelijck, de mast -noch staende te houden, terwijl onse reys daer aen gheleghen was, want -indien de mast overboort geraeckt hadde, souden genootsaekt geweest -hebben wederom nae 't vaderlandt te loopen; doch kregen met groote -moeyten en ongelegentheyt de stengh door en lieten het onderste end -vande stengh door 't bovenste boevenet schieten, en woelden de stengh -alsoo tegen de mast aen, waer door hy (tot onser aller blijdtschap) -alsdoe vast stondt [20]. Dese storm duerde tot den 19. dito toe; leyden -'t dan West-waert dan Suyd-waert over, nae dat de wint schevielde [21]. - -Den 20. dito worden het moy stil weder, en terwijle wy in stilte dreven -woelden wy onse mast wel vast, en taliden onse groote want stijf aan -[22], en haelden het groote marsseyl uyt de mars, met de marsse-ree, -en stelden dat inde plaets van ons groot seyl, en setten de bramstengh -op, in plaets van onse groote stengh, en voerden het bramzeyl daer -aen, soo dat wy doen alle dingh weder klaer maeckten om te seylen en -onse reys te vervorderen [23]. Stelden onse koers nae de Canarische -Eylanden, S.S.W. aen; hadden de wint ontrent S.O. met moy weer en -raeckten door de bequaemheydt van 't weer te met weder op onse stel. - -Den 21. dito sagen wy, achter uyt, een zeyl, dat sijn best deed (soo -wy merckten) om by ons te komen; worpen het op de ly en wachten hem -in. By ons komende wast een Oostindisch vaerder, die den 29. December -1618 uyt Zeelandt was gheseylt, daeghs na dat wy uyt Tessel liepen. Sy -waren heel kant [24] en haperde niet; hadden door de storm gheen -schade gheleden. Het schip was genaemt Nieu-Zeelandt, des schippers -naem was Pieter Tijssz. van Amsterdam; hadden doen goed compagnij -aen malkander, wy seylden ten naesten by soo hard als hy, al schoon -'t ons aen de zeylen haperde, als verhaelt. De koers was als vooren. - -Den 23. dito saghen wy noch een zeyl aen stuerboort uyt; liepen daer -nae toe en vernamen dat het het schip Enchuysen was, dat met ons -was uytgeloopen, mede gedestineert om nae Oost-Indien te gaen. De -schipper was ghenaemt Jan Jansz. van Enchuysen. Waren als doe met -ons drie schepen in compagny; voeren malcanderen aen boort te gast, -en vertelden yder sijn wedervaren. Hielden de koers noch al nae -de Canarische Eylanden, die wy in 't gesicht kregen en passeerden; -hadden de wint S. O. met moy weer, voerden onse marsseyls in top, -sochten het eyland St. Anthoni aen te treffen om ververssinge te -bekomen [25], doch konden het niet in 't gesicht krijgen door de -groote mist en reghen; stelden derhalven om de seeckerheydt onse -koers nae het eylandt Ilje de May, of Ilje del Foege toe [26]. Daer -ontrent ghekomen sijnde wierd het stilletjes met variabele winden, -en mosten laveren eer wy daer aen quaemen; raeckten doe van onse twee -mackers af, alsoo sy aen Ilje de May en wy aen Ilje del Foege raeckten, -welcke eylanden niet verre van malkander leggen. - -By het eylandt komende konden geen anckergrondt vinden; liepen dicht -onder 't landt inde calmte. Wy hadden ettelijcke kleyne masten en -spieren uyt Hollandt mede ghenomen; haelden die voor den dagh, voerden -die achter tot de poort uyt, en haeldense in 't schip. Een spier van -14 palm saeghden wy middendoor [27], maeckten daer twee wanghen af, -leyden die (neven noch twee andere wanghen) op onse mast, 't welck onse -mast zoo sterck maeckten als hy te vooren geweest hadde. Ondertusschen -sonden wy onse sloep nae landt om te visschen; dicht onder 't landt -komende quamen de Spanjaerts met geladen musschetten op strand en -schoten nae onse sloep toe, te kennen gevende dat sy ons volck niet -aan landt begheerden te hebben; quamen alsoo met de sloep wederom aen -boort, mede brengende weynigh vis, die sy noch gevanghen hadden. Waren -ondertusschen noch al besich met woelen en wangen van onse mast. De -mast klaer sijnde, setten onse stengh daer weder op, en kregen alle -dingh weder klaer en kant, daer over wy al te samen seer verblijdt -waren, want onse mast stond weder soo fray dat het een lust was. Hy -was bynae soo dick als een pijlaer van een kerck. Raeckten dien avondt -wederom uit de calmte van 't voorschreven eylandt, stelden onse koers -om de Linie Aequinoctiael te passeren. - -'t Gebeurde terwijl wy onder dit eylandt lagen, dat sulcken stof van -'t landt quam, even gelijck oft as van vyer gheweest ware, en stoof -soo dicht aen 't want van 't schip, dat het want soo wit was of het -met witte as bestooven was. 's Anderen daeghs 's morgens, doen de -kock vroo-kost hadde geschaft [28], sagen wy twee seylen in ly achter -uyt, lieten onse marsseylen loopen [29] en hielden daer nae toe. Daer -bykomende warent onse twee mackers, te weten 't schip Nieuw-Zeelandt en -'t schip Nieuw-Enchuysen, die by de eylanden Ilje de May en Ilje del -Foege by nacht van ons gheraeckt waren; waren seer verblijdt, voeren -malkander aen boort, vertelden malcander ons wedervaren. Sy verhaelden -ons, dat sy aen landt hadden gheweest op Ilje de May om te verversen, -doch hadden niet konnen bekomen en hadden twee man verlooren, die -van de Spanjaerts doodt gheslaghen waren, waer van den eene van Hoorn -was, ghenaemt Ysbrant Dirckz. Hadden een S. O. wint; hielden noch al -koers nae de Linie Aequinoctiael. Onder de Linie komende werdt het -stil, hadden somtijdts oock harde travaden [30] met regen en wint, -hadden de wint altemet uyt alle boeghen, soo dat wy drie weecken t' -soeck brachten eer wy de Linie Aequinoctiael konden passeeren. Het -was by nacht altemet of de gantsche zee vyer was, soo pruysten de zee, -en schenen voncken vyers te zijn, die voor van de boegh van 't schip -af stoten, en by daegh hiel het op; waren over dat (meer als gemeen) -vyeren des zees altesamen seer verwondert. Stelden onse koers om boven -de Abriolhos te seylen [31]; hadden een S. O. wint. By de Abriolhos -komende stilde de wint; vreesden derhalven wy daer niet boven souden -mogen [32], doch te met naderende, ruymde de wint handt over handt, -liepen evenwel daer soo dicht by langhs dat wy de uytterste eylanden -sagen; raeckten alsoo (met Godts hulpe) daer boven, waren daer over -altesamen seer verblijdt, want hadden wy 't moeten wenden, soude een -langhe reys gevallen hebben, met perijckel om veel sieck volck te -krijgen. Wy gaven het volck dien dagh dubbelt rantsoen van eten en -aen yder bacx-volck een flap-kanne Spaensche wyn [33]. Setten doe onse -koers nae de eylanden van Tristandeconde [34]. En nae dat wy ettelijcke -dagen geseylt hadden, kregen wy de hooghte van de selfde eylanden, -doch en sagense niet. Kregen een N.W. wint, liepen doe Oostelijck aen -om de Caep de Bonesperanse aen te doen. En nae dat wy een tijdt langh -die koers hadden gehouwen, sagen wy swart ghesprenckelde mieuwen, -vinghender altemet, met houtjes, die wy met een velletje van een -reusel overtogen, met hoecken daer aen, en haeldense in 't schip -tot tijdt-kortinge. - -Het sien van deze voorschreven mieuwen is een teycken dat men de -Caep de Bonesperanse is naeckende, want sy volghden ons tot de Caep -toe. Maer dit is een onfeylbaer teycken om de Caep te sien, of om te -weten dat ghy daer ontrent zijt, te weten: Als ghy met de peylinghe -van 't compas bevindt, dat het compas recht Suyen en Noorden houdt -[35], siet dan uyt nae landt. Wy dit proevende sagen het landt, te -weten de Caep de Bonesperanse, doch waeyden soo stijf uytten Westen, -dat wy met een ghebolde fock liepen [36]; dorsten het landt niet -aendoen. Vergaderden derhalven de scheepsraedt en resolveerden, dat -wy de Caep verby souden seylen, door dien dat wy altemael noch gesont -volck hadden en geen water ghebreck; lietent daerom deur staen en -voort loopen. Dit was in 't laetste van de May, wesende vijf maenden -nae dat wy uyt Hollandt seylden. - -Wy hielden onse koers ontrent by de wal langhs tot het landt van -Terre de Natal toe. Daer verby seylende wast heel moy weer, voeren -malcander aen boort en maekten goet chier. En alsoo het schip Enchuysen -ghedestineert was om nae de kust van Cormandel te gaen, begeerden -ons te verlaten en een ander koers te stellen, om binnen het Eyland -St. Lourentius oft anders ghenaemt Madagascar door te loopen, en -voort nae de Mayottes om aldaer te ververschen [37]; namen afscheydt, -malcander behouden reys wenschende. Wy en het schip Nieu-Zeelandt -stelden onse koers om buyten St. Lourentius om te loopen, en terwijl -wy met het schip Nieu-Zeelandt in compagnie seylden, quamen malcander -altemet aen boord en voerden nacht om nacht het vyer [38], doch kreghen -achter nae differentie om de koers te stellen, konden niet accordeeren, -ja, liep soo verd', dat wy van malcander af scheyden en liepen elck die -koers die hem best docht. Nieu-Zeelandt liep 2 streecken Suydelijcker -als wy; sy hadden op die tijdt al veel sieck volck. - -Nae dat wy een langhe tijdt geseylt hadden sint wy van een scheyden, -hebbende de hooghte van 23 graden besuyen de Linie Aequinoctiael, -kreghen alle dagen veel siecken, uyt welcke oorsaeck de officiers -(uyt last van 't ghemeene volck) inde kejuyt quamen, versoeckende dat -wy nae het Eylandt Madagascar souden loopen om te ververschen: waren -bevreest dat al 't volck noch sieck soude worden, want daer lagender -ontrent 40 inde koy en veel andere van 't volck klaeghden van niet -wel te pas te zijn. Besloten daerom, met de gansche scheeps-raet, -dragent te houden [39] nae het Eylandt Madagascar toe, nae een -Bay genaemt Sancte Losie. By 't landt komende konden geen plaetse -bekennen om 't schip te berghen; setten onse boot uyt en ick ben met -de boot wel gemant na 't landt gevaren; het schip hielt af en aen by -'t landt. Met de boot by 't landt komende storte de zee soo tegen 't -landt, datter geen kans was aen te komen, saghen ettelijcke persoonen -op strant komen, en een van onse maets sprongh overboort en quam by -'t volck op 't landt, maer hy kond' haer niet verstaen; sy wesen met -de handen neerwaert aen, als of sy seggen wilden dat daer wel plaets -was om aen te komen. Sylieden en hadden geen vervarschinge by haer, -dat wy sien konden; mosten derhalven vruchteloos wederom nae boort -toe. Als wy nu sonder vervarschinghe aen boort quamen (hoewel het -ons altesamen heel moeyelijck was) soo waren de siecken daer in -boven maten bedroeft. Resolveerden weder zee te kiezen en liepen om -de Suyd' tot de hooghte van 29 graden, en wendent doe weder over en -liepen Oost ten Suyen aen, tot dat wy ons vonden op 17 graden suyder -breete van de Aequinoctiael. Doe versocht het volck wederom om het -landt aen te doen, om te sien of wy geen ververschingh konden becomen, -'t welck wy goedt vonden, want wy saghen, datter alle dagen noch meer -in vielen van ons volck, en eenige storven. Resolveerden daerom het -Eylandt Mouritius of het Eylandt de Maskarinas aen te doen en stelden -de koers tusschen beyden in, want dese eylanden legghen niet verd -van malcander [40]. Quamen alsoo op 't Oost-eynde van 't Eylandt de -Maskarinas te land, liepen dicht by de hoeck om, by de wal langhs, -vonden 40 vadem diepte dicht aen 't landt; lietent ancker vallen, -doch was een onbequame plaets om 't schip te legghen, door dien het -soo dicht aen 't landt was. Daer leggende quamen de siecken uyt haer -koyen kruypen en wouden gaern aen landt wesen; maer alsoo de zee vry -wat aenliep [41], waren wy schroomachtigh met de siecken aen landt te -varen; stuerden de boot nae landt toe, om te sien hoe of daer ghestelt -was; quamen aen landt en vonden hoop-werck van landt-schiltpadden, -quamen wederom scheep en de siecken stonden al aen, datmen haer aen -landt soude brengen, want sy de lucht in de neus hadden, seggende: -"Waren wy aen landt wy waren half ghesondt". Maer de koopman, Heyn Rol, -wilde het in geenderleye manieren consenteren; gaf voor reden dat het -daer schor was [42], dat wy licht mochten van 't landt afdrijven en van -al ons volk versteecken worden. Doch het volck hielt al aen en baden -my bynae met gevouwen handen, of ick haer aen landt wilde brengen, -soo dat sy my eyndelijck vermurruwden dat ick het consenteerde. Gingh -by de koopman Heyn Rol en vraeghde of hy het wilde toestaen. Gaf voor -antwoordt: "neen, in geender manieren". Doe seyde ick teghen hem: -"soo neem ick het dan over my, ick salse aen landt brenghen". Liep -boven by 't volck en seyde: "kom, t'sa mannen, helpt malcander inde -boot, ick sal u aen landt brengen". Doen holpen de maets de siecken -inde boot; ick liet haer een seyl geven om een tent af te maken, -oock oly en asijn, potten om in te koocken, nevens andere eetbare -waren; oock kox, die de siecken souden waernemen en bekoocken [43], -en voer datelijck met haer nae landt. - -Aan landt wesende kroopen sy by malcander in 't gras en seyden: "wy -voelen alreets beterschap"; en soo wy toesaghen vonden in de boomen -groote menighte van duyven, van die blauwe velt-vliegers; lieten haer -met de handen grijpen en met stockjens en rieten doodt slaen, sonder -dat sy het belul hadden wegh te vlieghen. Sloeghender op dien dagh wel -ontrent de twee hondert; trocken daer mede te vyer, aen 't sieden en -aen 't braden voor de siecken, en oock voor de gesonden. Vonden oock -menighte van landt-schiltpadden; koockten die met pruymen van Damast -[44], die wy uyt Hollandt genoegh hadden mede ghebrocht. Ick voer -eyndelijk weder aen boort, latende de siecken (die ontrent veertigh in -'t ghetal waren) met de kocx aen landt blijven. Scheep komende vonden -goet (alsoo het schip op een quade perijculoose plaets lagh), dat ick -met de ghemande boot 's nachts van boort soude varen, en seylen by de -wal langhs om te besien of wy gheen beter ree (om het schip te leggen) -konden bekomen. 't Welck ick dede en seylde met de boot by 't landt -langhs en vondt een fraye santbay om 't schip in te leggen, ontrent -vijf mijlen vande plaets daer 't schip lagh. Voeren in de bay aen -landt en bevonden dat aldaer een groot binne-water was, doch niet heel -vers en ontstont hier uyt, soo wy oordeelden, om dat het boven drie -schepen-langhte niet van de strand' was, waer door het soute zeewater -door 't sant heen lecte in 't binnewater en maeckte dit alsoo brack. - -Voort op het landt komende vonden menighte van gansen, duyven, grauwe -papegayen en ander ghevoghelte, oock menighte van landt-schiltpadden; -sagender wel 20 a 25 onder de schaduwe van een boom sitten, kondender -soo veel van krijghen als wy begheerden. De gansen waren soo wijs -niet datse opvloghen als wyse naliepen; smetense [45] met stocken -doodt, sonder dat se opvlogen. Daer waren oock eenige dod-eersen, -die kleyne vleugels hadden, maer konden niet vliegen; waren soo vet -dat se qualijck gaen konden, want als sy liepen sleepte haer de neers -langhs de aerde [46]. - -Maer dat meest te verwonderen was, de papegayen en ander gevoghelte, -als wy daer een of hadden en dat wat meulden [47] dat het kreet, -soo quamen alle de anderen, die daer ontrent waren, daer nae toe, -ghelijck of sy haer wilden ontsetten, en lieten haer mede grijpen; -kregen derhalven genoegh van dat goet om te eten. Dit alsoo gesien -hebbende keerden wederom met de boot nae 't schip, dat (als geseydt) -ontrent vijf mijlen daer van daen lagh. Aen boort komende vertelden -hoe wy ghevaren waren, hoe wy daer een goede reed' in een sandt-bay -ghevonden hadden en goede ancker-grondt om 't schip in verseeckertheydt -te legghen. Hier over waren sy altesamen seer verblijdt; voeren met de -boot en bootschapten ons volck, die wy tegen 't schip over aen landt -hadden geset, dat wy met het schip verseylen souden vijf mijlen van -daer, en souden weder by haer komen; die daerin wel tevreden waren. - -Aen boort komende lichten onse ancker op en liepen daer nae toe, en -setten 't [48] in de voornoemde sant-bay op 35 vadem en vertuydent -wel vast [49]; lieten doe al het volck meest aen landt loopen om te -bosscharen wat sy krijgen konden [50]; stelden oock ordre datter acht -mannen met de segen souden gaen visschen in het binne-water (daer van -verhaelt is), om te sien of sy voor 't volck de sood' souden konnen -vangen. Sy togen te werk en vingen schoone visschen, te weten harder -en ander vis, oock mede visschen van de groote gelijck salmen, die -delicaet en vet waren. - -Vonden mede vers water, sijnde een kleyn reviertje, dat vande bergen -quam afloopen nae de strand' toe, welck reviertje aen beye sijden heel -cierlijck met kleyne boompjes bewassen was daer 't water tusschen door -liep soo klaer als een kristal; brachten daerom al onse lege-leggers -[51] aen landt en vuldense uyt dat reviertje, en lietense staen ter -tijdt toe wyse tegen ons vertreck souden scheep halen, of alst ons -goet dochte. - -Hier by dit water vonden wy oock een seecker bort, daer in met -gehouwen of ghesneden letters gheschreven stont, dat de commandeur -Ariaen Maertsz Block daer hadde gheweest met een vloot van derthien -seylen; hadde aldaer ettelijcke sloepen verlooren met eenige van sijn -maets, alsoo de sloepen in 't landen sticken worden gesmeten waer door -eenige maets verdroncken [52]. Die tijdt dat wy daer lagen lieper de -zee noyt soo sterk aen. - -Op dit voorschreven Eylandt de Maskarinas en woont gheen volck. Ons -volck liep meest het geheele eylandt deur en deur, en boschkaerden -overal; geneerden haer al [53] met het gevogelte en visschen. Sy wisten -de vogelen soo fray te braden aen houten speeten en namen het smeer -uyt de schilt-padden en bedroopten in 't braden de voghels daer mede, -waer door sy soo delicaet worden [54] dat het een lust was om daer -van te eten. - -Vonden oock mede een afloopent water, daer groote aalen in waren. Het -volck trocken haer hemden uyt en hielen die soo open in 't afloopent -water, en vinghense alsoo in haer hemden; waren heel lecker van smaeck. - -Hier sagen wy oock een dingh, daer in wy alle verwondert waren, -te weten: hoe dat de zee-schiltpadden 's morgens uytter zee op -strant quamen loopen en schraepten een kuyl in 't sant en leyden hare -eyjeren daer in, in groot getal, wel tot hondert ja twee hondert toe, -en schraepten het sant dan weder over de eyjeren, welcke eyjeren -door de son, als die op de middagh en door den dagh heet scheen, -worden3 uytgebroet, datter jonge schiltpadden uyt quamen. Saghen -se met verwonderingh aen, want sy waren niet grooter als dat haer -schiltjes waren als groote neute-doppen. - -Vonden daer oock eenighe segewaer en palmede-boomen, daer wy dranck -uyt tapten, soo soet en van smaeck als soet-way [55]. - -Sagen daer oock eenighe bocken loopen, maer door haer groote -wildigheydt kostender gheen bekomen, als alleen eene, die soo oudt -was dat sijn hoornen hem van de wormen worden opge-eten. Was onbequaem -om van menschen ge-eten te worden. - -En dewijl wy alle dagen daer dus doende waren, quamen diegene die -wy sieck aen landt hadden geset (als verhaelt is) altemael wederom -by ons, ghesondt en fris zijnde, uytghenomen seven die noch sieck -bleven leggen, die wy noch daer nae (doe wy klaer waren) met de boot -wederom t' scheep haelden. - -Wy teerden het schip van binnen en buyten en setten de poorten altemael -op, datter de lucht in en door soude wayen, en besprenghden het schip -oock tot ettelijcke plaetsen met asijn; alles om een goede gesonde -lucht in 't schip te krijgen. - -Wy hadden tot ons gerijf een sonne-wijser aen landt gheordoneert, daer -aen wy altijdt konden sien hoe laet het op den dagh was. En na dien -wy alle dagen het gevogelte soo nae liepen, waren sy eyndelijck soo -schichtigh en schuw' van ons, dat sy wegh vlogen als wy haer ontrent -quamen; waer door dat het ghebeurde dat onse opper-stierman Jan Piet -van Hoorn met een voghel-roer aen landt gingh, om noch ettelijcke -gansen en andere voghels te schieten. En na veel of eenighe schoten -borst, in 't schieten, de loop uyt de laed van 't roer, dat de -broeck-schroef recht boven sijn oogh in 't hooft sprongh, waer door -hy sijn eene oogh verloor. - -Eyndelijck maeckten wy ons schip weder klaer om te vertrecken. Sloegen -onse zeylen weder aen, haelden onse water t' scheep, stuerden een -trommelslager aen landt, die sloegh ende riep het volck altemael by -malkander; namen ontrent hondert schildt-padden mede in de boot, die sy -scheep brochten. Hadden ons van alles wel versien, van schilt-padden, -gevogelte, gedrooghde vis, die het volck ghevangen en ghedrooght -hadden. Wy in de cajuyt hadden een heel vat vol gansen ingheleydt -met asijn, half gaer ghekoockt wesende; hadden oock mede een goedt -parthy vis ingheleydt, met asijn om goedt te blijven. - -En nae dat wy aldaer 21 dagen gelegen hadden en gereet waren, zijn -wy t' seyl ghegaen; staecken by de windt over, hoopten het eylandt -Mauritius te beseylen, maer quamen te laegh [56], konden het van -beneden moy sien doch niet aen komen. Want al schoon wy aen het -eylandt de Maskarinas soo langh ghelegen hadden, en van alles wat -op het eylandt was ghenoegh bekomen hadden, soo waren evenwel ons -volck noch altemael niet gesont geworden, want daer warender vele, -die noch klaeghden. Dit gaf de officiers oorsaecke, om uyt de naem van -'t volck in de cajuyt te komen en te vraghen, of het niet geraetsaem -was, dat wy noch een ander verversch-plaets souden aendoen, dewijl -het volck noch niet altemael ghesont was en wy noch langh om de Suydt -mosten loopen, aleer wy inde travande winden [57] souden komen, -om alsoo onse reys nae Batavia of Bantem te vervorderen, dat het -ons konde ontschieten en het volck wederom invallen [58]. Waer op wy -nae langhe deliberatie met de scheepsraedt goedt vonden draghent te -houden nae het eylandt Sancte Maria, leggende dicht aen 't landt van -Madagasker, recht voor de groote Bay van Antongiel. Steldender onse -kours nae toe, kreghent in 't gesicht en liepen boven 't West-eynd' -van 't eylandt om, op 6, 7 a 8 vadem waters; mochten de grondt soo -klaer sien als den dagh; liepen aen de binne-kant van 't eylandt en -settent op 12 a 13 vadem goede grondt. De inwoonders van 't landt ons -siende zijn datelijck met een prauwtjen (zijnde een schuytjen uyt een -boom ghehouwen) aen ons boordt ghekomen en brochten eenige appelen, -lemoenen, wat rijs en hoenderen met haer; bewesen ons dat sy sulck -goedt meer aen landt hadden, brachten dit tot een munster. Bewesen ons -oock door kennelijcke tekenen met de mondt, dat sy oock noch koeyen, -schapen, kalveren, hoenderen en ander goet hadden; riepen boe, bee, -koekleloeloe: dat waren koeyen, schapen en hoenderen. Wy sagen dit -volck met verwonderingh aen. Wy gaven haer wijn te drincken uyt een -silveren schael; sy waren soo wijs niet, dat sy daer te degen uyt -konden drincken, maer staken het hooft of aengesicht in de schael en -droncken ghelijck de beesten uyt een emmer drincken; en doen sy de -wijn in 't lijf hadden, tierden sy haer of sy geck waren. - -Dit volck was gantsch naeckt, uytgeseydt dat sy een kleetjen om de -middel hadden voor de schamelheydt; waren geelachtigh-swart van coleur. - -Wy voeren alle dagen aen landt en ruylden kalveren, schapen, rijs en -melck voor bellen, lepels, geel-hechte messen [59] en kralen. - -De melck brochten sy ter merckt in bladeren, die in malkander -gevlochten waren, van fatsoen als buysse-koolen [60]. Aen boort -komende sneden wy de bladen stucken, en soo quam de melck daer uyt -loopen. Ruylden oock appelen en lemoenen, doch weynigh. Resolveerden -derhalven met het schip een mijl 2 a 3 te verseylen; lichten ons -ancker en seylden op een ander plaets. Aen landt komende vonden daer -oock weynigh appelen; hier waren oock water-lemoenen en Spaens speck -[61]. Wy vonden goedt dat ick met de ghemande boot soude overvaren -aen 't landt van Madagaskar, om met wat koopmanschap te besien -of ick aldaer niet een party appelen en lemoenen konde bekomen; -'t welck ick dede en voer over. Quamen voor een revier, die wy wel -een mijl anderhalf oproeyden; souden hem verder opgeroeyt hebben, -maer de boomen, die aen beyde sijden van de revier stonden, hingen -soo nae malkander toe, jae, tegen malkander aen (so nau worden het -vaer-water van de revier op 't laetst), dat wij eyndelijck terugh -mosten keeren. Vernamen gants geen volck, noch vruchten; mosten also -vruchteloos wederom. Sliepen een nacht op 't landt; quamen (na dat wy -drie dagen uyt geweest hadden) weder behouden aen 't schip. Voeren des -anderen daeghs weder aen 't eylandt daer 't schip onder lagh; kregen -doen noch een deel lemoenen, appelen, melck, rijs en banannessen. - -Al ons volck worden in die tijdt dat wy daer lagen weder soo fris en -gesont, of wy eerst uyt Hollandt geseylt waren. Wy namen veeltijdts -als wy aen landt voeren een speelman mede, die op de fioel speelde, -waer in het volck van 't landt haer seer verwonderden, jae waren -daer soo nieu toe, dat sy niet wisten hoe sy 't hadden; ginghen daer -rondom sitten en staen, knipten op de duymen, dansten en sprongen, -en waren verheught en vrolijck. Wy en konden aen haer geen teycken -van kennisse Godts of godsdienst bespeuren, maer hadden aen sommighe -plaetsen buytens huys ossen-hoofden op staken opgerecht, daer voor sy -(soo wy bemercken konden) nedervielen en aenbaden; schenen heel vreemt -te wesen en sonder gevoel van den waren Godt. - -Den 9. dagh dat wy daer gelegen hadden, ons volck als geseyt fris en -gesont wesende, krengden [62] wy ons schip op zijd, soo veel als wy -konden, en maeckten 't onder schoon met verckenen en schrobben, en -gingen t' seyl; liepen om de Zuyd tot op de hooghte van 33 graden, -wenden als doen weder Oost-waert over en stelden onse koers doen -na de Straet van Sunda toe. En ghekomen sijnde op de hooghte van -vijf en een halve graed, sijnde de hooghte van de voorschreven -Straet van Sunda, wesende den 19. dagh van November 1619, soo is -door 't pompen van brandewijn de brandt in de brandewijn ghekomen; -want de botteliers-maet gingh (nae ouder gewoonte) met sijn vaetjen -'s achter-middaeghs in 't ruym en soude dat vol pompen, om alsoo -'s anderdaeghs 's morgens aen de gasten yder een half mutsjen uyt -te deelen [63]. Hy nam een keers mede en stack de steker inde boom -van een vat [64], dat een laegh hooger lagh alst vat daer hy uyt -pompte. Sijn vaetje vol gepompt hebbende soude hy de steker daer de -keers op stond uyt halen, en alsoo hy die wat vast hadde ghesteecken, -haelt hyser met een force uyt. Daer was een dief aende keers [65]; -die vielder doe of, en viel juyst inde spons [lees: spon] van 't -vat daer hy uyt gepompt hadde. Hier door ontfingh de brande-wijn en -vloogh terstondt op, tot het vat uyt; de booms borsten uyt het vat en -de brandende brandewijn liep beneden in 't schip, daer smits-koolen -laghen. Strackx wordender gheroepen: "brandt! brandt!" Ick lagh doen -ter tijdt op 't boevenet en keeck door de traliën [66]. Dat gherucht -hoorende liep datelijck beneden in 't ruym. Daer komende sagh gheen -brandt; vraeghde: "waer is de brandt?" Sy seyden: "Schipper sie daer, -in dat vat". Ick stack mijn arm in 't vat en konde geen brandt voelen. - -De botteliers-maet, daer de brandt deur quam, was van Hoorn, en was -genaemt Keelemeyn. Hy hadde twee kitten met water by hem gehadt; -die had hyder opgegooten, waer door het scheen dat de brandt uyt -was. Doch ick riep om water van boven, 't welck datelijck quam, met -leeren emmers, en goot so langh dat wy geen meer gewach van brandt -sagen. Gingen uyt het ruym; maer omtrent een half uer daernae begonnen -sy weder te roepen: "brandt! brandt!" waer door wy altesamen seer -verbaest [67] waren. Trokken nae 't ruym en saghen dat de brandt van -onderen opwaert sloegh, want de vaten stonden drie en vier hoogh, en -de brandt was door de brandewijn beneden inde smits-koolen gheraeckt; -trocken wederom te werck met leeren-emmers en gooten soo veel water dat -het te verwonderen was. Maer alweder een nieuwe swarigheydt, want door -'t water gieten in de smits-koolen gaf sulcken stinckende-swaveligen -roock op, datmen smooren en sticken wilde in 't ruym van bangigheydt -[68]. Ick was meest in 't ruym om order te stellen en liet altemet -ander volck in 't ruym komen tot ververschingh. Ick vermoede datter al -veel in 't ruym verstickt bleven leggen, die de luycken niet hebben -konnen vinden; ick self was menighmael het soecken schier bijster, -gingh met mijn hooft altemet op de vaten leggen om adem te scheppen, -het aengesicht na 't luyc toekeerende; lieper eyndelijc uyt; gingh -altemet by de coopman Heyn Rol en seyde: "maet, het is best dat wy -het kruyt over boord smijten"; maer de coopman Heyn Rol en konde -hier toe niet resolveeren, gaf voor antwoordt: "smijten wy het kruyt -over boort, wy mochten de brandt uyt krijghen en komen daernae in -'t gevecht teghen onse vyandt, en als wy dan (geen kruyt hebbende) -genomen wierden, hoe souden wy 't verantwoorden?" - -De brant en wilde niet slissen, en niemant konde in 't ruym schier -langer harden door den stinckenden roock (als verhaelt is). Wy hielden -achter nae gaeten inden overloop [69] en gooten gheweldigh met water -daer door, en door de luycken; mochte evenwel niet helpen. Onse groote -boot hadden wy wel drie weecken te voren uytgheset en sleepten hem -achter aen, en de sloep, die voor op 't boevenet stont, was oock -uytgeset, omdat hy ons in de weegh stont om 't water te mannen [70]; -en alsoo daer groote verbaestheydt [71] in 't schip was, ghelijck -men wel dencken mag, (want het vyer en het water was voor ooghen en -geen ontset van yemandt op aerden, door dien wy alleen waren sonder -eenigh landt, schip of schepen te sien) soo liepender veel van 't -volck te met over boort en kropen tersluyp met het hooft onder de -rusten [72], opdat men haer niet sien soude, en lieten haer dan in -'t water vallen en swommen alsoo aen de schuyt en boot, klommender -in en verburgen haer onder de doften en plechten totter tydt toe dat -haer dochte dat sy volckx genoegh in hadden. - -Heyn Rol, de coopman, quam by geval inde geldery [73]; was verwondert -datter soo veel volck inde boot en schuyt was. Het volk riep Heyn -Rol toe en seyden, dat sy wilden ofsteken en soo hy mee wilde soo -mochte hy hem op de val-reep neder laten. Heyn Rol liet hem overreden -en klom by de val-reep neer, en quam alsoo by haer in de boot. Heyn -Rol die seyde: "Mannen laet ons wachten tot dat de schipper komt", -maer hy en hadde daer geen commandement, want toen sy Heyn Rol hadden, -sneden sy de touwen sticken [74] en roeyden alsoo van 't schip of. En -alsoo ick doende was met het volck met order te stellen om de brandt, -waer 't mogelijck, te uytten, quamen andere van 't volck by my -gheloopen en seyden met groote verbaestheydt: "Och lieve schipper, -wat raedt! Wat sullen wy doen? De schuyt en boot zijn van 't schip -en roeyen wegh!" Ick seyde teghen haer: "Is de schuyt en boot wegh, -soo zijnse op sulcken conditie wegh gevaren, datse niet weer sullen -komen." Doe liep ick metter haest nae boven toe en sach dat sy wegh -roeyden. De seylen van 't schip laghen doe ter tijdt op de mast -[75]; het grootzeyl was opghegijt [76]. Ick riep teghen 't volck -knaphandigh: "Hael de seylen om! Wij sullen sien, of wyse konnen -beseylen en stroopense onder de kiel deur [77]. Dat haer dit en dat -hael!" Wy setten de seylen schrap en seylden daer nae toe. By haer -komende roeyden sy ontrent drie schepen-langhte voor 't schip over, -want sy wilden by ons niet wesen, maer roeyden in de windt op, van -'t schip af. Doe seyde ick: "Mannen, wy hebben (naest Godt) onse -hulpe nu by ons, ghelijck ghy siet. Een yegelijck steeck nu sijn -handen uyt de mouw om (soo veel als ghy kondt) de brandt te uytten, -en gaet datelijck nae de kruytkamer en smijt het kruyt overboort, -dat ons de brandt in 't kruyt niet en beloopt." 't Welck gedaen wierde. - -Ick met alle de timmer-luyden stracx overboort met dopgudsen en -navegers [78] om gaten in 't schip te boren, zijnde van voornemen -het water een vadem anderhalf in 't schip te laten loopen, om de -brandt alsoo van onderen te uytten; maer konden niet door 't schip -komen, overmidts datter soo veel yserwerck in de weegh was. Somma, -de benautheydt die in 't schip was kan ick niet wel uytspreecken; -het ghekerm en ghekrijt was boven maten groot. Vielen doen wederom -dapper aen 't water gieten, waer door het leeck dat de brandt -minderde; doch een weynigh tijdts daer nae quam de brandt inde oly; -doen was de moet gants verloren: want hoemen meer water goot, hoe -de brandt scheen grooter te worden, sóó vloogh de brandt op door -de oly. Hier door ontstont sulcken ghehuyl, ghekerm en gekrijt in -'t schip dat een mensche de hayren te berghen stonden; jae, de -bangigheydt en benautheydt was soo groot, dat het klamme sweet de -menschen afliep; waren evenwel noch al besich met water te gieten en -kruyt over boordt te smijten, tot het eynde toe dat de brandt ons in -'t kruyt beliep. Ontrent 60 half vaten kruyt hadden wy overboordt, -doch haddender noch wel ontrent 300 in, daer wy mede opvloghen, -met alle man. Het schip sprongh aen hondert duysent stucken; 119 -persoonen waren wy noch in 't schip doe het sprongh. - -Ick stonde doen 't aengingh by de groote hals boven op 't schip en -ontrent 60 persoonen stonden recht voor de groote mast, die 't water -overnamen [79]; die worden al te samen wegh genomen en aan hutspot -gheslaghen, datmen niet en wist waer een stuck bleef, als oock van -alle de anderen. En ick, Willem Ysbrantsz. Bontekoe, doe ter tijdt -schipper, vloogh mede inde lucht; wiste niet beter of ick most daer -mede sterven. Ick stack mijn handen en armen nae den Hemel en riep: -"Daer vaer ick heen, o Heer! weest my arme sondaer genadigh!" Meende -daermede mijn eynde te hebben; doch hadde evenwel in 't op-vlieghen -mijn volle verstant, en bemerckte een licht in mijn herte dat noch -met eenige vrolijckheydt vermenght was, soo 't scheen, en quam alsoo -wederom neer in 't water, manck de stucken en borden van 't schip, -dat heel aan stucken was [80]. In 't water leggende kreegh ick sulcke -nieuwe couragie gelijck of ick een nieu mensch hadde gheweest. Toe -siende soo lagh de groote mast aen mijn eene zijd' en de focke-mast -aen mijn ander zijd'; ick klom op de groote mast en gingh daer op -leggen en sagh het werck eens over, en seyd': "O Godt! hoe is dit -schoone schip vergaen, gelijck Sodoma en Gomorra." - -Hier dus legghende sagh gheen levendigh mensch, waer dat ick heen sagh; -en terwijl ick hier dus lagh in ghedachten, soo komter een jonghman by -mijn zijd' opborlen en smeet met handen en met voeten, en hy gheraeckte -aende knop vande steven (die weer was comen opdrijven) seggende: -"Ick ben al klaer." Doe keeck ick om en seyde: "O Godt! leefter noch -yemant?" Deze jonghman was genaemt Hermen van Kniphuysen, uyt de Eyder -van daen. Ick sagh by dese jonghman een spiertjen of kleyn-mastjen -drijven, en alsoo de groote mast (daer ick op lagh) vast om en wederom -walterde, dat ick daer niet wel op blijven kon, seyde ick tegen hem: -"schuyft my dat spiertjen toe, ick salder op gaen leggen en halen my -alsoo nae u toe, soo sullen wy by malkander gaen sitten," 't welck -hy dede, en quam alsoo by hem. Dat ick anders niet wel by hem soude -gekomen hebben, quam omdat ick in 't opvliegen soo geslagen was. Mijn -rugh was heel beschadicht, hadde oock twee gaten in 't hooft; want het -quam soo aen, dat ick dochte: "o Heer! noch een beetje, soo ben ick -doodt." Ja het scheen, dat my hooren en sien vergingh. Wy saten hier -by malkander, elck een inneckhout vande boegh in den arm hebbende -[81]. Ginghen staen en keken uyt na de schuyt en boot; wordense -eyndelijck gewaer, doch waren soo verd' henen dat wy qualijck sien -konden of de voor-steven of de achter-steven na ons toe lach. De -son was aen 't water om onder te gaen. Seyden doen tegen mijn maet: -"Harmen, het schijnt dat onse hoop hier verloren is, want het is laet, -de son gaet onder, de schuyt en boot zijn soo verd', datmen haer -qualijck sien kan; het schip is stucken, en wy moghen 't hier (op -'t wrack) niet langh harden; daerom laet ons God almachtich bidden -om een goede uytkomst." Wy deden soo en baden Godt seer ernstelijck -aen om een goede uytkomste; het welcke wy kregen, want als wy weder -opsagen, so was de schuyt met de boot dicht by ons, om het welcke wy -seer verblijt waren. Ick riep datelijck: "Bergh de schipper! bergh -de schipper!" Sy dat hoorende waren seer verblijt en riepen: "De -schipper leeft noch, de schipper leeft noch!" en roeyden daerop -dichte by 't wrack en bleven daer soo leggen met schuyt en boot; -dorsten niet by ons komen, vermits zy vreesden, dat een stuck van -'t wrack door de schuyt of boot soude stooten. - -De jonghman Harmen van Kniphuysen was noch soo moedich, dat hy hem van -'t wrack af begaf en swom aende boot. Hy hadde weynigh letsel gekregen -van 't opvliegen, maer ick riep: "Wilt ghy my hebben, soo moet ghy my -halen, want ick ben soo geslagen, dat ick niet swemmen kan". Doen -sprongh de trompetter uyt de boot overboort met een loodlijn, -(die sy noch hadden) en brocht my het end'. Ick maeckte die om mijn -middel vast en sy haelden my nae de boot toe, en quam alsoo (de Heer -sy gelooft!) inde boot. Inde boot wesende quam achter by Heyn Rol, -Willem van Galen en de onderstierman, genaemt Meyndert Krijnsz. van -Hoorn, die seer verwondert waren dat ick noch in 't leven was. Ick -hadde inde boot achter een roefjen laten maken, daer wel een paer -man in mocht, dwars over de boot; daer kroop ick in en dochte: ick -mocht wat overleggen; want ick giste niet langh te sullen leven, -door de slagh aen mijn rugh en de twee gaeten in mijn hooft; doch -seyde evenwel tegen Heyn Rol en de anderen: "Blijft te nacht by -'t wrack; wy sullen morgen alst dagh is wel eenige fictualie bergen, -en mogelijck noch wel een compas vinden om het landt te vinden." Want -daer was in de schuyt en boot noch compas, noch kaert, noch boogh, -noch geen of weynigh eten en gheen drincken; met sulcken haestigheyt -waren sy van 't schip ghevaren. Seyden oock, dat de opper-stierman, -Jan Piet van Hoorn, de compassen uyt het nachthuys hadde genomen; -'t scheen dat hy al vrees hadde, datse het schip souden verlaten, -'t welck evenwel noch geschiede. - -Nu terwijl ick alhier in dat gat of roefje lagh, soo liet de coopman -het volck de riemen uytleggen en stelde het volck aen 't roeyen, -gelijck of hy alst dagh was landt meende te hebben. Maer alst dagh -worde, waren wy van 't wrack versteken, en ooc mede van 't lant. Waren -heel mismoedigh; quamen en keken in 't gat, daer ick lagh, of ick -noch leefde, en siende dat ick noch leefde spraken: "Och lieve -schipper! Wat sullen wy doen? Wy sijn van 't wrack versteken en wy -sien geen landt; hebben eten noch drincken, noch boogh, noch kaert, -noch compas! Wat raedt gaet ons aen?" Daer op ick seyde: "Mannen, -men moste my ghehoort hebben als ick gister avondt seyde: dat ghy te -nacht by 't wrack sout blijven, dat wy wel fictualie souden krijgen, -want het vlees en speck en kaes dreef my om de beenen, dat ick er -qualijck door konde komen." Sy seyden: "Lieve schipper, komt daer -uyt." Ick sey: "Ick ben soo lam, dat ick my qualijck kan reppen; -wilt ghy my hier uyt hebben, soo moet ghy my helpen." Doe quamen sy -en holpen my daer uyt, en ick gingh sitten, keeck het volck over, -en sy roeyden. Ick vraeghde datelijck: "Mannen, wat eten hebt ghy in -de boot?" en sy brochten omtrent 7 a 8 pont broodt uyt, met alle man; -wy hadden twee lege vaetjes, daer leyden wy dat broot in. Ick seyde -vorder: "Mannen, legh de riemen in, het moet anders komen, want ghy -sult loof [82] worden, en wy hebben geen eten te geven. Legh in de -riemen." Doen seyden sy: "Wat sullen wy dan doen?" Maer seyd ick: -"Treckt uwe hemden uyt en maeckt daer seylen van." Sy seyden: "Wy -hebben geen seyl-garen." Ick seyde: "Neemt de willen van de boot [83] -en pluyst die aen werck en draeyt daer seyl-garen af; van de rest -leght plattingh tot schooten en geerden [84]." Daer op trock een yder -sijn hemt uyt, en flanstese aen malkander tot seylen, 't selfde deden -sy inde schuyt mede. Telden als doen ons volck en bevonden inde boot -46 en inde schuyt 26 persoonen; maeckt 72 persoonen in 't geheel. - -Daer was een blauwe bolckvanger [85] met een kussen inde boot; -die worde my gegeven. De bolckvanger trock ick aen en het kussen -sette ick op mijn hooft, door dien ick (als verhaelt) twee gaten -in 't hooft hadde. De barbier [86] hadden wy wel mede inde boot, -maer hy en hadde geen medicamenten; doch kaude evenwel wat broodt en -leyd' de kauwen also op de wonden; waer mede ick (door Godts genade) -genesen worde. Ick presenteerde mijn hemt mede uyt te trecken, maer sy -wildent niet hebben; droegen noch sorge voor my, om my in 't leven te -houden. Wy lietent de geheelen dagh voortdrijven; waren ondertusschen -besich met de seylen te maecken. 's Avondts warense klaer, settender -die by, en trocken aen 't seylen. Dit was den 20. dagh van November -1619. Begonnen koers te stellen aende sterren, want wy wisten goelijck -waer de sterren behoorden op ende onder te gaen; stelden 's nachts -alsoo onse koers. - -Het was by nacht soo kout, dat het volck klaptanden, en by daegh -soo heet, datmen vergaen wou van hetten; want de son was meest boven -'t hooft. - -Den 21, 22 en 23 dito practiseerden wy een graed-boogh, om hooghte -te nemen; sloegen een quadrant op de plecht en teeckenden een stock -met een cruys daer uyt. Wy hadden de kistemaecker Teunis Sybrantsz -van Hoorn in; die hadde een passer. Hy hadde oock ten deele eenighe -wetenschap om een stock te teyckenen, soo dat wy met malcander alsoo -een graed-boogh maeckten en formeerden, daer wy mede schooten [87]. Ick -sneed oock een paskaert achter op 't boort, en leyd' het eylandt van -Sumatra daer in, met het eylandt van Java, met de straet van Sunda, -die tusschen beyde eylanden in loopt. En die selfde dagh dat wy -'t schip verlooren, des middaeghs, hadde ick noch hooghte ghenomen -aen de son, en bevond' vijf en een halve graed Suyder-breete vande -Equinoctiael, en het besteck inde kaert stont omtrent 90 mijlen van -landt. Ick sneet ook een compas daer in; paste doe alle dagen met de -passer by gissingh of, en stelde de koers 70 mijlen besijen of boven -'t gat, om, als wy landt kreghen, te beter te weten wat heen dat wy -mosten. Seylden alsoo op het schieten met onse boogh en het passen aen. - -Ick gaf van de 7 a 8 pont broodt elck alle dagen sijn rantsoen, -soo langh alst dueren mocht; doch was wel haest op. Elck kreegh des -daeghs ontrent een stuckjen soo groot als een lit van een vinger. Wy -hadden geen drincken; daerom alst reghende, namen wy onse seylen -neer en schoorense [88] dwars over de boot heen, en vinghen het -water alsoo op 't seyl en gaerden dat in onse twee vaetjes; en als -die vol waren setten die uyt de weegh, tot alst een droge dagh was -dat het niet en regende. Ick sneed een neusje van een schoen en een -yder quam by 't vaetje en schepten het neusje vol en dronckent uyt, -en gingh weder aen sijn plaets, daer hy gheseten had. En alhoewel wy -in sulcke benautheydt waren, seydent volck: "Schipper, neemt ghy soo -veel als u lust, want het mach ons doch allegaer niet helpen." Doen ick -haer beleeftheydt sagh, wilde niet meer hebben als sy. Aldus seylende -met schuyt en boot, en dewijl de boot harder seylde als de schuyt, -en datter niemandt inde schuyt was die hem op navegatie verstondt, -soo baden dieghene die inde schuyt waren (als sy dicht by ons quamen) -of sy by ons inde boot mochten over komen en seyden: "Lieve schipper -neemt ons doch over, opdat wy by malcander moghen wesen"; vreesden -van ons af te dwalen. Maer het volck inde boot die waren daer teghen -en seyden: "Schipper, nemen wy haer over, soo sijn wy altemael om den -hals, want de boot kan al het volck niet voeren". Mosten derhalven -dan wederom vande boot afhouwen. - -De ellende was onder ons groot; wy hadden geen meer broodt en konden -gheen landt sien. Ick maekten het volck altijdt wijs, dat wy dicht aen -landt waren, datse goede moet souden houwen; maer sy murmereerden onder -malcander daer al teghen en seyden tegen malcander: "De schipper mach -seggen dat wy nae landt toe seylen, maer wy seylen moghelijck van landt -af." Op een dagh (alsoo het leeck dat wy 't niet langer konden harden -sonder eten) gaf Godt almachtigh datter mieuwen over de boot quamen -vlieghen, ghelijck oftse gevangen wilden wesen, want sy vlogen ons -bynae inde handen en lieten haer grijpen. Wy pluckten haer de veeren -af en snedense aen stickjes; gaven elck wat; atense soo rau op, en -het smaeckten my soo wel als ick mijn leven kost ghe-eten heb; jae, -smaeckte soo soet of ick honigh in mijn mondt en keel stack. Hadden -wy maer wat meer ghehadt; was pas of ter nauwer noodt soo veel dat -wy konden leven, en meer niet. - -En dewijl het landt hem noch niet op dee, soo wierden wy soo dwee -gemaeckt, dat het volck resolveerden (doen die vande schuyt ons weder -baden datse mochten overkomen) haer over te nemen; want daer en quam -geen uytkomste met het landt; vreesden dat wy van dorst en van honger -souden moeten sterven, en als wy mosten sterven, soo resolveerden wy -noch liever met en by malcander te sterven. Namen daerop het volck -uyt de schuyt over inde boot en namen al de riemen uyt de schuyt met -de seylen, die setten wy mede op de boot. Hadden doen op de boot een -blind, fock, groot-zeyl en besaen [89]. Wy hadden doe oock ontrent 30 -riemen, die leyden wy over de doften heen, als een overloop. De boot -was soo hol, dat het volck onder de riemen op haer neers moy mochten -sitten; setten alsoo de eene helft van 't volck onder de riemen -en de ander helft boven de riemen; mochten hiermede het volk moy -bergen. Waren doe met ons 72 personen inde boot; saghen malcanderen -met bedroefde ooghen aen, hebbende noch eten noch drincken. Daer en -was gheen meer broodt, noch de mieuwen quamen niet meer, en het wilde -niet regenen. - -Doen 't nu weder op het ongesienste was om 't leven te houden, -soo quamen (door des Heeren barmhertigheydt) oversiens uytter zee -op-barsten een perthy vliegende visschen, zijnde soo groot als een -groote spieringh, in maniere als een school musschen, en vlogen in -de boot. Daer wast doe aen 't grabbelen! Elck dee sijn best om wat -te krijghen. Wy deylden die om en aten die rau op, en smaeckten als -honigh; doch het mocht al weynigh helpen. Evenwel sterckte het min of -meer, en dee sooveel (met Godt) datter niemandt en sturf, 't welck -te verwonderen was, want het volck begon al sout water te drincken, -teghen mijn waerschuwingh aen. Ick seyde tegen haer: "Mannen, en -drinckt geen sout water, want het en sal u geen dorst verslaen; ghy -sult de loop daer van krijghen en daer af sterven". Andere kauden -bosse-klooten [90] en musquets-koegels; andere droncken haer eygen -water. Ick dronck mijn eyghen water soo langh alst goedt was; want -het worde achter nae onbequaem om gedroncken te worden. - -De benauwtheydt wierde hoe langher hoe swaerder en grooter, en het -volck begon soo wanhoopigh, mistroostigh en wreedt op malcanderen te -sien, dat het leeck datse malcander bykans souden aenghetast hebben -om te eten; jae, spraecken daer van onder malcander, en vonden goedt -de jongens eerst op te eten; die op zijnde, wilden sy daer om werpen, -wie men dan aentasten soud; waer over ick in mijn geest seer ontroert -wierde en uyt grooter benauwtheydt badt ick Godt almachtigh, dat -het sijn Vaderlijcke ontfermhertigheydt daer toe doch niet soude -laten komen, en ons niet versoecken boven 't vermoghen, wetende -wat maecksel dat wy waren. Ick kan niet wel seggen hoe bang dat my -was om dese voorslagh, te meer omdat icker (soo my docht) wel eenige -sach die 't begonnen souden hebben om de jonghens te dooden; doch ick -versprack haer [91] (met Godts hulpe) en bad voor de jongens en seyde: -"Mannen, laet ons dat niet doen. Godt sal wel een uytkomst geven, -want wy konnen niet ver van landt zijn, uytwijsende ons daghelijcx -afpassen en schieten." Sy gaven voor antwoordt: "Dat hebt ghy al -langh geseyt en wy krijgen geen landt; jae, seylen mogelijck van -'t landt af"; wesende geheel t' onvreden. Sy stelden my doe de tijdt -van drie dagen, om, indien wy in dien tijdt gheen landt beseylden, -de jongens te eten. Voorwaer een desperaet voornemen! Badt daerover -met een vyerighen ernst aen Godt, dat hy sijn genadighe ooghen op -ons soude nederslaen en gheleyden ons binnen die tijdt te lande, -opdat wy gheen grouwelen souden bedrijven voor sijn ooghen. - -Hier gingh de tijdt in en de noot was soo groot, dat wy 't niet wel -langher harden konden. Wy dochten dickwils: waren wy aen landt dat wy -maer gras mochten eten, wat noodt wast. Ick vermaende het volck met soo -veel troostelijcke reden als ick op die tijdt konde bybrenghen. Seyde -dat sy doch goedts moedts souden wesen; dat de Heer het versien soude; -doch was self kleynmoedigh; soude een ander troosten en behoefde self -wel ghetroost te worden. Sprak menigh woordt boven 't hert. Verdroegen -en leden alsoo met malcander, dat wy soo moe en mat wierden, dat wy -qualijck de macht hadden op te staen. Heyn Rol, de coopman, was soo -verd', daer hy sat daer sat hy; konde niet verder komen. Ick was -noch soo moedigh, dat ick van achteren tot voor inde boot konde -komen. Swarlden alsoo op Godts ghenade tot den 2. December 1619, -zijnde de 13. dagh dat wy het schip verloren; doen wast een grauwe -lucht met regen en stiltjes; maeckten de seylen los, schoren die dwars -over de boot en kropen al te samen onder de seylen, en gaerden onse -vaetjes vol water. Het volck hadden weynigh kleeren, door dien sy soo -haestigh waren vertrocken, en hare hemden waren tot seylen ghemaeckt, -als voor verhaelt is; hadden de meestendeel geen meer als een linnen -broeckjen aen, waren met de bovenlijven naeckt. Kropen alsoo (om de -warmte te scheppen) onder de seylen by malcander, en ick stont op -die tijdt aen 't roer en mijn gissingh was dicht by landt. Hoopte dat -het op soude klaeren, terwijl ick aen 't roer stondt, maer bleef even -mistigh sonder dat het op wilde klaren. Ick wierde door de doockighe -[92] lucht en regen soo kout, dat ick 't niet langher aen 't roer -konde harden, riep daerom een vande quartier-meesters en seyde: -"Komt en verlost my eens van 't roer, want ick macht niet langer -harden." Doe quam de quartier-meester en verloste my; ick kroop mede -manck het volck om de warmte weder te krijghen. - -De quartier-meester hadde gheen uur aen 't roer ghestaen, of het -begon al op te klaeren, en hy siet toe en siet terstondt landt. Hy -riep met groot verheugen: "Mannen komt uyt, het landt leydt dicht -voor ons! Landt! Landt!" Hadt ghy ghesien hoe dra wy onder het seyl -van daen waren en voor den dagh quamen. Settender de seylen weder -by en seylden nae 't landt toe; quamen dien selfden dagh noch aen -landt. De Heer almachtigh zy gelooft en gepresen, die onse bidden -en smeken heeft verhoort; want wy deden des morgens en 's avondts -het gebedt, met vyerigen aendacht tot Godt en songhen oock een psalm -voor en nae het ghebedt, want wy hadden noch eenighe psalm-boeckjes -by ons. De meeste tijdt was ick hierin voor-leser, doch daer nae, doe -de voor-leser uyt de schuyt in ons boot quam, deed hy 't selver [93]. - -Nu by 't landt komende, liep de zee soo aen het landt, dat wy niet -landen dorsten; doch vonden aende binnekant van 't eylandt (want het -een eylandt was) een inwijckjen; daer lieten wy de dregh [94] t' -zee vallen, en hadden noch een dreghjen, dat setten wy aen landt, -soo dat de boot vertuyt lagh [95], en spronghen (soo goedt als wy -konden) met alle man aen landt en trocken elck sijns weeghs aen 't -boschkaren2. Maer soo drae ick op 't landt quam, viel ick op mijn -knien en kuste de aerde van blijdtschap en danckte Godt voor sijn -genade en barmhertigheydt, dat hy ons niet en hadde versocht, of had -tot noch toe een uytkomst inde saeck gegeven; want dese dagh was de -laetste, nae welcke het volck gheresolveert waren de jonghens aen te -tasten en op te eten. Hier bleeckt dat de Heere de beste Stierman was, -die ons gheleyde en stierde dat wy het landt kreghen, als verhaelt is. - -Wy vonden op dit eylandt veel kokus-noten, maer konden (wat wy sochten) -geen versch water bekomen; doch geneerden ons met het sap uyt de -jonghe kokus-noten, dat een goede dranck was. En van de oude noten -(die 't pit hardt was) aten wy; maer wat te veel en onvoorsichtigh, -want wy wierden dien selfden nacht al te samen heel sieck, met -sulcke ellendighe pijn ende snyingh in 't lijf en inde buyck, dat -het scheen of wy barsten mosten. Kropen by malcander in 't sant, elck -klaeghde meer als d' aer; en achternae begon het purgatie te baren, -daer door wy datelijck verlichtingh gevoelden; waren 's anderendaeghs -weder fris en liepen dit eylandt bykans rondtom. Wy vonden daer geen -volck, maer saghen wel tekens datter volck op geweest hadde. Hier was -anders niet op om te eten als kokus-noten. Ons volck seyden tegen my -dat sy aldaer een slangh ghesien hadden, die wel een vaem dick was, -maer ick heb hem self niet ghesien. - -Dit eylandt leydt ontrent 14 a 15 mijl van 't landt van Sumatra. Wy -haelden sooveel kokus-noten in de boot als wy konden voeren, -tot victualie: de oude kokussen om te eten en de jonghe om uyt te -drincken. Staken 's avondts wederom van 't eylandt af nae het landt -van Sumatra; kregen het 's anderendaeghs in 't ghesicht. Quamen daer -by, liepen by 't landt langhs met een voor de windt, Oostelijck aen -of om de Oost, soo langh tot dat de noten weder op waren. Doen wilden -'t volck weder aen landt; seylden dicht by de barningen van 't landt -langhs [96], maer vonden geen gelegenheyt om te landen, door dien -dat de zee soo geweldigh aenliep. - -Doe resolveerden wy dat er 4 a 5 mannen overboort souden springen en -sien of sy door de barningh aan 't landt konden swemmen, en loopen -dan by de strandt langhs, om te sien of sy nerghens eenige openingh -konden sien, om met de boot in te komen. 't Welk geschieden. Sprongen -overboort, raeckten door de barningh aen landt en liepen by 't strandt -langhs, en wy seylden oock met de boot al by de wal henen. - -Ten lesten vonden sy een revier. Doen trocken sy haer broecken uyt, -en wuyfden dat wy daer nae toe souden komen. Wy dat siende seylden -datelijck daer nae toe. Daer by komende lagh daer een banck recht -voor de mondt van de revier, daer de zee soo geweldigh op storte, dat -ick seyde: "Mannen, ick steeck hier niet in, of ghy moet het altemael -consenteren, want raeckt de boot om, dat ghy 't my dan niet hebt te -wijten." En vraeghden by de ry om, wat elck daer toe seyde. Gaven -voor antwoort: jae, en dat sy 't wel wilden avonturen. Doen seyd' -ick: "Ick avontuer mijn lijf by 't uwe". Ick stelde datelijck ordre, -datse achter aen beyde zijden een riem souden uytvoeren en aen yder -riem twee man. Ick stondt aen 't roer, om de boot alsoo recht voor -zee te houden. Doe staecken wy alsoo met de boot in de barningh. De -eerste zee, dieder quam, bonsde de boot wel half vol water. Ick riep: -"Mannen, hoos uyt! hoos uyt!" En sy hoosden uyt, met hoeden, met -schoenen en met de lege vaetjes, die wy in de boot hadden; en kreghen -het water meest uyt. Doe quam de tweede zee; die worp de boot bykans -tot de doften toe vol water, waer door de boot soo mal lagh, of hy -sincken wilde. En ick riep al: "Mannen, hou recht, hou recht! hoos -uyt, hoos uyt! of wy zijn altemael lijveloos!"--Wy hieldent noch -recht voor zee en hoosden 't water uyt, soo veel wy konden. - -Doe quam de derde zee en die storte te kort, soo dat wy daar -weynigh water van inkreghen; en doe wast datelijck slecht water -[97]. Raecktender alsoo met Godes hulp door. Wy proefden het water en -was datelijck versch, waer over wy al te samen seer verblijdt waren -en leyden de boot aen de rechterhandt vande revier aen de wal. - -Op 't landt komende was het met langh gras bewossen; toe siende, -soo laghender boonen in 't gras, ghelijck oft Eydersche boontjes -waren. Doe met alle man aen 't soecken en eten; ick self dede mede -mijn best, dachte: ick sal mijn part mede sien te krijgen, en ons -volck liepen een weynigh nae de hoek toe. Vonden daer vyer met eenighe -toeback legghen, waer door wy heel verblijdt waren. Het scheen datter -volck van 't landt hadden gheweest, die daer vyer aen geleydt hadden, -en toeback ghedroncken hebbende eenige toeback vergeten hadden, of -met wil legghen laten [98]. Wy hadden in de boot twee bijlen, daer -hackten wy boomen mede om en tacken mede af, en leyden wel tot 5 a -6 plaetsen vyer aen. Daer gingen ons volck by thienen en twaelven -om staen en sitten, en droncken toeback. Doen 't avondt was, leyden -wy lustighe vyeren aen en stelden tot drie plaetsen wachten uyt, -uyt vreese vande inwoonders van 't landt, want het was donckere maen. - -Nu dien selfden nacht wierden wy soo sieck vande boonen, die wy -ge-eten hadden, dattet was of wy barsten souden van pijn ende snyingh -inde buyck (gelijck wy te voren vande kokus-noten ghevaren waren.) En -terwijle dat elck vast klaeghde, soo quamen de inwoonders van 't landt, -en meenden ons daer al te samen doodt te slaen; ghelijck ghy hier nae -noch hooren sult. Onse uytgestelde wachten wordense juyst wijs [99]; -sy quamen nae ons toe ende seyden: "Mannen, wat sullen wy doen? Daer -komen sy aen!" Wy hadden geen geweer als twee bijlen met noch een -roestighe deeghen, en waren daer toe noch sieck (als verhaelt) vande -boonen. Resolveerden evenwel dat wy ons soo niet wilden laten doodt -smijten; namen derhalven ghebrande houten inde handt en trocken teghen -haer aen in het doncker; de voncken vyers vloghen over 't landt, 't -welck by het duyster een vreeslijck aensien gaf. Oock wisten sy niet -of wy gheweer by ons hadden of niet. Sy namen de vlucht van ons af, -achter 't bosch, en wy keerden weder te rugh nae onse vyeren; bleven -alsoo die gantsche nacht in sorge en vreese by 't vyer sitten en staen; -maer ick en de koopman Heyn Rol liepen in de boot, vertrouwden ons -niet op 't landt. - -'s Morgens doen het dagh was en de son opquam of was, quamen drie -vande inwoonders uyt 't bosch loopen op strand. Wy stuerden drie van -onse maets nae haer toe, die wat Maleys konden, want sy hadden voor -die tijdt al in Oost-Indien geweest, soo dat sy de spraeck ten deele -gheleert hadden. Die by haer komende, vraeghden die drie inwoonders -haer wat volck dat wy waren; seyden: "Wy zijn Hollanders en hebben -door ongheluck van brandt ons schip verloren, en zijn hier gekomen -om eenige ververschinghe te ruylen, soo ghy 't hebt." Sy antwoorden, -dat sy hoenderen en rijs hadden, daer wy heel graegh nae waren. Doe -quamen sy alsoo by ons ontrent de boot en vraeghden of wy oock gheweer -hadden. Wy gaven tot antwoordt: "jae, geweers genoegh, musschetten, -kruyt en koegels". Ick hadde de seylen over de boot laten halen, soo -datse inde boot niet kosten sien, watter in was. Doe brochten sy ons -rijs, die ghekoockt was, met ettelijcke hoenderen. Wy examineerden -ons onder malcanderen [100], wat gelt dat wy by ons hadden, en -brochtent by malkander. D' eene bracht 5, d' ander 6, dese 12, d' -eene min, d' ander meer rejaelen van achten te voorschijn [101], soo -dat wy in 't geheel ontrent 80 rejaelen van achten by een brochten, -van welck gheldt wy die hoenderen en rijs, die sy ghebrocht hadden, -betaelden. Die hebbende seyde ick tegen ons volck: "Nu mannen, set -jou nu by malcander, en laet ons nu de buyck voor eerst vol eten en -sien hoe 't dan is." 't Welck wy deden. De maeltijdt gedaen zijnde, -maeckten wy overlegh wat ons nu te doen stondt, om ons beter te -versien van 't gheen ons noodigh was. En alsoo wy niet wel verkent -waren, vraeghden haer, hoe dat landt hiete, maer konden 't niet wel -verstaen; doch konden anders niet verstaen of noemden Sumatra. Sy -wesen met de handen neerwaert aen, dat Java daer lagh, en noemden -Jan Coen, dat die onse Overste aldaer op Java was; 't welck waer -was, want Jan Pietersz. Coen van Hoorn was doen ter tijdt Generael, -soo dat wy doen ten deele verkent worden en vast ginghen [102], dat -wy boven windt van Java waren; want wy hadden geen compas, waren -altijdt twijffelmoedigh geweest, of onse dinghen al vast gingen; -stelden ons in die saeck doe vry wat gheruster. - -Maer alsoo wy meer victualie van doen hadden, om onse reys te -vervorderen, soo resolveerden wy, dat ick met vier vande maets met een -prauwtjen de revier op soude varen naer het dorp, dat een stuck weeghs -op lagh, met het gheldt dat wy doen noch hadden, om aldaer victualie -te koopen, sooveel wy krijghen konden. 't Welck ick dede en voeren op. - -In 't dorp komende kochten wy rijs ende hoenderen en stuerden 't -nae de boot by Heyn Rol, de koopman, ordre stellende dat elck sijn -part soude krijghen, op datse niet kijven souden, en ick met de vier -maets lieten in 't dorp 2 a 3 hoenderen koocken met wat rijs; ginghen -by malkander sitten en aten soo veel als ons luste. Daer was oock -dranck, die sy uyt boomen tappen [103], die soo sterck was datmen -daer wel droncken af konde worden. Droncken daer van mede eens om, -met malkander, doen wy ghe-eten hadden. Terwijl wy aten, saten de -inwoonders van 't dorp rondtom ons en keecken ons aen, als of sy ons -de beten uyt de mondt wilden kijcken. - -Nae de maeltijdt kocht ick een buffel voor vijf en een halve rejael -van achten en betaelden hem; maer de buffel betaelt wesende, konden -wy hem door de groote wildigheydt niet krijghen; spilden daer veel -tijdt mede, en alsoo het laet worde, wilde ick met de vier maets weer -nae de boot; souden, soo my dochte, de buffel 's anderendaeghs wel -krijgen. Hier over baden my de vier voorschreven maets, of ick wilde -toestaen, dat sy die nacht daer mochten blijven, inbrenghende dat sy -'s nachts, alst beest soude sitten, het wel souden krijghen. Hoewel -ick haer dit afriedt, soo consenteerde ik het ten langhen lesten, door -haer langh aenstaen. Ick nam mijn afscheyt, en seyden of wenschten -malkanderen goeden nacht. - -Aende kant vande revier komende, daer de prauw lagh, stond' daer een -hoop volcx vande inwoonders en haperden gheweldigh teghen malkander -[104]. Het scheen dat de eene wilde hebben dat ick voer en de andere -niet. Ick greeper een of twee (uyt den hoop) by den arm en stuwdese -nae de prauw toe, om te varen, gelijck of ick noch meester was, en -ick was boven half knecht niet. Sy saghender soo vreesselijck uyt als -bullemannen, doch lieten haer ghesegghen, en twee ginghen met my inde -prauw. De eene gingh achter sitten en de ander voor, elck met een -scheppertjen [105] in de handt, en staecken af. Sy hadden elck een -kris op haer zijd' steecken, zijnde een geweer oft een ponjaert was, -met vlammen [106]. - -Doen wy wat gevaren hadden, quam de achterste nae my toe, want -ick sat midden inde prauw, en wees dat hy gheldt wilde hebben. Ick -taste in mijn diessack [107], haelder een quaertjen uyt en gaf het -hem. Hy stondt en bekeeck het, en wiste niet wat hy doen wilde; doch -nam het ten lesten en wond' het in sijn kleetjen, dat hy om sijn -middel hadde. De voorste, siende dat sijn maet wat ghekregen hadde, -quam mede nae my toe en bewees my, dat hy oock wat hebben wilde. Ick -dat siende haelde weder een quaertjen uyt mijn diessack, en gaf het -hem. Hy stondt en bekeeck het mede; het leeck dat hy in twijffel was -of hy het geldt wilde nemen, dan of hy my wilde aentasten, 't welck -sy licht souden hebben konnen doen, want ick hadde geen gheweer en -sy hadden (als verhaelt) elck een kris op zijd'. - -Daer sat ick als een schaep tusschen twee wolven, met duysent -vreesen. Godt weet hoe ick te moede was. Voeren alsoo voor stroom af -(want daer gingh harde stroom). Ontrent ter halver weegh (aende boot) -zijnde, begonnen sy te tieren en te parlementen [108]; 't scheen -aen alle teyckenen dat sy my om den hals wilden brenghen. Ick dit -siende was soo benauwt, dat my het herte in 't lijf trilde en beefde -van vreese; keerde my derhalven tot Godt en badt hem om ghenade, en -dat hy my verstant wilde gheven, wat my best in die gheleghentheydt -stondt te doen. En het scheen of my inwendigh geseydt worde, dat ick -singen soude, 't welck ick dede, hoewel ick in sulcken benauwtheydt -was; en songh dat het door de boomen en bosschaedje klonck, want -de revier was aen beyde zijden met hooge boomen bewassen [109]. En -als sy sagen en hoorden dat ick soo begon te singen, begonnen sy te -lacchen en gaepten datmen haer inde keel sien kon, soo dat het leeck -dat sy meenden dat ick gheen swarigheydt van haer maeckte; doch ick -was heel anders in mijn herte gestelt als ick vertrouw dat sy meenden. - -Aldaer bevond' ick metter daedt, dat een mensche uyt vreese en -benauwtheydt noch singhen kan; en wy raeckten temet soo verde voort, -dat ick de boot sagh leggen. Doe gingh ick over eynd' staen en -wuyfde ons volck (die by de boot stonden) toe. Sy my gewaer wordende, -quamen datelijck nae my toe, by de kant vande revier langhs, en ick -wees teghen die twee die my afbrochten, dat sy met de prauw aen landt -souden sturen, 't welck sy deden, en wees haer dat sy voorheen loopen -souden, want ick dacht: soo sult ghy my altijdt van achteren niet -doorsteecken. Doe quamen wy alsoo by ons volck. - -Die perijckel en benautheydt (door Godts genade) ontkomen sijnde, by -de boot komende, vraeghden de twee inwoonders waer ons volck sliep. Wy -seyden: onder die tentjes; want ons volck hadden tentjes van bladeren -gemaeckt daer sy in kroopen. Sy vraeghden oock waer ick en Heyn Rol, -de coopman, sliepen; seyden: inde boot onder 't seyl. Doen ginghen sy -weder wegh nae het dorp. Doe vertelde ick Heyn Rol en het ander volck, -hoe ick ghevaren was, en dat ick een buffel in 't dorp ghekocht hadde, -die wy op dien avondt niet wel konden krijgen; dat de vier maets, -die ick mede genomen had, my gebeden hadden, of sy aldaer te nacht -mochten blijven, dat sy het beest alst lagh souden vanghen en aen boort -brengen, 't welck ick door langh aenstaen consenteerde, met conditie -dat sy morgen ochtent by tijdts aen boort mosten komen met het beest. - -Dit en wat ons meer was ontmoet vertelt hebbende, ginghen wy t' -samen legghen slapen, die nacht over. 's Morghens doen het dagh was, -jae de son al een groot stuck geresen was, vernamen wy noch geen -volck noch gheen beest. Doe begonnen wy twijffelmoedigh te worden, -dat het met die vier maets niet wel most staen, en noch nae een wijl -wachtens soo sagen wy twee vande inwoonders komen, die een beest voor -haer heen dreven na ons toe. By ons komende en ick het beest siende, -seyde dat het dat selfde beest niet en was, dat ick gekocht en betaelt -hadde. Onse bottelier konde haer ten deele verstaen; die vraeghde, -waerom dat sy dat selfde beest niet en brochten, dat ick gekocht hadde, -als oock waer ons volck bleef (te weten die vier man, die met my nae -'t dorp waren gevaren). Gaven tot antwoordt, dat sy dat beest niet en -hadden konnen krijghen, en dat ons volck met noch een beest aenquamen; -soo dat wy doen ten deele te vreden waren. En dewijle dat dit beest, -dat dese twee swarten gebrocht hadden, soo gheweldigh sprongh en -steygerde, seyde ick teghen Willem van Galen, de sarjant: "Neem de bijl -inde handt en hackt het beest in sijn hacken, opdat het ons niet en -ontloopt; want wy mogen tegen geen schaed' [110]." 't Welck hy dede; -nam de bijl en hield [111] het in sijn hacken dat het neerstorte. - -Doen begonnen die twee swarten te roepen en te schreeuwen dat het -wonder was, en op dat schreeuwen quamender wel 2 a 300 man (die 't -weten mocht) achter 't bosch uytgheloopen, en meenden ons alsoo de -boot af te snijden en ons al te samen doodt te slaen; maer worden haer -in tijdts ghewaer door drie van onse maets, die een kleyn vyertjen -hadden aengeleydt een weynigh van ons af, want die quamen nae ons -toe gheloopen en seyden: dat sy quamen. - -Ick stapte een weynigh buyten 't bos en sagh daer ontrent 40 uyt het -bosch komen; seyde teghen ons volck: "Stae vast, want wy hebben van -dat volck geen noodt, want wy zijn oock sterck van volck." Maar sy -vielen soo sterck uyt en duerde soo langh, dat 't scheen datter gheen -eynd' van komen sou, met schilden en swaerden, en saghen ghelijck -de bulleman, waer door ick verbaest [112] begon te roepen: "Mannen, -elck sijn best nae de boot toe, want snijden sy ons de boot af, -soo zijn wy lijveloos." - -Doe stelden wy 't op een loopen, met alleman nae de boot toe, die -de boot niet krijghen kon, die koos de revier en swom daer in. Sy -vervolghden ons tot de boot toe, en als wy inde boot quamen, was de -boot heel reddeloos [113] om daer met soo grooten haest in en mede -vande wal te komen, want de seylen waren over de boot heen gehaelt -tot een tent. Sy waren ons op onse hacken aende boot, terwijl wy -over klommen, en staecken ons volck met hesegeyjen [114] in 't lijf -(soose overklommen) dat haer de dermen tot het lijf uytliepen. Met -onse twee bijlen deden wy soo veel weer als wy konden en ons roestigh -deeghen dede mee sijn profijt, want achter inde boot stondt een groot -keerl van een man (sijnde een backer), die hem daer mede dapper weerde. - -Wy hadden een dregh achter uytleggen en een dregh t' zee. Ick -ontrent de mast over ghekomen wesende, riep teghen de backer: -"Hack het tou, hack het dregge-tou af," en hy hackte, hy hackte, -maer het wilde niet af. Ick dat siende raeckte nae achteren toe, -nam het tou en leyde het op de steven; doe seyde ick: "hack nu", en -hy hackte het ten eersten af. Doe stondender van ons volck voor inde -boot by 't dregge-tou en haelden de boot t' zee. De swarten liepen -ons in 't water wel nae, maer alsoo 't schor aen lant was [115], -waren sy datelijck grond af; mosten hier door onse boot verlaten, -en wy vischten ons volck op, die in de revier swommen en haeldense -in de boot. Met dat het volck inde boot was, gaf Godt almachtigh -dat de windt met een barst datelijck uyt de landt quam, die tot die -tijdt toe uytter zee ghewaeyt hadde. Voorwaer een merckelijck teycken -vande genadige handt Godts. Wy settender onse seylen by en seylden -eensloeghs [116] het gat uyt, tegen de hooge zee aen en over de banck -(daer op wy sulck een perijckel in 't in-komen hadden uytghestaen, -als verhaelt is) quamen wy nu datter weynigh water inde boot quam. - -De swarten of inwoonders van 't landt meenden dat wy daer niet uyt -souden komen en sy liepen op de hoeck van 't landt en dachten ons daer -aen waer te nemen en ons doodt te smijten; maer het scheen dat het -Godt alsoo niet en beliefde, want de boot was voor hoogh en vroom, -en sprongh tegen de zee op; raeckten alsoo met Godts hulpe het gat -uyt. Buyten wesende worde de backer (die achter inde boot hem soo wel -hadde geweert met de degen) gheheel blau om 't hooft, want hy was recht -boven sijn navel inde buyck gequetst en haer geweer was fenijnigh -geweest, waerdoor de wond' met een blauwigheydt omringht worde, 't -welck ick uytsnee om het fenijn van vorder voortloopinghe te stuyten, -maer mochte niet helpen, sturf evenwel voor onse oogen. Doodt sijnde -setten hem overboort en lieten hem drijven. Doe telden wy ons volck -en bevonden dat wy 16 man verlooren hadden, te weten elf diese aen -landt hadden doodt gesmeten en de backer die wy over boort setten, -met noch de andere vier maets die in 't dorp waren ghebleven; waer -over wy altesamen hartelijck bedroeft waren, haer beklagende, doch -danckten evenwel de Heere, dat wy daer altemael niet waren omgekomen. - -Ick voor mijn part late my voorstaen, dat die vier maets die in -'t dorp bleven de behoudenis, naest Godt, van mijn leven waren, -want hadden sy mede nae de boot ghewilt, doe ick voer, soo souden sy -(te weten de swarten) ons alle vijf doodt geslagen hebben, soo ick -vastelijck gheloove; want doen ick op de kant vande revier by al dat -volck stondt, twisten sy (als gheseydt) onder malkanderen over mijn -weghvaren, doch ick maeckten haer wijs en bewees het haer, dat ick -'s anderdaeghs met al het volck by haer wilde komen. Doe scheen 't dat -sy dachten: laet ons dan geen spel maecken, dan sullen wy haer met de -minste swarigheydt konnen houden en dooden. Hebben gemeent, dat ick die -vier maets niet verlaten sou, hebbende daer borgh en pant genoegh aen; -doch 't is haer niet gheluckt. Evenwel ist een beklaeghelijcke saeck, -dat wy die maets daer laten mosten; doch vermoede dat sy die al doodt -hadden gesmeten. - -Wy stelden onse koers voor wint langhs de wal henen; hadden noch -acht hoenderen met een weynigh rijs by ons inde boot en dat voor 56 -persoonen, die wy doen noch sterck waren. Voorwaer te weynigh voor soo -veel menschen. Wy deylden hiervan yder syn paert toe. Dat op wesende -spraecken met malcander dat het best was dat wy weder landt koosen, -hebbende alree grooten hongher en in zee was niet [117] voor ons op die -tijdt te krijgen om van te leven. Keerden daerom weder nae 't landt, -sagen een bay, seylden daer in. Wy saghen aen landt veel volckx by -malcander staen, daer wy nae toe liepen, doch sy verwachten ons niet, -maer liepen van ons af. Konden doe aldaer geen fictualie krijgen, -dan vonden vers water; daer droncken wy soo veel af als ons luste en -haelden onse twee vaetjes vol van dat water, en voeren by de klippen -om. Daer vonden wy kleyne oesterkens en alekruycken; pluckten daer van -elck sijn diessacken vol. Ick hadde op die plaets daer wy 't volck -verlooren ontrent een hoet vol peper ghekocht, die ons hier wel te -pas quam met de oesters te eten, want het gloeyde lustigh in de maegh. - -Seylden doe weder de bay uyt en koosen zee, om onse reys te -vervorderen. Een stuck weeghs buyten 't landt komende, begon het een -heele storm te waeyen, soo dat wy al onse seylen mosten innemen; -die haelden wy doe over de boot heen, en kropen met alleman onder -de seylen, en lietent op Godts genade drijven tot ontrent twee uren -voor den dagh; doe begon 't weer af te nemen en worde weder goet -weer; quamen voor den dagh, settender onse seylen weder by. Doe -kreghen wy inde wint, seylden van de wal af. 't Scheen of Godt ons -voor grooter ongeluck bevrijden wilde, want hadden wy dese storm en -dese contrarie-wint niet gekregen, souden by de wal langhs ghevaren -en wel licht op de water-plaets, die daer dicht by lagh, op Sumatra -aengheloopen hebben, daer de onse veel plachten aen te varen; en die -waren nu bittere vyanden vande Hollanders, want korts voor dese tijdt -waren daer noch veel Hollanders doodt gheslaghen, die daer ghekomen -waren om water te halen. En doen 't dagh worde, saghen wy drie eylanden -voor uyt leggen; resolveerden daer nae toe te seylen, vermoeden daer -geen volck op, hoopten daer wel yets te krijghen tot ons onderhoudt; -quamen daer dien selfden dagh noch aen. Wy vonden daer datelijck vers -water, en daer wossen oock groote rieden, soo dick als een man om sijn -been, die hackten wy met onse bijlen om. Dese rieden worden genaemt -bamboesen. Wij stieten de knockels met een stock door, behalven de -onderste knockel; daer gooten wy water in en stakender stoppen op, -en hier mede kregen wy wel een last vers water inde boot. Vonden -daer oock palmede-boomen, die boven inde top soo murwe sijn, als oft -rietspieren waren; die hackten wy mede om, en namen de boven-enden -die goedt waren tot onse fictualie. Het volck liepen het eylandt door -en door te boschkaren, doch konden anders niet vinden dat waert was. - -Ick liep eens van al ons volck af, en een bergh (sijnde de hooghste van -'t eylandt) siende, gingh daer op en sagh om ende wederom, wesende -heel bedroeft en moeyelijck in mijn gheest, door dien dat het (soo -my dochte) meest op my aen quam om de wech te vinden, en dewijl ick -noyt in Oostindien gheweest was, noch gheen stiermans-ghereetschap -hebbende, principael gheen compas (als verhaelt is), soo wist ick -niet wat my beter te doen stondt als my op den Heere te verlaten, -want mijn raedt was ick dickwils ten enden, als oock doe. Viel daerom -op mijn kniejen neder en bad de Heere, hem smeeckende, dewijl hy my -tot hiertoe hadde gheredt en bewaert onder sijn ghenadighe vleughelen -en verlost uyt vyer en water, van hongher en dorst, en vande quade -menschen, dat het sijn vaderlijcke goedtheydt doch soude ghelieven -my vorder te bewaren en my de ooghen des verstandts open te doen, -om den rechten wegh te vinden, opdat wy wederom by onse Natie en -Vrienden mochten komen. Ja, met diep versuchten bad ick: "O Heere, -wijst ons de wegh en geleydt my; doch of uwe wijsheyt voor goet en -best insagh my niet in salva by onse Natie te brengen, soo laet doch -(ist u Goddelijcke wil) eenighe van 't volck te recht komen, opdat -men weten mach, hoe dat het met ons en het schip ghegaen is". En -aldus met Godt ghesproocken hebbende stondt ick op, om weder af te -gaen, en sloegh mijn ooghen als voor, om en wederom, aen allen oorden -uyt, en siet: ick sagh aen mijn rechterhandt uyt, dat de wolcken van -'t landt dreven, waerdoor het inde kimmen klaer wierdt, en sagh doe -stracx twee hooge blauwe berghen legghen, en my schoot datelijck in -'t sin, dat ick tot Hoorn van Willem Cornelisz Schouten [118] wel -hadde hooren seggen (die wel 2 a 3 mael in Oostindien gheweest was), -dat op de hoeck van Java twee hooge blauwe berghen lagen; en wy waren -by Sumatra langhs gekomen, 't welck aen de slinckerhant lagh, en -dese sagh ick aende rechterhandt, en in 't midden was een glop [119], -daer ick gheen landt sien kond', en ick wiste dat de Straet van Sunda -tusschen Java en Sumatra in liep, beelde my derhalven vastelijck in, -dat wy wel te weegh waren, en liep doe alsoo verblijdt weder van den -bergh af nae de coopman en vertelden hem, dat ick sulcke twee bergen -ghesien hadde. Doe ick hem dit vertelde, waren de wolcken daer weder -overghedreven, datmense doe weer niet sien kon. Vertelde hem oock wat -ick van Willem Cornelisz Schouten hadde hooren vertellen, als oock -wat gissingh dat ick daer over maeckte, te weten: dat ick vastelijck -vertroude dat wy recht voor de Straet van Sunda waren. Doen seyde de -coopman: "Wel Schipper, hebt ghy sulcke moet, soo laet ons het volck -te hoop roepen en peuren daer nae toe [120], want u gissingh en reden -hebben mijns oordeels fondament." - -Doe riepen wy het volck by een, en sy droegen ons water in die -bamboesen en de top-enden vande palmeed-boomen tot fictualie, -die wy vergadert hadden inde boot en staecken af; kreghen de goede -wint, stelden de koers recht het glop in; s' nachts op de sterren -aen. Omtrent de middernacht sagen wy een vyer, dat wy in 't eerst -meenden het een schip was; maeckten daer een kraeck af [121]; maer -daer by komende was 't een kleyn eylantjen, dat in de Straet van Sunda -leydt, genaemt Dwars-inde-wegh, en passeerden dat eylandtjen. Een wijl -tijdts daer nae sagen wy noch een vyer aende ander zijd', te weten aen -stuerboort, passeerden dat oock, dochten my al goede tekens te wesen -van visschers. 's Morgens den dagh opkomende worden het stil; waren -doen aende binnekant van 't eylandt Java. Wy lieten een man aende mast -klimmen, die sagh uyt en riep: "Ick sie schepen legghen!" Teldender -tot 23 toe. Doen spronghen wy bykans op van blijdtschap. Wy stracx -met de riemen te boord en roeyden daer nae toe, want het was (als -verhaelt) stil. - -Hadden wy dese schepen hier niet ghevonden, daer wy aen voeren, wy -souden tot Bantem gevaren hebben, daer wy inde val souden gheloopen -hebben, want die waren doe met ons volck in oorlogh, 't welck mede -een mercklijck bewaringhe Godts voor ons was. Danckten daer over den -Heere voor sijn goetheydt. - -Dit waren altemael Hollandtsche schepen; die daer over commandeerde -was van Alckmaer, ghenaemt Frederick Houtman. Hy stont doen ter -tijdt en keeck met de kijcker of bril inde gelderye nae ons toe, -verwondert wesende over onse mirakuleuse seylen, niet wetende wie -het was [122]. Sondt sijn sloep uyt, die ons te gemoet roeyde, om te -besien wat voor volck dat wy waren. By malcander komende, sagen ons, -en kenden malcander terstondt, want wy waren met haer uyt Tessel -geseylt en waren inde Spaensche zee buyten de Kanael van malcander -gheraeckt. De coopman en ick stapten over in haer sloep en voeren -aen Houtmans schip, genaemt de Maeght van Dordrecht. De commandeur -Houtman riep ons achter inde kejuyt, heete ons wellekoom, liet ons -de tafel decken om met hem te eten. Maer als ick het broodt en ander -eten sagh, sloot my het herte en het lijf toe, en de tranen schooten -my van blijdtschap over de wangen, soo dat ick niet eten kon. Ons ander -volck, aen boort komende, worden datelijck op de schepen verdeelt. - -Houtman ordineerde terstondt een jacht [123], dat my met de coopman -nae Batavien soude voeren. En nae dat wy hem alle gelegentheydt hadden -vertelt van onse armoede en wedervaren, traden wy in 't jacht en gingen -t' seyl. Quamen 's morgens voor de stadt van Batavia. Het volck van -onse kennisse op de schepen hadden ons al vande Indiaensche kleeren by -geset [124], soo dat wy al inden dos waren, eer wy inde stadt quamen. - -Wy ginghen inde stadt; quamen voor 't Hof, daer de Generael Jan -Pietersz Coen van Hoorn sijn residentie hiel [125]. Wy vraeghden de -hellebaerdiers, of sy wilden vragen: of wy eens by de Generael mochten -komen, hadden hem te spreecken. Sy liepen heen, quamen weer, werden -binnen ghelaten, en quamen by hem. Hy wiste van onse komste niet, -maer ons bekent maeckende heete ons wellekoom. Doen most het groote -woordt daer uyt met ons en seyden: "Heer Generael, wy sijn op sulcken -tijt met het schip Nieu-Hoorn uyt Tessel gevaren, en op sulcken tijdt, -ontrent de Straet Sunda ghekomen, op sulcken hooghte, daer hebben wy -'t ongeluck gehadt dat ons schip in de brandt is geraeckt en wegh -ghespronghen." En verhaeldent hem al van stuck tot stuck, hoe en -waerdoor dat het gheschiedt was, wat volck dat wy verlooren hadden, -en dat ick self met het schip opgevlogen was, doch door Godts genade -met noch een jonghman ghesalveert; en ben tot heden toe bewaert, -de Heer zij gelooft. De Generael dit hoorende seyde: "Wat helpt het; -dat is een groot ongeluck." Hy vraeghde nae alle omstandigheden en -wy seydent hem al, ghelijck alst gheschiedt was. En hy seyde al: -"Wat helpt het; dat is een groot ongheluck." Ten laetsten seyde hy: -"Jonghen, brenght my de gouden kop [126] hier." Hy liet daer Spaensche -wijn in schencken en seyde: "Geluck schipper, ick brengh u eens! [127] -Ghy meught dencken dat u leven verlooren is gheweest, en dat het u van -Godt almachtigh weder is gheschoncken; blijft hier en eet aen mijn -tafel, want ick ben van meningh te nacht te vertrecken nae Bantem, -nae de schepen, om eenighe ordre te stellen. Blijft hier soo langh -tot dat ick u ontbiede, of dat ick hier weder koom." Doe brocht hy 't -de coopman oock eens; hadden noch verscheyden discoersen. Eyndelijck -vertrock hy, en wy bleven daer en aten aen sijn tafel, de tijt van -acht dagen. Doen ontboot hy ons weder by hem, voor Bantem, in 't schip -de Maeght van Dordrecht, daer wy te vooren aen gheweest waren, en hy -ontboot my eerst by hem en seyde: "Schipper Bontekoe, ghy meught by -provisie, tot naerder ordre, gaen op 't schip de Berger-Boot en nemen -aldaer het schipperschap waer, als ghy te vooren gedaen hebt." Ick -seyde: "Ick bedancke mijn Heer Generael voor die gunst." - -Twee of drie daghen daer nae ontboot hy de coopman Heyn Rol en seyde: -"Coopman, ghy meught by provisie, tot naerder ordre, gaen op 't -schip de Berger-Boot en nemen aldaer het coopmanschap waer, als ghy -te vooren ghedaen hebt." Doen waren wy weder by malcander en hadden -weder te commanderen. - -Het Berger-Boot was een kort schip met 32 stucken, en leeck of 't -vol geschut lagh, meest twee lagen hoogh. Wy voeren in 't voorste van -'t jaer 1620 na Ternaten; hadden ons schip met vleesch, speck en rijs -gheladen, als oock veel amonitie van oorlogh, om de forten aldaer te -versien; waren met ons drie schepen te weten: Het Berger-Boot, daer -ick op was, de Nephtunus en de Morghenstar; deden in passant Gresse -[128] aen. Een opper-koopman, Wolter Hudden van Rijga in Lijflandt, -die daer lagh, scheepten ons in menighte van koe-beesten, hoenderen, -gansen, arack, swarte suycker. Het voer voor de beesten was rijs, -die noch in de dop was, gelijck sy van 't landt afghesneden was, -ghenaemt paedje. Staecken doe weder van Gresse af; voeren al by 't -landt langhs, voorby de Straet van Baly, om de hooghte te krijghen, -tot het landt van Soloor toe, want het Mouson was verloopen; hoopten -daerdoor te beter Ambony aen te seylen; doch voor 't gat van Soloor -komende, quam den koopman van 't fort aen ons boordt, genaemt Raemburgh -van Enckhuysen, die sijn residentie aldaer hadde, ende seyde dat -daer een vleckjen ontrent lagh, ghenaemt Laritocken [129], waer uyt -de Specken en Mostiesen [130], daer woonende, grooten afbreuck deden -in onsen handel, en dat het nu den rechten tijdt was (dewijl wy daer -nu met ons drien waren) om 't voornoemde vleck af te loopen. Waer -over wy resolveerden het selfde te onderlegghen [131]. Voeren daer -nae toe, verselschapt met eenighe Corrakorren en een groote menighte -van vaertuygh daer van 't landt, die mede voeren om te sien hoe 't af -soude loopen, doch quamen niet om te helpen. Wy liepen onder 't fort -en 't vleckjen, schooten daer dapper in, en sy weer op ons. Onder -'t schieten landen wy ons volck, maer die van de stadt deden 2 a -3 uytvallen en dreven de onse terugh, soo datter omtrent 20 a 25 -van ons volck bleven leggen, en noch veel gequetst. Mosten daerom -vertrecken, sonder yets uytgherecht te hebben. Haelden ons water en -namen ons afscheydt van den opper-coopman Raemburgh en stelden onse -koers N.O. aen, om boven het eylandt Batamboer te seylen; kregen -het in gesicht; lietent aen bag-boert van ons leggen; stelden doen -den koers Noort-Oost ten Noorden, om de eylanden van Boero ende Blau -te beseylen, de welcke wy mede aen bag-boort lieten legghen. Liepen -doe nae het eylandt Ambony, doch konden het door verleydingh vande -stroom niet beseylen; raeckten daer beneden om, tusschen twee kleyne -eylandekens deur, in eene in-wijck genaemt Hieto, en Combello lagh -daer teghen over, alwaer veel nagelen vallen. - -Van Hieto kan men met een paert in korter tijt op Ambony rijden. Wy -vonden alhier 3 commandeurs, te weten: den governeur Houtman van -Alckmaer, den governeur 't Lam van Hoorn, met den governeur Speult. Het -Lam hadde sijn residente op Maleyen, die governeur Speult op Ambony, -en Houtman worde gedestineert met ons te gaen nae Baets Jan; alwaer -wy quamen [132]. En na dat wy aldaer 4 a 5 dagen gelegen hadden, -namen wy ons afscheyt. Den opper-coopman worde van 't fort gelicht -[133], alsoo sijn tijdt ge-expireert was, en onse coopman Heyn Rol -worde in sijn plaets gestelt. Voeren voort aen alle forten in de -Moluckes en versagense met vleys, speck, rijs, oly, asijn en andere -behoeftigheyden. Lagen aen 't eylandt Maleye (daer den governeur -Jan Dirckz. 't Lam sijn residentie hadde) omtrent 3 weecken; namen -ons afscheyt van 't Lam, voeren weder aen Baets Jan, daer wy (als -geseydt is) onse coopman Heyn Rol gelaten hadden, die het commande van -'t fort hadde. Hy gaf ons omtrent 100 lasten nagelen in. - -Hier nam ick mijn afscheydt van Heyn Rol, beyde met de tranen over -de wanghen; gingh ons beyde dapper ter herten, te meer omdat wy soo -veel ellenden en swarigheyden met malcanderen hadden uytgestaen, als -vooren verhaelt is. Sedert dese tijdt heb ick hem noyt weer ghesien, -dan heb verstaen dat hy eenighe tijdt hier nae op het eylandt Maleyen -gestorven en begraven is. De Heere wees sijn ziele genadigh, en de -mijne als ick na kome. - -Staecken doe dwars over nae die Boggeronis, ofte Straet van Boton toe -[134]. Liepen de Boggerones deur, al dwars over, om boven de gronden -te seylen, recht op Java Minor ofte Cleyn Java aen [135], en voort by -'t landt langhs nae Grisse. Wy hadden den governeur Houtman in 't schip -by ons. Op Grisse komende laden wy soo veel koe-beesten en hoenderen -als wy berghen konden, in 't getal omtrent 90 beesten en 16 hondert -hoenderen, met eenige gansen en eynden. Gavense padje tot voer. Men -kocht alhier 16 hoenderen voor een rejael van achten. Namen weder onse -afscheyt van den koopman Wolter Hudden en stelden onse kours langhs -Java. Seylden dicht by Japara langhs, doch en waren daer niet aen; -vorderden onse reyse en quamen geluckelijck voor Batavia. - -Spraecken daer wederom den Heer Generaal Coen van Hoorn. Losten daer -ons schip. Los wesende, worde ick met het selfde schip gesonden nae -Janbay [136], om daer een schip vol peper van daen te halen. Deden -in passant Palimbam aen. Brochten een schip vol peper op Batavia. - -Doe sond den Generael my aende eylanden die tusschen Bantem en -Batavia dwars af legghen, om steen te halen, die daer op de grondt -leydt. Men gaf my 40 laskares [137] mede, diese duycken en op de -gront vast maecken souden, 't welck ghedaen zijnde hijstense alsoo -inde boot. 't Zijn groote steenen, diese op Batavia weten viercant -te houwen, en maeckten daer de puncten van 't fort af. Die steen is -heel wit, veel witter als hart-steen in Hollandt. Het fort is meest -van sulcke steen gebouwt, heel uyt het water tot boven toe, een lust -om te sien. Deden sulcke drie tochten om steen. Doe quam het schip -Groeningen uyt het Vaderlandt, daer schipper op was Tobias Emden en -koopman Signeur van Neck, die schout op Texel hadde gheweest. En door -dien dat de schipper en coopman niet en hadden konnen accorderen, -wierden sy beyde, door ordre van den Generael Coen en de Raden van -dien, op 't Berger-boot gestelt, en ick op 't schip Groeningen, -met een onder-koopman by my, genaemt Jan Claesz. van Amsterdam. - -Ick dede gheen quade ruylingh, want op 't Berger-boot was te eten -noch te breecken (gelijck men seydt) en het schip Groeningen was -eerst uyt het Vaderlandt ghekomen, hadde van alles ghenoegh. Ick -wierde gedestineert daer mede te gaen na Janbay, weder om peper, met -twee kisten gheldt; souden Palimbam wederom in passant aendoen, het -welck wy deden en vonden aldaer een koopman van Alckmaer, ghenaemt -Hooghlandt. Setten hem een kist met gheldt by; vertrocken voort -nae Janbay. Daer lagh een koopman van Delft, genaemt Abraham van -der Dussen, dewelcke wy mede een kist met gheldt brochten. Laghen -daer langh op de reed'; de last worden ons met kleyne jachten aen -boort ghebrocht, nevens dat wy oock met onse boot alle daghen af -en aen voeren om peper uyt de revier te halen. Onse opper-stierman, -Sipke van Enchuysen, voer met de sloep heel op, by de koopman, ende -vond het jacht de Bruynvis by 't dorp leggen, daer schipper op was -Jaep Maertsz. van Hoorn, en nae dat hy daer in 's avondts goedt -chier ghemaeckt hadde, gingh 's nachts op de hut legghen slapen -[138] en rolde met de deecken om sijn lijf vande hut af in 't water -en verdronck, om welcke tijdingh ick seer droevigh was. Doen wy de -last in hadden, namen ons afscheydt van Signeur van der Dussen en -vertrocken wederom nae Batavia; losten daer datelijck ons schip; voer -weder twee tochten om steen aen de voornoemde eylanden. Dat ghedaen -zijnde voer wederom nae Janbay om peper, op welcke tocht onse koopman -Jan Claessz storf; quamen alsoo weder voor Batavia. - -Met dese reysen, soo met het Berger-boot als met het schip Groeningen, -bracht ick ontrent 2 jaren door. Doe wierter goedt gevonden, dat -ick met het selfde schip nae China soude gaen, in compagnie van noch -seven schepen, onder den Commandeur Cornelis Reyertsz. van der Gou, -om, soo 't mogelijck waer, Macou te incorpereren [139], of nae de -Piscadores te gaen [140], en door alle bequame middelen, indien het -mogelijck waer, den handel met die van China te stabileren, ghelijck -dat breeder inde instructie was uytghedruckt, die den Heer Generael -Koen ons mede gaf. De Generaal hadde tot dien eynde op veel plaetsen -gheschreven, dat de schepen haer al by ons souden vervoeghen, op sulck -en sulcke plaetsen daer wy voorby passeren mosten. Onder anderen oock -nae de Maniella, nae den Commandeur Willem Jansz, die neffens eenighe -Enghelsche daer op een tocht was [141]; dat eenige van sijn schepen -haer by ons souden vervoegen, gelijck onderwegen oock geschiede. - -Den 10. April, nae dat wy eenige tijdt voor Batavien gelegen hadden, -sijn wy met ons acht schepen t' seyl gegaen; stelden onse koers om -de Straet van Balimbam door te loopen. - -Den 11. dito saghen wy het landt van Sumatra. Wy vervielen hier -Suydelijcker als wy gisten, waer over wy oordeelden, dat de stroom -de Straet van Sunda uyt-liep. - -Den 12. 13. 14. en 15. hadden wy variabel weer en windt; passeerden -het eylandt Lucipara. - -Den 16. en 17. dito quamen wy by 't eylandt Bancka. - -Den 18. ontmoeten ons het schip Nieu-Zeelandt komende uyt Japon, met -twee Portugesche jachten by hem, die van onse schepen voor Malacca -genomen waren; willende nae Batavia. - -Den 19. tot den 25. dito konden wy weynigh avanceren, door dien wy -meest de wint en stroom tegen hadden, soo dat wy het dickwils mosten -setten [142]. - -Den 29. dito waren wy des middaeghs aen 't Noort-eynde vande Straet -van Balimbam, en het eylandt Bancka was S.O. van ons, ontrent een mijl; -liepen Noorden aen, nae het eylandt Polepon. - -Den 30. dito quamen wy aen 't S. O.-eynde van Polepon ten ancker op -12 vadem sandt-grondt. Het is hoogh landt. - -Den 1. Mayus laghen wy aende Westzijde van 't voornoemde eylandt ten -ancker op 19 vadem steckgrondt [143], tegen over de Noordelijcste -sant-bay, alwaer het vers water of water-plaets een weynigh in 't bos -is, in een vlacke put of dal. Van 't Noort-eynde van 't eylandt Bancka -tot dit voorghenoemde eylandt is de koers Noorden 19 mijlen [144]. - -Den selfden dito sijn wy weder t' seyl ghegaen; stelden onse koers -N.O. ende N.O. ten N. aen, om boven of beoosten het eylandt Linga -te seylen. - -Den 2. dito behouden 12 mijlen N.O. ten N. Des middaghs was de -Oost-hoeck van 't eylandt Linga S.W. ten W. van ons, 4 mijlen. Het -is een seer hoogh landt aen de Noort-sijde. Van de Westzijde van -Poelepon tot de Oost-zijde ofte hoeck van Linga is de koers N.N.O., -wel soo Noordelijck 9 mijlen, diep 18, 19, 20 vadem. - -Den 3. dito was het eylandt Poelepaniang West en W. ten S. van ons -[145]. - -Den 4. dito namen wy hooghte en bevonden 1 graed 48 minuyten benoorden -de Linie Equinoctiael. 's Achter-middaeghs saghen wy het eylandt Laur -N.W. van ons, naer gissingh 8 mijlen, hooghachtigh landt, doet hem -op als een hoogen bergh, diep 35 vadem. - -Den 6. dito was het eylandt Poele Timon W. van ons, ontrent 6 mijlen, -stelden onse koers N.N.O. nae 't eylandt Poele Candoor. - -Den 9. dito wierter geordonneert, dat wy met ons drie schepen voor -uyt souden loopen, nae het eylandt Poele Ceceer, te weten: 't schip -Groningen (daer ick op was), de Engelsche Beer en St. Niclaes. - -Den 18. dito, 's morghens, saghen wy het eylandt Poele Candoor -N.N.O. van ons, ontrent 9 mijlen; is hooghachtigh landt met kleyne -eylandtjes, meest legghende aende S.O.sijde van 't groote eylandt. De -water-plaets is aende S.W.sijde. Van 't eilandt Poele Timon tot dit -eylandt is de koers recht N.N.O., volghende de kaerten; diep in 't -vaerwater: 35, 40, 50, 60 vadem, weeckachtige grondt; maer als men -Poele Candoor begint te naderen, soo krijght men weder 30, 25, 20 -vadem harde sant-grondt [146]. Des avondts liepen wy dicht beoosten -het eylandt om, ontrent een groot half mijl van 't Oostelijckste -eylandeken; diep 18 en 20 vadem. Setten onse koers N.O. aen, nae de -kuste van Champey. - -Den 21. dito, 's avondts, konden wy Poele Candoor noch vande groote -stengh sien. - -Den 22. dito sagen wy het landt van Champey. Doet hem op oft eylanden -waren, wesende ontrent 7 a 8 mijlen van 't landt. - -Den 24. dito saghen wy onse andere schepen wederom, wesende op de -hooghte van 10 graden 35 minuten; waren ontrent 1 1/2 mijl van 't -landt: is hier leeghachtigh [147] voor-landt met witte sant-strant, -doch hoogh en heuvelachtigh binne-landt. Langhs het landt heen 1, -2, 3 mijlen t' zee; is diep 17, 16, 15, 14, 13 vadem sant-grondt -[148]. Des avondts sijn wy altesamen by malcanderen ten ancker gekomen -op 15 vadem, tegen een punt of hoeck, gheleghen op de hooghte van 10 -3/4 graden, genaemt Caep de Ceceer. Benoorden dese Caep heeft men een -groote in-wijck [149], daer het voort by de zee-kant langhs duynigh -landt, met hoog binne-landt is. Het landt streckt hem van desen hoeck -N.O. ten O. - -Den 25. waren wy nevens het eylandeken met de steen-klippen genaemt -Poele Ceseer de Terre [150]. Men siet hier benoorden het landt een -in-wijck tusschen het hoogh-landt, ghelijck een revier. Het duynigh -landt begint hier te eyndigen en men krijght dan voort hoogh dubbelt -landt, met dieper water van 30, 40 en 50 vadem. - -Den 26. dito quamen wy inde Malle Bay (by de inwoonders genoemt de -Bay van Panderan) ten ancker. Hier gingh onse opper-stierman Abram -Thijsz. van Vlissingen over op het schip St. Niclaes, ghedestineert na -de Mannieljes, om te sien of hy eenige schepen van Willem Jansz. vloot -kost vinden. Hier staen veel hooge klappes-boomen aen de strand' -by de huysjes. - -Des anderen daeghs gingen wy met ons vier schepen t'seyl nae een -ander bay, genaemt Canberijn, ontrent 6 mijlen verder; vonden hier -water en hout ghenoegh, als oock verversinge in abondantie. Kreghen -ontrent 17 beesten en een goede parthy hoenderen; maer een Speck -[151] van ons overloopende by de inwoonders, konden daernae geen -verversinge meer krijgen. - -Den 4. Juny trock ick met de boot nae onse mackers in de Bay Panderan, -om haer van ons wedervaren rapport te doen, en quam den 6. dito -wederom. Ondertusschen was het jacht St. Cruys by ons gekomen [152]. - -Des anderen daeghs gingen wy onder seyl; quamen by het jacht de Haen, -die een Japonsche jonck aengehaelt hadde [153], als oock by onse -andere schepen. - -Den 10. dito sagen wy een kleyn eylandt onder de wal leggen, van -gedaente oft Cockx Broodt [154] was onder Engelandt. - -Den 20. dito, verscheyden eylanden in onse wegh gesien hebbende, -sagen twee seylen dicht onder de wal. 's Avondts quamen wy by de -Manieljes-vaerders, de Hoop met de Bul, sijnde een Engelsman; hielden -den heelen nacht by. - -Den 22. dito quamen wy voor Macou, lieten ons ancker vallen op 4 vadem -weecke grondt; waren doe sterck 15 seylen, soo schepen als jachten, -daer onder 2 Engelsche schepen [155]. - -Wy monsterden ons volck; lieten haer optrecken [156] rondom de mast, -daer in sy onderrecht worden nae krijghs-gebruyck. Desgelijcx deden -sy op de andere schepen. - -Den 23. 's middaeghs ginghen wy met ons drie schepen, te weten -Groningen, de Galias en de Engelse Beer, dicht onder de stadt; -lieten ons ancker vallen op 3 vadem diepte, met laegh water, ontrent -een gotelinghs schoot vande wal; schooten dien avont noch 5 schooten -daer in. Des nachts liepen wy met ons tween, te weten Groningen en de -Galias, tot op een groote muskets-schoot onder de stadt, op 3 vadem, -met half vloet, weecke grondt. - -Daer was goet gevonden, dat ick en onsen coopman Bosschert van Delft -[157] met het volck aen landt souden varen en te lande de stadt helpen -bestormen; maer deze resolutie wierde verandert, om het schip niet -teffens van schipper en coopman te ontblooten: dat ick soude t'scheep -blijven en daer de saecken waarnemen en onse Commandeur voer voor -velt-overste aen landt. - -Des morghens, zijnde den 24. dito, soo drae den dagh aenbrack, -schoten wij met de gantsche laegh inde stadt dat het rammelde, -soo veel de stucken konden verdraghen. Weynigh tijdt daer nae is -den E. Heer Commandeur Cornelis Reyertsz. nae landt ghevaren, met -ontrent 600 weerbare mannen. Twee jachten liepen dicht by de wal, -daer den Commandeur lande, om oft [158] de onse te quaedt viel, -dat sy haer retreyt daer aen souden konnen nemen; oock om de -boots en kleyn vaer-tuygh te beschermen. De Portugijsen hadden een -borst-weer opgeworpen, daer de onsen mosten landen, daer van sy -eenige tegen-weer deden, doch de onsen daer op aendringende namen -sy de vlucht op de hooghte, nae een clooster. De onsen aen landt -wesende avanceerden dapper op de Portugijsen, dewelcke verscheyden -uytvallen op de onsen deden, maer t'elckens met een groote couragie -te rugh werden gedreven. Eyndelijck raeckte door ongeluck de brant -in eenige half vaten kruyt, 't welck de onse verlegen maeckte, want -daer soo drae geen ander kon gebracht worden, of de Portugijsen waren -daervan verwittight door eenige overloopers, sijnde Japoneesen. De -onse van voornemen sijnde om af te trecken, quamen de Portugijsen -op dat voorseyde rapport tot de onsen ingevallen, die door gebreck -van kruyt geen genoeghsame tegenstandt konden doen, en sloegen -vele vande onse doodt. De rest retireerde in groote confusie van -'t landt in de booten en voeren nae boort. Wy bevonden in als [159] -verloren te hebben 130 man; hadden ontrent oock soo veel gequetsten, -onder anderen den Commandeur Cornelis Reyertsz., die in 't eerste soo -de onze landen souden door sijn buyck geschoten wierde, doch wierdt -door Godts hulpe weder genesen. - -Het volck weder scheep komende seylden wy af, ontrent 3/4 van een mijl -en haelden daer water aen een eylandt besuyden Macou. Kreghen onse -opper-stierman wederom, die te vooren van ons schip was overgegaen. - -Den 27. vertrocken de twee Engelsche schepen met het schip de Trou -na Japon. 't Schip de Hoop wert mede onder onse vlagge gestelt. - -Den 28. dito is de Beer en St. Cruys nae het eylandt Lemon gheseylt, -en voort om de kust van China te besichtigen. - -Den 29. sijn wy voort altemael vertrocken nae de Piscadoris, -uytgesondert het schip de Hoop, 't jacht St. Niclaes en het kleyn -jachtje Palicatten, die daer souden blijven tot in 't laetste van -Augustus, om te passen op de schepen die van Malacca aldaer souden -moghen komen. - -Den 30. passeerden wy Idelemo, of anders de Hasen Ooren; liepen -Oost en O. ten S. aen, om boven Poele of Peter Blancke te loopen; -doet hem van veers op als een groot schip of kraeck [160]. - -Den 4. Julius sagen wy uyt de mars het Suyd-Westelijckste eylandt -van de Piscadoris. - -Den 6. dito is het schip de Beer weder by ons gekomen vande kust van -China; liepen met malcander buyten de eylanden om. - -Den 10. quamen wy ten ancker achter een vande eylanden; deed' -hem op als een tafel, was wel een vande hooghste eylanden vande -Piscadoris. Saghen tusschen de eylanden door eenighe Chinese visschers, -doch liepen voor ons wegh. - -'S anderdaeghs lichten wy weer ons ancker en liepen in een schoone -besloten bey, op 8 a 9 vadem steck-grondt [161]. Dit landt is vlack -en steenigh, heeft geen boomen om hout te hacken, is met langh gras -bewossen, heeft redelijck vers water, 't welck men uyt putjes haelt; -maer alst droogh weer is, soo ist brackachtigh. Men vindt het in twee -in-wijcken, daer men met de schepen leydt, anders en heeft men hier -geen verversinge, most daer altemael gebracht worden, en alsoo ons dese -plaets was belast te houden tot een rende-voes [162], soo deden wy op -het eynd' van Ilje Fromosa een haven aen, daer de Chinesen eenigen -handel hebben, Tayowan ghenaemt [163]. Daer haelden wy naderhandt -met onse jachten veel verversinghe van daen, leydt 13 mijlen vande -Piscadoris, heeft niet meer als 11 voet water in 't gat en is vry krom -in te komen, soo datmen met groote schepen daer niet in mach [164]. - -Den 19. gingen wy, te weten het schip Groningen en de Beer onder -seyl, om over nae de kust van China te loopen; ghemoeten het jacht -St. Cruys. 's Anderendaeghs brack de Beer sijn focke-ree, waer door wy -ghenootsaeckt waren minder seyl te voeren, om by malcander te blijven. - -Den 21. saghen het vaste landt van China; quamen voor de vermaerde -revier Chincheo [165]. Dese revier is zeer kenbaer, ghelijck Jan -Huygen van Linschoten daer van schrijft [166]: op de eene hoeck aen de -N.O. sijde staen twee heuvelen, waer van de eene is gelijck een pylaer -van een kerck, en aen de S.W. sijde vande revier ist leegh [167], -duynigh landt, en weynigh binnen de Suyd-Westhoeck sietmen een tooren -of ten minsten die ghelijckenisse. Souden daer aen de S.W. sijde onder -een kleyn rondt eylandeken geloopen hebben, maer door dien het schip -de Beer die reed' niet en kost beseylen, mosten weder zee kiezen, -want sijn ghebroocken ree was noch niet ghemaeckt. Begon hart te -waeyen, soo dat 's anderdaeghs onse fock uytte lijck waeyde [168]; -hielden doe af ende aen [169], doch dreven geweldigh om de Noort. - -Den 25. saghen wy een seer hackeligh landt op de hooghte van 27 graden -9 minuyten, 't welck wy vermoeden, soo door 't schrijven van Jan Huygen -als uytwijsende de kaert, het eylandt Lanquijn te wesen. Settent daer -onder op 15 vadem; sagen veel Chinese visschers, die omtrent 3, 4, -5, a 6 mijlen buyten landt hielden. - -Wy deden daghelijckx onse best om om de Zuyd te komen, maer dreven -ghestadigh om de Noordt, soo dat daer een harde stroom om de Noordt -schijnt te gaen. - -Den 27. kreghen wy een visscher aen ons boort, die ons wat ghedrooghde -vis verkocht. - -Den 9. Augustus bevonden wy ons by de eylanden van China, die seer -veel in 't getal zijn. Liepen ten ancker op 15 vadem; vermoeden ons, -uytwijsende de kaert en bevonden breete, ontrent de Caep de Somber te -wesen, doch konden geen vaste kust noch caep sien. Oordeelden daerom, -dat de caep Noordelijcker leyt als de kaerten aenwijsen. - -Den 11. lichten wy ons ancker en liepen onder het eylant Lanquijn, -leggende op 28 1/2 graden benoorden den Equinoctiael, op een tamelijcke -rede aende Noort-zijde, die wy met de boot hadden opgespeurt, om -nae water en verversinge te soecken, doch bequamen geen of weynigh -van eetwaren, maer daer was goet water. Hier leggende quamen daer -eenighe Chinesen aen ons boort met haer ciampan [170], die ons voor -elcke schip 5 korven witte suycker vereerden. Waren nae ons vermoeden -en soo veel wy uyt haer verstaen konden Chinese zee-roovers, die op -haer eygen natie vry-buyten. Des anderen daeghs haelden wy ons water -en gingen weder t' seyl, doch met weynigh spoets. - -Den 18. dito quamen wy wederom ten ancker aen de West-sijde van -'t selfde eylandt, op een beter rede als de voorgaende; was een -haven daermen meest voor alle winden beschut lagh. Hier hielden de -voornoemde zee-roovers haer haven-plaets, die ons altemet eenige -verversinge brachten, die sy van elders wisten te halen, doch kon -weynigh helpen voor 't geheele scheepsvolck. Sy presenteerden ons -dickwils, soo wy met haer wilden seylen na de vaste kust, dat sy onder -ons mochten schuylen, sy wilden ons verversingh, ja ladingh genoegh -beschicken; dan wy vondent niet geraden. Sy setten Prince-vlaggen op -hare scheepkens en roofden onder de selfde op haer eygen Natie. - -Wy ginghen weder onder seyl, om ons by onse andere schepen te voegen -in de Piscadoris, daer wy na veel variabel weder den 22. September -quamen. Sagen ons volck daer doende om een fort of sterckte op te -werpen [171]. Vonden daer oock twee schepen met een jacht meer als wy -daer gelaten hadden, die van Batavien sedert aldaer ghekomen waren, te -weten: het schip de Gouden Leeuw, de Sampson en het jacht Sincke-Pure -[172]. - -Des ander daeghs sijnder twee jachten vande kust van China gekomen, -hebbende eene achter gelaten, dat op de voorschreven kust gebleven was -[173], maer het volck en geschut hadden sy geberght, waer in haer de -Chinesen seer behulpigh hadden geweest. Dese jachten waren uytgesonden -om met de Chinesen vande handel te spreken, de welcke haer met groote -hoope wederom sonden en beloofden met een ambassadeur by ons te sullen -komen inde Piscadoris, om nader met malcander te spreken; 't welck -sy den 29. dito deden. Quamen met vyer joncken met haren ambassadeur, -om met onsen commandeur en raet over den handel te accorderen, maer en -wiert niet [174] uytgherecht; want in al wat sy beloofden en hielden sy -geen woordt, soeckende ons door die middel vande Piscadoris te krijgen, -'t welck streedt tegen de ordre ons vanden Heer Generael mede gegeven. - -Den 10. October is de Gouwe Leeuw t'seyl ghegaen nae Janby. - -Den 18. dito sijn wy met ons acht seylen, drie schepen en vijf jachten, -gecommandeert te gaen nae de revier Chincheo en de kust van China, om -te sien of wy haer door vreese van onse vyantschap en gewelt tot den -handel mochten beweghen; doch quamen ontrent 10 mijlen te laegh. Drie -van onse schepen dwaelden van ons, bleven doe noch met ons vijven, -settent in een bay, daer wy door onse jachten wel 60 a 70 joncken, -soo kleyn als groot, verbranden [175]. - -Hier ghebeurden een sake verhalens waerdigh, want alsoo ons volck -doende was om twee joncken (die sy genomen hadden) aen ons boort te -brengen en door harde wint het mosten setten, by haer hebbende den -boot met onse sloep, soo sijn sy inde voor-nacht van haer anckers -ghespilt en dreven wegh, de eene inhebbende 23 van onse maets met -twee Chinesen. Het jacht Fictoria, dat by haer geset lagh om haer te -helpen, en kost door het harde weer en donckerheyt geen hulp doen. De -eene jonck wegh drijvende, begaven die uyt de ander jonck, die met -haer sessen waren, haer inde boot en staken de jonck in brandt, -doch alsoo sy met de boot qualijck seyl konden voeren en op een -lager wal sijnde, wierpen de dregh uyt. Maer ontrent twee uren voor -de dregh gelegen hebbende brack het dreggetou; dreven teghen de wal -aen, in perijckel van haer leven, te meer om dat haer lonten in 't -stranden waren uytgeblust en uytgegaen, en niet als vyandt aan landt te -verwachten hadden; en om gewelt tegen te staen waren sy al te weynigh -in ghetal, wesende niet meer als 4 mannen en 2 jongens. Gaven daerom -Godt de saecke op en baden dat hem beliefde een ghenadighe uytkomst -te verlenen. Saten alsoo in grooten anghst en vreese inde boot en -verwachten den dagh. Stracx quamender een parthy Chinesen nae de -boot. Ons volck grepen de sabels inde vuyst en riepen en schreuden, -als of sy naer haer wilden toekomen. De Chinesen dat hoorende, die -door de duysterheydt des nachts niet en kosten zien, hoe sterck de -onse waren, keerden wederom en schenen van den verveerden verveert te -wesen. De onse namen dat voor een seker waer-teken, dat de huld [176] -en bescherminge Gods over haer was. Den dagh aenkomende resolveerden -sy de boot te verlaten (alsoo die voor haer onmogelijck was van 't -landt te water te brenghen) met musketten op de hals, de sabels op -zy, om alsoo, waert mogelijck, te lande te reysen nae de revier van -Sammitju, daer onse twee jachten voor lagen. De 23 man, die met de -ander jonck waren wegh gedreven, wierden gevangen. Eenige jaren daer -nae is een van de 23 man te recht gekomen, soo ick verstaen heb. Doch -dese [177] kosten noch jonck, noch tael noch teken van haer stranden -sien; sijn derhalven voort gemarceert. - -Een party Chinesen haer siende, quamen na haer toe en stierden twee -mannen voor uyt, om met de onsen te spreken; maer onse maets betrouden -haer niet, leyden de musketten op haer toe, als oftse schieten wilden, -waer door sy haer lieten passeren. - -Onder weegh een huysken vindende, daer een man met een vrou in was, -gingen daer in; staecken haer lonten op en maeckten haer geweer -(dat geheel onklaer was, doordat het nat geweest had' in 't landen -met de boot) weder klaer. Hier kreghen sy oock te eten, want desen -man gaf haer wat rijs; hem bedanckt hebbende, spoeden haer wegh. In -'t gaen saghen sy wel 6 of 7 Chinesen doodt leggen op strant, ten -proye voor de honden en vogelen, die vande onsen waren doodt gesmeten -[178]. Hier uyt hadden sy licht af te nemen, wat men haer doen sou, -soo se ghekreghen worden; resolveerden daerom haer soo langh te weren -als sy een sabel inde vuyst souden konnen voeren. - -Haer ghemoeten daer nae een groote menighte Chinesen, meenen wel van 2 -hondert, die altemael voor haer vluchten. Des achtermiddaeghs quamen -sy by onse jachten; schoten met haer musketten een deel schoten om -ghehoort en ghehaelt te worden van die inde jachten. Maer door dat -schieten quamender wel 7 a 8 hondert Chinesen (naer haer gissingh) -op de been, uyt een groot by-gelegen dorp; ginghen nae onse maets toe, -ghemonteert met messen en piecken. De onse die niet als de doodt (soo -'t scheen) te verwachten hadden, schoten eenighe schoten tot haer -in. Sy siende dat de onze gheresolveert waren al vechtende te sterven, -liepen te rugh; eenige bleven van verre staen en wierpen met steenen; -'t scheen, dat sy niet veel schieten moeten ghehoort hebben, want sy -warender geweldigh verveert voor, seyden de maets. Boden eyndelijck -de onse alle vriendtschap aen; nooden haer in haer dorp. - -In 't dorp komende stonden wel duysent Chinesen, nae gissingh, en sagen -haer met verwonderinghe aen; schenen haer leven geen Hollanders gesien -te hebben. Brachten ons volck in haer tempel; gaven haer daer te eten -en te drincken, en wat toeback. De onse gingen by malcander sitten, -haer geweer gestadigh gereet houdende, want sy niemandt vertrouden, -vreesende dat sy haer overvallen souden. Hier sittende is haer lont -verbrandt; scheurden stucken van haer hembden, dat drayende tot -een lont, soo sy best konden. Trocken doe weer uyt het dorp, haer -bedanckende vande ontfanghene weldaedt; waren blijde dat sy daer -soo geluckigh waren uytghekomen en dat niemandt haer naevolghde; -want sy hadden geen vier schoten kruyt meer in haer bandeliers. - -Quamen op strant, vonden een scampan [179], setten het vande wal. In -'t water komende ist terstondt gesoncken, soo leck wast. Gingen doe -in een visschers-huys, daer eenige haer tot slapen leyden, maer de -andere en kosten of durfden niet slapen, alsoo sy des nachts een party -Chinesen om het huys hoorden. Des morgens maeckten sy twee vlotjes van -'t geen sy best vonden; voeren daer mede nae de jachten, die terstondt -t'seyl gingen, soo dat het niet langer diende geduert te hebben, of -hadden daer licht moeten blijven. Soo datmen aen dese gheschiedenisse -gants klaer kan speuren, wat den mensch al voor perijckel kan door -komen, als des Heeren bewaringe ghenadelijck medewerckt; want sonder -dat wast schier miraeckel, dat soo weynigh volck uyt der Chinesen -handen sijn ontkomen, daer sy haer vyanden waren. - -Den 2. November is het jacht St. Niclaes gheseylt nae de plaets daer de -boot op strand lagh, die vande Chinesen gans gheplundert was, van seyl, -mast, swaerden, roer, twee steen-stucken [180] en de yseren schijf -voor uyt de steven. Setten hem te water en brachten 10 bocken en 3 a 4 -verckens tot revensie [181] mede, en quamen soo met de boot aen boort. - -Den 4. dito nam de boot van de Beer twee joncken met 25 mannen, staken -de joncken inde brandt; het volck brachten sy aen 't jacht St. Niclaes. - -Den 9. November is onse opper-stierman ghestorven aen 't water, -begroeven hem op een eylandt op de hooghte van 23 graden. - -Den selfden dito is de boot vande Beer nae een deel joncken gevaren, -maer begost soo hard te waeyen, dat de voorschreven boot met achtien -man, daer onder de schipper Jan Jansz. wegh dreef, tot groote -droefheydt van ons alle. Sonden het jacht Fictoria om nae haer te -soecken, dan deden niet op. Hadden hier legghende met onse twee -schepen 40 mannen van het beste bevaren volck verlooren, 't welck -ons dapper smarte. - -Den 25. dito quamen wy te samen voor de reviere Chincheu. Setten -'t onder een eylandt by een dorp, daer de inwoonders uyt -vluchten. Bequamen daer ontrent 40 beesten, daer onder eenighe -verckens; oock een parthy hoenderen, het welck ons wel quam tot -verversingh, alsoo veel van ons volck sieck en aan 't water laghen, -die haer hier mede heel verquickten. - -Sonden drie jachten de revier in, die 't by een dorp setten, daer -sy landen en dapper teghen de Chinesen schermutseerden. De Chinesen -maeckten 9 joncken aen malcander vast en stakense inde brandt en lieten -die nae onse jachten toe drijven, van meninge om die inde brandt te -krijgen; dan dreven mis. Wy met ons twee schepen quamen den 28. dito -by haer, schooten met ons grof gheschut op een plaetse, daer van sy -met seven bassen [182] op het volck vande jachten gheschooten hadden, -die wacker stant tegen haer hielden, hoewel die maer 50 in 't getal -waren, daer sy eenighe duysenden sterck waren. Droeghen haer bassen -wegh, een stuck weeghs van haer dorp. De onse staecken 4 joncken voor -haer dorp inde brandt en quamen 's avondts weder aen boort. - -Den 29. dito quam een Chinees overloopen, doch scheen half geck te -wesen. Wy lichten ons ancker en liepen voor een stadt; schooten daer -in, en sy weer met bassen op ons; raeckten ons tweemael. Staken een -jonck inde brandt. De Beer met een jacht liepen aen de andere sijd' van -'t eylandt; sagen daer twee groote dorpen, daer neven het eene twee -groote joncken op stapel stonden. Resolveerden om dat af te loopen; -'t welck wy den 30. dito onderleyden, met ontrent 70 musquetiers. - -De inwoonders waren altemael ghevlucht op een seecker fort; -wy vervolghden haer tot onder 't fort. Sy deden twee uytvallen, -met sulcken afgrijsselijck gheroep en gheschreu, als of de werelt -vergingh; quamen lustigh op ons aen en wy niet willende wijcken -sloeghen malcander met de sabels om de ooren. Maer als wy met onse -musquetten een deel vande haren onder de voet gheschoten hadden, sijn -sy geretireert en stelden 't op 't loopen. Sy hadden onse sarjant en -de seylemaecker van de Beer onder de voet; ten waer wy haer ontset -hadden, sy hadden doodt geweest. De sarjant hadden sy de bandelier -van 't lijf gehouwen. Dreven haer al doodtslaende weder in haer -fort. Wy verlooren een man, sijnde de barbier vande Beer, doch weten -niet of hy doodt gheslagen of ghevangen is geworden. Wy staecken de -twee joncken als oock haer gantsche dorp inde brandt; quamen alsoo -'s avondts weder aen boort, met goeden buyt van verckens, bocken, -hoenderen en andere plunderaedje, van huysraedt en andere saecken. De -beesten bereyden wy des nachts, om 's anderen daeghs onse hart (voor -dese moeyelijcke landt-tocht) weder eens op te halen. - -Den 2. December voeren wy weder nae landt, plunderden noch een ander -dorp uyt, en staecken 't alst voorgaende mede in brandt. Wy kreghen -hier een-en-twintigh canassers ghetweernde sijde uyt een pack-huys, -en brachten het nevens de andere buyt weder aen boort [183]. - -Des anderen daeghs seylden wy nae een ander eylandt, daer een groote -tooren op staet. Vonden daer gheen volck op; settent met hoogh water -op vijf-te-half vadem, en inde voor-nacht met het lage water saten wy -vast: 't scheen dat hier een gheweldige stroom in ende uyt gaet. Inde -selfde nacht met de vloet sonden de Chinesen twee brandende joncken -op ons af, die dicht by de Beer (die boven ons gheset lagh) langhs -dreven. De eene scheen of hy ons recht voor de boegh soude komen, -waer door een groote verbaestheyt [184] in ons schip ontstondt. Wy -stonden met alleman boven, en den een sey dit, den ander dat. Doch -ick my versekerende, dat hy mis soude drijven, maeckten soo groote -swarigheydt niet. De coopman Nieuwenroode by my staende seyde: -"Schipper, laet het tou af houwen". Ick onderrechte hem, dat het -niet gheraden was het tou af te houwen, terwijl wy op de wal lagen, -en nootsaeckelijck het schip souden moeten verliesen, en dat de -jonck ons niet begaen kon. Maer den jonck ons naderende, die nae des -coopmans oordeel niet mis en kond, riep hy: "Hou af het tou! Hou af -het tou!" Ick daer-en-teghen riep: "Hou niet af! want hou jy het tou -af, soo sijn wy het schip quijt! 't Is mis! hou niet!" Doe de coopman -sagh dat de maets, die alreede een hou in 't tou hadden ghegheven, -ophielden en my hierin ghehoor gaven, riep hy teghen my (meenende -dat de jonck alsoo goedt als aen boord was): "Schipper Bontekoe, sie -daer, dats u schuldt; dat sal ick op u verhalen!" Doch ick al bevreest -wesende, dat de maets het tou souden afhouden, riep al: "'t Is mis! 't -is mis! hou niet! hou niet!" 't Welck oock waer was, want dreef noch -soo verre mis dat hy onse groote ree, die in 't cruys stondt [185], -noch mis dreef, hoewel sijn mast veel hoogher was als onse ree. Alleen -onse scampan, die wy achter aen hadden legghen, raeckte inde brandt, -die wy doe drijven lieten, soo dat het oock niet veel nader diende; -stondt gheweldigh ysselijck [186], want het branden soo gheweldigh of -het vol swavel gheweest was en soude met ons wel haest korte mijlen -(als men seydt) ghemaeckt hebben [187]. Ick hadde het roer van 't -eene boort aen 't ander laten legghen, waer door het schip een gier -maeckten [188], 't welck (naest Godt) de eenighste oorsaecke was van -'t misdrijven. - -Den 4. dito lichten wy ons ancker en liepen nae het eylandt voor inde -mondt vande revier, daer wy de 40 beesten van ghehaelt hadden, als -voor verhaelt is. Haelden daer water en gingen den 7. dito van daer -t'seyl, om weder over nae de Piscadoris te loopen. Mits water sijnde -[189] waeyde ons voor-marsseyl wegh; setten het 's anderen daeghs -(door dien wy door 't hard weer geen seyl en kosten gebruycken, om 't -gat daer wy recht voor waren in te loopen) onder het naeste eylandt, -dat bewesten het gat leyt, op 15 vadem. - -Den 9. dito sijn wy van ons ancker gespilt; lieten een ander toegaen, -welck tou, na vier uur leggens, oock brack. Dreven doe vande eylanden -af, en dat met een harde storm uytten N.O. en N.N.O. - -Den 10. dito wierdt ons schip soo leck, dat wy met twee pompen soo -veel te doen hadden als wy konden om boven te houden; hadden wel -seven voeten water in 't schip en onse achterste pomp was staegh -onklaer. Wy hadden achter inde kamer een party paedje, en een gat -inde kamer raeckende liep de paedje daer door by de pomp, 't welck -onse pomp, als gheseydt, bynae onbruyckbaer maeckten. Waren derhalven -gedrongen om de paedje overboort te werpen, want wy vreesden dat sy -al de lock-gaten [190] verstoppen en onklaer maken sou. - -Den 13. en 14. is het vaerbaer weer geworden; bevonden ons dicht -onder de kust van China; quamen daer by het schip Haerlem, daer mijn -broeder Pieter Ysbrantsz. Bontekoe schipper op was, dat mede garen -aende Piscadoris hadde gheweest, en was door dese voorgaende storm -oock verdreven; quam van Japon. Wy hielden met malcander wel vier -dagen by, maer dreven meer overstuer als wy wonnen [191]; liepen -daerom met malcander te ree aen de kust van China. - -De 20. nam het schip Haerlem wel 7 scampannen, daer in 36 Chinesen -met 3 joncken, die met sout, gesouten vis en anders geladen waren. Den -selfden dito wierde goet ghevonden, dat wy de ladingh, die het schip -Haerlem uyt Japon ghebracht had, souden overnemen, om dat het schip -Haerlem swack en soo ghestelt was, dat het niet langher dorst uyt -blijven en nootsakelijck verdubbelt most [192], en daer en teghen ons -schip noch sterck en goedt. Waren oock weder dicht [193]. Ruymden -daerom ons schip op en begosten des anderen daeghs te laden. Doe -quamen daer twee Chinesen van landt met een scampantjen aen 't schip -Haerlem; brachten een deel appelen, hoenderen en verckens aen boort, -voor welcke daet sy hem sijn jonck weer gaven. Haelden hier voort ons -water; maeckten ons weder klaer om t'seyl te gaen; leyden een wangh -[194] op onse focke-mast en ree. - -Den eersten Januarij [1623] wierter goedt ghevonden, dat den -opper-stierman Jan Gerritsz. de Naeyer met ontrent tsestigh persoonen -van 't schip Haerlem op ons schip souden komen. En onse onder-stierman -Geleyn Cornelisz. is, nevens andere, weder overgegaen op 't schip -Haerlem, om alsoo nae Batavia en voort nae 't Vaderlandt te gaan. De -coop-luyden waren ten dien eynde besich om brieven te schrijven, -de eene nae Batavia en de ander nae de Piscadoris. - -Wij setten wel 84 Chinesen over aen 't schip Haerlem, dat den 4. dito -van ons t'seyl gingh nae Batavia. Des nachts haelden de Chinesen -een jonck dicht by ons schip van daen, hoewel wy na haer schooten; -ginghender evenwel mee deur; wy hadden gheen sloep om haer nae -te jagen. - -Den 5. dito quamen de Chinesen om en by ons visschen. 't Scheen dat -sy wisten, dat wy gheen sloep hadden, daer onse timmer-luy daghelijckx -mee besich waren om een te maecken. Wy hadden een half sleten seyl van -'t schip Haerlem gekregen; daer af maeckten wy tot de schuyt [195] -en ons schip wat ons noodigh docht. Hielden des nachts goede wacht; -vreesden voor branders, die de Chinesen ons souden konnen toestueren. - -Den 7. dito ginghen wy t'seyl om zee te kiesen; maer door -contrarie-wint mosten weder te rugh. Liepen op onse oude ree; namen -in 't seylen een jonck, daer wy die kabels nevens ander tou-werck uyt -kregen, en staken de jonck inde brandt. Het volck wasser uytgevlucht; -welck tou-werck ons heel wel te pas quam. - -Den 9. en 10. dito kregen wy onse schuyts seyl, mast, sweerden en -ander tuygh weder klaer; bleven noch al door onbequame wint leggen. - -Den 11. dito sagen wy tegen den avondt twee joncken onder wal. De -coopman wilde dat men met de boot daer nae toe soude varen, maer -het docht my ongheraden, omdat het tegen den avondt was en gantsch -leelijck weer, en stondt gheschapen noch harder te sullen waeyen, -want sacher gans onweerigh uyt. Oock seyde ick, dat men het volck -soo licht niet behoorde te waghen; bleef daerom achter [196]. Begon -teghen de nacht oock soo te waeyen, dat wy blijd' waren dat de boot -aen boort was gebleven. - -Des anderen daeghs, 's morghens, sijn wy met de boot nae een jonck -gevaren, die de bay oplaveerde; doch eer wy daer by waren quamen -vier oorlooghs-joncken hem te hulp, die geweldigh na ons schooten, -en alsoo 't dicht aen landt was, daer wel duysent menschen, soo 't -scheen, op strand stonden met geweer, mosten hem verlaten en voeren -weer nae boort. - -Den 14. dito 's nachts, inde eerste wacht, ben ick met de boot nae -een ander jonck ghevaren, die haer te weer stelden; schooten wel twee -glasen teghen ons [197], en alsoo wy te verd van 't schip dwaelden -en weynigh aparentie was haer te krijghen, quamen wy inde dagh-wacht -weder aen boort [198]. - -Den 15. dito was de stierman met de boot weer by een jonck, die van -Teysing quam [199], daer sy heftigh tegen doende waren, maer mosten -hem verlaten. Hadden drie gequetsten, daer onder een gants dootelijck, -want was met fenijnigh geweer doorschooten. - -Den 18. dito ben ick met de boot ghevaren nae vijf joncken; eene -gingh sijn gangh en de ander vier korten malcander op zy [200] en -stelden haer schrap met schilden, swaerden, pijlen en bassen, want -'t waren oorlooghs-joncken; soo dat wy nae een kleyn ghevecht wederom -keerden. De joncken peurden ons nae [201]. Ons volck in 't schip dit -siende en vresende dat sy de boot souden aentasten, maeckten de twee -achterstucken klaer, om nae haer te schieten, want het was dicht by -'t schip; wy waren geen duysent treden van 't schip af. Wy gijden -het seyl op [202] en streken de de fock neer en roeyden vlack inde -wint op. Sy inde joncken dit siende keerden van ons af. 's Avondts -quamen wy weer aen boort en gingen den selfden nacht noch onder seyl; -hadden de wint N.W. - -Den 19. dito, 's morghens, waren wy ontrent een mijl buyten de wal, -of vande hoeck van Teysing; hadden Peter Blanca S. O. van ons ontrent -5 mijlen, 't welck leyt op de hooghte van 22 graden 20 minuyten; -seylden langhs de wal. Op den selfden dagh kreghen ons volck rantsoen: -een flap-kan water daeghs. - -Den 20. dito liepen door contrarie-wint met de sonnen-ondergangh weder -ten ancker op 17 vadem, ontrent 6 mijl buyten lant, N. ten O. van -Catsje, alsoo wy gheen vordel saghen te doen met seylen. Hier brack -ons tou stucken [203], mosten daerom de seylen daer weer bysetten, -doch quamen door hard weer des anderen daeghs weder te reed' ontrent -8 mijlen beoosten Teysing. - -Den 22. sonden wy de boot uyt, bet nae landt toe [204], om te vernemen -[205] ofter geen beter reed was te vinden; seylden op haer rapoort -tot ontrent een half kartous schoot vande wal, op een goede rede. - -Den 23. 's morghens, noch al contrarie-wint uytten N.O. met koel weer. - -Den 24. dito storf die persoon, die 9 dagen te vooren soo deerlijck -gequetst was; was genaemt Hendrick Bruys van Bremen. - -Den 25. dito kregen onse timmerluy de sloep meest klaer. - -Den 27. dito is onse coopman Nieuwenroode met de sloep en boot na -landt gevaren, om te sien of wy geen water souden konnen krijgen, -dan en dee niet op. Sagen eenighe joncken in de revier leggen, daer -wy 's achtermiddaeghs een cherge met musquetten tegen hadden; maer -sy schooten met bassen en ginghen onder seyl, soo dat wy vruchteloos -wederom quamen. - -Den 28. nam onse stierman een kleyn jonckjen met ghedrooghde en -gesouten vis geladen, met acht Chinesen, die het datelijck op gaven. - -Den 29 en 30. dito hebben wy verscheyden tochten soo nae joncken als -visschers gedaen, maer niet bekomen als een visscher met vijf man, -en water gesocht, 't welck ick den 31. dito vont, dat heel goet was -en gemackelijck om halen. - -De navolghende daghen tot den 7. Februarij haelden wy ons water; -was alle daghen lelijck variabel weer en contrarie-wint om onse reys -te vervorderen. - -Den 8. dito voeren wy met boot en sloep nae landt met 27 musketiers om -een landt-tocht te doen. Quamen in een dorp, daer het volck uytgevlucht -was; marcheerden een weynigh lantwaert in; vonden een troep buffels, -daer wyder 17 van t' scheep brochten met 4 verckens en ettelijcke -hoenderen. Was alle dagen lelijck weer. - -Den 10. dito is de coopman Nieuwenroode met schuyt en boot weder -aen lant gevaren, met 25 musketiers; trocken landtwaert in; quamen -in twee dorpen, daer het volck alle uytgevlucht was; staken beyde -dorpen inde brandt, en quamen weer aen boort. - -Den 11. dito is onse eene jonckjen omgevallen en gesoncken; doch de -mast (die 14 palmen dick en 59 voeten langh was) kregen wyder noch -uyt. Onse boot voer weder nae landt om stroo voor de buffels te halen. - -Den 12. deden wy weer een landt-tocht, met 50 gewapende mannen. Liepen -twee dorpen af; saghen eenige buffels, maer kosten die niet vangen; -kregen eenige sacken met loock en uyen, en quamen, nadat sy wel twee -mijlen in 't landt geweest hadden, weer aen boort. - -Den 15. dito is onse opper-stierman inde boeyen gheset, om datter -brant in sijn kamertje geweest was [206], doch wierder 's avonts weder -uytgelaten. Onse timmerluy maeckten een wangh op onse groote mast. - -Den 18. setten wy een man over boort, die de voorgaende nacht -ghestorven was. Wy deden meest alle dagen tochten, soo met ons -jonckjen, schuyt als boot, nae visschers en joncken, maer konden niet -bekomen. Was meest alle dagen kout lelijck weer. - -Den 20. dito namen wy een jonck met 14 Chinesen. Seyden ons, dat sy -uyt de revier Chinchieu quamen, als oock dat den Heer Commandeur -Cornelis Reyersz. met die van Chinchieu verdragen was [207]; doch -namen hem evenwel mee en losten sijn waren in ons schip. Verstelden -met wangen en anders onse masten en boeghspriet. - -Den 10. Meert deden noch alle dagen, alst weer was, een tocht om -water. Op desen dagh wierde uyt ons schip een vogel (soo hy inde -lucht vloogh) geschooten. - -Den 14. dito voeren wy meest met alleman aen lant, haelden onse boot -op 't strandt om hem te calfaeten en schoon te maecken; quamen des -avondts wederom. - -Den 17. dito sterf een vande boots-gesellen, genaemt Claes Cornelisz -van Middelburgh. - -Den 18. dito onghestadigh weer, met donder, blicxsem en regen. Des -nachts sterf de onder-stierman, Jan Gerritsz. Brouwer van Haerlem, -die ontrent vijf-te-half weeck gheleden onder-stierman gemaeckt was. - -Den 20. dito, des nachts, sprongender drie Chinesen overboort; meenden -met de boot door te gaen, maer alsoo de wacht het het gewaer worden, -kregen de eene weder, maer de ander twee verdroncken. - -Den 30. dito kregen wy twee joncken met een visscher met 27 man. - -Den 2. April setten wy twee Chinesen aen landt, die ons beloofden -verversingh te brenghen voor haer rantsoen [208]: den eene was -ghequetst en den ander heel oudt. - -Die 5. dito sagen wy twee Chinesen in onse hout-jonck staen en riepen -datmen haer aen boort halen sou. Sonden onse scampan na haer toe; -bevonden dat de eene een vande selfde was, die wy op den 2. deses -aen landt hadden geset. Sy waren 's nachts van andere Chinesen aen -onse hout-jonck gebrocht; brachten met haer hoenders, eyjeren, een -vercken, sitroenen, appelen, suycker-riet en toeback, van elcx wat; -tot danckbaerheydt van hare gheschoncken vryheydt. Voorwaer een groote -deught, beschamende veele Christenen, die als sy uyt de knip zijn, -dicwils weynigh om haer beloften dencken. - -Den 6. dito resolveerden wy de eene jonck te sloopen, het hout daervan -in de ander te laden, en die mee na de Piscadoris te nemen, alsoo sy -daer wel brant-hout van doen hadden. - -Den 7. setten wy de voorsz. twee Chinesen weder aen landt. - -Den 8. dito quammer een prautjen met twee andere Chinesen aen ons -schip en brachten ons (als de voorgaende) eenighe ververschingh, als -appelen, eyeren, eenighe potten met arack, waer voor wy haer beloofden -twee mannen te sullen vry geven, eene die ghequetst was en een ander, -op voorwaerde dat sy ons meer ververschinge souden brenghen. Gaven -haer oock 25 rejalen aen gelt, om daer verckens voor te brenghen, -en lietense daer op nae landt toe varen. Des nachts is onse jonck -(daer wy mede doende waren te sloopen) gesoncken. - -Den 9. en 10. dito haelden wy water, soo voor de jonck als ons schip, -en setten 17 man van ons volck op de jonck om met malcander na de -Piscadoris te seylen, soo drae het wint en weer was. - -Den 11. dito quamen de laetste twee Chinesen weder van landt met -haer brengende 5 verckens, een parthy eyeren, vijgen, appelen, en -ander goet. - -Den 12. waeydent een gheheele storm; streecken onse rees neer. Een -Chinees prautjen dreef van ons wegh, met een van onse maets; sonden de -sloep daer na toe, haelden hem daer uyt; maer het prautjen kosten sy -door de harde wint niet op-roeyen; haddent achter de sloep gebonden; -lieten het eyndelijck drijven en quamen weer aen boort. - -Den 13. dito lieten wy de Chinesen, die ons de ververschinghe ghebracht -hadden weder nae landt varen, met haer beloofde twee landtsluy. - -Den 15. dito waren die maets inde jonck doende om een bas te beproeven, -die sy op een nieu roopaertje gheleydt hadden [209]. Laden het met -dubbel scherp; settent met de mondt nae de deur vande jonck. Met soo -komter een jonghman uyt een vande ruymen, gaet inde deur staen om sijn -water te maecken, niet wetende van de anderen haer doen. Daer op komt -een met de lont-stock vande ander kant (de jonghman niet siende) en -steeckter de brandt in, en schiet de jonghman door sijn been. Voorwaer -een droevigh ongeluck en groote onvoorsichtigheydt van den aensteecker. - -Wy slachten in ons schip des achter-middaeghs een buffel met een -vercken, om alsoo des anderen daeghs onse Paesch-Feest daer mede -te houden. - -Terwijl de maets doende waren, plock-haerden onse Domine met een -assistent, die beyde in de boeyen geset worden. - -Den 16. dito, sijnde Paesch-dagh, wierden sy beyde daer weder uyt -ghelaten. Doe quam het volck uyt de jonck altemael in ons schip, -om de predicatie te hooren [210], en bleven voort onse gast op de -buffel. Des ander daeghs quamen sy weder om predicatie te hooren; -was alle daghen onghestuymigh weder en variabele winden. - -Den 19. dito werdt de jonghman, die in sijn been gheschoten was, -het been afgheset, die ontrent een uer daer nae sturf. - -Den 20. dito ongestuymigh weder uyt den O.N.O. Schooten onse stenghen -[211], lieten noch een ancker vallen; sacher uyt, oft al stucken -waeyen sou wat om en an was. De twee Chinesen, die den 13. van ons -schip waren ghescheyden, quamen weder aen boort, brochten ons weder -eenighe verversingh, seyden ons, datter wel twee hondert joncken -gelijck souden komen om ons te vernestelen [212]. Maeckten ons daerom -(op die waerschouwinghe) van alles klaer, om haer, soo sy quamen, -te begroeten. - -Den 27. dito setten wy onse scampan in 't schip en twee -visschers-prauwen daer uyt, die de jonck in sette. Verlanghden om -t'seyl te gaen, want dorsten daer niet wel langer blijven. Doch door -dien dat het alle dagen soo sterck waeyde en stormde, kosten niet -wel t'seyl komen, te meer omdat de wint ons tegen was. - -Den 28. brachten wy 20 Chinesen in de jonck, om die nevens de onse -aen de Piscadoris te brengen. - -Den 29. dito, 's morgens met redelijck weer, de wint O.N.O., gingen -wy t'seyl met onse jonck, doch hadden veel omswervens in zee door -harde contrarie-wint en anders. - -Den 1. May ongestadigh weder. Des morgens sagen wy dat onse jonck -van ons gedwaelt was, doch ten laetsten saghen wy hem een groot -stuck in ly van ons; lagh heel in onmacht: sijn seyl was wegh -ghewaeyt. Vonden daerom goedt, alsoo het heel hard begon te waeyen, -het volck daer uyt te lichten. Ick voer ten dien eynde met de boot -heen; namen het volck over, doch konden nevens ons volck, die 16 in -'t getal waren, niet meer als thien Chinesen over krijgen; de andere -waren schuyl ghekropen. De wint begon oock hard op te steken, soo -datter noch thien Chinesen inde jonck bleven en wegh dreven. Quamen -des middaeghs weder aen boort; gisten ons ontrent 8 mijlen buyten de -Oostelijckste eylanden van Macou te wesen. En alsoo hier een gestadige -wint waeyt, ontrent half jaer om half jaer, dat men het Moson noemt, -soo kan die gheene die te laegh vervalt, 't zy aen de eene of ander -kant vande Piscadoris niet wel opwaert aen komen, voordat dat Moson -weder verloopen is. Swurven om die oorsaeck hier lange tijdt, dan eens -settende dan eens seylende, eer wy inde Piscadoris quamen. Leden oock -veel ongemack van storm en sieckte, by gebreck van verversinge; jae, -waren op het laetste van 90 mannen boven 50 gesonde mannen niet van -ons eygen volck. In onse wegh ontmoeten wy noch een Chinesche jonck, -kostelijck geladen, eenighe duysenden waerdigh, die nae de Manieljes -wilde. Namen hem; hadde wel 250 sielen in. Nam het volck meest over, -op ontrent 20 a 25 man nae, en stelden 15 a 16 man van ons volck daer -by, en bonden de jonck achter aen ons schip en sleepten hem. - -Wy hadden doe ettelijcke hondert Chinesen in ons schip; waren -bevreest dat sy ons overweldighen souden, want wy, als verhaelt, -maer 50 gesonden mannen sterck waren. Lieten al ons volck met geweer -op zijd' gaen, even oft altemael officieren waren. - -Des nachts lieten wy al de Chinesen in 't ruym loopen, setten dan -een stut boven op 't luyck en behingen het overal met lampen, dat -het onder 't verdeck licht was, en by 't luyck hielden 5 a 6 man -met bloote sabels de wacht, en des morghens deden wy het luyck op en -lieten de Chinesen boven komen, om haer gevoegh en anders te doen, -waer door het krielde van menschen op 't schip. Ick was dickwils inde -kejuyt ghegaen om te slapen, maer konde niet. Als ick boven quam, -soo maeckten de Chinesen datelijck ruymte, gingen aen beyde sijden op -haer kniejen leggen, met de handen t' samen, soo dat sy als lammeren -waren. Daer wierde verhaelt, dat onder haer een prophetye was, -dat haer landt ingenomen soude worden van mannen met roo baerden, -en alsoo ick een rood' baert had, schenen sy dieshalven my met meer -vreese te aenschouwen. Doch dit was soo het seggen; hoe het is, -is Godt bekent. Wy dorsten haer evenwel niet vertrouwen. - -Sy gingen 's morgens langhs de boorden van 't schip en inde rusten -[213] sitten; reynighden en kemden haer. Sy hadden sulck langh hayr, -dat het veele, als sy over eynde stonden, tot de waden [214] vande -benen hingh, 't welck sy met een dray, vlechts-gewijs, op haer hooft -leggen; steecken daer een pen door die 't vast houdt, met de kam daer -teghen aen. Wy brachtense alle inde Piscadoris; daer worden sy alle, -nevens de andere Chinesen, die wy en andere schepen en jachten daer -ghebrocht hadden, twee aen twee aen malcanderen ghesloten. Mosten aerd' -aendragen tot het fort; jae, doe het fort ghemaeckt was, warender wel -14 hondert in 't getal, die doe meest nae Batavien wierden gebracht -en aldaer verkocht. De Piscadoris was ons rende-voes plaets, als -verhaelt is [215], daer wy stee hielden; en voeren daer van af en aen, -en namen alle Chinesen, die wy krijghen konden en brachten die daer -by een. Terwijl wy hier inde Piscadoris laghen, kreghen wy sulcken -oorkaen, dat al de schepen bykans op 't droogh waeyden; onder alle -onse jonck waeyde geheel op 't landt. - -Inde Piscadoris leggende kreegh ick een brief van Batavia, door -Christiaen Fransz., van mijn broeder Pieter Ysbrantsz. Bontekoe, -die, als voor verhaelt is, schipper op 't schip Haerlem was, die den -4. Januarij, op de kust van China, van ons nae Batavien gingh. Schreef -my, dat onsen broeder Jacob Ysbrantsz. 't voorgaende jaer oock voor -schipper in Indien was ghekomen uyt Hollandt, wesende doe met ons drie -gebroeders in 't lant, alle drie schippers. Verhaelde dat Jacob met -het schip Mauritius, in compagnie van 't Wapen van Rotterdam, heel -miserabel aen quam: hadden onder weegh yder ontrent 275 man verloren -[216]. Het Wapen van Rotterdam had soo veel gesont volck niet behouden, -dat het sijn seylen kost gebruycken. Jacob quam in de Straet van Sunda -by twee jachten, die Jacob voor Batavia brochten, maer 't ander schip -had Jacob gelaten aende Suyt-sijde van Java, daer hy met jachten en -vaer-tuygh na toe wierde gesonden, om het te soecken; vonden hem, en -hy wierter schipper op gemaeckt. Wiert nae Ambona ghesonden. Schreef -oock, dat den Heer Generael Koen met het schip, daer Jacob mede in -'t landt quam, te weten Mauritius, uyt Oost-Indien nae Hollandt was -vertrocken den 2. Februarij 1623, in compagnie van noch drie schepen, -en dat den Heer Pieter de Carpentier daeghs voor het vertreck van den -Heer Koen tot Generael over Indien gestelt was, etc. [217]. Daer quamen -doe oock veel huysgesinnen uyt Hollandt op Batavia, soo met het Wapen -van Hoorn, daer schipper op was Pieter Gerritsz. Bieren-Broots-Pot, en -andere schepen. Daer trouwden oock veel Hollanders op Batavia, soo dat -vele haer hier vast maeckten, om soo licht niet te vertrecken [218]. - -Den 25. October isser by den E. Heer Commandeur Cornelis Reyersz. en -sijne Raden gheordonneert, dat wy met ons vijf schepen (te weten het -schip Groningen, Samson, Muyden, Erasmus en Victoria, welck laetste om -reden niet mede gingh) onder den Commandeur Christiaen Fransz. souden -gaen nae de reviere van Chinchieu, om de selfde beset te houden, datter -geen joncken na de Manieljes of andere onser vyanden plaetsen souden -varen, en aen haer te versoecken, gelijck wy dickwils en gestadigh -ghedaen hadden, den vryen handel met haer op Tajouan, en haer als -dan alle vreed' en vriendtschap aan te bieden; doch indien sy hier -in niet wilden consenteren, haer den oorloogh aen te doen, te water -en te land', waer het selfde met avontagie en tot voordeel vande -Compagnie kon geschieden; gelijck dat selfde breeder was uytgedruckt -inde instructie ons vanden E. Heer Commandeur en sijne Raden mede -ghegeven. Gingen dien selfden dagh noch t' seyl. - -Den 28. dito quamen wy voor de voornoemde revier; setten het onder het -eylandt met de pagoden, daer al 't volck was afgevlucht, behalven een -oudt man, die wy vonden. Lieten, ghelijck onse ordre was, een witte -vlagge waeyen, hopende datter yemand van Aymuy by ons soude komen, -om ons te verspreecken [219]. - -Den 29. dito wierdt onder ons goedt ghevonden, dat men op yder schip -30 a 40 swabbers soude maecken en 8 a 9 balijs [220] met water, -als oock een deel leeren emmers langhs 't schip souden stellen, -om (of de Chinesen ons met branders toequamen) de brant te uytten; -als oock, dat men scherpe wacht soude houden en dat twee schuyten -een derden deel van een mijl vande schepen alle nachten op de wacht -souden leggen, oock om water te halen. Roeyden de stucken op [221] -en waren wel op onse hoede. En alsoo niemandt van Aymuy by ons quam, -schreven den 30. dito een brief aenden totock van Aymuy [222] en -bestelden die met die oude Chinees, die wy op 't eylandt vonden. Wy -schreven, dat wy aldaer gekomen waren, om met haer den handel en vrede -te versoecken, gelijck wy inde voorige conferentie tusschen haer en -ons gehouden gedaen hadden, en voort eenighe complementen tot sulck -schrijven wel voeghende. Publiceerden oock dien selfden dagh dese -navolgende Ordonnantie, op alle de schepen. - - - ORDONNANTIE, - - WAER NAER SICH HET VOLCK VANDE SCHEPEN, LEGGENDE IN DE REVIERE - VAN CHINCHIEU, SULLEN HEBBEN TE REGULEREN. - - Alsoo wy met ons vier schepen alhier in de Reviere van Chinchieuw - legghen, om soo veel als moghelijck is die van China 't uytvaren - naer Manilha ofte eenige andere onser vyanden plaetsen te beletten; - derhalven wel te vermoeden is, dat de Chineesen niet sullen naer - laten hun uytterste devoir te doen, om ('t zy met openbaer gewelt, - onder schijn van vrede, ofte andere bedrieghelijcke middelen) met - haer brandt-schepen, (diese mette stroom souden mogen afseynden) - ons van hier te drijven; waeromme hoogh-noodigh is, datter vooral - in alle de schepen ofte boots en de chaloupen ('t zy datse aen - boort ofte een stuck boven stroom vande schepen als uytleggers - mochten leggen) goede, scharpe ende behoorelijcke wacht wordt - ghehouden. Ende alsoo bevinden, dat deselve dickmalen by de - matroosen seer slechtelijck werden waer genomen, sonder acht te - nemen wat schade ende onheil daer door te verwachten hebben; - werdt hier mede by den E. Commandeur Christiaen Francxz ende - Raet gheordonneert ende bevoolen, ghelijck wy ordonneren ende - beveelen midts desen, aen alle scheeps-officieren ende matroosen, - niemant uytgesondert: dat yder sijn wachte ter plaetse daer hy - soude mogen gestelt werden, behoorlijck sal waernemen, op pene dat - de gene, die slapende ofte ter contrarie doende bevonden werdt, - driemael vande rhaa sal vallen, ende met hondert slaghen voor - de mast gheleerst werden [223]. Ider wacht sich voor schade, - alsoo dese voorsz. Ordonnantie, sonder eenige dissimulatie aende - contraventeurs, naer behooren sal ghe-executeert werden, want 't - selve in aequiete ende naer gelegenheit der saken alsoo bevinden - te behooren. Actum in 't schip Groningen, legghende inde Reviere - van Chinchieuw, desen 30. October 1623. - - -Den 1 November quammer met een scampan een Chinees, ghenaemt Cipzuan, -aen ons boort. Sey, soo wy om vrede en den handel te versoecken quamen, -dat het aen haer sijde niet en soude manqueren, alsoo de ingesetenen -daer alle wel toe genegen waren, en gaf ons voort goede hoope van een -goet succes. Seyde oock, datter wel 300 Chinese coop-luyden vergadert -waren gheweest, en hadden besloten een request aenden Combon [224] -van Hockzien te presenteren en te versoecken, om met ons te mogen -handelen, alsoo sy (soo hy seyde) door den oorlogh haer goet verloren, -en soo den oorlogh continueerden, geschapen stont om t' eenemael te -verarmen; resolveerden daerom instantelijck den handel en vrede met -ons aenden voorschreven Combon te versoecken. - -Desen Cipzuan seyde vorder, datter ter plaetse daer hy woonachtigh -was een kluysenaer of Eremijt in 't geberghte woonde, die van grooten -afcomste was, en hadde machtigh rijck (meene oock Banderijn [225] -over die provincie) geweest, hebbende hem nae 't overlijden van sijn -huysvrou, die hy seer lief hadde, tot dese eensaemheydt begheven; dede -nu niet anders (soo hy seyde) als arme luyden, die gheen middelen -en hadden, haer saecken by de grooten uyt te rechten [226]. Was -alsoo by de grooten en by de kleynen in hooge achtinghe en aensien; -jae, hy wierde voor een propheet en sijn woorden voor prophetien -ghehouden. Seyde oock, dat hy desen cluysenaer het verschil [227] -tusschen ons en haer te kennen had ghegheven, en hy oock verstaende, -dat de grooten preperatie maeckten om ons te beoorloghen, was hy -(seyde Cipzuan) by haer gegaen, hun voorseggende, dat (soo sy ons den -oorloogh aen deden) sy haer staet in perijckel souden stellen. Waer -over Christiaen Fransz. den voornoemden Cipzuan vraeghde, ofmen -die cluysenaer niet te spraeck en soude konnen komen, om hem ons -oprecht en eerelijck versoeck met alle omstandigheyden te vertoonen; -'t welck Cipzuan beloofde te sullen beschicken en twijffelde niet, -of soude dat wel verwerven by hem, en seyde: "Dit sal ick doen, om dat -[228] ghy ghelooven sult, dat ick het goedt met u meene." Daer op is -hy vertrocken; verklaerde steels-gewijs by ons gekomen te zijn. - -Den 3. dito is Cipzuan met de geseyde cluysenaer, nevens noch een -Chinees, aen ons boort ghekomen. Wy verklaerden hem de oorsaecke van -onse komst en wat onse meninge en versoeck was. Die (nae datter eenige -reden weder-sijds waren ghevallen) ons beloofde sijn uytterste devoor -te sullen doen, om de saeck tot een goet eynde te brenghen. Gaven hem -een brief (van den selfden inhoudt als die wy met den ouden Chinees -ghesonden hadden) aen den Totock. Hy beloofde die self den Totock te -behandigen. Twee a drie daghen daer nae quam Cipzuan weder by ons -en bracht antwoordt op de onsen, waer in den Totock schreef, dat -hy verstaen hadde, dat wy met onse schepen onder 't eylandt met de -Pagoden gearriveert waren, den vrede en handel met haer versochten, -'t welck hem lief was, soo wy het met goeder herten meenden en niet -ghelijck wy voor desen met valschheydt en bedroch (ghelijck hem -beliefde te schrijven) gedaen hadden. Soude dan wel mogelijck zijn om -een goet accoort te maecken. Hadde ons, inde laetste conferentie met -ons ghehouden, twee weghen gewesen, te weten: De gevanghen Chinesen -in vryheydt te stellen en Pehoe, by ons genaemt de Piscadoris te -verlaten, en hadden gheen van beyden willen accepteeren, waer door -de handelinghe doe vruchteloos afliep. - -Wy antwoorden, dat onse meninge goedt was en altijdt geweest hadde. Hy -schreef wederom, dat hy verstaen hadde, dat wy ghekomen waren om de -Chinesen te berooven, en gheen gelt of coopmanschap mede brochten -om te handelen; waer op hy versocht, dat wy onse meninge souden -verklaren. Waer op wy weder aen hem antwoorden, dat onse meninghe -goedt was, en niet anders als vooren den handel versochten. Hy schreef -wederom, de wijle wy persisteerden by onse goede meninge dat wy dan een -capiteyn by hem souden senden, om van alles met hem te handelen en een -vrede of bestant tusschen malcanderen te sluyten, voor een deel jaren -of voor eeuwigh. Wy versochten daer op aenden voorschreven Totock, -dat hem soude gelieven toe te laten, dat wy met een jacht voor Aymuy -mochten komen, om dicht byder handt te zijn, want dese sake beter van -naeby als van verre konde afgehandelt worden. Hier toe kreghen wy -met den naesten licentie, om met 1 a 2 schepen voor Aymuy te mogen -komen. Hebben eyndelijck den 13. dito met malcander goet gevonden, -dat onsen Commandeur Christiaen Fransz. met de jachten Muyden en -Erasmus naer Aymuy soude seylen. - -Den 14. dito vertrocken de jachten, die des anderen daeghs voor Aymuy -quamen, en wy met de twee schepen bleven onder het eylandt legghen. - -Tusschen den 17. en 18., in den nae-nacht, ben ick met de boot nae -onse jachten gevaren, om eens tijdingh te hebben, hoe de sake met -haer gheleghen was, want het begon ons te verdrieten, dat het soo -langh duerde, daer het voor haer vertreck soo naeby scheen. Maer -onder weegh sijnde, dicht by de jachten, saghen wy dat het eene jacht -inde brandt stondt, en het ander hadde oock drie branders aen boort; -en voeren in groot perijckel door een groote menighte vaer-tuygh -van scampantjes en eenige oorlooghs-joncken, en sagen ontrent 50 -branders. Voeren aen 't jacht Erasmus, dat door kloeckmoedigheydt de -eene brander hadde uytgheblust en de andere twee van haer ghekreghen, -soo dat sy miraculeusselijck van dat perijckel verlost wierden. Maer -het jacht Muyden raeckten sijn fock en voor-marsseyl stracx in brant en -scheen niet te helpen; verbranden en sprongh voort met volck met al, -sijnde een deerelijcke sake. Wy ginghen terstondt nae onse schepen, -met het jacht Erasmus. - -De vrienden van Erasmus verhaelden ons, hoe sich de saecke tot soo -verd hadde toe gedragen. Seyden: Met dat sy voor Aymuy ghecomen waren, -kregen sy terstont eenige gedeputeerden aen boort, versoeckende dat -eenighe vande hoofden aen landt by den Totock souden komen, om van -de saecke mondelingh met malcander te spreecken; 't welck by den -Commandeur beleefdelijck wierde afgheslagen, hem excuserende gheen -bequame tolcken daer toe te hebben. Maer soo 't den Totock geliefde, -soude eenige vande sijne senden, met volle macht, om met ons een -accoort te sluyten. Daer op voeren sy weder nae landt. - -Weder komende seyden: Dat den Totock haer volkomen hadde geauthoriseert -en volle macht ten dien eynde gegeven, en dat alles wat van haer -met ons gesloten sou worden, vast en onverbreeckelijck van hem soude -ghehouden en van waerden ghekent worden. Sijn daerop met malcander in -handelingh getreden, en geaccordeert en besloten, dat sy in Teyowan -met ons souden komen handelen [229], en aldaer soo veel sijde waren -brenghen als ons capitael soude strecken: Datse op de Manilha, -Cambodia, Siam, Patany, Jamby, Andrigerry, ofte op eenige andere -plaetsen niet en souden varen, als met pas van ons: datse oock 4 a 6 -joncken nae Batavia souden senden, om aldaer met den Heer Generael -te spreecken wegen de saecke vande Piscadoris, daer sy ons garen -af hadden. - -Dit accoort solemneel ghemaeckt sijnde voeren sy aen landt; quamen -daer nae wederom aen boort; versochten, dat eenighe capiteynen by den -Totock aen landt geliefden te komen: dat het accoort op de eene sijde -in 't Chinees en op de ander sijd' in Duyts [230] soude geschreven -en beswooren worden, opdat den Totock den Combon van Hockzieuw mocht -schrijven alsoo in sijn presentie geschiedt te zijn. Brachten met -haer drie Manderijns tot ostagiers [231], en (nae haer gewoonte) -drie pijlen tot verseeckerheydt. - -De Commandeur Christiaen Fransz. met de Raden vande jachten hebben -daerop goet gevonden, dat hy Commandeur self met Doede Florisz. Craegh, -schipper op Muyden, en Willem van Houdaen [232], opper-coopman op -Erasmus, haer aen landt souden vervoeghen, om het boven geschreven -te verrechten. Aen landt ghekomen sijnde, met ontrent 30 man, onder -ander oock de schipper van Erasmus, Jan Pietersz. Reus, wierden daer -(soo 't scheen) heel wel ontfanghen. Sy stelden tafels op strand' -voort bootsvolck; disten wacker op. Den Commandeur belasten Jan -Pietersz. Reus, dat hy op de maets passen zou, om die stracx weer -nae boort te schicken, en sy [233] wierden geleyt na 't huys van den -Totock. 't Scheen dat sy de boots-gesellen sochten droncken te maecken; -de Mandorijns dienden de tafel; wilden dat schipper Jan Pietersz. Reus -mede opwaerts nae de Totock soude gaen. Hy geliet hem of hy noch volgen -sou, maer siende (soo hy hem inbeelde) dat het gheen klaer-schapen -werck was, dede de maets opstaen en datelijck inde boot vallen, -en voer met haer nae boort. - -'s Avondts (ghelijck het besproocken was) gingh de stierman Moses -Claesz. van 't jacht Muyden, met een ghemande sloep nae landt, om -onse drie voornoemde Raden te halen. Aen landt komende wierden vande -Chinesen ghehouden. 't Volck inde jachten wisten niet wat sy dencken -souden, waerom dat de sloep en onse Raden soo langh aen landt bleven; -vraeghden daerom de ostagiers, waerom de onse niet weder en quamen; -antwoorden: Sy sijn vrolijck. Maar die vrolijckheydt is wel af te -meten, want inde selfde nacht, ontrent vier uren voor daegh, quamen -sy (als voor verhaelt is) wel met vijftigh branders, om de jachten -te vernielen; gelijck sy 't eene deden, etc. De Chinesen hadden oock -eenigh Chinees bier aende jachten gesonden, daer sy vergif in ghedaen -hadden, om alsoo ons volck te vergeven, maer wierde sonder schade by -ons bekent [234]; 't scheen dat Godt het niet beliefde. Dese tijdinghe -smarten ons alle dapper, want was een groot verlies voor ons en een -goddeloos schelm-stuck vande Chinesen; dan Godt sal alles te sijnder -tijdt oordeelen. - - - Ter wereldt en is geen booser fenijn: - Dan Vriendt te schijnen en Vyandt te zijn. - - -Den 18. dito haelden wy eenigh brandt-hout uyt de huysen op 't eylandt -met de Pagoden, daer wy onder laghen, dan resolveerden te verseylen -aen de Noort-sijde vande revier, om aldaer te vryer voor de branders -te legghen, want wy sagen nu wel, datse gheen vriendtschap maer -vyandtschap met ons sochten. - -Den 19. dito quam het schip de Engelsche Beer uyt Jappon by ons, -die wy alle ghelegentheydt van ons wedervaren verhaelden, en om dese -en meer andere oorsaecken is den Raedt van de schepen vergadert in -het schip de Beer, en besloten 't gene uyt dese navolgende resolutie -verstaen kan worden. - - - RESOLUTIE - - GHENOMEN BY DE OVER-HOOFDEN VANDE SCHEPEN DEN ENGELSCHE BEER, - [GRONINGEN] [235], SAMSON EN ERASMUS OP DEN 24. NOVEMBER, VOOR - DE REVIER VAN CHINCHIEUW, 1623. - - Alsoo (op den 11. November uyt Jappon vertreckende, tot meerder - verseeckeringe van onze reyse nae de Piscadoris) goet gevonden - was de kuste van China aen te doen, soo sijn wy God lof op den - 19. deses voor de reviere van Chinchieu ghekomen, en aldaer - ghevonden de schepen Groningen, Samson en Erasmus, waer van wy - tot ons groot leetwesen hebben verstaen het deerlijck verbranden - van het jacht Muyden, als oock de gevanckenisse vanden Commandeur - Christiaen Fransz. en de andere gecommitteerde, welcke van onse - sijde ghegaen waren, om de vrede met haer te bevestigen. En - alsoo de Instructie van den Heer Commandeur Cornelis Reyersz. is - vermeldende, datmen 't zy oorloogh of vrede de revier van Chinchieu - met schepen beset sal houden, soo ist dat de vrienden vande - boven-genoemde schepen klaghen seer van sieck volck overladen - te zijn, voornamentlijck de Samson, hebbende qualijck soo veel - gesont volck, dat hy sijn ancker konde lichten, en dien volgens - ghenootsaeckt soude wesen de kust te verlaten, of sijne siecken - andere over te geven, om nae de Piscadoris te brengen. - - Is derhalven goet gevonden en geresolveert (nademael de vrienden - voornoemt rapporteerden, dat de E. Heer Commandeur Cornelis - Reyersz. met de meeste siecken van de Piscadoris nae Teyowan - vertrocken is [236], soo dat weynigh siecken inde Piscadoris zijn) - vande ververschinge, die wy voor de vloote sijn hebbende, aende - boven-genoemde drie schepen over te geven: Tien duysent groote - appelen, tien duysent mikans [237], 20 verckens, 200 pompoenen en - drie koe-beesten, op dat door noot van ververschinghe, tot ondienst - vande Compagnie, de revier van Chinchieu niet onbeset blijve. - - En alsoo door de ghevanghenis van den Commandeur Christiaen - Fransz. de vloote van een over-hooft ontbloot is, soo - heeft den Raedt provisioneel tot nader ordre van den E. Heer - Commandeur Cornelis Reyersz. ghestelt en stelt by desen Willem - Ysbrantsz. Bontekoe, om in alle voorvallende saecken den raedt - te beroepen, daer in te presideren, ende als vooren de vlagge - vande groote stengh te voeren etc. - - Aldus ghedaen en gearresteert in 't schip den Engelsche Beer - datum en jare als voren. Was onderteyckent by - - Isaac vande Wercken. - Frans Leendersz. Valck. - Herman de Coningh. - Pieter Fransz. - Jan Pietersz. Reus. - - -Dese ververschinge verquickten onse siecken uyttermaten; hielden de -reviere soo veel doenlijck was beset en onvry, volghens onse ordre, -soo dat de Chinesen niet vry op de Manieljes en elders mochten varen; -namen verscheyden van haer joncken en ander vaertuygh [238]. - -Eyndelijck ben ick weder verseylt nae de Piscadoris, en alsoo mijn -tijdt ghe-expireert was, en niet ghesint wesende my weder op nieu -te verbinden, hoe wel den E. Heer Cornelis Reyersz. my daer sterck -op aensocht, my presenterende veele goede en beter conditien als -ick gehadt hadde, nevens merckelijcke verhooginghe van gagie, -verwurf eyndelijck nae veel versoeckens, dat ick mochte overgaen -op een ander schip dat ghereet lagh om nae Batavia te vertrecken, -genaemt de Goede Hope. De E. Heer Commandeur Cornelis Reyersz. gaf -ons in 't lange mede een resolutie, waer nae wy ons in de voyagie en -ontmoetinghe van andere onse schepen souden reguleren, onder anderen -oock dese korte instructie: - - - INSTRUCTIE - - VOOR DE RAEDTS-PERSOONEN VAN'T SCHIP DE GOEDE HOPE UYT PEHOE NAER - BATAVIA VARENDE. - - Alsoo onse Heeren Meesters ende d' Edele Heer Generaels begeerten - is, datter in alle schepen een persoon gestelt wort, om in alle - voorvallende saecken den raedt te beroepen, ende over den selvige - te presideren, - - Soo ist dat wy daertoe goedt ghekent hebben Willem - Ysbrantsz. Bontekoe, schipper op dito schip, om [lees: die] in - alle voorvallende saecken den dienst der Compagnie betreffende - den raedt sal beroepen, oock daer over presideren, ende de eerste - stemme hebben. - - Jan de Moor, coopman. - Jan de Nayer, stierman. - Hoogh-bootsman. - Onder-stierman,--de 5de stemme. - - Dese voorsz. raedts-persoonen wordt de volvoeringhe vande voyagie - ten hooghsten bevolen, oock 't ghene den dienst der Compagnie - is betreffende soecken te vorderen, en alle vlijt aenwenden om - naer te komen, 't gene ampel inde mede-ghegheven resolutie van - dato 19. Februarij, Anno 1624, verhaalt staet. In 't Fort in de - Piscadoris, desen 20. Februarij 1624. - - Cornelis Reyersz. - - -Den 21. Februarij ben ick met het schip de Goede Hope uyt de Piscadoris -t'seyl ghegaen nae Batavia, doch met instructie eerst dwars over te -loopen nae de kust van China, 't welck wy deden; maer kreghen een -harde storm, doe wy by de kust waren, en bevonden dat ons schip soo -onbeniert [239] was, dat wy het met de fock qualijck voor wint om -konden krijghen. Waren oock soo leck, dat wy staegh aende pomp mosten -staen; vonden daerom ongheraden daer langher by te houden, maer onse -reyse nae Batavia te vervorderen. Hielden voor wint af, passeerden -den 24. a 25. dito de eylanden van Macou; hadden veel variabel weder. - -Den 6. Meert quamen wy by de Engelsche Beer, daer coopman op was Isaac -vande Wercken en schipper Frans Leendertsz. van Rotterdam. Quamen ons -aen boordt; verhaelden dat sy aen de Chineesche kust wel hondert en -tsestigh Chinesen (soo mans, vrouwen en kinderen) ghekregen hadden, -die wy volgens onse ontfanghen instructie van haer wilden overnemen -en hem belasten by te houden, maer sy verklaerden ons, dat haer schip -soo swack en leck was, dat sy 't qualijck boven water konden houden -en daerom ghenootsaekt waren dragent te houden nae Batavia [240]. - -Den 8. dito bracht de schipper van de Beer ons twee kleyne beesten -tot verversinghe. - -Den 9. dito voeren wy de Beer aen boordt; kregen weder twee beesten, -een perthy boonen, eenighe potten met oly, en andere saecken. - -Den 17. dito liepen wy onder Poelepon ten ancker, haelden hier water -en namen 64 Chinesen van de Beer over. Voeren oock om brandthout -te hacken. - -Den 20. dito ginghen wy weder onder seyl. - -Tusschen den 25. en 26. dito is de Beer van ons gedwaelt. - -Den 30. dito quamen wy onder 't Mensch-eters eylandt ten ancker. - -Den eersten April lichten wy ons ancker en quamen des anderen daeghs, -zijnde den 2. April, op de rede voor Batavia. - -Dede doe wederom eenige tochten om steen aende voorgenoemde eylanden -tusschen Bantem en Batavia [241]. - -Ick van voornemen zijnde om my met de eerste gelegentheyt nae -Hollandt te transporteren, bevindende dat het spreeck-woordt waer en -uyt de ervarentheydt bekrachtight is: yder voghel is gaern daer hy -uyt-ghebroedt is; want wat schoone landen, kusten en rijcken, datmen -beseylt en besiet, wat conditien, profijten en vermakelijckheyden -datmen gheniet, 't soude ons maer pijn wesen, soo die hope ons niet -onderhiel van dat selfde eens nae te vertellen in ons Vaderlandt; -want om die hope heten onse reysen "Reysen", anders soude tusschen -de ballinghschap en sulck hopeloos reysen niet veel verschil zijn. - -Terwijle ick hier van Batavien af en aen voer om steen (als verhaelt) -wierdender drie schepen, te weten het schip Hollandia, Gouda en -'t schip Middelburgh ghereet gemaeckt om nae Patria te gaen; welcke -ghelegentheydt ick waer nam: Versocht aen den E. E. Heer Generael -Carpentier en sijne Raden, om daer mede te moghen vertrecken, 't welck -ick verwurf. Stelden my tot schipper op het schip Hollandia, zijnde een -treffelijck ghemonteert schip. Den Commandeur Cornelis Reyersz. was -ondertusschen oock uyt de Piscadoris op Batavia ghekomen, om mede -nae huys te vertrecken; wierde ghestelt tot Commandeur over de drie -voornoemde schepen; kreghen hem in ons schip; was een gauw, ervaren -man, die de Compagnie in veel saecken groote diensten ghedaen hadde. - -Hier op Batavia zijnde, sprack ick mijn landtsman Willem -Cornelisz. Schouten, hadde veel ommegangh met hem [242]. Hy gingh op -het schip Middelburgh, om mede met ons in compagnie nae 't Vaderlandt -te gaen. - -Den 6. Februarij 1625 zijn wy met ons drie voornoemde schepen van -Batavia vertrocken, om, soo Godt wilde, nae huys te gaen. Deden in -passant Bantem aen, daer eenighe van onse schepen laghen; lichten -daer een grof touw met een marsseyl uyt; namen doe ons afscheydt -vande vrienden, met een Westelijcke windt, dat voor ons inde wint -was. Laveerden daerom tot onder 't eylandt Sebbesée, 't welck aende -binnekant vande Straet van Sunda leydt, Sumatra naest. Bleven aldaer -3 a 4 daghen legghen, nae de goede windt wachtende, oock omdat de -stroom soo hard de Straet inviel. - -Den 15. dito zijn wy weder t' seyl ghegaen met de landt-windt; -kreghen een slagh-boegh [243] en raeckten den 16. dito buyten de -Straet van Sunda, hebbende den windt Westelijck. Liepen om de Suyd, -met weynigh koelte, doch de windt wackerde van dagh tot dagh; liepen -al Suydwaert over; verhoopten een Suydelijcke windt te krijghen. - -Den 27. dito kreghen wy de windt uyt de Suydelijcker handt; hadden de -hooghte van 17 graden Suyder-breete. Wenden als doen Westwaert over en -stelden onse cours Westelijck aen, nae de Caep de Bonesperance toe, -tot dat wy kreghen de hooghte van 19 graden Suyder-breete. Hadden -een S.O. windt en hy oostelijckte noch al op de handt; ginghen al -Westelijck aen met stijve koelte, soo veel als wy gaende konden houden. - -Den 15 Maert, 's morghens de son in 't opgaen ghepeylt hebbende, -bevonden 22 graden, afgaende Noord-westeringh van 't compas [244]. Den -selfden dito wierdt onsen Commandeur Cornelis Reyersz. heel sieck. - -Den 16. 17. 18. dito begon het soo stijf te waeyen, dat wy 't -voor een schoovers-fock met de blind op gheen 8 streecken konden -gaende houwen [245]; vreesden dat wy 's nachts van malkander souden -raecken. En alsoo wy het vyer 's nachts voerden [246], soo liep ick -by den commandeur in de cajuyt en ontboodt daer de scheeps-raedt; -seyde teghen den commandeur, die (als verhaelt) heel sieck lagh: "Soo -wy dus te nacht seylende blijven, soo vrees ick, dat wy morgen van -malcander sullen wesen, want het volck konnen 't op gheen 8 streecken -gaende houden. Oordeel daerom best te wesen de seylen by daegh in te -nemen en schieten onder zee [247], want als onse mackers dat sien, -sullen van ghelijcke doen; dan heb ick wel moet, dat wy malkander in -dese nacht soo verde niet sullen ontdrijven, of wy sullen malkander -morghen wel sien." Daer op seyde den commandeur: "Dunckt u dat goedt -te wesen, schipper, soo laet ons soo doen." Het welck wy deden. Namen -onse fock met de blind by daegh in, besloeghense wel dicht [248], -en schoten onder zee. - -Onse twee ander maets, te weten het schip Gouda en Middelburgh, dat -siende, deden van ghelijcken; namen haer seylen in, en schoten mede -onder zee. Leyden 't met de steven Suydwaert over. Ses glasen in de -nacht [249] begon het soo schrickelijck te waeyen, dat het dieghene -die 't noyt ghehoort noch gesien heeft onmooghlijck sou schijnen -dat de windt sulcken kracht kan by-brengen. De windt was rondtom -de compassen, want de compassen dreyden rondtom, dat wy niet konden -sien hoe wy wendt lagen. Het schip sackte door de windt soo laegh in -'t water als of de windt recht van boven neer quam, dat het scheen -dat de anckers, die op de boegh stonden, by 't water quamen; jae, -meende dat het schip sonck. Ten lesten waeyde onse groote mast over -boordt en brack ontrent drie vadem boven 't boevenet [250], waer door -het schip doen weder rees. Wy stonden by malkander met de hoofden -teghen malkander aen, maer konden niet roepen noch spreecken dat wy -malkander konden verstaen, te weten die boven waren. - -Dese onstuymighe harde windt, die men een orkaen noemt, duerde ontrent -6 a 8 glasen; doen begon den windt weder te minderen. Doen het op -sijn hartste waeyde, was het water soo slecht [251] als een taeffel, -dat het hem niet konde verheffen; maer toen die wint af nam, verhief -hem de zee soo gheweldigh, dat het scheen dat het schip het onderste -boven soude rollen [252]. Het slingerde altemet het boordt los onder -water, waer door wy soo veel water van boven in kreghen, dat het ons -heel verlegen maeckte [253], want het water liep in 't ruym, soo dat -wy al seven voet water in 't schip hadden eer wy 't wijs wierden, -waer door wy meenden dat het schip al sonck. Pompten met alle pompen, -maer het water scheen daer al teghen aen te wassen. Hier stonden wy -verslaghen, want was een versufte kans. Daer op raeckten de pompen -noch onklaer, dat wy niet pompen konden; want de wranghen raeckten vol -peper, 't welck de pompen verstopte [254]. Wij hadden 60 stucken, soo -metalen als ijseren, in 't ruym onder de peper op 't genier leggen; -die raeckten door 't slingeren gaende, braecken met de ooren door -'t genier, waer door de peper door 't genier op de buyckdenningh -liep; en door het water waren de vullinghen van de buyckdenningh -opghedreven, doe spoelde de peper altemael in de wranghen [255]. Doch -alsoo wy hoopten en vertrouden, dat het schip onder noch goedt was, -deden onse best om alles te doen dat wy konden: setten de pompen -uyt en wonden stucken van oude vlaggen beneden om de eynden van de -pompen, en setten de selfde eynden op de buyckdenningh neer, yder -in een mande [256]. Vielen doen weder met alle macht aen 't pompen; -doe bleven de pompen klaer. Sagen datelijck dat het water minderde, -waer door wy weder moet kregen. - -Onse afgewayde groote mast lagh de heele nacht en rinck-ranckte onder -'t vlack en op zijd' van 't schip, dat wy vreesden dat hy ons onder -leck soude maecken. Het volck uyt het ruym riepen: "Hack alles af dat -hem vast houdt en laet hem drijven!" Doch wy deden onse best; hieuwen -het groote wandt te loevert [257] stucken, maer in ly, dewijl het schip -soo schrickelijck rolde en slingerde, konden wy niet schrab raecken; -most hem inde nacht soo behelpen, maer met den dagh hackten wy alles -af dat wy konden sien en raeckten soo van de vleet ontslagen [258]. - -'s Morgens sagen wy rontom nae onse twee mackers, maer mistender -een, te weten het schip Gouda, maer 't schip Middelburgh lagh te -loefwaert van ons. Was alle sijn masten quijt, met boeghspriet, -gallioen en al, uytgesondert sijn besaens-mast. Waren alsoo beyde -in een soberen staet. Goeden raedt was dier. Het schip Gouda deed' -hem niet op, vreesden dat het ghesoncken was; ghelijck het oock is, -soo naest te ghelooven is: want 's nachts waren wy door een plaets -gedreven daer het water heel bruyn, en slechter [259] was als anders; -eenighe schepten met de puds daer in, seyden dat sy peper schepten; -viel ons doe al op de leden, dat het met een of beyde onse mackers -niet wel gestelt most wesen. Hoewel wy 't niet op 't beste hadden, -soo gaf ons dit verlies van 't schip Gouda een groote herten-wee. - -Het worde 's anderen-daeghs goedt weder. Het schip Middelburgh lagh -(als geseydt) te loefwaert van ons, maer konden by malkander niet -komen; lagen beyde gaer als in onmacht. Voor dagh schoof Middelburgh -sijn sloep over boordt en roeyden naer ons toe; quamen metten dagh -achter ons schip, onder de geldery, en riepen aen ons, waer door wy -verschoten [260] dat het te wonder was, want wy waren daer niet op -verdacht datter volck ontrent ons was. Saghen uyt de geldery, hoorden -dat het de sloep van Middelburgh was, lieten de val-reep achter -uyt hanghen, daer de schipper by over quam, ghenaemt Jan Dijcke van -Vlissingen, met noch een ander. Vertelden ons haer wedervaren en hoe -dat sy gestelt waren, en wy haer het onse. Klaeghden ons, dat sy alle -haer masten en gereetschap quijt waren, en soo wy haer niet konden -ontsetten, dat sy geen landt souden konnen krijgen. Wy hadden onse -focke-mast en boegh-spriet met de besaens-mast noch behouden, als mede -onse groote ree, door dien ick onse rees om laegh hadde doen strijcken -weynigh te voren eer de windt aen quam, en sy hadden haer rees omhoogh -laten staen; waren daerdoor al de vleet quijt. Doch de beste boegh -most voor. Resolveerden daerom dat wy Middelburgh souden overgheven -onse groote ree, met onse voor-stengh, met een spier van 14 palm, -die wy noch in 't schip hadden. Dan hadden sy moet soo veel stompen te -rechten [261], dat sy hoopten landt te krijgen. Wierdt oock besloten: -dat, als wy haer dit souden overgheven, dat elck dan sijn best soude -doen om het eerste landt te krijghen datmen kond'; hadden het ghemunt -op de Bay van Sancte Losie [262], aen 't eylandt Madagascar. - -Dit wierde alsoo ghearresteert by den breeden raedt inde kejuyt; -en dewijl ick schipper was, most het commanderen aen het volck. Als -ick boven quam om te commanderen, stond het volck tegen my op, -en hadden daer veel tegen; seyden: "Wy hebben meerder noodt als -Middelburgh; wy willen 't niet overgeven." Daer stond ick doe en -keeck. Doch seyde met soete woorden: "Mannen, siet toe wat ghy doet, -want laten wy Middelburgh hier leggen in onmacht, 't is seker dat -sy haer niet redden konnen, soo moeten sy vergaen, want sy konnen -geen seyl maecken. Wy zijn immer Christen-menschen, laten wy ons -oock Christelijck toonen. Denckt eens, wat wy wel souden willen, -als wy in haer plaets waren; laet ons dan oock dat selfde aen onse -even-naesten doen". Gingh haer met soo veel moye woorden aen als ick -konde bybrengen. - -Ten laetsten schoolden sy by malkander, begonnen de hoofden t'samen -te steecken en seyden tegen malkander: "Wat sullen wy doen? Wy zijn -allijckewel [263] Christen-menschen, gelijck de schipper seydt, -en of [264] Middelburgh dan niet te recht quam, wat hadden wy te -seggen?" Quamen daer op wederom by my voor de groote mast en seyden: -"Wel schipper, als wy Middelburgh dit goedt bygheset hebben, moghen -wy dan van hem scheyen?" Waer op ick antwoorde: jae, dat het soo inde -kajuyt besloten was. Doen lieten sy het glijen; setten de stengh af, -smackten die met de groote ree met de 14 palms spier over boordt. Hier -op namen die van Middelburgh haer afscheydt en roeyden nae boort met -het goedt achter aen; souden malkander vinden inde Bay Sancte Losie, -soo 't Godt gheliefde. Doe vraeghden ons volck wederom: "Mogen wy nu -van haer scheyden?" Ick seyde: "Jae". Onse focke-ree lagh neer; ick -seyde: "Vat aen 't cardeel vande fock, en hijs de fock om hoogh". 't -Welck sy datelijck deden en liepen de fock ten eersten om hoogh, tot -voor 't hommer. Te voren scheen het schier onmogelijck de focke-ree -te hijssen, maer doen 't een willige wegh was, quam het niet eens aen. - -Den 22. dito zijn wy van Middelburgh ghescheyden, stelden onse -kours naer het eylandt Madagascar, dat ons het naeste was, en -kregen den 30. dito het landt in 't gesicht. Seylden dicht by -'t landt; saghen wel eenighe drooghten branden [265], doch waren -onverkent. Waren ontrent nae onse gissinge 8 a 9 mijlen beoosten de -Bay van Sancte Losie; wilden ons niet gaern vande wal af begheven, -om dat wy soo schaloos waren [266]; hebben daerom gheresolveert het -ancker te laten vallen, was ontrent 25 vadem diep, en de sloep uyt -te setten en by de wal langhs te roeyen of te seylen, nae 't te pas -quam, om te sien of wy de voorsz. Bay niet konden aentreffen. Hier -op ben ick met de gemande sloep van 't schip afghesteecken. Vonden -de voornoemde Bay ontrent 8 a 10 mijlen van daer 't schip lagh; -peylden de eylandtjes en de hoecken en diepten met het diep-loot, -over en weer over, en vonden dat het een bequame plaets was voor 't -schip. Dat ghedaen zijnde voeren verblijdt weder nae 't schip. Quamen -'s anderdaeghs wederom aen boort en vertelden alle gelegentheydt -wat ons wedervaren was. Lichten ons ancker en seylden daer nae toe; -brochten het schip met Gods hulp daer in, waer door wy altemael vol -vreucht waren; danckten Godt voor sijn ghenade. - -Den eersten April hebben wy goedt gevonden het schip te lossen en -tenten op 't landt te maecken, om 't goedt te berghen en de lockgaten -[267] te klaren. En alsoo ick met de sloep aen landt voer, sach ick -dat de zee vrij wat aenliep; docht my daerom dat het niet gheraden -was om 't goedt aen landt brenghen, want sou sijn perijckel loopen -om schuyt ende boot stucken te krijgen. Hebben hierom besloten het -ruym te lossen en het goedt in 't schip te houden; het welck wy -deden. Droeghen het goedt voor uyt het schip met sacken, en storten -de constapels kamer vol in 't boevenet; kregen het voor-schip met der -haest heel leegh. Maeckten een beschot dwars over teghen de groote -mast aen, dat het goedt ons van achter niet konde toekomen; namen -doe de vullingen op, klaerden de wrangen en de lockgaten; schoren -doe touwen van voren na achteren door de lockgaten, om die klaer -te houden, of sy by ongeluck weer verstopten. Doe brochten wy het -goedt uyt de constapels-kamer en boevenet weder voor in. Dat ghedaen -zijnde namen het goedt achter uyt, en berghdent weder in de kamer -en boevenet; klaerden daer de vullingen en lockgaten oock. Schoren -doe de touwen voort vande mast af door de lockgaten, tot achter toe, -soo dat wy by ghelegentheydt de touwen heen ende weer konden halen -door de lockgaten. Ondertusschen spraecken wy met de inwoonders -van 't landt. Wy wesen haer dat onse mast en onse doent [268] soo -onklaer was, en vraeghden offer geen raedt was om een ander mast te -krijgen. Sy konden onse meeninghe verstaen; wesen ons landtwaert in; -gingen met ons en toonden ons daer toe bequame boomen. Seyden, dat sy -ons souden helpen in alles wat wy van doen hadden. Ick trock met volck, -lijnen, taekels, bijlen en saghen daer nae toe; kreghen ons gherijf -[269]; sleepten en brochten de houten met groote moeyten ontrent -'t schip. Stelden de timmerluy te werck; maeckten van 't swaerste -eynd van 't hout, dat ontrent 18 palm dick en 28 voeten langh was, -een eynd' op de stomp van onse ghebroocken mast; saeghden een swaelf -[270] uit het dickste eynd' en hieuwen onse stomp, die ontrent, als -gheseydt, drie en een half vaem boven 't boevenet hoogh was, scherp -toe en settender het nieuwe eynd op, in malkander sluytende. Leyden -doe vier wanghen daer op en woelden dat soo te samen, waer door het -een sterck hecht werck worde. Namen doe onse besaens-mars, saeghden -die midden door en setten de zijden soo verde van malkander als wy -de mars [271] wilden wijt hebben, en vulden de gaten toe met deelen -[272], soo dat de mars goedt werde. - -Waren alle daghen besich om onse dinghen weder te repareren, soo wel -in 't schip als aen landt. Wy hadden eenige ysers, gelijck sy inde -lijnbanen ghebruycken om tou-werck te slaen. Stelden een lijnbaen op 't -landt toe; hackten een van onse sware-touwen meest aen enden, dedense -los en sloeghen al ons loopende wandt daer af [273]. Verbesinghden -[274] ten naesten by een geheel tou. Voort namen wy onse cabel-touwen, -hacktense stucken en maeckten daer onse groote wandt van. Sochten -ons self alsoo te behelpen, het best dat wy konden. - -Het geruchte gingh daer wijt en breet door 't landt, dat wy daer waren; -daer op quamen d' inwoonders van wijt en zijt, dreven haer beesten voor -haer henen tot by ons, daer sy haer neer sloeghen. Stelden haer tenten -op, brochten ons alles wat sy hadden: appelen, lemoenen, ceteroenen -en melck, die sy eerst opwelden, eer sy die aen ons vercochten, -om dat sy niet mochte deuren, want was datelijck goor. Ruylden en -kochten oock van haer eenighe beesten. Haer visschers voeren t'zee en -brochten ons die vis, die wy van haer ruylden of kochten. Dit volck -waren ons heel toeghedaan; wesen ons, dat sy vyanden hadden op 't -selfde landt. Versochten door beduydinge, of wy haer wilden helpen, -soo souden sy ons alles doen wat sy konden. Hier viel oock was en -honigh; verkochten een deel aen ons. - -Wy verstonden uyt haer, dat haar coningh Spaens sprack, die een dagh -reysen 5 a 6 van daer woonde. Wy stuerden twee van onse maets nae -den coningh toe, om te vragen of hy ons eenige rijs wilde verkoopen; -de een was ghenaemt Abraham Stevensz. van Vlissingen, die goedt Spaens -sprack, met noch een ander jongh-man. Sy quamen by den coningh, wierden -van hem wel ontfangen. Sy deden haer boodtschap, versochten eenige -rijs te koop. Maer den coningh seyde, dat sy dat jaer seer ghequelt -hadden geweest vande sprinck-hanen, die de rijs meest opge-eten hadden; -het welcke voor my wel te gelooven was, want ick heb self gesien (nae -dat ick een stuck landtwaert in was geloopen), dat de sprinck-hanen -op quamen rijsen uyt het landt, offer een wolck quam aendrijven; -vloghen my op 't lijf en op de borst, soo dick by een dat ick mijn -aessem qualijck konde krijgen. Sy hadden vleugelen om te vliegen, en -op 't landt staende hiptense als andere hip-hanen. De coningh seyd', -datse altemet wel 3 a 400 mannen konden stellen, om de rijs te bewaren -en de sprinck-hanen daer van te houwen, maer hulp weynigh. Konden -daerom geen rijs krijgen. Wy saghen dat de inwoonders de sprinck-hanen -namen en streecken daer de vleugels af, leydense op 't vyer te braden -en atense op. Wesen ons dat wy 't mede doen souden, doch wy hadden -daer geen lust toe. De coningh quam nevens onse twee maets by ons by -'t schip; schonck ons vier beesten, daer voor wy hem twee musquetten -gaven. Seyde ons doe oock, dat hy gheen rijs missen mocht. - -Nae dat wy hier 11 dagen gelegen hadden, soo is den Heer Commandeur -Cornelis Reyersz. gestorven en inden Heer gerust. Begroeven hem op -een eylandt (dat voor inde Bay leydt) vol geboomte, onder een lustigen -groenen boom, de beste die wy vonden [275]. - -Op dit over-lijden is dit Veersken gepast: - - - De doodt die volght ons over al - En niemandt weet den tydt wanneer, - Noch waer dat hy ons treffen sal, - 't Zy Oost of West, dan Godt den Heer, - Maer wie hem met Godts wil vernoeght - Die is te vreen, hoe hy het voeght. - - -Onse musquettiers schooten driemael af over de begraeffenis, en uyt -het schip worden 5 schooten geschooten; namen doe onse afscheyt van -het graf. Trocken wederom aen 't werck, om onse scheeps-saecken klaer -te maecken. En alsoo het volck dickwils uytwegen en meerder wellust -als werck socht, en ick wetende in wat staet wy waren, vermaende het -volck alle daghen met soete woorden: "Mannen, laten wy doch ons beste -doen om klaer te worden, op dat wy onsen tijt hier niet versuymen, -want wy sijn maer voor 8 maenden ghevictalieert, en versuymen wy -hier onsen tijdt ende eten die victualie op, soo moeten wy weerom nae -Batavia"; en daer (wist ick wel) hadden sy geen sin aen. Sprack haer -derhalven een moet aen, en in plaets van gebieden most ick smeecken; -gelijck in sulcke gelegentheydt meermalen gheschiedt: Want wy hadden -noch veel werckx te doen. Hier wast met my gelijck alst met Scipio -Affricanus was, die (nae ick wel gehoort heb) dickwils plagh te -seggen: "ick ben nimmermeer min ledigh, dan als ick ledigh ben, en -nimmermeer min alleen, dan als ick alleenigh ben." Want ick hadde -'s nachts ghenoegh te doen met te practiseren, hoe wy 't des daeghs -souden aenleggen met maecken en toe-stellen, en om met vrede een yder -op sijn werck te stellen, soo dat de maets in 't eynde als overtuyght -wierden in haer gemoet, dat een yder sijn best dede, tot den 22. April -toe; doen waren wy wederom klaer en lagen, met de rees in 't cruys -[276], gereet om onse reyse te vervorderen. Haelden onse water-vaten -vol water, en ons volck kreghen soo veel appelen en lemoenen als een -yder in sijn koy konde bergen. - -D' inwoonders van dit landt waren meest heel swart; sommige hadden het -hayr by 't hooft hangen, sommighen ghekrult als schaeps-wol. De vrouwen -hadden 't hayr rontom 't hooft met kleyne vlechtjens ghevlucht en dat -smeerden sy met traen, dat het glom tegen de son, 't welck de mannen -meest mede deden. De meesten-deel hadden geen meer als een kleetjen -om de middel, om haer schaemte te bedecken, en sommige gingen heel -naeckt sonder schaemte. - -Den 23. dito besloten wy, om des anderdaeghs morgens met de landt-windt -t'seyl te gaen, maer inde selfde nacht sijnder twee van onse maets, -die de wacht hadden, met onse kleyne schuytjen aen landt ghevaren -en liepen wegh by de Swarten, dat wy haer niet konden vinden. Waren -daer in heel verwondert, want sy hadden het gantsche schip mede helpen -klaer maecken en liepen juyst den lesten nacht wegh, en dat by sulck -barbarisch volck, daer ick niet konde mercken datse van Godt of sijn -gebodt wisten. Eenen van dese wegh-loopers was genaemt Hilke Jopkis -uyt Vrieslandt, en den ander Gerrit Harmesz. van Norden. Wy maeckten -gissingh, datse haer te veel vermenght hadden met de vrouwen, die -door schoon-schijnende beloften haer herten ghetrocken hadden om daer -te blijven; want de vrouwen krachtige instrumenten sijn om de mannen -te verleyden: waer toe de exempelen onnoodigh sijn op te halen. Siet -alleen op Samson, David en Salomon. Wy saghen alhier veel kinderen -loopen, die bykans blanck waren, met blanckachtigh hayr by 't hooft -hangen; maeckten gissinge die van Hollanders toe ghestelt te wesen, die -voor ons wel meer in die Bay gheweest hadden. Die vrouwen waren heel -graegh om by ons volck te converseren, want hadder op dese plaets soo -wel wijn ofte bier te koop gheweest alsser vrouwen waren te krijgen, -wy hadden ons werck soo dra niet uytgherecht. Maer nu als sy by die -vrouwen hadden gheweest, quamen als lammeren mack weerom aen haer -werck. Dit segh ick van veele, de vromen uytgesondert [277]. - -Door 't wegh-loopen van dese twee maets is ons vertreck noch een dagh -langer getardeert, want wy liepen die dagh noch aen landt om haer -te soecken; kreghense wel in 't ghesicht, maer sy ons wijs wordende -liepen van ons af, soo dat wy haer daer mosten laten. - -Doe sijn wy den 25. April met de landt-windt t'seyl ghegaen; liepen -om de Suyd met redelijck weer, tot den 10. May, met een westelijcken -windt; kreghen veranderingh van wint en weer, met regen, den wint -heel ongestuymigh uyt den W.S.W. Wendent als doen Noordtwaert over; -vernamen dat wy noch soo veel dwangh van seyl achter niet en hadden, -dat wy aende windt konden over wenden [278]; liepen voor de windt -om en staecken by de windt over, om boven 't eylandt Madagascar te -seylen. Het weer nam alle daghen aen, met stercken W.S.W. wint, soo -dat wy onse marsseylen mosten in-nemen en lietent al deur staen [279] -boven Madagascar heen, tot dat wy het vaste landt den 28. May in 't -gesicht kregen, ghenaemt Terra de Natal. By 't landt komende wierdt -het moey weer met een klare lucht, maer de dijningen heel hol, die -vande Caep de Bonesperanse quamen afschieten. Wendent alsdoen van de -wal af, vernamen datter een harde stroom by de wal uyt-liep, die ons -nae de Caep toe trock; was een wonder om sien, dat het landt soo hart -vertierde [280], 't welck ons goede moet gaf om boven de Caep te komen. - -Kregen 's nachts weder onstuymigh weder met mist en regen, waer -door wy 3 a 4 daghen vande wal afliepen, met schovers-seylen [281]; -hadden den windt al westelijck met holle dijningen uyt alle oorden, -soo dat het schip sijn leden dickwils versette dat het kraeckte. Had -het geen sterck schip geweest, het had niet mogelijck gheweest om heel -te blijven. Doen het weer wat bedaerde, leyden wy 't weer Noordt-waert -over, nae de wal toe; konden door 't onstuymigh weer geen hooghte -nemen, doch lietent soo langh deurstaen dat wy 't landt sagen; -doen klaerdent weder op. Namen de hooghte en bevonden 35 graden, -waer uyt wy saghen, dat het het landt van de Caep Augueles was, -die op de hooghte van 35 graden leydt [282]. Wendent van de wal af; -kregen een W.S.W. windt met reghen; begon weder soo stijf te waeyen -en de zee liep soo teghen malcander aen en sloegh in 't schip, dat -het scheen het schip inde zee soude versmoren; doch door Godts genade -worstelden wy daer noch deur, dat geheel onghesien scheen. - -Dit duerde 4 dagen; lagen nu met een seyl en dan met twee -schovers-seylen by. Ons schip was soo stijf [283], dat wy sonder seyl -niet wel konden drijven. - -Den 6. Junij begon het water slecht [284] te worden en kreghen heel -goet weer. Namen de hooghte; bevonden 32 graden en 16 minuten, waer -uyt wy bevonden, dat wy boven of binnen de Caep de Bonesperance waren -[285], want de Caep leydt op 34 en een halve graad. Doe wierd' het -handt over handt sulck vast moy weer, dat het scheen dat wy inden -Hemel waren, daer wy te voren schenen inde Hel te wesen. En daer wy -te voren versuft en schier hopeloos waren, om boven de Caep te komen, -waren wy met de stroom tegen de windt aen met dat vreeselijck weer -daer boven gedrongen, tot onser aller verwonderinge; en daer wy te -vooren schier gheen of weynigh seyl konden voeren, konden wy nu wel -alwaert twee marsseylen hoogh voeren. Setten onse koers nae 't eylandt -Sancte Helena; kregen een S.O. en O.S.O. windt, met moye koelte. - -Den 14. Junij kregen wy het selfde in 't gesicht, daer in wy altesamen -seer verblijdt waren. Liepen dicht by de wal langhs. Om de hoeck -komende, alsmen na de Kerck-vley [286] toe komt, daer de waterplaets -is, saghen wy een Spaensche kraeck recht voor de Kerck-vley leggen. Soo -haest sy ons gewaer wierden, brochten sy een worp uyt [287] nae -'t landt toe, en korten met het achter gat dicht aen landt met sijn -ancker t'zee, en voerden datelijck eenigh geschut met de boots aen -landt en maeckten een batery op 't landt. Wy met het schip Hollandia, -hem te met naeckende, kreghen een dwarrel-windt, dewijl het landt seer -hoogh is en de winden over 't landt dwarrelden; konden hem daerom -niet beseylen of by hem komen, want ons voornemen was hem datelijck -aen boordt te legghen, sijn touwen af te hacken, en met hem in zee te -gaen. Haddent genoegh konnen doen, want sijn geschut lagh soo hoogh, -dat wy met ons schip wel onder sijn geschut konden legghen. Hadde onse -aenslagh geluckt, wy twijffelen niet of souden hem vermeestert hebben; -doch door de selfde dwarlinge quamen op een musquets schoot by hem. - -Wy manden onse sloep; stuerden den onder-coopman Harmen de Coningh -(was uyt den Haegh van daen) met een vreed-vaentje nae haer toe. Sy -dat siende manden haer boot metter haest en quamen ons volck inde moet -tusschen bey de schepen. Verpreyden malcander [288]. Vraeghden ons -waer wy van daen quamen. De onsen seyden van Java, en dat wy van ons -compagnie [289] verdwaelt waren, die wy alle uren verwachten. De onse -vraeghden waer sy van daen quamen; seyden: van Goa. Vraeghden vorder -(alsoo sy de waterplaets in hadden) of sy wilden toelaten, dat wy -quamen en haelden water, 't welck wy noodigh van doen hadden, en dat -hebbende soo wilden wy datelijck vertrecken. Waer op sy riepen: "Anda -pero, anda canaly," met veel smadighe woorden meer. Doe keerden ons -volck met de sloep weder nae 't schip; vertelden ons haer wedervaren. - -Daer op hebben wy datelijck den scheeps-raedt vergadert, overlegghende -wat ons hier te doen stondt. Vonden goedt dat de sloep datelijck weder -nae haer toe soude varen, om te vraghen hoe of sy haer beraden hadden: -of wy souden komen water halen ofte niet, en soo sy als vooren dat -niet wilden toestaen, soo souden sy wederom t'scheep komen, en men -soud' haer noch soo veel tijdt gheven om haer te bedencken, datmen een -glas [290] soude omkeeren, en soo sy eer 't uytgeloopen was quamen en -stonden ons versoeck toe, soo souden wy haer met vreden laten, en soo -niet, souden daer datelijck in branden [291]. Met dese resolutie is -de sloep weder met een vreed-vaen naer haer toe gheroeyt. Sy quamen -ons volck weder met haer boot in 't ghemoet. Daar stondt een munnick -met een kap op 't hooft in haer boot, die ons volck verpreyde. Onsen -onder-coopman De Coningh sijn reden ghedaen hebbende, kreegh verkeert -antwoordt als vooren: "Anda pero, anda canali! Wy willen jou hier -niet sien; wegh van hier!" Onse volck aen boort komende hebben dit -rapport aen ons gedaen. Doe lieten wy datelijck de klock luyden, -deden 't gebedt, setten een glas van een half uer op de spil, en soo -dra het selfde glas uyt was gheloopen en wy haer niet saghen komen, -hebben wy datelijck vyer op haer ghegheven met halve cartouwen [292], -daer van wyder elf hadden, en schoten inde kraeck dat het rammelde, -want hij goet te raecken was; sijn voor-schip ofte casteel was soo -'t scheen soo hoogh als ons voor-mars, alhoewel wy een schip hadden -van vijf hondert lasten. Wy schooten daer soo langh op, tot dat sy -weynigh meer uyt de kraeck schooten, maer met het gheschut, dat sy uyt -de kraeck op 't landt hadden ghehaelt en op haer ghemaeckte batery -hadden ghestelt, schooten sy ghestadigh in ons schip of syter met -handen in-leyden. Want elcke schoot wasser een, dat raeckte, 2, 3 a -4 voeten boven 't water, soodat wy vreesden, dat sy ons inde grondt -souden schieten; kregen oock eenige ghequetsten. Onder alle worde -onse onder-timmerman, ghenaemt Bokjen van Dort, beyde sijn beenen -afgeschoten; leefde noch een weynigh tijdts, maer storf datelijck; -waerdoor wy daer niet konden blijven leggen. Resolveerden een worp uyt -te brengen nae de wal toe, daer eenige klippen lagen. Korten achter -die klippen, tot dat wy vry van haer schieten waren vande batery. - -Wy lagen doen soo dicht aen 't landt, datmen met een steen konde op 't -landt smacken. Doen wert het nacht. Wy ontboden alle de officieren inde -kejuyt, met de bottelier daer by; vraeghden hem hoe veel water wy noch -hadden, en reeckenden het over hoe veel water dat wy van doen hadden, -wetende dat wy de Linie Equinoctiael noch mosten passeren, en dan kond' -het noch langh dueren eer wy in Hollandt quamen. Bevonden derhalven dat -wy niet meer als vier mutskens water daeghs konden geven. Over sulckx -vraeghden wy de officieren, ende d' officieren spraecken met het volck, -wat haer daer van docht: of sy wilden vechten als den desperaten tegen -de vyandt om 't water, die de water-plaets in hadde, dan of wy onse -reyse souden vervorderen nae 't Vaderlandt en te vreden wesen met -vier mutskens water 's daeghs. Dit aldus rontom gevraeght zijnde, soo -wierde eenstemmigh met alle officieren en boots-volck goedt ghevonden -onse reyse te vervorderen, te vreden wesende met 4 mutskens water -'s daeghs. Lichten datelijck ons ancker om t'seyl te gaen. - -Maer metten dagh, alsoo wy doende waren om van 't landt te boechseerden -[293], quamen de Specken boven op 't landt met musquetten en schoten -van boven neer in 't schip en nae de boot, datmen qualijck dueren -kond'; doch raeckten noch (met Godts hulp) vande wal af. Hadden wy daer -een uer langher gebleven, het soud sijn perijckel gheloopen hebben, -of wy niet veel volck verlooren souden hebben. - -Dese voorgemelde kraeck is (soo my naderhandt onderrecht is), door -dat wy hem soo ghetreft hadden, daer legghende, ghesoncken. Want daer -nae quamender noch ses Hollandtsche schepen aen om te ververschen, die -sagen hem inde grondt legghen en de Portugijsen hadden het goedt, soo -veel sy konden, op 't landt gheberght, nevens het geschut, 't welcke sy -op een batery hadden gestelt, die sy opgheworpen hadden. Daer schooten -sy soo gheweldigh van nae dese ses schepen, dat sy niet landen kosten; -mosten daerom, ghelyck als wy, sonder te ververschen vertrecken. - -Wy stelden onse koers N.W. aen, nae het eylandt Ascention toe, met -een goede wint en stijve voortgangh; doch sagen het niet. Alleen -sagen wy, doe wy vermoeden daer ontrent te wesen, een groote menighte -van zee-gevogelte. De wint begon al handt over handt aen te nemen, -soo veel als wy voeren mochten; met welcke stijve windt wy de Linie -Equinoctiael sonder hinder passeerden, daer wy op onse uytreyse wel -ses weecken over doende waren eer wy die passeeren kosten, meest met -stilte en dan altemet harde travaden [294], soo dat het scheen dat -het al stucken waeyen en reghenen sou, wat om en aen was. - -Den 12. September, nae dat wy drie daghen min als drie maenden van -St. Helena gheweest waren, quamen wy op de hooghte van 24 graden 34 -minuten benoorden de Linie Equinoctiael. Hier kregen wy oock beter -weer, dreven doe in stilte, trocken 's morgens na 't schaffen van -de vroo-kost te werck, gijden onse seylen op [295], schraepten en -boenden onse schip buyten om de groente af, want het was gheweldigh -ruygh bewossen [296]; hoopten dat het in 't seylen te beter veerd -soude maecken. - -Den 13. dito wast moy weer met een labber koelte uyt den O.S.O.; -gingen Noord-Oost ten Noorden aen. - -Den 15. dito S.S.W. windt, de koers als voren; namen 's middaeghs -hooghte en bevonden 28 graden Noorder-breete. Sloegen onse fock af -en sloegen een ander weder aen. - -Den 16. dito veranderden wy oock van voor-marsseyl; saghen veel -steen-kroos drijven; de koers als voren, met een moye doorgaende -S.W. windt. - -Den 17. dito namen wy de hooghte van 30 graden 48 minuten; veranderden -oock van groot marsseyl; met variable winden. Des nachts liep de windt -Noord Oost en Oost, met donder en blixem; namen onse marsseyls in. - -Den 18. dito setten wy onse marsseylen daer weder by, met onse blind'; -de koers N.O. Was mistigh en somtijdts regen; konden geen hooghte -bekomen. - -Den 19. dito begon het soo stijf te waeyen uyt den S.S.W. en S.W. dat -wy de marsseyls in-namen en onse blinde waeyde wegh. Onse groot seyl, -'t welck wy oock wilden in-nemen, sloegh oock stucken. Lietent met -de fock die nacht door-staen; teghen den dagh nam het weer af; setten -onse marsseyls daer weder by. - -Den 20. dito sloeghen wy een ander groot-seyl aen en een blind'; -namen hooghte, bevonden 35 graden 13 minuten Noorder-breete. - -Den 24. dito was een donckere lucht met reghen-kaken [297]; namen -onse bram-stengh af. - -Den 26. dito hadden wy de hooghte van 43 graden 12 minuten. - -Den 27. dito de windt S.W., de koers N.O. ten N. Des voormiddaeghs -quammer een duyf op ons schip vlieghen, doch door dat het volck soo -begeerigh waren hem te krijgen is hy op-gevlogen en viel in 't water -neer. Namen hooghte en bevonden 44 graden 53 minuten. - -Den 1. October wast moy weer, de wint O.S.O., de koers by de wint -over, N.O. ten N. aen. Namen 's middaeghs de hooghte van 48 graden -30 minuten, 't welck de hooghte is van Heysant [298]. - -Den 2. dito, 's morgens, sagen wy een seyl Noordt-West van ons, -ontrent 3 mijlen; gijden onse seylen op en wachten hem in. Recht -op de middagh quam hy by ons, verspraecken hem, was een Engelsman -dicht by Pleymuyden van daen, quam van Terneuf [299]. Wy kochten -twee duysent visschen van hem; haelden de schipper aen ons boord, -was genaemt Mr. Smal-Water. Gingen O. en O. ten Suyen aen; worde -reghenachtigh mottigh weer. - -Den 4. dito quam de Engelsman weer aen ons boort, die wy nae vermoghen -tracteerden; hadden de hooghte van 49 graden 46 minuten. - -Den 5. dito begon 't stijf te waeyen; onse fock waeyde stucken. Doe -dwaelde de Engelsman oock van ons. De windt was S.S.W. - -Den 6. dito sagen wy twee seylen, een dwars van ons en een achter -uyt. Gingen S.O. aen, om de Canael weder open te seylen. Hadden de -hooghte van 50 graden 20 minuten. - -Den 7. dito wast moy weer, de windt Suyen, de koers O.S.O.; sagen -geen schepen. Sloegen wederom een ander seyl aen. - -Den 8. dito hadden wy hooghte van 49 graden 42 minuten, de windt als -voren, doch liep welhaest West. De koers stelden wy S.O. ten O., worpen -doe, gelijck wy al eenige daghen van te vooren gedaen hadden, het loot, -maer konden gheen grondt bekomen. Recht nae de middagh sturf capiteyn -Strijcker; was capiteyn over de soldaten geweest, zijnde een vroom -[300] en uytnement persoon, wel geoeffent inde crijghs-handelingh; -was van de Rijn-kant van Wesel of daer ontrent van daen. - -Den 10. dito, des avondts, wierpen wy grondt op ontrent 70 vadem. - -Den 11. dito, des morgens, wierpen wy wederom grondt op 70 vadem en -des avondts op 60 vadem, met grau-achtigh sant. Hadden de hooghte -van 49 graden en 55 minuten, de wint Suyen; stelden de koers O. ten -N. en N.O. aen. - -Den 12. dito wierpen wy op 50 vadem grondt en continueerden alle vier -glasen met het loot te werpen. Hadden doorgaens 50, 52 a 53 vadem, -en des nachts wierpen wy 56 a 60 vadem, al wit grau en somtijdts wat -swarte sant-gront. Sagen doe oock een schip teghen ons overkomen, -doch worde soo mistigh dat wy hem weder verlooren. - -Des anderen daeghs was de windt Oost met nevelachtigh mistigh weer -en stilletjes. Een dagh 2 a 3 daer nae sagen wy landt, 't welck wy -bevonden Yerlandt te wesen. Liepen in Kin-Sael [301], daer een Engels -coninghs-schip lagh met twee laghen gheschut, en alsoo ick wist, -dat de Hollantsche Compagny, onse Heeren Meesters, met de Engelsche -in geen goede vriendtschap stondt, soo was ick beducht het volck -soo overvloedigh aen landt te laten gaen, vreesende voor eenigh -onghemack van dit coninghs-schip. Ick setten 't [302] zee-waert van -hem, dacht: soo hy eenigh spel maeckt, soo konnen wy de zee kiesen, -en soo hy ons daer vervolght soo sijn wy hem getroost. Ick voer dat -selfde aen boort, nooden de Overste in ons schip, die quam; vraeghde -hem nae alle ghelegentheydt, onder anderen oock of hy oock eenighe -last had om ons eenigh leet te doen. Hy antwoorde van neen; was met -ons vrolijck en wel. Ick was noch niet gherust, liet aen landt een -maeltijdt bereyden, nooden hem daer op, droncken malcander eens toe, -en onder de vrolijckheydt des maeltijdts her-vraeghde ick: of hy geen -last had om ons aen te tasten. Seyde wederom van neen; verhaelde dat -hy, terwijl wy daer ghelegen hadden, nae Engelandt geschreven had, -maer had geen last tot sulckx ghekregen; doch ick dorst daer op niet -veel vertrouwen. - -Ondertusschen quamen daer by ons twee Convoyers, die op ons kruysten, -die verstaen hadden dat wy daer laghen [303]. De eene was capiteyn -Jacob Jansz. van Edam en de ander was Pieter Gijsen van Rotterdam. Doe -was de rugh wat beter bewaert, oft het ten quaetsten wilde afloopen. - -Hier dus leggende liep het volck soo gheweldigh aen landt, dat ick -niet veel kans sagh om haer scheep te krijgen. Vermaendese, als ick -by de sommige was, dat sy doch scheep souden komen, dat wy onse reyse -dienden te vervorderen, dat het herfstdagh was, dat de winter op handen -quam en dat wy een vuyl, onbeniert schip hadden [304]. Vertoonden -haer de perijckel die daer was om met sulcken swaren schip soo laet -in de tijdt voor 't landt te komen; maer mochte weynigh helpen: het -volck bleef aen landt; 't scheen of sy al in 't Vaderlandt waren, -sy aten en droncken daer op aen. - -Ick gingh eyndelijck by den Meyer [305] vande stadt, vraeghden hem -offer gheen raedt soude wesen om ons volck aen boort te krijghen. Hy -seyde neen, dat hy geen en wist; maer doe ick sijn vrou gesproocken had -en die een stuckje fijn lijn-waet vereert had, doe seyde hy, als ick -hem andermael vraeghde, dat hy daertoe wel raet schaffen sou. Hy liet -datelijck een parthy trommels de stadt door-slaen en overal uytroepen, -dat yder soude gewaerschout wesen, wie eenige vande Hollanders vande -Oost-Indisch-vaerder meer als 7 schellinghen borghde, die soude dat -quijt wesen. Op dit roepen wierden de meeste part (alsoo haer schuit -al meer beliep) ter deuren uytgestooten; quamen by my. Ick wildese al -nae boord hebben, maer sy souden daer liever noch wat ghebleven hebben. - -Ick liet daer op de anckers op-winden, de seylen los maecken en begost -het gat uytwaert aen te seylen. Doe vielen sy in schuyten en ander -vaer-tuygh als mieren, en quamen aen boort. De waerden en waerdinnen -quamen oock aen boordt, spraken om haer gelt, 't welck ick haer dede -geven en op yders reeckeningh te boeck aen-teeckenen. Hadden doe al -ons volck weder scheep, behalven 3 a 4 man, die haer met vrou-volck -verlooft hadden, die sy daer nae trouden; die lieten wy daer -blijven. Gingen nevens de twee convoyers van daer t'seyl en quamen -met redelijcke spoet den 16. November Zeelandt in. De Heere heb lof -en danck, die my tot dus verre uyt soo veel perijckelen gheholpen -heeft, hebbende in 't geheel uyt geweest ontrent een maendt minder -als seven jaer. - - - -Hiermede hadde ick gemeent van schrijven op te houden, dewijle mijn -reyse voltrocken was. Maer alsoo ick voor verhaelt heb, dat het -schip Middelburgh den 22. Meert 1625 seer schadeloos [306] van ons -scheyden, met voornemen malcander inde Bay van St. Losie te vinden, -daer wy den 31. dito quamen en den 25. April weder van daen ginghen, -sonder in die tijdt noch op onse gheheele t' huys-reys hem gesien -noch van hem gehoort te hebben, noch naderhandt oyt te recht is -gekomen, soo moet ick (hoewel het juyst niet nootsaeckelijck aen -mijn reyse behoort, doch evenwel daer soo vreemt niet van en is, -dat den Leser my sal kunnen berispen mijn Journael met yets vreemts -en onbetamelijcx vergroot te hebben) den Leser mede-deelen het -gene hem t'sedert onse vaneen scheyden is weder-varen, nae de -seeckerste tijdingh en waer-schijnelijckste presumptie [307]. Te -liever aenveerd ick dese moeyten, om dat ick daer door oorsake sal -hebben om den naekomelinghen het eynde van onsen by yder vermaerde -Hoorense Willem Cornelisz. Schouten, mijnen bysonderen vriendt, mede -te deelen, dat tot yders ooren niet gekomen is, want hy (als geseydt -is) op dit schip Middelburgh was gegaen. De saecke dan is sulckx: -Terwijle wy inde Bay de St. Losie lagen, hoorden wy vande inwoonders, -datter een schip inde Bay van Antongiel lagh, doch wisten doe niet -seecker of het Middelburgh was of niet. Wy daer van daen gaende, -hoopten hem aen St. Helena te vinden of te verwachten, en daer door -de Spaensche kraeck (als verhaelt) niet aen konnende komen, voeren wy -voort om onse reyse te vervorderen. Naderhandt komt schipper Pieter -Gerritsz. Bieren-Broodts-Pot van Hoorn uit Oost-Indien aen de Caep de -Bonesperance, vindt daer brieven, die 't schip Middelburgh daer (nae -ghewoonte) ghelaten hadde, waer in verhaelt stondt, dat sy ghemeent -hadden de Bay van St. Losie te beseylen, als tusschen ons beslooten -was, maer waren soo veel te laegh gekomen, dat sy de Bay van Antongiel -aentroffen en in-liepen en haer daer weder van alles prepareerden -dat noodigh was, en dat daer eenige vande hare waren gestorven, -onder anderen oock die boven-ghenoemde Willem Cornelisz. Schouten, -die sy daer begroeven. - -Op welcks overlijden dit volghende vers gemaeckt is: - - - T'wijl Schouten in dees wer'lt, daer hy was op ghevoedt, - Geen rust en vond', maer staegh door inn'ge drift en lust - In d' and're wereldt was, met 't lijf of met 't ghemoedt; - 't Is billick, dat hij dan in d' and're wereldt rust - Van al sijn woelery. Rust dan, vermaerde Ziel, - In vreed' tot saligheydt; doch soo u groote gheest - Niet kan besloten zijn in d' enght van Antongiel, - Soo reyst (gelijck ghy hier in 't leven onbevreest - Van 't Oost nae 't Westen seyld' door een verborgen vaert [308] - De son een dagh en nacht verby in sijnen loop) - En stijght oock boven hem ten hooghen Hemel-waert - En rust in d' eeuw'ge rust by Godt en d' Heiige Hoop. - - -Hier was het eynde van desen waerden man. Dese brieven verhaelden -vorder van haer weder-varen, in 't particulier hoe sy gestelt waren -daer komende, daer leggende, en hoe en wanneer sy daer weder van daen -scheyden. Naderhandt en isser uyt haer noyt tijdinge gekomen, soo dat -het hier mede soud' opghehouden hebben, maer uyt de Portugijsen en uyt -Portugael is noch jonger tijdingh van haer gekomen, te weten: hoe dat -het schip Middelburgh voornoemt, komende by het eylandt St. Helena, -van twee kraecken omcingelt worde, waer teghen het wacker slaeghs -was, en schoot eyndelijck de eene kraeck inde brandt. De ander dat -siende quam sijn macker te hulp om de brandt te uytten, die sy, soo -verhaelt wordt, uyt kreghen, maer alsoo de Portugijsen vreesden door -dit krabbelen van het eylandt versteecken te worden en alsoo de nacht -aen quam, raeckten sy van malcanderen en lieten Middelburgh varen. - -Dit is de laetste tijdinge die van dit schip gekomen is; vermoede -sy onder wegen ghebleven of door dese slagh met de kraecken soo veel -ghekreghen hadden, dat sy daer van gesoncken zijn. Men soude oock wel -konnen vermoeden, dat sy door ghebreck van fictualie en ververschinghe -vergaen zijn, maer alsoo sy aen de Caep hadden aen geweest en haer -daer ververst, soo kan ick hier geen geloof in stellen. Het is hoe -'t is, altijdt ist een beklaeghelijcke saecke, dat sy niet te recht -sijn gekomen en verplicht my tot eeuwige danckbaerheydt, om dat Godt -my, te weten met het schip Hollandia, soo genadelijck uyt sulcke -ooghen-schijnelijcke perijckelen geredt en geholpen heeft. Bidde -hem dat sijn goetheyt over my mach continueren, van nu tot inder -eeuwigheydt. Amen. - - - EINDE. - - - - - - - -BIBLIOGRAFISCH OVERZICHT DER VROEGERE UITGAVEN, WELKE VAN BONTEKOE'S -"AVONTURELIJCKE REIJS" BEKEND ZIJN [309]. - - -Geordend naar de uitgevers. Voor de verschillen in titels, -tekst en illustratie van al deze drukken vergelijke men Tiele, -Mémoire bibliographique sur les Journaux des Navigateurs néerlandais -(Amsterdam, 1867), blz. 213 vgg., en Nederl. Bibliographie van Land- -en Volkenkunde (Amsterdam, 1889), blz. 40 vgg. De uitgaven welke bij -Tiele niet voorkomen zijn gemerkt met *. - - - -I. Journael ofte Gedenckwaerdige Beschrijvinghe etc. te Hoorn, voor -Jan Jansz. Deutel: 1646. - -id. tweede druk: 1648. - -Voor in dezen druk van 1648 wordt door Deutel een klacht gericht aan -zijn gildebroeders naar aanleiding van de hieronder vermelde nadrukken -(roofdrukken), te Utrecht en Rotterdam verschenen. De uitgaven van -Deutel zelf hebben op den titel het adres: Tot Hoorn, Ghedruckt by -Isaac Willemsz. Voor Jan Jansz. Deutel etc. Er bestaan echter ook -uitgaven van 1646 en 1648 met ditzelfde adres, doch bovendien achterin -de vermelding: t' Haerlem, Gedruckt by Thomas Fonteyn. Ik heb geen -exemplaar van deze herdrukken gezien en kan dus niet uitmaken of het -roofdrukken zijn, dan wel nieuwe uitgaven op last van Deutel te Haarlem -ter perse gelegd. Voor dit laatste schijnt te pleiten de mededeeling -van Tiele dat gebruik gemaakt is van dezelfde kopergravuren; maar -misschien is dit niet juist en zijn het nauwkeurige kopieën. - -II. te Utrecht, voor Esdras Willemsz. Snellaert: 1647 (twee -verschillende drukken). - -ald., voor de Wed. van Esdras Snellaert: 1651. - -III. te Rotterdam, bij Isaack van Waesberghe: 1647. - -IV. te Rotterdam, bij Jan Philipsz. van Steenwegen (zonder Raven): -1647*. - -V. te Amsterdam, voor Joost Hartgers: 1648 (twee verschillende drukken) -en 1650. - -VI. te Sardam, bij Willem Willemsz.: 1648. - -Misschien dezelfde editie als die van Hartgers, met ander adres. - -VII. te Amsterdam, bij Lucas de Vries: 1648*. - -te Utrecht, bij denzelfden: 1649 en 1655. - -VIII. te Amsterdam, bij Jan Jacobsz. Bouman: 1651 en 1659. - -IX. te Amsterdam, bij Michiel de Groot: 1654, 1667, 1672 en nog eens -zonder jaartal. - -X. te Dordrecht, bij A. Andriesz: 1655. - -XI. te Amsterdam, bij Abraham de Wees: 1656 en 1659. - -XII. te Amsterdam, bij de Wed. van Theunis Jacobsz. in de Lootsman: -1660, 1664 en 1681. - -ald., bij Casp. Lootsman: 1694. - -XIII. te Amsterdam, bij Gillis Joosten Saeghman: zonder jaar -(omstr. 1660-70); verschillende drukken. - -Met nieuwen titel: Journael van de acht-jarige avontuerlijcke reyse -van W. Yz. Bontekoe. Tekst bekort en zonder Raven. In deze uitgave -van Saeghman komt de afbeelding voor van den vogel Dodo (vgl. boven -blz. 34), welke houtsnede de bekende uitgever van reisjournalen ook -in de Tweede Reis van Spilbergen liet afdrukken. - -XIV. te Amsterdam, bij de Wed. van Gijsbert de Groot: 1692, 1696, -1700, 1708, 1716, 1730, benevens een paar herdrukken zonder jaartal. - -XV. te Utrecht, bij de Wed. van J. van Poolsum: 1701 en 1708*. - -XVI. te Amsterdam, bij J. Brouwer: 1722. - -XVII. te Rotterdam, bij H. van Bezooye: 1738. - -XVIII. te Dordrecht, bij Hendrik Walpot: 1740. - -ald., bij Adr. Walpot: 1766. - -ald., bij Adr. Walpot en Zoon: 1780. - -XIX. te Amsterdam, bij Isaac van der Putte: zonder jaar. - -ald., bij d'Erve Van der Putte: 1789. - -XX. te Amsterdam, bij J. Kannewet: 1756 en 1778. - -XXI. te Amsterdam, bij de Erven de Wed. Jacobus van Egmont: zonder -jaartal (tenminste twee drukken). - -XXII. te Amsterdam, bij Barent Koene: 1777 (?). - -ald., bij S. en W. Koene: zonder jaar (omstr. 1800). - -ald., bij B. Koene: zonder jaar (omstr. 1810). - - - -Behalve deze oude, nu meestal zeer zeldzame volksdrukken zijn er in -het begin der 19de eeuw nog een paar uitgaven verschenen. De laatste -volkseditie is die van J. H. van Lennep in Jan Davids Boekekraam: -"Journaal of Gedenkwaardige Beschrijving van de achtjarige en zeer -avontuurlijke reize van Willem Ysbrandtsz. Bontekoe van Hoorn, -gedaan naar Oost-Indiën, bevattende vele wonderlijke gevaarlijke -zaken hem op genoemde reize wedervaren. Het alles door hem zelven -beschreven". Haarlem, J. J. Weeveringh. 1860 (in kl. 4o.). - -In het geheel is de "Avonturelijcke Reys" van Bontekoe tot 1800 dus -meer dan 50 maal uitgegeven. - -Ook in het buitenland maakte het boek opgang: zoowel een Fransche als -een Duitsche vertaling zijn er van bekend. Verder verscheen o.a. een -Soendaneesche bewerking van het journaal door Raden Kartawinata -(te Batavia, 1874). - -Vier fragmenten werden door P. L. van Eck Jr. opgenomen in het deeltje -der "Zwolsche Herdrukken" No. 26: Van Janmaat en Jan-Compagnie (z. j.), -blz. 71-86.--Een uittreksel vindt men in de verdienstelijke uitgave -van Dr. M. G. de Boer: Van oude Voyagiën, Dl. III ("met Tasman en -Bontekoe"), Amsterdam 1913, blz. 1-39. - -Het eerste gedeelte van het journaal werd ook, met een bekorting, -bij wijze van inleiding op de "Liedjes van Bontekoe", afgedrukt -in de bloemlezing Gedichten van E. J. Potgieter, uitgegeven -door Th. J. Bosman (2e bundel, Klassiek Letterkundig Pantheon -no. 141.--Zutphen z. j.).--Wat aangaat de "Liedjes van Bontekoe" -moet nog opgemerkt worden: Bij no. 1 ("'t Passeren der Linie"), -dat in de dagen van onzen schipper het optreden van Neptunus bij het -passeeren van den Evenaar, met bijbehoorenden "doop" der nieuwelingen, -nog geen gewoonte was.--Bij no. 2 ("Roeltjen uit de Bonte Koe"), dat -het huis, waarin Willem Ysbrantsz. te Hoorn geboren werd en opgroeide, -geen herberg behoeft geweest te zijn. - - - - - - - -AANTEEKENINGEN - - -[1] Een Nederl. bron voor den Robinson Crusoë, Onze Eeuw, Oct. 1909. - -[2] Voor bronnen aangaande onze koloniale geschiedenis in de jaren -1621-'23 vgl. men ook: Kronijk van het Historisch Genootschap, -IX (1853): "Stukken van Jan Pietersz. Coen over den handel in -Indië".--XXVII (1871): "Grondig Verhaal van Amboyna, 1621", en -"Verhaal van eenige oorlogen in Indië, 1622". - -[3] Er wordt aan herinnerd, dat het bestuur der O. I. C. berustte bij -zes kamers, t. w. die van Amsterdam (waar 1/2 van het maatschappelijk -kapitaal gevestigd was), Zeeland, Rotterdam, Delft, Enkhuizen en -Hoorn.--De aanhef met een citaat uit de "klassijken", is naar de -gewoonte en naar den smaak van dien tijd, toen ook de gemeene man -zich gaarne door zulke geleerdheid liet imponeeren,--mits die niet -verder ging dan het eerste begin. De Edel Erentfeste Heeren krijgen -er hier bovendien nog een fraai slot bij! - -[4] Jan Huygen van Linschoten deed zijn vermaarde reis naar Indië -in Portugeeschen dienst in 1583-'92. Zijn "Itinerario, voyage ofte -schipvaert", welke in 1596 voor 't eerst in druk verscheen, werd door -Prof. Dr. H. Kern in de werken der Linschoten-vereeniging opnieuw -uitgegeven (2 dln., 's-Gravenhage 1910).--De tocht van Jacob van -Heemskerck en Willem Barentsz., om een weg naar Indië "benoorden om" -te zoeken, is door de overwintering op Nova Zembla (1596-'97) bekend -genoeg geworden. Het merkwaardige verhaal, dat Gerrit de Veer van -deze onderneming en van de twee tochten, die er aan voorafgingen, -opstelde, zag het licht onder den titel: "Waerachtige Beschrijvinghe -van drie seylagiën ter werelt noyt soo vreemt gehoort" (t' Amsterdam, -Ao. 1598).--Olivier van Noort is de eerste Nederlander, die de aarde -omzeilde. 12 Aug. 1598 passeerde hij met zijn vier schepen Straat -Magellaen en kwam in 1601 in het vaderland terug. ("Wonderlicke -Voyagie bij de Hollanders ghedaen", enz. Rotterdam 1602.)--Joris van -Spilbergen volbracht zijn beide tochten, nadat een eerste mislukt -was, in de jaren 1601-'04 en 1614-'17. Zijn tweede expeditie, met -zes schepen, is de tweede reis der Nederlanders om de wereld. Beide -reisbeschrijvingen zijn voor de eerste maal te zamen uitgegeven onder -den titel: "Oost- en West-Indische Spieghel der Nieuwe Navigatiën", -te Leiden 1619.--Willem Cornelisz. Schouten was de derde Hollander, -die met Jacob le Maire in 1615-'17 de wereld omzeilde. Over hem is -in het journaal van Bontekoe nog nader sprake. - -[5] Lucianus, Grieksch prozaschrijver uit de 2de eeuw n. Chr., gaf aan -zijn satirische tweegesprekken den titel "Droomen". Met Pantagoras -is de wijsgeer Pythagoras bedoeld; niet de echte wel te verstaan, -maar de verdichte, om wiens persoon zich in de middeleeuwen tal van -fabeltjes hadden gevormd. - -[6] Niet alleen in den loop der 17de eeuw, maar ook vroeger en -later, waren de verzonnen reisbeschrijvingen, waarin van de meest -onmogelijke wonderwezens sprake was, druk in omloop. Het genre begint -in onze letterkunde al met "Sinte Brandaen", en vooral de reis van -Mandevyl bracht het tot groote populariteit. Daarop wordt hier dan -ook gezinspeeld, blijkens de opsomming der gedrochten. Voor en na -was het steeds de pseudo-ontdekking van het z.g. Zuidland, waarop de -wonderverhalen zich gaarne baseerden, hetzij met hetzij zonder een -utopistische strekking. De geest van Bontekoe's oprecht verhaal verzet -zich inderdaad tegen dit boerenbedrog en tegen de prikkelliteratuur, -die ook toen al bestond. - -[7] "D'oceaan bouwen"; vgl. de uitdrukking "zee bouwen".--De profeet -Elia werd op bevel van God in de woestijn door raven gevoed (1 -Kon. 17: 2-6). - -De schrijver van dit klinkdicht behoorde tot een Hoornsche -zeemansfamilie en is vermoedelijk een bloedverwant van den schipper -Evert Cornelisz. Berckhout van Hoorn, wiens bodem "de Omval" in de -dagen van Bontekoe door den beruchten zeeroover Claes Compaen van -Oostsanen bij de Kaapverdische eilanden werd buit gemaakt. - -[8] Hen. - -[9] De maat van een volslagen Oostindievaarder van die dagen. Een -last is twee van onze tonnen. Men zou zich nu wel tien maal bedenken, -om op een schip van 1100 ton de reis naar Indië te ondernemen, en -dan om de Kaap nog wel! - -[10] "Hoofden": Heads.--"Noch al": nog steeds.--"Pleymuyen": -Plymouth. Onze visschers en veel van onze varenslui zijn nog steeds -gewoon van "Pleimuiden" en "Jarmuiden" te spreken. - -[11] Het "galjoen" is de ranke uitbouwing voor aan den boeg der -toenmalige schepen.--Met "boevenet" is hier niet het traliewerk -bedoeld, dat dit galjoen van onderen afsluit, doch blijkbaar het -hoogste verdek achter in het schip, eigenlijk "bovenet" geheeten. Over -het "boevenet" zie elders.--De "boegpoorten" zijn de twee voorste -geschutpoorten ter weerszijden van het schip. - -[12] De ruimte beneden het onderste plankier van het schip. - -[13] Te slaan. - -[14] "Brandende": in branding; wat men een "kokende zee" noemt. - -[15] Nog steeds. Vgl. boven, en voorts passim. - -[16] Brazilië was reeds in 1500 door den Portugees Cabral ontdekt -en werd in 1580 (na de verovering van Portugal onder Philips II) -Spaansch. Van 1624 tot 1654 was het in onze handen, doch werd -prijsgegeven. Het vaste land wordt hier echter niet bedoeld, doch het -eiland dat op oude kaarten als liggende tusschen Afrika en Z. Amerika -voorkwam. Dat Bontekoe aan dit denkbeeldige eiland "Atlantis", zij -het dan ook onder voorbehoud, nog geloofde, of het met den vasten -wal van Brazilië vereenzelvigde, is wel opmerkelijk. - -[17] De "halzen" zijn de touwen waarmede de onderzeilen worden -omgetrokken. - -[18] Dat is dus: boven het verdek. Vgl. de voorgaande bladz. - -[19] D.w.z. de steng, die anders boven op de groote mast gelascht is, -daarvan los te maken en door het marsgat naar beneden te laten zakken. - -[20] "Woelen": met touwwerk omwinden.--"Bovenste boevenet" -vgl. hiervoor. - -[21] "Schevielen": omloopen van den wind. - -[22] "Taliën" is takelen: met takels of katrollen aanhalen. Een talie -is een klein katrol. - -[23] Het grootzeil is het onderste razeil aan de groote, d.i. de -middelste mast. Het razeil daarboven heet het grootmarszeil; het -bramzeil is het bovenste razeil. Het bovenbramzeil werd in de eerste -helft van de 17de eeuw nog niet gevoerd; topzeilen komen eerst -in de 18de eeuw voor.--De masten die in het schip staan heeten de -ondermasten, kortweg masten; zij worden verlengd door de marsstengen, -die voor den grooten mast "groote steng" en voor den fokkemast -"fokkesteng" worden genoemd. Op de marsstengen staan dan weder de -bramstengen.--"Ree" = ra. - -[24] Vgl. de uitdrukking "kant en klaar". - -[25] Onder "verversinge" versta men: frisch water, maar vooral ook -groenten en ooft, waaraan op de lange reizen steeds behoefte was, -om scheurbuik onder het volk te voorkomen. - -[26] "Ilje de May" en "Ilje del Foege" zijn twee der Kaapverdische -eilanden. - -[27] Versta: overlangs, zoodat de beide helften plat tegen den mast -gebonden konden worden, als "wanghen". - -[28] "Vroo-kost", d. i. vroeg-kost: het eerste schaften aan boord. - -[29] Zetten onze marszeilen bij. - -[30] Buien, valwinden. - -[31] Abriolhos of Abrolhos: kaap en groep van lage rotsachtige -eilanden, op de kust van Brazilië, op 18° Z. br. - -[32] Boven, te boven. Versta: boven den wind, zoodat men de eilanden -te loevert kon passeeren. - -[33] "Yder bacx-volck": het volk van iederen bak, 6 a 10 man, waren -gehouden aan denzelfden bak te eten.--Spaansche wijn was de gewone -drank, die aan boord van onze schepen in de 17de eeuw bij extra -gelegenheden en 's Zondags geschaft werd. Het "oorlam" was in dezen -tijd wel reeds bekend, maar nog lang geen regel. Nog in 1793 leest -men in een officieel bericht, dat op de schepen der O. I. C. een -voorraad van 9 aam "genever" genoeg werd geacht voor 22 weken: -"doordien veele haar randsoen niet gebruyken". - -[34] Tristan d'Acunhe: voornaamste van een groep kleine eilandjes in -den Z. Atlantischen Oceaan. - -[35] Dus zonder miswijzing hoegenaamd. - -[36] "Ghebolde fock" is een gereefde fok met gevierde schooten. De fok -is het onderste razeil van den voorsten mast, die daarnaar fokkemast -genoemd wordt. Bij zwaar stormweer was men gewoon enkel voor de fok -te loopen, omdat in de 17de eeuw de driehoekige kluiver- en stagzeilen -nog niet voor de driemasters gebruikt werden. Zoo loopt op het bekende -storm-schilderij van Willem van de Velde in het Rijksmuseum het schip -voor een "gebolde fok", waarvan beide de schooten zijn losgeslagen. Dat -een schip op weg naar Oost-Indië de Kaap de Goede Hoop niet aandeed -is een uitzondering; meestal ging men in de Tafelbaai een paar dagen -voor anker om te "ververschen". - -[37] "Mayottes". De moderne naam van deze groep is: Comorische -eilanden, of kortweg Comoren. Zij liggen in het kanaal van Mozambique. - -[38] Het seinlicht, waarnaar het andere schip zich had te richten. - -[39] "Dragende houden": bestendige koers houden. - -[40] Het eiland Mauritius, in 1598 door de Nederlanders op de -Portugeezen veroverd en naar Prins Maurits genoemd, werd in 1710 door -ons verlaten en in 1715 door de Franschen bezet, die het Isle de France -noemden. In 1810 werd het door de Engelschen veroverd en draagt nu -weer zijn ouden naam.--'t Eiland de Mascarinas is het tegenwoordige -Réunion. In 1505 werd dit eiland, met Mauritius, door den Portugees -Mascarenhas ontdekt en naar dezen genoemd. Sedert 1649 is het Fransch. - -[41] Onstuimig was; doordat er vrij wat "zee ging". - -[42] "Schor": steil afloopend. Van een kust gezegd; waar men dus op -geringen afstand van den wal geen ankergrond meer kan vinden. - -[43] "Waernemen en bekooken": verzorgen en van warm eten voorzien. - -[44] D.i.: "van Damascus". Gedroogde pruimen werden, ook als -voorbehoedmiddel tegen scheurbuik, steeds in genoegzame hoeveelheid -meegenomen: volgens voorschrift tenminste één pond per man en per -maand. - -[45] Sloegen ze. - -[46] "Dod-eersen": geen pinguins, zooals men uit de beschrijving -geneigd zou zijn op te maken, doch de daarmee verwante tropische -vogel "dod" of "dodo", welke thans geheel is uitgestorven en zelfs -een poos lang voor mythisch werd gehouden. De vermelding te dezer -plaatse is merkwaardig. - -[47] "Meulen": knijpen, drukken. - -[48] Lieten het anker vallen. - -[49] "Vertuyen": voor twee ankers voor anker gaan, waarvan het -eene voor aan de plecht (plechtanker) en het andere (vertui-anker) -aan den achtersteven wordt uitgebracht. Op deze wijze kan het schip -met stroom of getij niet afzwaaien.--Men denke aan het slotkoor van -Hooft's Granida: "Liefd' en Min aen een vertuyt"; of waar hij elders -spreekt van "welige vlechten", die met "veel strickjens soo dertel -sijn vertuit". Jan Luyken zegt van zijn ziel (Antiopana, zijn lief, -toesprekende): "Want aen uw oogen is zij vast vertuyt". - -[50] "Boscharen" of "boschkaren": verzamelen, fourageeren. - -[51] "Lege-leggers": ledige watervaten. - -[52] Adriaan Martensz Block was in 1601 schipper op de Zwarte Leeuw, -een van de schepen waarmede Jacob van Heemskerck zijn tocht naar -O. I. deed. In Dec. 1611 stak hij zelf als commandeur met een smaldeel -in zee, bestemd naar Indië. Op deze reis, dezelfde waarvan hier sprake -is, ontmoette hij op de Afrikaansche kust een vloot van 17 Spaansche -oorlogschepen, die hij aangreep met het gevolg dat er slechts 4 de -tijding van de nederlaag in Spanje konden brengen. Een derden tocht -ondernam Block in 1627 met elf schepen, om J. Pz. Coen ondersteuning -te brengen. - -[53] Voedden zich. - -[54] "Worden" voor "werden"; ook elders. - -[55] Portugeesch "sagueiro" is zoowel palmwijn als de boom, die den -palmwijn levert (suikerpalm). Elders: "sageweer".--"Way" of "wei" is -de ondermelk van karnemelk. Vgl. Hooft's tweespraak tusschen Cephalus -en Amaryllis: - - C. Mijn harte gloeyt als vuir van binnen!-- - A. Wel neemt het soete weij van geijten inne. - -[56] D. i.: onder den wind. - -[57] Moesson-winden. - -[58] "Ontschieten": te machtig worden. In eigenlijke beteekenis -van een schoot of zeil gezegd, dat door te harden wind uit de hand -schiet.--"Invallen", n.l. de zieken. - -[59] Messen met koper hecht. - -[60] Savoyekoolen. - -[61] Dit moet eveneens een vrucht zijn. - -[62] "Krengen": het schip bij de masten overtakelen, zoodat het scheef -en zooveel mogelijk dwars op het water komt te liggen, waarna men -het van onderen kan schoonmaken en opnieuw teeren. In een geval als -dit werd volstaan met geschut en lading, zooveel doenlijk, naar eene -zijde te verplaatsen. - -[63] "Mutsje": nap van bepaalden inhoud. - -[64] "Steker": kandelaar met een punt, die in het hout kon vastgezet -worden.--"Boom" = bodem. Vgl. Vondel's: "Het is al boter tot den boôm". - -[65] "Dief": scheefbrandende kaarspit, die veroorzaakt dat het vet -gaat afdruipen. - -[66] Nl. van de verschansing. Het boevenet (bovenet) is het opperste -verdek achteruit. - -[67] Ontsteld. - -[68] Van benauwdheid. - -[69] Wij hieuwen daarna gaten in het tusschendek. - -[70] "Het water mannen" d.i.: de wateremmers van man tot man doorgeven. - -[71] Ontsteltenis. - -[72] "Rusten": dwarshouten buiten boord, waaraan het staande want, -dat de masten helpt overeind houden, bevestigd is. - -[73] "Gelderij": de open gaanderij achter aan den spiegel van het -schip, waar de kajuit op uitkwam. - -[74] "Sticken": stuk, aan stuk. - -[75] D.w.z. tegen den mast. Blijkbaar had men het schip laten -bijdraaien, om het vuur beter te kunnen blusschen. - -[76] In vanglijnen ("gijtouwen") opgenomen. - -[77] Overzeilen en in den grond varen. - -[78] "Naveger"; voor navegaar (avegaar), d. i. een groote houtboor, -waaraan van boven een kruk of dwarsstang is bevestigd.--Een "dopguds" -is een holle beitel. - -[79] D.i.: de emmers met water van elkaar overnamen en doorgaven, -bij het blusschingswerk. Vgl. boven. - -[80] "Manck": tusschen, onder.--"Borden": planken. - -[81] "Inneckhouten": inhouten of ribben. - -[82] "Loof": vermoeid, afgemat. - -[83] "Willen": zak van zeildoek of gevlochten touw, gevuld met werk -(of tegenwoordig meest met kurk), die buiten boord worden bevestigd -of gehangen, om te voorkomen, dat een boot of schip door stooten -tegen ander vaartuig of tegen den wal beschadigd wordt. - -[84] "Platting": van werk gevlochten bindsel, dat voor touw had te -dienen; "platting" genoemd, omdat het plat was en niet (als touw) -gedraaid.--"Geerden": de touwen waarmede de gaffel in zijn stand -wordt gehouden. - -[85] Een bolkvanger (later baaivanger) is een korte overjas, die -door zeelieden bij ruw weer gedragen werd.--"Bolk": hevige regenbui -of vlaag. - -[86] Zoowel op zee als te land tevens heelmeester, kortweg: "meester". - -[87] Zonshoogte namen. Op den "stock" was de graadverdeeling -aangebracht. "Cruys": verstelbaar dwarshout. - -[88] "Scheren": uitspannen. Vgl. den term "schering en inslag" bij -het weefgetouw. - -[89] "Blinde": het zeil dat de schepen van dien tijd voor onder den -boegspriet voerden. Vgl. het plaatje.--"Bezaen" is, zooals bekend, -het zeil van den achtermast. - -[90] Geweerkogels. - -[91] Overreedde hen, bracht hen daarvan af. - -[92] "Dookig" of "dijzig" = mistig; een "dikke" lucht, zooals de -zeelui nu gewoonlijk zeggen, hoewel de woorden dookig en dijzig nog -bekend zijn. Bogaers gebruikt het laatste in zijn "Schipper de Zwart." - -[93] De "voorlezer" was de godsdienstonderwijzer of wat iets later -"ziekentrooster" heet. De koopvaarders hadden meestal zulk een persoon -aan boord, om "het woord te bedienen"; grootere oorlogsschepen of -eskaders voerden doorgaans een "dominee". Was er geen predikant of -voorlezer aan boord, dan was de schipper, of bij het schaften de -stuurman, volgens instructie verplicht in het gebed voor te gaan en -'s Zondags de preek te lezen uit een "predicatie-boeck". Van welk -gehalte de zee-dominees soms waren, daarover kan een plaats verder -in dit journaal verrassend inlichten! - -[94] Klein anker, bootanker. - -[95] Vgl. boven blz. 35. - -[96] "Barning": branding. - -[97] Effen, kalm water. - -[98] "Toeback drincken": zooals men weet in de 17de eeuw de gewone -term voor "rooken". - -[99] Gewaar. - -[100] Wij ondervroegen elkaar. - -[101] Een "rejael" is een kleine Spaansche zilveren munt, -oorspronkelijk ter waarde van 3 1/2 stuiver. Behalve dubbele en -vierdubbele waren vooral de achtdubbele rejaelen in de Nederlanden druk -in omloop. Ze werden gewoonlijk "stukken van achten" genoemd en zijn -als "Spaansche matten" befaamd geworden! Vooral in O. Indië waren deze -stukken bij de inlanders zeer gewilde munt, zoodat de "Compagnie van -Verre" te Amsterdam ze dan ook in 1601 te Dordrecht liet aanmaken, -met eigen stempel en opschrift. Door de Staten van Zeeland werden -in 1602 te Middelburg eveneens "rejaelen van achten" geslagen. In de -eerste helft der 17de eeuw deden de "stukken van achten" of z.g. "heele -rejaelen" 47, later 48 of 50 stuivers. (Vgl. vooral J. E. ter Gouw, in -het Tijdschrift v. h. Kon. Ned. Genootschap voor Munt- en Penningkunde, -XIV, 1906.) - -[102] Zekerheid hadden, er op vertrouwden. - -[103] De bedoelde drank is arak: gegiste palmwijn, toddy. - -[104] "Haperen": druk en verward spreken. - -[105] Pagaai, schepriem. - -[106] Met gevlamde kling; een vorm dien de inlandsche krissen, zooals -bekend is, ook heden nog dikwijls vertoonen. - -[107] Oorspronkelijk wellicht "diefsack": binnenzak in een -mansbroek. In N. Holland is het woord nog gebruikelijk. - -[108] Druk te spreken. - -[109] Op deze passage dichtte Potgieter zijn tiental "Liedjes van -Bontekoe". - -[110] Wij kunnen geen schade, verlies verduren. - -[111] Voor hieuw; vgl. boven blz. 42. - -[112] Ontsteld. - -[113] Onklaar. - -[114] Assegaaien. - -[115] Vgl. boven blz. 32. - -[116] In één slag; zonder dat het noodig was te laveeren. - -[117] Niets. - -[118] Willem Cornelisz. Schouten: Hij had als schipper met Jacob le -Maire deelgenomen aan den bekenden tocht om de wereld in 1615--'17, -waarbij o. a. de Straat le Maire ontdekt werd. Het zeer merkwaardige -journaal van deze reis werd in 1618 reeds driemaal uitgegeven en voorts -in de 17de eeuw nog meer dan 15 maal herdrukt. Een Duitsche vertaling -verscheen eveneens reeds in 1618 en twee Fransche in hetzelfde -jaar. Een derde Fransche en een Latijnsche kwamen in 1619 uit. Alles -wel een bewijs, dat reisbeschrijvingen als deze in hun tijd lezenswaard -werden gevonden! Schouten overleed in 1625 op zijn terugreis naar het -Vaderland, in de "Baai van Antongiel" op de Oostkust van Madagascar, -zooals wij aan het slot van dit journaal zelf nog zullen zien. - -[119] "Glop": een open ruimte, doorgang. - -[120] "Peuren": trekken, gaan, zich begeven. - -[121] Hielden het voor een kraak. De kraak was een eigenaardig -Spaansch en Portugeesch scheepstype, hoog en hol, en nog op de oude -wijze gebouwd met een "kasteel" voor en achter. - -[122] Men zou kunnen twijfelen, of deze Frederik Houtman van Alkmaar, -die in Bontekoe's journaal ook beneden voorkomt, wel dezelfde is als de -broeder van Cornelis de Houtman van Gouda, den grondlegger van onzen -handel in de Oost. Frederik de H. vergezelde zijn broeder op beide -diens tochten in 1595--'97 en in 1598. Toen Cornelis in 1598 door -den koning van Achin werd omgebracht, bleef Frederik meerdere jaren -diens gevangene. Hij keerde in 1601 of 1602 naar het Vaderland terug -en vergezelde in 1603 den commandeur Steven van der Haghen op diens -Indische reis. In 1605 werd hij onze eerste Gouverneur op Amboina, -toen dat eiland door van der Haghen op de Portugeezen was veroverd -(Amboina is, zooals bekend, onze eerste bepaalde nederzetting in -de Oost).--Het lijkt haast uitgesloten, dat twee De Houtman's van -gelijken voornaam, tegelijkertijd in O. I. geweest zouden zijn, -beide met een zelfde gezag bekleed, zonder dat wij daarvan iets -zouden weten. Hoogstens zou men kunnen aannemen, dat Cornelis de -Houtman van Gouda en Frederik Houtman van Alkmaar geen broeders -doch neven waren. Echter noemt Frederik (Pietersz.) de Houtman van -Gouda in de voorrede van zijn werk "Spraeck ende Woordboeck inde -Maleysche en de Madagaskarsche Talen" (Amsterdam 1603) zich zelf den -broeder van Cornelis de Houtman. Hij maakte ook als sterrekundige -naam. In 1597 komt Frederik Houtman voor als gehuwd met Vroutje -Cornelisd. van Alkmaar. In 1625 legde hij zijn post in Indië voor -goed neder en keerde naar het Vaderland terug. Reeds vroeger was hij -te Alkmaar gevestigd geweest en overleed aldaar als schepen der stad -(blijkens zijn grafsteen) 21 Oct. 1627: "Frederick Pietersz. Houtman, -in syn leven geweest Gouverneur van Amboine .... etc." Sedert 1614 -was hij in de vroedschap gebracht.--Men merke op, dat een "kijcker -of bril" in de handen van den gouverneur-astronoom Frederik de -Houtman zeer goed past. Zulke instrumenten waren in het eerste -kwartaal der 17de eeuw nog hoogst zeldzaam en hoofdzakelijk voor -sterrekundige waarnemingen bestemd. De verrekijker was eerst in de -laatste jaren der 16de eeuw te Middelburg door Zacharias Jansen en -Johannes Lipperhey uitgevonden. Voor zoover mij bekend, is dit de -allervroegste vermelding van een verrekijker, die in de journalen -voorkomt. Het woord "bril" behoeft niet op een dubbelen kijker te -slaan.--"Gelderije": vgl. blz. 43. - -[123] Geen pleziervaartuig, doch een rank schip van kleiner tonnemaat, -zooals er aan schepen, die in admiraalschap uitvoeren, gewoonlijk -werden meegegeven, voor ophelderingsdienst, enz. - -[124] "By-setten": voorzien van. - -[125] Jan Pietersz. Coen was in October 1617 Laurens Reael als -Gouverneur-Generaal der O. I. C. opgevolgd. Bij de aankomst van -Bontekoe te Batavia (December 1619) was die stad niet langer dan zes -maanden geleden op de ruïne van het vermeesterde Jacatra gesticht. Den -30en Mei van datzelfde jaar toch had de inneming plaats gehad, onder -de aanvoering van Coen zelf. Zie de stukken, die op het beleg van -Jacatra en op de vestiging van ons gezag op Java betrekking hebben, -bij J. K. J. de Jonge, Opkomst van het Nederl. Gezag in O. Indië, -Dl. IV, blz. 138 vgg. - -[126] Beker. - -[127] Drink u toe. Ook in het volkslied: "Ick brenght u, haveloos -meyske". - -[128] Gresse of Grisse: een stad op Java, aan de Straat van Madoera. - -[129] Larantoeka, op de oostpunt van Flores, tegenover het eiland -Solor. - -[130] "Specken": het gewone scheldwoord voor de Spanjaarden in die -dagen.--"Mostiesen" voor mestiezen: kleurlingen. - -[131] Dit te ondernemen. - -[132] "Baets Jan". Bedoeld is het eiland Batjan, een der Molukken, -ten Z.W. van Djilolo (Halmaheira). - -[133] Afgelost. - -[134] Het eiland Boeton ligt ten Z.O. van Celebes. - -[135] "Java Minor": Madoera. - -[136] Djambi. - -[137] Koelies. - -[138] Versta: achter op het verdek, bij den spiegel van het jacht. - -[139] Macao: de Portugeesche nederzetting aan den mond van de -Canton-rivier; vgl. nader de Inleiding hiervoor.--"Incorpereren": -inlijven, bezetten. - -[140] Pescadores: eilandengroep tusschen Formosa en den vasten wal -van China, door de onzen als handelsbasis gebruikt en als zoodanig -van groot gewicht; totdat wij in 1624 Formosa zelf in bezit namen, -van welk eiland--door den heldendood van den predikant Anth. van -Hambroeck vermaard geworden--wij, zooals bekend is, in 1662 werden -verdreven; waarna wij geen moeite deden er ons opnieuw te vestigen. - -[141] Samenwerking met de Engelschen komt in dezen tijd, na het -verbijsterende succes van Coen, meer voor. Kort te voren waren zij ons -nog vijandig gezind geweest en zouden dit, uit verklaarbaren naijver, -weldra weer worden. - -[142] Voor anker moesten gaan. Vgl. boven blz. 35. - -[143] Ankergrond; grond waar men "het steken" kan. - -[144] De mededeelingen omtrent koers en vaarwater worden gedaan ten -dienste van mogelijke "nakomers". Men ziet, hoe de journalen ook in -dit opzicht bestemd waren van nut te zijn. - -[145] Het heeft geen zin de ligging van elk der hier en in 't vervolg -genoemde eilanden afzonderlijk aan te geven. "Poele" beteekent: -eiland. 't Land van Champay is het vaste land van Achter-Indië -(Cochinchina). - -[146] Deze zin is in het journaal, blijkbaar wegens het gewicht der -aanwijzingen, gecursiveerd. - -[147] Laagachtig. - -[148] Ook deze zin is in het journaal gecursiveerd. - -[149] Inham, baai. - -[150] Het eiland Ceceer de Tor ("met de steen-klippen") is nog heden -ten dage bekend om zijn eetbare vogelnestjes, die naar China worden -uitgevoerd. - -[151] Portugees of Spanjaard. - -[152] Naar den naam te oordeelen een veroverd vaartuig, evenals het -schip (jacht) St. Nicolaas. - -[153] "Aenhalen": enteren en buitmaken. - -[154] Coxbroad. - -[155] Vermoedelijk wel als belangstellende toeschouwers; vgl. beneden. - -[156] Exerceeren. - -[157] In den tekst staat "onsen commandeur Nieuwenroode", doch voor in -het journaal wordt den lezer verzocht "deze faut te verbeteren". Een -koopman Nieuwenroode was nochtans bij de onderneming inderdaad aanwezig -en diende in December van ditzelfde jaar (1622) en gedurende 1623 op -het schip van Bontekoe; zooals beneden op blz. 94 en 99 vg. blijkt. - -[158] Indien het. - -[159] In het geheel. - -[160] Pedro Blanco is een zeer klein eiland op de kust van China -(22°, 22' N.br.). - -[161] "Bey": baai.--"Steck-grondt" vgl. boven blz. 79. - -[162] Verzamelplaats, zooals de schepen toenmaals gewoon waren die -af te spreken. - -[163] Tayowan of Taiwan is de hoofdstad van Formosa en de Chineesche -naam voor het eiland zelf. Vgl. over onze vestiging aldaar blz. 78, -noot 2. - -[164] Kan. - -[165] Chincheo of Tsintsjoe. De lieden van dit zeegewest staan nog -bekend als de beste matrozen en kooplui van China. - -[166] Vgl. het Itinerario, in de uitg. der Linschoten-Vereeniging, -I, blz. 48 vgg. - -[167] Laag. - -[168] De "lijk" is het touw waarmede het zeil omboord is. Over het -voeren van de fok bij stormweer zie boven blz. 30. - -[169] "Af en aan houden": laveeren. - -[170] Inlandsch schuitje; ook beneden herhaaldelijk. - -[171] Uit deze mededeeling blijkt nauwkeurig van wanneer de versterking -der handelsbasis op de Piscadores dateert. Vgl. boven blz. 78. - -[172] Singapoor. - -[173] Vergaan was. - -[174] Niets. - -[175] "Setten": voor anker gaan. "Geset": geankerd. - -[176] 't Is opmerkelijk, dat het woord "hulde" hier nog in de oude, -middeleeuwsche beteekenis voorkomt van: welwillendheid, gunst, genade. - -[177] Nl. de zes andere van de boot. - -[178] Geslagen. - -[179] "Scampan" of "ciampan" (zie boven blz. 86): inlandsch schuitje. - -[180] Stukken, waaruit met steenen kogels geschoten kon worden. Te land -en voor grootere schepen was dit soort geschut al in onbruik geraakt, -maar voor bewapening van kleine vaartuigen is er nog in den loop van -de 17de eeuw sprake van. - -[181] Revanche. - -[182] Kleine kanonnen. - -[183] Een en twintig balen gedubbeld zijden garen. Van "fijn getweernd -linnen" is bijv. in de Staten-vertaling herhaaldelijk sprake, als in -'t boek Exodus aanwijzingen voor het maken van den Tabernakel worden -gegeven. Tegenwoordig meest "twijnen".--Een "kanasser" of "kanaster" -is een mat of korf van gevlochten biezen, zooals nog gebruikt wordt -voor emballage van tabak, suiker en thee. - -[184] Ontsteltenis. - -[185] Dwars met het boord. - -[186] T.w. de in vlammen staande jonk. - -[187] Een aardige "volksetymologie" van schipper Bontekoe voor: -"korte metten". Hij heeft er elders meer van die kracht. - -[188] Versta: voor het anker afzwaaide. - -[189] In 't midden van het water; versta: halfweg, in open zee. - -[190] Spuigaten, de gaten waardoor het opgepompte water uit het schip -wordt verwijderd. - -[191] Dreven meer af dan wij (met laveeren en opkruisen) konden -winnen.--"Overstuur zijn" en zich of anderen "overstuur maken" -behoort mede tot de zeemansuitdrukkingen, die in onze dagelijksche -omgangstaal zijn overgegaan. - -[192] "Verdubbelen": met een betimmering het schip van binnen onder -de waterlijn versterken. - -[193] D. i. waterdicht. - -[194] Over het leggen van een "wang" zie boven blz. 27. - -[195] Nl. de sloep, waaraan men werkte. - -[196] Werd nagelaten. - -[197] D.w.z. twee glazen lang, dus een uur. - -[198] Aan boord was het etmaal verdeeld in vier wachten, elk van -omstreeks zes uur: - -de eerste- of morgenwacht, van het vroegschaften tot den middag; - -de tweede- of dagwacht, van den middag (tweede schaften) tot 't -vallen van 't donker (in noordelijke en tropische zeeën tot zoolang -de schipper het gelast); - -de eerste nachtwacht of voormiddernachtwacht, van het afloopen der -dagwacht tot middernacht; - -de tweede nachtwacht of hondenwacht, van middernacht tot den morgen. - -Later werden zes wachten elk van vier uur ingevoerd. Het tellen en -afroepen der "glazen" begon met elke wacht opnieuw. Het "glas" was -oorspronkelijk de zandlooper, die achter op de campagne stond en elk -half uur gekeerd werd. Tegenwoordig worden de glazen afgeluid. - -[199] "Teysing" niet voor Taischöng, d. i. Formosa, doch een punt op -den vasten wal; vgl. de volgende blz. - -[200] Sloten zich boord aan boord aaneen. - -[201] "Napeuren": achterna gaan; vgl. boven blz. 69, noot 3. - -[202] "Opgijen"; vgl. boven blz. 44. - -[203] T.w. de ankertros.--"Catsje" is Kiatsu, op 22° 53' N.br. - -[204] Meer naar land toe. - -[205] Te onderzoeken. - -[206] Vermoedelijk doordat hij er een pijpje gesmookt had. "Toeback -drincken" was alleen boven op het verdek geoorloofd. - -[207] Een verdrag gesloten had. - -[208] Losprijs. - -[209] "Roopaert": affuit van een kanon.--"Bas": zie blz. 92. - -[210] Dat zal een stichtelijke Paaschpreek geweest zijn, die in de -ijzers werd voorbereid!--Wij lezen anno 1671: "Het is de eenighe taek -van de predicanten en krankbezoekers de kerken-dienst waer te nemen. De -raet doet hen in achting houden en niet bestraffen in 't bijzijn van -het volck, ten waer de misgreep grovelijck waer."--Dat Bontekoe op -15 Februari zijn eersten stuurman en nu weer den dominee in de boeien -laat zetten, bewijst dat hij met dat al een streng heer kon zijn. - -[211] Vgl. boven blz. 25. - -[212] In 't nauw brengen; insluiten en overvallen. - -[213] Zie boven blz. 43, noot 3. - -[214] Kuiten. - -[215] Boven blz. 85; over het fort vgl. blz. 87. - -[216] Dit is niet wel mogelijk: het getal schijnt veel te groot, -gezien dat Bontekoe zelf met 206 "eters" uitvoer; misschien hadden -de beide schepen samen zooveel volk verloren. - -[217] In een brief van 11 Mei 1621 had Coen aan de Heeren Bewindhebbers -der Compagnie om ontslag gevraagd. Volgens gemeenlijk gangbare -berichten vertrok hij van Batavia op 31 Januari 1623, met het schip -Dordrecht. Den 19 Sept. 1624 liep hij met vijf schepen in Zeeland -binnen. Alleen de peper, welke deze schepen in hadden, werd berekend op -19.000 balen, die voor 45 ton gouds werden verkocht. In het voorjaar -van 1627 zeilde Coen opnieuw naar Indië, kwam daar 27 Sept. aan en -overleed 20 Sept. 1629. - -[218] Over deze kolonisatie op Java is nog weinig bekend. - -[219] Om met ons te spreken. "Verspreken" beteekent in de scheepstaal -der 17de eeuw ook "praaien". - -[220] "Balie": tobbe. - -[221] Maakten de stukken vaardig. - -[222] Een "totock" is een door de Chineesche overheid aangesteld -commissaris of handelsagent. Het woord heeft thans gemeenlijk een -andere beteekenis, zooals bekend is. - -[223] Op 's lands vloot werden zij die op wacht slapende gevonden -waren, volgens de geldende ordonnantiën, enkel voor den mast geleersd, -d.w.z. met een eind touw op den blooten rug gegeeseld. Behalve -"leerzen" of "laarzen" kende men ook "britsen", 't geen met een dunner -touw geschiedde, zonder dat de kleeren werden uitgetrokken. Jongens -werden niet gegeeseld, doch ontbloot en met een bos dunne touwtjes of -twijgen gekastijd. De Ruyter "condemneerde" eens (in 1664, op 't schip -"de Spieghel") vier man, "die haer wacht verslapen hadden, om drie -weken lang voor het gantsche scheepsvolck stockvis te beucken"!--Van -de ra vallen of loopen (ook: van de ra dansen) geschiedde van een -tot zes malen: de veroordeelde moest in de groote mars klimmen en -vandaar de ra afloopende zich in zee storten, waarna hij weder werd -opgehaald.--Kielhalen is als een zwaardere vorm van deze straf te -beschouwen, waarbij de "delinquent" onder de kiel van 't schip door, -aan 't andere uiteinde der ra weder werd opgetrokken. Openlijke -insubordinatie en muiterij werd gewoonlijk aldus gestraft, of naar -omstandigheden ook strenger. Voor mindere ongehoorzaamheid, evenals -voor diefstal, werd na ondergane geeseling van de ree geloopen, doch -op het stelen van vivres stond als regel 't hangen ("executie met -den koorde"). Wie aan boord het mes trok, "in evelen moede", werd, -na meestal eerst te zijn gekielhaald en geleersd, met een mes door de -hand aan den mast gestoken, waarna hij moest blijven staan tot hij het -er zelf uittrok. Nog in 1667 werd deze straf op "de Zeven Provinciën" -toegepast. Wie "plockhaerde" of dronken was, werd geleersd en in de -ijzers gezet. Wie een ander doodde, werd zonder verschooning bij den -doode gelegd en met hem levend over boord gezet; in later tijd ook -"gearquebuseerd". Niet zelden ging een lijfstraf met korting der -soldij gepaard.--Aldus leeren de artikel-brieven en journalen. - -[224] Chineesch regeeringspersoon, gouverneur van een district. - -[225] Voor "Mandarijn". - -[226] "Uytrechten": beslechten. - -[227] Geschil. - -[228] Opdat. - -[229] Teyowan of Taiwan is de hoofdplaats van Formosa -(vgl. blz. 78). Dit had aldus de aanleiding kunnen worden, dat wij -daar reeds in 1623 een factorij vestigden. Nu werd het 1624, zooals -men weet. - -[230] Versta: Nederlandsch. - -[231] "Ostagiers": gijzelaars.--In margine staat hierbij de volgende -aanteekening: "Manderijns zijn gouverneurs of oversten; dan daer -sijn noch manderijns, die onder de opper-manderijn staen van de -Provincie: van sulcke schijnen dese drie gheweest te zijn." De -eigenlijke beteekenis van het woord manderijn is: raadsheer, -minister. Vgl. Linschoten, Itinerario I, blz. 91, noot. - -[232] Aan de Vecht, tusschen Loenen en Nieuwersluis, ligt nog een -oud kasteeltje Oudaen geheeten. Het Huis Oudaen binnen Utrecht is -welbekend. - -[233] T.w. de Commandeur met de andere afgevaardigden. - -[234] Bemerkt. - -[235] In het opschrift is de naam van 't schip van Bontekoe zelf -vergeten. - -[236] Nogmaals een gegeven voor de nauwkeurige dateering onzer -vestiging op Formosa; vgl. boven blz. 114. Het vertrek was aanvankelijk -voorloopig. - -[237] Een tropische vrucht. - -[238] Hier schijnt het journaal te zijn bekort: van 20 Nov. 1623 op -20 Febr. 1624. - -[239] Onhandelbaar, bij het overstag loopen. - -[240] "Dragende houden": rechtstreekschen, bestendigen koers houden. - -[241] Vgl. boven blz. 76.--Hier is weder een bekorting op te merken. - -[242] Vgl. boven blz. 69 vg. - -[243] Maakten een "slag" of "gang", bij het laveeren. - -[244] Afnemende noordwestering. Deze mededeeling slaat op de miswijzing -van het kompas; vgl. boven blz. 30. - -[245] "Voor een schoovers-fock met de blind", d.w.z.: voor een sterk -gereefde fok en voor de blinde (het kleine zeil onder de boegspriet -der toenmalige schepen; vgl. boven blz. 51).--Door den hevigen en -ongestadigen wind was het niet mogelijk op een vaste kompas-streek -koers te houden. - -[246] T.w.: het seinlicht (als "admiraalschip"), waarnaar de beide -andere schepen hun koers hadden te regelen. Vgl. boven blz. 31. - -[247] "Onder zee schieten", d. i.: met alle zeilen ingenomen zich op -wind en golven laten drijven. Dit geschiedde, als het schip door het -al te zware weer niet meer te hanteeren was, of als men bevreesd was -tuig te verliezen. - -[248] Nl.: stijf tegen de raas. - -[249] Dus te drie uur; vgl. boven blz. 98. - -[250] Boven het verdek; vgl. boven blz. 24 vg. - -[251] Vlak, effen. - -[252] "Rollen" van een schip: slingeren. - -[253] In verlegenheid bracht. - -[254] Om dit en het volgende te verstaan is een uitlegging noodig: -Onder op den bodem of "'t vlack" van het schip liggen dwarsbalken, -"liggers" genaamd, en daarover een planken vloer, die nog heden -"buikdenning" wordt genoemd en die den bodem van het ruim uitmaakt. De -ruimten tusschen de liggers, onder de buikdenning, heeten "wrangen" -en daarin monden de ondereinden van de pompen uit.--Omdat peper een -kostbare lading was, had men die niet onder in het ruim gestuwd, -maar boven een tusschenvloer ("genier"), waar de specerij, ook als -het schip water maakte, niet door het vocht kon worden aangetast. Op -dit genier lagen ook de van hun affuiten genomen kanonnen, die door -het slingeren van 't schip "gaende", d. i. aan het rollen raakten en -met hun "ooren" het plankier stuk stootten. - -[255] De "vullingen" zijn de losse schotten, die beneden in 't -schip scheef, langs de zijden, tusschen de inhouten of ribben zijn -aangebracht, om die tusschenruimten aan te vullen. Toen nu deze -"drijvende" werden, was het mogelijk, dat de door het plankier beneden -in 't ruim neerlekkende peper, langs de wanden van het schip, in de -wrangen raakte en daar de mondingen van de pompen verstopte. - -[256] Men verhielp dus het euvel door de pompen eenvoudig uit de -wrangen te trekken en op de buikdenning, dus op den bodem van het -ruim zelf te plaatsen. De benedeneinden werden in manden gezet, -om te beletten, dat de in het ruim omdrijvende peper de mondingen -opnieuw zou verstoppen. - -[257] Boven den wind. "In lij": onder den wind. - -[258] "De vleet" is alles wat achter een vaartuig, drijvende, wordt -meegetrokken. Thans nog in het bijzonder de naam van het sleepnet -dat ter haringvangst gebruikt wordt. - -[259] Effener. - -[260] Verschrikten. - -[261] Stompen op te richten. De noodmasten worden door Bontekoe hier -"stompen" genoemd. - -[262] Tegenwoordig Port St. Louis, ten Z. van de Baai van Antongiel. - -[263] Vgl. het Noorsch-Deensche "alligevel": alevenwel. - -[264] Indien. - -[265] Branding op eenige ondiepten. - -[266] "Schadeloos": met schade, averij. Een in de scheepstaal gewoon -woord. - -[267] De spuigaten, waardoor het water uit 't schip wordt verwijderd. - -[268] Gedoente. - -[269] Gerief, wat wij behoefden. - -[270] Een zwaluw. - -[271] Die dus voor den grooten mast pasklaar werd gemaakt. - -[272] Planken. - -[273] Stelden ons geheele loopende want daaruit samen (touw slaande). - -[274] Bezigden, verbruikten. - -[275] In latere drukken is toegevoegd: "'t Was een goet -man".--Prof. G. Kalff (Gesch. d. Nederl. Letterk. V, blz. 3) merkt -naar aanleiding van deze woorden met bewondering op: "Hoe treft ons -door hartelijken eenvoud dat uitzoeken van den besten boom; hoe sober -is dat trouwhartig slot!" - -[276] Vgl. boven blz. 94. - -[277] "Vroom": flink, van goed gedrag. - -[278] Versta: wij bemerkten, dat wij (met het herstelde tuig) achter -nog niet zooveel zeil voerden, dat wij bekwaam waren om door den wind -over, d. i. over stag te loopen. - -[279] "Het laten deurstaan": een koers vervolgen; vgl. boven blz. 30, -regel 9. - -[280] Aan ons voorbij schoot.--"Vernemen": bemerken. - -[281] "Schovers-seylen": dicht gereefde zeilen. Vgl. blz. 121: -"schovers-fock". - -[282] Kaap Agulhas; oostelijk van Kaap de Goede Hoop. - -[283] "Stijf schip": zwaar geladen, vast op 't water. - -[284] Effen, kalm. - -[285] De Kaap te boven; dus voorbij, omgezeild. Vgl. ook de voorgaande -blz. - -[286] Kerk-vallei. - -[287] D. i.: brachten (met een boot) een anker uit op eenigen afstand -van het schip, waardoor dit, door met het spil het ankertouw te winden -en in te korten, dichter onder den wal kon worden getrokken. - -[288] "Verpreyen", elders ook "verspreken": praaien. - -[289] Over het "in compagnie varen" van meerdere schepen vgl. hiervoor. - -[290] Versta: een zandlooper. De bedenktijd was dus een half -uur. Vgl. boven blz. 98. - -[291] "Branden": losbranden, vuur geven. Het werkwoord "vuyren" of -"vyeren" beteekent in de 17de eeuw nooit "schieten", doch "met lichten -seinen geven". - -[292] Stukken van gemiddelde zwaarte. - -[293] "Boegseeren": een schip, dat 't zij door windstilte, 't zij bij -gebrek aan ruimte geen zeil kan maken, met behulp van een roeiboot -in open vaarwater brengen. In dit geval was het boegseeren noodig, -omdat men lag onder de hooge klippen, in de luwte van het land. - -[294] Buien, rukwinden.--Vgl. over de uitreis blz. 28. - -[295] Over het "opgijen" der zeilen vgl. boven blz. 44.--"Vrookost" -blz. 28. - -[296] De "groente" is de plantaardige aanwas, die zich (met weekdieren) -onder aan de houten schepen vasthechtte en ze "vuil" maakte. - -[297] "Kaeck": bui. - -[298] Bedoeld schijnt Ouessant, schoon dit wat noordelijker ligt. - -[299] Terre Neuve, Terra Nova: New Foundland. - -[300] Dapper. - -[301] Kinsale, havenstad op de kust van Ierland, enkele uren ten -Z.W. van Cork; thans vervallen. - -[302] Ging voor anker. - -[303] "Convoyers" zijn schepen van oorlog, die gewoon waren de -koopvaarders tot voorbij de Spaansche kusten te vergezellen en op -de thuisreis weder in te wachten, om hen zoo noodig te beschermen en -te geleiden. - -[304] "Onbeniert": onhandelbaar bij het laveeren. Vgl. boven blz. 139. - -[305] "Mayor": burgemeester. - -[306] Beschadigd, met averij. Vgl. boven blz. 127, noot 2. - -[307] Uit dezen zin en den volgenden is merkbaar, dat wij niet met -den stijl van Bontekoe, doch met dien van Jan Jansz. Deutel te maken -hebben! Vgl. "Toe-eygeninghe" en "Voor-reden". Echter strekt het den -uitgever tot eer Bontekoe te hebben bewogen deze berichten aangaande -het schip Middelburgh aan het journael toe te voegen, dat zoodoende -een historisch slot bekwam. - -[308] Ziet op de ontdekking van de Straat le Maire; vgl. boven blz. 17. - -[309] Dit overzicht is met medewerking van Dr. G. J. Boekenoogen -samengesteld, wien ik verschillende aanwijzingen aangaande de oude -drukken te danken heb. - - - - - - -End of the Project Gutenberg EBook of Journael ofte gedenckwaerdige -beschrijvinghe van de OostIndische Reyse van Willem Ysbrantsz. Bontekoe, by Willem Ysbrantsz. Bontekoe - -*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK JOURNAEL *** - -***** This file should be named 53857-8.txt or 53857-8.zip ***** -This and all associated files of various formats will be found in: - http://www.gutenberg.org/5/3/8/5/53857/ - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg. - - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United -States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive -specific permission. If you do not charge anything for copies of this -eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook -for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports, -performances and research. They may be modified and printed and given -away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks -not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the -trademark license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country outside the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you'll have to check the laws of the country where you - are located before using this ebook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm web site -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The -Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm -trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org Section 3. Information about the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the -mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its -volunteers and employees are scattered throughout numerous -locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt -Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to -date contact information can be found at the Foundation's web site and -official page at www.gutenberg.org/contact - -For additional contact information: - - Dr. Gregory B. Newby - Chief Executive and Director - gbnewby@pglaf.org - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide -spread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works. - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our Web site which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. - |
